J U S T E L     -     Geconsolideerde wetgeving
Einde Eerste woord Laatste woord Aanhef
Parlementaire werkzaamheden Inhoudstafel
Handtekening Einde Franstalige versie
 
belgiėlex . be     -     Kruispuntbank Wetgeving
Raad van State Kamer van volksvertegenwoordigers
ELI - Navigatie systeem via een Europese identificatiecode voor wetgeving
http://www.ejustice.just.fgov.be/eli/wet/2019/05/02/2019012449/justel

Titel
2 MEI 2019. - Wet houdende diverse financiėle bepalingen

Bron :
FINANCIEN
Publicatie : 21-05-2019 nummer :   2019012449 bladzijde : 48120       PDF :   originele versie    
Dossiernummer : 2019-05-02/25
Inwerkingtreding : 31-05-2019

Inhoudstafel Tekst Begin
TITEL I. - ALGEMENE BEPALING
Art. 1
TITEL II. - FINANCIELE RECHTZETTINGSBEPALINGEN EN WIJZIGINGSBEPALINGEN EN BEPALINGEN TOT DE OMZETTING VAN BEPAALDE EUROPESE RICHTLIJNEN, BETREFFENDE DE BEVOEGHEDEN VAN TOEZICHT VAN DE NATIONALE BANK VAN BELGIE
HOOFDSTUK 1. - Inleidende bepaling
Art. 2
HOOFDSTUK 2. - Rechtzettingsbepalingen en omzettingsbepalingen
Afdeling 1. - Wijzigingen van de wet van 22 februari 1998 tot vaststelling van het organiek statuut van de Nationale Bank van Belgiė
Art. 3-22
Afdeling 2. - Wijzigingen van de wet van 28 december 2011 op het Afwikkelingsfonds
Art. 23-24
Afdeling 3. - Wijzigingen van de wet van 25 april 2014 op het statuut van en het toezicht op kredietinstellingen en beursvennootschappen
Art. 25-72
Afdeling 4. - Wijzigingen van de wet van 13 maart 2016 op het statuut van en het toezicht op de verzekerings- of herverzekeringsondernemingen
Art. 73-100
Afdeling 5. - Wijzigingen van de wet van 18 september 2017 tot voorkoming van het witwassen van geld en de financiering van terrorisme en tot beperking van het gebruik van contanten
Art. 101-102
Afdeling 6. - Wijzigingen van de wet van 11 maart 2018 betreffende het statuut van en het toezicht op de betalingsinstellingen en de instellingen voor elektronisch geld, de toegang tot het bedrijf van betalingsdienstaanbieder en tot de activiteit van uitgifte van elektronisch geld, en de toegang tot betalingssystemen
Art. 103-118
Afdeling 7. - Wijzigingen van het Gerechtelijk Wetboek
Art. 119-120
Afdeling 8. - Wijzigingen van het Wetboek van economisch recht
Art. 121
TITEL III. - DIVERSE FINANCIELE BEPALINGEN
HOOFDSTUK 1. - Wijzigingen van de wet van 2 augustus 2002 betreffende het toezicht op de financiėle sector et de financiėle diensten
Art. 122-138
HOOFDSTUK 2. - Wijziging van de wet van 15 december 2004 betreffende financiėle zekerheden en houdende diverse fiscale bepalingen inzake zakelijke zekerheidsovereenkomsten en leningen met betrekking tot financiėle instrumenten
Art. 139
HOOFDSTUK 3. - Wijzigingen van de wet van 22 maart 2006 betreffende de bemiddeling in bank- en beleggingsdiensten en de distributie van financiėle instrumenten
Art. 140-150
HOOFDSTUK 4. - Wijziging van de wet van 10 mei 2007 ter bestrijding van bepaalde vormen van discriminatie
Art. 151
HOOFDSTUK 5. - Wijziging van de wet van 10 mei 2007 ter bestrijding van discriminatie tussen vrouwen en mannen
Art. 152
HOOFDSTUK 6. - Wijzigingen van de wet van 3 augustus 2012 betreffende de instellingen voor collectieve belegging die voldoen aan de voorwaarden van richtlijn 2009/65/EG en de instellingen voor belegging in schuldvorderingen
Art. 153-161
HOOFDSTUK 7. - Wijzigingen van het Burgerlijk Wetboek betreffende de uitwinning van het bezitloos pand
Art. 162-164
HOOFDSTUK 8. - Wijzigingen van de wet van 21 december 2013 houdende diverse fiscale en financiėle bepalingen
Art. 165-166
HOOFDSTUK 9. - Wijzigingen van de wet van 19 april 2014 betreffende de alternatieve instellingen voor collectieve belegging en hun beheerders
Art. 167-185
HOOFDSTUK 10. - Wijziging van de wet van 12 mei 2014 betreffende de gereglementeerde vastgoedvennootschappen
Art. 186
HOOFDSTUK 11. - Wijzigingen van het Wetboek van economisch recht
Art. 187-190
HOOFDSTUK 12. - Wijzigingen van de wet van 25 oktober 2016 betreffende de toegang tot het beleggingsdienstenbedrijf en betreffende het statuut van en het toezicht op de vennootschappen voor vermogensbeheer en beleggingsadvies
Art. 191-201
HOOFDSTUK 13. - Wijzigingen van de wet van 25 oktober 2016 houdende oprichting van het Federaal Agentschap van de Schuld en opheffing van het Rentenfonds
Art. 202-203
HOOFDSTUK 14. - Wijzigingen van de wet van 21 november 2017 over de infrastructuren voor de markten voor financiėle instrumenten en houdende omzetting van richtlijn 2014/65/EU
Art. 204-211
HOOFDSTUK 15. - Wijzigingen van de wet van 11 juli 2018 op de aanbieding van beleggingsinstrumenten aan het publiek en de toelating van beleggingsinstrumenten tot de verhandeling op een gereglementeerde markt
Art. 212-214
HOOFDSTUK 16. - Gedeeltelijke omzetting van richtlijn 2014/65/EU van het Europees Parlement en de Raad van 15 mei 2014 betreffende markten voor financiėle instrumenten en tot wijziging van richtlijn 2002/92/EG en richtlijn 2011/61/EU
Art. 215-216
HOOFDSTUK 17. - Wijzigingen van de wet van 11 juli 2018 op de Deposito- en Consignatiekas
Art. 217-218
TITEL IV. - OVERDRACHT VAN DE NATIONALE KAS VOOR RAMPENSCHADE VAN DE FOD FINANCIEN NAAR DE FOD BINNENLANDSE ZAKEN
Art. 219-222
TITEL V. - WIJZIGINGEN VAN HET WETBOEK VAN DE INKOMSTENBELASTINGEN 1992 BETREFFENDE DE PENSIOENSPAARFONDSEN
Art. 223
TITEL VI. - OVERGANG EN OPHEFFINGSBEPALINGEN
HOOFDSTUK 1. - Bepalingen betreffende de ongewilde buitenbezitstelling van de titels aan toonder en het Nationaal kantoor voor roerende waarden
Art. 224-226
HOOFDSTUK 2. - Bepaling betreffende de tussenpersonen in bank- en beleggingsdiensten en de kredietbemiddelaars
Art. 227
HOOFDSTUK 3. - Bepaling betreffende de tenuitvoerlegging van Verordening (EU) 2017/2402 van het Europees Parlement en de Raad van 12 december 2017 tot vaststelling van een algemeen kader voor securitisatie en tot instelling van een specifiek kader voor eenvoudige, transparante en gestandaardiseerde securitisatie, en tot wijziging van de richtlijnen 2009/65/EG, 2009/138/EG en 2011/61/EU en de Verordeningen (EG) nr. 1060/2009 en (EU) nr. 648/2012
Art. 228
HOOFDSTUK 4. - Bepaling betreffende het toezicht van de kredietgevers
Art. 229
TITEL VII. - TENUITVOERLEGGING VAN VERORDENING (EG) 2271/96 VAN DE RAAD VAN 22 NOVEMBER 1996 TOT BESCHERMING TEGEN DE GEVOLGEN VAN DE EXTRATERRITORIALE TOEPASSING VAN RECHTSREGELS UITGEVAARDIGD DOOR EEN DERDE LAND EN DAAROP GEBASEERDE OF DAARUIT VOORTVLOEIENDE HANDELINGEN ("BLOCKING STATUTE")
Art. 230-234
TITEL VIII. - UITVOERING VAN DE BEVRIEZINGSMAATREGELEN VASTGESTELD DOOR DE VEILIGHEIDSRAAD VAN DE VERENIGDE NATIES
Art. 235-240
TITEL IX. (VROEGER ART. VII). - INWERKINGTREDING
Art. 241

