J U S T E L     -     Geconsolideerde wetgeving
Einde Eerste woord Laatste woord Wijziging(en)
Inhoudstafel 450 uitvoeringbesluiten 92 gearchiveerde versies
Einde Franstalige versie
 
belgiëlex . be     -     Kruispuntbank Wetgeving
Raad van State
ELI - Navigatie systeem via een Europese identificatiecode voor wetgeving
http://www.ejustice.just.fgov.be/eli/besluit/1993/08/27/1993082751/justel

Titel
27 AUGUSTUS 1993. - KONINKLIJK BESLUIT TOT UITVOERING VAN HET WETBOEK VAN DE INKOMSTENBELASTINGEN 1992, AFGEKORT ALS "KB/WIB 92". (OPGELET : het bijwerken van deze tekst is tijdelijk uitgesteld : gelieve de laatste wijzigingsreferentie in de tabel na te kijken, of de databank "FisconetPlus" raad te plegen)
(NOTA : Raadpleging van vroegere versies vanaf 09-02-1994 en tekstbijwerking tot 04-04-2003) Zie wijziging(en)

Bron : FINANCIEN
Publicatie : 13-09-1993 nummer :   1993082751 bladzijde : 20105
Dossiernummer : 1993-08-27/49
Inwerkingtreding : 01-01-1992

Deze tekst wijzigt de volgende tekst :1993082751       

Inhoudstafel Tekst Begin
HOOFDSTUK I. - GRONDSLAG EN BEREKENING VAN DE BELASTINGEN.
Afdeling I. - Kadastraal inkomen. - Revalorisatiecoëfficiënt. (Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992, artikel 13)
Art. 1
Afdeling II. - Fiscale voorwaarden inzake spaardeposito's. (Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992, artikel 21, 5°)
Art. 2
Afdeling III. - Forfaitaire raming van de kosten die aftrekbaar zijn van het bruto-inkomen uit verhuring, verpachting, gebruik en concessie van roerende goederen. (Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992, artikel 22, § 3)
Art. 3-5
Afdeling IV. - Vaststelling van het nettobedrag van de beroepsinkomsten. (Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992, artikelen 23, § 3, en 77)
Art. 6-11
Afdeling V. - Optiestelsel van landbouwvennootschappen. (Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992, artikel 29, § 2, 2°)
Art. 12-16
Afdeling VI. - Bezoldigingen van volledig, hoofdzakelijk of bijkomend met fooien bezoldigde werknemers - Belastbare minimumbezoldiging. (Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992, artikel 31, vierde lid)
Art. 17
Afdeling VII. - Forfaitaire raming van anders dan in geld verkregen voordelen van alle aard. (Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992, artikel 36, tweede lid)
Art. 18
Afdeling VIII. - (Afdeling VIII. PC-privé-plannen. (Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992, artikel 38, eerste lid, 17°).) <Hersteld bij KB 2003-03-25/37, art. 1, 093; Inwerkingtreding : 01-01-2003>
Art. 19-21
Afdeling IX. - Grenzen en voorwaarden voor belastingvrijstelling van waardeverminderingen en voorzieningen voor risico's en kosten. (Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992, artikel 48)
Art. 22-27
Afdeling X. - Forfaitaire aftrek voor uitzonderlijke beroepskosten ten gevolge van de afstand tussen de woonplaats en de plaats van tewerkstelling. (Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992, artikel 51, vierde lid)
Art. 28
Afdeling XI. - Interesten van obligaties, leningen, schulden, deposito's en andere effecten ter vertegenwoordiging van leningen. (Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992, artikel 55, eerste lid)
Art. 29
Afdeling XII. - Verantwoording van sommige beroepskosten. (Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992, artikel 57)
Art. 30-33
Afdeling XIII. - (Werkgeversbijdragen voor aanvullende verzekering tegen ouderdom en vroegtijdige dood (Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992, artikel 59, tweede en vierde lid).) <KB 1995-09-01/42, art. 5; Inwerkingtreding : 01-01-1994>
Art. 34-35
Afdeling XIV. - Degressieve afschrijvingen. (Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992, artikel 64)
Art. 36-43
Afdeling XIVbis. <Ingevoegd bij KB 2002-08-22/36, art. 1; Inwerkingtreding : 01-01-2003 (aanslagjaar 2003)> Beroepskosten met betrekking tot de verplaatsing tussen de woonplaats en de plaats van tewerkstelling (Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992, artikel 66bis, tweede lid).
Art. 43.1
Afdeling XV. - (Vrijstelling voor bijkomend personeel dat voor wetenschappelijk onderzoek, technologisch potentieel, uitvoer en integrale kwaliteitszorg wordt tewerkgesteld in België (Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992, artikel 67, § 5);) <KB 1999-06-09/46, art. 1, 055; Inwerkingtreding : 01-01-1997>
Art. 44-46
Afdeling XVI. - Investeringsaftrek. ((Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992, artikelen 69, § 2, 3e lid en 77)) <KB 2000-09-21/33, art. 1, 068; Inwerkingtreding : 01-01-1999>
Art. 47, 47bis, 48-49, 49bis
Afdeling XVII. - (...) <KB 1995-09-01/42, art. 8, 019; Inwerkingtreding : 01-01-1993>
Art. 50-52
Afdeling XVIII. - Belastingvrijstelling van prijzen en subsidies betaald of toegekend aan geleerden, schrijvers of kunstenaars. (Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992, artikel 90, 2°, tweede lid)
Art. 53
Afdeling XIX. - (Meerwaarden op onroerende goederen. (Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992, artikel 101, § 3)) <KB 1997-05-20/39, art. 2; Inwerkingtreding : 01-01-1997>
Art. 54
Afdeling XX. - Aftrek van uitgaven voor onderhoud en restauratie van beschermde onroerende goederen. (Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992, (artikel 104,) 8°) <KB 2000-10-16/32, art. 1, 069; Inwerkingtreding : 09-11-2000>
Art. 55
Afdeling XXI. - Aanrekening van de van het totale netto-inkomen aftrekbare bestedingen. (Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992, artikel 106)
Art. 56
Afdeling XXII. - (Instellingen die giften ontvangen. (Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992, artikelen 108 en 110)) <KB 2001-03-04/30, art. 1; Inwerkingtreding : 24-03-2001>
Art. 57-59, 59bis, 59ter, 59quater, 59quinquies, 60
Afdeling XXIII. - Aftrek van uitgaven voor kinderoppas. (Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992, artikel 113, § 2)
Art. 61
Afdeling XXIV. - Aftrek van interest van hypothecaire leningen aangegaan voor het vernieuwen van een woning. (Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992, artikel 115, 2°, b)
Art. 62
Afdeling XXV. - Aanrekening van de verliezen van één van de echtgenoot op de inkomsten van de andere echtgenoot. (Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992, artikel 129)
Art. 63
Afdeling XXVbis. - (Persoonlijke bijdragen voor aanvullende verzekering tegen ouderdom en vroegtijdige dood (Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992, artikel 145.3, derde lid).) <Ingevoegd bij KB 1995-09-01/42, art. 9; Inwerkingtreding : 01-01-1994>
Art. 63.1
Afdeling XXVter. - (Voorwaarden en wijze waarop de vermindering voor het lange termijnsparen wordt toegepast met betrekking tot premies van individuele levensverzekeringen en betalingen voor de aflossing of wedersamenstelling van hypotheekleningen (Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992, artikel 145.6, derde lid).) <Ingevoegd bij KB 1995-09-01/42, art. 10; Inwerkingtreding : 01-01-1993>
Art. 63.2-63.4
Afdeling XXVquater. - (Inlichtingen te verstrekken betreffende betalingen voor pensioensparen (artikelen 21, 8°, 145.10, tweede lid, 145.12, zesde lid, en 263, tweede lid, van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992).) <Ingevoegd bij KB 1995-09-01/42, art. 11; Inwerkingtreding : 01-01-1993>
Art. 63.5
Afdeling XXVquinquies. - (Voorwaarden tot toekenning en behoud van de erkenning van pensioenspaarfondsen (artikel 145.16, 1°, Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992).) <Ingevoegd bij KB 1995-09-01/42, art. 12; Inwerkingtreding : 01-01-1993>
Art. 63.6-63.9
Afdeling XXVsexies. - <KB 2002-04-02/41, art. 1, 088; Inwerkingtreding : 01-01-2002> Vermindering voor uitgaven betaald voor prestaties in het kader van plaatselijke werkgelegenheidsagentschappen en voor prestaties betaald met dienstencheques (Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992, artikel 14522)
Art. 63.10
Afdeling XXVsepties. - <Ingevoegd bij KB 2002-12-20/36, art. 1; Inwerkingtreding : 01-01-2004> Vermindering voor energiebesparende uitgaven (Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992, artikel 145.24)
Art. 63.11
Afdeling XXVI. - Voorafbetalingen - Belastingvermeerdering - Bonificatie. (Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992, artikelen 162, eerste lid, 167, 175 en 376, § 4)
Art. 64-72
Afdeling XXVII. - Omzetting in rente van kapitalen en afkoopwaarden. (Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992, artikel 169, § 1)
Art. 73
Afdeling XXVIIbis. <Ingevoegd bij KB 1999-05-13/44, art. 1; Inwerkingtreding : 01-01-2000> - Voorwaarden en grenzen van de vrijstelling van de technische voorzieningen (Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992, artikel 194bis).
Art. 73.1-73.4
Afdeling XXVIIter. <Ingevoegd bij AR 2003-02-06/30, art. 1; Inwerkingtreding : 01-01-2004> - Investeringsmodaliteiten in het kader van de investeringsreserve ingeval van inbreng van een tak van werkzaamheid of een bedrijfsafdeling of van een algemeenheid van goederen of ingeval van fusie of splitsing (Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992, artikel 194quater , § 6, eerste lid)
Art. 73.4bis
Afdeling XXVIIquater. - (Definitief belaste inkomsten (Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992, artikelen 202, § 2, tweede lid en 203, § 1, derde lid en § 2, zesde lid, 2°)) <KB 2003-02-13/33, art. 1, Inwerkingtreding : 01-01-2004> (NOTA 1: Ingevoegd bij KB 2000-11-29/33, art. 1; Inwerkingtreding : 28-11-2000 onder de titel "Erkenningsvoorwaarden waaraan een gecentraliseerd systeem voor het lenen en ontlenen van aandelen dat geïntegreerd is in een betalings- en afwikkelingssysteem van effectenverrichtingen moet voldoen en de periode gedurende dewelke de erkenning kan worden verleend (Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992, artikel 203, § 2, 6de lid, 2°)") (NOTA 2 : oude afdeling XXVIIter, hernummerd XXVIIquater door KB 2003-02-06/30)
Art. 73.4ter, 73.4quater, 73.5-73.12
Afdeling XXVIII. - Vaststelling van het belastbare inkomen inzake vennootschapsbelasting. (Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992, artikel 207)
Art. 74-79
Afdeling XXIX. - Vaststelling van het maatschappelijk kapitaal en van de waardeverminderingen, voorzieningen, reserves en meerwaarden ingeval de inbrengen niet volledig worden vergoed met nieuwe aandelen die naar aanleiding van de in artikel 21, § 1, van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 vermelde verrichtingen worden uitgegeven. (Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992, artikel 214, tweede lid)
Art. 80-82
HOOFDSTUK II. - VOORHEFFINGEN EN VERREKENING VAN VOORHEFFINGEN.
Afdeling I. - Roerende voorheffing. (Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992, artikelen 250, 300, § 1 en 312)
Art. 83-85
Afdeling II. - Bedrijfsvoorheffing. (Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992, artikelen (57,) 250, 271, 275, §§ 1 en 2, 300, § 1, en 312) <KB 1994-08-12/48, art. 7; Inwerkingtreding : 20-09-1994>
Art. 86-95
Afdeling III. - Roerende voorheffing op inkomsten van roerende goederen en kapitalen en op sommige diverse inkomsten.
Onderafdeling I. - Inkomsten van vreemde waarden, van schuldvorderingen op of van gelddeposito's in het buitenland. - Controlemaatregelen. (Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992, artikel 263, eerste lid)
Art. 96-101
Onderafdeling II. - (Vrijstelling van de roerende voorheffing). (Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992, artikel 264) <KB 2003-04-04/40, art. 1, Inwerkingtreding : 01-01-2001>
Art. 101bis, 101ter, 102-104
Onderafdeling III. - Volledige of gedeeltelijke verzaking van de inning van roerende voorheffing. (Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992, artikel 266)
Art. 105-119
Onderafdeling IV. - (In België in open bewaring gegeven aandelen aan toonder uitgegeven vanaf 1 januari 1994 - Voorwaarden en toepassingswijze voor het verkrijgen van een verlaagd tarief inzake roerende voorheffing (Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992, artikel 269, derde lid, b)). <Ingevoegd bij KB 1995-09-01/41, art. 1; Inwerkingtreding : 28-09-1995>
Art. 119bis
Afdeling IV. - Verrekening van voorheffingen.
Onderafdeling I. - Fictieve onroerende voorheffing. (Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992, artikel 278)
Art. 120
Onderafdeling II. - Fictieve roerende voorheffing. (Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992, artikel 284)
Art. 121-122
Onderafdeling III. - Mate van verrekening. (Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992, artikel 295)
Art. 123-125
HOOFDSTUK III. - VESTIGING EN INVORDERING VAN DE BELASTING.
Afdeling I. - (Aangiften. (Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992, artikelen 297, tweede lid en 300, § 1)) <KB 1997-07-06/35, art. 1, 1°; Inwerkingtreding : 01-01-1997>
Art. 125bis, 126-127
Afdeling II. - Kohieren. (Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992, artikelen 251 en 300, § 1)
Art. 128-136
Afdeling III. - Betalingen en kwitanties. (Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992, artikelen 250 en 300, § 1)
Art. 137-144
Afdeling IV. - Verjaring. (Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992, artikel 300, § 1)
Art. 145
Afdeling V. - Vervolgingen. (Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992, artikel 300, § 1)
Onderafdeling I. - Inleidende bepaling - Indeling van de vervolgingen.
Art. 146-147
Onderafdeling II. - Rechtstreekse vervolgingen.
Art. 148
A. Dwangbevel.
Art. 149-150
B. Uitvoerend beslag op roerend goed.
Art. 151-156
C. Beslag op tak- en wortelvaste vruchten.
Art. 157
D. Uitvoerend beslag op zeeschepen en binnenschepen.
Art. 158
E. Uitvoerend beslag op onroerend goed.
Art. 159-160
F. Aan de vier soorten van beslag gemene bepalingen.
Art. 161
G. Aan het uitvoerend beslag op roerend goed en het beslag op tak- en wortelvaste vruchten gemene bepalingen.
Art. 162-163
Onderafdeling III. - Onrechtstreekse vervolgingen.
A. Vervolgingen tegen derden-houders.
Art. 164-165
B. Aanwending van sommen die aan een belastingschuldige moeten worden teruggegeven of betaald.
Art. 166
Onderafdeling IV. - Met de vervolgingen belaste personen.
Art. 167-171
Onderafdeling V. - Vervolgingskosten.
Art. 172-174
Onderafdeling VI. - Algemene bepalingen.
Art. 175
Afdeling VI. - Opsporing van inbreuken. (Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992, artikel 300, § 1)
Art. 176
Afdeling VII. - Vestiging en invordering door de administratie van de belasting over de toegevoegde waarde, registratie en domeinen, van de belasting van niet-inwoners op meerwaarden op (...) onroerende goederen. (Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992, artikel 301) <KB 1997-05-20/39, art. 10; Inwerkingtreding : 01-06-1997>
Art. 177
Afdeling VIII. - (Vrijstelling van de aangifteverplichting in de personenbelasting. (Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992, artikel 306)) <KB 1994-05-09/40, art. 1; Inwerkingtreding : 01-01-1994>
Art. 178-179
Afdeling IX. - Aanwijzing van derden om mededeling te verkrijgen van informatiegegevens voor de uitvoering van een opdracht van algemeen belang. (Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992, artikel 314, § 4)
Art. 180-181
Afdeling IXbis. - (Aanwijzing van ambtenaren van andere fiscale administraties die bevoegd zijn om onderzoekingen uit te voeren (Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992, artikel 334bis).) <Ingevoegd bij KB 1995-04-04/34, art. 1; Inwerkingtreding : 01-01-1993>
Art. 181bis
Afdeling X. - Minimumwinst van buitenlandse firma's. (Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992, artikel 342, § 2)
Art. 182
Afdeling XI. - Fiscale Commissies. (Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992, artikel 347)
Art. 183-198
Afdeling XII. - Bepaling van het belastbare tijdperk voor de personenbelasting, vennootschapsbelasting, rechtspersonenbelasting, belasting van niet-inwoners en voorheffingen, en van de inkomsten die daartoe behoren. (Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992, artikel 360, tweede lid)
Art. 199-206
Afdeling XIII. - (Maatregelen betreffende de werkzaamheden van koppelbazen. (Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992, artikelen 403, 404 en 406)). <KB 1998-12-26/31, art. 20, 049; Inwerkingtreding : 01-01-1999>
Art. 207-210
Afdeling IIIBis. - (Inning door de administratie van de belasting over de toegevoegde waarde, registratie en domeinen, van de bedrijfsvoorheffing op meerwaarden verwezenlijkt op onroerende goederen door niet-inwoners in het kader van hun beroepswerkzaamheid.) <Ingevoegd bij KB 1997-01-10/42, art. 5; Inwerkingtreding : 01-01-1997>
Art. 210bis, 210ter
Afdeling XIV. - Zakelijke zekerheid en persoonlijke borgstelling. (Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992, artikel 420, § 1)
Art. 211-219
Afdeling XV. - Verplichtingen van kredietinstellingen of -inrichtingen. (Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992, artikel 443)
Art. 220-224
Afdeling XVI. - Schaal van de belastingverhogingen. (Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992, artikel 444)
Art. 225-229
HOOFDSTUK IV. - BELASTINGWEZEN VAN DE PROVINCIES, DE AGGLOMERATIES EN DE GEMEENTEN. (Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992, artikelen 300 en 469)
Afdeling I. - Provinciale belastingen.
Art. 230
Afdeling II. - Aanvullende agglomeratie- en gemeentebelastingen.
Art. 231-233
HOOFDSTUK V. - OVERGANGSBEPALINGEN.
Afdeling I. - Inhouding van een gedeelte van de roerende voorheffing. (Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992, artikel 507, derde lid)
HOOFDSTUK IVbis. - Bijzondere invorderingsregels inzake de toekenningen aan de provincies, de agglomeraties en de gemeenten (Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992, art. 470bis). <ingevoegd bij KB 1999-03-10/41, art. 1, Inwerkingtreding : 1999-04-17>
Art. 233bis
HOOFDSTUK V. - OVERGANGSBEPALINGEN.
Afdeling I. - Inhouding van een gedeelte van de roerende voorheffing. (Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992, artikel 507, derde lid)
Art. 234
Afdeling II. - Herschatting voor de berekening van de afschrijving van bepaalde activa die zijn verkregen of tot stand gebracht voor de normale datum van afsluiting van de laatste jaarbalans opgemaakt voor 31 december 1940 en die nog in gebruik waren op de normale datum van afsluiting van de laatste jaarbalans opgemaakt voor 31 december 1946. (Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992, artikel 511, § 2)
Art. 235-253
Bijlagen.
Art. N1-25N2, N2bis, N3-N5
OVEREENSTEMMINGSTABELLEN.
Art. N6-N7

Tekst Inhoudstafel Begin
HOOFDSTUK I. - GRONDSLAG EN BEREKENING VAN DE BELASTINGEN.

  Afdeling I. - Kadastraal inkomen. - Revalorisatiecoëfficiënt. (Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992, artikel 13)

  Artikel 1. De in artikel 13 van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 vermelde revalorisatiecoëfficiënt voor kadastrale inkomens wordt per aanslagjaar vastgesteld zoals in de volgende tabel is aangegeven :

  
AanslagjaarRevalorisatiecoefficient
19852,25
19862,40
19872,50
19882,50
19892,55
19902,60
19912,70
19922,80
19932,88
[19942,95]
<KB 1993-10-22/33, art. 1; Inwerkingtreding : 01-01-1994> 
[19953]
<KB 1994-02-18/35, art. 1, 003; Inwerkingtreding : 01-01-1995>
[19963]
<KB 1995-03-20/36, art. 1, 015; Inwerkingtreding : 01-01-1996>
[19973,05]
<KB 1996-03-06/34, art. 1, 027; Inwerkingtreding : 01-01-1997>
[19983,10]
<KB 1997-02-26/30, art. 1, 035; Inwerkingtreding : 01-01-1998>
[19993,12]
<KB 1998-12-17/63, art. 1, 050; Inwerkingtreding : 01-01-1999>
[20003,15]
<KB 1999-10-29/33, art. 1, 058; Inwerkingtreding : 01-01-2000>
[20013,19]
<KB 2000-11-23/32, art. 1, 070; Inwerkingtreding : 01-01-2001>
[20023,26]
<KB 2002-02-04/30, art. 1, 085; Inwerkingtreding : 01-01-2002>
[20033,35]
<KB 2003-01-23/30, art. 1, 090; Inwerkingtreding : 01-01-2003>



  Afdeling II. - Fiscale voorwaarden inzake spaardeposito's. (Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992, artikel 21, 5°)

  Art. 2. Om voor de toepassing van artikel 21, 5°, van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 in aanmerking te komen, moeten de in dat artikel vermelde spaardeposito's aan de volgende vereisten voldoen :
  1° (de spaardeposito's moeten (in euro) zijn uitgedrukt); <KB 1997-10-13/31, art. 1, 040; Inwerkingtreding : 30-10-1997> <KB 2000-07-20/63, art. 6, 077; Inwerkingtreding : 01-01-2002>
  2° van de spaardeposito's kunnen, rechtstreeks of via een zichtrekening, slechts opvragingen worden gedaan voor volgende verrichtingen :
  a) terugbetaling in specie;
  b) transfer of overschrijving, niet krachtens een doorlopende opdracht uitgevoerd, naar een rekening op naam van de titularis van het spaardeposito;
  c) transfer naar een spaardeposito bij dezelfde instelling, op naam van de echtgeno(o)t(e) of van een familielid tot en met de tweede graad van de titularis van het spaardeposito;
  d) betaling van sommen, door de titularis van het spaardeposito verschuldigd in kapitaal, interesten of bijhorigheden wegens leningen of kredieten toegekend door dezelfde instelling of door een inrichting die door dezelfde instelling wordt vertegenwoordigd;
  e) betaling, aan de instelling-depositaris, van verzekeringspremies en kosten betreffende het spaardeposito, van de prijs voor aankoop van of inschrijving op effecten, van de huur voor een safe en van een bewaarloon voor effecten in open bewaargeving;
  3° (de opvragingsvoorwaarden dienen te voorzien in de mogelijkheid voor de instelling-depositaris de opvragingen afhankelijk te stellen van een opzeggingstermijn van 5 kalenderdagen wanneer zij (1.250,00 EUR) (...) overtreffen en ze te beperken tot (2.500,00 EUR) (...) per halve maand); <KB 1997-10-13/31, art. 2, 040; Inwerkingtreding : 30-10-1997> <KB 2000-07-20/63, art. 3, 075; Inwerkingtreding : 01-01-2002> <KB 2001-07-13/52, art. 3, 083; Inwerkingtreding : 01-01-2002>
  4° a) de vergoeding van de spaardeposito's bestaat verplicht maar ook uitsluitend uit :
  - een basisrente;
  - een getrouwheidspremie en/of een aangroeipremie;
  b) de basisrente, de getrouwheidspremie en de aangroeipremie worden berekend tegen een rentevoet uitgedrukt op jaarbasis. Zij worden eens per jaar in rekening gebracht.
  (De deposito's brengen rente op ten laatste vanaf de kalenderdag die volgt op de storting en brengen geen rente meer op ten vroegste vanaf de zevende kalenderdag die de opvraging voorafgaat.
  Bij opvraging na een storting worden evenwel het gestorte bedrag en het opgevraagde bedrag gecompenseerd voor de berekening van de rente wanneer ingevolge de toepassing van het vorige lid, de dag vanaf wanneer de storting rente opbrengt zich situeert na de dag vanaf wanneer de opvraging geen rente meer opbrengt.) <KB 1999-12-31/32, art. 1, 062; Inwerkingtreding : 21-01-2000>
  Aan de titularis van een spaardeposito mag geen debetrente worden gevraagd.
  De getrouwheidspremie wordt toegekend, ofwel voor de bedragen die gedurende 12 opeenvolgende maanden op dezelfde rekening ingeschreven bleven, ofwel per kalenderjaar, voor de bedragen die gedurende ten minste 11 opeenvolgende maanden van datzelfde kalenderjaar op dezelfde rekening ingeschreven bleven.
  De aangroeipremie wordt toegekend voor de aangroei van het bedrag van de spaardeposito's op dezelfde rekening; zij mag niet worden toegekend voor de kapitalen die reeds de getrouwheidspremie genieten. De periode waarin die aangroei moet behouden blijven om de aangroeipremie te kunnen verkrijgen mag niet minder dan 6 maanden bedragen.
  De getrouwheidspremie en de aangroeipremie worden pro rata temporis per ondeelbare vaste periode van ten minste een halve maand toegepast;
  c) de basisrentevoet die een instelling voor de ontvangen spaardeposito's toekent, mag 4 pct. niet overschrijden.
  De rentevoet van de getrouwheidspremie en de rentevoet van de aangroeipremie mag niet hoger liggen dan 50 pct. van de maximale basisrentevoet waarvan sprake in het vorige lid. Indien dit percentage niet gelijk is aan een veelvoud van een kwart percent, wordt de rentevoet van de getrouwheidspremie of van de aangroeipremie op het lagere kwart percent afgerond;
  d) bij instellingen opgericht in de vorm van een coöperatieve vennootschap mag de getrouwheidspremie voor de spaardeposito's van coöperatoren, geheel of gedeeltelijk, maar maximaal tot 15 pct. van de maximale basisrentevoet, worden vervangen door een coöperatortoeslag berekend op dezelfde wijze als de basisrente.
  Indien het in het eerste lid vermelde percentage niet gelijk is aan een veelvoud van een kwart percent, mag de rentevoet van de coöperatortoeslag naar het hogere kwart percent worden afgerond.
  Voor de toepassing van c, tweede lid, wordt de rentevoet van de coöperatortoeslag op de rentevoet van de getrouwheidspremie of op de rentevoet van de aangroeipremie toegerekend;
  e) bij terugbetaling, op de contractuele vervaldag of na die vervaldag, van spaardeposito's gevormd ter uitvoering van een contractueel spaarplan met een duur van tenminste 3 jaar en waarbij de titularis zich ertoe verbindt maandelijks een bepaald bedrag op zijn spaardeposito te storten, zijn de in b, tweede en derde lid, vermelde termijnen niet van toepassing;
  5° in de publiciteit omtrent de vergoedingsvoorwaarden van de spaardeposito's, mogen de bestanddelen van de vergoeding niet worden opgeteld. Tevens moeten zij afzonderlijk worden vermeld en onmiddellijk gevolgd worden door de vermelding dat ze op jaarbasis worden berekend.

  Afdeling III. - Forfaitaire raming van de kosten die aftrekbaar zijn van het bruto-inkomen uit verhuring, verpachting, gebruik en concessie van roerende goederen. (Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992, artikel 22, § 3)

  Art. 3. Om het netto-inkomen uit verhuring, verpachting, gebruik en concessie van roerende goederen te bepalen, worden de kosten die zijn gedragen om die inkomsten te verkrijgen of te behouden bij gebrek aan bewijskrachtige gegevens forfaitair vastgesteld op 15 pct. van het brutobedrag, wanneer de verkrijger :
  1° een rijksinwoner is of enigerlei vennootschap, vereniging, inrichting of instelling die in België haar maatschappelijke zetel, haar voornaamste inrichting of haar zetel van bestuur of beheer heeft, en die goederen niet voor het uitoefenen van de beroepswerkzaamheid van de verkrijger worden gebruikt;
  2° een niet-inwoner is als vermeld in artikel 227, van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992, en gezegde goederen door die niet-inwoner niet voor de beroepswerkzaamheid worden gebruikt die hij in een in België gelegen inrichting uitoefent.

  Art. 4. Het in artikel 3 vermelde forfait wordt gebracht op :
  1° 50 pct. wanneer het verhuring betreft van :
  a) toneeldecors en -kostuums;
  b) roerende goederen die gemeubileerde woningen, kamers of appartementen stofferen; ingeval een gezamenlijke huurprijs voor de roerende en onroerende goederen is bedongen, wordt het bruto-bedrag van de belastbare inkomsten van de roerende goederen geacht 2/5 van die huurprijs te bedragen;
  2° 85 pct. wanneer het gaat om :
  a) verhuring van partituren, libretto's en andere gelijkaardige voorwerpen die deel uitmaken van orkestmaterieel voor schouwburgvoorstellingen;
  b) concessie van het recht handelsgrammofoonplaten te persen;
  c) (concessie van het recht om bioscoopfilms en gelijksoortige audiovisuele werken te distribueren of te vertonen en concessie van het recht om radio- en televisieprogramma's uit te zenden of gelijktijdig en onverkort door te geven.) <KB 1994-08-12/48, art. 1, 006; Inwerkingtreding : 01-01-1992>

  Art. 5. De normaal ten laste van de verkrijger van de inkomsten vallende kosten die, al of niet volgens overeenkomst, door de schuldenaar van de inkomsten zijn gedragen, moeten bij de werkelijk verleende of toegekende sommen worden gevoegd om het brutobedrag te bepalen.
  In het in artikel 4, 2°, c, vermelde geval worden kosten van kopieën, van onderschriften en van nasynchronisatie van films en van voorfilms, kosten voor vervoer van films naar het buitenland, tolgelden, belasting op roerende verhuring en transferkosten op huurgelden, zomede alle andere gelijkaardige kosten, aan het belastbare brutobedrag toegevoegd ingeval zij door de schuldenaar van de inkomsten zijn gedragen.

  Afdeling IV. - Vaststelling van het nettobedrag van de beroepsinkomsten. (Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992, artikelen 23, § 3, en 77)

  Art. 6. (De aftrekken bedoeld in de artikelen 23, § 2, en 68 tot 80 van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992, worden verricht volgens de in de artikelen 7 tot 10 vastgestelde wijze en in de hierna vermelde volgorde :) <KB 1995-09-01/42, art. 2, 1°, 019; Inwerkingtreding : 01-01-1993>
  1° (de bijdragen bedoeld in artikel 52, 7° (...), van hetzelfde Wetboek, ingehouden door de schuldenaar van de beroepsinkomsten en de sommen bedoeld in artikel 52, 8°, van hetzelfde Wetboek, gestort door de belastingplichtige;) <KB 1995-09-01/42, art. 1, 1°, 019; Inwerkingtreding : 01-01-1992> <KB 1995-09-01/42, art. 2, 2°, 020; Inwerkingtreding : 01-01-1994>
  2° de andere beroepskosten dan de in 1° vermelde bijdragen (en sommen), die op de beroepsinkomsten drukken; <KB 1995-09-01/42, art. 1, 2°, 019; Inwerkingtreding : 01-01-1992>
  3° de investeringsaftrek;
  4° de gedurende het belastbare tijdperk geleden beroepsverliezen;
  5° de tijdens de vorige belastbare tijdperken geleden beroepsverliezen;
  6° (...) <KB 1995-09-01/42, art. 2, 3°, 019; Inwerkingtreding : 01-01-1993>

  Art. 7. § 1. (De bijdragen en sommen vermeld in artikel 6, 1°, worden afgetrokken van de inkomsten waarop zij betrekking hebben.) <KB 1995-09-01/42, art. 3, 1°, 019; Inwerkingtreding : 01-01-1992>
  § 2. De andere werkelijke beroepskosten die met een bepaalde beroepswerkzaamheid verband houden, worden van de inkomsten van die beroepswerkzaamheid afgetrokken.
  § 3. Wanneer de belastingplichtige uit eenzelfde beroepswerkzaamheid inkomsten behaalt in verschillende landen, worden de ermede verband houdende werkelijke beroepskosten, per land, afgetrokken van de inkomsten waarop zij betrekking hebben.
  § 4. Werkelijke beroepskosten die gemeen zijn aan verschillende beroepswerkzaamheden of die tegelijkertijd op in verschillende landen behaalde inkomsten drukken, worden op een verantwoorde wijze omgedeeld.
  § 5. De niet in § 1 vermelde werkelijke beroepskosten worden, per beroepswerkzaamheid en per land, eerst afgetrokken van de beroepsinkomsten die niet vermeld zijn in artikel 171 van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 en vervolgens evenredig van de beroepsinkomsten waarvan sprake in hetzelfde artikel 171.
  § 6. Wanneer de belastingplichtige verschillende werkzaamheden uitoefent waarvan de inkomsten tot eenzelfde (in de artikelen 27 en 31 tot 33), van hetzelfde Wetboek vermelde inkomstencategorie behoren, worden de ermede verband houdende forfaitaire beroepskosten berekend op het geheel van de uit die werkzaamheden voortkomende inkomsten, maar met uitzondering van de vergoedingen waarvan sprake in artikel 51, eerste lid, van hetzelfde Wetboek. <KB 1995-09-01/42, art. 3, 2°, 019; Inwerkingtreding : 01-01-1992>
  § 7. De overeenkomstig § 6 vastgestelde forfaitaire beroepskosten worden evenredig afgetrokken van de verschillende bestanddelen van het inkomen, die de berekeningsgrondslag van het forfait hebben gevormd.
  § 8. Wanneer de beroepskosten in verband met één of meer bestanddelen van het inkomen overeenkomstig artikel 51 van hetzelfde Wetboek forfaitair worden bepaald, worden de (in artikel 52, 7°, van hetzelfde Wetboek vermelde sociale) bijdragen die niet zijn ingehouden, in afwijking van § 5, evenredig afgetrokken van die bestanddelen van het inkomen. <KB 1995-09-01/42, art. 3, 3°, 019; Inwerkingtreding : 01-01-1992>
  § 9. De investeringsaftrek vermeld in de artikelen 68 tot 77 van hetzelfde Wetboek komt eerst in mindering van de winst of de baten van Belgische oorsprong die niet vermeld zijn in artikel 171 van hetzelfde Wetboek en vervolgens evenredig in mindering van de beroepsinkomsten waarvan sprake in hetzelfde artikel 171.

  Art. 8. § 1. Wanneer een beroepswerkzaamheid in verschillende landen wordt uitgeoefend, worden de overeenkomstig artikel 7 berekende nettoresultaten van het belastbare tijdperk in 3 groepen ingedeeld :
  1° die behaald in België;
  2° die behaald in landen waarmede België geen overeenkomst ter voorkoming van dubbele belasting heeft gesloten;
  3° die behaald in andere landen.
  § 2. Binnen elk van de groepen 1 en 2 worden de negatieve resultaten eerst afgetrokken van de gezamenlijk belastbare beroepsinkomsten van de groep; het eventuele saldo wordt evenredig afgetrokken van de afzonderlijk belastbare beroepsinkomsten van de groep.
  § 3. Wanneer het eindresultaat van groep 1 negatief is, wordt dat resultaat evenredig afgetrokken van de gezamenlijk belastbare beroepsinkomsten van groep 2 en de beroepsinkomsten van groep 3; het eventuele saldo wordt evenredig afgetrokken van de afzonderlijk belastbare beroepsinkomsten van groep 2.
  § 4. Wanneer het eindresultaat van groep 2 negatief is, wordt dat resultaat evenredig afgetrokken van de gezamenlijk belastbare beroepsinkomsten van groep 1 en de beroepsinkomsten van groep 3; het eventuele saldo wordt evenredig afgetrokken van de afzonderlijke belastbare beroepsinkomsten van groep 1.
  § 5. Wanneer het eindresultaat van groep 3 negatief is, wordt dat resultaat evenredig afgetrokken van de gezamenlijk belastbare beroepsinkomsten van de groepen 1 en 2; het eventuele saldo wordt evenredig afgetrokken van de afzonderlijk belastbare beroepsinkomsten van die groepen.

  Art. 9. Het tijdens het belastbare tijdperk in een bepaalde beroepswerkzaamheid geleden beroepsverlies wordt evenredig aangerekend op de beroepsinkomsten uit de andere beroepswerkzaamheden die gezamenlijk worden belast of die krachtens artikel 155 van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 zijn vrijgesteld; het eventuele saldo wordt evenredig aangerekend op de beroepsinkomsten die afzonderlijk worden belast.

  Art. 10. De tijdens vorige belastbare tijdperken geleden beroepsverliezen worden evenredig aangerekend op de overblijvende beroepsinkomsten van de verschillende beroepswerkzaamheden die gezamenlijk worden belast of die krachtens artikel 155 van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 zijn vrijgesteld; het eventuele saldo wordt evenredig aangerekend op de beroepsinkomsten die afzonderlijk worden belast.

  Art. 11. (Opgeheven) <KB 1995-09-01/42, art. 4, 019; Inwerkingtreding : 01-01-1993>

  Afdeling V. - Optiestelsel van landbouwvennootschappen. (Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992, artikel 29, § 2, 2°)

  Art. 12. De landbouwvennootschappen mogen voor de rechtspersoonlijkheid en voor het stelsel van de vennootschapsbelasting kiezen wanneer zij op de eerste dag van het eerste belastbare tijdperk waarvoor de optie wordt uitgeoefend, tenminste 3 vennoten tellen en wanneer het maatschappelijk kapitaal op diezelfde datum tenminste (30.950 EUR) bedraagt. <KB 2001-07-13/52, art. 2, 083; Inwerkingtreding : 01-01-2002>

  Art. 13. De optie kan slechts geldig worden uitgeoefend indien de beslissing daartoe met eenparigheid van stemmen is genomen door de personen die op de eerste dag van het eerste belastbare tijdperk waarvoor de optie uitwerking moet hebben, vennoten waren en, in geval van overlijden van één hunner, door hun rechthebbenden.

  Art. 14. Om het optierecht te kunnen uitoefenen, moet de vennootschap een afschrift van de in artikel 13 vermelde beslissing inzenden.
  Dat document moet alle gegevens bevatten die voor het beoordelen van de geldigheid van de beslissing nodig zijn en moet worden ondertekend door alle personen die hebben medebeslist.
  Het moet, op straffe van nietigheid, bij aangetekende brief aan de controleur van de belastingen of aan de leider van het centraal taxatiekantoor van het gebied van de vennootschap worden gezonden uiterlijk binnen de eerste 30 dagen van het eerste belastbare tijdperk waarvoor de optie uitwerking moet hebben.

  Art. 15. Onverminderd de toepassing van artikel 16, is het optiestelsel onherroepelijk voor een cyclus van 3 opeenvolgende belastbare tijdperken in de vennootschapsbelasting. Het wordt telkens ambtshalve hernieuwd voor een nieuwe cyclus van 3 opeenvolgende belastbare tijdperken, behalve :
  1° wanneer de in artikel 13 vermelde personen onder de daarin bepaalde voorwaarden een nieuwe beslissing treffen die een einde aan de optie maakt en wanneer een afschrift van die beslissing, waarin alle voor de beoordeling van de geldigheid ervan nodige gegevens voorkomen, bij aangetekende brief aan de controleur van de belastingen of aan de leider van het centraal taxatiekantoor van het gebied van de vennootschap wordt gezonden uiterlijk binnen de eerste 30 dagen van het eerste belastbare tijdperk dat volgt op de cyclus waarvoor de optie uitwerking heeft gehad; dat afschrift wordt ondertekend door alle personen die hebben medebeslist;
  2° wanneer aan de voorwaarden met betrekking tot het aantal vennoten en het bedrag van het maatschappelijk kapitaal, op de datum van het verstrijken van het belastbare tijdperk dat volgt op de cyclus waarvoor de optie laatst uitwerking heeft gehad, sinds ten minste 1 jaar niet meer is voldaan.

  Art. 16. In geval van omzetting van de landbouwvennootschap in een vennootschap opgericht in één van de vormen bepaald in het Wetboek van koophandel, neemt het optiestelsel ambtshalve een einde met ingang van het belastbare tijdperk waarin de akte van omzetting uitwerking heeft.
  De vennootschap die onder de nieuwe rechtsvorm blijft bestaan, wordt onderworpen aan de vennootschapsbelasting.

  Afdeling VI. - Bezoldigingen van volledig, hoofdzakelijk of bijkomend met fooien bezoldigde werknemers - Belastbare minimumbezoldiging. (Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992, artikel 31, vierde lid)

  Art. 17. De belastbare brutobezoldiging van volledig, hoofdzakelijk of bijkomend met fooien bezoldigde werknemers, mag niet minder bedragen dan de forfaitaire bezoldiging die tot grondslag heeft gediend voor de berekening van de bijdragen welke die werknemers en hun werkgevers verschuldigd zijn ter uitvoering van de wetgeving betreffende de sociale zekerheid.

  Afdeling VII. - Forfaitaire raming van anders dan in geld verkregen voordelen van alle aard. (Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992, artikel 36, tweede lid)

  Art. 18. § 1. De anders dan in geld verkregen voordelen van alle aard en vermeld in de §§ 2 en 3, worden forfaitair geraamd volgens de in die paragrafen bepaalde regels.
  § 2. Voor de voordelen waarvan de waarde wordt vastgesteld door een sociale of economische reglementering, is de in aanmerking te nemen waarde gelijk aan de door die reglementering vastgestelde waarde.
  § 3. Bij gebrek aan een dergelijke sociale of economische reglementering, wordt met betrekking tot de hierna vermelde voordelen de in aanmerking te nemen waarde als volgt forfaitair vastgesteld :
  1. Renteloze lening of lening tegen verminderde rentevoet :
  a) Het voordeel wordt berekend op basis van het verschil tussen :
  - eensdeels, de referentierentevoet die hierna per type van lening (...) is aangegeven; <KB 1996-03-06/34, art. 2, 1°, 027; Inwerkingtreding : 01-01-1995>
  - anderdeels, de rentevoet aan de ontlener aangerekend, de renteverlaging wegens kinderlast buiten beschouwing gelaten.
  b) Voor hypothecaire leningen geldt de hierna aangegeven referentierentevoet van het jaar waarin de leningsovereenkomst is gesloten, (...) : <KB 1996-03-06/34, art. 2, 2°, 027; Inwerkingtreding : 01-01-1995>

  
Jaar waarin de
  leningsovereenkomst is gesloten
In aanmerking te nemen
  referentievoet
-------- 
 Leningen waarvan de 
 terugbetaling door een 
 gemengde evensverzekeringAndere
 is gewaarborgdleningen
 --------
 pct. 
1950 en 19515,50 
1952 en 19535,75 
1954 tot 19565,50 
19575,75 
19586,00 
1959 en 19605,50 
1961 en 19625,75 
19635,25 
19645,50 
1965 en 19666,25 
19676,50 
1968 7,25
1969 7,50
1970 8,00
1971 8,75
1972 7,00
1973 6,75
1974 7,50
1975 9,00
1976 en 1977 8,75
1978 en 1979 8,50
1980 9,50
1981 12,00
1982 13,50
1983 11,50
1984 (tot 31.5.1984 11,50
1984 (vanaf 1.6.198410,7511,75
19859,50[9,75]
<KB 1994-02-18/35, art. 2, 1°,003; Inwerkingtreding : 01-01-1992> 
19867,507,50
19877,257,25
19887,257,00
19897,257,00
19909,509,25
199110,2510,25
[19929,258,25]
<KB 1993-10-22/33, art. 2, 1°; Inwerkingtreding : 01-01-1992> 
[19938,007,65]
<KB 1994-02-18/35, art. 2, 2°,003; Inwerkingtreding : 01-01-1993> 
[19947,257,10]
<KB 1995-03-07/31, art. 1, 1°,013; Inwerkingtreding : 01-01-1994> 
[19957,006,75]
<KB 1996-03-06/34, art. 2, 3°,027; Inwerkingtreding : 01-01-1995> 
[19966,506,50]
<KB 1997-03-17/31, art. 1, 1°,036; Inwerkingtreding : 01-01-1996> 
[19976,006,00]
<KB 1998-06-02/34, art. 1, 043; Inwerkingtreding : 01-01-1997> 
[19985,755,75]
<KB 1999-04-21/36, art. 1, 052; Inwerkingtreding : 01-01-1998> 
[19995,755,50]
<KB 2000-04-25/32, art. 1, 065; Inwerkingtreding : 01-01-1999> 
[20005,756,50]
<KB 2001-03-16/38, art. 1, 081; Inwerkingtreding : 01-01-2000> 
[20015,606,10]
<KB 2002-03-08/33, art. 1, 087; Inwerkingtreding : 01-01-2001> 
[20025,755,60]
<KB 2003-02-21/36, art. 1, 091; Inwerkingtreding : 01-01-2002>


  In afwijking van het vorige lid wordt de in aanmerking te nemen referentierentevoet vastgesteld :
  1° wat de in 1980, 1981, 1982 en 1983 en in 1984 tot 31 mei 1984 toegestane hypothecaire leningen betreft : op 9 pct., behalve voor de eerste schijf van (37.184,03 EUR) vrijgesteld krachtens artikel 41, § 3, van de wet van 31 juli 1984; <KB 2001-07-13/52, art. 2, 083; Inwerkingtreding : 01-01-2002>
  2° wat de vanaf 1 juni 1984 tot 31 december 1985 toegestane hypothecaire leningen betreft :
  - op 8 pct., wanneer de terugbetaling ervan gewaarborgd is door een gemengde levensverzekering;
  - op 9 pct. in de andere gevallen.
  (3° wat de vanaf 1 januari 1995 toegestane hypothecaire leningen betreft waarin overeenkomstig artikel 9 van de wet van 4 augustus 1992 op het hypothecair krediet een veranderlijke rentevoet is bedongen : op de referteïndex die slaat op de oorspronkelijke rentevoet en die in de vestigingsakte van de lening is vermeld; bij elke latere aanpassing van de rentevoet van de lening is de referentierentevoet gelijk aan de referteïndex die volgens de bepalingen van voormelde vestigingsakte voor die aanpassing in aanmerking moet worden genomen.) <KB 1996-03-06/34, art. 2, 4°, 027; Inwerkingtreding : 01-01-1995>
  (De lijst van de in het vorige lid vermelde referteïndexen, welke maandelijks door toedoen van de Controledienst der Verzekeringen in het Belgisch Staatsblad werd bekendgemaakt, is opgenomen onder afdeling I van bijlage I.) <KB 1996-03-06/34, art. 2, 5°, 027; Inwerkingtreding : 01-01-1995>
  c) Voor niet-hypothecaire leningen met vaste looptijd geldt de referentierentevoet van het jaar waarin de leningsovereenkomst gesloten is en wordt die referentierentevoet vastgesteld :
  1° wanneer de leningsovereenkomst gesloten is tijdens de jaren 1981 tot 1984 en een looptijd heeft van meer dan 60 maanden :
  - ofwel op 60 pct. van het maandelijkse lastenpercentage zoals dit percentage, rekening houdend met het bedrag van de lening, voor het betreffende jaar blijkt uit de tabel van bijlage I van dit besluit;
  - ofwel op 60 pct. van het reële jaarlijkse lastenpercentage voor het betreffende jaar berekend met de in 2°, tweede gedachtenstreep, vermelde formule;
  2° wanneer de leningsovereenkomst gesloten is na 31 december 1984 :
  - ofwel op basis van het hierna voor het betreffende jaar aangegeven maandelijks lastenpercentage, waarbij voor de vanaf 1 januari 1986 gesloten leningen onderscheid wordt gemaakt tussen de leningen gesloten om de aankoop van een wagen te financieren en de andere :

  
Maandelijks lastenpercent age
 - 
Jaarwaarin deLeningen om de aankoopAndere
leningsovereenkomstvan een wagen teleningen
is geslotenfinancieren 
19850,620,62
19860,440,49
19870,400,49
19880,380,46
19890,380,46
19900,450,54
19910,550,60
[19920,460,46]
<KB 1993-10-22/33, art. 2, 2°; Inwerkingtreding : 01-01-1992> 
[19930,420,48]
<KB 1994-02-18/35, art. 2, 3°, 003; Inwerkingtreding : 01-01-1993> 
[19940,400,47]
<KB 1995-03-07/31, art. 1, 2°, 013; Inwerkingtreding : 01-01-1994> 
[19950,350,40]
<KB 1996-03-06/34, art. 2, 6°, 027; Inwerkingtreding : 01-01-1995> 
[19960,300,35]
<KB 1997-03-17/31, art. 1, 2°, 036; Inwerkingtreding : 01-01-1996> 
[19970,250,30]
<KB 1998-06-02/34, art. 1, 043; Inwerkingtreding : 01-01-1997> 
[19980,250,35]
<KB 1999-04-21/36, art. 1, 052; Inwerkingtreding : 01-01-1998> 
[19990,230,30]
<KB 2000-04-25/32, art. 1, 065; Inwerkingtreding : 01-01-1999> 
[20000,280,33]
<KB 2001-03-16/38, art. 1, 081; Inwerkingtreding : 01-01-2000> 
[20010,260,32]
<KB 2002-03-08/33, art. 1, 087; Inwerkingtreding : 01-01-2001> 
[20020,260,33]
<KB 2003-02-21/36, art. 1, 091; Inwerkingtreding : 01-01-2002>


  - ofwel op basis van het reële jaarlijks lastenpercentage voor het betreffende jaar berekend met de formule :

  
i = p x 24 x n
----------
n + 1
waarin :
i = reeel jaarlijks lastenpercentage
p = maandelijks lastenpercentage
n = terugbetalingstermijn in maanden


  d) Voor niet-hypothecaire leningen zonder welbepaalde looptijd geldt de hierna aangegeven referentierentevoet van het jaar waarin de ontlener over de geleende bedragen heeft beschikt :

  
Jaar waarin de ontlenerIn aanmerking te
over de geleende bedragennemen referentievoet
heeft beschikt 
---------------------------------------------------------------
198111
198213
198313
198413
198512
19869,75
19878,75
19888,25
19899,50
199012,75
199112,75
[199212]
<KB 1993-10-22/33, art. 2, 3°; ED: 01-01-1992>
[199310,50]
<KB 1994-02-18/35, art. 2, 4°, 003; Inwerkingtreding : 01-01-1992>
[19949,25]
<KB 1995-03-07/31, art. 1, 3°, 013; Inwerkingtreding : 01-01-1994>
[19958,25]
<KB 1996-03-06/34, art. 2, 7°, 027; Inwerkingtreding : 01-01-1995>
[19967,25]
<KB 1997-03-17/31, art. 1, 3°, 036; Inwerkingtreding : 01-01-1996>
[19977,00]
<KB 1998-06-02/34, art. 1, 043; ED: 01-01-1997>
[19987,25]
<KB 1999-04-21/36, art. 1, 052; ED: 01-01-1998>
[19996,75]
<KB 2000-04-25/32, art. 1, 065; ED: 01-01-1999>
[20007,9]
<KB 2001-03-16/38, art. 1, 081; ED: 01-01-2000>
[20018,60]
<KB 2002-03-08/33, art. 1, 087; ED: 01-01-2001>
[20028,00]
<KB 2003-02-21/36, art. 1, 091; ED: 01-01-2002>


  e) De ontlener wordt geacht het voordeel te verkrijgen : 1° wat de hypothecaire leningen en de niet-hypothecaire leningen met vaste looptijd betreft die periodiek worden afgelost : bij elke aflossing; het voordeel wordt dan telkens berekend op het voor de aflossing nog terug te betalen kapitaal;
  2° wat de in 1° vermelde leningen betreft waarvan het kapitaal ineens wordt terugbetaald op het einde van de looptijd van de lening : bij elke rentevervaldag indien de lening tegen verminderde rentevoet is toegestaan en bij het einde van elke kalendermaand indien de lening renteloos is toegestaan; het voordeel wordt in deze gevallen telkens berekend op het aanvangsbedrag van de lening;
  3° wat de niet-hypothecaire leningen zonder vaste looptijd betreft : bij het einde van elke kalendermaand waarin de ontlener over de geleende bedragen heeft beschikt; het voordeel wordt dan per maand berekend volgens de gemiddelde stand van de lening.
  2. (Kosteloze beschikking over onroerende goederen of gedeelten van onroerende goederen
  Het voordeel wordt forfaitair vastgesteld op 100/60 of 100/90 van het kadastrale inkomen van het onroerend goed of het gedeelte van het onroerend goed naargelang het een gebouwd of een ongebouwd onroerend goed betreft.
  In afwijking van het vorige lid wordt, voor gebouwde onroerende goederen of gedeelten daarvan die ter beschikking worden gesteld door rechtspersonen, het voordeel als volgt vastgesteld :
  a) indien het kadastrale inkomen van het onroerend goed of het gedeelte van het onroerend goed kleiner is dan of gelijk is aan (745 EUR) : (F 48 000 per jaar); <KB 1995-04-05/45, art. 1, 1°, 016; Inwerkingtreding : 01-01-1994; (NOTE : KB vernietigd door het arrest nr. 77164 van de Raad van State van 24-11-1998)> <KB 2001-07-13/52, art. 2, 083; Inwerkingtreding : 01-01-2002>
  b) (indien het kadastrale inkomen van het onroerend goed of het gedeelte van het onroerend goed groter is dan (745 EUR) : <KB 2001-07-13/52, art. 2, 083; Inwerkingtreding : 01-01-2002>
  - 100/60 van het kadastrale in komen van het onroerend goed of het gedeelte van het onroerend goed, vermenigvuldigd met 2, waarbij dat voordeel niet lager mag zijn dan de huurwaarde van het onroerend goed of het gedeelte van het onroerend goed;
  - voor personeelsleden die ingevolge een met hun werkgever gesloten contract verplicht zijn een bepaalde woongelegenheid te betrekken omdat zij wegens hun functies blijvend op de plaats van het werk of in de onmiddellijke nabijheid daarvan moeten zijn, wordt het voordeel evenwel vastgesteld op F 144 000 per jaar.) <KB 1995-04-05/45, art. 1, 2°, 016; Inwerkingtreding : 01-01-1994; (NOTE : KB vernietigd door het arrest nr. 77164 van de Raad van State van 24-11-1998)>
  Nochtans, wanneer het betrekken van een goed wordt opgelegd en de belangrijkheid van dat goed duidelijk de persoonlijke behoeften van de betrekker, rekening houdend met zijn maatschappelijke stand en de samenstelling van zijn gezin, te boven gaat, moet (behoudens in de gevallen vermeld in b), 2e streepje van het vorige lid) bij de vaststelling van het belastbare voordeel slechts rekening worden gehouden met het kadastrale inkomen van een onroerend goed dat aan de werkelijke behoeften van de betrekker beantwoordt. <KB 1995-04-05/45, art. 1, 3°, 016; Inwerkingtreding : 01-01-1994; (NOTE : KB vernietigd door het arrest nr. 77164 van de Raad van State van 24-11-1998)>
  Wanneer het een gemeubileerde woning betreft, wordt het overeenkomstig de voorgaande leden vastgestelde voordeel met 2/3 verhoogd.
  Voor de toepassing van de voorgaande leden wordt, behalve voor de beoordeling van de in het tweede lid vermelde grens van (745 EUR), het kadastrale inkomen in aanmerking genomen nadat het is geïndexeerd overeenkomstig artikel 518 van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992.) <KB 1994-02-18/35, art. 2, 5°, 003; Inwerkingtreding : 01-01-1994> <KB 2001-07-13/52, art. 2, 083; Inwerkingtreding : 01-01-2002>
  3. Kosteloze beschikking over één enkele kamer
  Het voordeel (huisvesting, verwarming, verlichting) wordt vastgesteld op (0,74 EUR) per dag of (266,40 EUR) per jaar. <KB 2001-07-13/52, art. 2, 083; Inwerkingtreding : 01-01-2002>
  4. Kosteloze verstrekking van verwarming en van elektriciteit gebruikt tot andere doeleinden dan verwarming :
  a) (aan leidinggevend personeel (en bedrijfsleiders) : het voordeel wordt geraamd op : <KB 1997-05-20/39, art. 1, 039; Inwerkingtreding : 01-01-1997>
  - verwarming : (1.180 EUR) per jaar; <KB 2001-07-13/52, art. 2, 083; Inwerkingtreding : 01-01-2002>
  - elektriciteit gebruikt tot andere doeleinden dan verwarming : (590 EUR) per jaar;) <KB 1994-02-18/35, art. 2, 6°, 003; Inwerkingtreding : 01-01-1993> <KB 2001-07-13/52, art. 2, 083; Inwerkingtreding : 01-01-2002>
  b) aan andere verkrijgers : het in aanmerking te nemen voordeel wordt vastgesteld op :
  - verwarming : (590 EUR) per jaar; <KB 2001-07-13/52, art. 2, 083; Inwerkingtreding : 01-01-2002>
  - elektriciteit : gebruikt tot andere doeleinden dan verwarming : (295 EUR) per jaar. <KB 2001-07-13/52, art. 2, 083; Inwerkingtreding : 01-01-2002>
  5. Kosteloze beschikking over dienstboden, huispersoneel, hoveniers, chauffeurs, enz.
  Het jaarlijkse voordeel wordt geraamd op (5.950 EUR) per werkman, dienstmeisje, werkster, enz., die voltijds tewerkgesteld zijn. <KB 2001-07-13/52, art. 2, 083; Inwerkingtreding : 01-01-2002>
  6. Voordelen verkregen door huispersoneel
  De waarde van de voordelen wordt als volgt vastgesteld :

  
[Aard van de voordelenPer dagPer jaar 
--- 
Eerste maaltijd (ontbijt)0,55 EUR198,00 EUR 
Tweede maaltijd (hoofdmaaltijd)1,09 EUR392,40 EUR 
Derde maaltijd (avondmaal)0,84 EUR302,40 EUR 
Huisvesting, verwarming, verlichting0,74 EUR266,40 EUR 
------------------------------- 
Totaal3,22 EUR1.159,20 EUR]
<KB 2001-07-13/52, art. 4, 083; Inwerkingtreding : 01-01-2002>


  De forfaitaire raming van de huisvesting, verwarming, verlichting geldt evenwel slechts voor het huispersoneel dat over één enkele kamer beschikt.
  Wanneer de belanghebbenden het genot hebben van verscheidene woonvertrekken, wordt het voordeel vastgesteld zoals bepaald sub 2 en 4.
  7. Kosteloze verstrekking van voeding aan zeelieden en aan bouwvakarbeiders wegens de verwijdering van de werf
  Het voordeel wordt forfaitair op (2,48 EUR) per dag effectieve vaart of per effectieve werkdag geraamd. <KB 2001-07-13/52, art. 2, 083; Inwerkingtreding : 01-01-2002>
  8. Kosteloze verstrekking van sociale maaltijden
  Voor de maaltijden die kosteloos worden verstrekt, dienen de sub 6 vermelde bedragen als grondslag voor de raming van de voordelen.
  (9. Persoonlijk gebruik van een kosteloos ter beschikking gesteld voertuig:
  Het voordeel is gelijk aan het aantal voor persoonlijk gebruik afgelegde kilometers vermenigvuldigd met het voordeel (in euro) per afgelegde kilometer dat, rekening houdend met de belastbare kracht van het voertuig inzake verkeersbelasting, aangegeven is in de tabel opgenomen onder afdeling III van bijlage I. <KB 2001-07-13/52, art. 5, 083; Inwerkingtreding : 01-01-2002>
  Voor de vaststelling van het voordeel mag het aantal kilometers voor een jaar evenwel niet lager zijn dan 5.000.) <KB 1998-12-07/36, art. 1, 046; Inwerkingtreding : 01-01-1997>
  (De basisbedragen vermeld in kolom 2 van de tabel opgenomen onder afdeling III van bijlage I worden gekoppeld aan de spilindex 99,14. De geïndexeerde bedragen zullen van toepassing zijn vanaf 1 januari van het jaar volgend op dat waarin de spilindex is overschreden.
  Het geïndexeerde bedrag wordt (afgerond tot het hogere of lagere tienduizendste euro naargelang het cijfer van de honderdduizendste euro al of niet 5 bereikt).) <KB 1998-12-07/36, art. 3, 047; Inwerkingtreding : 01-01-1998> <KB 2000-07-20/63, art. 5, 076; Inwerkingtreding : 01-01-2002>
  (10. Persoonlijk gebruik van een kosteloos ter beschikking gestelde PC of internetaansluiting :
  Het voordeel wordt forfaitair vastgesteld op :
  - 180 EUR per jaar voor een kosteloos ter beschikking gestelde PC;
  - 60 EUR per jaar voor de internetaansluiting en het internetabonnement.) <KB 2003-03-25/37, art. 1, 093; Inwerkingtreding : 01-01-2003>
  § 4. In de gevallen als vermeld in § 3, punten 2 tot 9, en wanneer het voordeel niet kosteloos wordt toegestaan, is het in aanmerking te nemen voordeel datgene dat overeenkomstig § 3, punten 2 tot 9, is vastgesteld verminderd met de bijdrage van de verkrijger van dat voordeel.
  <Bij arrest nr. 58.169 van 16 februari 1996 (B.St. 07.05.1996, p. 11239) vernietigt de Raad van State, VIe Kamer, in artikel 18, § 3, punt 2, 2e lid, b, de woorden " waarbij dat voordeel niet lager mag zijn dan de huurwaarde van het onroerend goed of het gedeelte van het onroerend goed "; Opheffing : 01-01-1994>

  Afdeling VIII. - (Afdeling VIII. PC-privé-plannen. (Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992, artikel 38, eerste lid, 17°).) <Hersteld bij KB 2003-03-25/37, art. 1, 093; Inwerkingtreding : 01-01-2003>

  Art. 19. <Hersteld bij KB 2003-03-25/37, art. 1, 093; Inwerkingtreding : 01-01-2003> Opdat de tussenkomst van de werkgever in het kader van een PC-privé-plan in aanmerking kan komen voor de vrijstelling als bedoeld in artikel 38, eerste lid, 17°, van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992, moeten de volgende voorwaarden zijn vervuld :
  1. het aanbod van de werkgever waarmee hij zich ertoe verbindt om tussen te komen in de aankoopprijs van een geheel van PC, randapparatuur en printer, internetaansluiting en internetabonnement, alsook de voor de bedrijfsvoering dienstige software, wordt beschreven in het PC-privé-plan;
  2. de voorwaarden die in het plan zijn opgenomen moeten dezelfde zijn voor alle werknemers;
  3. de minimumvoorwaarden waaraan het plan moet voldoen zijn de volgende :
  a) het plan moet de beschrijving geven van het geheel van PC, randapparatuur en printer, internetaansluiting en internetabonnement, alsook de voor de bedrijfsvoering dienstige software;
  b) het plan bepaalt dat het de werknemer vrij staat het geheel of slechts een gedeelte van het beschreven materieel te kiezen;
  c) de tussenkomst van de werkgever moet per onderdeel van het aanbod worden opgegeven;
  d) de tussenkomst kan enkel geschieden bij aankoop van materieel in nieuwe staat;
  e) de tussenkomst door de werkgever geschiedt tegen afgifte van een door de werknemer eensluidend verklaard afschrift van de aankoopfactuur of van het aankoopbewijs op naam van de werknemer;
  f) wat de materiëlen betreft, die een werknemer voorheen in het kader van een PC-privé-plan heeft aangeschaft, moet het plan bepalen dat slechts in de loop van het derde jaar volgend op het jaar van aanschaf opnieuw mag worden ingegaan op een aanbod van de werkgever.

  Art. 20. (Opgeheven) <KB 1994-08-12/48, art. 2, 006; Inwerkingtreding : 27-03-1992>

  Art. 21. (Opgeheven) <KB 1994-08-12/48, art. 2, 006; Inwerkingtreding : 27-03-1992>

  Afdeling IX. - Grenzen en voorwaarden voor belastingvrijstelling van waardeverminderingen en voorzieningen voor risico's en kosten. (Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992, artikel 48)

  Art. 22. § 1. Uit de winst van het krachtens artikel 360 van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 bepaalde belastbare tijdperk worden de bij het verstrijken van dat tijdperk geboekte waardeverminderingen gesloten, (...) onder de voorwaarden die hierna volgen : <KB 1995-12-20/33, art. 1, 1°, 021; Inwerkingtreding : 01-01-1996>
  1° de verliezen, ter bestrijding waarvan die waardeverminderingen bestemd zijn, moeten uiteraard als beroepsverliezen aftrekbaar zijn en uitsluitend betrekking hebben op niet in obligaties of andere gelijkaardige effecten op naam of aan toonder verdeelde vorderingen;
  2° die verliezen moeten scherp omschreven zijn en de waarschijnlijkheid ervan moet voor iedere vordering blijken uit bijzondere tijdens het belastbare tijdperk voorgekomen en op het einde daarvan nog bestaande omstandigheden, en niet uit een louter algemeen risico;
  3° de waardeverminderingen moeten geboekt zijn bij de afsluiting van de boekhouding van het belastbare tijdperk en hun bedrag moet in één of meer afzonderlijke rekeningen voorkomen;
  4° het bij het verstrijken van enig belastbaar tijdperk overblijvend totaal van de vrijgestelde waardeverminderingen, moet per onderwerp verantwoord en uiteengezet worden in een staat waarvan het model door de Minister van Financiën of zijn gedelegeerde wordt vastgesteld; die staat moet worden ingediend binnen de termijn die gesteld is voor het overleggen van de aangifte in de inkomstenbelastingen over het belastbare tijdperk en bij die aangifte worden gevoegd;
  5° (...) <KB 1995-12-20/33, art. 1, 2°, 021; Inwerkingtreding : 01-01-1996>
  6° (...) <KB 1995-12-20/33, art. 1, 1°, 021; Inwerkingtreding : 01-01-1996>
  § 2. (...) <KB 1995-12-20/33, art. 1, 3°, 021; Inwerkingtreding : 01-01-1996>
  § 3. (...) <KB 1995-12-20/33, art. 1, 3°, 021; Inwerkingtreding : 01-01-1996>

  Art. 23. Werkelijk geleden verliezen op de vordering, waarop een overeenkomstig artikel 22 geboekte waardevermindering betrekking heeft, moeten op die waardevermindering worden aangerekend wanneer zij uit fiscaal oogpunt definitief aanneembaar worden.
  (Vrijgestelde waardeverminderingen op vorderingen die niet meer aan de in artikel 22 gestelde voorwaarden (...) beantwoorden, moeten worden teruggenomen.) <KB 1995-12-20/33, art. 2, 021; Inwerkingtreding : 01-01-1996> <KB 1996-03-06/34, art. 3, 027; Inwerkingtreding : 01-01-1996>

  Art. 24. Uit de winst van het in artikel 22 vermelde tijdperk worden eveneens de voorzieningen voor risico's en kosten gesloten die bij het verstrijken van dat tijdperk zijn aangelegd, wanneer :
  1° de kosten, ter bestrijding waarvan de voorzieningen bestemd zijn, uiteraard aftrekbaar zijn als beroepskosten en geacht worden normaal op de uitslagen van dat tijdperk te drukken;
  2° de voorzieningen voldoen aan de voorwaarden die in artikel 22, § 1, 3° en 4°, ten aanzien van waardeverminderingen gesteld zijn.

