J U S T E L     -     Geconsolideerde wetgeving
Einde Eerste woord Laatste woord Wijziging(en) Aanhef
Inhoudstafel 388 uitvoeringbesluiten 278 gearchiveerde versies
Erratum Handtekening Einde Franstalige versie
 
belgiëlex . be     -     Kruispuntbank Wetgeving
Raad van State
ELI - Navigatie systeem via een Europese identificatiecode voor wetgeving
http://www.ejustice.just.fgov.be/eli/besluit/1991/11/25/1991013192/justel

Titel
25 NOVEMBER 1991. - Koninklijk besluit houdende de werkloosheidsreglementering.
(NOTA : art. gewijzigd in de toekmst bij DVR 2016-12-09/06, art. 24; Inwerkingtreding : onbepaald)
(NOTA : Raadpleging van vroegere versies vanaf 10-06-1992 en tekstbijwerking tot 23-02-2018)

Bron : TEWERKSTELLING EN ARBEID
Publicatie : 31-12-1991 nummer :   1991013192 bladzijde : 29888
Dossiernummer : 1991-11-25/50
Inwerkingtreding : 01-06-1992

Inhoudstafel Tekst Begin
TITEL I. - Organisatie en werking van de Rijksdienst voor Arbeidsvoorziening en de uitbetalingsinstellingen.
HOOFDSTUK I. - De Rijksdienst voor Arbeidsvoorziening.
Afdeling 1. - Begripsomschrijvingen.
Art. 1
Art. 1 DUITSTALIGE GEMEENSCHAP
Art. 1bis
Afdeling 2. - Beheer.
Art. 2-3, 3bis, 4
Afdeling 3. - Inrichting van de diensten.
Art. 5
Afdeling 4. - Nationale administratieve commissie.
Art. 6-9
Afdeling 5. - Commissies van advies.
Art. 10-16
HOOFDSTUK II. - De uitbetalingsinstellingen.
Afdeling 1. - De erkende uitbetalingsinstellingen.
Art. 17
Afdeling 2. - De Hulpkas voor werkloosheidsuitkeringen.
Art. 18-22, 22bis, 23
Afdeling 3. - Opdrachten, middelen en toezicht.
Art. 24-26
HOOFDSTUK III. - (Algemene bepalingen). <Ingevoegd bij KB 1999-04-30/32, art. 3; Inwerkingtreding : 01-01-1997>
Art. 26bis
TITEL II. - De werkloosheidsvergoeding.
HOOFDSTUK I. - Inleidende bepalingen.
Art. 27-29
HOOFDSTUK II. - Toelaatbaarheidsvoorwaarden.
Afdeling 1. - Wachttijd.
Onderafdeling 1. - Arbeid in loondienst.
Art. 30-34
Onderafdeling 2. - (Studies, leertijd, opleiding en jeugd- en seniorvakantie) <KB 2007-01-24/32, art. 1, 160; Inwerkingtreding : 01-01-2007>
Art. 35-36, 36/1, 36/2, 36/3, 36/4, 36/5, 36/6, 36/7, 36/8, 36/9, 36/10, 36/11, 36bis, 36ter
Art. 36ter WAALS GEWEST
Art. 36ter BRUSSELS HOOFDSTEDELIJK GEWEST
Art. 36quater
Art. 36quater WAALS GEWEST
Art. 36quater BRUSSELS HOOFDSTEDELIJK GEWEST
Art. 36quinquies
Art. 36quinquies WAALS GEWEST
Art. 36quinquies BRUSSELS HOOFDSTEDELIJK GEWEST
Art. 36sexies
Art. 36sexies VLAAMS GEWEST
Art. 36sexies WAALS GEWEST
Art. 36sexies DUITSTALIGE GEMEENSCHAP
Art. 36sexies BRUSSELS HOOFDSTEDELIJK GEWEST
Onderafdeling 3. - Arbeids- en gelijkgestelde dagen.
Art. 37-38, 38bis
Onderafdeling 4. - Overgang naar een andere uitkering.
Art. 39-41
Afdeling 2. - Vrijstelling van wachttijd.
Art. 42, 42bis
Afdeling 3. - Vreemde en staatloze werknemers.
Art. 43
HOOFDSTUK III. - Toekenningsvoorwaarden.
Afdeling 1. - Onvrijwillig zonder arbeid en zonder loon zijn.
Art. 44-45, 45bis, 46-48, 48bis, 49-52, 52bis, 53, 53bis, 54-55
Afdeling 2. - Beschikbaarheid voor de arbeidsmarkt.
Art. 56
Art. 56 TOEKOMSTIG RECHT
Art. 56/1, 56/2
Art. 56/2 TOEKOMSTIG RECHT
Art. 56/3
Art. 56/3 TOEKOMSTIG RECHT
Art. 56/4
Art. 56/4 TOEKOMSTIG RECHT
Art. 56/5
Art. 56/5 TOEKOMSTIG RECHT
Art. 56/6, 57-58, 58/1, 58/2
Art. 58/2 TOEKOMSTIG RECHT
Art. 58/3, 58/4
Art. 58/4 TOEKOMSTIG RECHT
Art. 58/5
Art. 58/5 TOEKOMSTIG RECHT
Art. 58/6
Art. 58/6 TOEKOMSTIG RECHT
Art. 58/7, 58/8, 58/9
Art. 58/9 TOEKOMSTIG RECHT
Art. 58/10, 58/11, 58/12, 59, 59bis, 59bis/1, 59ter, 59ter/1, 59quater, 59quater/1., 59quater/2, 59quater/3, 59quinquies, 59quinquies/1., 59quinquies2, 59sexies, 59septies, 59octies, 59nonies, 59decies
Afdeling 3. - Arbeidsgeschiktheid.
Art. 60-62
Afdeling 4. - Leeftijdsvoorwaarden.
Art. 63-65
Afdeling 5. - Andere voorwaarden.
Art. 66, 66bis, 67-70
Afdeling 6. - Aangifte en controle van werkloosheidsperiodes.
Art. 71, 71bis, 71ter, 72
Afdeling 7. - Bijzondere regelingen.
Art. 73-74, 74bis, 75-78, 78bis, 78ter
Art. 78ter WAALS GEWEST
Art. 78ter VLAAMS GEWEST (TOEKOMSTIG RECHT)
Art. 78ter DUITSTALIGE GEMEENSCHAP
Art. 78quater, 78quinquies, 78sexies
Art. 78sexies WAALS GEWEST
Art. 79
Art. 79 DUITSTALIGE GEMEENSCHAP
Art. 79 VLAAMS GEWEST
Art. 79bis
Art. 79bis VLAAMS GEWEST
Art. 79bis DUITSTALIGE GEMEENSCHAP
Art. 79ter
Art. 79ter VLAAMS GEWEST
Art. 79ter DUITSTALIGE GEMEENSCHAP
Afdeling 8. - Langdurige werkloosheid.
Art. 80-88
Afdeling 9. - Vrijstelling van bepaalde toekenningsvoorwaarden.
Art. 89, 89bis, 89/1, 90-91
Art. 91 BRUSSELS HOOFDSTEDELIJK GEWEST
Art. 91 VLAAMS GEWEST
Art. 92
Art. 92 BRUSSELS HOOFDSTEDELIJK GEWEST
Art. 92 VLAAMS GEWEST
Art. 93
Art. 93 BRUSSELS HOOFDSTEDELIJK GEWEST
Art. 93 VLAAMS GEWEST
Art. 94
Art. 94 BRUSSELS HOOFDSTEDELIJK GEWEST
Art. 94 VLAAMS GEWEST
Art. 94bis, 95-98, 98bis, 98ter
HOOFDSTUK IV. - Berekening van de uitkeringen.
Afdeling 1. - Aantal daguitkeringen.
Onderafdeling 1. - Algemene bepalingen.
Art. 99
Onderafdeling 2. - Uitkeringsstelsel in geval van volledige werkloosheid.
Art. 100-105
Onderafdeling 3. - Uitkeringsstelsel in geval van tijdelijke werkloosheid.
Art. 106-108, 108bis
Onderafdeling 4. - Bijzondere bepalingen.
Art. 109
Afdeling 2. - Het bedrag van de daguitkering.
Onderafdeling 1. - Algemene bepalingen.
Art. 110-113
Onderafdeling 2. - Bedrag van de werkloosheidsuitkering.
Art. 114-118
Art. 118 TOEKOMSTIG RECHT
Art. 119
Onderafdeling 3. - Bedrag van de bijzondere werkloosheidsuitkering voor de minder-valide. (opgeheven) <KB 2003-04-08/47, art. 6, 128; Inwerkingtreding : 01-04-2003>
Art. 120-123
Onderafdeling 4. - [1 Bedrag van de overbruggingsuitkering en de inschakelingsuitkering]1
Art. 124-125
Onderafdeling 5. - Anciënniteitstoeslag.
Art. 126-129
Onderafdeling 5bis. [1 - Werkhervattingstoeslag]1
Art. 129bis
Art. 129bis VLAAMS GEWEST
Art. 129bis WAALS GEWEST
Art. 129bis BRUSSELS HOOFDSTEDELIJK GEWEST
Art. 129ter
Art. 129ter VLAAMS GEWEST
Art. 129ter WAALS GEWEST
Art. 129ter BRUSSELS HOOFDSTEDELIJK GEWEST
Art. 129quater
Art. 129quater VLAAMS GEWEST
Art. 129quater WAALS GEWEST
Art. 129quater BRUSSELS HOOFDSTEDELIJK GEWEST
Onderafdeling 6. - Vermindering van het bedrag van de uitkering in geval van toegelaten cumulatie.
Art. 130
Onderafdeling 7. Tijdelijke vermindering van het bedrag van de uitkering. <Ingevoegd bij KB 2004-07-04/30, art. 7, Inwerkingtreding : 01-07-2004>
Art. 130bis, 130ter
Afdeling 3. - Andere uitkeringen.
Art. 131
Art. 131 WAALS GEWEST
Art. 131 BRUSSELS HOOFDSTEDELIJK GEWEST
Art. 131 VLAAMS GEWEST
Art. 131bis, 131ter, 131quater
Art. 131quater WAALS GEWEST
Art. 131quater VLAAMS GEWEST (TOEKOMSTIG RECHT)
Art. 131quater DUITSTALIGE GEMEENSCHAP
Art. 131quinquies, 131sexies, 131septies
Art. 131septies WAALS GEWEST
Art. 131septies BRUSSELS HOOFDSTEDELIJK GEWEST
Art. 131septies DUITSTALIGE GEMEENSCHAP
Art. 131septies VLAAMS GEWEST
Art. 131septies/1
Art. 131septies/1 VLAAMS GEWEST
Art. 131septies/2, 131octies
Art. 131octies VLAAMS GEWEST
Art. 131octies WAALS GEWEST
Art. 131octies BRUSSELS HOOFDSTEDELIJK GEWEST
Art. 131octies DUITSTALIGE GEMEENSCHAP
Art. 131nonies
Art. 131nonies VLAAMS GEWEST
Art. 131nonies WAALS GEWEST
Art. 131nonies BRUSSELS HOOFDSTEDELIJK GEWEST
Art. 131nonies DUITSTALIGE GEMEENSCHAP
HOOFDSTUK V. - Procedure.
Afdeling 1. - Uitkeringsaanvraag en aangifte van de wijzigende gebeurtenis.
Art. 132-133
Art. 133 TOEKOMSTIG RECHT
Art. 133 VLAAMS GEWEST
Art. 134, 134bis, 134ter, 135-137
Art. 137 TOEKOMSTIG RECHT
Art. 138, 138bis
Afdeling 2. - Toezicht.
Art. 139, 139/1, 140-141
Afdeling 3. - Beslissing inzake het recht op uitkeringen.
Art. 142-148
Afdeling 4. - (Herziening van een beslissing en de herziening van het recht op uitkeringen). <KB 1999-04-30/32, art. 9; Inwerkingtreding : 01-01-1997>
Art. 149-152
HOOFDSTUK Vbis. [1 Bijzondere regelen betreffende de activiteiten van de Rijksdienst als operator of als instelling belast met de materiële uitvoering van beslissingen van de bevoegde gewestinstellingen]1
Art. 152bis, 152ter, 152quater, 152quinquies, 152sexies
HOOFDSTUK VI. - Administratieve sancties.
Art. 153-157, 157bis, 158-159
HOOFDSTUK VII. - Betaling van de uitkering.
Art. 160-163, 163bis
HOOFDSTUK VIII. - Indiening en verificatie van de betalingen.
Art. 164-168, 168bis
HOOFDSTUK IX. - Terugvordering van uitkeringen.
Art. 169-174
HOOFDSTUK X. - Strafbepalingen.
Art. 175-176
HOOFDSTUK XI. - Slotbepalingen.
Art. 177-178, 178bis, 179-180

Tekst Inhoudstafel Begin
TITEL I. - Organisatie en werking van de Rijksdienst voor Arbeidsvoorziening en de uitbetalingsinstellingen.

  HOOFDSTUK I. - De Rijksdienst voor Arbeidsvoorziening.

  Afdeling 1. - Begripsomschrijvingen.

  Artikel 1. Voor de toepassing van dit besluit wordt verstaan onder:
  1° de Minister: de Minister tot wiens bevoegdheid de werkloosheidsreglementering behoort;
  2° de Rijksdienst: de Rijksdienst voor arbeidsvoorziening opgericht door artikel 7 van de besluitwet van 28 december 1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders;
  3° het beheerscomité: het beheerscomité van de Rijksdienst;
  4° het advies van het beheerscomité: het advies waarvan sprake is in artikel 15 van de wet van 25 april 1963 betreffende het beheer van de instellingen van openbaar nut voor sociale zekerheid en sociale voorzorg;
  5° de directeur: de directeur van het werkloosheidsbureau of de ambtenaren die door de administrateur-generaal van de Rijksdienst zijn aangewezen.
  (6° het Handvest : de wet van 11 april 1995 tot invoering van het " handvest " van de sociaal verzekerde.) <KB 1999-04-30/32, art. 1, 083; Inwerkingtreding : 01-01-1997>

  Art. 1_DUITSTALIGE_GEMEENSCHAP.
   Voor de toepassing van dit besluit wordt verstaan onder:
  1° de Minister: de Minister tot wiens bevoegdheid de werkloosheidsreglementering behoort;
  2° de Rijksdienst: de Rijksdienst voor arbeidsvoorziening opgericht door artikel 7 van de besluitwet van 28 december 1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders;
  3° het beheerscomité: het beheerscomité van de Rijksdienst;
  4° het advies van het beheerscomité: het advies waarvan sprake is in artikel 15 van de wet van 25 april 1963 betreffende het beheer van de instellingen van openbaar nut voor sociale zekerheid en sociale voorzorg;
  5° de directeur: de directeur van het werkloosheidsbureau of de ambtenaren die door de administrateur-generaal van de Rijksdienst zijn aangewezen.
  (6° het Handvest : de wet van 11 april 1995 tot invoering van het " handvest " van de sociaal verzekerde.) <KB 1999-04-30/32, art. 1, 083; Inwerkingtreding : 01-01-1997>
  [1 7° Dienst voor arbeidsbemiddeling : de Dienst voor arbeidsbemiddeling van de Duitstalige Gemeenschap;
   8° de Gemeenschapsminister : de Minister van de Regering van de Duitstalige Gemeenschap die bevoegd is voor Werkgelegenheid.]1

  ----------
  (1)<BDG 2017-06-08/21, art. 1, 272; Inwerkingtreding : 01-01-2018>

  Art. 1bis. <Ingevoegd bij KB 2003-03-12/42, art. 12; Inwerkingtreding : 01-01-2003> Voor de toepassing van dit besluit en de ministeriële uitvoeringsbesluiten ervan gelden de definities van de arbeidstijdgegevens zoals vastgesteld bij het koninklijk besluit van 10 juni 2001 tot eenvormige definiëring van begrippen met betrekking tot arbeidstijdgegevens ten behoeve van de sociale zekerheid, met toepassing van artikel 39 van de wet 26 juli 1996 tot modernisering van de sociale zekerheid en tot vrijwaring van de leefbaarheid van de wettelijke pensioenstelsels.
  Voor de toepassing van de definities vermeld in de artikelen 39, 40, 45, 49 en 50 van vermeld koninklijk besluit van 10 juni 2001, worden de volledig werklozen gelijkgesteld met personen van wie de arbeidsovereenkomst is geschorst.

  Afdeling 2. - Beheer.

  Art. 2.De Rijksdienst wordt beheerd door een beheerscomité samengesteld uit:
  1° een voorzitter;
  2° zeven vertegenwoordigers van de representatieve interprofessionele werkgeversorganisaties;
  3° zeven vertegenwoordigers van de representatieve interprofessionele werknemersorganisaties;
  [1 4° overeenkomstig artikel 3ter van de wet van 25 april 1963 betreffende het beheer van de instellingen van openbaar nut voor sociale zekerheid en sociale voorzorg, vier leden die de gewestelijke diensten voor arbeidsbemiddeling vertegenwoordigen en die worden aangewezen door de Regeringen van de gewesten en, in geval van toepassing van artikel 139 van de Grondwet, door de Regering van de Duitstalige Gemeenschap. Deze leden zijn niet stemgerechtigd.]1
  ----------
  (1)<KB 2014-05-27/04, art. 1, 228; Inwerkingtreding : 01-07-2014>

  Art. 3. Het dagelijks beheer van de Rijksdienst wordt uitgeoefend door een administrateur-generaal bijgestaan door een adjunct-administrateur-generaal.

  Art. 3bis. (opgeheven) <W 1999-01-15/30, art. 24, 072; Inwerkingtreding : 01-06-1998>

  Art. 4. De Minister bepaalt de vergoedingen die toegekend worden aan de regeringscommissarissen, de revisoren en de afgevaardigde van de Minister van Financiën. Deze vergoedingen zijn ten laste van de Rijksdienst.

  Afdeling 3. - Inrichting van de diensten.

  Art. 5. De Rijksdienst omvat een hoofdbestuur en werkloosheidsbureaus.
  De zetel van de Rijksdienst is gevestigd te Brussel.
  Het beheerscomité stelt met goedkeuring van de Minister het aantal en het ambtsgebied van de werkloosheidsbureaus vast en richt zo nodig hulpkantoren op.

  Afdeling 4. - Nationale administratieve commissie.

  Art. 6. <KB 2004-07-04/30, art. 1, 135; Inwerkingtreding : 01-07-2004> Bij het hoofdbestuur van de Rijksdienst wordt een nationale administratieve commissie opgericht die kennis neemt van de administratieve beroepen bedoeld in de artikelen 59septies en 82, § 2.

  Art. 7. § 1. (De nationale administratieve commissie bestaat uit een nederlandstalige of franstalige kamer. Onverminderd de toepassing van de wettelijke bepalingen betreffende de taal waarin de zaken moeten behandeld worden, nemen beide kamers in verenigde vergadering kennis van alle zaken.
  Beide kamers kunnen in verenigde vergadering met eenparigheid van stemmen beslissen zittingen te houden buiten de zetel van het hoofdbestuur.) <KB 1992-12-31/34, art. 1, 016; Inwerkingtreding : 01-04-1993>
  § 2. Elke kamer is samengesteld uit:
  1° een voorzitter;
  2° twee leden die de representatieve interprofessionele werkgeversorganisaties vertegenwoordigen;
  3° twee leden die de representatieve interprofessionele werknemersorganisaties vertegenwoordigen;
  4° een lid dat de Minister vertegenwoordigt;
  5° (...) <KB 1992-08-05/31, art. 1, 008; Inwerkingtreding : 01-08-1992>
  Voor elke voorzitter en voor elk lid worden bovendien één of meerdere plaatsvervangende voorzitters en één of meerdere plaatsvervangende leden aangeduid.
  (Het lid dat de minister vertegenwoordigt vervangt de vooreitter of de plaatsvervangende voorzitter indien deze afwezig zijn.) <KB 1992-08-05/31, art. 1, 008; Inwerkingtreding : 01-08-1992>
  Elke kamer wordt bijgestaan door een secretaris en adjunct-secretarissen.
  § 3. De voorzitters en de plaatsvervangende voorzitters worden door Ons benoemd op voorstel van de Minister van Justitie. Zij moeten magistraat zijn. De Voorzitter of een plaatsvervangende voorzitter, zetelend in de Franstalige kamer, moet kennis hebben van de Duitse taal.
  De leden bedoeld in § 2, eerste lid, 2° en 3°, en hun plaatsvervangers worden door Ons benoemd. Zij worden gekozen uit kandidaten-lijsten voorgelegd door hun organisaties. Deze moeten hun voorstellen bij de Minister indienen binnen de vijftien dagen nadat hen daarom wordt verzocht, zoniet worden de benoemingen ambtshalve verricht.
  (het lid bedoeld in § 2, eerste lid, 4° , en zijn plaatsvervangers worden door Ons benoemd op voorstel van de minister) <KB 1992-08-05/31, art. 1, 008; Inwerkingtreding : 01-08-1992>
  § 4. Het mandaat van de voorzitters bedraagt tien jaar; dit van de leden zes jaar. Deze mandaten kunnen worden hernieuwd.
  De voorzitter of het lid, benoemd ter vervanging van een overleden of ontslagnemend voorzitter of lid, voltooit het mandaat van zijn voorganger.
  § 5. Er bestaat onverenigbaarheid tussen een mandaat in het beheerscomité en een mandaat in de nationale administratieve commissie.
  § 6. De secretarissen en de adjunct-secretarissen van de commissie worden aangewezen door het beheerscomité.
  De secretarissen en de adjunct-secretarissen moeten ten minste de leeftijd van 25 jaar bereikt hebben en personeelslid zijn van de Rijksdienst. Ten minste één secretaris of adjunct-secretaris, aangewezen voor de Franstalige kamer, moet kennis hebben van de Duitse taal.
  § 7. Wanneer de commissie in de onmogelijkheid verkeert de haar voorgelegde zaken binnen de reglementair voorziene termijn te behandelen, kan de Minister beslissen tijdelijk bijkomende kamers samen te stellen die door één van de plaatsvervangende voorzitters worden voorgezeten en worden samengesteld uit de plaatsvervangende leden. In dat geval worden bijkomende plaatsvervangende voorzitters en leden benoemd, overeenkomstig de procedure bepaald in onderhavig artikel, tot wanneer de bijkomende kamers worden afgeschaft.
  (Het samenstellen van tijdelijke bijkomende kamers mag geen afbreuk doen aan hetgeen bepaald is in § 1. Bijgevolg kunnen de bijkomende kamers slechts als verenigde vergadering kennis nemen van de beroepen.) <KB 1992-12-31/34, art. 1, 016; Inwerkingtreding : 01-04-1993>
  § 8. (De commissie kan slechts geldig beraadslagen over een beroep ingediend op basis van artikel 59septies of 82, § 2, indien beide kamers op dezelfde wijze samengesteld zijn. Daartoe neemt de kamer met de meest aanwezige leden dezelfde samenstelling aan als de kamer met de minst aanwezige leden.) <KB 2004-07-04/30, art. 2, 135; Inwerkingtreding : 01-07-2004>
  (Moeten in iedere kamer minstens aanwezig zijn om geldig te beraadslagen :
  - de voorzitter of een plaatsvervangend voorzitter of het lid dat de Minister vertegenwoordigt;
  - één lid dat de werkgeversorganisaties vertegenwoordigt;
  - één lid dat de werknemersorganisaties vertegenwoordigt.
  Indien in een kamer de leden die de werkgeversorganisaties vertegenwoordigen en deze die de werknemersorganisaties vertegenwoordigen niet in gelijk aantal aanwezig zijn, wordt de pariteit hersteld door de onthouding van het laatst aangestelde lid van de organisaties in overtal; bij gelijke anciënniteit onthoudt het jongste lid zich.
  (Wanneer, omwille van de afwezigheid van leden die de werkgeversorganisaties vertegenwoordigen of van leden die de werknemersorganisaties vertegenwoordigen, de commissie geen uitspraak kan doen over de beroepen ingediend op basis van artikel 59septies, wordt het onderzoek van deze beroepen uitgesteld tot een latere zitting, tijdens dewelke de commissie uitspraak doet over de ingediende beroepen, zelfs in afwezigheid van de leden die de werkgeversorganisaties vertegenwoordigen of van de leden die de werknemersorganisaties vertegenwoordigen.) <KB 2004-07-04/30, art. 2, 135; Inwerkingtreding : 01-07-2004>
  Wanneer in een kamer noch de voorzitter noch de plaatsvervangend voorzitter aanwezig is, wordt deze vervangen door het lid dat de Minister vertegenwoordigt. (...) <KB 1994-03-08/31, art. 1, 026; Inwerkingtreding : 18-03-1994>
  Een beroep wordt gegrond verklaard wanneer alle aanwezige leden van beide kamers die stemrecht hebben, min twee, zich in deze zin uitspreken.
  (lid opgeheven) <KB 1994-03-08/31, art. 1, 026; Inwerkingtreding : 18-03-1994>) <KB 1992-12-31/34, art. 1, 016; Inwerkingtreding : 01-04-1993>

  Art. 8. De Minister bepaalt, na advies van het beheerscomité, het bedrag van het presentiegeld waarop de voorzitters en de leden van de nationale administratieve commissie en hun respectievelijke plaatsvervangers recht hebben. Hij bepaalt op dezelfde wijze de bedragen en de toekenningsvoorwaarden van de vergoedingen voor reis- en verblijfkosten.
  De werkingskosten van de commissie zijn ten laste van de Rijksdienst.

  Art. 9. De nationale administratieve commissie stelt een huishoudelijk reglement op dat, na advies van het beheerscomité, onderworpen wordt aan de goedkeuring van de Minister.

  Afdeling 5. - Commissies van advies.

  Art. 10. (opgeheven) <KB 1994-08-12/30, art. 1, 034; Inwerkingtreding : 06-09-1994>

  Art. 11. (opgeheven) <KB 1994-08-12/30, art. 1, 034; Inwerkingtreding : 06-09-1994>

  Art. 12. (opgeheven) <KB 1994-08-12/30, art. 1, 034; Inwerkingtreding : 06-09-1994>

  Art. 13. (opgeheven) <KB 1994-08-12/30, art. 1, 034; Inwerkingtreding : 06-09-1994>

  Art. 14. (opgeheven) <KB 1994-08-12/30, art. 1, 034; Inwerkingtreding : 06-09-1994>

  Art. 15. (opgeheven) <KB 1994-08-12/30, art. 1, 034; Inwerkingtreding : 06-09-1994>

  Art. 16. (opgeheven) <KB 1994-08-12/30, art. 1, 034; Inwerkingtreding : 06-09-1994>

  HOOFDSTUK II. - De uitbetalingsinstellingen.

  Afdeling 1. - De erkende uitbetalingsinstellingen.

  Art. 17.§ 1. De werknemersorganisatie vraagt de erkenning van de door haar opgerichte uitbetalingsinstelling aan de Minister.
  Bij deze vraag dient een exemplaar van de statuten van de uitbetalingsinstelling te worden gevoegd. Deze statuten moeten inzonderheid vermelden:
  1° de benaming en de zetel van de instelling;
  2° haar doel, dat beperkt moet zijn tot de toepassing van de wetgeving die betrekking heeft op de sociale zekerheid der werknemers [1 en aangelegenheden die betrekking hebben op het tewerkstellingsbeleid in de zin van artikel 6, § 1, IX van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 tot hervorming der instellingen]1;
  3° de samenstelling van de raad van beheer, de wijze waarop de beheerders worden benoemd, ontslag nemen of worden afgezet, hun ambtsbevoegdheden en de duur van hun mandaat;
  4° de wijze waarop de statuten worden gewijzigd, de wijze waarop een fusie van een instelling met een andere geschiedt en de wijze van ontbinding.
  De in de statuten aangebrachte wijzigingen hebben slechts uitwerking nadat zij door Ons zijn goedgekeurd. In geval van fusie van instellingen is een nieuwe erkenning vereist.
  De vraag om erkenning bevat de formele verbintenis van de uitbetalingsinstelling zich te onderwerpen aan alle controlemaatregelen welke de Minister of de Rijksdienst noodzakelijk acht, en aan de Rijksdienst het bedrag van de voorschotten, waarvan de besteding niet verantwoord is, terug te betalen.
  § 2. De erkenning wordt door Ons verleend of ingetrokken, na advies van het beheerscomité.
  De erkenning wordt verleend indien:
  1° de uitbetalingsinstelling waarborgen van goede werking geeft;
  2° de uitbetalingsinstelling de verbintenis aangaat om aan de rechthebbende de uitkeringen te betalen die hem verschuldigd zijn en die hem niet konden betaald worden wegens de nalatigheid of de fout van deze instelling, inzonderheid indien documenten laattijdig werden overgemaakt;
  3° de werknemersorganisatie die de uitbetalingsinstelling oprichte, ten minste vijftigduizend leden telt die onder de sociale zekerheid der werknemers vallen.
  De erkenning wordt ingetrokken, indien de uitbetalingsinstelling zich niet schikt naar de wetten en reglementen, grove onregelmatigheden begaat, weigert zich aan de controle te onderwerpen, of de verbintenis, bedoeld in het tweede lid, 2°, niet eerbiedigt. Dit geldt eveneens in geval van ernstige niet-naleving van de statuten of wanneer de uitbetalingsinstelling niet in staat is het aan de Rijksdienst verschuldigde terug te betalen.
  De besluiten tot erkenning of tot intrekking van de erkenning worden bij uittreksel in het Belgisch Staatsblad bekendgemaakt.
  [1 § 3. De uitbetalingsinstellingen mogen in hun beheersboekhouding betreffende de opdrachten voor rekening en onder het gezag van de Rijksdienst, geen uitgaven opnemen die betrekking hebben op de aangelegenheden die betrekking hebben op het tewerkstellingsbeleid in de zin van artikel 6, § 1, IX van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 tot hervorming der instellingen.
   Het vorig lid belet niet dat uitgaven die betrekking hebben op de algemene informatieopdracht van de uitbetalingsinstellingen in toepassing van artikel 24, worden opgenomen.]1
  ----------
  (1)<KB 2016-08-30/25, art. 1, 256; Inwerkingtreding : 30-09-2016>

  Afdeling 2. - De Hulpkas voor werkloosheidsuitkeringen.

  Art. 18.De openbare uitbetalingsinstelling heeft als benaming "Hulpkas voor werkloosheidsuitkeringen" en wordt hierna "de Hulpkas" genoemd.
  De Hulpkas wordt beheerd door het beheerscomité, waarvan de vergaderingen plaatshebben op de zetel van de Rijksdienst. De administrateur-generaal van de Rijksdienst of zijn afgevaardigde woont die vergaderingen bij.
  De Minister bepaalt de vergoedingen toe te kennen aan de regeringscommissarissen, de revisoren en de afgevaardigde van de Minister van Financiën, bij de Hulpkas. Die vergoedingen, alsmede die welke de voorzitter en de leden van het beheerscomité toekomen uit hoofde van de vergaderingen in verband met het beheer van de Hulpkas, zijn ten laste van deze laatste.
  De Minister stelt, na advies van het beheerscomité, het aantal en het ambtsgebied van de uitbetalingsbureaus van de Hulpkas vast.

  Art. 19. Het dagelijks beheer van de Hulpkas wordt uitgeoefend door een leidend ambtenaar, bijgestaan door een adjunct-leidend ambtenaar.
  Deze ambtenaren worden door Ons benoemd en hun statuut wordt door Ons bepaald. Het vacant verklaren van die betrekkingen geschiedt door de Minister. De kandidaturen moeten bij de Minister toekomen binnen twintig dagen na de bekendmaking van de vacant verklaring van de betrekking in het Belgisch Staatsblad.

  Art. 20. De leidend ambtenaar oefent de bevoegdheden uit inzake het dagelijks beheer zoals het huishoudelijk reglement, vastgesteld door het beheerscomité, deze bepaalt. Hij woont de vergaderingen van het beheerscomité bij, verstrekt aan dit comité alle inlichtingen en onderwerpt het alle voorstellen die voor de werking van de Hulpkas nuttig zijn. Hij voert de beslissingen van het beheerscomité uit. Hij leidt het personeel en zorgt, onder het gezag en de controle van het beheerscomité, voor de goede werking van de Hulpkas.
  Het beheerscomité kan aan de leidend ambtenaar andere bepaalde bevoegdheden overdragen.
  Voor een vlottere gang van zaken kan het beheerscomité binnen de grenzen en voorwaarden die het vaststelt, de leidend ambtenaar machtigen een deel van de hem verleende bevoegdheden en het ondertekenen van sommige stukken en brieven over te dragen.
  De leidend ambtenaar vertegenwoordigt de Hulpkas in de gerechtelijke en buitengerechtelijke handelingen, en treedt rechtsgeldig in haar naam en voor haar rekening op, zonder dat hij zulks door een beslissing van het beheerscomité moet staven. Hij mag nochtans, met instemming van het beheerscomité, zijn bevoegdheid om de Hulpkas te vertegenwoordigen voor de arbeidsgerechten in de geschillen omtrent de rechten onstaan uit een regeling van sociale zekerheid, aan een of meer leden van het personeel overdragen.

  Art. 21. De adjunct-leidend ambtenaar staat de leidend ambtenaar bij voor de uitvoering van alle hem opgedragen taken. Hij woont eveneens de vergaderingen van het beheerscomité bij.
  Ingeval de leidend ambtenaar verhinderd is, worden zijn bevoegdheden uitgeoefend door zijn adjunct of, bij diens ontstentenis, door een personeelslid van de Hulpkas, dat door het beheerscomité aangewezen wordt.

  Art. 22. Voor de andere dan de in artikel 20 bedoelde gerechtelijke en buitengerechtelijke handelingen, wordt de Hulpkas vertegenwoordigd door de leidend ambtenaar en de voorzitter van het beheerscomité die, gezamenlijk, rechtsgeldig in haar naam en voor haar rekening optreden.
  De voorzitter wordt, wanneer hij verhinderd is, door een lid van het beheerscomité vervangen, dat door dit comité aangewezen wordt.
  Wanneer de voorzitter, de leidend ambtenaar en zijn adjunct, afwezig of verhinderd zijn, verrichten twee leden van het beheerscomité, die door dit comité aangewezen worden, samen de handeling.

  Art. 22bis. De Hulpkas voor Werkloosheidsuitkeringen kan vanaf 1 januari 1993, met machtiging van de Minister tot wiens bevoegdheid de financiën behoren en van de Minister binnen de perken van haar statutaire opdrachten, leningen al dan niet van hypothecaire aard, aangaan of de onroerende goederen waarvan zij eigenaar is met een hypotheek belasten. <ingevoegd bij KB 1993-09-09/30, art. 1, 023; Inwerkingtreding : 01-01-1993>

  Art. 23. <KB 2006-09-24/51, art. 1, 158; Inwerkingtreding : 06-11-2006> Met uitzondering van de persoon belast met het dagelijks beheer, zijn adjunct en de houders van de overige managementfuncties wordt het personeel benoemd, bevorderd en ontslagen door het beheerscomité overeenkomstig de regelen van het statuut van het personeel.

  Afdeling 3. - Opdrachten, middelen en toezicht.

  Art. 24.<KB 1999-04-30/32, art. 2, 083; Inwerkingtreding : 01-01-1997> § 1. De uitbetalingsinstellingen hebben in uitvoering van artikel 7, § 1, derde lid, i en m, en § 2 van de besluitwet van 28 december 1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders en van de artikelen 3, 4 en 14, eerste lid, 6°, van het Handvest de volgende opdrachten :
  1° de formulieren, waarvan het gebruik door de Rijksdienst is voorgeschreven, ter beschikking van de werknemer houden;
  2° [3 aan de werknemer alle door de Rijksdienst voorgeschreven mededelingen verstrekken en documenten overmaken;]3
  3° de werknemer kosteloos raad geven en alle dienstige inlichtingen verstrekken betreffende zijn rechten en plichten met betrekking tot de werkloosheidsverzekering. Indien het een schriftelijk verzoek betreft, geschiedt deze informatieverstrekking binnen de 45 dagen en met vermelding van het identificatienummer voor de sociale zekerheid van de werknemer, indien de uitbetalingsinstelling hierover beschikt;
  4° optreden als informatiedienst waarbij de werkloze aanvullende inlichtingen kan ontvangen omtrent zijn rechten en plichten en omtrent de beslissingen die hem betreffen.
  Om zich van de in het eerste lid, 3°, voorgeschreven informatieopdracht te kwijten moet de uitbetalingsinstelling inzonderheid :
  1° de werkloze die een uitkeringsaanvraag indient of aangifte doet van een wijzigende gebeurtenis, in het bezit stellen van de informatiedocumenten opgesteld of goedgekeurd door de Rijksdienst, behalve indien de werkloze voorheen reeds deze documenten ontving;
  2° aan de werkloze een dubbel overhandigen van de in artikel 133, § 2, bepaalde aangifte;
  3° [2 de volledig werkloze inlichten over het bestaan van de elektronische toepassing inzake aangifte van de werkloosheidsperiodes bedoeld in artikel 71ter en aan de volledig werkloze die daar geen gebruik van maakt, de passende controlekaart overmaken.]2
  De dienstige inlichtingen bedoeld in het eerste lid, 3°, betreffen inzonderheid :
  1° de wachttijd- en toekenningsvoorwaarden;
  2° het uitkeringsstelsel, de berekeningswijze en het bedrag van de uitkering;
  3° de door de werknemer na te leven formaliteiten inzake de tijdige indiening van een volledig dossier, de inschrijving als werkzoekende, de aangifte van de persoonlijke en familiale toestand en de aangifte en controle van de periodes van volledige werkloosheid;
  4° de behandelingsprocedure van het dossier.
  (5° de rechten en de plichten van de werkloze, onder meer zijn verplichting om tijdens zijn werkloosheid actief een betrekking te zoeken en actief mee te werken aan de begeleidings-, opleidings-, werkervarings- of inschakelings-acties die hem door de gewestelijke dienst voor arbeidsbemiddeling en beroepsopleiding kunnen worden aangeboden;
  6° de procedure inzake de opvolging van het actieve zoekgedrag naar werk, bedoeld in de artikelen 59bis tot 59decies.) <KB 2004-07-04/30, art. 3, 135; Inwerkingtreding : 01-07-2004>
  De uitbetalingsinstellingen hebben ter uitvoering van de artikelen 7 en 13 tot 16 van het Handvest, overeenkomstig de modaliteiten bepaald door de Minister na advies van het beheerscomité, de opdracht, door overhandiging of gewone verzending van een geschrift :
  1° de werknemer binnen de maand te rekenen vanaf de derde werkdag na de verzending van de uitkeringskaart in kennis stellen van de beslissingen bedoeld in artikel 146, behalve indien de beslissing reeds door de Rijksdienst werd meegedeeld of indien zij de loutere hernieuwing inhoudt van een voorheen meegedeelde beslissing; betwist de uitbetalingsinstelling de juistheid van de uitkeringskaart bij het werkloosheidsbureau, dan neemt de voormelde termijn slechts een aanvang op het tijdstip waarop de uitbetalingsinstelling in kennis is van de uitspraak omtrent deze betwisting;
  2° de werknemer in kennis stellen van haar beslissing tot terugvordering in toepassing van artikel 167, § 2, eerste lid, uiterlijk op het tijdstip waarop zij aan de werknemer de terugbetaling vraagt of waarop zij bedragen inhoudt op betalingen die zij verricht; de uitbetalingsinstelling is van deze kennisgeving vrijgesteld indien de schuld die zij inhoudt minder dan (2,48 EUR) bedraagt en mits zij in de mededeling bij uitbetaling, bedoeld in artikel 162, melding maakt van de inhouding; <KB 2001-07-13/58, art. 8, 100; Inwerkingtreding : 01-01-2002>
  3° op schriftelijke vraag van de werkloze, indien de door hem ingediende controlekaart [2 of de bevestiging bedoeld in artikel 71ter, § 2,]2 niet leidt tot een uitbetaling of indien het bedrag van de uitkering voor de betreffende maand door hem betwist wordt, binnen een termijn van 45 dagen uitleg verstrekken omtrent de redenen waarom geen betaling werd verricht of omtrent de berekening van het bedrag. De uitbetalingsinstelling maakt desgevallend melding van de mogelijkheid tot beroep bij de directeur op grond van artikel 167, § 3 of, indien de betwisting zijn oorsprong vindt in een beslissing tot loutere hernieuwing bedoeld in 1°, van de mogelijkheid een vraag om herziening in te dienen op grond van artikel 149. De werkloze richt zijn vraag aan de uitbetalingsinstelling binnen de termijn van drie maanden te rekenen vanaf de indiening van de controlekaart [2 of de bevestiging bedoeld in artikel 71ter, § 2,]2 of vanaf de ontvangst van de betwiste betaling.
  § 2. De uitbetalingsinstellingen hebben eveneens als opdracht :
  1° het dossier van de werknemer bij het werkloosheidsbureau in te dienen met inachtneming van de reglementaire bepalingen;
  2° de uitkeringen en de andere prestaties die aan de werknemer toekomen, uit te betalen op grond van de aanduidingen vermeld op de uitkeringskaart bedoeld in artikel 146, met inachtneming van de wettelijke en de reglementaire bepalingen;
  3° aan de werknemer of aan de bevoegde dienst of instelling de documenten of de gegevens verstrekken die voorgeschreven zijn door wettelijke of reglementaire bepalingen.
  [1 4° bij iedere indiening van een dossier betreffende volledige werkloosheid dat een aangifte van de persoonlijke en familiale toestand bevat, via consultatie van de gegevensbank van het Rijksregister en de Kruispuntbankregisters, na te gaan of de voor de sociaal verzekerde beschikbare gegevens betreffende de nationaliteit, verblijfplaats en samenstelling van het gezin overeenstemmen met de door de sociaal verzekerde meegedeelde gegevens.]1
  [3 Deze verplichting geldt niet wanneer de indiening van de aangifte van de persoonlijke en familiale toestand gebeurt naar aanleiding van de behandeling van een wijzigingsbericht zoals bedoeld in 5°;]3
  [3 5° ambtshalve, wanneer zij in een maand waarvoor de sociaal verzekerde aanspraak op uitkeringen als volledig werkloze maakt, via een informatiestroom afkomstig van de gegevensbank van het Rijksregister of de Kruispuntbankregisters ingelicht worden van een wijziging van de gegevens betreffende de nationaliteit, verblijfplaats of samenstelling van het gezin van de sociaal verzekerde, na te gaan in hoeverre deze gewijzigde gegevens overeenstemmen met de door de sociaal verzekerde meegedeelde gegevens.
   Deze gegevens worden door de uitbetalingsinstelling geacht te zijn ontvangen in de maand waarin zij door de Rijksdienst werden verzonden, tenzij vóór de vijfde werkdag volgend op de dag van de verzending reeds een betaling betreffende de maand van verzending werd verricht, in welk geval de gegevens slechts worden geacht te zijn ontvangen in de maand volgend op de maand van de verzending.
   Op schriftelijk verzoek van het hoofdbestuur van de uitbetalingsinstelling, kan het hoofdbestuur van de Rijksdienst beslissen dat deze termijn op ten hoogste tien werkdagen wordt gebracht, indien uitzonderlijke omstandigheden in hoofde van de uitbetalingsinstelling, inzonderheid brugdagen op het einde of in het begin van een maand, er toe kunnen leiden dat, door het behoud van de termijn van vijf werkdagen, een abnormale vertraging in de betaling van de uitkeringen kan optreden.
   Als werkdagen worden bedoeld: alle dagen van de week uitgezonderd de zaterdagen, de zondagen en de feestdagen.
   De behandeling van deze gegevens kan eveneens gebeuren aan de hand van de procedure voorzien in geval van toepassing van 4°.]3
  ----------
  (1)<KB 2014-07-01/05, art. 1, 232; Inwerkingtreding : 25-07-2014>
  (2)<KB 2014-08-23/08, art. 1, 234; Inwerkingtreding : 20-09-2014>
  (3)<KB 2017-01-20/15, art. 1, 259; Inwerkingtreding : 01-03-2017>

  Art. 25. <KB 1994-08-12/30, art. 2, 034; Inwerkingtreding : 06-09-1994> De uitbetalingsinstellingen mogen rechtstreeks noch onrechtstreeks de werknemer, die op het werkloosheidsbureau of voor de in artikel 6 bedoelde commissie ontboden wordt, bijstaan.

  Art. 26.<KB 1995-03-22/33, art. 1, 045; Inwerkingtreding : 01-01-1994> [1 § 1.]1 De uitbetalingsinstellingen zijn verantwoordelijk voor de sommen die door de Rijksdienst worden voorgeschoten voor de betaling van de uitkeringen en moeten de aanwending ervan rechtvaardigen.
  Deze voorschotten worden door de Rijksdienst gestort op de centrale rekening van het hoofdbestuur van de uitbetalingsinstelling, geopend bij een door haar gekozen financiële instelling. De subrekeningen van de gewestelijke en lokale afdelingen van de uitbetalingsinstelling dienen verbonden te zijn aan deze centrale rekening.
  De uitbetalingsinstellingen moeten de administratieve en boekhoudkundige onderrichtingen van de Rijksdienst naleven.
  Zowel het hoofdbestuur als de gewestelijke en lokale afdelingen van de uitbetalingsinstellingen zijn aan het rekenplichtig toezicht van de Rijksdienst onderworpen.
  [1 § 2. De erkende private uitbetalingsinstellingen zijn gehouden jaarlijks een borgstelling ten voordele van de Rijksdienst te voorzien met als doel het financieel risico dat deze laatste loopt bij de financiering van de sociale uitkeringen te dekken.
   Het bedrag van de borgstelling wordt jaarlijks vastgesteld op 10 % van de in verificatie definitief uitgeschakelde uitgaven en de in verificatie definitief verworpen uitgaven van het recentste, volledige indieningsjaar en dat volgens de onderrichtingen van de Rijksdienst.
   De procedure van de borgstelling start in 2018 op basis van de cijfers van het indieningsjaar 2015.
   Vanaf 2019 wordt er een jaarlijkse herberekening gemaakt van het bedrag van de borgstelling, overeenkomstig de berekeningswijze opgenomen in het tweede lid.
   Rekening houdende met het resultaat van de voormelde jaarlijkse herberekening, kan het Beheerscomité beslissen om het bedrag van de borgstelling niet aan te passen aan het geactualiseerde bedrag.]1
  ----------
  (1)<KB 2018-02-07/04, art. 1, 278; Inwerkingtreding : 01-01-2018>

  HOOFDSTUK III. - (Algemene bepalingen). <Ingevoegd bij KB 1999-04-30/32, art. 3; Inwerkingtreding : 01-01-1997>

  Art. 26bis. <Ingevoegd bij KB 1999-04-30/32, art. 3; Inwerkingtreding : 01-01-1997> § 1. Voor zover de vraag om inlichtingen niet door de uitbetalingsinstelling moet beantwoord worden in toepassing van artikel 24, heeft de Rijksdienst ter uitvoering van de artikelen 3 en 4 van het Handvest en van artikel 7, § 1, derde lid, i en m, en § 2 van de besluitwet van 28 december 1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders, de opdracht aan de werknemer alle dienstige inlichtingen, inzonderheid deze bedoeld in artikel 24, § 1, derde lid, te verstrekken betreffende zijn rechten en plichten met betrekking tot de werkloosheidsverzekering. Indien het een schriftelijk verzoek betreft geschiedt deze informatieverstrekking binnen de 45 dagen en met vermelding van het identificatienummer voor de sociale zekerheid van de werknemer, indien de Rijksdienst hierover beschikt.
  Deze opdracht bestaat voor de Rijksdienst inzonderheid indien de werknemer nog geen uitbetalingsinstelling heeft gekozen of een geschil heeft met zijn uitbetalingsinstelling of indien het antwoord een appreciatie van de directeur vereist aan wie een discretionaire beoordelingsbevoegdheid werd toegekend.
  § 2. In de werkloosheidsverzekering wordt aan de verplichting tot kennisgeving van beslissingen, opgelegd in de artikelen 7 en 13 tot 16 van het Handvest voldaan door :
  1° de in artikel 24, § 1, vierde lid, bedoelde mededelingen door de uitbetalingsinstelling;
  2° de in artikel 82, § 2, zesde lid, bedoelde mededeling van de beslissing door de Nationale administratieve commissie of de in artikel 88 bedoelde mededeling van de beslissing van de directeur aangaande het bij hen ingediende beroep;
  3° de in artikel 146, vierde lid, bedoelde mededeling door het werkloosheidsbureau van de beslissing tot ontzegging, uitsluiting of schorsing van het recht op uitkeringen of tot vermindering van de uitkering in toepassing van artikel 130 en de in artikel 170, eerste lid, vermelde kennisgeving van het bedrag van de terugvordering;
  4° de mededeling door het werkloosheidsbureau van de beslissing tot toekenning of tot weigering van een vrijstelling van toekenningsvoorwaarden;
  5° de in artikel 162, vierde lid, bedoelde mededeling door de uitbetalingsinstelling ter gelegenheid van de uitbetaling;
  6° de mededeling door het werkloosheidsbureau van de in artikel 167, §§ 2 en 3 bedoelde beslissingen.
  De Minister kan, na advies van het beheerscomité, de toepassingsmodaliteiten van het eerste lid bepalen.
  § 3. De ambtshalve toekenning van de in artikel 27, 4° bedoelde uitkeringen wordt voor de toepassing van artikel 8 van het Handvest, beschouwd als materieel onmogelijk. De uitkeringen kunnen dus slechts toegekend worden mits indiening van een uitkeringsaanvraag en mits naleving van de vereisten van de artikelen 133 en 134.
  § 4. In uitvoering van artikel 13, tweede lid, van het Handvest worden de beslissingen bedoeld in artikel 142 inzake het recht op uitkeringen, en de beslissingen van de Rijksdienst bedoeld in artikel 164, die door of met behulp van informaticaprogramma's worden genomen, bij afwezigheid van akte, geacht intern uitdrukkelijk gemotiveerd te zijn voor zover de relevante persoonsgegevens bewaard blijven gedurende eenzelfde termijn als de langste termijn voorzien in artikel 7, § 13, van de besluitwet van 28 december 1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders en de juistheid van de beslissing ten allen tijde en inzonderheid op vraag van de arbeidsgerechten kan aangetoond worden door manuele toepassing van de wettelijke of reglementaire bepalingen op deze persoonsgegevens.

  TITEL II. - De werkloosheidsvergoeding.

  HOOFDSTUK I. - Inleidende bepalingen.

  Art. 27.Voor de toepassing van deze titel wordt verstaan onder:
  1° volledig werkloze:
  a) de werkloze die niet verbonden is door een arbeidsovereenkomst;
  b) de deeltijdse werknemer bedoeld in artikel 29, voor de uren waarop hij gewoonlijk niet werkt;
  2° tijdelijk werkloze:
  a) de werkloze die door een arbeidsovereenkomst verbonden is waarvan de uitvoering tijdelijk, geheel of gedeeltelijk, geschorst is;
  b) de werknemer die aan een staking deelneemt, die getroffen wordt door een lock-out of wiens werkloosheid het rechtstreekse of onrechtstreekse gevolg is van een staking of een lock-out;
  c) [5 de leerling, wanneer de uitvoering van de leerovereenkomst tijdelijk geheel of gedeeltelijk wordt geschorst overeenkomstig een bepaling voorzien door of krachtens een decreet of een ordonnantie;]5
  3° (...) <KB 2001-06-10/60, art. 57, 104; Inwerkingtreding : 01-01-2003>
  4° [2 4° uitkering : de werkloosheidsuitkering, de inschakelingsuitkering, de overbruggingsuitkering, de PWA-inkomensgarantie-uitkering en de andere uitkeringen bedoeld in hoofdstuk IV, afdeling 3;]2
  5° inschrijving als werkzoekende: de inschrijving als werkzoekende bij de bevoegde gewestelijke dienst voor arbeidsbemiddeling;
  (6° beroepsopleiding: de beroepsopleiding georganiseerd of gesubsidieerd door de gewestelijke dienst voor arbeidsbemiddeling en beroepsopleiding, alsmede de individuele beroepsopleiding in een onderneming of in een onderwijsinstelling, erkend door deze gewestelijke dienst [7 ...]7;) <KB 1992-12-21/40, art. 1, 013; Inwerkingtreding : 01-06-1992>
  7° de toelaatbaarheidsvoorwaarden: de wachttijdvoorwaarden die een werkloze moet vervullen om van de werkloosheidsverzekering te kunnen genieten;
  8° de toekenningsvoorwaarden: de voorwaarden die een werkloze die toelaatbaar is, moet vervullen om effectief uitkeringen te kunnen ontvangen.
  (9° reïntegratieprogramma : het socio-professioneel herinschakelingsprogramma, georganiseerd, gesubsidieerd of erkend door de gewestelijke dienst voor arbeidsbemiddeling en aanvaard door de directeur van het werkloosheidsbureau, in de mate dat het voldoet aan de voorwaarden vastgesteld door het beheerscomité inzake globale duurtijd, duurtijd per week en inzet die van de werkloze gevraagd wordt.) <KB 1994-08-12/31, art. 1, 036; Inwerkingtreding : 01-09-1994>
  10° [3 artistieke activiteit : de creatie en/of uitvoering of interpretatie van artistieke oeuvres in de audiovisuele en de beeldende kunsten, in de muziek, de literatuur, het spektakel, het theater en de choreografie;]3
  (11° Werkuitkering : de uitkering voorzien bij het koninklijk besluit van 19 december 2001 tot bevordering van de inwerkstelling van langdurig werkzoekenden.) <KB 2001-12-19/39, art. 18, 097; Inwerkingtreding : 01-01-2002>
  (12° hoofdverblijfplaats : de verblijfplaats in de zin van artikel 3 van de wet van 19 juli 1991 betreffende de bevolkingsregisters en de identiteitskaarten en tot wijziging van de wet van 8 augustus 1983 tot regeling van een Rijksregister van de natuurlijke personen.) <KB 2003-02-06/37, art. 1, 122; Inwerkingtreding : 01-04-2003>
  [1 13° ervaringsuitkering : de uitkering voorzien bij het koninklijk besluit van 3 februari 2010 tot bevordering van de tewerkstelling van werkzoekenden, ontslagen in het kader van een herstructurering ten behoeve van onderwijs- en opleidingsinstellingen en openbare bemiddelingsdiensten;]1
  14° [6 individueel actieplan : het actieplan op maat van de werkloze in functie van zijn profiel, zijn behoeften en deze van de arbeidsmarkt, dat aan de werkloze wordt voorgesteld door de bevoegde gewestelijke dienst voor arbeidsbemiddeling met als doel hem een nieuwe start aan te bieden onder de vorm van een individuele beroepskeuzebegeleiding, een begeleiding bij het zoeken naar werk, een opleiding of elke andere maatregel die zijn beschikbaarheid of inzetbaarheid op de arbeidsmarkt verhoogt, onder de voorwaarden en binnen de termijnen bepaald door het federaal normatief kader dat vastgelegd werd in toepassing van artikel 6, § 1, IX, 5°, van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 tot hervorming der instelling;]6
  [5 14° leerling : de leerling bedoeld in artikel 1bis van het koninklijk besluit van 28 november 1969 genomen tot uitvoering van de wet van 27 juni 1969 tot herziening van de besluitwet van 28 december 1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders;
   15° [6 leerovereenkomst : de overeenkomst door dewelke de leerling, bedoeld in 17°, is verbonden;]6
   16° alternerende opleiding : de opleiding bedoeld in artikel 1bis van voornoemd koninklijk besluit van 28 november 1969, die het voorwerp vormt van de leerovereenkomst bedoeld in 15°.]5
  [6 17° leerling : de leerling bedoeld in artikel 1bis van het koninklijk besluit van 28 november 1969 genomen tot uitvoering van de wet van 27 juni 1969 tot herziening van de besluitwet van 28 december 1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders;
   18° onderbrekingsuitkeringen : de uitkeringen die door de Rijksdienst worden toegekend in toepassing van artikel 7, § 1, derde lid, l, van de besluitwet van 28 december 1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders, alsmede de uitkeringen die door de bevoegde gewest- of gemeenschapsinstellingen worden toegekend in het kader van een regeling die ingevolge artikel 65 van de bijzondere wet van 6 januari 2014 met betrekking tot de Zesde Staatshervorming in de plaats treedt van de regeling bedoeld in het voormelde artikel 7, § 1, derde lid,l.]6
  ----------
  (1)<KB 2010-02-03/08, art. 11, 188; Inwerkingtreding : 01-01-2010>
  (2)<KB 2011-12-28/29, art. 1, 203; Inwerkingtreding : 01-01-2012>
  (3)<KB 2014-02-07/08, art. 1, 224; Inwerkingtreding : 01-04-2014>
  (5)<KB 2014-07-01/09, art. 1, 237; Inwerkingtreding : 01-07-2015>
  (6)<KB 2015-07-17/06, art. 1, 242; Inwerkingtreding : 01-07-2015>
  (7)<KB 2017-10-08/07, art. 1, 270; Inwerkingtreding : 16-11-2017>

  Art. 28. (§ 1. In afwijking van artikel 9 van het koninklijk besluit van 10 juni 2001 tot eenvormige definiëring van begrippen met betrekking tot arbeidstijdgegevens ten behoeve van de sociale zekerheid, met toepassing van artikel 39 van de wet van 26 juli 1996 tot modernisering van de sociale zekerheid en tot vrijwaring van de leefbaarheid van de wettelijke pensioenstelsels, wordt de werknemer wiens normale contractuele arbeidsduur overeenstemt met de maximale arbeidsduur die in de onderneming geldt krachtens wet, en wiens loon overeenstemt met dat verschuldigd voor een volledige werkweek, geacht een voltijdse werknemer te zijn.) <KB 2001-06-10/60, art. 58, 097; Inwerkingtreding : 01-01-2003>
  § 2. (Wordt gelijkgesteld met een voltijdse werknemer, de werknemer die normaal gemiddeld een maandloon ontvangt dat ten minste gelijk is aan het refertemaandloon, vastgesteld door de Minister na advies van het beheerscomité, op voorwaarde dat de werknemer de toelaatbaarheidsvoorwaarden om aanspraak te kunnen maken op uitkeringen als voltijdse werknemer vervult en dat hij zich, behoudens indien hij ervan vrijgesteld is, inschrijft als werkzoekende voor een voltijdse arbeidsregeling op het tijdstip van de uitkeringsaanvraag). <KB 1995-11-22/31, art. 1, 051; Inwerkingtreding : 01-12-1995>
  § 3. Worden gelijkgesteld met voltijdse werknemers:
  1° de havenarbeiders van Antwerpen, Gent, Oostende, Brussel en Vilvoorde, Brugge en Zeebrugge, die een regeling voor bestaanszekerheid genieten of door het bevoegd paritair comité worden aangezien als behorende tot het havenbedrijf;
  2° (opgeheven) <KB 1994-11-09/31, art. 3, 039; Inwerkingtreding : 14-11-1994>
  3° (de werknemers die vallen onder het Paritair Subcomité voor de handel in brandstoffen van Oost-Vlaanderen, die een regeling van bestaanszekerheid genieten;) <KB 2006-03-05/36, art. 1, 145; Inwerkingtreding : 15-12-2005>
  4° (de erkende zeevissers, de vislossers en de vissorteerders die vallen onder het paritair comité voor de zeevisserij.) <KB 1995-03-14/32, art. 1, 044; Inwerkingtreding : 01-04-1995>

  Art. 29.<KB 1993-05-25/30, art. 1, 021; Inwerkingtreding : 01-03-1993> § 1. (opgeheven) <KB 1995-11-22/31, art. 2, 051; Inwerkingtreding : 01-01-1996>
  § 2. (Wordt vanaf de aanvang van zijn deeltijdse betrekking, geacht een deeltijdse werknemer met behoud van rechten te zijn, de werknemer die in een arbeidsregeling getreden is die niet beantwoordt aan de bepalingen van artikel 28, §§ 1 of 3 en waarvan de wekelijkse duur beantwoordt aan de bepalingen van artikel 11bis, vierde en volgende leden van de wet van 3 juli 1978 betreffende de arbeidsovereenkomsten indien hij) : <KB 1995-11-22/31, art. 2, 051; Inwerkingtreding : 01-01-1996>
  1° a) [1 ofwel alle toelaatbaarheids- en toekenningsvoorwaarden om aanspraak te kunnen maken op uitkeringen als voltijdse werknemer vervult op het tijdstip dat hij in de deeltijdse arbeidsregeling treedt, ofwel op het tijdstip van de uitkeringsaanvraag indien het een jonge werknemer betreft die studies of een leertijd beëindigd heeft of een werknemer betreft die de overgangsuitkering voorzien in de pensioenregelgeving heeft genoten en waarvoor gelijkgestelde dagen in toepassing van artikel 38, § 3, in rekening werden gebracht ter gelegenheid van de toelating tot het recht op grond van artikel 30;]1
  b) ofwel in de deeltijdse arbeidsregeling treedt gedurende een periode gedekt door een verbrekingsvergoeding in een voltijdse betrekking in de zin van artikel 28 op voorwaarde dat hij aantoont dat hij op het einde van de periode gedekt door deze verbrekingsvergoeding, de toelaatbaarheids- en toekenningsvoorwaarden zou vervuld hebben om aanspraak te kunnen maken op uitkeringen als voltijdse werknemer indien hij deze deeltijdse betrekking niet aanvaard had;
  c) ofwel in de deeltijdse arbeidsregeling treedt in de periode gelegen tussen de dag waarop hem de opzeg in een voltijdse betrekking in de zin van artikel 28 werd betekend en de dag waarop de opzeg ten einde liep, op voorwaarde dat hij aantoont dat hij op het einde van deze opzeggingsperiode, alle toelaatbaarheids- en toekenningsvoorwaarden zou vervuld hebben om aanspraak te maken op uitkeringen als voltijdse werknemer, indien hij deze deeltijdse betrekking niet aanvaard had;
  d) ofwel overgegaan is van een voltijdse arbeidsregeling in de zin van artikel 28 naar een deeltijdse arbeidsregeling, binnen het kader van een herstructureringsplan goedgekeurd door de Minister, in zoverre hij op het ogenblik waarop hij in deze deeltijdse arbeidsregeling treedt de toelaatbaarheidsvoorwaarden als voltijdse werknemer vervult.
  (e) overgegaan is van een voltijdse arbeidsregeling in de zin van artikel 28 naar een deeltijdse arbeidsregeling, binnen het kader :
  - ofwel van een bedrijfsplan tot herverdeling van de arbeid gesloten in overeenstemming met de bepalingen van titel IV van het koninklijk besluit van 24 december 1993 tot uitvoering van de wet van 6 januari 1989 tot vrijwaring van 's lands concurrentievermogen;
  - ofwel van een tewerkstellingsakkoord gesloten in overeenstemming met de bepalingen van de wet van 3 april 1995 houdende maatregelen ter bevordering van de tewerkstelling en met de bepalingen van de collectieve arbeidsovereenkomst nr. 60 van 20 december 1994 gesloten in de Nationale Arbeidsraad;
  - ofwel van een tewerkstellingsakkoord gesloten in overeenstemming de bepalingen van het koninklijk besluit van 24 februari 1997 houdende nadere voorwaarden met betrekking tot de tewerkstellingsakkoorden in toepassing van de artikelen 7, § 2, 30, § 2 en 33 van de wet van 26 juli 1996 tot bevordering van de werkgelegenheid en tot preventieve vrijwaring van het concurrentievermogen of overeenkomstig de bepalingen van artikel 9, § 1 van voornoemd koninklijk besluit van 24 februari 1997 en zijn uitvoeringsbesluiten;
  - ofwel van een collectieve arbeidsovereenkomst afgesloten in overeenstemming met de bepalingen van het koninklijk besluit van 24 november 1997 houdende nadere voorwaarden met betrekking tot de invoering van de arbeidsherverdelende bijdragevermindering in toepassing van artikel 7, § 2 van de wet van 26 juli 1996 tot bevordering van de werkgelegenheid en tot preventieve vrijwaring van het concurrentievermogen;
  - ofwel van een bedrijfsplan tot herverdeling van de arbeid in de openbare sector dat beantwoordt aan de bepalingen bedoeld in de wet van 10 april 1995, betreffende de herverdeling van de arbeid in de openbare sector
  in zoverre hij op het ogenblik waarop hij in deze deeltijdse arbeidsregeling treedt de toelaatbaarheidsvoorwaarden als voltijdse werknemer vervult.) <KB 1997-12-22/50, art. 1, 056; Inwerkingtreding : 01-01-1997>
  2° een aanvraag indient tot het verkrijgen van de hoedanigheid van deeltijdse werknemer met behoud van rechten binnen een termijn van twee maanden die een aanvang neemt de dag na die waarop hij zijn deeltijdse betrekking aanvangt, behalve indien hij binnen dezelfde termijn een aanvraag tot het bekomen van een inkomensgarantie-uitkering indient.
  (§ 2bis. De werknemer die voldoet aan de voorwaarden van § 2, 1 , en die geen aanvraag tot het verkrijgen van de hoedanigheid heeft ingediend binnen de termijn vastgesteld in § 2, 2 , wordt beschouwd als deeltijdse werknemer met behoud van rechten indien hij tegelijkertijd aan de volgende voorwaarden voldoet :
  1° een aanvraag indienen tot het verkrijgen van de hoedanigheid van deeltijdse werknemer met behoud van rechten;
  2° op het ogenblik van de aanvraag de toelaatbaarheidsvoorwaarden vervullen om toegelaten te worden tot het recht op uitkeringen als voltijdse werknemer.
  De toekenning van de hoedanigheid van deeltijds werknemer met behoud van rechten en toepassing van onderhavige paragraaf heeft ten vroegste uitwerking vanaf de dag waarop de aanvraag voor het verkrijgen van de hoedanigheid op het werkloosheidsbureau toekomt.) <KB 1995-04-07/75, art. 1, 050; Inwerkingtreding : 18-05-1995>
  (§ 3. Worden beschouwd als deeltijdse werknemers met behoud van rechten zoals bedoeld in § 2 :
  1° (opgeheven) <KB 2001-06-13/31, art. 1, 096; Inwerkingtreding : 01-01-2001>
  2° de werknemer die de integratieuitkering geniet bedoeld in artikel 131quater en tewerkgesteld is in een deeltijdse arbeidsregeling, behalve indien hij, op het tijdstip van de indiensttreding, uitkeringen geniet als vrijwillig deeltijdse werknemer;
  3° de werknemer die de herinschakelingsuitkering geniet bedoeld in artikel 131quinquies en tewerkgesteld is in een deeltijdse arbeidsregeling, behalve indien hij op het tijdstip van de indiensttreding uitkeringen geniet als vrijwillig deeltijdse werknemer;
  4° (opgeheven) <KB 2001-12-19/39, art. 19, 104; Inwerkingtreding : 01-01-2002, met beperkingen>
  § 4. (Wordt geacht een vrijwillig deeltijdse werknemer te zijn de werknemer die geen voltijdse werknemer is in de zin van artikel 28 en niet voldoet aan de voorwaarden van de (§§ 2 of 2bis) van onderhavig artikel. <KB 1995-11-22/31, art. 2, 051; Inwerkingtreding : 01-01-1996>
  § 5. (De werknemer die in toepassing van § 2 of § 2bis de hoedanigheid heeft bekomen van deeltijdse werknemer met behoud van rechten wordt voor de toepassing van artikel 42 geacht een uitkering te hebben genoten de dag dat hij in deze deeltijdse arbeidsregeling getreden is.) <KB 1995-04-07/75, art. 1, 050; Inwerkingtreding : 18-05-1995>
  ----------
  (1)<KB 2014-07-08/13, art. 1, 233; Inwerkingtreding : 01-01-2015>

  HOOFDSTUK II. - Toelaatbaarheidsvoorwaarden.

  Afdeling 1. - Wachttijd.

  Onderafdeling 1. - Arbeid in loondienst.

  Art. 30.[1 Om toegelaten te worden tot het recht op werkloosheidsuitkeringen moet de voltijdse werknemer een wachttijd doorlopen hebben die het hierna vermelde aantal arbeidsdagen omvat :
   1° 312 in de loop van de 21 maanden vóór de uitkerinsaanvraag, indien hij minder dan 36 jaar is;
   2° 468 in de loop van de 33 maanden vóór die aanvraag indien hij van 36 tot minder dan 50 jaar is;
   3° 624 in de loop van de 42 maanden vóór die aanvraag indien hij 50 jaar is of meer;]1
  Tot het recht op werkloosheidsuitkeringen wordt eveneens toegelaten de voltijdse werknemer die voldoet aan de voorwaarde gesteld voor een hogere leeftijdsgroep.
  De in het eerste lid bedoelde referteperiode wordt verlengd met het aantal dagen dat begrepen is in de periode van:
  (1° a) vervulling van militieverplichtingen tijdens een periode van tewerkstelling of tijdens een periode van volledige werkloosheid;
   b) voorlopige hechtenis of vrijheidsberoving tijdens een periode van tewerkstelling of tijdens een periode van volledige werkloosheid;
  c) de werkverhindering wegens overmacht.) <KB 2001-06-10/60, art. 59, 097; Inwerkingtreding : onbepaald>
  2° (de periode van inactiviteit van ten minste zes maanden, om zijn kind of zijn geadopteerd kind op te voeden; die verlenging geldt slechts voor periodes die gelegen zijn vóór de zesde verjaardag van het kind, alsmede voor periodes tijdens dewelke een hogere kinderbijslag werd toegekend ingevolge de lichamelijke of geestelijke ongeschiktheid van het kind of ingevolge een gebrek aan zelfredzaamheid, gelegen vóór de achttiende verjaardag van het kind;) <KB 2007-06-21/37, art. 1, 168; Inwerkingtreding : 01-08-2007>
  (3° de uitoefening gedurende een periode van ten minste zes maanden van een beroep waardoor de werknemer niet onder de sociale zekerheid, sector werkloosheid, valt; die verlenging mag niet meer dan vijftien jaar bedragen;) <KB 2007-06-21/37, art. 1, 168; Inwerkingtreding : 01-08-2007>
  4° samenwoonst in het buitenland met een Belg werkzaam in het kader van de stationering van de Belgische Strijdkrachten;
  5° het genot van onderbrekingsuitkeringen verleend aan de werknemer die zijn beroepsloopbaan onderbreekt of zijn arbeidsprestaties vermindert;
  6° [1 ...]1
  7° (...) <KB 2006-03-05/36, art. 2, 145; Inwerkingtreding : 15-12-2005>
  (8° de toekenning van werkloosheidsuitkeringen in het kader van het halftijds brugpensioen.) <KB 1994-07-30/30, art. 12, 033; Inwerkingtreding : 10-08-1994>
  (9° deeltijdse arbeid volgend op vrijwillige vermindering van een voltijdse arbeidsregeling in de zin van artikel 28, § 1, om zijn kind of zijn geadopteerd kind op te voeden; die verlenging geldt slechts voor periodes die gelegen zijn vóór de twaalfde verjaardag van het kind, alsmede voor de voormelde periodes tijdens dewelke een hogere kinderbijslag werd toegekend ingevolge de lichamelijke of geestelijke ongeschiktheid van het kind of ingevolge een gebrek aan zelfredzaamheid, gelegen vóór de achttiende verjaardag van het kind;) <KB 2007-06-21/37, art. 1, 168; Inwerkingtreding : 01-08-2007>
  (10° deeltijdse arbeid volgend op vrijwillige vermindering van een voltijdse arbeidsregeling in de zin van artikel 28, § 1; deze verlenging mag niet meer dan drie jaar bedragen.) <KB 1995-11-22/31, art. 3, 051; Inwerkingtreding : 01-01-1996>
  (11° de navermelde studie of opleiding als niet uitkeringsgerechtigd werkloze :
  a) [2 een alternerende opleiding;]2
  b) [2 ...]2;
  c) een studie met volledig leerplan;
  d) een studie of opleiding met een voorziene duur van minstens 9 maanden waarvan het aantal lesuren, eventuele stages inbegrepen, per cyclus gemiddeld minstens 20 per week bedraagt.) <KB 2006-09-24/45, art. 1, 156; Inwerkingtreding : 01-01-2006>
  ----------
  (1)<KB 2012-07-23/01, art. 1, 206; Inwerkingtreding : 01-11-2012>
  (2)<KB 2014-07-01/09, art. 2, 237; Inwerkingtreding : 01-07-2015>

  Art. 31. <KB 1995-03-14/32, art. 2, 044; Inwerkingtreding : 01-04-1995> Het aantal arbeidsdagen bepaald in artikel 30, eerste lid, 1° tot 3°, bedraagt respectievelijk 216, 324 en 432 voor de havenarbeider en de erkende zeevisser.

  Art. 32. De voltijdse werknemer van ten minste 36 jaar die niet voldoet aan de voorwaarden van artikel 30 of artikel 31 wordt eveneens toegelaten tot het recht op werkloosheidsuitkeringen indien hij:
  1° ofwel ten minste de helft van het door artikel 30, eerste lid, of door artikel 31 vereiste aantal arbeidsdagen bewijst, en bovendien 1560 arbeidsdagen tijdens de 10 jaar die aan de in artikel 30, eerste en derde lid, bepaalde referteperiode voorafgaan. Indien zijn beroepsloopbaan, van welke aard ook, pas tijdens die periode van 10 jaar is begonnen volstaat het dat het tijdens die periode gelegen aantal arbeidsdagen gelijk is aan de helft van het aantal werkdagen begrepen tussen de aanvang van de beroepsloopbaan en het einde van de periode van 10 jaar;
  2° ofwel ten minste twee derden van het door artikel 30, eerste lid, of door artikel 31 vereiste aantal arbeidsdagen bewijst en bovendien voor elke ontbrekende arbeidsdag acht arbeidsdagen tijdens de periode van 10 jaar voorzien in 1°.

  Art. 33. <KB 1995-11-22/31, art. 4, 051; Inwerkingtreding : 01-01-1996> Om toegelaten te worden tot het recht op werkloosheidsuitkeringen moet de vrijwillig deeltijdse werknemer aan de volgende voorwaarden voldoen :
  1° tewerkgesteld zijn geweest in een deeltijdse arbeidsregeling die normaal gemiddeld per week ten minste 12 uren bedraagt of ten minste één derde bedraagt van het normaal gemiddeld wekelijks aantal arbeidsuren van de (maatpersoon). Voor de vaststelling van de wekelijkse arbeidsduur wordt rekening gehouden met de recentste periode van ten minste vier weken tijdens dewelke de werknemer in dienst was bij eenzelfde werkgever als vrijwillig deeltijdse werknemer; de wekelijkse arbeidsduur wordt berekend op grond van het aantal uren gelegen in de hele periode van deze tewerkstelling, zonder evenwel rekening te houden met de periode voorafgaand aan de laatste twaalf maanden; <KB 20014-06-10/60, art. 60, 097; Inwerkingtreding : 01-01-2003>
  2° een wachttijd doorlopen hebben van evenveel halve arbeidsdagen als het aantal arbeidsdagen bepaald in de artikelen 30 tot 32. De referteperiode bedoeld in artikel 30 wordt evenwel, voor de toepassing van de artikelen 30 tot 32, verlengd met zes maanden.

  Art. 34. (opgeheven) <KB 2003-04-08/47, art. 4, 128; Inwerkingtreding : 01-04-2003>

  Onderafdeling 2. - (Studies, leertijd, opleiding en jeugd- en seniorvakantie) <KB 2007-01-24/32, art. 1, 160; Inwerkingtreding : 01-01-2007>

  Art. 35. <KB 2006-06-15/36, art. 1, 153; Inwerkingtreding : 01-07-2006> Wordt toegelaten tot het recht op overbruggingsuitkeringen tijdens de duur van de deeltijdse leerplicht, de jongere die tijdelijk werkloos wordt gesteld in de zin van artikel 27, 2°.

  Art. 36.§ 1. [10 Om toegelaten te worden tot het recht op inschakelingsuitkeringen als volledig werkloze binnen de perken van artikel 63 moet de jonge werknemer aan de volgende voorwaarden voldoen:]10
  1° niet meer onderworpen zijn aan de leerplicht;
  2° a) (ofwel studies met een volledig leerplan van de hogere secundaire cyclus, of het derde jaar van studies met een volledig leerplan van het secundair technisch-, kunst- of beroepsonderwijs voleindigd hebben in een onderwijsinstelling opgericht, gesubsidieerd of erkend door een Gemeenschap;) <W 2003-02-11/31, art. 1, 121; Inwerkingtreding : 01-01-2003>
  b) ofwel voor de studies bedoeld in a een diploma of getuigschrift behaald hebben voor de bevoegde examencommissie van een Gemeenschap;
  c) [8 ofwel een alternerende opleiding voleindigd hebben;]8
  d) [8 ...]8;
  e) [8 ofwel, voor de jongere die alternerend of deeltijds secundair onderwijs heeft gevolgd, één van de volgende getuigschriften behaald hebben :
   - het kwalificatiegetuigschrift van de derde graad van het voltijds beroepssecundair onderwijs;
   - het vakbekwaamheidsattest van de lagere cyclus van het alternerend of deeltijds beroepssecundair onderwijs;
   - het studiegetuigschrift van de tweede of van de derde graad van het alternerend of deeltijds beroepssecundair onderwijs;]8
  f) ofwel gedurende twee schooljaren als regelmatig leerling het [8 alternerend of deeltijds secundair onderwijs]8 gevolgd hebben; [2 "regelmatig leerling" beduidt eveneens dat de jongere werkelijk de lessen regelmatig heeft bijgewoond;]2
  g) ofwel gedurende twee schooljaren als regelmatig leerling een vorming niet bedoeld in c of d, door een Gemeenschap erkend in het kader van de deeltijdse leerplicht, gevolgd hebben; [2 "regelmatig leerling" beduidt eveneens dat de jongere werkelijk de vorming regelmatig heeft bijgewoond;]2
  (h) [9 ofwel studies of een vorming gevolgd hebben in een andere staat van de Europese Economische Ruimte indien volgende voorwaarden gelijktijdig vervuld zijn :
   - de jonge werknemer legt documenten voor waaruit blijkt dat de studie of de vorming van hetzelfde niveau en gelijkwaardig zijn aan deze vermeld in de voormelde litterae;
   - op het ogenblik van de uitkeringsaanvraag is de jonge werknemer als kind ofwel ten laste van in België verblijvende migrerende werknemers in de zin van artikel 45 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, ofwel ten laste van migrerende werknemers die in België verblijven in het kader van de vrijheid van vestiging als zelfstandige in de zin van artikel 49 van dit verdrag;]9
  (i) ofwel in een onderwijsinstelling opgericht, gesubsidieerd of erkend door een Gemeenschap een getuigschrift behaald hebben van hoger secundair onderwijs of secundair technisch-, kunst- of beroepsonderwijs van de tweede graad;) <W 2003-02-11/31, art. 1, 121; Inwerkingtreding : 01-01-2003; punt i) is slechts van toepassing voor zover het getuigschrift werd behaald na 1 januari 2003>
  (j) [9 ofwel een bewijsstuk bekomen hebben afgeleverd door een Gemeenschap dat de gelijkwaardigheid vaststelt met het getuigschrift bedoeld onder b) of een toelatingsbewijs dat toegang geeft tot het hoger onderwijs; deze littera geldt evenwel slechts op voorwaarde dat de jonge werknemer ofwel voorafgaandelijk ten minste zes jaar studies gevolgd heeft in een onderwijsinstelling opgericht, gesubsidieerd of erkend door een Gemeenschap, ofwel het bestaan aantoont van een werkelijke band met de Belgische arbeidsmarkt door een tewerkstelling als loontrekkende werknemer in België gedurende ten minste 78 arbeidsdagen in de zin van artikel 37, of door een vestiging als zelfstandige in hoofdberoep in België gedurende ten minste 3 maanden;]9
  3° alle activiteiten stopgezet hebben die opgelegd zijn door het in 2° bedoelde studie-, leertijd- of opleidingsprogramma en door om het even welk programma van een studie met volledig leerplan;
  4° [2 na de stopzetting van de activiteiten bedoeld in 3°, of na het behalen van het diploma of getuigschrift bedoeld in 2°, b, i of j, en vóór de uitkeringsaanvraag, een beroepsinschakelingstijd doorlopen hebben die 310 dagen omvat.]2
  5° [2 minder dan [6 25 jaar]6 zijn op het ogenblik van de uitkeringsaanvraag. [11 Voor de jonge werknemer die niet in de mogelijkheid was om, vóór het bereiken van deze leeftijd, zijn uitkeringsaanvraag in te dienen wegens een onderbreking van zijn studies ten gevolge van overmacht, of wegens een tewerkstelling als werknemer of wegens een vestiging als zelfstandige in hoofdberoep, wordt deze leeftijdsgrens gebracht op de leeftijd die hij bereikt dertien maanden na het einde van de studies, of één maand na het einde van de tewerkstelling als werknemer, of één maand na het einde van de periode van tewerkstelling als zelfstandige, die in voorkomend geval beperkt wordt tot vijf jaar, gerekend van datum tot datum.]11]2
  6° [3 actief naar werk gezocht hebben tijdens de beroepsinschakelingstijd en in de loop van deze periode twee al dan niet opeenvolgende positieve evaluaties van zijn zoekgedrag naar werk gekregen hebben tijdens de periode die, berekend van datum tot datum, ingaat een maand na de datum van zijn inschrijving als werkzoekende na het einde van de studies. Het zoekgedrag naar werk van de jonge werknemer wordt geëvalueerd door de directeur op basis van de modaliteiten bepaald in de §§ 4 tot 8 van dit artikel.]3.
  [8 Voor de jonge werknemer die een alternerende opleiding bedoeld in het eerste lid, 2°, c, integraal en met succes heeft voleindigd, wordt het aantal van 310 dagen bedoeld in het eerste lid, 4°, verminderd met het aantal kalenderdagen, zondagen uitgezonderd, dat gelegen is in de periode die gedekt wordt door de leerovereenkomst bedoeld in artikel 27, 15°.]8
  [8 Voor de jonge werknemer die een alternerende opleiding bedoeld in het 1ste lid, 2°, c, integraal heeft voleindigd, maar zonder succes, wordt het aantal van 310 dagen bedoeld in het eerste lid, 4°, verminderd met een aantal dagen dat gelijk is aan de helft van het aantal kalenderdagen, zondagen uitgezonderd, dat gelegen is in de periode die gedekt wordt door de leerovereenkomst bedoeld in artikel 27, 15°, zonder dat de beroepsinschakelingstijd evenwel minder dan 155 dagen mag omvatten.]8
  [9 § 1/1. De jonge werknemer die op het tijdstip van de uitkeringsaanvraag de leeftijd van 21 jaar niet heeft bereikt, moet onverminderd de andere bepalingen van dit artikel, aantonen dat hij :
   1° ofwel in het bezit is van een diploma van het secundair onderwijs;
   2° ofwel een alternerende opleiding integraal en met succes heeft voleindigd;
   3° ofwel in het bezit is van een diploma, getuigschrift of attest dat voorkomt op een lijst bevattende :
   a) de diploma's bedoeld in 1°;
   b) het bewijs van het integraal en met succes voleindigen van een alternerende opleiding bedoeld in 2°;
   c) de diploma's, getuigschriften en attesten die, voor de toepassing van deze paragraaf, door de Minister, na advies van het beheerscomité, gelijkwaardig worden verklaard met de diploma's bedoeld in a) of met het bewijs bedoeld in b);
   4° ofwel een bewijsstuk bekomen heeft, afgeleverd door een Gemeenschap, dat de gelijkwaardigheid vaststelt met het diploma of getuigschrift bedoeld in 1° tot 3°, of in het bezit is van een toelatingsbewijs dat toegang geeft tot het hoger onderwijs; deze bepaling geldt evenwel slechts op voorwaarde dat de jonge werknemer :
   a) ofwel voorafgaandelijk ten minste zes jaar studies gevolgd heeft in een onderwijsinstelling opgericht, gesubsidieerd of erkend door een Gemeenschap;
   b) ofwel het bestaan aantoont van een werkelijke band met de Belgische arbeidsmarkt door een tewerkstelling als loontrekkende werknemer in België gedurende ten minste 78 arbeidsdagen in de zin van artikel 37 of door een vestiging als zelfstandige in hoofdberoep in België gedurende ten minste 3 maanden;
   c) ofwel op het ogenblik van de uitkeringsaanvraag, als kind ten laste is van in België verblijvende migrerende werknemers in de zin van artikel 45 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie;
   d) ofwel op het ogenblik van de uitkeringsaanvraag, als kind ten laste is van migrerende werknemers die in België verblijven in het kader van de vrijheid van vestiging als zelfstandige in de zin van artikel 49 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie.
   In geval van toepassing van het vorige lid worden, voor de toepassing van § 1, eerste lid, 3° en 4°, de activiteiten voorzien in het studie- leertijd- of opleidingsprogramma dat leidt tot de uitreiking van het diploma of getuigschrift bedoeld in het vorige lid, gelijkgesteld met de in § 1 vermelde activiteiten.]9
  § 2. [2 Gelden als dagen voor de vervulling van de in § 1, eerste lid, 4° bedoelde beroepsinschakelingstijd, voor zover zij gelegen zijn ten vroegste vanaf de dag waarop de jonge werknemer niet meer onderworpen is aan de leerplicht :]2
  1° [2 de arbeidsdagen in de zin van de artikelen 37 en 43, alsmede de dagen waarop arbeidsprestaties werden verricht in uitvoering van een overeenkomst voor tewerkstelling van studenten, waarbij geen inhoudingen voor sociale zekerheid werden verricht; de laatstvermelde dagen worden slechts in rekening gebracht indien zij gelegen zijn na 31 juli volgend op het einde van de studies;]2
  2° [2 de dagen, behalve de zondagen, waarop de jonge werknemer werkzoekend is, als dusdanig is ingeschreven en beschikbaar is voor de arbeidsmarkt en deelneemt aan een individueel inschakelingsproject hem aangeboden door de Rijksdienst of door de bevoegde gewestelijke dienst voor arbeidsbemiddeling met uitsluiting evenwel van :]2
  a) [2 de dagen gelegen tussen het einde van de lessen en 1 augustus, behalve indien hij de studies in de loop van een schooljaar heeft onderbroken;]2
  b) [3 de dagen die voorafgaan aan het tijdstip waarop de jonge werknemer werkloos wordt wegens omstandigheden afhankelijk van zijn wil in de zin van artikel 51, § 1, tweede lid, 3° en 4°;]3
  (c) de periodes tijdens dewelke de jonge werknemer cursussen volgt in het kader van een studie of een opleiding, wanneer de volgende voorwaarden cumulatief vervuld zijn :
  - de studie of de opleiding heeft een voorziene duur van 9 maanden of meer;
  - het aantal lesuren, met inbegrip van de eventuele stages, bedraagt per cyclus gemiddeld minstens 20 per week, waarvan minstens 10 van maandag tot vrijdag tussen 8 en 18 uur;
  d) de periodes van schoolvakantie of de periodes tijdens dewelke geen cursussen gegeven worden, gelegen in een studie- of opleidingscyclus bedoeld in punt c) ;
  e) de periodes van schoolvakantie of de periodes tijdens dewelke geen cursussen worden gegeven, gesitueerd tussen twee studie- of opleidingscycli bedoeld in punt c), indien de jonge werknemer zijn studie of opleiding zonder onderbreking verderzet;) <KB 2005-06-21/34, art. 1, 143; Inwerkingtreding : 01-08-2005>
  f) [3 ...]3;
  3° [2 ...]2;
  4° de dagen tijdens dewelke de jonge werknemer in het buitenland samenwoont met een Belg die werkzaam is in het kader van de stationering van de Belgische Strijdkrachten, indien hij werkzoekend is en in België als dusdanig is ingeschreven.
  (5° de dagen gelegen in de periodes van verblijf in het buitenland voor het volgen van een stage die leidt tot een toename van de mogelijkheden die de werkloze heeft op de arbeidsmarkt mits aanvaarding door de directeur; deze houdt bij zijn beslissing rekening [12 met de leeftijd van de werkzoekende, de reeds gevolgde studies, zijn geschiktheden en zijn beroepsverleden, met de aard van de stage en de mogelijkheden op de arbeidsmarkt die deze stage de jongere kan bieden]12.) <KB 1995-11-22/31, art. 5, 051; Inwerkingtreding : 01-12-1995>
  (6° de dagen tijdens dewelke de jonge werknemer een ondersteuning gevolgd heeft, voorafgaand aan de toekenning van een startlening.) <KB 2002-06-05/39, art. 1, 115; Inwerkingtreding : 01-07-2002>
  (7° de periode van arbeidsverbod bedoeld in artikel 39, tweede lid van de arbeidswet van 16 maart 1971.) <KB 2004-02-16/35, art. 2, 133; Inwerkingtreding : 23-03-2004>
  (8° de dagen, behalve de zondagen, gelegen in de periodes tijdens dewelke de jonge werknemer gevestigd is als zelfstandige in hoofdberoep.) <KB 2008-07-09/31, art. 1, 173; Inwerkingtreding : 01-07-2008>
  [1 9° de dagen, behalve de zondagen, gelegen in de periode die begint de dag waarop de jonge werknemer die een vrijwillige militaire inzet vervult in de zin van de wet van 10 januari 2010 tot instelling van de vrijwillige militaire inzet en tot wijziging van de verschillende wetten van toepassing op het militair personeel, een dienstneming aangaat en die eindigt de laatste dag [4 van de zevende kalenderweek die volgt op de week]4 tijdens dewelke hij deze dienstneming is aangegaan.]1
  § 3 [8 ...]8.
  [3 § 4. - Voor de toepassing van § 1, eerste lid, 6°, wordt bij het begin van de beroepsinschakelingstijd een informatiebrief naar de jonge werknemer verstuurd volgens de modaliteiten voorzien in artikel 59ter/1.
   In toepassing van § 1, eerste lid, 6°, wordt de jonge werknemer per gewone brief opgeroepen voor een gesprek in het werkloosheidsbureau :
   1° in de loop van de zevende maand van de beroepsinschakelingstijd met het oog op de evaluatie van zijn zoekgedrag naar werk tijdens de periode die, berekend van datum tot datum, ingaat een maand na de datum van zijn inschrijving als werkzoekende na het einde van de studies;
   2° in de loop van de elfde maand van de beroepsinschakelingstijd met het oog op de evaluatie van zijn zoekgedrag naar werk na het gesprek bedoeld in 1°.
  [8 In afwijking van het tweede lid, wordt de jonge werknemer die een alternerende opleiding bedoeld in het eerste lid, 2°, c, integraal en met succes heeft voleindigd, voor zover de beroepsinschakelingstijd minstens 155 dagen telt, per gewone brief opgeroepen voor een gesprek in het werkloosheidsbureau in de loop van de 5e maand beroepsinschakelingstijd, met het oog op de evaluatie van zijn zoekgedrag naar werk tijdens de periode die, berekend van datum tot datum, ingaat een maand na de datum van zijn inschrijving als werkzoekende na het einde van de studies.
   In afwijking van het tweede lid, wordt de jonge werknemer die een alternerende opleiding bedoeld in het eerste lid, 2°, c, integraal maar niet met succes heeft voleindigd, per gewone brief opgeroepen voor een gesprek in het werkloosheidsbureau in de loop van de 5e maand beroepsinschakelingstijd, met het oog op de evaluatie van zijn zoekgedrag naar werk tijdens de periode die, berekend van datum tot datum, ingaat een maand na de datum van zijn inschrijving als werkzoekende na het einde van de studies.]8
   In afwijking van het tweede lid, wordt de oproeping niet verzonden indien het werkloosheidsbureau wordt geïnformeerd dat de jonge werknemer :
   1° zich sinds minstens 1 maand in een periode bevindt bedoeld in § 2, 1°
   2° zich in een periode bevindt bedoeld in § 2, 4° à 9°;
   3° een beroepsopleiding volgt bedoeld in artikel 27, eerste lid, 6°;
   4° een instapstage verricht bedoeld in artikel 36quater.
   Een nieuwe oproeping wordt verzonden ten vroegste wanneer de gebeurtenis bedoeld in dit lid is afgelopen.
   De aanwezigheid van de jonge werknemer op de evaluatiegesprekken bedoeld in het tweede lid is verplicht. Hij mag zich evenwel laten begeleiden door een persoon van zijn keuze of zich laten bijstaan door een advocaat of door een afgevaardigde van een werknemersorganisatie die een erkende uitbetalingsinstelling heeft opgericht.
   Indien de jonge werknemer zich niet aanmeldt voor een evaluatiegesprek bedoeld in het tweede lid, wordt hem een nieuwe, aangetekende oproepingsbrief toegestuurd.
   Indien de jonge werknemer geen gevolg geeft aan de tweede, aangetekende oproeping, wordt zijn afwezigheid gelijkgesteld met een negatieve evaluatie van zijn zoekgedrag naar werk voor de toepassing van de §§ 7 en 8, behalve indien de jonge werknemer binnen een termijn van drie werkdagen die ingaat op de dag van zijn afwezigheid, deze afwezigheid rechtvaardigt met een door de directeur aanvaard motief. In dat geval wordt hem een nieuwe oproeping toegestuurd wanneer het motief dat aanvaard werd als rechtvaardiging van zijn afwezigheid, opgehouden heeft te bestaan.
   In geval van oproeping tijdens een periode bedoeld in § 2, 1° of 4° tot 9° met een duur korter dan vier maanden, gaat de termijn van drie werkdagen bedoeld in het zesde lid in op de dag die volgt op het einde van de gebeurtenis.
   Indien de afwezigheid niet gerechtvaardigd wordt binnen de termijn bedoeld in het zesde of zevende lid of indien het ingeroepen motief voor de afwezigheid niet aanvaard wordt door de directeur, wordt de jonge werknemer met een gewone brief geïnformeerd dat zijn afwezigheid op het gesprek gelijkgesteld wordt met een negatieve evaluatie van zijn zoekgedrag naar werk.
   § 5. [5 Tijdens het gesprek bedoeld in § 4, tweede lid, evalueert de directeur het zoekgedrag naar werk van de jonge werknemer op basis van
   1° de inlichtingen waarover hij reeds beschikt in verband met de jonge werknemer, onder meer :
   a) de elementen van het individuele actieplan bedoeld in artikel 27, eerste lid, 14°, elektronisch overgemaakt door de bevoegde gewestelijke dienst voor arbeidsbemiddeling;
   b) de gegevens betreffende de verwezenlijking van het individuele actieplan bedoeld in artikel 27, eerste lid, 14°, elektronisch overgemaakt door de bevoegde gewestelijke dienst voor arbeidsbemiddeling;
   c) het schriftelijk verslag overgemaakt door de bevoegde gewestelijke dienst voor arbeidsbemiddeling wanneer de jonge werknemer niet of niet voldoende meewerkt met het individuele actieplan bedoeld in artikel 27, eerste lid, 14° of zonder geldig motief een actie stopzet;
   d) de bijkomende inlichtingen en bewijsstukken die eventueel ingezameld zijn bij de bevoegde gewestelijke dienst voor arbeidsbemiddeling onder de voorwaarden bedoeld in het derde lid;
   e) de periodes van voltijdse en deeltijdse tewerkstelling en de ziekteperiodes van de jonge werknemer;
   2° de inlichtingen meegedeeld door de jonge werknemer zelf over de acties die hij heeft ondernomen in het kader van het individuele actieplan bedoeld in artikel 27, eerste lid, 14° en over de acties die hij op eigen initiatief heeft ondernomen in zijn zoektocht naar werk. De jonge werknemer bewijst zijn stappen met alle rechtsmiddelen, met inbegrip van de verklaring op eer. Met de verklaring op eer wordt rekening gehouden indien ze precies, geloofwaardig en controleerbaar is.
   De inlichtingen bedoeld in het eerste lid, 1°, worden tijdens het gesprek aan de jonge werknemer meegedeeld.
   Naast de geïnformatiseerde gegevens bedoeld in het eerste lid, 1°, a) en b), kan de directeur aan de bevoegde gewestelijke dienst voor arbeidsbemiddeling bijkomende inlichtingen en bewijsstukken vragen, indien deze noodzakelijk zijn om de evaluatiebeslissing te onderbouwen.
   In geval van twijfel over de juistheid van de gegevens meegedeeld door de jonge werknemer, kan de directeur de door de jonge werknemer voorgelegde verklaringen en documenten verifiëren, overeenkomstig de bepalingen van artikel 139. De inlichtingen verzameld tijdens deze controle worden geakteerd in de evaluatiebeslissing die schriftelijk aan de jonge werknemer wordt meegedeeld.
   In zijn evaluatie van de inspanningen geleverd door de jonge werknemer houdt de directeur onder meer rekening met de leeftijd van de jonge werknemer, zijn opleidingsniveau, zijn bekwaamheden, zijn sociale en familiale toestand, zijn verplaatsingsmogelijkheden en eventuele elementen van discriminatie. Hij houdt eveneens rekening met de toestand van de arbeidsmarkt in de subregio waar de jonge werknemer zijn hoofdverblijfplaats heeft. Onder subregio wordt verstaan, de zone waarbinnen de bewoners van dezelfde gemeente van de jonge werknemer en van de buurgemeenten zich verplaatsen om te gaan werken, zonder dat deze zone beperkt mag worden tot het ambtsgebied van het werkloosheidsbureau waar de jonge werknemer zijn hoofdverblijfplaats heeft.]5
   Voor de toepassing van § 1, eerste lid, 6°, wordt een werkhervatting als loontrekkende tijdens de beroepsinschakelingstijd gelijkgesteld :
   1° met een positieve evaluatie, indien de jonge werknemer minstens 104 arbeidsdagen aantoont in de zin van de artikelen 37 en 43, tijdens de periode van veertien maanden die voorafgaat aan de datum vanaf dewelke het recht op inschakelingsuitkeringen kan geopend worden;
   2° met twee positieve evaluaties, indien de jonge werknemer minstens 208 arbeidsdagen aantoont in de zin van de artikelen 37 en 43, tijdens de periode van veertien maanden die voorafgaat aan de datum vanaf dewelke het recht op inschakelingsuitkeringen kan geopend worden.
   Voor de toepassing van § 1, eerste lid, 6°, wordt de periode van een gebeurtenis bedoeld in § 2, 5°, 6°, 8° of 9°gelijkgesteld :
   1° met een positieve evaluatie, indien deze periode een ononderbroken duur heeft van minstens vier maanden;
   2° met twee positieve evaluaties, indien deze periode een ononderbroken duur heeft van minstens acht maanden.
   Voor de toepassing van § 1, eerste lid, 6°, wordt een periode van beroepsopleiding bedoeld in artikel 27, eerste lid, 6° of een periode van instapstage bedoeld in artikel 36quater, gelijkgesteld met een positieve evaluatie, indien deze periode een ononderbroken duur van minstens vier maanden heeft.
  [8 Voor de toepassing van § 1, eerste lid, 6°, wordt het feit dat de jonge werknemer een alternerende opleiding bedoeld in het eerste lid, 2°, c, integraal en met succes heeft voleindigd, gelijkgesteld met twee positieve evaluaties.
   Voor de toepassing van § 1, eerste lid, 6°, wordt het feit dat de jonge werknemer een alternerende opleiding bedoeld in het eerste lid, 2°, c, integraal maar niet met succes heeft voleindigd, gelijkgesteld met een positieve evaluatie.]8
   § 6. In geval van positieve evaluatie informeert de directeur de jonge werknemer over deze beslissing, onmiddellijk na afloop van het evaluatiegesprek of later, indien de beslissing niet genomen wordt na afloop van het gesprek. Indien het gaat om het evaluatiegesprek bedoeld in § 4, tweede lid, 1°, wordt de jonge werknemer eveneens geïnformeerd dat hij zal opgeroepen worden voor een nieuw evaluatiegesprek, in de loop van de elfde maand van de beroepsinschakelingstijd.
   Een schriftelijk, gedateerd en door de directeur ondertekend document, dat de beslissing en de inlichtingen bedoeld in het eerste lid herneemt, wordt overhandigd aan de jonge werknemer na afloop van het gesprek of wordt hem later via een gewone brief overgemaakt.
  [5 De directeur deelt de beslissing mee aan de bevoegde gewestelijke dienst voor arbeidsbemiddeling.]5
   In geval van positieve evaluatie en in zoverre de andere voorwaarden bedoeld in dit artikel vervuld zijn, kan het recht op inschakelingsuitkeringen geopend worden na afloop van de beroepsinschakelingstijd, indien het zoekgedrag naar werk van de jonge werknemer op dat moment het voorwerp heeft gevormd van twee, al dan niet opeenvolgende positieve evaluaties.
   Indien de evaluatiegesprekken bedoeld in § 4, tweede lid, omwille van een reden die niet toe te schrijven is aan de jonge werknemer, niet kunnen plaatsvinden binnen de voorziene reglementaire termijn en de datum van de tweede positieve evaluatie daardoor na het verstrijken van de beroepsinschakelingstijd valt, kan het recht op inschakelingsuitkeringen na afloop van de beroepsinschakelingstijd toch met terugwerkende kracht geopend worden, op voorwaarde dat alle andere voorwaarden bedoeld in dit artikel vervuld zijn.
   § 7. - In geval van negatieve evaluatie of in geval van afwezigheid gelijkgesteld met een negatieve evaluatie, informeert de directeur de jonge werknemer over deze beslissing, onmiddellijk na afloop van het evaluatiegesprek of later, indien de beslissing niet genomen wordt na afloop van het gesprek. Indien het gaat om het evaluatiegesprek bedoeld in § 4, tweede lid, 1°, wordt de jonge werknemer eveneens geïnformeerd dat hij zal opgeroepen worden voor een nieuw evaluatiegesprek, in de loop van de elfde maand van de beroepsinschakelingstijd.
   De jonge werknemer wordt verder geïnformeerd dat als gevolg van de negatieve evaluatie :
   1° hij een nieuwe evaluatie van zijn zoekgedrag naar werk kan vragen, ten vroegste zes maanden, berekend van datum tot datum, na de negatieve evaluatie;
   2° hij, op voorwaarde dat de andere voorwaarden bedoeld in dit artikel vervuld zijn, zal toegelaten worden tot het recht op inschakelingsuitkeringen vanaf de eerste dag die volgt op de dag waarop hij een positieve evaluatie zal gekregen hebben van zijn zoekgedrag naar werk, indien zijn zoekgedrag naar werk op de datum van de voormelde positieve evaluatie het voorwerp heeft gevormd van twee positieve evaluaties, al dan niet opeenvolgend.
  [5 De directeur deelt de beslissing mee aan de bevoegde gewestelijke dienst voor arbeidsbemiddeling.]5
   Een schriftelijk, gedateerd en door de directeur ondertekend document met de beslissing en de voormelde inlichtingen en met vermelding van de datum vanaf dewelke, als gevolg van de negatieve evaluatie, hij ten vroegste een nieuwe evaluatie van zijn zoekgedrag naar werk kan vragen, wordt aan de jonge werknemer overhandigd na afloop van het gesprek of later met een gewone brief overgemaakt.
   Indien de evaluatiegesprekken bedoeld in § 4, tweede lid, omwille van een reden die niet toe te schrijven is aan de jonge werknemer niet kunnen plaatsvinden binnen de voorziene reglementaire termijn, wordt de termijn van zes maanden bedoeld in het tweede lid, 1° van deze paragraaf berekend vanaf de eerste dag van de maand die volgt op de maand tijdens dewelke de evaluatiegesprekken hadden moeten plaatsvinden overeenkomstig de bepalingen van de voormelde § 4, tweede lid.
   § 8. - In geval van negatieve evaluatie of in geval van afwezigheid gelijkgesteld met een negatieve evaluatie, vindt op aanvraag van de jonge werknemer een nieuwe evaluatie van zijn zoekgedrag naar werk plaats, ten vroegste zes maanden, berekend van datum tot datum, na elke negatieve evaluatie.
   In geval van herhaaldelijke negatieve evaluaties kan de jonge werknemer een nieuwe evaluatie van zijn zoekgedrag naar werk vragen ten vroegste zes maanden, berekend van datum tot datum, na elke negatieve evaluatie.
   In de loop van de vijfde of de zesde maand die volgt op een negatieve evaluatie, informeert de directeur de jonge werknemer schriftelijk dat hij een nieuwe evaluatie van zijn zoekgedrag naar werk kan vragen, ten vroegste na het verstrijken van de periode van zes maanden bedoeld in het eerste of tweede lid.
   De jonge werknemer bedoeld in deze paragraaf die een nieuwe evaluatie vraagt, wordt met een gewone brief naar het werkloosheidsbureau opgeroepen voor een evaluatiegesprek over zijn zoekgedrag naar werk tijdens de periode die volgde op de laatste evaluatie.
   De bepalingen voorzien in § 4, tweede tot en met achtste lid en in de §§ 5, 6 en 7, zijn van toepassing op de evaluatiegesprekken die plaatsvinden in toepassing van deze paragraaf.
   In geval van positieve evaluatie na afloop van een evaluatiegesprek bedoeld in deze paragraaf, wordt de jonge werknemer toegelaten tot het recht op inschakelingsuitkeringen, voor zover de andere voorwaarden bedoeld in dit artikel vervuld zijn, vanaf de eerste dag van de maand die volgt op de maand tijdens dewelke hij een positieve evaluatie van zijn zoekgedrag naar werk heeft gekregen, indien zijn zoekgedrag naar werk op de datum van de voormelde positieve evaluatie het voorwerp heeft gevormd van twee, al dan niet opeenvolgende, positieve evaluaties.
   Indien het evaluatiegesprek bedoeld in deze paragraaf, omwille van een reden die niet toe te schrijven is aan de jonge werknemer niet kan plaatsvinden binnen de voorziene reglementaire termijn en de datum van de tweede evaluatie daardoor gesitueerd is na het verstrijken van de periode van zes maanden bedoeld in het eerste lid, kan het recht op inschakelingsuitkeringen toch met terugwerkende kracht geopend worden vanaf de eerste dag van de zevende maand die volgt op de negatieve evaluatiebeslissing.]3
  ----------
  (1)<KB 2010-09-03/01, art. 9, 195; Inwerkingtreding : 01-09-2010>
  (2)<KB 2011-12-28/29, art. 2, 203; Inwerkingtreding : 01-01-2012>
  (3)<KB 2013-07-17/12, art. 1, 217; Inwerkingtreding : 01-08-2013.Temporeel toepassingsgebied : zie art. 4>
  (4)<KB 2014-04-02/02, art. 1, 226; Inwerkingtreding : 01-01-2014>
  (5)<KB 2014-06-26/02, art. 2, 229; Inwerkingtreding : 01-07-2014>
  (6)<KB 2014-12-30/06, art. 1,1°, 235; Inwerkingtreding : 01-01-2015>
  (7)<KB 2014-12-30/06, art. 1,2°, 235; Inwerkingtreding : 01-09-2015>
  (8)<KB 2014-07-01/09, art. 3, 237; Inwerkingtreding : 01-07-2015>
  (9)<KB 2015-09-23/05, art. 1, 246; Inwerkingtreding : 01-09-2015>
  (10)<KB 2016-09-11/03, art. 1, 255; Inwerkingtreding : 01-10-2016>
  (11)<KB 2017-01-27/04, art. 1, 257; Inwerkingtreding : 01-01-2017>
  (12)<KB 2017-10-08/07, art. 2, 270; Inwerkingtreding : 16-11-2017>