Tekst Inhoudstafel Begin
TITEL I. - ALGEMENE BEPALING

  Artikel 1. De bepalingen van deze wet regelen een aangelegenheid als bedoeld in artikel 74 van de Grondwet.

  TITEL II. - FINANCIELE RECHTZETTINGSBEPALINGEN EN WIJZIGINGSBEPALINGEN EN BEPALINGEN TOT DE OMZETTING VAN BEPAALDE EUROPESE RICHTLIJNEN, BETREFFENDE DE BEVOEGHEDEN VAN TOEZICHT VAN DE NATIONALE BANK VAN BELGIE

  HOOFDSTUK 1. - Inleidende bepaling

  Art. 2. Artikel 12 van deze wet tot wijziging van artikel 35/1, § 3, van de wet van 22 februari 1998 tot vaststelling van het organiek statuut van de Nationale Bank van Belgiė, de artikelen 23 en 24 van deze wet tot wijziging van de artikelen 1/1, § 1, en 6/3 van de wet van 28 december 2011 op het Afwikkelingsfonds, de artikelen 35, 37, 40, 41, 47, 66, 67 en 68 van deze wet tot wijziging van de artikelen 108, § 1, eerste lid, 231, eerste lid, 242, 1° en 2°, 260, § 1, 292, 468, § 5, 471, § 1, tweede lid en 472, § 4, van de wet van 25 april 2014 op het statuut van en het toezicht op kredietinstellingen en beursvennootschappen, evenals artikel 48 dat in dezelfde wet van 25 april 2014 een nieuw artikel 295/1 invoert, voorzien in de gedeeltelijke omzetting van Richtlijn 2014/59/EU van het Europees Parlement en de Raad van 15 mei 2014 betreffende de totstandbrenging van een kader voor het herstel en de afwikkeling van kredietinstellingen en beleggingsondernemingen en tot wijziging van Richtlijn 82/891/EEG van de Raad en de Richtlijnen 2001/24/EG, 2002/47/EG, 2004/25/EG, 2005/56/EG, 2007/36/EG, 2011/35/EU, 2012/30/EU en 2013/36/EU en de Verordeningen (EU) nr. 1093/2010 en (EU) nr. 648/2012 van het Europees Parlement en de Raad, in het bijzonder, in de volgorde van hun datum van omzetting, de artikelen 84, lid 2, 106, lid 4, 5, lid 2, tweede alinea, 2, lid 1, punt (20), 41, lid 1, eerste alinea, 81, lid 3, 88, lid 2, 90, lid 1, en 91, lid 4.

  HOOFDSTUK 2. - Rechtzettingsbepalingen en omzettingsbepalingen

  Afdeling 1. - Wijzigingen van de wet van 22 februari 1998 tot vaststelling van het organiek statuut van de Nationale Bank van Belgiė

  Art. 3. In artikel 17 van de wet van 22 februari 1998 tot vaststelling van het organiek statuut van de Nationale Bank van Belgiė worden de woorden ", het College van Censoren" opgeheven.

  Art. 4. In artikel 18.1, van dezelfde wet worden de woorden ", de Regentenraad" opgeheven.

  Art. 5. In artikel 20 van dezelfde wet worden de volgende wijzigingen aangebracht:
  1° in punt 1 wordt het woord "tien" vervangen door het woord "veertien";
  2° punt 1 wordt aangevuld als volgt:
  "Ten minste één derde van de leden van de Regentenraad is van een ander geslacht dan dat van de overige leden. Voor de toepassing van deze bepaling wordt het vereiste minimumaantal van die leden van een ander geslacht afgerond naar het dichtstbijzijnde gehele getal.";
  3° het artikel wordt aangevuld met een punt 5, luidende:
  "De Koning duidt één van de regenten aan als voorzitter van de Regentenraad. De voorzitter van de Regentenraad is onafhankelijk in de zin van artikel 526ter van het Wetboek van Vennootschappen, van de andere taalrol dan de gouverneur en van een ander geslacht dan dat van de gouverneur. Bij benoeming van een nieuwe gouverneur bevestigt de Koning de aanduiding van de zittende voorzitter of duidt hij een nieuwe voorzitter aan.
  De voorzitter van de Regentenraad zit de vergaderingen van de Regentenraad voor behalve wanneer deze van gedachten wisselt over de algemene kwesties bedoeld in de eerste zin van punt 2 van dit artikel. Deze gedachtenuitwisselingen worden voorgezeten door de gouverneur.".

  Art. 6. Artikel 21, van dezelfde wet wordt vervangen als volgt:
  "Art. 21. § 1. Binnen de Regentenraad wordt een auditcomité opgericht dat bestaat uit drie regenten die worden aangeduid door de Regentenraad. De meerderheid van de leden van het auditcomité is onafhankelijk in de zin van artikel 526ter van het Wetboek van Vennootschappen.
  Het auditcomité oefent de raadgevende bevoegdheden uit bedoeld in artikel 21bis en ziet toe op de voorbereiding en de uitvoering van de begroting van de Bank.
  De Regentenraad duidt de voorzitter van het auditcomité aan die onafhankelijk is in de zin van artikel 526ter van het Wetboek van Vennootschappen. De voorzitter van de Regentenraad kan het voorzitterschap van het auditcomité niet waarnemen.
  § 2. Binnen de Regentenraad wordt een remuneratie- en benoemingscomité opgericht dat bestaat uit drie regenten die worden aangeduid door de Regentenraad. De meerderheid van de leden van het remuneratie- en benoemingscomité is onafhankelijk in de zin van artikel 526ter van het Wetboek van Vennootschappen.
  Het remuneratie- en benoemingscomité oefent de raadgevende bevoegdheden inzake remuneratie en benoemingen uit waarmee het door de Regentenraad wordt belast.
  De gouverneur woont de vergaderingen van het remuneratie- en benoemingscomité bij met raadgevende stem.".

