J U S T E L     -     Geconsolideerde wetgeving
Einde Eerste woord Laatste woord Aanhef
Verslag aan de Koning Inhoudstafel
Handtekening Einde Franstalige versie
 
belgiëlex . be     -     Kruispuntbank Wetgeving
Raad van State
ELI - Navigatie systeem via een Europese identificatiecode voor wetgeving
http://www.ejustice.just.fgov.be/eli/besluit/2020/06/10/2020041680/justel

Titel
10 JUNI 2020. - Besluit nr. 2020/038 van de Brusselse Hoofdstedelijke Regering tot verlenging van sommige termijnen uit het Brussels Wetboek van Ruimtelijke Ordening en uit de ordonnantie van 5 juni 1997 betreffende de milieuvergunningen


Bron :
BRUSSELS HOOFDSTEDELIJK GEWEST
Publicatie : 16-06-2020 nummer :   2020041680 bladzijde : 43497       PDF :   originele versie    geconsolideerde versie
Dossiernummer : 2020-06-10/03
Inwerkingtreding : 16-06-2020

Inhoudstafel Tekst Begin
Art. 1-12

Tekst Inhoudstafel Begin
Artikel 1. De termijnen bedoeld in de artikelen 156, 178 en 178/2 van het BWRO, wat betreft de lopende aanvragen die in behandeling zijn op 16 juni 2020en waarvan de behandelingstermijnen werden opgeschort door het volmachtbesluit nr. 2020/001 van de Brusselse Hoofdstedelijke Regering van 2 april 2020 betreffende de tijdelijke opschorting van de verval- en beroepstermijnen die vastgelegd zijn in de Brusselse wetgeving en reglementering of die op grond daarvan zijn ingevoerd, worden met zes maanden verlengd.
  De vervaldatum wordt berekend rekening houdend met de opschorting van de termijnen door het volmachtbesluit n° 2020/001 van de Brusselse Hoofdstedelijke Regering van 2 april 2020 betreffende de tijdelijke opschorting van de verval- en beroepstermijnen die vastgelegd zijn in de Brusselse wetgeving en reglementering of die op grond daarvan zijn ingevoerd.

  Art. 2. De termijnen bedoeld in de artikelen 156, 178 en 178/2 van het BWRO, wat betreft de aanvragen ingediend tussen 16 juni 2020 en 31 december 2020, worden met zes maanden verlengd.

  Art. 3. De termijnen bedoeld in de artikelen 17, 32, § 2, 36, § 2bis, 43, § 2, 47, § 2bis et 51, § 2van de OMV, wat betreft de lopende aanvragen die in behandeling zijn op 16 juni 2020 en waarvan de behandelingstermijnen werden opgeschort door het volmachtbesluit nr. 2020/001 van de Brusselse Hoofdstedelijke Regering van 2 april 2020 betreffende de tijdelijke opschorting van de verval- en beroepstermijnen die vastgelegd zijn in de Brusselse wetgeving en reglementering of die op grond daarvan zijn ingevoerd, worden met zes maanden verlengd.

  Art. 4. De termijnen bedoeld in de artikelen 17, 32, § 2, 36, § 2bis, 43, § 2, 47, § 2bis en 51, § 2 1 van de OVM, wat betreft de aanvragen ingediend tussen 16 juni 2020 en 31 december 2020, worden met zes maanden verlengd.

  Art. 5. Als de stedenbouwkundige vergunningsaanvraag tijdens de behandeling wordt gewijzigd en als die wijzigingen aan nieuwe speciale regelen van openbaarmaking moeten worden onderworpen, eindigt de verlenging bedoeld in de artikelen 1 en 2 van dit besluit.
  De termijn die ingaat tijdens de verzending van het ontvangstbewijs bedoeld in de artikelen 126/1, § 4, 177/1, § 4 en 191, § 3 van het BWRO, wordt met zes maanden verlengd.

  Art. 6. § 1. De handelingen en beslissingen genomen in uitvoering van de Ordonnantie van 5 juni 1997 betreffende de milieuvergunningen en waarvan de geldigheidsduur afloopt tussen 16 juni 2020 en 15 december 2020 of waarvan de verlenging afhangt van een formaliteit die moet worden vervuld tussen 16 december 2019 en 15 december 2020, worden geacht verlengd te worden met een duur van zes maanden. De vervaldatum wordt berekend rekening houdend met het bijzonderemachtenbesluit nr. 2020/001 van de Brusselse Hoofdstedelijke Regering betreffende de tijdelijke opschorting van de verval- en beroepstermijnen die vastgelegd zijn in de Brusselse wetgeving en reglementering of die op grond daarvan zijn ingevoerd, het besluit van 16 april 2020 houdende verlenging van de termijnen bepaald in artikel 1 van het bijzonderemachtenbesluit nr. 2020/001 van de Brusselse Hoofdstedelijke Regering betreffende de tijdelijke opschorting van de verval- en beroepstermijnen die vastgelegd zijn in de Brusselse wetgeving en reglementering of die op grond daarvan zijn ingevoerd en het besluit van de Brusselse Hoofdstedelijke Regering van 14 mei 2020 houdende een tweede verlenging van de termijnen bepaald in artikel 1 van het bijzonderemachtenbesluit nr. 2020/001 van de Brusselse Hoofdstedelijke Regering betreffende de tijdelijke opschorting van de verval- en beroepstermijnen die vastgelegd zijn in de Brusselse wetgeving en reglementering of die op grond daarvan zijn ingevoerd.
  Komen evenwel niet in aanmerking voor de verlenging met een duur van zes maanden, de handelingen en beslissingen waarvoor het verzoek om verlenging overeenkomstig artikel 62, § 2, van de OMV moest worden ingediend vóór 16 maart 2020 en dat niet is ingediend.
  § 2. Wanneer de houder van een registratie bedoeld in het besluit van de Brusselse Hoofdstedelijke Regering van 22 maart 2012 inzake de bepaling van de minimumopleidingseisen voor koeltechnici, de registratie van koeltechnische bedrijven en de erkenning van de examencentra de voorwaarde inzake het behalen van een bekwaamheidsattest voor zijn personeel, met name het attest bedoeld in artikel 10, §§ 4 en 5 van het genoemde besluit, onmogelijk vóór 31 december 2020 kan naleven, wordt deze voorwaarde opgeschort voor een periode van zes maanden.
  § 3. De termijnen vastgelegd in de artikelen 23, § 2,1° en 30, § 2, a) van het besluit van de Brusselse Hoofdstedelijke Regering van 1 februari 2018 betreffende de opslag van ontvlambare vloeistoffen die worden gebruikt als brandstof, worden met een jaar verlengd.

  Art. 7. De termijn bedoeld in de artikelen 188/9 en 197/7 BWRO en de artikelen 31, § 2 en 41, § 2 van de OVM, wat betreft de aanvragen bedoeld in de artikelen 1 tot en met 5 van dit besluit, wordt met 45 dagen verlengd.

  Art. 8. § 1. Voor de aanvragen bedoeld in de artikelen 1 tot en met 5 van dit besluit, moeten de volgende handelingen, zoals ze voorzien worden door het besluit van de Brusselse Hoofdstedelijke Regering van 25 april 2019 met betrekking tot de openbare onderzoeken inzake ruimtelijke ordening, stedenbouw en leefmilieu, tijdens de periode waarin het openbaar onderzoek wordt gehouden, op afspraak gebeuren:
  - de raadpleging van het administratieve dossier;
  - de mededeling van technische toelichtingen;
  - de indiening van een mondelinge klacht.
  Bovendien moet het bericht van openbaar onderzoek, dat overeenkomt met het model in bijlage 2 bij het besluit van de Brusselse Hoofdstedelijke Regering van 25 april 2019 met betrekking tot de openbare onderzoeken inzake ruimtelijke ordening, stedenbouw en leefmilieu, niet verplicht de datum en de plaats van de zitting van de overlegcommissie vermelden.
  § 2. Deze modaliteiten zijn van toepassing tot en met 31 december 2020.

