J U S T E L     -     Geconsolideerde wetgeving
Einde Eerste woord Laatste woord Aanhef
Parlementaire werkzaamheden Inhoudstafel
Handtekening Einde Franstalige versie
 
belgiëlex . be     -     Kruispuntbank Wetgeving
Raad van State Kamer van volksvertegenwoordigers
ELI - Navigatie systeem via een Europese identificatiecode voor wetgeving
http://www.ejustice.just.fgov.be/eli/wet/2019/05/02/2019012261/justel

Titel
2 MEI 2019. - Wet houdende wijzigingen van boek I "Definities", van boek XV "Rechtshandhaving" en vervanging van boek IV "Bescherming van de mededinging" van het Wetboek van economisch recht

Bron :
ECONOMIE, KMO, MIDDENSTAND EN ENERGIE
Publicatie : 24-05-2019 nummer :   2019012261 bladzijde : 50073       PDF :   originele versie    
Dossiernummer : 2019-05-02/34
Inwerkingtreding : 03-06-2019

Inhoudstafel Tekst Begin
HOOFDSTUK 1. - Algemene bepaling
Art. 1
HOOFDSTUK 2. - Wijzigingen van boek I van het Wetboek van economisch recht
Art. 2
HOOFDSTUK 3. - Vervanging van boek IV van het Wetboek van economisch recht
Art. 3
HOOFDSTUK 4. - Wijziging van boek XV van het Wetboek van economisch recht
Art. 4
HOOFDSTUK 5. - Evaluatie
Art. 5
HOOFDSTUK 6. - Overgangsbepalingen
Art. 6-7
HOOFDSTUK 7. - Inwerkingtreding
Art. 8

Tekst Inhoudstafel Begin
HOOFDSTUK 1. - Algemene bepaling

  Artikel 1. Deze wet regelt een aangelegenheid als bedoeld in artikel 74 van de Grondwet.

  HOOFDSTUK 2. - Wijzigingen van boek I van het Wetboek van economisch recht

  Art. 2. Artikel I.6 van het Wetboek van economisch recht, ingevoegd bij de wet van 3 april 2013 en gewijzigd bij de wet van 29 juni 2016, wordt vervangen als volgt:
  "Voor de toepassing van boek IV gelden de volgende definities:
  1° Belgische Mededingingsautoriteit: de autoriteit, opgericht bij wet van 3 april 2013, bedoeld in artikel IV.16;
  2° Mededingingscollege: het beslissingscollege dat per zaak wordt samengesteld voor het nemen van de beslissingen bedoeld in boek IV, titel 2, hoofdstuk 1, afdeling 2;
  3° Bijzondere raadgevende commissie Mededinging: de commissie bedoeld in artikel IV.37;
  4° voorzitter: de voorzitter van de Belgische Mededingingsautoriteit;
  5° auditoraat: het auditoraat van de Belgische Mededingingsautoriteit;
  6° auditeur-generaal: de auditeur-generaal van de Belgische Mededingingsautoriteit;
  7° auditeur: het personeelslid van het auditoraat dat door de auditeur-generaal wordt belast met de dagelijkse leiding van het onderzoek van een zaak;
  8° auditeur-adviseur: het personeelslid van het auditoraat bedoeld in artikel IV.27, § 4;
  9° onderzoeksteam: de personeelsleden van het auditoraat die met het onderzoek zijn belast onder de leiding van de auditeur en de algemene leiding van de auditeur-generaal;
  10° betrokken partij: de onderneming, de ondernemingsvereniging of de natuurlijke persoon op wie de onderzoeken en de beslissingen bedoeld in boek IV, titel 2, hoofdstuk 1, afdeling 2 betrekking hebben;
  11° restrictieve mededingingspraktijken: de praktijken bedoeld in artikel IV.1, § 1, en artikel IV.2;
  12° machtspositie: de positie die een onderneming in staat stelt om de instandhouding van een daadwerkelijke mededinging te verhinderen doordat zij het haar mogelijk maakt zich, jegens haar concurrenten, afnemers of leveranciers, in belangrijke mate onafhankelijk te gedragen;
  13° werkdagen: alle dagen, met uitsluiting van de zaterdagen, de zondagen, de wettelijke feestdagen, de sluitingsdagen vastgelegd door de minister bevoegd voor Ambtenarenzaken, de sluitingsdagen vastgelegd door de minister bevoegd voor Economie, 2 januari, 2 en 15 november alsook de dagen vanaf 26 december tot en met 31 december;
  14° VWEU: het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie;
  15° Verordening (EG) nr. 139/2004: Verordening (EG) nr. 139/2004 van de Raad van 20 januari 2004 betreffende de controle op concentraties van ondernemingen;
  16° Verordening (EG) nr. 1/2003: Verordening (EG) nr. 1/2003 van de Raad van 16 december 2002 betreffende de uitvoering van de mededingingsregels van de artikelen 81 en 82 van het Verdrag;
  17° onderneming: iedere natuurlijke persoon of rechtspersoon die op duurzame wijze een economisch doel nastreeft, alsmede zijn verenigingen."