  Art. 25. Voor de toepassing van artikel 24 worden geacht normaal op de uitslagen van het belastbare tijdperk te drukken, de kosten die het gevolg zijn van de in dat tijdperk uitgeoefende beroepswerkzaamheid of van alsdan voorgekomen gebeurtenissen, of die bij voorbaat gedekt zijn door tijdens hetzelfde tijdperk verkregen vergoedingen wegens schadegevallen, onteigeningen, opeisingen in eigendom of andere gelijkaardige gebeurtenissen, of die, evenredig met de duur van het belastbare tijdperk, betrekking hebben op grote herstellingen aan gebouwen, materieel en outillage die periodiek met regelmatige tussenpozen van niet meer dan 10 jaar worden uitgevoerd, met uitsluiting van enige vernieuwing.
  Worden eveneens geacht normaal op de uitslagen van het belastbare tijdperk te drukken, de kosten die, evenredig met de duur van het belastbare tijdperk, inherent zijn aan de ontmanteling van kerncentrales en aan de ontsmetting van de vestigingsplaatsen ervan.

  Art. 26. De kosten waarop een overeenkomstig artikel 24 aangelegde voorziening betrekking heeft, moeten op die voorziening worden afgeboekt op het ogenblik dat zij werkelijk worden gedragen.

  Art. 27. De vrijstelling van elke in de artikelen 22 tot 26 vermelde waardevermindering of voorziening blijft behouden zolang de belastingplichtige aantoont dat het verlies of de kost waaraan die waardevermindering of voorziening beantwoordt, waarschijnlijk blijft; bij gebrek aan verantwoording bij het verstrijken van enig belastbaar tijdperk wordt de waardevermindering of voorziening als een winst van dat tijdperk beschouwd.

  Afdeling X. - Forfaitaire aftrek voor uitzonderlijke beroepskosten ten gevolge van de afstand tussen de woonplaats en de plaats van tewerkstelling. (Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992, artikel 51, vierde lid)

  Art. 28. Het in artikel 51, vierde lid, van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 vermelde bedrag wordt vastgesteld op respectievelijk (75,00 EUR), (125,00 EUR) of (175,00 EUR), naargelang de afstand tussen de woonplaats van de belastingplichtige en de plaats van zijn tewerkstelling op 1 januari van het aanslagjaar 75 km tot 100 km, 101 km tot 125 km of meer dan 125 km bedraagt. <KB 2000-07-20/63, art. 2, 075; Inwerkingtreding : 01-01-2002>

  Afdeling XI. - Interesten van obligaties, leningen, schulden, deposito's en andere effecten ter vertegenwoordiging van leningen. (Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992, artikel 55, eerste lid)

  Art. 29. (Opgeheven) <KB 1993-10-22/33, art. 3; Inwerkingtreding : 01-01-1992>

  Afdeling XII. - Verantwoording van sommige beroepskosten. (Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992, artikel 57)

  Art. 30. Op het einde van elk jaar moeten de schuldenaars van de in artikel 57, 1°, van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 vermelde kosten :
  1° voor iedere verkrijger van inkomsten een fiche invullen waarvan het model door de Minister van Financiën of zijn gedelegeerde wordt vastgesteld;
  2° voor de sub 1° vermelde fiches een samenvattende opgave opstellen en ondertekenen waarvan het model door de Minister van Financiën of zijn gedelegeerde wordt vastgesteld.
  Diezelfde schuldenaars moeten de fiches en de samenvattende opgave waarvan in het voorgaande lid sprake is, voor 30 juni van het jaar na dat waarop deze documenten betrekking hebben, inleveren (bij de bevoegde dienst). <KB 1999-05-03/39, art. 1, 053; Inwerkingtreding : 06-04-1999>

  Art. 31. Op aanvraag verstrekt de administratie der directe belastingen aan de in artikel 30 vermelde schuldenaars kosteloos exemplaren voor het opstellen van de in dat artikel vermelde fiches en samenvattende opgaven.
  Voor zover zij alle vermeldingen bevatten die voorkomen in de door de Minister van Financiën of zijn gedelegeerde vastgestelde modellen, mogen fiches en samenvattende opgaven worden gebruikt waarvan het formaat niet van dat van de voormelde modellen afwijkt.

  Art. 32. De individuele fiches en de samenvattende opgaven met betrekking tot de in artikel 57, 2°, van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 vermelde kosten zijn die waarvan in de artikelen 92 en 93 sprake is.

  Art. 33. De in artikel 57, 3°, van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 vermelde kosten moeten worden vermeld in de daartoe voorziene rubriek van de individuele fiches en de samenvattende opgaven waarvan in artikel 32 sprake is.

  Afdeling XIII. - (Werkgeversbijdragen voor aanvullende verzekering tegen ouderdom en vroegtijdige dood (Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992, artikel 59, tweede en vierde lid).) <KB 1995-09-01/42, art. 5; Inwerkingtreding : 01-01-1994>

  Art. 34. Voor de toepassing van (de artikelen 52, 3°, b, en 5°, en 59), van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 en van deze afdeling, wordt verstaan : <KB 1995-09-01/42, art. 6, 019; Inwerkingtreding : 01-01-1994>
  1° onder normale brutojaarbezoldiging : het totale brutobedrag van al de sommen die, voor aftrek van de verplichte inhoudingen ter uitvoering van de sociale wetgeving of van een ermede gelijkgesteld wettelijk of reglementair statuut, aan de werknemer anders dan uitzonderlijk of toevallig toegekend of betaald zijn gedurende een bepaald jaar;
  2° onder laatste normale brutojaarbezoldiging : de brutojaarbezoldiging die gelet op de vorige bezoldigingen van de werknemer als normaal kan worden beschouwd en die hem betaald of toegekend werd gedurende het laatste jaar voor zijn oppensioenstelling waarin hij een normale beroepswerkzaamheid heeft gehad;
  3° onder normale duur van een beroepswerkzaamheid : 40 jaar of, voor beroepen waarvoor de betrokken werkgever en werknemer aantonen dat de volledige loopbaan minder of meer dan 40 jaar bestrijkt, het aantal jaren van die volledige loopbaan.

  Art. 35. § 1. De (werkgeversbijdragen) voor aanvullende verzekering tegen ouderdom en vroegtijdige dood vermeld (in artikel 52, 3°, b,) van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992, worden van de belastbare inkomsten afgetrokken zoals bepaald in dat artikel, onder de volgende voorwaarden : <KB 1995-09-01/42, art. 7, 1°, 019; Inwerkingtreding : 01-01-1994>
  1° de bijdragen moeten worden gestort aan een levensverzekeringsonderneming of een pensioenfonds met maatschappelijke zetel, voornaamste inrichting of zetel van bestuur of beheer in België of aan een inrichting in België van een dergelijke onderneming of fonds met maatschappelijke zetel of voornaamste inrichting in het buitenland en zulks ter uitvoering van :
  - ofwel een reglement van groepsverzekering dat beantwoordt aan de voorwaarden gesteld door de reglementering betreffende de controle van zulke reglementen;
  - ofwel een verzekeringscontract betreffende de toekenning van extra-wettelijke voordelen aan werknemers bedoeld bij de reglementering inzake het rust- en overlevingspensioen der werknemers;
  - ofwel het reglement van een pensioenfonds opgericht ten bate van het personeel van de onderneming en ingeschreven op de Controledienst voor de Verzekeringen of erkend bij koninklijk besluit;
  2° (de persoonlijke bijdragen vermeld in artikel 145/1, 1°, van hetzelfde Wetboek die door de werkgever op de bezoldigingen van de werknemer zijn ingehouden,) moeten jaarlijks worden ingeschreven op de individuele loonfiches vermeld in artikel 92, eerste lid, onder een afzonderlijke rubriek, met vermelding van naam en adres van de onderneming of het fonds waaraan zij zijn gestort; <KB 1995-09-01/42, art. 7, 2°, 019; Inwerkingtreding : 01-01-1994>
  3° voorschotten op contracten en inpandgevingen van contracten mogen slechts worden toegestaan om het de werknemer mogelijk te maken in België gelegen onroerende goederen die belastbare inkomsten opbrengen te verwerven, te bouwen, te verbeteren, te herstellen of te verbouwen en op voorwaarde dat de voorschotten en leningen terugbetaald worden zodra de voormelde goederen uit het vermogen van de werknemer verdwijnen;
  4° de beperking vermeld in 3° moet in de reglementen van groepsverzekering, de verzekeringscontracten en de pensioenreglementen zijn ingeschreven;
  5° de overdraagbaarheidscoëfficiënt van de toekenningen waarin de reglementen van groepsverzekering, de verzekeringscontracten en de pensioenreglementen voorzien ten gunste van de langstlevende echtgenoot, mag niet meer bedragen dan 80 pct.
  § 2. (De bijdragen vermeld in § 1 mogen slechts van de belastbare inkomsten worden afgetrokken gedurende de normale duur van de beroepswerkzaamheid van elke werknemer en in zover, per werknemer, de genoemde bijdragen, verhoogd met de persoonlijke bijdragen vermeld in artikel 145/1, 1°, van hetzelfde Wetboek :) <KB 1995-09-01/42, art. 7, 2°, 019; Inwerkingtreding : 01-01-1994>
  1° jaarlijks niet hoger zijn dan de bedragen verschuldigd krachtens reglementen van groepsverzekering, verzekeringscontracten of pensioenreglementen die op eenzelfde wijze voor het gehele personeel van de onderneming of voor een bijzondere categorie van dat personeel van toepassing zijn;
  2° toekenningen vestigen die, winstdeelnemingen inbegrepen, gelijk staan met een jaarrente waarvan het bedrag, aangevuld met het wettelijk pensioen, niet hoger is dan 80 pct. van de normale brutojaarbezoldiging van de werknemers tijdens het betreffende jaar, vermenigvuldigd met een breuk met als teller het in de onderneming werkelijk gepresteerde en het er nog te presteren aantal jaren van de normale duur van de beroepswerkzaamheid en als noemer het aantal jaren van de normale duur van de beroepswerkzaamheid.
  Om na te gaan of deze begrenzing in acht genomen is, moeten toekenningen in kapitaal in rente worden omgezet met de gegevens van de volgende tabel, zo nodig aangepast om rekening te houden met de overdraagbaarheid of de indexering van de rente.

  
Tabel die, zonder rekening te houden met overdraag baarheid of indexering
van de rente, voor ondersch eiden leeftijden bij aa nvang van de rente het,
nodig geachte kapitaal verm eldt voor een per twaal fden na vervallen
termijn beta albare rente van 1 e uro.
 - 
Leeftijd bij de aanvang van de rente Kapitaal in franken nodig
  1 euro
- -
40 jaar en minder 17,7063
41 jaar 17,5247
42 jaar 17,3371
43 jaar 17,1434
44 jaar 16,9436
45 jaar 16,7376
46 jaar 16,5254
47 jaar 16,3069
48 jaar 16,0821
49 jaar 15,8510
50 jaar 15,6137
51 jaar 15,3701
52 jaar 15,1203
53 jaar 14,8644
54 jaar 14,6025
55 jaar 14,3347
56 jaar 14,0612
57 jaar 13,7820
58 jaar 13,4974
59 jaar 13,2077
60 jaar 12,9130
61 jaar 12,6137
62 jaar 12,3100
63 jaar 12,0023
64 jaar 11,6908
65 jaar en meer 11,3761


  § 3. De in § 2, 2°, bepaalde grens geldt niet voor bijdragen die gestort zijn om :
  1° een ontoereikendheid van vroegere stortingen aan te vullen die voortvloeit uit een verhoging van de bezoldigingen of een verbetering van de gevestigde toekenningen;
  2° voor werknemers die bij de onderneming gepresteerd hebben voor er een in § 1, 1°, vermeld verzekerings- of pensioenstelsel werd ingevoerd, voor het aldus gepresteerde aantal jaren van de normale duur van de beroepswerkzaamheid, de ontbrekende stortingen te compenseren;
  3° werknemers die bij de onderneming een onvolledige loopbaan hebben, een pensioen toe te kennen berekend in verhouding tot een langere duur van beroepswerkzaamheid dan die welke zij bij de onderneming zullen vervullen, op voorwaarde dat die bijdragen slaan op maximaal 10 jaar van een vroeger werkelijk uitgeoefende beroepswerkzaamheid of op maximaal 5 jaar van een tot de normale pensioenleeftijd nog uit te oefenen beroepswerkzaamheid en dat het aldus in aanmerking genomen totaal aantal jaren het aantal jaren van de normale duur van hun beroepswerkzaamheid niet overtreft;
  4° een verhoging toe te staan van de uitgestelde renten binnen de grens van 2 pct. per jaar te rekenen vanaf hun aanvang, evenals van de lopende renten, zonder dat die verhoging meer bedraagt dan die welke wordt verkregen door die renten te indexeren overeenkomstig de regeling die geldt voor de indexering van de pensioenen van de overheidssector.

  Afdeling XIV. - Degressieve afschrijvingen. (Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992, artikel 64)

  Art. 36. Wanneer een belastingplichtige die onderworpen is aan de personenbelasting, de vennootschapsbelasting of de belasting van niet-inwoners, gekozen heeft voor het stelsel van degressieve afschrijving vermeld in artikel 64 van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992, wordt het bedrag van de degressieve afschrijvingsannuiteit met betrekking tot elke groep van naar hetzelfde degressieve percent afschrijfbare vaste activa van gelijke aard, die als beroepskost aanneembaar is, bepaald :
  1° voor het belastbare tijdperk dat loopt op de datum van het verkrijgen of tot stand brengen van die vaste activa, door, ongeacht die datum, op de aanschaffings- of beleggingswaarde een percent toe te passen dat niet meer bedraagt dan tweemaal het met de normale gebruiksduur van dezelfde vaste activa overeenstemmende lineaire afschrijvingspercent;
  2° voor ieder volgend belastbaar tijdperk, door het overeenkomstig 1° vastgestelde percent toe te passen op de residuwaarde van de voormelde vaste activa, met andere woorden op de aanschaffings- of beleggingswaarde verminderd met de tot op het einde van het vorige belastbare tijdperk gedane en aangenomen afschrijvingen.

  Art. 37. Voor de toepassing van artikel 36 wordt het lineaire afschrijvingspercent verkregen door het cijfer 100 te delen door het aantal jaren normale gebruiksduur van de afschrijfbare vaste activa. De lineaire afschrijvingsannuiteit is die welke tegen dat percent op de aanschaffings- of beleggingswaarde berekend is.

  Art. 38. Met ingang van het belastbare tijdperk waarin de op een groep vaste activa toepasselijke degressieve afschrijvingsannuïteit de lineaire afschrijvingsannuïteit niet meer overtreft, heeft de belastingplichtige de mogelijkheid, tot wanneer de aanschaffings- of beleggingswaarde is bereikt, jaarlijks een lineaire toe te passen berekend overeenkomstig artikel 37.

  Art. 39. Afschrijvingstekorten die voor enig belastbaar tijdperk betrekking hebben op een aan degressieve afschrijving onderworpen groep vaste activa, kunnen worden gecompenseerd door aanwending van voorheen belaste afschrijvingsexcedenten die op dezelfde groep vaste activa betrekking hebben.

  Art. 40. Afschrijvingstekorten die tijdens de normale gebruiksduur niet zijn gecompenseerd op de in artikel 39 bepaalde wijze, kunnen na het verstrijken van die duur worden gecompenseerd door een of meer jaarlijkse afschrijvingen te doen die niet meer mogen bedragen dan de overeenkomstig artikel 37 berekende lineaire afschrijving.

  Art. 41. Belastingplichtigen die het stelsel van degressieve afschrijving kiezen voor tijdens enig belastbaar tijdperk verkregen of tot stand gebrachte vaste activa, moeten die keuze aan de controle van de belastingen of aan het centraal taxatiekantoor van het ambtsgebied betekenen binnen de termijn die gesteld is voor het overleggen van de aangifte in de personenbelasting, de vennootschapsbelasting of de belasting van niet-inwoners over dat tijdperk; de betekening moet bij de aangifte worden gevoegd en vergezeld gaan van een opgave waarin voor elke groep van naar hetzelfde degressieve percent afschrijfbare vaste activa van gelijke aard die tijdens gezegd tijdperk zijn verkregen of tot stand gebracht, de volgende vermeldingen moeten voorkomen :
  1° de aard van de verschillende aldus gegroepeerde vaste activa;
  2° hun aanschaffings- of beleggingswaarde;
  3° hun normale vermoedelijke gebruiksduur;
  4° het degressieve afschrijvingspercent.

  Art. 42. De uitgedrukte keuze is onherroepelijk ten aanzien van elke groep vaste activa die tijdens het in artikel 41 vermelde belastbare tijdperk zijn verkregen of tot stand gebracht; hetzelfde geldt met betrekking tot de groepen naar hetzelfde degressieve percent afschrijfbare vaste activa van gelijke aard, die tijdens de daaropvolgende belastbare tijdperken zijn verkregen of tot stand gebracht, behalve wanneer de belastingplichtige voor het verstrijken van een van die tijdperken aan de controle van de belastingen of aan het centraal taxatiekantoor van het ambtsgebied zijn beslissing betekent dat hij van degressieve afschrijving afziet met betrekking tot alle groepen of tot een wel bepaald gedeelte van de bedoelde groepen vaste activa die met ingang van hetzelfde tijdperk zijn verkregen of tot stand gebracht.
  Deze verzaking blijft geldig zolang de belastingplichtige geen nieuwe keuze betekent in de vorm en binnen de termijnen bepaald in artikel 41.

  Art. 43. Het keuzestelsel van degressieve afschrijving is niet van toepassing op de volgende vaste activa :
  1° personenauto's, auto's voor dubbel gebruik en minibussen, zoals deze zijn omschreven in de reglementering inzake inschrijving van motorvoertuigen, behoudens wanneer het voertuigen betreft die uitsluitend worden gebruikt voor een taxidienst of voor verhuring met bestuurder en op grond daarvan van de verkeersbelasting op de autovoertuigen zijn vrijgesteld;
  2° vaste activa waarvan het gebruik aan derden is afgestaan door de belastingplichtige die de vaste activa afschrijft.

  Afdeling XIVbis. <Ingevoegd bij KB 2002-08-22/36, art. 1; Inwerkingtreding : 01-01-2003 (aanslagjaar 2003)> Beroepskosten met betrekking tot de verplaatsing tussen de woonplaats en de plaats van tewerkstelling (Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992, artikel 66bis, tweede lid).

  Art. 43.1. <Ingevoegd bij KB 2002-08-22/36, art. 1; Inwerkingtreding : 01-01-2003 (aanslagjaar 2003)> Voor de toepassing van artikel 66bis van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 wordt de grens van 25 kilometer verhoogd tot 50 kilometer.

  Afdeling XV. - (Vrijstelling voor bijkomend personeel dat voor wetenschappelijk onderzoek, technologisch potentieel, uitvoer en integrale kwaliteitszorg wordt tewerkgesteld in België (Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992, artikel 67, § 5);) <KB 1999-06-09/46, art. 1, 055; Inwerkingtreding : 01-01-1997>

  Art. 44. <KB 1999-06-09/46, art. 2, 055; Inwerkingtreding : 01-01-1997> § 1. Onder hooggekwalificeerd onderzoeker moet worden verstaan ieder persoon die wordt tewerkgesteld voor wetenschappelijk onderzoek in de zin van artikel 67 van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 en die bovendien :
  - houder is van een diploma van doctor, bekomen na de openbare verdediging van een verhandeling, of van geaggregeerde van het hoger onderwijs;
  - en een totale anciënniteit van minstens 10 jaar kan rechtvaardigen, hetzij als persoon tewerkgesteld voor wetenschappelijk onderzoek in de zin van artikel 67 van voormeld Wetboek, hetzij in de zin van de wetenschappelijke anciënniteit vastgelegd in het koninklijk besluit van 21 april 1965 tot vaststelling van het statuut van het wetenschappelijk personeel der wetenschappelijke inrichtingen van de Staat.
  § 2. De hooggekwalificeerd onderzoeker zoals bepaald in § 1, moet voltijds worden tewerkgesteld voor onderzoek en experimentele ontwikkeling.
  Onder onderzoek en experimentele ontwikkeling verstaat men, creatief werk ondernomen op een systematische wijze met het doel de kennisvoorraad te verhogen en de aanwending van deze kennisvoorraad om nieuwe toepassingen te bedenken zoals de ontwikkeling van nieuwe produkten en procédés. Worden eveneens bedoeld, de bouw, de ontwikkeling en het testen van een prototype alsmede softwareontwikkeling voor zover het wetenschappelijke en technologische vooruitgang omvat.

  Art. 45. <AR 1999-06-09/47, art. 1, 056; Inwerkingtreding : 01-01-1997> § 1. Voor de toepassing van artikel 67, § 1, 1° en 2° van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992, worden de leden van het administratief personeel die niet rechtstreeks te maken hebben met opzoekingswerkzaamheden of de uitbouw van het technologisch potentieel van de onderneming, en van het toezichts-, onderhouds- en keukenpersoneel niet in aanmerking genomen.
  § 2. Met betrekking tot het personeel dat wordt overgenomen naar aanleiding van verrichtingen als vermeld in de artikelen 46, § 1, eerste lid, 1° en 2°, 211, § 1 en 214, § 1, eerste lid, van hetzelfde Wetboek, zijn de bepalingen van artikel 67 van voormeld Wetboek, van toepassing bij de nieuwe belastingplichtige of overnemende, verkrijgende of uit de omzetting ontstane vennootschappen, alsof die verrichtingen niet hadden plaatsgevonden.
  § 3. Er wordt voor de toepassing van artikel 67, § 1 van hetzelfde Wetboek, geen rekening gehouden met de tewerkstelling die het gevolg is van een overname van personeelsleden die voorheen waren tewerkgesteld door een belastingplichtige hetzij waarmee de onderneming zich rechtstreeks of onrechtstreeks in enigerlei band van wederzijdse afhankelijkheid bevindt, hetzij waarvan zij de beroepswerkzaamheid geheel of gedeeltelijk voortzet ingevolge een gebeurtenis die niet bedoeld is in § 2.

  Art. 46. <KB 1999-06-09/47, art. 2, 056; Inwerkingtreding : 01-01-1997> § 1. Voor elk van de belastbare tijdperken waarvoor de toekenning of het behoud van de vrijstelling wordt gevraagd, moeten de belastingplichtigen aan hun aangifte in de inkomstenbelastingen, per soort van vrijstelling, een nominatieve opgave toevoegen, waarvan het model door de Minister van Financiën of zijn gedelegeerde wordt vastgelegd.
  § 2. Met betrekking tot het personeelsbestand dat voor het wetenschappelijk onderzoek wordt tewerkgesteld en het personeelsbestand dat voor de uitbouw van het technologisch potentieel van de onderneming wordt tewerkgesteld, moeten de belastingplichtigen eveneens, voor elk van de belastbare tijdperken waarvoor de toekenning of het behoud van de vrijstelling wordt gevraagd, aan hun aangifte in de inkomstenbelastingen een attest op naam toevoegen van de Federale Diensten voor Wetenschappelijke, Technische en Culturele Aangelegenheden.
  De hooggekwalificeerde onderzoekers in de zin van artikel 67, § 3, van voormeld Wetboek moeten het voorwerp uitmaken van een door dezelfde dienst afzonderlijk uitgereikt attest op naam.
  Het model van de in lid 1 en 2 bedoelde attesten alsmede de toekenningsvoorwaarden ervan worden vastgelegd door de Minister die het Wetenschapsbeleid onder zijn bevoegdheid heeft.
  § 3. Betreffende de betrekking van diensthoofd voor de uitvoer, moeten de belastingplichtigen voor elk belastbaar tijdperk waarvoor de toekenning of het behoud van de vrijstelling wordt gevraagd, een attest op naam verstrekken van de Belgische Dienst voor de Buitenlandse Handel, waarvan het model en de toekenningsvoorwaarden worden vastgelegd door de Minister die de Buitenlandse Handel onder zijn bevoegdheid heeft.
  § 4. Betreffende de betrekking van diensthoofd van de dienst Integrale kwaliteitszorg, moeten de belastingplichtigen, voor elk belastbaar tijdperk waarvoor de toekenning of het behoud van de vrijstelling wordt gevraagd, een attest op naam verstrekken, hetzij van de Minister die de Economische Zaken onder zijn bevoegdheid heeft (of van zijn gedelegeerde), hetzij van de Minister die de Middenstand onder zijn bevoegdheid heeft (of van zijn gedelegeerde) voor de ondernemingen met minder dan 50 werknemers. (Het model en de toekenningsvoorwaarden van het attest worden door de vermelde ministers vastgelegd). <KB 2000-04-25/30, art. 1, 064; Inwerkingtreding : 01-01-1997>
  § 5. De in §§ 2 tot 4 bedoelde attesten, moeten bij de bevoegde Minister of dienst op straffe van verval worden aangevraagd binnen de drie maanden te rekenen vanaf de laatste dag van het belastbare tijdperk. De belastingplichtigen moeten deze attesten voorleggen, hetzij tot staving van hun aangifte in de inkomstenbelastingen, hetzij, zo dit niet mogelijk is, binnen een termijn van een maand te rekenen vanaf de datum van verzending van deze attesten.
  (NOTA : De termijn voorzien in § 5 voor het aanvragen van de attesten loopt ten vroegste vanaf 08-07-1999, zie KB 1999-06-09/47, art. 3, § 2.)

  Afdeling XVI. - Investeringsaftrek. ((Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992, artikelen 69, § 2, 3e lid en 77)) <KB 2000-09-21/33, art. 1, 068; Inwerkingtreding : 01-01-1999>

  Art. 47. Om de in de artikelen 68 tot 70 van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 vermelde investeringsaftrek te kunnen genieten moeten de belastingplichtigen bij hun aangifte in de inkomstenbelastingen van het belastbare tijdperk waarin de vaste activa zijn aangeschaft of tot stand gebracht :
  1° een ingevuld, gedateerd en ondertekend formulier voegen, waarvan het model door de Minister van Financiën of zijn gedelegeerde wordt vastgelegd;
  2° per categorie van de in de artikelen 69 en 70 van hetzelfde Wetboek vermelde vaste activa, een opgave voegen die voor elk activum vermeldt :
  a) de datum van aanschaffing of totstandkoming;
  b) de juiste benaming;
  c) de aanschaffings- of beleggingswaarde;
  d) de normale gebruiksduur en de afschrijvingsduur.

  Art. 47bis. <Ingevoegd bij KB 1996-01-31/34, art. 1; Inwerkingtreding : 01-01-1997> Wat (de in artikel 69, § 1, eerste lid, 2°,) van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 vermelde octrooien betreft, dienen de belanghebbende belastingplichtigen de in artikel 47 vermelde stukken te staven door : <KB 2000-09-21/33, art. 2, 068; Inwerkingtreding : 01-01-1999>
  1° een afschrift van het contract op grond waarvan de onderneming het octrooi of het recht tot exploitatie ervan heeft aangeschaft;
  2° het bewijs dat het octrooi of het recht tot exploitatie ervan nooit door een onderneming voor het uitoefenen van haar beroepswerkzaamheid in België is gebruikt.

  Art. 48. § 1. Voor de toepassing (van artikel 69, § 1, eerste lid, 2°,) van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 worden beschouwd als gebruikt ter bevordering van het onderzoek en de ontwikkeling van nieuwe produkten en van toekomstgerichte technologieën : <KB 2000-09-21/33, art. 3, 068; Inwerkingtreding : 01-01-1999>
  A. Met betrekking tot materiële vaste activa :
  1° die welke worden gebruikt bij de exploitatie van onderzoekscentra die een bedrijfsafdeling of een tak van werkzaamheid vormen in de zin van (artikel 46, § 1, eerste lid, 2°,) van hetzelfde Wetboek en waarvoor een afzonderlijk stel rekeningen wordt gehouden, in zover ze niet dat overtreffen wat noodzakelijk is voor de goede werking van die centra; <KB 1996-01-31/34, art. 2, 1°, 026; Inwerkingtreding : 22-03-1996>
  2° die welke niet voor de exploitatie van de sub 1° vermelde onderzoekscentra worden gebruikt maar die voldoen aan een van de navolgende voorwaarden :
  a) het voorwerp zijn of geweest zijn van een tegemoetkoming verleend :
  - door de Staat krachtens hetzij de artikelen 3, a, vierde lid, of 7, van de wet van 17 juli 1959 tot invoering en ordening van maatregelen ter bevordering van de economische expansie en de oprichting van nieuwe industrieën, hetzij de artikelen 7, eerste lid, derde streepje, of 25 van de wet van 30 december 1970 betreffende de economische expansie, hetzij artikel 4, b, van de wet van 4 augustus 1978 tot economische heroriëntering met het oog op de financiering van andere investeringen dan markt- en organisatiestudies en commercialisatiemethodes, hetzij een contract voor opzoeking gesloten door de Minister die bevoegd is voor het wetenschapsbeleid;
  - door het Instituut tot aanmoediging van het wetenschappelijk onderzoek in nijverheid en landbouw;
  b) worden gebruikt voor :
  - het tot stand brengen of het ontwikkelen van nieuwe produktietechnieken, nieuwe apparatuur, nieuwe fabricatieprocédés, nieuwe produkten of grondstoffen;
  - het verbeteren van bestaande technieken, apparatuur en fabricatieprocédés;
  - uitbreiding van ontdekkingen die voortvloeien uit onderzoekingen en theorieën van wetenschappelijke of technische aard, tot praktische toepassingen met experimentele en bewijsvoerende doeleinden, met inbegrip van de experimentele produktie en het nemen van proeven met nieuwe toestellen, apparatuur, materialen en procédés.
  Worden hier in het bijzonder bedoeld :
  - de apparaten of uitrustingen die aangewend worden voor het meten van fysische grootten;
  - de proeftoestellen waarvan het produktievermogen a priori niet kan volstaan om een normaal rendement te geven;
  - de prototypes;
  - de proefserie-bestanddelen die bestemd zijn om het onderzoeksprodukt te testen en definitief af te werken voor zijn commercialisatie.
  Daarentegen zijn uitgesloten, de apparaten of uitrustingen die, in het kader van de normale produktie van de onderneming, voor routinewerkzaamheden of steeds terugkerende werkzaamheden dienen die zich als dusdanig in het produktieproces inschakelen, zoals : proeven, werkzaamheden van studie- en tekenbureaus en kwaliteitscontrole;
  c) wanneer niet aangetoond is dat ze aan de ene of de andere van de hierboven in a of b vermelde voorwaarden voldoen, gezamenlijk erkend zijn door de Minister van Economische Zaken of de Minister die bevoegd is voor de Middenstand en de Minister die bevoegd is voor het Wetenschapsbeleid, als noodzakelijk voor de verwezenlijking van een programma voor wetenschappelijk onderzoek dat bijdraagt tot de technologische vernieuwing;
  3° de onroerende goederen die nodig zijn om, eensdeels, de in 2° vermelde vaste activa, en, anderdeels, de vorsers en het rechtstreeks eraan verbonden personeel in onder te brengen.
  B. Met betrekking tot immateriële vaste activa : de kosten van onderzoek en ontwikkeling, (...), licenties en know-how, alsmede de vooruitbetalingen op deze vaste activa. <KB 1996-01-31/34, art. 2, 2°, 026; Inwerkingtreding : 01-01-1997>
  Het bedrag van de afschrijvingen met betrekking tot de in A vermelde materiële vaste activa, dat eventueel als immateriële vaste activa op het actief van de balans voorkomt, komt niet in aanmerking om de investeringsaftrek te berekenen.
  De kosten van onderzoek en ontwikkeling die een onderneming doet buiten een onderzoekscentrum als vermeld in A, 1°, komen slechts in aanmerking in zover zij ofwel in aanmerking zijn gekomen voor de tegemoetkoming die door de Staat of door het Instituut tot aanmoediging van het wetenschappelijk onderzoek in nijverheid en landbouw is verleend, ofwel gezamenlijk erkend zijn door de Minister van Economische Zaken of de Minister die bevoegd is voor de Middenstand en de Minister die bevoegd is voor het Wetenschapsbeleid, als noodzakelijk voor de verwezenlijking van een programma voor wetenschappelijk onderzoek dat bijdraagt tot de technologische vernieuwing.
  § 2. Materiële vaste activa en van derden verkregen immateriële vaste activa (andere dan octrooien), die worden gebruikt om het onderzoek en de ontwikkeling van nieuwe produkten en van toekomstgerichte technologieën te bevorderen en waarvoor op grond van dat gebruik de investeringsaftrek is verkregen, moeten gedurende de gehele afschrijvingsduur van die activa voor dat gebruik aangewend blijven door de belastingplichtige die de investeringsaftrek heeft verkregen of door de belastingplichtige die de activa heeft verworven ingevolge verrichtingen als vermeld in de artikelen 46 en 211 tot 214 van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992. <KB 1996-01-31/34, art. 2, 3°, 026; Inwerkingtreding : 01-01-1997>
  § 3. Voor activa waarvoor de door de bepalingen van § 2 opgelegde verplichting niet wordt nageleefd, wordt een gedeelte van de verleende investeringsaftrek belast als winst of baat van het belastbare tijdperk waarin het niet naleven van die verplichting zich heeft voorgedaan; dat gedeelte is gelijk aan 1 pct. van de aanschaffings- of beleggingswaarde van het betreffende vaste activum, vermenigvuldigd met het produkt van de volgende 2 factoren vastgesteld volgens de regels vermeld in a en b :
  a) - indien het betreffende vaste activum is verkregen of tot stand gebracht in een belastbaar tijdperk verbonden aan het aanslagjaar 1989 of aan een vorig aanslagjaar : 15 of 7 naargelang het gaat om meubels en kantoormaterieel enerzijds, of andere bestanddelen anderzijds;
  - indien het betreffende vaste activum is verkregen of tot stand gebracht in een belastbaar tijdperk verbonden aan het aanslagjaar 1990 of aan een later aanslagjaar : 10;
  b) een breuk :
  - met als noemer het aantal van de belastbare tijdperken waarover de afschrijvingsduur van het betreffende vaste activum zich uitstrekt;
  - met als teller het aantal van die tijdperken die nog niet verstreken zijn op het ogenblik waarop het niet naleven van de verplichting zich voordoet.
  Voor vaste activa verkregen of tot stand gebracht vanaf 1 januari 1991 waarvoor de investeringsaftrek is verleend met toepassing van artikel 201 van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 is de factor die vermeld is in het eerste lid, a, tweede streepje, gelijk aan 10,5.
  § 4. De belanghebbende belastingplichtigen moeten de in artikel 47 vermelde stukken staven door :
  1° indien het materiële vaste activa betreft :
  - ofwel een rechtvaardigende nota die, met verwijzing naar § 1, A, 1°, 2°, a of b, of 3°, aantoont dat de vaste activa voldoen aan de ene of de andere van de gestelde voorwaarden;
  - ofwel een aanvraag tot het verkrijgen van de in § 1, A, 2°, c, vermelde erkenning; die aanvraag moet met redenen omkleed zijn en tevens alle gegevens vermelden die nodig zijn om over de gegrondheid ervan te oordelen.
  Voor de in § 1, A, 2°, b en c, vermelde vaste activa moeten bovendien de onderzoeksdoeleinden waarvoor die activa noodzakelijk zijn, worden omschreven door het verstrekken van de volgende bijzonderheden :
  a) het doel van de werkzaamheden waarvoor het vaste activum wordt gebruikt;
  b) de beginselen of hypothesen die aan de basis liggen van die werkzaamheden;
  c) de technische moeilijkheden die met die werkzaamheden moeten worden overwonnen;
  d) het innoverend karakter van die werkzaamheden voor de onderneming;
  e) de technische en economische voordelen die de onderneming uit die werkzaamheden denkt te kunnen halen;
  f) de kenmerken van het vaste activum.
  2° indien het van derden verworven immateriële vaste activa (andere dan octrooien) betreft : <KB 1996-01-31/34, art. 2, 4°, 026; Inwerkingtreding : 01-01-1997>
  a) de verantwoording van het potentiële vermogen van die activa om het onderzoek en de ontwikkeling van nieuwe produkten of van toekomstgerichte technologieën te bevorderen; op dat stuk kan de Minister van Financiën een gezamenlijk attest eisen dat uitgaat van de Minister van Economische Zaken of van de Minister die bevoegd is voor de Middenstand en van de Minister die bevoegd is voor het Wetenschapsbeleid;
  b) een afschrift van het contract op grond waarvan de onderneming het vaste activum heeft aangeschaft;
  c) het bewijs dat het vaste activum een immaterieel goed is dat nooit door een onderneming voor het uitoefenen van de beroepswerkzaamheid in België is gebruikt.
  3° indien het immateriële vaste activa betreft die de onderneming in een onderzoekscentrum heeft tot stand gebracht :
  a) het in § 1, A, 1°, vermelde afzonderlijk stel rekeningen dat het mogelijk maakt de kosten van dat onderzoekscentrum te bepalen; de Minister van Financiën kan de vorm en de inhoud van die rekeningen vastleggen en eventueel de waarmerking ervan eisen;
  b) de uiteenzetting van de regelen die de onderneming ertoe gebracht hebben haar kosten voor onderzoek te behandelen als immateriële vaste activa;
  c) de gedetailleerde berekening van het gedeelte van de materiële vaste activa dat overeenkomstig § 1, B, tweede lid, uit de berekeningsgrondslag van de investeringsaftrek moet worden gesloten.
  4° indien het immateriële vaste activa betreft die door de onderneming buiten een onderzoekscentrum zijn tot stand gebracht :
  a) het bewijs dat de kosten voor onderzoek die onder de vaste activa zijn opgenomen, in aanmerking zijn genomen voor een in § 1, A, 2°, a, vermelde tegemoetkoming;
  b) een aanvraag tot het verkrijgen van de in § 1, B, laatste lid, vermelde erkenning; die aanvraag moet met redenen omkleed zijn en tevens alle gegevens vermelden om over de gegrondheid ervan te oordelen;
  c) de rekeningen die het mogelijk maken het bedrag van de gedane kosten te bepalen; de Minister van Financiën kan de vorm en de inhoud van die rekeningen vastleggen en eventueel de waarmerking ervan eisen;
  d) de gedetailleerde berekening van het gedeelte van de materiële vaste activa dat overeenkomstig § 1, B, tweede lid, uit de berekeningsgrondslag van de investeringsaftrek moet worden gesloten.
  5° een attest van de bevoegde Gewestexecutieve waaruit blijkt dat de nieuwe produkten en toekomstgerichte technologieën die resulteren uit het onderzoek en de ontwikkeling waarvoor de desbetreffende vaste activa worden gebruikt, geen effect hebben op het leefmilieu of het negatieve effect op het leefmilieu zoveel mogelijk beogen te beperken.

  Art. 49. § 1. Vaste activa (als vermeld in artikel 69, § 1, eerste lid, 2°,) van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 die dienen voor een rationeler energieverbruik, voor de verbetering van de industriële processen uit energetische overwegingen en voor de terugwinning van energie in de industrie, zijn de vaste activa die, blijkens een attest van de Executieve van het Gewest waar de investering plaatsvindt, behoren tot de vaste activa waarvan de lijst voorkomt in bijlage II. <KB 2000-09-21/33, art. 4, 068; Inwerkingtreding : 01-01-1999>
  § 2. Het attest moet door de belastingplichtige worden gevraagd :
  - op straffe van verval binnen 3 maanden na de laatste dag van het belastbare tijdperk waarin de vaste activa zijn aangeschaft of tot stand gebracht;
  - door middel van een formulier dat schriftelijk moet worden gevraagd bij de in § 1 vermelde Executieve, waaraan het behoorlijk ingevuld, gedagtekend en ondertekend moet worden teruggezonden.
  Wanneer de belastingplichtige vaste activa heeft aangeschaft of tot stand gebracht die onder verschillende in bijlage II vermelde categorieën vallen, moet hij, per categorie een formulier indienen.
  § 3. De belanghebbende belastingplichtigen moeten het in § 1 vermelde attest voorleggen, hetzij tot staving van de in artikel 47 vermelde stukken, hetzij, zo dit niet mogelijk is, binnen een termijn van maximaal 30 dagen te rekenen vanaf de dag waarop het attest is uitgereikt.

  Art. 49bis. <Ingevoegd bij KB 2000-09-21/33, art. 5, 068; Inwerkingtreding : 01-01-1999> § 1. Voor de toepassing van artikel 69, § 2, eerste lid, van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992, moet onder productieproces worden verstaan het geheel van verrichtingen dat uitsluitend dient om een productiesysteem te installeren, te vervangen, te verbeteren of in stand te houden.
  § 2. De in artikel 69, § 2, eerste lid, van hetzelfde Wetboek, beoogde materiële vaste activa die uitsluitend bestemd zijn voor het verzekeren van het productieproces van herbruikbare verpakkingen van dranken en nijverheidsproducten, zoals vermeld in boek III " Milieutaksen " van de gewone wet van 16 juli 1993 tot vervollediging van de federale staatsstructuur en de in artikel 69, § 2, tweede lid, van hetzelfde Wetboek, beoogde materiële vaste activa die uitsluitend bestemd zijn voor het verzekeren van de terugname in de verkooppunten, de tussentijdse stockage, de verzending naar de afvuller of een distributiecentrale met het oog op de verdere sortering en reiniging en de sortering en reiniging met het oog op de terugzending naar de respectievelijke afvullers van de herbruikbare verpakkingen, zijn :
  1° de materiële vaste activa die uitsluitend bestemd zijn en worden gebruikt voor de volgende doeleinden :
  - het afvullen of conditioneren van dranken in herbruikbare verpakkingen;
  - de terugname, het spoelen en de voorbereiding van het afvullen van gebruikte herbruikbare verpakkingen;
  - de specifieke behandelingen van de beoogde dranken en nijverheidsproducten voor en/of na de vulling in een herbruikbare verpakking;
  2° de investeringen in herbruikbare verpakkingen, zowel primaire, als secundaire en tertiaire, en de matrijzen en de specifieke machines voor de productie ervan, alsook de aanvullende bouwwerken, installaties en werktuigen voor goederenbehandeling die uitsluitend bestemd zijn en worden gebruikt voor de opslag van herbruikbare verpakkingen.

  Afdeling XVII. - (...) <KB 1995-09-01/42, art. 8, 019; Inwerkingtreding : 01-01-1993>

  Art. 50. (Opgeheven) <KB 1995-09-01/42, art. 8, 019; Inwerkingtreding : 01-01-1993>

  Art. 51. (Opgeheven) <KB 1995-09-01/42, art. 8, 019; Inwerkingtreding : 01-01-1993>

  Art. 52. (Opgeheven) <KB 1995-09-01/42, art. 8, 019; Inwerkingtreding : 01-01-1993>

  Afdeling XVIII. - Belastingvrijstelling van prijzen en subsidies betaald of toegekend aan geleerden, schrijvers of kunstenaars. (Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992, artikel 90, 2°, tweede lid)

  Art. 53. § 1. Zijn vrijgesteld bij toepassing van artikel 90, 2°, tweede lid, van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992, de prijzen en subsidies die aan alle hierna vermelde voorwaarden voldoen :
  1° uitzonderlijke verdiensten belonen of uitzonderlijke inspanningen mogelijk maken op het stuk van het wetenschappelijk onderzoek, de kunsten of de letteren;
  2° toegekend zijn in omstandigheden die aan de geleerden, aan de schrijvers en aan de kunstenaars ruime mogelijkheden bieden tot persoonlijk initiatief op het gebied van de voortzetting of de uitvoering van hun studies, opzoekingen, werken of kunstuitingen;
  3° belangeloos worden toegekend, derwijze dat iedere staat van afhankelijkheid van de verkrijger tegenover de schenker en elke compensatie ten voordele van deze laatste uitgesloten is;
  4° noch rechtstreeks, noch onrechtstreeks gefinancierd worden door Belgische of buitenlandse nijverheids-, handels- of landbouwondernemingen, die op één of andere wijze voordeel kunnen halen uit de beloonde of gesubsidieerde werken, opzoekingen, studies of kunstuitingen.
  § 2. Zijn erkend bij toepassing van hetzelfde artikel :
  - de Staat, de Gemeenschappen, de Gewesten, (de Vlaamse Gemeenschapscommissie, de Franse Gemeenschapscommissie, de Gemeenschappelijke Gemeenschapscommissie,) de provincies, de agglomeraties, de federaties van gemeenten en de gemeenten; <KB 1994-10-07/34, art. 1, 008; Inwerkingtreding : 01-01-1992>
  - de koninklijke academiën;
  - de universiteiten;
  - het Nationaal fonds voor Wetenschappelijk Onderzoek;
  - het instituut voor Aanmoediging van het Wetenschappelijk Onderzoek in Nijverheid en Landbouw;
  - de Geneeskundige Stichting Koningin Elisabeth;
  - het Francqui-Fonds;
  - de Universitaire Stichting;
  - de Studerende Jeugd;
  - de Internationale Muziekwedstrijd Koningin Elisabeth;
  - de Nobelstichting te Stockholm;
  - de Stichting Artois/Baillet-Latour te Leuven;
  - de Fondation Alexandre et Gaston Tytgat;
  - het Institut européen de Recherches et d'Etudes supérieures en Management;
  - de Fondation rurale de Wallonie;
  - de Stichting Balzan-Prijs te Milaan;
  - het Belgische Werk tegen Kanker;
  - de Noord-Atlantische Verdragsorganisatie;
  - de Wolf-Stichting te Herzlia (Israël);
  - de Vereniging voor Economie;
  - de Fondation économique et sociale du Brabant wallon;
  - de Vereniging voor Kankerbestrijding;
  - de Stichting van Gysel;
  - de Stichting Nany Philippart.
  (- la Fondation Rik & Nel Wouters Stichting;
  - de Fondation René De Cooman;
  - de European Organisation for Research and Treatment of Cancer Foundation;
  - de Robert Koch Stiftung;
  - de Heineken Stichting;
  - de Stichting Alfred Heineken Fondsen.) <KB 1993-12-13/39, art. 1; Inwerkingtreding : 01-01-1991 en 01-01-1992>
  (- la Fondation Prix Willy et Marcy De Vooght.) <KB 1996-10-17/38, art. 1, 029; Inwerkingtreding : 21-11-1996>
  (- het Centrum voor Studie en Behandeling van Gezwelziekten te Gent.) <KB 1999-06-09/44, art. 1, 054; Inwerkingtreding : 01-01-1997>
  (- de Fondation Philippe Wiener - Maurice Anspach.) <KB 2001-09-05/52, art. 1, 082; Inwerkingtreding : 08-10-2001>
  (- de wetenschappelijke Stichting van het Universitair Kinderziekenhuis Koningin Fabiola.) <KB 2002-06-26/43, art. 1; Inwerkingtreding : 01-01-1998>)
  (- de Belgische Federatie tegen Kanker.) <KB 2003-03-10/32, art. 1; Inwerkingtreding : 01-01-1999>

  Afdeling XIX. - (Meerwaarden op onroerende goederen. (Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992, artikel 101, § 3)) <KB 1997-05-20/39, art. 2; Inwerkingtreding : 01-01-1997>

  Art. 54. § 1. (In gevallen als vermeld in artikel 101, § 3, van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 en onverminderd §§ 1 en 2 van dat artikel, wordt de meerwaarde die ter gelegenheid van een overdracht onder bezwarende titel is verwezenlijkt op in België gelegen onroerende goederen of op zakelijke rechten met betrekking tot die onroerende goederen, vastgesteld met inachtneming van volgende bepalingen.) <KB 1997-05-20/39, art. 3, 1°, 039; Inwerkingtreding : 01-01-1997>
  § 2. Bij overdracht van de blote eigendom zonder voorbehoud van vruchtgebruik, van het vruchtgebruik of van het recht van gebruik van een goed, is de eerste grootheid van het verschil, dat moet worden berekend om de meerwaarde te bepalen, de prijs waartegen het recht is overgedragen, of, indien die hoger is, de verkoopwaarde die tot maatstaf van heffing (van het registratierecht of de BTW) heeft gediend. Bij overdracht van de blote eigendom met voorbehoud van vruchtgebruik door de overdrager, is de eerste grootheid van het verschil de prijs van overdracht of, indien die hoger is, de verkoopwaarde van de volle eigendom die tot maatstaf van heffing (van het registratierecht of de BTW) heeft gediend, verminderd met de waarde van het vruchtgebruik berekend overeenkomstig artikel 47 van het Wetboek der Registratierechten. <KB 1997-05-20/39, art. 3, 2°, 039; Inwerkingtreding : 01-01-1997>
  Wanneer een zakelijk recht vermeld in het vorige lid als zodanig door de vervreemder is verkregen, is de tweede grootheid van het verschil gelijk aan de verkoopwaarde van de volle eigendom van het goed op de datum van verkrijging vermenigvuldigd met een breuk waarvan de teller de verkoopwaarde is van het zakelijk recht op de datum van de vervreemding en de noemer de verkoopwaarde van de volle eigendom op dezelfde datum.
  Is alleen de blote eigendom van een goed verkregen en is, nadat het vruchtgebruik is geëindigd, de volle eigendom van dat goed overgedragen, dan wordt als tweede grootheid van het verschil voor dat goed de verkoopwaarde in aanmerking genomen van de volle eigendom op de dag dat de blote eigendom is verkregen.
  (Slaat de overdracht op de blote eigendom of op het vruchtgebruik van een goed of wordt op een goed een ander zakelijk recht gevestigd, dan wanneer de vervreemder het onroerend goed in volle eigendom verkreeg, dan is de tweede grootheid van het verschil gelijk aan de prijs of de verkoopwaarde van de volle eigendom van dat goed bij de verkrijging, bepaald overeenkomstig artikel 101, § 1, 2°, of § 2, eerste lid, 2°, van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992, naargelang van het geval, vermenigvuldigd met een breuk waarvan de teller gelijk is aan de eerste grootheid van het verschil vastgesteld op de wijze bepaald in onderhavige paragraaf, en de noemer aan de verkoopwaarde van de volledige eigendom van het goed op de dag van de overdracht of vestiging van gezegd recht. Als waarde van die tweede grootheid mag evenwel nooit een bedrag in aanmerking worden genomen dat de kostprijs of de verkoopwaarde van de volle eigendom van het goed bij de verkrijging overtreft.) <KB 1997-05-20/39, art. 3, 3°, 039; Inwerkingtreding : 01-01-1997>
  § 3. Voor goederen overgedragen in volle eigendom of in blote eigendom zonder voorbehoud van vruchtgebruik tegen betaling van een lijfrente, van een tijdelijke rente of van elk ander levenslang recht, is de eerste grootheid van het verschil gelijk aan de waarde die tot maatstaf van heffing van het registratierecht (of de BTW) heeft gediend, dit wil zeggen ofwel de gekapitaliseerde waarde van de rente of van het levenslang recht, eventueel verhoogd met het bedrag waarvan de betaling in kapitaal is bedongen boven de rente of het levenslang recht, ofwel indien die hoger is, de verkoopwaarde van respectievelijk de volle of de blote eigendom van de goederen. <KB 1997-05-20/39, art. 3, 4°, 039; Inwerkingtreding : 01-01-1997>
  Wanneer de goederen zijn verkregen in volle eigendom of in blote eigendom zonder voorbehoud van vruchtgebruik tegen betaling van een lijfrente, van een tijdelijke rente of van elk ander levenslang recht, is de tweede grootheid van het verschil gelijk aan de waarde die bij de verkrijging tot maatstaf van heffing van het registratierecht (of de BTW) heeft gediend, dit wil zeggen ofwel de gekapitaliseerde waarde van de rente of van het levenslang recht, eventueel verhoogd met het bedrag waarvan de betaling in kapitaal was bedongen boven de rente of het levenslang recht, ofwel, indien die hoger is, de verkoopwaarde van respectievelijk de volle of de blote eigendom van de goederen op het tijdstip van de verkrijging. <KB 1997-05-20/39, art. 3, 4°, 039; Inwerkingtreding : 01-01-1997>
  Slaat een overdracht of verkrijging als vermeld in deze paragraaf op de blote eigendom met voorbehoud van vruchtgebruik, dan gelden dezelfde regels, mits de verkoopwaarde van het goed te verminderen met die van het vruchtgebruik op de datum van de verkrijging berekend overeenkomstig artikel 47 van het Wetboek der Registratierechten.
  § 4. Bij ruiling van goederen, wanneer de ruilverrichting niet is vermeld in artikel 93, 1° en 2°, van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 :
  1° is de eerste grootheid van het verschil gelijk aan de overeengekomen waarde van de overgedragen goederen, of bij gebreke daarvan aan de verkoopwaarde van de in ruil verkregen goederen verhoogd met de ontvangen of verminderd met de betaalde opleg, zonder dat die grootheid lager mag zijn dan de verkoopwaarde van de overgedragen goederen;
  2° is de tweede grootheid van het verschil gelijk aan de overeengekomen waarde van de in ruil verkregen goederen, of, bij gebreke daarvan, aan de verkoopwaarde van de bij ruiling overgedragen goederen, verhoogd met de alsdan betaalde of verminderd met de alsdan ontvangen opleg, zonder dat die grootheid lager mag zijn dan de verkoopwaarde van de in ruil verkregen goederen op het tijdstip van de verkrijging.
  Wanneer bij een ruilverrichting als vermeld in artikel 93, 2°, van hetzelfde Wetboek, de geruilde loten niet gelijk zijn, is in principe alleen de meerwaarde met betrekking tot het verschil tussen de loten belastbaar en is zij gelijk aan het verschil tussen :
  - eensdeels, de opleg of, indien het hoger is, het verschil tussen de verkoopwaarde van beide loten, dat tot maatstaf van heffing van het registratierecht heeft gediend, en
  - anderdeels, de verkrijgingsprijs van het overgedragen goed, of de verkoopwaarde ervan op dat tijdstip, bepaald overeenkomstig artikel 101, § 1, 2°, van hetzelfde Wetboek, vermenigvuldigd met een breuk waarvan de teller gelijk is aan de opleg, of indien het hoger is, het verschil tussen de verkoopwaarde van beide loten, dat tot maatstaf van heffing van het registratierecht heeft gediend, en de noemer aan de overeengekomen waarde, of, indien die hoger is, de verkoopwaarde van het overgedragen goed op de dag van de overdracht.
  § 5. Bij verdeling van goederen is de eerste grootheid van het verschil voor elk van de eigenaars in onverdeeldheid gelijk aan de overeengekomen waarde van zijn deel in de goederen die aan een of meerdere van zijn mede-eigenaars zijn toegekend of aan de verkoopwaarde die voor het vaststellen van de maatstaf van heffing van het registratierecht (of de BTW) aan dat deel is toegekend, indien er geen waarde is overeengekomen of indien die waarde lager was dan de verkoopwaarde. <KB 1997-05-20/39, art. 3, 5°, 039; Inwerkingtreding : 01-01-1997>
  Bij overdracht van goederen waarvan de overdrager gedeeltelijk eigenaar is geworden ingevolge verkrijging van onverdeelde delen en gedeeltelijk ingevolge een latere verdeling van de onverdeeldheid, is de tweede grootheid van het verschil gelijk aan de som van de volgende twee bestanddelen :
  - ten eerste, ofwel de prijs die voor de verkrijging van de onverdeelde delen is betaald, of - wel de verkoopwaarde ervan bij de verkrijging (- bepaald overeenkomstig artikel 101, § 1, 2°, of § 2, eerste lid, 2°, van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992, naargelang van het geval -) in zover die prijs of waarde op de overgedragen goederen betrekking heeft; <KB 1997-05-20/39, art. 3, 6°, 039; Inwerkingtreding : 01-01-1997>
  - ten tweede, de overeengekomen waarde die aan het overblijvende deel van deze goederen bij die latere verdeling is gegeven of aan de verkoopwaarde die aan dat deel voor het vaststellen van de maatstaf van heffing van het registratierecht (of de BTW) is toegekend, indien er geen waarde is overeengekomen bij de verdeling of indien die waarde lager was dan de toenmalige verkoopwaarde. <KB 1997-05-20/39, art. 3, 7°, 039; Inwerkingtreding : 01-01-1997>
  § 6. Bij inbreng van goederen in vennootschap is de eerste grootheid van het verschil gelijk aan de waarde die tot maatstaf van heffing van het registratierecht (of de BTW) heeft gediend, dit wil zeggen de waarde van de maatschappelijke rechten en van de kosten die de vennootschap ten gunste van de inbrenger op zich neemt of, indien die hoger is, de verkoopwaarde van de ingebrachte goederen. <KB 1997-05-20/39, art. 3, 8°, 039; Inwerkingtreding : 01-01-1997>
  Wanneer het gaat om een overdracht door een belastingplichtige die overeenkomstig artikel 227, 2° of 3°, van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992, aan de belasting van niet-inwoners is onderworpen en die het goed voorheen heeft verkregen door inbreng in vennootschap, wordt de tweede grootheid van het verschil gevormd door de waarde die bij die inbreng tot maatstaf van heffing van het registratierecht (of de BTW) heeft gediend, dit wil zeggen de waarde van de maatschappelijke rechten en van de kosten die voormelde belastingplichtige ten gunste van de inbrenger op zich nam, of, indien die hoger was, de verkoopwaarde van de destijds ingebrachte goederen. <KB 1997-05-20/39, art. 3, 8°, 039; Inwerkingtreding : 01-01-1997>
  § 7. Slaat een overdracht of verkrijging als vermeld in de §§ 4 tot 6 op de blote eigendom van een goed met voorbehoud van vruchtgebruik door de overlater, dan blijven de in die paragrafen vermelde regels van kracht met dien verstande dat als verkoopwaarde van die blote eigendom, de verkoopwaarde van de volle eigendom op de datum van de overdracht in aanmerking wordt genomen verminderd met de waarde van het vruchtgebruik berekend overeenkomstig artikel 47 van het Wetboek der Registratierechten.
  § 8. Bij overdracht van goederen die voorheen zijn verkregen ter gelegenheid van de ontbinding of de verdeling van het maatschappelijk vermogen van een vennootschap, is de tweede grootheid van het verschil gelijk aan de waarde waarvoor die goederen hebben bijgedragen tot de vaststelling van de bedragen die bij de ontbinding of bij de verdeling van het maatschappelijk vermogen van voormelde vennootschap aan de aandeelhouders of vennoten werden uitgekeerd, of indien die hoger was, de verkoopwaarde van die goederen die naar aanleiding van die gebeurtenis gediend heeft tot maatstaf van heffing van het registratierecht (of de BTW). <KB 1997-05-20/39, art. 3, 9°, 039; Inwerkingtreding : 01-01-1997>
  § 9. In gevallen als vermeld in dit artikel wordt de meerwaarde bepaald met inachtneming van de kosten en uitgaven, van de verhoging met 5 pct. per jaar en (van de vergoedingen) die vermeld zijn in (artikel 101, §§ 1 en 2), van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992. <KB 1997-05-20/39, art. 3, 10°, 039; Inwerkingtreding : 01-01-1997>
  In gevallen als vermeld in § 5, tweede lid, wordt die verhoging met 5 pct. per jaar toegepast door, enerzijds, de verkrijging van de onverdeelde delen, en, anderzijds, de verdeling, afzonderlijk in beschouwing te nemen.

  Afdeling XX. - Aftrek van uitgaven voor onderhoud en restauratie van beschermde onroerende goederen. (Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992, (artikel 104,) 8°) <KB 2000-10-16/32, art. 1, 069; Inwerkingtreding : 09-11-2000>

  Art. 55. § 1. Voor de toepassing van (artikel 104,) 8°, van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 : <KB 2000-10-16/32, art. 2, 069; Inwerkingtreding : 09-11-2000>
  1° worden beschouwd als uitgaven voor onderhoud en restauratie van beschermde gebouwde onroerende goederen, delen van gebouwde onroerende goederen of landschappen, de uitgaven die, met voorafgaand gunstig advies van de bevoegde Executieve betreffende de aard van de werken, gedaan zijn om die goederen of delen ervan in stand te houden of in hun vroegere staat te herstellen of om ze te valoriseren op historisch, artistiek, wetenschappelijk of esthetisch vlak of om ze voor het publiek toegankelijk te maken;
  2° worden diezelfde goederen of delen ervan beschouwd voor het publiek toegankelijk te zijn wanneer zij, rekening houdend met hun specifiek karakter en op advies van de bevoegde Executieve, als zodanig erkend zijn bij beslissing van de Minister van Financiën of zijn gedelegeerde.
  § 2. Belastingplichtigen die om de toepassing van voormeld artikel 104, eerste lid, 8°, verzoeken, voegen bij hun aangifte :
  a) het beschermingsbesluit van het betreffende onroerend goed en de beslissing waarbij de toegankelijkheid ervan overeenkomstig § 1, 2°, is erkend;
  b) de facturen en de betalingsbewijzen van de onderhouds- of restauratiewerken en een attest van de Executieve blijkens hetwelk die werken stroken met haar advies vermeld in § 1, 1°;
  c) een verklaring op eer vermeldend of voor de onderhouds- of restauratiewerken subsidies zijn toegezegd, toegekend of betaald en, in bevestigend geval, het bedrag ervan.
  § 3. (...) <KB 1994-08-12/48, art. 3, 006; Inwerkingtreding : 01-01-1992>

  Afdeling XXI. - Aanrekening van de van het totale netto-inkomen aftrekbare bestedingen. (Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992, artikel 106)

  Art. 56. De krachtens artikel 104 van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 van het totale netto-inkomen aftrekbare bestedingen worden evenredig aangerekend op de verschillende inkomstencategorieën.

  Afdeling XXII. - (Instellingen die giften ontvangen. (Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992, artikelen 108 en 110)) <KB 2001-03-04/30, art. 1; Inwerkingtreding : 24-03-2001>

  Art. 57. § 1. Voor de toepassing van (artikel 104,) 3°, b en e, en 4°, van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992, kunnen worden erkend de instellingen voor wetenschappelijk onderzoek, de instellingen die oorlogsslachtoffers, minder-validen, bejaarden, beschermde minderjarigen of behoeftigen bijstaan, en de instellingen voor hulpverlening aan ontwikkelingslanden, op voorwaarde : <KB 2000-10-16/32, art. 3, 069; Inwerkingtreding : 09-11-2000>
  1° dat zij rechtspersoonlijkheid bezitten krachtens het Belgisch publiekrecht of privaatrecht;
  2° dat zij generlei gewin bejagen, noch voor zichzelf, noch voor hun leden als zodanig;
  3° dat hun werkzaamheden :
  a) nationaal zijn, wat betekent dat die instellingen ofwel hun actie over het gehele land moeten voeren ofwel plaatselijke of gewestelijke werkzaamheden moeten centraliseren en coördineren;
  b) uitsluitend gericht zijn op wetenschappelijk onderzoek, op bijstand aan misdeelden of op hulpverlening aan ontwikkelingslanden;
  c) deze aanvullen die op de hierboven vermelde gebieden worden verricht door de Belgische overheid of door internationale instellingen waarvan België lid is.
  De erkenning wordt voor een periode van ten hoogste (6 opeenvolgende kalenderjaren) toegestaan. <KB 2000-10-16/32, art. 3, 069; Inwerkingtreding : 09-11-2000>
  § 2. Om te worden erkend moeten de instellingen als vermeld in § 1 daartoe een schriftelijke aanvraag indienen in de vorm en binnen de termijnen als hierna bepaald.
  § 3. De aanvragen om erkenning moeten uiterlijk op 31 december van het jaar dat voorafgaat aan de periode waarvoor de erkenning wordt aangevraagd, bij de Minister van Financiën worden ingediend; de termijn mag evenwel niet korter zijn dan 3 maanden vanaf de datum van de oprichting van de aanvragende instelling.
  § 4. De aanvragen om erkenning moeten omvatten :
  1° alle nuttige gegevens die de bevoegde raadgevende instellingen van de Staat of van de Gemeenschappen in de mogelijkheid stellen te onderzoeken of de aanvragende instelling aan de in § 1 gestelde voorwaarden voldoet;
  2° een verklaring waarbij de aanvragende instelling de verbintenis aangaat :
  a) tot het dekken van kosten van algemeen beheer geen hoger bedrag te zullen besteden dan 20 pct. van haar bestaansmiddelen van alle aard, vooraf verminderd met die welke voortkomen van andere erkende instellingen;
  b) aan de schenkers een ontvangstbewijs uit te reiken waarvan het model door de Minister van Financiën of zijn gedelegeerde wordt vastgesteld, en bij de administratie der directe belastingen binnen 2 maanden na het einde van ieder kalenderjaar van de periode waarvoor de erkenning is toegestaan een afschrift van de tijdens dat jaar uitgereikte ontvangstbewijzen en een verzamelstaat of -attest daarvan in te leveren;
  c) de ambtenaren van de administratie der directe belastingen toe te staan haar boekhouding te controleren telkens als zij dat nuttig achten;
  d) aan de diensten die worden aangewezen door de voor de erkenning bevoegde organen van de Staat of van de Gemeenschappen, binnen een maand na het eerste verzoek van die diensten, alle inlichtingen te verstrekken die voor het onderzoek van de aanvraag om erkenning nuttig zijn.
  Die aanvragen moeten bovendien worden gestaafd met een voor eensluidend verklaard afschrift van de rekening van de ontvangsten en uitgaven van het laatst afgesloten boekjaar en van de begroting van het lopende boekjaar.
  § 5. De Minister van Financiën en de bevoegde organen van de Staat of van de Gemeenschappen waaronder de bevoegde raadgevende instellingen ressorteren beslissen gezamenlijk over de aanvraag om erkenning, na het advies van voormelde instellingen te hebben ingewonnen, tenzij zij gebruik maken van de in § 6 gestelde mogelijkheid.
  Hun beslissing wordt aan de aanvragende instelling betekend.
  § 6. De Minister van Financiën en de bevoegde organen van de Staat of van de Gemeenschappen waaronder de bevoegde raadgevende instellingen ressorteren, mogen zich ervan onthouden het advies van die voormelde instellingen in te winnen met betrekking tot de instellingen waarvoor, ter gelegenheid van een vroegere aanvraag om erkenning, reeds een advies is uitgebracht.
  § 7. Ingeval een instelling één van de voor haar erkenning gestelde voorwaarden niet nakomt, kan haar erkenning ambtshalve worden ingetrokken of geweigerd door een gezamenlijke beslissing van de Minister van Financiën en van elk van de bevoegde organen van de Staat of van de Gemeenschappen.
  De intrekking van de erkenning treedt in werking vanaf de 1e januari die volgt op de datum van betekening van de beslissing.
  § 8. In gevallen van uitzonderlijke en dringende hulpverlening aan behoeftigen kan de erkenning eveneens worden toegestaan wanneer :
  - de werkzaamheden van de instelling die bijstand verleent, niet nationaal zijn of niet uitsluitend gericht zijn op hulpverlening aan behoeftigen;
  - of nog de aanvraag om erkenning niet voorafgaat aan de hulpverlening.
  In die gevallen moet de aanvraag om erkenning uiterlijk 6 maanden na de aanvang van de hulpverlening worden ingediend en wordt de erkenning beperkt (tot een maximumduur van) 3 opeenvolgende kalenderjaren. <KB 2000-10-16/32, art. 3, 069; Inwerkingtreding : 09-11-2000>

  Art. 58. § 1. Voor de toepassing van (artikel 104,) 3°, d, van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992, kunnen worden erkend de culturele instellingen die aan de volgende voorwaarden voldoen : <KB 2000-10-16/32, art. 4, 069; Inwerkingtreding : 09-11-2000>
  1° rechtspersoonlijkheid bezitten krachtens het Belgisch publiekrecht of privaatrecht;
  2° generlei gewin bejagen, noch voor zichzelf, noch voor hun leden als zodanig;
  3° hun werkzaamheden rechtstreeks en uitsluitend verrichten in het domein van de verspreiding van de cultuur, met name op het gebied van :
  a) bescherming en luister van de taal;
  b) aanmoediging van de vorming van navorsers;
  c) schone kunsten met inbegrip van toneel en film;
  d) cultureel patrimonium, musea en andere wetenschappelijk-culturele instellingen;
  e) bibliotheken, discotheken en soortgelijke diensten;
  f) radio-omroep en televisie;
  g) jeugdbeleid;
  h) permanente opvoeding en culturele animatie;
  i) lichamelijke opvoeding, sport en openluchtleven;
  j) vrijetijdsbesteding en toerisme;
  4° wegens hun werkzaamheden door de Staat of door één van de Gemeenschappen gesubsidieerd worden;
  5° met hun invloedsgebied één van de Gemeenschappen of het gehele land bestrijken, zodat inzonderheid de instellingen worden uitgesloten die slechts op lokaal vlak werkzaam zijn.
  De erkenning wordt voor een periode van ten hoogste (6 opeenvolgende kalenderjaren) toegestaan. <KB 2000-10-16/32, art. 4, 069; Inwerkingtreding : 09-11-2000>
  § 2. Om te worden erkend moeten de instellingen als vermeld in § 1 daartoe een schriftelijke aanvraag indienen in de vorm en binnen de termijnen als hierna bepaald.
  § 3. De aanvragen om erkenning moeten uiterlijk op 31 december van het jaar dat voorafgaat aan de periode waarvoor de erkenning wordt aangevraagd, bij de Minister van Financiën worden ingediend; de termijn mag evenwel niet korter zijn dan 3 maanden vanaf de datum van de oprichting van de aanvragende instelling.
  § 4. De aanvragen om erkenning moeten omvatten :
  1° alle nuttige gegevens die de diensten, welke met de behandeling van de aanvraag om erkenning belast zijn, in de mogelijkheid stellen te onderzoeken of de aanvragende instelling aan de in § 1 gestelde voorwaarden voldoet;
  2° een verklaring waarbij de aanvragende instelling de verbintenis aangaat :
  a) tot het dekken van kosten van algemeen beheer geen hoger bedrag te zullen besteden dan 20 pct. van haar bestaansmiddelen van alle aard, vooraf verminderd met die welke voortkomen van andere erkende instellingen;
  b) aan de schenkers een ontvangstbewijs uit te reiken waarvan het model door de Minister van Financiën of zijn gedelegeerde wordt vastgesteld en bij de administratie der directe belastingen binnen 2 maanden na het einde van ieder kalenderjaar van de periode waarvoor de erkenning is toegestaan een afschrift van de tijdens dat jaar uitgereikte ontvangstbewijzen en een verzamelstaat of -attest daarvan in te leveren;
  c) de ambtenaren van de administratie der directe belastingen toe te staan haar boekhouding te controleren telkens als zij dat nuttig achten;
  d) aan de in 1° vermelde diensten, binnen een maand na het eerste verzoek van die diensten, alle inlichtingen te verstrekken die voor het onderzoek van de aanvraag om erkenning nuttig zijn.
  § 5. Die aanvragen om erkenning moeten bovendien worden gestaafd met een voor eensluidend verklaard afschrift van de rekening van de ontvangsten en uitgaven van het laatst afgesloten boekjaar en van de begroting van het lopende boekjaar.
  § 6. Met betrekking tot de naleving van de in § 1, eerste lid, 3°, gestelde voorwaarde vraagt de Minister van Financiën een gemotiveerd advies :
  1° aan de Eerste Minister indien het invloedsgebied van de aanvragende instelling onder de Duitstalige Gemeenschap ressorteert;
  2° aan de Executieve van de Gemeenschap waaronder het invloedsgebied van de aanvragende instelling ressorteert.
  § 7. (...) <KB 2000-10-16/32, art. 4, 069; Inwerkingtreding : 01-01-1999>
  § 8. Ingeval een instelling één van de voor haar erkenning gestelde voorwaarden niet nakomt, kan haar erkenning op voorstel van de Minister van Financiën door de Koning worden ingetrokken (...). <KB 2000-10-16/32, art. 4, 069; Inwerkingtreding : 01-01-1999>
  Het besluit waarbij de erkenning wordt ingetrokken, heeft uitwerking met ingang van 1 januari volgend op de bekendmaking ervan in het Belgisch Staatsblad.