  Art. 9. § 1. Voor de aanvragen bedoeld in de artikelen 1 tot en met 5 van dit besluit, voor de handelingen zoals voorzien in het besluit van de Brusselse Hoofdstedelijke Executieve van 29 juni 1992 betreffende de overlegcommissies, worden enkel de personen die tijdens het openbaar onderzoek uitdrukkelijk hebben verzocht om gehoord te worden, toegelaten tot de overlegcommissie.
  Het aantal personen dat de aanvrager begeleidt of vertegenwoordigt, wordt beperkt tot twee.
  In het geval van een petitie, wijkcomité of andere vereniging wordt het aantal personen dat wordt toegelaten tot de overlegcommissie beperkt tot twee per petitie, per wijkcomité of per vereniging.
  Mits het voorafgaande en uitdrukkelijke akkoord van de aanvrager en van alle bezwaarindieners die gehoord willen worden door de overlegcommissie, kan de overlegcommissie via een videoconferentie worden gehouden.
  § 2. Deze modaliteiten zijn van toepassing tot en met 31 december 2020.

  Art. 10. De termijn bedoeld in artikel 188/2 van het BWRO, wat betreft de beroepen ingediend tot en met 15 juni 2020, wordt met drie maanden verlengd als de behandeling ervan de organisatie van een hoorzitting vereist en als een dergelijke hoorzitting nog niet was gehouden op 16 maart 2020.
  De verlenging voorzien in het voorgaande lid geldt ook voor de beroepen ingediend tussen 16 juni 2020 en 31 december 2020, voor zover de beroepsindiener heeft verzocht om gehoord te worden, overeenkomstig artikel 188/1 van het BWRO.

  Art. 11. Dit besluit treedt in werking op 16 juni 2020.

  Art. 12. De ministers bevoegd voor Stedenbouw en Leefmilieu worden belast met de uitvoering van dit besluit.
  

Handtekening Tekst Inhoudstafel Begin
   Brussel, 10 juni 2020.
Voor de Brusselse Hoofdstedelijke Regering:
De Minister-President van de Brusselse Hoofdstedelijke Regering, bevoegd voor territoriale ontwikkeling en stadsvernieuwing, toerisme, de promotie van het imago van Brussel en biculturele zaken van gewestelijk belang,
R. VERVOORT
De Minister van de Brusselse Hoofdstedelijke Regering, bevoegd voor klimaattransitie, leefmilieu, energie en participatieve democratie,
A. MARON
De Minister van de Brusselse Hoofdstedelijke Regering, bevoegd voor financiën, begroting, openbaar ambt, promotie van meertaligheid en van het imago van Brussel,
S. GATZ