  HOOFDSTUK 3. - Vervanging van boek IV van het Wetboek van economisch recht

  Art. 3. In hetzelfde Wetboek wordt het boek IV, ingevoegd bij de wet van 3 april 2013, vervangen als volgt:
  "BOEK IV. - Bescherming van de mededinging
  TITEL 1. - Mededingingsregels
  HOOFDSTUK 1. - Restrictieve mededingingspraktijken
  Art. IV.1. § 1. Zijn verboden, zonder dat hiertoe een voorafgaande beslissing vereist is, alle overeenkomsten tussen ondernemingen, alle besluiten van ondernemingsverenigingen en alle onderling afgestemde feitelijke gedragingen welke ertoe strekken of ten gevolge hebben dat de mededinging op de Belgische betrokken markt of op een wezenlijk deel ervan merkbaar wordt verhinderd, beperkt of vervalst en met name die welke bestaan in:
  1° het rechtstreeks of onrechtstreeks bepalen van de aan- of verkoopprijzen of van andere contractuele voorwaarden;
  2° het beperken of controleren van de productie, de afzet, de technische ontwikkeling of de investeringen;
  3° het verdelen van de markten of van de voorzieningsbronnen;
  4° het ten opzichte van handelspartners toepassen van ongelijke voorwaarden bij gelijkwaardige prestaties, hen daarmee nadeel berokkenend bij de mededinging;
  5° het afhankelijk stellen van het sluiten van overeenkomsten, van de aanvaarding door de handelspartners van bijkomende prestaties welke naar hun aard of volgens het handelsgebruik geen verband houden met het onderwerp van deze overeenkomsten.
  § 2. De krachtens dit artikel verboden overeenkomsten of besluiten zijn van rechtswege nietig.
  § 3. De bepalingen van paragraaf 1 zijn echter niet van toepassing op:
  1° elke overeenkomst of groep van overeenkomsten tussen ondernemingen,
  2° elk besluit of groep van besluiten van ondernemingsverenigingen, en
  3° elke onderling afgestemde feitelijke gedraging of groep van gedragingen,
  die bijdragen tot verbetering van de productie of van de verdeling van producten, die bijdragen tot verbetering van de technische of economische vooruitgang, of die de kleine en middelgrote ondernemingen de mogelijkheid bieden om hun concurrentiepositie op de betrokken markt of op de internationale markt te verstevigen, waarbij een billijk aandeel in de daaruit voortvloeiende voordelen de gebruikers ten goede komt, en zonder nochtans aan de betrokken ondernemingen:
  a) beperkingen op te leggen welke voor het bereiken van deze doelstellingen niet onmisbaar zijn;
  b) de mogelijkheid te geven, voor een wezenlijk deel van de betrokken producten de mededinging uit te schakelen.
  § 4. Het is natuurlijke personen verboden in het kader van de activiteiten van een onderneming of ondernemingsvereniging met één of meer concurrenten te onderhandelen, overeen te komen, te besluiten of onderling af te stemmen met betrekking tot:
  1° het vaststellen van de prijzen bij verkoop van producten aan derden;
  2° het beperken van de productie of de verkoop van producten;
  3° het toewijzen van markten of afnemers.
  De inbreuk op het in het eerste lid bedoelde verbod kan enkel worden vastgesteld ingeval de overeenkomst, het besluit of de onderling afgestemde feitelijke gedraging deel uitmaakt van een door het Mededingingscollege of de auditeur in dezelfde zaak vastgestelde inbreuk op het verbod bedoeld in de eerste paragraaf door de onderneming of ondernemingsvereniging in het kader van wiens activiteiten de natuurlijke persoon is opgetreden.
  Ingeval de onderneming of ondernemingsvereniging niet meer bestaat en geen rechtsopvolger heeft, kan het onderzoek in afwijking van het tweede lid worden gevoerd en de beslissing worden genomen ten aanzien van de natuurlijke persoon alleen.
  Art. IV.2. Het is verboden, zonder dat hiertoe een voorafgaande beslissing nodig is, dat één of meer ondernemingen misbruik maken van een machtspositie op de betrokken Belgische markt of op een wezenlijk deel daarvan.
  Dit misbruik kan met name bestaan in:
  1° het rechtstreeks of zijdelings opleggen van onbillijke aan- of verkoopprijzen of van andere onbillijke contractuele voorwaarden;
  2° het beperken van de productie, de afzet of de technische ontwikkeling ten nadele van de verbruikers;
  3° het toepassen ten opzichte van handelspartners van ongelijke voorwaarden bij gelijkwaardige prestaties, hun daarmede nadeel berokkenend bij de mededinging;
  4° het feit dat het sluiten van overeenkomsten afhankelijk wordt gesteld van het aanvaarden door de handelspartners van bijkomende prestaties, welke naar hun aard of volgens het handelsgebruik geen verband houden met het onderwerp van deze overeenkomsten.
  Art. IV.3. Het verbod van artikel IV.1, § 1, geldt niet voor overeenkomsten, besluiten van ondernemingsverenigingen en onderling afgestemde feitelijke gedragingen waarvoor artikel 101, § 3, VWEU van toepassing is verklaard door een verordening van de Raad van de Europese Unie of een verordening of een beschikking van de Europese Commissie.
  Het verbod van artikel IV.1, § 1, geldt niet voor overeenkomsten, besluiten van ondernemingsverenigingen en onderling afgestemde feitelijke gedragingen, die de handel tussen de lidstaten niet ongunstig beïnvloeden of de mededinging binnen de interne markt niet beperken, verhinderen of vervalsen, doch die de bescherming zouden genieten van een verordening bedoeld in het eerste lid ingeval zij deze handel wel zouden beïnvloeden of deze mededinging wel zouden beperken, verhinderen of vervalsen.
  Art. IV.4. Het verbod van artikel IV.1, § 1, is niet van toepassing op overeenkomsten, besluiten van ondernemingsverenigingen en onderling afgestemde feitelijke gedragingen van ondernemingen die binnen de werkingssfeer vallen van een koninklijk besluit genomen op grond van artikel IV.5.
  Art. IV.5. § 1. De Koning kan, na advies van de Bijzondere raadgevende commissie Mededinging en van de Belgische Mededingingsautoriteit, bij in Ministerraad overlegd en gemotiveerd besluit verklaren dat, bij toepassing van artikel IV.1, § 3, artikel IV.1, § 1, niet van toepassing is op categorieën van overeenkomsten, besluiten en onderling afgestemde feitelijke gedragingen.
  § 2. Het koninklijk besluit omschrijft de categorieën van overeenkomsten, van besluiten en van onderling afgestemde feitelijke gedragingen waarop het van toepassing is en preciseert met name:
  1° de beperkingen of de bepalingen die er niet in mogen voorkomen;
  2° de bepalingen die erin moeten voorkomen of de andere voorwaarden waaraan moet worden voldaan.
  § 3. Het koninklijk besluit wordt voor een beperkte tijdsduur genomen. Het kan worden opgeheven of gewijzigd ingeval de omstandigheden gewijzigd zijn met betrekking tot een punt dat van wezenlijk belang was voor zijn vaststelling. In dat geval wordt voorzien in een overgangsregeling voor de overeenkomsten, besluiten en onderling afgestemde feitelijke gedragingen bedoeld door het voorafgaande besluit.
  HOOFDSTUK 2. - Concentraties
  Art. IV.6. § 1. Voor de toepassing van dit boek komt een concentratie tot stand ingeval er een duurzame wijziging van zeggenschap voortvloeit uit:
  1° de fusie van twee of meer voorheen onafhankelijke ondernemingen of delen van deze ondernemingen; of
  2° het verkrijgen, door één of meer personen die reeds de zeggenschap over ten minste één onderneming bezitten of door één of meer ondernemingen, van de zeggenschap - door de verwerving van participaties in het kapitaal of de aankoop van vermogensbestanddelen, bij overeenkomst of op elke andere wijze - rechtstreeks of onrechtstreeks, over één of meer andere ondernemingen of delen daarvan.
  § 2. De oprichting van een gemeenschappelijke onderneming die duurzaam alle functies van een zelfstandige economische eenheid vervult, vormt een concentratie in de zin van paragraaf 1, 2°.
  § 3. Voor de toepassing van dit boek berust de zeggenschap op rechten, overeenkomsten of andere middelen die afzonderlijk of gezamenlijk met inachtneming van alle feitelijke en juridische omstandigheden, het mogelijk maken een bepalende invloed uit te oefenen op de activiteiten van een onderneming, met name:
  1° eigendoms- of gebruiksrechten op alle vermogensbestanddelen van een onderneming of delen daarvan;
  2° rechten of overeenkomsten die een bepalende invloed verschaffen op de samenstelling, het stemgedrag of de besluiten van de ondernemingsorganen.
  § 4. De zeggenschap wordt verkregen door de persoon/personen of de onderneming/ondernemingen:
  1° die zelf rechthebbenden zijn of aan deze overeenkomsten rechten ontlenen; of
  2° die, hoewel zij zelf geen rechthebbenden zijn, noch aan deze overeenkomsten rechten ontlenen, de bevoegdheid hebben de daaruit ontstane rechten uit te oefenen.
  § 5. Geen concentratie in de zin van paragraaf 1 komt tot stand:
  1° ingeval kredietinstellingen, andere financiële instellingen, of verzekeringsmaatschappijen tot wier normale werkzaamheden de verhandeling van financiële instrumenten voor eigen rekening of voor rekening van derden behoort, tijdelijke deelnemingen houden die zij in een onderneming hebben verworven ten einde deze deelnemingen weer te verkopen, mits zij de aan deze deelnemingen verbonden stemrechten niet uitoefenen om het concurrentiegedrag van deze onderneming te bepalen of mits zij deze stemrechten slechts uitoefenen om de verkoop van deze onderneming of van haar activa, geheel of gedeeltelijk, of de verkoop van deze deelnemingen voor te bereiden, en deze verkoop plaatsvindt binnen één jaar na de verwerving; deze termijn bedraagt twee jaar ingeval de deelnemingen verworven werden als bewijs van dubieuze of onbetaald gebleven vorderingen;
  2° ingeval de zeggenschap wordt verworven door een gerechtelijk mandataris of overheidsmandataris, op grond van een gerechtelijke beslissing of een andere procedure van gedwongen vereffening;
  3° ingeval de in paragraaf 1, 2°, bedoelde handelingen worden uitgevoerd door participatieondernemingen zoals bedoeld in artikel 2, 15°, van richtlijn 2013/34/EU van het Europees Parlement en van de Raad van 26 juni 2013 betreffende de jaarlijkse financiële overzichten, geconsolideerde financiële overzichten en aanverwante verslagen van bepaalde ondernemingsvormen, tot wijziging van richtlijn 2006/43/EG van het Europees Parlement en de Raad en tot intrekking van richtlijnen 78/660/EEG en 83/349/EEG van de Raad, met dien verstande echter dat de stemrechten die aan de in bezit zijnde deelnemingen zijn verbonden, slechts worden uitgeoefend om, met name door de benoeming van de leden van de raden van bestuur en van toezicht van de ondernemingen waarin zij deelnemingen houden, de volledige waarde van deze investeringen veilig te stellen en niet om rechtstreeks of onrechtstreeks het concurrentiegedrag van die ondernemingen te bepalen.
  Art. IV.7. § 1. De bepalingen van dit hoofdstuk zijn slechts van toepassing ingeval de betrokken ondernemingen samen in België een omzet, bepaald volgens de in artikel IV.8 bedoelde criteria, van meer dan 100 miljoen euro bereiken en ten minste twee van de betrokken ondernemingen elk in België een omzet halen van ten minste 40 miljoen euro.
  § 2. De Koning kan, bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad, en na advies van de Belgische Mededingingsautoriteit en de Bijzondere raadgevende commissie Mededinging de drempels bedoeld in paragraaf 1 verhogen.
  Om de drie jaar gaat de Belgische Mededingingsautoriteit over tot een toetsing van de drempels bedoeld in paragraaf 1, daarbij onder andere rekening houdende met de economische impact en de administratieve last voor de ondernemingen.
  Art. IV.8. § 1. De omzet bedoeld in artikel IV.7 omvat de bedragen met betrekking tot de verkoop van producten door de betrokken ondernemingen tijdens het laatste boekjaar in het kader van de normale bedrijfsuitoefening, onder aftrek van kortingen, van belasting over de toegevoegde waarde en van andere rechtstreeks met de omzet samenhangende belastingen. Bij de omzet wordt geen rekening gehouden met transacties tussen de in paragraaf 4 bedoelde ondernemingen.
  § 2. Als een concentratie bestaat in de verwerving van delen - die al dan niet rechtspersoonlijkheid bezitten - van een of meer ondernemingen of van een groep ondernemingen, wordt in afwijking van paragraaf 1 alleen het omzetcijfer dat betrekking heeft op de delen, die aldus het voorwerp van de concentratie zijn, in hoofde van de vervreemder of vervreemders, in aanmerking genomen.
  Twee of meer transacties bedoeld in het eerste lid, die binnen een periode van twee jaar plaatsvinden tussen dezelfde personen of ondernemingen, moeten evenwel worden beschouwd als één concentratie die plaatsvindt op de datum van de laatste transactie.
  § 3. De omzet wordt vervangen:
  1° bij kredietinstellingen en andere financiële instellingen, door de som van de onderstaande batenposten, omschreven in het koninklijk besluit van 23 september 1992 op de jaarrekening van de kredietinstellingen, de beleggingsondernemingen en de beheervennootschappen van instellingen voor collectieve belegging, in voorkomend geval na aftrek van de belasting over de toegevoegde waarde en van andere rechtstreeks met de betrokken baten samenhangende belastingen:
  a) rente en soortgelijke baten;
  b) opbrengsten uit effecten:
  - opbrengsten uit aandelen en andere niet-vastrentende effecten;
  - opbrengsten uit deelnemingen;
  - opbrengsten uit aandelen in verbonden ondernemingen;
  c) ontvangen provisies;
  d) nettobaten uit financiële transacties;
  e) overige bedrijfsopbrengsten.
  De omzet in België van een kredietinstelling of een financiële instelling omvat de hierboven omschreven batenposten van het bijkantoor of de afdeling van deze in België gevestigde instelling.
  2° bij verzekeringsmaatschappijen, door de waarde van de bruto geboekte premies, die alle uit hoofde van de door of namens de verzekeringsonderneming gesloten verzekeringsovereenkomsten ontvangen en te ontvangen bedragen omvatten, met inbegrip van de aan herverzekering afgestane premies en na aftrek van belastingen en parafiscale bijdragen of heffingen over het bedrag van de afzonderlijke premies of het totale premievolume. Er wordt rekening gehouden met de brutopremies gestort door de ingezetenen in België.
  § 4. Onverminderd paragraaf 2, moeten voor de berekening van de totale omzet van een betrokken onderneming de omzetten van de volgende ondernemingen worden opgeteld:
  1° de betrokken onderneming;
  2° de ondernemingen waarin de betrokken onderneming, rechtstreeks of middellijk:
  a) hetzij meer dan de helft van het kapitaal of de bedrijfsactiva bezit;
  b) hetzij de bevoegdheid heeft om meer dan de helft van de stemrechten uit te oefenen;
  c) hetzij de bevoegdheid heeft om meer dan de helft van de leden van de raad van toezicht of van bestuur of de krachtens de wet tot vertegenwoordiging bevoegde organen te benoemen;
  d) hetzij het recht heeft de zaken van de onderneming te leiden;
  3° ondernemingen die in de betrokken onderneming over de onder 2° genoemde rechten of bevoegdheden beschikken;
  4° ondernemingen waarin een onderneming zoals bedoeld onder 3° over de onder 2° genoemde rechten of bevoegdheden beschikt;
  5° ondernemingen waarin twee of meer ondernemingen zoals bedoeld onder 1° tot en met 4°, gezamenlijk over de onder 2° genoemde rechten of bevoegdheden beschikken.
  Ingeval bij de concentratie betrokken ondernemingen gezamenlijk beschikken over de in het eerste lid, 2°, genoemde rechten of bevoegdheden, dient bij de berekening van de totale omzet van de betrokken ondernemingen:
  1° geen rekening te worden gehouden met de omzet die het resultaat is van de verkoop van producten tussen de gemeenschappelijke onderneming en elk van de betrokken ondernemingen of enige andere met een van die ondernemingen verbonden onderneming in de zin van het eerste lid onder 2° tot en met 5° ;
  2° rekening te worden gehouden met de omzet die het resultaat is van de verkoop van producten tussen de gemeenschappelijke onderneming en derde ondernemingen. Deze omzet wordt in gelijke delen aan de betrokken ondernemingen toegerekend.
  § 5. Voor de openbare ondernemingen is de in aanmerking te nemen omzet deze van alle ondernemingen die een economisch geheel vormen met een zelfstandige beslissingsbevoegdheid, ongeacht de vraag wie het kapitaal ervan bezit of welke regels van bestuurlijk toezicht daarop van toepassing zijn.
  Art. IV.9. § 1. Voor de concentraties die onderworpen zijn aan het toezicht ingesteld bij dit hoofdstuk is een voorafgaande beslissing nodig van de Belgische Mededingingsautoriteit, die vaststelt of zij al of niet toelaatbaar zijn.
  § 2. Bij de in paragraaf 1 bedoelde beslissing wordt rekening gehouden met:
  1° de noodzaak een daadwerkelijke mededinging op de markt te handhaven en te ontwikkelen in het licht van met name de structuur van alle betrokken markten en van de bestaande of potentiële mededinging van op of buiten het Belgische grondgebied gevestigde ondernemingen;
  2° de positie op de markt van de betrokken ondernemingen, hun economische en financiële macht, de keuzemogelijkheden van leveranciers en afnemers, hun toegang tot voorzieningsbronnen en afzetmarkten, het bestaan van juridische of feitelijke hinderpalen voor de toegang tot de markt, de ontwikkeling van vraag naar en aanbod van de betrokken producten, de belangen van de tussen- en eindverbruikers, alsmede de ontwikkeling van de technische en economische vooruitgang, voor zover deze in het voordeel van de consument is en geen belemmering vormt voor de mededinging.
  § 3. Concentraties die niet tot gevolg hebben dat een daadwerkelijke mededinging op de Belgische markt of een wezenlijk deel daarvan op significante wijze wordt belemmerd, onder andere door het in het leven roepen of versterken van een machtspositie, worden toelaatbaar verklaard.
  § 4. Concentraties die tot gevolg hebben dat een daadwerkelijke mededinging op de Belgische markt of een wezenlijk deel daarvan op significante wijze wordt belemmerd, onder andere door het in het leven roepen of versterken van een machtspositie, worden ontoelaatbaar verklaard.
  § 5. Ingeval de oprichting van een gemeenschappelijke onderneming die een concentratie vormt in de zin van artikel IV.6, § 2, de coördinatie beoogt of tot stand brengt van het concurrentiegedrag van ondernemingen die onafhankelijk blijven, dan wordt die coördinatie beoordeeld overeenkomstig de criteria van artikel IV.1, teneinde vast te stellen of de transactie al dan niet toelaatbaar is.
  Bij die beoordeling wordt onder meer rekening gehouden met:
  1° het significant en gelijktijdig actief blijven van twee of meer oprichtende ondernemingen op dezelfde markt als die van de gemeenschappelijke onderneming, op een stroomopwaartse of stroomafwaartse markt van laatstgenoemde markt of op een nauw met die markt verbonden markt;
  2° de mogelijkheid die aan de betrokken ondernemingen wordt gegeven om, via de coördinatie die het rechtstreekse gevolg is van de oprichting van de gemeenschappelijke onderneming, de mededinging voor een wezenlijk deel van de betrokken producten uit te schakelen.
  Art. IV.10. § 1. De concentraties die onderworpen zijn aan het toezicht ingesteld bij dit hoofdstuk worden bij de auditeur-generaal aangemeld vóór hun tenuitvoerlegging en na de sluiting van de overeenkomst, de openbaarmaking van het aanbod tot aankoop of ruil, of de verwerving van een zeggenschapsdeelneming. De partijen kunnen echter een ontwerpovereenkomst aanmelden, mits alle partijen uitdrukkelijk verklaren dat zij de intentie hebben om een overeenkomst te sluiten die op alle mededingingsrechtelijk relevante punten niet merkbaar verschilt van het aangemelde ontwerp. In het geval van een openbaar aanbod tot aankoop of ruil, kunnen de partijen eveneens een ontwerp aanmelden wanneer zij hun voornemen tot het doen van een dergelijk bod publiekelijk hebben aangekondigd.
  § 2. Concentraties door fusie in de zin van artikel IV.6, § 1, 1°, of door totstandkoming van een gezamenlijke zeggenschap in de zin van artikel IV.6, § 1, 2°, worden gezamenlijk aangemeld door de partijen bij de fusie of door de partijen die de gezamenlijke zeggenschap verkrijgen. In alle andere gevallen vindt de aanmelding plaats door de persoon of de onderneming die de zeggenschap over een of meer ondernemingen of een gedeelte daarvan verwerft.
  § 3. De modaliteiten van de aanmeldingen bedoeld in paragraaf 1 worden bepaald door de Koning. De Belgische Mededingingsautoriteit kan de nadere regels voor een vereenvoudigde aanmelding bepalen.
  § 4. Zolang de Belgische Mededingingsautoriteit geen beslissing neemt betreffende de toelaatbaarheid van de concentratie, mogen de betrokken ondernemingen de concentratie niet tot uitvoering brengen.
  § 5. Paragraaf 4 belet evenwel niet de tenuitvoerlegging van een openbaar aanbod tot aankoop of ruil of van een reeks transacties met financiële instrumenten, inclusief met deze converteerbaar in andere financiële instrumenten, die ter verhandeling worden toegelaten tot een markt zoals een effectenbeurs en waardoor de zeggenschap in de zin van artikel IV.6 wordt verkregen door tussenkomst van meerdere verkopers, mits:
  1° de concentratie overeenkomstig dit artikel onverwijld bij de auditeur-generaal wordt gemeld, en
  2° de verkrijger de aan de betrokken financiële instrumenten verbonden stemrechten niet uitoefent dan wel slechts uitoefent om de volle waarde van zijn belegging te handhaven en op basis van een door de voorzitter overeenkomstig paragraaf 6 verleende ontheffing.
  § 6. Onverminderd het bepaalde in paragraaf 5, kan de voorzitter op verzoek van een partij op elk ogenblik ontheffing verlenen van het in paragraaf 4 bepaalde verbod tot uitvoering. De voorzitter vraagt de auditeur-generaal een verslag in te dienen, bevattende de noodzakelijke appreciatie-elementen om tot de in deze paragraaf bedoelde beslissing te komen. De auditeur-generaal of de door hem aangeduide auditeur dient zijn verslag in binnen een termijn van twee weken na de indiening van het verzoek tot ontheffing. De voorzitter kan deze termijn inkorten.
  De voorzitter kan zijn beslissing vergezeld laten gaan van bepaalde voorwaarden en verplichtingen.
  Art. IV.11. De concentraties die onderworpen zijn aan het toezicht van de Europese Commissie, met inbegrip van concentraties die bij toepassing van artikel 22 van Verordening (EG) nr. 139/2004 zijn verwezen naar de Europese Commissie, zijn niet onderworpen aan het toezicht ingesteld bij dit hoofdstuk.
  Zijn echter wel onderworpen aan het toezicht ingesteld door dit hoofdstuk, de concentraties die door de Europese Commissie naar de Belgische Mededingingsautoriteit werden verwezen krachtens de artikelen 4, vierde en vijfde lid, en 9, eerste lid, van Verordening (EG) nr. 139/2004. In dat geval dienen de partijen de concentratie opnieuw te melden bij de auditeur-generaal overeenkomstig artikel IV.10.
  HOOFDSTUK 3. - Overheidsondernemingen
  Art. IV.12. De ondernemingen belast met het beheer van diensten van algemeen economisch belang of die het karakter hebben van een fiscaal monopolie, zijn onderworpen aan de bepalingen van dit boek voor zover de toepassing daarvan de vervulling, in feite of in rechte, van de hun door of krachtens de wet toevertrouwde specifieke taak niet verhindert.
  HOOFDSTUK 4. - Maatregelen of beslissingen door een vreemde staat
  Art. IV.13. Behoudens ontheffing in de gevallen door de Koning bepaald, is het aan ieder persoon, verblijvend op het Belgisch grondgebied of er zijn zetel of een inrichting hebbend, verboden gevolg te geven aan maatregelen of beslissingen door een vreemde Staat of door diens organismen genomen en die betrekking hebben op een reglementering inzake mededinging, economische machtsposities of handelsbeperkende praktijken op gebied van internationaal vervoer ter zee en door de lucht.
  De Koning bepaalt op welke handelingen het verbod slaat. De ontheffing, op verzoek van belanghebbenden, kan door de minister worden toegestaan en desgevallend aan bepaalde modaliteiten onderworpen worden.
  Art. IV.14. Elk bevel of verzoek dat gegrond is op de in artikel IV.13 bedoelde maatregelen of beslissingen, moet binnen vijftien dagen na ontvangst worden medegedeeld aan de minister of aan zijn gemachtigde.
  Art. IV.15. Onverminderd de artikelen IV.13 en IV.14 en behoudens de uitzonderingen die Hij bepaalt, kan de Koning bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad, en na advies van de Belgische Mededingingsautoriteit en de Bijzondere raadgevende commissie Mededinging, maatregelen treffen waarbij het de ondernemingen verboden wordt niet bekendgemaakte inlichtingen of bescheiden met betrekking tot hun mededingingspraktijken aan een buitenlandse Staat of aan een daarvan afhangende instelling te geven.
  TITEL 2. - Handhaving van het mededingingsrecht
  HOOFDSTUK 1. - De Belgische Mededingingsautoriteit
  Afdeling 1. - Organisatie
  Artikel IV.16. § 1. De Belgische Mededingingsautoriteit is een overheidsdienst met rechtspersoonlijkheid en beheersautonomie zoals bedoeld in artikel 2, eerste lid, 3°, tweede lid, b), van de wet van 22 mei 2003 houdende de organisatie van de begroting en van de comptabiliteit van de Federale Staat.
  § 2. De Belgische Mededingingsautoriteit is samengesteld uit:
  1° de voorzitter en de dienst van de voorzitter;
  2° het Mededingingscollege;
  3° het directiecomité;
  4° het auditoraat onder leiding van de auditeur-generaal.
  § 3. De Belgische mededingingsautoriteit is bevoegd om de artikelen 101 en 102 VWEU toe te passen bedoeld in artikel 35 van Verordening (EG) nr. 1/2003.
  § 4. De Koning bepaalt welke logistieke en materiële middelen de FOD Economie ter beschikking stelt van de Belgische Mededingingsautoriteit. Daartoe wordt een dienstverleningsovereenkomst gesloten tussen de Belgische Mededingingsautoriteit en de FOD Economie.
  § 5. De Koning bepaalt bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad het administratief en geldelijk statuut van de voorzitter, de assessor-ondervoorzitter en assessoren die zetelen in het Mededingingscollege, de auditeur-generaal, de directeur juridische zaken en de directeur economische zaken van de Belgische Mededingingsautoriteit.
  De wetten op de pensioenregeling voor de leden van het Rijkspersoneel en voor hun rechthebbenden zijn van toepassing op de voorzitter, de auditeur-generaal, de directeur economische zaken en de directeur juridische zaken van de Belgische Mededingingsautoriteit.
  Voor de toepassing van het vorige lid worden de mandaten voor de opening van het recht op pensioen, gelijkgesteld met een vaste benoeming.
  § 6. De personeelsleden van de Belgische Mededingingsautoriteit worden ter beschikking gesteld door de FOD Economie. De Koning stelt, na advies van de Belgische Mededingingsautoriteit, de regels van deze terbeschikkingstelling vast, alsmede de voorwaarden ervan.
  § 7. De Koning bepaalt de wijze waarop het personeelsplan van de Belgische Mededingingsautoriteit wordt aangenomen.
  § 8. De Belgische Mededingingsautoriteit is een instelling zoals bedoeld in de artikelen 6 (1)(e) en 23 (1) (h) van de Verordening (EU) 2016/679 van 27 april 2016 betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens en betreffende het vrije verkeer van die gegevens en tot intrekking van richtlijn 95/46/EG.
  De Belgische Mededingingsautoriteit kan als verwerkingsverantwoordelijke gegevens verwerken in de zin van deze Verordening voor de doeleinden en met de waarborgen bepaald in titel II van dit boek, en met name gelet op de bepalingen van artikel IV.32. Zij kan deze gegevens opslaan voor de duur die vereist is voor haar onderzoeken en procedures of is opgelegd door de algemene archiveringsregels van de Staat. Natuurlijke personen kunnen toegang krijgen tot hun eigen persoonsgegevens.
  Onderafdeling 1. - Voorzitter en dienst van de voorzitter
  Art. IV.17. § 1. De voorzitter wordt door de Koning benoemd, bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad, voor een mandaat van zes jaar dat eenmaal kan worden hernieuwd.