  Art. 7. In artikel 22.2 van dezelfde wet worden de woorden "en van het College van Censoren" vervangen door de woorden ", van het auditcomité en van het remuneratie- en benoemingscomité".

  Art. 8. In artikel 23 van dezelfde wet worden de volgende wijzigingen aangebracht:
  1° in punt 3 wordt het woord "Vijf" vervangen door het woord "Negen";
  2° punt 4 wordt opgeheven.

  Art. 9. In artikel 25 van dezelfde wet worden de woorden ", regent of censor" vervangen door de woorden "of regent".

  Art. 10. In artikel 26, § 2, van dezelfde wet worden de woorden "en de meerderheid van de censoren" opgeheven.

  Art. 11. In artikel 27 van dezelfde wet worden de woorden ", van de Regentenraad en van het College van censoren" vervangen door de woorden "en van de Regentenraad".

  Art. 12. Artikel 35/1, § 3, van dezelfde wet, ingevoegd bij de wet van 13 maart 2016, wordt aangevuld met de woorden "Zij waken erover dat hun interne regels de vertrouwelijke behandeling waarborgen van de vertrouwelijke informatie die de personen die betrokken zijn in het afwikkelingsproces van de Bank ontvangen met toepassing van paragraaf 1, 2°. ".

  Art. 13. In artikel 35/2 van dezelfde wet, ingevoegd bij de wet van 30 juli 2018, worden de woorden "toegang geven tot vertrouwelijke informatie" vervangen door de woorden "vertrouwelijke informatie meedelen".

  Art. 14. Artikel 36/1, van dezelfde wet, laatstelijk gewijzigd bij de wet van 7 april 2019 tot vaststelling van een kader voor de beveiliging van netwerk- en informatiesystemen van algemeen belang voor de openbare veiligheid - NIS-wet, wordt aangevuld met de bepaling onder 29°, luidende:
  "29° "insolventierechtbank": de insolventierechtbank als bedoeld in artikel I.22, 4°, van het Wetboek van economisch recht.".

  Art. 15. Artikel 36/7/1, van dezelfde wet, ingevoegd bij de wet van 16 maart 2016, wordt vervangen als volgt:
  "Art. 36/7/1. § 1. Tegen een persoon die de Bank te goeder trouw heeft ingelicht over een feitelijke of vermeende inbreuk op de wetten of reglementen die het statuut van en het toezicht op de financiėle instellingen als bedoeld in artikel 36/2 regelen, kunnen geen burgerrechtelijke, strafrechtelijke of tuchtrechtelijke vorderingen worden ingesteld, noch professionele sancties worden uitgesproken omwille van deze melding. Deze melding wordt niet geacht een inbreuk uit te maken op enige bij overeenkomst of bij wettelijke of bestuursrechtelijke bepaling opgelegde beperking op de openbaarmaking of mededeling van informatie, en de persoon die is overgegaan tot een dergelijke melding kan op geen enkele wijze aansprakelijk worden gesteld voor het melden deze informatie.
  Het eerste lid is niet van toepassing op advocaten die een melding verrichten die betrekking heeft op informatie die zij van één van hun cliėnten ontvangen of over één van hun cliėnten verkrijgen.
  § 2. De Bank waarborgt de geheimhouding van de identiteit van de persoon die een melding verricht als bedoeld in § 1, eerste lid. Tenzij deze persoon hiermee instemt, wijst de Bank elke vraag om inzage, uitleg of mededeling, in welke vorm ook, van een bestuursdocument waaruit rechtstreeks of onrechtstreeks zijn identiteit blijkt, af.
  Onverminderd het eerste lid kan de Bank, op verzoek van de betrokkene, de persoon die een melding heeft verricht als bedoeld in paragraaf 1, eerste lid, bijstaan voor de bevoegde administratieve of gerechtelijke instanties die kennis nemen van een nadelige behandeling of nadelige maatregel die verboden is op basis van paragraaf 3, eerste lid, en kan naar aanleiding daarvan in het bijzonder de status van klokkenluider van de meldende persoon bevestigen in arbeidsgeschillen.
  § 3. Vergelding, discriminatie en andere vormen van nadelige behandeling of nadelige maatregelen, die verband houden met de melding bedoeld in § 1, eerste lid, ten aanzien van een persoon die in contractueel of statutair dienstverband werkt en die te goeder trouw een inbreuk meldt, zijn verboden.
  § 4. Indien de nadelige behandeling of maatregel zich voordoet binnen een periode van twaalf maanden vanaf de melding, rust de bewijslast dat deze behandeling of maatregel geen verband houdt met de betrokken melding, op de werkgever, voor zover de betrokken persoon redelijke argumenten aanvoert die toelaten te geloven dat de nadelige behandeling een represaille uitmaakt als gevolg van zijn melding.
  § 5. Wanneer een werkgever in strijd met paragraaf 3 de arbeidsbetrekking beėindigt of de arbeidsvoorwaarden van een persoon die een inbreuk meldt zoals bedoeld in paragraaf 1, eerste lid, eenzijdig op nadelige wijze wijzigt, kan de betrokkene, of de representatieve organisatie waarbij hij is aangesloten, om re-integratie verzoeken onder de voorwaarden die vóór de beėindiging van de arbeidsbetrekking of de nadelige wijziging van de arbeidsvoorwaarden golden. Het verzoek moet met een aangetekende brief geschieden, binnen dertig dagen volgend op de datum van de kennisgeving van de opzegging of van de nadelige wijziging van de arbeidsvoorwaarden. De werkgever moet zich binnen dertig dagen na ontvangst van het verzoek tot re-integratie over dit verzoek uitspreken. De werkgever die de betrokkene opnieuw in de instelling opneemt onder dezelfde voorwaarden, moet de gederfde voordelen en het gederfde loon gedurende de periode voorafgaand aan de re-integratie vergoeden.
  § 6. De werkgever die na het verzoek bedoeld in paragraaf 5 niet overgaat tot re-integratie onder dezelfde voorwaarden, is gehouden tot het betalen van een schadevergoeding aan de betrokkene, onverminderd de vergoedingen die bij verbreking van de overeenkomst betaald moeten worden. Deze vergoeding is, naar keuze van de betrokkene, gelijk aan hetzij een forfaitair bedrag dat overeenstemt met het totale brutoloon van zes maanden met inbegrip van alle extralegale voordelen, hetzij aan de werkelijk door hem geleden schade. In het laatstgenoemde geval moet de betrokkene de omvang van deze schade bewijzen.
  De werkgever is verplicht dezelfde schadevergoeding te betalen, zonder dat een verzoek als bedoeld in paragraaf 5 moet worden ingediend, indien door het bevoegde rechtscollege bewezen wordt geacht dat een vergelding, discriminatie of enige andere vorm van nadelige maatregelen of behandeling het gevolg is van de melding als bedoeld in paragraaf 1, eerste lid.
  Wanneer een nadelige maatregel of behandeling in strijd met § 3 wordt getroffen nadat de arbeidsbetrekking beėindigd werd, heeft de betrokkene die tijdens de duur ervan een melding verricht heeft zoals bedoeld in paragraaf 1, eerste lid, recht op de vergoeding bedoeld in het eerste lid indien door het bevoegde rechtscollege bewezen wordt geacht dat de nadelige maatregel of behandeling het gevolg is van de melding als bedoeld in § 1, eerste lid.
  § 7. De bepalingen van contractuele of statutaire aard of de bepalingen in een collectieve arbeidsovereenkomst die strijdig zijn met dit artikel of met de bepalingen genomen ter uitvoering ervan, alsook de contractuele bedingen die bepalen dat afgezien wordt van de rechten die erdoor gewaarborgd worden, zijn nietig.".