Aanhef Tekst Inhoudstafel Begin
   De Brusselse Hoofdstedelijke Regering,
   Gelet op de Ordonnantie van 19 maart 2020 om bijzondere machten toe te kennen aan de Brusselse Hoofdstedelijke Regering in het kader van de gezondheidscrisis COVID-19, met name artikel 2;
   Gelet op het Brussels Wetboek van Ruimtelijke Ordening (hierna BWRO);
   Gelet op de ordonnantie van 5 juni 1997 betreffende de milieuvergunningen (hierna OMV);
   Gelet op het besluit van de Brusselse Hoofdstedelijke Regering van 25 april 2019 met betrekking tot de openbare onderzoeken inzake ruimtelijke ordening, stedenbouw en leefmilieu;
   Gelet op het besluit van de Brusselse Hoofdstedelijke Executieve van 29 juni 1992 betreffende de overlegcommissies;
   Gelet op het besluit van de Brusselse Hoofdstedelijke Regering van 1 februari 2018 betreffende de opslag van ontvlambare vloeistoffen die worden gebruikt als brandstof;
   Gelet op het besluit van 22 maart 2012 van de Brusselse Hoofdstedelijke Regering inzake de bepaling van de minimumopleidingseisen voor koeltechnici, de registratie van koeltechnische bedrijven en de erkenning van de examencentra;
   Overwegende artikel 39 van de Grondwet;
   Overwegende de bijzondere wet van 8 augustus 1980 tot hervorming der instellingen, in het bijzonder artikel 6;
   Overwegende de bijzondere wet van 12 januari 1989 met betrekking tot de Brusselse instellingen;
   Overwegende het besluit van de Brusselse Hoofdstedelijke Regering van 18 juli 2000 tot regeling van haar werkwijze en tot regeling van de ondertekening van de akten van de Regering;
   Overwegende het besluit van de Brusselse Hoofdstedelijke Regering van 22 juli 2019 tot vaststelling van de verdeling van de bevoegdheden tussen de ministers van de Brusselse Hoofdstedelijke Regering;
   Overwegende het volmachtbesluit nr. 2020/001 van de Brusselse Hoofdstedelijke Regering van 2 april 2020 betreffende de tijdelijke opschorting van de verval- en beroepstermijnen die vastgelegd zijn in de Brusselse wetgeving en reglementering of die op grond daarvan zijn ingevoerd;
   Overwegende het besluit van de Brusselse Hoofdstedelijke Regering van 16 april 2020 houdende verlenging van de termijnen bepaald in artikel 1 van het volmachtbesluit nr. 2020/001 van de Brusselse Hoofdstedelijke Regering betreffende de tijdelijke opschorting van de verval- en beroepstermijnen die vastgelegd zijn in de Brusselse wetgeving en reglementering of die op grond daarvan zijn ingevoerd ;
   Overwegende het besluit van de Brusselse Hoofdstedelijke Regering van 14 mei 2020 houdende een tweede verlenging van de termijnen bepaald in artikel 1 van volmachtbesluit nr. 2020/001 van de Brusselse Hoofdstedelijke Regering betreffende de tijdelijke opschorting van de verval- en beroepstermijnen die vastgelegd zijn in de Brusselse wetgeving en reglementering of die op grond daarvan zijn ingevoerd;
   Overwegende dat het coronavirus COVID-19 op 11 maart 2020 door de WHO bestempeld werd als een pandemie ;
   Overwegende dat de Brusselse Hoofdstedelijke Regering, als gevolg van de maatregelen die zijn genomen om de verspreiding van het virus onder de bevolking te beperken, tot de opschorting is overgegaan van de verval- en beroepstermijnen en van alle termijnen waarvan de overschrijding een rechtsgevolg heeft, en die zijn vastgelegd in de Brusselse wetgeving en reglementering of op grond daarvan zijn ingevoerd;
   Dat deze opschorting twee doelstellingen nastreefde; dat ze er enerzijds toe strekte om ervoor te zorgen dat geen enkele burger gehinderd wordt in het uitoefenen van zijn/haar rechten noch in het vervullen van zijn/haar plichten als gevolg van de impact van de gezondheidscrisis op de dagelijkse werking van de openbare diensten of als gevolg van het feit dat hij/zij zelf in een situatie is terechtgekomen die ertoe leidt hij/zij die rechten of plichten niet kan uitoefenen; dat ze er anderzijds toe strekte om ervoor te zorgen dat de openbare diensten de bestuursrechtelijke procedures en de beroepen die onder hun bevoegdheid vallen, zouden kunnen behandelen, en tegelijk te vermijden dat, indien het niet mogelijk blijkt te zijn om die binnen de vereiste termijn te behandelen, een beslissing bij verstek genomen zou worden ;
   Overwegende dat deze opschorting er niet toe leidde dat de openbare diensten de behandeling van lopende administratieve procedures moesten stopzetten indien die behandeling in overeenstemming was met de genomen inperkingsmaatregelen;
   Dat inzake stedenbouw en leefmilieu de organisatie van de speciale regelen van openbaarmaking, met name de openbare onderzoeken en overlegcommissies, onmogelijk was omdat die handelingen niet in overeenstemming waren met de bovengenoemde regels, in de mate dat ze een deelname van het publiek vereisen;
   Dat dat niet alleen het geval is voor de aanvragen die voor 16 maart 2020 werden ingediend en waarvoor het openbaar onderzoek en/of de overlegcommissie nog niet plaats had(den) kunnen vinden, maar ook voor de vergunningsaanvragen die tijdens de opschortingsperiode werden ingediend;
   Dat de behandeling van veel vergunningsaanvragen daardoor momenteel geblokkeerd is in de fase van de speciale regelen van openbaarmaking;
   Overwegende dat de opgelegde inperkingsmaatregelen, met name de grootschalige toevlucht tot telewerk, over het algemeen het onderzoek en de behandeling van de aanvragen moeilijker hebben gemaakt, zelfs als die geen speciale regelen van openbaarmaking vereisen;
   Overwegende dat de opgelegde inperkingsmaatregelen de naleving hebben bemoeilijkt of zelfs onmogelijk hebben gemaakt van de opgelegde termijnen om bepaalde vastgelegde voorwaarden te verwezenlijken voor bepaalde ingedeelde inrichtingen of voor sectoren die aan de registratie zijn onderworpen;
   Overwegende dat de termijn waarin de vergunningverlenende overheid haar beslissing aan de aanvrager moet bekendmaken een vervaltermijn is;
   Dat daaruit volgt dat er door de opheffing van de opschorting van de termijnen, voorzien op 16 juni 2020, op korte termijn zal moeten worden overgegaan tot de organisatie van de speciale regelen van openbaarmaking om te vermijden dat de procedures door een stilzwijgende weigering gesanctioneerd worden ;
   Dat de bevoegde bestuurlijke overheden inderdaad niet meteen alle speciale regelen van openbaarmaking die sinds 16 maart 2020 werden uitgesteld, zullen kunnen organiseren; dat de doelstellingen die worden nagestreefd in volmachtbesluit nr. 2020/001 van de Brusselse Hoofdstedelijke Regering van 2 april 2020 betreffende de tijdelijke opschorting van de verval- en beroepstermijnen die vastgelegd zijn in de Brusselse wetgeving en reglementering of die op grond daarvan zijn ingevoerd, niet bereikt zouden worden als er geen maatregel voorzien wordt ter begeleiding van de opheffing van de opschorting van de termijnen;
