J U S T E L     -     Geconsolideerde wetgeving
Einde Eerste woord Laatste woord Wijziging(en) Aanhef
Inhoudstafel 12 uitvoeringbesluiten 5 gearchiveerde versies
Einde Franstalige versie
 
belgiëlex . be     -     Kruispuntbank Wetgeving
Raad van State
ELI - Navigatie systeem via een Europese identificatiecode voor wetgeving
http://www.ejustice.just.fgov.be/eli/besluit/1986/12/02/1986011377/justel

Titel
2 DECEMBER 1986. - Koninklijk besluit betreffende het aanvragen, verlenen en in stand houden van uitvindingsoctrooien.
(NOTA : Raadpleging van vroegere versies vanaf 04-06-1987 en tekstbijwerking tot 11-09-2014)

Bron : ECONOMISCHE ZAKEN
Publicatie : 06-12-1986 nummer :   1986011377 bladzijde : 16584
Dossiernummer : 1986-12-02/30
Inwerkingtreding : 01-01-1987

Inhoudstafel Tekst Begin
HOOFDSTUK I. Algemene bepalingen.
Afdeling I. Definities.
Art. 1
Afdeling II. Indiening van de octrooiaanvraag, bewijs van tentoonstelling en verklaring van voorrang.
Art. 2-4
Afdeling III. De vertegenwoordiging.
Art. 5-7
HOOFDSTUK II. Bepalingen betreffende de octrooiaanvragen.
Afdeling I. Het verzoek tot verlening van het octrooi.
Art. 8, 8bis, 8ter
Afdeling II. De beschrijving.
Art. 9-10, 10bis, 10ter
Afdeling III. De conclusies.
Art. 11-12
Afdeling IV. Het uittreksel.
Art. 13
Afdeling V. Bepalingen betreffende de overlegging van de tekeningen.
Art. 14-15
Afdeling VI. Bepalingen betreffende de overlegging van de stukken van de octrooiaanvraag.
Art. 16-17
HOOFDSTUK III. Afsplitsing van de octrooiaanvraag.
Art. 18-19
HOOFDSTUK IV. - (Het verslag van het nieuwheidsonderzoek en de schriftelijke opinie.) <KB 2007-08-17/30, art. 1, 004; Inwerkingtreding : 24-08-2007>
Afdeling I. - (Het opstellen van het verslag van het nieuwheidsonderzoek en van de schriftelijke opinie.) <KB 2007-08-17/30, art. 2, 004; Inwerkingtreding : 24-08-2007>
Art. 20-24
Afdeling II. Nieuwe redactie van de conclusies, van het uittreksel en van de beschrijving.
Art. 25
HOOFDSTUK V. [1 - Regularisatie, verbeteringen en herstel in rechte]1
Art. 26-27, 27bis, 27ter
HOOFDSTUK VI. De verlening van het octrooi.
Art. 28-29
HOOFDSTUK VII. Afstand.
Art. 30
HOOFDSTUK VIIbis. - [1 Raadpleging van de dossiers die aan de inzage ten behoeve van het publiek zijn onderworpen]1
Art. 30bis, 30ter, 30quater
HOOFDSTUK VIII. Diverse bepalingen.
Art. 30quinquies, 31-33, 33bis, 34-35
HOOFDSTUK IX. Slotbepalingen.
Art. 36-40

Tekst Inhoudstafel Begin
HOOFDSTUK I. _ Algemene bepalingen.

  Afdeling I. _ Definities.

  Artikel 1.[1 Voor de toepassing van dit besluit wordt verstaan onder :
   1° de Dienst : de Dienst voor de Intellectuele Eigendom bij de Federale Overheidsdienst Economie;
   de Minister : de minister bevoegd voor intellectuele eigendom.]1
  ----------
  (1)<KB 2014-09-04/02, art. 12, 006; Inwerkingtreding : 22-09-2014>

  Afdeling II. _ Indiening van de octrooiaanvraag, bewijs van tentoonstelling en verklaring van voorrang.

  Art. 2.[1 § 1. Wanneer de octrooiaanvraag per post wordt ingediend, wordt in het ontvangstbewijs bedoeld in artikel XI.15, tweede lid, van het Wetboek van economisch recht, de dag vermeld waarop de aanvraag bij de Dienst toekomt.
   § 2. De indiening van de octrooiaanvraag kan, onverminderd het bepaalde in artikel XI.15, eerste lid, van het Wetboek van economisch recht, gebeuren per fax, of via de elektronische procedure met behulp van een weblink vermeld op de pagina's "Intellectuele Eigendom" van de website van de Federale Overheidsdienst Economie.
   § 3. De Minister bepaalt de sluitingsdagen en de openingsuren van de Dienst.]1
  ----------
  (1)<KB 2014-09-04/02, art. 13, 006; Inwerkingtreding : 22-09-2014>

  Art. 3.De aanvrager moet, binnen een termijn van vier maanden te rekenen vanaf de indiening van de octrooiaanvraag, het bewijsstuk voorleggen bedoeld in [1 artikel XI.6, § 6, b), van het Wetboek van economisch recht]1, afgeleverd in de loop van de tentoonstelling door de overheid, die ermee belast is de bescherming van de industriële eigendom in deze tentoonstelling te waarborgen, en vaststellend dat de uitvinding er werkelijk werd tentoongesteld.
  Dit bewijsstuk moet bovendien de openingsdatum van de tentoonstelling vermelden en, eventueel, de datum van de eerste openbaarmaking van de uitvinding indien deze twee data niet samenvallen. Het bewijsstuk moet vergezeld zijn van de stukken die het mogelijk maken de uitvinding te identificeren.
  ----------
  (1)<KB 2014-09-04/02, art. 14, 006; Inwerkingtreding : 22-09-2014>

  Art. 4.[1 § 1. De in artikel XI.20, § 1, eerste lid, en § 2, van het Wetboek van economisch recht bedoelde verklaring van voorrang vermeldt de datum van de eerdere indiening, de in artikel XI.20, § 1, derde en vierde lid, van hetzelfde Wetboek bedoelde staten of regionale of internationale organisaties waarin of waarbij zij werd gedaan en het nummer van deze indiening.
   § 2. De in de eerste paragraaf bedoelde verklaring van voorrang moet binnen een termijn van zestien maanden, te rekenen vanaf de vroegste voorrangsdatum, worden ingediend.
   § 3. Een afschrift van de eerdere aanvraag, voor eensluidend verklaard door de instantie die ze heeft ontvangen, vergezeld van een verklaring van deze instantie waarin de datum van indiening van de eerdere aanvraag wordt vermeld, moet worden ingediend binnen een termijn van zestien maanden te rekenen vanaf de vroegste voorrangsdatum.
   Indien de eerdere aanvraag een Belgische octrooiaanvraag of een bij de Dienst ingediende Europese of internationale octrooiaanvraag is, kan de aanvrager, in plaats van een voor eensluidend verklaarde kopie van de eerdere aanvraag in te dienen, vóór het verstrijken van de termijn bedoeld in het eerste lid, de Dienst vragen zulk een kopie aan het dossier van de octrooiaanvraag toe te voegen, mits betaling van een vergoeding waarvan het bedrag bepaald is door het tarief toepasselijk op de door de Dienst gemaakte kopieën.
   § 4. De betaling van de voorrangstaks bedoeld in artikel XI.20, § 7, van het Wetboek van economisch recht, moet gekweten zijn ten laatste een maand na de indiening van de verklaring van voorrang.
   § 5. De databank of databanken bedoeld in artikel XI.20, § 1, tweede lid, en § 2, tweede lid, van het Wetboek van economisch recht, worden vermeld op de pagina's "intellectuele Eigendom" van de website van de Federale Overheidsdienst Economie.
   § 6. De aanvrager kan nog een verbetering van het beroep op voorrang of de toevoeging van een dergelijk beroep op voorrang verzoeken op basis van artikel XI.20, § 8, van het Wetboek van economisch recht, voor het einde van de zestiende maand na de vroegste voorrangsdatum. Wanneer de verbetering of de toevoeging een verandering in de vroegste voorrangsdatum tot gevolg heeft, is die van de twee volgende termijnen van zestien maanden die het eerst verstrijkt van toepassing :
   1° zestien maanden te rekenen vanaf de vroegste voorrangsdatum die oorspronkelijk werd ingeroepen; of
   2° zestien maanden te rekenen vanaf de gewijzigde vroegste voorrangsdatum.
   Er kan echter altijd om een verbetering of toevoeging worden gevraagd tot het verstrijken van een termijn van vier maanden te rekenen vanaf de datum van indiening die aan de octrooiaanvraag wordt toegekend.
   Het verzoekschrift tot verbetering of toevoeging van een beroep op voorrang kan niet worden ingediend na het indienen van een verzoek tot vervroegde publicatie van de octrooiaanvraag als bedoeld in artikel XI.24, § 3, derde lid, van het Wetboek van economisch recht. Dit verzoek tot vroegtijdige publicatie kan echter nog worden ingetrokken binnen een termijn van zeventien maanden te rekenen vanaf de voorrangsdatum zoals bepaald overeenkomstig het eerste lid.
   § 7. De termijn bedoeld in de inleidende zin van artikel XI.20, § 9, van het Wetboek van economisch recht, verstrijkt na twee maanden te rekenen vanaf de datum waarop de voorrangstermijn is verstreken.
   Het in artikel XI.20, § 9, eerste lid, 1°, van hetzelfde Wetboek bedoelde verzoekschrift dient te worden vergezeld van een beroep op voorrang, in het geval geen beroep op voorrang van de eerdere aanvraag werd gedaan in de vervolgaanvraag.
   De termijn bedoeld in artikel XI.20, § 9, eerste lid, 2°, van hetzelfde Wetboek, bedraagt twee maanden te rekenen vanaf de datum waarop de voorrangstermijn is verstreken.
   § 8. Indien het afschrift van een eerdere aanvraag dat ingeroepen wordt als bewijs van voorrang niet is ingediend binnen de termijn bedoeld in § 3, kan de aanvrager een verzoekschrift tot herstel indienen met toepassing van artikel XI.20, § 10, van het Wetboek van economisch recht.
   Het in voornoemd artikel XI.20, § 10, eerste lid, 1°, bedoeld verzoekschrift, dient te voldoen aan de volgende vereisten :
   1° het verzoekschrift vermeldt het bureau waarbij het verzoekschrift voor een afschrift van de eerdere aanvraag werd gedaan, alsmede de datum van dat verzoekschrift;
   2° het verzoekschrift bevat een verklaring of ander bewijs ter ondersteuning van het in voornoemd artikel XI.20, § 10, eerste lid, 3°, bedoelde verzoekschrift bij het bureau waar de eerdere aanvraag is ingediend.
   Het verzoekschrift dient, op basis van artikel XI.20, § 10, eerste lid, 2°, van het Wetboek van economisch recht, te worden ingediend binnen de termijn bedoeld in paragraaf 3, eerste lid.
   De termijn bedoeld in voornoemd artikel XI.20, § 10, eerste lid, 3°, verstrijkt twee maanden vóór de termijn bedoeld in paragraaf 3, eerste lid.
   De termijn bedoeld in voornoemd artikel XI.20, § 10, eerste lid, 4°, bedraagt een maand te rekenen vanaf de datum waarop het bureau waarbij de eerdere aanvraag is ingediend, de aanvrager het afschrift van de eerdere aanvraag verstrekt.
   § 9. De taks bedoeld in artikel XI.20, § 11, van het Wetboek van economisch recht, wordt betaald op het moment van de indiening van het in voornoemd artikel XI.20, §§ 8, 9 en 10, bedoelde verzoekschrift.
   § 10. De termijn voor het leveren van commentaar op de voorgenomen weigering bedoeld in voornoemd artikel XI.20, § 8, tweede lid, § 9, tweede lid, en § 10, tweede lid, bedraagt twee maanden vanaf de datum van de kennisgeving van de voorgenomen weigering.]1
  ----------
  (1)<KB 2014-09-04/02, art. 15, 006; Inwerkingtreding : 22-09-2014>