  Art. 16. In artikel 36/14, § 1, van dezelfde wet, laatstelijk gewijzigd bij het de wet van 7 april 2019, worden de volgende wijzingen aangebracht:
  1° de bepaling onder 17° wordt vervangen als volgt:
  "17° binnen de grenzen van het recht van de Europese Unie, aan de Federale Overheidsdienst Economie, in zijn hoedanigheid van bevoegde autoriteit voor het toezicht op de naleving van de bepalingen van boek VII, titels 1 tot 3, titel 5, hoofdstuk 1, en titels 6 en 7 van het Wetboek van economisch recht, en aan de ambtenaren aangesteld door de minister die in het raam van hun opdracht bedoeld in artikel XV.2 van het Wetboek van economisch recht bevoegd zijn om de inbreuken op de bepalingen van artikel XV.89 van het voornoemde Wetboek op te sporen en vast te stellen;";
  2° er wordt een bepaling onder 20/1° ingevoegd, luidende:
  "20° /1 binnen de grenzen van het recht van de Europese Unie, aan de politiediensten en aan de autoriteit bedoeld in artikel 7, § 1, van de wet van 7 april 2019 tot vaststelling van een kader voor de beveiliging van netwerk- en informatiesystemen van algemeen belang voor de openbare veiligheid - NIS-wet ten behoeve van de tenuitvoerlegging van artikel 53, § 2, van de wet van 11 maart 2018 betreffende het statuut van en het toezicht op de betalingsinstellingen en de instellingen voor elektronisch geld, de toegang tot het bedrijf van betalingsdienstaanbieder en tot de activiteit van uitgifte van elektronisch geld, en de toegang tot betalingssystemen;";
  3° paragraaf 4, ingevoegd bij de wet van 30 juli 2018, wordt opgeheven.

  Art. 17. Artikel 36/25ter van dezelfde wet, ingevoegd bij de wet van 25 april 2014 en gewijzigd bij de wet van 30 juli 2018, wordt vervangen als volgt:
  "Art. 36/25ter. § 1. Om de in artikel 36/25bis bedoelde taken te vervullen, oefent de Bank de bevoegdheden uit waarover zij krachtens de bepalingen van de hoofdstukken IV/1 en IV/2 beschikt.
  § 2. De niet-naleving van de door of krachtens Verordening 648/2012 en Verordening 2015/2365 vastgestelde bepalingen door een centrale tegenpartij, een financiėle tegenpartij of een niet-financiėle tegenpartij die onder het toezicht staat van de Bank krachtens artikel 36/2 van deze wet, kan aanleiding geven tot de toepassing van dwangsommen, andere dwangmaatregelen en sancties als bepaald in deze wet en in de bijzondere wetten die van toepassing zijn op de instellingen die onder het toezicht staan van de Bank.".

  Art. 18. In artikel 36/26, § 6, van dezelfde wet, ingevoegd bij koninklijk besluit van 3 maart 2011 en laatstelijk gewijzigd bij de wet van 30 juli 2018, worden de volgende wijzigingen aangebracht:
  1° het eerste lid wordt vervangen als volgt:
  "Vooraleer er uitspraak wordt gedaan over de opening van een faillissementsprocedure ten aanzien van een in paragraaf 1, 3° of 4°, bedoelde vereffeningsinstelling, richt de voorzitter van de insolventierechtbank een verzoek om advies aan de Bank. De griffier geeft dit verzoek onverwijld door. Hij stelt de procureur des Konings ervan in kennis.";
  2° in het derde lid worden de woorden "de rechtbank" vervangen door de woorden "de insolventierechtbank";
  3° in het vierde lid worden de woorden "de rechtbank van koophandel" vervangen door de woorden "de insolventierechtbank".

  Art. 19. In artikel 36/26/1, § 9, van dezelfde wet, ingevoegd bij de wet van 30 juli 2018, worden de volgende wijzigingen aangebracht:
  1° in het eerste lid worden de woorden "de rechtbank van koophandel" vervangen door de woorden "de insolventierechtbank" en worden de woorden "of over een voorlopige ontneming van beheer in de zin van artikel 8 van de faillissementswet van 8 augustus 1997" opgeheven;
  2° in het derde lid worden de woorden "de rechtbank" vervangen door de woorden "de insolventierechtbank";
  3° in het vierde lid worden de woorden "de rechtbank van koophandel" vervangen door de woorden "de insolventierechtbank".

  Art. 20. In artikel 36/27, § 4, eerste lid, van dezelfde wet, ingevoegd bij het koninklijk besluit van 3 maart 2011, worden de woorden "de artikelen 17, 18 of 20 van de faillissementswet van 8 augustus 1997" vervangen door de woorden "de artikelen XX.111, XX.112 of XX.114 van het Wetboek van economisch recht".

  Art. 21. In artikel 36/30 van dezelfde wet, laatstelijk gewijzigd bij de wet van 30 juli 2018, worden de volgende wijzigingen aangebracht:
  1° in paragraaf 1 wordt het eerste lid vervangen als volgt:
  "De Bank kan elke centrale tegenpartij, elke vereffeningsinstelling, elke instelling die ondersteuning verleent aan een centrale effectenbewaarinstelling of elke depositobank bevelen binnen de door de Bank bepaalde termijn te voldoen aan de bepalingen die zijn vastgesteld door of krachtens de artikelen 36/25, 36/26 en 36/26/1 en aan elke bepaling die is vastgesteld door of krachtens Verordening 648/2012, Verordening 909/2014 of Verordening 2015/2365.";
  2° paragraaf 2 wordt vervangen als volgt:
  " § 2. Onverminderd de andere bij de wet bepaalde maatregelen kan de Bank, indien zij overeenkomstig de artikelen 36/9 tot 36/11 een inbreuk vaststelt op de bepalingen die zijn vastgesteld door of krachtens de artikelen 36/25, 36/26 en 36/26/1 of op de bepalingen die zijn vastgesteld door of krachtens Verordening 648/2012, Verordening 909/2014 of Verordening 2015/2365, aan elke centrale tegenpartij, aan elke vereffeningsinstelling, aan elke instelling die ondersteuning verleent aan een centrale effectenbewaarinstelling of aan elke depositobank een administratieve geldboete opleggen die noch minder mag bedragen dan 2 500 euro, noch voor hetzelfde feit of geheel van feiten meer mag bedragen dan 2 500 000 euro. Wanneer de inbreuk de overtreder een vermogensvoordeel heeft opgeleverd, wordt dit maximum verhoogd tot het tweevoud van het bedrag van dit voordeel en, in geval van recidive, tot het drievoud van dit bedrag.".