   Dat dat des te meer geldt omdat de maatregelen voorgeschreven door het ministerieel besluit van 8 mei 2020 houdende wijziging van het ministerieel besluit van 23 maart 2020 houdende dringende maatregelen om de verspreiding van het coronavirus COVID-19 te beperken, geen terugkeer op korte termijn naar een normale situatie inhouden;
   Dat de openbare onderzoeken bovendien voor meer dan de helft van hun termijn buiten de schoolvakanties moeten plaatsvinden;
   Dat de reorganisatie van de openbare onderzoeken en overlegcommissies bovendien enkel kan worden overwogen als de door de federale overheid opgelegde maatregelen van social distancing worden nageleefd; dat, om daaraan te voldoen, beperkte fysieke wijzigingen zullen worden aangebracht aan de werking van de openbare onderzoeken en overlegcommissies zonder te leiden tot een beperking van de aan het publiek toegekende rechten;
   Dat er in deze omstandigheden wordt voorgesteld om sommige termijnen voor de behandeling van vergunningsaanvragen met zes maanden te verlengen; dat die verlenging er met name toe strekt dat de gemeenten tot de organisatie van de vereiste openbare onderzoeken en overlegcommissies kunnen overgaan opdat de vergunningverlenende overheid zich vervolgens geldig kan uitspreken over de aanvraag binnen een termijn die, door de bijzondere omstandigheden van de coronaviruspandemie, de aanvankelijk voorziene wettelijke termijn kan overschrijden; dat de verlenging ook toegepast moet worden voor de aanvragen die geen speciale regelen van openbaarmaking vereisen aangezien hun behandeling bemoeilijkt werd en om ervoor te zorgen dat elke aanvrager een gelijke behandeling krijgt;
   Overwegende dat de verlenging met een termijn van zes maanden noodzakelijk is om de achterstand in te halen, die minstens drie maanden bedraagt voor de hiervoor aangehaalde aanvragen; dat bovendien de helft van een openbaar onderzoek moet plaatsvinden buiten de zomervakantie, wat het inhalen van de achterstand bovendien bemoeilijkt;
   Dat de verlenging wordt toegepast onverminderd de opschorting van de termijnen voorzien in het volmachtbesluit n° 2020/001 van de Brusselse Hoofdstedelijke Regering van 2 april 2020 betreffende de tijdelijke opschorting van de verval- en beroepstermijnen die vastgelegd zijn in de Brusselse wetgeving en reglementering of die op grond daarvan zijn ingevoerd;
   Overwegende dat dezelfde situatie geldt voor de behandeling van de administratieve beroepen inzake stedenbouw; dat voor de behandeling ervan een hoorzitting moet worden gehouden door het Stedenbouwkundig College, als de beroepsindiener dat vraagt; dat het houden van hoorzittingen niet overeenstemt met de genomen inperkingsmaatregelen; dat er een achterstand is ontstaan en dat die verder oploopt, in die mate dat een begeleidingsmaatregel voor de beroepen zich ook opdringt;
   Dat de termijn waarin het Stedenbouwkundig College zijn advies moet uitspreken ook een vervaltermijn is;
   Dat er in die omstandigheden bijgevolg wordt voorgesteld om de bovengenoemde termijn met drie maanden te verlengen opdat het Stedenbouwkundig College kan overgaan tot de verzochte hoorzittingen en adviezen over de beroepen kan uitspreken;
   Overwegende de opgelopen achterstand in de behandeling van de aanvragen, het vooruitzicht op de zomervakantie met een verminderde bezetting van de administraties en de weinig waarschijnlijke terugkeer naar een volledig normale situatie op korte tot middellange termijn, is het aangewezen de twee bovengenoemde termijnverlengingen, toe te passen op de lopende stedenbouwkundige en milieuvergunningsaanvragen of voor de lopende beroepen inzake stedenbouw, die tot 31 december 2020 worden ingediend;
   Overwegende dat de toelating inzake milieu (vergunning of erkenning) via een vereenvoudigde procedure kan worden verlengd;
   Dat bepaalde aanvragers als gevolg van de huidige situatie evenwel onmogelijk kunnen overgaan tot de formaliteiten die hun worden opgelegd (gesloten ondernemingen, maatregelen van social distancing...);
   Dat die formaliteiten de uitvoering van controles van de inrichtingen en de uitvoering van werken, verkennende bodemonderzoeken, energieaudits... kunnen inhouden;
   Dat die aanvragers, waarvoor de toelating tussen 15/06/2020 en 16/12/2021 afloopt, die formaliteit dus moeten kunnen uitvoeren via een verlenging van de geldigheidsduur van die toelatingen met zes maanden;
   Overwegende dat, tot slot, de andere termijnen die via besluit nr. 2020/001 het voorwerp van een opschorting uitmaakten, niet worden verlengd omdat die termijnen niet afhangen van acties die de naleving van de normen van social distancing vereisen, en dat de geleidelijke versoepeling van de inperking het mogelijk zou moeten maken om ze na te leven;
   Overwegende dat bepaalde termijnen opgelegd door de milieuvergunningen om zich in overeenstemming te brengen met de uitbatingsvoorwaarden moeilijk te verwezenlijken zijn, het aan de vergunninghouder is om een wijziging van zijn/haar milieuvergunning aan te vragen door te verantwoorden waarom hij/zij onmogelijk de termijnen kan naleven, rekening houdend met de bijzondere omstandigheden;
   Overwegende dat het, rekening houdend met de hoogdringendheid om de continuïteit van de openbare dienstverlening te waarborgen en zowel de rechtszekerheid als het gelijkheidsbeginsel te vrijwaren, aangewezen is om overeenkomstig artikel 2 van de Ordonnantie van 19 maart 2020 om bijzondere machten toe te kennen aan de Regering, met spoed het advies van de Raad van State in te winnen. De adviesvraag heeft de hoogdringendheid als volgt gemotiveerd;
   " Dat deze hoogdringendheid wordt gemotiveerd door de omstandigheid dat de gezondheidscrisis veroorzaakt door COVID-19 en de opgelegde lockdownmaatregelen, alsook de grootschalige toevlucht tot telewerk, het onderzoek en de behandeling van de stedenbouwkundige en milieuvergunningsaanvragen moeilijker gemaakt en vertraagd hebben, in het bijzonder wanneer deze speciale regelen van openbaarmaking vereisen;
   Om een degelijke en tijdige behandeling van de aanvragen niet in het gevaar te brengen, bevat het ontwerp van volmachtbesluit daarom (onder meer) een voorstel om de beslissingstermijnen voor een aanvraag tot een milieu- of stedenbouwkundige vergunning (of attest of verkavelingsvergunning) met zes maanden te verlengen;
   Om de organisatie van de speciale regelen van openbaarmaking te garanderen, bevat het ontwerpbesluit eveneens een aantal aanpassingen aan de organisatie en werkingsregels van de openbare onderzoeken en overlegcommissies";
   Gelet op advies 67.500/4 van de Raad van State, gegeven op 5 juni 2020 met toepassing van artikel 84, § 1, eerste lid, 3°, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;
   Overwegende dat dit besluit krachtens artikel 4, § 1 en § 2 van de ordonnantie van 19 maart 2020 om bijzondere machten toe te kennen aan de Brusselse Hoofdstedelijke Regering in het kader van de gezondheidscrisis COVID-19 bevestigd dient te worden door het Brussels Hoofdstedelijk Parlement,
   Besluit :

