J U S T E L     -     Geconsolideerde wetgeving
Einde Eerste woord Laatste woord Wijziging(en) Aanhef
Inhoudstafel 91 uitvoeringbesluiten 85 gearchiveerde versies
Erratum Handtekening Einde Franstalige versie
 
belgiëlex . be     -     Kruispuntbank Wetgeving
Raad van State
ELI - Navigatie systeem via een Europese identificatiecode voor wetgeving
http://www.ejustice.just.fgov.be/eli/besluit/1968/03/15/1968031501/justel

Titel
15 MAART 1968. - [Koninklijk besluit houdende algemeen reglement op de technische eisen waaraan de auto's, hun aanhangwagens, hun onderdelen en hun veiligheidstoebehoren moeten voldoen.] (Opschrift vervangen bij KB 1988-05-09/33, art. 1, 003; Inwerkingtreding : 11-07-1988)
(NOTA : Raadpleging van vroegere versies vanaf 27-05-1987 en tekstbijwerking tot 15-10-2019)

Publicatie : 28-03-1968 nummer :   1968031501 bladzijde : 3263
Dossiernummer : 1968-03-15/30
Inwerkingtreding : 15-06-1968

Inhoudstafel Tekst Begin
HOOFDSTUK 1. - Begripsomschrijving en toepassingssfeer.
Art. 1
Art. 1 WAALS GEWEST
Art. 1 BRUSSELS HOOFDSTEDELIJK GEWEST
Art. 1 VLAAMS GEWEST
Art. 2
Art. 2 WAALS GEWEST
Art. 2 BRUSSELS HOOFDSTEDELIJK GEWEST
Art. 2 VLAAMS GEWEST
HOOFDSTUK 2. - [1 Goedkeuring]1
Art. 3
Art. 3 VLAAMS GEWEST
Art. 3bis
Art. 3bis WAALS GEWEST
Art. 3bis BRUSSELS HOOFDSTEDELIJK GEWEST
Art. 3bis VLAAMS GEWEST
Art. 4, 4bis
Art. 4bis WAALS GEWEST
Art. 4bis BRUSSELS HOOFDSTEDELIJK GEWEST
Art. 4bis VLAAMS GEWEST
Art. 4ter
Art. 4ter WAALS GEWEST
Art. 4ter BRUSSELS HOOFDSTEDELIJK GEWEST
Art. 4ter VLAAMS GEWEST
Art. 5
Art. 5 WAALS GEWEST
Art. 5 BRUSSELS HOOFDSTEDELIJK GEWEST
Art. 5 VLAAMS GEWEST
Art. 6-8
Art. 8 WAALS GEWEST
Art. 8 BRUSSELS HOOFDSTEDELIJK GEWEST
Art. 8 VLAAMS GEWEST
Art. 9-10
Art. 10 WAALS GEWEST
Art. 10 BRUSSELS HOOFDSTEDELIJK GEWEST
Art. 10 VLAAMS GEWEST
Art. 11-14
Art. 14 WAALS GEWEST
Art. 14 BRUSSELS HOOFDSTEDELIJK GEWEST
Art. 14 VLAAMS GEWEST
Art. 15-16, 16bis, 16ter
Art. 16ter WAALS GEWEST
Art. 16ter BRUSSELS HOOFDSTEDELIJK GEWEST
Art. 16ter VLAAMS GEWEST
HOOFDSTUK 3. - Gebruik en lading.
Art. 17-18
Art. 18 WAALS GEWEST
Art. 18 BRUSSELS HOOFDSTEDELIJK GEWEST
Art. 18 VLAAMS GEWEST
Art. 19
Art. 19 WAALS GEWEST
Art. 19 BRUSSELS HOOFDSTEDELIJK GEWEST
Art. 19 VLAAMS GEWEST
Art. 20
Art. 20 WAALS GEWEST
Art. 20 BRUSSELS HOOFDSTEDELIJK GEWEST
Art. 20 VLAAMS GEWEST
Art. 21
Art. 21 WAALS GEWEST
Art. 21 BRUSSELS HOOFDSTEDELIJK GEWEST
Art. 21 VLAAMS GEWEST
Art. 22
Art. 22 WAALS GEWEST
Art. 22 BRUSSELS HOOFDSTEDELIJK GEWEST
Art. 22 VLAAMS GEWEST
HOOFDSTUK 4. - Technische controle.
Art. 23
Art. 23 WAALS GEWEST
Art. 23 BRUSSELS HOOFDSTEDELIJK GEWEST
Art. 23 VLAAMS GEWEST
Art. 23bis, 23ter
Art. 23ter WAALS GEWEST
Art. 23ter BRUSSELS HOOFDSTEDELIJK GEWEST
Art. 23ter WAALS GEWEST
Art. 23ter VLAAMS GEWEST
Art. 23quater
Art. 23quater VLAAMS GEWEST
Art. 23quinquies
Art. 23quinquies WAALS GEWEST
Art. 23quinquies BRUSSELS HOOFDSTEDELIJK GEWEST
Art. 23quinquies VLAAMS GEWEST
Art. 23sexies
Art. 23sexies WAALS GEWEST
Art. 23sexies BRUSSELS HOOFDSTEDELIJK GEWEST
Art. 23sexies VLAAMS GEWEST
Art. 23septies, 23octies
Art. 23octies VLAAMS GEWEST
Art. 23novies
Art. 23novies WAALS GEWEST
Art. 23novies BRUSSELS HOOFDSTEDELIJK GEWEST
Art. 23novies VLAAMS GEWEST
Art. 23decies
Art. 23decies WAALS GEWEST
Art. 23decies BRUSSELS HOOFDSTEDELIJK GEWEST
Art. 23decies VLAAMS GEWEST
Art. 23undecies
Art. 23undecies WAALS GEWEST
Art. 23undecies BRUSSELS HOOFDSTEDELIJK GEWEST
Art. 23undecies VLAAMS GEWEST
HOOFDSTUK 5. - Gebruik.
Art. 24-26
HOOFDSTUK 6. - Constructie.
Art. 27, 27bis, 28
Art. 28 WAALS GEWEST
Art. 28 BRUSSELS HOOFDSTEDELIJK GEWEST
Art. 28 VLAAMS GEWEST
Art. 29-31
Art. 31 WAALS GEWEST
Art. 31 BRUSSELS HOOFDSTEDELIJK GEWEST
Art. 31 VLAAMS GEWEST
Art. 32, 32bis
Art. 32bis WAALS GEWEST
Art. 32bis BRUSSELS HOOFDSTEDELIJK GEWEST
Art. 32bis VLAAMS GEWEST
Art. 33-34
Art. 34 WAALS GEWEST
Art. 34 BRUSSELS HOOFDSTEDELIJK GEWEST
Art. 34 VLAAMS GEWEST
Art. 35-39
Art. 39 WAALS GEWEST
Art. 39 BRUSSELS HOOFDSTEDELIJK GEWEST
Art. 39 VLAAMS GEWEST
Art. 40
Art. 40 WAALS GEWEST
Art. 40 BRUSSELS HOOFDSTEDELIJK GEWEST
Art. 40 VLAAMS GEWEST
Art. 41-43
Art. 43 WAALS GEWEST
Art. 43 BRUSSELS HOOFDSTEDELIJK GEWEST
Art. 43 VLAAMS GEWEST
Art. 44-49, 49bis, 50-54
Art. 54 WAALS GEWEST
Art. 54 BRUSSELS HOOFDSTEDELIJK GEWEST
Art. 54 VLAAMS GEWEST
Art. 55-56
HOOFDSTUK 7. - Inrichting.
Art. 57
Art. 57 WAALS GEWEST
Art. 57 BRUSSELS HOOFDSTEDELIJK GEWEST
Art. 57 VLAAMS GEWEST
Art. 58
Art. 58 WAALS GEWEST
Art. 58 BRUSSELS HOOFDSTEDELIJK GEWEST
Art. 58 VLAAMS GEWEST
Art. 59
Art. 59 WAALS GEWEST
Art. 59 BRUSSELS HOOFDSTEDELIJK GEWEST
Art. 59 VLAAMS GEWEST
Art. 60
Art. 60 WAALS GEWEST
Art. 60 BRUSSELS HOOFDSTEDELIJK GEWEST
Art. 60 VLAAMS GEWEST
Art. 61-68, 68bis, 69-72
Art. 72 WAALS GEWEST
Art. 72 BRUSSELS HOOFDSTEDELIJK GEWEST
Art. 72 VLAAMS GEWEST
Art. 73-76
HOOFDSTUK 8. - Bijzondere bepalingen.
Art. 77
Art. 77 WAALS GEWEST
Art. 77 VLAAMS GEWEST
Art. 78
Art. 78 VLAAMS GEWEST
Art. 78bis
Art. 78bis WAALS GEWEST
Art. 78bis BRUSSELS HOOFDSTEDELIJK GEWEST
Art. 78bis VLAAMS GEWEST
HOOFDSTUK 9. - Inwerkingtreding en slotbepalingen.
Art. 79-80
Art. 80 VLAAMS GEWEST
Art. 81-82
BIJLAGEN.
Art. N1
Art. N1 WAALS GEWEST
Art. N1 BRUSSELS HOOFDSTEDELIJK GEWEST
Art. N1 VLAAMS GEWEST
Art. N2-N11
Art. N11 BRUSSELS HOOFDSTEDELIJK GEWEST
Art. N11 WAALS GEWEST
Art. N11 VLAAMS GEWEST
Art. N12-N15
Art. N15 VLAAMS GEWEST
Art. N15 WAALS GEWEST
Art. N15 BRUSSELS HOOFDSTEDELIJK GEWEST
Art. N16-N18, N18bis, N19-N21
Art. N21 WAALS GEWEST
Art. N21 VLAAMS GEWEST
Art. N22-N27
Art. N27 BRUSSELS HOOFDSTEDELIJK GEWEST
Art. N27 VLAAMS GEWEST
Art. N28-N29
Art. N29 WAALS GEWEST
Art. N29 BRUSSELS HOOFDSTEDELIJK GEWEST
Art. N29 VLAAMS GEWEST
Art. N30-N41
Art. N41 VLAAMS GEWEST
Art. N41 WAALS GEWEST
Art. N41 BRUSSELS HOOFDSTEDELIJK GEWEST

Tekst Inhoudstafel Begin
HOOFDSTUK 1. - Begripsomschrijving en toepassingssfeer.

  Art. 1.<KB 16-11-1984, art. 1> § 1. Classificatie volgens de internationale voertuigcategorieën :
  (1. (Categorie M : Voor het vervoer van passagiers ontworpen en gebouwde motorvoertuigen met tenminste vier wielen.) <KB 2003-03-17/34, art. 1, 026; Inwerkingtreding : 01-05-2003>
  (Categorie M1 : Voor het vervoer van passagiers ontworpen en gebouwde voertuigen met ten hoogste acht zitplaatsen, die van de bestuurder niet meegerekend.) <KB 2003-03-17/34, art. 1, 026; Inwerkingtreding : 01-05-2003>
  Voertuigen van categorie M1 worden onderverdeeld volgens type en code van het koetswerk op volgende wijze :
  [2 ...]2
  AA - Sedan
  ISO norm 3833 - 1977, punt 3.1.1.1, met inbegrip van voertuigen met meer dan vier zijramen.
  AB - Voertuig met achterklep
  Sedan (AA) met een klep aan de achterzijde van het voertuig.
  AC - Stationwagen
  ISO norm 333 - 1977, punt 3.1.1.4.
  AD - Coupé
  ISO norm 3833 - 1977, punt 3.1.1.5.
  AE - Cabriolet
  ISO norm 3833 - 1977, punt 3.1.1.6.
  AF - Voertuig voor meerdere doeleinden
  Andere motorvoertuigen dan die genoemd onder AA tot en met AC bestemd voor het vervoer van personen en hun bagage of goederen, in één enkele ruimte.
  Evenwel, zal een voertuig van type AF niet beschouwd worden als van categorie M1, maar van categorie N en gecodificeerd als FA, indien het aan de twee volgende voorwaarden voldoet :
  1. Het aantal zitplaatsen met uitzondering van die voor de bestuurder bedraagt niet meer dan zes;
  Een "zitplaats" wordt als aanwezig beschouwd indien het voertuig is uitgerust met "toegankelijke" zitplaatsverankeringen;
  Onder "toegankelijke zitplaatsverankeringen" worden verstaan verankeringen die kunnen worden gebruikt. Om te voorkomen dat verankeringen "toegankelijk" zijn maakt de fabrikant het gebruik ervan fysiek onmogelijk, door bijvoorbeeld de afdekplaten vast te lassen of door soortgelijke vaste bevestigingsmiddelen aan te brengen die niet met behulp van gewoonlijk beschikbaar gereedschap kunnen worden verwijderd;
  2. P - (M + N x 68) > N x 68, waarin :
  P = de technische toelaatbare maximummassa in beladen toestand (in kg);
  M = massa in rijklare toestand (in kg);
  N = aantal zitplaatsen met uitzondering van die van de bestuurder.
  [2 ...]2
  (Categorie M2 : Voor het vervoer van passagiers ontworpen en gebouwde voertuigen met meer dan acht zitplaatsen, die van de bestuurder niet meegerekend, en met een maximale massa van ten hoogste 5 ton.) <KB 2003-03-17/34, art. 1, 026; Inwerkingtreding : 01-05-2003>
  (Categorie M3 : Voor het vervoer van passagiers ontworpen en gebouwde voertuigen met meer dan acht zitplaatsen, die van de bestuurder niet meegerekend, en met een maximale massa van meer dan 5 ton.) <KB 2003-03-17/34, art. 1, 026; Inwerkingtreding : 01-05-2003>
  Afzonderlijke classificatie voor voertuigen van de categorieën M2 en M3 :
  Voertuigen van de categorieën M2 en M3 zijn onderverdeeld in klassen volgens volgende criteria :
  a) voor de voertuigen met een capaciteit van meer dan 22 passagiers, de bestuurder niet inbegrepen :
  Klasse I : voertuigen gebouwd met ruimte voor staande passagiers, zodat passagiers vaak kunnen in- en uitstappen;
  Klasse II: voertuigen voornamelijk gebouwd voor het vervoer van zittende passagiers en ontworpen voor het vervoer van staande passagiers in het gangpad en/of op een zone die overeenkomt met maximaal twee dubbele zitplaatsen;
  Klasse III : voertuigen uitsluitend gebouwd voor het vervoer van zittende passagiers;
  b) voor voertuigen met een capaciteit van maximaal 22 passagiers, de bestuurder niet meegerekend :
  Klasse A : voertuigen bestemd voor het vervoer van staande passagiers; een voertuig van deze klasse heeft zitplaatsen en moet zones voor staande passagiers hebben;
  Klasse B : voertuigen bestemd voor het vervoer van zittende passagiers; een voertuig van deze klasse heeft geen enkele voorziening voor staande passagiers.) <KB 2002-10-21/32, art. 1, 023; Inwerkingtreding : 30-10-2002>
  [2 De voertuigen van de categorieën M2 en M3 worden onderverdeeld volgens type en code van het koetswerk op volgende wijze :
   a) Voertuigen van klasse I
   CA enkeldeks
   CB dubbeldeks
   CC geleed en enkeldeks
   CD geleed en dubbeldeks
   CE enkeldeks met lage vloer
   CF dubbeldeks met lage vloer
   CG geleed enkeldeks met lage vloer
   CH geleed dubbeldeks met lage vloer
   b) Voertuigen van klasse II
   CI enkeldeks
   CJ dubbeldeks
   CK geleed enkeldeks
   CL geleed dubbeldeks
   CM enkeldeks met lage vloer
   CN dubbeldeks met lage vloer
   CO geleed enkeldeks met lage vloer
   CP geleed dubbeldeks met lage vloer
   c) Voertuigen van klasse III
   CQ enkeldeks
   CR dubbeldeks
   CS geleed enkeldeks
   CT geleed dubbeldeks
   d) Voertuigen van klasse A
   CU enkeldeks
   CV enkeldeks met lage vloer
   e) Voertuigen van klasse B
   CW enkeldeks]2
  2. [2 Categorie N : Voor het vervoer van goederen ontworpen en gebouwde motorvoertuigen met ten minste vier wielen.
   Categorie N1 : Voor het vervoer van goederen ontworpen en gebouwde voertuigen met een maximummassa van ten hoogste 3,5 ton.
   Categorie N2 : Voor het vervoer van goederen ontworpen en gebouwde voertuigen met een maximummassa van meer dan 3,5 ton, doch niet meer dan 12 ton.
   Categorie N3 : Voor het vervoer van goederen ontworpen en gebouwde voertuigen met een maximummassa van meer dan 12 ton.]2
  [2 De voertuigen van de categorie N worden onderverdeeld volgens type en code van het koetswerk op volgende wijze :
   BA Vrachtwagen
   BB Bestelwagen
   BC Opleggertrekkend voertuig
   BD Aanhangwagentrekkend voertuig (aanhangwagentrekker)
   Een als BB geclassificeerd voertuig met een technisch toelaatbare maximummassa van niet meer dan 3500 kg wordt echter niet als een voertuig van de categorie N beschouwd indien :
   1. het meer dan zes zitplaatsen heeft, die van de bestuurder niet meegerekend,
   of
   2. het aan beide hierna genoemde voorwaarden voldoet :
   i) het aantal zitplaatsen, die van de bestuurder niet meegerekend, bedraagt niet meer dan zes, en
   ii) P - (M + N x 68) <= N x 68, waarbij :
   P = technisch toelaatbare maximummassa in beladen toestand (in kg);
   M = massa in rijklare toestand (in kg);
   N = aantal zitplaatsen, die van de bestuurder niet meegerekend.
   Een zitplaats wordt als aanwezig beschouwd indien het voertuig met "toegankelijke" zitplaatsverankeringen is uitgerust.
   Een voertuig dat als BA, BB geclassificeerd is met een technisch toelaatbare maximummassa van meer dan 3500 kg en dat voor BC of BD aan ten minste één van de onderstaande voorwaarden voldoet, wordt echter niet als een voertuig van de categorie N beschouwd :
   1) het aantal zitplaatsen, die van de bestuurder niet meegerekend, bedraagt meer dan acht, of
   2) P - (M + N x 68) <= N x 68 waarbij :
   P = technisch toelaatbare maximummassa in beladen toestand (in kg);
   M = massa in rijklare toestand (in kg);
   N = aantal zitplaatsen, die van de bestuurder niet meegerekend.
   Een zitplaats wordt als aanwezig beschouwd indien het voertuig met "toegankelijke" zitplaatsverankeringen is uitgerust]2
  3. Categorie 0 : Aanhangwagens (met inbegrip van opleggers).
  - Categorie 01 : Aanhangwagens met een maximale massa van ten hoogste 0,75 ton.
  - Categorie 02 : Aanhangwagens met een maximale massa van meer dan 0,75 ton, doch niet meer dan 3,5 ton.
  - Categorie 03 : Aanhangwagens met een maximale massa van meer dan 3,5 ton, doch niet meer dan 10 ton.
  - Categorie 04 : Aanhangwagens met een maximale massa van meer dan 10 ton.
  [2 De voertuigen van de categorie O worden op de volgende manier gecodeerd :
   DA Oplegger
   DB Autonome aanhangwagen
   DC Middenasaanhangwagen]2
  (4. Terreinvoertuigen (symbool G).
  a) De voertuigen van categorie N1 met een maximale massa van ten hoogste 2 ton en de voertuigen van categorie M1 worden als terreinvoertuigen beschouwd, indien ze voorzien zijn van :
  - ten minste één vooras en ten minste één achteras die ontworpen zijn om gelijktijdig te worden aangedreven, met inbegrip van voertuigen waarvan de aandrijving op één van de assen kan worden ontkoppeld,
  - ten minste één differentieelblokkerings-mechanisme of ten minste één mechanisme waarmee een soortgelijk effect wordt bewerkstelligd, en indien met het voertuig een helling van 30 % kan worden overwonnen, berekend voor een voertuig zonder aanhangwagen.
  Voorts voldoen ze aan ten minste vijf van de volgende zes eisen :
  - een oploophoek hebben van ten minste 25°,
   een afloophoek hebben van ten minste 20°,
   een hellingshoek hebben van ten minste 20°,
   onder de vooras een vrije hoogte boven de grond hebben van ten minste 180 mm,
   onder de achteras een vrije hoogte boven de grond hebben van ten minste 180 mm,
   tussen de assen een vrije hoogte boven de grond hebben van ten minste 200 mm.
  b) De voertuigen van categorie N1 met een maximale massa van meer dan 2 ton of van de categorieën N2, M2 of M3 met een maximale massa van ten hoogste 12 ton worden als terreinvoertuigen beschouwd, indien ze ofwel voorzien zijn van wielen die ontworpen zijn om gelijktijdig te worden aangedreven, met inbegrip van voertuigen waarvan de aandrijving op één van de assen kan worden ontkoppeld, ofwel aan de volgende drie eisen voldoen:
   uitgerust zijn met ten minste één vooras en ten minste één achteras die ontworpen zijn om gelijktijdig te worden aangedreven, ook wanneer de aandrijving op één van de assen kan worden ontkoppeld,
   uitgerust zijn met ten minste een differentieelblokkerings-mechanisme of met ten minste één mechanisme waarmee een soortgelijk effect wordt bewerkstelligd,
  - een helling kunnen overwinnen van 25 %, berekend voor een voertuig zonder aanhangwagen.
  c) De voertuigen van categorie M3 met een maximale massa van meer dan 12 ton en deze van categorie N3, worden als terreinvoertuigen beschouwd, indien ze ofwel zijn uitgerust met wielen die zijn ontworpen om gelijktijdig te worden aangedreven, ook wanneer de aandrijving op één as kan worden ontkoppeld, ofwel aan de volgende eisen voldoen :
  - minimaal de helft van het aantal wielen is aangedreven,
  - ze zijn uitgerust met ten minste één differentieelblokkerings-mechanisme of ten minste één mechanisme waarmee een soortgelijk effect wordt bewerkstelligd,
  - ze kunnen een helling overwinnen van 25 %, berekend voor een voertuig zonder aanhangwagen.
  Ze voldoen aan ten minste vier van de volgende zes eisen :
  - een oploophoek hebben van ten minste 25°,
  - een afloophoek hebben van ten minste 25°,
  - een hellingshoek hebben van ten minste 25°,
  - onder de vooras een vrije hoogte boven de grond hebben van ten minste 250 mm,
  - onder de achteras een vrije hoogte boven de grond hebben van ten minste 250 mm,
  - tussen de assen een vrije hoogte boven de grond hebben van ten minste 300 mm.) <KB 2003-03-17/34, art. 1, 026; Inwerkingtreding : 01-05-2003>
  [2 d) Het symbool "G" wordt gecombineerd met het symbool "M" of "N". Een voertuig van de categorie N1 dat geschikt is voor gebruik op het terrein, wordt bijvoorbeeld met "N1G" aangeduid]2
  [6 5. Categorie T : land- of bosbouwtrekkers op wielen
   5.1. "categorie T", alle trekkers op wielen; iedere trekkercategorie op wielen beschreven in de punten 5.2 tot 5.8 wordt op het einde aangevuld met een indexletter "a" of "b" naargelang van de door de constructie bepaalde snelheid :
   a) "a" voor trekkers op wielen die ontworpen werden voor een snelheid die lager of gelijk is aan 40 km/uur,
   b) "b" voor trekkers op wielen die ontworpen werden voor een snelheid van meer dan 40 km/uur;
   5.2. "categorie T1", trekkers op wielen met een minimumspoorbreedte van de zich het dichtst bij de bestuurder bevindende as van ten minste 1 150 mm, met een lege massa in rijklare toestand van meer dan 600 kg en met een vrije hoogte boven het wegdek van ten hoogste 1 000 mm;
   5.3."categorie T2", trekkers op wielen met een minimumspoorbreedte van minder dan 1 150 mm, met een lege massa in bedrijfsklare toestand van meer dan 600 kg en met een vrije hoogte boven het wegdek van ten hoogste 600 mm; wanneer de hoogte van het zwaartepunt van de trekker (gemeten ten opzichte van de grond), gedeeld door het gemiddelde van de minimumspoorbreedten van alle assen, meer dan 0,90 bedraagt, mag de door de constructie bepaalde maximumsnelheid niet hoger zijn dan 30 km/u;
   5.4. "categorie T3" trekkers op wielen met een lege massa in rijklare toestand van ten hoogste 600 kg;
   5.5. "categorie T4", trekkers op wielen voor speciale doeleinden;
   5.6. "categorie T4.1" (portaaltrekkers), trekkers ontworpen om hoge in rijen geplante gewassen te bewerken, bijvoorbeeld in de wijnbouw. Ze worden gekenmerkt door een volledig of gedeeltelijk verhoogd chassis dat zodanig is gebouwd dat zij zich parallel aan de rijen planten kunnen voortbewegen, waarbij de linker- en rechterwielen zich aan weerszijden van een of meer rijen planten bevinden. Zij zijn ontworpen om werktuigen te dragen of aan te drijven die zich aan de voorzijde, tussen de assen, aan de achterzijde of op een platform bevinden. In de werkpositie bedraagt de verticaal gemeten afstand tot de grond op de plaats van de rijen planten meer dan 1 000 mm. Wanneer de waarde van de hoogte van het zwaartepunt van de trekker ten opzichte van de grond en met de normaal gemonteerde banden gemeten, gedeeld door het gemiddelde van de minimumspoorbreedten van alle assen, meer dan 0,90 bedraagt, mag de door de constructie bepaalde maximumsnelheid niet hoger zijn dan 30 km/u.
   5.7. "categorie T4.2" (brede trekkers) deze omvat trekkers die door hun grote afmetingen worden gekenmerkt en die in het bijzonder bestemd zijn om grote landbouwarealen te bewerken;
   5.8. "categorie T4.3" (trekkers met geringe hoogte boven het wegdek), omvat de trekkers met vier aangedreven wielen, waarvan de verwisselbare uitrustingsstukken bestemd zijn voor gebruik in de land- of bosbouw, en die gekenmerkt worden door een dragend chassis, uitgerust zijn met een of meer aftakassen en een technisch toelaatbare massa van ten hoogste 10 ton hebben en waarbij de verhouding tussen deze massa en de maximale lege massa in rijklare toestand minder dan 2,5 bedraagt. Voorts bevindt het zwaartepunt van deze trekkers ten opzichte van het wegdek gemeten en met de normaal gemonteerde banden zich op minder dan 850 mm.]6
  [2 6. Categorie C : landbouw- en bosbouwtrekkers op rupsbanden : trekkers op rupsbanden die voortbewogen en gestuurd worden met de rupsbanden en waarvan de categorieën C1 tot en met C4 worden gedefinieerd naar analogie met de categorieën T1 tot en met T4]2
  [2 7. Categorie R : landbouw- en bosbouwaanhangwagens
   De voertuigen van de categorie R worden onderverdeeld volgens type en code van het koetswerk op volgende wijze :
   - categorie R1 : aanhangwagens waarvan het totaal van de technisch toelaatbare massa's per as ten hoogste 1500 kg bedraagt;
   - categorie R2 : aanhangwagens waarvan het totaal van de technisch toelaatbare massa's per as meer dan 1500 kg, doch niet meer dan 3500 kg bedraagt;
   - categorie R3 : aanhangwagens waarvan het totaal van de technisch toelaatbare massa's per as meer dan 3500 kg, doch niet meer dan 21000 kg bedraagt;
   - categorie R4 : aanhangwagens waarvan het totaal van de technisch toelaatbare massa's per as meer dan 21000 kg bedraagt.
   Elke categorie aanhangwagens wordt tevens aangeduid met de letter "a" of "b" naargelang de snelheid waarvoor de aanhangwagen is ontworpen :
   - "a" voor aanhangwagens die voor een snelheid van ten hoogste 40 km/h zijn ontworpen,
   - "b" voor aanhangwagens die voor een snelheid van meer dan 40 km/h zijn ontworpen.]2
  [2 8. Categorie S : verwisselbare getrokken machines
   De voertuigen van de categorie S worden onderverdeeld volgens type en code van het koetswerk op volgende wijze :
   - categorie S1 : verwisselbare getrokken machines die voor gebruik in de land- of bosbouw zijn bestemd en waarvan het totaal van de technisch toelaatbare massa's per as ten hoogste 3500 kg bedraagt;
   - categorie S2 : verwisselbare getrokken machines die voor gebruik in de land- of bosbouw zijn bestemd en waarvan het totaal van de technisch toelaatbare massa's per as meer dan 3500 kg bedraagt.
   Elke categorie verwisselbare getrokken machines wordt tevens aangeduid met de letter a of b naargelang de snelheid waarvoor de machine is ontworpen :
   - "a" voor verwisselbare getrokken machines die voor een snelheid van ten hoogste 40 km/h zijn ontworpen,
   - "b" voor verwisselbare getrokken machines die voor een snelheid van meer dan 40 km/h zijn ontworpen.]2
  [2 Voertuigen voor speciale doeleinden :
   SA Kampeerwagens
   SB Gepantserde voertuigen
   SC Ambulances
   SD Lijkwagens
   SE Caravans
   SF Mobiele kranen
   SG Overige voertuigen voor speciale doeleinden
   SH Voor rolstoelen toegankelijk voertuig]2
  § 2. [2 Definities :
   Voor de toepassing van dit koninklijk besluit wordt, behoudens andersluidende bepalingen, verstaan onder :
   1. "Gemeenschap" : de Europese Gemeenschap;
   2. "Lidstaten" : de lidstaten van de Gemeenschap;
   3. "de Richtlijn" : richtlijn 2007/46/EG tot vaststelling van een kader voor de goedkeuring van motorvoertuigen en aanhangwagens daarvan en van systemen, onderdelen en technische eenheden die voor dergelijke voertuigen zijn bestemd;
   4. "bevoegde instantie" : de Minister bevoegd voor het wegverkeer of zijn afgevaardigde;4ter. "bevoegde Brusselse instantie": de Brusselse minister of zijn gemachtigde;
   5. "goedkeuringsinstantie" : de Federale Overheidsdienst Mobiliteit en Vervoer - Directoraat-generaal Mobiliteit en Verkeersveiligheid - Dienst Voertuigen, waarvan de kantoren gelegen zijn in City Atrium - Vooruitgangstraat 56, 1210 Brussel, is de bevoegde instantie voor alle aspecten van zowel de typegoedkeuring van een voertuig, systeem, onderdeel of technische eenheid als de individuele goedkeuring van een voertuig; voor de vergunningsprocedure, de afgifte en eventuele intrekking van goedkeuringscertificaten; om te fungeren als contactpunt voor de goedkeuringsinstanties van andere lidstaten; en om ervoor te zorgen dat de fabrikant aan zijn verplichtingen inzake de overeenstemming van productie voldoet;
   6. "instantie bevoegd voor de beoordeling van de technische diensten" : de Federale Overheidsdienst Mobiliteit en Vervoer - Directoraat-generaal Mobiliteit en Verkeersveiligheid - Directie Certificering en Inspectie, waarvan de kantoren gelegen zijn in City Atrium - Vooruitgangstraat 56, 1210 Brussel is de bevoegde instantie voor de beoordeling van de technische diensten. Sommige delen daarvan mogen worden overgedragen aan een accrediteringsorgaan, ondertekenaar van de wederzijdse erkenningsakkoorden tussen accrediterings-organen;
   7. "technische dienst" : elke organisatie of instantie die door de bevoegde instantie is aangewezen om namens de goedkeurings-instantie als testlaboratorium tests of als overeenstemmingsbeoordelingsinstantie de initiële beoordeling en andere tests of inspecties te verrichten. De goedkeuringsinstantie mag deze functies ook zelf vervullen;
   8. "titularis" : de natuurlijke of rechtspersoon op wiens naam het voertuig is ingeschreven;
   9. "typegoedkeuring" : de procedure waarbij de goedkeuringsinstantie certificeert dat een type voertuig, systeem, onderdeel of technische eenheid aan de relevante bestuursrechtelijke bepalingen en technische voorschriften voldoet;
   10. "nationale typegoedkeuring" : een in de Belgische wetgeving vastgestelde typegoedkeuringsprocedure waarvan de geldigheid tot het Belgische grondgebied is beperkt;
   11. "EG-typegoedkeuring" : de procedure waarbij een lidstaat certificeert dat een type voertuig, systeem, onderdeel of technische eenheid aan de relevante bestuursrechtelijke bepalingen en technische voorschriften van de richtlijn voldoet;
   12. "individuele goedkeuring" : de procedure waarbij de goedkeuringsinstantie certificeert dat een bepaald, al dan niet uniek, voertuig aan de relevante bestuursrechtelijke bepalingen en technische voorschriften voldoet;
   13. "meerfasentypegoedkeuring" : de procedure waarbij een of meer lidstaten certificeren dat een incompleet of voltooid type voertuig, naargelang de staat van voltooiing, aan de relevante bestuursrechtelijke bepalingen en technische voorschriften van de richtlijn voldoet;
   14. "stapsgewijze typegoedkeuring" : de voertuiggoedkeuringsprocedure die bestaat uit het stapsgewijs verzamelen van de hele reeks goedkeuringscertificaten voor de systemen, onderdelen en technische eenheden van het voertuig en die uiteindelijk resulteert in de goedkeuring van het volledige voertuig;
   15. "eenstapstypegoedkeuring" : de procedure voor de goedkeuring van een voertuig in zijn geheel in één handeling;
   16. "gemengde typegoedkeuring" : de stapsgewijze typegoedkeuringsprocedure waarbij in de laatste fase van de goedkeuring van het gehele voertuig een of meer systemen worden goedgekeurd zonder dat voor deze systemen een goedkeuringscertificaat moet worden afgegeven;
   17. "typegoedkeuringscertificaat" : het document waarmee de goedkeuringsinstantie officieel certificeert dat aan een type voertuig, systeem, onderdeel of technische eenheid goedkeuring is verleend;
   18. "individueel goedkeuringscertificaat" : het document waarmee de goedkeuringsinstantie officieel certificeert dat voor een bepaald voertuig goedkeuring is verleend;
   19. "certificaat van overeenstemming" : het document in bijlage 31 dat door de fabrikant wordt afgegeven om te certificeren dat een voertuig op het ogenblik van de productie aan alle regelgevingen voldeed;
   20. "keuringsbewijs" : document dat aan diegene die het voertuig aanbiedt, door het keuringsstation wordt afgeleverd en dat het resultaat van de keuring vermeldt;
   21. "de inverkeerstelling van een voertuig in België" : de handeling waarbij het voertuig in het verkeer wordt gebracht onder dekking van een Belgische kentekenplaat;
   22. "technische fiche" : document dat door de fabrikant of zijn gemachtigde voor de voertuigen van de categorieën N2, N3, O3 en O4 wordt afgeleverd en dat de specifieke technische gegevens van het voertuig vermeldt;
   23. "keuringsvignet" : klever die de geldigheidsduur van het keuringsbewijs voor bedrijfsvoertuigen vermeldt;
   24. "voertuigtype" : alle tot een categorie behorende voertuigen die ten minste op de in bijlage 24 vermelde essentiële punten identiek zijn. Een voertuigtype kan varianten en uitvoeringen omvatten;
   25. "basisvoertuig" : elk voertuig dat in de eerste fase van een meerfasentypegoedkeuringsprocedure wordt gebruikt;
   26. "incompleet voertuig" : elk voertuig dat nog minstens één voltooiingsfase moet ondergaan om aan de toepasselijke technische voorschriften van dit besluit te voldoen;
   27. "voltooid voertuig" : elk voertuig dat na de meerfasentypegoedkeuringsprocedure te hebben doorlopen aan de toepasselijke technische voorschriften van dit besluit voldoet;
   28. "compleet voertuig" : elk voertuig dat niet hoeft te worden voltooid om aan de toepasselijke technische voorschriften van dit besluit te voldoen;
   29. "voertuig uit restantvoorraad" : elk voertuig dat deel uitmaakt van een voorraad en dat niet kan worden geregistreerd, verkocht of in het verkeer gebracht omdat nieuwe technische voorschriften in werking zijn getreden waarvoor het niet is goedgekeurd;
   30. "systeem" : een geheel van inrichtingen die gecombineerd zijn om in een voertuig een of meer specifieke functies te vervullen, en dat aan de voorschriften van de regelgevingen moet voldoen;
   31. "onderdeel" : een inrichting die aan de voorschriften van een regelgeving moet voldoen, en die bedoeld is om deel uit te maken van een voertuig en waarvoor onafhankelijk van een voertuig typegoedkeuring kan worden verleend indien de regelgeving daarin uitdrukkelijk voorziet;
   32. "technische eenheid" : een inrichting die aan de voorschriften van een regelgeving moet voldoen, en die bedoeld is om deel uit te maken van een voertuig en waarvoor afzonderlijk, maar alleen met betrekking tot een of meer specifieke voertuigtypes, typegoedkeuring kan worden verleend indien de regelgeving daarin uitdrukkelijk voorziet;
   33. "originele onderdelen of uitrustingsstukken" : onderdelen of uitrustingsstukken die worden geproduceerd volgens de specificaties en productienormen die de voertuigfabrikant heeft verstrekt voor de productie van onderdelen of uitrustingsstukken die bestemd zijn voor de montage van het betrokken motorvoertuig. Hieronder vallen ook onderdelen en uitrustingsstukken die in dezelfde productielijn als de betrokken onderdelen of uitrustingsstukken zijn geproduceerd. Tot het bewijs van het tegendeel wordt ervan uitgegaan dat onderdelen originele onderdelen zijn, indien de onderdelenfabrikant certificeert dat de onderdelen van gelijke kwaliteit zijn als de onderdelen die voor de montage van het betrokken motorvoertuig zijn gebruikt en dat zij volgens de specificaties en productienormen van de fabrikant van het voertuig zijn vervaardigd;
   34. "fabrikant" : persoon of instantie die tegenover de goedkeuringsinstantie verantwoordelijk is voor alle aspecten van de goedkeurings- en vergunningsprocedure en die instaat voor de overeenstemming van de productie. Het is niet noodzakelijk dat deze persoon of instantie rechtstreeks betrokken is bij alle fasen van de constructie van het voertuig, het systeem, het onderdeel of de technische eenheid dat/die aan de goedkeuringsprocedure wordt onderworpen;
   35. "vertegenwoordiger van de fabrikant" : elke in de Gemeenschap gevestigde natuurlijke of rechtspersoon die door de fabrikant is aangewezen om hem bij de goedkeuringsinstantie te vertegenwoordigen en namens hem op te treden bij aangelegenheden die onder dit besluit vallen. Wanneer de term "fabrikant" wordt gebruikt, wordt daaronder de fabrikant of zijn vertegenwoordiger verstaan;
   36. "virtuele testmethode" : computer-simulatie, daaronder begrepen berekeningen die aantonen dat een voertuig, systeem, onderdeel of technische eenheid aan de technische voorschriften van een regelgeving voldoet. Voor testdoeleinden hoeft bij de virtuele methode geen gebruik te worden gemaakt van fysieke voertuigen, systemen, onderdelen of technische eenheden;
   37. "informatiedossier" : het complete dossier met, naargelang het gewenste type goedkeuring, de informatie bedoeld in artikel 7, die door de aanvrager is verstrekt;
   38. "informatiepakket" : het informatiedossier met de testrapporten en alle andere documenten die de technische dienst of de goedkeuringsinstantie tijdens de uitoefening van haar functie aan het informatiedossier heeft toegevoegd;
   39. "inhoudsopgave bij het informatiepakket" : het document met de inhoudsopgave van het informatiepakket, waarvan alle bladzijden zijn genummerd of van andere tekens zijn voorzien. Dit document geeft een overzicht van de opeenvolgende stappen in het beheer van de typegoedkeuringsprocedure, met name de data van alle herzieningen en bijwerkingen;
   40. "voertuig" : elk motorvoertuig of zijn aanhangwagen, volgens de onderstaande definities;
   41. "motorvoertuig" : elk gemotoriseerd voertuig dat zich op eigen kracht voortbeweegt, ten minste vier wielen heeft, compleet, voltooid of incompleet is en een door de constructie bepaalde maximumsnelheid van meer dan 25 km/h kan bereiken, met uitzondering van motorvoertuigen van de categorie L bepaald in richtlijn 2002/24/EG en omgezet in het koninklijk besluit van 26 februari 2003 tot wijziging van artikel 1 van het koninklijk besluit van 10 oktober 1974 houdende algemeen reglement op de technische eisen waaraan de bromfietsen, de motorfietsen en hun aanhangwagens moeten voldoen;
   42. "hybride motorvoertuig" : een voertuig met ten minste twee verschillende energie-omzetters en twee verschillende energieopslagsystemen (aan boord) ten behoeve van de aandrijving van het voertuig;
   43. "hybride elektrisch voertuig" : een hybride voertuig dat ten behoeve van de mechanische aandrijving energie put uit beide van de volgende aan boord opgeslagen energiebronnen/krachtbronnen :
   - een verbruiksbrandstof;
   - een opslagvoorziening voor elektrische energie/kracht (bv. accu, condensator, vliegwiel/generator enz.);
   44. "personenwagen" : elk voertuig van de categorie M1 waarvan de passagiersruimte uitsluitend is ontworpen en gebouwd voor het vervoer van personen en dat, bij gebruik voor het bezoldigde vervoer van personen, ten hoogste acht plaatsen mag bevatten, die van de bestuurder niet meegerekend;
   45. "voertuig voor speciale doeleinden" : een voertuig dat bedoeld is voor het verrichten van diensten waarvoor een bijzondere carrosserie-uitvoering en/of uitrusting vereist is. Deze categorie omvat ook de voor rolstoelen toegankelijke voertuigen;
   46. "voertuigen voor speciale doeleinden andere dan een kampeerwagen, gepantserd voertuig, ambulance, lijkwagen, voor rolstoelen toegankelijk voertuig" : voertuigen bedoeld voor het verrichten van diensten waarvoor een bijzondere koetswerkuitvoering en/of uitrusting is vereist. De code voor deze voertuigen is SG;
   47. "wagen voor dubbel gebruik" : elk voertuig van de categorie M1 ontworpen en gebouwd voor het vervoer van personen en zaken dat, bij het gebruik voor het bezoldigde vervoer van personen, ten hoogste acht plaatsen mag bevatten, die van de bestuurder niet meegerekend;
   48. "minibus" : elk voertuig van de categorie M1 ontworpen en gebouwd voor het vervoer van personen, dat bij gebruik voor het bezoldigde vervoer van personen, ten hoogste acht plaatsen mag bevatten, die van de bestuurder niet meegerekend, en dat is voorzien van een koetswerk van hetzelfde type als dat van bestelwagens of autobussen;
   49. "autobus" of "autocar" : elk voertuig van de categorie M2 of M3 ontworpen en gebouwd voor het vervoer van zittende passagiers of zittende en staande passagiers;
   50. "gelede autobus of autocar" : elke autobus of autocar bestaande uit twee of meer stijve delen met een scharnierende verbinding. Een verbinding tussen de passagiersruimten van de onderscheiden delen biedt de passagiers vrije doorgang; de stijve delen zijn permanent verbonden, zodat zij slechts kunnen worden gescheiden door een ingreep met behulp van faciliteiten die normaliter alleen in een werkplaats aanwezig zijn;
   51. "dubbeldeksbus of - autocar" : elke autobus of autocar waarvan de passagiersruimten zich ten minste in één deel boven elkaar bevinden en waarvan de bovenruimte geen plaats biedt aan staande passagiers;
   52. "trolleybus" : elke met een elektrische motor uitgeruste autobus die de nodige voortbewegingsenergie via een bovenleiding opneemt. Het uitrusten van een trolleybus met een hulpmotor die toelaat de opname van elektrische energie te onderbreken zonder het voortbewegen van het voertuig daarbij te moeten onderbreken, wijzigt de aard van het voertuig niet;
   53. "met bezoldigd vervoer van personen gelijkgesteld gratis vervoer" : de vervoerdiensten voorzien bij artikel 2, tweede lid, 1° en 2°, van de besluitwet van 30 december 1946 betreffende het bezoldigd vervoer van personen over de weg met autobussen en met autocars, en bij artikel 1 van de wet van 26 april 1962 betreffende het gemeenschappelijk vervoer van de leerlingen van de onderwijsinrichtingen;
   54. "bestelwagen" : een vrachtwagen met een in het koetswerk geïntegreerde cabine;
   55. "vrachtwagen" : elk motorvoertuig van de categorie N1, N2 of N3 dat uitsluitend of hoofdzakelijk is ontworpen en gebouwd voor het vervoer van goederen.
   Hij kan ook een aanhangwagen trekken;
   56. "trekker" : elk motorvoertuig van de categorie N1, N2 of N3 dat uitsluitend of hoofdzakelijk is ontworpen of gebouwd voor het trekken van opleggers of aanhangwagens;
   57. "aanhangwagentrekkend voertuig" ("aanhangwagentrekker") : elk trekkend voertuig dat uitsluitend of hoofdzakelijk is ontworpen en gebouwd voor het trekken van aanhangwagens anders dan opleggers. Een dergelijk voertuig kan zijn uitgerust met een laadplatform;
   58. "opleggertrekkend voertuig" ("opleggertrekker") : elk trekkend voertuig dat uitsluitend of hoofdzakelijk is ontworpen en gebouwd voor het trekken van opleggers;
   [6 59. "Land- of bosbouwtrekker" : ieder landbouw- of bosbouwvoertuig op wielen of rupsbanden, met motor, ten minste twee assen en een door de constructie bepaalde maximumsnelheid van ten minste 6 km/u, dat voornamelijk voor tractiedoeleinden is bestemd en in het bijzonder is ontworpen voor het trekken, duwen, dragen of in beweging brengen van bepaalde verwisselbare uitrustingsstukken die voor gebruik in de land- of bosbouw zijn bestemd, of voor het trekken van aanhangwagens of uitrustingsstukken voor de land- of bosbouw; het kan worden ingericht om een lading te vervoeren voor landbouw- of bosbouwdoeleinden en/of kan worden uitgerust met zitplaatsen voor meerijders";
   60. "land- of bosbouwaanhangwagen" : ieder voertuig voor de land- of bosbouw dat voornamelijk gebouwd is om door een trekker te worden getrokken en bestemd is voor het vervoer van ladingen of de bewerking van materiaal, en waarvan de verhouding tussen de maximale technisch toelaatbare massa en de lege massa van dit voertuig gelijk is aan of groter is dan 3,0;
   61. "getrokken verwisselbaar uitrustingsstuk voor land- of bosbouw" : elk in de land- of bosbouw gebruikt voertuig dat is ontworpen om door een trekker te worden getrokken en dat de trekker een andere of extra functie geeft, en dat van een vast gemonteerd werktuig is voorzien of voor de bewerking van materiaal is ontworpen. Het kan bovendien een laadplatform omvatten dat ontworpen en gebouwd is om de voor de uitvoering van de taken noodzakelijke gereedschappen en hulpstukken te dragen, alsook het tijdens het werk geproduceerde of benodigde materiaal tijdelijk op te slaan, als de verhouding tussen de maximale technisch toelaatbare massa en de lege massa van dit voertuig kleiner is dan 3,0;]6
  [4 61bis. "gedragen machine voor land- of bosbouwdoeleinden" : iedere in de landbouw of bosbouw gebruikte inrichting die niet tot de categorie R of de categorie S behoort, die ontworpen is om volledig door een landbouw- of bosbouwtrekker te worden gedragen, en die deze landbouw- of bosbouwtrekker een andere of extra functie geeft. De gedragen machine voor land- of bosbouwdoeleinden kan aan de voorzijde, de achterzijde of op een tussenpunt van de landbouw- of bosbouwtrekker los worden gemonteerd. Onder "inrichting bestemd om in zijn geheel door een landbouw- of bosbouwtrekker te worden gedragen" dient te worden begrepen : een inrichting die niet beschikt over een verticale scharnieras ten opzichte van de landbouw- of bosbouwtrekker, wanneer deze trekker op de openbare weg wordt gebruikt.]4
   62. "landbouwmotor" : elk landbouw-motorvoertuig voor verschillend gebruik dat slechts één as bezit en door middel van armen wordt bestuurd door een bestuurder die normaal te voet is; sommige landbouwmotors kunnen worden uitgerust met een aanhangwagen of een getrokken landbouwwerktuig voorzien van een zitplaats;
   63. "niet voor de weg bestemde mobiele machine" : elk mobiel werktuig, vervoerbare industriële uitrusting of voertuig met of zonder koetswerk, niet bestemd voor personen- of goederenvervoer over de weg, waarin een inwendige verbrandingsmotor is gemonteerd, met uitzondering van de motorvoertuigen van de categorieën L en T;
   64. "voertuigen speciaal ontworpen voor het vervoer van goederen bij een geregelde temperatuur" : voertuigen van de categorieën N en O uitgerust met "geïsoleerde", "niet-mechanisch gekoelde", "mechanisch gekoelde", "cryogeen gekoelde" of "verwarmde" vervoermiddelen;
   65. "speciale vervoermiddelen voor het internationale vervoer van aan bederf onderhevige levensmiddelen (ATP)" : "geïsoleerde", "niet-mechanisch gekoelde", "mechanisch gekoelde" of verwarmde vervoermiddelen die aan de bepalingen en normen van de Overeenkomst van Genève van 1 september 1970 voldoen. Deze overeenkomst is omgezet door de wet van 11 juli 1979. Deze vervoermiddelen behoren tot de categorieën N en O;
   66. "voertuigen en containers op voertuigen speciaal ontworpen voor het vervoer van dieren" : vervoermiddelen ontworpen, gebouwd, onderhouden en gebruikt om ervoor te zorgen dat de dieren geen letsel oplopen of onnodig lijden en om hun veiligheid te waarborgen. Deze vervoermiddelen moeten aan de technische voorschriften van Verordening (EG) nr. 1/2005 voldoen;
   67. "voertuigen bestemd voor het vervoer van gevaarlijke goederen over de weg (ADR)" : voertuigen van de categorieën N en O die onderworpen zijn aan de bepalingen van de Europese overeenkomst van 30 september 1957 betreffende het internationaal vervoer van gevaarlijke goederen over de weg (ADR).
   Indien de voertuigen ADR-containers vervoeren, moeten de voertuigen zelf ADR-gecertificeerd zijn;
   68. "ambulance" : elk motorvoertuig van de categorie M dat bestemd is voor het vervoer van zieken of gewonden en hiertoe een speciale uitrusting heeft.
   Voertuigen van de categorie M voor dringende medische hulpverlening speciaal uitgerust om een medische ploeg en hun materiaal op de plaats van een ongeval te brengen, worden eveneens als ambulance beschouwd;
   69. "kampeerwagen" : elk voertuig van de categorie M voor speciale doeleinden waarvan de constructie woonaccommodatie omvat die ten minste uit de volgende uitrusting bestaat :
   - zitplaatsen en tafel,
   - slaapaccommodatie die met of zonder behulp van de zitplaatsen kan worden gecreëerd,
   - kookgelegenheid en
   - opbergfaciliteiten.
   Deze uitrusting moet vast bevestigd zijn; de tafel mag echter zodanig zijn ontworpen dat zij gemakkelijk kan worden verwijderd;
   70. "caravan" : elk voertuig van de categorie O volgens de ISO-norm 3833 : 1977, punt nr. 3.2.1.3;
   71. "lijkwagen" : elk motorvoertuig van de categorie M dat bestemd is voor het vervoer van overledenen en hiertoe een speciale uitrusting heeft;
   72. "gepantserd voertuig" : elk voertuig bestemd voor de bescherming van te vervoeren passagiers en/of goederen dat aan de voorschriften inzake kogelwerende bepantsering voldoet;
   73. "kraanwagen" : elk motorvoertuig van de categorie N gebouwd als of definitief omgebouwd tot kraan en uitsluitend als dusdanig aangewend. Onder definitief omgebouwd, verstaat men het plaatsen, op een chassiscabine, van een kraan met dergelijke afmetingen, dat er geen laadplatform meer beschikbaar is;
   74. "mobiele kranen" : voertuigen voor speciale doeleinden van de categorie N3 die niet zijn uitgerust voor het vervoer van goederen, maar zijn voorzien van een kraan waarvan het hefmoment ten minste 400 kNm bedraagt;
   75. "voertuig voor traag vervoer" :
   1. elk motorvoertuig dat, wegens zijn constructie en oorsprong, een nominale maximumsnelheid van ten hoogste 40 km/h kan bereiken. Elke verbouwing die voor gevolg heeft dat deze maximumsnelheid kan worden overschreden, ontneemt aan dergelijk voertuig zijn hoedanigheid van voertuig voor traag vervoer,
   2. elke aanhangwagen die uitsluitend door de in punt 1 bedoelde voertuigen wordt getrokken;
   76. "voertuig van speciale constructie" : elk voertuig dat tot categorie N, O, T, C, R, S behoort en wegens zijn constructie of definitieve verbouwing voornamelijk bestemd is om als werktuig te worden gebruikt, met een laadvermogen dat bijna nul bedraagt t.o.v. zijn tarragewicht. Hiertoe behoren de landbouwvoertuigen en industriële voertuigen. Er zijn twee snelheidscategorieën :
   - een categorie beneden 30 km/h nominaal;
   - een categorie boven 30 km/h nominaal.
   Voor wat de inschrijving van de voertuigen betreft, dekt het begrip "voertuig van speciale constructie" inzonderheid : het zelfrijdend bedrijfsmaterieel, het zelfrijdend landbouwmaterieel, de maaimachines en de werktuigaanhangwagens;
   77. "takelwagen" : elk motorvoertuig van de categorie N dat bij normaal gebruik bestemd is voor het ontruimen van de openbare weg door het wegvoeren of het takelen van bij een ongeval beschadigde of defecte voertuigen.
   Een voertuig dat enkel bij gelegenheid met dit doel wordt aangewend, kan niet als takelwagen worden beschouwd.
   Nochtans mag een laadplatform aanwezig zijn op voorwaarde dat het voertuig ten minste met een vaste windas en twee al dan niet vaste laadbruggen is uitgerust;
   78. "afneembaar koetswerk" : elk vervoermiddel dat gemakkelijk op een voertuig voor vervoer kan worden gemonteerd en gedemonteerd en daadwerkelijk dienst doet als koetswerk;
   79. "aanhangwagen" : een niet-zelfaangedreven voertuig op wielen dat is ontworpen en gebouwd om door een motorvoertuig te worden getrokken;
   80. "kampeeraanhangwagen" : elke aanhangwagen die gebouwd of omgebouwd is voor het verblijf van personen en waarvan de binneninrichting blijvend aan het koetswerk is bevestigd;
   81. "bootaanhangwagen" : elke aanhangwagen die gebouwd of omgebouwd is voor het vervoer van één of meerdere boten;
   82. "aanhangwagen voor zweefvliegtuig" : elke aanhangwagen die gebouwd of omgebouwd is voor het vervoer van één of meerdere zweefvliegtuigen;
   83. "werfaanhangwagen" : elke aanhangwagen uitsluitend ingericht voor het personeel en voor het opbergen van materieel of voor één van beide, die zich bestendig op een werf bevindt en slechts uitzonderlijk op de openbare weg komt om van de ene werf naar de andere te worden gereden;
   84. "éénassige aanhangwagen" : elke aanhangwagen, met uitsluiting van opleggers die :
   1° slechts één as bezit;
   2° slechts twee assen heeft, de ene in het verlengde van de andere (schommelassen);
   3° slechts twee assen bezit, waarvan de ene ten hoogste 1 m van de andere is gelegen;
   4° slechts één groep assen bezit, waarvan alle bevestigingselementen aan het chassis op één horizontale as loodrecht op de lengteas van het voertuig zijn gelegen of elke andere groep assen die als gelijkaardig kan worden beschouwd;
   85. "autonome aanhangwagen" : elk getrokken voertuig met ten minste twee assen, waarvan er ten minste één een gestuurde as is, dat is uitgerust met een (ten opzichte van de aanhangwagen) verticaal beweegbare koppelinrichting en geen significante belasting overbrengt op het trekkende voertuig (minder dan 100 daN).
   Wanneer een oplegger aan een dolly wordt gekoppeld, wordt hij als een autonome aanhangwagen beschouwd;
   86. "middenasaanhangwagen" : elke aanhangwagen met een stijve dissel waarvan de as(sen) zich dicht bij het zwaartepunt van het voertuig (indien gelijkmatig belast) bevindt (bevinden), zodat slechts een geringe statische verticale belasting van ten hoogste 10 % van de met de maximummassa van de aanhangwagen overeenkomende belasting of van 1000 decanewton (de lichtste belasting is van toepassing) wordt overgebracht op het trekkende voertuig;
   87. "oplegger" : elk getrokken voertuig dat ontworpen is om aan een opleggertrekkend voertuig of aan een dolly te worden gekoppeld en dat op het trekkende voertuig of de dolly een aanzienlijke statische verticale belasting overbrengt;
   88. "sleep" :elke groep voertuigen die aan elkaar zijn gekoppeld om door één en dezelfde kracht te worden voortbewogen. Wanneer een sleep uit een trekkend voertuig en een oplegger bestaat, wordt hij geleed voertuig genoemd;
   89. "bedrijfsvoertuig" : alle voertuigen die tot de categorieën N1, N2, N3, M2, M3, O1, O2, O3 en O4 behoren;
   90. "chassis" : geheel uit metaal of een ander materiaal dat een raam omvat bestaande uit langsliggers, dwarsliggers en mechanische elementen om het koetswerk te dragen;
   91. "zelfdragende voertuigen" : koetswerk dat aan een als chassis dienend platform is gelast of vast en bestendig is bevestigd;
   92. "passagiersruimte" :het oorspronkelijk of door de constructie voor het vervoer en/of het verblijf van de bestuurder en de passagiers ingerichte deel van het voertuig;
   93. "reminrichting" :het geheel van de organen die als functie hebben de snelheid van een in beweging zijnd voertuig geleidelijk te verminderen of tot nul te brengen of een stilstaand voertuig in stilstand te houden; de inrichting bestaat uit het bedieningsorgaan, de overbrenging en de rem zelf.
   Het bedieningsorgaan is het orgaan dat rechtstreeks door de bestuurder wordt bediend om aan de overbrenging de energie te bezorgen die vereist is om te remmen of ze te beheersen. Die energie kan hetzij de spierkracht van de bestuurder, hetzij een andere door de bestuurder beheerste krachtbron, hetzij, eventueel, de kinetische energie van een aanhangwagen, hetzij een combinatie van deze verschillende soorten energie zijn.
   De overbrenging is het geheel van de organen dat begrepen is tussen het bedieningsorgaan en de rem en ze op rationele wijze verbindt. De overbrenging kan mechanisch, hydraulisch, pneumatisch, elektrisch of gemengd zijn. Wanneer de remming geschiedt door middel van een krachtbron die onafhankelijk is van de bestuurder maar door deze laatste wordt beheerst, maakt de energiereserve ook deel uit van de overbrenging.
   De rem is het orgaan waar de krachten zich ontwikkelen die zich tegen de beweging van het voertuig verzetten;
   94. "luchtvering" : elk veringssysteem waarbij ten minste 75 % van het veringseffect door de luchtveer wordt veroorzaakt;
   95. "veringssysteem dat als gelijkwaardig aan luchtvering wordt erkend" : een veringssysteem voor de as of groep assen dat aan de bepalingen van bijlage 14 voldoet;
   96. "stouwvoorziening" :element dat specifiek is ontworpen en vervaardigd om een lading vast te maken, op haar plaats te houden of te stouwen, inclusief de structurele elementen van het voertuig;
   97. "verankeringspunt" :deel van de structuur, de apparatuur of het toebehoren van een voertuig of een lading waaraan de stouwvoorziening wordt vastgemaakt;
   98. "vrije hoogte boven de grond tussen de assen" : de kleinste afstand tussen het steunvlak en het laagste vaste punt van het voertuig. Meerassige wielstellen worden als één enkele as beschouwd;
   (Beeld niet opgenomen om technische redenen, zie B.St. van 28-04-2009, p. 33649)
   99. "vrije hoogte boven de grond onder een as": de afstand tussen het hoogste punt van een cirkelboog die loopt door het midden van het draagvlak van de wielen van een as (bij uitvoeringen met dubbele banden de binnenwielen) en het laagste vaste punt van het voertuig tussen de wielen.
   Geen enkel stijf voertuigdeel mag zich in het gearceerde segment op de tekening bevinden. De vrije hoogte boven de grond voor verschillende assen kan, overeenkomstig de hoogte van die assen, bijvoorbeeld worden aangegeven met 280/250/250.
   (Beeld niet opgenomen om technische redenen, zie B.St. van 28-04-2009, p. 33649)
   100. "codes voor een EG-kentekenbewijs (e-DIV)" : de codes gebruikt op de kentekenbewijzen zoals vermeld in richtlijn 1999/37/EG;
   101. "technisch toelaatbare maximummassa in beladen toestand (M)" : de door de fabrikant opgegeven, op de constructie en de prestaties gebaseerde maximummassa van het voertuig. Ze wordt bepaald op basis van de weerstand van het chassis en de andere organen van het voertuig.
   Ze wordt gebruikt om de voertuigcategorie te bepalen conform § 1, behalve bij opleggers en middenasaanhangwagens, waar de te gebruiken massa overeenkomt met de belasting op de assen wanneer het voertuig tot zijn technisch toelaatbare maximummassa in beladen toestand is geladen.
   Code : e-DIV : F.1; geregistreerd : F.2
   Ze wordt ook "maximaal toegelaten massa" genoemd en komt overeen met de technisch toelaatbare massa, eventueel beperkt ingevolge de bepalingen van artikel 32 van dit besluit";
   102. "technisch toelaatbare getrokken maximummassa (TM)" : de door de fabrikant opgegeven getrokken maximummassa;
   Code : e-DIV : O.1 (geremde aanhangwagen)
   O.2 (ongeremde aanhangwagen)
   103. "getrokken massa" : hetzij de massa van een aan het motorvoertuig gekoppelde autonome aanhangwagen of oplegger met dolly, hetzij de massa die overeenkomt met de belasting op de assen van een aan het motorvoertuig gekoppelde oplegger of middenasaanhangwagen;
   104. "technisch toelaatbare maximummassa op het koppelpunt van een motorvoertuig" : de massa die overeenkomt met de door de fabrikant opgegeven, op de constructie van het motorvoertuig en/of de koppelinrichting gebaseerde maximaal toelaatbare verticale statische belasting op het koppelpunt. Per definitie omvat deze massa niet de massa van de koppelinrichting bij trekkende voertuigen in rijklare toestand, maar wel bij andere voertuigen;
   105. "technisch toelaatbare maximummassa op het koppelpunt van een oplegger of middenasaanhangwagen" : de massa die overeenkomt met de door de fabrikant van de aanhangwagen opgegeven maximaal toelaatbare verticale statische belasting die door de aanhangwagen op het koppelpunt van het trekkend voertuig wordt overgebracht;
   106. "technisch toelaatbare maximummassa van de as (m)" : de massa die overeenkomt met de door de fabrikant van de aanhangwagen opgegeven maximaal toelaatbare verticale statische belasting die door de as op de grond wordt overgebracht
   Code : e-DIV : N.i voor de as i
   107. "technisch toelaatbare maximummassa van een groep assen (æ)" : de massa die overeenkomt met de door de fabrikant van de aanhangwagen opgegeven en op de constructie van het motorvoertuig gebaseerde maximaal toelaatbare verticale statische belasting die door de groep assen op de grond wordt overgebracht;
   108. "ashefinrichting" : een op een voertuig vast aangebrachte inrichting om de belasting op de as(sen) naargelang de beladingstoestand van het voertuig te verlagen of te verhogen :
   - door de wielen van de grond op te trekken dan wel de wielen op de grond neer te laten, of
   - zonder de wielen van de grond op te trekken (bijvoorbeeld in het geval van luchtvering of andere systemen),
   teneinde de slijtage van de banden te verminderen wanneer het voertuig niet volledig beladen is, en/of het wegrijden van motorvoertuigen of voertuigcombinaties op een gladde bodem te vergemakkelijken door de belasting op de aangedreven as te vergroten;
   109. "hefbare as" : een as die door de ashefinrichting kan worden opgetrokken/ neergelaten;
   110. "belastbare as" : een as waarvan de belasting met behulp van de ashefinrichting kan worden gevarieerd zonder dat de as wordt opgetrokken;
   111. "technisch toelaatbare maximummassa in beladen toestand van de combinatie (MC)" : de door de fabrikant opgegeven, op de constructie van het motorvoertuig gebaseerde maximumwaarde van het totaal van de massa's van motorvoertuig en aanhangwagen in beladen toestand;
   Code : e-DIV : geregistreerd : F.3
   112. "massa van het voertuig in rijklare toestand" : de massa van het lege voertuig met koetswerk, en met de koppelinrichting in het geval van een trekkend voertuig, in rijklare toestand, of de massa van het chassis met cabine indien de fabrikant niet het koetswerk en/of de koppelinrichting levert (met koelvloeistof, smeermiddelen, 90 % brandstof, 100 % andere vloeistoffen met uitzondering van afvalwater, gereedschap, reservewiel en bestuurder (75 kg), en, voor autobussen en autocars, de massa van de bijrijder (75 kg), als er een bijrijderszitplaats in het voertuig is);
   Code : e-DIV : G (trekkend voertuig van een andere categorie dan M1)
   113. "lege massa van het voertuig", ook "tarragewicht" genoemd : de massa van het voertuig in rijklare toestand maar zonder bestuurder.
   Bij kampeerwagens moet de lege massa (tarragewicht) bovendien ook rekening houden met de massa die overeenkomt met de massa van de inhoud van de tot 90% gevulde drinkwater- en gasreservoirs.
   De controle van de massa's en de belastingen per as van motorvoertuigen van de categorie M1 en van kampeerwagens (categorie M) wordt uitgevoerd conform bijlage II, aanhangsel bij richtlijn 95/48/EG van de Commissie van 20 september 1995 houdende aanpassing aan de technische vooruitgang van richtlijn 92/21/EEG van de Raad betreffende massa's en afmetingen van motorvoertuigen van categorie M1.
   114. "laadvermogen" : het verschil tussen de technisch toelaatbare maximummassa in beladen toestand en de massa in rijklare toestand, voor zover dat de maximummassa op de grond onder elk van de assen niet hoger is dan de door de fabrikant voorziene waarde en dat de door de fabrikant voorziene minimummassa op de grond onder de vooras wordt bereikt.
   Het maximumlaadvermogen kan om technische (berekening van de massaverdeling, te hoog zwaartepunt) en fysieke (ladingzekering) redenen worden beperkt.
   115. "massa van de additionele belasting bij voertuigen van de categorie M1" : het verschil tussen de technisch toelaatbare massa in beladen toestand en de massa in rijklare toestand verhoogd met de massa van 75 kg vermenigvuldigd met het aantal passagierszitplaatsen (inclusief klapstoeltjes).
   De massa van de additionele belasting kan de massa van de optionele uitrusting omvatten bijvoorbeeld open dak, airconditioning, koppelinrichting;
   Code : e-DIV : S.1 (het aantal zitplaatsen, die van de bestuurder meegerekend)
   S.2 (desgevallend, het aantal staanplaatsen).
   116. "datum van eerste inverkeerstelling" :het ogenblik waarop het voertuig in nieuwe staat voor de eerste maal wordt gebruikt;
   117. "datum van eerste inverkeerstelling in België" :het ogenblik waarop het voertuig voor de eerste maal in België wordt gebruikt, hetzij als voertuig in nieuwe staat, hetzij als ingevoerd voertuig in gebruikte staat;
   118. "datum van opnieuw in het verkeer stellen in België" :het ogenblik waarop het voertuig opnieuw in het verkeer wordt gesteld in België na verandering van titularis of op het ogenblik waarop het voertuig, dat in België slechts tijdelijk was ingeschreven, opnieuw in het verkeer wordt gesteld onder een Belgische nummerplaat.]2
  [3 119° " commercieel gebruik " : elk gebruik dat bedoeld is voor of gericht is op zakelijk of persoonlijk financieel gewin;
   120° " professioneel gebruik " : elk gebruik ten behoeve van de beroepsuitoefening of de bedrijfsvoering;
   121° " woon-werkverkeer " : de verplaatsing van en naar de plaats van tewerkstelling;
   122° " woon-schoolverkeer " : de verplaatsing van en naar een onderwijsinstelling door studerenden;]3
  [5 123° De RD methode is een methode ontwikkeld voor de evaluatie van de remdoelmatigheid bij MTM op een leeg voertuig. In de grafiek remkracht in functie van remcilinderdruk wordt voor elke as en het voertuig de minimumcriteria, die overeenkomen met de vereiste remdoelmatigheid voor dat specifiek voertuig met zijn specifieke maximale massa's en MTM, opgesteld waaraan het opgemeten voertuig minimaal dient te voldoen.]5
  § 3. Verhoudingen tussen de internationale en de nationale voertuigcategorieën :
  1. categorie M1 omvat de personenauto's, de auto's voor dubbel gebruik en de minibussen;
  2. categorie M2 omvat de autobussen en autocars met een maximale massa kleiner of gelijk aan 5 000 kg;
  3. categorie M3 omvat de autobussen en autocars met een maximale massa boven 5 000 kg;
  4. categorie N1 omvat de auto's voor dubbel gebruik ingericht voor het vervoer van goederen, de trekkers en de lichte vrachtauto's met een maximale massa kleiner of gelijk aan 3 500 kg;
  5. categorie N2 omvat de vrachtwagens en de trekkers met een maximale massa boven 3 500 kg maar kleiner of gelijk aan 12 000 kg;
  6. categorie N3 omvat de vrachtwagens en de trekkers met een maximale massa boven 12 000 kg;
  7. categorie 01 omvat de aanhangers met een maximale massa beneden of gelijk aan 750 kg;
  8. categorie 02 omvat de aanhangwagens en opleggers met een maximale massa boven 750 kg maar kleiner of gelijk aan 3 500 kg;
  9. categorie 03 omvat de aanhangwagens en opleggers met een maximale massa boven 3 500 kg maar kleiner of gelijk aan 10 000 kg.
  10. categorie 04 omvat de aanhangwagens en opleggers met een maximale massa boven 10 000 kg.
  ----------
  (1)<KB 2009-04-14/22, art. 2, 040; Inwerkingtreding : 08-05-2009>
  (2)<KB 2009-04-14/25, art. 2, 041; Inwerkingtreding : 29-04-2009 of later, volgens categorieën>
  (3)<KB 2013-06-17/03, art. 1, 055; Inwerkingtreding : 01-07-2013>
  (4)<KB 2013-07-10/38, art. 1, 056; Inwerkingtreding : 01-09-2013>
  (5)<KB 2013-10-18/24, art. 1, 059; Inwerkingtreding : 05-12-2013>
  (6)<KB 2017-10-02/06, art. 1, 074; Inwerkingtreding : 03-11-2017>

  Art. 1_WAALS_GEWEST.
   <KB 16-11-1984, art. 1> § 1. Classificatie volgens de internationale voertuigcategorieën :
  (1. (Categorie M : Voor het vervoer van passagiers ontworpen en gebouwde motorvoertuigen met tenminste vier wielen.) <KB 2003-03-17/34, art. 1, 026; Inwerkingtreding : 01-05-2003>
  (Categorie M1 : Voor het vervoer van passagiers ontworpen en gebouwde voertuigen met ten hoogste acht zitplaatsen, die van de bestuurder niet meegerekend.) <KB 2003-03-17/34, art. 1, 026; Inwerkingtreding : 01-05-2003>
  Voertuigen van categorie M1 worden onderverdeeld volgens type en code van het koetswerk op volgende wijze :
  [2 ...]2
  AA - Sedan
  ISO norm 3833 - 1977, punt 3.1.1.1, met inbegrip van voertuigen met meer dan vier zijramen.
  AB - Voertuig met achterklep
  Sedan (AA) met een klep aan de achterzijde van het voertuig.
  AC - Stationwagen
  ISO norm 333 - 1977, punt 3.1.1.4.
  AD - Coupé
  ISO norm 3833 - 1977, punt 3.1.1.5.
  AE - Cabriolet
  ISO norm 3833 - 1977, punt 3.1.1.6.
  AF - Voertuig voor meerdere doeleinden
  Andere motorvoertuigen dan die genoemd onder AA tot en met AC bestemd voor het vervoer van personen en hun bagage of goederen, in één enkele ruimte.
  Evenwel, zal een voertuig van type AF niet beschouwd worden als van categorie M1, maar van categorie N en gecodificeerd als FA, indien het aan de twee volgende voorwaarden voldoet :
  1. Het aantal zitplaatsen met uitzondering van die voor de bestuurder bedraagt niet meer dan zes;
  Een "zitplaats" wordt als aanwezig beschouwd indien het voertuig is uitgerust met "toegankelijke" zitplaatsverankeringen;
  Onder "toegankelijke zitplaatsverankeringen" worden verstaan verankeringen die kunnen worden gebruikt. Om te voorkomen dat verankeringen "toegankelijk" zijn maakt de fabrikant het gebruik ervan fysiek onmogelijk, door bijvoorbeeld de afdekplaten vast te lassen of door soortgelijke vaste bevestigingsmiddelen aan te brengen die niet met behulp van gewoonlijk beschikbaar gereedschap kunnen worden verwijderd;
  2. P - (M + N x 68) > N x 68, waarin :
  P = de technische toelaatbare maximummassa in beladen toestand (in kg);
  M = massa in rijklare toestand (in kg);
  N = aantal zitplaatsen met uitzondering van die van de bestuurder.
  [2 ...]2
  (Categorie M2 : Voor het vervoer van passagiers ontworpen en gebouwde voertuigen met meer dan acht zitplaatsen, die van de bestuurder niet meegerekend, en met een maximale massa van ten hoogste 5 ton.) <KB 2003-03-17/34, art. 1, 026; Inwerkingtreding : 01-05-2003>
  (Categorie M3 : Voor het vervoer van passagiers ontworpen en gebouwde voertuigen met meer dan acht zitplaatsen, die van de bestuurder niet meegerekend, en met een maximale massa van meer dan 5 ton.) <KB 2003-03-17/34, art. 1, 026; Inwerkingtreding : 01-05-2003>
  Afzonderlijke classificatie voor voertuigen van de categorieën M2 en M3 :
  Voertuigen van de categorieën M2 en M3 zijn onderverdeeld in klassen volgens volgende criteria :
  a) voor de voertuigen met een capaciteit van meer dan 22 passagiers, de bestuurder niet inbegrepen :
  Klasse I : voertuigen gebouwd met ruimte voor staande passagiers, zodat passagiers vaak kunnen in- en uitstappen;
  Klasse II: voertuigen voornamelijk gebouwd voor het vervoer van zittende passagiers en ontworpen voor het vervoer van staande passagiers in het gangpad en/of op een zone die overeenkomt met maximaal twee dubbele zitplaatsen;
  Klasse III : voertuigen uitsluitend gebouwd voor het vervoer van zittende passagiers;
  b) voor voertuigen met een capaciteit van maximaal 22 passagiers, de bestuurder niet meegerekend :
  Klasse A : voertuigen bestemd voor het vervoer van staande passagiers; een voertuig van deze klasse heeft zitplaatsen en moet zones voor staande passagiers hebben;
  Klasse B : voertuigen bestemd voor het vervoer van zittende passagiers; een voertuig van deze klasse heeft geen enkele voorziening voor staande passagiers.) <KB 2002-10-21/32, art. 1, 023; Inwerkingtreding : 30-10-2002>
  [2 De voertuigen van de categorieën M2 en M3 worden onderverdeeld volgens type en code van het koetswerk op volgende wijze :
   a) Voertuigen van klasse I
   CA enkeldeks
   CB dubbeldeks
   CC geleed en enkeldeks
   CD geleed en dubbeldeks
   CE enkeldeks met lage vloer
   CF dubbeldeks met lage vloer
   CG geleed enkeldeks met lage vloer
   CH geleed dubbeldeks met lage vloer
   b) Voertuigen van klasse II
   CI enkeldeks
   CJ dubbeldeks
   CK geleed enkeldeks
   CL geleed dubbeldeks
   CM enkeldeks met lage vloer
   CN dubbeldeks met lage vloer
   CO geleed enkeldeks met lage vloer
   CP geleed dubbeldeks met lage vloer
   c) Voertuigen van klasse III
   CQ enkeldeks
   CR dubbeldeks
   CS geleed enkeldeks
   CT geleed dubbeldeks
   d) Voertuigen van klasse A
   CU enkeldeks
   CV enkeldeks met lage vloer
   e) Voertuigen van klasse B
   CW enkeldeks]2
  2. [2 Categorie N : Voor het vervoer van goederen ontworpen en gebouwde motorvoertuigen met ten minste vier wielen.
   Categorie N1 : Voor het vervoer van goederen ontworpen en gebouwde voertuigen met een maximummassa van ten hoogste 3,5 ton.
   Categorie N2 : Voor het vervoer van goederen ontworpen en gebouwde voertuigen met een maximummassa van meer dan 3,5 ton, doch niet meer dan 12 ton.
   Categorie N3 : Voor het vervoer van goederen ontworpen en gebouwde voertuigen met een maximummassa van meer dan 12 ton.]2
  [2 De voertuigen van de categorie N worden onderverdeeld volgens type en code van het koetswerk op volgende wijze :
   BA Vrachtwagen
   BB Bestelwagen
   BC Opleggertrekkend voertuig
   BD Aanhangwagentrekkend voertuig (aanhangwagentrekker)
   Een als BB geclassificeerd voertuig met een technisch toelaatbare maximummassa van niet meer dan 3500 kg wordt echter niet als een voertuig van de categorie N beschouwd indien :
   1. het meer dan zes zitplaatsen heeft, die van de bestuurder niet meegerekend,
   of
   2. het aan beide hierna genoemde voorwaarden voldoet :
   i) het aantal zitplaatsen, die van de bestuurder niet meegerekend, bedraagt niet meer dan zes, en
   ii) P - (M + N x 68) <= N x 68, waarbij :
   P = technisch toelaatbare maximummassa in beladen toestand (in kg);
   M = massa in rijklare toestand (in kg);
   N = aantal zitplaatsen, die van de bestuurder niet meegerekend.
   Een zitplaats wordt als aanwezig beschouwd indien het voertuig met "toegankelijke" zitplaatsverankeringen is uitgerust.
   Een voertuig dat als BA, BB geclassificeerd is met een technisch toelaatbare maximummassa van meer dan 3500 kg en dat voor BC of BD aan ten minste één van de onderstaande voorwaarden voldoet, wordt echter niet als een voertuig van de categorie N beschouwd :
   1) het aantal zitplaatsen, die van de bestuurder niet meegerekend, bedraagt meer dan acht, of
   2) P - (M + N x 68) <= N x 68 waarbij :
   P = technisch toelaatbare maximummassa in beladen toestand (in kg);
   M = massa in rijklare toestand (in kg);
   N = aantal zitplaatsen, die van de bestuurder niet meegerekend.
   Een zitplaats wordt als aanwezig beschouwd indien het voertuig met "toegankelijke" zitplaatsverankeringen is uitgerust]2
  3. Categorie 0 : Aanhangwagens (met inbegrip van opleggers).
  - Categorie 01 : Aanhangwagens met een maximale massa van ten hoogste 0,75 ton.
  - Categorie 02 : Aanhangwagens met een maximale massa van meer dan 0,75 ton, doch niet meer dan 3,5 ton.
  - Categorie 03 : Aanhangwagens met een maximale massa van meer dan 3,5 ton, doch niet meer dan 10 ton.
  - Categorie 04 : Aanhangwagens met een maximale massa van meer dan 10 ton.
  [2 De voertuigen van de categorie O worden op de volgende manier gecodeerd :
   DA Oplegger
   DB Autonome aanhangwagen
   DC Middenasaanhangwagen]2
  (4. Terreinvoertuigen (symbool G).
  a) De voertuigen van categorie N1 met een maximale massa van ten hoogste 2 ton en de voertuigen van categorie M1 worden als terreinvoertuigen beschouwd, indien ze voorzien zijn van :
  - ten minste één vooras en ten minste één achteras die ontworpen zijn om gelijktijdig te worden aangedreven, met inbegrip van voertuigen waarvan de aandrijving op één van de assen kan worden ontkoppeld,
  - ten minste één differentieelblokkerings-mechanisme of ten minste één mechanisme waarmee een soortgelijk effect wordt bewerkstelligd, en indien met het voertuig een helling van 30 % kan worden overwonnen, berekend voor een voertuig zonder aanhangwagen.
  Voorts voldoen ze aan ten minste vijf van de volgende zes eisen :
  - een oploophoek hebben van ten minste 25°,
   een afloophoek hebben van ten minste 20°,
   een hellingshoek hebben van ten minste 20°,
   onder de vooras een vrije hoogte boven de grond hebben van ten minste 180 mm,
   onder de achteras een vrije hoogte boven de grond hebben van ten minste 180 mm,
   tussen de assen een vrije hoogte boven de grond hebben van ten minste 200 mm.
  b) De voertuigen van categorie N1 met een maximale massa van meer dan 2 ton of van de categorieën N2, M2 of M3 met een maximale massa van ten hoogste 12 ton worden als terreinvoertuigen beschouwd, indien ze ofwel voorzien zijn van wielen die ontworpen zijn om gelijktijdig te worden aangedreven, met inbegrip van voertuigen waarvan de aandrijving op één van de assen kan worden ontkoppeld, ofwel aan de volgende drie eisen voldoen:
   uitgerust zijn met ten minste één vooras en ten minste één achteras die ontworpen zijn om gelijktijdig te worden aangedreven, ook wanneer de aandrijving op één van de assen kan worden ontkoppeld,
   uitgerust zijn met ten minste een differentieelblokkerings-mechanisme of met ten minste één mechanisme waarmee een soortgelijk effect wordt bewerkstelligd,
  - een helling kunnen overwinnen van 25 %, berekend voor een voertuig zonder aanhangwagen.
  c) De voertuigen van categorie M3 met een maximale massa van meer dan 12 ton en deze van categorie N3, worden als terreinvoertuigen beschouwd, indien ze ofwel zijn uitgerust met wielen die zijn ontworpen om gelijktijdig te worden aangedreven, ook wanneer de aandrijving op één as kan worden ontkoppeld, ofwel aan de volgende eisen voldoen :
  - minimaal de helft van het aantal wielen is aangedreven,
  - ze zijn uitgerust met ten minste één differentieelblokkerings-mechanisme of ten minste één mechanisme waarmee een soortgelijk effect wordt bewerkstelligd,
  - ze kunnen een helling overwinnen van 25 %, berekend voor een voertuig zonder aanhangwagen.
  Ze voldoen aan ten minste vier van de volgende zes eisen :
  - een oploophoek hebben van ten minste 25°,
  - een afloophoek hebben van ten minste 25°,
  - een hellingshoek hebben van ten minste 25°,
  - onder de vooras een vrije hoogte boven de grond hebben van ten minste 250 mm,
  - onder de achteras een vrije hoogte boven de grond hebben van ten minste 250 mm,
  - tussen de assen een vrije hoogte boven de grond hebben van ten minste 300 mm.) <KB 2003-03-17/34, art. 1, 026; Inwerkingtreding : 01-05-2003>
  [2 d) Het symbool "G" wordt gecombineerd met het symbool "M" of "N". Een voertuig van de categorie N1 dat geschikt is voor gebruik op het terrein, wordt bijvoorbeeld met "N1G" aangeduid]2
  [6 5. Categorie T : land- of bosbouwtrekkers op wielen
   5.1. "categorie T", alle trekkers op wielen; iedere trekkercategorie op wielen beschreven in de punten 5.2 tot 5.8 wordt op het einde aangevuld met een indexletter "a" of "b" naargelang van de door de constructie bepaalde snelheid :
   a) "a" voor trekkers op wielen die ontworpen werden voor een snelheid die lager of gelijk is aan 40 km/uur,
   b) "b" voor trekkers op wielen die ontworpen werden voor een snelheid van meer dan 40 km/uur;
   5.2. "categorie T1", trekkers op wielen met een minimumspoorbreedte van de zich het dichtst bij de bestuurder bevindende as van ten minste 1 150 mm, met een lege massa in rijklare toestand van meer dan 600 kg en met een vrije hoogte boven het wegdek van ten hoogste 1 000 mm;
   5.3."categorie T2", trekkers op wielen met een minimumspoorbreedte van minder dan 1 150 mm, met een lege massa in bedrijfsklare toestand van meer dan 600 kg en met een vrije hoogte boven het wegdek van ten hoogste 600 mm; wanneer de hoogte van het zwaartepunt van de trekker (gemeten ten opzichte van de grond), gedeeld door het gemiddelde van de minimumspoorbreedten van alle assen, meer dan 0,90 bedraagt, mag de door de constructie bepaalde maximumsnelheid niet hoger zijn dan 30 km/u;
   5.4. "categorie T3" trekkers op wielen met een lege massa in rijklare toestand van ten hoogste 600 kg;
   5.5. "categorie T4", trekkers op wielen voor speciale doeleinden;
   5.6. "categorie T4.1" (portaaltrekkers), trekkers ontworpen om hoge in rijen geplante gewassen te bewerken, bijvoorbeeld in de wijnbouw. Ze worden gekenmerkt door een volledig of gedeeltelijk verhoogd chassis dat zodanig is gebouwd dat zij zich parallel aan de rijen planten kunnen voortbewegen, waarbij de linker- en rechterwielen zich aan weerszijden van een of meer rijen planten bevinden. Zij zijn ontworpen om werktuigen te dragen of aan te drijven die zich aan de voorzijde, tussen de assen, aan de achterzijde of op een platform bevinden. In de werkpositie bedraagt de verticaal gemeten afstand tot de grond op de plaats van de rijen planten meer dan 1 000 mm. Wanneer de waarde van de hoogte van het zwaartepunt van de trekker ten opzichte van de grond en met de normaal gemonteerde banden gemeten, gedeeld door het gemiddelde van de minimumspoorbreedten van alle assen, meer dan 0,90 bedraagt, mag de door de constructie bepaalde maximumsnelheid niet hoger zijn dan 30 km/u.
   5.7. "categorie T4.2" (brede trekkers) deze omvat trekkers die door hun grote afmetingen worden gekenmerkt en die in het bijzonder bestemd zijn om grote landbouwarealen te bewerken;
   5.8. "categorie T4.3" (trekkers met geringe hoogte boven het wegdek), omvat de trekkers met vier aangedreven wielen, waarvan de verwisselbare uitrustingsstukken bestemd zijn voor gebruik in de land- of bosbouw, en die gekenmerkt worden door een dragend chassis, uitgerust zijn met een of meer aftakassen en een technisch toelaatbare massa van ten hoogste 10 ton hebben en waarbij de verhouding tussen deze massa en de maximale lege massa in rijklare toestand minder dan 2,5 bedraagt. Voorts bevindt het zwaartepunt van deze trekkers ten opzichte van het wegdek gemeten en met de normaal gemonteerde banden zich op minder dan 850 mm.]6
  [2 6. Categorie C : landbouw- en bosbouwtrekkers op rupsbanden : trekkers op rupsbanden die voortbewogen en gestuurd worden met de rupsbanden en waarvan de categorieën C1 tot en met C4 worden gedefinieerd naar analogie met de categorieën T1 tot en met T4]2
  [2 7. Categorie R : landbouw- en bosbouwaanhangwagens
   De voertuigen van de categorie R worden onderverdeeld volgens type en code van het koetswerk op volgende wijze :
   - categorie R1 : aanhangwagens waarvan het totaal van de technisch toelaatbare massa's per as ten hoogste 1500 kg bedraagt;
   - categorie R2 : aanhangwagens waarvan het totaal van de technisch toelaatbare massa's per as meer dan 1500 kg, doch niet meer dan 3500 kg bedraagt;
   - categorie R3 : aanhangwagens waarvan het totaal van de technisch toelaatbare massa's per as meer dan 3500 kg, doch niet meer dan 21000 kg bedraagt;
   - categorie R4 : aanhangwagens waarvan het totaal van de technisch toelaatbare massa's per as meer dan 21000 kg bedraagt.
   Elke categorie aanhangwagens wordt tevens aangeduid met de letter "a" of "b" naargelang de snelheid waarvoor de aanhangwagen is ontworpen :
   - "a" voor aanhangwagens die voor een snelheid van ten hoogste 40 km/h zijn ontworpen,
   - "b" voor aanhangwagens die voor een snelheid van meer dan 40 km/h zijn ontworpen.]2
  [2 8. Categorie S : verwisselbare getrokken machines
   De voertuigen van de categorie S worden onderverdeeld volgens type en code van het koetswerk op volgende wijze :
   - categorie S1 : verwisselbare getrokken machines die voor gebruik in de land- of bosbouw zijn bestemd en waarvan het totaal van de technisch toelaatbare massa's per as ten hoogste 3500 kg bedraagt;
   - categorie S2 : verwisselbare getrokken machines die voor gebruik in de land- of bosbouw zijn bestemd en waarvan het totaal van de technisch toelaatbare massa's per as meer dan 3500 kg bedraagt.
   Elke categorie verwisselbare getrokken machines wordt tevens aangeduid met de letter a of b naargelang de snelheid waarvoor de machine is ontworpen :
   - "a" voor verwisselbare getrokken machines die voor een snelheid van ten hoogste 40 km/h zijn ontworpen,
   - "b" voor verwisselbare getrokken machines die voor een snelheid van meer dan 40 km/h zijn ontworpen.]2
  [2 Voertuigen voor speciale doeleinden :
   SA Kampeerwagens
   SB Gepantserde voertuigen
   SC Ambulances
   SD Lijkwagens
   SE Caravans
   SF Mobiele kranen
   SG Overige voertuigen voor speciale doeleinden
   SH Voor rolstoelen toegankelijk voertuig]2
  § 2. [2 Definities :
   Voor de toepassing van dit koninklijk besluit wordt, behoudens andersluidende bepalingen, verstaan onder :
   1. "Gemeenschap" : de Europese Gemeenschap;
   2. "Lidstaten" : de lidstaten van de Gemeenschap;
   3. "de Richtlijn" : richtlijn 2007/46/EG tot vaststelling van een kader voor de goedkeuring van motorvoertuigen en aanhangwagens daarvan en van systemen, onderdelen en technische eenheden die voor dergelijke voertuigen zijn bestemd;
   4. "bevoegde instantie" : de Minister bevoegd voor het wegverkeer of zijn afgevaardigde;4ter. "bevoegde Brusselse instantie": de Brusselse minister of zijn gemachtigde;
  [7 4bis. "Waalse Minister": de Minister bevoegd voor de verkeersveiligheid;]7
  [7 4ter. "Waalse bevoegde instantie": de Waalse Minister of diens afgevaardigde;]7
   5. "goedkeuringsinstantie" : [7 de Waalse Overheidsdienst - Operationeel Directoraat-generaal Mobiliteit en Waterwegen]7 is de bevoegde instantie voor alle aspecten van zowel de typegoedkeuring van een voertuig, systeem, onderdeel of technische eenheid als de individuele goedkeuring van een voertuig; voor de vergunningsprocedure, de afgifte en eventuele intrekking van goedkeuringscertificaten; om te fungeren als contactpunt voor de goedkeuringsinstanties van andere lidstaten; en om ervoor te zorgen dat de fabrikant aan zijn verplichtingen inzake de overeenstemming van productie voldoet;
   6. "instantie bevoegd voor de beoordeling van de technische diensten" : de [7Waalse Overheidsdienst - Operationeel Directoraat-generaal Mobiliteit en Waterwegen ]7 is de bevoegde instantie voor de beoordeling van de technische diensten. Sommige delen daarvan mogen worden overgedragen aan een accrediteringsorgaan, ondertekenaar van de wederzijdse erkenningsakkoorden tussen accrediterings-organen;
   7. "technische dienst" : elke organisatie of instantie die door de bevoegde [7 Waalse]7 instantie is aangewezen om namens de goedkeurings-instantie als testlaboratorium tests of als overeenstemmingsbeoordelingsinstantie de initiële beoordeling en andere tests of inspecties te verrichten. De goedkeuringsinstantie mag deze functies ook zelf vervullen;
   8. "titularis" : de natuurlijke of rechtspersoon op wiens naam het voertuig is ingeschreven;
   9. "typegoedkeuring" : de procedure waarbij de goedkeuringsinstantie certificeert dat een type voertuig, systeem, onderdeel of technische eenheid aan de relevante bestuursrechtelijke bepalingen en technische voorschriften voldoet;
   10. "nationale typegoedkeuring" : een in de Belgische wetgeving vastgestelde typegoedkeuringsprocedure waarvan de geldigheid tot het Belgische grondgebied is beperkt;
   11. "EG-typegoedkeuring" : de procedure waarbij een lidstaat certificeert dat een type voertuig, systeem, onderdeel of technische eenheid aan de relevante bestuursrechtelijke bepalingen en technische voorschriften van de richtlijn voldoet;
   12. "individuele goedkeuring" : de procedure waarbij de goedkeuringsinstantie certificeert dat een bepaald, al dan niet uniek, voertuig aan de relevante bestuursrechtelijke bepalingen en technische voorschriften voldoet;
   13. "meerfasentypegoedkeuring" : de procedure waarbij een of meer lidstaten certificeren dat een incompleet of voltooid type voertuig, naargelang de staat van voltooiing, aan de relevante bestuursrechtelijke bepalingen en technische voorschriften van de richtlijn voldoet;
   14. "stapsgewijze typegoedkeuring" : de voertuiggoedkeuringsprocedure die bestaat uit het stapsgewijs verzamelen van de hele reeks goedkeuringscertificaten voor de systemen, onderdelen en technische eenheden van het voertuig en die uiteindelijk resulteert in de goedkeuring van het volledige voertuig;
   15. "eenstapstypegoedkeuring" : de procedure voor de goedkeuring van een voertuig in zijn geheel in één handeling;
   16. "gemengde typegoedkeuring" : de stapsgewijze typegoedkeuringsprocedure waarbij in de laatste fase van de goedkeuring van het gehele voertuig een of meer systemen worden goedgekeurd zonder dat voor deze systemen een goedkeuringscertificaat moet worden afgegeven;
   17. "typegoedkeuringscertificaat" : het document waarmee de goedkeuringsinstantie officieel certificeert dat aan een type voertuig, systeem, onderdeel of technische eenheid goedkeuring is verleend;
   18. "individueel goedkeuringscertificaat" : het document waarmee de goedkeuringsinstantie officieel certificeert dat voor een bepaald voertuig goedkeuring is verleend;
   19. "certificaat van overeenstemming" : het document in bijlage 31 dat door de fabrikant wordt afgegeven om te certificeren dat een voertuig op het ogenblik van de productie aan alle regelgevingen voldeed;
   20. "keuringsbewijs" : document dat aan diegene die het voertuig aanbiedt, door het keuringsstation wordt afgeleverd en dat het resultaat van de keuring vermeldt;
   21. "de inverkeerstelling van een voertuig in België" : de handeling waarbij het voertuig in het verkeer wordt gebracht onder dekking van een Belgische kentekenplaat;
   22. "technische fiche" : document dat door de fabrikant of zijn gemachtigde voor de voertuigen van de categorieën N2, N3, O3 en O4 wordt afgeleverd en dat de specifieke technische gegevens van het voertuig vermeldt;
   23. "keuringsvignet" : klever die de geldigheidsduur van het keuringsbewijs voor bedrijfsvoertuigen vermeldt;
   24. "voertuigtype" : alle tot een categorie behorende voertuigen die ten minste op de in bijlage 24 vermelde essentiële punten identiek zijn. Een voertuigtype kan varianten en uitvoeringen omvatten;
   25. "basisvoertuig" : elk voertuig dat in de eerste fase van een meerfasentypegoedkeuringsprocedure wordt gebruikt;
   26. "incompleet voertuig" : elk voertuig dat nog minstens één voltooiingsfase moet ondergaan om aan de toepasselijke technische voorschriften van dit besluit te voldoen;
   27. "voltooid voertuig" : elk voertuig dat na de meerfasentypegoedkeuringsprocedure te hebben doorlopen aan de toepasselijke technische voorschriften van dit besluit voldoet;
   28. "compleet voertuig" : elk voertuig dat niet hoeft te worden voltooid om aan de toepasselijke technische voorschriften van dit besluit te voldoen;
   29. "voertuig uit restantvoorraad" : elk voertuig dat deel uitmaakt van een voorraad en dat niet kan worden geregistreerd, verkocht of in het verkeer gebracht omdat nieuwe technische voorschriften in werking zijn getreden waarvoor het niet is goedgekeurd;
   30. "systeem" : een geheel van inrichtingen die gecombineerd zijn om in een voertuig een of meer specifieke functies te vervullen, en dat aan de voorschriften van de regelgevingen moet voldoen;
   31. "onderdeel" : een inrichting die aan de voorschriften van een regelgeving moet voldoen, en die bedoeld is om deel uit te maken van een voertuig en waarvoor onafhankelijk van een voertuig typegoedkeuring kan worden verleend indien de regelgeving daarin uitdrukkelijk voorziet;
   32. "technische eenheid" : een inrichting die aan de voorschriften van een regelgeving moet voldoen, en die bedoeld is om deel uit te maken van een voertuig en waarvoor afzonderlijk, maar alleen met betrekking tot een of meer specifieke voertuigtypes, typegoedkeuring kan worden verleend indien de regelgeving daarin uitdrukkelijk voorziet;
   33. "originele onderdelen of uitrustingsstukken" : onderdelen of uitrustingsstukken die worden geproduceerd volgens de specificaties en productienormen die de voertuigfabrikant heeft verstrekt voor de productie van onderdelen of uitrustingsstukken die bestemd zijn voor de montage van het betrokken motorvoertuig. Hieronder vallen ook onderdelen en uitrustingsstukken die in dezelfde productielijn als de betrokken onderdelen of uitrustingsstukken zijn geproduceerd. Tot het bewijs van het tegendeel wordt ervan uitgegaan dat onderdelen originele onderdelen zijn, indien de onderdelenfabrikant certificeert dat de onderdelen van gelijke kwaliteit zijn als de onderdelen die voor de montage van het betrokken motorvoertuig zijn gebruikt en dat zij volgens de specificaties en productienormen van de fabrikant van het voertuig zijn vervaardigd;
   34. "fabrikant" : persoon of instantie die tegenover de goedkeuringsinstantie verantwoordelijk is voor alle aspecten van de goedkeurings- en vergunningsprocedure en die instaat voor de overeenstemming van de productie. Het is niet noodzakelijk dat deze persoon of instantie rechtstreeks betrokken is bij alle fasen van de constructie van het voertuig, het systeem, het onderdeel of de technische eenheid dat/die aan de goedkeuringsprocedure wordt onderworpen;
   35. "vertegenwoordiger van de fabrikant" : elke in de Gemeenschap gevestigde natuurlijke of rechtspersoon die door de fabrikant is aangewezen om hem bij de goedkeuringsinstantie te vertegenwoordigen en namens hem op te treden bij aangelegenheden die onder dit besluit vallen. Wanneer de term "fabrikant" wordt gebruikt, wordt daaronder de fabrikant of zijn vertegenwoordiger verstaan;
   36. "virtuele testmethode" : computer-simulatie, daaronder begrepen berekeningen die aantonen dat een voertuig, systeem, onderdeel of technische eenheid aan de technische voorschriften van een regelgeving voldoet. Voor testdoeleinden hoeft bij de virtuele methode geen gebruik te worden gemaakt van fysieke voertuigen, systemen, onderdelen of technische eenheden;
   37. "informatiedossier" : het complete dossier met, naargelang het gewenste type goedkeuring, de informatie bedoeld in artikel 7, die door de aanvrager is verstrekt;
   38. "informatiepakket" : het informatiedossier met de testrapporten en alle andere documenten die de technische dienst of de goedkeuringsinstantie tijdens de uitoefening van haar functie aan het informatiedossier heeft toegevoegd;
   39. "inhoudsopgave bij het informatiepakket" : het document met de inhoudsopgave van het informatiepakket, waarvan alle bladzijden zijn genummerd of van andere tekens zijn voorzien. Dit document geeft een overzicht van de opeenvolgende stappen in het beheer van de typegoedkeuringsprocedure, met name de data van alle herzieningen en bijwerkingen;
   40. "voertuig" : elk motorvoertuig of zijn aanhangwagen, volgens de onderstaande definities;
   41. "motorvoertuig" : elk gemotoriseerd voertuig dat zich op eigen kracht voortbeweegt, ten minste vier wielen heeft, compleet, voltooid of incompleet is en een door de constructie bepaalde maximumsnelheid van meer dan 25 km/h kan bereiken, met uitzondering van motorvoertuigen van de categorie L bepaald in richtlijn 2002/24/EG en omgezet in het koninklijk besluit van 26 februari 2003 tot wijziging van artikel 1 van het koninklijk besluit van 10 oktober 1974 houdende algemeen reglement op de technische eisen waaraan de bromfietsen, de motorfietsen en hun aanhangwagens moeten voldoen;
   42. "hybride motorvoertuig" : een voertuig met ten minste twee verschillende energie-omzetters en twee verschillende energieopslagsystemen (aan boord) ten behoeve van de aandrijving van het voertuig;
   43. "hybride elektrisch voertuig" : een hybride voertuig dat ten behoeve van de mechanische aandrijving energie put uit beide van de volgende aan boord opgeslagen energiebronnen/krachtbronnen :
   - een verbruiksbrandstof;
   - een opslagvoorziening voor elektrische energie/kracht (bv. accu, condensator, vliegwiel/generator enz.);
   44. "personenwagen" : elk voertuig van de categorie M1 waarvan de passagiersruimte uitsluitend is ontworpen en gebouwd voor het vervoer van personen en dat, bij gebruik voor het bezoldigde vervoer van personen, ten hoogste acht plaatsen mag bevatten, die van de bestuurder niet meegerekend;
   45. "voertuig voor speciale doeleinden" : een voertuig dat bedoeld is voor het verrichten van diensten waarvoor een bijzondere carrosserie-uitvoering en/of uitrusting vereist is. Deze categorie omvat ook de voor rolstoelen toegankelijke voertuigen;
   46. "voertuigen voor speciale doeleinden andere dan een kampeerwagen, gepantserd voertuig, ambulance, lijkwagen, voor rolstoelen toegankelijk voertuig" : voertuigen bedoeld voor het verrichten van diensten waarvoor een bijzondere koetswerkuitvoering en/of uitrusting is vereist. De code voor deze voertuigen is SG;
   47. "wagen voor dubbel gebruik" : elk voertuig van de categorie M1 ontworpen en gebouwd voor het vervoer van personen en zaken dat, bij het gebruik voor het bezoldigde vervoer van personen, ten hoogste acht plaatsen mag bevatten, die van de bestuurder niet meegerekend;
   48. "minibus" : elk voertuig van de categorie M1 ontworpen en gebouwd voor het vervoer van personen, dat bij gebruik voor het bezoldigde vervoer van personen, ten hoogste acht plaatsen mag bevatten, die van de bestuurder niet meegerekend, en dat is voorzien van een koetswerk van hetzelfde type als dat van bestelwagens of autobussen;
   49. "autobus" of "autocar" : elk voertuig van de categorie M2 of M3 ontworpen en gebouwd voor het vervoer van zittende passagiers of zittende en staande passagiers;
   50. "gelede autobus of autocar" : elke autobus of autocar bestaande uit twee of meer stijve delen met een scharnierende verbinding. Een verbinding tussen de passagiersruimten van de onderscheiden delen biedt de passagiers vrije doorgang; de stijve delen zijn permanent verbonden, zodat zij slechts kunnen worden gescheiden door een ingreep met behulp van faciliteiten die normaliter alleen in een werkplaats aanwezig zijn;
   51. "dubbeldeksbus of - autocar" : elke autobus of autocar waarvan de passagiersruimten zich ten minste in één deel boven elkaar bevinden en waarvan de bovenruimte geen plaats biedt aan staande passagiers;
   52. "trolleybus" : elke met een elektrische motor uitgeruste autobus die de nodige voortbewegingsenergie via een bovenleiding opneemt. Het uitrusten van een trolleybus met een hulpmotor die toelaat de opname van elektrische energie te onderbreken zonder het voortbewegen van het voertuig daarbij te moeten onderbreken, wijzigt de aard van het voertuig niet;
   53. "met bezoldigd vervoer van personen gelijkgesteld gratis vervoer" : de vervoerdiensten voorzien bij artikel 2, tweede lid, 1° en 2°, van de besluitwet van 30 december 1946 betreffende het bezoldigd vervoer van personen over de weg met autobussen en met autocars, en bij artikel 1 van de wet van 26 april 1962 betreffende het gemeenschappelijk vervoer van de leerlingen van de onderwijsinrichtingen;
   54. "bestelwagen" : een vrachtwagen met een in het koetswerk geïntegreerde cabine;
   55. "vrachtwagen" : elk motorvoertuig van de categorie N1, N2 of N3 dat uitsluitend of hoofdzakelijk is ontworpen en gebouwd voor het vervoer van goederen.
   Hij kan ook een aanhangwagen trekken;
   56. "trekker" : elk motorvoertuig van de categorie N1, N2 of N3 dat uitsluitend of hoofdzakelijk is ontworpen of gebouwd voor het trekken van opleggers of aanhangwagens;
   57. "aanhangwagentrekkend voertuig" ("aanhangwagentrekker") : elk trekkend voertuig dat uitsluitend of hoofdzakelijk is ontworpen en gebouwd voor het trekken van aanhangwagens anders dan opleggers. Een dergelijk voertuig kan zijn uitgerust met een laadplatform;
   58. "opleggertrekkend voertuig" ("opleggertrekker") : elk trekkend voertuig dat uitsluitend of hoofdzakelijk is ontworpen en gebouwd voor het trekken van opleggers;
   [6 59. "Land- of bosbouwtrekker" : ieder landbouw- of bosbouwvoertuig op wielen of rupsbanden, met motor, ten minste twee assen en een door de constructie bepaalde maximumsnelheid van ten minste 6 km/u, dat voornamelijk voor tractiedoeleinden is bestemd en in het bijzonder is ontworpen voor het trekken, duwen, dragen of in beweging brengen van bepaalde verwisselbare uitrustingsstukken die voor gebruik in de land- of bosbouw zijn bestemd, of voor het trekken van aanhangwagens of uitrustingsstukken voor de land- of bosbouw; het kan worden ingericht om een lading te vervoeren voor landbouw- of bosbouwdoeleinden en/of kan worden uitgerust met zitplaatsen voor meerijders";
   60. "land- of bosbouwaanhangwagen" : ieder voertuig voor de land- of bosbouw dat voornamelijk gebouwd is om door een trekker te worden getrokken en bestemd is voor het vervoer van ladingen of de bewerking van materiaal, en waarvan de verhouding tussen de maximale technisch toelaatbare massa en de lege massa van dit voertuig gelijk is aan of groter is dan 3,0;
   61. "getrokken verwisselbaar uitrustingsstuk voor land- of bosbouw" : elk in de land- of bosbouw gebruikt voertuig dat is ontworpen om door een trekker te worden getrokken en dat de trekker een andere of extra functie geeft, en dat van een vast gemonteerd werktuig is voorzien of voor de bewerking van materiaal is ontworpen. Het kan bovendien een laadplatform omvatten dat ontworpen en gebouwd is om de voor de uitvoering van de taken noodzakelijke gereedschappen en hulpstukken te dragen, alsook het tijdens het werk geproduceerde of benodigde materiaal tijdelijk op te slaan, als de verhouding tussen de maximale technisch toelaatbare massa en de lege massa van dit voertuig kleiner is dan 3,0;]6
  [4 61bis. "gedragen machine voor land- of bosbouwdoeleinden" : iedere in de landbouw of bosbouw gebruikte inrichting die niet tot de categorie R of de categorie S behoort, die ontworpen is om volledig door een landbouw- of bosbouwtrekker te worden gedragen, en die deze landbouw- of bosbouwtrekker een andere of extra functie geeft. De gedragen machine voor land- of bosbouwdoeleinden kan aan de voorzijde, de achterzijde of op een tussenpunt van de landbouw- of bosbouwtrekker los worden gemonteerd. Onder "inrichting bestemd om in zijn geheel door een landbouw- of bosbouwtrekker te worden gedragen" dient te worden begrepen : een inrichting die niet beschikt over een verticale scharnieras ten opzichte van de landbouw- of bosbouwtrekker, wanneer deze trekker op de openbare weg wordt gebruikt.]4
   62. "landbouwmotor" : elk landbouw-motorvoertuig voor verschillend gebruik dat slechts één as bezit en door middel van armen wordt bestuurd door een bestuurder die normaal te voet is; sommige landbouwmotors kunnen worden uitgerust met een aanhangwagen of een getrokken landbouwwerktuig voorzien van een zitplaats;
   63. "niet voor de weg bestemde mobiele machine" : elk mobiel werktuig, vervoerbare industriële uitrusting of voertuig met of zonder koetswerk, niet bestemd voor personen- of goederenvervoer over de weg, waarin een inwendige verbrandingsmotor is gemonteerd, met uitzondering van de motorvoertuigen van de categorieën L en T;
   64. "voertuigen speciaal ontworpen voor het vervoer van goederen bij een geregelde temperatuur" : voertuigen van de categorieën N en O uitgerust met "geïsoleerde", "niet-mechanisch gekoelde", "mechanisch gekoelde", "cryogeen gekoelde" of "verwarmde" vervoermiddelen;
   65. "speciale vervoermiddelen voor het internationale vervoer van aan bederf onderhevige levensmiddelen (ATP)" : "geïsoleerde", "niet-mechanisch gekoelde", "mechanisch gekoelde" of verwarmde vervoermiddelen die aan de bepalingen en normen van de Overeenkomst van Genève van 1 september 1970 voldoen. Deze overeenkomst is omgezet door de wet van 11 juli 1979. Deze vervoermiddelen behoren tot de categorieën N en O;
   66. "voertuigen en containers op voertuigen speciaal ontworpen voor het vervoer van dieren" : vervoermiddelen ontworpen, gebouwd, onderhouden en gebruikt om ervoor te zorgen dat de dieren geen letsel oplopen of onnodig lijden en om hun veiligheid te waarborgen. Deze vervoermiddelen moeten aan de technische voorschriften van Verordening (EG) nr. 1/2005 voldoen;
   67. "voertuigen bestemd voor het vervoer van gevaarlijke goederen over de weg (ADR)" : voertuigen van de categorieën N en O die onderworpen zijn aan de bepalingen van de Europese overeenkomst van 30 september 1957 betreffende het internationaal vervoer van gevaarlijke goederen over de weg (ADR).
   Indien de voertuigen ADR-containers vervoeren, moeten de voertuigen zelf ADR-gecertificeerd zijn;
   68. "ambulance" : elk motorvoertuig van de categorie M dat bestemd is voor het vervoer van zieken of gewonden en hiertoe een speciale uitrusting heeft.
   Voertuigen van de categorie M voor dringende medische hulpverlening speciaal uitgerust om een medische ploeg en hun materiaal op de plaats van een ongeval te brengen, worden eveneens als ambulance beschouwd;
   69. "kampeerwagen" : elk voertuig van de categorie M voor speciale doeleinden waarvan de constructie woonaccommodatie omvat die ten minste uit de volgende uitrusting bestaat :
   - zitplaatsen en tafel,
   - slaapaccommodatie die met of zonder behulp van de zitplaatsen kan worden gecreëerd,
   - kookgelegenheid en
   - opbergfaciliteiten.
   Deze uitrusting moet vast bevestigd zijn; de tafel mag echter zodanig zijn ontworpen dat zij gemakkelijk kan worden verwijderd;
   70. "caravan" : elk voertuig van de categorie O volgens de ISO-norm 3833 : 1977, punt nr. 3.2.1.3;
   71. "lijkwagen" : elk motorvoertuig van de categorie M dat bestemd is voor het vervoer van overledenen en hiertoe een speciale uitrusting heeft;
   72. "gepantserd voertuig" : elk voertuig bestemd voor de bescherming van te vervoeren passagiers en/of goederen dat aan de voorschriften inzake kogelwerende bepantsering voldoet;
   73. "kraanwagen" : elk motorvoertuig van de categorie N gebouwd als of definitief omgebouwd tot kraan en uitsluitend als dusdanig aangewend. Onder definitief omgebouwd, verstaat men het plaatsen, op een chassiscabine, van een kraan met dergelijke afmetingen, dat er geen laadplatform meer beschikbaar is;
   74. "mobiele kranen" : voertuigen voor speciale doeleinden van de categorie N3 die niet zijn uitgerust voor het vervoer van goederen, maar zijn voorzien van een kraan waarvan het hefmoment ten minste 400 kNm bedraagt;
   75. "voertuig voor traag vervoer" :
   1. elk motorvoertuig dat, wegens zijn constructie en oorsprong, een nominale maximumsnelheid van ten hoogste 40 km/h kan bereiken. Elke verbouwing die voor gevolg heeft dat deze maximumsnelheid kan worden overschreden, ontneemt aan dergelijk voertuig zijn hoedanigheid van voertuig voor traag vervoer,
   2. elke aanhangwagen die uitsluitend door de in punt 1 bedoelde voertuigen wordt getrokken;
   76. "voertuig van speciale constructie" : elk voertuig dat tot categorie N, O, T, C, R, S behoort en wegens zijn constructie of definitieve verbouwing voornamelijk bestemd is om als werktuig te worden gebruikt, met een laadvermogen dat bijna nul bedraagt t.o.v. zijn tarragewicht. Hiertoe behoren de landbouwvoertuigen en industriële voertuigen. Er zijn twee snelheidscategorieën :
   - een categorie beneden 30 km/h nominaal;
   - een categorie boven 30 km/h nominaal.
   Voor wat de inschrijving van de voertuigen betreft, dekt het begrip "voertuig van speciale constructie" inzonderheid : het zelfrijdend bedrijfsmaterieel, het zelfrijdend landbouwmaterieel, de maaimachines en de werktuigaanhangwagens;
   77. "takelwagen" : elk motorvoertuig van de categorie N dat bij normaal gebruik bestemd is voor het ontruimen van de openbare weg door het wegvoeren of het takelen van bij een ongeval beschadigde of defecte voertuigen.
   Een voertuig dat enkel bij gelegenheid met dit doel wordt aangewend, kan niet als takelwagen worden beschouwd.
   Nochtans mag een laadplatform aanwezig zijn op voorwaarde dat het voertuig ten minste met een vaste windas en twee al dan niet vaste laadbruggen is uitgerust;
   78. "afneembaar koetswerk" : elk vervoermiddel dat gemakkelijk op een voertuig voor vervoer kan worden gemonteerd en gedemonteerd en daadwerkelijk dienst doet als koetswerk;
   79. "aanhangwagen" : een niet-zelfaangedreven voertuig op wielen dat is ontworpen en gebouwd om door een motorvoertuig te worden getrokken;
   80. "kampeeraanhangwagen" : elke aanhangwagen die gebouwd of omgebouwd is voor het verblijf van personen en waarvan de binneninrichting blijvend aan het koetswerk is bevestigd;
   81. "bootaanhangwagen" : elke aanhangwagen die gebouwd of omgebouwd is voor het vervoer van één of meerdere boten;
   82. "aanhangwagen voor zweefvliegtuig" : elke aanhangwagen die gebouwd of omgebouwd is voor het vervoer van één of meerdere zweefvliegtuigen;
   83. "werfaanhangwagen" : elke aanhangwagen uitsluitend ingericht voor het personeel en voor het opbergen van materieel of voor één van beide, die zich bestendig op een werf bevindt en slechts uitzonderlijk op de openbare weg komt om van de ene werf naar de andere te worden gereden;
   84. "éénassige aanhangwagen" : elke aanhangwagen, met uitsluiting van opleggers die :
   1° slechts één as bezit;
   2° slechts twee assen heeft, de ene in het verlengde van de andere (schommelassen);
   3° slechts twee assen bezit, waarvan de ene ten hoogste 1 m van de andere is gelegen;
   4° slechts één groep assen bezit, waarvan alle bevestigingselementen aan het chassis op één horizontale as loodrecht op de lengteas van het voertuig zijn gelegen of elke andere groep assen die als gelijkaardig kan worden beschouwd;
   85. "autonome aanhangwagen" : elk getrokken voertuig met ten minste twee assen, waarvan er ten minste één een gestuurde as is, dat is uitgerust met een (ten opzichte van de aanhangwagen) verticaal beweegbare koppelinrichting en geen significante belasting overbrengt op het trekkende voertuig (minder dan 100 daN).
   Wanneer een oplegger aan een dolly wordt gekoppeld, wordt hij als een autonome aanhangwagen beschouwd;
   86. "middenasaanhangwagen" : elke aanhangwagen met een stijve dissel waarvan de as(sen) zich dicht bij het zwaartepunt van het voertuig (indien gelijkmatig belast) bevindt (bevinden), zodat slechts een geringe statische verticale belasting van ten hoogste 10 % van de met de maximummassa van de aanhangwagen overeenkomende belasting of van 1000 decanewton (de lichtste belasting is van toepassing) wordt overgebracht op het trekkende voertuig;
   87. "oplegger" : elk getrokken voertuig dat ontworpen is om aan een opleggertrekkend voertuig of aan een dolly te worden gekoppeld en dat op het trekkende voertuig of de dolly een aanzienlijke statische verticale belasting overbrengt;
   88. "sleep" :elke groep voertuigen die aan elkaar zijn gekoppeld om door één en dezelfde kracht te worden voortbewogen. Wanneer een sleep uit een trekkend voertuig en een oplegger bestaat, wordt hij geleed voertuig genoemd;
   89. "bedrijfsvoertuig" : alle voertuigen die tot de categorieën N1, N2, N3, M2, M3, O1, O2, O3 en O4 behoren;
   90. "chassis" : geheel uit metaal of een ander materiaal dat een raam omvat bestaande uit langsliggers, dwarsliggers en mechanische elementen om het koetswerk te dragen;
   91. "zelfdragende voertuigen" : koetswerk dat aan een als chassis dienend platform is gelast of vast en bestendig is bevestigd;
   92. "passagiersruimte" :het oorspronkelijk of door de constructie voor het vervoer en/of het verblijf van de bestuurder en de passagiers ingerichte deel van het voertuig;
   93. "reminrichting" :het geheel van de organen die als functie hebben de snelheid van een in beweging zijnd voertuig geleidelijk te verminderen of tot nul te brengen of een stilstaand voertuig in stilstand te houden; de inrichting bestaat uit het bedieningsorgaan, de overbrenging en de rem zelf.
   Het bedieningsorgaan is het orgaan dat rechtstreeks door de bestuurder wordt bediend om aan de overbrenging de energie te bezorgen die vereist is om te remmen of ze te beheersen. Die energie kan hetzij de spierkracht van de bestuurder, hetzij een andere door de bestuurder beheerste krachtbron, hetzij, eventueel, de kinetische energie van een aanhangwagen, hetzij een combinatie van deze verschillende soorten energie zijn.
   De overbrenging is het geheel van de organen dat begrepen is tussen het bedieningsorgaan en de rem en ze op rationele wijze verbindt. De overbrenging kan mechanisch, hydraulisch, pneumatisch, elektrisch of gemengd zijn. Wanneer de remming geschiedt door middel van een krachtbron die onafhankelijk is van de bestuurder maar door deze laatste wordt beheerst, maakt de energiereserve ook deel uit van de overbrenging.
   De rem is het orgaan waar de krachten zich ontwikkelen die zich tegen de beweging van het voertuig verzetten;
   94. "luchtvering" : elk veringssysteem waarbij ten minste 75 % van het veringseffect door de luchtveer wordt veroorzaakt;
   95. "veringssysteem dat als gelijkwaardig aan luchtvering wordt erkend" : een veringssysteem voor de as of groep assen dat aan de bepalingen van bijlage 14 voldoet;
   96. "stouwvoorziening" :element dat specifiek is ontworpen en vervaardigd om een lading vast te maken, op haar plaats te houden of te stouwen, inclusief de structurele elementen van het voertuig;
   97. "verankeringspunt" :deel van de structuur, de apparatuur of het toebehoren van een voertuig of een lading waaraan de stouwvoorziening wordt vastgemaakt;
   98. "vrije hoogte boven de grond tussen de assen" : de kleinste afstand tussen het steunvlak en het laagste vaste punt van het voertuig. Meerassige wielstellen worden als één enkele as beschouwd;
   (Beeld niet opgenomen om technische redenen, zie B.St. van 28-04-2009, p. 33649)
   99. "vrije hoogte boven de grond onder een as": de afstand tussen het hoogste punt van een cirkelboog die loopt door het midden van het draagvlak van de wielen van een as (bij uitvoeringen met dubbele banden de binnenwielen) en het laagste vaste punt van het voertuig tussen de wielen.
   Geen enkel stijf voertuigdeel mag zich in het gearceerde segment op de tekening bevinden. De vrije hoogte boven de grond voor verschillende assen kan, overeenkomstig de hoogte van die assen, bijvoorbeeld worden aangegeven met 280/250/250.
   (Beeld niet opgenomen om technische redenen, zie B.St. van 28-04-2009, p. 33649)
   100. "codes voor een EG-kentekenbewijs (e-DIV)" : de codes gebruikt op de kentekenbewijzen zoals vermeld in richtlijn 1999/37/EG;
   101. "technisch toelaatbare maximummassa in beladen toestand (M)" : de door de fabrikant opgegeven, op de constructie en de prestaties gebaseerde maximummassa van het voertuig. Ze wordt bepaald op basis van de weerstand van het chassis en de andere organen van het voertuig.
   Ze wordt gebruikt om de voertuigcategorie te bepalen conform § 1, behalve bij opleggers en middenasaanhangwagens, waar de te gebruiken massa overeenkomt met de belasting op de assen wanneer het voertuig tot zijn technisch toelaatbare maximummassa in beladen toestand is geladen.
   Code : e-DIV : F.1; geregistreerd : F.2
   Ze wordt ook "maximaal toegelaten massa" genoemd en komt overeen met de technisch toelaatbare massa, eventueel beperkt ingevolge de bepalingen van artikel 32 van dit besluit";
   102. "technisch toelaatbare getrokken maximummassa (TM)" : de door de fabrikant opgegeven getrokken maximummassa;
   Code : e-DIV : O.1 (geremde aanhangwagen)
   O.2 (ongeremde aanhangwagen)
   103. "getrokken massa" : hetzij de massa van een aan het motorvoertuig gekoppelde autonome aanhangwagen of oplegger met dolly, hetzij de massa die overeenkomt met de belasting op de assen van een aan het motorvoertuig gekoppelde oplegger of middenasaanhangwagen;
   104. "technisch toelaatbare maximummassa op het koppelpunt van een motorvoertuig" : de massa die overeenkomt met de door de fabrikant opgegeven, op de constructie van het motorvoertuig en/of de koppelinrichting gebaseerde maximaal toelaatbare verticale statische belasting op het koppelpunt. Per definitie omvat deze massa niet de massa van de koppelinrichting bij trekkende voertuigen in rijklare toestand, maar wel bij andere voertuigen;
   105. "technisch toelaatbare maximummassa op het koppelpunt van een oplegger of middenasaanhangwagen" : de massa die overeenkomt met de door de fabrikant van de aanhangwagen opgegeven maximaal toelaatbare verticale statische belasting die door de aanhangwagen op het koppelpunt van het trekkend voertuig wordt overgebracht;
   106. "technisch toelaatbare maximummassa van de as (m)" : de massa die overeenkomt met de door de fabrikant van de aanhangwagen opgegeven maximaal toelaatbare verticale statische belasting die door de as op de grond wordt overgebracht
   Code : e-DIV : N.i voor de as i
   107. "technisch toelaatbare maximummassa van een groep assen (æ)" : de massa die overeenkomt met de door de fabrikant van de aanhangwagen opgegeven en op de constructie van het motorvoertuig gebaseerde maximaal toelaatbare verticale statische belasting die door de groep assen op de grond wordt overgebracht;
   108. "ashefinrichting" : een op een voertuig vast aangebrachte inrichting om de belasting op de as(sen) naargelang de beladingstoestand van het voertuig te verlagen of te verhogen :
   - door de wielen van de grond op te trekken dan wel de wielen op de grond neer te laten, of
   - zonder de wielen van de grond op te trekken (bijvoorbeeld in het geval van luchtvering of andere systemen),
   teneinde de slijtage van de banden te verminderen wanneer het voertuig niet volledig beladen is, en/of het wegrijden van motorvoertuigen of voertuigcombinaties op een gladde bodem te vergemakkelijken door de belasting op de aangedreven as te vergroten;
   109. "hefbare as" : een as die door de ashefinrichting kan worden opgetrokken/ neergelaten;
   110. "belastbare as" : een as waarvan de belasting met behulp van de ashefinrichting kan worden gevarieerd zonder dat de as wordt opgetrokken;
   111. "technisch toelaatbare maximummassa in beladen toestand van de combinatie (MC)" : de door de fabrikant opgegeven, op de constructie van het motorvoertuig gebaseerde maximumwaarde van het totaal van de massa's van motorvoertuig en aanhangwagen in beladen toestand;
   Code : e-DIV : geregistreerd : F.3
   112. "massa van het voertuig in rijklare toestand" : de massa van het lege voertuig met koetswerk, en met de koppelinrichting in het geval van een trekkend voertuig, in rijklare toestand, of de massa van het chassis met cabine indien de fabrikant niet het koetswerk en/of de koppelinrichting levert (met koelvloeistof, smeermiddelen, 90 % brandstof, 100 % andere vloeistoffen met uitzondering van afvalwater, gereedschap, reservewiel en bestuurder (75 kg), en, voor autobussen en autocars, de massa van de bijrijder (75 kg), als er een bijrijderszitplaats in het voertuig is);
   Code : e-DIV : G (trekkend voertuig van een andere categorie dan M1)
   113. "lege massa van het voertuig", ook "tarragewicht" genoemd : de massa van het voertuig in rijklare toestand maar zonder bestuurder.
   Bij kampeerwagens moet de lege massa (tarragewicht) bovendien ook rekening houden met de massa die overeenkomt met de massa van de inhoud van de tot 90% gevulde drinkwater- en gasreservoirs.
   De controle van de massa's en de belastingen per as van motorvoertuigen van de categorie M1 en van kampeerwagens (categorie M) wordt uitgevoerd conform bijlage II, aanhangsel bij richtlijn 95/48/EG van de Commissie van 20 september 1995 houdende aanpassing aan de technische vooruitgang van richtlijn 92/21/EEG van de Raad betreffende massa's en afmetingen van motorvoertuigen van categorie M1.
   114. "laadvermogen" : het verschil tussen de technisch toelaatbare maximummassa in beladen toestand en de massa in rijklare toestand, voor zover dat de maximummassa op de grond onder elk van de assen niet hoger is dan de door de fabrikant voorziene waarde en dat de door de fabrikant voorziene minimummassa op de grond onder de vooras wordt bereikt.
   Het maximumlaadvermogen kan om technische (berekening van de massaverdeling, te hoog zwaartepunt) en fysieke (ladingzekering) redenen worden beperkt.
   115. "massa van de additionele belasting bij voertuigen van de categorie M1" : het verschil tussen de technisch toelaatbare massa in beladen toestand en de massa in rijklare toestand verhoogd met de massa van 75 kg vermenigvuldigd met het aantal passagierszitplaatsen (inclusief klapstoeltjes).
   De massa van de additionele belasting kan de massa van de optionele uitrusting omvatten bijvoorbeeld open dak, airconditioning, koppelinrichting;
   Code : e-DIV : S.1 (het aantal zitplaatsen, die van de bestuurder meegerekend)
   S.2 (desgevallend, het aantal staanplaatsen).
   116. "datum van eerste inverkeerstelling" :het ogenblik waarop het voertuig in nieuwe staat voor de eerste maal wordt gebruikt;
   117. "datum van eerste inverkeerstelling in België" :het ogenblik waarop het voertuig voor de eerste maal in België wordt gebruikt, hetzij als voertuig in nieuwe staat, hetzij als ingevoerd voertuig in gebruikte staat;
   118. "datum van opnieuw in het verkeer stellen in België" :het ogenblik waarop het voertuig opnieuw in het verkeer wordt gesteld in België na verandering van titularis of op het ogenblik waarop het voertuig, dat in België slechts tijdelijk was ingeschreven, opnieuw in het verkeer wordt gesteld onder een Belgische nummerplaat.]2
  [3 119° " commercieel gebruik " : elk gebruik dat bedoeld is voor of gericht is op zakelijk of persoonlijk financieel gewin;
   120° " professioneel gebruik " : elk gebruik ten behoeve van de beroepsuitoefening of de bedrijfsvoering;
   121° " woon-werkverkeer " : de verplaatsing van en naar de plaats van tewerkstelling;
   122° " woon-schoolverkeer " : de verplaatsing van en naar een onderwijsinstelling door studerenden;]3
  [5 123° De RD methode is een methode ontwikkeld voor de evaluatie van de remdoelmatigheid bij MTM op een leeg voertuig. In de grafiek remkracht in functie van remcilinderdruk wordt voor elke as en het voertuig de minimumcriteria, die overeenkomen met de vereiste remdoelmatigheid voor dat specifiek voertuig met zijn specifieke maximale massa's en MTM, opgesteld waaraan het opgemeten voertuig minimaal dient te voldoen;]5
  [7 124. "alternatieve brandstoffen" : brandstoffen of energiebronnen die, op zijn minst gedeeltelijk, dienen als vervanging van fossiele oliebronnen in de energievoorziening voor vervoer en ertoe kunnen bijdragen dat de energievoorziening koolstofvrij wordt en de milieuprestaties van de wegvervoersector beter worden. Deze omvatten:
   de elektriciteit verbruikt door alle soorten elektrische voertuigen;
   b) waterstof;
   c) aardgas, biomethaan inbegrepen, in gasvorm en in vloeibare vorm;
   d) vloeibaar petroleumgas;
   e) mechanische energie voortvloeiend uit een aan boord gebrachte opslag of bron, met inbegrip van de residuele warmte;]7
  [7 125."door alternatieve brandstoffen aangedreven voertuig": een motorvoertuig dat geheel of gedeeltelijk wordt aangedreven op basis van een alternatieve brandstof en dat is goedgekeurd ;]7
  [7 126. "gebreken": technische defecten of andere vormen van niet-naleving die tijdens een technische controle worden vastgesteld;]7
  [7 127. "kleine gebreken": gebreken die geen belangrijke gevolgen hebben voor de veiligheid van het voertuig of geen gevolgen voor het milieu, en andere kleine vormen van niet-naleving;]7
  [7 128. "grote gebreken": gebreken die de veiligheid van het voertuig in gevaar brengen of gevolgen hebben voor het milieu, of andere weggebruikers in gevaar brengen en andere belangrijke gevallen van niet-naleving;]7
  [7 129. "gevaarlijke gebreken": gebreken die een direct en onmiddellijk gevaar voor de verkeersveiligheid vormen of gevolgen hebben voor het milieu, en die rechtvaardigen dat een Lidstaat of zijn bevoegde instanties het gebruik van het voertuig op de openbare weg kan of kunnen verbieden.]7
  [7 130. "voertuig dat een historisch belang vertoont": elk voertuig data an volgende gezamenlijke voorwaarden voldoet :
   - minstens dertig jaar geleden voor het eerst gebouw en in het verkeer gesteld zijn ;
   - het type ervan, zoals omschreven in dit artikel, wordt niet meer geproduceerd,
   - het wordt op historisch vlak gevrijwaard en in oorspronkelijke toestand behouden, en de technische kenmerken van de hoofdbestanddelen ervan ondergaan geen enkele essentiële omvorming.
   De bevoegde Waalse overheidsdienst omschrijft wat zij verstaat onder essentiële omvorming en hoofdbestanddelen. ]7
  § 3. Verhoudingen tussen de internationale en de nationale voertuigcategorieën :
  1. categorie M1 omvat de personenauto's, de auto's voor dubbel gebruik en de minibussen;
  2. categorie M2 omvat de autobussen en autocars met een maximale massa kleiner of gelijk aan 5 000 kg;
  3. categorie M3 omvat de autobussen en autocars met een maximale massa boven 5 000 kg;
  4. categorie N1 omvat de auto's voor dubbel gebruik ingericht voor het vervoer van goederen, de trekkers en de lichte vrachtauto's met een maximale massa kleiner of gelijk aan 3 500 kg;
  5. categorie N2 omvat de vrachtwagens en de trekkers met een maximale massa boven 3 500 kg maar kleiner of gelijk aan 12 000 kg;
  6. categorie N3 omvat de vrachtwagens en de trekkers met een maximale massa boven 12 000 kg;
  7. categorie 01 omvat de aanhangers met een maximale massa beneden of gelijk aan 750 kg;
  8. categorie 02 omvat de aanhangwagens en opleggers met een maximale massa boven 750 kg maar kleiner of gelijk aan 3 500 kg;
  9. categorie 03 omvat de aanhangwagens en opleggers met een maximale massa boven 3 500 kg maar kleiner of gelijk aan 10 000 kg.
  10. categorie 04 omvat de aanhangwagens en opleggers met een maximale massa boven 10 000 kg.
  