  Afdeling III. _ De vertegenwoordiging.

  Art. 5.[1 § 1. Eenieder mag een volmacht indienen die een erkend gemachtigde toelaat één of meer handelingen te stellen voor de Dienst met betrekking tot één of meerdere octrooizaken die hem betreffen.
   De volmacht wordt in origineel bij de Dienst neergelegd.
   Bij de aanduiding van een groep van gemachtigden wordt geacht dat de vertegenwoordigingsvolmacht zich uitstrekt tot elke gemachtigde die deel uitmaakt van deze groep.
   § 2. Wanneer de gemachtigde optreedt voor een handeling betreffende een octrooiaanvraag of een octrooi, waarvoor reeds een andere gemachtigde of een andere groep van gemachtigden is opgetreden voor de Dienst, dient de gemachtigde, behalve bij de in [2 artikel XI.75 van het Wetboek van economisch recht]2 bedoelde gevallen, een volmacht voor te leggen.
   In het in het eerste lid bepaalde geval, dient de gemachtigde binnen een termijn van twee maanden te rekenen vanaf de datum waarop de handeling bij de Dienst werd gesteld :
   1° een volmacht in te dienen;
   2° de Dienst te informeren over het feit of deze nieuwe volmacht een einde stelt aan het mandaat van de eerdere gemachtigde of groep van gemachtigden, of dat beide gemachtigden of groepen van gemachtigden bevoegd blijven om handelingen voor de Dienst te stellen.
   Indien de nieuwe gemachtigde of groep van gemachtigden met toepassing van het tweede lid, 2°, aangeeft dat de nieuwe volmacht een einde stelt aan het mandaat van de eerdere gemachtigde of groep van gemachtigden, stelt de Dienst de eerdere gemachtigde of groep van gemachtigden hiervan op de hoogte en deelt hem mee dat de procedures zullen worden verdergezet met de nieuwe gemachtigde of groep van gemachtigden.
   § 3. Onverminderd paragraaf 1, dienen de volgende handelingen te worden vergezeld van een volmacht :
   1° het indienen van een verzoek tot intrekking van de octrooiaanvraag als bedoeld in [2 artikel XI.24, § 3, tweede lid, van het Wetboek van economisch recht]2;
   2° het indienen van een verklaring tot gehele afstand als bedoeld in [2 artikel XI.55, § 1, eerste lid, van het Wetboek van economisch recht]2;
   3° het indienen van een verklaring tot gehele herroeping als bedoeld in [2 artikel XI.56, § 1, eerste lid, van het Wetboek van economisch recht]2.
   § 4. Indien de erkend gemachtigde in de in paragrafen 2 en 3 bedoelde gevallen geen volmacht voorlegt, nodigt de Dienst de gemachtigde uit deze volmacht alsnog in te dienen binnen een door de Dienst vastgestelde termijn. Deze termijn is minstens een maand.
   In afwijking van het eerste lid, dient de volmacht voor wat betreft de § 3, 1°, bedoelde handelingen, te worden ingediend binnen een termijn vastgesteld door de Dienst die niet later later dan verstrijken dan de in artikel 30ter bedoelde termijn.
   Indien binnen de in het eerste en tweede lid bedoelde termijn, niet aan de voorwaarden bedoeld in paragrafen 2 en 3 wordt voldaan, wordt de gestelde handeling geacht niet te zijn gedaan.]1
  ----------
  (1)<KB 2014-03-09/01, art. 7, 005; Inwerkingtreding : 22-09-2014, zie KB 2014-09-04/02, art. 59>
  (2)<KB 2014-09-04/02, art. 16, 006; Inwerkingtreding : 22-09-2014>

  Art. 6. § 1. Indien een octrooiaanvraag wordt ingediend door verschillende personen, mag in het verzoek tot verlening van het octrooi een gemeenschappelijke vertegenwoordiger aangewezen worden op voorwaarde dat deze laatste niet onderworpen is aan de verplichting een erkende gemachtigde aan te duiden. Een dergelijke aanwijzing ontslaat de aanvrager(s) onderworpen aan de verplichting een erkende gemachtigde aan te duiden, daartoe over te gaan.
  § 2. Indien er geen aanwijzing is van een gemeenschappelijke vertegenwoordiger overeenkomstig voorgaande paragraaf, wordt de aanvrager die in het verzoek tot verlening van het octrooi het eerst genoemd wordt en die niet onderworpen is aan de verplichting een erkende gemachtigde aan te wijzen geacht de gemeenschappelijke vertegenwoordiger te zijn.

  Art. 7.[1 § 1. De Dienst kan de gemachtigde elke bijkomende inlichting vragen teneinde na te gaan of deze persoon gemachtigd is voor hem op te treden overeenkomstig [2 hoofdstuk 3 van Titel 1 van Boek XI van het Wetboek van economisch recht]2.
   De volmacht dient op elk verzoek van de Dienst te worden voorgelegd.
   Indien de gemachtigde de gevraagde inlichtingen niet verstrekt, of zijn volmacht niet bewijst, binnen een termijn van twee maanden te rekenen vanaf het door de Dienst verstuurde verzoek, wordt de gestelde handeling geacht niet te zijn gedaan door een persoon die hiertoe gemachtigd is overeenkomstig [2 hoofdstuk 3 van Titel 1 van Boek XI van het Wetboek van economisch recht]2. De Dienst stelt de aanvrager of octrooihouder hiervan in kennis.
   § 2. De Dienst kan de octrooiaanvrager of octrooihouder vragen om te bevestigen dat de gemachtigde optreedt in opdracht van de octrooiaanvrager of octrooihouder. De brief waarin de Dienst om deze bevestiging vraagt, vermeld expliciet naar de in het derde lid bedoeld termijn, evenals de in het derde lid bedoelde gevolgen indien er aan de vraag geen gevolg wordt gegeven.
   De gemachtigde krijgt een kopie van de brief waarin de Dienst om deze bevestiging vraagt toegestuurd.
   Behoudens tegenbericht van de octrooiaanvrager of octrooihouder binnen een termijn van twee maanden te rekenen vanaf het in het eerste lid bedoelde verzoek tot bevestiging, wordt de door de gemachtigde gestelde handeling verondersteld te zijn bevestigd.]1
  ----------
  (1)<KB 2014-03-09/01, art. 8, 005; Inwerkingtreding : 22-09-2014, zie KB 2014-09-04/02, art. 59>
  (2)<KB 2014-09-04/02, art. 17, 006; Inwerkingtreding : 22-09-2014>

  HOOFDSTUK II. _ Bepalingen betreffende de octrooiaanvragen.

  Afdeling I. _ Het verzoek tot verlening van het octrooi.

  Art. 8. Het verzoek tot verlening van het octrooi wordt ingediend bij wege van een formulier dat door de Dienst ter beschikking wordt gesteld en waarvan de Minister het model vaststelt.
  Het formulier wordt naar behoren ingevuld en door de octrooiaanvrager ondertekend.

