J U S T E L     -     Geconsolideerde wetgeving
Einde Eerste woord Laatste woord Wijziging(en)
Parlementaire werkzaamheden Inhoudstafel 10 uitvoeringbesluiten 10 gearchiveerde versies
Einde Franstalige versie
 
belgiëlex . be     -     Kruispuntbank Wetgeving
Raad van State
ELI - Navigatie systeem via een Europese identificatiecode voor wetgeving
http://www.ejustice.just.fgov.be/eli/wet/1886/10/07/1886100750/justel

Titel
7 OKTOBER 1886. - Veldwetboek. <Nota : de Nederlandse tekst van deze wet werd vastgesteld door de wet van 8 april 1969>
(NOTA : Raadpleging van vroegere versies vanaf 26-07-1991 en tekstbijwerking tot 29-12-2015) Zie wijziging(en)

Publicatie : 14-10-1886 nummer :   1886100750 bladzijde : 4009
Dossiernummer : 1886-10-07/30
Inwerkingtreding : 24-10-1886

Inhoudstafel Tekst Begin
TITEL 1. - Plattelandsregeling.
HOOFDSTUK 1. - Graafrecht.
Art. 1-10
HOOFDSTUK 2. - Gewassen, veldvruchten, bijen.
Art. 11-14
HOOFDSTUK 3. - Bevloeiing en drooglegging.
Art. 15-22
HOOFDSTUK 4. Klauwengang en stoppelweide.
Art. 23-28
HOOFDSTUK 5. (Afsluiting van eigendommen. Afstand voor beplantingen. Afbakening van landbouw en bosbouwzones.) <W 08-04-1969, art. 1>
Art. 29-35, 35bis, 35ter, 36, 36bis, 37
HOOFDSTUK 6. Grondbepaling en afpaling.
Art. 38-47
TITEL 2. - Veldpolitie.
HOOFDSTUK 1. - Algemene bepalingen.
Art. 48-50
HOOFDSTUK 2. - Veldwachters.
Art. 51-55, 55bis, 56-59, 59bis, 60-65
HOOFDSTUK 3. - Opsporing van wanbedrijven en overtredingen.
Art. 66-78
HOOFDSTUK 4. - Vervolging van wanbedrijven en overtredingen.
Art. 79-85
HOOFDSTUK 5. - Misdrijven en straffen.
Art. 86-92
HOOFDSTUK 6. - Teruggave en schadevergoeding.
Art. 93-95
HOOFDSTUK 7. - Tenuitvoerlegging van vonnissen.
Art. 96-98

Tekst Inhoudstafel Begin
TITEL 1. - Plattelandsregeling.

  HOOFDSTUK 1. - Graafrecht.

  Article. 1. De eigenaar van een veld moet gedogen dat er graafwerk op verricht wordt om er zoveel aarde, zand, steen en ander materiaal uit te halen als nodig is voor het aanleggen of onderhouden van wegen, vaarten, bruggen en andere werken van algemeen, provinciaal of gemeentelijk openbaar nut.

  Art. 2. Het graafrecht mag niet worden uitgeoefend op minder dan vijftig meter afstand van woningen en daaraan palende besloten erven.
  Het strekt zich niet uit tot groeven of winplaatsen van materiaal die in bedrijf zijn op het tijdstip dat de werken van openbaar nut worden uitgevoerd.

  Art. 3. De voor het graafwerk nodige grond mag niet in bezit worden genomen dan nadat de noodzaak daarvan is vastgesteld en vergunning daartoe is verleend door het openbaar bestuur dat belast is met de uitvoering van of het toezicht op het werk ten behoeve waarvan gegraven wordt.
  In geval van verzet van de eigenaar beslist de Koning, de bestendige deputatie van de provincieraad gehoord.
  Het bestuur dat graafvergunning verleent, bepaalt de borgsom die de aannemer moet storten tot dekking van de eventueel aan de eigenaar te betalen schadevergoeding.

  Art. 4. De eigenaar van de grond wordt ten minste vijftien dagen tevoren bij deurwaardersexploot in kennis gesteld van de bezitneming.
  Het exploot wordt betekend op verzoek van het bestuur of van de aannemer naar gelang het werk al dan niet in eigen beheer wordt uitgevoerd. Het vermeldt in het kort het doel van de bezitneming en de ligging en uitgestrektheid van de grond.

  Art. 5. Ten minste acht dagen voor de bezitneming maakt een beëdigd landmeter, op verzoek zoals hierboven bepaald, van de in bezit te nemen grond een beschrijving op.
  De eigenaar wordt drie dagen tevoren gedagvaard om daarbij aanwezig te zijn; hij kan alle opmerkingen of bevindingen betreffende de plaatsgesteldheid in het proces-verbaal van de beschrijving doen opnemen.

  Art. 6. De huurders, vruchtgebruikers en andere belanghebbenden zijn ontvankelijk om in de zaak tussen te komen, hetzij rechtstreeks, hetzij omdat de eigenaar hen erin betrekt.

  Art. 7. De door de bezitneming veroorzaakte schade wordt geregeld volgens het gemeen recht.
  Indien de grond langer dan een maand in bezit gehouden wordt, is de eigenaar gerechtigd de onteigening ervan te vorderen.
  In dat geval wordt de schadeloosstelling geregeld met inachtneming van de vormen (voorgeschreven bij de wetgeving op de onteigening ten algemene nutte.) <W 08-04-1969, art. 1>

  Art. 8. De uitgegraven materialen mogen niet worden weggehaald dan nadat de eigenaar vergoed is voor de gehele schade door de bezitneming of de uitgraving veroorzaakt. In geval van onenigheid over de vergoeding wordt de zaak berecht door de vrederechter van het kanton waar het graafwerk verricht wordt.
  (Tot het bedrag vastgesteld bij de wettelijke bepalingen betreffende de algemene bevoegdheid van de vrederechters) wordt het vonnis in laatste aanleg, voor elk hoger bedrag wordt het in eerste aanleg gewezen. <W 08-04-1969, art. 1>

  Art. 9. Wordt tegen het vonnis hoger beroep ingesteld, dan wordt het weghalen van de maatregelen daardoor niet opgeschort; de bij het vonnis bepaalde prijs moet echter vooraf aan de eigenaar en aan de rechthebbenden worden betaald.
  In geval van weigering of wettige verhindering om de prijs in ontvangst te nemen, wordt deze in de (Deposito- en Consignatiekas) gestort. <W 08-04-1969, art. 1>

  Art. 10. (opgeheven) <W 08-04-1969, art. 1>

  HOOFDSTUK 2. - Gewassen, veldvruchten, bijen.

  Art. 11. Alleen bejaarden, gebrekkigen, vrouwen en kinderen beneden twaalf jaar mogen van zonsopgang tot zonsondergang aren lezen en naharken in de plaatsen waar zulks gebruikelijk is en slechts in niet-omheinde, op het grondgebied van hun gemeente gelegen velden waar de oogst geheel ingezameld en weggehaald is.
  Aren lezen mag slechts met de hand geschieden; naharken met behulp van een hark met ijzeren tanden is verboden.

  Art. 12. (opgeheven) <W 02-04-1971, art. 10>

  Art. 13. De bestendige deputatie van de provincieraad is bevoegd om, op verzoek van gemeentebesturen of van bijzondere personen, te gelasten dat klopjachten in bossen van gemeenten of van bijzondere personen worden gehouden ter verdelging van wolven en everzwijnen, overeenkomstig bij koninklijk besluit voor te schrijven regels. Het houden van deze klopjachten van overheidswege mag alleen worden gelast wanneer de eigenaars of huurders van de jacht door de bestendige deputatie aangemaand zijn om zelf klopjachten te houden en hieraan binnen de gestelde termijn geen gevolg hebben gegeven.
  De deputatie moet bij spoedbehandeling op de verzoeken beschikken in haar eerstvolgende vergadering en haar beslissing onverwijld ter kennis brengen van de belanghebbenden.
  <NOTA : opgeheven voor de Vlaamse Gemeenschap bij DVR 1991-07-24/30, art. 42, 003; Inwerkingtreding : 01-07-1992>
  (NOTA : opgeheven voor het Waalse Gewest; DWG 1994-07-14/51, art. 33, Inwerkingtreding : 01-07-1995)

  Art. 14. De eigenaar van een bijenzwerm heeft het recht er opnieuw bezit van te nemen, zolang hij niet opgehouden heeft hem te volgen of terug te vorderen.
  Anders behoort de zwerm toe aan de eerste bezitnemer en, bij gebreke van een eerste bezitnemer, aan hem die de eigendom of het genot heeft van de grond waarop de zwerm zich heeft neergezet.

  HOOFDSTUK 3. - Bevloeiing en drooglegging.

  Art. 15. Iedere eigenaar die ter bevloeiing van zijn erf gebruik wil maken van natuurlijk of kunstmatig gewonnen water waarover hij het recht heeft te beschikken, kan tegen billijke en voorafgaande schadeloosstelling het recht verkrijgen om dit water over de tussengelegen erven te leiden.

  Art. 16. De eigenaars van de lager gelegen erven moeten het water van de aldus bevloeide gronden ontvangen, met dien verstande dat hun een vergoeding verschuldigd kan zijn.

  Art. 17. Dit recht om water over de tussengelegen erven te leiden kan onder dezelfde voorwaarden worden verleend aan de eigenaar van een moeras of van een geheel of gedeeltelijk overstroomde grond om het schadelijke water afloop te geven, alsmede aan de eigenaar van een vochtige grond die door middel van ondergrondse leidingen of van greppels moet worden drooggemaakt.

  Art. 18. Gebouwen, alsmede binnenplaatsen, tuinen, parken en besloten erven die aan een woning palen, zijn niet onderworpen aan de erfdienstbaarheid waarvan sprake is in de drie voorgaande artikelen.

  Art. 19. Iedere eigenaar die tot bevloeiing van zijn eigendom gebruik wil maken van het water waarover hij het recht heeft te beschikken, kan tegen billijke en voorafgaande schadeloosstelling het recht verkrijgen om de voor zijn watervang noodzakelijke kunstwerken te doen rusten op het erf van de aangelande van de andere oever.
  Die kunstwerken moeten derwijze worden gebouwd en onderhouden dat zij geen schade berokkenen aan de naburige erven.
  Gebouwen, alsmede binnenplaatsen en tuinen die aan een woning palen, zijn aan deze erfdienstbaarheid niet onderworpen.