  Art. 59. § 1. Voor de toepassing van (artikel 104,) 3°, g, van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992, kunnen worden erkend de instellingen opgericht voor hulpverlening aan slachtoffers van rampen die de toepassing rechtvaardigen van de wet betreffende het herstel van schade veroorzaakt aan private goederen door natuurrampen, op voorwaarde : <KB 2000-10-16/32, art. 5, 069; Inwerkingtreding : 09-11-2000>
  1° dat zij rechtspersoonlijkheid bezitten krachtens het Belgisch publiekrecht of privaatrecht;
  2° dat zij generlei gewin bejagen, noch voor zichzelf, noch voor hun leden als zodanig;
  3° dat hun werkzaamheden uitsluitend gericht zijn op hulpverlening aan de hierboven vermelde slachtoffers.
  De erkenning wordt voor een periode van ten hoogste (6 opeenvolgende kalenderjaren) toegestaan. <KB 2000-10-16/32, art. 5, 069; Inwerkingtreding : 09-11-2000>
  § 2. Om te worden erkend moeten de instellingen als vermeld in § 1 daartoe een schriftelijke aanvraag indienen in de vorm en binnen de termijnen als hierna bepaald.
  § 3. De aanvragen om erkenning moeten uiterlijk op 31 december van het jaar dat voorafgaat aan de periode waarvoor de erkenning wordt aangevraagd, bij de Minister van Financiën worden ingediend; de termijn mag evenwel niet korter zijn dan 3 maanden vanaf de datum van de oprichting van de aanvragende instelling.
  (In afwijking van het voorgaande lid, kan een aanvraag om erkenning eveneens geldig worden ingediend binnen een termijn van 3 maanden vanaf de datum van de aanvang van de hulpverlening door de betrokken instelling. In dat geval wordt de erkenning toegestaan voor een periode van ten hoogste 3 kalenderjaren. Wat het eerste kalenderjaar betreft, geldt de erkenning pas vanaf de aanvang van de hulpverlening.) <KB 2000-10-16/32, art. 5, 069; Inwerkingtreding : 09-11-2000>
  § 4. Die aanvragen om erkenning moeten worden gestaafd met een voor eensluidend verklaard afschrift van de rekening van de ontvangsten en uitgaven van het laatst afgesloten boekjaar en van de begroting van het lopende boekjaar, en moeten omvatten :
  1° alle nuttige gegevens om te kunnen onderzoeken of de aanvragende instelling aan de in § 1 gestelde voorwaarden voldoet;
  2° een verklaring waarbij de aanvragende instelling de verbintenis aangaat :
  a) tot het dekken van kosten van algemeen beheer geen hoger bedrag te zullen besteden dan 20 pct. van haar bestaansmiddelen van alle aard, vooraf verminderd met die welke voortkomen van andere erkende instellingen;
  b) aan de schenkers een ontvangstbewijs uit te reiken waarvan het model door de Minister van Financiën of zijn gedelegeerde wordt vastgesteld en bij de administratie der directe belastingen binnen 2 maanden na het einde van ieder kalenderjaar van de periode waarvoor de erkenning is toegestaan een afschrift van de tijdens dat jaar uitgereikte ontvangstbewijzen en een verzamelstaat of -attest daarvan in te leveren;
  c) de ambtenaren van de administratie der directe belastingen toe te staan haar boekhouding te controleren telkens als zij dat nuttig achten;
  d) aan de diensten die worden aangewezen door de Minister van Financiën, binnen een maand na het eerste verzoek van die diensten, alle inlichtingen te verstrekken die voor het onderzoek van de aanvraag om erkenning nuttig zijn.
  § 5. De Minister van Financiën beslist over de aanvraag om erkenning.
  Zijn beslissing wordt aan de aanvragende instelling betekend.
  § 6. Ingeval een instelling één van de voor haar erkenning gestelde voorwaarden niet nakomt, kan haar erkenning ambtshalve worden ingetrokken of geweigerd door een beslissing van de Minister van Financiën.
  De intrekking van de erkenning treedt in werking vanaf de 1e januari die volgt op de datum van betekening van de beslissing.

  Art. 59bis. <ingevoegd bij KB 1998-10-29/37, art. 1; Inwerkingtreding : 1996-06-14> § 1. Voor de toepassing van artikel 104, 3°, i, van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992, kunnen worden erkend de instellingen die zich bezighouden met het natuurbehoud of de bescherming van het leefmilieu, op voorwaarde :
  1° dat zij rechtspersoonlijkheid bezitten krachtens het Belgisch publiekrecht of privaatrecht;
  2° dat zij generlei gewin bejagen, noch voor zichzelf, noch voor hun leden als zodanig;
  3° dat ze werkzaamheden in België uitoefenen die rechtstreeks en uitsluitend gericht zijn op het natuurbehoud en/of de bescherming van het leefmilieu;
  4° dat ze een belangrijke rol spelen bij de bewustmaking van de bevolking en de milieuopvoeding van de jeugd;
  5° dat hun activiteiten een doorlopend en duurzaam karakter omvatten zodat instellingen die éénmalige of gelegenheidsacties uitoefenen, uitgesloten zijn;
  6° dat zij sedert ten minste twee volledige kalenderjaren die de periode waarvoor de erkenning wordt gevraagd, voorafgaan, de rechtspersoonlijkheid bezitten en voormelde activiteiten uitoefenen;
  7° dat ze wegens hun werkzaamheden door de federale overheid of door één van de Gewesten worden gesubsidieerd;
  8° dat hun invloedsgebied zich over meer dan een gemeente uitstrekt.
  De erkenning wordt voor een periode van ten hoogste (6 opeenvolgende kalenderjaren) toegestaan. <KB 2000-10-16/32, art. 6, 069; Inwerkingtreding : 09-11-2000>
  § 2. Om te worden erkend moeten de instellingen als vermeld in § 1 daartoe een schriftelijke aanvraag indienen in de vorm en binnen de termijnen als hierna bepaald.
  § 3. De aanvragen om erkenning moeten uiterlijk op 31 december van het jaar dat voorafgaat aan de periode waarvoor de erkenning wordt aangevraagd, bij de Minister van Financiën worden ingediend.
  § 4. De aanvragen om erkenning moeten omvatten :
  1° alle documenten en nuttige gegevens die de diensten welke met de behandeling van de aanvragen om erkenning belast zijn, in de mogelijkheid te stellen te onderzoeken of de aanvragende instelling aan de in § 1 gestelde voorwaarden voldoet;
  2° een verklaring waarbij de aanvragende instelling de verbintenis aangaat :
  a) tot het dekken van kosten van algemeen beheer geen hoger bedrag te zullen besteden dan 20 % van haar bestaansmiddelen van alle aard, vooraf verminderd met die welke voortkomen van andere erkende instellingen;
  b) aan de schenkers een ontvangstbewijs uit te reiken waarvan het model door de Minister van Financiën of zijn gedelegeerde wordt vastgesteld en bij de administratie der directe belastingen binnen 2 maanden na het einde van ieder kalenderjaar van de periode waarvoor de erkenning is toegestaan een afschrift van de tijdens dat jaar uitgereikte ontvangstbewijzen en een verzamelstaat of -attest daarvan in te leveren;
  c) de ambtenaren van de administratie der directe belastingen toe te staan haar boekhouding te controleren telkens als zij dat nuttig achten;
  d) aan de diensten welke met de behandeling van de aanvraag om erkenning belast zijn, binnen een maand na het eerste verzoek van die diensten, alle inlichtingen te verstrekken die voor het onderzoek van de aanvraag om erkenning nuttig zijn.
  Die aanvragen moeten bovendien worden gestaafd met een voor eensluidend verklaard afschrift van de rekening van de ontvangsten en uitgaven van het laatst afgesloten boekjaar en van de begroting van het lopende boekjaar.
  § 5. De Minister van Financiën en de Minister tot wiens bevoegdheid het leefmilieu behoort, beslissen gezamenlijk over de aanvraag om erkenning.
  Hun beslissing wordt aan de aanvragende instelling betekend.
  § 6. Ingeval een instelling één van de voor haar erkenning gestelde voorwaarden niet nakomt, kan haar erkenning ambtshalve worden ingetrokken of geweigerd door een gezamenlijke beslissing van de Minister van Financiën en van de Minister tot wiens bevoegdheid het leefmilieu behoort.
  De intrekking van de erkenning treedt in werking vanaf de lste januari die volgt op de datum van de betekening van de beslissing.

  Art. 59ter. (oude artikel 59bis) <KB 1998-10-29/37, art. 1; Inwerkingtreding : 1996-06-14> <Ingevoegd bij KB 1996-01-09/30, art. 1; Inwerkingtreding : 10-04-1995> § 1. Voor de toepassing van artikel 104, 4°bis, van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992, kunnen worden erkend de instellingen die hulp verlenen aan slachtoffers van zeer grote industriële ongevallen, op voorwaarde :
  1° dat zij rechtspersoonlijkheid bezitten krachtens het Belgisch publiekrecht of privaatrecht;
  2° dat zij generlei gewin bejagen, noch voor zichzelf, noch voor hun leden als zodanig;
  3° dat hun werkzaamheden :
  a) uitsluitend gericht zijn op hulpverlening, hetzij in België, hetzij in het buitenland, aan de hierboven vermelde slachtoffers;
  b) deze aanvullen die op het hierboven vermelde gebied worden verricht door de federale overheid of door internationale instellingen waarvan België lid is.
  § 2. Om te worden erkend moeten de instellingen als vermeld in § 1 daartoe een schriftelijke aanvraag indienen in de vorm en binnen de termijnen als hierna bepaald.
  § 3. In geval de erkenning voor de eerste maal geldig wordt aangevraagd, moeten de aanvragen uiterlijk 3 maanden na de aanvang van de hulpverlening door de betrokken instelling bij de Minister van Financiën worden ingediend. De erkenning wordt voor een periode van ten hoogste 3 kalenderjaren toegestaan. Wat het eerste kalenderjaar betreft, geldt de erkenning pas vanaf de aanvang van de hulpverlening.
  De aanvragen om hernieuwing van de erkenning moeten uiterlijk op 31 december van het jaar dat voorafgaat aan de periode waarvoor de erkenning wordt aangevraagd, bij de Minister van Financiën worden ingediend. Die erkenning wordt voor een periode van ten hoogste (6 opeenvolgende kalenderjaren) toegestaan. <KB 2000-10-16/32, art. 7, 069; Inwerkingtreding : 09-11-2000>
  § 4. De aanvragen om erkenning moeten worden gestaafd met een voor eensluidend verklaard afschrift van de rekening van de ontvangsten en uitgaven van het laatste afgesloten boekjaar en van de begroting van het lopende boekjaar, en moeten omvatten :
  1° alle nuttige gegevens om te kunnen onderzoeken of de aanvragende instelling aan de in § 1 gestelde voorwaarden voldoet;
  2° een verklaring waarbij de aanvragende instelling de verbintenis aangaat :
  a) tot het dekken van kosten van algemeen beheer geen hoger bedrag te zullen besteden dan 20 % van haar bestaansmiddelen van alle aard, vooraf verminderd met die welke voortkomen van andere erkende instellingen;
  b) aan de schenkers een ontvangstbewijs uit te reiken waarvan het model door de Minister van Financiën of zijn gedelegeerde wordt vastgesteld en bij de administratie der directe belastingen binnen 2 maanden na het einde van ieder kalenderjaar van de periode waarvoor de erkenning is toegestaan een afschrift van de tijdens dat jaar uitgereikte ontvangstbewijzen en een verzamelstaat of -attest daarvan in te leveren;
  c) de ambtenaren van de administratie der directe belastingen toe te staan haar boekhouding te controleren telkens als zij dat nuttig achten;
  d) aan de diensten die worden aangewezen door de Minister van Financiën of door de Minister van Buitenlandse Zaken, binnen een maand na het eerste verzoek van die diensten, alle inlichtingen te verstrekken die voor het onderzoek van de aanvraag om erkenning nuttig zijn.
  § 5. De Minister van Financiën en de Minister van Buitenlandse Zaken beslissen gezamenlijk over de aanvraag om erkenning.
  Hun beslissing wordt aan de aanvragende instelling betekend.
  § 6. Ingeval een instelling één van de voor haar erkenning gestelde voorwaarden niet nakomt, kan haar erkenning ambtshalve worden ingetrokken of geweigerd door een gezamenlijke beslissing van de Minister van Financiën en de Minister van Buitenlandse Zaken.
  De intrekking van de erkenning treedt in werking vanaf de 1e januari die volgt op de datum van betekening van de beslissing.

  Art. 59quater. (Ingevoegd bij KB 2001-03-04/30, art. 2; Inwerkingtreding : 01-01-1997.) § 1. Voor de toepassing van artikel 104, 3°, j, van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992, zoals ingevoegd bij de wet van 22 december 1998 houdende fiscale en andere bepalingen kunnen worden erkend de instellingen die het behoud of de zorg voor monumenten en landschappen ten doel hebben en die aan de volgende voorwaarden voldoen :
  1° rechtspersoonlijkheid bezitten krachtens het Belgisch publiekrecht of privaatrecht;
  2° generlei gewin bejagen, noch voor zichzelf, noch voor hun leden als zodanig;
  3° hun werkzaamheden in België rechtstreeks en uitsluitend verrichten in het domein van het behoud of de zorg van monumenten en landschappen;
  4° wegens hun werkzaamheden door de Staat, door één van de Gewesten of de Duitstalige Gemeenschap worden gesubsidieerd;
  5° met hun invloedsgebied één van de Gewesten, de Duitstalige Gemeenschap of het gehele land bestrijken, zodat inzonderheid de instellingen worden uitgesloten die slechts op lokaal vlak werkzaam zijn.
  De erkenning wordt voor een periode van ten hoogste zes opeenvolgende kalenderjaren toegestaan.
  § 2. Om te worden erkend moeten de instellingen als vermeld in § 1 daartoe een schriftelijke aanvraag indienen in de vorm en binnen de termijnen als hierna bepaald.
  § 3. (NOTA van Justel : Zie afwijking van onderhavig artikel 59quater, § 3, in KB 2001-03-04/30, art. 5.) De aanvragen om erkenning moeten uiterlijk op 31 december van het jaar dat voorafgaat aan de periode waarvoor de erkenning wordt aangevraagd, bij de Minister van Financiën worden ingediend; de termijn mag evenwel niet korter zijn dan drie maanden vanaf de datum van de oprichting van de aanvragende instelling.
  § 4. De aanvragen om erkenning moeten omvatten :
  1° alle nuttige gegevens die de diensten, welke met de behandeling van de aanvraag om erkenning belast zijn, in de mogelijkheid stellen te onderzoeken of de aanvragende instelling aan de in § 1 gestelde voorwaarden voldoet;
  2° een verklaring waarbij de aanvragende instelling de verbintenis aangaat :
  a) tot het dekken van kosten van algemeen beheer geen hoger bedrag te zullen besteden dan 20 pct. van haar bestaansmiddelen van alle aard, vooraf verminderd met die welke voortkomen van andere erkende instellingen;
  b) aan de schenkers een ontvangstbewijs uit te reiken waarvan het model door de Minister van Financiën of zijn gedelegeerde wordt vastgesteld en bij de administratie van de ondernemings- en inkomensfiscaliteit binnen twee maanden na het einde van ieder kalenderjaar van de periode waarvoor de erkenning is toegestaan een afschrift van de tijdens dat jaar uitgereikte ontvangstbewijzen en een verzamelstaat of attest daarvan in te leveren;
  c) de ambtenaren van de administratie van de ondernemings- en inkomensfiscaliteit toe te staan haar boekhouding te controleren telkens als zij dat nuttig achten;
  d) aan de in 1° vermelde diensten, binnen een maand na het eerste verzoek van die diensten, alle inlichtingen te verstrekken die voor het onderzoek van de aanvraag om erkenning nuttig zijn.
  § 5. Die aanvragen om erkenning moeten bovendien worden gestaafd met een voor eensluidend verklaard afschrift van de rekening van de ontvangsten en uitgaven van het laatst afgesloten boekjaar en van de begroting van het lopende boekjaar.
  § 6. Met betrekking tot de naleving van de in § 1, eerste lid, 3°, gestelde voorwaarde vraagt de Minister van Financiën een gemotiveerd advies :
  1° aan de Regering van het Gewest waaronder het invloedsgebied van de aanvragende instelling ressorteert;
  2° aan de Regering van de Duitstalige Gemeenschap wanneer het invloedsgebied van de aanvragende instelling zich uitstrekt in het Duitse taalgebied.
  § 7. Ingeval een instelling één van de voor haar erkenning gestelde voorwaarden niet nakomt, kan haar erkenning op voorstel van de Minister van Financiën door de Koning worden ingetrokken.
  Het besluit waarbij de erkenning wordt ingetrokken, heeft uitwerking met ingang van 1 januari volgend op de bekendmaking ervan in het Belgisch Staatsblad.

  Art. 59quinquies. (Ingevoegd bij KB 2001-03-04/30, art. 3; Inwerkingtreding : 01-01-2000) § 1. Voor de toepassing van artikel 104, 3°, j, van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992, zoals ingevoegd door de wet van 21 april 1999 tot wijziging van artikel 104 van hetzelfde Wetboek teneinde de giften in geld aan erkende dierenasielen fiscaal aftrekbaar te maken, moeten de werkzaamheden van de VZW rechtstreeks en uitsluitend gericht zijn op het beheer van dierenasielen zoals gedefinieerd door het koninklijk besluit van 17 februari 1997 houdende de erkenningsvoorwaarden voor hondenkwekerijen, kattenkwekerijen, dierenasielen, dierenpensions en handelszaken voor dieren, en de voorwaarden inzake de verhandeling van dieren.
  § 2. Teneinde de machtiging te verkrijgen om voor een periode van ten hoogste zes opeenvolgende kalenderjaren ontvangstbewijzen uit te reiken die recht geven op de aftrek van de giften die zijn gedaan aan de in § 1 bedoelde VZW, moeten deze laatsten daartoe een schriftelijke aanvraag indienen in de vorm en binnen de termijnen als hierna bepaald.
  § 3. (NOTA van Justel : Zie afwijking van onderhavig artikel 59quinquies, § 3, in KB 2001-03-04/30, art. 5.) De aanvragen om machtiging moeten uiterlijk op 31 december van het jaar dat voorafgaat aan de periode waarvoor de machtiging wordt aangevraagd, bij de Minister van Financiën worden ingediend; de termijn mag evenwel niet korter zijn dan drie maanden vanaf de datum van de oprichting van de aanvragende VZW.
  § 4. De aanvragen om machtiging moeten omvatten :
  1° een voor eensluidend verklaard afschrift van het gedateerde en gehandtekende erkenningsbewijs afgeleverd overeenkomstig het koninklijk besluit van 17 februari 1997 houdende de erkenningsvoorwaarden voor hondenkwekerijen, kattenkwekerijen, dierenasielen, dierenpensions en handelszaken voor dieren, en de voorwaarden inzake de verhandeling van dieren;
  2° alle nuttige gegevens die de diensten, belast met de behandeling van de machtigingsaanvraag, in de mogelijkheid stellen te onderzoeken of de aanvragende VZW aan de in § 1 gestelde voorwaarden voldoet;
  3° een verklaring waarbij de aanvragende VZW de verbintenis aangaat :
  a) tot het dekken van kosten van algemeen beheer geen hoger bedrag te zullen besteden dan 20 pct. van haar bestaansmiddelen van alle aard, vooraf verminderd met die welke voortkomen van andere erkende instellingen;
  b) aan de schenkers een ontvangstbewijs uit te reiken waarvan het model door de Minister van Financiën of zijn gedelegeerde wordt vastgesteld, en bij de administratie van de ondernemings- en inkomensfiscaliteit binnen de twee maanden na het einde van ieder kalenderjaar van de periode waarvoor de machtiging is verkregen een afschrift van de tijdens dat jaar uitgereikte ontvangstbewijzen en een verzamelstaat of -attest daarvan in te leveren;
  c) de ambtenaren van de administratie van de ondernemings- en inkomensfiscaliteit toe te staan haar boekhouding te controleren telkens als zij dat nuttig achten;
  d) aan de diensten bevoegd voor de machtiging, binnen een maand na het eerste verzoek van die diensten, alle inlichtingen te verstrekken die voor het onderzoek van de aanvraag om machtiging nuttig zijn.
  Die aanvragen moeten bovendien worden gestaafd met een eensluidend verklaard afschrift van de rekening van de ontvangsten en uitgaven van het laatst afgesloten boekjaar en van de begroting van het lopende boekjaar.
  § 5. De beslissing van de Minister van Financiën wordt aan de aanvragende VZW betekend.
  § 6. Ingeval een VZW de voor haar machtiging gestelde voorwaarden niet nakomt, kan haar machtiging ambtshalve worden ingetrokken of geweigerd door een beslissing van de Minister van Financiën.
  De intrekking van de machtiging treedt in werking vanaf de 1 januari die volgt op de datum van betekening van de beslissing.

  Art. 60. <KB 1994-01-20/37, art. 1, 002; Inwerkingtreding : 01-01-1994> De Minister van Financiën of zijn gedelegeerde kan vergunning verlenen om de in de artikelen 57, § 4, 2°, b, 58, § 4, 2°, b, (, 59, § 4, 2°, b en 59bis, § 4, 2°, b en 59ter, § 4, 2°, b, 59quater, § 4, 2°, b, en 59quinquies, § 4, 3°, b,) vermelde afschriften van de uitgereikte ontvangstbewijzen evenals de verzamelstaat of het verzamelattest daarvan te vervangen door een magnetische informatiedrager. <KB 2001-03-04/30, art. 4, 080; Inwerkingtreding : 24-03-2001>
  De vergunning vermeldt de na te leven voorwaarden en kan steeds worden ingetrokken.

  Afdeling XXIII. - Aftrek van uitgaven voor kinderoppas. (Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992, artikel 113, § 2)

  Art. 61. Het hoogst aftrekbare bedrag van de uitgaven voor kinderoppas vermeld in artikel 113, § 1, van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992, is, na de toepassing van de door (artikel 104, 7°), van hetzelfde Wetboek ingestelde beperking tot 80 pct., bepaald (op (11,20 EUR) per oppasdag en kind). <KB 2000-01-27/30, art. 1, 060; Inwerkingtreding : 01-01-1999> <KB 2000-07-20/63, art. 2, 075; Inwerkingtreding : 01-01-2002>

  Afdeling XXIV. - Aftrek van interest van hypothecaire leningen aangegaan voor het vernieuwen van een woning. (Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992, artikel 115, 2°, b)

  Art. 62. De in artikel 115, 2°, b, van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 vermelde dienstverrichtingen zijn deze vermeld in rubriek XXXI van tabel A van de bijlage bij het koninklijk besluit nr. 20 van 20 juli 1970 tot vaststelling van de tarieven van de belasting over de toegevoegde waarde en tot indeling van de goederen en de diensten bij die tarieven, (...). <KB 1994-08-12/48, art. 4, 006; Inwerkingtreding : 20-09-1994>

  Afdeling XXV. - Aanrekening van de verliezen van één van de echtgenoot op de inkomsten van de andere echtgenoot. (Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992, artikel 129)

  Art. 63. § 1. Het door één van de echtgenoten tijdens het belastbare tijdperk of tijdens een vorig belastbaar tijdperk geleden beroepsverlies, dat krachtens artikel 129 van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 geheel of gedeeltelijk op de beroepsinkomsten van de andere echtgenoot kan worden aangerekend, wordt evenredig afgetrokken van de overeenkomstig artikel 23 van hetzelfde Wetboek vastgestelde beroepsinkomsten uit de verschillende beroepswerkzaamheden van deze echtgenoot, die gezamenlijk worden belast of die overeenkomstig artikel 155 van hetzelfde Wetboek zijn vrijgesteld krachtens internationale overeenkomsten ter voorkoming van dubbele belasting; het eventuele saldo wordt evenredig aangerekend op de beroepsinkomsten die afzonderlijk worden belast.
  § 2. De aanrekening van de respectievelijk (in de §§ 1, 2 en 3) van artikel 103 van hetzelfde Wetboek vermelde verliezen op de diverse inkomsten van de andere echtgenoot, gebeurt evenredig binnen de in dat artikel gestelde grenzen. <KB 1997-05-20/39, art. 4, 039; Inwerkingtreding : 01-01-1997>

  Afdeling XXVbis. - (Persoonlijke bijdragen voor aanvullende verzekering tegen ouderdom en vroegtijdige dood (Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992, artikel 145.3, derde lid).) <Ingevoegd bij KB 1995-09-01/42, art. 9; Inwerkingtreding : 01-01-1994>

  Art. 63.1. <Ingevoegd bij KB 1995-09-01/42, art. 9; Inwerkingtreding : 01-01-1994> De persoonlijke bijdragen voor aanvullende verzekering tegen ouderdom en vroegtijdige dood bedoeld in artikel 145/3, van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 worden voor de vermindering van het lange termijnsparen in aanmerking genomen overeenkomstig de bepalingen van de artikelen 34 en 35.

  Afdeling XXVter. - (Voorwaarden en wijze waarop de vermindering voor het lange termijnsparen wordt toegepast met betrekking tot premies van individuele levensverzekeringen en betalingen voor de aflossing of wedersamenstelling van hypotheekleningen (Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992, artikel 145.6, derde lid).) <Ingevoegd bij KB 1995-09-01/42, art. 10; Inwerkingtreding : 01-01-1993>

  Art. 63.2. <Ingevoegd bij KB 1995-09-01/42, art. 10; Inwerkingtreding : 01-01-1993> Eenmalige premies of termijnpremies die de belastingplichtige heeft betaald ter uitvoering van levensverzekeringscontracten die hij individueel heeft gesloten, worden, binnen de grenzen gesteld in de artikelen 145/4 en 145/6, eerste lid, van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992, slechts in aanmerking genomen voor de vermindering voor het lange termijnsparen indien :
  1° de contracten zijn onderschreven bij Belgische ondernemingen of Belgische inrichtingen van buitenlandse ondernemingen die verbintenissen aangaan waarvan de uitvoering afhankelijk is van de duur van het menselijk leven, of bij openbare of private voorzorgsinstellingen waarvoor bijzondere wetten gelden;
  2° de verzekerde het bewijs van betaling van de premie overlegt, zomede een attest waarvan het model door de Minister van Financiën of zijn gedelegeerde wordt vastgesteld, waarbij de verzekeraar :
  a) bevestigt dat het contract aan al de in artikel 145/4 van hetzelfde Wetboek gestelde voorwaarden voldoet;
  b) er zich toe verbindt de taxatiedienst van het ambtsgebied van de verzekerde in kennis te stellen van alle wijzigingen die aan het contract worden aangebracht.

  Art. 63.3. <KB 2001-01-30/38, art. 1, 079; Inwerkingtreding : 01-01-2001> Betalingen voor de aflossing of wedersamenstelling van een hypothecaire lening die is aangegaan om een in België gelegen woning te bouwen, te verwerven of te verbouwen, worden, binnen de grenzen gesteld in artikel 1456, eerste en tweede lid van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992, slechts in aanmerking genomen voor de vermindering van het lange termijnsparen indien de belastingplichtige het bewijs van die betalingen overlegt, zomede een attest waarvan het model door de Minister van Financiën of zijn gedelegeerde wordt vastgesteld, waarbij de instelling die de lening heeft toegestaan :
  a) bevestigt dat het leningscontract aan de in artikel 1455 van hetzelfde Wetboek gestelde voorwaarden voldoet;
  b) er zich toe verbindt de taxatiedienst van het ambtsgebied van de belastingplichtige in kennis te stellen van alle wijzigingen die aan het contract worden aangebracht.

  Art. 63.4. <Ingevoegd bij KB 1995-09-01/42, art. 10; Inwerkingtreding : 01-01-1993> Premies betreffende een contract met kosteloze of betalende deelneming in de winst, worden tot hun nominale bedrag in aanmerking genomen voor de vermindering voor het lange termijnsparen.

  Afdeling XXVquater. - (Inlichtingen te verstrekken betreffende betalingen voor pensioensparen (artikelen 21, 8°, 145.10, tweede lid, 145.12, zesde lid, en 263, tweede lid, van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992).) <Ingevoegd bij KB 1995-09-01/42, art. 11; Inwerkingtreding : 01-01-1993>

  Art. 63.5. <Ingevoegd bij KB 1995-09-01/42, art. 11; Inwerkingtreding : 01-01-1993> § 1. Binnen de twee maanden na het einde van ieder kalenderjaar waarin betalingen voor pensioensparen zijn verricht, moeten de instellingen en ondernemingen bedoeld in artikel 145/15 van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 aan de administratie van de directe belastingen een afschrift bezorgen van het attest dat zij aan iedere houder van een spaarrekening of ondertekenaar van een spaarverzekeringscontract hebben uitgereikt en waarvan het model door de Minister van Financiën of zijn gedelegeerde is vastgelegd ter uitvoering van artikel 145.9, eerste lid, 3°, van hetzelfde Wetboek.
  § 2. De Minister van Financiën of zijn gedelegeerde kan vergunning verlenen om de in § 1 bedoelde afschriften te vervangen door een magnetische informatiedrager.
  De vergunning vermeldt de na te leven voorwaarden en kan steeds worden ingetrokken.

  Afdeling XXVquinquies. - (Voorwaarden tot toekenning en behoud van de erkenning van pensioenspaarfondsen (artikel 145.16, 1°, Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992).) <Ingevoegd bij KB 1995-09-01/42, art. 12; Inwerkingtreding : 01-01-1993>

  Art. 63.6. <Ingevoegd bij KB 1995-09-01/42, art. 12; Inwerkingtreding : 01-01-1993> § 1. Tot staving van de aanvraag die de beheersvennootschap indient om voor de toepassing van artikel 145.16, 1°, van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 een Belgisch beleggingsfonds als pensioenspaarfonds te erkennen, moet die vennootschap verstrekken :
  1° een attest uitgereikt door de Commissie voor het Bank- en Financiewezen volgens hetwelk dit fonds is ingeschreven op de lijst van de Belgische beleggingsinstellingen overeenkomstig artikel 120 van de wet van 4 december 1990 op de financiële transacties en de financiële markten en afdeling I van hoofdstuk I van titel I van het koninklijk besluit van 4 maart 1991 met betrekking tot bepaalde instellingen voor collectieve belegging;
  2° de, eventueel gecoördineerde, tekst van de statuten van de beheersvennootschap;
  3° de lijst van de aandeelhouders van de beheersvennootschap en van ieders deelneming in het maatschappelijk kapitaal;
  4° indien zij bestaan, de drie laatste jaarrekeningen van de beheersvennootschap;
  5° de naam, voornamen, woonplaats en nationaliteit van de bestuurders, directeurs of andere personen die met het dagelijks bestuur van de beheersvennootschap zijn belast;
  6° de verbintenis van de beheersvennootschap de activa van het fonds en de inkomsten van die activa, na aftrek van de lasten, te beleggen overeenkomstig boek III van voormelde wet van 4 december 1990 en de ter uitvoering ervan genomen besluiten en met inachtneming van de verplichtingen van artikel 145.11 van hetzelfde Wetboek;
  7° de naam, voornamen en woonplaats van een commissaris-revisor die volledige toegang heeft tot om het even welke bescheiden en geschriften van de beheersvennootschap zomede tot die van de bewaarnemer die betrekking hebben op de bewaargevingen van effecten en waarden van het fonds, waarbij de bewaarnemer zich akkoord verklaart met die vrije toegang;
  8° een attest van de bewaarnemer van het fonds waarbij :
  - hij zich ertoe verbindt aan alle verplichtingen overeenkomstig artikel 11 van voormeld koninklijk besluit van 4 maart 1991 te voldoen;
  - hij de eventuele waarborgen omschrijft die hij aanvaard heeft aan de deelnemers te geven;
  - hij de met de beheersvennootschap afgesloten overeenkomsten omschrijft;
  - hij de verbintenis aangaat aan de Minister van Financiën alle wijzigingen die ter zake zouden intreden mede te delen.
  § 2. Om het erkenningsdossier doorlopend te kunnen bijwerken, licht de beheersvennootschap de Minister van Financiën onverwijld in over de wijzigingen die moeten worden aangebracht in de tot staving van de aanvraag medegedeelde stukken en zendt hem de jaarrekening zodra die door de algemene vergadering is goedgekeurd.

  Art. 63.7. <Ingevoegd bij KB 1995-09-01/42, art. 12; Inwerkingtreding : 01-01-1993> § 1. Het naleven van de verplichtingen bedoeld in artikel 145.11, van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992, wordt nagegaan op grond van de in § 2 bedoelde bescheiden die door de beheersvennootschap bij de Minister van Financiën worden ingediend uiterlijk één maand na het einde van ieder volledig kalenderkwartaal sedert de erkenning van het fonds, ondertekend door de twee bestuurders bedoeld in artikel 3, § 1, 8°, van het koninklijk besluit van 4 maart 1991 met betrekking tot bepaalde instellingen voor collectieve belegging en zonder enig voorbehoud gewaarmerkt door de in artikel 63.6, § 1, 7°, bedoelde commissaris-revisor.
  § 2. De in § 1 bedoelde bescheiden worden gevormd door de gedetailleerde toestand van het fonds zoals die is opgesteld op het einde van de laatste bankwerkdag van iedere maand die deel uitmaakt van ieder kalenderkwartaal.
  Die bescheiden geven de gedetailleerde samenstelling van het fonds op het einde van de maand, de waardering van respectievelijk elk element van het patrimonium en van het geheel van dit laatste overeenkomstig de in § 3 vermelde regels, enerzijds in kapitaal, anderzijds in inkomsten, evenals de netto inschrijvingen in kapitaal bij het fonds voor ieder van de drie voorgaande maanden.
  § 3. De methodes tot waardering van het patrimonium van het fonds moeten beantwoorden aan de voorwaarden vermeld in artikel 68, § 1, van voormeld koninklijk besluit van 4 maart 1991 en moeten overeenstemmen met de voorwaarden gesteld in het koninklijk besluit van 8 maart 1994 op de boekhouding en de jaarrekening van bepaalde instellingen voor collectieve belegging met een veranderlijk aantal rechten van deelneming.
  Wanneer er voor een element van het patrimonium geen gereglementeerde liquide markt bestaat, moeten de in het eerste lid bedoelde methodes tot waardering in het bijzonder door een commissaris-revisor zijn aanvaard.
  § 4. De voorwaarden bedoeld in artikel 145.11, van hetzelfde Wetboek worden beschouwd als nageleefd indien uit de in §§ 1 en 2 bedoelde bescheiden blijkt :
  a) dat de op grond van de toestand op het einde van iedere maand van het kalenderkwartaal berekende totale gemiddelde waarde in kapitaal van de aandelen die een fractie van het maatschappelijk kapitaal van vennootschappen naar Belgisch recht vertegenwoordigen hoger is dan 30 pct. van de refertewaarde van het fonds;
  b) dat de op grond van de toestand op het einde van iedere maand van het kalenderkwartaal berekende totale gemiddelde waarde in kapitaal, enerzijds, van de buitenlandse op een Belgische beurs genoteerde effecten of de delen van Belgische gemeenschappelijke beleggingsfondsen die door de Commissie voor het Bank- en Financiewezen ingeschreven zijn op de lijst van de Belgische beleggingsinstellingen, en anderzijds, van de tegoeden op rekening (in euro) bij één van de in artikel 145.15, eerste lid, van hetzelfde Wetboek vermelde instellingen of ondernemingen, niet hoger is dan 10 pct. van de refertewaarde van het fonds; <KB 2000-07-20/63, art. 5, 076; Inwerkingtreding : 01-01-2002>
  c) dat de refertewaarde van het fonds die dient om de in a en b van deze paragraaf bedoelde coëfficiënten te meten, voor ieder kalenderkwartaal wordt bepaald door de gemiddelde waarde in kapitaal van het fonds te verminderen met een derde van de waarde in kapitaal van de netto inschrijvingen bij het fonds tijdens de derde maand die voorafgaat aan het kalenderkwartaal waarvoor de refertewaarde wordt berekend, met twee derde van de netto inschrijvingen tijdens de tweede maand die het betrokken kwartaal voorafgaat en met het totaal van dezelfde inschrijvingen tijdens de maand die hetzelfde kalenderkwartaal voorafgaat.

  Art. 63.8. <Ingevoegd bij KB 1995-09-01/42, art. 12; Inwerkingtreding : 01-01-1993> § 1. De erkenning van het fonds wordt ingetrokken :
  1° wanneer de Commissie voor het Bank- en Financiewezen de inschrijving van het pensioenspaarfonds op de lijst van de Belgische beleggingsinstellingen herroept;
  2° wanneer de Commissie voor het Bank- en Financiewezen de vereffening van het fonds vaststelt;
  3° wanneer de beheersvennootschap de in artikel 63.6, § 2, bedoelde bescheiden en inlichtingen niet meedeelt;
  4° indien uit de in artikel 63.7 bedoelde bescheiden blijkt dat de beheersvennootschap of de bewaarnemer de aangegane verbintenissen niet naleeft.
  De Minister van Financiën kan evenwel op gemotiveerd verzoekschrift van de beheersvennootschap een uitstel van ten hoogste drie maanden verlenen om de vastgestelde ontoereikendheid recht te zetten.
  § 2. Van de intrekking van de erkenning en van de toekenning van het in § 1, tweede lid, bedoelde uitstel, wordt kennis gegeven aan de beheermaatschappij, aan de Commissie voor het Bank- en Financiewezen, aan de bewaarnemer en aan de in artikel 63.6, § 1, 7°, bedoelde commissaris-revisor.
  § 3. De Commissie voor het Bank- en Financiewezen geeft de Minister van Financiën onverwijld kennis van de in § 1, eerste lid, 1°, vermelde herroeping of van de in § 1, eerste lid, 2° versnelde vaststelling.

  Art. 63.9. <Ingevoegd bij KB 1995-09-01/42, art. 12; Inwerkingtreding : 01-01-1993> De toekenning en de intrekking van de erkenning worden in het Belgisch Staatsblad bekendgemaakt.

  Afdeling XXVsexies. - <KB 2002-04-02/41, art. 1, 088; Inwerkingtreding : 01-01-2002> Vermindering voor uitgaven betaald voor prestaties in het kader van plaatselijke werkgelegenheidsagentschappen en voor prestaties betaald met dienstencheques (Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992, artikel 14522)

  Art. 63.10. <KB 2002-04-02/41, art. 1, 088; Inwerkingtreding : 01-01-2002> De in artikel 14521 van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 vermelde uitgaven komen slechts voor belastingvermindering in aanmerking :
  1° wat de uitgaven betaald voor prestaties in het kader van plaatselijke werkgelegenheidsagentschappen betreft :
  a) ten belope van de nominale waarde van de PWA-cheques die op naam van de belastingplichtige zijn uitgegeven en die hij tijdens het belastbaar tijdperk bij de uitgever heeft aangekocht, verminderd met de nominale waarde van die PWA-cheques die in de loop van datzelfde belastbaar tijdperk aan de uitgever zijn terugbezorgd;
  b) op voorwaarde dat de belastingplichtige tot staving van zijn aangifte in de inkomstenbelastingen het attest overlegt vermeld in de reglementering betreffende de plaatselijke werkgelegenheidsagentschappen en uitgereikt door de uitgever van de PWA-cheques;
  2° wat de uitgaven betaald voor prestaties betaald met dienstencheques betreft :
  a) ten belope van de aanschafprijs van de dienstencheques die op naam van de belastingplichtige zijn uitgegeven en die hij tijdens het belastbaar tijdperk bij het uitgiftebedrijf heeft aangekocht, verminderd met de aanschafprijs van die dienstencheques die in de loop van datzelfde belastbaar tijdperk door het uitgiftebedrijf aan de belastingplichtige werden terugbetaald;
  b) op voorwaarde dat de belastingplichtige tot staving van zijn aangifte in de inkomstenbelastingen het attest overlegt vermeld in de reglementering betreffende de buurtdiensten en -banen en uitgereikt door de uitgever van de dienstencheques.

  Afdeling XXVsepties. - <Ingevoegd bij KB 2002-12-20/36, art. 1; Inwerkingtreding : 01-01-2004> Vermindering voor energiebesparende uitgaven (Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992, artikel 145.24)

  Art. 63.11. <Ingevoegd bij KB 2002-12-20/36, art. 1; Inwerkingtreding : 01-01-2004> § 1. De in artikel 145.24 van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 opgesomde uitgaven, worden slechts in aanmerking genomen voor de in dat artikel vermelde belastingvermindering indien de daarmee verband houdende werken voldoen aan de volgende voorwaarden :
  1° de werken die aan de basis liggen van de uitgaven bedoeld in artikel 145.24, eerste lid, 1° tot 6°, van hetzelfde Wetboek, moeten worden uitgevoerd door een persoon die op het ogenblik van het afsluiten van de overeenkomst voor de uit te voeren werken als aannemer geregistreerd is overeenkomstig artikel 401 van het genoemde Wetboek.
  Wat de vervanging van oude stookketels betreft, komen enkel de volgende types van installatie in aanmerking :
  - condenserende ketel;
  - stookketel op hout;
  - installatie met warmtepomp;- installatie met een systeem van microwarmtekrachtkoppeling.
  De hiervoren bedoelde aannemer waarborgt bovendien de gelijkvormigheid van de werken op de grondslag van de elementen die in bijlage IIbis zijn opgenomen.
  Te dien einde moet de door de geregistreerde aannemer uitgereikte factuur of de bijlage ervan :
  a) de woning aangeven waar de werken worden uitgevoerd;
  b) desnoods, de verdeling van de kosten van de werken volgens hun aard opgeven tussen :
  - de werken die zijn vermeld in artikel 145.24, eerste lid, 1° tot 3°, van het genoemde Wetboek;
  - de werken die zijn vermeld in artikel 145.24, eerste lid, 4° tot 6°, van hetzelfde Wetboek en
  - de andere werken;
  c) de volgende formule bevatten :
  " Verklaring met toepassing van artikel 63.11 van het KB/WIB 92 betreffende de uitgevoerde werken die zijn bedoeld in artikel 145.24 van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992
  Ik, ondergetekende..., bevestig dat :
  -... (per maatregel de vermeldingen overnemen die worden opgelegd door bijlage IIbis van het KB/WIB 92)
  -....
  .... (datum)
  .... (naam)
  .... (handtekening). ";
  2° de werkzaamheden die aan de basis liggen van de uitgaven voor een energie-audit van de woning bedoeld in artikel 145.24, eerste lid, 7°, van hetzelfde Wetboek, moeten worden uitgevoerd overeenkomstig de toepasselijke gewestelijke wetgeving.
  § 2. De belastingplichtige die het voordeel vermeld in artikel 145.24 van het genoemde Wetboek aanvraagt, moet bij zijn aangifte in de inkomstenbelastingen van het betrokken belastbare tijdperk het origineel of een door hem eensluidend verklaarde fotokopie toevoegen van :
  - de facturen betreffende de werken die aan de basis liggen van de uitgaven die zijn vermeld in artikel 145.24, eerste lid, van hetzelfde Wetboek;
  - het betalingsbewijs van de bedragen die voorkomen op die facturen.

  Afdeling XXVI. - Voorafbetalingen - Belastingvermeerdering - Bonificatie. (Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992, artikelen 162, eerste lid, 167, 175 en 376, § 4)

  Art. 64. Overeenkomstig artikel 162, eerste lid, van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 wordt het vermeerderingspercentage vastgesteld in verhouding tot de basisrentevoet die in de tabel hierna is aangegeven :

  
AanslagjaarBasisrentevoet
--
19939
[19967]
<KB 1995-03-16/30, art. 1, 014; Inwerkingtreding : 01-01-1996>



  Art. 65. Voor de aan de personenbelasting of de overeenkomstig artikel 227, 1°, van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 aan de belasting van niet-inwoners onderworpen belastingplichtigen die winst, baten of bezoldigingen (van bedrijfsleiders) behalen en die voorafbetalingen doen als vermeld in de artikelen 157 tot 166 en 175 tot 177 van hetzelfde Wetboek, worden die voorafbetalingen ten belope van het bedrag dat nodig is om de in voormeld artikel 157 bepaalde vermeerdering te vermijden, bij voorrang als in voormelde artikelen 157 tot 166 vermelde voorafbetalingen beschouwd. <KB 1997-05-20/39, art. 5, 039; Inwerkingtreding : 01-01-1997>
  Voor de berekening van die vermeerdering worden de in het vorige lid vermelde inkomsten geacht betrekking te hebben op een volledig kalenderjaar, zelfs wanneer het tijdperk van de uitoefening van de beroepswerkzaamheid waaruit de inkomsten voortkomen niet volledig samenvalt met dat kalenderjaar.

  Art. 66. § 1. Voor de aan de vennootschapsbelasting of de overeenkomstig artikel 246 van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 aan de belasting van niet-inwoners onderworpen belastingplichtigen van wie de inkomsten die de grondslag vormen voor de in de artikelen 157 tot 166 van hetzelfde Wetboek bepaalde vermeerdering, betrekking hebben op een tijdperk dat niet volledig samenvalt met het kalenderjaar, gelden de bijzondere regels van de §§ 2 tot 6, met dien verstande dat :
  a) indien het boekjaar of de uitoefening van de werkzaamheid :
  - niet aanvangt op de eerste dag van een maand, die maand niet wordt meegeteld;
  - niet eindigt op de laatste dag van een maand, die maand voor een volle wordt geteld;
  b) een begonnen kwartaal voor een vol kwartaal wordt geteld.
  § 2. Voor belastingplichtigen die niet per kalenderjaar boekhouden en van wie het boekjaar 12 maanden telt, wordt het boekjaar gesplitst in delen van 3 maanden en wordt geen vermeerdering toegepast op de belasting die om de 3 maanden uiterlijk de tiende dag van de vierde, de zevende en de tiende maand, en de twintigste dag van de laatste maand van het boekjaar bij voorafbetaling van een vierde is voldaan; voor de toepassing van artikel 159 van hetzelfde Wetboek worden deze data geacht overeen te stemmen met die welke in datzelfde artikel zijn genoemd.
  § 3. Met betrekking tot boekjaren van meer dan 12 maanden worden de in artikel 159 van hetzelfde Wetboek genoemde of de in onderhavig artikel omschreven data van voorafbetaling en vermeerderingen bepaald alsof de winst is behaald tijdens de laatste 12 maanden van het boekjaar en gelden de bepalingen van datzelfde artikel 159 of van § 2 naargelang de boekhouding al dan niet per kalenderjaar wordt gevoerd.
  § 4. Voor belastingplichtigen die niet of per kalenderjaar boekhouden en die de uitoefening van hun werkzaamheid volledig en definitief stopzetten, wordt die werkzaamheid geacht te zijn uitgeoefend gedurende :
  a) het vierde kwartaal wanneer de stopzetting werkelijk plaats heeft in de loop van het eerste kwartaal en wordt geen vermeerdering toegepast op de belasting die uiterlijk op 10 april van het jaar van de stopzetting bij voorafbetaling is voldaan;
  b) het derde en vierde kwartaal wanneer de stopzetting werkelijk plaats heeft in de loop van het tweede kwartaal en wordt geen vermeerdering toegepast op de belasting die uiterlijk op 10 april en 10 juli van het jaar van de stopzetting voor telkens de helft bij voorafbetaling is voldaan;
  c) het tweede, derde en vierde kwartaal wanneer de stopzetting werkelijk plaats heeft in de loop van het derde kwartaal en wordt geen vermeerdering toegepast op de belasting die uiterlijk op 10 april, 10 juli en 10 oktober van het jaar van de stopzetting voor telkens een derde bij voorafbetaling is voldaan;
  d) het volledige kalenderjaar wanneer de stopzetting werkelijk plaats heeft in de loop van het vierde kwartaal en gelden de bepalingen van artikel 159 van hetzelfde Wetboek.
  Dezelfde regels zijn van toepassing indien, ingevolge een wijziging van de afsluitingsdatum van het boekjaar, het boekjaar minder dan 12 maanden telt.
  § 5. Voor belastingplichtigen die niet of per kalenderjaar boekhouden en de uitoefening van hun werkzaamheid aanvangen in :
  a) het eerste kwartaal, gelden de bepalingen van artikel 159 van hetzelfde Wetboek;
  b) het tweede kwartaal, wordt geen vermeerdering toegepast op de belasting die uiterlijk op 10 juli, 10 oktober en 20 december van het aanvangsjaar voor telkens een derde bij voorafbetaling is voldaan;
  c) het derde kwartaal, wordt geen vermeerdering toegepast op de belasting die uiterlijk op 10 oktober en 20 december van het aanvangsjaar voor telkens de helft bij voorafbetaling is voldaan;
  d) het vierde kwartaal, wordt geen vermeerdering toegepast op de belasting die uiterlijk op 20 december van het aanvangsjaar bij voorafbetaling is voldaan.
  § 6. Wanneer de belastingplichtige die zich in een van de in §§ 4 of 5 omschreven gevallen bevindt, anders dan per kalenderjaar boekhoudt, worden de in diezelfde §§ 4 of 5 genoemde data vervangen door de in § 2 omschreven data.

  Art. 67. <KB 1995-01-03/30, art. 1, 011; Inwerkingtreding : 01-01-1995> § 1. (Voorafbetalingen als vermeld in de artikelen 157 tot 166 en 175 tot 177 van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 kunnen uitsluitend worden gedaan bij de "Dienst der Voorafbetalingen" door storting of overschrijving op postrekeningen:
  a) nr. 679-2002340-66, voor voorafbetalingen betreffende natuurlijke personen;
  b) nr. 679-2002330-56, voor voorafbetalingen betreffende rechtspersonen.) <KB 1999-11-09/33, art. 1, 059; Inwerkingtreding : 17-12-1999>
  § 2. Voor de in § 1 vermelde stortingen of overschrijvingen mogen alleen betaalformulieren worden gebruikt :
  - waarvan het model door de Minister van Financiën of zijn gedelegeerde is vastgesteld in overleg met de Minister, of zijn gedelegeerde, tot wiens bevoegdheid de Post behoort;
  - die op aanvraag of ambtshalve door de " Dienst der Voorafbetalingen " worden uitgereikt en de naam van de belastingplichtige en een registratienummer bij die dienst vermelden.
  § 3. Betalingen op de in § 1 vermelde (postrekeningen) met vermelding van een als in § 3 bedoeld registratienummer worden geacht gedaan te zijn voor rekening van de belastingplichtige die bij de " Dienst der Voorafbetalingen " door dat nummer is geïdentificeerd. <KB 1999-11-09/33, art. 3, 059; Inwerkingtreding : 17-12-1999>

  Art. 68. De artikelen 139, § 3, en 142, zijn van toepassing op de stortingen of overschrijvingen van voorafbetalingen.

  Art. 69. Uit het oogpunt van de rijkscomptabiliteit, worden voorafbetalingen gelijkgesteld met de in de artikelen 270 tot 275 van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 vermelde bedrijfsvoorheffing.

  Art. 70. Voor zover voorafbetalingen nog niet zijn verrekend met de inkomstenbelasting die verschuldigd is door de belastingplichtige op wiens naam zij door de in artikel 67 genoemde dienst zijn geboekt, kan die dienst :
  1° eventueel door terugbetaling, alle materiële vergissingen rechtzetten die derden bewijzen te hebben begaan bij het uitvoeren van stortingen of overschrijvingen voor rekening van belastingplichtigen en waarvoor zij ten laatste op het einde van de tweede maand die volgt op het belastbare tijdperk waarop de stortingen of overschrijvingen betrekking hebben, de rechtzetting aanvragen;
  2° de gestorte of overgeschreven bedragen terugbetalen, overschrijven naar de postrekening van een ontvangkantoor van de directe belastingen of overdragen naar het volgende belastbare tijdperk, wanneer de belastingplichtigen de gehele of gedeeltelijke terugbetaling, overschrijving of overdracht ervan aanvragen ten laatste op het einde van de tweede maand die volgt op het belastbare tijdperk waarop de stortingen of overschrijvingen betrekking hebben.

  Art. 71. § 1. Na het verstrijken van het belastbare tijdperk zendt (de "Dienst der Voorafbetalingen") aan de betrokken belastingplichtigen een ontvangstbewijs van de gedane stortingen of overschrijvingen, dat hierna "rekeninguittreksel VA" wordt genoemd. <KB 1995-01-03/30, art. 2, 011; Inwerkingtreding : 01-01-1995>
  § 2. Vanaf de verzending van het rekeninguittreksel VA beschikt de belastingplichtige over een termijn van 1 maand om de toepassing van artikel 70 te vragen, voor zover die termijn eindigt na die welke in datzelfde artikel 70 zijn bepaald.
  Daartoe moet het rekeninguittreksel VA ter vervanging worden teruggezonden aan de dienst waarvan het is uitgegaan.
  § 3. Wanneer die dienst de oorspronkelijke bestemming van de voorafbetalingen overeenkomstig artikel 70 en § 2, van onderhavig artikel, heeft gewijzigd en, in voorkomend geval, het rekeninguittreksel VA heeft vervangen, zijn de aanvankelijk gedane stortingen of overschrijvingen, in zover zij van bestemming zijn veranderd, van rechtswege nietig en worden de eraan verbonden voordelen opgeheven.

  Art. 72. (Opgeheven) <KB 1997-05-20/39, art. 6, 039; Inwerkingtreding : 01-01-1996>

  Afdeling XXVII. - Omzetting in rente van kapitalen en afkoopwaarden. (Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992, artikel 169, § 1)

  Art. 73. Kapitalen en afkoopwaarden als vermeld in artikel 169 van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992, worden voor de vaststelling van de belastbare grondslag slechts in aanmerking genomen tot het bedrag van de lijfrente die verkregen wordt door hun omzetting tegen het percent dat in de onderstaande tabel is vermeld tegenover de leeftijd van de verkrijger op de datum waarop het kapitaal of de afkoopwaarde hem wordt betaald of toegekend; die leeftijd wordt in volle jaren en met weglating van de gedeelten van een jaar vastgesteld.

  
Leeftijd van de verkrijger op dePercent voor omzetting van
datum van betaling of toekenningkapitalen of afkoopwaarden
van het kapitaal of de afkoopwaardein lijfrente
(1)(2)
--
40 jaar en minder1
41 tot 45 jaar1,5
46 tot 50 jaar2
51 tot 55 jaar2,5
56 tot 58 jaar3
59 en 60 jaar3,5
61 en 62 jaar4
63 en 64 jaar4,5
65 jaar en meer5



  Afdeling XXVIIbis. <Ingevoegd bij KB 1999-05-13/44, art. 1; Inwerkingtreding : 01-01-2000> - Voorwaarden en grenzen van de vrijstelling van de technische voorzieningen (Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992, artikel 194bis).

  Art. 73.1. <Ingevoegd bij KB 1999-05-13/44, art. 1; Inwerkingtreding : 01-01-2000> Worden vrijgesteld onder de voorwaarden en binnen de grenzen als vermeld in de artikelen 73.2 tot 73.4, de volgende technische voorzieningen :
  - de voorziening voor egalisatie en catastrofen wat betreft de risico's als vermeld in artikel 73.3;
  - de voorziening voor niet-verdiende premies als vermeld in artikel 73.4.

  Art. 73.2. <Ingevoegd bij KB 1999-05-13/44, art. 1; Inwerkingtreding : 01-01-2000> De in artikel 73.1 vermelde voorzieningen geboekt bij het verstrijken van het belastbare tijdperk, worden uit de winst van dit tijdperk gesloten op voorwaarde dat :
  1° de voorzieningen overeenstemmen met de verplichtingen die rusten op de onderneming voor de uitvoering van verzekeringscontracten die op de laatste dag van het belastbare tijdperk bestaan of van contracten die vervallen maar nog niet volledig vereffend zijn;
  2° de voorzieningen voorkomen onder de passende rubrieken van het passief;
  3° ieder bedrag van de bij het verstrijken van het belastbare tijdperk bestaande technische voorziening en waarvoor de vrijstelling wordt gevraagd, verantwoord is door alle documenten noodzakelijk voor de bepaling ervan. Voor iedere categorie of sub-categorie van voorziening kan een specifieke staat worden geëist, waarvan het model, de inhoud en de informatiedrager door de Minister van Financiën of zijn gedelegeerde wordt vastgesteld.
  In afwijking van het eerste lid, 1°, moet de voorziening voor egalisatie en catastrofen overeenstemmen met de aan de onderneming opgelegde verplichting betreffende de dekking van de risico's als vermeld in artikel 73.3.

  Art. 73.3. <Ingevoegd bij KB 1999-05-13/44, art. 1; Inwerkingtreding : 01-01-2000> De voorziening voor egalisatie en catastrofen is vrijgesteld binnen de volgende grenzen :
  1° met betrekking tot de risico's in verband met natuurelementen, de lucht- en ruimtevaartrisico's en de risico's in verband met aanslagen en arbeidsconflicten :
  a) het bij het verstrijken van het belastbare tijdperk overblijvend totaal van de vrijgestelde voorziening mag 350 pct. van de verworven premies netto van overdrachten uit hoofde van herverzekering of retrocessie niet overschrijden;
  b) het voor het belastbare tijdperk vrij te stellen bedrag van de toevoeging aan de voorziening, mag 5 pct. van het sub a, bedoelde maximum niet overschrijden;
  2° met betrekking tot de risico's inzake burgerrechtelijke aansprakelijkheid in verband met milieuverontreiniging en van producten met gebreken :
  a) het bij het verstrijken van het belastbare tijdperk overblijvend totaal van de vrijgestelde voorziening mag 500 pct. van de verworven premies netto van overdrachten uit hoofde van herverzekering of retrocessie niet overschrijden;
  b) het voor het belastbare tijdperk vrij te stellen bedrag van de toevoeging aan de voorziening, mag 5 pct. van het sub a, bedoelde maximum niet overschrijden.
  De kosten waarop de overeenkomstig het eerste lid aangelegde voorzieningen betrekking hebben, moeten op die voorziening worden afgeboekt op het ogenblik dat zij werkelijk worden gedragen.

  Art. 73.4. <Ingevoegd bij KB 1999-05-13/44, art. 1; Inwerkingtreding : 01-01-2000> De voorziening voor niet-verdiende premies is vrijgesteld ten belope van het deel van de premies bruto van herverzekering, verminderd met de commissielonen voor acquisitie, dat betrekking heeft op het belastbare tijdperk dat volgt op het in artikel 73/2 vermelde tijdperk of op latere belastbare tijdperken teneinde de schadelast, de administratiekosten en de beheerskosten van beleggingen te dekken.
  Dat deel moet voor ieder verzekeringscontract afzonderlijk worden berekend naar verhouding van de nog resterende looptijd tot op de vervaldag van de dekking.

  Afdeling XXVIIter. <Ingevoegd bij AR 2003-02-06/30, art. 1; Inwerkingtreding : 01-01-2004> - Investeringsmodaliteiten in het kader van de investeringsreserve ingeval van inbreng van een tak van werkzaamheid of een bedrijfsafdeling of van een algemeenheid van goederen of ingeval van fusie of splitsing (Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992, artikel 194quater , § 6, eerste lid)

  Art. 73.4bis. <Ingevoegd bij AR 2003-02-06/30, art. 1; Inwerkingtreding : 01-01-2004> In geval van inbreng van een tak van werkzaamheid of een bedrijfsafdeling of van een algemeenheid van goederen als vermeld in artikel 46, § 1, eerste lid, 2° van hetzelfde Wetboek en ingeval van verrichtingen als vermeld in artikel 211, § 1, van hetzelfde wetboek, mag de verrichting niet tot gevolg hebben dat de oorspronkelijke investeringstermijn als bedoeld in artikel 194quater , § 3, van hetzelfde Wetboek wordt verlengd.
  Wanneer in geval van inbreng als vermeld in het eerste lid, niet langer is voldaan aan de voorwaarden van artikel 190 of 194quater van hetzelfde Wetboek, wordt het belastbaar geworden gedeelte van de investeringsreserve belast ten name van de inbrengende vennootschap.

  Afdeling XXVIIquater. - (Definitief belaste inkomsten (Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992, artikelen 202, § 2, tweede lid en 203, § 1, derde lid en § 2, zesde lid, 2°)) <KB 2003-02-13/33, art. 1, Inwerkingtreding : 01-01-2004> (NOTA 1: Ingevoegd bij KB 2000-11-29/33, art. 1; Inwerkingtreding : 28-11-2000 onder de titel "Erkenningsvoorwaarden waaraan een gecentraliseerd systeem voor het lenen en ontlenen van aandelen dat geïntegreerd is in een betalings- en afwikkelingssysteem van effectenverrichtingen moet voldoen en de periode gedurende dewelke de erkenning kan worden verleend (Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992, artikel 203, § 2, 6de lid, 2°)") (NOTA 2 : oude afdeling XXVIIter, hernummerd XXVIIquater door KB 2003-02-06/30)

  Art. 73.4ter. <Ingevoegd bij KB 2003-03-27/42, art. 1, Inwerkingtreding : 01-01-2004> Voor de toepassing van artikel 202, § 2, eerste lid, 2°, van het Wetboek van inkomstenbelastingen 1992 wordt onder aandelen die de aard van financiële vaste activa hebben, verstaan :
  1° ten name van de in artikel 56, § 1, van hetzelfde Wetboek bedoelde kredietinstellingen, de in post VII "Financiële vaste activa" te boeken aandelen, zoals die balanspost wordt omschreven in het koninklijk besluit van 23 september 1992 op de jaarrekening van de kredietinstellingen;
  2° ten name van de in artikel 56, § 2, 2°, h, van hetzelfde Wetboek bedoelde verzekeringsondernemingen, de in post C.II. "Beleggingen in verbonden ondernemingen en deelnemingen" van de balans te boeken aandelen en deelbewijzen, zoals die balanspost wordt omschreven in het koninklijk besluit van 17 november 1994 betreffende de jaarrekening van verzekeringsondernemingen;
  3° ten name van de in artikel 47 van de wet van 6 april 1995 inzake de secundaire markten, het statuut en het toezicht op de beleggingsondernemingen, de bemiddelaars en beleggingsadviseurs bedoelde beursvennootschappen, de aandelen te boeken in post IV "Financiële vaste activa", zoals die balanspost wordt omschreven in het koninklijk besluit van 30 januari 2001 tot uitvoering van het Wetboek van vennootschappen.