  Art. 8bis.[1 § 1. Onder voorbehoud van het tweede lid, bedragen de termijnen bedoeld in artikel XI.17, §§ 4 en 5, tweede lid, van het Wetboek van economisch recht, drie maanden vanaf de datum van de in artikel XI.17, § 4, van hetzelfde Wetboek, bedoelde kennisgeving.
   Wanneer een kennisgeving niet is gedaan omdat geen gegevens zijn ingediend als bedoeld in artikel XI.17, § 1, 2°, van het Wetboek van economisch recht, die de Dienst in staat stellen in contact te treden met de aanvrager, bedraagt de in het eerste lid bedoelde termijn drie maanden te rekenen vanaf de datum waarop de Dienst een of meerdere van de in artikel XI.17, § 1, van hetzelfde Wetboek bedoelde onderdelen voor het eerst heeft ontvangen.
   De aanvrager kan zich niet beroepen op het ontbreken van een in artikel XI.17, § 4, van hetzelfde Wetboek bedoelde kennisgeving.
   § 2. De termijnen voor het indienen van een ontbrekend deel van de beschrijving of van een ontbrekende tekening als bedoeld in artikel XI.17, § 7, eerste en tweede lid, van het Wetboek van economisch recht, bedragen :
   - wanneer een kennisgeving ingevolge artikel XI.17, § 6, van het Wetboek van economisch recht is gedaan, drie maanden te rekenen vanaf de datum van deze kennisgeving; of
   - wanneer geen kennisgeving ingevolge artikel XI.17, § 6, van hetzelfde Wetboek is gedaan, drie maanden te rekenen vanaf de datum waarop de Dienst voor het eerst een of meerdere van de in artikel XI.17, § 1, van hetzelfde Wetboek bedoelde onderdelen heeft ontvangen.
   § 3. Voor de toepassing van artikel XI.17, § 7, tweede lid, van het Wetboek van economisch recht, dienen de ontbrekende delen van de beschrijving of de ontbrekende tekeningen integraal voor te komen in de eerder gedane aanvraag, en dient de aanvrager, binnen de in paragraaf 2 bepaalde termijn, een kopie van de eerdere aanvraag en, wanneer deze eerdere aanvraag niet is opgesteld in de nationale taal voorgeschreven overeenkomstig de op 18 juli 1966 gecoördineerde wetten op het gebruik van talen in bestuurszaken, een vertaling ervan in deze taal te verschaffen.
   § 4. De aanvrager kan de in artikel XI.17, § 7, eerste lid, van het Wetboek van economisch recht, bedoelde indiening van de ontbrekende delen van de beschrijving of van de ontbrekende tekeningen terug intrekken binnen de termijn bepaald in paragraaf 2.
   § 5. Indien de in paragrafen 1 en 2 bedoelde termijnen niet werden nageleefd, of indien de aanvrager, met toepassing van paragraaf 4, de ontbrekende delen van de beschrijving of de ontbrekende tekeningen terug intrekt,
   - worden de verwijzingen naar deze eerdere aanvragen geacht te zijn opgeheven; en
   - wordt de indiening van de ontbrekende delen van de beschrijving of ontbrekende tekeningen als bedoeld in artikel XI.17, § 7, eerste en tweede lid, van het Wetboek van economisch recht geacht niet te zijn gedaan.
   De Dienst stelt de aanvrager daarvan in kennis.
   § 6. Indien niet wordt voldaan aan de in paragraaf 3 vermelde vereisten binnen de in paragraaf 2 bedoelde termijnen, is de indieningsdatum van de octrooiaanvraag de datum waarop de ontbrekende delen van de beschrijving of de ontbrekende tekeningen werden ingediend.
   De Dienst stelt de aanvrager daarvan in kennis.
   § 7. Een verwijzing naar een eerder ingediende aanvraag als bedoeld in artikel XI.17, § 8, van het Wetboek van economisch recht, vermeldt :
   1° dat de verwijzing, de beschrijving en de eventuele tekeningen vervangt ten behoeve van de toekenning van de datum van indiening;
   2° het nummer van de eerder ingediende aanvraag;
   3° de datum van de eerder ingediende aanvraag;
   4° het bureau waarbij die eerdere aanvraag is ingediend.
   De verwijzing kan eveneens vermelden dat de conclusies van de eerder ingediende aanvraag de conclusies vervangen van de aanvraag zoals deze werd ingediend.
   Een afschrift van de eerder ingediende aanvraag naar dewelke wordt verwezen, dient ingediend te worden binnen een termijn van twee maanden te rekenen vanaf de indiening van de aanvraag.
   Wanneer de eerder ingediende aanvraag, niet is opgesteld in een taal voorgeschreven overeenkomstig de op 18 juli 1966 gecoördineerde wetten op het gebruik van talen in bestuurszaken, dient een vertaling van die eerder ingediende aanvraag in de in deze wetten voorgeschreven nationale taal bij de Dienst te worden ingediend binnen de drie maanden te rekenen vanaf de datum waarop de aanvraag met daarin de in artikel XI.17, § 8, van het Wetboek van economisch recht bedoelde verwijzing door de Dienst ontvangen is.
   Onverminderd de toepassing van het eerste lid, kan de aanvrager het in het derde lid bedoelde afschrift, vervangen door een verwijzing naar de in artikel XI.20, § 1, tweede lid, en artikel XI.20, § 2, tweede lid, van het Wetboek van economisch recht bedoelde databank.]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij KB 2014-09-04/02, art. 18, 006; Inwerkingtreding : 22-09-2014>

  Art. 8ter.[1 Onverminderd artikel XI.21 van het Wetboek van economisch recht, bedraagt de termijn waarbinnen de vertaling van het deel bedoeld in artikel XI.17, § 1, 3°, bij de Dienst moet ingediend worden, drie maanden te rekenen vanaf de datum waarop de Dienst dit deel ontvangen heeft.]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij KB 2014-09-04/02, art. 19, 006; Inwerkingtreding : 22-09-2014>

  Afdeling II. _ De beschrijving.

  Art. 9. § 1. De beschrijving moet :
  1° beginnen met het aangeven van de titel zoals die in de octrooiaanvraag wordt vermeld; de titel doet klaar en beknopt uitsluitend de technische aanduiding van de uitvinding uitkomen;
  2° het technisch gebied aangeven waarop de uitvinding betrekking heeft;
  3° de stand van de techniek aangeven die, voor zover de aanvrager deze kent, als nuttig kan worden beschouwd voor het begrijpen van de uitvinding en voor het opstellen van het verslag van nieuwheidsonderzoek; bij voorkeur dienen de documenten waarin deze stand van de techniek is beschreven te worden aangehaald;
  4° de uitvinding, zoals die wordt aangeduid in de conclusies, uiteenzetten in zodanige bewoordingen dat het technische vraagstuk, zelfs indien het als dusdanig niet uitdrukkelijk is aangegeven, en de oplossing ervan kunnen worden begrepen, en voorts de mogelijke voordelige gevolgen van de uitvinding tegen de achtergrond van de stand van de techniek aangeven;
  5° een korte beschrijving geven van de eventuele tekeningen;
  6° in detail tenminste één wijze aangeven waarop de uitvinding waarvoor bescherming wordt gevraagd kan worden uitgevoerd; dit moet, waar dienstig, worden gedaan aan de hand van voorbeelden en met verwijzing naar de eventuele tekeningen;
  7° uitdrukkelijk de wijze aangeven waarop de uitvinding in de nijverheid kan worden toegepast, wanneer zulks niet duidelijk uit de beschrijving of uit de aard van de uitvinding blijkt.
  § 2. De beschrijving moet worden ingediend op de wijze en volgens de indeling voorgeschreven in het eerste lid, tenzij in verband met de aard van de uitvinding, een andere wijze of indeling zou leiden tot een beter begrip of een beknoptere voorstelling.

  Art. 10.<KB 2007-02-27/33, art. 1, 003; Inwerkingtreding : 29-03-2007> § 1. In het geval bepaald in [1 artikel XI.18, § 1, tweede lid, van het Wetboek van economisch recht]1, wordt de beschrijving slechts toereikend geacht indien de octrooiaanvraag de relevante gegevens bevat waarover de aanvrager beschikt, betreffende de kenmerken van het gedeponeerde biologisch materiaal alsook de vermeldingen van de depositaris en van het nummer van het depot.
  De depositarissen die erkend zijn overeenkomstig artikel 7 van het Verdrag van Boedapest van 28 april 1977 inzake de internationale erkenning van het depot van micro-organismen ten dienste van de octrooiverlening, worden als depositaris erkend.
  De vermeldingen van de depositaris en van het nummer van het depot worden verstrekt :
  a) binnen een termijn van zestien maanden te rekenen vanaf de indiening, of, indien een voorrang wordt opgeëist, vanaf de voorrangsdatum;
  b) tot de datum van indiening van een verzoek met het oog op de bespoediging van de verlening van het octrooi krachtens [1 artikel XI.24, § 2, tweede lid, van het Wetboek van economisch recht]1.
  § 2. Het gedeponeerde biologisch materiaal is door de afgifte van een monster toegankelijk :
  a) tot de eerste publicatie van de octrooiaanvraag, uitsluitend voor de aanvrager of zijn gemachtigden;
  b) tussen de eerste publicatie van de aanvraag en de verlening van het octrooi, voor eenieder die daarom verzoekt of, indien de aanvrager daarom verzoekt, uitsluitend voor een onafhankelijke deskundige;
  c) na de octrooiverlening en niettegenstaande herroeping of nietigverklaring van het octrooi, voor eenieder die daarom verzoekt.
  § 3. De afgifte van het monster geschiedt slechts indien de verzoeker zich ertoe verplicht voor de geldigheidsduur van het octrooi :
  a) geen monster van het gedeponeerde biologisch materiaal of van een daarvan afgeleid materiaal aan derden beschikbaar te stellen
  en
  b) geen monster van het gedeponeerde biologisch materiaal of van een daarvan afgeleid materiaal behoudens voor experimentele doeleinden te gebruiken, tenzij de aanvrager of de houder van het octrooi uitdrukkelijk van een dergelijke verplichting afziet.
  § 4. Indien de aanvraag wordt afgewezen of ingetrokken, is het gedeponeerde materiaal op verzoek van de aanvrager gedurende 20 jaar vanaf de datum van de indiening van de octrooiaanvraag uitsluitend voor een onafhankelijk deskundige toegankelijk. In dat geval zijn de bepalingen van § 3 van toepassing.
  § 5. De in § 2, b), en in § 4 bedoelde verzoeken van de aanvrager mogen uiterlijk op de datum waarop de technische voorbereidingen van de publicatie van de octrooiaanvraag worden geacht te zijn voltooid, worden ingediend.
  § 6. Bij gebrek aan aanwijzing in onderlinge overeenstemming tussen de aanvrager en de persoon die verzoekt dat het gedeponeerde biologisch materiaal toegankelijk is, wordt de in § 2, onder b), en in § 4 bedoelde onafhankelijk deskundige door de bevoegde rechter aangewezen.
  ----------
  (1)<KB 2014-09-04/02, art. 20, 006; Inwerkingtreding : 22-09-2014>

  Art. 10bis. <Ingevoegd bij KB 2007-02-27/33, art. 2; Inwerkingtreding : 29-03-2007> § 1. Indien het overeenkomstig artikel 10 gedeponeerd biologisch materiaal ophoudt bij de erkende depositaris toegankelijk te zijn, wordt een nieuw depot van het materiaal toegestaan binnen een termijn van drie maanden te rekenen vanaf de datum waarop de onderbreking werd betekend aan de aanvrager of aan de octrooihouder, hetzij door de erkende depositaris, hetzij door de Dienst.
  Een afschrift van het ontvangstbewijs van het nieuw depot afgeleverd door de erkende depositaris, vergezeld van de aanduiding van het nummer van de octrooiaanvraag of van het octrooi zelf, wordt meegedeeld aan de Dienst binnen de vier maanden te rekenen van de datum van het nieuw depot.
  § 2. Wanneer de onderbreking het gevolg is van de niet-leefbaarheid van de cultuur, wordt het nieuw depot gedaan bij de erkende depositaris die het oorspronkelijk depot heeft ontvangen. In de andere gevallen kan het worden gedaan bij een andere erkende depositaris.
  § 3. Bij elk nieuw depot wordt een door de aanvrager ondertekende verklaring gevoegd waarbij wordt erkend dat het opnieuw gedeponeerde biologisch materiaal hetzelfde is als het materiaal dat het voorwerp van het oorspronkelijk depot vormde.