  Art. 20. De aangelande van wie gevorderd wordt dat het kunstwerk op zijn erf zal rusten, kan steeds het gemeenschappelijk gebruik van de stuw verkrijgen, mits hij in de bouw- en onderhoudskosten bijdraagt naar verhouding van de oppervlakte die iedere gebruiker wil bevloeien en van de hoeveelheid water waarover hij zal beschikken.
  Vordert de aangelande het gemeenschappelijk gebruik eerst nadat het werk begonnen of voltooid is, dan draagt alleen hij de kosten van de veranderingen die nodig zijn om die stuw geschikt te maken voor de bevloeiing van zijn erf.

  Art. 21. Geschillen betreffende de vestiging van de in de vorige artikelen vermelde erfdienstbaarheden, de bepaling van de loop, de afmetingen en de vorm van de waterleiding, de bouw en het onderhoud van de kunstwerken voor de watervang, de verandering van reeds bestaande werken en de vergoeding van de eigenaar van het erf waardoor het water loopt, of dat het aflopend water ontvangt, of waarop het kunstwerk rust, worden gebracht voor de vrederechter van het kanton waar de erfdienstbaarheid gelegen is. De rechter moet het belang van het werk overeenbrengen met de eerbiediging van het eigendomsrecht.
  (...) <W 08-04-1969, art. 1>

  Art. 22. (opgeheven) <W 05-07-1956, art. 111>

  HOOFDSTUK 4. Klauwengang en stoppelweide.

  Art. 23. (opgeheven) <W 04-12-1961, art. 1>

  Art. 24. (opgeheven) <W 04-12-1961, art. 1>

  Art. 25. (opgeheven) <W 04-12-1961, art. 1>

  Art. 26. (opgeheven) <W 04-12-1961, art. 1>

  Art. 27. (opgeheven) <W 04-12-1961, art. 1>

  Art. 28. (opgeheven) <W 04-12-1961, art. 1>

  HOOFDSTUK 5. (Afsluiting van eigendommen. Afstand voor beplantingen. Afbakening van landbouw en bosbouwzones.) <W 08-04-1969, art. 1>

  Art. 29. Iedere eigenaar mag zijn erf afsluiten overeenkomstig de bepalingen van het Burgerlijk Wetboek.

  Art. 30. Hij die tot afsluiting van zijn erf een niet gemene sloot wil graven, moet tussen die sloot en het naburig erf half zoveel afstand laten als de sloot diep is.
  Is het naburig erf een stuk bouwland of een hellend terrein, dan moet de afstand even groot zijn als de sloot diep is.
  De sloten worden zo aangelegd dat zij een glooiing hebben aan de kant van de nabuur en de afloop van het water niet belemmeren.
  Wanneer een levende haag tot afsluiting dient, moet zij, bij gebreke van een hiermee strijdig gebruik, op ten minste vijftig centimeter van de scheidingslijn staan.
  Iedere andere afsluiting mag op de uiterste grens van het eigendom worden geplaatst.

  Art. 31. De eigenaar van een niet gemene levende haag of een niet gemene muur is gerechtigd, buiten de tijd dat de vruchten te velde staan, het erf van zijn nabuur te betreden om de haag te korten, te snoeien, het snoeisel weg te halen, de muur te herstellen of te onderhouden. Indien dit erf afgesloten is, moet overgang gevraagd worden aan de nabuur, die de plaats daarvoor naar keuze kan aanwijzen. In geval van weigering moet het erf betreden worden op de minst beschadigbare plaats en behoudens vergoeding van veroorzaakte schade.

  Art. 32. Een haag tussen twee erven wordt geacht gemeen te zijn, hetzij slechts een ervan afgesloten is of tenzij het tegendeel blijkt uit een titel of een voldoende bezit.

  Art. 33. Een gemene afsluiting moet op gemeenschappelijke kosten onderhouden worden; de nabuur kan zich aan die verplichting onttrekken door van de mandeligheid af te zien.
  Dit recht vervalt wanneer het een sloot betreft die niet alleen tot afsluiting dient.

  Art. 34. Bomen die in een gemene haag staan, zijn eveneens gemeen; ook bomen op de scheidingslijn van beide erven worden geacht gemeen te zijn, tenzij het tegendeel blijkt uit een titel of een voldoende bezit; sterven die bomen af of worden zij gekapt of gerooid, dan worden zij bij helfte verdeeld; de vruchten worden op gemeenschappelijke kosten ingezameld en eveneens bij helfte verdeeld, onverschillig of zij afgevallen dan wel geplukt zijn.
  Iedere eigenaar heeft het recht te eisen dat de gemene bomen gerooid worden.
  De mede-eigenaar van een gemene haag mag die verwijderen tot aan de grens van zijn eigendom, onder verplichting om op die grens een muur te bouwen.

  Art. 35. Hoogstammige bomen mogen slechts op een door vast en erkend gebruik bepaalde afstand geplant worden; bij ontstentenis van zodanig gebruik mogen hoogstammige bomen slechts op twee meter, andere bomen en levende hagen slechts op een halve meter van de scheidingslijn tussen twee erven worden geplant.
  Fruitbomen van welke soort ook mogen als leibomen, aan elke kant van de muur tussen twee erven, geplant worden zonder dat een afstand in acht wordt genomen.
  Is die muur niet gemeen, dan heeft alleen de eigenaar het recht hem als steun voor zijn leibomen te gebruiken.

  Art. 35bis.<W 08-04-1969, art. 1> § 1. Wanneer ten minste de helft van de eigenaars of exploitanten die op het gebied van een gemeente gronden bezitten of in bedrijf hebben, er uit eigen beweging of op vraag van het college van burgemeester en schepenen om verzoeken, is de gemeenteraad gehouden binnen twaalf maanden de gedeelten van het gemeentelijk grondgebied af te bakenen, die in beginsel onderscheidenlijk voor landbouw en voor bosbouw worden bestemd.
  Het college moet die vraag stellen wanneer erom verzocht wordt door ten minste drie eigenaars of exploitanten die op het grondgebied van de gemeente samen ten minste tien hectaren bezitten of in bedrijf hebben.
  Het college draagt zorg dat de Rijkslandbouwkundig ingenieur en de Rijksingenieur van waters en bossen van het gebied worden geraadpleegd. Het afbakeningsplan wordt gedurende vijftien dagen aan eenieder ter inzage gelegd.
  De bezwaren en opmerkingen worden schriftelijk gemaakt, door het college in ontvangst genomen en bij het proces-verbaal gevoegd, dat wordt opgemaakt de dag na de sluiting van de terinzagelegging. De gemeenteraad is gehouden van de uitslag van de terinzagelegging kennis te nemen en, binnen een maand na de sluiting van het proces-verbaal, hetzij de bezwaren en opmerkingen af te wijzen, hetzij het met in achtneming ervan gewijzigde plan goed te keuren. Het besluit treedt in werking nadat het door de bestendige deputatie is goedgekeurd.
  § 2. Wanneer in de landelijke gemeenten ten zuiden van Samber en Maas en in de andere landelijke gemeenten van het land waarvan ten minste één tiende van het grondgebied bebost is, de gemeenteraad de afbakening van het gedeelte van het gemeentelijk grondgebied dat voor bosbouw bestemd wordt, niet heeft uitgevoerd binnen de bij de wet van 15 april 1965 bepaalde termijn, wordt zij ambtshalve gedaan door de arrondissementscommissaris, onder het gezag van de Minister van Landbouw.
  De arrondissementscommissaris wint vooraf het advies in van de Rijkslandbouwkundig ingenieur en van de Rijksingenieur van waters en bossen van het gebied. Daarna zendt hij het ontwerp van afbakening aan de burgemeester, die het gedurende vijftien dagen ter inzage legt. Na verloop van die termijn zendt de burgemeester het ontwerp terug, samen met de schriftelijke bezwaren en opmerkingen die tijdens de terinzagelegging zijn ingekomen.
  in geval van betwisting omtrent het landelijk karakter van een gemeente beslist de bestendige deputatie van de provincieraad.
  De door de arrondissementscommissaris bepaalde afbakening wordt aan de bestendige deputatie voor goedkeuring voorgelegd.
  § 3. Er wordt op de bij § 2 bepaalde wijze gehandeld, telkens als een gemeenteraad in gebreke blijft de voorschriften van § 1, eerste en tweede lid, van dit artikel na te komen.
  § 4. Indien een plan van aanleg, opgemaakt ter uitvoering van de wet van 29 maart 1962 houdende organisatie van de ruimtelijke ordening en van de stedebouw, bindende kracht heeft na het besluit tot afbakening van de onderscheidenlijk voor landbouw of voor bosbouw bestemde gedeelten, treedt het plan, voor zover het landbouw- en bosbouwzones vaststelt, volledig in de plaats van dit besluit.
  § 5. In de voor de landbouw bestemde gedeelten van het grondgebied is bosaanplanting verboden op minder dan zes meter van de scheidingslijn tussen twee erven; bovendien is vergunning van het college van burgemeester en schepenen vereist. Het college beslist binnen dertig dagen na de indiening van de aanvraag. Doet het dit niet binnen die termijn, dan wordt de vergunning geacht verleend te zijn. De weigering van de vergunning is met redenen omkleed; binnen een maand na de kennisgeving kan beroep worden ingesteld bij de bestendige deputatie.
  De bepalingen van het vorige lid zijn eveneens van toepassing op de voor bosbouw bestemde zone, langs de voor landbouw bestemde zone.
  