----------
  (1)<KB 2009-04-14/22, art. 2, 040; Inwerkingtreding : 08-05-2009>
  (2)<KB 2009-04-14/25, art. 2, 041; Inwerkingtreding : 29-04-2009 of later, volgens categorieën>
  (3)<KB 2013-06-17/03, art. 1, 055; Inwerkingtreding : 01-07-2013>
  (4)<KB 2013-07-10/38, art. 1, 056; Inwerkingtreding : 01-09-2013>
  (5)<KB 2013-10-18/24, art. 1, 059; Inwerkingtreding : 05-12-2013>
  (6)<KB 2017-10-02/06, art. 1, 074; Inwerkingtreding : 03-11-2017>
  (7)<BWG 2018-05-17/18, art. 2, 083; Inwerkingtreding : 20-05-2018>
  

  Art. 1_BRUSSELS_HOOFDSTEDELIJK_GEWEST.
   <KB 16-11-1984, art. 1> § 1. Classificatie volgens de internationale voertuigcategorieën :
  (1. (Categorie M : Voor het vervoer van passagiers ontworpen en gebouwde motorvoertuigen met tenminste vier wielen.) <KB 2003-03-17/34, art. 1, 026; Inwerkingtreding : 01-05-2003>
  (Categorie M1 : Voor het vervoer van passagiers ontworpen en gebouwde voertuigen met ten hoogste acht zitplaatsen, die van de bestuurder niet meegerekend.) <KB 2003-03-17/34, art. 1, 026; Inwerkingtreding : 01-05-2003>
  Voertuigen van categorie M1 worden onderverdeeld volgens type en code van het koetswerk op volgende wijze :
  [2 ...]2
  AA - Sedan
  ISO norm 3833 - 1977, punt 3.1.1.1, met inbegrip van voertuigen met meer dan vier zijramen.
  AB - Voertuig met achterklep
  Sedan (AA) met een klep aan de achterzijde van het voertuig.
  AC - Stationwagen
  ISO norm 333 - 1977, punt 3.1.1.4.
  AD - Coupé
  ISO norm 3833 - 1977, punt 3.1.1.5.
  AE - Cabriolet
  ISO norm 3833 - 1977, punt 3.1.1.6.
  AF - Voertuig voor meerdere doeleinden
  Andere motorvoertuigen dan die genoemd onder AA tot en met AC bestemd voor het vervoer van personen en hun bagage of goederen, in één enkele ruimte.
  Evenwel, zal een voertuig van type AF niet beschouwd worden als van categorie M1, maar van categorie N en gecodificeerd als FA, indien het aan de twee volgende voorwaarden voldoet :
  1. Het aantal zitplaatsen met uitzondering van die voor de bestuurder bedraagt niet meer dan zes;
  Een "zitplaats" wordt als aanwezig beschouwd indien het voertuig is uitgerust met "toegankelijke" zitplaatsverankeringen;
  Onder "toegankelijke zitplaatsverankeringen" worden verstaan verankeringen die kunnen worden gebruikt. Om te voorkomen dat verankeringen "toegankelijk" zijn maakt de fabrikant het gebruik ervan fysiek onmogelijk, door bijvoorbeeld de afdekplaten vast te lassen of door soortgelijke vaste bevestigingsmiddelen aan te brengen die niet met behulp van gewoonlijk beschikbaar gereedschap kunnen worden verwijderd;
  2. P - (M + N x 68) > N x 68, waarin :
  P = de technische toelaatbare maximummassa in beladen toestand (in kg);
  M = massa in rijklare toestand (in kg);
  N = aantal zitplaatsen met uitzondering van die van de bestuurder.
  [2 ...]2
  (Categorie M2 : Voor het vervoer van passagiers ontworpen en gebouwde voertuigen met meer dan acht zitplaatsen, die van de bestuurder niet meegerekend, en met een maximale massa van ten hoogste 5 ton.) <KB 2003-03-17/34, art. 1, 026; Inwerkingtreding : 01-05-2003>
  (Categorie M3 : Voor het vervoer van passagiers ontworpen en gebouwde voertuigen met meer dan acht zitplaatsen, die van de bestuurder niet meegerekend, en met een maximale massa van meer dan 5 ton.) <KB 2003-03-17/34, art. 1, 026; Inwerkingtreding : 01-05-2003>
  Afzonderlijke classificatie voor voertuigen van de categorieën M2 en M3 :
  Voertuigen van de categorieën M2 en M3 zijn onderverdeeld in klassen volgens volgende criteria :
  a) voor de voertuigen met een capaciteit van meer dan 22 passagiers, de bestuurder niet inbegrepen :
  Klasse I : voertuigen gebouwd met ruimte voor staande passagiers, zodat passagiers vaak kunnen in- en uitstappen;
  Klasse II: voertuigen voornamelijk gebouwd voor het vervoer van zittende passagiers en ontworpen voor het vervoer van staande passagiers in het gangpad en/of op een zone die overeenkomt met maximaal twee dubbele zitplaatsen;
  Klasse III : voertuigen uitsluitend gebouwd voor het vervoer van zittende passagiers;
  b) voor voertuigen met een capaciteit van maximaal 22 passagiers, de bestuurder niet meegerekend :
  Klasse A : voertuigen bestemd voor het vervoer van staande passagiers; een voertuig van deze klasse heeft zitplaatsen en moet zones voor staande passagiers hebben;
  Klasse B : voertuigen bestemd voor het vervoer van zittende passagiers; een voertuig van deze klasse heeft geen enkele voorziening voor staande passagiers.) <KB 2002-10-21/32, art. 1, 023; Inwerkingtreding : 30-10-2002>
  [2 De voertuigen van de categorieën M2 en M3 worden onderverdeeld volgens type en code van het koetswerk op volgende wijze :
   a) Voertuigen van klasse I
   CA enkeldeks
   CB dubbeldeks
   CC geleed en enkeldeks
   CD geleed en dubbeldeks
   CE enkeldeks met lage vloer
   CF dubbeldeks met lage vloer
   CG geleed enkeldeks met lage vloer
   CH geleed dubbeldeks met lage vloer
   b) Voertuigen van klasse II
   CI enkeldeks
   CJ dubbeldeks
   CK geleed enkeldeks
   CL geleed dubbeldeks
   CM enkeldeks met lage vloer
   CN dubbeldeks met lage vloer
   CO geleed enkeldeks met lage vloer
   CP geleed dubbeldeks met lage vloer
   c) Voertuigen van klasse III
   CQ enkeldeks
   CR dubbeldeks
   CS geleed enkeldeks
   CT geleed dubbeldeks
   d) Voertuigen van klasse A
   CU enkeldeks
   CV enkeldeks met lage vloer
   e) Voertuigen van klasse B
   CW enkeldeks]2
  2. [2 Categorie N : Voor het vervoer van goederen ontworpen en gebouwde motorvoertuigen met ten minste vier wielen.
   Categorie N1 : Voor het vervoer van goederen ontworpen en gebouwde voertuigen met een maximummassa van ten hoogste 3,5 ton.
   Categorie N2 : Voor het vervoer van goederen ontworpen en gebouwde voertuigen met een maximummassa van meer dan 3,5 ton, doch niet meer dan 12 ton.
   Categorie N3 : Voor het vervoer van goederen ontworpen en gebouwde voertuigen met een maximummassa van meer dan 12 ton.]2
  [2 De voertuigen van de categorie N worden onderverdeeld volgens type en code van het koetswerk op volgende wijze :
   BA Vrachtwagen
   BB Bestelwagen
   BC Opleggertrekkend voertuig
   BD Aanhangwagentrekkend voertuig (aanhangwagentrekker)
   Een als BB geclassificeerd voertuig met een technisch toelaatbare maximummassa van niet meer dan 3500 kg wordt echter niet als een voertuig van de categorie N beschouwd indien :
   1. het meer dan zes zitplaatsen heeft, die van de bestuurder niet meegerekend,
   of
   2. het aan beide hierna genoemde voorwaarden voldoet :
   i) het aantal zitplaatsen, die van de bestuurder niet meegerekend, bedraagt niet meer dan zes, en
   ii) P - (M + N x 68) <= N x 68, waarbij :
   P = technisch toelaatbare maximummassa in beladen toestand (in kg);
   M = massa in rijklare toestand (in kg);
   N = aantal zitplaatsen, die van de bestuurder niet meegerekend.
   Een zitplaats wordt als aanwezig beschouwd indien het voertuig met "toegankelijke" zitplaatsverankeringen is uitgerust.
   Een voertuig dat als BA, BB geclassificeerd is met een technisch toelaatbare maximummassa van meer dan 3500 kg en dat voor BC of BD aan ten minste één van de onderstaande voorwaarden voldoet, wordt echter niet als een voertuig van de categorie N beschouwd :
   1) het aantal zitplaatsen, die van de bestuurder niet meegerekend, bedraagt meer dan acht, of
   2) P - (M + N x 68) <= N x 68 waarbij :
   P = technisch toelaatbare maximummassa in beladen toestand (in kg);
   M = massa in rijklare toestand (in kg);
   N = aantal zitplaatsen, die van de bestuurder niet meegerekend.
   Een zitplaats wordt als aanwezig beschouwd indien het voertuig met "toegankelijke" zitplaatsverankeringen is uitgerust]2
  3. Categorie 0 : Aanhangwagens (met inbegrip van opleggers).
  - Categorie 01 : Aanhangwagens met een maximale massa van ten hoogste 0,75 ton.
  - Categorie 02 : Aanhangwagens met een maximale massa van meer dan 0,75 ton, doch niet meer dan 3,5 ton.
  - Categorie 03 : Aanhangwagens met een maximale massa van meer dan 3,5 ton, doch niet meer dan 10 ton.
  - Categorie 04 : Aanhangwagens met een maximale massa van meer dan 10 ton.
  [2 De voertuigen van de categorie O worden op de volgende manier gecodeerd :
   DA Oplegger
   DB Autonome aanhangwagen
   DC Middenasaanhangwagen]2
  (4. Terreinvoertuigen (symbool G).
  a) De voertuigen van categorie N1 met een maximale massa van ten hoogste 2 ton en de voertuigen van categorie M1 worden als terreinvoertuigen beschouwd, indien ze voorzien zijn van :
  - ten minste één vooras en ten minste één achteras die ontworpen zijn om gelijktijdig te worden aangedreven, met inbegrip van voertuigen waarvan de aandrijving op één van de assen kan worden ontkoppeld,
  - ten minste één differentieelblokkerings-mechanisme of ten minste één mechanisme waarmee een soortgelijk effect wordt bewerkstelligd, en indien met het voertuig een helling van 30 % kan worden overwonnen, berekend voor een voertuig zonder aanhangwagen.
  Voorts voldoen ze aan ten minste vijf van de volgende zes eisen :
  - een oploophoek hebben van ten minste 25°,
   een afloophoek hebben van ten minste 20°,
   een hellingshoek hebben van ten minste 20°,
   onder de vooras een vrije hoogte boven de grond hebben van ten minste 180 mm,
   onder de achteras een vrije hoogte boven de grond hebben van ten minste 180 mm,
   tussen de assen een vrije hoogte boven de grond hebben van ten minste 200 mm.
  b) De voertuigen van categorie N1 met een maximale massa van meer dan 2 ton of van de categorieën N2, M2 of M3 met een maximale massa van ten hoogste 12 ton worden als terreinvoertuigen beschouwd, indien ze ofwel voorzien zijn van wielen die ontworpen zijn om gelijktijdig te worden aangedreven, met inbegrip van voertuigen waarvan de aandrijving op één van de assen kan worden ontkoppeld, ofwel aan de volgende drie eisen voldoen:
   uitgerust zijn met ten minste één vooras en ten minste één achteras die ontworpen zijn om gelijktijdig te worden aangedreven, ook wanneer de aandrijving op één van de assen kan worden ontkoppeld,
   uitgerust zijn met ten minste een differentieelblokkerings-mechanisme of met ten minste één mechanisme waarmee een soortgelijk effect wordt bewerkstelligd,
  - een helling kunnen overwinnen van 25 %, berekend voor een voertuig zonder aanhangwagen.
  c) De voertuigen van categorie M3 met een maximale massa van meer dan 12 ton en deze van categorie N3, worden als terreinvoertuigen beschouwd, indien ze ofwel zijn uitgerust met wielen die zijn ontworpen om gelijktijdig te worden aangedreven, ook wanneer de aandrijving op één as kan worden ontkoppeld, ofwel aan de volgende eisen voldoen :
  - minimaal de helft van het aantal wielen is aangedreven,
  - ze zijn uitgerust met ten minste één differentieelblokkerings-mechanisme of ten minste één mechanisme waarmee een soortgelijk effect wordt bewerkstelligd,
  - ze kunnen een helling overwinnen van 25 %, berekend voor een voertuig zonder aanhangwagen.
  Ze voldoen aan ten minste vier van de volgende zes eisen :
  - een oploophoek hebben van ten minste 25°,
  - een afloophoek hebben van ten minste 25°,
  - een hellingshoek hebben van ten minste 25°,
  - onder de vooras een vrije hoogte boven de grond hebben van ten minste 250 mm,
  - onder de achteras een vrije hoogte boven de grond hebben van ten minste 250 mm,
  - tussen de assen een vrije hoogte boven de grond hebben van ten minste 300 mm.) <KB 2003-03-17/34, art. 1, 026; Inwerkingtreding : 01-05-2003>
  [2 d) Het symbool "G" wordt gecombineerd met het symbool "M" of "N". Een voertuig van de categorie N1 dat geschikt is voor gebruik op het terrein, wordt bijvoorbeeld met "N1G" aangeduid]2
  [6 5. Categorie T : land- of bosbouwtrekkers op wielen
   5.1. "categorie T", alle trekkers op wielen; iedere trekkercategorie op wielen beschreven in de punten 5.2 tot 5.8 wordt op het einde aangevuld met een indexletter "a" of "b" naargelang van de door de constructie bepaalde snelheid :
   a) "a" voor trekkers op wielen die ontworpen werden voor een snelheid die lager of gelijk is aan 40 km/uur,
   b) "b" voor trekkers op wielen die ontworpen werden voor een snelheid van meer dan 40 km/uur;
   5.2. "categorie T1", trekkers op wielen met een minimumspoorbreedte van de zich het dichtst bij de bestuurder bevindende as van ten minste 1 150 mm, met een lege massa in rijklare toestand van meer dan 600 kg en met een vrije hoogte boven het wegdek van ten hoogste 1 000 mm;
   5.3."categorie T2", trekkers op wielen met een minimumspoorbreedte van minder dan 1 150 mm, met een lege massa in bedrijfsklare toestand van meer dan 600 kg en met een vrije hoogte boven het wegdek van ten hoogste 600 mm; wanneer de hoogte van het zwaartepunt van de trekker (gemeten ten opzichte van de grond), gedeeld door het gemiddelde van de minimumspoorbreedten van alle assen, meer dan 0,90 bedraagt, mag de door de constructie bepaalde maximumsnelheid niet hoger zijn dan 30 km/u;
   5.4. "categorie T3" trekkers op wielen met een lege massa in rijklare toestand van ten hoogste 600 kg;
   5.5. "categorie T4", trekkers op wielen voor speciale doeleinden;
   5.6. "categorie T4.1" (portaaltrekkers), trekkers ontworpen om hoge in rijen geplante gewassen te bewerken, bijvoorbeeld in de wijnbouw. Ze worden gekenmerkt door een volledig of gedeeltelijk verhoogd chassis dat zodanig is gebouwd dat zij zich parallel aan de rijen planten kunnen voortbewegen, waarbij de linker- en rechterwielen zich aan weerszijden van een of meer rijen planten bevinden. Zij zijn ontworpen om werktuigen te dragen of aan te drijven die zich aan de voorzijde, tussen de assen, aan de achterzijde of op een platform bevinden. In de werkpositie bedraagt de verticaal gemeten afstand tot de grond op de plaats van de rijen planten meer dan 1 000 mm. Wanneer de waarde van de hoogte van het zwaartepunt van de trekker ten opzichte van de grond en met de normaal gemonteerde banden gemeten, gedeeld door het gemiddelde van de minimumspoorbreedten van alle assen, meer dan 0,90 bedraagt, mag de door de constructie bepaalde maximumsnelheid niet hoger zijn dan 30 km/u.
   5.7. "categorie T4.2" (brede trekkers) deze omvat trekkers die door hun grote afmetingen worden gekenmerkt en die in het bijzonder bestemd zijn om grote landbouwarealen te bewerken;
   5.8. "categorie T4.3" (trekkers met geringe hoogte boven het wegdek), omvat de trekkers met vier aangedreven wielen, waarvan de verwisselbare uitrustingsstukken bestemd zijn voor gebruik in de land- of bosbouw, en die gekenmerkt worden door een dragend chassis, uitgerust zijn met een of meer aftakassen en een technisch toelaatbare massa van ten hoogste 10 ton hebben en waarbij de verhouding tussen deze massa en de maximale lege massa in rijklare toestand minder dan 2,5 bedraagt. Voorts bevindt het zwaartepunt van deze trekkers ten opzichte van het wegdek gemeten en met de normaal gemonteerde banden zich op minder dan 850 mm.]6
  [2 6. Categorie C : landbouw- en bosbouwtrekkers op rupsbanden : trekkers op rupsbanden die voortbewogen en gestuurd worden met de rupsbanden en waarvan de categorieën C1 tot en met C4 worden gedefinieerd naar analogie met de categorieën T1 tot en met T4]2
  [2 7. Categorie R : landbouw- en bosbouwaanhangwagens
   De voertuigen van de categorie R worden onderverdeeld volgens type en code van het koetswerk op volgende wijze :
   - categorie R1 : aanhangwagens waarvan het totaal van de technisch toelaatbare massa's per as ten hoogste 1500 kg bedraagt;
   - categorie R2 : aanhangwagens waarvan het totaal van de technisch toelaatbare massa's per as meer dan 1500 kg, doch niet meer dan 3500 kg bedraagt;
   - categorie R3 : aanhangwagens waarvan het totaal van de technisch toelaatbare massa's per as meer dan 3500 kg, doch niet meer dan 21000 kg bedraagt;
   - categorie R4 : aanhangwagens waarvan het totaal van de technisch toelaatbare massa's per as meer dan 21000 kg bedraagt.
   Elke categorie aanhangwagens wordt tevens aangeduid met de letter "a" of "b" naargelang de snelheid waarvoor de aanhangwagen is ontworpen :
   - "a" voor aanhangwagens die voor een snelheid van ten hoogste 40 km/h zijn ontworpen,
   - "b" voor aanhangwagens die voor een snelheid van meer dan 40 km/h zijn ontworpen.]2
  [2 8. Categorie S : verwisselbare getrokken machines
   De voertuigen van de categorie S worden onderverdeeld volgens type en code van het koetswerk op volgende wijze :
   - categorie S1 : verwisselbare getrokken machines die voor gebruik in de land- of bosbouw zijn bestemd en waarvan het totaal van de technisch toelaatbare massa's per as ten hoogste 3500 kg bedraagt;
   - categorie S2 : verwisselbare getrokken machines die voor gebruik in de land- of bosbouw zijn bestemd en waarvan het totaal van de technisch toelaatbare massa's per as meer dan 3500 kg bedraagt.
   Elke categorie verwisselbare getrokken machines wordt tevens aangeduid met de letter a of b naargelang de snelheid waarvoor de machine is ontworpen :
   - "a" voor verwisselbare getrokken machines die voor een snelheid van ten hoogste 40 km/h zijn ontworpen,
   - "b" voor verwisselbare getrokken machines die voor een snelheid van meer dan 40 km/h zijn ontworpen.]2
  [2 Voertuigen voor speciale doeleinden :
   SA Kampeerwagens
   SB Gepantserde voertuigen
   SC Ambulances
   SD Lijkwagens
   SE Caravans
   SF Mobiele kranen
   SG Overige voertuigen voor speciale doeleinden
   SH Voor rolstoelen toegankelijk voertuig]2
  § 2. [2 Definities :
   Voor de toepassing van dit koninklijk besluit wordt, behoudens andersluidende bepalingen, verstaan onder :
   1. "Gemeenschap" : de Europese Gemeenschap;
   2. "Lidstaten" : de lidstaten van de Gemeenschap;
   3. "de Richtlijn" : richtlijn 2007/46/EG tot vaststelling van een kader voor de goedkeuring van motorvoertuigen en aanhangwagens daarvan en van systemen, onderdelen en technische eenheden die voor dergelijke voertuigen zijn bestemd;
   4. "bevoegde instantie" : de Minister bevoegd voor het wegverkeer of zijn afgevaardigde;
  [7 4bis. "Brusselse minister": de Brusselse minister, bevoegd voor het verkeersveiligheidsbeleid;]7
  [7 4ter. "bevoegde Brusselse instantie": de Brusselse minister of zijn gemachtigde;]7
   5. "goedkeuringsinstantie" : [7 de Gewestelijke Overheidsdienst Brussel - Brussel Mobiliteit - Directie Verkeersveiligheid]7 is de bevoegde instantie voor alle aspecten van zowel de typegoedkeuring van een voertuig, systeem, onderdeel of technische eenheid als de individuele goedkeuring van een voertuig; voor de vergunningsprocedure, de afgifte en eventuele intrekking van goedkeuringscertificaten; om te fungeren als contactpunt voor de goedkeuringsinstanties van andere lidstaten; en om ervoor te zorgen dat de fabrikant aan zijn verplichtingen inzake de overeenstemming van productie voldoet;
   6. "instantie bevoegd voor de beoordeling van de technische diensten" : [7 de Gewestelijke Overheidsdienst Brussel - Brussel Mobiliteit - Directie Verkeersveiligheid]7 is de bevoegde instantie voor de beoordeling van de technische diensten. Sommige delen daarvan mogen worden overgedragen aan een accrediteringsorgaan, ondertekenaar van de wederzijdse erkenningsakkoorden tussen accrediterings-organen;
   7. "technische dienst" : elke organisatie of instantie die door de bevoegde [7 Brusselse]7 instantie is aangewezen om namens de goedkeurings-instantie als testlaboratorium tests of als overeenstemmingsbeoordelingsinstantie de initiële beoordeling en andere tests of inspecties te verrichten. De goedkeuringsinstantie mag deze functies ook zelf vervullen;
   8. "titularis" : de natuurlijke of rechtspersoon op wiens naam het voertuig is ingeschreven;
   9. "typegoedkeuring" : de procedure waarbij de goedkeuringsinstantie certificeert dat een type voertuig, systeem, onderdeel of technische eenheid aan de relevante bestuursrechtelijke bepalingen en technische voorschriften voldoet;
   10. "nationale typegoedkeuring" : een in de Belgische wetgeving vastgestelde typegoedkeuringsprocedure waarvan de geldigheid tot het Belgische grondgebied is beperkt;
   11. "EG-typegoedkeuring" : de procedure waarbij een lidstaat certificeert dat een type voertuig, systeem, onderdeel of technische eenheid aan de relevante bestuursrechtelijke bepalingen en technische voorschriften van de richtlijn voldoet;
   12. "individuele goedkeuring" : de procedure waarbij de goedkeuringsinstantie certificeert dat een bepaald, al dan niet uniek, voertuig aan de relevante bestuursrechtelijke bepalingen en technische voorschriften voldoet;
   13. "meerfasentypegoedkeuring" : de procedure waarbij een of meer lidstaten certificeren dat een incompleet of voltooid type voertuig, naargelang de staat van voltooiing, aan de relevante bestuursrechtelijke bepalingen en technische voorschriften van de richtlijn voldoet;
   14. "stapsgewijze typegoedkeuring" : de voertuiggoedkeuringsprocedure die bestaat uit het stapsgewijs verzamelen van de hele reeks goedkeuringscertificaten voor de systemen, onderdelen en technische eenheden van het voertuig en die uiteindelijk resulteert in de goedkeuring van het volledige voertuig;
   15. "eenstapstypegoedkeuring" : de procedure voor de goedkeuring van een voertuig in zijn geheel in één handeling;
   16. "gemengde typegoedkeuring" : de stapsgewijze typegoedkeuringsprocedure waarbij in de laatste fase van de goedkeuring van het gehele voertuig een of meer systemen worden goedgekeurd zonder dat voor deze systemen een goedkeuringscertificaat moet worden afgegeven;
   17. "typegoedkeuringscertificaat" : het document waarmee de goedkeuringsinstantie officieel certificeert dat aan een type voertuig, systeem, onderdeel of technische eenheid goedkeuring is verleend;
   18. "individueel goedkeuringscertificaat" : het document waarmee de goedkeuringsinstantie officieel certificeert dat voor een bepaald voertuig goedkeuring is verleend;
   19. "certificaat van overeenstemming" : het document in bijlage 31 dat door de fabrikant wordt afgegeven om te certificeren dat een voertuig op het ogenblik van de productie aan alle regelgevingen voldeed;
   20. "keuringsbewijs" : document dat aan diegene die het voertuig aanbiedt, door het keuringsstation wordt afgeleverd en dat het resultaat van de keuring vermeldt;
   21. "de inverkeerstelling van een voertuig in België" : de handeling waarbij het voertuig in het verkeer wordt gebracht onder dekking van een Belgische kentekenplaat;
   22. "technische fiche" : document dat door de fabrikant of zijn gemachtigde voor de voertuigen van de categorieën N2, N3, O3 en O4 wordt afgeleverd en dat de specifieke technische gegevens van het voertuig vermeldt;
   23. "keuringsvignet" : klever die de geldigheidsduur van het keuringsbewijs voor bedrijfsvoertuigen vermeldt;
   24. "voertuigtype" : alle tot een categorie behorende voertuigen die ten minste op de in bijlage 24 vermelde essentiële punten identiek zijn. Een voertuigtype kan varianten en uitvoeringen omvatten;
   25. "basisvoertuig" : elk voertuig dat in de eerste fase van een meerfasentypegoedkeuringsprocedure wordt gebruikt;
   26. "incompleet voertuig" : elk voertuig dat nog minstens één voltooiingsfase moet ondergaan om aan de toepasselijke technische voorschriften van dit besluit te voldoen;
   27. "voltooid voertuig" : elk voertuig dat na de meerfasentypegoedkeuringsprocedure te hebben doorlopen aan de toepasselijke technische voorschriften van dit besluit voldoet;
   28. "compleet voertuig" : elk voertuig dat niet hoeft te worden voltooid om aan de toepasselijke technische voorschriften van dit besluit te voldoen;
   29. "voertuig uit restantvoorraad" : elk voertuig dat deel uitmaakt van een voorraad en dat niet kan worden geregistreerd, verkocht of in het verkeer gebracht omdat nieuwe technische voorschriften in werking zijn getreden waarvoor het niet is goedgekeurd;
   30. "systeem" : een geheel van inrichtingen die gecombineerd zijn om in een voertuig een of meer specifieke functies te vervullen, en dat aan de voorschriften van de regelgevingen moet voldoen;
   31. "onderdeel" : een inrichting die aan de voorschriften van een regelgeving moet voldoen, en die bedoeld is om deel uit te maken van een voertuig en waarvoor onafhankelijk van een voertuig typegoedkeuring kan worden verleend indien de regelgeving daarin uitdrukkelijk voorziet;
   32. "technische eenheid" : een inrichting die aan de voorschriften van een regelgeving moet voldoen, en die bedoeld is om deel uit te maken van een voertuig en waarvoor afzonderlijk, maar alleen met betrekking tot een of meer specifieke voertuigtypes, typegoedkeuring kan worden verleend indien de regelgeving daarin uitdrukkelijk voorziet;
   33. "originele onderdelen of uitrustingsstukken" : onderdelen of uitrustingsstukken die worden geproduceerd volgens de specificaties en productienormen die de voertuigfabrikant heeft verstrekt voor de productie van onderdelen of uitrustingsstukken die bestemd zijn voor de montage van het betrokken motorvoertuig. Hieronder vallen ook onderdelen en uitrustingsstukken die in dezelfde productielijn als de betrokken onderdelen of uitrustingsstukken zijn geproduceerd. Tot het bewijs van het tegendeel wordt ervan uitgegaan dat onderdelen originele onderdelen zijn, indien de onderdelenfabrikant certificeert dat de onderdelen van gelijke kwaliteit zijn als de onderdelen die voor de montage van het betrokken motorvoertuig zijn gebruikt en dat zij volgens de specificaties en productienormen van de fabrikant van het voertuig zijn vervaardigd;
   34. "fabrikant" : persoon of instantie die tegenover de goedkeuringsinstantie verantwoordelijk is voor alle aspecten van de goedkeurings- en vergunningsprocedure en die instaat voor de overeenstemming van de productie. Het is niet noodzakelijk dat deze persoon of instantie rechtstreeks betrokken is bij alle fasen van de constructie van het voertuig, het systeem, het onderdeel of de technische eenheid dat/die aan de goedkeuringsprocedure wordt onderworpen;
   35. "vertegenwoordiger van de fabrikant" : elke in de Gemeenschap gevestigde natuurlijke of rechtspersoon die door de fabrikant is aangewezen om hem bij de goedkeuringsinstantie te vertegenwoordigen en namens hem op te treden bij aangelegenheden die onder dit besluit vallen. Wanneer de term "fabrikant" wordt gebruikt, wordt daaronder de fabrikant of zijn vertegenwoordiger verstaan;
   36. "virtuele testmethode" : computer-simulatie, daaronder begrepen berekeningen die aantonen dat een voertuig, systeem, onderdeel of technische eenheid aan de technische voorschriften van een regelgeving voldoet. Voor testdoeleinden hoeft bij de virtuele methode geen gebruik te worden gemaakt van fysieke voertuigen, systemen, onderdelen of technische eenheden;
   37. "informatiedossier" : het complete dossier met, naargelang het gewenste type goedkeuring, de informatie bedoeld in artikel 7, die door de aanvrager is verstrekt;
   38. "informatiepakket" : het informatiedossier met de testrapporten en alle andere documenten die de technische dienst of de goedkeuringsinstantie tijdens de uitoefening van haar functie aan het informatiedossier heeft toegevoegd;
   39. "inhoudsopgave bij het informatiepakket" : het document met de inhoudsopgave van het informatiepakket, waarvan alle bladzijden zijn genummerd of van andere tekens zijn voorzien. Dit document geeft een overzicht van de opeenvolgende stappen in het beheer van de typegoedkeuringsprocedure, met name de data van alle herzieningen en bijwerkingen;
   40. "voertuig" : elk motorvoertuig of zijn aanhangwagen, volgens de onderstaande definities;
   41. "motorvoertuig" : elk gemotoriseerd voertuig dat zich op eigen kracht voortbeweegt, ten minste vier wielen heeft, compleet, voltooid of incompleet is en een door de constructie bepaalde maximumsnelheid van meer dan 25 km/h kan bereiken, met uitzondering van motorvoertuigen van de categorie L bepaald in richtlijn 2002/24/EG en omgezet in het koninklijk besluit van 26 februari 2003 tot wijziging van artikel 1 van het koninklijk besluit van 10 oktober 1974 houdende algemeen reglement op de technische eisen waaraan de bromfietsen, de motorfietsen en hun aanhangwagens moeten voldoen;
   42. "hybride motorvoertuig" : een voertuig met ten minste twee verschillende energie-omzetters en twee verschillende energieopslagsystemen (aan boord) ten behoeve van de aandrijving van het voertuig;
   43. "hybride elektrisch voertuig" : een hybride voertuig dat ten behoeve van de mechanische aandrijving energie put uit beide van de volgende aan boord opgeslagen energiebronnen/krachtbronnen :
   - een verbruiksbrandstof;
   - een opslagvoorziening voor elektrische energie/kracht (bv. accu, condensator, vliegwiel/generator enz.);
   44. "personenwagen" : elk voertuig van de categorie M1 waarvan de passagiersruimte uitsluitend is ontworpen en gebouwd voor het vervoer van personen en dat, bij gebruik voor het bezoldigde vervoer van personen, ten hoogste acht plaatsen mag bevatten, die van de bestuurder niet meegerekend;
   45. "voertuig voor speciale doeleinden" : een voertuig dat bedoeld is voor het verrichten van diensten waarvoor een bijzondere carrosserie-uitvoering en/of uitrusting vereist is. Deze categorie omvat ook de voor rolstoelen toegankelijke voertuigen;
   46. "voertuigen voor speciale doeleinden andere dan een kampeerwagen, gepantserd voertuig, ambulance, lijkwagen, voor rolstoelen toegankelijk voertuig" : voertuigen bedoeld voor het verrichten van diensten waarvoor een bijzondere koetswerkuitvoering en/of uitrusting is vereist. De code voor deze voertuigen is SG;
   47. "wagen voor dubbel gebruik" : elk voertuig van de categorie M1 ontworpen en gebouwd voor het vervoer van personen en zaken dat, bij het gebruik voor het bezoldigde vervoer van personen, ten hoogste acht plaatsen mag bevatten, die van de bestuurder niet meegerekend;
   48. "minibus" : elk voertuig van de categorie M1 ontworpen en gebouwd voor het vervoer van personen, dat bij gebruik voor het bezoldigde vervoer van personen, ten hoogste acht plaatsen mag bevatten, die van de bestuurder niet meegerekend, en dat is voorzien van een koetswerk van hetzelfde type als dat van bestelwagens of autobussen;
   49. "autobus" of "autocar" : elk voertuig van de categorie M2 of M3 ontworpen en gebouwd voor het vervoer van zittende passagiers of zittende en staande passagiers;
   50. "gelede autobus of autocar" : elke autobus of autocar bestaande uit twee of meer stijve delen met een scharnierende verbinding. Een verbinding tussen de passagiersruimten van de onderscheiden delen biedt de passagiers vrije doorgang; de stijve delen zijn permanent verbonden, zodat zij slechts kunnen worden gescheiden door een ingreep met behulp van faciliteiten die normaliter alleen in een werkplaats aanwezig zijn;
   51. "dubbeldeksbus of - autocar" : elke autobus of autocar waarvan de passagiersruimten zich ten minste in één deel boven elkaar bevinden en waarvan de bovenruimte geen plaats biedt aan staande passagiers;
   52. "trolleybus" : elke met een elektrische motor uitgeruste autobus die de nodige voortbewegingsenergie via een bovenleiding opneemt. Het uitrusten van een trolleybus met een hulpmotor die toelaat de opname van elektrische energie te onderbreken zonder het voortbewegen van het voertuig daarbij te moeten onderbreken, wijzigt de aard van het voertuig niet;
   53. "met bezoldigd vervoer van personen gelijkgesteld gratis vervoer" : de vervoerdiensten voorzien bij artikel 2, tweede lid, 1° en 2°, van de besluitwet van 30 december 1946 betreffende het bezoldigd vervoer van personen over de weg met autobussen en met autocars, en bij artikel 1 van de wet van 26 april 1962 betreffende het gemeenschappelijk vervoer van de leerlingen van de onderwijsinrichtingen;
   54. "bestelwagen" : een vrachtwagen met een in het koetswerk geïntegreerde cabine;
   55. "vrachtwagen" : elk motorvoertuig van de categorie N1, N2 of N3 dat uitsluitend of hoofdzakelijk is ontworpen en gebouwd voor het vervoer van goederen.
   Hij kan ook een aanhangwagen trekken;
   56. "trekker" : elk motorvoertuig van de categorie N1, N2 of N3 dat uitsluitend of hoofdzakelijk is ontworpen of gebouwd voor het trekken van opleggers of aanhangwagens;
   57. "aanhangwagentrekkend voertuig" ("aanhangwagentrekker") : elk trekkend voertuig dat uitsluitend of hoofdzakelijk is ontworpen en gebouwd voor het trekken van aanhangwagens anders dan opleggers. Een dergelijk voertuig kan zijn uitgerust met een laadplatform;
   58. "opleggertrekkend voertuig" ("opleggertrekker") : elk trekkend voertuig dat uitsluitend of hoofdzakelijk is ontworpen en gebouwd voor het trekken van opleggers;
   [6 59. "Land- of bosbouwtrekker" : ieder landbouw- of bosbouwvoertuig op wielen of rupsbanden, met motor, ten minste twee assen en een door de constructie bepaalde maximumsnelheid van ten minste 6 km/u, dat voornamelijk voor tractiedoeleinden is bestemd en in het bijzonder is ontworpen voor het trekken, duwen, dragen of in beweging brengen van bepaalde verwisselbare uitrustingsstukken die voor gebruik in de land- of bosbouw zijn bestemd, of voor het trekken van aanhangwagens of uitrustingsstukken voor de land- of bosbouw; het kan worden ingericht om een lading te vervoeren voor landbouw- of bosbouwdoeleinden en/of kan worden uitgerust met zitplaatsen voor meerijders";
   60. "land- of bosbouwaanhangwagen" : ieder voertuig voor de land- of bosbouw dat voornamelijk gebouwd is om door een trekker te worden getrokken en bestemd is voor het vervoer van ladingen of de bewerking van materiaal, en waarvan de verhouding tussen de maximale technisch toelaatbare massa en de lege massa van dit voertuig gelijk is aan of groter is dan 3,0;
   61. "getrokken verwisselbaar uitrustingsstuk voor land- of bosbouw" : elk in de land- of bosbouw gebruikt voertuig dat is ontworpen om door een trekker te worden getrokken en dat de trekker een andere of extra functie geeft, en dat van een vast gemonteerd werktuig is voorzien of voor de bewerking van materiaal is ontworpen. Het kan bovendien een laadplatform omvatten dat ontworpen en gebouwd is om de voor de uitvoering van de taken noodzakelijke gereedschappen en hulpstukken te dragen, alsook het tijdens het werk geproduceerde of benodigde materiaal tijdelijk op te slaan, als de verhouding tussen de maximale technisch toelaatbare massa en de lege massa van dit voertuig kleiner is dan 3,0;]6
  [4 61bis. "gedragen machine voor land- of bosbouwdoeleinden" : iedere in de landbouw of bosbouw gebruikte inrichting die niet tot de categorie R of de categorie S behoort, die ontworpen is om volledig door een landbouw- of bosbouwtrekker te worden gedragen, en die deze landbouw- of bosbouwtrekker een andere of extra functie geeft. De gedragen machine voor land- of bosbouwdoeleinden kan aan de voorzijde, de achterzijde of op een tussenpunt van de landbouw- of bosbouwtrekker los worden gemonteerd. Onder "inrichting bestemd om in zijn geheel door een landbouw- of bosbouwtrekker te worden gedragen" dient te worden begrepen : een inrichting die niet beschikt over een verticale scharnieras ten opzichte van de landbouw- of bosbouwtrekker, wanneer deze trekker op de openbare weg wordt gebruikt.]4
   62. "landbouwmotor" : elk landbouw-motorvoertuig voor verschillend gebruik dat slechts één as bezit en door middel van armen wordt bestuurd door een bestuurder die normaal te voet is; sommige landbouwmotors kunnen worden uitgerust met een aanhangwagen of een getrokken landbouwwerktuig voorzien van een zitplaats;
   63. "niet voor de weg bestemde mobiele machine" : elk mobiel werktuig, vervoerbare industriële uitrusting of voertuig met of zonder koetswerk, niet bestemd voor personen- of goederenvervoer over de weg, waarin een inwendige verbrandingsmotor is gemonteerd, met uitzondering van de motorvoertuigen van de categorieën L en T;
   64. "voertuigen speciaal ontworpen voor het vervoer van goederen bij een geregelde temperatuur" : voertuigen van de categorieën N en O uitgerust met "geïsoleerde", "niet-mechanisch gekoelde", "mechanisch gekoelde", "cryogeen gekoelde" of "verwarmde" vervoermiddelen;
   65. "speciale vervoermiddelen voor het internationale vervoer van aan bederf onderhevige levensmiddelen (ATP)" : "geïsoleerde", "niet-mechanisch gekoelde", "mechanisch gekoelde" of verwarmde vervoermiddelen die aan de bepalingen en normen van de Overeenkomst van Genève van 1 september 1970 voldoen. Deze overeenkomst is omgezet door de wet van 11 juli 1979. Deze vervoermiddelen behoren tot de categorieën N en O;
   66. "voertuigen en containers op voertuigen speciaal ontworpen voor het vervoer van dieren" : vervoermiddelen ontworpen, gebouwd, onderhouden en gebruikt om ervoor te zorgen dat de dieren geen letsel oplopen of onnodig lijden en om hun veiligheid te waarborgen. Deze vervoermiddelen moeten aan de technische voorschriften van Verordening (EG) nr. 1/2005 voldoen;
   67. "voertuigen bestemd voor het vervoer van gevaarlijke goederen over de weg (ADR)" : voertuigen van de categorieën N en O die onderworpen zijn aan de bepalingen van de Europese overeenkomst van 30 september 1957 betreffende het internationaal vervoer van gevaarlijke goederen over de weg (ADR).
   Indien de voertuigen ADR-containers vervoeren, moeten de voertuigen zelf ADR-gecertificeerd zijn;
   68. "ambulance" : elk motorvoertuig van de categorie M dat bestemd is voor het vervoer van zieken of gewonden en hiertoe een speciale uitrusting heeft.
   Voertuigen van de categorie M voor dringende medische hulpverlening speciaal uitgerust om een medische ploeg en hun materiaal op de plaats van een ongeval te brengen, worden eveneens als ambulance beschouwd;
   69. "kampeerwagen" : elk voertuig van de categorie M voor speciale doeleinden waarvan de constructie woonaccommodatie omvat die ten minste uit de volgende uitrusting bestaat :
   - zitplaatsen en tafel,
   - slaapaccommodatie die met of zonder behulp van de zitplaatsen kan worden gecreëerd,
   - kookgelegenheid en
   - opbergfaciliteiten.
   Deze uitrusting moet vast bevestigd zijn; de tafel mag echter zodanig zijn ontworpen dat zij gemakkelijk kan worden verwijderd;
   70. "caravan" : elk voertuig van de categorie O volgens de ISO-norm 3833 : 1977, punt nr. 3.2.1.3;
   71. "lijkwagen" : elk motorvoertuig van de categorie M dat bestemd is voor het vervoer van overledenen en hiertoe een speciale uitrusting heeft;
   72. "gepantserd voertuig" : elk voertuig bestemd voor de bescherming van te vervoeren passagiers en/of goederen dat aan de voorschriften inzake kogelwerende bepantsering voldoet;
   73. "kraanwagen" : elk motorvoertuig van de categorie N gebouwd als of definitief omgebouwd tot kraan en uitsluitend als dusdanig aangewend. Onder definitief omgebouwd, verstaat men het plaatsen, op een chassiscabine, van een kraan met dergelijke afmetingen, dat er geen laadplatform meer beschikbaar is;
   74. "mobiele kranen" : voertuigen voor speciale doeleinden van de categorie N3 die niet zijn uitgerust voor het vervoer van goederen, maar zijn voorzien van een kraan waarvan het hefmoment ten minste 400 kNm bedraagt;
   75. "voertuig voor traag vervoer" :
   1. elk motorvoertuig dat, wegens zijn constructie en oorsprong, een nominale maximumsnelheid van ten hoogste 40 km/h kan bereiken. Elke verbouwing die voor gevolg heeft dat deze maximumsnelheid kan worden overschreden, ontneemt aan dergelijk voertuig zijn hoedanigheid van voertuig voor traag vervoer,
   2. elke aanhangwagen die uitsluitend door de in punt 1 bedoelde voertuigen wordt getrokken;
   76. "voertuig van speciale constructie" : elk voertuig dat tot categorie N, O, T, C, R, S behoort en wegens zijn constructie of definitieve verbouwing voornamelijk bestemd is om als werktuig te worden gebruikt, met een laadvermogen dat bijna nul bedraagt t.o.v. zijn tarragewicht. Hiertoe behoren de landbouwvoertuigen en industriële voertuigen. Er zijn twee snelheidscategorieën :
   - een categorie beneden 30 km/h nominaal;
   - een categorie boven 30 km/h nominaal.
   Voor wat de inschrijving van de voertuigen betreft, dekt het begrip "voertuig van speciale constructie" inzonderheid : het zelfrijdend bedrijfsmaterieel, het zelfrijdend landbouwmaterieel, de maaimachines en de werktuigaanhangwagens;
   77. "takelwagen" : elk motorvoertuig van de categorie N dat bij normaal gebruik bestemd is voor het ontruimen van de openbare weg door het wegvoeren of het takelen van bij een ongeval beschadigde of defecte voertuigen.
   Een voertuig dat enkel bij gelegenheid met dit doel wordt aangewend, kan niet als takelwagen worden beschouwd.
   Nochtans mag een laadplatform aanwezig zijn op voorwaarde dat het voertuig ten minste met een vaste windas en twee al dan niet vaste laadbruggen is uitgerust;
   78. "afneembaar koetswerk" : elk vervoermiddel dat gemakkelijk op een voertuig voor vervoer kan worden gemonteerd en gedemonteerd en daadwerkelijk dienst doet als koetswerk;
   79. "aanhangwagen" : een niet-zelfaangedreven voertuig op wielen dat is ontworpen en gebouwd om door een motorvoertuig te worden getrokken;
   80. "kampeeraanhangwagen" : elke aanhangwagen die gebouwd of omgebouwd is voor het verblijf van personen en waarvan de binneninrichting blijvend aan het koetswerk is bevestigd;
   81. "bootaanhangwagen" : elke aanhangwagen die gebouwd of omgebouwd is voor het vervoer van één of meerdere boten;
   82. "aanhangwagen voor zweefvliegtuig" : elke aanhangwagen die gebouwd of omgebouwd is voor het vervoer van één of meerdere zweefvliegtuigen;
   83. "werfaanhangwagen" : elke aanhangwagen uitsluitend ingericht voor het personeel en voor het opbergen van materieel of voor één van beide, die zich bestendig op een werf bevindt en slechts uitzonderlijk op de openbare weg komt om van de ene werf naar de andere te worden gereden;
   84. "éénassige aanhangwagen" : elke aanhangwagen, met uitsluiting van opleggers die :
   1° slechts één as bezit;
   2° slechts twee assen heeft, de ene in het verlengde van de andere (schommelassen);
   3° slechts twee assen bezit, waarvan de ene ten hoogste 1 m van de andere is gelegen;
   4° slechts één groep assen bezit, waarvan alle bevestigingselementen aan het chassis op één horizontale as loodrecht op de lengteas van het voertuig zijn gelegen of elke andere groep assen die als gelijkaardig kan worden beschouwd;
   85. "autonome aanhangwagen" : elk getrokken voertuig met ten minste twee assen, waarvan er ten minste één een gestuurde as is, dat is uitgerust met een (ten opzichte van de aanhangwagen) verticaal beweegbare koppelinrichting en geen significante belasting overbrengt op het trekkende voertuig (minder dan 100 daN).
   Wanneer een oplegger aan een dolly wordt gekoppeld, wordt hij als een autonome aanhangwagen beschouwd;
   86. "middenasaanhangwagen" : elke aanhangwagen met een stijve dissel waarvan de as(sen) zich dicht bij het zwaartepunt van het voertuig (indien gelijkmatig belast) bevindt (bevinden), zodat slechts een geringe statische verticale belasting van ten hoogste 10 % van de met de maximummassa van de aanhangwagen overeenkomende belasting of van 1000 decanewton (de lichtste belasting is van toepassing) wordt overgebracht op het trekkende voertuig;
   87. "oplegger" : elk getrokken voertuig dat ontworpen is om aan een opleggertrekkend voertuig of aan een dolly te worden gekoppeld en dat op het trekkende voertuig of de dolly een aanzienlijke statische verticale belasting overbrengt;
   88. "sleep" :elke groep voertuigen die aan elkaar zijn gekoppeld om door één en dezelfde kracht te worden voortbewogen. Wanneer een sleep uit een trekkend voertuig en een oplegger bestaat, wordt hij geleed voertuig genoemd;
   89. "bedrijfsvoertuig" : alle voertuigen die tot de categorieën N1, N2, N3, M2, M3, O1, O2, O3 en O4 behoren;
   90. "chassis" : geheel uit metaal of een ander materiaal dat een raam omvat bestaande uit langsliggers, dwarsliggers en mechanische elementen om het koetswerk te dragen;
   91. "zelfdragende voertuigen" : koetswerk dat aan een als chassis dienend platform is gelast of vast en bestendig is bevestigd;
   92. "passagiersruimte" :het oorspronkelijk of door de constructie voor het vervoer en/of het verblijf van de bestuurder en de passagiers ingerichte deel van het voertuig;
   93. "reminrichting" :het geheel van de organen die als functie hebben de snelheid van een in beweging zijnd voertuig geleidelijk te verminderen of tot nul te brengen of een stilstaand voertuig in stilstand te houden; de inrichting bestaat uit het bedieningsorgaan, de overbrenging en de rem zelf.
   Het bedieningsorgaan is het orgaan dat rechtstreeks door de bestuurder wordt bediend om aan de overbrenging de energie te bezorgen die vereist is om te remmen of ze te beheersen. Die energie kan hetzij de spierkracht van de bestuurder, hetzij een andere door de bestuurder beheerste krachtbron, hetzij, eventueel, de kinetische energie van een aanhangwagen, hetzij een combinatie van deze verschillende soorten energie zijn.
   De overbrenging is het geheel van de organen dat begrepen is tussen het bedieningsorgaan en de rem en ze op rationele wijze verbindt. De overbrenging kan mechanisch, hydraulisch, pneumatisch, elektrisch of gemengd zijn. Wanneer de remming geschiedt door middel van een krachtbron die onafhankelijk is van de bestuurder maar door deze laatste wordt beheerst, maakt de energiereserve ook deel uit van de overbrenging.
   De rem is het orgaan waar de krachten zich ontwikkelen die zich tegen de beweging van het voertuig verzetten;
   94. "luchtvering" : elk veringssysteem waarbij ten minste 75 % van het veringseffect door de luchtveer wordt veroorzaakt;
   95. "veringssysteem dat als gelijkwaardig aan luchtvering wordt erkend" : een veringssysteem voor de as of groep assen dat aan de bepalingen van bijlage 14 voldoet;
   96. "stouwvoorziening" :element dat specifiek is ontworpen en vervaardigd om een lading vast te maken, op haar plaats te houden of te stouwen, inclusief de structurele elementen van het voertuig;
   97. "verankeringspunt" :deel van de structuur, de apparatuur of het toebehoren van een voertuig of een lading waaraan de stouwvoorziening wordt vastgemaakt;
   98. "vrije hoogte boven de grond tussen de assen" : de kleinste afstand tussen het steunvlak en het laagste vaste punt van het voertuig. Meerassige wielstellen worden als één enkele as beschouwd;
   (Beeld niet opgenomen om technische redenen, zie B.St. van 28-04-2009, p. 33649)
   99. "vrije hoogte boven de grond onder een as": de afstand tussen het hoogste punt van een cirkelboog die loopt door het midden van het draagvlak van de wielen van een as (bij uitvoeringen met dubbele banden de binnenwielen) en het laagste vaste punt van het voertuig tussen de wielen.
   Geen enkel stijf voertuigdeel mag zich in het gearceerde segment op de tekening bevinden. De vrije hoogte boven de grond voor verschillende assen kan, overeenkomstig de hoogte van die assen, bijvoorbeeld worden aangegeven met 280/250/250.
   (Beeld niet opgenomen om technische redenen, zie B.St. van 28-04-2009, p. 33649)
   100. "codes voor een EG-kentekenbewijs (e-DIV)" : de codes gebruikt op de kentekenbewijzen zoals vermeld in richtlijn 1999/37/EG;
   101. "technisch toelaatbare maximummassa in beladen toestand (M)" : de door de fabrikant opgegeven, op de constructie en de prestaties gebaseerde maximummassa van het voertuig. Ze wordt bepaald op basis van de weerstand van het chassis en de andere organen van het voertuig.
   Ze wordt gebruikt om de voertuigcategorie te bepalen conform § 1, behalve bij opleggers en middenasaanhangwagens, waar de te gebruiken massa overeenkomt met de belasting op de assen wanneer het voertuig tot zijn technisch toelaatbare maximummassa in beladen toestand is geladen.
   Code : e-DIV : F.1; geregistreerd : F.2
   Ze wordt ook "maximaal toegelaten massa" genoemd en komt overeen met de technisch toelaatbare massa, eventueel beperkt ingevolge de bepalingen van artikel 32 van dit besluit";
   102. "technisch toelaatbare getrokken maximummassa (TM)" : de door de fabrikant opgegeven getrokken maximummassa;
   Code : e-DIV : O.1 (geremde aanhangwagen)
   O.2 (ongeremde aanhangwagen)
   103. "getrokken massa" : hetzij de massa van een aan het motorvoertuig gekoppelde autonome aanhangwagen of oplegger met dolly, hetzij de massa die overeenkomt met de belasting op de assen van een aan het motorvoertuig gekoppelde oplegger of middenasaanhangwagen;
   104. "technisch toelaatbare maximummassa op het koppelpunt van een motorvoertuig" : de massa die overeenkomt met de door de fabrikant opgegeven, op de constructie van het motorvoertuig en/of de koppelinrichting gebaseerde maximaal toelaatbare verticale statische belasting op het koppelpunt. Per definitie omvat deze massa niet de massa van de koppelinrichting bij trekkende voertuigen in rijklare toestand, maar wel bij andere voertuigen;
   105. "technisch toelaatbare maximummassa op het koppelpunt van een oplegger of middenasaanhangwagen" : de massa die overeenkomt met de door de fabrikant van de aanhangwagen opgegeven maximaal toelaatbare verticale statische belasting die door de aanhangwagen op het koppelpunt van het trekkend voertuig wordt overgebracht;
   106. "technisch toelaatbare maximummassa van de as (m)" : de massa die overeenkomt met de door de fabrikant van de aanhangwagen opgegeven maximaal toelaatbare verticale statische belasting die door de as op de grond wordt overgebracht
   Code : e-DIV : N.i voor de as i
   107. "technisch toelaatbare maximummassa van een groep assen (æ)" : de massa die overeenkomt met de door de fabrikant van de aanhangwagen opgegeven en op de constructie van het motorvoertuig gebaseerde maximaal toelaatbare verticale statische belasting die door de groep assen op de grond wordt overgebracht;
   108. "ashefinrichting" : een op een voertuig vast aangebrachte inrichting om de belasting op de as(sen) naargelang de beladingstoestand van het voertuig te verlagen of te verhogen :
   - door de wielen van de grond op te trekken dan wel de wielen op de grond neer te laten, of
   - zonder de wielen van de grond op te trekken (bijvoorbeeld in het geval van luchtvering of andere systemen),
   teneinde de slijtage van de banden te verminderen wanneer het voertuig niet volledig beladen is, en/of het wegrijden van motorvoertuigen of voertuigcombinaties op een gladde bodem te vergemakkelijken door de belasting op de aangedreven as te vergroten;
   109. "hefbare as" : een as die door de ashefinrichting kan worden opgetrokken/ neergelaten;
   110. "belastbare as" : een as waarvan de belasting met behulp van de ashefinrichting kan worden gevarieerd zonder dat de as wordt opgetrokken;
   111. "technisch toelaatbare maximummassa in beladen toestand van de combinatie (MC)" : de door de fabrikant opgegeven, op de constructie van het motorvoertuig gebaseerde maximumwaarde van het totaal van de massa's van motorvoertuig en aanhangwagen in beladen toestand;
   Code : e-DIV : geregistreerd : F.3
   112. "massa van het voertuig in rijklare toestand" : de massa van het lege voertuig met koetswerk, en met de koppelinrichting in het geval van een trekkend voertuig, in rijklare toestand, of de massa van het chassis met cabine indien de fabrikant niet het koetswerk en/of de koppelinrichting levert (met koelvloeistof, smeermiddelen, 90 % brandstof, 100 % andere vloeistoffen met uitzondering van afvalwater, gereedschap, reservewiel en bestuurder (75 kg), en, voor autobussen en autocars, de massa van de bijrijder (75 kg), als er een bijrijderszitplaats in het voertuig is);
   Code : e-DIV : G (trekkend voertuig van een andere categorie dan M1)
   113. "lege massa van het voertuig", ook "tarragewicht" genoemd : de massa van het voertuig in rijklare toestand maar zonder bestuurder.
   Bij kampeerwagens moet de lege massa (tarragewicht) bovendien ook rekening houden met de massa die overeenkomt met de massa van de inhoud van de tot 90% gevulde drinkwater- en gasreservoirs.
   De controle van de massa's en de belastingen per as van motorvoertuigen van de categorie M1 en van kampeerwagens (categorie M) wordt uitgevoerd conform bijlage II, aanhangsel bij richtlijn 95/48/EG van de Commissie van 20 september 1995 houdende aanpassing aan de technische vooruitgang van richtlijn 92/21/EEG van de Raad betreffende massa's en afmetingen van motorvoertuigen van categorie M1.
   114. "laadvermogen" : het verschil tussen de technisch toelaatbare maximummassa in beladen toestand en de massa in rijklare toestand, voor zover dat de maximummassa op de grond onder elk van de assen niet hoger is dan de door de fabrikant voorziene waarde en dat de door de fabrikant voorziene minimummassa op de grond onder de vooras wordt bereikt.
   Het maximumlaadvermogen kan om technische (berekening van de massaverdeling, te hoog zwaartepunt) en fysieke (ladingzekering) redenen worden beperkt.
   115. "massa van de additionele belasting bij voertuigen van de categorie M1" : het verschil tussen de technisch toelaatbare massa in beladen toestand en de massa in rijklare toestand verhoogd met de massa van 75 kg vermenigvuldigd met het aantal passagierszitplaatsen (inclusief klapstoeltjes).
   De massa van de additionele belasting kan de massa van de optionele uitrusting omvatten bijvoorbeeld open dak, airconditioning, koppelinrichting;
   Code : e-DIV : S.1 (het aantal zitplaatsen, die van de bestuurder meegerekend)
   S.2 (desgevallend, het aantal staanplaatsen).
   116. "datum van eerste inverkeerstelling" :het ogenblik waarop het voertuig in nieuwe staat voor de eerste maal wordt gebruikt;
   117. "datum van eerste inverkeerstelling in België" :het ogenblik waarop het voertuig voor de eerste maal in België wordt gebruikt, hetzij als voertuig in nieuwe staat, hetzij als ingevoerd voertuig in gebruikte staat;
   118. "datum van opnieuw in het verkeer stellen in België" :het ogenblik waarop het voertuig opnieuw in het verkeer wordt gesteld in België na verandering van titularis of op het ogenblik waarop het voertuig, dat in België slechts tijdelijk was ingeschreven, opnieuw in het verkeer wordt gesteld onder een Belgische nummerplaat.]2
  [3 119° " commercieel gebruik " : elk gebruik dat bedoeld is voor of gericht is op zakelijk of persoonlijk financieel gewin;
   120° " professioneel gebruik " : elk gebruik ten behoeve van de beroepsuitoefening of de bedrijfsvoering;
   121° " woon-werkverkeer " : de verplaatsing van en naar de plaats van tewerkstelling;
   122° " woon-schoolverkeer " : de verplaatsing van en naar een onderwijsinstelling door studerenden;]3
  [5 123° De RD methode is een methode ontwikkeld voor de evaluatie van de remdoelmatigheid bij MTM op een leeg voertuig. In de grafiek remkracht in functie van remcilinderdruk wordt voor elke as en het voertuig de minimumcriteria, die overeenkomen met de vereiste remdoelmatigheid voor dat specifiek voertuig met zijn specifieke maximale massa's en MTM, opgesteld waaraan het opgemeten voertuig minimaal dient te voldoen;]5
  [7 124. "alternatieve brandstoffen": brandstoffen of energiebronnen die, op zijn minst gedeeltelijk, dienen als vervanging van fossiele oliebronnen in de energievoorziening voor vervoer en ertoe kunnen bijdragen dat de energievoorziening koolstofvrij wordt en de milieuprestaties van de wegvervoersector beter worden. Deze omvatten:
   a) elektriciteit die wordt verbruikt in alle soorten elektrische voertuigen,
   b) waterstof,
   c) aardgas, met inbegrip van biomethaan, in gasvorm (Compressed Natural Gas - CNG) en in vloeibare vorm (Liquefied Natural Gas - LNG),
   d) vloeibaar petroleumgas (Liquefied Petroleum Gas - LPG),
   e) mechanische energie uit een opslagsysteem aan boord/bronnen aan boord, met inbegrip van afvalwarmte.]7
  [7 125. "door alternatieve brandstoffen aangedreven voertuig": een motorvoertuig dat geheel of gedeeltelijk wordt aangedreven op basis van een alternatieve brandstof en dat is goedgekeurd in het kader van Richtlijn 2007/46/EG;]7
  [8 126. "gebreken": de technische defecten of andere incidenten van niet-naleving die tijdens een technische controle langs de weg worden vastgesteld;]8
  [7 127. "kleine gebreken": gebreken die geen belangrijke gevolgen hebben voor de veiligheid van het voertuig of geen gevolgen voor het milieu, en andere kleine vormen van niet-naleving;]7
  [7 128. "grote gebreken": gebreken die de veiligheid van het voertuig in gevaar kunnen brengen of gevolgen kunnen hebben voor het milieu, of andere weggebruikers in gevaar kunnen brengen, en andere belangrijke gevallen van niet-naleving;]7
  [7 129. "gevaarlijke gebreken": gebreken die een direct en onmiddellijk gevaar vormen voor de verkeersveiligheid of gevolgen hebben voor het milieu, en die rechtvaardigen dat een lidstaat of zijn bevoegde instanties het gebruik van het voertuig op de openbare weg kan of kunnen verbieden.]7
  § 3. Verhoudingen tussen de internationale en de nationale voertuigcategorieën :
  1. categorie M1 omvat de personenauto's, de auto's voor dubbel gebruik en de minibussen;
  2. categorie M2 omvat de autobussen en autocars met een maximale massa kleiner of gelijk aan 5 000 kg;
  3. categorie M3 omvat de autobussen en autocars met een maximale massa boven 5 000 kg;
  4. categorie N1 omvat de auto's voor dubbel gebruik ingericht voor het vervoer van goederen, de trekkers en de lichte vrachtauto's met een maximale massa kleiner of gelijk aan 3 500 kg;
  5. categorie N2 omvat de vrachtwagens en de trekkers met een maximale massa boven 3 500 kg maar kleiner of gelijk aan 12 000 kg;
  6. categorie N3 omvat de vrachtwagens en de trekkers met een maximale massa boven 12 000 kg;
  7. categorie 01 omvat de aanhangers met een maximale massa beneden of gelijk aan 750 kg;
  8. categorie 02 omvat de aanhangwagens en opleggers met een maximale massa boven 750 kg maar kleiner of gelijk aan 3 500 kg;
  9. categorie 03 omvat de aanhangwagens en opleggers met een maximale massa boven 3 500 kg maar kleiner of gelijk aan 10 000 kg.
  10. categorie 04 omvat de aanhangwagens en opleggers met een maximale massa boven 10 000 kg.
  