  Art. 22. De artikelen 3 tot 11 treden in werking op 18 mei 2020. Op die dag eindigen de mandaten van alle huidige leden van het College van censoren van de Nationale Bank. Van de vier bijkomende regenten die de algemene vergadering van aandeelhouders van de Nationale Bank moet verkiezen overeenkomstig het gewijzigde artikel 23.3 van de wet van 22 februari 1998 tot vaststelling van het organiek statuut van de Nationale Bank van Belgiė, worden er één verkozen voor een mandaat van één jaar, één voor een mandaat van twee jaar en twee voor een mandaat van drie jaar.

  Afdeling 2. - Wijzigingen van de wet van 28 december 2011 op het Afwikkelingsfonds

  Art. 23. In artikel 1/1, § 1, van de wet van 28 december 2011 op het Afwikkelingsfonds, ingevoegd bij de wet van 27 juni 2016, wordt de bepaling onder 6° aangevuld met de woorden "en de gelddeposito's beschermd onder de Belgische beleggersbeschermingsregeling bedoeld in artikel 384/2 juncto artikel 613 van de wet van 25 april 2014, ten belope van het niveau van dekking bepaald in artikel 615 van diezelfde wet".

  Art. 24. Artikel 6/3 van dezelfde wet, ingevoegd bij de wet van 27 juni 2016, wordt aangevuld met een paragraaf 4 luidende als volgt:
  " § 4. De rentevoet, de aflossingsperiode en de overige voorwaarden van de leningen bedoeld in de paragrafen 2 en 3 worden bepaald door de lenende financieringsregeling en de andere financieringsregelingen die besloten hebben deel te nemen. De leningen van elke deelnemende financieringsregeling hebben dezelfde rentevoet, aflossingsperiode en overige voorwaarden, tenzij alle deelnemende financieringsregelingen anders bepalen.".

  Afdeling 3. - Wijzigingen van de wet van 25 april 2014 op het statuut van en het toezicht op kredietinstellingen en beursvennootschappen

  Art. 25. In artikel 3 van de wet van 25 april 2014 op het statuut van en het toezicht op kredietinstellingen en beursvennootschappen, laatstelijk gewijzigd bij de wet van 30 juli 2018, worden de volgende wijzigingen aangebracht:
  1° er wordt een bepaling onder 8° /7 ingevoegd, luidende:
  "8° /7 Verordening nr. 2017/2402: Verordening (EU) 2017/2402 van het Europees Parlement en de Raad van 12 december 2017 tot vaststelling van een algemeen kader voor securitisatie en tot instelling van een specifiek kader voor eenvoudige, transparante en gestandaardiseerde securitisatie, en tot wijziging van de Richtlijnen 2009/65/EG, 2009/138/EG en 2011/61/EU en de Verordeningen (EG) nr. 1060/2009 en (EU) nr. 648/2012;";
  2° er wordt een bepaling onder 20° /2 ingevoegd, luidende:
  "20° /2 wet van 11 maart 2018: de wet van 11 maart 2018 betreffende het statuut van en het toezicht op de betalingsinstellingen en de instellingen voor elektronisch geld, de toegang tot het bedrijf van betalingsdienstaanbieder en tot de activiteit van uitgifte van elektronisch geld, en de toegang tot betalingssystemen;";
  3° in de bepaling onder 59° worden de woorden "de faillissementswet van 8 augustus 1997" vervangen door de woorden "Boek XX van het Wetboek van economisch recht";
  4° in de bepaling onder 61° worden de woorden "de rechtbank van koophandel" vervangen door de woorden "de insolventierechtbank";
  5° er wordt een bepaling onder 82° toegevoegd, luidende:
  "82° insolventierechtbank: de insolventierechtbank als bedoeld in artikel I.22, 4°, van het Wetboek van economisch recht.".

  Art. 26. In artikel 4, 4), van dezelfde wet worden de woorden "op het statuut van en het toezicht op de betalingsinstellingen en de instellingen voor elektronisch geld, de toegang tot het bedrijf van betalingsdienstaanbieder en tot de activiteit van uitgifte van elektronisch geld, en de toegang tot betalingssystemen" opgeheven.

  Art. 27. In artikel 20, § 1, van dezelfde wet, laatstelijk gewijzigd bij de wet van 30 juli 2018, wordt de bepaling onder 2° aangevuld met de bepaling onder z/9, luidende:
  "z/9) artikel 33 van de wet van 11 juli 2018 op de aanbieding van beleggingsinstrumenten aan het publiek en de toelating van beleggingsinstrumenten tot de verhandeling op een gereglementeerde markt;".

  Art. 28. In artikel 59, § 1, van dezelfde wet worden de woorden "van Titel I en in de artikelen 64 tot 66" vervangen door de woorden "van Titel I, en in de artikelen 64 tot 66".

  Art. 29. In dezelfde wet wordt het opschrift van onderafdeling I van boek II, titel II, hoofdstuk III, afdeling VI, vervangen als volgt:
  "Onderafdeling I. - Verrichtingen met entiteiten van de groep, met leiders en met verbonden personen".