  Art. 35bis. (VLAAMS GEWEST)
  <W 08-04-1969, art. 1> § 1. Wanneer ten minste de helft van de eigenaars of exploitanten die op het gebied van een gemeente gronden bezitten of in bedrijf hebben, er uit eigen beweging of op vraag van het college van burgemeester en schepenen om verzoeken, is de gemeenteraad gehouden binnen twaalf maanden de gedeelten van het gemeentelijk grondgebied af te bakenen, die in beginsel onderscheidenlijk voor landbouw en voor bosbouw worden bestemd.
  Het college moet die vraag stellen wanneer erom verzocht wordt door ten minste drie eigenaars of exploitanten die op het grondgebied van de gemeente samen ten minste tien hectaren bezitten of in bedrijf hebben.
  Het college draagt zorg dat (het daartoe aangestelde personeelslid van het Departement Landbouw en Visserij) en (het daartoe aangestelde personeelslid van het Agentschap voor Natuur en Bos) worden geraadpleegd. Het afbakeningsplan wordt gedurende vijftien dagen aan eenieder ter inzage gelegd. <DVR 2007-12-07/51, art. 7, 006; Inwerkingtreding : 14-01-2008>
  De bezwaren en opmerkingen worden schriftelijk gemaakt, door het college in ontvangst genomen en bij het proces-verbaal gevoegd, dat wordt opgemaakt de dag na de sluiting van de terinzagelegging. De gemeenteraad is gehouden van de uitslag van de terinzagelegging kennis te nemen en, binnen een maand na de sluiting van het proces-verbaal, hetzij de bezwaren en opmerkingen af te wijzen, hetzij het met in achtneming ervan gewijzigde plan goed te keuren. Het besluit treedt in werking nadat het door de bestendige deputatie is goedgekeurd.
  § 2. Wanneer in de landelijke gemeenten ten zuiden van Samber en Maas en in de andere landelijke gemeenten van het land waarvan ten minste één tiende van het grondgebied bebost is, de gemeenteraad de afbakening van het gedeelte van het gemeentelijk grondgebied dat voor bosbouw bestemd wordt, niet heeft uitgevoerd binnen de bij de wet van 15 april 1965 bepaalde termijn, wordt zij ambtshalve gedaan door de arrondissementscommissaris, onder het gezag van de Minister van Landbouw.
  De arrondissementscommissaris wint vooraf het advies in van (het daartoe aangestelde personeelslid van het Departement Landbouw en Visserij) en van (het daartoe aangestelde personeelslid van het Agentschap voor Natuur en Bos). Daarna zendt hij het ontwerp van afbakening aan de burgemeester, die het gedurende vijftien dagen ter inzage legt. Na verloop van die termijn zendt de burgemeester het ontwerp terug, samen met de schriftelijke bezwaren en opmerkingen die tijdens de terinzagelegging zijn ingekomen. <DVR 2007-12-07/51, art. 7, 006; Inwerkingtreding : 14-01-2008>
  in geval van betwisting omtrent het landelijk karakter van een gemeente beslist de bestendige deputatie van de provincieraad.
  De door de arrondissementscommissaris bepaalde afbakening wordt aan de bestendige deputatie voor goedkeuring voorgelegd.
  § 3. Er wordt op de bij § 2 bepaalde wijze gehandeld, telkens als een gemeenteraad in gebreke blijft de voorschriften van § 1, eerste en tweede lid, van dit artikel na te komen.
  § 4. Indien een plan van aanleg, opgemaakt ter uitvoering van de wet van 29 maart 1962 houdende organisatie van de ruimtelijke ordening en van de stedebouw, bindende kracht heeft na het besluit tot afbakening van de onderscheidenlijk voor landbouw of voor bosbouw bestemde gedeelten, treedt het plan, voor zover het landbouw- en bosbouwzones vaststelt, volledig in de plaats van dit besluit.
  § 5. In de voor de landbouw bestemde gedeelten van het grondgebied is bosaanplanting verboden op minder dan zes meter van de scheidingslijn tussen twee erven; bovendien is vergunning van het college van burgemeester en schepenen vereist. Het college beslist binnen dertig dagen na de indiening van de aanvraag. Doet het dit niet binnen die termijn, dan wordt de vergunning geacht verleend te zijn. De weigering van de vergunning is met redenen omkleed; binnen een maand na de kennisgeving kan beroep worden ingesteld bij de bestendige deputatie.
  De bepalingen van het vorige lid zijn eveneens van toepassing op de voor bosbouw bestemde zone, langs de voor landbouw bestemde zone.
  [1 De bepalingen van het eerste lid zijn niet van toepassing op systemen voor grondgebruik waarbij de teelt van bomen wordt gecombineerd met landbouw op dezelfde grond, toegepast op een perceel landbouwgrond als vermeld in artikel 2, 12°, van het decreet van 22 december 2006 houdende inrichting van een gemeenschappelijke identificatie van landbouwer, exploitatie en landbouwgrond in het kader van het meststoffenbeleid en van het landbouwbeleid.]1

  ----------
  (1)<DVR 2015-12-18/24, art. 6, 011; Inwerkingtreding : 08-01-2016>

  Art. 35ter. (Opgeheven) <W 12-07-1973, art. 8>

  Art. 36. De nabuur kan de rooiing eisen van bomen, hagen, heesters en struiken die op een kortere afstand geplant zijn dan de wet bepaalt.

  Art. 36bis. <W 12-07-1976, art. 1> Op vordering van het college van burgemeester en schepenen of van iedere belanghebbende beveelt de rechtbank de rooiing van de aanplanting die met overtreding van artikel 35bis, § 5, van dit Wetboek is gedaan of behouden.
  Het vonnis beveelt dat, indien de rooiing niet binnen de gestelde tijd is geschied, de gemeente of de eiser voor de tenuitvoerlegging zullen zorgen op kosten en voor risico van de overtreder.

  Art. 37. Degene over wiens eigendom takken van bomen van een nabuur hangen, kan de nabuur noodzaken die takken af te snijden.
  Vruchten die vanzelf op het eigendom van de nabuur vallen, behoren de nabuur toe.
  Degene op wiens erf wortels doorschieten, mag ze aldaar zelf weghakken.
  Het recht om de wortels weg te hakken of de takken te doen afsnijden verjaart niet.

  HOOFDSTUK 6. Grondbepaling en afpaling.

  Art. 38. De in het Burgerlijk Wetboek bedoelde afpaling wordt op het terrein aangegeven op de wijze en met behulp van de uiterlijke tekens, tussen de betrokken partijen overeengekomen, en moet bovendien blijken uit een proces-verbaal en een plan, die in twee genummerde exemplaren door partijen ondertekend worden en in hun bezit blijven om hun tot titel te dienen.
  (...) <W 08-04-1969, art. 1>

  Art. 39. Ingeval de eigenaar van een goed dat grenst aan het goed van een eigenaar die de afpaling heeft gevraagd overeenkomstig artikel 38, weigert binnen de door de vrederechter gestelde termijn aan de afpalingsverrichtingen deel te nemen, kan de rechter een deskundige aanstellen, die bij de verrichtingen aanwezig zal zijn en in de plaats van de onwillige eigenaar het proces-verbaal zal ondertekenen.
  Deze regel is mede van toepassing op de eisen tot afpaling van eigendommen die grenzen aan eigendommen van een gemeente, een provincie, de Staat of een openbare instelling.

  Art. 40.Voor de afpaling van eigendommen die onder de bosregeling vallen, gelden de voorschriften van het Boswetboek.
  
  Art. 40. (WAALS GEWEST)
  <Opgeheven door DWG 2008-07-15/44, art. 113, 007; Inwerkingtreding : 14-09-2009>


  Art. 41.Wanneer de Staat, een provincie, een gemeente of een openbare instelling willen overgaan tot de algemene of gedeeltelijke grensbepaling van hun van hun andere eigendommen dan waarvan sprake is in het vorig artikel, wordt deze verrichting twee maanden tevoren aangekondigd door bekendmaking en aanplakking in de gewone vorm en door plaatsing in een nieuwsblad van de provincie en van het arrondissement, indien er een bestaat.
  De daaraan verbonden kosten worden gedragen door de partij die de grensbepaling heeft gevraagd.
  
  Art. 41. (WAALS GEWEST)
   Wanneer de Staat, een provincie, een gemeente of een openbare instelling willen overgaan tot de algemene of gedeeltelijke grensbepaling [1 ...]1 wordt deze verrichting twee maanden tevoren aangekondigd door bekendmaking en aanplakking in de gewone vorm en door plaatsing in een nieuwsblad van de provincie en van het arrondissement, indien er een bestaat.
  De daaraan verbonden kosten worden gedragen door de partij die de grensbepaling heeft gevraagd.

  ----------
  (1)<DWG 2008-07-15/44, art. 113, 007; Inwerkingtreding : 14-09-2009>

  Art. 42. De aangelanden ten aanzien van wie de grenzen dienen te worden erkend en bepaald, worden twee maanden tevoren in kennis gesteld van de dag waarop de verrichting zal plaatshebben.
  De kennisgeving bevat de aanwijzing van de af te palen eigendommen. Zij wordt zonder kosten verstrekt door de plaatselijke officier van politie of veldwachter, op verzoek van het betrokken bestuur.
  De kennisgeving wordt gedaan aan de persoon of aan de woonplaats, indien de eigenaars wonen binnen het ambtsgebied van de overheid die met de kennisgeving belast is. (In het tegenovergestelde geval wordt zij aangetekend over de post verzonden.) <W 08-04-1969, art. 1>
  De afgifte van de kennisgeving wordt vastgesteld door een proces-verbaal.

  Art. 43. Op de gestelde dag heeft de grensbepaling plaats, onverschillig of de aangelanden aanwezig zijn of niet.
  Zij wordt verricht door een beëdigd landmeter, in opdracht van het betrokken bestuur.
  De medeëigenaars van onverdeelde goederen worden in alle gevallen opgeroepen overeenkomstig het vorig artikel.

  Art. 44. Indien de aangelanden aanwezig zijn en er geen moeilijkheden rijzen betreffende het bepalen van de grenzen, wordt de op tegenspraak gedane erkenning vastgesteld door een proces-verbaal en een plan; deze worden ondertekend door de betrokken partijen en onderworpen aan de goedkeuring van de bestendige deputatie van de provincieraad; na deze goedkeuring is de verrichting definitief en wordt zij openbaar gemaakt op de wijze behandeld in artikel 41.

  Art. 45. Indien de grensbepaling heeft plaatsgehad in afwezigheid van de aangelanden of van een van hen, worden het proces-verbaal en het plan onmiddellijk ter gemeente-secretarie neergelegd. Een dubbel ervan wordt neergelegd ter griffie van het provinciebestuur; aan de afwezige eigenaars wordt van deze neerlegging kennis gegeven in de vorm bepaald in artikel 42. Gedurende zes maanden te rekenen van de dag waarop die kennisgeving is gedaan, kan ieder belanghebbende van die bescheiden inzage nemen en verzet doen bij het college van burgemeester en schepenen, dat daarvan onmiddellijk kennis geeft aan de bestendige deputatie.
  Bij gebreke van verzet binnen zes maanden verklaart de bestendige deputatie die bescheiden goedgekeurd en deze verklaring wordt openbaar gemaakt (zoals in het artikel 41 is voorgeschreven). Het goedgekeurde proces-verbaal en het goedgekeurde plan gelden als titel voor de tienjarige en de twintigjarige verjaring. <W 08-04-1969, art. 1>

  Art. 46. Zodra het proces-verbaal van grensbepaling en het plan goedgekeurd zijn, wordt de afpaling verricht in aanwezigheid of althans na behoorlijke oproeping van de betrokken partijen.