Verslag aan de Koning Tekst Inhoudstafel Begin
   Verslag aan de Regering
   van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest
   Ter attentie van de leden van de Regering,
   Dit verslag aan de Regering is opgesteld op suggestie van de Afdeling Wetgeving van de Raad van State in zijn advies 67.500/4 van 5 juni 2020.
   Het strekt ertoe de draagwijdte en de concrete gevolgen uiteen te zetten van volmachtbesluit nr. 2020/038 van de Brusselse Hoofdstedelijke Regering tot verlenging van sommige termijnen uit het Brussels Wetboek van Ruimtelijke Ordening en uit de ordonnantie van 5 juni 1997 betreffende de milieuvergunningen en de opmerkingen van de Afdeling Wetgeving te beantwoorden.
   Nadat de WHO op 11 maart 2020 het coronavirus COVID-19 als een pandemie bestempelde en na het afkondigen van de zogenaamde `social distancing'-maatregelen door de Nationale Veiligheidsraad op 12 en 17 maart, heeft de onvermijdelijke vertraging van alle vormen van activiteit op het grondgebied van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest de goede werking van de verschillende overheidsdiensten belemmerd.
   Die context heeft de Brusselse Hoofdstedelijke Regering ertoe aangezet om uitzonderlijke maatregelen te nemen, waaronder het volmachtbesluit nr. 2020/001 van de Brusselse Hoofdstedelijke Regering van 2 april 2020 betreffende de tijdelijke opschorting van de verval- en beroepstermijnen die vastgelegd zijn in de Brusselse wetgeving en reglementering of die op grond daarvan zijn ingevoerd.
   Hoewel die opschorting de bevoegde overheden niet belette om de lopende procedures te behandelen, was die behandeling slechts mogelijk voor zover die verenigbaar was met de tijdens de inperking vastgestelde regels.
   Inzake stedenbouw en leefmilieu leidt dat ertoe dat de speciale regelen van openbaarmaking (de openbare onderzoeken en overlegcommissies) niet georganiseerd konden worden omdat ze niet overeenstemden met de geldende inperkingsregelen. Bijgevolg zijn veel dossiers in die behandelingsfase geblokkeerd. Hetzelfde geldt voor de stedenbouwkundige beroepen, als door de verzoeker om een hoorzitting werd verzocht. Bovendien zal het houden van openbare onderzoeken en overlegcommissies eveneens vertraging oplopen doordat de openbare onderzoeken tijdens de zomervakantie niet kunnen doorgaan voor meer dan de helft van hun termijn.
   Overigens hebben de opgelegde inperkingsmaatregelen, met name de grootschalige toevlucht tot telewerk, het onderzoek en de behandeling van de aanvragen moeilijker gemaakt, zelfs als die geen speciale regelen van openbaarmaking vereisen. In dat opzicht was het bijvoorbeeld onmogelijk om de potentiële impact voor het milieu van een onderneming te kennen zonder een bezoek ter plaatse uit te voeren. Doordat er tijdens de inperkingsperiode onmogelijk bedrijfsbezoeken konden plaatsvinden, zijn de procedures voor milieuvergunningen volledig geblokkeerd. Ze zullen waarschijnlijk sterk belemmerd blijven in de komende weken en zelfs maanden. Anderzijds werden de aanvragers en houders van milieuvergunningen verhinderd om bepaalde formaliteiten uit te voeren die noodzakelijk zijn voor de behandeling of uitvoering van hun vergunning, zoals energieaudits, verkennende bodemonderzoeken, controles van technische installaties. In dat kader moet ook een bijkomende termijn aan de uitbaters worden toegekend om die procedures te verwezenlijken.
   Aangezien een terugkeer naar een `normale' situatie niet op korte termijn voorzien wordt, moet er een begeleidingsmaatregel worden voorzien bij de opheffing van de opschorting van de termijn om zo de door volmachtbesluit nr. 2020/001 beoogde doelstellingen niet in het gedrang te brengen
   In het licht van die elementen bevat dit ontwerp:
   - een algemene maatregel tot verlenging van de toegestane beslissingstermijnen voor de aanvragen en attesten bedoeld door het Brussels Wetboek van Ruimtelijke Ordening (hierna BWRO) en de ordonnantie van 5 juni 1997 betreffende de milieuvergunningen (hierna de OMV) (I);
   - een maatregel tot verlenging van de toegestane termijn waarin de aanvragers of houders van een milieuvergunning de formaliteiten kunnen uitvoeren die noodzakelijk zijn voor de verwezenlijking van hun verplichtingen (II);
   - een maatregel tot verlenging van de toegestane termijn voor het uitbrengen van het advies van de overlegcommissie (III);
   - een maatregel tot verlenging van de toegestane termijn voor het Stedenbouwkundig College om zijn advies over een beroep uit te brengen als door de verzoeker om een hoorzitting wordt verzocht (IV);
   - wijzigingen eigen aan de organisatie en aan het houden van de openbare onderzoeken en overlegcommissies (V).
   Dit ontwerpbesluit werd voor advies met hoogdringendheid aan de Raad van State voorgelegd.
   De Raad van State heeft op 5 juni 2020, met toepassing van artikel 84, § 1, eerste lid, 3°, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973, het advies 67.500/4 uitgebracht.
   De opmerkingen van de Raad van State die bijkomende uitleg vergen, worden hieronder toegelicht.
   I. Verlenging van de beslissingstermijnen
   A. Inzake stedenbouw - artikelen 1 en 2 van het ontwerpbesluit
   Dit besluit voorziet een verlenging van zes maanden van de vervaltermijnen waarbinnen het College van burgemeester en schepenen (artikel 158 van het BWRO) of de Gemachtigde Ambtenaar (artikelen 178 en 178/2 van het BWRO) zijn beslissing over een aanvraag tot stedenbouwkundige vergunning of attest of tot verkavelingsvergunning moet bekendmaken.
   Die verlenging geldt voor de volgende aanvragen:
   - de lopende aanvragen, ingediend tot en met 15 juni 2020, waarvan de behandelingstermijnen werden geschorst via volmachtbesluit nr. 2020/001 van de Brusselse Hoofdstedelijke Regering van 2 april 2020 betreffende de tijdelijke opschorting van de verval- en beroepstermijnen die vastgelegd zijn in de Brusselse wetgeving en reglementering of die op grond daarvan zijn ingevoerd (cf. artikel 1);
   - de aanvragen ingediend tussen 16 juni 2020 en 31 december 2020 (cf. artikel 2).
   Voor de aanvragen bedoeld in artikel 1 geldt de verlenging onverminderd de opschorting van de termijnen voorzien door volmachtbesluit nr. 2020/001. In andere woorden is het de beslissingstermijn, herberekend overeenkomstig het bovengenoemde besluit, die met zes maanden wordt verlengd.
   Deze verlenging geldt niet voor de beslissingen bedoeld in artikel 197/13 van het BWRO omdat die onder het toepassingsgebied van het afwijkende behandelingsstelsel van het `Scholenplan' vallen.
   B. Inzake leefmilieu
   Dit besluit voorziet een verlenging met zes maanden van de vervaltermijn waarin het college van burgemeester en schepenen of Leefmilieu Brussel zijn beslissing over een aanvraag tot milieu-attest of -vergunning moet bekendmaken (artikelen 17, 32 § 2, 36 § 2bis, 43 § 2, 47 § 2bis en 51 § 2 van de OMV).
   Die verlenging geldt voor de volgende aanvragen:
   - de lopende aanvragen, ingediend voor 15 juni 2020, waarvan de behandelingstermijnen werden geschorst via volmachtbesluit nr. 2020/001 van de Brusselse Hoofdstedelijke Regering van 2 april 2020 betreffende de tijdelijke opschorting van de verval- en beroepstermijnen die vastgelegd zijn in de Brusselse wetgeving en reglementering of die op grond daarvan zijn ingevoerd (cf. artikel 3);
   - de aanvragen ingediend tussen 16 juni 2020 en 31 december 2020 (cf. artikel 4).
   Voor de aanvragen bedoeld in artikel 3 geldt de verlenging onverminderd de opschorting van de termijnen voorzien door volmachtbesluit nr. 2020/001. Met andere woorden is het de beslissingstermijn, herberekend overeenkomstig het bovengenoemde besluit, die met zes maanden wordt verlengd.
   De algemene opmerkingen in het advies van de Raad van State werden opgevolgd. Enerzijds werd de verlengingstermijn van 6 maanden uitgebreider verantwoord en anderzijds komen de termijnen die strikt genomen geen gevolgen ondervinden van het ontbreken van een openbaar onderzoek of overlegcommissie niet meer in aanmerking voor een verlenging.
   C. Duur van de verlenging
   Dit besluit voorziet een verlenging van zes maanden.
   Deze tijdsduur werd vastgesteld in het licht van de volgende elementen.
   Ten eerste moet worden vastgesteld dat de behandeling van vergunnings- en attestaanvragen drie maanden vertraging heeft opgelopen.
   Hoewel die opschorting de bevoegde overheden niet heeft belet om de lopende procedures te behandelen, was een dergelijke behandeling namelijk slechts mogelijk voor zover die verenigbaar was met de tijdens de inperking vastgestelde regels. Veel behandelingsmaatregelen waren bovendien onverenigbaar: dat is zo voor de openbare onderzoeken en de overlegcommissies die sinds 16 maart 2020 niet konden doorgaan.
   Overigens hebben de opgelegde inperkingsmaatregelen, met name de grootschalige toevlucht tot telewerk, het onderzoek en de behandeling van de aanvragen moeilijker gemaakt, zelfs als die geen speciale regelen van openbaarmaking vereisen. In dat opzicht was het bijvoorbeeld onmogelijk om de potentiële impact voor het milieu van een onderneming te kennen zonder een bezoek ter plaatse uit te voeren.