  De voorzitter vervult de opdrachten die hem door dit boek zijn opgedragen. Hij kan taken delegeren aan de assessor-ondervoorzitter ingeval het taken betreft die hij uitoefent als lid van het Mededingingscollege en, ingeval het andere taken betreft, aan de directeur economische zaken, aan de directeur juridische zaken en aan personeelsleden van de Belgische Mededingingsautoriteit.
  § 2. In geval van gemotiveerde onbeschikbaarheid worden de taken van de voorzitter waargenomen door het directiecomité. In voorkomend geval worden de taken van de voorzitter van het Mededingingscollege waargenomen door de assessor-ondervoorzitter.
  § 3. Om tot voorzitter te kunnen worden benoemd, moet de kandidaat slagen voor het examen inzake beroepsbekwaamheid. Dat examen is bedoeld om de kennis en maturiteit te evalueren die noodzakelijk zijn voor de uitoefening van het betrokken ambt. De nadere regels en het programma van het examen worden door de Koning bepaald. De kandidaat brengt verder het bewijs van een nuttige ervaring voor de uitoefening van de functie. Hij moet houder zijn van een diploma van master of licentiaat en een functionele kennis van het Nederlands, het Frans en het Engels bewijzen.
  In voorkomend geval wordt de uitoefening van de functie van voorzitter beschouwd als een opdracht in de zin van artikel 323bis, § 1, van het Gerechtelijk Wetboek.
  § 4. De voorzitter wordt bij koninklijk besluit op rust gesteld ingeval hij wegens een ernstig en permanent gebrek zijn ambt niet meer behoorlijk kan uitoefenen, en dit overeenkomstig artikel 117 van de wet van 14 februari 1961 voor economische expansie, sociale vooruitgang en financieel herstel.
  Art. IV.18. De voorzitter mag geen enkele instructie ontvangen wat betreft de beslissingen die hij neemt in uitvoering van zijn opdrachten krachtens dit boek, en de standpunten die hij inneemt in mededingingszaken van de Europese Commissie betreffende de toepassing van de artikelen 101 en 102 VWEU en Verordening (EG) nr. 139/2004. De personen aan wie de voorzitter taken heeft gedelegeerd mogen betreffende deze taken alleen instructies ontvangen van de voorzitter.
  Art. IV.19. § 1. De voorzitter is onder meer belast met de volgende opdrachten:
  1° het vertegenwoordigen van België in de Europese en internationale mededingingsinstellingen voor alle besprekingen die de bevoegdheden van de Belgische Mededingingsautoriteit betreffen; hij neemt deel aan andere besprekingen in Europese en internationale instellingen over wet- en regelgeving die het mededingingsbeleid betreffen, onverminderd de bevoegdheden ter zake van de minister en andere overheden;
  2° het bijdragen ten behoeve van de FOD Economie, het Parlement, de regering of andere instanties tot het voorbereiden en evalueren van het mededingingsbeleid in België, het bijdragen tot een betere kennis van dit beleid en het leiden van studies;
  3° het bijdragen tot de voorbereiding van de Belgische wetgeving en reglementering met betrekking tot de mededingingsregels en het mededingingsbeleid;
  4° het vertegenwoordigen van de Belgische Mededingingsautoriteit in de procedures bedoeld in de artikelen IV.86 tot IV.90, onder voorbehoud van de vertegenwoordigingsbevoegdheid van de auditeur-generaal bedoeld in artikel IV.26, § 3, 8° ;
  5° het afleveren van informele zienswijzen aangaande de toepassing van de mededingingsregels betreffende de restrictieve mededingingspraktijken op een voorgenomen praktijk, voor zover eenzelfde, gelijkaardige of verwante vraag niet het voorwerp is van een procedure bij de Europese Commissie, het auditoraat of het Mededingingscollege of van een procedure voor een Belgisch rechtscollege of een rechtscollege van de Europese Unie.
  § 2. In de Belgische Mededingingsautoriteit wordt een dienst van de voorzitter opgericht. Deze dienst wordt geleid door de voorzitter en bestaat uit de personeelsleden van de Belgische Mededingingsautoriteit die door het directiecomité aan deze dienst worden toegewezen. Voor de tenuitvoerlegging van de opdrachten bedoeld in paragraaf 1, kan de voorzitter ook een beroep doen op personeelsleden van het auditoraat ten belope van een door het directiecomité te bepalen percentage van hun tijd.
  Onderafdeling 2. - Mededingingscollege
  Art. IV.20. De voorzitter stelt per zaak het Mededingingscollege samen overeenkomstig artikel IV.21 voor het nemen van de in afdeling 2 van dit hoofdstuk bedoelde beslissingen.
  Art. IV.21. § 1. Het Mededingingscollege bestaat uit:
  1° de voorzitter;
  2° twee assessoren aangewezen op de alfabetische lijsten van assessoren.
  De aanwijzing van de assessoren gebeurt in alfabetische orde op de lijsten bedoeld in artikel IV.22, § 1, tweede lid, bij toerbeurt gelet op de proceduretaal.
  In het Mededingingscollege dient ten minste één houder van een diploma van master of licentiaat in de rechten zitting te hebben.
  Ingeval de assessoren niet kunnen worden aangewezen overeenkomstig de proceduretaal zonder een belangenconflict te veroorzaken, wordt de aanwijzing verricht op basis van de lijst van assessoren van de andere taalgroep.
  § 2. In geval van een belangenconflict of gemotiveerde onbeschikbaarheid van de voorzitter wordt het Mededingingscollege samengesteld en voorgezeten door de assessor-ondervoorzitter.
  In geval van een belangenconflict of gemotiveerde onbeschikbaarheid van zowel de voorzitter als de assessor-ondervoorzitter, wordt het Mededingingscollege samengesteld en voorgezeten door de oudste onder de assessoren rekening houdend met de proceduretaal.
  § 3. Ingeval een belangenconflict of gemotiveerde onbeschikbaarheid wordt vastgesteld na het samenstellen van het Mededingingscollege wordt de betrokkene vervangen bij toepassing van paragraaf 1 en, in voorkomend geval, van paragraaf 2. De hoorzitting vindt plaats voor het nieuw samengestelde Mededingingscollege.
  Art. IV.22. § 1. De assessor-ondervoorzitter, die tot een andere taalgroep behoort dan de voorzitter, en de assessoren, samen ten beloop van maximum 20, worden door de Koning benoemd bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad voor een hernieuwbaar mandaat van zes jaar.
  Zij worden ingedeeld in twee gelijke lijsten, in alfabetische volgorde, volgens de Nederlandstalige of Franstalige taalgroep waartoe zij behoren, bepaald door de taal van het diploma van master of licentiaat.
  Op elke lijst zal van iedere assessor het diploma vermeld worden.
  § 2. Om tot assessor-ondervoorzitter of assessor te worden benoemd, dient de kandidaat te voldoen aan de benoemingsvoorwaarden gesteld voor de voorzitter, bepaald in artikel IV.17, § 3.
  De assessor-ondervoorzitter en de assessoren worden bij koninklijk besluit op rust gesteld ingeval zij wegens een ernstig en permanent gebrek hun ambt niet meer behoorlijk kunnen uitoefenen, en dit overeenkomstig artikel 117 van de wet van 14 februari 1961 voor economische expansie, sociale vooruitgang en financieel herstel.
  § 3. De assessor-ondervoorzitter en de assessoren die in een zaak zitting hebben, mogen betreffende die zaak geen enkele instructie ontvangen wat betreft de beslissingen die zij nemen in uitvoering van de opdrachten die dit boek hun geeft.
  § 4. De voorzitter, de assessor-ondervoorzitter en de assessoren stellen, onder voorzitterschap van de voorzitter, het huishoudelijk reglement vast van het Mededingingscollege.
  Onderafdeling 3. - Directiecomité
  Art. IV.23. Het directiecomité is belast met de leiding van de Belgische Mededingingsautoriteit.
  Art. IV.24. § 1. Het directiecomité is samengesteld uit:
  1° de voorzitter;
  2° de auditeur-generaal;
  3° de directeur economische zaken;
  4° de directeur juridische zaken.
  Bij staking van stemmen heeft de voorzitter een beslissende stem.
  In geval van gemotiveerde onbeschikbaarheid van de voorzitter wordt het directiecomité voorgezeten door het oudste aanwezige lid.
  § 2. De Koning benoemt de directeur economische zaken en de directeur juridische zaken voor een hernieuwbaar mandaat van zes jaar bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad, na een examen inzake beroepsbekwaamheid, bedoeld in artikel IV.17, § 2.
  § 3. De directeur economische zaken en de directeur juridische zaken worden bij koninklijk besluit op rust gesteld ingeval zij wegens een ernstig en permanent gebrek hun ambt niet meer behoorlijk kunnen uitoefenen, en dit overeenkomstig artikel 117 van de wet van 14 februari 1961 voor economische expansie, sociale vooruitgang en financieel herstel.
  Art. IV.25. Het directiecomité is onder meer belast met:
  1° het organiseren en samenstellen van de dienst van de voorzitter, het auditoraat en het secretariaat;
  2° het vaststellen van richtsnoeren en bekendmakingen met betrekking tot de toepassing van de mededingingsregels en dit boek;
  3° het opstellen van een jaarlijkse nota waarin de beleidsprioriteiten van de Belgische Mededingingsautoriteit worden vastgesteld, na advies van de minister;
  4° het uitoefenen van de bevoegdheden die door de artikelen IV.5, § 1, IV.7, § 2, IV.10, § 3, IV.15, IV.16, §§ 4 en 6, IV.69, § 2, vierde lid en IV.88 aan de Belgische Mededingingsautoriteit worden opgedragen;
  5° het opstellen van het jaarlijks activiteitenverslag, dat aan de Kamer van volksvertegenwoordigers wordt medegedeeld.
  Onderafdeling 4. - Auditeur-generaal en auditoraat
  Art. IV.26. § 1. De Koning benoemt de auditeur-generaal bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad voor een mandaat van zes jaar dat eenmaal kan worden hernieuwd.
  Om tot auditeur-generaal te worden benoemd, dient de kandidaat te voldoen aan de benoemingsvoorwaarden gesteld voor de voorzitter, bepaald in art. IV.17, § 3.
  In voorkomend geval wordt de uitoefening van de functie van auditeur-generaal beschouwd als een opdracht in de zin van artikel 323bis, § 1, van het Gerechtelijk Wetboek.
  § 2. De auditeur-generaal wordt bij koninklijk besluit op rust gesteld ingeval hij wegens een ernstig en permanent gebrek zijn ambt niet meer behoorlijk kan uitoefenen, en dit overeenkomstig artikel 117 van de wet van 14 februari 1961 voor economische expansie, sociale vooruitgang en financieel herstel.
  § 3. De auditeur-generaal is onder meer belast met de volgende opdrachten:
  1° het leiden van het auditoraat;
  2° het ontvangen van de klachten, de verzoeken en de injuncties betreffende de restrictieve mededingingspraktijken;
  3° het openen van het onderzoek in de gevallen bedoeld in artikel IV.39 en het bepalen van de volgorde waarin deze zaken worden onderzocht, na advies van de directeur economische zaken;
  4° het ontvangen van de aanmeldingen van concentraties;
  5° het geven van algemene leiding aan het onderzoek door de auditeur en, in geval van tijdelijke gemotiveerde onbeschikbaarheid van de auditeur, tijdelijk de taak van auditeur vervullen in een zaak;
  6° het afgeven van opdrachtbevelen ingeval de personeelsleden van de Belgische Mededingingsautoriteit de ambtenaren van de Europese Commissie bijstaan voor een door de Europese Commissie bevolen inspectie bij toepassing van Verordening (EG) nr. 1/2003;
  7° het toezien op de uitvoering van de door het Mededingingscollege, de auditeur en het Marktenhof genomen beslissingen inzake de mededingingsregels;
  8° het vertegenwoordigen van de Belgische Mededingingsautoriteit in de procedures bedoeld in artikel IV.90, ingeval beroep wordt gebracht tegen een beslissing van de auditeur-generaal of de auditeur; de auditeur-generaal kan de vertegenwoordiging in een zaak delegeren aan de directeur juridische zaken, de auditeur of een personeelslid van het auditoraat;
  9° het vragen van de verwijzing van een concentratie naar de Belgische Mededingingsautoriteit en het verwijzen van een concentratie naar de Europese Commissie bij toepassing van de artikelen 4 en 9, respectievelijk van artikel 22 van de Verordening (EG) nr. 139/2004;
  10° het starten en stopzetten van de schikkingsprocedure;
  11° het beëindigen van gesprekken met betrekking tot toezeggingen die worden aangeboden door een betrokken partij;
  12° het verzoeken van voorlopige maatregelen;
  13° het organiseren in het kader van de onderzoeken van een tegensprekelijke procedure waarbij een personeelslid van het auditoraat, dat niet behoort tot het onderzoeksteam, beslist of de documenten en de gegevens die zijn verkregen of gekopieerd in het kader van een huiszoeking:
  a) beschermd zijn ingevolge de bescherming van briefwisseling met en consultatie van advocaten of de confidentialiteit van adviezen van bedrijfsjuristen krachtens artikel 5 van de wet van 1 maart 2000 tot oprichting van een Instituut voor Bedrijfsjuristen;
  b) vallen binnen het toepassingsgebied van het opdrachtbevel tot huiszoeking.
  § 4. In geval van belangenconflict of gemotiveerde onbeschikbaarheid wordt de auditeur-generaal vervangen door het personeelslid van het auditoraat dat hij aanduidt of, bij gebreke daarvan, dat wordt aangeduid door het directiecomité.
  § 5. De auditeur-generaal mag geen enkele instructie ontvangen wat betreft de beslissingen die hij neemt in uitvoering van de opdrachten die hem door dit boek zijn opgedragen.
  § 6. De auditeur-generaal kan taken die behoren tot de opdrachten die hem door dit boek worden opgedragen, delegeren aan de auditeur.
  Art. IV.27. § 1. Een auditoraat wordt opgericht bij de Belgische Mededingingsautoriteit.
  Het auditoraat bestaat uit de personeelsleden van de Belgische Mededingingsautoriteit die door het directiecomité aan deze dienst worden toegewezen.
  § 2. De auditeur-generaal wijst voor elke zaak een personeelslid van het auditoraat aan dat als auditeur met de dagelijkse leiding van het onderzoek wordt belast.
  De auditeur mag betreffende het onderzoek enkel instructies ontvangen van de auditeur-generaal.
  § 3. De auditeur-generaal stelt voor elke zaak een team van personeelsleden van het auditoraat samen dat met het onderzoek is belast onder zijn algemene leiding en de dagelijkse leiding van de auditeur.
  De leden van het onderzoeksteam kunnen betreffende dat onderzoek enkel instructies ontvangen van de auditeur-generaal en de auditeur.
  § 4. De auditeur-generaal wijst voor elke zaak een personeelslid van het auditoraat aan dat als auditeur-adviseur advies verleent aan de auditeur telkens wanneer de bepalingen van titel 2, hoofdstuk 1, afdeling 2, van dit boek voorzien in dergelijk advies.
  De auditeur-adviseur kan geen lid zijn of geweest zijn van het onderzoeksteam in de zaak en kan slechts worden vervangen in geval van belangenconflict of gemotiveerde onbeschikbaarheid.
  Art. IV.28. De auditeur is onder meer belast met:
  1° het dagelijks leiden en organiseren van het onderzoek;
  2° het nemen van de beslissingen in de concentratiezaken die het voorwerp zijn van een vereenvoudigde procedure;
  3° het zich uitspreken op verzoek van de belanghebbende natuurlijke persoon of rechtspersoon of op eigen initiatief, over het vertrouwelijk karakter van de documenten en de gegevens die in de loop van het onderzoek aan de Belgische Mededingingsautoriteit zijn overgezonden of ter kennis gekomen;
  4° het afgeven van de opdrachtbevelen, met inbegrip van de opdrachtbevelen inzake huiszoeking, beslaglegging of verzegeling, behalve ingeval de personeelsleden van de Belgische Mededingingsautoriteit de ambtenaren van de Europese Commissie bijstaan voor een door de Europese Commissie bevolen inspectie bij toepassing van Verordening (EG) 1/2003;
  5° het seponeren van klachten, verzoeken en injuncties;
  6° het stopzetten van het onderzoek;
  7° het nemen van schikkingsbeslissingen;
  8° het vaststellen van de grieven in zaken betreffende restrictieve mededingingspraktijken;
  9° het vaststellen van een voorstel van beslissing in zaken betreffende restrictieve mededingingspraktijken en in concentratiezaken;
  10° het verzoeken bij de bevoegde onderzoeksrechter van een voorafgaande machtiging tot huiszoeking.
  De auditeur kan alle handelingen verrichten ter volbrenging van zijn opdrachten, behalve wanneer dit boek deze handelingen aan de auditeur-generaal voorbehoudt.
  Onderafdeling 5. - Secretariaat
  Art. IV.29. Het secretariaat staat, onder leiding en toezicht van de auditeur-generaal, het auditoraat bij.
  Het secretariaat is tevens belast met het uitvoeren, onder leiding en toezicht van de voorzitter, van de taken van een griffie voor de procedures voor het Mededingingscollege.
  Onderafdeling 6. - Wraking en tucht
  Art. IV.30. De voorzitter, de assessor-ondervoorzitter, de voor een zaak aangeduide assessoren, de auditeur-generaal en de auditeur kunnen worden gewraakt om de redenen vermeld in artikel 828 van het Gerechtelijk Wetboek.
  De persoon die weet dat er een reden van wraking tegen hem bestaat, onthoudt zich.
  De wraking wordt ingediend door middel van een gemotiveerd verzoekschrift dat bij het secretariaat wordt ingediend. Het bevat de middelen en is ondertekend door de verzoekende partij of door haar bijzondere gemachtigde, in welk geval de bijzondere volmacht bij het verzoekschrift wordt gevoegd.
  Het verzoekschrift tot wraking wordt binnen vierentwintig uur door het secretariaat aan de gewraakte persoon overhandigd.
  Deze laatste geeft binnen twee dagen onderaan het verzoekschrift zijn schriftelijke verklaring met ofwel zijn instemming met de wraking ofwel zijn weigering zich te onthouden, met zijn antwoorden op de wrakingsmiddelen.
  In geval van weigering zich te onthouden, doet het Marktenhof er uitspraak over op verzoek van de wrakende partij. De wrakende partij dient haar gemotiveerd verzoek in op de griffie van het Hof van beroep te Brussel binnen twee werkdagen na de kennisgeving door het secretariaat van de schriftelijke verklaring van de gewraakte persoon. De wrakende partij en de gewraakte persoon worden gehoord. Het Marktenhof oordeelt volgens de procedure zoals in kortgeding en met voorrang boven alle andere zaken. Tegen dit arrest staat geen afzonderlijk cassatieberoep open.
  De procedure en de termijnen worden geschorst vanaf de indiening van het verzoekschrift tot wraking bij het secretariaat tot op de dag waarop de gewraakte persoon meedeelt zich te onthouden of waarop hij bevestigd of vervangen wordt na arrest van het Marktenhof.
  Art. IV.31. Het Marktenhof kan op vordering van de procureur-generaal bij het hof van beroep te Brussel, op gemotiveerde wijze aan de voorzitter, de assessor-ondervoorzitter, de assessoren, de auditeur-generaal, de directeur economische zaken en de directeur juridische zaken een terechtwijzing, een blaam of een inhouding van wedde als tuchtrechtelijke sanctie opleggen. Het hof kan hen ook vervallen verklaren van hun ambt of hen schorsen.
  Onderafdeling 7. - Beroepsgeheim, geheimhoudingsplicht en immuniteit
  Art. IV.32. § 1. De voorzitter, de assessor-ondervoorzitter, de assessoren, de auditeur-generaal, de directeur economische zaken, de directeur juridische zaken en de personeelsleden van de Belgische Mededingingsautoriteit, alsmede iedereen die onder hun gezag werkt, zijn gebonden door het beroepsgeheim en mogen, onder voorbehoud van de bepalingen van onderafdelingen 1 en 10 van afdeling 2 van dit hoofdstuk en van de koninklijke besluiten uitgevaardigd met toepassing van artikel IV.94, de vertrouwelijke gegevens en informatie waarvan zij wegens hun functie kennis hebben gekregen aan geen enkele persoon of autoriteit bekendmaken, behalve wanneer zij worden opgeroepen om in rechte te getuigen of om bewijsmateriaal over te leggen overeenkomstig de bepalingen van boek XVII, titel 3, hoofdstuk 3.
  Zij mogen deze gegevens en informatie enkel gebruiken voor het doel waarvoor deze gegevens en informatie werden ingewonnen.
  De auditeur-generaal kan, in afwijking van het eerste en tweede lid, ingeval het openbaar belang dit vereist, informatie mededelen aangaande lopende onderzoeken. Hij waakt over de inachtneming van het vermoeden van onschuld, de rechten van verdediging van de betrokken partijen, het privéleven en de waardigheid van personen. Voor zover als mogelijk wordt de identiteit van de betrokken partijen niet bekendgemaakt.
  § 2. Het beroepsgeheim en de geheimhoudingsplicht bedoeld in paragraaf 1 gelden ook voor de vertegenwoordigers van de Belgische Mededingingsautoriteit en voor de deskundigen die deelnemen aan de vergaderingen van het adviescomité bedoeld in artikel 14 van de Verordening (EG) nr. 1/2003, en in artikel 19 van de Verordening (EG) nr. 139/2004.
  Art. IV.33. Het is de Belgische Mededingingsautoriteit verboden gevolg te geven aan een bevel of verzoek van een rechter of rechtscollege tot overleggen van clementie- en immuniteitsverklaringen alsmede voorstellen die zijn gedaan met het oog op een schikking, behoudens toepassing van artikel XVII.79, § 1, 3°. Een gerechtelijke instantie, met inbegrip van een onderzoeksrechter, kan geen bevel of verzoek in die zin richten tot de Belgische Mededingingsautoriteit.
  Het eerste lid vindt geen toepassing in het geval van een strafrechtelijk onderzoek tegen personeelsleden van de Belgische Mededingingsautoriteit, leden van het directiecomité of assessoren.
  Art. IV.34. De voorzitter, de assessor-ondervoorzitter, de assessoren die zetelen in een zaak, de auditeur-generaal, de directeur economische zaken, de directeur juridische zaken en de personeelsleden van de Belgische Mededingingsautoriteit genieten bij de uitoefening van hun ambt van dezelfde immuniteiten als de rijksambtenaren.
  Onderafdeling 8. - Onverenigbaarheden en belangenconflicten
  Art. IV.35. § 1. De functies van voorzitter, auditeur-generaal, directeur economische zaken, directeur juridische zaken en personeelslid van de Belgische Mededingingsautoriteit zijn onverenigbaar met de gerechtelijke functies, met de uitoefening van een openbaar mandaat toegekend door verkiezing op een ander niveau dan het lokale of provinciale niveau, met elke bezoldigde functie of openbaar ambt van politieke of administratieve aard, met de ambten van notaris en gerechtsdeurwaarder, met het beroep van advocaat, met de militaire status en met de functie van bedienaar van een erkende eredienst.
  § 2. De functies van assessor-ondervoorzitter en assessor zijn onverenigbaar met de uitoefening van een openbaar mandaat toegekend door verkiezing op een ander niveau dan het lokale of provinciale niveau, met elke bezoldigde functie of openbaar ambt van politieke of administratieve aard, met uitzondering van ambten in instellingen van hoger onderwijs, met de ambten van notaris en gerechtsdeurwaarder, met de militaire status en met de functie van bedienaar van een erkende eredienst.
  § 3. Van de eerste paragraaf mag worden afgeweken ingeval het de uitoefening betreft van het ambt van professor, docent, lector of assistent in de instellingen voor hoger onderwijs, voor zover dat ambt niet wordt uitgeoefend gedurende meer dan twee halve dagen per week.
  Van de eerste en tweede paragraaf mag worden afgeweken:
  1° ingeval het de uitoefening betreft van de functie van lid van een examencommissie;
  2° ingeval het de deelname betreft aan een commissie, een raad of een adviescomité, voor zover het aantal opdrachten of functies beperkt is tot twee en het gaat om opdrachten of functies die onbezoldigd worden uitgeoefend.
  De afwijkingen bedoeld in het eerste en tweede lid worden toegekend door de voorzitter, en ingeval het hem betreft, door de minister.
  Art. IV.36. § 1. De voorzitter, de assessor-ondervoorzitter of assessoren die zetelen in een zaak, de auditeur-generaal, de directeur economische zaken, de directeur juridische zaken en de personeelsleden van de Belgische Mededingingsautoriteit, alsmede iedereen die onder hun gezag werkt, mogen mondeling noch schriftelijk de betrokkenen in een zaak verdedigen of bijstaan; zij mogen hen ook geen consult geven.
  § 2. De voorzitter, de auditeur-generaal, de directeur economische zaken, de directeur juridische zaken en de personeelsleden van de Belgische Mededingingsautoriteit, alsmede iedereen die onder hun gezag werkt, mogen de volgende activiteiten niet uitoefenen:
  1° bezoldigde arbitrage;
  2° hetzij persoonlijk, hetzij via een tussenpersoon enige vorm van handel drijven, zaakwaarnemer zijn of deelnemen aan de leiding of het bestuur van of het toezicht op handelsvennootschappen of nijverheids- of handelsvestigingen.
  § 3. De voorzitter, de auditeur-generaal, de directeur economische zaken, de directeur juridische zaken, de personeelsleden van de Belgische Mededingingsautoriteit en de zetelende assessoren mogen geen persoonlijk of financieel belang hebben in de betrokken ondernemingen en de ondernemingen actief in de betrokken markten, die zij onderzoeken of ten aanzien van wie zij beslissen of deelnemen aan beslissingen, ingeval dit belang hun onpartijdigheid in gevaar zou kunnen brengen. In voorkomend geval dient de betrokkene zich te onthouden van elke tussenkomst in de zaak.
  Het eerste lid is tevens van toepassing ingeval van tewerkstelling, mandaat of andere opdracht bij of voor de betrokken ondernemingen en de ondernemingen actief in de betrokken markten, uitgevoerd gedurende een periode van drie jaar voorafgaand aan de voorgenomen tussenkomst in de zaak.
  Onderafdeling 9. - Bijzondere raadgevende commissie Mededinging
  Art. IV.37. Er wordt in de Centrale Raad voor het Bedrijfsleven een paritaire raadgevende commissie opgericht die Bijzondere raadgevende commissie Mededinging wordt genoemd en die een adviserende bevoegdheid heeft voor alle algemene kwesties in verband met het mededingingsbeleid; zij oefent die bevoegdheid uit op eigen initiatief of op verzoek van de minister.
  Art. IV.38. De Koning bepaalt de samenstelling en de werking van de Bijzondere raadgevende commissie Mededinging alsook van haar secretariaat.
  De voorzitter, de werkende leden en hun plaatsvervangers worden benoemd door de minister.
  De Koning bepaalt eveneens, bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad, het bedrag van de vergoedingen toegekend aan de voorzitter en de leden van de Bijzondere raadgevende commissie Mededinging alsook aan elke persoon die met de Bijzondere raadgevende commissie Mededinging dient samen te werken.
  Afdeling 2. - Procedures en beslissingen
  Onderafdeling 1. - Onderzoeksprocedure
  Art. IV.39. De auditeur-generaal beslist tot het openen van een onderzoek:
  1° op verzoek van de aanmeldende partijen in het geval van een aangemelde concentratie;
  2° ambtshalve of na een klacht van een natuurlijke persoon of rechtspersoon die aantoont daarbij een rechtmatig belang te hebben, in het geval van een inbreuk op artikel IV.1, § 1, op artikel IV.1, § 4, op artikel IV.2, op artikel IV.10, § 1, op artikel IV.10, § 4, of in geval van niet-naleving van een beslissing genomen krachtens de artikelen IV.10, § 6, IV.44, § 1, 2°, IV.45, eerste lid, 2°, IV.46 § 2, 1°, IV.52, IV.66, IV.69, IV.71 of IV.73;
  3° op verzoek of op injunctie van de minister;
  4° op verzoek van de minister van Middenstand, van een geëigende openbare instelling of ander overheidslichaam, belast met het toezicht of de controle op een economische sector in het geval van een inbreuk op artikel IV.1, § 1, op artikel IV.2 of op artikel IV.10, § 1;
  5° ambtshalve of op verzoek van de minister met het oog op het nemen van een koninklijk besluit tot groepsgewijze ontheffing van overeenkomsten, besluiten en onderling afgestemde feitelijke gedragingen op grond van artikel IV.5.
  Art. IV.40. § 1. Ter vervulling van zijn opdrachten, kan de auditeur alle noodzakelijke inlichtingen inwinnen bij de ondernemingen, de ondernemingsverenigingen en de natuurlijke personen. Hij bepaalt de termijn binnen welke deze inlichtingen hem moeten worden medegedeeld. De auditeur kan het inwinnen van inlichtingen opdragen aan leden van het onderzoeksteam.
  Het verzoek om inlichtingen vermeldt de rechtsgrond en het doel van het verzoek.
  Ingeval de gevraagde inlichtingen niet binnen de gestelde termijn worden verstrekt of indien de verstrekte inlichtingen onvolledig, onjuist of verdraaid zijn, kan de auditeur de inlichtingen bij een gemotiveerde beslissing eisen.