  Art. 47. Indien er een geschil rijst hetzij tijdens de verrichtingen, hetzij ten gevolge van verzet door een aangelande gedaan binnen de in artikel 45 bepaalde tijd, wordt het door de betrokken partijen voor de bevoegde rechtbank gebracht en wordt de afpaling tot na de beslissing uitgesteld.
  Indien er een geschil rijst na de afpaling, kan de aangelande die de afpaling door de rechter doet vernietigen, veroordeeld worden om de kosten ervan te dragen.

  TITEL 2. - Veldpolitie.

  HOOFDSTUK 1. - Algemene bepalingen.

  Art. 48. Eens of zo nodig meer dan eens in het jaar worden ovens en schoorstenen door of vanwege de burgemeester geschouwd.
  Deze geeft de nodige bevelen om ze met bekwame spoed, al naar het geval te doen reinigen, herstellen of slopen, onverminderd de in het Strafwetboek bepaalde straffen.

  Art. 49. Wanneer een in de landbouw werkzaam persoon wegens een strafbaar feit aangehouden wordt terwijl hij, met behulp van dieren, ploeg of enig ander werk verricht of terwijl hij een kudde hoedt, treft de burgemeester dadelijk voorzieningen voor het onderhoud en de veiligheid van de dieren.

  Art. 50. De burgemeester waakt voor de stipte uitvoering van de wetten en verordeningen betreffende :
  1° (...), de gemeenteweide, het aren lezen en het naharken; <W 08-04-1969, art. 1>
  2° de vermeerdering en verbetering van de rassen van alle diersoorten die nuttig zijn voor de landbouw;
  3° de bescherming en het behoud van dieren en vogels die nuttig zijn voor de landbouw;
  4° de verdelging van dieren die schadelijk en gevaarlijk zijn voor de kudden;
  5° de verdelging van dieren en insekten die schadelijk zijn voor de veldvruchten;
  6° de uitroeiing van distels en andere gewassen die schadelijk zijn voor de landbouw;
  7° de middelen om besmettelijke ziekten te voorkomen en te stuiten bij alle diersoorten die nuttig zijn voor de landbouw.

  HOOFDSTUK 2. - Veldwachters.

  Art. 51. (opgeheven) <W 11-02-1986, art. 7>

  Art. 52. (opgeheven) <W 11-02-1986, art. 7>

  Art. 53. (opgeheven) <W 08-04-1969, art. 1>

  Art. 54. (opgeheven) <W 30-01-1924, art. 5>

  Art. 55. (opgeheven) <W 11-02-1986, art. 7>

  Art. 55bis. (opgeheven) <W 11-02-1986, art. 7>

  Art. 56. (opgeheven) <W 11-02-1986, art. 7>

  Art. 57. (opgeheven) <W 11-02-1986, art. 7>

  Art. 58. (opgeheven) <W 11-02-1986, art. 7>

  Art. 59. (opgeheven) <W 11-02-1986, art. 7>

  Art. 59bis. (opgeheven) <W 26-05-1989, art. 2,31°>

  Art. 60. (opgeheven) <W 11-02-1986, art. 7>

  Art. 61. <W 30-01-1924, art. 2> In de (gemeenten) hebben openbare instellingen en bijzondere personen het recht bijzondere (veldwachters) aan te stellen om hun vruchten en gewassen, de vruchten en gewassen van hun pachters of huurders en hun eigendommen van welke aard ook te beschermen, alsmede om hun vis- en jachtterreinen te bewaken. <W 1999-04-19/50, art. 8, 005; Inwerkingtreding : 01-01-2001>
  (Die wachters zijn bekleed met de hoedanigheid van officier van gerechtelijke politie in de gevallen waarvoor ze bevoegd zijn om misdrijven op te sporen en vast te stellen.) <W 1998-12-07/31, art. 230, 004; Inwerkingtreding : 01-01-2001>
  De aanstellers zijn gehouden hen door de provinciegouverneur te doen erkennen, de arrondissementscommissaris en de procureur des Konings gehoord, en in de benoemingsakte de aard en de ligging aan te wijzen van de goederen die onder hun bewaking staan.

  Art. 62. De bijzondere veldwachters mogen gewapend zijn met geweren met meer dan één schot.

  Art. 63. <W 30-01-1924, art. 2> (Zij treden in dienst na in handen van de vrederechter van het kanton van hun verblijfplaats de volgende eed te hebben afgelegd : "Ik zweer getrouwheid aan de Koning, gehoorzaamheid aan de Grondwet en aan de wetten van het Belgische volk.) <W 1999-04-19/50, art. 9, 005; Inwerkingtreding : 01-01-2001>
  Zij zijn bovendien gehouden hun aanstelling en de akte van hun beëdiging te doen registreren ter griffie van de vredegerechten binnen welker rechtsgebied zij hun ambt moeten waarnemen.
  De gouverneur kan de erkenning van de bijzondere (veldwachters) intrekken; zij worden vooraf gehoord. <W 1999-04-19/50, art. 9, 005; Inwerkingtreding : 01-01-2001>
  Hij die de aanstelling van zijn bijzondere wachter intrekt, is gehouden daarvan onmiddellijk bij aangetekende brief kennis te geven aan de gouverneur. De intrekking van de aanstelling heeft eerst gevolg van de dag waarop de gouverneur er akte van heeft genomen.

  Art. 64. <W 1999-04-19/50, art. 10, 005; Inwerkingtreding : 23-05-1999> De Koning bepaalt de nadere regels inzake de wijze van aanstelling, opleiding, het uniform, de kentekens, legitimatiekaart, bewapening, leeftijdsvoorwaarden, onverenigbaarheden en nationaliteitsvoorwaarde van de bijzondere veldwachters.

  Art. 65. (opgeheven) <W 11-02-1986, art. 7>

  HOOFDSTUK 3. - Opsporing van wanbedrijven en overtredingen.

  Art. 66. (Opgeheven) <W 1998-12-07/31, art. 231, 004; Inwerkingtreding : 01-01-2001>

  Art. 67.(De politieambtenaren van de lokale politie) zijn, (...) belast met het opsporen en vaststellen van wanbedrijven en overtredingen inzake veld- en bospolitie, alsmede van jacht- en visserijmisdrijven, op het grondgebied waarvoor zij beëdigd zijn. <W 1998-12-07/31, art. 232, 004; Inwerkingtreding : 01-01-2001> <W 1999-04-19/50, art. 11, 005; Inwerkingtreding : 01-01-2001>
  De boswachters van de Staat, de gemeenten en de openbare instellingen zijn eveneens bevoegd om die verschillende wanbedrijven en overtredingen in het veld vast te stellen.
  
  Art. 67. (WAALS GEWEST)
   (De politieambtenaren van de lokale politie) zijn, (...) belast met het opsporen en vaststellen van wanbedrijven en overtredingen inzake veld- en bospolitie, alsmede van jacht- en visserijmisdrijven, op het grondgebied waarvoor zij beëdigd zijn. <W 1998-12-07/31, art. 232, 004; Inwerkingtreding : 01-01-2001> <W 1999-04-19/50, art. 11, 005; Inwerkingtreding : 01-01-2001>
  De boswachters van de Staat, de gemeenten en de openbare instellingen zijn eveneens bevoegd om die verschillende wanbedrijven en overtredingen in het veld vast te stellen.
  [1 De personeelsleden, in de zin van artikel 3, 1°, van het Boswetboek, zijn ook bevoegd om in de velden wanbedrijven en overtredingen inzake bospolitie, alsook overtredingen van de wet op de jacht en de visserij vast te stellen.]1

  
  Art. 67. (VLAAMS GEWEST)
  (De politieambtenaren van de lokale politie) zijn, (...) belast met het opsporen en vaststellen van wanbedrijven en overtredingen inzake veld- en bospolitie, alsmede van jacht- en visserijmisdrijven, op het grondgebied waarvoor zij beëdigd zijn. <W 1998-12-07/31, art. 232, 004; Inwerkingtreding : 01-01-2001> <WX1999-04-19/50, art. 11, 005; Inwerkingtreding : 01-01-2001>
  [2 De door de leidend ambtenaar van het Agentschap voor Natuur en Bos aangewezen personeelsleden]2 zijn eveneens bevoegd om die verschillende wanbedrijven en overtredingen in het veld vast te stellen.

  ----------
  (1)<DWG 2008-07-15/44, art. 113, 007; Inwerkingtreding : 14-09-2009>
  (2)<DVR 2013-03-01/19, art. 2, 008; Inwerkingtreding : 25-04-2013>

  Art. 68. Zij zijn gemachtigd om het in overtreding aangetroffen vee of pluimgedierte, alsook de werktuigen, voertuigen en gespannen van de schuldige in beslag te nemen en in bewaring te stellen. Zij volgen de door de schuldige weggenomen voorwerpen tot in de plaatsen waar deze heengebracht zijn en stellen ze eveneens in bewaring. Zij mogen echter de huizen, gebouwen, binnenplaatsen en omheinde erven die eraan palen, niet betreden dan in aanwezigheid (...) (van een officier van gerechtelijke politie, hulpofficier van de procureur des Konings). <W 11-02-1986, art. 5> <W 1999-04-19/50, art. 12, 005; Inwerkingtreding : 01-01-2001>

  Art. 69.<W 11-02-1986, art. 5> (In de gevallen bedoeld in artikel 68 mogen de boswachters van de Staat, de gemeenten en de openbare instellingen, niet weigeren, op straffe van een geldboete van 25 frank, de leden van de lokale politie of van de federale politie, die hun aanwezigheid vorderen, te vergezellen.) <W 1998-12-07/31, art. 233, 004; Inwerkingtreding : 01-01-2001>
  Ze zijn bovendien gehouden de in hun aanwezigheid opgemaakte processen-verbaal te ondertekenen; in geval zij weigeren, wordt hiervan melding gemaakt in deze processen-verbaal.
  