   De bekendmaking van de beslissingen werd bovendien moeilijker omdat het gebruik van elektronische handtekeningen momenteel nog niet algemeen is.
   Ten tweede moet - overeenkomstig artikel 6 van het BWRO - minstens de helft van de termijn van het openbaar onderzoek buiten de zomerschoolvakantie plaatsvinden, wat een onderbreking van anderhalve maand van de openbare onderzoeken inhoudt.
   Daaruit volgt dat de vertraging door de inperking niet meteen kan worden ingehaald en dat die ook gevolgen zou hebben voor de nieuw in te dienen aanvragen.
   Om die redenen en om de rechtszekerheid te vrijwaren, wordt voorgesteld om een verlenging van zes maanden door te voeren en om die verlenging te laten gelden voor de lopende aanvragen en voor de aanvragen die tussen 16 juni 2020 en 31 december 2020 worden ingediend.
   II. De verlenging van de behandelings- en geldigheidstermijn van de handelingen en beslissingen - artikel 6 van het ontwerpbesluit
   De door de OMV bedoelde handelingen en beslissingen die het voorwerp van een verlenging kunnen uitmaken, worden met 6 maanden verlengd.
   Enerzijds moet de verlengingsaanvraag namelijk ten laatste 1 jaar voor het einde van de geldigheidsdatum van de te verlengen milieuvergunning worden ingediend en anderzijds moet de beslissing tot verlenging vóór de vervaldatum van de basismilieuvergunning worden genomen. Opdat die ondernemingen niet zonder vergunning vallen en om ervoor te zorgen dat ze kunnen blijven gebruikmaken van een vereenvoudigde procedure voor de verlenging van hun toelatingen is het nodig om de termijn van hun huidige toelatingen met zes maanden te verlengen. (cf § 1 van artikel 6).
   Wat de opmerking van de Raad van State inzake artikel 6, § 1 van het ontwerp betreft, werd het artikel herschreven om duidelijk gericht te zijn op enerzijds de aanvraagdossiers voor verlenging die lopen sinds 16/12/2019 (m.a.w. dat de te verlengen milieuvergunning afloopt op 16/12/2020) en, anderzijds, de aanvraagdossiers voor een verlenging van milieuvergunning die in de loop van de 6 komende maanden ingediend worden.
   De handelingen en beslissingen waarvan de aanvraag tot verlenging voor 16/03/2020 - begin van de inperking - moest worden ingediend en waarvoor dat niet gebeurd was, komen niet in aanmerking voor de verlenging voorzien in artikel 6 van dit besluit.
   Anderzijds bevatten sommige sectorale besluiten, zoals het besluit betreffende de opslag van ontvlambare vloeistoffen die worden gebruikt als brandstof, termijnverplichtingen die materieel onmogelijk nageleefd kunnen worden. Er moet dan ook een verlenging worden voorzien om ervoor te zorgen dat bezitters van stookolietanks extra tijd hebben om zich tijdig in overeenstemming te brengen met die bepalingen. Hetzelfde geldt voor bepaalde beroepen die aan erkenningen of registraties zijn onderworpen, zoals koeltechnici, die verplicht zijn om opleidingen te volgen die momenteel niet kunnen doorgaan en voor wie de schorsing van hun erkenning of registratie dreigt ( §§ 2 en 3 van artikel 6).
   Wat de opmerking van de Raad van State inzake artikel 6, § 2 betreft, werd de draagwijdte van de afwijking verduidelijkt. Die geldt enkel voor de vernieuwing van het bekwaamheidsattest in koeltechniek dat wordt afgeleverd na geslaagd te zijn voor een examen in een erkend centrum.
   Wat de opmerking inzake artikel 6, § 3 betreft, werd de termijn op 1 jaar vastgelegd om te vermijden dat de aanvankelijk voorziene termijn van 6 maanden niet meer gewijzigd kan worden door een besluit (doordat de wijziging voortaan een wetgevende waarde heeft). Die termijn komt overigens overeen met wat de sector verlangt.
   III. De verlenging van de adviestermijn van de overlegcommissie - artikel 7 van het ontwerpbesluit
   Dit besluit voorziet een verlenging van 45 dagen van de termijn waarin de overlegcommissie haar advies moet uitbrengen (artikelen 188/9 en 197/7 van het BWRO).
   Als de aan de overlegcommissie toegekende termijn wordt overschreden, kan de vergunningverlenende overheid het advies van de overlegcommissie immers niet in aanmerking nemen.
   Als het advies van de overlegcommissie door de huidige omstandigheden niet binnen de voorgeschreven termijn kan worden ingediend, wordt zo een specifieke verlengingsmaatregel voorzien.
   IV. De verlenging van de adviestermijn van het Stedenbouwkundig College - artikel 10 van het ontwerpbesluit
   Dit besluit voorziet een verlenging van drie maanden van de termijn van 75 dagen waarin het Stedenbouwkundig College zijn advies over het beroep moet bekendmaken (artikel 188/2 van het BWRO).
   In dat opzicht moet worden vastgesteld dat de uitvoering van de opdracht van het Stedenbouwkundig College eenvoudiger is geworden als er niet om een hoorzitting wordt verzocht. Elke hoorzitting die nu moet plaatsvinden moet namelijk aan strikte normen voldoen, wat leidt tot tal van organisatorische maatregelen die het houden van een hoorzitting bemoeilijken.
   Overeenkomstig het principe audi alteram partem heeft een burger bovendien het recht om gehoord te worden voordat een beslissing wordt genomen die belangrijke gevolgen voor hem/haar kan hebben (zoals een vergunningsweigering).
   In die omstandigheden wordt voorgesteld dat de termijn waarin het Stedenbouwkundig College zijn advies moet uitspreken met drie maanden wordt verlengd als de verzoeker om de organisatie van een hoorzitting heeft verzocht.
   Die tijdsduur is ook gerechtvaardigd in het licht van de opgelopen achterstand in het kader van de behandeling van administratieve beroepen inzake stedenbouwkundige vergunningen. De behandeling daarvan houdt in dat, voor de grote meerderheid, in hoofde van het Stedenbouwkundig College een hoorzitting wordt gehouden. Die hoorzittingen stemmen bovendien niet overeen met de genomen inperkingsmaatregelen, waardoor zich een achterstand heeft opgestapeld.
   Deze verlenging geldt voor:
   - de beroepen ingediend tot en met 15 juni, waarvan de behandeling een hoorzitting vereist en als een dergelijke hoorzitting nog niet was gehouden op 16 maart 2020 (beroepen geregeld door het `oude' BWRO komen zo ook in aanmerking voor deze verlenging);
   - de beroepen ingediend tussen 16 juni en 31 december 2020, voor zover door de verzoeker om een hoorzitting werd verzocht.
   V. De wijzigingen aan de openbare onderzoeken en de overlegcommissies - artikelen 8 en 9 van het ontwerpbesluit
   Dit besluit beoogt te verzekeren dat de reorganisatie van de openbare onderzoeken en de overlegcommissies de door de federale overheid vereiste maatregelen van social distancing naleeft.
   Om daaraan te voldoen, zullen kleine wijzigingen worden aangebracht aan de werking van de openbare onderzoeken en overlegcommissies. Het betreft de volgende wijzigingen.
   Wat de openbare onderzoeken betreft, moeten de volgende handelingen op afspraak gebeuren tijdens het houden van dat onderzoek:
   (1) de raadpleging van het administratieve dossier;
   (2) de bekendmaking van technische toelichtingen,
   (3) de indiening van een mondelinge klacht.
   Omdat enkel de personen die uitdrukkelijk hebben verzocht om tijdens het openbaar onderzoek gehoord te worden, worden toegelaten tot de overlegcommissie, moet het bericht van openbaar onderzoek, dat overeenkomt met het model in bijlage 2 bij het besluit van de Brusselse Hoofdstedelijke Regering van 25 april 2019 met betrekking tot de openbare onderzoeken inzake ruimtelijke ordening, stedenbouw en leefmilieu, niet verplicht de datum en de plaats van de zitting van de overlegcommissie vermelden. Deze modaliteit heeft als doelstelling de gemeenten de kans te bieden om de overlegcommissies makkelijker te organiseren en te spreiden. Hoewel artikel 188/9 BWRO bepaalt dat wanneer de speciale regelen van openbaarmaking het advies van de overlegcommissie en het openbaar onderzoek vereisen, de aanvraag samen met de bezwaren en opmerkingen en het proces-verbaal van sluiting van het onderzoek binnen vijftien dagen na de sluiting van het onderzoek aan de overlegcommissie wordt voorgelegd, betreft deze termijn van vijftien dagen een ordetermijn. Dit betekent dat het houden van een zitting van de overlegcommissie voorbij die termijn van vijftien dagen, geenszins gesanctioneerd wordt.
   Wat de overlegcommissies betreft:
   (1) enkel de personen die uitdrukkelijk hebben verzocht om tijdens het openbaar onderzoek gehoord te worden, worden toegelaten tot de overlegcommissie;
   (2) het aantal personen dat de aanvrager begeleidt of vertegenwoordigt, wordt beperkt tot twee;
   (3) In het geval van een petitie, wijkcomité of andere vereniging wordt het aantal personen dat wordt toegelaten tot de overlegcommissie beperkt tot twee per petitie, wijkcomité of vereniging;
   (4) mits het voorafgaande en uitdrukkelijke akkoord van de aanvrager en van eventuele indieners van een bezwaar kan de overlegcommissie via videoconferentie worden georganiseerd.
   Deze voorwaarden zullen van toepassing zijn tot 31 december 2020.
   Ter informatie van de Brusselse Hoofdstedelijke Regering :
   De Minister-President,
   R. VERVOORT
   