  Deze beslissing omschrijft de gevraagde inlichtingen en bepaalt binnen welke termijn ze moeten worden verstrekt. Ingeval de beslissing tot eisen van inlichtingen gericht is tot een van de bij de concentratie betrokken partijen, schorst zij de in de artikelen IV.64, § 2, IV.66, § 3, IV.67, § 2, IV.69, § 2, en IV.70, § 6, bedoelde termijnen tot de dag waarop de inlichtingen worden verstrekt.
  De beslissing wordt door de auditeur ter kennis gebracht van de onderneming, de ondernemingsvereniging of de natuurlijke persoon van wie de inlichtingen worden geëist. Deze beslissing is niet vatbaar voor afzonderlijk beroep.
  § 2. Onverminderd de bevoegdheden van de politieambtenaren van de lokale en federale politie zijn de auditeur en de door de minister gemachtigde personeelsleden van de Belgische Mededingingsautoriteit bevoegd om inbreuken op dit boek op te sporen en om deze inbreuken vast te stellen bij processen-verbaal waarvan die feitelijke vaststellingen gelden als bewijs tot het tegendeel is bewezen.
  Zij zijn eveneens bevoegd om alle nuttige inlichtingen op te sporen en om alle noodzakelijke vaststellingen te doen met het oog op de toepassing van de artikelen IV.6, IV.7, IV.9, IV.10 en IV.11.
  Zij verzamelen alle inlichtingen, nemen alle geschreven of mondelinge verklaringen of getuigenissen af, doen zich, met naleving van paragraaf 1, alle documenten, gegevens of inlichtingen, wie ook de houder ervan is, mededelen, die zij nodig achten ter vervulling van hun opdracht en waarvan zij kopie mogen nemen, en doen ter plaatse de nodige vaststellingen.
  § 3. De auditeur en de door de minister gemachtigde personeelsleden van de Belgische Mededingingsautoriteit mogen tussen 8 en 18 uur, met voorafgaande machtiging van een onderzoeksrechter in de Nederlandstalige rechtbank van eerste aanleg te Brussel of een onderzoeksrechter in de Franstalige rechtbank van eerste aanleg te Brussel, die voor de toepassing van deze paragraaf ook bevoegd is buiten zijn arrondissement, een huiszoeking verrichten in de lokalen, vervoermiddelen en andere plaatsen van de ondernemingen, in de woning van de ondernemingshoofden, bestuurders, zaakvoerders, directeurs en andere personeelsleden alsook in de woning en in de lokalen die gebruikt worden voor professionele doeleinden van natuurlijke personen en rechtspersonen, intern of extern, belast met het commercieel, boekhoudkundig, administratief, fiscaal en financieel beheer, waar zij redelijkerwijze vermoeden documenten of gegevens te kunnen vinden, die zij voor het vervullen van hun opdracht nodig achten en waarvan zij kopie mogen nemen.
  Zij kunnen bij het verrichten van een huiszoeking ter plaatse beslag leggen en verzegelen voor de duur van, en voor zover nodig voor, hun opdracht maar niet langer dan 72 uur in andere lokalen dan deze van de ondernemingen of ondernemingsverenigingen.
  De bij toepassing van het eerste en tweede lid genomen maatregelen worden vastgesteld in een proces-verbaal. Een kopie van dit proces-verbaal wordt bezorgd aan de onderneming of persoon ten aanzien van wie deze maatregelen zijn getroffen.
  Bij het verrichten van een huiszoeking kunnen zij een beroep doen op de openbare macht.
  Om over te gaan tot een huiszoeking, een beslaglegging of een verzegeling, moeten de in het eerste lid bedoelde personeelsleden houder zijn van een bijzonder opdrachtbevel afgegeven door de auditeur, of, in het geval bedoeld in artikel IV.26, § 3, 6°, de auditeur-generaal. Dit bevel vermeldt het voorwerp en het doel van hun opdracht.
  § 4. Ongeacht de bijzondere wetten, die de geheimhouding van de mededelingen waarborgen, zijn de openbare besturen de auditeurs bij de uitvoering van hun opdracht behulpzaam.
  § 5. De auditeur-generaal kan deskundigen, van wie hij de opdracht bepaalt, aanstellen om bijstand te verlenen aan de auditeur en het onderzoeksteam.
  § 6. De auditeur kan bij gemotiveerde beslissing de documenten en gegevens die geen verband houden met het voorwerp van de zaak teruggeven aan de persoon van wie of bij wie zij waren verkregen of gekopieerd en deze documenten en gegevens verwijderen uit het onderzoeksdossier.
  De beslissing wordt opgenomen in het onderzoeksdossier. Zij is niet vatbaar voor afzonderlijk beroep.
  Art. IV.41. § 1. De auditeur beoordeelt de vertrouwelijkheid van de documenten en gegevens afzonderlijk ten aanzien van elke persoon die kennis krijgt van de mededeling van grieven en van het voorstel van beslissing.
  § 2. Ingeval de auditeur van oordeel is dat ten aanzien van een betrokken partij, documenten of gegevens, of onderdelen daarvan, die door degene die hen heeft verstrekt of bij wie zij werden verkregen als vertrouwelijk zijn aangemerkt, niet als vertrouwelijk kunnen worden beschouwd, brengt hij deze persoon hiervan op de hoogte en nodigt hij hem uit om hierover een gemotiveerd standpunt mee te delen binnen de door de auditeur bepaalde termijn.
  Ingeval de persoon van of bij wie het document of het gegeven is verkregen de vertrouwelijkheid gestand houdt en motiveert, bezorgt hij tezelfdertijd een niet-vertrouwelijke samenvatting of versie van het betreffende document voor zover zich dit nog niet in het dossier bevindt. Ingeval geen niet-vertrouwelijke samenvatting of versie wordt verstrekt, worden de betrokken documenten en gegevens als niet-vertrouwelijk beschouwd.
  De auditeur spreekt zich vervolgens uit bij gemotiveerde beslissing.
  § 3. Ingeval de auditeur de vertrouwelijkheid ten aanzien van een betrokken partij aanvaardt, heeft die partij enkel toegang tot de niet-vertrouwelijke versie of samenvatting, behoudens toepassing van het derde lid.
  Ingeval de auditeur de vertrouwelijkheid van een document of gegeven of de niet-vertrouwelijke versie of samenvatting niet aanvaardt, deelt hij dit, met vermelding van zijn redenen, mee aan de persoon van of bij wie het document of het gegeven is verkregen.
  De auditeur kan beslissen dat het belang van een effectieve toepassing van dit boek zwaarder weegt dan de bescherming van het vertrouwelijk karakter van de verstrekte documenten of gegevens zodat de vertrouwelijkheid wordt opgeheven ten aanzien van de betrokken partijen die hij aanwijst.
  De auditeur deelt zijn gemotiveerde beslissing mee aan de persoon van of bij wie het document of gegeven is verkregen.
  § 4. De auditeur kan, in het belang van het onderzoek, beslissen dat bepaalde documenten en gegevens die hij aanwijst, als vertrouwelijk moeten worden behandeld. Hij deelt dit mee aan de persoon van of bij wie het document of het gegeven is verkregen en gelast deze persoon om een niet-vertrouwelijke versie of samenvatting te verstrekken.
  § 5. Tegen de beslissing van de auditeur over de vertrouwelijkheid van de documenten en de gegevens kan door de persoon van of bij wie het document of het gegeven is verkregen beroep worden ingediend bij de voorzitter binnen drie werkdagen na ontvangst van de kennisgeving van de beslissing. De voorzitter wijst, zonder kennis te nemen van de gronden van het beroep, een assessor aan die oordeelt over de vertrouwelijkheid en geen zitting mag hebben in het Mededingingscollege dat gevat wordt door de zaak.
  De aangewezen assessor hoort, op hun verzoek, de persoon van of bij wie het document of het gegeven is verkregen evenals de auditeur binnen vijf werkdagen na ontvangst van het beroep, en spreekt zich bij gemotiveerde beslissing binnen vijf werkdagen na de hoorzitting uit over het beroep. De termijnen van vijf werkdagen worden verminderd tot twee werkdagen indien het een onderzoek inzake een concentratie betreft.
  De beslissing van de aangewezen assessor wordt opgenomen in het onderzoeksdossier, na verwijdering van de vertrouwelijke gegevens.
  De beslissing van de aangewezen assessor is niet vatbaar voor afzonderlijk beroep.
  De auditeur deelt geen vertrouwelijke documenten en gegevens, die het voorwerp zijn van het in het eerste lid bedoelde beroep, mee zolang er geen uitspraak is over het beroep.
  Art. IV.42. § 1. De auditeur stelt, na de regeling van de vertrouwelijkheid, het onderzoeksdossier samen.
  Het onderzoeksdossier bevat alle documenten en gegevens die zijn ontvangen, verkregen, gekopieerd, overgelegd of verzameld tijdens het onderzoek alsmede alle documenten die zijn opgesteld door of op verzoek van de Belgische Mededingingsautoriteit, met uitzondering van de documenten en gegevens die werden verwijderd bij toepassing van artikel IV.40, § 6. Het onderzoeksdossier bevat niet de interne documenten van de Belgische Mededingingsautoriteit noch de correspondentie tussen de Belgische Mededingingsautoriteit en andere mededingingsautoriteiten, behoudens andersluidende beslissing van de auditeur.
  De auditeur stelt de inventaris op van het onderzoeksdossier met opgave van de vertrouwelijkheidsregeling van elk document. De inventaris maakt deel uit van het onderzoeksdossier.
  § 2. De auditeur stelt ook het proceduredossier samen.
  Het proceduredossier bevat de documenten en gegevens uit het onderzoeksdossier waarop de auditeur steunt in zijn voorstel van beslissing.
  De auditeur stelt de inventaris op van het proceduredossier met opgave van de vertrouwelijkheidsregeling van elk document. De inventaris maakt deel uit van het proceduredossier.
  § 3. Het secretariaat vult het proceduredossier, alsmede de inventaris ervan, aan met alle documenten van de procedure voor het Mededingingscollege, onder meer:
  1° alle documenten die worden ingediend bij het Mededingingscollege;
  2° de door het Mededingingscollege, de voorzitter van het Mededingingscollege of een assessor gevoerde briefwisseling met de auditeur-generaal, de auditeur, de betrokken partijen, de klager, de belanghebbende derden of derden die door het Mededingingscollege worden gehoord of uitgenodigd documenten en geschriften in te dienen;
  3° de door het Mededingingscollege, de voorzitter van het Mededingingscollege of een assessor in de zaak genomen beslissingen en eventuele aanvullingen, wijzigingen en uitvoeringsakten daarvan.
  Het secretariaat geeft de betrokken partijen toegang tot het proceduredossier en de geactualiseerde inventaris ervan, met inachtneming van de vertrouwelijkheidsclassificatie van de betrokken documenten en gegevens.
  Onderafdeling 2. - Bijzondere onderzoeksregels inzake restrictieve mededingingspraktijken en niet-naleving van beslissingen
  Art. IV.43. De klachten alsmede de verzoeken en injuncties tot het openen van een onderzoek betreffende de restrictieve mededingingspraktijken en het niet-naleven van beslissingen genomen krachtens de artikelen IV.10, § 6, IV.44, § 1, 2°, IV.45, eerste lid, 2°, IV.46, § 2, 1°, IV.52, IV.66, IV.69, IV.71 of IV.73 worden ingediend bij de auditeur-generaal.
  Art. IV.44. § 1. De auditeur kan, na advies van de auditeur-adviseur, een klacht, verzoek of injunctie bij gemotiveerde beslissing seponeren:
  1° ingeval hij tot het besluit komt dat de klacht, het verzoek of de injunctie, betreffende de restrictieve mededingingspraktijk of de niet-naleving van een beslissing die er het voorwerp van is niet ontvankelijk, ongegrond of verjaard is;
  2° ingeval hij tot het besluit komt dat de door de betrokken partij aangeboden toezeggingen, die hij verbindend verklaart, tegemoetkomen aan zijn bezorgdheden, onverminderd de mogelijkheid voor de auditeur-generaal om het onderzoek opnieuw op te starten ten aanzien van die betrokken partij op grond van nieuwe elementen of ontwikkelingen;
  3° ingeval de zaak geen onderzoek rechtvaardigt gelet op het prioriteitenbeleid of de beschikbare middelen.
  Een sepotbeslissing laat de bevoegdheid van de rechterlijke instanties om het bestaan van restrictieve mededingingspraktijken voor het verleden vast te stellen onverlet. De toezeggingen houden geen nadelige erkenning in door de betrokken partij.
  De auditeur geeft kennis van de sepotbeslissing aan de indiener van de klacht, het verzoek of de injunctie, alsmede aan de betrokken partijen. Hij vermeldt dat zij de documenten en gegevens uit het onderzoeksdossier waarop de auditeur steunt in zijn sepotbeslissing op het secretariaat kunnen raadplegen, tegen betaling een elektronische kopie ervan kunnen ontvangen en tegen de sepotbeslissing beroep kunnen instellen bij de voorzitter.
  § 2. Het beroep tegen sepotbeslissingen wordt, op straffe van niet ontvankelijkheid, ingesteld door middel van een gemotiveerd en ondertekend verzoekschrift dat wordt ingediend bij het secretariaat binnen een termijn van één maand na de kennisgeving van de beslissing. Het verzoekschrift beantwoordt, op straffe van nietigheid, aan de vereisten van artikel IV.90, § 5, tweede en derde lid.
  § 3. De voorzitter stelt het Mededingingscollege samen dat het beroep zal behandelen.
  De voorzitter van het Mededingingscollege stelt de termijnen vast waarbinnen de betrokken partijen, de klager, de verzoeker of injunctiegever schriftelijke opmerkingen kunnen neerleggen. Hij spreekt zich in voorkomend geval uit over de vertrouwelijkheid van de documenten en gegevens.
  In geval van een sepotbeslissing op grond van het prioriteitenbeleid of de beschikbare middelen kan de voorzitter van het Mededingingscollege, op vraag van de appellerende partij, en mits daartoe ernstige redenen worden aangevoerd, beslissen dat de auditeur zijn motivering dient te verduidelijken alvorens het Mededingingscollege uitspraak doet over het beroep.
  Het Mededingingscollege doet uitspraak op stukken, tenzij de voorzitter van het Mededingingscollege beslist de partijen te horen. Ingeval het Mededingingscollege het beroep gegrond acht, wordt het dossier teruggezonden aan de auditeur.
  De beslissing van het Mededingingscollege is niet vatbaar voor beroep.
  Art. IV.45. De auditeur kan, na advies van de auditeur-adviseur, beslissen dat een ambtshalve onderzoek geheel of gedeeltelijk wordt stopgezet ten aanzien van bepaalde of alle betrokken partijen:
  1° ingeval hij tot het besluit komt dat de resultaten van het ambtshalve gevoerd onderzoek niet volstaan om op afdoende wijze het bestaan van een vermeende restrictieve mededingingspraktijk of niet-naleving van een beslissing vast te stellen;
  2° ingeval hij tot het besluit komt dat de door een betrokken partij aangeboden toezeggingen, die hij bindend verklaart, tegemoetkomen aan zijn bezorgdheden.
  De auditeur-generaal kan het onderzoek opnieuw opstarten ten aanzien van een betrokken partij op grond van nieuwe elementen of ontwikkelingen.
  De beslissing tot stopzetten van het ambtshalve onderzoek laat de bevoegdheid van de rechterlijke instanties om het bestaan van restrictieve mededingingspraktijken voor het verleden vast te stellen onverlet. De toezeggingen houden geen nadelige erkenning in door de betrokken partij.
  De beslissing tot stopzetting van het ambtshalve onderzoek is niet vatbaar voor beroep.
  Art. IV.46. § 1. Ingeval de auditeur de klacht, het verzoek, de injunctie, of het ambtshalve onderzoek, gegrond acht, deelt hij, na advies van de auditeur-adviseur, de betrokken partijen mee welke gemotiveerde grieven hij jegens hen aanhoudt en geeft hij hun toegang tot alle niet-vertrouwelijke versies van de documenten en gegevens in het onderzoeksdossier zoals het is samengesteld op het ogenblik van de mededeling van de grieven. Hij geeft hun een termijn van ten minste twee maanden om op de grieven te antwoorden en hun stukken in te dienen bij het secretariaat. De auditeur kan deze termijn verlengen op gemotiveerd verzoek van een betrokken partij.
  Ingeval een betrokken partij, binnen twee werkdagen na de mededeling van de grieven, om een elektronische kopie verzoekt van het onderzoeksdossier begint de in het eerste lid bedoelde termijn te lopen vanaf de dag waarop de kopie ter beschikking is gesteld door het secretariaat.
  De grieven jegens een betrokken partij kunnen niet steunen op documenten en gegevens die ten aanzien van haar vertrouwelijk zijn.
  Een betrokken partij kan binnen de in het eerste lid bedoelde antwoordtermijn toezeggingen aanbieden.
  § 2. De auditeur kan binnen een termijn van twee maanden vanaf het verstrijken van de in paragraaf 1, eerste lid, bedoelde antwoordtermijn, na advies van de auditeur-adviseur beslissen het onderzoek geheel of gedeeltelijk stop te zetten ten aanzien van een betrokken partij:
  1° ingeval hij tot het besluit komt dat de door de betrokken partij aangeboden toezeggingen, die hij bindend verklaart, tegemoetkomen aan de grieven;
  2° ingeval hij na kennisname van het verweer, tot het besluit komt dat de grieven ten aanzien van een betrokken partij niet langer stand houden.
  De auditeur geeft kennis van de stopzettingsbeslissing aan de indiener van de klacht, het verzoek of de injunctie, alsmede aan de betrokken partijen. Hij vermeldt dat zij de documenten en gegevens uit het onderzoeksdossier waarop de auditeur steunt in zijn stopzettingsbeslissing op het secretariaat kunnen raadplegen, tegen betaling een elektronische kopie ervan kunnen ontvangen en tegen de stopzettingsbeslissing beroep kunnen instellen bij de voorzitter.
  Het beroep tegen stopzettingsbeslissingen wordt, op straffe van niet ontvankelijkheid, ingesteld door middel van een gemotiveerd en ondertekend verzoekschrift dat wordt ingediend bij het secretariaat binnen een termijn van één maand na de kennisgeving van de beslissing. Het verzoekschrift beantwoordt, op straffe van nietigheid, aan de vereisten van artikel IV.90, § 5, tweede en derde lid.
  De voorzitter stelt het Mededingingscollege samen dat het beroep zal behandelen.
  De voorzitter van het Mededingingscollege stelt de termijnen vast waarbinnen de betrokken partijen, de klager, de verzoeker of injunctiegever schriftelijke opmerkingen kunnen neerleggen. Hij spreekt zich in voorkomend geval uit over de vertrouwelijkheid van de documenten en gegevens.
  Het Mededingingscollege doet uitspraak op stukken, tenzij de voorzitter van het Mededingingscollege beslist de partijen te horen. Ingeval het Mededingingscollege het beroep gegrond acht, wordt het dossier teruggezonden aan de auditeur.
  De beslissing van het Mededingingscollege is niet vatbaar voor beroep.
  De beslissing tot stopzetten van het onderzoek laat de bevoegdheid van de rechterlijke instanties om het bestaan van restrictieve mededingingspraktijken voor het verleden vast te stellen onverlet. De toezeggingen houden geen nadelige erkenning in door de betrokken partij.
  De auditeur-generaal kan het onderzoek ambtshalve opnieuw opstarten ten aanzien van een betrokken partij op grond van nieuwe elementen of ontwikkelingen.
  § 3. De auditeur kan binnen een termijn van twee maanden vanaf het verstrijken van de in paragraaf 1, eerste lid, bedoelde antwoordtermijn, beslissen nieuwe grieven te brengen of de eerder gebrachte grieven te herkwalificeren. In dat geval wordt opnieuw toepassing gemaakt van paragraaf 1 en, in voorkomend geval, paragraaf 2.
  § 4. Binnen een termijn van twee maanden vanaf het verstrijken van de in paragraaf 1, eerste lid, bedoelde antwoordtermijn legt de auditeur na advies van de auditeur-adviseur, op straffe van verval, een gemotiveerd voorstel van beslissing neer bij de voorzitter, behoudens toepassing van paragrafen 2 of 3. Het voorstel van beslissing heeft enkel betrekking op grieven die het voorwerp waren van de mededeling van grieven.
  Het voorstel van beslissing is vergezeld van het proceduredossier.
  De termijn bedoeld in het eerste lid wordt geschorst ingeval binnen die termijn een schikkingsprocedure wordt ingezet of toezeggingen worden aangeboden, tot op de dag van de beslissing van de auditeur-generaal dat de schikkingsprocedure of de gesprekken met betrekking tot toezeggingen worden stopgezet.
  Art. IV.47. Het directiecomité kan op verzoek van de voorzitter, van de minister of van de minister die de betrokken sector onder zijn bevoegdheid heeft, beslissen dat de voorzitter een algemeen of sectoraal onderzoek voert ingeval er aanwijzingen zijn van marktverstoringen. In voorkomend geval kan de voorzitter de auditeur-generaal vragen dat het auditoraat zijn medewerking verleent aan een algemeen of sectoraal onderzoek. De bepalingen van artikel IV.40, §§ 1 en 2, en van artikel IV.41 zijn van overeenkomstige toepassing op het onderzoek.
  Onderafdeling 3. - Beslissing inzake restrictieve mededingings-praktijken en niet-naleving van beslissingen
  Art. IV.48. Na ontvangst van het voorstel van beslissing stelt de voorzitter zonder verwijl het Mededingingscollege samen dat de zaak zal behandelen. Hij bezorgt het Mededingingscollege het voorstel van beslissing alsmede, na het verstrijken van de in artikel IV.49, § 5, eerste lid, bedoelde termijn en in voorkomend geval rekening houdend met de beslissing bedoeld in artikel IV.49, § 5, tweede lid, het proceduredossier.
  Art. IV.49. § 1. Op dezelfde dag als het indienen van het voorstel van beslissing brengt de auditeur de betrokken partijen hiervan op de hoogte en stuurt hun een kopie van het voorstel van beslissing. Hij brengt hen ter kennis dat zij op het secretariaat inzage kunnen nemen van het onderzoeksdossier en het proceduredossier en tegen betaling een elektronische kopie ervan kunnen krijgen.
  Het secretariaat brengt de klager, de verzoeker of de minister op de hoogte van het indienen van het voorstel van beslissing.
  § 2. Zo de voorzitter van het Mededingingscollege dit nodig acht, krijgen de klager en de derden die het Mededingingscollege zal horen een niet-vertrouwelijke versie van het voorstel van beslissing of van een uittreksel daarvan.
  De auditeur nodigt de betrokken partijen uit om de in het voorstel van beslissing opgenomen vertrouwelijke passages aan te stippen met het oog op het toezenden van een niet-vertrouwelijke versie van het voorstel of een uittreksel daarvan aan de klager en de derden die het Mededingingscollege zal horen. De auditeur stelt vervolgens de niet-vertrouwelijke versie vast. Zijn beslissing is niet vatbaar voor afzonderlijk beroep.
  De klager en de derden die het Mededingingscollege zal horen, hebben geen toegang tot het onderzoeksdossier en het proceduredossier, tenzij de voorzitter van het Mededingingscollege hiertoe betreffende het proceduredossier een andersluidende beslissing neemt voor de stukken van het proceduredossier die hij aanduidt, onverminderd de artikelen XVII.77, XVII.78 en XVII.79.
  § 3. De betrokken partijen beschikken over een termijn van één maand vanaf de dag waarop zij toegang hebben gekregen tot het onderzoeksdossier en het proceduredossier om hun schriftelijke opmerkingen en de stukken die zij aan het proceduredossier wensen toe te voegen in te dienen op het secretariaat, met mededeling aan de auditeur op dezelfde dag.
  Ingeval een betrokken partij, binnen twee werkdagen na de mededeling van het voorstel van beslissing, om een elektronische kopie verzoekt van het onderzoeksdossier en het proceduredossier, begint de in het eerste lid bedoelde termijn te lopen vanaf de dag waarop de kopie ter beschikking is gesteld door het secretariaat.
  De voorzitter van het Mededingingscollege verlengt de in het eerste lid bedoelde termijn op gemotiveerde vraag van een betrokken partij of de auditeur ingeval hij dit nodig acht en voor een termijn die niet langer is dan de gevraagde termijn.
  Ingeval een betrokken partij een stuk indient dat zij niet had neergelegd tijdens het onderzoek, stelt de voorzitter van het Mededingingscollege een termijn vast waarbinnen de auditeur schriftelijke opmerkingen kan indienen betreffende dat stuk alsmede een termijn waarbinnen de betrokken partij kan antwoorden op deze schriftelijke opmerkingen. De auditeur kan toepassing maken van artikel IV.40, § 1, bij de voorbereiding van zijn schriftelijke opmerkingen.
  § 4. De voorzitter van het Mededingingscollege beslist over de toegang die een betrokken partij vraagt tot de schriftelijke opmerkingen en de bijkomende stukken die werden ingediend door een andere betrokken partij. Hij bepaalt de termijn waarbinnen de andere betrokken partij een schriftelijke repliek kan indienen op dit verzoek. Hij spreekt zich in zijn gemotiveerde beslissing uit over de vertrouwelijkheid van gegevens in de schriftelijke opmerkingen en van de stukken van de andere betrokken partij. Zijn beslissing is niet vatbaar voor afzonderlijk beroep.
  § 5. Ingeval de auditeur de vertrouwelijkheid van een document of gegeven ten aanzien van een betrokken partij heeft aanvaard, kan die partij, indien zij zich geschaad acht in haar recht van verdediging, tegen de beslissing betreffende de vertrouwelijkheid van de auditeur beroep instellen bij de voorzitter van het Mededingingscollege. Het beroep wordt gebracht binnen vijf werkdagen nadat de betrokken partij toegang heeft gekregen tot het onderzoeksdossier en het proceduredossier, in voorkomend geval de elektronische kopie daarvan.
  De voorzitter van het Mededingingscollege wijst, zonder kennis te nemen van het betrokken document of gegeven noch van de gronden van het beroep, een assessor aan die geen deel uitmaakt van het Mededingingscollege. De aangewezen assessor hoort de verzoeker, de auditeur en de persoon van of bij wie het document of het gegeven is verkregen. Hij spreekt zich uit bij gemotiveerde beslissing binnen tien werkdagen na het indienen van het beroep. De assessor vernietigt de beslissing van de auditeur geheel of gedeeltelijk ingeval de kennisneming door het Mededingingscollege of bepaalde betrokken partijen de rechten van verdediging van de andere betrokken partij, die het beroep heeft gebracht, in het gedrang zou brengen. In dat geval wordt het betrokken document of gegeven verwijderd uit het onderzoeksdossier en het proceduredossier en vervangen door de niet-vertrouwelijke versie of samenvatting ervan, tenzij de persoon van of bij wie het document of het gegeven is verkregen afstand doet van de vertrouwelijkheid.
  De beslissing van de assessor is niet vatbaar voor afzonderlijk beroep.
  § 6. De voorzitter van het Mededingingscollege kan een termijn, binnen de in paragraaf 3 bedoelde termijn, bepalen waarbinnen de klager of derden die het Mededingingscollege zal horen, schriftelijke opmerkingen en stukken kunnen indienen. De voorzitter van het Mededingingscollege bepaalt tevens een termijn waarbinnen de auditeur en de betrokken partijen een schriftelijke repliek kunnen indienen.
  Ingeval de klager en derden die het Mededingingscollege zal horen vertrouwelijke documenten en gegevens aan het Mededingingscollege wensen mee te delen, wijst de voorzitter van het Mededingingscollege een assessor aan die geen deel uitmaakt van het Mededingingscollege en die zich uitspreekt over de vertrouwelijkheid bij overeenkomstige toepassing van de procedure bedoeld in artikel IV.41, §§ 1 tot 4. Ingeval de kennisneming door het Mededingingscollege of een betrokken partij de rechten van verdediging van een andere betrokken partij in het gedrang zou brengen, beslist de assessor dat het betrokken document of gegeven niet wordt opgenomen in het proceduredossier en wordt vervangen door de niet-vertrouwelijke versie of samenvatting. De beslissing van de assessor is niet vatbaar voor afzonderlijk beroep.
  § 7. De betrokken partijen, de klager, de derden die het Mededingingscollege zal horen alsmede de auditeur doen mekaar rechtstreeks mededeling per e-mail van hun schriftelijke opmerkingen en stukken, op dezelfde dag als de indiening ervan op het secretariaat.
  Art. IV.50. § 1. Na ontvangst van de schriftelijke opmerkingen en stukken of het verstrijken van de termijn waarin schriftelijke opmerkingen en stukken kunnen worden neergelegd, verklaart de voorzitter van het Mededingingscollege de schriftelijke procedure gesloten en organiseert hij zonder verwijl een zitting van het Mededingingscollege. Deze zitting vindt plaats ten minste twee weken en ten hoogste twee maanden na het sluiten van de schriftelijke procedure.
  § 2. Het Mededingingscollege behandelt elke zaak ter zitting. Het hoort de auditeur-generaal en/of de auditeur, de betrokken partijen, alsook de klager en belanghebbende derden ingeval deze erom vragen.