  Art. 69. (VLAAMS GEWEST)
   <W 11-02-1986, art. 5> (In de gevallen bedoeld in artikel 68 mogen [1 de door de leidend ambtenaar van het Agentschap voor Natuur en Bos aangewezen personeelsleden]1, niet weigeren, op straffe van een geldboete van 25 frank, de leden van de lokale politie of van de federale politie, die hun aanwezigheid vorderen, te vergezellen.) <W 1998-12-07/31, art. 233, 004; Inwerkingtreding : 01-01-2001>
  Ze zijn bovendien gehouden de in hun aanwezigheid opgemaakte processen-verbaal te ondertekenen; in geval zij weigeren, wordt hiervan melding gemaakt in deze processen-verbaal.
  
  Art. 69. (BRUSSELS HOOFDSTEDELIJK GEWEST)
  <W 11-02-1986, art. 5> (In de gevallen bedoeld in artikel 68 mogen de boswachters van de Staat, de gemeenten en de openbare instellingen, niet weigeren, [2 ...]2 de leden van de lokale politie of van de federale politie, die hun aanwezigheid vorderen, te vergezellen.) [2 De inbreuken op deze bepaling worden gestraft met de straf voorzien in artikel 31, § 1, van het Wetboek van inspectie, preventie, vaststelling en bestraffing van milieumisdrijven, en milieuaansprakelijkheid.]2 <W 1998-12-07/31, art. 233, 004; Inwerkingtreding : 01-01-2001>
  Ze zijn bovendien gehouden de in hun aanwezigheid opgemaakte processen-verbaal te ondertekenen; in geval zij weigeren, wordt hiervan melding gemaakt in deze processen-verbaal.

  ----------
  (1)<DVR 2013-03-01/19, art. 3, 008; Inwerkingtreding : 25-04-2013>
  (2)<ORD 2014-05-08/54, art. 117, 010; Inwerkingtreding : 01-01-2015; zie ook ORD 2014-05-08/54, art. 159>

  Art. 70. (opgeheven) <W 11-02-1986, art. 7>

  Art. 71. <W 1999-04-19/50, art. 13, 005; Inwerkingtreding : 01-01-2001> Wanneer hun middelen ontoereikend blijken, hebben de bijzondere veldwachters het recht om de bijstand van de politieambtenaren van de lokale politie te vragen tot beteugeling van wanbedrijven en overtredingen inzake veld- of bospolitie alsook tot opsporing en inbeslagneming van de voortbrengselen van de bodem die gestolen of wederrechtelijk afgesneden dan wel bedrieglijk verkocht of gekocht zijn.

  Art. 72. <W 30-01-1924, art. 4> Zij dagtekenen en ondertekenen hun proces-verbaal, op straffe van nietigheid.

  Art. 73. Wanneer het proces-verbaal een inbeslagneming inhoudt, wordt binnen vierentwintig uren een uitgifte ervan neergelegd ter griffie van (de politierechtbank) om meegedeeld te kunnen worden aan hen die de in beslag genomen voorwerpen terugvorderen. <W 10-10-1967, art. 3>

  Art. 74. De (rechters in de politierechtbank) kunnen voorlopige opheffing van het beslag verlenen, onder verplichting om de kosten van inbewaringstelling te betalen en borg te stellen. Indien de gegoedheid van de borg betwist wordt, beslist de (rechter in de politierechtbank). <W 10-10-1967, art. 3>

  Art. 75. Indien het in beslag genomen vee binnen tien dagen na de inbewaringstelling niet wordt teruggevorderd of indien geen borg gesteld wordt, beveelt de (politierechtbank) de veiling op de naastbijgelegen markt. Die veiling geschiedt door de zorg van de ontvanger der domeinen, die ze vierentwintig uren tevoren bekendmaakt. <W 10-10-1967, art. 3>
  De kosten van de inbewaringstelling en van de veiling worden begroot door de (politierechtbank) en afgehouden van de opbrengst; het overschot dient tot betaling van het bedrag van veroordelingen, waarvan de invordering gedaan wordt door het bestuur van registratie en domeinen; wat overblijft wordt gestort in de Deposito- en Consignatiekas. <W 10-10-1967, art. 3>
  Indien de terugvordering van het in beslag genomen vee verworpen wordt bij gebreke van borgstelling of indien het vee eerst na de veiling teruggevorderd wordt, heeft de eigenaar alleen recht op teruggave van de netto-opbrengst van de verkoop, na aftrek van alle kosten, ingeval het vonnis die teruggave beveelt. Van die prijs houdt de ontvanger het bedrag af van de veroordelingen tot geldboete, uitgesproken wegens het misdrijf dat tot het beslag aanleiding heeft gegeven.

  Art. 76. De (bijzondere) veldwachters van (...) openbare instellingen en bijzondere personen zijn aansprakelijk voor elke nalatigheid of overtreding in de uitoefening van hun bediening. Zij kunnen worden veroordeeld tot betaling van de vergoedingen verbonden aan de misdrijven die zij niet behoorlijk hebben vastgesteld. <W 11-02-1986, art. 5> <W 1999-04-19/50, art. 14, 005; Inwerkingtreding : 01-01-2001>

  Art. 77. (opgeheven) <W 11-02-1986, art. 7>

  Art. 78. (opgeheven) <W 11-02-1986, art. 7>

  HOOFDSTUK 4. - Vervolging van wanbedrijven en overtredingen.

  Art. 79. De vervolging van wanbedrijven en overtredingen geschiedt overeenkomstig de regels van het Wetboek van Strafvordering, behoudens de door het tegenwoordige wetboek ingevoerde wijzigingen.

  Art. 80. (opgeheven) <W 08-04-1969, art. 1>

  Art. 81. <W 30-01-1924, art. 2> Een proces-verbaal, opgemaakt en behoorlijk ondertekend door een der in hoofdstuk III van deze titel vermelde ambtenaren, agenten of aangestelden, geldt als bewijs van de daarin vastgestelde materiële feiten, zolang het tegendeel niet is bewezen.

  Art. 82. <W 08-04-1969, art. 1> Het proces-verbaal wordt binnen drie dagen gezonden aan (de procureur des Konings). <W 1991-07-18/36, art. 4, 002; Inwerkingtreding : 01-01-1992>

  Art. 83. De rechtsvorderingen tot herstel van de in dit wetboek omschreven wanbedrijven en overtredingen verjaren, zowel ten aanzien van de strafoplegging als van de teruggave en schadevergoeding, door verloop van zes maanden, te rekenen van de dag waarop het wanbedrijf of de overtreding is gepleegd.

  Art. 84. De bepalingen van het vorige artikel zijn niet van toepassing op de misdrijven, (door (de politieambtenaren van de lokale politie) en door de veldwachters van openbare instellingen of bijzondere personen) begaan in de uitoefening van hun bediening. Te hunnen opzichte gelden de verjaringstermijnen van de gewone wetten van strafvordering. <W 11-02-1986, art. 5> <W 1999-04-19/50, art. 15, 005; Inwerkingtreding : 01-01-2001>
  De rechtsvordering tot schadevergoeding die krachtens artikel 76 wordt ingesteld, is echter niet meer ontvankelijk een jaar nadat de strafvordering tegen de schuldige zelf door verjaring vervallen is.

  Art. 85. De rechtbank waarbij een wanbedrijf of een overtreding aanhangig is, kan schadevergoeding toekennen, op klacht van de eigenaar der vruchten of gewassen, voor gezien getekend door de burgemeester of een schepen en vergezeld van een door deze ambtenaar kosteloos opgemaakt proces-verbaal van schatting van de schade.

  HOOFDSTUK 5. - Misdrijven en straffen.

  Art. 86. De in dit wetboek niet omschreven wanbedrijven en overtredingen waardoor landelijke eigendommen van welke aard ook worden geschonden, zijn strafbaar met de straffen daarop gesteld door het Strafwetboek en de andere geldende wetten.

  Art. 87.Met geldboete van een frank tot tien frank worden gestraft :
  1° Zij die zonder wettige reden binnentreden in een besloten erf of in een aanhorigheid van een woning, waar tak- of wortelvaste vruchten staan;
  2° Zij die, zonder dat er een andere door de wet bepaalde omstandigheid bijkomt, aan een ander toebehorende vruchten plukken of ter plaatse eten.
  Het feit gepleegd in een besloten erf of in een aanhorigheid van een woning wordt gestraft met geldboete van tien frank en gevangenisstraf van één dag tot zeven dagen;
  3° Zij die hun vee hun trek-, last of rijdieren laten lopen over andermans weiden in groei of over andermans grond voordat de oogst is weggehaald;
  4° Zij die anders dan met de hand aren lezen of die naharken met behulp van een hark met ijzeren tanden;
  5° (opgeheven) <W 04-12-1961, art. 1>
  6° (opgeheven) <W 08-04-1969, art. 1>
  7° Zij wier geiten of woldieren (...) worden aangetroffen, grazend op andermans grond zonder verlof van de eigenaar of knabbelend aan hagen of bomen langs een openbare weg of langs een erf; de overtreders worden bovendien gestraft met geldboete van één frank per dier; <W 08-04-1969, art. 1>
  8° Zij die, zonder noodzaak en ondanks het verbod van de eigenaar, gebruik maken van een weg die aan een bijzondere persoon toebehoort.
  
  Art. 87. (BRUSSELS HOOFDSTEDELIJK GEWEST)
  [1 Met de straf voorzien in artikel 31, § 1, van het Wetboek van inspectie, preventie, vaststelling en bestraffing van milieumisdrijven, en milieuaansprakelijkheid]1 worden gestraft :
  1° Zij die zonder wettige reden binnentreden in een besloten erf of in een aanhorigheid van een woning, waar tak- of wortelvaste vruchten staan;
  2° Zij die, zonder dat er een andere door de wet bepaalde omstandigheid bijkomt, aan een ander toebehorende vruchten plukken of ter plaatse eten.
  [1 Het minimale bedrag van de geldboete wordt verdubbeld, indien het feit wordt gepleegd in een besloten erf of in een aanhorigheid van een woning.]1
  3° Zij die hun vee hun trek-, last of rijdieren laten lopen over andermans weiden in groei of over andermans grond voordat de oogst is weggehaald;
  4° Zij die anders dan met de hand aren lezen of die naharken met behulp van een hark met ijzeren tanden;
  5° (opgeheven) <W 04-12-1961, art. 1>
  6° (opgeheven) <W 08-04-1969, art. 1>
  7° Zij wier geiten of woldieren (...) worden aangetroffen, grazend op andermans grond zonder verlof van de eigenaar of knabbelend aan hagen of bomen langs een openbare weg of langs een erf; [1 ...]1 <W 08-04-1969, art. 1>
  8° Zij die, zonder noodzaak en ondanks het verbod van de eigenaar, gebruik maken van een weg die aan een bijzondere persoon toebehoort.