   RAAD VAN STATE
   afdeling Wetgeving.
   - Advies 67.500/4 van 5 juni 2020 over een ontwerp van besluit van de Brusselse Hoofdstedelijke Regering `nr. 2020/038 tot verlening van sommige termijnen van het Brussels Wetboek van Ruimtelijke Ordening en van ordonnantie van 5 juni 1997 betreffende de milieuvergunningen'
   Op 28 mei 2020 is de Raad van State, afdeling Wetgeving, door de Minister van de Brusselse Hoofdstedelijke Regering, belast met Financiën, Begroting, Openbaar Ambt, de Promotie van Meertaligheid en van het Imago van Brussel verzocht binnen een termijn van vijf werkdagen een advies te verstrekken over een ontwerp van besluit van de Brusselse Hoofdstedelijke Regering `nr. 2020/038 tot verlening van sommige termijnen van het Brussels Wetboek van Ruimtelijke Ordening en van ordonnantie van 5 juni 1997 betreffende de milieuvergunningen'.
   Het ontwerp is door de vierde kamer onderzocht op 5 juni 2020. De kamer was samengesteld uit Martine BAGUET, kamervoorzitter, Luc CAMBIER en Bernard BLERO, staatsraden, en Anne Catherine VAN GEERSDAELE, griffier.
   Het verslag is uitgebracht door Anne VAGMAN, eerste auditeur.
   De overeenstemming tussen de Franse en de Nederlandse tekst van het advies is nagezien onder toezicht van Martine BAGUET.
   Het advies, waarvan de tekst hierna volgt, is gegeven op 5 juni 2020.
   *
   Volgens artikel 84, § 1, eerste lid, 3°, van de wetten `op de Raad van State', gecoördineerd op 12 januari 1973, moeten in de adviesaanvraag in het bijzonder de redenen worden opgegeven tot staving van het spoedeisende karakter ervan.
   De motivering in de brief luidt als volgt:
   "Deze hoogdringendheid wordt gemotiveerd door de omstandigheid dat de gezondheidscrisis veroorzaakt door COVID-19 en de opgelegde lockdownmaatregelen, alsook de grootschalige toevlucht tot telewerk, het onderzoek en de behandeling van de stedenbouwkundige en milieuvergunningsaanvragen moeilijker gemaakt en vertraagd hebben, in het bijzonder wanneer deze speciale regelen van openbaarmaking vereisen.
   Om een degelijke en tijdige behandeling van de aanvragen niet in het gevaar te brengen, bevat het ontwerp van volmachtbesluit daarom (onder meer) een voorstel om de beslissingstermijnen voor een aanvraag tot een milieu- of stedenbouwkundige vergunning (of attest of verkavelingsvergunning) met zes maanden te verlengen.
   Om de organisatie van de speciale regelen van openbaarmaking te garanderen, bevat het ontwerpbesluit eveneens een aantal aanpassingen aan de organisatie en werkingsregels van de openbare onderzoeken en overlegcommissies".
   Aangezien de adviesaanvraag ingediend is op basis van artikel 84, § 1, eerste lid, 3°, van de wetten `op de Raad van State', gecoördineerd op 12 januari 1973, beperkt de afdeling Wetgeving overeenkomstig artikel 84, § 3, van de voornoemde gecoördineerde wetten haar onderzoek tot de rechtsgrond van het ontwerp, de bevoegdheid van de steller van de handeling en de te vervullen voorafgaande vormvereisten.
   Wat die drie punten betreft, geeft het ontwerp aanleiding tot de volgende opmerkingen.
   ALGEMENE OPMERKINGEN
   1.1. Het voorliggende ontwerp strekt ertoe bepaalde termijnen waarin het Brussels Wetboek van Ruimtelijke Ordening (hierna: "het BWRO") en de ordonnantie van 5 juni 1997 `betreffende de milieuvergunningen' (hierna: "de OMV") voorzien, te verlengen teneinde er rekening mee houden dat bepaalde handelingen die uitgaan van de vergunningaanvragers of houders of die verricht dienen te worden door de administratie in ruime zin, vanwege de COVID-19 gezondheidscrisis moeilijk of onmogelijk kunnen worden verricht.
   Gelet op de omstandigheden en de imponderabilia van die gezondheidscrisis valt weliswaar te begrijpen dat dergelijke termijnverlengingen nodig zijn, maar toch rijst de vraag of de duur van bepaalde verlengingen waarin wordt voorzien wel noodzakelijk en evenredig is, met name ten aanzien van het algemene rechtsbeginsel dat overheidsinstanties binnen een redelijke termijn dienen te handelen en hun bestuurshandelingen binnen een redelijke termijn dienen te verrichten.
   Ter illustratie volgen hier de meest significante voorbeelden:
   1° Bij de artikelen 1 en 2 van het ontwerp zou de termijn waarin artikel 197/13 van het BWRO voorziet, met zes maanden worden verlengd, terwijl die momenteel niet meer dan zeven dagen bedraagt. De laatstgenoemde bepaling luidt namelijk als volgt:
   "De beslissing van de gemachtigde ambtenaar tot verlening of weigering van de vergunning wordt gelijktijdig aan de aanvrager en de gemeente meegedeeld bij een ter post aangetekende brief of via elektronische weg, overeenkomstig de ordonnantie bedoeld in artikel 197/2, tweede lid, binnen zeven dagen na de ontvangst van het advies van de overlegcommissie".
   2° Men kan zich afvragen of de uiterste datum van 31 december 2020 zoals die in de artikelen 2, 4, 6, tweede lid, en tweede lid, wordt bepaald, in alle gevallen aan een noodzaak beantwoordt.
   De steller van het ontwerp moet de duur van de verlengingen waarin hij voorziet, in ieder geval kunnen rechtvaardigen. Anders moet hij, in voorkomend geval, die duur inkorten.
   Het ontwerp moet in het licht van deze opmerking worden herzien.
   1.2. In verband met de procedures die zijn opgeschort krachtens volmachtbesluit nr. 2020/001 van de Brusselse Hoofdstedelijke Regering van 2 april 2020 `betreffende de tijdelijke opschorting van de verval- en beroepstermijnen die vastgelegd zijn in de Brusselse wetgeving en reglementering of die op grond daarvan zijn ingevoerd' en krachtens de besluiten van 16 april 2020 en van 14 mei 2020 waarbij de termijnen vastgesteld in besluit nr. 2020/001 werden verlengd, moet voorts nader worden aangegeven of de verlengingen waarin de ontwerptekst voorziet al dan niet de periodes van opschorting omvatten die uit de voornoemde besluiten voortvloeien.
   2. Het ontwerp, dat steunt op artikel 1 van de ordonnantie van 19 maart 2020 `om bijzondere machten toe te kennen aan de Brusselse Hoofdstedelijke Regering in het kader van de gezondheidscrisis COVID-19', moet later bij ordonnantie worden bevestigd, overeenkomstig artikel 4 van de ordonnantie van 19 maart 2020.
   De regering mag ook niet uit het oog verliezen dat het ontworpen besluit krachtens artikel 4, derde lid, van de ordonnantie van 19 maart 2020 aan de voorzitter en aan de griffier van het Parlement moet worden meegedeeld voordat het in het Belgisch Staatsblad bekendgemaakt wordt.
   Hoewel artikel 3bis, § 1, tweede lid, van de gecoördineerde wetten `op de Raad van State' dat niet expliciet voorschrijft, wordt ten slotte voorgesteld om gelijktijdig met dit besluit ook een verslag aan de regering bekend te maken waarin de strekking en de concrete implicaties van dat besluit worden uiteengezet, en om dit advies erbij te voegen. Het is raadzaam om in dat verslag aan de regering de antwoorden en rechtvaardigingen op te nemen waarmee aan de opmerkingen van de afdeling Wetgeving gevolg wordt gegeven.
   BIJZONDERE OPMERKINGEN
   AANHEF
   1. De in de aanhef vermelde bepalingen die het ontwerp geen rechtsgrond geven en door het ontwerp niet worden gewijzigd, hoeven niet te worden vermeld in de vorm van een aanhefverwijzing beginnende met de woorden "Gelet op", maar kunnen wel als overwegingen worden vermeld.
   2. Het vierde lid moet worden aangevuld met de vermelding van artikel 2 van de ordonnantie van 19 maart 2020.
   3. De motivering van de spoedeisendheid op grond waarvan het advies van de Raad van State binnen vijf werkdagen wordt gevraagd, dient, om in overeenstemming te zijn met artikel 84, § 1, tweede lid, van de gecoördineerde wetten `op de Raad van State', exact te worden overgenomen zoals ze in de brief met de adviesaanvraag staat.
   4. In de aanhef moet een lid worden ingevoegd betreffende het advies van de Raad van State, dat als volgt luidt:
   "Gelet op advies 67.500/4 van de Raad van State, gegeven op 5 juni 2020 met toepassing van artikel 84, § 1, eerste lid, 3°, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;".
   DISPOSITIEF
   Artikel 6
   1.1. Ten aanzien van het gelijkheidsbeginsel en het recht op de bescherming van een gezond leefmilieu dat wordt gewaarborgd bij artikel 23 van de Grondwet rijst de vraag of de datum van 16 december 2021 die in de eerste zin van het eerste lid wordt bepaald, niet te veraf ligt en of, bijgevolg, de afwijking waarin het eerste lid van de voorliggende bepaling voorziet, zelf ook niet buitensporig is.
   De steller van het ontwerp moet kunnen rechtvaardigen waarom voor de datum in kwestie wordt geopteerd. Zo niet, moet die datum herzien worden.