----------
  (1)<KB 2009-04-14/22, art. 2, 040; Inwerkingtreding : 08-05-2009>
  (2)<KB 2009-04-14/25, art. 2, 041; Inwerkingtreding : 29-04-2009 of later, volgens categorieën>
  (3)<KB 2013-06-17/03, art. 1, 055; Inwerkingtreding : 01-07-2013>
  (4)<KB 2013-07-10/38, art. 1, 056; Inwerkingtreding : 01-09-2013>
  (5)<KB 2013-10-18/24, art. 1, 059; Inwerkingtreding : 05-12-2013>
  (6)<KB 2017-10-02/06, art. 1, 074; Inwerkingtreding : 03-11-2017>
  (7)<BESL 2018-11-29/02, art. 2, 082; Inwerkingtreding : 01-12-2018>
  (8)<BWG 2018-05-17/18, art. 1, 083; Inwerkingtreding : 20-05-2018>

  Art. 1_VLAAMS_GEWEST.
   <KB 16-11-1984, art. 1> § 1. Classificatie volgens de internationale voertuigcategorieën :
  (1. (Categorie M : Voor het vervoer van passagiers ontworpen en gebouwde motorvoertuigen met tenminste vier wielen.) <KB 2003-03-17/34, art. 1, 026; Inwerkingtreding : 01-05-2003>
  (Categorie M1 : Voor het vervoer van passagiers ontworpen en gebouwde voertuigen met ten hoogste acht zitplaatsen, die van de bestuurder niet meegerekend.) <KB 2003-03-17/34, art. 1, 026; Inwerkingtreding : 01-05-2003>
  Voertuigen van categorie M1 worden onderverdeeld volgens type en code van het koetswerk op volgende wijze :
  [2 ...]2
  AA - Sedan
  ISO norm 3833 - 1977, punt 3.1.1.1, met inbegrip van voertuigen met meer dan vier zijramen.
  AB - Voertuig met achterklep
  Sedan (AA) met een klep aan de achterzijde van het voertuig.
  AC - Stationwagen
  ISO norm 333 - 1977, punt 3.1.1.4.
  AD - Coupé
  ISO norm 3833 - 1977, punt 3.1.1.5.
  AE - Cabriolet
  ISO norm 3833 - 1977, punt 3.1.1.6.
  AF - Voertuig voor meerdere doeleinden
  Andere motorvoertuigen dan die genoemd onder AA tot en met AC bestemd voor het vervoer van personen en hun bagage of goederen, in één enkele ruimte.
  Evenwel, zal een voertuig van type AF niet beschouwd worden als van categorie M1, maar van categorie N en gecodificeerd als FA, indien het aan de twee volgende voorwaarden voldoet :
  1. Het aantal zitplaatsen met uitzondering van die voor de bestuurder bedraagt niet meer dan zes;
  Een "zitplaats" wordt als aanwezig beschouwd indien het voertuig is uitgerust met "toegankelijke" zitplaatsverankeringen;
  Onder "toegankelijke zitplaatsverankeringen" worden verstaan verankeringen die kunnen worden gebruikt. Om te voorkomen dat verankeringen "toegankelijk" zijn maakt de fabrikant het gebruik ervan fysiek onmogelijk, door bijvoorbeeld de afdekplaten vast te lassen of door soortgelijke vaste bevestigingsmiddelen aan te brengen die niet met behulp van gewoonlijk beschikbaar gereedschap kunnen worden verwijderd;
  2. P - (M + N x 68) > N x 68, waarin :
  P = de technische toelaatbare maximummassa in beladen toestand (in kg);
  M = massa in rijklare toestand (in kg);
  N = aantal zitplaatsen met uitzondering van die van de bestuurder.
  [2 ...]2
  (Categorie M2 : Voor het vervoer van passagiers ontworpen en gebouwde voertuigen met meer dan acht zitplaatsen, die van de bestuurder niet meegerekend, en met een maximale massa van ten hoogste 5 ton.) <KB 2003-03-17/34, art. 1, 026; Inwerkingtreding : 01-05-2003>
  (Categorie M3 : Voor het vervoer van passagiers ontworpen en gebouwde voertuigen met meer dan acht zitplaatsen, die van de bestuurder niet meegerekend, en met een maximale massa van meer dan 5 ton.) <KB 2003-03-17/34, art. 1, 026; Inwerkingtreding : 01-05-2003>
  Afzonderlijke classificatie voor voertuigen van de categorieën M2 en M3 :
  Voertuigen van de categorieën M2 en M3 zijn onderverdeeld in klassen volgens volgende criteria :
  a) voor de voertuigen met een capaciteit van meer dan 22 passagiers, de bestuurder niet inbegrepen :
  Klasse I : voertuigen gebouwd met ruimte voor staande passagiers, zodat passagiers vaak kunnen in- en uitstappen;
  Klasse II: voertuigen voornamelijk gebouwd voor het vervoer van zittende passagiers en ontworpen voor het vervoer van staande passagiers in het gangpad en/of op een zone die overeenkomt met maximaal twee dubbele zitplaatsen;
  Klasse III : voertuigen uitsluitend gebouwd voor het vervoer van zittende passagiers;
  b) voor voertuigen met een capaciteit van maximaal 22 passagiers, de bestuurder niet meegerekend :
  Klasse A : voertuigen bestemd voor het vervoer van staande passagiers; een voertuig van deze klasse heeft zitplaatsen en moet zones voor staande passagiers hebben;
  Klasse B : voertuigen bestemd voor het vervoer van zittende passagiers; een voertuig van deze klasse heeft geen enkele voorziening voor staande passagiers.) <KB 2002-10-21/32, art. 1, 023; Inwerkingtreding : 30-10-2002>
  [2 De voertuigen van de categorieën M2 en M3 worden onderverdeeld volgens type en code van het koetswerk op volgende wijze :
   a) Voertuigen van klasse I
   CA enkeldeks
   CB dubbeldeks
   CC geleed en enkeldeks
   CD geleed en dubbeldeks
   CE enkeldeks met lage vloer
   CF dubbeldeks met lage vloer
   CG geleed enkeldeks met lage vloer
   CH geleed dubbeldeks met lage vloer
   b) Voertuigen van klasse II
   CI enkeldeks
   CJ dubbeldeks
   CK geleed enkeldeks
   CL geleed dubbeldeks
   CM enkeldeks met lage vloer
   CN dubbeldeks met lage vloer
   CO geleed enkeldeks met lage vloer
   CP geleed dubbeldeks met lage vloer
   c) Voertuigen van klasse III
   CQ enkeldeks
   CR dubbeldeks
   CS geleed enkeldeks
   CT geleed dubbeldeks
   d) Voertuigen van klasse A
   CU enkeldeks
   CV enkeldeks met lage vloer
   e) Voertuigen van klasse B
   CW enkeldeks]2
  2. [Categorie N : Voor het vervoer van goederen ontworpen en gebouwde motorvoertuigen met ten minste vier wielen.
   Categorie N1 : Voor het vervoer van goederen ontworpen en gebouwde voertuigen met een maximummassa van ten hoogste 3,5 ton.
   Categorie N2 : Voor het vervoer van goederen ontworpen en gebouwde voertuigen met een maximummassa van meer dan 3,5 ton, doch niet meer dan 12 ton.
   Categorie N3 : Voor het vervoer van goederen ontworpen en gebouwde voertuigen met een maximummassa van meer dan 12 ton.]2
  [2 De voertuigen van de categorie N worden onderverdeeld volgens type en code van het koetswerk op volgende wijze :
   BA Vrachtwagen
   BB Bestelwagen
   BC Opleggertrekkend voertuig
   BD Aanhangwagentrekkend voertuig (aanhangwagentrekker)
   Een als BB geclassificeerd voertuig met een technisch toelaatbare maximummassa van niet meer dan 3500 kg wordt echter niet als een voertuig van de categorie N beschouwd indien :
   1. het meer dan zes zitplaatsen heeft, die van de bestuurder niet meegerekend,
   of
   2. het aan beide hierna genoemde voorwaarden voldoet :
   i) het aantal zitplaatsen, die van de bestuurder niet meegerekend, bedraagt niet meer dan zes, en
   ii) P - (M + N x 68) <= N x 68, waarbij :
   P = technisch toelaatbare maximummassa in beladen toestand (in kg);
   M = massa in rijklare toestand (in kg);
   N = aantal zitplaatsen, die van de bestuurder niet meegerekend.
   Een zitplaats wordt als aanwezig beschouwd indien het voertuig met "toegankelijke" zitplaatsverankeringen is uitgerust.
   Een voertuig dat als BA, BB geclassificeerd is met een technisch toelaatbare maximummassa van meer dan 3500 kg en dat voor BC of BD aan ten minste één van de onderstaande voorwaarden voldoet, wordt echter niet als een voertuig van de categorie N beschouwd :
   1) het aantal zitplaatsen, die van de bestuurder niet meegerekend, bedraagt meer dan acht, of
   2) P - (M + N x 68) <= N x 68 waarbij :
   P = technisch toelaatbare maximummassa in beladen toestand (in kg);
   M = massa in rijklare toestand (in kg);
   N = aantal zitplaatsen, die van de bestuurder niet meegerekend.
   Een zitplaats wordt als aanwezig beschouwd indien het voertuig met "toegankelijke" zitplaatsverankeringen is uitgerust]2
  3. Categorie 0 : Aanhangwagens (met inbegrip van opleggers).
  - Categorie 01 : Aanhangwagens met een maximale massa van ten hoogste 0,75 ton.
  - Categorie 02 : Aanhangwagens met een maximale massa van meer dan 0,75 ton, doch niet meer dan 3,5 ton.
  - Categorie 03 : Aanhangwagens met een maximale massa van meer dan 3,5 ton, doch niet meer dan 10 ton.
  - Categorie 04 : Aanhangwagens met een maximale massa van meer dan 10 ton.
  [2 De voertuigen van de categorie O worden op de volgende manier gecodeerd :
   DA Oplegger
   DB Autonome aanhangwagen
   DC Middenasaanhangwagen]2
  (4. Terreinvoertuigen (symbool G).
  a) De voertuigen van categorie N1 met een maximale massa van ten hoogste 2 ton en de voertuigen van categorie M1 worden als terreinvoertuigen beschouwd, indien ze voorzien zijn van :
  - ten minste één vooras en ten minste één achteras die ontworpen zijn om gelijktijdig te worden aangedreven, met inbegrip van voertuigen waarvan de aandrijving op één van de assen kan worden ontkoppeld,
  - ten minste één differentieelblokkerings-mechanisme of ten minste één mechanisme waarmee een soortgelijk effect wordt bewerkstelligd, en indien met het voertuig een helling van 30 % kan worden overwonnen, berekend voor een voertuig zonder aanhangwagen.
  Voorts voldoen ze aan ten minste vijf van de volgende zes eisen :
  - een oploophoek hebben van ten minste 25°,
   een afloophoek hebben van ten minste 20°,
   een hellingshoek hebben van ten minste 20°,
   onder de vooras een vrije hoogte boven de grond hebben van ten minste 180 mm,
   onder de achteras een vrije hoogte boven de grond hebben van ten minste 180 mm,
   tussen de assen een vrije hoogte boven de grond hebben van ten minste 200 mm.
  b) De voertuigen van categorie N1 met een maximale massa van meer dan 2 ton of van de categorieën N2, M2 of M3 met een maximale massa van ten hoogste 12 ton worden als terreinvoertuigen beschouwd, indien ze ofwel voorzien zijn van wielen die ontworpen zijn om gelijktijdig te worden aangedreven, met inbegrip van voertuigen waarvan de aandrijving op één van de assen kan worden ontkoppeld, ofwel aan de volgende drie eisen voldoen:
   uitgerust zijn met ten minste één vooras en ten minste één achteras die ontworpen zijn om gelijktijdig te worden aangedreven, ook wanneer de aandrijving op één van de assen kan worden ontkoppeld,
   uitgerust zijn met ten minste een differentieelblokkerings-mechanisme of met ten minste één mechanisme waarmee een soortgelijk effect wordt bewerkstelligd,
  - een helling kunnen overwinnen van 25 %, berekend voor een voertuig zonder aanhangwagen.
  c) De voertuigen van categorie M3 met een maximale massa van meer dan 12 ton en deze van categorie N3, worden als terreinvoertuigen beschouwd, indien ze ofwel zijn uitgerust met wielen die zijn ontworpen om gelijktijdig te worden aangedreven, ook wanneer de aandrijving op één as kan worden ontkoppeld, ofwel aan de volgende eisen voldoen :
  - minimaal de helft van het aantal wielen is aangedreven,
  - ze zijn uitgerust met ten minste één differentieelblokkerings-mechanisme of ten minste één mechanisme waarmee een soortgelijk effect wordt bewerkstelligd,
  - ze kunnen een helling overwinnen van 25 %, berekend voor een voertuig zonder aanhangwagen.
  Ze voldoen aan ten minste vier van de volgende zes eisen :
  - een oploophoek hebben van ten minste 25°,
  - een afloophoek hebben van ten minste 25°,
  - een hellingshoek hebben van ten minste 25°,
  - onder de vooras een vrije hoogte boven de grond hebben van ten minste 250 mm,
  - onder de achteras een vrije hoogte boven de grond hebben van ten minste 250 mm,
  - tussen de assen een vrije hoogte boven de grond hebben van ten minste 300 mm.) <KB 2003-03-17/34, art. 1, 026; Inwerkingtreding : 01-05-2003>
  [2 d) Het symbool "G" wordt gecombineerd met het symbool "M" of "N". Een voertuig van de categorie N1 dat geschikt is voor gebruik op het terrein, wordt bijvoorbeeld met "N1G" aangeduid]2
  [2 5. Categorie T : landbouw- of bosbouwtrekkers op wielen
   De voertuigen van de categorie T worden onderverdeeld volgens type en code van het koetswerk op volgende wijze :
   - categorie T1 : trekkers op wielen met een door de constructie bepaalde maximumsnelheid van niet meer dan 40 km/h, met een minimumspoorbreedte van de zich het dichtst bij de bestuurder bevindende as van niet minder dan 1150 mm, met een lege massa in rijklare toestand van meer dan 600 kg en met een vrije hoogte boven de grond van ten hoogste 1000 mm;
   - categorie T2 : trekkers op wielen met een door de constructie bepaalde maximum-snelheid van niet meer dan 40 km/h, met een minimumspoorbreedte van minder dan 1150 mm, met een lege massa in rijklare toestand van meer dan 600 kg en met een vrije hoogte boven de grond van ten hoogste 600 mm. Wanneer echter de waarde van de hoogte van het zwaartepunt van de trekker (ten opzichte van de grond gemeten), gedeeld door het gemiddelde van de minimumspoorbreedten van elke as, meer dan 0,90 bedraagt, is de door de constructie bepaalde maximumsnelheid beperkt tot 30 km/h;
   - categorie T3 : trekkers op wielen met een door de constructie bepaalde maximumsnelheid van niet meer dan 40 km/h, met een lege massa in rijklare toestand van ten hoogste 600 kg;
   - categorie T4 : trekkers voor speciale doeleinden op wielen met een door de constructie bepaalde maximumsnelheid van niet meer dan 40 km/h.]2
  [4 - categorie T4.1 : Portaaltrekkers.
   Trekkers voor het bewerken van hoge, in rijen geplante gewassen, bijvoorbeeld in de wijnbouw. Zij worden gekenmerkt door een (gedeeltelijk) verhoogd chassis dat zodanig is gebouwd dat zij zich parallel aan de rijen planten kunnen voortbewegen, waarbij de linker- en rechterwielen zich aan weerszijden van één of meer rijen planten bevinden. Zij zijn ontworpen om werktuigen te dragen of aan te drijven die zich aan de voorzijde, tussen de assen, aan de achterzijde of op een platform bevinden. In de werkpositie bedraagt de verticaal gemeten afstand tot de grond op de plaats van de rijen planten meer dan 1000 mm. Wanneer de waarde van de hoogte van het zwaartepunt van de trekker (ten opzichte van de grond en met de normaal gemonteerde banden gemeten), gedeeld door het gemiddelde van de minimum-spoorbreedten van alle assen, meer dan 0,90 bedraagt, mag de door de constructie bepaalde maximumsnelheid niet hoger zijn dan 30 km/u.
   - categorie T4.2 : Brede trekkers.
   Trekkers die door hun grote afmetingen worden gekenmerkt en die in het bijzonder bestemd zijn om grote landbouwarealen te bewerken.
   - categorie T4.3 : Trekkers met geringe hoogte boven het wegdek.
   Landbouw- en bosbouwtrekkers met vier aangedreven wielen, waarvan de verwisselbare uitrustingsstukken bestemd zijn voor gebruik in de land- of bosbouw en die worden gekenmerkt door een dragend chassis, en zijn uitgerust met één of meer aftakassen, en een technisch toelaatbare massa van ten hoogste 10 ton hebben, waarbij de verhouding tussen deze massa en de maximale lege massa in rijklare toestand minder dan 2,5 bedraagt. Voorts bevindt het zwaartepunt van deze trekkers (ten opzichte van het wegdek en met de normaal gemonteerde banden gemeten) zich op minder dan 850 mm.]4
  [2 6. Categorie C : landbouw- en bosbouwtrekkers op rupsbanden : trekkers op rupsbanden die voortbewogen en gestuurd worden met de rupsbanden en waarvan de categorieën C1 tot en met C4 worden gedefinieerd naar analogie met de categorieën T1 tot en met T4]2
  [2 7. Categorie R : landbouw- en bosbouwaanhangwagens
   De voertuigen van de categorie R worden onderverdeeld volgens type en code van het koetswerk op volgende wijze :
   - categorie R1 : aanhangwagens waarvan het totaal van de technisch toelaatbare massa's per as ten hoogste 1500 kg bedraagt;
   - categorie R2 : aanhangwagens waarvan het totaal van de technisch toelaatbare massa's per as meer dan 1500 kg, doch niet meer dan 3500 kg bedraagt;
   - categorie R3 : aanhangwagens waarvan het totaal van de technisch toelaatbare massa's per as meer dan 3500 kg, doch niet meer dan 21000 kg bedraagt;
   - categorie R4 : aanhangwagens waarvan het totaal van de technisch toelaatbare massa's per as meer dan 21000 kg bedraagt.
   Elke categorie aanhangwagens wordt tevens aangeduid met de letter "a" of "b" naargelang de snelheid waarvoor de aanhangwagen is ontworpen :
   - "a" voor aanhangwagens die voor een snelheid van ten hoogste 40 km/h zijn ontworpen,
   - "b" voor aanhangwagens die voor een snelheid van meer dan 40 km/h zijn ontworpen.]2
  [2 8. Categorie S : verwisselbare getrokken machines
   De voertuigen van de categorie S worden onderverdeeld volgens type en code van het koetswerk op volgende wijze :
   - categorie S1 : verwisselbare getrokken machines die voor gebruik in de land- of bosbouw zijn bestemd en waarvan het totaal van de technisch toelaatbare massa's per as ten hoogste 3500 kg bedraagt;
   - categorie S2 : verwisselbare getrokken machines die voor gebruik in de land- of bosbouw zijn bestemd en waarvan het totaal van de technisch toelaatbare massa's per as meer dan 3500 kg bedraagt.
   Elke categorie verwisselbare getrokken machines wordt tevens aangeduid met de letter a of b naargelang de snelheid waarvoor de machine is ontworpen :
   - "a" voor verwisselbare getrokken machines die voor een snelheid van ten hoogste 40 km/h zijn ontworpen,
   - "b" voor verwisselbare getrokken machines die voor een snelheid van meer dan 40 km/h zijn ontworpen.]2
  [2 Voertuigen voor speciale doeleinden :
   SA Kampeerwagens
   SB Gepantserde voertuigen
   SC Ambulances
   SD Lijkwagens
   SE Caravans
   SF Mobiele kranen
   SG Overige voertuigen voor speciale doeleinden
   SH Voor rolstoelen toegankelijk voertuig]2
  § 2. [2 Definities :
   Voor de toepassing van dit koninklijk besluit wordt, behoudens andersluidende bepalingen, verstaan onder :
   1. "Gemeenschap" : de Europese Gemeenschap;
   2. "Lidstaten" : de lidstaten van de Gemeenschap;
   3. "de Richtlijn" : richtlijn 2007/46/EG tot vaststelling van een kader voor de goedkeuring van motorvoertuigen en aanhangwagens daarvan en van systemen, onderdelen en technische eenheden die voor dergelijke voertuigen zijn bestemd;
   4. "bevoegde instantie" : de Minister bevoegd voor het wegverkeer of zijn afgevaardigde;
  [6 4bis. "Vlaamse minister": de Vlaamse minister, bevoegd voor het verkeersveiligheidsbeleid;]6
  [6 4ter. "bevoegde Vlaamse instantie": de Vlaamse minister of zijn gemachtigde;]6
  [6 4quater. "Departement": het departement, vermeld in artikel 28, § 1, van het besluit van de Vlaamse Regering van 3 juni 2005 met betrekking tot de organisatie van de Vlaamse administratie;]6
  [6 4quinquies. "Agentschap": het Agentschap Wegen en Verkeer, vermeld in artikel 28, § 1, van het besluit van de Vlaamse Regering van 3 juni 2005 met betrekking tot de organisatie van de Vlaamse administratie;]6
   5. "goedkeuringsinstantie" : [6 het Departement]6 is de bevoegde instantie voor alle aspecten van zowel de typegoedkeuring van een voertuig, systeem, onderdeel of technische eenheid als de individuele goedkeuring van een voertuig; voor de vergunningsprocedure, de afgifte en eventuele intrekking van goedkeuringscertificaten; om te fungeren als contactpunt voor de goedkeuringsinstanties van andere lidstaten; en om ervoor te zorgen dat de fabrikant aan zijn verplichtingen inzake de overeenstemming van productie voldoet;
   6. "instantie bevoegd voor de beoordeling van de technische diensten" : [6 het Departement]6 is de bevoegde instantie voor de beoordeling van de technische diensten. Sommige delen daarvan mogen worden overgedragen aan een accrediteringsorgaan, ondertekenaar van de wederzijdse erkenningsakkoorden tussen accrediterings-organen;
   7. "technische dienst" : elke organisatie of instantie die door de bevoegde [6 Vlaamse]6 instantie is aangewezen om namens de goedkeurings-instantie als testlaboratorium tests of als overeenstemmingsbeoordelingsinstantie de initiële beoordeling en andere tests of inspecties te verrichten. De goedkeuringsinstantie mag deze functies ook zelf vervullen;
   8. "titularis" : de natuurlijke of rechtspersoon op wiens naam het voertuig is ingeschreven;
   9. "typegoedkeuring" : de procedure waarbij de goedkeuringsinstantie certificeert dat een type voertuig, systeem, onderdeel of technische eenheid aan de relevante bestuursrechtelijke bepalingen en technische voorschriften voldoet;
   10. "nationale typegoedkeuring" : een in de Belgische wetgeving vastgestelde typegoedkeuringsprocedure waarvan de geldigheid tot het Belgische grondgebied is beperkt;
   11. "EG-typegoedkeuring" : de procedure waarbij een lidstaat certificeert dat een type voertuig, systeem, onderdeel of technische eenheid aan de relevante bestuursrechtelijke bepalingen en technische voorschriften van de richtlijn voldoet;
   12. "individuele goedkeuring" : de procedure waarbij de goedkeuringsinstantie certificeert dat een bepaald, al dan niet uniek, voertuig aan de relevante bestuursrechtelijke bepalingen en technische voorschriften voldoet;
   13. "meerfasentypegoedkeuring" : de procedure waarbij een of meer lidstaten certificeren dat een incompleet of voltooid type voertuig, naargelang de staat van voltooiing, aan de relevante bestuursrechtelijke bepalingen en technische voorschriften van de richtlijn voldoet;
   14. "stapsgewijze typegoedkeuring" : de voertuiggoedkeuringsprocedure die bestaat uit het stapsgewijs verzamelen van de hele reeks goedkeuringscertificaten voor de systemen, onderdelen en technische eenheden van het voertuig en die uiteindelijk resulteert in de goedkeuring van het volledige voertuig;
   15. "eenstapstypegoedkeuring" : de procedure voor de goedkeuring van een voertuig in zijn geheel in één handeling;
   16. "gemengde typegoedkeuring" : de stapsgewijze typegoedkeuringsprocedure waarbij in de laatste fase van de goedkeuring van het gehele voertuig een of meer systemen worden goedgekeurd zonder dat voor deze systemen een goedkeuringscertificaat moet worden afgegeven;
   17. "typegoedkeuringscertificaat" : het document waarmee de goedkeuringsinstantie officieel certificeert dat aan een type voertuig, systeem, onderdeel of technische eenheid goedkeuring is verleend;
   18. "individueel goedkeuringscertificaat" : het document waarmee de goedkeuringsinstantie officieel certificeert dat voor een bepaald voertuig goedkeuring is verleend;
   19. "certificaat van overeenstemming" : het document in bijlage 31 dat door de fabrikant wordt afgegeven om te certificeren dat een voertuig op het ogenblik van de productie aan alle regelgevingen voldeed;
   20. "keuringsbewijs" : document dat aan diegene die het voertuig aanbiedt, door het keuringsstation wordt afgeleverd en dat het resultaat van de keuring vermeldt;
   21. "de inverkeerstelling van een voertuig in België" : de handeling waarbij het voertuig in het verkeer wordt gebracht onder dekking van een Belgische kentekenplaat;
   22. "technische fiche" : document dat door de fabrikant of zijn gemachtigde voor de voertuigen van de categorieën N2, N3, O3 en O4 wordt afgeleverd en dat de specifieke technische gegevens van het voertuig vermeldt;
   23. "keuringsvignet" : klever die de geldigheidsduur van het keuringsbewijs voor bedrijfsvoertuigen vermeldt;
   24. "voertuigtype" : alle tot een categorie behorende voertuigen die ten minste op de in bijlage 24 vermelde essentiële punten identiek zijn. Een voertuigtype kan varianten en uitvoeringen omvatten;
   25. "basisvoertuig" : elk voertuig dat in de eerste fase van een meerfasentypegoedkeuringsprocedure wordt gebruikt;
   26. "incompleet voertuig" : elk voertuig dat nog minstens één voltooiingsfase moet ondergaan om aan de toepasselijke technische voorschriften van dit besluit te voldoen;
   27. "voltooid voertuig" : elk voertuig dat na de meerfasentypegoedkeuringsprocedure te hebben doorlopen aan de toepasselijke technische voorschriften van dit besluit voldoet;
   28. "compleet voertuig" : elk voertuig dat niet hoeft te worden voltooid om aan de toepasselijke technische voorschriften van dit besluit te voldoen;
   29. "voertuig uit restantvoorraad" : elk voertuig dat deel uitmaakt van een voorraad en dat niet kan worden geregistreerd, verkocht of in het verkeer gebracht omdat nieuwe technische voorschriften in werking zijn getreden waarvoor het niet is goedgekeurd;
   30. "systeem" : een geheel van inrichtingen die gecombineerd zijn om in een voertuig een of meer specifieke functies te vervullen, en dat aan de voorschriften van de regelgevingen moet voldoen;
   31. "onderdeel" : een inrichting die aan de voorschriften van een regelgeving moet voldoen, en die bedoeld is om deel uit te maken van een voertuig en waarvoor onafhankelijk van een voertuig typegoedkeuring kan worden verleend indien de regelgeving daarin uitdrukkelijk voorziet;
   32. "technische eenheid" : een inrichting die aan de voorschriften van een regelgeving moet voldoen, en die bedoeld is om deel uit te maken van een voertuig en waarvoor afzonderlijk, maar alleen met betrekking tot een of meer specifieke voertuigtypes, typegoedkeuring kan worden verleend indien de regelgeving daarin uitdrukkelijk voorziet;
   33. "originele onderdelen of uitrustingsstukken" : onderdelen of uitrustingsstukken die worden geproduceerd volgens de specificaties en productienormen die de voertuigfabrikant heeft verstrekt voor de productie van onderdelen of uitrustingsstukken die bestemd zijn voor de montage van het betrokken motorvoertuig. Hieronder vallen ook onderdelen en uitrustingsstukken die in dezelfde productielijn als de betrokken onderdelen of uitrustingsstukken zijn geproduceerd. Tot het bewijs van het tegendeel wordt ervan uitgegaan dat onderdelen originele onderdelen zijn, indien de onderdelenfabrikant certificeert dat de onderdelen van gelijke kwaliteit zijn als de onderdelen die voor de montage van het betrokken motorvoertuig zijn gebruikt en dat zij volgens de specificaties en productienormen van de fabrikant van het voertuig zijn vervaardigd;
   34. "fabrikant" : persoon of instantie die tegenover de goedkeuringsinstantie verantwoordelijk is voor alle aspecten van de goedkeurings- en vergunningsprocedure en die instaat voor de overeenstemming van de productie. Het is niet noodzakelijk dat deze persoon of instantie rechtstreeks betrokken is bij alle fasen van de constructie van het voertuig, het systeem, het onderdeel of de technische eenheid dat/die aan de goedkeuringsprocedure wordt onderworpen;
   35. "vertegenwoordiger van de fabrikant" : elke in de Gemeenschap gevestigde natuurlijke of rechtspersoon die door de fabrikant is aangewezen om hem bij de goedkeuringsinstantie te vertegenwoordigen en namens hem op te treden bij aangelegenheden die onder dit besluit vallen. Wanneer de term "fabrikant" wordt gebruikt, wordt daaronder de fabrikant of zijn vertegenwoordiger verstaan;
   36. "virtuele testmethode" : computer-simulatie, daaronder begrepen berekeningen die aantonen dat een voertuig, systeem, onderdeel of technische eenheid aan de technische voorschriften van een regelgeving voldoet. Voor testdoeleinden hoeft bij de virtuele methode geen gebruik te worden gemaakt van fysieke voertuigen, systemen, onderdelen of technische eenheden;
   37. "informatiedossier" : het complete dossier met, naargelang het gewenste type goedkeuring, de informatie bedoeld in artikel 7, die door de aanvrager is verstrekt;
   38. "informatiepakket" : het informatiedossier met de testrapporten en alle andere documenten die de technische dienst of de goedkeuringsinstantie tijdens de uitoefening van haar functie aan het informatiedossier heeft toegevoegd;
   39. "inhoudsopgave bij het informatiepakket" : het document met de inhoudsopgave van het informatiepakket, waarvan alle bladzijden zijn genummerd of van andere tekens zijn voorzien. Dit document geeft een overzicht van de opeenvolgende stappen in het beheer van de typegoedkeuringsprocedure, met name de data van alle herzieningen en bijwerkingen;
   40. "voertuig" : elk motorvoertuig of zijn aanhangwagen, volgens de onderstaande definities;
   41. "motorvoertuig" : elk gemotoriseerd voertuig dat zich op eigen kracht voortbeweegt, ten minste vier wielen heeft, compleet, voltooid of incompleet is en een door de constructie bepaalde maximumsnelheid van meer dan 25 km/h kan bereiken, met uitzondering van motorvoertuigen van de categorie L bepaald in richtlijn 2002/24/EG en omgezet in het koninklijk besluit van 26 februari 2003 tot wijziging van artikel 1 van het koninklijk besluit van 10 oktober 1974 houdende algemeen reglement op de technische eisen waaraan de bromfietsen, de motorfietsen en hun aanhangwagens moeten voldoen;
   42. "hybride motorvoertuig" : een voertuig met ten minste twee verschillende energie-omzetters en twee verschillende energieopslagsystemen (aan boord) ten behoeve van de aandrijving van het voertuig;
   43. "hybride elektrisch voertuig" : een hybride voertuig dat ten behoeve van de mechanische aandrijving energie put uit beide van de volgende aan boord opgeslagen energiebronnen/krachtbronnen :
   - een verbruiksbrandstof;
   - een opslagvoorziening voor elektrische energie/kracht (bv. accu, condensator, vliegwiel/generator enz.);
   44. "personenwagen" : elk voertuig van de categorie M1 waarvan de passagiersruimte uitsluitend is ontworpen en gebouwd voor het vervoer van personen en dat, bij gebruik voor het bezoldigde vervoer van personen, ten hoogste acht plaatsen mag bevatten, die van de bestuurder niet meegerekend;
   45. "voertuig voor speciale doeleinden" : een voertuig dat bedoeld is voor het verrichten van diensten waarvoor een bijzondere carrosserie-uitvoering en/of uitrusting vereist is. Deze categorie omvat ook de voor rolstoelen toegankelijke voertuigen;
   46. "voertuigen voor speciale doeleinden andere dan een kampeerwagen, gepantserd voertuig, ambulance, lijkwagen, voor rolstoelen toegankelijk voertuig" : voertuigen bedoeld voor het verrichten van diensten waarvoor een bijzondere koetswerkuitvoering en/of uitrusting is vereist. De code voor deze voertuigen is SG;
   47. "wagen voor dubbel gebruik" : elk voertuig van de categorie M1 ontworpen en gebouwd voor het vervoer van personen en zaken dat, bij het gebruik voor het bezoldigde vervoer van personen, ten hoogste acht plaatsen mag bevatten, die van de bestuurder niet meegerekend;
   48. "minibus" : elk voertuig van de categorie M1 ontworpen en gebouwd voor het vervoer van personen, dat bij gebruik voor het bezoldigde vervoer van personen, ten hoogste acht plaatsen mag bevatten, die van de bestuurder niet meegerekend, en dat is voorzien van een koetswerk van hetzelfde type als dat van bestelwagens of autobussen;
   49. "autobus" of "autocar" : elk voertuig van de categorie M2 of M3 ontworpen en gebouwd voor het vervoer van zittende passagiers of zittende en staande passagiers;
   50. "gelede autobus of autocar" : elke autobus of autocar bestaande uit twee of meer stijve delen met een scharnierende verbinding. Een verbinding tussen de passagiersruimten van de onderscheiden delen biedt de passagiers vrije doorgang; de stijve delen zijn permanent verbonden, zodat zij slechts kunnen worden gescheiden door een ingreep met behulp van faciliteiten die normaliter alleen in een werkplaats aanwezig zijn;
   51. "dubbeldeksbus of - autocar" : elke autobus of autocar waarvan de passagiersruimten zich ten minste in één deel boven elkaar bevinden en waarvan de bovenruimte geen plaats biedt aan staande passagiers;
   52. "trolleybus" : elke met een elektrische motor uitgeruste autobus die de nodige voortbewegingsenergie via een bovenleiding opneemt. Het uitrusten van een trolleybus met een hulpmotor die toelaat de opname van elektrische energie te onderbreken zonder het voortbewegen van het voertuig daarbij te moeten onderbreken, wijzigt de aard van het voertuig niet;
   53. "met bezoldigd vervoer van personen gelijkgesteld gratis vervoer" : de vervoerdiensten voorzien bij artikel 2, tweede lid, 1° en 2°, van de besluitwet van 30 december 1946 betreffende het bezoldigd vervoer van personen over de weg met autobussen en met autocars, en bij artikel 1 van de wet van 26 april 1962 betreffende het gemeenschappelijk vervoer van de leerlingen van de onderwijsinrichtingen;
   54. "bestelwagen" : een vrachtwagen met een in het koetswerk geïntegreerde cabine;
   55. "vrachtwagen" : elk motorvoertuig van de categorie N1, N2 of N3 dat uitsluitend of hoofdzakelijk is ontworpen en gebouwd voor het vervoer van goederen.
   Hij kan ook een aanhangwagen trekken;
   56. "trekker" : elk motorvoertuig van de categorie N1, N2 of N3 dat uitsluitend of hoofdzakelijk is ontworpen of gebouwd voor het trekken van opleggers of aanhangwagens;
   57. "aanhangwagentrekkend voertuig" ("aanhangwagentrekker") : elk trekkend voertuig dat uitsluitend of hoofdzakelijk is ontworpen en gebouwd voor het trekken van aanhangwagens anders dan opleggers. Een dergelijk voertuig kan zijn uitgerust met een laadplatform;
   58. "opleggertrekkend voertuig" ("opleggertrekker") : elk trekkend voertuig dat uitsluitend of hoofdzakelijk is ontworpen en gebouwd voor het trekken van opleggers;
   59. "landbouw- of bosbouwtrekker" : elk motorvoertuig op wielen of rupsbanden, met ten minste twee assen en een door de constructie bepaalde maximumsnelheid van niet minder dan 6 km/h, dat voornamelijk voor tractiedoeleinden is bestemd en in het bijzonder is ontworpen voor het trekken, duwen, dragen of in beweging brengen van bepaalde verwisselbare uitrustingsstukken die voor gebruik in de land- of bosbouw zijn bestemd, of voor het trekken van aanhangwagens voor de land- of bosbouw. Hij kan zijn ingericht om een lading te vervoeren voor landbouw- of bosbouwdoeleinden en/of kan met zitplaatsen voor meerijders worden uitgerust;
   60. "aanhangwagen voor de land- of bosbouw" : elk voertuig dat is bestemd voor het vervoeren van ladingen en is ontworpen om door een landbouw- of bosbouwtrekker te worden getrokken. Aanhangwagens waarvan een gedeelte van de lading door het trekkende voertuig wordt gedragen, vallen onder deze categorie. Elk voertuig dat aan een trekker is gekoppeld en van een vast gemonteerd werktuig is voorzien, wordt gelijkgesteld met een aanhangwagen voor de land- of bosbouw indien de verhouding tussen de totale technisch toelaatbare massa en de lege massa van dit voertuig ten minste 3,0 bedraagt en het voertuig niet is ontworpen om materiaal te bewerken;
   61. "verwisselbare getrokken landbouw- of bosbouwmachine" : elke in de landbouw of bosbouw gebruikte inrichting die is ontworpen om door een trekker te worden getrokken en die de trekker een andere of extra functie geeft. Zij kan bovendien een laadplatform omvatten dat is ontworpen en gebouwd om de voor de uitvoering van de werkzaamheden noodzakelijke gereed-schappen en hulpstukken te dragen en om het tijdens het werk geproduceerde of benodigde materiaal tijdelijk op te slaan. Elk landbouw- of bosbouwvoertuig dat bestemd is om door een trekker te worden getrokken en van een vast gemonteerd werktuig is voorzien of voor de bewerking van materiaal is ontworpen, wordt gelijkgesteld met een verwisselbare getrokken machine, indien de verhouding tussen de totale technisch toelaatbare massa en de lege massa van dit voertuig kleiner is dan 3,0;
  [4 61bis. "gedragen machine voor land- of bosbouwdoeleinden" : iedere in de landbouw of bosbouw gebruikte inrichting die niet tot de categorie R of de categorie S behoort, die ontworpen is om volledig door een landbouw- of bosbouwtrekker te worden gedragen, en die deze landbouw- of bosbouwtrekker een andere of extra functie geeft. De gedragen machine voor land- of bosbouwdoeleinden kan aan de voorzijde, de achterzijde of op een tussenpunt van de landbouw- of bosbouwtrekker los worden gemonteerd. Onder "inrichting bestemd om in zijn geheel door een landbouw- of bosbouwtrekker te worden gedragen" dient te worden begrepen : een inrichting die niet beschikt over een verticale scharnieras ten opzichte van de landbouw- of bosbouwtrekker, wanneer deze trekker op de openbare weg wordt gebruikt.]4
   62. "landbouwmotor" : elk landbouw-motorvoertuig voor verschillend gebruik dat slechts één as bezit en door middel van armen wordt bestuurd door een bestuurder die normaal te voet is; sommige landbouwmotors kunnen worden uitgerust met een aanhangwagen of een getrokken landbouwwerktuig voorzien van een zitplaats;
   63. "niet voor de weg bestemde mobiele machine" : elk mobiel werktuig, vervoerbare industriële uitrusting of voertuig met of zonder koetswerk, niet bestemd voor personen- of goederenvervoer over de weg, waarin een inwendige verbrandingsmotor is gemonteerd, met uitzondering van de motorvoertuigen van de categorieën L en T;
   64. "voertuigen speciaal ontworpen voor het vervoer van goederen bij een geregelde temperatuur" : voertuigen van de categorieën N en O uitgerust met "geïsoleerde", "niet-mechanisch gekoelde", "mechanisch gekoelde", "cryogeen gekoelde" of "verwarmde" vervoermiddelen;
   65. "speciale vervoermiddelen voor het internationale vervoer van aan bederf onderhevige levensmiddelen (ATP)" : "geïsoleerde", "niet-mechanisch gekoelde", "mechanisch gekoelde" of verwarmde vervoermiddelen die aan de bepalingen en normen van de Overeenkomst van Genève van 1 september 1970 voldoen. Deze overeenkomst is omgezet door de wet van 11 juli 1979. Deze vervoermiddelen behoren tot de categorieën N en O;
   66. "voertuigen en containers op voertuigen speciaal ontworpen voor het vervoer van dieren" : vervoermiddelen ontworpen, gebouwd, onderhouden en gebruikt om ervoor te zorgen dat de dieren geen letsel oplopen of onnodig lijden en om hun veiligheid te waarborgen. Deze vervoermiddelen moeten aan de technische voorschriften van Verordening (EG) nr. 1/2005 voldoen;
   67. "voertuigen bestemd voor het vervoer van gevaarlijke goederen over de weg (ADR)" : voertuigen van de categorieën N en O die onderworpen zijn aan de bepalingen van de Europese overeenkomst van 30 september 1957 betreffende het internationaal vervoer van gevaarlijke goederen over de weg (ADR).
   Indien de voertuigen ADR-containers vervoeren, moeten de voertuigen zelf ADR-gecertificeerd zijn;
   68. "ambulance" : elk motorvoertuig van de categorie M dat bestemd is voor het vervoer van zieken of gewonden en hiertoe een speciale uitrusting heeft.
   Voertuigen van de categorie M voor dringende medische hulpverlening speciaal uitgerust om een medische ploeg en hun materiaal op de plaats van een ongeval te brengen, worden eveneens als ambulance beschouwd;
   69. "kampeerwagen" : elk voertuig van de categorie M voor speciale doeleinden waarvan de constructie woonaccommodatie omvat die ten minste uit de volgende uitrusting bestaat :
   - zitplaatsen en tafel,
   - slaapaccommodatie die met of zonder behulp van de zitplaatsen kan worden gecreëerd,
   - kookgelegenheid en
   - opbergfaciliteiten.
   Deze uitrusting moet vast bevestigd zijn; de tafel mag echter zodanig zijn ontworpen dat zij gemakkelijk kan worden verwijderd;
   70. "caravan" : elk voertuig van de categorie O volgens de ISO-norm 3833 : 1977, punt nr. 3.2.1.3;
   71. "lijkwagen" : elk motorvoertuig van de categorie M dat bestemd is voor het vervoer van overledenen en hiertoe een speciale uitrusting heeft;
   72. "gepantserd voertuig" : elk voertuig bestemd voor de bescherming van te vervoeren passagiers en/of goederen dat aan de voorschriften inzake kogelwerende bepantsering voldoet;
   73. "kraanwagen" : elk motorvoertuig van de categorie N gebouwd als of definitief omgebouwd tot kraan en uitsluitend als dusdanig aangewend. Onder definitief omgebouwd, verstaat men het plaatsen, op een chassiscabine, van een kraan met dergelijke afmetingen, dat er geen laadplatform meer beschikbaar is;
   74. "mobiele kranen" : voertuigen voor speciale doeleinden van de categorie N3 die niet zijn uitgerust voor het vervoer van goederen, maar zijn voorzien van een kraan waarvan het hefmoment ten minste 400 kNm bedraagt;
   75. "voertuig voor traag vervoer" :
   1. elk motorvoertuig dat, wegens zijn constructie en oorsprong, een nominale maximumsnelheid van ten hoogste 40 km/h kan bereiken. Elke verbouwing die voor gevolg heeft dat deze maximumsnelheid kan worden overschreden, ontneemt aan dergelijk voertuig zijn hoedanigheid van voertuig voor traag vervoer,
   2. elke aanhangwagen die uitsluitend door de in punt 1 bedoelde voertuigen wordt getrokken;
   76. "voertuig van speciale constructie" : elk voertuig dat tot categorie N, O, T, C, R, S behoort en wegens zijn constructie of definitieve verbouwing voornamelijk bestemd is om als werktuig te worden gebruikt, met een laadvermogen dat bijna nul bedraagt t.o.v. zijn tarragewicht. Hiertoe behoren de landbouwvoertuigen en industriële voertuigen. Er zijn twee snelheidscategorieën :
   - een categorie beneden 30 km/h nominaal;
   - een categorie boven 30 km/h nominaal.
   Voor wat de inschrijving van de voertuigen betreft, dekt het begrip "voertuig van speciale constructie" inzonderheid : het zelfrijdend bedrijfsmaterieel, het zelfrijdend landbouwmaterieel, de maaimachines en de werktuigaanhangwagens;
   77. "takelwagen" : elk motorvoertuig van de categorie N dat bij normaal gebruik bestemd is voor het ontruimen van de openbare weg door het wegvoeren of het takelen van bij een ongeval beschadigde of defecte voertuigen.
   Een voertuig dat enkel bij gelegenheid met dit doel wordt aangewend, kan niet als takelwagen worden beschouwd.
   Nochtans mag een laadplatform aanwezig zijn op voorwaarde dat het voertuig ten minste met een vaste windas en twee al dan niet vaste laadbruggen is uitgerust;
   78. "afneembaar koetswerk" : elk vervoermiddel dat gemakkelijk op een voertuig voor vervoer kan worden gemonteerd en gedemonteerd en daadwerkelijk dienst doet als koetswerk;
   79. "aanhangwagen" : een niet-zelfaangedreven voertuig op wielen dat is ontworpen en gebouwd om door een motorvoertuig te worden getrokken;
   80. "kampeeraanhangwagen" : elke aanhangwagen die gebouwd of omgebouwd is voor het verblijf van personen en waarvan de binneninrichting blijvend aan het koetswerk is bevestigd;
   81. "bootaanhangwagen" : elke aanhangwagen die gebouwd of omgebouwd is voor het vervoer van één of meerdere boten;
   82. "aanhangwagen voor zweefvliegtuig" : elke aanhangwagen die gebouwd of omgebouwd is voor het vervoer van één of meerdere zweefvliegtuigen;
   83. "werfaanhangwagen" : elke aanhangwagen uitsluitend ingericht voor het personeel en voor het opbergen van materieel of voor één van beide, die zich bestendig op een werf bevindt en slechts uitzonderlijk op de openbare weg komt om van de ene werf naar de andere te worden gereden;
   84. "éénassige aanhangwagen" : elke aanhangwagen, met uitsluiting van opleggers die :
   1° slechts één as bezit;
   2° slechts twee assen heeft, de ene in het verlengde van de andere (schommelassen);
   3° slechts twee assen bezit, waarvan de ene ten hoogste 1 m van de andere is gelegen;
   4° slechts één groep assen bezit, waarvan alle bevestigingselementen aan het chassis op één horizontale as loodrecht op de lengteas van het voertuig zijn gelegen of elke andere groep assen die als gelijkaardig kan worden beschouwd;
   85. "autonome aanhangwagen" : elk getrokken voertuig met ten minste twee assen, waarvan er ten minste één een gestuurde as is, dat is uitgerust met een (ten opzichte van de aanhangwagen) verticaal beweegbare koppelinrichting en geen significante belasting overbrengt op het trekkende voertuig (minder dan 100 daN).
   Wanneer een oplegger aan een dolly wordt gekoppeld, wordt hij als een autonome aanhangwagen beschouwd;
   86. "middenasaanhangwagen" : elke aanhangwagen met een stijve dissel waarvan de as(sen) zich dicht bij het zwaartepunt van het voertuig (indien gelijkmatig belast) bevindt (bevinden), zodat slechts een geringe statische verticale belasting van ten hoogste 10 % van de met de maximummassa van de aanhangwagen overeenkomende belasting of van 1000 decanewton (de lichtste belasting is van toepassing) wordt overgebracht op het trekkende voertuig;
   87. "oplegger" : elk getrokken voertuig dat ontworpen is om aan een opleggertrekkend voertuig of aan een dolly te worden gekoppeld en dat op het trekkende voertuig of de dolly een aanzienlijke statische verticale belasting overbrengt;
   88. "sleep" :elke groep voertuigen die aan elkaar zijn gekoppeld om door één en dezelfde kracht te worden voortbewogen. Wanneer een sleep uit een trekkend voertuig en een oplegger bestaat, wordt hij geleed voertuig genoemd;
   89. "bedrijfsvoertuig" : alle voertuigen die tot de categorieën N1, N2, N3, M2, M3, O1, O2, O3 en O4 behoren;
   90. "chassis" : geheel uit metaal of een ander materiaal dat een raam omvat bestaande uit langsliggers, dwarsliggers en mechanische elementen om het koetswerk te dragen;
   91. "zelfdragende voertuigen" : koetswerk dat aan een als chassis dienend platform is gelast of vast en bestendig is bevestigd;
   92. "passagiersruimte" :het oorspronkelijk of door de constructie voor het vervoer en/of het verblijf van de bestuurder en de passagiers ingerichte deel van het voertuig;
   93. "reminrichting" :het geheel van de organen die als functie hebben de snelheid van een in beweging zijnd voertuig geleidelijk te verminderen of tot nul te brengen of een stilstaand voertuig in stilstand te houden; de inrichting bestaat uit het bedieningsorgaan, de overbrenging en de rem zelf.
   Het bedieningsorgaan is het orgaan dat rechtstreeks door de bestuurder wordt bediend om aan de overbrenging de energie te bezorgen die vereist is om te remmen of ze te beheersen. Die energie kan hetzij de spierkracht van de bestuurder, hetzij een andere door de bestuurder beheerste krachtbron, hetzij, eventueel, de kinetische energie van een aanhangwagen, hetzij een combinatie van deze verschillende soorten energie zijn.
   De overbrenging is het geheel van de organen dat begrepen is tussen het bedieningsorgaan en de rem en ze op rationele wijze verbindt. De overbrenging kan mechanisch, hydraulisch, pneumatisch, elektrisch of gemengd zijn. Wanneer de remming geschiedt door middel van een krachtbron die onafhankelijk is van de bestuurder maar door deze laatste wordt beheerst, maakt de energiereserve ook deel uit van de overbrenging.
   De rem is het orgaan waar de krachten zich ontwikkelen die zich tegen de beweging van het voertuig verzetten;
   94. "luchtvering" : elk veringssysteem waarbij ten minste 75 % van het veringseffect door de luchtveer wordt veroorzaakt;
   95. "veringssysteem dat als gelijkwaardig aan luchtvering wordt erkend" : een veringssysteem voor de as of groep assen dat aan de bepalingen van bijlage 14 voldoet;
   96. "stouwvoorziening" :element dat specifiek is ontworpen en vervaardigd om een lading vast te maken, op haar plaats te houden of te stouwen, inclusief de structurele elementen van het voertuig;
   97. "verankeringspunt" :deel van de structuur, de apparatuur of het toebehoren van een voertuig of een lading waaraan de stouwvoorziening wordt vastgemaakt;
   98. "vrije hoogte boven de grond tussen de assen" : de kleinste afstand tussen het steunvlak en het laagste vaste punt van het voertuig. Meerassige wielstellen worden als één enkele as beschouwd;
   (Beeld niet opgenomen om technische redenen, zie B.St. van 28-04-2009, p. 33649)
   99. "vrije hoogte boven de grond onder een as": de afstand tussen het hoogste punt van een cirkelboog die loopt door het midden van het draagvlak van de wielen van een as (bij uitvoeringen met dubbele banden de binnenwielen) en het laagste vaste punt van het voertuig tussen de wielen.
   Geen enkel stijf voertuigdeel mag zich in het gearceerde segment op de tekening bevinden. De vrije hoogte boven de grond voor verschillende assen kan, overeenkomstig de hoogte van die assen, bijvoorbeeld worden aangegeven met 280/250/250.
   (Beeld niet opgenomen om technische redenen, zie B.St. van 28-04-2009, p. 33649)
   100. "codes voor een EG-kentekenbewijs (e-DIV)" : de codes gebruikt op de kentekenbewijzen zoals vermeld in richtlijn 1999/37/EG;
   101. "technisch toelaatbare maximummassa in beladen toestand (M)" : de door de fabrikant opgegeven, op de constructie en de prestaties gebaseerde maximummassa van het voertuig. Ze wordt bepaald op basis van de weerstand van het chassis en de andere organen van het voertuig.
   Ze wordt gebruikt om de voertuigcategorie te bepalen conform § 1, behalve bij opleggers en middenasaanhangwagens, waar de te gebruiken massa overeenkomt met de belasting op de assen wanneer het voertuig tot zijn technisch toelaatbare maximummassa in beladen toestand is geladen.
   Code : e-DIV : F.1; geregistreerd : F.2
   Ze wordt ook "maximaal toegelaten massa" genoemd en komt overeen met de technisch toelaatbare massa, eventueel beperkt ingevolge de bepalingen van artikel 32 van dit besluit";
   102. "technisch toelaatbare getrokken maximummassa (TM)" : de door de fabrikant opgegeven getrokken maximummassa;
   Code : e-DIV : O.1 (geremde aanhangwagen)
   O.2 (ongeremde aanhangwagen)
   103. "getrokken massa" : hetzij de massa van een aan het motorvoertuig gekoppelde autonome aanhangwagen of oplegger met dolly, hetzij de massa die overeenkomt met de belasting op de assen van een aan het motorvoertuig gekoppelde oplegger of middenasaanhangwagen;
   104. "technisch toelaatbare maximummassa op het koppelpunt van een motorvoertuig" : de massa die overeenkomt met de door de fabrikant opgegeven, op de constructie van het motorvoertuig en/of de koppelinrichting gebaseerde maximaal toelaatbare verticale statische belasting op het koppelpunt. Per definitie omvat deze massa niet de massa van de koppelinrichting bij trekkende voertuigen in rijklare toestand, maar wel bij andere voertuigen;
   105. "technisch toelaatbare maximummassa op het koppelpunt van een oplegger of middenasaanhangwagen" : de massa die overeenkomt met de door de fabrikant van de aanhangwagen opgegeven maximaal toelaatbare verticale statische belasting die door de aanhangwagen op het koppelpunt van het trekkend voertuig wordt overgebracht;
   106. "technisch toelaatbare maximummassa van de as (m)" : de massa die overeenkomt met de door de fabrikant van de aanhangwagen opgegeven maximaal toelaatbare verticale statische belasting die door de as op de grond wordt overgebracht
   Code : e-DIV : N.i voor de as i
   107. "technisch toelaatbare maximummassa van een groep assen (æ)" : de massa die overeenkomt met de door de fabrikant van de aanhangwagen opgegeven en op de constructie van het motorvoertuig gebaseerde maximaal toelaatbare verticale statische belasting die door de groep assen op de grond wordt overgebracht;
   108. "ashefinrichting" : een op een voertuig vast aangebrachte inrichting om de belasting op de as(sen) naargelang de beladingstoestand van het voertuig te verlagen of te verhogen :
   - door de wielen van de grond op te trekken dan wel de wielen op de grond neer te laten, of
   - zonder de wielen van de grond op te trekken (bijvoorbeeld in het geval van luchtvering of andere systemen),
   teneinde de slijtage van de banden te verminderen wanneer het voertuig niet volledig beladen is, en/of het wegrijden van motorvoertuigen of voertuigcombinaties op een gladde bodem te vergemakkelijken door de belasting op de aangedreven as te vergroten;
   109. "hefbare as" : een as die door de ashefinrichting kan worden opgetrokken/ neergelaten;
   110. "belastbare as" : een as waarvan de belasting met behulp van de ashefinrichting kan worden gevarieerd zonder dat de as wordt opgetrokken;
   111. "technisch toelaatbare maximummassa in beladen toestand van de combinatie (MC)" : de door de fabrikant opgegeven, op de constructie van het motorvoertuig gebaseerde maximumwaarde van het totaal van de massa's van motorvoertuig en aanhangwagen in beladen toestand;
   Code : e-DIV : geregistreerd : F.3
   112. "massa van het voertuig in rijklare toestand" : de massa van het lege voertuig met koetswerk, en met de koppelinrichting in het geval van een trekkend voertuig, in rijklare toestand, of de massa van het chassis met cabine indien de fabrikant niet het koetswerk en/of de koppelinrichting levert (met koelvloeistof, smeermiddelen, 90 % brandstof, 100 % andere vloeistoffen met uitzondering van afvalwater, gereedschap, reservewiel en bestuurder (75 kg), en, voor autobussen en autocars, de massa van de bijrijder (75 kg), als er een bijrijderszitplaats in het voertuig is);
   Code : e-DIV : G (trekkend voertuig van een andere categorie dan M1)
   113. "lege massa van het voertuig", ook "tarragewicht" genoemd : de massa van het voertuig in rijklare toestand maar zonder bestuurder.
   Bij kampeerwagens moet de lege massa (tarragewicht) bovendien ook rekening houden met de massa die overeenkomt met de massa van de inhoud van de tot 90% gevulde drinkwater- en gasreservoirs.
   De controle van de massa's en de belastingen per as van motorvoertuigen van de categorie M1 en van kampeerwagens (categorie M) wordt uitgevoerd conform bijlage II, aanhangsel bij richtlijn 95/48/EG van de Commissie van 20 september 1995 houdende aanpassing aan de technische vooruitgang van richtlijn 92/21/EEG van de Raad betreffende massa's en afmetingen van motorvoertuigen van categorie M1.
   114. "laadvermogen" : het verschil tussen de technisch toelaatbare maximummassa in beladen toestand en de massa in rijklare toestand, voor zover dat de maximummassa op de grond onder elk van de assen niet hoger is dan de door de fabrikant voorziene waarde en dat de door de fabrikant voorziene minimummassa op de grond onder de vooras wordt bereikt.
   Het maximumlaadvermogen kan om technische (berekening van de massaverdeling, te hoog zwaartepunt) en fysieke (ladingzekering) redenen worden beperkt.
   115. "massa van de additionele belasting bij voertuigen van de categorie M1" : het verschil tussen de technisch toelaatbare massa in beladen toestand en de massa in rijklare toestand verhoogd met de massa van 75 kg vermenigvuldigd met het aantal passagierszitplaatsen (inclusief klapstoeltjes).
   De massa van de additionele belasting kan de massa van de optionele uitrusting omvatten bijvoorbeeld open dak, airconditioning, koppelinrichting;
   Code : e-DIV : S.1 (het aantal zitplaatsen, die van de bestuurder meegerekend)
   S.2 (desgevallend, het aantal staanplaatsen).
   116. "datum van eerste inverkeerstelling" :het ogenblik waarop het voertuig in nieuwe staat voor de eerste maal wordt gebruikt;
   117. "datum van eerste inverkeerstelling in België" :het ogenblik waarop het voertuig voor de eerste maal in België wordt gebruikt, hetzij als voertuig in nieuwe staat, hetzij als ingevoerd voertuig in gebruikte staat;
   118. "datum van opnieuw in het verkeer stellen in België" :het ogenblik waarop het voertuig opnieuw in het verkeer wordt gesteld in België na verandering van titularis of op het ogenblik waarop het voertuig, dat in België slechts tijdelijk was ingeschreven, opnieuw in het verkeer wordt gesteld onder een Belgische nummerplaat.]2
  [3 119° " commercieel gebruik " : elk gebruik dat bedoeld is voor of gericht is op zakelijk of persoonlijk financieel gewin;
   120° " professioneel gebruik " : elk gebruik ten behoeve van de beroepsuitoefening of de bedrijfsvoering;
   121° " woon-werkverkeer " : de verplaatsing van en naar de plaats van tewerkstelling;
   122° " woon-schoolverkeer " : de verplaatsing van en naar een onderwijsinstelling door studerenden;]3
  [7 124° gebreken: de technische defecten of andere vormen van niet-naleving die tijdens een technische controle worden vastgesteld;
   125° kleine gebreken: de gebreken die geen belangrijke gevolgen hebben voor de veiligheid van het voertuig of geen gevolgen hebben voor het milieu, en andere kleine vormen van niet-naleving;
   126° grote gebreken: de gebreken die de veiligheid van het voertuig in gevaar brengen of gevolgen hebben voor het milieu, of andere weggebruikers in gevaar brengen en andere belangrijke gevallen van niet-naleving;
   127° gevaarlijke gebreken: de gebreken die een direct en onmiddellijk gevaar voor de verkeersveiligheid vormen of gevolgen hebben voor het milieu.]7
  [5 De RD methode is een methode ontwikkeld voor de evaluatie van de remdoelmatigheid bij MTM op een leeg voertuig. In de grafiek remkracht in functie van remcilinderdruk wordt voor elke as en het voertuig de minimumcriteria, die overeenkomen met de vereiste remdoelmatigheid voor dat specifiek voertuig met zijn specifieke maximale massa's en MTM, opgesteld waaraan het opgemeten voertuig minimaal dient te voldoen.]5
  § 3. Verhoudingen tussen de internationale en de nationale voertuigcategorieën :
  1. categorie M1 omvat de personenauto's, de auto's voor dubbel gebruik en de minibussen;
  2. categorie M2 omvat de autobussen en autocars met een maximale massa kleiner of gelijk aan 5 000 kg;
  3. categorie M3 omvat de autobussen en autocars met een maximale massa boven 5 000 kg;
  4. categorie N1 omvat de auto's voor dubbel gebruik ingericht voor het vervoer van goederen, de trekkers en de lichte vrachtauto's met een maximale massa kleiner of gelijk aan 3 500 kg;
  5. categorie N2 omvat de vrachtwagens en de trekkers met een maximale massa boven 3 500 kg maar kleiner of gelijk aan 12 000 kg;
  6. categorie N3 omvat de vrachtwagens en de trekkers met een maximale massa boven 12 000 kg;
  7. categorie 01 omvat de aanhangers met een maximale massa beneden of gelijk aan 750 kg;
  8. categorie 02 omvat de aanhangwagens en opleggers met een maximale massa boven 750 kg maar kleiner of gelijk aan 3 500 kg;
  9. categorie 03 omvat de aanhangwagens en opleggers met een maximale massa boven 3 500 kg maar kleiner of gelijk aan 10 000 kg.
  10. categorie 04 omvat de aanhangwagens en opleggers met een maximale massa boven 10 000 kg.
  
----------
  (1)<KB 2009-04-14/22, art. 2, 040; Inwerkingtreding : 08-05-2009>
  (2)<KB 2009-04-14/25, art. 2, 041; Inwerkingtreding : 29-04-2009 of later, volgens categorieën>
  (3)<KB 2013-06-17/03, art. 1, 055; Inwerkingtreding : 01-07-2013>
  (4)<KB 2013-07-10/38, art. 1, 056; Inwerkingtreding : 01-09-2013>
  (5)<KB 2013-10-18/24, art. 1, 059; Inwerkingtreding : 05-12-2013>
  (6)<BVR 2015-07-10/11, art. 1, 067; Inwerkingtreding : 04-09-2015>
  (7)<BVR 2018-04-27/14, art. 2, 081; Inwerkingtreding : 20-05-2018>

  Art. 2.<KB 12-12-1975, art. 2> Toepassingssfeer.
  § 1. De bepalingen van dit algemeen reglement zijn toepasselijk op de auto's die rijden onder dekking van een Belgische inschrijvingsplaat en op de erdoor getrokken Belgische aanhangwagens.
  (§ 2. Nochtans zijn zekere voertuigcategorieën slechts onderworpen aan bepaalde voorschriften van dit algemeen reglement.
  Deze zijn :
  1° De voertuigen in dienst genomen vóór 15 juni 1968, met uitzondering van de landbouwaanhangwagens vermeld onder punt 11°.
  [2 Deze zijn slechts onderworpen aan de bepalingen van de artikelen 10, § 2, punten 9 en 10 § 4, punt 1, eerste lid, 18 § 3, 19 § 3, 20 § 1, derde lid, § 2, 21, 22, 23 tot 23undecies, 24, 25, 26, 28, 31 §§ 1, 3, 4, 32 §§ 1, 2, 3, 34 §§ 1, 3, 36, 39, 40, 54, 55, 56, 67 §§ 1, 4, 70 tot 78 van dit besluit;]2
  2° De voertuigen in dienst genomen na 15 juni 1968 en vóór 15 juni 1969.
  Deze zijn slechts onderworpen aan de bepalingen van de [1 artikelen 3 tot 16ter]1, 17 tot 19, 20, § 1, derde lid, § 2, 21 tot 58, 59, § 2, § 3, § 4, § 5, 64, § 2, § 3, 65 tot 78 van dit besluit;
  3° De voertuigen van speciale constructie die, wegens bouw en oorsprong, op horizontale wegen een snelheid van ten hoogste 30 km/u. kunnen bereiken, evenals de aanhangwagens van speciale constructie die niet uitgerust zijn met een ophanging en waarvan de snelheid tot 30 km/u. wordt beperkt.
  Deze zijn slechts onderworpen aan de bepalingen van de artikelen [1 3 § 1, 10 § 4.1]1, 28, 31, 32, 32bis, 34, 43, 44, 45, 47, 54, 70 en 78 van dit besluit.
  4° De voertuigen van speciale constructie die, wegens constructie en oorsprong, op horizontale wegen de snelheid van 30 km/u. kunnen overschrijden, evenals de aanhangwagens van speciale constructie die niet uitgerust zijn met een ophanging en waarvan de snelheid 30 km/u. overschrijdt.
  Deze zijn slechts onderworpen aan de artikelen [1 3 § 1, 10 § 4]1 tot 22 en 25 tot 82 van dit besluit.
  5° De voertuigen ingeschreven onder een voor het Ministerie van Landsverdediging bestemd bijzonder plaatnummer.
  Deze zijn slechts onderworpen aan de bepalingen van de artikelen 28, § 1, § 2, 43, § 2, § 3, 44, § 1, 45, 54, 70, § 2 en 78 van dit besluit.
  (6° [De voertuigen ingeschreven onder een tijdelijke kentekenplaat, of onder een CD-plaat, alsook de verongelukte voertuigen, ingeschreven onder deze platen.
  [3 Deze zijn enkel onderworpen aan de bepalingen van de artikelen 10, § 4; 23 tot 23undecies; 24; 26; 28; 30 tot 35; 41; 42, eerste tot vijfde lid; 43, punt 1; 44 tot 53; 55; 57, §§ 1 tot 4; 58; 59; 67; 70; 71 en 78 van dit besluit.]3
  7° [2 De voertuigen die sedert meer dan vijfentwintig jaar in gebruik zijn genomen en die ingeschreven zijn onder [4 een van de kentekenplaten bedoeld in]4 artikel 4, § 2 van het ministerieel besluit van 23 juli 2001 betreffende de inschrijving van voertuigen, zijn enkel onderworpen aan de bepalingen van de artikelen 10 § 4, punt 1, eerste lid, 23 §§ 1, 3, 4, 5, 6 en 7, 23sexies § 1, 1°, 3° en 6°, en § 2, 25, 26, 42, 45 § 1, 1° en 3°, 47 § 1, punt 1, eerste lid, 54, § 1, 1° en 3°, 70 § 2 en 80 van dit besluit.
   Deze voertuigen zijn uitgesloten van volgend gebruik :
   - commercieel en professioneel gebruik;
   - woon-werkverkeer en woon-schoolverkeer;
   - bezoldigd vervoer en met bezoldigd vervoer van personen gelijkgesteld gratis vervoer;
   - gebruik als werktuig of werkmiddel alsook voor interventieopdrachten.
   Voor voertuigen uitgerust met rupsbanden wordt het gebruik beperkt tot :
   - oldtimermanifestaties;
   - proefritten binnen een straal van 3 km vanaf de stallingsplaats van het voertuig.]2
  8° De [5 toeristische miniatuurtreinslepen]5 gebezigd als attractie, [5 ...]5 met een snelheid van ten hoogste [5 25 km/u.]5, mits de exploitatie ervan, door de gemeenteoverheid als " openbare ontspanning " wordt toegelaten en zij voldoen aan de voorschriften van de gemeentelijke machtiging.
  Deze zijn slechts onderworpen aan de bepalingen van de artikelen 28, 31, 32, 32bis, 34, 43, 44, 45, 54 en 70 van dit besluit.
  9° De landbouwaanhangwagens van ambachtelijke makelij, bestemd om gebruikt te worden door de aanvrager (hierin begrepen alle vormen van onderlinge bedrijfshulp of gemeenschappelijk gebruik) en om uitsluitend getrokken te worden door landbouwvoertuigen voor traag vervoer, zijn slechts onderworpen aan de bepalingen van de [1 artikelen 3bis , 10 § 2.8, 10 § 2.11]1, 17, 18, 19, § 1, 21, § 1, 22, (23 tot 23undecies), 24, § 1 tot § 4, 25, 26, 27, 28, 31, 32, § 5, 32bis, 34, § 1, 35, 47 tot 53, 54, § 1, 1°, 3°, 5°, § 2, § 3, § 4 en § 8, 55, 78, 80 en 81 van dit besluit. <KB 1998-12-15/32, art. 2, 4°, 017; Inwerkingtreding : 01-01-1999>
  Deze voertuigen mogen niet in de handel gebracht worden.
  10° De landbouwaanhangwagens gebouwd door de erkende constructeurs als " enig voertuig " en bestemd om uitsluitend getrokken te worden door landbouwvoertuigen voor traag vervoer zijn slechts onderworpen aan de bepalingen van de [1 artikelen 3bis , 10 § 2.8, 10 § 2.11]1, 17, 18, 19, § 1, 21, § 1, 22, (23 tot 23 undecies), (24, §§ 1 tot 3), 25, 26, 27, 28, 31, 32, § 5, 32bis, 34, 35, 47 tot 53, 54, § 1, 1°, 3°, 5°, § 2, § 3, § 4 en § 8, 55, 78, 80 en 81 van dit besluit. <KB 1998-12-15/32, art. 2, 5°, 017; Inwerkingtreding : 01-01-1999>
  11° De landbouwaanhangwagens in dienst genomen vóór 15 juni 1968, voor zover dat zij het onderwerp uitmaakten van een identificatie en een regularisatie, hetzij door een [instelling] voor automobielinspectie, hetzij door het Ministerie van Landbouw. <KB 1991-09-16/33, art. 2, 010; Inwerkingtreding : 16-10-1991>
  Deze zijn slechts onderworpen aan de bepalingen van de [1 artikelen 3bis , 10 § 2.8, 10 § 2.9, 10 § 2.10]1, 21, § 1, 25, 26, § 2, 28, 31, 32, § 1, § 2, § 3, 34, § 1, 54, § 1, 1°, 3°, 5°, 55 en 78 van dit besluit.) <KB 16-11-1984, art. 2>
  (12. De zelfrijdende voertuigen gebruikt als praalwagen en de voertuigen die een praalaanhangwagen trekken en slechts bij uitzondering op de openbare weg komen ter gelegenheid van behoorlijk toegelaten folkloristische manifestaties, ofwel voor proefritten met het oog op die manifestaties, ofwel om zich naar die manifestaties te begeven, met een snelheid van ten hoogste 25 km per uur, en zij voldoen aan de voorschriften van de gemeentelijke machtiging.
  Deze zijn slechts onderworpen aan de bepalingen van artikel 44, 45, 54 en 70 van dit besluit.) <KB 2008-01-27/30, art. 1, 036; Inwerkingtreding : 29-01-2008>
  (§ 3. De landbouwmotors en hun aanhangwagens zijn slechts onderworpen aan de bepalingen van het artikel 3 van dit besluit.) <KB 03-08-1981, art. 3>
  (§ 3bis. Zijn niet onderworpen aan de voorschriften van onderhavig algemeen reglement : de rupsvoertuigen van het leger evenals de privé-voertuigen van de leden van de Strijdkrachten, van de leden van het burgerpersoneel en van de personen ten laste, ingeschreven door de Opperbevelhebber van de Belgische Strijdkrachten in Duitsland bij toepassing van de bepalingen van het Verdrag ter aanvulling van de Overeenkomst tussen de Lid-Staten van het Noord-Atlantisch Verdrag betreffende het Statuut van hun Strijdkrachten, inzake de in de Duitse Bondsrepubliek gelegerde eenheden, en van het Ondertekeningsprotokol van het aanvullend Verdrag, ondertekend te Bonn op 3 augustus 1959 en bekrachtigd door de wet van 6 mei 1963.) <KB 13-09-1985, art. 2>
  (Dit besluit is evenmin van toepassing op vierwielers, met een lege massa van ten hoogste 400 kg (550 kg voor voertuigen gebruikt in het goederenvervoer), exclusief de massa van de batterijen in elektrische voertuigen, met een motor met een netto maximumvermogen van ten hoogste 15 kW. Deze voertuigen worden beschouwd als driewielers.) <KB 2003-03-17/34, art. 2, 026; Inwerkingtreding : 01-05-2003>
  (§ 3ter. Zijn niet onderworpen aan de voorschriften van onderhavig algemeen reglement : de praalaanhangwagens die slechts bij uitzondering op de openbare weg komen ter gelegenheid van behoorlijk toegelaten folkloristische manifestaties, ofwel voor proefritten met het oog op die manifestaties, ofwel om zich naar die manifestaties te begeven, met een snelheid van ten hoogste 25 km per uur, en zij voldoen aan de voorschriften van de gemeentelijke machtiging.) <KB 2008-01-27/30, art. 1, 036; Inwerkingtreding : 29-01-2008>
  (§ 4. De in het buitenland ingeschreven motorvoertuigen moeten, om in België tot het verkeer op de openbare weg te worden toegelaten, voldoen aan de technische eisen opgenomen in de Internationale conventie inzake het wegverkeer.
  Dit geldt eveneens voor de buitenlandse aanhangwagens die erdoor getrokken worden of die getrokken worden door een in België ingeschreven motorvoertuig.
  (Op gebied van massa's en afmetingen moeten deze voertuigen voldoen aan de bepalingen van artikel 32bis).) <KB 1989-05-22/34, art. 1, 005; Inwerkingtreding : 01-06-1989> <KB 1998-12-15/32, art. 2, 6°, 017; Inwerkingtreding : 01-01-1999>
  (In het buitenland ingeschreven voertuigen, bestemd voor uitzonderlijk vervoer, die de maximumwaarden inzake massa's en afmetingen, voorzien in artikel 32bis, overschrijden, mogen het wegennet op het Belgisch grondgebied gebruiken volgens een reisweg die door de Dienst Uitzonderlijk Vervoer van de Federale Overheidsdienst Mobiliteit en Vervoer vastgelegd wordt mits ze gedekt zijn door een speciale toelating tot het verkeer, afgegeven door de bevoegde autoriteit van het land van inschrijving. Deze toelating wordt aangemerkt als een afwijking van artikel 32bis, op dezelfde wijze als die conform met artikel 78, § 1, 2°, b) van dit besluit afgeleverd zou worden.
  Alleen de originele toelating of een door een bevoegde autoriteit van het land van oorsprong gelijkvormig verklaarde kopie is geldig.) <KB 2003-03-17/34, art. 2, 026; Inwerkingtreding : 01-05-2003>
  ----------
  (1)<KB 2009-04-14/25, art. 3, 041; Inwerkingtreding : 29-04-2009 of later, volgens categorieën>
  (2)<KB 2013-06-17/03, art. 2, 055; Inwerkingtreding : 01-07-2013>
  (3)<KB 2013-10-18/24, art. 2, 059; Inwerkingtreding : 05-12-2013>
  (4)<KB 2014-03-28/06, art. 3, 063; Inwerkingtreding : 31-03-2014>
  (5)<W 2015-12-06/19, art. 2, 068; Inwerkingtreding : 28-01-2016>

  Art. 2_WAALS_GEWEST.
   <KB 12-12-1975, art. 2> Toepassingssfeer.
  § 1. De bepalingen van dit algemeen reglement zijn toepasselijk op de auto's die rijden onder dekking van een Belgische inschrijvingsplaat en op de erdoor getrokken Belgische aanhangwagens.
  (§ 2. Nochtans zijn zekere voertuigcategorieën slechts onderworpen aan bepaalde voorschriften van dit algemeen reglement.
  Deze zijn :
  1° De voertuigen in dienst genomen vóór 15 juni 1968, met uitzondering van de landbouwaanhangwagens vermeld onder punt 11°.
  [2 Deze zijn slechts onderworpen aan de bepalingen van de artikelen 10, § 2, punten 9 en 10 § 4, punt 1, eerste lid, 18 § 3, 19 § 3, 20 § 1, derde lid, § 2, 21, 22, 23 tot 23undecies, 24, 25, 26, 28, 31 §§ 1, 3, 4, 32 §§ 1, 2, 3, 34 §§ 1, 3, 36, 39, 40, 54, 55, 56, 67 §§ 1, 4, 70 tot 78 van dit besluit;]2
  2° De voertuigen in dienst genomen na 15 juni 1968 en vóór 15 juni 1969.
  Deze zijn slechts onderworpen aan de bepalingen van de [1 artikelen 3 tot 16ter]1, 17 tot 19, 20, § 1, derde lid, § 2, 21 tot 58, 59, § 2, § 3, § 4, § 5, 64, § 2, § 3, 65 tot 78 van dit besluit;
  3° De voertuigen van speciale constructie die, wegens bouw en oorsprong, op horizontale wegen een snelheid van ten hoogste 30 km/u. kunnen bereiken, evenals de aanhangwagens van speciale constructie die niet uitgerust zijn met een ophanging en waarvan de snelheid tot 30 km/u. wordt beperkt.
  Deze zijn slechts onderworpen aan de bepalingen van de artikelen [1 3 § 1, 10 § 4.1]1, 28, 31, 32, 32bis, 34, 43, 44, 45, 47, 54, 70 en 78 van dit besluit.
  4° De voertuigen van speciale constructie die, wegens constructie en oorsprong, op horizontale wegen de snelheid van 30 km/u. kunnen overschrijden, evenals de aanhangwagens van speciale constructie die niet uitgerust zijn met een ophanging en waarvan de snelheid 30 km/u. overschrijdt.
  Deze zijn slechts onderworpen aan de artikelen [1 3 § 1, 10 § 4]1 tot 22 en 25 tot 82 van dit besluit.
  5° De voertuigen ingeschreven onder een voor het Ministerie van Landsverdediging bestemd bijzonder plaatnummer.
  Deze zijn slechts onderworpen aan de bepalingen van de artikelen 28, § 1, § 2, 43, § 2, § 3, 44, § 1, 45, 54, 70, § 2 en 78 van dit besluit.
  (6° [De voertuigen ingeschreven onder een tijdelijke kentekenplaat, of onder een CD-plaat, alsook de verongelukte voertuigen, ingeschreven onder deze platen.
  [3 Deze zijn enkel onderworpen aan de bepalingen van de artikelen 10, § 4; 23 tot 23undecies; 24; 26; 28; 30 tot 35; 41; 42, eerste tot vijfde lid; 43, punt 1; 44 tot 53; 55; 57, §§ 1 tot 4; 58; 59; 67; 70; 71 en 78 van dit besluit.]3
  7° [2 [6 De voertuigen die sedert meer dan vijfentwintig jaar in gebruik zijn genomen en die ingeschreven zijn onder een van de kentekenplaten bedoeld in artikel 4, § 2 van het ministerieel besluit van 23 juli 2001 betreffende de inschrijving van voertuigen, zijn enkel onderworpen aan de bepalingen van de artikelen 10 § 4, 1, eerste lid, 23 § 1, § 2, A en D, § 3, § 4, § 5, § 6 en § 7, 23bis, § 1, § 2, § 4, § 5, 23ter, 23quater, 23quinquies, 23sexies § 1, 1°, 2°, 4° en 6°, § 2, § 3 en § 4, 1°, 23septies, 23octies, 23novies, § 1 en 3, 23decies, 23undecies, 24, 25, 26, 42, 45, § 1, 1° en 3°, 47, § 1, 1, alinéa 1, 54, § 1, 1° en 3°, 70, § 2 en 80. ]6
   Deze voertuigen zijn uitgesloten van volgend gebruik :
   - commercieel en professioneel gebruik;
   - woon-werkverkeer en woon-schoolverkeer;
   - bezoldigd vervoer en met bezoldigd vervoer van personen gelijkgesteld gratis vervoer;
   - gebruik als werktuig of werkmiddel alsook voor interventieopdrachten.
   Voor voertuigen uitgerust met rupsbanden wordt het gebruik beperkt tot :
   - oldtimermanifestaties;
   - proefritten binnen een straal van 3 km vanaf de stallingsplaats van het voertuig.]2
  8° De [5 toeristische miniatuurtreinslepen]5 gebezigd als attractie, [5 ...]5 met een snelheid van ten hoogste [5 25 km/u.]5, mits de exploitatie ervan, door de gemeenteoverheid als " openbare ontspanning " wordt toegelaten en zij voldoen aan de voorschriften van de gemeentelijke machtiging.
  Deze zijn slechts onderworpen aan de bepalingen van de artikelen 28, 31, 32, 32bis, 34, 43, 44, 45, 54 en 70 van dit besluit.
  9° De landbouwaanhangwagens van ambachtelijke makelij, bestemd om gebruikt te worden door de aanvrager (hierin begrepen alle vormen van onderlinge bedrijfshulp of gemeenschappelijk gebruik) en om uitsluitend getrokken te worden door landbouwvoertuigen voor traag vervoer, zijn slechts onderworpen aan de bepalingen van de [1 artikelen 3bis , 10 § 2.8, 10 § 2.11]1, 17, 18, 19, § 1, 21, § 1, 22, (23 tot 23undecies), 24, § 1 tot § 4, 25, 26, 27, 28, 31, 32, § 5, 32bis, 34, § 1, 35, 47 tot 53, 54, § 1, 1°, 3°, 5°, § 2, § 3, § 4 en § 8, 55, 78, 80 en 81 van dit besluit. <KB 1998-12-15/32, art. 2, 4°, 017; Inwerkingtreding : 01-01-1999>
  Deze voertuigen mogen niet in de handel gebracht worden.
  10° De landbouwaanhangwagens gebouwd door de erkende constructeurs als " enig voertuig " en bestemd om uitsluitend getrokken te worden door landbouwvoertuigen voor traag vervoer zijn slechts onderworpen aan de bepalingen van de [1 artikelen 3bis , 10 § 2.8, 10 § 2.11]1, 17, 18, 19, § 1, 21, § 1, 22, (23 tot 23 undecies), (24, §§ 1 tot 3), 25, 26, 27, 28, 31, 32, § 5, 32bis, 34, 35, 47 tot 53, 54, § 1, 1°, 3°, 5°, § 2, § 3, § 4 en § 8, 55, 78, 80 en 81 van dit besluit. <KB 1998-12-15/32, art. 2, 5°, 017; Inwerkingtreding : 01-01-1999>
  11° De landbouwaanhangwagens in dienst genomen vóór 15 juni 1968, voor zover dat zij het onderwerp uitmaakten van een identificatie en een regularisatie, hetzij door een [instelling] voor automobielinspectie, hetzij door het Ministerie van Landbouw. <KB 1991-09-16/33, art. 2, 010; Inwerkingtreding : 16-10-1991>
  Deze zijn slechts onderworpen aan de bepalingen van de [1 artikelen 3bis , 10 § 2.8, 10 § 2.9, 10 § 2.10]1, 21, § 1, 25, 26, § 2, 28, 31, 32, § 1, § 2, § 3, 34, § 1, 54, § 1, 1°, 3°, 5°, 55 en 78 van dit besluit.) <KB 16-11-1984, art. 2>
  (12. De zelfrijdende voertuigen gebruikt als praalwagen en de voertuigen die een praalaanhangwagen trekken en slechts bij uitzondering op de openbare weg komen ter gelegenheid van behoorlijk toegelaten folkloristische manifestaties, ofwel voor proefritten met het oog op die manifestaties, ofwel om zich naar die manifestaties te begeven, met een snelheid van ten hoogste 25 km per uur, en zij voldoen aan de voorschriften van de gemeentelijke machtiging.
  Deze zijn slechts onderworpen aan de bepalingen van artikel 44, 45, 54 en 70 van dit besluit.) <KB 2008-01-27/30, art. 1, 036; Inwerkingtreding : 29-01-2008>
  (§ 3. De landbouwmotors en hun aanhangwagens zijn slechts onderworpen aan de bepalingen van het artikel 3 van dit besluit.) <KB 03-08-1981, art. 3>
  (§ 3bis. Zijn niet onderworpen aan de voorschriften van onderhavig algemeen reglement : de rupsvoertuigen van het leger evenals de privé-voertuigen van de leden van de Strijdkrachten, van de leden van het burgerpersoneel en van de personen ten laste, ingeschreven door de Opperbevelhebber van de Belgische Strijdkrachten in Duitsland bij toepassing van de bepalingen van het Verdrag ter aanvulling van de Overeenkomst tussen de Lid-Staten van het Noord-Atlantisch Verdrag betreffende het Statuut van hun Strijdkrachten, inzake de in de Duitse Bondsrepubliek gelegerde eenheden, en van het Ondertekeningsprotokol van het aanvullend Verdrag, ondertekend te Bonn op 3 augustus 1959 en bekrachtigd door de wet van 6 mei 1963.) <KB 13-09-1985, art. 2>
  (Dit besluit is evenmin van toepassing op vierwielers, met een lege massa van ten hoogste 400 kg (550 kg voor voertuigen gebruikt in het goederenvervoer), exclusief de massa van de batterijen in elektrische voertuigen, met een motor met een netto maximumvermogen van ten hoogste 15 kW. Deze voertuigen worden beschouwd als driewielers.) <KB 2003-03-17/34, art. 2, 026; Inwerkingtreding : 01-05-2003>
  (§ 3ter. Zijn niet onderworpen aan de voorschriften van onderhavig algemeen reglement : de praalaanhangwagens die slechts bij uitzondering op de openbare weg komen ter gelegenheid van behoorlijk toegelaten folkloristische manifestaties, ofwel voor proefritten met het oog op die manifestaties, ofwel om zich naar die manifestaties te begeven, met een snelheid van ten hoogste 25 km per uur, en zij voldoen aan de voorschriften van de gemeentelijke machtiging.) <KB 2008-01-27/30, art. 1, 036; Inwerkingtreding : 29-01-2008>
  (§ 4. De in het buitenland ingeschreven motorvoertuigen moeten, om in België tot het verkeer op de openbare weg te worden toegelaten, voldoen aan de technische eisen opgenomen in de Internationale conventie inzake het wegverkeer.
  Dit geldt eveneens voor de buitenlandse aanhangwagens die erdoor getrokken worden of die getrokken worden door een in België ingeschreven motorvoertuig.
  (Op gebied van massa's en afmetingen moeten deze voertuigen voldoen aan de bepalingen van artikel 32bis).) <KB 1989-05-22/34, art. 1, 005; Inwerkingtreding : 01-06-1989> <KB 1998-12-15/32, art. 2, 6°, 017; Inwerkingtreding : 01-01-1999>
  (In het buitenland ingeschreven voertuigen, bestemd voor uitzonderlijk vervoer, die de maximumwaarden inzake massa's en afmetingen, voorzien in artikel 32bis, overschrijden, mogen het wegennet op het Belgisch grondgebied gebruiken volgens een reisweg die door de Dienst Uitzonderlijk Vervoer van de Federale Overheidsdienst Mobiliteit en Vervoer vastgelegd wordt mits ze gedekt zijn door een speciale toelating tot het verkeer, afgegeven door de bevoegde autoriteit van het land van inschrijving. Deze toelating wordt aangemerkt als een afwijking van artikel 32bis, op dezelfde wijze als die conform met artikel 78, § 1, 2°, b) van dit besluit afgeleverd zou worden.
  Alleen de originele toelating of een door een bevoegde autoriteit van het land van oorsprong gelijkvormig verklaarde kopie is geldig.) <KB 2003-03-17/34, art. 2, 026; Inwerkingtreding : 01-05-2003>
  
----------
  (1)<KB 2009-04-14/25, art. 3, 041; Inwerkingtreding : 29-04-2009 of later, volgens categorieën>
  (2)<KB 2013-06-17/03, art. 2, 055; Inwerkingtreding : 01-07-2013>
  (3)<KB 2013-10-18/24, art. 2, 059; Inwerkingtreding : 05-12-2013>
  (4)<KB 2014-03-28/06, art. 3, 063; Inwerkingtreding : 31-03-2014>
  (5)<W 2015-12-06/19, art. 2, 068; Inwerkingtreding : 28-01-2016>
  (6)<BESL 2018-11-29/02, art. 3, 082; Inwerkingtreding : 01-12-2018>

  Art. 2_BRUSSELS_HOOFDSTEDELIJK_GEWEST.
   <KB 12-12-1975, art. 2> Toepassingssfeer.
  § 1. De bepalingen van dit algemeen reglement zijn toepasselijk op de auto's die rijden onder dekking van een Belgische inschrijvingsplaat en op de erdoor getrokken Belgische aanhangwagens.
  (§ 2. Nochtans zijn zekere voertuigcategorieën slechts onderworpen aan bepaalde voorschriften van dit algemeen reglement.
  Deze zijn :
  1° De voertuigen in dienst genomen vóór 15 juni 1968, met uitzondering van de landbouwaanhangwagens vermeld onder punt 11°.
  [2 Deze zijn slechts onderworpen aan de bepalingen van de artikelen 10, § 2, punten 9 en 10 § 4, punt 1, eerste lid, 18 § 3, 19 § 3, 20 § 1, derde lid, § 2, 21, 22, 23 tot 23undecies, 24, 25, 26, 28, 31 §§ 1, 3, 4, 32 §§ 1, 2, 3, 34 §§ 1, 3, 36, 39, 40, 54, 55, 56, 67 §§ 1, 4, 70 tot 78 van dit besluit;]2
  2° De voertuigen in dienst genomen na 15 juni 1968 en vóór 15 juni 1969.
  Deze zijn slechts onderworpen aan de bepalingen van de [1 artikelen 3 tot 16ter]1, 17 tot 19, 20, § 1, derde lid, § 2, 21 tot 58, 59, § 2, § 3, § 4, § 5, 64, § 2, § 3, 65 tot 78 van dit besluit;
  3° De voertuigen van speciale constructie die, wegens bouw en oorsprong, op horizontale wegen een snelheid van ten hoogste 30 km/u. kunnen bereiken, evenals de aanhangwagens van speciale constructie die niet uitgerust zijn met een ophanging en waarvan de snelheid tot 30 km/u. wordt beperkt.
  Deze zijn slechts onderworpen aan de bepalingen van de artikelen [1 3 § 1, 10 § 4.1]1, 28, 31, 32, 32bis, 34, 43, 44, 45, 47, 54, 70 en 78 van dit besluit.
  4° De voertuigen van speciale constructie die, wegens constructie en oorsprong, op horizontale wegen de snelheid van 30 km/u. kunnen overschrijden, evenals de aanhangwagens van speciale constructie die niet uitgerust zijn met een ophanging en waarvan de snelheid 30 km/u. overschrijdt.
  Deze zijn slechts onderworpen aan de artikelen [1 3 § 1, 10 § 4]1 tot 22 en 25 tot 82 van dit besluit.
  5° De voertuigen ingeschreven onder een voor het Ministerie van Landsverdediging bestemd bijzonder plaatnummer.
  Deze zijn slechts onderworpen aan de bepalingen van de artikelen 28, § 1, § 2, 43, § 2, § 3, 44, § 1, 45, 54, 70, § 2 en 78 van dit besluit.
  (6° [De voertuigen ingeschreven onder een tijdelijke kentekenplaat, of onder een CD-plaat, alsook de verongelukte voertuigen, ingeschreven onder deze platen.
  [3 Deze zijn enkel onderworpen aan de bepalingen van de artikelen 10, § 4; 23 tot 23undecies; 24; 26; 28; 30 tot 35; 41; 42, eerste tot vijfde lid; 43, punt 1; 44 tot 53; 55; 57, §§ 1 tot 4; 58; 59; 67; 70; 71 en 78 van dit besluit.]3
  7° [2 De voertuigen die sinds meer dan vijfentwintig jaar in gebruik zijn genomen en die ingeschreven zijn onder een van de kentekenplaten, vermeld in artikel 4, § 2, van het ministerieel besluit van 23 juli 2001 betreffende de inschrijving van voertuigen, zijn alleen onderworpen aan artikel 10, § 4, punt 1, eerste lid, artikel 23, 23bis § 1, § 2, § 4 en § 5, artikel 23ter tot en met 23octies, artikel 23novies § 1, § 3 en § 4, artikel 23decies tot en met 26, artikel 42, 45, § 1, 1° en 3°, artikel 47, § 1, punt 1, eerste lid, artikel 54, § 1, 1° en 3°, artikel 70, § 2, en artikel 80 van dit besluit.
   Deze voertuigen zijn uitgesloten van volgend gebruik :
   - commercieel en professioneel gebruik;
   - woon-werkverkeer en woon-schoolverkeer;
   - bezoldigd vervoer en met bezoldigd vervoer van personen gelijkgesteld gratis vervoer;
   - gebruik als werktuig of werkmiddel alsook voor interventieopdrachten.
   Voor voertuigen uitgerust met rupsbanden wordt het gebruik beperkt tot :
   - oldtimermanifestaties;
   - proefritten binnen een straal van 3 km vanaf de stallingsplaats van het voertuig.]2
  8° De [5 toeristische miniatuurtreinslepen]5 gebezigd als attractie, [5 ...]5 met een snelheid van ten hoogste [5 25 km/u.]5, mits de exploitatie ervan, door de gemeenteoverheid als " openbare ontspanning " wordt toegelaten en zij voldoen aan de voorschriften van de gemeentelijke machtiging.
  Deze zijn slechts onderworpen aan de bepalingen van de artikelen 28, 31, 32, 32bis, 34, 43, 44, 45, 54 en 70 van dit besluit.
  9° De landbouwaanhangwagens van ambachtelijke makelij, bestemd om gebruikt te worden door de aanvrager (hierin begrepen alle vormen van onderlinge bedrijfshulp of gemeenschappelijk gebruik) en om uitsluitend getrokken te worden door landbouwvoertuigen voor traag vervoer, zijn slechts onderworpen aan de bepalingen van de [1 artikelen 3bis , 10 § 2.8, 10 § 2.11]1, 17, 18, 19, § 1, 21, § 1, 22, (23 tot 23undecies), 24, § 1 tot § 4, 25, 26, 27, 28, 31, 32, § 5, 32bis, 34, § 1, 35, 47 tot 53, 54, § 1, 1°, 3°, 5°, § 2, § 3, § 4 en § 8, 55, 78, 80 en 81 van dit besluit. <KB 1998-12-15/32, art. 2, 4°, 017; Inwerkingtreding : 01-01-1999>
  Deze voertuigen mogen niet in de handel gebracht worden.
  10° De landbouwaanhangwagens gebouwd door de erkende constructeurs als " enig voertuig " en bestemd om uitsluitend getrokken te worden door landbouwvoertuigen voor traag vervoer zijn slechts onderworpen aan de bepalingen van de [1 artikelen 3bis , 10 § 2.8, 10 § 2.11]1, 17, 18, 19, § 1, 21, § 1, 22, (23 tot 23 undecies), (24, §§ 1 tot 3), 25, 26, 27, 28, 31, 32, § 5, 32bis, 34, 35, 47 tot 53, 54, § 1, 1°, 3°, 5°, § 2, § 3, § 4 en § 8, 55, 78, 80 en 81 van dit besluit. <KB 1998-12-15/32, art. 2, 5°, 017; Inwerkingtreding : 01-01-1999>
  11° De landbouwaanhangwagens in dienst genomen vóór 15 juni 1968, voor zover dat zij het onderwerp uitmaakten van een identificatie en een regularisatie, hetzij door een [instelling] voor automobielinspectie, hetzij door het Ministerie van Landbouw. <KB 1991-09-16/33, art. 2, 010; Inwerkingtreding : 16-10-1991>
  Deze zijn slechts onderworpen aan de bepalingen van de [1 artikelen 3bis , 10 § 2.8, 10 § 2.9, 10 § 2.10]1, 21, § 1, 25, 26, § 2, 28, 31, 32, § 1, § 2, § 3, 34, § 1, 54, § 1, 1°, 3°, 5°, 55 en 78 van dit besluit.) <KB 16-11-1984, art. 2>
  (12. De zelfrijdende voertuigen gebruikt als praalwagen en de voertuigen die een praalaanhangwagen trekken en slechts bij uitzondering op de openbare weg komen ter gelegenheid van behoorlijk toegelaten folkloristische manifestaties, ofwel voor proefritten met het oog op die manifestaties, ofwel om zich naar die manifestaties te begeven, met een snelheid van ten hoogste 25 km per uur, en zij voldoen aan de voorschriften van de gemeentelijke machtiging.
  Deze zijn slechts onderworpen aan de bepalingen van artikel 44, 45, 54 en 70 van dit besluit.) <KB 2008-01-27/30, art. 1, 036; Inwerkingtreding : 29-01-2008>
  (§ 3. De landbouwmotors en hun aanhangwagens zijn slechts onderworpen aan de bepalingen van het artikel 3 van dit besluit.) <KB 03-08-1981, art. 3>
  (§ 3bis. Zijn niet onderworpen aan de voorschriften van onderhavig algemeen reglement : de rupsvoertuigen van het leger evenals de privé-voertuigen van de leden van de Strijdkrachten, van de leden van het burgerpersoneel en van de personen ten laste, ingeschreven door de Opperbevelhebber van de Belgische Strijdkrachten in Duitsland bij toepassing van de bepalingen van het Verdrag ter aanvulling van de Overeenkomst tussen de Lid-Staten van het Noord-Atlantisch Verdrag betreffende het Statuut van hun Strijdkrachten, inzake de in de Duitse Bondsrepubliek gelegerde eenheden, en van het Ondertekeningsprotokol van het aanvullend Verdrag, ondertekend te Bonn op 3 augustus 1959 en bekrachtigd door de wet van 6 mei 1963.) <KB 13-09-1985, art. 2>
  (Dit besluit is evenmin van toepassing op vierwielers, met een lege massa van ten hoogste 400 kg (550 kg voor voertuigen gebruikt in het goederenvervoer), exclusief de massa van de batterijen in elektrische voertuigen, met een motor met een netto maximumvermogen van ten hoogste 15 kW. Deze voertuigen worden beschouwd als driewielers.) <KB 2003-03-17/34, art. 2, 026; Inwerkingtreding : 01-05-2003>
  (§ 3ter. Zijn niet onderworpen aan de voorschriften van onderhavig algemeen reglement : de praalaanhangwagens die slechts bij uitzondering op de openbare weg komen ter gelegenheid van behoorlijk toegelaten folkloristische manifestaties, ofwel voor proefritten met het oog op die manifestaties, ofwel om zich naar die manifestaties te begeven, met een snelheid van ten hoogste 25 km per uur, en zij voldoen aan de voorschriften van de gemeentelijke machtiging.) <KB 2008-01-27/30, art. 1, 036; Inwerkingtreding : 29-01-2008>
  (§ 4. De in het buitenland ingeschreven motorvoertuigen moeten, om in België tot het verkeer op de openbare weg te worden toegelaten, voldoen aan de technische eisen opgenomen in de Internationale conventie inzake het wegverkeer.
  Dit geldt eveneens voor de buitenlandse aanhangwagens die erdoor getrokken worden of die getrokken worden door een in België ingeschreven motorvoertuig.
  (Op gebied van massa's en afmetingen moeten deze voertuigen voldoen aan de bepalingen van artikel 32bis).) <KB 1989-05-22/34, art. 1, 005; Inwerkingtreding : 01-06-1989> <KB 1998-12-15/32, art. 2, 6°, 017; Inwerkingtreding : 01-01-1999>
  (In het buitenland ingeschreven voertuigen, bestemd voor uitzonderlijk vervoer, die de maximumwaarden inzake massa's en afmetingen, voorzien in artikel 32bis, overschrijden, mogen het wegennet [7 in het Brussels Hoofdstedelijk Gewest]7 gebruiken volgens een reisweg die door [7 "de Dienst Uitzonderlijk Vervoer van de Directie Verkeersveiligheid bij Brussel Mobiliteit]7 vastgelegd wordt mits ze gedekt zijn door een speciale toelating tot het verkeer, afgegeven door de bevoegde autoriteit van het land van inschrijving. Deze toelating wordt aangemerkt als een afwijking van artikel 32bis, op dezelfde wijze als die conform met artikel 78, § 1, 2°, b) van dit besluit afgeleverd zou worden.
  Alleen de originele toelating of een door een bevoegde autoriteit van het land van oorsprong gelijkvormig verklaarde kopie is geldig.) <KB 2003-03-17/34, art. 2, 026; Inwerkingtreding : 01-05-2003>
  
----------
  (1)<KB 2009-04-14/25, art. 3, 041; Inwerkingtreding : 29-04-2009 of later, volgens categorieën>
  (2)<KB 2013-06-17/03, art. 2, 055; Inwerkingtreding : 01-07-2013>
  (3)<KB 2013-10-18/24, art. 2, 059; Inwerkingtreding : 05-12-2013>
  (4)<KB 2014-03-28/06, art. 3, 063; Inwerkingtreding : 31-03-2014>
  (5)<W 2015-12-06/19, art. 2, 068; Inwerkingtreding : 28-01-2016>
  (6)<BESL 2018-11-29/02, art. 3, 082; Inwerkingtreding : 01-12-2018>
  (7)<BESL 2018-11-29/02, art. 4, 082; Inwerkingtreding : 01-12-2018>

  Art. 2_VLAAMS_GEWEST.
   <KB 12-12-1975, art. 2> Toepassingssfeer.
  § 1. De bepalingen van dit algemeen reglement zijn toepasselijk op de auto's die rijden onder dekking van een Belgische inschrijvingsplaat en op de erdoor getrokken Belgische aanhangwagens.
  (§ 2. Nochtans zijn zekere voertuigcategorieën slechts onderworpen aan bepaalde voorschriften van dit algemeen reglement.
  Deze zijn :
  1° De voertuigen in dienst genomen vóór 15 juni 1968, met uitzondering van de landbouwaanhangwagens vermeld onder punt 11°.
  [2 Deze zijn slechts onderworpen aan de bepalingen van de artikelen 10, § 2, punten 9 en 10 § 4, punt 1, eerste lid, 18 § 3, 19 § 3, 20 § 1, derde lid, § 2, 21, 22, 23 tot 23undecies, 24, 25, 26, 28, 31 §§ 1, 3, 4, 32 §§ 1, 2, 3, 34 §§ 1, 3, 36, 39, 40, 54, 55, 56, 67 §§ 1, 4, 70 tot 78 van dit besluit;]2
  2° De voertuigen in dienst genomen na 15 juni 1968 en vóór 15 juni 1969.
  Deze zijn slechts onderworpen aan de bepalingen van de [1 artikelen 3 tot 16ter]1, 17 tot 19, 20, § 1, derde lid, § 2, 21 tot 58, 59, § 2, § 3, § 4, § 5, 64, § 2, § 3, 65 tot 78 van dit besluit;
  3° De voertuigen van speciale constructie die, wegens bouw en oorsprong, op horizontale wegen een snelheid van ten hoogste 30 km/u. kunnen bereiken, evenals de aanhangwagens van speciale constructie die niet uitgerust zijn met een ophanging en waarvan de snelheid tot 30 km/u. wordt beperkt.
  Deze zijn slechts onderworpen aan de bepalingen van de artikelen [1 3 § 1, 10 § 4.1]1, 28, 31, 32, 32bis, 34, 43, 44, 45, 47, 54, 70 en 78 van dit besluit.
  4° De voertuigen van speciale constructie die, wegens constructie en oorsprong, op horizontale wegen de snelheid van 30 km/u. kunnen overschrijden, evenals de aanhangwagens van speciale constructie die niet uitgerust zijn met een ophanging en waarvan de snelheid 30 km/u. overschrijdt.
  Deze zijn slechts onderworpen aan de artikelen [1 3 § 1, 10 § 4]1 tot 22 en 25 tot 82 van dit besluit.
  5° De voertuigen ingeschreven onder een voor het Ministerie van Landsverdediging bestemd bijzonder plaatnummer.
  Deze zijn slechts onderworpen aan de bepalingen van de artikelen 28, § 1, § 2, 43, § 2, § 3, 44, § 1, 45, 54, 70, § 2 en 78 van dit besluit.
  (6° [De voertuigen ingeschreven onder een tijdelijke kentekenplaat, of onder een CD-plaat, alsook de verongelukte voertuigen, ingeschreven onder deze platen.
  [3 Deze zijn enkel onderworpen aan de bepalingen van de artikelen 10, § 4; 23 tot 23undecies; 24; 26; 28; 30 tot 35; 41; 42, eerste tot vijfde lid; 43, punt 1; 44 tot 53; 55; 57, §§ 1 tot 4; 58; 59; 67; 70; 71 en 78 van dit besluit.]3
  7° [2 [7 De voertuigen die sinds meer dan vijfentwintig jaar in gebruik zijn genomen en die ingeschreven zijn onder een van de kentekenplaten, vermeld in artikel 4, § 2, van het ministerieel besluit van 23 juli 2001 betreffende de inschrijving van voertuigen, zijn alleen onderworpen aan artikel 10, § 4, punt 1, eerste lid, artikel 23, 23bis § 1, § 2, § 4 en § 5, artikel 23ter tot en met 23octies, artikel 23novies § 1, § 3 en § 4, artikel 23decies tot en met 26, artikel 42, 45, § 1, 1° en 3°, artikel 47, § 1, punt 1, eerste lid, artikel 54, § 1, 1° en 3°, artikel 70, § 2, en artikel 80 van dit besluit]7.
   Deze voertuigen zijn uitgesloten van volgend gebruik :
   - commercieel en professioneel gebruik;
   - woon-werkverkeer en woon-schoolverkeer;
   - bezoldigd vervoer en met bezoldigd vervoer van personen gelijkgesteld gratis vervoer;
   - gebruik als werktuig of werkmiddel alsook voor interventieopdrachten.
   Voor voertuigen uitgerust met rupsbanden wordt het gebruik beperkt tot :
   - oldtimermanifestaties;
   - proefritten binnen een straal van 3 km vanaf de stallingsplaats van het voertuig.]2
  8° De [5 toeristische miniatuurtreinslepen]5 gebezigd als attractie, [5 ...]5 met een snelheid van ten hoogste [5 25 km/u.]5, mits de exploitatie ervan, door de gemeenteoverheid als " openbare ontspanning " wordt toegelaten en zij voldoen aan de voorschriften van de gemeentelijke machtiging.
  Deze zijn slechts onderworpen aan de bepalingen van de artikelen 28, 31, 32, 32bis, 34, 43, 44, 45, 54 en 70 van dit besluit.
  9° De landbouwaanhangwagens van ambachtelijke makelij, bestemd om gebruikt te worden door de aanvrager (hierin begrepen alle vormen van onderlinge bedrijfshulp of gemeenschappelijk gebruik) en om uitsluitend getrokken te worden door landbouwvoertuigen voor traag vervoer, zijn slechts onderworpen aan de bepalingen van de [1 artikelen 3bis , 10 § 2.8, 10 § 2.11]1, 17, 18, 19, § 1, 21, § 1, 22, (23 tot 23undecies), 24, § 1 tot § 4, 25, 26, 27, 28, 31, 32, § 5, 32bis, 34, § 1, 35, 47 tot 53, 54, § 1, 1°, 3°, 5°, § 2, § 3, § 4 en § 8, 55, 78, 80 en 81 van dit besluit. <KB 1998-12-15/32, art. 2, 4°, 017; Inwerkingtreding : 01-01-1999>
  Deze voertuigen mogen niet in de handel gebracht worden.
  10° De landbouwaanhangwagens gebouwd door de erkende constructeurs als " enig voertuig " en bestemd om uitsluitend getrokken te worden door landbouwvoertuigen voor traag vervoer zijn slechts onderworpen aan de bepalingen van de [1 artikelen 3bis , 10 § 2.8, 10 § 2.11]1, 17, 18, 19, § 1, 21, § 1, 22, (23 tot 23 undecies), (24, §§ 1 tot 3), 25, 26, 27, 28, 31, 32, § 5, 32bis, 34, 35, 47 tot 53, 54, § 1, 1°, 3°, 5°, § 2, § 3, § 4 en § 8, 55, 78, 80 en 81 van dit besluit. <KB 1998-12-15/32, art. 2, 5°, 017; Inwerkingtreding : 01-01-1999>
  11° De landbouwaanhangwagens in dienst genomen vóór 15 juni 1968, voor zover dat zij het onderwerp uitmaakten van een identificatie en een regularisatie, hetzij door een [instelling] voor automobielinspectie, hetzij door het Ministerie van Landbouw. <KB 1991-09-16/33, art. 2, 010; Inwerkingtreding : 16-10-1991>
  Deze zijn slechts onderworpen aan de bepalingen van de [1 artikelen 3bis , 10 § 2.8, 10 § 2.9, 10 § 2.10]1, 21, § 1, 25, 26, § 2, 28, 31, 32, § 1, § 2, § 3, 34, § 1, 54, § 1, 1°, 3°, 5°, 55 en 78 van dit besluit.) <KB 16-11-1984, art. 2>
  (12. De zelfrijdende voertuigen gebruikt als praalwagen en de voertuigen die een praalaanhangwagen trekken en slechts bij uitzondering op de openbare weg komen ter gelegenheid van behoorlijk toegelaten folkloristische manifestaties, ofwel voor proefritten met het oog op die manifestaties, ofwel om zich naar die manifestaties te begeven, met een snelheid van ten hoogste 25 km per uur, en zij voldoen aan de voorschriften van de gemeentelijke machtiging.
  Deze zijn slechts onderworpen aan de bepalingen van artikel 44, 45, 54 en 70 van dit besluit.) <KB 2008-01-27/30, art. 1, 036; Inwerkingtreding : 29-01-2008>
  (§ 3. De landbouwmotors en hun aanhangwagens zijn slechts onderworpen aan de bepalingen van het artikel 3 van dit besluit.) <KB 03-08-1981, art. 3>
  (§ 3bis. Zijn niet onderworpen aan de voorschriften van onderhavig algemeen reglement : de rupsvoertuigen van het leger evenals de privé-voertuigen van de leden van de Strijdkrachten, van de leden van het burgerpersoneel en van de personen ten laste, ingeschreven door de Opperbevelhebber van de Belgische Strijdkrachten in Duitsland bij toepassing van de bepalingen van het Verdrag ter aanvulling van de Overeenkomst tussen de Lid-Staten van het Noord-Atlantisch Verdrag betreffende het Statuut van hun Strijdkrachten, inzake de in de Duitse Bondsrepubliek gelegerde eenheden, en van het Ondertekeningsprotokol van het aanvullend Verdrag, ondertekend te Bonn op 3 augustus 1959 en bekrachtigd door de wet van 6 mei 1963.) <KB 13-09-1985, art. 2>
  (Dit besluit is evenmin van toepassing op vierwielers, met een lege massa van ten hoogste 400 kg (550 kg voor voertuigen gebruikt in het goederenvervoer), exclusief de massa van de batterijen in elektrische voertuigen, met een motor met een netto maximumvermogen van ten hoogste 15 kW. Deze voertuigen worden beschouwd als driewielers.) <KB 2003-03-17/34, art. 2, 026; Inwerkingtreding : 01-05-2003>
  (§ 3ter. Zijn niet onderworpen aan de voorschriften van onderhavig algemeen reglement : de praalaanhangwagens die slechts bij uitzondering op de openbare weg komen ter gelegenheid van behoorlijk toegelaten folkloristische manifestaties, ofwel voor proefritten met het oog op die manifestaties, ofwel om zich naar die manifestaties te begeven, met een snelheid van ten hoogste 25 km per uur, en zij voldoen aan de voorschriften van de gemeentelijke machtiging.) <KB 2008-01-27/30, art. 1, 036; Inwerkingtreding : 29-01-2008>
  (§ 4. De in het buitenland ingeschreven motorvoertuigen moeten, om in België tot het verkeer op de openbare weg te worden toegelaten, voldoen aan de technische eisen opgenomen in de Internationale conventie inzake het wegverkeer.
  Dit geldt eveneens voor de buitenlandse aanhangwagens die erdoor getrokken worden of die getrokken worden door een in België ingeschreven motorvoertuig.
  (Op gebied van massa's en afmetingen moeten deze voertuigen voldoen aan de bepalingen van artikel 32bis).) <KB 1989-05-22/34, art. 1, 005; Inwerkingtreding : 01-06-1989> <KB 1998-12-15/32, art. 2, 6°, 017; Inwerkingtreding : 01-01-1999>
  (In het buitenland ingeschreven voertuigen, bestemd voor uitzonderlijk vervoer, die de maximumwaarden inzake massa's en afmetingen, voorzien in artikel 32bis, overschrijden, mogen het wegennet [6 binnen het Vlaamse Gewest]6 gebruiken volgens een reisweg die door [6 het Agentschap]6 vastgelegd wordt mits ze gedekt zijn door een speciale toelating tot het verkeer, afgegeven door de bevoegde autoriteit van het land van inschrijving. Deze toelating wordt aangemerkt als een afwijking van artikel 32bis, op dezelfde wijze als die conform met artikel 78, § 1, 2°, b) van dit besluit afgeleverd zou worden.
  Alleen de originele toelating of een door een bevoegde autoriteit van het land van oorsprong gelijkvormig verklaarde kopie is geldig.) <KB 2003-03-17/34, art. 2, 026; Inwerkingtreding : 01-05-2003>
  
----------
  (1)<KB 2009-04-14/25, art. 3, 041; Inwerkingtreding : 29-04-2009 of later, volgens categorieën>
  (2)<KB 2013-06-17/03, art. 2, 055; Inwerkingtreding : 01-07-2013>
  (3)<KB 2013-10-18/24, art. 2, 059; Inwerkingtreding : 05-12-2013>
  (4)<KB 2014-03-28/06, art. 3, 063; Inwerkingtreding : 31-03-2014>
  (5)<W 2015-12-06/19, art. 2, 068; Inwerkingtreding : 28-01-2016>
  (6)<BVR 2015-12-04/23, art. 1, 069; Inwerkingtreding : 23-01-2016>
  (7)<BVR 2018-04-27/14, art. 3, 081; Inwerkingtreding : 20-05-2018>

  HOOFDSTUK 2. - [1 Goedkeuring]1
  ----------
  (1)<KB 2009-04-14/25, art. 4, 041; Inwerkingtreding : 29-04-2009 of later, volgens categorieën>

  Art. 3.[1 - Toepassingsgebied
  § 1. Elk voertuig van de categorieën M, N, O, T, C, R en S, elk systeem, elk onderdeel of technische eenheid, dat of die bestemd zijn voor deze voertuigen, wordt gemonteerd of ingevoerd in België op grond van een aangifte ten verbruik, moet worden goedgekeurd door de bevoegde instantie.
  De goedkeuring bestaat uit de verificatie van de overeenstemming van het voertuig, type voertuig, systeem, onderdeel of technische eenheid met de voorschriften van dit besluit, hetzij door de afgifte van het EG of nationale goedkeuringscertificaat, hetzij door de verificatie van de overeenstemming van het voertuig, type, systeem, onderdeel of technische eenheid met het goedkeuringscertificaat dat eraan zou zijn toegekend door een andere Lidstaat.
  § 2. Dit hoofdstuk is van toepassing op de typegoedkeuring van in een of meer fasen ontworpen en gebouwde voertuigen die bestemd zijn voor gebruik op de weg, en van systemen, onderdelen en technische eenheden die voor dergelijke voertuigen zijn ontworpen en gebouwd.
  Het is ook van toepassing op de individuele goedkeuring van deze voertuigen.
  Dit hoofdstuk is ook van toepassing op de onderdelen en de uitrustingsstukken die bestemd zijn voor deze voertuigen.
  § 3. Dit hoofdstuk is niet van toepassing op de typegoedkeuring noch voor de individuele goedkeuring van de volgende voertuigen :
  a) de vierwielers, zoals gedefinieerd in de richtlijn 2002/24/EG van het Europese Parlement en van de Raad van 18 maart 2002 betreffende de goedkeuring van twee- of driewielige motorvoertuigen;
  b) de andere rupsvoertuigen dan die vermeld in categorie C.
  § 4. Dit hoofdstuk is niet van toepassing op de volgende voertuigen :
  a) de voertuigen die in gebruik werden genomen vóór 15 juni 1968 en die niet moesten gedekt zijn door een proces-verbaal van goedkeuring;
  b) de aanhangwagens die uitsluitend gebruikt worden door de foorkramers en eigen zijn aan dat beroep;
  c) de voertuigen van de federale en de lokale politie;
  d) de voertuigen die zijn voorzien, overeenkomstig de vigerende reglementering, van een bewijs en van een proefrittenplaat;
  e) het materieel dat door de bevoegde instantie wordt erkend als zijnde van speciale constructie.
  Om deze erkenning te bekomen moet de fabrikant of zijn vertegenwoordiger bij de overheid die bevoegd is inzake goedkeuring de nodige documentatie indienen om het mogelijk te maken de juiste benaming van het type voertuig te bepalen. Deze wordt vastgelegd in een genummerd proces-verbaal van benaming (P.V.B.).
  Deze bepaling is van toepassing op de voertuigen ingeschreven vanaf 1 januari 1982.
  f) de autovoertuigen en hun aanhangwagens die uitsluitend rijden tussen de laad- en loskaaien, de opslagplaatsen, de hangars en de magazijnen gelegen binnen de zee- en rivierhavens, overeenkomstig de bepalingen van een hiervoor afgeleverde gemeentelijke machtiging.
  § 5. De individuele goedkeuring overeenkomstig dit hoofdstuk is niet van toepassing op de volgende voertuigen :
  a) de voertuigen die uitsluitend zijn bestemd voor wegraces;
  b) de prototypes van voertuigen die onder verantwoordelijkheid van een fabrikant op de weg worden gebruikt in het kader van een specifiek testprogramma, mits zij speciaal daarvoor zijn ontworpen en gebouwd.
  Die voertuigen mogen alleen worden gebruikt in de voorwaarden voorgeschreven door de bevoegde instantie.]1
  ----------
  (1)<KB 2009-04-14/25, art. 4, 041; Inwerkingtreding : 29-04-2009 of later, volgens categorieën>

  Art. 3_VLAAMS_GEWEST.
   [1 - Toepassingsgebied
  § 1. Elk voertuig van de categorieën M, N, O, T, C, R en S, elk systeem, elk onderdeel of technische eenheid, dat of die bestemd zijn voor deze voertuigen, wordt gemonteerd of ingevoerd in België op grond van een aangifte ten verbruik, moet worden goedgekeurd door de bevoegde [2 Vlaamse]2 instantie.
  De goedkeuring bestaat uit de verificatie van de overeenstemming van het voertuig, type voertuig, systeem, onderdeel of technische eenheid met de voorschriften van dit besluit, hetzij door de afgifte van het EG of nationale goedkeuringscertificaat, hetzij door de verificatie van de overeenstemming van het voertuig, type, systeem, onderdeel of technische eenheid met het goedkeuringscertificaat dat eraan zou zijn toegekend door een andere Lidstaat.
  § 2. Dit hoofdstuk is van toepassing op de typegoedkeuring van in een of meer fasen ontworpen en gebouwde voertuigen die bestemd zijn voor gebruik op de weg, en van systemen, onderdelen en technische eenheden die voor dergelijke voertuigen zijn ontworpen en gebouwd.
  Het is ook van toepassing op de individuele goedkeuring van deze voertuigen.
  Dit hoofdstuk is ook van toepassing op de onderdelen en de uitrustingsstukken die bestemd zijn voor deze voertuigen.
  § 3. Dit hoofdstuk is niet van toepassing op de typegoedkeuring noch voor de individuele goedkeuring van de volgende voertuigen :
  a) de vierwielers, zoals gedefinieerd in de richtlijn 2002/24/EG van het Europese Parlement en van de Raad van 18 maart 2002 betreffende de goedkeuring van twee- of driewielige motorvoertuigen;
  b) de andere rupsvoertuigen dan die vermeld in categorie C.
  § 4. Dit hoofdstuk is niet van toepassing op de volgende voertuigen :
  a) de voertuigen die in gebruik werden genomen vóór 15 juni 1968 en die niet moesten gedekt zijn door een proces-verbaal van goedkeuring;
  b) de aanhangwagens die uitsluitend gebruikt worden door de foorkramers en eigen zijn aan dat beroep;
  c) de voertuigen van de federale en de lokale politie;
  d) de voertuigen die zijn voorzien, overeenkomstig de vigerende reglementering, van een bewijs en van een proefrittenplaat;
  e) het materieel dat door de bevoegde [2 Vlaamse]2 instantie wordt erkend als zijnde van speciale constructie.
  Om deze erkenning te bekomen moet de fabrikant of zijn vertegenwoordiger bij de overheid die bevoegd is inzake goedkeuring de nodige documentatie indienen om het mogelijk te maken de juiste benaming van het type voertuig te bepalen. Deze wordt vastgelegd in een genummerd proces-verbaal van benaming (P.V.B.).
  Deze bepaling is van toepassing op de voertuigen ingeschreven vanaf 1 januari 1982.
  f) [2 ...]2
  § 5. De individuele goedkeuring overeenkomstig dit hoofdstuk is niet van toepassing op de volgende voertuigen :
  a) de voertuigen die uitsluitend zijn bestemd voor wegraces;
  b) de prototypes van voertuigen die onder verantwoordelijkheid van een fabrikant op de weg worden gebruikt in het kader van een specifiek testprogramma, mits zij speciaal daarvoor zijn ontworpen en gebouwd.
  Die voertuigen mogen alleen worden gebruikt in de voorwaarden voorgeschreven door de bevoegde [2 Vlaamse]2 instantie.]1
  