  ----------
  (1)<ORD 2014-05-08/54, art. 118, 010; Inwerkingtreding : 01-01-2015; zie ook ORD 2014-05-08/54, art. 159>

  Art. 88.Met geldboete van vijf tot vijftien frank worden gestraft :
  1° (opgeheven) <W 02-04-1971, art. 10>
  2° Geleiders die, op weg met hun vee van de ene plaats naar de andere, (...) het laten grazen op gronden van bijzondere personen of van gemeenten. <W 08-04-1969, art. 1>
  Het misdrijf gepleegd op bezaaid land of op land waarvan de oogst niet is ingezameld of binnen een besloten landelijk erf, wordt gestraft met geldboete van tien frank tot vijftien frank en eventueel met gevangenisstraf van één dag tot twee dagen.
  3° Zij die vee of pluimgedierte, van welke soort ook, waarvan zij eigenaar of houder zijn, op andermans eigendom in het open veld laten loslopen.
  Het misdrijf gepleegd binnen de omheining van een woning, hetzij op bezaaid land of op land waarvan de oogst niet is ingezameld, hetzij binnen een besloten landelijk erf, wordt gestraft met geldboete van tien frank tot vijftien frank en eventueel met gevangenisstraf van één dag tot twee dagen.
  Betreft het een kudde, dan wordt de geldboete gebracht op vijftien tot vijfentwintig frank en de eventuele gevangenisstraf op één dag tot zeven dagen.
  4° Zij die aren lezen of naharken zonder te voldoen aan de voorwaarden van artikel 11, en zij die aren lezen of naharken op velden waarvan de oogst niet geheel is ingezameld en weggehaald is, op omheinde velden of voor zonsopgang en na zonsondergang.
  5° (opgeheven) <W 08-04-1969, art. 1>
  6° (opgeheven) <W 04-12-1961, art. 1>
  7° Zij die bijenkorven plaatsen op minder dan twintig meter afstand van een woning of van de openbare weg.
  (Die afstand wordt verminderd tot tien meter, wanneer er tussen de bijenkorven en de woning of de openbare weg een volledig dichte beschutting van ten minste twee meter hoogte aanwezig is.) <W 13-06-1911, enig artikel>
  8° Zij die de afsluiting van een veld openen om zich een doorgang te verschaffen, tenzij de rechter beslist dat de openbare weg onbruikbaar was, in welk geval de gemeente de schadevergoeding moet betalen.
  9° Zij die op enigerlei wijze openbare wegen van welke aard ook beschadigen of zich een strook ervan toeëigenen.
  Indien daartoe grond bestaat, spreekt de rechter behalve de straf ook het herstel van de overtreding uit, overeenkomstig de wetten betreffende de wegen.
  10° Zij die bij het bewerken van het land zich grond van een ander toeëigenen.
  11° Zij die zonder wettige reden binnentreden in een besloten erf waar zich vee bevindt.
  12° Zij die stenen of andere harde lichamen of andere voorwerpen die kunnen bevuilen of beschadigen, in tuinen, besloten erven, natuur- en kunstweiden of bomen werpen.
  13° Zij die door gebrek aan voorzorg enten van bomen geheel of gedeeltelijk vernielen en zij wier dieren dit doen.
  14° Zij die, buiten de gevallen van artikel 549 van het Strafwetboek, andermans grond onder water zetten of er opzettelijk het water op schadelijke wijze op doen lopen.
  15° Veldwachters die, in strijd met artikel 59, niet geoorloofde wapens dragen.
  Het wapen wordt bovendien verbeurd verklaard.
  16° Gemeenteveldwachters die het bij artikel 78 voorgeschreven boekje niet regelmatig bijhouden.
  
  Art. 88. (BRUSSELS HOOFDSTEDELIJK GEWEST)
  [1 Met de straf voorzien in artikel 31, § 1, van het Wetboek van inspectie, preventie, vaststelling en bestraffing van milieumisdrijven, en milieuaansprakelijkheid]1 worden gestraft :
  1° (opgeheven) <W 02-04-1971, art. 10>
  2° Geleiders die, op weg met hun vee van de ene plaats naar de andere, (...) het laten grazen op gronden van bijzondere personen of van gemeenten. <W 08-04-1969, art. 1>
  [1 Indien het misdrijf wordt gepleegd op bezaaid land of op land waarvan de oogst niet is ingezameld of binnen een besloten landelijk erf, wordt het minimale bedrag van de geldboete verdubbeld]1
  3° Zij die vee of pluimgedierte, van welke soort ook, waarvan zij eigenaar of houder zijn, op andermans eigendom in het open veld laten loslopen.
  [1 Indien het misdrijf wordt gepleegd binnen de omheining van een woning, hetzij op bezaaid land of op land waarvan de oogst niet is ingezameld, hetzij binnen een besloten landelijk erf of wanneer het om een kudde gaat, wordt het minimale bedrag van de geldboete verdubbeld;]1
  [1 ...]1
  4° Zij die aren lezen of naharken zonder te voldoen aan de voorwaarden van artikel 11, en zij die aren lezen of naharken op velden waarvan de oogst niet geheel is ingezameld en weggehaald is, op omheinde velden of voor zonsopgang en na zonsondergang.
  5° (opgeheven) <W 08-04-1969, art. 1>
  6° (opgeheven) <W 04-12-1961, art. 1>
  7° Zij die bijenkorven plaatsen op minder dan twintig meter afstand van een woning of van de openbare weg.
  (Die afstand wordt verminderd tot tien meter, wanneer er tussen de bijenkorven en de woning of de openbare weg een volledig dichte beschutting van ten minste twee meter hoogte aanwezig is.) <W 13-06-1911, enig artikel>
  8° Zij die de afsluiting van een veld openen om zich een doorgang te verschaffen, tenzij de rechter beslist dat de openbare weg onbruikbaar was, in welk geval de gemeente de schadevergoeding moet betalen.
  9° Zij die op enigerlei wijze openbare wegen van welke aard ook beschadigen of zich een strook ervan toeëigenen.
  Indien daartoe grond bestaat, spreekt de rechter behalve de straf ook het herstel van de overtreding uit, overeenkomstig de wetten betreffende de wegen.
  10° Zij die bij het bewerken van het land zich grond van een ander toeëigenen.
  11° Zij die zonder wettige reden binnentreden in een besloten erf waar zich vee bevindt.
  12° Zij die stenen of andere harde lichamen of andere voorwerpen die kunnen bevuilen of beschadigen, in tuinen, besloten erven, natuur- en kunstweiden of bomen werpen.
  13° Zij die door gebrek aan voorzorg enten van bomen geheel of gedeeltelijk vernielen en zij wier dieren dit doen.
  14° Zij die, buiten de gevallen van artikel 549 van het Strafwetboek, andermans grond onder water zetten of er opzettelijk het water op schadelijke wijze op doen lopen.
  15° Veldwachters die, in strijd met artikel 59, niet geoorloofde wapens dragen.
  Het wapen wordt bovendien verbeurd verklaard.
  16° Gemeenteveldwachters die het bij artikel 78 voorgeschreven boekje niet regelmatig bijhouden.

  ----------
  (1)<ORD 2014-05-08/54, art. 119, 010; Inwerkingtreding : 01-01-2015; zie ook ORD 2014-05-08/54, art. 159>

  Art. 89.Met geldboete van tien frank tot twintig frank en met gevangenisstraf van één dag tot vijf dagen of met een van die straffen alleen worden gestraft :
  1° (Zij die eigenaar of houder zijn van dood pluimgedierte, ander gedierte of vee, dat voor niets nuttigs te gebruiken is, en nalaten buiten de gevallen waarin zulks verboden is, het binnen vierentwintig uren, anderhalve meter diep in de grond te delven op hun terrein of op de plaats die door het gemeentebestuur is aangewezen.) <W 08-04-1969, art. 1>
  In dat geval zorgt het gemeentebestuur voor de bedelving op kosten van de overtreder, die krachtens het veroordelend vonnis kan worden verplicht tot terugbetaling van de uitgave, op vertoon van een eenvoudige staat van kosten opgemaakt door het college van burgemeester en schepenen.
  2° Zij die, (buiten de gevallen bedoeld in de wet van 11 maart 1950, op de bescherming van de wateren tegen verontreiniging) een dood dier op de openbare weg, op een daaraan palend eigendom of in een waterloop, vijver of vaart werpen. <W 08-04-1969, art. 1>
  3° Zij die zonder rechtstitel bezit nemen van enig gedeelte van de gemeentegrond.
  4° (opgeheven) <W 04-12-1961, art. 1>
  5° (opgeheven) <W 04-12-1961, art. 1>
  6° Zij die zich het water van een bevloeiingskanaal onrechtmatig toeëigenen, of die er gebruik van maken op andere dagen of uren of in ruimere mate dan geoorloofd is door verordeningen of bijzondere overeenkomsten.
  7° Zij die onder enig voorwendsel, zonder verlof van de eigenaar of exploitant, op andermans veld graven met een hak, spade, hark of enig ander werktuig.
  De geldboete wordt verdubbeld, indien graafwerk, als bedoeld in artikel 1, verricht wordt zonder dat de eigenaar vooraf gewaarschuwd is.
  8° Zij die op het veld vuur aansteken op minder dan honderd meter afstand van huizen, bossen, heiden, boomgaarden, hagen, graan, stro, mijten of van plaatsen waar vlas te drogen is gelegd.
  