  Art. 36/1. [1 De artikelen 36/2 tot 36/11 leggen het normatief kader vast dat van toepassing is op de controle van de actieve beschikbaarheid van de jonge werknemer bedoeld in artikel 36 tijdens de beroepsinschakelingstijd, door de gewestinstelling die, krachtens artikel 6, § 1, IX, 5°, tweede lid van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 tot hervorming der instellingen, bevoegd is om die controle uit te oefenen.
  De artikelen 36/2 tot 36/11 vervangen artikel 36, §§ 4 tot 8 vanaf het ogenblik waarop de bevoegde gewestinstelling bedoeld in het eerste lid operationeel de controle uitoefent van de actieve beschikbaarheid van de jonge werknemers bedoeld in artikel 36 van wie de hoofdverblijfplaats tot haar ambtsgebied behoort.
  Voor de toepassing van de artikelen 36/2 tot 36/11 wordt verstaan onder :
  1° jonge werknemer : de jonge werknemer bedoeld in artikel 36;
  2° actieve beschikbaarheid van de jonge werknemer : de verplichting om actief naar werk te zoeken, bedoeld in artikel 58, § 1, eerste en tweede lid;
  3° de procedure voor de controle van de actieve beschikbaarheid : de procedure die wordt toegepast door de gewestinstelling bedoeld in de bepaling onder 4° met het oog op het controleren van de verplichting van de jonge werknemer om actief naar werk te zoeken tijdens de beroepsinschakelingstijd;
  4° bevoegde gewestinstelling: de gewestinstelling die, krachtens artikel 6, § 1, IX, 5°, tweede lid van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 tot hervorming der instellingen, bevoegd is om de controle uit te oefenen van de actieve beschikbaarheid van de volledig werkloze.]1
  ----------
  (1)<ingevoegd bij KB 2015-12-14/05, art. 1, 247; Inwerkingtreding : 01-01-2016>

  Art. 36/2. [1 De jonge werknemer is onderworpen aan de procedure van controle van de actieve beschikbaarheid als hij aan de volgende voorwaarden voldoet :
  1° hij is verplicht ingeschreven als werkzoekende;
  2° hij doorloopt de beroepsinschakelingstijd voorafgaand aan de toelating tot het recht op inschakelingsuitkeringen, bedoeld in artikel 36, § 1, eerste lid, 4°;
  3° de procedure voor de controle van de actieve beschikbaarheid is niet opgeschort in toepassing van de bepalingen van artikel 36/3.
  In afwijking van het eerste lid, is de procedure voor de controle van de actieve beschikbaarheid niet van toepassing op de jonge werknemer die, wegens letsels of functionele stoornissen voorafgaand aan zijn intrede op de arbeidsmarkt, door de erkend geneesheer van de RVA, conform de procedure voorzien in artikel 141, erkend wordt als zonder verdienvermogen in de zin van de regelgeving betreffende de verplichte ziekte- en invaliditeitsverzekering.
  Zodra hij over de informatie beschikt, deelt de Rijksdienst aan de bevoegde gewestinstelling, via een wekelijkse geïnformatiseerde stroom, de gegevens mee van de in het vorige lid bedoelde jonge werknemers.]1
  ----------
  (1)<ingevoegd bij KB 2015-12-14/05, art. 1, 247; Inwerkingtreding : 01-01-2016>

  Art. 36/3. [1 § 1. De procedure voor de controle van de actieve beschikbaarheid wordt opgeschort gedurende de periode tijdens dewelke de jonge werknemer een specifiek begeleidingstraject volgt, die hem werd voorgesteld door de bevoegde gewestelijke dienst voor arbeidsbemiddeling, op voorwaarde dat voldaan is aan de volgende voorwaarden :
  1° de jonge werknemer wordt door de bevoegde gewestelijke dienst voor arbeidsbemiddeling beschouwd als verwijderd van de arbeidsmarkt omwille van een combinatie van psycho-medisch-sociale factoren die zijn gezondheid en/of sociale inschakeling duurzaam aantasten en, daardoor, zijn professionele inschakeling, met als gevolg dat de werkloze binnen de 12 maanden die volgen niet in staat is om te werken in het gewone economische circuit of in het kader van een al dan niet betaalde aangepaste en omkaderde arbeidsplaats.
  2° het specifieke begeleidingstraject voldoet aan de volgende voorwaarden :
  a) het vormt het voorwerp van een wederzijdse verbintenis van de partijen;
  b) het betreft een voor de doelgroep bedoeld in 1° specifieke begeleidingsactie, aangewend door de bevoegde gewestelijke dienst voor arbeidsbemiddeling die, in voorkomend geval, een beroep doet op de medewerking van derden;
  c) het bevat een geheel van intensieve acties die de impact beogen te verminderen van de factoren die de inschakeling op de arbeidsmarkt bemoeilijken en die de socioprofessionele inschakeling beogen te bevorderen;
  d) wanneer het wordt georganiseerd in samenwerking met een derde, vormt het traject regelmatig het voorwerp van een verslag aan de bevoegde gewestelijke dienst voor arbeidsbemiddeling;
  e) het is in duur beperkt tot wat strikt noodzakelijk is voor de psycho-medisch-sociale remediëring, in een perspectief van professionele inschakeling, en die duur mag in elk geval de 21 maanden niet overschrijden.
  Het specifieke begeleidingstraject kan eenmalig verlengd of vernieuwd worden voor een bijkomende periode van maximum 18 maanden.
  De schorsing van de procedure bedoeld in deze paragraaf houdt op vanaf het ogenblik waarop de bevoegde gewestelijke dienst voor arbeidsbemiddeling vaststelt dat de jonge werknemer niet meer deelneemt of niet meer op positieve wijze meewerkt aan het specifieke begeleidingstraject.
  Onverminderd de bepalingen van het vorige lid, is de procedure voor de controle van de actieve beschikbaarheid opnieuw van toepassing ten vroegste vanaf de dag na het einde van het specifieke begeleidingstraject.
  § 2. De procedure voor de controle van de actieve beschikbaarheid wordt opgeschort gedurende de periode tijdens dewelke de jonge werknemer die een blijvende arbeidsongeschiktheid rechtvaardigt van ten minste 33 %, erkend door de erkend geneesheer van de RVA conform de procedure voorzien in artikel 141, een aangepast begeleidingstraject volgt dat hem werd voorgesteld door de bevoegde gewestelijke dienst voor arbeidsbemiddeling.
  Zodra hij over de informatie beschikt, deelt de Rijksdienst aan de bevoegde gewestinstelling, via een wekelijkse geïnformatiseerde stroom, de gegevens mee van de in het eerste lid bedoelde jonge werknemers.
  De opschorting van de procedure voorzien in deze paragraaf mag in geen geval een periode van 12 maanden, berekend van datum tot datum, overschrijden, vanaf de datum waarop het aangepaste begeleidingstraject is begonnen.
  De schorsing van de procedure bedoeld in deze paragraaf houdt op vanaf het ogenblik waarop de bevoegde gewestelijke dienst voor arbeidsbemiddeling vaststelt dat de jonge werknemer niet meer deelneemt of niet meer op positieve wijze meewerkt aan het aangepaste begeleidingstraject.
  Onverminderd de bepalingen van het derde en het vierde lid, is de procedure voor de controle van de actieve beschikbaarheid opnieuw van toepassing ten vroegste vanaf de dag na het einde van het aangepaste begeleidingstraject.]1
  ----------
  (1)<ingevoegd bij KB 2015-12-14/05, art. 1, 247; Inwerkingtreding : 01-01-2016>

  Art. 36/4. [1 Volgens de modaliteiten die hij bepaalt, informeert de bevoegde gewestelijke dienst voor arbeidsbemiddeling de jonge werknemer omtrent zijn rechten en plichten betreffende zijn inschrijving als werkzoekende en omtrent de procedure voor de controle van de actieve beschikbaarheid die zal worden toegepast tijdens de beroepsinschakelingstijd.
  De informatie bedoeld in het eerste lid wordt aan de jonge werknemer meegedeeld op het ogenblik van zijn eerste inschrijving als werkzoekende bij de bevoegde gewestelijke dienst voor arbeidsbemiddeling na het einde van de studies.]1
  ----------
  (1)<ingevoegd bij KB 2015-12-14/05, art. 1, 247; Inwerkingtreding : 01-01-2016>

  Art. 36/5. [1 De bevoegde gewestinstelling evalueert de actieve beschikbaarheid van de jonge werknemer ten minste twee keer tijdens de beroepsinschakelingstijd bedoeld in artikel 36, § 1, eerste lid, 4°, volgens de modaliteiten die zij bepaalt en zorgt er daarbij voor dat de rechten van de verdediging worden nageleefd.
  Bij een evaluatiegesprek dat aanleiding kan geven tot de toepassing van artikel 36/10, § 2, kan de jonge werknemer zich laten bijstaan door een advocaat of door een afgevaardigde van een werknemersorganisatie die een erkende uitbetalingsinstelling heeft opgericht.
  In geval van een negatieve evaluatie vindt ten laatste 6 maanden na de negatieve evaluatie een nieuwe evaluatie plaats.
  Rekening houdend met het minimum bedoeld in het eerste lid en met de termijn bepaald in het derde lid, legt de bevoegde gewestinstelling de periodiciteit en de timing vast van de evaluaties, in het bijzonder rekening houdend met het profiel van de jonge werknemer en de termijnen van de realisatie van de acties voorzien in het individuele actieplan dat werd overeengekomen met de tewerkstellingsconsulent van de bevoegde gewestelijke dienst voor arbeidsbemiddeling.]1
  ----------
  (1)<ingevoegd bij KB 2015-12-14/05, art. 1, 247; Inwerkingtreding : 01-01-2016>

  Art. 36/6. [1 Tijdens elke evaluatie van de actieve beschikbaarheid van de jonge werknemer, heeft de evaluatie betrekking op de periode sinds de vorige evaluatie of indien er nog geen evaluatie is geweest, op de periode sinds het begin van de beroepsinschakelingstijd.
  Voor de toepassing van het vorige lid, moet onder begin van de beroepsinschakelingstijd de datum worden verstaan van de eerste inschrijving van de werkloze als werkzoekende bij de bevoegde gewestelijke dienst voor arbeidsbemiddeling na het einde van de studies.
  Tijdens elke evaluatie evalueert de bevoegde gewestinstelling elk van de volgende elementen :
  1° de uitvoering door de betrokken jonge werknemer van het individueel actieplan dat werd afgesloten met de tewerkstellingsconsulent van de gewestelijke dienst voor arbeidsbemiddeling, de graad van verwezenlijking van de acties voorzien in het actieplan en de naleving van de toegestane termijnen voor de realisatie van de acties;
  2° de persoonlijke stappen om naar werk te zoeken die de jonge werknemer zelfstandig heeft ondernomen tijdens de geëvalueerde periode, evenwel met uitzondering van de periode tijdens dewelke hij vrijgesteld was van de verplichting om zelf actief naar werk te zoeken, in toepassing van artikel 58, § 1, derde lid;
  3° de eventuele arbeids- of opleidingsperiodes van de jonge werknemer tijdens de geëvalueerde periode;
  4° de eventuele andere acties die de jonge werknemer heeft ondernomen met het oog op zijn herinschakeling op de arbeidsmarkt.
  Voor de toepassing van het derde lid, 1°, evalueert de bevoegde gewestinstelling de uitvoering van het actieplan door de jonge werknemer, de graad van verwezenlijking van de acties voorzien in het actieplan en de naleving van de toegestane termijnen, rekening houdend met alle elementen van het individuele dossier van de betrokken jonge werknemer.
  Voor de toepassing van het derde lid, 2°, moet de jonge werknemer het bewijs leveren van de persoonlijke stappen die hij heeft ondernomen om naar werk te zoeken, bij voorkeur door middel van materiële bewijzen. Bij gebrek aan materiële bewijzen komt een schriftelijke verklaring op eer in aanmerking indien ze precies, geloofwaardig en controleerbaar is. De jonge werknemer maakt die bewijzen over via de post of elektronisch of volgens de modaliteiten bepaald in het individuele actieplan of maakt ze, desgevallend, ten laatste over tijdens het evaluatiegesprek.
  Voor de toepassing van het derde lid, 2°, evalueert de bevoegde gewestinstelling op basis van de door de jonge werknemer geleverde bewijzen en rekening houdend met alle elementen van het individuele dossier, de relevantie van de persoonlijke stappen om naar werk te zoeken die hij heeft ondernomen. De persoonlijke stappen om naar werk te zoeken die werden ondernomen door de jonge werknemer worden positief geëvalueerd als de jonge werknemer kan aantonen dat ze regelmatig, gediversifieerd zowel naar het type van zoeken als naar de sector van activiteit zijn en ze inzonderheid rekening houden met de criteria van de passende dienstbetrekking, bepaald krachtens artikel 51, § 2, eerste lid, 1°.
  Tijdens elke evaluatie wordt de informatie waarop de evaluatie is gebaseerd, aan de jonge werknemer meegedeeld.]1
  ----------
  (1)<ingevoegd bij KB 2015-12-14/05, art. 1, 247; Inwerkingtreding : 01-01-2016>

  Art. 36/7. [1 § 1. Voor de toepassing van artikel 36, § 1, eerste lid, 6°, worden de volgende gebeurtenissen, indien ze zich voordoen tijdens de beroepsinschakelingstijd en voor zover hun aard en hun duur voldoen aan de voorwaarden voorgeschreven in artikel 36, § 5, zesde tot achtste lid, gelijkgesteld met een of twee positieve evaluaties :
  1° een periode van werkhervatting als loontrekkende of als zelfstandige in hoofdberoep;
  2° een periode van stage in het buitenland, aanvaard door de directeur van het bevoegde werkloosheidsbureau;
  3° een periode van ondersteuning, voorafgaand aan de toekenning van een startlening;
  4° een periode van vrijwillige militaire inzet in de zin van de wet van 10 januari 2010 tot instelling van de vrijwillige militaire inzet en tot wijziging van verschillende wetten van toepassing op het militair personeel;
  5° een periode van beroepsopleiding in de zin van artikel 27, eerste lid, 6°;
  6° een instapstage bedoeld in artikel 36quater.
  § 2. Voor de toepassing van artikel 36, § 1, eerste lid, 6°, wordt het feit dat de jonge werknemer een alternerende opleiding bedoeld in artikel 36, § 1, eerste lid, 2°, c integraal heeft voleindigd, gelijkgesteld met :
  1° één positieve evaluatie, als de jonge werknemer de alternerende opleiding niet met succes heeft voleindigd;
  2° twee positieve evaluaties, als de jonge werknemer de alternerende opleiding met succes heeft voleindigd.
  § 3. Voor de toepassing van artikel 36, § 1, eerste lid, 6°, wordt het feit dat de jonge werknemer tijdens de beroepsinschakelingstijd een specifiek of aangepast traject bedoeld in artikel 36/3 heeft gevolgd, gelijkgesteld met :
  1° één positieve evaluatie als de jonge werknemer gedurende ten minste 4 maanden heeft deelgenomen aan het begeleidingstraject;
  2° twee positieve evaluaties als de jonge werknemer gedurende ten minste 8 maanden heeft deelgenomen aan het begeleidingstraject.
  § 4. Zodra hij over de informatie beschikt, deelt de Rijksdienst, via een geïnformatiseerde stroom, aan de bevoegde gewestinstelling elke gelijkstelling met een positieve evaluatie bedoeld in § 1, 1° tot 4° of in § 2 mee, waarvan hij op de hoogte is.]1
  ----------
  (1)<ingevoegd bij KB 2015-12-14/05, art. 1, 247; Inwerkingtreding : 01-01-2016>

  Art. 36/8. [1 § 1. Na elke evaluatie van de actieve beschikbaarheid van de jonge werknemer, wordt door de bevoegde gewestinstelling een positieve of negatieve evaluatiebeslissing, naargelang het geval, genomen en wordt die beslissing, onverminderd de bepalingen voorzien in § 2, meegedeeld aan de betrokken jonge werknemer, waarbij de rechten van de verdediging worden nageleefd.
  De administratieve procedure en de termijnen die van toepassing zijn voor de evaluatiebeslissing bedoeld in het eerste lid worden bepaald door het bevoegde gewest.
  § 2. In geval van een negatieve evaluatie moet de beslissing genomen door de bevoegde gewestinstelling op straffe van nietigheid gemotiveerd worden in feite en in rechte.
  De bevoegde gewestinstelling betekent de negatieve evaluatiebeslissing bedoeld in het eerste lid schriftelijk aan de betrokken jonge werknemer. Op straffe van nietigheid moet de schriftelijke betekening de motivering van de beslissing vermelden, alsook het uitstel van de toelating tot het recht op inschakelingsuitkeringen in toepassing van artikel 36/10, § 2, en de mogelijkheden tot beroep tegen die beslissing.
  § 3. De bevoegde gewestinstelling deelt onmiddellijk elke evaluatie die de jonge werknemer krijgt tijdens zijn beroepsinschakelingstijd mee aan de RVA.
  § 4. De jonge werknemer die een beslissing genomen door de bevoegde gewestinstelling betwist, kan beroep aantekenen bij de bevoegde arbeidsrechtbank overeenkomstig artikel 7, § 11, eerste tot derde lid van de besluitwet van 28 december 1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders.]1
  ----------
  (1)<ingevoegd bij KB 2015-12-14/05, art. 1, 247; Inwerkingtreding : 01-01-2016>

  Art. 36/9. [1 Wanneer de jonge werknemer verhuist en de gemeente van zijn nieuwe hoofdverblijfplaats tot het ambtsgebied behoort van een andere bevoegde gewestinstelling, neemt die instelling de procedure voor de controle van de actieve beschikbaarheid over in het stadium waarin ze zich bevond op het ogenblik van de verhuizing van de jonge werknemer, rekening houdend met de evaluaties die reeds werden uitgevoerd door de gewestinstelling die bevoegd was vóór de verhuizing.
  De gewestinstelling die bevoegd was vóór de verhuizing maakt het volledige dossier van de jonge werknemer over aan de bevoegde gewestinstelling, indien die instelling daarom vraagt.
  In afwijking van het eerste lid, blijft de gewestinstelling die, op basis van de hoofdverblijfplaats van de jonge werknemer, bevoegd was op het ogenblik van de evaluatie bevoegd om, zelfs na de verhuizing van de jonge werknemer naar het ambtsgebied van een andere gewestinstelling, een beslissing te nemen in toepassing van artikel 36/8 op basis van die evaluatie, op voorwaarde dat de evaluatiebeslissing werd meegedeeld of betekend aan de jonge werknemer binnen een termijn van 3 maanden te tellen vanaf de datum van de evaluatie.]1
  ----------
  (1)<ingevoegd bij KB 2015-12-14/05, art. 1, 247; Inwerkingtreding : 01-01-2016>

  Art. 36/10. [1 § 1. Voor zover voldaan is aan de andere voorwaarden bedoeld in artikel 36, wordt het recht op inschakelingsuitkeringen geopend na afloop van de beroepsinschakelingstijd indien, op dat ogenblik, de actieve beschikbaarheid van de jonge werknemer het voorwerp heeft uitgemaakt van twee, al dan niet opeenvolgende, positieve evaluaties.
  Indien de evaluaties bedoeld in artikel 36/5 niet konden plaatsvinden vóór het einde van de beroepsinschakelingstijd bedoeld in artikel 36, § 1, eerste lid, 4°, omwille van een reden die niet te wijten is aan de jonge werknemer en die door de bevoegde gewestelijke instelling wordt bevestigd, en daardoor de datum van de tweede positieve evaluatie gelegen is na het einde van de beroepsinschakelingstijd, wordt het recht op inschakelingsuitkeringen geopend met terugwerkende kracht tot het verstrijken van de beroepsinschakelingstijd, voor zover voldaan is aan de andere voorwaarden bedoeld in artikel 36.
  § 2. In geval van een negatieve evaluatie van de actieve beschikbaarheid van de jonge werknemer tijdens de beroepsinschakelingstijd bedoeld in artikel 36, § 1, eerste lid, 4°, wordt de jonge werknemer toegelaten tot het recht op inschakelingsuitkeringen, voor zover voldaan is aan de andere voorwaarden bedoeld in artikel 36, vanaf de eerste dag van de maand die volgt op deze tijdens dewelke hij een tweede positieve evaluatie van zijn actieve beschikbaarheid heeft bekomen. Deze laatste datum mag niet gelegen zijn vóór de afloop van een termijn van 3 maanden, gerekend van datum tot datum, vertrekkend van de datum van de laatste negatieve evaluatie.]1
  ----------
  (1)<ingevoegd bij KB 2015-12-14/05, art. 1, 247; Inwerkingtreding : 01-01-2016>

  Art. 36/11. [1 In afwijking van artikel 36/1, tweede lid, zijn de artikelen 36/2 tot 36/10 ook van toepassing op de controle van de actieve beschikbaarheid van de jonge werknemers die, op het ogenblik waarop de bevoegde gewestinstelling de operationele uitoefening overneemt van die controle, onderworpen zijn aan een lopende opvolgingsprocedure in toepassing van artikel 36, §§ 4 tot 8.
  Voor de toepassing van het eerste lid worden beschouwd als onderworpen aan een lopende opvolgingsprocedure, de jonge werknemers die, vóór het ogenblik waarop de bevoegde gewestinstelling de operationele uitoefening van de controle van de actieve beschikbaarheid overneemt, een informatiebrief hebben ontvangen in toepassing van artikel 36, § 4.
  Voor de toepassing van de artikelen 36/2 tot 36/10 op de jonge werknemers bedoeld in het eerste lid, houdt de bevoegde gewestinstelling rekening met de evaluaties die werden uitgevoerd en de beslissingen die werden genomen door de directeur van het werkloosheidsbureau in toepassing van artikel 36, §§ 4 tot 8.]1
  ----------
  (1)<ingevoegd bij KB 2015-12-14/05, art. 1, 247; Inwerkingtreding : 01-01-2016>

  Art. 36bis. <Ingevoegd bij KB 2001-06-13/31, art. 2; Inwerkingtreding : 01-01-2001> (§ 1.) Om voor het vakantiejaar toegelaten te worden tot het recht op de jeugdvakantie-uitkering bedoeld (in artikel 78bis, § 1), moet de jonge werknemer die op 31 december van het vakantiedienstjaar de leeftijd van 25 jaar niet bereikt heeft, aantonen dat hij in de loop van het vakantiedienstjaar zijn studies, leertijd of opleiding heeft beëindigd, en arbeid als loontrekkende heeft verricht gedurende ten minste één maand in de loop van het vakantiedienstjaar. <KB 2007-01-24/32, art. 2 en 7, 160; Inwerkingtreding : 01-01-2007>
  De tewerkstellingsvoorwaarde vermeld in het eerste lid is slechts vervuld indien de jonge werknemer na de beëindiging van zijn studies, leertijd of opleiding verbonden was door een arbeidsovereenkomst gedurende ten minste één maand en op grond hiervan ten minste 13 arbeids- of gelijkgestelde dagen in de zin van de artikelen 37 of 38 in rekening kan brengen. Er wordt evenwel geen rekening gehouden met arbeid waarop de bijzondere vakantieregeling geldend voor openbare diensten of een regeling van uitgestelde bezoldiging als werknemer tewerkgesteld in het onderwijs, van toepassing is.
  De beëindiging van de studies, leertijd of opleiding wordt door de jonge werknemer aangetoond door een verklaring op eer.
  (§ 2. De werknemer die op 31 december van het vakantiedienstjaar ten minste de leeftijd van 50 jaar heeft bereikt, kan toegelaten worden tot het recht op de seniorvakantie-uitkering bedoeld in artikel 78bis, § 2, indien hij ingevolge een periode van volledige werkloosheid of invaliditeit in het vakantiedienstjaar, gedurende het vakantiejaar geen recht heeft op vier weken betaalde vakantie.
  In afwijking van de bepalingen van deze afdeling, wordt de werknemer bedoeld in het eerste lid tot het recht op de seniorvakantie-uitkering toegelaten met vrijstelling van wachttijd.) <KB 2007-01-24/32, art. 2, B, 160; Inwerkingtreding : 01-01-2007>

  Art. 36ter.<Ingevoegd bij KB 2006-03-13/39, art. 1; Inwerkingtreding : 01-04-2006> § 1. De werkzoekende die bij de aanvang van de opleiding niet voldoet aan de toelaatbaarheidsvoorwaarden van dit hoofdstuk, of niet gerechtigd is op uitkeringen ingevolge de toepassing van de artikelen 51 tot 53bis, 59bis tot 59decies en 80 tot 88, kan toegelaten worden tot het recht op opleidingsuitkeringen tijdens de duur van de individuele beroepsopleiding in een onderneming, bedoeld bij artikel 27, 6°.
  De opleidingsuitkering kan slechts toegekend worden indien de navermelde voorwaarden gelijktijdig vervuld zijn :
  1° de opleiding is minstens halftijds;
  2° de werkzoekende is bij de aanvang van de opleiding, ingeschreven als niet-werkende werkzoekende bij een gewestelijke dienst voor arbeidsbemiddeling;
  3° de werkzoekende is bij de aanvang van de opleiding niet in het bezit van een diploma of een getuigschrift van het hoger onderwijs, behalve indien hij op dit tijdstip de leeftijd van 45 jaar bereikt heeft;
  4° de werkzoekende voegt maandelijks een getuigschrift van aanwezigheid in de opleiding bij zijn controlekaart;
  5° de werkzoekende van vreemde nationaliteit voldoet aan artikel 43.
  De opleidingsuitkering kan niet toegekend worden :
  1° voor de periode tijdens dewelke niet voldaan wordt aan de toekenningsvoorwaarden bedoeld in hoofdstuk III; hierbij wordt evenwel geen rekening gehouden met de uitsluiting van het recht op uitkeringen in toepassing van de artikelen 51 tot 53bis, 59bis tot 59decies en 80 tot 88;
  2° voor de dagen waarop de werkzoekende volgens het getuigschrift ongewettigd afwezig is.
  § 2. [1 De opleidingsuitkering wordt voor de toepassing van dit besluit, met uitzondering van de artikelen 38, § 1, eerste lid, 1°, 42 en 131, gelijkgesteld met een inschakelingsuitkering.]1
  § 3. In geval van voltijdse beroepsopleiding, wordt de opleidingsuitkering toegekend overeenkomstig het uitkeringsstelsel voorzien in artikel 100.
  In geval van deeltijdse beroepsopleiding, wordt per week een aantal halve daguitkeringen toegekend dat gelijk is aan het resultaat van de vermenigvuldiging van 12 met de opleidingsbreuk.
  Het bekomen resultaat wordt hetzij naar de hogere, hetzij naar de lagere eenheid afgerond, naargelang hij al dan niet 0,50 bereikt.
  Het wekelijks uitkeringsstelsel wordt als volgt vastgesteld : te beginnen vanaf de maandag wordt er per dag, behalve voor de zondag, een halve uitkering toegekend; indien het totaal aantal vergoedbare halve dagen meer bedraagt dan zes, worden de overblijvende halve uitkeringen opnieuw toegekend vanaf de maandag van dezelfde week.
  In afwijking van de artikelen 44, 45 en 46, 48, 49, 74bis, 109, 130 en 130bis leidt arbeid of inkomen niet tot de vermindering van het aantal uitkeringen of tot de verlaging van het dagbedrag van de uitkering.
  ----------
  (1)<KB 2011-12-28/29, art. 3, 203; Inwerkingtreding : 01-01-2012>

  Art. 36ter_WAALS_GEWEST.
  <Opgeheven bij DWG 2017-02-02/24, art. 28, 268; Inwerkingtreding : 01-07-2017>

  Art. 36ter_BRUSSELS_HOOFDSTEDELIJK_GEWEST.
  <Opgeheven door ORD 2016-03-10/16, art. 19, 250; Inwerkingtreding : 01-01-2018>

  Art. 36quater.[1 § 1. De jonge niet-werkend werkzoekende, hierna "stagiair" genoemd, kan toegelaten worden tot het recht op stage-uitkeringen tijdens de duur van de instapstage, bedoeld in § 2, wanneer gelijktijdig voldaan wordt aan de volgende voorwaarden :
   1° de stagiair is ingeschreven als niet-werkend werkzoekende bij de gewestelijke dienst voor arbeidsbemiddeling;
   2° de stagiair heeft hoogstens een diploma of getuigschrift van het hoger secundair onderwijs;
   3° de stagiair mag tussen zijn eerste inschrijving als werkzoekende en de dag voorafgaand aan de aanvang van de instapstage niet het voorwerp zijn geweest van een gegevenstransmissie van het bevoegde Gewest naar de Rijksdienst zoals bedoeld in Deel 1 van bijlage 2 bij het samenwerkingsakkoord van 30 april 2004 tussen de federale Staat, de Gewesten en de Gemeenschappen betreffende de actieve begeleiding en opvolging van werklozen, voor zover het gaat om een gegevenstransmissie met betrekking tot
   a) de weigering van elke medewerking voor een diagnosegesprek, zoals bedoeld in 1.1 van Deel 1 van bijlage 2 van voornoemd samenwerkingsakkoord van 30 april 2004;
   b) de weigering om aan een traject, een actie of een module deel te nemen, zoals bedoeld in 1.2, vierde lid, van Deel 1 van bijlage 2 van voornoemd samenwerkingsakkoord van 30 april 2004;
   c) de vroegtijdige beëindiging van een traject, een actie of een module, zoals bedoeld in 1.2, vierde lid, van Deel 1 van bijlage 2 van voornoemd samenwerkingsakkoord van 30 april 2004;
   d) de weigering om aan een beroepsopleiding, een vooropleiding, een sollicitatietraining, een persoonsgerichte vorming, een individuele beroepsopleiding in een onderneming, een stage op de werkvloer of een werkervaring deel te nemen, zoals bedoeld in 1.3, tweede lid, van Deel 1 van bijlage 2 van voornoemd samenwerkingsakkoord van 30 april 2004;
   e) de vroegtijdige beëindiging van een beroepsopleiding, een vooropleiding, een sollicitatietraining, een persoonsgerichte vorming, een individuele beroepsopleiding in een onderneming, een stage op de werkvloer of een werkervaring, zoals bedoeld in 1.3, tweede lid, van Deel 1 van bijlage 2 van voornoemd samenwerkingsakkoord van 30 april 2004;
   f) de weigering om zich aan te bieden bij een werkgever, zoals bedoeld in 1.4 van Deel 1 van bijlage 2 van voornoemd samenwerkingsakkoord van 30 april 2004;
   g) de weigering om deel te nemen aan een collectieve informatiesessie, zoals bedoeld in 1.5 van Deel 1 van bijlage 2 van voornoemd samenwerkingsakkoord van 30 april 2004;
   4° de instapstage begint ten vroegste op de 156e dag van de beroepsinschakelingstijd zoals bedoeld in artikel 36, § 1, 4°, en ten laatste op de 310e dag daarvan;
   5° de instapstage is voltijds; onder "voltijds" wordt verstaan, het aantal uren in beslag nemend dat in de onderneming gepresteerd wordt door de maatman die de functie uitoefent waarop de instapstage betrekking heeft. Hoogstens de helft van de duur van de stage kan doorgaan buiten de onderneming in een door de betrokken dienst van de bevoegde gefedereerde entiteit aanvaard opleidings- of begeleidingsproject;
   6° de voorziene duurtijd van de instapstage beantwoordt aan de bepalingen van § 3;
   7° de instapstage wordt geregeld door een overeenkomst, gesloten door de stagiair, de in § 2 bedoelde stagegever en de betrokken dienst van de bevoegde gefedereerde entiteit deze overeenkomst voorziet een regeling geïnspireerd op deze voorzien in geval van individuele beroepsopleiding in een onderneming, zoals bedoeld in artikel 27, 6°;
   8° de stagiair krijgt, ter aanvulling van de in § 4 bedoelde stage-uitkering, een maandelijkse vergoeding van 200 euro, ten laste van de in § 2 bedoelde stagegever;
   9° de stagiair dient maandelijks via zijn uitbetalingsinstelling een getuigschrift van aanwezigheid in de instapstage, waarvan het model werd vastgesteld door het beheerscomité, in.
   De stage-uitkering kan niet toegekend worden voor de dagen waarop de stagiair volgens het getuigschrift, bedoeld in het eerste lid, 9°, ongewettigd afwezig is.
   § 2. De instapstage biedt de jongere een kennismaking met de arbeidsmarkt bij een stagegever.
   Als stagegever komt in aanmerking, de vertegenwoordiger van elke onderneming, vereniging zonder winstoogmerk of administratieve overheid.
   § 3. Elke stagiair kan slechts voor een totale duur van hoogstens 6 maanden één of meer instapstages doorlopen.
   De voorziene duurtijd van een instapstage van een stagiair bedraagt minstens 3 en hoogstens 6 maanden.
   Wanneer de instapstage voortijdig beëindigd wordt, hetzij om redenen onafhankelijk van de wil van de stagiair, hetzij omdat de stagiair de overeenkomst beëindigt om een dringende reden, hetzij omdat de stagiair de overeenkomst beëindigt in geval van faillissement, overname of fusie van de onderneming van de stagegever, hetzij omdat de stagiair de overeenkomst beëindigt omdat de stagegever het opleidingsplan niet naleeft, komt de stagiair, onverminderd het vijfde lid, in aanmerking voor een volgende instapstage indien het verschil tussen het maximum van 6 maanden en de reeds doorlopen duurtijd van alle vorige instapstages samen minstens 90 dagen bedraagt.
   De voorziene duurtijd van elke andere instapstage dan de eerste mag niet minder bedragen dan het verschil bedoeld in het vorig lid.
   § 4. Het dagbedrag van de stage-uitkering wordt vastgesteld op 26,82 euro. De Minister kan dit bedrag jaarlijks aanpassen op basis van het gemiddeld dagbedrag van de inschakelingsuitkeringen.
   De stagiair is verplicht om overeenkomstig artikel 133 via zijn uitbetalingsinstelling een uitkeringsaanvraag in te dienen, bij de aanvang van de stage, en een dossier in te dienen die een exemplaar van de in § 1, eerste lid, 7°, bedoelde overeenkomst bevat. De aanvraag moet toekomen op het werkloosheidsbureau binnen een termijn van vier maanden volgend op de maand waarin de stage een aanvang neemt.
   Indien de stagiair recht heeft op inschakelingsuitkeringen in toepassing van artikel 36 en het dagbedrag van die inschakelingsuitkeringen, vastgesteld overeenkomstig artikel 124, hoger is dan het bedrag, bepaald in het eerste lid, dan heeft de stagiair, in afwijking van het eerste lid, recht op een stage-uitkering waarvan het dagbedrag gelijk is aan dat van die inschakelingsuitkeringen.
   De stage-uitkering verschuldigd voor het deel van de instapstage dat voorafgaat aan het tijdstip waarop de jonge werknemer in voorkomend geval voldoet aan de voorwaarden om overeenkomstig artikel 36 gerechtigd te zijn op een inschakelingsuitkering, wordt voor de toepassing van dit besluit, met uitzondering van de artikelen 38, § 1, eerste lid, 1°, 42 en 138, 1° tot en met 3° gelijkgesteld met een inschakelingsuitkering.
   De stage-uitkering verschuldigd voor het deel van de instapstage dat ligt vanaf het tijdstip waarop de jonge werknemer voldoet aan de voorwaarden om overeenkomstig artikel 36 gerechtigd te zijn op een inschakelingsuitkering, wordt voor de toepassing van dit besluit, gelijkgesteld met een inschakelingsuitkering.
   De stage-uitkering wordt toegekend overeenkomstig het uitkeringsstelsel voorzien in artikel 100.
   In afwijking van de artikelen 44, 45 en 46, 48, 49, 74bis, 109 en 130, leidt arbeid of inkomen niet tot de vermindering van het aantal uitkeringen of tot de verlaging van het dagbedrag van de uitkering.
   § 5. Onverminderd het derde lid, is de vergoeding, bedoeld in § 1, eerste lid, 8°, enkel verschuldigd voor de uren die de stagiair effectief in de onderneming, instelling, organisatie of dienst van de stagegever doorbrengt in het kader van zijn instapstage.
   De minister kan het bedrag van de vergoeding, bedoeld in § 1, eerste lid, 8°, jaarlijks aanpassen.
   Wanneer de instapstage voortijdig beëindigd wordt en de bevoegde dienst voor beroepsopleiding attesteert dat deze beëindiging onvoldoende gerechtvaardigd is en te wijten is aan de stagegever, dan moet deze aan de stagiair de vergoeding betalen die hij overeenkomstig § 1, eerste lid, 8°, verschuldigd is, voor de resterende, niet-uitgevoerde overeengekomen duurtijd van de instapstage op voltijdse basis.]1
  ----------
  (1)<KB 2012-11-10/03, art. 1, 210; Inwerkingtreding : 01-01-2013>

  Art. 36quater_WAALS_GEWEST.
  <Opgeheven door DWG 2017-02-02/22, art. 18, 264; Inwerkingtreding : 01-07-2017>

  Art. 36quater_BRUSSELS_HOOFDSTEDELIJK_GEWEST.
  <Opgeheven door ORD 2016-03-10/16, art. 19, 250; Inwerkingtreding : 01-01-2017>

  Art. 36quinquies.<Ingevoegd bij KB 2006-03-13/39, art. 3; Inwerkingtreding : 01-04-2006> Het voordeel voorzien bij artikel 36ter en het voordeel voorzien bij artikel 36quater kunnen niet gelijktijdig worden toegekend.
  [2 ...]2
  [2 ...]2
  [2 ...]2
  ----------
  (1)<KB 2010-04-19/07, art. 2, 191; Inwerkingtreding : 01-02-2010>
  (2)<KB 2012-11-10/03, art. 2, 210; Inwerkingtreding : 01-01-2013>

  Art. 36quinquies_WAALS_GEWEST.
  <Opgeheven door DWG 2017-02-02/22, art. 18, 264; Inwerkingtreding : 01-07-2017>

  Art. 36quinquies_BRUSSELS_HOOFDSTEDELIJK_GEWEST.
  <Opgeheven door ORD 2016-03-10/16, art. 19, 250; Inwerkingtreding : 01-01-2018>

  Art. 36sexies.<Ingevoegd bij KB 2006-03-13/39, art. 4; Inwerkingtreding : 01-04-2006> § 1. De werkzoekende die bij de aanvang van de voorbereidingsperiode niet voldoet aan de toelaatbaarheidsvoorwaarden van dit hoofdstuk, of niet gerechtigd is op uitkeringen ingevolge de toepassing van de artikelen 51 tot 53bis, 59bis tot 59decies en 80 tot 88, kan toegelaten worden tot het recht op vestigingsuitkeringen tijdens de duur van de periode waarin hij zich voorbereidt op de vestiging als zelfstandige, voorzover hij het bewijs levert dat hij begeleid wordt door het Participatiefonds.
  De vestigingsuitkering kan slechts toegekend worden indien de navermelde voorwaarden gelijktijdig vervuld zijn :
  1° de werkzoekende is bij de aanvang van de voorbereidingsperiode jonger dan 30 jaar;
  2° de werkzoekende is bij de aanvang van de voorbereidingsperiode ingeschreven als niet-werkende werkzoekende bij een gewestelijke dienst voor arbeidsbemiddeling;
  3° de werkzoekende van vreemde nationaliteit voldoet aan artikel 43.
  De vestigingsuitkering kan slechts toegekend worden voor een periode van ten hoogste 6 maanden, te rekenen van datum tot datum, vanaf de aanvang van de voorbereiding.
  De vestigingsuitkering kan niet toegekend worden voor de periode tijdens dewelke niet voldaan wordt aan de toekenningsvoorwaarden bedoeld in hoofdstuk III; hierbij wordt evenwel geen rekening gehouden met de uitsluiting van het recht op uitkeringen in toepassing van de artikelen 51 tot 53bis, 59bis tot 59decies en 80 tot 88.
  § 2. [1 De vestigingsuitkering wordt voor de toepassing van dit besluit, met uitzondering van de artikelen 38, § 1, eerste lid, 1°, 42 en 131, gelijkgesteld met een inschakelingsuitkering.]1
  ----------
  (1)<KB 2011-12-28/29, art. 5, 203; Inwerkingtreding : 01-01-2012>

  Art. 36sexies_VLAAMS_GEWEST.
  <Opgeheven bij DVR 2017-07-07/30, art. 56, 273; Inwerkingtreding : 01-01-2018>

  Art. 36sexies_WAALS_GEWEST.
  <Opgeheven bij DWG 2017-02-02/24, art. 28, 268; Inwerkingtreding : 01-07-2017>

  Art. 36sexies_DUITSTALIGE_GEMEENSCHAP.
  <Opgeheven bij DDG 2016-04-25/10, art. 34,1°, 252; Inwerkingtreding : 01-07-2016>

  Art. 36sexies_BRUSSELS_HOOFDSTEDELIJK_GEWEST.
  <Opgeheven door ORD 2016-03-10/16, art. 19, 250; Inwerkingtreding : 01-01-2018>

  Onderafdeling 3. - Arbeids- en gelijkgestelde dagen.

  Art. 37.§ 1. (Voor de toepassing van dit hoofdstuk worden als arbeidsprestaties in aanmerking genomen de normale werkelijke arbeid en de meerprestaties zonder inhaalrust verricht in een onder de sociale zekerheid, sector werkloosheid, vallend beroep of onderneming waarvoor gelijktijdig :
  ) <KB 2001-06-10/60, art. 62, 097; Inwerkingtreding : 01-01-2003>
  1° een loon werd betaald dat ten minste gelijk is aan het minimumloon vastgesteld door een wets- of reglementsbepaling of een collectieve arbeidsovereenkomst die de onderneming bindt of, bij gebreke daaraan, door het gebruik;
  2° op het uitbetaalde loon de voorgeschreven inhoudingen voor de sociale zekerheid, met inbegrip van de sector werkloosheid, werden verricht.
  [1 Als de loon- en arbeidstijdgegevens op globale wijze per kwartaal worden meegedeeld aan de dienst bevoegd voor de inning van de bijdragen voor sociale zekerheid, en als de ligging van de arbeidsprestaties en het ermee overeenstemmend loon binnen een kwartaal niet kan worden vastgesteld, worden de arbeidsprestaties en het ermee overeenstemmend loon die gelegen zijn in het kwartaal waarin een referteperiode aanvangt en/of waarin de referteperiode eindigt, geacht gelegen te zijn in de referteperiode.]1
  [2 Voor de werknemer die artistieke activiteiten heeft verricht tijdens de referteperiode die voor hem van toepassing is en wanneer deze activiteiten vergoed zijn met een taakloon, wordt :
   1° het taakloon dat werd toegekend voor een artistieke activiteit, geacht op gelijke wijze elke kalenderdag van de periode van de arbeidsrelatie overeenkomstig de onmiddellijke aangifte van tewerkstelling, te dekken;
   2° een berekening op kwartaalbasis gemaakt in functie van het taakloon dat overeenkomstig 1° gelegen is in elk kwartaal;
   3° slechts rekening gehouden met het gedeelte van het taakloon dat overeenkomstig 1° gelegen is in de referteperiode.]2
  Na advies van het beheerscomité bepaalt de Minister:
  1° volgens welke regelen de arbeidsprestaties in arbeidsdagen worden omgezet;
  2° onder welke voorwaarden de krachtens het eerste lid, 1°, uitgesloten arbeidsprestaties in aanmerking komen wanneer het loon wordt geregulariseerd;
  3° (onder welke voorwaarden de krachtens het eerste lid, 1°, uitgesloten arbeidsprestaties in aanmerking komen wanneer het loon niet kan worden geregulariseerd ingevolge het in gebreke blijven van de gewezen werkgever;) <KB 2007-03-01/31, art. 1, 161; Inwerkingtreding : 01-01-2006>
  4° onder welke voorwaarden de inhoudingen voor de sociale zekerheid geacht worden te zijn verricht;
  5° onder welke voorwaarden de regularisaties van bijdragen voor de sociale zekerheid, die nodig zijn wegens der ontoereikendheid of het ontbreken van de verschuldigde bijdragen, in aanmerking kunnen worden genomen.
  § 2. [4 De in het buitenland verrichte arbeid komt slechts in aanmerking binnen de grenzen van bilaterale en internationale verdragen en voor zover de werknemer, na de in het buitenland verrichte arbeid, tijdvakken van arbeid als loontrekkende heeft vervuld krachtens de Belgische regeling gedurende ten minste drie maanden.]4
  § 3. [3 Voor de toepassing van de vorige paragrafen wordt de vergoeding ontvangen door de leerling in het kader van een leerovereenkomst niet beschouwd als een loon dat voldoet aan § 1, 1°.]3
  § 4. In afwijking van § 1 komen de arbeidsprestaties van een diamantbewerker niet in aanmerking indien zij verricht werden in een werkplaats die niet is aangenomen overeenkomstig het koninklijk besluit van 17 april 1970 betreffende de aanneming van de werkplaatsen van de diamantnijverheid.
  ----------
  (1)<KB 2012-07-23/01, art. 2, 206; Inwerkingtreding : 01-11-2012>
  (2)<KB 2014-02-07/08, art. 2, 224; Inwerkingtreding : 01-04-2014>
  (3)<KB 2014-07-01/09, art. 4, 237; Inwerkingtreding : 01-07-2015>
  (4)<KB 2016-09-11/03, art. 2, 255; Inwerkingtreding : 01-10-2016>

  Art. 38.(§ 1. Voor de toepassing van de artikelen (30 tot 36bis) worden met arbeidsdagen gelijkgesteld : <KB 2003-03-12/42, art. 13, 126; Inwerkingtreding : 01-01-2003>
  1° a) de dagen die aanleiding hebben gegeven tot betaling van een uitkering bij toepassing van de wetgeving op de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen, de schadeloosstelling voor arbeidsongevallen, ongevallen op de weg naar en van het werk en beroepsziekten, de werkloosheidsverzekering en het invaliditeitspensioen voor mijnwerkers;
  b) de dagen wettelijke vakantie en de dagen vakantie krachtens algemeen verbindend verklaarde collectieve arbeidsovereenkomst, indien ze aanleiding hebben gegeven tot betaling van vakantiegeld, alsook de dagen gedekt door vakantiegeld gelegen in een periode van volledige werkloosheid;
  [3 c) de periode die aanleiding heeft gegeven tot betaling van een overgangsuitkering voorzien in de pensioenregelgeving, onder de voorwaarden bepaald in § 3.]3
  2° de dagen afwezigheid op het werk met behoud van loon waarop sociale zekerheidsbijdragen, met inbegrip van de sector werkloosheid, werden ingehouden;
  3° de feest- of vervangingsdagen tijdens een periode van tijdelijke werkloosheid;
  4° de dagen van arbeidsongeschiktheid met gewaarborgd loon tweede week en de dagen van arbeidsongeschiktheid met aanvulling-voorschot overeenkomstig de collectieve arbeidsovereenkomsten nr. 12bis of nr. 13bis;
  5° de dagen inhaalrust;
  6° de dagen staking, lock-out en de dagen tijdelijke werkloosheid ingevolge staking of lock-out;
  7° de carensdag;
  8° de dagen waarop niet werd gewerkt wegens vorst, die door het Fonds voor bestaanszekerheid van de werklieden uit het bouwbedrijf werden vergoed;
  9° de dagen functie van rechter in sociale zaken;
  10° andere dagen afwezigheid op het werk zonder behoud van loon ten belope van ten hoogste tien dagen per kalenderjaar.
  [1 11° de dagen afwezigheid op het werk met het oog op het verstrekken van pleegzorgen.]1
  [5 12° de dagen waarop effectief een beroepsopleiding in de zin van artikel 27, 6°, waarvan het aantal uur per cyclus gemiddeld minstens 18 uur per week bedraagt, werd gevolgd of waarop de werknemer actief was in het kader van een stage bedoeld in artikel 36quater, ten belope van ten hoogste 96 dagen.]5
  De met arbeidsdagen gelijkgestelde dagen worden in dezelfde mate in aanmerking genomen en op dezelfde wijze berekend als de arbeidsdagen die eraan voorafgaan.) <KB 2001-06-10/60, art. 63, 097; Inwerkingtreding : 01-01-2003>
  § 2. [4 De dagen waarop de werknemer niet in staat is geweest zijn arbeid in het buitenland te verrichten ten gevolge van een situatie bedoeld in § 1, komen slechts in aanmerking binnen de grenzen van bilaterale en internationale verdragen en voor zover de werknemer, na de in het buitenland verrichte arbeid, tijdvakken van arbeid als loontrekkende heeft vervuld krachtens de Belgische regeling gedurende ten minste drie maanden.]4
  [3 § 3. De periode die aanleiding heeft gegeven tot betaling van een overgangsuitkering kan slechts in rekening worden gebracht indien deze overgangsuitkering werd betaald voor de maximale periode voorzien door de pensioenregelgeving. In dat geval wordt zij in rekening gebracht ten belope van 624 dagen in een voltijdse arbeidsregeling, te situeren onmiddellijk voorafgaand aan de datum waarop het recht op de overgangsuitkering is uitgeput.]3
  ----------
  (1)<KB 2010-08-18/17, art. 1, 193; Inwerkingtreding : 08-05-2007>
  (2)<KB 2012-10-24/03, art. 1, 208; Inwerkingtreding : 01-11-2012>
  (3)<KB 2014-07-08/13, art. 2, 233; Inwerkingtreding : 01-01-2015>
  (4)<KB 2016-09-11/03, art. 3, 255; Inwerkingtreding : 01-10-2016>
  (5)<KB 2017-10-08/07, art. 3, 270; Inwerkingtreding : 16-11-2017>

  Art. 38bis. <ingevoegd bij KB 1995-11-22/31, art. 6, 051; Inwerkingtreding : 01-01-1996> Voor de toepassing van dit hoofdstuk worden de arbeidsprestaties bedoeld in artikel 37 en de gelijkgestelde dagen, bedoeld in artikel 38 niet in aanmerking genomen indien zij gelegen zijn in de periodes van verlenging van de referteperiode bedoeld in artikel 30, derde lid, 9° en 10°, indien deze verlenging van de referteperiode wordt toegepast om toegelaten te worden tot het recht op werkloosheidsuitkeringen als voltijdse werknemer.

  Onderafdeling 4. - Overgang naar een andere uitkering.

  Art. 39. (Opgeheven) <KB 2006-06-15/36, art. 2, 153; Inwerkingtreding : 01-07-2006>

  Art. 40.[1 De jonge werknemer die inschakelingsuitkeringen geniet en de jongere die overbruggingsuitkeringen geniet worden tot het recht op werkloosheidsuitkeringen toegelaten indien zij voldoen aan de bepalingen van de artikelen 30, 31, 32 of 33.
   In afwijking van artikel 38 komen de dagen waarvoor een wacht- of inschakelings- of overbruggingsuitkering of een uitkering in toepassing van de wetgeving op de verplichte ziekte- en invaliditeitsverzekering werd toegekend, niet in aanmerking.]1
  ----------
  (1)<KB 2011-12-28/29, art. 6, 203; Inwerkingtreding : 01-01-2012>

  Art. 41. <KB 1992-06-29/36, art. 4, 006; Inwerkingtreding : 01-06-1992> In afwijking van artikel 38 komen de dagen waarvoor (...) een werkloosheidsuitkering in toepassing van de wetgeving op de verplichte ziekte en invaliditeitsverzekering werd toegekend niet in aanmerking om toegelaten te worden tot het recht op werkloosheidsuitkeringen van het gewone stelsel. <KB 2003-04-08/47, art. 1, 128; Inwerkingtreding : 01-04-2003>

  Afdeling 2. - Vrijstelling van wachttijd.

  Art. 42.(§ 1. [3 De werknemer die opnieuw werkloosheidsuitkeringen aanvraagt als volledig werkloze is vrijgesteld van een nieuwe wachttijd en kan opnieuw toegelaten worden tot het stelsel volgens hetwelk hij laatst werd vergoed, indien hij in de loop van de drie jaar die de uitkeringsaanvraag voorafgaan voor ten minste één dag:
   1° ofwel werkloosheidsuitkeringen heeft genoten als volledig werkloze;
   2° ofwel als deeltijdse werknemer een inkomensgarantie-uitkering heeft genoten die berekend werd in functie van een referte-uitkering die een werkloosheidsuitkering is;
   3° ofwel werkloosheidsuitkeringen heeft genoten als tijdelijk werkloze nadat vastgesteld werd dat hij de wachttijdvoorwaarden voorzien in de artikelen 30 tot 33 heeft vervuld.
   De werknemer die werkloosheidsuitkeringen aanvraagt als tijdelijk werkloze aangezien zijn arbeidsprestaties tijdelijk verminderd of geschorst zijn in toepassing van de artikelen 51 of 77/4 van de wet van 3 juli 1978 betreffende de arbeidsovereenkomsten, is vrijgesteld van een nieuwe wachttijd indien hij in de loop van de drie jaar die de uitkeringsaanvraag voorafgaan voor ten minste één dag:
   1° ofwel werkloosheidsuitkeringen heeft genoten als volledig werkloze;
   2° ofwel inschakelingsuitkeringen heeft genoten;
   3° ofwel werkloosheidsuitkeringen heeft genoten in toepassing van artikel 42bis, derde lid;
   4° ofwel werkloosheidsuitkeringen heeft genoten als tijdelijk werkloze waarbij vastgesteld werd dat hij de wachttijdvoorwaarden voorzien in de artikelen 30 tot 33 heeft vervuld.
   De werknemer die werkloosheidsuitkeringen aanvraagt als tijdelijk werkloze bedoeld in het tweede lid is vrijgesteld van wachttijd indien hij in de loop van de drie jaar die de uitkeringsaanvraag voorafgaan voor ten minste één dag werkloosheidsuitkeringen heeft genoten als tijdelijk werkloze bij dezelfde werkgever, op voorwaarde dat hij overeenkomstig de uitkeringskaart bedoeld in artikel 146 op 30 september 2016 als tijdelijk werkloze bij deze werkgever gerechtigd kon zijn op uitkeringen.
   De jonge werknemer die opnieuw inschakelingsuitkeringen aanvraagt, is vrijgesteld van een nieuwe wachttijd en kan opnieuw toegelaten worden tot het stelsel van de inschakelingsuitkeringen, indien hij in de loop van de drie jaar die de uitkeringsaanvraag voorafgaan voor ten minste één dag inschakelingsuitkeringen heeft genoten.
   Wachtuitkeringen toegekend in toepassing van onderhavig besluit, zoals van kracht vóór 1 januari 2012, worden voor de toepassing van deze paragraaf gelijkgesteld met inschakelingsuitkeringen. De jeugdvakantie-uitkeringen en de seniorvakantie-uitkeringen bedoeld in artikel 36bis, de werkloosheidsuitkeringen bedoeld in artikel 42bis, vierde lid en de wachtuitkeringen toegekend in toepassing van artikel 52 van de programmawet van 8 april 2003 worden niet in aanmerking genomen voor de toepassing van deze paragraaf.]3
  § 2. De in § 1 bedoelde periode van drie jaar wordt verlengd met het aantal dagen dat begrepen is in de periode van:
  (1° a) vervulling van militieverplichtingen tijdens een periode van tewerkstelling of tijdens een periode van volledige werkloosheid;
  b) voorlopige hechtenis of vrijheidsberoving tijdens een periode van tewerkstelling of tijdens een periode van volledige werkloosheid;
  c) de werkverhindering wegens overmacht.) <KB 2001-06-10/60, art. 64, 097; Inwerkingtreding : 01-01-2003>
  2° (de periode van inactiviteit van ten minste zes maanden, om zijn kind of zijn geadopteerd kind op te voeden; die verlenging geldt slechts voor periodes die gelegen zijn vóór de zesde verjaardag van het kind, alsmede voor periodes tijdens dewelke een hogere kinderbijslag werd toegekend ingevolge de lichamelijke of geestelijke ongeschiktheid van het kind of ingevolge een gebrek aan zelfredzaamheid, gelegen vóór de achttiende verjaardag van het kind;) <KB 2007-06-21/37, art. 2, 168; Inwerkingtreding : 01-08-2007>
  (3° de uitoefening gedurende de periode van ten minste zes maanden van een beroep waardoor de werknemer niet onder de sociale zekerheid, sector werkloosheid, valt; die verlenging mag niet meer dan twaalf jaar bedragen.) <KB 2007-06-21/37, art. 2, 168; Inwerkingtreding : 01-08-2007>
  4° samenwoonst in het buitenland met een Belg werkzaam in het kader van de stationering van de Belgische Strijdkrachten;
  5° het genot van onderbrekingsuitkeringen verleend aan de werknemer die zijn beroepsloopbaan onderbreekt of die zijn arbeidsprestaties vermindert;
  6° (tewerkstelling als onvrijwillig deeltijdse werknemer in de zin van artikel 29, § 1, zoals van kracht vóór 1 januari 1996, waarvoor geen uitkeringen werden verleend;) <KB 1995-11-22/31, art. 7, 051; Inwerkingtreding : 01-01-1996>
  7° (de navermelde studie of opleiding als niet uitkeringsgerechtigd werkloze :
  a) [2 een alternerende opleiding;]2;
  b) [2 ...]2;
  c) een studie met volledig leerplan;
  d) een studie of opleiding met een voorziene duur van minstens 9 maanden waarvan het aantal lesuren, eventuele stages inbegrepen, per cyclus gemiddeld minstens 20 per week bedraagt;) <KB 2006-09-24/45, art. 2, 156; Inwerkingtreding : 01-01-2006>
  8° [1 ...]1
  9° (...) <KB 2006-03-05/36, art. 3, 145; Inwerkingtreding : 15-12-2005>
  (10° tewerkstelling als deeltijdse werknemer met behoud van rechten waarvoor geen inkomensgarantie-uitkering werd verleend.) <KB 1993-05-25/30, art. 2, 021; Inwerkingtreding : 01-03-1993>
  (11° deeltijdse arbeid zoals bedoeld in artikel 30, derde lid, 9° en 10°; die verlenging mag niet meer bedragen dan de maximale duur vastgesteld door deze bepalingen.) <KB 1995-11-22/31, art. 7, 051; Inwerkingtreding : 01-01-1996>
  ----------
  (1)<KB 2012-07-23/01, art. 3, 206; Inwerkingtreding : 01-11-2012>
  (2)<KB 2014-07-01/09, art. 5, 237; Inwerkingtreding : 01-07-2015>
  (3)<KB 2016-09-11/03, art. 4, 255; Inwerkingtreding : 01-10-2016>

  Art. 42bis.[1 In afwijking van de artikelen 30 tot 32 wordt de voltijdse werknemer die tijdelijk werkloze is aangezien zijn arbeidsprestaties tijdelijk verminderd of geschorst zijn in toepassing van de artikelen 26, 28, 1°, 49 of 50 van de wet van 3 juli 1978 betreffende de arbeidsovereenkomsten of van artikel 5 van de wet van 19 maart 1991 houdende bijzondere ontslagregeling voor de personeelsafgevaardigden in de ondernemingsraden en in de comités voor veiligheid, gezondheid en verfraaiing van de werkplaatsen alsmede voor de kandidaat-personeelsafgevaardigden of ingevolge staking of lock-out, toegelaten tot het recht op werkloosheidsuitkeringen zonder dat hij wachttijdvoorwaarden moet vervullen.
   In afwijking van artikel 33 wordt de vrijwillig deeltijdse werknemer die tijdelijk werkloze is aangezien zijn arbeidsprestaties tijdelijk verminderd of geschorst zijn in toepassing van de in het eerste lid vermelde artikelen, toegelaten tot het recht op werkloosheidsuitkeringen zonder dat hij wachttijdvoorwaarden moet vervullen.
   De in de vorige leden voorziene bepaling op grond waarvan de werknemer geen wachttijdvoorwaarden moet vervullen, geldt eveneens voor de werknemer die werkloosheidsuitkeringen aanvraagt als tijdelijk werkloze aangezien zijn arbeidsprestaties tijdelijk verminderd of geschorst zijn in toepassing van de artikelen 51 of 77/4 van de wet van 3 juli 1978 betreffende de arbeidsovereenkomsten, voor zover hij toelaatbaar is tot het recht op inschakelingsuitkeringen in toepassing van artikel 36.
   Moet evenmin wachttijdvoorwaarden vervullen de leerling bedoeld in artikel 27, 2°, c, die tijdelijk werkloos wordt gesteld en alternerend onderwijs of onderwijs met beperkt leerplan of een erkende deeltijdse opleiding of een alternerende opleiding volgt zonder nog onderworpen te zijn aan de leerplicht.]1
  ----------
  (1)<KB 2016-09-11/03, art. 5, 255; Inwerkingtreding : 01-10-2016>

  Afdeling 3. - Vreemde en staatloze werknemers.

  Art. 43. § 1. Onverminderd de voorgaande bepalingen wordt de vreemde of staatloze werknemer slechts toegelaten tot het recht op uitkeringen indien hij voldoet aan de wetgeving die betrekking heeft op de vreemdelingen en op deze die betrekking heeft op de tewerkstelling van vreemde arbeidskrachten.
  De in België verrichte arbeid komt slechts in aanmerking indien hij verricht werd overeenkomstig de wetgeving die betrekking heeft op de tewerkstelling van vreemde arbeidskrachten.
  De artikelen 35, 36, 37, § 2 en 38, § 2, zijn slechts toepasselijk binnen de grenzen van een internationale overeenkomst. Nochtans zijn de artikelen 35 en 36 eveneens van toepassing op de onderdanen van de landen opgesomd in de wet van 13 december 1976 houdende goedkeuring van de bilaterale akkoorden betreffende de tewerkstelling in België van buitenlandse werknemers.
  § 2. De vreemde of staatloze werknemer wiens arbeidsvergunning vervallen is en die na een termijn van zestig dagen de arbeid krachtens een nieuwe vergunning hervat heeft, kan artikel 42 niet inroepen.
  Het voorgaande lid is niet toepasselijk op:
  1° de werknemer die de toelating heeft zich met zijn gezin in België te vestigen;
  2° de werknemer aan wie, in toepassing van de wetgeving die betrekking heeft op het in dienst hebben van vreemde arbeidskrachten, de arbeidsvergunning niet mag worden geweigerd;
  3° de persoon die krachtens de toepasselijke wetgeving de hoedanigheid van vluchteling bezit.

  HOOFDSTUK III. - Toekenningsvoorwaarden.

  Afdeling 1. - Onvrijwillig zonder arbeid en zonder loon zijn.

  Art. 44. Om uitkeringen te kunnen genieten moet de werkloze wegens omstandigheden onafhankelijk van zijn wil zonder arbeid en zonder loon zijn.

  Art. 45. <KB 2006-07-28/33, art. 1, 154; Inwerkingtreding : 01-08-2006> Wordt voor de toepassing van artikel 44 als arbeid beschouwd :
  1° de activiteit verricht voor zichzelf die ingeschakeld kan worden in het economische ruilverkeer van goederen en diensten en die niet beperkt is tot het gewone beheer van het eigen bezit;
  2° de activiteit verricht voor een derde, waarvoor de werknemer enig loon of materieel voordeel ontvangt dat tot zijn levensonderhoud of dat van zijn gezin kan bijdragen.
  Tot bewijs van het tegendeel wordt elke activiteit verricht voor een derde geacht een loon of een materieel voordeel op te leveren.
  De Minister bepaalt na advies van het beheerscomité :
  1° de voorwaarden en de modaliteiten die dienen vervuld te worden, zowel door de werkloze als door de begunstigde privé-persoon, opdat een vrijwillige en gratis activiteit voor een privé-persoon zou kunnen uitgeoefend worden met behoud van het recht op uitkeringen;
  2° de gevallen waarin een vergoeding of een materieel voordeel dat aan een werkloze wordt toegekend in het kader van activiteiten die de werkloze verricht ten bate van een privé persoon of van sportieve activiteiten als amateuristische sportbeoefenaar, voor de toepassing van het eerste lid, 2° en van artikel 46 buiten beschouwing worden gelaten.
  Wordt inzonderheid, voor de toepassing van artikel 44, niet als arbeid beschouwd :
  1° de niet bezoldigde activiteit in het kader van een artistieke vorming;
  2° de artistieke activiteit die als hobby wordt verricht;
  3° de aanwezigheid van de kunstenaar bij een publieke tentoonstelling van zijn artistieke creaties, niet bedoeld in artikel 74bis, § 2, derde lid;
  4° de voogdij over niet-begeleide minderjarige vreemdelingen zoals bedoeld in het koninklijk besluit van 22 december 2003 tot uitvoering van Titel XIII, Hoofdstuk 6 " Voogdij over niet-begeleide minderjarige vreemdelingen " van de programmawet van 24 december 2002, voor zover de voogdij beperkt blijft tot het equivalent van twee voltijdse voogdijschappen;
  5° de vrijetijdsbesteding, indien de volgende voorwaarden gelijktijdig vervuld worden :
  a) de activiteit kan gezien zijn aard en omvang niet ingeschakeld worden in het economische ruilverkeer van goederen en diensten;
  b) de werkloze bewijst dat de activiteit geen commercieel karakter heeft;
  6° de activiteiten als vrijwillige brandweerman of als vrijwilliger bij de civiele bescherming indien zij, overeenkomstig een door de Minister vastgestelde lijst, beschouwd worden als activiteiten waaraan levensgevaar verbonden is of indien geen enkel voordeel toegekend wordt.
  In afwijking van het eerste lid, 1°, mag de werkloze die zich voorbereidt op de vestiging als zelfstandige of op een oprichting van een onderneming en die terzake een voorafgaandelijke verklaring aflegt bij het bevoegde werkloosheidsbureau met behoud van uitkeringen de volgende activiteiten verrichten :
  1° studies betreffende de haalbaarheid van het vooropgestelde project;
  2° het inrichten van lokalen en het aanleggen van het materiaal;
  3° het leggen van contacten nodig voor de inwerkingstelling van het project.
  De afwijking voorzien in het voorgaande lid geldt slechts gedurende ten hoogste zes maanden en kan slechts eenmaal verleend worden.
  Een activiteit wordt voor de toepassing van het eerste lid, 1°, slechts beschouwd als een activiteit die beperkt is tot het gewone beheer van het eigen bezit indien gelijktijdig voldaan is aan de volgende voorwaarden :
  1° de activiteit is niet daadwerkelijk ingeschakeld in het economisch ruilverkeer van goederen en diensten en wordt niet uitgeoefend met het oog op het verkrijgen van een opbrengst;
  2° door de activiteit wordt de waarde van het bezit in stand gehouden of slechts in beperkte mate verhoogd;
  3° de activiteit brengt door haar omvang het zoeken naar en het uitoefenen van een dienstbetrekking niet in het gedrang.

  Art. 45bis. <Ingevoegd bij KB 2006-07-28/33, art. 2; Inwerkingtreding : 01-08-2006> § 1. Een uitkeringsgerechtigde werkloze kan, in afwijking van de artikelen 44, 45 en 46 met behoud van uitkeringen vrijwilligerswerk in de zin van de wet van 3 juli 2005 betreffende de rechten van vrijwilligers uitoefenen, op voorwaarde dat hij dit voorafgaandelijk schriftelijk aangeeft bij het werkloosheidsbureau.
  De voorafgaandelijke aangifte vermeldt de identiteit van de werkloze en van de organisatie, de aard, de duur, de frequentie en de plaats van het werk en de toegekende materiële of financiële voordelen. Zij wordt door beide partijen ondertekend.
  Deze voorafgaandelijke aangifte kan terzijde geschoven worden wanneer zij door ernstige, nauwkeurige en overeenstemmende vermoedens wordt tegengesproken.
  § 2. De directeur kan de uitoefening van de activiteit verbieden of slechts aanvaarden binnen bepaalde perken indien hij vaststelt dat één of meer van de volgende punten vervuld is :
  1° de activiteit niet of niet langer de kenmerken vertoont van vrijwilligerswerk als bedoeld in de voormelde wet;
  2° de activiteit gezien haar aard, omvang en frequentie of gezien het kader waarin zij wordt uitgeoefend, niet of niet langer de kenmerken vertoont van een activiteit die in het verenigingsleven gewoonlijk door vrijwilligers wordt verricht;
  3° de toegekende materiële of financiële voordelen, overeenkomstig de voormelde wet van 3 juli 2005, of van de fiscale wetgeving, niet geneutraliseerd kunnen worden;
  4° de beschikbaarheid voor de arbeidsmarkt van de werkloze beduidend zou verminderen, behalve indien de werkloze vrijgesteld is van de verplichting beschikbaar te zijn voor de arbeidsmarkt.5
  Het akkoord van de directeur geldt voor onbepaalde duur, behalve indien :
  1° de activiteit volgens de aangifte slechts uitgeoefend wordt gedurende een bepaalde duur, in welk geval het akkoord voor een bepaalde duur geldt;
  2° de directeur het noodzakelijk acht na verloop van 12 maanden in functie van de criteria opgenomen in het eerste lid opnieuw na te gaan of de activiteit nog als vrijwilligerswerk kan beschouwd worden, in welk geval de aangifte geldt voor een periode van twaalf maanden. In geval van verdere uitoefening van het vrijwilligerswerk na deze twaalf maanden moet de werkloze een nieuwe aangifte indienen overeenkomstig § 1.
  Bij gebrek aan beslissing binnen een termijn van 12 werkdagen na de ontvangst van een volledige aangifte, wordt de uitoefening van de onbezoldigde activiteit met behoud van uitkeringen, geacht aanvaard te zijn.
  Een eventuele beslissing houdende een verbod of een beperking, heeft slechts gevolgen voor de toekomst, behalve indien de activiteit niet onbezoldigd was.
  De directeur maakt een kopie van zijn beslissing over aan de werkloze en aan de organisatie bedoeld in § 1, tweede lid.
  § 3. Indien de Rijksdienst op eigen initiatief of op vraag van een belanghebbende, op algemene wijze vaststelt dat de betreffende activiteiten beantwoorden aan de definitie van vrijwilligerswerk, dat de uitoefening van de activiteit de beschikbaarheid voor de arbeidsmarkt niet in de weg staat en dat de toegekende materiële of financiële voordelen geen beletsel vormen voor de toekenning van werkloosheidsuitkeringen, dan kan hij op algemene voorafgaandelijke wijze de uitoefening van het vrijwilligerswerk toelaten en vrijstelling van aangifte van de betreffende activiteiten overeenkomstig § 1 verlenen.

  Art. 46.<KB 2006-07-28/33, art. 3, 154; Inwerkingtreding : 01-08-2006> § 1. Wordt voor de toepassing van artikel 44 inzonderheid als loon beschouwd :
  1° het loon gewaarborgd door de wetgeving met betrekking tot de arbeidsovereenkomsten, door een collectieve arbeidsovereenkomst die de onderneming bindt en door de wetgeving betreffende de bezoldiging door een openbare overheid;
  2° het loon voor feestdagen, vervangingsdagen van een feestdag en feestdagen of vervangingsdagen tijdens een periode van tijdelijke werkloosheid;
  3° het vakantiegeld;
  4° de bezoldiging voor een schoolvakantieperiode, ontvangen door de leerkracht, tewerkgesteld in een onderwijsinstelling, opgericht of gesubsidieerd door een Gemeenschap;
  5° de vergoeding waarop de werknemer aanspraak kan maken uit hoofde van de beëindiging van de arbeidsovereenkomst, [4 met inbegrip van de vergoedingen in het kader van het niet-concurrentiebeding en van de uitwinningsvergoeding,]4 met uitzondering van de vergoeding wegens morele schade en de vergoeding die toegekend wordt ter aanvulling van de werkloosheidsuitkering;
  6° [5 de voordelen die worden toegekend aan de werknemer in het kader van, tijdens of ten gevolge van een opleiding, studies, een stage of een leertijd, ongeacht de betalingswijze en het tijdstip waarop deze voordelen worden toegekend;]5
  [3 7° de vergoeding bedoeld in artikel 19, § 1, vijfde lid, van het koninklijk besluit van 28 november 1969 tot uitvoering van de wet van 27 juni 1969 tot herziening van de besluitwet van 28 december 1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders.]3
  De Minister kan na advies van het beheerscomité bepalen :
  1° het tijdstip waarop de werkloze de dagen gedekt door vakantiegeld of door de bezoldiging bedoeld in het eerste lid, 3° en 4° moet uitputten alsmede de wijze waarop het aantal dagen dat door deze bezoldiging gedekt is wordt berekend;
  2° in welke gevallen en onder welke voorwaarden het voordeel bedoeld in het eerste lid, 6°, niet als loon wordt beschouwd.
  Voor de toepassing van het eerste lid, 5°, wordt beschouwd als een vergoeding voor morele schade, de vergoeding toegekend ter compensatie van de extra-patrimoniale schade die het gevolg is van een foutief gedrag in hoofde van de gewezen werkgever, en die dus niet in de plaats kan treden van de voordelen toegekend in het kader van een normale ontslagregeling.
  Voor de toepassing van het eerste lid, 5°, wordt beschouwd als een vergoeding die toegekend wordt ter aanvulling van de werkloosheidsuitkering, de vergoeding of het gedeelte van de vergoeding, toegekend ingevolge de uitdiensttreding van een onvrijwillig werkloze, indien de navermelde voorwaarden vervuld zijn :
  - de vergoeding werd door de partijen niet als opzeggingsvergoeding aangemerkt;
  - de vergoeding of het gedeelte van de vergoeding kan niet in de plaats treden van de voordelen toegekend in het kader van een normale ontslagregeling, aangezien deze laatste voordelen daadwerkelijk werden toegekend.
  [4 ...]4
  § 2. Voor de toepassing van artikel 44 wordt de werknemer geacht een loon te hebben ontvangen voor de dagen inhaalrust.
  De mobiliteitsvergoeding die toegekend wordt aan de werkman die ressorteert onder het paritair comité van het bouwbedrijf, wordt niet als loon beschouwd, indien zij betrekking heeft op een dag waarvoor de werkman die het werk niet kan aanvatten, krachtens de uitvoeringsbesluiten van artikel 27, tweede lid, van de wet van 3 juli 1978 betreffende de arbeidsovereenkomsten, geen recht heeft op loon.
  § 3. Worden voor de toepassing van artikel 44 niet beschouwd als loon, de inkomsten voortvloeiend uit :
  1° een mandaat van gemeenteraadslid of een mandaat van provincieraadslid;
  2° een mandaat van lid van een openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn;
  3° een functie van rechter in sociale zaken;
  4° het voordeel dat wordt toegekend door het Participatiefonds aan de werkloze die geniet van het voordeel bedoeld in artikel 36sexies of in artikel 45, vijfde lid;
  5° de voogdij over niet-begeleide minderjarige vreemdelingen zoals bedoeld in het koninklijk besluit van 22 december 2003 tot uitvoering van Titel XIII, Hoofdstuk 6 " Voogdij over niet-begeleide minderjarige vreemdelingen " van de programmawet van 24 december 2002, voor zover de voogdij beperkt blijft tot het equivalent van twee voltijdse voogdijschappen.
  [1 § 4. Voor de toepassing van § 1, eerste lid, 5°, wordt de vergoeding waarop de werknemer aanspraak kan maken uit hoofde van de beëindiging van de arbeidsovereenkomst, met uitzondering van de vergoeding wegens morele schade en de vergoeding toegekend ter aanvulling van de werkloosheidsuitkering, geacht een aantal maanden te dekken dat wordt vastgesteld overeenkomstig deze paragraaf.
   [3 De door de werkgever verschuldigde bedragen, in voorkomend geval samengeteld]3, exclusief het bedrag dat in voorkomend geval toegekend wordt aan de werknemer in toepassing van de wetgeving inzake jaarlijkse vakantie, en exclusief het bedrag dat betrekking heeft op een eindejaarspremie, wordt gedeeld door het normale loon waarop de werknemer gerechtigd zou zijn voor een tewerkstelling gedurende één maand.
   Het voormelde resultaat wordt geproportioneerd indien het bedrag betrekking heeft op een periode waarvoor de werknemer normaal recht zou gehad hebben op één van de hierna vermelde uitkeringen, indien de arbeidsovereenkomst niet ware beëindigd :
   1° een onderbrekingsuitkering ingevolge een vermindering van de arbeidsprestaties, voor zover de vergoeding die aan de werknemer verschuldigd is, niet werd berekend op het loon dat vooraf gaat aan de vermindering;
   2° de deeltijdse werknemer met behoud van rechten die een inkomensgarantie-uitkering geniet;
   3° [2 de vrijwillig deeltijdse werknemer die gedurende de werkhervatting in toepassing van artikel 104, § 1bis, gerechtigd is op een inkomensgarantie-uitkering;]2
   4° de deeltijdse werknemer bedoeld in het koninklijk besluit van 30 juli 1994 betreffende het halftijds brugpensioen.
   De proportionering geschiedt door het voormelde resultaat :
   1° te vermenigvuldigen met de factor Q, zoals bedoeld in artikel 99, 1°, en te delen door de wekelijkse arbeidsduur die voorafging aan de vermindering, in de hypothese bedoeld in het vorige lid, 1°;
   2° te vermenigvuldigen met de tewerkstellingsbreuk Q/S, zoals bedoeld in artikel 99, 1° en 2°, die geldt op het tijdstip van de uitdiensttreding in de hypotheses bedoeld in het vorige lid, 2° en 4°;
   3° te vermenigvuldigen met Q/(S x n/12), in functie van de tewerkstellingsbreuk Q/S, zoals bedoeld in artikel 99, 1° en 2°, die geldt op het tijdstip van de uitdiensttreding, in de hypotheses bedoeld in het vorige lid, 3°. In dit geval correspondeert "n" met het aantal halve uitkeringen waarop de werknemer gerechtigd is overeenkomstig artikel 103.
   De rest van het resultaat van de berekening overeenkomstig de vorige leden wordt omgezet naar een aantal kalenderdagen door vermenigvuldiging met 30, waarbij het resultaat van deze laatste berekening wordt afgerond naar de hogere eenheid.]1
  [3 § 5. De bepalingen van § 4 zijn van toepassing op de vergoeding bedoeld in § 1, eerste lid, 7°.]3
  ----------
  (1)<KB 2013-05-21/09, art. 1, 215; Inwerkingtreding : 01-04-2013>
  (2)<KB 2013-06-07/03, art. 1, 216; Inwerkingtreding : 01-07-2013>
  (3)<KB 2013-10-24/02, art. 1, 222; Inwerkingtreding : 01-11-2013>
  (4)<KB 2013-12-26/16, art. 1, 223; Inwerkingtreding : 01-11-2013>
  (5)<KB 2017-10-08/07, art. 4, 270; Inwerkingtreding : 16-11-2017>

  Art. 47. De werknemer die de vergoeding of schadevergoeding waarop hij eventueel aanspraak kan maken wegens beëindiging van zijn arbeidsovereenkomst, niet of slechts gedeeltelijk ontvangen heeft, kan voorlopig uitkeringen genieten gedurende de periode die gedekt zou zijn door deze vergoeding, indien de volgende voorwaarden vervuld zijn:
  1° zich ertoe verbinden van zijn werkgever de betaling te eisen, indien nodig langs gerechtelijke weg, van de vergoeding of schadevergoeding waarop hij eventueel recht heeft;
  2° zich ertoe verbinden de voorlopig ontvangen uitkeringen terug te storten van zodra hij de vergoeding of de schadevergoeding verkregen heeft;
  3° zich ertoe verbinden de Rijksdienst op de hoogte te brengen van elke schuldbekentenis die zijn werkgever doet of van elke gerechtelijke beslissing die wordt genomen met betrekking tot de vergoeding of de schadevergoeding;
  4° aan de Rijksdienst de vergoeding of de schadevergoeding, waarvan het recht hem is erkend, over te dragen ten belope van het bedrag van de voorlopig toegekende uitkeringen.
  Indien de werknemer binnen het jaar dat volgt op het einde van zijn arbeidsovereenkomst geen rechtsvordering heeft ingesteld bij het bevoegde gerecht ten einde de vergoeding of de schadevergoeding te verkrijgen, wordt hij uitgesloten van het recht op uitkeringen vanaf de datum van de beëindiging van de overeenkomst en voor de periode gedekt door de wettelijke minimum opzeggingstermijnen die gelden in zijn geval.

  Art. 48.<KB 2006-07-28/33, art. 4, 154; Inwerkingtreding : 01-08-2006> § 1. De werkloze die op bijkomstige wijze een activiteit uitoefent in de zin van artikel 45, niet bedoeld in [1 artikel 48bis]1, kan mits toepassing van artikel 130, uitkeringen genieten op voorwaarde dat :
  1° hij daarvan aangifte doet bij zijn uitkeringsaanvraag;
  2° hij deze activiteit reeds uitoefende terwijl hij tewerkgesteld was als werknemer, en dit ten minste gedurende de drie maanden voorafgaand aan de uitkeringsaanvraag; deze periode wordt verlengd met de periodes van tijdelijke werkloosheid in het hoofdberoep en met de periodes van werkverhindering ingevolge overmacht;
  3° hij deze activiteit voornamelijk verricht tussen 18 u en 7 uur. Deze beperking geldt niet voor de zaterdagen en de zondagen, en voor de tijdelijk werkloze, evenmin voor de dagen waarop hij in zijn hoofdberoep gewoonlijk inactief is;
  4° het geen activiteit betreft :
  a) in een beroep dat alleen na 18 uur wordt uitgeoefend;
  b) in een beroep dat valt onder het hotelbedrijf, met inbegrip van de restaurants en de drankgelegenheden, of onder de vermaakondernemingen, of het geen activiteit betreft als leurder, reiziger, verzekeringsagent of -makelaar, tenzij de activiteit van gering belang is;
  c) die, krachtens de wet van 6 april 1960 betreffende de uitvoering van bouwwerken, niet verricht mag worden.
  De werknemer wordt vrijgesteld van de in het eerste lid, 2°, vermelde voorwaarde indien hij, ten aanzien van dezelfde activiteit, reeds voldeed aan deze voorwaarde :
  1° ter gelegenheid van een vorige uitkeringsaanvraag;
  2° of, in de periode die de vestiging als zelfstandige in hoofdberoep voorafging, indien de werknemer een uitkeringsaanvraag indient bij de stopzetting van dit hoofdberoep.
  Voor de volledig werkloze wordt bovendien geen uitkering verleend voor elke zaterdag waarop hij zijn activiteit uitoefent en wordt een uitkering in mindering gebracht voor elke zondag waarop hij zijn activiteit uitoefent.
  Voor de tijdelijk werkloze wordt bovendien één uitkering in mindering gebracht voor elke zondag en voor elke gewone dag waarop hij gewoonlijk geen activiteit uitoefent in zijn hoofdberoep, tijdens dewelke hij zijn activiteit uitoefent.
  De werkloze wordt vrijgesteld van de in het eerste lid, 3° bedoelde voorwaarde, indien de activiteit die hij uitoefent bestaat uit de voogdij over niet-begeleide minderjarige vreemdelingen zoals bedoeld in het koninklijk besluit van 22 december 2003 tot uitvoering van Titel XIII, Hoofdstuk 6 " Voogdij over niet-begeleide minderjarige vreemdelingen " van de programmawet van 24 december 2002 ". Wordt de betreffende activiteit uitgeoefend op een zaterdag, een zondag of een gewone inactiviteitsdag, dan wordt geen toepassing gemaakt van het derde en het vierde lid. De werkloze mag de betreffende activiteit evenwel niet uitbreiden, behalve indien hij vrijgesteld is van de vereiste van § 1, eerste lid, 2°.
  [1 § 1bis. Onverminderd de mogelijkheid om toepassing te vragen van de regeling voorzien in § 1, kan de werkloze die op bijkomstige wijze een activiteit uitoefent in de zin van artikel 45, eerste lid, 1°, niet bedoeld in artikel 48bis, mits toepassing van artikel 130, het recht op uitkeringen behouden gedurende een periode van twaalf maanden te rekenen van datum tot datum, vanaf de aanvang van de activiteit of vanaf het tijdstip waarop hij zich op het voordeel van deze bepaling beroept, op voorwaarde dat:
   1° indien het een volledig werkloze betreft, de werkloosheid niet haar oorsprong vindt in de stopzetting of de vermindering van de arbeid als loontrekkende met het oog op het verkrijgen van dit voordeel;
   2° het voordeel niet gevraagd wordt voor een zelfstandige activiteit die in de voorbije 6 jaar, gerekend van datum tot datum, reeds als hoofdberoep werd uitgeoefend;
   3° de werkloze de activiteiten die het voorwerp uitmaken van zijn bijberoep niet laat uitoefenen door derden, inzonderheid in het kader van een arbeidsovereenkomst of een aannemingsovereenkomst, behalve indien dit slechts uitzonderlijk gebeurt;
   4° de werkloze van de uitoefening van de bijkomstige activiteit aangifte doet en het voordeel van deze bepaling vraagt. De aangifte moet voorafgaandelijk op het werkloosheidsbureau toekomen of moet toekomen binnen de termijn bepaald krachtens artikel 138, eerste lid, 4°, indien de werkloze de aangifte indient ter gelegenheid van een uitkeringsaanvraag.
   In afwijking van artikel 71, eerste lid, 4°, moet de werkloze bedoeld in het eerste lid de uitoefening van de toegestane activiteiten niet vermelden op zijn controlekaart, en in afwijking van artikel 71bis, § 2, eerste lid, is hij vrijgesteld van de aldaar vermelde mededeling van de uitoefening van de toegestane activiteiten.
   In afwijking van de artikelen 44, 55, 7° en 109, leidt de uitoefening van de toegestane activiteiten niet tot het verlies van de uitkering of tot de vermindering van het aantal uitkeringen.
   Het voordeel van deze paragraaf kan slechts opnieuw worden verleend indien de werkloze gedurende de voorbije 6 jaar, gerekend van datum tot datum, niet genoten heeft van dit voordeel.]1
  § 2. De verklaringen die de werkloze aflegt betreffende zijn activiteit, worden terzijde geschoven wanneer zij door ernstige, nauwkeurige en overeenstemmende vermoedens worden tegengesproken.
  § 3. Het recht op uitkeringen wordt ontzegd, zelfs voor de dagen waarop de werkloze geen activiteit verricht, indien de activiteit ingevolge het aantal arbeidsuren of het bedrag van de inkomsten, niet of niet langer het karakter heeft van een bijkomstige activiteit.
  De beslissing bedoeld in het eerste lid gaat in :
  1° vanaf de dag waarop de activiteit niet langer het karakter heeft van een bijkomstige activiteit, indien er nog geen geldige uitkeringskaart bestond die het recht op uitkeringen verleent voor de periode ingaand vanaf de aangifte of in geval van ontbreken van aangifte of onjuiste of onvolledige aangifte;
  2° vanaf de maandag volgend op de afgifte ter post van de brief waarbij de beslissing ter kennis wordt gebracht van de werkloze, in de andere gevallen.
  [1 Deze paragraaf is van toepassing zelfs indien de activiteit wordt uitgeoefend buiten de voorwaarden van de §§ 1 en 1bis.]1
  ----------
  (1)<KB 2016-09-11/03, art. 6, 255; Inwerkingtreding : 01-10-2016>

  Art. 48bis. [1 § 1. De uitoefening van een artistieke activiteit in de zin van artikel 27, 10°, die ingeschakeld is in het economisch ruilverkeer, en het ontvangen van een inkomen in de zin van artikel 130 uit de uitoefening van een artistieke activiteit, geven in afwijking van de artikelen 44 en 48, aanleiding tot de toepassing van de volgende bepalingen.
   De werkloze moet op het ogenblik van de uitkeringsaanvraag overeenkomstig artikel 133 aangifte doen van de uitoefening van de in het vorige lid bedoelde activiteit met het formulier voor de aangifte van de persoonlijke en familiale toestand, of later, overeenkomstig artikel 134, § 2, 3°, naar aanleiding van de eerste uitoefening van de activiteit in de loop van een maand waarvoor een werkloosheidsuitkering wordt gevraagd.
   De werkloze moet op het ogenblik van de uitkeringsaanvraag overeenkomstig artikel 133 eveneens aangifte doen van het feit dat hij inkomsten ontvangt uit een lopende of vroegere artistieke activiteit, met het formulier voor de aangifte van de persoonlijke en familiale toestand, of later, overeenkomstig artikel 134, § 2, 3°, naar aanleiding van de eerste ontvangst van een dergelijk inkomen.
   § 2. De werkloze die een artistieke activiteit verricht zoals bedoeld in § 1 of die inkomsten ontvangt in de zin van artikel 130 voor de uitoefening van een artistieke activiteit, kan uitkeringen genieten op voorwaarde dat de activiteit niet wordt uitgeoefend als zelfstandige in hoofdberoep.
   De in het eerste lid bedoelde activiteit wordt, in afwijking van artikel 71, niet op de controlekaart vermeld. Zij leidt niet tot het verlies van een uitkering voor de dagen van activiteit.
   Worden echter wel op de controlekaart vermeld :
   1° elke activiteit bedoeld in het eerste lid, indien het gaat om een artistieke uitvoering of interpretatie voor publiek;
   2° de aanwezigheid van de kunstenaar bij een publieke tentoonstelling van zijn artistieke creaties, indien deze aanwezigheid vereist is op grond van een overeenkomst met een derde die de creatie commercialiseert of indien het een tentoonstelling betreft in lokalen die bestemd zijn voor verkoop van dergelijke creaties en de kunstenaar zelf instaat voor de verkoop;
   3° de aanwezigheid van de kunstenaar bij de opname of de vertolking van audiovisuele werken en de dagen waarop hij prestaties verricht tegen betaling van een loon anders dan voorzien in 4°;
   4° de in het eerste lid bedoelde activiteit, indien zij wordt verricht in het kader van een arbeidsovereenkomst of indien zij aanleiding geeft tot de onderwerping aan de sociale zekerheid van de loontrekkenden;
   5° de in het eerste lid bedoelde activiteit, indien zij wordt verricht in het kader van een statutaire tewerkstelling.
   Onverminderd de toepassing van artikel 130 leiden de activiteiten bedoeld in het derde lid, 1°, 2° en 3° tot het verlies van een uitkering voor de activiteitsdagen en voor de dagen bedoeld in de artikelen 55, 7°, of 109.
   Onverminderd de toepassing van artikel 131bis in geval van deeltijdse tewerkstelling met het statuut van deeltijds werknemer met behoud van rechten en van artikel 130, leidt de in het derde lid, 4°, bedoelde activiteit tot het verlies van een uitkering voor alle dagen die gelegen zijn in de periode gedekt door de arbeidsovereenkomst of door de activiteit onderworpen aan de sociale zekerheid van de loontrekkenden en voor de dagen bedoeld in de artikelen 55, 7°, of 109.
   Wanneer de in het derde lid, 4°, bedoelde activiteit vergoed wordt met een taakloon of onderworpen is aan de sociale zekerheid van de loontrekkenden, in toepassing van artikel 1bis van de wet van 27 juni 1969, moet de activiteit onverminderd de toepassing van § 1, tweede en derde lid, bovendien het voorwerp vormen van een bijkomende maandelijkse aangifte aan de uitbetalingsinstelling.
   De in het vorige lid bedoelde bijkomende aangifte, moet gebeuren op een formulier waarvan de inhoud en het model worden bepaald door het beheerscomité en volgens de regelen bepaald door de Rijksdienst en moet ten minste het brutobedrag vermelden dat het voorwerp heeft gevormd van de onderwerping en een verklaring op eer die preciseert welke vermeldingen aangebracht op de controlekaart overeenstemmen met de betreffende activiteit.
   De uitbetalingsinstelling dient het in het vorige lid bedoelde formulier binnen de maand na ontvangst in bij het werkloosheidsbureau.
   De werkloze moet een kopie van de arbeidsovereenkomsten of de bewijsstukken die verband houden met de onderwerping op basis van artikel 1bis van de voormelde wet van 27 juni 1969 ter beschikking houden van de Rijksdienst.
   Wanneer de in het derde lid, 4°, bedoelde activiteit vergoed wordt met een taakloon of onderworpen is aan de sociale zekerheid van de loontrekkenden, in toepassing van artikel 1bis van de wet van 27 juni 1969, wordt, onverminderd de toepassing van artikel 130 en van het vijfde lid, een aantal dagen waarvoor het recht op uitkeringen wordt ontzegd, vastgelegd door toepassing van de formule [YA - (C x Y ) ] /Y, waarbij :
   - YA overeenstemt met het brutoloon dat voortvloeit uit de in dit lid bedoelde activiteit die het voorwerp heeft gevormd van de onderwerping aan de sociale zekerheid van de loontrekkenden;
   - C overeenstemt met het aantal activiteitsdagen vermeld op de controlekaart overeenkomstig het derde lid, 4°, en die betrekking hebben op de activiteiten bedoeld in het zesde lid;
   - Y overeenstemt met 3/52e van het refertemaandloon bepaald door de Minister in uitvoering van artikel 28, § 2, van dit besluit.
   De berekening gebeurt door het werkloosheidsbureau op kwartaalbasis.
   Het resultaat bekomen op basis van het vorige lid, afgerond naar de lagere eenheid, vertegenwoordigt het aantal kalenderdagen, behalve de zondagen, van de niet vergoedbare kalenderperiode; deze kalenderperiode wordt gesitueerd vanaf de eerste dag van de maand die volgt op de kennisgeving van de beslissing aan de uitbetalingsinstelling, indien deze kennisgeving zich situeert tijdens de laatste drie werkdagen die voorafgaan aan "de theoretische betaaldatum" bedoeld in artikel 161 of vanaf de eerste dag van de maand van de kennisgeving in de andere gevallen en in voorkomend geval aansluitend aan een andere periode die niet vergoedbaar is ingevolge de toepassing van deze bepaling.
   De in het vorige lid bedoelde niet vergoedbare periode dekt een maximale periode van 156 kalenderdagen, behalve de zondagen, die een aanvang neemt vanaf de datum waarop de in het vorige lid bedoelde beslissing uitwerking heeft.
   Onverminderd de toepassing van artikel 130, leidt de in het derde lid, 5°, bedoelde activiteit tot het verlies van een uitkering voor de dagen die gelegen zijn in de periode van aanwerving in het kader van de statutaire tewerkstelling en voor de dagen bedoeld in de artikelen 55, 7°, of 109.
   De directeur kan het recht op uitkeringen schorsen indien de werkloze geen gevolg heeft gegeven aan de vraag om indiening van het formulier bedoeld in het zevende lid. Deze schorsing heeft uitwerking de eerste dag van de maand die volgt op de kennisgeving aan de uitbetalingsinstelling, indien deze kennisgeving zich situeert tijdens de laatste drie werkdagen die voorafgaan aan "de theoretische betaaldatum" bedoeld in artikel 70, § 2bis, tweede lid, of de eerste dag van de maand van de kennisgeving in de andere gevallen. De schorsing wordt met terugwerkende kracht ingetrokken van zodra het behoorlijk ingevulde formulier ontvangen wordt op het werkloosheidsbureau.
   § 3. Artikel 130 is van toepassing op het inkomen dat voortvloeit uit de artistieke activiteit bedoeld in § 1.
   Onverminderd de toepassing van artikel 153 wordt, in geval van afwezigheid van aangifte of van onjuiste, onvolledige of laattijdige aangifte, toepassing gemaakt van § 2 en van artikel 130, § 3.
   § 4. Het recht op uitkeringen mag worden ontzegd, zelfs voor de dagen waarop de werkloze geen activiteit verricht, indien de artistieke activiteit die niet uitgeoefend wordt als loontrekkende, ingevolge het bedrag van de inkomsten of het aantal arbeidsuren het karakter heeft van een hoofdberoep.
   De beslissing bedoeld in het eerste lid gaat in :
   1° vanaf de dag waarop de activiteit het karakter heeft van een hoofdberoep, indien er nog geen geldige uitkeringskaart werd afgeleverd die het recht op uitkeringen verleent voor de periode ingaand vanaf de aangifte, of in geval van ontbreken van aangifte of onjuiste of onvolledige aangifte;
   2° vanaf de maandag volgend op de afgifte ter post van de brief waarbij de beslissing ter kennis wordt gebracht van de werkloze, in de andere gevallen.
   § 5. De verklaringen die de werkloze aflegt betreffende zijn activiteit en zijn inkomsten, worden terzijde geschoven wanneer zij door ernstige, nauwkeurige en overeenstemmende vermoedens worden tegengesproken.]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij KB 2014-02-07/08, art. 3, 224; Inwerkingtreding : 01-04-2014>

  Art. 49. In afwijking van de artikelen 44 tot 48 kan de werkloze die een politiek mandaat of een mandaat van voorzitter van een openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn uitoefent, van uitkeringen genieten binnen de beperkingen van artikel 130. Deze beperkingen zijn evenwel niet van toepassing op de werkloze die een mandaat uitoefent bedoeld in artikel 46, § 3.