----------
  (1)<KB 2009-04-14/25, art. 4, 041; Inwerkingtreding : 29-04-2009 of later, volgens categorieën>
  (2)<BVR 2015-07-10/11, art. 2, 067; Inwerkingtreding : 04-09-2015>

  Art. 3bis.[1 - Goedkeuring van landbouw- en bosbouwtrekkers
  § 1. De goedkeuring van de landbouw- en bosbouwtrekkers bestaat ofwel uit de verificatie van de overeenstemming van het voertuig met de bepalingen van dit besluit, ofwel uit het uitreiken van het EG-goedkeuringscertificaat voorzien door de richtlijn 2003/37/EG van het Europees Parlement en de Raad van 26 mei 2003 betreffende de typegoedkeuring van landbouw- of bosbouwtrekkers, hun aanhangwagens en hun verwisselbare getrokken machines, alsook systemen, onderdelen en technische eenheden van deze voertuigen, en de aanhangwagens die specifiek zijn ontworpen en gebouwd om te worden getrokken door deze voertuigen, ofwel uit de verificatie van de overeenstemming van het voertuig met het goedkeuringscertificaat dat eraan zou zijn toegekend door een andere Lidstaat.
  [2 Wat de nationale typegoedkeuring in kleine reeksen en de nationale individuele goedkeuring betreft, moeten de voertuigen van categorieën T en C waarvan de goedkeuringsaanvraag vanaf 1 januari 2018 is ingediend, alsook de nieuwe voertuigen van categorieën T en C die vanaf 1 januari 2020 in het verkeer worden gebracht, overeenstemmen met de voorschriften van de delen V en VI van bijlage 26 van dit besluit.
   Wat de nationale typegoedkeuring in kleine reeksen en de nationale individuele goedkeuring betreft, moeten de voertuigen van categorieën R en S waarvan de goedkeuringsaanvraag vanaf 1 januari 2019 is ingediend, alsook de nieuwe voertuigen van categorieën R en S die vanaf 1 januari 2020 in het verkeer worden gebracht, overeenstemmen met de voorschriften van de delen V en VI van bijlage 26 van dit besluit.]2
  § 2. De EG-goedkeuring van de landbouw- of bosbouwtrekkers, hun aanhangwagens en hun getrokken verwisselbare machines, alsook de systemen, onderdelen en technische eenheden van deze voertuigen moet gebeuren overeenkomstig de bepalingen van de richtlijn 2003/37/EG van het Europees Parlement en van de Raad van 26 mei 2003 betreffende de typegoedkeuring van landbouw- of bosbouwtrekkers, hun aanhangwagens en hun verwisselbare getrokken machines, systemen, onderdelen en technische eenheden daarvan, en aanhangwagens die specifiek voor deze trekkers zijn ontworpen en die de richtlijn 74/150/EEG opheft.
  [2 Vanaf 1 januari 2016, moet de EG-goedkeuring van de landbouw- of bosbouwtrekkers, hun aanhangwagens en hun getrokken verwisselbare machines, alsook de systemen, onderdelen en technische eenheden van deze voertuigen gebeuren overeenkomstig de bepalingen van de verordening (EU) nr. 167/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 5 februari 2013 inzake de goedkeuring van en het markttoezicht op landbouw- en bosbouwvoertuigen.]2
  § 3. Elke aanvraag voor goedkeuring moet worden ingediend door de constructeur of zijn mandataris bij de overheid die bevoegd is voor de goedkeuring.
  Zij moet vergezeld zijn van een inlichtingenformulier en van een omstandige technische beschrijving van het voertuig of van het goed te keuren bestanddeel van het voertuig.
  Deze onderdelen moeten beantwoorden aan de bepalingen van voormelde richtlijn 2003/37/EG van het Europees Parlement en van de Raad van 26 mei 2003.
  Voor eenzelfde type voertuig kan er geen aanvraag voor EG-goedkeuring worden ingediend als er al een werd ingediend in een Lidstaat.
  § 4. De aanvrager moet het bewijs voorleggen van het feit dat de eventuele onontbeerlijke tests werden uitgevoerd.
  § 5. [2 De goedkeuring wordt verleend of geweigerd door de bevoegde typegoedkeuringsinstantie als de landbouw- of bosbouwtrekkers, hun aanhangwagens en hun getrokken verwisselbare machines niet beantwoorden aan de in de eerste paragraaf van dit artikel bedoelde bepalingen.]2
  § 6. Elk in het verkeer gebracht voertuig of voertuigbestanddeel moet in overeenstemming blijven met het goed te keuren type voertuig of voertuigbestanddeel.
  Elke wijziging van het type voertuig of voertuigbestanddeel dat het voorwerp heeft uitgemaakt van de goedkeuring bedoeld in § 5 en de eventuele stopzetting van de productie moeten worden betekend aan de overheid die bevoegd is voor de goedkeuring. Deze oordeelt of het gaat om een wijziging die een nieuwe goedkeuring vereist.
  § 7. De voor een type voertuig of voertuigbestanddeel verleende goedkeuring mag door de goedkeuringsinstantie worden ingetrokken wanneer dit voertuig of voertuigbestanddeel niet meer overeenstemt met het goedgekeurde prototype.
  § 8. Op verzoek van de goedkeuringsinstantie, moet de fabrikant de voertuigen, voertuigbestanddelen of serie-inrichtingen waarvan het prototype het voorwerp heeft uitgemaakt van een vorige goedkeuring ter beschikking houden voor de overeenstemmingstests of -controles.
  § 9. Elke weigering of intrekking wordt betekend aan de fabrikant of aan zijn mandataris. Binnen de acht werkdagen die volgen op de datum van betekening, kan de fabrikant of zijn mandataris een aanvraag tot herziening indienen bij de goedkeuringsinstantie. Die overheid moet binnen de maand die volgt op de datum van indiening van de aanvraag beslissen.
  § 10. De voorwaarden voor EG-goedkeuring van landbouw- of bosbouwtrekkers op wielen, van hun bestanddelen of van hun veiligheidsinrichtingen worden bepaald door Ons.]1
  ----------
  (1)<KB 2009-04-14/25, art. 4, 041; Inwerkingtreding : 29-04-2009>
  (2)<KB 2017-10-02/06, art. 2, 074; Inwerkingtreding : 03-11-2017>

  Art. 3bis_WAALS_GEWEST.
   [1 - Goedkeuring van landbouw- en bosbouwtrekkers
  § 1. De goedkeuring van de landbouw- en bosbouwtrekkers bestaat ofwel uit de verificatie van de overeenstemming van het voertuig met de bepalingen van dit besluit, ofwel uit het uitreiken van het EG-goedkeuringscertificaat voorzien door de richtlijn 2003/37/EG van het Europees Parlement en de Raad van 26 mei 2003 betreffende de typegoedkeuring van landbouw- of bosbouwtrekkers, hun aanhangwagens en hun verwisselbare getrokken machines, alsook systemen, onderdelen en technische eenheden van deze voertuigen, en de aanhangwagens die specifiek zijn ontworpen en gebouwd om te worden getrokken door deze voertuigen, ofwel uit de verificatie van de overeenstemming van het voertuig met het goedkeuringscertificaat dat eraan zou zijn toegekend door een andere Lidstaat.
  [2 Wat de nationale typegoedkeuring in kleine reeksen en de nationale individuele goedkeuring betreft, moeten de voertuigen van categorieën T en C waarvan de goedkeuringsaanvraag vanaf 1 januari 2018 is ingediend, alsook de nieuwe voertuigen van categorieën T en C die vanaf 1 januari 2020 in het verkeer worden gebracht, overeenstemmen met de voorschriften van de delen V en VI van bijlage 26 van dit besluit.
   Wat de nationale typegoedkeuring in kleine reeksen en de nationale individuele goedkeuring betreft, moeten de voertuigen van categorieën R en S waarvan de goedkeuringsaanvraag vanaf 1 januari 2019 is ingediend, alsook de nieuwe voertuigen van categorieën R en S die vanaf 1 januari 2020 in het verkeer worden gebracht, overeenstemmen met de voorschriften van de delen V en VI van bijlage 26 van dit besluit.]2
  § 2. De EG-goedkeuring van de landbouw- of bosbouwtrekkers, hun aanhangwagens en hun getrokken verwisselbare machines, alsook de systemen, onderdelen en technische eenheden van deze voertuigen moet gebeuren overeenkomstig de bepalingen van de richtlijn 2003/37/EG van het Europees Parlement en van de Raad van 26 mei 2003 betreffende de typegoedkeuring van landbouw- of bosbouwtrekkers, hun aanhangwagens en hun verwisselbare getrokken machines, systemen, onderdelen en technische eenheden daarvan, en aanhangwagens die specifiek voor deze trekkers zijn ontworpen en die de richtlijn 74/150/EEG opheft.
  [2 Vanaf 1 januari 2016, moet de EG-goedkeuring van de landbouw- of bosbouwtrekkers, hun aanhangwagens en hun getrokken verwisselbare machines, alsook de systemen, onderdelen en technische eenheden van deze voertuigen gebeuren overeenkomstig de bepalingen van de verordening (EU) nr. 167/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 5 februari 2013 inzake de goedkeuring van en het markttoezicht op landbouw- en bosbouwvoertuigen.]2
  § 3. Elke aanvraag voor goedkeuring moet worden ingediend door de constructeur of zijn mandataris bij de overheid die bevoegd is voor de goedkeuring.
  Zij moet vergezeld zijn van een inlichtingenformulier en van een omstandige technische beschrijving van het voertuig of van het goed te keuren bestanddeel van het voertuig.
  Deze onderdelen moeten beantwoorden aan de bepalingen van voormelde richtlijn 2003/37/EG van het Europees Parlement en van de Raad van 26 mei 2003.
  Voor eenzelfde type voertuig kan er geen aanvraag voor EG-goedkeuring worden ingediend als er al een werd ingediend in een Lidstaat.
  § 4. De aanvrager moet het bewijs voorleggen van het feit dat de eventuele onontbeerlijke tests werden uitgevoerd.
  § 5. [2 De goedkeuring wordt verleend of geweigerd door de bevoegde typegoedkeuringsinstantie als de landbouw- of bosbouwtrekkers, hun aanhangwagens en hun getrokken verwisselbare machines niet beantwoorden aan de in de eerste paragraaf van dit artikel bedoelde bepalingen.]2
  § 6. Elk in het verkeer gebracht voertuig of voertuigbestanddeel moet in overeenstemming blijven met het goed te keuren type voertuig of voertuigbestanddeel.
  Elke wijziging van het type voertuig of voertuigbestanddeel dat het voorwerp heeft uitgemaakt van de goedkeuring bedoeld in § 5 en de eventuele stopzetting van de productie moeten worden betekend aan de overheid die bevoegd is voor de goedkeuring. Deze oordeelt of het gaat om een wijziging die een nieuwe goedkeuring vereist.
  § 7. De voor een type voertuig of voertuigbestanddeel verleende goedkeuring mag door de goedkeuringsinstantie worden ingetrokken wanneer dit voertuig of voertuigbestanddeel niet meer overeenstemt met het goedgekeurde prototype.
  § 8. Op verzoek van de goedkeuringsinstantie, moet de fabrikant de voertuigen, voertuigbestanddelen of serie-inrichtingen waarvan het prototype het voorwerp heeft uitgemaakt van een vorige goedkeuring ter beschikking houden voor de overeenstemmingstests of -controles.
  § 9. Elke weigering of intrekking wordt betekend aan de fabrikant of aan zijn mandataris. Binnen de acht werkdagen die volgen op de datum van betekening, kan de fabrikant of zijn mandataris een aanvraag tot herziening indienen bij de goedkeuringsinstantie. Die overheid moet binnen de maand die volgt op de datum van indiening van de aanvraag beslissen.
  § 10. De voorwaarden voor EG-goedkeuring van landbouw- of bosbouwtrekkers op wielen, van hun bestanddelen of van hun veiligheidsinrichtingen worden bepaald door[3 de Waalse Minister]3.]1
  
----------
  (1)<KB 2009-04-14/25, art. 4, 041; Inwerkingtreding : 29-04-2009>
  (2)<KB 2017-10-02/06, art. 2, 074; Inwerkingtreding : 03-11-2017>
  (3)<BWG 2018-05-17/18, art. 4, 083; Inwerkingtreding : 20-05-2018>
  

  Art. 3bis_BRUSSELS_HOOFDSTEDELIJK_GEWEST.
   [1 - Goedkeuring van landbouw- en bosbouwtrekkers
  § 1. De goedkeuring van de landbouw- en bosbouwtrekkers bestaat ofwel uit de verificatie van de overeenstemming van het voertuig met de bepalingen van dit besluit, ofwel uit het uitreiken van het EG-goedkeuringscertificaat voorzien door de richtlijn 2003/37/EG van het Europees Parlement en de Raad van 26 mei 2003 betreffende de typegoedkeuring van landbouw- of bosbouwtrekkers, hun aanhangwagens en hun verwisselbare getrokken machines, alsook systemen, onderdelen en technische eenheden van deze voertuigen, en de aanhangwagens die specifiek zijn ontworpen en gebouwd om te worden getrokken door deze voertuigen, ofwel uit de verificatie van de overeenstemming van het voertuig met het goedkeuringscertificaat dat eraan zou zijn toegekend door een andere Lidstaat.
  [2 Wat de nationale typegoedkeuring in kleine reeksen en de nationale individuele goedkeuring betreft, moeten de voertuigen van categorieën T en C waarvan de goedkeuringsaanvraag vanaf 1 januari 2018 is ingediend, alsook de nieuwe voertuigen van categorieën T en C die vanaf 1 januari 2020 in het verkeer worden gebracht, overeenstemmen met de voorschriften van de delen V en VI van bijlage 26 van dit besluit.
   Wat de nationale typegoedkeuring in kleine reeksen en de nationale individuele goedkeuring betreft, moeten de voertuigen van categorieën R en S waarvan de goedkeuringsaanvraag vanaf 1 januari 2019 is ingediend, alsook de nieuwe voertuigen van categorieën R en S die vanaf 1 januari 2020 in het verkeer worden gebracht, overeenstemmen met de voorschriften van de delen V en VI van bijlage 26 van dit besluit.]2
  § 2. De EG-goedkeuring van de landbouw- of bosbouwtrekkers, hun aanhangwagens en hun getrokken verwisselbare machines, alsook de systemen, onderdelen en technische eenheden van deze voertuigen moet gebeuren overeenkomstig de bepalingen van de richtlijn 2003/37/EG van het Europees Parlement en van de Raad van 26 mei 2003 betreffende de typegoedkeuring van landbouw- of bosbouwtrekkers, hun aanhangwagens en hun verwisselbare getrokken machines, systemen, onderdelen en technische eenheden daarvan, en aanhangwagens die specifiek voor deze trekkers zijn ontworpen en die de richtlijn 74/150/EEG opheft.
  [2 Vanaf 1 januari 2016, moet de EG-goedkeuring van de landbouw- of bosbouwtrekkers, hun aanhangwagens en hun getrokken verwisselbare machines, alsook de systemen, onderdelen en technische eenheden van deze voertuigen gebeuren overeenkomstig de bepalingen van de verordening (EU) nr. 167/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 5 februari 2013 inzake de goedkeuring van en het markttoezicht op landbouw- en bosbouwvoertuigen.]2
  § 3. Elke aanvraag voor goedkeuring moet worden ingediend door de constructeur of zijn mandataris bij de overheid die bevoegd is voor de goedkeuring.
  Zij moet vergezeld zijn van een inlichtingenformulier en van een omstandige technische beschrijving van het voertuig of van het goed te keuren bestanddeel van het voertuig.
  Deze onderdelen moeten beantwoorden aan de bepalingen van voormelde richtlijn 2003/37/EG van het Europees Parlement en van de Raad van 26 mei 2003.
  Voor eenzelfde type voertuig kan er geen aanvraag voor EG-goedkeuring worden ingediend als er al een werd ingediend in een Lidstaat.
  § 4. De aanvrager moet het bewijs voorleggen van het feit dat de eventuele onontbeerlijke tests werden uitgevoerd.
  § 5. [2 De goedkeuring wordt verleend of geweigerd door de bevoegde typegoedkeuringsinstantie als de landbouw- of bosbouwtrekkers, hun aanhangwagens en hun getrokken verwisselbare machines niet beantwoorden aan de in de eerste paragraaf van dit artikel bedoelde bepalingen.]2
  § 6. Elk in het verkeer gebracht voertuig of voertuigbestanddeel moet in overeenstemming blijven met het goed te keuren type voertuig of voertuigbestanddeel.
  Elke wijziging van het type voertuig of voertuigbestanddeel dat het voorwerp heeft uitgemaakt van de goedkeuring bedoeld in § 5 en de eventuele stopzetting van de productie moeten worden betekend aan de overheid die bevoegd is voor de goedkeuring. Deze oordeelt of het gaat om een wijziging die een nieuwe goedkeuring vereist.
  § 7. De voor een type voertuig of voertuigbestanddeel verleende goedkeuring mag door de goedkeuringsinstantie worden ingetrokken wanneer dit voertuig of voertuigbestanddeel niet meer overeenstemt met het goedgekeurde prototype.
  § 8. Op verzoek van de goedkeuringsinstantie, moet de fabrikant de voertuigen, voertuigbestanddelen of serie-inrichtingen waarvan het prototype het voorwerp heeft uitgemaakt van een vorige goedkeuring ter beschikking houden voor de overeenstemmingstests of -controles.
  § 9. Elke weigering of intrekking wordt betekend aan de fabrikant of aan zijn mandataris. Binnen de acht werkdagen die volgen op de datum van betekening, kan de fabrikant of zijn mandataris een aanvraag tot herziening indienen bij de goedkeuringsinstantie. Die overheid moet binnen de maand die volgt op de datum van indiening van de aanvraag beslissen.
  § 10. De voorwaarden voor EG-goedkeuring van landbouw- of bosbouwtrekkers op wielen, van hun bestanddelen of van hun veiligheidsinrichtingen worden bepaald door[3 de Brusselse minister]3.]1
  
----------
  (1)<KB 2009-04-14/25, art. 4, 041; Inwerkingtreding : 29-04-2009>
  (2)<KB 2017-10-02/06, art. 2, 074; Inwerkingtreding : 03-11-2017>
  (3)<BESL 2018-11-29/02, art. 5, 082; Inwerkingtreding : 01-12-2018>
  

  Art. 3bis_VLAAMS_GEWEST.
   [1 - Goedkeuring van landbouw- en bosbouwtrekkers
  § 1. De goedkeuring van de landbouw- en bosbouwtrekkers bestaat ofwel uit de verificatie van de overeenstemming van het voertuig met de bepalingen van dit besluit, ofwel uit het uitreiken van het EG-goedkeuringscertificaat voorzien door de richtlijn 2003/37/EG van het Europees Parlement en de Raad van 26 mei 2003 betreffende de typegoedkeuring van landbouw- of bosbouwtrekkers, hun aanhangwagens en hun verwisselbare getrokken machines, alsook systemen, onderdelen en technische eenheden van deze voertuigen, en de aanhangwagens die specifiek zijn ontworpen en gebouwd om te worden getrokken door deze voertuigen, ofwel uit de verificatie van de overeenstemming van het voertuig met het goedkeuringscertificaat dat eraan zou zijn toegekend door een andere Lidstaat.
  § 2. De EG-goedkeuring van de landbouw- of bosbouwtrekkers, hun aanhangwagens en hun getrokken verwisselbare machines, alsook de systemen, onderdelen en technische eenheden van deze voertuigen moet gebeuren overeenkomstig de bepalingen van de richtlijn 2003/37/EG van het Europees Parlement en van de Raad van 26 mei 2003 betreffende de typegoedkeuring van landbouw- of bosbouwtrekkers, hun aanhangwagens en hun verwisselbare getrokken machines, systemen, onderdelen en technische eenheden daarvan, en aanhangwagens die specifiek voor deze trekkers zijn ontworpen en die de richtlijn 74/150/EEG opheft;
  § 3. Elke aanvraag voor goedkeuring moet worden ingediend door de constructeur of zijn mandataris bij de overheid die bevoegd is voor de goedkeuring.
  Zij moet vergezeld zijn van een inlichtingenformulier en van een omstandige technische beschrijving van het voertuig of van het goed te keuren bestanddeel van het voertuig.
  Deze onderdelen moeten beantwoorden aan de bepalingen van voormelde richtlijn 2003/37/EG van het Europees Parlement en van de Raad van 26 mei 2003.
  Voor eenzelfde type voertuig kan er geen aanvraag voor EG-goedkeuring worden ingediend als er al een werd ingediend in een Lidstaat.
  § 4. De aanvrager moet het bewijs voorleggen van het feit dat de eventuele onontbeerlijke tests werden uitgevoerd.
  § 5. De goedkeuring wordt verleend of geweigerd door de bevoegde overheid naargelang het feit of het type voertuig of voertuigbestanddeel al dan niet overeenstemt met de technische voorschriften waarvan sprake in dit besluit of in de richtlijn 2003/37/EG van het Europees Parlement en van de Raad van 26 mei 2003.
  § 6. Elk in het verkeer gebracht voertuig of voertuigbestanddeel moet in overeenstemming blijven met het goed te keuren type voertuig of voertuigbestanddeel.
  Elke wijziging van het type voertuig of voertuigbestanddeel dat het voorwerp heeft uitgemaakt van de goedkeuring bedoeld in § 5 en de eventuele stopzetting van de productie moeten worden betekend aan de overheid die bevoegd is voor de goedkeuring. Deze oordeelt of het gaat om een wijziging die een nieuwe goedkeuring vereist.
  § 7. De voor een type voertuig of voertuigbestanddeel verleende goedkeuring mag door de goedkeuringsinstantie worden ingetrokken wanneer dit voertuig of voertuigbestanddeel niet meer overeenstemt met het goedgekeurde prototype.
  § 8. Op verzoek van de goedkeuringsinstantie, moet de fabrikant de voertuigen, voertuigbestanddelen of serie-inrichtingen waarvan het prototype het voorwerp heeft uitgemaakt van een vorige goedkeuring ter beschikking houden voor de overeenstemmingstests of -controles.
  § 9. Elke weigering of intrekking wordt betekend aan de fabrikant of aan zijn mandataris. Binnen de acht werkdagen die volgen op de datum van betekening, kan de fabrikant of zijn mandataris een aanvraag tot herziening indienen bij de goedkeuringsinstantie. Die overheid moet binnen de maand die volgt op de datum van indiening van de aanvraag beslissen.
  § 10. De voorwaarden voor EG-goedkeuring van landbouw- of bosbouwtrekkers op wielen, van hun bestanddelen of van hun veiligheidsinrichtingen worden bepaald door [2 de Vlaamse minister]2.]1
  
----------
  (1)<KB 2009-04-14/25, art. 4, 041; Inwerkingtreding : 29-04-2009>
  (2)<BVR 2015-07-10/11, art. 3, 067; Inwerkingtreding : 04-09-2015>

  Art. 4.[1 - Procedures voor de controle van de overeenstemming
  § 1. De overheid bevoegd voor goedkeuring neemt alle nodige maatregelen om, zo nodig in samenwerking met de overheden die bevoegd zijn voor goedkeuring in andere Lidstaten, te verifiëren of afdoende maatregelen werden genomen om te waarborgen dat het of de voertuigen, systemen, onderdelen of, volgens het geval, de technische eenheden in productie in overeenstemming zijn met het goedkeuringscertificaat.
  De voor de goedkeuring bevoegde overheid die een goedkeuring heeft verleend, mag, wat deze goedkeuring betreft, alle nodige maatregelen nemen om, zo nodig in samenwerking met de overheden die bevoegd zijn voor goedkeuring in andere Lidstaten, te verifiëren of de maatregelen bedoeld in lid 1 nog steeds afdoende blijven en of het of de voertuigen, systemen, onderdelen of, volgens het geval, de technische eenheden in productie in overeenstemming blijven met het goedkeuringscertificaat.
  Hiervoor kan de goedkeuringsinstantie die de goedkeuring heeft verleend alle verificaties of alle tests doen die in dit besluit of in een van de regelgevingen opgesomd in bijlage 26 of bijlage 33 van dit besluit zijn voorgeschreven op monsters die in de bedrijfsgebouwen, inclusief de productiefaciliteiten, van de fabrikant zijn genomen.
  De procedure voor de controle van de overeenstemming is bedoeld om te waarborgen dat elk voertuig, systeem, onderdeel en technische eenheid in productie overeenstemt met het goedkeuringscertificaat.
  De procedures omvatten twee verrichtingen die onlosmakelijk met elkaar verbonden zijn, nl. de beoordeling van de kwaliteits-bewakingssystemen, hierna de "eerste beoordeling" genoemd en de verificatie van het object van de goedkeuring en de productgerelateerde controles, hierna de "maatregelen betreffende de overeenstemming" genoemd.
  § 2. Eerste beoordeling
  1. Vóór een goedkeuring wordt uitgereikt, controleert de bevoegde overheid of er voldoende maatregelen en procedures bestaan die een effectieve controle kunnen waarborgen, zodat de betrokken onderdelen, systemen, technische eenheden of voertuigen, zodra ze in productie zijn, overeenstemmen met het goedkeuringscertificaat.
  2. De goedkeuringsinstantie verifieert bij de fabrikant of zijn mandataris of de vereiste bedoeld in § 2, lid 1 is nageleefd.
  3. De feitelijke eerste beoordeling en/of verificatie worden uitgevoerd door de goedkeuringsinstantie die de goedkeuring verleent of door een aangewezen orgaan dat optreedt namens de overheden die bevoegd zijn voor de goedkeuring.
  4. Voor het bepalen van de omvang van de eerste beoordeling, mag de goedkeuringsinstantie rekening houden met de beschikbare informatie met betrekking tot :
  - de certificering van de fabrikant die niet als voldoende wordt beschouwd of niet wordt erkend,
  - in het geval van de goedkeuring van een onderdeel of van een technische eenheid, de beoordelingen van de kwaliteitsbewaking uitgevoerd door de voertuigfabrikant(en) in de bedrijfsgebouwen van de fabrikant van het onderdeel of van de technische eenheid, overeenkomstig een of meer specificaties van de bedrijfstak die voldoen aan de voorschriften van de geharmoniseerde norm EN ISO 9002 :1994 of de norm EN ISO 9001 :2000, eventueel met uitzondering van de ontwerp- en ontwikkelingsconcepten genoemd in punt 7.3 "Customer Satisfaction and Continual Improvement".
  5. De feitelijke eerste beoordeling en/of verificatie mag ook worden uitgevoerd door de EG-goedkeuringsinstanties van een andere Lidstaat of door het orgaan dat daartoe is aangewezen door de EG-goedkeurings-instanties, die een verklaring van overeenstemming opstellen waarin de gebieden en de productiefaciliteiten staan vermeld, alsook de richtlijn of de verordening die van belang worden geacht voor de goed te keuren producten, dat wil zeggen de relevante bijzondere richtlijn wanneer het goed te keuren product een systeem, onderdeel of technische eenheid is, en de richtlijn indien het over een compleet voertuig gaat.
  6. Na ontvangst van een aanvraag voor een verklaring van overeenstemming van de goedkeuringsinstanties van een Lidstaat die een EG-goedkeuring verleent, stuurt de EG-goedkeuringsinstantie de verklaring van overeenstemming of deelt zij mee dat zij geen verklaring kan afgeven.
  7. De verklaring van overeenstemming moet ten minste de volgende inlichtingen omvatten :
  Groep of onderneming;
  Organisatie;
  Fabrieken/vestigingsplaatsen;
  Voertuigen/onderdelenserie;
  Beoordeelde afdelingen;
  Onderzochte documenten;
  Beoordeling.
  8. De goedkeuringsinstantie aanvaardt de afdoende certificering van de fabrikant volgens de geharmoniseerde norm EN ISO 9002 :1994 (waaronder de productiefaciliteiten en de goed te keuren producten vallen) of EN ISO 9001 :2000, eventueel met uitzondering van de ontwerp- en ontwikkelingsconcepten van 7.3 "Customer Satisfaction and Continual Improvement", of volgens een geharmoniseerde norm die voldoet aan de vereisten met betrekking tot de eerste beoordeling.
  9. De fabrikant moet alle nodige inlichtingen verschaffen over de certificering en zich ertoe verbinden de goedkeuringsinstanties op de hoogte te brengen van elke wijziging in de geldigheid of het toepassingsgebied ervan.
  10. Bij de goedkeuring van een compleet voertuigtype, moeten de eerste beoordelingen die zijn uitgevoerd door de goedkeuring van de systemen, onderdelen en technische eenheden van het voertuig niet worden herhaald, maar dienen ze te worden aangevuld met een beoordeling van de productiefaciliteiten en de activiteiten die betrekking hebben op de montage van het complete voertuig en die niet eerder werden beoordeeld.
  § 3. Maatregelen betreffende de overeenstemming
  1. Elk voertuig, systeem, onderdeel of technische eenheid goedgekeurd op grond van dit hoofdstuk of van een bijzondere richtlijn of van een bijzondere verordening moet zo zijn vervaardigd dat het/zij in overeenstemming is met het goedgekeurde type, met name dat het voldoet aan de vereisten hetzij van dit besluit, hetzij van de richtlijn of van de bijzondere richtlijnen of van de bijzondere verordening die vermeld staan op de volledige lijst van bijlage 26 of bijlage 33.
  2. Bij het verlenen van een goedkeuring verifieert de goedkeuringsinstantie het bestaan van afdoende maatregelen en gedocumenteerde controleplannen, die bij elke goedkeuring moeten worden overeengekomen met de fabrikant, om op gezette tijden de bijhorende tests of controles uit te voeren die nodig zijn om na te gaan of er nog steeds overeenstemming is met het goedkeuringscertificaat.
  3. De houder van een goedkeuring moet de volgende voorwaarden vervullen :
  1. Hij moet ervoor zorgen dat de procedures bestaan en worden toegepast voor een doeltreffende controle van de overeenstemming van het of de producten (voertuigen, systemen, onderdelen of technische eenheden) met het goedkeuringscertificaat.
  2. Hij moet toegang hebben tot de test- en andere geschikte apparatuur die nodig is om de overeenstemming met elk goedkeuringscertificaat te verifiëren.
  3. Hij moet ervoor zorgen dat de test- of controleresultaten worden vastgelegd, dat de bijgevoegde documenten beschikbaar blijven en erover waken dat deze inlichtingen gedurende tien jaar behouden en beschikbaar blijven.
  Binnen de 8 dagen na het faillissement of de vereffening moet hij aan de curator of de vereffenaar, volgens het geval, het(de) informatiedossier(s) en de goedkeuringscertificaat(caten) meedelen.
  De bestuurders zijn persoonlijk aansprakelijk voor de mededeling van voormelde documenten.
  Is er geen overnemer binnen het jaar na de aanstelling van de curator of de vereffenaar, dan moet hij in voorkomend geval binnen een termijn van 8 dagen vanaf het verstrijken van een termijn van één jaar, voormelde documenten bezorgen aan de goedkeuringsinstantie.
  In geval van overname worden de documenten meegedeeld aan de overnemer, die ervoor moet zorgen dat ze behouden en beschikbaar blijven.
  4. Hij moet de resultaten van elke soort test of controle analyseren om te verifiëren en te garanderen dat de eigenschappen van het product stabiel blijven, daarbij rekening houdend met bepaalde schommelingen die eigen zijn aan de industriële productie.
  5. Hij moet erover waken dat voor elk soort producten ten minste de controles worden verricht die zijn voorgeschreven door dit besluit, door de richtlijn, alsmede de tests voorzien in de van toepassing zijnde bijzondere richtlijnen of de bijzondere verordeningen opgesomd in de volledige lijst van bijlage 26 of van bijlage 33 van dit besluit.
  6. Hij moet ervoor zorgen dat elk geheel van monsters of proefstukken dat op het einde van de betrokken test of controle niet in overeenstemming blijkt te zijn aanleiding geven tot verdere bemonstering en tot nieuwe tests of controles. Alle nodige maatregelen moeten worden genomen om de overeenstemming van de desbetreffende productie te herstellen.
  7. Bij de goedkeuring van een compleet voertuig, blijven de controles bedoeld in punt 5 beperkt tot het verifiëren van de juistheid van de bouwspecificaties met betrekking tot de goedkeuring, en met name het inlichtingenformulier bedoeld in bijlage 25 van dit besluit en de gegevens die nodig zijn voor de overeenstemmingsattesten bedoeld in bijlage 31 van dit besluit.
  § 4. Continue verificatie
  1. De goedkeuringsinstantie kan te allen tijde de in elk productiebedrijf toegepaste methoden voor de controle van de overeenstemming verifiëren.
  2. De normale regeling is de blijvende effectiviteit van de procedure van de eerste beoordeling en van de controle van de overeenstemming te verifiëren.
  3. De toezichtactiviteiten van een certificatie-instelling die bevoegd of erkend is volgens de modaliteiten bedoeld in § 2, punt 8 moeten als toereikend worden beschouwd voor wat de naleving betreft van de vereisten van § 4, punt 2 met betrekking tot de procedures die voor de eerste beoordeling zijn vastgesteld.
  4. De normale frequentie van de verificaties uitgevoerd door de goedkeuringsinstantie moet zodanig zijn dat er kan worden gewaarborgd dat de controles uitgevoerd op grond van § 2 en 3 worden herzien over een periode die past bij het vertrouwensklimaat gesteld door de goedkeuringsinstanties en die niet groter mag zijn dan drie jaar.
  5. Bij elke evaluatie moeten de test- of verificatie- en productiegegevens ter beschikking worden gesteld van de inspecteur. Met name moeten dossiers van die tests of verificaties worden voorgelegd die vereist zijn volgens § 3 punt 2.
  6. Indien de aard van de test zich hiertoe leent, mag de inspecteur willekeurig monsters nemen om te worden getest in het laboratorium van de fabrikant of van de technische dienst. Het minimumaantal monsters mag worden bepaald aan de hand van de resultaten van de door de fabrikant zelf verrichte verificatie.
  7. Wanneer het niveau van de controle onvoldoende blijkt te zijn of indien het nodig blijkt de geldigheid te verifiëren van de tests die zijn uitgevoerd op grond van § 4 punt 5, selecteert de inspecteur monsters die worden opgestuurd naar de technische dienst die de goedkeuringstests heeft verricht.
  8. Als een controle of verificatie onbevredigende resultaten oplevert, zorgt de goedkeuringsinstantie ervoor dat de nodige maatregelen worden genomen om de overeenstemming van de productie zo snel mogelijk te herstellen.]1
  ----------
  (1)<KB 2009-04-14/25, art. 4, 041; Inwerkingtreding : 29-04-2009 of later, volgens categorieën>

  Art. 4bis.[1 - Kosten
  1. De kosten voor goedkeuring en voor het uitreiken van elk bijbehorend document vallen ten laste van de aanvrager en maken het voorwerp uit van een door de Minister bevoegd voor het wegverkeer vastgestelde prijstabel.
  De kosten voor de tests, inclusief de tests die eventueel zijn opgelegd door de goedkeuringsinstantie, uitgevoerd bij door hem aangeduide technische diensten of organismen vallen ten laste van de aanvrager.
  2. Voor de landbouwaanhangwagens bedoeld in artikel 2, § 2, 8° en 9° duidt de Minister bevoegd voor het wegverkeer de organismen aan die bevoegd zijn om het technisch dossier samen te stellen dat nodig is voor het uitreiken van het bewijs dat geldt als proces-verbaal van goedkeuring en als het Certificaat van overeenstemming (gelijkvormigheidsattest).
  De kosten voor het samenstellen van het technisch dossier door de aangeduide organismen en de kosten voor de controle en het uitreiken van elk bijbehorend document, vallen ten laste van de aanvrager en worden vastgelegd door de Minister bevoegd voor het wegverkeer.]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij KB 2009-04-14/25, art. 4, 041; Inwerkingtreding : 29-04-2009 of later, volgens categorieën>

  Art. 4bis_WAALS_GEWEST.
   [1 - Kosten
  1. De kosten voor goedkeuring en voor het uitreiken van elk bijbehorend document vallen ten laste van de aanvrager en maken het voorwerp uit van een door [2 de Waalse Regering]2 vastgestelde prijstabel.
  De kosten voor de tests, inclusief de tests die eventueel zijn opgelegd door de goedkeuringsinstantie, uitgevoerd bij door hem aangeduide technische diensten of organismen vallen ten laste van de aanvrager.
  2. Voor de landbouwaanhangwagens bedoeld in artikel 2, § 2, 8° en 9° duidt [2 de Waalse bevoegde instantie]2 de organismen aan die bevoegd zijn om het technisch dossier samen te stellen dat nodig is voor het uitreiken van het bewijs dat geldt als proces-verbaal van goedkeuring en als het Certificaat van overeenstemming (gelijkvormigheidsattest).
  De kosten voor het samenstellen van het technisch dossier door de aangeduide organismen en de kosten voor de controle en het uitreiken van elk bijbehorend document, vallen ten laste van de aanvrager en worden vastgelegd door [2 de Waalse Regering]2.]1
  
----------
  (1)<Ingevoegd bij KB 2009-04-14/25, art. 4, 041; Inwerkingtreding : 29-04-2009 of later, volgens categorieën>
  (2)<BWG 2018-05-17/18, art. 5, 083; Inwerkingtreding : 20-05-2018>
  

  Art. 4bis_BRUSSELS_HOOFDSTEDELIJK_GEWEST.
   [1 - Kosten
  1. De kosten voor goedkeuring en voor het uitreiken van elk bijbehorend document vallen ten laste van de aanvrager en maken het voorwerp uit van een [2 bij besluit van de Brusselse Hoofdstedelijke Regering]2 vastgestelde prijstabel.
  De kosten voor de tests, inclusief de tests die eventueel zijn opgelegd door de goedkeuringsinstantie, uitgevoerd bij door hem aangeduide technische diensten of organismen vallen ten laste van de aanvrager.
  2. Voor de landbouwaanhangwagens bedoeld in artikel 2, § 2, 8° en 9° [2 wijst de Brusselse minister]2 de organismen aan die bevoegd zijn om het technisch dossier samen te stellen dat nodig is voor het uitreiken van het bewijs dat geldt als proces-verbaal van goedkeuring en als het Certificaat van overeenstemming (gelijkvormigheidsattest).
  De kosten voor het samenstellen van het technisch dossier door de aangeduide organismen en de kosten voor de controle en het uitreiken van elk bijbehorend document, vallen ten laste van de aanvrager en worden vastgelegd [2 bij besluit van de Brusselse Hoofdstedelijke Regering]2.]1
  
----------
  (1)<Ingevoegd bij KB 2009-04-14/25, art. 4, 041; Inwerkingtreding : 29-04-2009 of later, volgens categorieën>
  (2)<BESL 2018-11-29/02, art. 6, 082; Inwerkingtreding : 01-12-2018>
  

  Art. 4bis_VLAAMS_GEWEST.
   [1 - Kosten
  1. De kosten voor goedkeuring en voor het uitreiken van elk bijbehorend document vallen ten laste van de aanvrager en maken het voorwerp uit van een [2 bij besluit van de Vlaamse Regering]2 vastgestelde prijstabel.
  De kosten voor de tests, inclusief de tests die eventueel zijn opgelegd door de goedkeuringsinstantie, uitgevoerd bij door hem aangeduide technische diensten of organismen vallen ten laste van de aanvrager.
  2. Voor de landbouwaanhangwagens bedoeld in artikel 2, § 2, 8° en 9° [2 wijst de Vlaamse minister]2 de organismen aan die bevoegd zijn om het technisch dossier samen te stellen dat nodig is voor het uitreiken van het bewijs dat geldt als proces-verbaal van goedkeuring en als het Certificaat van overeenstemming (gelijkvormigheidsattest).
  De kosten voor het samenstellen van het technisch dossier door de aangeduide organismen en de kosten voor de controle en het uitreiken van elk bijbehorend document, vallen ten laste van de aanvrager en worden vastgelegd [2 bij besluit van de Vlaamse Regering]2.]1
  
----------
  (1)<Ingevoegd bij KB 2009-04-14/25, art. 4, 041; Inwerkingtreding : 29-04-2009 of later, volgens categorieën>
  (2)<BVR 2015-07-10/11, art. 4, 067; Inwerkingtreding : 04-09-2015>

  Art. 4ter.[1 - Onderzoek van het prototype
  Voor de nodig geachte onderzoeken en tests moet de aanvrager wat volgt ter beschikking stellen van de bevoegde instantie of een door de bevoegde instantie aangeduide technische dienst of elk ander organisme, op de vastgestelde plaatsen, dagen en uren :
  1. een exemplaar van het voertuig, van de aanhangwagen, van het systeem, van het onderdeel en van de technische eenheid, volgens de ontvangen instructies;
  2. het bevoegde personeel dat nodig is om het voertuig te besturen tijdens de keurtests en om elke nodig geachte demontage te doen van het voertuig, de aanhangwagen, het systeem, het onderdeel en de technische eenheid;
  3. het gereedschap dat nodig is voor de eventuele demontages;
  4. de onderdelen die nodig zijn voor de bijzondere tests of onderzoeken.
  De hiervoor opgeroepen voertuigen mogen op de openbare weg rijden zonder te zijn gedekt door het keuringsbewijs voorzien in artikel 24, voor zover zij zich enkel verplaatsen ter uitvoering van de maatregelen van dit artikel en in de voorwaarden aangegeven in voormelde oproeping.]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij KB 2009-04-14/25, art. 4, 041; Inwerkingtreding : 29-04-2009 of later, volgens categorieën>

  Art. 4ter_WAALS_GEWEST.
   [1 - Onderzoek van het prototype
  Voor de nodig geachte onderzoeken en tests moet de aanvrager wat volgt ter beschikking stellen van [2 de Waalse bevoegde instantie of een technische dienst of elk ander organisme aangeduid door de Waalse bevoegde instantie op de vastgestelde plaatsen, dagen en uren]2 :
  1. een exemplaar van het voertuig, van de aanhangwagen, van het systeem, van het onderdeel en van de technische eenheid, volgens de ontvangen instructies;
  2. het bevoegde personeel dat nodig is om het voertuig te besturen tijdens de keurtests en om elke nodig geachte demontage te doen van het voertuig, de aanhangwagen, het systeem, het onderdeel en de technische eenheid;
  3. het gereedschap dat nodig is voor de eventuele demontages;
  4. de onderdelen die nodig zijn voor de bijzondere tests of onderzoeken.
  De hiervoor opgeroepen voertuigen mogen op de openbare weg rijden zonder te zijn gedekt door het keuringsbewijs voorzien in artikel 24, voor zover zij zich enkel verplaatsen ter uitvoering van de maatregelen van dit artikel en in de voorwaarden aangegeven in voormelde oproeping.]1
  
----------
  (1)<Ingevoegd bij KB 2009-04-14/25, art. 4, 041; Inwerkingtreding : 29-04-2009 of later, volgens categorieën>
  (2)<BWG 2018-05-17/18, art. 6, 083; Inwerkingtreding : 20-05-2018>
  

  Art. 4ter_BRUSSELS_HOOFDSTEDELIJK_GEWEST.
   [1 - Onderzoek van het prototype
  Voor de nodig geachte onderzoeken en tests moet de aanvrager wat volgt ter beschikking stellen van de bevoegde [2 Brusselse]2 instantie of een door de bevoegde instantie aangeduide technische dienst of elk ander organisme, op de vastgestelde plaatsen, dagen en uren :
  1. een exemplaar van het voertuig, van de aanhangwagen, van het systeem, van het onderdeel en van de technische eenheid, volgens de ontvangen instructies;
  2. het bevoegde personeel dat nodig is om het voertuig te besturen tijdens de keurtests en om elke nodig geachte demontage te doen van het voertuig, de aanhangwagen, het systeem, het onderdeel en de technische eenheid;
  3. het gereedschap dat nodig is voor de eventuele demontages;
  4. de onderdelen die nodig zijn voor de bijzondere tests of onderzoeken.
  De hiervoor opgeroepen voertuigen mogen op de openbare weg rijden zonder te zijn gedekt door het keuringsbewijs voorzien in artikel 24, voor zover zij zich enkel verplaatsen ter uitvoering van de maatregelen van dit artikel en in de voorwaarden aangegeven in voormelde oproeping.]1
  
----------
  (1)<Ingevoegd bij KB 2009-04-14/25, art. 4, 041; Inwerkingtreding : 29-04-2009 of later, volgens categorieën>
  (2)<BESL 2018-11-29/02, art. 7, 082; Inwerkingtreding : 01-12-2018>
  

  Art. 4ter_VLAAMS_GEWEST.
   [1 - Onderzoek van het prototype
  Voor de nodig geachte onderzoeken en tests moet de aanvrager wat volgt ter beschikking stellen van de bevoegde [2 Vlaamse]2 instantie of een door de bevoegde [2 Vlaamse]2 instantie aangeduide technische dienst of elk ander organisme, op de vastgestelde plaatsen, dagen en uren :
  1. een exemplaar van het voertuig, van de aanhangwagen, van het systeem, van het onderdeel en van de technische eenheid, volgens de ontvangen instructies;
  2. het bevoegde personeel dat nodig is om het voertuig te besturen tijdens de keurtests en om elke nodig geachte demontage te doen van het voertuig, de aanhangwagen, het systeem, het onderdeel en de technische eenheid;
  3. het gereedschap dat nodig is voor de eventuele demontages;
  4. de onderdelen die nodig zijn voor de bijzondere tests of onderzoeken.
  De hiervoor opgeroepen voertuigen mogen op de openbare weg rijden zonder te zijn gedekt door het keuringsbewijs voorzien in artikel 24, voor zover zij zich enkel verplaatsen ter uitvoering van de maatregelen van dit artikel en in de voorwaarden aangegeven in voormelde oproeping.]1
  
----------
  (1)<Ingevoegd bij KB 2009-04-14/25, art. 4, 041; Inwerkingtreding : 29-04-2009 of later, volgens categorieën>
  (2)<BVR 2015-07-10/11, art. 5, 067; Inwerkingtreding : 04-09-2015>

  Art. 5.[1 - De goedkeuringsaanvraag indienen
  § 1. De goedkeuringsaanvraag moet worden ingediend in twee exemplaren, door middel van het formulier dat de bevoegde instantie hiervoor heeft voorzien.
  De aanvraag bevat de documenten bedoeld in § 3 en het complete dossier van de fabrikant met, volgens de gevraagde soort goedkeuring, de inlichtingen bedoeld in artikel 7.
  § 2. Personen die gemachtigd zijn om goedkeuringsaanvragen in te dienen
  1. Zijn alleen gemachtigd om de goedkeuringsaanvragen in te dienen :
  1° voor de in de Gemeenschap gevestigde fabrikanten, de fabrikant of een door hem aangeduide mandataris;
  2° voor de buiten de Gemeenschap gevestigde fabrikanten, de mandataris bedoeld in artikel 6§ 4.
  2. De fabrikant betekent aan de goedkeuringsinstantie de naam, de firmanaam of het adres van de op grond van § 2, punt 1 aangeduide mandataris(sen).
  Voor elke goedkeuringsaanvraag legt de mandataris de volle en algehele verantwoordelijkheid bij de fabrikant, zowel op het vlak van het ontwerp als van de verwezenlijking van het voertuig.
  3. De handtekening van elke persoon die gemachtigd is om een goedkeuringsaanvraag in te dienen moet bij de goedkeuringsinstantie zijn neergelegd.
  § 3. De aanvraag moet vergezeld zijn van de volgende documenten, in het geval van een nationale goedkeuring :
  1. het certificaat van de fabrikant dat, voor elk voertuig of elke aanhangwagen dat aan de goedkeuring wordt onderworpen moet aangeven :
  - de technisch toelaatbare maximummassa (M);
  - de technisch toelaatbare maximummassa op de as (m);
  - de technisch toelaatbare maximummassa op een asstel (æ);
  - de technisch toelaatbare maximummassa op het koppelingspunt van een oplegger of van een aanhangwagen of een middenas-aanhangwagen.
  Voor auto's moet er worden vermeld of ze al dan niet kunnen worden ingezet voor het vervoer van personen.
  Wanneer het trekken van aanhangwagens is toegelaten door de fabrikant, moet ook de technisch toelaatbare maximummassa (MC) van de voertuigcombinatie worden vermeld.
  Voor bijzonder gebruik gebouwde voertuigen mag de fabrikant bovendien massa's waarborgen berekend in functie van een snelheid beperkt tot 25 km/uur.
  Het certificaat van de fabrikant moet de naam, voornamen en de handtekening vermelden van een technisch bevoegde persoon, samen met de officiële stempel van de fabrikant.
  2. het bewijs dat de aanvrager effectief het beroep van fabrikant uitoefent.
  Dat bewijs mag worden geleverd door middel van een uittreksel uit het handelsregister, de bijlagen bij het Belgisch Staatsblad waarin de oprichtingsakte van de vennootschap, in zijn geheel of bij wijze van uittreksel, wordt gepubliceerd alsook de wijzigingen eraan of, als het gaat om een buitenlandse fabrikant, hetgeen dit vervangt.
  3. de justificatie van voldoende waarborgen.
  Deze justificatie moet een beschrijving omvatten van de middelen waarover de fabrikant beschikt om types van voertuigen, aanhangwagens, systemen, onderdelen of technische eenheden, volgens het geval, te ontwerpen, te verwezenlijken en te waarborgen, die bij gebruik alle veiligheid bieden en voldoen aan de eisen die van toepassing zijn inzake de constructie van voertuigen. Er moet ook worden aangetoond dat de fabrikant over het nodige bevoegde personeel beschikt om de gevraagde tests, berekeningen en plannen op te maken en de verschillende goedkeuringsformaliteiten te vervullen.
  De bevoegde instantie kan de persoon die het bewijs voorlegt dat hij in België, tussen 1 januari 1963 en 1 januari 1968 minstens vijftig voertuigen heeft gebouwd en geleverd die behoren tot de categorieën bedoeld in de aanvraag tot erkenning, geheel of gedeeltelijk vrijstellen van deze justificatie.
  4. een formulier voorzien door de bevoegde instantie of zijn afgevaardigde, met vermelding van de naam, voornamen, functie en typehandtekening van de technisch bevoegde persoon of personen die de fabrikant geldig kunnen binden, alsook een exemplaar van de officiële stempel van de fabrikant.]1
  ----------
  (1)<KB 2009-04-14/25, art. 4, 041; Inwerkingtreding : 29-04-2009 of later, volgens categorieën>

  Art. 5_WAALS_GEWEST.
   [1 - De goedkeuringsaanvraag indienen
  § 1. De goedkeuringsaanvraag moet worden ingediend in twee exemplaren, door middel van het formulier dat de [2 Waals]2 bevoegde instantie hiervoor heeft voorzien.
  De aanvraag bevat de documenten bedoeld in § 3 en het complete dossier van de fabrikant met, volgens de gevraagde soort goedkeuring, de inlichtingen bedoeld in artikel 7.
  § 2. Personen die gemachtigd zijn om goedkeuringsaanvragen in te dienen
  1. Zijn alleen gemachtigd om de goedkeuringsaanvragen in te dienen :
  1° voor de in de Gemeenschap gevestigde fabrikanten, de fabrikant of een door hem aangeduide mandataris;
  2° voor de buiten de Gemeenschap gevestigde fabrikanten, de mandataris bedoeld in artikel 6§ 4.
  2. De fabrikant betekent aan de goedkeuringsinstantie de naam, de firmanaam of het adres van de op grond van § 2, punt 1 aangeduide mandataris(sen).
  Voor elke goedkeuringsaanvraag legt de mandataris de volle en algehele verantwoordelijkheid bij de fabrikant, zowel op het vlak van het ontwerp als van de verwezenlijking van het voertuig.
  3. De handtekening van elke persoon die gemachtigd is om een goedkeuringsaanvraag in te dienen moet bij de goedkeuringsinstantie zijn neergelegd.
  § 3. De aanvraag moet vergezeld zijn van de volgende documenten, in het geval van een nationale goedkeuring :
  1. het certificaat van de fabrikant dat, voor elk voertuig of elke aanhangwagen dat aan de goedkeuring wordt onderworpen moet aangeven :
  - de technisch toelaatbare maximummassa (M);
  - de technisch toelaatbare maximummassa op de as (m);
  - de technisch toelaatbare maximummassa op een asstel (æ);
  - de technisch toelaatbare maximummassa op het koppelingspunt van een oplegger of van een aanhangwagen of een middenas-aanhangwagen.
  Voor auto's moet er worden vermeld of ze al dan niet kunnen worden ingezet voor het vervoer van personen.
  Wanneer het trekken van aanhangwagens is toegelaten door de fabrikant, moet ook de technisch toelaatbare maximummassa (MC) van de voertuigcombinatie worden vermeld.
  Voor bijzonder gebruik gebouwde voertuigen mag de fabrikant bovendien massa's waarborgen berekend in functie van een snelheid beperkt tot 25 km/uur.
  Het certificaat van de fabrikant moet de naam, voornamen en de handtekening vermelden van een technisch bevoegde persoon, samen met de officiële stempel van de fabrikant.
  2. het bewijs dat de aanvrager effectief het beroep van fabrikant uitoefent.
  Dat bewijs mag worden geleverd door middel van een uittreksel uit het handelsregister, de bijlagen bij het Belgisch Staatsblad waarin de oprichtingsakte van de vennootschap, in zijn geheel of bij wijze van uittreksel, wordt gepubliceerd alsook de wijzigingen eraan of, als het gaat om een buitenlandse fabrikant, hetgeen dit vervangt.
  3. de justificatie van voldoende waarborgen.
  Deze justificatie moet een beschrijving omvatten van de middelen waarover de fabrikant beschikt om types van voertuigen, aanhangwagens, systemen, onderdelen of technische eenheden, volgens het geval, te ontwerpen, te verwezenlijken en te waarborgen, die bij gebruik alle veiligheid bieden en voldoen aan de eisen die van toepassing zijn inzake de constructie van voertuigen. Er moet ook worden aangetoond dat de fabrikant over het nodige bevoegde personeel beschikt om de gevraagde tests, berekeningen en plannen op te maken en de verschillende goedkeuringsformaliteiten te vervullen.
  De [2 Waalse]2 bevoegde instantie kan de persoon die het bewijs voorlegt dat hij in België, tussen 1 januari 1963 en 1 januari 1968 minstens vijftig voertuigen heeft gebouwd en geleverd die behoren tot de categorieën bedoeld in de aanvraag tot erkenning, geheel of gedeeltelijk vrijstellen van deze justificatie.
  4. een formulier voorzien door de bevoegde instantie of zijn afgevaardigde, met vermelding van de naam, voornamen, functie en typehandtekening van de technisch bevoegde persoon of personen die de fabrikant geldig kunnen binden, alsook een exemplaar van de officiële stempel van de fabrikant.]1
  
----------
  (1)<KB 2009-04-14/25, art. 4, 041; Inwerkingtreding : 29-04-2009 of later, volgens categorieën>
  (2)<BWG 2018-05-17/18, art. 7, 083; Inwerkingtreding : 20-05-2018>
  

  Art. 5_BRUSSELS_HOOFDSTEDELIJK_GEWEST.
   [1 - De goedkeuringsaanvraag indienen
  § 1. De goedkeuringsaanvraag moet worden ingediend in twee exemplaren, door middel van het formulier dat de bevoegde [2 Brusselse]2 instantie hiervoor heeft voorzien.
  De aanvraag bevat de documenten bedoeld in § 3 en het complete dossier van de fabrikant met, volgens de gevraagde soort goedkeuring, de inlichtingen bedoeld in artikel 7.
  § 2. Personen die gemachtigd zijn om goedkeuringsaanvragen in te dienen
  1. Zijn alleen gemachtigd om de goedkeuringsaanvragen in te dienen :
  1° voor de in de Gemeenschap gevestigde fabrikanten, de fabrikant of een door hem aangeduide mandataris;
  2° voor de buiten de Gemeenschap gevestigde fabrikanten, de mandataris bedoeld in artikel 6§ 4.
  2. De fabrikant betekent aan de goedkeuringsinstantie de naam, de firmanaam of het adres van de op grond van § 2, punt 1 aangeduide mandataris(sen).
  Voor elke goedkeuringsaanvraag legt de mandataris de volle en algehele verantwoordelijkheid bij de fabrikant, zowel op het vlak van het ontwerp als van de verwezenlijking van het voertuig.
  3. De handtekening van elke persoon die gemachtigd is om een goedkeuringsaanvraag in te dienen moet bij de goedkeuringsinstantie zijn neergelegd.
  § 3. De aanvraag moet vergezeld zijn van de volgende documenten, in het geval van een nationale goedkeuring :
  1. het certificaat van de fabrikant dat, voor elk voertuig of elke aanhangwagen dat aan de goedkeuring wordt onderworpen moet aangeven :
  - de technisch toelaatbare maximummassa (M);
  - de technisch toelaatbare maximummassa op de as (m);
  - de technisch toelaatbare maximummassa op een asstel (æ);
  - de technisch toelaatbare maximummassa op het koppelingspunt van een oplegger of van een aanhangwagen of een middenas-aanhangwagen.
  Voor auto's moet er worden vermeld of ze al dan niet kunnen worden ingezet voor het vervoer van personen.
  Wanneer het trekken van aanhangwagens is toegelaten door de fabrikant, moet ook de technisch toelaatbare maximummassa (MC) van de voertuigcombinatie worden vermeld.
  Voor bijzonder gebruik gebouwde voertuigen mag de fabrikant bovendien massa's waarborgen berekend in functie van een snelheid beperkt tot 25 km/uur.
  Het certificaat van de fabrikant moet de naam, voornamen en de handtekening vermelden van een technisch bevoegde persoon, samen met de officiële stempel van de fabrikant.
  2. het bewijs dat de aanvrager effectief het beroep van fabrikant uitoefent.
  Dat bewijs mag worden geleverd door middel van een uittreksel uit het handelsregister, de bijlagen bij het Belgisch Staatsblad waarin de oprichtingsakte van de vennootschap, in zijn geheel of bij wijze van uittreksel, wordt gepubliceerd alsook de wijzigingen eraan of, als het gaat om een buitenlandse fabrikant, hetgeen dit vervangt.
  3. de justificatie van voldoende waarborgen.
  Deze justificatie moet een beschrijving omvatten van de middelen waarover de fabrikant beschikt om types van voertuigen, aanhangwagens, systemen, onderdelen of technische eenheden, volgens het geval, te ontwerpen, te verwezenlijken en te waarborgen, die bij gebruik alle veiligheid bieden en voldoen aan de eisen die van toepassing zijn inzake de constructie van voertuigen. Er moet ook worden aangetoond dat de fabrikant over het nodige bevoegde personeel beschikt om de gevraagde tests, berekeningen en plannen op te maken en de verschillende goedkeuringsformaliteiten te vervullen.
  De bevoegde [2 Brusselse]2 instantie kan de persoon die het bewijs voorlegt dat hij in België, tussen 1 januari 1963 en 1 januari 1968 minstens vijftig voertuigen heeft gebouwd en geleverd die behoren tot de categorieën bedoeld in de aanvraag tot erkenning, geheel of gedeeltelijk vrijstellen van deze justificatie.
  4. een formulier voorzien door de bevoegde [2 Brusselse]2 instantie of zijn afgevaardigde, met vermelding van de naam, voornamen, functie en typehandtekening van de technisch bevoegde persoon of personen die de fabrikant geldig kunnen binden, alsook een exemplaar van de officiële stempel van de fabrikant.]1
  
----------
  (1)<KB 2009-04-14/25, art. 4, 041; Inwerkingtreding : 29-04-2009 of later, volgens categorieën>
  (2)<BESL 2018-11-29/02, art. 7, 082; Inwerkingtreding : 01-12-2018>
  

  Art. 5_VLAAMS_GEWEST.
   [1 - De goedkeuringsaanvraag indienen
  § 1. De goedkeuringsaanvraag moet worden ingediend in twee exemplaren, door middel van het formulier dat de bevoegde [2 Vlaamse]2 instantie hiervoor heeft voorzien.
  De aanvraag bevat de documenten bedoeld in § 3 en het complete dossier van de fabrikant met, volgens de gevraagde soort goedkeuring, de inlichtingen bedoeld in artikel 7.
  § 2. Personen die gemachtigd zijn om goedkeuringsaanvragen in te dienen
  1. Zijn alleen gemachtigd om de goedkeuringsaanvragen in te dienen :
  1° voor de in de Gemeenschap gevestigde fabrikanten, de fabrikant of een door hem aangeduide mandataris;
  2° voor de buiten de Gemeenschap gevestigde fabrikanten, de mandataris bedoeld in artikel 6§ 4.
  2. De fabrikant betekent aan de goedkeuringsinstantie de naam, de firmanaam of het adres van de op grond van § 2, punt 1 aangeduide mandataris(sen).
  Voor elke goedkeuringsaanvraag legt de mandataris de volle en algehele verantwoordelijkheid bij de fabrikant, zowel op het vlak van het ontwerp als van de verwezenlijking van het voertuig.
  3. De handtekening van elke persoon die gemachtigd is om een goedkeuringsaanvraag in te dienen moet bij de goedkeuringsinstantie zijn neergelegd.
  § 3. De aanvraag moet vergezeld zijn van de volgende documenten, in het geval van een nationale goedkeuring :
  1. het certificaat van de fabrikant dat, voor elk voertuig of elke aanhangwagen dat aan de goedkeuring wordt onderworpen moet aangeven :
  - de technisch toelaatbare maximummassa (M);
  - de technisch toelaatbare maximummassa op de as (m);
  - de technisch toelaatbare maximummassa op een asstel (æ);
  - de technisch toelaatbare maximummassa op het koppelingspunt van een oplegger of van een aanhangwagen of een middenas-aanhangwagen.
  Voor auto's moet er worden vermeld of ze al dan niet kunnen worden ingezet voor het vervoer van personen.
  Wanneer het trekken van aanhangwagens is toegelaten door de fabrikant, moet ook de technisch toelaatbare maximummassa (MC) van de voertuigcombinatie worden vermeld.
  Voor bijzonder gebruik gebouwde voertuigen mag de fabrikant bovendien massa's waarborgen berekend in functie van een snelheid beperkt tot 25 km/uur.
  Het certificaat van de fabrikant moet de naam, voornamen en de handtekening vermelden van een technisch bevoegde persoon, samen met de officiële stempel van de fabrikant.
  2. het bewijs dat de aanvrager effectief het beroep van fabrikant uitoefent.
  Dat bewijs mag worden geleverd door middel van een uittreksel uit het handelsregister, de bijlagen bij het Belgisch Staatsblad waarin de oprichtingsakte van de vennootschap, in zijn geheel of bij wijze van uittreksel, wordt gepubliceerd alsook de wijzigingen eraan of, als het gaat om een buitenlandse fabrikant, hetgeen dit vervangt.
  3. de justificatie van voldoende waarborgen.
  Deze justificatie moet een beschrijving omvatten van de middelen waarover de fabrikant beschikt om types van voertuigen, aanhangwagens, systemen, onderdelen of technische eenheden, volgens het geval, te ontwerpen, te verwezenlijken en te waarborgen, die bij gebruik alle veiligheid bieden en voldoen aan de eisen die van toepassing zijn inzake de constructie van voertuigen. Er moet ook worden aangetoond dat de fabrikant over het nodige bevoegde personeel beschikt om de gevraagde tests, berekeningen en plannen op te maken en de verschillende goedkeuringsformaliteiten te vervullen.
  De bevoegde [2 Vlaamse]2 instantie kan de persoon die het bewijs voorlegt dat hij in België, tussen 1 januari 1963 en 1 januari 1968 minstens vijftig voertuigen heeft gebouwd en geleverd die behoren tot de categorieën bedoeld in de aanvraag tot erkenning, geheel of gedeeltelijk vrijstellen van deze justificatie.
  4. een formulier voorzien door de bevoegde [2 Vlaamse]2 instantie [2 ...]2, met vermelding van de naam, voornamen, functie en typehandtekening van de technisch bevoegde persoon of personen die de fabrikant geldig kunnen binden, alsook een exemplaar van de officiële stempel van de fabrikant.]1
  
----------
  (1)<KB 2009-04-14/25, art. 4, 041; Inwerkingtreding : 29-04-2009 of later, volgens categorieën>
  (2)<BVR 2015-07-10/11, art. 6, 067; Inwerkingtreding : 04-09-2015>

  Art. 6.[1 - Verantwoordelijkheid van de fabrikanten
  § 1. De fabrikant is verantwoordelijk voor alle aspecten van de procedure van goedkeuring en voor de overeenstemming van de productie, ongeacht of hij al dan niet rechtstreeks betrokken is bij alle fasen van de bouw van een voertuig, het systeem, het onderdeel of de technische eenheid.
  § 2. Bij een meerfasentypegoedkeuring is elke fabrikant verantwoordelijk voor de goedkeuring en de overeenstemming van de productie van de systemen, onderdelen of technische eenheden die tijdens de door hem uitgevoerde voltooiingsfase van het voertuig worden toegevoegd.
  § 3. De fabrikant die een reeds goedgekeurd voertuig, onderdeel of systeem wijzigt is verantwoordelijk voor de goedkeuring en voor de overeenstemming van de productie van deze voertuigen, onderdelen en systemen.
  § 4. Voor de toepassing van dit hoofdstuk wijst elke buiten de Gemeenschap gevestigde fabrikant een binnen de Gemeenschap gevestigde vertegenwoordiger aan om hem voor de goedkeuringsinstanties te vertegenwoordigen.]1
  ----------
  (1)<KB 2009-04-14/25, art. 4, 041; Inwerkingtreding : 29-04-2009 of later, volgens categorieën>

  Art. 7.[1 - Verloop van de procedures voor de typegoedkeuring
  § 1. Te volgen procedures voor de typegoedkeuring van voertuigen
  1. De fabrikant mag een van de volgende procedures kiezen :
  a) de stapsgewijze typegoedkeuring;
  b) de eenstapstypegoedkeuring;
  c) de gemengde typegoedkeuring.
  2. Elke stapsgewijze typegoedkeuring bestaat uit een informatiedossier met de krachtens bijlage 25 vereiste inlichtingen en gaat vergezeld van de volledige reeks typegoedkeuringcertificaten die zijn vereist voor elk van de in bijlage 26 of in bijlage 33 vermelde toepasselijke regelgevingen.
  Voor de typegoedkeuring van een systeem of een technische eenheid overeenkomstig de toepasselijke regelgevingen, heeft de goedkeuringsinstantie toegang tot het desbetreffende goedkeuringsdossier tot de goedkeuring wordt verleend of geweigerd.
  3. De aanvraag voor een eenstapstypegoedkeuring bestaat uit een informatiedossier met de relevantie informatie die wordt verlangd volgens bijlage 23 en volgens de in bijlage 26 of bijlage 33 en desgevallend in deel II van bijlage 25 bedoelde regelgevingen.
  4. Bij een gemengde typegoedkeurings-procedure, kan de goedkeuringsinstantie een fabrikant vrijstellen van de verplichting om een of meerdere typegoedkeuringscertificaten voor systemen voor te leggen, op voorwaarde dat het informatiedossier wordt aangevuld met de in bijlage 23 bedoelde inlichtingen, die vereist zijn voor de goedkeuring van deze systemen tijdens de goedkeuringsfase van het voertuig; in dat geval wordt elk typegoedkeuringscertificaat waarvoor vrijstelling wordt verleend vervangen door een testrapport.
  5. Onverminderd het bepaalde in punten 2, 3 en 4 dienen de volgende inlichtingen worden verstrekt voor een meerfasentypegoedkeuring :
  a) in de eerste fase, de delen van het informatiedossier en de typegoedkeuringscertificaten vereist voor een compleet voertuig die van toepassing zijn op de voltooiingsfase van het basisvoertuig;
  b) in de tweede fase en de daaropvolgende fasen, de delen van het informatiedossier en de typegoedkeuringscertificaten die van toepassing zijn op de lopende bouwfase, samen met een exemplaar van het typegoedkeuringscertificaat van het voertuig dat werd verstrekt voor de vorige bouwfase; daarnaast verstrekt de fabrikant een gedetailleerde beschrijving van de wijzigingen of de eventuele toevoegingen die hij aan het voertuig heeft aangebracht.
  De informatie voorzien in punt a) en b) mag worden verstrekt volgens de in punt 4 beschreven procedure voor de gemengde typegoedkeuring.
  6. De fabrikant dient de aanvraag voor een goedkeuring in bij de goedkeuringsinstantie. Voor een bepaald type voertuig mag er slechts één enkele aanvraag worden ingediend en zij kan niet worden ingediend indien zij al in een andere Lidstaat werd ingediend.
  Voor ieder goed te keuren type moet er een afzonderlijke aanvraag worden ingediend.
  7. De goedkeuringsinstantie kan, in een met redenen omkleed verzoek, de fabrikant vragen om alle aanvullende informatie te verstrekken die nodig is om een beslissing te nemen in verband met de vereiste tests of om de uitvoering van die tests te vergemakkelijken.
  8. De fabrikant stelt de goedkeuringsinstantie zoveel voertuigen ter beschikking als nodig zijn voor het goede verloop van de typegoedkeuringsprocedure.
  9. Bij een aanvraag voor goedkeuring van een compleet voertuig, gaat de goedkeuringsinstantie als volgt te werk :
  a) zij verifieert of alle goedkeuringscertificaten die zijn verleend op grond van de regelgevingen die van toepassing zijn op de goedkeuring van voertuigen, betrekking hebben op het voertuigtype en voldoen aan de voorschriften;
  b) zij vergewist er zich, met betrekking tot de documenten, van dat de specificatie(s) en gegevens vermeld in deel I van het inlichtingenformulier voor de voertuigen is of zijn opgenomen in het goedkeuringsdossier en in de goedkeuringscertificaten uitgereikt op grond van de relevante regelgevingen en, wanneer een nummer van een punt van deel I van het inlichtingenformulier niet voorkomt in het informatiepakket bij een regelgeving, bevestigt zij dat het element of het desbetreffende kenmerk overeenkomt met de gegevens van het informatiedossier;
  c) zij verricht inspecties, of laat deze uitvoeren, op een monster van voertuigen van het goed te keuren type, van onderdelen en systemen om te verifiëren of het (de) voertuig(en) gebouwd is (zijn) overeenkomstig de gegevens in het gewaarmerkte informatiepakket met betrekking tot de relevante goedkeuringscertificaten;
  d) zij verricht, indien van toepassing, de relevante controles, of laat deze verrichten, met betrekking tot de installatie van de technische eenheden;
  e) zij verricht, indien van toepassing, de noodzakelijke controles, of laat deze verrichten, met betrekking tot de aanwezigheid van de ontdooiings- en ontwasemingsinrichtingen van de voorruit, van ruitenwissers en -sproeiers.
  10. Het aantal op grond van punt 9, onder c) te inspecteren voertuigen moet voldoende zijn om een behoorlijke controle van de verschillende goed te keuren combinaties mogelijk te maken volgens de hiernavolgende criteria :
  

  
Voertuig categorieM1M2M3N1N2N3O1O2O3O4
Criteria          
MotorXXXXXX----
Versnellings-bakXXXXXX----
Aantal assen-XXXXXXXXX
Aangedreven assen (aantal, plaats en onderlinge verbindingen)XXXXXX----
Gestuurde assen (aantal en plaats)XXXXXXXXXX
Carrosserie-vormenXXXXXXXXXX
Aantal deurenXXXXXXXXXX
Kant van het stuurXXXXXX----
Aantal zitplaatsenXXXXXX----
Uitrustings-niveauXXXXXX----


  11. Als er geen goedkeuringscertificaten voor een van de relevante regelgevingen beschikbaar is, gaat de goedkeuringsinstantie als volgt te werk :
  a) zij laat de nodige tests en controles vereist volgens elk van de relevante regelgevingen plaatsvinden;
  b) zij verifieert of het voertuig in overeenstemming is met het informatiedossier en of het beantwoordt aan de technische vereisten van elk van de relevante regelgevingen;
  c) zij verricht, indien van toepassing, de nodige controles met betrekking tot de installatie van de technische eenheden;
  d) zij verricht, indien van toepassing, de controles met betrekking tot de aanwezigheid van de ontdooiings- en ontwasemingsinrichtingen van de voorruit, van ruitenwissers en -sproeiers.
  § 2. Procedure voor de typegoedkeuring van systemen, componenten of technische eenheden
  1. De fabrikant dient de aanvraag in bij de goedkeuringsinstantie. Er mag slechts één aanvraag worden ingediend voor een bepaald type systeem, onderdeel of technische eenheid en zij mag niet worden ingediend als ze al in een andere Lidstaat werd ingediend. Voor ieder goed te keuren type moet een afzonderlijke aanvraag worden ingediend.
  2. De aanvraag wordt vergezeld van het informatiedossier, waarvan de inhoud is bepaald in dit besluit, in de bijzondere richtlijnen of de bijzondere verordeningen.
  3. De goedkeuringsinstantie kan, in een met redenen omkleed verzoek, de fabrikant vragen om alle aanvullende informatie te verstrekken die nodig is om een beslissing te nemen in verband met de vereiste tests of om de uitvoering van die tests te vergemakkelijken.
  4. De fabrikant stelt de goedkeuringsinstantie zoveel voertuigen, onderdelen of technische eenheden ter beschikking als vereist zijn door onderhavig besluit, de bijzondere richtlijnen of de bijzondere verordeningen die van toepassing zijn voor de uitvoering van de vereiste tests.
  § 3. Bijzondere bepalingen voor voertuigen
  1. De goedkeuringsinstantie verleent een goedkeuring voor :
  a) een voertuigtype dat in overeenstemming is met de gegevens van het informatiedossier en dat voldoet aan de technische voorschriften bepaald in dit besluit of in de in bijlage 26 vermelde toepasselijke regelgevingen, naargelang het gaat om de aanvraag voor een nationale dan wel een EG-goedkeuring;
  b) een voertuigtype voor speciale doeleinden dat in overeenstemming is met de gegevens vervat in het informatiedossier en dat beantwoordt aan de technische vereisten bepaald in dit besluit of in de in bijlage 33 vermelde toepasselijke regelgevingen, naargelang het gaat om de aanvraag voor een nationale dan wel een EG-goedkeuring.
  De procedures beschreven in § 1, punten 9, 10 en 11 zijn van toepassing.
  2. De goedkeuringsinstantie verleent een meerfasentypegoedkeuring voor een type incompleet of voltooid voertuig dat in overeenstemming is met de gegevens van het informatiedossier en dat beantwoordt aan de technische vereisten bepaald in onderhavig besluit of de in bijlage 26 of bijlage 33 vermelde toepasselijke regelgevingen, naargelang het gaat om een nationale dan wel om een EG-goedkeuring, al naargelang de voltooiingsstaat van het voertuig.
  De meerfasentypegoedkeuring is ook van toepassing op complete voertuigen die zijn verbouwd of gewijzigd door een andere fabrikant.
  De procedures beschreven in § 6 zijn van toepassing.
  3. Voor elk voertuigtype moet de goedkeuringsinstantie :
  a) alle relevante rubrieken invullen van het typegoedkeuringscertificaat, met inbegrip van het daarbij gevoegde formulier met de testresultaten, volgens het model in bijlage 30;
  b) de inhoudsopgave van het goedkeuringsdossier opmaken of verifiëren;
  c) het ingevulde certificaat onverwijld, behoudens gefundeerd uitstel, bezorgen aan de aanvrager, samen met de bijlagen erbij.
  4. In het geval van een typegoedkeuring waarvan de geldigheid overeenkomstig artikel 11 (nieuwe technologieën en concepten), artikel 12 (in kleine series gemaakte voertuigen) of bijlage 33 (voertuigen voor speciale doeleinden), beperkt is of die van de toepassing van sommige bepalingen van de regelgevingen is ontheven, worden deze beperkingen of ontheffingen in het typegoedkeuringscertificaat vermeld.
  5. Wanneer de gegevens in het informatiedossier betrekking hebben op bepalingen die van toepassing zijn op voertuigen voor speciale doeleinden zoals aangegeven in bijlage 33, worden deze bepalingen vermeld in het typegoedkeuringscertificaat.
  6. Wanneer de fabrikant opteert voor de gemengde typegoedkeuringsprocedure vult de goedkeuringsinstantie in deel III van het inlichtingenformulier, waarvan bijlage 25 een model bevat, de referenties in van de uit hoofde van regelgevingen opgestelde testrapporten waarvoor er geen typegoedkeuringscertificaat beschikbaar is.
  7. Indien de fabrikant opteert voor de procedure van eenstapstypegoedkeuring, stelt de goedkeuringsinstantie de lijst van toepasselijke regelgevingen op volgens het model in het aanhangsel bij bijlage 28 en voegt deze lijst bij het typegoedkeuringscertificaat.
  § 4. Bijzondere bepalingen voor systemen, onderdelen en technische eenheden
  1. De goedkeuringsinstantie verleent een typegoedkeuring voor een systeem dat in overeenstemming is met de gegevens van het informatiedossier en voldoet aan de technische voorschriften van de in bijlage 26 of in bijlage 33 genoemde relevante bijzondere richtlijn of bijzondere verordening.
  2. De goedkeuringsinstantie verleent een EG-goedkeuring per type onderdeel of technische eenheid voor een onderdeel of een technische eenheid dat in overeenstemming is met de gegevens van het informatiedossier en voldoet aan de technische voorschriften van de in bijlage 26 genoemde relevante bijzondere richtlijn of bijzondere regelgeving.
  3. Wanneer onderdelen of technische eenheden, die al dan niet bedoeld zijn voor reparatie, service of onderhoud, ook onder een typegoedkeuring van een systeem vallen met betrekking tot een voertuig, wordt er geen aanvullende goedkeuring van het onderdeel of van de technische eenheid verlangd, tenzij de toepasselijke regelgeving dit vereist.
  4. Wanneer een onderdeel of een technische eenheid zijn functie slechts vervult of een bijzonder kenmerk slechts vertoont in combinatie met andere onderdelen van het voertuig en daarom de naleving van de voorschriften slechts kan worden geverifieerd wanneer het onderdeel of de technische eenheid in combinatie met andere onderdelen van het voertuig functioneert, wordt de geldigheid van de typegoedkeuring van het onderdeel of van de technische eenheid dienovereenkomstig beperkt.
  In zulke gevallen vermeldt het typegoedkeuringscertificaat elke eventuele beperking van het gebruik en de bijzondere montagevoorwaarden. Wanneer de installatie van een dergelijk onderdeel of een dergelijke technische eenheid wordt uitgevoerd door de fabrikant van het voertuig, wordt de naleving van deze eventuele beperkingen van het gebruik of van de montagevoorwaarden geverifieerd bij de goedkeuring van het voertuig.
  § 5. Tests vereist voor de typegoedkeuring
  1. Door middel van passende tests, die door de aangewezen technische diensten worden uitgevoerd, wordt aangetoond dat er aan de technische voorschriften van dit besluit, van de richtlijn en van de in bijlage 26 vermelde regelgevingen is voldaan.
  De testprocedures, alsook de specifieke uitrustingsstukken en instrumenten die voor de uitvoering van deze tests nodig zijn, worden in elke regelgeving beschreven.
  2. De vereiste tests worden uitgevoerd op voertuigen, onderdelen en technische eenheden die representatief zijn voor het goed te keuren type.
  De fabrikant mag evenwel, na toestemming van de goedkeuringsinstantie, een voertuig, een systeem, een onderdeel of een technische eenheid kiezen dat of die niet representatief is voor het goed te keuren type, maar een aantal van de meest ongunstige kenmerken op het gebied van het vereiste prestatieniveau bezit. Tijdens de selectieprocedure mogen ter ondersteuning van de besluitvorming virtuele testmethoden worden gebruikt.
  3. Ter vervanging van de testprocedures vermeld in punt 1 en na toestemming van de goedkeuringsinstantie, mogen er virtuele testmethoden worden gebruikt op verzoek van de fabrikant met betrekking tot de in bijlage 38 vermelde regelgevingen.
  4. De algemene voorwaarden waaraan de virtuele testmethoden moeten voldoen staan beschreven in aanhangsel 1 bij bijlage 38.
  Voor elke in bijlage 38 vermelde regelgeving worden de daarvoor geldende specifieke testvoorwaarden en de administratieve bepalingen vermeld in aanhangsel 2 bij die bijlage.
  § 6. Procedures voor de meerfasengoedkeuring
  1. Algemeen
  1.1. Het goede verloop van een meerfasengoedkeuring hangt af van de samenwerking tussen alle betrokken fabrikanten. Met het oog hierop zorgen de goedkeuringsinstanties ervoor dat er, voordat er goedkeuring aan de eerste of latere fase wordt verleend, goede afspraken zijn gemaakt tussen de desbetreffende fabrikanten in verband met de levering en uitwisseling van de documenten en inlichtingen, zodat het voltooide voertuig voldoet aan de vereisten van dit besluit of van alle relevante regelgevingen bedoeld in de bijlage 26 of 33, naargelang het gaat om een nationale dan wel om een EG-goedkeuring. Die gegevens moeten onder meer betrekking hebben op de goedkeuringen van de betrokken systemen, onderdelen of technische onderdelen en op de elementen die deel uitmaken van het incomplete voertuig, maar die nog niet zijn goedgekeurd.
  1.2. De in deze paragraaf bedoelde goedkeuringen worden verleend volgens de huidige bouwfase van het voertuigtype en omvatten alle goedkeuringen die zijn verleend voor de vorige fasen.
  1.3. Iedere bij een meerfasengoedkeuring betrokken fabrikant is verantwoordelijk voor de goedkeuring en de overeenstemming van de productie van alle systemen, onderdelen of technische eenheden die door hem zijn vervaardigd of toegevoegd in een vorige bouwfase. Hij is niet verantwoordelijk voor delen die in een vroegere fase zijn goedgekeurd, behalve wanneer hij de desbetreffende delen zo sterk wijzigt dat de eerder verleende goedkeuring ongeldig wordt.
  2. Procedures
  De goedkeuringsinstanties :
  a) verifiëren of alle typegoedkeuringscertificaten die zijn uitgereikt volgens de regelgevingen die van toepassing zijn voor de typegoedkeuring van voertuigen het voertuigtype dekken in zijn staat van voltooiing en overeenkomen met de voorgeschreven vereisten;
  b) ervoor zorgen dat alle relevante gegevens, al naar gelang de staat van voltooiing van het voertuig, in het informatiedossier werden opgenomen;
  c) ervoor zorgen, wat de documentatie betreft, dat de specificatie(s) in verband met het(de) voertuig(en) en de gegevens vervat in deel I van het informatiedossier vermeld zijn in de gegevens van de informatiepakketten en in de typegoedkeuringscertificaten, volgens de relevante regelgevingen; en in het geval van een compleet voertuig, wanneer een volgnummer in de zin van deel I van het informatiedossier niet voorkomt in het informatiedossier met betrekking tot een regelgeving, bevestigen zij dat het desbetreffende deel of kenmerk in overeenstemming is met de gegevens van het informatiedossier;
  d) zij inspecteren of laten inspecteren op een monster van voertuigen van het goed te keuren type, de delen en systemen om te verifiëren of het(de) voertuig(en) is(zijn) gebouwd in overeenstemming met de gegevens van het gewaarmerkte informatiepakket met betrekking tot de goedkeuringen uitgereikt op grond van alle toepasselijke regelgevingen;
  e) zij verifiëren, indien van toepassing, de installatie van de technische eenheden of laten ze verifiëren.
  3. Het aantal in de zin van de punt 2, d) te inspecteren voertuigen moet voldoende zijn om een adequate controle mogelijk te maken van de verschillende goed te keuren combinaties, volgens de voltooiingsstaat van het voertuig en volgens deze criteria :
  -motor,
  - versnellingsbak,
  - aangedreven assen (aantal, plaats, onderlinge verbindingen),
  - gestuurde assen (aantal en plaats),
  - carrosserievormen,
  - aantal deuren,
  - kant van het stuur,
  - aantal zitplaatsen,
  - niveau van de uitrusting.
  4. Identificatie van het voertuig
  4.1. Identificatienummer van het voertuig
  a) Het door de richtlijn 76/114/EEG voorgeschreven identificatienummer van het basisvoertuig (VIN) wordt bijgehouden tijdens de alle daaropvolgende fasen van het goedkeuringsproces om de traceerbaarheid van het proces te waarborgen.
  b) In de laatste voltooiingsfase echter mag de bij deze fase betrokken fabrikant, in overleg met de goedkeuringsinstanties, het eerste en tweede deel van het identificatienummer van het voertuig vervangen door zijn eigen fabrikantcode en de voertuigidentificatiecode, alleen op voorwaarde dat het voertuig onder zijn eigen handelsnaam wordt geregistreerd. In dat geval wordt het volledige identificatienummer van het basisvoertuig niet geschrapt.
  4.2. Extra plaat van de fabrikant
  In de tweede en latere fasen bevestigt elke fabrikant, buiten de verplichte plaat bedoeld in de richtlijn 76/114/EEG (in de meest recente versie) een extra plaat op het voertuig, volgens het model meegedeeld in het aanhangsel van bijlage 39 van dit besluit. Deze plaat wordt stevig bevestigd op een duidelijk zichtbare en gemakkelijk toegankelijke plaats, op een deel van het voertuig dat normaal niet wordt vervangen tijdens het gebruik van het voertuig. Deze plaat vermeldt duidelijk en onuitwisbaar de volgende gegevens, in de volgorde die hieronder wordt aangegeven :
  - naam van de fabrikant,
  - de delen 1, 3 en 4 van het EG-goedkeuringsnummer,
  - goedkeuringsfase,
  - identificatienummer van het voertuig,
  - toelaatbare maximummassa van het voertuig (alleen wanneer deze waarde tijdens de huidige goedkeuringsfase is gewijzigd),
  - toelaatbare maximummassa van de voertuigcombinatie (wanneer het voertuig een aanhangwagen mag trekken) (alleen wanneer deze waarde tijdens de huidige goedkeuringsfase is gewijzigd),
  - toelaatbare maximummassa op iedere as, te beginnen bij de vooras (alleen wanneer deze waarde tijdens de huidige goedkeuringsfase is gewijzigd),
  - in het geval van een oplegger of een middenasaanhangwagen, de toelaatbare maximummassa op de koppelinrichting (alleen wanneer deze waarde tijdens de huidige goedkeuringsfase is gewijzigd).
  Tenzij hierboven anders vermeld, moet de plaat voldoen aan de eisen van de richtlijn 76/114/EEG.]1
  ----------
  (1)<KB 2009-04-14/25, art. 4, 041; Inwerkingtreding : 29-04-2009 of later, volgens categorieën>

  Art. 8.[1 - Wijziging van een goedkeuring
  § 1. Elke wijziging die de fabrikant aanbrengt aan de bouw van een reeds goedgekeurd model en die van aard is dat zij om het even welk gegeven van het goedkeuringscertificaat wijzigt, moet ter kennis van de goedkeuringsinstantie worden gebracht.
  Deze wijziging wordt bekrachtigd ofwel door een nieuw goedkeuringscertificaat, ofwel door een bijlage erbij of een afwijking eraan.
  Een aanvraag tot wijziging van een goedkeuring wordt uitsluitend ingediend bij de goedkeuringsinstantie die de oorspronkelijke goedkeuring heeft verleend.
  De fabrikant stelt de goedkeuringsinstantie die de goedkeuring heeft verleend onmiddellijk in kennis van elke wijziging van de gegevens in het informatiepakket. De goedkeuringsinstantie beslist over de te volgen procedure. Zo nodig kan de goedkeuringsinstantie besluiten, in overleg met de fabrikant, dat er een nieuwe goedkeuring moet worden verleend.
  Indien de goedkeuringsinstantie van oordeel is dat voor het aanbrengen van een wijziging nieuwe inspecties of nieuwe tests nodig zijn, stelt zij de fabrikant daarvan in kennis. De procedures bedoeld in §§ 2 en 3 zijn slechts van toepassing nadat de nieuwe inspecties of de nieuwe tests met succes zijn uitgevoerd.
  § 2. Bijzondere bepalingen voor voertuigen in geval van wijziging van de EG-goedkeuring
  1. Wanneer gegevens in het informatiepakket zijn gewijzigd, wordt de wijziging beschouwd als een "herziening".
  In dat geval geeft de goedkeuringsinstantie, indien nodig, de herziene bladzijde van het informatiepakket af, waarbij op iedere herziene pagina duidelijk de aard van de wijziging en de datum van de herziening worden vermeld. Met een geconsolideerde en bijgewerkte versie van het informatiepakket, vergezeld van een gedetailleerde beschrijving van de wijziging, wordt geacht aan deze eis te zijn voldaan.
  2. Een herziening wordt als een "uitbreiding" beschouwd wanneer, naast het bepaalde in punt 1 :
  a) nieuwe inspecties of nieuwe tests noodzakelijk zijn;
  b) een van de gegevens vermeld op het goedkeuringscertificaat, met uitzondering van de bijlage erbij, is gewijzigd;
  c) nieuwe voorschriften in werking treden krachtens een van de regelgevingen die van toepassing zijn op het goedgekeurde voertuig.
  In dat geval geeft de goedkeuringsinstantie een herzien goedkeuringscertificaat af, voorzien van een uitbreidingsnummer dat oploopt volgens het aantal opeenvolgende, reeds toegekende herzieningen.
  Het goedkeuringscertificaat vermeldt duidelijk de reden voor de uitbreiding, alsook de datum van nieuwe publicatie.
  3. Bij iedere publicatie van gewijzigde bladzijden of van een geconsolideerde en bijgewerkte versie, wordt de bij het goedkeuringscertificaat gevoegde inhoudsopgave gewijzigd en vermeldt zij de datum van de uitbreiding of van de meest recente herziening of de datum van de meest recente consolidatie van de bijgewerkte versie.
  4. De goedkeuring van een type voertuig moet niet worden gewijzigd wanneer de nieuwe voorschriften bedoeld in punt 2, c), vanuit technisch standpunt geen betrekking hebben op het desbetreffende type voertuig of van toepassing zijn op andere categorieën voertuigen dan de categorie waartoe het behoort.
  § 3. Bijzondere bepalingen voor systemen, onderdelen en technische eenheden in geval van wijziging van EG-typegoedkeuringen
  1. Wanneer gegevens in het informatiepakket zijn gewijzigd, wordt de wijziging beschouwd als een "herziening".
  In dat geval geeft de goedkeuringsinstantie, indien nodig, de herziene bladzijde van het informatiepakket af, waarbij op iedere herziene pagina duidelijk de aard van de wijziging en de datum van de herziening worden vermeld. Met een geconsolideerde en bijgewerkte versie van het informatiepakket, vergezeld van een gedetailleerde beschrijving van de wijziging, wordt geacht aan deze eis te zijn voldaan.
  2. Een herziening wordt als een "uitbreiding" beschouwd wanneer, naast het bepaalde in punt 1 :
  a) nieuwe inspecties of nieuwe tests noodzakelijk zijn;
  b) een van de gegevens vermeld op het goedkeuringscertificaat, met uitzondering van de bijlage erbij, is gewijzigd;
  c) nieuwe voorschriften in werking treden krachtens een van de regelgevingen die van toepassing zijn op het goedgekeurde systeem, het onderdeel of de technische eenheid.
  In dat geval geeft de goedkeuringsinstantie een herzien goedkeuringscertificaat af, voorzien van een uitbreidingsnummer dat oploopt volgens het aantal opeenvolgende, reeds toegekende herzieningen. Wanneer de wijziging wordt vereist door de toepassing van punt 2, c), wordt het derde deel van het goedkeuringsnummer bijgewerkt.
  Het goedkeuringscertificaat vermeldt duidelijk de reden voor de uitbreiding en de datum van herziening.
  3. Bij iedere publicatie van gewijzigde bladzijden of van een geconsolideerde en bijgewerkte versie, wordt de bij het goedkeuringscertificaat gevoegde inhoudsopgave gewijzigd en vermeldt zij de datum van de uitbreiding of van de meest recente herziening of de datum van de meest recente consolidatie van de bijgewerkte versie.
  § 4. Afgifte en kennisgeving van wijzigingen
  1. In geval van een uitbreiding zorgt de goedkeuringsinstantie voor de bijwerking van alle overeenstemmende delen van het goedkeuringscertificaat, de bijlagen ervan en de inhoudsopgave bij het informatiepakket. Het bijgewerkte certificaat en de bijlagen ervan worden onverwijld aan de aanvrager meegedeeld, behoudens gefundeerd uitstel.
  2. In geval van een herziening worden de herziene documenten of de geconsolideerde en bijgewerkte versie, volgens het geval, inclusief de herziene inhoudsopgave van het informatiepakket, door de goedkeuringsinstantie onverwijld aan de aanvrager meegedeeld, behoudens gefundeerd uitstel.
  3. De goedkeuringsinstantie stelt de goedkeuringsinstanties van de andere Lidstaten in kennis van alle wijzigingen aangebracht in de EG-goedkeuringen.
  § 5. Elke verbouwing van een voertuig waardoor het voertuig niet meer overeenstemt met het goedkeuringscertificaat wordt bekrachtigd met een afwijking ervan.
  Onder verbouwingen verstaat men grondige veranderingen, bijvoorbeeld, ter hoogte van de stuurinrichting, het ophangings-, uitlaat- of remsysteem, of fundamentele veranderingen aan het chassis of het zelfdragend koetswerk, die strijdig zijn met het bestaande goedkeuringscertificaat, proces-verbaal van goedkeuring (PVG) of certificaat van overeenstemming (C.O.C.).
  Wanneer de verbouwing wordt uitgevoerd door een andere persoon dan de fabrikant of zijn gemachtigde, wordt de aanvraag alleen in aanmerking genomen met de instemming van de fabrikant of van zijn gemachtigde.
  De instemming van de fabrikant of van zijn gemachtigde is niet vereist wanneer de verbouwing bestaat uit het toevoegen van organen of in de wijziging of de verwijdering van het benzinereservoir met het oog op de installatie van een LPG- of NGV-uitrusting.
  De instemming van de fabrikant of van zijn gemachtigde is niet vereist wanneer de verbouwing bestaat uit een wijziging uitgevoerd in het kader van de meerstapsgoedkeuring bedoeld in artikel 7, § 6.
  Andere verbouwingen dan die welke zijn bedoeld in lid 4 en 5 die geen instemming van de fabrikant vereisen zullen worden bepaald door de Minister bevoegd voor het wegverkeer.
  § 6. De verbouwing van auto's tot aanhangwagens en omgekeerd is verboden.
  § 7. De verbouwing van om het even welk element van een reeds in dienst gesteld voertuig om een toename van het hoogst toegelaten gewicht te bekomen, is niet toegelaten.
  Dit verbod geldt niet voor de verbouwingen die bedoeld zijn om de door de fabrikant gewaarborgde gewichten te herstellen, wanneer zij werden verlaagd bij de goedkeuring en op voorwaarde dat de aanvraag wordt ingediend binnen de drie maanden die volgen op het uitreiken van het goedkeuringscertificaat.
  § 8. Wanneer krachtens artikel 2, § 2, 1° en 2°, bepaalde artikelen niet van toepassing zijn voor de voertuigen bedoeld op dezelfde melding, moeten de te vervangen onderdelen of de onderdelen die een belangrijke herstelling moeten ondergaan na herstelling in overeenstemming zijn met de voorschriften van die artikelen.
  § 9. Wanneer een landbouwaanhangwagen bedoeld in artikel 2, § 2, 8° en 9° en die het voorwerp is geweest van een bewijs dat geldt als goedkeuringscertificaat en als certificaat van overeenstemming, een wijziging ondergaat waardoor om het even welk gegeven van het bewijs is gewijzigd of het voorwerp uitmaakt van een overdracht, moet deze wijziging of overdracht ter kennis worden gebracht van de goedkeuringsinstantie. Deze wijziging of overdracht moet worden bekrachtigd door een nieuw bewijs, uitgereikt onder de voorwaarden bepaald door de bevoegde instantie.]1
  ----------
  (1)<KB 2009-04-14/25, art. 4, 041; Inwerkingtreding : 29-04-2009 of later, volgens categorieën>

  Art. 8_WAALS_GEWEST.
   [1 - Wijziging van een goedkeuring
  § 1. Elke wijziging die de fabrikant aanbrengt aan de bouw van een reeds goedgekeurd model en die van aard is dat zij om het even welk gegeven van het goedkeuringscertificaat wijzigt, moet ter kennis van de goedkeuringsinstantie worden gebracht.
  Deze wijziging wordt bekrachtigd ofwel door een nieuw goedkeuringscertificaat, ofwel door een bijlage erbij of een afwijking eraan.
  Een aanvraag tot wijziging van een goedkeuring wordt uitsluitend ingediend bij de goedkeuringsinstantie die de oorspronkelijke goedkeuring heeft verleend.
  De fabrikant stelt de goedkeuringsinstantie die de goedkeuring heeft verleend onmiddellijk in kennis van elke wijziging van de gegevens in het informatiepakket. De goedkeuringsinstantie beslist over de te volgen procedure. Zo nodig kan de goedkeuringsinstantie besluiten, in overleg met de fabrikant, dat er een nieuwe goedkeuring moet worden verleend.
  Indien de goedkeuringsinstantie van oordeel is dat voor het aanbrengen van een wijziging nieuwe inspecties of nieuwe tests nodig zijn, stelt zij de fabrikant daarvan in kennis. De procedures bedoeld in §§ 2 en 3 zijn slechts van toepassing nadat de nieuwe inspecties of de nieuwe tests met succes zijn uitgevoerd.
  § 2. Bijzondere bepalingen voor voertuigen in geval van wijziging van de EG-goedkeuring
  1. Wanneer gegevens in het informatiepakket zijn gewijzigd, wordt de wijziging beschouwd als een "herziening".
  In dat geval geeft de goedkeuringsinstantie, indien nodig, de herziene bladzijde van het informatiepakket af, waarbij op iedere herziene pagina duidelijk de aard van de wijziging en de datum van de herziening worden vermeld. Met een geconsolideerde en bijgewerkte versie van het informatiepakket, vergezeld van een gedetailleerde beschrijving van de wijziging, wordt geacht aan deze eis te zijn voldaan.
  2. Een herziening wordt als een "uitbreiding" beschouwd wanneer, naast het bepaalde in punt 1 :
  a) nieuwe inspecties of nieuwe tests noodzakelijk zijn;
  b) een van de gegevens vermeld op het goedkeuringscertificaat, met uitzondering van de bijlage erbij, is gewijzigd;
  c) nieuwe voorschriften in werking treden krachtens een van de regelgevingen die van toepassing zijn op het goedgekeurde voertuig.
  In dat geval geeft de goedkeuringsinstantie een herzien goedkeuringscertificaat af, voorzien van een uitbreidingsnummer dat oploopt volgens het aantal opeenvolgende, reeds toegekende herzieningen.
  Het goedkeuringscertificaat vermeldt duidelijk de reden voor de uitbreiding, alsook de datum van nieuwe publicatie.
  3. Bij iedere publicatie van gewijzigde bladzijden of van een geconsolideerde en bijgewerkte versie, wordt de bij het goedkeuringscertificaat gevoegde inhoudsopgave gewijzigd en vermeldt zij de datum van de uitbreiding of van de meest recente herziening of de datum van de meest recente consolidatie van de bijgewerkte versie.
  4. De goedkeuring van een type voertuig moet niet worden gewijzigd wanneer de nieuwe voorschriften bedoeld in punt 2, c), vanuit technisch standpunt geen betrekking hebben op het desbetreffende type voertuig of van toepassing zijn op andere categorieën voertuigen dan de categorie waartoe het behoort.
  § 3. Bijzondere bepalingen voor systemen, onderdelen en technische eenheden in geval van wijziging van EG-typegoedkeuringen
  1. Wanneer gegevens in het informatiepakket zijn gewijzigd, wordt de wijziging beschouwd als een "herziening".
  In dat geval geeft de goedkeuringsinstantie, indien nodig, de herziene bladzijde van het informatiepakket af, waarbij op iedere herziene pagina duidelijk de aard van de wijziging en de datum van de herziening worden vermeld. Met een geconsolideerde en bijgewerkte versie van het informatiepakket, vergezeld van een gedetailleerde beschrijving van de wijziging, wordt geacht aan deze eis te zijn voldaan.
  2. Een herziening wordt als een "uitbreiding" beschouwd wanneer, naast het bepaalde in punt 1 :
  a) nieuwe inspecties of nieuwe tests noodzakelijk zijn;
  b) een van de gegevens vermeld op het goedkeuringscertificaat, met uitzondering van de bijlage erbij, is gewijzigd;
  c) nieuwe voorschriften in werking treden krachtens een van de regelgevingen die van toepassing zijn op het goedgekeurde systeem, het onderdeel of de technische eenheid.
  In dat geval geeft de goedkeuringsinstantie een herzien goedkeuringscertificaat af, voorzien van een uitbreidingsnummer dat oploopt volgens het aantal opeenvolgende, reeds toegekende herzieningen. Wanneer de wijziging wordt vereist door de toepassing van punt 2, c), wordt het derde deel van het goedkeuringsnummer bijgewerkt.
  Het goedkeuringscertificaat vermeldt duidelijk de reden voor de uitbreiding en de datum van herziening.
  3. Bij iedere publicatie van gewijzigde bladzijden of van een geconsolideerde en bijgewerkte versie, wordt de bij het goedkeuringscertificaat gevoegde inhoudsopgave gewijzigd en vermeldt zij de datum van de uitbreiding of van de meest recente herziening of de datum van de meest recente consolidatie van de bijgewerkte versie.
  § 4. Afgifte en kennisgeving van wijzigingen
  1. In geval van een uitbreiding zorgt de goedkeuringsinstantie voor de bijwerking van alle overeenstemmende delen van het goedkeuringscertificaat, de bijlagen ervan en de inhoudsopgave bij het informatiepakket. Het bijgewerkte certificaat en de bijlagen ervan worden onverwijld aan de aanvrager meegedeeld, behoudens gefundeerd uitstel.
  2. In geval van een herziening worden de herziene documenten of de geconsolideerde en bijgewerkte versie, volgens het geval, inclusief de herziene inhoudsopgave van het informatiepakket, door de goedkeuringsinstantie onverwijld aan de aanvrager meegedeeld, behoudens gefundeerd uitstel.
  3. De goedkeuringsinstantie stelt de goedkeuringsinstanties van de andere Lidstaten in kennis van alle wijzigingen aangebracht in de EG-goedkeuringen.
  § 5. Elke verbouwing van een voertuig waardoor het voertuig niet meer overeenstemt met het goedkeuringscertificaat wordt bekrachtigd met een afwijking ervan.
  Onder verbouwingen verstaat men grondige veranderingen, bijvoorbeeld, ter hoogte van de stuurinrichting, het ophangings-, uitlaat- of remsysteem, of fundamentele veranderingen aan het chassis of het zelfdragend koetswerk, die strijdig zijn met het bestaande goedkeuringscertificaat, proces-verbaal van goedkeuring (PVG) of certificaat van overeenstemming (C.O.C.).
  Wanneer de verbouwing wordt uitgevoerd door een andere persoon dan de fabrikant of zijn gemachtigde, wordt de aanvraag alleen in aanmerking genomen met de instemming van de fabrikant of van zijn gemachtigde.
  De instemming van de fabrikant of van zijn gemachtigde is niet vereist wanneer de verbouwing bestaat uit het toevoegen van organen of in de wijziging of de verwijdering van het benzinereservoir met het oog op de installatie van een LPG- of NGV-uitrusting.
  De instemming van de fabrikant of van zijn gemachtigde is niet vereist wanneer de verbouwing bestaat uit een wijziging uitgevoerd in het kader van de meerstapsgoedkeuring bedoeld in artikel 7, § 6.
  Andere verbouwingen dan die welke zijn bedoeld in lid 4 en 5 die geen instemming van de fabrikant vereisen zullen worden bepaald door de [2 Waalse Minister]2.
  § 6. De verbouwing van auto's tot aanhangwagens en omgekeerd is verboden.
  § 7. De verbouwing van om het even welk element van een reeds in dienst gesteld voertuig om een toename van het hoogst toegelaten gewicht te bekomen, is niet toegelaten.
  Dit verbod geldt niet voor de verbouwingen die bedoeld zijn om de door de fabrikant gewaarborgde gewichten te herstellen, wanneer zij werden verlaagd bij de goedkeuring en op voorwaarde dat de aanvraag wordt ingediend binnen de drie maanden die volgen op het uitreiken van het goedkeuringscertificaat.
  § 8. Wanneer krachtens artikel 2, § 2, 1° en 2°, bepaalde artikelen niet van toepassing zijn voor de voertuigen bedoeld op dezelfde melding, moeten de te vervangen onderdelen of de onderdelen die een belangrijke herstelling moeten ondergaan na herstelling in overeenstemming zijn met de voorschriften van die artikelen.
  § 9. Wanneer een landbouwaanhangwagen bedoeld in artikel 2, § 2, 8° en 9° en die het voorwerp is geweest van een bewijs dat geldt als goedkeuringscertificaat en als certificaat van overeenstemming, een wijziging ondergaat waardoor om het even welk gegeven van het bewijs is gewijzigd of het voorwerp uitmaakt van een overdracht, moet deze wijziging of overdracht ter kennis worden gebracht van de goedkeuringsinstantie. Deze wijziging of overdracht moet worden bekrachtigd door een nieuw bewijs, uitgereikt onder de voorwaarden bepaald door de bevoegde instantie.]1
  
----------
  (1)<KB 2009-04-14/25, art. 4, 041; Inwerkingtreding : 29-04-2009 of later, volgens categorieën>
  (2)<BWG 2018-05-17/18, art. 8, 083; Inwerkingtreding : 20-05-2018>
  