  Art. 89. (WAALS GEWEST)
   Met geldboete van tien frank tot twintig frank en met gevangenisstraf van één dag tot vijf dagen of met een van die straffen alleen worden gestraft :
  1° (Zij die eigenaar of houder zijn van dood pluimgedierte, ander gedierte of vee, dat voor niets nuttigs te gebruiken is, en nalaten buiten de gevallen waarin zulks verboden is, het binnen vierentwintig uren, anderhalve meter diep in de grond te delven op hun terrein of op de plaats die door het gemeentebestuur is aangewezen.) <W 08-04-1969, art. 1>
  In dat geval zorgt het gemeentebestuur voor de bedelving op kosten van de overtreder, die krachtens het veroordelend vonnis kan worden verplicht tot terugbetaling van de uitgave, op vertoon van een eenvoudige staat van kosten opgemaakt door het college van burgemeester en schepenen.
  2° Zij die, (buiten de gevallen bedoeld in de wet van 11 maart 1950, op de bescherming van de wateren tegen verontreiniging) een dood dier op de openbare weg, op een daaraan palend eigendom of in een waterloop, vijver of vaart werpen. <W 08-04-1969, art. 1>
  3° Zij die zonder rechtstitel bezit nemen van enig gedeelte van de gemeentegrond.
  4° (opgeheven) <W 04-12-1961, art. 1>
  5° (opgeheven) <W 04-12-1961, art. 1>
  6° Zij die zich het water van een bevloeiingskanaal onrechtmatig toeëigenen, of die er gebruik van maken op andere dagen of uren of in ruimere mate dan geoorloofd is door verordeningen of bijzondere overeenkomsten.
  7° Zij die onder enig voorwendsel, zonder verlof van de eigenaar of exploitant, op andermans veld graven met een hak, spade, hark of enig ander werktuig.
  De geldboete wordt verdubbeld, indien graafwerk, als bedoeld in artikel 1, verricht wordt zonder dat de eigenaar vooraf gewaarschuwd is.
  8° Zij die op het veld vuur aansteken op minder dan honderd meter afstand van huizen, [1 ...]1 heiden, boomgaarden, hagen, graan, stro, mijten of van plaatsen waar vlas te drogen is gelegd.
  [1 9° zij die vuur dragen of aansteken op minder dan vijfentwintig meter van bossen en wouden, behoudens toestemming van de eigenaar ervan.]1
  
  Art. 89. (VLAAMS GEWEST)
   (Met geldboete van tien frank tot twintig frank en met gevangenisstraf van één dag tot vijf dagen of met een van die straffen alleen worden gestraft :
  1° (Zij die eigenaar of houder zijn van dood pluimgedierte, ander gedierte of vee, dat voor niets nuttigs te gebruiken is, en nalaten buiten de gevallen waarin zulks verboden is, het binnen vierentwintig uren, anderhalve meter diep in de grond te delven op hun terrein of op de plaats die door het gemeentebestuur is aangewezen.) <W 08-04-1969, art. 1>
  In dat geval zorgt het gemeentebestuur voor de bedelving op kosten van de overtreder, die krachtens het veroordelend vonnis kan worden verplicht tot terugbetaling van de uitgave, op vertoon van een eenvoudige staat van kosten opgemaakt door het college van burgemeester en schepenen.
  2° Zij die, (buiten de gevallen bedoeld in de wet van 11 maart 1950, op de bescherming van de wateren tegen verontreiniging) een dood dier op de openbare weg, op een daaraan palend eigendom of in een waterloop, vijver of vaart werpen. <W 08-04-1969, art. 1>
  3° Zij die zonder rechtstitel bezit nemen van enig gedeelte van de gemeentegrond.
  4° (opgeheven) <W 04-12-1961, art. 1>
  5° (opgeheven) <W 04-12-1961, art. 1>
  6° Zij die zich het water van een bevloeiingskanaal onrechtmatig toeëigenen, of die er gebruik van maken op andere dagen of uren of in ruimere mate dan geoorloofd is door verordeningen of bijzondere overeenkomsten.
  7° Zij die onder enig voorwendsel, zonder verlof van de eigenaar of exploitant, op andermans veld graven met een hak, spade, hark of enig ander werktuig.
  De geldboete wordt verdubbeld, indien graafwerk, als bedoeld in artikel 1, verricht wordt zonder dat de eigenaar vooraf gewaarschuwd is.
  8° Zij die op het veld vuur aansteken op minder dan honderd meter afstand van huizen, [2 ...]2, heiden, boomgaarden, hagen, graan, stro, mijten of van plaatsen waar vlas te drogen is gelegd.
  
  Art. 89. (BRUSSELS HOOFDSTEDELIJK GEWEST)
  [3 Met de straf voorzien in artikel 31, § 1, van het Wetboek van inspectie, preventie, vaststelling en bestraffing van milieumisdrijven, en milieuaansprakelijkheid]3 worden gestraft :
  1° (Zij die eigenaar of houder zijn van dood pluimgedierte, ander gedierte of vee, dat voor niets nuttigs te gebruiken is, en nalaten buiten de gevallen waarin zulks verboden is, het binnen vierentwintig uren, anderhalve meter diep in de grond te delven op hun terrein of op de plaats die door het gemeentebestuur is aangewezen.) <W 08-04-1969, art. 1>
  In dat geval zorgt het gemeentebestuur voor de bedelving op kosten van de overtreder, die krachtens het veroordelend vonnis kan worden verplicht tot terugbetaling van de uitgave, op vertoon van een eenvoudige staat van kosten opgemaakt door het college van burgemeester en schepenen.
  2° Zij die, (buiten de gevallen bedoeld in de wet van 11 maart 1950, op de bescherming van de wateren tegen verontreiniging) een dood dier op de openbare weg, op een daaraan palend eigendom of in een waterloop, vijver of vaart werpen. <W 08-04-1969, art. 1>
  3° Zij die zonder rechtstitel bezit nemen van enig gedeelte van de gemeentegrond.
  4° (opgeheven) <W 04-12-1961, art. 1>
  5° (opgeheven) <W 04-12-1961, art. 1>
  6° Zij die zich het water van een bevloeiingskanaal onrechtmatig toeëigenen, of die er gebruik van maken op andere dagen of uren of in ruimere mate dan geoorloofd is door verordeningen of bijzondere overeenkomsten.
  7° Zij die onder enig voorwendsel, zonder verlof van de eigenaar of exploitant, op andermans veld graven met een hak, spade, hark of enig ander werktuig.
  [3 Het minimale bedrag van de geldboete wordt verdubbeld]3, indien graafwerk, als bedoeld in artikel 1, verricht wordt zonder dat de eigenaar vooraf gewaarschuwd is.
  8° Zij die op het veld vuur aansteken op minder dan honderd meter afstand van huizen, bossen, heiden, boomgaarden, hagen, graan, stro, mijten of van plaatsen waar vlas te drogen is gelegd.

  ----------
  (1)<DWG 2008-07-15/44, art. 113, 007; Inwerkingtreding : 14-09-2009>
  (2)<DVR 2013-07-12/15, art. 3, 009; Inwerkingtreding : 03-07-2013>
  (3)<ORD 2014-05-08/54, art. 120, 010; Inwerkingtreding : 01-01-2015; zie ook ORD 2014-05-08/54, art. 159>

  Art. 90.Met geldboete van vijftien tot vijfentwintig frank en met gevangenisstraf van één dag tot zeven dagen of met een van die straffen alleen worden gestraft :
  1° Zij die vee of pluimgedierte, van welke soort ook, op enigerlei tijdstip drijven of hoeden in andermans veldvruchten, in natuur- of kunstweiden, in wijngaarden, griendwaarden, hopakkers, in door mensenhand aangelegde aanplantingen of kwekerijen van fruit- en andere bomen.
  2° Zij die, (buiten de gevallen bedoeld in de wet van 11 maart 1950 op de bescherming van de wateren tegen verontreiniging) opzettelijk in een openbare of private waterput, drinkplaats of fontein organische lichamen of andere stoffen werpen of doen werpen die het water kunnen bederven of voor huishoudelijk gebruik ongeschikt maken. <W 08-04-1969, art. 1>
  3° Zij die, (buiten de gevallen bedoeld in de wet van 11 maart 1950 op de bescherming van de wateren tegen verontreiniging) in een vaart, een vijver, een visvijver of een viskom stoffen werpen die de vis kunnen vernielen. <W 08-04-1969, art. 1>
  4° Zij die, onverschillig voor welk gebruik, krengen of resten van dieren of vee geheel of gedeeltelijk ontgraven.
  De gevangenisstraf wordt altijd uitgesproken, indien het dier op last van de overheid in de grond is gedolven.
  5° Zij die, opzettelijk en op welke wijze ook, bijenkorven vernielen, omstoten, toestoppen of openbreken, of die andermans bijen doen omkomen of pogen te doen omkomen.
  6° Zij die een bijenzwerm, komend uit andermans bijenstal, op hun goed lokken, indien zij hem niet hebben teruggegeven binnen vierentwintig uren nadat hij van hen is teruggevorderd.
  7° Zij die stenen, graszoden, aarde, zand, kalk, mergel, dierlijke of enige andere meststof op andermans grond wegnemen.
  8° Zij die draineerbuizen opzettelijk vernielen of beschadigen, toestoppen of verplaatsen.
  9° Zij die andermans bomen geheel of gedeeltelijk ontschorsen of snijden, zonder dat deze vergaan.
  10° Zij die het hout van hagen of van boomaanplantingen wegnemen.
  11° (opgeheven) < W 04-12-1961, art. 1>
  12° (Zij die bomen planten met overtreding van de artikelen 35bis en 35ter.) <W 08-04-1969, art. 1>
  (Op vordering van een burgerlijke partij wordt artikel 36bis van dit Wetboek toegepast.) <W 12-07-1976, art. 2>
  