  Art. 50. (Opgeheven) <KB 2001-04-27/32, art. 1, 095; Inwerkingtreding : 01-04-2001>

  Art. 51.<KB 2000-06-29/32, art. 1, 089; Inwerkingtreding : 01-08-2000> § 1. De werknemer die werkloos is of wordt wegens omstandigheden afhankelijk van zijn wil kan uitgesloten worden van het genot van de uitkeringen overeenkomstig de artikelen 52 tot 54.
  Onder " werkloosheid wegens omstandigheden afhankelijk van de wil van de werknemer " wordt verstaan :
  1° het verlaten van een passende dienstbetrekking zonder wettige reden;
  2° het ontslag dat het redelijke gevolg is van een foutieve houding van de werknemer;
  3° het zich zonder voldoende rechtvaardiging niet aanmelden bij een werkgever, indien de werkloze door de bevoegde Dienst voor Arbeidsbemiddeling opgeroepen werd zich bij de werkgever aan te melden, of de weigering van een passende dienstbetrekking;
  4° het zich zonder voldoende rechtvaardiging niet aanmelden bij de bevoegde Dienst voor Arbeidsbemiddeling en/of beroepsopleiding, indien de werkloze door deze dienst werd opgeroepen om zich aan te melden;
  5° [2 de weigering van de werkloze deel te nemen of mee te werken aan een individueel actieplan bedoeld in artikel 27, eerste lid, 14°, hem voorgesteld door de bevoegde gewestelijke dienst voor arbeidsbemiddeling;]2
  6° [2 de stopzetting of de mislukking van het in 5° bedoelde individuele actieplan ten gevolge van een foutieve houding van de werkloze;]2
  (7° het feit als werknemer van 45 jaar of meer te weigeren mee te werken aan of in te gaan op een aanbod tot outplacementbegeleiding georganiseerd door de werkgever [1 ...]1 (, voor zover het aanbod geschiedt op grond van een reglementaire verplichting); <KB 2008-07-13/32, art. 1, 1°, 174; Inwerkingtreding : 01-01-2008>
  8° [1 het feit als werknemer zich niet in te schrijven, wanneer hij daartoe verplicht is, binnen de termijnen bepaald krachtens artikel 34 van de wet van 23 december 2005 betreffende het generatiepact, bij een tewerkstellingscel waaraan de werkgever deelneemt of niet ingeschreven te zijn gebleven in die tewerkstellingscel gedurende de periode bepaald krachtens hetzelfde artikel 34 van de voormelde wet van 23 december 2005;]1
  9° (het feit als werknemer van 45 jaar of meer, zijn werkgever niet schriftelijk in gebreke te stellen wanneer deze geen outplacementbegeleiding heeft aangeboden in toepassing van artikel 13 van de wet van 5 september 2001 tot verbetering van de werkgelegenheidsgraad van de werknemers, binnen de termijnen en conform de procedure bepaald in de CAO nr. 82 gesloten in de Nationale Arbeidsraad op 10 juli 2002;)) <KB 2006-03-09/42, art. 1, 147; Inwerkingtreding : 31-03-2006> <KB 2007-03-28/30, art. 14, B), 162; Inwerkingtreding : 06-04-2007; zie ook art. 18> <KB 2008-07-13/32, art. 1, 2°, 174; Inwerkingtreding : 01-01-2008>
  [1 10° het feit te weigeren mee te werken aan of in te gaan op een aanbod tot outplacementbegeleiding georganiseerd door een tewerkstellingscel waaraan de werkgever deelneemt.]1
  De bepalingen inzake werkverlating en ontslag zijn niet van toepassing :
  1° wanneer de werknemer vóór zijn uitkeringsaanvraag een nieuwe dienstbetrekking heeft uitgeoefend gedurende ten minste [4 dertien]4 weken;
  2° wanneer de werknemer het voordeel kan inroepen van artikel 30, derde lid, 2° of 3° of 42, § 2, 2° of 3°, op voorwaarde dat de werknemer aantoont dat zijn voormalige werkgever niet bereid is hem opnieuw tewerk te stellen.
  [1 ...]1.
  (Voor de toepassing van het tweede lid, 8° worden tewerkstellingsperiodes gelijkgesteld met een periode van inschrijving in de tewerkstellingscel.) <KB 2007-03-28/30, art. 14, D), 162; Inwerkingtreding : 06-04-2007; zie ook art. 18>
  (In afwijking van het tweede lid, 9° [1 ...]1 wordt de werknemer niet beschouwd als werkloos afhankelijk van zijn wil indien hij het bewijs levert dat hij onmiddellijk na het einde van zijn arbeidsovereenkomst het werk heeft hervat als loontrekkende bij een nieuwe werkgever of als zelfstandige voor rekening van een opdrachtgever gedurende een ononderbroken periode van minstens twee maanden, gerekend van datum tot datum.
  Voor de toepassing van het vorige lid wordt verstaan onder :
  1° nieuwe werkgever : iedere werkgever andere dan de werkgever die de vorige arbeidsovereenkomst heeft beëindigd of dan een werkgever behorend tot de technische bedrijfseenheid, zoals bedoeld in artikel 14 van de wet van 20 september 1948 houdende organisatie van het bedrijfsleven en in de uitvoeringsbesluiten van deze wet, waartoe die werkgever behoort die de vorige arbeidsovereenkomst heeft beëindigd;
  2° opdrachtgever : iedere opdrachtgever andere dan de werkgever die de vorige arbeidsovereenkomst heeft beëindigd of dan een werkgever behorend tot de technische bedrijfseenheid, zoals bedoeld in artikel 14 van de wet van 20 september 1948 houdende organisatie van het bedrijfsleven en in de uitvoeringsbesluiten van deze wet, waartoe die werkgever behoort die de vorige arbeidsovereenkomst heeft beëindigd.) <KB 2007-03-28/30, art. 14, E), 162; Inwerkingtreding : 06-04-2007; zie ook art. 18>
  (Achtste lid opgeheven) <KB 2008-07-13/32, art. 1, 3°, 174; Inwerkingtreding : 01-01-2008>
  Voor de toepassing van het tweede lid, 7° en 9° [1 ...]1 wordt onder outplacementbegeleiding verstaan de outplacementbegeleiding op kosten van de onderneming die minstens voldoet aan de normen van de collectieve arbeidsovereenkomst nr. 82 van 10 juli 2002, gesloten in de Nationale Arbeidsraad en algemeen verbindend verklaard bij koninklijk besluit van 20 september 2002.
  [1 Voor de toepassing van het tweede lid, 10° wordt onder outplacementbegeleiding verstaan de outplacementbegeleiding bedoeld in artikel 6 van het koninklijk besluit van 9 maart 2006 betreffende het activerend beleid bij herstructureringen.]1
  Voor de toepassing van het tweede lid, 8° [1 en 10°, en het achtste]1 en het laatste lid wordt onder tewerkstellingscel verstaan de tewerkstellingscel zoals bedoeld in Titel IV, hoofdstuk 5, activerend beleid bij herstructureringen, van de wet van 23 december 2005 betreffende het generatiepact.
  (...) <KB 2008-07-13/32, art. 1, 3°, 174; Inwerkingtreding : 01-01-2008>
  (...) <KB 2008-07-13/32, art. 1, 3°, 174; Inwerkingtreding : 01-01-2008>
  (...) <KB 2008-07-13/32, art. 1, 3°, 174; Inwerkingtreding : 01-01-2008>
  [2 Een opleiding voorgesteld in de tewerkstellingscel, een beroepsopleiding en een opleiding in een andere landstaal worden voor de toepassing van dit artikel gelijkgesteld met een betrekking.]2
  § 2. [3 Na advies van het beheerscomité bepaalt de Minister :
   1° de criteria van de passende dienstbetrekking;
   2° de procedure welke door de Rijksdienst dient te worden gevolgd in geval van betwisting over de lichamelijke of mentale geschiktheid van de werknemer om een dienstbetrekking uit te oefenen.
   De werknemer die geschikt wordt verklaard conform de procedure bedoeld in 2°, of conform de procedure die toepasselijk is bij de gewestinstelling die ingevolge artikel 6, § 1, IX, 5°, van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 tot hervorming der instelling bevoegd is voor het controleren van de passieve beschikbaarheid van werklozen, wordt naargelang het geval beschouwd als werkloze wegens omstandigheden afhankelijk van zijn wil in de zin van § 1, tweede lid, 1° of 3°.
   De werknemer die conform de procedure die toepasselijk is bij de gewestinstelling die ingevolge artikel 6, § 1, IX, 5°, van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 tot hervorming der instellingen bevoegd is voor het controleren van de passieve beschikbaarheid van werklozen als arbeidsgeschikt wordt beschouwd in de zin van artikel 60, wordt beschouwd als werkloze wegens omstandigheden afhankelijk van zijn wil in de zin van § 1, tweede lid, 7°.]3
  ----------
  (1)<KB 2009-04-22/02, art. 19, 181; Inwerkingtreding : 07-04-2009>
  (2)<KB 2014-06-26/02, art. 3, 229; Inwerkingtreding : 01-07-2014>
  (3)<KB 2015-07-17/06, art. 2, 242; Inwerkingtreding : 01-08-2015>
  (4)<KB 2018-01-18/19, art. 1, 276; Inwerkingtreding : 19-02-2018>

  Art. 52.<KB 1992-10-02/30, art. 4, 011; Inwerkingtreding : 01-10-1992> § 1. (De werknemer die werkloos is of wordt ingevolge een ontslag in de zin van artikel 51, § 1, tweede lid, 2°, kan uitgesloten worden van het genot van de uitkeringen gedurende ten minste 4 en ten hoogste 26 weken.
  § 2. De werknemer die, binnen het jaar na de gebeurtenis die aanleiding heeft gegeven tot een beslissing in toepassing van § 1 of van artikel 52bis, § 1, genomen voor de datum van de nieuwe gebeurtenis opnieuw werkloos wordt in de zin van § 1, wordt uitgesloten van het genot van de uitkeringen gedurende ten minste 8 en ten hoogste 52 weken.) <KB 2000-06-29/32, art. 2, 089; Inwerkingtreding : 01-08-2000>
  § 3. De werknemer die van het genot van uitkeringen werd uitgesloten overeenkomstig § 2, verliest het recht op uitkeringen indien hij nogmaals werkloos wordt in de zin van § 1 binnen de twee jaar na de gebeurtenis die aanleiding heeft gegeven tot de toepassing van § 1 of van artikel 52bis, § 1.
  [1 De uitsluiting eindigt pas wanneer de werknemer opnieuw voldoet aan de toelaatbaarheidsvoorwaarden voorzien in de artikelen 30 tot 33 of wanneer hij een wachttijd heeft vervuld van :
   1° 312 arbeids- of gelijkgestelde dagen in de zin van de artikelen 37 of 38 in de loop van de 21 maanden die voorafgaan aan zijn uitkeringsaanvraag als voltijds werknemer;
   2° 312 halve arbeidsdagen of gelijkgestelde dagen in de zin van de artikelen 37 of 38 in de loop van de 27 maanden die zijn uitkeringsaanvraag als vrijwillig deeltijdse werknemer in een arbeidsregime dat voldoet aan de voorwaarden van artikel 33, 1°, voorafgaan.]1
  Voor de toepassing van het voorgaande lid wordt nochtans geen rekening gehouden met :
  1° arbeidsdagen en gelijkgestelde dagen welke voorafgaan aan de gebeurtenis die tot de toepassing van onderhavige paragraaf aanleiding gaf;
  2° dagen waarvoor een uitkering werd verleend in toepassing van de wetgeving op de verplichte ziekte- en invaliditeitsverzekering, behalve wanneer zij onmiddellijk worden voorafgegaan door een ononderbroken periode van 26 arbeidsdagen, of van 26 halve arbeidsdagen indien het een vrijwillig deeltijdse werknemer betreft.
  ----------
  (1)<KB 2018-01-18/19, art. 2, 276; Inwerkingtreding : 19-02-2018>

  Art. 52bis.<KB 2000-06-29/32, art. 3, 089; Inwerkingtreding : 01-08-2000> § 1. De werknemer kan uitgesloten worden van het genot van de uitkeringen gedurende ten minste 4 weken en ten hoogste 52 weken indien hij werkloos is of wordt in de zin van artikel 51, § 1, tweede lid, ten gevolge van :
  1° een werkverlating;
  2° een werkweigering of het zich niet aanmelden bij een werkgever;
  3° het zich niet aanmelden bij de bevoegde Dienst voor Arbeidsbemiddeling en/of beroepsopleiding;
  4° [2 de stopzetting of de mislukking van een individueel actieplan in de zin van artikel 51, § 1, tweede lid, 6°;]2
  (5° het feit als werknemer van 45 jaar of meer te weigeren mee te werken aan of in te gaan op een aanbod tot outplacement georganiseerd door de werkgever [1 ...]1;
  6° [1 het feit als werknemer zich niet in te schrijven, wanneer hij daartoe verplicht is, binnen de termijnen bepaald krachtens artikel 34 van de voormelde wet van 23 december 2005, bij een tewerkstellingscel waaraan de werkgever deelneemt of niet ingeschreven te zijn gebleven in die tewerkstellingscel gedurende de periode bepaald krachtens hetzelfde artikel 34 van de voormelde wet van 23 december 2005;]1
  7° (het feit als werknemer van 45 jaar of meer, geen outplacementbegeleiding te vragen waarop hij recht heeft in toepassing van artikel 13 van de wet van 5 september 2001 tot verbetering van de werkgelegenheidsgraad van de werknemers, binnen de termijnen en conform de procedure bepaald in de CAO nr. 82 gesloten in de Nationale Arbeidsraad op 10 juli 2002.)) <KB 2006-03-09/42, art. 3, 147; Inwerkingtreding : 31-03-2006> <KB 2007-03-28/30, art. 15, B), 162; Inwerkingtreding : 06-04-2007; zie ook art. 18>
  [1 het feit te weigeren mee te werken aan of in te gaan op een aanbod tot outplacementbegeleiding georganiseerd door een tewerkstellingscel waaraan de werkgever deelneemt.]1
  § 2. De werknemer kan het recht op uitkeringen verliezen indien hij werkloos is of wordt ten gevolge van :
  1° een werkverlating in de zin van artikel 51, § 1, tweede lid, 1°, met het opzet uitkeringen aan te vragen;
  2° een werkweigering of het zich niet aanmelden bij een werkgever, in de zin van artikel 51, § 1, tweede lid, 3°, met het opzet uitkeringen te blijven genieten;
  3° [2 de weigering deel te nemen of mee te werken aan een individueel actieplan in de zin van artikel 51, § 1, tweede lid, 5°]2
  (4° het feit als werknemer van 45 jaar of meer te weigeren mee te werken aan of in te gaan op een aanbod tot outplacement georganiseerd door de werkgever [1 ...]1, in de zin van artikel 51, § 1, tweede lid, 7°, met het opzet uitkeringen te kunnen genieten of te kunnen blijven genieten;
  5° [1 het feit als werknemer zich niet in te schrijven, wanneer hij daartoe verplicht is, binnen de termijnen bepaald krachtens artikel 34 van de voormelde wet van 23 december 2005, bij een tewerkstellingscel waaraan de werkgever deelneemt of niet ingeschreven te zijn gebleven in die tewerkstellingscel gedurende de periode bepaald krachtens hetzelfde artikel 34 van de voormelde wet van 23 december 2005, in de zin van artikel 51, § 1, tweede lid, 8°, met het opzet uitkeringen te kunnen genieten of te kunnen blijven genieten;]1
  6° (het feit als werknemer van 45 jaar of meer, geen outplacementbegeleiding te vragen waarop hij recht heeft in toepassing van artikel 13 van de wet van 5 september 2001 tot verbetering van de werkgelegenheidsgraad van de werknemers, binnen de termijnen en conform de procedure bepaald in de CAO nr. 82 gesloten in de Nationale Arbeidsraad op 10 juli 2002, in de zin van artikel 51, § 1, tweede lid, 9°, met het opzet uitkeringen te kunnen genieten of te kunnen blijven genieten.)) <KB 2006-03-09/42, art. 4, 147; Inwerkingtreding : 31-03-2006> <KB 2007-03-28/30, art. 15, D), 162; Inwerkingtreding : 06-04-2007; zie ook art. 18>
  [1 7° het feit te weigeren mee te werken aan of in te gaan op een aanbod tot outplacementbegeleiding georganiseerd door een tewerkstellingscel waaraan de werkgever deelneemt, in de zin van artikel 51, § 1, tweede lid, 10°, met het opzet uitkeringen te kunnen genieten of te kunnen blijven genieten.]1
  De werknemer verliest het recht op uitkeringen wanneer hij opnieuw werkloos wordt in de zin van § 1 binnen het jaar na de gebeurtenis die aanleiding heeft gegeven tot een beslissing in toepassing van § 1, genomen voor de datum van de nieuwe gebeurtenis.
  (De werknemer die gerechtigd is op of in aanmerking komt voor het brugpensioen en die beschikbaar moet zijn voor de algemene arbeidsmarkt verliest eveneens het recht op uitkeringen wanneer hij opnieuw werkloos wordt ingevolge de weigering van een passende dienstbetrekking in de zin van § 1, 2°, nadat reeds een beslissing werd genomen in toepassing van § 1, 2°, zonder dat daarbij artikel 53bis, § 1 werd toegepast, ongeacht de duur van de periode gelegen tussen de twee gebeurtenissen die aanleiding geven tot die beslissingen.) <KB 2006-03-09/42, art. 4, 147; Inwerkingtreding : 31-03-2006>
  [3 De uitsluiting bepaald bij de vorige leden eindigt pas wanneer de werknemer opnieuw voldoet aan de toelaatbaarheidsvoorwaarden voorzien in de artikelen 30 tot 33 of wanneer hij een wachttijd heeft vervuld van :
   1° 312 arbeids- of gelijkgestelde dagen in de zin van de artikelen 37 of 38 in de loop van de 21 maanden die voorafgaan aan zijn uitkeringsaanvraag als voltijds werknemer;
   2° 312 halve arbeidsdagen of gelijkgestelde dagen in de zin van de artikelen 37 of 38 in de loop van de 27 maanden die zijn uitkeringsaanvraag als vrijwillig deeltijdse werknemer in een arbeidsregime dat voldoet aan de voorwaarden van artikel 33, 1°, voorafgaan.]3
  Voor de toepassing van het vorige lid wordt nochtans geen rekening gehouden met :
  1° arbeidsdagen en gelijkgestelde dagen welke voorafgaan aan de gebeurtenis die tot de toepassing van deze paragraaf aanleiding gaf;
  2° dagen waarvoor een uitkering werd verleend in toepassing van de wetgeving op de verplichte ziekte- en invaliditeitsverzekering, behalve wanneer zij onmiddellijk worden voorafgegaan door een ononderbroken periode van 26 arbeidsdagen, of van 26 halve arbeidsdagen indien het een vrijwillig deeltijdse werknemer betreft.
  ----------
  (1)<KB 2009-04-22/02, art. 20, 181; Inwerkingtreding : 07-04-2009>
  (2)<KB 2014-06-26/02, art. 4, 229; Inwerkingtreding : 01-07-2014>
  (3)<KB 2018-01-18/19, art. 3, 276; Inwerkingtreding : 19-02-2018>

  Art. 53.[1 § 1. De beslissing genomen in toepassing van de artikelen 52 of 52bis door de directeur ingevolge een ontslag of werkverlating in de zin van artikel 51, heeft uitwerking vanaf de dag waarop het werkloosheidsbureau kennis kreeg van dit feit. In geval van ontslag of werkverlating gevolgd door een uitkeringsaanvraag, wordt de datum van de uitkeringsaanvraag beschouwd als de dag waarop het werkloosheidsbureau kennis kreeg van het feit.
   De beslissing heeft echter maar uitwerking te rekenen vanaf de maandag die volgt op de afgifte ter post van de brief waarbij zij ter kennis gegeven wordt aan de werkloze, wanneer deze beslissing niet genomen is binnen een termijn van één maand en tien dagen die ingaat de dag volgend op deze waarop het werkloosheidsbureau kennis kreeg van het feit, of in geval van een feit gevolgd door een uitkeringsaanvraag, bedoeld in het eerste lid, de dag volgend op deze waarop het werkloosheidsbureau het volledig dossier ontving.
   In afwachting van de beslissing bedoeld in de vorige leden, kan de directeur opdracht geven tot de schorsing van de betaling van de uitkeringen vanaf de voornoemde dag van uitwerking, indien de schorsing aan de uitbetalingsinstelling ter kennis wordt gegeven in de loop van de maand waarin het werkloosheidsbureau kennis heeft gekregen van de feiten en vóór de derde werkdag die voorafgaat aan "de theoretische betaaldatum". De schorsing wordt evenwel ambtshalve opgeheven indien er geen beslissing genomen is binnen de termijn bedoeld in het tweede lid.
   In afwijking tot het derde lid, indien de schorsing niet is ter kennis gegeven vóór de derde werkdag die voorafgaat aan "de theoretische betaaldatum", gaat de schorsing in :
   1° indien de kennisgeving plaatsvindt binnen de drie laatste werkdagen, die voorafgaan aan "de theoretische betaaldatum" : de eerste dag van de maand die volgt op de kennisgeving;
   2° indien de kennisgeving plaatsvindt buiten de periode bedoeld in punt 1° : de eerste dag van de maand van de kennisgeving.
   Voor de toepassing van het derde en vierde lid geldt het volgende :
   1° "de theoretische betaaldatum" is de eerste kalenderdag van de maand die volgt op de maand van de kennisgeving van de beslissing. In voorkomend geval wordt deze dag vervangen door de dag waarop de vervroegde betaling is toegelaten in toepassing van artikel 161, vierde lid;
   2° de termijn van drie werkdagen omvat alle dagen behalve de zaterdagen, zondagen, feestdagen en hun vervangingsdagen.
   Wanneer de werkloze, die van mening is lichamelijk of mentaal niet of niet meer geschikt te zijn voor het uitoefenen van een bepaalde dienstbetrekking, in de zin van artikel 33 van het ministerieel besluit van 26 november 1991 houdende de toepassingsregelen van de werkloosheidsreglementering, opgeroepen wordt voor een medisch onderzoek in de zin van artikel 141, wordt de termijn van één maand en tien dagen verlengd met tien dagen. Indien het medisch onderzoek in toepassing van artikel 141, tweede lid, wordt uitgesteld, wordt de termijn van één maand en tien dagen ten belope van de duur van het uitstel verlengd.
   Indien het verhoor van de werkloze wordt verdaagd, wordt de termijn van één maand en tien dagen op evenredige wijze verlengd.
   De beslissing bedoeld in de voorgaande leden heeft evenwel ten vroegste uitwerking na het verstrijken van de periode van zes maanden bedoeld in artikel 55, 2° of 4°, of de periode van drie maanden bedoeld in artikel 131bis, § 4.
   § 2. De beslissing, genomen in toepassing van de artikelen 52 of 52bis door de gewestinstelling die ingevolge artikel 6, § 1, IX, 5°, van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 tot hervorming der instellingen bevoegd is voor het controleren van de passieve beschikbaarheid van werklozen, heeft uitwerking vanaf de eerste dag van de vierde week volgend op de week waarin de gewestinstelling de beslissing meedeelt aan de werkloze en aan de Rijksdienst.
   § 3. Wanneer meerdere in dit artikel bedoelde beslissingen, terzelfder tijd moeten ingaan, wordt de totale duur van de uitsluiting bekomen door samentelling van de periodes van uitsluiting. Wanneer een periode van uitsluiting zou moeten ingaan tijdens een andere periode van uitsluiting, gaat ze in nadat deze laatste verstreken is.
   De ziekteperiode verlengt op evenredige wijze de duur van de uitsluiting op grond van de artikelen 52 en 52bis.
   In afwijking van het vorige lid wordt de verlenging met de ziekteperiode evenwel beperkt tot een periode van maximaal 3 jaar berekend van datum tot datum.
   De gewestinstelling bedoeld in § 2 maakt in zijn beslissing die zij aan de werkloze meedeelt, melding van de principes vermeld in het eerste en het tweede lid.]1
  ----------
  (1)<KB 2015-07-17/06, art. 3, 242; Inwerkingtreding : 01-08-2015>

  Art. 53bis.<Ingevoegd bij KB 2000-06-29/32, art. 4; Inwerkingtreding : 01-08-2000> § 1. Voor de gebeurtenissen, bedoeld in artikel 51, kan de directeur zich beperken tot het geven van een verwittiging.
  De verwittiging, bedoeld in het vorige lid, wordt aan de werkloze betekend.
  § 2. Voor de gebeurtenissen bedoeld in artikel 51, kan de directeur de uitsluitingsbeslissing gepaard laten gaan met een geheel of gedeeltelijk uitstel.
  De termijn van het uitstel wordt uitgedrukt in weken.
  § 3. De directeur kan de maatregelen, bepaald in de §§ 1 en 2 enkel toepassen, indien, binnen de twee jaar die de gebeurtenis voorafgaan, geen gebeurtenis plaatsgevonden heeft die aanleiding heeft gegeven tot de toepassing van artikel 52 of 52bis.
  [1 § 4. Voor de toepassing van dit artikel worden de personen die, ingevolge artikel 6, § 1, IX, 5°, van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 tot hervorming der instellingen, door de bevoegde gewestelijke overheden zijn aangesteld voor de controle van de passieve beschikbaarheid van werklozen en voor het nemen van de beslissingen die hiermee verband houden, gelijkgesteld met de directeur.]1
  ----------
  (1)<KB 2015-07-17/06, art. 4, 242; Inwerkingtreding : 01-08-2015>

  Art. 54.[1 Onverminderd de toepassing van artikel 51 tot 53bis, wordt geen uitkering toegekend gedurende vier weken te rekenen vanaf de verandering van dienstbetrekking aan de werknemer die, zonder uitkeringen aan te vragen, een passende dienstbetrekking heeft verlaten om een andere uit te oefenen, tenzij hij in de loop van deze vier weken tijdelijk werkloos wordt gesteld of zijn nieuwe dienstbetrekking verliest ten gevolge van overmacht.]1
  De ziekteperiode verlengt op evenredige wijze de duur van de uitsluiting.
  ----------
  (1)<KB 2018-01-18/19, art. 4, 276; Inwerkingtreding : 19-02-2018>

  Art. 55.Geen uitkering wordt toegekend:
  1° voor de werkdagen waarop gewoonlijk niet gewerkt wordt ingevolge de gebruiken in de sector, de streek, de plaats of de onderneming, zolang de werknemer door een arbeidsovereenkomst verbonden blijft. De beëindiging van de arbeidsovereenkomst komt evenwel niet in aanmerking indien zij uitsluitend betrekking heeft op de werkdagen waarop gewoonlijk niet gewerkt wordt, wanneer de werknemer na die dagen zijn arbeid normaal hervat, behalve indien de duur van de werkonderbreking meer dan dertig dagen bedraagt. (Deze bepaling geldt niet voor de inkomensgarantie-uitkering die de deeltijdse werknemer [1 ...]1 normaal geniet tijdens de periode van deeltijdse activiteit;) <KB 1995-11-22/31, art. 11, 051; Inwerkingtreding : 01-01-1996>
  2° in geval van verlating van de betrekking in loondienst om een beroep uit te oefenen waardoor de werknemer niet valt onder de sociale zekerheid, sector werkloosheid, gedurende de periode van de uitoefening van dit beroep, en in ieder geval ten minste gedurende zes maanden te rekenen vanaf de werkverlating;
  3° gedurende de tijdelijke onderbreking van de uitoefening van een beroep waardoor de werknemer niet valt onder de sociale zekerheid, sector werkloosheid;
  4° in geval van verlating van de betrekking in loondienst om zijn kind op te voeden, gedurende de duur van de onbeschikbaarheid, en in ieder geval ten minste gedurende zes maanden te rekenen vanaf de werkverlating;
  5° in geval van vermindering met ten minste de helft van de betrekking in loondienst om zijn kind op te voeden, gedurende de duur van de onbeschikbaarheid, en in ieder geval ten minste gedurende zes maanden te rekenen vanaf de vermindering van de prestaties. Deze bepaling geldt niet voor periodes van tijdelijk werkloosheid;
  6° gedurende de periode waarvoor de werknemer onderbrekingsuitkeringen geniet ingevolge de onderbrekking van zijn beroepsloopbaan;
  7° (voor de zaterdagen of halve zaterdagen, die door de Minister, na advies van het beheerscomité, gelijkgesteld worden met niet-vergoedbare dagen of halve dagen.) <KB 1996-12-13/33, art. 3, 056; Inwerkingtreding : 01-01-1997>
  ----------
  (1)<KB 2013-06-07/03, art. 2, 216; Inwerkingtreding : 01-07-2013>

  Afdeling 2. - Beschikbaarheid voor de arbeidsmarkt.

  Art. 56.§ 1. Om uitkeringen te genieten moet de volledig werkloze beschikbaar zijn voor de arbeidsmarkt. Onder arbeidsmarkt wordt verstaan het geheel van betrekkingen, die, rekening houdend met de criteria van de passende dienstbetrekking vastgesteld krachtens artikel 51, voor de werknemer passend zijn.
  De werkloze die niet bereid is elke passende dienstbetrekking te aanvaarden aangezien hij voor zijn wedertewerkstelling voorwaarden stelt die, rekening houdend met de criteria van de passende dienstbetrekking, niet gerechtvaardigd zijn, wordt geacht niet beschikbaar te zijn voor de arbeidsmarkt.
  § 2. [3 De beslissing tot uitsluiting op grond van § 1, tweede lid, genomen door de gewestinstelling die ingevolge artikel 6, § 1, IX, 5°, van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 tot hervorming der instellingen bevoegd is voor het controleren van de passieve beschikbaarheid van werklozen, heeft uitwerking vanaf de eerste dag van de vierde week volgend op de week waarin de gewestinstelling de beslissing meedeelt aan de werkloze en aan de Rijksdienst.
   De uitsluiting geldt vanaf de uitwerking van de beslissing, voor zover de werkloze niet vrijgesteld is van de verplichting beschikbaar te zijn voor de arbeidsmarkt,
   1° voor de periode van de onbeschikbaarheid, gesitueerd vanaf de dag van uitwerking;
   2° voor een periode die overeenstemt met de duur van de onbeschikbaarheid voorafgaand aan de dag waarop de beslissing wordt genomen; deze periode kan samenvallen met de in 1° vermelde periode.]3]1
  § 3. [4 In afwijking van § 1, eerste lid, is de werkloze onderworpen aan een verplichting van aangepaste beschikbaarheid :
   1° vanaf de maand waarin hij de leeftijd van 60 jaar bereikt;]4
   2° indien het gaat om een deeltijdse werknemer met behoud van rechten die de inkomensgarantie-uitkering geniet en van wie het arbeidsregime normaal gemiddeld per week een aantal uur bedraagt dat ten minste gelijk is aan de helft van het aantal uur dat wekelijks wordt gepresteerd door de referentiepersoon;
   3° indien het gaat om een deeltijdse werknemer met behoud van rechten die de inkomensgarantie-uitkering geniet en van wie het arbeidsregime normaal gemiddeld per week een aantal uur bedraagt dat lager ligt dan de helft van het aantal uur dat wekelijks wordt gepresteerd door de referentiepersoon, na de periode van de eerste twaalf ononderbroken maanden;
   Voor de toepassing van het eerste lid, 3°, wordt geen rekening gehouden met onderbrekingen die niet ten minste twee maanden bereiken, berekend van datum tot datum.
  [4 De werkloze bedoeld in het eerste lid wordt vrijgesteld van de toepassing van de artikelen 58, § 1, eerste lid, 59bis en 59bis/1. Hij moet als werkzoekende ingeschreven zijn en blijven en het bewijs van die inschrijving leveren. Hij moet bovendien zijn medewerking verlenen aan een aangepaste begeleiding.
   De begeleiding bedoeld in het vorige lid gebeurt overeenkomstig een individueel actieplan zoals bedoeld in artikel 27, 14° en nader omschreven in de §§ 4 en 5.
   De niet-naleving van de verplichtingen bedoeld in de vorige leden geven aanleiding tot de toepassing van de artikelen 51 tot 53bis.
   De bepalingen van § 1, tweede lid, en § 2 zijn toepasselijk op de in deze paragraaf bedoelde werkloze.
   De werkloze bedoeld in het eerste lid valt onder de toepassing van artikel 58, § 1, vierde tot zesde lid, en onder toepassing van de bepalingen genomen krachtens artikel 58, § 2.]4
  § 4. [4 Een individueel actieplan wordt voorgesteld aan de volledig werkloze bedoeld in § 3, eerste lid, 1° uiterlijk de negende maand die volgt op het begin van zijn werkloosheid, of vanaf de leeftijd van 60 jaar indien hij op dat ogenblik al sinds ten minste 9 maanden werkloos was. Het actieplan houdt evenwel op vanaf het tijdstip waarop de werkloze op zijn vraag vrijgesteld is van aangepaste beschikbaarheid voor de arbeidsmarkt.
   De acties zijn aangepast aan de individuele competenties en ervaring van de werkloze.
   De uitvoering van het plan wordt regelmatig opgevolgd en zo nodig bijgestuurd. Uiterlijk één jaar na de aanvang van het actieplan wordt een gepersonaliseerde globale evaluatie gemaakt, dienstig om te oordelen of de werkloze op een positieve wijze zijn medewerking verleent aan de acties die hem werden voorgesteld, en dat onverminderd de eventuele toepassing van § 3, vijfde lid, op een daarvoor gelegen tijdstip.]4
  ----------
  (1)<KB 2012-09-06/02, art. 2, 207; Inwerkingtreding : 01-11-2012>
  (2)<KB 2015-06-19/09, art. 1, 240; Inwerkingtreding : 01-01-2015>
  (3)<KB 2015-07-17/06, art. 5, 242; Inwerkingtreding : 01-08-2015>
  (4)<KB 2015-12-14/05, art. 1, 247; Inwerkingtreding : 01-01-2016>

  Art. 56 TOEKOMSTIG RECHT.
   § 1. Om uitkeringen te genieten moet de volledig werkloze beschikbaar zijn voor de arbeidsmarkt. Onder arbeidsmarkt wordt verstaan het geheel van betrekkingen, die, rekening houdend met de criteria van de passende dienstbetrekking vastgesteld krachtens artikel 51, voor de werknemer passend zijn.
  De werkloze die niet bereid is elke passende dienstbetrekking te aanvaarden aangezien hij voor zijn wedertewerkstelling voorwaarden stelt die, rekening houdend met de criteria van de passende dienstbetrekking, niet gerechtvaardigd zijn, wordt geacht niet beschikbaar te zijn voor de arbeidsmarkt.
  § 2. [3 De beslissing tot uitsluiting op grond van § 1, tweede lid, genomen door de gewestinstelling die ingevolge artikel 6, § 1, IX, 5°, van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 tot hervorming der instellingen bevoegd is voor het controleren van de passieve beschikbaarheid van werklozen, heeft uitwerking vanaf de eerste dag van de vierde week volgend op de week waarin de gewestinstelling de beslissing meedeelt aan de werkloze en aan de Rijksdienst.
   De uitsluiting geldt vanaf de uitwerking van de beslissing, voor zover de werkloze niet vrijgesteld is van de verplichting beschikbaar te zijn voor de arbeidsmarkt,
   1° voor de periode van de onbeschikbaarheid, gesitueerd vanaf de dag van uitwerking;
   2° voor een periode die overeenstemt met de duur van de onbeschikbaarheid voorafgaand aan de dag waarop de beslissing wordt genomen; deze periode kan samenvallen met de in 1° vermelde periode.]3]1
  § 3. [4 In afwijking van § 1, eerste lid, is de werkloze onderworpen aan een verplichting van aangepaste beschikbaarheid :
   1° vanaf de maand waarin hij de leeftijd van 60 jaar bereikt;]4
  

[5 2° indien het gaat om een deeltijdse werknemer met behoud van rechten die de inkomensgarantie-uitkering geniet en van wie het arbeidsregime normaal gemiddeld per week een aantal uur bedraagt dat ten minste gelijk is aan de helft van het aantal uur dat wekelijks wordt gepresteerd door de referentiepersoon;
   3° indien het gaat om een deeltijdse werknemer met behoud van rechten die de inkomensgarantie-uitkering geniet en van wie het arbeidsregime normaal gemiddeld per week een aantal uur bedraagt dat lager ligt dan de helft van het aantal uur dat wekelijks wordt gepresteerd door de referentiepersoon, na de periode van de eerste twaalf ononderbroken maanden;
   Voor de toepassing van het eerste lid, 3°, wordt geen rekening gehouden met onderbrekingen die niet ten minste twee maanden bereiken, berekend van datum tot datum.]5

[4 De werkloze bedoeld in het eerste lid wordt vrijgesteld van de toepassing van de artikelen 58, § 1, eerste lid, 59bis en 59bis/1. Hij moet als werkzoekende ingeschreven zijn en blijven en het bewijs van die inschrijving leveren. Hij moet bovendien zijn medewerking verlenen aan een aangepaste begeleiding.
   De begeleiding bedoeld in het vorige lid gebeurt overeenkomstig een individueel actieplan zoals bedoeld in artikel 27, 14° en nader omschreven in de §§ 4 en 5.
   De niet-naleving van de verplichtingen bedoeld in de vorige leden geven aanleiding tot de toepassing van de artikelen 51 tot 53bis.
   De bepalingen van § 1, tweede lid, en § 2 zijn toepasselijk op de in deze paragraaf bedoelde werkloze.
   De werkloze bedoeld in het eerste lid valt onder de toepassing van artikel 58, § 1, vierde tot zesde lid, en onder toepassing van de bepalingen genomen krachtens artikel 58, § 2.]4
  § 4. [4 Een individueel actieplan wordt voorgesteld aan de volledig werkloze bedoeld in § 3, eerste lid, 1° uiterlijk de negende maand die volgt op het begin van zijn werkloosheid, of vanaf de leeftijd van 60 jaar indien hij op dat ogenblik al sinds ten minste 9 maanden werkloos was. Het actieplan houdt evenwel op vanaf het tijdstip waarop de werkloze op zijn vraag vrijgesteld is van aangepaste beschikbaarheid voor de arbeidsmarkt.
   De acties zijn aangepast aan de individuele competenties en ervaring van de werkloze.
   De uitvoering van het plan wordt regelmatig opgevolgd en zo nodig bijgestuurd. Uiterlijk één jaar na de aanvang van het actieplan wordt een gepersonaliseerde globale evaluatie gemaakt, dienstig om te oordelen of de werkloze op een positieve wijze zijn medewerking verleent aan de acties die hem werden voorgesteld, en dat onverminderd de eventuele toepassing van § 3, vijfde lid, op een daarvoor gelegen tijdstip.]4
  

[5 § 5. Er wordt een individueel actieplan voorgesteld aan de deeltijdse werknemer met behoud van rechten bedoeld in § 3, eerste lid :
   1° ten laatste de negende maand die volgt op het begin van de deeltijdse tewerkstelling, indien het gaat om een deeltijdse werknemer met behoud van rechten, bedoeld in § 3, eerste lid, 2°;
   2° ten laatste de negende maand die volgt op het einde van de periode van de eerste twaalf maanden, indien het gaat om een deeltijdse werknemer met behoud van rechten, bedoeld in § 3, eerste lid, 3°;
   De acties zijn aangepast aan de individuele competenties en aan de ervaring van de deeltijdse werknemer. Ze houden ook rekening met het uurrooster van de deeltijdse werknemer en met de bijzonderheden van de beroepssector waarin hij is tewerkgesteld.
   De uitvoering van het actieplan wordt regelmatig opgevolgd en zo nodig bijgestuurd. Er wordt ten minste een keer om de 24 maanden een globale, gepersonaliseerde evaluatie gemaakt met als doel te beoordelen of de deeltijdse werknemer op een positieve manier heeft meegewerkt aan de acties die hem werden voorgesteld, en dat onverminderd de eventuele toepassing van § 3, vijfde lid, op een vroeger gelegen tijdstip.]5
  

----------
  (1)<KB 2012-09-06/02, art. 2, 207; Inwerkingtreding : 01-11-2012>
  (2)<KB 2015-06-19/09, art. 1, 240; Inwerkingtreding : 01-01-2015>
  (3)<KB 2015-07-17/06, art. 5, 242; Inwerkingtreding : 01-08-2015>
  (4)<KB 2015-12-14/05, art. 1, 247; Inwerkingtreding : 01-01-2016>
  (5)<KB 2015-12-14/05, art. 2, 247; Inwerkingtreding : 01-09-2016>

  Art. 56/1. [1 De artikelen 56/2 tot 56/5 leggen het normatief kader vast dat van toepassing is op de controle van de aangepaste beschikbaarheid van de werkloze, door de gewestinstelling die, krachtens artikel 6, § 1, IX, 5°, tweede lid van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 tot hervorming der instellingen, bevoegd is om die controle uit te oefenen.
   De artikelen 56/2 tot 56/5 vervangen artikel 56, §§ 3 tot 5, zodra de bevoegde gewestinstelling bedoeld in het eerste lid operationeel de controle uitvoert van de aangepaste beschikbaarheid van de werklozen van wie de hoofdverblijfplaats tot haar ambtsgebied behoort.]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij KB 2015-12-14/05, art. 3, 247; Inwerkingtreding : 01-01-2016>

  Art. 56/2.[1 § 1. In afwijking van artikel 56, § 1, 1, eerste lid, moet de volledig werkloze vanaf de maand waarin hij de leeftijd van 60 jaar bereikt, aangepast beschikbaar zijn, behalve indien hij is vrijgesteld van die verplichting.
   De werkloze bedoeld in het eerste lid wordt vrijgesteld van de verplichting actief werk te zoeken, bedoeld in artikel 58, § 1, eerste lid, en van de toepassing van artikel 58/2. Hij moet als werkzoekende ingeschreven zijn en blijven en het bewijs van die inschrijving leveren. Hij moet bovendien meewerken aan een gepersonaliseerde begeleiding, zoals beschreven in artikel 56/3, § 1 die hem werd voorgesteld door de bevoegde gewestelijke dienst voor arbeidsbemiddeling.
   De niet-naleving van de verplichtingen bedoeld in de vorige leden geven aanleiding tot de toepassing van de artikelen 51 tot 53bis.
   De bepalingen van artikel 56, § 1, tweede lid en § 2 zijn eveneens toepasselijk op de in deze paragraaf bedoelde werkloze.
   De werkloze bedoeld in het eerste lid valt onder de toepassing van artikel 58, § 1, vierde tot zesde lid, en onder toepassing van de bepalingen genomen krachtens artikel 58, § 2.
   De bepalingen bedoeld in deze paragraaf zijn eveneens van toepassing op de werkloze met bedrijfstoeslag, behalve indien hij vrijgesteld is van de verplichting tot aangepaste beschikbaarheid.]1
   § 2. In afwijking van artikel 56, § 1, eerste lid, is de deeltijdse werknemer met behoud van rechten die de inkomensgarantie-uitkering geniet, onderworpen aan een verplichting van aangepaste beschikbaarheid :
   1° indien het gaat om een deeltijdse werknemer met behoud van rechten van wie het arbeidsregime normaal gemiddeld per week een aantal uur bedraagt dat ten minste gelijk is aan de helft van het aantal uur dat wekelijks wordt gepresteerd door de referentiepersoon;
   2° indien het gaat om een deeltijdse werknemer met behoud van rechten van wie het arbeidsregime normaal gemiddeld per week een aantal uur bedraagt dat lager ligt dan de helft van het aantal uur dat wekelijks wordt gepresteerd door de referentiepersoon, na de periode van de eerste twaalf ononderbroken maanden.
   Voor de toepassing van het eerste lid, 2°, wordt geen rekening gehouden met onderbrekingen die niet ten minste twee maanden bereiken, berekend van datum tot datum.
   De deeltijdse werknemer bedoeld in het eerste lid is vrijgesteld van de verplichting om actief naar werk te zoeken bedoeld in artikel 58, § 1, eerste lid en van de toepassing van artikel 58/2. Hij moet als werkzoekende ingeschreven zijn en blijven en het bewijs leveren van die inschrijving. Hij moet bovendien meewerken aan een gepersonaliseerde begeleiding, zoals beschreven in artikel 56/3, § 2 die hem werd voorgesteld door de bevoegde gewestelijke dienst voor arbeidsbemiddeling.
   De niet-naleving van de verplichtingen bedoeld in de vorige leden geven aanleiding tot de toepassing van de artikelen 51 tot 53bis.
   De bepalingen van artikel 56, § 1, tweede lid en § 2 zijn eveneens toepasselijk op de in deze paragraaf bedoelde deeltijdse werknemer.
   De deeltijdse werknemer bedoeld in het eerste lid valt onder de toepassing van artikel 58, § 1, vierde tot zesde lid, en onder toepassing van de bepalingen genomen krachtens artikel 58, § 2.
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij KB 2015-12-14/05, art. 3, 247; Inwerkingtreding : 01-01-2016>

  Art. 56/2 TOEKOMSTIG RECHT.
  [1 § 1. In afwijking van artikel 56, § 1, 1, eerste lid, moet de volledig werkloze vanaf de maand waarin hij de leeftijd van 60 jaar bereikt, aangepast beschikbaar zijn, behalve indien hij is vrijgesteld van die verplichting.
   De werkloze bedoeld in het eerste lid wordt vrijgesteld van de verplichting actief werk te zoeken, bedoeld in artikel 58, § 1, eerste lid, en van de toepassing van artikel 58/2. Hij moet als werkzoekende ingeschreven zijn en blijven en het bewijs van die inschrijving leveren. Hij moet bovendien meewerken aan een gepersonaliseerde begeleiding, zoals beschreven in artikel 56/3, § 1 die hem werd voorgesteld door de bevoegde gewestelijke dienst voor arbeidsbemiddeling.
   De niet-naleving van de verplichtingen bedoeld in de vorige leden geven aanleiding tot de toepassing van de artikelen 51 tot 53bis.
   De bepalingen van artikel 56, § 1, tweede lid en § 2 zijn eveneens toepasselijk op de in deze paragraaf bedoelde werkloze.
   De werkloze bedoeld in het eerste lid valt onder de toepassing van artikel 58, § 1, vierde tot zesde lid, en onder toepassing van de bepalingen genomen krachtens artikel 58, § 2.
   De bepalingen bedoeld in deze paragraaf zijn eveneens van toepassing op de werkloze met bedrijfstoeslag, behalve indien hij vrijgesteld is van de verplichting tot aangepaste beschikbaarheid.]1
  

[2 § 2. In afwijking van artikel 56, § 1, eerste lid, is de deeltijdse werknemer met behoud van rechten die de inkomensgarantie-uitkering geniet, onderworpen aan een verplichting van aangepaste beschikbaarheid :
   1° indien het gaat om een deeltijdse werknemer met behoud van rechten van wie het arbeidsregime normaal gemiddeld per week een aantal uur bedraagt dat ten minste gelijk is aan de helft van het aantal uur dat wekelijks wordt gepresteerd door de referentiepersoon;
   2° indien het gaat om een deeltijdse werknemer met behoud van rechten van wie het arbeidsregime normaal gemiddeld per week een aantal uur bedraagt dat lager ligt dan de helft van het aantal uur dat wekelijks wordt gepresteerd door de referentiepersoon, na de periode van de eerste twaalf ononderbroken maanden.
   Voor de toepassing van het eerste lid, 2°, wordt geen rekening gehouden met onderbrekingen die niet ten minste twee maanden bereiken, berekend van datum tot datum.
   De deeltijdse werknemer bedoeld in het eerste lid is vrijgesteld van de verplichting om actief naar werk te zoeken bedoeld in artikel 58, § 1, eerste lid en van de toepassing van artikel 58/2. Hij moet als werkzoekende ingeschreven zijn en blijven en het bewijs leveren van die inschrijving. Hij moet bovendien meewerken aan een gepersonaliseerde begeleiding, zoals beschreven in artikel 56/3, § 2 die hem werd voorgesteld door de bevoegde gewestelijke dienst voor arbeidsbemiddeling.
   De niet-naleving van de verplichtingen bedoeld in de vorige leden geven aanleiding tot de toepassing van de artikelen 51 tot 53bis.
   De bepalingen van artikel 56, § 1, tweede lid en § 2 zijn eveneens toepasselijk op de in deze paragraaf bedoelde deeltijdse werknemer.
   De deeltijdse werknemer bedoeld in het eerste lid valt onder de toepassing van artikel 58, § 1, vierde tot zesde lid, en onder toepassing van de bepalingen genomen krachtens artikel 58, § 2.]2
  

----------
  (1)<Ingevoegd bij KB 2015-12-14/05, art. 3, 247; Inwerkingtreding : 01-01-2016>
  (2)<KB 2015-12-14/05, art. 3, 247; Inwerkingtreding : 01-09-2016>

  Art. 56/3. [1 § 1. De gepersonaliseerde begeleiding die wordt voorgesteld aan de volledig werkloze bedoeld in artikel 56/2, § 1, is aangepast aan zijn individuele competenties, aan zijn fysieke en mentale capaciteiten, en aan zijn verworven professionele ervaring, die beantwoorden aan de noden van de arbeidsmarkt.
   De begeleiding bestaat uit een gepersonaliseerd en specifiek aanbod, waar de bemiddeling naar werk deel van uitmaakt, voorgesteld door de bevoegde gewestelijke dienst voor arbeidsbemiddeling, in het kader van een individueel actieplan als het profiel van de werkloze dit vereist.
   De gepersonaliseerde begeleiding wordt voorgesteld aan de volledig werkloze uiterlijk de negende maand die volgt op het begin van zijn werkloosheid, of vanaf de leeftijd van 60 jaar indien hij op dat ogenblik al sinds ten minste 9 maanden werkloos was.]1
   § 2. De gepersonaliseerde begeleiding die wordt voorgesteld aan de deeltijdse werknemer met behoud van rechten bedoeld in artikel 56/2, § 2 is aangepast aan zijn individuele competenties, aan zijn fysieke en mentale capaciteiten, alsook aan de beroepservaring die hij heeft verworven, die overeenstemmen met de behoeften van de arbeidsmarkt. Ze houdt ook rekening met het uurrooster van de deeltijdse werknemer en met de bijzonderheden van de beroepssector waarin hij is tewerkgesteld.
   De begeleiding bestaat uit een gepersonaliseerd en specifiek aanbod, waar de bemiddeling naar voltijds werk deel van uitmaakt, voorgesteld door de bevoegde gewestelijke dienst in het kader van een individueel actieplan.
   De gepersonaliseerde begeleiding wordt voorgesteld aan de deeltijdse werknemer met behoud van rechten :
   1° ten laatste de negende maand die volgt op het begin van de deeltijdse tewerkstelling, indien het gaat om een deeltijdse werknemer met behoud van rechten, bedoeld in artikel 56/2, § 2, eerste lid, 1°;
   2° ten laatste de negende maand die volgt op het einde van de periode van de eerste twaalf maanden, indien het gaat om een deeltijdse werknemer met behoud van rechten, bedoeld in artikel 56/2, § 2, eerste lid, 2°.
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij KB 2015-12-14/05, art. 3, 247; Inwerkingtreding : 01-01-2016>

  Art. 56/3 TOEKOMSTIG RECHT.
   [1 § 1. De gepersonaliseerde begeleiding die wordt voorgesteld aan de volledig werkloze bedoeld in artikel 56/2, § 1, is aangepast aan zijn individuele competenties, aan zijn fysieke en mentale capaciteiten, en aan zijn verworven professionele ervaring, die beantwoorden aan de noden van de arbeidsmarkt.
   De begeleiding bestaat uit een gepersonaliseerd en specifiek aanbod, waar de bemiddeling naar werk deel van uitmaakt, voorgesteld door de bevoegde gewestelijke dienst voor arbeidsbemiddeling, in het kader van een individueel actieplan als het profiel van de werkloze dit vereist.
   De gepersonaliseerde begeleiding wordt voorgesteld aan de volledig werkloze uiterlijk de negende maand die volgt op het begin van zijn werkloosheid, of vanaf de leeftijd van 60 jaar indien hij op dat ogenblik al sinds ten minste 9 maanden werkloos was.]1
  

[2 § 2. De gepersonaliseerde begeleiding die wordt voorgesteld aan de deeltijdse werknemer met behoud van rechten bedoeld in artikel 56/2, § 2 is aangepast aan zijn individuele competenties, aan zijn fysieke en mentale capaciteiten, alsook aan de beroepservaring die hij heeft verworven, die overeenstemmen met de behoeften van de arbeidsmarkt. Ze houdt ook rekening met het uurrooster van de deeltijdse werknemer en met de bijzonderheden van de beroepssector waarin hij is tewerkgesteld.
   De begeleiding bestaat uit een gepersonaliseerd en specifiek aanbod, waar de bemiddeling naar voltijds werk deel van uitmaakt, voorgesteld door de bevoegde gewestelijke dienst in het kader van een individueel actieplan.
   De gepersonaliseerde begeleiding wordt voorgesteld aan de deeltijdse werknemer met behoud van rechten :
   1° ten laatste de negende maand die volgt op het begin van de deeltijdse tewerkstelling, indien het gaat om een deeltijdse werknemer met behoud van rechten, bedoeld in artikel 56/2, § 2, eerste lid, 1°;
   2° ten laatste de negende maand die volgt op het einde van de periode van de eerste twaalf maanden, indien het gaat om een deeltijdse werknemer met behoud van rechten, bedoeld in artikel 56/2, § 2, eerste lid, 2°.]2
  

----------
  (1)<Ingevoegd bij KB 2015-12-14/05, art. 3, 247; Inwerkingtreding : 01-01-2016>
  (2)<KB 2015-12-14/05, art. 3, 247; Inwerkingtreding : 01-09-2016>

  Art. 56/4. [1 § 1. Volgens de modaliteiten die hij bepaalt, informeert de bevoegde gewestelijke dienst voor arbeidsbemiddeling de volledig werkloze bedoeld in artikel 56/2, § 1 vóór zijn 60ste verjaardag over zijn rechten en plichten betreffende zijn inschrijving als werkzoekende en over de verplichting van de aangepaste beschikbaarheid waaraan hij zal onderworpen zijn vanaf de maand waarin hij de leeftijd van 60 jaar bereikt.]1
   § 2. Volgens de modaliteiten die hij bepaalt, informeert de bevoegde gewestelijke dienst voor arbeidsbemiddeling de deeltijdse werknemer met behoud van rechten bedoeld in artikel 56/2, § 2, op het ogenblik waarop hij zich inschrijft als werkzoekende conform artikel 131bis, § 1, 2°, over zijn rechten en plichten betreffende zijn inschrijving als werkzoekende en over de verplichting tot aangepaste beschikbaarheid waaraan hij is onderworpen.
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij KB 2015-12-14/05, art. 3, 247; Inwerkingtreding : 01-01-2016>

  Art. 56/4 TOEKOMSTIG RECHT.
   [1 § 1. Volgens de modaliteiten die hij bepaalt, informeert de bevoegde gewestelijke dienst voor arbeidsbemiddeling de volledig werkloze bedoeld in artikel 56/2, § 1 vóór zijn 60ste verjaardag over zijn rechten en plichten betreffende zijn inschrijving als werkzoekende en over de verplichting van de aangepaste beschikbaarheid waaraan hij zal onderworpen zijn vanaf de maand waarin hij de leeftijd van 60 jaar bereikt.]1
  

[2 § 2. Volgens de modaliteiten die hij bepaalt, informeert de bevoegde gewestelijke dienst voor arbeidsbemiddeling de deeltijdse werknemer met behoud van rechten bedoeld in artikel 56/2, § 2, op het ogenblik waarop hij zich inschrijft als werkzoekende conform artikel 131bis, § 1, 2°, over zijn rechten en plichten betreffende zijn inschrijving als werkzoekende en over de verplichting tot aangepaste beschikbaarheid waaraan hij is onderworpen.]2
  

----------
  (1)<Ingevoegd bij KB 2015-12-14/05, art. 3, 247; Inwerkingtreding : 01-01-2016>
  (2)<KB 2015-12-14/05, art. 3, 247; Inwerkingtreding : 01-09-2016>

  Art. 56/5. [1 Volgens de modaliteiten die zij bepaalt en rekening houdend met de rechten van de verdediging, evalueert de bevoegde gewestinstelling of de werkloze bedoeld in artikel 56/2 zijn verplichting tot aangepaste beschikbaarheid heeft nageleefd :
   1° ten laatste een jaar na het begin van de aangepaste begeleiding, indien het gaat om een volledig werkloze bedoeld in artikel 56/2, § 1;]1
   2° ten minste een keer om de 24 maanden, indien het gaat om een deeltijdse werknemer met behoud van rechten bedoeld in artikel 56/2, § 2.
  [1 Het doel van de globale evaluatie bedoeld in het eerste lid is beoordelen of de werkloze positief heeft meegewerkt aan de acties die hem werden voorgesteld.
   Tijdens de evaluatie wordt de informatie waarop de evaluatie is gebaseerd, aan de werkloze meegedeeld.
   Bij een evaluatiegesprek dat aanleiding kan geven tot de toepassing van het zesde lid kan de werkloze zich laten bijstaan door een advocaat of door een afgevaardigde van een werknemersorganisatie die een erkende uitbetalingsinstelling heeft opgericht.
   Binnen de termijn vastgelegd in het eerste lid, bepaalt de bevoegde gewestinstelling de timing van de globale evaluatie, rekening houdend met onder andere het profiel van de werkloze en de termijnen van realisatie van de acties voorzien in het kader van de gepersonaliseerde begeleiding.
   Een negatieve globale evaluatie geeft aanleiding tot de toepassing van de artikelen 51 tot 53bis en dat onverminderd de eventuele toepassing van artikel 56/2, § 1, derde lid of § 2, vierde lid, op een eerder gelegen moment.]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij KB 2015-12-14/05, art. 3, 247; Inwerkingtreding : 01-01-2016>

  Art. 56/5 TOEKOMSTIG RECHT.
  [1 Volgens de modaliteiten die zij bepaalt en rekening houdend met de rechten van de verdediging, evalueert de bevoegde gewestinstelling of de werkloze bedoeld in artikel 56/2 zijn verplichting tot aangepaste beschikbaarheid heeft nageleefd :
   1° ten laatste een jaar na het begin van de aangepaste begeleiding, indien het gaat om een volledig werkloze bedoeld in artikel 56/2, § 1;]1
  

[2 2° ten minste een keer om de 24 maanden, indien het gaat om een deeltijdse werknemer met behoud van rechten bedoeld in artikel 56/2, § 2.]2

[1 Het doel van de globale evaluatie bedoeld in het eerste lid is beoordelen of de werkloze positief heeft meegewerkt aan de acties die hem werden voorgesteld.
   Tijdens de evaluatie wordt de informatie waarop de evaluatie is gebaseerd, aan de werkloze meegedeeld.
   Bij een evaluatiegesprek dat aanleiding kan geven tot de toepassing van het zesde lid kan de werkloze zich laten bijstaan door een advocaat of door een afgevaardigde van een werknemersorganisatie die een erkende uitbetalingsinstelling heeft opgericht.
   Binnen de termijn vastgelegd in het eerste lid, bepaalt de bevoegde gewestinstelling de timing van de globale evaluatie, rekening houdend met onder andere het profiel van de werkloze en de termijnen van realisatie van de acties voorzien in het kader van de gepersonaliseerde begeleiding.
   Een negatieve globale evaluatie geeft aanleiding tot de toepassing van de artikelen 51 tot 53bis en dat onverminderd de eventuele toepassing van artikel 56/2, § 1, derde lid of § 2, vierde lid, op een eerder gelegen moment.]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij KB 2015-12-14/05, art. 3, 247; Inwerkingtreding : 01-01-2016>
  (2)<KB 2015-12-14/05, art. 3, 247; Inwerkingtreding : 01-09-2016>

  Art. 56/6. [1 Wanneer de werkloze bedoeld in artikel 56/2 verhuist en de gemeente van zijn nieuwe hoofdverblijfplaats tot het ambtsgebied behoort van een andere bevoegde gewestinstelling, houdt die instelling rekening met de evaluaties die al werden uitgevoerd door de gewestinstelling die bevoegd was vóór de verhuis.
   De gewestinstelling die bevoegd was vóór de verhuizing maakt het volledige dossier van de werkloze over aan de bevoegde gewestinstelling, indien die instelling daarom vraagt.
   In afwijking van het eerste lid, blijft de gewestinstelling die, op basis van de hoofdverblijfplaats van de werkloze, bevoegd was op het ogenblik van de evaluatie bevoegd om, zelfs na de verhuizing van de werkloze naar het ambtsgebied van een andere gewestinstelling, een beslissing te nemen in toepassing van artikel 56/5 op basis van die evaluatie, op voorwaarde dat de evaluatiebeslissing werd meegedeeld of betekend aan de werkloze binnen een termijn van 3 maanden te tellen vanaf de datum van de evaluatie.]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij KB 2015-12-14/05, art. 3, 247; Inwerkingtreding : 01-01-2016>

  Art. 57. De Minister bepaalt, na advies van het beheerscomité, in welke gevallen de tijdelijk werkloze beschikbaar moet zijn voor de arbeidsmarkt en verplicht is elke passende dienstbetrekking te aanvaarden.

  Art. 58.§ 1. [2 Om uitkeringen te genieten moet de volledig werkloze actief zoeken naar werk en moet hij als werkzoekende ingeschreven zijn en blijven. Het bewijs van die inschrijving moet worden geleverd door de werkloze.
   De volledig werkloze voldoet aan de verplichting om actief naar werk te zoeken bedoeld in het eerste lid als hij kan aantonen dat hij, tijdens de volledige duur van zijn werkloosheid:
   1° actief en positief deelneemt en meewerkt aan de acties op het vlak van begeleiding, opleiding, beroepservaring of inschakeling die hem worden voorgesteld door de bevoegde gewestelijke dienst voor arbeidsbemiddeling, in het bijzonder in het kader van het individueel actieplan dat is overeengekomen met de tewerkstellingsconsulent van de voormelde gewestelijke dienst;
   2° zelf actief naar werk zoekt door regelmatig zelf gevarieerde acties te ondernemen.
   De volledig werkloze is vrijgesteld van de verplichting bedoeld in het tweede lid, 2° tijdens de duur van het specifieke of aangepaste begeleidingstraject dat hem werd voorgesteld door de bevoegde gewestelijke dienst voor arbeidsbemiddeling, indien hij voldoet aan een van de volgende twee voorwaarden:
   1° de werkloze wordt door de bevoegde gewestelijke dienst beschouwd als zijnde verwijderd van de arbeidsmarkt omwille van een combinatie van psycho-medisch-sociale factoren die zijn gezondheid en/of zijn sociale inschakeling duurzaam aantasten, en daardoor zijn professionele inschakeling, met als gevolg dat hij binnen de 12 maanden die volgen niet in staat is om te werken in het gewone economische circuit of in het kader van een al dan niet betaalde aangepaste en omkaderde arbeidsplaats, en hij volgt een intensief specifiek begeleidingstraject met een duur van maximum 21 maanden, met het oog op psycho-medisch-sociale remediëring, met professionele inschakeling als doel.
   Op het niveau van elk gewest of elke Gemeenschap, mag op elk tijdstip maximaal 15 % van het totaal aantal volledig werklozen, vergoed of in de beroepsinschakelingstijd, sinds ten minste 3 maanden als ze jonger zijn dan 25 jaar of 6 maanden indien ze 25 jaar of ouder zijn, worden opgenomen in een specifiek begeleidingstraject.
   Het specifieke begeleidingstraject kan eenmalig vernieuwd of verlengd worden voor een bijkomende periode van maximaal 18 maanden, en dit voor ten hoogste 4 % van het totaal aantal vergoede volledig werklozen of werkzoekenden in hun beroepsinschakelingstijd, sinds ten minste 3 maanden indien ze jonger zijn dan 25 jaar of ten minste 6 maanden indien ze 25 jaar of ouder zijn.
   2° de werkloze rechtvaardigt een blijvende arbeidsongeschiktheid van ten minste 33 %, erkend door de erkend geneesheer van de RVA conform de procedure voorzien in artikel 141 en hij volgt een intensief begeleidingstraject aangepast aan zijn gezondheidstoestand, met een maximale duur van 12 maanden;
   De werkloze kan niet langer genieten van uitkeringen vanaf de dag waarop zijn inschrijving als werkzoekende ambtshalve werd geschrapt door de bevoegde gewestelijke dienst voor arbeidsbemiddeling, inzonderheid ten gevolge van het feit dat hij :
   1° niet langer beschikbaar is voor de arbeidsmarkt;
   2° zich niet bij die dienst heeft aangemeld wanneer hij opgeroepen werd;
   3° die dienst niet op de hoogte heeft gesteld van zijn adresverandering;
   4° de formaliteiten niet vervuld heeft die die dienst vereist, teneinde de inschrijving als werkzoekende te behouden.
   De beslissing tot uitsluiting op grond van het vierde lid, genomen door de gewestinstelling die ingevolge artikel 6, § 1, IX, 5° van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 tot hervorming der instellingen bevoegd is voor het controleren van de passieve beschikbaarheid van werklozen, heeft evenwel slechts uitwerking vanaf de eerste dag van de vierde week volgend op de week waarin de gewestinstelling de beslissing meedeelt aan de werkloze en aan de Rijksdienst.
   De uitsluiting geldt vanaf de uitwerking van de beslissing, voor zover de werkloze niet vrijgesteld is van de verplichting ingeschreven te zijn als werkzoekende
   1° voor de periode van de schrapping als werkzoekende, bedoeld in het vierde lid, gesitueerd vanaf de dag van uitwerking :
   2° voor een periode die overeenstemt met de duur van de schrapping als werkzoekende, bedoeld in het vierde lid, voorafgaand aan de dag waarop de beslissing wordt genomen; deze periode kan samenvallen met de in 1° vermelde periode.]2
  § 2. Na advies van het beheerscomité bepaalt de Minister:
  1° het tijdstip waarop, en de modaliteiten volgens dewelke, de werkloze het bewijs van zijn inschrijving als werkzoekende moet leveren;
  2° in welke gevallen uitkeringen worden toegekend aan de werkloze die niet als werkzoekende is ingeschreven.
  ----------
  (1)<KB 2015-07-17/06, art. 6, 242; Inwerkingtreding : 01-08-2015>
  (2)<KB 2015-12-14/05, art. 4, 247; Inwerkingtreding : 01-01-2016>

  Art. 58/1. [1 De artikelen 58/2 tot 58/12 leggen het normatief kader vast dat van toepassing is op de controle van de actieve beschikbaarheid van de volledig werkloze door de gewestinstelling die, krachtens artikel 6, § 1, IX, 5°, tweede lid van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 tot hervorming der instellingen, bevoegd is om die controle uit te oefenen.
   De artikelen 58/2 tot 58/12 vervangen de artikelen 59bis tot 59decies en de artikelen 59bis/1 tot 59quinquies/2 zodra de gewestinstelling bedoeld in het eerste lid operationeel de controle uitvoert van de actieve beschikbaarheid van de volledig werklozen van wie de hoofdverblijfplaats tot haar ambtsgebied behoort.
   Voor de toepassing van de artikelen 58/2 tot 58/12 wordt verstaan onder :
   1° actieve beschikbaarheid van de volledig werkloze : de verplichting van de volledig werkloze om actief naar werk te zoeken, bedoeld in artikel 58, § 1, eerste en tweede lid;
   2° de procedure voor de controle van de actieve beschikbaarheid: de procedure die wordt toegepast door de gewestinstelling bedoeld in de bepaling onder 3° met het oog op het controleren van de verplichting van de volledig werkloze om actief te zoeken naar werk;
   3° bevoegde gewestinstelling : de gewestinstelling die, krachtens artikel 6, § 1, IX, 5°, tweede lid, van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 tot hervorming der instellingen, bevoegd is om de controle uit te oefenen van de actieve beschikbaarheid van de volledig werkloze.]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij KB 2015-12-14/05, art. 5, 247; Inwerkingtreding : 01-01-2016>

  Art. 58/2. [1 De volledig werkloze is onderworpen aan de procedure van de controle van de actieve beschikbaarheid als tegelijk voldaan is aan de volgende voorwaarden :
   1° hij geniet werkloosheidsuitkeringen of inschakelingsuitkeringen;
   2° hij is verplicht ingeschreven als werkzoekende en is niet vrijgesteld van die verplichting;
   3° hij is niet vrijgesteld van de verplichting beschikbaar te zijn voor de arbeidsmarkt, bedoeld in artikel 56;
   4° hij is arbeidsgeschikt in de zin van de wetgeving op de verplichte ziekte- en invaliditeitsverzekering;
   5° hij is geen werkloze bedoeld in artikel 28, § 3;
   6° hij is nog geen 60 jaar;
   7° de procedure voor de controle van de actieve beschikbaarheid is niet opgeschort in toepassing van de bepalingen van artikel 58/3.
   De procedure van de controle van de actieve beschikbaarheid is eveneens van toepassing:
   1° op de volledig werkloze die een blijvende arbeidsongeschiktheid van ten minste 33 % bewijst, erkend door de erkend geneesheer van de RVA conform de procedure voorzien in artikel 141;]1
   2° op de deeltijds werknemer met behoud van rechten die een inkomensgarantie-uitkering geniet en van wie het arbeidsregime normaal gemiddeld per week een aantal uur bedraagt dat lager ligt dan de helft van het aantal uur dat wekelijks wordt gepresteerd door de referentiepersoon, tijdens de eerste twaalf ononderbroken maanden.
   Voor de toepassing van het tweede lid, 2° wordt geen rekening gehouden met onderbrekingen die niet ten minste twee maanden bereiken, berekend van datum tot datum.
  [1 In afwijking van het eerste lid, is de procedure voor de controle van de actieve beschikbaarheid niet van toepassing op de volledig werkloze die, wegens letsels of functionele stoornissen voorafgaand aan zijn intrede op de arbeidsmarkt, door de erkend geneesheer van de RVA, conform de procedure voorzien in artikel 141, erkend wordt als zonder verdienvermogen in de zin van de regelgeving betreffende de verplichte ziekte- en invaliditeitsverzekering.]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij KB 2015-12-14/05, art. 5, 247; Inwerkingtreding : 01-01-2016>

  Art. 58/2 TOEKOMSTIG RECHT.
  [1 De volledig werkloze is onderworpen aan de procedure van de controle van de actieve beschikbaarheid als tegelijk voldaan is aan de volgende voorwaarden :
   1° hij geniet werkloosheidsuitkeringen of inschakelingsuitkeringen;
   2° hij is verplicht ingeschreven als werkzoekende en is niet vrijgesteld van die verplichting;
   3° hij is niet vrijgesteld van de verplichting beschikbaar te zijn voor de arbeidsmarkt, bedoeld in artikel 56;
   4° hij is arbeidsgeschikt in de zin van de wetgeving op de verplichte ziekte- en invaliditeitsverzekering;
   5° hij is geen werkloze bedoeld in artikel 28, § 3;
   6° hij is nog geen 60 jaar;
   7° de procedure voor de controle van de actieve beschikbaarheid is niet opgeschort in toepassing van de bepalingen van artikel 58/3.
   De procedure van de controle van de actieve beschikbaarheid is eveneens van toepassing:
   1° op de volledig werkloze die een blijvende arbeidsongeschiktheid van ten minste 33 % bewijst, erkend door de erkend geneesheer van de RVA conform de procedure voorzien in artikel 141;]1
  

[2 2° op de deeltijds werknemer met behoud van rechten die een inkomensgarantie-uitkering geniet en van wie het arbeidsregime normaal gemiddeld per week een aantal uur bedraagt dat lager ligt dan de helft van het aantal uur dat wekelijks wordt gepresteerd door de referentiepersoon, tijdens de eerste twaalf ononderbroken maanden.
   Voor de toepassing van het tweede lid, 2° wordt geen rekening gehouden met onderbrekingen die niet ten minste twee maanden bereiken, berekend van datum tot datum.]2

[1 In afwijking van het eerste lid, is de procedure voor de controle van de actieve beschikbaarheid niet van toepassing op de volledig werkloze die, wegens letsels of functionele stoornissen voorafgaand aan zijn intrede op de arbeidsmarkt, door de erkend geneesheer van de RVA, conform de procedure voorzien in artikel 141, erkend wordt als zonder verdienvermogen in de zin van de regelgeving betreffende de verplichte ziekte- en invaliditeitsverzekering.]1
  

----------
  (1)<Ingevoegd bij KB 2015-12-14/05, art. 5, 247; Inwerkingtreding : 01-01-2016>
  (2)<KB 2015-12-14/05, art. 5, 247; Inwerkingtreding : 01-09-2016>

  Art. 58/3. [1 § 1. De procedure voor de controle van de actieve beschikbaarheid wordt opgeschort gedurende de periode tijdens dewelke de volledig werkloze een opleidingsactie of studies volgt en waarvoor hij een vrijstelling heeft gekregen van de verplichting om beschikbaar te zijn voor de arbeidsmarkt.
   De procedure voor de controle van de actieve beschikbaarheid is ten vroegste opnieuw van toepassing op de dag die volgt op het einde van de vrijstelling van de verplichting om beschikbaar te zijn voor de arbeidsmarkt of later wanneer opnieuw voldaan is aan de voorwaarden bedoeld in artikel 58/2.
   § 2. De procedure voor de controle van de actieve beschikbaarheid wordt opgeschort gedurende de periode tijdens dewelke de volledig werkloze een vrijstelling geniet van de verplichting om beschikbaar te zijn voor de arbeidsmarkt in toepassing van de artikelen 79, § 4bis, tweede lid, 79ter, § 5, 90, 96 of 97.
   De procedure voor de controle van de actieve beschikbaarheid is ten vroegste opnieuw van toepassing op de dag die volgt op het einde van de vrijstelling van de verplichting om beschikbaar te zijn voor de arbeidsmarkt of later wanneer opnieuw voldaan is aan de voorwaarden bedoeld in artikel 58/2.
   § 3. De procedure voor de controle van de actieve beschikbaarheid wordt opgeschort gedurende de periode tijdens dewelke de werkloze een specifiek begeleidingstraject volgt dat hem werd voorgesteld door de bevoegde gewestelijke dienst voor arbeidsbemiddeling, op voorwaarde dat voldaan is aan de volgende voorwaarden :
   1° de werkloze wordt door de bevoegde gewestelijke dienst voor arbeidsbemiddeling beschouwd als verwijderd van de arbeidsmarkt omwille van een combinatie van psycho-medisch-sociale factoren die zijn gezondheid en/of sociale inschakeling duurzaam aantasten en, daardoor, zijn professionele inschakeling, met als gevolg dat de werkloze binnen de 12 maanden die volgen niet in staat is om te werken in het gewone economische circuit of in het kader van een al dan niet betaalde aangepaste en omkaderde arbeidsplaats;
   2° het specifieke begeleidingstraject voldoet aan de volgende voorwaarden :
   a) het vormt het voorwerp van een wederzijdse verbintenis van de partijen;
   b) het betreft een voor de doelgroep bedoeld in 1° specifieke begeleidingsactie, aangewend door de bevoegde gewestelijke dienst voor arbeidsbemiddeling die, in voorkomend geval, een beroep doet op de medewerking van derden;
   c) het bevat een geheel van intensieve acties die de impact beogen te verminderen van de factoren die de inschakeling op de arbeidsmarkt bemoeilijken en die de socioprofessionele inschakeling beogen te bevorderen;
   d) wanneer het wordt georganiseerd in samenwerking met een derde, vormt het traject regelmatig het voorwerp van een verslag aan de bevoegde gewestelijke dienst voor arbeidsbemiddeling;
   e) het is in duur beperkt tot wat strikt noodzakelijk is voor de psycho-medisch-sociale remediëring, in een perspectief van professionele inschakeling, en die duur mag in elk geval de 21 maanden niet overschrijden.
   Het specifieke begeleidingstraject kan eenmalig verlengd of vernieuwd worden voor een bijkomende periode van maximum 18 maanden.
   De schorsing van de procedure bedoeld in deze paragraaf houdt op vanaf het ogenblik waarop de bevoegde gewestelijke dienst voor arbeidsbemiddeling vaststelt dat de werkloze niet meer deelneemt of niet meer op positieve wijze meewerkt aan het specifieke begeleidingstraject.
   De procedure voor de opvolging van de actieve beschikbaarheid is ten vroegste opnieuw van toepassing vanaf de dag na het einde van het specifieke begeleidingstraject of later, wanneer opnieuw voldaan is aan de voorwaarden bedoeld in artikel 58/2.
   § 4. De procedure voor de controle van de actieve beschikbaarheid wordt opgeschort gedurende de periode tijdens dewelke de werkloze die een blijvende arbeidsongeschiktheid rechtvaardigt van ten minste 33 %, erkend door de erkend geneesheer van de RVA conform de procedure voorzien in artikel 141, een aangepast begeleidingstraject volgt dat hem werd voorgesteld door de bevoegde gewestelijke dienst voor arbeidsbemiddeling.
   De opschorting van de procedure voorzien in deze paragraaf mag in geen geval een periode van 12 maanden, berekend van datum tot datum, overschrijden, vanaf de datum waarop het aangepaste begeleidingstraject is begonnen.
   De schorsing van de procedure bedoeld in deze paragraaf houdt op vanaf het ogenblik waarop de bevoegde gewestelijke dienst voor arbeidsbemiddeling vaststelt dat de werkloze niet meer deelneemt of niet meer op positieve wijze meewerkt aan het aangepaste begeleidingstraject.
   Onverminderd de bepalingen van het tweede en het derde lid, is de procedure voor de opvolging van de actieve beschikbaarheid ten vroegste opnieuw van toepassing vanaf de dag na het einde van het specifieke begeleidingstraject of later, wanneer opnieuw voldaan is aan de voorwaarden bedoeld in artikel 58/2.
   § 5. De procedure voor de controle van de actieve beschikbaarheid wordt opgeschort gedurende de periode tijdens dewelke de werkloze afziet van uitkeringen en tot aan de indiening van een nieuwe uitkeringsaanvraag als volledig werkloze, indien de volgende voorwaarden vervuld zijn :
   1° de werkloze verzaakt aan de uitkeringen voor een ononderbroken periode van minstens 12 maanden;
   2° de werkloze doet daarvan voorafgaandelijk een schriftelijke en onherroepbare aangifte bij het werkloosheidsbureau;
   3° de werkloze verbindt zich schriftelijk bij de Rijksdienst die verzaking niet te herroepen.
   De procedure voor de opvolging van de actieve beschikbaarheid is ten vroegste opnieuw van toepassing vanaf de datum van de nieuwe uitkeringsaanvraag bedoeld in het eerste lid of later, wanneer opnieuw voldaan is aan de voorwaarden bedoeld in artikel 58/2.
   § 6. De procedure voor de controle van de actieve beschikbaarheid wordt opgeschort gedurende de periode tijdens dewelke de werkloze voorlopige uitkeringen geniet in toepassing van artikel 62, § 2.
   De opschorting van de procedure voorzien in deze paragraaf mag in geen geval een periode van 3 jaar overschrijden, berekend van datum tot datum, vanaf de datum waarop de werkloze werd toegelaten tot het genot van voorlopige uitkeringen.
   Onverminderd de bepalingen van het tweede lid is de procedure voor de controle van de actieve beschikbaarheid opnieuw van toepassing vanaf de datum waarop de arbeidsgeschiktheid van de werkloze niet meer kan betwist worden bij de arbeidsgerechten.
   § 7. De procedure voor de controle van de actieve beschikbaarheid wordt opgeschort voor de werkneemster die zwanger is of die bevallen is tijdens de periode van 3 maanden vóór de vermoedelijke of werkelijke bevallingsdatum en gedurende de 4 maanden die volgen op de werkelijke bevallingsdatum.
   De procedure voor de controle van de actieve beschikbaarheid is ten vroegste opnieuw van toepassing vanaf de dag na de afloop van de periode van 4 maanden die volgt op de werkelijke bevallingsdatum of later, wanneer opnieuw voldaan is aan de voorwaarden van artikel 58/2.
   § 8. Zodra hij over de informatie beschikt, deelt de RVA aan de bevoegde gewestinstelling, via een wekelijkse geïnformatiseerde stroom mee:
   1° de gegevens van de werklozen die een blijvende arbeidsongeschiktheid van ten minste 33 % bewijzen, erkend door de erkend geneesheer van de RVA conform de procedure voorzien in artikel 141;
   2° de gegevens van de werklozen voor wie de procedure voor de controle van de actieve beschikbaarheid is opgeschort in toepassing van §§ 2, 5 of 6, alsook de begindatum en de einddatum van de periode van opschorting.]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij KB 2015-12-14/05, art. 2, 247; Inwerkingtreding : 01-01-2016>

  Art. 58/4. [1 § 1. Volgens de nadere regels die hij bepaalt, informeert de bevoegde gewestelijke dienst voor arbeidsbemiddeling de volledig werkloze omtrent zijn rechten en plichten betreffende zijn inschrijving als werkzoekende en omtrent de procedure voor de controle van de actieve beschikbaarheid die zal worden toegepast tijdens de duur van zijn werkloosheid.
   De informatie bedoeld in het eerste lid wordt meegedeeld aan de volledig werkloze op het ogenblik van zijn eerste inschrijving als werkzoekende bij de bevoegde gewestelijke dienst voor arbeidsbemiddeling en bij elke nieuwe inschrijving als werkzoekende na een onderbreking van de inschrijving gedurende een ononderbroken periode van ten minste 3 maanden.]1
   § 2. Volgens de modaliteiten die hij bepaalt, informeert de bevoegde gewestelijke dienst voor arbeidsbemiddeling de deeltijdse werknemer met behoud van rechten bedoeld in artikel 58/2, tweede lid, 2° over zijn rechten en plichten betreffende zijn inschrijving als werkzoekende en over de controleprocedure van de actieve beschikbaarheid die zal worden toegepast tijdens de periode van twaalf maanden bedoeld in het voormelde artikel 58/2, tweede lid, 2°.
   De informatie bedoeld in het eerste lid wordt aan de deeltijdse werknemer met behoud van rechten meegedeeld op het ogenblik waarop hij zich inschrijft als werkzoekende bij de bevoegde gewestelijke dienst voor arbeidsbemiddeling, conform artikel 131bis, § 1, 2°.
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij KB 2015-12-14/05, art. 5, 247; Inwerkingtreding : 01-01-2016>

  Art. 58/4 TOEKOMSTIG RECHT.
  [1 § 1. Volgens de nadere regels die hij bepaalt, informeert de bevoegde gewestelijke dienst voor arbeidsbemiddeling de volledig werkloze omtrent zijn rechten en plichten betreffende zijn inschrijving als werkzoekende en omtrent de procedure voor de controle van de actieve beschikbaarheid die zal worden toegepast tijdens de duur van zijn werkloosheid.
   De informatie bedoeld in het eerste lid wordt meegedeeld aan de volledig werkloze op het ogenblik van zijn eerste inschrijving als werkzoekende bij de bevoegde gewestelijke dienst voor arbeidsbemiddeling en bij elke nieuwe inschrijving als werkzoekende na een onderbreking van de inschrijving gedurende een ononderbroken periode van ten minste 3 maanden.]1
  

[2 § 2. Volgens de modaliteiten die hij bepaalt, informeert de bevoegde gewestelijke dienst voor arbeidsbemiddeling de deeltijdse werknemer met behoud van rechten bedoeld in artikel 58/2, tweede lid, 2° over zijn rechten en plichten betreffende zijn inschrijving als werkzoekende en over de controleprocedure van de actieve beschikbaarheid die zal worden toegepast tijdens de periode van twaalf maanden bedoeld in het voormelde artikel 58/2, tweede lid, 2°.
   De informatie bedoeld in het eerste lid wordt aan de deeltijdse werknemer met behoud van rechten meegedeeld op het ogenblik waarop hij zich inschrijft als werkzoekende bij de bevoegde gewestelijke dienst voor arbeidsbemiddeling, conform artikel 131bis, § 1, 2°.]2
  

----------
  (1)<Ingevoegd bij KB 2015-12-14/05, art. 5, 247; Inwerkingtreding : 01-01-2016>
  (2)<KB 2015-12-14/05, art. 5, 247; Inwerkingtreding : 01-09-2016>

  Art. 58/5. [1 De bevoegde gewestinstelling evalueert periodiek de actieve beschikbaarheid van de volledig werkloze tijdens de volledige duur van de werkloosheid en ten minste een keer per jaar, volgens de modaliteiten die zij bepaalt, en zorgt er daarbij voor dat de rechten van de verdediging worden nageleefd.]1
   De bevoegde gewestinstelling evalueert de actieve beschikbaarheid van de deeltijdse werknemer met behoud van rechten bedoeld in artikel 58/2, tweede lid, 2°, ten minste een keer tijdens de periode van twaalf maanden bedoeld in het voormelde artikel 58/2, tweede lid, 2°.
  [1 Bij een evaluatiegesprek dat aanleiding kan geven tot de toepassing van artikel 58/9 kan de werkloze zich laten bijstaan door een advocaat of door een afgevaardigde van een werknemersorganisatie die een erkende uitbetalingsinstelling heeft opgericht.
   In geval van negatieve evaluatie vindt ten laatste 6 maanden na de negatieve evaluatie of ten laatste 6 maanden na het verstrijken van de sanctie die werd toegepast als gevolg van de negatieve evaluatie een nieuwe evaluatie plaats.
   Rekening houdend met het minimum bedoeld in het eerste of tweede lid en met de termijn bepaald in het vierde lid, legt de bevoegde gewestinstelling de periodiciteit en de timing vast van de evaluaties, in het bijzonder rekening houdend met het profiel van de werkloze en de termijnen van de realisatie van de acties voorzien in het individuele actieplan dat werd overeengekomen met de tewerkstellingsconsulent van de bevoegde gewestelijke dienst voor arbeidsbemiddeling.]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij KB 2015-12-14/05, art. 5, 247; Inwerkingtreding : 01-01-2016>

  Art. 58/5 TOEKOMSTIG RECHT.
  [1 De bevoegde gewestinstelling evalueert periodiek de actieve beschikbaarheid van de volledig werkloze tijdens de volledige duur van de werkloosheid en ten minste een keer per jaar, volgens de modaliteiten die zij bepaalt, en zorgt er daarbij voor dat de rechten van de verdediging worden nageleefd.]1
  

[2 De bevoegde gewestinstelling evalueert de actieve beschikbaarheid van de deeltijdse werknemer met behoud van rechten bedoeld in artikel 58/2, tweede lid, 2°, ten minste een keer tijdens de periode van twaalf maanden bedoeld in het voormelde artikel 58/2, tweede lid, 2°.]2

[1 Bij een evaluatiegesprek dat aanleiding kan geven tot de toepassing van artikel 58/9 kan de werkloze zich laten bijstaan door een advocaat of door een afgevaardigde van een werknemersorganisatie die een erkende uitbetalingsinstelling heeft opgericht.
   In geval van negatieve evaluatie vindt ten laatste 6 maanden na de negatieve evaluatie of ten laatste 6 maanden na het verstrijken van de sanctie die werd toegepast als gevolg van de negatieve evaluatie een nieuwe evaluatie plaats.
   Rekening houdend met het minimum bedoeld in het eerste of tweede lid en met de termijn bepaald in het vierde lid, legt de bevoegde gewestinstelling de periodiciteit en de timing vast van de evaluaties, in het bijzonder rekening houdend met het profiel van de werkloze en de termijnen van de realisatie van de acties voorzien in het individuele actieplan dat werd overeengekomen met de tewerkstellingsconsulent van de bevoegde gewestelijke dienst voor arbeidsbemiddeling.]1
  

----------
  (1)<Ingevoegd bij KB 2015-12-14/05, art. 5, 247; Inwerkingtreding : 01-01-2016>
  (2)<KB 2015-12-14/05, art. 5, 247; Inwerkingtreding : 01-09-2016>

  Art. 58/6. Tijdens elke evaluatie van de actieve beschikbaarheid van de werkloze, heeft de evaluatie betrekking op de periode sinds de vorige evaluatie of indien er nog geen evaluatie is geweest, op de periode sinds het begin van de werkloosheid of, indien het gaat om een deeltijdse werknemer met behoud van rechten bedoeld in artikel 58/2, tweede lid, 2°, sinds het begin van de periode van twaalf maanden bedoeld in het voormelde artikel 58/2, tweede lid, 2°.
  [1 Voor de toepassing van het vorige lid moet onder begin van de werkloosheid de datum worden verstaan van de eerste inschrijving van de werkloze als werkzoekende bij de bevoegde gewestelijke dienst voor arbeidsbemiddeling of de datum van zijn herinschrijving als werkzoekende na een onderbreking van de inschrijving gedurende een ononderbroken periode van ten minste 3 maanden.
   Tijdens de evaluatie evalueert de bevoegde gewestinstelling elk van de volgende elementen :
   1° de uitvoering door de betrokken werkloze van het individueel actieplan dat werd afgesloten met de tewerkstellingsconsulent van de gewestelijke dienst voor arbeidsbemiddeling, de graad van verwezenlijking van de acties voorzien in het actieplan en de naleving van de toegestane termijnen voor de realisatie van de acties;
   2° de persoonlijke stappen om naar werk te zoeken die de werkloze zelfstandig heeft ondernomen tijdens de geëvalueerde periode, evenwel met uitzondering van de periode tijdens dewelke hij vrijgesteld was van de verplichting om zelf actief naar werk te zoeken, in toepassing van artikel 58, § 1, derde lid;
   3° de eventuele arbeids- of opleidingsperiodes van de werkloze tijdens de geëvalueerde periode;
   4° de eventuele andere acties die de werkloze onderneemt met het oog op zijn herinschakeling op de arbeidsmarkt.
   Voor de toepassing van het derde lid, 1°, evalueert de bevoegde gewestinstelling de uitvoering van het actieplan door de werkloze, de graad van verwezenlijking van de acties voorzien in het actieplan en de naleving van de toegestane termijnen, rekening houdend met alle elementen van het individuele dossier van de betrokken werkloze.
   Voor de toepassing van het derde lid, 2°, moet de werkloze het bewijs leveren van de persoonlijke stappen die hij heeft ondernomen om naar werk te zoeken, bij voorkeur door middel van materiële bewijzen. Bij gebrek aan materiële bewijzen komt een schriftelijke verklaring op eer in aanmerking indien ze precies, geloofwaardig en controleerbaar is. De werkloze maakt die bewijzen over via de post of elektronisch of volgens de modaliteiten bepaald in het individuele actieplan of maakt ze, desgevallend, ten laatste over tijdens het evaluatiegesprek.
   Voor de toepassing van het derde lid, 2°, evalueert de bevoegde gewestinstelling op basis van de door de werkloze geleverde bewijzen en rekening houdend met alle elementen van het individuele dossier, de pertinentie van de persoonlijke stappen om naar werk te zoeken die hij heeft ondernomen. De persoonlijke stappen om naar werk te zoeken die werden ondernomen door de werkloze worden positief geëvalueerd als de werkloze kan aantonen dat ze regelmatig, gediversifieerd zowel naar het type van zoeken als naar de sector van activiteit zijn en ze inzonderheid rekening houden met de criteria van de passende dienstbetrekking, bepaald krachtens artikel 51, § 2, eerste lid, 1°.
   Tijdens elke evaluatie wordt de informatie waarop de evaluatie is gebaseerd, aan de werkloze meegedeeld.]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij KB 2015-12-14/05, art. 5, 247; Inwerkingtreding : 01-01-2016>

  Art. 58/6 TOEKOMSTIG RECHT.
  

[2 Tijdens elke evaluatie van de actieve beschikbaarheid van de werkloze, heeft de evaluatie betrekking op de periode sinds de vorige evaluatie of indien er nog geen evaluatie is geweest, op de periode sinds het begin van de werkloosheid of, indien het gaat om een deeltijdse werknemer met behoud van rechten bedoeld in artikel 58/2, tweede lid, 2°, sinds het begin van de periode van twaalf maanden bedoeld in het voormelde artikel 58/2, tweede lid, 2°.]2

[1 Voor de toepassing van het vorige lid moet onder begin van de werkloosheid de datum worden verstaan van de eerste inschrijving van de werkloze als werkzoekende bij de bevoegde gewestelijke dienst voor arbeidsbemiddeling of de datum van zijn herinschrijving als werkzoekende na een onderbreking van de inschrijving gedurende een ononderbroken periode van ten minste 3 maanden.
   Tijdens de evaluatie evalueert de bevoegde gewestinstelling elk van de volgende elementen :
   1° de uitvoering door de betrokken werkloze van het individueel actieplan dat werd afgesloten met de tewerkstellingsconsulent van de gewestelijke dienst voor arbeidsbemiddeling, de graad van verwezenlijking van de acties voorzien in het actieplan en de naleving van de toegestane termijnen voor de realisatie van de acties;
   2° de persoonlijke stappen om naar werk te zoeken die de werkloze zelfstandig heeft ondernomen tijdens de geëvalueerde periode, evenwel met uitzondering van de periode tijdens dewelke hij vrijgesteld was van de verplichting om zelf actief naar werk te zoeken, in toepassing van artikel 58, § 1, derde lid;
   3° de eventuele arbeids- of opleidingsperiodes van de werkloze tijdens de geëvalueerde periode;
   4° de eventuele andere acties die de werkloze onderneemt met het oog op zijn herinschakeling op de arbeidsmarkt.
   Voor de toepassing van het derde lid, 1°, evalueert de bevoegde gewestinstelling de uitvoering van het actieplan door de werkloze, de graad van verwezenlijking van de acties voorzien in het actieplan en de naleving van de toegestane termijnen, rekening houdend met alle elementen van het individuele dossier van de betrokken werkloze.
   Voor de toepassing van het derde lid, 2°, moet de werkloze het bewijs leveren van de persoonlijke stappen die hij heeft ondernomen om naar werk te zoeken, bij voorkeur door middel van materiële bewijzen. Bij gebrek aan materiële bewijzen komt een schriftelijke verklaring op eer in aanmerking indien ze precies, geloofwaardig en controleerbaar is. De werkloze maakt die bewijzen over via de post of elektronisch of volgens de modaliteiten bepaald in het individuele actieplan of maakt ze, desgevallend, ten laatste over tijdens het evaluatiegesprek.
   Voor de toepassing van het derde lid, 2°, evalueert de bevoegde gewestinstelling op basis van de door de werkloze geleverde bewijzen en rekening houdend met alle elementen van het individuele dossier, de pertinentie van de persoonlijke stappen om naar werk te zoeken die hij heeft ondernomen. De persoonlijke stappen om naar werk te zoeken die werden ondernomen door de werkloze worden positief geëvalueerd als de werkloze kan aantonen dat ze regelmatig, gediversifieerd zowel naar het type van zoeken als naar de sector van activiteit zijn en ze inzonderheid rekening houden met de criteria van de passende dienstbetrekking, bepaald krachtens artikel 51, § 2, eerste lid, 1°.
   Tijdens elke evaluatie wordt de informatie waarop de evaluatie is gebaseerd, aan de werkloze meegedeeld.]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij KB 2015-12-14/05, art. 5, 247; Inwerkingtreding : 01-01-2016>
  (2)<KB 2015-12-14/05, art. 5, 247; Inwerkingtreding : 01-09-2016>

  Art. 58/7. [1 § 1. Na elke evaluatie van de actieve beschikbaarheid van de werkloze, wordt door de bevoegde gewestinstelling een positieve of negatieve evaluatiebeslissing, naargelang het geval, genomen en wordt die beslissing, onverminderd de bepalingen voorzien in § 2, meegedeeld aan de betrokken werkloze, waarbij de rechten van de verdediging worden nageleefd.
   De procedure en de termijnen die van toepassing zijn voor de evaluatiebeslissing bedoeld in het eerste lid worden bepaald door het bevoegde gewest.
   § 2. In geval van een negatieve evaluatie moet de beslissing genomen door de bevoegde gewestinstelling, op straffe van nietigheid, gemotiveerd worden in feite en in rechte.
   De bevoegde gewestinstelling betekent de negatieve evaluatiebeslissing, bedoeld in het eerste lid, schriftelijk aan de betrokken werkloze. Op straffe van nietigheid moet de schriftelijke betekening de motivering vermelden van de beslissing alsook de sanctie die moet worden toegepast in toepassing van artikel 58/9 en de mogelijkheden om beroep aan te tekenen tegen die beslissing.
   De negatieve evaluatiebeslissing en de sanctie die moet worden toegepast worden aan de Rijksdienst meegedeeld door de bevoegde gewestinstelling.
   § 3. De werkloze die een beslissing genomen door de bevoegde gewestinstelling betwist, kan beroep aantekenen bij de bevoegde arbeidsrechtbank overeenkomstig artikel 7, § 11, eerste tot derde lid van de besluitwet van 28 december 1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders.]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij KB 2015-12-14/05, art. 5, 247; Inwerkingtreding : 01-01-2016>

  Art. 58/8. [1 Wanneer de werkloze verhuist en de gemeente van zijn nieuwe hoofdverblijfplaats tot het ambtsgebied behoort van een andere bevoegde gewestinstelling, neemt die instelling de procedure voor de controle van de actieve beschikbaarheid over in het stadium waarin ze zich bevond op het ogenblik van de verhuizing van de werkloze, rekening houdend met de evaluaties die reeds werden uitgevoerd door de gewestinstelling die bevoegd was vóór de verhuis.
   De gewestinstelling die bevoegd was vóór de verhuizing maakt het volledige dossier van de werkloze over aan de bevoegde gewestinstelling, indien die instelling daarom vraagt.
   In afwijking van het eerste lid, blijft de gewestinstelling die, op basis van de hoofdverblijfplaats van de werkloze, bevoegd was op het ogenblik van de evaluatie, bevoegd om, zelfs na de verhuizing van de werkloze naar het ambtsgebied van een andere gewestinstelling, een beslissing te nemen in toepassing van artikel 58/7 op basis van die evaluatie, op voorwaarde dat de evaluatiebeslissing werd meegedeeld of betekend aan de werkloze binnen een termijn van 3 maanden te tellen vanaf de datum van de evaluatie.]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij KB 2015-12-14/05, art. 5, 247; Inwerkingtreding : 01-01-2016>

  Art. 58/9. [1 De volledig werkloze van wie de actieve beschikbaarheid negatief wordt geëvalueerd door de bevoegde gewestinstelling wordt gesanctioneerd met een verwittiging indien het gaat om de eerste negatieve evaluatie.
   In afwijking van het eerste lid, wanneer hem reeds een formele schriftelijke verwittiging in het kader van de actieve beschikbaarheid werd betekend tijdens de begeleiding, zal de volledig werkloze wiens actieve beschikbaarheid negatief wordt geëvalueerd :
   1° gedurende een periode van ten minste 4 weken en maximum 10 weken, de verminderde werkloosheidsuitkering genieten bedoeld in artikel 130bis, indien hij de hoedanigheid van werknemer met gezinslast heeft in de zin van artikel 110, § 1, of van alleenwonende werknemer in de zin van artikel 110, § 2;
   2° gedurende een periode van ten minste 4 weken en maximum 10 weken uitgesloten worden van het recht op uitkeringen, indien hij de hoedanigheid heeft van samenwonende werknemer in de zin van artikel 110, § 3, of indien hij inschakelingsuitkeringen geniet.
   § 2. Na een tweede negatieve evaluatie van zijn actieve beschikbaarheid zal de volledig werkloze :
   1° gedurende een periode van 13 weken de verminderde werkloosheidsuitkering genieten bedoeld in artikel 130bis, indien hij de hoedanigheid van werknemer met gezinslast heeft in de zin van artikel 110, § 1, of van alleenwonende werknemer in de zin van artikel 110, § 2;
   2° gedurende een periode van 13 weken uitgesloten worden van het recht op uitkeringen, indien hij de hoedanigheid heeft van samenwonende werknemer in de zin van artikel 110, § 3 of indien hij inschakelingsuitkeringen geniet.
   § 3. Na een derde negatieve evaluatie van zijn actieve beschikbaarheid zal de volledig werkloze :
   1° gedurende een periode van 6 maanden, berekend van datum tot datum, de verminderde werkloosheidsuitkering genieten bedoeld in artikel 130bis en na afloop van de voormelde periode uitgesloten worden van het recht op werkloosheidsuitkeringen, indien hij de hoedanigheid van werknemer met gezinslast heeft in de zin van artikel 110, § 1 of van alleenwonende werknemer in de zin van artikel 110, § 2;
   2° uitgesloten worden van het recht op uitkeringen, indien hij de hoedanigheid heeft van samenwonende werknemer in de zin van artikel 110, § 3 of indien hij inschakelingsuitkeringen geniet.
   § 4. Voor de toepassing van de paragrafen 1 tot 3 wordt na twee opeenvolgende positieve evaluaties door de bevoegde gewestinstelling geen rekening meer gehouden met de vroegere negatieve evaluaties.
   Voor de toepassing van deze paragraaf wordt eveneens rekening gehouden met de laatste evaluatie verricht door de Rijksdienst vóór de overname door de bevoegde gewestinstelling van de operationele uitvoering van de controle op de actieve beschikbaarheid van de volledig werklozen die hun hoofdverblijfplaats hebben in haar ambtsgebied.]1
   § 5. Voor de toepassing van de paragrafen 1 tot 4 wordt de deeltijdse werknemer met behoud van rechten bedoeld in artikel 58/2, tweede lid, 2° gelijkgesteld met een volledig werkloze.
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij KB 2015-12-14/05, art. 5, 247; Inwerkingtreding : 01-01-2016>

  Art. 58/9 TOEKOMSTIG RECHT.
  [1 De volledig werkloze van wie de actieve beschikbaarheid negatief wordt geëvalueerd door de bevoegde gewestinstelling wordt gesanctioneerd met een verwittiging indien het gaat om de eerste negatieve evaluatie.
   In afwijking van het eerste lid, wanneer hem reeds een formele schriftelijke verwittiging in het kader van de actieve beschikbaarheid werd betekend tijdens de begeleiding, zal de volledig werkloze wiens actieve beschikbaarheid negatief wordt geëvalueerd :
   1° gedurende een periode van ten minste 4 weken en maximum 10 weken, de verminderde werkloosheidsuitkering genieten bedoeld in artikel 130bis, indien hij de hoedanigheid van werknemer met gezinslast heeft in de zin van artikel 110, § 1, of van alleenwonende werknemer in de zin van artikel 110, § 2;
   2° gedurende een periode van ten minste 4 weken en maximum 10 weken uitgesloten worden van het recht op uitkeringen, indien hij de hoedanigheid heeft van samenwonende werknemer in de zin van artikel 110, § 3, of indien hij inschakelingsuitkeringen geniet.
   § 2. Na een tweede negatieve evaluatie van zijn actieve beschikbaarheid zal de volledig werkloze :
   1° gedurende een periode van 13 weken de verminderde werkloosheidsuitkering genieten bedoeld in artikel 130bis, indien hij de hoedanigheid van werknemer met gezinslast heeft in de zin van artikel 110, § 1, of van alleenwonende werknemer in de zin van artikel 110, § 2;
   2° gedurende een periode van 13 weken uitgesloten worden van het recht op uitkeringen, indien hij de hoedanigheid heeft van samenwonende werknemer in de zin van artikel 110, § 3 of indien hij inschakelingsuitkeringen geniet.
   § 3. Na een derde negatieve evaluatie van zijn actieve beschikbaarheid zal de volledig werkloze :
   1° gedurende een periode van 6 maanden, berekend van datum tot datum, de verminderde werkloosheidsuitkering genieten bedoeld in artikel 130bis en na afloop van de voormelde periode uitgesloten worden van het recht op werkloosheidsuitkeringen, indien hij de hoedanigheid van werknemer met gezinslast heeft in de zin van artikel 110, § 1 of van alleenwonende werknemer in de zin van artikel 110, § 2;
   2° uitgesloten worden van het recht op uitkeringen, indien hij de hoedanigheid heeft van samenwonende werknemer in de zin van artikel 110, § 3 of indien hij inschakelingsuitkeringen geniet.
   § 4. Voor de toepassing van de paragrafen 1 tot 3 wordt na twee opeenvolgende positieve evaluaties door de bevoegde gewestinstelling geen rekening meer gehouden met de vroegere negatieve evaluaties.
   Voor de toepassing van deze paragraaf wordt eveneens rekening gehouden met de laatste evaluatie verricht door de Rijksdienst vóór de overname door de bevoegde gewestinstelling van de operationele uitvoering van de controle op de actieve beschikbaarheid van de volledig werklozen die hun hoofdverblijfplaats hebben in haar ambtsgebied.]1
  

[2 § 5. Voor de toepassing van de paragrafen 1 tot 4 wordt de deeltijdse werknemer met behoud van rechten bedoeld in artikel 58/2, tweede lid, 2° gelijkgesteld met een volledig werkloze.]2

----------
  (1)<Ingevoegd bij KB 2015-12-14/05, art. 5, 247; Inwerkingtreding : 01-01-2016>
  (2)<KB 2015-12-14/05, art. 5, 247; Inwerkingtreding : 01-09-2016>

  Art. 58/10. [1 De beslissing genomen in toepassing van artikel 58/9 door de bevoegde gewestinstelling gaat in vanaf de eerste dag van de vierde week die volgt op de week tijdens dewelke de bevoegde gewestinstelling de beslissing meedeelt aan de werkloze en aan de Rijksdienst.
   Wanneer de uitsluiting bedoeld in artikel 58/9, § 1, tweede lid of § 2 op hetzelfde moment moet ingaan als een uitsluiting gebaseerd op artikel 52 of 52bis en/of een administratieve sanctie voorzien in artikelen 153, 154 of 155, wordt de totale duur van de uitsluiting vastgesteld door de samentelling van de duur van de verschillende periodes van uitsluiting. Wanneer een periode van uitsluiting een aanvang moest nemen tijdens een andere periode van uitsluiting, neemt zij slechts een aanvang bij het verstrijken van die laatste.
   De periode van ziekte verlengt op evenredige wijze de duur van de uitsluiting bedoeld in artikel 58/9, § 1, tweede lid of § 2.
   In afwijking van het vorige lid wordt de verlenging met de ziekteperiode evenwel beperkt tot een periode van maximaal 3 jaar berekend van datum tot datum.
   De uitsluiting voorzien in artikel 58/9, § 1, tweede lid, § 2 of § 3 houdt tijdelijk op uitwerking te hebben gedurende de periode tijdens dewelke de werkloze het werk hervat heeft als loontrekkende en tijdelijk werkloos is gesteld in die betrekking.
   De bevoegde gewestinstelling vermeldt de principes vermeld in lid 2 tot 5 in de beslissing die ze betekent aan de werkloze.]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij KB 2015-12-14/05, art. 5, 247; Inwerkingtreding : 01-01-2016>

  Art. 58/11. [1 De in artikel 58/9, § 3, bedoelde uitsluiting eindigt wanneer de werknemer opnieuw voldoet aan de toelaatbaarheidsvoorwaarden voorzien in de artikelen 30 tot 33 of wanneer hij een wachttijd heeft vervuld van :
   1° 312 arbeids- of gelijkgestelde dagen in de zin van de artikelen 37 of 38 in de loop van de 21 maanden die voorafgaan aan zijn uitkeringsaanvraag als voltijds werknemer;
   2° 312 halve arbeids- of gelijkgestelde dagen in de zin van de artikelen 37 of 38 in de loop van de 27 maanden die zijn uitkeringsaanvraag als vrijwillig deeltijdse werknemer in een arbeidsregime dat voldoet aan de voorwaarden van artikel 33, 1°, voorafgaan.
   Voor de toepassing van het vorige lid wordt geen rekening gehouden :
   1° met de arbeids- of gelijkgestelde dagen gelegen vóór de dag van ontvangst van de beslissing tot uitsluiting bedoeld in artikel 58/10;
   2° met de dagen die aanleiding hebben gegeven tot het betalen van een uitkering in toepassing van dit besluit;
   3° met de dagen die aanleiding hebben gegeven tot de betaling van een vergoeding in toepassing van de wetgeving betreffende de verplichte ziekte- en invaliditeitsverzekering, behalve indien zij onmiddellijk zijn voorafgegaan door een ononderbroken periode van 26 arbeidsdagen of 26 halve arbeidsdagen, indien het gaat om een vrijwillig deeltijdse werknemer.
   Voor de toepassing van het eerste lid, worden de dagen tijdelijke werkloosheid, al dan niet vergoed, beschouwd als gelijkgestelde dagen ten belope van ten hoogste 78 dagen of, indien het om een vrijwillig deeltijdse werknemer gaat, ten hoogste 78 halve dagen.]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij KB 2015-12-14/05, art. 5, 247; Inwerkingtreding : 01-01-2016>

  Art. 58/12. [1 In afwijking van artikel 58/1, tweede lid, zijn de artikelen 58/2 tot 58/11 ook van toepassing op de controle van de actieve beschikbaarheid van de volledig werklozen die, op het ogenblik waarop de bevoegde gewestinstelling de operationele uitoefening overneemt van die controle, onderworpen zijn aan een lopende opvolgingsprocedure in toepassing van de artikelen 59bis tot 59decies of de artikelen 59bis/1 tot 59quinquies/2.
   Voor de toepassing van het eerste lid worden beschouwd als zijnde onderworpen aan een lopende opvolgingsprocedure, de werklozen die vóór het ogenblik waarop de bevoegde gewestinstelling de operationele uitoefening overneemt van de controle van de actieve beschikbaarheid :
   1° een verwittigingsbrief hebben ontvangen in toepassing van artikel 59ter of de mededeling van een positieve evaluatie met de aankondiging van een toekomstige nieuwe evaluatie, zonder dat die verwittigingsbrief of de mededeling van de positieve evaluatie werd gevolgd door een positief evaluatiegesprek;
   2° een informatiebrief hebben ontvangen in toepassing van artikel 59ter/1.
   Voor de toepassing van de artikelen 58/2 tot 58/11 op de werklozen bedoeld in het eerste lid, houdt de bevoegde gewestinstelling rekening met de evaluaties die werden uitgevoerd en de beslissingen die werden genomen door de directeur van het bevoegde werkloosheidsbureau in toepassing van de artikelen 59bis tot 59decies of de artikelen 59bis/1 tot 59quinquies/2.
   Voor de volledig werklozen die zijn onderworpen aan een lopende procedure in toepassing van de artikelen 59bis tot 59decies, deelt de Rijksdienst desgevallend aan de bevoegde gewestinstelling de inhoud mee van de afgesloten overeenkomsten in toepassing van de artikelen 59quater, § 5, of 59quinquies, § 5, zoals ze van kracht waren tot 30 juni 2014, die nog niet werden geëvalueerd op het ogenblik waarop de bevoegde gewestinstelling de operationele uitoefening van de controle van de actieve beschikbaarheid overneemt.]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij KB 2015-12-14/05, art. 5, 247; Inwerkingtreding : 01-01-2016>

  Art. 59. Na advies van het beheerscomité bepaalt de Minister in welke gevallen de tijdelijk werkloze werkzoekend moet zijn en als dusdanig moet ingeschreven zijn en blijven.