  Art. 73.4quater. <Ingevoegd bij KB 2003-02-13/33, art. 1, Inwerkingtreding : 01-01-2004> Voor de toepassing van artikel 203, § 1, derde lid van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 worden met betrekking tot de landen van de hiernavolgende lijst, de gemeenrechtelijke bepalingen inzake belastingen als vermeld in artikel 203, § 1, eerste lid, 1°, van hetzelfde Wetboek, geacht aanzienlijk gunstiger te zijn dan in België :
  1. Afghanistan
  2. Aldernay
  3. Belize
  4. Bosnië en Herzegovina
  5. Burundi
  6. Kaapverdië
  7. Centraal-Afrikaanse Republiek
  8. Comoren
  9. Cookeilanden
  10. Cuba
  11. Dominica
  12. Equatoriaal-Guinea
  13. Estland
  14. Gibraltar
  15. Grenada
  16. Guernsey
  17. Guinee-Bissau
  18. Haïti
  19. Herm
  20. Iran
  21. Irak
  22. Jersey
  23. Kiribati
  24. Noord-Korea
  25. Laos
  26. Liberia
  27. Liechtenstein
  28. Macau
  29. Maldiven
  30. Eiland van Man
  31. Marshalleilanden
  32. Mayotte
  33. Federatie Micronesië
  34. Monaco
  35. Montserrat
  36. Namibië
  37. Niue
  38. Oman
  39. Panama
  40. Sint Christopher en Nevis
  41. Sint Lucië
  42. Saint-Pierre en Miquelon
  43. Saint Vincent en de Grenadines
  44. Samoa
  45. Amerikaans-Samoa
  46. San Marino
  47. Sao Tomé en Principe
  48. Seychellen
  49. Somalië
  50. Tuvalu
  51. Oezbekistan
  52. Britse Maagdeneilanden
  53. Amerikaanse Maagdeneilanden.

  Art. 73.5. <Ingevoegd bij AR 2000-11-29/33, art. 1; Inwerkingtreding : 28-11-2000> Voor de toepassing van dit besluit moet verstaan worden onder :
  1° " gecentraliseerd systeem voor het lenen en ontlenen van aandelen ", een systeem voor het lenen en ontlenen van aandelen dat tot doel heeft in laatste instantie de afwikkeling van orders tot overdracht van aandelen te vergemakkelijken en dat geïntegreerd is in een vereffeningssysteem voor aandelen zoals bedoeld in artikel 2, § 1, b van de wet van 28 april 1999 tot overdracht houdende omzetting van de Richtlijn 98/26/CEEG van 19 mei 1998 betreffende het definitief karakter van de afwikkeling van de betalingen en effectentransacties in betaling- en afwikkelingssystemen van de operaties op aandelen of in een systeem van een andere Staat waarvan de wetgeving minstens in gelijkwaardige werkingsvoorwaarden voorziet.
  2° " beheerder van het systeem " : de vennootschap die het gecentraliseerd systeem voor het lenen en ontlenen van aandelen beheert en die onderworpen is aan de vennootschapsbelasting, aan de belasting van niet-inwoners krachtens artikel 227, 2° van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 of aan een buitenlandse belasting van gelijke aard.

  Art. 73.6. <Ingevoegd bij AR 2000-11-29/33, art. 1; Inwerkingtreding : 28-11-2000> Kunnen erkend worden voor de toepassing van artikel 203, § 2, 6de lid, 2°, van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992, de gecentraliseerde systemen voor het lenen en ontlenen van aandelen die aan de volgende voorwaarden voldoen :
  1° de interpositionering tussen de ontlener en de uitlener zelf op een zodanige manier waarborgen dat de uitleners en de ontleners op geen enkele manier kunnen tussenkomen in de keuze van hun tegenpartij;
  2° de anonimiteit tussen de ontlener en de uitlener zodanig waarborgen dat de identiteit van de ontleners niet kenbaar gemaakt kan worden aan de uitleners en omgekeerd;
  3° waarborgen dat de leningen aangegaan worden om de ontlener toe te laten een leveringsverplichting van aandelen na te komen;
  4° ontradende kosten voorzien ten laste van de ontlener.
  De naleving van het geheel van deze voorwaarden moet toelaten te vermijden dat systematisch een beroep gedaan wordt op de betaling van vergoedingen voor ontbrekende coupon.

  Art. 73.7. <Ingevoegd bij AR 2000-11-29/33, art. 1; Inwerkingtreding : 28-11-2000> De beheerder van het systeem die in België niet zijn maatschappelijke zetel, noch zijn voornaamste inrichting, noch zijn zetel van bestuur of beheer heeft en die geen Belgische inrichting is in de zin van artikel 229 van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 moet, voorafgaand aan de aanvraag tot erkenning, een in België verblijvende aansprakelijke vertegenwoordiger aanduiden die zich er persoonlijk toe verbindt aan alle verplichtingen die hem ten laste worden gelegd in hoofde van dit besluit te zullen voldoen.

  Art. 73.8. <Ingevoegd bij AR 2000-11-29/33, art. 1; Inwerkingtreding : 28-11-2000> § 1. Om hun erkenning te bekomen, moeten de gecentraliseerde systemen voor het lenen en ontlenen van aandelen een schriftelijke aanvraag indienen, in de hierna bepaalde vormen en termijnen.
  De aanvragen tot erkenning moeten ingediend worden bij de Minister van Financiën. Er wordt ontvangst gemeld van de aanvraag tot erkenning aan de beheerder van het systeem of, in de gevallen bedoeld in artikel 73.7, aan zijn aansprakelijke vertegenwoordiger met vermelding van de datum van ontvangst van de aanvraag.
  De aanvragen tot erkenning moeten, om als volledig te worden beschouwd, volgende inlichtingen bevatten :
  - De benaming, het identificatie-nummer en adres van de beheerder en, in de gevallen bedoeld in artikel 73.7, ook die van zijn aansprakelijke vertegenwoordiger;
  - Een algemene beschrijving van het gecentraliseerd systeem voor het lenen en ontlenen van aandelen waarvoor de erkenning wordt gevraagd met vermelding van de rol van de verschillende tussenkomende partijen en,
  - Voor elk van de door artikel 736 vastgelegde voorwaarden, de functionele karakteristieken van het systeem die het nakomen ervan waarborgen.
  Voor zover de aanvraag volledig is, deelt de Minister van Financiën zijn beslissing mee aan de beheerder van het systeem of, in de gevallen bedoeld door artikel 73.7, aan zijn aansprakelijke vertegenwoordiger, binnen een termijn van drie maanden te rekenen vanaf de datum van ontvangst van de aanvraag.
  Indien de studie van de aanvraag vereist dat bijkomende inlichtingen aan die bedoeld in het 3de lid worden verstrekt, wordt de in het vorige lid vermelde termijn verlengd met drie maanden die binnen de oorspronkelijke termijn van drie maanden aan de aanvrager ter kennis wordt gebracht.
  Als de Minister van Financiën geen uitspraak gedaan heeft binnen de termijnen vermeld in de leden 4 en 5, wordt de aanvraag tot erkenning als aangenomen beschouwd.
  De erkenning wordt toegestaan te rekenen vanaf de datum van de kennisgeving van de beslissing van de Minister van Financiën aan de beheerder van het systeem of, in de gevallen bedoeld in artikel 73.7, aan zijn aansprakelijke vertegenwoordiger.
  § 2. De eerste erkenning van een gecentraliseerd systeem voor het lenen en ontlenen van aandelen wordt toegestaan tot 31 december van het jaar na dit waarin de Minister van Financiën het gecentraliseerd systeem erkend heeft. De erkenning kan vernieuwd worden voor een of meerdere opeenvolgende periodes van twee jaar die aanvangen op 1 januari van het jaar dat volgt op dat waarin de voorgaande erkenning ten einde liep.
  Elke aanvraag tot hernieuwing van de erkenning moet gericht zijn aan de Minister van Financiën ten minste drie maanden voor de vervaldag van de lopende erkenningsperiode.
  De erkenning wordt ten laatste vernieuwd een maand voor het aflopen van de lopende erkenningsperiode voor zover de aan de erkenning verbonden voorwaarden, drie maanden voor de vervaldatum van dezelfde erkenningsperiode, nog altijd nageleefd worden.
  In geval van weigering van hernieuwing van de erkenning of van intrekking van de erkenning, mag geen nieuwe aanvraag tot erkenning ingediend worden bij de Minister van Financiën, dan na drie maanden te rekenen van de datum van de betekenis van de weigering. of van de datum van de intrekking van de erkenning.
  § 3. Als één der inlichtingen die moeten voorkomen in de aanvraag tot erkenning krachtens de eerste paragraaf wordt veranderd in de loop van de erkenningsperiode, moet de beheerder van het systeem, of in de gevallen bedoeld in artikel 73.7, zijn aansprakelijke vertegenwoordiger, ten minste een maand voor de inwerkingtreding van de verandering dit feit ter kennis brengen van de Minister van Financiën.

  Art. 73.9. <Ingevoegd bij AR 2000-11-29/33, art. 1; Inwerkingtreding : 28-11-2000> De beheerder van het systeem of, in de gevallen bedoeld in artikel 737 van dit besluit, zijn aansprakelijke vertegenwoordiger, deelt aan de Administratie van de ondernemings- en inkomensfiscaliteit voor 15 september van elk burgerlijke jaar volgende gegevens mee :
  Het totaal bedrag der vergoedingen voor ontbrekende coupon die betaald zijn in het kader van het gecentraliseerd systeem voor het lenen en ontlenen van aandelen, in de loop van de periode die loopt van 1 september van het vorig jaar tot 31 augustus van het lopend jaar of, als de erkenning bekomen werd in de loop van de betrokken periode, sedert de datum van erkenning tot 31 augustus van het lopend jaar;
  De identiteit van de schuldenaars van de vergoedingen voor ontbrekende coupon in de mate dat deze schuldenaars onderworpen zijn aan een inkomstenbelasting zoals bedoeld in artikel 1 van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 en het bedrag van de betaalde vergoedingen voor ontbrekende coupon door elk van die schuldenaars in de loop van dezelfde periode als die bedoeld in de vorige alinea;
  Het totaal bedrag der vergoedingen voor ontbrekende coupon die betaald zijn gedurende de voormelde periode door andere schuldenaars dan die bedoeld in vorig gedachtenstreepje opgedeeld per land van oorsprong van de schuldenaars.

  Art. 73.10. <Ingevoegd bij AR 2000-11-29/33, art. 1; Inwerkingtreding : 28-11-2000> De beheerder van het systeem of, in de gevallen bedoeld in artikel 73.7, zijn aansprakelijke vertegenwoordiger, moet, voorafgaand aan elke wijziging van de regels tot bepaling van het tarief der kosten ten laste van de ontlener bedoeld in artikel 73.6, 4° en hierna " tarief " genoemd, dit feit ter kennis brengen van de Minister van Financiën.
  De Minister van Financiën beschikt over een termijn van twee maanden om zijn beslissing kenbaar te maken aan de beheerder van het systeem, of, in de gevallen bedoeld in artikel 73.7, aan zijn aansprakelijke vertegenwoordiger.
  Bij het ontbreken van de kennisgeving van de beslissing van de Minister van Financiën binnen deze termijn, mag het nieuwe tarief toegepast worden vanaf de 10e dag na het einde van de termijn.
  Als de Minister van Financiën een beslissing tot conformiteit van het nieuwe tarief met artikel 73.6, 4°, ter kennis brengt kan het onmiddellijk van kracht gaan.
  Als de Minister van Financiën een beslissing van niet conformiteit van het nieuwe tarief met artikel 73.6, 4°, ter kennis brengt, beschikt de beheerder van het systeem, of, in de gevallen bedoeld in artikel 73.7, zijn aansprakelijke vertegenwoordiger, over een termijn van vijftien dagen om een tweede voorstel van tarief voor te leggen aan de Minister van Financiën die op zijn beurt over een termijn beschikt van vijftien dagen om zijn beslissing mee te delen. Bij het ontbreken van de kennisgeving van de beslissing van de Minister van Financiën binnen die nieuwe termijn, kan het tweede voorstel van tarief toegepast worden vanaf de tiende dag na het einde van de termijn.
  Als de Minister van Financiën een beslissing van niet-conformiteit ter kennis brengt voor het tweede voorstel van het tarief overeenkomstig artikel 73.6, 4°, moet het oude tarief toegepast worden.
  Als de Administratie van de ondernemings- en inkomensfiscaliteit vaststelt dat het tarief gewijzigd werd in weerwil van een kennisgeving van niet-conformiteit van het nieuwe tarief met artikel 73.6, 4°, wordt de erkenning ingetrokken met ingang op de datum van inwerkingtreding van het nieuwe tarief zonder dat een kennisgeving van de Administratie van de ondernemings- en inkomensfiscaliteit bedoeld in artikel 73.12 vereist is.

  Art. 73.11. <Ingevoegd bij AR 2000-11-29/33, art. 1; Inwerkingtreding : 28-11-2000> Het gecentraliseerd systeem voor het lenen en ontlenen van aandelen moet toelaten het bedrag te bepalen van de betaalde vergoedingen voor ontbrekende coupon per schuldenaar en per ontleend aandeel voor de periode bedoeld in artikel 73.9 tot vijf jaren na het jaar gedurende hetwelk de in artikel 73.9 vermelde gegevens moeten worden meegedeeld aan de Administratie van de ondernemings- en inkomensfiscaliteit.
  Om te voldoen aan de verplichtingen voorzien in het vorige lid en het nazicht toe te laten op de naleving van de verplichtingen bedoeld in de andere bepalingen van dit besluit, verbindt de beheerder, of in de gevallen voorzien in artikel 73.7, zijn aansprakelijke vertegenwoordiger, er zich toe de Administratie van de ondernemings- en inkomensfiscaliteit, op haar eerste verzoek, alle documenten, analyse-, programmerings- en uitbatingsdossiers van het of de informaticasystemen, de informaticadragers en alle gegevens die ze bevatten en die nuttig zijn bij het nazicht van de naleving van de bepalingen van dit besluit ter beschikking te stellen. De informaticagegevens moeten meegedeeld worden onder een leesbare en begrijpelijke vorm.

  Art. 73.12. <Ingevoegd bij AR 2000-11-29/33, art. 1; Inwerkingtreding : 28-11-2000> § 1. Als de Administratie van de ondernemings- en inkomensfiscaliteit een inbreuk vaststelt op de bepalingen van dit besluit, deelt ze dit mee aan de beheerder van het systeem of, in de gevallen bedoeld in artikel 73.7, aan zijn aansprakelijke vertegenwoordiger.
  De beheerder van het systeem, of, in de gevallen bedoeld in artikel 73.7, zijn aansprakelijke vertegenwoordiger, beschikt over een termijn van een maand te rekenen vanaf de datum van de kennisgeving om er op te antwoorden en om het systeem opnieuw conform te maken aan de voorwaarden van artikel 736.
  § 2. Als in zijn antwoord op de in § 1, tweede lid voorziene kennisgeving, de beheerder van het systeem, of in de gevallen bedoeld in artikel 73.7, zijn aansprakelijke vertegenwoordiger de door de Administratie van de ondernemings- en inkomensfiscaliteit meegedeelde elementen betwist, beschikt deze laatste over een termijn van een maand te rekenen vanaf de ontvangst van de brief ter betwisting om er op te antwoorden. De afwezigheid van antwoord van de Administratie van de ondernemings- en inkomensfiscaliteit wordt gelijkgesteld met het behoud van haar kennisgeving.
  De beheerder van het systeem, of in de gevallen bedoeld in artikel 73.7, zijn aansprakelijke vertegenwoordiger kunnen bezwaar indienen tegen de beslissing van de Administratie van de ondernemings- en inkomensfiscaliteit om, geheel of gedeeltelijk, de kennisgeving voorzien in § 1, eerste lid, tot aanpassing van het gecentraliseerd systeem voor het lenen en ontlenen van aandelen met betrekking tot de vereisten van artikel 73.6 te handhaven.
  Het bezwaar moet gericht worden, bij ter post aangetekend schrijven of met bericht van ontvangst, aan de Minister van Financiën binnen de vijftien dagen na de kennisgeving van de beslissing of na afloop van de termijn vastgesteld in paragraaf § 2, eerste lid.
  De Minister van Financiën doet uitspraak over het bezwaar binnen de twee maanden. Zijn beslissing wordt binnen de acht dagen meegedeeld door bij ter post aangetekend schrijven of met bericht van ontvangst aan de beheerder van het systeem of, in de gevallen vermeld in artikel 73.7, aan zijn aansprakelijke vertegenwoordiger.
  Als de Minister geen beslissing heeft genomen binnen de hierboven vermelde termijn, wordt het bezwaar als verworpen beschouwd.
  § 3. Iedere aanpassing van het gecentraliseerd systeem voor het lenen en ontlenen van aandelen om het in overeenstemming te brengen met de voorwaarden van artikel 73.6 moet meegedeeld worden aan de Administratie van de ondernemings- en inkomensfiscaliteit.
  § 4. Het systeem verliest automatisch zijn erkenning in geval de aanpassing van het gecentraliseerd systeem voor het lenen en ontlenen van aandelen niet meegedeeld werd aan de Administratie van de ondernemings- en inkomensfiscaliteit
  na afloop van de termijn tot antwoord voorzien in § 1, tweede lid, als de beheerder van het systeem, of in de gevallen vermeld in artikel 73.7, zijn aansprakelijke vertegenwoordiger, niet geantwoord heeft op de kennisgeving binnen voormelde termijn of er op geantwoord heeft zonder een betwisting te formuleren;
  na afloop van de termijn voor het indienen van een beroep voorzien in § 2, derde lid, als de beheerder van het systeem, of, in de gevallen vermeld in artikel 73.7, zijn aansprakelijke vertegenwoordiger de kennisgeving betwist heeft binnen de termijn voorzien in § 1, tweede lid, maar geen beroep heeft ingediend binnen de termijn voorzien in § 2, derde lid;
  na verloop van dertig dagen te rekenen vanaf de beslissing tot verwerping van het beroep of vanaf het einde van de termijn tot mededeling van de beslissing over het beroep voorzien in § 2, laatste lid.

  Afdeling XXVIII. - Vaststelling van het belastbare inkomen inzake vennootschapsbelasting. (Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992, artikel 207)

  Art. 74. Om het aan de vennootschapsbelasting te onderwerpen resultaat vast te stellen, wordt het resultaat van het belastbare tijdperk, waarin niet zijn begrepen de krachtens de artikelen 48, 190, 191 en 194 van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 vrijgestelde waardeverminderingen, voorzieningen of meerwaarden, vooraf volgens bestemming in de volgende categorieën onderverdeeld :
  1° reserves;
  2° verworpen uitgaven;
  3° dividenden.
  Voor de toepassing van het eerste lid moet worden verstaan :
  1° onder "reserves", het gereserveerde resultaat, verminderd met :
  - het gedeelte van de meerwaarde op in artikel 66 van hetzelfde Wetboek vermelde voertuigen dat niet in aanmerking wordt genomen krachtens artikel 24, derde lid, van hetzelfde Wetboek en artikel 40, § 1, van de wet van 7 december 1988 houdende hervorming van de inkomstenbelasting en wijziging van de met het zegel gelijkgestelde taksen;
  - de krachtens de artikelen 192 en 521 van hetzelfde Wetboek vrijgestelde meerwaarden op aandelen en de tijdens het belastbare tijdperk teruggenomen waardeverminderingen op aandelen die voorheen krachtens artikel 198, 7°, van hetzelfde Wetboek als verworpen uitgaven zijn belast, in zover die waardeverminderingen op het einde van dat belastbare tijdperk niet meer verantwoord zijn;
  - de opnemingen van gestort kapitaal in de zin van artikel 184 van hetzelfde wetboek, met uitsluiting van de terugbetalingen van gestort kapitaal ter uitvoering van een regelmatige beslissing tot vermindering van het maatschappelijke kapitaal, getroffen overeenkomstig de bepalingen van de gecoördineerde wetten op de handelsvennootschappen;
  - de winst die voortvloeit uit tijdens het belastbare tijdperk verkregen terugbetalingen van belastingen die vroeger niet als beroepskosten zijn aangenomen en de regulariseringen van geraamde belastingschulden die voorheen als verworpen uitgaven zijn belast, in zover die terugbetalingen en regulariseringen niet kunnen worden afgetrokken van de niet-aftrekbare belastingen die bij de verworpen uitgaven van het belastbare tijdperk moeten worden gevoegd;
  2° onder "verworpen uitgaven" :
  - de niet als beroepskosten aftrekbare bedragen;
  - het bedrag - voor aftrek van het vrijgestelde gedeelte - van de giften als zijn vermeld (in artikel 104, 3° tot 4°bis en 5°, a,) van hetzelfde Wetboek; <KB 1998-10-29/37, art. 3, 2°, 045; Inwerkingtreding : 1995-04-10>
  - de voorheen vrijgestelde winst die belastbaar wordt in de loop van het belastbare tijdperk, voor zover ze niet in het gereserveerde resultaat is begrepen;
  - onder "dividenden", de dividenden vermeld in artikel 18 van hetzelfde Wetboek.

  Art. 75. Het totale bedrag van het overeenkomstig artikel 74 vastgestelde resultaat wordt eventueel volgens oorsprong onderverdeeld in :
  1° in België behaald resultaat, indien positief hierna te noemen "Belgische winst";
  2° in het buitenland behaald resultaat waarvoor de belasting wordt verlaagd, indien positief hierna te noemen "tegen verlaagd tarief belastbare winst";
  3° in het buitenland behaald resultaat dat van belasting is vrijgesteld krachtens dubbelbelastingverdragen, indien positief hierna te noemen "bij verdrag vrijgestelde winst".
  Alvorens die onderverdeling wordt gedaan, worden de verliezen van het belastbare tijdperk die in een land worden geleden, achtereenvolgens op het totale bedrag van de winst uit andere landen aangerekend in de hierna aangegeven volgorde :
  a) verliezen geleden in een land waarvoor de winst bij verdrag vrijgesteld is : eerst op de bij verdrag vrijgestelde winst, daarna, indien die winst ontoereikend is, op de tegen verlaagd tarief belastbare winst en, tenslotte, op de Belgische winst;
  b) verliezen geleden in een land waarvoor de winst tegen verlaagd tarief belastbaar is : eerst op de tegen verlaagd tarief belastbare winst, daarna, indien die winst ontoereikend is, op de bij verdrag vrijgestelde winst en, tenslotte, op de Belgische winst;
  c) in België geleden verliezen : eerst op de Belgische winst, daarna, indien die winst ontoereikend is, op de tegen verlaagd tarief belastbare winst en, tenslotte, op de bij verdrag vrijgestelde winst.

  Art. 76. Van het saldo van de winst dat overeenkomstig de artikelen 74 en 75 is vastgesteld en onderverdeeld, worden achtereenvolgens afgetrokken, in zover ze er nog in voorkomen :
  1° de bij verdrag vrijgestelde winst;
  2° in globo :
  a) het gedeelte van de winst dat ingevolge artikel 67 van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 is vrijgesteld wegens zijn aanwending voor bijkomend personeel voor wetenschappelijk onderzoek;
  b) het vrijgestelde gedeelte van giften als zijn vermeld (in artikel 104, 3° tot 4°bis en 5°, a,) van hetzelfde Wetboek; <KB 1998-10-29/37, art. 4, 2°, 045; Inwerkingtreding : 1995-04-10>
  c) de andere niet-belastbare bestanddelen die in de winst voorkomen en niet in dit artikel zijn vermeld.
  De som van de in het eerste lid, 2°, vermelde bedragen wordt bij voorrang van de Belgische winst van het belastbare tijdperk afgetrokken en, tot het eventuele overschot, van de tegen verlaagd tarief belastbare winst van dat tijdperk.

  Art. 77. De in de artikelen 202 tot 205 van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 omschreven bedragen die als definitief belaste inkomsten of als vrijgestelde roerende inkomsten aftrekbaar zijn, worden, tot het bedrag van de restwinst na toepassing van artikel 76 afgetrokken; die aftrek gebeurt met inachtneming van de oorsprong van de winst en bij voorrang van de winst waarin die bedragen voorkomen.

  Art. 78. Van de overeenkomstig de artikelen 74 tot 77 vastgestelde winst worden de in artikel 206 van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 vermelde vorige beroepsverliezen afgetrokken in zover die verliezen, vastgesteld overeenkomstig de wetgeving die van toepassing is voor de betreffende belastbare tijdperken, niet vroeger konden worden afgetrokken of voorheen niet door bij verdrag vrijgestelde winst waren gedekt of niet vroeger onder de vennoten werden verdeeld.
  Die aftrek gebeurt volgens de regelen van artikel 75, tweede lid, met dien verstande dat verliezen die geleden zijn in landen waarvoor de winst bij verdrag is vrijgesteld, slechts worden afgetrokken in zover ze de bij verdrag vrijgestelde winst overtreffen.

  Art. 79. De in de artikelen 68 tot 77 en 201 van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 vermelde investeringsaftrek, wordt vervolgens afgetrokken van het bedrag van de Belgische winst dat overblijft na toepassing van artikel 78.

  Afdeling XXIX. - Vaststelling van het maatschappelijk kapitaal en van de waardeverminderingen, voorzieningen, reserves en meerwaarden ingeval de inbrengen niet volledig worden vergoed met nieuwe aandelen die naar aanleiding van de in artikel 21, § 1, van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 vermelde verrichtingen worden uitgegeven. (Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992, artikel 214, tweede lid)

  Art. 80. (Opgeheven) <KB 1994-08-12/48, art. 6, 006; Inwerkingtreding : 01-10-1993>

  Art. 81. (Opgeheven) <KB 1994-08-12/48, art. 6, 006; Inwerkingtreding : 01-10-1993>

  Art. 82. (Opgeheven) <KB 1994-08-12/48, art. 6, 006; Inwerkingtreding : 01-10-1993>

  HOOFDSTUK II. - VOORHEFFINGEN EN VERREKENING VAN VOORHEFFINGEN.

  Afdeling I. - Roerende voorheffing. (Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992, artikelen 250, 300, § 1 en 312)

  Art. 83. Voor de berekening van de roerende voorheffing wordt het bedrag van het belastbare inkomen (in euro vastgesteld en afgerond op de cent). <KB 2000-07-20/63, art. 5, 076; Inwerkingtreding : 01-01-2002>
  De roerende voorheffing wordt (in euro gevestigd en afgerond op de cent). <KB 2000-07-20/63, art. 5, 076; Inwerkingtreding : 01-01-2002>

  Art. 84. De roerende voorheffing is betaalbaar (bij de bevoegde) ontvanger van de directe belastingen volgens de regels van hoofdstuk III, afdeling III. <KB 1999-05-03/39, art. 2, 053; Inwerkingtreding : 06-04-1999>

  Art. 85. Bij iedere storting van roerende voorheffing of ten laatste binnen 15 dagen na de toekenning of betaalbaarstelling van de belastbare inkomsten, overhandigt de belastingschuldige aan de in artikel 84 vermelde ontvanger een aangifte van die inkomsten waarvan het model door de Minister van Financiën of zijn gedelegeerde wordt vastgesteld.
  Tot staving van die aangifte kan de administratie der directe belastingen een tot bewijs strekkend uittreksel uit de boeken of rekeningen van de belastingschuldige, door hem of zijn vertegenwoordiger gedateerd, getekend en echt verklaard, doen overleggen.

  Afdeling II. - Bedrijfsvoorheffing. (Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992, artikelen (57,) 250, 271, 275, §§ 1 en 2, 300, § 1, en 312) <KB 1994-08-12/48, art. 7; Inwerkingtreding : 20-09-1994>

  Art. 86. Natuurlijke en rechtspersonen, zomede alle personen die geheel of ten dele, uit welken hoofde ook, de leiding of het beheer van vennootschappen, verenigingen, instellingen of lichamen zonder rechtspersoonlijkheid waarnemen, moeten de bedrijfsvoorheffing die aan de bron verschuldigd is op de door hen betaalde of toegekende en in artikel 87 vermelde inkomsten, in de Schatkist storten.

  Art. 87. Behoudens de door de wet en door internationale overeenkomsten bepaalde vrijstellingen, is de bedrijfsvoorheffing aan de bron verschuldigd op :
  1° (a) beroepsinkomsten als vermeld in artikel 23, § 1, 4° en 5°, van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 die de in de artikelen 3, 179 of 220 van hetzelfde Wetboek vermelde personen als schuldenaar, bewaarder, mandataris of tussenpersoon in België of in het buitenland betalen of toekennen;
  b) beroepsinkomsten als vermeld in artikel 23, § 1, 4° en 5°, van voormeld Wetboek die de in artikel 227 van hetzelfde Wetboek vermelde niet-inwoners in België of in het buitenland betalen of toekennen, voor wie die inkomsten beroepskosten zijn in de zin van artikel 237 van hetzelfde Wetboek;) <KB 1999-06-24/34, art. 1, 057; Inwerkingtreding : 1999-08-24>
  2° bezoldigingen die volledig of hoofdzakelijk bestaan uit fooien of dienstpercenten, door de cliënteel betaald aan personen die in België krachtens een arbeidsovereenkomst tewerkgesteld zijn door belastingschuldigen als vermeld in artikel 86;
  3° prijzen, subsidies, renten of pensioenen als vermeld in artikel 90, 2°, van hetzelfde Wetboek;
  4° uitkeringen of kapitalen als vermeld in artikel 90, 3° en 4°, van hetzelfde Wetboek, die rijksinwoners betalen of toekennen aan niet-rijksinwoners;
  5° hierna vermelde inkomsten wanneer zij aan niet-inwoners als vermeld in artikel 227 van hetzelfde Wetboek, worden betaald of toegekend :
  a) winst en baten als vermeld in artikel 90, 1°, van hetzelfde Wetboek;
  b) commissielonen, provisies, vacatiegelden, toelagen, erelonen en alle andere vergoedingen wegens prestaties of diensten van welke aard ook, zomede auteurs-reproduktie- en andere gelijkaardige rechten, die in artikel 86 vermelde personen toevallig of niet in België, in het kader van hun beroepswerkzaamheid of van hun maatschappelijk, statutair of conventioneel doel, betalen of toekennen aan welke personen ook voor wie die retributies in artikel 23, § 1, 2°, van hetzelfde Wetboek vermelde baten zijn;
  c) winst als vermeld in artikel 228, § 2, 3°, b, van hetzelfde Wetboek;
  d) (inkomsten vermeld in artikel 228, § 2, 8°, van hetzelfde Wetboek); <KB 1993-08-27/48, art. 4, 1°; Inwerkingtreding : 08-10-1992>
  e) winst als vermeld in artikel 228, § 2, 3°, d, van hetzelfde Wetboek;
  6° presentiegelden door in artikel 86 vermelde personen betaald of toegekend aan welke personen ook voor wie die presentiegelden baten zijn als vermeld in artikel 23, § 1, 2°, van hetzelfde Wetboek.
  (7° het geheel van de winst en de baten die overeenkomstig de bepalingen van de artikelen 29, § 1, en 364 van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 worden geacht te zijn toegekend aan niet-inwonende vennoten of leden van burgerlijke vennootschappen of verenigingen zonder rechtspersoonlijkheid, vermeld in artikel 229, § 3, van hetzelfde Wetboek.) <KB 1993-10-22/33, art. 5; Inwerkingtreding : 01-01-1992>
  (8° meerwaarden die door niet-inwoners als vermeld in artikel 227, 1° of 2°, van hetzelfde Wetboek worden verwezenlijkt bij de overdracht onder bezwarende titel van in België gelegen onroerende goederen of van zakelijke rechten met betrekking tot zulke goederen, voor zover die meerwaarden begrepen zijn in de in artikel 228, § 2, 3°, a, en 4°, van hetzelfde Wetboek vermelde winst of baten.) <KB 1997-01-10/42, art. 1, 033; Inwerkingtreding : 01-01-1997>
  (9° vergoedingen tot volledig of gedeeltelijk herstel van een tijdelijke derving van winst of van baten, zelfs indien ze op een vorige beroepswerkzaamheid betrekking hebben.) <KB 1997-05-20/39, art. 7, 039; Inwerkingtreding : 01-06-1997>

  Art. 88. Het bedrag van de aan de bron verschuldigde bedrijfsvoorheffing wordt vastgesteld volgens de schalen en de erbij horende regels vermeld in bijlage III.

  Art. 89. Ten aanzien van bepaalde categorieën van belastingplichtigen die tot buitengewone beroepskosten genoodzaakt zijn, kan de Minister van Financiën of zijn gedelegeerde het deel van het bruto-inkomen bepalen dat voor het berekenen van de bedrijfsvoorheffing in aanmerking komt.

  Art. 90. § 1. (De schuldenaars van bedrijfsvoorheffing, die in artikel 87, 1° tot 7°, vermelde belastbare inkomsten hebben betaald of toegekend, moeten binnen de in artikel 412, van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 gestelde termijn een aangifte in de bedrijfsvoorheffing overleggen bij de bevoegde ontvanger van de directe belastingen en de verschuldigde bedrijfsvoorheffing bij dezelfde ambtenaar betalen volgens de regels van hoofdstuk III, afdeling III.) <KB 1999-05-03/39, art. 3, 053; Inwerkingtreding : 06-04-1999>
  Door de schuldenaars van bedrijfsvoorheffing moet eveneens een aangifte worden overgelegd ingeval :
  - zij voor een bepaalde periode geen in (artikel 87, 1° tot 7°,) vermelde belastbare inkomsten hebben betaald of toegekend; <KB 1997-01-10/42, art. 2, 1°, 033; Inwerkingtreding : 01-01-1997>
  - zij in (artikel 87, 1° tot 7°,) vermelde belastbare inkomsten hebben betaald of toegekend waarop echter volgens de schalen en de regels waarvan sprake in artikel 88 geen bedrijfsvoorheffing verschuldigd is. <KB 1997-01-10/42, art. 2, 1°, 033; Inwerkingtreding : 01-01-1997>
  Het model van de aangifte in de bedrijfsvoorheffing wordt vastgesteld door de Minister van Financiën of zijn gedelegeerde.
  (De schuldenaars van bedrijfsvoorheffing die zijn bedoeld in artikel 4 van de Wet van 24 december 1999 houdende fiscale en diverse bepalingen, moeten voor de periode waarin zij bezoldigingen hebben toegekend waarvoor zij de verschuldigde bedrijfsvoorheffing niet in de Schatkist moeten storten, twee afzonderlijke aangiften in de bedrijfsvoorheffing overleggen volgens het hierna volgend onderscheid :
  - de eerste aangifte in de bedrijfsvoorheffing bevat de door de werkgever betaalde of toegekende belastbare inkomsten van werknemers die niet in artikel 4 van de genoemde wet zijn bedoeld en de daarop verschuldigde bedrijfsvoorheffing die in de Schatkist moet worden gestort;
  - de tweede aangifte in de bedrijfsvoorheffing bevat uitsluitend de voor die periode betaalde of toegekende belastbare inkomsten van de werknemers die wel in het voornoemd artikel 4 zijn bedoeld, zonder vermelding van de niet aan de schatkist te storten bedrijfsvoorheffing. In de rubriek "verschuldigde bedrijfsvoorheffing" moet het cijfer "0" worden ingevuld.) <KB 2000-12-05/30, art. 1, 071; Inwerkingtreding : 01-01-2000>
  § 2. (Iedere niet in artikel 270, 5°, van hetzelfde Wetboek vermelde schuldenaar) van bedrijfsvoorheffing moet bij de in § 1 vermelde ontvanger een registratienummer aanvragen dat hij bij iedere aangifte in de bedrijfsvoorheffing, alsook bij iedere betaling van bedrijfsvoorheffing dient te vermelden. <KB 1997-01-10/42, art. 2, 2°, 033; Inwerkingtreding : 01-01-1997>
  Wanneer een geregistreerde schuldenaar van bedrijfsvoorheffing niet langer als schuldenaar van bedrijfsvoorheffing kan worden aangemerkt, dient hij onmiddellijk de ambtenaar bij wie hij in die hoedanigheid is geregistreerd daarvan in kennis te stellen en moet hij terzelfdertijd de schrapping van het registratienummer vragen.
  Het registratienummer omvat eventueel het nummer dat de schuldenaar van de bedrijfsvoorheffing heeft gekregen voor de toepassing van de belasting over de toegevoegde waarde.
  § 3. (De Minister van Financiën of zijn gedelegeerde kan toelaten, binnen de door hem bepaalde voorwaarden, de aangifte van de bedrijfsvoorheffing in te dienen bij de door hem aangewezen dienst door middel van een procedure waarbij informatica- of telegeleidingstechnieken worden gebruikt.) <KB 2002-10-21/33, art. 1, 089; Inwerkingtreding : 31-10-2002>
  (§ 4. Voor de toepassing van § 1 moeten de in artikel 270, 4°, van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 vermelde schuldenaars van de bedrijfsvoorheffing binnen vijftien dagen na het verstrijken van de maand waarin de in artikel 87, 7° vermelde inkomsten overeenkomstig artikel 364 van hetzelfde Wetboek geacht worden te zijn toegekend, een aangifte in de bedrijfsvoorheffing overleggen bij de ontvanger van de directe belastingen te Brussel "Buitenland" en de verschuldigde bedrijfsvoorheffing door storting of overschrijving (op postrekening 679-2002400-29) van de voormelde ontvanger betalen volgens de regels van hoofdstuk III, afdeling III.) <KB 1993-10-22/33, art. 6; Inwerkingtreding : 01-01-1992> <KB 1999-11-09/33, art. 2, 059; Inwerkingtreding : 17-12-1999>

  Art. 91. Ingeval vergoedingen in globo aan een in artikel 87, 5°, vermelde niet-inwoner die leider is van een orkest, gezelschap of ploeg en die alleen persoonlijk jegens de schuldenaar van de inkomsten gebonden is, worden betaald of toegekend ter beloning van de prestaties van het orkest, het gezelschap of de ploeg, rust de verplichting tot aangifte en storting van de bedrijfsvoorheffing op de schuldenaar van de totale vergoeding, zowel voor het deel dat de leider van het orkest, het gezelschap of de ploeg voor zich houdt, als voor het deel dat hij aan de leden daarvan afstaat.

  Art. 92. <KB 1993-10-22/33, art. 7; Inwerkingtreding : 01-01-1992> § 1. Op het einde van elk jaar moeten de (in artikel 270, 1° tot 4° en 6°, van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 vermelde) schuldenaars van de bedrijfsvoorheffing : <KB 1997-01-10/42, art. 3, 1°, 033; Inwerkingtreding : 01-01-1997>
  1° voor iedere verkrijger van inkomsten een fiche invullen waarvan het model door de Minister van Financiën of zijn gedelegeerde wordt vastgesteld;
  2° van de sub 1° vermelde fiches een samenvattende opgave waarvan het model door de Minister van Financiën of zijn gedelegeerde wordt vastgesteld, opstellen en ondertekenen.
  Een afzonderlijke opgave mag worden opgesteld voor bepaalde categorieën van verkrijgers, zoals bedienden, werklieden, verkrijgers van pensioenen en renten, (bedrijfsleiders), of per in (artikel 87, 1° tot 7°,) bepaalde inkomstencategorie. <KB 1997-05-20/39, art. 8, 039; Inwerkingtreding : 01-01-1997> <KB 1997-01-10/42, art. 3, 2°, 033; Inwerkingtreding : 01-01-1997>
  (De Minister van Financiën of zijn gedelegeerde kan vergunning verlenen om de fiches en de samenvattende opgaven te vervangen door een magnetische informatiedrager. De vergunning vermeldt de na te leven voorwaarden en kan steeds worden ingetrokken.) <KB 1994-01-20/37, art. 2, 002; Inwerkingtreding : 01-01-1994>
  Voor pensioenen en sociale toelagen waarvan het bedrag het belastingvrije minimum niet bereikt, kan de Minister van Financiën of zijn gedelegeerde, op schriftelijke en met redenen omklede aanvraag en binnen de grenzen en onder de voorwaarden die hij stelt, de openbare machten, instellingen en lichamen, ontslaan van het opstellen van de in dit artikel vermelde fiches en samenvattende opgaven.
  § 2. In afwijking van § 1 moeten de in artikel 270, 4°, van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 vermelde schuldenaars van de bedrijfsvoorheffing een bijzondere opgave opstellen waarvan het model door de Minister van Financiën of zijn gedelegeerde wordt vastgesteld.

  Art. 93. <KB 1993-10-22/33, art. 8; Inwerkingtreding : 01-01-1992> § 1. (Tot staving van de overeenkomstig de artikelen 90 en 91 overgelegde aangiften moeten de in artikel 270, 1° tot 4° en 6°, van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 vermelde schuldenaars van bedrijfsvoorheffing al de fiches en de samenvattende opgave of de magnetische informatiedrager waarvan sprake is in artikel 92, voor 1 maart van het jaar na dat waarop die fiches en die opgave of die magnetische informatiedrager betrekking hebben, inleveren bij de bevoegde dienst.) <KB 1999-05-03/39, art. 4, 053; Inwerkingtreding : 06-04-1999>
  (De in het eerste lid vermelde schuldenaars) van bedrijfsvoorheffing moeten voor 1 maart een afschrift van het fiche, behoorlijk ingevuld, aan iedere verkrijger van inkomsten overhandigen om hem in staat te stellen eventueel zijn aangifte in de personenbelasting of in de belasting van niet-inwoners in te vullen. <KB 1997-01-10/42, art. 4, 2°, 033; Inwerkingtreding : 01-01-1997>
  § 2. In afwijking van § 1 moeten de in artikel 270, 4°, van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 vermelde schuldenaars van de bedrijfsvoorheffing, tot staving van de overeenkomstig artikel 90, § 4, overgelegde aangifte, de in artikel 92, § 2, vermelde bijzondere opgave uiterlijk vier maand na het verstrijken van de periode waarop die opgave betrekking heeft, inleveren bij de overeenkomstig artikel 297 van hetzelfde Wetboek aangewezen controle "Buitenland".

  Art. 94. Op aanvraag verstrekt de administratie der directe belastingen aan de schuldenaars van bedrijfsvoorheffing kosteloos exemplaren van de in bijlage III neergelegde schalen en toepassingsregels en van de aangiften, de fiches en samenvattende opgaven, die vermeld zijn in de artikelen 90 tot 92.
  Voor zover zij alle vermeldingen bevatten, mogen fiches en samenvattende opgaven worden gebruikt waarvan het formaat niet afwijkt van het formaat van de door de Minister van Financiën of zijn gedelegeerde vastgestelde modellen.

  Art. 95. Voor de berekening van de bedrijfsvoorheffing wordt het bedrag van de belastbare inkomsten (in euro vastgesteld en afgerond op de cent). <KB 2000-07-20/63, art. 5, 076; Inwerkingtreding : 01-01-2002>

  Afdeling III. - Roerende voorheffing op inkomsten van roerende goederen en kapitalen en op sommige diverse inkomsten.

  Onderafdeling I. - Inkomsten van vreemde waarden, van schuldvorderingen op of van gelddeposito's in het buitenland. - Controlemaatregelen. (Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992, artikel 263, eerste lid)

  Art. 96. § 1. Voor de regelmatige inning van de roerende voorheffing zijn vennootschappen, instellingen, bankiers, notarissen, rentmeesters, zaakvoerders en andere personen die in België inkomsten van buitenlandse oorsprong uitbetalen of op enigerlei wijze bij de incassering van zulke inkomsten optreden, verplicht gezegde verrichtingen, naarmate zij zich voordoen, te boeken in een bijzonder register dat door de controleur van de directe belastingen van het ambtsgebied is genummerd en geparafeerd en dat alle door de Minister van Financiën voorgeschreven vermeldingen inhoudt.
  § 2. Het ter voldoening van § 1 gehouden register moet onmiddellijk op elk verzoek van de in artikel 101 aangewezen ambtenaren voorgelegd worden.

  Art. 97. De Minister van Financiën kan het gebruik van fiscale zegels ten bewijze van de inning van de roerende voorheffing voorschrijven.

  Art. 98. Elke zending binnen het land of naar het buitenland van coupons of middelen tot inning waarop verrichtingen als vermeld in artikel 96 betrekking hebben, moet vergezeld gaan van een uittreksel uit het bij § 1 van dat artikel voorgeschreven register, waarin de door de Minister van Financiën voorgeschreven vermeldingen voorkomen.

  Art. 99. Tenzij de in artikel 98 gestelde formaliteiten vervuld zijn, is het verboden coupons of andere middelen tot inning van inkomsten van buitenlandse oorsprong, al dan niet afgeknipt van de effecten waartoe zij behoren, naar het buitenland te zenden.

  Art. 100. De Minister van Financiën stelt het model van de in de artikelen 96 tot 99 vermelde registers, zegels en documenten vast en regelt het bijhouden of de gebruikswijze daarvan.

  Art. 101. De ambtenaren van de administratie der directe belastingen en van de administratie der douane en accijnzen zijn bevoegd om de overtredingen van de artikelen 96 tot 99 vast te stellen.

  Onderafdeling II. - (Vrijstelling van de roerende voorheffing). (Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992, artikel 264) <KB 2003-04-04/40, art. 1, Inwerkingtreding : 01-01-2001>

  Art. 101bis. <KB 2003-04-04/40, art. 1, Inwerkingtreding : 01-01-2001> Voor de toepassing van artikel 264, eerste lid, 2°bis van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992, moeten worden gelijkgesteld met de gereglementeerde markten bedoeld in artikel 2, 5° en 6°, van de wet van 2 augustus 2002 betreffende het toezicht op de financiële sector en de financiële diensten, de gereglementeerde secundaire markten voor financiële instrumenten, al dan niet voor het publiek toegankelijk, die zijn geplaatst onder het toezicht van een toezichthouder welke een gewoon lid is van de "Internationale Organisatie van Effectentoezichthouders" (IOSCO), indien de maatschappelijke zetel van de marktonderneming welke de gereglementeerde secundaire markt organiseert, is gevestigd in een Staat, niet bedoeld in artikel 2, 6°, van voormelde wet van 2 augustus 2002 :
  - die een overeenkomst ter voorkoming van dubbele belasting heeft gesloten met België;
  - of waarvan de toezichthouder van de gereglementeerde markten met de Commissie voor het Bank- en Financiewezen een samenwerkingsovereenkomst over het toezicht op de financiële markten heeft gesloten.

  Art. 101ter. <KB 2003-04-04/40, art. 1, Inwerkingtreding : 01-01-2001> De Federale overheidsdienst Financiën stelt elk jaar, voor de toepassing van artikel 101bis, een lijst op van de landen waarmee België een overeenkomst ter voorkoming van dubbele belasting heeft gesloten alsmede, op voorstel van de Commissie voor het Bank- en Financiewezen, een lijst van de toezichthouders welke gewoon lid zijn van de IOSCO en een lijst van de toezichthouders met dewelke de Commissie voor het Bank- en Financiewezen een samenwerkingsovereenkomst over het toezicht op de financiële markten heeft gesloten.
  Deze lijsten en alle tijdens het jaar daarin aangebrachte wijzigingen worden in het Belgisch Staatsblad bekendgemaakt.

  Art. 102. Voor de toepassing van artikel 264, eerste lid, 3°, van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992, wordt het geheel van de reserves bepaald volgens artikel 74 en van de winst die is gereserveerd onder het stelsel van wetgevingen voor de wet van 20 november 1962 houdende hervorming van de inkomstenbelastingen, in de volgende categorieën onderverdeeld :
  1° reserves overeenstemmend met winst die voorheen ten name van de vennoten is belast;
  2° reserves overeenstemmend met bedragen die ingevolge artikel 202 van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 of artikel 52, § 1, eerste lid, van de op 15 januari 1948 samengeordende wetten betreffende de inkomstenbelastingen, zijn afgetrokken van gereserveerde winst die voor de aanslagjaren 1973 en vorige belastbaar was;
  3° reserves overeenstemmend met alle andere maatschappelijke winst.

  Art. 103. Wanneer op het einde van het belastbare tijdperk een vermindering van het totaal van de reserves wordt vastgesteld wordt de ermede overeenstemmende opneming achtereenvolgens aangerekend, eerst op de in artikel 102, 2°, vermelde reserves, daarna, indien die reserves ontoereikend zijn, op de in 3° van dat artikel vermelde reserves en tenslotte op de in 1° vermelde reserves.

  Art. 104. De opnemingen vermeld in artikel 103 worden geacht in de in dat artikel aangegeven volgorde te hebben gediend :
  1° tot betaling van dividenden;
  2° tot alle andere doeleinden.

  Onderafdeling III. - Volledige of gedeeltelijke verzaking van de inning van roerende voorheffing. (Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992, artikel 266)

  Art. 105. Voor de toepassing van de artikelen 106 tot 119 verstaat men :
  1° onder "financiële instellingen of ermede gelijkgestelde ondernemingen, behalve die welke voor 1 januari 1990 in vereffening zijn gesteld" :
  a) de Belgische banken en de Belgische instellingen van buitenlandse banken als vermeld in artikel 1, eerste lid, van het koninklijk besluit nr. 185 van 9 juli 1935, op de bankcontrole en het uitgifteregime voor titels en effecten, hierna te noemen het koninklijk besluit nr. 185;
  b) de Belgische openbare kredietinstellingen als vermeld in artikel 1, tweede lid, 1°, van gezegd koninklijk besluit nr. 185;
  c) de financiële ondernemingen als vermeld in artikel 1, tweede lid, 2°, van hetzelfde koninklijk besluit nr. 185;
  d) de privé-spaarkassen die aan de controle van de Commissie voor het Bank- en Financiewezen zijn onderworpen;
  e) de kapitalisatieondernemingen die onder de toepassing vallen van het koninklijk besluit nr. 43 van 15 december 1934 betreffende de controle op de kapitalisatieondernemingen;
  f) de hypotheekbanken die onder de toepassing vallen van het koninklijk besluit nr. 225 van 7 januari 1936 tot reglementering van de hypothecaire leningen en tot inrichting van de controle op de ondernemingen van hypothecaire leningen;
  g) de vennootschappen die uitsluitend of hoofdzakelijk de financiering van verkopen op afbetaling ten doel hebben en (onder de toepassing vallen van de wet van 12 juni 1991 op het consumentenkrediet); <KB 1994-08-12/48, art. 8, 006; Inwerkingtreding : 01-07-1992>
  h) (de tot het net van het beroepskrediet toegetreden kredietverenigingen), de plaatselijke handelsvennootschappen en de gewestelijke of beroepsverenigingen van deze maatschappijen die, tot uitvoering van het statuut van de (N.V. Beroepskrediet), krediet voor ambachtsoutillage mogen verstrekken, zomede de door het Nationaal Instituut voor Landbouwkrediet erkende kredietkassen; <KB 1996-12-23/36, art. 25, 032; Inwerkingtreding : 31-03-1997>
  i) de Belgische verzekeringsondernemingen die binnenlandse vennootschappen zijn en de Belgische inrichtingen van buitenlandse verzekeringsondernemingen;
  j) de Nationale Investeringsmaatschappij en de gewestelijke investeringsmaatschappijen die onder de toepassing vallen van de wet van 2 april 1962 tot oprichting van een Nationale Investeringsmaatschappij en van gewestelijke investeringsmaatschappijen;
  k) de vennootschappen voor huisvestingskrediet zijnde de Nationale Maatschappij voor de Huisvesting, de Vlaamse Huisvestingsmaatschappij, de Société régionale Wallonne du logement, de Brusselse Gewestelijke Huisvestingsmaatschappij, de Nationale Landmaatschappij, de Vlaamse Landmaatschappij en de door hen erkende maatschappijen, de coöperatieve vennootschappen Woningfonds van de Bond der kroostrijke gezinnen van België, Vlaams Woningfonds van de grote gezinnen, Fonds du logement de la Ligue des familles nombreuses de Belgique, Fonds du Logement des familles nombreuses de Wallonie en Woningfonds van de gezinnen van het Brusselse Gewest, zomede door de Algemene Spaar- en Lijfrentekas erkende naamloze of coöperatieve vennootschappen die uitsluitend ten doel hebben leningen toe te staan voor het bouwen, het aankopen of het inrichten van sociale woningen, kleine landeigendommen of daarmede gelijkgestelde woningen, of voor de uitrusting daarvan met geschikt meubilair;
  l) de Belgische inrichtingen van niet in a tot k vermelde openbare of private instellingen met rechtspersoonlijkheid, waarvan de werkzaamheid uitsluitend of hoofdzakelijk bestaat in het toestaan van kredieten en leningen;
  m) de coöperatieve vennootschap Belfox;
  2° onder "parastatale instellingen voor sociale zekerheid of ermede gelijkgestelde instellingen" :
  a) de ziekenfondsen en de landsbonden van ziekenfondsen die onder de toepassing vallen van de wet van 6 augustus 1990 betreffende de ziekenfondsen en de landsbonden van ziekenfondsen, zomede alle andere inrichtingen of instellingen die krachtens de sociale wetgeving belast zijn met het inzamelen, centraliseren, kapitaliseren en verdelen van de gelden bestemd voor het toekennen van door die wetgeving vastgestelde voordelen, en zich met geen andere exploitaties of verrichtingen van winstgevende aard dan de plaatsing van de vermelde gelden bezighouden;
  b) het Rentenfonds, de Nationale Kas voor Rampenschade, de Deposito- en Consignatiekas, het Nationaal waarborgfonds inzake kolenmijnschade, het Voorschottenfonds voor schadeloosstelling voor schade veroorzaakt door het winnen en pompen van grondwater, de spaarkassen die van een andere openbare instelling dan de Commissie voor het Bank- en Financiewezen afhangen, zomede de verenigingen zonder winstoogmerk Bond van Grote en van Jonge Gezinnen en Ligue des Familles in zover zij goedkope leningen aan hun leden verstrekken;
  c) de internationale of supranationale instellingen naar publiek recht of de Belgische inrichtingen van dergelijke instellingen die krachtens internationale overeenkomsten of krachtens bijzondere, voor de wet van 20 november 1962 houdende hervorming van de inkomstenbelastingen geldende wettelijke bepalingen, van belasting op hun in België verkregen inkomsten zijn vrijgesteld;
  3° onder "beroepsbeleggers" :
  a) de aan de personenbelasting onderworpen rijksinwoners die de rentegevende roerende kapitalen voor het uitoefenen van hun beroepswerkzaamheid hebben gebruikt;
  b) de binnenlandse vennootschappen die niet vermeld zijn in 1° van dit artikel;
  c) de niet in 1° van dit artikel vermelde inrichtingen waarover niet-inwoners, die belastingplichtig zijn volgens de artikelen 232, 2°, a, en 233 van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992, in België beschikken;
  4° onder "privé-spaarders", de aan de personenbelasting onderworpen rijksinwoners die hun rentegevende roerende kapitalen niet voor het uitoefenen van hun beroepswerkzaamheid hebben gebruikt;
  5° onder "spaarders niet-inwoners", de in artikel 227 van hetzelfde Wetboek vermelde belastingplichtigen die hun roerende kapitalen niet voor het uitoefenen van een beroepswerkzaamheid in België hebben gebruikt.

  Art. 106. § 1. Van de inning van de roerende voorheffing wordt volledig afgezien met betrekking tot (de niet in artikel 18, eerst lid, 3°, van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 bedoelde dividenden) waarvan de schuldenaar een buitenlandse vennootschap is, wanneer de verkrijger wordt geïdentificeerd als een binnenlandse vennootschap. <KB 2000-12-04/31, art. 1, 072; Inwerkingtreding : 28-11-2000>
  (Er wordt eveneens volledig afgezien van de inning van de roerende voorheffing op dividenden als bedoeld in artikel 18, eerste lid, 3°, van hetzelfde Wetboek, die worden verleend of toegekend naar aanleiding van een lening van aandelen van een buitenlandse vennootschap aan een verkrijger die wordt geïdentificeerd als een binnenlandse vennootschap.) <KB 2000-12-04/31, art. 1, 072; Inwerkingtreding : 28-11-2000>
  Die verzaking blijft zonder uitwerking met betrekking tot dividenden vermeld in het eerste lid, die worden geïncasseerd ten voordele van een Belgisch beleggingsfonds of die begrepen zijn in inkomsten van certificaten van buitenlandse beleggingsfondsen.
  § 2. Er wordt eveneens volledig afgezien van de inning van de roerende voorheffing op dividenden waarvan de schuldenaar, hetzij een vennootschap, vereniging, inrichting of instelling is die haar maatschappelijke zetel, haar voornaamste inrichting of haar zetel van bestuur of beheer in België heeft, hetzij een rechtspersoon naar Belgisch publiek recht is, wanneer de verkrijger wordt geïdentificeerd als een spaarder niet-inwoner die geen onderneming exploiteert of die zich niet met verrichtingen van winstgevende aard bezighoudt en die in het land waarvan hij inwoner is, vrijgesteld is van inkomstenbelastingen.
  § 3. Er wordt volledig afgezien van de inning van de roerende voorheffing op dividenden waarvan de schuldenaar ofwel een vennootschap, vereniging, inrichting of instelling is die haar maatschappelijke zetel, haar voornaamste inrichting of haar zetel van bestuur of beheer in België heeft, ofwel een rechtspersoon is naar Belgisch publiek recht, wanneer die dividenden worden betaald of toegekend aan Belgische beleggingsfondsen die door de Minister van Financiën overeenkomstig het tweede lid zijn erkend.
  De hierboven vermelde erkenning wordt verleend op voorwaarde dat het beheersreglement van het fonds bepaalt dat :
  a) de delen van het fonds op naam worden ingeschreven bij de beheersvennootschap van het fonds;
  b) voor het onderschrijven van de delen alleen spaarders niet-inwoners in aanmerking komen die een attest overhandigen, opgesteld door de belastingadministratie van de Staat waarvan zij inwoner zijn en waarin wordt bevestigd dat zij geen onderneming exploiteren of zich niet met verrichtingen van winstgevende aard bezighouden en dat zij in het land waarvan zij inwoner zijn vrijgesteld zijn van inkomstenbelastingen;
  c) de activa van het fonds voor ten minste 75 pct. worden belegd in aandelen of winstbewijzen die de in het eerste lid vermelde dividenden voortbrengen.
  § 4. De bepalingen van de §§ 2 en 3 zijn niet van toepassing wanneer de spaarder niet-inwoner, alhoewel hij de aandelen of winstbewijzen in eigen naam beheert, er krachtens een contractuele verplichting toe gehouden is de opbrengsten ervan door te storten aan de uiteindelijke verkrijgers.
  § 5. Van de inning van de roerende voorheffing wordt volledig afgezien met betrekking tot dividenden waarvan de schuldenaar een Belgische dochteronderneming is en waarvan de verkrijger een moedermaatschappij is van een andere Lid-Staat van de Europese Economische Gemeenschap.
  (De verzaking is evenwel niet van toepassing indien het aandelenbezit van de moedermaatschappij uit hoofde waarvan de dividenden worden betaald niet een deelneming vertegenwoordigt van ten minste 25 % in het kapitaal van de dochteronderneming en die minimumdeelneming van 25 % niet gedurende een ononderbroken periode van ten minste één jaar wordt of werd behouden.) <KB 1997-07-06/38, art. 1, 1°, 038; Inwerkingtreding : 09-08-1997>
  Voor de toepassing van het eerste en het tweede lid verstaat men onder dochteronderneming en moedermaatschappij de dochterondernemingen en moedermaatschappijen zoals ze zijn omschreven in de richtlijn van 23 juli 1990 (90/435/EEG) betreffende de gemeenschappelijke fiscale regeling voor moedermaatschappijen en dochterondernemingen uit verschillende Lid-Staten.
  (Er wordt eveneens volledig afgezien van de inning van de roerende voorheffing op dividenden als bedoeld in artikel 18, eerste lid, 3°, van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992, die worden verleend of toegekend naar aanleiding van een lening met een looptijd van minder dan één jaar, van alle of een gedeelte van de aandelen die een minimumdeelneming vertegenwoordigen als bedoeld in het tweede lid, aan een verkrijger die wordt geïdentificeerd als een moedermaatschappij zoals bedoeld in het eerste lid.
  Voor de toepassing van deze paragraaf wordt een lening van aandelen als bedoeld in artikel 18, eerste lid, 3°, van hetzelfde Wetboek en met een looptijd van minder dan één jaar niet als een overdracht aangemerkt.) <KB 2000-12-04/31, art. 1, 072; Inwerkingtreding : 28-11-2000>
  § 6. Van de inning van de roerende voorheffing wordt volledig afgezien met betrekking tot dividenden waarvan de schuldenaar en de verkrijger binnenlandse vennootschappen zijn.
  (De verzaking is evenwel niet van toepassing indien het aandelenbezit van de verkrijger uit hoofde waarvan de dividenden worden betaald niet een deelneming vertegenwoordigt van ten minste 25 % in het kapitaal van de vennootschap die de dividenden verschuldigd is en die minimumdeelneming van 25 % niet gedurende een ononderbroken periode van ten minste één jaar wordt of werd behouden.) <KB 1997-07-06/38, art. 1, 2°, 038; Inwerkingtreding : 09-08-1997>
  (Er wordt eveneens volledig afgezien van de inning van de roerende voorheffing op dividenden als bedoeld in artikel 18, eerste lid, 3°, van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992, die worden verleend of toegekend naar aanleiding van een lening met een looptijd van minder dan één jaar, van alle of een gedeelte van de aandelen die een minimumdeelneming vertegenwoordigen als bedoeld in het tweede lid, aan een verkrijger die wordt geïdentificeerd als een binnenlandse vennootschap.
  Voor de toepassing van deze paragraaf wordt een lening van aandelen als bedoeld in artikel 18, eerste lid, 3°, van hetzelfde Wetboek en met een looptijd van minder dan één jaar niet als een overdracht aangemerkt.) <KB 2000-12-04/31, art. 1, 072; Inwerkingtreding : 28-11-2000>
  § 7. (Van de inning van de roerende voorheffing word t volledig afgezien met betrekking tot dividenden waarvan de schuldenaar een beleggingsvennootschap is als vermeld in de artikelen 114, 118 en 119quinquies van de wet van 4 december 1990 op de financiële transacties en de financiële markten, met uitsluiting van de vastgoedbeleggingsvennootschappen met vast kapitaal als bedoeld in artikel 2, 1°, van het koninklijk besluit van 10 april 1995 met betrekking tot vastgoedbevaks, en waarvan de verkrijger wordt geïdentificeerd als een spaarder niet-inwoner.) <KB 1995-04-10/95, art. 1, 1°, 017; Inwerkingtreding : 23-05-1995>
  Die verzaking is niet van toepassing op het gedeelte van het uitgekeerde inkomen dat afkomstig is van dividenden die de beleggingsvennootschap zelf ontvangen heeft van een binnenlandse vennootschap.
  (§ 8. Ongeacht wie de verkrijger van de hierna vermelde inkomsten is, wordt van de inning van de roerende voorheffing volledig afgezien met betrekking tot de dividenden die worden uitgekeerd door een vastgoedbeleggingsvennootschap met vast kapitaal als bedoeld in artikel 2, 1°, van het koninklijk besluit van 10 april 1995 met betrekking tot vastgoedbevaks, voor zover, bij het afsluiten van het boekjaar waarmee de dividenden verband houden, tenminste 60 % van het vastgoed in de zin van artikel 2, 4°, van het voornoemde besluit rechtstreeks of onrechtstreeks belegd is in onroerende goederen die in België zijn gelegen en uitsluitend voor woninggebruik aangewend worden of bestemd zijn.) <KB 1995-04-10/95, art. 1, 2°, 017; Inwerkingtreding : 23-05-1995>
  (§ 9. Ongeacht wie de verkrijger van de hierna vermelde inkomsten is, wordt van de inning van de roerende voorheffing gedeeltelijk afgezien met betrekking tot dividenden die worden uitgekeerd door een Belgische beleggingsvennootschap met vast kapitaal als bedoeld in artikel 2, 5°, van het koninklijk besluit van 18 april 1997 met betrekking tot de instellingen voor belegging in niet-genoteerde vennootschappen en in groeibedrijven. Die verzaking is enkel van toepassing op het gedeelte van het uitgekeerde inkomen dat afkomstig is van meerwaarden op aandelen verwezenlijkt door voormelde beleggingsvennootschap.) <KB 1998-01-09/39, art. 1, 042; Inwerkingtreding : 06-02-1998>
  (§ 10. Er wordt eveneens volledig afgezien van de inning van de roerende voorheffing op dividenden als bedoeld in artikel 18, eerste lid, 3°, van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992, die worden verleend of toegekend naar aanleiding van een lening van aandelen, door middel van een gecentraliseerd systeem voor het lenen en ontlenen van aandelen als bedoeld in artikel 203, § 2, zesde lid, 2°, van hetzelfde Wetboek, erkend door de Minister van Financiën, aan een verkrijger die wordt geïdentificeerd als een buitenlandse vennootschap.) <KB 2000-12-04/31, art. 1, 072; Inwerkingtreding : 28-11-2000>
  (§ 11. Er wordt eveneens volledig afgezien van de inning van de roerende voorheffing op dividenden als bedoeld in artikel 18, eerste lid, 3°, van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992, die worden verleend of toegekend naar aanleiding van een lening van aandelen, door middel van een gecentraliseerd systeem voor het lenen en ontlenen van aandelen als bedoeld in artikel 203, § 2, zesde lid, 2°, van hetzelfde Wetboek, erkend door de Minister van Financiën, aan een verkrijger die wordt geïdentificeerd als een binnenlandse vennootschap.) <KB 2000-12-04/31, art. 1, 072; Inwerkingtreding : 28-11-2000>

  Art. 107. § 1. Met betrekking tot inkomsten hetzij van obligaties, kasbons of andere soortgelijke effecten, hetzij van schuldvorderingen en leningen, inkomsten vermeld in artikel 266, laatste lid, van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 uitgezonderd, die worden verleend of toegekend ter uitvoering van vanaf 1 december 1962 gesloten overeenkomsten, wordt van de inning van roerende voorheffing volledig of gedeeltelijk afgezien volgens het in §§ 2 tot 5 gemaakte onderscheid.
  § 2. Van de inning van de roerende voorheffing wordt volledig afgezien met betrekking tot :
  1° uitgiftepremies, ongeacht de verkrijger, van obligaties, kasbons of andere soortgelijke effecten uitgegeven ofwel door de Staat, de provincies, de agglomeraties, de gemeenten of andere Belgische openbare inrichtingen of instellingen, ofwel bij openbare intekening door Belgische vennootschappen, verenigingen, instellingen of inrichtingen van privaat recht, voor zover die premies, over de volle duur van de effecten verdeeld, niet ten gevolge hebben het werkelijke jaarlijkse rendement van deze laatste op een bedrag te brengen dat de nominale rentevoet met meer dan 75 centiem overtreft;
  2° inkomsten van certificaten van leningen uitgegeven door het Rentenfonds;
  3° inkomsten van effecten van de speciale conversielening van 1962;
  4° interest van dagleningen, ook "callgeld" genoemd;
  5° a) inkomsten van schuldvorderingen en leningen die aan in het buitenland gevestigde banken worden verleend of toegekend door in België gevestigde banken, Belgische openbare kredietinstellingen of privé-spaarkassen die aan de controle van de Commissie voor het Bank- en Financiewezen zijn onderworpen;
  b) inkomsten van obligaties, kasbons of andere soortgelijke effecten die het voorwerp zijn van een inschrijving op naam bij de uitgever en de inkomsten van niet door effecten aan toonder vertegenwoordigde schuldvorderingen en leningen die aan spaarders niet-inwoners worden verleend of toegekend door :
  - de Staat, de provincies, de agglomeraties en de gemeenten;
  - de Belgische openbare inrichtingen of instellingen voor zover die schuldvorderingen en leningen door de Staat zijn gewaarborgd;
  - de in België gevestigde banken, de Belgische openbare kredietinstellingen, de spaarkassen die van een andere openbare instelling dan de Commissie voor het Bank- en Financiewezen afhangen, de privé-spaarkassen die aan de controle van gezegde Commissie zijn onderworpen of de in artikel 1, tweede lid, 2°, van het koninklijk besluit nr. 185 van 9 juli 1935 vermelde financiële ondernemingen;
  c) inkomsten van niet door effecten aan toonder vertegenwoordigde schuldvorderingen en leningen die, ter uitvoering van overeenkomsten gesloten vanaf 1 maart 1968 tot en met 31 december 1971, door enige nijverheids-, handels- of landbouwonderneming worden verleend of toegekend aan niet-inwoners die niet belastingplichtig zijn volgens de artikelen 232 en 233 van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992, in zover :
  - die schuldvorderingen en leningen, op eensluidend advies van de Minister van Economische Zaken of de Minister van Middenstand, door de Minister van Financiën zijn erkend als bijzonder de financiering te beogen van verrichtingen die beantwoorden aan het algemeen economische belang en die rechtstreeks bijdragen tot de oprichting, de uitbreiding, de omschakeling of de modernisering van Belgische inrichtingen van de ontlenende ondernemingen;
  - die ondernemingen de bepalingen van § 4 naleven en werkelijk over de geleende sommen hebben beschikt binnen een termijn van 3 jaar ingaande op de datum van de overeenkomst;
  d) inkomsten van niet door effecten aan toonder vertegenwoordigde schuldvorderingen en leningen die ter uitvoering van overeenkomsten gesloten tijdens het tijdperk gaande van 1 maart 1977 tot en met 31 december 1978, door rechtspersoon naar Belgisch publiek recht, of enige nijverheids-, handels- of landbouwonderneming worden verleend of toegekend aan niet-inwoners die niet belastingplichtig zijn volgens de artikelen 232 en 233 van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992, in zover :
  - die schuldvorderingen en leningen gebruikt worden tot de financiering van verrichtingen die, op eensluidend advies van de Minister van Economische Zaken of de Minister van Middenstand, door de Minister van Financiën erkend zijn als te zijn gedaan om de produktiviteit te verbeteren, de werkloosheid te bestrijden of de economie te rationaliseren;
  - die ondernemingen de bepalingen van § 5 naleven en werkelijk over de geleende sommen hebben beschikt binnen een termijn van 3 jaar ingaande op de datum van de overeenkomst;
  e) inkomsten van schuldvorderingen en leningen, niet vertegenwoordigd door effecten aan toonder of vertegenwoordigd door effecten in de vorm van handelspapier, die ter uitvoering van tijdens het tijdperk van 1 januari 1981 tot en met 31 december 1983 gesloten overeenkomsten aan spaarders niet-inwoners worden verleend of toegekend door rechtspersonen naar Belgisch publiek recht, of door enige nijverheids-, handels- of landbouwonderneming, in zover :
  - die schuldvorderingen en leningen worden aangewend tot financiering van investeringen die door de Minister van Financiën, en naar het geval, op eensluidend advies van de Minister van Economische Zaken, de Minister van Middenstand, de Minister van de Vlaamse Gemeenschap, de Minister van het Waalse Gewest of de Minister van het Brusselse Gewest zijn erkend als te zijn gedaan om de produktiviteit te verbeteren, de werkloosheid te bestrijden of de economie te rationaliseren;
  - die rechtspersonen of ondernemingen de bepalingen van § 5 naleven en werkelijk over de geleende sommen hebben beschikt binnen een termijn van 3 jaar ingaande op de datum van de overeenkomst;
  6° inkomsten van schuldvorderingen en leningen vertegenwoordigd door effecten in de vorm van handelspapier die worden verleend of toegekend, ofwel door de Staat, de provincies, de agglomeraties, de gemeenten of andere Belgische openbare inrichtingen of instellingen ofwel, ter uitvoering van voor 1 januari 1967 gesloten overeenkomsten, door Belgische vennootschappen, verenigingen, inrichtingen of instellingen van privaat recht, aan spaarders niet-inwoners;
  7° interest van hypothecaire schuldvorderingen op in België gelegen onroerende goederen of op ten kantore der hypotheekbewaring te Antwerpen ingeschreven schepen en boten, met uitzondering van hypothecaire obligatieleningen, eensdeels, en inkomsten als vermeld in artikel 19, § 1, 2°, van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 en begrepen in betalingen voortkomend van overeenkomsten waarbij een recht van gebruik op gebouwde onroerende goederen wordt verleend, anderdeels, die worden verleend of toegekend aan :
  a) financiële instellingen of ermede gelijkgestelde ondernemingen;
  b) parastatale instellingen voor sociale zekerheid of ermede gelijkgestelde instellingen;
  c) beroepsbeleggers;
  d) privé-spaarders;
  8° niet in 1° tot 3° of in § 3 vermelde inkomsten van obligaties, kasbons of andere soortgelijke effecten waarvan de verkrijgers worden geïdentificeerd als :
  a) financiële instellingen of ermede gelijkgestelde ondernemingen;
  b) parastatale instellingen voor sociale zekerheid of ermede gelijkgestelde instellingen;
  9° niet in 4° tot 7° vermelde inkomsten van schuldvorderingen en leningen waarvan de verkrijgers worden geïdentificeerd als :
  a) financiële instellingen of ermede gelijkgestelde ondernemingen;
  b) parastatale instellingen voor sociale zekerheid of ermede gelijkgestelde instellingen;
  c) beroepsbeleggers.
  (10° inkomsten van Belgische obligaties die het voorwerp zijn van een inschrijving op naam bij de uitgever en die aan spaarders niet-inwoners worden verleend of toegekend door niet in 5°, b, vermelde schuldenaars.) <KB 1994-05-26/31, art. 1, 005; Inwerkingtreding : 09-06-1994>
  (11° niet in 9° bedoelde inkomsten van niet door effecten aan toonder vertegenwoordigde leningen aan de Schatkist, verleend of toegekend aan de Gemeenschappen, de Gewesten, de Gemeenschapscommissies, de Provincies, de Gemeenten en de Openbare Centra voor Maatschappelijk Welzijn alsmede aan openbare instellingen of de instellingen van openbaar nut of aan instellingen die afhangen van of gesubsidieerd worden door de Staat, de Gemeenschappen, de Gewesten en de Gemeenschapscommissies en die, voor de toepassing van de Verordening nr. 3605/93 van de Europese Gemeenschap van 22 november 1993 betreffende de toepassing van het aan het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap gehechte Protocol betreffende de procedure bij buitensporige tekorten, deel uitmaken van de sector van de overheidsadministraties in de zin van het geïntegreerd Europees Stelsel van Economische Rekeningen (ESER).) <KB 1996-12-11/30, art. 1, 030; Inwerkingtreding : 14-12-1996>
  (12° intrest van leningen van aandelen, verleend of toegekend door middel van een gecentraliseerd systeem voor het lenen en ontlenen van aandelen als bedoeld in artikel 203, § 2, zesde lid, 2°, van het Wetboek van de Inkomstenbelastingen 1992, erkend door de Minister van Financiën, aan een verkrijger die wordt geïdentificeerd als een buitenlandse vennootschap.) <KB 2000-12-04/31, art. 2, 072; Inwerkingtreding : 28-11-2000>
  § 3. De roerende voorheffing wordt, ongeacht de verkrijgers van de inkomsten, geheven tegen een tarief van 20 pct. op loten van Belgische oorsprong met betrekking tot obligaties, kasbons of andere soortgelijke effecten die ter uitvoering van voor 1 maart 1990 gesloten overeenkomsten worden verleend of toegekend.
  § 4. Nijverheids-, handels- of landbouwondernemingen die de in § 2, 5°, c, gestelde verzaking van de inning van de roerende voorheffing wensen te genieten moeten daartoe een verzoekschrift richten tot de Minister van Financiën ten laatste op de datum van de eerste vervaldag van de interest van de schuldvorderingen en leningen als vermeld in die bepaling.
  Die verzoekschriften moeten bevatten :
  a) alle nuttige bijzonderheden in verband met de aard, het bedrag, de rentevoet, de termijn en de uitgifteregels van de lening, zomede met de economische en technische aspecten van de voorgenomen belegging tot financiering waarvoor de lening is bestemd;
  b) de verbintenis aan de bevoegde diensten van het Ministerie van Financiën, het Ministerie van Economische Zaken of het Ministerie van Middenstand, alle inlichtingen en stukken te bezorgen welke deze diensten nuttig achten om na te gaan of de geplande verrichtingen behoren tot die vermeld in § 2, 5°, c;
  c) de verbintenis de roerende voorheffing te betalen vanaf het ogenblik dat zou worden vastgesteld dat de lening niet wordt gebruikt tot de in het verzoekschrift omschreven doeleinden.
  § 5. Rechtspersonen naar Belgisch publiek recht en nijverheids-, handels- of landbouwondernemingen, die de in § 2 ,5°, d en e, gestelde verzaking van de inning van de roerende voorheffing wensen te genieten moeten daartoe een verzoekschrift richten tot de Minister van Financiën ten laatste op de datum van de eerste vervaldag van de interest van de schuldvorderingen en leningen als vermeld in die bepaling.
  Die verzoekschriften moeten bevatten :
  a) alle nuttige bijzonderheden in verband met de aard, het bedrag, de rentevoet, de termijn en de uitgifteregels van de lening, zomede met de economische en technische aspecten van de voorgenomen verrichtingen tot financiering waarvoor de lening is bestemd;
  b) de verbintenis aan de bevoegde diensten van het Ministerie van Financiën, het Ministerie van Economische Zaken of het Ministerie van Middenstand, alle inlichtingen en stukken te bezorgen welke deze diensten nuttig achten om na te gaan of de geplande verrichtingen behoren tot die vermeld in § 2, 5°, d en e;
  c) de verbintenis de roerende voorheffing te betalen vanaf het ogenblik dat zou worden vastgesteld dat de lening niet wordt gebruikt tot de in het verzoekschrift omschreven doeleinden.