  Ingeval het Mededingingscollege het nodig acht, hoort het elke natuurlijke persoon of rechtspersoon die het oproept.
  Het hoort tevens de derden die een voldoende belang doen blijken en vragen om gehoord te worden. Voor de economische sectoren die onder de controle of het toezicht van een geëigende openbare instelling of ander overheidslichaam zijn geplaatst, worden deze instellingen of overheidslichamen geacht een voldoende belang te hebben. De minister wordt geacht een voldoende belang te hebben.
  De directeur juridische zaken en de directeur economische zaken worden op hun verzoek gehoord.
  Het niet verschijnen van de opgeroepen partijen of personen, of van hun mandataris, doet geen afbreuk aan de geldigheid van de procedure.
  § 3. De voorzitter van het Mededingingscollege kan beslissen meer dan één zitting te organiseren binnen de maximumtermijn bedoeld in paragraaf 1. Ingeval een bijkomende zitting alsnog overbodig blijkt, kan het Mededingingscollege in zijn beslissing het sluiten van de debatten vaststellen.
  § 4. Een betrokken partij kan toezeggingen aanbieden om tegemoet te komen aan de bezorgdheden van het Mededingingscollege, uiterlijk de derde werkdag na de eerste zitting. Het Mededingingscollege kan de auditeur vragen schriftelijke opmerkingen in te dienen betreffende de aangeboden toezeggingen. In dat geval kan de betrokken partij schriftelijk antwoorden op deze schriftelijke opmerkingen.
  De auditeur kan toepassing maken van artikel IV.40, § 1, bij de voorbereiding van zijn schriftelijke opmerkingen.
  Het Mededingingscollege bepaalt de termijnen voor het indienen van de schriftelijke opmerkingen en van het antwoord.
  Het Mededingingscollege kan beslissen de betrokken partij en de auditeur te horen.
  Ingeval van toepassing van het eerste lid kan de voorzitter van het Mededingingscollege de maximumtermijn van twee maanden bedoeld in paragraaf 1 verlengen met ten hoogste één maand.
  Art. IV.51. Het Mededingingscollege neemt zijn beslissing binnen een termijn van één maand na het sluiten van de debatten.
  Ingeval de voorgenomen beslissing de raadpleging vereist van de Europese Commissie wordt de in het eerste lid bedoelde termijn geschorst, vanaf het versturen van het ontwerp van beslissing tot op de dag waarop de Belgische Mededingingsautoriteit de opmerkingen van de Europese Commissie ontvangt.
  Art. IV.52. § 1. Het Mededingingscollege kan bij een gemotiveerde beslissing:
  1° verklaren dat, op grond van de gegevens die het Mededingingscollege bekend zijn, er voor het Mededingingscollege geen reden bestaat om op te treden;
  2° vaststellen dat er een restrictieve mededingingspraktijk en in voorkomend geval een inbreuk op artikel IV.1, § 4, bestaat, bevelen dat deze beëindigd wordt, desgevallend volgens de door het Mededingingscollege voorgeschreven modaliteiten, en in voorkomend geval een boete opleggen;
  3° vaststellen dat er geen restrictieve mededingingspraktijk bestaat, voor zover er geen enkele beïnvloeding van de handel tussen de lidstaten van de Europese Unie bestaat;
  4° vaststellen dat de overeenkomst tussen ondernemingen, het besluit van de ondernemingsvereniging of de onderling afgestemde feitelijke gedraging, waarop het onderzoek betrekking had, het voorwerp uitmaakt van een verordening van de Raad van de Europese Unie of een verordening van de Europese Commissie waarbij artikel 101, § 1, VWEU buiten toepassing is verklaard of van een koninklijk besluit in de zin van artikel IV.5 en beslissen tot seponering;
  5° vaststellen dat de werking van artikel IV.3, tweede lid, of de werking van een koninklijk besluit in de zin van de artikelen IV.4 en IV.5 in een individueel geval vervalt, ingeval de betrokken restrictieve mededingingspraktijk met artikel IV.1, § 3, onverenigbare gevolgen heeft;
  6° vaststellen dat de werking van een verordening in de zin van artikel IV.3, eerste lid, in een individueel geval vervalt, ingeval de betrokken restrictieve mededingingspraktijk met artikel 101, § 3, VWEU onverenigbare gevolgen heeft op het nationale grondgebied of een gedeelte daarvan, welk gebied alle kenmerken vertoont van een afzonderlijke geografische markt;
  7° de aangeboden toezeggingen verbindend verklaren en vaststellen dat er niet langer gronden bestaan voor een optreden van de Belgische Mededingingsautoriteit; deze beslissing laat de bevoegdheid van de rechterlijke instanties, om het bestaan van restrictieve mededingingspraktijken voor het verleden vast te stellen, onverlet; de toezeggingen houden geen nadelige erkenning in door de betrokken partij;
  8° vaststellen dat een beslissing genomen krachtens de artikelen IV.10, § 6, IV.44, § 1, 2°, IV.45, eerste lid, 2°, IV.46, § 2,1°, IV.52, IV.66, IV.69, IV.71 of IV.73 al of niet werd nageleefd en in voorkomend geval bevelen dat de betrokken beslissing, eventueel zoals gewijzigd door het Mededingingscollege, moet worden nageleefd volgens de door het Mededingingscollege voorgeschreven modaliteiten en een boete opleggen. In geval van het niet-naleven van een krachtens artikel IV.69, § 1, opgelegde voorwaarde, waarvan in de betrokken beslissing was gesteld dat bij ontbreken van die voorwaarde de concentratie niet toelaatbaar zou zijn, kan het Mededingingscollege met het oog op het herstellen van een daadwerkelijke mededinging tevens de splitsing van de gegroepeerde ondernemingen of activa, het stopzetten van de gemeenschappelijke controle of elke andere geëigende maatregel opleggen.
  § 2. De beslissing van het Mededingingscollege over de grond van de zaak kan ten aanzien van een betrokken partij niet steunen op documenten en gegevens die als vertrouwelijk werden erkend ten aanzien van die partij.
  Art. IV.53. De auditeur-generaal kan de procedure van onderzoek en beslissing heropenen op verzoek of op eigen initiatief:
  1° ingeval er een wezenlijke verandering optreedt in een van de feiten waarop de beslissing steunt;
  2° ingeval de betrokken partijen in strijd met de door hen gedane toezeggingen handelen; of
  3° ingeval de beslissing berust op onvolledige, onjuiste of verdraaide inlichtingen, die door de betrokken partijen werden verstrekt.
  Art. IV.54. § 1. Er kan een volledige of gedeeltelijke vrijstelling van de geldboeten waarin dit boek voorziet, worden toegekend aan een onderneming of een ondernemingsvereniging die samen met anderen bij een door artikel IV.1, al dan niet met gelijktijdige toepassing van artikel 101 VWEU, verboden praktijk betrokken was, ingeval zij ertoe heeft bijgedragen het bestaan van deze verboden praktijk te bewijzen en de deelnemers eraan te identificeren, onder andere door inlichtingen te verstrekken waarover de Belgische Mededingingsautoriteit voorheen niet beschikte of door het bewijs te leveren van een verboden praktijk waarvan het bestaan nog niet vaststond.
  De onderneming of ondernemingsvereniging dient haar clementieverzoek in bij de auditeur-generaal.
  De auditeur-generaal kan een clementieverzoek naast zich neerleggen wanneer het is ingediend na de mededeling van grieven aan de clementieverzoeker.
  De auditeur-generaal dient een voorstel van beslissing in bij de voorzitter. Hij geeft de clementieverzoeker inzage in het voorstel zodat deze zijn eventuele schriftelijke opmerkingen kan indienen bij de voorzitter.
  De voorzitter neemt een gemotiveerde beslissing na de clementieverzoeker op verzoek te hebben gehoord. Ingeval de voorzitter vaststelt dat het clementieverzoek voldoet aan de in het eerste lid bedoelde voorwaarden voor het toekennen van clementie neemt hij een clementiebeslissing, waarin hij de verplichtingen verbonden aan de clementie bepaalt.
  Het secretariaat deelt de beslissing mee aan de clementieverzoeker. De beslissing wordt niet bekendgemaakt.
  Indien de voorzitter beslist dat niet is voldaan aan de in het eerste lid bedoelde voorwaarden voor de toekenning van clementie, kan de onderneming of ondernemingsvereniging haar clementieverzoek en de bijhorende stukken intrekken.
  Op het ogenblik van de beslissing in de zaak, kent het Mededingingscollege, ingeval de verplichtingen gesteld in de clementiebeslissing werden nageleefd, een vrijstelling van geldboeten toe in verhouding tot de bijdrage die geleverd werd om de inbreuk te bewijzen.
  § 2. Een natuurlijke persoon bedoeld in artikel IV.1, § 4, kan een verzoek tot immuniteit van vervolging indienen bij de auditeur-generaal met betrekking tot de inbreuken bedoeld in artikel IV.1, § 4.
  De auditeur-generaal kan een immuniteitsverzoek naast zich neerleggen wanneer het is ingediend na de mededeling van grieven aan de immuniteitsverzoeker.
  De auditeur-generaal dient een voorstel van beslissing in bij de voorzitter. Hij geeft de immuniteitsverzoeker inzage in het voorstel zodat deze zijn eventuele schriftelijke opmerkingen kan indienen bij de voorzitter.
  De voorzitter neemt een gemotiveerde beslissing na de immuniteitsverzoeker op zijn verzoek te hebben gehoord.
  De voorzitter kent de immuniteit van vervolging toe ingeval de natuurlijke persoon ertoe heeft bijgedragen het bestaan van een door artikel IV.1, § 1, verboden praktijk te bewijzen en de deelnemers ervan te identificeren, onder andere door inlichtingen te verstrekken waarover de Belgische Mededingingsautoriteit voorheen niet beschikte, door het bewijs te leveren van een door artikel IV.1, § 1, verboden praktijk waarvan het bestaan nog niet vaststond, of door zijn betrokkenheid bij een door artikel IV.1, § 4, verboden praktijk te erkennen.
  De voorzitter kent tevens immuniteit van vervolging toe aan de natuurlijke personen die meewerken aan een clementieverzoek van een onderneming of ondernemingsvereniging.
  De voorzitter bepaalt in zijn immuniteitsbeslissing de verplichtingen waaraan de beoogde immuniteit is onderworpen.
  Het secretariaat deelt de beslissing mee aan de verzoeker. De beslissing wordt niet bekendgemaakt.
  Ingeval de voorzitter beslist dat niet is voldaan aan de in het vijfde lid bedoelde voorwaarden voor de toekenning van immuniteit, kan de natuurlijke persoon zijn immuniteitsverzoek en de bijhorende stukken intrekken.
  Onder voorbehoud van de verjaringstermijnen kan het Mededingingscollege, op verzoek van de auditeur-generaal, alsnog een boete bij toepassing van artikel IV.79, § 2, opleggen, indien de betrokken persoon de verplichtingen die de voorzitter heeft gesteld in de immuniteitsbeslissing niet heeft nageleefd.
  § 3. De verzoeken tot clementie of immuniteit en de bijhorende stukken evenals de clementie- en immuniteitsbeslissingen van de voorzitter maken deel uit van het onderzoeks- en proceduredossier. De andere betrokken partijen krijgen inzage in de verzoeken en de bijhorende stukken alsmede in de beslissingen doch hebben geen recht op een kopie van de verzoeken en de bijhorende stukken, noch van de beslissingen; de klager en de belanghebbende derden hebben er geen toegang toe behoudens overeenkomstig de bepalingen van boek XVII, titel 3, hoofdstuk 3.
  § 4. Een verzoek tot immuniteit van vervolging door een natuurlijke persoon staat niet in de weg aan het toekennen van een volledige vrijstelling van geldboeten aan de onderneming bij toepassing van paragaaf 1.
  § 5. Het directiecomité kan bij richtsnoeren nadere regels vaststellen voor de toepassing van dit artikel, met inbegrip van de toekenningsvoorwaarden voor volledige en gedeeltelijke vrijstelling van geldboeten en de vorken van gedeeltelijke vrijstelling die het Mededingingscollege zal in acht nemen in verhouding tot de bijdrage die geleverd werd om de inbreuk te bewijzen.
  § 6. De beslissingen van de voorzitter tot toekennen of weigeren van clementie of immuniteit van vervolging zijn niet vatbaar voor afzonderlijk beroep.
  Onderafdeling 4. - Procedure inzake schikkingen
  Art. IV.55. Tijdens een onderzoek op grond van inbreuk op artikel IV.1 of artikel IV.2, al dan niet met gelijktijdige toepassing van artikel 101 of artikel 102 VWEU, kan de auditeur-generaal op elk ogenblik van de procedure, doch vooraleer het voorstel van beslissing wordt ingediend, ten aanzien van de betrokken partijen een termijn vaststellen waarbinnen zij schriftelijk kunnen aangeven dat zij bereid zijn schikkingsbesprekingen te voeren.
  De auditeur-generaal is niet verplicht rekening te houden met antwoorden die worden ontvangen na het verstrijken van de gestelde termijn.
  Art. IV.56. Ingeval één of meerdere betrokken partijen aangeven dat zij bereid zijn om schikkingsbesprekingen te voeren, kan de auditeur-generaal beslissen om een schikkingsprocedure te openen ten aanzien van hen.
  De auditeur deelt de betrokken partij of partijen mee welke grieven hij lastens hen meent te kunnen staven en hij geeft hen toegang tot alle niet-vertrouwelijke versies van de documenten en gegevens waarnaar hij verwijst of voornemens is te verwijzen in zijn grieven, alsmede tot de inventaris van het onderzoeksdossier.
  De auditeur kan een betrokken partij toegang geven tot de niet-vertrouwelijke versies van andere documenten en gegevens in het onderzoeksdossier die de betrokken partij aanwijst, op gemotiveerd verzoek van laatstgenoemde.
  Tevens geeft de auditeur kennis van de mogelijke geldboete die hij overweegt voor te stellen aan het Mededingingscollege.
  Art. IV.57. Ingeval de schikkingsbesprekingen uitzicht bieden op het nemen van een schikkingsbeslissing, stelt de auditeur een voorontwerp van schikkingsbeslissing op.
  De auditeur stelt, in geval van gelijktijdige toepassing van artikel 101 of artikel 102 VWEU, de Europese Commissie overeenkomstig artikel 11, § 4, van Verordening (EG) nr. 1/2003 in kennis van het voorontwerp.
  Art. IV.58. De auditeur deelt, in voorkomend geval na ontvangst van de opmerkingen van de Europese Commissie, zijn ontwerp van schikkingsbeslissing mee aan de betrokken partij of partijen. Hij stelt de termijn vast waarbinnen de betrokken partij of partijen vrijwillig een schikkingsverklaring kunnen indienen.
  De betrokken partij erkent in de schikkingsverklaring haar betrokkenheid bij de inbreuk zoals beschreven in het ontwerp van schikkingsbeslissing en haar aansprakelijkheid daarvoor. Zij aanvaardt tevens de voorgenomen boete die vermeld is in het ontwerp van schikkingsbeslissing.
  De auditeur is niet verplicht rekening te houden met schikkingsverklaringen die ontvangen worden na het verstrijken van de gestelde termijn.
  Art. IV.59. § 1. Ingeval de schikkingsverklaring van een betrokken partij beantwoordt aan de voorwaarden gesteld in artikel IV.58, kan de auditeur, na advies van de auditeur-adviseur, een schikkingsbeslissing nemen overeenkomstig het ontwerp van schikkingsbeslissing en de procedure sluiten ten aanzien van die partij.
  De schikkingsbeslissing stelt ten aanzien van de betrokken partij of partijen de inbreuk en de boete vast en neemt akte van hun schikkingsverklaringen. De beslissing geldt als een beslissing van het Mededingingscollege zoals bedoeld in artikel IV.52.
  De schikkingsbeslissing is niet vatbaar voor beroep.
  § 2. De auditeur stelt de betrokken partij in kennis van de schikkingsbeslissing en nodigt haar uit de vertrouwelijke passages aan te stippen. De beslissing van de auditeur tot vaststelling van de niet-vertrouwelijke versie van de schikkingsbeslissing is niet vatbaar voor beroep.
  De auditeur bezorgt een afschrift van de niet-vertrouwelijke versie aan het secretariaat met het oog op de bekendmaking ervan en voor mededeling ervan aan de eventuele klager.
  Art. IV.60. § 1. Bij het berekenen van de geldboete overeenkomstig de richtsnoeren van de Belgische Mededingingsautoriteit betreffende de berekening van de geldboete, past de auditeur een vermindering van 10 % toe. Hij kan ook rekening houden met een verbintenis van de betrokken partij om zich te kwijten van de betaling van een schadevergoeding. In het geval van natuurlijke personen bedoeld in artikel IV.1, § 4, past de auditeur een boetevermindering van 10 % toe ten opzichte van de boete bedoeld in artikel IV.79, § 2.
  § 2. Ingeval de schikkingsbeslissing betrekking heeft op een zaak waarin een clementiebeslissing werd genomen, wordt de vermindering van de boete met 10 % berekend na het in aanmerking nemen van de boetevrijstelling vermeld in de clementiebeslissing, voor zover de auditeur heeft vastgesteld dat is voldaan aan de voorwaarden gesteld in de clementiebeslissing voor een boetevrijstelling op grond van clementie. Ingeval de clementiebeslissing voorziet in een vork voor de boetevrijstelling, bepaalt de auditeur de op grond van clementie toe te kennen vrijstelling binnen deze vork.
  Ingeval de schikkingsbeslissing betrekking heeft op een zaak waarin een immuniteitsbeslissing werd genomen, bevestigt de auditeur in de schikkingsbeslissing de verleende immuniteit van vervolging, voor zover hij vaststelt dat is voldaan aan de voorwaarden gesteld in de immuniteitsbeslissing voor een dergelijke immuniteit.
  Art. IV.61. Alle documenten en gegevens, die door de auditeur-generaal, de auditeur en een betrokken partij in het kader van een schikkingsprocedure worden uitgewisseld, zijn vertrouwelijk onverminderd de toepassing van artikel XVII.79. Ingeval de procedure niet leidt tot een schikkingsbeslissing en de auditeur-generaal beslist het onderzoek verder te zetten, worden deze documenten en gegevens voor zover zij niet reeds bij de aanvang van de schikkingsprocedure tot het onderzoeksdossier behoorden, niet aan het onderzoeksdossier noch het proceduredossier toegevoegd.
  Een betrokken partij en de Belgische Mededingingsautoriteit maken het voeren van de schikkingsbesprekingen niet bekend, anders dan door middel van de schikkingsbeslissing, behoudens schriftelijk akkoord van de betrokken partij en de auditeur-generaal. Deze verplichting tot geheimhouding wordt niet geschonden wanneer de betrokken partij van de besprekingen kennis geeft aan een andere mededingingsautoriteit, aan zijn advocaat of aan een andere door het beroepsgeheim gebonden persoon of, na overleg met de auditeur-generaal, een bekendmaking moet doen in uitvoering van een wettelijke bepaling of een uitvoerbare beslissing van een gerechtelijke instantie.
  Art. IV.62. De auditeur-generaal kan de schikkingsprocedure te allen tijde stopzetten ten aanzien van een betrokken partij. Deze beslissing is niet vatbaar voor beroep.
  Onderafdeling 5. - Bijzondere onderzoeksregels inzake concentraties
  Art. IV.63. § 1. De auditeur stelt het onderzoek van de concentratie in van zodra hij de aanmelding heeft ontvangen of, ingeval de verstrekte inlichtingen onvolledig zijn, van zodra hij de volledige inlichtingen heeft ontvangen.
  Behoudens ingeval voldaan is aan de voorwaarden voor de toepassing van de vereenvoudigde procedure, zendt de auditeur een exemplaar van de aanmelding onverwijld over aan de voorzitter die het Mededingingscollege samenstelt dat de zaak zal behandelen.
  § 2. Ingeval de auditeur meent dat een daadwerkelijke mededinging op de Belgische markt of een wezenlijk deel daarvan op significante wijze wordt belemmerd, onder andere door het in het leven roepen of versterken van een machtspositie, brengt hij de aanmeldende partijen hiervan op de hoogte, ten minste vijf werkdagen voor de indiening van het voorstel van beslissing bij de voorzitter van het Mededingingscollege.
  In dat geval beschikken de aanmeldende partijen over een termijn van vijf werkdagen om verbintenissen aan te bieden die bedoeld zijn om een beslissing van toelaatbaarheid te verkrijgen.
  De auditeur hoort de aanmeldende partijen over de aangeboden verbintenissen, en neemt in het voorstel van beslissing standpunt in over deze verbintenissen.
  Art. IV.64. § 1. De auditeur dient, na advies van de auditeur-adviseur, zijn gemotiveerd voorstel van beslissing in bij de voorzitter van het Mededingingscollege, samen met het proceduredossier.
  § 2. Het voorstel van beslissing wordt ingediend binnen een termijn van vijfentwintig werkdagen vanaf de dag volgend op de dag van de indiening van de aanmelding bij de auditeur-generaal. Ingeval de inlichtingen die bij de aanmelding werden verstrekt niet volledig waren, loopt deze termijn vanaf de dag volgend op de dag waarop de volledige inlichtingen werden ontvangen. In voorkomend geval wordt de termijn geschorst bij toepassing van artikel IV.40, § 1, vierde lid.
  De termijn van vijfentwintig werkdagen wordt verlengd met tien werkdagen ingeval de aanmeldende partijen verbintenissen aanbieden aan de auditeur.
  § 3. Op dezelfde dag als de indiening van het voorstel van beslissing, deelt de auditeur hiervan een kopie mee aan de aanmeldende partijen. Hij nodigt hen uit om de vertrouwelijke passages aan te stippen. De auditeur stelt vervolgens de niet-vertrouwelijke versie vast. Zijn beslissing betreffende de vertrouwelijkheid is niet vatbaar voor afzonderlijk beroep.
  De auditeur deelt een kopie van de niet-vertrouwelijke versie van het voorstel van beslissing mee aan de vertegenwoordigers van de meest representatieve organisaties van werknemers van de partijen bij de concentratie of aan de personen die zij aanwijzen.
  Hij deelt de aanmeldende partijen mee dat zij op het secretariaat inzage kunnen nemen van het onderzoeksdossier en het proceduredossier, met uitzondering van de documenten en gegevens die ten aanzien van hen vertrouwelijk zijn, en dat zij tegen betaling een elektronische kopie ervan kunnen krijgen.
  Onderafdeling 6. - Beslissing inzake concentraties
  Art. IV.65. § 1. De aanmeldende partijen dienen hun eventuele schriftelijke opmerkingen en stukken in uiterlijk de dag vóór de zitting van het Mededingingscollege en zij bezorgen daarvan op dezelfde dag per e-mail een kopie aan de auditeur.
  Ingeval de aanmeldende partijen een stuk indienen dat zich niet in het onderzoeksdossier bevindt, stelt de voorzitter van het Mededingingscollege een termijn vast waarbinnen de auditeur schriftelijke opmerkingen kan indienen betreffende dat stuk alsmede een termijn waarbinnen de aanmeldende partijen kunnen antwoorden op deze opmerkingen. De auditeur kan toepassing maken van artikel IV.40, § 1, bij de voorbereiding van zijn schriftelijke opmerkingen. De aanmeldende partijen en de auditeur doen mekaar per e-mail mededeling van hun schriftelijke opmerkingen en stukken, op de dag van de indiening ervan op het secretariaat. De beslissingstermijn bedoeld in artikel IV.66, § 3, wordt geschorst vanaf de dag van de beslissing van de voorzitter van het Mededingingscollege tot vaststellen van de in de tweede zin van dit lid bedoelde termijnen tot de dag waarop de termijn verstrijkt waarbinnen de aanmeldende partijen hun antwoord kunnen indienen.
  § 2. De derden die het Mededingingscollege zal horen kunnen uiterlijk drie werkdagen voor de zitting schriftelijke opmerkingen en stukken meedelen aan het Mededingingscollege, met kopie op dezelfde dag per e-mail aan de aanmeldende partijen en aan de auditeur.
  Ingeval de derden vertrouwelijke informatie aan het Mededingingscollege wensen mee te delen, wijst de voorzitter van het Mededingingscollege, zonder kennis te nemen van de betrokken documenten of gegevens, een assessor aan die geen deel uitmaakt van het Mededingingscollege en die zich uitspreekt over de vertrouwelijkheid bij overeenkomstige toepassing van de procedure bedoeld in artikel IV.41, §§ 1 tot 4. Ingeval de kennisneming door het Mededingingscollege of bepaalde betrokken partijen de rechten van verdediging van een andere betrokken partij in het gedrang zou brengen, beslist de assessor dat het betrokken document of gegeven niet wordt opgenomen in het proceduredossier en wordt vervangen door de niet-vertrouwelijke versie of samenvatting. De beslissing van de assessor is niet vatbaar voor afzonderlijk beroep.
  De derden die het Mededingingscollege zal horen hebben geen recht van toegang tot het onderzoeksdossier en het proceduredossier, tenzij de voorzitter van het Mededingingscollege hiertoe een andersluidende beslissing neemt voor de stukken van het proceduredossier die hij aanduidt.
  § 3. Het Mededingingscollege behandelt elke zaak ter zitting. De zitting vindt plaats ten minste tien werkdagen na de mededeling van het voorstel van beslissing aan de aanmeldende partijen.
  De voorzitter van het Mededingingscollege kan beslissen meer dan één zitting in een zaak te organiseren. Ingeval een bijkomende zitting alsnog overbodig blijkt, kan het Mededingingscollege in zijn beslissing het sluiten van de debatten vaststellen.
  § 4. Het Mededingingscollege hoort de auditeur-generaal, de auditeur, de aanmeldende partijen en, zo zij hier om verzoeken of op verzoek van het Mededingingscollege, de andere partijen bij de concentratie.
  Ingeval het Mededingingscollege het nodig acht, hoort het elke natuurlijke persoon of rechtspersoon die het oproept.
  Het hoort tevens de derden die een voldoende belang doen blijken en vragen om gehoord te worden. Voor de economische sectoren, die onder de controle of het toezicht van een geëigende openbare instelling of een ander overheidslichaam zijn geplaatst, worden deze instellingen of overheidslichamen geacht een voldoende belang te hebben. De minister wordt geacht een voldoende belang te hebben.
  De leden van de bestuursorganen of van de directieorganen van de partijen bij de concentratie, alsook de vertegenwoordigers van de meest representatieve werknemersorganisaties van deze ondernemingen, of de personen die zij aanwijzen, worden geacht een voldoende belang te hebben.
  De directeur economische zaken en de directeur juridische zaken worden op hun verzoek gehoord.
  Het niet-verschijnen van de opgeroepen partijen of personen, of van hun mandataris, doet geen afbreuk aan de geldigheid van de procedure.
  § 5. De aanmeldende partijen kunnen nieuwe verbintenissen voorstellen, binnen de termijn bepaald door de voorzitter van het Mededingingscollege.
  § 6. De ondernemingen die partij zijn bij de concentratie kunnen de concentratie wijzigen tot op het ogenblik van de sluiting van de debatten door het Mededingingscollege. In dat geval slaat de beslissing van het Mededingingscollege op de aldus gewijzigde concentratie.
  Art. IV.66. § 1. Het Mededingingscollege stelt bij gemotiveerde beslissing naar gelang het geval vast, dat:
  1° de concentratie niet binnen het toepassingsgebied valt van titel 1, hoofdstuk 2, van dit boek;
  2° de concentratie binnen het toepassingsgebied valt titel 1, hoofdstuk 2, van dit boek.
  § 2. Ingeval de concentratie binnen het toepassingsgebied valt van titel 1, hoofdstuk 2, van dit boek, neemt het Mededingingscollege één van de volgende gemotiveerde beslissingen:
  1° het beslist dat de concentratie toelaatbaar is. Aan die beslissing kan het voorwaarden en verplichtingen verbinden, die moeten waarborgen dat de betrokken ondernemingen de verbintenissen nakomen die zij hebben aangeboden, teneinde de concentratie toelaatbaar te horen verklaren. Ingeval het Mededingingscollege voorwaarden en verplichtingen in overweging wenst te nemen die niet in het voorstel van beslissing opgenomen zijn, worden de aanmeldende partijen en de auditeur hierover gehoord en beschikken zij over ten minste twee werkdagen, vanaf de mededeling door het Mededingingscollege, om zich hierover schriftelijk uit te spreken;
  2° het verklaart de concentratie toelaatbaar ingeval de bij de concentratie betrokken ondernemingen samen niet meer dan 25 % controleren van een voor de transactie relevante markt, ongeacht of het gaat om horizontale dan wel verticale relaties;
  3° het stelt vast dat er ernstige twijfels bestaan omtrent de toelaatbaarheid van de concentratie en beslist de procedure van bijkomend onderzoek en beslissing bedoeld in de artikelen IV.67 tot IV.69 in te zetten; deze beslissing is niet vatbaar voor beroep.
  § 3. De beslissingen van het Mededingingscollege bedoeld in paragrafen 1 en 2 worden genomen binnen een termijn van veertig werkdagen te rekenen vanaf de dag volgend op de dag van ontvangst van de aanmelding. Ingeval de inlichtingen die bij de aanmelding werden verstrekt niet volledig waren, loopt deze termijn vanaf de dag volgend op de dag waarop de volledige inlichtingen werden ontvangen. In voorkomend geval wordt de termijn geschorst bij toepassing van de artikelen IV.40, § 1, vierde lid, en IV.65, § 1, tweede lid.