  Art. 59bis.[5 § 1. Onverminderd de bepalingen van artikel 58 volgt de directeur het actieve zoekgedrag naar werk op van de werkloze die, op de dag van de verzending van de oproeping bedoeld in artikel 59quater, tegelijkertijd aan de volgende voorwaarden voldoet :
   1° volledig werkloos zijn in de zin van artikel 27, eerste lid, 1°, a);
   2° verplicht ingeschreven zijn als werkzoekende, overeenkomstig artikel 58;
   De werkloze die in de loop van de maand en de daaraan voorafgaande 2 maanden minstens één dag werkloosheidsuitkeringen heeft genoten, zonder daarbij vrijgesteld geweest te zijn van de verplichting ingeschreven te zijn als werkzoekende, wordt gelijkgesteld met een verplicht ingeschreven werkzoekende.
   3° arbeidsgeschikt zijn in de zin van de wetgeving op de verplichte ziekte- en invaliditeitsverzekering;
   4° [6 ...]6
   5° een werkloosheidsduur bereikt hebben van minstens 9 maanden, indien hij jonger is dan 25 jaar of van minstens 12 maanden, indien hij 25 jaar of ouder is;
   6° niet tewerkgesteld zijn geweest als deeltijds werknemer met behoud van rechten;
   7° geen werkloze zijn bedoeld in artikel 28, § 3.
   § 2. Voor de toepassing van § 1, eerste lid, 5°, wordt als startpunt voor de werkloosheidsduur genomen :
   1° de datum van de eerste inschrijving als werkzoekende bij de bevoegde gewestelijke dienst voor arbeidsbemiddeling;
   2° de datum van herinschrijving als werkzoekende bij de bevoegde gewestelijke dienst voor arbeidsbemiddeling na een ononderbroken onderbreking van de inschrijving als werkzoekende gedurende minstens 3 maanden.
   Onderbrekingen in de periode van inschrijving als werkzoekende andere dan deze bedoeld in het eerste lid, 2°, hebben geen stuitend of schorsend effect op de lopende werkloosheidsperiode.
   Voor elke werkloze worden de begindatum en elke nieuwe begindatum van de werkloosheidsduur bedoeld in het eerste lid, via een wekelijkse geïnformatiseerde stroom aan de Rijksdienst meegedeeld door de bevoegde gewestelijke dienst voor arbeidsbemiddeling, van zodra deze dienst over de informatie beschikt.
   § 3. De opvolgingsprocedure bedoeld in dit artikel wordt opgeschort tijdens de kalendermaand van de effectieve aanvang van het individuele actieplan bedoeld in artikel 27, eerste lid, 14° en tijdens de 2 daarop volgende maanden, in zoverre het individuele actieplan gestart is vóór het einde van de eerste 4 werkloosheidsmaanden, indien de werkloze jonger is dan 25 jaar of vóór het einde van de eerste 9 werkloosheidsmaanden, indien de werkloze 25 jaar is of ouder, rekening houdend met de berekening van de werkloosheidsduur in toepassing van § 2.
   Voor de toepassing van het eerste lid wordt rekening gehouden met de leeftijd van de werkloze op het ogenblik van het startpunt van de werkloosheidsduur bedoeld in § 2.
   § 4. De opvolgingsprocedure bedoeld in de artikelen 59ter, 59quater en 59quinquies wordt opgeschort tijdens de periode gedurende dewelke de werkloze een intensieve opleidingsactie volgt.
   Voor de toepassing van het eerste lid wordt onder intensieve opleidingsactie verstaan, de periode van opleiding voor een ononderbroken periode van minstens 3 maanden, voorgesteld door de bevoegde gewestelijke dienst voor arbeidsbemiddeling en beroepsopleiding :
   1° waarvoor de werkloze, in toepassing van de artikelen 91, 92, 93 of 94, § 5 vrijstelling heeft verkregen van de verplichting ingeschreven te zijn als werkzoekende en beschikbaar te zijn voor de arbeidsmarkt;
   2° waarvoor de werkloze, in toepassing van artikel 94, § 1 tot § 3, vrijstelling heeft verkregen van de verplichting ingeschreven te zijn als werkzoekende en beschikbaar te zijn voor de arbeidsmarkt en het een opleiding betreft waarbij de aanwezigheid van de werkloze gedurende minstens 20 uur per week is vereist en de werkloze ook effectief minstens 20 uur per week aanwezig is, tenzij de afwezigheid het gevolg was van overmacht.
   Indien de intensieve opleidingsactie past binnen het kader van een individueel actieplan bedoeld in artikel 27, eerste lid, 14°, moet het individuele actieplan alle nodige elementen bevatten om aan te tonen dat voldaan is aan de voorwaarden van het tweede lid, 2°.
   De opvolgingsprocedure is opnieuw van toepassing ten vroegste vanaf de dag na het einde van de intensieve opleidingsactie, wanneer opnieuw voldaan is aan de voorwaarden bedoeld in § 1.
   § 5. De opvolgingsprocedure bedoeld in de artikelen 59ter, 59quater en 59quinquies wordt opgeschort gedurende de periode tijdens dewelke de werkloze een specifiek begeleidingstraject volgt, hem voorgesteld door de bevoegde gewestelijke dienst voor arbeidsbemiddeling, op voorwaarde dat voldaan is aan de volgende voorwaarden :
   1° de werkloze vertoont een combinatie van psycho-medisch-sociale factoren die zijn gezondheid en/of sociale inschakeling duurzaam aantasten en, hierdoor, zijn professionele inschakeling, met als gevolg dat de werkloze binnen de 12 maanden die volgen niet in staat is om te werken in het gewone economische circuit of in het kader van een al dan niet betaalde aangepaste en omkaderde arbeidsplaats;
   2° het voorgestelde specifieke begeleidingstraject voldoet aan de volgende voorwaarden :
   a) het vormt het voorwerp van een wederzijdse verbintenis van de partijen;
   b) het betreft een voor de doelgroep bedoeld in dit artikel specifieke begeleidingsactie, aangewend door de bevoegde gewestelijke dienst voor arbeidsbemiddeling en beroepsopleiding die, in voorkomend geval, een beroep doet op de medewerking van derden;
   c) het bevat een verkennende fase om de factoren te identificeren die de inschakeling op de arbeidsmarkt bemoeilijken, gevolgd door een geheel van intensieve acties die de impact hiervan beogen te verminderen en de socioprofessionele inschakeling beogen te bevorderen;
   d) wanneer het wordt georganiseerd in samenwerking met een derde, vormt het traject regelmatig het voorwerp van een verslag aan de bevoegde gewestelijke dienst voor arbeidsbemiddeling;
   e) het is in duur beperkt tot wat strikt noodzakelijk is voor de psycho-medisch-sociale remediëring, in een perspectief van professionele inschakeling, en deze duur mag in elk geval de 21 maanden, screeningsfase inbegrepen, niet overschrijden.
   Het specifieke traject kan eenmalig verlengd of vernieuwd worden voor een bijkomende periode van maximum 18 maanden.
   De schorsing van de procedure bedoeld in dit artikel houdt op vanaf het ogenblik waarop wordt aangetoond dat de werkloze niet meer deelneemt of op positieve wijze samenwerkt met het specifieke traject voorgesteld door de bevoegde gewestelijke dienst voor arbeidsbemiddeling.
   De opvolgingsprocedure is opnieuw van toepassing ten vroegste vanaf de dag na het einde van het specifieke begeleidingstraject of later, wanneer opnieuw voldaan is aan de voorwaarden bedoeld in § 1.
   § 6. [6 ...]6
   § 7. De opvolgingsprocedure bedoeld in de artikelen 59ter, 59quater en 59quinquies wordt opgeschort gedurende de periode tijdens dewelke de werkloze afziet van uitkeringen en tot aan de indiening van een nieuwe uitkeringsaanvraag als volledig werkloze, indien de volgende voorwaarden vervuld zijn :
   1° de werkloze verzaakt aan de uitkeringen voor een ononderbroken periode van minstens 12 maanden;
   2° de werkloze doet hiervan voorafgaandelijk een schriftelijke en onherroepbare aangifte bij het werkloosheidsbureau;
   3° de werkloze verbindt zich schriftelijk bij de Rijksdienst deze verzaking niet te herroepen.
   De opvolgingsprocedure is opnieuw van toepassing ten vroegste vanaf de datum van de nieuwe uitkeringsaanvraag bedoeld in het eerste lid, wanneer opnieuw voldaan is aan de voorwaarden bedoeld in § 1.
   § 8. De opvolgingsprocedure bedoeld in de artikelen 59ter, 59quater en 59quinquies wordt opgeschort gedurende de periode tijdens dewelke de werkloze voorlopige uitkeringen geniet in toepassing van artikel 62, § 2, indien voldaan is aan de volgende voorwaarden :
   1° de werkloze heeft er zich bij zijn uitkeringsaanvraag toe verbonden de Rijksdienst een kopie over te maken van de gerechtelijke beslissing, van zodra deze gewezen is;
   2° de werkloze informeert de Rijksdienst minstens om de 3 maanden over het verloop van de gerechtelijke procedure.
   De schorsing van de procedure eindigt onmiddellijk wanneer vaststaat dat de voorwaarden bedoeld in het eerste lid niet of niet meer vervuld zijn.
   De schorsing van de procedure kan in geen geval een periode van 3 jaar, berekend van datum tot datum, overschrijden, vanaf de datum waarop de werkloze werd toegelaten tot het recht op voorlopige uitkeringen.
   Onverminderd de bepalingen van het derde lid is de opvolgingsprocedure opnieuw van toepassing vanaf de datum waarop de gerechtelijke beslissing die de arbeidsgeschiktheid van de werkloze bevestigt of de afstand van de procedure van de werkloze vaststelt of waarop de onontvankelijkheid van het beroep ingesteld door de werkloze definitief is geworden.
   § 9. De opvolgingsprocedure bedoeld in de artikelen 59ter, 59quater en 59quinquies wordt opgeschort voor de werkneemster die zwanger is of die bevallen is tijdens de periode van 3 maanden voor de vermoedelijke of werkelijke bevallingsdatum en gedurende de 4 maanden die volgen op de werkelijke bevallingsdatum.
   De vermoedelijke of werkelijke bevallingsdatum wordt aangetoond door een medisch attest opgemaakt door de behandelende geneesheer.
   De opvolgingsprocedure is opnieuw van toepassing ten vroegste vanaf de dag na de afloop van de periode van 4 maanden die volgt op de werkelijke bevallingsdatum, wanneer opnieuw voldaan is aan de voorwaarden van § 1.
   § 10. De opvolgingsprocedure bedoeld in de artikelen 59ter, 59quater, 59quinquies wordt opgeschort gedurende een periode van 24 maanden, berekend van datum tot datum, die ingaat op de dag van de laatste positieve evaluatie, indien de werkloze drie opeenvolgende positieve evaluaties van zijn inspanningen heeft gekregen in het kader van de opvolgingsprocedure en, na afloop van de recentste positieve evaluatie geen aanbod van een passend werk of een passende opleiding heeft gekregen vanwege de bevoegde gewestelijke dienst voor arbeidsbemiddeling.
   De opvolgingsprocedure is opnieuw van toepassing van zodra de bevoegde gewestelijke dienst voor arbeidsbemiddeling de werkloze een betrekking of een opleiding aanbiedt die hem in staat stelt zijn inschakeling op de arbeidsmarkt te bevorderen.
   De Minister kan op advies van het College van Leidende Ambtenaren, opgericht krachtens het protocol van 22 december 1988 tot regeling van de betrekkingen tussen de instellingen onstaan uit de herstructurering van de Rijksdienst voor Arbeidsvoorziening en van het Beheerscomité en na advies van dit Beheerscomité, het begrip aanbod van een betrekking of van een opleiding bedoeld in het eerste lid, preciseren.
   Een nieuwe procedure gaat in door middel van de verzending van de verwittigingsbrief bedoeld in artikel 59ter, ten vroegste na afloop van de periode bedoeld in het eerste of tweede lid.
   § 11. Van zodra de Rijksdienst over deze informatie beschikt, deelt hij aan de bevoegde gewestelijke dienst voor arbeidsbemiddeling via een wekelijkse geïnformatiseerde stroom de gegevens mee van de werklozen voor wie de opvolgingsprocedure wordt opgeschort in toepassing van de §§ 7 tot 10, alsook de begin- en de einddatum van de periode van schorsing.]5
  ----------
  (1)<KB 2010-09-28/12, art. 1, 198; Inwerkingtreding : 01-11-2010>
  (2)<KB 2012-07-20/03, art. 1, 204; Inwerkingtreding : 09-08-2012>
  (3)<KB 2012-07-23/01, art. 4, 206; Inwerkingtreding : 01-11-2012>
  (4)<KB 2012-11-10/02, art. 1, 209; Inwerkingtreding : 01-01-2013>
  (5)<KB 2014-06-26/02, art. 5, 229; Inwerkingtreding : 01-07-2014>
  (6)<KB 2014-12-30/06, art. 2, 235; Inwerkingtreding : 01-01-2015; zie ook KB 2014-12-30/06, art. 20, L2>

  Art. 59bis/1.[4 § 1. Onverminderd de bepalingen van artikel 58 en in afwijking van artikel 59bis, volgt de directeur, volgens de modaliteiten bepaald in de artikelen 59ter/1, 59quater/1, 59quater/2, 59quater/3, 59quinquies/1, 59quinquies/2 en 59nonies, het actieve zoekgedrag naar werk op van de in artikel 36 bedoelde werknemer die, op de dag van de verzending van de in artikel 59quater/1, § 1, eerste lid bedoelde informatie, tegelijkertijd voldoet aan de volgende voorwaarden :
   1° volledig werkloos zijn in de zin van artikel 27, eerste lid, 1°;
   2° verplicht ingeschreven zijn als werkzoekende, overeenkomstig artikel 58. De werknemer die in de loop van de maand en de daaraan voorafgaande 2 maanden minstens één dag uitkeringen heeft genoten, zonder daarbij vrijgesteld geweest te zijn van de verplichting ingeschreven te zijn als werkzoekende, wordt gelijkgesteld met een verplicht ingeschreven werkzoekende;
   3° inschakelingsuitkeringen genieten sedert minstens 6 maanden of tewerkgesteld zijn als deeltijds werknemer met behoud van rechten en sedert minstens 6 maanden een inkomensgarantie-uitkering genieten waarvan de referte-uitkering, bedoeld in artikel 131bis, § 2, een inschakelingsuitkering is;
   4° arbeidsgeschikt zijn in de zin van de wetgeving op de verplichte ziekte- en invaliditeitsverzekering.
   § 2. De opvolgingsprocedure bedoeld in de artikelen 59ter/1, 59quater/1, 59quater/2, 59quater/3, 59quinquies/1, 59quinquies/2 wordt opgeschort gedurende de periode tijdens dewelke de deeltijdse werknemer met behoud van rechten bedoeld in § 1, 3° een intensieve opleidingsactie volgt.
   Voor de toepassing van het eerste lid wordt onder intensieve opleidingsactie verstaan, de periode van opleiding voor een ononderbroken periode van minstens 3 maanden, voorgesteld door de bevoegde gewestelijke dienst voor arbeidsbemiddeling :
   1° waarvoor de deeltijdse werknemer met behoud van rechten, in toepassing van artikel 91 vrijstelling heeft verkregen van de verplichting ingeschreven te zijn als werkzoekende en beschikbaar te zijn voor de arbeidsmarkt;
   2° waarvoor de deeltijdse werknemer met behoud van rechten, in toepassing van artikel 94, § 1 tot § 3, vrijstelling heeft verkregen van de verplichting ingeschreven te zijn als werkzoekende en beschikbaar te zijn voor de arbeidsmarkt en het een opleiding betreft waarbij de aanwezigheid van de werknemer gedurende minstens 10 uur per week is vereist en de werknemer ook effectief minstens 10 uur per week aanwezig is, tenzij de afwezigheid het gevolg was van overmacht.
   Indien de intensieve opleidingsactie past binnen het kader van een individueel actieplan bedoeld in artikel 27, eerste lid, 14°, moet het individuele actieplan alle nodige elementen bevatten om aan te tonen dat voldaan is aan de voorwaarden van het tweede lid, 2°.
   De opvolgingsprocedure is opnieuw van toepassing ten vroegste vanaf de dag na het einde van de intensieve opleidingsactie.
   § 3. De opvolgingsprocedure bedoeld in de artikelen 59ter/1, 59quater/1, 59quater/2, 59quater/3, 59quinquies/1, 59quinquies/2 wordt opgeschort gedurende de periode tijdens dewelke de werknemer een specifiek begeleidingstraject volgt, hem voorgesteld door de bevoegde gewestelijke dienst voor arbeidsbemiddeling, op voorwaarde dat voldaan is aan de volgende voorwaarden :
   1° de werknemer vertoont een combinatie van psycho-medisch-sociale factoren die zijn gezondheid en/of sociale inschakeling duurzaam aantasten en, hierdoor, zijn professionele inschakeling, met als gevolg dat hij binnen de 12 maanden die volgen niet in staat is om te werken in het gewone economische circuit of in het kader van een al dan niet betaalde aangepaste en omkaderde arbeidsplaats;
   2° het voorgestelde specifieke begeleidingstraject voldoet aan de volgende voorwaarden :
   a) het vormt het voorwerp van een wederzijdse verbintenis van de partijen;
   b) het betreft een voor de doelgroep bedoeld in dit artikel specifieke begeleidingsactie, aangewend door de bevoegde gewestelijke dienst voor arbeidsbemiddeling die, in voorkomend geval, een beroep doet op de medewerking van derden;
   c) het bevat een verkennende fase om de factoren te identificeren die de inschakeling op de arbeidsmarkt bemoeilijken, gevolgd door een geheel van intensieve acties die de impact hiervan beogen te verminderen en de socioprofessionele inschakeling beogen te bevorderen;
   d) wanneer het wordt georganiseerd in samenwerking met een derde, vormt het traject regelmatig het voorwerp van een verslag aan de bevoegde gewestelijke dienst voor arbeidsbemiddeling;
   e) het is in duur beperkt tot wat strikt noodzakelijk is voor de psycho-medisch-sociale remediëring, in een perspectief van professionele inschakeling, en deze duur mag in elk geval de 21 maanden, screeningsfase inbegrepen, niet overschrijden.
   Het specifieke traject kan eenmalig verlengd of vernieuwd worden voor een bijkomende periode van maximum 18 maanden.
   De schorsing van de procedure bedoeld in dit artikel houdt op vanaf het ogenblik waarop wordt aangetoond dat de werknemer niet meer deelneemt of op positieve wijze meewerkt aan het specifieke traject voorgesteld door de bevoegde gewestelijke dienst voor arbeidsbemiddeling.
   De opvolgingsprocedure is opnieuw van toepassing ten vroegste vanaf de dag na het einde van het specifieke begeleidingstraject.
   § 4. [5 ...]5
   § 5. De opvolgingsprocedure bedoeld in de artikelen 59ter/1, 59quater/1, 59quater/2, 59quater/3, 59quinquies/1, 59quinquies/2 wordt opgeschort gedurende de periode tijdens dewelke de werknemer afziet van uitkeringen en tot aan de indiening van een nieuwe uitkeringsaanvraag als volledig werkloze, indien de volgende voorwaarden vervuld zijn :
   1° de werknemer verzaakt aan de uitkeringen voor een ononderbroken periode van minstens 12 maanden;
   2° de werknemer doet hiervan voorafgaandelijk een schriftelijke en onherroepbare aangifte bij het werkloosheidsbureau;
   3° de werknemer verbindt zich schriftelijk bij de Rijksdienst deze verzaking niet te herroepen.
   De opvolgingsprocedure is opnieuw van toepassing ten vroegste vanaf de datum van de nieuwe uitkeringsaanvraag bedoeld in het eerste lid.
   § 6. De opvolgingsprocedure bedoeld in de artikelen 59ter/1, 59quater/1, 59quater/2, 59quater/3, 59quinquies/1, 59quinquies/2 wordt opgeschort gedurende de periode tijdens dewelke de werknemer voorlopige uitkeringen geniet in toepassing van artikel 62, § 2, indien voldaan is aan de volgende voorwaarden :
   1° de werknemer heeft er zich bij zijn uitkeringsaanvraag toe verbonden de Rijksdienst een kopie over te maken van de gerechtelijke beslissing, van zodra deze gewezen is;
   2° de werknemer informeert de Rijksdienst minstens om de 3 maanden over het verloop van de gerechtelijke procedure.
   De schorsing van de procedure eindigt onmiddellijk wanneer vaststaat dat de voorwaarden bedoeld in het eerste lid niet of niet meer vervuld zijn.
   De schorsing van de procedure kan in geen geval een periode van 3 jaar, berekend van datum tot datum, overschrijden, vanaf de datum waarop de werknemer werd toegelaten tot het recht op voorlopige uitkeringen.
   Onverminderd de bepalingen van het derde lid is de opvolgingsprocedure opnieuw van toepassing vanaf de datum waarop de gerechtelijke beslissing die de arbeidsgeschiktheid van de werknemer bevestigt of de afstand van de procedure van de werknemer vaststelt of waarop de onontvankelijkheid van het beroep ingesteld door de werknemer definitief is geworden.
   § 7. De opvolgingsprocedure bedoeld in de artikelen 59ter/1, 59quater/1, 59quater/2, 59quater/3, 59quinquies/1, 59quinquies/2 wordt opgeschort voor de werkneemster die zwanger is of die bevallen is tijdens de periode van 3 maanden voor de vermoedelijke of werkelijke bevallingsdatum en gedurende de 4 maanden die volgen op de werkelijke bevallingsdatum.
   De vermoedelijke of werkelijke bevallingsdatum wordt aangetoond door een medisch attest opgemaakt door de behandelende geneesheer.
   De opvolgingsprocedure wordt opnieuw van toepassing, ten vroegste vanaf de dag na de afloop van de periode van 4 maanden die volgt op de werkelijke bevallingsdatum,
   § 8. Van zodra de Rijksdienst over de informatie beschikt, deelt hij aan de bevoegde gewestelijke dienst voor arbeidsbemiddeling, via een wekelijkse geïnformatiseerde stroom, de gegevens mee van de deeltijdse werknemers met behoud van rechten bedoeld in § 1, 3° en de gegevens van de werknemers voor wie de opvolgingsprocedure wordt geschorst in toepassing van de § § 5 tot 8, alsook de begin- en de einddatum van de periode van schorsing.".
   § 9. [5 ...]5 ]4
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij KB 2012-07-20/03, art. 2, 204; Inwerkingtreding : 09-08-2012>
  (2)<KB 2012-07-23/01, art. 5, 206; Inwerkingtreding : 01-11-2012>
  (3)<KB 2013-07-17/12, art. 2, 217; Inwerkingtreding : 01-08-2013.Temporeel toepassingsgebied : zie art. 4>
  (4)<KB 2014-06-26/02, art. 6, 229; Inwerkingtreding : 01-07-2014>
  (5)<KB 2014-12-30/06, art. 3, 235; Inwerkingtreding : 01-01-2015; zie ook KB 2014-12-30/06, art. 20, L2>

  Art. 59ter.[1 Na het begin van de werkloosheid en vóór de oproeping bedoeld in artikel 59quater, wordt de volledig werkloze die werkloosheidsuitkeringen geniet schriftelijk verwittigd dat hij actief een betrekking moet zoeken tijdens zijn werkloosheid en dat hij actief moet meewerken aan de begeleidings-, opleidings-, werkervarings- of inschakelingsacties die hem door de bevoegde gewestelijke dienst voor arbeidsbemiddeling worden voorgesteld in het kader van het individuele actieplan bedoeld in artikel 27, eerste lid, 14°. De werkloze wordt eveneens geïnformeerd dat hij later zal worden uitgenodigd voor een gesprek op het werkloosheidsbureau om zijn actieve zoekgedrag naar werk te evalueren, ten vroegste wanneer hij de in artikel 59bis, § 1, eerste lid, 5° bedoelde werkloosheidsduur zal bereikt hebben.
   De verwittigingsbrief bedoeld in dit artikel wordt met een gewoon schrijven verstuurd, ten vroegste :
   1° vanaf de derde maand werkloosheid en ten laatste 4 maanden voor het gesprek bedoeld in artikel 59quater, indien de werkloze jonger is dan 25 jaar;
   2° vanaf de zesde maand werkloosheid en ten laatste 4 maanden voor het gesprek bedoeld in artikel 59quater, indien de werkloze 25 jaar is of ouder.
   Er wordt eveneens schriftelijk informatie gegeven aan de werkloze over :
   1° de voorwaarden waaronder, overeenkomstig artikel 59bis, §§ 3 tot 5, de opvolgingsprocedure van het actieve zoekgedrag naar werk wordt opgeschort indien de werkloze een begeleidingsactie, een intensieve opleidingsactie of een specifiek begeleidingstraject volgt, voorgesteld door de bevoegde gewestelijke dienst voor arbeidsbemiddeling;
   2° het verdere verloop van de opvolgingsprocedure en de eventuele gevolgen van deze procedure.]1
  ----------
  (1)<KB 2014-06-26/02, art. 7, 229; Inwerkingtreding : 01-07-2014>

  Art. 59ter/1.[1 [4 Na het begin van de beroepsinschakelingstijd wordt de in artikel 36 bedoelde werknemer er schriftelijk van op de hoogte gebracht dat hij tijdens zijn werkloosheid actief naar werk moet zoeken en actief moet meewerken aan de begeleidings-, opleidings-, en beroepservarings- of inschakelingsacties die hem worden voorgesteld door de bevoegde gewestelijke dienst voor arbeidsbemiddelling en beroepsopleiding in het kader van het individuele actieplan bedoeld in artikel 27, eerste lid, 14°.]4
  [3 De werknemer wordt er eveneens van op de hoogte gebracht dat :
   1° in de loop van de zevende en de elfde maand van de beroepsinschakelingstijd, zijn zoekgedrag naar werk tijdens de periode die, berekend van datum tot datum, ingaat een maand na de datum van zijn inschrijving als werkzoekende na het einde van de studies door de directeur zal geëvalueerd worden, volgens de modaliteiten voorzien in het artikel 36, §§ 4 tot 8;
   2° op het einde van de beroepsinschakelingstijd, hij zal toegelaten worden tot het recht op inschakelingsuitkeringen, indien hij voldoet aan de voorwaarden bedoeld in het voormelde artikel 36;
   3° ten vroegste zes maanden na zijn toelating tot het recht op inschakelingsuitkeringen, hij door de directeur uitgenodigd zal worden om aan te tonen dat hij voldoende en aangepaste inspanningen heeft geleverd om zich in te schakelen op de arbeidsmarkt sedert zijn toelating tot het recht op inschakelingsuitkeringen.
   De informatiebrief bedoeld in dit artikel vermeldt eveneens de mogelijkheid voor de jonge werknemer om zich tijdens elk evaluatiegesprek bedoeld in het tweede lid, 1° tot 3°, te laten begeleiden door een persoon naar keuze of te laten bijstaan door een advocaat of een afgevaardigde van een werknemersorganisatie die een erkende uitbetalingsinstelling heeft opgericht.]3
   Aan de [2 werknemer]2 bedoeld in artikel 36 wordt ook schriftelijk informatie gegeven over het verdere verloop van de opvolgingsprocedure van het actieve zoekgedrag naar werk en over de eventuele gevolgen van deze procedure.
   De informatiebrief bedoeld in dit artikel wordt naar de in artikel 36 bedoelde [2 werknemer]2 verzonden per gewone brief, vanaf het ogenblik dat de Rijksdienst van de bevoegde gewestelijke dienst voor arbeidsbemiddelling en beroepsopleiding de nuttige gegevens ontvangen heeft aangaande de inschrijving als werkzoekende van de voormelde [2 werknemer]2.
   De informatiebrief bedoeld in [3 dit artikel]3 wordt geacht ontvangen te zijn de derde werkdag die volgt op de afgifte van de brief bij de post.]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij KB 2012-07-20/03, art. 3, 204; Inwerkingtreding : 09-08-2012>
  (2)<KB 2013-07-17/12, art. 2, 217; Inwerkingtreding : 01-08-2013.Temporeel toepassingsgebied : zie art. 4>
  (3)<KB 2013-07-17/12, art. 3, 217; Inwerkingtreding : 01-08-2013.Temporeel toepassingsgebied : zie art. 4>
  (4)<KB 2014-06-26/02, art. 8, 229; Inwerkingtreding : 01-07-2014>

  Art. 59quater.[1 § 1. Ten vroegste 4 maanden na de verzending van de verwittigingsbrief bedoeld in artikel 59ter en wanneer de voorwaarden bedoeld in artikel 59bis vervuld zijn, nodigt de directeur de werkloze schriftelijk uit voor een eerste gesprek op het werkloosheidsbureau met als doel de inspanningen te evalueren die hij heeft verricht om zich te integreren in de arbeidsmarkt in het kader van het individuele actieplan bedoeld in artikel 27, eerste lid, 14° alsook de acties die hij op eigen initiatief heeft ondernomen in zijn zoektocht naar werk.
   Indien de werkloze zich niet aanmeldt op het evaluatiegesprek, wordt hem een nieuwe aangetekende oproeping gestuurd.
   Indien de werkloze zonder geldige reden geen gevolg geeft aan de tweede oproeping, wordt hij uitgesloten van het genot van uitkeringen, overeenkomstig de bepalingen van artikel 70. In dit geval kan het evaluatiegesprek plaatsvinden wanneer de werkloze zich op het werkloosheidsbureau aanmeldt.
   De werkloze die deze reden binnen een termijn van drie werkdagen die ingaat op de dag van de afwezigheid rechtvaardigt met een duidelijk bewezen reden, behoudt evenwel het genot van de uitkeringen, indien de reden door de directeur wordt aanvaard. In dat geval wordt hem een nieuwe oproeping gestuurd, wanneer de als rechtvaardiging voor de afwezigheid aanvaarde reden opgehouden heeft te bestaan. Het evaluatiegesprek vindt plaats ten vroegste de tiende dag na de afgifte van de uitnodiging ter post.
   § 2. Indien, ten laatste op het ogenblik van het gesprek, wordt vastgesteld dat de werkloze onterecht werd uitgenodigd, omdat de voorwaarden van artikel 59bis niet vervuld zijn, wordt de oproeping nietig verklaard. Een nieuwe oproeping wordt naar de werkloze gestuurd, ten vroegste wanneer de voormelde voorwaarden vervuld zijn.
   Indien ten laatste op het ogenblik waarop het gesprek plaatsvindt, vaststaat dat de werkloze werd opgeroepen gedurende de periode tijdens dewelke de opvolgingsprocedure van het zoekgedrag naar werk is opgeschort overeenkomstig de bepalingen van artikel 59bis, §§ 4 tot 11, wordt deze oproeping nietig verklaard.
   In dat geval wordt een nieuwe oproeping verzonden naar de werkloze, ten vroegste na het verstrijken van de voormelde periode van schorsing of later, wanneer de voorwaarden van artikel 59bis opnieuw vervuld zijn.
   § 3. Tijdens het gesprek evalueert de directeur de inspanningen verricht door de werkloze gedurende de periode die het gesprek voorafgaat, op basis van :
   1° de inlichtingen waarover hij reeds beschikt in verband met de werkloze, onder meer :
   a) de elementen van het individuele actieplan bedoeld in artikel 27, eerste lid, 14°, elektronisch overgemaakt door de bevoegde gewestelijke dienst voor arbeidsbemiddeling;
   b) de gegevens betreffende de verwezenlijking van het individuele actieplan bedoeld in artikel 27, eerste lid, 14°, elektronisch overgemaakt door de bevoegde gewestelijke dienst voor arbeidsbemiddeling;
   c) het schriftelijk verslag overgemaakt door de bevoegde gewestelijke dienst voor arbeidsbemiddeling wanneer de werkloze niet of niet voldoende meewerkt met het individuele actieplan bedoeld in artikel 27, eerste lid, 14° of zonder geldig motief een actie stopzet;
   d) de bijkomende inlichtingen en bewijsstukken die eventueel verzameld worden bij de bevoegde gewestelijke dienst voor arbeidsbemiddeling onder de voorwaarden bedoeld in het vierde lid;
   e) de periodes tijdens dewelke de werkloze vrijgesteld was van de verplichting om beschikbaar te zijn voor de arbeidsmarkt, in toepassing van de artikelen 91, 92, 93, 94 of 97;
   f) de periode tijdens dewelke de werkloze een intensieve opleidingsactie heeft gevolgd onder de voorwaarden bepaald in artikel 59bis, § 4;
   g) de periodes van voltijdse en deeltijdse tewerkstelling en de ziekteperiodes;
   h) de activiteiten die hij eventueel heeft verricht in het kader van het plaatselijk werkgelegenheidsagentschap;
   2° de inlichtingen meegedeeld door de werkloze zelf over de acties die hij heeft ondernomen in het kader van het individuele actieplan bedoeld in artikel 27, eerste lid, 14° en over de acties die hij op eigen initiatief heeft ondernomen in zijn zoektocht naar werk.
   De werkloze bewijst zijn stappen met alle rechtsmiddelen, met inbegrip van de verklaring op eer. Met de verklaring op eer wordt rekening gehouden indien ze precies, geloofwaardig en controleerbaar is.
   In afwijking van het eerste lid, 1°, wordt in de evaluatie van de inspanningen verricht door de werkloze daarentegen geen rekening gehouden met de periodes tijdens dewelke de procedure van de opvolging van het zoekgedrag naar werk opgeschort was in toepassing van artikel 59bis, §§ 7 tot 10, noch met de periodes tijdens dewelke de werkloze niet was ingeschreven als werkzoekende.
   De inlichtingen bedoeld in het eerste lid, 1° worden tijdens het gesprek aan de werkloze meegedeeld.
   Naast de geïnformatiseerde gegevens bedoeld in het eerste lid, 1°, a) en b), kan de directeur aan de bevoegde gewestelijke dienst voor arbeidsbemiddeling bijkomende inlichtingen en bewijsstukken vragen, indien deze noodzakelijk zijn om de evaluatiebeslissing te onderbouwen.
   In geval van twijfel over de juistheid van de gegevens meegedeeld door de werkloze, kan de directeur de door de werkloze voorgelegde verklaringen en documenten verifiëren, overeenkomstig de bepalingen van artikel 139. De inlichtingen verzameld tijdens deze controle worden geakteerd in de evaluatiebeslissing die schriftelijk aan de werkloze wordt meegedeeld.
   In zijn evaluatie van de inspanningen geleverd door de werkloze houdt de directeur onder meer rekening met de leeftijd van de werkloze, zijn opleidingsniveau, zijn bekwaamheden, zijn sociale en familiale toestand, zijn verplaatsingsmogelijkheden en eventuele elementen van discriminatie. Hij houdt eveneens rekening met de toestand van de arbeidsmarkt in de subregio waar de werkloze zijn hoofdverblijfplaats heeft. Onder subregio wordt verstaan, de zone waarbinnen de bewoners van dezelfde gemeente van de werkloze en van de buurgemeenten zich verplaatsen om te gaan werken, zonder dat deze zone beperkt mag worden tot het ambtsgebied van het werkloosheidsbureau waar de werkloze zijn hoofdverblijfplaats heeft.
   § 4. Indien de directeur vaststelt dat de werkloze voldoende en passende inspanningen heeft verricht om zich te integreren in de arbeidsmarkt, informeert hij de werkloze over deze positieve evaluatie onmiddellijk na het evaluatiegesprek of ten laatste 10 werkdagen volgend op het gesprek. De werkloze wordt eveneens geïnformeerd dat hij voor een nieuw gesprek zoals bedoeld in artikel 59quater zal worden uitgenodigd, ten vroegste na het verstrijken van een termijn van 9 maanden die ingaat op de dag na dit gesprek of later, wanneer de voorwaarden bedoeld in artikel 59bis opnieuw vervuld zijn.
   De positieve evaluatiebeslissing en de inlichtingen bedoeld in het eerste lid worden aan de werkloze meegedeeld in een schrijven, gedateerd en ondertekend door de directeur, dat hem wordt overhandigd na afloop van het gesprek of hem later per gewone brief wordt bezorgd.
   De directeur deelt zijn beslissing mee aan de bevoegde gewestelijke dienst voor arbeidsbemiddeling.
   Bovendien wordt een informatieve brief die herinnert aan de oproeping voor het in het eerste lid bedoelde nieuwe evaluatiegesprek, naar de werkloze verstuurd ten laatste 3 maanden voor deze oproeping.
   § 5. Indien de directeur vaststelt dat de werkloze niet voldoende en passende inspanningen heeft verricht om zich te integreren in de arbeidsmarkt, informeert hij de werkloze over deze negatieve evaluatie, onmiddellijk na het evaluatiegesprek of ten laatste 10 werkdagen volgend op het gesprek. Hij nodigt de werkloze uit om opnieuw contact op te nemen met de bevoegde gewestelijke dienst voor arbeidsbemiddeling met het oog op een eventuele aanpassing van het individuele actieplan bedoeld in artikel 27, eerste lid, 14°.
   Aan de werkloze wordt meegedeeld dat hij, ten vroegste na het verstrijken van een termijn van 4 maanden ingaand de dag na dit gesprek, opnieuw zal opgeroepen worden voor een gesprek met het oog op de evaluatie van zijn inspanningen om werk te zoeken in het kader van het individuele actieplan bedoeld in artikel 27, eerste lid, 14° en van de acties die hij op eigen initiatief heeft ondernomen in zijn zoektocht naar werk.
   Een informatieblad over het latere verloop van de procedure en over de eventuele latere gevolgen in geval van onvoldoende of onaangepaste inspanningen, wordt eveneens aan de werkloze overhandigd na afloop van het gesprek.
   De negatieve evaluatiebeslissing en de inlichtingen bedoeld in het eerste en tweede lid worden aan de werkloze meegedeeld in een schrijven, gedateerd en ondertekend door de directeur, dat hem wordt overhandigd na afloop van het gesprek of hem later per gewone brief wordt bezorgd.
   De directeur deelt zijn beslissing mee aan de bevoegde gewestelijke dienst voor arbeidsbemiddeling.]1
  ----------
  (1)<KB 2014-06-26/02, art. 9, 229; Inwerkingtreding : 01-07-2014>

  Art. 59quater/1..[4 § 1. Ten vroegste wanneer de voorwaarden bedoeld in artikel 59bis/1, § 1, vervuld zijn, vraagt de directeur schriftelijk aan de in artikel 36 bedoelde werknemer om informatie over te maken over de inspanningen die hij heeft gedaan om zich te integreren in de arbeidsmarkt in het kader van het individuele actieplan bedoeld in artikel 27, eerste lid, 14° en over de acties die hij op eigen initiatief heeft ondernomen in zijn zoektocht naar werk, vanaf de datum van zijn toelating tot het genot van inschakelingsuitkeringen tot de datum van de ontvangst van deze vraag naar informatie, door hiertoe het door de Rijksdienst opgestelde formulier in te vullen en over te maken aan het werkloosheidsbureau, per gewone brief of via e-mail, in voorkomend geval, samen met een kopie van de schriftelijke bewijzen van zijn inspanningen.
   Het ingevulde formulier en de schriftelijke bewijzen bedoeld in het eerste lid, moeten het werkloosheidsbureau bereiken binnen een termijn van één maand die ingaat op de dag nadat de werknemer de vraag naar informatie heeft ontvangen.
   Indien de werknemer geen gevolg geeft aan de vraag naar informatie binnen de termijn van één maand bedoeld in het tweede lid, wordt hem een herinnering bij aangetekende brief toegestuurd.
   De werknemer die geen gevolg geeft aan de aangetekende brief bedoeld in het derde lid, binnen een termijn van vijf dagen die aanvangt op de dag volgend op de dag van de ontvangst van de voormelde brief, wordt uitgesloten van het recht op uitkeringen, overeenkomstig de bepalingen van artikel 70.
   De vraag naar informatie bedoeld in het eerste lid en de aangetekende brief, bedoeld in het derde lid, worden geacht ontvangen te zijn op de derde werkdag die volgt op de afgifte van de brief aan de post.
   § 2. In afwijking van § 1 wordt de werknemer die dit uitdrukkelijk schriftelijk vraagt, uitgenodigd naar het werkloosheidsbureau voor een evaluatiegesprek over zijn inspanningen. Deze schriftelijke vraag moet het werkloosheidsbureau bereiken vóór de afloop van de termijn van één maand bedoeld in § 1, tweede lid.
   Indien de werknemer geen gevolg geeft aan de vraag naar informatie binnen de termijn van één maand bedoeld in het eerste lid, wordt hem een herinnering bij aangetekende brief toegestuurd.
   De werknemer die geen gevolg geeft aan de aangetekende brief bedoeld in het tweede lid, binnen een termijn van vijf dagen die aanvangt op de dag volgend op de dag van de ontvangst van de voormelde brief, wordt uitgesloten van het recht op uitkeringen, overeenkomstig de bepalingen van artikel 70.
   De aangetekende brief, bedoeld in het tweede lid, wordt geacht ontvangen te zijn op de derde werkdag die volgt op de afgifte van de brief aan de post.
   De aanwezigheid van de werknemer op het evaluatiegesprek is verplicht. Hij mag zich echter laten vergezellen door een persoon naar keuze.
   Indien de werknemer zich niet aanmeldt op het evaluatiegesprek, wordt hem een nieuwe aangetekende oproeping gestuurd.
   Indien de werknemer zonder geldige reden geen gevolg geeft aan de tweede oproeping, wordt hij uitgesloten van het genot van uitkeringen, overeenkomstig de bepalingen van artikel 70. In dit geval kan het evaluatiegesprek plaatsvinden wanneer de werkloze zich op het werkloosheidsbureau aanmeldt.
   De werknemer die deze reden binnen een termijn van drie werkdagen die ingaat op de dag van de afwezigheid rechtvaardigt met een duidelijk bewezen reden, behoudt evenwel het genot van de uitkeringen, indien de reden door de directeur wordt aanvaard. In dat geval wordt hem een nieuwe oproeping gestuurd, wanneer de reden die aanvaard werd als rechtvaardiging van de afwezigheid, opgehouden heeft te bestaan.
   § 3. De inspanningen die de werknemer heeft gedaan om zich te integreren in de arbeidsmarkt worden door de directeur geëvalueerd.
   In afwijking van het eerste lid mag de evaluatie van de inspanningen in de lokalen van het werkloosheidsbureau eveneens gebeuren door een personeelslid dat door de Rijksdienst ter beschikking is gesteld van het plaatselijk werkgelegenheidsagentschap.
   § 4. Van bij de ontvangst van het ingevulde formulier en de schriftelijke bewijzen overgemaakt door de werknemer overeenkomstig de bepalingen van § 1 of meegedeeld tijdens het evaluatiegesprek bedoeld in § 2, worden de inspanningen geleverd door de werknemer met het oog op zijn inschakeling op de arbeidsmarkt, geëvalueerd op basis van
   1° de informatie waarover de Rijksdienst reeds beschikt in verband met de werknemer, onder meer :
   a) de elementen van het individuele actieplan bedoeld in artikel 27, eerste lid, 14°, elektronisch overgemaakt door de bevoegde gewestelijke dienst voor arbeidsbemiddeling;
   b) de gegevens betreffende de verwezenlijking van het individuele actieplan bedoeld in artikel 27, eerste lid, 14°, elektronisch overgemaakt door de bevoegde gewestelijke dienst voor arbeidsbemiddeling;
   c) het schriftelijk verslag overgemaakt door de bevoegde gewestelijke dienst voor arbeidsbemiddeling wanneer de werknemer niet of niet voldoende meewerkt met het individuele actieplan bedoeld in artikel 27, eerste lid, 14° of zonder geldig motief een actie stopzet;
   d) de bijkomende inlichtingen en bewijsstukken die eventueel verzameld worden bij de bevoegde gewestelijke dienst voor arbeidsbemiddeling onder de voorwaarden bedoeld in het vierde lid;
   e) de periodes tijdens dewelke de werknemer vrijgesteld was van de verplichting om beschikbaar te zijn voor de arbeidsmarkt, in toepassing van de artikelen 91, 92, 93, 94 of 97;
   f) de periodes tijdens dewelke de deeltijdse werknemer met behoud van rechten een intensieve opleidingsactie heeft gevolgd onder de voorwaarden bepaald in artikel 59bis/1, § 2;
   g) de periodes van voltijdse en deeltijdse tewerkstelling en de ziekteperiodes;
   h) de activiteiten die hij eventueel heeft verricht in het kader van het plaatselijk werkgelegenheidsagentschap;
   2° het ingevulde formulier en de schriftelijke bewijzen die werden overgemaakt of de inlichtingen en schriftelijke bewijzen die werden meegedeeld tijdens het evaluatiegesprek door de werknemer zelf, over de stappen die hij heeft gezet in het kader van het individuele actieplan bedoeld in artikel 27, eerste lid, 14° en over de acties die hij op eigen initiatief heeft ondernomen in zijn zoektocht naar werk.
   De werknemer bewijst zijn stappen met alle rechtsmiddelen, met inbegrip van de verklaring op eer. Met de verklaring op eer wordt rekening gehouden indien ze precies, geloofwaardig en controleerbaar is.
   In de evaluatie van de inspanningen verricht door de werknemer wordt daarentegen geen rekening gehouden met de periodes tijdens dewelke de procedure van de opvolging van het zoekgedrag naar werk opgeschort was in toepassing van artikel 59bis/1, §§ 5 tot 8, noch met de periodes tijdens dewelke de werknemer niet was ingeschreven als werkzoekende.
   Naast de geïnformatiseerde gegevens bedoeld in het eerste lid, 1°, a) en b), kan de directeur aan de bevoegde gewestelijke dienst voor arbeidsbemiddeling bijkomende inlichtingen en bewijsstukken vragen, indien deze noodzakelijk zijn om de evaluatiebeslissing te onderbouwen.
   In geval van twijfel over de juistheid van de gegevens meegedeeld door de werknemer, kan de directeur de door de werknemer voorgelegde verklaringen en documenten verifiëren, overeenkomstig de bepalingen van artikel 139. De inlichtingen verzameld tijdens deze controle worden geakteerd in de evaluatiebeslissing die schriftelijk aan de werknemer wordt meegedeeld.
   In zijn evaluatie van de inspanningen geleverd door de werknemer, houdt de directeur onder meer rekening met de leeftijd van de werknemer, zijn opleidingsniveau, zijn bekwaamheden, zijn sociale en familiale toestand, zijn verplaatsingsmogelijkheden en eventuele elementen van discriminatie. Hij houdt eveneens rekening met de toestand van de arbeidsmarkt in de subregio waar de werknemer zijn hoofdverblijfplaats heeft. Onder subregio wordt verstaan, de zone waarbinnen de bewoners van dezelfde gemeente van de werknemer en van de buurgemeenten zich verplaatsen om te gaan werken, zonder dat deze zone beperkt mag worden tot het ambtsgebied van het werkloosheidsbureau waar de werknemer zijn hoofdverblijfplaats heeft.
   § 5. Indien uit de in § 4 bedoelde evaluatie blijkt dat de werknemer voldoende en passende inspanningen heeft geleverd om zich in te schakelen op de arbeidsmarkt, wordt de werknemer op de hoogte gebracht van de positieve evaluatie.
   De werknemer wordt er eveneens van op de hoogte gebracht dat hij zijn inspanningen om zich in te schakelen op de arbeidsmarkt moet verderzetten en dat er zes maanden later een nieuwe evaluatie volgt.
   De positieve evaluatiebeslissing en de informatie bedoeld in het tweede lid worden aan de werknemer meegedeeld in een schrijven, gedateerd en ondertekend door de directeur, dat hem wordt overhandigd na afloop van het gesprek of hem later per gewone brief wordt bezorgd.
   De directeur deelt zijn beslissing mee aan de bevoegde gewestelijke dienst voor arbeidsbemiddeling.
   § 6. Indien de in § 4 bedoelde evaluatie niet toelaat te besluiten dat de werknemer voldoende en passende inspanningen heeft geleverd om zich in te schakelen op de arbeidsmarkt, wordt de werknemer op de hoogte gebracht van deze niet doorslaggevende evaluatie.
   De werknemer wordt er eveneens van op de hoogte gebracht :
   1° dat hij later naar het werkloosheidsbureau zal worden opgeroepen voor een gesprek met de directeur, met het oog op een definitieve evaluatie van zijn inspanningen;
   2° dat hij tijdens het definitieve evaluatiegesprek bedoeld in 1° de mogelijkheid heeft zich te laten bijstaan door een advocaat of door een afgevaardigde van een werknemersorganisatie die een erkende uitbetalingsinstelling heeft opgericht.
   De niet doorslaggevende evaluatiebeslissing en de informatie bedoeld in het tweede lid worden aan de werknemer meegedeeld in een schrijven, gedateerd en ondertekend door de directeur, dat hem wordt overhandigd na afloop van het gesprek of hem later per gewone brief wordt bezorgd.
   De directeur deelt zijn beslissing mee aan de bevoegde gewestelijke dienst voor arbeidsbemiddeling.]4
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij KB 2012-07-20/03, art. 4, 204; Inwerkingtreding : 09-08-2012>
  (2)<KB 2013-07-17/12, art. 2, 217; Inwerkingtreding : 01-08-2013.Temporeel toepassingsgebied : zie art. 4>
  (3)<KB 2013-10-24/04, art. 1, 220; Inwerkingtreding : 01-11-2013>
  (4)<KB 2014-06-26/02, art. 10, 229; Inwerkingtreding : 01-07-2014>

  Art. 59quater/2.[4 § 1. Ten vroegste na afloop van een termijn van zes maanden die ingaat de dag na de positieve evaluatie bedoeld in artikel 59quater/1, § 5 en op voorwaarde dat de voorwaarden bedoeld in artikel 59bis/1, § 1 op deze datum vervuld zijn, vraagt de directeur schriftelijk aan de in artikel 36 bedoelde werknemer om informatie over te maken betreffende de inspanningen die hij heeft geleverd om zich in te schakelen op de arbeidsmarkt in het kader van het individuele actieplan bedoeld in artikel 27, eerste lid, 14° en over de acties die hij op eigen initiatief heeft ondernomen in zijn zoektocht naar werk, vanaf de voormelde positieve evaluatie tot de datum van ontvangst van deze vraag naar informatie, en hiertoe het door de Rijksdienst opgestelde formulier in te vullen en over te maken aan het werkloosheidsbureau, per gewone brief of via e-mail, in voorkomend geval samen met een kopie van de schriftelijke bewijzen van zijn inspanningen.
   Het ingevulde formulier en de schriftelijke bewijzen bedoeld in het eerste lid, moeten het werkloosheidsbureau bereiken binnen een termijn van één maand die ingaat op de dag nadat de werknemer de vraag naar informatie heeft ontvangen.
   Indien de werknemer geen gevolg geeft aan de vraag naar informatie binnen de termijn van één maand bedoeld in het tweede lid, wordt hem een herinnering bij aangetekende brief toegestuurd.
   De werknemer die geen gevolg geeft aan de aangetekende brief bedoeld in het derde lid, binnen een termijn van vijf dagen die aanvangt op de dag volgend op de dag van de ontvangst van de voormelde brief, wordt uitgesloten van het recht op uitkeringen, overeenkomstig de bepalingen van artikel 70.
   De vraag naar informatie bedoeld in het eerste lid en de aangetekende brief, bedoeld in het derde lid, worden geacht ontvangen te zijn op de derde werkdag die volgt op de afgifte van de brief aan de post.
   § 2. In afwijking van § 1 wordt de werknemer die dit uitdrukkelijk schriftelijk vraagt, uitgenodigd naar het werkloosheidsbureau voor een evaluatiegesprek over zijn inspanningen. Deze schriftelijke vraag moet het werkloosheidsbureau bereiken vóór de afloop van de termijn van één maand bedoeld in § 1, tweede lid.
   Indien de werknemer geen gevolg geeft aan de vraag naar informatie binnen de termijn van één maand bedoeld in het tweede lid, wordt hem een herinnering bij aangetekende brief toegestuurd.
   De werknemer die geen gevolg geeft aan de aangetekende brief bedoeld in het derde lid, binnen een termijn van vijf dagen die aanvangt op de dag volgend op de dag van de ontvangst van de voormelde brief, wordt uitgesloten van het recht op uitkeringen, overeenkomstig de bepalingen van artikel 70.
   De vraag naar informatie bedoeld in het eerste lid en de aangetekende brief, bedoeld in het derde lid, worden geacht ontvangen te zijn op de derde werkdag die volgt op de afgifte van de brief aan de post.
   De aanwezigheid van de werknemer op het evaluatiegesprek is verplicht. Hij mag zich echter laten vergezellen door een persoon naar keuze.
   Indien de werknemer zich niet aanmeldt op het evaluatiegesprek, wordt hem een nieuwe aangetekende oproeping gestuurd.
   Indien de werknemer zonder geldige reden geen gevolg geeft aan de tweede oproeping, wordt hij uitgesloten van het genot van uitkeringen, overeenkomstig de bepalingen van artikel 70. In dit geval kan het evaluatiegesprek plaatsvinden wanneer de werkloze zich op het werkloosheidsbureau aanmeldt.
   De werknemer die deze reden binnen een termijn van drie werkdagen die ingaat op de dag van de afwezigheid rechtvaardigt met een duidelijk bewezen reden, behoudt evenwel het genot van de uitkeringen, indien de reden door de directeur wordt aanvaard. In dat geval wordt hem een nieuwe oproeping gestuurd, wanneer de reden die aanvaard werd als rechtvaardiging van de afwezigheid, opgehouden heeft te bestaan.
   § 3. De inspanningen die de werknemer heeft gedaan om zich in te schakelen op de arbeidsmarkt worden door de directeur geëvalueerd.
   In afwijking van het eerste lid mag de evaluatie van de inspanningen in de lokalen van het werkloosheidsbureau eveneens gebeuren door een personeelslid dat door de Rijksdienst ter beschikking is gesteld van het plaatselijk werkgelegenheidsagentschap.
   § 4. Van bij de ontvangst van het ingevulde formulier en de schriftelijke bewijzen overgemaakt door de werknemer overeenkomstig de bepalingen van § 1 of meegedeeld tijdens het evaluatiegesprek bedoeld in § 2, worden de inspanningen geleverd door de werknemer met het oog op zijn inschakeling op de arbeidsmarkt, geëvalueerd op basis van :
   1° de informatie waarover de Rijksdienst reeds beschikt in verband met de werknemer, onder meer
   a) de elementen van het individuele actieplan bedoeld in artikel 27, eerste lid, 14°, elektronisch overgemaakt door de bevoegde gewestelijke dienst voor arbeidsbemiddeling;
   b) de gegevens betreffende de verwezenlijking van het individuele actieplan bedoeld in artikel 27, eerste lid, 14°, elektronisch overgemaakt door de bevoegde gewestelijke dienst voor arbeidsbemiddeling;
   c) het schriftelijk verslag overgemaakt door de bevoegde gewestelijke dienst voor arbeidsbemiddeling wanneer de werknemer niet of niet voldoende meewerkt met het individuele actieplan bedoeld in artikel 27, eerste lid, 14° of zonder geldig motief een actie stopzet;
   d) de bijkomende inlichtingen en bewijsstukken die eventueel verzameld worden bij de bevoegde gewestelijke dienst voor arbeidsbemiddeling onder de voorwaarden bedoeld in het vierde lid;
   e) de periodes tijdens dewelke de werknemer vrijgesteld was van de verplichting om beschikbaar te zijn voor de arbeidsmarkt, in toepassing van de artikelen 91, 92, 93, 94 of 97;
   f) de periodes tijdens dewelke de deeltijdse werknemer met behoud van rechten een intensieve opleidingsactie heeft gevolgd onder de voorwaarden bepaald in artikel 59bis/1, § 2;
   g) de periodes van voltijdse en deeltijdse tewerkstelling en de ziekteperiodes;
   h) de activiteiten die hij eventueel heeft verricht in het kader van het plaatselijk werkgelegenheidsagentschap;
   2° het ingevulde formulier en de schriftelijke bewijzen die werden overgemaakt of de inlichtingen en schriftelijke bewijzen die werden meegedeeld tijdens het evaluatiegesprek door de werknemer zelf, over de stappen die hij heeft gezet in het kader van het individuele actieplan bedoeld in artikel 27, eerste lid, 14° en over de acties die hij op eigen initiatief heeft ondernomen in zijn zoektocht naar werk.
   De werknemer bewijst zijn stappen met alle rechtsmiddelen, met inbegrip van de verklaring op eer. De verklaring op eer wordt in aanmerking genomen indien ze precies, geloofwaardig en controleerbaar is.
   In de evaluatie van de inspanningen verricht door de werknemer wordt daarentegen geen rekening gehouden met de periodes tijdens dewelke de procedure van de opvolging van het zoekgedrag naar werk opgeschort was in toepassing van artikel 59bis/1, §§ 5 tot 8, noch met de periodes tijdens dewelke de werknemer niet was ingeschreven als werkzoekende.
   Naast de geïnformatiseerde gegevens bedoeld in het eerste lid, 1°, a) en b), kan de directeur aan de bevoegde gewestelijke dienst voor arbeidsbemiddeling bijkomende inlichtingen en bewijsstukken vragen, indien deze noodzakelijk zijn om de evaluatiebeslissing te onderbouwen.
   In geval van twijfel over de juistheid van de gegevens meegedeeld door de werknemer, kan de directeur de door de werknemer voorgelegde verklaringen en documenten verifiëren, overeenkomstig de bepalingen van artikel 139. De inlichtingen verzameld tijdens deze controle worden geakteerd in de evaluatiebeslissing die schriftelijk aan de werknemer wordt meegedeeld.
   In zijn evaluatie van de inspanningen geleverd door de werknemer, houdt de directeur onder meer rekening met de leeftijd van de werknemer, zijn opleidingsniveau, zijn bekwaamheden, zijn sociale en familiale toestand, zijn verplaatsingsmogelijkheden en eventuele elementen van discriminatie. Hij houdt eveneens rekening met de toestand van de arbeidsmarkt in de subregio waar de werknemer zijn hoofdverblijfplaats heeft. Onder subregio wordt verstaan, de zone waarbinnen de bewoners van dezelfde gemeente van de werknemer en van de buurgemeenten zich verplaatsen om te gaan werken, zonder dat deze zone beperkt mag worden tot het ambtsgebied van het werkloosheidsbureau waar de werknemer zijn hoofdverblijfplaats heeft.
   § 5. Indien uit de in § 4 bedoelde evaluatie blijkt dat de werknemer voldoende en passende inspanningen heeft geleverd om zich in te schakelen op de arbeidsmarkt, wordt de werknemer op de hoogte gebracht van de positieve evaluatie.
   De werknemer wordt er eveneens van op de hoogte gebracht dat hij zijn inspanningen om zich in te schakelen op de arbeidsmarkt moet verderzetten en dat er zes maanden later een nieuwe evaluatie volgt.
   De positieve evaluatiebeslissing en de informatie bedoeld in het tweede lid worden aan de werknemer meegedeeld in een schrijven, gedateerd en ondertekend door de directeur, dat hem wordt overhandigd na afloop van het gesprek of hem later per gewone brief wordt bezorgd.
   De directeur deelt zijn beslissing mee aan de bevoegde gewestelijke dienst voor arbeidsbemiddeling.
   De zesmaandelijkse evaluatie bedoeld in het tweede lid, van de inspanningen geleverd door de werknemer om zich in te schakelen op de arbeidsmarkt na de positieve evaluatie bedoeld in deze paragraaf, gebeurt volgens de modaliteiten bepaald in dit artikel.
   § 6. Indien de in § 4 bedoelde evaluatie niet toelaat te besluiten dat de werknemer voldoende en passende inspanningen heeft geleverd om zich in te schakelen op de arbeidsmarkt, wordt de werknemer op de hoogte gebracht van deze niet doorslaggevende evaluatie.
   De werknemer wordt er eveneens van op de hoogte gebracht :
   1° dat hij later naar het werkloosheidsbureau zal worden opgeroepen voor een gesprek met de directeur, met het oog op een definitieve evaluatie van zijn inspanningen;
   2° dat hij tijdens het definitieve evaluatiegesprek bedoeld in 1° de mogelijkheid heeft zich te laten bijstaan door een advocaat of door een afgevaardigde van een werknemersorganisatie die een erkende uitbetalingsinstelling heeft opgericht.
   De niet doorslaggevende evaluatiebeslissing en de informatie bedoeld in het tweede lid worden aan de werknemer meegedeeld in een schrijven, gedateerd en ondertekend door de directeur, dat hem wordt overhandigd na afloop van het gesprek of hem later per gewone brief wordt bezorgd.
   De directeur deelt zijn beslissing mee aan de bevoegde gewestelijke dienst voor arbeidsbemiddeling.
   De definitieve evaluatie van de inspanningen bedoeld in het tweede lid, 1° gebeurt op basis van de modaliteiten bepaald in artikel 59quater/3.]4
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij KB 2012-07-20/03, art. 5, 204; Inwerkingtreding : 09-08-2012>
  (2)<KB 2013-07-17/12, art. 2, 217; Inwerkingtreding : 01-08-2013.Temporeel toepassingsgebied : zie art. 4>
  (3)<KB 2013-10-24/04, art. 2, 220; Inwerkingtreding : 01-11-2013>
  (4)<KB 2014-06-26/02, art. 11, 229; Inwerkingtreding : 01-07-2014>

  Art. 59quater/3.[4 § 1. Ten vroegste na afloop van een termijn van een maand, die ingaat op de dag na de evaluatie bedoeld in artikel 59quater/1, § 6, en op voorwaarde dat de voorwaarden bedoeld in artikel 59bis/1, § 1, op deze dag vervuld zijn, roept de directeur de werknemer bedoeld in artikel 36 op naar het werkloosheidsbureau met het oog op een definitieve evaluatie van de inspanningen die hij heeft geleverd om zich in te schakelen op de arbeidsmarkt in het kader van het individuele actieplan bedoeld in artikel 27, eerste lid, 14° en de acties die hij op eigen initiatief heeft ondernomen in zijn zoektocht naar werk, vanaf de datum van de ontvangst van de informatiebrief bedoeld in artikel 59ter/1 tot de datum van de ontvangst van de oproep bedoeld in deze paragraaf.
   De oproeping bedoeld in het eerste lid wordt geacht ontvangen te zijn de derde werkdag die volgt op de afgifte van de brief bij de post.
   § 2. De aanwezigheid van de werknemer op het evaluatiegesprek is verplicht. De werknemer kan zich evenwel laten bijstaan door een advocaat of door een afgevaardigde van een werknemersorganisatie die een erkende uitbetalingsinstelling heeft opgericht.
   Indien de werknemer zich niet aanmeldt op het evaluatiegesprek, wordt hem een nieuwe aangetekende oproeping gestuurd.
   Indien de werknemer zonder geldige reden geen gevolg geeft aan de tweede oproeping, wordt hij uitgesloten van het genot van uitkeringen, overeenkomstig de bepalingen van artikel 70. In dit geval kan het evaluatiegesprek plaatsvinden wanneer de werkloze zich op het werkloosheidsbureau aanmeldt.
   De werknemer die deze reden binnen een termijn van drie werkdagen die ingaat op de dag van de afwezigheid rechtvaardigt met een duidelijk bewezen motief, behoudt evenwel het genot van de uitkeringen, indien de reden door de directeur wordt aanvaard. In dat geval wordt hem een nieuwe oproeping gestuurd, wanneer het motief dat aanvaard werd als rechtvaardiging van de afwezigheid, opgehouden heeft te bestaan.
   § 3. De inspanningen die de werknemer heeft gedaan om zich in te schakelen op de arbeidsmarkt worden door de directeur geëvalueerd op basis van :
   1° de informatie waarover de Rijksdienst reeds beschikt in verband met de werknemer, onder meer :
   a) de elementen van het individuele actieplan bedoeld in artikel 27, eerste lid, 14°, elektronisch overgemaakt door de bevoegde gewestelijke dienst voor arbeidsbemiddeling;
   b) de gegevens betreffende de verwezenlijking van het individuele actieplan bedoeld in artikel 27, eerste lid, 14°, elektronisch overgemaakt door de bevoegde gewestelijke dienst voor arbeidsbemiddeling;
   c) het schriftelijk verslag overgemaakt door de bevoegde gewestelijke dienst voor arbeidsbemiddeling wanneer de werknemer niet of niet voldoende meewerkt met het individuele actieplan bedoeld in artikel 27, eerste lid, 14° of zonder geldig motief een actie stopzet;
   d) de bijkomende inlichtingen en bewijsstukken die eventueel verzameld worden bij de bevoegde gewestelijke dienst voor arbeidsbemiddeling onder de voorwaarden bedoeld in het vierde lid;
   e) de periodes tijdens dewelke de werknemer vrijgesteld was van de verplichting om beschikbaar te zijn voor de arbeidsmarkt, in toepassing van de artikelen 91, 92, 93, 94 of 97;
   f) de periodes tijdens dewelke de deeltijdse werknemer met behoud van rechten een intensieve opleidingsactie heeft gevolgd onder de voorwaarden bepaald in artikel 59bis/1, § 2;
   g) de periodes van voltijdse en deeltijdse tewerkstelling en de ziekteperiodes;
   h) de activiteiten die hij eventueel heeft verricht in het kader van het plaatselijk werkgelegenheidsagentschap;
   2° het ingevulde formulier en de schriftelijke bewijzen die werden overgemaakt of de inlichtingen en schriftelijke bewijzen die werden meegedeeld tijdens het evaluatiegesprek door de werknemer zelf, over de stappen die hij heeft gezet in het kader van het individuele actieplan bedoeld in artikel 27, eerste lid, 14° en over de acties die hij op eigen initiatief heeft ondernomen in zijn zoektocht naar werk.
   De werknemer bewijst zijn stappen met alle rechtsmiddelen, met inbegrip van de verklaring op eer. Met de verklaring op eer wordt rekening gehouden indien ze precies, geloofwaardig en controleerbaar is.
   In de evaluatie van de inspanningen verricht door de werknemer wordt daarentegen geen rekening gehouden met de periodes tijdens dewelke de procedure van de opvolging van het zoekgedrag naar werk opgeschort was in toepassing van artikel 59bis/1, §§ 5 tot 8, noch met de periodes tijdens dewelke de werknemer niet was ingeschreven als werkzoekende.
   Naast de geïnformatiseerde gegevens bedoeld in het eerste lid, 1°, a) en b), kan de directeur aan de bevoegde gewestelijke dienst voor arbeidsbemiddeling bijkomende inlichtingen en bewijsstukken vragen, indien deze noodzakelijk zijn om de evaluatiebeslissing te onderbouwen.
   In geval van twijfel over de juistheid van de gegevens meegedeeld door de werknemer, kan de directeur de door de werknemer voorgelegde verklaringen en documenten verifiëren, overeenkomstig de bepalingen van artikel 139. De inlichtingen verzameld tijdens deze controle worden geakteerd in de evaluatiebeslissing die schriftelijk aan de werknemer wordt meegedeeld.
   In zijn evaluatie van de inspanningen geleverd door de werknemer, houdt de directeur onder meer rekening met de leeftijd van de werknemer, zijn opleidingsniveau, zijn bekwaamheden, zijn sociale en familiale toestand, zijn verplaatsingsmogelijkheden en eventuele elementen van discriminatie. Hij houdt eveneens rekening met de toestand van de arbeidsmarkt in de subregio waar de werknemer zijn hoofdverblijfplaats heeft. Onder subregio wordt verstaan, de zone waarbinnen de bewoners van dezelfde gemeente van de werknemer en van de buurgemeenten zich verplaatsen om te gaan werken, zonder dat deze zone beperkt mag worden tot het ambtsgebied van het werkloosheidsbureau waar de werknemer zijn hoofdverblijfplaats heeft.
   § 4. Indien de directeur na afloop van de in § 3 bedoelde evaluatie vaststelt dat de werknemer voldoende en passende inspanningen heeft geleverd om zich in te schakelen op de arbeidsmarkt, wordt de werknemer op de hoogte gebracht van de positieve evaluatie.
   De werknemer wordt er eveneens van op de hoogte gebracht dat hij zijn inspanningen om zich in te schakelen op de arbeidsmarkt moet verderzetten en dat er zes maanden later een nieuwe evaluatie volgt.
   De positieve evaluatiebeslissing en de informatie bedoeld in het tweede lid worden aan de werknemer meegedeeld in een schrijven, gedateerd en ondertekend door de directeur, dat hem wordt overhandigd na afloop van het gesprek of hem later per gewone brief wordt bezorgd.
   De directeur deelt zijn beslissing mee aan de bevoegde gewestelijke dienst voor arbeidsbemiddeling.
   § 5. Indien de directeur na afloop van de in § 3 bedoelde evaluatie vaststelt dat de werknemer niet voldoende en passende inspanningen heeft geleverd om zich in te schakelen op de arbeidsmarkt, wordt de werknemer op de hoogte gebracht van de negatieve evaluatie.
   De werknemer wordt er eveneens van op de hoogte gebracht :
   1° dat hij gedurende een periode van minstens zes maanden zal uitgesloten worden van het recht op uitkeringen;
   2° dat de uitsluiting van het recht op uitkeringen bedoeld in 1°, ten vroegste zal kunnen worden opgeheven na afloop van de voormelde periode van 6 maanden en op voorwaarde dat de inspanningen die hij zal geleverd hebben om zich in te schakelen op de arbeidsmarkt na de in deze paragraaf bedoelde negatieve evaluatie, positief worden geëvalueerd;
   3° dat hij de evaluatie van zijn inspanningen bedoeld in 2° ten vroegste zal kunnen vragen na afloop van de voormelde periode van zes maanden.
   De negatieve evaluatiebeslissing en de informatie bedoeld in het tweede lid worden aan de werknemer meegedeeld in een schrijven, gedateerd en ondertekend door de directeur, dat hem wordt overhandigd na afloop van het gesprek of hem later per gewone brief wordt bezorgd.
   De directeur deelt zijn beslissing mee aan de bevoegde gewestelijke dienst voor arbeidsbemiddeling.
   § 6. In het in § 5 bedoelde geval wordt de in artikel 36 bedoelde werknemer uitgesloten van het recht op uitkeringen gedurende een periode van minstens zes maanden, berekend van datum tot datum.
   De beslissing genomen in toepassing van het eerste lid gaat in vanaf de maandag die volgt op de afgifte ter post van de brief waarmee ze aan de werknemer wordt betekend.
   De in het eerste lid bedoelde uitsluiting heeft tijdelijk geen effect meer gedurende de periode tijdens dewelke de werknemer het werk heeft hervat als loontrekkende en tijdens deze betrekking tijdelijk werkloos wordt.]4
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij KB 2012-07-20/03, art. 6, 204; Inwerkingtreding : 09-08-2012>
  (2)<KB 2013-07-17/12, art. 2, 217; Inwerkingtreding : 01-08-2013.Temporeel toepassingsgebied : zie art. 4>
  (3)<KB 2013-08-17/11, art. 1, 219; Inwerkingtreding : 01-09-2013>
  (4)<KB 2014-06-26/02, art. 12, 229; Inwerkingtreding : 01-07-2014>

  Art. 59quinquies.[4 § 1. Ten vroegste na het verstrijken van een termijn van 4 maanden die aanvangt de dag na het in artikel 59quater bedoelde eerste gesprek, nodigt de directeur de werkloze bedoeld in artikel 59quater, § 5 per gewone brief uit voor een tweede gesprek op het werkloosheidsbureau, om de inspanningen te evalueren die hij heeft verricht om zich te integreren in de arbeidsmarkt, in het kader van het individuele actieplan bedoeld in artikel 27, eerste lid, 14°, alsook de acties die hij op eigen initiatief heeft ondernomen in zijn zoektocht naar werk.
   De aanwezigheid van de werkloze op het evaluatiegesprek is verplicht. Hij kan zich evenwel laten bijstaan door een advocaat of door een afgevaardigde van een werknemersorganisatie die een erkende uitbetalingsinstelling heeft opgericht.
   Indien de werkloze zich niet aanmeldt op het evaluatiegesprek, wordt hem een nieuwe aangetekende oproeping gestuurd.
   Indien de werkloze zonder geldige reden geen gevolg geeft aan de tweede oproeping, wordt hij uitgesloten van het genot van uitkeringen, overeenkomstig de bepalingen van artikel 70. In dit geval kan het evaluatiegesprek plaatsvinden wanneer de werkloze zich op het werkloosheidsbureau aanmeldt.
   De werkloze die deze reden binnen een termijn van drie werkdagen die ingaat op de dag van de afwezigheid rechtvaardigt met een duidelijk bewezen reden, behoudt evenwel het genot van de uitkeringen, indien de reden door de directeur wordt aanvaard. In dat geval wordt hem een nieuwe oproeping gestuurd, wanneer de als rechtvaardiging voor de afwezigheid aanvaarde reden opgehouden heeft te bestaan. Het evaluatiegesprek vindt plaats ten vroegste de tiende dag na de afgifte van de uitnodiging ter post.
   § 2. Indien ten laatste op het ogenblik van het gesprek blijkt dat de werkloze werd opgeroepen vóór het verstrijken van de in § 1, eerste lid bedoelde termijn van 4 maanden, wordt de oproeping ingetrokken en een nieuwe oproeping wordt naar de werkloze verzonden ten vroegste wanneer de voornoemde termijn bereikt is.
   Indien ten laatste op het ogenblik waarop het gesprek plaatsvindt, vaststaat dat de werkloze werd opgeroepen gedurende de periode tijdens dewelke de opvolgingsprocedure van het zoekgedrag naar werk is opgeschort overeenkomstig de bepalingen van artikel 59bis, §§ 4 tot 11, wordt deze oproeping nietig verklaard.
   In dat geval wordt een nieuwe oproeping verzonden naar de werkloze, ten vroegste na het verstrijken van de voormelde periode van schorsing of later, wanneer de voorwaarden van artikel 59bis opnieuw vervuld zijn.
   § 3. Tijdens het gesprek evalueert de directeur de inspanningen verricht door de werkloze sinds het gesprek bedoeld in artikel 59quater, op basis van :
   1° de inlichtingen waarover hij reeds beschikt in verband met de werkloze, onder meer :
   a) de elementen van het individuele actieplan bedoeld in artikel 27, eerste lid, 14°, elektronisch overgemaakt door de bevoegde gewestelijke dienst voor arbeidsbemiddeling;
   b) de gegevens betreffende de verwezenlijking van het individuele actieplan bedoeld in artikel 27, eerste lid, 14°, elektronisch overgemaakt door de bevoegde gewestelijke dienst voor arbeidsbemiddeling;
   c) het schriftelijk verslag overgemaakt door de bevoegde gewestelijke dienst voor arbeidsbemiddeling wanneer de werkloze niet of niet voldoende meewerkt met het individuele actieplan bedoeld in artikel 27, eerste lid, 14° of zonder geldig motief een actie stopzet;
   d) de bijkomende inlichtingen en bewijsstukken die eventueel verzameld worden bij de bevoegde gewestelijke dienst voor arbeidsbemiddeling onder de voorwaarden bedoeld in het vierde lid;
   e) de periodes tijdens dewelke de werkloze vrijgesteld was van de verplichting om beschikbaar te zijn voor de arbeidsmarkt, in toepassing van de artikelen 91, 92, 93, 94 of 97;
   f) de periode tijdens dewelke de werkloze een intensieve opleidingsactie heeft gevolgd onder de voorwaarden bepaald in artikel 59bis, § 4;
   g) de periodes van voltijdse en deeltijdse tewerkstelling en de ziekteperiodes;
   h) de activiteiten die hij eventueel heeft verricht in het kader van het plaatselijk werkgelegenheidsagentschap;
   2° de inlichtingen meegedeeld door de werkloze zelf over de acties die hij heeft ondernomen in het kader van het individuele actieplan bedoeld in artikel 27, eerste lid, 14° en over de acties die hij op eigen initiatief heeft ondernomen in zijn zoektocht naar werk. De werkloze bewijst zijn stappen met alle rechtsmiddelen, met inbegrip van de verklaring op eer. Met de verklaring op eer wordt rekening gehouden indien ze precies, geloofwaardig en controleerbaar is.
   In afwijking van het eerste lid, 1°, wordt in de evaluatie van de inspanningen verricht door de werkloze daarentegen geen rekening gehouden met de periodes tijdens dewelke de procedure van de opvolging van het zoekgedrag naar werk opgeschort was in toepassing van artikel 59bis, §§ 7 tot 10, noch met de periodes tijdens dewelke de werkloze niet was ingeschreven als werkzoekende.
   De inlichtingen bedoeld in het eerste lid, 1°, worden tijdens het gesprek aan de werkloze meegedeeld.
   Naast de geïnformatiseerde gegevens bedoeld in het eerste lid, 1°, a) en b), kan de directeur aan de bevoegde gewestelijke dienst voor arbeidsbemiddeling bijkomende inlichtingen en bewijsstukken vragen, indien deze noodzakelijk zijn om de evaluatiebeslissing te onderbouwen.
   In geval van twijfel over de juistheid van de gegevens meegedeeld door de werkloze, kan de directeur de door de werkloze voorgelegde verklaringen en documenten verifiëren, overeenkomstig de bepalingen van artikel 139. De inlichtingen verzameld tijdens deze controle worden geakteerd in de evaluatiebeslissing die schriftelijk aan de werkloze wordt meegedeeld.
   In zijn evaluatie van de inspanningen geleverd door de werkloze houdt de directeur onder meer rekening met de leeftijd van de werkloze, zijn opleidingsniveau, zijn bekwaamheden, zijn sociale en familiale toestand, zijn verplaatsingsmogelijkheden en eventuele elementen van discriminatie. Hij houdt eveneens rekening met de toestand van de arbeidsmarkt in de subregio waar de werkloze zijn hoofdverblijfplaats heeft. Onder subregio wordt verstaan, de zone waarbinnen de bewoners van dezelfde gemeente van de werkloze en van de buurgemeenten zich verplaatsen om te gaan werken, zonder dat deze zone beperkt mag worden tot het ambtsgebied van het werkloosheidsbureau waar de werkloze zijn hoofdverblijfplaats heeft.
   § 4. Indien de directeur vaststelt dat de werkloze voldoende en passende inspanningen heeft verricht om zich te integreren in de arbeidsmarkt, informeert hij de werkloze over deze positieve evaluatie onmiddellijk na het evaluatiegesprek of ten laatste 10 werkdagen volgend op het gesprek. De werkloze wordt eveneens geïnformeerd dat hij voor een nieuw gesprek zoals bedoeld in artikel 59quater zal worden uitgenodigd, ten vroegste na het verstrijken van een termijn van 9 maanden die ingaat op de dag na dit gesprek of later, wanneer de voorwaarden bedoeld in artikel 59bis opnieuw vervuld zijn.
   De positieve evaluatiebeslissing en de inlichtingen bedoeld in het eerste lid worden aan de werkloze meegedeeld in een schrijven, gedateerd en ondertekend door de directeur, dat hem wordt overhandigd na afloop van het gesprek of hem later per gewone brief wordt bezorgd.
   De directeur deelt zijn beslissing mee aan de bevoegde gewestelijke dienst voor arbeidsbemiddeling. Bovendien wordt een informatieve brief die herinnert aan de oproeping voor het in het eerste lid bedoelde nieuwe evaluatiegesprek, naar de werkloze verstuurd ten laatste 3 maanden voor deze oproeping.
   § 5. Indien de directeur vaststelt dat de werkloze niet voldoende en passende inspanningen heeft verricht om zich te integreren in de arbeidsmarkt, informeert hij de werkloze over deze negatieve evaluatie, onmiddellijk na het evaluatiegesprek of ten laatste 10 werkdagen volgend op het gesprek. Hij nodigt de werkloze uit om opnieuw contact op te nemen met de bevoegde gewestelijke dienst voor arbeidsbemiddeling met het oog op een eventuele aanpassing van het individuele actieplan bedoeld in artikel 27, eerste lid, 14°.
   Aan de werkloze wordt meegedeeld dat hij, ten vroegste na het verstrijken van een termijn van 4 maanden ingaand de dag na dit gesprek, opnieuw zal opgeroepen worden voor een gesprek met het oog op de evaluatie van zijn inspanningen om werk te zoeken in het kader van het individuele actieplan bedoeld in artikel 27, eerste lid, 14° en van de acties die hij op eigen initiatief zal ondernomen hebben in zijn zoektocht naar werk.
   Een informatieblad over het latere verloop van de procedure, over de gevolgen van de negatieve evaluatie voor het recht op uitkeringen en over de eventuele latere gevolgen in geval van onvoldoende of onaangepaste inspanningen, wordt eveneens aan de werkloze overhandigd na afloop van het gesprek.
   De negatieve evaluatiebeslissing en de inlichtingen bedoeld in het eerste en tweede lid worden aan de werkloze meegedeeld in een schrijven, gedateerd en ondertekend door de directeur, dat hem wordt overhandigd na afloop van het gesprek of hem later per gewone brief wordt bezorgd.
   De directeur deelt zijn beslissing mee aan de bevoegde gewestelijke dienst voor arbeidsbemiddeling.
   § 6. In het in § 5 bedoelde geval, zal de werkloze wiens inspanningen onvoldoende of onaangepast werden beoordeeld :
   1° gedurende een periode van 4 maanden, berekend van datum tot datum, de verminderde werkloosheidsuitkering genieten bedoeld in artikel 130bis, indien hij de hoedanighied van werknemer met gezinslast heeft in de zin van artikel 110, § 1 of van alleenwonende werknemer in de zin van artikel 110, § 2;
   2° gedurende een periode van 4 maanden, berekend van datum tot datum, uitgesloten worden van het recht op werkloosheidsuitkeringen, indien hij de hoedanigheid heeft van samenwonende werknemer in de zin van artikel 110, § 3.
   In afwijking van het eerste lid, 2°, wordt de uitsluiting van het genot van werkloosheidsuitkeringen beperkt tot een periode van 2 maanden, gerekend van datum tot datum, indien de werkloze bewijst dat het netto belastbare jaarinkomen van zijn gezin, zijn werkloosheidsuitkeringen niet meegerekend, niet hoger is dan 15.784,42 EUR, vermeerderd met 631,39 EUR per persoon ten laste.
   § 7. De beslissing genomen met toepassing van § 6 gaat in op de maandag die volgt op de afgifte ter post van de kennisgeving van deze beslissing aan de werkloze.
   Indien de uitsluiting bedoeld in § 6 op hetzelfde moment moet ingaan als een uitsluiting gebaseerd op artikel 52 of 52bis en/of een administratieve sanctie voorzien in artikelen 153, 154 of 155, wordt de totale duur van de uitsluiting vastgesteld door de samentelling van de duur van de verschillende periodes van uitsluiting. Wanneer een uitsluitingsperiode een aanvang moest nemen gedurende een andere periode van uitsluiting, neemt zij slechts een aanvang bij het verstrijken van deze laatste. De periode van ziekte verlengt op evenredige wijze de duur van de uitsluiting voorzien in § 6.
   De uitsluiting voorzien in § 6 houdt tijdelijk op uitwerking te hebben gedurende de periode tijdens dewelke de werkloze het werk hervat heeft als loontrekkende en tijdelijk werkloos is gesteld in deze betrekking.]4
  ----------
  (1)<KB 2010-09-28/12, art. 2, 198; Inwerkingtreding : 01-11-2010>
  (2)<KB 2011-12-28/29, art. 7, 203; Inwerkingtreding : 01-01-2012>
  (3)<KB 2012-07-20/03, art. 7, 204; Inwerkingtreding : 09-08-2012>
  (4)<KB 2014-06-26/02, art. 13, 229; Inwerkingtreding : 01-07-2014>

  Art. 59quinquies/1..[4 § 1. Ten vroegste na afloop van een termijn van zes maanden die ingaat de dag na de positieve evaluatie bedoeld in artikel 59quater/3, § 4 en op voorwaarde dat de voorwaarden bedoeld in artikel 59bis/1, § 1 op deze datum vervuld zijn, vraagt de directeur schriftelijk aan de in artikel 36 bedoelde werknemer om informatie over te maken betreffende de inspanningen die hij heeft geleverd om zich in te schakelen op de arbeidsmarkt in het kader van het individuele actieplan bedoeld in artikel 27, eerste lid, 14° en over de de acties die hij op eigen initiatief heeft ondernomen in zijn zoektocht naar werk, vanaf de voormelde positieve evaluatie tot de datum van ontvangst van deze vraag naar informatie, en hiertoe het door de Rijksdienst opgestelde formulier in te vullen en over te maken aan het werkloosheidsbureau, per gewone brief of via e-mail, in voorkomend geval samen met een kopie van de schriftelijke bewijzen van zijn inspanningen.
   Het ingevulde formulier en de schriftelijke bewijzen bedoeld in het eerste lid, moeten het werkloosheidsbureau bereiken binnen een termijn van één maand die ingaat op de dag nadat de werknemer de vraag naar informatie heeft ontvangen.
   Indien de werknemer geen gevolg geeft aan de vraag naar informatie binnen de termijn van één maand bedoeld in het tweede lid, wordt hem een herinnering bij aangetekende brief toegestuurd.
   De werknemer die geen gevolg geeft aan de aangetekende brief bedoeld in het derde lid, binnen een termijn van vijf dagen die aanvangt op de dag volgend op de dag van de ontvangst van de voormelde brief, wordt uitgesloten van het recht op uitkeringen, overeenkomstig de bepalingen van artikel 70.
   De vraag naar informatie bedoeld in het eerste lid en de aangetekende brief, bedoeld in het derde lid, worden geacht ontvangen te zijn op de derde werkdag die volgt op de afgifte van de brief aan de post.
   § 2. In afwijking van § 1 wordt de werknemer die dit uitdrukkelijk schriftelijk vraagt, uitgenodigd naar het werkloosheidsbureau voor een evaluatiegesprek over zijn inspanningen. Deze schriftelijke vraag moet het werkloosheidsbureau bereiken vóór de afloop van de termijn van één maand bedoeld in § 1, tweede lid.
   Indien de werknemer geen gevolg geeft aan de vraag naar informatie binnen de termijn van één maand bedoeld in het eerste lid, wordt hem een herinnering bij aangetekende brief toegestuurd.
   De werknemer die geen gevolg geeft aan de aangetekende brief bedoeld in het tweede lid, binnen een termijn van vijf dagen die aanvangt op de dag volgend op de dag van de ontvangst van de voormelde brief, wordt uitgesloten van het recht op uitkeringen, overeenkomstig de bepalingen van artikel 70.
   De aangetekende brief, bedoeld in het tweede lid, wordt geacht ontvangen te zijn op de derde werkdag die volgt op de afgifte van de brief aan de post.
   De aanwezigheid van de werknemer op het evaluatiegesprek is verplicht. Hij mag zich echter laten vergezellen door een persoon naar keuze.
   Indien de werknemer zich niet aanmeldt op het evaluatiegesprek, wordt hem een nieuwe aangetekende oproeping gestuurd.
   Indien de werknemer zonder geldige reden geen gevolg geeft aan de tweede oproeping, wordt hij uitgesloten van het genot van uitkeringen, overeenkomstig de bepalingen van artikel 70. In dit geval kan het evaluatiegesprek plaatsvinden wanneer de werkloze zich op het werkloosheidsbureau aanmeldt.
   De werknemer die deze reden binnen een termijn van drie werkdagen die ingaat op de dag van de afwezigheid rechtvaardigt met een duidelijk bewezen reden, behoudt evenwel het genot van de uitkeringen, indien de reden door de directeur wordt aanvaard. In dat geval wordt hem een nieuwe oproeping gestuurd, wanneer de reden die aanvaard werd als rechtvaardiging van de afwezigheid, opgehouden heeft te bestaan.
   § 3. De inspanningen die de werknemer heeft gedaan om zich in te schakelen op de arbeidsmarkt worden door de directeur geëvalueerd.
   In afwijking van het eerste lid mag de evaluatie van de inspanningen in de lokalen van het werkloosheidsbureau eveneens gebeuren door een personeelslid dat door de Rijksdienst ter beschikking is gesteld van het plaatselijk werkgelegenheidsagentschap.
   § 4. Van bij de ontvangst van het ingevulde formulier en de schriftelijke bewijzen overgemaakt door de werknemer overeenkomstig de bepalingen van § 1 of meegedeeld tijdens het evaluatiegesprek bedoeld in § 2, worden de inspanningen geleverd door de werknemer met het oog op zijn inschakeling op de arbeidsmarkt, geëvalueerd op basis van :
   1° de informatie waarover de Rijksdienst reeds beschikt in verband met de werknemer, onder meer :
   a) de elementen van het individuele actieplan bedoeld in artikel 27, eerste lid, 14°, elektronisch overgemaakt door de bevoegde gewestelijke dienst voor arbeidsbemiddeling;
   b) de gegevens betreffende de verwezenlijking van het individuele actieplan bedoeld in artikel 27, eerste lid, 14°, elektronisch overgemaakt door de bevoegde gewestelijke dienst voor arbeidsbemiddeling;
   c) het schriftelijk verslag overgemaakt door de bevoegde gewestelijke dienst voor arbeidsbemiddeling wanneer de werknemer niet of niet voldoende meewerkt met het individuele actieplan bedoeld in artikel 27, eerste lid, 14° of zonder geldig motief een actie stopzet;
   d) de bijkomende inlichtingen en bewijsstukken die eventueel verzameld worden bij de bevoegde gewestelijke dienst voor arbeidsbemiddeling onder de voorwaarden bedoeld in het vierde lid;
   e) de periodes tijdens dewelke de werknemer vrijgesteld was van de verplichting om beschikbaar te zijn voor de arbeidsmarkt, in toepassing van de artikelen 91, 92, 93, 94 of 97;
   f) de periodes tijdens dewelke de deeltijdse werknemer met behoud van rechten een intensieve opleidingsactie heeft gevolgd onder de voorwaarden bepaald in artikel 59bis/1, § 2;
   g) de periodes van voltijdse en deeltijdse tewerkstelling en de ziekteperiodes;
   h) de activiteiten die hij eventueel heeft verricht in het kader van het plaatselijk werkgelegenheidsagentschap;
   2° het ingevulde formulier en de schriftelijke bewijzen die werden overgemaakt of de inlichtingen en schriftelijke bewijzen die werden meegedeeld tijdens het evaluatiegesprek door de werknemer zelf, over de stappen die hij heeft gezet in het kader van het individuele actieplan bedoeld in artikel 27, eerste lid, 14° en over de acties die hij op eigen initiatief heeft ondernomen in zijn zoektocht naar werk. De werknemer bewijst zijn stappen met alle rechtsmiddelen, met inbegrip van de verklaring op eer. Met de verklaring op eer wordt rekening gehouden indien ze precies, geloofwaardig en controleerbaar is.
   In de evaluatie van de inspanningen verricht door de werknemer wordt daarentegen geen rekening gehouden met de periodes tijdens dewelke de procedure van de opvolging van het zoekgedrag naar werk opgeschort was in toepassing van artikel 59bis/1, §§ 5 tot 8, noch met de periodes tijdens dewelke de werknemer niet was ingeschreven als werkzoekende.
   Naast de geïnformatiseerde gegevens bedoeld in het eerste lid, 1°, a) en b), kan de directeur aan de bevoegde gewestelijke dienst voor arbeidsbemiddeling bijkomende inlichtingen en bewijsstukken vragen, indien deze noodzakelijk zijn om de evaluatiebeslissing te onderbouwen.
   In geval van twijfel over de juistheid van de gegevens meegedeeld door de werknemer, kan de directeur de door de werknemer voorgelegde verklaringen en documenten verifiëren, overeenkomstig de bepalingen van artikel 139. De inlichtingen verzameld tijdens deze controle worden geakteerd in de evaluatiebeslissing die schriftelijk aan de werknemer wordt meegedeeld.
   In zijn evaluatie van de inspanningen geleverd door de werknemer, houdt de directeur onder meer rekening met de leeftijd van de werknemer, zijn opleidingsniveau, zijn bekwaamheden, zijn sociale en familiale toestand, zijn verplaatsingsmogelijkheden en eventuele elementen van discriminatie. Hij houdt eveneens rekening met de toestand van de arbeidsmarkt in de subregio waar de werknemer zijn hoofdverblijfplaats heeft. Onder subregio wordt verstaan, de zone waarbinnen de bewoners van dezelfde gemeente van de werknemer en van de buurgemeenten zich verplaatsen om te gaan werken, zonder dat deze zone beperkt mag worden tot het ambtsgebied van het werkloosheidsbureau waar de werknemer zijn hoofdverblijfplaats heeft.
   § 5. Indien uit de in § 4 bedoelde evaluatie blijkt dat de werknemer voldoende en passende inspanningen heeft geleverd om zich in te schakelen op de arbeidsmarkt, wordt de werknemer op de hoogte gebracht van de positieve evaluatie.
   De werknemer wordt er eveneens van op de hoogte gebracht dat hij zijn inspanningen om zich in te schakelen op de arbeidsmarkt moet verderzetten en dat er zes maanden later een nieuwe evaluatie volgt.
   De positieve evaluatiebeslissing en de informatie bedoeld in het tweede lid worden aan de werknemer meegedeeld in een schrijven, gedateerd en ondertekend door de directeur, dat hem wordt overhandigd na afloop van het gesprek of hem later per gewone brief wordt bezorgd.
   De directeur deelt zijn beslissing mee aan de bevoegde gewestelijke dienst voor arbeidsbemiddeling.
   De in het tweede lid bedoelde zesmaandelijkse evaluatie van de inspanningen geleverd door de werknemer om zich in te schakelen op de arbeidsmarkt na de positieve evaluatie bedoeld in deze paragraaf, gebeurt volgens de modaliteiten bepaald in artikel 59quater/2.
   § 6. Indien de in § 4 bedoelde evaluatie niet toelaat om te besluiten dat de werknemer voldoende en passende inspanningen heeft geleverd om zich in te schakelen op de arbeidsmarkt, wordt de werknemer op de hoogte gebracht van deze niet doorslaggevende evaluatie.
   De werknemer wordt er eveneens van op de hoogte gebracht :
   1° dat hij later naar het werkloosheidsbureau zal worden opgeroepen voor een gesprek met de directeur, met het oog op een definitieve evaluatie van zijn inspanningen;
   2° dat hij tijdens het definitieve evaluatiegesprek bedoeld in 1° de mogelijkheid heeft zich te laten bijstaan door een advocaat of door een afgevaardigde van een werknemersorganisatie die een erkende uitbetalingsinstelling heeft opgericht.
   De niet doorslaggevende evaluatiebeslissing en de informatie bedoeld in het tweede lid worden aan de werknemer meegedeeld in een schrijven, gedateerd en ondertekend door de directeur, dat hem wordt overhandigd na afloop van het gesprek of hem later per gewone brief wordt bezorgd.
   De directeur deelt zijn beslissing mee aan de bevoegde gewestelijke dienst voor arbeidsbemiddeling.
   De definitieve evaluatie bedoeld in het tweede lid, 1° gebeurt op basis van de modaliteiten bepaald in artikel 59quater/3.]4
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij KB 2012-07-20/03, art. 8, 204; Inwerkingtreding : 09-08-2012>
  (2)<KB 2013-07-17/12, art. 2, 217; Inwerkingtreding : 01-08-2013.Temporeel toepassingsgebied : zie art. 4>
  (3)<KB 2013-10-24/04, art. 3, 220; Inwerkingtreding : 01-11-2013>
  (4)<KB 2014-06-26/02, art. 14, 229; Inwerkingtreding : 01-07-2014>

  Art. 59quinquies2.[3 § 1. In de loop van de vijfde of zesde maand van uitsluiting brengt de directeur de werknemer, die gedurende een periode van minstens zes maanden uitgesloten is van het recht op uitkeringen in toepassing van artikel 59quater/3, § 6, ervan op de hoogte dat hij ten vroegste na afloop van de voormelde periode van zes maanden een evaluatie kan vragen van de inspanningen die hij heeft geleverd om zich in te schakelen op de arbeidsmarkt in het kader van het individuele actieplan bedoeld in artikel 27, eerste lid, 14° en van de acties die hij op eigen initiatief heeft ondernomen in zijn zoektocht naar werk, na de negatieve evaluatie bedoeld in artikel 59quater/3, § 5, door hiertoe het door de Rijksdienst opgestelde formulier in te vullen en over te maken aan het werkloosheidsbureau, per gewone brief of via e-mail, in voorkomend geval, samen met een kopie van de schriftelijke bewijzen van zijn inspanningen.
   § 2. Ten vroegste na afloop van de periode van 6 maanden bedoeld in 59quater/3, § 6, roept de directeur de werknemer die dit uitdrukkelijk heeft gevraagd schriftelijk op voor een gesprek in het werkloosheidsbureau met het oog op een evaluatie van de inspanningen die hij heeft geleverd om zich in te schakelen op de arbeidsmarkt na de negatieve evaluatie bedoeld in artikel 59quater/3, § 5.
   De aanwezigheid van de werknemer op het evaluatiegesprek is verplicht. Hij kan zich evenwel laten bijstaan door een advocaat of door een afgevaardigde van een werknemersorganisatie die een erkende uitbetalingsinstelling heeft opgericht.
   Indien de werknemer zich niet aanmeldt op het evaluatiegesprek, blijft de uitsluiting van toepassing tot de inspanningen geleverd door de werknemer om zich in te schakelen op de arbeidsmarkt na de negatieve evaluatie bedoeld in artikel 59quater/3, § 5, positief worden geëvalueerd.
   § 3. De directeur evalueert de inspanningen geleverd door de werknemer om zich in te schakelen op de arbeidsmarkt na de negatieve evaluatie bedoeld in artikel 59quater/3, § 5.
   De in het eerste lid bedoelde evaluatie gaat over de inspanningen geleverd door de werknemer gedurende de periode van 6 maanden die voorafgaat aan de datum van ontvangst door het werkloosheidsbureau van het ingevulde formulier en van de schriftelijke bewijzen of van de schriftelijke vraag van de werknemer om opgeroepen te worden voor een evaluatiegesprek.
   § 4. Van bij de ontvangst van het ingevulde formulier en de schriftelijke bewijzen overgemaakt door de werknemer overeenkomstig de bepalingen van § 1 of meegedeeld tijdens het evaluatiegesprek bedoeld in § 2, worden de inspanningen geleverd door de werknemer met het oog op zijn inschakeling op de arbeidsmarkt, geëvalueerd op basis van :
   1° de informatie waarover de Rijksdienst reeds beschikt in verband met de werknemer, onder meer
   a) de elementen van het individuele actieplan bedoeld in artikel 27, eerste lid, 14°, elektronisch overgemaakt door de bevoegde gewestelijke dienst voor arbeidsbemiddeling;
   b) de gegevens betreffende de verwezenlijking van het individuele actieplan bedoeld in artikel 27, eerste lid, 14°, elektronisch overgemaakt door de bevoegde gewestelijke dienst voor arbeidsbemiddeling;
   c) het schriftelijk verslag overgemaakt door de bevoegde gewestelijke dienst voor arbeidsbemiddeling wanneer de werknemer niet of niet voldoende meewerkt met het individuele actieplan bedoeld in artikel 27, eerste lid, 14° of zonder geldig motief een actie stopzet;
   d) de bijkomende inlichtingen en bewijsstukken die eventueel ingezameld zijn bij de bevoegde gewestelijke dienst voor arbeidsbemiddeling onder de voorwaarden bedoeld in het derde lid;
   e) de periodes van voltijdse en deeltijdse tewerkstelling en de ziekteperiodes;
   f) de activiteiten die hij eventueel heeft verricht in het kader van het plaatselijk werkgelegenheidsagentschap;
   2° het ingevulde formulier en de schriftelijke bewijzen die werden overgemaakt of de inlichtingen en schriftelijke bewijzen die werden meegedeeld tijdens het evaluatiegesprek door de werknemer zelf, over de stappen die hij heeft gezet in het kader van het individuele actieplan bedoeld in artikel 27, eerste lid, 14° en over de acties die hij op eigen initiatief heeft ondernomen in zijn zoektocht naar werk.
   De werknemer bewijst zijn stappen met alle rechtsmiddelen, met inbegrip van de verklaring op eer. Met de verklaring op eer wordt rekening gehouden indien ze precies, geloofwaardig en controleerbaar is.
   Naast de geïnformatiseerde gegevens bedoeld in het eerste lid, 1°, a) en b), kan de directeur aan de bevoegde gewestelijke dienst voor arbeidsbemiddeling bijkomende inlichtingen en bewijsstukken vragen, indien deze noodzakelijk zijn om de evaluatiebeslissing te onderbouwen.
   In geval van twijfel over de juistheid van de gegevens meegedeeld door de werknemer, kan de directeur de door de werknemer voorgelegde verklaringen en documenten verifiëren, overeenkomstig de bepalingen van artikel 139. De inlichtingen verzameld tijdens deze controle worden geakteerd in de evaluatiebeslissing die schriftelijk aan de werknemer wordt meegedeeld.
   In zijn evaluatie van de inspanningen geleverd door de werknemer, houdt de directeur onder meer rekening met de leeftijd van de werknemer, zijn opleidingsniveau, zijn bekwaamheden, zijn sociale en familiale toestand, zijn verplaatsingsmogelijkheden en eventuele elementen van discriminatie. Hij houdt eveneens rekening met de toestand van de arbeidsmarkt in de subregio waar de werknemer zijn hoofdverblijfplaats heeft. Onder subregio wordt verstaan, de zone waarbinnen de bewoners van dezelfde gemeente van de werknemer en van de buurgemeenten zich verplaatsen om te gaan werken, zonder dat deze zone beperkt mag worden tot het ambtsgebied van het werkloosheidsbureau waar de werknemer zijn hoofdverblijfplaats heeft.
   § 5. Indien de directeur vaststelt dat de werknemer voldoende en passende inspanningen heeft geleverd om zich in te schakelen op de arbeidsmarkt, brengt hij de werknemer op de hoogte van deze positieve evaluatie.
   De werknemer wordt er eveneens van op de hoogte gebracht dat hij zijn inspanningen om zich in te schakelen op de arbeidsmarkt moet verderzetten en dat er zes maanden later een nieuwe evaluatie volgt.
   De positieve evaluatiebeslissing en de informatie bedoeld in het tweede lid worden aan de werknemer meegedeeld in een schrijven, gedateerd en ondertekend door de directeur, dat hem wordt overhandigd na afloop van het gesprek of hem later per gewone brief wordt bezorgd.
   De directeur deelt zijn beslissing mee aan de bevoegde gewestelijke dienst voor arbeidsbemiddeling.
   De uitsluiting van het recht op uitkeringen in toepassing van artikel 59quater/3, § 6 wordt opgeheven met terugwerkende kracht vanaf de datum van ontvangst door het werkloosheidsbureau van het ingevulde formulier en de schriftelijke bewijzen of van de schriftelijke vraag van de werknemer om opgeroepen te worden voor een evaluatiegesprek.
   De in het tweede lid bedoelde zesmaandelijkse evaluatie van de inspanningen geleverd door de werknemer om zich in te schakelen op de arbeidsmarkt na de positieve evaluatie bedoeld in deze paragraaf, gebeurt volgens de modaliteiten bepaald in artikel 59quater/2.
   § 6. Indien de directeur vaststelt dat dat de werknemer niet voldoende en passende inspanningen heeft geleverd om zich in te schakelen op de arbeidsmarkt, brengt hij werknemer op de hoogte van deze negatieve evaluatie.
   De werknemer wordt er eveneens van op de hoogte gebracht :
   1° dat de uitsluiting van het recht op uitkeringen in toepassing van artikel 59quater/3, § 6 zal verlengd worden gedurende een periode van minstens zes maanden;
   2° dat de uitsluiting van het recht op uitkeringen bedoeld in 1°, ten vroegste zal kunnen worden opgeheven na afloop van de voormelde periode van 6 maanden en op voorwaarde dat de inspanningen die hij zal geleverd hebben om zich in te schakelen op de arbeidsmarkt na de in deze paragraaf bedoelde negatieve evaluatie, positief worden geëvalueerd;
   3° dat hij de evaluatie van zijn inspanningen bedoeld in 2° ten vroegste zal kunnen vragen na afloop van de voormelde periode van zes maanden.
   De negatieve evaluatiebeslissing en de informatie bedoeld in het tweede lid worden aan de werknemer meegedeeld in een schrijven, gedateerd en ondertekend door de directeur, dat hem wordt overhandigd na afloop van het gesprek of hem later per gewone brief wordt bezorgd.
   De directeur deelt zijn beslissing mee aan de bevoegde gewestelijke dienst voor arbeidsbemiddeling.
   § 7. In het in § 6 bedoelde geval wordt de uitsluiting van het recht op uitkeringen in toepassing van artikel 59quater/3, § 6 verlengd met een periode van minstens zes maanden, berekend van datum tot datum.
   De beslissing tot uitsluiting genomen in toepassing van het eerste lid wordt schriftelijk aan de werknemer betekend.
   De in het eerste lid bedoelde uitsluiting heeft tijdelijk geen effect meer gedurende de periode tijdens dewelke de werknemer het werk heeft hervat als loontrekkende en tijdens deze betrekking tijdelijk werkloos wordt.
   § 8. Dit artikel blijft van toepassing zolang de inspanningen die de werknemer levert om zich in te schakelen op de arbeidsmarkt niet positief worden geëvalueerd.]3
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij KB 2012-07-20/03, art. 9, 204; Inwerkingtreding : 09-08-2012>
  (2)<KB 2013-07-17/12, art. 2, 217; Inwerkingtreding : 01-08-2013.Temporeel toepassingsgebied : zie art. 4>
  (3)<KB 2014-06-26/02, art. 15, 229; Inwerkingtreding : 01-07-2014>