  Art. 108. Van de inning van de roerende voorheffing wordt volledig afgezien met betrekking tot inkomsten van obligaties, kasbons of andere soortgelijke effecten waarvan de schuldenaar een niet-inwoner is, wanneer de verkrijger wordt geïdentificeerd als een binnenlandse vennootschap of een belastingplichtige die volgens artikel 233 van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 aan de belasting van niet-inwoners is onderworpen en de rentegevende kapitalen voor het uitoefenen van zijn beroepswerkzaamheid in België gebruikt.

  Art. 109. <KB 1995-05-30/31, art. 1, 018; Inwerkingtreding : 02-06-1995> Er wordt volledig afgezien van de inning van de roerende voorheffing op inkomsten uit certificaten van Belgische beleggingsfondsen, met uitsluiting van de inkomsten verleend of toegekend door Belgische fondsen voor belegging in schuldvorderingen als bedoeld in artikel 119quater van de wet van 4 december 1990 op de financiële transacties en de financiële markten.
  (Er wordt volledig afgezien van de inning van de roerende voorheffing op inkomsten van roerende waarden van buitenlandse oorsprong gedeponeerd in België en op inkomsten bekomen als gevolg van transacties met die waarden, toegekend of betaalbaar gesteld aan collectieve beleggingsinstellingen naar buitenlands recht die een onverdeeld vermogen zijn dat wordt beheerd door een beheersvennootschap voor rekening van deelnemers, wanneer hun rechten van deelneming in België niet openbaar worden uitgegeven en niet in België worden verhandeld.) <KB 1996-12-17/36, art. 1, 031; Inwerkingtreding : 31-12-1996>

  Art. 110. Met betrekking tot inkomsten van gelddeposito's die, ofwel voor of vanaf 1 december 1962 zonder overeengekomen vaste termijn of opzeggingstermijn, ofwel vanaf 1 december 1962 met een overeengekomen vaste termijn of opzeggingstermijn, aan depositarissen zijn toevertrouwd, wordt van de inning van de roerende voorheffing volledig afgezien met betrekking tot :
  1° inkomsten van deposito's als vermeld in artikel 479, van boek III, van titel I, van het Wetboek van koophandel, verleend of toegekend door de Deposito en Consignatiekas, ongeacht de verkrijgers, voor zover die inkomsten betrekking hebben op een periode na 31 december 1988;
  2° inkomsten, ongeacht het bedrag, van in artikel 21, 5°, van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 vermelde deposito's, waarvan de verkrijgers worden geïdentificeerd als :
  a) financiële instellingen of ermede gelijkgestelde ondernemingen;
  b) parastatale instellingen voor sociale zekerheid of ermede gelijkgestelde instellingen;
  3° inkomsten door de CV Belfox verleend of toegekend aan haar leden uit hoofde van deposito's die overeenkomstig artikel 10, § 1, van het koninklijk besluit van 10 april 1991 houdende de oprichting en de inrichting van de Belgische Futures en Optiebeurs als dekking worden neergelegd;
  4° inkomsten van deposito's, zelfs als vermeld in artikel 21, 5°, van hetzelfde Wetboek, verleend of toegekend :
  a) door in België gevestigde banken, Belgische openbare kredietinstellingen of privé-spaarkassen die aan de controle van de Commissie voor het Bank- en Financiewezen zijn onderworpen, aan in het buitenland gevestigde banken;
  b) door in België gevestigde banken, Belgische openbare kredietinstellingen, spaarkassen die van een andere openbare instelling dan de Commissie voor het Bank- en Financiewezen afhangen, privé-spaarkassen die aan de controle van gezegde commissie zijn onderworpen of in artikel 1, tweede lid, 2°, van het koninklijk besluit nr. 185 van 9 juli 1935 vermelde financiële ondernemingen, aan spaarders niet-inwoners;
  c) door in België gevestigde banken, Belgische openbare kredietinstellingen, spaarkassen die van een andere openbare instelling dan de Commissie voor het Bank- en Financiewezen afhangen, privé-spaarkassen die aan de controle van gezegde Commissie zijn onderworpen of in artikel 1, tweede lid, 2°, van het koninklijk besluit nr. 185 van 9 juli 1935 vermelde financiële ondernemingen, aan in artikel 106, § 3, vermelde beleggingsfondsen;
  d) door beursvennootschappen aan spaarders niet-inwoners;
  5° inkomsten van niet in 1° tot 3° vermelde deposito's, waarvan de verkrijgers worden geïdentificeerd als :
  a) financiële instellingen of ermede gelijkgestelde ondernemingen;
  b) parastatale instellingen voor sociale zekerheid of ermede gelijkgestelde instellingen;
  6° inkomsten van deposito's, waarvan de verkrijgers worden geïdentificeerd als coördinatiecentra, erkend overeenkomstig het koninklijk besluit nr. 187 van 30 december 1982.

  Art. 111. Met betrekking tot inkomsten van verhuring, verpachting, gebruik en concessie van roerende goederen, en inkomsten verkregen, buiten het uitoefenen van een beroepswerkzaamheid, uit de onderverhuring of de overdracht van huur van al dan niet gemeubileerde onroerende goederen of uit de concessie van het recht om een plaats die van nature onroerend is en niet is gelegen binnen de omheining van een sportinrichting te gebruiken om er plakbrieven of andere reclamedragers te plaatsen, zomede met betrekking tot opbrengsten uit de verhuring van jacht-, vis- en vogelvangstrecht, wordt van de inning van de roerende voorheffing volledig afgezien indien de verkrijgers :
  a) aan de personenbelasting onderworpen rijksinwoners zijn;
  b) binnenlandse vennootschappen zijn;
  c) internationale of supranationale instellingen zijn als vermeld in artikel 105, 2°, c.

  Art. 112. Van de inning van de roerende voorheffing wordt volledig afgezien met betrekking tot inkomsten die begrepen zijn in de in artikel 17, § 1, 4°, van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 vermelde lijfrenten of tijdelijke renten waarvan de verkrijgers aan de personenbelasting onderworpen rijksinwoners zijn.

  Art. 113. § 1. Met betrekking tot inkomsten van obligaties, kasbons of andere soortgelijke effecten, van schuldvorderingen en leningen, inkomsten als vermeld in artikel 266, tweede lid, van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 uitgezonderd, die worden verleend of toegekend ter uitvoering van voor 1 december 1962 gesloten overeenkomsten, zomede tot inkomsten van effecten van het Belgisch-Kongolees fonds voor delging en beheer en van effecten van de gewaarborgde Kongolese schuld in deviezen overgenomen door België, wordt van de inning van de roerende voorheffing volledig of gedeeltelijk afgezien volgens het in §§ 2 tot 6 gemaakte onderscheid.
  § 2. Van de inning van de roerende voorheffing wordt volledig afgezien met betrekking tot :
  1° inkomsten verleend of toegekend aan parastatale instellingen voor sociale zekerheid of aan ermede gelijkgestelde instellingen;
  2°
  a) inkomsten van schuldvorderingen en leningen die worden verleend of toegekend door in België gevestigde banken aan in het buitenland gevestigde banken;
  b) inkomsten van niet door effecten aan toonder vertegenwoordigde schuldvorderingen en leningen die worden verleend of toegekend door in België gevestigde banken, Belgische openbare kredietinstellingen, spaarkassen die van een andere openbare instelling dan de Commissie voor het Bank- en Financiewezen afhangen, privé-spaarkassen die aan de controle van gezegde commissie zijn onderworpen of in artikel 1, tweede lid, 2°, van het koninklijk besluit nr. 185 van 9 juli 1935 vermelde financiële ondernemingen, aan spaarders niet-inwoners;
  3° interest van hypothecaire schuldvorderingen op in België gelegen onroerende goederen of op ten kantore der hypotheekbewaring te Antwerpen ingeschreven schepen en boten, met uitzondering van hypothecaire obligatieleningen, eensdeels, en inkomsten als vermeld in artikel 19, § 1, 2°, van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 en begrepen in betalingen voortkomend van overeenkomsten waarbij een recht van gebruik op gebouwde onroerende goederen wordt verleend, anderdeels, die, zelfs ter uitvoering van een overeenkomst die de last van de mobiliënbelasting op de schuldenaar van die interest of inkomsten legt, worden verleend of toegekend aan :
  a) financiële instellingen of ermede gelijkgestelde ondernemingen;
  b) parastatale instellingen voor sociale zekerheid of ermede gelijkgestelde instellingen;
  c) beroepsbeleggers;
  d) privé-spaarders.
  § 3. Met betrekking ofwel tot inkomsten van obligaties, kasbons of andere soortgelijke effecten die zijn uitgegeven door de Staat, de provincies, de gemeenten of andere Belgische openbare inrichtingen of instellingen of door internationale of supranationale instellingen naar publiek recht waarvan België lid is, die van mobiliënbelasting of van zakelijke belastingen waren vrijgesteld krachtens de samengeordende wetten betreffende de inkomstenbelastingen of krachtens voor de wet van 20 november 1962 houdende hervorming van de inkomstenbelastingen geldende bijzondere wettelijke bepalingen, ofwel tot inkomsten van effecten van het Belgisch-Kongolees fonds voor delging en beheer ofwel tot inkomsten van effecten van de gewaarborgde Kongolese schuld in deviezen overgenomen door België, wordt van de inning van de roerende voorheffing volledig afgezien op :
  a) loten en premies, ongeacht de verkrijgers;
  b) de interest van de lening 3,5 pct. 1965-2005 van het Belgisch-Kongolees Fonds voor delging en beheer, wie ook de verkrijgers zijn;
  c) de interest van de 2,5 pct. schuld van de Belgische Staat waarvan de verkrijgers spaarders niet-inwoners zijn.
  § 4. Met betrekking tot inkomsten waarvoor krachtens de voorgaande §§ 2 en 3 niet van de inning van de roerende voorheffing wordt afgezien, wordt de roerende voorheffing geheven tegen een tarief van 12,5 pct.
  § 5. Met betrekking tot inkomsten van obligaties, kasbons of andere soortgelijke effecten en van schuldvorderingen en leningen, die niet van mobiliënbelasting of van zakelijke belastingen waren vrijgesteld en die worden verleend of toegekend ter uitvoering van overeenkomsten die de last van de mobiliënbelasting op de schuldenaar van de belastbare inkomsten leggen, heeft deze laatste het recht op die inkomsten het overeenkomstig artikel 234 bepaalde gedeelte van de voorheffing in te houden.
  § 6. De in §§ 2 tot 5 bepaalde volledige of gedeeltelijke verzaking van de inning van de roerende voorheffing is van toepassing op de inkomsten die zijn behaald tot het vervallen van de in de overeenkomst bepaalde vaste termijn of tot het verstrijken van een tijdperk dat, aanvangend op 5 december 1962, gelijk is aan de in het contract van lening bedongen opzeggingstermijn; die termijn of dat tijdperk wordt beoordeeld ongeacht de clausules van na 1 december 1962 verstrijkende overeenkomsten die eventueel stilzwijgend uitstel of verlenging ervan bedingen.

  Art. 114. § 1. Met betrekking tot inkomsten van deposito's met vaste termijn of met opzeggingstermijn die voor 1 december 1962 aan depositarissen zijn toevertrouwd, wordt van de inning van de roerende voorheffing volledig of gedeeltelijk afgezien volgens het in §§ 2 tot 6 gemaakte onderscheid.
  § 2. Van de inning van de roerende voorheffing wordt volledig afgezien met betrekking tot inkomsten van deposito's, die worden verleend of toegekend :
  a) aan parastatale instellingen voor sociale zekerheid of aan ermede gelijkgestelde instellingen;
  b) door in België gevestigde banken aan in het buitenland gevestigde banken;
  c) door in België gevestigde banken, Belgische openbare kredietinstellingen, spaarkassen die van een andere openbare instelling dan de Commissie voor het Bank- en Financiewezen afhangen, privé-spaarkassen die aan de controle van gezegde commissie zijn onderworpen of in artikel 1, tweede lid, 2°, van het koninklijk besluit nr. 185 van 9 juli 1935 vermelde financiële ondernemingen, aan spaarders niet-inwoners.
  § 3. Met betrekking tot inkomsten waarvoor krachtens voorgaande § 2 niet van de inning van de roerende voorheffing wordt afgezien, wordt de roerende voorheffing geheven tegen een tarief van 12,5 pct.
  § 4. Met betrekking tot inkomsten die worden verleend of toegekend ter uitvoering van overeenkomsten die de last van de mobiliënbelasting op de schuldenaar van de belastbare inkomsten leggen, heeft deze laatste het recht op die inkomsten het overeenkomstig artikel 234 bepaalde gedeelte van de voorheffing in te houden.
  § 5. De in §§ 2 tot 4 bepaalde volledige of gedeeltelijke verzaking van de inning van de roerende voorheffing is van toepassing op de inkomsten die zijn behaald tot het vervallen van de in de overeenkomst bepaalde vaste termijn of tot het verstrijken van een tijdperk dat, aanvangend op 5 december 1962, gelijk is aan de in het contract van deposito bedongen opzeggingstermijn; die termijn of dat tijdperk wordt beoordeeld ongeacht de clausules van na 1 december 1962 verstrijkende overeenkomsten die eventueel stilzwijgend uitstel of verlenging ervan bedingen.
  § 6. Worden niet als opzeggingstermijn in de zin van dit artikel aangemerkt, de wettelijke of overeengekomen termijnen die slechts een waarborg uitmaken die de depositaris wenst aan te voeren.

  Art. 115. § 1. Van de inning van de roerende voorheffing wordt volledig afgezien met betrekking tot de in de artikelen 17, § 1, en 90, 6°, van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 vermelde inkomsten die worden verleend of toegekend aan (ter uitvoering van artikel 145.16, 1°, van hetzelfde Wetboek erkende pensioenspaarfondsen). <KB 1995-09-01/42, art. 14, 1°, 019; Inwerkingtreding : 01-01-1993>
  § 2. Van de inning van de roerende voorheffing wordt volledig afgezien met betrekking tot de in de artikelen 17, § 1, en 90, 6°, van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 vermelde inkomsten die worden verleend of toegekend aan houders van een in (artikel 145.16, 2°), van hetzelfde Wetboek bedoelde individuele spaarrekening, met betrekking tot de in die rekening begrepen activa. <KB 1995-09-01/42, art. 14, 2°, 019; Inwerkingtreding : 01-01-1993>

  Art. 116. <KB 2000-12-04/31, art. 3, 072; Inwerkingtreding : 28-11-2000> Van de inning van de roerende voorheffing wordt volledig afgezien met betrekking tot de in de artikelen 17 en 90, 6°, van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 vermelde inkomsten, andere dan dividenden van Belgische oorsprong die niet zijn bedoeld in artikel 18, eerste lid, 3°, van hetzelfde Wetboek, die worden verleend of toegekend aan beleggingsvennootschappen als bedoeld in de artikelen 114, 118 en 119quinquies van de wet van 4 december 1990 op de financiële transacties en de financiële markten.
  De verzaking voorzien in het eerste lid is eveneens uitgesloten met betrekking tot de vergoedingen als bedoeld in artikel 18, eerste lid, 3°, van hetzelfde Wetboek, verleend of toegekend naar aanleiding van een lening van aandelen van een Belgische vennootschap, buiten de in artikel 106, § 11 bedoelde gevallen.

  Art. 117. § 1. Geen voorwaarde is gesteld met betrekking tot de volledige of gedeeltelijke verzaking van de inning van de roerende voorheffing op :
  1° inkomsten van obligaties, kasbons of andere soortgelijke effecten, van schuldvorderingen en leningen, vermeld in :
  a) artikel 107, § 2, 1° tot 5°, a (en 11°); <KB 1996-12-11/30, art. 2, 030; ED ; 14-12-1996>
  b) de artikelen 107, § 2, 7° en 113, § 2, 2°, a, en 3°;
  c) de artikelen 107, § 3, en 113, § 3, a en b, en § 4;
  2° inkomsten van certificaten van Belgische beleggingsfondsen vermeld (in artikel 109, eerste lid); <KB 1996-12-17/36, art. 2, 031; Inwerkingtreding : 31-12-1996>
  3° inkomsten van deposito's vermeld in de artikelen 110, 1° en 4°, a, en 114, § 2, b, en § 3;
  4° inkomsten vermeld in artikel 111.
  § 2. De in artikel 106, § 2, gestelde verzaking van de inning van de roerende voorheffing wordt slechts toegestaan indien aan de schuldenaar van de inkomsten een attest wordt overhandigd waarbij is bevestigd dat de verkrijgers :
  a) eigenaar of vruchtgebruiker zijn van de rentegevende roerende kapitalen;
  b) niet-inwoners zijn die geen onderneming exploiteren of zich niet met verrichtingen van winstgevende aard bezighouden en die in het land waarvan zij inwoner zijn, vrijgesteld zijn van inkomstenbelastingen.
  § 3. De in de artikelen 106, § 3, en 110, 4°, c, gestelde verzaking van de inning van de roerende voorheffing wordt slechts toegestaan indien de beheersvennootschap van het beleggingsfonds aan de schuldenaar van de roerende voorheffing een attest overhandigt waarbij wordt bevestigd dat het gaat om inkomsten die worden verkregen ten voordele van een overeenkomstig artikel 106, § 3, erkend beleggingsfonds.
  § 4. De in artikel 106, § 5, gestelde verzaking van de inning van de roerende voorheffing wordt slechts toegestaan indien aan de schuldenaar van de inkomsten een attest wordt overhandigd waarbij wordt bevestigd dat de verkrijger :
  a) in de zin van de Europese richtlijn vermeld in artikel 106, § 5, een moedermaatschappij is van een andere Lid-Staat van de Europese Economische Gemeenschap dan België;
  b) op het ogenblik van de toekenning van de inkomsten, gedurende een ononderbroken periode van ten minste één jaar een deelneming behouden heeft van ten minste 25 pct. in het kapitaal van de Belgische dochteronderneming.
  (Indien op het ogenblik van de toekenning van de dividenden de in littera b van het vorige lid vermelde bezitsduur van ten minste één jaar nog niet is bereikt, moet het door de verkrijger aan de schuldenaar van de inkomsten te overhandigen attest bovendien bevatten :
  a) de datum vanaf wanneer ononderbroken een deelneming van ten minste 25 % wordt aangehouden;
  b) de verbintenis dat die minimumdeelneming zal worden behouden tot de bezitsduur van ten minste één jaar wordt bereikt en dat dit feit onmiddellijk ter kennis van de dochteronderneming zal worden gebracht;
  c) de verbintenis dat onverwijld aan de dochteronderneming zal worden medegedeeld indien voor het einde van de termijn van één jaar de deelneming beneden de grens van 25 % is gedaald.) <KB 1997-07-06/38, art. 2, 1°, 038; Inwerkingtreding : 09-08-1997>
  (Indien de aandelen die tot een minimumdeelneming behoren het voorwerp zijn van een lening als bedoeld in artikel 18, eerste lid, 3°, van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992, gedurende de periode van één jaar als bedoeld in het eerste lid, littera b, moet het aan de schuldenaar van de inkomsten te overhandigen attest eveneens bevestigen dat de lening werd toegestaan voor een niet hernieuwbare termijn van minder dan één jaar.) <KB 2000-12-04/31, art. 4, 072; Inwerkingtreding : 28-11-2000>
  § 5. De in artikel 106, § 6, gestelde verzaking van de inning van de roerende voorheffing wordt slechts toegestaan indien aan de schuldenaar van de inkomsten een attest wordt overhandigd waarbij wordt bevestigd dat de verkrijger :
  a) een binnenlandse vennootschap is;
  b) op het ogenblik van de toekenning van de inkomsten, gedurende een ononderbroken periode van ten minste één jaar een deelneming van ten minste 25 pct. heeft behouden in het kapitaal van de vennootschap die de inkomsten verschuldigd is.
  (Indien op het ogenblik van de toekenning van de dividenden de in littera b van het vorige lid vermelde bezitsduur van ten minste één jaar nog niet is bereikt, moet het door de verkrijger aan de schuldenaar van de inkomsten te overhandigen attest bovendien bevatten :
  a) de datum vanaf wanneer ononderbroken een deelneming van ten minste 25 % wordt aangehouden;
  b) de verbintenis dat die minimumdeelneming zal worden behouden tot de bezitsduur van ten minste één jaar wordt bereikt en dat dit feit onmiddellijk ter kennis van de dochteronderneming zal worden gebracht;
  c) de verbintenis dat onverwijld aan de dochteronderneming zal worden medegedeeld indien voor het einde van de termijn van één jaar de deelneming beneden de grens van 25 % is gedaald.) <KB 1997-07-06/38, art. 2, 2°, 038; Inwerkingtreding : 09-08-1997>
  (§ 5. Indien de aandelen die tot een minimumdeelneming behoren het voorwerp zijn van een lening als bedoeld in artikel 18, eerste lid, 3°, van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992, gedurende de periode van één jaar als bedoeld in het eerste lid, littera b, moet het aan de schuldenaar van de inkomsten te overhandigen attest eveneens bevestigen dat de lening werd toegestaan voor een niet hernieuwbare termijn van minder dan één jaar.) <KB 2000-12-04/31, art. 4, 072; Inwerkingtreding : 28-11-2000>
  § 6. De verzaking van de inning van de roerende voorheffing ingevolge de artikelen 106, § 7, (107, § 2, 5°, b tot e, 6° en 10°), 110, 4°, b en d, 113, § 2, 2°, b, en § 3, c, en 114, § 2, c, wordt slechts toegestaan indien aan de schuldenaar van de inkomsten een attest wordt overhandigd waarbij is bevestigd dat de verkrijgers : <KB 1994-05-26/31, art. 2, 005; Inwerkingtreding : 09-06-1994>
  a) eigenaar of vruchtgebruiker zijn van de rentegevende roerende kapitalen;
  b) niet-inwoners zijn die deze kapitalen niet voor het uitoefenen van een beroepswerkzaamheid in België gebruiken.
  § 7. De in artikel 115, § 1, gestelde verzaking van de inning van de roerende voorheffing wordt slechts toegestaan indien de beheersvennootschap van het (pensioenspaarfonds) aan de schuldenaar van de roerende voorheffing een attest overhandigt waarbij wordt bevestigd dat het gaat om inkomsten die worden verkregen ten voordele van collectieve spaarrekeningen als vermeld in (artikel 145.16, 1°), van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992. <KB 1995-09-01/42, art. 15, 1°, 019; Inwerkingtreding : 01-01-1993>
  § 8. De in artikel 115, § 2, gestelde verzaking van de inning van de roerende voorheffing wordt slechts toegestaan indien de instelling, de onderneming of de beursvennootschap waarbij de rekening is geopend, aan de schuldenaar van de roerende voorheffing een attest overhandigt waarbij wordt bevestigd dat het gaat om inkomsten uit activa begrepen in een individuele spaarrekening als vermeld in (artikel 145.16, 2°), van hetzelfde Wetboek.
  § 9. De verzaking van de inning van de roerende voorheffing ingevolge artikel 116 is slechts van toepassing indien de beleggingsvennootschap aan de schuldenaar van de roerende voorheffing een attest overhandigt waarbij wordt bevestigd dat het gaat om inkomsten uit activa waarvan zij eigenares is. <KB 1995-09-01/42, art. 15, 2°, 019; Inwerkingtreding : 01-01-1993>
  § 10. De Minister van Financiën of zijn gedelegeerde bepaalt de wijze waarop de schuldenaar van lijfrenten of tijdelijke renten vermeld in artikel 17, § 1, 4°, van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 aan de administratie der directe belastingen de identiteit van de verkrijgers en het bedrag van de verleende of toegekende interesten laat kennen.
  § 11. In niet in §§ 1 tot 10 vermelde gevallen is de in de artikelen 106 en 107, 110, 113 en 114 bepaalde volledige of gedeeltelijke verzaking van de inning van de roerende voorheffing onderworpen aan de voorwaarde dat de verkrijger en de schuldenaar van de inkomsten of, met betrekking tot inkomsten van buitenlandse oorsprong, de eerste Belgische tussenpersoon, zomede, eventueel, de depositaris van de rentegevende effecten, de door de Minister van Financiën of zijn gedelegeerde uitgevaardigde voorschriften tot identificatie van de verkrijger van de inkomsten naleven.
  § 12. De in artikel 108 gestelde verzaking van de inning van de roerende voorheffing wordt slechts toegestaan indien aan de schuldenaar van de roerende voorheffing een attest wordt overhandigd waarbij wordt bevestigd dat de verkrijger een binnenlandse vennootschap is of een belastingplichtige die volgens artikel 233 van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 aan de belasting van niet-inwoners is onderworpen en de rentegevende kapitalen voor het uitoefenen van zijn beroepswerkzaamheid in België gebruikt.
  (§ 13. De in artikel 106, § 8, gestelde verzaking van de inning van roerende voorheffing wordt slechts toegestaan indien de schuldenaar van de inkomsten bij zijn aangifte in de roerende voorheffing een attest voegt waarbij wordt bevestigd dat bij het afsluiten van het boekjaar waarmee de dividenden verband houden, ten minste 60 pct. van het vastgoed in de zin van artikel 2, 4°, van het koninklijk besluit van 10 april 1995 met betrekking tot vastgoedbevaks, rechtstreeks of onrechtstreeks belegd is in onroerende goederen die in België zijn gelegen en uitsluitend voor woninggebruik aangewend worden of bestemd zijn.) <KB 1995-05-30/31, art. 2, 018; Inwerkingtreding : 31-07-1995>
  (§ 14. De in artikel 109, tweede lid, gestelde verzaking van de inning van de roerende voorheffing wordt slechts toegestaan indien aan de schuldenaar van de roerende voorheffing een attest wordt overhandigd waarbij wordt bevestigd dat :
  1° de verkrijger van de inkomsten een collectieve beleggingsinstelling naar buitenlands recht is, die een onverdeeld vermogen is dat wordt beheerd door een beheersvennootschap voor rekening van de deelnemers, en dat de rechten van deelneming van die instelling in België niet openbaar worden uitgegeven en niet in België worden verhandeld;
  2° de rentegevende waarden niet voor het uitoefenen van een beroepswerkzaamheid in België worden gebruikt.) <KB 1996-12-17/36, art. 2, 031; Inwerkingtreding : 31-12-1996>
  (§ 15. In de gevallen bedoeld in het tweede lid van de §§ 4 en 5, dient de dochteronderneming zich ertoe te verbinden op het ogenblik van de toekenning van de dividenden op die dividenden ten voorlopigen titel een bedrag in te houden dat overeenstemt met de roerende voorheffing die daarop in de regel verschuldigd zou zijn, en dit bedrag ten definitieven titel als roerende voorheffing te zullen betalen, verhoogd met de eventueel verschuldigde nalatigheidsinteresten, indien door de moedermaatschappij niet voldaan wordt aan de voorwaarde dat de deelneming van ten minste 25 % gedurende een ononderbroken periode van ten minste eén jaar moet zijn behouden.) <KB 1997-07-06/38, art. 2, 3°, 038; Inwerkingtreding : 09-08-1997>
  (§ 16. De in artikel 106, § 1, tweede lid, en § 11, gestelde verzaking van de inning van de roerende voorheffing wordt slechts toegestaan indien aan de schuldenaar van de inkomsten, de beheerder van het erkende gecentraliseerde systeem voor het lenen en ontlenen van aandelen of de in België gevestigde tussenpersoon, een attest wordt overhandigd waarin wordt bevestigd dat de verkrijger :
  a) een binnenlandse vennootschap is;
  b) op het ogenblik dat de lening wordt gesloten, eigenaar is van de geleende effecten.) <KB 2000-12-04/31, art. 4, 072; Inwerkingtreding : 28-11-2000>
  (§ 17. De in artikel 106, § 10, gestelde verzaking van de inning van de roerende voorheffing wordt slechts toegestaan indien aan de beheerder van het erkende gecentraliseerde systeem voor het lenen en ontlenen van aandelen een attest wordt overhandigd waarin wordt bevestigd dat de verkrijger :
  a) een buitenlandse vennootschap is;
  b) op het ogenblik dat de lening wordt gesloten, eigenaar is van de geleende effecten.) <KB 2000-12-04/31, art. 4, 072; Inwerkingtreding : 28-11-2000>
  (§ 18. De in artikel 107, § 2, 12°, gestelde verzaking van de inning van de roerende voorheffing wordt slechts toegestaan indien aan de beheerder van het erkende gecentraliseerde systeem voor het lenen en ontlenen van aandelen een attest wordt overhandigd waarbij is bevestigd dat de verkrijger :
  a) een buitenlandse vennootschap is;
  b) op het ogenblik dat de lening wordt gesloten, eigenaar is van de geleende effecten.) <KB 2000-12-04/31, art. 4, 072; Inwerkingtreding : 28-11-2000>

  Art. 118. § 1. Met betrekking tot obligaties, kasbons of andere soortgelijke effecten van Belgische oorsprong, wordt van de inning van de roerende voorheffing volledig afgezien onder de volgende voorwaarden :
  1° (voor inkomsten vermeld in artikel 107, § 2, 5°, b en 10°) : <KB 1994-05-26/31, art. 3, 005; Inwerkingtreding : 09-06-1994>
  - de schuldenaar van de inkomsten moet in het bezit worden gesteld van het in artikel 117, § 6, vermelde attest;
  - de verkrijger van de inkomsten moet eigenaar of vruchtgebruiker van de rentegevende effecten zijn geweest gedurende het gehele tijdperk waarop die inkomsten betrekking hebben;
  - de rentegevende effecten moeten gedurende datzelfde gehele tijdperk bij de uitgever op naam zijn ingeschreven;
  2° voor inkomsten vermeld in artikel 107, § 2, 8°, a :
  - de in artikel 117, § 11, vermelde voorwaarden tot identificatie van de verkrijger van de inkomsten zijn nageleefd;
  - de verkrijger van de inkomsten moet eigenaar of vruchtgebruiker van de rentegevende effecten zijn geweest gedurende het gehele tijdperk waarop die inkomen betrekking hebben;
  - de rentegevende effecten moeten gedurende datzelfde gehele tijdperk bij de uitgever op naam zijn ingeschreven;
  3° voor inkomsten vermeld in de artikelen 107, § 2, 8°, b en 113, § 2, 1° :
  - de in artikel 117, § 11, vermelde voorwaarden tot identificatie van de verkrijger van de inkomsten zijn nageleefd;
  - de verkrijger van de inkomsten moet eigenaar of vruchtgebruiker van de rentegevende effecten zijn geweest gedurende het gehele tijdperk waarop die inkomsten betrekking hebben;
  - de rentegevende effecten moeten gedurende datzelfde gehele tijdperk ofwel bij de uitgever op naam zijn ingeschreven ofwel aan toonder zijn en in België in open bewaring gegeven zijn bij een bank, bij een openbare kredietinstelling of bij een spaarkas die aan de controle van de Commissie voor het Bank- en Financiewezen is onderworpen;
  4° voor inkomsten vermeld in artikel 115, § 1 :
  - de schuldenaar van de roerende voorheffing moet in het bezit worden gesteld van het in artikel 117, § 7, vermelde attest;
  - de rentegevende effecten moeten gedurende het gehele tijdperk waarop de inkomsten betrekking hebben in de beleggingen van het (pensioenspaarfonds) begrepen zijn; <KB 1995-09-01/42, art. 16, 1°, 019; Inwerkingtreding : 01-01-1993>
  - de rentegevende effecten moeten gedurende datzelfde gehele tijdperk ofwel bij de uitgever op naam zijn ingeschreven, ofwel aan toonder zijn en in België in open bewaring gegeven zijn bij een in (artikel 145.15, eerste lid), van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 vermelde instelling, onderneming of beursvennootschap; <KB 1995-09-01/42, art. 16, 2°, 019; Inwerkingtreding : 01-01-1993>
  5° voor inkomsten vermeld in artikel 115, § 2 :
  - de schuldenaar van de roerende voorheffing moet in het bezit worden gesteld van het in artikel 117, § 8, vermelde attest;
  - de rentegevende effecten moeten gedurende het gehele tijdperk waarop de inkomsten betrekking hebben in de activa van dezelfde individuele spaarrekening begrepen zijn;
  - de rentegevende effecten moeten gedurende datzelfde gehele tijdperk ofwel bij de uitgever op naam zijn ingeschreven, ofwel aan toonder zijn en in België in open bewaring gegeven zijn bij een in (artikel 145.15, eerste lid), van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 vermelde instelling, onderneming of beursvennootschap; <KB 1995-09-01/42, art. 16, 3°, 019; Inwerkingtreding : 01-01-1993>
  6° voor inkomsten vermeld in artikel 116 :
  - de schuldenaar van de roerende voorheffing moet in het bezit worden gesteld van het in artikel 117, § 9, vermelde attest;
  - de verkrijger van de inkomsten moet eigenaar van de rentegevende effecten zijn geweest gedurende het gehele tijdperk waarop die inkomsten betrekking hebben;
  - de rentegevende effecten moeten gedurende datzelfde gehele tijdperk ofwel bij de uitgever op naam zijn ingeschreven ofwel aan toonder zijn en in België in open bewaring zijn gegeven bij een bank, een openbare kredietinstelling of een spaarkas die aan de controle van de Commissie voor het Bank- en Financiewezen is onderworpen.
  § 2. Met betrekking tot niet in § 1, 3° tot 6°, vermelde effecten aan toonder, kunnen parastatale instellingen voor sociale zekerheid of ermede gelijkgestelde instellingen, (pensioenspaarfondsen), houders van een individuele spaarrekening of beleggingsvennootschappen vermeld in de (artikelen 114, 118 en 119quinquies) van de wet van 4 december 1990 op de financiële transacties en de financiële markten, overeenkomstig artikel 119 teruggave verkrijgen van de bij de bron geïnde roerende voorheffing op de desbetreffende inkomsten. <KB 1995-09-01/42, art. 16, 4°, 019; Inwerkingtreding : 01-01-1993> <KB 1993-10-22/33, art. 11; Inwerkingtreding : 01-01-1993>

  Art. 119. § 1. Mits daartoe, in de vormen en termijnen die zijn voorgeschreven in artikel 371 van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992, een bezwaarschrift in te dienen bij de directeur van de directe belastingen van de provincie of het gewest in wiens ambtsgebied de roerende voorheffing is gestort, kan de teruggave van de bij de bron geïnde roerende voorheffing worden verkregen door :
  1° parastatale instellingen voor sociale zekerheid of ermede gelijkgestelde instellingen, in de gevallen waarin die voorheffing aan de bron is geheven zonder te letten op de hoedanigheid van de verkrijgers;
  2° spaarders niet-inwoners, in de gevallen waarin die voorheffing aan de bron is geheven terwijl zij werkelijk de verzaking van de inning van de roerende voorheffing kunnen genieten;
  3° (pensioenspaarfondsen) vermeld in artikel 115, § 1, in de gevallen waarin die voorheffing bij de bron is geheven terwijl zij werkelijk de verzaking van de inning van de roerende voorheffing kunnen genieten; <KB 1995-09-01/42, art. 17, 019; Inwerkingtreding : 01-01-1993>
  4° houders van individuele spaarrekeningen vermeld in artikel 115, § 2, in de gevallen waarin die voorheffing bij de bron is geheven terwijl zij werkelijk de verzaking van de inning van de roerende voorheffing kunnen genieten;
  5° beleggingsvennootschappen vermeld in de (artikelen 114, 118 en 119quinquies) van de wet van 4 december 1990 op de financiële transacties en de financiële markten. <KB 1993-10-22/33, art. 12; Inwerkingtreding : 01-01-1993>
  Wanneer de in artikel 118 vermelde effecten zijn verkregen tussen twee vervaldagen van de inkomsten, kunnen de koper en de verkoper teruggave verkrijgen van de bij de bron geïnde roerende voorheffing die betrekking heeft op het prorata van de bruto-interesten waarvan elk van hen werkelijk het genot of de beschikking heeft gehad.
  Wanneer het evenwel gaat om effecten vermeld in artikel 118, § 1, 1°, is de teruggave van de roerende voorheffing in voorkomend geval beperkt tot de voorheffing die betrekking heeft op de interest van de periode waarin de rentegevende effecten het voorwerp zijn geweest van een inschrijving op naam bij de uitgever.
  § 2. Met betrekking tot de in artikel 118, § 1, 1°, vermelde effecten, uitgegeven door de Staat of door het Wegenfonds en vervreemd of verkregen tussen twee vervaldagen van de inkomsten, is de administratie der thesaurie gemachtigd, voor de periode waarin de rentegevende effecten het voorwerp zijn geweest van een inschrijving op naam in het Grootboek der Staatsschuld, aan de verkoper en aan de verkrijger een bedrag te storten dat gelijk is aan de roerende voorheffing die betrekking heeft op het prorata van de bruto-interest dat elk van hen werkelijk heeft verkregen of waarover hij werkelijk heeft kunnen beschikken.
  De in het eerste lid vermelde storting wordt uitgevoerd op voorwaarde dat de betrokken spaarder niet-inwoner de door de Minister van Financiën of zijn gedelegeerde vastgestelde voorschriften naleeft.

  Onderafdeling IV. - (In België in open bewaring gegeven aandelen aan toonder uitgegeven vanaf 1 januari 1994 - Voorwaarden en toepassingswijze voor het verkrijgen van een verlaagd tarief inzake roerende voorheffing (Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992, artikel 269, derde lid, b)). <Ingevoegd bij KB 1995-09-01/41, art. 1; Inwerkingtreding : 28-09-1995>

  Art. 119bis. <Ingevoegd bij KB 1995-09-01/41, art. 1; Inwerkingtreding : 28-09-1995> § 1. Voor de toepassing van artikel 269, derde lid, b, van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992, moeten de aandelen aan toonder vanaf hun uitgifte permanent in België in open bewaring zijn gegeven bij een bank, een openbare kredietinstelling, een beursvennootschap of een spaarkas die aan de controle van de Commissie voor het Bank- en Financiewezen is onderworpen.
  Aan de voorwaarde van permanente open bewaargeving is voldaan indien :
  1° de aandelen, met het oog op hun open bewaargeving en vanaf hun materiële uitgifte, door de emitterende vennootschap worden overhandigd aan een in het eerste lid vermelde instelling die door de bewaargever bij de inschrijving op de aandelen werd aangewezen, en
  2° de open bewaargeving ononderbroken gehandhaafd is gebleven tot op de datum van toekenning of betaalbaarstelling van het dividend.
  § 2. Voor aandelen waarvoor toepassing wordt gemaakt van artikel 269, derde lid, b, van voormeld Wetboek moet de emitterende vennootschap bij de materiële uitgifte ervan die aandelen doen identificeren door middel van een speciaal codenummer dat door het Secretariaat voor Roerende Waarden wordt toegekend.
  De emitterende vennootschap moet het Secretariaat voor Roerende Waarden in kennis stellen van de datum van toekenning of betaalbaarstelling van het dividend, zomede van het belastbare brutobedrag van de coupon, opdat dit Secretariaat deze informatie zou kunnen mededelen aan de bewaarnemende instellingen die erom vragen.
  § 3. Bij de toekenning of betaalbaarstelling van het dividend moeten de in § 1, eerste lid, vermelde instellingen :
  - per emitterende vennootschap een globaal attest opstellen waarin het aantal aandelen opgegeven wordt dat voldoet aan de hogervermelde voorwaarde van permanente open bewaargeving;
  - dit attest bezorgen aan de emitterende vennootschap.
  De emitterende vennootschap moet de voormelde attesten als bewijs bij haar aangifte in de roerende voorheffing voegen.
  § 4. Ingeval de aandelen van bewaarnemende instelling veranderen, wordt voor de toepassing van § 1, tweede lid, 2°, geacht dat de open bewaargeving niet onderbroken wordt indien deze verrichting gebeurt tussen instellingen als vermeld in § 1 en voor zover :
  - de verrichting plaatsheeft zonder de afgifte van de aandelen aan de bewaargever;
  - de eerste instelling aan de nieuwe instelling een attest uitreikt waarin zij bevestigt dat de betrokken aandelen tot op de dag van de voormelde verrichting het voorwerp hebben uitgemaakt van een open bewaargeving als vermeld in § 1.

  Afdeling IV. - Verrekening van voorheffingen.

  Onderafdeling I. - Fictieve onroerende voorheffing. (Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992, artikel 278)

  Art. 120. Een fictieve onroerende voorheffing wordt toegekend met betrekking tot de inkomsten uit onroerende goederen die ingevolge artikel 253, 3°, van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 of ingevolge bijzondere wetsbepalingen van onroerende voorheffing zijn vrijgesteld.
  Die fictieve onroerende voorheffing is gelijk aan 12,5 pct. van het kadastrale inkomen van de voormelde onroerende goederen; zij mag echter niet meer bedragen dan 5 pct. van het kadastrale inkomen wanneer het belastingplichtigen betreft als vermeld in artikel 216, 2°, van hetzelfde Wetboek.

  Onderafdeling II. - Fictieve roerende voorheffing. (Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992, artikel 284)

  Art. 121. § 1. De te verrekenen fictieve roerende voorheffing met betrekking tot inkomsten van roerende goederen en kapitalen waarvoor geheel of gedeeltelijk van de inning van roerende voorheffing is afgezien, is gelijk aan :
  1° vijfentwintig vijfenzeventigsten van het geïnde of verkregen nettobedrag van premies van Belgische overheidsfondsen die voor 1 december 1962 zijn uitgegeven en waarop, overeenkomstig artikel 113, § 3, a, geheel is afgezien van de inning van roerende voorheffing;
  2° het verschil tussen vijfentwintig vijfenzeventigsten van het geïnde of verkregen nettobedrag en de werkelijk verschuldigde roerende voorheffing voor :
  a) premies en interest van voor 1 december 1962 uitgegeven Belgische overheidsfondsen en inkomsten van obligaties, kasbons of andere soortgelijke effecten, van schuldvorderingen en leningen, die worden verleend of toegekend ter uitvoering van voor 1 december 1962 gesloten overeenkomsten waarop, overeenkomstig artikel 113, § 4, de roerende voorheffing is geheven tegen een tarief van 12,5 pct.;
  b) inkomsten van deposito's met vaste termijn of met opzeggingstermijn die voor 1 december 1962 aan depositarissen zijn toevertrouwd, waarop overeenkomstig artikel 114, § 3, de roerende voorheffing is geheven tegen een tarief van 12,5 pct.;
  3° vijftien vijfentachtigste van het geïnde of verkregen netto-bedrag met betrekking tot :
  a) inkomsten van overheidsfondsen als vermeld in artikel 113, § 3, b;
  b) loten van voor 1 december 1962 uitgegeven Belgische overheidsfondsen waarop overeenkomstig artikel 113, § 3, a, geheel is afgezien van de inning van roerende voorheffing;
  4° het verschil tussen vijftien vijfentachtigste van het geïnde of verkregen nettobedrag en de werkelijk verschuldigde roerende voorheffing met betrekking tot niet in 3°, b, vermelde loten van voor 1 december 1962 uitgegeven Belgische overheidsfondsen.
  § 2. Wanneer de overeenkomstig artikel 126 van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 samengevoegde belastbare inkomsten, interest omvatten van verschillende in § 1, 2° b, vermelde deposito's, wordt geen fictieve roerende voorheffing verrekend voor de schijf van het totale bedrag van de toegekende interest waarop de roerende voorheffing tegen 25 pct. zou zijn geheven indien die interest door een enkel deposito was voortgebracht.
  § 3. Onder geïnd of verkregen nettobedrag als vermeld in § 1 wordt verstaan het nettobedrag van de inkomsten na aftrek van de werkelijk ingehouden roerende voorheffing maar voor aftrek van de innings- en bewaringskosten en van andere soortgelijke kosten.

  Art. 122. Artikel 121 is van toepassing op de in § 1 van dat artikel vermelde inkomsten die in de belastbare grondslag van de inkomstenbelastingen zijn opgenomen.

  Onderafdeling III. - Mate van verrekening. (Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992, artikel 295)

  Art. 123. De onroerende voorheffing, de fictieve onroerende voorheffing, de roerende voorheffing, de fictieve roerende voorheffing en het forfaitaire gedeelte van buitenlandse belasting worden, in de mate bepaald in de artikelen 276 tot 294 van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992, met de personenbelasting, de vennootschapsbelasting of de belasting van niet-inwoners verrekend voor zover zij betrekking hebben op inkomsten die in de belastbare grondslag van die belastingen zijn opgenomen.

  Art. 124. Voor de toepassing van artikel 125 verstaat men :
  1° onder "samengeteld gedeelte van het belastbare inkomen" : het gedeelte van het inkomen dat belast wordt volgens (de artikelen 130 tot 170, 178, 515bis, vierde lid, 516, 517 en 518) van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992; <KB 1995-09-01/42, art. 18, 1°, 019; Inwerkingtreding : 01-01-1993>
  2° onder "afzonderlijk belast gedeelte van het inkomen" : het gedeelte van het belastbare inkomen waarop de belasting afzonderlijk wordt berekend overeenkomstig (de artikelen 171 tot 174, 515bis, vijfde lid, 515ter en 519, van hetzelfde Wetboek); <KB 1995-09-01/42, art. 18, 3°, 020; Inwerkingtreding : 01-01-1993>
  3° onder "samengetelde nettoberoepsinkomsten" : de nettoberoepsinkomsten die onder het in 1° vermelde samengetelde gedeelte van het belastbare inkomen opgenomen zijn;
  4° onder "afzonderlijk belaste nettoberoepsinkomsten" : de nettoberoepsinkomsten die in het in 2° vermelde afzonderlijk belaste gedeelte van het inkomen begrepen zijn;
  5° onder "totaal van de samengetelde netto-inkomsten" : de gezamenlijke netto-inkomsten van de verschillende categorieën, uitgezonderd het in 2° vermelde afzonderlijk belaste gedeelte.

  Art. 125. Het in artikel 290, 2°, van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 vermelde deel van de personenbelasting dat evenredig betrekking heeft op de beroepsinkomsten, is gelijk aan de som van de personenbelasting die betrekking heeft op de afzonderlijk belaste nettoberoepsinkomsten, en het produkt dat wordt verkregen door het bedrag van de personenbelasting dat betrekking heeft op het samengetelde gedeelte van het belastbare inkomen, te vermenigvuldigen met een breuk waarvan de teller het bedrag is van de samengetelde nettoberoepsinkomsten en de noemer het totaal van de samengetelde netto-inkomsten.

  HOOFDSTUK III. - VESTIGING EN INVORDERING VAN DE BELASTING.

  Afdeling I. - (Aangiften. (Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992, artikelen 297, tweede lid en 300, § 1)) <KB 1997-07-06/35, art. 1, 1°; Inwerkingtreding : 01-01-1997>

  Art. 125bis. <Ingevoegd bij KB 1997-07-06/35, art. 1, 2°; Inwerkingtreding : 01-01-1997> Het controlecentrum Brussel 4 is belast met het onderzoek van de aangifte in de personenbelasting van de personen vermeld in artikel 27, 5°, van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992.

  Art. 126. De bepalingen van de artikelen 305 en 307, § 2, van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 betreffende de aangifte inzake personenbelasting, vennootschapsbelasting, rechtspersonenbelasting en belasting van niet-inwoners, zijn van toepassing op de aangiften inzake roerende voorheffing en bedrijfsvoorheffing vermeld in de artikelen 85, 90 en 91 van dit besluit.

  Art. 127. De gemeenten moeten :
  1° periodiek en tenminste eenmaal per jaar, voor 15 januari, aan de controleur van de directe belastingen van het ambtsgebied een opgave verstrekken van de in het vorige jaar in de bevolking opgetreden veranderingen : binnengekomen en vertrokken personen, veranderingen binnen de gemeente zelf; die opgave mag worden vervangen door fiches ad hoc of door duplicaten van de bij de bevolkingsdienst gedane aangiften;
  2° op aanvraag een uitvoerige lijst verstrekken van de personen die door hun bemiddeling bepaalde formaliteiten hebben vervuld welke ook fiscaal van belang zijn;
  3° de plaatselijke politie gelasten eventueel, tegen vergoeding, deel te nemen aan de uitreiking en de inzameling van de aangiften in de directe belastingen;
  4° een behoorlijk lokaal, zo nodig verwarmd en verricht, ter beschikking van de ambtenaren van de belastingen stellen op de zitdagen die, voor de vestiging en inning van de directe belastingen, nu en dan noodzakelijk zijn in de gemeenten waar de belastingdienst over geen voldoende ruim kantoor beschikt.
  De agglomeraties zijn verplicht tot het verstrekken, op aanvraag, van de lijst vermeld in 2° van het eerste lid.

  Afdeling II. - Kohieren. (Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992, artikelen 251 en 300, § 1)

  Art. 128. De kohieren mogen afzonderlijk per soort van belasting of voorheffing of ineens voor verschillende soorten van belastingen of voorheffingen worden aangelegd.

  Art. 129. Zo nodig mogen de kohieren voor verscheidene aanslagjaren opgemaakt worden mits zij jaarlijks met een nieuwe uitvoerbaarverklaring worden bekleed.

  Art. 130. Kohieren met aanslagen van belastingen of voorheffingen worden verbonden aan het begrotingsjaar dat loopt op de datum waarop ze uitvoerbaar worden verklaard; de belastingtarieven en eventueel de opcentiemen in verband met de respectieve aanslagjaren zijn van toepassing.

  Art. 131. De kohieren van de directe belastingen worden opgemaakt per gemeente, per groep gemeenten of per ontvangkantoor.

  Art. 132. De kohieren worden op door de administratie of door haar gedelegeerden bepaalde tijdstippen opgemaakt.

  Art. 133. De aanslagen worden op naam van de betrokken belastingschuldigen ten kohiere gebracht.
  Aanslagen ten laste van overleden belastingschuldigen worden ten kohiere gebracht op hun naam voorafgegaan van het woord "Nalatenschap" en eventueel gevolgd van de vermelding van de persoon of personen die zich aan de administratie der directe belastingen hebben bekend gemaakt als erfgenaam, legataris, begiftigde of bijzondere lasthebber.
  De identiteit van die personen wordt omstandig vermeld. Wanneer een van de erfgenamen formeel is aangewezen om de nalatenschap te vertegenwoordigen, geschiedt het ten kohiere brengen als volgt : "Nalatenschap X ..., de erfgenamen vertegenwoordigd door ...".
  In geval van aanslag van ambtswege, moet de naam van de overleden belastingschuldige (Nalatenschap X ...) slechts gevolgd worden door de vermelding van een van de erfgenamen die aan de controleur van de belastingen bekend is.

  Art. 134. Voor de berekening van de aanslagen in de personenbelasting, de vennootschapsbelasting, de rechtspersonenbelasting en de belasting van niet-inwoners wordt de belastbare grondslag (in euro vastgesteld en afgerond op de cent). <KB 2000-07-20/63, art. 5, 076; Inwerkingtreding : 01-01-2002>

  Art. 135. De verschillende aanslagen, met inbegrip van de opcentiemen, worden in elk stadium van de berekening (in euro vastgesteld en afgerond op de cent). <KB 2000-07-20/63, art. 5, 076; Inwerkingtreding : 01-01-2002>

  Art. 136. Zodra de kohieren uitvoerbaar verklaard zijn, wordt aan de betrokken belastingschuldigen een aanslagbiljet gezonden.

  Afdeling III. - Betalingen en kwitanties. (Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992, artikelen 250 en 300, § 1)

  Art. 137. Onverminderd de bepalingen van de artikelen 141 en 177, zijn de inkomstenbelastingen en voorheffingen te betalen (bij de bevoegde) ontvanger van de directe belastingen, hierna de ontvanger genoemd. <KB 1999-05-03/39, art. 5, 053; Inwerkingtreding : 06-04-1999>

  Art. 138. De ontvanger mag slechts de betaling eisen van inkomstenbelastingen en voorheffingen die verschuldigd zijn blijkens een aangifte of blijkens een uitvoerbaar verklaard kohier.

  Art. 139. § 1. Inkomstenbelastingen en voorheffingen moeten worden betaald :
  - ofwel door storting of overschrijving op de (postrekening) van de ontvanger; <KB 1999-11-09/33, art. 3, 059; Inwerkingtreding : 17-12-1999>
  - ofwel met een postwissel ten gunste van de ontvanger;
  - ofwel met een gecertifieerde of gewaarborgde vooraf gekruiste cheque, ten gunste van de ontvanger getrokken op een financiële instelling die aangesloten of vertegenwoordigd is bij een verrekenkamer van het land.
  De Minister van Financiën of zijn gedelegeerde kan, in bijzondere omstandigheden, andere wijzen van betaling toestaan.
  § 2. De belastingschuldige moet op het betaalformulier de aard van de gekweten belasting of voorheffing vermelden en, voor ingekohierde belastingen of voorheffingen, ook de gemeente en het kohierartikel.
  § 3. Behoudens tegenbewijs gelden als bewijs van betaling :
  - voor stortingen of postwissels, de (door de Post) gedagtekende ontvangstbewijzen; <KB 1994-08-12/48, art. 9, 006; Inwerkingtreding : 01-10-1992>
  - voor overschrijvingen en cheques, de rekeninguittreksels en erbij horende stukken.

  Art. 140. <KB 1995-01-03/30, art. 4, 011; Inwerkingtreding : 01-01-1995> § 1. In afwijking van artikel 139 kan bedrijfsvoorheffing uitsluitend worden betaald door storting of overschrijving op de (postrekening) van de ontvanger. Daarbij mogen alleen betaalformulieren worden gebruikt : <KB 1999-11-09/33, art. 3, 059; Inwerkingtreding : 17-12-1999>
  - waarvan het model door de Minister van Financiën of zijn gedelegeerde is vastgesteld in overleg met de Minister, of zijn gedelegeerde, tot wiens bevoegdheid de Post behoort;
  - die op aanvraag of ambtshalve door het betrokken ontvangkantoor worden afgegeven en de naam van de belastingschuldige en zijn in artikel 90, § 2, bedoelde registratienummer vermelden.
  § 2. Betalingen verricht op de (postrekening) van de ontvanger met vermelding van een als in § 1 vermeld registratienummer, worden geacht gedaan te zijn voor rekening van de belastingschuldige die bij het kantoor van die ontvanger door dat nummer wordt geïdentificeerd. <KB 1999-11-09/33, art. 3, 059; Inwerkingtreding : 17-12-1999>

  Art. 141. Inkomstenbelastingen en voorheffingen waarvoor een gerechtsdeurwaarder in opdracht van de ontvanger vervolgingen instelt, kunnen in afwijking van de artikelen 137 en 139 betaald worden in handen van die gerechtsdeurwaarder.

  Art. 142. § 1. Betalingen van inkomstenbelastingen en voorheffingen hebben uitwerking :
  - voor stortingen via een postkantoor en voor overschrijvingen, op de datum die door (de Post) als bevrijdende datum op het rekeninguittreksel wordt vermeld; <KB 1994-08-12/48, art. 11, 006; Inwerkingtreding : 01-10-1992>
  - voor betalingen met een postwissel of met een gecertificeerde of gewaarborgde cheque, op de datum waarop de postwissel of de cheque door de ontvanger is ontvangen;
  - voor in artikel 141 vermelde betalingen, op de datum van de afgifte van de fondsen in handen van de gerechtsdeurwaarder.
  § 2. De Minister van Financiën of zijn gedelegeerde bepaalt de datum waarop de betaling uitwerking heeft wanneer hij krachtens artikel 139, § 1, tweede lid, een andere betaalwijze toestaat.

  Art. 143. § 1. De belastingschuldige die verschillende belastingen of voorheffingen te betalen heeft, mag bij elke betaling vermelden wat hij wil vereffenen.
  Bij gebreke van dergelijke vermelding worden de betalingen aangerekend naar de keuze van de ontvanger, onverminderd de toepassing van § 2. Zulks geldt eveneens wanneer de aan te rekenen som voortkomt van een teruggave van belastingen, voorheffingen en toebehoren, of van een toekenning van moratoriuminteresten.
  § 2. Betalingen, teruggaven en moratoriuminteresten als vermeld in § 1 worden eerst aangerekend :
  1° op de kosten van alle aard, met inbegrip van het inningsrecht, ongeacht de aanslagen waarop zij betrekking hebben;
  2° op de nalatigheidsinteresten betreffende de voorheffingen of aanslagen die de belastingschuldige wil vereffenen of die de ontvanger wil aanzuiveren.

  Art. 144. De ontvangkantoren van de directe belastingen zijn open de eerste 5 werkdagen van de week, van 9 u. tot 12 u., behalve op de officiële verlofdagen in de Rijksbesturen.

  Afdeling IV. - Verjaring. (Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992, artikel 300, § 1)

  Art. 145. (Directe belastingen zomede de onroerende voorheffing verjaren door verloop van vijf jaren vanaf de datum waarop ze dienen betaald te zijn krachtens artikel 413 van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992.) <KB 1999-05-03/39, art. 6, 053; Inwerkingtreding : 06-04-1999>
  (De roerende voorheffing en de bedrijfsvoorheffing verjaren door verloop van vijf jaren vanaf de datum van uitvoerbaarverklaring van het kohier waarin ze zijn opgenomen krachtens artikel 304, § 1, 2° lid, van hetzelfde Wetboek.) <KB 1999-05-03/39, art. 6, 053; Inwerkingtreding : 06-04-1999>
  (De termijn bedoeld in de vorige leden) kan worden gestuit op de wijze bepaald in de artikelen 2244 en volgende van het Burgerlijk Wetboek of door afstand te doen van de op de verjaring verlopen termijn. In geval van stuiting van de verjaring treedt een nieuwe verjaring in, die op dezelfde wijze kan worden gestuit, door verloop van 5 jaren na de laatste akte of handeling waardoor de vorige verjaring is gestuit, indien geen geding voor het gerecht aanhangig is. <KB 1999-05-03/39, art. 6, 053; Inwerkingtreding : 06-04-1999>

  Afdeling V. - Vervolgingen. (Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992, artikel 300, § 1)

  Onderafdeling I. - Inleidende bepaling - Indeling van de vervolgingen.