  Art. 10ter. [1 § 1. Wanneer in de octrooiaanvraag sequenties van nucleotiden of aminozuren worden aangeduid, in overeenstemming met artikel XI.18, § 1, derde lid, van het Wetboek van economisch recht, moeten deze sequenties worden aangeduid in de vorm van een lijst van sequenties conform de norm ST. 25 van de Wereldorganisatie voor de Intellectuele Eigendom.
   De lijst met sequenties bedoeld in het eerste lid moet worden ingediend op een elektronische gegevensdrager. Wanneer de lijst met sequenties ook op papier wordt ingediend, legt de aanvrager bij de Dienst een verklaring voor dat de lijst in elektronische vorm en de lijst op papier identiek zijn.
   Wanneer het bestand met de lijst met sequenties onleesbaar of onvolledig is, wordt het onleesbare of onvolledige gedeelte van de lijst geacht niet te zijn ingediend. In dat geval brengt de Dienst de aanvrager hiervan onmiddellijk op de hoogte en biedt hem de mogelijkheid om zijn aanvraag te regulariseren binnen de termijn van drie maanden, te rekenen vanaf deze notificatie. Bij het verstrijken van deze termijn wordt de niet-geregulariseerde aanvraag geacht te zijn ingetrokken.
   § 2. Wanneer de aanvrager op de datum van de octrooiaanvraag geen lijst met sequenties opgesteld volgens de voorschriften bepaald in paragraaf 1 heeft voorgelegd, stelt de Dienst de aanvrager daarvan in kennis en nodigt hem uit om deze lijst met sequenties te verstrekken. Indien de aanvrager de vereiste lijst met sequenties niet bezorgt binnen een niet-verlengbare termijn van drie maanden, te rekenen vanaf deze notificatie, wordt de aanvraag geacht te zijn ingetrokken.
   § 3. Wanneer een lijst met sequenties wordt ingediend of verbeterd na de datum van indiening van de octrooiaanvraag, bezorgt de aanvrager een verklaring aan de Dienst dat de aldus ingediende of verbeterde lijst met sequenties geen enkel element bevat dat zich verder uitstrekt dan de inhoud van de aanvraag zoals die werd ingediend.
   § 4. Wanneer het ontbrekende gedeelte van de beschrijving dat bij de Dienst werd ingediend bij toepassing van artikel XI.17, § 7, van het Wetboek van economisch recht, sequenties van nucleotiden en aminozuren bevat, moet de aldus verstrekte informatie betreffende de sequenties voldoen aan de voorwaarden vastgesteld in paragraaf 1. Indien dit niet het geval is, verzoekt de Dienst de aanvrager om correcties aan te brengen via een notificatie overeenkomstig paragraaf 3.
   Wanneer de aanvrager in de beschrijving een lijst met sequenties invoegt die voldoet aan de vereisten in paragraaf 1, als een laattijdig ingediend gedeelte van de beschrijving overeenkomstig artikel XI. 17, § 7, van hetzelfde Wetboek, wordt de aldus toegevoegde lijst met sequenties beschouwd als een deel van de beschrijving op de datum van de octrooiaanvraag.
   § 5. De sequenties van nucleotiden of van aminozuren bedoeld in het voornoemde artikel XI. 18, § 1, derde lid, en ingediend bij de Dienst overeenkomstig dit artikel worden gepubliceerd als element van de beschrijving met de stukken van de aanvraag en het octrooischrift.
   De lijsten met sequenties ingediend in elektronische vorm worden ambtshalve omgezet met het oog op de publicatie bedoeld in artikel XI.27, § 2, van het Wetboek van economisch recht en de inzage ten behoeve van het publiek bedoeld in artikel XI.25 van hetzelfde Wetboek. Een kopie van het originele bestand van de lijst met sequenties ingediend door de aanvrager wordt verstrekt op verzoek.
   § 6. Onverminderd de artikelen 18 en 19 zijn de bepalingen van dit artikel naar analogie van toepassing op de afgesplitste aanvragen ingediend overeenkomstig artikel XI.19, § 2, van het Wetboek van economisch recht.]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij KB 2014-09-04/02, art. 21, 006; Inwerkingtreding : 22-09-2014>

  Afdeling III. _ De conclusies.

  Art. 11.§ 1. Het onderwerp van de aanvraag waarvoor bescherming wordt gevraagd, dient in de conclusies door weergave van de technische kenmerken van de uitvinding te worden omschreven.
  Waar het ter zake dienend is, moeten de conclusies bevatten :
  1° een inleiding bevattende een aanduiding van het onderwerp van de uitvinding en de technische kenmerken daarvan die noodzakelijk zijn voor de omschrijving van het onderwerp van de uitvinding waarop de conclusies betrekking hebben, maar die te samen, behoren tot de stand van de techniek;
  2° een beschrijving van de kenmerken _ voorafgegaan door de woorden "daardoor gekenmerkt" of "gekenmerkt door" _ waarin de technische kenmerken worden uiteengezet waarvoor, te samen met de kenmerken uiteengezet onder 1°, bescherming wordt gevraagd.
  § 2. Onverminderd het bepaalde in [1 artikel XI.19 van het Wetboek van economisch recht]1, kan een octrooiaanvraag verschillende onafhankelijke conclusies van dezelfde categorie (voortbrengsel, werkwijze, inrichting of gebruik) bevatten indien het onderwerp van de aanvraag niet voldoende kan worden gedekt door een enkele conclusie.
  § 3. Elke conclusie waarin de voornaamste kenmerken van de uitvinding worden aangegeven, kan worden gevolgd door een of meer conclusies betreffende bijzondere wijzen van realisatie van deze uitvinding.
  § 4. Elke conclusie die alle kenmerken van een andere conclusie omvat (afhankelijke conclusie) moet, indien mogelijk in de inleiding, verwijzen naar die andere conclusie en de bijkomende kenmerken vermelden waarvoor de bescherming wordt gevraagd. Een afhankelijke conclusie is eveneens toegestaan wanneer de conclusie waarnaar rechtstreeks wordt verwezen, zelf een afhankelijke conclusie is. Alle afhankelijke conclusies die verwijzen naar een enkele voorgaande conclusie of naar meer dan één voorgaande conclusie, dienen voor zover mogelijk op de meest praktische wijze te worden gerangschikt.
  § 5. Het aantal conclusies moet redelijk zijn, rekening houdend met de aard van de uitvinding waarvoor bescherming wordt gevraagd. Indien er meer dan één conclusie is, dienen zij doorlopend te worden genummerd in Arabische cijfers.
  § 6. Behalve wanneer dit absoluut noodzakelijk is, mogen de conclusies ten aanzien van de technische kenmerken van de uitvinding niet steunen op verwijzing naar de beschrijving of de tekeningen. In het bijzonder mogen zij niet steunen op verwijzingen zoals : "zoals beschreven in deel ... van de beschrijving" of "zoals aangegeven in figuur ... van de tekeningen".
  § 7. Indien de octrooiaanvraag tekeningen bevat, dienen de in de conclusies vermelde technische kenmerken in beginsel te worden gevolgd door op deze kenmerken betrekking hebbende en tussen haakjes geplaatste verwijzingstekens, indien hierdoor de conclusie verduidelijkt wordt. De verwijzingstekens mogen niet worden uitgelegd als een beperking van de conclusie.
  ----------
  (1)<KB 2014-09-04/02, art. 22, 006; Inwerkingtreding : 22-09-2014>

  Art. 12. Eén en dezelfde octrooiaanvraag mag met name bevatten :
  1° naast een onafhankelijke conclusie van een voortbrengsel, een onafhankelijke conclusie voor een speciaal voor de vervaardiging van dat voortbrengsel geschikte werkwijze en een onafhankelijke conclusie voor een gebruik van dat voortbrengsel, of
  2° naast een onafhankelijke conclusie voor een werkwijze, een onafhankelijke conclusie voor een inrichting of een middel, speciaal ontworpen voor de toepassing van deze werkwijze, of
  3° naast een onafhankelijke conclusie van een voortbrengsel, een onafhankelijke conclusie van een speciaal voor de vervaardiging van dat voortbrengsel geschikte werkwijze en een onafhankelijke conclusie van een inrichting of middel, speciaal ontworpen voor de toepassing van deze werkwijze.

  Afdeling IV. _ Het uittreksel.

  Art. 13.§ 1. Het uittreksel moet de titel van de uitvinding bevatten.
  § 2. Het uittreksel moet een beknopte samenvatting geven van wat is uiteengezet in de beschrijving, de conclusies en de tekeningen; de samenvatting dient het technische gebied van de uitvinding aan te geven en te zijn opgesteld op een wijze die een duidelijk begrip mogelijk maakt van het technisch probleem, de kern van de oplossing van dat probleem door middel van de uitvinding en de voornaamste toepassing of toepassingen van de uitvinding.
  Het uittreksel bevat eventueel de chemische formule die, van de in de octrooiaanvraag opgenomen formules, de uitvinding het beste kenmerkt. Het mag geen verklaringen bevatten over de beweerde verdiensten of waarde van de uitvinding of over de theoretisch mogelijke toepassingen ervan.
  § 3. [1 Het uittreksel mag niet meer dan honderdvijftig woorden bevatten.]1
  § 4. Indien de octrooiaanvraag tekeningen bevat, kan de Dienst besluiten een andere figuur of verschillende andere figuren te publiceren dan aangeduid in het verzoek tot verlening indien hij van oordeel is dat daardoor de uitvinding beter wordt gekenmerkt. Elk technisch hoofdkenmerk vermeld in het uittreksel en toegelicht door een tekening of door tekeningen moet worden gevolgd door een verwijzingsteken tussen haakjes.
  § 5. Het uittreksel dient zo te zijn opgesteld, dat het een doeltreffend uitgangspunt voor het verrichten van onderzoek op het desbetreffende technische gebied vormt en dat aan de hand daarvan met name kan worden vastgesteld of het nodig is het octrooi zelf te raadplegen.
  § 6. [1 De Dienst kan het uittreksel nakijken en het naar vorm verbeteren.]1
  ----------
  (1)<KB 2014-03-09/01, art. 11, 005; Inwerkingtreding : 22-09-2014, zie KB 2014-09-04/02, art. 59>

  Afdeling V. _ Bepalingen betreffende de overlegging van de tekeningen.