  Art. 59sexies.[4 § 1. Ten vroegste na het verstrijken van een termijn van 4 maanden die aanvangt de dag na het in artikel 59quater bedoelde gesprek, nodigt de directeur de werkloze bedoeld in artikel 59quinquies, § 5, uit voor een derde gesprek op het werkloosheidsbureau, om de inspanningen te evalueren die hij heeft verricht om zich te integreren in de arbeidsmarkt, in het kader van het individuele actieplan bedoeld in artikel 27, eerste lid, 14°, alsook de acties die hij op eigen initiatief heeft ondernomen in zijn zoektocht naar werk.
   De aanwezigheid van de werkloze op het evaluatiegesprek is verplicht. De werknemer kan zich evenwel laten bijstaan door een advocaat of door een afgevaardigde van een werknemersorganisatie die een erkende uitbetalingsinstelling heeft opgericht.
   Indien de werkloze zich niet aanmeldt op het evaluatiegesprek, wordt hem een nieuwe bij de post aangetekende oproeping gestuurd.
   Indien de werkloze zonder geldige reden geen gevolg geeft aan de tweede uitnodiging, wordt hij uitgesloten van het recht op uitkeringen overeenkomstig de bepalingen van § 6.
   De werkloze die, binnen een termijn van drie werkdagen die ingaat op de dag van de afwezighied, deze rechtvaardigt met een duidelijk bewezen reden, behoudt evenwel zijn recht op uitkeringen, indien de reden door de directeur wordt aanvaard. In dat geval wordt hem een nieuwe oproeping gestuurd, wanneer de als rechtvaardiging voor de afwezigheid aanvaarde reden opgehouden heeft te bestaan. Het evaluatiegesprek vindt plaats ten vroegste de tiende dag na de afgifte van de uitnodiging ter post.
   § 2. Indien ten laatste op het ogenblik van het gesprek blijkt dat de werkloze werd opgeroepen vóór het verstrijken van de in § 1, eerste lid bedoelde termijn van 4 maanden, wordt de oproeping ingetrokken en een nieuwe oproeping wordt naar de werkloze verzonden ten vroegste wanneer de voornoemde termijn overschreden is.
   Indien ten laatste op het ogenblik waarop het gesprek plaatsvindt, vaststaat dat de werkloze werd opgeroepen gedurende de periode tijdens dewelke de opvolgingsprocedure van het zoekgedrag naar werk is opgeschort overeenkomstig de bepalingen van artikel 59bis, §§ 4 tot 11, wordt deze oproeping nietig verklaard. In dat geval wordt een nieuwe oproeping verzonden naar de werkloze, ten vroegste na het verstrijken van de voormelde periode van schorsing of later, wanneer de voorwaarden van artikel 59bis opnieuw vervuld zijn.
   § 3. Tijdens het gesprek evalueert de directeur de inspanningen verricht door de werkloze sinds het gesprek bedoeld in artikel 59quinquies, op basis van :
   1° de inlichtingen waarover hij reeds beschikt in verband met de werkloze, onder meer :
   a) de elementen van het individuele actieplan bedoeld in artikel 27, eerste lid, 14°, elektronisch overgemaakt door de bevoegde gewestelijke dienst voor arbeidsbemiddeling;
   b) de gegevens betreffende de verwezenlijking van het individuele actieplan bedoeld in artikel 27, eerste lid, 14°, elektronisch overgemaakt door de bevoegde gewestelijke dienst voor arbeidsbemiddeling;
   c) het schriftelijk verslag overgemaakt door de bevoegde gewestelijke dienst voor arbeidsbemiddeling wanneer de werkloze niet of niet voldoende meewerkt met het individuele actieplan bedoeld in artikel 27, eerste lid, 14° of zonder geldig motief een actie stopzet;
   d) de bijkomende inlichtingen en bewijsstukken die eventueel verzameld worden bij de bevoegde gewestelijke dienst voor arbeidsbemiddeling onder de voorwaarden bedoeld in het vierde lid;
   e) de periodes tijdens dewelke de werkloze vrijgesteld was van de verplichting om beschikbaar te zijn voor de arbeidsmarkt, in toepassing van de artikelen 91, 92, 93, 94 of 97;
   f) de periode tijdens dewelke de werkloze een intensieve opleidingsactie heeft gevolgd onder de voorwaarden bepaald in artikel 59bis, § 4;
   g) de periodes van voltijdse en deeltijdse tewerkstelling en de ziekteperiodes;
   h) de activiteiten die hij eventueel heeft verricht in het kader van het plaatselijk werkgelegenheidsagentschap;
   2° de inlichtingen meegedeeld door de werkloze zelf over de acties die hij heeft ondernomen in het kader van het individuele actieplan bedoeld in artikel 27, eerste lid, 14° en over de acties die hij op eigen initiatief heeft ondernomen in zijn zoektocht naar werk.
   De werkloze bewijst zijn stappen met alle rechtsmiddelen, met inbegrip van de verklaring op eer. Met de verklaring op eer wordt rekening gehouden indien ze precies, geloofwaardig en controleerbaar is.
   In afwijking van het eerste lid, 1°, wordt in de evaluatie van de inspanningen verricht door de werkloze daarentegen geen rekening gehouden met de periodes tijdens dewelke de procedure van de opvolging van het zoekgedrag naar werk opgeschort was in toepassing van artikel 59bis, §§ 7 tot 10, noch met de periodes tijdens dewelke de werkloze niet was ingeschreven als werkzoekende.
   De inlichtingen bedoeld in het eerste lid, 1° worden tijdens het gesprek aan de werkloze meegedeeld.
   Naast de geïnformatiseerde gegevens bedoeld in het eerste lid, 1°, a) en b), kan de directeur aan de bevoegde gewestelijke dienst voor arbeidsbemiddeling bijkomende inlichtingen en bewijsstukken vragen, indien deze noodzakelijk zijn om de evaluatiebeslissing te onderbouwen.
   In geval van twijfel over de juistheid van de gegevens meegedeeld door de werkloze, kan de directeur de door de werkloze voorgelegde verklaringen en documenten verifiëren, overeenkomstig de bepalingen van artikel 139. De inlichtingen verzameld tijdens deze controle worden geakteerd in de evaluatiebeslissing die schriftelijk aan de werkloze wordt meegedeeld.
   In zijn evaluatie van de inspanningen geleverd door de werkloze houdt de directeur onder meer rekening met de leeftijd van de werkloze, zijn opleidingsniveau, zijn bekwaamheden, zijn sociale en familiale toestand, zijn verplaatsingsmogelijkheden en eventuele elementen van discriminatie. Hij houdt eveneens rekening met de toestand van de arbeidsmarkt in de subregio waar de werkloze zijn hoofdverblijfplaats heeft. Onder subregio wordt verstaan, de zone waarbinnen de bewoners van dezelfde gemeente van de werkloze en van de buurgemeenten zich verplaatsen om te gaan werken, zonder dat deze zone beperkt mag worden tot het ambtsgebied van het werkloosheidsbureau waar de werkloze zijn hoofdverblijfplaats heeft.
   § 4. Indien de directeur vaststelt dat de werkloze voldoende en passende inspanningen heeft verricht om zich te integreren in de arbeidsmarkt, informeert hij de werkloze over deze positieve evaluatie onmiddellijk na het evaluatiegesprek of ten laatste 10 werkdagen volgend op het gesprek. De werkloze wordt eveneens geïnformeerd dat hij voor een nieuw gesprek zoals bedoeld in artikel 59quater zal worden uitgenodigd, ten vroegste na het verstrijken van een termijn van 9 maanden die ingaat op de dag na dit gesprek of later, wanneer de voorwaarden bedoeld in artikel 59bis opnieuw vervuld zijn.
   De positieve evaluatiebeslissing en de inlichtingen bedoeld in het eerste lid worden aan de werkloze meegedeeld in een schrijven, gedateerd en ondertekend door de directeur, dat hem wordt overhandigd na afloop van het gesprek of hem later per gewone brief wordt bezorgd.
   De directeur deelt zijn beslissing mee aan de bevoegde gewestelijke dienst voor arbeidsbemiddeling.
   Bovendien wordt een informatieve brief die herinnert aan de oproeping voor het in het eerste lid bedoelde nieuwe evaluatiegesprek, naar de werkloze verstuurd ten laatste 3 maanden voor deze oproeping.
   § 5. Indien de directeur vaststelt dat de werkloze niet voldoende en aangepaste inspanningen heeft verricht om zich te integreren in de arbeidsmarkt, informeert hij de werkloze over deze negatieve evaluatie en over de gevolgen van deze negatieve evaluatie voor zijn recht op uitkeringen, onmiddellijk na het evaluatiegesprek of ten laatste 10 werkdagen volgend op het gesprek.
   De negatieve evaluatiebeslissing en de inlichtingen bedoeld in het eerste lid worden aan de werkloze meegedeeld in een schrijven, gedateerd en ondertekend door de directeur, dat hem wordt overhandigd na afloop van het gesprek of hem later per gewone brief wordt bezorgd.
   De directeur deelt zijn beslissing mee aan de bevoegde gewestelijke dienst voor arbeidsbemiddeling.
   § 6. In het in § 5 bedoelde geval, zal de werkloze wiens inspanningen onvoldoende of onaangepast werden beoordeeld :
   1° gedurende een periode van 6 maanden, berekend van datum tot datum, de verminderde werkloosheidsuitkering genieten bedoeld in artikel 130bis en na afloop van de voormelde periode uitgesloten worden van het recht op werkloosheidsuitkeringen, indien hij de hoedanighied van werknemer met gezinslast heeft in de zin van artikel 110, § 1 of van alleenwonende werknemer in de zin van artikel 110, § 2;
   2° uitgesloten worden van het recht op werkloosheidsuitkeringen, indienhij de hoedanigheid heeft van samenwonende werknemer in de zin van artikel 110, § 3.
   In afwijking van het eerste lid, 2°, geniet de werkloze die bewijst dat het jaarlijkse netto-belastbare inkomen van zijn gezin, zonder rekening te houden met de werkloosheidsuitkeringen die hij geniet, de 15.784,42 euro, vermeerderd met 631,39 euro per persoon ten laste, niet overschrijdt, de uitkering bedoeld in artikel 114, § 3, 3° gedurende een periode van zes maanden, berekend van datum tot datum en wordt hij na afloop van de voormelde periode uitgesloten van het recht op uitkeringen.
   § 7. De beslissing genomen met toepassing van § 6 gaat in op de maandag die volgt op de afgifte ter post van de kennisgeving van deze beslissing aan de werkloze.
   De aan de werkloze betekende beslissing vermeldt onder meer de mogelijkheid om een administratief beroep in te dienen bij de Nationale administratieve commissie binnen de termijn en volgens de modaliteiten voorzien in artikel 59septies.
   De uitsluiting voorzien in § 6 houdt tijdelijk op uitwerking te hebben gedurende de periode tijdens dewelke de werkloze het werk hervat heeft als loontrekkende en tijdelijk werkloos is gesteld in deze betrekking.]4
  ----------
  (1)<KB 2010-09-28/12, art. 3, 198; Inwerkingtreding : 01-11-2010>
  (2)<KB 2011-12-28/29, art. 8, 203; Inwerkingtreding : 01-01-2012>
  (3)<KB 2012-07-23/01, art. 6, 206; Inwerkingtreding : 01-11-2012>
  (4)<KB 2014-06-26/02, art. 16, 229; Inwerkingtreding : 01-07-2014>

  Art. 59septies.§ 1. [2 Binnen de maand die volgt op de ontvangst van de beslissing bedoeld in artikel 59sexies, § 7, genomen ingevolge een negatieve evaluatie van zijn inspanningen, kan de werkloze een administratief beroep indienen bij de Nationale administratieve commissie, indien hij van mening is voldoende inspanningen te hebben verricht om zich in te schakelen in de arbeidsmarkt, gedurende de periode volgend op het evaluatiegesprek bedoeld in artikel 59quater en/of artikel 59quinquies.]2
  [1 ...]1
  [2 De werkloze van wie de inspanningen positief werden geëvalueerd na het evaluatiegesprek bedoeld in artikel 59sexies, kan binnen de maand volgend op het voormelde evaluatiegesprek een administratief beroep indienen bij de nationale administratieve commissie tegen de beslissing genomen met toepassing van artikel 59quinquies, § 6, indien hij van mening is voldoende inspanningen te hebben geleverd om zich in te schakelen op de arbeidsmarkt gedurende de periode volgend op het evaluatiegesprek bedoeld in artikel 59quater.]2
  De termijn om het in de vorige leden bedoelde administratief beroep in te dienen, die aanvat gedurende de periode van 1 juli tot 15 augustus, wordt verlengd met 21 kalenderdagen.
  Om ontvankelijk te zijn moet het beroep schriftelijk worden opgesteld, gedateerd en ondertekend zijn en overgemaakt worden aan de secretaris van de commissie op de zetel van de Rijksdienst. Dit schrijven moet hetzij tegen ontvangstbewijs worden afgegeven in de handen van de secretaris of de adjunct-secretaris, ofwel door middel van een ter post aangetekende brief naar de secretaris gestuurd worden.
  De indiening van het administratieve beroep heeft geen opschortend effect op het latere verloop van de opvolgingsprocedure.
  § 2. [1 ...]1
  § 3. [1 De commissie dient uitspraak te doen over het administratief beroep binnen twee maanden na ontvangst ervan, behalve indien de werkloze opgeroepen voor een zitting van de commissie, uitstel van het onderzoek van zijn beroep heeft verkregen naar een latere zitting, in welk geval de commissie over een bijkomende termijn van twee maanden beschikt om haar beslissing te nemen.]1
  De termijn van twee maanden bedoeld in het eerste lid wordt opgeschort gedurende de periode tijdens dewelke de commissie, overeenkomstig artikel 7, § 8, vierde lid, in de onmogelijkheid is om uitspraak te doen over het ingediende beroep, omwille van de afwezigheid van de leden die de interprofessionele werkgeversorganisaties vertegenwoordigen of de leden die de interprofessionele werknemersorganisaties vertegenwoordigen.
  Het administratieve beroep wordt ambtshalve gegrond verklaard indien de commissie geen uitspraak heeft gedaan over het beroep binnen de in deze paragraaf bedoelde termijn.
  § 4. In geval van volledig gegrond verklaard beroep worden de beslissingen tot uitsluiting, genomen in toepassing van artikel 59quinquies, § 6 en artikel 59sexies, § 6, vernietigd. In dat geval wordt de werkloze uitgenodigd voor een nieuw evaluatiegesprek, zoals bedoeld in artikel 59quater, ten vroegste na het verstrijken van een termijn van 12 maanden die ingaat op de dag nadat het beroep door de commissie gegrond is verklaard of later, wanneer de voorwaarden bedoeld in artikel 59bis opnieuw vervuld zijn.
  In geval van gedeeltelijk gegrond verklaard beroep, wordt enkel de beslissing tot uitsluiting genomen met toepassing van artikel 59sexies, § 6 vernietigd. In dat geval wordt de werkloze uitgenodigd voor een nieuw evaluatiegesprek, zoals bedoeld in artikel 59quater, ten vroegste na het verstrijken van een termijn van 6 maanden die ingaat op de dag nadat het beroep door de commissie gegrond is verklaard of later, wanneer de voorwaarden bedoeld in artikel 59bis opnieuw vervuld zijn.
  § 5. De beslissing van de commissie wordt aan de werkloze betekend per gewone brief. Een kopie van de beslissing wordt verstuurd naar de uitbetalingsinstelling en naar de directeur wiens beslissing betwist werd.
  ----------
  (1)<KB 2012-07-23/01, art. 7, 206; Inwerkingtreding : 01-11-2012>
  (2)<KB 2014-06-26/02, art. 17, 229; Inwerkingtreding : 01-07-2014>

  Art. 59octies.<Ingevoegd bij KB 2004-07-04/30, art. 5, Inwerkingtreding : 01-07-2004> De in artikel 59sexies, § 6 bedoelde uitsluiting eindigt wanneer de werknemer opnieuw voldoet aan de toelaatbaarheidsvoorwaarden voorzien in de artikelen 30 tot 33 of wanneer hij een stage heeft vervuld van
  1° [1 312 arbeids- of gelijkgestelde dagen in de zin van de artikelen 37 of 38 in de loop van de 21 maanden die voorafgaan aan zijn uitkeringsaanvraag als voltijds werknemer;]1
  2° 312 halve arbeids- of gelijkgestelde dagen in de zin van de artikelen 37 of 38 in de loop van de 24 maanden die zijn uitkeringsaanvraag als vrijwillig deeltijdse werknemer in een arbeidsregime dat voldoet aan de voorwaarden van artikel 33, 1°, voorafgaan.
  Voor de toepassing van het vorige lid, wordt geen rekening gehouden :
  1° met de arbeids- of gelijkgestelde dagen gelegen vóór de dag van ontvangst van de beslissing tot uitsluiting;
  2° met de dagen die aanleiding hebben gegeven tot het betalen van een uitkering in toepassing van dit besluit;
  3° met de dagen die aanleiding hebben gegeven tot de betaling van een vergoeding in toepassing van de wetgeving betreffende de verplichte ziekte- en invaliditeitsverzekering, behalve indien zij onmiddellijk zijn voorafgegaan door een ononderbroken periode van 26 arbeidsdagen of 26 halve arbeidsdagen, indien het gaat om een vrijwillig deeltijdse werknemer.
  Voor de toepassing van het eerste lid, worden de dagen tijdelijke werkloosheid, al dan niet vergoed, beschouwd als gelijkgestelde dagen ten belope van ten hoogste 78 dagen of, indien het om een vrijwillig deeltijdse werknemer gaat, ten hoogste 78 halve dagen.
  ----------
  (1)<KB 2014-06-26/02, art. 18, 229; Inwerkingtreding : 01-07-2014>

  Art. 59nonies.(NOTA van Justel : in plaats van "nonies" zou het "novies" moeten zijn.) [1 § 1. [3 De oproeping voor de evaluatiegesprekken bedoeld in de artikelen 36, § 4, tweede lid en § 8, 59quater, § 1, eerste lid, 59quater/1, § 2, eerste lid, 59quater/2, § 2, eerste lid, 59quater/3, § 1, eerste lid, 59quinquies, § 1, eerste lid, 59quinquies/1, § 2, eerste lid, 59quinquies/2, § 2, eerste lid, en 59sexies, § 1, eerste lid, gebeurt door verzending van een gewone brief die het motief, de dag en het uur van het gesprek vermeldt.]3
   Het evaluatiegesprek vindt plaats ten vroegste de tiende dag na de afgifte van de uitnodiging ter post.
   De werknemer die belet is op de dag waarvoor hij werd opgeroepen, mag het uitstel van het gesprek vragen. De directeur stelt een nieuwe datum vast, die niet meer dan vijftien dagen na de eerder vastgestelde datum mag gelegen zijn. Behoudens gevallen van overmacht wordt het uitstel slechts eenmaal verleend. De aanvraag om uitstel moet, behoudens gevallen van overmacht, ten laatste de dag die voorafgaat aan het gesprek op het werkloosheidsbureau aankomen.
   § 2. [2 ...]2 ]1
  ----------
  (1)<KB 2012-07-20/03, art. 10, 204; Inwerkingtreding : 09-08-2012>
  (2)<KB 2012-07-23/01, art. 8, 206; Inwerkingtreding : 01-11-2012>
  (3)<KB 2014-06-26/02, art. 19, 229; Inwerkingtreding : 01-07-2014>

  Art. 59decies. <Ingevoegd bij KB 2004-07-04/30, art. 5, Inwerkingtreding : 01-07-2004; zie bijzonderheden betreffende de inwerkingtreding bij art. 10 van de wijzigende tekst> De bedragen bedoeld in artikel 59quinquies, § 6, derde lid en artikel 59sexies, § 6, tweede lid zijn gekoppeld aan de spilindex 103,14, van kracht op 1 juni 1999 (basis 1996 = 100) volgens de regels bedoeld in artikel 113.
  Voor de toepassing van de bepalingen bedoeld in het voorgaande lid :
  1° worden de gezinsinkomsten vergeleken met het bedrag dat van toepassing is op de dag van het in artikel 59quinquies of in artikel 59 sexies bedoelde gesprek;
  2° wordt, voor het begrip gezin, enkel rekening gehouden, met de gezinsleden van wie de samenwoonst met de werkloze een invloed heeft op het bedrag van zijn uitkeringen;
  3° wordt het netto belastbaar gezinsinkomen bepaald overeenkomstig artikel 6 van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992, waarbij de inkomsten die niet belastbaar zijn in België eveneens in aanmerking worden genomen. Er wordt rekening gehouden met de inkomens van de personen bedoeld in 2° met wie de werkloze samenwoont op de dag van het in artikel 59quinquies of artikel 59 sexies bedoelde gesprek. Het gaat om de inkomens vermeld op het laatste aanslagbiljet waarvan de datum waarop het uitvoerbaar is verklaard, gelegen is vóór de dag van het voornoemde gesprek.

  Afdeling 3. - Arbeidsgeschiktheid.

  Art. 60. Om uitkeringen te genieten moet de werknemer arbeidsgeschikt zijn in de zin van de wetgeving op de verplichte ziekte- en invaliditeitsverzekering.

  Art. 61. § 1. Kan geen uitkeringen genieten de werknemer die een uitkering ontvangt ingevolge een Belgische ziekte- of invaliditeitsverzekering.
  In afwijking van het eerste lid kan hij nochtans uitkeringen als tijdelijk werkloze genieten indien hij krachtens de op hem toepasselijke verzekeringsregeling bepaalde arbeid mag verrichten onder voorbehoud van schorsing of tijdelijke vermindering van zijn recht op uitkering of pensioen wegens ziekte of invaliditeit.
  § 2. Kan geen uitkeringen genieten de werknemer die tijdelijk volledig of gedeeltelijk arbeidsongeschikt is overeenkomstig de Belgische wetgeving die betrekking heeft op de schadeloosstelling voor arbeidsongevallen, ongevallen op de weg naar of van het werk of beroepsziekten.
  In afwijking van het eerste lid kan hij nochtans uitkeringen als tijdelijk werkloze genieten indien hij krachtens de op hem toepasselijke verzekeringsregeling bepaalde arbeid mag verrichten onder voorbehoud van schorsing of tijdelijke vermindering van zijn recht op vergoeding.
  De werknemer die blijvend arbeidsongeschikt is overeenkomstig de voormelde Belgische wetgeving kan uitkeringen genieten, behalve indien hij overeenkomstig artikel 62 als arbeidsongeschikt wordt beschouwd.
  § 3. Kan niet van uitkeringen genieten de werknemer die, ingevolge een regeling inzake sociale zekerheid anders dan deze bedoeld in de voorgaande paragrafen, een prestatie geniet wegens een arbeidsongeschiktheid of een invaliditeit.
  De werknemer bedoeld in het voorgaande lid kan evenwsel uitkeringen genieten indien hij, op advies van de voor het werkloosheidsbureau aangewezen geneesheer overeenkomstig de procedure voorzien in artikel 141, door de directeur als arbeidsgeschikt in de zin van de Belgische verplichte ziekte- en invaliditeitsverzekering wordt beschouwd en voor zover de regeling die de prestatie toekent het genot niet afhankelijk stelt van het verbod nog te arbeiden. Artikel 130 is van toepassing behalve indien de prestatie toegekend wordt ingevolge een vreemde wetgeving inzake arbeidsongevallen, ongevallen op de weg naar en van het werk of beroepsziekten.

  Art. 62. § 1. Kan geen uitkeringen genieten de werknemer die, op advies van de voor het werkloosheidsbureau aangewezen geneesheer, overeenkomstig de procedure voorzien in artikel 141, door de directeur wordt beschouwd als ongeschikt tot werken in de zin van de wetgeving op de verplichte ziekte- en invaliditeitsverzekering. De beslissing van de directeur heeft uitwerking de dag volgend op de afgifte ter post van de brief waarbij de beslissing ter kennis wordt gebracht van de werkloze.
  Indien de werknemer, die als ongeschikt wordt beschouwd, deze beslissing voor de bevoegde rechtsmacht betwist en in het gelijk wordt gesteld, betaalt de Rijksdienst aan de verzekeringsinstelling het bedrag terug van de uitkeringen van de ziekte- en invaliditeitsverzekering, inmiddels door de werknemer ontvangen, ten belope van het bedrag van de uitkeringen die hem door de Rijksdienst verschuldigd zijn.
  Voor periodes waarvoor de werkloze uitkeringen heeft genoten ten laste van de verzekeringsinstelling geldt het voorgaande lid evenwel slechts voor zover de rechterlijke uitspraak tegenstelbaar werd verklaard aan de verzekeringsinstelling of de werknemer zich bereid verklaart afstand te doen van de uitkeringen die hij ontving van de ziekte- en invaliditeitsverzekering.
  § 2. De werknemer die bij toepassing van de wetgeving op de verplichte ziekte- en invaliditeitsverzekering als geschikt wordt beschouwd en die deze beslissing voor de bevoegde rechtsmacht betwist, kan voorlopig uitkeringen genieten.
  Indien hij in het gelijk wordt gesteld, betaalt de verzekeringsinstelling aan de Rijksdienst het bedrag van de intussen aan de werknemer betaalde uitkeringen terug ten belope van het totaal van de achterstallige uitkeringen van de ziekte- en invaliditeitsverzekering waarop de betrokkene recht heeft, terwijl het saldo wordt teruggevorderd door de Rijksdienst.
  Deze werknemer blijft als geschikt beschouwd zolang de bevoegde rechtsmacht er niet anders over beslist. Hij blijft onderworpen aan de bepalingen van dit besluit, zonder nochtans uitgesloten te kunnen worden uit hoofde van dezelfde ongeschiktheid.

  Afdeling 4. - Leeftijdsvoorwaarden.

  Art. 63.<AR 2006-06-15/36, art. 4, 153; Inwerkingtreding : 01-07-2006> [1 § 1.]1 De jonge werknemer kan niet genieten van uitkeringen vóór de beëindiging van de voltijdse en van de deeltijdse leerplicht.
  [6 De jonge werknemer kan vóór de beëindiging van de voltijdse en deeltijdse leerplicht evenwel overbruggingsuitkeringen genieten voor de uren van tijdelijke werkloosheid, op voorwaarde dat hij alternerend onderwijs of onderwijs met beperkt leerplan of een erkende deeltijdse opleiding of een alternerende opleiding volgt en dit, onverminderd de toepassing van de artikelen 60 en 61.
   De werkloze kan enkel genieten van de uitkeringen bedoeld in het vorige lid voor de maanden waarin hij bij zijn attest van tijdelijke werkloosheid een door de verantwoordelijke van de opleiding afgeleverd maandelijks getuigschrift voegt, waaruit blijkt dat hij de opleiding regelmatig volgt.]6
  [1 § 2. Het recht op inschakelingsuitkeringen wordt beperkt tot een periode van 36 maanden, gerekend van datum tot datum, vanaf de dag waarop het recht voor het eerst wordt toegekend krachtens artikel 36.
   Voor de toepassing van het eerste lid wordt
   1° geen rekening gehouden met de periode die voorafgaat aan 1 januari 2012;
   2° voor de jonge werknemer die overeenkomstig artikel 110, §§ 1 en 2 wordt beschouwd als werknemer met gezinslast of als alleenwonende werknemer, of die overeenkomstig artikel 110, § 3 wordt beschouwd als samenwonende werknemer en voldoet aan de vereisten van artikel 124, tweede lid, geen rekening gehouden met de periode die voorafgaat aan de maand volgend op de dertigste verjaardag, ongeacht de gezinssituatie van de jonge werknemer tijdens die voorafgaande periode.
  [3 De periode van 36 maanden bedoeld in het eerste lid, die niet wordt geneutraliseerd in toepassing van het tweede lid, wordt verlengd met :
   1° de duur van de gebeurtenissen, ongeacht hun duurtijd, bedoeld in artikel 116, § 2, met uitsluiting van :
   a) de periode van vrijstelling in toepassing van artikel 90 [5 ...]5;
   b) de periode van beroepsopleiding;
   2° de ononderbroken periode van werkhervatting als deeltijdse werknemer met behoud van rechten met inkomensgarantie-uitkering, gedurende ten minste zes maanden, die vooraf gaat aan een uitkeringsaanvraag als volledig werkloze na het einde van de tewerkstelling, op voorwaarde dat de deeltijdse arbeidsregeling gemiddeld per week :
   a) ofwel ten minste één derde bedraagt van het normaal gemiddeld wekelijks aantal arbeidsuren van de maatman;
   b) ofwel ten minste één vierde bedraagt van het normaal gemiddeld wekelijks aantal arbeidsuren van de maatman, voor zover deze afwijking op de één derde grens werd verleend voor de bedrijfstakken, de bedrijfscategorie of de ondernemingstak waarin de tewerkstelling plaats vond bij sectorale collectieve arbeidsovereenkomst.]3
   [2 De jonge werknemer, die bij het verstrijken van de periode van 36 maanden, bedoeld in het eerste lid, in voorkomend geval verlengd in toepassing van het vorig lid of van dit lid :
   1° een vrijstelling geniet [8 op grond van artikel 97 of bedoeld in artikel 152quinquies]8, kan het recht op uitkeringen behouden tot aan het einde van de periode van deze vrijstelling;
   2° een inkomensgarantie-uitkering geniet als deeltijdse werknemer met behoud van rechten, waarbij de referte-uitkering bedoeld in artikel 131bis, § 2, een inschakelingsuitkering betreft, kan het recht op uitkeringen behouden tot aan het einde van de ononderbroken periode van deeltijdse tewerkstelling met behoud van rechten;
   3° door de bevoegde gewestelijke dienst voor arbeidsbemiddeling beschouwd wordt als werkzoekende met acute of chronische ernstige medische, mentale, psychische of psychiatrische problemen, in voorkomend geval gecombineerd met sociale problemen, die positief meewerkt in een door deze dienst georganiseerd of erkend, hieraan aangepast traject, kan het recht op uitkeringen behouden tot aan het verstrijken van [9 een vaste periode van twee jaar te rekenen van datum tot datum, vanaf het verstrijken van de in voorkomend geval in toepassing van het vorig lid of van dit lid verlengde periode van 36 maanden. Deze periode wordt evenwel, indien zij ten einde loopt vóór 31 december 2019, verlengd tot 31 december 2019, ofwel, indien zij ten einde loopt na 31 december 2019, beperkt tot 31 december 2019.]9. Het College van leidende ambtenaren opgericht krachtens het protocol van 22 december 1988 tot regeling van de betrekkingen tussen de instellingen ontstaan uit de herstructurering van de Rijksdienst voor arbeidsvoorziening, bepaalt, na advies van het beheerscomité, met eenparigheid van stemmen wat bedoeld wordt met "werkzoekende met acute of chronische ernstige medische, mentale, psychische of psychiatrische problemen, in voorkomend geval gecombineerd met sociale problemen" en met "een door deze dienst georganiseerd of erkend, hieraan aangepast traject";
   4° een blijvende arbeidsongeschiktheid van ten minste 33 % vertoont, vastgesteld door de voor het werkloosheidsbureau aangewezen geneesheer, overeenkomstig de procedure voorzien in artikel 141, en die positief meewerkt in een door de bevoegde gewestelijke dienst voor arbeidsbemiddeling georganiseerd of erkend, hieraan aangepast traject, kan het recht op uitkeringen behouden tot aan het verstrijken van [9 een vaste periode van twee jaar te rekenen van datum tot datum, vanaf het verstrijken van de in voorkomend geval in toepassing van het vorig lid of van dit lid verlengde periode van 36 maanden. Deze periode wordt evenwel, indien zij ten einde loopt vóór 31 december 2019, verlengd tot 31 december 2019, ofwel, indien zij ten einde loopt na 31 december 2019, beperkt tot 31 december 2019.]9. Het College van leidende ambtenaren opgericht krachtens het protocol van 22 december 1988 tot regeling van de betrekkingen tussen de instellingen ontstaan uit de herstructurering van de Rijksdienst voor arbeidsvoorziening, bepaalt, na advies van het beheerscomité, met eenparigheid van stemmen wat bedoeld wordt met "een door deze dienst georganiseerd of erkend, hieraan aangepast traject.]2
   De jonge werknemer die toegelaten werd op grond van artikel 36, wordt ter gelegenheid van een latere uitkeringsaanvraag met het oog op de uitputting van de resterende rechten, toelaatbaar beschouwd indien hij een vrijstelling van wachttijd overeenkomstig artikel 42 geniet, of indien hij de leeftijd van [4 25 jaar]4 nog niet heeft bereikt.
  [4 Het aantal personen behorend tot de doelgroep bedoeld in § 2, vierde lid, 3° mag in elk gewest en in de Duitstalige Gemeenschap op elk tijdstip niet meer zijn dan 10% van het aantal volledig werkloze personen die inschakelingsuitkeringen genieten of die een inkomensgarantie-uitkering genieten waarvan de referte-uitkering een inschakelingsuitkering is, in het betreffende gewest of de betreffende Gemeenschap.]4
   § 3. In afwijking van § 2 wordt evenwel een additioneel recht van 6 maanden, gerekend van datum tot datum, toegekend vanaf de datum van de nieuwe uitkeringsaanvraag, indien de jonge werknemer gelijktijdig voldoet aan de volgende voorwaarden :
   1° de jonge werknemer wordt toelaatbaar beschouwd aangezien hij een vrijstelling van wachttijd overeenkomstig artikel 42 geniet, of de leeftijd van [4 25 jaar]4 nog niet heeft bereikt;
   2° de jonge werknemer toont 156 arbeids- of gelijkgestelde dagen in de zin van de artikelen 37 en 38 aan, in de periode van 24 maanden die voorafgaan aan de uitkeringsaanvraag; in afwijking van artikel 38 wordt hierbij geen rekening gehouden met de navermelde gelijkgestelde dagen :
   a) de dagen waarvoor een uitkering als volledig werkloze werd toegekend;
   b) de dagen waarvoor een ziekte- of invaliditeitsuitkering als volledig werkloze werd toegekend; deze dagen leiden evenwel tot een verlenging van de referteperiode van 24 maanden;
   c) de dagen waarvoor de werknemer geniet van een ziekte- of invaliditeitsuitkering; deze dagen leiden evenwel tot een verlenging van de referteperiode van 24 maanden.
   De jonge werknemer die bij het verstrijken van de periode van 6 maanden bedoeld in het eerste lid, een vrijstelling geniet [8 op grond van artikel 97 of in toepassing van artikel 152quinquies]8, kan het recht op uitkeringen behouden tot aan het einde van de periode van deze vrijstelling.
   § 4. De paragrafen 2 en 3 gelden eveneens indien de jonge werknemer een inkomensgarantie-uitkering geniet waarbij de referte-uitkering bedoeld in artikel 131bis, § 2, een inschakelingsuitkering betreft.
   § 5. De beslissing waarbij in toepassing van de §§ 2 en 3 het recht op inschakelingsuitkeringen voor een in de tijd beperkte periode wordt toegekend, wordt voor de toepassing van artikel 146, vierde lid, 1° niet beschouwd als een beslissing tot ontzegging, uitsluiting of schorsing van het recht op uitkeringen.]1
  [4 § 6. Voor de toepassing van § 2, vierde lid, 3° wordt de jonge werknemer die uiterlijk op 28 februari 2015 door de bevoegde gewestelijke dienst beschouwd wordt als behorend tot de betreffende doelgroep en positief meewerkt in een aangepast traject dat uiterlijk op 28 februari 2015 aanvangt, gelijkgesteld met een jonge werknemer die aan deze voorwaarden voldoet bij het verstrijken van de periode van 36 maanden.
   Voor de toepassing van § 2, vierde lid, 4° wordt de jonge werknemer die uiterlijk op 28 februari 2015 behoort tot de betreffende doelgroep en positief meewerkt in een aangepast traject, gelijkgesteld met een jonge werknemer die aan deze voorwaarden voldoet bij het verstrijken van de periode van 36 maanden.]4
  ----------
  (1)<KB 2011-12-28/29, art. 9, 203; Inwerkingtreding : 01-01-2012>
  (2)<KB 2014-03-28/05, art. 1, 225; Inwerkingtreding : 01-05-2014>
  (3)<KB 2014-06-29/04, art. 1, 230; Inwerkingtreding : 01-01-2012>
  (4)<KB 2014-12-30/06, art. 4, 235; Inwerkingtreding : 01-01-2015>
  (5)<KB 2015-04-15/02, art. 1, 236; Inwerkingtreding : 01-01-2015>
  (6)<KB 2014-07-01/09, art. 7, 237; Inwerkingtreding : 01-07-2015>
  (7)<KB 2017-01-27/04, art. 2, 257; Inwerkingtreding : 01-01-2017>
  (8)<KB 2017-10-08/07, art. 5, 270; Inwerkingtreding : 16-11-2017>
  (9)<KB 2018-01-07/05, art. 1, 275; Inwerkingtreding : 01-01-2018>

  Art. 64.<KB 1997-03-13/31, art. 64, 057; Inwerkingtreding : 01-07-1997> De werkloze kan niet meer genieten van uitkeringen vanaf de eerste dag van de kalendermaand, volgend op deze waarin zijn 65e verjaardag gelegen is.
  [1 In afwijking van het eerste lid kan de werknemer die geen pensioen geniet in de zin van artikel 65, uitkeringen als tijdelijk werkloze genieten na de maand volgend op deze waarin zijn vijfenzestigste verjaardag gelegen is, voor zover de tijdelijke werkloosheid niet het gevolg is van een schorsing van de uitvoering van de arbeidsovereenkomst wegens overmacht die veroorzaakt wordt door de arbeidsongeschiktheid van de werknemer.]1
  ----------
  (1)<KB 2014-12-30/06, art. 5, 235; Inwerkingtreding : 01-01-2015>

  Art. 65.§ 1. De werkloze die aanspraak kan maken op een volledig pensioen kan geen uitkeringen genieten.
  § 2. (De werkloze die een onvolledig pensioen of een overlevingspensioen geniet kan uitkeringen genieten binnen de beperkingen van artikel 130. [1 De werkloze die een overgangsuitkering geniet kan uitkeringen genieten, zonder toepassing van de beperking van artikel 130.]1
  [1 Het genot van de uitkeringen wordt evenwel slechts toegekend op voorwaarde dat de werkloosheid haar oorzaak niet vindt in de stopzetting of de vermindering van de arbeid omwille van de ontvangst van het pensioen of de overgangsuitkering en op voorwaarde dat het stelsel op grond waarvan het pensioen wordt toegekend :]1
  1° de cumulatie van het pensioen met de uitkeringen niet verbiedt;
  2° het genot van het pensioen of het bedrag van het pensioen niet afhankelijk stelt van voorwaarden die de beschikbaarheid voor de arbeidsmarkt beperken.
  De voorwaarden van het tweede lid gelden eveneens indien de werkloze vrijstelling geniet van de vereiste beschikbaar te zijn voor de arbeidsmarkt.) <KB 2007-06-03/36, art. 1, 165; Inwerkingtreding : 01-01-2007>
  (§ 2bis. In afwijking van § 2, tweede lid, 2°, kan de werknemer die een overlevingspensioen geniet, waarvan het genot of het bedrag afhankelijk is van voorwaarden die de beschikbaarheid voor de arbeidsmarkt beperken uitkeringen genieten gedurende een eenmalige periode van twaalf al dan niet opeenvolgende kalendermaanden indien navermelde voorwaarden gelijktijdig worden vervuld :
  1° de werkloosheid vindt niet haar oorsprong in de stopzetting of de vermindering van de arbeid met het oog op het verkrijgen van het overlevingspensioen;
  2° de regeling op grond waarvan het overlevingspensioen wordt toegekend, voorziet een beperking van het pensioenbedrag in geval van cumulatie met uitkeringen.
  Het dagbedrag van de uitkering wordt, in geval van toepassing van deze paragraaf, niet verminderd in toepassing van artikel 130.
  Deze paragraaf doet geen afbreuk aan de verplichtingen opgelegd in dit besluit, inzonderheid de verplichting om, behoudens vrijstelling, beschikbaar te zijn voor de arbeidsmarkt, actief te zoeken naar werk en ingeschreven te zijn als werkzoekende.) <KB 2007-06-03/36, art. 1, 165; Inwerkingtreding : 01-01-2007>
  (§ 2ter. Deze paragraaf regelt het recht op de werkhervattingstoeslag bedoeld in artikel 129bis of van de activeringsuitkering bedoeld in artikel 7, § 1, derde lid, m, van de besluitwet van 28 december 1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders.
  De werknemer die op het tijdstip van de aanvraag van het voordeel bedoeld in het eerste lid, een overlevingspensioen in de zin van § 2bis, eerste lid, geniet, kan dit voordeel slechts verkrijgen indien hij zich op dat tijdstip bevindt in de periode van 12 kalendermaanden bedoeld in § 2bis, eerste lid. In dit geval kan het voordeel, binnen de perken van de betreffende regelgeving, toegekend worden tot het einde van zijn tewerkstelling.
  De toekenning van een overlevingspensioen in de zin van § 2bis, eerste lid, aan een werknemer die op het tijdstip waarop het voordeel bedoeld in het eerste lid werd toegekend, geen dergelijk overlevingspensioen genoot, leidt niet tot het verlies van voordeel. Het voordeel kan, binnen de perken van de betreffende regelgeving, toegekend worden tot het einde van zijn tewerkstelling.) <KB 2007-06-03/36, art. 1, 165; Inwerkingtreding : 01-01-2007>
  § 3. Voor de toepassing van dit artikel worden als pensioen aangemerkt de ouderdoms-, rust-, anciënniteits- of overlevingspensioenen en andere als dusdanig geldende voordelen toegekend:
  1° door of krachtens een Belgische of buitenlandse wet;
  2° door een Belgische of een buitenlandse instelling van sociale zekerheid, een openbaar bestuur, een openbare instelling of een instelling van openbaar nut.
  ----------
  (1)<KB 2014-07-08/13, art. 3, 233; Inwerkingtreding : 01-01-2015>

  Afdeling 5. - Andere voorwaarden.

  Art. 66. Om uitkeringen te genieten moet de werkloze zijn (hoofdverblijfplaats) in België hebben; hij moet bovendien effectief in België verblijven. <KB 2003-02-06/37, art. 2, 122; Inwerkingtreding : 01-04-2003>
  De Minister bepaalt na advies van het beheerscomité de gevallen waarin en de voorwaarden waaronder uitkeringen toegekend kunnen worden aan de werkloze die niet effectief in België verblijft.

  Art. 66bis.<Ingevoegd bij KB 2006-03-05/36, art. 6; Inwerkingtreding : 01-04-2006> § 1. De Rijksdienst kan inzonderheid door middel van het opvragen van een verblijfsbewijs overeenkomstig de navermelde regelen, nagaan of de volledig werkloze die onderworpen is aan de vereisten van artikel 66, eerste lid, werkelijk aan deze vereisten voldoet.
  De vraag om een verblijfsbewijs in te dienen, wordt aan de werkloze overgemaakt door middel van een gewone brief bevattende een formulier-verblijfsbewijs, goedgekeurd door het beheerscomité, en de mededeling dat de werkloze het verblijfsbewijs moet laten invullen uiterlijk de [1 zevende]1 kalenderdag volgend op de datum van de verzending van de brief. De uitbetalingsinstelling wordt via elektronische weg op de hoogte gesteld van de vraag en van de datum vanaf dewelke het recht op uitkeringen afhankelijk is van de toevoeging van het ingevulde verblijfsbewijs.
  De werkloze moet zich met het formulier persoonlijk aanmelden bij de gemeente van zijn hoofdverblijfplaats, bij het werkloosheidsbureau bevoegd voor zijn hoofdverblijfplaats, of bij een instelling die door de minister, na advies van het beheerscomité, werd aanvaard. De attesterende overheid controleert de identiteit en bevestigt op het formulier vastgesteld te hebben dat de werkloze zich op de betreffende datum persoonlijk heeft aangemeld.
  Het verblijfsbewijs wordt door de werkloze ingediend via de uitbetalingsinstelling samen met de controlekaart. Het verblijfsbewijs wordt beschouwd als een verantwoordingsstuk in de zin van artikel 160, § 1.
  § 2. In geval van laattijdige aanmelding mag de uitbetalingsinstelling geen uitkeringen betalen vanaf de dag volgend op in § 1, tweede lid, vermelde [1 zevende]1 kalenderdag tot de dag voorafgaand aan de dag waarop de werkloze :
  1° ofwel zich blijkens het verblijfsbewijs laattijdig heeft aangemeld;
  2° ofwel een uitkeringsaanvraag indient na een onderbreking van zijn uitkeringen gedurende ten minste vier weken, ten gevolge van een werkhervatting als loontrekkende of een vergoede periode van arbeidsongeschiktheid.
  Het voormelde beletsel geldt evenwel niet :
  1° voor de ononderbroken periode waarin de werkloze krachtens artikel 66, tweede lid, vrijgesteld is van de verplichting effectief in België te verblijven, voor zover de in § 1, tweede lid, vermelde [1 zevende]1 kalenderdag zich in deze periode situeert;
  2° indien de laattijdige aanmelding het gevolg is van de onmogelijkheid zich tijdig aan te melden ingevolge een opleiding aanvaard door de directeur;
  3° indien de directeur vaststelt dat de laattijdige aanmelding het gevolg is van overmacht.
  ----------
  (1)<KB 2013-10-24/03, art. 1, 221; Inwerkingtreding : 01-12-2013>

  Art. 67. <KB 2001-06-10/60, art. 66, 097; Inwerkingtreding : 01-01-2003> De werkloze kan geen uitkeringen genieten gedurende een periode van vervullen van militieverplichtingen, van voorlopige hechtenis of vrijheidsberoving.

  Art. 68.<KB 1992-06-03/30, art. 1, 003; Inwerkingtreding : 01-06-1992> (De werkloze kan geen uitkering genieten gedurende de periode tijdens dewelke hij in België studies met volledig leerplan volgt georganiseerd, ingericht of erkend door een Gemeenschap of gedurende dewelke hij in het buitenland een daarmee vergelijkbare studie volgt, behalve indien de lessen hoofdzakelijk op zaterdag of na 17 uur worden gegeven of indien hij een vrijstelling heeft bekomen in toepassing van artikel 93.) <KB 1995-11-22/31, art. 13, 051; Inwerkingtreding : 01-01-1996>
  De werkloze kan evenmin van uitkeringen genieten gedurende de periode tijdens dewelke hij een opleiding volgt in de zin van artikel 92, behalve indien hij vrijstelling geniet van de verplichting beschikbaar te zijn voor de arbeidsmarkt en ingeschreven te zijn als werkzoekende of indien deze opleiding hoofdzakelijk op zaterdag of na 17 uur wordt gegeven.
  [1 In afwijking van de vorige leden, kan de werkloze geen volledige werkloosheidsuitkeringen genieten gedurende de periode tijdens dewelke hij verbonden is door een leerovereenkomst bedoeld in artikel 27, 15°, behalve indien hij een vrijstelling heeft gekregen in toepassing van artikel 94, § 6.]1
  ----------
  (1)<KB 2014-07-01/09, art. 8, 237; Inwerkingtreding : 01-07-2015>

  Art. 69. § 1. Om uitkeringen te genieten moet de vreemde of staatloze werkloze voldoen aan de wetgeving die betrekking heeft op de vreemdelingen en deze die betrekking heeft op de tewerkstelling van vreemde arbeidskrachten.
  § 2. Deze werkloze verliest het genot van de uitkeringen 60 dagen nadat de arbeidsvergunning is vervallen.
  Het voorgaande lid is niet toepasselijk op:
  1° de werknemer aan wie, in toepassing van de wetgeving die betrekking heeft op het in dienst hebben van vreemde arbeidskrachten, de arbeidsvergunning niet mag worden geweigerd;
  2° de persoon die krachtens de toepasselijke wetgeving de hoedanigheid van vluchteling bezit.

  Art. 70.[1 § 1. De werkloze of de in artikel 36 bedoelde [4 werknemer]4 die geen gevolg heeft gegeven aan een oproeping van het werkloosheidsbureau of aan een uitnodiging om thuis te wachten op het bezoek van een controleur, zoals bepaald in de artikelen 59quater, 59quater/1, 59quater/2, 59quater/3, 59quinquies, 59quinquies/1, 140 of 141, wordt uitgesloten van het recht op uitkeringen.
   De beslissing genomen in toepassing van het eerste lid heeft uitwerking vanaf de dag van de afwezigheid.
   § 2. [3 De in artikel 36 bedoelde [4 werknemer]4 die geen gevolg heeft gegeven aan de aangetekende brief bedoeld in de artikelen 59quater/1, § 1, derde lid, of § 2, tweede lid, 59quater/2, § 1, derde lid of § 2, tweede lid of 59quinquies/1, § 1, derde lid, of § 2, tweede lid, wordt uitgesloten van het recht op uitkeringen.
   De beslissing genomen in toepassing van het eerste lid heeft uitwerking vanaf de dag van het verstrijken van de termijn van vijf werkdagen, respectievelijk bedoeld in de artikelen 59quater/1, § 1, vierde lid of § 2, derde lid, 59quater/2, § 1, vierde lid of § 2, derde lid of 59quinquies/1, § 1, vierde lid of § 2, derde lid.]3
  [2 § 2bis. In afwachting van de beslissingen, bedoeld in de paragrafen 1 en 2, beveelt de directeur de schorsing van de uitbetaling vanaf :
   1° de in §§ 1 of 2 bedoelde dag, indien de kennisgeving aan de uitbetalingsinstelling gelegen is in de loop van de maand waarin deze dag gelegen is en vóór de derde werkdag die voorafgaat aan "de theoretische betaaldatum";
   2° de eerste dag van de maand die volgt op de kennisgeving aan de uitbetalingsinstelling, indien deze kennisgeving zich situeert tijdens de laatste drie werkdagen die voorafgaan aan "de theoretische betaaldatum";
   3° de eerste dag van de maand van de kennisgeving aan de uitbetalingsinstelling, indien deze kennisgeving gelegen is buiten de maand waarin de in §§ 1 of 2 bedoelde dag voorkwam en vóór de derde werkdag die voorafgaat aan "de theoretische betaaldatum".
   Voor de toepassing van deze paragraaf geldt het volgende :
   - de termijn van drie werkdagen omvat alle dagen behalve de zaterdagen, zondagen, feestdagen en hun vervangingsdagen;
   - "de theoretische betaaldatum" is de eerste kalenderdag van de maand die volgt op de maand van de kennisgeving van de beslissing. In voorkomend geval wordt deze dag vervangen door de dag waarop de vervroegde betaling is toegelaten in toepassing van artikel 161, vierde lid.]2
   § 3. De uitsluiting houdt op de dag waarop :
   1° [3 hetzij het ingevulde formulier en de eventuele schriftelijke bewijzen of de schriftelijke vraag om een geprek respectievelijk bedoeld in de artikelen 59quater/1, § 1, tweede lid, of § 2, eerste lid, 59quater/2, § 1, tweede lid of § 2, eerste lid, of 59quinquies/1, § 1, tweede lid, of § 2, eerste lid, op het werkloosheidsbureau aankomen;]3
   2° hetzij, de werkloze zich aanmeldt op het werkloosheidsbureau;
   3° hetzij de werkloze een uitkeringsaanvraag indient na een onderbreking van zijn uitkeringen gedurende ten minste vier weken, ten gevolge van een werkhervatting als loontrekkende of een vergoede periode van arbeidsongeschiktheid.
  [4 Onverminderd de mogelijkheid voorzien in § 3, 1°, wordt de uitsluiting bedoeld in § 2 evenwel ingetrokken met terugwerkende kracht, indien het ingevulde formulier en de eventuele schriftelijke bewijzen of de schriftelijke aanvraag om een gesprek, respectievelijk bedoeld in de artikelen 59quater/1, § 1, tweede lid, of § 2, eerste lid, 59quater/2, § 1, tweede lid of § 2, eerste lid, of 59quinquies/1, § 1, tweede lid of § 2, eerste lid, op het werkloosheidsbureau aankomen binnen een termijn van dertig werkdagen ingaand de dag na het verstrijken van de termijn van vijf werkdagen, respectievelijk bepaald in de artikelen 59quater/1, § 1, vierde lid of § 2, derde lid, 59quater/2, § 1, vierde lid of § 2, derde lid of 59quinquies/1, § 1, vierde lid of § 2, derde lid.
   De intrekking van de uitsluiting met terugwerkende kracht, bedoeld in het eerste lid, wordt slechts één keer toegekend.]4
   § 4. [4 Onverminderd de mogelijkheid voorzien in § 3, 3°, wordt de uitsluiting, toegepast in geval van oproeping bedoeld in artikel 59quater, 59quater/1, 59quater/2, 59quater/3, 59quinquies of 59quinquies/1, evenwel :]4
   1° [4 met terugwerkende kracht ingetrokken, indien de werkloze zich op het werkloosheidsbureau aanmeldt binnen de termijn van dertig werkdagen die aanvangt op de dag van de afwezigheid. In dit geval wordt de datum voor het volgende gesprek bepaald vertrekkende van de dag van afwezigheid. In geval van herhaalde afwezigheid wordt evenwel toepassing gemaakt van 2°;]4
   2° stopgezet vanaf de dag waarop de werkloze zich aanmeldt op het werkloosheidsbureau, indien deze dag gelegen is buiten de termijn van dertig werkdagen die aanvangt op de dag van de afwezigheid, mits indiening van een uitkeringsaanvraag.
   De werkloze die binnen een termijn van drie werkdagen die aanvangt de dag van de afwezigheid, ter verantwoording van zijn afwezigheid een reden opgeeft die door de directeur aanvaard wordt, behoudt evenwel het genot van de uitkeringen.
   § 5. In afwijking van de §§ 3 en 4 kan het recht op uitkeringen evenwel reeds toegekend worden vanaf de dag bepaald door de directeur, indien deze op basis van de elementen van het dossier de door de werkloze ter rechtvaardiging voor zijn afwezigheid ingeroepen reden als geldig aanvaardt.]1
  ----------
  (1)<KB 2012-07-20/03, art. 11, 204; Inwerkingtreding : 09-08-2012>
  (2)<KB 2013-01-22/02, art. 2, 212; Inwerkingtreding : 01-11-2012>
  (3)<KB 2013-10-24/04, art. 4, 220; Inwerkingtreding : 01-11-2013>
  (4)<KB 2014-06-26/02, art. 20, 229; Inwerkingtreding : 01-07-2014>

  Afdeling 6. - Aangifte en controle van werkloosheidsperiodes.

  Art. 71.Om uitkeringen te kunnen genieten moet de werknemer:
  1° in het bezit zijn van een controlekaart vanaf de eerste effectieve werkloosheidsdag van de maand tot de laatste dag van de maand en deze bij zich bewaren;
  2° (...) <KB 2006-03-05/36, art. 7, 145; Inwerkingtreding : 15-12-2005>
  3° zijn controlekaart invullen met onuitwisbare inkt overeenkomstig de richtlijnen verstrekt door de Rijksdienst;
  4° voor de aanvang van de activiteit bedoeld in artikel 45, hiervan melding maken op zijn controlekaart met onuitwisbare inkt;
  5° zijn controlekaart onmiddellijk voorleggen bij elke vordering door een daartoe bevoegd persoon;
  6° zijn controlekaart ondertekenen en aan zijn uitbetalingsinstelling overmaken.
  (De Minister bepaalt na advies van het beheerscomité de uitvoeringsmodaliteiten van de bepalingen van het voorgaande lid.) <KB 2006-03-05/36, art. 7, 145; Inwerkingtreding : 15-12-2005>
  [3 De werknemer die tijdelijk werkloos wordt gesteld ingevolge een schorsing van de arbeidsovereenkomst krachtens de artikelen 49, 50, 51 of 77/4 van de wet van 3 juli 1978 betreffende de arbeidsovereenkomsten, moet de in het eerste lid vermelde verplichtingen in ieder geval naleven vanaf de dag die overeenkomstig het koninklijk besluit van 14 november 2011 tot uitvoering van de artikelen 49, 50 en 51 van de wet van 3 juli 1978 betreffende de arbeidsovereenkomsten, wat de mededelingen aan de Rijksdienst voor Arbeidsvoorziening betreft, aan de Rijksdienst werd medegedeeld als de eerste dag van de werkelijke schorsing van de uitvoering van de overeenkomst en waarvan hij in toepassing van artikel 2, vierde lid, van voormeld koninklijk besluit van 14 november 2011 wordt ingelicht.]3
  [1 In afwijking van het vorige lid moet de werknemer die tewerkgesteld wordt door een werkgever die ressorteert onder de bevoegdheid van het paritair comité voor het bouwbedrijf, de in het eerste lid vermelde verplichtingen altijd naleven, ongeacht of er al of niet een werkelijke schorsing van de arbeidsovereenkomst, zoals bedoeld in [2 de artikelen 49, 50, 51 of 77/4]2 van de voormelde wet van 3 juli 1978 heeft plaatsgegrepen.]1
  [3 De tijdelijk werkloze die in toepassing van artikel 71ter de verplichtingen voorzien in het eerste lid niet op elektronische wijze verricht en die deze verplichtingen niet kan naleven aangezien de werkgever de controlekaart niet heeft overhandigd, moet onmiddellijk contact opnemen met het werkloosheidsbureau door middel van een telefonisch contact, een telefaxbericht of een persoonlijke aanmelding, ten einde een vervangende controlekaart te bekomen.]3
  [2 De bepalingen van het derde en vierde lid zijn eveneens van toepassing op de leerling van wie de leerovereenkomst wordt geschorst in dezelfde gevallen en onder dezelfde voorwaarden als deze bedoeld in de wetsartikelen, vermeld in het derde en vierde lid.]2
  ----------
  (1)<KB 2009-05-31/05, art. 1, 183; Inwerkingtreding : 01-07-2009>
  (2)<KB 2014-07-01/09, art. 9, 237; Inwerkingtreding : 01-07-2015>
  (3)<KB 2016-07-12/03, art. 1, 254; Inwerkingtreding : 01-08-2016>

  Art. 71bis.<Ingevoegd bij KB 2007-07-13/40, art. 1; Inwerkingtreding : 01-10-2007> § 1. [1 [2 Artikel 71 is niet van toepassing op de volledig werkloze die de leeftijd van 60 jaar heeft bereikt in de beschouwde maand.]2
   In afwijking van het eerste lid, blijft evenwel onderworpen aan artikel 71, eerste lid, 1° en 3° tot 6°, de werkloze die op bijkomstige wijze een activiteit uitoefent in de zin van artikel 45, voor zover hij deze procedure verkiest in plaats van de procedure vermeld in het eerste lid.
   In afwijking van het eerste lid blijft evenwel onderworpen aan artikel 71, eerste lid, 1° en 3° tot 6°, de werkloze die een artistieke activiteit uitoefent in de zin van artikel 27, 10°, die ingeschakeld is in het economische ruilverkeer, alsmede de werkloze die een inkomen ontvangt in de zin van artikel 130 uit de uitoefening van een artistieke activiteit.]1
  § 2. De werkloze, die in toepassing van § 1, eerste lid, niet in het bezit is van een controlekaart, moet aan zijn uitbetalingsinstelling de uitoefening meedelen van elke activiteit bedoeld in artikel 45 [1 ...]1 . Deze mededeling moet schriftelijk gebeuren vóór de aanvang van deze activiteit. De werkloze moet een bewijs van deze aangifte bij zich houden tot op de laatste dag van de maand die volgt op de maand tijdens dewelke de activiteit is begonnen en dit bewijs onmiddellijk voorleggen bij iedere vordering door een hiertoe gemachtigd persoon, bedoeld in artikel 139, vierde lid.
  De werkloze die in toepassing van § 1, eerste lid, niet in het bezit is van een controlekaart, moet zijn uitbetalingsinstelling eveneens, vóór de laatste werkdag van elke maand tijdens dewelke de gebeurtenis zich voordoet, meedelen, dat hij dagen gedekt door vakantiegeld uitput, elke periode van verblijf in het buitenland die niet is gedekt door een vrijstelling van de toepassing van artikel 66, alsook elk ander beletsel voor de vergoedbaarheid.
  De aangifte voorzien in het eerste en tweede lid wordt, voor de toepassing van artikel 153, beschouwd als een verplichte aangifte in de zin van dit artikel.
  Artikel 154 is van toepassing op de werkloze die niet onmiddellijk bij elke vordering door een hiertoe gemachtigd persoon, het bewijs kan voorleggen van de aangifte bedoeld in het eerste lid, indien hij op het tijdstip van deze vordering een activiteit uitoefent bedoeld in artikel 45 [1 ...]1 .
  § 3. De uitbetalingsinstelling kan, in afwijking van artikel 160, § 1, derde lid, zonder verantwoordingsstuk de werkloosheidsuitkeringen betalen waarop de werkloze, die in toepassing van § 1, eerste lid, niet in het bezit is van een controlekaart, aanspraak kan maken.
  In afwijking van artikel 160, § 1, derde lid, bepaalt de uitbetalingsinstelling het recht op uitkeringen van de werkloze die in toepassing van § 1, eerste lid, niet in het bezit is van een controlekaart, op basis van het vermoeden dat de werkloze vergoedbaar is voor de volledige maand, tenzij hij in het bezit is van een aangifte verricht door de werkloze in toepassing van § 2, eerste of tweede lid.
  Indien de werkloze een aangifte heeft gedaan zoals bedoeld in § 2, eerste of tweede lid, wordt het recht op werkloosheidsuitkeringen voor de betrokken maand bepaald rekening houdend met deze aangifte. Deze aangifte doet dienst als verantwoordingsstuk in de zin van artikel 160, § 1.
  § 4. In afwijking van de artikelen 164 en volgende, kan de indieningsprocedure en de verificatie van de betalingen gebeuren indien de uitbetalingsinstelling, in toepassing van [3 de §§ 1 en 3]3, geen enkel verantwoordingsstuk indient.
  [3 § 5. Artikel 71 is niet van toepassing op de werknemer bedoeld in artikel 28, § 3, 1°, die aanspraak maakt op uitkeringen als volledig werkloze en voor wie een vrijstelling van aanmelding geldt in toepassing van artikel 74, § 4, en ingevolge de uitvoering van een collectieve arbeidsovereenkomst afgesloten in het paritair subcomité voor het havenbedrijf waaronder de werknemer ressorteert die voorziet in een elektronische aanwerving.
   In afwijking van het eerste lid, blijft de in het eerste lid bedoelde werknemer die een activiteit uitoefent in de zin van artikel 45, zoals omschreven in het zesde lid, evenwel tot de laatste werkdag van de maand onderworpen aan artikel 71, eerste lid, 1° en 3° tot 6°, voor zover hij deze procedure verkiest in plaats van de procedure vermeld in het eerste lid.
   In afwijking van het eerste lid blijft evenwel onderworpen aan artikel 71, eerste lid, 1° en 3° tot 6°, de in het eerste lid bedoelde werknemer die een artistieke activiteit uitoefent in de zin van artikel 27, 10°, die ingeschakeld is in het economische ruilverkeer, alsmede deze werknemer die een inkomen ontvangt in de zin van artikel 130 uit de uitoefening van een artistieke activiteit.
   De werknemer die in toepassing van het eerste lid niet in het bezit is van een controlekaart en die een activiteit bedoeld in artikel 45, zoals omschreven in het zesde lid, uitoefent, moet dit meedelen aan zijn uitbetalingsinstelling. Deze mededeling moet schriftelijk gebeuren voor elke maand waarin dergelijke activiteit plaatsvindt, vóór de aanvang van de eerste activiteit in de maand. In afwijking van het eerste lid is deze werknemer vanaf de aanvang van de activiteit die het voorwerp van deze aangifte is of had moeten zijn en tot de laatste werkdag van die maand onderworpen aan de toepassing van artikel 71, eerste lid, 1° en 3° tot 6°.
   De aangifte voorzien in het vierde lid wordt, voor de toepassing van artikel 153, beschouwd als een verplichte aangifte in de zin van dit artikel.
   Voor de toepassing van deze paragraaf worden niet beschouwd als een activiteit in de zin van artikel 45 :
   1° een activiteit verricht ingevolge een aanwerving door een werkgever uit het havenbedrijf waaronder de werknemer ressorteert; evenals,
   2°met uitzondering van een artistieke activiteit, een activiteit buiten het havenbedrijf die niet op een werkdag, wordt verricht.
   Voor de toepassing van deze paragraaf wordt beschouwd als werkdag : alle dagen van de week, met uitzondering van de zaterdag en de zondag.]3
  ----------
  (1)<KB 2014-02-07/08, art. 4, 224; Inwerkingtreding : 01-04-2014>
  (2)<KB 2014-12-30/06, art. 6, 235; Inwerkingtreding : 01-01-2015>
  (3)<KB 2017-10-22/06, art. 1, 271; Inwerkingtreding : 18-04-2017>

  Art. 71ter.[1 § 1. De volledig werkloze die aanspraak maakt op uitkeringen overeenkomstig de artikelen 100 of 103 kan de verplichtingen voorzien in artikel 71, naleven via een elektronische toepassing, waarvan de modaliteiten worden bepaald overeenkomstig de wet van 24 februari 2003 betreffende de modernisering van het beheer van de sociale zekerheid en betreffende de elektronische communicatie tussen ondernemingen en de federale overheid.
   De volledig werkloze die opteert voor deze elektronische techniek, dient deze keuze elektronisch via de daartoe door de Rijksdienst ter beschikking gestelde toepassing te bevestigen. Door deze keuze kunnen de verplichtingen bedoeld in artikel 71, eerste lid, enkel nog elektronisch worden voldaan.
   [2 De keuze geldt voor onbepaalde duur en kan door de werkloze tijdelijk, voor de lopende en de volgende maand, of volledig worden herroepen via een gemotiveerde verklaring die ingediend wordt bij de uitbetalingsinstelling en die door haar ingediend wordt bij het werkloosheidsbureau. Een volledige herroeping is niet mogelijk in de situatie bedoeld in artikel 71ter, § 4, eerste lid, 1°.]2
  [2 De volledige herroeping heeft uitwerking vanaf de eerste dag van de maand volgend op de ontvangst van de verklaring door het werkloosheidsbureau.]2
   § 2. De invoer van gegevens via de elektronische toepassing bedoeld in dit artikel wordt voor de toepassing van dit besluit gelijkgesteld met de vermelding van gegevens op de controlekaart.
   Een inschrijving door een werkgever in het personeelsregister, uiterlijk op het tijdstip waarop de werknemer zijn prestaties aanvat, stelt de werkloze vrij van de verplichting voorzien in artikel 71, eerste lid, 4°.
   De werkloze voldoet aan de verplichting van artikel 71, eerste lid, 6°, door een elektronische bevestiging, ten vroegste de voorlaatste werkdag van de maand waarvoor de bevestiging wordt verricht.
   De in toepassing van het vorige lid bevestigde gegevens worden gelijkgesteld met de gegevens van een controlekaart voor de toepassing van de artikelen 160, § 1, derde lid, 161, eerste lid, en de verificatieprocedure voorzien in de artikelen 164 en volgende.
   De toepassing van de elektronische techniek stelt de werkloze niet vrij van de eventuele verplichting om een papieren verantwoordingsstuk betreffende de beschouwde maand in te dienen, inzonderheid het aanwezigheidsattest betreffende het volgen van een opleiding, het verblijfsbewijs bedoeld in artikel 66bis en het prestatieformulier bedoeld in artikel 79.
   De bevestiging vóór de voorlaatste werkdag van de maand is evenwel toegelaten:
   1° vanaf de voorlaatste werkdag voorafgaand aan de datum waarop het beheerscomité overeenkomstig artikel 161, vierde lid, de betaling van uitkeringen vóór het einde van de maand heeft toegelaten;
   2° indien uit de door de werkloze ingevoerde gegevens blijkt dat hij geen aanspraak meer maakt op uitkeringen voor de periode van de beschouwde maand, volgend op de bevestiging.
   Voor de toepassing van deze paragraaf worden alle dagen van de week, met uitzondering van de zaterdagen, de zondagen en de feestdagen, als werkdagen beschouwd.
   § 3. In geval de werkloze in de onmogelijkheid is de verplichting bedoeld in artikel 71, eerste lid, 4°, elektronisch te vervullen, inzonderheid ingevolge technische problemen of ingevolge het feit dat de gebeurtenis plaats vindt na de bevestiging bedoeld in § 2, stelt hij het werkloosheidsbureau en zijn uitbetalingsinstelling onmiddellijk in kennis van de arbeid door middel van een email-bericht, een telefonisch contact, een telefaxbericht of een persoonlijke aanmelding. Het werkloosheidsbureau maakt aan de werkloze een ontvangstbewijs van de melding over.
   Indien er een andere gebeurtenis die de vergoedbaarheid verhindert, dan deze bedoeld in het vorige lid, plaats vindt na de bevestiging bedoeld in § 2, stelt de werkloze het werkloosheidsbureau en zijn uitbetalingsinstelling onmiddellijk hiervan in kennis door middel van een email-bericht, een telefonisch contact, een telefaxbericht of een persoonlijke aanmelding. Het werkloosheidsbureau maakt aan de werkloze een ontvangstbewijs van de melding over.
  [2 ...]2.]1
  [2 § 4. De bepalingen van dit artikel, met uitzondering van § 2, tweede lid, zijn eveneens van toepassing op de tijdelijk werkloze, niet tewerkgesteld bij een werkgever bedoeld in artikel 137, § 4, die aanspraak maakt op uitkeringen overeenkomstig de artikelen 106, 107 of 108, voor zover:
   1° ofwel het gebruik van de elektronische toepassing voor alle werknemers van de onderneming wordt voorzien door een collectieve arbeidsovereenkomst die de onderneming bindt of door het arbeidsreglement, in welk geval de werknemer verplicht gebruik van de elektronische toepassing moet maken; de werkgever is er toe gehouden het bestaan van dergelijke regeling mee te delen aan het werkloosheidsbureau bevoegd voor de maatschappelijke zetel van zijn onderneming;
   2° ofwel het gebruik van de toepassing volgt uit een wederzijds akkoord tussen werkgever en werknemer.
   Het werkloosheidsbureau levert aan de in deze paragraaf bedoelde werknemer voor wie in toepassing van § 1, derde lid, een aanvraag tot tijdelijke herroeping door het werkloosheidsbureau werd aanvaard, een vervangende controlekaart af.
   Het werkloosheidsbureau deelt de beslissing, waarbij in toepassing van § 1, derde lid, een vraag tot volledige herroeping door een in het eerste lid, 2°, bedoelde werknemer wordt aanvaard, mee aan de werkgever.]2
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij KB 2014-08-23/08, art. 2, 234; Inwerkingtreding : 20-09-2014>
  (2)<KB 2016-07-12/03, art. 2, 254; Inwerkingtreding : 01-08-2016>

  Art. 72.<KB 2006-03-05/36, art. 8, 145; Inwerkingtreding : 15-12-2005> [1 De deeltijdse werknemer, die aanspraak maakt op het genot van de inkomensgarantie-uitkering bedoeld in artikel 131bis, en die de leeftijd van 50 jaar niet bereikt heeft in de beschouwde maand, moet zich bij de gemeente aanmelden op het tijdstip dat hij de deeltijdse arbeid aanvat ten einde zijn controleformulieren van de lopende maand en van de drie daaropvolgende maanden te laten valideren. Nadien moet hij zich eenmaal om de drie maanden aanmelden ten einde zijn controlekaarten voor de volgende drie maanden te laten valideren.]1
  Voor de toepassing van het voorgaande lid, kan de Minister de validering, bekomen bij andere instellingen, eveneens aanvaarden.
  ----------
  (1)<KB 2014-12-30/06, art. 7, 235; Inwerkingtreding : 01-01-2015>

  Afdeling 7. - Bijzondere regelingen.

  Art. 73. De voorwaarden waaronder uitkeringen worden toegekend aan de werknemers die aan een staking deelnemen of die getroffen worden door een lock-out, worden door Ons bepaald, na advies van het beheerscomité.
  De werknemers wier werkloosheid het rechtstreekse of onrechtstreekse gevolg is van een staking of een lock-out kunnen slechts uitkeringen genieten mits toelating van het beheerscomité.
  Het beheerscomité houdt bij het verlenen van zijn toelating inzonderheid rekening met het feit of de werknemers niet behoren tot de arbeidseenheid waarin zich stakende werknemers bevinden en of zij geen belang kunnen hebben bij de inwilliging van de eisen van de stakers.

  Art. 74. (§ 1. In afwijking van artikel 44 kunnen de werknemers bedoeld in artikel 28, § 3, 1° en 3°, en de werknemers die behoren tot de categorieën vastgesteld door de Minister na advies van het beheerscomité, uitkeringen genieten voor halve werkloosheidsdagen.) <KB 1994-11-09/31, art. 4, 039; Inwerkingtreding : 14-11-1994>
  (De Minister kan na advies van het beheerscomité beslissen welke categorieën van werknemers, behorende tot een bijzondere beroepscategorie, in afwijking van de artikelen 100 tot 105 voor de dagen of de halve dagen van volledige werkloosheid :
  1° een aantal uitkeringen kunnen genieten volgens een vijfdaags uitkeringsstelsel. In dit geval wordt het dagbedrag van de uitkering verhoogd met 20 %;
  2° een aantal uitkeringen volgens het zesdaagse uitkeringsstelsel kunnen genieten, berekend volgens de formule bedoeld in artikel 106. In dit geval is de factor P gelijk aan het theoretisch aantal arbeidsuren van de (maatpersoon) voor de periode in beschouwde maand waarvoor een geldige uitkeringskaart bestaat die het recht op uitkeringen verleent, verminderd met het aantal uren waarvoor loon verschuldigd is, gelegen in deze periode. Het bekomen aantal wordt verminderd met één eenheid voor elke dag waarvoor er krachtens de bepalingen van dit besluit geen uitkeringen kunnen toegekend worden.) <KB 1997-12-22/53, art. 1, 065; Inwerkingtreding : 01-01-1998> <KB 2001-06-10/60, art. 67, 097; Inwerkingtreding : 01-01-2003>
  § 2. In afwijking van artikel 44 worden de havenarbeiders bedoeld in artikel 28, § 3, 1°, geacht zonder arbeid en loon te zijn, de dagen waarop zij afwezig zijn om een reden die aanleiding geeft tot verlof wegens bijzondere gebeurtenissen, overeenkomstig het besluit vastgesteld ter uitvoering van de wetgeving die betrekking heeft op de arbeidsovereenkomsten, of overeenkomstig een algemeen verbindend verklaarde collectieve arbeidsovereenkomst van het bevoegd paritair comité. Deze regel geldt ook voor de werknemers van deze havens die, hoewel zij geen regeling voor bestaanszekerheid genieten, door het bevoegd paritair comité niettemin worden aangezien als behorend tot het havenbedrijf.
  Het eerste lid is niet toepasselijk op de havenarbeiders van Antwerpen wanneer de in dit lid bedoelde afwezigheidsdagen vallen in een periode waarvoor deze arbeiders recht hebben op een loon gewaarborgd door een loonovereenkomst.
  De havenarbeiders, niet bedoeld in artikel 28, § 3, 1°, kunnen slechts uitkeringen genieten voor een feestdag indien zij tijdens de week waarin de feestdag gelegen is minder dan vier dagen werden tewerkgesteld.
  § 3. (Om uitkeringen te kunnen genieten moeten de havenarbeiders bedoeld in artikel 28, § 3, ingeschreven zijn en blijven bij de dienst voor arbeidsbemiddeling, bevoegd voor de categorie waartoe zij behoren en zich dagelijks aanmelden in het kantoor voor de havenarbeiders aangewezen door de bevoegde gewestelijke dienst voor arbeidsbemiddeling.
  Om uitkeringen te kunnen genieten moeten de erkende zeevissers, vislossers en vissorteerders en de werknemers die vallen onder het Paritair Subcomité voor de handel in brandstoffen van Oost-Vlaanderen bedoeld in artikel 28, § 3, ingeschreven zijn en blijven bij de dienst voor arbeidsbemiddeling, bevoegd voor de categorie waartoe zij behoren en zich één maal per maand aanmelden in het kantoor aangewezen door de bevoegde gewestelijke dienst voor arbeidsbemiddeling.
  De aanmelding bedoeld in de vorige leden gebeurt overeenkomstig de specifieke modaliteiten die door de Rijksdienst worden bepaald in overleg met de bevoegde gewestelijke dienst voor arbeidsbemiddeling.
  De voormelde werknemers zijn evenwel vrijgesteld van aanmelding indien zij zich niet ter controle kunnen aanmelden om een reden van overmacht die door de directeur wordt erkend.
  De havenarbeider bedoeld in artikel 28, § 3, is bovendien vrijgesteld van aanmelding op de navermelde dagen :
  1° de verlofdagen en de feestdagen bedoeld in artikel 74, § 2;
  2° de dagen waarop hij zich niet ter controle kan aanmelden aangezien hij een geneesheer of een paramedicus heeft moeten raadplegen, op voorwaarde dat hij een attest indient waaruit deze raadpleging blijkt;
  3° de dagen van afwezigheid toegestaan door het koninklijk besluit van 28 augustus 1963 betreffende het behoud van het normaal loon van de werklieden, de bedienden en de werknemers aangeworven voor de dienst op binnenschepen voor afwezigheidsdagen ter gelegenheid van familiegebeurtenissen of voor de vervulling van staatsburgerlijke verplichtingen of van burgerlijke opdrachten, op voorwaarde dat hij een document ter rechtvaardiging van deze gebeurtenis indient;
  4° de dagen waarop hij jaarlijkse vakantie neemt, ten belope van maximaal vier weken per jaar, en overeenkomstig de voorwaarden vastgesteld door de Rijksdienst. Een vrijstelling voor vakantiedagen die niet gedekt zijn door vakantiegeld kan slechts toegekend worden nadat de havenarbeider de dagen die gedekt zijn door vakantiegeld heeft uitgeput;
  5° de dagen waarop hij zich niet ter controle kan aanmelden ingevolge deelname aan studiedagen of een vormingssessie om zijn professionele, intellectuele, morele of sociale vorming te vervolmaken, op voorwaarde dat hij een attest indient dat de dagen van deelname vermeldt;
  6° de dagen waarop hij zich niet ter controle kan aanmelden ingevolge de uitoefening van een mandaat van gemeenteraadslid, provincieraadslid of van lid van een openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn, of de functie van rechter in sociale zaken, op voorwaarde dat hij een attest indient ter rechtvaardiging van deze gebeurtenis.) <KB 2006-03-05/36, art. 9, 145; Inwerkingtreding : 15-12-2005>
  (§ 4. Het beheerscomité kan, na overleg met de bevoegde gewestelijke dienst voor arbeidsbemiddeling, een gedeeltelijke of een volledige vrijstelling van aanmelding verlenen aan de beroepscategorieën vermeld in § 3.) <KB 2006-03-05/36, art. 9, 145; Inwerkingtreding : 15-12-2005>

  Art. 74bis.
  <Opgeheven bij KB 2014-02-07/08, art. 5, 224; Inwerkingtreding : 01-04-2014>

  Art. 75.<KB 1997-06-19/31, art. 1, 059; Inwerkingtreding : 01-03-1997> De huisarbeider kan in geval van volledige of van tijdelijke werkloosheid slechts uitkeringen genieten indien hij gedurende een ononderbroken periode van ten minste zeven dagen geen enkele activiteit als huisarbeider uitgeoefend heeft.
  Voor de huisarbeider die een stuk- of een taakloon ontvangt moeten bovendien volgende voorwaarden vervuld zijn :
  1° hij mag gewoonlijk niet meer dan twee helpers in dienst hebben;
  2° indien er in een gezin meerdere huisarbeiders zijn, moeten deze allen gelijktijdig de in het eerste lid vermelde voorwaarde vervullen.
  Voor de toepassing van artikel 99, 3° op een huisarbeider die een stuk- of taakloon ontvangt, wordt een volledige arbeidsdag geacht een aantal arbeidsuren te omvatten gelijk aan één vijfde van de factor S.
  [1 De huisarbeider kan geen inkomensgarantie-uitkering, bedoeld in artikel 104, § 1bis of in artikel 131bis, genieten.]1
  ----------
  (1)<KB 2013-06-07/03, art. 5, 216; Inwerkingtreding : 01-07-2013>

  Art. 76. Kan geen uitkeringen genieten de diamantbewerker die tijdelijk werkloos wordt gesteld in een werkplaats welke niet is aangenomen overeenkomstig het koninklijk besluit van 17 april 1970 betreffende de aanneming van de werkplaatsen van de diamantnijverheid.

  Art. 77. De wielrenner die als dusdanig onderworpen is aan de sociale zekerheid der arbeiders, kan geen uitkeringen genieten gedurende de tijdelijke onderbreking van zijn beroepsactiviteit als wielrenner.

  Art. 78. (Opgeheven) <KB 2004-09-21/51, art. 4, 137; Inwerkingtreding : 01-07-2004>
  (NOTA : Het blijft echter tot het einde van de lopende arbeidsovereenkomst, van toepassing op de werknemers die bij een beschermde werkplaats in dienst zijn getreden vóór 1 juli 2004 en die op 1 juli 2004 nog steeds in dienst zijn; zie KB 2004-09-21/51, art. 4)

  Art. 78bis.<KB 2001-06-13/31, art. 4, 096; Inwerkingtreding : 01-01-2001> (§ 1.) De jonge werknemer die voldoet aan de wachttijdvoorwaarden van artikel 36bis, is gerechtigd op de jeugdvakantie-uitkering bedoeld in artikel 131ter, indien gelijktijdig voldaan wordt aan volgende voorwaarden : <KB 2007-01-24/32, art. 3, A, 160; Inwerkingtreding : 01-01-2007>
  1° de werknemer voldeed niet reeds tijdens één van de vorige kalenderjaren aan de voorwaarden om te genieten van jeugdvakantie-uitkeringen of aanvullende vakantie krachtens artikel 5 van het koninklijk besluit van 28 juni 1971 houdende aanpassing en coördinatie van de wetsbepalingen betreffende de jaarlijkse vakantie van de werknemers zoals van kracht tot 31 december 2000;
  2° de werknemer heeft vóór de dag waarvoor de uitkering wordt aangevraagd, de gewone betaalde vakantiedagen waarop hij overeenkomstig de regeling inzake jaarlijkse vakantie gerechtigd is, reeds uitgeput tijdens of aansluitend aan een tewerkstelling als loontrekkende of tijdens een periode van vergoede volledige werkloosheid;
  3° de jeugdvakantie-uitkering wordt gevraagd voor dagen gelegen in een periode tijdens dewelke de werknemer verbonden is door een arbeidsovereenkomst en de werknemer geniet op dit tijdstip niet van de bijzondere vakantieregeling toepasselijk op openbare diensten of van een regeling van uitgestelde bezoldiging als werknemer tewerkgesteld in het onderwijs;
  4° de werknemer is gedurende de vakantie-uren werkloze zonder loon in de zin van artikel 46 en zonder vervangingsinkomen.
  De jeugdvakantie-uitkering wordt slechts toegekend voor jeugdvakantiedagen ten belope van vier weken, verminderd met de gewone betaalde vakantiedagen waarop de jonge werknemer gerechtigd is overeenkomstig de regeling inzake jaarlijkse vakantie van de werknemers en overeenkomstig het stelsel van de openbare sector, uitgedrukt in het zesdaagse stelsel, en zonodig afgerond overeenkomstig de regel voorzien in artikel 131ter, laatste lid. (...). <AR 2007-01-24/32, art. 3, B, 160; Inwerkingtreding : 01-01-2007>
  [1 De jonge werknemer kan geen inschakelings- of werkloosheidsuitkeringen als tijdelijk werkloze ingevolge de sluiting van de onderneming wegens jaarlijkse vakantie genieten zolang hij gerechtigd is op jeugdvakantie.]1
  De jeugdvakantie-uitkering wordt, in afwijking van artikel 27, 4°, niet als een uitkering beschouwd voor de toepassing van de artikelen 42, 79, § 4, 92 en 93.
  De jeugdvakantie-uitkering wordt niet als een werkloosheidsuitkering beschouwd voor de berekening van de werkloosheidsduur vereist in hoofde van de kandidaat voor een activeringsprogramma in de zin van artikel 7, § 1, derde lid, m, van de besluitwet van 28 december 1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders, en voor een tewerkstellingsmaatregel, behalve indien de jeugdvakantiedag gelegen is in een tewerkstelling die gelijkgesteld wordt met vergoede werkloosheid.
  Voor de toepassing van de bepalingen in dit besluit waarbij rekening wordt gehouden met het inkomen of met de bezoldiging van een werknemer, wordt de jeugdvakantie-uitkering gelijkgesteld met vakantiegeld. Bij de berekening van de inkomensgarantie-uitkering bedoeld in artikel 131bis wordt voor de vaststelling van het nettoloon evenwel geen rekening gehouden met het bedrag van de jeugdvakantie-uitkering.
  (§ 2. De werknemer die vrijgesteld is van het doorlopen van de wachttijd overeenkomstig artikel 36bis, § 2, is gerechtigd op de seniorvakantie-uitkering bedoeld in artikel 131ter, indien gelijktijdig voldaan wordt aan volgende voorwaarden :
  1° de werknemer heeft vóór de dag waarvoor de uitkering wordt aangevraagd, de gewone betaalde vakantiedagen waarop hij in voorkomend geval overeenkomstig de regeling inzake jaarlijkse vakantie gerechtigd is, reeds uitgeput tijdens of aansluitend aan een tewerkstelling als loontrekkende of tijdens een periode van vergoede volledige werkloosheid;
  2° de seniorvakantie-uitkering wordt gevraagd voor dagen gelegen in een periode tijdens dewelke de werknemer verbonden is door een arbeidsovereenkomst en de werknemer geniet op dit tijdstip niet van de bijzondere vakantieregeling toepasselijk op openbare diensten of van een regeling van uitgestelde bezoldiging als werknemer tewerkgesteld in het onderwijs;
  3° de werknemer is gedurende de vakantie-uren werkloze zonder loon in de zin van artikel 46 en zonder vervangingsinkomen.
  De seniorvakantie-uitkering wordt slechts toegekend voor seniorvakantiedagen ten belope van vier weken, verminderd met de gewone betaalde vakantiedagen waarop de werknemer in voorkomend geval gerechtigd is overeenkomstig de regeling inzake jaarlijkse vakantie van de werknemers en overeenkomstig het stelsel van de openbare sector, uitgedrukt in het zesdaagse stelsel, en zonodig afgerond overeenkomstig de regel voorzien in artikel 131ter, laatste lid.
  De werknemer kan geen werkloosheidsuitkeringen als tijdelijk werkloze ingevolge de sluiting van de onderneming wegens jaarlijkse vakantie genieten zolang hij gerechtigd is op seniorvakantie.
  De seniorvakantie-uitkering wordt, in afwijking van artikel 27, 4°, niet als een uitkering beschouwd voor de toepassing van de artikelen 42, 79, § 4, 92 en 93.
  De seniorvakantie-uitkering wordt niet als een werkloosheidsuitkering beschouwd voor de berekening van de werkloosheidsduur vereist in hoofde van de kandidaat voor een activeringsprogramma in de zin van artikel 7, § 1, derde lid, m, van de besluitwet van 28 december 1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders, en voor een tewerkstellingsmaatregel, behalve indien de seniorvakantiedag gelegen is in een tewerkstelling die gelijkgesteld wordt met vergoede werkloosheid.
  Voor de toepassing van de bepalingen in dit besluit waarbij rekening wordt gehouden met het inkomen of met de bezoldiging van een werknemer, wordt de seniorvakantie-uitkering gelijkgesteld met vakantiegeld. Bij de berekening van de inkomensgarantie-uitkering bedoeld in artikel 131bis wordt voor de vaststelling van het nettoloon evenwel geen rekening gehouden met het bedrag van de seniorvakantie-uitkering.) <AR 2007-01-24/32, art. 3, B, 160; Inwerkingtreding : 01-01-2007>
  ----------
  (1)<KB 2012-07-23/01, art. 9, 206; Inwerkingtreding : 01-11-2012>

  Art. 78ter.<ingevoegd bij KB 1997-06-09/31, art. 2, 058; Inwerkingtreding : 21-06-1997> (In afwijking van artikel 44 is de werknemer die voldoet aan de voorwaarden bepaald in artikel 5 van het koninklijk besluit van 9 juni 1997 tot uitvoering van artikel 7, § 1, derde lid, m, van de besluitwet van 28 december 1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders betreffende de doorstromingsprogramma's gedurende de periode tijdens dewelke hij verbonden is door een arbeidsovereenkomst in een doorstromingsprogramma, doch maximum gedurende de periode voorzien in artikel 5, § 3 van het voormeld koninklijk besluit van 9 juni 1997 gerechtigd op een integratie-uitkering zoals bedoeld in artikel 131quater.
  De werknemer wordt gedurende de duur van de toekenning van de uitkering vrijgesteld van de toepassing van de bepalingen van hoofdstuk III, afdelingen 1 tot 3 en van de artikelen 68 en 71.) <KB 1998-07-15/34, art. 1, 069; Inwerkingtreding : 01-06-1998>
  [1 De vrijstelling bedoeld in het vorig lid doet evenwel geen afbreuk aan de verplichtingen die voortvloeien uit het statuut van deeltijdse werknemer, die een inkomensgarantie-uitkering geniet, of uit het statuut van tijdelijk werkloze, indien de werknemer uitkeringen ontvangt voor de uren van tijdelijke werkloosheid.]1
  ----------
  (1)<KB 2013-06-07/03, art. 6, 216; Inwerkingtreding : 01-07-2013>

  Art. 78ter_WAALS_GEWEST. [1 ...]1
  ----------
  (1)<DWG 2017-02-02/22, art. 18, 264; Inwerkingtreding : 01-07-2017>
  

  Art. 78ter_VLAAMS_GEWEST_(TOEKOMSTIG_RECHT).