  Art. 90. (BRUSSELS HOOFDSTEDELIJK GEWEST)
  [1 Met de straf voorzien in artikel 31, § 1, van het Wetboek van inspectie, preventie, vaststelling en bestraffing van milieumisdrijven, en milieuaansprakelijkheid]1 worden gestraft :
  1° Zij die vee of pluimgedierte, van welke soort ook, op enigerlei tijdstip drijven of hoeden in andermans veldvruchten, in natuur- of kunstweiden, in wijngaarden, griendwaarden, hopakkers, in door mensenhand aangelegde aanplantingen of kwekerijen van fruit- en andere bomen.
  2° Zij die, (buiten de gevallen bedoeld in de wet van 11 maart 1950 op de bescherming van de wateren tegen verontreiniging) opzettelijk in een openbare of private waterput, drinkplaats of fontein organische lichamen of andere stoffen werpen of doen werpen die het water kunnen bederven of voor huishoudelijk gebruik ongeschikt maken. <W 08-04-1969, art. 1>
  3° Zij die, (buiten de gevallen bedoeld in de wet van 11 maart 1950 op de bescherming van de wateren tegen verontreiniging) in een vaart, een vijver, een visvijver of een viskom stoffen werpen die de vis kunnen vernielen. <W 08-04-1969, art. 1>
  4° Zij die, onverschillig voor welk gebruik, krengen of resten van dieren of vee geheel of gedeeltelijk ontgraven.
  De gevangenisstraf wordt altijd uitgesproken, indien het dier op last van de overheid in de grond is gedolven.
  5° Zij die, opzettelijk en op welke wijze ook, bijenkorven vernielen, omstoten, toestoppen of openbreken, of die andermans bijen doen omkomen of pogen te doen omkomen.
  6° Zij die een bijenzwerm, komend uit andermans bijenstal, op hun goed lokken, indien zij hem niet hebben teruggegeven binnen vierentwintig uren nadat hij van hen is teruggevorderd.
  7° Zij die stenen, graszoden, aarde, zand, kalk, mergel, dierlijke of enige andere meststof op andermans grond wegnemen.
  8° Zij die draineerbuizen opzettelijk vernielen of beschadigen, toestoppen of verplaatsen.
  9° Zij die andermans bomen geheel of gedeeltelijk ontschorsen of snijden, zonder dat deze vergaan.
  10° Zij die het hout van hagen of van boomaanplantingen wegnemen.
  11° (opgeheven) < W 04-12-1961, art. 1>
  12° (Zij die bomen planten met overtreding van de artikelen 35bis en 35ter.) <W 08-04-1969, art. 1>
  (Op vordering van een burgerlijke partij wordt artikel 36bis van dit Wetboek toegepast.) <W 12-07-1976, art. 2>

  ----------
  (1)<ORD 2014-05-08/54, art. 121, 010; Inwerkingtreding : 01-01-2015; zie ook ORD 2014-05-08/54, art. 159>

  Art. 91.De straffen op de overtredingen, omschreven in de artikelen 87 en 90, worden verhoogd tot het maximum en de rechtbank spreekt bovendien gevangenisstraf van één dag tot zeven dagen uit :
  1° Indien er herhaling is binnen een jaar, te rekenen van het eerste vonnis tegen de schuldige gewezen wegens dezelfde overtreding en door dezelfde rechtbank;
  2° Indien de overtredingen bij nacht zijn gepleegd;
  3° Indien de feiten in bende of in vereniging zijn gepleegd.
  
  Art. 91. (BRUSSELS HOOFDSTEDELIJK GEWEST)
  [1 Het minimale bedrag van de geldboete voor de misdrijven, omschreven in de artikelen 87 en 90, wordt verdubbeld]1 :
  1° [1 ...]1
  2° Indien de overtredingen bij nacht zijn gepleegd;
  3° Indien de feiten in bende of in vereniging zijn gepleegd.

  ----------
  (1)<ORD 2014-05-08/54, art. 122, 010; Inwerkingtreding : 01-01-2015; zie ook ORD 2014-05-08/54, art. 159>

  Art. 92.In alle gevallen van de vorige artikelen kan, indien verzachtende omstandigheden aanwezig zijn, van gevangenisstraf afgezien worden en kan de geldboete verminderd worden , maar nooit tot minder dan één frank.
  
  Art. 92. (BRUSSELS HOOFDSTEDELIJK GEWEST)
  <Opgeheven bij ORD 2014-05-08/54, art. 123, 010; Inwerkingtreding : 01-01-2015; zie ook ORD 2014-05-08/54, art. 159>


  HOOFDSTUK 6. - Teruggave en schadevergoeding.

  Art. 93. In geen geval mag de aan de burgerlijke partij verschuldigde schadevergoeding, met inbegrip van de waarde van de in natura teruggegeven voorwerpen, minder bedragen dan de enkele geldboete bij het vonnis opgelegd.

  Art. 94. De (...), de ouders, de voogden, de meesters en zij die anderen aanstellen zijn burgerrechtelijk aansprakelijk voor de geldboeten, teruggaven, schadevergoedingen en kosten die voortvloeien uit de veroordelingen, uitgesproken tegen (...), hun minderjarige kinderen en hun pupillen, die ongehuwd zijn en bij hen inwonen, hun werklieden, voerlieden en andere ondergeschikten, behoudens verhaal als naar recht. <W 08-04-1969, art. 1>

  Art. 95. De gebruiksgerechtigden zijn aansprakelijk voor de geldboeten, teruggaven, schadevergoedingen en kosten, waartoe hun hoeders en bewakers veroordeeld zijn wegens wanbedrijven of overtredingen inzake veldpolitie, gepleegd gedurende de tijd en de uitoefening van de dienst.

  HOOFDSTUK 7. - Tenuitvoerlegging van vonnissen.

  Art. 96. Vonnissen, bij verstek gewezen op verzoek van de burgerlijke partij of op vervolging van het openbare ministerie, worden betekend bij een eenvoudig uittreksel, dat de naam van de partijen en het beschikkende gedeelte van het vonnis inhoudt.
  Die betekening doet de termijnen van verzet en van hoger beroep ingaan.

  Art. 97. Vonnissen houdende veroordeling tot geldboete, teruggave, schadevergoeding en kosten worden ten uitvoer gelegd zoals in correctionele zaken of zoals in politiezaken, naar gelang van het geval.

  Art. 98. <W 08-04-1969, art. 1> Door dit wetboek wordt niet afgeweken van de wetten of reglementen betreffende polders en wateringen.

Wijziging(en) Tekst Inhoudstafel Begin
BEELD
  • DECREET VLAAMSE RAAD VAN 26-04-2019 GEPUBL. OP 19-06-2019
    (GEWIJZIGD ART. : 89)
  • BEELD
  • DECREET VLAAMSE RAAD VAN 18-12-2015 GEPUBL. OP 29-12-2015
    (GEWIJZIGD ART. : 35bis)
  • BEELD
  • ORDONNANTIE (BRUSSEL) VAN 08-05-2014 GEPUBL. OP 18-06-2014
    (GEWIJZIGDE ART. : 69; 87; 88; 89; 90; 91; 92)
  • BEELD
  • DECREET VLAAMSE RAAD VAN 12-07-2013 GEPUBL. OP 09-08-2013
    (GEWIJZIGD ART. : 89)
  • BEELD
  • DECREET VLAAMSE RAAD VAN 01-03-2013 GEPUBL. OP 15-04-2013
    (GEWIJZIGDE ART. : 67; 69)
  • BEELD
  • DECREET WAALSE GEWEST VAN 15-07-2008 GEPUBL. OP 12-09-2008
    (GEWIJZIGDE ART. : 40; 41; 67; 89)
  • BEELD
  • DECREET VLAAMSE RAAD VAN 07-12-2007 GEPUBL. OP 14-01-2008
    (GEWIJZIGD ART. : 35BIS)
  • BEELD
  • WET VAN 19-04-1999 GEPUBL. OP 13-05-1999
    (GEWIJZIGDE ART. : 61; 63; 64; 67; 68; 71; 76; 84)
  • BEELD
  • WET VAN 07-12-1998 GEPUBL. OP 05-01-1999
    (GEWIJZIGDE ART. : 61; 66; 67; 69)
  • DECREET WAALSE GEWEST VAN 14-07-1994 GEPUBL. OP 28-09-1994
    (GEWIJZIGD ART. : 13)
  • DECREET VLAAMSE RAAD VAN 24-07-1991 GEPUBL. OP 07-09-1991
    (GEWIJZIGD ART. : 13)
  • WET VAN 18-07-1991 GEPUBL. OP 26-07-1991
    (GEWIJZIGD ART. : 82)
  • WET VAN 26-05-1989 GEPUBL. OP 30-05-1989
    (GEWIJZIGD ART. : 59BIS)

  • Parlementaire werkzaamheden Tekst Inhoudstafel Begin
        Chambre des représentants. Session de 1869-1870. Documents parlementaires. - Exposé des motifs et texte du projet de loi. Séance du 18 janvier 1870 : p. 115-122. Session de 1875-1876. Documents parlementaires. - Exposé des motifs et texte d'un nouveau projet de loi. Séance du 19 janvier 1876 : p. 202-212. Session de 1878-1879. Documents parlementaires. - Rapport et texte d'un projet de loi de la commission spéciale de la Chambre des représentants. Séance du 2 août 1879. Annexe aux Documents parlementaires de cette session. Titre Ier, chapitres Ier à III : p. 1-9; chapitres IV à VI : p. 10-19; titre II : p. 20-33. Session de 1885-1886. Documents parlementaires. - Rapports sur des amendements et sur les articles renvoyés à la commission : p. 33 et 94-96. Annales parlementaires. - Discussion. Séances des 2 décembre 1885 : p. 107-120; 3 décembre : p. 122-128; 4 décembre : p. 130-144; 11 décembre : p. 196-203; 16 décembre : p. 227-231; 17 décembre : p. 232-244; 12 janvier 1886 : p. 288-299; 13 janvier : p. 306-313, et 23 février : p. 617-631 et 633-644. - Second vote Séances des 2 mars : p. 675, et 4 mars : p. 709-717. - Adoption. Séance du 4 mars : p. 717. Sénat. Session de 1885-1886. Documents parlementaires. - Rapports sur les chapitres Ier à III du titre Ier. Séance du 12 mars 1886 : p. 12-13; sur les chapitres IV à VI du titre Ier. Séance du 13 mars : p. 15-21; sur le titre II. Séance du 17 mars : p. 21. Annales parlementaires. - Discussion. Séances des 17 mars 1886 : p. 176-186; 23 mars : p. 237-244, et 24 mars : p. 245-269. - Adoption du projet de loi amendé. Séance du 24 mars : p. 260. Chambre des représentants. Session de 1885-1886. Documents parlementaires. - Rapport sur les amendements votés par le Sénat : p. 139. Annales parlementaires. - Discussion des amendements votés par le Sénat. Séance du 4 mai 1886 : p. 1087-1089. - Adoption du projet de loi avec amendements. Séance du 4 mai : p. 1089. Sénat. Session de 1885-1886. Documents parlementaires. - Rapport sur le projet de loi amendé par la Chambre des représentants. Séance du 15 mai 1886 : p. 35. Annales parlementaires. - Discussion et adoption du projet tel que l'a amendé la Chambre des représentants, Séance du 20 mai 1886 : p. 339-347.

    Begin Eerste woord Laatste woord Wijziging(en)
    Parlementaire werkzaamheden Inhoudstafel 10 uitvoeringbesluiten 10 gearchiveerde versies
    Franstalige versie