  Art. 8_BRUSSELS_HOOFDSTEDELIJK_GEWEST.
   [1 - Wijziging van een goedkeuring
  § 1. Elke wijziging die de fabrikant aanbrengt aan de bouw van een reeds goedgekeurd model en die van aard is dat zij om het even welk gegeven van het goedkeuringscertificaat wijzigt, moet ter kennis van de goedkeuringsinstantie worden gebracht.
  Deze wijziging wordt bekrachtigd ofwel door een nieuw goedkeuringscertificaat, ofwel door een bijlage erbij of een afwijking eraan.
  Een aanvraag tot wijziging van een goedkeuring wordt uitsluitend ingediend bij de goedkeuringsinstantie die de oorspronkelijke goedkeuring heeft verleend.
  De fabrikant stelt de goedkeuringsinstantie die de goedkeuring heeft verleend onmiddellijk in kennis van elke wijziging van de gegevens in het informatiepakket. De goedkeuringsinstantie beslist over de te volgen procedure. Zo nodig kan de goedkeuringsinstantie besluiten, in overleg met de fabrikant, dat er een nieuwe goedkeuring moet worden verleend.
  Indien de goedkeuringsinstantie van oordeel is dat voor het aanbrengen van een wijziging nieuwe inspecties of nieuwe tests nodig zijn, stelt zij de fabrikant daarvan in kennis. De procedures bedoeld in §§ 2 en 3 zijn slechts van toepassing nadat de nieuwe inspecties of de nieuwe tests met succes zijn uitgevoerd.
  § 2. Bijzondere bepalingen voor voertuigen in geval van wijziging van de EG-goedkeuring
  1. Wanneer gegevens in het informatiepakket zijn gewijzigd, wordt de wijziging beschouwd als een "herziening".
  In dat geval geeft de goedkeuringsinstantie, indien nodig, de herziene bladzijde van het informatiepakket af, waarbij op iedere herziene pagina duidelijk de aard van de wijziging en de datum van de herziening worden vermeld. Met een geconsolideerde en bijgewerkte versie van het informatiepakket, vergezeld van een gedetailleerde beschrijving van de wijziging, wordt geacht aan deze eis te zijn voldaan.
  2. Een herziening wordt als een "uitbreiding" beschouwd wanneer, naast het bepaalde in punt 1 :
  a) nieuwe inspecties of nieuwe tests noodzakelijk zijn;
  b) een van de gegevens vermeld op het goedkeuringscertificaat, met uitzondering van de bijlage erbij, is gewijzigd;
  c) nieuwe voorschriften in werking treden krachtens een van de regelgevingen die van toepassing zijn op het goedgekeurde voertuig.
  In dat geval geeft de goedkeuringsinstantie een herzien goedkeuringscertificaat af, voorzien van een uitbreidingsnummer dat oploopt volgens het aantal opeenvolgende, reeds toegekende herzieningen.
  Het goedkeuringscertificaat vermeldt duidelijk de reden voor de uitbreiding, alsook de datum van nieuwe publicatie.
  3. Bij iedere publicatie van gewijzigde bladzijden of van een geconsolideerde en bijgewerkte versie, wordt de bij het goedkeuringscertificaat gevoegde inhoudsopgave gewijzigd en vermeldt zij de datum van de uitbreiding of van de meest recente herziening of de datum van de meest recente consolidatie van de bijgewerkte versie.
  4. De goedkeuring van een type voertuig moet niet worden gewijzigd wanneer de nieuwe voorschriften bedoeld in punt 2, c), vanuit technisch standpunt geen betrekking hebben op het desbetreffende type voertuig of van toepassing zijn op andere categorieën voertuigen dan de categorie waartoe het behoort.
  § 3. Bijzondere bepalingen voor systemen, onderdelen en technische eenheden in geval van wijziging van EG-typegoedkeuringen
  1. Wanneer gegevens in het informatiepakket zijn gewijzigd, wordt de wijziging beschouwd als een "herziening".
  In dat geval geeft de goedkeuringsinstantie, indien nodig, de herziene bladzijde van het informatiepakket af, waarbij op iedere herziene pagina duidelijk de aard van de wijziging en de datum van de herziening worden vermeld. Met een geconsolideerde en bijgewerkte versie van het informatiepakket, vergezeld van een gedetailleerde beschrijving van de wijziging, wordt geacht aan deze eis te zijn voldaan.
  2. Een herziening wordt als een "uitbreiding" beschouwd wanneer, naast het bepaalde in punt 1 :
  a) nieuwe inspecties of nieuwe tests noodzakelijk zijn;
  b) een van de gegevens vermeld op het goedkeuringscertificaat, met uitzondering van de bijlage erbij, is gewijzigd;
  c) nieuwe voorschriften in werking treden krachtens een van de regelgevingen die van toepassing zijn op het goedgekeurde systeem, het onderdeel of de technische eenheid.
  In dat geval geeft de goedkeuringsinstantie een herzien goedkeuringscertificaat af, voorzien van een uitbreidingsnummer dat oploopt volgens het aantal opeenvolgende, reeds toegekende herzieningen. Wanneer de wijziging wordt vereist door de toepassing van punt 2, c), wordt het derde deel van het goedkeuringsnummer bijgewerkt.
  Het goedkeuringscertificaat vermeldt duidelijk de reden voor de uitbreiding en de datum van herziening.
  3. Bij iedere publicatie van gewijzigde bladzijden of van een geconsolideerde en bijgewerkte versie, wordt de bij het goedkeuringscertificaat gevoegde inhoudsopgave gewijzigd en vermeldt zij de datum van de uitbreiding of van de meest recente herziening of de datum van de meest recente consolidatie van de bijgewerkte versie.
  § 4. Afgifte en kennisgeving van wijzigingen
  1. In geval van een uitbreiding zorgt de goedkeuringsinstantie voor de bijwerking van alle overeenstemmende delen van het goedkeuringscertificaat, de bijlagen ervan en de inhoudsopgave bij het informatiepakket. Het bijgewerkte certificaat en de bijlagen ervan worden onverwijld aan de aanvrager meegedeeld, behoudens gefundeerd uitstel.
  2. In geval van een herziening worden de herziene documenten of de geconsolideerde en bijgewerkte versie, volgens het geval, inclusief de herziene inhoudsopgave van het informatiepakket, door de goedkeuringsinstantie onverwijld aan de aanvrager meegedeeld, behoudens gefundeerd uitstel.
  3. De goedkeuringsinstantie stelt de goedkeuringsinstanties van de andere Lidstaten in kennis van alle wijzigingen aangebracht in de EG-goedkeuringen.
  § 5. Elke verbouwing van een voertuig waardoor het voertuig niet meer overeenstemt met het goedkeuringscertificaat wordt bekrachtigd met een afwijking ervan.
  Onder verbouwingen verstaat men grondige veranderingen, bijvoorbeeld, ter hoogte van de stuurinrichting, het ophangings-, uitlaat- of remsysteem, of fundamentele veranderingen aan het chassis of het zelfdragend koetswerk, die strijdig zijn met het bestaande goedkeuringscertificaat, proces-verbaal van goedkeuring (PVG) of certificaat van overeenstemming (C.O.C.).
  Wanneer de verbouwing wordt uitgevoerd door een andere persoon dan de fabrikant of zijn gemachtigde, wordt de aanvraag alleen in aanmerking genomen met de instemming van de fabrikant of van zijn gemachtigde.
  De instemming van de fabrikant of van zijn gemachtigde is niet vereist wanneer de verbouwing bestaat uit het toevoegen van organen of in de wijziging of de verwijdering van het benzinereservoir met het oog op de installatie van een LPG- of NGV-uitrusting.
  De instemming van de fabrikant of van zijn gemachtigde is niet vereist wanneer de verbouwing bestaat uit een wijziging uitgevoerd in het kader van de meerstapsgoedkeuring bedoeld in artikel 7, § 6.
  Andere verbouwingen dan die welke zijn bedoeld in lid 4 en 5 die geen instemming van de fabrikant vereisen zullen worden bepaald door de [2 Brusselse minister]2.
  § 6. De verbouwing van auto's tot aanhangwagens en omgekeerd is verboden.
  § 7. De verbouwing van om het even welk element van een reeds in dienst gesteld voertuig om een toename van het hoogst toegelaten gewicht te bekomen, is niet toegelaten.
  Dit verbod geldt niet voor de verbouwingen die bedoeld zijn om de door de fabrikant gewaarborgde gewichten te herstellen, wanneer zij werden verlaagd bij de goedkeuring en op voorwaarde dat de aanvraag wordt ingediend binnen de drie maanden die volgen op het uitreiken van het goedkeuringscertificaat.
  § 8. Wanneer krachtens artikel 2, § 2, 1° en 2°, bepaalde artikelen niet van toepassing zijn voor de voertuigen bedoeld op dezelfde melding, moeten de te vervangen onderdelen of de onderdelen die een belangrijke herstelling moeten ondergaan na herstelling in overeenstemming zijn met de voorschriften van die artikelen.
  § 9. Wanneer een landbouwaanhangwagen bedoeld in artikel 2, § 2, 8° en 9° en die het voorwerp is geweest van een bewijs dat geldt als goedkeuringscertificaat en als certificaat van overeenstemming, een wijziging ondergaat waardoor om het even welk gegeven van het bewijs is gewijzigd of het voorwerp uitmaakt van een overdracht, moet deze wijziging of overdracht ter kennis worden gebracht van de goedkeuringsinstantie. Deze wijziging of overdracht moet worden bekrachtigd door een nieuw bewijs, uitgereikt onder de voorwaarden bepaald door de bevoegde instantie.]1
  
----------
  (1)<KB 2009-04-14/25, art. 4, 041; Inwerkingtreding : 29-04-2009 of later, volgens categorieën>
  (2)<BESL 2018-11-29/02, art. 9, 082; Inwerkingtreding : 01-12-2018>
  

  Art. 8_VLAAMS_GEWEST.
   [1 - Wijziging van een goedkeuring
  § 1. Elke wijziging die de fabrikant aanbrengt aan de bouw van een reeds goedgekeurd model en die van aard is dat zij om het even welk gegeven van het goedkeuringscertificaat wijzigt, moet ter kennis van de goedkeuringsinstantie worden gebracht.
  Deze wijziging wordt bekrachtigd ofwel door een nieuw goedkeuringscertificaat, ofwel door een bijlage erbij of een afwijking eraan.
  Een aanvraag tot wijziging van een goedkeuring wordt uitsluitend ingediend bij de goedkeuringsinstantie die de oorspronkelijke goedkeuring heeft verleend.
  De fabrikant stelt de goedkeuringsinstantie die de goedkeuring heeft verleend onmiddellijk in kennis van elke wijziging van de gegevens in het informatiepakket. De goedkeuringsinstantie beslist over de te volgen procedure. Zo nodig kan de goedkeuringsinstantie besluiten, in overleg met de fabrikant, dat er een nieuwe goedkeuring moet worden verleend.
  Indien de goedkeuringsinstantie van oordeel is dat voor het aanbrengen van een wijziging nieuwe inspecties of nieuwe tests nodig zijn, stelt zij de fabrikant daarvan in kennis. De procedures bedoeld in §§ 2 en 3 zijn slechts van toepassing nadat de nieuwe inspecties of de nieuwe tests met succes zijn uitgevoerd.
  § 2. Bijzondere bepalingen voor voertuigen in geval van wijziging van de EG-goedkeuring
  1. Wanneer gegevens in het informatiepakket zijn gewijzigd, wordt de wijziging beschouwd als een "herziening".
  In dat geval geeft de goedkeuringsinstantie, indien nodig, de herziene bladzijde van het informatiepakket af, waarbij op iedere herziene pagina duidelijk de aard van de wijziging en de datum van de herziening worden vermeld. Met een geconsolideerde en bijgewerkte versie van het informatiepakket, vergezeld van een gedetailleerde beschrijving van de wijziging, wordt geacht aan deze eis te zijn voldaan.
  2. Een herziening wordt als een "uitbreiding" beschouwd wanneer, naast het bepaalde in punt 1 :
  a) nieuwe inspecties of nieuwe tests noodzakelijk zijn;
  b) een van de gegevens vermeld op het goedkeuringscertificaat, met uitzondering van de bijlage erbij, is gewijzigd;
  c) nieuwe voorschriften in werking treden krachtens een van de regelgevingen die van toepassing zijn op het goedgekeurde voertuig.
  In dat geval geeft de goedkeuringsinstantie een herzien goedkeuringscertificaat af, voorzien van een uitbreidingsnummer dat oploopt volgens het aantal opeenvolgende, reeds toegekende herzieningen.
  Het goedkeuringscertificaat vermeldt duidelijk de reden voor de uitbreiding, alsook de datum van nieuwe publicatie.
  3. Bij iedere publicatie van gewijzigde bladzijden of van een geconsolideerde en bijgewerkte versie, wordt de bij het goedkeuringscertificaat gevoegde inhoudsopgave gewijzigd en vermeldt zij de datum van de uitbreiding of van de meest recente herziening of de datum van de meest recente consolidatie van de bijgewerkte versie.
  4. De goedkeuring van een type voertuig moet niet worden gewijzigd wanneer de nieuwe voorschriften bedoeld in punt 2, c), vanuit technisch standpunt geen betrekking hebben op het desbetreffende type voertuig of van toepassing zijn op andere categorieën voertuigen dan de categorie waartoe het behoort.
  § 3. Bijzondere bepalingen voor systemen, onderdelen en technische eenheden in geval van wijziging van EG-typegoedkeuringen
  1. Wanneer gegevens in het informatiepakket zijn gewijzigd, wordt de wijziging beschouwd als een "herziening".
  In dat geval geeft de goedkeuringsinstantie, indien nodig, de herziene bladzijde van het informatiepakket af, waarbij op iedere herziene pagina duidelijk de aard van de wijziging en de datum van de herziening worden vermeld. Met een geconsolideerde en bijgewerkte versie van het informatiepakket, vergezeld van een gedetailleerde beschrijving van de wijziging, wordt geacht aan deze eis te zijn voldaan.
  2. Een herziening wordt als een "uitbreiding" beschouwd wanneer, naast het bepaalde in punt 1 :
  a) nieuwe inspecties of nieuwe tests noodzakelijk zijn;
  b) een van de gegevens vermeld op het goedkeuringscertificaat, met uitzondering van de bijlage erbij, is gewijzigd;
  c) nieuwe voorschriften in werking treden krachtens een van de regelgevingen die van toepassing zijn op het goedgekeurde systeem, het onderdeel of de technische eenheid.
  In dat geval geeft de goedkeuringsinstantie een herzien goedkeuringscertificaat af, voorzien van een uitbreidingsnummer dat oploopt volgens het aantal opeenvolgende, reeds toegekende herzieningen. Wanneer de wijziging wordt vereist door de toepassing van punt 2, c), wordt het derde deel van het goedkeuringsnummer bijgewerkt.
  Het goedkeuringscertificaat vermeldt duidelijk de reden voor de uitbreiding en de datum van herziening.
  3. Bij iedere publicatie van gewijzigde bladzijden of van een geconsolideerde en bijgewerkte versie, wordt de bij het goedkeuringscertificaat gevoegde inhoudsopgave gewijzigd en vermeldt zij de datum van de uitbreiding of van de meest recente herziening of de datum van de meest recente consolidatie van de bijgewerkte versie.
  § 4. Afgifte en kennisgeving van wijzigingen
  1. In geval van een uitbreiding zorgt de goedkeuringsinstantie voor de bijwerking van alle overeenstemmende delen van het goedkeuringscertificaat, de bijlagen ervan en de inhoudsopgave bij het informatiepakket. Het bijgewerkte certificaat en de bijlagen ervan worden onverwijld aan de aanvrager meegedeeld, behoudens gefundeerd uitstel.
  2. In geval van een herziening worden de herziene documenten of de geconsolideerde en bijgewerkte versie, volgens het geval, inclusief de herziene inhoudsopgave van het informatiepakket, door de goedkeuringsinstantie onverwijld aan de aanvrager meegedeeld, behoudens gefundeerd uitstel.
  3. De goedkeuringsinstantie stelt de goedkeuringsinstanties van de andere Lidstaten in kennis van alle wijzigingen aangebracht in de EG-goedkeuringen.
  § 5. Elke verbouwing van een voertuig waardoor het voertuig niet meer overeenstemt met het goedkeuringscertificaat wordt bekrachtigd met een afwijking ervan.
  Onder verbouwingen verstaat men grondige veranderingen, bijvoorbeeld, ter hoogte van de stuurinrichting, het ophangings-, uitlaat- of remsysteem, of fundamentele veranderingen aan het chassis of het zelfdragend koetswerk, die strijdig zijn met het bestaande goedkeuringscertificaat, proces-verbaal van goedkeuring (PVG) of certificaat van overeenstemming (C.O.C.).
  Wanneer de verbouwing wordt uitgevoerd door een andere persoon dan de fabrikant of zijn gemachtigde, wordt de aanvraag alleen in aanmerking genomen met de instemming van de fabrikant of van zijn gemachtigde.
  De instemming van de fabrikant of van zijn gemachtigde is niet vereist wanneer de verbouwing bestaat uit het toevoegen van organen of in de wijziging of de verwijdering van het benzinereservoir met het oog op de installatie van een LPG- of NGV-uitrusting.
  De instemming van de fabrikant of van zijn gemachtigde is niet vereist wanneer de verbouwing bestaat uit een wijziging uitgevoerd in het kader van de meerstapsgoedkeuring bedoeld in artikel 7, § 6.
  Andere verbouwingen dan die welke zijn bedoeld in lid 4 en 5 die geen instemming van de fabrikant vereisen zullen worden bepaald door de [2 Vlaamse minister]2.
  § 6. De verbouwing van auto's tot aanhangwagens en omgekeerd is verboden.
  § 7. De verbouwing van om het even welk element van een reeds in dienst gesteld voertuig om een toename van het hoogst toegelaten gewicht te bekomen, is niet toegelaten.
  Dit verbod geldt niet voor de verbouwingen die bedoeld zijn om de door de fabrikant gewaarborgde gewichten te herstellen, wanneer zij werden verlaagd bij de goedkeuring en op voorwaarde dat de aanvraag wordt ingediend binnen de drie maanden die volgen op het uitreiken van het goedkeuringscertificaat.
  § 8. Wanneer krachtens artikel 2, § 2, 1° en 2°, bepaalde artikelen niet van toepassing zijn voor de voertuigen bedoeld op dezelfde melding, moeten de te vervangen onderdelen of de onderdelen die een belangrijke herstelling moeten ondergaan na herstelling in overeenstemming zijn met de voorschriften van die artikelen.
  § 9. Wanneer een landbouwaanhangwagen bedoeld in artikel 2, § 2, 8° en 9° en die het voorwerp is geweest van een bewijs dat geldt als goedkeuringscertificaat en als certificaat van overeenstemming, een wijziging ondergaat waardoor om het even welk gegeven van het bewijs is gewijzigd of het voorwerp uitmaakt van een overdracht, moet deze wijziging of overdracht ter kennis worden gebracht van de goedkeuringsinstantie. Deze wijziging of overdracht moet worden bekrachtigd door een nieuw bewijs, uitgereikt onder de voorwaarden bepaald door de bevoegde instantie.]1
  
----------
  (1)<KB 2009-04-14/25, art. 4, 041; Inwerkingtreding : 29-04-2009 of later, volgens categorieën>
  (2)<BVR 2015-07-10/11, art. 7, 067; Inwerkingtreding : 04-09-2015>

  Art. 9.[1 - Geldigheid van een typegoedkeuring
  § 1. De geldigheid van een typegoedkeuring van een voertuig vervalt hoe dan ook in elk van de volgende gevallen :
  a) er worden nieuwe voorschiften verplicht voor de inschrijving, de verkoop of het in het verkeer brengen van nieuwe voertuigen krachtens elke regelgeving die van toepassing is voor het goedgekeurde voertuig en de goedkeuring kan dienovereenkomstig niet worden bijgewerkt;
  b) de productie van het goedgekeurde voertuig wordt vrijwillig en definitief stopgezet;
  c) de geldigheid van de goedkeuring loopt af ten gevolge van een bijzondere beperking.
  § 2. Wanneer slechts één variant van een type of één uitvoering van een variant ongeldig wordt, verliest de typegoedkeuring van het betrokken voertuig alleen voor die variant of uitvoering haar geldigheid.
  § 3. Wanneer de productie van een bepaald type voertuig definitief wordt stopgezet, stelt de fabrikant de goedkeuringsinstantie die de typegoedkeuring voor dat voertuig heeft verleend hiervan in kennis. Wanneer zij die kennisgeving ontvangt, stelt die instantie de goedkeuringsinstanties van de andere Lidstaten hiervan in kennis binnen een termijn van twintig werkdagen.
  De bepalingen in verband met de voertuigen uit restantvoorraad (artikel 14§ 2) zijn enkel van toepassing op de stopzetting van de productie in de omstandigheden bedoeld in lid 1, punt a).
  § 4. Onverminderd lid 3, wanneer de typegoedkeuring van een voertuig zijn geldigheid zal verliezen, stelt de fabrikant de goedkeuringsinstantie die de typegoedkeuring heeft verleend hiervan in kennis.
  De goedkeuringsinstantie deelt onverwijld alle nuttige inlichtingen mee aan de goedkeuringsinstanties in de andere Lidstaten om, indien nodig, de toepassing mogelijk te maken van de bepalingen met betrekking tot de voertuigen uit restantvoorraad (artikel 14§ 2). Deze mededeling bevat onder meer de productiedatum alsook het identificatie-nummer van het laatst geproduceerde voertuig.]1
  ----------
  (1)<KB 2009-04-14/25, art. 4, 041; Inwerkingtreding : 29-04-2009 of later, volgens categorieën>

  Art. 10.[1 - Goedkeuringscertificaat, certificaat van overeenstemming en markering
  § 1. Goedkeuringscertificaat
  De goedkeuring van een voertuig, van een type voertuig, van een aanhangwagen, van een systeem, van een onderdeel of van een technische eenheid wordt bekrachtigd door een goedkeuringscertificaat overeenkomstig bijlage 28.
  Het goedkeuringscertificaat kan geen terugwerkende kracht hebben.
  De afgifte van het goedkeuringscertificaat en van elk bijbehorend document bindt de verantwoordelijke van de bevoegde instantie niet en vermindert geenszins die van de aanvrager.
  § 2. Certificaat van overeenstemming
  1. Als houder van een typegoedkeuring van een voertuig geeft de fabrikant een certificaat van overeenstemming af dat overeenkomt met het model in bijlage 31, waarvan elk compleet, incompleet of voltooid voertuig dat in overeenstemming met het goedgekeurde type voertuig is gebouwd, vergezeld gaat.
  In het geval van een incompleet of voltooid voertuig, vult de fabrikant op bladzijde 2 van het certificaat van overeenstemming, alleen de punten in die in de beschouwde goedkeuringsfase zijn toegevoegd of gewijzigd en voegt hij, in voorkomend geval, bij het certificaat alle certificaten van overeenstemming die in een vorige fase werden uitgereikt.
  2. Het certificaat van overeenstemming wordt zodanig ontworpen dat elke vervalsing wordt uitgesloten. Hiertoe wordt het gebruikte papier door een beeldmerk in kleur of een watermerk in de vorm van het identificatiemerk van de fabrikant beschermd.
  Alleen de personen die behoorlijk gemachtigd zijn door de bevoegde fabrikant of de gemachtigde bedoeld in artikel 5 § 2 zijn gerechtigd om de certificaten van overeenkomst te ondertekenen, op voorwaarde dat hun handtekeningen werden neergelegd bij de goedkeuringsinstantie overeenkomstig artikel 5 § 2 van dit besluit.
  3. Het certificaat van overeenstemming wordt volledig ingevuld en bevat geen andere beperkingen op het gebruik van het voertuig dan die welke in een regelgeving zijn toegestaan.
  4. Het certificaat van overeenstemming, zoals omschreven in bijlage 31, deel I, voor de voertuigen die zijn goedgekeurd overeenkomstig de bepalingen van artikel 11, § 2 (nieuwe technologieën en concepten), bevat in de aanhef het opschrift "voor complete/voltooide voertuigen waarvoor overeenkomstig artikel 11 (voorlopige goedkeuring) typegoedkeuring is verleend".
  5. Het certificaat van overeenstemming, zoals beschreven in bijlage 31, deel I, voor de voertuigen waarvoor overeenkomstig artikel 12 (kleine series) typegoedkeuring is verleend bevat in de aanhef het opschrift "voor de complete/voltooide voertuigen waarvoor typegoedkeuring in kleine series is verleend", met in de onmiddellijke nabijheid van dit opschrift het jaar van productie gevolgd door een volgnummer tussen 1 en het in de tabel van bijlage 34 vermelde maximum, waaruit voor elk productiejaar blijkt welke plaats het voertuig in de voor dat jaar toegewezen productie inneemt.
  6. Alleen de fabrikant mag een duplicaat van het certificaat van overeenstemming afgeven. Hij moet een duplicaat dat overeenstemt met het originele certificaat van overeenstemming uitreiken op verzoek van de bezitter van het voertuig of van elke betrokken persoon. De vermelding "duplicaat" moet duidelijk zichtbaar zijn op de voorzijde van elk duplicaat.
  7. Elk in België verkocht nieuw voertuig moet vergezeld zijn van een certificaat van overeenstemming. Elke verkoper van een nieuw voertuig moet dit certificaat op het ogenblik van de verkoop aan de koper overhandigen.
  8. Voor de voertuigen die in nieuwe of in gebruikte staat zijn ingevoerd en voor de eerste maal in België in gebruik worden genomen, alsook voor de voertuigen bedoeld in artikel 2, § 2, 5° en die bestemd zijn om in gebruik te worden genomen onder een gewone nummerplaat, die niet het voorwerp uitmaken van een certificaat van overeenstemming uitgereikt door de bevoegde fabrikant of de in artikel 5, § 2 bedoelde gemachtigde, moet het bewijs worden geleverd dat zij voldoen aan de reglementaire voorschriften die krachtens artikel 2 erop van toepassing zijn.
  Om dit bewijs te leveren moeten deze voertuigen worden aangeboden aan een van de door de Minister bevoegd voor het wegverkeer, erkende instellingen voor de automobielinspectie, die het voertuig zal identificeren en zal nagaan of aan de reglementaire bepalingen die erop toepasselijk zijn, is voldaan.
  Voldoet het voertuig aan die bepalingen, dan levert de bevoegde instantie een document af waaruit blijkt dat het voertuig overeenstemt met de voorschriften van dit besluit.
  9. Wanneer het voertuig wordt verkocht in België met het oog op een eerste inschrijving onder een gewone nummerplaat, dan moet de verkoper dit document op het ogenblik van de verkoop aan de koper overhandigen.
  Voor de voertuigen die voor het eerst in gebruik werden genomen na 15 juni 1969 geldt dit document als certificaat van overeenstemming.
  10. Het certificaat van overeenstemming of het aldus geldende bewijs moet :
  a) het voertuig waarop het betrekking heeft altijd vergezellen, ook in geval van verandering van bezitter;
  b) ter gelegenheid van de autokeuring worden vertoond op elk verzoek van het personeel van het door de Minister bevoegd voor het wegverkeer aangewezen orgaan voor de autokeuring.
  [2 De in België ingevoerde voertuigen die eerder in een andere Lidstaat van de Europese Unie waren ingeschreven, zijn niet onderworpen aan de verplichting het certificaat van overeenstemming voor te leggen Indien het kentekenbewijs van deze voertuigen echter onleesbaar of onvolledig is, overeenkomstig bijlage 1 van Richtlijn 1999/37/EG van de Raad van 29 april 1999 inzake de kentekenbewijzen van motorvoertuigen, mag het certificaat van overeenstemming worden gevraagd. De afwezigheid van het certificaat van overeenstemming zal echter geen aanleiding geven tot een sanctie.]2
  § 3. EG-typegoedkeuringmerk
  1. De fabrikant van een onderdeel of een technische eenheid dat of die al dan niet deel uitmaakt van een systeem, brengt op alle onderdelen of technische eenheden die zijn vervaardigd in overeenstemming met het goedgekeurde type het EG-typegoedkeuringmerk aan dat is vereist volgens de relevante bijzondere richtlijn of bijzondere verordening.
  2. Wanneer het aanbrengen van een EG-typegoedkeuringmerk niet is vereist, brengt de fabrikant minstens zijn productiemerk of zijn handelsmerk aan en het typenummer en/of een identificatienummer.
  3. Het EG-typegoedkeuringmerk komt overeen met de voorschriften van het aanhangsel van bijlage 29.
  § 4 - Identificatie van de voertuigen.
  1. Chassisnummer
  Elk chassis of voertuig moet voorzien zijn van een nummer, dat als chassisnummer wordt beschouwd en dat verschillend is voor elk voertuig van eenzelfde merk en dat bestaat uit een reeks van minstens drie en hoogstens zeventien letters of cijfers.
  Die tekens moeten een hoogte van ten minste 7 mm hebben en zodanig van alle andere opschriften gescheiden zijn dat alle twijfel uitgesloten is.
  Bij het indienen van de goedkeuringsaanvraag moet de aanvrager een model van het chassisnummer en de betekenis van de verschillende erin voorkomende symbolen meesturen.
  Het model van alle gebruikte cijfers en letters moet aan de goedkeuringsinstantie kenbaar worden gemaakt.
  Uitsluitend dat nummer mag in de officiële documenten als chassisnummer worden aangegeven. Het moet er in zijn geheel in voorkomen.
  Het chassisnummer moet door de fabrikant, de gemachtigde of door een door hen behoorlijk gemachtigde persoon, of bij ontstentenis door de goedkeuringsinstantie of een door haar behoorlijk gemachtigde persoon, goed leesbaar ingeslagen zijn in een langsligger of, wanneer het voertuig niet van langsliggers is voorzien, in een belangrijk constructief element van het koetswerk, zodat het niet kan verdwijnen bij een licht ongeval. Niemand anders mag het chassisnummer inslaan, uitwissen of wijzigen.
  De plaats van het chassisnummer wordt door de bevoegde instantie goedgekeurd.
  Het chassisnummer moet steeds goed zichtbaar zijn en mag nooit verborgen worden door een latere inrichting van het voertuig.
  Indien, naar het oordeel van de bevoegde instantie, het chassisnummer van een aanhangwagen of oplegger aanleiding tot misverstand kan geven, kan hij voorschrijven dat een bepaald chassisnummer wordt ingeslagen of verwijderd.
  2. Identificatieplaat
  Op een plaat die op een gemakkelijk te bereiken plaats aan het voertuig moet gelast of geklonken worden of op een plastic zelfklever die zichzelf vernietigt bij het verwijderen, moet de fabrikant of de gemachtigde met onuitwisbare tekens vermelden :
  hetzij 1° :
  - het merk en het type van het voertuig;
  - het chassisnummer;
  - het nummer van het proces-verbaal van goedkeuring voor voertuigen onderworpen aan de typegoedkeuring;
  - de M.T.M. van het voertuig en van de sleep voor personenauto's. Ingeval de personenauto niet kan worden gebruikt voor het slepen van een aanhangwagen wordt "Nihil" geschreven in het vak voorbehouden voor de aanduiding van de M.T.M. van de sleep.
  De gegevens van deze identificatieplaat moeten in één van de landstalen zijn opgesteld.
  hetzij 2° de hierna vermelde gegevens en in aangegeven volgorde :
  - de naam van de fabrikant;
  - het nummer van het goedkeuringscertificaat;
  - het chassisnummer;
  - de maximale toegelaten massa van het voertuig;
  - de maximale toegelaten massa van de sleep;
  - de maximale toegelaten massa voor elk van de assen, vermeld in volgorde van voor naar achter.
  De assen moeten in dezelfde volgorde worden genummerd.
  In geval van een oplegger, moet het hoogste toegelaten gewicht van de eerste as onder het steunpunt worden vermeld.
  De fabrikant mag het nummer van het proces-verbaal van goedkeuring ook vermelden op een plaatje dat geen deel uitmaakt van de identificatieplaat.
  Bij aanhangwagens en opleggers moet de identificatieplaat zijn aangebracht op het chassis of, bij een zelfdragend koetswerk, op een belangrijk dragend deel ervan.
  Betreft het een in gebruikte staat ingevoerd, voor het eerst in België in gebruik genomen voertuig, dan moet de invoerder van dat voertuig zelf de onder 1° beschreven identificatieplaat zelf aanbrengen. Deze plaat mag nochtans slechts worden aangebracht op voorwaarde dat het betrokken voertuig door de fabrikant of zijn gemachtigde, reeds van een plaat werd voorzien waarop ten minste het merk, het type en chassisnummer van het voertuig voorkomen.
  De door de invoerder van het voertuig aangebrachte plaat moet, onder de door de Minister bevoegd voor het wegverkeer vast te stellen voorwaarden, door een merkteken van een door hem erkend orgaan voor de automobielinspectie worden gevalideerd.
  3. Bij de landbouwaanhangwagens bedoeld in artikel 2, § 2, 8° en 9° gebeurt de identificatie van het voertuig door het aanbrengen van een metalen plaat die op een gemakkelijk te bereiken plaats aan het voertuig wordt gelast of geklonken.
  Alle betrokken aanvragen dienen te worden gericht aan de Federale Overheidsdienst Mobiliteit en Vervoer - Directoraat-generaal Mobiliteit en Verkeersveiligheid - Dienst Voertuigen, waarvan de kantoren gelegen zijn in City Atrium - Vooruitgangstraat 56, 1210 Brussel.
  Deze plaat vermeldt :
  1° indien het een aanhangwagen betreft, gebouwd door of voor rekening van een landbouwer :
  - de vermeldingen : landbouwaanhangwagen, ambachtelijke categorie,
  - het nummer van het goedkeuringscertificaat,
  - het chassisnummer.
  2° indien het een aanhangwagen betreft, gebouwd als eenmalig voertuig door een erkend fabrikant :
  - de vermeldingen : landbouwaanhangwagen, eenmalige categorie,
  - het nummer van het PVG,
  - het chassisnummer.]1
  ----------
  (1)<KB 2009-04-14/25, art. 4, 041; Inwerkingtreding : 29-04-2009 of later, volgens categorieën>
  (2)<KB 2013-09-06/08, art. 1, 058; Inwerkingtreding : 30-09-2013>

  Art. 10_WAALS_GEWEST.
   [1 - Goedkeuringscertificaat, certificaat van overeenstemming en markering
  § 1. Goedkeuringscertificaat
  De goedkeuring van een voertuig, van een type voertuig, van een aanhangwagen, van een systeem, van een onderdeel of van een technische eenheid wordt bekrachtigd door een goedkeuringscertificaat overeenkomstig bijlage 28.
  Het goedkeuringscertificaat kan geen terugwerkende kracht hebben.
  De afgifte van het goedkeuringscertificaat en van elk bijbehorend document bindt de verantwoordelijke van de [3 "Waalse]3 bevoegde instantie niet en vermindert geenszins die van de aanvrager.
  § 2. Certificaat van overeenstemming
  1. Als houder van een typegoedkeuring van een voertuig geeft de fabrikant een certificaat van overeenstemming af dat overeenkomt met het model in bijlage 31, waarvan elk compleet, incompleet of voltooid voertuig dat in overeenstemming met het goedgekeurde type voertuig is gebouwd, vergezeld gaat.
  In het geval van een incompleet of voltooid voertuig, vult de fabrikant op bladzijde 2 van het certificaat van overeenstemming, alleen de punten in die in de beschouwde goedkeuringsfase zijn toegevoegd of gewijzigd en voegt hij, in voorkomend geval, bij het certificaat alle certificaten van overeenstemming die in een vorige fase werden uitgereikt.
  2. Het certificaat van overeenstemming wordt zodanig ontworpen dat elke vervalsing wordt uitgesloten. Hiertoe wordt het gebruikte papier door een beeldmerk in kleur of een watermerk in de vorm van het identificatiemerk van de fabrikant beschermd.
  Alleen de personen die behoorlijk gemachtigd zijn door de bevoegde fabrikant of de gemachtigde bedoeld in artikel 5 § 2 zijn gerechtigd om de certificaten van overeenkomst te ondertekenen, op voorwaarde dat hun handtekeningen werden neergelegd bij de goedkeuringsinstantie overeenkomstig artikel 5 § 2 van dit besluit.
  3. Het certificaat van overeenstemming wordt volledig ingevuld en bevat geen andere beperkingen op het gebruik van het voertuig dan die welke in een regelgeving zijn toegestaan.
  4. Het certificaat van overeenstemming, zoals omschreven in bijlage 31, deel I, voor de voertuigen die zijn goedgekeurd overeenkomstig de bepalingen van artikel 11, § 2 (nieuwe technologieën en concepten), bevat in de aanhef het opschrift "voor complete/voltooide voertuigen waarvoor overeenkomstig artikel 11 (voorlopige goedkeuring) typegoedkeuring is verleend".
  5. Het certificaat van overeenstemming, zoals beschreven in bijlage 31, deel I, voor de voertuigen waarvoor overeenkomstig artikel 12 (kleine series) typegoedkeuring is verleend bevat in de aanhef het opschrift "voor de complete/voltooide voertuigen waarvoor typegoedkeuring in kleine series is verleend", met in de onmiddellijke nabijheid van dit opschrift het jaar van productie gevolgd door een volgnummer tussen 1 en het in de tabel van bijlage 34 vermelde maximum, waaruit voor elk productiejaar blijkt welke plaats het voertuig in de voor dat jaar toegewezen productie inneemt.
  6. Alleen de fabrikant mag een duplicaat van het certificaat van overeenstemming afgeven. Hij moet een duplicaat dat overeenstemt met het originele certificaat van overeenstemming uitreiken op verzoek van de bezitter van het voertuig of van elke betrokken persoon. De vermelding "duplicaat" moet duidelijk zichtbaar zijn op de voorzijde van elk duplicaat.
  7. Elk in België verkocht nieuw voertuig moet vergezeld zijn van een certificaat van overeenstemming. Elke verkoper van een nieuw voertuig moet dit certificaat op het ogenblik van de verkoop aan de koper overhandigen.
  8. Voor de voertuigen die in nieuwe of in gebruikte staat zijn ingevoerd en voor de eerste maal in België in gebruik worden genomen, alsook voor de voertuigen bedoeld in artikel 2, § 2, 5° en die bestemd zijn om in gebruik te worden genomen onder een gewone nummerplaat, die niet het voorwerp uitmaken van een certificaat van overeenstemming uitgereikt door de bevoegde fabrikant of de in artikel 5, § 2 bedoelde gemachtigde, moet het bewijs worden geleverd dat zij voldoen aan de reglementaire voorschriften die krachtens artikel 2 erop van toepassing zijn.
  Om dit bewijs te leveren moeten deze voertuigen worden aangeboden aan een van de door de [3 Waalse Minister]3, erkende instellingen voor de automobielinspectie, die het voertuig zal identificeren en zal nagaan of aan de reglementaire bepalingen die erop toepasselijk zijn, is voldaan.
  Voldoet het voertuig aan die bepalingen, dan levert de [3 Waalse]3 bevoegde instantie een document af waaruit blijkt dat het voertuig overeenstemt met de voorschriften van dit besluit.
  9. Wanneer het voertuig wordt verkocht in België met het oog op een eerste inschrijving onder een gewone nummerplaat, dan moet de verkoper dit document op het ogenblik van de verkoop aan de koper overhandigen.
  Voor de voertuigen die voor het eerst in gebruik werden genomen na 15 juni 1969 geldt dit document als certificaat van overeenstemming.
  10. Het certificaat van overeenstemming of het aldus geldende bewijs moet :
  a) het voertuig waarop het betrekking heeft altijd vergezellen, ook in geval van verandering van bezitter;
  b) ter gelegenheid van de autokeuring worden vertoond op elk verzoek van het personeel van het door de [3 Waalse Minister]3 aangewezen orgaan voor de autokeuring.
  [2 De in België ingevoerde voertuigen die eerder in een andere Lidstaat van de Europese Unie waren ingeschreven, zijn niet onderworpen aan de verplichting het certificaat van overeenstemming voor te leggen Indien het kentekenbewijs van deze voertuigen echter onleesbaar of onvolledig is, overeenkomstig bijlage 1 van Richtlijn 1999/37/EG van de Raad van 29 april 1999 inzake de kentekenbewijzen van motorvoertuigen, mag het certificaat van overeenstemming worden gevraagd. De afwezigheid van het certificaat van overeenstemming zal echter geen aanleiding geven tot een sanctie.]2
  § 3. EG-typegoedkeuringmerk
  1. De fabrikant van een onderdeel of een technische eenheid dat of die al dan niet deel uitmaakt van een systeem, brengt op alle onderdelen of technische eenheden die zijn vervaardigd in overeenstemming met het goedgekeurde type het EG-typegoedkeuringmerk aan dat is vereist volgens de relevante bijzondere richtlijn of bijzondere verordening.
  2. Wanneer het aanbrengen van een EG-typegoedkeuringmerk niet is vereist, brengt de fabrikant minstens zijn productiemerk of zijn handelsmerk aan en het typenummer en/of een identificatienummer.
  3. Het EG-typegoedkeuringmerk komt overeen met de voorschriften van het aanhangsel van bijlage 29.
  § 4 - Identificatie van de voertuigen.
  1. Chassisnummer
  Elk chassis of voertuig moet voorzien zijn van een nummer, dat als chassisnummer wordt beschouwd en dat verschillend is voor elk voertuig van eenzelfde merk en dat bestaat uit een reeks van minstens drie en hoogstens zeventien letters of cijfers.
  Die tekens moeten een hoogte van ten minste 7 mm hebben en zodanig van alle andere opschriften gescheiden zijn dat alle twijfel uitgesloten is.
  Bij het indienen van de goedkeuringsaanvraag moet de aanvrager een model van het chassisnummer en de betekenis van de verschillende erin voorkomende symbolen meesturen.
  Het model van alle gebruikte cijfers en letters moet aan de goedkeuringsinstantie kenbaar worden gemaakt.
  Uitsluitend dat nummer mag in de officiële documenten als chassisnummer worden aangegeven. Het moet er in zijn geheel in voorkomen.
  Het chassisnummer moet door de fabrikant, de gemachtigde of door een door hen behoorlijk gemachtigde persoon, of bij ontstentenis door de goedkeuringsinstantie of een door haar behoorlijk gemachtigde persoon, goed leesbaar ingeslagen zijn in een langsligger of, wanneer het voertuig niet van langsliggers is voorzien, in een belangrijk constructief element van het koetswerk, zodat het niet kan verdwijnen bij een licht ongeval. Niemand anders mag het chassisnummer inslaan, uitwissen of wijzigen.
  De plaats van het chassisnummer wordt door de [3 Waalse]3 bevoegde instantie goedgekeurd.
  Het chassisnummer moet steeds goed zichtbaar zijn en mag nooit verborgen worden door een latere inrichting van het voertuig.
  Indien, naar het oordeel van de bevoegde instantie, het chassisnummer van een aanhangwagen of oplegger aanleiding tot misverstand kan geven, kan hij voorschrijven dat een bepaald chassisnummer wordt ingeslagen of verwijderd.
  2. Identificatieplaat
  Op een plaat die op een gemakkelijk te bereiken plaats aan het voertuig moet gelast of geklonken worden of op een plastic zelfklever die zichzelf vernietigt bij het verwijderen, moet de fabrikant of de gemachtigde met onuitwisbare tekens vermelden :
  hetzij 1° :
  - het merk en het type van het voertuig;
  - het chassisnummer;
  - het nummer van het proces-verbaal van goedkeuring voor voertuigen onderworpen aan de typegoedkeuring;
  - de M.T.M. van het voertuig en van de sleep voor personenauto's. Ingeval de personenauto niet kan worden gebruikt voor het slepen van een aanhangwagen wordt "Nihil" geschreven in het vak voorbehouden voor de aanduiding van de M.T.M. van de sleep.
  De gegevens van deze identificatieplaat moeten in één van de landstalen zijn opgesteld.
  hetzij 2° de hierna vermelde gegevens en in aangegeven volgorde :
  - de naam van de fabrikant;
  - het nummer van het goedkeuringscertificaat;
  - het chassisnummer;
  - de maximale toegelaten massa van het voertuig;
  - de maximale toegelaten massa van de sleep;
  - de maximale toegelaten massa voor elk van de assen, vermeld in volgorde van voor naar achter.
  De assen moeten in dezelfde volgorde worden genummerd.
  In geval van een oplegger, moet het hoogste toegelaten gewicht van de eerste as onder het steunpunt worden vermeld.
  De fabrikant mag het nummer van het proces-verbaal van goedkeuring ook vermelden op een plaatje dat geen deel uitmaakt van de identificatieplaat.
  Bij aanhangwagens en opleggers moet de identificatieplaat zijn aangebracht op het chassis of, bij een zelfdragend koetswerk, op een belangrijk dragend deel ervan.
  Betreft het een in gebruikte staat ingevoerd, voor het eerst in België in gebruik genomen voertuig, dan moet de invoerder van dat voertuig zelf de onder 1° beschreven identificatieplaat zelf aanbrengen. Deze plaat mag nochtans slechts worden aangebracht op voorwaarde dat het betrokken voertuig door de fabrikant of zijn gemachtigde, reeds van een plaat werd voorzien waarop ten minste het merk, het type en chassisnummer van het voertuig voorkomen.
  De door de invoerder van het voertuig aangebrachte plaat moet, onder de door de [3 Waalse Ministe]3 vast te stellen voorwaarden, door een merkteken van een door hem erkend orgaan voor de automobielinspectie worden gevalideerd.
  3. Bij de landbouwaanhangwagens bedoeld in artikel 2, § 2, 8° en 9° gebeurt de identificatie van het voertuig door het aanbrengen van een metalen plaat die op een gemakkelijk te bereiken plaats aan het voertuig wordt gelast of geklonken.
  Alle betrokken aanvragen dienen te worden gericht aan de[3 de instantie bevoegd voor de goedkeuring]3l.
  Deze plaat vermeldt :
  1° indien het een aanhangwagen betreft, gebouwd door of voor rekening van een landbouwer :
  - de vermeldingen : landbouwaanhangwagen, ambachtelijke categorie,
  - het nummer van het goedkeuringscertificaat,
  - het chassisnummer.
  2° indien het een aanhangwagen betreft, gebouwd als eenmalig voertuig door een erkend fabrikant :
  - de vermeldingen : landbouwaanhangwagen, eenmalige categorie,
  - het nummer van het PVG,
  - het chassisnummer.]1
  
----------
  (1)<KB 2009-04-14/25, art. 4, 041; Inwerkingtreding : 29-04-2009 of later, volgens categorieën>
  (2)<KB 2013-09-06/08, art. 1, 058; Inwerkingtreding : 30-09-2013>
  (3)<BWG 2018-05-17/18, art. 9, 083; Inwerkingtreding : 20-05-2018>
  

  Art. 10_BRUSSELS_HOOFDSTEDELIJK_GEWEST.
   [1 - Goedkeuringscertificaat, certificaat van overeenstemming en markering
  § 1. Goedkeuringscertificaat
  De goedkeuring van een voertuig, van een type voertuig, van een aanhangwagen, van een systeem, van een onderdeel of van een technische eenheid wordt bekrachtigd door een goedkeuringscertificaat overeenkomstig bijlage 28.
  Het goedkeuringscertificaat kan geen terugwerkende kracht hebben.
  De afgifte van het goedkeuringscertificaat en van elk bijbehorend document bindt de verantwoordelijke van de bevoegde [3 ]3 instantie niet en vermindert geenszins die van de aanvrager.
  § 2. Certificaat van overeenstemming
  1. Als houder van een typegoedkeuring van een voertuig geeft de fabrikant een certificaat van overeenstemming af dat overeenkomt met het model in bijlage 31, waarvan elk compleet, incompleet of voltooid voertuig dat in overeenstemming met het goedgekeurde type voertuig is gebouwd, vergezeld gaat.
  In het geval van een incompleet of voltooid voertuig, vult de fabrikant op bladzijde 2 van het certificaat van overeenstemming, alleen de punten in die in de beschouwde goedkeuringsfase zijn toegevoegd of gewijzigd en voegt hij, in voorkomend geval, bij het certificaat alle certificaten van overeenstemming die in een vorige fase werden uitgereikt.
  2. Het certificaat van overeenstemming wordt zodanig ontworpen dat elke vervalsing wordt uitgesloten. Hiertoe wordt het gebruikte papier door een beeldmerk in kleur of een watermerk in de vorm van het identificatiemerk van de fabrikant beschermd.
  Alleen de personen die behoorlijk gemachtigd zijn door de bevoegde fabrikant of de gemachtigde bedoeld in artikel 5 § 2 zijn gerechtigd om de certificaten van overeenkomst te ondertekenen, op voorwaarde dat hun handtekeningen werden neergelegd bij de goedkeuringsinstantie overeenkomstig artikel 5 § 2 van dit besluit.
  3. Het certificaat van overeenstemming wordt volledig ingevuld en bevat geen andere beperkingen op het gebruik van het voertuig dan die welke in een regelgeving zijn toegestaan.
  4. Het certificaat van overeenstemming, zoals omschreven in bijlage 31, deel I, voor de voertuigen die zijn goedgekeurd overeenkomstig de bepalingen van artikel 11, § 2 (nieuwe technologieën en concepten), bevat in de aanhef het opschrift "voor complete/voltooide voertuigen waarvoor overeenkomstig artikel 11 (voorlopige goedkeuring) typegoedkeuring is verleend".
  5. Het certificaat van overeenstemming, zoals beschreven in bijlage 31, deel I, voor de voertuigen waarvoor overeenkomstig artikel 12 (kleine series) typegoedkeuring is verleend bevat in de aanhef het opschrift "voor de complete/voltooide voertuigen waarvoor typegoedkeuring in kleine series is verleend", met in de onmiddellijke nabijheid van dit opschrift het jaar van productie gevolgd door een volgnummer tussen 1 en het in de tabel van bijlage 34 vermelde maximum, waaruit voor elk productiejaar blijkt welke plaats het voertuig in de voor dat jaar toegewezen productie inneemt.
  6. Alleen de fabrikant mag een duplicaat van het certificaat van overeenstemming afgeven. Hij moet een duplicaat dat overeenstemt met het originele certificaat van overeenstemming uitreiken op verzoek van de bezitter van het voertuig of van elke betrokken persoon. De vermelding "duplicaat" moet duidelijk zichtbaar zijn op de voorzijde van elk duplicaat.
  7. Elk in België verkocht nieuw voertuig moet vergezeld zijn van een certificaat van overeenstemming. Elke verkoper van een nieuw voertuig moet dit certificaat op het ogenblik van de verkoop aan de koper overhandigen.
  8. Voor de voertuigen die in nieuwe of in gebruikte staat zijn ingevoerd en voor de eerste maal in België in gebruik worden genomen, alsook voor de voertuigen bedoeld in artikel 2, § 2, 5° en die bestemd zijn om in gebruik te worden genomen onder een gewone nummerplaat, die niet het voorwerp uitmaken van een certificaat van overeenstemming uitgereikt door de bevoegde fabrikant of de in artikel 5, § 2 bedoelde gemachtigde, moet het bewijs worden geleverd dat zij voldoen aan de reglementaire voorschriften die krachtens artikel 2 erop van toepassing zijn.
  Om dit bewijs te leveren moeten deze voertuigen worden aangeboden aan een van de door de [3 Brusselse minister]3 , erkende instellingen voor de automobielinspectie, die het voertuig zal identificeren en zal nagaan of aan de reglementaire bepalingen die erop toepasselijk zijn, is voldaan.
  Voldoet het voertuig aan die bepalingen, dan levert de bevoegde [3 instantie]3 instantie een document af waaruit blijkt dat het voertuig overeenstemt met de voorschriften van dit besluit.
  9. Wanneer het voertuig wordt verkocht in België met het oog op een eerste inschrijving onder een gewone nummerplaat, dan moet de verkoper dit document op het ogenblik van de verkoop aan de koper overhandigen.
  Voor de voertuigen die voor het eerst in gebruik werden genomen na 15 juni 1969 geldt dit document als certificaat van overeenstemming.
  10. Het certificaat van overeenstemming of het aldus geldende bewijs moet :
  a) het voertuig waarop het betrekking heeft altijd vergezellen, ook in geval van verandering van bezitter;
  b) ter gelegenheid van de autokeuring worden vertoond op elk verzoek van het personeel van het door de [3 Brusselse minister]3 aangewezen orgaan voor de autokeuring.
  [2 De in België ingevoerde voertuigen die eerder in een andere Lidstaat van de Europese Unie waren ingeschreven, zijn niet onderworpen aan de verplichting het certificaat van overeenstemming voor te leggen Indien het kentekenbewijs van deze voertuigen echter onleesbaar of onvolledig is, overeenkomstig bijlage 1 van Richtlijn 1999/37/EG van de Raad van 29 april 1999 inzake de kentekenbewijzen van motorvoertuigen, mag het certificaat van overeenstemming worden gevraagd. De afwezigheid van het certificaat van overeenstemming zal echter geen aanleiding geven tot een sanctie.]2
  § 3. EG-typegoedkeuringmerk
  1. De fabrikant van een onderdeel of een technische eenheid dat of die al dan niet deel uitmaakt van een systeem, brengt op alle onderdelen of technische eenheden die zijn vervaardigd in overeenstemming met het goedgekeurde type het EG-typegoedkeuringmerk aan dat is vereist volgens de relevante bijzondere richtlijn of bijzondere verordening.
  2. Wanneer het aanbrengen van een EG-typegoedkeuringmerk niet is vereist, brengt de fabrikant minstens zijn productiemerk of zijn handelsmerk aan en het typenummer en/of een identificatienummer.
  3. Het EG-typegoedkeuringmerk komt overeen met de voorschriften van het aanhangsel van bijlage 29.
  § 4 - Identificatie van de voertuigen.
  1. Chassisnummer
  Elk chassis of voertuig moet voorzien zijn van een nummer, dat als chassisnummer wordt beschouwd en dat verschillend is voor elk voertuig van eenzelfde merk en dat bestaat uit een reeks van minstens drie en hoogstens zeventien letters of cijfers.
  Die tekens moeten een hoogte van ten minste 7 mm hebben en zodanig van alle andere opschriften gescheiden zijn dat alle twijfel uitgesloten is.
  Bij het indienen van de goedkeuringsaanvraag moet de aanvrager een model van het chassisnummer en de betekenis van de verschillende erin voorkomende symbolen meesturen.
  Het model van alle gebruikte cijfers en letters moet aan de goedkeuringsinstantie kenbaar worden gemaakt.
  Uitsluitend dat nummer mag in de officiële documenten als chassisnummer worden aangegeven. Het moet er in zijn geheel in voorkomen.
  Het chassisnummer moet door de fabrikant, de gemachtigde of door een door hen behoorlijk gemachtigde persoon, of bij ontstentenis door de goedkeuringsinstantie of een door haar behoorlijk gemachtigde persoon, goed leesbaar ingeslagen zijn in een langsligger of, wanneer het voertuig niet van langsliggers is voorzien, in een belangrijk constructief element van het koetswerk, zodat het niet kan verdwijnen bij een licht ongeval. Niemand anders mag het chassisnummer inslaan, uitwissen of wijzigen.
  De plaats van het chassisnummer wordt door de bevoegde [3 Brusselse minister]3 instantie goedgekeurd.
  Het chassisnummer moet steeds goed zichtbaar zijn en mag nooit verborgen worden door een latere inrichting van het voertuig.
  Indien, naar het oordeel van de bevoegde instantie, het chassisnummer van een aanhangwagen of oplegger aanleiding tot misverstand kan geven, kan hij voorschrijven dat een bepaald chassisnummer wordt ingeslagen of verwijderd.
  2. Identificatieplaat
  Op een plaat die op een gemakkelijk te bereiken plaats aan het voertuig moet gelast of geklonken worden of op een plastic zelfklever die zichzelf vernietigt bij het verwijderen, moet de fabrikant of de gemachtigde met onuitwisbare tekens vermelden :
  hetzij 1° :
  - het merk en het type van het voertuig;
  - het chassisnummer;
  - het nummer van het proces-verbaal van goedkeuring voor voertuigen onderworpen aan de typegoedkeuring;
  - de M.T.M. van het voertuig en van de sleep voor personenauto's. Ingeval de personenauto niet kan worden gebruikt voor het slepen van een aanhangwagen wordt "Nihil" geschreven in het vak voorbehouden voor de aanduiding van de M.T.M. van de sleep.
  De gegevens van deze identificatieplaat moeten in één van de landstalen zijn opgesteld.
  hetzij 2° de hierna vermelde gegevens en in aangegeven volgorde :
  - de naam van de fabrikant;
  - het nummer van het goedkeuringscertificaat;
  - het chassisnummer;
  - de maximale toegelaten massa van het voertuig;
  - de maximale toegelaten massa van de sleep;
  - de maximale toegelaten massa voor elk van de assen, vermeld in volgorde van voor naar achter.
  De assen moeten in dezelfde volgorde worden genummerd.
  In geval van een oplegger, moet het hoogste toegelaten gewicht van de eerste as onder het steunpunt worden vermeld.
  De fabrikant mag het nummer van het proces-verbaal van goedkeuring ook vermelden op een plaatje dat geen deel uitmaakt van de identificatieplaat.
  Bij aanhangwagens en opleggers moet de identificatieplaat zijn aangebracht op het chassis of, bij een zelfdragend koetswerk, op een belangrijk dragend deel ervan.
  Betreft het een in gebruikte staat ingevoerd, voor het eerst in België in gebruik genomen voertuig, dan moet de invoerder van dat voertuig zelf de onder 1° beschreven identificatieplaat zelf aanbrengen. Deze plaat mag nochtans slechts worden aangebracht op voorwaarde dat het betrokken voertuig door de fabrikant of zijn gemachtigde, reeds van een plaat werd voorzien waarop ten minste het merk, het type en chassisnummer van het voertuig voorkomen.
  De door de invoerder van het voertuig aangebrachte plaat moet, onder de door de [3 Brusselse minister]3 vast te stellen voorwaarden, door een merkteken van een door hem erkend orgaan voor de automobielinspectie worden gevalideerd.
  3. Bij de landbouwaanhangwagens bedoeld in artikel 2, § 2, 8° en 9° gebeurt de identificatie van het voertuig door het aanbrengen van een metalen plaat die op een gemakkelijk te bereiken plaats aan het voertuig wordt gelast of geklonken.
  Alle betrokken aanvragen dienen te worden gericht aan de [3 goedkeuringsinstantie]3.
  Deze plaat vermeldt :
  1° indien het een aanhangwagen betreft, gebouwd door of voor rekening van een landbouwer :
  - de vermeldingen : landbouwaanhangwagen, ambachtelijke categorie,
  - het nummer van het goedkeuringscertificaat,
  - het chassisnummer.
  2° indien het een aanhangwagen betreft, gebouwd als eenmalig voertuig door een erkend fabrikant :
  - de vermeldingen : landbouwaanhangwagen, eenmalige categorie,
  - het nummer van het PVG,
  - het chassisnummer.]1
  
----------
  (1)<KB 2009-04-14/25, art. 4, 041; Inwerkingtreding : 29-04-2009 of later, volgens categorieën>
  (2)<KB 2013-09-06/08, art. 1, 058; Inwerkingtreding : 30-09-2013>
  (3)<BESL 2018-11-29/02, art. 10, 082; Inwerkingtreding : 01-12-2018>
  

  Art. 10_VLAAMS_GEWEST.
   [1 - Goedkeuringscertificaat, certificaat van overeenstemming en markering
  § 1. Goedkeuringscertificaat
  De goedkeuring van een voertuig, van een type voertuig, van een aanhangwagen, van een systeem, van een onderdeel of van een technische eenheid wordt bekrachtigd door een goedkeuringscertificaat overeenkomstig bijlage 28.
  Het goedkeuringscertificaat kan geen terugwerkende kracht hebben.
  De afgifte van het goedkeuringscertificaat en van elk bijbehorend document bindt de verantwoordelijke van de bevoegde [3 Vlaamse]3 instantie niet en vermindert geenszins die van de aanvrager.
  § 2. Certificaat van overeenstemming
  1. Als houder van een typegoedkeuring van een voertuig geeft de fabrikant een certificaat van overeenstemming af dat overeenkomt met het model in bijlage 31, waarvan elk compleet, incompleet of voltooid voertuig dat in overeenstemming met het goedgekeurde type voertuig is gebouwd, vergezeld gaat.
  In het geval van een incompleet of voltooid voertuig, vult de fabrikant op bladzijde 2 van het certificaat van overeenstemming, alleen de punten in die in de beschouwde goedkeuringsfase zijn toegevoegd of gewijzigd en voegt hij, in voorkomend geval, bij het certificaat alle certificaten van overeenstemming die in een vorige fase werden uitgereikt.
  2. Het certificaat van overeenstemming wordt zodanig ontworpen dat elke vervalsing wordt uitgesloten. Hiertoe wordt het gebruikte papier door een beeldmerk in kleur of een watermerk in de vorm van het identificatiemerk van de fabrikant beschermd.
  Alleen de personen die behoorlijk gemachtigd zijn door de bevoegde fabrikant of de gemachtigde bedoeld in artikel 5 § 2 zijn gerechtigd om de certificaten van overeenkomst te ondertekenen, op voorwaarde dat hun handtekeningen werden neergelegd bij de goedkeuringsinstantie overeenkomstig artikel 5 § 2 van dit besluit.
  3. Het certificaat van overeenstemming wordt volledig ingevuld en bevat geen andere beperkingen op het gebruik van het voertuig dan die welke in een regelgeving zijn toegestaan.
  4. Het certificaat van overeenstemming, zoals omschreven in bijlage 31, deel I, voor de voertuigen die zijn goedgekeurd overeenkomstig de bepalingen van artikel 11, § 2 (nieuwe technologieën en concepten), bevat in de aanhef het opschrift "voor complete/voltooide voertuigen waarvoor overeenkomstig artikel 11 (voorlopige goedkeuring) typegoedkeuring is verleend".
  5. Het certificaat van overeenstemming, zoals beschreven in bijlage 31, deel I, voor de voertuigen waarvoor overeenkomstig artikel 12 (kleine series) typegoedkeuring is verleend bevat in de aanhef het opschrift "voor de complete/voltooide voertuigen waarvoor typegoedkeuring in kleine series is verleend", met in de onmiddellijke nabijheid van dit opschrift het jaar van productie gevolgd door een volgnummer tussen 1 en het in de tabel van bijlage 34 vermelde maximum, waaruit voor elk productiejaar blijkt welke plaats het voertuig in de voor dat jaar toegewezen productie inneemt.
  6. Alleen de fabrikant mag een duplicaat van het certificaat van overeenstemming afgeven. Hij moet een duplicaat dat overeenstemt met het originele certificaat van overeenstemming uitreiken op verzoek van de bezitter van het voertuig of van elke betrokken persoon. De vermelding "duplicaat" moet duidelijk zichtbaar zijn op de voorzijde van elk duplicaat.
  7. Elk in België verkocht nieuw voertuig moet vergezeld zijn van een certificaat van overeenstemming. Elke verkoper van een nieuw voertuig moet dit certificaat op het ogenblik van de verkoop aan de koper overhandigen.
  8. Voor de voertuigen die in nieuwe of in gebruikte staat zijn ingevoerd en voor de eerste maal in België in gebruik worden genomen, alsook voor de voertuigen bedoeld in artikel 2, § 2, 5° en die bestemd zijn om in gebruik te worden genomen onder een gewone nummerplaat, die niet het voorwerp uitmaken van een certificaat van overeenstemming uitgereikt door de bevoegde fabrikant of de in artikel 5, § 2 bedoelde gemachtigde, moet het bewijs worden geleverd dat zij voldoen aan de reglementaire voorschriften die krachtens artikel 2 erop van toepassing zijn.
  Om dit bewijs te leveren moeten deze voertuigen worden aangeboden aan een van de door de [3 Vlaamse minister]3, erkende instellingen voor de automobielinspectie, die het voertuig zal identificeren en zal nagaan of aan de reglementaire bepalingen die erop toepasselijk zijn, is voldaan.
  Voldoet het voertuig aan die bepalingen, dan levert de bevoegde [3 Vlaamse]3 instantie een document af waaruit blijkt dat het voertuig overeenstemt met de voorschriften van dit besluit.
  9. Wanneer het voertuig wordt verkocht in België met het oog op een eerste inschrijving onder een gewone nummerplaat, dan moet de verkoper dit document op het ogenblik van de verkoop aan de koper overhandigen.
  Voor de voertuigen die voor het eerst in gebruik werden genomen na 15 juni 1969 geldt dit document als certificaat van overeenstemming.
  10. Het certificaat van overeenstemming of het aldus geldende bewijs moet :
  a) het voertuig waarop het betrekking heeft altijd vergezellen, ook in geval van verandering van bezitter;
  b) ter gelegenheid van de autokeuring worden vertoond op elk verzoek van het personeel van het door de [3 Vlaamse minister]3 aangewezen orgaan voor de autokeuring.
  [2 De in België ingevoerde voertuigen die eerder in een andere Lidstaat van de Europese Unie waren ingeschreven, zijn niet onderworpen aan de verplichting het certificaat van overeenstemming voor te leggen Indien het kentekenbewijs van deze voertuigen echter onleesbaar of onvolledig is, overeenkomstig bijlage 1 van Richtlijn 1999/37/EG van de Raad van 29 april 1999 inzake de kentekenbewijzen van motorvoertuigen, mag het certificaat van overeenstemming worden gevraagd. De afwezigheid van het certificaat van overeenstemming zal echter geen aanleiding geven tot een sanctie.]2
  § 3. EG-typegoedkeuringmerk
  1. De fabrikant van een onderdeel of een technische eenheid dat of die al dan niet deel uitmaakt van een systeem, brengt op alle onderdelen of technische eenheden die zijn vervaardigd in overeenstemming met het goedgekeurde type het EG-typegoedkeuringmerk aan dat is vereist volgens de relevante bijzondere richtlijn of bijzondere verordening.
  2. Wanneer het aanbrengen van een EG-typegoedkeuringmerk niet is vereist, brengt de fabrikant minstens zijn productiemerk of zijn handelsmerk aan en het typenummer en/of een identificatienummer.
  3. Het EG-typegoedkeuringmerk komt overeen met de voorschriften van het aanhangsel van bijlage 29.
  § 4 - Identificatie van de voertuigen.
  1. Chassisnummer
  Elk chassis of voertuig moet voorzien zijn van een nummer, dat als chassisnummer wordt beschouwd en dat verschillend is voor elk voertuig van eenzelfde merk en dat bestaat uit een reeks van minstens drie en hoogstens zeventien letters of cijfers.
  Die tekens moeten een hoogte van ten minste 7 mm hebben en zodanig van alle andere opschriften gescheiden zijn dat alle twijfel uitgesloten is.
  Bij het indienen van de goedkeuringsaanvraag moet de aanvrager een model van het chassisnummer en de betekenis van de verschillende erin voorkomende symbolen meesturen.
  Het model van alle gebruikte cijfers en letters moet aan de goedkeuringsinstantie kenbaar worden gemaakt.
  Uitsluitend dat nummer mag in de officiële documenten als chassisnummer worden aangegeven. Het moet er in zijn geheel in voorkomen.
  Het chassisnummer moet door de fabrikant, de gemachtigde of door een door hen behoorlijk gemachtigde persoon, of bij ontstentenis door de goedkeuringsinstantie of een door haar behoorlijk gemachtigde persoon, goed leesbaar ingeslagen zijn in een langsligger of, wanneer het voertuig niet van langsliggers is voorzien, in een belangrijk constructief element van het koetswerk, zodat het niet kan verdwijnen bij een licht ongeval. Niemand anders mag het chassisnummer inslaan, uitwissen of wijzigen.
  De plaats van het chassisnummer wordt door de bevoegde [3 Vlaamse]3 instantie goedgekeurd.
  Het chassisnummer moet steeds goed zichtbaar zijn en mag nooit verborgen worden door een latere inrichting van het voertuig.
  Indien, naar het oordeel van de bevoegde [3 Vlaamse]3 instantie, het chassisnummer van een aanhangwagen of oplegger aanleiding tot misverstand kan geven, kan hij voorschrijven dat een bepaald chassisnummer wordt ingeslagen of verwijderd.
  2. Identificatieplaat
  Op een plaat die op een gemakkelijk te bereiken plaats aan het voertuig moet gelast of geklonken worden of op een plastic zelfklever die zichzelf vernietigt bij het verwijderen, moet de fabrikant of de gemachtigde met onuitwisbare tekens vermelden :
  hetzij 1° :
  - het merk en het type van het voertuig;
  - het chassisnummer;
  - het nummer van het proces-verbaal van goedkeuring voor voertuigen onderworpen aan de typegoedkeuring;
  - de M.T.M. van het voertuig en van de sleep voor personenauto's. Ingeval de personenauto niet kan worden gebruikt voor het slepen van een aanhangwagen wordt "Nihil" geschreven in het vak voorbehouden voor de aanduiding van de M.T.M. van de sleep.
  De gegevens van deze identificatieplaat moeten in één van de landstalen zijn opgesteld.
  hetzij 2° de hierna vermelde gegevens en in aangegeven volgorde :
  - de naam van de fabrikant;
  - het nummer van het goedkeuringscertificaat;
  - het chassisnummer;
  - de maximale toegelaten massa van het voertuig;
  - de maximale toegelaten massa van de sleep;
  - de maximale toegelaten massa voor elk van de assen, vermeld in volgorde van voor naar achter.
  De assen moeten in dezelfde volgorde worden genummerd.
  In geval van een oplegger, moet het hoogste toegelaten gewicht van de eerste as onder het steunpunt worden vermeld.
  De fabrikant mag het nummer van het proces-verbaal van goedkeuring ook vermelden op een plaatje dat geen deel uitmaakt van de identificatieplaat.
  Bij aanhangwagens en opleggers moet de identificatieplaat zijn aangebracht op het chassis of, bij een zelfdragend koetswerk, op een belangrijk dragend deel ervan.
  Betreft het een in gebruikte staat ingevoerd, voor het eerst in België in gebruik genomen voertuig, dan moet de invoerder van dat voertuig zelf de onder 1° beschreven identificatieplaat zelf aanbrengen. Deze plaat mag nochtans slechts worden aangebracht op voorwaarde dat het betrokken voertuig door de fabrikant of zijn gemachtigde, reeds van een plaat werd voorzien waarop ten minste het merk, het type en chassisnummer van het voertuig voorkomen.
  De door de invoerder van het voertuig aangebrachte plaat moet, onder de door de [3 Vlaamse minister]3 vast te stellen voorwaarden, door een merkteken van een door hem erkend orgaan voor de automobielinspectie worden gevalideerd.
  3. Bij de landbouwaanhangwagens bedoeld in artikel 2, § 2, 8° en 9° gebeurt de identificatie van het voertuig door het aanbrengen van een metalen plaat die op een gemakkelijk te bereiken plaats aan het voertuig wordt gelast of geklonken.
  Alle betrokken aanvragen dienen te worden gericht aan de [3 goedkeuringsinstantie]3.
  Deze plaat vermeldt :
  1° indien het een aanhangwagen betreft, gebouwd door of voor rekening van een landbouwer :
  - de vermeldingen : landbouwaanhangwagen, ambachtelijke categorie,
  - het nummer van het goedkeuringscertificaat,
  - het chassisnummer.
  2° indien het een aanhangwagen betreft, gebouwd als eenmalig voertuig door een erkend fabrikant :
  - de vermeldingen : landbouwaanhangwagen, eenmalige categorie,
  - het nummer van het PVG,
  - het chassisnummer.]1
  
----------
  (1)<KB 2009-04-14/25, art. 4, 041; Inwerkingtreding : 29-04-2009 of later, volgens categorieën>
  (2)<KB 2013-09-06/08, art. 1, 058; Inwerkingtreding : 30-09-2013>
  (3)<BVR 2015-07-10/11, art. 8, 067; Inwerkingtreding : 04-09-2015>
  

  Art. 11.[1 - Ontheffingen voor nieuwe technologieën of nieuwe concepten
  § 1. Op verzoek van de fabrikant mogen de goedkeuringsinstanties een EG-typegoedkeuring verlenen voor een systeem, onderdeel of technische eenheid waarin technologieën of concepten zijn toegepast die onverenigbaar zijn met een of meer in bijlage 26, deel I, vermelde regelgevingen, mits de Europese Commissie daarvoor een vergunning heeft gegeven.
  § 2. In afwachting van het besluit waarbij al dan niet een vergunning wordt gegeven, mag de goedkeuringsinstantie een voorlopige goedkeuring verlenen, waarvan de geldigheid beperkt is tot het Belgische grondgebied, aan een voertuigtype waarop de aangevraagde ontheffing betrekking heeft en die van rechtswege vervalt in geval van weigering van vergunning van de Europese Commissie om de definitieve EG-typegoedkeuring voor het betrokken type voertuig te verlenen.
  § 3. De goedkeuringsinstantie mag volgens eigen inzicht beslissen dat zij aanvaardt dat een door een andere Lidstaat van de Gemeenschap verleende voorlopige goedkeuring, zoals bedoeld in lid 2, uitwerking heeft op het Belgische grondgebied.]1
  ----------
  (1)<KB 2009-04-14/25, art. 4, 041; Inwerkingtreding : 29-04-2009 of later, volgens categorieën>

  Art. 12.[1 - In kleine series gebouwde voertuigen
  § 1. EG-typegoedkeuring van kleine series
  1. Op verzoek van de fabrikant en binnen de kwantitatieve beperkingen bepaald in bijlage 34, deel A, punt 1, verleent de goedkeuringsinstantie, volgens de procedure voorzien in artikel 7, lid 1, punt 4, een EG-typegoedkeuring voor een type voertuig dat minstens voldoet aan de vereisten van bijlage 26, deel I, in het aanhangsel.
  2. Punt 1 geldt niet voor voertuigen voor speciale doeleinden.
  3. De EG-typegoedkeuringscertificaten worden genummerd volgens bijlage 29.
  § 2.- Nationale typegoedkeuring van kleine series
  1. [2 Voor voertuigen die met inachtneming van de in punt A, 2, en in punt C van Bijlage 34 vastgelegde kwantitatieve maxima zijn geproduceerd, mag de bevoegde typegoedkeuringsinstantie een vrijstelling toekennen van de toepassing van een of meer bepalingen of van een of meer regelgevingen vermeld in bijlage 26 of in bijlage 33, op voorwaarde dat er andere relevante eisen worden voorzien.]2
  Met "alternatieve voorschriften" worden administratieve bepalingen en technische voorschriften bedoeld waarmee een verkeersveiligheids- en milieubeschermings-niveau wordt gewaarborgd dat, voor zover praktisch haalbaar, even hoog is als het niveau waarin de bepalingen van bijlage 26 of bijlage 33, volgens het geval, voorzien.
  [2 Bijlage 26 bepaalt de minimumeisen waaraan de in kleine serie gebouwde voertuigen moeten voldoen. De bevoegde typegoedkeuringsinstantie kan binnen de in het eerste lid vastgestelde grenzen en met een behoorlijk gemotiveerd besluit beslissen om bepaalde eisen uit bijlage 26, deel III en deel V toe te voegen of te schrappen.]2
  2. Voor de in punt 1 bepaalde voertuigen kan een vrijstelling van toepassing op een of meerdere bepalingen van dit hoofdstuk worden verleend op grond van een behoorlijk gemotiveerde beslissing.
  3. Voor de typegoedkeuring van voertuigen op grond van dit artikel, aanvaarden de goedkeuringsinstanties systemen, onderdelen of technische eenheden waarvoor een typegoedkeuring werd verleend overeenkomstig de in bijlage 26 vermelde regelgevingen.
  4. Het typegoedkeuringscertificaat geeft de aard van de in toepassing van punten 1 en 2 verleende vrijstellingen aan.
  Het typegoedkeuringscertificaat, waarvan het model is weergegeven in bijlage 28, mag de aanhef "EG-typegoedkeuringscertificaat voor voertuigen" niet dragen. De typegoedkeuringscertificaten worden evenwel genummerd volgens bijlage 29.
  5. De geldigheid van de typegoedkeuring is beperkt tot het grondgebied van de Lidstaat die de goedkeuring heeft verleend. Op verzoek van de fabrikant zendt de goedkeuringsinstantie per aangetekende brief of per e-mail een exemplaar van het typegoedkeuringscertificaat en van de bijbehorende bijlagen naar de goedkeuringsinstanties van de door de fabrikant aangewezen Lidstaten.
  Binnen zestig werkdagen na de datum van ontvangst van de brief, beslist de goedkeuringsinstantie de goedkeuring te aanvaarden of te weigeren. Zij deelt die beslissing officieel mee aan de in de eerste alinea bedoelde goedkeuringsinstantie.
  De goedkeuringsinstantie mag de typegoedkeuring weigeren om reden dat de technische bepalingen op grond waarvan het voertuig in een andere Lidstaat werd goedgekeurd niet gelijkwaardig zijn met de Belgische geldende technische voorschriften.
  6. Wanneer een aanvrager die een voertuig in een andere Lidstaat wenst te verkopen, te registreren of in het verkeer te brengen erom vraagt, bezorgt de Lidstaat die de goedkeuring heeft verleend hem een exemplaar van het typegoedkeuringscertificaat en van het informatiepakket.
  De verkoop, de registratie of het in het verkeer brengen van het voertuig kan worden geweigerd om reden dat de technische bepalingen op grond waarvan het voertuig in een andere Lidstaat werd goedgekeurd niet gelijkwaardig zijn met de Belgische geldende technische voorschriften.]1
  ----------
  (1)<KB 2009-04-14/25, art. 4, 041; Inwerkingtreding : 29-04-2009 of later, volgens categorieën>
  (2)<KB 2017-10-02/06, art. 3, 074; Inwerkingtreding : 03-11-2017>

  Artikel 13.[1 - Individuele goedkeuringen
  § 1. De goedkeuringsinstantie kan een specifiek, al dan niet uniek voertuig vrijstellen van de toepassing van een of meerdere bepalingen van dit hoofdstuk of van een of meerdere in bijlage 26 of in bijlage 33 vermelde regelgevingen en alternatieve voorschriften opleggen.
  Elke beslissing van vrijstelling met betrekking tot de toepassing van de in de eerste alinea bedoelde voorschriften moet behoorlijk worden gemotiveerd.
  Met "alternatieve voorschriften" worden administratieve bepalingen en technische voorschriften bedoeld waarmee een verkeersveiligheids- en milieubeschermings-niveau wordt gewaarborgd dat, voor zover praktisch haalbaar, even hoog is als het niveau waarin de bepalingen van bijlage 26 of bijlage 33, volgens het geval, voorzien.
  [2 Bijlage 26 bepaalt de minimumeisen waaraan het voertuig dat het voorwerp uitmaakt van een individuele goedkeuring, moet voldoen. De bevoegde typegoedkeuringsinstantie kan beslissen om, binnen de grenzen bepaald in het eerste lid en mits een behoorlijk gemotiveerd besluit, bepaalde eisen uit bijlage 26, deel IV en VI toe te voegen of te schrappen.]2
  § 2. De goedkeuringsinstantie aanvaardt elke EG-typegoedkeuring van systemen, onderdelen of technische eenheden in plaats van de alternatieve voorschriften.
  § 3. De aanvraag voor individuele goedkeuring wordt ingediend door de fabrikant, de eigenaar van het voertuig of door een persoon die namens hen optreedt, op voorwaarde dat deze persoon in de Gemeenschap is gevestigd.
  § 4. De goedkeuringsinstantie verleent individuele goedkeuring wanneer het voertuig in overeenstemming is met de bij de aanvraag gevoegde beschrijving en voldoet aan de toepasselijke technische voorschriften en reikt een individueel goedkeuringscertificaat af.
  Het formaat van het individuele goedkeuringscertificaat is gebaseerd op het model van het EG-typegoedkeuringscertificaat in bijlage 28 en bevat ten minste de informatie die nodig is om de registratieaanvraag in te vullen overeenkomstig de bepalingen van hoofdstuk 2 van het koninklijk besluit van 20 juli 2001 betreffende de inschrijving van voertuigen.
  Het individuele goedkeuringscertificaat draagt niet de aanhef "EG-goedkeuring van voertuig".
  Het individuele goedkeuringscertificaat vermeldt het identificatienummer van het betrokken voertuig.
  § 5. De geldigheid van de individuele goedkeuring is beperkt tot het grondgebied van de Lidstaat die ze heeft verleend.
  Wanneer een aanvrager in een andere Lidstaat een voertuig wenst te verkopen, te registreren of in het verkeer te brengen waarvoor een individuele goedkeuring werd verleend, bezorgt de goedkeuringsinstantie hem, op zijn verzoek, een verklaring met de technische voorschriften op grond waarvan het desbetreffende voertuig werd goedgekeurd.
  Met betrekking tot een voertuig waarvoor een individuele goedkeuring werd verleend door een andere Lidstaat, staat de goedkeuringsinstantie de verkoop, de registratie of het in het verkeer brengen ervan toe, tenzij de technische voorschriften op grond waarvan het voertuig werd goedgekeurd niet gelijkwaardig zijn met de in België toepasselijke technische voorschriften.
  § 6. Op verzoek van de fabrikant of van de eigenaar van het voertuig, verleent de goedkeuringsinstantie een individuele goedkeuring voor elk voertuig dat beantwoordt aan de bepalingen van dit hoofdstuk en aan de in bijlage 26 of bijlage 33 vermelde regelgevingen, volgens het geval.
  § 7. De bepalingen van dit artikel mogen worden toegepast op de voertuigen waarvoor een typegoedkeuring overeenkomstig dit hoofdstuk werd verleend en die voor hun eerste registratie of voor het voor het eerst in het verkeer brengen werden gewijzigd.
  § 8. De procedure voorzien in dit artikel kan op een specifiek voertuig worden toegepast tijdens de opeenvolgende voltooiingsfasen ervan in het kader van een procedure van meerfasentypegoedkeuring.
  § 9. De in dit artikel voorziene procedure mag geen tussenliggende fase in het normale verloop van een procedure van meerfasentypegoedkeuring vervangen en mag niet worden toepast om de eerstefasegoedkeuring van een voertuig te verkrijgen.]1
  ----------
   (1)<KB 2009-04-14/25, art. 4, 041; Inwerkingtreding : 29-04-2009 of later, volgens categorieën>
  (2)<KB 2017-10-02/06, art. 4, 074; Inwerkingtreding : 03-11-2017>

  Artikel 14.[1 - Registratie, verkoop en in het verkeer brengen
  § 1. Registratie, verkoop en in het verkeer brengen van voertuigen
  1. Onverminderd het bepaalde in artikel 15, § 1 en 2, is de registratie van de voertuigen en de verkoop of het in het verkeer brengen ervan alleen mogelijk indien die voertuigen vergezeld gaan van een overeenkomstig artikel 10, § 2 geldig certificaat van overeenstemming.
  In het geval van incomplete voertuigen, is de verkoop toegestaan, maar kunnen de definitieve registratie en het in het verkeer brengen worden geweigerd zolang de voertuigen incompleet zijn.
  2. De levering van een voertuig van de categorieën M, N, O, T, C, R en S dat niet in alle opzichten overeenstemt met het goedkeuringscertificaat is verboden, tenzij er voor de levering schriftelijk tussen partijen werd overeengekomen dat het betrokken voertuig wordt beschouwd als niet bedoeld voor gebruik op de openbare weg.
  3. Het in het verkeer brengen op de openbare weg van een voertuig van de categorieën M, N, O, T, C, R en S dat niet in alle opzichten overeenkomt met het goedkeuringscertificaat is verboden.
  4. Het in het verkeer brengen op de openbare weg van speciaal gebouwde voertuigen bedoeld in artikel 3, § 4, punt e, waarvan het type niet is onderworpen aan een proces-verbaal van benaming of dat niet volledig beantwoordt aan het type vermeld in het document waarvan sprake in datzelfde punt, is verboden.
  5. Voertuigen die vrijgesteld zijn van een certificaat van overeenstemming, mogen alleen worden geregistreerd, verkocht of in het verkeer gebracht indien zij aan de relevante technische voorschriften van dit hoofdstuk voldoen.
  6. Het aantal in kleine series gebouwde voertuigen dat per jaar wordt geregistreerd, verkocht of in het verkeer gebracht, mag het in bijlage 34, deel A, aangegeven aantal eenheden niet overschrijden.
  7. De levering van nieuwe voertuigen door de fabrikant of zijn gemachtigde die gelijkvormig zijn verklaard met het goedgekeurde type en die het nummer van het goedkeuringscertificaat hebben dat met dit type overeenkomt, moet binnen een periode van zes jaar gebeuren te rekenen vanaf de eerste dag van de maand die volgt op de afgifte van die goedkeuring.
  Na de periode van zes jaar wordt het voertuigtype beschouwd als niet meer beantwoordend aan de wetgeving en is elke levering van nieuwe voertuigen die aan dit type beantwoorden verboden. Indien de fabrikant dit type van voertuig verder wenst te verkopen na de periode van zes jaar, moet hij een nieuwe goedkeuring aanvragen op basis van de op dat ogenblik vigerende wetgeving.
  8. Het in het verkeer brengen van een nieuw voertuig dat beantwoordt aan een goedgekeurd type moet gebeuren tijdens de periode van zeven jaar vanaf de eerste dag van de maand die volgt op de afgifte van het goedkeuringscertificaat dat betrekking heeft op dit voertuigtype.
  9. Het in het verkeer brengen in België van in oude staat ingevoerde voertuigen van meer dan zeven jaar oud is toegelaten op voorwaarde dat zij overeenstemmen met een goedkeuringscertificaat en dat de eerste indienststelling in het buitenland plaats heeft gehad tijdens de periode van zeven jaar vanaf de eerste dag van de maand die volgt op de afgifte van dit goedkeuringscertificaat.
  10. Als de omstandigheden dit vergen, kan de bevoegde instantie de termijnen bepaald in punt 7, 8 en 9 twee jaar verlengen.
  Deze verlenging kan slechts toegekend worden op verzoek hetzij van de fabrikant of zijn gemachtigde in de gevallen bedoeld in punt 7 en 8, hetzij van de eigenaar of de invoerder in de gevallen bedoeld in punt 9.
  11. De levering en de eerste ingebruikneming van voertuigen of van aanhangwagens onder dekking van een proces-verbaal van goedkeuring uitgereikt overeenkomstig het algemeen reglement gevoegd bij het besluit van de Regent van 22 mei 1947, of van één van de jaarlijks door het Bestuur van de Verkeersreglementering en van de Infrastructuur opgemaakte lijsten met de personenauto's en auto's voor dubbel gebruik die beantwoorden aan de bepalingen van het besluit van de Regent van 10 juni 1947, worden toegestaan onder de in punten 1 en 5 tot 8 van dit artikel aangegeven voorwaarden, voor zover het een voertuigtype betreft dat beantwoordt aan de voorschriften van dit algemeen reglement.
  § 2. Registratie, verkoop en in het verkeer brengen van voertuigen uit restantvoorraden
  1. Om de voorraden van de hand te kunnen doen is het alleen tijdens een beperkte periode toegelaten voertuigen in te schrijven die in overeenstemming zijn met een voertuigtype, waarvan de typegoedkeuring niet meer geldig is.
  De eerste alinea is alleen van toepassing op voertuigen die zich op het grondgebied van de Gemeenschap bevinden en waaraan op het ogenblik van hun productie een geldige EG-typegoedkeuring was verleend, maar die niet zijn geregistreerd of in het verkeer gebracht vóór de geldigheid van deze goedkeuring verstreek.
  2. De in punt 1 geboden mogelijkheid geldt slechts, voor complete voertuigen, gedurende een periode van twaalf maanden vanaf de datum waarop de geldigheid van de EG-typegoedkeuring is vervallen en, voor voltooide voertuigen, gedurende een periode van achttien maanden vanaf diezelfde datum.
  3. De fabrikant die van de bepalingen in § 1 gebruik wil maken, moet bij de bevoegde instantie van elke Lidstaat waarin deze voertuigen in gebruik worden genomen, een aanvraag indienen. In de aanvraag moeten de technische of economische redenen worden vermeld waarom deze voertuigen niet aan de nieuwe technische voorschriften kunnen voldoen.
  De betrokken Lidstaten besluiten binnen drie maanden na ontvangst van de aanvraag of en, zo ja, voor hoeveel exemplaren zij de registratie van deze voertuigen op hun grondgebied toestaan.
  Het maximaal aantal complete of incomplete voertuigen van een of meerdere types dat in gebruik wordt genomen onder de procedure "restantvoorraden" mag niet hoger liggen dan 10 % voor de categorie M1 en 30 %, voor alle andere categorieën van voertuigen van alle betrokken types die tijdens het vorige jaar in het verkeer werden gebracht. Indien deze 10 % en 30 % betrekking hebben op minder dan honderd voertuigen, is het in het verkeer brengen van maximum honderd voertuigen toegelaten.
  § 3. Verkoop en in het verkeer brengen van onderdelen en technische eenheden
  1. De verkoop of het in het verkeer brengen van onderdelen of technische eenheden is enkel en alleen toegelaten als de betrokken onderdelen of technische eenheden voldoen aan de vereisten van relevante regelgevingen en als ze behoorlijk zijn gemarkeerd overeenkomstig artikel 10 § 3.
  2. Punt 1 is niet van toepassing in het geval van onderdelen of technische eenheden die speciaal worden gebouwd of ontworpen voor nieuwe voertuigen die niet onder dit hoofdstuk vallen.
  3. In afwijking van punt 1 mag de goedkeuringsinstantie de verkoop en het in het verkeer brengen van onderdelen of technische eenheden toestaan wanneer ze op grond van artikel 11 zijn vrijgesteld van de toepassing van een of meerdere bepalingen van een regelgeving of zijn bestemd voor montage op voertuigen waarvoor uit hoofde van artikel 12 § 1, 12 § 2 of 13 goedkeuringen zijn verleend die betrekking hebben op het desbetreffende onderdeel of de desbetreffende technische eenheid.
  4. In afwijking van punt 1 en tenzij anders is bepaald in een regelgeving, mag de goedkeuringsinstantie de verkoop en het in het verkeer brengen van onderdelen of technische eenheden toestaan die bestemd zijn voor montage op voertuigen waarvoor, op het ogenblik dat zij in het verkeer werden gebracht, geen EG-typegoedkeuring werd verlangd op grond van de richtlijn of de richtlijn 70/156/EEG.]1
  ----------
  (1)<KB 2009-04-14/25, art. 4, 041; Inwerkingtreding : 29-04-2009 of later, volgens categorieën>

  Art. 14_WAALS_GEWEST.
   [1 - Registratie, verkoop en in het verkeer brengen
  § 1. Registratie, verkoop en in het verkeer brengen van voertuigen
  1. Onverminderd het bepaalde in artikel 15, § 1 en 2, is de registratie van de voertuigen en de verkoop of het in het verkeer brengen ervan alleen mogelijk indien die voertuigen vergezeld gaan van een overeenkomstig artikel 10, § 2 geldig certificaat van overeenstemming.
  In het geval van incomplete voertuigen, is de verkoop toegestaan, maar kunnen de definitieve registratie en het in het verkeer brengen worden geweigerd zolang de voertuigen incompleet zijn.
  2. De levering van een voertuig van de categorieën M, N, O, T, C, R en S dat niet in alle opzichten overeenstemt met het goedkeuringscertificaat is verboden, tenzij er voor de levering schriftelijk tussen partijen werd overeengekomen dat het betrokken voertuig wordt beschouwd als niet bedoeld voor gebruik op de openbare weg.
  3. Het in het verkeer brengen op de openbare weg van een voertuig van de categorieën M, N, O, T, C, R en S dat niet in alle opzichten overeenkomt met het goedkeuringscertificaat is verboden.
  4. Het in het verkeer brengen op de openbare weg van speciaal gebouwde voertuigen bedoeld in artikel 3, § 4, punt e, waarvan het type niet is onderworpen aan een proces-verbaal van benaming of dat niet volledig beantwoordt aan het type vermeld in het document waarvan sprake in datzelfde punt, is verboden.
  5. Voertuigen die vrijgesteld zijn van een certificaat van overeenstemming, mogen alleen worden geregistreerd, verkocht of in het verkeer gebracht indien zij aan de relevante technische voorschriften van dit hoofdstuk voldoen.
  6. Het aantal in kleine series gebouwde voertuigen dat per jaar wordt geregistreerd, verkocht of in het verkeer gebracht, mag het in bijlage 34, deel A, aangegeven aantal eenheden niet overschrijden.
  7. De levering van nieuwe voertuigen door de fabrikant of zijn gemachtigde die gelijkvormig zijn verklaard met het goedgekeurde type en die het nummer van het goedkeuringscertificaat hebben dat met dit type overeenkomt, moet binnen een periode van zes jaar gebeuren te rekenen vanaf de eerste dag van de maand die volgt op de afgifte van die goedkeuring.
  Na de periode van zes jaar wordt het voertuigtype beschouwd als niet meer beantwoordend aan de wetgeving en is elke levering van nieuwe voertuigen die aan dit type beantwoorden verboden. Indien de fabrikant dit type van voertuig verder wenst te verkopen na de periode van zes jaar, moet hij een nieuwe goedkeuring aanvragen op basis van de op dat ogenblik vigerende wetgeving.
  8. Het in het verkeer brengen van een nieuw voertuig dat beantwoordt aan een goedgekeurd type moet gebeuren tijdens de periode van zeven jaar vanaf de eerste dag van de maand die volgt op de afgifte van het goedkeuringscertificaat dat betrekking heeft op dit voertuigtype.
  9. Het in het verkeer brengen in België van in oude staat ingevoerde voertuigen van meer dan zeven jaar oud is toegelaten op voorwaarde dat zij overeenstemmen met een goedkeuringscertificaat en dat de eerste indienststelling in het buitenland plaats heeft gehad tijdens de periode van zeven jaar vanaf de eerste dag van de maand die volgt op de afgifte van dit goedkeuringscertificaat.
  10. Als de omstandigheden dit vergen, kan de [2 Waalse]2 bevoegde instantie de termijnen bepaald in punt 7, 8 en 9 twee jaar verlengen.
  Deze verlenging kan slechts toegekend worden op verzoek hetzij van de fabrikant of zijn gemachtigde in de gevallen bedoeld in punt 7 en 8, hetzij van de eigenaar of de invoerder in de gevallen bedoeld in punt 9.
  11. De levering en de eerste ingebruikneming van voertuigen of van aanhangwagens onder dekking van een proces-verbaal van goedkeuring uitgereikt overeenkomstig het algemeen reglement gevoegd bij het besluit van de Regent van 22 mei 1947, of van één van de jaarlijks door [2 de instantie bevoegd voor goedkeuring]2 en van de Infrastructuur opgemaakte lijsten met de personenauto's en auto's voor dubbel gebruik die beantwoorden aan de bepalingen van het besluit van de Regent van 10 juni 1947, worden toegestaan onder de in punten 1 en 5 tot 8 van dit artikel aangegeven voorwaarden, voor zover het een voertuigtype betreft dat beantwoordt aan de voorschriften van dit algemeen reglement.
  § 2. Registratie, verkoop en in het verkeer brengen van voertuigen uit restantvoorraden
  1. Om de voorraden van de hand te kunnen doen is het alleen tijdens een beperkte periode toegelaten voertuigen in te schrijven die in overeenstemming zijn met een voertuigtype, waarvan de typegoedkeuring niet meer geldig is.
  De eerste alinea is alleen van toepassing op voertuigen die zich op het grondgebied van de Gemeenschap bevinden en waaraan op het ogenblik van hun productie een geldige EG-typegoedkeuring was verleend, maar die niet zijn geregistreerd of in het verkeer gebracht vóór de geldigheid van deze goedkeuring verstreek.
  2. De in punt 1 geboden mogelijkheid geldt slechts, voor complete voertuigen, gedurende een periode van twaalf maanden vanaf de datum waarop de geldigheid van de EG-typegoedkeuring is vervallen en, voor voltooide voertuigen, gedurende een periode van achttien maanden vanaf diezelfde datum.
  3. De fabrikant die van de bepalingen in § 1 gebruik wil maken, moet bij de bevoegde instantie van elke Lidstaat waarin deze voertuigen in gebruik worden genomen, een aanvraag indienen. In de aanvraag moeten de technische of economische redenen worden vermeld waarom deze voertuigen niet aan de nieuwe technische voorschriften kunnen voldoen.
  De betrokken Lidstaten besluiten binnen drie maanden na ontvangst van de aanvraag of en, zo ja, voor hoeveel exemplaren zij de registratie van deze voertuigen op hun grondgebied toestaan.
  Het maximaal aantal complete of incomplete voertuigen van een of meerdere types dat in gebruik wordt genomen onder de procedure "restantvoorraden" mag niet hoger liggen dan 10 % voor de categorie M1 en 30 %, voor alle andere categorieën van voertuigen van alle betrokken types die tijdens het vorige jaar in het verkeer werden gebracht. Indien deze 10 % en 30 % betrekking hebben op minder dan honderd voertuigen, is het in het verkeer brengen van maximum honderd voertuigen toegelaten.
  § 3. Verkoop en in het verkeer brengen van onderdelen en technische eenheden
  1. De verkoop of het in het verkeer brengen van onderdelen of technische eenheden is enkel en alleen toegelaten als de betrokken onderdelen of technische eenheden voldoen aan de vereisten van relevante regelgevingen en als ze behoorlijk zijn gemarkeerd overeenkomstig artikel 10 § 3.
  2. Punt 1 is niet van toepassing in het geval van onderdelen of technische eenheden die speciaal worden gebouwd of ontworpen voor nieuwe voertuigen die niet onder dit hoofdstuk vallen.
  3. In afwijking van punt 1 mag de goedkeuringsinstantie de verkoop en het in het verkeer brengen van onderdelen of technische eenheden toestaan wanneer ze op grond van artikel 11 zijn vrijgesteld van de toepassing van een of meerdere bepalingen van een regelgeving of zijn bestemd voor montage op voertuigen waarvoor uit hoofde van artikel 12 § 1, 12 § 2 of 13 goedkeuringen zijn verleend die betrekking hebben op het desbetreffende onderdeel of de desbetreffende technische eenheid.
  4. In afwijking van punt 1 en tenzij anders is bepaald in een regelgeving, mag de goedkeuringsinstantie de verkoop en het in het verkeer brengen van onderdelen of technische eenheden toestaan die bestemd zijn voor montage op voertuigen waarvoor, op het ogenblik dat zij in het verkeer werden gebracht, geen EG-typegoedkeuring werd verlangd op grond van de richtlijn of de richtlijn 70/156/EEG.]1
  
----------
  (1)<KB 2009-04-14/25, art. 4, 041; Inwerkingtreding : 29-04-2009 of later, volgens categorieën>
  (2)<BWG 2018-05-17/18, art. 10, 083; Inwerkingtreding : 20-05-2018>
  

  Art. 14_BRUSSELS_HOOFDSTEDELIJK_GEWEST.
   [1 - Registratie, verkoop en in het verkeer brengen
  § 1. Registratie, verkoop en in het verkeer brengen van voertuigen
  1. Onverminderd het bepaalde in artikel 15, § 1 en 2, is de registratie van de voertuigen en de verkoop of het in het verkeer brengen ervan alleen mogelijk indien die voertuigen vergezeld gaan van een overeenkomstig artikel 10, § 2 geldig certificaat van overeenstemming.
  In het geval van incomplete voertuigen, is de verkoop toegestaan, maar kunnen de definitieve registratie en het in het verkeer brengen worden geweigerd zolang de voertuigen incompleet zijn.
  2. De levering van een voertuig van de categorieën M, N, O, T, C, R en S dat niet in alle opzichten overeenstemt met het goedkeuringscertificaat is verboden, tenzij er voor de levering schriftelijk tussen partijen werd overeengekomen dat het betrokken voertuig wordt beschouwd als niet bedoeld voor gebruik op de openbare weg.
  3. Het in het verkeer brengen op de openbare weg van een voertuig van de categorieën M, N, O, T, C, R en S dat niet in alle opzichten overeenkomt met het goedkeuringscertificaat is verboden.
  4. Het in het verkeer brengen op de openbare weg van speciaal gebouwde voertuigen bedoeld in artikel 3, § 4, punt e, waarvan het type niet is onderworpen aan een proces-verbaal van benaming of dat niet volledig beantwoordt aan het type vermeld in het document waarvan sprake in datzelfde punt, is verboden.
  5. Voertuigen die vrijgesteld zijn van een certificaat van overeenstemming, mogen alleen worden geregistreerd, verkocht of in het verkeer gebracht indien zij aan de relevante technische voorschriften van dit hoofdstuk voldoen.
  6. Het aantal in kleine series gebouwde voertuigen dat per jaar wordt geregistreerd, verkocht of in het verkeer gebracht, mag het in bijlage 34, deel A, aangegeven aantal eenheden niet overschrijden.
  7. De levering van nieuwe voertuigen door de fabrikant of zijn gemachtigde die gelijkvormig zijn verklaard met het goedgekeurde type en die het nummer van het goedkeuringscertificaat hebben dat met dit type overeenkomt, moet binnen een periode van zes jaar gebeuren te rekenen vanaf de eerste dag van de maand die volgt op de afgifte van die goedkeuring.
  Na de periode van zes jaar wordt het voertuigtype beschouwd als niet meer beantwoordend aan de wetgeving en is elke levering van nieuwe voertuigen die aan dit type beantwoorden verboden. Indien de fabrikant dit type van voertuig verder wenst te verkopen na de periode van zes jaar, moet hij een nieuwe goedkeuring aanvragen op basis van de op dat ogenblik vigerende wetgeving.
  8. Het in het verkeer brengen van een nieuw voertuig dat beantwoordt aan een goedgekeurd type moet gebeuren tijdens de periode van zeven jaar vanaf de eerste dag van de maand die volgt op de afgifte van het goedkeuringscertificaat dat betrekking heeft op dit voertuigtype.
  9. Het in het verkeer brengen in België van in oude staat ingevoerde voertuigen van meer dan zeven jaar oud is toegelaten op voorwaarde dat zij overeenstemmen met een goedkeuringscertificaat en dat de eerste indienststelling in het buitenland plaats heeft gehad tijdens de periode van zeven jaar vanaf de eerste dag van de maand die volgt op de afgifte van dit goedkeuringscertificaat.
  10. Als de omstandigheden dit vergen, kan de bevoegde [2 Brusselse]2 instantie de termijnen bepaald in punt 7, 8 en 9 twee jaar verlengen.
  Deze verlenging kan slechts toegekend worden op verzoek hetzij van de fabrikant of zijn gemachtigde in de gevallen bedoeld in punt 7 en 8, hetzij van de eigenaar of de invoerder in de gevallen bedoeld in punt 9.
  11. De levering en de eerste ingebruikneming van voertuigen of van aanhangwagens onder dekking van een proces-verbaal van goedkeuring uitgereikt overeenkomstig het algemeen reglement gevoegd bij het besluit van de Regent van 22 mei 1947, of van één van de jaarlijks door [2 de goedkeuringsinstantie]2 opgemaakte lijsten met de personenauto's en auto's voor dubbel gebruik die beantwoorden aan de bepalingen van het besluit van de Regent van 10 juni 1947, worden toegestaan onder de in punten 1 en 5 tot 8 van dit artikel aangegeven voorwaarden, voor zover het een voertuigtype betreft dat beantwoordt aan de voorschriften van dit algemeen reglement.
  § 2. Registratie, verkoop en in het verkeer brengen van voertuigen uit restantvoorraden
  1. Om de voorraden van de hand te kunnen doen is het alleen tijdens een beperkte periode toegelaten voertuigen in te schrijven die in overeenstemming zijn met een voertuigtype, waarvan de typegoedkeuring niet meer geldig is.
  De eerste alinea is alleen van toepassing op voertuigen die zich op het grondgebied van de Gemeenschap bevinden en waaraan op het ogenblik van hun productie een geldige EG-typegoedkeuring was verleend, maar die niet zijn geregistreerd of in het verkeer gebracht vóór de geldigheid van deze goedkeuring verstreek.
  2. De in punt 1 geboden mogelijkheid geldt slechts, voor complete voertuigen, gedurende een periode van twaalf maanden vanaf de datum waarop de geldigheid van de EG-typegoedkeuring is vervallen en, voor voltooide voertuigen, gedurende een periode van achttien maanden vanaf diezelfde datum.
  3. De fabrikant die van de bepalingen in § 1 gebruik wil maken, moet bij de bevoegde instantie van elke Lidstaat waarin deze voertuigen in gebruik worden genomen, een aanvraag indienen. In de aanvraag moeten de technische of economische redenen worden vermeld waarom deze voertuigen niet aan de nieuwe technische voorschriften kunnen voldoen.
  De betrokken Lidstaten besluiten binnen drie maanden na ontvangst van de aanvraag of en, zo ja, voor hoeveel exemplaren zij de registratie van deze voertuigen op hun grondgebied toestaan.
  Het maximaal aantal complete of incomplete voertuigen van een of meerdere types dat in gebruik wordt genomen onder de procedure "restantvoorraden" mag niet hoger liggen dan 10 % voor de categorie M1 en 30 %, voor alle andere categorieën van voertuigen van alle betrokken types die tijdens het vorige jaar in het verkeer werden gebracht. Indien deze 10 % en 30 % betrekking hebben op minder dan honderd voertuigen, is het in het verkeer brengen van maximum honderd voertuigen toegelaten.
  § 3. Verkoop en in het verkeer brengen van onderdelen en technische eenheden
  1. De verkoop of het in het verkeer brengen van onderdelen of technische eenheden is enkel en alleen toegelaten als de betrokken onderdelen of technische eenheden voldoen aan de vereisten van relevante regelgevingen en als ze behoorlijk zijn gemarkeerd overeenkomstig artikel 10 § 3.
  2. Punt 1 is niet van toepassing in het geval van onderdelen of technische eenheden die speciaal worden gebouwd of ontworpen voor nieuwe voertuigen die niet onder dit hoofdstuk vallen.
  3. In afwijking van punt 1 mag de goedkeuringsinstantie de verkoop en het in het verkeer brengen van onderdelen of technische eenheden toestaan wanneer ze op grond van artikel 11 zijn vrijgesteld van de toepassing van een of meerdere bepalingen van een regelgeving of zijn bestemd voor montage op voertuigen waarvoor uit hoofde van artikel 12 § 1, 12 § 2 of 13 goedkeuringen zijn verleend die betrekking hebben op het desbetreffende onderdeel of de desbetreffende technische eenheid.
  4. In afwijking van punt 1 en tenzij anders is bepaald in een regelgeving, mag de goedkeuringsinstantie de verkoop en het in het verkeer brengen van onderdelen of technische eenheden toestaan die bestemd zijn voor montage op voertuigen waarvoor, op het ogenblik dat zij in het verkeer werden gebracht, geen EG-typegoedkeuring werd verlangd op grond van de richtlijn of de richtlijn 70/156/EEG.]1
  