<Opgeheven bij BVR 2016-06-10/03, art. 20, 253; Inwerkingtreding : 01-01-2019>



  Art. 78ter_DUITSTALIGE_GEMEENSCHAP.
   <Opgeheven bij DDG 2016-04-25/10, art. 34,2°, 252; Inwerkingtreding : 01-10-2016>
  


  Art. 78quater. (opgeheven) <KB 2001-12-19/39, art. 20, 104; Inwerkingtreding : 01-01-2002, met beperkingen>

  Art. 78quinquies. (opgeheven) <KB 2001-12-19/39, art. 20, 104; Inwerkingtreding : 01-01-2002, met beperkingen>

  Art. 78sexies.[1 De werkuitkering bedoeld in artikel 27, 11° en de ervaringsuitkering bedoeld in artikel 27, 13°, worden, in afwijking van artikel 27, 4°, niet als een uitkering beschouwd voor de toepassing van de artikelen 38, § 1, eerste lid, 1°, 42, 79, § 4, 80, 89, 92, 93 en 97.
   De integratie-uitkering bedoeld in artikel 131quater en de herinschakelingsuitkering bedoeld in artikel 131quinquies worden, in afwijking van artikel 27, 4°, niet als een uitkering beschouwd voor de toepassing van de artikelen 38, § 1, eerste lid, 1°, 42, 80, 89, 92, 93 en 97.
   Voor de toepassing van de bepalingen in dit besluit waarbij rekening wordt gehouden met de bezoldiging van een werknemer, worden de integratie-uitkering bedoeld in artikel 131quater, de herinschakelingsuitkering bedoeld in artikel 131quinquies, de werkuitkering bedoeld in artikel 27, 11°, of de ervaringsuitkering bedoeld in artikel 27, 13°, geacht integraal deel uit te maken van de bezoldiging.
   De werknemer kan voor eenzelfde periode slechts gerechtigd zijn op één van de uitkeringen bedoeld in de vorige leden.]1
  ----------
  (1)<KB 2010-02-03/08, art. 12, 188; Inwerkingtreding : 01-01-2010>

  Art. 78sexies_WAALS_GEWEST.
   [1 De werkuitkering bedoeld in artikel 27, 11° en de ervaringsuitkering bedoeld in artikel 27, 13°, worden, in afwijking van artikel 27, 4°, niet als een uitkering beschouwd voor de toepassing van de artikelen 38, § 1, eerste lid, 1°, 42, 79, § 4, 80, 89, 92, 93 en 97.
  [2 ...]2
   Voor de toepassing van de bepalingen in dit besluit waarbij rekening wordt gehouden met de bezoldiging van een werknemer, worden [3 ...]3 de herinschakelingsuitkering bedoeld in artikel 131quinquies, de werkuitkering bedoeld in artikel 27, 11°, of de ervaringsuitkering bedoeld in artikel 27, 13°, geacht integraal deel uit te maken van de bezoldiging.
   De werknemer kan voor eenzelfde periode slechts gerechtigd zijn op één van de uitkeringen bedoeld in de vorige leden.]1
  
----------
  (1)<KB 2010-02-03/08, art. 12, 188; Inwerkingtreding : 01-01-2010>
  (2)<DWG 2017-02-02/22, art. 18, 264; Inwerkingtreding : 01-07-2017>
  (3)<DWG 2017-02-02/22, art. 19, 264; Inwerkingtreding : 01-07-2017>

  Art. 79.<KB 1996-11-28/36, art. 1, 055; Inwerkingtreding : 01-06-1994> § 1. Het plaatselijk werkgelegenheidsagentschap wordt opgericht in de vorm van een vereniging zonder winstoogmerk. De beheersorganen van deze vereniging zijn samengesteld in overeenstemming met de bepalingen van artikel 8, § 1, derde lid van de besluitwet van 28 december 1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders. Elke organisatie die zetelt in de Nationale Arbeidsraad heeft, op haar vraag, recht op minstens één mandaat.
  (Lid 2 opgeheven) <KB 2002-06-05/32, art. 1, 114; Inwerkingtreding : 28-06-2002>
  § 2. (De kandidaat-gebruiker omschrijft de te verrichten activiteit die men niet aantreft in de reguliere arbeidscircuits op een gebruikersformulier dat uitgereikt wordt door het plaatselijk werkgelegenheidsagentschap bevoegd voor de gemeente waar de activiteit zal uitgeoefend worden.
  Hij biedt het ingevulde gebruikersformulier ter validering aan bij het agentschap bedoeld in het vorig lid en betaalt desgevallend het door het agentschap vastgestelde inschrijvingsrecht tot dekking van de administratiekosten van het agentschap.
  Het agentschap valideert het gebruikersformulier voor een duurtijd van ten hoogste één jaar indien overeenkomstig de bepalingen van § 7 en van artikel 79bis, § 3, de aangegeven activiteit verricht mag worden en bezorgt één exemplaar aan de gebruiker. Het tweede exemplaar wordt door het agentschap behouden en is ter beschikking van de Rijksdienst. Het agentschap maakt de gegevens van het formulier over aan de uitgever van de PWA-cheques.
  De gebruiker mag de activiteit slechts laten verrichten indien hij in het bezit is van een gevalideerd gebruikersformulier.) <KB 1999-06-13/48, art. 2, A), 085; Inwerkingtreding : 01-01-2000>
  § 3. (De gebruiker moet bij het beëindigen van de activiteit en in ieder geval vóór het einde van de kalendermaand, aan de PWA-werknemer voor elk begonnen arbeidsuur een PWA-cheque overhandigen. De aanschafprijs van de PWA-cheque moet overeenstemmen met de door het plaatselijk werkgelegenheidsagentschap op het gebruikersformulier ingevulde aanschafprijs.
  De kandidaat-gebruiker die in het bezit is van een gevalideerd gebruikersformulier kan PWA-cheques, waarvan de aanschafprijs overeenstemt met het bedrag van de verschuldigde aanschafprijs, aankopen :
  1° bij de uitgever van de PWA-cheques; de bestelling bedraagt minstens tien cheques en de betaling geschiedt voorafgaandelijk; de cheques worden opgesteld op naam van de gebruiker;
  2° bij het plaatselijk werkgelegenheidsagentschap; deze cheques zijn naamloos en zij kunnen niet gebruikt worden voor activiteiten ten behoeve van de land- en tuinbouwsector. Indien de gebruiker een rechtspersoon is kunnen deze cheques slechts gebruikt worden voor occasionele activiteiten.
  (De gebruiker kan bij de uitgever van de PWA-cheques de terugbetaling bekomen van de niet gebruikte PWA-cheques die op zijn naam werden opgesteld en waarvan de geldigheidsduur nog niet is verstreken. PWA-cheques die aanleiding geven tot een fiscaal attest en waarvoor de terugbetaling werd gevraagd na het kalenderjaar van de aankoop, worden echter slechts ten belope van 70 % van de aanschafprijs terugbetaald aan de gebruiker; in dat geval worden de resterende 30 % betaald aan de Rijksdienst. De administratiekosten van de uitgever worden ingehouden op het aan de gebruiker terug te betalen bedrag.) <KB 2006-04-19/33, art. 1, 150; Inwerkingtreding : 03-05-2006>
  De Minister bepaalt na advies van het beheerscomité :
  1° de periode gedurende dewelke de gebruiker bewijsstukken dient bij te houden;
  2° de wijze waarop de uitgever van de PWA-cheques de gegevens overmaakt dienstig voor de toekenning van fiscale voordelen aan de gebruiker.) <KB 1999-06-13/48, art. 2, B), 085; Inwerkingtreding : 01-01-2000>
  (§ 4. [2 Wordt beschouwd als langdurig werkloze die activiteiten mag verrichten in het kader van een plaatselijk werkgelegenheidsagentschap en wordt ambtshalve ingeschreven als kandidaat bij het werkgelegenheidsagentschap bevoegd voor zijn verblijfplaats, de volledig uitkeringsgerechtigde werkloze die sinds ten minste twee jaar werkloosheidsuitkeringen of inschakelingsuitkeringen geniet of die sinds ten minste 6 maand werkloosheidsuitkeringen geniet indien hij de leeftijd van 45 jaar bereikt heeft.]2
  (Nochtans is de ambtshalve inschrijving bedoeld in het eerste lid niet van toepassing op de werklozen die de vrijstelling voorzien in artikel 89 genieten en op de werklozen die vrijgesteld zijn van de verplichting beschikbaar te zijn voor de arbeidsmarkt voor een andere reden dan krachtens de bepalingen van § 4bis of van artikel 79ter , § 5, voor de duur van de vrijstelling.) <KB 2002-05-27/30, art. 1, 113; Inwerkingtreding : 01-07-2002>
  (De Rijksdienst brengt de werkloze van de ambtshalve inschrijving bedoeld in het eerste lid op de hoogte, nodigt hem uit zich aan te bieden bij het plaatselijk werkgelegenheidsagentschap en brengt hem op de hoogte dat hij, in geval hij in gebreke blijft, zal opgeroepen worden door het agentschap. De ambtshalve inschrijving vervalt na een onderbreking van de uitkeringen gedurende zes volledige kalendermaanden.) <KB 1997-07-16/38, art. 1, 063; Inwerkingtreding : 01-07-1997>
  Wordt eveneens beschouwd als een langdurige werkloze die activiteiten mag verrichten in het kader van een plaatselijk werkgelegenheidsagentschap en die zich op vrijwillige basis als kandidaat kan inschrijven bij een plaatselijk werkgelegenheidsagentschap, de uitkeringsgerechtigde volledige werkloze, die in een periode van 36 maanden vóór zijn inschrijving bij het agentschap minstens gedurende 24 maanden uitkeringsgerechtigde volledige werkloze was.
  De Minister kan, na advies van het beheerscomité, de berekeningswijze van de in de vorige leden vermelde werkloosheidsduur nader omschrijven.
  [3 In afwijking van de vorige leden, mag de werkloze jonger dan 45 jaar die zich bevindt in de eerste vergoedingsperiode, bedoeld in artikel 114, § 1, de werkloze die als deeltijdse werknemer tewerkgesteld is, de werkloze die het stelsel van werkloosheid met bedrijfstoeslag of de aanvullende vergoeding van ontslagen bejaarde grensarbeiders geniet, geen activiteiten verrichten overeenkomstig dit artikel.]3
  De inschrijving bij het agentschap wordt geschorst tijdens de periode waarin de werkloze een reïntegratieprogramma volgt zoals bedoeld in artikel 27, 9°.
  (Het agentschap bezorgt, vóór de aanvang van de prestaties, aan de werkloze die prestaties verricht in het kader van een plaatselijk werkgelegenheidsagentschap, de PWA-arbeidsovereenkomst.) <KB 1999-06-13/48, art. 2, C), 085; Inwerkingtreding : 01-01-2000>
  Het agentschap bezorgt aan deze werkloze eveneens een prestatieformulier waaruit blijkt dat de werkloze aan de vereisten voldoet om activiteiten te verrichten in toepassing van dit artikel. Deze activiteiten mogen slechts verricht worden door een werkloze die in het bezit is van het prestatieformulier.) (Het prestatieformulier wordt samen met de gewone controlekaart, als controlekaart in de zin van artikel 71 van het koninklijk besluit beschouwd.) <KB 1997-06-25/32, art. 1, 061; Inwerkingtreding : 01-07-1997> <KB 2006-03-05/36, art. 10, 145; Inwerkingtreding : 15-12-2005>
  (§ 4bis. (De werkloze kan overeenkomstig artikel 80, 3°, vrijstelling genieten van de toepassing van afdeling 8, indien hij aantoont dat hij ten minste 180 activiteitsuren in het kader van een plaatselijk werkgelegenheidsagentschap gepresteerd heeft in de loop van een referteperiode van zes kalendermaanden vóór de maand vanaf dewelke de vrijstelling wordt gevraagd. De vrijstelling geldt voor een periode van ten hoogste zes kalendermaanden, doch kan op vraag van de werkloze opnieuw worden toegekend indien hij opnieuw de voormelde voorwaarden vervult.) <KB 2006-03-05/36, art. 10, 145; Inwerkingtreding : 15-12-2005>
  [3 De werkloze die in toepassing van het eerste lid is vrijgesteld en die een blijvende graad van arbeidsongeschiktheid van ten minste 33 pct. heeft, vastgesteld overeenkomstig de procedure voorzien in artikel 141, wordt bovendien vrijgesteld van de toepassing van de artikelen 51, § 1, tweede lid, 3° tot 6°, 56 en 58.]3
  De referteperiode bedoeld in het eerste lid wordt verlengd met de duur van de periodes van arbeid in loondienst, van de vergoede periodes van arbeidsongeschiktheid en van de periodes tijdens dewelke een toeslag werd toegekend in toepassing van artikel 131octies. Bij de vaststelling van de duur van deze gebeurtenissen wordt slechts rekening gehouden met volledige ononderbroken maanden.
  De periode van vrijstelling van zes maanden bedoeld in het eerste lid, kan op vraag van de werknemer verlengd worden met een aantal volledige kalendermaanden gelijk aan het aantal maanden dat bekomen wordt door samenvoeging van de dagen waarvoor de werkloze een uitkering met toepassing van de wetgeving op de verplichte ziekte- en invaliditeitsverzekering of een toeslag met toepassing van artikel 131octies, ontving. Hierbij wordt evenwel slechts rekening gehouden met ziekteperiodes en periodes waarin een toeslag met toepassing van artikel 131octies werd toegekend, die gelegen zijn in de periode van vrijstelling of die daar aansluitend op volgen.) <KB 2004-02-16/32, art. 1, 130; Inwerkingtreding : 01-10-2004; voor de modaliteiten van de toepassing, zie artikel 3 van KB 2004-02-16/32>
  § 5. (De ambtshalve ingeschreven werkloze die ingelicht werd over deze inschrijving volgens de bepalingen van § 4, dient een toegewezen passende activiteit te verrichten. Het passend karakter van de activiteit wordt bepaald, rekening houdend met de criteria vastgesteld krachtens artikel 51, § 2.
  De werkloze die, door het niet-naleven van het eerste lid, uitgesloten is uit het recht op uitkeringen in toepassing van de artikelen 52 of 52bis en die nog voldoet aan de toelaatbaarheidsvoorwaarden en aan alle andere toekenningsvoorwaarden, wordt voor de toepassing van de wedertewerkstellingsprogramma's verder beschouwd als een werkloze die uitkeringen geniet.) <KB 2000-06-29/32, art. 6, 089; Inwerkingtreding : 01-08-2000>
  § 6. (De Minister kan, in noodsituaties en omwille van het algemeen belang, afwijkingen voorzien op de voorwaarden inzake de werkloosheidsduur bepaald in § 4.) <KB 1999-06-13/48, art. 2, E), 085; Inwerkingtreding : 01-01-2000>
  § 7. Het werkloosheidsbureau kan nagaan of de aangegeven activiteiten en de werkelijk uitgeoefende activiteiten beantwoorden aan deze die verricht mogen worden.
  De directeur kan op eigen initiatief of op vraag van een lid van de beheerraad van het plaatselijk werkgelegenheidsagentschap, de uitoefening van een activiteit verbieden, indien deze niet beantwoordt aan de toegestane activiteiten. Oordeelt de beheerraad van het agentschap dat de activiteit wél verricht mag worden dan kan het een met redenen omkleed beroepsschrift indienen bij het werkloosheidsbureau. Het beroepsschrift wordt voorgelegd aan het beheerscomité van de Rijksdienst. Dit beslist binnen de twee maanden na de datum waarop het beroepsschrift op het werkloosheidsbureau werd ontvangen.
  (Lid 3 opgeheven) <KB 1999-06-13/48, art. 2, F), 085; Inwerkingtreding : 01-01-2000>
  De directeur kan, indien hij vaststelt dat een gebruiker zijn verplichtingen niet is nagekomen, beslissen dat de gebruiker gedurende een periode van 12 maanden geen activiteiten meer mag laten verrichten in toepassing van dit artikel. Gedurende deze periode kan de gebruiker geen PWA-cheques aankopen en mag het agentschap geen gebruikersformulieren voorgelegd door deze gebruiker valideren.
  De activiteiten worden in hoofde van de werkloze niet beschouwd als verricht in het kader van een plaatselijk werkgelegenheidsagentschap indien de werkloze te kwader trouw heeft gehandeld, inzonderheid als hij niet toegelaten activiteiten uitoefent.
  § 8. (In afwijking van artikel 44 en onverminderd de bepalingen van dit besluit, kan de PWA-werknemer voor de inactiviteitsuren aanspraak maken op een PWA-inkomensgarantie-uitkering die overeenstemt met de uitkering waarop hij in toepassing van dit besluit recht heeft voor de beschouwde maand, verminderd met (2,96 EUR) per niet-ontwaarde PWA-cheque waarop hij aanspraak kan maken voor de beschouwde maand. De eventueel aan de PWA-werknemer betaalde vergoeding om zijn reële verplaatsingskosten te dekken wordt niet als loon beschouwd. <KB 2003-02-28/33, art. 1, 123; Inwerkingtreding : 01-03-2003>
  De PWA-werknemer bezorgt zijn PWA-cheques aan zijn uitbetalingsinstelling samen met zijn controlekaart voor de beschouwde maand. De uitbetalingsinstelling moet de PWA-cheques die ingediend worden door een werknemer die niet voldoet aan de vereisten van § 4 of die betrekking hebben op activiteitsuren die de in § 6 voorziene grenzen overschrijden ontwaarden en terug overmaken aan de werknemer.
  De PWA-werknemer heeft per niet-ontwaarde PWA-cheque recht op (7,06 EUR). De betaling geschiedt door de uitbetalingsinstelling. Die betaalt een bedrag van (4,10 EUR) per PWA-cheque die de werknemer bij haar heeft ingediend. De uitbetalingsinstelling vordert dit bedrag, te verhogen met een bedrag tot dekking van haar administratiekosten, terug van de uitgever van de PWA-cheques. Het resterende bedrag wordt uitbetaald tesamen met de PWA-inkomensgarantie-uitkering. <KB 2003-02-28/33, art. 1, 123; Inwerkingtreding : 01-03-2003>
  De Minister bepaalt, na advies van het beheerscomité, het voormelde bedrag tot dekking van de administratiekosten.
  [3 Voor de toepassing van de bepalingen van de artikelen 110 en 114, § 4, die betrekking hebben op het inkomen van de werkloze of van zijn gezinsleden, wordt abstractie gemaakt van het bedrag van de PWA-cheques dat aan de PWA-werknemer betaald wordt en van de daaraan verbonden vermindering van de uitkering zoals bedoeld in § 8.]3 ) <KB 1999-06-13/48, art. 2, G), 085; Inwerkingtreding : 01-01-2000>
  § 9. (Het bedrag dat resteert nadat van de aanschafprijs van de PWA-cheques het bedrag van (3,72 EUR) en het bedrag van de administratiekosten van de uitbetalingsinstelling in mindering werd gebracht, wordt door de uitgever van de PWA-cheques : <KB 2001-07-13/58, art. 8, 100; Inwerkingtreding : 01-01-2002>
  1° naar rato van (75 %), te verminderen met het bedrag tot dekking van de administratiekosten van de uitgever van de PWA-cheques met inbegrip van de verzendingskosten, gestort aan de Rijksdienst; <KB 2003-02-28/33, art. 1, 123; Inwerkingtreding : 01-03-2003>
  2° naar rato van (25 %) gestort aan het plaatselijk werkgelegenheidsagentschap, bevoegd voor de gemeente waar de activiteit werd uitgeoefend. Het agentschap wendt deze middelen aan voor het dekken van zijn administratiekosten, voor de terugbetaling van de verplaatsingskosten van de PWA-werknemers en voor het financieren van plaatselijke werkgelegenheidsinitiatieven, met inbegrip van de opleidingen. Minstens één vierde van deze middelen dienen aangewend te worden voor de financiering van opleidingen ten behoeve van de werklozen ingeschreven in het agentschap. (Deze opleidingen moeten bestaan uit vormings- of inschakelingsacties die georganiseerd of erkend zijn door de VDAB, de FOREm, de BGDA, het " Institut bruxellois francophone de la formation professionnelle " of het " Arbeidsamt der Deutschsprachigen Gemeinschaft ".) <KB 2002-06-05/32, art. 1, 114; Inwerkingtreding : 28-06-2002> <KB 2003-02-28/33, art. 1, 123; Inwerkingtreding : 01-03-2003>
  (Het agentschap, in wiens ambtsgebied de prestatie wordt uitgeoefend, moet, indien de afstand tussen de woonplaats en de plaats van tewerkstelling meer dan 5 km bedraagt, met behulp van de middelen voorzien in het voorgaande lid, tussenkomen in de verplaatsingskosten van de PWA-werknemers, behalve indien het deze verplichting oplegt aan de gebruiker. De tussenkomst zal minstens 0,15 euro/km bedragen.) <KB 2002-06-05/33, art. 1, 116; Inwerkingtreding : 28-06-2002>
  (Het agentschap moet uiterlijk op 31 december van het jaar volgend op datgene waarop de inkomsten betrekking hebben, voldaan hebben aan de verplichting ten minste 25 percent van het bedrag, bedoeld in het eerste lid, 2°, aangewend te hebben voor opleidingen. Het niet-gebruikte saldo van deze 25 percent is bestemd voor het globaal beheer van de sociale zekerheid en moet binnen dezelfde termijn aan de Rijksdienst voor Sociale Zekerheid worden gestort. Deze storting wordt gelijkgesteld met een uitgave voor opleiding.) <KB 2007-01-10/31, art. 1, 159; Inwerkingtreding : 01-01-2006, zie ook art. 3>
  Wat de inkomsten betreft, bedoeld in het eerste lid, 2°, die betrekking hebben op de jaren 1997, 1998, 1999 en 2000 moet het agentschap uiterlijk op 31 december 2002 voldaan hebben aan de verplichting één vierde van dat bedrag aangewend te hebben voor opleidingen. Een saldo lager dan 1.250 EUR kan echter gereserveerd worden als provisie voor het dienstjaar 2003. Elke vrijwillige betaling aan de Rijksdienst voor Sociale Zekerheid, die bestemd is voor het globaal beheer van de sociale zekerheid, wordt gelijkgesteld met een uitgave voor opleiding.) <KB 2002-06-05/32, art. 1, 114; Inwerkingtreding : 28-06-2002>
  § 10. (De PWA-werknemer wordt verzekerd tegen arbeidsongevallen.
  De Rijksdienst sluit, bij een erkende verzekeringsmaatschappij met vaste premies of bij een erkende gemeenschappelijke verzekeringskas, een polis af die deze PWA-werknemer gelijkaardige voordelen waarborgt als deze die ten laste vallen van de verzekeraar door de wet van 10 april 1971 op de arbeidsongevallen.
  (In geval van tijdelijke arbeidsongeschiktheid ten gevolge van een ongeval overkomen in het kader van een activiteit bedoeld in dit artikel, blijft de werkloze in afwijking van de artikelen 56, 58, 60, 61 en 62 van onderhavig besluit, gerechtigd op uitkeringen.) <KB 2006-03-05/36, art. 10, 145; Inwerkingtreding : 15-12-2005>
  De verzekeringsmaatschappij betaalt in geval van tijdelijke arbeidsongeschiktheid, in afwijking van de artikelen 22 tot 23bis en 34 tot 39 van de voornoemde wet, per dag van ongeschiktheid met uitsluiting van de zondag :
  1° aan de Rijksdienst, voor de werkloze gerechtigd op zes daguitkeringen per week, een bedrag dat correspondeert met de daguitkering waarop de werkloze de dag vóór het ongeval recht had, gekoppeld aan het op de voormelde dag geldende indexcijfer;
  2° aan de Rijksdienst, voor de werkloze die als vrijwillig deeltijdse werknemer gerechtigd is op halve daguitkeringen, een bedrag dat correspondeert met de halve daguitkering waarop de werkloze de dag vóór het ongeval recht had, gekoppeld aan het op de voormelde dag geldende indexcijfer en vermenigvuldigd met 1/6e van het wekelijks aantal halve uitkeringen;
  3° aan de werkloze, een PWA-uikeringstoeslag van (4,10 EUR) die toegekend wordt ter aanvulling van de uitkering bedoeld in het derde lid. <KB 2003-02-28/33, art. 1, 123; Inwerkingtreding : 01-03-2003>
  In geval van blijvende arbeidsongeschiktheid of overlijden betaalt de verzekeringsmaatschappij aan de werkloze een bedrag dat, in afwijking van de artikelen 34 tot 39 van de voornoemde wet, berekend wordt op een jaarlijks basisloon gelijk aan 13,85 maal het bedrag van het gemiddeld minimum maandinkomen gewaarborgd aan de werknemers die 21 jaar oud zijn en geen anciënniteit hebben in de onderneming die hen tewerkstelt, bepaald bij collectieve arbeidsovereenkomst, afgesloten in de Nationale Arbeidsraad, betreffende de waarborg van een gemiddeld minimum maandinkomen, algemeen verbindend verklaard bij koninklijk besluit.
  De regeling inzake burgerlijke aansprakelijkheid voorzien in de artikelen 46, 47 en 48 van de voormelde wet van 10 april 1971 is toepasselijk op de in het eerste lid bedoelde ongevallen. Voor de toepassing van deze artikelen worden zowel de gebruiker als het plaatselijk werkgelegenheidsagentschap als werkgever aangemerkt.) <KB 1999-06-13/48, art. 2, I), 085; Inwerkingtreding : 01-01-2000>
  § 11. (De Rijksdienst bepaalt de inhoud en het model van het gebruikersformulier, de PWA-cheque, het prestatieformulier en het formulier waarmee de vrijstelling bedoeld in § 4bis wordt aangevraagd.) <KB 1996-12-13/33, art. 5, D), 056; Inwerkingtreding : 01-01-1997>
  (§ 12. De Rijksdienst oefent, in geval van klacht of op eigen initiatief bij vermoeden van onjuiste besteding, of bij wijze van steekproef, controle uit op de aanwending van de inkomsten van het plaatselijk werkgelegenheidsagentschap en gaat na of de besteding ervan overeenstemt met het maatschappelijk doel van het agentschap (bedoeld in artikel 8 van de besluitwet van 28 december 1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders) en of de in § 9, eerste lid, 2°, bepaalde inkomsten besteed worden overeenkomstig deze bepaling. <KB 2007-01-10/31, art. 2, 1°, 159; Inwerkingtreding : 01-01-2006; zie ook art. 3>
  [1 Daartoe maakt het agentschap jaarlijks, uiterlijk tegen 30 april, een verslag van zijn boekhouding van het voorgaande kalenderjaar betreffende de activiteiten verricht in toepassing van artikel 8 van de voornoemde besluitwet van 28 december 1944, en in voorkomend geval betreffende de activiteiten verricht in toepassing van artikel 8bis van de voornoemde besluitwet van 28 december 1944, over aan de Rijksdienst. Dit verslag wordt opgesteld overeenkomstig de onderrichtingen en het elektronisch model vastgesteld door de Rijksdienst. De Rijksdienst kan zich zowel per briefwisseling als ter plaatse bij het agentschap alle inlichtingen en documenten laten verstrekken die hij nodig acht voor het uitoefenen van de controle van de activiteiten verricht in toepassing van artikel 8 van de voornoemde besluitwet van 28 december 1944. Het boekjaar van het PWA loopt van 1 januari tot 31 december van elk jaar.]1
  In geval van onjuiste besteding van de inkomsten, van het niet overmaken van het verslag bedoeld in het tweede lid of van verhindering van de controle op de aanwending van de inkomsten, kan de Rijksdienst beslissen dat de overeenkomstig § 9, eerste lid, 2° voor het agentschap bestemde financiële middelen (ten belope van ten hoogste 75 % ingehouden worden of dat de uitbetaling ten belope van ten hoogste 75 % wordt uitgesteld) tot wanneer het agentschap aantoont te voldoen aan de voorschriften. De inhouding of het uitstel gaat in de eerste dag van de maand volgend op de betekening aan het agentschap van de gemotiveerde beslissing en heeft betrekking op de rechten die vanaf die datum ontstaan. De ingehouden financiële middelen worden door de uitgever van de PWA-cheques overgemaakt aan de Rijksdienst voor Sociale Zekerheid die deze toevoegt bij de middelen bestemd voor het globaal beheer van de sociale zekerheid. <KB 2003-01-07/33, art. 2, 120; Inwerkingtreding : 28-06-2002>
  De betaling wordt hervat vanaf de eerste dag van de maand waarin de betekening geschiedt aan het agentschap van de beslissing van de Rijksdienst waarbij wordt vastgesteld dat het agentschap het bewijs levert dat het de voorschriften naleeft.
  De in deze paragraaf voorziene beslissingen worden genomen door een College van directeurs of hun plaatsvervangers, samengesteld uit drie leden die aangewezen worden door de Rijksdienst onder zijn ambtenaren die titularis zijn van de graad van directeur van het werkloosheidsbureau of titularis zijn van een graad van minstens rang 13, en worden met een aangetekend schrijven aan het agentschap ter kennis gebracht.
  Het agentschap kan binnen een termijn van 30 kalenderdagen volgend op de ontvangst van de beslissing bij het beheerscomité beroep aantekenen. De termijn van 30 kalenderdagen is een vervaltermijn. Het beheerscomité beslist binnen een termijn van (zestig kalenderdagen) te rekenen vanaf de ontvangst van het beroepschrift.) <KB 2002-06-05/32, art. 1, 114; Inwerkingtreding : 28-06-2002, maar zie ook artikel 2 van KB 2002-06-05/32> <KB 2007-01-10/31, art. 2, 3°, 159; Inwerkingtreding : 22-01-2007; zie ook art. 3>
  (§ 13. De Minister kan, op voorstel van het beheerscomité, de bedragen vermeld in § 8, eerste en derde lid, § 9, eerste lid en § 10, vierde lid, 3° elk jaar met ingang van 1 maart aanpassen, rekening houdende met de evolutie van het netto-inkomen uit laagbetaalde arbeid als loontrekkende tijdens het voorgaande kalenderjaar.
  De PWA-werknemer is gerechtigd op het bedrag dat in toepassing van het vorig lid geldt op het tijdstip van de uitbetaling van de PWA-cheque door de uitbetalingsinstelling of dat geldt voor de maand waarvoor de verzekeringmaatschappij de toeslag bedoeld in § 10, vierde lid, 3°, betaalt.) <KB 2003-02-28/33, art. 1, 123; Inwerkingtreding : 01-03-2003>
  ----------
  (1)<KB 2010-08-26/03, art. 1, 194; Inwerkingtreding : 01-09-2010; zie ook art. 2>
  (2)<KB 2011-12-28/29, art. 10, 203; Inwerkingtreding : 01-01-2012>
  (3)<KB 2012-07-23/01, art. 10, 206; Inwerkingtreding : 01-11-2012>

  Art. 79_DUITSTALIGE_GEMEENSCHAP.
   <KB 1996-11-28/36, art. 1, 055; Inwerkingtreding : 01-06-1994> § 1. [4 ...]4
  § 2. [4 Op een gebruikersformulier dat ter beschikking wordt gesteld door het plaatselijk werkgelegenheidsagentschap bedoeld in artikel 8, § 1, van de besluitwet van 28 december 1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders, omschrijft de kandidaat-gebruiker de door de PWA-werknemer te verrichten activiteit die men niet aantreft in de reguliere arbeidscircuits en die in het Duitse taalgebied verricht wordt.
   De kandidaat-gebruiker biedt het ingevulde gebruikersformulier ter validering aan bij het plaatselijk werkgelegenheidsagentschap bedoeld in het eerste lid en betaalt het inschrijvingsrecht vermeld in artikel 79bis, § 1.
   Het plaatselijk werkgelegenheidsagentschap valideert het gebruikersformulier voor een duurtijd van ten hoogste één jaar indien de aangegeven activiteit overeenkomstig 79bis, § 3, verricht mag worden en bezorgt één exemplaar aan de gebruiker. Het plaatselijk werkgelegenheidsagentschap behoudt het tweede exemplaar. Het zendt de gegevens van het formulier over aan de uitgever van de PWA-cheques.
   De kandidaat-gebruiker mag de activiteit slechts laten verrichten indien hij in het bezit is van een gevalideerd gebruikersformulier.
   De Dienst voor arbeidsbemiddeling bepaalt de inhoud en het model van het gebruikersformulier.]4
  § 3. [4 Bij het beëindigen van de activiteit en in ieder geval vóór het einde van de maand overhandigt de gebruiker een PWA-cheque aan de PWA-werknemer voor elk begonnen arbeidsuur.
   De kandidaat-gebruiker die in het bezit is van een gevalideerd gebruikersformulier kan de PWA-cheques aankopen aan de aanschafprijs vermeld in artikel 79bis, § 2 :
   1° bij de uitgever van de PWA-cheques als minstens tien PWA-cheques besteld worden en die cheques vooraf betaald worden. De PWA-cheques worden opgesteld op naam van de gebruiker;
   2° bij het plaatselijk werkgelegenheidsagentschap. Die cheques zijn naamloos. Indien de gebruiker een rechtspersoon is, kunnen de naamloze PWA-cheques slechts gebruikt worden voor occasionele activiteiten.
   De gebruiker kan een PWA-cheque gebruiken tot uiterlijk de laatste dag van de elfde maand die volgt op de maand waarin de PWA-cheque uitgegeven werd. De gebruiker kan bij de uitgever van de PWA-cheques de terugbetaling bekomen van de niet gebruikte PWA-cheques die op zijn naam werden opgesteld en waarvan de geldigheidsduur nog niet is verstreken.
   PWA-cheques die aanleiding geven tot een fiscaal attest en waarvoor de terugbetaling wordt gevraagd na het kalenderjaar van de aankoop, wordt het bedrag dat de uitgever aan de gebruiker terugbetaalt, berekend door de aanschafprijs te vermenigvuldigen met het verschil tussen 100 % en het percentage bepaald in artikel 145/21, tweede lid, van het Wetboek van de Inkomstenbelastingen 1992. Het verschil tussen de aanschafprijs en het bedrag dat de uitgever aan de gebruiker terugbetaalt, wordt in dit geval aan het Waals Gewest betaald. De administratiekosten van de uitgever worden ingehouden op het aan de gebruiker terug te betalen bedrag.
   De terugbetaling van PWA-cheques die op naam van de gebruiker worden uitgegeven, kan alleen aangevraagd worden bij de uitgever die de cheques in kwestie heeft uitgegeven.
   De Gemeenschapsminister bepaalt :
   1° de periode gedurende welke de gebruiker de bewijsstukken dient bij te houden;
   2° de wijze waarop de uitgever van de PWA-cheques alle gegevens die nuttig zijn voor de toekenning van fiscale voordelen overzendt aan de gebruiker.]4
  (§ 4. [4 Volgende personen worden beschouwd als langdurig werklozen die activiteiten mogen verrichten in het kader van een plaatselijk werkgelegenheidsagentschap :
   1° de uitkeringsgerechtigde volledige werkloze die sinds ten minste twee jaar werkloosheidsuitkeringen of inschakelingsuitkeringen ontvangt;
   2° de uitkeringsgerechtigde volledige werkloze die sinds ten minste 6 maanden werkloosheidsuitkeringen ontvangt en de leeftijd van 45 jaar bereikt heeft.
   Indien de langdurig werkloze vermeld in het eerste lid zijn hoofdverblijfplaats heeft in het Duitse taalgebied, wordt hij ambtshalve als kandidaat bij het plaatselijk werkgelegenheidsagentschap ingeschreven.
   De ambtshalve inschrijving bedoeld in het tweede lid is voor de duur van de vrijstelling echter niet van toepassing op :
   1° de werklozen die de vrijstelling vermeld in artikel 89 genieten;
   2° de werklozen die vrijgesteld zijn van de verplichting beschikbaar te zijn voor de arbeidsmarkt, met uitzondering van de werklozen die de vrijstelling vermeld in artikel 152sexies, § 3, genieten.
   De Dienst voor arbeidsbemiddeling brengt de werkloze op de hoogte van de ambtshalve inschrijving bedoeld in het tweede lid en vraagt hem zich aan te bieden bij het plaatselijk werkgelegenheidsagentschap. De ambtshalve inschrijving eindigt als de uitbetaling van de sociale uitkeringen gedurende zes opeenvolgende volledige kalendermaanden onderbroken wordt.
   Wordt eveneens beschouwd als een langdurige werkloze die activiteiten mag verrichten in het kader van een plaatselijk werkgelegenheidsagentschap en die zich op vrijwillige basis als kandidaat kan inschrijven bij een plaatselijk werkgelegenheidsagentschap, de uitkeringsgerechtigde volledige werkloze die in een periode van 36 maanden vóór zijn aanvraag tot inschrijving bij het plaatselijk werkgelegenheidsagentschap minstens gedurende 24 maanden uitkeringsgerechtigde volledige werkloze was.
   Na advies van het beheerscomité van de Dienst voor arbeidsbemiddeling kan de Gemeenschapsminister de berekeningswijze van de werkloosheidsduur vermeld in het eerste tot en met het vijfde lid nader omschrijven.]4.
  [3 In afwijking van de vorige leden, mag de werkloze jonger dan 45 jaar die zich bevindt in de eerste vergoedingsperiode, bedoeld in artikel 114, § 1, de werkloze die als deeltijdse werknemer tewerkgesteld is, de werkloze die het stelsel van werkloosheid met bedrijfstoeslag of de aanvullende vergoeding van ontslagen bejaarde grensarbeiders geniet, geen activiteiten verrichten overeenkomstig dit artikel.]3
  De inschrijving bij het agentschap wordt geschorst tijdens de periode waarin de werkloze een reïntegratieprogramma volgt zoals bedoeld in artikel 27, 9°.
  [4 Het plaatselijk werkgelegenheidsagentschap bezorgt de PWA-arbeidsovereenkomst vermeld in de wet van 7 april 1999 betreffende de PWA-arbeidsovereenkomst, vóór de aanvang van de prestaties, aan de werkloze die prestaties verricht in het kader van een plaatselijk werkgelegenheidsagentschap.
   Het plaatselijk werkgelegenheidsagentschap bezorgt aan de werkloze maandelijks een prestatieformulier waaruit blijkt dat de werkloze aan de vereisten voldoet om activiteiten te verrichten met toepassing van dit artikel. Deze activiteiten mogen alleen verricht worden door werklozen die in het bezit zijn van een geldig prestatieformulier.
   Voor elk aangevangen activiteitsuur noteert de PWA-werknemer, vóór de aanvang van de prestaties, de datum, het uur en de naam of benaming van de gebruiker op zijn prestatieformulier.]4
  (§ 4bis. [4 ...]4
  § 5. (De ambtshalve ingeschreven werkloze die ingelicht werd over deze inschrijving volgens de bepalingen van § 4, dient een toegewezen passende activiteit te verrichten. Het passend karakter van de activiteit wordt bepaald, rekening houdend met de criteria vastgesteld krachtens artikel 51, § 2.
  De werkloze die, door het niet-naleven van het eerste lid, uitgesloten is uit het recht op uitkeringen in toepassing van de artikelen 52 of 52bis en die nog voldoet aan de toelaatbaarheidsvoorwaarden en aan alle andere toekenningsvoorwaarden, wordt voor de toepassing van de wedertewerkstellingsprogramma's verder beschouwd als een werkloze die uitkeringen geniet.) <KB 2000-06-29/32, art. 6, 089; Inwerkingtreding : 01-08-2000>
  § 6. [4 De Gemeenschapsminister kan, in noodsituaties en omwille van het algemeen belang, afwijkingen voorzien van de voorwaarden inzake de werkloosheidsduur bepaald in § 4.]4
  § 7. [4 De Dienst voor arbeidsbemiddeling verklaart het gebruikersformulier van de gebruiker ongeldig als de gebruiker :
   1° een activiteit laat verrichten die niet beantwoordt aan de activiteit vermeld op zijn overeenkomstig § 2 gevalideerd gebruikersformulier;
   2° zijn verplichtingen niet nakomt die vastgelegd zijn in de wet van 7 april 1999 betreffende de PWA-arbeidsovereenkomst;
   3° de PWA-cheques bedoeld in § 3, eerste lid, niet binnen de gestelde termijn uitbetaalt;
   4° de in § 9, tweede lid, bedoelde tegemoetkoming in de verplaatsingskosten van de PWA-werknemer niet binnen de gestelde termijn uitbetaalt;
   5° de tegemoetkoming in de verplaatsingskosten van de PWA-werknemer, vermeld in artikel 5, tweede lid, van het koninklijk besluit van 17 december 1999 betreffende de PWA-werknemers van wie het loon betaald wordt door de openbare centra voor maatschappelijk welzijn, niet binnen de gestelde termijn uitbetaalt.
   In de gevallen vermeld in het eerste lid kan de gebruiker gedurende een periode van twaalf maanden geen activiteiten laten verrichten met toepassing van dit artikel. Tijdens die periode kan de gebruiker geen PWA-cheques aankopen en kan het plaatselijk werkgelegenheidsagentschap geen gebruikersformulier valideren dat door die gebruiker ingediend wordt.
   De Dienst voor arbeidsbemiddeling bezorgt die beslissing binnen een termijn van dertig kalenderdagen aan de betrokken gebruikers.
   Binnen een termijn van dertig kalenderdagen die ingaat vanaf de kennisneming van de beslissing, kan de betrokken gebruiker bij de Gemeenschapsminister beroep instellen tegen de beslissing van de Dienst voor arbeidsbemiddeling.
   De Gemeenschapsminister neemt een beslissing en brengt die beslissing binnen twee maanden na ontvangst van het beroep ter kennis van de indiener van het beroep en van de Dienst voor arbeidsbemiddeling.
   Indien de Gemeenschapsminister geen beslissing neemt binnen de termijn vermeld in het vijfde lid worden de straffen bepaald in het eerste en het tweede lid toegepast.
   De activiteiten worden, wat de werkloze betreft, niet beschouwd als verricht in het kader van een plaatselijk werkgelegenheidsagentschap indien de werkloze te kwader trouw heeft gehandeld, inzonderheid als hij niet toegelaten activiteiten uitoefent.]4
  § 8. [4 Uiterlijk op de laatste werkdag van de tweede maand die volgt op de maand waarin de geldigheidsduur voor de gebruiker overeenkomstig § 3, derde lid, verstrijkt, dient de PWA-werknemer de PWA-cheques samen met zijn prestatieformulier in bij de Dienst voor arbeidsbemiddeling. Werkdagen zijn alle dagen, met uitzondering van de zaterdagen, zondagen en wettelijke feestdagen. De Dienst voor arbeidsbemiddeling ontwaardt de PWA-cheques die de PWA-werknemer heeft ingediend, indien de PWA-werknemer niet voldoet aan de voorwaarden vermeld in § 4 of indien de PWA-cheques betrekking hebben op activiteitsuren die de grenzen vermeld in § 6 overschrijden; de Dienst voor arbeidsbemiddeling geeft de ontwaarde cheques aan hem terug.
   De Dienst voor arbeidsbemiddeling betaalt aan de PWA-werknemer maandelijks een bedrag van 4,10 euro per niet-ontwaarde PWA-cheque die hij heeft ingediend. Per PWA-cheque die aan de PWA-werknemer werd uitbetaald, vordert de Dienst voor arbeidsbemiddeling 4,10 euro terug van de uitgever van de PWA-cheques. Daartoe zendt de Dienst voor arbeidsbemiddeling maandelijks een aanvraag tot terugbetaling aan de uitgever; bij die aanvraag voegt hij de bij hem ingediende PWA-cheques.]4
  § 9. [4 Per PWA-cheque die overeenkomstig § 8, tweede lid, door de Dienst voor arbeidsbemiddeling bij de uitgever van de PWA-cheques werd ingediend, betaalt de uitgever van de PWA-cheques aan de Duitstalige Gemeenschap het bedrag terug dat overeenstemt met de aanschafprijs van de PWA-cheque, verminderd met 4,10 euro en verminderd met de voorgeschoten verzendingskosten en administratieve kosten.
   De gebruiker betaalt een tegemoetkoming in de verplaatsingskosten van de PWA-werknemer. De gebruiker betaalt die tegemoetkoming na beëindiging van de activiteit en uiterlijk vóór het einde van de maand.
   De Gemeenschapsminister bepaalt de tegemoetkoming van de gebruiker vermeld in het tweede lid.]4
  § 10. (De PWA-werknemer wordt verzekerd tegen arbeidsongevallen.
  [4 De Dienst voor arbeidsbemiddeling sluit, bij een erkende verzekeringsmaatschappij met vaste premies of bij een erkende gemeenschappelijke verzekeringskas, een polis af die de PWA-werknemer dezelfde voordelen waarborgt als deze die ten laste vallen van de verzekeraar door de wet van 10 april 1971 op de arbeidsongevallen.]4
  (In geval van tijdelijke arbeidsongeschiktheid ten gevolge van een ongeval overkomen in het kader van een activiteit bedoeld in dit artikel, blijft de werkloze in afwijking van de artikelen 56, 58, 60, 61 en 62 van onderhavig besluit, gerechtigd op uitkeringen.) <KB 2006-03-05/36, art. 10, 145; Inwerkingtreding : 15-12-2005>
  De verzekeringsmaatschappij betaalt in geval van tijdelijke arbeidsongeschiktheid, in afwijking van de artikelen 22 tot 23bis en 34 tot 39 van de voornoemde wet, per dag van ongeschiktheid met uitsluiting van de zondag :
  1° aan de Rijksdienst, voor de werkloze gerechtigd op zes daguitkeringen per week, een bedrag dat correspondeert met de daguitkering waarop de werkloze de dag vóór het ongeval recht had, gekoppeld aan het op de voormelde dag geldende indexcijfer;
  2° aan de Rijksdienst, voor de werkloze die als vrijwillig deeltijdse werknemer gerechtigd is op halve daguitkeringen, een bedrag dat correspondeert met de halve daguitkering waarop de werkloze de dag vóór het ongeval recht had, gekoppeld aan het op de voormelde dag geldende indexcijfer en vermenigvuldigd met 1/6e van het wekelijks aantal halve uitkeringen;
  3° aan de werkloze, een PWA-uikeringstoeslag van (4,10 EUR) die toegekend wordt ter aanvulling van de uitkering bedoeld in het derde lid. <KB 2003-02-28/33, art. 1, 123; Inwerkingtreding : 01-03-2003>
  In geval van blijvende arbeidsongeschiktheid of overlijden betaalt de verzekeringsmaatschappij aan de werkloze een bedrag dat, in afwijking van de artikelen 34 tot 39 van de voornoemde wet, berekend wordt op een jaarlijks basisloon gelijk aan 13,85 maal het bedrag van het gemiddeld minimum maandinkomen gewaarborgd aan de werknemers die 21 jaar oud zijn en geen anciënniteit hebben in de onderneming die hen tewerkstelt, bepaald bij collectieve arbeidsovereenkomst, afgesloten in de Nationale Arbeidsraad, betreffende de waarborg van een gemiddeld minimum maandinkomen, algemeen verbindend verklaard bij koninklijk besluit.
  De regeling inzake burgerlijke aansprakelijkheid voorzien in de artikelen 46, 47 en 48 van de voormelde wet van 10 april 1971 is toepasselijk op de in het eerste lid bedoelde ongevallen. Voor de toepassing van deze artikelen worden zowel de gebruiker als het plaatselijk werkgelegenheidsagentschap als werkgever aangemerkt.) <KB 1999-06-13/48, art. 2, I), 085; Inwerkingtreding : 01-01-2000>
  § 11. [4 ...]4
  (§ 12.[4 ...]4
  (§ 13. [4 De Gemeenschapsminister kan, na advies van het beheerscomité van de Dienst voor arbeidsbemiddeling, de bedragen vermeld in § 8, tweede lid, en § 9, eerste lid, aanpassen.
   De PWA-werknemer heeft recht op het bedrag dat met toepassing van het eerste lid geldt op het tijdstip van de uitbetaling van de PWA-cheque door de Dienst voor arbeidsbemiddeling of dat geldt voor de maand waarvoor de verzekeringmaatschappij het PWA-loon bedoeld in § 10, vierde lid, 3°, betaalt.]4

  ----------
  (1)<KB 2010-08-26/03, art. 1, 194; Inwerkingtreding : 01-09-2010; zie ook art. 2>
  (2)<KB 2011-12-28/29, art. 10, 203; Inwerkingtreding : 01-01-2012>
  (3)<KB 2012-07-23/01, art. 10, 206; Inwerkingtreding : 01-11-2012>
  (4)<BDG 2017-06-08/21, art. 2, 272; Inwerkingtreding : 01-01-2018>
  

  Art. 79_VLAAMS_GEWEST.
   <KB 1996-11-28/36, art. 1, 055; Inwerkingtreding : 01-06-1994>
  § 1. [5 ...]5
  § 2. [5 ...]5
  § 3. [5 ...]5
  § 4. [5 ...]5
   (§ 4bis. (De werkloze kan overeenkomstig artikel 80, 3°, vrijstelling genieten van de toepassing van afdeling 8, indien hij aantoont dat hij ten minste 180 activiteitsuren in het kader van een plaatselijk werkgelegenheidsagentschap gepresteerd heeft in de loop van een referteperiode van zes kalendermaanden vóór de maand vanaf dewelke de vrijstelling wordt gevraagd. De vrijstelling geldt voor een periode van ten hoogste zes kalendermaanden, doch kan op vraag van de werkloze opnieuw worden toegekend indien hij opnieuw de voormelde voorwaarden vervult.) <KB 2006-03-05/36, art. 10, 145; Inwerkingtreding : 15-12-2005>
  [3 De werkloze die in toepassing van het eerste lid is vrijgesteld en die een blijvende graad van arbeidsongeschiktheid van ten minste 33 pct. heeft, vastgesteld overeenkomstig de procedure voorzien in artikel 141, wordt bovendien vrijgesteld van de toepassing van de artikelen 51, § 1, tweede lid, 3° tot 6°, 56 en 58.]3
  De referteperiode bedoeld in het eerste lid wordt verlengd met de duur van de periodes van arbeid in loondienst, van de vergoede periodes van arbeidsongeschiktheid en van de periodes tijdens dewelke een toeslag werd toegekend in toepassing van artikel 131octies. Bij de vaststelling van de duur van deze gebeurtenissen wordt slechts rekening gehouden met volledige ononderbroken maanden.
  De periode van vrijstelling van zes maanden bedoeld in het eerste lid, kan op vraag van de werknemer verlengd worden met een aantal volledige kalendermaanden gelijk aan het aantal maanden dat bekomen wordt door samenvoeging van de dagen waarvoor de werkloze een uitkering met toepassing van de wetgeving op de verplichte ziekte- en invaliditeitsverzekering of een toeslag met toepassing van artikel 131octies, ontving. Hierbij wordt evenwel slechts rekening gehouden met ziekteperiodes en periodes waarin een toeslag met toepassing van artikel 131octies werd toegekend, die gelegen zijn in de periode van vrijstelling of die daar aansluitend op volgen.) <KB 2004-02-16/32, art. 1, 130; Inwerkingtreding : 01-10-2004; voor de modaliteiten van de toepassing, zie artikel 3 van KB 2004-02-16/32>
  § 5. [5 ...]5
  § 6. [5 ...]5
  § 7. [5 ...]5
  § 8. (In afwijking van artikel 44 en onverminderd de bepalingen van dit besluit, kan de PWA-werknemer voor de inactiviteitsuren aanspraak maken op een PWA-inkomensgarantie-uitkering die overeenstemt met de uitkering waarop hij in toepassing van dit besluit recht heeft voor de beschouwde maand, verminderd met (2,96 EUR) per niet-ontwaarde PWA-cheque waarop hij aanspraak kan maken voor de beschouwde maand. De eventueel aan de PWA-werknemer betaalde vergoeding om zijn reële verplaatsingskosten te dekken wordt niet als loon beschouwd. <KB 2003-02-28/33, art. 1, 123; Inwerkingtreding : 01-03-2003>
  [5 ...]5
  De PWA-werknemer heeft per niet-ontwaarde PWA-cheque recht op (7,06 EUR). De betaling geschiedt door de uitbetalingsinstelling. Die betaalt een bedrag van (4,10 EUR) per PWA-cheque die de werknemer bij haar heeft ingediend. De uitbetalingsinstelling vordert dit bedrag, te verhogen met een bedrag tot dekking van haar administratiekosten, terug van de uitgever van de PWA-cheques. Het resterende bedrag wordt uitbetaald tesamen met de PWA-inkomensgarantie-uitkering. <KB 2003-02-28/33, art. 1, 123; Inwerkingtreding : 01-03-2003>
  [5 ...]5
  [5 ...]5
  § 9. [5 ...]5
  § 10. [5 ...]5
  [5 ...]5
  [5 ...]5
  [5 ...]5
  [5 ...]5
  De regeling inzake burgerlijke aansprakelijkheid voorzien in de artikelen 46, 47 en 48 van de voormelde wet van 10 april 1971 is toepasselijk op de in het eerste lid bedoelde ongevallen. Voor de toepassing van deze artikelen worden zowel de gebruiker als het plaatselijk werkgelegenheidsagentschap als werkgever aangemerkt.) <KB 1999-06-13/48, art. 2, I), 085; Inwerkingtreding : 01-01-2000>
  § 11. [5 ...]5
  (§ 12. [5 ...]5
  (§ 13. [5 ...]5
  
----------
  (1)<KB 2010-08-26/03, art. 1, 194; Inwerkingtreding : 01-09-2010; zie ook art. 2>
  (2)<KB 2011-12-28/29, art. 10, 203; Inwerkingtreding : 01-01-2012>
  (3)<KB 2012-07-23/01, art. 10, 206; Inwerkingtreding : 01-11-2012>
  (4)<DVR 2016-12-09/06, art. 25, 260; Inwerkingtreding : 18-01-2017>
  (5)<DVR 2017-07-07/30, art. 57, 273; Inwerkingtreding : 01-01-2018>

  Art. 79bis.<ingevoegd bij KB 1997-01-27/32, art. 1, Inwerkingtreding : 1994-06-01> (NOTA : een eerste vorm van onderhavig artikel 79bis, die bij KB 1994-05-10/31, art. 1, ingevoegd was, werd door de Raad van State vernietigd; zie preambule van KB 1997-01-27/32 ) § 1. (Het plaatselijk werkgelegenheidsagentschap bepaalt het bedrag van het inschrijvingsrecht jaarlijks of per type activiteit te betalen door de kandidaat-gebruiker bedoeld in artikel 79, zonder dat dit (7,45 EUR) per kalenderjaar, per kandidaat-gebruiker mag overschrijden. Het agentschap mag evenwel beslissen geen inschrijvingsrecht te eisen. Het mag bij het bepalen van het verschuldigde bedrag onder meer onderscheid maken naargelang de kandidaat-gebruiker een natuurlijk persoon of een rechtspersoon is.) <KB 1999-06-13/49, art. 1, A), 086; Inwerkingtreding : 01-01-2000> <KB 2001-07-13/58, art. 8, 100; Inwerkingtreding : 01-01-2002>
  § 2. (Het plaatselijk werkgelegenheidsagentschap bepaalt, binnen de in het derde lid vastgestelde grenzen, het bedrag van de aanschafprijs die de gebruiker verschuldigd is.
  Het bedrag van de aanschafprijs kan variëren per soort activiteit en volgens het loonniveau in de streek. Een onderscheid kan bovendien gemaakt worden naargelang de gebruiker een natuurlijke persoon of een rechtpersoon is. Er kan eveneens een voorkeurtarief voor bepaalde categorieën van gebruikers voorzien worden.
  De aanschafprijs bedraagt minstens (5,95 EUR) en ten hoogste (7,45 EUR) en dient een veelvoud van (0,25 EUR) te zijn. <KB 2001-07-13/58, art. 8, 100; Inwerkingtreding : 01-01-2002> <KB 2008-12-23/31, art. 1, 176; Inwerkingtreding : 01-01-2009 ; zie ook art. 3>
  Voor activiteiten ten behoeve van de land- en tuinbouwsector bedraagt de aanschafprijs een bedrag dat niet lager mag zijn dan (5,95 EUR) en niet hoger dan (6,20 EUR). In afwijking van het eerste lid kan dit bedrag vastgesteld worden door de Minister van Tewerkstelling en Arbeid, na advies van het bevoegd Paritair Comité.) <KB 1999-06-13/49, art. 1, B), 086; Inwerkingtreding : 01-01-2000> <KB 2001-07-13/58, art. 8, 100; Inwerkingtreding : 01-01-2002> <KB 2008-12-23/31, art. 1, 176; Inwerkingtreding : 01-01-2009 ; zie ook art. 3>
  (§ 3. De volgende activiteiten mogen in toepassing van artikel 79 worden verricht :
  1° ten behoeve van natuurlijke personen
  a) [1 thuishulp met huishoudelijk karakter.
   Deze activiteit mag slechts uitgeoefend worden indien de volgende voorwaarden gelijktijdig vervuld zijn :
   - de werkloze was op 1 maart 2004 verbonden met een PWA- arbeidsovereenkomst;
   - de werkloze heeft de activiteit thuishulp met huishoudelijk karakter daadwerkelijk bij een gebruiker uitgeoefend in de loop van de periode van 18 kalendermaanden die voorafgaan aan de maand waarin hij de activiteit wil uitoefenen;
   - de werkloze was na 1 maart 2004 niet gedurende een ononderbroken periode van acht maanden of meer verbonden met een arbeidsovereenkomst;
   - de kandidaat-gebruiker was op 1 maart 2004 in het bezit van een in de zin van artikel 79, § 2, derde lid, gevalideerd gebruikersformulier voor het verrichten van voormelde activiteit;
   - [2 [4 de werkloze is 50 jaar of ouder op 1 juli 2009 of heeft een blijvende graad van arbeidsongeschiktheid van ten minste 33 pct. heeft, vastgesteld overeenkomstig de procedure voorzien in artikel 141.]4 ]2
   De voormelde periode van 18 kalendermaanden bedoeld in het vorig lid wordt verlengd met de duur van de vergoede periodes van arbeidsongeschiktheid, voor zover het volledige, ononderbroken maanden betreft en/of door overmacht.]1
  b) hulp voor de bewaking of de begeleiding van zieken of kinderen;
  c) hulp voor het verrichten van administratieve formaliteiten;
  d) hulp voor klein tuinonderhoud;
  2° ten behoeve van de lokale overheden, de activiteiten van " stadswacht " volgens de bepaling van artikel 79ter;
  3° ten behoeve van de lokale overheden, activiteiten beantwoordend aan de noden waaraan niet tegemoet gekomen wordt door de reguliere arbeidscircuits, inzonderheid ingevolge het tijdelijke en exceptionele karakter van de nood of ingevolge het feit dat deze nood door recente maatschappelijke evoluties ontstaan of merkelijk toegenomen is.
  Kunnen inzonderheid als dergelijke activiteiten worden beschouwd, de bescherming van het leefmilieu, de buurtveiligheid en het tegemoetkomen aan buurtnoden, de begeleiding van kinderen, jongeren en van sociaal zwakkeren, alsmede socio-culturele activiteiten die van occasionele aard of van beperkte omvang zijn;
  4° ten behoeve van onderwijsinstellingen, verenigingen zonder winstoogmerk en andere niet-commerciële verenigingen, activiteiten die door hun aard of hun omvang of door hun occasioneel karakter gewoonlijk verricht worden door vrijwilligers, inzonderheid de activiteiten van personen die hulp verlenen ter gelegenheid van sociale, culturele, sportieve, caritatieve of levensbeschouwelijke manifestaties;
  5° ten behoeve van de tuinbouwsektor, de activiteiten uitgeoefend binnen het Paritair Comité voor het tuinbouwbedrijf, met uitsluiting van de champignonteelt en het aanplanten en onderhouden van parken en tuinen en ten behoeve van de landbouwsector, de seizoensgebonden activiteiten overeenstemmend met arbeidspieken bij het planten en het oogsten en de andere tijdelijke activiteiten, volgens de modaliteiten en formaliteiten vastgesteld door de Ministers van Tewerkstelling en Arbeid en van Landbouw.
  De activiteiten bedoeld in het eerste lid, 3° en 4° kunnen uitgeoefend worden wanneer het plaatselijk werkgelegenheidsagentschap niet heeft vastgesteld dat ze in de betreffende gemeente worden aangetroffen in de reguliere arbeidscircuits.) <KB 1997-07-16/36, art. 1, 062; Inwerkingtreding : 01-09-1997>
  § 4.[3 De activiteiten verricht in het kader van het plaatselijk werkgelegenheidsagentschap mogen in hoofde van de PWA-werknemer 630 activiteitsuren per kalenderjaar en 70 activiteitsuren per kalendermaand niet overschrijden.
   In afwijking van het vorige lid mag de PWA-werknemer per kalendermaand evenwel slechts ten hoogste 45 activiteitsuren verrichten die betrekking hebben op de activiteiten ten behoeve van natuurlijke personen, bedoeld in § 3, eerste lid, 1°, a) en/of c) en/of ten behoeve van de lokale overheden, bedoeld in § 3, eerste lid, 3°, en/of ten behoeve van verenigingen zonder winstoogmerk, andere dan onderwijsinstellingen, en andere niet-commerciële verenigingen bedoeld in § 3, eerste lid, 4°.
   In afwijking van het eerste lid mag de PWA-werknemer die seizoens- en gelegenheidsgebonden activiteiten verricht in de land- en tuinbouwsector, bedoeld in § 3, eerste lid, 5°, ten hoogste 150 activiteitsuren per kalendermaand verrichten, waarvan ten hoogste 70 activiteitsuren die geen seizoens- en gelegenheidsgebonden activiteiten in de land- en tuinbouwsector zijn, waarvan ten hoogste 45 activiteitsuren die betrekking hebben op de activiteiten bedoeld in het vorige lid.
   De Minister kan, in noodsituaties en omwille van het algemeen belang, afwijkingen voorzien op de grenzen bedoeld in de vorige leden.]3
  (1)<KB 2009-02-13/31, art. 1, 180; Inwerkingtreding : 01-07-2009>
  (2)<KB 2010-02-21/05, art. 1, 189; Inwerkingtreding : 01-07-2009>
  (3)<KB 2010-02-21/05, art. 1, 189; Inwerkingtreding : 01-03-2010>
  (4)<KB 2012-07-23/01, art. 11, 206; Inwerkingtreding : 01-11-2012>

  Art. 79bis_VLAAMS_GEWEST.
  <Opgeheven bij DVR 2017-07-07/30, art. 58, 273; Inwerkingtreding : 01-01-2018>

  Art. 79bis_DUITSTALIGE_GEMEENSCHAP.
   <ingevoegd bij KB 1997-01-27/32, art. 1, Inwerkingtreding : 1994-06-01> (NOTA : een eerste vorm van onderhavig artikel 79bis, die bij KB 1994-05-10/31, art. 1, ingevoegd was, werd door de Raad van State vernietigd; zie preambule van KB 1997-01-27/32 )
  § 1. [5 Het jaarlijks door de kandidaat-gebruiker te betalen inschrijvingsrecht voor de activiteiten vermeld in artikel 79 bedraagt 0 euro.
   Na advies van het beheerscomité van de Dienst voor arbeidsbemiddeling kan de Gemeenschapsminister dat bedrag aanpassen.]5
  § 2. [5 De aanschafprijs van de PWA-cheque bedraagt 5,95 euro.
   Na advies van het beheerscomité van de Dienst voor arbeidsbemiddeling kan de Gemeenschapsminister dat bedrag aanpassen. ]5
  (§ 3. De volgende activiteiten mogen in toepassing van artikel 79 worden verricht :
  1° ten behoeve van natuurlijke personen
  a) [1 thuishulp met huishoudelijk karakter.
   Deze activiteit mag slechts uitgeoefend worden indien de volgende voorwaarden gelijktijdig vervuld zijn :
   - de werkloze was op 1 maart 2004 verbonden met een PWA- arbeidsovereenkomst;
   - de werkloze heeft de activiteit thuishulp met huishoudelijk karakter daadwerkelijk bij een gebruiker uitgeoefend in de loop van de periode van 18 kalendermaanden die voorafgaan aan de maand waarin hij de activiteit wil uitoefenen;
   - de werkloze was na 1 maart 2004 niet gedurende een ononderbroken periode van acht maanden of meer verbonden met een arbeidsovereenkomst;
   - de kandidaat-gebruiker was op 1 maart 2004 in het bezit van een in de zin van artikel 79, § 2, derde lid, gevalideerd gebruikersformulier voor het verrichten van voormelde activiteit;
   - [2 [4 de werkloze is 50 jaar of ouder op 1 juli 2009 of heeft een blijvende graad van arbeidsongeschiktheid van ten minste 33 pct. heeft, vastgesteld overeenkomstig de procedure voorzien in artikel 141.]4 ]2
   De voormelde periode van 18 kalendermaanden bedoeld in het vorig lid wordt verlengd met de duur van de vergoede periodes van arbeidsongeschiktheid, voor zover het volledige, ononderbroken maanden betreft en/of door overmacht.]1
  b) hulp voor de bewaking of de begeleiding van zieken of kinderen;
  c) hulp voor het verrichten van administratieve formaliteiten;
  d) hulp voor klein tuinonderhoud;
  [5 e) kleine onderhouds- en reparatiewerken op de woonplaats van de gebruiker die op grond van hun geringe omvang niet door vaklui worden uitgevoerd;
   f) het toezicht op en de verzorging van huisdieren in afwezigheid van hun eigenaar, als er geen dierenpension in de nabije omgeving is;]5
  2° [5 ...]5
  3° ten behoeve van de lokale overheden, activiteiten beantwoordend aan de noden waaraan niet tegemoet gekomen wordt door de reguliere arbeidscircuits, inzonderheid ingevolge het tijdelijke en exceptionele karakter van de nood of ingevolge het feit dat deze nood door recente maatschappelijke evoluties ontstaan of merkelijk toegenomen is.
  Kunnen inzonderheid als dergelijke activiteiten worden beschouwd, de bescherming van het leefmilieu, de buurtveiligheid en het tegemoetkomen aan buurtnoden, de begeleiding van kinderen, jongeren en van sociaal zwakkeren, alsmede socio-culturele activiteiten die van occasionele aard of van beperkte omvang zijn;
  4° ten behoeve van onderwijsinstellingen, verenigingen zonder winstoogmerk en andere niet-commerciële verenigingen, activiteiten die door hun aard of hun omvang of door hun occasioneel karakter gewoonlijk verricht worden door vrijwilligers, inzonderheid de activiteiten van personen die hulp verlenen ter gelegenheid van sociale, culturele, sportieve, caritatieve of levensbeschouwelijke manifestaties;
  5° ten behoeve van de tuinbouwsektor, de activiteiten uitgeoefend binnen het Paritair Comité voor het tuinbouwbedrijf, met uitsluiting van de champignonteelt en het aanplanten en onderhouden van parken en tuinen en ten behoeve van de landbouwsector, de seizoensgebonden activiteiten overeenstemmend met arbeidspieken bij het planten en het oogsten en de andere tijdelijke activiteiten, volgens de modaliteiten en formaliteiten vastgesteld door [5 de Gemeenschapsminister]5.
  [5 ...]5
  § 4. [5 De activiteiten vermeld in het kader van het plaatselijk werkgelegenheidsagentschap mogen, voor de PWA-werknemer met woonplaats in het Duitse taalgebied, 630 activiteitsuren per kalenderjaar en 70 activiteitsuren per maand niet overschrijden.
   In afwijking van het eerste lid mag de PWA-werknemer met woonplaats in het Duitse taalgebied ten hoogste 45 activiteitsuren per maand verrichten die betrekking hebben op activiteiten die vermeld worden ten behoeve van de volgende personen en/of rechtspersonen :
   1° de personen vermeld in § 3, eerste lid, 1°, a), en/of c) en/of e) en/of f);
   2° de lokale overheden vermeld in § 3, eerste lid, 3°;
   3° de rechtspersonen vermeld in § 3, eerste lid, 4°, met uitzondering van onderwijsinstellingen.
   In afwijking van het eerste lid mag de PWA-werknemer met woonplaats in het Duitse taalgebied de seizoens- en gelegenheidsgebonden activiteiten verricht in de land- en tuinbouwsector, bedoeld in § 3, eerste lid, 5°, ten hoogste 150 activiteitsuren per maand verrichten. Van die 150 activiteitsuren mogen ten hoogste 70 activiteitsuren verricht worden voor activiteiten die geen seizoens- en gelegenheidsgebonden activiteiten in de land- en tuinbouwsector zijn als bedoeld in § 3, eerste lid, 5°. Van die 70 activiteitsuren mogen ten hoogste 45 activiteitsuren verricht worden voor de activiteiten bedoeld in het tweede lid.
   De Gemeenschapsminister kan, in noodsituaties en omwille van het algemeen belang, afwijkingen voorzien van de grenzen bepaald in het eerste tot en met het derde lid.]5

  ----------
  (1)<KB 2009-02-13/31, art. 1, 180; Inwerkingtreding : 01-07-2009>
  (2)<KB 2010-02-21/05, art. 1, 189; Inwerkingtreding : 01-07-2009>
  (3)<KB 2010-02-21/05, art. 1, 189; Inwerkingtreding : 01-03-2010>
  (4)<KB 2012-07-23/01, art. 11, 206; Inwerkingtreding : 01-11-2012>
  (5)<BDG 2017-06-08/21, art. 3, 272; Inwerkingtreding : 01-01-2018>

  Art. 79ter.<ingevoegd bij KB 1995-11-22/31, art. 16, 051; Inwerkingtreding : 01-01-1996> § 1. De lokale overheden die met de Minister van Binnenlandse Zaken een overeenkomst afsluiten zoals bedoeld in artikel 69, eerste lid, 1°, van de wet van 30 maart 1994 houdende sociale bepalingen, kunnen ter ondersteuning van het veiligheidsbeleid voor de uitoefening van activiteiten die men niet aantreft in de reguliere arbeidscircuits, een beroep doen op bij het plaatselijk werkgelegenheidsagentschap ingeschreven werklozen. De lokale overheid moet daartoe in zijn overeenkomst met de Minister van Binnenlandse Zaken een apart hoofdstuk voorzien onder de titel "stadswacht". De werkloze die in dit kader wordt tewerkgesteld wordt "stadswachter" genoemd.
  De toepassing van dit artikel kan op voordracht van de Minister van Binnenlandse Zaken uitgebreid worden tot de lokale overheden die met de bevoegde gewestregering een overeenkomst afsluiten met betrekking tot het stedelijk beleid.
  De Minister van Binnenlandse Zaken bepaalt voor elke lokale overheid, bedoeld in de vorige leden, het maximaal aantal stadswachters.
  Behoudens de in de volgende paragrafen voorziene afwijkingen zijn de artikelen 79 en 79bis van toepassing op de activiteiten als stadswachter.
  § 2. De lokale overheid omschrijft op het gebruikersformulier bedoeld in artikel 79, § 2 de te verrichten activiteiten, alsook het gevraagd aantal stadswachters.
  § 3. (In afwijking van de bepalingen van artikel 79, § 4, eerste lid, worden de werklozen bedoeld in voormeld artikel 79, § 4, niet ambtshalve ingeschreven voor de activiteit als stadswachter. De inschrijving voor deze activiteit gebeurt op vrijwillige basis. De bepalingen van artikel 79, § 5, zijn niet van toepassing op deze activiteit.
  Het agentschap verleent voor de toewijzing van de activiteit van stadswachter voorrang aan de kandidaat stadswachters die minstens 40 jaar oud zijn.
  Vóór de aanvang van de activiteit als stadswachter sluit de lokale overheid met het plaatselijk werkgelegenheidsagentschap een overeenkomst, waarin tevens bepalingen worden opgenomen aangaande de inhoud van de taak van de stadswachter, de plaats en tijdstippen van activiteit, waarbij, in afwijking van artikel 79bis, § 4, [1 eerste lid]1, de activiteit per maand gemiddeld 53 activiteitsuren omvat. De lokale overheid kan deze overeenkomst slechts beëindigen om redenen die vooraf door de gemeenteraad als voldoende erkend zijn.) <KB 1999-06-13/49, art. 2, A), 086; Inwerkingtreding : 01-01-2000> <KB 2002-09-18/32, art. 1, 118; Inwerkingtreding : 01-09-2002>
  § 4. (In afwijking van artikel 79bis, § 2, eerste lid, wordt het maandloon voor de activiteiten als stadswachter forfaitair vastgesteld op (374,18 EUR). In afwijking van artikel 79, § 3, overhandigt de lokale overheid voor het einde van de kalendermaand aan de stadswachter een PWA-chequeboekje, bevattende 53 PWA-uurcheques, elk met een aanschafprijs van (5,95 EUR). Voor de maanden waarin de stadswachter omwille van arbeidsongeschiktheid geen enkele prestatie verrichtte, wordt geen PWA-chequeboekje toegekend. Wanneer het aantal activiteitsuren in de beschouwde maand ingevolge de arbeidsongeschiktheid van de stadswachter minder dan 53 bedraagt, dienen de ontbrekende uren in de daaropvolgende maanden gepresteerd te worden. <KB 2001-07-13/58, art. 8, 100; Inwerkingtreding : 01-01-2002> <KB 2003-02-28/33, art. 2, 123; Inwerkingtreding : 01-03-2003> <KB 2008-12-23/31, art. 2, 176; Inwerkingtreding : 01-01-2009 ; zie ook art. 3>
  De stadswachter heeft per PWA-cheque recht op (7,06 EUR) en hij kan, overeenkomstig artikel 79, § 8, aanspraak maken op de PWA-inkomensgarantie-uitkering.) <KB 1999-06-13/49, art. 2, B), 086; Inwerkingtreding : 01-01-2000> <KB 2001-07-13/58, art. 8, 100; Inwerkingtreding : 01-01-2002> <KB 2003-02-28/33, art. 2, 123; Inwerkingtreding : 01-03-2003>
  § 5. De werkloze wordt tijdens de maanden, waarin hij de activiteit van stadswachter uitoefent, vrijgesteld van de toepassing van de artikelen 51, § 1, tweede lid, 3° tot 6°, 56 en 58.
  (§ 6. Na afloop van de overeenkomst bedoeld in § 1, eerste of tweede lid, van dit artikel, mag hetzelfde aantal PWA-werknemers gedurende maximum één jaar activiteiten blijven uitoefenen die voorheen door stadswachters werden verricht onder de voorwaarden bepaald in §§ 2, 3, 4 en 5 van dit artikel.) <KB 2002-01-28/30, art. 1, 107; Inwerkingtreding : 01-01-2002>
  (§ 7. Het bedrag van euro 374,18 bedoeld in § 4, eerste lid en het bedrag van euro 7,06 bedoeld in § 4, tweede lid, kunnen jaarlijks aangepast worden overeenkomstig de regels bepaald in artikel 79, § 13.) <KB 2003-02-28/33, art. 2, 123; Inwerkingtreding : 01-03-2003>
  ----------
  (1)<KB 2010-02-21/05, art. 2, 189; Inwerkingtreding : 01-07-2009>

  Art. 79ter_VLAAMS_GEWEST.
  <Opgeheven bij DVR 2017-07-07/30, art. 59, 273; Inwerkingtreding : 01-01-2018>

  Art. 79ter_DUITSTALIGE_GEMEENSCHAP.
  <Opgeheven bij BDG 2017-06-08/21, art. 4, 272; Inwerkingtreding : 01-01-2018>

  Afdeling 8. - Langdurige werkloosheid.

  Art. 80.(NOTA : artikel opgeschort; zie KB 2004-07-04/30, art. 9.) <KB 1992-06-22/30, art. 1, 005; Inwerkingtreding : 01-07-1992> Deze afdeling is van toepassing op de werkloze die op de dag van de ontvangst van de verwittiging bedoeld in artikel 81, gelijktijdig volgende voorwaarden vervult :
  1° de leeftijd van 50 jaar niet bereikt hebben;
  2° aanspraak kunnen maken op één van de hierna vermelde uitkeringen :
  a) [1 één van de uitkeringen bepaald in artikel 114, § 3, 3° of § 4, 1°]1
  b) de uitkering bedoeld in artikel 114, § 5, voor zover het een werkloze betreft die aanspraak zou kunnen maken op één van de in a) bedoelde uitkeringen indien hij niet zou genieten van de vrijstelling bedoeld in artikel 90;
  c) (één van wachtuitkeringen bedoeld in artikel 124, eerste lid, 3°, of tweede lid;) <KB 1996-03-26/30, art. 5, 053; Inwerkingtreding : 01-01-1996>
  d) de uitkering bedoeld in artikel 125, voor zover het een werkloze betreft die aanspraak zou kunnen maken op één van de in c) bedoelde uitkeringen indien hij niet zou genieten van de vrijstelling bedoeld in artikel 90;
  (e) de uitkering bedoeld in artikel 79, § 8, voor zover het een werkloze betreft die aanspraak zou kunnen maken op één van de in a) tot d) bedoelde uitkeringen indien hij niet zou tewerkgesteld zijn in de PWA-regeling;) <KB 1999-06-13/48, art. 3, 085; Inwerkingtreding : 01-01-2000>
  3° [1 niet sinds ten minste zes maanden zonder onderbreking tewerkgesteld zijn als voltijdse werknemer in de zin van artikel 28, § 1 of § 2, niet genieten van de vrijstelling bedoeld in artikel 79, § 4bis of in artikel 79ter, § 5, en geen als voldoende gekwalificeerd beroepsverleden als loontrekkende aantonen in de zin van artikel 114, § 2.]1
  (4° niet tewerkgesteld zijn als deeltijdse werknemer met behoud van rechten.) <KB 1996-03-26/30, art. 5, 053; Inwerkingtreding : 01-01-1996>
  (tweede lid opgeheven) <KB 1996-03-26/30, art. 5, 053; Inwerkingtreding : 01-01-1996>
  ----------
  (1)<KB 2012-07-23/01, art. 12, 206; Inwerkingtreding : 01-11-2012>

  Art. 81. (NOTA : artikel opgeschort; zie KB 2004-07-04/30, art. 9.) (De directeur geeft aan de werkloze, in de vorm van een verwittiging, kennis van de datum waarop zijn werkloosheidsduur (de gemiddelde gewestelijke werkloosheidsduur vermenigvuldigd met 1,5 zal overschrijden), rekening houdend met zijn leeftijdscategorie en zijn geslacht. De directeur verricht deze kennisgeving ten laatste drie maanden voor de vervaldag van de overschrijding. Door deze kennisgeving wordt de werkloze ervan op de hoogte gesteld dat zijn recht op uitkeringen geschorst zal worden ten vroegste vanaf de maandag volgend op de vervaldag van de overschrijding en dat hij de mogelijkheid heeft om administratieve beroepen in te stellen tegen deze verwittiging.) <KB 1995-03-08/30, art. 1, 043; Inwerkingtreding : 21-03-1995> <KB 1995-11-22/31, art. 18, 051; Inwerkingtreding : 01-01-1996>
  Voor de werkloze die 15 jaar arbeid in loondienst kan bewijzen, zoals bepaald ter uitvoering van artikel 119, 3°, wordt (de gemiddelde gewestelijke werkloosheidsduur vermenigvuldigd met 1,5) vervangen door een duur gesteund op die van de beroepsloopbaan, berekend a rato van zes maanden per jaar arbeid in loondienst, in zoverre deze laatste duur langer is. <KB 1995-11-22/31, art. 18, 051; Inwerkingtreding : 01-01-1996>
  (derde lid opgeheven) <KB 1995-11-22/31, art. 18, 051; Inwerkingtreding : 01-01-1996>
  (Indien de kennisgeving verricht wordt buiten de in het eerste lid vermelde termijn, wordt de eerste dag van de vierde maand volgend op deze tijdens dewelke de verwittiging werd betekend, beschouwd als de vervaldag van de overschrijding.
  Wanneer de werkloze aan wie de verwittiging ter kennis werd gebracht, verhuist naar het ambtsgebied van een ander werkloosheidsbureau, wordt er rekening gehouden met de gemiddelde werkloosheidsduur die op hem van toepassing was vooraleer hij verhuisde. De verwittiging die aan de werkloze betekend werd vooraleer hij verhuisde, blijft geldig.) <KB 1992-06-22/30, art. 2, 005; Inwerkingtreding : 01-07-1992>
  De verwittiging blijft geldig indien de werkloze voor de dag van de ontvangst van de verwittiging geen uitkeringen verkregen of aangevraagd heeft.
  De Minister bepaalt, na advies van het beheerscomité, wat verstaan wordt onder werkloosheidsduur. Hij bepaalt na advies van het beheerscomité, per leeftijdscategorie en per geslacht, (de gemiddelde gewestelijke werkloosheidsduur vermenigvuldigd met 1,5). <KB 1995-11-22/31, art. 18, 051; Inwerkingtreding : 01-01-1996>

  Art. 82.(NOTA : artikel opgeschort; zie KB 2004-07-04/30, art. 9.) § 1. (De werkloze kan bij de directeur binnen de maand volgend op de dag van de ontvangst van de verwittiging, bij een ter post aangetekend schrijven, een administratief beroep indienen gesteund op het feit dat :
  ) <KB 1995-03-08/30, art. 2, 043; Inwerkingtreding : 21-03-1995>
  1° hij de voorwaarden van artikel 80 niet vervult;
  2° (zijn werkloosheidsduur op de in de verwittiging bedoelde datum de gemiddelde gewestelijke werkloosheidsduur vermenigvuldigd met 1,5 of de duur gesteund op zijn beroepsloopbaan, niet zal overschrijden); <KB 1995-11-22/31, art. 19, 051; Inwerkingtreding : 01-01-1996>
  3° (het jaarlijks netto-belastbaar inkomen van het gezin, abstractie gemaakt van de uitkeringen die hij geniet (15 784,42 EUR) verhoogd met (631,39 EUR) per persoon ten laste, niet overschrijdt. Deze bedragen worden gekoppeld (aan de spilindex 103,14 geldend op 1 juni 1999, (basis 1996 = 100)) volgens de regels voorzien in artikel 113. Het inkomen wordt vergeleken met het bedrag dat van toepassing is op de dag van de ontvangst van de verwittiging.) <KB 1995-11-22/31, art. 19, 051; Inwerkingtreding : 01-01-1996> <KB 2000-07-20/65, art. 9, 094; Inwerkingtreding : 01-01-2002> <KB 2001-07-13/58, art. 8, 100; Inwerkingtreding : 01-01-2002>
  4° (opgeheven) <KB 1995-11-22/31, art. 19, 051; Inwerkingtreding : 01-01-1996>
  (Het netto-belastbaar inkomen, bedoeld in het voorgaande lid, wordt bepaald overeenkomstig artikel 6 van het Wetboek van de Inkomstenbelasting, waarbij ook de niet in België belastbare inkomsten in aanmerking worden genomen. Er wordt rekening gehouden met het inkomen van de personen bedoeld in artikel 87 waarmee de werkloze op de dag van de ontvangst van de verwittiging samenwoont, zelfs indien dit inkomen betrekking heeft op een periode die voorafgaat aan de samenwoonst. Het betreft het inkomen vermeld op het laatste aanslagbiljet waarvan de datum van uitvoerbaarverklaring voorafgaat aan de dag van de ontvangst van de verwittiging, of het inkomen ontvangen tijdens de laatste twaalf kalendermaanden die voorafgaan aan de maand tijdens dewelke de verwittiging werd ontvangen, indien de werkloze of de directeur bewijst dat het laatste inkomen lager of hoger was dan het inkomen dat het voorwerp uitmaakte van de voormelde heffing van belasting.) <KB 2001-04-27/32, art. 3 095; Inwerkingtreding : 01-04-2001>
  (Indien de betrokken werkloze evenwel tijdens de in het vorig lid bedoelde inkomsten-referteperiode inkomsten uit arbeid als loontrekkende heeft, dan worden deze inkomsten buiten beschouwing gelaten ten belope van een netto-belastbaar bedrag dat gelijk is aan ten hoogste 312 maal 10,18 EUR. Het voormelde bedrag wordt gekoppeld aan de spilindex 103,14, geldend op 1 juni 1999 (basis 1996 = 100), volgens de regels bepaald in artikel 113.) <KB 2002-01-24/31, art. 1, 106; Inwerkingtreding : 01-01-2002>
  Voor de toepassing van het eerste lid worden de uitkeringen ontvangen in toepassing van de wetgeving inzake verplichte verzekering tegen ziekte en invaliditeit, toegekend voor een periode die aansluitend volgt op een werkloosheidsperiode, gelijkgesteld met uitkeringen in de zin van artikel 27, 4°, ten belope van het bedrag de werknemer zou ontvangen hebben indien hij niet arbeidsongeschikt ware geweest.
  (vierde lid opgeheven) <KB 1995-11-22/31, art. 82, 051; Inwerkingtreding : 01-01-1996>
  (Het beroep wordt volledig gegrond verklaard indien blijkt dat de werkloze de voorwaarden van artikel 80 niet vervult doordat hij op de dag van de ontvangst van de verwittiging aanspraak kan maken op een andere uitkering dan deze vermeld in artikel 80 of tewerkgesteld is als deeltijdse werknemer met behoud van rechten. In dit geval zijn de artikelen 80 tot 85 opnieuw van toepassing van zodra de werknemer een uitkering ontvangt zoals bedoeld in artikel 80 en niet of niet langer tewerkgesteld is als deeltijdse werknemer met behoud van rechten.) <KB 1996-03-26/30, art. 6, 053; Inwerkingtreding : 01-04-1996>
  Het beroep wordt volledig gegrond verklaard indien blijkt dat de werkloze de voorwaarden van artikel 80 niet vervult doordat hij op de dag van de ontvangst van de verwittiging aanspraak kan maken op een andere uitkering dan deze vermeld in artikel 80. In dit geval zijn de artikelen 80 tot 85 opnieuw van toepassing van zodra de werknemer een uitkering ontvangt zoals bedoeld in artikel 80.
  Het beroep wordt eveneens volledig gegrond verklaard indien blijkt dat de werkloze de voorwaarden van artikel 80 niet vervult doordat hij sinds ten minste zes maanden zonder onderbreking tewerkgesteld was als voltijdse werknemer, of dat voldaan is aan de voorwaarden van § 1, eerste lid, 3° (...). In dit geval zijn de artikelen 80 tot 85 slechts opnieuw van toepassing ten vroegste twee jaar na de dag waarop het beroep gegrond wordt verklaard, behalve indien de vervaldag van de overschrijding zich situeert na de dag waarop het beroep gegrond werd verklaard, in welk geval de voormelde artikelen slechts opnieuw van toepassing zijn ten vroegste twee jaar na de vervaldag van de overschrijding. <KB 1995-11-22/31, art. 19, 051; Inwerkingtreding : 01-01-1996>
  (Het beroep wordt eveneens volledig gegrond verklaard indien blijkt dat de werkloze de voorwaarden van artikel 80 niet vervult doordat hij de vrijstelling bedoeld in artikel 80, eerste lid, 3° geniet. In dit geval zijn de artikelen 80 tot 85 slechts opnieuw van toepassing na het verstrijken van de vrijstelling.) <KB 1995-11-22/31, art. 19, 051; Inwerkingtreding : 01-01-1996>
  [1 Het beroep wordt volledig en definitief gegrond verklaard indien blijkt dat de werkloze de leeftijd van 50 jaar bereikt heeft of een als voldoende gekwalificeerd beroepsverleden als loontrekkende kan aantonen in de zin van artikel 114, § 2, de dag van de ontvangst van de verwittiging.]1
  § 2. (Binnen de in § 1 bedoelde termijn kan de werkloze eveneens een administratief beroep indienen bij de nationale administratieve commissie, gesteund op volgende gegevens :
  ) <KB 1995-03-08/30, art. 2, 043; Inwerkingtreding : 21-03-1995>
  1° ofwel uitzonderlijke en ononderbroken inspanningen die hij aantoont verricht te hebben om werk te vinden gedurende de gehele periode van zijn werkloosheid, met uitsluiting van de periodes tijdens dewelke hij niet beschikbaar moest zijn voor de arbeidsmarkt. Indien de werkloze (een deeltijdse werknemer met behoud van rechten is, met inkomensgarantieuitkering), kan de commissie rekening houden met bijzondere omstandigheden voortvloeiend uit de tewerkstelling van deze werknemer, met name de mogelijkheden voor deze om een voltijdse betrekking of een betrekking die meer arbeidsuren omvat te bekomen, rekening houdend met onder meer zijn vorming, zijn beroep en de karakteristieken van de sector waarin hij tewerkgesteld is; het enkele feit dat hij bij zijn werkgever een aanvraag heeft ingediend om een voltijdse betrekking te verkrijgen kan evenwel niet als een voldoende reden beschouwd worden om het beroep gegrond te verklaren; <KB 1995-11-22/31, art. 19, 051; Inwerkingtreding : 01-01-1996>
  2° (ofwel zijn zeer beperkte arbeidsgeschiktheid, ofwel zijn gedeeltelijke arbeidsgeschiktheid gekenmerkt door een lichamelijke of mentale geschiktheid lager dan de gewoonlijke eisen van zijn beroep.) <KB 1995-11-22/31, art. 19, 051; Inwerkingtreding : 01-01-1996>
  Om ontvankelijk te zijn moet het beroep schriftelijk opgesteld, gedateerd en ondertekend zijn en bezorgd worden aan de secretaris van de commissie op de zetel van de Rijksdienst. Dit geschrift moet ofwel tegen ontvangstbewijs overhandigd worden aan de secretaris of de adjunct-secretaris, ofwel aan de secretaris bij een ter post aangetekend schrijven toegestuurd worden. (Het instellen van dit administratief beroep heeft geen schorsend effect op het verdere verloop van de procedure.) <KB 1992-09-14/31, art. 2, 010; Inwerkingtreding : 23-09-1992>
  De werkloze die zich beroept op het eerste lid, 2°, wordt onderworpen aan een medisch onderzoek door de voor het werkloosheidsbureau aangewezen geneesheer, overeenkomstig de procedure voorzien in artikel 141.
  Het administratief beroep wordt ambtshalve gegrond verklaard indien de voornoemde geneesheer vaststelt dat de werkloze een blijvende arbeidsongeschiktheid vertoont van ten minste 33 pct. (...) <KB 1992-08-05/31, art. 2, 008; Inwerkingtreding : 01-08-1992>
  (vijfde lid opgeheven) <KB 1995-11-22/31, art. 19, 051; Inwerkingtreding : 01-01-1996>
  De commissie moet binnen de drie maanden na de ontvangst van het beroep beslissen behalve indien:
  1° (de werkloze die opgeroepen werd voor een medisch onderzoek, uitstel bekomen heeft op eigen vraag, of indien de voor het werkloosheidsbureau aangewezen geneesheer vaststelt dat de werkloze niet arbeidsgeschikt is in de zin van artikel 60. In dit geval moet de commissie een beslissing nemen binnen de drie maand na de datum waarop het laatste medisch onderzoek heeft plaatsgevonden;) <KB 1995-11-22/31, art. 19, 051; Inwerkingtreding : 01-01-1996>
  2° de commissie in de onmogelijkheid is het beroep binnen de termijn van drie maanden te behandelen, in welk geval de commissie beschikt over een bijkomende termijn van acht maanden om haar beslissing te nemen (...). <KB 1992-06-22/30, art. 3, 005; Inwerkingtreding : 01-07-1992>
  (3° de werkloze tevens een beroep heeft ingediend bij de directeur en deze het beroep in toepassing van § 1, (vijfde lid) gedeeltelijk gegrond heeft verklaard en een nieuwe vervaldatum van de overschrijding heeft vastgesteld. In dit geval moet de commissie een beslissing nemen binnen de drie maand na de werkelijke vervaldatum.) <KB 1995-11-22/31, art. 19, 051; Inwerkingtreding : 01-01-1996> <KB 2001-04-27/32, art. 3, 095; Inwerkingtreding : 01-04-2001>
  ( (De beslissing van de commissie wordt bij gewone brief ter kennis gebracht van de werkloze. Een afschrift van de beslissing wordt toegestuurd aan de uitbetalingsinstelling en aan de directeur wiens verwittiging werd betwist.) <KB 1999-04-30/32, art. 4, 083; Inwerkingtreding : 01-01-1997>
  Indien het beroep gegrond wordt verklaard zijn de artikelen 80 tot 85 slechts opnieuw van toepassing ten vroegste twee jaar na de dag waarop de commissie het beroep gegrond heeft verklaard, behalve indien de vervaldag van de overschrijding zich situeert na de dag waarop het beroep gegrond werd verklaard, in welk geval de voormelde artikelen slechts opnieuw van toepassing zijn ten vroegste twee jaar na de vervaldag van de overschrijding.) <KB 1992-06-22/30, art. 3, 005; Inwerkingtreding : 01-07-1992>
  (§ 3. De Minister kan, na advies van het beheerscomité, bepalen in welke gevallen en onder welke voorwaarden de termijn van de indiening van een administratief beroep, bedoeld in de §§ 1 en 2, kan verlengd worden.) <KB 1992-06-26/33, art. 1, 004; Inwerkingtreding : 01-07-1992>
  ----------
  (1)<KB 2012-07-23/01, art. 13, 206; Inwerkingtreding : 01-11-2012>

  Art. 83. (NOTA : artikel opgeschort; zie KB 2004-07-04/30, art. 9.) (§ 1. (Nadat hij het eventueel ingediende administratief beroep bedoeld in artikel 82, § 1, heeft behandeld en nadat de vervaldag van de overschrijding werd bereikt, neemt de directeur een beslissing tot schorsing, behalve indien een administraief beroep bedoeld in artikel 82 volledig gegrond werd verklaard. Indien het door de werkloze ingediende beroep bedoeld in artikel 82, § 2, nog niet werd behandeld door de nationale administratieve commissie op het tijdstip van de beslissing, wordt, voor de toepassing van artikel 7, § 11 van de besluitwet van 28 december 1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders, de kennisgeving van de beslissing tot schorsing geacht ten laatste verricht te zijn op het ogenblik dat de beslissing van de nationale administratieve commissie ter kennis is gebracht van de werkloze. Wanneer deze beslissing het administratief beroep gegrond verkaart, herziet de directeur zijn beslissing met terugwerkende kracht tot op de dag van haar inwerkingtreding.) <KB 1992-09-14/31, art. 3, 010; Inwerkingtreding : 23-09-1992>
  (De beslissing tot schorsing heeft uitwerking op :
  1° de maandag volgend op de vervaldag van de overschrijding;
  2° de eerste dag van de zesde maand volgend op de vervaldag van de overschrijding indien de werkloze deel nam aan een begeleidingsplan bedoeld in artikel 51, § 1, tweede lid, 5°, voor zover het begeleidingsplan niet werd stopgezet of niet mislukt is ten gevolge van een foutieve houding van de werkloze;
  3° de maandag volgend op de afgifte ter post van de brief waarbij de beslissing ter kennis wordt gebracht van de werkloze, indien deze dag gelegen is na de in 1° of 2° vermelde dag.) <KB 1999-06-13/48, art. 4, 085; Inwerkingtreding : 01-01-2000>
  In afwijking van de voorgaande leden neemt de directeur geen beslissing tot schorsing indien de werkloze 312 arbeidsdagen of gelijkgestelde dagen in de zin van de artikelen 37 of 38, of 312 halve arbeidsdagen of gelijkgestelde dagen indien het een vrijwillig deeltijdse werknemer betreft, bewijst in de periode die aanvangt de dag van de ontvangst van de verwittiging en die eindigt de dag waarop (de gemiddelde gewestelijke werkloosheidsduur vermenigvuldigd met 1,5) of de duur gesteund op de beroepsloopbaan, werkelijk overschreden wordt. <KB 1995-11-22/31, art. 20, 051; Inwerkingtreding : 01-01-1996>
  Voor de toepassing van het voorgaande lid wordt geen rekening gehouden met :
  1° dagen waarvoor een uitkering werd verleend in toepassing van dit besluit;
  2° dagen waarvoor een uitkering werd verleend in toepassing van de wetgeving op de verplichte ziekte- en invaliditeitsverzekering, behalve wanneer zij onmiddellijk worden voorafgegaan door een ononderbroken periode van 26 arbeidsdagen, of van 26 halve arbeidsdagen, indien het een vrijwillig deeltijdse werknemer betreft.
  Voor de toepassing van het derde lid worden de al of niet vergoede dagen van tijdelijke werkloosheid beschouwd als gelijkgestelde dagen ten belope van ten hoogste achtenzeventig dagen, of van achtenzeventig halve dagen indien het vrijwillig deeltijdse werknemer betreft.) <KB 1992-06-22/30, art. 4, 005; Inwerkingtreding : 01-07-1992>
  § 2. Indien de werkloze op het ogenblik dat de schorsing uitwerking zou moeten hebben, ten gevolge van een wijziging in zijn gezinstoestand aanspraak kan maken op een uitkering die niet bedoeld wordt in artikel 80, heeft de schorsing uitwerking op de dag dat de werkloze opnieuw aanspraak kan maken op een uitkering bedoeld in voornoemd artikel.
  § 3. (Indien de werkloze op het ogenblik dat de schorsing uitwerking zou moeten hebben, een vrijstelling geniet op basis van de artikelen 78, 78ter of 90, heeft de schorsing slechts uitwerking de eerste dag die volgt op het einde van de vrijstelling op basis van de artikelen 78 of 78ter, of op het einde van de lopende vrijstelling op basis van artikel 90.) <KB 2001-12-19/39, art. 22, 104; Inwerkingtreding : 01-01-2002, met beperkingen>
  § 4. Indien de werkloze op het ogenblik dat de schorsing uitwerking zou moeten hebben een beroepsopleiding volgt heeft de schorsing uitwerking op het einde van deze beroepsopleiding.
  In afwijking van het voorgaande lid heeft de schorsing slechts uitwerking twaalf maanden nadat de werkloze een beroepsopleiding heeft beëindigd, met een wekelijks aantal uren dat overeenstemt met een voltijdse arbeidsregeling, indien deze gelijktijdig voldeed aan volgende voorwaarden:
  1° ze werd aangevat voor de dag van de ontvangst van de verwittiging;
  2° de duurtijd bedroeg ten minste drie maanden;
  3° de opleiding werd voltooid, of stopgezet om een reden onafhankelijk van de wil van de werkloze of ten gevolge van een tewerkstelling.
  In afwijking van het eerste lid heeft de schorsing slechts uitwerking zes maanden nadat de werkloze de beroepsopleiding met een wekelijks aantal uren dat ten minste de helft bedraagt van een voltijdse arbeidsregeling, heeft beëindigd, indien de voorwaarden van het voorgaande lid gelijktijdig vervuld zijn. Nochtans wordt de voormelde periode van zes maanden, indien de opleiding langer duurt dan zes maanden, verminderd met de duur van de opleiding die zes maanden overschrijdt.
  § 5. (Indien de werkloze op het ogenblik dat de schorsing uitwerking zou moeten hebben, een reïntegratieprogramma volgt zoals bedoeld in artikel 27,9°, dan heeft de schorsing slechts uitwerking de eerste dag van de maand volgend op deze waarin het programma werd beëindigd, zonder dat deze dag gelegen mag zijn na de eerste dag van de zevende maand volgend op deze waarin de schorsing normaal uitwerking had moeten hebben.) <KB 1994-08-12/31, art. 3, 036; Inwerkingtreding : 01-09-1994>
  (tweede lid opgeheven) <KB 1994-08-12/31, art. 3, 036; Inwerkingtreding : 01-09-1994>
  (§ 5bis. Indien de werkloze op het ogenblik dat de schorsing uitwerking zou moeten hebben, vrijstelling geniet in toepassing van artikel 93, dan heeft de schorsing slechts uitwerking op het einde van de periodes van vrijstelling in toepassing van dit artikel.) <KB 1999-03-12/32, art. 2, 075; Inwerkingtreding : 24-03-1999>
  § 6. Indien de werkloze op het ogenblik dat de schorsing uitwerking zou moeten hebben, een cursus sociale promotie volgt, dan heeft de schorsing slechts uitwerking op het einde van deze cursus.
  Het voorgaande lid is slechts van toepassing indien gelijktijdig voldaan is aan volgende voorwaarden:
  1° de cursus werd aangevangen voor de dag van ontvangst van de verwittiging;
  2° het programma omvat ten minste twaalf lesuren per week;
  3° de voorziene duurtijd van de cursus bedraagt ten minste negen maanden;
  4° de directeur oordeelt dat de cursus voorbereidt tot een loontrekkend beroep en bijdraagt tot de reïntegratie van de betrokken werkloze in het economisch circuit;
  5° de werkloze toont aan de hand van een maandelijks attest, af te leveren door de verantwoordelijke van de onderwijsinstelling, aan dat hij de lessen regelmatig bijwoont.
  In afwijking van het eerste lid heeft de schorsing slechts uitwerking twaalf maanden nadat de werkloze de cursus heeft beëindigd, indien daarenboven gelijktijdig voldaan is aan volgende voorwaarden:
  1° de werkloze heeft de lessen gedurende ten minste negen maanden regelmatig bijgewoond;
  2° de cursus werd met succes beëindigd, of stopgezet om een reden onafhankelijk van de wil van de werkloze of ten gevolge van een tewerkstelling.
  § 7. Indien de werkloze op het ogenblik dat de schorsing utiwerking zou moeten hebben, lessen volgt ter voorbereiding op het behalen van een diploma van lager of hoger secundair onderwijs voor de bevoegde examencommissie van een Gemeenschap, dan heeft de schorsing slechts uitwerking op de eerste dag van de zesde maand volgend op het beëindigen van de lessen.
  Het voorgaande lid is slechts van toepassing indien gelijktijdig voldaan is aan volgende voorwaarden:
  1° de lessen werden aangevangen voor de dag van ontvangst van de verwittiging;
  2° het programma omvat ten minste twaalf lesuren per week;
  3° de voorziene duurtijd van de cursus bedraagt ten minste twaalf maanden;
  4° de werkloze toont aan de hand van een maandelijks attest, af te leveren door de verantwoordlijke van de onderwijstinstelling, aan dat hij de lessen regelmatig bijwoont.
  In afwijking van het eerste lid heeft de schorsing slechts uitwerking twaalf maanden nadat de werkloze de lessen heeft beëindigd, indien hij daarenboven aantoont dat hij binnen de zes maanden na dit einde met succes de examens voor de examencommissie heeft afgelegd.
  § 8. Onverminderd de toepassing van de voorgaande paragrafen verliest (de deeltijdse werknemer met behoud van rechten) het voordeel van dit statuut en wordt hij beschouwd als vrijwillig deeltijdse werknemer, vanaf de datum waarop de schorsing uitwerking heeft. <KB 1995-11-22/31, art. 21, 051; Inwerkingtreding : 01-01-1996>
  Het voorgaande lid houdt op uitwerking te hebben gedurende de periode tijdens dewelke de beslissing tot schorsing ophoudt uitwerking te hebben in toepassing van artikel 84.

  Art. 84. (NOTA : artikel opgeschort; zie KB 2004-07-04/30, art. 9.) <KB 1996-08-04/58, art. 2, 054; Inwerkingtreding : 01-09-1996> De schorsing houdt op uitwerking te hebben gedurende een periode van twaalf maanden indien de werkloze, die een uitkeringsaanvraag indient overeenkomstig de artikelen 133 en 138, in de loop van de zes jaar die de uitkeringsaanvraag voorafgaan voor ten minste één dag uitkeringen heeft genoten en bewijst dat het jaarlijks netto-belastbaar inkomen van zijn gezin, abstractie gemaakt van de uitkeringen die hij eventueel geniet, ( (13 942,48) EUR) verhoogd met (631,39 EUR) per persoon ten laste niet overschrijdt. <KB 1996-12-13/33, art. 7, 056; Inwerkingtreding : 01-01-1997> <KB 2001-07-13/58, art. 8, 100; Inwerkingtreding : 01-01-2002>
  (De bedragen van het vorige lid worden gekoppeld aan de spilindex 114,20 en worden verhoogd of verminderd volgens de regels bedoeld in artikel 113. Het inkomen wordt vergeleken met het bedrag dat van toepassing is op de dag van de uitkeringsaanvraag. Het netto-belastbaar inkomen wordt bepaald overeenkomstig artikel 6 van het Wetboek van de Inkomstenbelasting, waarbij ook de niet in België belastbare inkomsten in aanmerking worden genomen. Er wordt rekening gehouden met het inkomen van de personen bedoeld in artikel 87 waarmee de werkloze op het ogenblik van de uitkeringsaanvraag samenwoont, zelfs indien dit inkomen betrekking heeft op een periode die voorafgaat aan de samenwoonst. Het betreft het inkomen vermeld op het laatste aanslagbiljet, waarvan de datum van uitvoerbaarverklaring voorafgaat aan de dag van de uitkeringsaanvraag, of het inkomen ontvangen tijdens de laatste twaalf kalendermaanden die voorafgaan aan de uitkeringsaanvraag, wanneer de werkloze of de directeur bewijst dat dit laatste inkomen lager of hoger was dan het inkomen dat het voorwerp uitmaakte van de voormelde heffing van de belastingen.) <KB 2001-04-27/32, art. 4, 095; Inwerkingtreding : 01-04-2001>
  (Indien de betrokken werkloze evenwel tijdens de in het tweede lid bedoelde inkomsten-referteperiode inkomsten uit arbeid als loontrekkende heeft, dan worden deze inkomsten buiten beschouwing gelaten ten belope van een netto-belastbaar bedrag dat gelijk is aan ten hoogste 312 maal 10,18 EUR. Het voormelde bedrag wordt gekoppeld aan de spilindex 103,14, geldend op 1 juni 1999 (basis 1996 = 100), volgens de regels bepaald in artikel 113.) <KB 2002-01-24/31, art. 2, 106; Inwerkingtreding : 01-01-2002>
  De periode van twaalf maanden bepaald in het (tweede lid) wordt telkens verlengd met een nieuwe periode van twaalf maanden wanneer de werkloze overeenkomstig de artikelen 133 en 138 een uitkeringsaanvraag indient en bewijst dat hij nog steeds voldoet aan de voorwaarden bepaald in het eerste lid. <KB 2001-04-27/32, art. 4, 095; Inwerkingtreding : 01-04-2001>
  De schorsing houdt eveneens op uitwerking te hebben gedurende de periode voor dewelke de werkloze een uitkeringsaanvraag indient overeenkomstig de artikelen 133 en 138, indien hij in de loop van de zes jaar die de uitkeringsaanvraag voorafgaan voor ten minste één dag uitkeringen heeft genoten en bewijst dat hij gerechtigd is op een uitkering niet bedoeld in artikel 80, als gevolg van een verandering in zijn gezinstoestand.

  Art. 85. (NOTA : artikel opgeschort; zie KB 2004-07-04/30, art. 9.) (De schorsing neemt slechts een einde wanneer de werknemer opnieuw voldoet aan de toelaatbaarheidsvoorwaarden van artikel 30 tot 33 of een wachttijd doorlopen heeft van :
  1° 312 arbeidsdagen of gelijkgestelde dagen in de zin van de artikelen 37 of 38 in de loop van de 18 maanden vóór zijn uitkeringsaanvraag als voltijdse werknemer;
  2° 312 halve arbeidsdagen of gelijkgestelde dagen in de zin van de artikelen 37 of 38 in de loop van de 24 maanden voor zijn uitkeringsaanvraag als vrijwillig deeltijdse werknemer in een arbeidsregeling die voldoet aan de bepaling van artikel 33, 1°.) <KB 1996-08-04/58, art. 3, 054; Inwerkingtreding : 01-09-1996>
  Voor de toepassing van het voorgaande lid wordt geen rekening gehouden met:
  1° (arbeidsdagen of gelijkgestelde dagen die voorafgaan aan de dag van de ontvangst van de beslissing tot schorsing;) <KB 1995-11-22/31, art. 23, 051; Inwerkingtreding : 01-01-1996>
  2° dagen waarvoor een uitkering werd verleend in toepassing van dit besluit;
  3° dagen waarvoor een uitkering werd verleend in toepassing van de wetgeving op de verplichte ziekte- en invaliditeitsverzekering, behalve wanneer zij onmiddellijk worden vooraf gegaan door een ononderbroken periode van 26 arbeidsdagen, of van 26 halve arbeidsdagen indien het een vrijwillig deeltijdse werknemer betreft.
  Voor de toepassing van het eerste lid worden de al of niet vergoede dagen van tijdelijke werkloosheid, niet gelegen voor de dag van de ontvangst van de beslissing tot schorsing, beschouwd als gelijkgestelde dagen ten belope van ten hoogste 78 dagen, of van 78 halve dagen indien het een vrijwillig deeltijdse werknemer betreft.

  Art. 86. (NOTA : artikel opgeschort; zie KB 2004-07-04/30, art. 9.) <KB 1992-06-22/30, art. 5, 005; Inwerkingtreding : 01-07-1992> De artikelen 80 tot 85 zijn slechts opnieuw van toepassing ten vroegste twee jaar na de dag waarop een beslissing tot schorsing uitwerking had, indien deze beslissing hervormd werd door een arbeidsgerecht op grond van het feit dat de werkloze de voorwaarden van artikel 80 niet vervulde, doordat hij sinds ten minste zes maanden zonder onderbreking tewerkgesteld was als voltijdse werknemer, of dat voldaan was aan de voorwaarden van (artikel 82, § 1, eerste lid, 3° of § 2, eerste lid). <KB 1995-11-22/31, art. 24, 051; Inwerkingtreding : 01-01-1996>

  Art. 87. (NOTA : artikel opgeschort; zie KB 2004-07-04/30, art. 9.) Voor het begrip gezin bedoeld in de artikelen 82 en 84 wordt enkel rekening gehouden met die gezinsleden waarvan het samenwonen met de werkloze invloed heeft op het bedrag van zijn uitkeringen.

  Art. 88. (NOTA : artikel opgeschort; zie KB 2004-07-04/30, art. 9.) <KB 1999-04-30/32, art. 5, 083; Inwerkingtreding : 01-01-1997> De verwittiging en de beslissingen van de directeur genomen in toepassing van deze afdeling worden bij gewone brief ter kennis gebracht van de werkloze, van zijn uitbetalingsinstelling en van de bevoegde gewestelijke dienst voor arbeidsbemiddeling en beroepsopleiding.
  In deze afdeling wordt de werkloze geacht het schrijven te hebben ontvangen de derde werkdag na de afgifte van de brief ter post.

  Afdeling 9. - Vrijstelling van bepaalde toekenningsvoorwaarden.

  Art. 89.[1 § 1. De werkloze kan op zijn vraag vrijgesteld worden van de verplichting beschikbaar te zijn indien hij :
   1° ofwel de leeftijd van 60 jaar heeft bereikt op 1 januari 2015;
   2° ofwel 40 jaar beroepsverleden bewijst.
   De leeftijd bedoeld in het eerste lid, 1° wordt als volgt opgetrokken :
   1° tot 61 jaar vanaf 1 januari 2016;
   2° tot 62 jaar vanaf 1 januari 2017;
   3° tot 63 jaar vanaf 1 januari 2018;
   4° tot 64 jaar vanaf 1 januari 2019;
   5° tot 65 jaar vanaf 1 januari 2020.
   Het beroepsverleden bedoeld in het eerste lid, 2° wordt als volgt opgetrokken :
   1° tot 41 jaar vanaf 1 januari 2016;
   2° tot 42 jaar vanaf 1 januari 2017;
   3° tot 43 jaar vanaf 1 januari 2018;
   4° tot 44 jaar vanaf 1 januari 2019.
   Voor de toepassing van deze paragraaf wordt onder beroepsverleden verstaan :
   1° het beroepsverleden bedoeld in artikel 119, 3°;
   2° de daarmee gelijkgestelde periodes bedoeld in artikel 3, § 1 van het koninklijk besluit 3 mei 2007 tot regeling van het stelsel van werkloosheid met bedrijfstoeslag.
   § 2. De vraag om vrijstelling bedoeld in paragraaf 1 moet voorafgaandelijk op het werkloosheidsbureau toekomen of moet toekomen binnen de termijn bepaald krachtens artikel 138, eerste lid, 4°, indien de werkloze de aanvraag indient ter gelegenheid van een uitkeringsaanvraag.
   De werkloze die genoten heeft van een vrijstelling op grond van de paragraaf 1, kan er opnieuw van genieten na een onderbreking van de vergoede werkloosheidsperiode.
   De vrijstelling bedoeld in paragraaf 1 doet geen afbreuk aan de toepassing van artikel 51, § 1, tweede lid, 1° en 2° indien de werkloze vrijwillig werkloos is wegens omstandigheden afhankelijk van zijn wil.]1
  ----------
  (1)<hersteld door KB 2015-06-19/09, art. 2, 240; Inwerkingtreding : 01-01-2015>

  Art. 89bis.
  <Opgeheven bij KB 2014-12-30/06, art. 9, 235; Inwerkingtreding : 01-01-2015>

  Art. 89/1. [1 De werkloze die vóór 1 januari 2015 de vrijstelling genoot voorzien in artikel 89, § 2, zoals van toepassing vóór 1 januari 2015, geniet de vrijstelling van de toepassing van de artikelen 48, § 1, eerste lid, 2°, 51, § 1, tweede lid, 3° tot 10°, 56 en 58.
   De werkloze die vóór 1 januari 2015 de voorwaarden vervulde van artikel 89, § 2, zoals van toepassing vóór 1 januari 2015, en die bovendien vóór 1 januari 2015 uitkeringen heeft genoten als volledig werkloze, kan op zijn vraag worden vrijgesteld van de artikelen 48, § 1, eerste lid, 2°, 51, § 1, tweede lid, 3° tot 10°, 56 en 58.
   De werknemer die is ontslagen met het oog op het verkrijgen van het statuut van werkloze met bedrijfstoeslag in toepassing van hoofdstuk 7 van het koninklijk besluit van 3 mei 2007 tot regeling van het stelsel van werkloosheid met bedrijfstoeslag, kan op zijn vraag worden vrijgesteld van de artikelen 48, § 1, eerste lid, 2°, 51, § 1, tweede lid, 3° tot 10°, 56 en 58, indien hij gelijktijdig de volgende voorwaarden vervult :
   1° de begindatum van de periode van erkenning bedoeld in artikel 18, § 1, eerste of tweede lid, van het voormelde koninklijk besluit van 3 mei 2007, is gelegen vóór 9 oktober 2014;
   2° de werknemer voldoet niet aan de voorwaarden van artikel 22, derde lid, van het voormelde koninklijk besluit van 3 mei 2007, zoals van toepassing vóór 1 januari 2015;
   3° hij voldoet aan de voorwaarden van artikel 89, § 2, zoals van toepassing vóór 1 januari 2015.
   De werkloze bedoeld in het eerste tot derde lid mag, in afwijking van artikel 45, eerste lid, 1°, voor eigen rekening en zonder winstoogmerk elke activiteit uitoefenen die betrekking heeft op zijn eigen bezit.
   De werkloze die de vrijstelling geniet bedoeld in het eerste en tweede lid, geniet vanaf de maand waarin hij de leeftijd van 60 jaar bereikt :
   1° de vrijstelling van de vereiste van artikel 60;
   2° de vrijstelling van de verplichting bedoeld in artikel 66 om effectief in België te verblijven. De werkloze is evenwel verplicht zijn hoofdverblijfplaats in België te behouden.
   De werkloze met bedrijfstoeslag geniet vanaf de maand waarin hij de leeftijd van 60 jaar bereikt de vrijstelling van de verplichting bedoeld in artikel 66 om effectief in België te verblijven indien hij :
   1° ofwel vóór 1 januari 2015 voor de eerste keer werkloosheidsuitkeringen met bedrijfstoeslag heeft gevraagd in toepassing van artikel 2 of 3 van het voormelde koninklijk besluit van 3 mei 2007;
   2° ofwel vóór 1 januari 2015 is ontslagen met het oog op het verkrijgen van het statuut van werkloze met bedrijfstoeslag in toepassing van artikel 2 of 3 van het voormelde koninklijk besluit van 3 mei 2007;
   3° ofwel is ontslagen met het oog op het verkrijgen van het statuut van werkloze met bedrijfstoeslag in toepassing van hoofdstuk 7 van het voormelde koninklijk besluit 3 mei 2007, indien de begindatum van de periode van erkenning bedoeld in artikel 18, § 1, eerste of tweede lid, van het voormelde koninklijk besluit van 3 mei 2007, gelegen is vóór 9 oktober 2014.
   De werkloze met bedrijfstoeslag is evenwel verplicht zijn hoofdverblijfplaats in België te behouden.]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij KB 2015-06-01/02, art. 2, 239; Inwerkingtreding : 01-01-2015>

  Art. 90.[1 § 1. De volledig werkloze die mantelzorg verleent kan op zijn vraag vrijgesteld worden van de toepassing van de artikelen 51, § 1, tweede lid, 3° tot 6°, 56, §§ 1 tot en met 3 en 58.
   Voor de toepassing van het eerste lid wordt onder mantelzorg verstaan, het effectief, doorlopend en regelmatig verlenen van :
   1° palliatieve zorg;
   2° zorg aan een gezinslid dat, of aan een bloed- of aanverwant tot en met de tweede graad die, zwaar ziek is;
   3° zorg aan een gehandicapt kind dat jonger is dan 21 jaar.
   De vrijstelling belet niet dat de in het eerste lid vermelde artikelen toegepast kunnen worden indien deze toepassing steunt op feiten die zich voordeden vóór de aanvangsdatum van de vrijstelling.
   De vraag om vrijstelling moet voorafgaandelijk op het werkloosheidsbureau toekomen en moet een verklaring op eer bevatten waarin de werkloze zich ertoe verbindt dat hij de in het tweede lid vermelde zorg effectief zal verlenen.
   In geval van toepassing van het tweede lid, 1° en 2° moet de vraag vergezeld zijn van een medisch attest waarin vermeld wordt dat de met naam genoemde persoon palliatieve zorg of zorg als zware zieke behoeft.
   In geval van toepassing van het tweede lid, 3° moet de vraag vergezeld zijn van een door de bevoegde instantie afgeleverd attest dat aantoont dat het kind een aandoening heeft die voor gevolg heeft dat er minstens 4 punten worden toegekend in pijler I van de medisch-sociale schaal, in de zin van de reglementering op de kinderbijslag.
   Eenzelfde toestand kan geen aanleiding geven tot de gelijktijdige toekenning van een vrijstelling aan meerdere werklozen.
   § 2. De opvolgingsprocedure inzake het actief zoekgedrag naar werk, bedoeld in de artikelen 59bis en volgende, wordt opgeschort gedurende de periode tijdens dewelke de werkloze een vrijstelling wegens mantelzorg geniet.
   § 3. De vrijstelling bedoeld in § 1 wordt toegekend voor een periode van
   1° ten minste één en ten hoogste twee maanden per persoon die palliatieve zorg behoeft;
   2° ten minste drie en ten hoogste twaalf maanden per aanvraag in de andere gevallen.
   Indien dit op voorhand aangevraagd wordt, kan de vrijstelling bedoeld in het eerste lid, 1°, die een duurtijd kende van één maand verlengd worden voor een ononderbroken duur van één maand.
   Indien dit op voorhand aangevraagd wordt, kan de vrijstelling bedoeld in het eerste lid, 2°, verlengd worden voor een ononderbroken duur van ten minste drie en ten hoogste twaalf maanden. Deze verlenging is hernieuwbaar onder dezelfde voorwaarden.
   De samengevoegde duur van de periodes van vrijstelling toegekend op grond van het eerste lid, 2°, mag evenwel 48 maanden niet overschrijden.
   Er kan voortijdig een einde gesteld worden aan de vrijstelling, zelfs vóór het verstrijken van de in de voorgaande leden vermelde minimumtermijnen, wanneer :
   1° de feitelijke situatie die aanleiding gaf tot de vrijstelling ten gevolge van een niet voorziene gebeurtenis niet langer bestaat;
   2° een geneesheer, bedoeld in artikel 141, eerste lid, heeft vastgesteld dat het in § 1, vijfde lid, bedoelde attest er niet toe leidt dat de genoemde persoon palliatieve zorg of zorg als zware zieke behoeft. De geneesheer kan daartoe bijkomende inlichtingen inwinnen bij de geneesheer die het attest heeft opgesteld.]1
  ----------
  (1)<hersteld bij KB 2015-04-15/02, art. 2, 236; Inwerkingtreding : 01-01-2015>

  Art. 91.De volledig werkloze kan op zijn vraag vrijgesteld worden van de toepassing van de artikelen (51, § 1, tweede lid, 3° tot 6°), 56, 58 en 74, § 3, gedurende de periode tijdens dewelke hij een beroepsopleiding in de zin van artikel 27, 6°, volgt, behalve indien de lessen hoofdzakelijk op zaterdag of na 17 uur worden gegeven. <KB 1992-10-02/30, art. 8, 011; Inwerkingtreding : 01-10-1992>
  (De werkloze die deze vrijstelling geniet moet maandelijks een getuigschrift van aanwezigheid toevoegen bij zijn controlekaart. De werkloze is niet vergoedbaar op de dagen waarop hij volgens het getuigschrift ongewettigd afwezig is.) <KB 2006-03-05/36, art. 12, 145; Inwerkingtreding : 15-12-2005>
  De vrijstelling belet niet dat de in het eerste lid vermelde artikelen toegepast kunnen worden, indien deze toepassing steunt op feiten die zich voordeden voor de aanvangsdatum van de vrijstelling.