  Art. 146. De invordering van de directe belastingen, zomede van de voorheffingen die niet binnen de wettelijke termijnen voldaan zijn, mag overeenkomstig het bepaalde in de artikelen 147 tot 175 vervolgd worden.

  Art. 147. De vervolgingen zijn rechtstreeks of onrechtstreeks : de eerste zijn gericht tegen de belastingschuldigen die bij name in het kohier vermeld zijn of hun vertegenwoordiger; de tweede worden krachtens het bij de wet toegestane verhaal tegen derden ingesteld. Beide worden ingesteld ingevolge persoonlijke of gemeenschappelijke dwangschriften, uitgevaardigd door de ontvangers die in het bezit zijn van de kohieren of met de inning voor rekening van ambtgenoten belast zijn.

  Onderafdeling II. - Rechtstreekse vervolgingen.

  Art. 148. De rechtstreekse vervolgingen omvatten :
  1° het dwangbevel;
  2° het uitvoerend beslag op roerend goed;
  3° het beslag op taken wortelvaste vruchten;
  4° het uitvoerend beslag op zeeschepen en binnenschepen;
  5° het uitvoerend beslag op onroerend goed.
  Die vervolgingen zijn gerechtelijk en de geldigverklaring behoort tot de bevoegdheid van de gewone rechtbanken.

  A. Dwangbevel.

  Art. 149. Ingeval een belastingschuldige zijn belastingen niet heeft gekweten binnen de termijnen van artikel 413 van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992, doet de ontvanger hem een dwangbevel betekenen tot betaling binnen 24 uren, op straffe van tenuitvoerlegging door beslag.
  Het dwangbevel moet bovenaan een uittreksel bevatten uit het kohierartikel betreffende de belastingschuldige en een afschrift van de uitvoerbaarverklaring.

  Art. 150. Ingevolge de betekening van een dwangbevel gedane gedeeltelijke betalingen verhinderen niet de voortzetting van de vervolgingen.

  B. Uitvoerend beslag op roerend goed.

  Art. 151. Wanneer de termijn van het dwangbevel verstreken is, doet de ontvanger overgaan tot uitvoerend beslag op roerend goed, hetwelk geschiedt op de wijze bepaald in het Gerechtelijk Wetboek, behoudens de afwijkingen vastgesteld in de hierna volgende artikelen 152 tot 154.

  Art. 152. Voor de inbeslagneming verzoekt de instrumenterende deurwaarder de belastingschuldige hem de kwitantie te vertonen van de op zijn aanslagen gestorte afkortingen en vermeldt dit verzoek in het proces-verbaal van beslag.

  Art. 153. Uitvoerend beslag op roerend goed wordt gelegd niettegenstaande verzet tegen het dwangbevel, tenzij de instrumenterende deurwaarder het nuttig mocht achten daaromtrent de mening van de ontvanger in te winnen die, naar gelang van het geval, de schorsing of de voortzetting van verdere vervolgingen gelast.
  Alleen verzet aangaande de vorm van de akten schorst de tenuitvoerlegging, met dien verstande dat de verkoop van de in beslag genomen voorwerpen slechts kan geschieden na een gerechtelijke beslissing, welke zodra mogelijk moet worden gewezen.

  Art. 154. Tegenover belastingschuldigen die door wegneming van roerende voorwerpen of anderszins pogen de waarborgen van de Schatkist te doen verdwijnen of gewoon te verminderen, kan de ontvanger rechtstreeks uitvoerend beslag op roerend goed doen leggen zonder voorafgaande betekening van een dwangbevel.
  In dat geval behelst het exploot van inbeslagneming het dwangbevel voor beslag en bevat het de diverse vermeldingen bedoeld in artikel 149, tweede lid, zomede de gronden voor het niet vooraf betekenen van een dwangbevel.

  Art. 155. Alvorens te verkopen, doet de instrumenterende deurwaarder daarvan aangifte ten kantore van de registratie. Hij vermeldt deze formaliteit in het proces-verbaal van verkoop.

  Art. 156. Zo geen koper opdaagt, wordt de verkoop verdaagd en worden de voorwerpen, krachtens een toestemming van de beslagrechter, naar de naburige markt of naar een andere, meer geschikte plaats gevoerd.
  De instrumenterende deurwaarder stelt proces-verbaal van niet-toewijzing op en gaat tot een nieuwe verkoop over.

  C. Beslag op tak- en wortelvaste vruchten.

  Art. 157. Beslag op tak- en wortelvaste vruchten geschiedt op de wijze bepaald in het Gerechtelijk Wetboek.

  D. Uitvoerend beslag op zeeschepen en binnenschepen.

  Art. 158. Uitvoerend beslag op zeeschepen en binnenschepen geschiedt op de wijze bepaald in het Gerechtelijk Wetboek.

  E. Uitvoerend beslag op onroerend goed.

  Art. 159. Uitvoerend beslag op onroerend goed geschiedt op de wijze bepaald in het Gerechtelijk Wetboek.

  Art. 160. Tot uitvoerend beslag op onroerend goed kan slechts worden overgegaan nadat de ontvanger, die in het bezit is van de kohieren of met de invordering van belastingen voor rekening van ambtgenoten belast is, door tussenkomst van de directeur van de directe belastingen daarvoor machtiging van de Minister van Financiën heeft verkregen.
  De ontvanger voegt bij het verzoek om machtiging :
  1° een getuigschrift, uitgereikt door de hypotheekbewaarder, van de inschrijvingen die de te onteigenen goederen bezwaren;
  2° een staat vermeldende :
  a) de naam van de achterstallige belastingschuldige;
  b) de aard en het bedrag van de in te vorderen belastingen;
  c) de begrote verkoopwaarde van gezegde goederen;
  d) het kadastrale inkomen daarvan;
  e) de benaderende waarde van de roerende voorwerpen die tot voorrecht van de openbare Schatkist dienen en waarop beslag gelegd is of kan gelegd worden.
  In spoedeisende gevallen mag de ontvanger evenwel het dwangbevel voor uitvoerend beslag op onroerend goed doen betekenen en overschrijven zonder in het bezit te zijn van de machtiging vermeld in het eerste lid. In dat geval behelst het dwangbevel een bondige vermelding van de dringende redenen en wordt de vereiste machtiging ten spoedigste door de ontvanger gevraagd.

  F. Aan de vier soorten van beslag gemene bepalingen.

  Art. 161. Het is de ontvangers en instrumenterende deurwaarders verboden, rechtstreeks of onrechtstreeks enig voorwerp, waarvan zij de verkoop bewerkstelligen, te kopen of voor zich te doen kopen op straffe van nietigheid van de verkoop en van ontzetting voor de deurwaarders van de directe belastingen of toepassing van de bij artikel 533 van het Gerechtelijk Wetboek bepaalde tuchtstraffen voor de gerechtsdeurwaarders.

  G. Aan het uitvoerend beslag op roerend goed en het beslag op tak- en wortelvaste vruchten gemene bepalingen.

  Art. 162. § 1. Wanneer geen andere schuldeisers beslag of verzet hebben gedaan, wordt de bruto-opbrengst van de verkoop gestort in handen van de ontvanger.
  De gerechtsdeurwaarder trekt evenwel eerst de vervolgingskosten af die hem toekomen.
  § 2. Wanneer andere schuldeisers beslag of verzet hebben gedaan, voert de gerechtsdeurwaarder of de deurwaarder van de directe belastingen de evenredige verdeling uit op de wijze bepaald in het Gerechtelijk Wetboek.

  Art. 163. De ontvanger rekent de hem gestorte sommen aan volgens de in artikel 143 gestelde regelen; hij geeft aan de belastingschuldige bij ter post aangetekende brief kennis van de aldus gedane aanrekeningen en betaalt hem het eventuele overschot terug.

  Onderafdeling III. - Onrechtstreekse vervolgingen.

  A. Vervolgingen tegen derden-houders.

  Art. 164. § 1. Onder voorbehoud van het bepaalde (in de artikelen 433 tot 442bis) van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992, zijn alle pachters, huurders, ontvangers, agenten, huismeesters, notarissen, gerechtsdeurwaarders, griffiers, curatoren, vertegenwoordigers en andere bewaarnemers en schuldenaars van aan een belastingschuldige verschuldigde of toebehorende inkomsten, sommen en zaken, verplicht, op het hun door de bevoegde ontvanger bij ter post aangetekende brief gedane verzoek, te betalen met het voor beslag vatbare gedeelte van de inkomsten, sommen en zaken die zij verschuldigd zijn of die zij onder zich houden en met kwijting insluitend gevolg voor de belastingschuldige, tot beloop van het bedrag, geheel of gedeeltelijk, dat door deze laatste verschuldigd is uit hoofde van belastingen, belastingverhogingen, nalatigheidsinteresten, boeten en kosten van vervolging of tenuitvoerlegging. <KB 1997-05-20/39, art. 9, 039; Inwerkingtreding : 20-06-1997>
  § 2. Betaling mag evenwel slechts van de derden-houders worden gevorderd naarmate hun verplichtingen ten opzichte van de belastingschuldige vervallen, maar de ontvanger moet het verzoek niet hernieuwen zolang de oorzaken ervan niet gekweten zijn.
  § 3. Het in § 1 vermelde verzoek geldt als aanmaning met verzet tegen afgifte van de inkomsten, sommen en zaken.
  Het geeft aanleiding tot het opmaken van het bericht van beslag ingevoerd door artikel 1390 van het Gerechtelijk Wetboek. Dit bericht wordt evenwel aangelegd door de met de invordering belaste ontvanger die het aan de griffier van de rechtbank van eerste aanleg zendt binnen 24 uren na het neerleggen ter post van het bij aangetekende brief gedane verzoek.
  § 4. Indien de derden-houders niet aan het in § 1 vermelde verzoek kunnen voldoen binnen 15 dagen na het neerleggen ter post van dit verzoek, zijn zij verplicht binnen deze termijn, bij ter post aangetekende brief gericht aan de ontvanger, de verklaring te doen welke voorzien is in artikel 1452 van het Gerechtelijk Wetboek.
  Zij zijn eveneens verplicht de ontvanger bij ter post aangetekende brief en binnen 15 dagen in te lichten over alle nieuwe gegevens die na het neerleggen van hun verklaring aan het licht zouden komen.
  § 5. Ingeval de derden-houders niet voldoen aan de verplichtingen die uit de voorgaande paragrafen voortvloeien, worden zij vervolgd alsof zij rechtstreeks schuldenaars waren.
  § 6. De ontvanger geeft aan de belastingschuldige bij ter post aangetekende brief kennis van de aan de betalingen gegeven bestemming.

  Art. 165. § 1. Wanneer uit de verklaring van de derden-houders blijkt, hetzij dat de uitvoering van het in artikel 164, § 1, vermelde verzoek belemmerd wordt door verzet van de belastingschuldige, hetzij dat de derden-houders hun verplichtingen ten opzichte van de belastingschuldige betwisten, hetzij dat de inkomsten, sommen en zaken het voorwerp zijn van enig verzet of beslag onder derden, voor het verzoek gedaan door andere schuldeisers, hetzij dat de zaken te gelde moeten worden gemaakt, doet de ontvanger tot uitvoerend beslag onder derden overgaan, onverminderd de bewarende uitwerking van het gezegde verzoek.
  § 2. Dit uitvoerend beslag onder derden moet worden gelegd binnen de maand van de afgifte ter post van de in artikel 164, § 4, vermelde verklaring of kennisgeving; zo zulks niet geschiedt wordt het in artikel 164, § 1, vermelde verzoek als niet bestaande beschouwd.
  § 3. Uitvoerend beslag onder derden geschiedt op de wijze bepaald in het Gerechtelijk Wetboek, behoudens eventuele naleving van de formaliteiten voorgeschreven voor het beslag in handen van ontvangers en beheerders van openbare gelden; voor het overige wordt gehandeld overeenkomstig de artikelen 162 en 163.

  B. Aanwending van sommen die aan een belastingschuldige moeten worden teruggegeven of betaald.

  Art. 166. § 1. Het bepaalde van Boek III, Titel III, Hoofdstuk V, afdeling IV, van het Burgerlijk Wetboek, is inzake directe belastingen niet van toepassing.
  § 2. Elke som die aan een belastingschuldige moet worden teruggegeven of betaald in het kader van de toepassing van de wettelijke bepalingen inzake de inkomstenbelastingen en de ermee gelijkgestelde belastingen of krachtens de bepalingen van het burgerlijk recht met betrekking tot de onverschuldigde betaling, kan door de ontvanger van de directe belastingen zonder formaliteit, overeenkomstig artikel 143, worden aangezuiverd op de door die belastingschuldige verschuldigde voorheffingen, belastingen en ermee gelijkgestelde belastingen in hoofdsom, opcentiemen, verhogingen, interesten en kosten.
  § 3. (In geval van bezwaar, van een in artikel 376 van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 bedoelde aanvraag om ontheffing of van een vordering in rechte) en in zover het geen zekere en vaststaande schuld in de zin van artikel 410 van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 betreft, wordt de aanzuivering ingevolge § 2 verricht als bewarende maatregel in de zin van artikel 409 van hetzelfde Wetboek. <KB 1999-05-03/39, art. 7, 053; Inwerkingtreding : 06-04-1999>

  Onderafdeling IV. - Met de vervolgingen belaste personen.

  Art. 167. De vervolgingen inzake directe belastingen worden ingesteld door gerechtsdeurwaarders of door deurwaarders van de directe belastingen in dienst op 1 mei 1967.
  Beiden doen in die hoedanigheid de dwangbevelen, de beslagleggingen en de verkopingen.
  Uit hoofde van de uitoefening van vervolgingen inzake directe belastingen mogen gerechtsdeurwaarders geen aanspraak maken op hogere of andere rechten of kosten dan die welke in artikel 172 vastgesteld zijn, op straffe van terugbetaling, schadevergoeding en, desnoods, toepassing van de bij artikel 533 van het Gerechtelijk Wetboek bepaalde tuchtstraffen.

  Art. 168. Bij het uitoefenen van hun ambt moeten de deurwaarders van de directe belastingen voorzien zijn van hun aanstellingsbrief en deze op elk verzoek vertonen; zij vermelden zulks in alle akten van hun ambt.

  Art. 169. De deurwaarders van de directe belastingen mogen hun ambt slechts uitoefenen in het ambtsgebied waarvoor zij op 1 mei 1967 definitief waren aangesteld.

  Art. 170. In geen geval en onder geen enkel voorwendsel, mogen de deurwaarders van de directe belastingen, op straffe van ontzetting, enigerlei som van belastingschuldigen aannemen, noch als loon, noch ter betaling van belastingen.
  Belastingschuldigen die aan hen geld toevertrouwen, stellen zich eraan bloot tweemaal te moeten betalen.

  Art. 171. De deurwaarders van de directe belastingen zijn hun gehele tijd verschuldigd aan het kantoor waaraan zij verbonden zijn; zij mogen derhalve geen collega's bijstaan als getuige.
  Niettegenstaande hun bijzondere opdracht blijven zij aan de administratieve tucht onderworpen.

  Onderafdeling V. - Vervolgingskosten.

  Art. 172. De vervolgingskosten worden bepaald volgens de regelen die gelden voor de akten van de gerechtsdeurwaarders in burgerlijke en handelszaken.

  Art. 173. De vervolgingskosten vallen ten laste van de achterstallige belastingschuldigen.
  Die kosten komen volledig toe aan de instrumenterende deurwaarders die de hoedanigheid van gerechtsdeurwaarder hebben. Ze komen aan de Schatkist toe, voor vervolgingen die door deurwaarders van de directe belastingen zijn gedaan; de Minister van Financiën is evenwel gemachtigd om een gedeelte daarvan aan die deurwaarders toe te kennen.
  In uitzonderlijke gevallen kan de ontvanger gemachtigd worden aan de instrumenterende deurwaarder de vervolgingskosten voor te schieten.

  Art. 174. Ter vereffening worden niet aanvaard :
  1° kosten van akten die niet met de oorspronkelijke stukken gestaafd zijn;
  2° kosten die het gevolg zijn van vervolgingen die willekeurig, zonder dwangschrift of in een met onderhavige reglementering strijdige orde gedaan zijn;
  3° kosten gedaan tegen kennelijk onvermogende belastingschuldigen.

  Onderafdeling VI. - Algemene bepalingen.

  Art. 175. De wettelijke bepalingen betreffende de inhoud en de betekening van exploten zijn van toepassing op de akten van gerechtelijke vervolgingen inzake directe belastingen.

  Afdeling VI. - Opsporing van inbreuken. (Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992, artikel 300, § 1)

  Art. 176. Onverminderd de bevoegdheden van de gerechtelijke officieren bij de parketten, zijn de ambtenaren van de administratie der directe belastingen, van de administratie der douane en accijnzen, van de administratie van het kadaster, de beëdigde gemeenteambtenaren, de rijkswacht, de gerechtelijke agenten bij de parketten, de speciale controleurs van de administratie van het vervoer en de leden van het toezichtspersoneel van het Hoog Comité van toezicht bevoegd om overtredingen op te sporen en om, zelfs alleen, processen-verbaal inzake directe belastingen op te stellen.
  Die processen-verbaal, waarbij eventueel de schriftelijke uitleg van de overtreders wordt gevoegd, worden opgesteld ten verzoeke van de Minister van Financiën, op vervolging en benaarstiging van de directeur van de directe belastingen, domicilie kiezend in zijn kantoren; zij zijn van bevestiging of visum en van betekening vrijgesteld.
  De processen-verbaal worden toegezonden aan de ambtenaren die daartoe door de Minister van Financiën zijn aangewezen.

  Afdeling VII. - Vestiging en invordering door de administratie van de belasting over de toegevoegde waarde, registratie en domeinen, van de belasting van niet-inwoners op meerwaarden op (...) onroerende goederen. (Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992, artikel 301) <KB 1997-05-20/39, art. 10; Inwerkingtreding : 01-06-1997>

  Art. 177. § 1. (Bij overdracht onder bezwarende titel van in België gelegen onroerende goederen of van zakelijke rechten met betrekking tot zulke goederen, zijn de personen die krachtens artikel 35 van het Wetboek der registratie-, hypotheek- en griffierechten, verplicht zijn de akte of een verklaring waarbij de overdracht is vastgesteld, ter registratie aan te bieden en de desbetreffende rechten te betalen, verplicht, bij de registratie van die akte of van die verklaring, op het in artikel 39 of 40 van dat Wetboek vermelde kantoor, de belasting van niet-inwoners te betalen met betrekking tot de meerwaarden die belastbaar zijn als diverse inkomsten als bedoeld in artikel 228, § 2, 9°, g of i, van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992.) <KB 1997-05-20/39, art. 11, 1°, 039; Inwerkingtreding : 01-06-1997>
  Artikel 5 van het Wetboek der registratie-, hypotheek- en griffierechten is van toepassing op de belasting van niet-inwoners die bij de registratie van de akte of van de verklaring moet worden betaald.
  § 2. Wanneer § 1 moet worden toegepast, zijn de personen die verplicht zijn tot registratie van de akte of van de verklaring waarbij de overdracht is vastgesteld verplicht, voor registratie, aan de ontvanger van de registratie een aangifte in tweevoud voor te leggen waarbij kennis wordt gegeven van alle gegevens die nodig zijn voor de berekening van de belasting van niet-inwoners met betrekking tot de verwezenlijkte meerwaarde en eventueel de kosten en uitgaven te verantwoorden die de overdrager vraagt van de overdrachtprijs af te trekken of bij de verkrijgingsprijs te voegen.
  Hangt de in de belasting van niet-inwoners belastbare grondslag geheel of gedeeltelijk af van de waardering van een levenslang recht, dan moet de aangifte de naam, voornamen, woonplaats, geboorteplaats en -datum vermelden van de personen die gezegd levenslang recht genieten.
  Bij overdracht van een gebouwd onroerend goed (als bedoeld in artikel 91 van het Wetboek van de inkomensbelastingen 1992) moet, wanneer de ontvanger van de registratie erom verzoekt, een verklaring de verkoopwaarde vermelden van de los van de grond beschouwde gebouwen. <KB 1997-05-20/39, art. 11, 2°, 039; Inwerkingtreding : 01-06-1997>
  (Lid 4 opgeheven) <KB 1997-05-20/39, art. 11, 3°, 039; Inwerkingtreding : 01-01-1997>
  De ontvanger kan de registratie van de akte afhankelijk stellen van de overlegging van een getuigschrift dat uitgaat van de bevoegde ambtenaar van de administratie der directe belastingen en waarbij is vastgesteld dat de overdrager geen belastingplichtige is als vermeld (in artikel 227, 1° of 3°, van hetzelfde Wetboek). <KB 1997-05-20/39, art. 11, 4°, 039; Inwerkingtreding : 01-06-1997>
  § 3. (De belasting van niet-inwoners verschuldigd op meerwaarden die belastbaar zijn als diverse inkomsten als bedoeld in artikel 228, § 2, 9°, g of i, van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992, wordt overeenkomstig de bepalingen van hetzelfde Wetboek gevestigd en ingevorderd door de administratie der directe belastingen wanneer die belasting, om welke reden ook, niet is betaald ten kantore belast met de registratie van de akte of van de verklaring waarbij de overdracht is vastgesteld, of wanneer het als gezegde belasting aan de ontvanger van de registratie betaalde bedrag lager is dan het verschuldigde bedrag.) <KB 1997-05-20/39, art. 11, 5°, 039; Inwerkingtreding : 01-06-1997>
  § 4. De bepalingen van titel VII, hoofdstuk VII, van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992, zijn van toepassing op de belasting van niet-inwoners die door de ontvanger van de registratie wordt geheven bij de registratie van een akte of van een verklaring waarbij de overdracht onder bezwarende titel van (...) onroerende goederen of van zakelijke rechten met betrekking tot zulke onroerende goederen is vastgesteld. <KB 1997-05-20/39, art. 11, 6°, 039; Inwerkingtreding : 01-06-1997>

  Afdeling VIII. - (Vrijstelling van de aangifteverplichting in de personenbelasting. (Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992, artikel 306)) <KB 1994-05-09/40, art. 1; Inwerkingtreding : 01-01-1994>

  Art. 178. <KB 1994-05-09/40, art. 2, 004; Inwerkingtreding : 01-01-1994> § 1. De belastingplichtingen zonder beroepswerkzaamheid worden van aangifteplicht in de personenbelasting vrijgesteld ingeval hun belastbare inkomsten minder bedragen dan :
  1° de belastingvrije som indien het om een alleenstaande gaat;
  2° de samengetelde belastingvrije sommen indien het om echtgenoten gaat.
  § 2. Van aangifteplicht in de personenbelasting worden eveneens vrijgesteld de belastingplichtigen die geen andere belastbare inkomsten moeten aangeven dan :
  1° inkomsten van onroerende goederen die belastbaar zijn ten belope van het kadastraal inkomen;
  2° pensioenen, renten en als zodanig geldende toelagen, met uitzondering van :
  a) kapitalen en afkoopwaarden;
  b) omzettingsrenten van kapitalen en afkoopwaarden;
  c) inkomsten van pensioensparen.
  In afwijking van het eerste lid geldt de vrijstelling van aangifteplicht niet voor de volgende belastingplichtigen :
  1° niet-hertrouwde weduwen of weduwnaars die één of meer kinderen ten laste hebben;
  2° ongehuwde vaders of moeders die één of meer kinderen ten laste hebben;
  3° belastingplichtigen met één of meer kinderen van minder dan 3 jaar ten laste;
  4° belastingplichtigen voor het jaar van huwelijk indien hun echtgenoot geen bestaansmiddelen van meer dan (1.690,00 EUR) netto heeft; <KB 2000-07-20/63, art. 2, 075; Inwerkingtreding : 01-01-2002>
  5° weduwen of weduwnaars voor het jaar van hun overlijden van hun echtgenoot indien die echtgenoot geen bestaansmiddelen van meer dan (1.690,00 EUR) netto heeft gehad. <KB 2000-07-20/63, art. 2, 075; Inwerkingtreding : 01-01-2002>
  In afwijking van het eerste lid geldt de vrijstelling van aangifteplicht evenmin voor de belastingplichtigen die :
  1° inkomsten van buitenlandse oorsprong hebben;
  2° aftrekbare interesten betalen;
  3° uitgaven doen die recht geven op een belastingvermindering;
  4° aftrekbare bestedingen doen;
  5° voorafbetalingen verrichten.
  § 3. De vrijstelling van aangifteplicht is van toepassing voor het aanslagjaar waarvan het belastbaar tijdperk volgt op een kalenderjaar waarin aan de in § 1 of § 2 vermelde voorwaarden is voldaan.

  Art. 179. (Opgeheven) <KB 1994-05-09/40, art. 3, 004; Inwerkingtreding : 01-01-1994>

  Afdeling IX. - Aanwijzing van derden om mededeling te verkrijgen van informatiegegevens voor de uitvoering van een opdracht van algemeen belang. (Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992, artikel 314, § 4)

  Art. 180. § 1. De naamloze vennootschap naar Belgisch recht Joos, waarvan de statuten zijn bekendgemaakt in de bijlagen van het Belgisch Staatsblad van 29 oktober 1983, wordt aangewezen om mededeling te verkrijgen van informatiegegevens als vermeld in artikel 314, § 4, eerste lid, van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992.
  § 2. Die mededeling staat niet gelijk met het recht van toegang tot het Rijksregister van de natuurlijke personen.

  Art. 181. § 1. De naamloze vennootschap Joos gebruikt de in artikel 180, § 1, vermelde gegevens uitsluitend in haar werkplaatsen te Turnhout voor het adresseren van de aangifteformulieren inzake personenbelasting en met inachtneming van de bepalingen van artikel 314, § 4, laatste lid, van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992.
  § 2. Op straffe van toepassing van de bepalingen van artikel 314, § 5, van hetzelfde Wetboek neemt de naamloze vennootschap Joos de nodige maatregelen met het oog op de naleving van de voorschriften van § 1.

  Afdeling IXbis. - (Aanwijzing van ambtenaren van andere fiscale administraties die bevoegd zijn om onderzoekingen uit te voeren (Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992, artikel 334bis).) <Ingevoegd bij KB 1995-04-04/34, art. 1; Inwerkingtreding : 01-01-1993>

  Art. 181bis. <Ingevoegd bij KB 1995-04-04/34, art. 1; Inwerkingtreding : 01-01-1993> De onderzoekingen bedoeld in hoofdstuk III van titel VII van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 mogen worden verricht door de ambtenaren van de administratie der douane en accijnzen die bij toepassing van het koninklijk besluit van 7 december 1992 ter beschikking van de administratie der directe belastingen zijn gesteld.

  Afdeling X. - Minimumwinst van buitenlandse firma's. (Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992, artikel 342, § 2)

  Art. 182. § 1. De minimumwinst die belastbaar is ten name van buitenlandse firma's die in België werkzaam zijn en volgens de vergelijkingsprocedure neergelegd in artikel 342, § 1, eerste lid, van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 belastbaar zijn, wordt bepaald als volgt :
  1° landbouwbedrijven, tuinbouwbedrijven of boomkwekerijen : forfaitaire schaal vastgesteld voor de Belgische belastingplichtigen die in dezelfde landbouwstreek een soortgelijk beroep uitoefenen;
  2° ondernemingen behorend tot de :
  a) scheikundige nijverheid : (22.000,00 EUR) per personeelslid (gemiddeld aantal over het beschouwde jaar); <KB 2000-07-20/63, art. 2, 075; Inwerkingtreding : 01-01-2002>
  b) voedingsnijverheid : (12.000,00 EUR) per personeelslid (gemiddeld aantal over het beschouwde jaar); <KB 2000-07-20/63, art. 2, 075; Inwerkingtreding : 01-01-2002>
  c) metaalnijverheid, fijn mechanische nijverheid en bedrijven, ondernemingen die niet-energetische delfstoffen winnen en verwerken, bouwnijverheid en alle andere niet sub a en b, hierboven vermelde nijverheidsbedrijven en -ondernemingen : (7.000,00 EUR) per personeelslid (gemiddeld aantal over het beschouwde jaar); <KB 2000-07-20/63, art. 2, 075; Inwerkingtreding : 01-01-2002>
  3° ondernemingen uit de handelssector en de dienstverlenende sector :
  a) groothandel, kleinhandel, vervoer, horeca, ingenieurs- en studiebureaus, informatica en electronica en andere diensten aan ondernemingen : (2,50 EUR) per (25,00 EUR) omzet, met een minimum van (7.000,00 EUR) per personeelslid (gemiddeld aantal over het beschouwde jaar); <KB 2000-07-20/63, art. 2, 075; Inwerkingtreding : 01-01-2002>
  b) tussenpersonen in handel en vervoer : (2,50 EUR) per (25,00 EUR) omzet, met een minimum van (14.500,00 EUR) per personeelslid (gemiddeld aantal over het beschouwde jaar); <KB 2000-07-20/63, art. 2, 075; Inwerkingtreding : 01-01-2002>
  c) banken, krediet- en wisselinstellingen : (24.000,00 EUR) per personeelslid (gemiddeld aantal over het beschouwde jaar); <KB 2000-07-20/63, art. 2, 075; Inwerkingtreding : 01-01-2002>
  d) verzekeringen : (2,50 EUR) per (25,00 EUR) geïnde premies; <KB 2000-07-20/63, art. 2, 075; Inwerkingtreding : 01-01-2002>
  e) alle andere bedrijven en ondernemingen uit de handelssector en de dienstverlenende sector : (2,50 EUR) per (25,00 EUR) omzet, met een minimum van (7.000,00 EUR) per personeelslid (gemiddeld aantal over het beschouwde jaar). <KB 2000-07-20/63, art. 2, 075; Inwerkingtreding : 01-01-2002>
  § 2. Het bedrag van de overeenkomstig § 1 vastgestelde belastbare winst mag in geen geval lager zijn dan (9.500,00 EUR). <KB 2000-07-20/63, art. 2, 075; Inwerkingtreding : 01-01-2002>
  § 3. De overeenkomstig § 1 vastgestelde belastbare inkomsten omvatten niet de (in artikel 228, § 2, 9°, g,) van hetzelfde Wetboek vermelde meerwaarden. <KB 1997-05-20/39, art. 12, 1°, 039; Inwerkingtreding : 01-01-1993>

  Afdeling XI. - Fiscale Commissies. (Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992, artikel 347)

  Art. 183. Het ambtsgebied van elk van de commissies waarvan sprake is in artikel 347 van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 wordt vastgesteld in bijlage IV.
  De zetel van elk van die commissies wordt gevestigd in de gemeente die voorkomt in de linkerkolom van bijlage IV.

  Art. 184. De bevoegdheid van de commissie strekt zich uit tot de gevallen die haar worden voorgelegd betreffende de natuurlijke personen en rechtspersonen belastbaar in haar ambtsgebied.

  Art. 185. De commissie bestaat uit :
  1° een inspecteur van de directe belastingen die van rechtswege voorzitter is van de commissie;
  2° 3 afgevaardigden van de handel en de nijverheid, te kiezen uit de personen van het ambtsgebied die in dubbel aantal zijn voorgedragen door de voorzitter van de rechtbank van koophandel van het gerechtelijk arrondissement waarin de zetel van de commissie gevestigd is;
  3° 4 andere afgevaardigden van de handel en de nijverheid, te kiezen uit de personen van het ambtsgebied die in dubbel aantal zijn voorgedragen door de kamer van ambachten en neringen van de provincie waarin de zetel van de commissie gevestigd is;
  4° 3 afgevaardigden van de beroepsverenigingen van vrije beroepen, ambten of posten, te kiezen uit de personen van het ambtsgebied die in dubbel aantal zijn voorgedragen door de dekens of de voorzitters van die verenigingen;
  5° 2 afgevaardigden van de landbouw, te kiezen uit de personen van het ambtsgebied die in dubbel aantal zijn voorgedragen door de landbouwkamer van de provincie waarin de zetel van de commissie gevestigd is, indien zich in haar ambtsgebied landbouwgebieden bevinden;
  6° 3 afgevaardigden van de loon- en weddetrekkers, te kiezen uit de personen van het ambtsgebied die in dubbel aantal zijn voorgedragen door de voorzitter van de arbeidsrechtbank van het gerechtelijk arrondissement waarin de zetel van de commissie gevestigd is.

  Art. 186. De inspecteur-voorzitter mag advies verstrekken; de andere leden van de commissie zijn stemgerechtigd.

  Art. 187. § 1. De commissie wordt voorgezeten door de inspecteur belast met het toezicht op de taxatiewerkzaamheden betreffende de belastingplichtige of door een ambtenaar van dezelfde graad die door de gewestelijk directeur van de directe belastingen, in wiens ambtsgebied de zetel van de commissie gevestigd is, aangewezen is om in de vervanging van de inspecteur te voorzien.
  § 2. De andere commissieleden worden benoemd, ontslagen en, in geval van zware tekortkomingen in de uitoefening van hun mandaat, bij met redenen omklede beslissing ontzet door de in § 1 vermelde directeur.
  Van die beslissing wordt kennis gegeven aan het betrokken lid zomede aan de overheid of aan de organisatie die het betrokken lid heeft voorgedragen.
  § 3. Onder voorbehoud van de bepalingen van § 4 hierna, worden de stemgerechtigde commissieleden benoemd voor een termijn van 6 kalenderjaren.
  Het mandaat van de uittredende leden kan worden hernieuwd.
  § 4. Het stemgerechtigde commissielid dat wordt ontslagen of ontzet voor het verstrijken van de duur van zijn mandaat, wordt vervangen door een nieuw lid gekozen uit de kandidaten van dezelfde categorie die bij de laatste hernieuwing van de commissie zijn voorgedragen; dat lid voltooit het mandaat van zijn voorganger.
  § 5. Wanneer de voordracht van de kandidaten voor de functie van stemgerechtigd commissielid door de daartoe bevoegde overheid of organisatie niet geschiedt binnen een maand na de aanvraag die de administratie te dien einde bij aangetekende brief heeft gedaan, kan de commissie niettemin geldig vergaderen en besluiten, ongeacht het aantal en de hoedanigheid van de in functie zijnde leden.

  Art. 188. Het mandaat van commissielid is onbezoldigd.
  Een reisvergoeding wordt toegekend aan de stemgerechtigde commissieleden die hun woonplaats hebben buiten de gemeente of agglomeratie waar de zetel van de commissie gevestigd is.
  Die vergoeding wordt berekend volgens de regelen en tarieven die voor de gewone getuigen zijn vastgesteld overeenkomstig de artikelen 32, 33 en 146 tot 149 van het Algemeen Reglement op de gerechtskosten in strafzaken.

  Art. 189. § 1. Alvorens de stemgerechtigde commissieleden hun functie aanvaarden, leggen zij de volgende eed af in handen van de inspecteur-voorzitter :
  "Ik zweer mij in volle onpartijdigheid van mijn opdracht te kwijten en de beraadslagingen waaraan ik deelneem geheim te houden".
  § 2. De leden van wie het mandaat wordt verlengd, moeten geen nieuwe eed afleggen.

  Art. 190. De commissie kan onder de aanwezige leden een secretaris aanwijzen om de notulen van de beraadslagingen op te stellen.
  Indien de commissie geen secretaris aanwijst, neemt de inspecteur-voorzitter of een door hem gekozen ambtenaar van de directe belastingen die functie waar. Die ambtenaar maakt geen deel uit van de commissie en is niet stemgerechtigd; hij mag evenmin advies verstrekken.

  Art. 191. De commissie vergadert op initiatief van de inspecteur-voorzitter.

  Art. 192. Ten minste 15 dagen voor de vergadering roept de inspecteur-voorzitter de leden op bij ter post aangetekende brief waarbij worden medegedeeld : plaats, datum en uur van de vergadering, opgave van de te behandelen zaken zomede de plaats, de dagen en uren waar en waarop de leden kennis kunnen nemen van de desbetreffende dossiers.
  Dezelfde oproeping wordt gezonden aan de controleur van de directe belastingen van het ambtsgebied waarin elk van de betrokken belastingplichtigen belastbaar is.
  Die controleur kan zich laten bijstaan door de ambtenaar die de verificatie heeft verricht van de aangifte in de inkomstenbelastingen die wordt betwist.

  Art. 193. Ten minste 15 dagen voor de vergadering deelt de inspecteur-voorzitter de plaats, de datum en het uur van de vergadering bij ter post aangetekende brief aan de belastingplichtige mede.
  Het staat de belastingplichtige vrij bij de commissie uiterlijk de voorlaatste werkdag voor de vergadering, door bemiddeling van de inspecteur-voorzitter, alle stukken of memories voor de verdediging van zijn zaak te doen toekomen en persoonlijk of bij lasthebber, eventueel bijgestaan door een consulent of deskundige, voor de commissie te verschijnen.

  Art. 194. De inspecteur-voorzitter mag de termijn van 15 dagen waarvan sprake is in de artikelen 192 en 193 tot minimum 5 dagen inkorten, ingeval hij die maatregel noodzakelijk acht om de belangen van de Schatkist te vrijwaren.

  Art. 195. § 1. De commissie vergadert en beraadslaagt rechtsgeldig ongeacht het aantal aanwezige leden.
  § 2. De commissie neemt kennis van de stukken of memories neergelegd door de belastingplichtige.
  Zij hoort de controleur en, eventueel, de ambtenaar die de verificatie heeft verricht, zomede de belastingplichtige of zijn lasthebber, eventueel bijgestaan door een consulent of deskundige.
  § 3. Het debat is op tegenspraak, tenzij de belastingplichtige of zijn lasthebber verstek laat gaan.
  § 4. De controleur en de belastingplichtige of zijn lasthebber mogen de beraadslaging en de stemming van de commissie niet bijwonen.

  Art. 196. De besluiten van de commissie worden door de aanwezige stemgerechtigde leden bij meerderheid van stemmen genomen. Ze moeten met redenen omkleed zijn.

  Art. 197. § 1. Van de beraadslagingen worden, voor elke zaak, notulen opgesteld met vermelding van :
  - de plaats en de datum van de vergadering;
  - de naam, de voornamen en het adres, of de rechtsvorm, de firmanaam en het adres van de maatschappelijke zetel van de belastingplichtige;
  - de naam, de voornamen, het beroep en het adres van de stemgerechtigde commissieleden, zomede hun hoedanigheid waarin zij op grond van artikel 185 van de commissie deel uitmaken.
  De notulen vermelden, bij voorkomend geval :
  - dat de commissie de belastingplichtige of zijn lasthebber heeft gehoord;
  - dat ze kennis heeft genomen van de door de belastingplichtige neergelegde stukken of memories;
  - dat artikel 194 is toegepast.
  De notulen behelzen het met redenen omklede advies van de commissie en vermelden het aantal stemmen dat voor of tegen de in stemming gebrachte besluiten zijn uitgebracht, zomede het aantal onthoudingen, zonder enige precisering over het door elk van de leden tijdens de stemming ingenomen standpunt.
  § 2. De notulen worden in drievoud opgesteld. Elk exemplaar wordt door alle aanwezige leden ondertekend; de handtekeningen worden gevolgd door de naam van de ondertekenaar.

  Art. 198. De inspecteur-voorzitter zendt 2 exemplaren van de notulen aan de controleur vermeld in artikel 192. Deze zendt één exemplaar aan de belastingplichtige bij ter post aangetekende brief.

  Afdeling XII. - Bepaling van het belastbare tijdperk voor de personenbelasting, vennootschapsbelasting, rechtspersonenbelasting, belasting van niet-inwoners en voorheffingen, en van de inkomsten die daartoe behoren. (Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992, artikel 360, tweede lid)

  Art. 199. Het belastbare tijdperk valt samen met het jaar waarnaar het aanslagjaar wordt genoemd, voor de toepassing :
  a) van de onroerende voorheffing;
  b) van de roerende voorheffing;
  c) van de bedrijfsvoorheffing vermeld in de artikelen 270 tot 275 van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992.

  Art. 200. Het belastbare tijdperk valt samen met het jaar voor dat waarnaar het aanslagjaar wordt genoemd, voor de toepassing :
  a) van de personenbelasting en van de belasting van niet-inwoners die overeenkomstig de artikelen 243, 244, 245 en 248 van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 wordt gevestigd;
  b) van de vennootschapsbelasting en van de belasting van niet-inwoners die overeenkomstig de artikelen 233 en 248 van hetzelfde Wetboek wordt gevestigd, wanneer de betrokkenen niet of per kalenderjaar boekhouden;
  c) van de rechtspersonenbelasting en van de belasting van niet-inwoners die overeenkomstig de artikelen 234 en 248 van hetzelfde Wetboek wordt gevestigd.

  Art. 201. Het belastbare tijdperk valt samen met het boekjaar voor het jaar waarnaar het aanslagjaar wordt genoemd, voor de toepassing van de vennootschapsbelasting en van de belasting van niet-inwoners die overeenkomstig de artikelen 233 en 248 van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 wordt gevestigd, wanneer het boekjaar loopt over een tijdperk dat korter of langer is dan een jaar en de betrokkenen hun boekhouding afsluiten op 31 december van het jaar.

  Art. 202. Het belastbare tijdperk valt samen met het boekjaar, afgesloten in het jaar waarnaar het aanslagjaar wordt genoemd, voor de toepassing van de vennootschapsbelasting en van de belasting van niet-inwoners die overeenkomstig de artikelen 233 en 248 van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 wordt gevestigd, wanneer de betrokkenen anders dan per kalenderjaar boekhouden.

  Art. 203. Met betrekking tot belastingplichtigen voor wie de gronden voor belastbaarheid overeenkomstig artikel 200 slechts na 1 januari aanwezig zijn of voor 31 december zijn weggevallen, stemt het belastbare tijdperk overeen met het gedeelte van het jaar waarin die gronden aanwezig zijn geweest.
  In afwijking van gezegd artikel 200 wordt het aanslagjaar genoemd naar het jaar waarin de gronden voor belastbaarheid weggevallen zijn.

  Art. 204. Inkomsten van het in de artikelen 199 tot 203 vermelde belastbare tijdperk zijn :
  1° inkomsten van gebouwde of ongebouwde onroerende goederen die op dat tijdperk betrekking hebben;
  2° inkomsten en opbrengsten van roerende goederen en kapitalen die overeenkomstig de artikelen 261, 2°, 263, eerste lid, en 267 van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 aan de roerende voorheffing onderworpen zijn en tijdens dat tijdperk aan de belastingplichtige zijn betaald of toegekend;
  3° beroepsinkomsten, bestaande uit :
  a) vastgestelde of vermoede winst of baten van dat tijdperk;
  b) tijdens dat tijdperk aan de belastingplichtige betaalde of toegekende bezoldigingen;
  c) tijdens dat tijdperk aan de belastingplichtige betaalde of toegekende pensioenen, renten en toelagen;
  4° diverse inkomsten, bestaande uit :
  a) vastgestelde of vermoede winst of baten van dat tijdperk, vermeld in artikel 90, 1°, van hetzelfde Wetboek;
  b) tijdens dat tijdperk aan de belastingplichtige betaalde of toegekende sommen vermeld in artikel 90, 2° tot 7°, van hetzelfde Wetboek;
  c) vastgestelde of vermoede meerwaarden van dat tijdperk vermeld in artikel 90, 8°, van hetzelfde Wetboek;
  d) meerwaarden vermeld in artikel 90, 9°, van hetzelfde Wetboek;
  (e) vastgestelde of vermoede meerwaarden van dat tijdperk vermeld in artikel 90, 10°, van hetzelfde Wetboek;) <KB 1997-05-20/39, art. 13, 1°, 039; Inwerkingtreding : 01-01-1997>
  5° de kosten, bijdragen, pensioenen, renten en toelagen vermeld (in de artikelen 222 en 223, 4° en 5°) van hetzelfde Wetboek, die door de belastingplichtige tijdens dat tijdperk zijn betaald of toegekend. <KB 1997-05-20/39, art. 13, 2°, 039; Inwerkingtreding : 01-01-1998>

  Art. 205. Voor de toepassing :
  1° van artikel 204, 3°, a, worden winst of baten die uit een boekhouding blijken, geacht verkregen te zijn op de datum van afsluiting van het boekjaar waarop zij betrekking hebben;
  2° van artikel 204, 3°, b, wordt het bedrag vermeld in artikel 31, derde lid, van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 geacht te zijn betaald of toegekend op de datum waarop de aandelen zijn overgedragen;
  3° (...) <KB 1995-09-01/42, art. 19, 019; Inwerkingtreding : 01-01-1993>

  Art. 206. De bijzondere aanslag in de vennootschapsbelasting vermeld in artikel 219 van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992, de bijzondere aanslag in de belasting van niet-inwoners gevestigd volgens artikel 246, 2°, en de aanslagen vermeld in artikel 247, 2° en 3°, van hetzelfde Wetboek, worden verbonden aan het aanslagjaar betreffende het belastbare tijdperk bepaald overeenkomstig de artikelen 200 tot 203, in de loop waarvan de omstandigheid, waarin gezegde aanslagen hun grond vinden, zich heeft voorgedaan.

  Afdeling XIII. - (Maatregelen betreffende de werkzaamheden van koppelbazen. (Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992, artikelen 403, 404 en 406)). <KB 1998-12-26/31, art. 20, 049; Inwerkingtreding : 01-01-1999>

  Art. 207. <KB 1998-12-26/31, art. 21, 049; Inwerkingtreding : 01-01-1999> Het krachtens artikel 403, van hetzelfde Wetboek ingehouden bedrag moet worden gestort bij de ontvanger die door de directeur-generaal van de directe belastingen wordt aangewezen.
  De betaling van het ingehouden bedrag moet worden verricht op hetzelfde tijdstip als de betaling aan de aannemer en uitsluitend door storting of overschrijving op de postrekening van de aangewezen ontvanger.
  Op het stortings- of overschrijvingsbewijs moet naast de naam, het adres en het BTW-nummer van de in het vorig lid bedoelde aannemer, de vermelding "Art. 403 WIB 92", voorkomen, zomede de verwijzing naar de factuur waarop de betaling betrekking heeft.
  Gelijktijdig met de vermelde storting of overschrijving, zendt degene die de storting moet verrichten, aan de ontvanger een afschrift van de facturen waarop de betaling betrekking heeft.

  Art. 208. <KB 1998-12-26/31, art. 22, 049; Inwerkingtreding : 01-01-1999> De in artikel 403, § 2, tweede lid, van hetzelfde Wetboek bedoelde vrijstelling van de verplichting tot inhouding wordt verleend op voorwaarde dat de geregistreerde onderaannemer op het ogenblik van de betaling volgens de in artikel 27 van het koninklijk besluit van 26 december 1998 tot uitvoering van de artikelen 400, 401, 403, 404 en 406 van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 en van artikel 30bis van de wet van 27 juni 1969 tot herziening van de besluitwet van 28 december 1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders bepaalde definities geen schuldenaar is bij de Rijksdienst voor Sociale Zekerheid of bij een Fonds voor bestaanszekerheid of voor de verschuldigde bedragen uitstel van betaling heeft gekregen zonder gerechtelijke procedure of bij een in kracht van gewijsde gegane rechterlijke beslissing en de opgelegde termijnen strikt naleeft. De Rijksdienst voor Sociale Zekerheid stelt te dien einde een publiek toegankelijke gegevensbank in die voor de toepassing van dit lid bewijskracht heeft.

  Art. 209. <KB 1998-12-26/31, art. 23, 049; Inwerkingtreding : 01-01-1999> § 1. De persoon op wiens schuldvordering het gestorte bedrag werd ingehouden kan, voor zover en in de mate dat hij geen achterstallige belastingen verschuldigd is, bij de in artikel 207 bedoelde ontvanger een aanvraag om teruggaaf indienen.
  De aanvraag dient inzonderheid te vermelden:
  1° de naam, het adres en in voorkomend geval het BTW-nummer van degene die de inhouding en de storting heeft gedaan, de datum van die storting, alsmede de datum, het nummer en het bedrag, exclusief belasting over de toegevoegde waarde, van de factuur waarop de storting betrekking had;
  2° de naam, het adres en het BTW-nummer van de onderaannemers op wie de aanvrager, voor de uitvoering van de met de in 1° bedoelde persoon gesloten overeenkomst, een beroep heeft gedaan voor in artikel 1 van het koninklijk besluit van 26 december 1998 tot uitvoering van de artikelen 400, 401, 404 en 406 van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 en van artikel 30bis van de wet van 27 juni 1969 tot herziening van de besluitwet van 28 december 1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders, bedoelde werkzaamheden.
  De aanvraag om teruggaaf geschiedt door middel van een formulier waarvan het model wordt vastgesteld door de directeur-generaal van de directe belastingen.
  § 2. In de mate dat het niet wordt aangewend tot betaling van achterstallige belastingschulden overeenkomstig artikel 406, §§ 1 en 2, van hetzelfde Wetboek, wordt het gestorte bedrag ten spoedigste en uiterlijk binnen een termijn van zes maanden te rekenen vanaf de regelmatig ingediende aanvraag om teruggaaf, door de ontvanger aan de aanvrager overgemaakt.
  § 3. Wanneer het gestorte bedrag geheel of gedeeltelijk aangewend overeenkomstig het voornoemde artikel 406, §§ 1 en 2, geeft de ontvanger daarvan binnen de in § 2 bedoelde termijn kennis aan de aanvrager met vermelding van alle gegevens omtrent de aangezuiverde schulden.

  Art. 210. <KB 1998-12-26/31, art. 28, 049; Inwerkingtreding : 01-01-1999> Wanneer degene die de in artikel 403, van hetzelfde Wetboek opgelegde storting niet heeft verricht, alsnog de vereiste storting uitvoert op verzoek van de administratie en binnen de door haar opgelegde termijn en wanneer het bewijs van storting wordt overgelegd, wordt de in artikel 404, § 1, van dat Wetboek bedoelde administratieve boete, voor ten hoogste drie overtredingen, verminderd tot een achtste, een vierde of de helft van die boete naargelang het respectievelijk een eerste, een tweede of een derde overtreding betreft.

  Afdeling IIIBis. - (Inning door de administratie van de belasting over de toegevoegde waarde, registratie en domeinen, van de bedrijfsvoorheffing op meerwaarden verwezenlijkt op onroerende goederen door niet-inwoners in het kader van hun beroepswerkzaamheid.) <Ingevoegd bij KB 1997-01-10/42, art. 5; Inwerkingtreding : 01-01-1997>
  (Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 - artikel 412bis)

  Art. 210bis. <Ingevoegd bij KB 1997-01-10/42, art. 5; Inwerkingtreding : 01-01-1997> § 1. De in artikel 270, 5°, van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 vermelde personen zijn verplicht, bij de registratie van de akte of van de verklaring waarbij de overdracht is vastgesteld, op het in artikel 39 of 40 van het Wetboek der registratie-, hypotheek- en griffierechten vermelde kantoor, de bedrijfsvoorheffing bepaald overeenkomstig hoofdstuk XII van de bijlage III te betalen met betrekking tot de meerwaarden die begrepen zijn in de in artikel 228, §2, 3°, a en 4° van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 vermelde winst of baten en die verwezenlijkt zijn bij de overdracht onder bezwarende titel van in Belgiën gelegen onroerende goederen of van zakelijk erechten met betrekking tot zulke onroerende goederen, door aan de belasting van niet-inwoners onderworpen belastingplichtigen.
  Artikel 5 van het Wetboek der registratie-, hypotheek- en griffierechten is van toepassing op de bedrijfsvoorheffing met betrekking tot de in het eerste lid vermelde meerwaarden, die bij de registratie van de akte of van de verklaring moet worden betaald.
  § 2. Wanneer § 1 moet worden toegepast, zijn de in artikel 270, 5°, van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 vermelde schuldenaars van bedrijfsvoorheffing verplicht, vóór registratie, aan de bevoegde ontvanger "Buitenland" het bericht vermeld in artikel 433 van voormeld Wetboek voor te leggen en er een aangifte in tweevoud bij te voegen waarbij kennis wordt gegeven van alle gegevens die nodig zijn voor de berekening van de bedrijfsvoorheffing met betrekking tot de verwezenlijkte meerwaarden en eventueel de kosten en uitgaven te verantwoorden die de overdrager vraagt van de overdrachtprijs af te trekken of bij de verkrijgingsprijs te voegen.
  Indien de akte of de verklaring waarvan sprake in § 1 niet verleden wordt binnen drie maanden te rekenen van de verzending van de aangifte, wordt deze als niet bestaande beschouwd.
  § 3. Door de ontvangers wordt aan de in § 2 vermelde schuldenaars, binnen de termijn gesteld in artikel 434 van voormeld Wetboek, bij ter post aangetekende brief kennis gegeven van het bedrag van de krachtens artikel 273, 2°, van hetzelfde Wetboek verschuldigde bedrijfsvoorheffing, met betrekking tot de meerwaarden verwezenlijkt op de goederen welke het voorwerp van de akte zijn.
  In geval van openbare verkoop zullen de ontvangers, in afwijking van het eerste lid, aan de betrokken schuldenaar van bedrijfsvoorheffing enkel kennis geven van het totale bedrag dat van de overdrachtprijs moet worden afgetrokken, om het bedrag van de verwezenlijke meerwaarde te bekomen zodat deze, evenals de erop verschuldigde bedrijfsvoorheffing, door voormelde schuldenaar zelf kan berekend worden.
  § 4. De smchuldenaar van de bedrijfsvoorheffing zal, vóór registratie, aan de ontvanger belast met de registratie van de akte of van de verklaring waarbij de overdracht is vastgesteld, de in § 3 vermelde kennisgeving voorleggen.
  De ontvanger kan de registratie van de akte afhankelijk stellenv an de overlegging van een getuigschrift dat uitgaat van de bevoegde ambtenaar van de administratie der directe belastingen en waarbij is vastgesteld dat de overdrager geen belastingplichtige is als vermeld in artikel 227, 1° of 2°, van voormeld Wetboek.
  § 5. Na ontvangst van de verschuldigde bedrijfsvoorheffing zal de ontvanger van de registratie dde in § 3 vermelde kennisgeving vervolledigen en in tweevoud aan de schuldenaar van de bedrijfsvoorheffing uitreiken. Deze laatste zal een exemplaar aan de overdrager van het onroerend goed of van de zakelijke rechten met betrekking tot dat goed overhandigen om hem in staat te stellen zijn aangifte in de belasting van niet-inwoners in te vullen.
  Een exemplaar van de in het eerste lid vermelde kennisgeving wordt door de ontvanger van de reegistratie aan de bevoegde taxatiedienst der directe belastingen gezonden.

  Art. 210ter. <Ingevoegd bij KB 1997-01-10/42, art. 5; Inwerkingtreding : 01-01-1997> De in artikel 210bis bedoelde aangifte en kennisgeving moeten worden opgesteld op een formulier dat overeenkomt met het model van bijlage 1 van het koninklijk besluit van 10 januari 1997.

  Afdeling XIV. - Zakelijke zekerheid en persoonlijke borgstelling. (Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992, artikel 420, § 1)

  Art. 211. De hoegrootheid van de in artikel 420, § 1, van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 voorgeschreven waarborg wordt bij beslissing van de directeur van de directe belastingen vastgelegd. Zij moet gelijk zijn aan het vermoedelijke bedrag van de verplichtingen over één jaar die op grond van voormeld Wetboek aan de betrokken natuurlijke of rechtspersoon kunnen worden opgelegd, onder aftrek van de netto-verkoopwaarde van zijn goederen die het pand van de Schatkist vormen en die gelegen zijn in België of in een land waarmede België een overeenkomst heeft gesloten tot regeling van de wederzijdse bijstand inzake de invordering van de belastingen waaraan de belanghebbende is onderworpen.
  De waarborg mag evenwel in geen geval minder dan (750,00 EUR) bedragen. <KB 2000-07-20/63, art. 3, 075; Inwerkingtreding : 01-01-2002>

  Art. 212. § 1. Indien de waarborg wordt geëist van een belastingschuldige die reeds een beroepswerkzaamheid heeft waarvan de uitoefeningsvoorwaarden niet aanzienlijk zullen worden gewijzigd, wordt hij vastgesteld in verhouding tot de belastingen en bijbehoren verschuldigd voor de 3 belastbare tijdperken die voorafgaan aan deze waarin de beslissing wordt genomen, zonder meer te mogen bedragen dan tweemaal het hoogste bedrag aan belastingen in hoofdsom verschuldigd voor één van deze 3 belastbare tijdperken, verminderd met de netto-verkoopwaarde van de goederen van belanghebbende die de waarborg van de Schatkist vormen en die gelegen zijn in België of in een land waarmede België een overeenkomst heeft gesloten tot regeling van de wederzijdse bijstand inzake de invordering van de belastingen waaraan de belanghebbende is onderworpen.
  Voor de toepassing van het voorgaande lid moet onder verschuldigde belastingen worden verstaan de belastingen en voorheffingen die zijn ingekohierd en, bij gebrek aan inkohiering, de belastingen en voorheffingen die betrekking hebben op de aangegeven inkomsten of op die waarmee de belastingschuldige zich in de loop van de aanslagverrichtingen akkoord heeft verklaard.
  § 2. Indien de waarborg wordt geëist naar aanleiding van een toekomstige beroepswerkzaamheid of van een beroepswerkzaamheid die sedert minder dan één jaar begonnen is of waarvan de uitoefeningsvoorwaarden aanzienlijk zullen worden gewijzigd of sedert minder dan één jaar gewijzigd zijn, raamt de directeur het vermoedelijke bedrag van de verplichtingen van de betrokken natuurlijke of rechtspersoon op basis van de beroepsinkomsten vastgelegd volgens de bij artikel 342, § 1, van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 vastgelegde criteria.

  Art. 213. De te verstrekken waarborg bestaat hetzij uit een zakelijke zekerheid in de vorm van een borgtocht in geld of in overheidsfondsen of van een hypotheekvestiging, hetzij uit een persoonlijke borgstelling.
  De in artikel 219 vermelde ontvanger van de directe belastingen mag andere wijzen van waarborgstelling aanvaarden.
  Indien nodig mogen de voormelde wijzen gelijktijdig worden aangewend om de totale zekerheid te verstrekken.

  Art. 214. De onroerende goederen die als hypothecaire waarborg worden aangeboden, moeten in België gelegen zijn.
  Geldt het gebouwen, dan wordt voor de aanneming van de hypothecaire aanwending bewijs gegeven van voldoende verzekering tegen brand. In de akte moet worden vermeld dat de regelmatige betaling van de premie jaarlijks zal worden bewezen op straffe van verval van de aanneming.
  In alle gevallen wordt bewijs verstrekt van de eigendom en van de hypothecaire staat van het onroerend goed en wordt de waarde daarvan, op kosten van de belastingschuldige, vastgelegd door alle middelen die voldoening schenken en onder meer door een schatting van een algemeen als bevoegd erkende deskundige, zo zulks vanwege de ontvanger geëist wordt.

  Art. 215. Borgtochten in geld worden gestort of overgeschreven op de rekening die bij (de Post) is geopend op naam van de Deposito- en Consignatiekas; in alles, en inzonderheid met betrekking tot de interest die aan de deponent verschuldigd is, worden zij met deposito's bij de Deposito- en Consignatiekas gelijkgesteld. <KB 1994-08-12/48, art. 12, 006; Inwerkingtreding : 01-10-1992>

  Art. 216. Zonder afbreuk te doen aan de mogelijkheid voor de ontvanger om andere wijzen van waarborgstelling te aanvaarden zijn de aanneembare overheidsfondsen die welke aangenomen worden voor het stellen van borgtochten van aannemers. De lijst en de aannemingsvoet ervan worden bepaald bij de jongste desbetreffende besluiten door de Minister van Financiën genomen en door diens toedoen gepubliceerd.
  Effecten aan toonder worden gedeponeerd in handen van de Staatskassier of van diens agenten; inschrijvingen op naam worden, zowel in het Grootboek als op het uittreksel, in de rand aangetekend met een vermelding waarbij wordt vastgesteld dat zij niet zonder geschreven toestemming van de ontvanger van de directe belastingen mogen worden vervreemd of te gelde gemaakt.

  Art. 217. De persoonlijke borg moet bekwaam zijn, volgens de Belgische wet, om verbintenissen aan te gaan en aangenomen worden door de ontvanger van de directe belastingen vermeld in artikel 219.

  Art. 218. Indien de zakelijke zekerheid of de gegoedheid van de persoonlijke borg wegens enige oorzaak - zoals waardevermindering van de tot zekerheid dienende onroerende goederen of overheidsfondsen of merkelijke vermindering van het fortuin van de borg - ongenoegzaam wordt geacht, is de belastingschuldige op het eerste verzoek van de ontvanger van de directe belastingen gehouden een nieuwe zakelijke zekerheid of een nieuwe persoonlijke borg te stellen.

  Art. 219. In de akten wordt de administratie vertegenwoordigd door de ontvanger van de directe belastingen vermeld in de beslissing van de directeur of, bij gebrek aan zulke vermelding, door de ontvanger van de plaats van aanslag.
  Samen met de nodige inlichtingen en bewijsstukken en binnen de termijn gesteld in artikel 421 van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992, overhandigt de belastingschuldige aan deze ambtenaar hetzij het ontwerp van akte van hypotheekvestiging, van verpanding van een inschrijving op naam of van verbintenis van de persoonlijke borg, hetzij het stortingsbewijs of het bewijs van deponering voor borgtochten in geld of in effecten aan toonder.

  Afdeling XV. - Verplichtingen van kredietinstellingen of -inrichtingen. (Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992, artikel 443)

  Art. 220. De ambtenaar vermeld in artikel 443 van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 is :
  1° de ontvanger van de directe belastingen in wiens ambtsgebied de natuurlijke persoon of rechtspersoon aan wie een in dat artikel vermeld krediet, lening of voorschot wordt toegekend, zijn woonplaats, zijn maatschappelijke zetel of zijn voornaamste inrichting van bestuur heeft;
  2° de ontvanger van de directe belastingen belast met de inning van de belasting van niet-inwoners indien de betrokken natuurlijke persoon of rechtspersoon zijn woonplaats, zijn maatschappelijke zetel of zijn voornaamste inrichting van bestuur in het buitenland heeft.

  Art. 221. Het attest vermeld in artikel 443 van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 wordt uitgereikt nadat door de belanghebbende natuurlijke persoon of rechtspersoon een aanvraag, in 3 exemplaren, is ingediend. De aanvraag en het attest worden gesteld op een formulier waarvan het model wordt vastgesteld door de directeur-generaal van de directe belastingen. Het attest wordt uitgereikt binnen 8 dagen na de indiening van de aanvraag.

  Art. 222. Per krediet, lening of voorschot, waarvoor een voordeel inzake economische expansie is aangevraagd, moeten de kredietinstellingen en -inrichtingen vermeld in artikel 443 van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992, in principe, in het bezit zijn van slechts 1 attest.
  De datum van uitreiking van dat attest mag niet vroeger zijn dan 1 maand voor de datum van de aanvraag tot verkrijging van het voordeel, noch later dan deze datum.
  Er moet evenwel een nieuw attest worden voorgelegd wanneer de beslissing tot toekenning van het voordeel niet is genomen binnen 6 maanden te rekenen van de datum van het attest.

  Art. 223. Een exemplaar van het attest vermeld in artikel 443 van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 wordt door de in artikel 220 aangewezen ambtenaar gezonden aan de overheid vermeld in de aanvraag van het attest.
  Wanneer uit het attest blijkt dat een bedrag als belastingen of bijbehoren eisbaar is ten name van de natuurlijke persoon of rechtspersoon die een voordeel inzake economische expansie heeft aangevraagd, bepaalt de beslissing tot toekenning van het voordeel dat de kredietinstelling of -inrichting de fondsen niet geheel mag vrijgeven tenzij de betrokkene zijn belastingschuld heeft betaald.

  Art. 224. § 1. Wanneer uit het uitgereikte attest dat aan de kredietinstelling of -inrichting wordt overgelegd blijkt dat een bedrag als belastingen of bijbehoren eisbaar is ten name van de natuurlijke persoon of rechtspersoon aan wie een krediet, lening of voorschot is verleend waarvoor een voordeel inzake economische expansie is aangevraagd, mogen de fondsen die afkomstig zijn van het krediet, de lening of het voorschotten belope van dat bedrag niet worden vrijgegeven, tenzij de belanghebbende natuurlijke persoon of rechtspersoon een attest overlegt waarin de in artikel 220 aangewezen ambtenaar verklaart dat die belastingen en bijbehoren betaald zijn.
  Met instemming van de belastingschuldige mag de kredietinstelling of -inrichting deze fondsen evenwel rechtstreeks overmaken aan het bevoegde ontvangkantoor.
  § 2. In het geval vermeld in artikel 222, derde lid, hoeft de kredietinstelling of -inrichting met de gegevens van het nieuwe attest slechts rekening te houden in zover de fondsen nog niet zijn vrijgegeven voor het verstrijken van de in die bepaling vermelde termijn van 6 maanden.

  Afdeling XVI. - Schaal van de belastingverhogingen. (Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992, artikel 444)

  Art. 225. De schaal van de belastingverhogingen bij niet-aangifte, andere dan inzake roerende voorheffing en bedrijfsvoorheffing, wordt als volgt vastgesteld :

  
Aard van de overtredingenVerhogingen
------------------------------------
A. Niet-aangifte te wijten aan omstandigheden 
onafhankelijk van de wil van de belastingplichtige :Nihil
B. Niet-aangifte zonder het opzet de belasting te 
ontduiken : 
- 1e overtreding (zonder inachtneming van de in A 
vermelde gevallen van niet-aangifte) :10 pct.
- 2e overtreding :20 pct.
- 3e overtreding :30 pct.
Vanaf de 4e overtreding worden de overtredingen 
van deze aard bij C ingedeeld en als zodanig bestraft. 
C. Niet-aangifte met het opzet de belasting te ontduiken : 
- 1e overtreding :50 pct.
- 2e overtreding :100 pct.
- 3e overtreding en volgende overtredingen :200 pct.
D. Niet-aangifte gepaard gaande met ofwel onjuistheid 
of verwijzing door valsheid of gebruik van valse stukken 
tijdens de verificatie van de belastingstoestand, ofwel 
met een omkoping of een poging tot omkopen van 
ambtenaren : 
in alle gevallen :200 pct.



  Art. 226. De schaal van de belastingverhogingen bij onvolledige of onjuiste aangifte, andere dan inzake roerende voorheffing en bedrijfsvoorheffing, wordt als volgt vastgesteld :

  
Aard van de overtredingenVerhogingen
-------------------------------------
A. Onvolledig of onjuiste aangifte te wijten aan 
omstandigheden onafhankelijk van de wil van de 
belastingplichtige :Nihil
B. Onvolledige of onjuiste aangifte zonder het 
opzet de belasting te ontduiken : 
- 1e overtreding (zonder inachtneming van de in A 
vermelde gevallen) :10 pct.
- 2e overtreding :20 pct.
- 3e overtreding :30 pct.
Vanaf de 4e overtreding worden de overtredingen 
van deze aard bij C ingedeeld en als zodanig 
bestraft. 
C. Onvolledige of onjuiste aangifte met het 
opzet de belasting te ontduiken : 
- 1e overtreding :50 pct.
- 2e overtreding :100 pct.
- 3e overtreding en volgende overtredingen :200 pct.
D. Onvolledige of onjuiste aangifte gepaard gaande 
met valsheid of gebruik van valse stukken of met een 
omkoping of een poging tot omkopen van ambtenaren : 
in alle gevallen :200 pct.