  Art. 30. Artikel 72 van dezelfde wet, laatstelijk gewijzigd bij de wet van 5 december 2017, wordt vervangen als volgt:
  "Art. 72. § 1. Kredietinstellingen mogen rechtstreeks of onrechtstreeks overeenkomsten sluiten of verrichtingen uitvoeren, met name leningen, kredieten of borgstellingen, op welke wijze of in welke vorm ook, met name de uitvoering ervan op rekening-courant, met:
  1° de leden van hun wettelijk bestuursorgaan en de leden van hun directiecomité of, bij ontstentenis van een directiecomité, de personen belast met de effectieve leiding, evenals de effectieve leiders van hun bijkantoren;
  2° de in artikel 9, eerste lid bedoelde personen evenals de leden van hun verschillende organen en de personen die deelnemen aan hun effectieve leiding;
  3° de ondernemingen of instellingen waarover de kredietinstelling of haar moederonderneming controle uitoefent;
  4° de ondernemingen of instellingen waarin de in 1° bedoelde personen een gekwalificeerde deelneming bezitten of een functie zoals bedoeld in 1° uitoefenen;
  5° de personen die verbonden zijn met de in 1° bedoelde personen,
  onder de marktvoorwaarden of, in voorkomend geval, op basis van de onderzoeksprocedures en onder de voorwaarden, ten belope van de bedragen en met de waarborgen die gelden voor hun cliėnteel.
  Van de in het eerste lid bedoelde leningen, kredieten of borgstellingen, gesloten op welke wijze of in welke vorm ook, moet uitdrukkelijk kennis worden gegeven binnen een termijn die het wettelijk bestuursorgaan in staat stelt zich ertegen te verzetten. Ongeacht het orgaan dat moet beslissen, mogen de leden die een rechtstreeks of onrechtstreeks persoonlijk of functioneel belang hebben, niet deelnemen aan de beraadslagingen van het wettelijk bestuursorgaan over deze verrichtingen, noch aan de stemming in dat verband. Deze leningen, kredieten en borgstellingen, gesloten op welke wijze of in welke vorm ook, met uitzondering van deze die gesloten zijn met ondernemingen of instellingen waarover de kredietinstelling of haar moederonderneming controle uitoefent, worden ook ter kennis gebracht van de toezichthouder volgens de frequentie en de regels die hij bepaalt.
  Wanneer deze verrichtingen niet worden gesloten tegen de normale marktvoorwaarden of tegen de voorwaarden die voor hun cliėnteel gelden, kan de toezichthouder eisen dat de overeengekomen voorwaarden worden aangepast op de datum waarop deze verrichtingen uitwerking hadden. Zo niet zijn de leden van het wettelijk bestuursorgaan die de beslissing hebben genomen, tegenover de instelling hoofdelijk aansprakelijk voor het verschil.
  De in het tweede lid bedoelde kennisgevingen aan het wettelijk bestuursorgaan en de toezichthouder dienen niet plaats te vinden wanneer het geheel van leningen, kredieten of borgstellingen, gesloten op welke wijze of in welke vorm ook, met een bepaalde persoon, onderneming of instelling niet meer bedraagt dan 100.000 euro.
  De in het tweede lid bedoelde kennisgevingen aan het wettelijk bestuursorgaan van leningen, kredieten of borgstellingen, gesloten op welke wijze of in welke vorm ook, aan ondernemingen of instellingen waarover de kredietinstelling of haar moederonderneming controle uitoefent dienen evenmin plaats te vinden indien deze leningen, kredieten of borgstellingen, gesloten op welke wijze of in welke vorm ook, vallen binnen de limieten van een kaderovereenkomst die het voorwerp heeft uitgemaakt van een in het tweede lid bedoelde kennisgeving.
  § 2. De in § 1 vervatte regeling doet geen afbreuk aan de regels die in dit verband op basis van het Wetboek van Vennootschappen gelden.".

  Art. 31. In dezelfde wet wordt een artikel 72/1 ingevoegd, luidende:
  "Art. 72/1. In afwijking van de bepalingen van het Wetboek van Vennootschappen en niettegenstaande artikel 72, mogen rechtstreeks of onrechtstreeks geen leningen, kredieten of borgstellingen, gesloten op welke wijze of in welke vorm ook, worden verleend aan personen om hen in staat te stellen rechtstreeks of onrechtstreeks in te schrijven op aandelen of andere effecten die recht geven op dividenden van de kredietinstelling of van een vennootschap waarmee er een nauwe band bestaat of die het recht verlenen om dergelijke effecten te verwerven, of om dergelijke aandelen of andere effecten te verwerven.".

  Art. 32. In artikel 73 van dezelfde wet worden de woorden "de rechtbank" telkens vervangen door de woorden "de insolventierechtbank".

  Art. 33. In artikel 78, tweede lid, van dezelfde wet, laatstelijk gewijzigd bij de wet van 31 juli 2017, worden de woorden "de artikelen 17, 18 of 20 van de faillissementswet van 8 augustus 1997" vervangen door de woorden "de artikelen XX.111, XX.112 of XX.114 van het Wetboek van economisch recht".

  Art. 34. In artikel 103 van dezelfde wet worden de woorden "van de faillissementswet van 8 augustus 1997" vervangen door de woorden "van Boek XX van het Wetboek van economisch recht".

  Art. 35. Artikel 108, § 1, eerste lid, van dezelfde wet, vervangen bij het koninklijk besluit van 26 december 2015, wordt aangevuld met de volgende zin:
  "Het herstelplan vermeldt ook de mogelijke maatregelen die de kredietinstelling moet nemen als aan de voorwaarden bedoeld in artikel 234, § 1, voor het opleggen van herstelmaatregelen is voldaan.".

  Art. 36. In artikel 134 van dezelfde wet wordt een paragraaf 1/1 ingevoegd, luidende:
  " § 1/1. Bovendien ziet de Bank toe op de naleving door de kredietinstellingen van artikel 145 van de wet van 11 maart 2018.".

  Art. 37. Artikel 231, eerste lid, van dezelfde wet, gewijzigd bij de wet van 27 juni 2016, wordt aangevuld met de volgende zin:
  "De afwikkelingsautoriteit stelt bovendien de EBA tijdig in kennis hiervan.".

  Art. 38. In artikel 234, § 2, 4°, van dezelfde wet worden de woorden "van de faillissementswet van 8 augustus 1997" vervangen door de woorden "van Boek XX van het Wetboek van economisch recht".

  Art. 39. In artikel 238, eerste lid, van dezelfde wet worden de woorden "aan deze wet en haar uitvoeringsbesluiten en -reglementen" vervangen door de woorden "aan de Europeesrechtelijke bepalingen die rechtstreeks op hen van toepassing zijn, aan de bepalingen van deze wet en de diverse normen genomen ter uitvoering ervan".

  Art. 40. In artikel 242 van dezelfde wet worden de volgende wijzigingen aangebracht:
  1° in punt 1° worden de woorden "om de kapitaalinstrumenten van een kredietinstelling om te zetten of af te schrijven of" ingevoegd tussen de woorden "de beslissing van de afwikkelingsautoriteit" en de woorden "om een afwikkelingsinstrument toe te passen";
  2° in punt 2° worden de woorden "in artikel 276 of 277" vervangen door de woorden "in artikel 276, 277, 279, 280, 281, 281/1 of 281/2".

  Art. 41. Artikel 260, § 1, van dezelfde wet wordt aangevuld met de volgende zin:
  "Elke overbruggingsinstelling functioneert met inachtneming van de staatssteunregels van de Europese Unie en de afwikkelingsautoriteit kan haar dienovereenkomstig operationele beperkingen opleggen.".

  Art. 42. In artikel 273, § 2, van dezelfde wet worden de woorden "de bevoegde rechtbank van koophandel" telkens vervangen door de woorden "de bevoegde insolventierechtbank".

  Art. 43. In artikel 274 van dezelfde wet worden de woorden "de artikelen 17, 18 of 20 van de faillissementswet van 8 augustus 1997" vervangen door de woorden "de artikelen XX.111, XX.112 of XX.114 van het Wetboek van economisch recht".

  Art. 44. Artikel 275 van dezelfde wet, vervangen bij het koninklijk besluit van 18 december 2015 en bekrachtigd bij de wet van 27 juni 2016, wordt opgeheven.

  Art. 45. In boek II, titel VIII, van dezelfde wet wordt het opschrift van hoofdstuk VIII aangevuld met de woorden "en uitwerking van afwikkelingsmaatregelen".