  De in het eerste lid bedoelde termijn wordt verlengd:
  1° met vijftien werkdagen ingeval de aanmeldende partijen voor het Mededingingscollege verbintenissen aanbieden of wijzigen of de concentratie wijzigen;
  2° bij beslissing van het Mededingingscollege, op uitdrukkelijk verzoek van de aanmeldende partijen, ten hoogste voor de duur die zij voorstellen; het Mededingingscollege staat in ieder geval een verlenging toe van vijftien werkdagen alsmede een nieuwe zitting, ingeval de aanmeldende partijen daarom verzoeken.
  § 4. De concentratie wordt geacht het voorwerp te zijn van een beslissing tot toelaatbaarheid, wanneer het Mededingingscollege geen beslissing heeft genomen binnen de in paragraaf 3 bedoelde termijn.
  § 5. De beslissing van het Mededingingscollege over de grond van de zaak kan niet steunen op documenten en gegevens die als vertrouwelijk ten aanzien van een aanmeldende partij werden erkend, tenzij het stukken betreft van de verkoper, van een andere aanmeldende partij of van de doelonderneming en de aanmeldende partij kennis heeft kunnen nemen van een niet-vertrouwelijke versie of samenvatting van deze documenten en gegevens.
  Art. IV.67. § 1. Ingeval het Mededingingscollege beslist de procedure van bijkomend onderzoek en beslissing in te zetten, voert de auditeur een bijkomend onderzoek.
  Uiterlijk twintig werkdagen na de beslissing om de procedure van bijkomend onderzoek in te zetten, kunnen de aanmeldende partijen aan de auditeur verbintenissen aanbieden met het oog op het verkrijgen van een beslissing tot toelaatbaarheid. De auditeur kan de termijn van twintig werkdagen verlengen.
  § 2. De auditeur dient, na advies van de auditeur-adviseur, een gemotiveerd voorstel van beslissing in bij de voorzitter van het Mededingingscollege binnen een termijn van dertig werkdagen na de beslissing om de procedure van bijkomend onderzoek in te stellen. Deze termijn wordt verlengd met dezelfde duur als die welke de aanmeldende partijen gebruikt hebben om verbintenissen aan te bieden overeenkomstig paragraaf 1, tweede lid. In voorkomend geval wordt de termijn geschorst bij toepassing van artikel IV.40, § 1, vierde lid.
  § 3. Op dezelfde dag als de indiening van het voorstel van beslissing, deelt de auditeur een kopie van het voorstel van beslissing mee aan de aanmeldende partijen. Hij nodigt hen uit om de in het voorstel opgenomen vertrouwelijke passages aan te stippen. De auditeur stelt vervolgens de niet-vertrouwelijke versie vast. Zijn beslissing betreffende de vertrouwelijkheid is niet vatbaar voor afzonderlijk beroep.
  De auditeur deelt een kopie van de niet-vertrouwelijke versie van het voorstel van beslissing mee aan de vertegenwoordigers van de meest representatieve organisaties van werknemers van de partijen bij de concentratie of aan de personen die zij aanwijzen.
  Hij deelt de aanmeldende partijen mee dat zij op het secretariaat inzage kunnen nemen van het onderzoeksdossier en het proceduredossier, met uitzondering van de documenten en gegevens die ten aanzien van hen vertrouwelijk zijn, en dat zij tegen betaling een elektronische kopie ervan kunnen krijgen.
  § 4. Ingeval de auditeur van oordeel is dat de concentratie toelaatbaar is, vermeldt het voorstel van beslissing de redenen waarom de concentratie niet tot gevolg heeft dat een daadwerkelijke mededinging op de Belgische markt of een wezenlijk deel daarvan op significante wijze wordt belemmerd, onder andere door de verwezenlijking of de versterking van een machtspositie.
  Ingeval de auditeur van oordeel is dat de concentratie ontoelaatbaar moet worden verklaard of onderworpen moet worden aan voorwaarden en verplichtingen, vermeldt het voorstel van beslissing de redenen waarom de concentratie moet worden verboden en neemt het standpunt in over de aangeboden verbintenissen.
  Art. IV.68. § 1. De aanmeldende partijen en de derden die het Mededingingscollege zal horen dienen hun eventuele schriftelijke opmerkingen en stukken in bij het secretariaat binnen een termijn van tien werkdagen na de indiening van het voorstel van beslissing, met kopie per e-mail op dezelfde dag aan de auditeur en de aanmeldende partijen.
  Ingeval de aanmeldende partijen een stuk indienen dat zich niet in het onderzoeksdossier bevindt, stelt de voorzitter van het Mededingingscollege een termijn vast waarbinnen de auditeur schriftelijke opmerkingen kan indienen betreffende dat stuk alsmede een termijn waarbinnen de aanmeldende partijen kunnen antwoorden op deze schriftelijke opmerkingen. De auditeur kan toepassing maken van artikel IV.40, § 1, bij de voorbereiding van zijn schriftelijke opmerkingen. De aanmeldende partijen en de auditeur doen mekaar per e-mail mededeling van hun schriftelijke opmerkingen en stukken, op dezelfde dag als de indiening ervan op het secretariaat. De beslissingstermijn bedoeld in artikel IV.69, § 2, wordt geschorst vanaf de dag van de beslissing van de voorzitter van het Mededingingscollege tot vaststellen van de in dit lid bedoelde termijnen tot de dag waarop de termijn verstrijkt waarbinnen de aanmeldende partijen hun antwoord kunnen indienen.
  In geval van vertrouwelijke informatie van derden is artikel IV.65, § 2, tweede lid, van toepassing.
  De derden die het Mededingingscollege zal horen hebben geen recht van toegang tot het onderzoeksdossier en het proceduredossier, tenzij de voorzitter van het Mededingingscollege hiertoe een andersluidende beslissing neemt voor de stukken van het proceduredossier die hij aanduidt.
  § 2. Ingeval schriftelijke opmerkingen of stukken worden ingediend, kan de auditeur een nieuw gemotiveerd voorstel van beslissing indienen bij de voorzitter van het Mededingingscollege binnen een termijn van vijf werkdagen na het verstrijken van de termijn bepaald in paragraaf 1, eerste lid. In voorkomend geval vangt de termijn van vijf werkdagen aan op de dag waarop de termijn verstrijkt waarbinnen de aanmeldende partijen hun antwoord bedoeld in de laatste zin van paragraaf 1, tweede lid, kunnen indienen.
  Het nieuwe voorstel van beslissing wordt medegedeeld overeenkomstig artikel IV.67, § 3.
  § 3. De aanmeldende partijen dienen hun eventuele schriftelijke opmerkingen bij het nieuwe voorstel van beslissing of bij de schriftelijke opmerkingen van derden in bij het secretariaat uiterlijk op de dag voor de zitting, met kopie per e-mail op de dag van de indiening aan de auditeur. Zij mogen geen bijkomende stukken toevoegen die niet werden ingediend tijdens het voorgaande onderzoek of bij toepassing van de artikelen IV.65, § 1, en IV.68, § 1, behalve indien het een bewijs van een feit betreft.
  Eventuele bijkomende schriftelijke opmerkingen en stukken van derden die het Mededingingscollege zal horen bij het nieuwe voorstel van beslissing worden uit de debatten geweerd.
  § 4. Het Mededingingscollege behandelt elke zaak ter zitting. De zitting vindt plaats ten minste tien werkdagen na de mededeling van het voorstel van beslissing bedoeld in artikel IV.67, § 2, aan de aanmeldende partijen.
  De voorzitter van het Mededingingscollege kan beslissen meer dan één zitting te organiseren. Ingeval een bijkomende zitting alsnog overbodig blijkt, kan het Mededingingscollege in zijn beslissing het sluiten van de debatten vaststellen.
  Het Mededingingscollege hoort de personen bedoeld in artikel IV.65, § 4.
  § 5. De aanmeldende partijen kunnen nieuwe verbintenissen aanbieden binnen de termijn bepaald door de voorzitter van het Mededingingscollege.
  § 6. De ondernemingen die partij zijn bij de concentratie kunnen de concentratie wijzigen, tot op het ogenblik van de sluiting van de debatten door het Mededingingscollege. In dat geval slaat de beslissing van het Mededingingscollege op de aldus gewijzigde concentratie.
  Art. IV.69. § 1. Het Mededingingscollege oordeelt bij gemotiveerde beslissing over de toelaatbaarheid van de concentratie bij toepassing van de criteria bedoeld in artikel IV.9.
  Ingeval het Mededingingscollege vaststelt dat de concentratie toelaatbaar is, kan het aan zijn beslissing voorwaarden en verplichtingen verbinden die moeten waarborgen dat de betrokken ondernemingen de verbintenissen nakomen die zij hebben aangeboden teneinde de concentratie toelaatbaar te horen verklaren.
  Ingeval het Mededingingscollege voorwaarden en verplichtingen in overweging wenst te nemen die niet in het voorstel van beslissing opgenomen zijn, worden de aanmeldende partijen en de auditeur hierover gehoord en beschikken zij over ten minste vijf werkdagen, vanaf de mededeling door het Mededingingscollege, om zich hierover schriftelijk uit te spreken.
  Ingeval het Mededingingscollege vaststelt dat de concentratie niet toelaatbaar is, beveelt het in voorkomend geval met het oog op het herstellen van een daadwerkelijke mededinging de splitsing van de gegroepeerde ondernemingen of activa, het stopzetten van de gemeenschappelijke controle of elke andere geëigende maatregel.
  § 2. De beslissing van het Mededingingscollege betreffende de toelaatbaarheid van de concentratie wordt genomen binnen zestig werkdagen na de beslissing om de procedure van bijkomend onderzoek in te zetten.
  De in het eerste lid bedoelde termijn wordt verlengd:
  1° met dezelfde duur als die welke de aanmeldende partijen gebruikt hebben om verbintenissen aan te bieden overeenkomstig artikel IV.67, paragraaf 1;
  2° met vijftien werkdagen indien de ondernemingen die partij zijn bij de concentratie de concentratie wijzigen;
  3° bij beslissing van het Mededingingscollege, op uitdrukkelijk verzoek van de aanmeldende partijen, ten hoogste voor de duur die de partijen voorstellen; het Mededingingscollege staat in ieder geval de gevraagde verlenging toe, met een maximum van twintig werkdagen, alsmede een nieuwe zitting, indien de aanmeldende partijen daarom verzoeken teneinde hen toe te laten nieuwe verbintenissen aan te bieden.
  In voorkomend geval wordt de in het eerste lid bedoelde termijn geschorst bij toepassing van de artikelen IV.40, § 1, vierde lid, en IV.68, § 1, tweede lid.
  De Koning kan, na advies van de Belgische Mededingingsautoriteit, de termijn bedoeld in het eerste lid wijzigen.
  § 3. De concentratie wordt geacht het voorwerp te zijn van een beslissing tot toelaatbaarheid wanneer het Mededingingscollege geen beslissing heeft genomen binnen de in paragraaf 2 bedoelde termijn.
  § 4. De beslissing van het Mededingingscollege over de grond van de zaak kan niet steunen op documenten en gegevens die als vertrouwelijk ten aanzien van een aanmeldende partij werden erkend tenzij het stukken betreft van de verkoper, van een andere aanmeldende partij of van de doelonderneming en de aanmeldende partij kennis heeft kunnen nemen van een niet-vertrouwelijke versie of samenvatting van deze documenten en gegevens.
  Onderafdeling 7. - Onderzoek en beslissing tijdens een vereenvoudigde procedure bij concentratie
  Art. IV.70. § 1. De aanmeldende partijen kunnen om de toepassing van de vereenvoudigde procedure verzoeken. In dat geval gelden de hiernavolgende bepalingen, in afwijking van de bepalingen van de artikelen IV.63 tot IV.69.
  § 2. De auditeur stelt het onderzoek van de zaak in zodra hij de aanmelding heeft ontvangen of, ingeval de verstrekte inlichtingen onvolledig zijn, zodra hij de volledige inlichtingen heeft ontvangen.
  § 3. Ingeval de auditeur tot de vaststelling komt dat aan de voorwaarden voor de toepassing van de vereenvoudigde procedure is voldaan en dat de aangemelde concentratie geen aanleiding geeft tot verzet, stelt hij dit vast in een schriftelijke beslissing die hij toestuurt aan de aanmeldende partijen. De auditeur stuurt tegelijkertijd een afschrift van deze beslissing naar het secretariaat met het oog op de bekendmaking ervan.
  § 4. De beslissing van de auditeur bedoeld in paragraaf 3 geldt voor de toepassing van dit boek als een beslissing van het Mededingingscollege dat de concentratie toelaatbaar is.
  § 5. Ingeval de auditeur tot de vaststelling komt dat niet aan de voorwaarden voor de toepassing van de vereenvoudigde procedure is voldaan of dat er twijfels bestaan over de toelaatbaarheid van de concentratie, stelt hij dit met een beknopte toelichting vast in een beslissing die hij toestuurt aan de aanmeldende partijen, met een afschrift voor het secretariaat.
  Deze beslissing is niet vatbaar voor beroep.
  Door deze beslissing van de auditeur vervalt de vereenvoudigde procedure, zodat de artikelen IV.63 tot IV.69 onverminderd van toepassing worden. In dit geval wordt de aanmelding geacht vanaf het begin onvolledig te zijn geweest. De aanmelding wordt geacht volledig te zijn op de dag die volgt op die waarop de aanmeldende partijen de ontbrekende informatie verstrekken die in de beslissing van de auditeur is vermeld.
  § 6. Binnen een termijn van vijftien werkdagen te rekenen vanaf de dag volgend op de ontvangst van de aanmelding stuurt de auditeur de beslissing bedoeld in paragraaf 3 of 5 toe aan de aanmeldende partijen. De concentratie wordt geacht het voorwerp te zijn van een beslissing tot toelaatbaarheid wanneer de auditeur binnen de vermelde termijn de bedoelde beslissing niet heeft verstuurd.
  Ingeval de inlichtingen die bij de aanmelding werden verstrekt niet volledig waren, loopt de in het eerste lid bedoelde termijn vanaf de dag volgend op de dag van ontvangst van de volledige inlichtingen. In voorkomend geval wordt de termijn geschorst bij toepassing van artikel IV.40, § 1, vierde lid.
  Onderafdeling 8. - Voorlopige maatregelen
  Art. IV.71. Het Mededingingscollege kan voorlopige maatregelen nemen teneinde restrictieve mededingingspraktijken, die het voorwerp van een onderzoek uitmaken, te schorsen, indien dringend een toestand moet worden vermeden die een ernstig, onmiddellijk en moeilijk herstelbaar nadeel kan veroorzaken voor de ondernemingen waarvan de belangen aangetast worden door deze praktijken of die schadelijk kan zijn voor het algemeen economisch belang.
  Art. IV.72. § 1. Gemotiveerde verzoeken om voorlopige maatregelen worden, samen met de daarop betrekking hebbende stukken door een klager, de auditeur-generaal, de minister of de minister bevoegd voor de betrokken sector, ingediend bij de voorzitter.
  Op straffe van nietigheid stuurt de verzoeker op de dag van indiening een kopie van zijn verzoek en de bijhorende stukken bij aangetekende zending met ontvangstbewijs aan de ondernemingen of ondernemingsverenigingen jegens wie voorlopige maatregelen worden gevraagd.
  § 2. Het secretariaat bezorgt de auditeur-generaal een kopie van het verzoek en van de bijhorende stukken alsmede van de latere procedurestukken indien hij niet de verzoeker is. Het bezorgt tevens, op verzoek van de voorzitter van het Mededingingscollege, het verzoek en de stukken geheel of gedeeltelijk aan derden die betrokken zijn bij de praktijk of die een belang kunnen hebben bij de voorlopige maatregelen.
  § 3. De voorzitter stelt zonder verwijl het Mededingingscollege samen dat over het verzoek zal beslissen en legt het verzoek en de bijhorende stukken voor.
  De voorzitter van het Mededingingscollege stelt de datum vast van de zitting van het Mededingingscollege die zal plaats hebben niet vroeger dan twee weken en niet later dan een maand na het indienen van het verzoek.
  Het secretariaat brengt de verzoeker, de ondernemingen of ondernemingsverenigingen jegens wie voorlopige maatregelen worden gevraagd, de auditeur-generaal en de minister op de hoogte van deze beslissing en van de samenstelling van het Mededingingscollege.
  § 4. De auditeur-generaal, of de auditeur indien de auditeur-generaal niet de verzoeker is, iedere derde die een voldoende belang doet blijken en gevraagd heeft om te worden gehoord door het Mededingingscollege, alsmede iedere derde die het Mededingingscollege wenst te horen, dienen eventuele schriftelijke opmerkingen en stukken in uiterlijk zes werkdagen voor de dag van de zitting. De minister wordt geacht een voldoende belang te hebben.
  De ondernemingen of ondernemingsverenigingen jegens wie voorlopige maatregelen worden gevraagd, dienen hun eventuele schriftelijke opmerkingen en stukken in uiterlijk twee werkdagen voor de dag van de zitting.
  De verzoeker kan geen andere schriftelijke opmerkingen of stukken neerleggen of ter zitting inroepen dan de stukken gevoegd bij zijn verzoekschrift, behoudens in geval van toepassing van paragraaf 6, tweede lid.
  Schriftelijke opmerkingen en stukken worden ingediend bij het secretariaat. De partij die schriftelijke opmerkingen en stukken indient moet op straffe van nietigheid op de dag van indiening een kopie per e-mail met ontvangstmelding toesturen aan alle andere partijen in de procedure.
  § 5. Op de zitting worden de verzoeker en de ondernemingen of ondernemingsverenigingen jegens wie voorlopige maatregelen worden gevraagd, gehoord, alsmede op hun verzoek de auditeur-generaal, de auditeur, de directeur economische zaken, de directeur juridische zaken en de derden die een voldoende belang doen blijken.
  Het niet verschijnen van de in het eerste lid bedoelde partijen of personen, of hun mandatarissen, doet geen afbreuk aan de geldigheid van de procedure.
  De voorzitter van het Mededingingscollege kan beslissen meer dan één zitting te organiseren binnen de in paragraaf 3, tweede lid, bedoelde maximumtermijn. Ingeval een bijkomende zitting alsnog overbodig blijkt, kan het Mededingingscollege in zijn beslissing het sluiten van de debatten vaststellen.
  § 6. De voorzitter van het Mededingingscollege kan de in de paragraaf 3, tweede lid, bedoelde maximumtermijn verlengen met ten hoogste twee weken.
  Ingeval de termijn wordt verlengd om de verzoeker in staat te stellen om schriftelijk te antwoorden op de schriftelijke opmerkingen en de stukken die werden ingediend, krijgen de ondernemingen of ondernemingsverenigingen jegens wie voorlopige maatregelen worden gevraagd eenzelfde termijn als de verzoeker om te repliceren, binnen de bijkomende termijn van twee weken.
  § 7. De partijen die schriftelijke opmerkingen en stukken indienen kunnen de passages aanduiden die zij vertrouwelijk achten, mits zij het vertrouwelijk karakter motiveren en een niet-vertrouwelijke samenvatting of versie indienen. De voorzitter van het Mededingingscollege of de assessor, die hij aanduidt beslist over de vertrouwelijkheid van de betrokken passages. De beslissing betreffende de vertrouwelijkheid is niet vatbaar voor afzonderlijk beroep.
  Art. IV.73. § 1. Het Mededingingscollege oordeelt bij gemotiveerde beslissing binnen een termijn van één maand na de zitting. Bij ontstentenis van een beslissing binnen de termijn wordt het verzoek om voorlopige maatregelen geacht te zijn verworpen.
  Ingeval het Mededingingscollege het noodzakelijk acht om voorlopige maatregelen op te leggen, deelt het de maatregelen mee die het overweegt te nemen. De verzoeker en de ondernemingen of ondernemingsverenigingen jegens wie voorlopige maatregelen worden gevraagd krijgen vijf werkdagen, te rekenen vanaf de eerste werkdag na deze mededeling, om hierover schriftelijke opmerkingen in te dienen. De ondernemingen of ondernemingsverenigingen jegens wie voorlopige maatregelen worden gevraagd, krijgen een bijkomende termijn van drie werkdagen, te rekenen vanaf de eerste werkdag na de indiening van schriftelijke opmerkingen door de verzoeker, om hierop schriftelijk te antwoorden.
  De in het eerste lid bedoelde beslissingstermijn wordt geschorst vanaf de mededeling door het Mededingingscollege van de overwogen voorlopige maatregelen tot de eerste werkdag na het verstrijken van de laatste termijn bedoeld in het tweede lid.
  Het tweede en derde lid vinden geen toepassing ingeval de voorlopige maatregelen die het Mededingingscollege overweegt op te leggen, behoren tot de voorlopige maatregelen die waren vermeld in het verzoekschrift bedoeld in artikel IV.72, § 1.
  § 2. Het Mededingingscollege kan, gelet op het algemeen belang bij de goede werking van de markt, het ernstig, onmiddellijk en moeilijk herstelbaar nadeel van de verzoeker afwegen tegen het nadeel van de onderneming of ondernemingsvereniging jegens wie voorlopige maatregelen worden gevraagd en van belanghebbende derden, in geval naderhand de inbreuk ten gronde niet zou worden vastgesteld.
  § 3. De beslissing van het Mededingingscollege kan niet steunen op documenten en gegevens waarvan de ondernemingen en ondernemingsverenigingen jegens wie voorlopige maatregelen worden genomen, geen kennis hebben kunnen nemen.
  Onderafdeling 9. - Kennisgeving en bekendmaking
  Art. IV.74. § 1. De beslissingen van het Mededingingscollege, de sepotbeslissingen, de schikkingsbeslissingen, de beslissingen tot stopzetting van het onderzoek en de beslissingen inzake vereenvoudigde procedures bij concentraties worden door het secretariaat bij aangetekende zending met ontvangstbewijs ter kennis gebracht van de betrokken partijen, de klager, de verzoeker en de minister alsook van elke persoon die voldoende belang doet blijken en aan het Mededingingscollege heeft gevraagd om te worden gehoord.
  De voorzitter van het Mededingingscollege en de auditeur houden rekening met het rechtmatig belang van de ondernemingen dat hun zakengeheimen en andere vertrouwelijke gegevens niet bekend worden gemaakt.
  Indien bij ontstentenis van een beslissing een concentratie wordt geacht het voorwerp te zijn van een beslissing van toelaatbaarheid of een verzoek om voorlopige maatregelen wordt geacht te zijn verworpen, brengt het secretariaat dit bij bericht ter kennis van de betrokken partijen, respectievelijk de verzoekers, alsook van de minister en elke persoon die voldoende belang doet blijken en aan het Mededingingscollege heeft gevraagd om te worden gehoord. Deze kennisgeving geschiedt bij aangetekende zending met ontvangstbewijs.
  Behoudens andersluidende bepaling in dit boek of de besluiten genomen in uitvoering ervan gebeuren alle overige kennisgevingen en mededelingen in een zaak per e-mail met ontvangstmelding met kopie per gewone brief.
  § 2. De kennisgevingen bedoeld in de eerste paragraaf, eerste en derde lid, vermelden op straffe van nietigheid de namen en adressen van de partijen aan wie de kennisgeving moet worden gestuurd en, in voorkomend geval, de termijn van beroep alsook de wijze waarop dit rechtsmiddel kan worden ingesteld.
  Art. IV.75. § 1. Van zodra de auditeur-generaal de aanmelding van een concentratie heeft ontvangen, stuurt hij deze voor bekendmaking bij uittreksel naar het Belgisch Staatsblad en wordt het uittreksel bekendgemaakt op de website van de Belgische Mededingingsautoriteit. Het uittreksel vermeldt de namen van de ondernemingen die betrokken zijn bij de concentratie en de economische sectoren die mogelijk betrokken zijn. De bekendmaking geeft aan of de toepassing van de vereenvoudigde procedure wordt gevraagd.
  § 2. De beslissingen van het Mededingingscollege, de schikkingsbeslissingen, de beslissingen inzake vereenvoudigde procedure bij concentraties alsmede de berichten dat bij ontstentenis van een beslissing een concentratie wordt geacht toegelaten te zijn of een verzoek om voorlopige maatregelen geacht te zijn verworpen, worden bekendgemaakt op de website van de Belgische Mededingingsautoriteit, rekening houdend met het rechtmatig belang van de ondernemingen dat hun zakengeheimen en andere vertrouwelijke gegevens niet bekend worden gemaakt. Deze beslissingen worden, in de vorm bestemd voor de bekendmaking op de website van de Belgische Mededingingsautoriteit, onmiddellijk aan de Bijzondere raadgevende commissie Mededinging overgemaakt.
  De sepotbeslissingen en de beslissingen tot stopzetten van een onderzoek worden bekendgemaakt overeenkomstig het eerste lid, behoudens andersluidende beslissing van de auditeur-generaal.
  § 3. De beslissingen van het Marktenhof en van het Hof van Cassatie, die toepassing maken van dit boek of uitgesproken worden in beroep tegen beslissingen krachtens dit boek, worden bekendgemaakt op de website van de Belgische Mededingingsautoriteit, rekening houdend met het rechtmatig belang van de ondernemingen dat hun zakengeheimen en andere vertrouwelijke gegevens niet bekend worden gemaakt.
  § 4. De richtsnoeren en bekendmakingen bedoeld in artikel IV.25, 2°, worden bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad en op de website van de Belgische Mededingingsautoriteit.
  Onderafdeling 10. - Samenwerking met de Europese Commissie en de mededingingsautoriteiten van de andere lidstaten van de Europese Unie
  Art. IV.76. Ingeval de Belgische Mededingingsautoriteit zich, bij toepassing van artikel 104 VWEU, uitspreekt over de toelaatbaarheid van afspraken of over het misbruik maken van een machtspositie op de interne markt, wordt de beslissing genomen in overeenstemming met de artikelen 101, lid 1, en 102 VWEU, volgens de procedure en de sancties bepaald in dit boek.
  Ingeval de Belgische Mededingingsautoriteit zich, met toepassing van verordeningen of richtlijnen genomen op basis van artikel 103 VWEU, uitspreekt over de toepassing van de beginselen neergelegd in de artikelen 101 en 102 VWEU, wordt de beslissing genomen in overeenstemming met deze verordeningen of richtlijnen, volgens de procedure en de sancties bepaald in dit boek.
  Art. IV.77. De daartoe door de auditeur-generaal aangeduide personeelsleden van de Belgische Mededingingsautoriteit worden, met toepassing van artikel 20, lid 5, van Verordening (EG) nr. 1/2003 belast met het vervullen bij de ondernemingen van bijstands-, verificatie- of andere opdrachten in het kader van het toezicht op de naleving van de mededingingsregels van de verdragen van de Europese Unie, die zij ambtshalve, op verzoek van de Europese Commissie, of op verzoek van een nationale mededingingsautoriteit van een andere lidstaat van de Europese Unie overeenkomstig hun mededingingsregels uitvoeren.
  De daartoe gemachtigde personeelsleden hebben dezelfde bevoegdheden en verplichtingen als die van de in artikel IV.40, §§ 2 en 3, bedoelde gemandateerde personeelsleden ingeval zij optreden op verzoek van een mededingingsautoriteit van een andere lidstaat, en als die van de in artikel 20, lid 2, van de Verordening (EG) nr. 1/2003 bedoelde gemandateerde personeelsleden ingeval zij optreden op verzoek van de Europese Commissie.
  Art. IV.78. Voor de toepassing van de artikelen 101 en 102 VWEU en van Verordening (EG) nr. 139/2004, hebben de voorzitter, de auditeur-generaal en de personeelsleden van de Belgische Mededingingsautoriteit de bevoegdheid om alle gegevens, zowel van feitelijke als van juridische aard, met inbegrip van vertrouwelijke inlichtingen, mee te delen aan de Europese Commissie en aan de mededingingsautoriteiten van de andere lidstaten, alsook in voorkomend geval zulke informatie die werd verkregen van de Europese Commissie of van de mededingingsautoriteiten van de andere lidstaten als bewijsmiddel te gebruiken.
  De Belgische Mededingingsautoriteit kan samenwerkingsakkoorden met betrekking tot het uitwisselen van informatie en het gebruik ervan als bewijsmiddel sluiten met andere mededingingsautoriteiten dan deze bedoeld in het eerste lid. Deze samenwerkingsakkoorden krijgen slechts uitwerking na goedkeuring door de Koning.
  Afdeling 3. - Administratieve geldboeten en dwangsommen
  Art. IV.79. § 1. Ingeval het Mededingingscollege een beslissing neemt zoals bedoeld in artikel IV.52, § 1, 2°, kan het aan elk van de betrokken ondernemingen en ondernemingsverenigingen geldboeten opleggen van maximaal 10 % van hun omzet. Bovendien kan het ter naleving van zijn beslissing dwangsommen opleggen aan elk van de betrokken ondernemingen en ondernemingsverenigingen, tot beloop van 5 % van de gemiddelde dagelijkse omzet per dag vertraging te rekenen van de dag die het in de beslissing bepaalt.