----------
  (1)<KB 2009-04-14/25, art. 4, 041; Inwerkingtreding : 29-04-2009 of later, volgens categorieën>
  (2)<BESL 2018-11-29/02, art. 11, 082; Inwerkingtreding : 01-12-2018>
  

  Art. 14_VLAAMS_GEWEST.
   [1 - Registratie, verkoop en in het verkeer brengen
  § 1. Registratie, verkoop en in het verkeer brengen van voertuigen
  1. Onverminderd het bepaalde in artikel 15, § 1 en 2, is de registratie van de voertuigen en de verkoop of het in het verkeer brengen ervan alleen mogelijk indien die voertuigen vergezeld gaan van een overeenkomstig artikel 10, § 2 geldig certificaat van overeenstemming.
  In het geval van incomplete voertuigen, is de verkoop toegestaan, maar kunnen de definitieve registratie en het in het verkeer brengen worden geweigerd zolang de voertuigen incompleet zijn.
  2. De levering van een voertuig van de categorieën M, N, O, T, C, R en S dat niet in alle opzichten overeenstemt met het goedkeuringscertificaat is verboden, tenzij er voor de levering schriftelijk tussen partijen werd overeengekomen dat het betrokken voertuig wordt beschouwd als niet bedoeld voor gebruik op de openbare weg.
  3. Het in het verkeer brengen op de openbare weg van een voertuig van de categorieën M, N, O, T, C, R en S dat niet in alle opzichten overeenkomt met het goedkeuringscertificaat is verboden.
  4. Het in het verkeer brengen op de openbare weg van speciaal gebouwde voertuigen bedoeld in artikel 3, § 4, punt e, waarvan het type niet is onderworpen aan een proces-verbaal van benaming of dat niet volledig beantwoordt aan het type vermeld in het document waarvan sprake in datzelfde punt, is verboden.
  5. Voertuigen die vrijgesteld zijn van een certificaat van overeenstemming, mogen alleen worden geregistreerd, verkocht of in het verkeer gebracht indien zij aan de relevante technische voorschriften van dit hoofdstuk voldoen.
  6. Het aantal in kleine series gebouwde voertuigen dat per jaar wordt geregistreerd, verkocht of in het verkeer gebracht, mag het in bijlage 34, deel A, aangegeven aantal eenheden niet overschrijden.
  7. De levering van nieuwe voertuigen door de fabrikant of zijn gemachtigde die gelijkvormig zijn verklaard met het goedgekeurde type en die het nummer van het goedkeuringscertificaat hebben dat met dit type overeenkomt, moet binnen een periode van zes jaar gebeuren te rekenen vanaf de eerste dag van de maand die volgt op de afgifte van die goedkeuring.
  Na de periode van zes jaar wordt het voertuigtype beschouwd als niet meer beantwoordend aan de wetgeving en is elke levering van nieuwe voertuigen die aan dit type beantwoorden verboden. Indien de fabrikant dit type van voertuig verder wenst te verkopen na de periode van zes jaar, moet hij een nieuwe goedkeuring aanvragen op basis van de op dat ogenblik vigerende wetgeving.
  8. Het in het verkeer brengen van een nieuw voertuig dat beantwoordt aan een goedgekeurd type moet gebeuren tijdens de periode van zeven jaar vanaf de eerste dag van de maand die volgt op de afgifte van het goedkeuringscertificaat dat betrekking heeft op dit voertuigtype.
  9. Het in het verkeer brengen in België van in oude staat ingevoerde voertuigen van meer dan zeven jaar oud is toegelaten op voorwaarde dat zij overeenstemmen met een goedkeuringscertificaat en dat de eerste indienststelling in het buitenland plaats heeft gehad tijdens de periode van zeven jaar vanaf de eerste dag van de maand die volgt op de afgifte van dit goedkeuringscertificaat.
  10. Als de omstandigheden dit vergen, kan de [2 Vlaamse]2 bevoegde instantie de termijnen bepaald in punt 7, 8 en 9 twee jaar verlengen.
  Deze verlenging kan slechts toegekend worden op verzoek hetzij van de fabrikant of zijn gemachtigde in de gevallen bedoeld in punt 7 en 8, hetzij van de eigenaar of de invoerder in de gevallen bedoeld in punt 9.
  11. De levering en de eerste ingebruikneming van voertuigen of van aanhangwagens onder dekking van een proces-verbaal van goedkeuring uitgereikt overeenkomstig het algemeen reglement gevoegd bij het besluit van de Regent van 22 mei 1947, of van één van de jaarlijks door [2 de goedkeuringsinstantie]2 opgemaakte lijsten met de personenauto's en auto's voor dubbel gebruik die beantwoorden aan de bepalingen van het besluit van de Regent van 10 juni 1947, worden toegestaan onder de in punten 1 en 5 tot 8 van dit artikel aangegeven voorwaarden, voor zover het een voertuigtype betreft dat beantwoordt aan de voorschriften van dit algemeen reglement.
  § 2. Registratie, verkoop en in het verkeer brengen van voertuigen uit restantvoorraden
  1. Om de voorraden van de hand te kunnen doen is het alleen tijdens een beperkte periode toegelaten voertuigen in te schrijven die in overeenstemming zijn met een voertuigtype, waarvan de typegoedkeuring niet meer geldig is.
  De eerste alinea is alleen van toepassing op voertuigen die zich op het grondgebied van de Gemeenschap bevinden en waaraan op het ogenblik van hun productie een geldige EG-typegoedkeuring was verleend, maar die niet zijn geregistreerd of in het verkeer gebracht vóór de geldigheid van deze goedkeuring verstreek.
  2. De in punt 1 geboden mogelijkheid geldt slechts, voor complete voertuigen, gedurende een periode van twaalf maanden vanaf de datum waarop de geldigheid van de EG-typegoedkeuring is vervallen en, voor voltooide voertuigen, gedurende een periode van achttien maanden vanaf diezelfde datum.
  3. De fabrikant die van de bepalingen in § 1 gebruik wil maken, moet bij de bevoegde instantie van elke Lidstaat waarin deze voertuigen in gebruik worden genomen, een aanvraag indienen. In de aanvraag moeten de technische of economische redenen worden vermeld waarom deze voertuigen niet aan de nieuwe technische voorschriften kunnen voldoen.
  De betrokken Lidstaten besluiten binnen drie maanden na ontvangst van de aanvraag of en, zo ja, voor hoeveel exemplaren zij de registratie van deze voertuigen op hun grondgebied toestaan.
  Het maximaal aantal complete of incomplete voertuigen van een of meerdere types dat in gebruik wordt genomen onder de procedure "restantvoorraden" mag niet hoger liggen dan 10 % voor de categorie M1 en 30 %, voor alle andere categorieën van voertuigen van alle betrokken types die tijdens het vorige jaar in het verkeer werden gebracht. Indien deze 10 % en 30 % betrekking hebben op minder dan honderd voertuigen, is het in het verkeer brengen van maximum honderd voertuigen toegelaten.
  § 3. Verkoop en in het verkeer brengen van onderdelen en technische eenheden
  1. De verkoop of het in het verkeer brengen van onderdelen of technische eenheden is enkel en alleen toegelaten als de betrokken onderdelen of technische eenheden voldoen aan de vereisten van relevante regelgevingen en als ze behoorlijk zijn gemarkeerd overeenkomstig artikel 10 § 3.
  2. Punt 1 is niet van toepassing in het geval van onderdelen of technische eenheden die speciaal worden gebouwd of ontworpen voor nieuwe voertuigen die niet onder dit hoofdstuk vallen.
  3. In afwijking van punt 1 mag de goedkeuringsinstantie de verkoop en het in het verkeer brengen van onderdelen of technische eenheden toestaan wanneer ze op grond van artikel 11 zijn vrijgesteld van de toepassing van een of meerdere bepalingen van een regelgeving of zijn bestemd voor montage op voertuigen waarvoor uit hoofde van artikel 12 § 1, 12 § 2 of 13 goedkeuringen zijn verleend die betrekking hebben op het desbetreffende onderdeel of de desbetreffende technische eenheid.
  4. In afwijking van punt 1 en tenzij anders is bepaald in een regelgeving, mag de goedkeuringsinstantie de verkoop en het in het verkeer brengen van onderdelen of technische eenheden toestaan die bestemd zijn voor montage op voertuigen waarvoor, op het ogenblik dat zij in het verkeer werden gebracht, geen EG-typegoedkeuring werd verlangd op grond van de richtlijn of de richtlijn 70/156/EEG.]1
  
----------
  (1)<KB 2009-04-14/25, art. 4, 041; Inwerkingtreding : 29-04-2009 of later, volgens categorieën>
  (2)<BVR 2015-07-10/11, art. 9, 067; Inwerkingtreding : 04-09-2015>

  Artikel 15.[1 - Vrijwaringsclausule
  § 1. Voertuigen, systemen, onderdelen of technische eenheden die aan de voorschriften voldoen, maar die een ernstig gevaar betekenen voor de verkeersveiligheid of het milieu en de volksgezondheid ernstig schaden
  Indien de goedkeuringsinstantie van oordeel is dat nieuwe voertuigen, systemen, onderdelen of technische eenheden, ook al voldoen zij aan de toepasselijke voorschriften of zijn zij naar behoren gemerkt, een ernstig gevaar betekenen voor de verkeersveiligheid, dan wel het milieu of de volksgezondheid ernstig schaden, dan mag zij gedurende een periode van maximaal zes maanden weigeren deze voertuigen te registreren of de verkoop of het in het verkeer brengen van deze voertuigen, systemen, onderdelen of technische eenheden op zijn grondgebied toe te staan.
  In dat geval stelt de goedkeuringsinstantie de fabrikant, de overige lidstaten en de Commissie daarvan onmiddellijk in kennis, waarbij ze de redenen voor haar besluit motiveert en in het bijzonder vermeldt of het besluit het gevolg is :
  - van tekortkomingen in de betrokken regelgevingen, of
  - de onjuiste toepassing van de betrokken voorschriften.
  § 2. Voertuigen, systemen, onderdelen of technische eenheden die niet in overeenstemming zijn met het goedgekeurde type
  1. Indien de goedkeuringsinstantie die een EG-typegoedkeuring heeft verleend van oordeel is dat nieuwe voertuigen, systemen, onderdelen of technische eenheden die van een certificaat van overeenstemming of een goedkeuringsmerk zijn voorzien, niet in overeenstemming zijn met het door haar goedgekeurde type, neemt zij de nodige maatregelen, die indien nodig kunnen gaan tot intrekking van de typegoedkeuring, om de voertuigen, systemen, onderdelen of technische eenheden in productie in overeenstemming te brengen met het goedgekeurde type.
  De goedkeuringsinstantie stelt de goedkeuringsinstanties van de andere Lidstaten in kennis van de genomen maatregelen.
  2. Met het oog op de toepassing van punt 1, worden de afwijkingen die zijn vastgesteld ten opzichte van de gegevens op het EG-typegoedkeuringscertificaat of in het informatiepakket beschouwd als niet in overeenstemming met het goedgekeurde type.
  Een voertuig wordt niet geacht af te wijken van het goedgekeurde type indien door de relevante regelgevingen toleranties zijn toegestaan en deze toleranties in acht zijn genomen.
  3. Indien de goedkeuringsinstantie aantoont dat nieuwe voertuigen, systemen, onderdelen of technische eenheden die van een certificaat van overeenstemming of een goedkeuringsmerk zijn voorzien, niet in overeenstemming zijn met het goedgekeurde type, kan zij de Lidstaat die de EG-typegoedkeuring heeft verleend, verzoeken te verifiëren of de voertuigen, systemen, onderdelen of technische eenheden in productie nog in overeenstemming zijn met het goedgekeurde type.
  De goedkeuringsinstantie voert deze verificatie zo spoedig mogelijk uit en in elk geval binnen zes maanden na de datum van het verzoek.
  4. De goedkeuringsinstantie verzoekt de Lidstaat die de typegoedkeuring aan het systeem, het onderdeel, de technische eenheid of het incomplete voertuig heeft verleend, in de volgende gevallen de nodige maatregelen te nemen om de voertuigen in productie opnieuw in overeenstemming te brengen met het goedgekeurde type :
  a) in geval van een EG-typegoedkeuring van een voertuig, indien de niet-overeenstemming van een voertuig uitsluitend aan de niet-overeenstemming van een systeem, onderdeel of technische eenheid kan worden toegeschreven;
  b) in geval van een meerfasen-typegoedkeuring, indien de niet-overeenstemming van een voltooid voertuig uitsluitend wordt toegeschreven aan de niet-overeenstemming van een systeem, onderdeel of technische eenheid dat of die deel uitmaakt van het incomplete voertuig, of aan de niet-overeenstemming van het incomplete voertuig zelf.
  Bij ontvangst van een verzoek in die zin, neemt de goedkeuringsinstantie de maatregelen die zich opdringen, zo nodig in samenwerking met de goedkeuringsinstantie die het verzoek heeft gedaan, zo spoedig mogelijk en in elk geval binnen zes maanden na de datum van het verzoek. Wanneer een niet-overeenstemming wordt vastgesteld, neemt de goedkeuringsinstantie van de Lidstaat die de EG-typegoedkeuring van het systeem, het onderdeel of de technische eenheid dan wel de goedkeuring van het incomplete voertuig heeft verleend, de in punt 1 vermelde maatregelen.
  5. De goedkeuringsinstanties stellen elkaar binnen twintig werkdagen in kennis van de intrekking van een EG-typegoedkeuring en van de redenen daarvoor.
  § 3. Verkoop en in het verkeer brengen van onderdelen of uitrustingsstukken die een aanzienlijk risico kunnen vormen voor de correcte werking van essentiële systemen
  1. De verkoop, het te koop aanbieden of het in het verkeer brengen van onderdelen of uitrustingsstukken die een aanzienlijk risico kunnen vormen voor de correcte werking van systemen die essentieel zijn voor de veiligheid van het voertuig of voor zijn milieuprestaties, worden alleen toegestaan als voor deze onderdelen of uitrustingsstukken een vergunning is verleend door een goedkeuringsinstantie overeenkomstig punten 5 tot 9.
  2. De onderdelen of uitrustingsstukken waarvoor de in punt 1 genoemde vergunning nodig is, worden opgenomen in de lijst van bijlage 35. Een besluit hierover wordt voorafgegaan door een evaluatie die wordt opgenomen in een rapport, waarbij wordt gestreefd naar een eerlijk evenwicht tussen de volgende elementen :
  a) het bestaan van een ernstig risico voor de veiligheid of de milieuprestaties van voertuigen waarop deze onderdelen of uitrustingsstukken zijn gemonteerd, en
  b) de gevolgen die het uit hoofde van dit artikel opleggen van een eventuele vergunning voor onderdelen of uitrustingsstukken met zich brengt voor de consumenten en de fabrikanten van onderdelen of uitrustingsstukken.
  3. Punt 1 is niet van toepassing op originele onderdelen of uitrustingsstukken die onder een typegoedkeuring van een systeem vallen met betrekking tot een voertuig, noch op onderdelen of uitrustingsstukken waarvoor een typegoedkeuring is verleend overeenkomstig de bepalingen van één van de in bijlage 26 vermelde regelgevingen, tenzij deze goedkeuringen betrekking hebben op andere aspecten dan die welke onder lid 1 vallen. Punt 1 is niet van toepassing op onderdelen of uitrustingsstukken die uitsluitend zijn geproduceerd voor racevoertuigen die niet bedoeld zijn voor gebruik op de openbare weg. Indien in bijlage 35 vermelde onderdelen of uitrustingsstukken een tweeledige toepassing hebben voor racevoertuigen en voor voertuigen op de weg, mogen deze onderdelen of uitrustingsstukken niet aan het brede publiek worden verkocht of te koop aangeboden voor gebruik in voertuigen op de openbare weg, tenzij zij voldoen aan de eisen van dit artikel.
  4. De eisen omvatten voorschriften op het gebied van de veiligheid, de milieubescherming en waar nodig, de testnormen. Zij kunnen worden gebaseerd op de in bijlage 26 opgesomde regelgevingen of worden opgesteld overeenkomstig de vooruitgang van de veiligheids-, milieubeschermings- en testtechnologie of kunnen, indien dit een juiste wijze is om de vereiste veiligheids- of milieudoelstellingen te verwezenlijken, een vergelijking opleggen van het onderdeel of het uitrustingsstuk met de milieu- of veiligheidsprestaties van het originele voertuig of, naargelang het geval, van een van de onderdelen ervan.
  5. Voor de toepassing van punt 1 moet de fabrikant van onderdelen of uitrustingsstukken bij de goedkeuringsinstantie een door een aangewezen technische dienst opgesteld testverslag voorleggen waarin wordt gecertificeerd dat de onderdelen of uitrustingsstukken waarvoor toestemming wordt gevraagd, voldoen aan de in punt 4 bedoelde voorschriften. De fabrikant kan slechts één aanvraag per type en per onderdeel bij slechts één goedkeuringsinstantie indienen.
  In de aanvraag worden de gegevens vermeld betreffende de fabrikant van de onderdelen of uitrustingsstukken, het type, het identificatienummer en het nummer van de onderdelen of uitrustingsstukken waarvoor een vergunning wordt gevraagd, alsook de naam van de fabrikant van het voertuig, het type voertuig en, in voorkomend geval, het bouwjaar of enige andere informatie aan de hand waarvan het voertuig waarvoor deze onderdelen of uitrustingsstukken zijn bestemd, kan worden geïdentificeerd.
  Wanneer de goedkeuringsinstantie, rekening houdend met het testverslag en ander bewijsmateriaal, ervan overtuigd is dat de desbetreffende onderdelen of uitrustingsstukken voldoen aan de in punt 4 bedoelde voorschriften, geeft zij een certificaat aan de fabrikant af. Op grond van dit certificaat mogen de onderdelen of uitrustingsstukken in de Gemeenschap worden verkocht, te koop worden aangeboden of op voertuigen worden gemonteerd, onder voorbehoud van de tweede alinea van punt 8.
  6. Elk onderdeel of uitrustingsstuk waarvoor in toepassing van dit artikel een vergunning is verleend, wordt naar behoren gemerkt.
  7. De fabrikant stelt de goedkeuringsinstantie die het certificaat heeft afgegeven onverwijld in kennis van alle wijzigingen die van invloed zijn op de afgiftevoorwaarden. Deze goedkeuringsinstantie besluit of het certificaat opnieuw moet worden onderzocht, of er een nieuw certificaat moet worden uitgereikt dan wel of nieuwe tests noodzakelijk zijn.
  De fabrikant moet ervoor zorgen dat de onderdelen en de uitrustingsstukken worden vervaardigd en blijven worden vervaardigd volgens de voorwaarden waaronder het certificaat is afgegeven.
  8. Alvorens een machtiging af te geven, gaat de goedkeuringsinstantie na of er bevredigende regelingen en procedures voorhanden zijn om een effectieve controle van de overeenstemming van de productie te waarborgen.
  Wanneer de goedkeuringsinstantie oordeelt dat niet langer wordt voldaan aan de voorwaarden voor de afgifte van de vergunning, verzoekt zij de fabrikant de nodige maatregelen te nemen om ervoor te zorgen dat de onderdelen of uitrustingsstukken opnieuw in overeenstemming worden gebracht. Indien nodig trekt zij de vergunning in.
  9. Elke onenigheid tussen de Lidstaten met betrekking tot de in punt 5 bedoelde certificaten wordt ter kennis van de Europese Commissie gebracht.
  § 4. Terugroepen van voertuigen
  1. Wanneer een fabrikant aan wie een EG-typegoedkeuring voor een voertuig is verleend, overeenkomstig de bepalingen van een regelgeving of krachtens de richtlijn 2001/95/EG, reeds verkochte, geregistreerde of in het verkeer gebrachte voertuigen moet terugroepen omdat een of meer op het voertuig gemonteerde, al dan niet overeenkomstig de richtlijn goedgekeurde systemen, onderdelen of technische eenheden een ernstig gevaar voor de verkeersveiligheid, de volksgezondheid of het milieu betekenen, stelt hij de goedkeuringsinstantie die de typegoedkeuring aan het voertuig heeft verleend, hiervan onmiddellijk in kennis.
  2. De fabrikant stelt de goedkeuringsinstantie een reeks maatregelen voor om het in punt 1 bedoelde gevaar te neutraliseren. De goedkeuringsinstantie deelt de voorgestelde maatregelen onmiddellijk aan de goedkeuringsinstanties van de andere Lidstaten mee.
  3. Indien de maatregelen door de betrokken instanties ontoereikend worden geacht of niet snel genoeg zijn uitgevoerd, stelt de goedkeuringsinstantie de goedkeuringsinstantie die de EG-typegoedkeuring voor het voertuig heeft verleend, daarvan onverwijld in kennis.
  De goedkeuringsinstantie brengt op haar beurt de fabrikant op de hoogte. Indien de goedkeuringsinstantie die de EG-typegoedkeuring heeft verleend zelf niet tevreden is met de maatregelen van de fabrikant, neemt zij alle vereiste beschermingsmaatregelen, waaronder de intrekking van de EG-typegoedkeuring voor het voertuig, wanneer de fabrikant geen effectieve corrigerende maatregelen voorstelt en uitvoert. Bij intrekking van de EG-typegoedkeuring voor het voertuig, stelt de betrokken goedkeuringsinstantie binnen 20 werkdagen de fabrikant, de goedkeuringsinstanties van de overige Lidstaten en de Europese Commissie hiervan per aangetekend schrijven of equivalente elektronische middelen in kennis.
  4. Dit artikel is ook van toepassing op onderdelen waarvoor geen voorschriften op grond van een regelgeving gelden.]1
  ----------
  (1)<KB 2009-04-14/25, art. 4, 041; Inwerkingtreding : 29-04-2009 of later, volgens categorieën>

  Artikel 16.[1 - Het verstrekken van technische informatie
  § 1. Informatie voor gebruikers
  1. De fabrikant mag geen technische informatie over de bij dit hoofdstuk of de bij de in bijlage 26 genoemde regelgevingen voorgeschreven gegevens verstrekken, die afwijkt van de gegevens die door de goedkeuringsinstantie zijn goedgekeurd.
  2. Indien een regelgeving hierin specifiek voorziet, stelt de fabrikant de gebruikers alle relevante informatie en de vereiste instructies ter beschikking waarin de eventuele bijzondere voorwaarden voor of de beperkingen op het gebruik van een voertuig, onderdeel of technische eenheid worden beschreven.
  Die informatie wordt in overleg met de goedkeuringsinstantie opgenomen in een passend begeleidend document, zoals de gebruikershandleiding of het onderhoudsboekje.
  § 2. Informatie voor fabrikanten van onderdelen of technische eenheden
  1. De voertuigfabrikant verstrekt de fabrikanten van onderdelen of technische eenheden alle in de bijlage of het aanhangsel bij een regelgeving gespecificeerde gegevens en in voorkomend geval de tekeningen, die voor de EG-typegoedkeuring van onderdelen of technische eenheden zijn vereist of die zijn vereist om een vergunning krachtens artikel 15 § 3 te verkrijgen.
  De voertuigfabrikant kan de fabrikanten van onderdelen of technische eenheden een bindende overeenkomst opleggen ter bescherming van de vertrouwelijkheid van alle informatie die niet openbaar is, met inbegrip van informatie die verband houdt met intellectuele eigendomsrechten.
  2. De fabrikant van onderdelen of technische eenheden die houder is van een EG-typegoedkeuringscertificaat dat overeenkomstig artikel 7, lid 4, punt 4 beperkingen op het gebruik en/of bijzondere montagevoorschriften bevat, verstrekt alle informatie hierover aan de voertuigfabrikant.
  Indien een regelgeving hierin voorziet, verstrekt de fabrikant van onderdelen of technische eenheden instructies over beperkingen op het gebruik en/of bijzondere montagevoorschriften bij de geproduceerde onderdelen of technische eenheden.]1
  ----------
  (1)<KB 2009-04-14/25, art. 4, 041; Inwerkingtreding : 29-04-2009 of later, volgens categorieën>

  Artikel 16bis.[1 - Kennisgeving van besluiten en beschikbare rechtsmiddelen. Elk besluit dat op grond van de bepalingen van dit hoofdstuk wordt genomen en elk besluit tot weigering of intrekking van een EG-typegoedkeuring, tot weigering van registratie of tot verbod van de verkoop wordt uitvoerig met redenen omkleed. Het besluit wordt ter kennis gebracht van de belanghebbende onder vermelding van de rechtsmiddelen waarover hij beschikt en van de termijnen waarbinnen hij deze kan aanwenden.]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij KB 2009-04-14/25, art. 4, 041; Inwerkingtreding : 29-04-2009 of later, volgens categorieën>

  Artikel 16ter.[1 - Technische diensten
  § 1. Erkenning van de technische diensten
  1. De Minister bevoegd voor het wegverkeer erkent de technische diensten.
  2. De technische diensten voeren de voor de goedkeuring noodzakelijke tests of de gespecificeerde inspecties vermeld in dit besluit of een in bijlage 26 vermelde regelgeving zelf uit, of zien hierop toe, tenzij alternatieve procedures uitdrukkelijk zijn toegestaan.
  De technische diensten mogen geen tests of inspecties uitvoeren waarvoor zij niet behoorlijk zijn aangewezen.
  3. De technische diensten vallen onder één of meer van de vier volgende activiteitencategorieën, afhankelijk van hun competentiegebied :
  a) categorie A : de technische diensten die de tests, bedoeld in dit besluit en in de in bijlage 26 vermelde regelgevingen, in hun eigen voorzieningen uitvoeren;
  b) categorie B : de technische diensten die toezien op de in dit besluit en in de in bijlage 26 vermelde regelgevingen bedoelde tests, waarvan de uitvoering plaatsvindt in de voorzieningen van de fabrikant of in de voorzieningen van een derde;
  c) categorie C : de technische diensten die de door de fabrikant toegepaste procedures voor de controle van de overeenstemming van de productie geregeld evalueren en verifiëren;
  d) categorie D : de technische diensten die tests of inspecties uitvoeren of hierop toezien in het kader van de controle van de overeenstemming van de productie.
  4. De erkenning kan aan een technische dienst worden verleend voor een of meerdere activiteitencategorieën (A, B, C of D) afhankelijk van hun competentiegebied.
  5. Om te worden erkend als technische dienst, moet de technische dienst beantwoorden aan de volgende voorwaarden :
  1° indien hij de tests uitvoert in zijn eigen lokalen, moet hij beschikken over de passende voorzieningen, meer bepaald over aangepaste lokalen en over het aangepaste materieel;
  2° hij moet beschikken over voldoende technisch personeel om de gevraagde activiteiten te verrichten en de continuïteit ervan te waarborgen;
  3° hij moet beschikken over het personeel met de nodige vaardigheden en de specifieke technische kennis voor de gevraagde activiteiten. Hij moet over de opleiding, de bekwaamheden en de kennis beschikken en tevens een voldoende professionele ervaring hebben in de desbetreffende technische activiteiten. Hij moet zich ook op de hoogte houden van de meest recente ontwikkelingen van de technische en de vigerende regelgevingen.
  4° hij moet de in het aanhangsel 1 van de bijlage 27 bij het koninklijk besluit voorziene voorwaarden voor de uitgevoerde activiteiten naleven. Deze vereiste geldt echter niet voor de laatste fase van een meerfasentype-goedkeuringsprocedure zoals bedoeld in artikel 13, § 8.
  5° hij moet zich ertoe verbinden aan de administratie onverwijld elke tussenkomende wijziging mee te delen die zich voordoet na het verlenen van de erkenning en de tussentijdse beoordelingsrapporten van de accrediteringsinstanties;
  6° hij moet de ambtenaren van de administratie toelaten toegang te krijgen tot de documenten en de lokalen om hun controle uit te oefenen op de bekwaamheid waarmee de technische diensten de gevraagde activiteiten uitoefenen.
  6. De goedkeuringsinstantie mag optreden als technische dienst voor een of meerdere van de in punt 3 bedoelde activiteiten.
  7. Een fabrikant of een namens hem optredende onderaannemer kan worden aangewezen als technische dienst voor activiteiten van de categorie A met betrekking tot de in bijlage 37 vermelde regelgevingen.
  § 2. Beoordeling van de vaardigheden van de technische diensten
  1. De evaluatie van de in § 1 bedoelde vaardigheden worden aangetoond door middel van een door een bevoegde instantie opgesteld beoordelingsverslag. Dit kan een door een accrediteringsinstantie afgegeven accrediteringscertificaat omvatten.
  2. De beoordeling waarop het in punt 1 bedoelde verslag wordt gebaseerd, wordt uitgevoerd overeenkomstig de bepalingen van aanhangsel 2 bij bijlage 27, punten 5 tot 9.
  Het beoordelingsverslag wordt na een periode van maximaal drie jaar opnieuw bezien.
  3. De goedkeuringsinstantie die optreedt als technische dienst, toont op basis van bewijsstukken aan dat zij aan de voorwaarden voldoet.
  Dit omvat een beoordeling door van de beoordeelde activiteit onafhankelijke controleurs.
  4. Een als technische dienst aangewezen fabrikant of onderaannemer die namens hem optreedt, voldoet aan de relevante bepalingen van dit artikel.
  § 3. Erkenningsprocedure
  1. De erkenningsaanvraag wordt ingediend bij de instantie die bevoegd is voor de beoordeling van de technische diensten.
  De aanvraag gaat vergezeld van de stukken waaruit blijkt dat de in § 1, punt 5 vermelde voorwaarden zijn nageleefd en van de door de bijlage 27, aanhangsel 2, punt 4.1. vereiste documenten.
  2. De aanvraag wordt onderzocht door de instantie die bevoegd is voor de beoordeling van de technische diensten. Dit onderzoek is gebaseerd op het in § 2, punt 1, bedoelde beoordelingsverslag en op elk nodig geacht bezoek ter plaatse.
  Indien de technische dienst binnen een termijn van een jaar na de datum van indiening van de erkenningsaanvraag geen volledig dossier heeft samengesteld zoals omschreven in punt 1, lid 2 kan de instantie bevoegd voor de beoordeling van de technische diensten het dossier afsluiten.
  De instantie bevoegd voor de beoordeling van de technische diensten deelt aan de technische dienst mee dat zijn dossier is afgesloten.
  3. De erkenning wordt verleend voor een periode van 5 jaar.
  4. De Minister bevoegd voor het wegverkeer kent aan elke erkende technische dienst een erkenningsnummer toe.
  5. Het toekennen van de erkenning wordt in het Belgische Staatsblad gepubliceerd.
  6. De goedkeuringsinstantie stelt de Europese Commissie in kennis van de erkenningsbeslissing. Voor elke erkende technische dienst deelt zij de naam, het adres, inclusief het e-mailadres, de verantwoordelijken en de activiteitencategorie mee. Zij stelt de Europese Commissie ook in kennis van latere wijzigingen in deze gegevens.
  7. In de aanmeldingsakte wordt vermeld voor welke regelgevingen de technische diensten zijn aangewezen.
  8. Een technische dienst kan de activiteiten waarvoor hij is erkend alleen uitoefenen als deze van tevoren bij de Commissie is aangemeld.
  § 4. Hernieuwing van de erkenning
  De erkenning kan worden hernieuwd.
  De bepalingen van § 3, punt 1, zijn van toepassing op de aanvraag voor hernieuwing van de erkenning.
  De aanvraag voor hernieuwing moet uiterlijk binnen zes maanden voor de datum waarop de geldigheid van de erkenning verstrijkt zijn ingediend.
  Hoe dan ook stelt de technische dienst de instantie die bevoegd is voor de beoordeling in kennis van zijn voornemen om al dan niet een hernieuwing van de erkenning aan te vragen, uiterlijk binnen zes maanden voor het verstrijken van de geldigheid van de lopende erkenning.
  De goedkeuringsinstantie stelt de Europese Commissie in kennis van de beslissing tot hernieuwing van de erkenning.
  § 5. Uitbreiding van de erkenning
  Elke aanvraag voor uitbreiding van de erkenning van een technische dienst moet worden ingediend volgens de in § 3 beschreven procedure.
  De bepalingen van § 3, punt 1 zijn van toepassing op de aanvraag voor uitbreiding van de erkenning.
  De goedkeuringsinstantie stelt de Europese Commissie in kennis van de beslissing tot uitbreiding van de erkenning.
  § 6. Verzaking aan de erkenning
  Elke technische dienst kan op elk ogenblik geheel of gedeeltelijk verzaken aan zijn erkenning door middel van een opzeg van zes maanden, door de opzegging te betekenen aan de instantie bevoegd voor de beoordeling.
  De goedkeuringsinstantie stelt de Europese Commissie in kennis van de beslissing tot verzaking aan de erkenning.
  § 7. Intrekking van de erkenning
  1. Wanneer een technische dienst niet langer aan de in dit besluit bepaalde erkenningsvoorwaarden voldoet, kan de Minister bevoegd voor het wegverkeer de erkenning intrekken.
  2. De goedkeuringsinstantie stelt de Europese Commissie in kennis van de beslissing tot intrekking van de erkenning.
  § 8. Erkenningskosten
  De kosten voor het toekennen, vernieuwen en uitbreiden van de erkenning, inclusief de kosten voor het opstellen van het dossier, de kosten voor het uitreiken van elk document dat betrekking heeft op de erkenningsprocedure en de kosten van administratie en controle van de uitgereikte erkenningen, waarvan het bedrag door Ons wordt bepaald, zijn ten laste van de aanvrager.]1
  ----------
  (1)<KB 2009-04-14/25, art. 4, 041; Inwerkingtreding : 29-04-2009 of later, volgens categorieën>

  Art. 16ter_WAALS_GEWEST.
   [1 - Technische diensten
  § 1. Erkenning van de technische diensten
  1. De [2 Waalse Minister]2 voor het wegverkeer erkent de technische diensten.
  2. De technische diensten voeren de voor de goedkeuring noodzakelijke tests of de gespecificeerde inspecties vermeld in dit besluit of een in bijlage 26 vermelde regelgeving zelf uit, of zien hierop toe, tenzij alternatieve procedures uitdrukkelijk zijn toegestaan.
  De technische diensten mogen geen tests of inspecties uitvoeren waarvoor zij niet behoorlijk zijn aangewezen.
  3. De technische diensten vallen onder één of meer van de vier volgende activiteitencategorieën, afhankelijk van hun competentiegebied :
  a) categorie A : de technische diensten die de tests, bedoeld in dit besluit en in de in bijlage 26 vermelde regelgevingen, in hun eigen voorzieningen uitvoeren;
  b) categorie B : de technische diensten die toezien op de in dit besluit en in de in bijlage 26 vermelde regelgevingen bedoelde tests, waarvan de uitvoering plaatsvindt in de voorzieningen van de fabrikant of in de voorzieningen van een derde;
  c) categorie C : de technische diensten die de door de fabrikant toegepaste procedures voor de controle van de overeenstemming van de productie geregeld evalueren en verifiëren;
  d) categorie D : de technische diensten die tests of inspecties uitvoeren of hierop toezien in het kader van de controle van de overeenstemming van de productie.
  4. De erkenning kan aan een technische dienst worden verleend voor een of meerdere activiteitencategorieën (A, B, C of D) afhankelijk van hun competentiegebied.
  5. Om te worden erkend als technische dienst, moet de technische dienst beantwoorden aan de volgende voorwaarden :
  1° indien hij de tests uitvoert in zijn eigen lokalen, moet hij beschikken over de passende voorzieningen, meer bepaald over aangepaste lokalen en over het aangepaste materieel;
  2° hij moet beschikken over voldoende technisch personeel om de gevraagde activiteiten te verrichten en de continuïteit ervan te waarborgen;
  3° hij moet beschikken over het personeel met de nodige vaardigheden en de specifieke technische kennis voor de gevraagde activiteiten. Hij moet over de opleiding, de bekwaamheden en de kennis beschikken en tevens een voldoende professionele ervaring hebben in de desbetreffende technische activiteiten. Hij moet zich ook op de hoogte houden van de meest recente ontwikkelingen van de technische en de vigerende regelgevingen.
  4° hij moet de in het aanhangsel 1 van de bijlage 27 bij het koninklijk besluit voorziene voorwaarden voor de uitgevoerde activiteiten naleven. Deze vereiste geldt echter niet voor de laatste fase van een meerfasentype-goedkeuringsprocedure zoals bedoeld in artikel 13, § 8.
  5° hij moet zich ertoe verbinden aan [2 de instantie bevoegd voor de goedkeuring]2 onverwijld elke tussenkomende wijziging mee te delen die zich voordoet na het verlenen van de erkenning en de tussentijdse beoordelingsrapporten van de accrediteringsinstanties;
  6° hij moet [2 de personeelsleden van de instantie bevoegd voor de goedkeuring]2 toelaten toegang te krijgen tot de documenten en de lokalen om hun controle uit te oefenen op de bekwaamheid waarmee de technische diensten de gevraagde activiteiten uitoefenen.
  6. De goedkeuringsinstantie mag optreden als technische dienst voor een of meerdere van de in punt 3 bedoelde activiteiten.
  7. Een fabrikant of een namens hem optredende onderaannemer kan worden aangewezen als technische dienst voor activiteiten van de categorie A met betrekking tot de in bijlage 37 vermelde regelgevingen.
  § 2. Beoordeling van de vaardigheden van de technische diensten
  1. De evaluatie van de in § 1 bedoelde vaardigheden worden aangetoond door middel van een door een bevoegde instantie opgesteld beoordelingsverslag. Dit kan een door een accrediteringsinstantie afgegeven accrediteringscertificaat omvatten.
  2. De beoordeling waarop het in punt 1 bedoelde verslag wordt gebaseerd, wordt uitgevoerd overeenkomstig de bepalingen van aanhangsel 2 bij bijlage 27, punten 5 tot 9.
  Het beoordelingsverslag wordt na een periode van maximaal drie jaar opnieuw bezien.
  3. De goedkeuringsinstantie die optreedt als technische dienst, toont op basis van bewijsstukken aan dat zij aan de voorwaarden voldoet.
  Dit omvat een beoordeling door van de beoordeelde activiteit onafhankelijke controleurs.
  4. Een als technische dienst aangewezen fabrikant of onderaannemer die namens hem optreedt, voldoet aan de relevante bepalingen van dit artikel.
  § 3. Erkenningsprocedure
  1. De erkenningsaanvraag wordt ingediend bij de instantie die bevoegd is voor de beoordeling van de technische diensten.
  De aanvraag gaat vergezeld van de stukken waaruit blijkt dat de in § 1, punt 5 vermelde voorwaarden zijn nageleefd en van de door de bijlage 27, aanhangsel 2, punt 4.1. vereiste documenten.
  2. De aanvraag wordt onderzocht door de instantie die bevoegd is voor de beoordeling van de technische diensten. Dit onderzoek is gebaseerd op het in § 2, punt 1, bedoelde beoordelingsverslag en op elk nodig geacht bezoek ter plaatse.
  Indien de technische dienst binnen een termijn van een jaar na de datum van indiening van de erkenningsaanvraag geen volledig dossier heeft samengesteld zoals omschreven in punt 1, lid 2 kan de instantie bevoegd voor de beoordeling van de technische diensten het dossier afsluiten.
  De instantie bevoegd voor de beoordeling van de technische diensten deelt aan de technische dienst mee dat zijn dossier is afgesloten.
  3. De erkenning wordt verleend voor een periode van 5 jaar.
  4. De [2 Waalse Minister]2 voor het wegverkeer kent aan elke erkende technische dienst een erkenningsnummer toe.
  5. Het toekennen van de erkenning wordt in het Belgische Staatsblad gepubliceerd.
  6. De goedkeuringsinstantie stelt de Europese Commissie in kennis van de erkenningsbeslissing. Voor elke erkende technische dienst deelt zij de naam, het adres, inclusief het e-mailadres, de verantwoordelijken en de activiteitencategorie mee. Zij stelt de Europese Commissie ook in kennis van latere wijzigingen in deze gegevens.
  7. In de aanmeldingsakte wordt vermeld voor welke regelgevingen de technische diensten zijn aangewezen.
  8. Een technische dienst kan de activiteiten waarvoor hij is erkend alleen uitoefenen als deze van tevoren bij de Commissie is aangemeld.
  § 4. Hernieuwing van de erkenning
  De erkenning kan worden hernieuwd.
  De bepalingen van § 3, punt 1, zijn van toepassing op de aanvraag voor hernieuwing van de erkenning.
  De aanvraag voor hernieuwing moet uiterlijk binnen zes maanden voor de datum waarop de geldigheid van de erkenning verstrijkt zijn ingediend.
  Hoe dan ook stelt de technische dienst de instantie die bevoegd is voor de beoordeling in kennis van zijn voornemen om al dan niet een hernieuwing van de erkenning aan te vragen, uiterlijk binnen zes maanden voor het verstrijken van de geldigheid van de lopende erkenning.
  De goedkeuringsinstantie stelt de Europese Commissie in kennis van de beslissing tot hernieuwing van de erkenning.
  § 5. Uitbreiding van de erkenning
  Elke aanvraag voor uitbreiding van de erkenning van een technische dienst moet worden ingediend volgens de in § 3 beschreven procedure.
  De bepalingen van § 3, punt 1 zijn van toepassing op de aanvraag voor uitbreiding van de erkenning.
  De goedkeuringsinstantie stelt de Europese Commissie in kennis van de beslissing tot uitbreiding van de erkenning.
  § 6. Verzaking aan de erkenning
  Elke technische dienst kan op elk ogenblik geheel of gedeeltelijk verzaken aan zijn erkenning door middel van een opzeg van zes maanden, door de opzegging te betekenen aan de instantie bevoegd voor de beoordeling.
  De goedkeuringsinstantie stelt de Europese Commissie in kennis van de beslissing tot verzaking aan de erkenning.
  § 7. Intrekking van de erkenning
  1. Wanneer een technische dienst niet langer aan de in dit besluit bepaalde erkenningsvoorwaarden voldoet, kan de [2 Waalse Minister]2 voor het wegverkeer de erkenning intrekken.
  2. De goedkeuringsinstantie stelt de Europese Commissie in kennis van de beslissing tot intrekking van de erkenning.
  § 8. Erkenningskosten
  De kosten voor het toekennen, vernieuwen en uitbreiden van de erkenning, inclusief de kosten voor het opstellen van het dossier, de kosten voor het uitreiken van elk document dat betrekking heeft op de erkenningsprocedure en de kosten van administratie en controle van de uitgereikte erkenningen, waarvan het bedrag door Ons wordt bepaald, zijn ten laste van de aanvrager.]1
  
----------
  (1)<KB 2009-04-14/25, art. 4, 041; Inwerkingtreding : 29-04-2009 of later, volgens categorieën>
  (2)<BWG 2018-05-17/18, art. 11, 083; Inwerkingtreding : 20-05-2018>
  

  Art. 16ter_BRUSSELS_HOOFDSTEDELIJK_GEWEST.
   [1 - Technische diensten
  § 1. Erkenning van de technische diensten
  1. De [3 Brusselse minister]3 erkent de technische diensten.
  2. De technische diensten voeren de voor de goedkeuring noodzakelijke tests of de gespecificeerde inspecties vermeld in dit besluit of een in bijlage 26 vermelde regelgeving zelf uit, of zien hierop toe, tenzij alternatieve procedures uitdrukkelijk zijn toegestaan.
  De technische diensten mogen geen tests of inspecties uitvoeren waarvoor zij niet behoorlijk zijn aangewezen.
  3. De technische diensten vallen onder één of meer van de vier volgende activiteitencategorieën, afhankelijk van hun competentiegebied :
  a) categorie A : de technische diensten die de tests, bedoeld in dit besluit en in de in bijlage 26 vermelde regelgevingen, in hun eigen voorzieningen uitvoeren;
  b) categorie B : de technische diensten die toezien op de in dit besluit en in de in bijlage 26 vermelde regelgevingen bedoelde tests, waarvan de uitvoering plaatsvindt in de voorzieningen van de fabrikant of in de voorzieningen van een derde;
  c) categorie C : de technische diensten die de door de fabrikant toegepaste procedures voor de controle van de overeenstemming van de productie geregeld evalueren en verifiëren;
  d) categorie D : de technische diensten die tests of inspecties uitvoeren of hierop toezien in het kader van de controle van de overeenstemming van de productie.
  4. De erkenning kan aan een technische dienst worden verleend voor een of meerdere activiteitencategorieën (A, B, C of D) afhankelijk van hun competentiegebied.
  5. Om te worden erkend als technische dienst, moet de technische dienst beantwoorden aan de volgende voorwaarden :
  1° indien hij de tests uitvoert in zijn eigen lokalen, moet hij beschikken over de passende voorzieningen, meer bepaald over aangepaste lokalen en over het aangepaste materieel;
  2° hij moet beschikken over voldoende technisch personeel om de gevraagde activiteiten te verrichten en de continuïteit ervan te waarborgen;
  3° hij moet beschikken over het personeel met de nodige vaardigheden en de specifieke technische kennis voor de gevraagde activiteiten. Hij moet over de opleiding, de bekwaamheden en de kennis beschikken en tevens een voldoende professionele ervaring hebben in de desbetreffende technische activiteiten. Hij moet zich ook op de hoogte houden van de meest recente ontwikkelingen van de technische en de vigerende regelgevingen.
  4° hij moet de in het aanhangsel 1 van de bijlage 27 bij het koninklijk besluit voorziene voorwaarden voor de uitgevoerde activiteiten naleven. [2 [3 Voor de laatste fase van een meerfasentype-goedkeuringsprocedure als vermeld in artikel 13, § 8, van dit besluit, moet hij evenwel de voorwaarden, vermeld in aanhangsel 3 van de bijlage 27, die bij dit besluit is gevoegd, naleven]3.]2
  5° hij moet zich ertoe verbinden aan de [3 goedkeuringsinstantie]3 onverwijld elke tussenkomende wijziging mee te delen die zich voordoet na het verlenen van de erkenning en de tussentijdse beoordelingsrapporten van de accrediteringsinstanties;
  6° hij moet de [3 personeelsleden van de goedkeuringsinstantie]3 toelaten toegang te krijgen tot de documenten en de lokalen om hun controle uit te oefenen op de bekwaamheid waarmee de technische diensten de gevraagde activiteiten uitoefenen.
  6. De goedkeuringsinstantie mag optreden als technische dienst voor een of meerdere van de in punt 3 bedoelde activiteiten.
  7. Een fabrikant of een namens hem optredende onderaannemer kan worden aangewezen als technische dienst voor activiteiten van de categorie A met betrekking tot de in bijlage 37 vermelde regelgevingen.
  § 2. Beoordeling van de vaardigheden van de technische diensten
  1. De evaluatie van de in § 1 bedoelde vaardigheden worden aangetoond door middel van een door [3 de goedkeuringsinstantie]3 opgesteld beoordelingsverslag. Dit kan een door een accrediteringsinstantie afgegeven accrediteringscertificaat omvatten.
  2. De beoordeling waarop het in punt 1 bedoelde verslag wordt gebaseerd, wordt uitgevoerd overeenkomstig de bepalingen van aanhangsel 2 bij bijlage 27, punten 5 tot 9.
  Het beoordelingsverslag wordt na een periode van maximaal drie jaar opnieuw bezien.
  3. De goedkeuringsinstantie die optreedt als technische dienst, toont op basis van bewijsstukken aan dat zij aan de voorwaarden voldoet.
  Dit omvat een beoordeling door van de beoordeelde activiteit onafhankelijke controleurs.
  4. Een als technische dienst aangewezen fabrikant of onderaannemer die namens hem optreedt, voldoet aan de relevante bepalingen van dit artikel.
  § 3. Erkenningsprocedure
  1. De erkenningsaanvraag wordt ingediend bij de instantie die bevoegd is voor de beoordeling van de technische diensten.
  De aanvraag gaat vergezeld van de stukken waaruit blijkt dat de in § 1, punt 5 vermelde voorwaarden zijn nageleefd en van de door de bijlage 27, aanhangsel 2, punt 4.1. vereiste documenten.
  2. De aanvraag wordt onderzocht door de instantie die bevoegd is voor de beoordeling van de technische diensten. Dit onderzoek is gebaseerd op het in § 2, punt 1, bedoelde beoordelingsverslag en op elk nodig geacht bezoek ter plaatse.
  Indien de technische dienst binnen een termijn van een jaar na de datum van indiening van de erkenningsaanvraag geen volledig dossier heeft samengesteld zoals omschreven in punt 1, lid 2 kan de instantie bevoegd voor de beoordeling van de technische diensten het dossier afsluiten.
  De instantie bevoegd voor de beoordeling van de technische diensten deelt aan de technische dienst mee dat zijn dossier is afgesloten.
  3. De erkenning wordt verleend voor een periode van 5 jaar.
  4. De [3 Brusselse minister]3 kent aan elke erkende technische dienst een erkenningsnummer toe.
  5. Het toekennen van de erkenning wordt in het Belgische Staatsblad gepubliceerd.
  6. De goedkeuringsinstantie stelt de Europese Commissie in kennis van de erkenningsbeslissing. Voor elke erkende technische dienst deelt zij de naam, het adres, inclusief het e-mailadres, de verantwoordelijken en de activiteitencategorie mee. Zij stelt de Europese Commissie ook in kennis van latere wijzigingen in deze gegevens.
  7. In de aanmeldingsakte wordt vermeld voor welke regelgevingen de technische diensten zijn aangewezen.
  8. Een technische dienst kan de activiteiten waarvoor hij is erkend alleen uitoefenen als deze van tevoren bij de Commissie is aangemeld.
  § 4. Hernieuwing van de erkenning
  De erkenning kan worden hernieuwd.
  De bepalingen van § 3, punt 1, zijn van toepassing op de aanvraag voor hernieuwing van de erkenning.
  De aanvraag voor hernieuwing moet uiterlijk binnen zes maanden voor de datum waarop de geldigheid van de erkenning verstrijkt zijn ingediend.
  Hoe dan ook stelt de technische dienst de instantie die bevoegd is voor de beoordeling in kennis van zijn voornemen om al dan niet een hernieuwing van de erkenning aan te vragen, uiterlijk binnen zes maanden voor het verstrijken van de geldigheid van de lopende erkenning.
  De goedkeuringsinstantie stelt de Europese Commissie in kennis van de beslissing tot hernieuwing van de erkenning.
  § 5. Uitbreiding van de erkenning
  Elke aanvraag voor uitbreiding van de erkenning van een technische dienst moet worden ingediend volgens de in § 3 beschreven procedure.
  De bepalingen van § 3, punt 1 zijn van toepassing op de aanvraag voor uitbreiding van de erkenning.
  De goedkeuringsinstantie stelt de Europese Commissie in kennis van de beslissing tot uitbreiding van de erkenning.
  § 6. Verzaking aan de erkenning
  Elke technische dienst kan op elk ogenblik geheel of gedeeltelijk verzaken aan zijn erkenning door middel van een opzeg van zes maanden, door de opzegging te betekenen aan de instantie bevoegd voor de beoordeling.
  De goedkeuringsinstantie stelt de Europese Commissie in kennis van de beslissing tot verzaking aan de erkenning.
  § 7. Intrekking van de erkenning
  1. Wanneer een technische dienst niet langer aan de in dit besluit bepaalde erkenningsvoorwaarden voldoet, kan de [3 Brusselse minister]3 de erkenning intrekken.
  2. De goedkeuringsinstantie stelt de Europese Commissie in kennis van de beslissing tot intrekking van de erkenning.
  § 8. Erkenningskosten
  De kosten voor het toekennen, vernieuwen en uitbreiden van de erkenning, inclusief de kosten voor het opstellen van het dossier, de kosten voor het uitreiken van elk document dat betrekking heeft op de erkenningsprocedure en de kosten van administratie en controle van de uitgereikte erkenningen, waarvan het bedrag door Ons wordt bepaald, zijn ten laste van de aanvrager.]1
  
----------
  (1)<KB 2009-04-14/25, art. 4, 041; Inwerkingtreding : 29-04-2009 of later, volgens categorieën>
  (2)<BESL 2018-05-24/32, art. 2, 078; Inwerkingtreding : 30-07-2018>
  (3)<BESL 2018-11-29/02, art. 12, 082; Inwerkingtreding : 01-12-2018>

  Art. 16ter_VLAAMS_GEWEST.
   [1 - Technische diensten
  § 1. Erkenning van de technische diensten
  1. De [2 Vlaamse minister]2 erkent de technische diensten.
  2. De technische diensten voeren de voor de goedkeuring noodzakelijke tests of de gespecificeerde inspecties vermeld in dit besluit of een in bijlage 26 vermelde regelgeving zelf uit, of zien hierop toe, tenzij alternatieve procedures uitdrukkelijk zijn toegestaan.
  De technische diensten mogen geen tests of inspecties uitvoeren waarvoor zij niet behoorlijk zijn aangewezen.
  3. De technische diensten vallen onder één of meer van de vier volgende activiteitencategorieën, afhankelijk van hun competentiegebied :
  a) categorie A : de technische diensten die de tests, bedoeld in dit besluit en in de in bijlage 26 vermelde regelgevingen, in hun eigen voorzieningen uitvoeren;
  b) categorie B : de technische diensten die toezien op de in dit besluit en in de in bijlage 26 vermelde regelgevingen bedoelde tests, waarvan de uitvoering plaatsvindt in de voorzieningen van de fabrikant of in de voorzieningen van een derde;
  c) categorie C : de technische diensten die de door de fabrikant toegepaste procedures voor de controle van de overeenstemming van de productie geregeld evalueren en verifiëren;
  d) categorie D : de technische diensten die tests of inspecties uitvoeren of hierop toezien in het kader van de controle van de overeenstemming van de productie.
  4. De erkenning kan aan een technische dienst worden verleend voor een of meerdere activiteitencategorieën (A, B, C of D) afhankelijk van hun competentiegebied.
  5. Om te worden erkend als technische dienst, moet de technische dienst beantwoorden aan de volgende voorwaarden :
  1° indien hij de tests uitvoert in zijn eigen lokalen, moet hij beschikken over de passende voorzieningen, meer bepaald over aangepaste lokalen en over het aangepaste materieel;
  2° hij moet beschikken over voldoende technisch personeel om de gevraagde activiteiten te verrichten en de continuïteit ervan te waarborgen;
  3° hij moet beschikken over het personeel met de nodige vaardigheden en de specifieke technische kennis voor de gevraagde activiteiten. Hij moet over de opleiding, de bekwaamheden en de kennis beschikken en tevens een voldoende professionele ervaring hebben in de desbetreffende technische activiteiten. Hij moet zich ook op de hoogte houden van de meest recente ontwikkelingen van de technische en de vigerende regelgevingen.
  4° hij moet de in het aanhangsel 1 van de bijlage 27 bij het koninklijk besluit voorziene voorwaarden voor de uitgevoerde activiteiten naleven. [3 Voor de laatste fase van een meerfasetypegoedkeuringsprocedure als vermeld in artikel 13, § 8, van dit besluit, moet hij evenwel de voorwaarden, vermeld in aanhangsel 3 van bijlage 27, die bij dit besluit is gevoegd, naleven;]3
  5° hij moet zich ertoe verbinden aan de [2 goedkeuringsinstantie]2 onverwijld elke tussenkomende wijziging mee te delen die zich voordoet na het verlenen van de erkenning en de tussentijdse beoordelingsrapporten van de accrediteringsinstanties;
  6° hij moet de [2 personeelsleden van de goedkeuringsinstantie]2 toelaten toegang te krijgen tot de documenten en de lokalen om hun controle uit te oefenen op de bekwaamheid waarmee de technische diensten de gevraagde activiteiten uitoefenen.
  6. De goedkeuringsinstantie mag optreden als technische dienst voor een of meerdere van de in punt 3 bedoelde activiteiten.
  7. Een fabrikant of een namens hem optredende onderaannemer kan worden aangewezen als technische dienst voor activiteiten van de categorie A met betrekking tot de in bijlage 37 vermelde regelgevingen.
  § 2. Beoordeling van de vaardigheden van de technische diensten
  1. De evaluatie van de in § 1 bedoelde vaardigheden worden aangetoond door middel van een door [2 de goedkeuringsinstantie]2 opgesteld beoordelingsverslag. Dit kan een door een accrediteringsinstantie afgegeven accrediteringscertificaat omvatten.
  2. De beoordeling waarop het in punt 1 bedoelde verslag wordt gebaseerd, wordt uitgevoerd overeenkomstig de bepalingen van aanhangsel 2 bij bijlage 27, punten 5 tot 9.
  Het beoordelingsverslag wordt na een periode van maximaal drie jaar opnieuw bezien.
  3. De goedkeuringsinstantie die optreedt als technische dienst, toont op basis van bewijsstukken aan dat zij aan de voorwaarden voldoet.
  Dit omvat een beoordeling door van de beoordeelde activiteit onafhankelijke controleurs.
  4. Een als technische dienst aangewezen fabrikant of onderaannemer die namens hem optreedt, voldoet aan de relevante bepalingen van dit artikel.
  § 3. Erkenningsprocedure
  1. De erkenningsaanvraag wordt ingediend bij de instantie die bevoegd is voor de beoordeling van de technische diensten.
  De aanvraag gaat vergezeld van de stukken waaruit blijkt dat de in § 1, punt 5 vermelde voorwaarden zijn nageleefd en van de door de bijlage 27, aanhangsel 2, punt 4.1. vereiste documenten.
  2. De aanvraag wordt onderzocht door de instantie die bevoegd is voor de beoordeling van de technische diensten. Dit onderzoek is gebaseerd op het in § 2, punt 1, bedoelde beoordelingsverslag en op elk nodig geacht bezoek ter plaatse.
  Indien de technische dienst binnen een termijn van een jaar na de datum van indiening van de erkenningsaanvraag geen volledig dossier heeft samengesteld zoals omschreven in punt 1, lid 2 kan de instantie bevoegd voor de beoordeling van de technische diensten het dossier afsluiten.
  De instantie bevoegd voor de beoordeling van de technische diensten deelt aan de technische dienst mee dat zijn dossier is afgesloten.
  3. De erkenning wordt verleend voor een periode van 5 jaar.
  4. De [2 Vlaamse minister]2 kent aan elke erkende technische dienst een erkenningsnummer toe.
  5. Het toekennen van de erkenning wordt in het Belgische Staatsblad gepubliceerd.
  6. De goedkeuringsinstantie stelt de Europese Commissie in kennis van de erkenningsbeslissing. Voor elke erkende technische dienst deelt zij de naam, het adres, inclusief het e-mailadres, de verantwoordelijken en de activiteitencategorie mee. Zij stelt de Europese Commissie ook in kennis van latere wijzigingen in deze gegevens.
  7. In de aanmeldingsakte wordt vermeld voor welke regelgevingen de technische diensten zijn aangewezen.
  8. Een technische dienst kan de activiteiten waarvoor hij is erkend alleen uitoefenen als deze van tevoren bij de Commissie is aangemeld.
  § 4. Hernieuwing van de erkenning
  De erkenning kan worden hernieuwd.
  De bepalingen van § 3, punt 1, zijn van toepassing op de aanvraag voor hernieuwing van de erkenning.
  De aanvraag voor hernieuwing moet uiterlijk binnen zes maanden voor de datum waarop de geldigheid van de erkenning verstrijkt zijn ingediend.
  Hoe dan ook stelt de technische dienst de instantie die bevoegd is voor de beoordeling in kennis van zijn voornemen om al dan niet een hernieuwing van de erkenning aan te vragen, uiterlijk binnen zes maanden voor het verstrijken van de geldigheid van de lopende erkenning.
  De goedkeuringsinstantie stelt de Europese Commissie in kennis van de beslissing tot hernieuwing van de erkenning.
  § 5. Uitbreiding van de erkenning
  Elke aanvraag voor uitbreiding van de erkenning van een technische dienst moet worden ingediend volgens de in § 3 beschreven procedure.
  De bepalingen van § 3, punt 1 zijn van toepassing op de aanvraag voor uitbreiding van de erkenning.
  De goedkeuringsinstantie stelt de Europese Commissie in kennis van de beslissing tot uitbreiding van de erkenning.
  § 6. Verzaking aan de erkenning
  Elke technische dienst kan op elk ogenblik geheel of gedeeltelijk verzaken aan zijn erkenning door middel van een opzeg van zes maanden, door de opzegging te betekenen aan de instantie bevoegd voor de beoordeling.
  De goedkeuringsinstantie stelt de Europese Commissie in kennis van de beslissing tot verzaking aan de erkenning.
  § 7. Intrekking van de erkenning
  1. Wanneer een technische dienst niet langer aan de in dit besluit bepaalde erkenningsvoorwaarden voldoet, kan de [2 Vlaamse minister]2 de erkenning intrekken.
  2. De goedkeuringsinstantie stelt de Europese Commissie in kennis van de beslissing tot intrekking van de erkenning.
  § 8. Erkenningskosten
  De kosten voor het toekennen, vernieuwen en uitbreiden van de erkenning, inclusief de kosten voor het opstellen van het dossier, de kosten voor het uitreiken van elk document dat betrekking heeft op de erkenningsprocedure en de kosten van administratie en controle van de uitgereikte erkenningen, waarvan het bedrag [2 bij besluit van de Vlaamse Regering]2 wordt bepaald, zijn ten laste van de aanvrager.]1
  
----------
  (1)<KB 2009-04-14/25, art. 4, 041; Inwerkingtreding : 29-04-2009 of later, volgens categorieën>
  (2)<BVR 2015-07-10/11, art. 10, 067; Inwerkingtreding : 04-09-2015>
  (3)<BVR 2017-01-20/23, art. 1, 072; Inwerkingtreding : 01-03-2017>

  HOOFDSTUK 3. - Gebruik en lading.

  Art. 17.<KB 2003-03-17/34, art. 5, 026; Inwerkingtreding : 01-05-2003> § 1. Alleen de motorvoertuigen van categorieën M1, M2 en M3 zoals gedefinieerd in artikel 1 van dit besluit en goedgekeurd volgens de technische specificaties voor deze categorieën mogen gebruikt worden voor personenvervoer.
  § 2. Het vervoer van personen door middel van aanhangwagens, andere dan die welke uitsluitend gebruikt worden door kermisexploitanten en die eigen zijn aan dat beroep, is verboden.
  § 3. Het is toegestaan personen te vervoeren in het achterste gelijkvloerse gedeelte van de voertuigen met vouwbalg.
  § 4. Voor de toepassing van de bepalingen van §§ 1 en 2 worden niet als vervoerde personen beschouwd :
  1° degenen die vervoerd worden tijdens de dienstprestaties, voor zover desbetreffende voorschriften van het Algemeen Reglement voor de Arbeidsbescherming (ARAB) nageleefd worden en voorzover hun aantal, de bestuurder niet meegerekend, niet hoger is dan acht, en voorzover dat deze personen vervoerd worden door voertuigen die voor de eerste keer in gebruik zijn genomen vóór 1 januari 1999. Voor deze voertuigen, dient de ruimte voor bagage of goederen en de ruimte voor personen gedeeltelijk of geheel afgezonderd te zijn door een wand;
  2° de personen die plaatsnemen in de bestuurdersruimte van een voertuig, uitgerust voor brandbestrijding, dat niet behoort tot een voor het vervoer van personen goedgekeurd type en voorzover het maximum aantal personen, de bestuurder niet meegerekend, niet meer dan tien bedraagt;
  3° voertuigen van de categorieën N2 en N3 met een dubbele of driedubbele passagiersruimte mogen eveneens personen vervoeren met een maximum van 8 personen, de bestuurder uitgezonderd, op voorwaarde dat de passagiersruimte volledig onafhankelijk is van de laadruimte;
  [1 4° de voertuigen van de categorieën T en C en de voertuigen van speciale constructie voor land- of bosbouwdoeleinden mogen ook een bijrijder vervoeren op voorwaarde dat de passagiersruimte met een daartoe bestemde zitplaats is uitgerust.]1
  § 5. Bezoldigd of gratis vervoer van personen door publieke of privé-diensten gebeurt met voertuigen van categorie M.
  § 6. De voertuigen van de categorieën N1, N2, N3, O1, O2, O3, O4 zijn bestemd voor het vervoer van goederen.
  ----------
  (1)<KB 2013-07-10/38, art. 2, 056; Inwerkingtreding : 01-09-2013>

  Art. 18. Lading van de voertuigen. Algemene bepalingen.
  § 1. Geen voertuig waarvan het gewicht in beladen toestand meer bedraagt dan het hoogste toegelaten gewicht mag zich op de openbare weg bevinden.
  (§ 2. Onverminderd de bepalingen van artikel 32 van dit besluit, mag geen voertuig zich op de openbare weg bevinden wanneer het gewicht op de grond onder elk van de assen of, eventueel, het maximumgewicht onder het steunpunt, het bij de goedkeuring vastgestelde maximum met meer dan 5 pct. overschrijdt.) <KB 12-12-1975, art. 8>
  § 3. De door de Minister van Verkeerswezen voor de automobielinspectie erkende (instellingen) vermelden op het inschrijvingsbewijs of op het (keuringsbewijs) het hoogste toegelaten gewicht van het voertuig. Voor de voertuigen met een hoogste toegelaten gewicht van meer dan 2.500 kg wordt tevens het hoogste gewicht op de grond onder de assen, eventueel, het hoogste gewicht onder het steunpunt vermeld. <KB 12-12-1975, art. 45>
  Deze bepaling is alleen toepasselijk op de voertuigen die onderworpen zijn aan de bij artikel 23 van dit besluit voorziene schouwingen.
  (§ 4. Inrichtingen bestemd om fietsen en rolstoelen te dragen, mogen achteraan op de voertuigen bevestigd worden, indien ze:
  - lading inbegrepen, niet meer dan één meter achter het voertuig uitsteken;
  - uitsluitend gebruikt worden om fietsen en rolstoelen te vervoeren.) <KB 1991-09-23/30, art. 1, 012; Inwerkingtreding : 01-10-1991>

  Art. 18_WAALS_GEWEST.
   Lading van de voertuigen. Algemene bepalingen.
  § 1. Geen voertuig waarvan het gewicht in beladen toestand meer bedraagt dan het hoogste toegelaten gewicht mag zich op de openbare weg bevinden.
  (§ 2. Onverminderd de bepalingen van artikel 32 van dit besluit, mag geen voertuig zich op de openbare weg bevinden wanneer het gewicht op de grond onder elk van de assen of, eventueel, het maximumgewicht onder het steunpunt, het bij de goedkeuring vastgestelde maximum met meer dan 5 pct. overschrijdt.) <KB 12-12-1975, art. 8>
  § 3. De door de [1 de Waalse Minister]1 voor de automobielinspectie erkende (instellingen) vermelden op het inschrijvingsbewijs of op het (keuringsbewijs) het hoogste toegelaten gewicht van het voertuig. Voor de voertuigen met een hoogste toegelaten gewicht van meer dan 2.500 kg wordt tevens het hoogste gewicht op de grond onder de assen, eventueel, het hoogste gewicht onder het steunpunt vermeld. <KB 12-12-1975, art. 45>
  Deze bepaling is alleen toepasselijk op de voertuigen die onderworpen zijn aan de bij artikel 23 van dit besluit voorziene schouwingen.
  (§ 4. Inrichtingen bestemd om fietsen en rolstoelen te dragen, mogen achteraan op de voertuigen bevestigd worden, indien ze:
  - lading inbegrepen, niet meer dan één meter achter het voertuig uitsteken;
  - uitsluitend gebruikt worden om fietsen en rolstoelen te vervoeren.) <KB 1991-09-23/30, art. 1, 012; Inwerkingtreding : 01-10-1991>
  

  ----------
  (1)<BWG 2018-05-17/18, art. 12, 083; Inwerkingtreding : 20-05-2018>
  

  Art. 18_BRUSSELS_HOOFDSTEDELIJK_GEWEST.
   Lading van de voertuigen. Algemene bepalingen.
  § 1. Geen voertuig waarvan het gewicht in beladen toestand meer bedraagt dan het hoogste toegelaten gewicht mag zich op de openbare weg bevinden.
  (§ 2. Onverminderd de bepalingen van artikel 32 van dit besluit, mag geen voertuig zich op de openbare weg bevinden wanneer het gewicht op de grond onder elk van de assen of, eventueel, het maximumgewicht onder het steunpunt, het bij de goedkeuring vastgestelde maximum met meer dan 5 pct. overschrijdt.) <KB 12-12-1975, art. 8>
  § 3. De door de [1 Brusselse minister]1 voor de automobielinspectie erkende (instellingen) vermelden op het inschrijvingsbewijs of op het (keuringsbewijs) het hoogste toegelaten gewicht van het voertuig. Voor de voertuigen met een hoogste toegelaten gewicht van meer dan 2.500 kg wordt tevens het hoogste gewicht op de grond onder de assen, eventueel, het hoogste gewicht onder het steunpunt vermeld. <KB 12-12-1975, art. 45>
  Deze bepaling is alleen toepasselijk op de voertuigen die onderworpen zijn aan de bij artikel 23 van dit besluit voorziene schouwingen.
  (§ 4. Inrichtingen bestemd om fietsen en rolstoelen te dragen, mogen achteraan op de voertuigen bevestigd worden, indien ze:
  - lading inbegrepen, niet meer dan één meter achter het voertuig uitsteken;
  - uitsluitend gebruikt worden om fietsen en rolstoelen te vervoeren.) <KB 1991-09-23/30, art. 1, 012; Inwerkingtreding : 01-10-1991>
  

  ----------
  (1)<BESL 2018-11-29/02, art. 13, 082; Inwerkingtreding : 01-12-2018>
  

  Art. 18_VLAAMS_GEWEST.
   Lading van de voertuigen. Algemene bepalingen.
  § 1. Geen voertuig waarvan het gewicht in beladen toestand meer bedraagt dan het hoogste toegelaten gewicht mag zich op de openbare weg bevinden.
  (§ 2. Onverminderd de bepalingen van artikel 32 van dit besluit, mag geen voertuig zich op de openbare weg bevinden wanneer het gewicht op de grond onder elk van de assen of, eventueel, het maximumgewicht onder het steunpunt, het bij de goedkeuring vastgestelde maximum met meer dan 5 pct. overschrijdt.) <KB 12-12-1975, art. 8>
  § 3. De door de [1 Vlaamse minister]1 voor de automobielinspectie erkende (instellingen) vermelden op het inschrijvingsbewijs of op het (keuringsbewijs) het hoogste toegelaten gewicht van het voertuig. Voor de voertuigen met een hoogste toegelaten gewicht van meer dan 2.500 kg wordt tevens het hoogste gewicht op de grond onder de assen, eventueel, het hoogste gewicht onder het steunpunt vermeld. <KB 12-12-1975, art. 45>
  Deze bepaling is alleen toepasselijk op de voertuigen die onderworpen zijn aan de bij artikel 23 van dit besluit voorziene schouwingen.
  (§ 4. Inrichtingen bestemd om fietsen en rolstoelen te dragen, mogen achteraan op de voertuigen bevestigd worden, indien ze:
  - lading inbegrepen, niet meer dan één meter achter het voertuig uitsteken;
  - uitsluitend gebruikt worden om fietsen en rolstoelen te vervoeren.) <KB 1991-09-23/30, art. 1, 012; Inwerkingtreding : 01-10-1991>

  ----------
  (1)<BVR 2015-07-10/11, art. 11, 067; Inwerkingtreding : 04-09-2015>

  Art. 19. Lading van de voor het vervoer van zaken gebouwde voertuigen.
  § 1. De door de Minister van Verkeerswezen voor de automobielinspectie erkende (instellingen) vermelden op het (keuringsbewijs) van de voor het vervoer van zaken gebouwde voertuigen, het eigen gewicht van het voertuig en het laadvermogen. <KB 1991-09-16/33, art. 2, 010; Inwerkingtreding : 16-10-1991> <KB 1998-12-15/32, art. 23, 017; Inwerkingtreding : 01-01-1999>
  (Voor zover bij gebruik van het voertuig op de openbare weg het eigen gewicht niet verschilt van dat vermeld op het (keuringsbewijs), is het laadvermogen het maximum gewicht van de lading die mag geladen en vervoerd worden door het voertuig, rekening houdend met de bepalingen van artikel 18.) <KB 14-01-1971, art. 12> <KB 1998-12-15/32, art. 23, 017; Inwerkingtreding : 01-01-1999>
  § 2. De bestuurder van een (auto) moet doelmatig beschermd zijn tegen alle verplaatsingen van de lading. <KB 12-12-1975, art. 45>
  § 3. Elk voertuig met een hoogst toegelaten gewicht van meer dan 7 000 kg dat gebruikt wordt voor het vervoer van ladingen bestaande uit balken, buizen, palen, stalen platen, rollen, vaten en tonnen, boomstammen of gelijkaardige voorwerpen die van aard zijn om bij een brutale vertraging de bestuurdersruimte in te drukken of op gevaarlijke wijze te doorboren, moet :
  1. voorzien zijn van een voldoende aantal aangepaste vasthechtingsmiddelen waarmede die ladingen op veilige wijze kunnen worden vastgezet;
  2. uitgerust zijn met een scherm, gescheiden van de bestuurdersruimte, dat deze beschermt tegen alle mogelijke verplaatsingen van de lading. Het moet zich bevinden tussen de bestuurdersruimte en de lading en rechtstreeks aan het chassis of aan de voorkant van het laadvak zijn bevestigd. (Bij gelede voertuigen, met uitzondering van mallejans, moet het scherm rechtstreeks aan het voorste gedeelte van de oplegger bevestigd zijn.) <KB 29-03-1974, art. 1>
  Dit scherm mag afneembaar zijn.
  Deze bepalingen zijn niet toepasselijk op de voertuigen die speciaal voor het vervoer van ondeelbare voorwerpen zijn toegelaten, voor zover de toegelaten maximumsnelheid ervan niet meer bedraagt dan 25 km/u.
  (§ 4. Elk voertuig dat gebruikt wordt voor het vervoer van zaken moet voorzien zijn van een voldoende aantal verankeringspunten, aangepast aan de lading.
  Deze verankeringspunten moeten aan een minimale kracht kunnen weerstaan van :
  1° 400 daN voor een voertuig met een MTM <= 3,5 t;
  2° 800 daN voor een voertuig met een MTM > 3,5 t en <= 7,5 t;
  3° 1000 daN voor een voertuig met een MTM > 7,5 t en <= 12 t;
  4° 2000 daN voor een voertuig met een MTM > 12 t.
  § 5. De bepalingen van § 4 zijn niet van toepassing op :
  1° de voertuigen die speciaal voor het vervoer van ondeelbare voorwerpen zijn toegelaten, voor zover de toegelaten maximumsnelheid ervan niet meer bedraagt dan 25 km/u;
  2° de trage voertuigen die worden gebruikt voor landbouwdoeleinden;
  3° de voertuigen en samenstellen van voertuigen die uitsluitend worden gebruikt door kermiskramers en eigen zijn aan dat beroep.
  Deze bepalingen zijn bovendien uitsluitend van toepassing vanaf 1 mei 2008 voor de nieuwe typegoedkeuringen en vanaf 1 mei 2009 voor de voertuigen in nieuwe staat in het verkeer gebracht en voor de voertuigen omgebouwd na deze datum.) <KB 2007-04-27/33, art. 7, 035; Inwerkingtreding : 01-06-2007>

  Art. 19_WAALS_GEWEST.
   Lading van de voor het vervoer van zaken gebouwde voertuigen.
  § 1. De door [1 de Waalse Minister]1 voor de automobielinspectie erkende (instellingen) vermelden op het (keuringsbewijs) van de voor het vervoer van zaken gebouwde voertuigen, het eigen gewicht van het voertuig en het laadvermogen. <KB 1991-09-16/33, art. 2, 010; Inwerkingtreding : 16-10-1991> <KB 1998-12-15/32, art. 23, 017; Inwerkingtreding : 01-01-1999>
  (Voor zover bij gebruik van het voertuig op de openbare weg het eigen gewicht niet verschilt van dat vermeld op het (keuringsbewijs), is het laadvermogen het maximum gewicht van de lading die mag geladen en vervoerd worden door het voertuig, rekening houdend met de bepalingen van artikel 18.) <KB 14-01-1971, art. 12> <KB 1998-12-15/32, art. 23, 017; Inwerkingtreding : 01-01-1999>
  § 2. De bestuurder van een (auto) moet doelmatig beschermd zijn tegen alle verplaatsingen van de lading. <KB 12-12-1975, art. 45>
  § 3. Elk voertuig met een hoogst toegelaten gewicht van meer dan 7 000 kg dat gebruikt wordt voor het vervoer van ladingen bestaande uit balken, buizen, palen, stalen platen, rollen, vaten en tonnen, boomstammen of gelijkaardige voorwerpen die van aard zijn om bij een brutale vertraging de bestuurdersruimte in te drukken of op gevaarlijke wijze te doorboren, moet :
  1. voorzien zijn van een voldoende aantal aangepaste vasthechtingsmiddelen waarmede die ladingen op veilige wijze kunnen worden vastgezet;
  2. uitgerust zijn met een scherm, gescheiden van de bestuurdersruimte, dat deze beschermt tegen alle mogelijke verplaatsingen van de lading. Het moet zich bevinden tussen de bestuurdersruimte en de lading en rechtstreeks aan het chassis of aan de voorkant van het laadvak zijn bevestigd. (Bij gelede voertuigen, met uitzondering van mallejans, moet het scherm rechtstreeks aan het voorste gedeelte van de oplegger bevestigd zijn.) <KB 29-03-1974, art. 1>
  Dit scherm mag afneembaar zijn.
  Deze bepalingen zijn niet toepasselijk op de voertuigen die speciaal voor het vervoer van ondeelbare voorwerpen zijn toegelaten, voor zover de toegelaten maximumsnelheid ervan niet meer bedraagt dan 25 km/u.
  (§ 4. Elk voertuig dat gebruikt wordt voor het vervoer van zaken moet voorzien zijn van een voldoende aantal verankeringspunten, aangepast aan de lading.
  Deze verankeringspunten moeten aan een minimale kracht kunnen weerstaan van :
  1° 400 daN voor een voertuig met een MTM <= 3,5 t;
  2° 800 daN voor een voertuig met een MTM > 3,5 t en <= 7,5 t;
  3° 1000 daN voor een voertuig met een MTM > 7,5 t en <= 12 t;
  4° 2000 daN voor een voertuig met een MTM > 12 t.
  § 5. De bepalingen van § 4 zijn niet van toepassing op :
  1° de voertuigen die speciaal voor het vervoer van ondeelbare voorwerpen zijn toegelaten, voor zover de toegelaten maximumsnelheid ervan niet meer bedraagt dan 25 km/u;
  2° de trage voertuigen die worden gebruikt voor landbouwdoeleinden;
  3° de voertuigen en samenstellen van voertuigen die uitsluitend worden gebruikt door kermiskramers en eigen zijn aan dat beroep.
  Deze bepalingen zijn bovendien uitsluitend van toepassing vanaf 1 mei 2008 voor de nieuwe typegoedkeuringen en vanaf 1 mei 2009 voor de voertuigen in nieuwe staat in het verkeer gebracht en voor de voertuigen omgebouwd na deze datum.) <KB 2007-04-27/33, art. 7, 035; Inwerkingtreding : 01-06-2007>
  

  ----------
  (1)<BWG 2018-05-17/18, art. 13, 083; Inwerkingtreding : 20-05-2018>
  

  Art. 19_BRUSSELS_HOOFDSTEDELIJK_GEWEST.
   Lading van de voor het vervoer van zaken gebouwde voertuigen.
  § 1. De door de [1 Brusselse minister]1 voor de automobielinspectie erkende (instellingen) vermelden op het (keuringsbewijs) van de voor het vervoer van zaken gebouwde voertuigen, het eigen gewicht van het voertuig en het laadvermogen. <KB 1991-09-16/33, art. 2, 010; Inwerkingtreding : 16-10-1991> <KB 1998-12-15/32, art. 23, 017; Inwerkingtreding : 01-01-1999>
  (Voor zover bij gebruik van het voertuig op de openbare weg het eigen gewicht niet verschilt van dat vermeld op het (keuringsbewijs), is het laadvermogen het maximum gewicht van de lading die mag geladen en vervoerd worden door het voertuig, rekening houdend met de bepalingen van artikel 18.) <KB 14-01-1971, art. 12> <KB 1998-12-15/32, art. 23, 017; Inwerkingtreding : 01-01-1999>
  § 2. De bestuurder van een (auto) moet doelmatig beschermd zijn tegen alle verplaatsingen van de lading. <KB 12-12-1975, art. 45>
  § 3. Elk voertuig met een hoogst toegelaten gewicht van meer dan 7 000 kg dat gebruikt wordt voor het vervoer van ladingen bestaande uit balken, buizen, palen, stalen platen, rollen, vaten en tonnen, boomstammen of gelijkaardige voorwerpen die van aard zijn om bij een brutale vertraging de bestuurdersruimte in te drukken of op gevaarlijke wijze te doorboren, moet :
  1. voorzien zijn van een voldoende aantal aangepaste vasthechtingsmiddelen waarmede die ladingen op veilige wijze kunnen worden vastgezet;
  2. uitgerust zijn met een scherm, gescheiden van de bestuurdersruimte, dat deze beschermt tegen alle mogelijke verplaatsingen van de lading. Het moet zich bevinden tussen de bestuurdersruimte en de lading en rechtstreeks aan het chassis of aan de voorkant van het laadvak zijn bevestigd. (Bij gelede voertuigen, met uitzondering van mallejans, moet het scherm rechtstreeks aan het voorste gedeelte van de oplegger bevestigd zijn.) <KB 29-03-1974, art. 1>
  Dit scherm mag afneembaar zijn.
  Deze bepalingen zijn niet toepasselijk op de voertuigen die speciaal voor het vervoer van ondeelbare voorwerpen zijn toegelaten, voor zover de toegelaten maximumsnelheid ervan niet meer bedraagt dan 25 km/u.
  (§ 4. Elk voertuig dat gebruikt wordt voor het vervoer van zaken moet voorzien zijn van een voldoende aantal verankeringspunten, aangepast aan de lading.
  Deze verankeringspunten moeten aan een minimale kracht kunnen weerstaan van :
  1° 400 daN voor een voertuig met een MTM <= 3,5 t;
  2° 800 daN voor een voertuig met een MTM > 3,5 t en <= 7,5 t;
  3° 1000 daN voor een voertuig met een MTM > 7,5 t en <= 12 t;
  4° 2000 daN voor een voertuig met een MTM > 12 t.
  § 5. De bepalingen van § 4 zijn niet van toepassing op :
  1° de voertuigen die speciaal voor het vervoer van ondeelbare voorwerpen zijn toegelaten, voor zover de toegelaten maximumsnelheid ervan niet meer bedraagt dan 25 km/u;
  2° de trage voertuigen die worden gebruikt voor landbouwdoeleinden;
  3° de voertuigen en samenstellen van voertuigen die uitsluitend worden gebruikt door kermiskramers en eigen zijn aan dat beroep.
  Deze bepalingen zijn bovendien uitsluitend van toepassing vanaf 1 mei 2008 voor de nieuwe typegoedkeuringen en vanaf 1 mei 2009 voor de voertuigen in nieuwe staat in het verkeer gebracht en voor de voertuigen omgebouwd na deze datum.) <KB 2007-04-27/33, art. 7, 035; Inwerkingtreding : 01-06-2007>
  

  ----------
  (1)<BESL 2018-11-29/02, art. 14, 082; Inwerkingtreding : 01-12-2018>
  

  Art. 19_VLAAMS_GEWEST.
   Lading van de voor het vervoer van zaken gebouwde voertuigen.
  § 1. De door de [1 Vlaamse minister]1 voor de automobielinspectie erkende (instellingen) vermelden op het (keuringsbewijs) van de voor het vervoer van zaken gebouwde voertuigen, het eigen gewicht van het voertuig en het laadvermogen. <KB 1991-09-16/33, art. 2, 010; Inwerkingtreding : 16-10-1991> <KB 1998-12-15/32, art. 23, 017; Inwerkingtreding : 01-01-1999>
  (Voor zover bij gebruik van het voertuig op de openbare weg het eigen gewicht niet verschilt van dat vermeld op het (keuringsbewijs), is het laadvermogen het maximum gewicht van de lading die mag geladen en vervoerd worden door het voertuig, rekening houdend met de bepalingen van artikel 18.) <KB 14-01-1971, art. 12> <KB 1998-12-15/32, art. 23, 017; Inwerkingtreding : 01-01-1999>
  § 2. De bestuurder van een (auto) moet doelmatig beschermd zijn tegen alle verplaatsingen van de lading. <KB 12-12-1975, art. 45>
  § 3. Elk voertuig met een hoogst toegelaten gewicht van meer dan 7 000 kg dat gebruikt wordt voor het vervoer van ladingen bestaande uit balken, buizen, palen, stalen platen, rollen, vaten en tonnen, boomstammen of gelijkaardige voorwerpen die van aard zijn om bij een brutale vertraging de bestuurdersruimte in te drukken of op gevaarlijke wijze te doorboren, moet :
  1. voorzien zijn van een voldoende aantal aangepaste vasthechtingsmiddelen waarmede die ladingen op veilige wijze kunnen worden vastgezet;
  2. uitgerust zijn met een scherm, gescheiden van de bestuurdersruimte, dat deze beschermt tegen alle mogelijke verplaatsingen van de lading. Het moet zich bevinden tussen de bestuurdersruimte en de lading en rechtstreeks aan het chassis of aan de voorkant van het laadvak zijn bevestigd. (Bij gelede voertuigen, met uitzondering van mallejans, moet het scherm rechtstreeks aan het voorste gedeelte van de oplegger bevestigd zijn.) <KB 29-03-1974, art. 1>
  Dit scherm mag afneembaar zijn.
  Deze bepalingen zijn niet toepasselijk op de voertuigen die speciaal voor het vervoer van ondeelbare voorwerpen zijn toegelaten, voor zover de toegelaten maximumsnelheid ervan niet meer bedraagt dan 25 km/u.
  (§ 4. Elk voertuig dat gebruikt wordt voor het vervoer van zaken moet voorzien zijn van een voldoende aantal verankeringspunten, aangepast aan de lading.
  Deze verankeringspunten moeten aan een minimale kracht kunnen weerstaan van :
  1° 400 daN voor een voertuig met een MTM <= 3,5 t;
  2° 800 daN voor een voertuig met een MTM > 3,5 t en <= 7,5 t;
  3° 1000 daN voor een voertuig met een MTM > 7,5 t en <= 12 t;
  4° 2000 daN voor een voertuig met een MTM > 12 t.
  § 5. De bepalingen van § 4 zijn niet van toepassing op :
  1° de voertuigen die speciaal voor het vervoer van ondeelbare voorwerpen zijn toegelaten, voor zover de toegelaten maximumsnelheid ervan niet meer bedraagt dan 25 km/u;
  2° de trage voertuigen die worden gebruikt voor landbouwdoeleinden;
  3° de voertuigen en samenstellen van voertuigen die uitsluitend worden gebruikt door kermiskramers en eigen zijn aan dat beroep.
  Deze bepalingen zijn bovendien uitsluitend van toepassing vanaf 1 mei 2008 voor de nieuwe typegoedkeuringen en vanaf 1 mei 2009 voor de voertuigen in nieuwe staat in het verkeer gebracht en voor de voertuigen omgebouwd na deze datum.) <KB 2007-04-27/33, art. 7, 035; Inwerkingtreding : 01-06-2007>

  ----------
  (1)<BVR 2015-07-10/11, art. 12, 067; Inwerkingtreding : 04-09-2015>

  Art. 20. <KB 14-01-1971, art. 13> Lading van de voor het vervoer van personen gebouwde voertuigen.
  (§ 1. De door de Minister van Verkeerswezen voor de automobielinspectie erkende (instellingen) vermelden op het (keuringsbewijs) van de voor het vervoer van personen gebouwde auto's met uitzondering van de personenauto's en de auto's voor dubbel gebruik die gebezigd worden voor het niet met bezoldigd vervoer gelijkgesteld gratis vervoer, het volgens de reglementsbepalingen toelaatbaar maximum aantal personen. <KB 1991-09-16/33, art. 2, 010; Inwerkingtreding : 16-10-1991> <KB 1998-12-15/32, art. 23, 017; Inwerkingtreding : 01-01-1999>
  Het gewicht van elke vervoerde persoon, met inbegrip van de bestuurder, wordt vastgesteld op 75 kg. Voor de minibussen, autobussen of autocars die niet voorzien zijn van een bagageruimte of een bagagerek op het dak, wordt dat gewicht evenwel teruggebracht op 70 kg. Dit geldt eveneens voor autocars met een bagagerek op het dak of met een bagageruimte die voor een openbare autobusdienst gebruikt worden, op voorwaarde dat zich geen bagage bevindt in de bagageruimte of op het bagagerek op het dak.
  (Het totaal aantal vervoerde personen mag niet hoger zijn dan het aantal vermeld op het keuringsbewijs. (...).) <KB 12-12-1975, art. 9> <KB 1998-12-15/32, art. 5, 1°, 017; Inwerkingtreding : 01-01-1999> <KB 2002-12-18/32, art. 13, 025; Inwerkingtreding : 01-09-2003 en 01-09-2005, zie KB 2002-12-18/32, art. 15>
  (Voor de kampeerauto's, voor de eerste keer in dienst gesteld als kampeerauto vanaf 1 januari 1986 wordt de massa per vervoerde persoon vastgesteld op 100 kg (70 kg + 30 kg bagage). De massa van een kind van minder dan 13 jaar is vastgesteld op 70 kg (40 kg + 30 kg bagage).) <KB 16-11-1984, art. 7>
  § 2. Onder voorbehoud van de bepalingen van § 1, mag geen van die voertuigen zich op de openbare weg bevinden wanneer het aantal vervoerde personen het op het (keuringsbewijs) vermelde maximum aantal overschrijdt. Deze voertuigen, met uitsluiting van de voertuigen voor verhuring met of zonder chauffeur, dienen buitenaan de aanduiding van het door het (keuringsbewijs) vermelde aantal reizigers te dragen. <KB 1998-12-15/32, art. 23, 017; Inwerkingtreding : 01-01-1999>
  Die vermelding, met cijfers van ten minste 30 mm hoogte, gevolgd door letters " PL ", moet zichtbaar zijn voor de personen die in het voertuig stappen.
  § 3. Bij de voor het gelijktijdig vervoer van personen en zaken gebezigde voertuigen, moet de voor bagage of goederen bestemde ruimte door middel van een schot geheel of gedeeltelijk van de reizigersruimte zijn gescheiden.
  (§ 4. Voor voertuigen bestemd voor personenvervoer worden de identificatieverslagen of de keuringsbewijzen aangevuld met de gegevens die door de Minister die de autokeuring onder zijn bevoegdheid heeft of door zijn gemachtigde, worden bepaald.) <KB 1998-12-15/32, art. 5, 2°, 017; Inwerkingtreding : 01-01-1999>

  Art. 20_WAALS_GEWEST.
   <KB 14-01-1971, art. 13> Lading van de voor het vervoer van personen gebouwde voertuigen.
  (§ 1. De door [1 de Waalse Minister]1 voor de automobielinspectie erkende (instellingen) vermelden op het (keuringsbewijs) van de voor het vervoer van personen gebouwde auto's met uitzondering van de personenauto's en de auto's voor dubbel gebruik die gebezigd worden voor het niet met bezoldigd vervoer gelijkgesteld gratis vervoer, het volgens de reglementsbepalingen toelaatbaar maximum aantal personen. <KB 1991-09-16/33, art. 2, 010; Inwerkingtreding : 16-10-1991> <KB 1998-12-15/32, art. 23, 017; Inwerkingtreding : 01-01-1999>
  Het gewicht van elke vervoerde persoon, met inbegrip van de bestuurder, wordt vastgesteld op 75 kg. Voor de minibussen, autobussen of autocars die niet voorzien zijn van een bagageruimte of een bagagerek op het dak, wordt dat gewicht evenwel teruggebracht op 70 kg. Dit geldt eveneens voor autocars met een bagagerek op het dak of met een bagageruimte die voor een openbare autobusdienst gebruikt worden, op voorwaarde dat zich geen bagage bevindt in de bagageruimte of op het bagagerek op het dak.
  (Het totaal aantal vervoerde personen mag niet hoger zijn dan het aantal vermeld op het keuringsbewijs. (...).) <KB 12-12-1975, art. 9> <KB 1998-12-15/32, art. 5, 1°, 017; Inwerkingtreding : 01-01-1999> <KB 2002-12-18/32, art. 13, 025; Inwerkingtreding : 01-09-2003 en 01-09-2005, zie KB 2002-12-18/32, art. 15>
  (Voor de kampeerauto's, voor de eerste keer in dienst gesteld als kampeerauto vanaf 1 januari 1986 wordt de massa per vervoerde persoon vastgesteld op 100 kg (70 kg + 30 kg bagage). De massa van een kind van minder dan 13 jaar is vastgesteld op 70 kg (40 kg + 30 kg bagage).) <KB 16-11-1984, art. 7>
  § 2. Onder voorbehoud van de bepalingen van § 1, mag geen van die voertuigen zich op de openbare weg bevinden wanneer het aantal vervoerde personen het op het (keuringsbewijs) vermelde maximum aantal overschrijdt. Deze voertuigen, met uitsluiting van de voertuigen voor verhuring met of zonder chauffeur, dienen buitenaan de aanduiding van het door het (keuringsbewijs) vermelde aantal reizigers te dragen. <KB 1998-12-15/32, art. 23, 017; Inwerkingtreding : 01-01-1999>
  Die vermelding, met cijfers van ten minste 30 mm hoogte, gevolgd door letters " PL ", moet zichtbaar zijn voor de personen die in het voertuig stappen.
  § 3. Bij de voor het gelijktijdig vervoer van personen en zaken gebezigde voertuigen, moet de voor bagage of goederen bestemde ruimte door middel van een schot geheel of gedeeltelijk van de reizigersruimte zijn gescheiden.
  (§ 4. Voor voertuigen bestemd voor personenvervoer worden de identificatieverslagen of de keuringsbewijzen aangevuld met de gegevens die door [1 de Waalse Minister]1 worden bepaald.) <KB 1998-12-15/32, art. 5, 2°, 017; Inwerkingtreding : 01-01-1999>
  

  ----------
  (1)<BWG 2018-05-17/18, art. 14, 083; Inwerkingtreding : 20-05-2018>
  

  Art. 20_BRUSSELS_HOOFDSTEDELIJK_GEWEST.
   <KB 14-01-1971, art. 13> Lading van de voor het vervoer van personen gebouwde voertuigen.
  (§ 1. De door de [1 Brusselse minister]1 voor de automobielinspectie erkende (instellingen) vermelden op het (keuringsbewijs) van de voor het vervoer van personen gebouwde auto's met uitzondering van de personenauto's en de auto's voor dubbel gebruik die gebezigd worden voor het niet met bezoldigd vervoer gelijkgesteld gratis vervoer, het volgens de reglementsbepalingen toelaatbaar maximum aantal personen. <KB 1991-09-16/33, art. 2, 010; Inwerkingtreding : 16-10-1991> <KB 1998-12-15/32, art. 23, 017; Inwerkingtreding : 01-01-1999>
  Het gewicht van elke vervoerde persoon, met inbegrip van de bestuurder, wordt vastgesteld op 75 kg. Voor de minibussen, autobussen of autocars die niet voorzien zijn van een bagageruimte of een bagagerek op het dak, wordt dat gewicht evenwel teruggebracht op 70 kg. Dit geldt eveneens voor autocars met een bagagerek op het dak of met een bagageruimte die voor een openbare autobusdienst gebruikt worden, op voorwaarde dat zich geen bagage bevindt in de bagageruimte of op het bagagerek op het dak.
  (Het totaal aantal vervoerde personen mag niet hoger zijn dan het aantal vermeld op het keuringsbewijs. (...).) <KB 12-12-1975, art. 9> <KB 1998-12-15/32, art. 5, 1°, 017; Inwerkingtreding : 01-01-1999> <KB 2002-12-18/32, art. 13, 025; Inwerkingtreding : 01-09-2003 en 01-09-2005, zie KB 2002-12-18/32, art. 15>
  (Voor de kampeerauto's, voor de eerste keer in dienst gesteld als kampeerauto vanaf 1 januari 1986 wordt de massa per vervoerde persoon vastgesteld op 100 kg (70 kg + 30 kg bagage). De massa van een kind van minder dan 13 jaar is vastgesteld op 70 kg (40 kg + 30 kg bagage).) <KB 16-11-1984, art. 7>
  § 2. Onder voorbehoud van de bepalingen van § 1, mag geen van die voertuigen zich op de openbare weg bevinden wanneer het aantal vervoerde personen het op het (keuringsbewijs) vermelde maximum aantal overschrijdt. Deze voertuigen, met uitsluiting van de voertuigen voor verhuring met of zonder chauffeur, dienen buitenaan de aanduiding van het door het (keuringsbewijs) vermelde aantal reizigers te dragen. <KB 1998-12-15/32, art. 23, 017; Inwerkingtreding : 01-01-1999>
  Die vermelding, met cijfers van ten minste 30 mm hoogte, gevolgd door letters " PL ", moet zichtbaar zijn voor de personen die in het voertuig stappen.
  § 3. Bij de voor het gelijktijdig vervoer van personen en zaken gebezigde voertuigen, moet de voor bagage of goederen bestemde ruimte door middel van een schot geheel of gedeeltelijk van de reizigersruimte zijn gescheiden.
  (§ 4. Voor voertuigen bestemd voor personenvervoer worden de identificatieverslagen of de keuringsbewijzen aangevuld met de gegevens die door de [1 bevoegde Brusselse instantie]1, worden bepaald.) <KB 1998-12-15/32, art. 5, 2°, 017; Inwerkingtreding : 01-01-1999>
  

  ----------
  (1)<BESL 2018-11-29/02, art. 15, 082; Inwerkingtreding : 01-12-2018>
  

  Art. 20_VLAAMS_GEWEST.
   <KB 14-01-1971, art. 13> Lading van de voor het vervoer van personen gebouwde voertuigen.
  (§ 1. De door de [1 Vlaamse minister]1 voor de automobielinspectie erkende (instellingen) vermelden op het (keuringsbewijs) van de voor het vervoer van personen gebouwde auto's met uitzondering van de personenauto's en de auto's voor dubbel gebruik die gebezigd worden voor het niet met bezoldigd vervoer gelijkgesteld gratis vervoer, het volgens de reglementsbepalingen toelaatbaar maximum aantal personen. <KB 1991-09-16/33, art. 2, 010; Inwerkingtreding : 16-10-1991> <KB 1998-12-15/32, art. 23, 017; Inwerkingtreding : 01-01-1999>
  Het gewicht van elke vervoerde persoon, met inbegrip van de bestuurder, wordt vastgesteld op 75 kg. Voor de minibussen, autobussen of autocars die niet voorzien zijn van een bagageruimte of een bagagerek op het dak, wordt dat gewicht evenwel teruggebracht op 70 kg. Dit geldt eveneens voor autocars met een bagagerek op het dak of met een bagageruimte die voor een openbare autobusdienst gebruikt worden, op voorwaarde dat zich geen bagage bevindt in de bagageruimte of op het bagagerek op het dak.
  (Het totaal aantal vervoerde personen mag niet hoger zijn dan het aantal vermeld op het keuringsbewijs. (...).) <KB 12-12-1975, art. 9> <KB 1998-12-15/32, art. 5, 1°, 017; Inwerkingtreding : 01-01-1999> <KB 2002-12-18/32, art. 13, 025; Inwerkingtreding : 01-09-2003 en 01-09-2005, zie KB 2002-12-18/32, art. 15>
  (Voor de kampeerauto's, voor de eerste keer in dienst gesteld als kampeerauto vanaf 1 januari 1986 wordt de massa per vervoerde persoon vastgesteld op 100 kg (70 kg + 30 kg bagage). De massa van een kind van minder dan 13 jaar is vastgesteld op 70 kg (40 kg + 30 kg bagage).) <KB 16-11-1984, art. 7>
  § 2. Onder voorbehoud van de bepalingen van § 1, mag geen van die voertuigen zich op de openbare weg bevinden wanneer het aantal vervoerde personen het op het (keuringsbewijs) vermelde maximum aantal overschrijdt. Deze voertuigen, met uitsluiting van de voertuigen voor verhuring met of zonder chauffeur, dienen buitenaan de aanduiding van het door het (keuringsbewijs) vermelde aantal reizigers te dragen. <KB 1998-12-15/32, art. 23, 017; Inwerkingtreding : 01-01-1999>
  Die vermelding, met cijfers van ten minste 30 mm hoogte, gevolgd door letters " PL ", moet zichtbaar zijn voor de personen die in het voertuig stappen.
  § 3. Bij de voor het gelijktijdig vervoer van personen en zaken gebezigde voertuigen, moet de voor bagage of goederen bestemde ruimte door middel van een schot geheel of gedeeltelijk van de reizigersruimte zijn gescheiden.
  (§ 4. Voor voertuigen bestemd voor personenvervoer worden de identificatieverslagen of de keuringsbewijzen aangevuld met de gegevens die door de [1 bevoegde Vlaamse instantie]1 worden bepaald.) <KB 1998-12-15/32, art. 5, 2°, 017; Inwerkingtreding : 01-01-1999>

  ----------
  (1)<BVR 2015-07-10/11, art. 13, 067; Inwerkingtreding : 04-09-2015>

  Art. 21. Hoogste toegelaten gewicht van de slepen.
  (§ 1. Onverminderd het bepaalde in de artikelen 18, 32, 32bis en 47 van dit besluit, mag de massa in beladen toestand van een sleep de bij het proces-verbaal van goedkeuring betreffende het trekkend voertuig, vastgestelde hoogste toegelaten massa van de sleep niet overschrijden.
  Dit voorschrift geldt niet voor de slepen die toevallig worden gevormd ter gelegenheid van het depanneren van een voertuig.) <KB 16-11-1984, art. 8>
  (§ 2. a) Beschikkingen toepasselijk op personenauto's en auto's voor dubbel gebruik.
  1° De massa van een aanhangwagen in beladen toestand mag de maximale toegelaten sleepbare massa niet overschrijden. Deze waarde wordt berekend door de maximale toegelaten massa van het trekkend voertuig af te trekken van de maximale toegelaten massa van de sleep.
  2° De maximale toegelaten massa van de aanhangwagen mag, indien het gaat om een aanhangwagen zonder remmen, niet groter zijn dan de helft van de eigen massa van het trekkend voertuig, vermeerderd met 75 kg.
  3° De maximale toegelaten sleepbare massa mag niet meer bedragen dan 75 % van de maximale toegelaten massa van het trekkend voertuig, indien het gaat om een aanhangwagen uitgerust met een reminrichting van het oplooptype, d.w.z. deze welke de krachten benut die ontstaan door nadering van de aanhangwagen tot het trekkend voertuig.
  b) Bijzondere beschikkingen toepasselijk op personenauto's, auto's voor dubbel gebruik, minibussen en lichte vrachtauto's waarvan het proces-verbaal van goedkeuring in een maximale toegelaten sleepbare massa voorziet.
  1° De massa van een aanhangwagen in beladen toestand mag de maximale toegelaten sleepbare massa van het trekkend voertuig, vastgelegd in het proces-verbaal van goedkeuring, niet overschrijden.
  2° De maximale toegelaten massa van een aanhangwagen zonder remmen mag niet groter zijn dan de helft van de eigen massa van het trekkend voertuig, vermeerderd met 75 kg.
  3° De maximale toegelaten sleepbare massa mag niet meer bedragen dan de maximale toegelaten massa van het trekkend voertuig, indien het gaat om een aanhangwagen uitgerust met een reminrichting van het oplooptype. Nochtans, indien het trekkend voertuig uitgerust is met vierwielaandrijving en met een onderstel, los van het koetswerk, mag de maximale toegelaten sleepbare massa niet groter zijn dan de maximale toegelaten massa van het trekkend voertuig vermenigvuldigd met 1,2.
  (§ 3. De door de Minister van Verkeerswezen voor de automobielinspectie erkende (instellingen) vermelden het hoogste toegelaten gewicht van de voertuigensleep op het inschrijvingsbewijs of op het (keuringsbewijs) van het trekkend voertuig (en de maximale toegelaten sleepbare massa, wanneer deze waarde in het proces-verbaal van goedkeuring voorzien is.) <KB 13-09-1985, art. 5> <KB 1991-09-16/33, art. 2, 010; Inwerkingtreding : 16-10-1991> <KB 1998-12-15/32, art. 23, 017; Inwerkingtreding : 01-01-1999>
  Wanneer de (personenauto) of de auto voor dubbel gebruik niet kan gebruikt worden voor het slepen van een aanhangwagen, wordt er " Nihil " geschreven in het vak voorbehouden voor de aanduiding van het maximum gewicht van de voertuigensleep.) <KB 14-01-1971, art. 14> <KB 12-12-1975, art. 45>
  (§ 4. De bepalingen van § 3 zijn alleen toepasselijk op de voertuigen die onderworpen zijn aan de bij artikel 23 van dit besluit voorziene schouwingen.) <KB 14-01-1971, art. 14>

  Art. 21_WAALS_GEWEST.
   Hoogste toegelaten gewicht van de slepen.
  (§ 1. Onverminderd het bepaalde in de artikelen 18, 32, 32bis en 47 van dit besluit, mag de massa in beladen toestand van een sleep de bij het proces-verbaal van goedkeuring betreffende het trekkend voertuig, vastgestelde hoogste toegelaten massa van de sleep niet overschrijden.
  Dit voorschrift geldt niet voor de slepen die toevallig worden gevormd ter gelegenheid van het depanneren van een voertuig.) <KB 16-11-1984, art. 8>
  (§ 2. a) Beschikkingen toepasselijk op personenauto's en auto's voor dubbel gebruik.
  1° De massa van een aanhangwagen in beladen toestand mag de maximale toegelaten sleepbare massa niet overschrijden. Deze waarde wordt berekend door de maximale toegelaten massa van het trekkend voertuig af te trekken van de maximale toegelaten massa van de sleep.
  2° De maximale toegelaten massa van de aanhangwagen mag, indien het gaat om een aanhangwagen zonder remmen, niet groter zijn dan de helft van de eigen massa van het trekkend voertuig, vermeerderd met 75 kg.
  3° De maximale toegelaten sleepbare massa mag niet meer bedragen dan 75 % van de maximale toegelaten massa van het trekkend voertuig, indien het gaat om een aanhangwagen uitgerust met een reminrichting van het oplooptype, d.w.z. deze welke de krachten benut die ontstaan door nadering van de aanhangwagen tot het trekkend voertuig.
  b) Bijzondere beschikkingen toepasselijk op personenauto's, auto's voor dubbel gebruik, minibussen en lichte vrachtauto's waarvan het proces-verbaal van goedkeuring in een maximale toegelaten sleepbare massa voorziet.
  1° De massa van een aanhangwagen in beladen toestand mag de maximale toegelaten sleepbare massa van het trekkend voertuig, vastgelegd in het proces-verbaal van goedkeuring, niet overschrijden.
  2° De maximale toegelaten massa van een aanhangwagen zonder remmen mag niet groter zijn dan de helft van de eigen massa van het trekkend voertuig, vermeerderd met 75 kg.
  3° De maximale toegelaten sleepbare massa mag niet meer bedragen dan de maximale toegelaten massa van het trekkend voertuig, indien het gaat om een aanhangwagen uitgerust met een reminrichting van het oplooptype. Nochtans, indien het trekkend voertuig uitgerust is met vierwielaandrijving en met een onderstel, los van het koetswerk, mag de maximale toegelaten sleepbare massa niet groter zijn dan de maximale toegelaten massa van het trekkend voertuig vermenigvuldigd met 1,2.
  (§ 3. De door [1 de Waalse Minister]1 voor de automobielinspectie erkende (instellingen) vermelden het hoogste toegelaten gewicht van de voertuigensleep op het inschrijvingsbewijs of op het (keuringsbewijs) van het trekkend voertuig (en de maximale toegelaten sleepbare massa, wanneer deze waarde in het proces-verbaal van goedkeuring voorzien is.) <KB 13-09-1985, art. 5> <KB 1991-09-16/33, art. 2, 010; Inwerkingtreding : 16-10-1991> <KB 1998-12-15/32, art. 23, 017; Inwerkingtreding : 01-01-1999>
  Wanneer de (personenauto) of de auto voor dubbel gebruik niet kan gebruikt worden voor het slepen van een aanhangwagen, wordt er " Nihil " geschreven in het vak voorbehouden voor de aanduiding van het maximum gewicht van de voertuigensleep.) <KB 14-01-1971, art. 14> <KB 12-12-1975, art. 45>
  (§ 4. De bepalingen van § 3 zijn alleen toepasselijk op de voertuigen die onderworpen zijn aan de bij artikel 23 van dit besluit voorziene schouwingen.) <KB 14-01-1971, art. 14>
  

  ----------
  (1)<BWG 2018-05-17/18, art. 15, 083; Inwerkingtreding : 20-05-2018>
  

  Art. 21_BRUSSELS_HOOFDSTEDELIJK_GEWEST.
   Hoogste toegelaten gewicht van de slepen.
  (§ 1. Onverminderd het bepaalde in de artikelen 18, 32, 32bis en 47 van dit besluit, mag de massa in beladen toestand van een sleep de bij het proces-verbaal van goedkeuring betreffende het trekkend voertuig, vastgestelde hoogste toegelaten massa van de sleep niet overschrijden.
  Dit voorschrift geldt niet voor de slepen die toevallig worden gevormd ter gelegenheid van het depanneren van een voertuig.) <KB 16-11-1984, art. 8>
  (§ 2. a) Beschikkingen toepasselijk op personenauto's en auto's voor dubbel gebruik.
  1° De massa van een aanhangwagen in beladen toestand mag de maximale toegelaten sleepbare massa niet overschrijden. Deze waarde wordt berekend door de maximale toegelaten massa van het trekkend voertuig af te trekken van de maximale toegelaten massa van de sleep.
  2° De maximale toegelaten massa van de aanhangwagen mag, indien het gaat om een aanhangwagen zonder remmen, niet groter zijn dan de helft van de eigen massa van het trekkend voertuig, vermeerderd met 75 kg.
  3° De maximale toegelaten sleepbare massa mag niet meer bedragen dan 75 % van de maximale toegelaten massa van het trekkend voertuig, indien het gaat om een aanhangwagen uitgerust met een reminrichting van het oplooptype, d.w.z. deze welke de krachten benut die ontstaan door nadering van de aanhangwagen tot het trekkend voertuig.
  b) Bijzondere beschikkingen toepasselijk op personenauto's, auto's voor dubbel gebruik, minibussen en lichte vrachtauto's waarvan het proces-verbaal van goedkeuring in een maximale toegelaten sleepbare massa voorziet.
  1° De massa van een aanhangwagen in beladen toestand mag de maximale toegelaten sleepbare massa van het trekkend voertuig, vastgelegd in het proces-verbaal van goedkeuring, niet overschrijden.
  2° De maximale toegelaten massa van een aanhangwagen zonder remmen mag niet groter zijn dan de helft van de eigen massa van het trekkend voertuig, vermeerderd met 75 kg.
  3° De maximale toegelaten sleepbare massa mag niet meer bedragen dan de maximale toegelaten massa van het trekkend voertuig, indien het gaat om een aanhangwagen uitgerust met een reminrichting van het oplooptype. Nochtans, indien het trekkend voertuig uitgerust is met vierwielaandrijving en met een onderstel, los van het koetswerk, mag de maximale toegelaten sleepbare massa niet groter zijn dan de maximale toegelaten massa van het trekkend voertuig vermenigvuldigd met 1,2.
  (§ 3. De door de [1 Brusselse minister]1 voor de automobielinspectie erkende (instellingen) vermelden het hoogste toegelaten gewicht van de voertuigensleep op het inschrijvingsbewijs of op het (keuringsbewijs) van het trekkend voertuig (en de maximale toegelaten sleepbare massa, wanneer deze waarde in het proces-verbaal van goedkeuring voorzien is.) <KB 13-09-1985, art. 5> <KB 1991-09-16/33, art. 2, 010; Inwerkingtreding : 16-10-1991> <KB 1998-12-15/32, art. 23, 017; Inwerkingtreding : 01-01-1999>
  Wanneer de (personenauto) of de auto voor dubbel gebruik niet kan gebruikt worden voor het slepen van een aanhangwagen, wordt er " Nihil " geschreven in het vak voorbehouden voor de aanduiding van het maximum gewicht van de voertuigensleep.) <KB 14-01-1971, art. 14> <KB 12-12-1975, art. 45>
  (§ 4. De bepalingen van § 3 zijn alleen toepasselijk op de voertuigen die onderworpen zijn aan de bij artikel 23 van dit besluit voorziene schouwingen.) <KB 14-01-1971, art. 14>
  

  ----------
  (1)<BESL 2018-11-29/02, art. 16, 082; Inwerkingtreding : 01-12-2018>
  

  Art. 21_VLAAMS_GEWEST.
   Hoogste toegelaten gewicht van de slepen.
  (§ 1. Onverminderd het bepaalde in de artikelen 18, 32, 32bis en 47 van dit besluit, mag de massa in beladen toestand van een sleep de bij het proces-verbaal van goedkeuring betreffende het trekkend voertuig, vastgestelde hoogste toegelaten massa van de sleep niet overschrijden.
  Dit voorschrift geldt niet voor de slepen die toevallig worden gevormd ter gelegenheid van het depanneren van een voertuig.) <KB 16-11-1984, art. 8>
  (§ 2. a) Beschikkingen toepasselijk op personenauto's en auto's voor dubbel gebruik.
  1° De massa van een aanhangwagen in beladen toestand mag de maximale toegelaten sleepbare massa niet overschrijden. Deze waarde wordt berekend door de maximale toegelaten massa van het trekkend voertuig af te trekken van de maximale toegelaten massa van de sleep.
  2° De maximale toegelaten massa van de aanhangwagen mag, indien het gaat om een aanhangwagen zonder remmen, niet groter zijn dan de helft van de eigen massa van het trekkend voertuig, vermeerderd met 75 kg.
  3° De maximale toegelaten sleepbare massa mag niet meer bedragen dan 75 % van de maximale toegelaten massa van het trekkend voertuig, indien het gaat om een aanhangwagen uitgerust met een reminrichting van het oplooptype, d.w.z. deze welke de krachten benut die ontstaan door nadering van de aanhangwagen tot het trekkend voertuig.
  b) Bijzondere beschikkingen toepasselijk op personenauto's, auto's voor dubbel gebruik, minibussen en lichte vrachtauto's waarvan het proces-verbaal van goedkeuring in een maximale toegelaten sleepbare massa voorziet.
  1° De massa van een aanhangwagen in beladen toestand mag de maximale toegelaten sleepbare massa van het trekkend voertuig, vastgelegd in het proces-verbaal van goedkeuring, niet overschrijden.
  2° De maximale toegelaten massa van een aanhangwagen zonder remmen mag niet groter zijn dan de helft van de eigen massa van het trekkend voertuig, vermeerderd met 75 kg.
  3° De maximale toegelaten sleepbare massa mag niet meer bedragen dan de maximale toegelaten massa van het trekkend voertuig, indien het gaat om een aanhangwagen uitgerust met een reminrichting van het oplooptype. Nochtans, indien het trekkend voertuig uitgerust is met vierwielaandrijving en met een onderstel, los van het koetswerk, mag de maximale toegelaten sleepbare massa niet groter zijn dan de maximale toegelaten massa van het trekkend voertuig vermenigvuldigd met 1,2.
  (§ 3. De door de [1 Vlaamse minister]1 voor de automobielinspectie erkende (instellingen) vermelden het hoogste toegelaten gewicht van de voertuigensleep op het inschrijvingsbewijs of op het (keuringsbewijs) van het trekkend voertuig (en de maximale toegelaten sleepbare massa, wanneer deze waarde in het proces-verbaal van goedkeuring voorzien is.) <KB 13-09-1985, art. 5> <KB 1991-09-16/33, art. 2, 010; Inwerkingtreding : 16-10-1991> <KB 1998-12-15/32, art. 23, 017; Inwerkingtreding : 01-01-1999>
  Wanneer de (personenauto) of de auto voor dubbel gebruik niet kan gebruikt worden voor het slepen van een aanhangwagen, wordt er " Nihil " geschreven in het vak voorbehouden voor de aanduiding van het maximum gewicht van de voertuigensleep.) <KB 14-01-1971, art. 14> <KB 12-12-1975, art. 45>
  (§ 4. De bepalingen van § 3 zijn alleen toepasselijk op de voertuigen die onderworpen zijn aan de bij artikel 23 van dit besluit voorziene schouwingen.) <KB 14-01-1971, art. 14>

  ----------
  (1)<BVR 2015-07-10/11, art. 14, 067; Inwerkingtreding : 04-09-2015>

  Art. 22. <KB 12-12-1975, art. 11> Plicht van de bezitters.
  Zodra door om het even welke omstandigheden de in de artikelen 18, § 3, 19, § 1, 20, § 1, 21, § 3, bedoelde vermeldingen niet meer voorkomen op ten minste één van de documenten die in die artikelen vermeld zijn, moet de bezitter van het voertuig of van de voertuigensleep deze vermeldingen binnen de tien dagen op één van deze documenten doen aanbrengen door de bevoegde (instelling) dat door de Minister van Verkeerswezen voor de automobielinspectie werd erkend. <KB 1991-09-16/33, art. 2, 010; Inwerkingtreding : 16-10-1991>
  Deze bepaling is alleen toepasselijk op de voertuigen die onderworpen zijn aan de bij artikel 23 van dit besluit voorziene schouwingen.