  Art. 14.§ 1. Op bladen met tekeningen dient de te gebruiken bladspiegel niet groter te zijn dan 26,2 cm x 17 cm. De bladen mogen geen rand rond de te gebruiken of gebruikte bladspiegel hebben. De minimummarges zijn :
  bovenmarge : 2,5 cm
  linker marge : 2,5 cm
  rechter marge : 1,5 cm
  benedenmarge : 1 cm
  § 2. De tekeningen worden als volgt uitgevoerd :
  1° De tekeningen dienen te worden uitgevoerd in duurzame, zwarte, voldoende dichte en donkere, gelijkmatig en duidelijk aangegeven lijnen en strepen zonder kleur.
  2° Doorsneden dienen te worden aangegeven door arceringen die de duidelijke leesbaarheid van verwijzingstekens en hoofdlijnen niet mogen belemmeren.
  3° De schaal van de tekeningen en de duidelijkheid van de grafische uitvoering ervan dient zodanig te zijn dat bij een [1 digitalisatie]1 op twee derde van de oorspronkelijke grootte alle details zonder moeite kunnen worden onderscheiden. Wanneer bij uitzondering op een tekening de schaal wordt vermeld, dient deze grafisch te zijn aangegeven.
  4° Alle cijfers, letters en verwijzingstekens op de tekeningen moeten eenvoudig en duidelijk zijn. Haakjes, cirkels of aanhalingstekens mogen niet te samen met cijfers en letters worden gebruikt.
  5° Alle lijnen in de tekeningen dienen in beginsel te worden getrokken met behulp van tekeninstrumenten.
  6° De onderdelen van dezelfde figuur dienen in de juiste verhouding tot elkaar te staan, tenzij een andere verhouding onmisbaar is voor de duidelijkheid van de figuur.
  7° De hoogte van de cijfers en letters mag niet minder zijn dan 0,3 cm.
  Voor de letters op de tekeningen dient het Latijnse en, waar gebruikelijk, het Griekse alfabet te worden gebruikt.
  8° Hetzelfde blad met tekeningen mag meer dan één figuur bevatten. Wanneer figuren op twee of meer bladen bedoeld zijn om één volledige figuur te vormen, dienen zij op de verschillende bladen zo te zijn geplaatst dat de volledige figuur kan worden gevormd zonder dat een deel van de verschillende bladen voorkomende figuren wordt bedekt. De verschillende figuren dienen op een blad of bladen te worden geplaatst zonder ruimteverspilling, bij voorkeur verticaal en duidelijk van elkaar gescheiden; wanneer de figuren niet vertikaal geschikt zijn, dienen zij horizontaal te worden voorgesteld; het bovenste deel der figuren dient langs de linkerkant van de bladzijde geschikt te zijn. De verschillende figuren dienen doorlopend te worden genummerd in Arabische cijfers, onafhankelijk van de nummering van de bladen.
  9° Verwijzingstekens mogen alleen voor de tekeningen worden gebruikt indien zij voorkomen in de beschrijving en in de conclusies en omgekeerd. De verwijzingstekens van dezelfde kenmerken moeten in de gehele aanvraag gelijk zijn.
  10° De tekeningen mogen geen tekst bevatten, behalve een enkel woord of woorden indien zulks volstrekt onmisbaar is, zoals "water", "stoom", "open", "dicht", "doorsnede over AB" en, in het geval van elektrische schakelingen en blokschema's of vloeischemadiagrammen, enkele korte trefwoorden die onmisbaar zijn voor het begrijpen van de tekening.
  § 3. Vloeischema's en diagrammen worden beschouwd als tekeningen.
  ----------
  (1)<KB 2014-03-09/01, art. 12, 005; Inwerkingtreding : 22-09-2014, zie KB 2014-09-04/02, art. 59>

  Art. 15.[1 ...]1 Indien tekeningen nodig zijn om de uitvinding te begrijpen, moeten zij bij de octrooiaanvraag worden gevoegd.
  [1 ...]1
  [1 ...]1
  [1 ...]1
  ----------
  (1)<KB 2014-03-09/01, art. 13, 005; Inwerkingtreding : 22-09-2014, zie KB 2014-09-04/02, art. 59>

  Afdeling VI. _ Bepalingen betreffende de overlegging van de stukken van de octrooiaanvraag.

  Art. 16.
  <Opgeheven bij KB 2014-03-09/01, art. 14, 005; Inwerkingtreding : 22-09-2014, zie KB 2014-09-04/02, art. 59>

  Art. 17.§ 1. [1 De stukken van de octrooiaanvraag die niet elektronisch worden ingediend, dienen zo te worden overgelegd dat ze kunnen worden gedigitaliseerd. De bladen dienen ongekreukt en ongescheurd te zijn; zij mogen niet gevouwen zijn. Slechts een enkele zijde van de bladen mag gebruikt worden.]1
  § 2. De stukken van de octrooiaanvraag [1 die niet elektronisch worden ingediend,]1 moeten worden ingediend op buigzaam, sterk, wit, glad, niet-glanzend en duurzaam papier van het formaat A4 (29,7 cm x 21 cm).
  Elk blad dient te worden gebruikt met de korte zijden bovenaan en onderaan (vertikale stand).
  § 3. Elk onderdeel van de octrooiaanvraag (verzoek, beschrijving, conclusies, tekeningen, uittreksel) [1 dat niet elektronisch wordt ingediend,]1 dient te beginnen op een nieuw blad. Alle bladen dienen zo aan elkaar te zijn gehecht dat zij gemakkelijk kunnen worden omgeslagen, en gemakkelijk gescheiden en weer samengevoegd.
  § 4. Onverminderd artikel 14, paragraaf 1, van dit besluit, dienen de minimummarges als volgt te zijn :
  bovenmarge : 2 cm
  linker marge : 2,5 cm
  rechter marge : 2 cm
  benedenmarge : 2 cm
  Het aanbevolen maximum voor de hierboven genoemde marges is als volgt :
  bovenmarge : 4 cm
  linker marge : 4 cm
  rechter marge : 3 cm
  benedenmarge : 3 cm
  § 5. Alle bladen van de octrooiaanvraag moeten doorlopend zijn genummerd in Arabische cijfers. De nummers van de bladen moeten geplaatst worden boven aan de bladen in het midden doch niet in de bovenmarge.
  § 6. Bij de indiening van de octrooiaanvraag moeten de marges van de bladen geheel onbeschreven zijn.
  § 7. Elke vijfde regel van elk blad van de beschrijving en van de conclusies moet [1 ...]1 worden genummerd, waarbij de nummers moeten worden aangebracht op de linkerzijde, aan de rechterkant van de marge.
  § 8. Het verzoek tot verlening van het octrooi, de beschrijving, de conclusies en het uittreksel [1 die niet elektronisch worden ingediend,]1 dienen getypt of gedrukt te zijn.
  Alleen grafische symbolen en tekens, en chemische of wiskundige formules kunnen zo nodig met de hand worden geschreven of getekend. Voor de getypte teksten (beschrijving, conclusies, uittreksel) moet de regelafstand 1 1/2 zijn. De gehele tekst dient te zijn weergegeven in letters waarvan de hoofdletters tenminste 0,2 cm hoog zijn en die een donkere onuitwisbare kleur hebben.
  § 9. Het verzoek tot verlening van het octrooi, de beschrijving, de conclusies en het uittreksel mogen geen tekeningen bevatten. De beschrijving, de conclusies en het uittreksel mogen chemische of wiskundige formules bevatten. De beschrijving en het uittreksel mogen tabellen bevatten. De conclusies mogen alleen tabellen bevatten indien het onderwerp daarvan het gebruik van tabellen wenselijk maakt. De tabellen en de wiskundige of chemische formules mogen op het blad horizontaal geschikt zijn indien zij vertikaal niet behoorlijk kunnen worden voorgesteld; de bladzijden waarop de tabellen of de wiskundige of chemische formules horizontaal zijn voorgesteld, worden aldus opgemaakt dat de bovenste delen van de tabellen of formules links van het blad geschikt zijn.
  § 10. [1 De eenheden voor fysische grootheden moeten uitgedrukt worden in eenheden van het Internationaal Systeem van eenheden (SI); indien een ander stelsel wordt gebruikt, dienen zij ook in het SI stelsel te worden aangegeven.
   Voor andere grootheden moeten de eenheden van de internationale praktijk worden gebruikt, voor wiskundige formules de algemeen gebruikelijke symbolen en voor chemische formules de symbolen, atoommassa's en moleculaire formules die algemeen gebruikelijk zijn. In het algemeen dienen alleen die technische termen, tekens en symbolen te worden gebruikt die op het desbetreffende gebied algemeen zijn aanvaard.]1
  § 11. In een octrooiaanvraag dienen overal dezelfde terminologie en dezelfde tekens te worden gebruikt.
  § 12. [1 Geen enkel blad mag schrappingen bevatten en ieder blad dient vrij te zijn van veranderingen, boven elkaar geschreven en tussengeschreven woorden.]1
  ----------
  (1)<KB 2014-03-09/01, art. 15, 005; Inwerkingtreding : 22-09-2014, zie KB 2014-09-04/02, art. 59>

  HOOFDSTUK III. _ Afsplitsing van de octrooiaanvraag.