  Het Mededingingscollege kan, bij de vaststelling van de boete, de vergoeding van schade toegebracht door de inbreuk die het voorwerp is van de beslissing, en die ingevolge een schikkingsovereenkomst is betaald voorafgaand aan de beslissing, als een verzachtende omstandigheid in aanmerking nemen.
  Het Mededingingscollege kan de in het eerste lid bedoelde geldboeten en dwangsommen tevens opleggen:
  1° in geval van heropening van de procedure bij toepassing van artikel IV.53, 2° of 3° ;
  2° op verzoek van de auditeur, teneinde de in artikel IV.40, § 1, derde lid, bedoelde beslissing van de auditeur tot eisen van inlichtingen te doen naleven; de dwangsom kan worden opgelegd in de loop van het onderzoek.
  § 2. Inbreuken op artikel IV.1, § 4, kunnen worden gesanctioneerd met een geldboete van 100 tot 10 000 euro.
  Art. IV.80. § 1. Het Mededingingscollege kan de bij artikel IV.79, § 1, eerste lid, bedoelde geldboeten en dwangsommen opleggen in geval van inbreuk op artikel IV.10, § 5, en wegens niet-naleving van de beslissingen bedoeld in artikel IV.52, § 1, 8°.
  § 2. In afwijking van paragraaf 1 zijn de geldboete en de dwangsom bedoeld in artikel IV.79, § 2, van toepassing, wanneer de beslissing betrekking heeft op misbruik van een positie van economische afhankelijkheid in de zin van artikel IV.2/1.
  Art. IV.81. Het Mededingingscollege kan de in artikel IV.79, § 1, eerste lid, bedoelde dwangsom opleggen teneinde de voorlopige maatregelen, bedoeld in artikel IV.71, te doen naleven.
  Art. IV.82. § 1. Het Mededingingscollege kan aan ondernemingen of ondernemingsverenigingen geldboeten opleggen tot belope van 1 % van de omzet ingeval zij opzettelijk of uit onachtzaamheid:
  1° bij een aanmelding of een verzoek om inlichtingen onjuiste, verdraaide of onvolledige gegevens verstrekken;
  2° de inlichtingen niet verstrekken binnen de termijn gesteld in de beslissing tot het eisen van inlichtingen;
  3° de onderzoeken bedoeld in de artikelen IV.39, IV.40 en IV.47 beletten of hinderen.
  § 2. Het Mededingingscollege kan op de gronden vermeld in paragraaf 1, aan de natuurlijke personen bedoeld in artikel IV.1, § 4, geldboeten opleggen van 50 tot 2000 euro.
  Art. IV.83. De boetes en dwangsommen bedoeld in de artikelen IV.79 tot en met IV.82 en in artikel IV.59, § 1, zijn niet fiscaal aftrekbaar.
  Art. IV.84. Art. IV.84. § 1. De omzet bedoeld in de artikelen IV.79 en IV.82 is
  1° voor de inbreuken die een aanvang hebben genomen en gestopt zijn voor het in werking treden van deze wet, de totale omzet op de nationale markt en bij de export, behaald tijdens het boekjaar voorafgaand aan de beslissing;
  2° voor de inbreuken die een aanvang hebben genomen vanaf het in werking treden van deze wet, de totale wereldwijde omzet behaald tijdens het boekjaar voorafgaand aan de beslissing;
  3° voor de inbreuken die een aanvang hebben genomen voor het in werking treden van deze wet en verdergezet of herhaald zijn vanaf het in werking treden van deze wet:
  a) de totale omzet op de nationale markt en bij de export, behaald tijdens het boekjaar voorafgaand aan de beslissing, voor de inbreukperiode voor het in werking treden van deze wet;
  b) de totale wereldwijde omzet behaald tijdens het boekjaar voorafgaand aan de beslissing, voor de inbreukperiode vanaf het in werking treden van deze wet,
  zonder dat het totale bedrag van de boete evenwel meer dan 10 % kan bedragen van de totale wereldwijde omzet behaald tijdens het boekjaar voorafgaand aan de beslissing.
  § 2. In afwijking van paragraaf 1 is, wanneer de inbreuk betrekking heeft op misbruik van een positie van economische afhankelijkheid in de zin van artikel IV.2/1, de in de artikelen IV.79 en IV.82 bedoelde omzet, de totale omzet op de nationale markt en bij de export, behaald tijdens het boekjaar voorafgaand aan de beslissing.
  § 3. De in aanmerking te nemen omzet van een onderneming is gelijk aan de som van de omzetcijfers van alle ondernemingen die een economische eenheid vormen zoals bepaald in artikel IV.8, § 4. Voor de overheidsondernemingen bedoeld in artikel IV.12, is de in aanmerking te nemen omzet evenwel deze van alle ondernemingen die een economische eenheid vormen met een zelfstandige beslissingsbevoegdheid, ongeacht wie het kapitaal ervan bezit of welke regels van bestuurlijk toezicht daarop van toepassing zijn.
  De omzet omvat de bedragen met betrekking tot de verkoop van producten door de onderneming in het kader van de normale bedrijfsuitoefening, onder aftrek van kortingen, van belasting over de toegevoegde waarde en van andere rechtstreeks met de omzet samenhangende belastingen. Bij de omzet wordt geen rekening gehouden met transacties tussen de in artikel IV.8, § 4, bedoelde ondernemingen.
  In het geval van een ondernemingsvereniging is de omzet de som van de omzet van elk lid van de vereniging dat actief is op de betrokken markt.
  Art. IV.85. § 1. De Koning stelt de termijnen en de nadere regels inzake de betaling van de geldboeten en dwangsommen vast.
  § 2. Ingeval de betrokkene in gebreke blijft de geldboete of de dwangsom te betalen, wordt de beslissing van het Mededingingscollege, van de auditeur, of de in kracht van gewijsde gegane beslissing van het Marktenhof, toegezonden aan de FOD Financiën, met het oog op de inning van het verschuldigde bedrag.
  De vervolgingen die de voornoemde administratie instelt, gebeuren overeenkomstig artikel 3 van de domaniale wet van 22 december 1949.
  HOOFDSTUK 2. - Prejudiciële vragen, tussenkomsten als amicus curiae en vonnissen en arresten betreffende mededingingspraktijken
  Art. IV.86. Het Hof van Cassatie spreekt zich bij wege van prejudicieel arrest uit over de vragen met betrekking tot de interpretatie van de bepalingen van dit boek.
  Art. IV.87. § 1. Ingeval de oplossing van een geschil afhangt van de interpretatie van bepalingen van dit boek, kan het rechtscollege waarbij de zaak aanhangig is gemaakt de uitspraak uitstellen en een prejudiciële vraag stellen aan het Hof van Cassatie.
  De beslissing om een prejudiciële vraag te stellen aan het Hof van Cassatie schorst de termijnen en de procedure voor het rechtscollege dat de vraag stelt vanaf de dag waarop de beslissing werd genomen tot de dag waarop dit rechtscollege het antwoord van het Hof van Cassatie ontvangt.
  Tegen de beslissing van een rechtscollege om een prejudiciële vraag te stellen of een dergelijke vraag niet te stellen kan geen enkel rechtsmiddel worden aangewend.
  § 2. De griffier van het Hof van Cassatie stelt de partijen, de Belgische Mededingingsautoriteit, de minister en, in het geval van toepassing van de artikelen 101 en 102 VWEU, de Europese Commissie onverwijld in kennis van de prejudiciële vraag.
  De griffier van het Hof van Cassatie nodigt de partijen, de Belgische Mededingingsautoriteit, de minister en de Europese Commissie uit om hun eventuele schriftelijke opmerkingen over te zenden, op straffe van niet-ontvankelijkheid, binnen een maand na de kennisgeving van de prejudiciële vraag. Zij kunnen elk vragen om gehoord te worden en het proceduredossier ter plaatse raadplegen of vragen dat hen een afschrift wordt toegezonden.
  § 3. Het Hof van Cassatie kan de prejudiciële vraag herformuleren. Het Hof doet uitspraak met voorrang boven alle andere zaken.
  § 4. Het rechtscollege dat de prejudiciële vraag heeft gesteld, evenals elk rechtscollege dat in dezelfde zaak uitspraak doet, moeten zich, voor de oplossing van het geschil naar aanleiding waarvan de vraag is gesteld, voegen naar het arrest dat het Hof van Cassatie heeft gewezen.
  Art. IV.88. § 1. De Belgische Mededingingsautoriteit kan ambtshalve of op verzoek van het rechtscollege waarbij de zaak aanhangig is, binnen de door het rechtscollege bepaalde termijnen, schriftelijke opmerkingen indienen in verband met de toepassing van de artikelen IV.1 en IV.2 of van de artikelen 101 en 102 VWEU.
  Met de toestemming van het betrokken rechtscollege kan zij ook mondelinge opmerkingen maken.
  Enkel met het oog op de formulering van haar opmerkingen kan de Belgische Mededingingsautoriteit het betrokken rechtscollege verzoeken haar alle voor de beoordeling van de zaak noodzakelijke stukken toe te zenden of te laten toezenden.
  Ingeval de Belgische Mededingingsautoriteit opmerkingen indient moeten de andere partijen de gelegenheid worden geboden om op deze opmerkingen te antwoorden.
  § 2. De Belgische Mededingingsautoriteit kan in het kader van een procedure betreffende een rechtsvordering tot schadevergoeding voor inbreuken op het mededingingsrecht op verzoek van een nationale rechterlijke instantie in de zin van artikel 267 VWEU, deze instantie bijstand verlenen bij het bepalen van het bedrag van de schade ingeval zij dergelijke bijstand passend acht.
  Art. IV.89. Elk door de hoven en rechtbanken gewezen vonnis of arrest waarbij het gaat om het geoorloofde karakter van een mededingingspraktijk in de zin van dit boek, wordt binnen acht dagen aan de Belgische Mededingingsautoriteit en de minister medegedeeld en, voor zover het gaat om een vonnis of arrest dat een toepassing van het Europees mededingingsrecht bevat, aan de Europese Commissie, door toedoen van de griffier van het betrokken rechtscollege.
  Bovendien geeft de griffier zonder verwijl de Belgische Mededingingsautoriteit kennis van de beroepen die zijn ingesteld tegen enig in het voorgaande lid bedoeld vonnis of arrest.
  HOOFDSTUK 3. - Beroep
  Art. IV.90. § 1. Tegen de beslissingen van het Mededingingscollege of de auditeur bedoeld in de artikelen IV.52, IV.66, § 1, 1°, en § 2, 1° en 2°, IV.69, § 1, IV.70, § 3, IV.71, IV.79, IV.80, IV.81 en IV.82 alsmede tegen impliciete beslissingen tot toelating van concentraties door het verstrijken van de in artikelen IV.66, § 3, IV.69, § 2, en IV.70, § 6, bepaalde termijnen of tot afwijzen van een verzoek om voorlopige maatregelen door het verstrijken van de in artikel IV.73, § 1, bepaalde termijn kan uitsluitend bij het Marktenhof beroep worden ingesteld.
  Na de mededeling van de grieven bedoeld in de artikelen IV.46, §§ 1 en 3, en IV.63, § 2, kan bij het Marktenhof beroep worden ingesteld tegen beslissingen van de auditeur en van het personeelslid van het auditoraat bedoeld in artikel IV.26, § 2, 13°, betreffende het aanwenden in het onderzoek van de in het kader van een huiszoeking verkregen gegevens, voor zover deze gegevens daadwerkelijk zijn gebruikt voor het staven van de grieven.
  Tegen andere beslissingen van het Mededingingscollege, de auditeur, de auditeur-generaal, de voorzitter, de voorzitter van het Mededingingscollege of een aangewezen assessor staat alleen het beroep open waarin dit boek uitdrukkelijk voorziet, onverminderd de mogelijkheid om er middelen aan te ontlenen in een in deze paragraaf bedoelde beroepsprocedure voor het Marktenhof, tenzij dit boek uitdrukkelijk bepaalt dat de beslissing niet vatbaar is voor beroep.
  § 2. Het Marktenhof oordeelt volgens de procedure zoals in kortgeding in rechte en in feite over de zaak zoals voorgelegd door de partijen.
  Het Hof oordeelt, behalve in de in het derde lid bedoelde gevallen, met volle rechtsmacht met inbegrip van de bevoegdheid om een eigen beslissing in de plaats te stellen van de aangevochten beslissing.
  In zaken betreffende de toelaatbaarheid van concentraties, en in zaken waarin het Hof, anders dan de aangevochten beslissing, een inbreuk vaststelt op de artikelen 101 of 102 VWEU, spreekt het Hof zich alleen uit over de aangevochten beslissing met vernietigingsbevoegdheid.
  Ingeval het Marktenhof een in het derde lid bedoelde beslissing geheel of gedeeltelijk vernietigt, wordt de zaak, ten beloop van de vernietiging, teruggezonden naar de Belgische Mededingingsautoriteit. In het geval van een concentratie wordt de concentratie opnieuw onderzocht en beoordeeld in het licht van de dan geldende marktomstandigheden. De aanmeldende partijen dienen zonder verwijl een nieuwe aanmelding in of vullen de oorspronkelijke aanmelding aan ingeval zij onvolledig is geworden doordat er zich wijzigingen hebben voorgedaan in de marktomstandigheden of in de verstrekte informatie. Ingeval er zich geen dergelijke wijzingen hebben voorgedaan, leggen de aanmeldende partijen onverwijld een verklaring in die zin af. De termijnen bedoeld in titel 2, hoofdstuk 1, afdeling 2, onderafdelingen 5 en 6, vangen aan op de eerste werkdag na de ontvangst door de auditeur-generaal van de volledige gegevens in een nieuwe aanmelding, van een aanvullende aanmelding of van de verklaring van de aanmeldende partijen dat er geen wijzigingen zijn.
  § 3. Het beroep schorst de aangevochten beslissingen niet.
  Het Marktenhof kan echter, op verzoek van de belanghebbende en bij beslissing alvorens recht te doen, de tenuitvoerlegging van de beroepen beslissing geheel of gedeeltelijk schorsen tot op de dag van de uitspraak van het arrest.
  De schorsing van de tenuitvoerlegging kan slechts worden bevolen ingeval ernstige middelen worden ingeroepen die de vernietiging van de aangevochten beslissing kunnen rechtvaardigen en op voorwaarde dat de onmiddellijke tenuitvoerlegging van de beslissing ernstige gevolgen kan hebben voor de betrokkene.
  Het Marktenhof kan, in voorkomend geval, bevelen dat het betaalde bedrag van de geldboeten aan de betrokkene wordt terugbetaald.
  § 4. Een beroep bij het Marktenhof kan worden ingesteld door elke bij de aangevochten beslissing betrokken partij. Het beroep kan ook worden ingesteld door elke persoon die overeenkomstig artikel IV.39, 2°, artikel IV.50, § 2, of artikel IV.65, § 4, een belang kan doen gelden en aan het Mededingingscollege, respectievelijk de auditeur, heeft gevraagd om te worden gehoord. Het beroep kan eveneens door de minister worden ingesteld zonder dat deze een belang moet aantonen en zonder dat hij vertegenwoordigd was voor het Mededingingscollege.
  § 5. Het beroep wordt, op straffe van niet ontvankelijkheid die ambtshalve wordt uitgesproken, ingesteld tegen de Belgische Mededingingsautoriteit door middel van een ondertekend verzoekschrift dat wordt ingediend ter griffie van het hof van beroep te Brussel binnen een termijn van dertig dagen na de kennisgeving van de aangevochten gemotiveerde beslissing.
  Het verzoekschrift bevat op straffe van nietigheid:
  1° de aanduiding van dag, maand en jaar;
  2° ingeval de verzoeker een natuurlijke persoon is, zijn naam, voornaam, beroep en woonplaats, alsook, in voorkomend geval, zijn ondernemingsnummer; ingeval de verzoeker een rechtspersoon is, de benaming, de rechtsvorm, de maatschappelijke zetel en de hoedanigheid van de persoon die of het orgaan dat hem vertegenwoordigt, alsook, in voorkomend geval, zijn ondernemingsnummer; ingeval het beroep uitgaat van de minister, de benaming en het adres van de dienst die hem vertegenwoordigt;
  3° de vermelding van de beslissing waartegen beroep wordt ingesteld;
  4° een lijst van de namen en adressen van de partijen aan wie de beslissing ter kennis was gebracht;
  5° de uiteenzetting van de middelen;
  6° de plaats, de dag en het uur van de verschijning vastgesteld door de griffie van het hof van beroep te Brussel;
  7° de handtekening van de verzoeker of van zijn advocaat.
  Binnen vijf dagen na het indienen van het verzoekschrift moet de verzoeker, op straffe van nietigheid van het verzoek, een afschrift van het verzoekschrift bij een aangetekende zending met ontvangstbewijs toesturen aan het secretariaat van de Belgische Mededingingsautoriteit dat de voorzitter en de auditeur-generaal inlicht, alsmede aan de partijen aan wie kennis werd gegeven van de aangevochten beslissing zoals blijkt uit de kennisgevingsbrief, en aan de minister ingeval hij de verzoeker niet is.
  § 6. Incidenteel beroep kan worden ingesteld. Het is slechts ontvankelijk indien het is ingesteld binnen een maand na de ontvangst van de brief waarin paragraaf 5 voorziet.
  Het incidenteel beroep wordt echter niet toegelaten indien het hoofdberoep nietig of laattijdig wordt verklaard.
  § 7. Het Marktenhof kan te allen tijde de personen die partij waren in de procedure die leidde tot het nemen van de aangevochten beslissing van rechtswege in de zaak betrekken, als het hoofdberoep of het incidenteel beroep hun belangen of verplichtingen kan aantasten.
  Het Marktenhof kan de Belgische Mededingingsautoriteit verzoeken om de mededeling van het proceduredossier.
  De minister kan zijn schriftelijke opmerkingen bij de griffie van het hof van beroep te Brussel indienen en het dossier ter plaatse op de griffie raadplegen. Het Marktenhof stelt de termijnen vast waarbinnen deze opmerkingen moeten worden ingediend. De griffie brengt deze opmerkingen ter kennis van de partijen.
  Het Marktenhof regelt de vertrouwelijkheid van de documenten en gegevens. Het neemt doeltreffende maatregelen om vertrouwelijke documenten en gegevens te beschermen.
  § 8. In de mate dat het Marktenhof de boetes in de aangevochten beslissing handhaaft, is interest verschuldigd vanaf de datum van de aangevochten beslissing.
  HOOFDSTUK 4. - Verjaring
  Art. IV.91. § 1. Het onderzoek bedoeld in artikel IV.39 mag slechts betrekking hebben op feiten die zich niet vroeger hebben voorgedaan dan vijf jaar voor de datum van de beslissing van de auditeur-generaal om ambtshalve een onderzoek in te stellen of de datum van het aanhangig maken van de zaak bij de auditeur-generaal overeenkomstig artikel IV.39.
  In geval van voortdurende of herhaalde inbreuken loopt de termijn van vijf jaar slechts vanaf de dag dat aan de laatste inbreuk een einde is gekomen.
  § 2. De verjaringstermijn met betrekking tot de procedure van onderzoek en beslissing is vijf jaar, te rekenen vanaf de datum van de beslissing van de auditeur-generaal om ambtshalve een onderzoek in te stellen of vanaf de datum van het aanhangig maken van de zaak bij de auditeur-generaal overeenkomstig artikel IV.39.
  In geval van voortdurende of herhaalde inbreuken, die doorlopen na de datum bedoeld in het eerste lid, vangt de termijn aan vanaf de dag dat aan de laatste inbreuk een einde is gekomen.
  De verjaring wordt slechts gestuit door daden van onderzoek of van beslissing verricht binnen de termijn bepaald in het eerste lid of tweede lid, of door een gemotiveerd verzoek gericht aan de voorzitter door de klager of de verzoeker; met die daden begint een nieuwe termijn van vijf jaar te lopen.
  De verjaring met betrekking tot de procedure van onderzoek en beslissing wordt geschorst zolang in de zaak een procedure aanhangig is bij het Marktenhof of het Hof van Cassatie.
  § 3. De verjaringstermijn met betrekking tot het opleggen van geldboeten en dwangsommen is:
  1° drie jaar voor inbreuken op de bepalingen betreffende verzoeken om inlichtingen en het verrichten van huiszoekingen;
  2° vijf jaar voor de overige inbreuken.
  De verjaringstermijn gaat in op de dag waarop de inbreuk is gepleegd. Bij voortdurende of herhaalde inbreuken gaat de verjaringstermijn echter pas in op de dag waarop aan de laatste inbreuk een einde is gekomen.
  De verjaring inzake de oplegging van geldboeten en dwangsommen wordt slechts gestuit door daden van onderzoek en van beslissing van de Belgische Mededingingsautoriteit of, als het de toepassing van de artikelen 101 en 102 VWEU betreft, van de Europese Commissie of een mededingingsautoriteit van een lidstaat met het oog op het onderzoek of vervolging van de inbreuk. De stuiting van de verjaringstermijn treedt in op de dag waarop van de handeling kennis wordt gegeven aan ten minste één onderneming of ondernemingsvereniging die aan de inbreuk heeft deelgenomen.
  Handelingen die de verjaring stuiten, zijn onder andere:
  1° een schriftelijk verzoek om inlichtingen;
  2° een schriftelijke opdracht tot huiszoeking;
  3° het instellen van een procedure;
  4° het mededelen van grieven en het indienen van het voorstel van beslissing;
  5° het openen van de schikkingsprocedure.
  De stuiting van de verjaring geldt ten aanzien van alle ondernemingen en ondernemingsverenigingen die aan de inbreuk hebben deelgenomen.
  Na iedere stuiting begint een nieuwe verjaringstermijn te lopen. De verjaring treedt echter uiterlijk in op de dag waarop een termijn gelijk aan tweemaal de verjaringstermijn is verstreken zonder dat het Mededingingscollege een geldboete of een dwangsom heeft opgelegd. Deze termijn wordt verlengd met de periode gedurende dewelke de verjaring overeenkomstig het volgende lid wordt geschorst.
  De verjaringstermijn inzake de oplegging van geldboeten en dwangsommen wordt geschorst zolang in de zaak een procedure aanhangig is bij het Marktenhof of het Hof van Cassatie.
  § 4. De bevoegdheid tot tenuitvoerlegging van beslissingen tot het opleggen van geldboeten of dwangsommen verjaart na vijf jaar.
  De verjaringstermijn gaat in de dag waarop de beslissing definitief is geworden.
  De verjaring inzake tenuitvoerlegging van geldboeten en dwangsommen wordt gestuit:
  1° door de kennisgeving van een beslissing waarbij het oorspronkelijke bedrag van de geldboete of de dwangsom wordt gewijzigd of waarbij een daartoe strekkend verzoek wordt afgewezen;
  2° door elke handeling van het bevoegde orgaan of van een lidstaat dat handelt op verzoek van dat bevoegde orgaan, tot inning van de geldboete of de dwangsom.
  Na iedere stuiting begint een nieuwe verjaringstermijn te lopen.
  De verjaring inzake de tenuitvoerlegging van geldboeten en dwangsommen wordt geschorst:
  1° zolang uitstel van betaling wordt verleend;
  2° zolang de gedwongen tenuitvoerlegging van de betaling krachtens een beslissing van het Marktenhof is opgeschort.
  HOOFDSTUK 5. - Taalgebruik
  Art. IV.92. § 1. Onverminderd paragraaf 3, wordt het onderzoek gevoerd en wordt de zaak beslist in de taal van het taalgebied waarin de onderneming of de ondernemingsvereniging die het voorwerp is van het onderzoek, haar zetel of, in het geval van een buitenlandse onderneming of ondernemingsvereniging, een inrichting heeft.
  Ingeval de onderneming of de ondernemingsvereniging haar zetel heeft in het tweetalig gebied Brussel Hoofdstad of geen inrichting heeft in België, wordt de taal, Nederlands of Frans, gekozen door de auditeur. De onderneming of de ondernemingsvereniging heeft evenwel het recht te verkrijgen dat het onderzoek wordt gevoerd en de zaak wordt beslist in de andere taal. Het verzoek tot taalwijziging wordt, op straffe van niet-ontvankelijkheid, schriftelijk ingediend bij de auditeur ten laatste tien werkdagen na de eerste dag van de huiszoeking, of, ingeval er geen huiszoeking is, tien werkdagen na ontvangst van het eerste verzoek om inlichtingen. De taalwijziging geldt enkel voor de toekomst.
  Ingeval meerdere ondernemingen en ondernemingsverenigingen het voorwerp zijn van het onderzoek bij de opening ervan, wordt de taal gebruikt van het taalgebied waarin de meerderheid van die ondernemingen en ondernemingsverenigingen hun zetel, respectievelijk hun inrichting, hebben. Voor de ondernemingen en ondernemingsverenigingen die hun zetel in het tweetalig gebied Brussel Hoofdstad of die geen inrichting hebben, wordt voor het bepalen van deze meerderheid de overeenkomstig het tweede lid bepaalde taal in rekening genomen. In geval van pariteit wordt gebruik gemaakt van het Nederlands of het Frans naar keuze van de auditeur.
  § 2. Onverminderd paragraaf 3 worden alle akten, schriftelijke opmerkingen, documenten en beslissingen die in het kader van de procedure van onderzoek en beslissing worden opgesteld door de auditeur, de auditeur-generaal, het Mededingingscollege, de betrokken partijen, de aanmeldende partijen alsmede de derden die worden gehoord door het Mededingingscollege, opgesteld in de bij toepassing van paragraaf 1 bepaalde taal.
  § 3. De volgende bijzondere regels gelden met betrekking tot het taalgebruik:
  1° de natuurlijke personen worden ondervraagd in en gebruiken voor al hun mondelinge en schriftelijke verklaringen en schriftelijke opmerkingen het Nederlands, het Frans of het Duits naar hun keuze of een taal die de auditeur of de voorzitter van het Mededingingscollege hen toestaat te gebruiken tijdens respectievelijk het onderzoek en de procedure voor het Mededingingscollege;
  2° de Belgische Mededingingsautoriteit maakt de onderdelen van de grieven en van het voorstel van beslissing die in het bijzonder op een natuurlijke persoon betrekking hebben, over in het Nederlands, het Frans of het Duits, volgens de taalkeuze van die persoon;
  3° de klachten worden opgesteld in de taal van het taalgebied waar de zetel, de inrichting of de woonplaats van de klager gevestigd is of, in het geval de klager geen zetel, inrichting of woonplaats heeft in België, in het Nederlands of het Frans naar keuze van de klager;
  4° de verzoeken om voorlopige maatregelen worden opgesteld in de taal van het taalgebied waar de ondernemingen en ondernemingsverenigingen, jegens wie maatregelen worden gevraagd, hun zetel of inrichting hebben; ingeval de onderneming of ondernemingsvereniging jegens wie maatregelen worden gevraagd niet in België is gevestigd, wordt het verzoek opgesteld in het Nederlands of in het Frans;
  5° de concentraties worden aangemeld in het Nederlands of het Frans, naar keuze van de aanmeldende partijen; de concentratie wordt onderzocht en beoordeeld in de taal van de aanmelding;
  6° de clementie- en immuniteitsverzoeken worden gedaan in de taal van het taalgebied waar de zetel, de woonplaats of de inrichting van de verzoeker gevestigd is of in het Nederlands of het Frans naar keuze van de verzoeker indien hij of zij geen inrichting of woonplaats heeft in België;
  7° documenten die bij akten en schriftelijke opmerkingen worden gevoegd, worden ingediend in hun oorspronkelijke taal; ingeval deze taal niet het Nederlands of het Frans is, kan de auditeur-generaal, de auditeur of de voorzitter van het Mededingingscollege de vertaling naar het Nederlands of het Frans opleggen, op straffe van verwijdering uit het dossier;
  8° worden opgesteld in de taal van het taalgebied waar de onderneming of ondernemingsvereniging haar betrokken vestiging heeft:
  a. de verzoeken om inlichtingen en de beslissingen tot het opeisen van inlichtingen alsmede de antwoorden daarop;
  b. de opdrachtbevelen, huiszoekingsmachtigingen en processen-verbaal van huiszoekingen, beslagnemingen en verzegelingen;
  c. de processen-verbaal van vaststelling bedoeld in artikel IV.40, § 2, eerste lid;
  9° ingeval de betrokken vestiging is gevestigd in het tweetalig gebied Brussel Hoofdstad of de onderneming of ondernemingsvereniging geen inrichting heeft in België, worden de in 8° bedoelde documenten opgesteld in de taal gekozen door de auditeur, onverminderd toepassing van paragraaf 1, tweede lid.
  HOOFDSTUK 6. - Overige bepalingen
  Art. IV.93. De Koning kan nadere regels bepalen wat betreft de samenstelling van de dossiers, de indiening van schriftelijke opmerkingen en stukken, de mededeling en kennisgeving van beslissingen en documenten alsook nadere regels betreffende de procedures bedoeld in dit boek.
  Art. IV.94. Voor de economische sectoren die onder het toezicht of de controle van een geëigende openbare instelling of ander overheidslichaam zijn geplaatst, kan de Koning, na raadpleging van die instellingen of lichamen, de samenwerking tussen de Belgische Mededingingsautoriteit en die instellingen of lichamen regelen, wat het onderzoek betreft evenals de wederzijdse uitwisseling van vertrouwelijke inlichtingen.
  Art. IV.95. De Koning kan, bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad, de lijst bepalen van de procedurehandelingen, met inbegrip van de onderzoeksmaatregelen, waarvoor een vergoeding ten laste wordt gelegd van de aanmeldende partijen of van de partijen die een inbreuk hebben gepleegd op dit boek, zoals vastgesteld bij beslissing van de auditeur of het Mededingingscollege overeenkomstig het koninklijk besluit.
  Het besluit regelt het bedrag, de voorwaarden en de wijze van inning van de vergoeding. De opbrengst van de vergoedingen wordt door de Belgische Mededingingsautoriteit geboekt als een inkomst.