  Art. 22_WAALS_GEWEST.
   <KB 12-12-1975, art. 11> Plicht van de bezitters.
  Zodra door om het even welke omstandigheden de in de artikelen 18, § 3, 19, § 1, 20, § 1, 21, § 3, bedoelde vermeldingen niet meer voorkomen op ten minste één van de documenten die in die artikelen vermeld zijn, moet de bezitter van het voertuig of van de voertuigensleep deze vermeldingen binnen de tien dagen op één van deze documenten doen aanbrengen door de bevoegde (instelling) dat door de [1 Waalse Minister]1 voor de automobielinspectie werd erkend. <KB 1991-09-16/33, art. 2, 010; Inwerkingtreding : 16-10-1991>
  Deze bepaling is alleen toepasselijk op de voertuigen die onderworpen zijn aan de bij artikel 23 van dit besluit voorziene schouwingen.

  ----------
  (1)<BWG 2018-05-17/18, art. 16, 083; Inwerkingtreding : 20-05-2018>
  

  Art. 22_BRUSSELS_HOOFDSTEDELIJK_GEWEST.
   <KB 12-12-1975, art. 11> Plicht van de bezitters.
  Zodra door om het even welke omstandigheden de in de artikelen 18, § 3, 19, § 1, 20, § 1, 21, § 3, bedoelde vermeldingen niet meer voorkomen op ten minste één van de documenten die in die artikelen vermeld zijn, moet de bezitter van het voertuig of van de voertuigensleep deze vermeldingen binnen de tien dagen op één van deze documenten doen aanbrengen door de bevoegde (instelling) dat door de [1 Brusselse minister]1 voor de automobielinspectie werd erkend. <KB 1991-09-16/33, art. 2, 010; Inwerkingtreding : 16-10-1991>
  Deze bepaling is alleen toepasselijk op de voertuigen die onderworpen zijn aan de bij artikel 23 van dit besluit voorziene schouwingen.

  ----------
  (1)<BESL 2018-11-29/02, art. 17, 082; Inwerkingtreding : 01-12-2018>
  

  Art. 22_VLAAMS_GEWEST.
   <KB 12-12-1975, art. 11> Plicht van de bezitters.
  Zodra door om het even welke omstandigheden de in de artikelen 18, § 3, 19, § 1, 20, § 1, 21, § 3, bedoelde vermeldingen niet meer voorkomen op ten minste één van de documenten die in die artikelen vermeld zijn, moet de bezitter van het voertuig of van de voertuigensleep deze vermeldingen binnen de tien dagen op één van deze documenten doen aanbrengen door de bevoegde (instelling) dat door de [1 Vlaamse minister]1 voor de automobielinspectie werd erkend. <KB 1991-09-16/33, art. 2, 010; Inwerkingtreding : 16-10-1991>
  Deze bepaling is alleen toepasselijk op de voertuigen die onderworpen zijn aan de bij artikel 23 van dit besluit voorziene schouwingen.

  ----------
  (1)<BVR 2015-07-10/11, art. 15, 067; Inwerkingtreding : 04-09-2015>

  HOOFDSTUK 4. - Technische controle.

  Art. 23.<KB 1998-12-15/32, art. 6, 017; Inwerkingtreding : 01-01-1999> § 1. De in het verkeer gebrachte voertuigen zijn onderworpen aan keuringen, teneinde na te gaan of ze voldoen aan de reglementaire bepalingen die erop van toepassing zijn.
  Deze keuringen worden uitgevoerd door de erkende instellingen in toepassing van het koninklijk besluit van 23 december 1994 tot vaststelling van de erkenningsvoorwaarden en de regels van de administratieve controle van de instellingen belast met de controle van de in het verkeer gebrachte voertuigen.
  De erkende instellingen zijn gemachtigd om vergoedingen te innen die bestemd zijn om de kosten die voortvloeien uit de keuringen voorzien in eerste alinea, alsook de bijhorende administratieve kosten te dekken.
  § 2. (Uit te voeren keuringen.
  A. [1 Behoudens andersluidende bepalingen omvatten de keuringen de keuringen beschreven in bijlage 15 en de bijkomende keuringen waarin voorzien wordt in bijzondere reglementaire bepalingen.]1
  B. Remdoelmatigheid van voertuigen in beladen toestand.
  1. [3 Voor de voertuigen met een maximale toegelaten massa (MTM) van meer dan 3,5 ton, wordt tijdens de keuringen bedoeld in bijlage 15, punt B.1, de remdoelmatigheid bij MTM geëvalueerd.]3
   2. [3 Evaluatie van de remdoelmatigheid bij MTM van een voertuig, gebeurt door de RD-methode waar een evaluatie gebeurt van de remkracht in functie van de cilinderdruk of door een rechtstreekse meting van de remkracht.]3
   3. [3 Het evalueren van de remdoelmatigheid bij MTM door middel van de RD-methode is :
   a) toegelaten voor voertuigen aangeboden met een luchtdrukremsysteem dat minstens voldoet aan de bepalingen van de Europese richtlijn 71/320/EEG zoals gewijzigd door Richtlijn 79/489/EEG; of aan het Reglement n° 13 van Economische Commissie voor Europa van de Verenigde Naties
   b) verplicht voor de hiervoor bedoelde voertuigen die, om redenen van hygiëne en/of veiligheid, niet mogen aangeboden worden met een lading;
   c) De verplichte RD-meting van punt b geldt niet voor voertuigen waarvan de typegoedkeuring vóór 1 oktober 1981 plaatsvond. Deze voertuigen zijn niet onderworpen aan de evaluatie van de remdoelmatigheid bij MTM. De remkrachten en het remonevenwicht worden opgemeten in de toestand zoals deze voertuigen worden voorgereden.]3
   4. [3 Bij de RD-methode moet een cilinderdruk bij de blokkeergrens van minstens 2 bar in rekening worden gebracht.
   Dit kan bereikt worden door in het keuringsstation een systeem van lastsimulatie toe te passen, of door het voertuig te laten aanbieden met een deellading.
   Het aanbieden van een voertuig met een deellading is niet van toepassing voor de voertuigen vermeld in 3 b) en c).]3
   5. [3 Rechtstreekse metingen van de remkracht zijn toegelaten indien:
   - de massa van het voertuig, al of niet met lading, zoals het wordt voorgereden, minstens 2/3 van de MTM bedraagt;
   - het een voertuig voor personenvervoer betreft.]3
   6. [3 Drukmeetpunten.
   a) De voertuigen bedoeld in punt 3 waarvan de oorspronkelijke drukmeetpunten :
   - niet gemakkelijk toegankelijk zijn vanaf de werkvloer, mogen uitgerust zijn met tijdelijke of permanente ontdubbelingsdrukmeetpunten;
   - niet gemakkelijk toegankelijk zijn vanuit de inspectieput, zijn uitgerust met tijdelijke of permanente ontdubbelingsdrukmeetpunten.
   b) De ontdubbelingsdrukmeetpunten zijn aan de linker buitenzijde van het voertuig geplaatst en bevinden zich zo dicht mogelijk bij de oorspronkelijke en hun onderlinge afstand bedraagt minstens 80 mm.
   c) De ontdubbelingsdrukmeetpunten zijn conform de bepalingen van artikel 4 van de norm ISO 3583-1984.
   d) Definitieve ontdubbelingsdrukmeetpunten die permanent aan de remkring aangekoppeld blijven, maken er deel van uit en zijn geplaatst door de constructeur of een door hem erkende werkplaats.
   e) Tijdelijke ontdubbelingsdrukmeetpunten, maken geen deel uit van de remkring en worden verbonden met de originele drukmeetpunten. De daartoe gebruikte remleidingen zijn van een goedgekeurd type en hebben een buitendiameter kleiner dan 10 mm.
   Tijdelijke ontdubbelingsdrukmeetpunten worden door de gebruiker van het voertuig aangebracht vóór dat het voertuig ter keuring wordt aangeboden en verwijderd kort na die keuring.
   f) De drukmeetpunten of hun ontdubbelingen moeten toegankelijk, functioneel en proper zijn.
   g) De tijdelijke verbindingen moeten zodanig vastgehecht zijn dat ze de goede werking van het voertuig niet hinderen.
   h) Boven elk ontdubbelingsdrukmeetpunt worden duidelijk en onuitwisbaar, met een letterhoogte van minimum 10 mm, de aanduidingen PCi of PCi,j,k aangebracht. De tekens i of i, j, k geven respectievelijk het volgnummer aan, van voor naar achter, van de door het drukmeetpunt bediende as of assen.]3
   7. [3 Controle- en afstelplaatje.
   a) Tijdens de keuring wijst de bestuurder de plaats aan van het controle- en afstelplaatje voor de automatisch lastafhankelijke remkrachtregelaar (ALR) dat door de voertuigfabrikant op een goed zichtbare plaats werd aangebracht en dat de minimaal vereiste gegevens, bepaald in bijlage II van de Europese richtlijn 71/320/EEG, vermeldt.
   b) Bij voertuigen die geen mechanisch of pneumatisch aangestuurde ALR hebben, zoals voertuigen uitgerust met elektronisch gestuurd remsysteem (EBS), is de minimale verzekerde druk voor de extrapolatie vermeld door middel van een plaatje op het voertuig of eventueel op de technische fiche.
   c) Deze aanduidingen moeten steeds duidelijk leesbaar zijn en blijven, en elke verwarring moet uitgesloten zijn, om welk plaatje het ook gaat.]3
  8. [3 ...]3
  C. Behoudens in de gevallen opgenomen in punt B., worden de voertuigen aangeboden zonder lading.
  D. De Minister die de autokeuring onder zijn bevoegdheid heeft, of zijn gemachtigde, bepaalt de modaliteiten met betrekking tot de diverse uit te voeren keuringen.) <KB 2003-03-17/34, art. 6, 029; Inwerkingtreding : 01-10-2005>
  § 3. De kosten van de keuringen zijn ten laste van de titularis van het voertuig.
  § 4. De erkende instellingen maken in elk van hun keuringsstations door middel van een uithangbord de bedragen kenbaar van al de vergoedingen die zij gemachtigd zijn te innen.
  De betalingen gebeuren contant.
  § 5. Het voertuig wordt aangeboden op initiatief van de titularis in één van de keuringsstations van de erkende instellingen.
  Alle herkeuringen gebeuren in het keuringsstation waar de volledige keuring plaatsgevonden heeft.
  § 6. De voertuigen moeten zich in een zodanig propere staat bevinden dat de keuring van de onderdelen niet belemmerd wordt.
  Bovendien zijn zij niet met sneeuwkettingen (...) uitgerust. <KB 2003-03-17/34, art. 6, 026; Inwerkingtreding : 01-05-2003>
  De keuring wordt stopgezet wanneer brandstof- of gaslekken vastgesteld worden.
  De bestuurder schikt zich naar de aanwijzingen die hem met het oog op de keuring van zijn voertuig verstrekt worden.
  § 7. Naar aanleiding van deze keuringen en voor zover het voertuig van deze documenten moet voorzien zijn, overhandigt diegene die het voertuig ter keuring aanbiedt het laatste keuringsbewijs en het bijhorende keuringsvignet aan de erkende instelling en legt hij volgende documenten voor :
  1° het inschrijvingsbewijs;
  2° [2 het gelijkvormigheidsattest of het Europees gelijkvormigheidsbewijs : de in België ingevoerde voertuigen die eerder in een andere Lidstaat van de Europese Unie waren ingeschreven, zijn niet onderworpen aan de verplichting het certificaat van overeenstemming voor te leggen Indien het kentekenbewijs van deze voertuigen echter onleesbaar of onvolledig is, overeenkomstig bijlage 1 van Richtlijn 1999/37/EG van de Raad van 29 april 1999 inzake de kentekenbewijzen van motorvoertuigen, mag het certificaat van overeenstemming worden gevraagd. De afwezigheid van het certificaat van overeenstemming zal echter geen aanleiding geven tot een sanctie.]2;
  3° het identificatieverslag of de technische fiche;
  [1 4° het document met als opschrift " Visuele keuring van het voertuig;]1
  [4 5° Het verzekeringsbewijs, uitgereikt ingevolge de wet van 21 november 1989 betreffende de verplichte aansprakelijkheidsverzekering inzake motorrijtuigen.]4
  ----------
  (1)<KB 2011-06-01/01, art. 1, 052; Inwerkingtreding : 14-08-2011>
  (2)<KB 2013-09-06/08, art. 2, 058; Inwerkingtreding : 30-09-2013>
  (3)<KB 2013-10-18/24, art. 3, 059; Inwerkingtreding : 05-12-2013>
  (4)<KB 2013-10-18/24, art. 4, 059; Inwerkingtreding : 05-12-2013>

  Art. 23_WAALS_GEWEST.
   <KB 1998-12-15/32, art. 6, 017; Inwerkingtreding : 01-01-1999> § 1. De in het verkeer gebrachte voertuigen zijn onderworpen aan keuringen, teneinde na te gaan of ze voldoen aan de reglementaire bepalingen die erop van toepassing zijn.
  Deze keuringen worden uitgevoerd door de erkende instellingen in toepassing van het koninklijk besluit van 23 december 1994 tot vaststelling van de erkenningsvoorwaarden en de regels van de administratieve controle van de instellingen belast met de controle van de in het verkeer gebrachte voertuigen.
  De erkende instellingen zijn gemachtigd om vergoedingen te innen die bestemd zijn om de kosten die voortvloeien uit de keuringen voorzien in eerste alinea, alsook de bijhorende administratieve kosten te dekken.
  § 2. (Uit te voeren keuringen.
  A. [1 Behoudens andersluidende bepalingen omvatten de keuringen de keuringen beschreven in bijlage 15 en de bijkomende keuringen waarin voorzien wordt in bijzondere reglementaire bepalingen.]1
  B. Remdoelmatigheid van voertuigen in beladen toestand.
  1. [3 Voor de voertuigen met een maximale toegelaten massa (MTM) van meer dan 3,5 ton, wordt tijdens de keuringen bedoeld in bijlage 15, punt B.1, de remdoelmatigheid bij MTM geëvalueerd.]3
   2. [3 Evaluatie van de remdoelmatigheid bij MTM van een voertuig, gebeurt door de RD-methode waar een evaluatie gebeurt van de remkracht in functie van de cilinderdruk of door een rechtstreekse meting van de remkracht.]3
   3. [3 Het evalueren van de remdoelmatigheid bij MTM door middel van de RD-methode is :
   a) toegelaten voor voertuigen aangeboden met een luchtdrukremsysteem dat minstens voldoet aan de bepalingen van de Europese richtlijn 71/320/EEG zoals gewijzigd door Richtlijn 79/489/EEG; of aan het Reglement n° 13 van Economische Commissie voor Europa van de Verenigde Naties
   b) verplicht voor de hiervoor bedoelde voertuigen die, om redenen van hygiëne en/of veiligheid, niet mogen aangeboden worden met een lading;
   c) De verplichte RD-meting van punt b geldt niet voor voertuigen waarvan de typegoedkeuring vóór 1 oktober 1981 plaatsvond. Deze voertuigen zijn niet onderworpen aan de evaluatie van de remdoelmatigheid bij MTM. De remkrachten en het remonevenwicht worden opgemeten in de toestand zoals deze voertuigen worden voorgereden.]3
   4. [3 Bij de RD-methode moet een cilinderdruk bij de blokkeergrens van minstens 2 bar in rekening worden gebracht.
   Dit kan bereikt worden door in het keuringsstation een systeem van lastsimulatie toe te passen, of door het voertuig te laten aanbieden met een deellading.
   Het aanbieden van een voertuig met een deellading is niet van toepassing voor de voertuigen vermeld in 3 b) en c).]3
   5. [3 Rechtstreekse metingen van de remkracht zijn toegelaten indien:
   - de massa van het voertuig, al of niet met lading, zoals het wordt voorgereden, minstens 2/3 van de MTM bedraagt;
   - het een voertuig voor personenvervoer betreft.]3
   6. [3 Drukmeetpunten.
   a) De voertuigen bedoeld in punt 3 waarvan de oorspronkelijke drukmeetpunten :
   - niet gemakkelijk toegankelijk zijn vanaf de werkvloer, mogen uitgerust zijn met tijdelijke of permanente ontdubbelingsdrukmeetpunten;
   - niet gemakkelijk toegankelijk zijn vanuit de inspectieput, zijn uitgerust met tijdelijke of permanente ontdubbelingsdrukmeetpunten.
   b) De ontdubbelingsdrukmeetpunten zijn aan de linker buitenzijde van het voertuig geplaatst en bevinden zich zo dicht mogelijk bij de oorspronkelijke en hun onderlinge afstand bedraagt minstens 80 mm.
   c) De ontdubbelingsdrukmeetpunten zijn conform de bepalingen van artikel 4 van de norm ISO 3583-1984.
   d) Definitieve ontdubbelingsdrukmeetpunten die permanent aan de remkring aangekoppeld blijven, maken er deel van uit en zijn geplaatst door de constructeur of een door hem erkende werkplaats.
   e) Tijdelijke ontdubbelingsdrukmeetpunten, maken geen deel uit van de remkring en worden verbonden met de originele drukmeetpunten. De daartoe gebruikte remleidingen zijn van een goedgekeurd type en hebben een buitendiameter kleiner dan 10 mm.
   Tijdelijke ontdubbelingsdrukmeetpunten worden door de gebruiker van het voertuig aangebracht vóór dat het voertuig ter keuring wordt aangeboden en verwijderd kort na die keuring.
   f) De drukmeetpunten of hun ontdubbelingen moeten toegankelijk, functioneel en proper zijn.
   g) De tijdelijke verbindingen moeten zodanig vastgehecht zijn dat ze de goede werking van het voertuig niet hinderen.
   h) Boven elk ontdubbelingsdrukmeetpunt worden duidelijk en onuitwisbaar, met een letterhoogte van minimum 10 mm, de aanduidingen PCi of PCi,j,k aangebracht. De tekens i of i, j, k geven respectievelijk het volgnummer aan, van voor naar achter, van de door het drukmeetpunt bediende as of assen.]3
   7. [3 Controle- en afstelplaatje.
   a) Tijdens de keuring wijst de bestuurder de plaats aan van het controle- en afstelplaatje voor de automatisch lastafhankelijke remkrachtregelaar (ALR) dat door de voertuigfabrikant op een goed zichtbare plaats werd aangebracht en dat de minimaal vereiste gegevens, bepaald in bijlage II van de Europese richtlijn 71/320/EEG, vermeldt.
   b) Bij voertuigen die geen mechanisch of pneumatisch aangestuurde ALR hebben, zoals voertuigen uitgerust met elektronisch gestuurd remsysteem (EBS), is de minimale verzekerde druk voor de extrapolatie vermeld door middel van een plaatje op het voertuig of eventueel op de technische fiche.
   c) Deze aanduidingen moeten steeds duidelijk leesbaar zijn en blijven, en elke verwarring moet uitgesloten zijn, om welk plaatje het ook gaat.]3
  8. [3 ...]3
  C. Behoudens in de gevallen opgenomen in punt B., worden de voertuigen aangeboden zonder lading.
  D. [5 De Waalse bevoegde instantie]5, bepaalt de modaliteiten met betrekking tot de diverse uit te voeren keuringen.) <KB 2003-03-17/34, art. 6, 029; Inwerkingtreding : 01-10-2005>
  § 3. De kosten van de keuringen zijn ten laste van de titularis van het voertuig.
  § 4. De erkende instellingen maken in elk van hun keuringsstations door middel van een uithangbord de bedragen kenbaar van al de vergoedingen die zij gemachtigd zijn te innen.
  De betalingen gebeuren contant.
  § 5. Het voertuig wordt aangeboden op initiatief van de titularis in één van de keuringsstations van de erkende instellingen.
  Alle herkeuringen gebeuren in het keuringsstation waar de volledige keuring plaatsgevonden heeft.
  § 6. De voertuigen moeten zich in een zodanig propere staat bevinden dat de keuring van de onderdelen niet belemmerd wordt.
  Bovendien zijn zij niet met sneeuwkettingen (...) uitgerust. <KB 2003-03-17/34, art. 6, 026; Inwerkingtreding : 01-05-2003>
  De keuring wordt stopgezet wanneer brandstof- of gaslekken vastgesteld worden.
  De bestuurder schikt zich naar de aanwijzingen die hem met het oog op de keuring van zijn voertuig verstrekt worden.
  § 7. Naar aanleiding van deze keuringen en voor zover het voertuig van deze documenten moet voorzien zijn, overhandigt diegene die het voertuig ter keuring aanbiedt het laatste keuringsbewijs en het bijhorende keuringsvignet aan de erkende instelling en legt hij volgende documenten voor :
  1° het inschrijvingsbewijs;
  2° [2 het gelijkvormigheidsattest of het Europees gelijkvormigheidsbewijs : de in België ingevoerde voertuigen die eerder in een andere Lidstaat van de Europese Unie waren ingeschreven, zijn niet onderworpen aan de verplichting het certificaat van overeenstemming voor te leggen Indien het kentekenbewijs van deze voertuigen echter onleesbaar of onvolledig is, overeenkomstig bijlage 1 van Richtlijn 1999/37/EG van de Raad van 29 april 1999 inzake de kentekenbewijzen van motorvoertuigen, mag het certificaat van overeenstemming worden gevraagd. De afwezigheid van het certificaat van overeenstemming zal echter geen aanleiding geven tot een sanctie.]2;
  3° het identificatieverslag of de technische fiche;
  [1 4° het document met als opschrift " Visuele keuring van het voertuig;]1
  [4 5° Het verzekeringsbewijs, uitgereikt ingevolge de wet van 21 november 1989 betreffende de verplichte aansprakelijkheidsverzekering inzake motorrijtuigen.]4
  
----------
  (1)<KB 2011-06-01/01, art. 1, 052; Inwerkingtreding : 14-08-2011>
  (2)<KB 2013-09-06/08, art. 2, 058; Inwerkingtreding : 30-09-2013>
  (3)<KB 2013-10-18/24, art. 3, 059; Inwerkingtreding : 05-12-2013>
  (4)<KB 2013-10-18/24, art. 4, 059; Inwerkingtreding : 05-12-2013>
  (5)<BWG 2018-05-17/18, art. 17, 083; Inwerkingtreding : 20-05-2018>
  

  Art. 23_BRUSSELS_HOOFDSTEDELIJK_GEWEST.
   <KB 1998-12-15/32, art. 6, 017; Inwerkingtreding : 01-01-1999> § 1. De in het verkeer gebrachte voertuigen zijn onderworpen aan keuringen, teneinde na te gaan of ze voldoen aan de reglementaire bepalingen die erop van toepassing zijn.
  Deze keuringen worden uitgevoerd door de erkende instellingen in toepassing van het koninklijk besluit van 23 december 1994 tot vaststelling van de erkenningsvoorwaarden en de regels van de administratieve controle van de instellingen belast met de controle van de in het verkeer gebrachte voertuigen.
  De erkende instellingen zijn gemachtigd om vergoedingen te innen die bestemd zijn om de kosten die voortvloeien uit de keuringen voorzien in eerste alinea, alsook de bijhorende administratieve kosten te dekken.
  § 2. (Uit te voeren keuringen.
  A. [1 Behoudens andersluidende bepalingen omvatten de keuringen de keuringen beschreven in bijlage 15 en de bijkomende keuringen waarin voorzien wordt in bijzondere reglementaire bepalingen.]1
  B. Remdoelmatigheid van voertuigen in beladen toestand.
  1. [3 Voor de voertuigen met een maximale toegelaten massa (MTM) van meer dan 3,5 ton, wordt tijdens de keuringen bedoeld in bijlage 15, punt B.1, de remdoelmatigheid bij MTM geëvalueerd.]3
   2. [3 Evaluatie van de remdoelmatigheid bij MTM van een voertuig, gebeurt door de RD-methode waar een evaluatie gebeurt van de remkracht in functie van de cilinderdruk of door een rechtstreekse meting van de remkracht.]3
   3. [3 Het evalueren van de remdoelmatigheid bij MTM door middel van de RD-methode is :
   a) toegelaten voor voertuigen aangeboden met een luchtdrukremsysteem dat minstens voldoet aan de bepalingen van de Europese richtlijn 71/320/EEG zoals gewijzigd door Richtlijn 79/489/EEG; of aan het Reglement n° 13 van Economische Commissie voor Europa van de Verenigde Naties
   b) verplicht voor de hiervoor bedoelde voertuigen die, om redenen van hygiëne en/of veiligheid, niet mogen aangeboden worden met een lading;
   c) De verplichte RD-meting van punt b geldt niet voor voertuigen waarvan de typegoedkeuring vóór 1 oktober 1981 plaatsvond. Deze voertuigen zijn niet onderworpen aan de evaluatie van de remdoelmatigheid bij MTM. De remkrachten en het remonevenwicht worden opgemeten in de toestand zoals deze voertuigen worden voorgereden.]3
   4. [3 Bij de RD-methode moet een cilinderdruk bij de blokkeergrens van minstens 2 bar in rekening worden gebracht.
   Dit kan bereikt worden door in het keuringsstation een systeem van lastsimulatie toe te passen, of door het voertuig te laten aanbieden met een deellading.
   Het aanbieden van een voertuig met een deellading is niet van toepassing voor de voertuigen vermeld in 3 b) en c).]3
   5. [3 Rechtstreekse metingen van de remkracht zijn toegelaten indien:
   - de massa van het voertuig, al of niet met lading, zoals het wordt voorgereden, minstens 2/3 van de MTM bedraagt;
   - het een voertuig voor personenvervoer betreft.]3
   6. [3 Drukmeetpunten.
   a) De voertuigen bedoeld in punt 3 waarvan de oorspronkelijke drukmeetpunten :
   - niet gemakkelijk toegankelijk zijn vanaf de werkvloer, mogen uitgerust zijn met tijdelijke of permanente ontdubbelingsdrukmeetpunten;
   - niet gemakkelijk toegankelijk zijn vanuit de inspectieput, zijn uitgerust met tijdelijke of permanente ontdubbelingsdrukmeetpunten.
   b) De ontdubbelingsdrukmeetpunten zijn aan de linker buitenzijde van het voertuig geplaatst en bevinden zich zo dicht mogelijk bij de oorspronkelijke en hun onderlinge afstand bedraagt minstens 80 mm.
   c) De ontdubbelingsdrukmeetpunten zijn conform de bepalingen van artikel 4 van de norm ISO 3583-1984.
   d) Definitieve ontdubbelingsdrukmeetpunten die permanent aan de remkring aangekoppeld blijven, maken er deel van uit en zijn geplaatst door de constructeur of een door hem erkende werkplaats.
   e) Tijdelijke ontdubbelingsdrukmeetpunten, maken geen deel uit van de remkring en worden verbonden met de originele drukmeetpunten. De daartoe gebruikte remleidingen zijn van een goedgekeurd type en hebben een buitendiameter kleiner dan 10 mm.
   Tijdelijke ontdubbelingsdrukmeetpunten worden door de gebruiker van het voertuig aangebracht vóór dat het voertuig ter keuring wordt aangeboden en verwijderd kort na die keuring.
   f) De drukmeetpunten of hun ontdubbelingen moeten toegankelijk, functioneel en proper zijn.
   g) De tijdelijke verbindingen moeten zodanig vastgehecht zijn dat ze de goede werking van het voertuig niet hinderen.
   h) Boven elk ontdubbelingsdrukmeetpunt worden duidelijk en onuitwisbaar, met een letterhoogte van minimum 10 mm, de aanduidingen PCi of PCi,j,k aangebracht. De tekens i of i, j, k geven respectievelijk het volgnummer aan, van voor naar achter, van de door het drukmeetpunt bediende as of assen.]3
   7. [3 Controle- en afstelplaatje.
   a) Tijdens de keuring wijst de bestuurder de plaats aan van het controle- en afstelplaatje voor de automatisch lastafhankelijke remkrachtregelaar (ALR) dat door de voertuigfabrikant op een goed zichtbare plaats werd aangebracht en dat de minimaal vereiste gegevens, bepaald in bijlage II van de Europese richtlijn 71/320/EEG, vermeldt.
   b) Bij voertuigen die geen mechanisch of pneumatisch aangestuurde ALR hebben, zoals voertuigen uitgerust met elektronisch gestuurd remsysteem (EBS), is de minimale verzekerde druk voor de extrapolatie vermeld door middel van een plaatje op het voertuig of eventueel op de technische fiche.
   c) Deze aanduidingen moeten steeds duidelijk leesbaar zijn en blijven, en elke verwarring moet uitgesloten zijn, om welk plaatje het ook gaat.]3
  8. [3 ...]3
  C. Behoudens in de gevallen opgenomen in punt B., worden de voertuigen aangeboden zonder lading.
  D. [5 bevoegde Brusselse instantie]5 bepaalt de modaliteiten met betrekking tot de diverse uit te voeren keuringen.) <KB 2003-03-17/34, art. 6, 029; Inwerkingtreding : 01-10-2005>
  § 3. De kosten van de keuringen zijn ten laste van de titularis van het voertuig.
  § 4. De erkende instellingen maken in elk van hun keuringsstations door middel van een uithangbord de bedragen kenbaar van al de vergoedingen die zij gemachtigd zijn te innen.
  De betalingen gebeuren contant.
  § 5. Het voertuig wordt aangeboden op initiatief van de titularis in één van de keuringsstations van de erkende instellingen.
  Alle herkeuringen gebeuren in het keuringsstation waar de volledige keuring plaatsgevonden heeft.
  § 6. De voertuigen moeten zich in een zodanig propere staat bevinden dat de keuring van de onderdelen niet belemmerd wordt.
  Bovendien zijn zij niet met sneeuwkettingen (...) uitgerust. <KB 2003-03-17/34, art. 6, 026; Inwerkingtreding : 01-05-2003>
  De keuring wordt stopgezet wanneer brandstof- of gaslekken vastgesteld worden.
  De bestuurder schikt zich naar de aanwijzingen die hem met het oog op de keuring van zijn voertuig verstrekt worden.
  § 7. Naar aanleiding van deze keuringen en voor zover het voertuig van deze documenten moet voorzien zijn, overhandigt diegene die het voertuig ter keuring aanbiedt het laatste keuringsbewijs en het bijhorende keuringsvignet aan de erkende instelling en legt hij volgende documenten voor :
  1° het inschrijvingsbewijs;
  2° [2 het gelijkvormigheidsattest of het Europees gelijkvormigheidsbewijs : de in België ingevoerde voertuigen die eerder in een andere Lidstaat van de Europese Unie waren ingeschreven, zijn niet onderworpen aan de verplichting het certificaat van overeenstemming voor te leggen Indien het kentekenbewijs van deze voertuigen echter onleesbaar of onvolledig is, overeenkomstig bijlage 1 van Richtlijn 1999/37/EG van de Raad van 29 april 1999 inzake de kentekenbewijzen van motorvoertuigen, mag het certificaat van overeenstemming worden gevraagd. De afwezigheid van het certificaat van overeenstemming zal echter geen aanleiding geven tot een sanctie.]2;
  3° het identificatieverslag of de technische fiche;
  [1 4° het document met als opschrift " Visuele keuring van het voertuig;]1
  [4 5° Het verzekeringsbewijs, uitgereikt ingevolge de wet van 21 november 1989 betreffende de verplichte aansprakelijkheidsverzekering inzake motorrijtuigen.]4
  
----------
  (1)<KB 2011-06-01/01, art. 1, 052; Inwerkingtreding : 14-08-2011>
  (2)<KB 2013-09-06/08, art. 2, 058; Inwerkingtreding : 30-09-2013>
  (3)<KB 2013-10-18/24, art. 3, 059; Inwerkingtreding : 05-12-2013>
  (4)<KB 2013-10-18/24, art. 4, 059; Inwerkingtreding : 05-12-2013>
  (5)<BESL 2018-11-29/02, art. 18, 082; Inwerkingtreding : 01-12-2018>
  

  Art. 23_VLAAMS_GEWEST.
   <KB 1998-12-15/32, art. 6, 017; Inwerkingtreding : 01-01-1999> § 1. De in het verkeer gebrachte voertuigen zijn onderworpen aan keuringen, teneinde na te gaan of ze voldoen aan de reglementaire bepalingen die erop van toepassing zijn.
  Deze keuringen worden uitgevoerd door de erkende instellingen in toepassing van het koninklijk besluit van 23 december 1994 tot vaststelling van de erkenningsvoorwaarden en de regels van de administratieve controle van de instellingen belast met de controle van de in het verkeer gebrachte voertuigen.
  De erkende instellingen zijn gemachtigd om vergoedingen te innen die bestemd zijn om de kosten die voortvloeien uit de keuringen voorzien in eerste alinea, alsook de bijhorende administratieve kosten te dekken.
  § 2. (Uit te voeren keuringen.
  A. [1 Behoudens andersluidende bepalingen omvatten de keuringen de keuringen beschreven in bijlage 15 en de bijkomende keuringen waarin voorzien wordt in bijzondere reglementaire bepalingen.]1
  B. Remdoelmatigheid van voertuigen in beladen toestand.
  1. [3 Voor de voertuigen met een maximale toegelaten massa (MTM) van meer dan 3,5 ton, wordt tijdens de keuringen bedoeld in bijlage 15, [6 punt C.1]6, de remdoelmatigheid bij MTM geëvalueerd.]3
   2. [3 Evaluatie van de remdoelmatigheid bij MTM van een voertuig, gebeurt door de RD-methode waar een evaluatie gebeurt van de remkracht in functie van de cilinderdruk of door een rechtstreekse meting van de remkracht.]3
   3. [3 Het evalueren van de remdoelmatigheid bij MTM door middel van de RD-methode is :
   a) toegelaten voor voertuigen aangeboden met een luchtdrukremsysteem dat minstens voldoet aan de bepalingen van de Europese richtlijn 71/320/EEG zoals gewijzigd door Richtlijn 79/489/EEG; of aan het Reglement n° 13 van Economische Commissie voor Europa van de Verenigde Naties
   b) verplicht voor de hiervoor bedoelde voertuigen die, om redenen van hygiëne en/of veiligheid, niet mogen aangeboden worden met een lading;
   c) De verplichte RD-meting van punt b geldt niet voor voertuigen waarvan de typegoedkeuring vóór 1 oktober 1981 plaatsvond. Deze voertuigen zijn niet onderworpen aan de evaluatie van de remdoelmatigheid bij MTM. De remkrachten en het remonevenwicht worden opgemeten in de toestand zoals deze voertuigen worden voorgereden.]3
   4. [3 Bij de RD-methode moet een cilinderdruk bij de blokkeergrens van minstens 2 bar in rekening worden gebracht.
   Dit kan bereikt worden door in het keuringsstation een systeem van lastsimulatie toe te passen, of door het voertuig te laten aanbieden met een deellading.
   Het aanbieden van een voertuig met een deellading is niet van toepassing voor de voertuigen vermeld in 3 b) en c).]3
   5. [3 Rechtstreekse metingen van de remkracht zijn toegelaten indien:
   - de massa van het voertuig, al of niet met lading, zoals het wordt voorgereden, minstens 2/3 van de MTM bedraagt;
   - het een voertuig voor personenvervoer betreft.]3
   6. [3 Drukmeetpunten.
   a) De voertuigen bedoeld in punt 3 waarvan de oorspronkelijke drukmeetpunten :
   - niet gemakkelijk toegankelijk zijn vanaf de werkvloer, mogen uitgerust zijn met tijdelijke of permanente ontdubbelingsdrukmeetpunten;
   - niet gemakkelijk toegankelijk zijn vanuit de inspectieput, zijn uitgerust met tijdelijke of permanente ontdubbelingsdrukmeetpunten.
   b) De ontdubbelingsdrukmeetpunten zijn aan de linker buitenzijde van het voertuig geplaatst en bevinden zich zo dicht mogelijk bij de oorspronkelijke en hun onderlinge afstand bedraagt minstens 80 mm.
   c) De ontdubbelingsdrukmeetpunten zijn conform de bepalingen van artikel 4 van de norm ISO 3583-1984.
   d) Definitieve ontdubbelingsdrukmeetpunten die permanent aan de remkring aangekoppeld blijven, maken er deel van uit en zijn geplaatst door de constructeur of een door hem erkende werkplaats.
   e) Tijdelijke ontdubbelingsdrukmeetpunten, maken geen deel uit van de remkring en worden verbonden met de originele drukmeetpunten. De daartoe gebruikte remleidingen zijn van een goedgekeurd type en hebben een buitendiameter kleiner dan 10 mm.
   Tijdelijke ontdubbelingsdrukmeetpunten worden door de gebruiker van het voertuig aangebracht vóór dat het voertuig ter keuring wordt aangeboden en verwijderd kort na die keuring.
   f) De drukmeetpunten of hun ontdubbelingen moeten toegankelijk, functioneel en proper zijn.
   g) De tijdelijke verbindingen moeten zodanig vastgehecht zijn dat ze de goede werking van het voertuig niet hinderen.
   h) Boven elk ontdubbelingsdrukmeetpunt worden duidelijk en onuitwisbaar, met een letterhoogte van minimum 10 mm, de aanduidingen PCi of PCi,j,k aangebracht. De tekens i of i, j, k geven respectievelijk het volgnummer aan, van voor naar achter, van de door het drukmeetpunt bediende as of assen.]3
   7. [3 Controle- en afstelplaatje.
   a) Tijdens de keuring wijst de bestuurder de plaats aan van het controle- en afstelplaatje voor de automatisch lastafhankelijke remkrachtregelaar (ALR) dat door de voertuigfabrikant op een goed zichtbare plaats werd aangebracht en dat de minimaal vereiste gegevens, bepaald in bijlage II van de Europese richtlijn 71/320/EEG, vermeldt.
   b) Bij voertuigen die geen mechanisch of pneumatisch aangestuurde ALR hebben, zoals voertuigen uitgerust met elektronisch gestuurd remsysteem (EBS), is de minimale verzekerde druk voor de extrapolatie vermeld door middel van een plaatje op het voertuig of eventueel op de technische fiche.
   c) Deze aanduidingen moeten steeds duidelijk leesbaar zijn en blijven, en elke verwarring moet uitgesloten zijn, om welk plaatje het ook gaat.]3
  8. [3 ...]3
  C. Behoudens in de gevallen opgenomen in punt B., worden de voertuigen aangeboden zonder lading.
  D. De [5 bevoegde Vlaamse instantie]5 bepaalt de modaliteiten met betrekking tot de diverse uit te voeren keuringen.) <KB 2003-03-17/34, art. 6, 029; Inwerkingtreding : 01-10-2005>
  § 3. De kosten van de keuringen zijn ten laste van de titularis van het voertuig.
  § 4. De erkende instellingen maken in elk van hun keuringsstations door middel van een uithangbord de bedragen kenbaar van al de vergoedingen die zij gemachtigd zijn te innen.
  De betalingen gebeuren contant.
  § 5. Het voertuig wordt aangeboden op initiatief van de titularis in één van de keuringsstations van de erkende instellingen.
  Alle herkeuringen gebeuren in het keuringsstation waar de volledige keuring plaatsgevonden heeft.
  § 6. De voertuigen moeten zich in een zodanig propere staat bevinden dat de keuring van de onderdelen niet belemmerd wordt.
  Bovendien zijn zij niet met sneeuwkettingen (...) uitgerust. <KB 2003-03-17/34, art. 6, 026; Inwerkingtreding : 01-05-2003>
  De keuring wordt stopgezet wanneer brandstof- of gaslekken vastgesteld worden.
  De bestuurder schikt zich naar de aanwijzingen die hem met het oog op de keuring van zijn voertuig verstrekt worden.
  § 7. Naar aanleiding van deze keuringen en voor zover het voertuig van deze documenten moet voorzien zijn, overhandigt diegene die het voertuig ter keuring aanbiedt het laatste keuringsbewijs en het bijhorende keuringsvignet aan de erkende instelling en legt hij volgende documenten voor :
  1° het inschrijvingsbewijs;
  2° [2 het gelijkvormigheidsattest of het Europees gelijkvormigheidsbewijs : de in België ingevoerde voertuigen die eerder in een andere Lidstaat van de [6 Europese Economische Ruimte]6 waren ingeschreven, zijn niet onderworpen aan de verplichting het certificaat van overeenstemming voor te leggen Indien het kentekenbewijs van deze voertuigen echter onleesbaar of onvolledig is, overeenkomstig bijlage 1 van Richtlijn 1999/37/EG van de Raad van 29 april 1999 inzake de kentekenbewijzen van motorvoertuigen, mag het certificaat van overeenstemming worden gevraagd. De afwezigheid van het certificaat van overeenstemming zal echter geen aanleiding geven tot een sanctie.]2;
  3° het identificatieverslag of de technische fiche;
  [1 4° het document met als opschrift " Visuele keuring van het voertuig;]1
  [4 5° Het verzekeringsbewijs, uitgereikt ingevolge de wet van 21 november 1989 betreffende de verplichte aansprakelijkheidsverzekering inzake motorrijtuigen.]4
  
----------
  (1)<KB 2011-06-01/01, art. 1, 052; Inwerkingtreding : 14-08-2011>
  (2)<KB 2013-09-06/08, art. 2, 058; Inwerkingtreding : 30-09-2013>
  (3)<KB 2013-10-18/24, art. 3, 059; Inwerkingtreding : 05-12-2013>
  (4)<KB 2013-10-18/24, art. 4, 059; Inwerkingtreding : 05-12-2013>
  (5)<BVR 2015-07-10/11, art. 16, 067; Inwerkingtreding : 04-09-2015>
  (6)<BVR 2018-04-27/14, art. 4, 081; Inwerkingtreding : 20-05-2018>

  Art. 23bis.<Ingevoegd bij KB 1998-12-15/32, art. 7; Inwerkingtreding : 01-01-1999> § 1. De keuringen zoals voorzien door artikel 23 worden onderverdeeld in :
  1° volledige keuringen;
  2° gedeeltelijke keuringen.
  Volledige keuringen bestaan uit het onderzoek van :
  a) [2 de identificatie van het voertuig, waarbij het chassisnummer, het inschrijvingsbewijs en het gelijkvormigheidsattest of het Europees gelijkvormigheidsbewijs, indien het certificaat van overeenstemming vereist is als boorddocument overeenkomstig artikel 10, § 2, punt 10, tweede lid, van het voertuig gecontroleerd worden]2;
  b) de technische staat van het voertuig om na te gaan of het voertuig voldoet aan de van kracht zijnde normen aangaande de veiligheid en het milieu;
  De gedeeltelijke keuringen zijn onderverdeeld in :
  a) administratieve keuringen, die enkel betrekking hebben op het nazicht van het inschrijvingsbewijs en het gelijkvormigheidsattest of het europees gelijkvormigsheidsbewijs met het oog op de geldigverklaring van een inschrijvingsaanvraag voor een gebruikt voertuig;
  b) administratieve herkeuringen, die enkel betrekking hebben op het nazicht van het chassisnummer, van de identificatieplaat en van de documenten of, zonder dat het voertuig hierbij opnieuw wordt aangeboden, op het nazicht van de documenten;
  c) technische herkeuringen, zijnde alle andere gedeeltelijke keuringen.
  § 2. Naargelang de regelmaat waarmee ze gebeuren, worden de volledige keuringen onderverdeeld in :
  1° periodieke keuringen, bepaald in artikel 23ter;
  2° niet-periodieke keuringen die plaats vinden onder welbepaalde omstandigheden zoals aangegeven in artikel 23sexies.
  § 3. Tijdens de eerste van de periodieke keuringen wordt nagegaan of het voertuig overeenstemt met de gegevens opgenomen in het uittreksel van het proces-verbaal van goedkeuring of met de gegevens van het Europees gelijkvormigheidsbewijs.
  Indien overeenkomstig artikel 23novies, § 2 een identificatieverslag wordt opgemaakt worden de keuringen uitgevoerd, die nodig zijn voor het opstellen van dit document.
  § 4. [1 Behoudens andersluidende bepalingen omvatten de technische keuringen minstens de keuring van de onderdelen vermeld in bijlage 15.]1
  § 5. Alle keuringen, behalve deze zonder aanbieding van het voertuig, gaan gepaard met identificatiekeuringen.
  [1 Hierbij wordt tevens nagegaan of het gekeurde voertuig behoorlijk onderhouden en in overeenstemming is met de reglementering die erop van toepassing is.]1
  ----------
  (1)<KB 2011-06-01/01, art. 2, 052; Inwerkingtreding : 14-08-2011>
  (2)<KB 2013-09-06/08, art. 3, 058; Inwerkingtreding : 30-09-2013>

  Art. 23ter.<Ingevoegd bij KB 1998-12-15/32, art. 8; Inwerkingtreding : 01-01-1999> § 1. De periodieke keuringen vinden plaats op de tijdstippen zoals hierna bepaald :
  1° de personenauto's, auto's voor dubbel gebruik, minibussen en lijkauto's zijn aan de keuring onderworpen de dag dat ze vier jaar oud zijn, te rekenen vanaf de eerste in verkeerstelling en vervolgens elk jaar;
  2° de personenauto's, auto's voor dubbel gebruik en minibussen die aangewend worden voor bezoldigd personenvervoer of voor met dit laatste gelijkgesteld gratis vervoer, de voertuigen (, andere dan landbouwtrekkers) die voor rijonderricht gebruikt worden en de voertuigen die met bestuurder verhuurd worden, evenals de ziekenauto's, zijn aan de keuring onderworpen vóór de eerste in verkeerstelling in België of de datum van opnieuw in verkeer stellen in België en vervolgens om de zes maand; <KB 2006-09-01/36, art. 9, 033; Inwerkingtreding : 15-09-2006>
  3° (a) de personenauto's, auto's voor dubbel gebruik en minibussen die aangewend worden voor het slepen van een aanhangwagen, en die uitgerust zijn met een koppelingsinrichting voor het slepen van een aanhangwagen waarvan de maximale toegelaten massa meer bedraagt dan 750 kg, zijn aan de keuring onderworpen vóór de eerste in verkeerstelling in België of de datum van opnieuw in verkeer stellen in België en vervolgens om het jaar;
  b) de koppelingsinrichting van de personenauto's, auto's voor dubbel gebruik en minibussen, die geen aanhangwagens slepen waarvan de maximaal toegelaten massa 750 kg overtreft of de koppelingsinrichting gebruiken als fietsendrager of motordrager, is aan de keuring onderworpen voor de in verkeerstelling in Belgie van het voertuig dat ermee is uitgerust, en vervolgens elk jaar vanaf het ogenblik dat het voertuig vier jaar oud is geworden.) <KB 2001-06-21/32, art. 2, 020; Inwerkingtreding : 01-07-2001>
  4° de autobussen en autocars zijn aan de keuring onderworpen vóór de eerste in verkeerstelling in België of de datum van opnieuw in verkeer stellen in België en vervolgens om de drie maand;
  5° de kraanauto's, kampeeraanhangwagens, de bootaanhangwagens en de aanhangwagens voor zweefvliegtuigen zijn aan de keuring onderworpen vóór de eerste in verkeerstelling in België of de datum van opnieuw in verkeer stellen in België en vervolgens om de twee jaar;
  6° de voertuigen bestemd voor het vervoer van zaken en waarvan de maximaal toegelaten massa groter is dan 3.500 kg zijn aan de keuring onderworpen vóór de eerste in verkeerstelling in België of de datum van opnieuw in verkeer stellen in België en vervolgens om de 6 maand;
  7° de andere voertuigen, uitgezonderd de voertuigen voor traag vervoer, zijn aan de keuring onderworpen vóór de eerste in verkeerstelling in België of het opnieuw in verkeer stellen in België en vervolgens om het jaar.
  (Voor de in punt 7° vermelde voertuigen, voor wat het opnieuw in verkeer stellen betreft, voor zover zij, voorafgaandelijk aan de laatste inschrijving, aan de niet-periodieke keuring vermeld in artikel 23sexies, § 1, 3°, werden onderworpen, bestaat deze keuring uitsluitend uit het opstellen van het identificatieverslag, met inbegrip van de hiervoor nodige weging.) <KB 2006-04-26/31, art. 1, 032; Inwerkingtreding : 15-11-2006>
  § 2. In afwijking van hetgeen bepaald is in § 1 vinden de periodieke keuringen plaats :
  (1° met een periodiciteit van twee jaar, voor de dag of op de dag dat ze vier jaar oud zijn, te rekenen vanaf de datum van de eerste in verkeerstelling, wat betreft de voertuigen vermeld in § 1, 1°, die voor de laatste periodieke keuring overeenkomstig artikel 23quater, § 1 of § 3, voor keuring werden aangeboden, waarvoor bij de laatste periodieke keuring het afgeleverde keuringsbewijs datgene was zoals voorzien in artikel 23decies, § 1, en die, op het ogenblik van de laatste periodieke keuring, voldeden aan de hierna bepaalde voorwaarden inzake ouderdom en kilometerstand :
  a) met betrekking tot de ouderdom van het voertuig : het voertuig heeft een ouderdom van ten hoogste zes jaar, te rekenen vanaf de datum van eerste in verkeerstelling, die enerzijds na 31 december 2001 en anderzijds na 31 december 2000 ligt, respectievelijk vanaf 1 mei 2006 en vanaf 1 mei 2007;
  b) met betrekking tot de kilometerstand van het voertuig : de kilometerstand van het voertuig heeft 100 000 kilometer niet overschreden.
  1°bis met een periodiciteit van twee jaar, vanaf het ogenblik dat het voertuig vier jaar oud is geworden, wat betreft de koppelingsinrichting vermeld in § 1, 3°, b), zolang het voertuig dat ermee is uitgerust voldoet aan de voorwaarden vermeld onder punt 1°.) <KB 2006-04-26/31, art. 1, 032; Inwerkingtreding : 01-05-2006>
  (1°ter één jaar na de datum van inschrijving met het oog op het opnieuw in verkeer stellen in België van de voertuigen vermeld in § 1, 1°, op voorwaarde dat ze drie jaar oud zijn, en vervolgens om het jaar of om de twee jaar, zolang deze voertuigen voldoen aan de voorwaarden vermeld onder punt 1°;) <KB 2006-04-26/31, art. 1, 032; Inwerkingtreding : 01-05-2006>
  [2 1°quater. één jaar na de laatste periodieke keuring, wat betreft de voertuigen vermeld in paragraaf 1, 1°, die op de datum van deze laatste periodieke keuring vier jaar oud waren, en die onderworpen zijn aan de niet-periodieke keuring bedoeld in artikel 23sexies, paragraaf 1, 3°, en waarvoor een document met als opschrift " Visuele keuring van het voertuig " overeenkomstig artikel 23sexies, paragraaf 4, 3°, is afgeleverd, en daarna jaarlijks of tweejaarlijks, voor zover deze voertuigen voldoen aan de in punt 1° vermelde voorwaarden;]2
  [2 1°quinquies. één jaar na de niet-periodieke keuring bedoeld in artikel 23sexies, paragraaf 1, 3°, wat betreft de voertuigen vermeld in paragraaf 1, 1°, die op de datum van deze niet-periodieke keuring vier jaar oud waren en waarvoor een keuringsbewijs overeenkomstig artikel 23decies, paragraaf 1, is afgeleverd na afloop van deze niet-periodieke keuring, en daarna jaarlijks of tweejaarlijks, voor zover deze voertuigen voldoen aan de in punt 1° vermelde voorwaarden.]2
  [4 1° sexies.Wat de voertuigen betreft van categorieën M2, M3, N en O zoals bedoeld in § 1, 4° tot 7° van dit artikel en die het voorwerp uitmaken van een onderzoek in het kader van de laatste fase van een meerfasentypegoedkeuringsprocedure zoals bedoeld in artikel 13, § 8 van dit besluit, wordt de periodieke keuring vóór de eerste inverkeerstelling gelijktijdig uitgevoerd met het onderzoek uitgevoerd ingevolge de laatste fase van een meerfasentypegoedkeuringsprocedure. De periodieke keuring vóór de eerste inverkeerstelling en het onderzoek uitgevoerd ingevolge de laatste fase van een meerfasentypegoedkeuringsprocedure dienen echter uitgevoerd te worden door een als technische dienst erkende instelling op basis van artikel 16ter van dit besluit en erkend overeenkomstig het koninklijk besluit van 23 december 1994 tot vaststelling van de erkenningsvoorwaarden en de regeling van de administratieve controle van de instellingen belast met de controle van de in het verkeer gebrachte voertuigen.
   De periodieke keuringen vinden vervolgens plaats op de tijdstippen zoals hierna bepaald :
   a) de autobussen en autocars zijn aan de keuring onderworpen drie maand na de eerste in verkeerstelling in België en vervolgens om de drie maand;
   In afwijking van het eerste lid van punt a, zijn de autobussen en autocars, waarvoor bij de laatste periodieke keuring het afgeleverde keuringsbewijs datgene was zoals voorzien in artikel 23decies § 1, om de zes maanden aan een keuring onderworpen.
   Evenwel zijn autobussen en autocars, die niet uitgerust zijn met een remvertrager om de drie maanden aan een remtest onderworpen.
   b) de kraanauto's, kampeeraanhangwagens, bootaanhangwagens en aanhangwagens voor zweefvliegtuigen zijn aan de keuring onderworpen twee jaar na de eerste in verkeerstelling in België en vervolgens om de twee jaar;
   c) de voertuigen bestemd voor het vervoer van zaken en waarvan de maximaal toegelaten massa groter is dan 3 500 kg zijn aan de keuring onderworpen zes maand na de eerste in verkeerstelling in België en vervolgens om de 6 maand;
   In afwijking van het eerste lid van punt c, zijn de voertuigen bestemd voor het vervoer van zaken en waarvan de maximaal toegelaten massa groter is dan 3 500 kg, waarvoor bij de laatste periodieke keuring het afgeleverde keuringsbewijs datgene was zoals voorzien in artikel 23decies § 1, jaarlijks aan een keuring onderworpen.
   d) de voertuigen bedoeld in § 2, 2° van dit artikel, zijn aan een keuring onderworpen drie maanden na de eerste in verkeerstelling in België en vervolgens om de drie maanden;
   In afwijking van het eerste lid van punt d, zijn de voertuigen bedoeld in § 2, 2° van dit artikel, waarvoor bij de laatste periodieke keuring het afgeleverde keuringsbewijs datgene was zoals voorzien in artikel 23decies § 1, om de zes maanden aan een keuring onderworpen.
   e) de andere voertuigen, uitgezonderd de voertuigen voor traag vervoer, zijn aan de keuring onderworpen één jaar na de eerste in verkeerstelling in België en vervolgens om het jaar.]4
  2° [1 met een periodiciteit van drie maand wat betreft de voertuigen waarvoor overeenkomstig onderafdeling 9.1.3 van bijlage B bij het Europees verdrag van 20 september 1957 betreffende het internationaal vervoer van gevaarlijke goederen over de weg (A.D.R.), ondertekend op 30 september 1957 te Genève en goedgekeurd door de wet van 10 augustus 1960, een ADR - keuringsdocument moet worden afgeleverd.]1
  3° met een periodiciteit van zes maand wat betreft :
  a) de autobussen en autocars (...) bij de laatste periodieke keuring het afgeleverde keuringsbewijs datgene was zoals voorzien in artikel 23decies, § 1; <KB 2003-03-17/34, art. 7, 026; Inwerkingtreding : 01-05-2003>
  (Evenwel zijn autobussen en autocars, die niet uitgerust zijn met een remvertrager om de drie maand aan een remtest onderworpen.) <KB 2003-03-17/34, art. 7, 026; Inwerkingtreding : 01-05-2003>
  b) de voertuigen bedoeld in § 2, 2° van dit artikel, waarvoor bij de laatste periodieke keuring, het afgeleverde keuringsbewijs datgene was zoals voorzien in artikel 23decies, § 1;
  4° met een periodiciteit van een jaar wat betreft de voertuigen bedoeld in § 1, 6° van dit artikel, waarvoor bij de laatste periodieke keuring, het afgeleverde keuringsbewijs datgene was zoals voorzien in artikel 23decies, § 1.
  [3 5° met een periodiciteit van twee jaar wat betreft de landbouw- en bosbouwtrekkers die behoren tot de voertuigen voor traag vervoer waarvan de maximaal toegelaten massa meer dan 3 500 kg en niet meer dan 7 500 kg bedraagt, met uitzondering van deze die
   - uitsluitend voor professioneel of privaat gebruik in de land-, tuin-, bosbouw of in de visteelt zijn bestemd;
   - door de wegbeheerders of hun aannemers gebruikt worden voor het onderhoud van de omgeving van de wegen of tijdens de winter voor het ruimen van sneeuw of het uitstrooien op de openbare weg van stoffen om het verkeer te beveiligen bij gevaarlijke weersomstandigheden of andere";
   6° met een periodiciteit van een jaar wat betreft de landbouw- en bosbouwtrekkers die behoren tot de voertuigen voor traag vervoer waarvan de maximaal toegelaten massa meer dan 7 500 kg bedraagt, met uitzondering van deze die
   - uitsluitend voor professioneel of privaat gebruik in de land-, tuin-, bosbouw of in de visteelt zijn bestemd;
   - door de wegbeheerders of hun aannemers gebruikt worden voor het onderhoud van de omgeving van de wegen of tijdens de winter voor het ruimen van sneeuw of het uitstrooien op de openbare weg van stoffen om het verkeer te beveiligen bij gevaarlijke weersomstandigheden of andere.]3
  § 3. De voertuigen die overeenkomstig § 1, 1° tot 7° onderworpen zijn aan periodieke keuring en ingeschreven worden op naam van de vorige titularis zonder dat deze laatste in het bezit is van een geldig keuringsbewijs zoals bedoeld in artikel 23novies § 3, dienen te worden vóórgereden voor keuring vooraleer het voertuig in het verkeer wordt gebracht en nadien volgens de periodiciteit die voor de onderscheiden voertuigen bepaald is in § 1, 1° tot 7°.
  § 4. Met het oog op een rationele spreiding van de keuringen in de tijd kan de Minister die de autokeuring onder zijn bevoegdheid heeft, de in § 1, 1°, bedoelde periode van vier jaar volgens door hem vastgestelde criteria met maximaal één maand inkorten of verlengen.
  § 5. De persoon die een voertuig, vermeld in § 2, 2° van dit artikel, ter keuring aanbiedt, verwittigt op het ogenblik van de keuring het station voor autokeuring hiervan.
  ----------
  (1)<KB 2009-05-20/06, art. 1, 044; Inwerkingtreding : 01-07-2009>
  (2)<KB 2011-06-01/01, art. 3, 052; Inwerkingtreding : 14-08-2011>
  (3)<KB 2014-03-19/22, art. 1, 065; Inwerkingtreding : 01-05-2014>
  (4)<KB 2014-04-19/04, art. 1, 066; Inwerkingtreding : 01-08-2014>

  Art. 23ter_WAALS_GEWEST.
   <Ingevoegd bij KB 1998-12-15/32, art. 8; Inwerkingtreding : 01-01-1999> § 1. De periodieke keuringen vinden plaats op de tijdstippen zoals hierna bepaald :
  1° de personenauto's, auto's voor dubbel gebruik, minibussen en lijkauto's zijn aan de keuring onderworpen de dag dat ze vier jaar oud zijn, te rekenen vanaf de eerste in verkeerstelling en vervolgens elk jaar;
  2° de personenauto's, auto's voor dubbel gebruik en minibussen die aangewend worden voor bezoldigd personenvervoer of voor met dit laatste gelijkgesteld gratis vervoer, de voertuigen (, andere dan landbouwtrekkers) die voor rijonderricht gebruikt worden en de voertuigen die met bestuurder verhuurd worden, evenals de ziekenauto's, zijn aan de keuring onderworpen vóór de eerste in verkeerstelling in België of de datum van opnieuw in verkeer stellen in België en vervolgens om de zes maand; <KB 2006-09-01/36, art. 9, 033; Inwerkingtreding : 15-09-2006>
  3° (a) de personenauto's, auto's voor dubbel gebruik en minibussen die aangewend worden voor het slepen van een aanhangwagen, en die uitgerust zijn met een koppelingsinrichting voor het slepen van een aanhangwagen waarvan de maximale toegelaten massa meer bedraagt dan 750 kg, zijn aan de keuring onderworpen vóór de eerste in verkeerstelling in België of de datum van opnieuw in verkeer stellen in België en vervolgens om het jaar;
  b) de koppelingsinrichting van de personenauto's, auto's voor dubbel gebruik en minibussen, die geen aanhangwagens slepen waarvan de maximaal toegelaten massa 750 kg overtreft of de koppelingsinrichting gebruiken als fietsendrager of motordrager, is aan de keuring onderworpen voor de in verkeerstelling in Belgie van het voertuig dat ermee is uitgerust, en vervolgens elk jaar vanaf het ogenblik dat het voertuig vier jaar oud is geworden.) <KB 2001-06-21/32, art. 2, 020; Inwerkingtreding : 01-07-2001>
  4° de autobussen en autocars zijn aan de keuring onderworpen vóór de eerste in verkeerstelling in België of de datum van opnieuw in verkeer stellen in België en vervolgens om de drie maand;
  5° de kraanauto's, kampeeraanhangwagens, de bootaanhangwagens en de aanhangwagens voor zweefvliegtuigen zijn aan de keuring onderworpen vóór de eerste in verkeerstelling in België of de datum van opnieuw in verkeer stellen in België en vervolgens om de twee jaar;
  6° de voertuigen bestemd voor het vervoer van zaken en waarvan de maximaal toegelaten massa groter is dan 3.500 kg zijn aan de keuring onderworpen vóór de eerste in verkeerstelling in België of de datum van opnieuw in verkeer stellen in België en vervolgens om de 6 maand;
  7° de andere voertuigen, uitgezonderd de voertuigen voor traag vervoer, zijn aan de keuring onderworpen vóór de eerste in verkeerstelling in België of het opnieuw in verkeer stellen in België en vervolgens om het jaar.
  (Voor de in punt 7° vermelde voertuigen, voor wat het opnieuw in verkeer stellen betreft, voor zover zij, voorafgaandelijk aan de laatste inschrijving, aan de niet-periodieke keuring vermeld in artikel 23sexies, § 1, 3°, werden onderworpen, bestaat deze keuring uitsluitend uit het opstellen van het identificatieverslag, met inbegrip van de hiervoor nodige weging.) <KB 2006-04-26/31, art. 1, 032; Inwerkingtreding : 15-11-2006>
  [5 8° de in artikel 2, § 2, 7°, bedoelde voertuigen die sedert meer dan dertig tot vijftig jaar in gebruik zijn genomen zijn aan de keuring onderworpen vóór de eerste in verkeerstelling in België onder een van de kentekenplaten bedoeld in artikel 4, § 2, van het ministerieel besluit van 23 juli 2001 betreffende de inschrijving van voertuigen en vervolgens om de twee jaar, met uitzondering van de langzame voertuigen;]5
  § 2. In afwijking van hetgeen bepaald is in § 1 vinden de periodieke keuringen plaats :
  (1° met een periodiciteit van twee jaar, voor de dag of op de dag dat ze vier jaar oud zijn, te rekenen vanaf de datum van de eerste in verkeerstelling, wat betreft de voertuigen vermeld in § 1, 1°, die voor de laatste periodieke keuring overeenkomstig artikel 23quater, § 1 of § 3, voor keuring werden aangeboden, waarvoor bij de laatste periodieke keuring het afgeleverde keuringsbewijs datgene was zoals voorzien in artikel 23decies, § 1, en die, op het ogenblik van de laatste periodieke keuring, voldeden aan de hierna bepaalde voorwaarden inzake ouderdom en kilometerstand :
  a) met betrekking tot de ouderdom van het voertuig : het voertuig heeft een ouderdom van ten hoogste zes jaar, te rekenen vanaf de datum van eerste in verkeerstelling, die enerzijds na 31 december 2001 en anderzijds na 31 december 2000 ligt, respectievelijk vanaf 1 mei 2006 en vanaf 1 mei 2007;
  b) met betrekking tot de kilometerstand van het voertuig : de kilometerstand van het voertuig heeft 100 000 kilometer niet overschreden.
  1°bis met een periodiciteit van twee jaar, vanaf het ogenblik dat het voertuig vier jaar oud is geworden, wat betreft de koppelingsinrichting vermeld in § 1, 3°, b), zolang het voertuig dat ermee is uitgerust voldoet aan de voorwaarden vermeld onder punt 1°.) <KB 2006-04-26/31, art. 1, 032; Inwerkingtreding : 01-05-2006>
  (1°ter één jaar na de datum van inschrijving met het oog op het opnieuw in verkeer stellen in België van de voertuigen vermeld in § 1, 1°, op voorwaarde dat ze drie jaar oud zijn, en vervolgens om het jaar of om de twee jaar, zolang deze voertuigen voldoen aan de voorwaarden vermeld onder punt 1°;) <KB 2006-04-26/31, art. 1, 032; Inwerkingtreding : 01-05-2006>
  [2 1°quater. één jaar na de laatste periodieke keuring, wat betreft de voertuigen vermeld in paragraaf 1, 1°, die op de datum van deze laatste periodieke keuring vier jaar oud waren, en die onderworpen zijn aan de niet-periodieke keuring bedoeld in artikel 23sexies, paragraaf 1, 3°, en waarvoor een document met als opschrift " Visuele keuring van het voertuig " overeenkomstig artikel 23sexies, paragraaf 4, 3°, is afgeleverd, en daarna jaarlijks of tweejaarlijks, voor zover deze voertuigen voldoen aan de in punt 1° vermelde voorwaarden;]2
  [2 1°quinquies. één jaar na de niet-periodieke keuring bedoeld in artikel 23sexies, paragraaf 1, 3°, wat betreft de voertuigen vermeld in paragraaf 1, 1°, die op de datum van deze niet-periodieke keuring vier jaar oud waren en waarvoor een keuringsbewijs overeenkomstig artikel 23decies, paragraaf 1, is afgeleverd na afloop van deze niet-periodieke keuring, en daarna jaarlijks of tweejaarlijks, voor zover deze voertuigen voldoen aan de in punt 1° vermelde voorwaarden.]2
  [4 1° sexies.Wat de voertuigen betreft van categorieën M2, M3, N en O zoals bedoeld in § 1, 4° tot 7° van dit artikel en die het voorwerp uitmaken van een onderzoek in het kader van de laatste fase van een meerfasentypegoedkeuringsprocedure zoals bedoeld in artikel 13, § 8 van dit besluit, wordt de periodieke keuring vóór de eerste inverkeerstelling gelijktijdig uitgevoerd met het onderzoek uitgevoerd ingevolge de laatste fase van een meerfasentypegoedkeuringsprocedure. De periodieke keuring vóór de eerste inverkeerstelling en het onderzoek uitgevoerd ingevolge de laatste fase van een meerfasentypegoedkeuringsprocedure dienen echter uitgevoerd te worden door een als technische dienst erkende instelling op basis van artikel 16ter van dit besluit en erkend overeenkomstig het koninklijk besluit van 23 december 1994 tot vaststelling van de erkenningsvoorwaarden en de regeling van de administratieve controle van de instellingen belast met de controle van de in het verkeer gebrachte voertuigen.
   De periodieke keuringen vinden vervolgens plaats op de tijdstippen zoals hierna bepaald :
   a) de autobussen en autocars zijn aan de keuring onderworpen drie maand na de eerste in verkeerstelling in België en vervolgens om de drie maand;
   In afwijking van het eerste lid van punt a, zijn de autobussen en autocars, waarvoor bij de laatste periodieke keuring het afgeleverde keuringsbewijs datgene was zoals voorzien in artikel 23decies § 1, om de zes maanden aan een keuring onderworpen.
   Evenwel zijn autobussen en autocars, die niet uitgerust zijn met een remvertrager om de drie maanden aan een remtest onderworpen.
   b) de kraanauto's, kampeeraanhangwagens, bootaanhangwagens en aanhangwagens voor zweefvliegtuigen zijn aan de keuring onderworpen twee jaar na de eerste in verkeerstelling in België en vervolgens om de twee jaar;
   c) de voertuigen bestemd voor het vervoer van zaken en waarvan de maximaal toegelaten massa groter is dan 3 500 kg zijn aan de keuring onderworpen zes maand na de eerste in verkeerstelling in België en vervolgens om de 6 maand;
   In afwijking van het eerste lid van punt c, zijn de voertuigen bestemd voor het vervoer van zaken en waarvan de maximaal toegelaten massa groter is dan 3 500 kg, waarvoor bij de laatste periodieke keuring het afgeleverde keuringsbewijs datgene was zoals voorzien in artikel 23decies § 1, jaarlijks aan een keuring onderworpen.
   d) de voertuigen bedoeld in § 2, 2° van dit artikel, zijn aan een keuring onderworpen drie maanden na de eerste in verkeerstelling in België en vervolgens om de drie maanden;
   In afwijking van het eerste lid van punt d, zijn de voertuigen bedoeld in § 2, 2° van dit artikel, waarvoor bij de laatste periodieke keuring het afgeleverde keuringsbewijs datgene was zoals voorzien in artikel 23decies § 1, om de zes maanden aan een keuring onderworpen.
   e) de andere voertuigen, uitgezonderd de voertuigen voor traag vervoer, zijn aan de keuring onderworpen één jaar na de eerste in verkeerstelling in België en vervolgens om het jaar.]4
  2° [1 met een periodiciteit van drie maand wat betreft de voertuigen waarvoor overeenkomstig onderafdeling 9.1.3 van bijlage B bij het Europees verdrag van 20 september 1957 betreffende het internationaal vervoer van gevaarlijke goederen over de weg (A.D.R.), ondertekend op 30 september 1957 te Genève en goedgekeurd door de wet van 10 augustus 1960, een ADR - keuringsdocument moet worden afgeleverd.]1
  3° met een periodiciteit van zes maand wat betreft :
  a) de autobussen en autocars (...) bij de laatste periodieke keuring het afgeleverde keuringsbewijs datgene was zoals voorzien in artikel 23decies, § 1; <KB 2003-03-17/34, art. 7, 026; Inwerkingtreding : 01-05-2003>
  (Evenwel zijn autobussen en autocars, die niet uitgerust zijn met een remvertrager om de drie maand aan een remtest onderworpen.) <KB 2003-03-17/34, art. 7, 026; Inwerkingtreding : 01-05-2003>
  b) de voertuigen bedoeld in § 2, 2° van dit artikel, waarvoor bij de laatste periodieke keuring, het afgeleverde keuringsbewijs datgene was zoals voorzien in artikel 23decies, § 1;
  4° met een periodiciteit van een jaar wat betreft de voertuigen bedoeld in § 1, 6° van dit artikel, waarvoor bij de laatste periodieke keuring, het afgeleverde keuringsbewijs datgene was zoals voorzien in artikel 23decies, § 1.
  [3 5° met een periodiciteit van twee jaar wat betreft de landbouw- en bosbouwtrekkers die behoren tot de voertuigen voor traag vervoer waarvan de maximaal toegelaten massa meer dan 3 500 kg en niet meer dan 7 500 kg bedraagt, met uitzondering van deze die
   - uitsluitend voor professioneel of privaat gebruik in de land-, tuin-, bosbouw of in de visteelt zijn bestemd;
   - door de wegbeheerders of hun aannemers gebruikt worden voor het onderhoud van de omgeving van de wegen of tijdens de winter voor het ruimen van sneeuw of het uitstrooien op de openbare weg van stoffen om het verkeer te beveiligen bij gevaarlijke weersomstandigheden of andere";
   6° met een periodiciteit van een jaar wat betreft de landbouw- en bosbouwtrekkers die behoren tot de voertuigen voor traag vervoer waarvan de maximaal toegelaten massa meer dan 7 500 kg bedraagt, met uitzondering van deze die
   - uitsluitend voor professioneel of privaat gebruik in de land-, tuin-, bosbouw of in de visteelt zijn bestemd;
   - door de wegbeheerders of hun aannemers gebruikt worden voor het onderhoud van de omgeving van de wegen of tijdens de winter voor het ruimen van sneeuw of het uitstrooien op de openbare weg van stoffen om het verkeer te beveiligen bij gevaarlijke weersomstandigheden of andere.]3
  § 3. De voertuigen die overeenkomstig[5 § 1, 1° tot 8°]5 onderworpen zijn aan periodieke keuring en ingeschreven worden op naam van de vorige titularis zonder dat deze laatste in het bezit is van een geldig keuringsbewijs zoals bedoeld in artikel 23novies § 3, dienen te worden vóórgereden voor keuring vooraleer het voertuig in het verkeer wordt gebracht en nadien volgens de periodiciteit die voor de onderscheiden voertuigen bepaald is in § 1, 1° tot 7°.
  § 4. Met het oog op een rationele spreiding van de keuringen in de tijd kan [5 de Waalse Minister]5 de in § 1, 1°, bedoelde periode van vier jaar volgens door hem vastgestelde criteria met maximaal één maand inkorten of verlengen.
  § 5. De persoon die een voertuig, vermeld in § 2, 2° van dit artikel, ter keuring aanbiedt, verwittigt op het ogenblik van de keuring het station voor autokeuring hiervan.
  
----------
  (1)<KB 2009-05-20/06, art. 1, 044; Inwerkingtreding : 01-07-2009>
  (2)<KB 2011-06-01/01, art. 3, 052; Inwerkingtreding : 14-08-2011>
  (3)<KB 2014-03-19/22, art. 1, 065; Inwerkingtreding : 01-05-2014>
  (4)<KB 2014-04-19/04, art. 1, 066; Inwerkingtreding : 01-08-2014>
  (5)<BWG 2018-05-17/18, art. 18, 083; Inwerkingtreding : 20-05-2018>
  

  Art. 23ter_BRUSSELS_HOOFDSTEDELIJK_GEWEST.
   <Ingevoegd bij KB 1998-12-15/32, art. 8; Inwerkingtreding : 01-01-1999> § 1. De periodieke keuringen vinden plaats op de tijdstippen zoals hierna bepaald :
  1° de personenauto's, auto's voor dubbel gebruik, minibussen en lijkauto's zijn aan de keuring onderworpen de dag dat ze vier jaar oud zijn, te rekenen vanaf de eerste in verkeerstelling en vervolgens elk jaar;
  2° de personenauto's, auto's voor dubbel gebruik en minibussen die aangewend worden voor bezoldigd personenvervoer of voor met dit laatste gelijkgesteld gratis vervoer, de voertuigen (, andere dan landbouwtrekkers) die voor rijonderricht gebruikt worden en de voertuigen die met bestuurder verhuurd worden, evenals de ziekenauto's, zijn aan de keuring onderworpen vóór de eerste in verkeerstelling in België of de datum van opnieuw in verkeer stellen in België en vervolgens om de zes maand; <KB 2006-09-01/36, art. 9, 033; Inwerkingtreding : 15-09-2006>
  3° (a) de personenauto's, auto's voor dubbel gebruik en minibussen die aangewend worden voor het slepen van een aanhangwagen, en die uitgerust zijn met een koppelingsinrichting voor het slepen van een aanhangwagen waarvan de maximale toegelaten massa meer bedraagt dan 750 kg, zijn aan de keuring onderworpen vóór de eerste in verkeerstelling in België of de datum van opnieuw in verkeer stellen in België en vervolgens om het jaar;
  b) de koppelingsinrichting van de personenauto's, auto's voor dubbel gebruik en minibussen, die geen aanhangwagens slepen waarvan de maximaal toegelaten massa 750 kg overtreft of de koppelingsinrichting gebruiken als fietsendrager of motordrager, is aan de keuring onderworpen voor de in verkeerstelling in Belgie van het voertuig dat ermee is uitgerust, en vervolgens elk jaar vanaf het ogenblik dat het voertuig vier jaar oud is geworden.) <KB 2001-06-21/32, art. 2, 020; Inwerkingtreding : 01-07-2001>
  4° de autobussen en autocars zijn aan de keuring onderworpen vóór de eerste in verkeerstelling in België of de datum van opnieuw in verkeer stellen in België en vervolgens om de drie maand;
  5° de kraanauto's, kampeeraanhangwagens, de bootaanhangwagens en de aanhangwagens voor zweefvliegtuigen zijn aan de keuring onderworpen vóór de eerste in verkeerstelling in België of de datum van opnieuw in verkeer stellen in België en vervolgens om de twee jaar;
  6° de voertuigen bestemd voor het vervoer van zaken en waarvan de maximaal toegelaten massa groter is dan 3.500 kg zijn aan de keuring onderworpen vóór de eerste in verkeerstelling in België of de datum van opnieuw in verkeer stellen in België en vervolgens om [5 het jaar]5;
  7° de andere voertuigen, uitgezonderd de voertuigen voor traag vervoer, zijn aan de keuring onderworpen vóór de eerste in verkeerstelling in België of het opnieuw in verkeer stellen in België en vervolgens om het jaar.
  (Voor de in punt 7° vermelde voertuigen, voor wat het opnieuw in verkeer stellen betreft, voor zover zij, voorafgaandelijk aan de laatste inschrijving, aan de niet-periodieke keuring vermeld in artikel 23sexies, § 1, 3°, werden onderworpen, bestaat deze keuring uitsluitend uit het opstellen van het identificatieverslag, met inbegrip van de hiervoor nodige weging.) <KB 2006-04-26/31, art. 1, 032; Inwerkingtreding : 15-11-2006>
  § 2. In afwijking van hetgeen bepaald is in § 1 vinden de periodieke keuringen plaats :
  (1° met een periodiciteit van twee jaar, voor de dag of op de dag dat ze vier jaar oud zijn, te rekenen vanaf de datum van de eerste in verkeerstelling, wat betreft de voertuigen vermeld in § 1, 1°, die voor de laatste periodieke keuring overeenkomstig artikel 23quater, § 1 of § 3, voor keuring werden aangeboden, waarvoor bij de laatste periodieke keuring het afgeleverde keuringsbewijs datgene was zoals voorzien in artikel 23decies, § 1, en die, op het ogenblik van de laatste periodieke keuring, voldeden aan de hierna bepaalde voorwaarden inzake ouderdom en kilometerstand :
  a) met betrekking tot de ouderdom van het voertuig : het voertuig heeft een ouderdom van ten hoogste zes jaar, te rekenen vanaf de datum van eerste in verkeerstelling, die enerzijds na 31 december 2001 en anderzijds na 31 december 2000 ligt, respectievelijk vanaf 1 mei 2006 en vanaf 1 mei 2007;
  b) met betrekking tot de kilometerstand van het voertuig : de kilometerstand van het voertuig heeft 100 000 kilometer niet overschreden.
  1°bis met een periodiciteit van twee jaar, vanaf het ogenblik dat het voertuig vier jaar oud is geworden, wat betreft de koppelingsinrichting vermeld in § 1, 3°, b), zolang het voertuig dat ermee is uitgerust voldoet aan de voorwaarden vermeld onder punt 1°.) <KB 2006-04-26/31, art. 1, 032; Inwerkingtreding : 01-05-2006>
  (1°ter één jaar na de datum van inschrijving met het oog op het opnieuw in verkeer stellen in België van de voertuigen vermeld in § 1, 1°, op voorwaarde dat ze drie jaar oud zijn, en vervolgens om het jaar of om de twee jaar, zolang deze voertuigen voldoen aan de voorwaarden vermeld onder punt 1°;) <KB 2006-04-26/31, art. 1, 032; Inwerkingtreding : 01-05-2006>
  [2 1°quater. één jaar na de laatste periodieke keuring, wat betreft de voertuigen vermeld in paragraaf 1, 1°, die op de datum van deze laatste periodieke keuring vier jaar oud waren, en die onderworpen zijn aan de niet-periodieke keuring bedoeld in artikel 23sexies, paragraaf 1, 3°, en waarvoor een document met als opschrift " Visuele keuring van het voertuig " overeenkomstig artikel 23sexies, paragraaf 4, 3°, is afgeleverd, en daarna jaarlijks of tweejaarlijks, voor zover deze voertuigen voldoen aan de in punt 1° vermelde voorwaarden;]2
  [2 1°quinquies. één jaar na de niet-periodieke keuring bedoeld in artikel 23sexies, paragraaf 1, 3°, wat betreft de voertuigen vermeld in paragraaf 1, 1°, die op de datum van deze niet-periodieke keuring vier jaar oud waren en waarvoor een keuringsbewijs overeenkomstig artikel 23decies, paragraaf 1, is afgeleverd na afloop van deze niet-periodieke keuring, en daarna jaarlijks of tweejaarlijks, voor zover deze voertuigen voldoen aan de in punt 1° vermelde voorwaarden.]2
  [4 1°sexies. Wat de voertuigen betreft van categorieën M2, M3, N en O zoals bedoeld in § 1, 4° tot 7° van dit artikel en die het voorwerp uitmaken van een onderzoek in het kader van de laatste fase van een meerfasentypegoedkeuringsprocedure zoals bedoeld in artikel 13, § 8 van dit besluit, wordt de periodieke keuring vóór de eerste inverkeerstelling gelijktijdig uitgevoerd met het onderzoek uitgevoerd ingevolge de laatste fase van een meerfasentypegoedkeuringsprocedure. De periodieke keuring vóór de eerste inverkeerstelling en het onderzoek uitgevoerd ingevolge de laatste fase van een meerfasentypegoedkeuringsprocedure dienen echter uitgevoerd te worden door een als technische dienst erkende instelling op basis van artikel 16ter van dit besluit en erkend overeenkomstig het koninklijk besluit van 23 december 1994 tot vaststelling van de erkenningsvoorwaarden en de regeling van de administratieve controle van de instellingen belast met de controle van de in het verkeer gebrachte voertuigen.
   De periodieke keuringen vinden vervolgens plaats op de tijdstippen zoals hierna bepaald :
   a) de autobussen en autocars zijn aan de keuring onderworpen drie maand na de eerste in verkeerstelling in België en vervolgens om de drie maand;
   In afwijking van het eerste lid van punt a, zijn de autobussen en autocars, waarvoor bij de laatste periodieke keuring het afgeleverde keuringsbewijs datgene was zoals voorzien in artikel 23decies § 1, om de zes maanden aan een keuring onderworpen.
   Evenwel zijn autobussen en autocars, die niet uitgerust zijn met een remvertrager om de drie maanden aan een remtest onderworpen.
   b) de kraanauto's, kampeeraanhangwagens, bootaanhangwagens en aanhangwagens voor zweefvliegtuigen zijn aan de keuring onderworpen twee jaar na de eerste in verkeerstelling in België en vervolgens om de twee jaar;
   c) [5 de voertuigen bestemd voor goederenvervoer waarvan de maximale toegelaten massa meer dan 3.500 kg bedraagt, zijn een jaar na de eerste inverkeerstelling in België aan de keuring onderworpen, en vervolgens om het jaar;]5
   d) [5 de voertuigen bedoeld in paragraaf 2, 2°, zijn een jaar na de eerste inverkeerstelling in België aan de keuring onderworpen, en vervolgens om het jaar;]5
   e) de andere voertuigen, uitgezonderd de voertuigen voor traag vervoer, zijn aan de keuring onderworpen één jaar na de eerste in verkeerstelling in België en vervolgens om het jaar.]4
  2° [1 met een periodiciteit van [5 een jaar]5 wat betreft de voertuigen waarvoor overeenkomstig onderafdeling 9.1.3 van bijlage B bij het Europees verdrag van 20 september 1957 betreffende het internationaal vervoer van gevaarlijke goederen over de weg (A.D.R.), ondertekend op 30 september 1957 te Genève en goedgekeurd door de wet van 10 augustus 1960, een ADR - keuringsdocument moet worden afgeleverd.]1
  3° met een periodiciteit van zes maand wat betreft :
  a) de autobussen en autocars (...) bij de laatste periodieke keuring het afgeleverde keuringsbewijs datgene was zoals voorzien in artikel 23decies, § 1; <KB 2003-03-17/34, art. 7, 026; Inwerkingtreding : 01-05-2003>
  (Evenwel zijn autobussen en autocars, die niet uitgerust zijn met een remvertrager om de drie maand aan een remtest onderworpen.) <KB 2003-03-17/34, art. 7, 026; Inwerkingtreding : 01-05-2003>
  b) [5 ...]5;
  4° [5 ...]5.
  [3 5° met een periodiciteit van twee jaar wat betreft de landbouw- en bosbouwtrekkers die behoren tot de voertuigen voor traag vervoer waarvan de maximaal toegelaten massa meer dan 3 500 kg en niet meer dan 7 500 kg bedraagt, met uitzondering van deze die
   - uitsluitend voor professioneel of privaat gebruik in de land-, tuin-, bosbouw of in de visteelt zijn bestemd;
   - door de wegbeheerders of hun aannemers gebruikt worden voor het onderhoud van de omgeving van de wegen of tijdens de winter voor het ruimen van sneeuw of het uitstrooien op de openbare weg van stoffen om het verkeer te beveiligen bij gevaarlijke weersomstandigheden of andere";
   6° met een periodiciteit van een jaar wat betreft de landbouw- en bosbouwtrekkers die behoren tot de voertuigen voor traag vervoer waarvan de maximaal toegelaten massa meer dan 7 500 kg bedraagt, met uitzondering van deze die
   - uitsluitend voor professioneel of privaat gebruik in de land-, tuin-, bosbouw of in de visteelt zijn bestemd;
   - door de wegbeheerders of hun aannemers gebruikt worden voor het onderhoud van de omgeving van de wegen of tijdens de winter voor het ruimen van sneeuw of het uitstrooien op de openbare weg van stoffen om het verkeer te beveiligen bij gevaarlijke weersomstandigheden of andere; ]3
  [6 7° de voertuigen, vermeld in artikel 2, § 2, tweede lid, 7°, van dit besluit, die sinds dertig tot vijftig jaar geleden in verkeer werden gesteld, met uitzondering van voertuigen voor traag vervoer en voertuigen uitgerust met rupsbanden, zijn aan de keuring onderworpen vóór de inverkeerstelling onder een van de kentekenplaten, vermeld in artikel 4, § 2, van het ministerieel besluit van 23 juli 2001 betreffende de inschrijving van voertuigen, en vervolgens om de twee jaar;]6
  [6 8° de voertuigen, vermeld in artikel 2, § 2, tweede lid, 7°, van dit besluit, die sinds meer dan vijftig jaar geleden in verkeer werden gesteld, met uitzondering van voertuigen voor traag vervoer en voertuigen uitgerust met rupsbanden, zijn aan de keuring onderworpen vóór de inverkeerstelling onder een van de kentekenplaten, vermeld in artikel 4, § 2, van het ministerieel besluit van 23 juli 2001 betreffende de inschrijving van voertuigen, en vervolgens om de vijf jaar]6
  § 3. De voertuigen die overeenkomstig § 1, 1° tot 7° onderworpen zijn aan periodieke keuring en ingeschreven worden op naam van de vorige titularis zonder dat deze laatste in het bezit is van een geldig keuringsbewijs zoals bedoeld in artikel 23novies § 3, dienen te worden vóórgereden voor keuring vooraleer het voertuig in het verkeer wordt gebracht en nadien volgens de periodiciteit die voor de onderscheiden voertuigen bepaald is in § 1, 1° tot 7°.
  § 4. Met het oog op een rationele spreiding van de keuringen in de tijd kan de [6 Brusselse minister]6 de in § 1, 1°, bedoelde periode van vier jaar volgens door hem vastgestelde criteria met maximaal één maand inkorten of verlengen.
  § 5. De persoon die een voertuig, vermeld in § 2, 2° van dit artikel, ter keuring aanbiedt, verwittigt op het ogenblik van de keuring het station voor autokeuring hiervan.
  [6 § 6. De voertuigen, vermeld in artikel 2, § 2, tweede lid, 7°, die minder dan dertig jaar geleden in verkeer zijn gesteld, met uitzondering van voertuigen voor traag vervoer en voertuigen uitgerust met rupsbanden, worden vóór de dag in 2019 waarop ze respectievelijk zesentwintig, zevenentwintig, achtentwintig of negenentwintig jaar geleden in verkeer zijn gesteld, aangeboden voor periodieke keuring.
   De voertuigen, vermeld in artikel 2, § 2, tweede lid, 7°, die ten minste dertig jaar geleden in verkeer zijn gesteld, met uitzondering van voertuigen voor traag vervoer en voertuigen uitgerust met rupsbanden, worden vóór de dag in 2020 waarop ze dertig jaar of meer geleden in verkeer zijn gesteld, aangeboden voor periodieke keuring.
   De voertuigen in deze paragraaf worden geacht in verkeer te zijn gesteld op de datum van eerste inschrijving van het voertuig in België of in het buitenland, of op de vermoedelijke datum van eerste ingebruikname in gevallen waarin deze verschilt van de datum van eerste inschrijving.]6
  
----------
  (1)<KB 2009-05-20/06, art. 1, 044; Inwerkingtreding : 01-07-2009>
  (2)<KB 2011-06-01/01, art. 3, 052; Inwerkingtreding : 14-08-2011>
  (3)<KB 2014-03-19/22, art. 1, 065; Inwerkingtreding : 01-05-2014>
  (4)<KB 2014-04-19/04, art. 1, 066; Inwerkingtreding : 01-08-2014>
  (5)<BESL 2017-02-09/01, art. 2, 071; Inwerkingtreding : 01-03-2017. Zie ook art. 3>
  (6)<BESL 2018-11-29/02, art. 19, 082; Inwerkingtreding : 01-12-2018>

  Art. 23ter_WAALS_GEWEST.
   <Ingevoegd bij KB 1998-12-15/32, art. 8; Inwerkingtreding : 01-01-1999> § 1. De periodieke keuringen vinden plaats op de tijdstippen zoals hierna bepaald :
  1° de personenauto's, auto's voor dubbel gebruik, minibussen en lijkauto's zijn aan de keuring onderworpen de dag dat ze vier jaar oud zijn, te rekenen vanaf de eerste in verkeerstelling en vervolgens elk jaar;
  2° de personenauto's, auto's voor dubbel gebruik en minibussen die aangewend worden voor bezoldigd personenvervoer of voor met dit laatste gelijkgesteld gratis vervoer, de voertuigen (, andere dan landbouwtrekkers) die voor rijonderricht gebruikt worden en de voertuigen die met bestuurder verhuurd worden, evenals de ziekenauto's, zijn aan de keuring onderworpen vóór de eerste in verkeerstelling in België of de datum van opnieuw in verkeer stellen in België en vervolgens om de zes maand; <KB 2006-09-01/36, art. 9, 033; Inwerkingtreding : 15-09-2006>
  3° (a) de personenauto's, auto's voor dubbel gebruik en minibussen die aangewend worden voor het slepen van een aanhangwagen, en die uitgerust zijn met een koppelingsinrichting voor het slepen van een aanhangwagen waarvan de maximale toegelaten massa meer bedraagt dan 750 kg, zijn aan de keuring onderworpen vóór de eerste in verkeerstelling in België of de datum van opnieuw in verkeer stellen in België en vervolgens om het jaar;
  b) de koppelingsinrichting van de personenauto's, auto's voor dubbel gebruik en minibussen, die geen aanhangwagens slepen waarvan de maximaal toegelaten massa 750 kg overtreft of de koppelingsinrichting gebruiken als fietsendrager of motordrager, is aan de keuring onderworpen voor de in verkeerstelling in Belgie van het voertuig dat ermee is uitgerust, en vervolgens elk jaar vanaf het ogenblik dat het voertuig vier jaar oud is geworden.) <KB 2001-06-21/32, art. 2, 020; Inwerkingtreding : 01-07-2001>
  4° de autobussen en autocars zijn aan de keuring onderworpen vóór de eerste in verkeerstelling in België of de datum van opnieuw in verkeer stellen in België en vervolgens om de drie maand;
  5° de kraanauto's, kampeeraanhangwagens, de bootaanhangwagens en de aanhangwagens voor zweefvliegtuigen zijn aan de keuring onderworpen vóór de eerste in verkeerstelling in België of de datum van opnieuw in verkeer stellen in België en vervolgens om de twee jaar;
  6° de voertuigen bestemd voor het vervoer van zaken en waarvan de maximaal toegelaten massa groter is dan 3.500 kg zijn aan de keuring onderworpen vóór de eerste in verkeerstelling in België of de datum van opnieuw in verkeer stellen in België en vervolgens [5 elk jaar]5;
  7° de andere voertuigen, uitgezonderd de voertuigen voor traag vervoer, zijn aan de keuring onderworpen vóór de eerste in verkeerstelling in België of het opnieuw in verkeer stellen in België en vervolgens om het jaar.
  (Voor de in punt 7° vermelde voertuigen, voor wat het opnieuw in verkeer stellen betreft, voor zover zij, voorafgaandelijk aan de laatste inschrijving, aan de niet-periodieke keuring vermeld in artikel 23sexies, § 1, 3°, werden onderworpen, bestaat deze keuring uitsluitend uit het opstellen van het identificatieverslag, met inbegrip van de hiervoor nodige weging.) <KB 2006-04-26/31, art. 1, 032; Inwerkingtreding : 15-11-2006>
  § 2. In afwijking van hetgeen bepaald is in § 1 vinden de periodieke keuringen plaats :
  (1° met een periodiciteit van twee jaar, voor de dag of op de dag dat ze vier jaar oud zijn, te rekenen vanaf de datum van de eerste in verkeerstelling, wat betreft de voertuigen vermeld in § 1, 1°, die voor de laatste periodieke keuring overeenkomstig artikel 23quater, § 1 of § 3, voor keuring werden aangeboden, waarvoor bij de laatste periodieke keuring het afgeleverde keuringsbewijs datgene was zoals voorzien in artikel 23decies, § 1, en die, op het ogenblik van de laatste periodieke keuring, voldeden aan de hierna bepaalde voorwaarden inzake ouderdom en kilometerstand :
  a) met betrekking tot de ouderdom van het voertuig : het voertuig heeft een ouderdom van ten hoogste zes jaar, te rekenen vanaf de datum van eerste in verkeerstelling, die enerzijds na 31 december 2001 en anderzijds na 31 december 2000 ligt, respectievelijk vanaf 1 mei 2006 en vanaf 1 mei 2007;
  b) met betrekking tot de kilometerstand van het voertuig : de kilometerstand van het voertuig heeft 100 000 kilometer niet overschreden.
  1°bis met een periodiciteit van twee jaar, vanaf het ogenblik dat het voertuig vier jaar oud is geworden, wat betreft de koppelingsinrichting vermeld in § 1, 3°, b), zolang het voertuig dat ermee is uitgerust voldoet aan de voorwaarden vermeld onder punt 1°.) <KB 2006-04-26/31, art. 1, 032; Inwerkingtreding : 01-05-2006>
  (1°ter één jaar na de datum van inschrijving met het oog op het opnieuw in verkeer stellen in België van de voertuigen vermeld in § 1, 1°, op voorwaarde dat ze drie jaar oud zijn, en vervolgens om het jaar of om de twee jaar, zolang deze voertuigen voldoen aan de voorwaarden vermeld onder punt 1°;) <KB 2006-04-26/31, art. 1, 032; Inwerkingtreding : 01-05-2006>
  [2 1°quater. één jaar na de laatste periodieke keuring, wat betreft de voertuigen vermeld in paragraaf 1, 1°, die op de datum van deze laatste periodieke keuring vier jaar oud waren, en die onderworpen zijn aan de niet-periodieke keuring bedoeld in artikel 23sexies, paragraaf 1, 3°, en waarvoor een document met als opschrift " Visuele keuring van het voertuig " overeenkomstig artikel 23sexies, paragraaf 4, 3°, is afgeleverd, en daarna jaarlijks of tweejaarlijks, voor zover deze voertuigen voldoen aan de in punt 1° vermelde voorwaarden;]2
  [2 1°quinquies. één jaar na de niet-periodieke keuring bedoeld in artikel 23sexies, paragraaf 1, 3°, wat betreft de voertuigen vermeld in paragraaf 1, 1°, die op de datum van deze niet-periodieke keuring vier jaar oud waren en waarvoor een keuringsbewijs overeenkomstig artikel 23decies, paragraaf 1, is afgeleverd na afloop van deze niet-periodieke keuring, en daarna jaarlijks of tweejaarlijks, voor zover deze voertuigen voldoen aan de in punt 1° vermelde voorwaarden.]2
  [4 1° sexies.Wat de voertuigen betreft van categorieën M2, M3, N en O zoals bedoeld in § 1, 4° tot 7° van dit artikel en die het voorwerp uitmaken van een onderzoek in het kader van de laatste fase van een meerfasentypegoedkeuringsprocedure zoals bedoeld in artikel 13, § 8 van dit besluit, wordt de periodieke keuring vóór de eerste inverkeerstelling gelijktijdig uitgevoerd met het onderzoek uitgevoerd ingevolge de laatste fase van een meerfasentypegoedkeuringsprocedure. De periodieke keuring vóór de eerste inverkeerstelling en het onderzoek uitgevoerd ingevolge de laatste fase van een meerfasentypegoedkeuringsprocedure dienen echter uitgevoerd te worden door een als technische dienst erkende instelling op basis van artikel 16ter van dit besluit en erkend overeenkomstig het koninklijk besluit van 23 december 1994 tot vaststelling van de erkenningsvoorwaarden en de regeling van de administratieve controle van de instellingen belast met de controle van de in het verkeer gebrachte voertuigen.
   De periodieke keuringen vinden vervolgens plaats op de tijdstippen zoals hierna bepaald :
   a) de autobussen en autocars zijn aan de keuring onderworpen drie maand na de eerste in verkeerstelling in België en vervolgens om de drie maand;
   In afwijking van het eerste lid van punt a, zijn de autobussen en autocars, waarvoor bij de laatste periodieke keuring het afgeleverde keuringsbewijs datgene was zoals voorzien in artikel 23decies § 1, om de zes maanden aan een keuring onderworpen.
   Evenwel zijn autobussen en autocars, die niet uitgerust zijn met een remvertrager om de drie maanden aan een remtest onderworpen.
   b) de kraanauto's, kampeeraanhangwagens, bootaanhangwagens en aanhangwagens voor zweefvliegtuigen zijn aan de keuring onderworpen twee jaar na de eerste in verkeerstelling in België en vervolgens om de twee jaar;
   c) [5 de voertuigen bestemd voor het vervoer van zaken en waarvan de maximaal toegelaten massa groter is dan 3.500 kg zijn aan de keuring onderworpen één jaar na de eerste inverkeerstelling in België en vervolgens elk jaar;]5
   d) [5 de voertuigen bedoeld in paragraaf 2, 2°, zijn aan de keuring onderworpen één jaar na de eerste inverkeerstelling in België en vervolgens elk jaar;]5
   e) de andere voertuigen, uitgezonderd de voertuigen voor traag vervoer, zijn aan de keuring onderworpen één jaar na de eerste in verkeerstelling in België en vervolgens om het jaar.]4
  2° [1 met een periodiciteit [5 van een jaar]5 wat betreft de voertuigen waarvoor overeenkomstig onderafdeling 9.1.3 van bijlage B bij het Europees verdrag van 20 september 1957 betreffende het internationaal vervoer van gevaarlijke goederen over de weg (A.D.R.), ondertekend op 30 september 1957 te Genève en goedgekeurd door de wet van 10 augustus 1960, een ADR - keuringsdocument moet worden afgeleverd.]1
  3° met een periodiciteit van zes maand wat betreft :
  a) de autobussen en autocars (...) bij de laatste periodieke keuring het afgeleverde keuringsbewijs datgene was zoals voorzien in artikel 23decies, § 1; <KB 2003-03-17/34, art. 7, 026; Inwerkingtreding : 01-05-2003>
  (Evenwel zijn autobussen en autocars, die niet uitgerust zijn met een remvertrager om de drie maand aan een remtest onderworpen.) <KB 2003-03-17/34, art. 7, 026; Inwerkingtreding : 01-05-2003>
  b) [5 ...]5
  4° met een periodiciteit van een jaar wat betreft de voertuigen bedoeld in § 1, 6° van dit artikel, waarvoor bij de laatste periodieke keuring, het afgeleverde keuringsbewijs datgene was zoals voorzien in artikel 23decies, § 1.
  [3 5° met een periodiciteit van twee jaar wat betreft de landbouw- en bosbouwtrekkers die behoren tot de voertuigen voor traag vervoer waarvan de maximaal toegelaten massa meer dan 3 500 kg en niet meer dan 7 500 kg bedraagt, met uitzondering van deze die
   - uitsluitend voor professioneel of privaat gebruik in de land-, tuin-, bosbouw of in de visteelt zijn bestemd;
   - door de wegbeheerders of hun aannemers gebruikt worden voor het onderhoud van de omgeving van de wegen of tijdens de winter voor het ruimen van sneeuw of het uitstrooien op de openbare weg van stoffen om het verkeer te beveiligen bij gevaarlijke weersomstandigheden of andere";
   6° met een periodiciteit van een jaar wat betreft de landbouw- en bosbouwtrekkers die behoren tot de voertuigen voor traag vervoer waarvan de maximaal toegelaten massa meer dan 7 500 kg bedraagt, met uitzondering van deze die
   - uitsluitend voor professioneel of privaat gebruik in de land-, tuin-, bosbouw of in de visteelt zijn bestemd;
   - door de wegbeheerders of hun aannemers gebruikt worden voor het onderhoud van de omgeving van de wegen of tijdens de winter voor het ruimen van sneeuw of het uitstrooien op de openbare weg van stoffen om het verkeer te beveiligen bij gevaarlijke weersomstandigheden of andere.]3
  § 3. De voertuigen die overeenkomstig § 1, 1° tot 7° onderworpen zijn aan periodieke keuring en ingeschreven worden op naam van de vorige titularis zonder dat deze laatste in het bezit is van een geldig keuringsbewijs zoals bedoeld in artikel 23novies § 3, dienen te worden vóórgereden voor keuring vooraleer het voertuig in het verkeer wordt gebracht en nadien volgens de periodiciteit die voor de onderscheiden voertuigen bepaald is in § 1, 1° tot 7°.
  § 4. Met het oog op een rationele spreiding van de keuringen in de tijd kan de Minister die de autokeuring onder zijn bevoegdheid heeft, de in § 1, 1°, bedoelde periode van vier jaar volgens door hem vastgestelde criteria met maximaal één maand inkorten of verlengen.
  § 5. De persoon die een voertuig, vermeld in § 2, 2° van dit artikel, ter keuring aanbiedt, verwittigt op het ogenblik van de keuring het station voor autokeuring hiervan.
  