  Art. 18.§ 1. [1 De aanvrager kan tot aan de datum van verlening van het octrooi op eigen initiatief overgaan tot het indienen van afgesplitste aanvragen van zijn oorspronkelijke octrooiaanvraag.]1
  § 2. Indien de octrooiaanvraag niet voldoet aan de bepalingen van [2 artikel XI.19, § 1, van het Wetboek van economisch recht]2, wordt de aanvrager verzocht zijn aanvraag af te splitsen binnen een termijn van vier maanden te rekenen vanaf de datum van kennisgeving bepaald bij artikel 22, § 2 van dit besluit of ze te wijzigen om ze in overeenstemming te brengen met[2 voornoemd artikel van het Wetboek]2.
  ----------
  (1)<KB 2014-03-09/01, art. 16, 005; Inwerkingtreding : 22-09-2014, zie KB 2014-09-04/02, art. 59>
  (2)<KB 2014-09-04/02, art. 23, 006; Inwerkingtreding : 22-09-2014>

  Art. 19.§ 1. De beschrijving en de tekeningen, hetzij van de oorspronkelijke octrooiaanvraag hetzij van een afgesplitste octrooiaanvraag, mogen in principe alleen betrekking hebben op het onderwerp waarvoor in die aanvraag bescherming wordt verzocht, rekening houdend met [1 artikel XI.19, § 3, van het Wetboek van economisch recht]1.
  Indien evenwel in een aanvraag een onderwerp moet worden beschreven waarvoor in een andere aanvraag om bescherming wordt verzocht, moeten deze elementen vermeld zijn in deze aanvraag.
  § 2. Alle bepalingen toepasselijk op de oorspronkelijke aanvraag zijn ook toepasselijk op de afgesplitste aanvraag.
  ----------
  (1)<KB 2014-09-04/02, art. 24, 006; Inwerkingtreding : 22-09-2014>

  HOOFDSTUK IV. - (Het verslag van het nieuwheidsonderzoek en de schriftelijke opinie.) <KB 2007-08-17/30, art. 1, 004; Inwerkingtreding : 24-08-2007>

  Afdeling I. - (Het opstellen van het verslag van het nieuwheidsonderzoek en van de schriftelijke opinie.) <KB 2007-08-17/30, art. 2, 004; Inwerkingtreding : 24-08-2007>

  Art. 20.<KB 2007-08-17/30, art. 3, 004; Inwerkingtreding : 24-08-2007> De intergouvernementele instelling belast met het opstellen van het verslag van het gevraagde nieuwheidsonderzoek en van de schriftelijke opinie bedoeld in [1 artikel XI.23, § 2, van het Wetboek van economisch recht]1 is het Europees Octrooibureau. Te dien einde wordt een Akkoord gesloten tussen de Minister en de Europese Organisationnelle. Het Akkoord bepaalt de voorwaarden en termijnen voor het opstellen van de nieuwheidsonderzoeken en van de schriftelijke opinies.
  ----------
  (1)<KB 2014-09-04/02, art. 25, 006; Inwerkingtreding : 22-09-2014>

  Art. 21.[1 De taks voor het onderzoek moet aan de Dienst betaald worden ten laatste dertien maanden te rekenen vanaf de datum van indiening van de octrooiaanvraag of, indien een beroep wordt gedaan op een recht van voorrang, te rekenen vanaf de vroegste datum van voorrang, of, indien deze termijn verstrijkt voor de termijn voor het betalen van de indieningstaks, ten laatste [2 bij het verstrijken van de termijn voor de betaling van de indieningstaks]2.]1
  ----------
  (1)<KB 2014-03-09/01, art. 19, 005; Inwerkingtreding : 22-09-2014, zie KB 2014-09-04/02, art. 59>
  (2)<KB 2014-09-04/02, art. 26, 006; Inwerkingtreding : 22-09-2014>

  Art. 22.<KB 2007-08-17/30, art. 4, 004; Inwerkingtreding : 24-08-2007> § 1. Indien de octrooiaanvraag niet voldoet aan de vereiste van eenheid van uitvinding, stelt het Europees Octrooibureau een verslag van nieuwheidsonderzoek en een schriftelijke opinie op voor die delen van de octrooiaanvraag die betrekking hebben op de uitvinding, of op de groep van uitvindingen in de zin van [1 artikel XI.19, § 1, van het Wetboek van economisch recht]1 die als eerste in de conclusies wordt genoemd.
  § 2. De Dienst deelt de aanvrager mede dat de verslagen van het nieuwheidsonderzoek en de schriftelijke opinies voor de andere uitvindingen alleen kunnen worden opgesteld indien de vereiste taksen worden betaald binnen een termijn van vier maanden vanaf de datum van kennisgeving. Het Europees Octrooibureau stelt de verslagen van het nieuwheidsonderzoek en de schriftelijke opinies op voor die delen van de octrooiaanvraag die betrekking hebben op de uitvindingen waarvoor de taksen voor onderzoek zijn betaald en die het voorwerp hebben uitgemaakt van een indiening van afgesplitste aanvragen overeenkomstig artikel 18, § 2, van dit besluit.
  ----------
  (1)<KB 2014-09-04/02, art. 27, 006; Inwerkingtreding : 22-09-2014>

  Art. 23. Indien het Europees Octrooibureau overeenkomstig het Werkakkoord bedoeld in artikel 20 van dit besluit, oordeelt dat er geen grondig onderzoek kan worden verricht naar de stand van de techniek ten aanzien van alle conclusies of een gedeelte ervan, verklaart zij dat een dergelijk onderzoek onmogelijk is of stelt zij in de mate van het mogelijk (een gedeeltelijk verslag van nieuwheidsonderzoek en een schriftelijke opinie op). De verklaring of het gedeeltelijke verslag worden met het oog op de later procedure beschouwd als het verslag van nieuwheidsonderzoek. <KB 2007-08-17/30, art. 5, 004; Inwerkingtreding : 24-08-2007>

  Art. 24.[1 § 1. Indien het Europees Octrooibureau reeds een verslag van nieuwheidsonderzoek en de schriftelijke opinie heeft opgesteld in de verleningsprocedure van een Belgisch of buitenlands, nationaal of regionaal octrooi, of in de procedure van een internationale octrooiaanvraag dat betrekking heeft op een uitvinding die identiek is aan die waarvoor een octrooiaanvraag in België wordt ingediend, kunnen dit nieuwheidsonderzoek en deze schriftelijke opinie in de verleningsprocedure van het Belgisch octrooi gebruikt worden indien een verslag van nieuwheidsonderzoek en een schriftelijke opinie verkregen in de verleningsprocedure van een Belgisch octrooi kunnen gebruikt worden in de verleningsprocedure van het Belgisch of buitenlands, nationaal of regionaal octrooi, of in de procedure van de internationale octrooiaanvraag.
   § 2. Een kopie van het verslag van nieuwheidsonderzoek en van de schriftelijke opinie worden bij het in [2 artikel XI.23, § 9, van het Wetboek van economisch recht]2 bedoelde verzoek gevoegd. Indien het verslag van nieuwheidsonderzoek en de schriftelijke opinie nog niet werden opgesteld op het moment van het verzoek, vermeldt het verzoek de gegevens betreffende de aanvraag van een nieuwheidsonderzoek en een schriftelijke opinie in de verleningsprocedure van een Belgisch of buitenlands, nationaal of regionaal octrooi, of in de procedure van de internationale octrooiaanvraag.
   Een kopie van het verslag van nieuwheidsonderzoek en een kopie van de schriftelijke opinie dienen ten laatste te worden verzonden aan de Dienst binnen een termijn van twee maanden te rekenen vanaf de datum van kennisgeving van het in het eerste lid bedoelde verslag van nieuwheidsonderzoek en de schriftelijke opinie of vanaf de indieningsdatum van de octrooiaanvraag, afhankelijk van welke datum het laatst valt.]1
  ----------
  (1)<KB 2014-03-09/01, art. 20, 005; Inwerkingtreding : 22-09-2014, zie KB 2014-09-04/02, art. 59>
  (2)<KB 2014-09-04/02, art. 28, 006; Inwerkingtreding : 22-09-2014>

  Afdeling II. _ Nieuwe redactie van de conclusies, van het uittreksel en van de beschrijving.

  Art. 25.[1 § 1. De aanvrager beschikt over een termijn van vier maanden te rekenen vanaf de datum van kennisgeving door de Dienst van het verslag van nieuwheidsonderzoek en de schriftelijke opinie om een nieuwe redactie van de conclusies, van de beschrijving en van het uittreksel, alsook, in voorkomend geval, commentaren betreffende de schriftelijke opinie in te dienen.
   Indien de octrooiaanvrager met toepassing van artikel 24 een verslag van nieuwheidsonderzoek indient dat werd opgesteld door het Europees Octrooibureau in de verleningsprocedure van een Belgisch of buitenlands, nationaal of regionaal octrooi, of in de procedure van een internationale octrooiaanvraag, kan hij, binnen een termijn van vier maanden te rekenen vanaf de indiening van het onderzoeksrapport met toepassing van artikel 24, § 2, een nieuwe redactie van de conclusies, van de beschrijving en van het uittreksel, alsook in voorkomend geval, commentaren betreffende de schriftelijke opinie indienen.
   De nieuwe redactie van de conclusies, van de beschrijving, en van het uittreksel, alsook in voorkomend geval de commentaren, moeten worden ingediend op een blad afzonderlijk van de briefwisseling aan de Dienst. De bepalingen van artikel 17 zijn van toepassing.
   § 2. De gewijzigde conclusies mogen geen betrekking hebben op elementen die geen voorwerp hebben uitgemaakt van het nieuwheidsonderzoek en die niet door een enkel algemeen inventief concept verbonden zijn met de oorspronkelijk opgeëiste uitvinding of groep van uitvindingen.]1
  ----------
  (1)<KB 2014-03-09/01, art. 21, 005; Inwerkingtreding : 22-09-2014, zie KB 2014-09-04/02, art. 59>

  HOOFDSTUK V. [1 - Regularisatie, verbeteringen en herstel in rechte]1
  ----------
  (1)<KB 2014-03-09/01, art. 22, 005; Inwerkingtreding : 22-09-2014, zie KB 2014-09-04/02, art. 59>

  Art. 26.[1 § 1. De termijn voor het regulariseren van de aanvraag en het leveren van commentaar, bepaald in [2 artikel XI.21, § 1, eerste lid, van het Wetboek van economisch recht]2, bedraagt drie maanden vanaf de kennisgeving door de Dienst van de onregelmatigheid van de aanvraag. De regularisatietaks moet betaald zijn binnen dezelfde termijn.
   § 2. De termijn voor het betalen van de taks en van de bijtaks bepaald in [2 artikel XI.21, § 3, van hetzelfde Wetboek]2, bedraagt drie maanden vanaf de uitnodiging van de Dienst om de taks en de bijtaks te betalen.]1
  ----------
  (1)<KB 2014-03-09/01, art. 23, 005; Inwerkingtreding : 22-09-2014, zie KB 2014-09-04/02, art. 59>
  (2)<KB 2014-09-04/02, art. 29, 006; Inwerkingtreding : 22-09-2014>