  Art. 91_BRUSSELS_HOOFDSTEDELIJK_GEWEST. [1 ...]1
  ----------
  (1)<BESL 2017-12-21/15, art. 20, 274; Inwerkingtreding : 01-02-2018>
  

  Art. 91_VLAAMS_GEWEST.
  <Opgeheven bij BVR 2016-12-23/40, art. 8,1°, 261; Inwerkingtreding : 01-01-2017>

  Art. 92.§ 1. De volledig werkloze kan op zijn vraag vrijgestelkd worden van de toepassing van de artikelen (51, § 1, tweede lid, 3° en 6°,) 56, (en 58), gedurende de periode tijdens dewelke hij een opleiding volgt voorzien bij de wetgeving betreffende de vorming en opleiding in een zelfstandig beroep, behalve indien de lessen hoofdzakelijk op zaterdag of na 17 uur worden gegeven. <KB 1992-10-02/30, art. 8, 011; Inwerkingtreding : 01-10-1992> <KB 1995-11-22/31, art. 27, 051; Inwerkingtreding : 01-12-1995>
  Om vrijgesteld te kunnen worden moet de werkloze:
  1° hetzij sedert ten minste twee jaar studies of een leertijd hebben beëindigd en ten minste 312 uitkeringen hebben genoten in de loop van de twee jaar voor (de aanvang van de opleiding); <KB 1995-11-22/31, art. 27, 051; Inwerkingtreding : 01-12-1995>
  2° hetzij ten minste 624 uitkeringen hebben genoten in de loop van de vier jaar voor(de aanvang van de opleiding). <KB 1995-11-22/31, art. 27, 051; Inwerkingtreding : 01-12-1995>
  [2 ...]2
  [2 De werkloze die inschakelingsuitkeringen geniet kan op zijn vraag vrijgesteld worden, indien hij voldoet aan de vereisten van het tweede lid en voor zover de opleiding aanvaard wordt door de directeur. Deze beslist inzonderheid met inachtneming van de leeftijd van de werkloze, de reeds gevolgde studies, zijn geschiktheden, zijn beroepsverleden, de duur van de werkloosheid, de aard van de opleiding en de mogelijkheden op de arbeidsmarkt die deze opleiding de werkloze kan bieden. De directeur kan daartoe het advies van de gewestelijke dienst voor arbeidsbemiddeling inwinnen.]2
  De Minister kan, inzonderheid om tegemoet te komen aan tekorten op de arbeidsmarkt, na advies van het beheerscomité, beslissen in welke gevallen de vrijstelling kan toegekend worden aan de werkloze die niet voldoet aan de voorwaarden van het tweede lid.
  De vrijstelling belet niet dat de in het eerste lid vermelde artikelen toegepast kunnen worden, indien deze toepassing steunt op feiten die zich voordeden voor de aanvangsdatum van de vrijstelling.
  De vraag om vrijstelling moet voorafgaandelijk op het werkloosheidsbureau toekomen.
  § 2. De vrijstelling wordt toegekend voor de duurtijd van de opleiding, met inbegrip van de daarin gelegen vakantieperiodes, doch beperkt tot één jaar. Zij wordt verlengd wanneer de werkloze met vrucht een jaar van de opleiding heeft gevolgd.
  (De werkloze die deze vrijstelling geniet moet maandelijks, behalve voor de maanden waarin ingevolge vakantie geen lessen worden ingericht, een getuigschrift van aanwezigheid toevoegen bij zijn controlekaart. De werkloze is niet vergoedbaar op de dagen waarop hij volgens het getuigschrift ongewettigd afwezig is.) <KB 2006-03-05/36, art. 13, 145; Inwerkingtreding : 15-12-2005>
  De vrijstelling kan ingetrokken worden indien blijkt dat de werkloze de activiteiten opgelegd door het programma niet regelmatig volgt.
  De werkloze kan slechts eenmaal van deze vrijstelling genieten.
  [3 § 3. Dit artikel is niet van toepassing op de alternerende opleiding bedoeld in artikel 27, 16°.]3
  ----------
  (1)<KB 2011-12-28/29, art. 11, 203; Inwerkingtreding : 01-01-2012>
  (2)<KB 2012-07-23/01, art. 15, 206; Inwerkingtreding : 01-11-2012>
  (3)<KB 2014-07-01/09, art. 10, 237; Inwerkingtreding : 01-07-2015>

  Art. 92_BRUSSELS_HOOFDSTEDELIJK_GEWEST. [1 ...]1
  ----------
  (1)<BESL 2017-12-21/15, art. 20, 274; Inwerkingtreding : 01-02-2018>
  

  Art. 92_VLAAMS_GEWEST.
  <Opgeheven bij BVR 2016-12-23/40, art. 8,2°, 261; Inwerkingtreding : 01-01-2017>

  Art. 93.<Opgenomen bij KB 1995-11-22/31, art. 28, 051; Inwerkingtreding : 01-01-1996> § 1. De volledig werkloze kan op zijn vraag vrijgesteld worden van de toepassing van de artikelen 51, § 1, tweede lid, 3° tot 6°, 56 en 58 gedurende de periode tijdens dewelke hij studies met een volledig leerplan volgt, indien de volgende voorwaarden vervuld zijn :
  1° de studies moeten door een Gemeenschap georganiseerd, gesubsidieerd of erkend zijn en :
  a) hetzij van een gelijkwaardig of hoger niveau zijn dan de studies die reeds werden gevolgd;
  b) hetzij van een lager niveau zijn dan de studies die reeds werden gevolgd, op voorwaarde dat ze tot het hoger onderwijs behoren;
  2° de lessen mogen niet hoofdzakelijk op zaterdag of na 17 uur worden gegeven;
  3° de werkloze mag niet als vrije leerling ingeschreven zijn en hij moet de activiteiten opgelegd door het studieprogramma bijwonen;
  4° de werkloze mag niet reeds beschikken over een einddiploma van het hoger onderwijs, behalve indien de directeur vaststelt dat dit diploma slechts weinig mogelijkheden biedt op de arbeidsmarkt. De directeur kan daartoe het advies van de gewestelijke dienst voor arbeidsbemiddeling inwinnen;
  (5° de werkloze moet zijn studies en/of leertijd sedert ten minste twee jaar hebben beëindigd;) <KB 1998-07-10/34, art. 2, 067; Inwerkingtreding : 24-07-1998>
  (6° de werkloze moet ten minste 312 uitkeringen als volledig werkloze hebben genoten in de loop van de twee jaar voor de aanvang van de studies.In afwijking van deze voorwaarde dient de werkloze slechts gerechtigd te zijn op uitkeringen als volledig werkloze op het ogenblik van de aanvang van de studies waarvoor de vrijstelling gevraagd wordt, indien deze studies voorbereiden op beroepen waarvoor een significant tekort aan arbeidskrachten bestaat. De lijst van deze beroepen wordt vastgesteld door de Rijksdienst.) <KB 1998-07-10/34, art. 2, 067; Inwerkingtreding : 24-07-1998>
  [1 De werkloze die inschakelingsuitkeringen geniet kan op zijn vraag vrijgesteld worden indien hij voldoet aan de vereisten van het eerste lid en voor zover de opleiding aanvaard wordt door de directeur. Deze beslist inzonderheid met inachtneming van de leeftijd van de werkloze, de reeds gevolgde studies, zijn geschiktheden, zijn beroepsverleden, de duur van de werkloosheid, de aard van de opleiding en de mogelijkheden op de arbeidsmarkt die deze opleiding of studies de werkloze kunnen bieden. De directeur kan daartoe het advies van de gewestelijke dienst voor arbeidsbemiddeling inwinnen.]1
  De vrijstelling belet niet dat de in het eerste lid vermelde artikelen toegepast kunnen worden, indien deze toepassing steunt op feiten die zich voordeden vóór de aanvangsdatum van de vrijstelling.
  De vraag om vrijstelling moet voorafgaandelijk op het werkloosheidsbureau toekomen.
  § 2. De vrijstelling wordt toegekend voor de periode van een schooljaar, met inbegrip van de vakantieperiode die daarop aansluit. Ze wordt verlengd wanneer de werkloze met vrucht het schooljaar heeft gevolgd.
  De vrijstelling kan ingetrokken worden indien blijkt dat de werkloze de activiteiten opgelegd door het programma niet regelmatig volgt.
  De werkloze kan slechts eenmaal van deze vrijstelling genieten.
  ----------
  (1)<KB 2011-12-28/29, art. 12, 203; Inwerkingtreding : 01-01-2012>

  Art. 93_BRUSSELS_HOOFDSTEDELIJK_GEWEST. [1 ...]1
  ----------
  (1)<BESL 2017-12-21/15, art. 20, 274; Inwerkingtreding : 01-02-2018>
  

  Art. 93_VLAAMS_GEWEST.
  <Opgeheven bij BVR 2016-12-23/40, art. 8,3°, 261; Inwerkingtreding : 01-01-2017>

  Art. 94.§ 1. (De volledig werkloze kan op zijn vraag vrijgesteld worden van de toepassing van de artikelen 51, § 1, tweede lid, 3° tot 6°, 56 en 58 gedurende de periode tijdens dewelke hij een opleiding of studies volgt, niet bedoeld in de artikelen 91 tot 93, indien de opleiding of de studies aanvaard worden door de directeur. Deze beslist inzonderheid met inachtneming van de leeftijd van de werkloze, de reeds gevolgde studies, zijn geschiktheden, zijn beroepsverleden, de duur van de werkloosheid, de aard van de opleiding en de mogelijkheden op de arbeidsmarkt die deze opleiding of studies de werkloze kunnen bieden. De directeur kan daartoe het advies van de gewestelijke dienst voor arbeidsbemiddeling inwinnen.) <KB 1995-11-22/31, art. 29, 051; Inwerkingtreding : 01-01-1996>
  [5 Onverminderd de bepalingen van het derde lid, wordt de vrijstelling ambtshalve toegekend indien de opleiding of de studies aan de volgende voorwaarden voldoen :
   1° de duur van de opleiding of van de studies bedraagt minstens 3 ononderbroken maanden;
   2° [6 het een alternerende opleiding betreft zoals bedoeld in artikel 27, 16°;]6;
   3° de opleiding of de studies vereisen de aanwezigheid van de volledig werkloze gedurende minstens 20 uur per week of gedurende minstens 10 uur per week, indien het een deeltijdse werknemer met behoud van rechten betreft die een inkomensgarantie-uitkering geniet waarvan de referte-uitkering, bedoeld in artikel 131bis, § 2, een inschakelingsuitkering is;
   4° het inviduele actieplan werd overgemaakt aan de Rijksdienst overeenkomstig de procedure van gegevensuitwisseling bepaald in het samenwerkingsakkoord van 6 november 2013 gesloten tussen de federale Staat, de Gewesten en de Gemeenschappen betreffende de actieve begeleiding en opvolging van werklozen;
   5° het individuele actieplan bevat alle nodige elementen om vast te stellen dat de voorwaarden bedoeld in het vorige lid vervuld zijn.]5
  [5 De in het eerste en tweede lid vermelde vrijstelling kan evenwel niet toegekend worden indien :]5
  1° (de lessen en de activiteiten voorzien in het vormingsprogramma hoofdzakelijk op zaterdag of na 17 uur worden gegeven;) <KB 1995-11-22/31, art. 29, 051; Inwerkingtreding : 01-01-1996>
  2° het een opleidingsprogramma betreft bedoeld in artikel 50 van de wet van 19 juli 1983 op het leerlingwezen voor beroepen uitgeoefend door werknemers in loondienst.
  (3° het studies met een volledig leerplan betreft die door een Gemeenschap georganiseerd, gesubsidieerd of erkend zijn.) <KB 1992-06-03/30, art. 3, 003; Inwerkingtreding : 01-06-1992>
  De vrijstelling belet niet dat de in het eerste lid vermelde artikelen toegepast kunnen worden, indien deze toepassing steunt op feiten die zich voordeden voor de aanvangsdatum van de vrijstelling.
  De vraag om vrijstelling moet voorafgaandelijk op het werkloosheidsbureau toekomen.
  § 2. [5 De werkloze kan enkel uitkeringen genieten voor de maanden tijdens dewelke hij een maandelijks attest bij zijn controlekaart voegt, waaruit blijkt :
   1° dat hij regelmatig deelneemt aan de activiteiten opgelegd door het studieprogramma;
   2° in het geval van de vrijstelling bedoeld in § 1, tweede lid, dat de duur van de effectieve aanwezigheid van de betrokken werkloze of deeltijds werknemer met behoud van rechten het wekelijks vereiste minimum aantal uren bereikt.
   Het attest bedoeld in het eerste lid is evenwel niet vereist voor de maanden tijdens dewelke geen lessen worden georganiseerd omwille van de vakantie.
   De vrijstelling kan ingetrokken worden wanneer blijkt dat :
   1° de werkloze de activiteiten opgelegd door het programma niet regelmatig volgt;
   2° in het geval van de vrijstelling bedoeld in § 1, tweede lid, de duur van de effectieve aanwezigheid van de betrokken werkloze of deeltijds werknemer met behoud van rechten het wekelijks vereiste minimum aantal uren niet bereikt, behalve indien de afwezigheid toe te schrijven is aan overmacht.]5
  (§ 3. De bepalingen van §§ 1 en 2 kunnen eveneens toegepast worden op de volledig werkloze die in het buitenland een opleiding of een stage volgt.
  De vrijstelling geldt voor een periode van ten hoogste drie maanden per kalenderjaar doch kan verlengd worden tot ten hoogste een jaar indien hiertoe een uitzonderlijke reden ingeroepen wordt. Deze verlenging kan slechts eenmaal toegekend worden.
  De beslissing inzake de toekenning van de vrijstelling gebeurt met inachtneming van de in § 1 vermelde criteria en van de onmogelijkheid een vergelijkbare opleiding of stage of studie te kunnen volgen in België. In geval van toekenning van de vrijstelling, wordt de werkloze eveneens vrijgesteld van de toepassing van artikel 66.) <KB 1995-11-22/31, art. 29, 051; Inwerkingtreding : 01-01-1996>
  (§ 4. De volledig werkloze die, omwille van zijn socio-culturele kenmerken, grote moeilijkheden ondervindt om zich in te schakelen in de arbeidsmarkt, kan op zijn vraag worden vrijgesteld van de toepassing van de artikelen 51, § 1, 2e lid, 3° tot 6°, 56 en 58 tijdens de periode waarin hij een opleiding volgt :
  1° in een "entreprise de formation par le travail", erkend overeenkomstig de bepalingen van het besluit van de Waalse Regering van 6 april 1995 betreffende de erkenning van "entreprises de formation par le travail";
  2° in een "atelier de formation par le travail", erkend overeenkomstig de bepalingen van het decreet van de Franse Gemeenschapscommissie van Brussel-Hoofdstad van 27 april 1995 betreffende de erkenning van organismen voor socio-professionele inschakeling en de subsidiëring van hun beroepsopleidingsactiviteiten voor werklozen en laaggeschoolde werkzoekenden gericht op het vergroten van hun kans op het vinden of terugvinden van werk in het raam van gecoördineerde voorzieningen voor socio-professionele inschakeling.
  De vrijstelling bedoeld in het 1e lid wordt enkel toegekend indien aan de volgende voorwaarden is voldaan :
  1° de werkloze is bij de aanvang van de opleiding minstens 18 jaar en heeft geen diploma of getuigschrift van studies van de hogere secundaire cyclus;
  2° de werkloze is bij de aanvang van de opleiding ingeschreven als werkzoekende sedert ten minste 6 maanden;
  3° in de loop van de 6 maanden die het begin van de opleiding voorafgaan, heeft de werkloze geen studies met volledig leerplan gevolgd, evenmin met succes een individuele beroepsopleiding in een onderneming gevolgd, en ook niet meer dan 78 dagen gewerkt als loontrekkende of meer dan een kwartaal als zelfstandige;
  4° de financiële voordelen die de werkloze ontvangt tijdens de opleiding, zijn beperkt tot een vergoeding die niet meer bedraagt dan (1 EUR) per uur opleiding. <KB 2001-07-13/58, art. 8, 100; Inwerkingtreding : 01-01-2002>
  De vrijstelling wordt toegekend voor de duur van de opleiding met een maximum van 18 maanden. Ze kan meerdere malen worden toegekend, zonder dat de samengetelde duur van de periodes van vrijstelling toegekend op basis van onderhavige paragraaf voor één of meerdere opleidingen meer mag bedragen dan 18 maanden.
  [3 Voor de berekening van de maximale duur van 18 maanden bedoeld in het vorige lid, wordt eveneens rekening gehouden met de periode van opleiding eventueel gevolgd door de werkloze tijdens de beroepsinschakelingstijd bedoeld in artikel 36, § 1, eerste lid, 4°.]3
  De bepalingen van § 1, 3e en 4e lid en van § 2 zijn van toepassing op de vrijstelling bedoeld in onderhavige paragraaf.) <KB 1999-01-10/31, art. 1, 071; Inwerkingtreding : 01-01-1999>
  [1 § 5. De volledige werkloze die als kandidaat-ondernemer een overeenkomst sluit met een activiteitencoöperatie, kan, tijdens de periode van deze overeenkomst, op zijn vraag, worden vrijgesteld van de toepassing van de artikelen 51, § 1, tweede lid, 3° tot 6°, 56 en 58.
   De vrijstelling wordt enkel toegekend indien aan de volgende voorwaarden is voldaan :
   1° de activiteitencoöperatie is erkend bij toepassing van artikel 81, § 3, van de wet van 1 maart 2007 houdende diverse bepalingen;
   2° de werknemer behoort tot de doelgroep van de moeilijk te plaatsen werklozen of andere kansengroepen zoals bepaald in artikel 1 van het koninklijk besluit van 15 juni 2009 houdende diverse bepalingen betreffende het statuut van kandidaat-ondernemer in een activiteitencoöperatie;
   3° de financiële of materiële voordelen die de werkloze ontvangt tijdens de duur van de overeenkomst bedragen niet meer dan 2 euro per arbeidsuur gepresteerd krachtens deze overeenkomst.
   De vrijstelling wordt toegekend voor de duur van de overeenkomst met een maximum van 18 maanden van datum tot datum. Ze kan meerdere malen worden toegekend, zonder dat de gecumuleerde duur van de periodes van vrijstelling toegekend op basis van onderhavige paragraaf voor één of meerdere overeenkomsten, meer mag bedragen dan 18 maanden van datum tot datum.
   De werkloze kan tijdens de periode van vrijstelling enkel uitkeringen genieten voor de maanden waarin hij bij zijn controlekaart een maandelijks attest toevoegt, afgegeven door de activiteitencoöperatie, waaruit blijkt dat hij de overeenkomst op regelmatige wijze uitvoert. De vrijstelling kan ingetrokken worden indien blijkt dat de werkloze de overeenkomst niet op regelmatige wijze uitvoert.
   De bepalingen van § 1, derde en vierde lid, zijn van toepassing op de vrijstelling bedoeld in deze paragraaf.]1
  [2 § 6. [6 De volledig werkloze die verbonden is door een leerovereenkomst zoals bedoeld in artikel 27, 15°, kan op zijn vraag vrijgesteld worden van de toepassing van de artikelen 51, § 1, tweede lid, 3° tot 6°, 56 en 58, gedurende de periode van uitvoering van deze overeenkomst, mits toepassing van artikel 130ter.
   Voor de toekenning van deze vrijstelling moet de werkloze :
   1° hetzij bij de aanvang van de leerovereenkomst geen houder zijn van een diploma of een getuigschrift van studies van de hogere secundaire cyclus en ten minste 156 uitkeringen genoten hebben in de loop van de twee jaar die voorafgaan aan de aanvang van de alternerende opleiding;
   2° hetzij een alternerende opleiding volgen die voorbereidt op een van de beroepen waarvoor er een significant tekort van arbeidskrachten bestaat, opgenomen op de lijst opgesteld overeenkomstig artikel 93, § 1, eerste lid, 6°, en ten minste 78 uitkeringen genoten hebben in de loop van de twee jaar die voorafgaan aan de aanvang van de alternerende opleiding;
   3° tijdens de leerovereenkomst financiële voordelen genieten die beperkt zijn tot de vergoeding ten laste van de werkgever, vastgesteld overeenkomstig de reglementering van toepassing inzake leerovereenkomsten.
   Voor de toepassing van het tweede lid, 2°, wordt rekening gehouden met de lijst zoals hij bestaat op de begindatum van de leerovereenkomst.
   De werkloze kan gedurende de periode van de vrijstelling enkel uitkeringen genieten voor de maanden tijdens dewelke hij bij zijn controlekaart een door de verantwoordelijke van de alternerende opleiding afgeleverd maandelijks getuigschrift voegt, waaruit blijkt dat hij de leerovereenkomst regelmatig uitoefent.
   De bepalingen van § 1, derde en vierde lid, zijn van toepassing op de vrijstelling bedoeld in deze paragraaf.
   De voorafgaande vraag, gedaan in toepassing van het vorig lid, moet onder meer een verklaring van de opleidingsverantwoordelijke bevatten, met ten minste de vermelding van de identiteit van de werkgever, het aantal uren stage in het professioneel milieu en de plaats waar ze doorgaat en het theoretisch maandbedrag van de vergoeding ten laste van de werkgever, vastgesteld overeenkomstig de reglementering van toepassing inzake leerovereenkomsten.
   De verklaring bedoeld in het vorig lid mag vervangen worden door de indiening van een kopie van de leerovereenkomst, indien die ten minste de elementen bevat die vereist zijn in de verklaring bedoeld in het vorig lid.]6 ]2
  ----------
  (1)<KB 2009-06-15/12, art. 3, 186; Inwerkingtreding : 05-08-2009>
  (2)<KB 2010-09-03/01, art. 10, 195; Inwerkingtreding : 01-09-2010>
  (3)<KB 2011-12-28/29, art. 13, 203; Inwerkingtreding : 01-01-2012>
  (4)<KB 2014-04-02/02, art. 2, 226; Inwerkingtreding : 01-01-2014>
  (5)<KB 2014-06-26/02, art. 21, 229; Inwerkingtreding : 01-07-2014>
  (6)<KB 2014-07-01/09, art. 11, 237; Inwerkingtreding : 01-07-2015>

  Art. 94_BRUSSELS_HOOFDSTEDELIJK_GEWEST. [1 ...]1
  ----------
  (1)<BESL 2017-12-21/15, art. 20, 274; Inwerkingtreding : 01-02-2018>
  

  Art. 94_VLAAMS_GEWEST.
  <Opgeheven bij BVR 2016-12-23/40, art. 8,4°, 261; Inwerkingtreding : 01-01-2017>

  Art. 94bis. [1 De volledig werkloze die een vrijwillige militaire inzet vervult in de zin van de wet van 10 januari 2010 tot instelling van de vrijwillige militaire inzet en tot wijziging van de verschillende wetten van toepassing op het militair personeel, kan tijdens de periode die begint de dag waarop hij een dienstneming aangaat en die eindigt de laatste dag van de zevende kalenderweek die volgt op de week tijdens dewelke hij deze dienstneming is aangegaan, op zijn vraag worden vrijgesteld van de toepassing van de artikelen 51, § 1, tweede lid, 3° tot 6°, 56 en 58.
   De vrijstelling wordt toegekend voor maximaal de duur van de periode bedoeld in het eerste lid.
   De vraag om vrijstelling moet op het werkloosheidsbureau toekomen binnen de termijnen vastgelegd krachtens artikel 138, eerste lid, 4°, voor de aangifte van een wijzigende gebeurtenis.
   De aanvraag om vrijstelling moet een verklaring bevatten van de korpscommandant waaruit blijkt dat de werkloze de dienstneming bedoeld in het eerste lid is aangegaan en dat de toegekende materiële of financiële voordelen zijn bepaald conform de voormelde wet van 10 januari 2010.
   De werkloze kan tijdens de periode van vrijstelling enkel uitkeringen genieten voor de maanden waarin hij bij zijn controlekaart een maandelijks attest toevoegt, afgeleverd door zijn korpscommandant, waaruit blijkt dat hij op regelmatige wijze de activiteiten uitvoert, opgelegd door de dienstneming bedoeld in het eerste lid.
   De werkloze en zijn korpscommandant moeten het werkloosheidsbureau onmiddellijk verwittigen indien de dienstneming bedoeld in het eerste lid vroegtijdig wordt stopgezet tijdens de periode bedoeld in het eerste lid.
   Voor de toepassing van de voorgaande leden wordt gebruik gemaakt van de formulieren opgesteld door de Rijksdienst en goedgekeurd door het Beheerscomité.
   De vrijstelling belet niet dat de in het eerste lid vermelde artikelen toegepast kunnen worden, indien deze toepassing steunt op feiten die zich voordeden vóór de aanvangsdatum van de vrijstelling.]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij KB 2014-04-02/02, art. 3, 226; Inwerkingtreding : 01-01-2014>

  Art. 95. (opgeheven) <KB 1993-01-29/32, art. 2, 020; Inwerkingtreding : 01-03-1993. Nochtans kunnen de werklozen die op 28 februari 1993 reeds genoten van de vrijstelling voorzien bij artikel 95 van het KB 1991-11-25/50, van kracht op deze datum, verder blijven genieten van de vrijstelling tot het einde van de toegekende periode; KB 1993-01-29/32, art. 3, 020>

  Art. 96. De volledig werkloze die gedurende het schooljaar gewerkt heeft in een onderwijsinstelling die door een Gemeenschap is opgericht, gesubsidieerd of erkend, is vrijgesteld van de toepassing van (de artikelen 51, § 1, tweede lid, 3° tot 6°, 56 §§ 1 tot en met 3, en 58) gedurende de maanden juli en augustus. <KB 1995-01-31/30, art. 5, 042; Inwerkingtreding : 01-01-1995>
  Deze vrijstelling wordt eveneens toegekend aan de volledig werkloze die gedurende het schooljaar zijn leger- of burgerdienst heeft verricht op voorwaarde dat hij gewerkt heeft in een instelling bedoeld in het voorgaande lid tijdens het schooljaar dat zijn leger- of burgerdienst voorafgaat, of tijdens hetwelk die dienst een aanvang heeft genomen.
  De vrijstelling belet niet dat de in het eerste lid vermelde artikelen toegepast kunnen worden, indien deze toepassing steunt op feiten die zich voordelen voor de aanvangsdatum van de vrijstelling.

  Art. 97.<KB 1995-11-22/31, art. 30, 051; Inwerkingtreding : 01-01-1996> § 1. Een vrijstelling van de toepassing van de artikelen 51, § 1, tweede lid, 3° tot 6°, 56, 58, 60, 66, 70 en 71 kan toegekend worden aan de volledig werkloze die de leeftijd van 50 jaar heeft bereikt, voor de periode tijdens dewelke hij in het buitenland verblijft om er zijn beroepservaring vrijwillig en onbezoldigd ten dienste te stellen, op voorwaarde dat gelijktijdig voldaan wordt aan al de volgende voorwaarden :
  1° de activiteit wordt verricht in het kader van een door de Minister aanvaarde bilaterale overeenkomst, of in het kader van een door de Minister die de ontwikkelingssamenwerking onder zijn bevoegdheid heeft erkend project inzake ontwikkelingssamenwerking, voorgesteld door een door dezelfde Minister erkende niet-goevernementele organisatie voor ontwikkelingssamenwerking;
  2° de activiteit wordt verricht in een land dat door de Organisatie voor Economische Samenwerking en Ontwikkeling erkend is als ontwikkelingsland, met inbegrip van de " Nieuwe Onafhankelijke Staten" en van de " Midden- en Oost-Europese landen";
  3° de werkloze heeft ten minste 312 uitkeringen genoten in de loop van de 18 maanden vóór de aanvraag om vrijstelling;
  4° [2 de werkloze bewijst op het tijdstip van de aanvraag, een als voldoende gekwalificeerd beroepsverleden als loontrekkende in de zin van artikel 114, § 2;]2
  5° de werkloze is in de vijf jaar vóór de aanvraag om vrijstelling niet tewerkgesteld geweest als coöperant van een niet-goevernementele organisatie voor ontwikkelingssamenwerking.
  § 2. [1 De vrijstelling bedoeld in § 1, kan eveneens toegekend worden aan de volledig werkloze, gerechtigd op inschakelingsuitkeringen, voor de periode tijdens dewelke hij, om beroepservaring op te doen, actief is als coöperant - jonge werkzoekende op voorwaarde dat de activiteit wordt verricht in het kader van een erkend project inzake ontwikkelingssamenwerking, zoals bedoeld in § 1, 1° en dat voldaan wordt aan de vereisten van § 1, 2°.]1
  § 3. De vrijstelling bedoeld in § 1, kan eveneens toegekend worden aan de volledig werkloze die deelneemt aan een humanitaire actie, uitgevoerd door een organisatie, erkend door een Belgische, buitenlandse of internationale overheid.
  § 4. De vraag om vrijstelling moet een verklaring bevatten van de bevoegde Belgische, buitenlandse of internationale overheid of van de niet-goevernementele organisatie en moet voorafgaandelijk op het werkloosheidsbureau toekomen.
  In de situatie bedoeld in § 1 wordt de vrijstelling toegekend voor de door de werkloze gevraagde duur, met een maximum van twaalf maanden.
  Indien de werkloze een verlenging van de vrijstelling wenst te bekomen dan moet hij, vóór het verstrijken van de toegekende vrijstellingsperiode, een nieuwe aanvraag indienen overeenkomstig het eerste lid.
  In de situatie bedoeld in § 2 wordt de vrijstelling toegekend voor de door de werkloze gevraagde duur die ten minste vier maanden en ten hoogste twaalf maanden moet bedragen. De vrijstelling kan slechts éénmaal verleend worden, behalve indien het een verlenging betreft en de maximumduur van 12 maanden nog niet bereikt is.
  In de situatie bedoeld in § 3 wordt de vrijstelling toegekend voor een periode van ten hoogste vier weken per kalenderjaar. Deze periode kan tot ten hoogste drie maanden verlengd worden indien hiertoe een uitzonderlijke reden wordt ingeroepen.
  De vrijstelling belet niet dat de in het eerste lid vermelde artikelen kunnen toegepast worden indien deze toepassing steunt op feiten die zich voordeden vóór de aanvangsdatum van de vrijstelling. De beslissing tot toepassing van deze artikelen zal evenwel geen uitwerking hebben tijdens de periode waarvoor de vrijstelling geldt.
  § 5. Om uitkeringen te genieten moet de werkloze die vrijgesteld werd in toepassing van dit artikel gelijktijdig aan de volgende voorwaarden voldoen :
  1° zijn woonplaats behouden in België;
  2° de activiteit waarvoor de vrijstelling werd toegekend werkelijk verrichten;
  3° geen andere activiteit verrichten waarvoor hij recht zou kunnen hebben op enig loon of materieel voordeel, dan deze waarvoor de vrijstelling werd toegekend.
  § 6. De werkloze moet op het einde van de maand tijdens dewelke hij een andere activiteit verricht in de zin van § 5, 3°, aan de uitbetalingsinstelling bij aangetekend schrijven meedelen op welke dagen hij deze andere activiteit verricht heeft en voor welke dagen hij een loon ontving.
  De werkloze, alsook de overheid of organisatie bedoeld in de §§ 1 tot 3, moeten het werkloosheidsbureau onmiddellijk verwittigen bij aangetekend schrijven indien de activiteit voortijdig wordt stopgezet.
  De onkostenvergoeding die aan de werkloze wordt toegekend in het kader van de activiteit waarvoor de vrijstelling werd toegekend wordt niet als loon beschouwd in de zin van artikel 46 indien zij de gebruikelijke onkostenvergoeding voor de Rijksambtenaren die zich binnen de grenzen van het Rijk verplaatsen niet overschrijdt of indien de werkloze aantoont dat ze overeenstemt met de werkelijke onkosten.
  Voor de coöperant - jonge werkzoekende bedoeld in § 2 worden de vergoedingen en de voordelen die hem worden toegekend overeenkomstig de toepasselijke regelgeving, niet als loon in de zin van artikel 46 beschouwd.
  § 7. De bepalingen van artikel 133, § 1, 2° en van artikel 148, 1° gelden niet indien de onderbreking van het genot van de uitkeringen een gevolg is van het feit dat niet voldaan is aan de voorwaarden van § 5, 2° of 3°.
  In afwijking van artikel 160, § 1, derde lid, berekent de uitbetalingsinstelling het aantal uitkeringen voor de periodes van vrijstelling toegekend op grond van dit artikel, uitgaande van de veronderstelling dat de werkloze werkloos is op alle dagen van de maand, behalve indien zij een schrijven zoals bedoeld in § 6, eerste lid, ontving.
  ----------
  (1)<KB 2011-12-28/29, art. 14, 203; Inwerkingtreding : 01-01-2012>
  (2)<KB 2012-07-23/01, art. 16, 206; Inwerkingtreding : 01-11-2012>

  Art. 98. Voor de toepassing van deze afdeling moet de vrijwillig deeltijdse werknemer evenveel halve uitkeringen bewijzen als het aantal uitkeringen dat vereist is voor de voltijdse werknemer. (Het ontvangen aantal halve uitkeringen mag evenwel slechts in rekening worden gebracht ten belope van ten hoogste 26 halve uitkeringen per maand.) <KB 1992-06-29/36, art. 9, 006; Inwerkingtreding : 01-06-1992>
  Het beheerscomité bepaalt (...) de inhoud en het model van de documenten die gelden als aanvraag om vrijstelling bedoeld in de artikelen 89 tot 97. <KB 2003-03-12/42, art. 14, 126; Inwerkingtreding : 01-01-2003>

  Art. 98bis. <Artikel ingevoegd door KB 2001-04-27/32, art. 5, 095; Inwerkingtreding : 01-04-2001> De directeur kan in de navermelde gevallen de werkloze die bewijst dat hij te goeder trouw heeft gehandeld, gelijkstellen met een werkloze die voldeed aan de reglementaire bepalingen :
  1° de werkloze heeft zich ingeschreven als werkzoekende bij een andere gewestelijke dienst voor arbeidsbemiddeling dan de bevoegde dienst bedoeld in artikel 58;
  2° (...) <KB 2006-03-05/36, art. 15, 145; Inwerkingtreding : 15-12-2005>
  3° het dossier van de werkloze werd ingediend bij een ander werkloosheidsbureau dan datgene bedoeld in de artikelen 138, eerste lid, 4° en 142;
  4° de werkloze die verhuist, heeft nagelaten een nieuw dossier in te dienen in toepassing van artikel 133, § 1, 6°, of van artikel 134, § 1, 1°.

  Art. 98ter. [1 Voor de toepassing van de artikelen 89 en 97 moet de vrijwillig deeltijdse werknemer evenveel halve uitkeringen bewijzen als het aantal uitkeringen dat vereist is voor de voltijdse werknemer. Het ontvangen aantal halve uitkeringen mag evenwel slechts in rekening worden gebracht ten belope van ten hoogste 26 halve uitkeringen per maand.
   Het beheerscomité bepaalt de inhoud en het model van de documenten die gelden als aanvraag om vrijstelling bedoeld in de artikelen 89, 90, 94bis tot 97.
   De directeur kan in de navermelde gevallen de werkloze die bewijst dat hij te goeder trouw heeft gehandeld, gelijkstellen met een werkloze die voldeed aan de reglementaire bepalingen :
   1° het dossier van de werkloze werd ingediend bij een ander werkloosheidsbureau dan datgene bedoeld in de artikelen 138, eerste lid, 4° en 142;
   2° de werkloze die verhuist heeft nagelaten een nieuw dossier in te dienen in toepassing van artikel 133, § 1, 6°, of van artikel 134, § 1, 1°.
   De personen die, ingevolge artikel 6, § 1, IX, 5°, van de bijzondere wet van 8 augustus1980 tot hervorming der instellingen, door de bevoegde gewestelijke overheden zijn aangesteld voor de controle van de passieve beschikbaarheid van werklozen en voor het nemen van de beslissingen die hiermee verband houden, kunnen de werkloze die bewijst dat hij zich te goeder trouw heeft ingeschreven als werkzoekende bij een andere gewestelijke dienst voor arbeidsbemiddeling dan de bevoegde dienst bedoeld in artikel 58, gelijkstellen met een werkloze die voldeed aan de reglementaire bepalingen.]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij KB 2015-07-17/06, art. 7, 242; Inwerkingtreding : 01-08-2015>

  HOOFDSTUK IV. - Berekening van de uitkeringen.

  Afdeling 1. - Aantal daguitkeringen.

  Onderafdeling 1. - Algemene bepalingen.

  Art. 99.Voor de toepassing van dit hoofdstuk moet verstaan worden onder:
  1° Q : [1 de contractueel gemiddelde wekelijkse arbeidsduur, verhoogd met de betaalde uren inhaalrust ingevolge een regeling tot vermindering van de arbeidsduur of het gemiddeld aantal uren dat dient voor de berekening van de vergoeding, indien het een leerling betreft bedoeld in artikel 27, 14°;]1
  (2° S : de gemiddelde wekelijkse arbeidsduur van de maatpersoon, verhoogd met de betaalde uren inhaalrust ingevolge een regeling tot vermindering van de arbeidsduur) <KB 2001-06-10/60, art. 68, 097; Inwerkingtreding : 01-01-2003>
  3° P: het aantal uren waarop de werknemer tijdelijk werkloos werd gesteld in de beschouwde maand en waarvoor geen loon verschuldigd is; voor de berekening van dit aantal uren wordt, voor zover geen afwijking voorzien werd krachtens artikel 74, § 1, slechts rekening gehouden met het verlies van een volledige arbeidsdag, zoals bepaald door het (normaal werkrooster van de betrokken werknemer); <KB 2001-06-10/60, art. 68, 097; Inwerkingtreding : 01-01-2003>
  4° (opgeheven) <KB 1995-12-22/54, art. 4, 052; Inwerkingtreding : 01-01-1996>
  5° (opgeheven) <KB 1995-12-22/54, art. 4, 052; Inwerkingtreding : 01-01-1996>
  ----------
  (1)<KB 2014-07-01/09, art. 12, 237; Inwerkingtreding : 01-07-2015>

  Onderafdeling 2. - Uitkeringsstelsel in geval van volledige werkloosheid.

  Art. 100.[1 De voltijdse werknemer kan in geval van volledige werkloosheid uitkeringen genieten voor alle dagen van de week, behalve de zondagen.
   Genieten in geval van volledige werkloosheid eveneens van het in het eerste lid bedoelde uitkeringsstelsel :
   1° de jonge werknemer bedoeld in artikel 36;
   2° de werknemer die wordt toegelaten tot het recht op uitkeringen door het in rekening brengen van gelijkgestelde dagen overeenkomstig artikel 38, § 3.]1
  ----------
  (1)<KB 2014-07-08/13, art. 4, 233; Inwerkingtreding : 01-01-2015>

  Art. 101. (opgeheven) <KB 1995-11-22/31, art. 32, 051; Inwerkingtreding : 01-01-1996>

  Art. 102. (Opgeheven) <KB 2006-06-15/36, art. 6, 153; Inwerkingtreding : 01-07-2006>

  Art. 103. De vrijwillig deeltijdse werknemer kan in geval van volledige werkloosheid halve uitkeringen genieten voor de uren waarop hij gewoonlijk tewerkgesteld was.
  Het wekelijks aantal vergoedbare halve werkloosheidsdagen wordt bekomen door toepassing van de formule:
  (Q x 12) / S
  Voor de vaststelling van de factor Q wordt rekening gehouden met de recentste periode van ten minste vier weken tijdens dewelke de werknemer in dienst was bij eenzelfde werkgever als vrijwillig deeltijdse werknemer; de factor Q wordt berekend op grond van het aantal uren gelegen in de gehele periode van deze tewerkstelling, zonder evenwel rekening te houden met de periode voorafgaand aan de laatste twaalf maanden.
  De decimale breuk van het bekomen resultaat wordt hetzij naar de hogere, hetzij naar de lagere eenheid afgerond, naargelang zij al dan niet 0,50 bereikt.
  Het wekelijks uitkeringsstelsel wordt als volgt vastgesteld: te beginnen vanaf de maandag wordt er per dag, behalve voor de zondag, een halve uitkering toegekend; indien het totaal aantal vergoedbare halve dagen meer bedraagt dan zes, worden de overblijvende halve uitkeringen opnieuw toegekend vanaf de maandag van dezelfde week.

  Art. 104.§ 1. (In geval van werkhervatting wordt het aantal halve uitkeringen waarop de werkloze die halve uitkeringen geniet overeenkomstig artikel 103 voor de beschouwde maand aanspraak kan maken, verminderd met :
  - twee halve eenheden voor elke dag waarvoor hij overeenkomstig artikel 44 geen recht heeft op uitkeringen of voor elke zaterdag die krachtens artikel 55, 7° gelijkgesteld wordt met een niet vergoedbare dag;
  - één halve eenheid voor elke zaterdag die krachtens artikel 55, 7° gelijkgesteld wordt met een niet vergoedbare halve dag.
  Voor de toepassing van het eerste lid wordt evenwel, indien de werkloze voor de voorgaande maand geen uitkeringen ontving als volledig werkloze, geen rekening gehouden met de dagen van werkhervatting of met de zaterdagen gelegen vóór de eerste vergoedbare dag in de beschouwde maand.
  [1 ...]1 ) <KB 1996-12-13/33, art. 8, 056; Inwerkingtreding : 01-01-1997>
  [1 § 1bis. In afwijking van paragraaf 1 kan de werkloze die halve uitkeringen geniet overeenkomstig artikel 103, in geval van werkhervatting ingevolge een arbeidsovereenkomst voor deeltijdse arbeid, voor de periode tijdens dewelke hij verbonden is door deze arbeidsovereenkomst, slechts voor de uren van volledige werkloosheid aanspraak maken op een inkomensgarantie-uitkering.
   Het bedrag van de inkomensgarantie-uitkering wordt berekend overeenkomstig de bepalingen van artikel 131bis, §§ 1, 2bis en 3.
   In afwijking van artikel 131bis, § 1, 2°, 3° en 6,° moet de werknemer slechts ingeschreven zijn als werkzoekende voor een arbeidsbetrekking die, overeenkomstig de criteria die, door de Minister : werden bepaald krachtens artikel 51, passend is voor een vrijwillig deeltijdse werknemer en moet hij slechts beschikbaar zijn voor deze passende betrekkingen.
   De inkomensgarantie-uitkering kan evenwel niet toegekend worden indien de wekelijkse arbeidsduur niet beantwoordt aan de bepalingen van artikel 11 bis, vierde en volgende leden van de wet van 3 juli 1978 betreffende de arbeidsovereenkomsten.]1
  § 2. De werknemer die opnieuw volledig werkloos wordt gesteld, wordt vergoed overeenkomstig het voordien vastgestelde uitkeringsstelsel.
  Wanneer de duur van de werkhervatting in een deeltijdse arbeidsregeling nochtans ten minste twaalf maanden bedraagt, wordt het wekelijks uitkeringsstelsel vastgesteld op grond van deze arbeidsregeling voor zover dit gunstiger is.
  ----------
  (1)<KB 2013-06-07/03, art. 7, 216; Inwerkingtreding : 01-07-2013>

  Art. 105. <KB 1993-05-25/30, art. 9, 021; Inwerkingtreding : 01-03-1993> De werknemer die onderbrekingsuitkeringen geniet ten gevolge van een vermindering van zijn arbeidsprestaties en volledig werkloos wordt gesteld, wordt voor de toepassing van de artikelen (100, 103 en 131bis), geacht werkloos te zijn geworden in de arbeidsregeling van toepassing vóór de vermindering van zijn arbeidsprestaties. <KB 1995-11-22/31, art. 33, 051; Inwerkingtreding : 01-01-1996>
  (De werknemer die geniet van werkloosheidsuitkeringen in het kader van het halftijds brugpensioen en volledig werkloos wordt gesteld, wordt voor de toepassing van artikel 100, geacht werkloos te zijn geworden in de arbeidsregeling van toepassing vóór de vermindering van zijn arbeidsprestaties.) <KB 1994-07-30/30, art. 12, 033; Inwerkingtreding : 10-08-1994>
  (De deeltijdse werknemer bedoeld in artikel 30, derde lid, 9° of 10°, of in artikel 42, § 2, 11°, die volledig werkloos wordt gesteld uiterlijk bij het einde van de aldaar vermelde periode van 3 jaar, wordt voor de toepassing van artikel 100 geacht werkloos te zijn geworden in een voltijdse arbeidsregeling.) <KB 1995-11-22/31, art. 33, 051; Inwerkingtreding : 01-01-1996>

  Onderafdeling 3. - Uitkeringsstelsel in geval van tijdelijke werkloosheid.

  Art. 106.(De voltijdse werknemer en de deeltijdse werknemer met behoud van rechten die geen inkomensgarantie-uitkering geniet, kunnen in geval van tijdelijke werkloosheid uitkeringen genieten voor de uren van tijdelijke werkloosheid.) <KB 1997-06-09/31, art. 5, 058; Inwerkingtreding : 21-06-1997>
  Het aantal uitkeringen wordt per maand bekomen door toepassing van de formule:
  (P x 6) / Q
  Wanneer de decimale breuk van het bekomen resultaat minder dan 0,25 bedraagt, wordt het resultaat naar de lagere eenheid afgerond; wanneer die breuk gelijk is aan of meer bedraagt dan 0,25 zonder 0,75 te bereiken, wordt het resultaat naar 0,50 afgerond; wanneer die breuk gelijk is aan of meer bedraagt dan 0,75, wordt het resultaat naar de hogere eenheid afgerond.
  [1 De voormelde bepalingen zijn van toepassing op de leerling bedoeld in artikel 27, 14°. De leerling kan uitkeringen voor de uren tijdelijke werkloosheid genieten voor de maanden tijdens dewelke hij bij zijn attest van tijdelijke werkloosheid een door de verantwoordelijke van de alternerende opleiding afgeleverd maandelijks getuigschrift voegt, waaruit blijkt dat hij de opleiding regelmatig volgt.
   Voor de werkloze die een vrijstelling geniet in toepassing van artikel 94, § 6, vormen de uitkeringen bedoeld in het vorige lid geen beletsel voor het genot van de uitkering waarvan het bedrag wordt vastgesteld overeenkomstig artikel 130ter.]1
  ----------
  (1)<KB 2014-07-01/09, art. 13, 237; Inwerkingtreding : 01-07-2015>

  Art. 107. (De deeltijdse werknemer met behoud van rechten, niet bedoeld in artikel 106, kan in geval van tijdelijke werkloosheid uitkeringen genieten voor de uren van tijdelijke werkloosheid.) <KB 1995-11-22/31, art. 35, 051; Inwerkingtreding : 01-01-1996>
  Het aantal uitkeringen wordt per maand bekomen door toepassing van de formule:
  (P x 6) / S
  Wanneer de decimale breuk van het bekomen resultaat minder dan 0,25 bedraagt, wordt het resultaat naar de lagere eenheid afgerond; wanneer die breuk gelijk is aan of meer bedraagt dan 0,25 zonder 0,75 te bereiken, wordt het resultaat naar 0,50 afgerond; wanneer die breuk gelijk is aan of meer bedraagt dan 0,75, wordt het resultaat naar de hogere eenheid afgerond.

  Art. 108. De vrijwillig deeltijdse werknemer kan in geval van tijdelijke werkloosheid halve uitkeringen genieten voor de uren van tijdelijke werkloosheid.
  Het aantal halve uitkeringen wordt per maand bekomen door toepassing van de formule:
  (P x 12) / S
  De decimale breuk van het bekomen resultaat wordt hetzij naar de hogere, hetzij naar de lagere eenheid afgerond, naargelang zij al dan niet 0,50 bereikt.

  Art. 108bis. <ingevoegd bij KB 1994-07-30/30, art. 12, 033; Inwerkingtreding : 10-08-1994> De werknemer die geniet van werkloosheidsuitkeringen in het kader van het halftijds brugpensioen kan in geval van tijdelijke werkloosheid halve uitkeringen genieten voor de uren van tijdelijke werkloosheid.
  Het aantal halve uitkeringen per maand wordt bekomen overeenkomstig de berekeningswijze bepaald in artikel 108.

  Onderafdeling 4. - Bijzondere bepalingen.

  Art. 109. § 1. Het aantal uitkeringen voor een beschouwde maand wordt met één eenheid verminderd:
  1° voor de volledig werkloze die uitkeringen geniet overeenkomstig artikel 100, voor elke zondag waarop hij een activiteit in de zin van artikel 45 verricht heeft;
  2° (opgeheven) <KB 1995-11-22/31, art. 36, 051; Inwerkingtreding : 01-01-1996>
  3° voor de tijdelijk werkloze die uitkeringen geniet overeenkomstig artikel 106, voor elke zondag en elke gewone dag van inactiviteit, gelegen tussen de eerste effectieve werkloosheidsdag in de beschouwde maand en het einde van de maand, waarop hij een activiteit in de zin van artikel 45 verricht heeft, behalve indien deze activiteit uitgeoefend wordt in het kader van zijn normale arbeidsregeling.
  § 2. (Het aantal halve uitkeringen voor een beschouwde maand wordt met twee halve eenheden verminderd :
  1° voor de volledig werkloze die halve uitkeringen geniet overeenkomstig artikel 103, voor elke dag die overeenkomstig het wekelijks uitkeringsstelsel niet vergoedbaar is, waarop hij een activiteit in de zin van artikel 45 verricht heeft of die krachtens artikel 55, 7° gelijkgesteld wordt met een niet-vergoedbare dag;
  2° voor de tijdelijk werkloze die halve uitkeringen geniet overeenkomstig artikel 108, voor elke zondag en elke gewone dag van inactiviteit, gelegen tussen de eerste effectieve werkloosheidsdag in de beschouwde maand en het einde van de maand, waarop hij een activiteit in de zin van artikel 45 verricht heeft, behalve indien deze activiteit uitgeoefend wordt in het kader van zijn normale deeltijdse arbeidsregeling.
  In afwijking van het eerste lid, 1° wordt het aantal halve uitkeringen slechts met één halve eenheid verminderd voor elke zaterdag die krachtens artikel 55, 7° gelijkgesteld wordt met een niet vergoedbare halve dag.) <KB 1996-12-13/33, art. 9, 056; Inwerkingtreding : 01-01-1997>
  § 3. (Dit artikel is niet van toepassing op de werknemers bedoeld in artikel 28, § 3, 1° en 3°.) <KB 1994-11-09/31, art. 5, 039; Inwerkingtreding : 14-11-1994>

  Afdeling 2. - Het bedrag van de daguitkering.

  Onderafdeling 1. - Algemene bepalingen.

  Art. 110.§ 1. Onder werknemer met gezinslast wordt verstaan de werknemer die:
  1° samenwoont met een echtgeno(o)t(e), die noch over beroepsinkomens, noch over vervangingsinkomens beschikt; in dat geval wordt geen rekening gehouden met het al dan niet bestaan van inkomens in hoofde van andere personen met wie de werknemer samenwoont;
  2° niet samenwoont met een echtgeno(o)t(e) doch uitsluitend samenwoont met:
  a) één of meerdere kinderen, op voorwaarde dat hij aanspraak kan maken op gezinsbijslagen voor ten minste één ervan of dat geen onder hen over beroeps- of vervangingsinkomens beschikt;
  b) één of meerdere kinderen en andere bloed- of aanverwanten tot en met de derde graad, op voorwaarde dat hij aanspraak kan maken op gezinsbijslagen voor ten minste één van die kinderen en dat de andere bloed- of aanverwanten noch over beroeps- noch over vervangingsinkomens beschikken;
  c) één of meerdere bloed- of aanverwanten tot en met de derde graad, die noch over beroeps-, noch over vervangingsinkomens beschikken;
  (3° alleen woont en effectief onderhoudsuitkeringen betaalt :
  a) op grond van een rechterlijke beslissing;
  b) op grond van een notariële akte in het kader van een procedure tot echtscheiding door onderlinge toestemming of van een scheiding van tafel en bed;
  c) op grond van een notariële akte ten voordele van zijn kind, hetzij aan de persoon die het ouderlijk gezag uitoefent, hetzij aan het meerderjarig kind, indien de staat van behoeftigheid voortduurt.) <KB 2002-01-24/35, art. 1, 111; Inwerkingtreding : 01-03-2002>
  4° alleen woont en wiens echtgeno(o)t(e), in toepassing van artikel 221 van het Burgerlijk Wetboek, gemachtigd werd door derden verschuldigde geldsommen te ontvangen;
  5° bedoeld wordt in artikel 28, § 3;
  6° recht heeft op een aanvullende vergoeding ten laste van zijn voormalige werkgever, op grond van artikel 9 van de collectieve arbeidsovereenkomst nr. 46 van 23 maart 1990 betreffende de begeleidingsmaatregelen voor ploegenarbeid met nachtprestaties alsook voor andere vormen van arbeid met nachtprestaties, algemeen verbindend verklaard bij koninklijk besluit van 10 mei 1990, gedurende de periode van vijf jaar tijdens dewelke hij recht heeft op dit voordeel.
  (7° op 7 november 2001 verbonden was door een arbeidsovereenkomst met de onderneming NV SABENA, geboren is in de loop van het jaar 1953 en geen aanspraak maakt op de compensatiepremie bedoeld in het sociaal begeleidingsplan voor SABENA, gesloten op 8 november 2001, en dit uiterlijk tot het einde van de maand waarin hij de leeftijd van 55 jaar bereikt.) <KB 2001-12-17/35, art. 1, 103; Inwerkingtreding : 08-11-2001>
  (Voor de toepassing van het eerste lid, 1° en 2°, wordt met de echtgeno(o)t(e) gelijkgesteld, de persoon die met de werknemer een feitelijk gezin vormt en die financieel te zijnen laste is, in zoverre deze persoon geen bloed- of aanverwant is tot en met de derde graad, noch een kind waarvoor de werknemer of een ander gezinslid aanspraak kan maken op gezinsbijslag.
  Voor de toepassing van het eerste lid, 2°, en van het tweede lid worden de pleegouders van de werkloze gelijkgesteld met zijn ouders.
  Voor de toepassing van het eerste lid, 2°, wordt abstractie gemaakt van eventuele andere personen waarmee de werkloze samenwoont, indien deze personen noch over beroeps- noch over vervangingsinkomens beschikken.) <KB 1996-08-04/58, art. 4, 054; Inwerkingtreding : 01-09-1996>
  § 2. Onder alleenwonende werknemer wordt verstaan de werknemer die alleen woont met uitzondering van de werknemer bedoeld in § 1, 3° tot 6°.
  § 3. Onder samenwonende werknemer wordt verstaan de werknemer die noch bedoeld is in § 1, noch in § 2.
  § 4. (De werknemer met gezinslast en de alleenwonende werknemer moet het bewijs leveren van de samenstelling van zijn gezin door middel van het document waarvan de inhoud en het model bepaald wordt door het beheerscomité.) <KB 2005-11-10/51, art. 2, 144 ; Inwerkingtreding : 01-01-2006>
  (§ 5. De Minister bepaalt, na advies van het beheerscomité, wat verstaan wordt onder samenwonen, beroepsinkomen, vervangingsinkomen en pleegouders, en welke voorwaarden vervuld moeten zijn om als financieel ten laste te worden beschouwd.) <KB 1996-08-04/58, art. 4, 054; Inwerkingtreding : 01-09-1996>
  De Minister kan, na advies van het beheerscomité, onder de voorwaarden en de modaliteiten die hij vaststelt, de bepaling van § 1, eerste lid, 6°, toepasselijk verklaren op de werknemer die recht heeft op een aanvullende vergoeding op grond van een collectieve arbeidsovereenkomst die, met betrekking tot de procedure en de aanvullende vergoeding, gelijkwaardige bepalingen voorziet als deze opgenomen in de collectieve arbeidsovereenkomst nr. 46 van 23 maart 1990.
  [1 De Minister bepaalt na advies van het beheerscomité, hoe het dagbedrag van de werkloosheidsuitkering van de werknemer met gezinslast bedoeld in § 1, eerste lid, 1°, die niet langer vergoed wordt overeenkomstig de eerste vergoedingsperiode, wordt bepaald, indien de partner waarmee de werkloze samenwoont een inkomen geniet uit arbeid in loondienst en slechts na verloop van elke maand kan worden vastgesteld of het bedrag van dit inkomen het door de Minister vastgestelde grensbedrag al of niet overschrijdt.]1
  ----------
  (1)<KB 2012-07-23/01, art. 17, 206; Inwerkingtreding : 01-11-2012>

  Art. 111.(Voor de toepassing van deze afdeling wordt onder gemiddeld dagloon begrepen, het gemiddeld dagloon zoals bedoeld in het koninklijk besluit van 10 juni 2001 waarin, met toepassing van artikel 39 van de wet van 26 juli 1996 tot modernisering van de sociale zekerheid en tot vrijwaring van de leefbaarheid van de wettelijke pensioenstelsels, het uniform begrip " gemiddeld dagloon " wordt vastgesteld en sommige wettelijke bepalingen in overeenstemming worden gebracht. Er wordt enkel rekening gehouden met bedragen of voordelen waarop inhoudingen voor de sociale zekerheid, sector werkloosheid, verschuldigd zijn.) <KB 2001-06-10/62, art. 1, 099; Inwerkingtreding : 01-01-2003>
  [5 Het gemiddeld dagloon van de werknemer wordt in aanmerking genomen ten belope van één van de navermelde grensbedragen :
   1° grensbedrag A, gelijk aan 63,9090 euro per dag;
   2° grensbedrag B, gelijk aan 68,3902 euro per dag;
   3° grensbedrag C, gelijk aan 73,3787 euro per dag;
   4° grensbedrag AX, gelijk aan 63,1202 euro per dag; dit grensbedrag geldt voor de berekening van de uitkering van de werknemer die jeugd- of seniorvakantie geniet;
   5° grensbedrag AY, gelijk aan 62,5183 euro per dag; dit grensbedrag geldt voor de berekening van de uitkering van de alleenwonende werknemer tijdens de tweede vergoedingsperiode indien hij geen anciënniteitstoeslag geniet;
   6° grensbedrag AZ, gelijk aan 61,6983 euro per dag; dit grensbedrag geldt voor de berekening van de uitkering van de werkloze die het stelsel van werkloosheid met bedrijfstoeslag of de aanvullende vergoeding van ontslagen bejaarde grensarbeiders geniet.]5
  [2 De in het tweede lid vermelde bedragen worden gekoppeld aan de spilindex 103,14 geldend op 1 juni 1999 (basis 1996 = 100), volgens de regels bepaald in artikel 113. Het vijfde cijfer na de komma wordt weggelaten en leidt tot een verhoging met één eenheid van het vorige cijfer indien het minstens 5 bereikt.]2
  [3 ...]3
  [1 Vijfde lid opgeheven.]1
  ----------
  (1)<KB 2011-03-23/04, art. 1, 199; Inwerkingtreding : 01-03-2011. Overgangsbepaling : art. 7>
  (2)<KB 2012-07-23/01, art. 18, 206; Inwerkingtreding : 01-11-2012>
  (3)<KB 2013-01-22/02, art. 3, 212; Inwerkingtreding : 01-11-2012>
  (4)<KB 2015-07-20/04, art. 1, 241; Inwerkingtreding : 01-07-2015>
  (5)<KB 2017-09-03/06, art. 1, 265; Inwerkingtreding : 01-09-2017>

  Art. 112. Voor de toepassing van deze afdeling worden de maanden van datum tot datum berekend.

  Art. 113.(§ 1. [1 De bedragen van de uitkeringen vermeld in de onderhavige afdeling en de bedragen bedoeld in de artikelen 127, 129bis tot 129quater, 131bis, § 2 en § 2bis, 131septies /1 en 131nonies zijn gekoppeld aan de spilindex 103,14 geldend op 1 juni 1999 (basis 1996 = 100).]1 Deze bedragen worden verhoogd of verminderd overeenkomstig artikel 4 van de wet van 2 augustus 1971 houdende inrichting van een stelsel waarbij de wedden, lonen, pensioenen, toelagen en tegemoetkomingen ten laste van de openbare schatkist, sommige uitkeringen, de bezoldigingsgrenzen waarmee rekening dient gehouden bij de berekening van sommige bijdragen van de sociale zekerheid der arbeiders, alsmede de verplichtingen op sociaal gebied opgelegd aan de zelfstandigen,aan het indexcijfer van de consumptieprijzen worden gekoppeld. De verhoging of de vermindering wordt toegepast vanaf de dag bepaald in artikel 6, 3°, van voornoemde wet.
  Het nieuwe bedrag wordt bekomen door het basisbedrag te vermenigvuldigen met een multiplicator gelijk aan 1,0200n, waarbij n overeenstemt met de rang van de bereikte spilindex, zonder dat een intermediaire afronding geschiedt. De spilindex volgend op deze vermeld in het eerste lid wordt als rang 1 beschouwd. De multiplicator wordt uitgerukt in eenheden, gevolgd door 4 cijfers. Het vijfde cijfer na de komma wordt weggelaten en leidt tot een verhoging met één eenheid van het vorige cijfer indien het minstens 5 bereikt.
  § 2. Wanneer het overeenkomstig § 1 berekende dagbedrag van de uitkering of halve uitkering, een gedeelte van een cent bevat, wordt het tot de hogere of lagere cent afgerond naargelang het gedeelte al dan niet 0,5 bereikt.) <KB 2000-07-20/65, art. 13, 094; Inwerkingtreding : 01-01-2002>
  ----------
  (1)<KB 2010-04-19/04, art. 1, 190; Inwerkingtreding : 01-05-2010>

  Onderafdeling 2. - Bedrag van de werkloosheidsuitkering.

  Art. 114.[1 § 1. Het dagbedrag van de werkloosheidsuitkering van de volledig werkloze wordt vastgesteld in functie van een percentage van het gemiddeld dagloon, de gezinscategorie waartoe de werkloze behoort, bedoeld in artikel 110, het toepasselijke grensbedrag bedoeld in artikel 111, de werkloosheidsduur en het beroepsverleden.
   De werkloosheidsduur wordt uitgedrukt in vergoedingsperiodes, die opgedeeld worden in fases, volgens de tabel gevoegd als bijlage bij deze paragraaf.
   Het dagbedrag van de werkloosheidsuitkering wordt in de deelfases 2.1 tot 2.4 van de tweede vergoedingsperiode berekend overeenkomstig de formule
   [12 basisbedrag - [n (basisbedrag - verlaagd forfaitbedrag)/5)]]12
   Voor de toepassing van het vorig lid geldt het volgende :
   1° het basisbedrag stemt overeen met het bedrag waarop de werknemer in de fase 2.0 van de tweede vergoedingsperiode aanspraak kan maken;
   2° de factor n is gelijk aan 1 tot 4, respectievelijk voor de deelfases 2.1 tot 2.4;
   3° [12 het verlaagd forfaitbedrag is gelijk aan het bedrag bedoeld in artikel 115, § 3;]12
   4° de afronding van het resultaat geschiedt hetzij naar de hogere, hetzij naar de lagere cent, naargelang het tiende gedeelte van een cent al dan niet 5 bereikt.
   § 2. De werknemer is gerechtigd op het uitkeringsbedrag voorzien voor de eerste fase van de tweede vergoedingsperiode gedurende twee maanden.
   In afwijking van het eerste lid is de werknemer voor een onbepaalde duur gerechtigd op het uitkeringsbedrag voorzien voor de eerste fase van de tweede vergoedingsperiode indien hij voor het einde van deze eerste fase :
   1° hetzij een als voldoende gekwalificeerd beroepsverleden als loontrekkende heeft bereikt;
   2° hetzij een blijvende graad van arbeidsongeschiktheid van ten minste 33 pct. heeft; het percentage van ongeschiktheid wordt vastgesteld overeenkomstig de procedure voorzien in artikel 141;
   3° hetzij de maand bereikt van zijn 55e verjaardag.
   Het variabel aantal maanden van de fase 2.0 van de tweede vergoedingsperiode bedraagt twee maanden per jaar beroepsverleden als loontrekkende, met een maximum van 10 maanden, gelegen na elke nieuwe eerste vergoedingsperiode.
   Het variabel aantal maanden van de deelfases 2.1 tot 2.4 van de tweede vergoedingsperiode bedraagt twee maanden per jaar beroepsverleden als loontrekkende dat resteert na de toepassing van het derde lid, met een maximum van 24 maanden, gelegen na elke nieuwe eerste vergoedingsperiode.
   In afwijking van het derde en het vierde lid, is de werknemer evenwel voor een onbepaalde duur gerechtigd op het uitkeringsbedrag voorzien voor de fase of de deelfase van de tweede vergoedingsperiode die gold op het tijdstip waarop hij :
   1° hetzij een als voldoende gekwalificeerd beroepsverleden als loontrekkende heeft bereikt;
   2° hetzij een blijvende graad van arbeidsongeschiktheid van ten minste 33 pct. heeft; het percentage van ongeschiktheid wordt vastgesteld overeenkomstig de procedure voorzien in artikel 141;
   3° hetzij de maand bereikt van zijn 55e verjaardag.
   Voor de toepassing van het tweede en het vijfde lid, wordt als een als voldoende gekwalificeerd beroepsverleden als loontrekkende beschouwd, een beroepsverleden van :
   - 20 jaar indien het tijdstip van de aanvang van de tweede vergoedingsperiode gelegen is vóór 1 november 2013;
   - 21 jaar indien dit tijdstip gelegen is tussen 31 oktober 2013 en 1 november 2014;
   - 22 jaar indien dit tijdstip gelegen is tussen 31 oktober 2014 en 1 november 2015;
   - 23 jaar indien dit tijdstip gelegen is tussen 31 oktober 2015 en 1 november 2016;
   [11 - 25 jaar indien dit tijdstip gelegen is na 31 oktober 2016.]11
   In afwijking van het vorige lid wordt de werknemer geacht te beschikken over een als voldoende gekwalificeerd beroepsverleden als loontrekkende indien hij voorheen reeds na het verstrijken van de eerste vergoedingsperiode beschikte over een als voldoende gekwalificeerd beroepsverleden als loontrekkende en hij na het bereiken van dit voldoende beroepsverleden ook effectief uitkeringen genoten heeft overeenkomstig de tweede vergoedingsperiode.
   § 3. In de derde vergoedingsperiode wordt het dagbedrag van de werkloosheidsuitkering bepaald op :
   1° het minimum dagbedrag van de werkloosheidsuitkering voorzien bij artikel 115, § 1, voor de werknemer met gezinslast;
   2° het minimum dagbedrag van de werkloosheidsuitkering voorzien bij artikel 115, § 1, voor alleenwonende werknemer;
   3° [12 15,12 euro]12 per dag voor de samenwonende werknemer.
   § 4. Wanneer twee samenwonende echtgenoten in de loop van een kalendermaand slechts beschikken over uitkeringen als volledig werkloze in de zin van artikel 27, 4°, en het dagbedrag van elke uitkering het maximum dagbedrag van de uitkering overeenkomstig dit artikel voor de samenwonende werknemer tijdens de eerste fase van de tweede vergoedingsperiode niet overschrijdt, wordt :
   1° [12 de werkloosheidsuitkering bedoeld in § 3, 3° verhoogd tot 20,35 euro;]12
   2° [12 de werkloosheidsuitkering die betrekking heeft op een deelfase 2.1 tot 2.4 van de tweede vergoedingsperiode verhoogd tot 20,35 euro, indien het overeenkomstig § 1 berekende bedrag lager zou zijn.]12
  [3 Voor de toepassing van het voorgaande lid wordt de persoon bedoeld in artikel 110, § 1, tweede lid, met de echtgeno(o)t(e) gelijkgesteld.]3
   § 5. [12 In afwijking van de voorgaande paragrafen bedraagt het dagbedrag van de werkloosheidsuitkering van de werknemer die geniet van de vrijstelling voorzien in artikel 90 :
   1° in geval van palliatieve zorg 8,03 euro;
   2° in de andere gevallen 8,03 euro gedurende de eerste vierentwintig maanden van de vrijstelling en 6,52 euro vanaf de vijfentwintigste maand van vrijstelling.]12
  [2 § 5bis. Deze paragraaf is van toepassing op de werknemer gedurende de periode van :
   1° vrijstelling voorzien in artikel 92;
   2° vrijstelling voorzien in artikel 93, voor zover de vrijstelling toegekend is voor studies die voorbereiden op een beroep waarvoor een significant tekort aan arbeidskrachten bestaat;
   3° vrijstelling voorzien in artikel 94, § 5;
   4° zes maanden, gerekend van datum tot datum, volgend op de vrijstelling bedoeld in 1°, 2° of 3°, indien de werkloze het bewijs indient dat hij zijn opleiding of studies succesvol beëindigd heeft.
   Deze paragraaf is evenwel niet van toepassing indien de periode van vrijstelling een aanvang neemt in de derde vergoedingsperiode.
   Onverminderd de toepassing van § 5, wordt het dagbedrag van de werkloosheidsuitkering, dat vastgesteld werd overeenkomstig de andere paragrafen van dit artikel, gedurende de periode bedoeld in het eerste lid, als volgt vastgesteld :
   1° indien de periode van vrijstelling een aanvang neemt in de eerste vergoedingsperiode, stemt het dagbedrag, vanaf de aanvang van de tweede vergoedingsperiode overeen met het bedrag geldend voor de eerste fase van de tweede vergoedingsperiode;
   2° indien de periode van vrijstelling een aanvang neemt in de tweede vergoedingsperiode, stemt het dagbedrag overeen met het bedrag geldend voor de fase van de tweede vergoedingsperiode waarin de vrijstelling een aanvang neemt.
   Het voordeel dat toegekend werd gedurende de in het eerste lid bedoelde periode heeft, voor de daarop volgende periode, geen invloed op de vaststelling van de toepasselijke vergoedingsperiode en fase.]2
   § 6. Het dagbedrag van de werkloosheidsuitkering van de tijdelijk werkloze wordt vastgesteld op [7 65]7 pct. van het gemiddeld dagloon.
   [4 ...]4
   De in deze paragraaf bedoelde uitkering wordt vastgesteld rekening houdend met het in artikel 111 bedoelde grensbedrag C.
   Voor de werknemer die de inkomensgarantie-uitkering geniet en tijdelijk werkloos wordt gesteld, is het dagbedrag van de werkloosheidsuitkering gelijk aan het bedrag van de referte-uitkering vastgesteld krachtens artikel 131bis, § 2, derde lid of § 2bis, vijfde lid, gedeeld door 26.
  [9 § 6bis. In afwijking van de vorige paragrafen stemt het dagbedrag van de werkloosheidsuitkering voor de leerling overeen met het bedrag bepaald in artikel 124, eerste lid, voor de werknemer die jonger is dan 18 jaar, wanneer de uitvoering van de leerovereenkomstig tijdelijk geheel of gedeeltelijk wordt geschorst. Artikel 115 is niet van toepassing op deze bedragen.]9
   § 7. In afwijking van de paragrafen 1 tot 5 wordt voor de volledig werkloze die een werknemer was bedoeld in artikel 31, vierde lid, van de wet van 23 december 2005 betreffende het generatiepact, het dagbedrag van de werkloosheidsuitkering tijdens de periode van inschrijving in de tewerkstellingscel in toepassing van artikel 34 van de voormelde wet van 23 december 2005, doch beperkt tot de periode bedoeld in artikel 36, tweede lid, van de voormelde wet van 23 december 2005, vastgesteld overeenkomstig § 6.
   § 8. Voor de vaststelling van de referte-uitkering vastgesteld krachtens artikel 131bis, § 2, derde lid, of § 2bis, vijfde lid, met het oog op de berekening van de inkomensgarantie-uitkering wordt :
   1° voor de werknemer met gezinslast en voor de alleenwonende werknemer die gerechtigd zijn op het dagbedrag voorzien voor de deelfases 2.1 tot 2.4 van de tweede vergoedingsperiode of voor de derde vergoedingsperiode, gebruik gemaakt van het dagbedrag voorzien voor de eerste fase van de tweede vergoedingsperiode, vermenigvuldigd met 26;
   2° voor de samenwonende werknemers die gerechtigd zijn op het dagbedrag voorzien voor de deelfases 2.1 tot 2.4 van de tweede vergoedingsperiode, gebruik gemaakt van het dagbedrag voorzien voor de eerste fase van de tweede vergoedingsperiode, vermenigvuldigd met 26.]1
  [5 Voor de toepassing van het eerste lid wordt, in het geval bedoeld in artikel 104, § 1bis, als "dagbedrag" verstaan het bedrag dat bekomen wordt door de toepassing van de formule "(halve daguitkering/6) x het aantal halve uitkeringen voorzien in het wekelijks uitkeringsstelsel bedoeld in artikel 103". Het aldus bekomen bedrag wordt afgerond tot de hogere of lagere cent naargelang het gedeelte van een cent al dan niet 0,5 bereikt.]5
  ----------
  (1)<KB 2012-07-23/01, art. 19, 206; Inwerkingtreding : 01-11-2012>
  (2)<KB 2012-10-24/03, art. 2, 208; Inwerkingtreding : 01-11-2012. Geldt voor beslissingen die betrekking hebben op opleidingen of studies waarvan de studiecyclus ten vroegste aanvangt op 01-11-2012>
  (3)<KB 2013-01-22/02, art. 4, 212; Inwerkingtreding : 01-11-2012>
  (4)<KB 2013-03-28/04, art. 1, 213; Inwerkingtreding : 01-04-2013>
  (5)<KB 2013-06-07/03, art. 8, 216; Inwerkingtreding : 01-07-2013>
  (7)<KB 2014-12-30/06, art. 11, 235; Inwerkingtreding : 01-01-2015; zie ook KB 2014-12-30/06, art. 20, L2>
  (8)<KB 2015-04-15/02, art. 3, 236; Inwerkingtreding : 01-01-2015>
  (9)<KB 2014-07-01/09, art. 14, 237; Inwerkingtreding : 01-07-2015>
  (10)<KB 2015-07-20/04, art. 2, 241; Inwerkingtreding : 01-09-2015>
  (11)<KB 2016-02-05/03, art. 1, 249; Inwerkingtreding : 26-02-2016>
  (12)<KB 2017-09-03/06, art. 2, 265; Inwerkingtreding : 01-09-2017>

  Art. 115.[1 § 1. Het minimum dagbedrag van de werkloosheidsuitkering wordt, voor de werknemer niet bedoeld in artikel 114, § 5, gedurende de eerste en de tweede vergoedingsperiode, bedoeld in artikel 114, vastgesteld op :
   1° 34,92 euro voor de werknemer met gezinslast;
   2° 28,91 euro voor de alleenwonende werknemer.
   § 2. Het minimum dagbedrag van de werkloosheidsuitkering voor de samenwonende werknemer niet bedoeld in artikel 114, § 5, wordt :
   1° gedurende de eerste vergoedingsperiode en gedurende de fase 1 en de fase 2.0 van de tweede vergoedingsperiode, bedoeld in artikel 114, vastgesteld op 21,46 euro;
   2° gedurende de deelfases 2.1 tot 2.4 van de tweede vergoedingsperiode, bedoeld in artikel 114, vastgesteld op :
   a) het bedrag dat vastgesteld wordt voor de betreffende fase door de toepassing van de formule bedoeld in artikel 114, § 1, derde lid, op een basisbedrag van 21,46 euro, waarbij het verlaagd forfaitbedrag vervangen wordt door het bedrag bedoeld in artikel 114, § 3, 3°;
   b) in het geval bedoeld in artikel 114, § 4, op 20,35 euro.
   § 3. Het verlaagd forfaitbedrag bedoeld in artikel 114, § 1, derde en vierde lid, bedraagt :
   1° 33,74 euro voor de werknemer met gezinslast;
   2° 28,34 euro voor de alleenwonende werknemer;
   3° 19,66 euro voor de samenwonende werknemer bedoeld in artikel 114, § 4;
   4° 14,97 euro voor de samenwonende werknemer niet bedoeld in artikel 114, § 4.]1
  ----------
  (1)<KB 2017-09-03/06, art. 3, 265; Inwerkingtreding : 01-09-2017>

  Art. 116.[1 § 1. Het dagbedrag van de werkloosheidsuitkering van de volledig werkloze wordt opnieuw vastgesteld vanaf de eerste fase van de eerste vergoedingsperiode bedoeld in artikel 114, na een werkhervatting als voltijdse werknemer gedurende een periode van ten minste 12 maanden tijdens een referteperiode van 18 maanden.
   Het dagbedrag van de werkloosheidsuitkering van de volledig werkloze wordt opnieuw vastgesteld vanaf de eerste fase van de eerste vergoedingsperiode bedoeld in artikel 114, na een werkhervatting als deeltijdse werknemer met behoud van rechten wanneer de inkomensgarantie-uitkering niet is toegekend, gedurende een periode van :
   1° 24 maanden, tijdens een referteperiode van 33 maanden, wanneer de deeltijdse arbeidsregeling gemiddeld per week 18 uren bedraagt of ten minste de helft bedraagt van het normaal gemiddeld wekelijks aantal arbeidsuren van de maatman;
   2° 36 maanden, tijdens een referteperiode van 45 maanden, wanneer de deeltijdse arbeidsregeling niet gemiddeld per week het aantal uren omvat voorzien in 1°, maar tenminste gemiddeld per week 12 uren omvat of ten minste het derde bedraagt van het normaal gemiddeld wekelijks aantal arbeidsuren van de maatman.
   Het dagbedrag van de werkloosheidsuitkering van de volledig werkloze wordt opnieuw vastgesteld vanaf de eerste fase van de eerste vergoedingsperiode bedoeld in artikel 114, na een werkhervatting als deeltijdse werknemer met behoud van rechten met inkomensgarantie-uitkering, gedurende een periode van 24 maanden, tijdens een referteperiode van 33 maanden, wanneer de deeltijdse arbeidsregeling gemiddeld per week 18 uren bedraagt of ten minste de helft bedraagt van het normaal gemiddeld wekelijks aantal arbeidsuren van de maatman.
   Het voordeel dat toegekend werd krachtens het vorige lid vervalt voor de periode tijdens dewelke de werknemer het werk hervat als deeltijdse werknemer bij dezelfde werkgever, indien de werkhervatting plaats vindt binnen de periode van 3 maanden te rekenen vanaf de aanvang van de eerste fase van de eerste vergoedingsperiode bedoeld in het vorige lid.
   De nieuwe vaststelling van het dagbedrag van de werkloosheidsuitkering bedoeld in deze paragraaf kan slechts plaats vinden ter gelegenheid van een uitkeringsaanvraag zoals bedoeld in artikel 133, § 1, 2°.
   Onverminderd het vorige lid, vangt in de gevallen voorzien in het tweede of in het derde lid, de eerste fase van de eerste vergoedingsperiode bedoeld in artikel 114, evenwel slechts aan vanaf de eerste dag waarop de werknemer volledig uitkeringsgerechtigde werkloze voor alle dagen van de week wordt op het einde van zijn deeltijdse tewerkstelling.
   De referteperiodes bedoeld in deze paragraaf worden verlengd met de dagen waarvoor de werknemer onderbrekingsuitkeringen geniet.
  [2 § 1bis. Onverminderd de toepassing van § 1, wordt voor de werknemer die artistieke activiteiten heeft verricht, het dagbedrag van de werkloosheidsuitkering van de volledig werkloze opnieuw vastgelegd vanaf de eerste fase van de eerste vergoedingsperiode bedoeld in artikel 114, na een werkhervatting ten belope van 156 arbeidsdagen in de zin van artikel 37 van het koninklijk besluit ingevolge artistieke activiteiten, gedurende een referteperiode van 18 maanden.
   In afwijking van het vorige lid kan, om de 156 dagen bedoeld in het vorige lid te bewijzen, echter rekening gehouden worden met de arbeidsdagen in de zin van artikel 37 van het koninklijk besluit ingevolge niet-artistieke activiteiten ten belope van maximum 52 dagen.
   Het dagbedrag van de werkloosheidsuitkering bedoeld in deze paragraaf wordt evenwel slechts op vraag van de werknemer opnieuw vastgelegd.]2
  [2 § 1ter. Onverminderd de toepassing van § 1 wordt het dagbedrag van de werkloosheidsuitkering van de volledig werkloze opnieuw vastgelegd vanaf de eerste fase van de eerste vergoedingsperiode bedoeld in artikel 114, na een werkhervatting ten belope van 156 arbeidsdagen in de zin van artikel 37 van het koninklijk besluit ingevolge technische activiteiten in de artistieke sector in het kader van overeenkomsten van zeer korte duur zoals bepaald in § 8, gedurende een referteperiode van 18 maanden.
   In afwijking van het vorige lid kan, om de 156 dagen bedoeld in het vorige lid te bewijzen, echter rekening gehouden worden met de arbeidsdagen in de zin van artikel 37 van het koninklijk besluit ingevolge activiteiten in een andere sector dan de artistieke sector, ten belope van maximum 52 dagen.
   Het dagbedrag van de werkloosheidsuitkering bedoeld in deze paragraaf wordt evenwel slechts op vraag van de werknemer opnieuw vastgelegd.]2
   § 2. Onverminderd de toepassing van § 1, wordt de fase of de deelfase van de vergoedingsperiode die vastgesteld werd overeenkomstig artikel 114, verlengd indien deze onderbroken wordt door :
   1° de navermelde tewerkstellingen, indien de duur ervan ten minste drie maanden bedraagt :
   a) een tewerkstelling als voltijdse werknemer;
   b) een voltijdse tewerkstelling als minder-valide werkloze in toepassing van artikel 78;
   c) een periode van tewerkstelling als deeltijdse werknemer met behoud van rechten, voor dewelke de inkomensgarantie-uitkering niet is toegekend;
   2° de navermelde gebeurtenissen, indien de ononderbroken duur ervan ten minste drie maanden bedraagt :
   a) een beroepsopleiding in de zin van artikel 27, 6°, met een wekelijks aantal uren dat overeenstemt met een voltijdse arbeidsregeling;
   b) samenwoonst in het buitenland met een Belg werkzaam in het kader van de stationering van de Belgische Strijdkrachten;
   3° de navermelde gebeurtenissen, indien de ononderbroken duur ervan ten minste zes maanden bedraagt :
   a) de uitoefening van een beroep dat niet valt onder de sociale zekerheid, sector werkloosheid;
   b) [4 het genot van de vrijstelling bedoeld in artikel 90 voor de werkloze die mantelzorg verleent;]4
   c) een hervatting van studies met volledig leerplan gedurende dewelke geen enkele uitkering is toegekend;
   4° de periode tijdens dewelke een werknemer onderbrekingsuitkeringen geniet omdat hij zijn beroepsloopbaan onderbreekt of zijn arbeidsprestaties vermindert, ongeacht de duur van die periode.
   In de gevallen bedoeld in het eerste lid, 1°, wordt de fase of de deelfase verlengd met een aantal maanden dat bekomen wordt door het aantal dagen gelegen in de periode van tewerkstelling, met uitsluiting van de zondagen en verminderd met de dagen van onderbreking, te delen door 26, op voorwaarde dat dit resultaat ten minste drie eenheden bedraagt. Het bekomen resultaat wordt naar de lagere eenheid afgerond. In voorkomend geval worden de periodes van tewerkstelling die onmiddellijk voorafgaan aan, of volgen op, een periode waarvoor de werknemer onderbrekingsuitkeringen geniet, samengevoegd.
   In de gevallen bedoeld in het eerste lid, 2°, 3° en 4°, wordt de werkloosheidsperiode verlengd met de duur van de gebeurtenis. Bij de vaststelling van de duur van de gebeurtenis wordt slechts rekening gehouden met volledige maanden.
  [5 Om te genieten van § 2, eerste lid, 2°, a), moet de werkloze op het einde van de beroepsopleiding een attest van de bevoegde regionale instantie bezorgen die de ononderbroken duur en het aantal uren van de opleiding bevestigt.]5
   § 3. [Onverminderd de toepassing van de §§ 1 en 2, is de werknemer die hoofdzakelijk tewerkgesteld in de hotelnijverheid, na verstrijken van de derde fase van de eerste vergoedingsperiode voor een periode van twaalf maanden gerechtigd op de daguitkering voorzien in deze derde fase, evenwel berekend in functie van het grensbedrag A bedoeld in artikel 111, indien hij aantoont dat hij in een referteperiode van achttien maanden voorafgaand aan het verstrijken van deze derde fase, 156 arbeidsdagen of gelijkgestelde dagen heeft verricht in het hotelbedrijf, waarvan 78 ononderbroken.] (ERRATUM, zie B.St. 24-10-2016, p. 71502)
   Het voordeel van het eerste lid wordt opnieuw toegekend voor twaalf maanden, aansluitend aan de voorheen toegekende periode van twaalf maanden, indien de werknemer aantoont dat hij in een referteperiode van achttien maanden die het verstrijken van het voorheen toegekende voordeel voorafgaat, opnieuw voldoet aan de vereisten van het eerste lid.
   § 4. [5 Onverminderd de toepassing van § 1 en in afwijking van de §§ 2 en 3 wordt, voor de vaststelling van het dagbedrag van de uitkering van de werknemer die een voltijdse beroepsopleiding volgt in de zin van artikel 27, 6°, waarvan de ononderbroken duur ten minste vier weken bedraagt, of die voltijds tewerkgesteld is als mindervalide werkloze in toepassing van artikel 78, gedurende de duur van deze gebeurtenis, rekening gehouden met de fase van de vergoedingsperiode waarin hij zich bevindt de eerste dag van die gebeurtenis.]5
   § 5. [2 Onverminderd de toepassing van de §§ 1 en 2, heeft de werknemer die artistieke activiteiten heeft uitgeoefend, op zijn vraag, bij het verstrijken van de derde fase van de eerste vergoedingsperiode voor een periode van twaalf maanden recht op de daguitkering voorzien voor deze derde fase, evenwel berekend in functie van het grensbedrag A bepaald in artikel 111, indien hij tijdens een referteperiode van achttien maanden voorafgaand aan het verstrijken van deze derde fase minstens 156 arbeidsdagen aantoont, in de zin van artikel 37 van het koninklijk besluit, ingevolge artistieke activiteiten.
   In afwijking van het vorige lid kan, om de 156 dagen bedoeld in het vorige lid te aan te tonen, echter rekening gehouden worden met de arbeidsdagen in de zin van artikel 37 van het koninklijk besluit ingevolge niet-artistieke activiteiten, ten belope van maximum 52 dagen.
   De referteperiode van achttien maanden bedoeld in het eerste lid wordt verlengd met de dagen gelegen in de periode van arbeidsongeschiktheid die aanleiding heeft gegeven tot de betaling van een vergoeding in toepassing van de wetgeving betreffende de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen, of van een vergoeding van de schade die voortvloeit uit arbeidsongevallen, ongevallen op de weg van en naar het werk en beroepsziekten, indien de ononderbroken duur ervan ten minste drie maanden bedraagt.
   Het voordeel van het eerste lid wordt op zijn vraag opnieuw toegekend voor twaalf maanden, indien de werknemer in een referteperiode van twaalf maanden, die het verstrijken van het voorheen toegekende voordeel voorafgaat, minstens 3 artistieke prestaties aantoont die overeenstemmen met minstens 3 arbeidsdagen in de zin van artikel 37 van het koninklijk besluit.
   De referteperiode van twaalf maanden bedoeld in het vorige lid wordt verlengd met de dagen gelegen in de periode van arbeidsongeschiktheid die aanleiding heeft gegeven tot de betaling van een vergoeding in toepassing van de wetgeving betreffende de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen, of van een vergoeding van de schade die voortvloeit uit arbeidsongevallen, ongevallen op de weg van en naar het werk en beroepsziekten, indien de ononderbroken duur ervan ten minste drie maanden bedraagt.
   De periode van twaalf maanden bedoeld in het eerste lid, wordt verlengd overeenkomstig § 2 en met de dagen gelegen in de periode van arbeidsongeschiktheid die aanleiding heeft gegeven tot de betaling van een vergoeding in toepassing van de wetgeving betreffende de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen, of van een vergoeding van de schade die voortvloeit uit arbeidsongevallen, ongevallen op de weg van en naar het werk en beroepsziekten, indien de ononderbroken duur ervan ten minste drie maanden bedraagt.]2
  [2 § 5bis. Onverminderd de toepassing van de §§ 1 en 2, heeft de werknemer die niet-artistieke activiteiten heeft uitgeoefend, op zijn vraag, bij het verstrijken van de derde fase van de eerste vergoedingsperiode voor een periode van twaalf maanden recht op de daguitkering voorzien voor deze derde fase, evenwel berekend in functie van het grensbedrag A bepaald in artikel 111, indien hij tijdens een referteperiode van achttien maanden voorafgaand aan het verstrijken van deze derde fase minstens 156 arbeidsdagen aantoont, in de zin van artikel 37 van het koninklijk besluit, ingevolge technische activiteiten in de artistieke sector in het kader van arbeidsovereenkomsten van zeer korte duur zoals bedoeld in § 8.
   In afwijking van het vorige lid kan, om de 156 dagen bedoeld in het vorige lid te bewijzen, echter rekening gehouden worden met de arbeidsdagen in de zin van artikel 37 van het koninklijk besluit ingevolge activiteiten in een andere sector dan de artistieke sector, ten belope van maximum 52 dagen.
   De referteperiode van achttien maanden bedoeld in het eerste lid wordt verlengd met de dagen gelegen in de periode van arbeidsongeschiktheid die aanleiding heeft gegeven tot de betaling van een vergoeding in toepassing van de wetgeving betreffende de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen, of van een vergoeding van de schade die voortvloeit uit arbeidsongevallen, ongevallen op de weg van en naar het werk en beroepsziekten, indien de ononderbroken duur ervan ten minste drie maanden bedraagt.
   Het voordeel van het eerste lid wordt op zijn vraag opnieuw toegekend voor twaalf maanden, indien de werknemer in een referteperiode van twaalf maanden, die het verstrijken van het voorheen toegekende voordeel voorafgaat, minstens 3 arbeidsovereenkomsten van zeer korte duur aantoont die overeenstemmen met minstens 3 arbeidsdagen in de zin van artikel 37 van het koninklijk besluit, ingevolge technische activiteiten in de artistieke sector.
   De referteperiode van achttien maanden bedoeld in het vorige lid wordt verlengd met de dagen gelegen in de periode van arbeidsongeschiktheid die aanleiding heeft gegeven tot de betaling van een vergoeding in toepassing van de wetgeving betreffende de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen, of van een vergoeding van de schade die voortvloeit uit arbeidsongevallen, ongevallen op de weg van en naar het werk en beroepsziekten, indien de ononderbroken duur ervan ten minste drie maanden bedraagt.
   De periode van twaalf maanden bedoeld in het eerste lid, wordt verlengd overeenkomstig § 2 en met de dagen gelegen in de periode van arbeidsongeschiktheid die aanleiding heeft gegeven tot de betaling van een vergoeding in toepassing van de wetgeving betreffende de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen, of van een vergoeding van de schade die voortvloeit uit arbeidsongevallen, ongevallen op de weg van en naar het werk en beroepsziekten, indien de ononderbroken duur ervan ten minste drie maanden bedraagt.]2
   § 6. Voor de toepassing van de §§ 1 en 2 wordt de werkhervatting in een arbeidsregeling waarvan de factor Q meer bedraagt dan vier vijfden van de factor S, gelijkgesteld met een werkhervatting als voltijdse werknemer.
   § 7. De werknemer bedoeld in artikel 28, § 3, wordt beschouwd als een werknemer die zich bevindt in de eerste fase van de eerste vergoedingsperiode, bedoeld in artikel 114, § 1, doch het dagbedrag van zijn werkloosheidsuitkering wordt vastgesteld op 60 pct. van het gemiddeld dagloon.]1
  [2 § 8. Voor de toepassing van de § § 1ter en 5bis, moet worden verstaan onder arbeidsovereenkomst van zeer korte duur, de arbeidsovereenkomst met een duur van minder dan 3 maanden.
   Voor de toepassing van de § § 1ter en 5bis, moet worden verstaan onder technische activiteiten in de artistieke sector, de activiteiten uitgeoefend als technicus of in een ondersteunende functie, die bestaan in :
   1° de medewerking aan de voorbereiding of aan de publieke vertoning van een intellectueel werk waaraan minstens één artiest van het spektakelbedrijf fysiek deelneemt of aan de opname van een dergelijk werk;
   2° de medewerking aan de voorbereiding of de vertoning van een cinematografisch werk;
   3° de medewerking aan de voorbereiding of de uitzending van een radio- of televisieprogramma van artistieke aard;
   4° de medewerking aan de voorbereiding of de realisatie van een publieke tentoonstelling van een kunstwerk in het domein van de plastische kunsten.]2
  ----------
  (1)<KB 2012-07-23/01, art. 21, 206; Inwerkingtreding : 01-11-2012>
  (2)<KB 2014-02-07/08, art. 6, 224; Inwerkingtreding : 01-04-2014>
  (3)<KB 2014-12-30/06, art. 12, 235; Inwerkingtreding : 01-01-2015; zie ook KB 2014-12-30/06, art. 20, L2>
  (4)<KB 2015-04-15/02, art. 4, 236; Inwerkingtreding : 01-01-2015>
  (5)<KB 2017-10-08/07, art. 6, 270; Inwerkingtreding : 16-11-2017>

  Art. 117.[1 Voor de toepassing van artikel 114 op de vrijwillig deeltijdse werknemer wordt er tevens rekening gehouden met de vergoedingsperiodes waarvoor hij voorheen werkloosheidsuitkeringen ontving volgens het uitkeringsstelsel voor voltijdse werknemers bedoeld in artikel 100. Deze bepaling geldt tot op het tijdstip waarop de werknemer in toepassing van artikel 116, § 1, als vrijwillig deeltijdse werknemer gerechtigd is op een nieuwe eerste vergoedingsperiode.]1
  [2 Voor de toepassing van artikel 116 op de vrijwillig deeltijdse werknemer wordt een werkhervatting die beantwoordt aan de voorwaarden van artikel 33, 1°, gelijkgesteld met een werkhervatting als voltijdse werknemer, voor zover de werknemer gedurende de werkhervatting geen inkomensgarantie-uitkering in toepassing van artikel 104, § 1bis ontving.]2
  Voor de toepassing van artikel 116, § 3, op de vrijwillig deeltijdse werknemer in het hotelbedrijf, worden de halve arbeidsdagen beschouwd als arbeidsdagen.
  ----------
  (1)<KB 2012-07-23/01, art. 22, 206; Inwerkingtreding : 01-11-2012>
  (2)<KB 2013-06-07/03, art. 9, 216; Inwerkingtreding : 01-07-2013>

  Art. 118.§ 1. In geval van volledige werkloosheid blijft het gemiddeld dagloon dat bij de aanvang van de werkloosheid in aanmerking werd genomen behouden als berekeningsbasis voor de werkloosheidsuitkering gedurende de gehele duur van de werkloosheid.
  (Deze berekeningsbasis wordt evenwel herzien wanneer de werknemer een nieuwe uitkeringsaanvraag indient ten minste 24 maanden na zijn recentste uitkeringsdag als volledig werkloze, op voorwaarde dat er in deze periode een loon is dat in toepassing van de regelen bepaald krachtens artikel 119, 1°, in aanmerking kan worden genomen als berekeningsbasis.) <KB 2007-12-20/84, art. 1, 171; Inwerkingtreding : 01-02-2008>
  Het voorgaande lid is evenwel niet van toepassing wanneer de werknemer een nieuwe uitkeringsaanvraag indient na een periode van onderbreking van de werkloosheid:
  1° (opgeheven) <KB 2007-12-20/84, art. 1, 171; Inwerkingtreding : 01-02-2008>
  2° (opgeheven) <KB 2007-12-20/84, art. 1, 171; Inwerkingtreding : 01-02-2008>
  3° (opgeheven) <KB 2007-12-20/84, art. 1, 171; Inwerkingtreding : 01-02-2008>
  (4° tijdens dewelke hij de hoedanigheid had van deeltijdse werknemer met behoud van rechten.) <KB 1993-05-25/30, art. 14, 021; Inwerkingtreding : 01-03-1993>
  (5° indien het een werknemer betreft die het werk heeft hervat na 30 juni 2000 en ten minste 45 jaar was op het tijdstip van de werkhervatting, en voor zover het loon dat voorheen als berekeningsbasis gold, hoger is dan het laatste loon.) <KB 2000-07-09/32, art. 3, 090; Inwerkingtreding : 01-07-2000>
  (6° indien het een onderbreking betreft zoals bedoeld in artikel 42, § 2, 7°.) <KB 2006-09-24/45, art. 3, 156; Inwerkingtreding : 01-01-2006>
  § 2. In afwijking van § 1 wordt de berekeningsbasis bovendien herzien:
  1° (voor de werknemer bedoeld in artikel 28, § 3, bij elke wijziging van de conventionele loonschaal die op hem van toepassing is en telkens hij onder de toepassing van een andere loonschaal valt;) <KB 2009-01-11/36, art. 5, 178; Inwerkingtreding : 01-01-2009>
  2° voor de werknemer waarvoor de bijdragen voor de sociale zekerheid, sector werkloosheid, ingehouden worden op een forfaitair dagloon, ter gelegenheid van elke uitkeringsaanvraag volgend op een werkhervatting gedurende ten minste vier weken.
  § 3. (In geval van tijdelijke werkloosheid blijft het gemiddeld dagloon dat bij de aanvang van de tijdelijke werkloosheid in aanmerking werd genomen behouden als berekeningsbasis voor latere periodes van tijdelijke werkloosheid.
  Het bedrag wordt evenwel herzien :
  1° indien de tijdelijke werkloze overeenkomstig artikel 133, § 1, 4° een uitkeringsaanvraag moet indienen [1 , behalve indien dit bedrag reeds in toepassing van de voormelde bepaling werd herzien sinds de recentste datum van 1 oktober voorafgaand aan de uitkeringsaanvraag voor een periode van tijdelijke werkloosheid bij dezelfde werkgever]1;
  2° indien de tijdelijk werkloze overeenkomstig artikel 133, § 1, 5°, een uitkeringsaanvraag moet indienen, behalve indien het bedrag reeds in toepassing van artikel 133, § 1, 4° werd herzien sinds de recentste datum van 1 oktober voorafgaand aan de uitkeringsaanvraag.
  Het voorgaande lid is evenwel niet van toepassing wanneer navermelde voorwaarden gelijktijdig vervuld zijn :
  1° het betreft een werknemer die het werk heeft hervat na 30 juni 2000 en ten minste 45 jaar was op het tijdstip van de werkhervatting;
  2° het loon dat voorheen als berekeningsbasis gold, is hoger dan het laatste loon;
  3° het betreft geen uitkeringsaanvraag volgend op een vrijwillige vermindering van de wekelijkse arbeidsduur.) <KB 2006-09-24/46, art. 1, 157; Inwerkingtreding : 01-10-2006>
  ----------
  (1)<KB 2016-09-11/03, art. 7, 255; Inwerkingtreding : 01-10-2016>

  Art. 118 TOEKOMSTIG RECHT.