  Art. 227. Voor de vaststelling van het toe te passen percent van de belastingverhogingen worden de vorige overtredingen die bedoeld zijn in B en C van de artikelen 225 en 226 niet in aanmerking genomen wanneer geen enkele overtreding inzake aangifte in de inkomstenbelastingen is bestraft voor de laatste 4 aanslagjaren die het aanslagjaar voorafgaan waarvoor de nieuwe overtreding moet worden bestraft.

  Art. 228. De schaal van de belastingverhogingen bij niet-aangifte of bij onvolledige of onjuiste aangifte inzake roerende voorheffing en bedrijfsvoorheffing, gepaard gaande met niet-betaling of ontoereikende betaling van de voormelde voorheffingen, wordt als volgt vastgesteld :

  
Aard van de overtredingenVerhogingen
------------------------------------
A. Overtreding te wijten aan omstandigheden 
onafhankelijk van de wil van de belastingschuldige :Nihil
B. Overtreding zonder het opzet de belasting te ontduiken : 
- 1e overtreding :Nihil
- 2e overtreding :10 pct.
- 3e overtreding :20 pct.
- 4e en 5e overtreding :30 pct.
Vanaf de 6e overtreding worden de overtredingen van 
deze aard bij C ingedeeld en als zodanig bestraft. 
C. Overtreding met het opzet de belasting te ontduiken : 
- 1e overtreding :50 pct.
- 2e en 3e overtreding :75 pct.
- 4e en 5e overtreding :100 pct.
- 6e en 7e overtreding :150 pct.
- 8e overtreding en volgende overtredingen :200 pct.
D. Overtreding gepaard gaande met valsheid of gebruik van 
valse stukken of met een omkoping of een poging tot 
omkopen van ambtenaren : 
in alle gevallen :200 pct.


  Voor de vaststelling van het toe te passen percent van de belastingverhogingen worden de vorige overtredingen die bedoeld zijn in B en C niet in aanmerking genomen wanneer geen enkele overtreding inzake aangifte en betaling van de roerende voorheffing en de bedrijfsvoorheffing, afzonderlijk beschouwd, is bestraft voor 4 opeenvolgende maandelijkse, driemaandelijkse of jaarlijkse vervaldagen.

  Art. 229. Voor de vaststelling van het krachtens de artikelen 225, 226 en 228 toe te passen percent van de belastingverhogingen, is een tweede of een volgende overtreding aanwezig wanneer op het ogenblik waarop een nieuwe overtreding wordt begaan, aan de overtreder kennis is gegeven van de verhoging die de vorige overtreding heeft bestraft.

  HOOFDSTUK IV. - BELASTINGWEZEN VAN DE PROVINCIES, DE AGGLOMERATIES EN DE GEMEENTEN. (Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992, artikelen 300 en 469)

  Afdeling I. - Provinciale belastingen.

  Art. 230. § 1. Voor zover zij niet inzonderheid de inkomstenbelastingen betreffen, zijn de bepalingen van de artikelen 126, 127 en 128 tot 176, van toepassing op de provinciale belastingen.
  § 2. In afwijking van artikel 139 mogen niet ten kohiere gebrachte provinciale belastingen waarvoor een plaat, penning of ander kenteken wordt uitgereikt, ook betaald worden in munten of bankbiljetten die in België wettig betaalmiddel zijn.

  Afdeling II. - Aanvullende agglomeratie- en gemeentebelastingen.

  Art. 231. De kohieren van de aanvullende agglomeratiebelasting op de personenbelasting en de kohieren van de aanvullende gemeentebelasting op de personenbelasting worden opgemaakt volgens de door de directeur-generaal van de directe belastingen gestelde regelen.
  Die aanvullende belastingen worden opgenomen in kohieren verbonden aan het begrotingsjaar dat loopt op de datum waarop ze uitvoerbaar worden verklaard; toegepast worden de tarieven in verband met de desbetreffende aanslagjaren.

  Art. 232. (...) (Opgeheven) <KB 2000-07-20/63, art. 7, 078; Inwerkingtreding : 01-01-2002>
  De aanvullende belastingen worden (in euro gevestigd en afgerond op de cent). <KB 2000-07-20/63, art. 5, 076; Inwerkingtreding : 01-01-2002>

  Art. 233. Het bepaalde in de artikelen 133, 136 tot 176 en 207 tot 230 is op de in artikel 231 vermelde aanvullende belastingen van toepassing.

  HOOFDSTUK V. - OVERGANGSBEPALINGEN.

  Afdeling I. - Inhouding van een gedeelte van de roerende voorheffing. (Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992, artikel 507, derde lid)

  HOOFDSTUK IVbis. - Bijzondere invorderingsregels inzake de toekenningen aan de provincies, de agglomeraties en de gemeenten (Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992, art. 470bis). <ingevoegd bij KB 1999-03-10/41, art. 1, Inwerkingtreding : 1999-04-17>

  Art. 233bis. <ingevoegd bij KB 1999-03-10/41, art. 1, Inwerkingtreding : 1999-04-17> § 1. Voor de toepassing van artikel 470bis, vierde lid, van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 geeft de administratie der directe belastingen de eerste werkdag die volgt op de dag waarop is vastgesteld dat er een ambtshalve inhouding moet gebeuren, aan de provincie, de gemeente of de agglomeratie van gemeenten kennis van het bedrag van haar schuldvordering.
  Voor de toepassing van artikel 470bis, zesde lid, van hetzelfde Wetboek geeft de administratie der directe belastingen de eerste werkdag die volgt op de dag waarop is vastgesteld dat er een ambtshalve debitering moet gebeuren, aan de provincie, de gemeente of de agglomeratie van gemeenten kennis van het bedrag van haar schuldvordering.
  De administratie der directe belastingen geeft aan de kredietinstelling belast met het houden van de financiële rekening van het betrokken bestuur, kennis van het bedrag van haar schuldvordering opdat deze het bedrag daarvan ambtshalve zou inhouden op de financiële rekening van het betrokken bestuur.
  § 2. Wanneer de schuldenaar van de vordering een provincie is, wordt de kennisgeving gedaan aan de bestendige deputatie van die provincie.
  Wanneer

  HOOFDSTUK V. - OVERGANGSBEPALINGEN.

  Afdeling I. - Inhouding van een gedeelte van de roerende voorheffing. (Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992, artikel 507, derde lid)

  Art. 234. Wanneer de last van de mobiliënbelasting of van de roerende voorheffing, krachtens voor 1 december 1962 of vanaf 1 december 1962 tot en met 31 december 1966 gesloten overeenkomsten, op de schuldenaar van de inkomsten is gelegd, heeft deze het recht, op vanaf 1 januari 1967 verleende of toegekende belastbare inkomsten, het verschil in te houden tussen de roerende voorheffing die ter uitvoering van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 en van dit besluit is verschuldigd en die waarvan hij voor die laatste datum de last op zich nam.
  Wanneer van deze mogelijkheid gebruik wordt gemaakt, worden de door de schuldenaar van het inkomen gedragen roerende voorheffing en de aan de bron in te houden roerende voorheffing bepaald als volgt :
  1° met betrekking tot interest van voor 1 december 1962 uitgegeven Belgische overheidsfondsen die niet van mobiliënbelasting of van zakelijke belastingen waren vrijgesteld en die worden verleend of toegekend ter uitvoering van overeenkomsten die de last van de mobiliënbelasting op de schuldenaar leggen :
  a) is de door de schuldenaar te dragen roerende voorheffing gelijk aan 2/98 van het bedrag van het bedongen netto-inkomen;
  b) is de aan de bron in te houden roerende voorheffing gelijk aan 10,5 pct. van hetzelfde bedrag.
  2° met betrekking tot andere inkomsten die worden verleend of toegekend ter uitvoering van :
  a) voor 1 december 1962 gesloten overeenkomsten die de last van de mobiliënbelasting op de schuldenaar leggen :
  - is de door de schuldenaar te dragen roerende voorheffing gelijk aan 2/98, 3/97, 4/96, 6/94 of 8/92 van het bedrag van het bedongen netto-inkomen, naargelang dit inkomen voor de inwerkingtreding van de wet van 15 juli 1966 tot wijziging van het Wetboek van de inkomstenbelastingen, aan de roerende voorheffing was onderworpen tegen een tarief van respectievelijk 2,4 pct., 3 pct., 4 pct., 6 pct. of 8 pct.;
  - is de aan bron in te houden roerende voorheffing respectievelijk gelijk aan 10,5/98, 9,5/97, 8,5/96, 6,5/94 of 4,5/92 van hetzelfde bedrag, volgens het onderscheid dat hierboven wordt gemaakt met betrekking tot het tarief van de roerende voorheffing;
  b) overeenkomsten die vanaf 1 december 1962 tot en met 31 december 1966 zijn gesloten en de last van de roerende voorheffing op de schuldenaar leggen :
  - is de door de schuldenaar te dragen roerende voorheffing gelijk aan 15/85 van het bedrag van het bedongen netto-inkomen;
  - is de aan de bron in te houden roerende voorheffing gelijk aan 10/85 van hetzelfde bedrag.

  Afdeling II. - Herschatting voor de berekening van de afschrijving van bepaalde activa die zijn verkregen of tot stand gebracht voor de normale datum van afsluiting van de laatste jaarbalans opgemaakt voor 31 december 1940 en die nog in gebruik waren op de normale datum van afsluiting van de laatste jaarbalans opgemaakt voor 31 december 1946. (Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992, artikel 511, § 2)

  Art. 235. Voor de toepassing van de artikelen 236 tot 252, worden onder aanschaffings- of beleggingswaarde van de activa de kosten van aankoop of oprichting verstaan, met inbegrip van de rechten en taksen die er betrekking op hebben, de eventuele kosten van vervoer, van montage en andere gelijkaardige.

  Art. 236. Als activa waarvan de aanschaffings- of beleggingswaarde voor de berekening van de vrij van belasting toegestane afschrijving mag worden herschat, gelden outillage en ermee gelijkgestelde nijverheidsgebouwen, dat wil zeggen al dan niet vaste machines, werktuigen en toestellen met toebehoren, zomede nijverheidsgebouwen en tot nijverheids- en handelsdoeleinden gebruikt meubilair, die als het ware deel uitmaken van de outillage en aan snelle slijtage of verval onderhevig zijn.
  De outillage omvat inzonderheid de in handelsbedrijven gebezigde voorwerpen die door intensief gebruik, of onder invloed van technische vooruitgang, mode en gewoonten, aan snelle slijtage blootstaan of vaak moeten worden vervangen.

  Art. 237. Van het voordeel van afschrijving op de herschatte aanschaffings- of beleggingswaarde zijn over het algemeen de terreinen uitgesloten, zomede gebouwen die geen met outillage gelijkgestelde nijverheidsgebouwen zijn en inzonderheid tot woning of kantoor dienen; dit geldt eveneens voor het meubilair waarvan woningen en kantoren voorzien zijn, voor portefeuille, octrooien, fabrieksmerken, handelsfonds, cliënteel en firma. De afschrijving van die activa moet uit fiscaal oogpunt verder op grond van de niet herziene aanschaffings- of beleggingswaarde geschieden.

  Art. 238. § 1. De herschatting mag slechts slaan op outillage en ermee gelijkgestelde nijverheidsgebouwen, die de belastingplichtige heeft verkregen of tot stand gebracht voor de normale datum van afsluiting van de laatste jaarbalans opgemaakt voor 31 december 1940 en die nog werkelijk in gebruik waren op de normale datum van afsluiting van de laatste jaarbalans opgemaakt voor 31 december 1946.
  Met betrekking tot outillage en ermee gelijkgestelde nijverheidsgebouwen van ondernemingen die zijn opgericht door omzetting, fusie, opslorping, splitsing of overname van vroeger bestaande ondernemingen of bedrijfsafdelingen van zulke ondernemingen, wordt evenwel met de datum van verkrijging of totstandbrenging van die activa door de omgezette, overgenomen of gesplitste ondernemingen rekening gehouden, voor zover die mutaties niet ten gevolge hebben gehad de tijdens de bezetting van het land gebruikte produktiemiddelen in hun geheel te verhogen. Onder hetzelfde voorbehoud worden outillage en ermee gelijkgestelde nijverheidsgebouwen die zijn geleverd of opgericht ter uitvoering van contracten of overeenkomsten gesloten voor de uiterste datum van verkrijging of totstandbrenging bepaald in het eerste lid, voor de toepassing van deze bepaling beschouwd als verkregen of tot stand gebracht op de datum van gezegde contracten of overeenkomsten.
  De bovenbedoelde activa die in eigendom zijn opgeëist of ingevolge oorlogsfeiten verloren, vernield of buiten gebruik gesteld zijn, worden voor de toepassing van de artikelen 236 tot 252 gelijkgesteld met activa die nog werkelijk in gebruik waren op de uiterste datum bepaald op het einde van het eerste lid.
  § 2. Degene van gezegde activa die na de uiterste datum vermeld in § 1 van dit artikel zijn verkregen of tot stand gebracht, worden verder afgeschreven volgens de werkelijke aanschaffings- of beleggingswaarde bepaald in artikel 235.

  Art. 239. Eventueel kan slechts een nieuwe aanschaffings- of beleggingswaarde worden toegekend aan het deel van de outillage of de ermee gelijkgestelde nijverheidsgebouwen dat met eigen middelen van de belastingplichtige is verkregen of tot stand gebracht.
  Dat deel wordt bepaald met inachtneming van de gegevens van de laatste jaarbalans opgemaakt voor 31 december 1940 of, in gevallen als vermeld in artikel 238, § 1, tweede lid, in de openingsbalans van de nieuwe onderneming.

  Art. 240. De nieuwe aanschaffings- of beleggingswaarde van iedere categorie activa vermeld in de artikelen 236, 238, § 1, en 239, mag niet meer bedragen dan twee en een halve maal hun waarde geschat naar de per 31 augustus 1939 geldende normale prijzen en met inachtneming van hun toestand van stoffelijke slijtage en van hun werkelijke waardevermindering op de normale datum van afsluiting van de laatste jaarbalans opgemaakt voor 31 december 1946 of, in voorkomend geval, op de datum van opeising in eigendom of van verlies, vernieling, of buitengebruikstelling ingevolge oorlogsfeiten.
  De aan elk herschat activum toegekende nieuwe aanschaffings- of beleggingswaarde mag niet meer bedragen dan zijn industriële- of handelswaarde op de normale datum van afsluiting van de laatste jaarbalans opgemaakt voor 31 december 1946.

  Art. 241. Om het bepaalde in de artikelen 236 tot 252 te genieten, stelt de belastingplichtige, per categorie of per boekhoudrubriek, een omstandige inventaris op van de te herschatten activa.
  Voorwerpen van geringe waarde worden in een post "allerlei voorwerpen" begrepen voor een benaderende en te goeder trouw vastgestelde waarde in ronde cijfers.
  De inventaris vermeldt respectievelijk :
  a) de aard van elk geïnventariseerd activum;
  b) voor zover mogelijk de datum van verkrijging of van totstandbrenging, behalve voor de post "allerlei voorwerpen";
  c) voor elk geïnventariseerd activum en voor elke categorie activa, de waarde 1939 vastgesteld overeenkomstig het bepaalde in artikel 240, eerste lid;
  d) de industriële of handelswaarde van elk activum op de normale datum van afsluiting van de laatste jaarbalans opgemaakt voor 31 december 1946, voor zover gezegde waarde meer of minder bedraagt dan twee en een halve maal de waarde vermeld in c;
  e) de nieuwe aanschaffings- of beleggingswaarde voor de berekening van de afschrijving, zijnde maximaal voor elke categorie activa twee en een halve maal de waarde vermeld in c, en voor elk activum de waarde vermeld in d.
  De activa die in eigendom zijn opgeëist, of ingevolge oorlogsfeiten vernield, verloren of buiten gebruik gesteld zijn, worden afzonderlijk in gezegde inventaris ingeschreven.

  Art. 242. De in artikel 241 vermelde inventaris wordt in duplo opgesteld en een exemplaar ervan wordt aan de controleur van de directe belastingen of aan de taxatiedienst van het ambtsgebied overhandigd tot staving van de aangifte in de inkomstenbelastingen over het boekjaar in de balans waarvan de herschatting is opgenomen, of ten laatste op 24 januari 1948 ingeval de afschrijving op die grondslag is berekend met ingang van het aanslagjaar 1947; hij moet ondertekend zijn door de gedelegeerde bestuurders en door de commissarissen in kapitaalvennootschappen en door de verschillende personen die de vennootschap, firma of vereniging kunnen verbinden in anders dan in de vorm van kapitaalvennootschappen geëxploiteerde ondernemingen.

  Art. 243. De herschatting van outillage en ermee gelijkgestelde nijverheidsgebouwen moet opgenomen worden in de boeken of balansen die van 31 december 1947 af en ten laatste op 30 december 1948 zijn afgesloten; zij moet afzonderlijk in het actief en in het passief van iedere jaarbalans voorkomen onder de volgende rubrieken of onder enige andere soortgelijke benaming :
  - in het actief :
  "Outillage en ermee gelijkgestelde nijverheidsgebouwen (herschatting)";
  - in het passief :
  "Meerwaarde van herschatting van outillage en ermee gelijkgestelde nijverheidsgebouwen". Deze meerwaarde mag evenwel in rekening "Kapitaal" ingelijfd worden.

  Art. 244. De nieuwe aanschaffings- of beleggingswaarde, bepaald overeenkomstig de artikelen 235 tot 240 en in het actief opgenomen, dient tot grondslag voor de berekening van de afschrijving; deze mag vrij van belasting gedaan worden tot die waarde volledig bereikt is - eventueel verminderd met de opeisings- of herstelvergoedingen betreffende herschatte activa - en dit ongeacht de datum van verkrijging van de outillage of de ermee gelijkgestelde nijverheidsgebouwen of ongeacht de reeds op die activa voor de normale afsluiting van de laatste jaarbalans opgemaakt voor 31 december 1946 gedane afschrijving.

  Art. 245. De belastingplichtige verdeelt de herschatte activa in 3 of 4 categorieën naar hun vermoedelijke gebruiksduur.
  Gemiddelde jaarlijkse afschrijvingspercenten worden in overleg tussen de belanghebbende en de bevoegde ambtenaren van de administratie der directe belastingen vastgesteld; die percenten kunnen inzonderheid verschillen naar de aard van de activa, de intensiteit van het gebruik ervan en hun staat van slijtage of van economische efficiëntie bij de herschatting. Behoudens herziening van gezegde percenten op schriftelijke en met redenen omklede aanvraag van de belastingplichtige, dienen deze tot grondslag voor de berekening van de vrij van belasting toe te passen jaarlijkse afschrijving.
  De aldus in overleg vastgestelde regelen worden bevestigd in een door beide partijen ondertekend stuk; dat stuk wordt bij het fiscaal dossier van de belanghebbende gevoegd, die er een afschrift kan van verkrijgen.

  Art. 246. Afschrijving van de nieuwe aanschaffings- of beleggingswaarde moet bij het afsluiten van elk boekjaar geschieden.
  Bij gebreke van afschrijvingen of bij ontoereikende afschrijvingen voor één of meer boekjaren ten gevolge van verlies of van ontoereikende brutowinst, kan het tijdperk van afschrijving verlengd worden tot de af te schrijven waarde volledig bereikt is.

  Art. 247. Ingeval een herschat activum tijdens een boekjaar is vervreemd, vernield of definitief buiten gebruik gesteld, kan het op de herschatte waarde van dat activum nog af te schrijven saldo, onder eventuele aftrek van de realisatieprijs, slechts vrij van belasting worden afgeschreven tot aan de afsluiting van gezegd boekjaar.

  Art. 248. Met betrekking tot activa die in eigendom zijn opgeëist of ingevolge oorlogsfeiten zijn vernield, verloren of buiten gebruik gesteld, kan afschrijving van de herschatte waarde, onder aftrek van de opeisings- of herstelvergoedingen betreffende die activa, niet geschieden dan na definitieve vaststelling van het bedrag van gezegde vergoedingen.
  Met betrekking tot activa die ingevolge oorlogsfeiten zijn vernield, verloren of buiten gebruik gesteld, kan afschrijving van de herschatte waarde niettemin vrij van belasting voor de definitieve vaststelling van de herstelvergoeding geschieden, zo de belastingplichtige sedert de verkrijging van de voorwerpen die voor herschatting in aanmerking komen, regelmatig boekhoudt overeenkomstig het Wetboek van Koophandel.
  Die afschrijving dient te geschieden volgens de gebruikelijke jaarlijkse afschrijvingspercenten die in gewone omstandigheden voor activa van dezelfde aard toegepast worden. Bedoelde percenten worden in overleg tussen de belastingplichtige en de administratie der directe belastingen vastgesteld en bevestigd zoals bepaald is in artikel 245, derde lid.
  Wanneer de aldus gedane en aangenomen afschrijvingen meer bedragen dan het nadelig verschil tussen de herschatte waarde en de herstelvergoeding, of wanneer de herstelvergoeding gelijk is aan of meer bedraagt dan de herschatte waarde, is het gedeelte van de som van die afschrijvingen dat gezegd verschil overtreft, of de som van die afschrijvingen, een belastbaar inkomen van het jaar waarin het bedrag van de herstelvergoeding definitief is vastgesteld.

  Art. 249. De afschrijving van de nieuwe aanschaffings- of beleggingswaarde moet afzonderlijk in het passief van iedere jaarbalans voorkomen onder de rubriek "Afschrijving van de herschatte waarde van outillage en ermee gelijkgestelde nijverheidsgebouwen" of onder enige andere soortgelijke benaming.

  Art. 250. De afschrijving van de nieuwe aanschaffings- of beleggingswaarde wordt slechts vrij van inkomstenbelastingen toegestaan onder de uitdrukkelijke voorwaarde dat zij niet wordt gebruikt voor enigerlei opneming, uitkering of verdeling en niet tot grondslag dient voor de berekening van de jaarlijkse dotatie aan de wettelijke reserve of van enigerlei beloning of toekenning.

  Art. 251. De uit de herschatting van outillage of ermee gelijkgestelde nijverheidsgebouwen voortvloeiende meerwaarde is vrijgesteld van belasting onder de voorwaarden bepaald in artikel 190 van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992.
  Evenwel kunnen, bij vervreemding van overeenkomstig de artikelen 236 tot 250 van dit besluit herschatte activa, op aanvraag van de belastingplichtige of indien hij in gebreke blijft de nodige verduidelijkingen te verstrekken, voor de toepassing van artikel 44, § 1, van hetzelfde Wetboek, beschouwd worden als verkregen of tot stand gebracht op de normale datum van afsluiting van de laatste jaarbalans opgemaakt voor 31 december 1946 en voor een prijs gelijk aan de herschatte waarde.

  Art. 252. De herschatting van outillage en ermee gelijkgestelde nijverheidsgebouwen mag voor de berekening van de afschrijving slechts in aanmerking komen indien de belastingplichtige sedert de verkrijging van de voorwerpen die voor herschatting in aanmerking komen, regelmatig boekhoudt overeenkomstig het Wetboek van Koophandel.
  Mits bewijskrachtige bescheiden worden voorgelegd, zoals die welke gediend hebben voor de definitieve vaststelling van de opeisings- of herstelvergoedingen, is deze voorwaarde echter niet gesteld voor de toepassing van artikel 251 en van dit artikel met betrekking tot activa die in eigendom zijn opgeëist, of ingevolge oorlogsfeiten zijn vernield, verloren of buiten gebruik gesteld.

  Art. 253. Het koninklijk besluit van 12 oktober 1930, tot berekening van de afschrijvingen op een herschatte kostprijs inzake inkomstenbelastingen blijft van toepassing voor het vaststellen van de vrij van belasting aanvaardbare afschrijving op outillage en ermee gelijkgestelde nijverheidsgebouwen waarvan de kostprijs, herschat overeenkomstig het bepaalde in dat besluit en opgenomen in de balansen afgesloten sedert 1931, niet opnieuw herschat is overeenkomstig de artikelen 235 tot 252.

  Bijlagen.

  Art. N1. BIJLAGE I. (Afdeling I. - Maandelijkse referteïndexen voor hypothecaire leningen, toegestaan vanaf 1 januari 1995, waarin een veranderlijke rentevoet is bedongen. (Koninklijk besluit tot uitvoering van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992, artikel 18, § 3, 1, b, 3e lid).

  
PeriodeBelgisch     
 StaatsbladIndex AIndex BIndex CIndex DIndex E
-------------------------------------------------------------------------
Juli 199430.07.19945,9796,2956,6006,9377,165
Augustus 199431.08.19945,9586,5646,8497,1257,299
September 199430.09.19946,2936,8977,2257,4767,612
Oktober 199429.10.19946,3917,2077,5997,8497,960
November 199430.11.19946,0687,1777,5777,8507,941
December 199431.12.19945,9897,0557,3697,6757,773
[Januari 199531.01.19956,1537,1027,3607,6817,808
Februari 199528.02.19956,2347,1417,4097,7257,868
Maart 199531.03.19956,4547,1437,4177,6607,793
April 199529.04.19956,2106,9767,2427,4137,565
Mei 199531.05.19956,0476,6206,8917,0677,257
Juni 199530.06.19955,5336,0736,3506,5806,811
Juli 199529.07.19955,0575,6505,9316,2206,543
Augustus 199531.08.19954,8265,4425,7626,0626,467
September 199530.09.19954,6295,1595,5235,8276,273
Oktober 199531.10.19954,4604,8815,2595,5996,109
November 199530.11.19954,3454,6745,1105,4405,958
December 199531.12.19954,0764,4525,0085,3165,744]
<KB 1996-03-06/3 4, art. 4, 0 27; Inwerkingtreding : 01-01-199 5>
[januari 199631.01.19963,7824,1864,7905,1525,544
februari 199629.02.19963,4863,9214,5344,9775,347
maart 199630.03.19963,3344,0034,6435,1485,445
april 199630.04.19963,3564,1594,8215,3835,644
mei 199631.05.19963,3063,9904,6625,2575,540
juni 199629.06.19963,2663,8494,5175,1305,412
juli 199631.07.19964,4394,0574,6575,2955,544
augustus 199631.08.19963,5784,2034,7035,3705,612
september 199628.09.19963,4804,0204,4895,1855,442
oktober 199631.10.19963,2623,6954,1644,8995,151
november 199630.11.19963,1573,5573,9444,6694,905
december 199631.12.19963,1533,5973,9404,5494,770]
<KB 1997-03-17/3 1, art. 2, 0 36; Inwerkingtreding : 01-01-199 6>
[januari 199731.01.19973,1513,5523,9694,4654,790
februari 199728.02.19973,1153,4543,9374,3474,795
maart 199729.03.19973,2003,5303,9844,3084,719
april 199730.04.19983,3943,7454,1944,4974,871
mei 199731.05.19973,4203,7704,2524,5634,952
juni 199728.06.19973,3783,6824,1554,4644,682
juli 199731.07.19973,3763,6194,1084,3824,752
augustus 199730.08.19973,4783,6894,1804,3844,705
september 199730.09.19973,6973,9084,3704,5384,824
oktober 199731.10.19973,8664,0834,5234,6674,930
err.5.11.1997     
november 199729.11.19974,0744,3264,7344,8465,094
december 199731.12.19974,1694,4784,8084,9125,158]
<KB 1998-06-02/3 4, art. 2, 0 36; Inwerkingtreding : 0 1-01-1997 >
[januari 199831.01.19984,0194,3484,6024,7584,957
februari 199828.02.19983,8214,1504,3714,6024,733
maart 199831.03.19983,7334,0694,2634,4984,606
april 199830.04.19983,7774,0954,2644,4694,559
mei 199830.05.19983,8894,1824,3524,5404,616
juni 199830.06.19983,9324,1974,3714,5574,636
juli 199831.07.19983,8914,1294,2794,4484,535
augustus 199829.08.19983,8494,0694,1834,3344,424
september 199830.09.19983,7293,8583,9434,0734,159
october 199831.10.19983,5693,6103,6743,8023,884
november 199828.11.19983,4783,5123,5683,7323,840
december 199831.12.19983,3913,4163,4653,6453,800]
<KB 1999-04-21/36 , art. 2, 05 2; Inwerkingtreding : 01 -01-1998>
       
Gewijzigd bij :      
<KB 2000-04-25/32 , art. 2, Inwerkingtreding : 01-01- 1999; wijzigingen niet opgenomen om
  technische redenen, zie B.St. 09-05-20 00, p. 14 431>
<KB 2001-03-16/38 , art. 2, Inwerkingtreding : 01-01-2 000 ; wijzigingen niet opgenomen om
  technische redene , zie B.St. 10-04-20 01, p. 11 931 en p. 11932>
<KB 2002-03-08/33 , art. 2, Inwerkingtreding : 01-01- 2001; wijzigingen niet opgenomen om
  technische redenen, zie B.St. 19-03-20 02, p. 11 574>
<KB 2003-02-21/36 , art. 2, Inwerkingtreding : 01-01- 2002; wijzigingen niet opgenomen om
  technische redenen, zie B.St. 06-03-20 03, p. 11 050>


  (Afdeling II. -) Maandelijks lastenpercentage voor niet-hypothecaire leningen gesloten tijdens de jaren 1981 tot 1984 met een vaste looptijd van meer dan 60 maanden. (Koninklijk besluit tot uitvoering van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992, artikel 18, § 3, 1, c, 1°) <KB 1996-03-06/34, art. 4, 027; Inwerkingtreding : 01-01-1995>

  
[ Bedrag van de leningJaar waarin de leningsovereenkomst is gesloten
------------------------------------------------------------
 198119821983 en 1984
 ----------------------------------------
Tot 123,95 EUR1,051,191,16
van 123,96 EUR tot 371,84 EUR1,031,171,16
van 371,85 EUR tot 619,73 EUR0,961,101,08
van 619,74 EUR tot 1239,47 EUR0,921,061,05
van 1239,48 EUR tot 2478,94 EUR0,881,021,01
van 2478,75 EUR tot 3718,40 EUR0,861,000,99
van 3718,41 EUR tot 5577,60 EUR0,840,980,97
van 5577,61 EUR tot 7436,81 EUR0,830,970,96
van 7436,82 EUR tot 9915,74 EUR0,820,960,95
van 9915,75 EUR tot 14873,61 EUR0,810,950,94
meer dan 14873,61 EUR0,810,950,93 ]
<KB 2001-07-13/52, art. 6, 083 ; Inwerkingtreding : 01-01-2 002>


  (Afdeling III. - Forfaitair geraamd voordeel van alle aard voortvloeiend uit het persoonlijk gebruik van een kosteloos ter beschikking gesteld voertuig (artikel 18, § 3, punt 9, eerste lid, KB/WIB 92).) <KB 1998-12-07/36, art. 2, 046; Inwerkingtreding : 01-01-1997>

  
Belastbare kracht in PKVoordeel in EUR p er afgelegde kilometer
 --
 BasisbedragGeindexeerd bedrag
(1)(2)(3)
40,13800,1524
50,16200,1789
60,17900,1976
70,19800,2186
80,21600,2385
90,23500,2595
100,26000,2871
110,28500,3147
120,30200,3334
130,32100,3544
140,33300,3677
150,34700,3831
160,35700,3942
170,36400,4019
180,37300,4118
19 en meer0,38000,4196
120,30200,3269
130,32100,3475
140,33300,3604
150,34700,3756
160,35700,3864
170,36400,3940
180,37300,4037
19 en meer0,38000,4113]
<KB 2002-03-04/32, art. 1, 0 86; Inwerkingtreding : 01-01-2 002>


  <KB 2003-02-28/31, art. 1, 092; Inwerkingtreding : 01-01-2003>

  Art. N2. BIJLAGE II. Lijst van activa (die bedoeld zijn in artikel 69, § 1, eerste lid, 2°,) van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 en die dienen voor een rationeler energieverbruik, de verbetering van de industriële processen uit energetische overwegingen en de terugwinning van energie in de industrie. (Koninklijk besluit tot uitvoering van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992, artikel 49) <KB 2000-09-21/33, art. 6, 068; Inwerkingtreding : 01-01-1999>

  Art. 1N2. Categorie 1. - Doelmatiger isolatie van gebouwen opgericht voor 1 januari 1980.
  De volgende investeringen komen in aanmerking, mits materialen worden gebruikt waarvan de warmtegeleidbaarheid volgens de Belgische normen NBN van de reeks B 62 of volgens bijzondere Belgische normen of dito technische goedkeuringen, kleiner is dan of gelijk is aan 0,080 watt per meter en per Kelvin :
  a) opspuiten van spouwmuren met isolatiemateriaal;
  b) isoleren van buitenmuren, van buitendeuren en -poorten, van schuine of platte daken, van vloeren en muren die de scheiding vormen tussen een verwarmd en niet-verwarmd vertrek of van vloeren die de scheiding vormen tussen een verwarmd vertrek en de buitenlucht, met materiaal waarvan de thermische weerstand groter is dan of gelijk is aan 1,2 vierkante meter Kelvin per watt, evenals het aanbrengen van de nodige bescherming of van een bekleding om het isolatiemateriaal tegen het binnendringen van stof, lucht of waterdamp te beschermen, materiaal en loonkosten voor afwerking en versiering niet inbegrepen;
  c) vervangen van enkel vensterglas door dubbel of drievoudig vensterglas waarvan de warmtetransmissiecoëfficiënt k kleiner is dan of gelijk is aan 3,2 watt per vierkante meter en per Kelvin, evenals het aanpassen van de ramen of het vervangen ervan door houten of kunststoframen of door aluminiumramen met thermische onderbreking;
  d) plaatsen van voorzetramen in onbuigzaam materiaal met toebehoren.

  Art. 2N2. Categorie 2. - Beperking van energieverlies in bestaande broeikassen of bij de vervanging van oude door nieuwe broeikassen.
  De volgende investeringen komen in aanmerking (voor een aanschaffings- of beleggingswaarde waarin het bedrag van de loonkosten tot dat van de materiaalkosten wordt en, bij vervanging van oude door nieuwe broeikassen, voor een beglaasde oppervlakte die niet groter is dan die van de te vervangen broeikassen, noch groter dan die van de broeikassen die de belastingplichtige heeft aangegeven voor de land- en tuinbouwtelling van 15 mei van het jaar dat de oprichting van de nieuwe broeikassen voorafgaat) :
  a) plaatsen van dubbel glas of van glas waarvan het isolatievermogen is verhoogd door het aanbrengen van metaaloxydelagen met een laag emissievermogen;
  b) plaatsen van wegneembare schermen die een scheiding vormen tussen kweekruimte en dak.

  Art. 3N2. Categorie 3. - Terugwinnen van energie door het herinrichten van bestaande ruimteverwarmingssystemen in broeikassen opgericht voor 1 januari 1980.
  In aanmerking komen, de investeringen om de vaste verwarmingselementen langsheen de wanden of tussen kweekruimte en dak, in de onmiddellijke nabijheid van planten of wortels te brengen, evenals om kweektafelverwarming te plaatsen.

  Art. 4N2. Categorie 4. - Beperking van energieverlies door in gebruik zijnde apparaten, leidingen, afsluiters en kanalen te isoleren of in gebruik zijnde warme of koude vloeistofbaden af te dekken.
  Alleen investeringen komen in aanmerking waarbij isolatiemateriaal is gebruikt waarvan de warmtegeleidbaarheid volgens de Belgische normen NBN van de reeks B 62 of volgens bijzondere Belgische normen of dito technische goedkeuringen, kleiner is dan of gelijk is aan 0,080 watt per meter en per Kelvin.

  Art. 5N2. Categorie 5. - Beperking van energieverlies in bestaande ovens.
  Alleen investeringen voor het binnenin bijkomend isoleren van de ovens komen in aanmerking, waarbij het vervangen van vuurvaste bekleding als energiebesparend wordt geteld in verhouding tot de erdoor bekomen vermindering van warmteverlies.

  Art. 6N2. Categorie 6. - Beperking van ventilatieverlies in gebouwen opgericht voor 1 januari 1980.
  De volgende investeringen komen in aanmerking :
  a) aanbrengen van tochtsluizen, tochtgordijnen of automatisch sluitende deuren en poorten tussen de binnen- en buitenkant van het gebouw;
  b) aanbrengen van automatisch sluitende deuren tussen bestaande koel- of diepvrieskamers en de rest van het gebouw.

  Art. 7N2. Categorie 7. - Terugwinnen van afvalwarmte.
  De volgende investeringen komen in aanmerking wanneer zij het, in een bestaand systeem voor het bedrijf mogelijk maken eigen afvalwarmte op te vangen en aan derden te leveren of afvalwarmte van derden op te vangen :
  a) plaatsen van geïsoleerde leidingen en circulatiepompen voor het transport van de teruggewonnen warmte;
  b) plaatsen van geïsoleerde opslagvaten die uitsluitend dienen voor het tijdelijk opslaan van de teruggewonnen warmte;
  c) plaatsen van warmtewisselaars voor warmterecuperatie, toestellen om teruggewonnen warmte rechtstreeks aan te wenden niet inbegrepen.

  Art. 8N2. Categorie 8. - Terugwinnen van afvalwarmte van in gebruik zijnde produktie- of klimaatregelingsapparatuur.
  De volgende investeringen, andere dan het plaatsen van warmterecuperatoren van krachtopwekkingsinstallaties met stoom die een onderdeel vormen van de krachtopwekkingscyclus, komen in aanmerking wanneer zij niet nodig zijn voor het produktie- of klimaatregelingsproces :
  a) plaatsen van warmtewisselaars die nodig zijn om afvalwarmte terug te winnen, toestellen om teruggewonnen warmte rechtstreeks aan te wenden niet inbegrepen;
  b) aanbrengen van apparatuur voor :
  - het opnieuw in circulatie brengen van afvallucht of -vloeistof;
  - het terugwinnen van condensaat;
  c) plaatsen van :
  - naverdampingsvaten voor condensaat of spuiwater;
  - geïsoleerde opslagvaten die uitsluitend dienen voor het tijdelijk opslaan van teruggewonnen warmte;
  - geïsoleerde leidingen voor het transport van teruggewonnen warmte;
  - warmtepompen.

  Art. 9N2. Categorie 9. - Rendementsverhoging van in gebruik zijnde verbrandingsapparatuur.
  De volgende investeringen komen in aanmerking :
  a) aanbrengen van automatische brandstof- en luchtregelingen werkend op basis van de in de rookgassen gemeten O2 - of CO2 -concentraties of met behulp van een opacimeter;
  b) vervangen van atmosferische branders en van branders met ventilatoren door recuperatieve branders;
  c) plaatsen of verbeteren van schakel-, meet- of regelapparatuur.

  Art. 10N2. Categorie 10. - Aanwenden van expansieënergie die vrijkomt bij bestaande produktieprocessen of bij ontspanning van vloeistoffen onder druk gebracht voor transport.
  In aanmerking komen, de investeringen om bestaande installaties en systemen voor het aanwenden van die expansieënergie aan te passen door het plaatsen van :
  - tegendrukturbines;
  - stoommotoren;
  - expansieturbines;
  - generatoren, met inbegrip van snelheidsreductoren, waarin de opgewekte mechanische energie wordt omgezet in elektrische energie.

  Art. 11N2. Categorie 11. - Apparatuur waarin krachtopwekking en warmteproduktie zijn gecombineerd.
  De volgende investeringen komen in aanmerking, mits de gelijktijdig voortgebrachte kracht en warmte voor eigen behoeften worden aangewend en de produktie van elke energiesoort (kracht en warmte) gemiddeld ten minste 25 pct. bedraagt van het totaal ontwikkelde vermogen :
  a) plaatsen van krachtwerktuigen (gasturbines, gas-, diesel- en stoommotoren evenals stoomketels gecombineerd met tegendrukstoomturbines of aftapcondensatieturbines) waarin thermische energie wordt omgezet in mechanische energie;
  b) plaatsen van generatoren, met inbegrip van de snelheidsreductoren, waarin opgewekte mechanische energie wordt omgezet in elektrische energie;
  c) plaatsen van warmtewisselaars of recuperatiestookketels (met inbegrip van branders voor verhoging van de stoomproduktie) die met uitlaatgassen werken;
  d) plaatsen van warmtewisselaars voor het terugwinnen van de warmte van krachtwerktuigen;
  e) investeringen voor :
  - het opslaan van brandstof binnen de inrichting;
  - het transport van brandstoffen, verbrandingslucht, uitlaatgassen, koelwater, koellucht of ketelvoedingswater binnen de inrichting;
  f) het plaatsen van :
  - geluidsisolering;
  - rookgasreinigingsapparatuur;
  - apparatuur ter behandeling van ketelvoedingswater;
  - elektrotechnische apparatuur voor aansluiting op het interne elektriciteitsnet.

  Art. 12N2. Categorie 12. - Opvangen van directe of diffuse zonnestraling.
  Als investeringen komen in aanmerking, mits zij uitsluitend voor het opvangen van die zonnestraling dienen, het plaatsen van :
  a) zonnecollectoren;
  b) geïsoleerde opslagvaten, met inbegrip van de warmtewisselaars;
  c) circulatiepompen in de collectorkringlopen;
  d) beveiligingsapparatuur tegen bevriezing of oververhitting;
  e) apparatuur die met een fotovoltaïsch systeem zorgt voor rechtstreekse produktie van elektriciteit, met name :
  - foto-voltaïsche cellen;
  - spanningsregelaars;
  - ondulators en gelijkrichters;
  - batterijen voor het opslaan van de geproduceerde elektrische energie;
  - elektrotechnische uitrusting voor aansluiting op het interne elektriciteitsnet.

  Art. 13N2. Categorie 13. - Aanwenden van windenergie.
  Als investeringen komen in aanmerking, het plaatsen van :
  a) windturbines;
  b) spanningsregelaars;
  c) ondulators en gelijkrichters:
  d) batterijen voor het opslaan van de geproduceerde energie;
  e) generatoren en elektrotechnische uitrusting voor aansluiting op het interne elektriciteitsnet.

  Art. 14N2. Categorie 14. - Waterkrachtcentrales om energie voort te brengen met een vermogen van maximum 1 MW.
  Als investeringen komen in aanmerking het plaatsen, de nodige infrastructuurwerken daarin niet begrepen, van :
  a) turbines;
  b) spanningregelaars;
  c) ondulators en gelijkrichters;
  d) generatoren en elektrotechnische uitrusting voor de aansluiting op het interne elektriciteitsnet.

  Art. 15N2. Categorie 15. - Aanwenden van steenkool als brandstof.
  Met uitsluiting van investeringen om steenkool te gebruiken in krachtopwekkingscentrales die werken met stoomcondensatie, komen in aanmerking :
  1° de investeringen opgesomd in categorie 11, voor zover steenkool wordt aangewend voor de daar bedoelde warmte- en krachtopwekking;
  2° investeringen in :
  a) uitrusting, binnen de inrichting :
  - voor het opslaan, vermalen, drogen en transporteren van steenkool;
  - voor afvoer of verwerking van as of ander afval ontstaan bij het verbranden van steenkool in de inrichting;
  - voor de aansluiting op een bestaand warmtedistributienet;
  b) stookketels, met inbegrip van oververhitters, brandstofbespaarders en voorverwarmers van verbrandingslucht;
  c) rookgasreinigingsapparatuur en schoorstenen.

  Art. 16N2. Categorie 16. - Produktie van energie door verbranding van afvalstoffen.
  In aanmerking komen, de investeringen in :
  a) uitrusting, binnen de inrichting :
  - voor het bewerken, opslaan en transporteren van de te verbranden afvalstoffen;
  - voor as- of slakkenafvoer;
  b) verbrandingsapparaten en aangepaste branders of vuurhaarden;
  c) recuperatiestookketels aangesloten op verbrandingsapparaten;
  d) schoorstenen en apparatuur om rookgas te reinigen;
  e) warmtewisselaars;
  f) meet- of regelapparatuur.

  Art. 17N2. Categorie 17. - Aanwenden van gassen ontstaan uit anaërobe fermentatie van afval.
  In aanmerking komen, de investeringen in :
  a) uitrusting, binnen de inrichting, voor voorbewerking, opslag en transport van het afval;
  b) fermentatietanks, met inbegrip van materiaal en apparatuur om ze te isoleren en te verwarmen;
  c) gasopslagtanks;
  d) ketels, of het ombouwen ervan, om het gebruik van biogas mogelijk te maken;
  e) meet- of regelapparatuur;
  f) krachtwerktuigen om biogas te verbranden.

  Art. 18N2. Categorie 18. - Energiebesparend vervoer.
  In aanmerking komen, de investeringen, binnen de inrichting, in nieuwe los- en laadinrichtingen voor vervoer via spoor- of waterweg of in nieuwe uitrustingen voor aansluiting op het spoorwegnet.

  Art. 19N2. Categorie 19. - Verbetering van het energetisch rendement van in gebruik zijnde installaties.
  Als investeringen komen in aanmerking, het aanbrengen of verbeteren, uitsluitend met het oog op een betere controle van het energetisch rendement, van meet- en regelapparatuur.

  Art. 20N2. Categorie 20. - Verbetering van het energetisch rendement van bestaande verdampings- of distilliatietoestellen en stoomdistributienetten gebruikt bij produktieprocessen.
  In aanmerking komen, de investeringen :
  - in apparatuur voor thermocompressie of mechanische recompressie van stoom;
  - om het aantal verdampingstrappen te verhogen;
  - om in de distillatie-installaties het aantal droogplaten te verhogen of het refluxgehalte te verminderen;
  - om meet- of regelapparatuur te plaatsen of te verbeteren.

  Art. 21N2. Categorie 21. - Verbetering van het energetisch rendement van bestaande droogtoestellen gebruikt bij produktieprocessen.
  In aanmerking komen, de investeringen om :
  - systemen van indirect drogen te vervangen door systemen van direct drogen;
  - systemen voor mechanische voordroging toe te voegen;
  - de hoeveelheid drooglucht te regelen door het meten van de relatieve vochtigheid;
  - meet- en regelapparatuur te plaatsen of te verbeteren.

  Art. 22N2. Categorie 22. - Verbetering van het energetisch rendement van bestaande koel-, pasteurisatie- of sterilisatietoestellen gebruikt bij produktieprocessen.
  In aanmerking komen, de investeringen om :
  - meet- en regelapparatuur te plaatsen of te verbeteren;
  - toestellen te plaatsen waarmee omgekeerde osmose kan gerealiseerd worden.

  Art. 23N2. Categorie 23. - Verbetering van het rendement van bestaande toestellen van elektrochemische of elektrometallurgische aard gebruikt bij produktieprocessen.
  In aanmerking komen, de investeringen om :
  - nieuwe types van elektroden of membranen te plaatsen;
  - meet- en regelapparatuur te plaatsen.

  Art. 24N2. Categorie 24. - Energiebesparing bij vacuümpompen.
  In aanmerking komen de investeringen om vacuümstoomstraalpompen door vacuümpompen te vervangen.

  Art. 25N2. Categorie 25. - Regeling van de aandrijving van machines.
  In aanmerking komen, de investeringen voor het toevoegen van elektronische toerentalregelaars en van systemen voor automatisch stoppen waardoor nullastwerking van draaiende machines wordt vermeden.

  Art. N2bis. <Ingevoegd bij KB 2002-12-20/36, art. 1; Inwerkingtreding : 01-01-2004> Bijlage IIbis. Verplichte vermeldingen die moeten voorkomen op de factuur betreffende de uitgaven die in artikel 14524 van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 opgesomd zijn met het oog op een rationeler energiegebruik in een woning (KB/WIB 92, artikel 63.11).
  Maatregel 1 : Vervanging van oude stookketels
  A. Met betrekking tot de oude stookketels : de geregistreerde aannemer bevestigt dat hij de oude stookketel vervangt en vermeldt de beschikbare kenmerken van de oude stookketel (merk, type en serienummer van het toestel);
  B. Met betrekking tot de nieuwe verwarmingsinstallaties : de geregistreerde aannemer bevestigt dat op de nieuwe installaties bedoeld in artikel 63.11, § 1, 1°, tweede lid, KB/WIB 92 het EG-kenmerk is aangebracht en dat zij in overeenstemming zijn met het koninklijk besluit van 18 maart 1997 betreffende de rendementseisen voor nieuwe olie- en gasgestookte centrale verwarmingsketels.
  Bovendien bevestigt hij dat de schoorsteen in overeenstemming is met het nieuwe systeem van de verwarming.
  Voor de stookketels op hout bevestigt de geregistreerde aannemer dat :
  - deze stookketels beantwoorden aan de Europese norm EN 12809;
  - zij automatisch worden geladen en uitsluitend hout, niet behandeld samengedrukt hout of turf als brandstof gebruiken;
  - het rendement van de ketel bij nominaal nuttig vermogen ten minste 60 % bedraagt in overeenstemming met de rendementseisen die zijn opgenomen in de norm EN 303-5.
  Voor de warmtepompen bevestigt de geregistreerde aannemer dat de globale prestatiecoëfficiënt hoger is dan of gelijk is aan 3.
  Maatregel 2 : Installatie van een systeem van waterverwarming door middel van zonne-energie
  De geregistreerde aannemer bevestigt dat :
  - de oriëntatie van de panelen tussen het oosten en het westen ligt via het zuiden;
  - de hellingshoek van de vaste panelen tussen 0 en 60° ten opzichte van de horizon ligt;
  - de aangewende techniek toelaat om een eventueel probleem van legionellose te vermijden.
  Maatregel 3 : Plaatsing van zonnecelpanelen voor het omzetten van zonne-energie in elektrische energie
  De geregistreerde aannemer bevestigt dat :
  a) de kenmerken van de modules beantwoorden aan de volgende vereisten :
  - voor " kristallijne modellen ", wordt de norm IEC 61215 vereist, alsook een minimum rendement van 12 %;
  voor de " dunne-filmmodules " wordt de norm IEC 61646 vereist, alsook een minimum rendement van 7 %;
  b) het minimum rendement voor de omvormers hoger ligt dan 88 % voor de autonome systemen en 91 % voor de netgekoppelde systemen;
  c) de oriëntatie van de panelen tussen het oosten en het westen ligt via het zuiden en dat de hellingshoek van de vaste panelen tussen 0 en 60° ten opzichte van de horizon ligt.
  Maatregel 4 : Plaatsing van dubbele beglazing
  De geregistreerde aannemer bevestigt dat de globale geleidingscoëfficiënt K van het venster (raamwerk + beglazing), berekend volgens de vereenvoudigde formules van de geldende norm (NBN B 62), lager ligt dan of gelijk is aan 2,0 watt per vierkante meter Kelvin.
  Maatregel 5 : Isolatie van daken
  De geregistreerde aannemer bevestigt dat het gebruikte isolatiemateriaal een thermische weerstand R heeft die gelijk is aan of groter dan 2,5 vierkante meter Kelvin per watt.
  Maatregel 6 : Plaatsing van een warmteregeling van een installatie van centrale verwarming door middel van thermostatische kranen of door een kamerthermostaat met tijdsinschakeling
  De geregistreerde aannemer bevestigt dat hij thermostatische kranen of een klokthermostaat, eventueel met inbegrip van een externe sonde, heeft geplaatst met het oog op de warmteregeling van een installatie van centrale verwarming.
  Wanneer in de woning noch thermostatische kranen noch een warmteregeling aanwezig zijn, bevestigt de geregistreerde aannemer, bij de plaatsing ervan, dat de twee soorten werken zijn uitgevoerd.

  Art. N3.(Opgeheven en vervangen door <KB 2001-11-21/33, art. 1, 084; Inwerkingtreding : 01-01-2002>; voor de tekst, zie 2001-11-21/49)
  (Vervangen door KB 2001-11-21/33, art. 2; Inwerkingtreding : 01-04-2002; voor de tekst, zie 2001-11-21/50)
  (Vervangen door KB 2002-06-19/36, art. 1; Inwerkingtreding : 01-10-2002; voor de tekst, zie 2002-06-19/38)
  (Vervangen door KB 2002-10-25/31, art. 1; Inwerkingtreding : 01-01-2003; voor de tekst, zie 2002-10-25/45 en gewijzigd door KB 2002-12-12/40, art.1; Inwerkingtreding : 01-01-2003)
  (Gewijzigd door KB 2003-01-09/41, art. 1; Inwerkingtreding : 15-02-2003; voor de tekst, zie 2002-10-25/45)
  (Gewijzigd bij KB 2005-06-28/30, art. 1; Inwerkingtreding : 01-07-2005; voor de tekst, zie 2004-11-26/34)
  (Gewijzigd bij KB 2005-07-12/30, art. 1; Inwerkingtreding : 01-07-2005; voor de tekst, zie 2004-11-26/34)
  (Gewijzigd bij KB 2005-07-20/67, art. 1; Inwerkingtreding : 01-01-2006; voor de tekst, zie 2004-11-26/34)
  (Gewijzigd bij KB 2006-02-02/32, art. 1; Inwerkingtreding : 01-01-2006; voor de tekst, zie 2005-12-15/40)
  (Gewijzigd bij KB 2006-12-18/32, art. 1; Inwerkingtreding : 01-01-2007; voor de tekst, zie 2006-12-18/32)
  (Gewijzigd bij KB 2007-04-21/34, art. 1; Inwerkingtreding : 01-01-2007; voor de tekst, zie 2007-04-21/34)
  (Gewijzigd bij KB 2008-09-09/31, art. 1; Inwerkingtreding : 01-10-2008; voor de tekst, zie 2008-09-09/31)
  (Gewijzigd bij KB 2010-04-06/01, art. 1; Inwerkingtreding : 01-05-2010; voor de tekst, zie 2010-04-06/01)
  (Gewijzigd bij KB 2010-07-02/01, art. 1; Inwerkingtreding : 01-01-2010; voor de tekst; zie 2009-12-03/10)
  (Gewijzigd bij KB 2010-12-01/02, art. 2; Inwerkingtreding : 01-01-2011; voor de tekst; zie VARIA 2009-12-03/10>
  (Gewijzigd bij KB 2012-06-06/01, art. 1; Inwerkingtreding : 01-07-2012; voor de tekst ; zie VARIA 2011-03-15/01>
  (Gewijzigd bij KB 2012-12-11/02, art. 1; Inwerkingtreding : 01-01-2013; voor de tekst, zie VARIA 2012-12-11/03>

  Art. N4. BIJLAGE IV. <KB 1994-08-12/48, art. 13, 006; Inwerkingtreding : 10-09-1994>itvoering van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992, artikel 183)

  Art. 1N4. Tabel 1. Directie Antwerpen I.

  
Benaming van de commissieAmbtsgebied van de commissie
AntwerpenAntwerpen
Sint-NiklaasBeveren, Hamme, Kruibeke, Sint-Gillis-Waas,
 Sint-Niklaas, Stekene, Temse, Waasmunster en
 Zwijndrecht



  Art. 2N4. Tabel 2. Directie Antwerpen II.

  
BenamingAmbtsgebied
BoomAartselaar, Boechout, Boom, Bornem, Borsbeek,
 Edegem, Hemiksem, Hove, Kontich, Lint,
 Mortsel, Niel, Puurs, Rumst, Schelle,
 Schilde, Sint-Amands, Wijnegem, Willebroek
 en Wommelgem
HerentalsBalen, Beerse, Dessel, Geel, Herentals,
 Herenthout, Herselt, Laakdal, Lille, Malle,
 Meerhout, Mol, Olen, Schoten, Vorselaar,
 Westerlo en Zoersel
MechelenBerlaar, Bonheiden, Duffel, Grobbendonk,
 Heist-op-den-Berg, Hulshout, Lier, Mechelen,
 Nijlen, Putte, Ranst, Sint-Katelijne-Waver
 en Zandhoven
TurnhoutArendonk, Baarle-Hertog, Brasschaat, Brecht,
 Essen, Hoogstraten, Kalmthout, Kapellen,
 Kasterlee, Merksplas, Oud-Turnhout, Ravels,
 Retie, Rijkevorsel, Stabroek, Turnhout,
 Vosselaar en Wuustwezel



  Art. 3N4. Tabel 3. Directie Brussel I.

  
Benaming van de commissieAmbtsgebied van de commissie
BrusselBrussel
ElseneElsene
VorstEtterbeek, Sint-Gillis en Vorst
UkkelUkkel



  Art. 4N4. Tabel 4. Directie Brussel II.

  
BenamingAmbtsgebied
SchaarbeekEvere, Schaarbeek en Sint-Joost-ten-Node
Commissie I 
SchaarbeekBever, Drogenbos, Ganshoren, Jette,
Commisie IIKoekelberg, Kraainem, Linkebeek,
 Sint-Agatha-Berchem, Sint-Genesius-Rode,
 Wemmel en Wezembeek-Oppem
Sint-Jans-MolenbeekAnderlecht en Sint-Jans-Molenbeek
WoluweOudergem, Sint-Lambrechts-Woluwe,
 Sint-Pieters-Woluwe en Watermaal-Bosvoorde



  Art. 5N4. Tabel 5. Directie Leuven.

  
BenamingAmbtsgebied
HalleBeersel, Dilbeek, Galmaarden, Gooik, Halle,
 Herne, Lennik, Pepingen, Roosdaal en
 Sint-Pieters-Leeuw
LeuvenBertem, Boortmeerbeek, Haacht, Hoeilaart,
 Huldenberg, Kampenhout, Keerbergen, Leuven,
 Overijse en Tervuren
TienenAarschot, Begijnendijk, Bekkevoort, Bierbeek,
 Boutersem, Diest, Geetbets, Glabbeek,
 Herent, Hoegaarden, Holsbeek, Kortenaken,
 Landen, Linter, Lubbeek, Oud-Heverlee,
 Rotselaar, Scherpenheuvel-Zichem,
 Tielt-Winge, Tienen, Tremelo en Zoutleeuw
VilvoordeAffligem, Asse, Grimbergen,
 Kapelle-op-den-Bos, Kortenberg, Liedekerke,
 Londerzeel, Machelen, eise, Merchtem,
 Opwijk, Steenokkerzeel, Ternat, Vilvoorde,
 Zaventem en Zemst



  Art. 6N4. Tabel 6. Directie Brugge.

  
BenamingAmbtsgebied
BruggeBeernem, Brugge, Damme, Jabbeke, Oostkamp,
 Zedelgem en Zuienkerke
IeperAlveringem, Heuvelland, Hooglede, Ieper,
 Langemark-Poelkapelle, Menen, Mesen,
 Moorslede, Poperinge, Vleteren, Wervik,
 Wevelgem en Zonnebeke
KortrijkAnzegem, Avelgem, Deerlijk, Kortrijk, Kuurne,
 Ledegem, Spiere-Helkijn, Waregem en
 Zwevegem
OostendeBredene, Gistel, Middelkerke, Oostende en
Commissie IOudenburg
OostendeBlankenberge, De Haan, De Panne, Diksmuide,
Commissie IIHouthulst, Ichtegem, Knokke-Heist,
 Koekelare, Koksijde, Kortemark, Lichtervelde,
 Lo-Reninge, Nieuwpoort, Torhout en Veurne
RoeselareArdooie, Dentergem, Harelbeke, Ingelmunster,
 Ingelmunster, Izegem, Lendelede, Meulebeke,
 Oostrozebeke, Pittem, Roeselare, Ruiselede,
 Staden, Tielt, Wielsbeke en Wingene



  Art. 7N4. Tabel 7. Directie Gent.

  
BenamingAmbtsgebied
AalstAalst, Denderleeuw, Erpe-Mere, Haaltert en
 Ninove
DendermondeBerlare, Buggenhout, Dendermonde, Laarne,
 Lebbeke, Lede, Lokeren, Melle, Merelbeke,
 Wetteren, Wichelen en Zele
GentGent
Commissie I 
GentAalter, Assenede, De Pinte, Destelbergen,
Commissie IIEeklo, Evergem, Kaprijke, Knesselare,
 Lochristi, Lovendegem, Maldegem, Moerbeke,
 Nazareth, Nevele, Sint-Laureins,
 Sint-Martens-Latem, Waarschoot, Wachtebeke,
 Zelzate en Zomergem
OudenaardeBrakel, Deinze, Gavere, Geraardsbergen,
 Herzele, Horebeke, Kluisbergen,
 Kruishoutem, Lierde, Maarkedal, Oosterzele,
 Oudenaarde, Ronse, Sint-Lievens-Houtem,
 Wortegem-Petegem, Zingem, Zottegem, Zulte
 en Zwalm



  Art. 8N4. Tabel 8. Directie Charleroi.

  
BenamingAmbtsgebied
CharleroiAnderlues, Beaumont, Binche,
Commissie IChapelle-lez-Herlaimont, Charleroi, Chimay,
 Erquelinnes, Estinnes, Fontaine-l'Eveque,
 Froidchapelle, Gerpinnes,
 Ham-sur-Heure-Nalinnes, Lobbes,
 Merbes-le-Chateau, Momignies,
 Montigny-le-Tilleul, Morlanwelz, Sivry-Rance
 en Thuin
CharleroiAiseau-Presles, Chatelet, Courcelles,
Commissie IIFarciennes, Fleurus, Les Bons Villers en
 Pont-a-Celles
La LouviereLa Louviere, Le Roeulx, Manage en Seneffe



  Art. 9N4. Tabel 9. Directie Bergen.

  
BenamingAmbtsgebied
AatAat, Beloeil, Bernissart, Brugelette,
 Chievres, Colfontaine, Dour, Edingen,
 Elzele, Hensies, Honnelles, Jurbeke, Lens,
 Lessen, Opzullik, Peruwelz, Quievrain,
 Saint-Ghislain en Vloesberg
BergenBergen, Boussu, Ecaussinnes, Frameries,
 Quaregnon, Quevy, 's-Gravenbrakel en Zinnik
DoornikAntoing, Brunehaut, Celles, Doornik,
 Estaimpuis, Frasnes-lez-Anvaing,
 Komen-Waasten, Leuze-en-Hainaut, Moeskroen,
 Mont-de-l'Enclus, Pecq en Rumes



  Art. 10N4. Tabel 10. - Directie Luik.

  
BenamingAmbtsgebied
HoeiAmay, Anthisnes, Aywaille, Berloz, Borgworm,
 Braives, Burdinne, Clavier, Comblain-au-Pont,
 Crisnee, Donceel, Engis, Esneux, Faimes,
 Ferrieres, Fexhe-le-Haut-Clocher,
 Flemalle, Geer, Grace-Hollogne, Hamoir,
 Hannuit, Heron, Hoei, Lierneux, Lincent,
 Marchin, Modave, Nandrin, Neupre, Oreye,
 Ouffet, Remicourt, Saint-Georges-sur-Meuse,
 Saint-Nicolas, Sprimont, Stoumont, Tinlot,
 Verlaine, Villers-le-Bouillet, Wanze en
 Wasseiges
LuikLuik
Commissie I 
LuikAns, Awans, Beyne-Heusay, Bitsingen, Blegny,
Commissie IIChaudfontaine, Dalhem, Fleron, Herstal,
 Juprelle, Olne, Oupeye, Seraing, Soumagne,
 Trooz en Wezet
Sankt VithAmel, Bullingen, Burg-Reuland, Butgenbach,
 Eupen, Kelmis, Lontzen, Raeren en Sankt-Vith
VerviersAubel, Baelen, Dison, Herve, Jalhay,
 Limbourg, Malmedy, Pepinster, Plombieres,
 Spa, Stavelot, Theux, Thimister-Clermont,
 Trois-Ponts, Verviers, Waimes en
 Welkenraedt



  Art. 11N4. Tabel 11. - Directie Hasselt.

  
BenamingAmbtsgebied
HasseltBeringen, Bocholt, Bree, Diepenbeek, Ham,
 Hamont-Achel, Hasselt, Hechtel-Eksel,
 Heusden-Zolder, Houthalen-Helchteren,
 Leopoldsburg, Lommel, Lummen,
 Meeuwen-Gruitrode, Neerpelt, Overpelt, Peer,
 Tessenderlo en Zonhoven
TongerenAlken, As, Bilzen, Borgloon, Dilsen, Genk,
 Gingelom, Halen, Heers, Herk-de-Stad,
 Herstappe, Hoeselt, Kinrooi, Kortessem,
 Lanaken, Maaseik, Maasmechelen,
 Nieuwerkerken, Opglabbeek, Riemst,
 Sint-Truiden, Tongeren, Voeren, Wellen en
 Zutendaal



  Art. 12N4. Tabel 12. - Directie Aarlen.

  
BenamingAmbtsgebied
AarlenAarlen, Attert, Aubange, Bertrix, Bouillon,
 Chiny, Etalle, Florenville, Habay,
 Herbeumont, Leglise, Meix-devant-Virton,
 Messancy, Musson, Neufchateau, Paliseul,
 Rouvroy, Saint-Leger, Tintigny en Virton
Marche-en-FamenneBastenaken, Bertogne, Daverdisse, Durbuy,
 Erezee, Fauvillers, Gouvy, Hotton,
 Houffalize, La Roche-en-Ardenne, Libin,
 Libramont-Chevigny, Manhay,
 Marche-en-Famenne, Martelange, Nassogne,
 Rendeux, Sainte-Ode, Saint-Hubert, Tellin,
 Tenneville, Vaux-sur-Sure, Vielsalm en
 Wellin



  Art. 13N4. Tabel 13. - Directie Namen.

  
BenamingAmbtsgebied
NamenAndenne, Anhee, Assesse, Beauraing, Bievre,
 Ciney, Dinant, Eghezee, Fernelmont, Gedinne,
 Gesves, Hamois, Hastiere, Havelange, Houyet,
 La Bruyere, Namen, Ohey, Onhaye,
 Profondeville, Rochefort, Somme-Leuze,
 Vresse-sur-Semois en Yvoir
NijvelCerfontaine, Couvin, Doische, Eigenbrakel,
 Floreffe, Florennes, Fosses-la-Ville,
 Genepien, Ittre, Kasteelbrakel, Mettet,
 Nijvel, Philippeville, Rebecq, Tubeke,
 Viroinval, Walcourt en Waterloo
WaverBevekom, Chastre, Chaumont-Gistoux,
 Court-Saint-Etienne, Geldenaken, Gembloux,
 Graven, Helecine, Incourt,
 Jemeppe-sur-Sambre, Lasne,
 Mont-Saint-Guibert, Orp-Jauche,
 Ottignies-Louvain-la-Neuve, Perwijs,
 Ramillies, Rixensart, Sambreville,
 Sombreffe, Terhulpen, Villers-la-Ville,
 Walhain en Waver



  Art. N5. BIJLAGE V. Rentevoeten die in aanmerking komen voor de vaststelling van de als beroepskosten aftrekbare interesten van obligaties, leningen, schulden, deposito's en andere effecten ter vertegenwoordiging van leningen. (Koninklijk besluit tot uitvoering van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992, artikel 29)
  (Opgeheven) <KB 1993-10-22/33, art. 15; ED 01-01-1992; Voor de tekst, zie B.St. 13-09-1993, p. 20280-20285>

  OVEREENSTEMMINGSTABELLEN.

  Art. N6. DEEL I. KB/WIB en andere bepalingen -- KB/WIB 92.