  Art. 27.Indien taalfouten of fouten van overschrijving zijn gemaakt, mogen die zolang het octrooi niet is verleend, door de octrooiaanvrager worden verbeterd. De verbetering kan slechts worden toegestaan voor zover is aangetoond dat de octrooiaanvrager kennelijk geen andere dan de verbeterde tekst kan hebben bedoeld.
  Het verzoek [1 ...]1 bevat de tekst van de voorgestelde wijzigingen; het is slechts ontvankelijk zo het wordt vergezeld door de betaling van de verschuldigde taks.
  ----------
  (1)<KB 2014-03-09/01, art. 24, 005; Inwerkingtreding : 22-09-2014, zie KB 2014-09-04/02, art. 59>

  Art. 27bis.[1 § 1. De termijn waarbinnen een aanvrager of houder van een octrooi het verzoek tot herstel kan indienen als bedoeld in artikel XI.77, § 1, eerste lid, 1°, van het Wetboek van economisch recht, bedraagt, afhankelijk van welke van deze termijnen het eerste verstrijkt :
   - twee maanden, te rekenen vanaf de datum waarop de oorzaak van het niet in acht nemen van de termijn voor het stellen van de desbetreffende handeling is weggenomen;
   - twaalf maanden te rekenen vanaf de datum van het verstrijken van de termijn voor de desbetreffende handeling, of, indien het verzoekschrift betrekking heeft op het niet-betalen van een jaartaks, twaalf maanden te rekenen van het verstrijken van de respijttermijn bedoeld in artikel XI.48, § 1, vierde lid, van het Wetboek van economisch recht.
   § 2. De bewijzen ter ondersteuning van de redenen bedoeld in artikel XI.77, § 1, derde lid, van het Wetboek van economisch recht, dienen te worden ingediend voor het verstrijken van een termijn van twee maanden te rekenen vanaf de datum van indiening van het verzoekschrift bedoeld in artikel XI.77, § 1, eerste lid, 1°, van hetzelfde Wetboek.
   § 3. Het verzoek tot herstel in rechten is niet ontvankelijk voor de termijnen bedoeld in de artikelen XI.21 en XI.64, § 1, van het Wetboek van economisch recht.
   § 4. De termijn voor het leveren van commentaar op de voorgenomen weigering als bedoeld in artikel XI.77, § 2, eerste lid, van het Wetboek van economisch recht, bedraagt twee maanden te rekenen vanaf de datum van kennisgeving van de voorgenomen weigering.
   § 5. De paragrafen 1 tot 4 zijn naar analogie toepasselijk op de herstelprocedure bedoeld in artikel 3, § 1bis, van de wet van 21 april 2007 houdende diverse bepalingen betreffende de procedure inzake indiening van Europese octrooiaanvragen en de gevolgen van deze aanvragen en van de Europese octrooien in België.]1
  ----------
  (1)<KB 2014-09-04/02, art. 30, 006; Inwerkingtreding : 22-09-2014>

  Art. 27ter.[1 De termijn bepaald in [2 artikel XI.64, § 1, van het Wetboek van economisch recht]2 bedraagt drie maanden vanaf de datum van kennisgeving door de Dienst van de onregelmatigheid.
   Wanneer een kennisgeving niet is gedaan omdat geen gegevens zijn ingediend die de Dienst in staat stellen in contact te treden met de aanvrager, de houder, of andere belanghebbende, bedraagt de in het eerste lid bedoelde termijn drie maanden te rekenen vanaf de datum waarop de handeling werd gesteld.]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij KB 2014-03-09/01, art. 26, 005; Inwerkingtreding : 22-09-2014, zie KB 2014-09-04/02, art. 59>
  (2)<KB 2014-09-04/02, art. 31, 006; Inwerkingtreding : 22-09-2014>

  HOOFDSTUK VI. _ De verlening van het octrooi.

  Art. 28.§ 1. Het ministerieel besluit dat het octrooi uitmaakt vermeldt uitdrukkelijk de toepassing van [2 artikel XI.47, § 1, of van artikel XI.47, § 2, van het Wetboek van economisch recht]2, de toepassing van het Verdrag van Parijs indien een recht van voorrang werd opgeëist en toegestaan, de datum van de indiening van de octrooiaanvraag en de datum van verlening ervan.
  § 2. Het ministerieel besluit duidt met name de naam aan van de aanvrager(s), de titel van de uitvinding vermeld in het verzoek tot verlening, het feit dat het octrooi een gevolg is van een afgesplitste aanvraag en dat het werd verleend zonder voorafgaand onderzoek van de octrooieerbaarheid van de uitvinding, zonder waarborg voor haar waarde of van de juistheid van haar beschrijving en op eigen risico van de aanvrager(s).
  § 3. [1 Indien, voor het einde van de zeventiende maand te rekenen vanaf de datum van indiening van de octrooiaanvraag of, indien een recht van voorrang wordt ingeroepen overeenkomstig de bepalingen van [2 artikel XI.20 van het Wetboek van economisch recht]2, vanaf de oudste voorrang aangeduid in de verklaring van voorrang, een uitvinder zich met toepassing van [2 artikel XI.13 van hetzelfde Wetboek]2 met een verzoekschrift verzet tegen de vermelding in het octrooi dat hij de uitvinder van de opgeëiste uitvinding is, vermeldt de Dienst deze uitvinder niet in het octrooi of de octrooiaanvraag.
   De Dienst controleert de juistheid van de aanduiding van de uitvinder niet.]1
  ----------
  (1)<KB 2014-03-09/01, art. 27, 005; Inwerkingtreding : 22-09-2014, zie KB 2014-09-04/02, art. 59>
  (2)<KB 2014-09-04/02, art. 32, 006; Inwerkingtreding : 22-09-2014>

  Art. 29. Het eerste afschrift van het octrooi wordt kosteloos afgeleverd. Elk verder afschrift, dat door de octrooihouder of diens rechthebbenden wordt aangevraagd, geeft aanleiding tot de betaling van een vergoeding volgens het tarief dat van toepassing is op de copies welke door de Dienst worden gemaakt.

  HOOFDSTUK VII. _ Afstand.

  Art. 30.[1 § 1. De verklaring van afstand bedoeld in [2 artikel XI.55 van het Wetboek van economisch recht]2, en de verklaring van herroeping bedoeld in [2 artikel XI.56 van hetzelfde Wetboek]2, moeten bevatten :
   1° de naam en het adres van de houder of houders van het octrooi die de verklaring van afstand of herroeping indienen. De natuurlijke personen moeten worden aangeduid met hun naam gevolgd door hun voornamen, en moeten, indien ze hierover beschikken, hun rijksregisternummer meedelen. De rechtspersonen moeten worden aangeduid met hun officiële benaming, en moeten, indien ze hierover beschikken, hun ondernemingsnummer meedelen;
   2° het nummer van het octrooi waarvoor de verklaring van afstand of herroeping werd ingediend.
   Ingeval er verschillende octrooihouders zijn, moet de verklaring door al de octrooihouders worden getekend.
   § 2. De bepalingen van dit artikel zijn door toepassing van [2 artikel XI.55, § 8, en artikel XI.56, § 7, van het Wetboek van economisch recht]2, naar analogie van toepassing op de octrooiaanvraag.]1
  ----------
  (1)<KB 2014-03-09/01, art. 28, 005; Inwerkingtreding : 22-09-2014, zie KB 2014-09-04/02, art. 59>
  (2)<KB 2014-09-04/02, art. 33, 006; Inwerkingtreding : 22-09-2014>

  HOOFDSTUK VIIbis. - [1 Raadpleging van de dossiers die aan de inzage ten behoeve van het publiek zijn onderworpen]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij KB 2014-09-04/02, art. 34, 006; Inwerkingtreding : 22-09-2014>

  Art. 30bis.[1 Na publicatie van de octrooiaanvraag met toepassing van artikel XI.24, § 3, van het Wetboek van economisch recht, worden de dossiers betreffende de octrooiaanvraag en het octrooi dat op basis van deze aanvraag verleend wordt, onderworpen aan inzage ten behoeve van het publiek.]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij KB 2014-09-04/02, art. 34, 006; Inwerkingtreding : 22-09-2014>

  Art. 30ter.[1 § 1. De volgende elementen van het dossier zijn niet onderworpen aan de inzage ten behoeve van het publiek :
   1° de stukken betreffende de procedures voor inzage ten behoeve van het publiek; en
   2° de verzoeken om stukken uit te sluiten van de inzage ten behoeve van het publiek overeenkomstig paragraaf 2.
   § 2. Ook andere stukken kunnen van de inzage ten behoeve van het publiek worden uitgesloten :
   1° op gemotiveerd verzoek van een rechthebbende indien deze stukken legitieme persoonlijke of economische belangen van deze persoon kunnen schaden;
   2° ambtshalve, indien uit onderzoek van de stukken blijkt dat deze de legitieme persoonlijke of economische belangen van een natuurlijke persoon of rechtspersoon, kunnen schaden.
   De Dienst antwoordt op het in het eerste lid, 1°, bedoelde verzoekschrift binnen een redelijke termijn.]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij KB 2014-03-09/01, art. 29, 005; Inwerkingtreding : onbepaald>

  Art. 30quater. [1 § 1. De volgende elementen van het dossier zijn niet onderworpen aan de inzage ten behoeve van het publiek :
  1° medische attesten;
  2° de stukken betreffende de procedures voor inzage ten behoeve van het publiek, evenals de verzoeken om stukken uit te sluiten van de inzage ten behoeve van het publiek overeenkomstig paragraaf 2; en
  3° de vermelding van de uitvinder indien deze hiertoe een verzoekschrift heeft ingediend bij toepassing van artikel 12 van de wet, evenals dit verzoekschrift.
  § 2. Ook andere stukken kunnen van de inzage ten behoeve van het publiek worden uitgesloten :
  1° op gemotiveerd verzoek van een rechthouder indien deze stukken legitieme persoonlijke of economische belangen van deze persoon kunnen schenden;
  2° ambtshalve, indien uit onderzoek van de stukken blijkt dat deze de legitieme persoonlijke of economische belangen van een natuurlijke persoon of rechtspersoon, kunnen schenden.
  De Dienst antwoordt op een in het eerste lid, 1°, bedoelde verzoekschrift binnen een redelijke termijn. ]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij KB 2014-03-09/01, art. 29, 005; Inwerkingtreding : onbepaald>

  HOOFDSTUK VIII. _ Diverse bepalingen.