  HOOFDSTUK 4. - Wijziging van boek XV van het Wetboek van economisch recht

  Art. 4. Artikel XV.80, derde lid, van het Wetboek van economisch recht, ingevoegd bij de wet van 6 juni 2017 houdende invoeging van een titel 3 "De rechtsvordering tot schadevergoeding wegens inbreuken op het mededingingsrecht" in boek XVII van het Wetboek van economisch recht, houdende invoeging van definities eigen aan boek XVII, titel 3 in boek I en houdende diverse wijzigingen van het Wetboek van economisch recht wordt vervangen als volgt:
  "Elke inbreuk op de artikelen IV.32 en IV.61, tweede lid, wordt eveneens bestraft met een sanctie van niveau 5."

  HOOFDSTUK 5. - Evaluatie

  Art. 5. Deze wet wordt geëvalueerd twee jaar na de bekendmaking ervan in het Belgisch Staatsblad. De Koning bezorgt de Kamer van volksvertegenwoordigers daartoe een rapport.

  HOOFDSTUK 6. - Overgangsbepalingen

  Art. 6. § 1. De bepalingen van de boeken I en IV van het Wetboek van economisch recht, zoals vervangen door deze wet, zijn van onmiddellijke toepassing op alle bij de Belgische Mededingingsautoriteit lopende onderzoeken en procedures.
  Artikel IV.I, § 4, van het Wetboek van economisch recht, zoals vervangen door deze wet, is van toepassing op handelingen en gedragingen gesteld na de datum van inwerkingtreding van deze wet.
  Artikel IV.1, § 4, van het Wetboek van economisch recht, zoals ingevoegd door de wet van 3 april 2013, is van toepassing op handelingen en gedragingen gesteld tussen de datum van inwerkingtreding van de wet van 3 april 2013 en de datum van inwerkingtreding van deze wet.
  Concentraties die werden aangemeld voor de datum van inwerkingtreding van deze wet worden behandeld door de Belgische Mededingingsautoriteit bij toepassing van de bepalingen van boek IV van het Wetboek van economisch recht zoals vervangen door deze wet, ongeacht of de aanmelding voldoet aan de aanmeldingsdrempels bepaald in boek IV zoals vervangen door deze wet.
  § 2. De procedurehandelingen verricht overeenkomstig de bepalingen van boek IV die van toepassing waren voor de inwerkingtreding van deze wet, blijven van kracht met het oog op de toepassing van de bepalingen van boek IV van het Wetboek van economisch recht, zoals vervangen door deze wet. In de zaken waarin op de dag van inwerkingtreding van deze wet reeds een gemotiveerd ontwerp van beslissing was neergelegd, wordt dit ontwerp van beslissing beschouwd als een gemotiveerd voorstel van beslissing.
  § 3. Het nieuwe artikel IV.16, § 5, tweede en derde lid, van het Wetboek van economisch recht heeft uitwerking met ingang van 1 september 2013.

  Art. 7. De Koning kan de bepalingen van boek IV van het Wetboek van economisch recht, zoals ingevoegd bij deze wet, coördineren met de bepalingen die daarin uitdrukkelijk of stilzwijgend wijzigingen hebben aangebracht tot het tijdstip van de coördinatie.
  Daartoe kan Hij:
  1° de volgorde en de nummering van de te coördineren bepalingen veranderen en in het algemeen de teksten naar de vorm wijzigen;
  2° de verwijzingen die voorkomen in de te coördineren bepalingen met de nieuwe nummering doen overeenstemmen;
  3° zonder afbreuk te doen aan de beginselen die in de te coördineren bepalingen vervat zijn, de redactie ervan wijzigen om ze onderling te doen overeenstemmen en eenheid in de terminologie te brengen.

  HOOFDSTUK 7. - Inwerkingtreding

  Art. 8. Deze wet treedt in werking tien dagen na bekendmaking ervan in het Belgisch Staatsblad.
  In afwijking van het eerste lid treden artikel IV 80, § 2, en artikel IV 84, § 2, ingevoegd bij artikel 3, in werking op de eerste dag van de dertiende maand die volgt op deze waarin deze wet wordt bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad.

Handtekening Tekst Inhoudstafel Begin
   Kondigen deze wet af, bevelen dat zij met's Lands zegel zal worden bekleed en door het Belgisch Staatsblad zal worden bekendgemaakt.
Gegeven te Brussel, 2 mei 2019.
FILIP
Van Koningswege :
De Minister van Economie,
K. PEETERS
Met 's Lands zegel gezegeld :
De Minister van Justitie,
K. GEENS

Aanhef Tekst Inhoudstafel Begin
   FILIP, Koning der Belgen,
   Aan allen die nu zijn en hierna wezen zullen, Onze Groet.
   De Kamer van volksvertegenwoordigers heeft aangenomen en Wij bekrachtigen, hetgeen volgt :

Parlementaire werkzaamheden Tekst Inhoudstafel Begin
    Kamer van volksvertegenwoordigers : (www.dekamer.be) Stukken : 54-3621 (2018/2019) Integraal Verslag : 25 april 2019.

Begin Eerste woord Laatste woord Aanhef
Parlementaire werkzaamheden Inhoudstafel
Franstalige versie