  
Artikel KB/WIBArtikel KB/WIB 92
11
1bis3
24
35
3bis2
422
523
624
725
826
927
9bis--
9ter--
9quater18
1019
1120
1221
12bis44
12ter45
12quater46
12quinquies--
12sexies47
12septies49
12octies48
12novies--
136
13bis7
13ter8
13quater9
13quinquies10
13sexies11
13septies--
1417
14bis30
14ter31
14quater32
14quinquies33
14sexies--
15235
16236
17237
18238
19239
20240
21241
22242
23243
24244
25245
26246
27247
28248
29249
30250
31251
32252
33253
33bis--
33ter--
33quater--
33quinquies34
33sexies35
3436
3537
3638
3739
3840
3941
4042
4143
4229
4328
4450
4551
4652
4753
47bis54
47ter57
47quater59
47quinquies58
47quinquies/160
47sexies55
47septies62
47octies56
47novies63
48--
48bis64
4965
49bis66
49ter--
5067
5168
5269
5370
5471
5572
56--
5773
57bis--
58--
59--
60--
61--
62--
63--
64--
64bis--
64ter12
64quater13
64quinquies14
64sexies15
64septies16
64octies--
6574
6675
6776
6877
6978
69bis79
70--
71102
72103
73104
7480
7581
7682
77--
78--
7996
8097
8198
8299
83100
84--
85--
86101
87105
88106
89107
89bis108
90109
91110
92111
93112
94113
95114
96115
96bis116
97117
97bis118
97ter119
9883
9984
10085
101--
102--
103--
104--
105--
106--
107--
108--
109--
110--
111--
11286
11387
11488
11589
11690
116bis--
11791
11892
11993
12094
121--
122--
123--
12495
125120
126--
127--
128--
129--
130--
131--
132121
133122
134--
135--
136--
137123
138124
139--
140--
141125
142126
143127
144178
145--
145bis179
146182
147183
148184
149185
150186
151187
152188
153189
154190
155191
156192
157193
158194
159195
160196
161197
162198
163199
164200
164bis201
165202
166203
167204
168205
169--
170206
170bis177
171128
172129
173130
174131
175132
176133
177134
178135
179--
180136
181137
182138
183139
184140
185141
186142
187143
188144
189--
190--
191--
192--
193--
194145
195146
196147
197148
198149
199150
200151
201152
202153
203154
204--
205155
206156
207157
208158
209159
210160
211161
212162
213163
214--
215164
216165
217--
217bis166
218167
219--
220168
221169
222170
223171
224172
225173
226174
227175
227bis207
227ter208
227quater209
227quinquies210
228211
229212
230213
231214
232215
233216
234217
235218
236219
237220
237bis221
237ter222
237quater223
237quinquies224
238176
238bis225
238ter226
238quater227
238quinquies228
238sexies229
239230
240231
241232
242233
243--
244--
245--
246--
247--
247bis234
247ter--
247quater--
247quinquies--
247sexies--
247septies--
247octies--
247nonies--
248--
249--
250--



  
Bijlage KB/WIBBijlage KB/WIB 92
I---
IIV
IIIIII
IV---
VIV
VII
VII---
VIII---
IX---
XII



  
Andere bepalingenArtikel KB/WIB 92
KB 17.1.1989, art.16 1
KB 17.4.199048 (4, 5)
KB 6.2.1989, art. 1180
KB 6.2.1989, art. 2181



  Art. N7. DEEL II. KB/WIB 92 -- KB/WIB en andere bepalingen.

  
KB/WIB 92KB/WIBAndere bepalingen
11 
23bis 
31bis 
42 
53 
613 
713bis 
813ter 
913quater 
1013quinquies 
1113sexies 
1264ter 
1364quater 
1464quinquies 
1564sexies 
1664septies 
1714 
189quater 
1910 
2011 
2112 
224 
235 
246 
257 
268 
279 
2843 
2942 
3014bis 
3114ter 
3214quater 
3314quinquies 
3433quinquies 
3533sexies 
3634 
3735 
3836 
3937 
4038 
4139 
4240 
4341 
4412bis 
4512ter 
4612quater 
4712sexies 
4812octiesKB 17.4.1990
4912septies 
5044 
5145 
5246 
5347 
5447bis 
5547sexies 
5647octies 
5747ter 
5847quinquies 
5947quater 
6047quinquies/1 
61 KB 17.1.1989, art. 1
6247septies 
6347novies 
6448bis 
6549 
6649bis 
6750 
6851 
6952 
7053 
7154 
7255 
7357 
7465 
7566 
7667 
7768 
7869 
7969bis 
8074 
8175 
8276 
8398 
8499 
85100 
86112 
87113 
88114 
89115 
90116 
91117 
92118 
93119 
94120 
95124 
9679 
9780 
9881 
9982 
10083 
10186 
10271 
10372 
10473 
10587 
10688 
10789 
10889bis 
10990 
11091 
11192 
11293 
11394 
11495 
11596 
11696bis 
11797 
11897bis 
11997ter 
120125 
121132 
122133 
123137 
124138 
125141 
126142 
127143 
128171 
129172 
130173 
131174 
132175 
133176 
134177 
135178 
136180 
137181 
138182 
139183 
140184 
141185 
142186 
143187 
144188 
145194 
146195 
147196 
148197 
149198 
150199 
151200 
152201 
153202 
154203 
155205 
156206 
157207 
158208 
159209 
160210 
161211 
162212 
163213 
164215 
165216 
166217bis 
167218 
168220 
169221 
170222 
171223 
172224 
173225 
174226 
175227 
176238 
177170bis 
178144 
179145bis 
180 KB 6.2.1989, art. 1
181 KB 6.2.1989, art. 2
182146 
183147 
184148 
185149 
186150 
187151 
188152 
189153 
190154 
191155 
192156 
193157 
194158 
195159 
196160 
197161 
198162 
199163 
200164 
201164bis 
202165 
203166 
204167 
205168 
206170 
207227bis 
208227ter 
209227quater 
210227quinquies 
211228 
212229 
213230 
214231 
215232 
216233 
217234 
218235 
219236 
220237 
221237bis 
222237ter 
223237quater 
224237quinquies 
225238bis 
226238ter 
227238quater 
228238quinquies 
229238sexies 
230239 
231240 
232241 
233242 
234247bis 
23515 
23616 
23717 
23818 
23919 
24020 
24121 
24222 
24323 
24424 
24525 
24626 
24727 
24828 
24929 
25030 
25131 
25232 
25333



  
Bijlage KB/WIB 92Bijlage KB/WIB
IVI
IIX
IIIIII
IVV
VII


Wijziging(en) Tekst Inhoudstafel Begin
originele versie
  • KONINKLIJK BESLUIT VAN 27-09-2020 GEPUBL. OP 02-10-2020
    (GEWIJZIGD ART. : N)
  • originele versie
  • KONINKLIJK BESLUIT VAN 09-07-2020 GEPUBL. OP 15-07-2020
    (GEWIJZIGD ART. : N3)
  • originele versie
  • KONINKLIJK BESLUIT VAN 22-06-2020 GEPUBL. OP 26-06-2020
    (GEWIJZIGDE ART. : 210ter; 233; 210bis)
  • originele versie
  • WET VAN 29-05-2020 GEPUBL. OP 11-06-2020
    (GEWIJZIGD ART. : N3)
  • originele versie
  • KONINKLIJK BESLUIT VAN 20-05-2020 GEPUBL. OP 04-06-2020
    (GEWIJZIGD ART. : 229/6)
  • originele versie
  • KONINKLIJK BESLUIT VAN 18-05-2020 GEPUBL. OP 26-05-2020
    (GEWIJZIGD ART. : N3)
  • originele versie
  • KONINKLIJK BESLUIT VAN 24-04-2020 GEPUBL. OP 30-04-2020
    (GEWIJZIGD ART. : 954/1)
  • originele versie
  • KONINKLIJK BESLUIT VAN 27-03-2020 GEPUBL. OP 03-04-2020
    (GEWIJZIGD ART. : 105)
  • originele versie
  • KONINKLIJK BESLUIT VAN 15-03-2020 GEPUBL. OP 23-03-2020
    (GEWIJZIGD ART. : 1)
  • originele versie
  • KONINKLIJK BESLUIT VAN 17-02-2020 GEPUBL. OP 21-02-2020
    (GEWIJZIGD ART. : 18)
  • originele versie
  • KONINKLIJK BESLUIT VAN 20-01-2020 GEPUBL. OP 28-01-2020
    (GEWIJZIGD ART. : 73.4quater/3)
  • originele versie
  • KONINKLIJK BESLUIT VAN 20-12-2019 GEPUBL. OP 27-12-2019
    (GEWIJZIGDE ART. : 73.4/8-4/12; 73.4quater/1)
  • originele versie
  • KONINKLIJK BESLUIT VAN 20-12-2019 GEPUBL. OP 24-12-2019
    (GEWIJZIGD ART. : 207-209)
  • originele versie
  • KONINKLIJK BESLUIT VAN 09-12-2019 GEPUBL. OP 20-12-2019
    (GEWIJZIGDE ART. : 74; 74/1; 74/2; 75; 76; 77; 77/1; 77bis; 78; 79)
  • originele versie
  • KONINKLIJK BESLUIT VAN 11-12-2019 GEPUBL. OP 20-12-2019
    (GEWIJZIGD ART. : N3)
  • originele versie
  • KONINKLIJK BESLUIT VAN 09-12-2019 GEPUBL. OP 16-12-2019
    (GEWIJZIGDE ART. : 139; 146-147; 148-163; 167-171; 172-175; 177; 210; 233)
  • originele versie
  • KONINKLIJK BESLUIT VAN 03-12-2019 GEPUBL. OP 11-12-2019
    (GEWIJZIGD ART. : 18)
  • originele versie
  • KONINKLIJK BESLUIT VAN 03-10-2019 GEPUBL. OP 30-10-2019
    (GEWIJZIGDE ART. : 27/1; 74; 110)
  • originele versie
  • KONINKLIJK BESLUIT VAN 14-10-2019 GEPUBL. OP 28-10-2019
    (GEWIJZIGD ART. : 181/1)
  • originele versie
  • KONINKLIJK BESLUIT VAN 02-10-2019 GEPUBL. OP 17-10-2019
    (GEWIJZIGDE ART. : 73.4quater/1; 73.4quater/2)
  • originele versie
  • KONINKLIJK BESLUIT VAN 11-09-2019 GEPUBL. OP 25-09-2019
    (GEWIJZIGDE ART. : 136/1; 136/2)
  • originele versie
  • KONINKLIJK BESLUIT VAN 23-06-2019 GEPUBL. OP 25-09-2019
    (GEWIJZIGDE ART. : 136/1; 136/2)
  • originele versie
  • KONINKLIJK BESLUIT VAN 05-09-2019 GEPUBL. OP 17-09-2019
    (GEWIJZIGD ART. : 19)
  • originele versie
  • KONINKLIJK BESLUIT VAN 29-08-2019 GEPUBL. OP 16-09-2019
    (GEWIJZIGD ART. : N3)
  • originele versie
  • KONINKLIJK BESLUIT VAN 29-08-2019 GEPUBL. OP 13-09-2019
    (GEWIJZIGDE ART. : 3; 12; 15; 16; 35; 53; 63.6; 73.4/2; 73.4septies; 73.7; 74; 87; 95.2; 101bis; 106; ; 107; 111bis; 117; 180; 220; N3. N3ter)
  • originele versie
  • KONINKLIJK BESLUIT VAN 29-07-2019 GEPUBL. OP 26-08-2019
    (GEWIJZIGD ART. : 182)
  • originele versie
  • KONINKLIJK BESLUIT VAN 16-07-2019 GEPUBL. OP 29-07-2019
    (GEWIJZIGD ART. : 63.18/17)
  • originele versie
  • KONINKLIJK BESLUIT VAN 28-06-2019 GEPUBL. OP 12-07-2019
    (GEWIJZIGD ART. : 63.18/18)
  • originele versie
  • KONINKLIJK BESLUIT VAN 03-07-2019 GEPUBL. OP 12-07-2019
    (GEWIJZIGDE ART. : 53/2; 53/3; 86; 87; 92/1)
  • originele versie
  • KONINKLIJK BESLUIT VAN 28-06-2019 GEPUBL. OP 08-07-2019
    (GEWIJZIGDE ART. : 2bis; 63.5; 63.12/1; 63.12/2; 63.12/3)
  • originele versie
  • KONINKLIJK BESLUIT VAN 13-06-2019 GEPUBL. OP 04-07-2019
    (GEWIJZIGD ART. : 46quater)
  • originele versie
  • KONINKLIJK BESLUIT VAN 06-06-2019 GEPUBL. OP 19-06-2019
    (GEWIJZIGD ART. : N3)
  • originele versie
  • KONINKLIJK BESLUIT VAN 06-06-2019 GEPUBL. OP 14-06-2019
    (GEWIJZIGD ART. : 79/1-79/2)
  • originele versie
  • WET VAN 02-05-2019 GEPUBL. OP 15-05-2019
    (GEWIJZIGD ART. : 951)
  • originele versie
  • KONINKLIJK BESLUIT VAN 02-05-2019 GEPUBL. OP 14-05-2019
    (GEWIJZIGD ART. : 63/18/16)
  • originele versie
  • KONINKLIJK BESLUIT VAN 02-05-2019 GEPUBL. OP 13-05-2019
    (GEWIJZIGD ART. : 63.1/1)
  • originele versie
  • KONINKLIJK BESLUIT VAN 28-04-2019 GEPUBL. OP 09-05-2019
    (GEWIJZIGD ART. : 204)
  • originele versie
  • KONINKLIJK BESLUIT VAN 13-04-2019 GEPUBL. OP 09-05-2019
    (GEWIJZIGDE ART. : 90; 95.2; 95.5; 95.6; N3)
  • originele versie
  • KONINKLIJK BESLUIT VAN 28-04-2019 GEPUBL. OP 09-05-2019
    (GEWIJZIGDE ART. : 123; 178/2; 206/1)
  • originele versie
  • KONINKLIJK BESLUIT VAN 22-04-2019 GEPUBL. OP 07-05-2019
    (GEWIJZIGDE ART. : 1bis; 105; 107)
  • originele versie
  • KONINKLIJK BESLUIT VAN 13-04-2019 GEPUBL. OP 03-05-2019
    (GEWIJZIGDE ART. : 95.2; N3bis; N3TER)
  • originele versie
  • WET VAN 13-04-2019 GEPUBL. OP 30-04-2019
    (GEWIJZIGDE ART. : 164-166; 211-219; 220-224)
  • originele versie
  • KONINKLIJK BESLUIT VAN 07-04-2019 GEPUBL. OP 29-04-2019
    (GEWIJZIGDE ART. : 63.18/1; 63.18/5)
  • originele versie
  • KONINKLIJK BESLUIT VAN 03-04-2019 GEPUBL. OP 19-04-2019
    (GEWIJZIGD ART. : 1)
  • originele versie
  • KONINKLIJK BESLUIT VAN 04-04-2019 GEPUBL. OP 18-04-2019
    (GEWIJZIGD ART. : 46ter)
  • originele versie
  • KONINKLIJK BESLUIT VAN 03-04-2019 GEPUBL. OP 16-04-2019
    (GEWIJZIGD ART. : 95.4/1)
  • originele versie
  • KONINKLIJK BESLUIT VAN 23-03-2019 GEPUBL. OP 05-04-2019
    (GEWIJZIGD ART. : 2ter)
  • originele versie
  • KONINKLIJK BESLUIT VAN 17-03-2019 GEPUBL. OP 01-04-2019
    (GEWIJZIGDE ART. : 18; N1)
  • originele versie
  • KONINKLIJK BESLUIT VAN 07-12-2018 GEPUBL. OP 27-12-2018
    (GEWIJZIGD ART. : 18)
  • originele versie
  • BESLUIT VLAAMSE REGERING VAN 23-11-2018 GEPUBL. OP 27-12-2018
    (GEWIJZIGD ART. : 68/18/9)
  • originele versie
  • KONINKLIJK BESLUIT VAN 19-12-2018 GEPUBL. OP 27-12-2018
    (GEWIJZIGD ART. : 18)
  • originele versie
  • KONINKLIJK BESLUIT VAN 07-12-2018 GEPUBL. OP 13-12-2018
    (GEWIJZIGD ART. : N3)
  • originele versie
  • KONINKLIJK BESLUIT VAN 21-11-2018 GEPUBL. OP 03-12-2018
    (GEWIJZIGDE ART. : 67; 70; 71)
  • originele versie
  • KONINKLIJK BESLUIT VAN 25-09-2018 GEPUBL. OP 10-10-2018
    (GEWIJZIGD ART. : 127/1)
  • originele versie
  • KONINKLIJK BESLUIT VAN 19-07-2018 GEPUBL. OP 25-07-2018
    (GEWIJZIGDE ART. : 95.2; N3bis; N3ter)
  • originele versie
  • KONINKLIJK BESLUIT VAN 29-06-2018 GEPUBL. OP 09-07-2018
    (GEWIJZIGD ART. : 229/5)
  • originele versie
  • KONINKLIJK BESLUIT VAN 24-06-2018 GEPUBL. OP 03-07-2018
    (GEWIJZIGD ART. : 1)
  • originele versie
  • BESLUIT VLAAMSE REGERING VAN 01-06-2018 GEPUBL. OP 15-06-2018
    (GEWIJZIGD ART. : 63.18/13)
  • originele versie
  • KONINKLIJK BESLUIT VAN 08-05-2018 GEPUBL. OP 22-05-2018
    (GEWIJZIGD ART. : 106)
  • originele versie
  • KONINKLIJK BESLUIT VAN 19-04-2018 GEPUBL. OP 25-04-2018
    (GEWIJZIGD ART. : 204)
  • originele versie
  • KONINKLIJK BESLUIT VAN 28-03-2018 GEPUBL. OP 03-04-2018
    (GEWIJZIGD ART. : N3)
  • originele versie
  • KONINKLIJK BESLUIT VAN 25-03-2018 GEPUBL. OP 29-03-2018
    (GEWIJZIGD ART. : N3)
  • originele versie
  • KONINKLIJK BESLUIT VAN 06-03-2018 GEPUBL. OP 20-03-2018
    (GEWIJZIGDE ART. : 63.2; 63.3; 63.11ter; 63.18/10; 63.18/10/1; 63.18/11; 63.18/12; 63.18/12/1; 255)
  • originele versie
  • KONINKLIJK BESLUIT VAN 06-03-2018 GEPUBL. OP 20-03-2018
    (GEWIJZIGD ART. : 178)
  • originele versie
  • KONINKLIJK BESLUIT VAN 11-03-2018 GEPUBL. OP 16-03-2018
    (GEWIJZIGD ART. : 127/0)
  • originele versie
  • KONINKLIJK BESLUIT VAN 18-02-2018 GEPUBL. OP 26-02-2018
    (GEWIJZIGDE ART. : 233; 233bis; 233/3)
  • originele versie
  • KONINKLIJK BESLUIT VAN 25-12-2017 GEPUBL. OP 29-12-2017
    (GEWIJZIGDE ART. : 63.6; 63.7)
  • originele versie
  • KONINKLIJK BESLUIT VAN 13-12-2017 GEPUBL. OP 19-12-2017
    (GEWIJZIGD ART. : 18)
  • originele versie
  • KONINKLIJK BESLUIT VAN 10-12-2017 GEPUBL. OP 15-12-2017
    (GEWIJZIGD ART. : N3)
  • originele versie
  • KONINKLIJK BESLUIT VAN 02-11-2017 GEPUBL. OP 13-11-2017
    (GEWIJZIGD ART. : 18)
  • originele versie
  • DECREET VLAAMSE RAAD VAN 07-07-2017 GEPUBL. OP 09-08-2017
    (GEWIJZIGD ART. : 63/10) Inwerkingtreding nader te bepalen
  • originele versie
  • KONINKLIJK BESLUIT VAN 10-07-2017 GEPUBL. OP 17-07-2017
    (GEWIJZIGD ART. : 178)
  • originele versie
  • KONINKLIJK BESLUIT VAN 20-02-2017 GEPUBL. OP 03-03-2017
    (GEWIJZIGDE ART. : 18; N1)
  • originele versie
  • KONINKLIJK BESLUIT VAN 31-01-2017 GEPUBL. OP 10-02-2017
    (GEWIJZIGD ART. : 53)
  • originele versie
  • KONINKLIJK BESLUIT VAN 31-01-2017 GEPUBL. OP 10-02-2017
    (GEWIJZIGD ART. : 53)
  • originele versie
  • KONINKLIJK BESLUIT VAN 27-01-2017 GEPUBL. OP 31-01-2017
    (GEWIJZIGDE ART. : 73.4/1; 73.4/2; 73.4/7)
  • originele versie
  • KONINKLIJK BESLUIT VAN 12-01-2017 GEPUBL. OP 24-01-2017
    (GEWIJZIGDE ART. : 53/1; 53/2; 86; 87; 92/1)
  • originele versie
  • DECREET WAALSE GEWEST VAN 21-12-2016 GEPUBL. OP 29-12-2016
    (GEWIJZIGD ART. : 63/10)
  • originele versie
  • KONINKLIJK BESLUIT VAN 12-12-2016 GEPUBL. OP 16-12-2016
    (GEWIJZIGD ART. : N3)
  • originele versie
  • KONINKLIJK BESLUIT VAN 24-11-2016 GEPUBL. OP 05-12-2016
    (GEWIJZIGD ART. : 18)
  • originele versie
  • KONINKLIJK BESLUIT VAN 17-11-2016 GEPUBL. OP 29-11-2016
    (GEWIJZIGD ART. : 1)
  • originele versie
  • KONINKLIJK BESLUIT VAN 09-11-2016 GEPUBL. OP 18-11-2016
    (GEWIJZIGDE ART. : 106; 116; 117)
  • originele versie
  • BESLUIT VLAAMSE REGERING VAN 15-07-2016 GEPUBL. OP 15-09-2016
    (GEWIJZIGD ART. : 63.18/15)
  • originele versie
  • KONINKLIJK BESLUIT VAN 27-06-2016 GEPUBL. OP 04-07-2016
    (GEWIJZIGD ART. : 53)
  • originele versie
  • KONINKLIJK BESLUIT VAN 01-03-2016 GEPUBL. OP 11-03-2016
    (GEWIJZIGD ART. : 179)
  • originele versie
  • KONINKLIJK BESLUIT VAN 01-03-2016 GEPUBL. OP 10-03-2016
    (GEWIJZIGD ART. : 73.4quater)
  • originele versie
  • KONINKLIJK BESLUIT VAN 07-03-2016 GEPUBL. OP 09-03-2016
    (GEWIJZIGD ART. : 64)
  • originele versie
  • DECREET WAALSE GEWEST VAN 17-12-2015 GEPUBL. OP 25-01-2016
    (GEWIJZIGD ART. : 63.10)
  • originele versie
  • KONINKLIJK BESLUIT VAN 16-12-2015 GEPUBL. OP 21-12-2015
    (GEWIJZIGD ART. : N3)
  • originele versie
  • KONINKLIJK BESLUIT VAN 09-12-2015 GEPUBL. OP 17-12-2015
    (GEWIJZIGD ART. : 18)
  • originele versie
  • KONINKLIJK BESLUIT VAN 02-12-2015 GEPUBL. OP 08-12-2015
    (GEWIJZIGD ART. : 49/1)
  • originele versie
  • KONINKLIJK BESLUIT VAN 29-10-2015 GEPUBL. OP 06-11-2015
    (GEWIJZIGD ART. : 1)
  • originele versie
  • KONINKLIJK BESLUIT VAN 27-09-2015 GEPUBL. OP 01-10-2015
    (GEWIJZIGDE ART. : 116; 118)
  • originele versie
  • KONINKLIJK BESLUIT VAN 28-04-2015 GEPUBL. OP 30-04-2015
    (GEWIJZIGDE ART. : 90; 95.2; N3nis:N3ter)
  • originele versie
  • KONINKLIJK BESLUIT VAN 02-03-2015 GEPUBL. OP 06-03-2015
    (GEWIJZIGD ART. : 64)
  • originele versie
  • KONINKLIJK BESLUIT VAN 22-02-2015 GEPUBL. OP 02-03-2015
    (GEWIJZIGDE ART. : 18; N1)
  • originele versie
  • KONINKLIJK BESLUIT VAN 20-01-2015 GEPUBL. OP 27-01-2015
    (GEWIJZIGD ART. : N3)
  • originele versie
  • DECREET WAALSE GEWEST VAN 11-12-2014 GEPUBL. OP 23-01-2015
    (GEWIJZIGD ART. : 63.10)
  • originele versie
  • KONINKLIJK BESLUIT VAN 19-12-2014 GEPUBL. OP 31-12-2014
    (GEWIJZIGD ART. : 73.4.1-73.4.6)
  • originele versie
  • KONINKLIJK BESLUIT VAN 16-12-2014 GEPUBL. OP 22-12-2014
    (GEWIJZIGD ART. : 18)
  • originele versie
  • KONINKLIJK BESLUIT VAN 10-12-2014 GEPUBL. OP 16-12-2014
    (GEWIJZIGD ART. : N3)
  • originele versie
  • KONINKLIJK BESLUIT VAN 30-09-2014 GEPUBL. OP 09-10-2014
    (GEWIJZIGDE ART. : 62; 63.11; 63.11bis; 120; 123; 124; 125; 144/2; 200; 254; 255-256; 258; N2bis)
  • originele versie
  • KONINKLIJK BESLUIT VAN 30-09-2014 GEPUBL. OP 06-10-2014
    (GEWIJZIGDE ART. : 61; 63.18/8)
  • originele versie
  • KONINKLIJK BESLUIT VAN 04-08-2014 GEPUBL. OP 18-08-2014
    (GEWIJZIGDE ART. : 57-60/3; 63.18/1-63.18/7; 63.18/2; 63.18/4)
  • originele versie
  • KONINKLIJK BESLUIT VAN 13-06-2014 GEPUBL. OP 26-06-2014
    (GEWIJZIGD ART. : 95.5)
  • originele versie
  • KONINKLIJK BESLUIT VAN 18-06-2014 GEPUBL. OP 23-06-2014
    (GEWIJZIGD ART. : N3)
  • originele versie
  • KONINKLIJK BESLUIT VAN 25-04-2014 GEPUBL. OP 02-06-2014
    (GEWIJZIGD ART. : N3quater)
  • originele versie
  • KONINKLIJK BESLUIT VAN 19-05-2014 GEPUBL. OP 26-05-2014
    (GEWIJZIGD ART. : 1)
  • originele versie
  • KONINKLIJK BESLUIT VAN 25-04-2014 GEPUBL. OP 14-05-2014
    (GEWIJZIGD ART. : 46quater)
  • originele versie
  • KONINKLIJK BESLUIT VAN 25-04-2014 GEPUBL. OP 14-05-2014
    (GEWIJZIGD ART. : 46ter)
  • originele versie
  • KONINKLIJK BESLUIT VAN 04-04-2014 GEPUBL. OP 14-04-2014
    (GEWIJZIGDE ART. : 144/2; 144/6)
  • originele versie
  • KONINKLIJK BESLUIT VAN 26-03-2014 GEPUBL. OP 11-04-2014
    (GEWIJZIGD ART. : 53)
  • originele versie
  • KONINKLIJK BESLUIT VAN 23-03-2014 GEPUBL. OP 31-03-2014
    (GEWIJZIGDE ART. : 95.3; 95.4; N3ter)
  • originele versie
  • KONINKLIJK BESLUIT VAN 24-02-2014 GEPUBL. OP 27-02-2014
    (GEWIJZIGD ART. : 64)
  • originele versie
  • KONINKLIJK BESLUIT VAN 21-02-2014 GEPUBL. OP 26-02-2014
    (GEWIJZIGD ART. : 178)
  • originele versie
  • KONINKLIJK BESLUIT VAN 21-02-2014 GEPUBL. OP 26-02-2014
    (GEWIJZIGDE ART. : 95.2; N3; N3bis)
  • originele versie
  • KONINKLIJK BESLUIT VAN 21-02-2014 GEPUBL. OP 26-02-2014
    (GEWIJZIGDE ART. : 18; N1)
  • originele versie
  • KONINKLIJK BESLUIT VAN 07-02-2014 GEPUBL. OP 14-02-2014
    (GEWIJZIGDE ART. : 127/1; 127/2)
  • originele versie
  • KONINKLIJK BESLUIT VAN 24-01-2014 GEPUBL. OP 29-01-2014
    (GEWIJZIGD ART. : 18)
  • originele versie
  • BESLUIT VLAAMSE REGERING VAN 20-12-2013 GEPUBL. OP 31-12-2013
    (GEWIJZIGD ART. : OPHEFFING)
  • originele versie
  • KONINKLIJK BESLUIT VAN 26-12-2013 GEPUBL. OP 31-12-2013
    (GEWIJZIGDE ART. : 56/1; 60)
  • originele versie
  • KONINKLIJK BESLUIT VAN 15-12-2013 GEPUBL. OP 20-12-2013
    (GEWIJZIGD ART. : 95.1)
  • originele versie
  • KONINKLIJK BESLUIT VAN 15-12-2013 GEPUBL. OP 18-12-2013
    (GEWIJZIGD ART. : N3)
  • originele versie
  • KONINKLIJK BESLUIT VAN 07-11-2013 GEPUBL. OP 14-11-2013
    (GEWIJZIGDE ART. : 164; 165)
  • originele versie
  • KONINKLIJK BESLUIT VAN 24-10-2013 GEPUBL. OP 31-10-2013
    (GEWIJZIGD ART. : 53)
  • originele versie
  • KONINKLIJK BESLUIT VAN 24-09-2013 GEPUBL. OP 30-09-2013
    (GEWIJZIGD ART. : 229/1-229/4)
  • originele versie
  • KONINKLIJK BESLUIT VAN 21-09-2013 GEPUBL. OP 27-09-2013
    (GEWIJZIGD ART. : 2)
  • originele versie
  • KONINKLIJK BESLUIT VAN 18-07-2013 GEPUBL. OP 24-07-2013
    (GEWIJZIGD ART. : 1)
  • originele versie
  • KONINKLIJK BESLUIT VAN 23-05-2013 GEPUBL. OP 30-05-2013
    (GEWIJZIGD ART. : N3)
  • originele versie
  • KONINKLIJK BESLUIT VAN 30-04-2013 GEPUBL. OP 08-05-2013
    (GEWIJZIGD ART. : 106)
  • originele versie
  • BESLUIT VLAAMSE REGERING VAN 15-03-2013 GEPUBL. OP 06-05-2013
    (GEWIJZIGDE ART. : 133; 139; 142; 145; 160; 164; 165)
  • originele versie
  • KONINKLIJK BESLUIT VAN 19-04-2013 GEPUBL. OP 26-04-2013
    (GEWIJZIGDE ART. : 178; 178/1)
  • originele versie
  • KONINKLIJK BESLUIT VAN 03-04-2013 GEPUBL. OP 08-04-2013
    (GEWIJZIGD ART. : 18)
  • originele versie
  • KONINKLIJK BESLUIT VAN 04-03-2013 GEPUBL. OP 08-03-2013
    (GEWIJZIGDE ART. : 87; N3)
  • originele versie
  • KONINKLIJK BESLUIT VAN 01-03-2013 GEPUBL. OP 07-03-2013
    (GEWIJZIGDE ART. : 18; N1)
  • originele versie
  • KONINKLIJK BESLUIT VAN 11-02-2013 GEPUBL. OP 21-02-2013
    (GEWIJZIGD ART. : 53)
  • originele versie
  • KONINKLIJK BESLUIT VAN 27-12-2012 GEPUBL. OP 31-12-2012
    (GEWIJZIGDE ART. : 106; 117)
  • originele versie
  • KONINKLIJK BESLUIT VAN 20-12-2012 GEPUBL. OP 28-12-2012
    (GEWIJZIGDE ART. : 106; 117)
  • originele versie
  • KONINKLIJK BESLUIT VAN 11-12-2012 GEPUBL. OP 14-12-2012
    (GEWIJZIGD ART. : N3)
  • originele versie
  • KONINKLIJK BESLUIT VAN 17-07-2012 GEPUBL. OP 30-07-2012
    (GEWIJZIGD ART. : 53)
  • originele versie
  • KONINKLIJK BESLUIT VAN 15-06-2012 GEPUBL. OP 02-07-2012
    (GEWIJZIGDE ART. : 49.1; 63.11; 63.12; 63.14; 63.15; 63.16; 63.17; N2bis; N2ter; N2quater)
  • originele versie
  • KONINKLIJK BESLUIT VAN 06-06-2012 GEPUBL. OP 14-06-2012
    (GEWIJZIGD ART. : N3)
  • originele versie
  • KONINKLIJK BESLUIT VAN 22-04-2012 GEPUBL. OP 25-04-2012
    (GEWIJZIGD ART. : 178)
  • originele versie
  • KONINKLIJK BESLUIT VAN 12-03-2012 GEPUBL. OP 16-03-2012
    (GEWIJZIGD ART. : 1)
  • originele versie
  • KONINKLIJK BESLUIT VAN 04-03-2012 GEPUBL. OP 08-03-2012
    (GEWIJZIGDE ART. : 18; N1)
  • originele versie
  • KONINKLIJK BESLUIT VAN 05-12-2011 GEPUBL. OP 12-12-2011
    (GEWIJZIGDE ART. : 45; 48; 49; 73.7; 95.2; 106; 110; 117; 118; 139; 142; 144/2; 144/5; 144/6; 145; 164; 203; N2bis)
  • originele versie
  • KONINKLIJK BESLUIT VAN 05-12-2011 GEPUBL. OP 09-12-2011
    (GEWIJZIGD ART. : N3)
  • originele versie
  • KONINKLIJK BESLUIT VAN 26-09-2011 GEPUBL. OP 04-10-2011
    (GEWIJZIGD ART. : 133)
  • originele versie
  • KONINKLIJK BESLUIT VAN 23-03-2011 GEPUBL. OP 30-03-2011
    (GEWIJZIGDE ART. : 178; 178/1)
  • originele versie
  • KONINKLIJK BESLUIT VAN 18-03-2011 GEPUBL. OP 28-03-2011
    (GEWIJZIGD ART. : 164)
  • originele versie
  • KONINKLIJK BESLUIT VAN 15-03-2011 GEPUBL. OP 21-03-2011
    (GEWIJZIGD ART. : N3)
  • originele versie
  • KONINKLIJK BESLUIT VAN 28-02-2011 GEPUBL. OP 07-03-2011
    (GEWIJZIGD ART. : N3)
  • originele versie
  • KONINKLIJK BESLUIT VAN 21-02-2011 GEPUBL. OP 25-02-2011
    (GEWIJZIGDE ART. : 55; 57; 58; 59; 59bis-59sexies; 60; 60/1; 60/2; 60/3)
  • originele versie
  • KONINKLIJK BESLUIT VAN 09-02-2011 GEPUBL. OP 16-02-2011
    (GEWIJZIGD ART. : 1)
  • originele versie
  • KONINKLIJK BESLUIT VAN 07-02-2011 GEPUBL. OP 11-02-2011
    (GEWIJZIGDE ART. : 18; N1)
  • originele versie
  • KONINKLIJK BESLUIT VAN 22-12-2010 GEPUBL. OP 07-01-2011
    (GEWIJZIGD ART. : 203)
  • originele versie
  • KONINKLIJK BESLUIT VAN 22-12-2010 GEPUBL. OP 07-01-2011
    (GEWIJZIGD ART. : 144/1-144/7)
  • originele versie
  • KONINKLIJK BESLUIT VAN 14-12-2010 GEPUBL. OP 24-12-2010
    (GEWIJZIGDE ART. : 49.1; N2quater)
  • originele versie
  • KONINKLIJK BESLUIT VAN 01-12-2010 GEPUBL. OP 10-12-2010
    (GEWIJZIGD ART. : N3)
  • originele versie
  • KONINKLIJK BESLUIT VAN 10-09-2010 GEPUBL. OP 22-09-2010
    (GEWIJZIGDE ART. : 63.11; 63.11bis)
  • originele versie
  • KONINKLIJK BESLUIT VAN 26-08-2010 GEPUBL. OP 10-09-2010
    (GEWIJZIGD ART. : NIIIquater)
  • originele versie
  • KONINKLIJK BESLUIT VAN 30-07-2010 GEPUBL. OP 16-08-2010
    (GEWIJZIGDE ART. : 73.5; 73.7; 73.9)
  • originele versie
  • KONINKLIJK BESLUIT VAN 09-07-2010 GEPUBL. OP 16-07-2010
    (GEWIJZIGDE ART. : 27/1; 74)
  • originele versie
  • KONINKLIJK BESLUIT VAN 02-07-2010 GEPUBL. OP 09-07-2010
    (GEWIJZIGD ART. : N3)
  • originele versie
  • KONINKLIJK BESLUIT VAN 02-06-2010 GEPUBL. OP 08-06-2010
    (GEWIJZIGD ART. : 35)
  • originele versie
  • KONINKLIJK BESLUIT VAN 10-05-2010 GEPUBL. OP 14-05-2010
    (GEWIJZIGDE ART. : 85; 126)
  • originele versie
  • KONINKLIJK BESLUIT VAN 06-05-2010 GEPUBL. OP 12-05-2010
    (GEWIJZIGD ART. : 179)
  • originele versie
  • KONINKLIJK BESLUIT VAN 06-04-2010 GEPUBL. OP 13-04-2010
    (GEWIJZIGDE ART. : 19; 46; NL49.1; 55; 63.11; 63.15; 257; N2quater)
  • originele versie
  • KONINKLIJK BESLUIT VAN 06-04-2010 GEPUBL. OP 09-04-2010
    (GEWIJZIGD ART. : N3)
  • originele versie
  • KONINKLIJK BESLUIT VAN 08-03-2010 GEPUBL. OP 12-03-2010
    (GEWIJZIGD ART. : 63.13)
  • originele versie
  • KONINKLIJK BESLUIT VAN 02-03-2010 GEPUBL. OP 09-03-2010
    (GEWIJZIGD ART. : 178)
  • originele versie
  • KONINKLIJK BESLUIT VAN 22-02-2010 GEPUBL. OP 01-03-2010
    (GEWIJZIGDE ART. : 105; 106; 110; 117)
  • originele versie
  • KONINKLIJK BESLUIT VAN 10-02-2010 GEPUBL. OP 22-02-2010
    (GEWIJZIGDE ART. : 18; N1)
  • originele versie
  • KONINKLIJK BESLUIT VAN 11-02-2010 GEPUBL. OP 19-02-2010
    (GEWIJZIGD ART. : 1)
  • originele versie
  • KONINKLIJK BESLUIT VAN 08-02-2010 GEPUBL. OP 12-02-2010
    (GEWIJZIGD ART. : 63.11)
  • originele versie
  • KONINKLIJK BESLUIT VAN 01-02-2010 GEPUBL. OP 12-02-2010
    (GEWIJZIGDE ART. : 139; 142)
  • originele versie
  • KONINKLIJK BESLUIT VAN 10-01-2010 GEPUBL. OP 15-01-2010
    (GEWIJZIGD ART. : N3)
  • originele versie
  • KONINKLIJK BESLUIT VAN 10-01-2010 GEPUBL. OP 15-01-2010
    (GEWIJZIGDE ART. : 18; N1)
  • originele versie
  • KONINKLIJK BESLUIT VAN 03-12-2009 GEPUBL. OP 11-12-2009
    (GEWIJZIGD ART. : N3)
  • originele versie
  • KONINKLIJK BESLUIT VAN 03-12-2009 GEPUBL. OP 10-12-2009
    (GEWIJZIGD ART. : 18)
  • originele versie
  • KONINKLIJK BESLUIT VAN 31-07-2009 GEPUBL. OP 21-08-2009
    (GEWIJZIGDE ART. : 106; 107)
  • originele versie
  • KONINKLIJK BESLUIT VAN 10-08-2009 GEPUBL. OP 18-08-2009
    (GEWIJZIGD ART. : 63.11bis)
  • originele versie
  • KONINKLIJK BESLUIT VAN 31-07-2009 GEPUBL. OP 07-08-2009
    (GEWIJZIGDE ART. : 95.1; 95.2.N3bis; N3ter)
  • originele versie
  • KONINKLIJK BESLUIT VAN 12-07-2009 GEPUBL. OP 17-07-2009
    (GEWIJZIGDE ART. : 63.11ter; N2bis)
  • originele versie
  • KONINKLIJK BESLUIT VAN 22-06-2009 GEPUBL. OP 26-06-2009
    (GEWIJZIGD ART. : N3)
  • originele versie
  • KONINKLIJK BESLUIT VAN 15-06-2009 GEPUBL. OP 22-06-2009
    (GEWIJZIGD ART. : 73.4ter)
  • originele versie
  • KONINKLIJK BESLUIT VAN 12-06-2009 GEPUBL. OP 18-06-2009
    (GEWIJZIGD ART. : 63.14)
  • originele versie
  • KONINKLIJK BESLUIT VAN 10-06-2009 GEPUBL. OP 18-06-2009
    (GEWIJZIGD ART. : 207)
  • originele versie
  • KONINKLIJK BESLUIT VAN 13-05-2009 GEPUBL. OP 02-06-2009
    (GEWIJZIGD ART. : N3quater)
  • originele versie
  • KONINKLIJK BESLUIT VAN 14-04-2009 GEPUBL. OP 20-04-2009
    (GEWIJZIGDE ART. : 87; N3)
  • originele versie
  • KONINKLIJK BESLUIT VAN 06-04-2009 GEPUBL. OP 10-04-2009
    (GEWIJZIGD ART. : N3)
  • originele versie
  • KONINKLIJK BESLUIT VAN 03-02-2009 GEPUBL. OP 10-02-2009
    (GEWIJZIGDE ART. : 18; N1)
  • originele versie
  • KONINKLIJK BESLUIT VAN 02-02-2009 GEPUBL. OP 06-02-2009
    (GEWIJZIGD ART. : N3)
  • originele versie
  • KONINKLIJK BESLUIT VAN 27-01-2009 GEPUBL. OP 03-02-2009
    (GEWIJZIGDE ART. : 19; 46; 57; 58; 63.3; 63.11; 63.12)
    (GEWIJZIGDE ART. : 63.13; 63.15; 63.16; 95.1; 95.2)
    (GEWIJZIGDE ART. : 204; 256; N2QUATER)
  • originele versie
  • KONINKLIJK BESLUIT VAN 20-01-2009 GEPUBL. OP 26-01-2009
    (GEWIJZIGD ART. : N1)
  • originele versie
  • KONINKLIJK BESLUIT VAN 11-01-2009 GEPUBL. OP 15-01-2009
    (GEWIJZIGDE ART. : 77/1; 77BIS)
  • originele versie
  • KONINKLIJK BESLUIT VAN 10-12-2008 GEPUBL. OP 30-12-2008
    (GEWIJZIGD ART. : N3QUATER)
  • originele versie
  • KONINKLIJK BESLUIT VAN 07-12-2008 GEPUBL. OP 22-12-2008
    (GEWIJZIGD ART. : 2)
  • originele versie
  • KONINKLIJK BESLUIT VAN 07-12-2008 GEPUBL. OP 12-12-2008
    (GEWIJZIGD ART. : 35)
  • originele versie
  • KONINKLIJK BESLUIT VAN 05-12-2008 GEPUBL. OP 09-12-2008
    (GEWIJZIGD ART. : N3)
  • originele versie
  • KONINKLIJK BESLUIT VAN 28-11-2008 GEPUBL. OP 04-12-2008
    (GEWIJZIGD ART. : 63.11BIS)
  • originele versie
  • KONINKLIJK BESLUIT VAN 09-09-2008 GEPUBL. OP 15-09-2008
    (GEWIJZIGD ART. : N3)
  • originele versie
  • KONINKLIJK BESLUIT VAN 30-07-2008 GEPUBL. OP 05-08-2008
    (GEWIJZIGD ART. : 2)
  • originele versie
  • WET VAN 16-07-2008 GEPUBL. OP 30-07-2008
    (GEWIJZIGDE ART. : 3; 4; 5)
  • originele versie
  • KONINKLIJK BESLUIT VAN 18-06-2008 GEPUBL. OP 23-06-2008
    (GEWIJZIGD ART. : N3)
  • originele versie
  • KONINKLIJK BESLUIT VAN 11-03-2008 GEPUBL. OP 18-03-2008
    (GEWIJZIGD ART. : 1)
  • originele versie
  • KONINKLIJK BESLUIT VAN 25-02-2008 GEPUBL. OP 29-02-2008
    (GEWIJZIGDE ART. : 18; N1)
  • originele versie
  • KONINKLIJK BESLUIT VAN 10-02-2008 GEPUBL. OP 14-02-2008
    (GEWIJZIGD ART. : N1)
  • originele versie
  • KONINKLIJK BESLUIT VAN 20-12-2007 GEPUBL. OP 31-12-2007
    (GEWIJZIGD ART. : 95.1)
  • originele versie
  • KONINKLIJK BESLUIT VAN 27-12-2007 GEPUBL. OP 31-12-2007
    (GEWIJZIGDE ART. : 207; 208; 209; 210)
  • originele versie
  • KONINKLIJK BESLUIT VAN 19-12-2007 GEPUBL. OP 27-12-2007
    (GEWIJZIGD ART. : N3BIS)
  • originele versie
  • KONINKLIJK BESLUIT VAN 19-12-2007 GEPUBL. OP 27-12-2007
    (GEWIJZIGD ART. : 63.11BIS)
  • originele versie
  • KONINKLIJK BESLUIT VAN 07-12-2007 GEPUBL. OP 17-12-2007
    (GEWIJZIGDE ART. : 93; N3)
  • originele versie
  • KONINKLIJK BESLUIT VAN 07-12-2007 GEPUBL. OP 12-12-2007
    (GEWIJZIGD ART. : 219)
    (GEWIJZIGDE ART. : 22; 107; 113; 118; 119BIS; 216)
  • originele versie
  • KONINKLIJK BESLUIT VAN 17-08-2007 GEPUBL. OP 30-08-2007
    (GEWIJZIGD ART. : 49.1)
  • originele versie
  • KONINKLIJK BESLUIT VAN 07-08-2007 GEPUBL. OP 14-08-2007
    (GEWIJZIGD ART. : N3BIS)
  • originele versie
  • KONINKLIJK BESLUIT VAN 08-06-2007 GEPUBL. OP 19-06-2007
    (GEWIJZIGDE ART. : 95.2; N3BIS; N3TER)
  • originele versie
  • KONINKLIJK BESLUIT VAN 03-06-2007 GEPUBL. OP 19-06-2007
    (GEWIJZIGD ART. : N3)
  • originele versie
  • KONINKLIJK BESLUIT VAN 03-06-2007 GEPUBL. OP 19-06-2007
    (GEWIJZIGDE ART. : 63.19; 95.1)
  • originele versie
  • KONINKLIJK BESLUIT VAN 03-06-2007 GEPUBL. OP 14-06-2007
    (GEWIJZIGDE ART. : 30; 31; 90; 92; 93; 94)
  • originele versie
  • KONINKLIJK BESLUIT VAN 07-06-2007 GEPUBL. OP 13-06-2007
    (GEWIJZIGD ART. : 53)
  • originele versie
  • KONINKLIJK BESLUIT VAN 23-05-2007 GEPUBL. OP 12-06-2007
    (GEWIJZIGD ART. : 106)
  • originele versie
  • KONINKLIJK BESLUIT VAN 11-05-2007 GEPUBL. OP 24-05-2007
    (GEWIJZIGD ART. : 21)
  • originele versie
  • KONINKLIJK BESLUIT VAN 21-04-2007 GEPUBL. OP 27-04-2007
    (GEWIJZIGD ART. : N3)
  • originele versie
  • KONINKLIJK BESLUIT VAN 09-04-2007 GEPUBL. OP 18-04-2007
    (GEWIJZIGD ART. : 53)
  • originele versie
  • KONINKLIJK BESLUIT VAN 01-04-2007 GEPUBL. OP 06-04-2007
    (GEWIJZIGDE ART. : 180; 181)
  • originele versie
  • KONINKLIJK BESLUIT VAN 19-03-2007 GEPUBL. OP 30-03-2007
    (GEWIJZIGD ART. : 43)
  • originele versie
  • KONINKLIJK BESLUIT VAN 12-03-2007 GEPUBL. OP 20-03-2007
    (GEWIJZIGDE ART. : 44-46; 76; 95.1; 95.2; N3BI; N3TE)
  • originele versie
  • KONINKLIJK BESLUIT VAN 28-02-2007 GEPUBL. OP 12-03-2007
    (GEWIJZIGD ART. : 63.14)
  • originele versie
  • KONINKLIJK BESLUIT VAN 25-02-2007 GEPUBL. OP 12-03-2007
    (GEWIJZIGD ART. : 63.14)
  • originele versie
  • KONINKLIJK BESLUIT VAN 25-02-2007 GEPUBL. OP 02-03-2007
    (GEWIJZIGD ART. : 63.15-63.18)
  • originele versie
  • KONINKLIJK BESLUIT VAN 25-02-2007 GEPUBL. OP 28-02-2007
    (GEWIJZIGDE ART. : 210BIS; 210TER)
  • originele versie
  • KONINKLIJK BESLUIT VAN 13-02-2007 GEPUBL. OP 23-02-2007
    (GEWIJZIGDE ART. : 18; N1)
  • originele versie
  • KONINKLIJK BESLUIT VAN 14-02-2007 GEPUBL. OP 23-02-2007
    (GEWIJZIGD ART. : 63.13)
  • originele versie
  • KONINKLIJK BESLUIT VAN 12-02-2007 GEPUBL. OP 19-02-2007
    (GEWIJZIGD ART. : 1)
  • originele versie
  • KONINKLIJK BESLUIT VAN 31-01-2007 GEPUBL. OP 09-02-2007
    (GEWIJZIGD ART. : N1)
  • originele versie
  • KONINKLIJK BESLUIT VAN 21-12-2006 GEPUBL. OP 29-12-2006
    (GEWIJZIGD ART. : 97)
  • originele versie
  • KONINKLIJK BESLUIT VAN 21-12-2006 GEPUBL. OP 29-12-2006
    (GEWIJZIGDE ART. : 95.1; 95.2; 106; 117; 182)
  • originele versie
  • KONINKLIJK BESLUIT VAN 18-12-2006 GEPUBL. OP 22-12-2006
    (GEWIJZIGD ART. : N3)
  • originele versie
  • KONINKLIJK BESLUIT VAN 11-12-2006 GEPUBL. OP 18-12-2006
    (GEWIJZIGDE ART. : 18; 46BIS; 47; 47BIS; 48; 49; 49.1; 61; 63; 70; 73.4QUIQUIES; 74; 76)
    (GEWIJZIGDE ART. : 81-82; 81BIS; 95.2; 178; 183-198; 204; N2BIS; N3TER; N4)
  • originele versie
  • KONINKLIJK BESLUIT VAN 23-11-2006 GEPUBL. OP 30-11-2006
    (GEWIJZIGD ART. : 164)
  • originele versie
  • KONINKLIJK BESLUIT VAN 15-09-2006 GEPUBL. OP 21-09-2006
    (GEWIJZIGD ART. : 53)
  • originele versie
  • KONINKLIJK BESLUIT VAN 01-09-2006 GEPUBL. OP 15-09-2006
    (GEWIJZIGD ART. : 63.7)
  • originele versie
  • KONINKLIJK BESLUIT VAN 01-09-2006 GEPUBL. OP 08-09-2006
    (GEWIJZIGDE ART. : 49.1; N2BIS)
  • originele versie
  • KONINKLIJK BESLUIT VAN 22-08-2006 GEPUBL. OP 28-08-2006
    (GEWIJZIGDE ART. : 90; N3BIS-N3QUATER; 95/1; 95/2)
  • originele versie
  • KONINKLIJK BESLUIT VAN 05-08-2006 GEPUBL. OP 18-08-2006
    (GEWIJZIGD ART. : 1BIS)
  • originele versie
  • KONINKLIJK BESLUIT VAN 01-07-2006 GEPUBL. OP 10-07-2006
    (GEWIJZIGD ART. : 2)
  • originele versie
  • KONINKLIJK BESLUIT VAN 10-06-2006 GEPUBL. OP 19-06-2006
    (GEWIJZIGDE ART. : 62; 63.2; 63.3; 254; 255; 256)
  • originele versie
  • KONINKLIJK BESLUIT VAN 19-05-2006 GEPUBL. OP 29-05-2006
    (GEWIJZIGD ART. : 1)
  • originele versie
  • KONINKLIJK BESLUIT VAN 17-03-2006 GEPUBL. OP 24-03-2006
    (GEWIJZIGDE ART. : 18; N1)
  • originele versie
  • KONINKLIJK BESLUIT VAN 22-02-2006 GEPUBL. OP 03-03-2006
    (GEWIJZIGD ART. : 19)
  • originele versie
  • KONINKLIJK BESLUIT VAN 03-12-2005 GEPUBL. OP 27-02-2006
    (GEWIJZIGDE ART. : 164; 165)
  • originele versie
  • KONINKLIJK BESLUIT VAN 17-02-2006 GEPUBL. OP 23-02-2006
    (GEWIJZIGD ART. : N1)
  • originele versie
  • KONINKLIJK BESLUIT VAN 02-02-2006 GEPUBL. OP 14-02-2006
    (GEWIJZIGD ART. : N3)
  • originele versie
  • KONINKLIJK BESLUIT VAN 08-01-2006 GEPUBL. OP 16-01-2006
    (GEWIJZIGD ART. : 90)
  • originele versie
  • KONINKLIJK BESLUIT VAN 15-12-2005 GEPUBL. OP 28-12-2005
    (GEWIJZIGD ART. : N3)
  • originele versie
  • KONINKLIJK BESLUIT VAN 10-11-2005 GEPUBL. OP 18-11-2005
    (GEWIJZIGD ART. : 63.4BIS)
  • originele versie
  • KONINKLIJK BESLUIT VAN 14-10-2005 GEPUBL. OP 25-10-2005
    (GEWIJZIGD ART. : 73.4QUATER)
  • originele versie
  • KONINKLIJK BESLUIT VAN 17-09-2005 GEPUBL. OP 03-10-2005
    (GEWIJZIGDE ART. : 73.4QUINQUIES-73.4SEPTIES; 74; 77BIS; 78)
  • originele versie
  • KONINKLIJK BESLUIT VAN 17-09-2005 GEPUBL. OP 23-09-2005
    (GEWIJZIGD ART. : 160)
  • originele versie
  • KONINKLIJK BESLUIT VAN 02-09-2005 GEPUBL. OP 21-09-2005
    (GEWIJZIGD ART. : 182)
  • originele versie
  • KONINKLIJK BESLUIT VAN 04-08-2005 GEPUBL. OP 12-08-2005
    (GEWIJZIGD ART. : 90)
  • originele versie
  • KONINKLIJK BESLUIT VAN 12-07-2005 GEPUBL. OP 29-07-2005
    (GEWIJZIGDE ART. : 59SEXIES; 60)
  • originele versie
  • KONINKLIJK BESLUIT VAN 03-07-2005 GEPUBL. OP 14-07-2005
    (GEWIJZIGD ART. : 107)
  • originele versie
  • KONINKLIJK BESLUIT VAN 28-06-2005 GEPUBL. OP 04-07-2005
    (GEWIJZIGD ART. : N3)
  • originele versie
  • KONINKLIJK BESLUIT VAN 13-06-2005 GEPUBL. OP 17-06-2005
    (GEWIJZIGD ART. : 1)
  • originele versie
  • KONINKLIJK BESLUIT VAN 18-04-2005 GEPUBL. OP 03-05-2005
    (GEWIJZIGDE ART. : 106; 117)
  • originele versie
  • KONINKLIJK BESLUIT VAN 24-03-2005 GEPUBL. OP 07-04-2005
    (GEWIJZIGDE ART. : 180; 181)
  • originele versie
  • KONINKLIJK BESLUIT VAN 11-03-2005 GEPUBL. OP 18-03-2005
    (GEWIJZIGD ART. : 90)
  • originele versie
  • KONINKLIJK BESLUIT VAN 01-03-2005 GEPUBL. OP 09-03-2005
    (GEWIJZIGDE ART. : 35; 63.1)
  • originele versie
  • KONINKLIJK BESLUIT VAN 28-02-2005 GEPUBL. OP 08-03-2005
    (GEWIJZIGD ART. : 53)
  • originele versie
  • KONINKLIJK BESLUIT VAN 16-02-2005 GEPUBL. OP 24-02-2005
    (GEWIJZIGDE ART. : 18; N1)
  • originele versie
  • KONINKLIJK BESLUIT VAN 21-01-2005 GEPUBL. OP 03-02-2005
    (GEWIJZIGD ART. : N1)
  • originele versie
  • KONINKLIJK BESLUIT VAN 20-01-2005 GEPUBL. OP 01-02-2005
    (GEWIJZIGDE ART. : 73.5; 73.6; 73.8; 73.9-73.12; 96; 117; 123BIS)
  • originele versie
  • KONINKLIJK BESLUIT VAN 20-01-2005 GEPUBL. OP 01-02-2005
    (GEWIJZIGDE ART. : 105-107; 111BIS; 115; 116; 116BIS)
  • originele versie
  • KONINKLIJK BESLUIT VAN 09-01-2005 GEPUBL. OP 19-01-2005
    (GEWIJZIGD ART. : 107)
  • originele versie
  • KONINKLIJK BESLUIT VAN 16-12-2004 GEPUBL. OP 30-12-2004
    (GEWIJZIGD ART. : 63.13)
  • originele versie
  • KONINKLIJK BESLUIT VAN 26-11-2004 GEPUBL. OP 15-12-2004
    (GEWIJZIGD ART. : N3)
  • originele versie
  • KONINKLIJK BESLUIT VAN 13-08-2004 GEPUBL. OP 07-09-2004
    (GEWIJZIGDE ART. : 105; 107; 111; 113; 118)
  • originele versie
  • KONINKLIJK BESLUIT VAN 23-06-2004 GEPUBL. OP 07-07-2004
    (GEWIJZIGDE ART. : 63.11; N2BIS)
  • originele versie
  • KONINKLIJK BESLUIT VAN 16-06-2004 GEPUBL. OP 24-06-2004
    (GEWIJZIGD ART. : 90)
  • originele versie
  • KONINKLIJK BESLUIT VAN 16-06-2004 GEPUBL. OP 24-06-2004
    (GEWIJZIGD ART. : 1)
  • originele versie
  • KONINKLIJK BESLUIT VAN 12-05-2004 GEPUBL. OP 27-05-2004
    (GEWIJZIGD ART. : 43.1)
  • originele versie
  • KONINKLIJK BESLUIT VAN 11-05-2004 GEPUBL. OP 27-05-2004
    (GEWIJZIGD ART. : 73QUATER)
  • originele versie
  • KONINKLIJK BESLUIT VAN 18-02-2004 GEPUBL. OP 01-03-2004
    (GEWIJZIGD ART. : 53)
  • originele versie
  • KONINKLIJK BESLUIT VAN 19-02-2004 GEPUBL. OP 27-02-2004
    (GEWIJZIGDE ART. : 18; N1)
  • originele versie
  • KONINKLIJK BESLUIT VAN 10-02-2004 GEPUBL. OP 18-02-2004
    (GEWIJZIGD ART. : N1)
  • originele versie
  • KONINKLIJK BESLUIT VAN 23-01-2004 GEPUBL. OP 04-02-2004
    (GEWIJZIGD ART. : N3)
  • originele versie
  • KONINKLIJK BESLUIT VAN 22-12-2003 GEPUBL. OP 31-12-2003
    (GEWIJZIGDE ART. : 105; 107; 111; 113; 117; 118)
  • originele versie
  • KONINKLIJK BESLUIT VAN 15-12-2003 GEPUBL. OP 23-12-2003
    (GEWIJZIGDE ART. : 87; N3)
  • originele versie
  • KONINKLIJK BESLUIT VAN 04-12-2003 GEPUBL. OP 17-12-2003
    (GEWIJZIGDE ART. : 80; 233.1)
  • originele versie
  • KONINKLIJK BESLUIT VAN 23-10-2003 GEPUBL. OP 31-10-2003
    (GEWIJZIGD ART. : 63.3)
  • originele versie
  • KONINKLIJK BESLUIT VAN 28-09-2003 GEPUBL. OP 01-10-2003
    (GEWIJZIGD ART. : 90)
  • originele versie
  • KONINKLIJK BESLUIT VAN 30-07-2003 GEPUBL. OP 29-08-2003
    (GEWIJZIGD ART. : 1)
  • originele versie
  • KONINKLIJK BESLUIT VAN 11-07-2003 GEPUBL. OP 12-08-2003
    (GEWIJZIGD ART. : N3)
  • originele versie
  • KONINKLIJK BESLUIT VAN 12-05-2003 GEPUBL. OP 20-06-2003
    (GEWIJZIGD ART. : 63.12)
  • originele versie
  • KONINKLIJK BESLUIT VAN 15-05-2003 GEPUBL. OP 12-06-2003
    (GEWIJZIGDE ART. : 106; 116; 118; 119)
  • originele versie
  • KONINKLIJK BESLUIT VAN 16-05-2003 GEPUBL. OP 05-06-2003
    (GEWIJZIGDE ART. : 105; 107; 110; 113; 114)
  • originele versie
  • KONINKLIJK BESLUIT VAN 12-05-2003 GEPUBL. OP 20-05-2003
    (GEWIJZIGDE ART. : 47BIS; 48; 49; 49.1; N2)
  • originele versie
  • KONINKLIJK BESLUIT VAN 03-04-2003 GEPUBL. OP 30-04-2003
    (GEWIJZIGD ART. : 20)
  • originele versie
  • KONINKLIJK BESLUIT VAN 31-03-2003 GEPUBL. OP 23-04-2003
    (GEWIJZIGD ART. : 210BIS)
  • originele versie
  • KONINKLIJK BESLUIT VAN 03-04-2003 GEPUBL. OP 22-04-2003
    (GEWIJZIGD ART. : 90)
  • originele versie
  • KONINKLIJK BESLUIT VAN 04-04-2003 GEPUBL. OP 18-04-2003
    (GEWIJZIGDE ART. : 101BIS; 101TER)
  • originele versie
  • KONINKLIJK BESLUIT VAN 27-03-2003 GEPUBL. OP 16-04-2003
    (GEWIJZIGD ART. : 73.4TER)
  • originele versie
  • KONINKLIJK BESLUIT VAN 25-03-2003 GEPUBL. OP 04-04-2003
    (GEWIJZIGDE ART. : 18; 19)
  • originele versie
  • KONINKLIJK BESLUIT VAN 10-03-2003 GEPUBL. OP 25-03-2003
    (GEWIJZIGD ART. : 53)
  • originele versie
  • KONINKLIJK BESLUIT VAN 21-02-2003 GEPUBL. OP 06-03-2003
    (GEWIJZIGDE ART. : 18; N1)
  • originele versie
  • KONINKLIJK BESLUIT VAN 28-02-2003 GEPUBL. OP 06-03-2003
    (GEWIJZIGD ART. : N1)
  • originele versie
  • KONINKLIJK BESLUIT VAN 13-02-2003 GEPUBL. OP 21-02-2003
    (GEWIJZIGD ART. : 73.4QUATER)
  • originele versie
  • KONINKLIJK BESLUIT VAN 06-02-2003 GEPUBL. OP 14-02-2003
    (GEWIJZIGD ART. : 73.4BIS)
  • originele versie
  • KONINKLIJK BESLUIT VAN 23-01-2003 GEPUBL. OP 06-02-2003
    (GEWIJZIGD ART. : 1)
  • originele versie
  • KONINKLIJK BESLUIT VAN 09-01-2003 GEPUBL. OP 05-02-2003
    (GEWIJZIGD ART. : N3)
  • originele versie
  • KONINKLIJK BESLUIT VAN 12-12-2002 GEPUBL. OP 31-12-2002
    (GEWIJZIGD ART. : N3)
  • originele versie
  • KONINKLIJK BESLUIT VAN 20-12-2002 GEPUBL. OP 28-12-2002
    (GEWIJZIGD ART. : 63.11)
  • originele versie
  • KONINKLIJK BESLUIT VAN 25-10-2002 GEPUBL. OP 14-11-2002
    (GEWIJZIGD ART. : N3)
  • originele versie
  • KONINKLIJK BESLUIT VAN 21-10-2002 GEPUBL. OP 31-10-2002
    (GEWIJZIGD ART. : 90)
  • originele versie
  • KONINKLIJK BESLUIT VAN 22-08-2002 GEPUBL. OP 05-09-2002
    (GEWIJZIGD ART. : 43.1)
  • originele versie
  • KONINKLIJK BESLUIT VAN 26-06-2002 GEPUBL. OP 05-07-2002
    (GEWIJZIGD ART. : 53)
  • originele versie
  • KONINKLIJK BESLUIT VAN 19-06-2002 GEPUBL. OP 04-07-2002
    (GEWIJZIGD ART. : N3)
  • originele versie
  • KONINKLIJK BESLUIT VAN 02-04-2002 GEPUBL. OP 25-04-2002
    (GEWIJZIGD ART. : 63.10)
  • originele versie
  • KONINKLIJK BESLUIT VAN 08-03-2002 GEPUBL. OP 19-03-2002
    (GEWIJZIGDE ART. : 18; N1)
  • originele versie
  • KONINKLIJK BESLUIT VAN 04-03-2002 GEPUBL. OP 19-03-2002
    (GEWIJZIGD ART. : N1)
  • originele versie
  • KONINKLIJK BESLUIT VAN 04-02-2002 GEPUBL. OP 13-02-2002
    (GEWIJZIGD ART. : 1)
  • originele versie
  • KONINKLIJK BESLUIT VAN 21-11-2001 GEPUBL. OP 06-12-2001
    (GEWIJZIGD ART. : N3)
  • originele versie
  • KONINKLIJK BESLUIT VAN 05-09-2001 GEPUBL. OP 28-09-2001
    (GEWIJZIGD ART. : 53)
  • originele versie
  • KONINKLIJK BESLUIT VAN 13-07-2001 GEPUBL. OP 11-08-2001
    (GEWIJZIGDE ART. : 2; 12; 18; N)
  • originele versie
  • KONINKLIJK BESLUIT VAN 16-03-2001 GEPUBL. OP 10-04-2001
    (GEWIJZIGDE ART. : 18; N1)
  • originele versie
  • KONINKLIJK BESLUIT VAN 04-03-2001 GEPUBL. OP 14-03-2001
    (GEWIJZIGDE ART. : 110; 59QUATER; 59QUINQUIES; 60)
  • originele versie
  • KONINKLIJK BESLUIT VAN 30-01-2001 GEPUBL. OP 28-02-2001
    (GEWIJZIGD ART. : 633)
  • originele versie
  • KONINKLIJK BESLUIT VAN 02-02-2001 GEPUBL. OP 16-02-2001
    (GEWIJZIGD ART. : N1)
  • originele versie
  • KONINKLIJK BESLUIT VAN 18-12-2000 GEPUBL. OP 29-12-2000
    (GEWIJZIGDE ART. : N3-13N3; 13N3A; 13N3B; 13N3C)
  • originele versie
  • KONINKLIJK BESLUIT VAN 05-12-2000 GEPUBL. OP 16-12-2000
    (GEWIJZIGD ART. : 90)
  • KONINKLIJK BESLUIT VAN 27-08-1993 GEPUBL. OP 13-09-1993
    (GEWIJZIGDE ART. : 87; N3)

  • Begin Eerste woord Laatste woord Wijziging(en)
    Inhoudstafel 450 uitvoeringbesluiten 92 gearchiveerde versies
    Franstalige versie