  Art. 30quinquies.[1 De indiening van mededelingen bij de Dienst in het kader van de wet en haar uitvoeringsbesluiten, dienen schriftelijk te gebeuren.
   Uitgezonderd voor de met toepassing van [2 artikel XI.17 van het Wetboek van economisch recht]2, aan de Dienst gerichte mededelingen, dienen de mededelingen, commentaren en akten in procedures voor de Dienst steeds ondertekend te zijn.
   Onverminderd de bepalingen van [2 hoofdstuk 3 van Titel 1 van Boek XI van het Wetboek van economisch recht]2, dienen de mededelingen, commentaren en akten in procedures voor de Dienst te gebeuren in persoon, per post, per fax of via de elektronische procedure met behulp van een weblink vermeld op de pagina's "Intellectuele Eigendom" van de website van de Federale Overheidsdienst Economie.]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij KB 2014-03-09/01, art. 30, 005; Inwerkingtreding : 22-09-2014, zie KB 2014-09-04/02, art. 59>
  (2)<KB 2014-09-04/02, art. 35, 006; Inwerkingtreding : 22-09-2014>

  Art. 31.Indien de laatste dag van een [1 door of krachtens boek XI van het Wetboek van economisch recht]1 bepaalde termijn een zaterdag, een zondag, een wettelijke feestdag of een andere dag is waarop de Dienst niet toegankelijk is, wordt de termijn verlengd tot de eerstvolgende werkdag.
  ----------
  (1)<KB 2014-09-04/02, art. 36, 006; Inwerkingtreding : 22-09-2014>

  Art. 32.
  <Opgeheven bij KB 2014-03-09/01, art. 31, 005; Inwerkingtreding : 22-09-2014, zie KB 2014-09-04/02, art. 59>

  Art. 33.De termijn bedoeld in [1 artikel XI.11, § 2, van het Wetboek van economisch recht]1 wordt bepaald op twee maanden in het geval bedoeld onder a) en vier maanden in het geval bedoeld onder b) te rekenen vanaf de datum van de kennisgeving door de Dienst van de verandering van de [1 houder van de octrooiaanvraag of van het octrooi]1.
  ----------
  (1)<KB 2014-09-04/02, art. 37, 006; Inwerkingtreding : 22-09-2014>

  Art. 33bis.[1 § 1. De mededeling bedoeld in [2 artikel XI.50, § 1, van het Wetboek van economisch recht]2, moet bevatten :
   1° de naam en het adres van de partijen. De natuurlijke personen moeten worden aangeduid met hun naam gevolgd door hun voornamen, en moeten, indien ze hierover beschikken, hun rijksregisternummer meedelen. De rechtspersonen moeten worden aangeduid met hun officiële benaming, en moeten, indien ze hierover beschikken, hun ondernemingsnummer meedelen;
   2° het nummer en de datum van de indiening van de octrooiaanvraag of octrooiaanvragen, of het nummer en de datum van verlening van het octrooi of van de octrooien;
   3° aangeven of de overdracht al dan niet een situatie van mede-eigendom doet ontstaan.
   § 2. De mededeling gebeurt door middel van een formulier dat door de Dienst ter beschikking wordt gesteld.
   § 3. De overdracht of overgang wordt slechts in het Register ingeschreven wanneer aan alle voorwaarden bedoeld in [2 artikel XI.50, § 3, van hetzelfde Wetboek]2, en bedoeld in de paragrafen 1 en 2 zijn voldaan.
   § 4. De bepalingen van paragrafen 1 tot 3 zijn van overeenkomstige toepassing op de zakelijke rechten als bedoeld in [2 artikel XI.52 van hetzelfde Wetboek]2.]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij KB 2014-03-09/01, art. 32, 005; Inwerkingtreding : 22-09-2014, zie KB 2014-09-04/02, art. 59>
  (2)<KB 2014-09-04/02, art. 38, 006; Inwerkingtreding : 22-09-2014>

  Art. 34.[1 § 1. Het attest bedoeld in [2 artikel XI.51, § 4, tweede lid, van het Wetboek van economisch recht]2 moet bevatten :
   1° de naam en het adres van de partijen. De natuurlijke personen moeten worden aangeduid met hun naam gevolgd door hun voornamen, en moeten, indien ze hierover beschikken, hun rijksregisternummer meedelen. De rechtspersonen moeten worden aangeduid met hun officiële benaming, en moeten, indien ze hierover beschikken, hun ondernemingsnummer meedelen;
   2° het nummer en de datum van de indiening van de octrooiaanvraag of octrooiaanvragen, of het nummer en de datum van verlening van het octrooi of van de octrooien;
   3° een vermelding of de licentie een exclusieve of niet-exclusieve licentie is;
   4° de datum van inwerkingtreding van de licentie, de duur ervan, en het grondgebied waarop de licentie van toepassing is.
   § 2. Het attest dient te gebeuren op een formulier dat door de Dienst ter beschikking wordt gesteld.
   § 3. De overdracht of overgang wordt slechts in het Register ingeschreven wanneer aan alle voorwaarden bedoeld in [2 artikel XI.51, § 4, van hetzelfde wetboek]2, en bedoeld in de paragrafen 1 en 2 zijn voldaan.]1
  ----------
  (1)<KB 2014-03-09/01, art. 33, 005; Inwerkingtreding : 22-09-2014, zie KB 2014-09-04/02, art. 59>
  (2)<KB 2014-09-04/02, art. 39, 006; Inwerkingtreding : 22-09-2014>

  Art. 35. Elke aanvraag tot wijziging van een vermelding in het Register der uitvindingsoctrooien geeft aanleiding tot de betaling van een vergoeding. De Dienst kan altijd eisen dat een verantwoordingsstuk hem zou bezorgd worden.

  HOOFDSTUK IX. _ Slotbepalingen.

  Art. 36. <wijzigingsbepalingen>

  Art. 37. <wijzigingsbepalingen>

  Art. 38. Opgeheven worden :
  1° het koninklijk besluit van 24 mei 1854 houdende uitvoering van de wet op de uitvindingsoctrooien, gewijzigd bij de koninklijke besluiten van 15 december 1912, 10 september 1924, 29 augustus 1926, 29 september 1958, 1 september 1959, 22 januari 1960, 9 oktober 1962, 8 augustus 1964, 20 december 1965 en 10 mei 1982;
  2° het koninklijk besluit van 12 september 1861 betreffende het bewijs van ontvangst van de octrooiaanvragen, gewijzigd bij het koninklijk besluit van 8 augustus 1964;
  3° het koninklijk besluit van 7 mei 1900 tot uitvoering van de artikelen 3 en 22 van de wet van 24 mei 1854 en tot aanvulling van artikel 3 van het koninklijk besluit van 28 mei 1854, gewijzigd bij het koninklijk besluit van 29 september 1958;
  4° het koninklijk besluit van 6 augustus 1914 betreffende de formaliteiten voor de verklaring van voorrang inzake octrooien;
  5° het koninklijk besluit van 11 augustus 1939 betreffende de onregelmatige octrooiaanvragen, gewijzigd bij het koninklijk besluit van 25 september 1961;
  6° het koninklijk besluit van 12 september 1957 tot uitvoering van de wet van 14 juli 1957 en strekkende tot het vergemakkelijken van de indiening der octrooiaanvragen, der fabrieks- en handelsmerken, alsmede der nijverheidstekeningen en -modellen ter gelegenheid van de officiële of officieel erkende internationale tentoonstellingen in België gehouden;
  7° <opheffingsbepalingen>
  8° <opheffingsbepaling>

  Art. 39. Dit besluit treedt in werking op 1 januari 1987.

  Art. 40. Onze Minister van Economische Zaken is belast met de uitvoering van dit besluit.

Aanhef Tekst Inhoudstafel Begin
   Gelet op de wet van 28 maart 1984 op de uitvindingsoctrooien;
   Gelet op de wet van 8 juli 1977 houdende goedkeuring onder andere van het Verdrag tot samenwerking inzake octrooien en Uitvoeringsreglement, opgemaakt te Washington op 19 juni 1970 en het Verdrag betreffende de verlening van Europese octrooien (Europees octrooiverdrag), uitvoeringsreglement en vier Protocollen, opgemaakt te Munchen op 5 oktober 1973;
   Gelet op het advies van de Raad van State;
   Op de voordracht van Onze Minister van Economische Zaken,
   .....

Wijziging(en) Tekst Inhoudstafel Begin
BEELD
  • KONINKLIJK BESLUIT VAN 04-09-2014 GEPUBL. OP 11-09-2014
    (GEWIJZIGDE ART. : 1; 2; 3; 4; 5; 7; 8bis; 8ter; 10; 10ter; 11; 18; 19; 20; 21; 22; 24; 26; 27bis; 27ter; 28; 30; 30bis; 30ter; 30quinquies; 31; 33; 33bis; 34)
  • BEELD
  • KONINKLIJK BESLUIT VAN 09-03-2014 GEPUBL. OP 13-03-2014
    (GEWIJZIGD ART. : 27bis)
  • BEELD
  • KONINKLIJK BESLUIT VAN 17-08-2007 GEPUBL. OP 24-08-2007
    (GEWIJZIGDE ART. : 20; 22; 23; 24; 25)
  • BEELD
  • KONINKLIJK BESLUIT VAN 27-02-2007 GEPUBL. OP 19-03-2007
    (GEWIJZIGDE ART. : 10; 10BIS)
  • KONINKLIJK BESLUIT VAN 25-05-1987 GEPUBL. OP 04-06-1987

  • Begin Eerste woord Laatste woord Wijziging(en) Aanhef
    Inhoudstafel 12 uitvoeringbesluiten 5 gearchiveerde versies
    Franstalige versie