   § 1. In geval van volledige werkloosheid blijft het gemiddeld dagloon dat bij de aanvang van de werkloosheid in aanmerking werd genomen behouden als berekeningsbasis voor de werkloosheidsuitkering gedurende de gehele duur van de werkloosheid.
  (Deze berekeningsbasis wordt evenwel herzien wanneer de werknemer een nieuwe uitkeringsaanvraag indient ten minste 24 maanden na zijn recentste uitkeringsdag als volledig werkloze, op voorwaarde dat er in deze periode een loon is dat in toepassing van de regelen bepaald krachtens artikel 119, 1°, in aanmerking kan worden genomen als berekeningsbasis.) <KB 2007-12-20/84, art. 1, 171; Inwerkingtreding : 01-02-2008>
  Het voorgaande lid is evenwel niet van toepassing wanneer de werknemer een nieuwe uitkeringsaanvraag indient na een periode van onderbreking van de werkloosheid:
  1° (opgeheven) <KB 2007-12-20/84, art. 1, 171; Inwerkingtreding : 01-02-2008>
  2° (opgeheven) <KB 2007-12-20/84, art. 1, 171; Inwerkingtreding : 01-02-2008>
  3° (opgeheven) <KB 2007-12-20/84, art. 1, 171; Inwerkingtreding : 01-02-2008>
  (4° tijdens dewelke hij de hoedanigheid had van deeltijdse werknemer met behoud van rechten.) <KB 1993-05-25/30, art. 14, 021; Inwerkingtreding : 01-03-1993>
  (5° indien het een werknemer betreft die het werk heeft hervat na 30 juni 2000 en ten minste 45 jaar was op het tijdstip van de werkhervatting, en voor zover het loon dat voorheen als berekeningsbasis gold, hoger is dan het laatste loon.) <KB 2000-07-09/32, art. 3, 090; Inwerkingtreding : 01-07-2000>
  (6° indien het een onderbreking betreft zoals bedoeld in artikel 42, § 2, 7°.) <KB 2006-09-24/45, art. 3, 156; Inwerkingtreding : 01-01-2006>
  § 2. In afwijking van § 1 wordt de berekeningsbasis bovendien herzien:
  1° (voor de werknemer bedoeld in artikel 28, § 3, bij elke wijziging van de conventionele loonschaal die op hem van toepassing is en telkens hij onder de toepassing van een andere loonschaal valt;) <KB 2009-01-11/36, art. 5, 178; Inwerkingtreding : 01-01-2009>
  2° voor de werknemer waarvoor de bijdragen voor de sociale zekerheid, sector werkloosheid, ingehouden worden op een forfaitair dagloon, ter gelegenheid van elke uitkeringsaanvraag volgend op een werkhervatting gedurende ten minste vier weken.
  § 3. (In geval van tijdelijke werkloosheid blijft het gemiddeld dagloon dat bij de aanvang van de tijdelijke werkloosheid in aanmerking werd genomen behouden als berekeningsbasis voor latere periodes van tijdelijke werkloosheid.
  [2 Het bedrag wordt evenwel herzien indien de tijdelijk werkloze overeenkomstig artikel 133, § 1, 4°, een uitkeringsaanvraag moet indienen.]2
  Het voorgaande lid is evenwel niet van toepassing wanneer navermelde voorwaarden gelijktijdig vervuld zijn :
  1° het betreft een werknemer die het werk heeft hervat na 30 juni 2000 en ten minste 45 jaar was op het tijdstip van de werkhervatting;
  2° het loon dat voorheen als berekeningsbasis gold, is hoger dan het laatste loon;
  3° het betreft geen uitkeringsaanvraag volgend op een vrijwillige vermindering van de wekelijkse arbeidsduur.) <KB 2006-09-24/46, art. 1, 157; Inwerkingtreding : 01-10-2006>
  

----------
  (1)<KB 2016-09-11/03, art. 7, 255; Inwerkingtreding : 01-10-2016>
  (2)<KB 2017-06-14/11, art. 1, 263; Inwerkingtreding : 01-01-2018>

  Art. 119.De Minister bepaalt na advies van het beheerscomité:
  (1° de voorwaarden die moeten vervuld zijn om een loon in aanmerking te nemen als berekeningsbasis voor de werkloosheidsuitkering en het loon dat geldt als berekeningsbasis bij ontstentenis van een loon;) <KB 2001-06-10/62, art. 2, 099; Inwerkingtreding : onbepaald>
  2° de berekeningswijze van het gemiddeld dagloon en loonschijven waarop de werkloosheidsuitkeringen worden berekend;
  3° wat verstaan wordt onder beroepsverleden als loontrekkende, evenals de voorwaarden en de modaliteiten volgens dewelke het beroepsverleden wordt berekend;
  4° [1 wat wordt verstaan onder "periode van werkhervatting" voor de toepassing van artikel 116, § 1, onder "dagen van onderbreking van de tewerkstelling" voor de toepassing van artikel 116, § 2 en onder "arbeidsdagen of gelijkgestelde dagen in het hotelbedrijf" voor de toepassing van artikel 116, § 3.]1
  ----------
  (1)<KB 2012-07-23/01, art. 23, 206; Inwerkingtreding : 01-11-2012>

  Onderafdeling 3. - Bedrag van de bijzondere werkloosheidsuitkering voor de minder-valide. (opgeheven) <KB 2003-04-08/47, art. 6, 128; Inwerkingtreding : 01-04-2003>

  Art. 120. (opgeheven) <KB 2003-04-08/47, art. 6, 128; Inwerkingtreding : 01-04-2003>

  Art. 121. (opgeheven) <KB 2003-04-08/47, art. 6, 128; Inwerkingtreding : 01-04-2003>

  Art. 122. (opgeheven) <KB 2003-04-08/47, art. 6, 128; Inwerkingtreding : 01-04-2003>

  Art. 123. (opgeheven) <KB 2003-04-08/47, art. 6, 128; Inwerkingtreding : 01-04-2003>

  Onderafdeling 4. - [1 Bedrag van de overbruggingsuitkering en de inschakelingsuitkering]1
  ----------
  (1)<KB 2011-12-28/29, art. 15, 203; Inwerkingtreding : 01-01-2012>

  Art. 124.[3 Het dagbedrag van de overbruggingsuitkering en van de inschakelingsuitkering wordt vastgesteld :
   1° voor de werknemer met gezinslast op 34,02 euro;
   2° voor de alleenwonende werknemer op:
   a) 9,53 euro, indien hij minder dan 18 jaar is;
   b) 14,97 euro, indien hij 18 tot minder dan 21 jaar is;
   c) 25,01 euro, indien hij 21 jaar is of ouder. In voorkomend geval wordt het overeenkomstig artikel 113 geïndexeerde bedrag verhoogd tot het dagbedrag van het leefloon bedoeld in de artikelen 14, § 1 en 50 van de wet van 26 mei 2002 betreffende het recht op maatschappelijke integratie, voor de alleenstaande persoon. Dit dagbedrag wordt bekomen door deling van het geïndexeerde jaarbedrag door 312, afgerond tot de hogere of lagere cent, naargelang de derde decimaal 5 bereikt of niet;
   3° voor de samenwonende werknemer :
   a) 8,01 euro indien hij minder dan 18 jaar is;
   b) 12,78 euro indien hij 18 jaar is of meer.]3
   [2 Wanneer echter een werknemer bedoeld in het eerste lid, 3°, samenwoont met een echtgeno(o)t(e) die in de loop van een kalendermaand slechts over vervangingsinkomens beschikt, dan wordt het dagbedrag van de uitkering vastgesteld op [3 8,68 euro]3 wanneer hij minder dan 18 jaar is en op [3 13,95 euro]3 wanneer hij 18 jaar of meer is. Voor de toepassing van deze bepaling wordt de persoon bedoeld in artikel 110, § 1, tweede lid, gelijkgesteld met een echtgeno(o)t(e).]2
  [1 In afwijking van het eerste lid, 1°, wordt het dagbedrag van de inschakelingsuitkering gedurende de eerste zestien maanden van werkloosheid, in voorkomend geval verlengd overeenkomstig de bepalingen van artikel 116, § 2, vastgesteld op [3 35,35 euro]3, indien de werknemer met gezinslast gedurende de beroepsinschakelingstijd, bedoeld in artikel 36, ten minste 78 arbeidsdagen in de zin van de artikelen 37 en 43 kan bewijzen.]1
  ----------
  (1)<KB 2012-07-23/01, art. 24, 206; Inwerkingtreding : 01-01-2012>
  (2)<KB 2015-07-20/04, art. 4, 241; Inwerkingtreding : 01-09-2015>
  (3)<KB 2017-09-03/06, art. 4, 265; Inwerkingtreding : 01-09-2017>

  Art. 125.[1 In afwijking van artikel 124 bedraagt het dagbedrag van de werkloosheidsuitkering van de werknemer die geniet van de vrijstelling voorzien in artikel 90 :
   1° in geval van palliatieve zorg 8,03 euro;
   2° in de andere gevallen 8,03 euro gedurende de eerste vierentwintig maanden van de vrijstelling en 6,52 euro vanaf de vijfentwintigste maand van vrijstelling.]1
  ----------
  (1)<KB 2017-09-03/06, art. 5, 265; Inwerkingtreding : 01-09-2017>

  Onderafdeling 5. - Anciënniteitstoeslag.

  Art. 126.[2 Het dagbedrag van de werkloosheidsuitkering bedoeld in artikel 114, wordt verhoogd met een anciënniteitstoeslag, indien de werkloze aan de volgende voorwaarden voldoet :]2
  1° [1 op de laatste dag van de beschouwde maand de leeftijd van 55 jaar bereikt hebben, behalve indien de werknemer voor 1 september 2012 reeds effectief een anciënniteitstoeslag genoot;]1
  2° volledig werkloos zijn;
  3° [2 zich niet bevinden in de eerste vergoedingsperiode, bedoeld in artikel 114, § 1;]2
  4° niet beschouwd worden als werknemer met gezinslast in de zin van artikel 110, § 1, eerste lid, 5° of 6°;
  5° [2 20 jaar beroepsverleden als loontrekkende bewijzen overeenkomstig hetgeen bepaald werd krachtens artikel 119, 3°;]2
  6° (opgeheven) <KB 1995-11-22/31, art. 40, 051; Inwerkingtreding : 01-01-1996>
  7° geen aanvullende vergoeding genieten toegekend in het kader van het [1 stelsel van werkloosheid met bedrijfstoeslag]1 of in het kader van het koninklijk besluit van 19 september 1980 betreffende het recht op werkloosheidsuitkeringen en op aanvullende vergoedingen van ontslagen bejaarde grensarbeiders of die volledig werkloos zijn gesteld;
  8° terwijl alle voorwaarden vervuld zijn om te kunnen genieten van een [1 stelsel van werkloosheid met bedrijfstoeslag, dit stelsel]1 niet geweigerd hebben en evenmin afstand gedaan hebben van de aanvullende vergoeding;
  [3 9° de werkloze heeft deze toeslag reeds effectief genoten [4 voor ten minste één dag gelegen in het kalenderjaar 2014]4.]3
  [2 De werknemer die voorheen reeds de anciënniteitstoeslag genoot en na een werkhervatting aanspraak zou kunnen maken op een terugkeer naar de eerste fase van de eerste vergoedingsperiode, is gerechtigd op de uitkering die geldt na de eerste twaalf maanden, met inbegrip van een anciënniteitstoeslag, indien hij voldoet aan de voorwaarden van het eerste lid, behalve de voorwaarde voorzien in dat lid, 3°, en voor zover deze uitkering hoger is dan de uitkering overeenkomstig de eerste vergoedingsperiode waarop hij aanspraak zou kunnen maken.]2
  [3 Wordt voor de toepassing van het eerste lid, 9°, gelijkgesteld met een werkloze die deze toeslag reeds effectief genoten heeft [4 voor ten minste één dag gelegen in het kalenderjaar 2014]4 :
   1° de werkloze die werkloosheidsuitkeringen aanvraagt ingevolge een ontslag in het kader van een collectief ontslag, op de leeftijd van ten minste 50 jaar en uiterlijk op 30 juni 2015, indien de mededeling door de werkgever van de intentie tot collectief ontslag zoals bedoeld in artikel 6 van de collectieve arbeidsovereenkomst nr. 24 van 2 oktober 1975 gelegen is in de periode van 1 oktober 2012 tot 30 november 2014;
   2° de werkloze die werkloosheidsuitkeringen aanvraagt ingevolge een ontslag in het kader van een collectief ontslag, indien de mededeling door de werkgever van de intentie tot collectief ontslag zoals bedoeld in artikel 6 van de collectieve arbeidsovereenkomst nr. 24 van 2 oktober 1975 gelegen is na 30 november 2014;
   3° de werkloze die werkloosheidsuitkeringen aanvraagt en die op het op het ogenblik van de beëindiging van de arbeidsovereenkomst 35 jaar beroepsverleden als loontrekkende in de zin van artikel 3, § 1 van het koninklijk besluit van 3 mei 2007 tot regeling van het stelsel van werkloosheid met bedrijfstoeslag kan rechtvaardigen;
   4° de werkloze die werkloosheidsuitkeringen aanvraagt en die tewerkgesteld was :
   a) ofwel minstens 5 jaar, gerekend van datum tot datum, in een zwaar beroep. Deze periode van 5 jaar moet gelegen zijn in de loop van de laatste 10 kalenderjaren, gerekend van datum tot datum, vóór het einde van de arbeidsovereenkomst;
   b) ofwel minstens 7 jaar, gerekend van datum tot datum, in een zwaar beroep. Deze periode van 7 jaar moet gelegen zijn in de loop van de laatste 15 kalenderjaren, gerekend van datum tot datum, vóór het einde van de arbeidsovereenkomst;
   c) ofwel minimaal 20 jaar in een arbeidsregime zoals bedoeld in artikel 1 van de collectieve arbeidsovereenkomst nr. 46 gesloten op 23 maart 1990 en algemeen verbindend verklaard bij koninklijk besluit van 10 mei 1990;
   d) ofwel door een werkgever die behoort tot het paritair comité van het bouwbedrijf, voor zover de werknemer beschikt over een attest dat zijn ongeschiktheid tot voortzetting van zijn beroepsactiviteit bevestigt, afgegeven door een arbeidsgeneesheer.
   Voor de toepassing van het derde lid, 4°, a) en b) wordt onder een zwaar beroep begrepen, het zwaar beroep in de zin van artikel 3, § 1 van het koninklijk besluit van 3 mei 2007 tot regeling van het stelsel van werkloosheid met bedrijfstoeslag.
   Voor de toepassing van het derde lid, 2° tot 4°, kan het recht op de anciënniteitstoeslag slechts worden toegekend indien de werknemer één jaar na de eerste uitkeringsaanvraag volgend op de in 2° en 4° bedoelde gebeurtenis, of na een uitkeringsaanvraag waarbij het in 3° vereiste beroepsverleden wordt aangetoond, de navermelde leeftijd heeft bereikt :
   1° 55 jaar vóór 1 januari 2016;
   2° 57 jaar op 1 januari 2016;
   3° 59 jaar op 1 januari 2017;
   4° 61 jaar op 1 januari 2018;
   5° 63 jaar op 1 januari 2019;
   6° 65 jaar op 1 januari 2020.]3
  ----------
  (1)<KB 2012-07-20/04, art. 1, 205; Inwerkingtreding : 01-09-2012>
  (2)<KB 2012-07-23/01, art. 25, 206; Inwerkingtreding : 01-11-2012>
  (3)<KB 2014-12-30/06, art. 14, 235; Inwerkingtreding : 01-01-2015>
  (4)<KB 2015-09-23/03, art. 1, 245; Inwerkingtreding : 01-01-2015>

  Art. 127.<KB 2007-06-19/35, art. 5, 170; Inwerkingtreding : 01-01-2008> § 1. [2 Het bedrag van de anciënniteitstoeslag wordt vastgesteld :
   1° voor de werknemer met gezinslast, niet bedoeld in 7°en 8°, op 3,54 euro;
   2° voor de alleenwonende werknemer, niet bedoeld in 3°, 7° en 8° op 5 pct. van het gemiddeld dagloon;
   3° [5 ...]5
   4° voor de samenwonende werknemer, niet bedoeld in 7° en 8°, die op de laatste dag van de beschouwde maand de leeftijd van 58 jaar bereikt heeft, op 15 pct. van het gemiddeld dagloon;
   5° voor de samenwonende werknemer, niet bedoeld in 7° en 8°, die op de laatste dag van de beschouwde maand de leeftijd van 55 jaar bereikt heeft, doch de leeftijd van 58 jaar niet bereikt heeft, op 10 pct. van het gemiddeld dagloon;
   6° [5 ...]5
   7° voor de werknemer wiens dagbedrag overeenstemt met het bedrag van de deelfases 2.1 tot 2.4, bedoeld in artikel 114, op het verschil tussen dat bedrag en het bedrag dat bekomen wordt door toepassing van de formule bedoeld in artikel 114, § 1, derde lid, rekening houdend met :
   a) een basisbedrag gelijk aan het bedrag waarop de werknemer in de fase 2.0 van de tweede vergoedingsperiode aanspraak zou kunnen maken, met inbegrip van de anciënniteitstoeslag voor de leeftijd die de werknemer de laatste dag van de lopende maand bereikt heeft en rekening houdend met het minimumbedrag voorzien in § 2;
   b) [5 b) het verlaagd forfaitbedrag bedoeld in artikel 115, § 3, met inbegrip van de anciënniteitstoeslag bedoeld in 8°;]5
   8° [5 voor de werknemer wiens dagbedrag overeenstemt met het bedrag voorzien in artikel 114, § 3, op 2,84 euro, in voorkomend geval, voor de werknemer met gezinslast, beperkt tot het verschil tussen het in punt 7°, a) bedoelde basisbedrag en het forfaitbedrag bedoeld in artikel 115, § 1, 1°.]5]2
  § 2. [5 Het minimumdagbedrag van de werkloosheidsuitkering, verhoogd met de anciënniteitstoeslag wordt vastgesteld :
   1° voor de werknemer met gezinslast, bedoeld in § 1, 1°, op 36,60 euro;
   2° voor de alleenwonende werknemer bedoeld in § 1, 2°, op 33,17 euro;
   3° voor de samenwonende werknemer bedoeld in § 1, 4°, op 29,73 euro;
   4° voor de samenwonende werknemer bedoeld in § 1, 5°, op 27,05 euro.]5
  ----------
  (1)<KB 2009-05-19/05, art. 3, 192; Inwerkingtreding : 01-05-2009>
  (2)<KB 2012-07-23/01, art. 26, 206; Inwerkingtreding : 01-11-2012>
  (3)<KB 2013-01-22/02, art. 5, 212; Inwerkingtreding : 01-11-2012>
  (4)<KB 2015-07-20/04, art. 6, 241; Inwerkingtreding : 01-09-2015>
  (5)<KB 2017-09-03/06, art. 6, 265; Inwerkingtreding : 01-09-2017>

  Art. 128.[1 Voor de toepassing van artikel 114, § 4, wordt geen rekening gehouden met het bedrag van de anciënniteitstoeslag.]1
  ----------
  (1)<KB 2012-07-23/01, art. 27, 206; Inwerkingtreding : 01-11-2012>

  Art. 129. (Opgeheven) <KB 2009-01-11/36, art. 8, 178; Inwerkingtreding : 01-01-2009>

  Onderafdeling 5bis. [1 - Werkhervattingstoeslag]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij KB 2012-12-20/02, art. 1, 211; Inwerkingtreding : 01-09-2012>

  Art. 129bis.<Ingevoegd bij KB 2002-06-11/35, art. 2; Inwerkingtreding : 01-07-2002> § 1. [In uitvoering van artikel 7, § 1, derde lid, p, van de besluitwet van 28 december 1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders kan de werkhervattingstoeslag toegekend worden aan de werknemer die het werk als loontrekkende werknemer hervat en die :
  1° [3 ...]3
  2° [2 ofwel volledig werkloos is wegens omstandigheden onafhankelijk van zijn wil in de zin van artikel 44, en voldoet aan de volgende voorwaarden :
   a) op de laatste dag van de maand van de werkhervatting de leeftijd van [3 55 jaar]3 bereikt hebben;
   b) niet beschouwd worden als werknemer met gezinslast in de zin van artikel 110, § 1, eerste lid, 5° of 6°;
   c) 20 jaar beroepsverleden als loontrekkende bewijzen overeenkomstig hetgeen bepaald werd krachtens artikel 119, 3°;
   d) geen bedrijfstoeslag genieten toegekend in het kader van het stelsel van werkloosheid met bedrijfstoeslag of geen aanvullende vergoeding in het kader van het koninklijk besluit van 19 september 1980 betreffende het recht op werkloosheidsuitkeringen en op aanvullende vergoedingen van ontslagen bejaarde grensarbeiders of die volledig werkloos zijn gesteld;
   e) terwijl alle voorwaarden vervuld zijn om te kunnen genieten van een stelsel van werkloosheid met bedrijfstoeslag, dit stelsel niet geweigerd hebben en evenmin afstand gedaan hebben van de bedrijfstoeslag.]2
  De werkhervattingstoeslag ten bedrage van 150 EUR per kalendermaand kan toegekend worden indien de werknemer gelijktijdig de volgende voorwaarden vervult :
  1° de werknemer dient een aanvraag in tot het bekomen van de werkhervattingstoeslag en hij voldoet op het tijdstip van de aanvang van de arbeidsovereenkomst en van de aanvraag, aan alle toelaatbaarheids- en toekenningsvoorwaarden om aanspraak te kunnen maken op uitkeringen;
  2° de werknemer is in de loop van de maand waarvoor de toeslag gevraagd wordt, verbonden door een arbeidsovereenkomst;
  3° de werknemer heeft voor de betreffende maand geen enkele uitkering als volledig werkloze overeenkomstig een uitkeringsstelsel voorzien in artikel 100 of 103, noch een uitkering in het kader van een volledige of gedeeltelijke beroepsloopbaanonderbreking of in het kader van het tijdskrediet, noch een uitkering in het kader van de ziekte- en invaliditeitsverzekering als volledig werkloze, ontvangen;
  4° de werknemer heeft voor de beschouwde periode geen inkomensgarantie-uitkering aangevraagd;
  5° [2 de werknemer geniet geen bedrijfstoeslag toegekend in het kader van het stelsel van werkloosheid met bedrijfstoeslag of geniet geen aanvullende vergoeding in het kader van het koninklijk besluit van 19 september 1980 betreffende het recht op werkloosheidsuitkeringen en op aanvullende vergoedingen van ontslagen bejaarde grensarbeiders of die volledig werkloos zijn gesteld;]2
  6° de werknemer heeft voorheen nog geen uitkering genoten als bedoeld in 5°.
  Het feit dat de werknemer niet gerechtigd is op uitkeringen ingevolge de ontvangst van een vergoeding zoals bedoeld in artikel 46, § 1, eerste lid, 5°, wordt voor de toepassing van het tweede lid, 1°, niet als een beletsel beschouwd.
  [In afwijking van het eerste lid, 2°, wordt de werkhervattingstoeslag niet toegekend aan de werknemer die in de periode van zes maanden voorafgaand aan het tijdstip van de werkhervatting, reeds in dienst was van dezelfde werkgever of van de groep waartoe de werkgever behoort, of werkte in dezelfde onderneming of in de groep waartoe de onderneming behoort behalve indien hij tijdens deze tewerkstelling reeds voldeed aan de voorwaarden om de toeslag te kunnen genieten.] <KB 2006-03-09/32, art. 1, 146; Inwerkingtreding : 01-04-2006>
  [1 § 1bis. [2 In uitvoering van artikel 7, § 1, derde lid, p, van de besluitwet van 28 december 1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders kan de tijdelijke werkhervattingstoeslag toegekend worden aan de werknemer die het werk als loontrekkende werknemer hervat, die op dat tijdstip volledig werkloos was wegens omstandigheden onafhankelijk van zijn wil in de zin van artikel 44, en voldoet aan de voorwaarden bedoeld in § 1, eerste lid, 2°, a), b), d) en e) en in het tweede tot en met vierde lid.]2
   De tijdelijke werkhervattingstoeslag bedraagt 150 euro per kalendermaand gedurende de eerste 12 maanden, 100 euro gedurende de daaropvolgende 12 maanden en 50 euro voor de daaropvolgende 12 maanden.
   Er wordt een nieuwe periode van zesendertig maanden toegekend indien er tussen het tijdstip van de nieuwe indiensttreding, waarvoor de toeslag wordt aangevraagd, en de laatste maand waarvoor de toeslag werd uitbetaald, een periode van ten minste vierentwintig kalendermaanden gelegen is.]1
  § 2. De werkhervattingstoeslag wordt evenwel niet toegekend indien de werknemer :
  1° in toepassing van de artikelen 64, 65, § 1, en 67 niet meer gerechtigd is op uitkeringen;
  2° zijn gewone verblijfplaats niet in België heeft, behalve indien deze voorwaarde vervalt ingevolge de toepassing van bilaterale of internationale verdragen;
  3° behoort tot de categorieën bedoeld in artikel 28, § 3.
  Het recht op de werkhervattingstoeslag kan evenwel behouden blijven voor de betreffende maand indien :
  1° het beletsel vermeld in het eerste lid geen betrekking heeft op de volledige maand;
  2° de werknemer overlijdt in de loop van de maand.
  § 3. Het recht op de werkhervattingstoeslag wordt toegekend voor een hernieuwbare periode van 12 maanden, voorzover de werknemer in dienst blijft bij dezelfde werkgever. Het wordt slechts toegekend vanaf de datum van de aanvraag mits indiening van een uitkeringsaanvraag op de wijze en binnen de termijnen geldend voor een uitkeringsaanvraag als tijdelijk werkloze. De verlenging geschiedt mits de werknemer de aanvraag bevestigt. De aanvraag moet hernieuwd worden in geval van werkhervatting bij een andere werkgever.
  De werknemer die overeenkomstig het vorige lid een uitkeringsaanvraag heeft ingediend, moet aangifte doen van gebeurtenissen die een beletsel vormen voor de toekenning van de toeslag, op de wijze en binnen de termijnen geldend voor de aangifte van een wijzigende gebeurtenis.
  In afwijking van artikel 160, § 1, derde lid, stelt de uitbetalingsinstelling het recht voor de beschouwde maand vast op grond van dit artikel, zonder dat een verantwoordingsstuk moet worden ingediend, uitgaande van de veronderstelling dat de werkloze verder voldoet aan de vereisten voor de toekenning van de toeslag, tot op het tijdstip waarop zij een uitkeringsaanvraag als volledig werkloze of een aanvraag om de inkomensgarantie-uitkering of een aangifte van een wijzigende gebeurtenis ontvangt.
  De aanvraag, de bevestiging en de aangifte bedoeld in de vorige leden geschieden door middel van een verklaring waarvan het model wordt vastgesteld door het beheerscomité.
  § 4. Voor de toepassing van artikel 148, 1°, op grond waarvan een nieuwe uitkeringsaanvraag moet worden ingediend na een onderbreking van het genot van de uitkeringen, wordt abstractie gemaakt van de betaling van de toeslag.
  De werkhervattingstoeslag wordt, in afwijking van artikel 27, 4°, niet als een uitkering beschouwd voor de toepassing van de artikelen 38, § 1, eerste lid, 1°, 42, 79, § 4, 92, 93 en 97.
  Wordt voor de toepassing van dit artikel gelijkgesteld met een periode tijdens dewelke de werknemer verbonden is door een arbeidsovereenkomst :
  1° de periode tijdens dewelke de werknemer statutair tewerkgesteld is;
  2° de periode die gedekt is door een vergoeding ingevolge de beëindiging van een arbeidsovereenkomst, die in toepassing van artikel 46 als loon wordt beschouwd en de periode gedekt door uitgestelde bezoldiging als leerkracht.
  [3 § 5. Voor de toepassing van dit artikel geldt de leeftijdsvoorwaarde van 55 jaar, indien de aanvang van de arbeidsovereenkomst waarvoor de werkhervattingstoeslag gevraagd wordt gelegen is na 31 januari 2013, of indien de aanvang gelegen is voor 1 februari 2013, doch de toeslag wordt gevraagd voor een periode na 31 januari 2013.
   In afwijking van het vorige lid kan, ten aanzien van de werknemer die de leeftijd van 55 jaar niet heeft bereikt, het recht op de werkhervattingstoeslag nochtans verlengd worden overeenkomstig § 3, indien de werknemer reeds gerechtigd was op de toeslag bedoeld in dit artikel vóór 1 februari 2013 en hij deze toeslag effectief heeft ontvangen.]3
  ----------
  (1)<KB 2009-05-19/03, art. 1, 182; Inwerkingtreding : 01-05-2009>
  (2)<KB 2012-12-20/02, art. 2, 211; Inwerkingtreding : 01-09-2012>
  (3)<KB 2013-01-22/02, art. 6, 212; Inwerkingtreding : 01-02-2013>

  Art. 129bis_VLAAMS_GEWEST.
  <Opgeheven bij DVR 2017-12-22/47, art. 13, 279; Inwerkingtreding : onbepaald>

  Art. 129bis_WAALS_GEWEST.
  <Opgeheven bij DWG 2017-02-02/24, art. 28, 268; Inwerkingtreding : 01-07-2017>

  Art. 129bis_BRUSSELS_HOOFDSTEDELIJK_GEWEST.
  <Opgeheven bij BESL 2017-09-14/04, art. 33, 267; Inwerkingtreding : 31-12-2017>

  Art. 129ter.<Ingevoegd bij KB 2006-03-09/32, art. 2; Inwerkingtreding : 01-04-2006> § 1. In uitvoering van artikel 7, § 1, derde lid, p, van de besluitwet van 28 december 1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders kan de werkhervattingstoeslag toegekend worden aan de sociaal verzekerde die zich vestigt als zelfstandige in hoofdberoep en die :
  1° [3 ...]3
  2° [2 ofwel volledig werkloos is wegens omstandigheden onafhankelijk van zijn wil in de zin van artikel 44 en voldoet aan de volgende voorwaarden :
   a) op de laatste dag van de maand van de werkhervatting de leeftijd van [3 55 jaar]3 bereikt hebben;
   b) niet beschouwd worden als werknemer met gezinslast in de zin van artikel 110, § 1, eerste lid, 5° of 6°;
   c) 20 jaar beroepsverleden als loontrekkende bewijzen overeenkomstig hetgeen bepaald werd krachtens artikel 119, 3°;
   d) geen bedrijfstoeslag genieten toegekend in het kader van het stelsel van werkloosheid met bedrijfstoeslag of geen aanvullende vergoeding in het kader van het koninklijk besluit van 19 september 1980 betreffende het recht op werkloosheidsuitkeringen en op aanvullende vergoedingen van ontslagen bejaarde grensarbeiders of die volledig werkloos zijn gesteld;
   e) terwijl alle voorwaarden vervuld zijn om te kunnen genieten van een stelsel van werkloosheid met bedrijfstoeslag, dit stelsel niet geweigerd hebben en evenmin afstand gedaan hebben van de bedrijfstoeslag.]2
  De werkhervattingstoeslag ten bedrage van 150 EUR per kalendermaand kan toegekend worden indien de sociaal verzekerde gelijktijdig de volgende voorwaarden vervult :
  1° de sociaal verzekerde dient een aanvraag in tot het bekomen van de werkhervattingstoeslag en hij voldoet op het tijdstip van de aanvang van de vestiging als zelfstandige en van de aanvraag, aan alle toelaatbaarheids- en toekenningsvoorwaarden om aanspraak te kunnen maken op uitkeringen; hij moet bovendien bewijzen dat hij aangesloten is bij een sociaal verzekeringsfonds voor zelfstandigen.
  2° de sociaal verzekerde is in de maand waarvoor de toeslag gevraagd wordt, gevestigd als zelfstandige in hoofdberoep;
  3° de sociaal verzekerde heeft voor de betreffende maand geen enkele uitkering als volledig werkloze overeenkomstig een uitkeringsstelsel voorzien in artikel 100 of 103, noch een uitkering in het kader van een volledige of gedeeltelijke beroepsloopbaanonderbreking of in het kader van het tijdskrediet, noch een uitkering in het kader van de ziekte- en invaliditeitsverzekering als volledig werkloze, ontvangen;
  4° de sociaal verzekerde heeft voor de beschouwde periode geen inkomensgarantie-uitkering aangevraagd;
  5° [2 de werknemer geniet geen bedrijfstoeslag toegekend in het kader van het stelsel van werkloosheid met bedrijfstoeslag of geniet geen aanvullende vergoeding in het kader van het koninklijk besluit van 19 september 1980 betreffende het recht op werkloosheidsuitkeringen en op aanvullende vergoedingen van ontslagen bejaarde grensarbeiders of die volledig werkloos zijn gesteld;]2
  6° de sociaal verzekerde heeft voorheen nog geen uitkering genoten als bedoeld in 5°;
  7° de sociaal verzekerde is gedurende de beschouwde maand niet reeds gerechtigd op de werkhervattingstoeslag bedoeld in artikel 129bis;
  8° de sociaal verzekerde verbindt er zich toe gedurende de periode van zes maanden volgend op de periode tijdens dewelke hij in dienst was bij een werkgever, geen diensten te verrichten als zelfstandige ten voordele van, of in opdracht van, deze werkgever of van de groep waartoe de werkgever behoort.
  Het feit dat de sociaal verzekerde niet gerechtigd is op uitkeringen ingevolge de ontvangst van een vergoeding zoals bedoeld in artikel 46, § 1, eerste lid, 5°, wordt voor de toepassing van het tweede lid, 1° niet als een beletsel beschouwd.
  [1 § 1bis. [2 In uitvoering van artikel 7, § 1, derde lid, p, van de besluitwet van 28 december 1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders kan de tijdelijke werkhervattingstoeslag toegekend worden aan de werknemer die zich vestigt als zelfstandige in hoofdberoep, die op dat tijdstip volledig werkloos was wegens omstandigheden onafhankelijk van zijn wil in de zin van artikel 44 en voldoet aan de voorwaarden bedoeld in § 1, eerste lid, 2°, a), b), d) en e) en in het tweede tot en met derde lid.]2
   De tijdelijke werkhervattingstoeslag bedraagt 150 euro per kalendermaand gedurende de eerste 12 maanden, 100 euro gedurende de daaropvolgende 12 maanden en 50 euro voor de daaropvolgende 12 maanden.
   Er wordt een nieuwe periode van zesendertig maanden toegekend indien er tussen het tijdstip van de nieuwe vestiging, waarvoor de toeslag wordt aangevraagd, en de laatste maand waarvoor de toeslag werd uitbetaald, een periode van ten minste vierentwintig kalendermaanden gelegen is.]1
  § 2. De werkhervattingstoeslag wordt evenwel niet toegekend indien de sociaal verzekerde :
  1° in toepassing van de artikelen 64, 65, § 1, en 67 niet meer gerechtigd is op uitkeringen;
  2° zijn gewone verblijfplaats niet in België heeft, behalve indien deze voorwaarde vervalt ingevolge de toepassing van bilaterale of internationale verdragen;
  3° behoort tot de categorieën bedoeld in artikel 28, § 3.
  Het recht op de werkhervattingstoeslag kan evenwel behouden blijven voor de betreffende maand indien :
  1° het beletsel vermeld in het eerste lid geen betrekking heeft op de volledige maand;
  2° de sociaal verzekerde overlijdt in de loop van de maand.
  § 3. Het recht op de werkhervattingstoeslag wordt toegekend voor een verlengbare periode van 12 maanden, voor zover de sociaal verzekerde gevestigd blijft als zelfstandige in hoofdberoep. Het wordt slechts toegekend vanaf de datum van de aanvraag mits indiening van een uitkeringsaanvraag op de wijze en binnen de termijnen geldend voor een uitkeringsaanvraag als tijdelijk werkloze. De verlenging geschiedt mits de sociaal verzekerde de aanvraag bevestigt.
  De sociaal verzekerde die overeenkomstig het vorige lid een uitkeringsaanvraag heeft ingediend, moet aangifte doen van gebeurtenissen die een beletsel vormen voor de toekenning van de toeslag, op de wijze en binnen de termijnen geldend voor de aangifte van een wijzigende gebeurtenis.
  In afwijking van artikel 160, § 1, derde lid, stelt de uitbetalingsinstelling het recht voor de beschouwde maand vast op grond van dit artikel, zonder dat een verantwoordingsstuk moet worden ingediend, uitgaande van de veronderstelling dat de werkloze verder voldoet aan de vereisten voor de toekenning van de toeslag, tot op het tijdstip waarop de uitbetalingsinstelling een uitkeringsaanvraag als volledig werkloze of een aanvraag om de inkomensgarantie-uitkering of een aangifte van een wijzigende gebeurtenis ontvangt.
  De aanvraag, de bevestiging en de aangifte bedoeld in de vorige leden geschieden door middel van een verklaring waarvan het model wordt vastgesteld door het beheerscomité.
  § 4. Voor de toepassing van artikel 148, 1°, op grond waarvan een nieuwe uitkeringsaanvraag moet worden ingediend na een onderbreking van het genot van de uitkeringen, wordt abstractie gemaakt van de betaling van de toeslag.
  De werkhervattingstoeslag wordt, in afwijking van artikel 27, 4°, niet als een uitkering beschouwd voor de toepassing van de artikelen 38, § 1, eerste lid, 1°, 42, 79, § 4, 92, 93 en 97.
  De werkhervattingstoeslag bedoeld in dit artikel wordt voor de toepassing van artikel 113, § 1, eerste lid en 144, § 2, 10° gelijkgesteld met de werkhervattingstoeslag bedoeld in artikel 129bis.
  [3 § 5. Voor de toepassing van dit artikel geldt de leeftijdsvoorwaarde van 55 jaar indien de aanvang van de vestiging als zelfstandige waarvoor de werkhervattingstoeslag gevraagd wordt, gelegen is na 31 januari 2013, of indien de aanvang gelegen is vóór 1 februari 2013, doch de toeslag wordt gevraagd voor een periode na 31 januari 2013. In afwijking van het vorige lid kan, ten aanzien van de werknemer die de leeftijd van 55 jaar niet heeft bereikt, het recht op de werkhervattingstoeslag nochtans verlengd worden overeenkomstig § 3, indien de werknemer reeds gerechtigd was op de toeslag bedoeld in dit artikel vóór 1 februari 2013 en hij deze toeslag effectief heeft ontvangen.]3
  ----------
  (1)<KB 2009-05-19/03, art. 2, 182; Inwerkingtreding : 01-05-2009>
  (2)<KB 2012-12-20/02, art. 3, 211; Inwerkingtreding : 01-09-2012>
  (3)<KB 2013-01-22/02, art. 7, 212; Inwerkingtreding : 01-02-2013>

  Art. 129ter_VLAAMS_GEWEST.
  <Opgeheven bij DVR 2017-12-22/47, art. 13, 279; Inwerkingtreding : onbepaald>

  Art. 129ter_WAALS_GEWEST.
  <Opgeheven bij DWG 2017-02-02/24, art. 28, 268; Inwerkingtreding : 01-07-2017>

  Art. 129ter_BRUSSELS_HOOFDSTEDELIJK_GEWEST.
  <Opgeheven bij BESL 2017-09-14/04, art. 33, 267; Inwerkingtreding : 31-12-2017>

  Art. 129quater.[1 § 1. In uitvoering van artikel 7, § 1, derde lid, p), van de besluitwet van 28 december 1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders kan de werkhervattingstoeslag worden toegekend aan de sociaal verzekerde die zich vestigt als zelfstandige in hoofdberoep en die kandidaat-ondernemer was in de zin van artikel 80 van de wet van 14 maart 2007 houdende diverse bepalingen III, gedurende tenminste de 6 maanden die aan zijn vestiging als zelfstandige voorafgingen, en die behoorde tot de doelgroep van de activiteitencoöperaties, zoals bedoeld in artikel 1 van het koninklijk besluit van 15 juni 2009 houdende diverse bepalingen betreffende het statuut van kandidaat-ondernemer in een activiteitencoöperatie.
   De werkhervattingstoeslag bedraagt 100 euro per kalendermaand.
   De werkhervattingstoeslag kan worden toegekend indien de sociaal verzekerde gelijktijdig de volgende voorwaarden vervult :
   1° de sociaal verzekerde dient een aanvraag in tot het bekomen van de werkhervattingstoeslag en voldoet, op het tijdstip van de aanvang van de vestiging als zelfstandige en van de aanvraag, aan alle toelaatbaarheids- en toekenningsvoorwaarden om aanspraak te kunnen maken op uitkeringen; hij moet bovendien bewijzen dat hij aangesloten is bij een sociaal verzekeringsfonds voor zelfstandigen;
   2° de sociaal verzekerde is in de maand waarvoor de toeslag wordt gevraagd, gevestigd als zelfstandige in hoofdberoep;
   3° de sociaal verzekerde heeft voor de betreffende maand geen enkele uitkering als volledig werkloze overeenkomstig een uitkeringsstelsel voorzien in artikel 100 of 103, noch een uitkering in het kader van een volledige of gedeeltelijke beroepsloopbaanonderbreking of in het kader van het tijdskrediet, noch een uitkering in het kader van de ziekte- en invaliditeitsverzekering als volledig werkloze, ontvangen;
   4° de sociaal verzekerde geniet geen aanvullende vergoeding toegekend in het kader van het conventioneel brugpensioen of in het kader van het koninklijk besluit van 19 september 1980 betreffende het recht op werkloosheidsuitkeringen en op aanvullende vergoedingen van ontslagen bejaarde grensarbeiders of die volledig werkloos zijn gesteld;
   5° de sociaal verzekerde heeft voorheen nog geen uitkering genoten als bedoeld in 4°;
   6° de sociaal verzekerde is gedurende de beschouwde maand niet reeds gerechtigd op de werkhervattingstoeslag bedoeld in artikel 129bis of 129ter.
   Het feit dat de sociaal verzekerde niet gerechtigd is op uitkeringen ingevolge de ontvangst van een vergoeding zoals bedoeld in artikel 46, § 1, eerste lid, 5°, wordt niet als een beletsel beschouwd voor de toepassing van het derde lid, 1°.
   § 2. De werkhervattingstoeslag wordt evenwel niet toegekend indien de sociaal verzekerde :
   1° niet meer gerechtigd is op uitkeringen bij toepassing van de artikelen 64, 65, § 1, en 67;
   2° zijn gewone verblijfplaats niet in België heeft, behalve indien deze voorwaarde vervalt ingevolge de toepassing van bilaterale of internationale verdragen;
   3° behoort tot de categorieën bedoeld in artikel 28, § 3.
   Het recht op de werkhervattingstoeslag kan evenwel behouden blijven voor de betreffende maand indien :
   1° het beletsel vermeld in het eerste lid geen betrekking heeft op de volledige maand;
   2° de sociaal verzekerde overlijdt in de loop van de maand.
   § 3. Het recht op de werkhervattingstoeslag wordt toegekend voor een maximumperiode van 12 kalendermaanden, te rekenen vanaf de datum van de vestiging als zelfstandige.
   Indien de totale duur van de overeenkomst of van de opeenvolgende overeenkomsten die de rechthebbende als kandidaat-ondernemer met één of meer activiteitencoöperaties had getekend, 6 kalendermaanden overschrijdt, dan worden de 12 kalendermaanden verminderd met het aantal kalendermaanden die deze 6 kalendermaanden overschrijden.
   De sociaal verzekerde die overeenkomstig § 1, derde lid, 1°, een uitkeringsaanvraag heeft ingediend, moet aangifte doen van gebeurtenissen die een beletsel vormen voor de toekenning van de toeslag, op de wijze en binnen de termijnen geldend voor de aangifte van een wijzigende gebeurtenis.
   In afwijking van artikel 160, § 1, derde lid, stelt de uitbetalingsinstelling het recht vast voor de beschouwde maand op grond van dit artikel, zonder dat een verantwoordingsstuk moet worden ingediend, uitgaande van de veronderstelling dat de werkloze blijft voldoen aan de vereisten voor de toekenning van de toeslag, tot op het tijdstip waarop de uitbetalingsinstelling een uitkeringsaanvraag als volledig werkloze, een aanvraag om de inkomensgarantie-uitkering of een aangifte van een wijzigende gebeurtenis, ontvangt.
   De aanvraag, de bevestiging en de aangifte bedoeld in de vorige leden geschieden door middel van een verklaring waarvan het model wordt vastgesteld door het beheerscomité.
   § 4. Voor de toepassing van artikel 148, 1°, op grond waarvan een nieuwe uitkeringsaanvraag moet worden ingediend na een onderbreking van het genot van de uitkeringen, wordt abstractie gemaakt van de betaling van de toeslag.
   De werkhervattingstoeslag wordt, in afwijking van artikel 27, 4°, niet als een uitkering beschouwd voor de toepassing van de artikelen 38, § 1, eerste lid, 1°, 42, 79, § 4, 92, 93 en 97.
   De werkhervattingstoeslag bedoeld in dit artikel wordt voor de toepassing van artikel 113, § 1, eerste lid en 144, § 2, 10°, gelijkgesteld met de werkhervattingstoeslag bedoeld in artikel 129bis.]1
  
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij KB 2009-06-15/12, art. 4, 186; Inwerkingtreding : 05-08-2009>

  Art. 129quater_VLAAMS_GEWEST.
  <Opgeheven bij DVR 2017-12-22/47, art. 13, 279; Inwerkingtreding : onbepaald>

  Art. 129quater_WAALS_GEWEST.
  <Opgeheven bij DWG 2017-02-02/24, art. 28, 268; Inwerkingtreding : 01-07-2017>

  Art. 129quater_BRUSSELS_HOOFDSTEDELIJK_GEWEST.
  <Opgeheven bij BESL 2017-09-14/04, art. 33, 267; Inwerkingtreding : 31-12-2017>

  Onderafdeling 6. - Vermindering van het bedrag van de uitkering in geval van toegelaten cumulatie.

  Art. 130.<KB 2000-11-23/30, art. 7, 092; Inwerkingtreding : 01-01-2001> § 1. Valt onder de toepassing van § 2, de werkloze die :
  1° op bijkomstige wijze een activiteit uitoefent binnen de voorwaarden bedoeld in [2 artikel 48]2;
  2° een mandaat uitoefent in de zin van artikel 49, of een onvolledig pensioen ingevolge de uitoefening van dergelijk mandaat geniet;
  3° een prestatie geniet wegens een arbeidsongeschiktheid of een invaliditeit in de zin van artikel 61, § 3;
  4° een pensioen geniet in de zin van artikel 65, § 2;
  5° [2 ...]2
  6° in de loop van het kalenderjaar inkomsten ontvang voortvloeiend uit de oefening van een scheppende of een vertolkende artistieke activiteit.
  § 2. (Het dagbedrag van de uitkering wordt verminderd met het gedeelte van het dagbedrag van het inkomen bedoeld in § 1 dat 10,18 EUR overschrijdt. Het aldus bekomen bedrag wordt afgerond tot de hogere of lagere cent naargelang het gedeelte van een cent al dan niet 0,5 bereikt. Het mag [2 in het geval bedoeld in § 1, 2°]2, niet minder bedragen dan 12 cent.) <KB 2002-01-24/31, art. 8, 106; Inwerkingtreding : 01-01-2002>
  In het geval bedoeld in § 1, 1°, wordt rekening gehouden met het globale inkomen, met inbegrip van datgene wat verworven wordt op de dagen waarvoor een uitkering in mindering wordt gebracht of waarvoor geen uitkering wordt verleend.
  [1 In het geval bedoeld in § 1, 6°, wordt rekening gehouden met alle inkomens die rechtstreeks of onrechtstreeks voortvloeien uit de uitoefening van een artistieke activiteit, met uitzondering van het inkomen uit een statutaire tewerkstelling of het inkomen of een gedeelte ervan uit een activiteit die onderworpen is aan de sociale zekerheid van de loontrekkenden, wanneer inhoudingen voor de sociale zekerheid, met inbegrip van de sector werkloosheid, werden verricht op dit inkomen of op een deel ervan.]1
  Er wordt geen rekening gehouden met het inkomen voortvloeiend uit artistieke activiteiten die definitief beëindigd werden vóór het begin van een werkloosheidsperiode of reeds gedurende twee opeenvolgende kalenderjaren beëindigd werden.
  Het dagbedrag van het inkomen, bedoeld in § 1, wordt bekomen door het netto jaarinkomen te delen door 312. Wanneer het nochtans een activiteit betreft die niet in loondienst wordt uitgeoefend, wordt rekening gehouden met het netto belastbaar jaarinkomen.
  [3 Indien het inkomen een activiteit betreft beoogd in § 1, 1° of 6°, die pas in de loop van het jaar werd aangevat of die eindigt in de loop van het jaar, of indien het inkomen een andere prestatie betreft beoogd in § 1, 2° tot 4°, waarvan de werkloze begon te genieten in de loop van het jaar of waarvan hij ophield te genieten in de loop van het jaar, wordt het dagbedrag van het inkomen bekomen door het jaarinkomen bedoeld in het vorige lid te delen door een aantal dagen dat evenredig is aan de periode gedurende dewelke de activiteit werd uitgeoefend of gedurende dewelke de prestatie werd ontvangen.]3
  (Het in het eerste lid vermelde bedrag wordt gekoppeld aan de spilindex 103,14, geldend op 1 juni 1999 (basis 1996 = 100), volgens de regels bepaald in artikel 113.) <KB 2002-01-24/31, art. 8, 106; Inwerkingtreding : 01-01-2002>
  § 3. In afwijking van § 2, eerste lid, wordt voor de werkloze, bedoeld in [1 artikel 48bis, § 3, tweede lid]1 , het dagbedrag van de uitkering verminderd met het dagbedrag van het inkomen.
  ----------
  (1)<KB 2014-02-07/08, art. 7, 224; Inwerkingtreding : 01-04-2014>
  (2)<KB 2016-09-11/03, art. 8, 255; Inwerkingtreding : 01-10-2016>
  (3)<KB 2017-02-02/08, art. 1, 262; Inwerkingtreding : 25-02-2017>

  Onderafdeling 7. Tijdelijke vermindering van het bedrag van de uitkering. <Ingevoegd bij KB 2004-07-04/30, art. 7, Inwerkingtreding : 01-07-2004>

  Art. 130bis. <KB 2006-04-19/36, art. 1, 151; Inwerkingtreding : 01-06-2006> Gedurende de periode van 4 maanden bedoeld in artikel 59quinquies, § 6, tweede lid, 1° en gedurende de periode van 6 maanden bedoeld in artikel 59sexies, § 6, eerste lid, 2°, wordt het dagbedrag van de werkloosheidsuitkering van de werkloze die de hoedanigheid heeft van alleenwonende werknemer in de zin van artikel 110, § 2 of die de hoedanigheid heeft van werknemer met gezinslast in de zin van artikel 110, § 1, verminderd tot het bedrag van het leefloon bedoeld in artikel 14, § 1, 2° of 3° van de wet van 26 mei 2002 betreffende het recht op maatschappelijke integratie, omgezet in een dagbedrag.
  Het dagbedrag van de verminderde werkloosheidsuitkering wordt bekomen door het geïndexeerde jaarbedrag van het leefloon bedoeld in artikel 14, § 1, 2° of 3° van de voormelde wet van 26 mei 2002, te delen door 312.
  Wanneer het bedrag van de uitkering, berekend overeenkomstig de bepalingen van het tweede lid, honderdsten bevat, wordt het afgerond tot de hogere of lagere eenheid, naargelang de breuk 0,5 bereikt of niet.

  Art. 130ter.[1 Het dagbedrag van de werkloosheidsuitkering van de werkloze die een voordeel ontvangt in het kader van, tijdens of ten gevolge van studies, een opleiding, een stage of een leertijd en die, overeenkomstig artikel 152quiquies deze studies, opleiding, stage of leertijd mag volgen met behoud van de werkloosheidsuitkeringen, wordt verminderd met het dagbedrag van de vergoeding dat 10,18 euro overschrijdt.
   Voor de toepassing van het vorige lid, indien het voordeel maandelijks wordt betaald, stemt het dagbedrag van de vergoeding overeen met 1/26e van het theoretisch maandelijks bedrag van de vergoeding.
   Voor de toepassing van het eerste lid, indien het voordeel wordt betaald volgens een andere periodiciteit dan die bedoeld in het vorige lid, stemt het dagbedrag van de vergoeding overeen met 1/x van het totale bedrag dat verschuldigd is voor de volledige periode waarop dit bedrag betrekking heeft, waarbij x overeenstemt met het aantal dagen gelegen in deze periode berekend in het 6 dagenstelsel.
   Het aldus bekomen bedrag wordt afgerond naar de hogere of lagere cent, naargelang het gedeelte van de cent al dan niet 0,5 bereikt. Het mag niet minder bedragen dan 12 cent.
   Het in het eerste lid vermelde bedrag wordt gekoppeld aan de spilindex 103,14, geldend op 1 juni 1999 (basis 1996 = 100), volgens de regels bepaald in artikel 113.]1
  ----------
  (1)<KB 2017-10-08/07, art. 7, 270; Inwerkingtreding : 16-11-2017>

  Afdeling 3. - Andere uitkeringen.

  Art. 131.Het bedrag van de uitkering, overeenkomstig de bepalingen van dit besluit vastgesteld voor de laatste maand gedurende dewelke de werkloze een beroepsopleiding volgt, wordt verhoogd met een toeslag van (247,89 EUR), indien gelijktijdig voldaan wordt aan volgende voorwaarden: <KB 2001-07-13/58, art. 8, 100; Inwerkingtreding : 01-01-2002>
  1° het wekelijks aantal uren opleiding stemt overeen met een voltijdse arbeidsregeling;
  2° de werkelijke duurtijd van de opleiding bedraagt ten minste zes maanden, gelegen binnen een periode van twaalf maanden;
  3° [1 de werkloze was op het tijdstip van de aanvang van de opleiding, in de zin van de artikelen 114 en 116 ten minste twaalf maanden werkloos.]1
  Het voordeel van deze bepaling wordt slechts eenmaal toegekend.
  ----------
  (1)<KB 2012-07-23/01, art. 28, 206; Inwerkingtreding : 01-11-2012>

  Art. 131_WAALS_GEWEST.
  <Opgeheven bij DWG 2017-02-02/24, art. 28, 268; Inwerkingtreding : 01-07-2017>

  Art. 131_BRUSSELS_HOOFDSTEDELIJK_GEWEST.
  <Opgeheven bij BESL 2017-09-14/04, art. 33, 267; Inwerkingtreding : 31-12-2017>

  Art. 131_VLAAMS_GEWEST.
  
  <opgeheven door BVR 2016-04-22/03, art. 1, 1°, 251; Inwerkingtreding : 01-05-2016. Zie ook art. 3>


  Art. 131bis.<Ingevoegd bij KB 1993-05-25/30, art. 15, 021; Inwerkingtreding : 01-03-1993> § 1. [2 De deeltijdse werknemer met behoud van rechten, uitgezonderd de werknemer bedoeld in artikel 29, § 2, 1°, e), kan, gedurende zijn deeltijdse tewerkstelling, slechts voor de uren van volledige werkloosheid aanspraak maken op een inkomensgarantie-uitkering. De inkomensgarantie-uitkering is enkel verschuldigd, indien hij voldoet aan de volgende voorwaarden :]2
  1° de bevoegde gewestelijke dienst voor arbeidsbemiddeling ervan op de hoogte stellen dat hij deeltijds werkt en dit binnen een termijn van twee maanden ingaande de dag volgend op deze waarop deze tewerkstelling aanvangt;
  2° zich inschrijven als werkzoekende voor een voltijdse arbeidsbetrekking binnen de in 1° bedoelde termijn en als dusdanig ingeschreven blijven; <KB 1994-07-11/32, art. 2, 031; Inwerkingtreding : 20-07-1994>
  3° beschikbaar zijn voor de voltijdse arbeidsmarkt;
  4° [3 normaal gemiddeld recht hebben op een brutomaandloon dat minder bedraagt dan het refertemaandloon bedoeld in artikel 28, § 2.]3
  5° tewerkgesteld zijn in een arbeidsregeling waarvan de factor Q niet meer bedraagt dan (vier vijfden) van de factor S; <KB 1997-08-08/55, art. 7, 064; Inwerkingtreding : 01-10-1997>
  6° een verzoek hebben ingediend bij zijn werkgever in de zin van artikel 4 van de collectieve arbeidsovereenkomst nr. 35 van 27 februari 1981 betreffende sommige bepalingen van het arbeidsrecht ten aanzien van deeltijdse arbeid, algemeen verbindend verklaard bij koninklijk besluit van 21 september 1981, ten einde een vacant gekomen voltijdse betrekking te verkijgen; de werknemer moet tevens een verklaring afleggen waarin hij zich verbindt de herziening van zijn arbeidsovereenkomst aan te vragen in de gevallen bepaald in deze collectieve arbeidsovereenkomst;
  7° geen recht meer hebben op een loon in de zin van artikel 46, § 1, eerste lid, 5° ten laste van zijn vorige werkgever in de gevallen bedoeld in artikel 29, § 2, 1°, b en c.
  § 2. (Het netto-bedrag van de inkomensgarantie-uitkering wordt voor een beschouwde maand bekomen dor het netto-loon verdiend voor deze maand in mindering te brengen van de referte-uitkering vermeerderd met :
  1° (136,81 EUR) indien het een werknemer betreft bedoeld in artikel 110, § 1; <KB 2001-07-13/58, art. 8, 100; Inwerkingtreding : 01-01-2002>
  2° (109,45 EUR) indien het een werknemer betreft bedoeld in artikel 110, § 2; <KB 2001-07-13/58, art. 8, 100; Inwerkingtreding : 01-01-2002>
  3° (82,08 EUR) indien het een werknemer betreft bedoeld in artikel 110, § 3.) <KB 1996-12-13/33, art. 11, 056; Inwerkingtreding : 01-01-1997, en KB 1997-12-22/50, art. 2, 056; Inwerkingtreding : 01-01-1997> <KB 2001-07-13/58, art. 8, 100; Inwerkingtreding : 01-01-2002>
  (Nochtans kan het netto-bedrag van de inkomensgarantie-uitkering nooit meer bedragen dan negen tienden van de referte-uitkering.) <KB 1995-11-22/31, art. 41, 051; Inwerkingtreding : 01-01-1996>
  Voor de toepassing van de vorige leden bepaalt de Minister wat verstaan dient te worden onder nettoloon en referteuitkering evenals de regels tot vermindering van de uitkeringen die dienen toegepast wanneer er uitkeringen voor tijdelijke werkloosheid verschuldigd is voor een beschouwde maand of wanneer deze maand dagen telt waarvoor er geen uitkeringen kunnen toegekend worden krachtens de bepalingen van dit besluit.
  (§ 2bis. In afwijking van § 2 wordt, voor de deeltijdse werknemer die in toepassing van artikel 133, § 1, eerste lid, 3°, a), de inkomensgarantie-uitkering aanvraagt na 30 juni 2005, het nettobedrag van de inkomensgarantie-uitkering voor een beschouwde maand bekomen door het nettoloon verdiend voor de beschouwde maand in mindering te brengen van de referte-uitkering, vermeerderd met een uurtoeslag.
  De uurtoeslag wordt toegekend voor de door de werkgever betaalde uren en voor de uren van jaarlijkse vakantie die na proportionalisering en samenvoeging, één derde van het aantal arbeidsuren in geval van voltijdse tewerkstelling naar rato van 38 uren per week te boven gaan. De proportionalisering geschiedt door vermenigvuldiging met 38 en deling door de factor S.
  [3 De in het eerste lid bedoelde uurtoeslag bedraagt :
   1° 2,31 EUR indien het een werknemer betreft bedoeld in artikel 110, § 1;
   2° 1,62 EUR indien het een werknemer betreft bedoeld in artikel 110, § 2;
   3° 0,92 EUR indien het een werknemer betreft bedoeld in artikel 110, § 3.]3
  Nochtans wordt het nettobedrag van de inkomensgarantie-uitkering begrensd tot een bedrag gelijk aan het nettoloon dat de werknemer zou ontvangen indien hij voltijds tewerkgesteld zou zijn in dezelfde functie, verminderd met het nettoloon voor deze maand.
  Voor de toepassing van de vorige leden bepaalt de Minister :
  1° wat verstaan dient te worden onder referte-uitkering;
  2° de berekeningswijze van het nettoloon;
  3° de berekeningswijze van één derde van het aantal arbeidsuren in geval van voltijdse tewerkstelling;
  4° de berekeningswijze van het nettoloon dat de werknemer zou ontvangen indien hij voltijds tewerkgesteld zou zijn;
  5° de regels tot vermindering van het uitkeringsbedrag die dienen toegepast te worden wanneer er uitkeringen voor tijdelijke werkloosheid verschuldigd zijn voor een beschouwde maand of wanneer deze maand dagen telt waarvoor er geen uitkeringen kunnen toegekend worden krachtens de bepalingen van dit besluit.) <KB 2005-06-29/30, art. 3, 142; Inwerkingtreding : 01-07-2005>
  (§ 2ter. Het nettobedrag van de inkomensgarantie-uitkering bekomen in toepassing van § 2 wordt evenwel vervangen door het bedrag bekomen in toepassing van § 2bis indien dit laatste bedrag hoger is.) <KB 2005-06-29/30, art. 3, 142; Inwerkingtreding : 01-07-2005>
  § 3. (De in § 2 of § 2bis bedoelde uitkering wordt voor een beschouwde maand enkel toegekend indien de werknemer :
  1° voor die maand een loon heeft ontvangen dat minder bedraagt dan het bedrag dat, krachtens de bepalingen van § 1, 4°, niet meer toelaat uitkeringen te genieten;
  2° (zich gedurende die maand gedragen heeft naar de bepalingen van de artikelen 71 en 72, en naar de bepalingen genomen krachtens artikel 71;) <KB 2006-03-05/36, art. 16, 145; Inwerkingtreding : 15-12-2005>
  3° [1 in toepassing van de § § 2 tot 2ter recht heeft op een uitkering waarvan het bedrag minstens gelijk is aan de helft van het bedrag bedoeld in artikel 114, § 3, 3°.]1
  (§ 3bis. Wordt voor de toepassing van § 2bis evenwel niet beschouwd als een deeltijdse werknemer die, in toepassing van artikel 133, § 1, eerste lid, 3°, a), de inkomensgarantie-uitkering aanvraagt na 30 juni 2005, en kan dus een inkomensgarantie-uitkering ontvangen overeenkomstig artikel 131bis, § 2 of § 2ter, de werknemer die na deze datum een uitkeringsaanvraag indient in toepassing van de voormelde bepaling en gelijktijdig voldoet aan de navermelde voorwaarden :
  1° hij heeft werkelijk een inkomensgarantie-uitkering ontvangen voor ten minste één kalendermaand gelegen in de periode van 1 juli 2004 tot 30 juni 2005;
  2° de werknemer was sinds 30 juni 2005 zonder onderbreking verbonden door arbeidsovereenkomsten met een deeltijdse arbeidsregeling;
  3° de nieuwe deeltijdse arbeidsregeling bevat een aantal arbeidsuren dat ten minste één derde bedraagt van het normaal gemiddeld wekelijks aantal arbeidsuren van de maatman.
  Wordt voor de toepassing van het eerste lid, 2°, niet als een onderbreking beschouwd, de schoolvakantieperiodes, voor de leerkracht die deeltijds tewerkgesteld werd en op wie een regeling van uitgestelde bezoldiging toepasselijk is.
  Wordt voor de toepassing van het eerste lid, 2°, evenmin als een onderbreking beschouwd, de periodes van ten hoogste vier maanden gerekend van datum tot datum, gelegen tussen twee periodes tijdens dewelke de werknemer verbonden was door arbeidsovereenkomsten met een deeltijdse arbeidsregeling, voorzover de periode van ten hoogste vier maanden volledig gelegen is in de periode vanaf 1 maart 2005 tot en met 31 december 2008.) <KB 2005-06-29/30, art. 3, 142; Inwerkingtreding : 01-07-2005>
  § 4. Het recht op de inkomensgarantie-uitkering kan niet toegekend worden aan de deeltijdse werknemer met behoud van rechten, gedurende een periode van drie maanden die een aanvang neemt de dag die volgt op de opzeggingsperiode of de periode gedekt door een verbrekingsvergoeding, wanneer hij een deeltijdse arbeid hervat bij dezelfde werkgever waar hij voltijds tewerkgesteld was in de zin van artikel 28.
  Het voorgaande lid is echter niet van toepassing op de werknemer bedoeld in artikel 29, § 2, 1°, d.
  § 5. De deeltijdse werknemer met behoud van rechten kan na zijn deeltijdse tewerkstelling opnieuw uitkeringen genieten voor alle dagen van de week, behalve de zondagen.
  ----------
  (1)<KB 2012-07-23/01, art. 29, 206; Inwerkingtreding : 01-11-2012>
  (2)<KB 2013-06-07/03, art. 10, 216; Inwerkingtreding : 01-07-2013>
  (3)<KB 2014-12-30/06, art. 15, 235; Inwerkingtreding : 01-01-2015>

  Art. 131ter.<KB 2001-06-13/31, art. 7, 096; Inwerkingtreding : 01-01-2001> Het dagbedrag van de jeugdvakantie-uitkering waarop de jonge werknemer bedoeld (in artikel 78bis, § 1,) gerechtigd is, bedraagt 65 % van het gemiddeld dagloon waarop de jonge werknemer normaal recht zou hebben op het tijdstip waarop hij in het vakantiejaar voor het eerst jeugdvakantiedagen neemt. <AR 2007-01-24/32, art. 7, 160; Inwerkingtreding : 01-01-2007>
  (Het dagbedrag van de seniorvakantie-uitkering waarop de werknemer bedoeld in artikel 78bis, § 2, gerechtigd is, bedraagt 65 % van het gemiddeld dagloon waarop de werknemer normaal recht zou hebben op het tijdstip waarop hij in het vakantiejaar voor het eerst seniorvakantiedagen neemt.) <AR 2007-01-24/32, art. 4, A, 160; Inwerkingtreding : 01-01-2007>
  Het dagloon wordt begrensd overeenkomstig artikel [1 111, tweede lid, 4°]1 en bepaald rekening houdend met de loonschijven vastgesteld krachtens artikel 119. De berekening van het gemiddeld dagloon geschiedt op de wijze die door de Minister wordt bepaald krachtens artikel 119 voor de berekening van de uitkering van de werknemer die tijdelijk werkloos wordt gesteld in een voltijdse dienstbetrekking. <KB 2009-01-11/36, art. 9, 178; Inwerkingtreding : 01-01-2009>
  [2 Het minimum dagbedrag van de uitkering bedoeld in de vorige leden wordt vastgesteld op 29,04 euro. Dit bedrag wordt gekoppeld aan de spilindex 103,14, geldend op 1 juni 1999 (basis 1996 = 100), volgens de regels bepaald in artikel 113.]2
  Het aantal daguitkeringen wordt per maand bekomen door toepassing van de formule :

  
V X 6  
------saldo J
S 


  waarbij V gelijk is aan het aantal uren van werkloosheid ingevolge vakantie of jeugdvakantie (of seniorvakantie) en J gelijk is aan het gewogen aantal dagen dat voltijds gedekt is door vakantiegeld. <AR 2007-01-24/32, art. 4, B, 160; Inwerkingtreding : 01-01-2007>
  Wanneer de decimale breuk van het bekomen resultaat minder dan 0,25 bedraagt, wordt het resultaat naar de lagere eenheid afgerond; wanneer die breuk gelijk is aan of meer bedraagt dan 0,25 zonder 0,75 te bereiken, wordt het resultaat naar 0,50 afgerond; wanneer die breuk gelijk is aan of meer bedraagt dan 0,75, wordt het resultaat naar de hogere eenheid afgerond.
  ----------
  (1)<KB 2013-04-10/01, art. 2, 214; Inwerkingtreding : 01-04-2013>
  (2)<KB 2017-09-03/06, art. 7, 265; Inwerkingtreding : 01-09-2017>

  Art. 131quater. <KB 1998-07-15/34, art. 3, 069; Inwerkingtreding : 01-06-1998> Het bedrag van de integratie-uitkering waarop de werknemer bedoeld in aritkel 78ter gerechtigd is, bedraagt per kalendermaand :
  1° (322,26 EUR) indien het een tewerkstelling betreft waarvan de uurregeling minstens vier vijfden bedraagt van de voltijdse uurregeling; <KB 2001-07-13/58, art. 8, 100; Inwerkingtreding : 01-01-2002>
  2° (247,89 EUR) indien het een tewerkstelling betreft waarvan de uurregeling minstens halftijds is. <KB 2001-07-13/58, art. 8, 100; Inwerkingtreding : 01-01-2002>
  De bedragen bedoeld in het eerste lid worden verhoogd met (49,58 EUR) indien de werknemer voor de kalendermaand die de tewerkstelling in het doorstromingsprogramma voorafging, voldeed aan de voorwaarden om de vrijstelling te kunnen genieten in toepassing van artikel 79, § 4bis. <KB 2001-07-13/58, art. 8, 100; Inwerkingtreding : 01-01-2002>
  In afwijking van de bepalingen van de voorgaande leden bedraagt voor de werknemers bedoeld in artikel 5, § 3, tweede lid, 2° van het koninklijk besluit van 9 juni 1997 tot uitvoering van artikel 7, § 1, derde lid, m, van de besluitwet van 28 december 1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders betreffende de doorstromingsprogramma's de uitkering (545,37 EUR) indien het een tewerkstelling betreft waarvan de uurregeling minstens vier vijfden bedraagt van de voltijdse uurregeling en (433,81 EUR) indien het een tewerkstelling betreft waarvan de uurregeling minstens halftijds is. <KB 2001-07-13/58, art. 8, 100; Inwerkingtreding : 01-01-2002>
  Het bedrag van de uitkeringen voorzien in dit artikel wordt evenwel begrensd tot het netto-loon waarop de werknemer voor de betreffende maand recht heeft.

  Art. 131quater_WAALS_GEWEST. [1 ...]1
  ----------
  (1)<DWG 2017-02-02/22, art. 18, 264; Inwerkingtreding : 01-07-2017>
  

  Art. 131quater_VLAAMS_GEWEST_(TOEKOMSTIG_RECHT).

<Opgeheven bij BVR 2016-06-10/03, art. 20, 253; Inwerkingtreding : 01-01-2019>



  Art. 131quater_DUITSTALIGE_GEMEENSCHAP.
   <Opgeheven bij DDG 2016-04-25/10, art. 34,2°, 252; Inwerkingtreding : 01-10-2016>
  

  

  Art. 131quinquies. <KB 2004-01-21/33, art. 1, 129; Inwerkingtreding : 01-01-2004> (§ 1.) De werknemer bedoeld in artikel 4 van het koninklijk besluit van 3 mei 1999 tot uitvoering van artikel 7, § 1, derde lid, m, van de besluitwet van 28 december 1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders betreffende de herinschakeling van zeer moeilijk te plaatsen werklozen, is gerechtigd op een herinschakelingsuitkering van ten hoogste 500 EUR per kalendermaand wanneer deze werknemer voltijds is tewerkgesteld.
  Wanneer de werknemer niet voltijds is tewerkgesteld, wordt het maximumbedrag van de maandelijkse herinschakelingsuitkering bekomen door 750 EUR te vermenigvuldigen met de contractueel wekelijks voorziene tewerkstellingsbreuk in de deeltijdse betrekking. Het resultaat van deze formule wordt begrensd tot 500 EUR.
  Het bedrag van de herinschakelingsuitkering wordt evenwel begrensd tot het nettoloon waarop de werknemer voor de betreffende kalendermaand recht heeft. <KB 2004-09-21/34, art. 1, 136; Inwerkingtreding : 01-07-2004>
  (§ 2. De werknemer bedoeld in artikel 4bis van het voormeld koninklijk besluit van 3 mei 1999, is gerechtigd op een bijkomende herinschakelingsuitkering van 245,59 EUR per kalendermaand.) <KB 2004-09-21/34, art. 1, 136; Inwerkingtreding : 01-07-2004>

  Art. 131sexies. (opgeheven) <KB 2001-12-19/39, art. 24, 104; Inwerkingtreding : 01-01-2002>

  Art. 131septies.<Ingevoegd bij KB 2000-07-09/32, art. 6; Inwerkingtreding : 01-07-2000> § 1. [1 Het bedrag van de werkloosheids- of de inschakelingsuitkering, overeenkomstig de bepalingen van dit besluit vastgesteld in toepassing van artikel 100 of 103 voor de laatst vergoede werkloosheidsdag van de maand waarin de tewerkstelling met een arbeidshpovereenkomst voor een onbepaalde duur een aanvang neemt of van de daaraan voorafgaande maand, wordt verhoogd met een toeslag van 743,68 EUR, mobiliteitstoeslag genaamd, indien gelijktijdig voldaan wordt aan volgende voorwaarden :]1
  1° de overeengekomen deeltijdse arbeidsregeling bedraagt gemiddeld per week 18 uren of ten minste de helft van het normaal gemiddeld wekelijks aantal arbeidsuren van de maatman;
  2° (de werknemer voldoet op het tijdstip van de in dit lid bedoelde laatst vergoede werkloosheidsdag aan de voorwaarden inzake het statuut en de duur van inschrijving als werkzoekende of van de daarmee gelijkgestelde gebeurtenissen voor het verkrijgen van een werkkaart, bedoeld in het koninklijk besluit van 19 december 2001 tot bevordering van de tewerkstelling van langdurig werkzoekenden;) <KB 2001-12-19/39, art. 25, 104; Inwerkingtreding : 01-01-2002, met beperkingen>
  3° het betreft een tewerkstelling die, gezien de afstand en de duur van de verplaatsing naar het werk en de duur van de afwezigheid, overeenkomstig de criteria bepaald krachtens artikel 51, § 2, niet als passend kan worden beschouwd; in geval van verhuis van de werknemer tijdens de kalendermaand waarin de tewerkstelling aanvangt of tijdens de daaraan voorafgaande maand, worden deze criteria toegepast rekening houdend met de voorgaande verblijfplaats.
  De mobiliteitstoeslag kan slechts eenmaal worden toegekend.
  § 2. (...). <KB 2009-01-15/37, art. 2, 179; Inwerkingtreding : 01-02-2009; zie ook art. 7>
  § 3. (De in dit artikel bedoelde toeslag is cumuleerbaar met de toeslag bedoeld in artikel 131.) <KB 2009-01-15/37, art. 2, 179; Inwerkingtreding : 01-02-2009; zie ook art. 7>
  ----------
  (1)<KB 2011-12-28/29, art. 17, 203; Inwerkingtreding : 01-01-2012>

  Art. 131septies_WAALS_GEWEST.
  <Opgeheven bij DWG 2017-02-02/24, art. 28, 268; Inwerkingtreding : 01-07-2017>

  Art. 131septies_BRUSSELS_HOOFDSTEDELIJK_GEWEST.
  <Opgeheven bij BESL 2017-09-14/04, art. 33, 267; Inwerkingtreding : 31-12-2017>

  Art. 131septies_DUITSTALIGE_GEMEENSCHAP.
   <Opgeheven bij DDG 2016-04-25/10, art. 34,1°, 252; Inwerkingtreding : 01-07-2016>
  

  

  Art. 131septies_VLAAMS_GEWEST.
  
   <opgeheven door BVR 2016-04-22/03, art. 1, 2°, 251; Inwerkingtreding : 01-05-2016. Zie ook art. 3>


  Art. 131septies/1. <ingevoegd bij KB 2009-01-15/37, art. 3; Inwerkingtreding : 01-02-2009; zie ook art. 7> § 1. In uitvoering van artikel 7, § 1, derde lid, p), van de besluitwet van 28 december 1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders, kan een werkhervattingstoeslag, kinderopvangtoeslag genaamd, toegekend worden aan de sociaal verzekerde die het werk als loontrekkende hervat of zich als zelfstandige in hoofdberoep vestigt, indien gelijktijdig voldaan wordt aan volgende voorwaarden :
  1° hij wordt bij de aanvang van de tewerkstelling als loontrekkende of bij zijn vestiging als zelfstandige in hoofdberoep beschouwd als een uitkeringsgerechtigde volledig werkloze sinds ten minste drie maanden, gerekend van datum tot datum, rekening houdend met de datum van de recentste uitkeringsaanvraag als volledig werkloze;
  2° hij heeft bij de aanvang van de tewerkstelling als loontrekkende of bij zijn vestiging als zelfstandige in hoofdberoep de hoedanigheid van werknemer met gezinslast in de zin van artikel 110, § 1, eerste lid, 2°, a) ;
  3° hij voldoet aan de voorwaarden van paragraaf 2 of paragraaf 3 van onderhavig artikel.
  Voor de toepassing van het eerste lid, 1° worden de periodes die geen onderbreking van het genot van de uitkeringen vormen in de zin van artikel 133, § 1, 2°, gelijkgesteld met periodes van uitkeringsgerechtigde volledige werkloosheid.
  § 2. De sociaal verzekerde bedoeld in paragraaf 1 moet bijkomend de volgende voorwaarden gelijktijdig vervullen :
  1° hij hervat het werk als loontrekkende;
  2° de overeengekomen arbeidsregeling bedraagt gemiddeld per week ten minste achttien uren of ten minste de helft van het normaal gemiddeld wekelijks aantal arbeidsuren van de maatman;
  3° de arbeidsovereenkomst geldt voor een onbepaalde duur of voor een bepaalde duur van tenminste één maand of de werknemer toont aan dat de werkelijke ononderbroken duur van tewerkstelling bij de betreffende werkgever ten minste één maand bedroeg.
  § 3. De sociaal verzekerde bedoeld in paragraaf 1 moet bijkomend de volgende voorwaarden gelijktijdig vervullen :
  1° hij vestigt zich als zelfstandige in hoofdberoep;
  2° hij verbindt er zich toe gedurende de periode van zes maanden volgend op de periode tijdens dewelke hij in dienst was bij een werkgever, geen diensten te verrichten als zelfstandige ten voordele van of in opdracht van deze werkgever of van de groep waartoe de werkgever behoort.
  § 4. De kinderopvangtoeslag wordt niet toegekend aan de werknemer die in de periode van zes maanden voorafgaand aan het tijdstip van de werkhervatting, reeds in dienst was van dezelfde werkgever of van de groep waartoe de werkgever behoort met een tewerkstelling die voldoet aan de voorwaarden van de paragrafen 1 en 2, behalve indien hij gedurende deze periode reeds gerechtigd was op de kinderopvangtoeslag.
  § 5. De kinderopvangtoeslag bedraagt 61,53 euro per kalendermaand. Hij kan uitbetaald worden indien de sociaal verzekerde gelijktijdig de volgende voorwaarden vervult :
  1° hij heeft de eerste dag van de betreffende kalendermaand nog steeds de hoedanigheid van werknemer met gezinslast in de zin van artikel 110, § 1, eerste lid, 2°, a) ;
  2° hij is in de loop van de betreffende kalendermaand nog steeds verbonden door een arbeidsovereenkomst bedoeld in paragraaf 2 of nog steeds gevestigd als zelfstandige in hoofdberoep in de zin van paragraaf 3;
  3° hij heeft voor de betreffende kalendermaand noch een uitkering als volledig werkloze overeenkomstig een uitkeringsstelsel voorzien in artikel 100 of 103, noch een uitkering in het kader van een volledige of gedeeltelijke beroepsloopbaanonderbreking of in het kader van het tijdskrediet, noch een uitkering in het kader van de ziekte- en invaliditeitsverzekering als volledig werkloze, ontvangen;
  4° hij behoort niet tot de categorieën bedoeld in artikel 28, § 3;
  5° hij bevindt zich niet in een situatie waarin hij in toepassing van de artikelen 64, 65, § 1, 66 en 67 gedurende de volledige betreffende maand niet meer gerechtigd zou zijn op uitkeringen.
  De kinderopvangtoeslag geldt ten belope van een krediet van twaalf maanden. Er wordt een nieuw krediet van twaalf maanden toegekend indien er tussen het tijdstip van de nieuwe indiensttreding, waarvoor de kinderopvangtoeslag wordt aangevraagd, en de laatste maand waarvoor een kinderopvangtoeslag werd uitbetaald, een periode van ten minste vierentwintig kalendermaanden gelegen is.

  Art. 131septies/1_VLAAMS_GEWEST.
  <Opgeheven bij DVR 2017-07-07/30, art. 60, 273; Inwerkingtreding : 01-01-2018>

  Art. 131septies/2. <ingevoegd bij KB 2009-01-15/37, art. 4; Inwerkingtreding : 01-02-2009; zie ook art. 7> § 1. Voor de toepassing van dit artikel wordt verstaan onder :
  1° toeslag : de kinderopvangtoeslag bedoeld in artikel 131septies /1;
  2° aanvang van de tewerkstelling : de werkhervatting als loontrekkende in de zin van artikel 131septies of artikel 131septies /1, § 2 of de vestiging als zelfstandige in de zin van artikel 131septies /1, § 3.
  § 2. De toeslag wordt slechts toegekend vanaf de datum van de aanvraag mits indiening van een uitkeringsaanvraag overeenkomstig artikel 133, § 1, 13°. Dit dossier moet ingediend worden ten vroegste in de loop van de maand die de aanvang van de tewerkstelling voorafgaat en uiterlijk binnen de periode van twee maanden te rekenen vanaf de eerste dag van de maand volgend op deze waarin de tewerkstelling een aanvang neemt. Indien de loontrekkende werknemer zich beroept op het feit dat de werkelijke ononderbroken duur van de tewerkstelling bij de betreffende werkgever ten minste één maand bedroeg, gaat de termijn in vanaf de eerste dag van de maand volgend op deze waarin deze duur bereikt werd. De aanvang van de tewerkstelling wordt beschouwd als een wijzigende gebeurtenis voor de toepassing van artikel 148, 3°.
  De werknemer die overeenkomstig het vorige lid een uitkeringsaanvraag heeft ingediend, moet aangifte doen van gebeurtenissen die een beletsel vormen voor de toekenning van de toeslag, op de wijze en binnen de termijnen geldend voor de aangifte van een wijzigende gebeurtenis.
  De aanvraag en de aangifte bedoeld in de vorige leden geschieden door middel van een verklaring waarvan het model wordt vastgesteld door het beheerscomité.
  § 3. In afwijking van artikel 160, § 1, derde lid, stelt de uitbetalingsinstelling het recht voor de beschouwde maand vast op grond van dit artikel, zonder dat een verantwoordingsstuk moet worden ingediend, uitgaande van de veronderstelling dat de werkloze verder voldoet aan de vereisten voor de toekenning van de toeslag, tot op het tijdstip waarop zij een uitkeringsaanvraag als volledig werkloze of een aangifte van een wijzigende gebeurtenis ontvangt.
  § 4. Voor de toepassing van artikel 148, 1°, op grond waarvan een nieuwe uitkeringsaanvraag moet worden ingediend na een onderbreking van het genot van de uitkeringen, wordt abstractie gemaakt van de betaling van de toeslag.
  § 5. De toeslag wordt, in afwijking van artikel 27, 4°, niet als een uitkering beschouwd voor de toepassing van de artikelen 38, § 1, eerste lid, 1°, 42, 79, § 4, 89, 92, 93 en 97.
  § 6. De periode tijdens dewelke de werknemer statutair tewerkgesteld is, wordt voor de toepassing van artikel 131septies en artikel 131septies /1 gelijkgesteld met een periode tijdens dewelke de werknemer verbonden is door een arbeidsovereenkomst.
  § 7. De toeslag is niet cumuleerbaar met de werkhervattingtoeslag bedoeld in de artikelen 129bis tot 129quater.

  Art. 131octies. <Ingevoegd bij KB 2002-01-25/35, art. 1; Inwerkingtreding : 01-04-2002> Het bedrag van de uitkering van de volledig werkloze bedoeld in artikel 100 of 103, vastgesteld overeenkomstig de bepalingen van dit besluit, wordt verhoogd met een toeslag van 8 EUR per dag indien gelijktijdig voldaan wordt aan volgende voorwaarden :
  1° de werkloze is verbonden door een overeenkomst voor beroepsopleiding of hij volgt een vormings- of inschakelingsactie bedoeld in artikel 79, § 9, eerste lid, 2°;
  2° de werkloze voldeed bij de aanvang van de opleiding of de actie aan de voorwaarden om gedurende de kalendermaand die de vorming of actie voorafgaat de vrijstelling in toepassing van artikel 79, § 4bis te kunnen genieten;
  3° de gemiddeld wekelijkse duur van de opleiding of van de actie bedraagt ten minste 17,5 uren;
  4° de voorziene totale duur van de opleiding of van de actie bedraagt ten minste twee maanden;
  5° de werkloze heeft in de beschouwde maand vanaf de aanvang van de opleiding of van de actie geen prestaties geleverd in het kader van een PWA-arbeidsovereenkomst.
  De in het eerste lid bedoelde toeslag kan slechts worden toegekend tot het einde van de twaalfde kalendermaand volgend op de maand waarin de premie voor het eerst werd toegekend.ld in artikel 131.

  Art. 131octies_VLAAMS_GEWEST.
  <Opgeheven bij DVR 2017-07-07/30, art. 61, 273; Inwerkingtreding : 01-01-2018>

  Art. 131octies_WAALS_GEWEST.
  <Opgeheven bij DWG 2017-02-02/24, art. 28, 268; Inwerkingtreding : 01-07-2017>

  Art. 131octies_BRUSSELS_HOOFDSTEDELIJK_GEWEST.
  <Opgeheven bij BESL 2017-09-14/04, art. 33, 267; Inwerkingtreding : 31-12-2017>

  Art. 131octies_DUITSTALIGE_GEMEENSCHAP.
   <Opgeheven bij DDG 2016-04-25/10, art. 34,1°, 252; Inwerkingtreding : 01-07-2016>
  

  

  Art. 131nonies. [1 § 1. In uitvoering van artikel 7, § 1, derde lid, zc van de besluitwet van 28 december 1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders wordt een overstappremie toegekend aan de loontrekkende werknemer die op eigen verzoek met inkomensverlies bij dezelfde werkgever overstapt van zwaar werk naar lichter werk, indien gelijktijdig voldaan is aan de volgende voorwaarden :
   1° de werknemer, op de datum van de overstap :
   a) is ten minste 50 jaar oud;
   b) verricht sinds ten minste 5 jaar zwaar werk;
   2° de werknemer dient overeenkomstig § 6 van onderhavig artikel en artikel 133, § 1, 14°, een aanvraag in tot het bekomen van de overstappremie. Dit dossier moet ingediend worden uiterlijk binnen de periode van twee maanden te rekenen vanaf de eerste dag van de maand volgend op deze waarin de overstap plaats vindt.
   Voor de toepassing van dit artikel wordt verstaan onder :
   1° "zwaar werk" : een functie die de werknemer zelf als te zwaar ervaart rekening houdend met zijn capaciteiten;
   2° "lichter werk" : een functie die de werknemer ervaart als beantwoordend aan zijn capaciteiten;
   3° "inkomensverlies" : het feit dat het normale loon, omgerekend naar uurbasis, in de nieuwe functie lager ligt dan datgene in de voormalige functie. Dit verschil in loon, vermenigvuldigd met de factor S bedoeld in artikel 99 en met 4,3333, moet ten minste het dubbele bedragen van de premie bedoeld in § 2, derde lid.
   § 2. De werknemer die op de datum waarop het lichter werk wordt aangevat jonger is dan 55 jaar, kan een overstappremie genieten van 61,53 euro per kalendermaand gedurende de periode van 12 kalendermaanden ingaande de eerste maand volgend op deze tijdens dewelke het zwaar werk werd stopgezet.
   De werknemer die op de datum waarop het lichter werk wordt aangevat ouder is dan 55 jaar, kan een overstappremie genieten van 82,03 euro per kalendermaand gedurende de periode van 24 kalendermaanden ingaande de eerste maand volgend op deze tijdens dewelke het zwaar werk werd stopgezet.
   De werknemer die op de datum waarop het lichter werk wordt aangevat ouder is dan 58 jaar, kan een overstappremie genieten van 102,54 euro per kalendermaand gedurende de periode van 36 kalendermaanden ingaande de eerste maand volgend op deze tijdens dewelke het zwaar werk werd stopgezet.
   Het voordeel van deze bepaling wordt slechts eenmaal gedurende de beroepsloopbaan toegekend.
   § 3. De overstappremie vervalt indien de werknemer :
   1° niet langer verbonden is door een arbeidsovereenkomst met dezelfde werkgever;
   2° voor de beschouwde kalendermaand niet langer inkomensverlies in de zin van § 1, tweede lid, 3° lijdt;
   3° zich bevindt in een situatie waarin hij in toepassing van de artikelen 64, 65, § 1, 66 of 67 gedurende de volledige betreffende maand niet meer gerechtigd zou zijn op uitkeringen;
   4° voor de betreffende kalendermaand een uitkering als volledig werkloze overeenkomstig een uitkeringsstelsel voorzien in artikel 100 of 103, een inkomensgarantie-uitkering in de zin van artikel 131bis, een uitkering in het kader van een volledige of gedeeltelijke beroepsloopbaanonderbreking of in het kader van het tijdskrediet of een uitkering in het kader van de ziekte- en invaliditeitsverzekering als volledig werkloze, ontvangt.
   § 4. De werknemer die overeenkomstig § 1 een uitkeringsaanvraag heeft ingediend moet aangifte doen van gebeurtenissen die een beletsel vormen voor de toekenning van de overstappremie, op de wijze en binnen de termijnen geldend voor de aangifte van een wijzigende gebeurtenis.
   § 5. In afwijking van artikel 160, § 1, derde lid, stelt de uitbetalingsinstelling het recht op de overstappremie voor de beschouwde maand vast op grond van dit artikel, zonder dat een verantwoordingsstuk moet worden ingediend, uitgaande van de veronderstelling dat de werkloze verder voldoet aan de vereisten voor de toekenning van deze premie, tot op het tijdstip waarop zij een uitkeringsaanvraag als volledig werkloze of een aangifte van een wijzigende gebeurtenis ontvangt.
   § 6. De aanvraag en de aangifte bedoeld in de vorige paragrafen geschieden door middel van een formulier waarvan het model en de inhoud worden vastgesteld door het beheerscomité.
   De aanvraag moet inzonderheid volgende gegevens bevatten :
   1° een verklaring ondertekend door de werkgever waaruit blijkt dat de werknemer op de aangegeven datum op eigen verzoek is overgegaan van zwaar naar lichter werk en hierdoor een inkomensverlies lijdt;
   2° een verklaring ondertekend door de werknemer waaruit blijkt dat hij het werk dat hij vóór de overstap uitoefende als te zwaar ervaarde in het licht van zijn capaciteiten en op eigen verzoek op de aangegeven datum is overgegaan naar lichter werk.
   De aanvraag moet inzonderheid volgende bijlagen bevatten :
   1° een kopie van de functiebeschrijving van de vorige functie;
   2° een kopie van een bijvoegsel aan de arbeidsovereenkomst met vermelding van de nieuwe functie, de functiebeschrijving en de datum van de functiewijziging;
   3° stukken waaruit blijkt dat het inkomensverlies voldoet aan de vereisten van § 1.
   § 7. Voor de toepassing van artikel 148, 1°, op grond waarvan een nieuwe uitkeringsaanvraag moet worden ingediend na een onderbreking van het genot van de uitkeringen, wordt abstractie gemaakt van de betaling van de toeslag.
   De overstappremie wordt, in afwijking van artikel 27, 4°, niet als een uitkering beschouwd voor de toepassing van de artikelen 38, § 1, eerste lid, 1°, 42, 79, § 4, 92, 93 en 97.
  ]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij KB 2010-04-19/04, art. 2, 190; Inwerkingtreding : 01-05-2010>

  Art. 131nonies_VLAAMS_GEWEST.
  <Opgeheven bij BVR 2017-02-10/18, art. 1, 269; Inwerkingtreding : 02-09-2016>

  Art. 131nonies_WAALS_GEWEST.
  <Opgeheven bij DWG 2017-02-02/24, art. 28, 268; Inwerkingtreding : 01-07-2017>

  Art. 131nonies_BRUSSELS_HOOFDSTEDELIJK_GEWEST.
  <Opgeheven bij BESL 2017-09-14/04, art. 33, 267; Inwerkingtreding : 31-12-2017>

  Art. 131nonies_DUITSTALIGE_GEMEENSCHAP.
   <Opgeheven bij DDG 2016-04-25/10, art. 34,1°, 252; Inwerkingtreding : 01-07-2016>
  


  HOOFDSTUK V. - Procedure.

  Afdeling 1. - Uitkeringsaanvraag en aangifte van de wijzigende gebeurtenis.

  Art. 132. De werkloze kiest vrij zijn uitbetalingsinstelling.
  De Minister bepaalt, na advies van het beheercomité, de voorwaarden en modaliteiten om van een uitbetalingsinstelling naar een andere over te gaan en de datum vanaf dewelke de overgang uitwerking heeft.

  Art. 133.§ 1. Een dossier bevattende een uitkeringsaanvraag en alle stukken welke de directeur nodig heeft om over het recht op uitkeringen te beslissen en het bedrag ervan te bepalen, moet bij de uitbetalingsinstelling ingediend worden door:
  1° De werkloze die voor het eerst uitkeringen wenst te bekomen;
  2° de volledig werkloze na een onderbreking van het genot van de uitkeringen;
  3° [5 de deeltijdse werknemer met behoud van rechten en de deeltijdse werknemer bedoeld in artikel 104, § 1bis :
   a) wanneer een arbeidsovereenkomst voor deeltijdse arbeid gesloten wordt of later, wanneer hij uitkeringen wenst te verkrijgen;
   b) bij het einde van de periode van ononderbroken opeenvolgende deeltijdse tewerkstellingen, zoals bedoeld in artikel 137, § 1, derde lid;]5
  4° (de tijdelijk werkloze :
  a) bij de eerste dag tijdelijke werkloosheid [6 ...]6, waarvoor hij uitkeringen wenst te bekomen en bij de eerste dag van tijdelijke werkloosheid gelegen na een onderbreking van het genot van de uitkeringen als tijdelijk werkloze gedurende ten minste 36 kalendermaanden;
  b) bij de eerste dag tijdelijke werkloosheid waarvoor hij uitkeringen wenst te bekomen na iedere wijziging van de factor Q of van de factor S, bedoeld in artikel 99;
  c) bij de eerste dag tijdelijke werkloosheid, waarvoor hij uitkeringen wenst te bekomen na de indiensttreding bij een nieuwe werkgever;
  d) bij de eerste dag tijdelijke werkloosheid gelegen in elke periode van 1 oktober tot 30 september van het daarop volgende jaar, indien de werknemer een hogere uitkering wenst te bekomen; de aanvraag die uitsluitend valt onder de toepassing van deze littera wordt ambtshalve door de uitbetalingsinstelling ingediend;) <KB 2006-09-24/46, art. 2, 157; Inwerkingtreding : 01-10-2006>
  [6 e) bij de eerste dag tijdelijke werkloosheid bedoeld in de artikelen 51 of 77/4 van de wet van 3 juli 1978 betreffende de arbeidsovereenkomsten waarvoor hij uitkeringen wenst te bekomen in de situaties bedoeld in a) tot c), indien er geen uitkeringskaart bestaat die vaststelt dat de wachttijdvoorwaarden voor de tijdelijk werklozen bedoeld in de artikelen 30 tot 42 zijn vervuld.]6
  5° de werknemer die aan een staking deelneemt, die getroffen wordt door een lock-out of wiens werkloosheid het rechtstreekse of onrechtstreekse gevolg is van een staking of een lock-out, bij de aanvang van elke staking of lock-out;
  6° de werkloze die verhuist, wanneer de gemeente van de nieuwe (hoofdverblijfplaats) onder een ander werkloosheidsbureau ressorteert; <KB 2003-02-06/37, art. 5, 122; Inwerkingtreding : 01-04-2003>
  7° de werkloze die het voorwerp uitmaakte van een beslissing inzake ontzegging, uitsluiting of schorsing van het recht op uitkeringen en die opnieuw uitkeringen wenst te bekomen;
  8° (de werknemer bedoeld in artikel 28, § 3, 1° en 3°, de erkende zeevisser bedoeld in artikel 28, § 3, 4 ° en de havenarbeider, ter gelegenheid van elke uitbetaling van uitkeringen.) <KB 1995-03-14/32, art. 3, 044; Inwerkingtreding : 01-04-1995>
  9° [2 de jonge werknemer die de jeugdvakantie-uitkering bedoeld in artikel 78bis, § 1, aanvraagt. Het dossier moet op het werkloosheidsbureau aankomen uiterlijk op het einde van de tweede maand volgend op het vakantiejaar;]2
  (9°bis [2 de werknemer die de seniorvakantie-uitkering bedoeld in artikel 78bis, § 2, aanvraagt. Het dossier moet op het werkloosheidsbureau aankomen uiterlijk op het einde van de tweede maand volgend op het vakantiejaar;]2
  10° [4 de werknemer die tewerkgesteld wordt in een tewerkstelling met activeringsuitkeringen bedoeld in artikel 152quater, bij de aanvang van de tewerkstelling;]4
  11° [4 ...]4;
  12° [4 ...]4;
  13° (de werknemer die de kinderopvangtoeslag bedoeld in artikel 131septies /1 aanvraagt; dit dossier bevat een kopie van de arbeidsovereenkomst of een bewijs van aansluiting bij een sociaal verzekeringsfonds voor zelfstandigen.) <KB 2009-01-15/37, art. 5, 179; Inwerkingtreding : 01-02-2009; zie ook art. 7>
  [1 14° de werknemer die de overstappremie bedoeld in artikel 131nonies aanvraagt;]1
  [2 15° de werknemer die de mobiliteitstoeslag bedoeld in artikel 131septies aanvraagt; dit dossier bevat een kopie van de arbeidsovereenkomst en het bewijs van het niet passend karakter van de dienstbetrekking. Dit dossier moet ingediend worden ten vroegste in de loop van de maand die de aanvang van de tewerkstelling voorafgaat en uiterlijk binnen de periode van 2 maanden te rekenen vanaf de eerste dag van de maand volgend op deze waarin de tewerkstelling een aanvang neemt De aanvang van de tewerkstelling wordt beschouwd als een wijzigende gebeurtenis voor de toepassing van artikel 148, 3°.]2
  § 2. Het dossier bedoeld in § 1 moet inzonderheid een aangifte van de persoonlijke en familiale toestand bevatten indien:
  1° de werkloze voor het eerst uitkeringen wenst te bekomen [7 en de werkloze voor het eerst uitkeringen als volledig werkloze wenst te bekomen]7;
  2° het genot van de uitkeringen onderbroken werd gedurende meer dan één jaar;
  3° de werkloze zijn overgang vraagt van een uitbetalingsinstelling naar een andere;
  4° de werkloze verhuist, wanneer de gemeente van de nieuwe (hoofdverblijfplaats) onder een ander werkloosheidsbureau ressorteert; <KB 2003-02-06/37, art. 5, 122; Inwerkingtreding : 01-04-2003>
  5° er zich een wijzigende gebeurtenis heeft voorgedaan in de persoonlijke of familiale toestand van de werkloze die van invloed is op het recht op uitkeringen of op het bedrag ervan;
  [7 6° de werkloze opnieuw uitkeringen als volledig werkloze aanvraagt na een onderbreking van het genot van de uitkeringen waarbij hij voor minstens één kalendermaand geen aanspraak op uitkeringen als volledig werkloze heeft gemaakt, indien de uitbetalingsinstelling in de periode van onderbreking, tijdens een maand waarin geen aanspraak op uitkeringen als volledig werkloze werd gemaakt, een wijzigingsbericht zoals bedoeld in artikel 24, § 2, 5°, van het Rijksregister of de Kruispuntbankregisters heeft ontvangen. Deze bepaling is niet van toepassing indien de uitbetalingsinstelling naar aanleiding van de ontvangst van het wijzigingsbericht bedoeld in artikel 24, § 2, 5°, in toepassing van artikel 134ter een indiening bij het werkloosheidsbureau heeft verricht.]7
  ----------
  (1)<KB 2010-04-19/04, art. 3, 190; Inwerkingtreding : 01-05-2010>
  (2)<KB 2012-09-06/02, art. 5, 207; Inwerkingtreding : 01-11-2012>
  (3)<KB 2013-06-07/03, art. 11, 216; Inwerkingtreding : 01-07-2013>
  (4)<KB 2015-07-17/06, art. 8, 242; Inwerkingtreding : 01-08-2015>
  (5)<KB 2014-08-31/13, art. 1, 244; Inwerkingtreding : 01-01-2016>
  (6)<KB 2016-09-11/03, art. 9, 255; Inwerkingtreding : 01-10-2016>
  (7)<KB 2017-01-20/15, art. 2, 259; Inwerkingtreding : 01-03-2017>

  Art. 133 TOEKOMSTIG RECHT.


   § 1. Een dossier bevattende een uitkeringsaanvraag en alle stukken welke de directeur nodig heeft om over het recht op uitkeringen te beslissen en het bedrag ervan te bepalen, moet bij de uitbetalingsinstelling ingediend worden door:
  1° De werkloze die voor het eerst uitkeringen wenst te bekomen;
  2° de volledig werkloze na een onderbreking van het genot van de uitkeringen;
  3° [5 de deeltijdse werknemer met behoud van rechten en de deeltijdse werknemer bedoeld in artikel 104, § 1bis :
   a) wanneer een arbeidsovereenkomst voor deeltijdse arbeid gesloten wordt of later, wanneer hij uitkeringen wenst te verkrijgen;
   b) bij het einde van de periode van ononderbroken opeenvolgende deeltijdse tewerkstellingen, zoals bedoeld in artikel 137, § 1, derde lid;]5
  4° (de tijdelijk werkloze :
  a) bij de eerste dag tijdelijke werkloosheid [6 ...]6, waarvoor hij uitkeringen wenst te bekomen en bij de eerste dag van tijdelijke werkloosheid gelegen na een onderbreking van het genot van de uitkeringen als tijdelijk werkloze gedurende ten minste 36 kalendermaanden;
  b) bij de eerste dag tijdelijke werkloosheid waarvoor hij uitkeringen wenst te bekomen na iedere wijziging van de factor Q of van de factor S, bedoeld in artikel 99;
  c) bij de eerste dag tijdelijke werkloosheid, waarvoor hij uitkeringen wenst te bekomen na de indiensttreding bij een nieuwe werkgever;
  d) bij de eerste dag tijdelijke werkloosheid gelegen in elke periode van 1 oktober tot 30 september van het daarop volgende jaar, indien de werknemer een hogere uitkering wenst te bekomen; de aanvraag die uitsluitend valt onder de toepassing van deze littera wordt ambtshalve door de uitbetalingsinstelling ingediend;) <KB 2006-09-24/46, art. 2, 157; Inwerkingtreding : 01-10-2006>
  [6 e) bij de eerste dag tijdelijke werkloosheid bedoeld in de artikelen 51 of 77/4 van de wet van 3 juli 1978 betreffende de arbeidsovereenkomsten waarvoor hij uitkeringen wenst te bekomen in de situaties bedoeld in a) tot c), indien er geen uitkeringskaart bestaat die vaststelt dat de wachttijdvoorwaarden voor de tijdelijk werklozen bedoeld in de artikelen 30 tot 42 zijn vervuld.]6
  5° [8 ...]8
  6° de werkloze die verhuist, wanneer de gemeente van de nieuwe (hoofdverblijfplaats) onder een ander werkloosheidsbureau ressorteert; <KB 2003-02-06/37, art. 5, 122; Inwerkingtreding : 01-04-2003>
  7° de werkloze die het voorwerp uitmaakte van een beslissing inzake ontzegging, uitsluiting of schorsing van het recht op uitkeringen en die opnieuw uitkeringen wenst te bekomen;
  8° (de werknemer bedoeld in artikel 28, § 3, 1° en 3°, de erkende zeevisser bedoeld in artikel 28, § 3, 4 ° en de havenarbeider, ter gelegenheid van elke uitbetaling van uitkeringen.) <KB 1995-03-14/32, art. 3, 044; Inwerkingtreding : 01-04-1995>
  9° [2 de jonge werknemer die de jeugdvakantie-uitkering bedoeld in artikel 78bis, § 1, aanvraagt. Het dossier moet op het werkloosheidsbureau aankomen uiterlijk op het einde van de tweede maand volgend op het vakantiejaar;]2
  (9°bis [2 de werknemer die de seniorvakantie-uitkering bedoeld in artikel 78bis, § 2, aanvraagt. Het dossier moet op het werkloosheidsbureau aankomen uiterlijk op het einde van de tweede maand volgend op het vakantiejaar;]2
  10° [4 de werknemer die tewerkgesteld wordt in een tewerkstelling met activeringsuitkeringen bedoeld in artikel 152quater, bij de aanvang van de tewerkstelling;]4
  11° [4 ...]4;
  12° [4 ...]4;
  13° (de werknemer die de kinderopvangtoeslag bedoeld in artikel 131septies /1 aanvraagt; dit dossier bevat een kopie van de arbeidsovereenkomst of een bewijs van aansluiting bij een sociaal verzekeringsfonds voor zelfstandigen.) <KB 2009-01-15/37, art. 5, 179; Inwerkingtreding : 01-02-2009; zie ook art. 7>
  [1 14° de werknemer die de overstappremie bedoeld in artikel 131nonies aanvraagt;]1
  [2 15° de werknemer die de mobiliteitstoeslag bedoeld in artikel 131septies aanvraagt; dit dossier bevat een kopie van de arbeidsovereenkomst en het bewijs van het niet passend karakter van de dienstbetrekking. Dit dossier moet ingediend worden ten vroegste in de loop van de maand die de aanvang van de tewerkstelling voorafgaat en uiterlijk binnen de periode van 2 maanden te rekenen vanaf de eerste dag van de maand volgend op deze waarin de tewerkstelling een aanvang neemt De aanvang van de tewerkstelling wordt beschouwd als een wijzigende gebeurtenis voor de toepassing van artikel 148, 3°.]2
  § 2. Het dossier bedoeld in § 1 moet inzonderheid een aangifte van de persoonlijke en familiale toestand bevatten indien:
  1° de werkloze voor het eerst uitkeringen wenst te bekomen [7 en de werkloze voor het eerst uitkeringen als volledig werkloze wenst te bekomen]7;
  2° het genot van de uitkeringen onderbroken werd gedurende meer dan één jaar;
  3° de werkloze zijn overgang vraagt van een uitbetalingsinstelling naar een andere;
  4° de werkloze verhuist, wanneer de gemeente van de nieuwe (hoofdverblijfplaats) onder een ander werkloosheidsbureau ressorteert; <KB 2003-02-06/37, art. 5, 122; Inwerkingtreding : 01-04-2003>
  5° er zich een wijzigende gebeurtenis heeft voorgedaan in de persoonlijke of familiale toestand van de werkloze die van invloed is op het recht op uitkeringen of op het bedrag ervan;
  [7 6° de werkloze opnieuw uitkeringen als volledig werkloze aanvraagt na een onderbreking van het genot van de uitkeringen waarbij hij voor minstens één kalendermaand geen aanspraak op uitkeringen als volledig werkloze heeft gemaakt, indien de uitbetalingsinstelling in de periode van onderbreking, tijdens een maand waarin geen aanspraak op uitkeringen als volledig werkloze werd gemaakt, een wijzigingsbericht zoals bedoeld in artikel 24, § 2, 5°, van het Rijksregister of de Kruispuntbankregisters heeft ontvangen. Deze bepaling is niet van toepassing indien de uitbetalingsinstelling naar aanleiding van de ontvangst van het wijzigingsbericht bedoeld in artikel 24, § 2, 5°, in toepassing van artikel 134ter een indiening bij het werkloosheidsbureau heeft verricht.]7
  

----------
  (1)<KB 2010-04-19/04, art. 3, 190; Inwerkingtreding : 01-05-2010>
  (2)<KB 2012-09-06/02, art. 5, 207; Inwerkingtreding : 01-11-2012>
  (3)<KB 2013-06-07/03, art.