  Art. 46. In dezelfde wet wordt een artikel 291/1 ingevoegd, luidende:
  "Art. 291/1. Wanneer de afwikkelingsautoriteit vaststelt dat de voorwaarden van artikel 244, § 1, niet vervuld zijn, kan zij op grond van de financiėle situatie van de kredietinstelling, in afwijking van artikel XX.100 van het Wetboek van economisch recht, de zaak uit eigen beweging bij dagvaarding aanhangig maken bij de insolventierechtbank.".

  Art. 47. In artikel 292 van dezelfde wet, laatstelijk gewijzigd bij de wet van 27 juni 2016, worden de volgende wijzigingen aangebracht:
  1° de inleidende zin wordt vervangen als volgt:
  "Indien de toezichthouder of de afwikkelingsautoriteit vaststelt voor een kredietinstelling dat aan de voorwaarden bedoeld in artikel 244, § 1, 1° en 2°, is voldaan, stelt hij of zij de volgende autoriteiten hiervan onverwijld in kennis:";
  2° de bepaling onder 1° wordt vervangen als volgt:
  "1° de afwikkelingsautoriteit of de toezichthouder, al naargelang het geval;".

  Art. 48. In boek II, titel VIII, hoofdstuk VIII, van dezelfde wet wordt een artikel 295/1 ingevoegd, luidende:
  "Art. 295/1. § 1. De afwikkelingsmaatregelen en beschikkingsbeslissingen van de afwikkelingsautoriteit hebben van rechtswege uitwerking en zijn van toepassing op de kredietinstelling in afwikkeling evenals op de getroffen schuldeisers en aandeelhouders op de datum vastgesteld door de afwikkelingsautoriteit, en zijn tegenstelbaar aan derden onder de voorwaarden bepaald in artikel 76 van het Wetboek van Vennootschappen.
  Deze maatregelen en beslissingen hebben uitwerking niettegenstaande elke andersluidende bepaling van in het bijzonder, doch niet uitsluitend, het Wetboek van Vennootschappen.
  Deze rechtsuitwerking heeft eveneens betrekking op de accessoires van de overgedragen vorderingen en de zakelijke of persoonlijke zekerheden als waarborg daarvan.
  § 2. De beschikkingsbeslissingen van de afwikkelingsautoriteit gelden als akte van eigendomsoverdracht van de aandelen, andere eigendomsinstrumenten, activa, rechten of verbintenissen die het voorwerp uitmaken van de beschikkingsbeslissing, evenwel onder voorbehoud van de vereiste toelatingen van overheden en alle andere opschortende voorwaarden waaraan de beschikkingsbeslissing is onderworpen.
  § 3. De afwikkelingsautoriteit ziet erop toe dat in het Belgisch Staatsblad een bericht wordt bekendgemaakt waarin wordt bevestigd dat de opschortende voorwaarden bedoeld in de voorgaande paragraaf zijn vervuld.".

  Art. 49. In artikel 312, § 2, van dezelfde wet, laatstelijk gewijzigd bij de wet van 30 juli 2018, wordt het woord "zijn" vervangen door het woord "haar".

  Art. 50. In artikel 313 van dezelfde wet, laatstelijk gewijzigd bij de wet van 30 juli 2018, worden de volgende wijzigingen aangebracht:
  1° in paragraaf 2 wordt het woord "zijn" vervangen door het woord "haar";
  2° in de Franse versie van paragraaf 3, tweede lid, worden de woorden "L'autorité de contrōle" vervangen door de woorden "La Banque".

  Art. 51. In artikel 345, eerste lid, van dezelfde wet, laatstelijk gewijzigd bij de wet van 30 juli 2018, worden de woorden "of de artikelen 4 en 15 van Verordening 2015/2365" vervangen door de woorden ", de artikelen 5 tot 9 van Verordening nr. 2017/2402 of de artikelen 4 en 15 van Verordening 2015/2365".

  Art. 52. In artikel 346 van dezelfde wet, laatstelijk gewijzigd bij de wet van 30 juli 2018, worden de volgende wijzigingen aangebracht:
  1° in paragraaf 1 wordt de bepaling onder c) aangevuld met de woorden "of aan de artikelen 5 tot 9 van Verordening nr. 2017/2402;";
  2° paragraaf 1 wordt aangevuld met de bepalingen onder d) en e), luidende:
  "d) waarbinnen zij zich moet conformeren aan een vereiste dat door de toezichthouder is opgelegd met toepassing van de bepalingen van deze wet, van een ter uitvoering ervan genomen koninklijk besluit of reglement of van de Verordeningen nr. 648/2012, nr. 575/2013, nr. 600/2014 en 2017/565, van de artikelen 5 tot 9 van Verordening nr. 2017/2402 of van de artikelen 4 en 15 van Verordening 2015/2365;
  e) waarbinnen zij zich moet conformeren aan de vereisten die door de toezichthouder zijn vastgesteld als voorwaarden voor een besluit genomen met toepassing van deze wet, van een ter uitvoering ervan genomen koninklijk besluit of reglement of van de Verordeningen nr. 648/2012, nr. 575/2013, nr. 600/2014 en 2017/565, van de artikelen 5 tot 9 van Verordening nr. 2017/2402 of van de artikelen 4 en 15 van Verordening 2015/2365, met name het verlenen van toestemming of van een afwijking.".