   1.2. Volgens de logica van de tweede zin van het eerste lid zou het voor de rechtszekerheid beter zijn om, behalve het reeds vermelde volmachtbesluit nr. 2020/001, ook de besluiten van 16 april 2020 en van 14 mei 2020 te vermelden, waarbij de termijnen bepaald in artikel 1 van dat besluit nr. 2020/001 telkens met een maand worden verlengd.
   De tweede zin van het eerste lid moet dienovereenkomstig worden aangevuld.
   2.1. Het tweede lid is als volgt gesteld:
   "Als de voorwaarden bedoeld in artikel 78/4, § 2 van de OVM (lees: OMV) de geldigheid van de registratie bepalen en als de registratiehouder die voorwaarde onmogelijk voor 31 december 2020 kan naleven, worden de desbetreffende voorwaarden opgeschort."
   In artikel 78/4 van de OMV, dat betrekking heeft op de personen onderworpen aan registratie, wordt het volgende bepaald:
   "Algemene en bijzondere voorwaarden.
   § 1. Vóór een activiteit onderworpen [...] wordt aan de registratieformaliteit kan de Regering de algemene voorwaarden met betrekking tot de uitoefening van die activiteit bepalen.
   § 2. Het Instituut kan, op het ogenblik dat het in artikel 78/2 bedoelde ontvangstbewijs verstuurt of wanneer het later vaststelt dat de activiteiten waarvan sprake in de registratie een als in artikel 2 bedoeld gevaar, hinder of ongemak veroorzaken, elke verzender ook bijzonder voorwaarden opleggen betreffende de uitoefening van zijn activiteit, met name:
   1. voorwaarden voor het sluiten van een verzekeringspolis die de burgerrechtelijke aansprakelijkheid van de verzender dekt in geval van schade ten gevolge van een vorm van gevaar, hinder of ongemak zoals bedoeld in artikel 2;
   2. voorwaarden voor de maatregelen die moeten worden genomen wanneer er zich een voorval of ongeluk voordoet dat schade kan berokkenen aan het leefmilieu en aan de personen die krachtens artikel 2 beschermd worden;
   3. voorwaarden voor de tijdstippen waarop de inrichting in werking mag zijn."
   2.2. De afwijking ten opzichte van artikel 78/4 van de OMV waarin het tweede lid van artikel 6 van het ontwerp voorziet, is buitensporig ruim: ze slaat namelijk op alle voorwaarden die "de geldigheid van de registratie bepalen", en dat zonder enige beperking.
   Zo sluit die afwijking bijvoorbeeld niet de voorwaarden uit die essentieel zijn voor de bescherming van een gezond leefmilieu, die bij artikel 23 van de Grondwet wordt gewaarborgd, noch de voorwaarden die zouden zijn voorgeschreven bij of krachtens een hogere rechtsnorm, zoals regels van internationaal of Europees recht. Evenzo slaat die afwijking in het algemeen op de onmogelijkheid voor de registratiehouder om een voorwaarde voor de registratie na te leven, maar wordt aan die onmogelijkheid niet de beperking opgelegd dat ze louter mag voortkomen uit de ongewisheden in verband met de COVID-19-gezondheidscrisis.
   Om die moeilijkheid op te lossen, zou men kunnen overwegen om die verschillende beperkingen in de ontwerptekst op te nemen en om een overheidsinstantie een individuele beoordelingsbevoegdheid te verlenen op grond waarvan zij in elk afzonderlijk geval kan beslissen over de toekenning van de betreffende afwijking(en).
   Het tweede lid moet in het licht van die opmerkingen worden herzien.
   3. In advies 67.142/AV, op 25 maart 2020 gegeven over een voorstel dat heeft geleid tot de wet van 27 maart 2020 `die machtiging verleent aan de Koning om maatregelen te nemen in de strijd tegen de verspreiding van het coronavirus COVID-19 (I)' en tot de wet van 27 maart 2020 `die machtiging verleent aan de Koning om maatregelen te nemen in de strijd tegen de verspreiding van het coronavirus COVID-19 (II)', heeft de afdeling Wetgeving de volgende commentaar gegeven over de kwestie of de uitvoerende macht een rechtsgrond tegelijk kan vinden in gewone machtigingen en in een wettelijke bepaling tot toekenning van bijzondere machten aan de uitvoerende macht:
   "8. Er wordt voorzien in de verplichte bekrachtiging van alle besluiten die op grond van de voorgestelde regeling worden genomen, ook wanneer dit vanuit juridisch oogpunt niet strikt noodzakelijk is. Zo is het mogelijk dat de Koning maatregelen neemt of wijzigingen aanbrengt in reglementaire bepalingen die reeds op grond van de actueel geldende wetgeving tot zijn bevoegdheid behoren, maar daarbij toch rechtsgrond zoekt in artikel 5, § 1, van het voorstel, bijvoorbeeld omdat deze samenhangen met maatregelen waarvoor wel degelijk een beroep moet worden gedaan op de bijzondere machten of omdat de bijzonderemachtenwet hem toelaat voorbij te gaan aan bepaalde vormvereisten.
   Als gevolg van de bekrachtiging verkrijgen alle bij bijzonderemachtenbesluit vastgestelde of gewijzigde bepalingen kracht van wet. Zij kunnen daarna enkel nog worden gewijzigd door middel van een formele wet. De Koning zal ze niet meer eigenmachtig kunnen wijzigen, zelfs niet indien een specifieke wetsbepaling hem machtigt om ter zake maatregelen te nemen. Om die reden heeft de Raad van State, afdeling Wetgeving, in het verleden steeds afgeraden om in gewone uitvoeringsbesluiten wijzigingen aan te brengen bij bijzonderemachtenbesluiten.(1)"(2)
   In het derde lid beoogt het ontwerp echter de termijnen die zijn vastgesteld in de artikelen 23, § 2, 1°, en 30, § 2, a), van het besluit van de Brusselse Hoofdstedelijke Regering van 1 februari 2018 `betreffende de opslag van ontvlambare vloeistoffen die worden gebruikt als brandstof', met zes maanden te verlengen. In werkelijkheid zouden die bepalingen dus worden gewijzigd zodat de daarin vastgestelde termijnen niet verstrijken op respectievelijk 27 augustus 2020 en 27 februari 2021, maar wel op 27 februari 2021 en op 27 augustus 2021.
   Er wordt op geattendeerd dat de wijziging van het besluit van 1 februari 2018 bij een volmachtbesluit steunend op de ordonnantie van 19 maart 2020, dus zal leiden tot de moeilijkheden waarop de afdeling Wetgeving in haar advies 67.142/AV heeft gewezen.
   Artikel 8
   Aangezien het de bedoeling is dat de ontwerptekst, steunend op de ordonnantie van 19 maart 2020, wetgevende waarde heeft, is er geen reden om te bepalen dat hij "afwijkt" van, in voorkomend geval, deze of gene andere verordenende bepaling.
   De inleidende zin van paragraaf 1 moet dan ook als volgt worden geredigeerd:
   "Voor de aanvragen bedoeld in de artikelen 1 tot en met 5 van dit besluit, zoals die handelingen worden bepaald bij het besluit van de Brusselse Hoofdstedelijke Regering van 25 april 2019 met betrekking tot de openbare onderzoeken inzake ruimtelijke ordening, stedenbouw en leefmilieu, vinden tijdens de periode waarin het openbaar onderzoek wordt gehouden, de volgende handelingen op afspraak plaats:
   (...)."
   Voor artikel 9 geldt een gelijkaardige opmerking.
   De griffier, De voorzitter,
   Anne-Catherine Van Geersdaele Martine Baguet
   Nota's
   (1) Voetnoot 12 van het geciteerde advies: Zie onder meer: adv.RvS 26.669/8 van 24 oktober 1996 over een ontwerp dat heeft geleid tot het koninklijk besluit van 18 november 1996 `strekkende tot invoering van een globaal financieel beheer in het sociaal statuut der zelfstandigen, met toepassing van hoofdstuk I van titel VI van de wet van 26 juli 1996 tot modernisering van de sociale zekerheid en tot vrijwaring van de leefbaarheid van de wettelijke pensioenstelsels' http://www.raadvst-consetat.be/dbx/adviezen/25669.pdf; adv.RvS 25.671/8 van 24 oktober 1996 over een ontwerp dat heeft geleid tot het koninklijk besluit van 18 november 1996 `houdende invoering van een sociale verzekering ten gunste van zelfstandigen, in geval van faillissement, en van gelijkgestelde personen, met toepassing van de artikelen 29 en 49 van de wet van 26 juli 1996 tot modernisering van de sociale zekerheid en tot vrijwaring van de leefbaarheid van de wettelijke pensioenstelsels' http://www.raadvst-consetat.be/dbx/adviezen/25671.pdf; adv.RvS 25.992/1/2/8 van 23 januari 1997 over een voorontwerp dat heeft geleid tot de wet van 13 juni 1997 `tot bekrachtiging van de koninklijke besluiten genomen met toepassing van de wet van 26 juli 1996 strekkende tot realisatie van de budgettaire voorwaarden tot deelname van België aan de Europese Economische en Monetaire Unie, en de wet van 26 juli 1996 tot modernisering van de sociale zekerheid en tot vrijwaring van de leefbaarheid van de wettelijke pensioenstelsels' http://www.raadvst-consetat.be/dbx/adviezen/25992.pdf.
   (2) Parl.St. Kamer 2019-20, nr. 55-1104/002, 10 en 11, http://www.raadvst-consetat.be/dbx/adviezen/67142.pdf.

Begin Eerste woord Laatste woord Aanhef
Verslag aan de Koning Inhoudstafel
Franstalige versie