----------
  (1)<KB 2009-05-20/06, art. 1, 044; Inwerkingtreding : 01-07-2009>
  (2)<KB 2011-06-01/01, art. 3, 052; Inwerkingtreding : 14-08-2011>
  (3)<KB 2014-03-19/22, art. 1, 065; Inwerkingtreding : 01-05-2014>
  (4)<KB 2014-04-19/04, art. 1, 066; Inwerkingtreding : 01-08-2014>
  (5)<BWG 2016-10-20/09, art. 2, 070; Inwerkingtreding : 01-01-2017>
  

  Art. 23ter_VLAAMS_GEWEST.
   <Ingevoegd bij KB 1998-12-15/32, art. 8; Inwerkingtreding : 01-01-1999> § 1. De periodieke keuringen vinden plaats op de tijdstippen zoals hierna bepaald :
  1° de personenauto's, auto's voor dubbel gebruik, minibussen en lijkauto's zijn aan de keuring onderworpen de dag dat ze vier jaar oud zijn, te rekenen vanaf de eerste in verkeerstelling en vervolgens elk jaar;
  2° de personenauto's, auto's voor dubbel gebruik en minibussen die aangewend worden voor bezoldigd personenvervoer of voor met dit laatste gelijkgesteld gratis vervoer, de voertuigen (, andere dan landbouwtrekkers) die voor rijonderricht gebruikt worden en de voertuigen die met bestuurder verhuurd worden, evenals de ziekenauto's, zijn aan de keuring onderworpen vóór de eerste in verkeerstelling in België of de datum van opnieuw in verkeer stellen in België en vervolgens om de zes maand; <KB 2006-09-01/36, art. 9, 033; Inwerkingtreding : 15-09-2006>
  3° (a) de personenauto's, auto's voor dubbel gebruik en minibussen die aangewend worden voor het slepen van een aanhangwagen, en die uitgerust zijn met een koppelingsinrichting voor het slepen van een aanhangwagen waarvan de maximale toegelaten massa meer bedraagt dan 750 kg, zijn aan de keuring onderworpen vóór de eerste in verkeerstelling in België of de datum van opnieuw in verkeer stellen in België en vervolgens om het jaar;
  b) de koppelingsinrichting van de personenauto's, auto's voor dubbel gebruik en minibussen, die geen aanhangwagens slepen waarvan de maximaal toegelaten massa 750 kg overtreft of de koppelingsinrichting gebruiken als fietsendrager of motordrager, is aan de keuring onderworpen voor de in verkeerstelling in Belgie van het voertuig dat ermee is uitgerust, en vervolgens elk jaar vanaf het ogenblik dat het voertuig vier jaar oud is geworden.) <KB 2001-06-21/32, art. 2, 020; Inwerkingtreding : 01-07-2001>
  4° de autobussen en autocars zijn aan de keuring onderworpen vóór de eerste in verkeerstelling in België of de datum van opnieuw in verkeer stellen in België en vervolgens om de drie maand;
  5° de kraanauto's, kampeeraanhangwagens, de bootaanhangwagens en de aanhangwagens voor zweefvliegtuigen zijn aan de keuring onderworpen vóór de eerste in verkeerstelling in België of de datum van opnieuw in verkeer stellen in België en vervolgens om de twee jaar;
  6° de voertuigen bestemd voor het vervoer van zaken en waarvan de maximaal toegelaten massa groter is dan 3.500 kg zijn aan de keuring onderworpen vóór de eerste in verkeerstelling in België of de datum van opnieuw in verkeer stellen in België en vervolgens [6 elk jaar]6;
  7° de andere voertuigen, uitgezonderd de voertuigen voor traag vervoer, zijn aan de keuring onderworpen vóór de eerste in verkeerstelling in België of het opnieuw in verkeer stellen in België en vervolgens om het jaar.
  (Voor de in punt 7° vermelde voertuigen, voor wat het opnieuw in verkeer stellen betreft, voor zover zij, voorafgaandelijk aan de laatste inschrijving, aan de niet-periodieke keuring vermeld in artikel 23sexies, § 1, 3°, werden onderworpen, bestaat deze keuring uitsluitend uit het opstellen van het identificatieverslag, met inbegrip van de hiervoor nodige weging.) <KB 2006-04-26/31, art. 1, 032; Inwerkingtreding : 15-11-2006>
  § 2. In afwijking van hetgeen bepaald is in § 1 vinden de periodieke keuringen plaats :
  (1° met een periodiciteit van twee jaar, voor de dag of op de dag dat ze vier jaar oud zijn, te rekenen vanaf de datum van de eerste in verkeerstelling, wat betreft de voertuigen vermeld in § 1, 1°, die voor de laatste periodieke keuring overeenkomstig artikel 23quater, § 1 of § 3, voor keuring werden aangeboden, waarvoor bij de laatste periodieke keuring het afgeleverde keuringsbewijs datgene was zoals voorzien in artikel 23decies, § 1, en die, op het ogenblik van de laatste periodieke keuring, voldeden aan de hierna bepaalde voorwaarden inzake ouderdom en kilometerstand :
  a) met betrekking tot de ouderdom van het voertuig : het voertuig heeft een ouderdom van ten hoogste zes jaar, te rekenen vanaf de datum van eerste in verkeerstelling, die enerzijds na 31 december 2001 en anderzijds na 31 december 2000 ligt, respectievelijk vanaf 1 mei 2006 en vanaf 1 mei 2007;
  b) met betrekking tot de kilometerstand van het voertuig : de kilometerstand van het voertuig heeft 100 000 kilometer niet overschreden.
  1°bis met een periodiciteit van twee jaar, vanaf het ogenblik dat het voertuig vier jaar oud is geworden, wat betreft de koppelingsinrichting vermeld in § 1, 3°, b), zolang het voertuig dat ermee is uitgerust voldoet aan de voorwaarden vermeld onder punt 1°.) <KB 2006-04-26/31, art. 1, 032; Inwerkingtreding : 01-05-2006>
  (1°ter één jaar na de datum van inschrijving met het oog op het opnieuw in verkeer stellen in België van de voertuigen vermeld in § 1, 1°, op voorwaarde dat ze drie jaar oud zijn, en vervolgens om het jaar of om de twee jaar, zolang deze voertuigen voldoen aan de voorwaarden vermeld onder punt 1°;) <KB 2006-04-26/31, art. 1, 032; Inwerkingtreding : 01-05-2006>
  [2 1°quater. één jaar na de laatste periodieke keuring, wat betreft de voertuigen vermeld in paragraaf 1, 1°, die op de datum van deze laatste periodieke keuring vier jaar oud waren, en die onderworpen zijn aan de niet-periodieke keuring bedoeld in artikel 23sexies, paragraaf 1, 3°, en waarvoor een document met als opschrift " Visuele keuring van het voertuig " overeenkomstig artikel 23sexies, paragraaf 4, 3°, is afgeleverd, en daarna jaarlijks of tweejaarlijks, voor zover deze voertuigen voldoen aan de in punt 1° vermelde voorwaarden;]2
  [2 1°quinquies. één jaar na de niet-periodieke keuring bedoeld in artikel 23sexies, paragraaf 1, 3°, wat betreft de voertuigen vermeld in paragraaf 1, 1°, die op de datum van deze niet-periodieke keuring vier jaar oud waren en waarvoor een keuringsbewijs overeenkomstig artikel 23decies, paragraaf 1, is afgeleverd na afloop van deze niet-periodieke keuring, en daarna jaarlijks of tweejaarlijks, voor zover deze voertuigen voldoen aan de in punt 1° vermelde voorwaarden.]2
  [4 1° sexies.Wat de voertuigen betreft van categorieën M2, M3, N en O zoals bedoeld in § 1, 4° tot 7° van dit artikel en die het voorwerp uitmaken van een onderzoek in het kader van de laatste fase van een meerfasentypegoedkeuringsprocedure zoals bedoeld in artikel 13, § 8 van dit besluit, wordt de periodieke keuring vóór de eerste inverkeerstelling gelijktijdig uitgevoerd met het onderzoek uitgevoerd ingevolge de laatste fase van een meerfasentypegoedkeuringsprocedure. De periodieke keuring vóór de eerste inverkeerstelling en het onderzoek uitgevoerd ingevolge de laatste fase van een meerfasentypegoedkeuringsprocedure dienen echter uitgevoerd te worden door een als technische dienst erkende instelling op basis van artikel 16ter van dit besluit en erkend overeenkomstig het koninklijk besluit van 23 december 1994 tot vaststelling van de erkenningsvoorwaarden en de regeling van de administratieve controle van de instellingen belast met de controle van de in het verkeer gebrachte voertuigen.
   De periodieke keuringen vinden vervolgens plaats op de tijdstippen zoals hierna bepaald :
   a) de autobussen en autocars zijn aan de keuring onderworpen drie maand na de eerste in verkeerstelling in België en vervolgens om de drie maand;
   In afwijking van het eerste lid van punt a, zijn de autobussen en autocars, waarvoor bij de laatste periodieke keuring het afgeleverde keuringsbewijs datgene was zoals voorzien in artikel 23decies § 1, om de zes maanden aan een keuring onderworpen.
   Evenwel zijn autobussen en autocars, die niet uitgerust zijn met een remvertrager om de drie maanden aan een remtest onderworpen.
   b) de kraanauto's, kampeeraanhangwagens, bootaanhangwagens en aanhangwagens voor zweefvliegtuigen zijn aan de keuring onderworpen twee jaar na de eerste in verkeerstelling in België en vervolgens om de twee jaar;
   c) [6 de voertuigen die bestemd zijn voor het vervoer van zaken en waarvan de maximaal toegelaten massa groter is dan 3500 kg, zijn aan de periodieke keuring onderworpen een jaar na de eerste inverkeerstelling in België en vervolgens elk jaar;]6
   d) [6 de voertuigen, vermeld in punt 2°, zijn aan een periodieke keuring onderworpen een jaar na de eerste inverkeerstelling in België en vervolgens elk jaar;]6
   e) de andere voertuigen, uitgezonderd de voertuigen voor traag vervoer, zijn aan de keuring onderworpen één jaar na de eerste in verkeerstelling in België en vervolgens om het jaar.]4
  2° [1 met een periodiciteit van [6 een jaar]6 wat betreft de voertuigen waarvoor overeenkomstig onderafdeling 9.1.3 van bijlage B bij het Europees verdrag van 20 september 1957 betreffende het internationaal vervoer van gevaarlijke goederen over de weg (A.D.R.), ondertekend op 30 september 1957 te Genève en goedgekeurd door de wet van 10 augustus 1960, een ADR - keuringsdocument moet worden afgeleverd.]1
  3° met een periodiciteit van zes maand wat betreft :
  a) de autobussen en autocars (...) bij de laatste periodieke keuring het afgeleverde keuringsbewijs datgene was zoals voorzien in artikel 23decies, § 1; <KB 2003-03-17/34, art. 7, 026; Inwerkingtreding : 01-05-2003>
  (Evenwel zijn autobussen en autocars, die niet uitgerust zijn met een remvertrager om de drie maand aan een remtest onderworpen.) <KB 2003-03-17/34, art. 7, 026; Inwerkingtreding : 01-05-2003>
  b) [6 ...]6
  4° [6 ...]6
  [3 5° met een periodiciteit van twee jaar wat betreft de landbouw- en bosbouwtrekkers die behoren tot de voertuigen voor traag vervoer waarvan de maximaal toegelaten massa meer dan 3 500 kg en niet meer dan 7 500 kg bedraagt, met uitzondering van deze die
   - uitsluitend voor professioneel of privaat gebruik in de land-, tuin-, bosbouw of in de visteelt zijn bestemd;
   - door de wegbeheerders of hun aannemers gebruikt worden voor het onderhoud van de omgeving van de wegen of tijdens de winter voor het ruimen van sneeuw of het uitstrooien op de openbare weg van stoffen om het verkeer te beveiligen bij gevaarlijke weersomstandigheden of andere";
   6° met een periodiciteit van een jaar wat betreft de landbouw- en bosbouwtrekkers die behoren tot de voertuigen voor traag vervoer waarvan de maximaal toegelaten massa meer dan 7 500 kg bedraagt, met uitzondering van deze die
   - uitsluitend voor professioneel of privaat gebruik in de land-, tuin-, bosbouw of in de visteelt zijn bestemd;
   - door de wegbeheerders of hun aannemers gebruikt worden voor het onderhoud van de omgeving van de wegen of tijdens de winter voor het ruimen van sneeuw of het uitstrooien op de openbare weg van stoffen om het verkeer te beveiligen bij gevaarlijke weersomstandigheden of andere;]3
  [7 7° de voertuigen, vermeld in artikel 2, § 2, tweede lid, 7°, van dit besluit, die sinds dertig tot vijftig jaar geleden in verkeer werden gesteld, met uitzondering van voertuigen voor traag vervoer en voertuigen uitgerust met rupsbanden, zijn aan de keuring onderworpen vóór de inverkeerstelling onder een van de kentekenplaten, vermeld in artikel 4, § 2, van het ministerieel besluit van 23 juli 2001 betreffende de inschrijving van voertuigen, en vervolgens om de twee jaar;
   8° de voertuigen, vermeld in artikel 2, § 2, tweede lid, 7°, van dit besluit, die sinds meer dan vijftig jaar geleden in verkeer werden gesteld, met uitzondering van voertuigen voor traag vervoer en voertuigen uitgerust met rupsbanden, zijn aan de keuring onderworpen vóór de inverkeerstelling onder een van de kentekenplaten, vermeld in artikel 4, § 2, van het ministerieel besluit van 23 juli 2001 betreffende de inschrijving van voertuigen, en vervolgens om de vijf jaar.]7
  § 3. De voertuigen die overeenkomstig § 1, 1° tot 7° onderworpen zijn aan periodieke keuring en ingeschreven worden op naam van de vorige titularis zonder dat deze laatste in het bezit is van een geldig keuringsbewijs zoals bedoeld in artikel 23novies § 3, dienen te worden vóórgereden voor keuring vooraleer het voertuig in het verkeer wordt gebracht en nadien volgens de periodiciteit die voor de onderscheiden voertuigen bepaald is in § 1, 1° tot 7°.
  § 4. Met het oog op een rationele spreiding van de keuringen in de tijd kan de [5 Vlaamse minister]5, de in § 1, 1°, bedoelde periode van vier jaar volgens door hem vastgestelde criteria met maximaal één maand inkorten of verlengen.
  § 5. De persoon die een voertuig, vermeld in § 2, 2° van dit artikel, ter keuring aanbiedt, verwittigt op het ogenblik van de keuring het station voor autokeuring hiervan.
  [7 § 6. De voertuigen, vermeld in artikel 2, § 2, tweede lid, 7°, die minder dan dertig jaar geleden in verkeer zijn gesteld, met uitzondering van voertuigen voor traag vervoer en voertuigen uitgerust met rupsbanden, worden vóór de dag in 2019 waarop ze respectievelijk zesentwintig, zevenentwintig, achtentwintig of negenentwintig jaar geleden in verkeer zijn gesteld, aangeboden voor periodieke keuring.
   De voertuigen, vermeld in artikel 2, § 2, tweede lid, 7°, die ten minste dertig jaar geleden in verkeer zijn gesteld, met uitzondering van voertuigen voor traag vervoer en voertuigen uitgerust met rupsbanden, worden vóór de dag in 2020 waarop ze dertig jaar of meer geleden in verkeer zijn gesteld, aangeboden voor periodieke keuring.
   De voertuigen in deze paragraaf worden geacht in verkeer te zijn gesteld op de datum van eerste inschrijving van het voertuig in België of in het buitenland, of op de vermoedelijke datum van eerste ingebruikname in gevallen waarin deze verschilt van de datum van eerste inschrijving.]7
  
----------
  (1)<KB 2009-05-20/06, art. 1, 044; Inwerkingtreding : 01-07-2009>
  (2)<KB 2011-06-01/01, art. 3, 052; Inwerkingtreding : 14-08-2011>
  (3)<KB 2014-03-19/22, art. 1, 065; Inwerkingtreding : 01-05-2014>
  (4)<KB 2014-04-19/04, art. 1, 066; Inwerkingtreding : 01-08-2014>
  (5)<BVR 2015-07-10/11, art. 17, 067; Inwerkingtreding : 04-09-2015>
  (6)<BVR 2017-01-20/23, art. 2, 072; Inwerkingtreding : 01-03-2017>
  (7)<BVR 2018-04-27/14, art. 5, 081; Inwerkingtreding : 20-05-2018>

  Art. 23quater. <Ingevoegd bij KB 1998-12-15/32, art. 9; Inwerkingtreding : 01-01-1999> § 1. De periodieke keuringen moeten plaats vinden in de periode van twee maanden die de in artikel 23ter vermelde data voorafgaan.
  Voor de voertuigen die onderworpen zijn aan een periodiciteit van zes maand of minder wordt deze periode teruggebracht tot één maand.
  § 2. Het laattijdig aanbieden van een voertuig voor keuring mag geen wijzigingen van de periodiciteit tot gevolg hebben.
  § 3. De gebruiker kan zijn voertuig voor de periodieke keuring op een vroegere datum aanbieden, dan deze voorzien in § 1. In dit geval begint de geldigheidsperiode, zoals vastgesteld in artikel 23ter, te lopen vanaf de datum dat het voertuig aangeboden is.
  (§ 4. Wanneer een voertuig zich in het buitenland, in een lid-Staat van de Europese Unie bevindt, laat de houder het voertuig keuren door een instelling die daartoe door de overheid van het betrokken land erkend is, ten einde de termijn zoals bepaald in artikel 23ter, te eerbiedigen.
  In ieder geval, wordt het voertuig wanneer het terug naar België komt, zo vlug mogelijk gekeurd om zijn toestand te regulariseren.) <KB 2003-03-17/34, art. 8, 026; Inwerkingtreding : 01-05-2003>

  Art. 23quater_VLAAMS_GEWEST.
   <Ingevoegd bij KB 1998-12-15/32, art. 9; Inwerkingtreding : 01-01-1999> § 1. De periodieke keuringen moeten plaats vinden in de periode van twee maanden die de in artikel 23ter vermelde data voorafgaan.
  Voor de voertuigen die onderworpen zijn aan een periodiciteit van zes maand of minder wordt deze periode teruggebracht tot één maand.
  § 2. Het laattijdig aanbieden van een voertuig voor keuring mag geen wijzigingen van de periodiciteit tot gevolg hebben.
  § 3. De gebruiker kan zijn voertuig voor de periodieke keuring op een vroegere datum aanbieden, dan deze voorzien in § 1. In dit geval begint de geldigheidsperiode, zoals vastgesteld in artikel 23ter, te lopen vanaf de datum dat het voertuig aangeboden is.
  (§ 4. Wanneer een voertuig zich in het buitenland, in een lid-Staat van de [1 Europese Economische Ruimte]1 bevindt, laat de houder het voertuig keuren door een instelling die daartoe door de overheid van het betrokken land erkend is, ten einde de termijn zoals bepaald in artikel 23ter, te eerbiedigen.
  In ieder geval, wordt het voertuig wanneer het terug naar België komt, zo vlug mogelijk gekeurd om zijn toestand te regulariseren.) <KB 2003-03-17/34, art. 8, 026; Inwerkingtreding : 01-05-2003>
  

  ----------
  (1)<BVR 2018-04-27/14, art. 6, 081; Inwerkingtreding : 20-05-2018>
  

  Art. 23quinquies. <Ingevoegd bij KB 1998-12-15/32, art. 10; Inwerkingtreding : 01-01-1999> De artikels 23ter, § 1, 4° tot 7° en 23sexies § 1, 5° zijn niet van toepassing indien het voertuig nog over een geldig keuringsbewijs beschikt zoals bedoeld in artikel 23novies, § 3 en het een opnieuw in verkeer stellen betreft ten gevolge van een inschrijving van het voertuig op naam van de andere echtgenoot (of de andere wettelijk samenwonende) of op naam van één van hun kinderen. <KB 2003-03-17/34, art. 9, 026; Inwerkingtreding : 01-05-2003>
  In dit geval blijft de periodiciteit van de keuring behouden, maar wordt een administratieve keuring uitgevoerd vóór de inschrijving indien de toekomstige titularis niet de intentie heeft om de oude nummerplaat op zijn naam over te brengen.

  Art. 23quinquies_WAALS_GEWEST.
   <Ingevoegd bij KB 1998-12-15/32, art. 10; Inwerkingtreding : 01-01-1999> De[1 artikelen 23ter, § 1, 4° tot 8°]1en 23sexies § 1, 5° zijn niet van toepassing indien het voertuig nog over een geldig keuringsbewijs beschikt zoals bedoeld in artikel 23novies, § 3 en het een opnieuw in verkeer stellen betreft ten gevolge van een inschrijving van het voertuig op naam van de andere echtgenoot (of de andere wettelijk samenwonende) of op naam van één van hun kinderen. <KB 2003-03-17/34, art. 9, 026; Inwerkingtreding : 01-05-2003>
  In dit geval blijft de periodiciteit van de keuring behouden, maar wordt een administratieve keuring uitgevoerd vóór de inschrijving indien de toekomstige titularis niet de intentie heeft om de oude nummerplaat op zijn naam over te brengen.

  ----------
  (1)<BWG 2018-05-17/18, art. 19, 083; Inwerkingtreding : 20-05-2018>
  

  Art. 23quinquies_BRUSSELS_HOOFDSTEDELIJK_GEWEST.
   <Ingevoegd bij KB 1998-12-15/32, art. 10; Inwerkingtreding : 01-01-1999> De artikels [1 artikelen 23ter, § 1, 1° tot 8°]1 en 23sexies § 1, 5° zijn niet van toepassing indien het voertuig nog over een geldig keuringsbewijs beschikt zoals bedoeld in artikel 23novies, § 3 en het een opnieuw in verkeer stellen betreft ten gevolge van een inschrijving van het voertuig op naam van de andere echtgenoot (of de andere wettelijk samenwonende) of op naam van één van hun kinderen. <KB 2003-03-17/34, art. 9, 026; Inwerkingtreding : 01-05-2003>
  In dit geval blijft de periodiciteit van de keuring behouden, maar wordt een administratieve keuring uitgevoerd vóór de inschrijving indien de toekomstige titularis niet de intentie heeft om de oude nummerplaat op zijn naam over te brengen.

  ----------
  (1)<BESL 2018-11-29/02, art. 20, 082; Inwerkingtreding : 01-12-2018>
  

  Art. 23quinquies_VLAAMS_GEWEST.
   <Ingevoegd bij KB 1998-12-15/32, art. 10; Inwerkingtreding : 01-01-1999> De artikels 23ter, § 1, 4° tot 7° [1 , § 2, 7° en 8°,]1 en 23sexies § 1, 5° zijn niet van toepassing indien het voertuig nog over een geldig keuringsbewijs beschikt zoals bedoeld in artikel 23novies, § 3 en het een opnieuw in verkeer stellen betreft ten gevolge van een inschrijving van het voertuig op naam van de andere echtgenoot (of de andere wettelijk samenwonende) of op naam van één van hun kinderen. <KB 2003-03-17/34, art. 9, 026; Inwerkingtreding : 01-05-2003>
  In dit geval blijft de periodiciteit van de keuring behouden, maar wordt een administratieve keuring uitgevoerd vóór de inschrijving indien de toekomstige titularis niet de intentie heeft om de oude nummerplaat op zijn naam over te brengen.

  ----------
  (1)<BVR 2018-04-27/14, art. 7, 081; Inwerkingtreding : 20-05-2018>
  

  Art. 23sexies.<Ingevoegd bij KB 1998-12-15/32, art. 11; Inwerkingtreding : 01-01-1999> § 1. Ongeacht de regels betreffende de periodieke keuringen, zijn niet-periodieke keuringen verplicht :
  1° op elk verzoek van een bevoegde persoon;
  2° vóór de datum van opnieuw in het verkeer brengen, zowel op naam van dezelfde titularis als op naam van een nieuwe titularis, van elk voertuig :
  a) waarvan het keuringsbewijs werd ingetrokken door een bevoegde persoon bij de vaststelling van een overtreding op de bepalingen van dit besluit;
  b) dat een wijziging of verbouwing heeft ondergaan die betrekking heeft op het chassis, het koetswerk of op de uitrusting, met een wijziging van de technische kenmerken van het voertuig tot gevolg;
  c) waarvan het ingeslagen chassisnummer verduidelijkt, uitgewist of gewijzigd werd;
  d) dat, tengevolge van een ongeval, beschadigingen aan het chassis, de stuurinrichting, de ophanging of de reminrichting vertoont of dat een volledig verlies ondergaan heeft;
  (Deze keuring omvat een volledige keuring voor alle voertuigen en daarenboven een keuring van wiel- en chassisgeometrie voor voertuigen van categorieën M1 en N1.) <KB 2003-03-17/34, art. 10, 026; Inwerkingtreding : 01-05-2003>
  3° (vóór de inschrijving op naam van een andere titularis, voor de voertuigen van de categorieën M1, met inbegrip van kampeervoertuigen (VC en kampeervoertuigen van de categorie M1), en N1, met inbegrip van lijkauto's.
  Indien deze titularis echter de andere echtgenoot of de andere wettelijk samenwonende van de vorige titularis is of één van hun kinderen, wordt geen keuring uitgevoerd indien de toekomstige titularis de intentie heeft de oude kentekenplaat [1 die voldoet aan de bepalingen getroffen in uitvoering van artikel 21 van het koninklijk besluit van 20 juli 2001 betreffende de inschrijving van voertuigen,]1 op zijn naam over te brengen; indien hij deze overdracht niet wenst, wordt enkel een administratieve keuring vóór de inschrijving uitgevoerd.) <KB 2006-04-26/31, art. 2, 032; Inwerkingtreding : 15-11-2006>
  4° indien de herkeuring niet heeft plaatsgehad binnen de termijn bedoeld in artikel 23septies, § 2;
  5° vóór de datum van eerste in verkeerstelling of de datum van opnieuw in verkeer stellen van voertuigen voor traag vervoer.
  [1 6° voor de inschrijving onder een kentekenplaat waarvan de groep letters niet begint met " O " op naam van dezelfde titularis, van de voertuigen die vallen onder de bepalingen van artikel 2, § 2, 7°.]1
  § 2. (De gebruikte voertuigen van de categorieen M2, M3, N2, N3, O2, O3 en O4, zoals gedefinieerd in artikel 1, zijn onderworpen aan een administratieve keuring vóór de inschrijving, met het oog op het aanvullen van het formulier tot aanvraag om inschrijving door een erkende keuringsinstelling.) <KB 2006-04-26/31, art. 2, 032; Inwerkingtreding : 15-11-2006>
  De periode van geldigheid van dat formulier is twee maanden.
  § 3. [4 De auto-expert in de zin van de wet van 15 mei 2007 tot erkenning en bescherming van het beroep van auto-expert en tot oprichting van een Instituut van de auto-experts of elk bevoegde persoon die vaststelt dat een voertuig de beschadigingen of het verlies vermeld in § 1, 2°, d), van dit artikel heeft ondergaan, moet dit melden bij de Federaal Overheidsdienst Mobiliteit en Vervoer.]4
  § 4. [2 1° [4 Voor de niet-periodieke keuring vermeld in paragraaf 1, 3°, moet het voertuig worden aangeboden met het voor dit voertuig laatst afgeleverd kentekenbewijs en met ofwel de overeenkomstige kentekenplaat, ofwel met een commerciële plaat en het bijhorende kentekenbewijs, ofwel met een andere kentekenplaat, op voorwaarde dat de houder van deze kentekenplaat ook als houder op de aanvraag om inschrijving van het aangeboden voertuig, en op het bijhorende kentekenbewijs is vermeld.]4
   2° In afwijking van artikel 23bis, paragraaf 4, betreft de niet-periodieke keuring vermeld in paragraaf 1, 3°, uitsluitend de in bijlage 41 bedoelde punten.
   Voor wat betreft de diagnosepunten wordt het resultaat van deze keuring gedetailleerd beschreven in een tweedehandsrapport dat samen met het keuringsbewijs wordt afgeleverd.
   3° [3 In afwijking van punt 2 en artikel 23bis, paragraaf 4, beperkt de niet-periodieke keuring vermeld in paragraaf 1, 3°, zich tot een visuele keuring van de technische staat van het voertuig, indien het voertuig beschikt over een keuringsbewijs overeenkomstig artikel 23decies, paragraaf 1, afgeleverd minder dan twee maanden te rekenen vanaf het ogenblik waarop het voertuig voor deze niet-periodieke keuring wordt aangeboden of, voor een in België ingevoerd voertuig dat eerder in een andere Lidstaat van de Europese Unie was ingeschreven, over een keuringsbewijs afgeleverd door de bevoegde overheden van die Lidstaat dat bewijst dat, minder dan twee maanden vóór de niet-periodieke keuring bedoeld in paragraaf 1, 3°, het voertuig met succes een keuring heeft ondergaan waarbij minstens de bepalingen van Richtlijn 2009/40/EG van het Europees Parlement en de Raad van 6 mei 2009 betreffende de technische controle van motorvoertuigen en aanhangwagens in acht zijn genomen.
   Wanneer na afloop van deze visuele keuring wordt vastgesteld dat het voertuig noch technische gebreken, noch tekortkomingen ten opzichte van de reglementaire bepalingen vertoont, wordt een document met als titel "Visuele keuring van het voertuig" afgeleverd. Voor wat betreft de diagnosepunten wordt het resultaat van deze keuring gedetailleerd beschreven in een tweedehandsrapport dat samen met "Visuele keuring van het voertuig" wordt afgeleverd.
   Indien na afloop van deze visuele keuring het voertuig daarentegen technische gebreken of tekortkomingen ten opzichte van de reglementaire bepalingen vertoont, wordt het voertuig onmiddellijk opnieuw onderworpen aan de keuring volgens bijlage 41.
   Het document "Visuele keuring van het voertuig" bedoeld in het tweede lid vermeldt de gegevens opgenomen in artikel 23novies, paragraaf 3, tweede lid, punten 1° tot 9°, uitgezonderd de vervaldatum van het keuringsbewijs. Wanneer dit document wordt aangehecht aan het keuringsbewijs afgeleverd door een andere Lidstaat, herneemt deze de geldigheidsdatum van het buitenlands keuringsbewijs, die echter de maximale Belgische periodiciteit niet mag overschrijden.]3
   Naast de in het vorige lid opgenomen gegevens vermeldt het document met als opschrift " Visuele keuring van het voertuig " ook de voorziene datum voor de volgende periodieke keuring als bepaald in artikel 23ter.
   Het document met als opschrift " Visuele keuring van het voertuig " moet altijd het in het eerste lid bedoelde keuringsbewijs, waarop het keuringsstation dat de visuele keuring van de technische staat van het voertuig heeft uitgevoerd, de onuitwisbare vermelding " NIET GELDIG ZONDER HET DOCUMENT " VISUELE KEURING VAN HET VOERTUIG ". HET VOERTUIG MOET VOOR EEN PERIODIEKE KEURING VOORGEREDEN WORDEN : ZIE DATUM OP DOCUMENT " VISUELE KEURING VAN HET VOERTUIG " " aanbrengt, vergezellen.
   4° De inschrijvingsaanvraag wordt geldig verklaard op voorwaarde dat na afloop van de vereiste keuringen op basis van punt 2° of 3°, al naargelang de uitgevoerde keuring, ofwel een keuringsbewijs overeenkomstig artikel 23decies, paragraaf 1, ofwel een document " Visuele keuring van het voertuig " overeenkomstig punt 3° wordt afgeleverd.]2
  § 5. De niet-periodieke keuring wordt vervangen door een administratieve keuring wanneer het voertuig opnieuw in het verkeer wordt gebracht onder handelaarsplaat.
  ----------
  (1)<KB 2010-09-28/20, art. 2, 049; Inwerkingtreding : 15-11-2010>
  (2)<KB 2011-06-01/01, art. 4, 052; Inwerkingtreding : 14-08-2011>
  (3)<KB 2013-09-06/08, art. 4, 058; Inwerkingtreding : 30-09-2013>
  (4)<KB 2014-04-04/12, art. 1, 064; Inwerkingtreding : 01-05-2014>

  Art. 23sexies_WAALS_GEWEST.
   <Ingevoegd bij KB 1998-12-15/32, art. 11; Inwerkingtreding : 01-01-1999> § 1. Ongeacht de regels betreffende de periodieke keuringen, zijn niet-periodieke keuringen verplicht :
  1° op elk verzoek van een bevoegde persoon;
  2° vóór de datum van opnieuw in het verkeer brengen, zowel op naam van dezelfde titularis als op naam van een nieuwe titularis, van elk voertuig :
  a) waarvan het keuringsbewijs werd ingetrokken door een bevoegde persoon bij de vaststelling van een overtreding op de bepalingen van dit besluit;
  b) dat een wijziging of verbouwing heeft ondergaan die betrekking heeft op het chassis, het koetswerk of op de uitrusting, met een wijziging van de technische kenmerken van het voertuig tot gevolg;
  c) waarvan het ingeslagen chassisnummer verduidelijkt, uitgewist of gewijzigd werd;
  d) dat, tengevolge van een ongeval, beschadigingen aan het chassis, de stuurinrichting, de ophanging of de reminrichting vertoont of dat een volledig verlies ondergaan heeft;
  (Deze keuring omvat een volledige keuring voor alle voertuigen en daarenboven een keuring van wiel- en chassisgeometrie voor voertuigen van categorieën M1 en N1.) <KB 2003-03-17/34, art. 10, 026; Inwerkingtreding : 01-05-2003>
  3° (vóór de inschrijving op naam van een andere titularis, voor de voertuigen van de categorieën M1, met inbegrip van kampeervoertuigen (VC en kampeervoertuigen van de categorie M1), en N1, met inbegrip van lijkauto's.
  Indien deze titularis echter de andere echtgenoot of de andere wettelijk samenwonende van de vorige titularis is of één van hun kinderen, wordt geen keuring uitgevoerd indien de toekomstige titularis de intentie heeft de oude kentekenplaat [1 die voldoet aan de bepalingen getroffen in uitvoering van artikel 21 van het koninklijk besluit van 20 juli 2001 betreffende de inschrijving van voertuigen,]1 op zijn naam over te brengen; indien hij deze overdracht niet wenst, wordt enkel een administratieve keuring vóór de inschrijving uitgevoerd.) <KB 2006-04-26/31, art. 2, 032; Inwerkingtreding : 15-11-2006>
  4° indien de herkeuring niet heeft plaatsgehad binnen de termijn bedoeld in artikel 23septies, § 2;
  5° vóór de datum van eerste in verkeerstelling of de datum van opnieuw in verkeer stellen van voertuigen voor traag vervoer.
  [1 6° voor de inschrijving onder een kentekenplaat waarvan de groep letters niet begint met " O " op naam van dezelfde titularis, van de voertuigen die vallen onder de bepalingen van artikel 2, § 2, 7°.]1
  § 2. (De gebruikte voertuigen van de categorieen M2, M3, N2, N3, O2, O3 en O4, zoals gedefinieerd in artikel 1, zijn onderworpen aan een administratieve keuring vóór de inschrijving, met het oog op het aanvullen van het formulier tot aanvraag om inschrijving door een erkende keuringsinstelling.) <KB 2006-04-26/31, art. 2, 032; Inwerkingtreding : 15-11-2006>
  De periode van geldigheid van dat formulier is twee maanden.
  § 3. [4 De auto-expert in de zin van de wet van 15 mei 2007 tot erkenning en bescherming van het beroep van auto-expert en tot oprichting van een Instituut van de auto-experts of elk bevoegde persoon die vaststelt dat een voertuig de beschadigingen of het verlies vermeld in § 1, 2°, d), van dit artikel heeft ondergaan, moet dit melden bij de Federaal Overheidsdienst Mobiliteit en Vervoer.]4
  § 4. [2 1° [4 [5 Voor de niet-periodieke keuring vermeld in § 1, 3°, moet het voertuig worden aangeboden met het voor dit voertuig laatst afgeleverd kentekenbewijs en met een kentekenplaat waarvan de minister of diens afgevaardigde de eigenschappen en de desbetreffende dekking van de burgerlijke aansprakelijkheid bepaalt.]5.]4
   2° In afwijking van artikel 23bis, paragraaf 4, betreft de niet-periodieke keuring vermeld in paragraaf 1, 3°, uitsluitend de in bijlage 41 bedoelde punten.
   Voor wat betreft de diagnosepunten wordt het resultaat van deze keuring gedetailleerd beschreven in een tweedehandsrapport dat samen met het keuringsbewijs wordt afgeleverd.
   3° [3 In afwijking van punt 2 en artikel 23bis, paragraaf 4, beperkt de niet-periodieke keuring vermeld in paragraaf 1, 3°, zich tot een visuele keuring van de technische staat van het voertuig, indien het voertuig beschikt over een keuringsbewijs overeenkomstig artikel 23decies, paragraaf 1, afgeleverd minder dan twee maanden te rekenen vanaf het ogenblik waarop het voertuig voor deze niet-periodieke keuring wordt aangeboden of, voor een in België ingevoerd voertuig dat eerder in een andere Lidstaat van de Europese Unie was ingeschreven, over een keuringsbewijs afgeleverd door de bevoegde overheden van die Lidstaat dat bewijst dat, minder dan twee maanden vóór de niet-periodieke keuring bedoeld in paragraaf 1, 3°, het voertuig met succes een keuring heeft ondergaan waarbij minstens de bepalingen van Richtlijn 2009/40/EG van het Europees Parlement en de Raad van 6 mei 2009 betreffende de technische controle van motorvoertuigen en aanhangwagens in acht zijn genomen.
   Wanneer na afloop van deze visuele keuring wordt vastgesteld dat het voertuig noch technische gebreken, noch tekortkomingen ten opzichte van de reglementaire bepalingen vertoont, wordt een document met als titel "Visuele keuring van het voertuig" afgeleverd. Voor wat betreft de diagnosepunten wordt het resultaat van deze keuring gedetailleerd beschreven in een tweedehandsrapport dat samen met "Visuele keuring van het voertuig" wordt afgeleverd.
   Indien na afloop van deze visuele keuring het voertuig daarentegen technische gebreken of tekortkomingen ten opzichte van de reglementaire bepalingen vertoont, wordt het voertuig onmiddellijk opnieuw onderworpen aan de keuring volgens bijlage 41.
   Het document "Visuele keuring van het voertuig" bedoeld in het tweede lid vermeldt de gegevens opgenomen in artikel 23novies, paragraaf 3, tweede lid, punten 1° tot 9°, uitgezonderd de vervaldatum van het keuringsbewijs. Wanneer dit document wordt aangehecht aan het keuringsbewijs afgeleverd door een andere Lidstaat, herneemt deze de geldigheidsdatum van het buitenlands keuringsbewijs, die echter de maximale [5 ...]5 periodiciteit niet mag overschrijden.]3
   Naast de in het vorige lid opgenomen gegevens vermeldt het document met als opschrift " Visuele keuring van het voertuig " ook de voorziene datum voor de volgende periodieke keuring als bepaald in artikel 23ter.
   Het document met als opschrift " Visuele keuring van het voertuig " moet altijd het in het eerste lid bedoelde keuringsbewijs, waarop het keuringsstation dat de visuele keuring van de technische staat van het voertuig heeft uitgevoerd, de onuitwisbare vermelding " NIET GELDIG ZONDER HET DOCUMENT " VISUELE KEURING VAN HET VOERTUIG ". HET VOERTUIG MOET VOOR EEN PERIODIEKE KEURING VOORGEREDEN WORDEN : ZIE DATUM OP DOCUMENT " VISUELE KEURING VAN HET VOERTUIG " " aanbrengt, vergezellen.
   4° De inschrijvingsaanvraag wordt geldig verklaard op voorwaarde dat na afloop van de vereiste keuringen op basis van punt 2° of 3°, al naargelang de uitgevoerde keuring, ofwel een keuringsbewijs overeenkomstig artikel 23decies, paragraaf 1, ofwel een document " Visuele keuring van het voertuig " overeenkomstig punt 3° wordt afgeleverd.]2
  § 5. De niet-periodieke keuring wordt vervangen door een administratieve keuring wanneer het voertuig opnieuw in het verkeer wordt gebracht onder handelaarsplaat.
  
----------
  (1)<KB 2010-09-28/20, art. 2, 049; Inwerkingtreding : 15-11-2010>
  (2)<KB 2011-06-01/01, art. 4, 052; Inwerkingtreding : 14-08-2011>
  (3)<KB 2013-09-06/08, art. 4, 058; Inwerkingtreding : 30-09-2013>
  (4)<KB 2014-04-04/12, art. 1, 064; Inwerkingtreding : 01-05-2014>
  (5)<BWG 2018-05-17/18, art. 20, 083; Inwerkingtreding : 20-05-2018>
  

  Art. 23sexies_BRUSSELS_HOOFDSTEDELIJK_GEWEST.
   <Ingevoegd bij KB 1998-12-15/32, art. 11; Inwerkingtreding : 01-01-1999> § 1. Ongeacht de regels betreffende de periodieke keuringen, zijn niet-periodieke keuringen verplicht :
  1° op elk verzoek van een bevoegde persoon;
  2° vóór de datum van opnieuw in het verkeer brengen, zowel op naam van dezelfde titularis als op naam van een nieuwe titularis, van elk voertuig :
  a) waarvan het keuringsbewijs werd ingetrokken door een bevoegde persoon bij de vaststelling van een overtreding op de bepalingen van dit besluit;
  b) dat een wijziging of verbouwing heeft ondergaan die betrekking heeft op het chassis, het koetswerk of op de uitrusting, met een wijziging van de technische kenmerken van het voertuig tot gevolg;
  c) waarvan het ingeslagen chassisnummer verduidelijkt, uitgewist of gewijzigd werd;
  d) dat, tengevolge van een ongeval, beschadigingen aan het chassis, de stuurinrichting, de ophanging of de reminrichting vertoont of dat een volledig verlies ondergaan heeft;
  (Deze keuring omvat een volledige keuring voor alle voertuigen en daarenboven een keuring van wiel- en chassisgeometrie voor voertuigen van categorieën M1 en N1.) <KB 2003-03-17/34, art. 10, 026; Inwerkingtreding : 01-05-2003>
  3° (vóór de inschrijving op naam van een andere titularis, voor de voertuigen van de categorieën M1, met inbegrip van kampeervoertuigen (VC en kampeervoertuigen van de categorie M1), en N1, met inbegrip van lijkauto's.
  Indien deze titularis echter de andere echtgenoot of de andere wettelijk samenwonende van de vorige titularis is of één van hun kinderen, wordt geen keuring uitgevoerd indien de toekomstige titularis de intentie heeft de oude kentekenplaat [1 die voldoet aan de bepalingen getroffen in uitvoering van artikel 21 van het koninklijk besluit van 20 juli 2001 betreffende de inschrijving van voertuigen,]1 op zijn naam over te brengen; indien hij deze overdracht niet wenst, wordt enkel een administratieve keuring vóór de inschrijving uitgevoerd.) [5 Als de titularis onder een van de categorieën personen, vermeld in artikel 5, § 1, 10°, 11°, 12° of 13°, van het koninklijk besluit van 20 juli 2001 betreffende de inschrijving van voertuigen, valt, wordt geen keuring uitgevoerd als er een geldig keuringsbewijs bestaat, waarvan de geldigheidsduur de volledige geldigheidsduur van de transit exportkentekenplaat dekt, als de eerste controledatum niet wordt bereikt gedurende de volledige geldigheidsduur van de transit exportkentekenplaat of als er een vrijstelling van de keuringsplicht van toepassing is.]5 <KB 2006-04-26/31, art. 2, 032; Inwerkingtreding : 15-11-2006>
  4° indien de herkeuring niet heeft plaatsgehad binnen de termijn bedoeld in artikel 23septies, § 2;
  5° vóór de datum van eerste in verkeerstelling of de datum van opnieuw in verkeer stellen van voertuigen voor traag vervoer.
  [1 6° voor de inschrijving onder een kentekenplaat waarvan de groep letters niet begint met " O " op naam van dezelfde titularis, van de voertuigen die vallen onder de bepalingen van artikel 2, § 2, 7°.]1
  § 2. (De gebruikte voertuigen van de categorieen M2, M3, N2, N3, O2, O3 en O4, zoals gedefinieerd in artikel 1, zijn onderworpen aan een administratieve keuring vóór de inschrijving, met het oog op het aanvullen van het formulier tot aanvraag om inschrijving door een erkende keuringsinstelling.) <KB 2006-04-26/31, art. 2, 032; Inwerkingtreding : 15-11-2006>
  De periode van geldigheid van dat formulier is twee maanden.
  § 3. [4 De auto-expert in de zin van de wet van 15 mei 2007 tot erkenning en bescherming van het beroep van auto-expert en tot oprichting van een Instituut van de auto-experts of elk bevoegde persoon die vaststelt dat een voertuig de beschadigingen of het verlies vermeld in § 1, 2°, d), van dit artikel heeft ondergaan, moet dit melden bij de [5 Brussel Mobiliteit]5.]4
  § 4. [2 1° [4 Voor de niet-periodieke keuring vermeld in paragraaf 1, 3°, moet het voertuig worden aangeboden met het voor dit voertuig laatst afgeleverd kentekenbewijs en met ofwel de overeenkomstige kentekenplaat, ofwel met een commerciële plaat en het bijhorende kentekenbewijs, ofwel met een andere kentekenplaat, op voorwaarde dat de houder van deze kentekenplaat ook als houder op de aanvraag om inschrijving van het aangeboden voertuig, en op het bijhorende kentekenbewijs is vermeld.]4
   2° In afwijking van artikel 23bis, paragraaf 4, betreft de niet-periodieke keuring vermeld in paragraaf 1, 3°, uitsluitend de in bijlage 41 bedoelde punten.
   Voor wat betreft de diagnosepunten wordt het resultaat van deze keuring gedetailleerd beschreven in een tweedehandsrapport dat samen met het keuringsbewijs wordt afgeleverd.
   3° [3 In afwijking van punt 2 en artikel 23bis, paragraaf 4, beperkt de niet-periodieke keuring vermeld in paragraaf 1, 3°, zich tot een visuele keuring van de technische staat van het voertuig, indien het voertuig beschikt over een keuringsbewijs overeenkomstig artikel 23decies, paragraaf 1, afgeleverd minder dan twee maanden te rekenen vanaf het ogenblik waarop het voertuig voor deze niet-periodieke keuring wordt aangeboden of, voor een in België ingevoerd voertuig dat eerder in een andere Lidstaat van de [5 Europese Economische Ruimte]5 was ingeschreven, over een keuringsbewijs afgeleverd door de bevoegde overheden van die Lidstaat dat bewijst dat, minder dan twee maanden vóór de niet-periodieke keuring bedoeld in paragraaf 1, 3°, het voertuig met succes een keuring heeft ondergaan waarbij minstens de bepalingen van [5 richtlijn 2014/45/EU van het Europees Parlement en de Raad van 3 april 2014 betreffende de periodieke technische controle van motorvoertuigen en aanhangwagens en tot intrekking van Richtlijn 2009/40/EG]5 in acht zijn genomen.
   Wanneer na afloop van deze visuele keuring wordt vastgesteld dat het voertuig noch technische gebreken, noch tekortkomingen ten opzichte van de reglementaire bepalingen vertoont, wordt een document met als titel "Visuele keuring van het voertuig" afgeleverd. Voor wat betreft de diagnosepunten wordt het resultaat van deze keuring gedetailleerd beschreven in een tweedehandsrapport dat samen met "Visuele keuring van het voertuig" wordt afgeleverd.
   Indien na afloop van deze visuele keuring het voertuig daarentegen technische gebreken of tekortkomingen ten opzichte van de reglementaire bepalingen vertoont, wordt het voertuig onmiddellijk opnieuw onderworpen aan de keuring volgens bijlage 41.
   Het document "Visuele keuring van het voertuig" bedoeld in het tweede lid vermeldt de gegevens opgenomen in artikel 23novies, paragraaf 3, tweede lid, punten 1° tot 9°, uitgezonderd de vervaldatum van het keuringsbewijs. Wanneer dit document wordt aangehecht aan het keuringsbewijs afgeleverd door een andere Lidstaat, herneemt deze de geldigheidsdatum van het buitenlands keuringsbewijs, die echter de maximale [5 ...]5 periodiciteit niet mag overschrijden.]3
   Naast de in het vorige lid opgenomen gegevens vermeldt het document met als opschrift " Visuele keuring van het voertuig " ook de voorziene datum voor de volgende periodieke keuring als bepaald in artikel 23ter.
   Het document met als opschrift " Visuele keuring van het voertuig " moet altijd het in het eerste lid bedoelde keuringsbewijs, waarop het keuringsstation dat de visuele keuring van de technische staat van het voertuig heeft uitgevoerd, de onuitwisbare vermelding " NIET GELDIG ZONDER HET DOCUMENT " VISUELE KEURING VAN HET VOERTUIG ". HET VOERTUIG MOET VOOR EEN PERIODIEKE KEURING VOORGEREDEN WORDEN : ZIE DATUM OP DOCUMENT " VISUELE KEURING VAN HET VOERTUIG " " aanbrengt, vergezellen.
   4° De inschrijvingsaanvraag wordt geldig verklaard op voorwaarde dat na afloop van de vereiste keuringen op basis van punt 2° of 3°, al naargelang de uitgevoerde keuring, ofwel een keuringsbewijs overeenkomstig artikel 23decies, paragraaf 1, ofwel een document " Visuele keuring van het voertuig " overeenkomstig punt 3° wordt afgeleverd.]2
  § 5. De niet-periodieke keuring wordt vervangen door een administratieve keuring wanneer het voertuig opnieuw in het verkeer wordt gebracht onder handelaarsplaat.
  
----------
  (1)<KB 2010-09-28/20, art. 2, 049; Inwerkingtreding : 15-11-2010>
  (2)<KB 2011-06-01/01, art. 4, 052; Inwerkingtreding : 14-08-2011>
  (3)<KB 2013-09-06/08, art. 4, 058; Inwerkingtreding : 30-09-2013>
  (4)<KB 2014-04-04/12, art. 1, 064; Inwerkingtreding : 01-05-2014>
  (5)<BESL 2018-11-29/02, art. 21, 082; Inwerkingtreding : 01-12-2018>
  

  Art. 23sexies_VLAAMS_GEWEST.
   <Ingevoegd bij KB 1998-12-15/32, art. 11; Inwerkingtreding : 01-01-1999> § 1. Ongeacht de regels betreffende de periodieke keuringen, zijn niet-periodieke keuringen verplicht :
  1° op elk verzoek van een bevoegde persoon;
  2° vóór de datum van opnieuw in het verkeer brengen, zowel op naam van dezelfde titularis als op naam van een nieuwe titularis, van elk voertuig :
  a) waarvan het keuringsbewijs werd ingetrokken door een bevoegde persoon bij de vaststelling van een overtreding op de bepalingen van dit besluit;
  b) dat een wijziging of verbouwing heeft ondergaan die betrekking heeft op het chassis, het koetswerk of op de uitrusting, met een wijziging van de technische kenmerken van het voertuig tot gevolg;
  c) waarvan het ingeslagen chassisnummer verduidelijkt, uitgewist of gewijzigd werd;
  d) dat, tengevolge van een ongeval, beschadigingen aan het chassis, de stuurinrichting, de ophanging of de reminrichting vertoont of dat een volledig verlies ondergaan heeft;
  (Deze keuring omvat een volledige keuring voor alle voertuigen en daarenboven een keuring van wiel- en chassisgeometrie voor voertuigen van categorieën M1 en N1.) <KB 2003-03-17/34, art. 10, 026; Inwerkingtreding : 01-05-2003>
  3° (vóór de inschrijving op naam van een andere titularis, voor de voertuigen van de categorieën M1, met inbegrip van kampeervoertuigen (VC en kampeervoertuigen van de categorie M1), en N1, met inbegrip van lijkauto's.
  Indien deze titularis echter de andere echtgenoot of de andere wettelijk samenwonende van de vorige titularis is of één van hun kinderen, wordt geen keuring uitgevoerd indien de toekomstige titularis de intentie heeft de oude kentekenplaat [1 die voldoet aan de bepalingen getroffen in uitvoering van artikel 21 van het koninklijk besluit van 20 juli 2001 betreffende de inschrijving van voertuigen,]1 op zijn naam over te brengen; indien hij deze overdracht niet wenst, wordt enkel een administratieve keuring vóór de inschrijving uitgevoerd.) <KB 2006-04-26/31, art. 2, 032; Inwerkingtreding : 15-11-2006>
  [6 Als de titularis onder een van de personen, vermeld in artikel 5, § 1, 10°, 11°, 12° of 13°, van het koninklijk besluit van 20 juli 2001 betreffende de inschrijving van voertuigen, valt, wordt geen keuring uitgevoerd als er een geldig keuringsbewijs voorhanden is waarvan de geldigheidsduur de volledige geldigheidsduur van de transit exportkentekenplaat dekt, als de eerste controledatum niet wordt bereikt gedurende de volledige geldigheidsduur van de transit exportkentekenplaat of als er een vrijstelling van de keuringsplicht van toepassing is.]6
  4° indien de herkeuring niet heeft plaatsgehad binnen de termijn bedoeld in artikel 23septies, § 2;
  5° vóór de datum van eerste in verkeerstelling of de datum van opnieuw in verkeer stellen van voertuigen voor traag vervoer.
  [1 6° voor de inschrijving onder een kentekenplaat waarvan de groep letters niet begint met " O " op naam van dezelfde titularis, van de voertuigen die vallen onder de bepalingen van artikel 2, § 2, 7°.]1
  § 2. (De gebruikte voertuigen van de categorieen M2, M3, N2, N3, O2, O3 en O4, zoals gedefinieerd in artikel 1, zijn onderworpen aan een administratieve keuring vóór de inschrijving, met het oog op het aanvullen van het formulier tot aanvraag om inschrijving door een erkende keuringsinstelling.) <KB 2006-04-26/31, art. 2, 032; Inwerkingtreding : 15-11-2006>
  De periode van geldigheid van dat formulier is twee maanden.
  § 3. [4 De auto-expert in de zin van de wet van 15 mei 2007 tot erkenning en bescherming van het beroep van auto-expert en tot oprichting van een Instituut van de auto-experts of elk bevoegde persoon die vaststelt dat een voertuig de beschadigingen of het verlies vermeld in § 1, 2°, d), van dit artikel heeft ondergaan, moet dit melden bij [5 het Departement]5.]4
  § 4. [2 1° [4 Voor de niet-periodieke keuring vermeld in paragraaf 1, 3°, moet het voertuig worden aangeboden met het voor dit voertuig laatst afgeleverd kentekenbewijs en met ofwel de overeenkomstige kentekenplaat, ofwel met een commerciële plaat en het bijhorende kentekenbewijs, ofwel met een andere kentekenplaat, op voorwaarde dat de houder van deze kentekenplaat ook als houder op de aanvraag om inschrijving van het aangeboden voertuig, en op het bijhorende kentekenbewijs is vermeld.]4
   2° In afwijking van artikel 23bis, paragraaf 4, betreft de niet-periodieke keuring vermeld in paragraaf 1, 3°, uitsluitend de in bijlage 41 bedoelde punten.
   Voor wat betreft de diagnosepunten wordt het resultaat van deze keuring gedetailleerd beschreven in een tweedehandsrapport dat samen met het keuringsbewijs wordt afgeleverd.
   3° [3 In afwijking van punt 2 en artikel 23bis, paragraaf 4, beperkt de niet-periodieke keuring vermeld in paragraaf 1, 3°, zich tot een visuele keuring van de technische staat van het voertuig, indien het voertuig beschikt over een keuringsbewijs overeenkomstig artikel 23decies, paragraaf 1, afgeleverd minder dan twee maanden te rekenen vanaf het ogenblik waarop het voertuig voor deze niet-periodieke keuring wordt aangeboden of, voor een in België ingevoerd voertuig dat eerder in een andere Lidstaat van de [7 Europese Economische Ruimte]7 was ingeschreven, over een keuringsbewijs afgeleverd door de bevoegde overheden van die Lidstaat dat bewijst dat, minder dan twee maanden vóór de niet-periodieke keuring bedoeld in paragraaf 1, 3°, het voertuig met succes een keuring heeft ondergaan waarbij minstens de bepalingen van [7 richtlijn 2014/45/EU van het Europees Parlement en de Raad van 3 april 2014 betreffende de periodieke technische controle van motorvoertuigen en aanhangwagens en tot intrekking van Richtlijn 2009/40/EG]7 in acht zijn genomen.
   Wanneer na afloop van deze visuele keuring wordt vastgesteld dat het voertuig noch technische gebreken, noch tekortkomingen ten opzichte van de reglementaire bepalingen vertoont, wordt een document met als titel "Visuele keuring van het voertuig" afgeleverd. Voor wat betreft de diagnosepunten wordt het resultaat van deze keuring gedetailleerd beschreven in een tweedehandsrapport dat samen met "Visuele keuring van het voertuig" wordt afgeleverd.
   Indien na afloop van deze visuele keuring het voertuig daarentegen technische gebreken of tekortkomingen ten opzichte van de reglementaire bepalingen vertoont, wordt het voertuig onmiddellijk opnieuw onderworpen aan de keuring volgens bijlage 41.
   Het document "Visuele keuring van het voertuig" bedoeld in het tweede lid vermeldt de gegevens opgenomen in artikel 23novies, paragraaf 3, tweede lid, punten 1° tot 9°, uitgezonderd de vervaldatum van het keuringsbewijs. Wanneer dit document wordt aangehecht aan het keuringsbewijs afgeleverd door een andere Lidstaat, herneemt deze de geldigheidsdatum van het buitenlands keuringsbewijs, die echter de maximale [5 ...]5 periodiciteit niet mag overschrijden.]3
   Naast de in het vorige lid opgenomen gegevens vermeldt het document met als opschrift " Visuele keuring van het voertuig " ook de voorziene datum voor de volgende periodieke keuring als bepaald in artikel 23ter.
   Het document met als opschrift " Visuele keuring van het voertuig " moet altijd het in het eerste lid bedoelde keuringsbewijs, waarop het keuringsstation dat de visuele keuring van de technische staat van het voertuig heeft uitgevoerd, de onuitwisbare vermelding " NIET GELDIG ZONDER HET DOCUMENT " VISUELE KEURING VAN HET VOERTUIG ". HET VOERTUIG MOET VOOR EEN PERIODIEKE KEURING VOORGEREDEN WORDEN : ZIE DATUM OP DOCUMENT " VISUELE KEURING VAN HET VOERTUIG " " aanbrengt, vergezellen.
   4° De inschrijvingsaanvraag wordt geldig verklaard op voorwaarde dat na afloop van de vereiste keuringen op basis van punt 2° of 3°, al naargelang de uitgevoerde keuring, ofwel een keuringsbewijs overeenkomstig artikel 23decies, paragraaf 1, ofwel een document " Visuele keuring van het voertuig " overeenkomstig punt 3° wordt afgeleverd.]2
  § 5. De niet-periodieke keuring wordt vervangen door een administratieve keuring wanneer het voertuig opnieuw in het verkeer wordt gebracht onder handelaarsplaat.
  
----------
  (1)<KB 2010-09-28/20, art. 2, 049; Inwerkingtreding : 15-11-2010>
  (2)<KB 2011-06-01/01, art. 4, 052; Inwerkingtreding : 14-08-2011>
  (3)<KB 2013-09-06/08, art. 4, 058; Inwerkingtreding : 30-09-2013>
  (4)<KB 2014-04-04/12, art. 1, 064; Inwerkingtreding : 01-05-2014>
  (5)<BVR 2015-07-10/11, art. 18, 067; Inwerkingtreding : 04-09-2015>
  (6)<BVR 2017-01-20/23, art. 3, 072; Inwerkingtreding : 01-03-2017>
  (7)<BVR 2018-04-27/14, art. 8, 081; Inwerkingtreding : 20-05-2018>

  Art. 23septies. <Ingevoegd bij KB 1998-12-15/32, art. 12; Inwerkingtreding : 01-01-1999> § 1. De gedeeltelijke keuringen zijn verplicht :
  1° op elk verzoek van een bevoegde persoon;
  2° voor de voertuigen bedoeld in art. 23decies §§ 2, 3 en 4;
  3° voor de voertuigen bedoeld in artikel 23ter, §1, 4°, 6° en 7°, waarvoor overeenkomstig artikel 23novies, § 2, een identificatieverslag opgemaakt werd.
  § 2. De in § 1, 2°, van dit artikel vermelde keuring vindt plaats binnen een periode van twee maanden die volgt op het verstrijken van de geldigheidsduur van de voorgaande volledige of gedeeltelijke keuring, zoniet wordt een volledige keuring uitgevoerd.

  Art. 23octies. <Ingevoegd bij KB 1998-12-15/32, art. 13; Inwerkingtreding : 01-01-1999> Vrijstellingen en bijzonder regime :
  § 1. zijn vrijgesteld van alle keuringen :
  1° de aanhangwagens die uitsluitend door foorkramers worden gebruikt en eigen zijn aan dat beroep;
  2° de werfaanhangwagens;
  3° de voertuigen van de (federale politie); <KB 2003-03-17/34, art. 11, 026; Inwerkingtreding : 01-05-2003>
  4° de aanhangwagens waarvan de maximaal toegelaten massa niet meer dan 750 kg bedraagt;
  5° de voertuigen die, overeenkomstig de van kracht zijnde reglementering, voorzien zijn van een proefrittenplaat en een erbij horend geldig inschrijvingsbewijs;
  6° de auto's en de aanhangwagens, die uitsluitend rijden tussen de laad- en loskaaien, de opslagplaatsen, de loodsen en de magazijnen gelegen binnen de zee- of rivierhavens overeenkomstig een aanvullend gemeentelijk reglement met uitzondering van de personenauto's, de auto's voor dubbel gebruik en de minibussen;
  § 2. bijzonder regime :
  de voertuigen voorzien van een nummerplaat beginnend met de letters CD zijn onderworpen aan een jaarlijkse keuring om de goede technische staat van het voertuig na te gaan, vanaf de datum dat het voertuig vier jaar wordt.

  Art. 23octies_VLAAMS_GEWEST.
   <Ingevoegd bij KB 1998-12-15/32, art. 13; Inwerkingtreding : 01-01-1999> Vrijstellingen en bijzonder regime :
  § 1. zijn vrijgesteld van alle keuringen :
  1° de aanhangwagens die uitsluitend door foorkramers worden gebruikt en eigen zijn aan dat beroep;
  2° de werfaanhangwagens;
  3° de voertuigen van de ([2 ...]2 politie); <KB 2003-03-17/34, art. 11, 026; Inwerkingtreding : 01-05-2003>
  4° de aanhangwagens waarvan de maximaal toegelaten massa niet meer dan 750 kg bedraagt;
  5° de voertuigen die, overeenkomstig de van kracht zijnde reglementering, voorzien zijn van een proefrittenplaat en een erbij horend geldig inschrijvingsbewijs;
  6° [1 ...]1
  § 2. bijzonder regime :
  de voertuigen voorzien van een nummerplaat beginnend met de letters CD zijn onderworpen aan een jaarlijkse keuring om de goede technische staat van het voertuig na te gaan, vanaf de datum dat het voertuig vier jaar wordt.

  ----------
  (1)<BVR 2015-07-10/11, art. 19, 067; Inwerkingtreding : 04-09-2015>
  (2)<BVR 2018-04-27/14, art. 9, 081; Inwerkingtreding : 20-05-2018>

  Art. 23novies.<Ingevoegd bij KB 1998-12-15/32, art. 14; Inwerkingtreding : 01-01-1999> § 1. (De keuringen geven aanleiding tot de afgifte van een identificatieverslag en/of een keuringsbewijs en/of een tweedehandsrapport [1 en/of een document " Visuele keuring van het voertuig "]1, waarvan het model bepaald wordt door de Minister die de autokeuring onder zijn bevoegdheid heeft of door zijn gemachtigde.) <KB 2006-04-26/31, art. 3, 032; Inwerkingtreding : 15-11-2006>
  § 2. Een identificatieverslag wordt afgeleverd bij de eerste van de periodieke keuringen of wanneer een of ander technisch gegeven van dit verslag niet meer overeenstemt met het voertuig.
  Voor de voertuigen van de categorieën N2, N3, M2, M3, O3 en O4 geldt het als het document voorgeschreven in artikel 6, punt 1, c) van de richtlijn 96/53/EG van de Raad van 25 juli 1996 houdende vaststelling, voor bepaalde aan het verkeer binnen de Gemeenschap deelnemende wegvoertuigen, van de in het nationale en het internationale verkeer maximaal toegestane afmetingen en van de in het internationale verkeer maximaal toegestane gewichten.
  Voor deze voertuigen bevat het onder meer de gegevens van de "constructieplaat" en de plaat betreffende de afmetingen, zoals voorzien in de richtlijn 76/114/EEG, die in uitvoering werd gebracht door het koninklijk besluit van 26 februari 1981, houdende uitvoering van de richtlijnen van de Europese Gemeenschappen betreffende de goedkeuring van motorvoertuigen en aanhangwagens daarvan, landbouw- of bosbouwtrekkers op wielen, hun bestanddelen alsook hun veiligheidsonderdelen.
  § 3. [2 Een keuringsbewijs wordt afgeleverd na elke volledige of gedeeltelijke keuring, behalve in geval van visuele keuring van het voertuig die leidt tot de uitreiking van het document " Visuele keuring van het voertuig ".
   Het vermeldt minstens :
   1° het voertuigidentificatienummer (VIN);
   2° het kentekennummer en de kenletters van het land van registratie;
   3° de plaats en de datum van controle;
   4° de kilometerstand afgelezen tijdens de vorige en huidige volledige keuring (indien beschikbaar);
   5° de voertuigcategorie (indien beschikbaar);
   6° voor minibussen en taxi's, het aantal zitplaatsen, andere dan de bestuurdersplaats;
   7° de vastgestelde defecten en hun categorie;
   8° de eventuele tekortkomingen ten opzichte van de reglementaire bepalingen;
   9° de algemene beoordeling van het voertuig;
   10° gegevens met betrekking tot keuringen waaraan het voertuig krachtens andere reglementaire bepalingen onderworpen is;
   11° bepaalde voor latere keuringen nuttig geachte inlichtingen;
   12° de datum van de volgende periodieke controle;
   13° de identificatiegegevens betreffende de erkende instelling die de keuring heeft uitgevoerd, de handtekening of identificatie van de controleurs verantwoordelijk voor de controle, inbegrepen.]2
  [3 Wat de voertuigen bedoeld in art. 23ter, § 2, 1° sexies, betreft, vermeldt het ter gelegenheid van die eerste periodieke keuring uitgereikte keuringsbewijs ten minste :
   1° het voertuigidentificatienummer (VIN);
   2° het kentekennummer en de kenletters van het land van registratie;
   3° de kilometerstand afgelezen tijdens de vorige en huidige volledige keuring (indien beschikbaar);
   4° de voertuigcategorie (indien beschikbaar);
   5° voor minibussen en taxi's, het aantal zitplaatsen, andere dan de bestuurdersplaats;
   6° de vastgestelde defecten en hun categorie;
   7° de eventuele tekortkomingen ten opzichte van de reglementaire bepalingen;
   8° de algemene beoordeling van het voertuig;
   9° gegevens met betrekking tot keuringen waaraan het voertuig krachtens andere reglementaire bepalingen onderworpen is;
   10° bepaalde voor latere keuringen nuttig geachte inlichtingen;
   11° de periodiciteit van de volgende periodieke controle;
   12° de identificatiegegevens betreffende de erkende instelling die de keuring heeft uitgevoerd, de handtekening of identificatie van de controleurs verantwoordelijk voor de controle, inbegrepen.]3
  ----------
  (1)<KB 2011-06-01/01, art. 5, 052; Inwerkingtreding : 14-08-2011>
  (2)<KB 2012-01-10/03, art. 2, 054; Inwerkingtreding : 31-12-2011>
  (3)<KB 2014-04-19/04, art. 2, 066; Inwerkingtreding : 01-08-2014>

  Art. 23novies_WAALS_GEWEST.
   <Ingevoegd bij KB 1998-12-15/32, art. 14; Inwerkingtreding : 01-01-1999> § 1. (De keuringen geven aanleiding tot de afgifte van een identificatieverslag en/of een keuringsbewijs en/of een tweedehandsrapport [1 en/of een document " Visuele keuring van het voertuig "]1, waarvan het model bepaald wordt door [4 de Waalse bevoegde instantie]4 <KB 2006-04-26/31, art. 3, 032; Inwerkingtreding : 15-11-2006>
  § 2. Een identificatieverslag wordt afgeleverd bij de eerste van de periodieke keuringen of wanneer een of ander technisch gegeven van dit verslag niet meer overeenstemt met het voertuig.
  Voor de voertuigen van de categorieën N2, N3, M2, M3, O3 en O4 geldt het als het document voorgeschreven in artikel 6, punt 1, c) van de richtlijn 96/53/EG van de Raad van 25 juli 1996 houdende vaststelling, voor bepaalde aan het verkeer binnen de Gemeenschap deelnemende wegvoertuigen, van de in het nationale en het internationale verkeer maximaal toegestane afmetingen en van de in het internationale verkeer maximaal toegestane gewichten.
  Voor deze voertuigen bevat het onder meer de gegevens van de "constructieplaat" en de plaat betreffende de afmetingen, zoals voorzien in de richtlijn 76/114/EEG, die in uitvoering werd gebracht door het koninklijk besluit van 26 februari 1981, houdende uitvoering van de richtlijnen van de Europese Gemeenschappen betreffende de goedkeuring van motorvoertuigen en aanhangwagens daarvan, landbouw- of bosbouwtrekkers op wielen, hun bestanddelen alsook hun veiligheidsonderdelen.
  § 3. [2 Een keuringsbewijs wordt afgeleverd na elke volledige of gedeeltelijke keuring, behalve in geval van visuele keuring van het voertuig die leidt tot de uitreiking van het document " Visuele keuring van het voertuig ".
   Het vermeldt minstens :
   1° het voertuigidentificatienummer (VIN);
   2° het kentekennummer en de kenletters van het land van registratie;
   3° de plaats en de datum van controle;
   4° de kilometerstand afgelezen tijdens de vorige en huidige volledige keuring (indien beschikbaar);
   5° de voertuigcategorie (indien beschikbaar);
   6° voor minibussen en taxi's, het aantal zitplaatsen, andere dan de bestuurdersplaats;
   7° de vastgestelde defecten en hun categorie;
   8° de eventuele tekortkomingen ten opzichte van de reglementaire bepalingen;
   9° de algemene beoordeling van het voertuig;
   10° gegevens met betrekking tot keuringen waaraan het voertuig krachtens andere reglementaire bepalingen onderworpen is;
   11° bepaalde voor latere keuringen nuttig geachte inlichtingen;
   12° de datum van de volgende periodieke controle;
   13° de identificatiegegevens betreffende de erkende instelling die de keuring heeft uitgevoerd, de handtekening of identificatie van de controleurs verantwoordelijk voor de controle, inbegrepen.]2
  [3 Wat de voertuigen bedoeld in art. 23ter, § 2, 1° sexies, betreft, vermeldt het ter gelegenheid van die eerste periodieke keuring uitgereikte keuringsbewijs ten minste :
   1° het voertuigidentificatienummer (VIN);
   2° het kentekennummer en de kenletters van het land van registratie;
   3° de kilometerstand afgelezen tijdens de vorige en huidige volledige keuring (indien beschikbaar);
   4° de voertuigcategorie (indien beschikbaar);
   5° voor minibussen en taxi's, het aantal zitplaatsen, andere dan de bestuurdersplaats;
   6° de vastgestelde defecten en hun categorie;
   7° de eventuele tekortkomingen ten opzichte van de reglementaire bepalingen;
   8° de algemene beoordeling van het voertuig;
   9° gegevens met betrekking tot keuringen waaraan het voertuig krachtens andere reglementaire bepalingen onderworpen is;
   10° bepaalde voor latere keuringen nuttig geachte inlichtingen;
   11° de periodiciteit van de volgende periodieke controle;
   12° de identificatiegegevens betreffende de erkende instelling die de keuring heeft uitgevoerd, de handtekening of identificatie van de controleurs verantwoordelijk voor de controle, inbegrepen.]3
  
----------
  (1)<KB 2011-06-01/01, art. 5, 052; Inwerkingtreding : 14-08-2011>
  (2)<KB 2012-01-10/03, art. 2, 054; Inwerkingtreding : 31-12-2011>
  (3)<KB 2014-04-19/04, art. 2, 066; Inwerkingtreding : 01-08-2014>
  (4)<BWG 2018-05-17/18, art. 21, 083; Inwerkingtreding : 20-05-2018>
  

  Art. 23novies_BRUSSELS_HOOFDSTEDELIJK_GEWEST.
   <Ingevoegd bij KB 1998-12-15/32, art. 14; Inwerkingtreding : 01-01-1999> § 1. (De keuringen geven aanleiding tot de afgifte van een identificatieverslag en/of een keuringsbewijs en/of een tweedehandsrapport [1 en/of een document " Visuele keuring van het voertuig "]1, waarvan het model bepaald wordt door de [4 bevoegde Brusselse instantie]4.) <KB 2006-04-26/31, art. 3, 032; Inwerkingtreding : 15-11-2006>
  § 2. Een identificatieverslag wordt afgeleverd bij de eerste van de periodieke keuringen of wanneer een of ander technisch gegeven van dit verslag niet meer overeenstemt met het voertuig.
  Voor de voertuigen van de categorieën N2, N3, M2, M3, O3 en O4 geldt het als het document voorgeschreven in artikel 6, punt 1, c) van de richtlijn 96/53/EG van de Raad van 25 juli 1996 houdende vaststelling, voor bepaalde aan het verkeer binnen de Gemeenschap deelnemende wegvoertuigen, van de in het nationale en het internationale verkeer maximaal toegestane afmetingen en van de in het internationale verkeer maximaal toegestane gewichten.
  Voor deze voertuigen bevat het onder meer de gegevens van de "constructieplaat" en de plaat betreffende de afmetingen, zoals voorzien in de richtlijn 76/114/EEG, die in uitvoering werd gebracht door het koninklijk besluit van 26 februari 1981, houdende uitvoering van de richtlijnen van de Europese Gemeenschappen betreffende de goedkeuring van motorvoertuigen en aanhangwagens daarvan, landbouw- of bosbouwtrekkers op wielen, hun bestanddelen alsook hun veiligheidsonderdelen.
  § 3. [2 Een keuringsbewijs wordt afgeleverd na elke volledige of gedeeltelijke keuring, behalve in geval van visuele keuring van het voertuig die leidt tot de uitreiking van het document " Visuele keuring van het voertuig ".
   Het vermeldt minstens :
   1° het voertuigidentificatienummer (VIN);
   2° het kentekennummer en de kenletters van het land van registratie;
   3° de plaats en de datum van controle;
   4° de kilometerstand afgelezen tijdens de vorige en huidige volledige keuring (indien beschikbaar);
   5° de voertuigcategorie (indien beschikbaar);
   6° voor minibussen en taxi's, het aantal zitplaatsen, andere dan de bestuurdersplaats;
   7° de vastgestelde defecten en hun categorie;
   8° de eventuele tekortkomingen ten opzichte van de reglementaire bepalingen;
   9° de algemene beoordeling van het voertuig;
   10° gegevens met betrekking tot keuringen waaraan het voertuig krachtens andere reglementaire bepalingen onderworpen is;
   11° bepaalde voor latere keuringen nuttig geachte inlichtingen;
   12° de datum van de volgende periodieke controle;
   13° de identificatiegegevens betreffende de erkende instelling die de keuring heeft uitgevoerd, de handtekening of identificatie van de controleurs verantwoordelijk voor de controle, inbegrepen.]2
  [3 Wat de voertuigen bedoeld in art. 23ter, § 2, 1° sexies, betreft, vermeldt het ter gelegenheid van die eerste periodieke keuring uitgereikte keuringsbewijs ten minste :
   1° het voertuigidentificatienummer (VIN);
   2° het kentekennummer en de kenletters van het land van registratie;
   3° de kilometerstand afgelezen tijdens de vorige en huidige volledige keuring (indien beschikbaar);
   4° de voertuigcategorie (indien beschikbaar);
   5° voor minibussen en taxi's, het aantal zitplaatsen, andere dan de bestuurdersplaats;
   6° de vastgestelde defecten en hun categorie;
   7° de eventuele tekortkomingen ten opzichte van de reglementaire bepalingen;
   8° de algemene beoordeling van het voertuig;
   9° gegevens met betrekking tot keuringen waaraan het voertuig krachtens andere reglementaire bepalingen onderworpen is;
   10° bepaalde voor latere keuringen nuttig geachte inlichtingen;
   11° de periodiciteit van de volgende periodieke controle;
   12° de identificatiegegevens betreffende de erkende instelling die de keuring heeft uitgevoerd, de handtekening of identificatie van de controleurs verantwoordelijk voor de controle, inbegrepen.]3
  
----------
  (1)<KB 2011-06-01/01, art. 5, 052; Inwerkingtreding : 14-08-2011>
  (2)<KB 2012-01-10/03, art. 2, 054; Inwerkingtreding : 31-12-2011>
  (3)<KB 2014-04-19/04, art. 2, 066; Inwerkingtreding : 01-08-2014>
  (4)<BESL 2018-11-29/02, art. 22, 082; Inwerkingtreding : 01-12-2018>
  

  Art. 23novies_VLAAMS_GEWEST.
   <Ingevoegd bij KB 1998-12-15/32, art. 14; Inwerkingtreding : 01-01-1999> § 1. (De keuringen geven aanleiding tot de afgifte van een identificatieverslag en/of een keuringsbewijs en/of een tweedehandsrapport [1 en/of een document " Visuele keuring van het voertuig "]1, waarvan het model bepaald wordt door de [4 bevoegde Vlaamse instantie]4.) <KB 2006-04-26/31, art. 3, 032; Inwerkingtreding : 15-11-2006>
  § 2. Een identificatieverslag wordt afgeleverd bij de eerste van de periodieke keuringen of wanneer een of ander technisch gegeven van dit verslag niet meer overeenstemt met het voertuig.
  Voor de voertuigen van de categorieën N2, N3, M2, M3, O3 en O4 geldt het als het document voorgeschreven in artikel 6, punt 1, c) van de richtlijn 96/53/EG van de Raad van 25 juli 1996 houdende vaststelling, voor bepaalde aan het verkeer binnen de Gemeenschap deelnemende wegvoertuigen, van de in het nationale en het internationale verkeer maximaal toegestane afmetingen en van de in het internationale verkeer maximaal toegestane gewichten.
  Voor deze voertuigen bevat het onder meer de gegevens van de "constructieplaat" en de plaat betreffende de afmetingen, zoals voorzien in de richtlijn 76/114/EEG, die in uitvoering werd gebracht door het koninklijk besluit van 26 februari 1981, houdende uitvoering van de richtlijnen van de Europese Gemeenschappen betreffende de goedkeuring van motorvoertuigen en aanhangwagens daarvan, landbouw- of bosbouwtrekkers op wielen, hun bestanddelen alsook hun veiligheidsonderdelen.
  § 3. [5 Een keuringsbewijs wordt afgegeven na elke volledige of gedeeltelijke keuring, behalve bij een visuele keuring van het voertuig die leidt tot de uitreiking van het document "Visuele keuring van het voertuig". Het vermeldt minstens:
   1° het voertuigidentificatienummer (VIN of chassisnummer);
   2° het kentekenplaatnummer van het voertuig en de kenletters van het land van registratie;
   3° de plaats en de datum van de controle;
   4° de kilometerstand die is afgelezen tijdens de vorige en de huidige volledige keuring, als die informatie beschikbaar is;
   5° de voertuigcategorie, als die informatie beschikbaar is;
   6° de vastgestelde gebreken en de graad van ernst daarvan;
   7° het resultaat van de technische controle;
   8° de datum waarop het huidige certificaat verstrijkt;
   9° de naam van de erkende controleorganisatie en de handtekening of de identificatie van de controleur die de controle heeft uitgevoerd;
   10° de volgende overige informatie:
   a) voor minibussen en taxi's: het aantal zitplaatsen, andere dan de bestuurdersplaats;
   b) de gegevens over de keuringen waaraan het voertuig krachtens andere reglementaire bepalingen onderworpen is;
   c) de inlichtingen die voor latere keuringen nuttig geacht worden]5.
  [5 § 4. Een geldig keuringsbewijs dat is afgegeven in een lidstaat van de Europese Economische Ruimte voor een in die lidstaat geregistreerd voertuig waaruit blijkt dat het voertuig met goed gevolg een technische controle als vermeld in richtlijn 2014/45/EU van het Europees Parlement en de Raad van 3 april 2014 betreffende de periodieke technische controle van motorvoertuigen en aanhangwagens en tot intrekking van Richtlijn 2009/40/EG, heeft ondergaan, wordt erkend in het Vlaamse Gewest, ongeacht eventuele verschillen in de frequentie-intervallen voor periodieke technische controles, vermeld in artikel 23ter van dit besluit.
   Als een voertuig dat in een andere lidstaat van de Europese Economische Ruimte al is geregistreerd, opnieuw wordt ingeschreven in het Vlaamse Gewest op naam van dezelfde titularis, wordt het keuringsbewijs dat door die andere lidstaat is afgegeven, erkend in het Vlaamse Gewest, op voorwaarde dat het keuringbewijs nog geldig is wat betreft de frequentie-intervallen voor periodieke technische controles, vermeld in artikel 23ter.
   Als er twijfel is over de geldigheid van het keuringsbewijs, kan de geldigheid nagegaan worden alvorens het keuringsbewijs te erkennen.]5
  
----------
  (1)<KB 2011-06-01/01, art. 5, 052; Inwerkingtreding : 14-08-2011>
  (2)<KB 2012-01-10/03, art. 2, 054; Inwerkingtreding : 31-12-2011>
  (3)<KB 2014-04-19/04, art. 2, 066; Inwerkingtreding : 01-08-2014>
  (4)<BVR 2015-07-10/11, art. 20, 067; Inwerkingtreding : 04-09-2015>
  (5)<BVR 2018-04-27/14, art. 10, 081; Inwerkingtreding : 20-05-2018>

  Art. 23decies.<Ingevoegd bij KB 1998-12-15/32, art. 15; Inwerkingtreding : 01-01-1999> § 1. De geldigheidsduur van het keuringsbewijs is gelijk aan de periode begrepen tussen het tijdstip van de keuring en de voorziene datum voor de eerstvolgende periodieke keuring, zoals bepaald in artikel 23ter, wanneer bij de keuring vastgesteld werd dat :
  1° het voertuig noch technische gebreken, noch tekortkomingen ten opzichte van de reglementaire bepalingen vertoont;
  2° het voertuig bepaalde technische gebreken vertoont die, hoewel ze het niet gevaarlijk maken, van nabij moeten gevolgd worden;
  3° het voertuig bepaalde tekortkomingen ten opzichte van de reglementaire bepalingen vertoont, waaraan gemakkelijk kan verholpen worden.
  § 2. De geldigheidsduur van het keuringsbewijs bedraagt drie maanden indien, ongeacht eventuele tekortkomingen zoals bepaald in § 1 van dit artikel, enkel bepaalde administratieve tekortkomingen, omschreven door de Minister die de autokeuring onder zijn bevoegdheid heeft of door zijn gemachtigde, vastgesteld worden.
  § 3. De geldigheidsduur van het keuringsbewijs bedraagt vijftien dagen indien bij de keuring vastgesteld werd dat de staat van een onderdeel of van een groep van onderdelen of de tekortkomingen ten opzichte van de reglementaire bepalingen van zulke aard zijn dat het voertuig, zonder onmiddellijk gevaar op te leveren, ofwel dringend moet hersteld worden, ofwel moet gewijzigd worden om met de reglementering in overeenstemming te zijn.
  § 4. Het keuringsbewijs is zonder geldigheidsduur indien de staat van een onderdeel of van een groep van onderdelen of de tekortkomingen ten opzichte van de reglementaire bepalingen van die aard zijn dat het voertuig niet of niet meer in het verkeer mag gebracht worden.
  In dergelijk geval wordt de melding "VERBODEN VOOR HET VERKEER" op het keuringsbewijs aangebracht.
  § 5. De kleur van het keuringsbewijs is groen in de gevallen bepaald in de §§ 1 en 2 van dit artikel, en rood in de gevallen bepaald in de §§ 3 en 4.
  § 6. Voor elk groen keuringsbewijs uitgereikt voor bedrijfsvoertuigen zoals bepaald in de §§ 1 en 2 wordt door de instelling een keuringsvignet (op een vignetdrager) gekleefd waarvan het model door de Minister die de autokeuring onder zijn bevoegdheid heeft of door zijn gemachtigde bepaald wordt. Het keuringsvignet vermeldt de vervaldatum van het keuringsbewijs en moet duidelijk zichtbaar blijven tot aan het volgende keuring : <KB 2003-03-17/34, art. 13, 026; Inwerkingtreding : 01-05-2003>
  - op de binnenzijde van de voorruit, rechts bij motorvoertuigen;
  - in de nabijheid van de officiële nummerplaat op een effen, glad en niet-poreus vlak met een minimale hoogte van 8 cm en een minimale breedte van 10 cm bij aanhangwagens en opleggers.
  Ingeval van verlies, diefstal of beschadiging van het keuringsvignet verzoekt de titularis van het voertuig, de instelling die het origineel uitgereikt heeft, een duplicaat te kleven.
  (§ 7. De geldigheidsduur van de voor de niet-periodieke keuring vermeld in artikel 23sexies, § 1, 3°, afgeleverde aanvraag om inschrijving bedraagt twee maanden.
  [1 ...]1) <KB 2006-04-26/31, art. 4, 032; Inwerkingtreding : 15-11-2006>
  ----------
  (1)<KB 2011-06-01/01, art. 6, 052; Inwerkingtreding : 14-08-2011>

  Art. 23decies_WAALS_GEWEST.
   <Ingevoegd bij KB 1998-12-15/32, art. 15; Inwerkingtreding : 01-01-1999> § 1. De geldigheidsduur van het keuringsbewijs is gelijk aan de periode begrepen tussen het tijdstip van de keuring en de voorziene datum voor de eerstvolgende periodieke keuring, zoals bepaald in artikel 23ter, wanneer bij de keuring vastgesteld werd dat :
  1° het voertuig noch technische gebreken, noch tekortkomingen ten opzichte van de reglementaire bepalingen vertoont;
  2° het voertuig bepaalde technische gebreken [2 die als kleine gebreken worden gecategoriseerd]2 vertoont die, hoewel ze het niet gevaarlijk maken, van nabij moeten gevolgd worden;
  3° het voertuig bepaalde tekortkomingen ten opzichte van de reglementaire bepalingen [2 die als kleine gebreken worden gecategoriseerd,]2 vertoont, waaraan gemakkelijk kan verholpen worden.
  § 2. [2 De geldigheidsduur van het keuringsbewijs bedraagt drie maanden indien, ongeacht eventuele tekortkomingen zoals bepaald in § 1, enkel bepaalde administratieve tekortkomingen die als kleine gebreken gecategoriseerd worden en omschreven door de Waalse bevoegde instantie vastgesteld worden.]2.
  § 3. De geldigheidsduur van het keuringsbewijs bedraagt vijftien dagen indien bij de keuring vastgesteld werd dat de staat van een onderdeel of van een groep van onderdelen of de tekortkomingen ten opzichte van de reglementaire bepalingen van zulke aard zijn dat het voertuig, zonder onmiddellijk gevaar op te leveren, ofwel dringend moet hersteld worden, ofwel moet gewijzigd worden om met de reglementering in overeenstemming te zijn. [2 "Deze gebreken worden als grote gebreken gecategoriseerd]2
  § 4. Het keuringsbewijs is zonder geldigheidsduur indien de staat van een onderdeel of van een groep van onderdelen of de tekortkomingen ten opzichte van de reglementaire bepalingen van die aard zijn dat het voertuig niet of niet meer in het verkeer mag gebracht worden. [2 Deze gebreken worden als grote gebreken gecategoriseerd]2
  In dergelijk geval wordt de melding "VERBODEN VOOR HET VERKEER" op het keuringsbewijs aangebracht.
  § 5. De kleur van het keuringsbewijs is groen in de gevallen bepaald in de §§ 1 en 2 van dit artikel, en rood in de gevallen bepaald in de §§ 3 en 4.
  § 6. Voor elk groen keuringsbewijs uitgereikt voor bedrijfsvoertuigen zoals bepaald in de §§ 1 en 2 wordt door de instelling een keuringsvignet (op een vignetdrager) gekleefd waarvan het model door [2 de Waalse bevoegde instantie]2 bepaald wordt. Het keuringsvignet vermeldt de vervaldatum van het keuringsbewijs en moet duidelijk zichtbaar blijven tot aan het volgende keuring : <KB 2003-03-17/34, art. 13, 026; Inwerkingtreding : 01-05-2003>
  - op de binnenzijde van de voorruit, rechts bij motorvoertuigen;
  - in de nabijheid van de officiële nummerplaat op een effen, glad en niet-poreus vlak met een minimale hoogte van 8 cm en een minimale breedte van 10 cm bij aanhangwagens en opleggers.
  Ingeval van verlies, diefstal of beschadiging van het keuringsvignet verzoekt de titularis van het voertuig, de instelling die het origineel uitgereikt heeft, een duplicaat te kleven.
  (§ 7. De geldigheidsduur van de voor de niet-periodieke keuring vermeld in artikel 23sexies, § 1, 3°, afgeleverde aanvraag om inschrijving bedraagt twee maanden.
  [1 ...]1) <KB 2006-04-26/31, art. 4, 032; Inwerkingtreding : 15-11-2006>
  
----------
  (1)<KB 2011-06-01/01, art. 6, 052; Inwerkingtreding : 14-08-2011>
  (2)<BWG 2018-05-17/18, art. 22, 083; Inwerkingtreding : 20-05-2018>
  

  Art. 23decies_BRUSSELS_HOOFDSTEDELIJK_GEWEST.
   <Ingevoegd bij KB 1998-12-15/32, art. 15; Inwerkingtreding : 01-01-1999> § 1. De geldigheidsduur van het keuringsbewijs is gelijk aan de periode begrepen tussen het tijdstip van de keuring en de voorziene datum voor de eerstvolgende periodieke keuring, zoals bepaald in artikel 23ter, wanneer bij de keuring vastgesteld werd dat :
  1° het voertuig noch technische gebreken, noch tekortkomingen ten opzichte van de reglementaire bepalingen vertoont;
  2° het voertuig bepaalde [2 ,als kleine gebreken ingedeelde]2 technische gebreken vertoont die, hoewel ze het niet gevaarlijk maken, van nabij moeten gevolgd worden;
  3° het voertuig bepaalde [2 ,als kleine gebreken ingedeelde]2 tekortkomingen ten opzichte van de reglementaire bepalingen vertoont, waaraan gemakkelijk kan verholpen worden.
  § 2. [2 De geldigheidsduur van het keuringsbewijs bedraagt drie maanden indien, niettegenstaande eventuele tekortkomingen zoals bepaald in § 1, enkel bepaalde, als administratieve tekortkomingen, omschreven door de bevoegde Brusselse instantie, vastgesteld worden."]2
  § 3. De geldigheidsduur van het keuringsbewijs bedraagt vijftien dagen indien bij de keuring vastgesteld werd dat de staat van een onderdeel of van een groep van onderdelen of de tekortkomingen ten opzichte van de reglementaire bepalingen van zulke aard zijn dat het voertuig, zonder onmiddellijk gevaar op te leveren, ofwel dringend moet hersteld worden, ofwel moet gewijzigd worden om met de reglementering in overeenstemming te zijn. [2 Deze tekortkomingen worden bij de grote gebreken ingedeeld.]2
  § 4. Het keuringsbewijs is zonder geldigheidsduur indien de staat van een onderdeel of van een groep van onderdelen of de tekortkomingen ten opzichte van de reglementaire bepalingen van die aard zijn dat het voertuig niet of niet meer in het verkeer mag gebracht worden.[2 Deze tekortkomingen worden bij de gevaarlijke gebreken ingedeeld.]2
  In dergelijk geval wordt de melding "VERBODEN VOOR HET VERKEER" op het keuringsbewijs aangebracht.
  § 5. De kleur van het keuringsbewijs is groen in de gevallen bepaald in de §§ 1 en 2 van dit artikel, en rood in de gevallen bepaald in de §§ 3 en 4.
  § 6. Voor elk groen keuringsbewijs uitgereikt voor bedrijfsvoertuigen zoals bepaald in de §§ 1 en 2 wordt door de instelling een keuringsvignet (op een vignetdrager) gekleefd waarvan het model door[2 de bevoegde Brusselse instantie]2 bepaald wordt. Het keuringsvignet vermeldt de vervaldatum van het keuringsbewijs en moet duidelijk zichtbaar blijven tot aan het volgende keuring : <KB 2003-03-17/34, art. 13, 026; Inwerkingtreding : 01-05-2003>
  - op de binnenzijde van de voorruit, rechts bij motorvoertuigen;
  - in de nabijheid van de officiële nummerplaat op een effen, glad en niet-poreus vlak met een minimale hoogte van 8 cm en een minimale breedte van 10 cm bij aanhangwagens en opleggers.
  Ingeval van verlies, diefstal of beschadiging van het keuringsvignet verzoekt de titularis van het voertuig, de instelling die het origineel uitgereikt heeft, een duplicaat te kleven.
  (§ 7. De geldigheidsduur van de voor de niet-periodieke keuring vermeld in artikel 23sexies, § 1, 3°, afgeleverde aanvraag om inschrijving bedraagt twee maanden.
  [1 ...]1) <KB 2006-04-26/31, art. 4, 032; Inwerkingtreding : 15-11-2006>
  
----------
  (1)<KB 2011-06-01/01, art. 6, 052; Inwerkingtreding : 14-08-2011>
  (2)<BESL 2018-11-29/02, art. 23, 082; Inwerkingtreding : 01-12-2018>
  

  Art. 23decies_VLAAMS_GEWEST.
   <Ingevoegd bij KB 1998-12-15/32, art. 15; Inwerkingtreding : 01-01-1999> § 1. [3 De geldigheidsduur van het keuringsbewijs is gelijk aan de periode tussen het tijdstip van de keuring en de voorziene datum voor de eerstvolgende periodieke keuring, vermeld in artikel 23ter, als bij de keuring vastgesteld wordt dat:
   1° het voertuig geen gebreken vertoont;
   2° het voertuig kleine gebreken vertoont]3.
  § 2. [3 De geldigheidsduur van het keuringsbewijs bedraagt drie maanden als, ongeacht eventuele tekortkomingen als vermeld in paragraaf 1, bepaalde administratieve tekortkomingen of bepaalde vormen van niet-naleving, bepaald door de bevoegde Vlaamse instantie, vastgesteld worden]3.
  § 3. [3 De geldigheidsduur van het keuringsbewijs bedraagt vijftien dagen als het voertuig grote gebreken vertoont]3.
  § 4. [3 Het keuringsbewijs is zonder geldigheidsduur als het voertuig gevaarlijke gebreken vertoont.
   In het geval, vermeld in het eerste lid, wordt de vermelding "VERBODEN VOOR HET VERKEER" op het keuringsbewijs aangebracht]3.
  § 5. De kleur van het keuringsbewijs is groen in de gevallen bepaald in de §§ 1 en 2 van dit artikel, en rood in de gevallen bepaald in de §§ 3 en 4.
  § 6. Voor elk groen keuringsbewijs uitgereikt voor bedrijfsvoertuigen zoals bepaald in de §§ 1 en 2 wordt door de instelling een keuringsvignet (op een vignetdrager) gekleefd waarvan het model door de Minister die de autokeuring onder zijn bevoegdheid heeft of door zijn gemachtigde bepaald wordt. Het keuringsvignet vermeldt de vervaldatum van het keuringsbewijs en moet duidelijk zichtbaar blijven tot aan het volgende keuring : <KB 2003-03-17/34, art. 13, 026; Inwerkingtreding : 01-05-2003>
  - op de binnenzijde van de voorruit, rechts bij motorvoertuigen;
  - in de nabijheid van de officiële nummerplaat op een effen, glad en niet-poreus vlak met een minimale hoogte van