  Art. 53. In artikel 347 van dezelfde wet worden de volgende wijzigingen aangebracht:
  1° de paragrafen 1 en 2 worden vervangen als volgt:
  " § 1. Onverminderd andere bij deze wet voorgeschreven maatregelen en onverminderd de bij andere wetten, besluiten of reglementen voorgeschreven maatregelen, kan de Bank, in voorkomend geval op verzoek van de Europese Centrale Bank, indien zij
  a) een inbreuk vaststelt op de bepalingen van deze wet, op de maatregelen genomen in uitvoering ervan;
  b) een inbreuk vaststelt op de bepalingen van Verordening nr. 575/2013, Verordening nr. 600/2014, Verordening 2017/565, op de bepalingen van Titel II van Verordening nr. 648/2012, op de artikelen 4 en 15 van Verordening 2015/2365 of op de artikelen 5 tot 9 van Verordening nr. 2017/2402;
  c) vaststelt dat een vereiste dat door de toezichthouder is opgelegd met toepassing van het bepaalde in a) of b), niet wordt nageleefd;
  d) vaststelt dat vereisten die door de toezichthouder zijn vastgesteld als voorwaarden voor een besluit genomen met toepassing van het bepaalde in a) of b), met name het verlenen van toestemming of van een afwijking, niet worden nageleefd,
  een administratieve geldboete opleggen aan een kredietinstelling, financiėle holding, gemengde financiėle holding of gemengde holding naar Belgisch of buitenlands recht die in Belgiė is gevestigd, aan een of meer leden van het wettelijk bestuursorgaan van deze entiteiten, aan de personen die bij ontstentenis van een directiecomité deelnemen aan hun effectieve leiding, die voor de vastgestelde tekortkoming verantwoordelijk zijn.
  § 2. De administratieve geldboete die aan de instelling of aan de in paragraaf 1 bedoelde onderneming wordt opgelegd, voor hetzelfde feit of hetzelfde geheel van feiten, bedraagt minimum 10 000 euro en maximum 10 % van de jaarlijkse netto-omzet van de instelling van het voorbije boekjaar.
  De administratieve geldboete die aan een natuurlijke persoon wordt opgelegd, voor hetzelfde feit of hetzelfde geheel van feiten, bedraagt minimum 5 000 euro en maximum 5 000 000 euro.";
  2° de paragrafen 2/1 en 2/2 worden ingevoegd, luidende:
  " § 2/1. In geval van een inbreuk op de artikelen 4 en 15 van Verordening 2015/2365, bedraagt de administratieve geldboete die aan de instelling of aan de in paragraaf 1 bedoelde financiėle holding wordt opgelegd:
  a) in het geval van een natuurlijke persoon: maximum 5 000 000 euro;
  b) in het geval van een rechtspersoon: maximum:
  - 5 000 000 euro in geval van een inbreuk op artikel 4 van Verordening 2015/2365; en
  - 15 000 000 euro in geval van een inbreuk op artikel 15 van Verordening 2015/2365
  of, indien dit hoger is, 10 % van de totale jaaromzet van die instelling van het voorbije boekjaar.
  Wanneer de inbreuk voor de overtreder winst heeft opgeleverd of hem heeft toegelaten verlies te vermijden, mag dit maximum worden verhoogd tot het drievoud van deze winst of dit verlies, onverminderd de punten a) en b), van het eerste lid.
  § 2/2. In geval van een inbreuk op de artikelen 5 tot 9 van Verordening nr. 2017/2402, bedraagt de in paragraaf 2, eerste lid bedoelde administratieve geldboete in het geval van een rechtspersoon maximum 5 000 000 euro of 10 % van de totale jaaromzet van die instelling van het voorbije boekjaar.
  Wanneer de inbreuk voor de overtreder winst heeft opgeleverd of hem heeft toegelaten verlies te vermijden, mag het maximumbedrag van de administratieve geldboete worden verhoogd tot het tweevoud van deze winst of dit verlies, onverminderd paragraaf 2, tweede lid en het eerste lid van deze paragraaf.".

  Art. 54. In artikel 359 van dezelfde wet worden de woorden "de rechtbank van koophandel" vervangen door de woorden "de insolventierechtbank".

  Art. 55. In artikel 361, van dezelfde wet worden de woorden "de rechtbank van koophandel" vervangen door de woorden "de insolventierechtbank".

  Art. 56. Artikel 362 van dezelfde wet wordt vervangen als volgt:
  "Art. 362. De curator of curatoren die zijn aangesteld overeenkomstig artikel XX.104 van het Wetboek van economisch recht zorgen voor de bekendmaking bedoeld in artikel XX.107 van hetzelfde Wetboek, eveneens via publicatie van het uittreksel in het Publicatieblad van de Europese Unie en in twee nationale dagbladen van de lidstaten waar de kredietinstelling een bijkantoor heeft of diensten verricht met toepassing van artikel 90.".

  Art. 57. In artikel 363 van dezelfde wet wordt het eerste lid vervangen als volgt:
  "Indien de schuldeisers aan wie een individuele kennisgeving wordt gericht als bedoeld in artikel XX.155 van het Wetboek van economisch recht, hun woonplaats of gewone verblijfplaats in een andere lidstaat hebben, wordt in het rondschrijven, naast de vermelding van de gegevens van het in artikel 362 bedoelde uittreksel, tevens meegedeeld dat de schuldeisers met een voorrecht of een zakelijke zekerheid verplicht zijn aangifte te doen van hun schuldvorderingen en welke de gevolgen zijn van de niet-naleving van de termijnen die zijn vastgelegd in artikel XX.165 van het Wetboek van economisch recht.".

  Art. 58. Artikel 364 van dezelfde wet wordt vervangen als volgt:
  "Art. 364. De curator of curatoren die zijn aangesteld overeenkomstig artikel XX.104 van het Wetboek van economisch recht houden de schuldeisers geregeld op de hoogte van het verloop van de procedure, op de wijze die zij daartoe het meest geschikt achten.".

  Art. 59. In artikel 366 van dezelfde wet wordt paragraaf 1 vervangen als volgt:
  " § 1. Schuldeisers met woonplaats of gewone verblijfplaats in een andere lidstaat kunnen aangifte doen van hun schuldvorderingen of hun opmerkingen indienen in een officiėle taal van die lidstaat, mits vermelding van het opschrift "Indiening van een schuldvordering" of "Indiening van opmerkingen betreffende een schuldvordering" in de taal van de procedure in Belgiė. De curatoren kunnen echter eisen dat deze schuldeisers een vertaling van de aangegeven schuldvorderingen of ingediende opmerkingen overleggen. Artikel XX.156 van het Wetboek van economisch recht is van toepassing.".

  Art. 60. In artikel 373 van dezelfde wet worden de woorden "de artikelen 17 tot 20 van de faillissementswet van 8 augustus 1997" telkens vervangen door de woorden "de artikelen XX.111 tot XX.114 van het Wetboek van economisch recht".

  Art. 61. In artikel 374 van dezelfde wet worden de woorden "artikel 16 van de wet van 8 augustus 1997, en niettegenstaande de artikelen 17 tot 20 van laatstgenoemde wet" vervangen door de woorden "artikel XX.110 van het Wetboek van economisch recht, en niettegenstaande de artikelen XX.111 tot XX.114 van hetzelfde Wetboek".

  Art. 62. In artikel 377 van dezelfde wet wordt het eerste lid vervangen als volgt:
  "De curator of curatoren die zijn aangesteld overeenkomstig artikel XX.104 van het Wetboek van economisch recht nemen alle nodige maatregelen om te voldoen aan de inschrijving van een liquidatieprocedure in een openbaar register van een andere lidstaat die krachtens de wetgeving van die lidstaat verplicht gesteld is.".

  Art. 63. In artikel 378 van dezelfde wet worden de volgende wijzigingen aangebracht:
  1° in paragraaf 1 worden de woorden "of van een voorlopige ontneming van beheer in de zin van artikel 8 van de faillissementswet van 8 augustus 1997" opgeheven;
  2° in paragraaf 2, tweede lid, worden de woorden "de rechtbank" vervangen door de woorden "de insolventierechtbank";
  3° in paragraaf 2, derde lid, worden de woorden "de rechtbank van koophandel" vervangen door de woorden "de insolventierechtbank".

  Art. 64. Artikel 379 van dezelfde wet wordt vervangen als volgt:
  "Art. 379. De curator of curatoren bedoeld in artikel XX.122, § 1, van het Wetboek van economisch recht, evenals de personen die als curator zijn toegevoegd met toepassing van hetzelfde artikel XX.122, § 2, worden aangewezen op advies van de toezichthouder.".

  Art. 65. In artikel 379/1, § 1, eerste lid, van dezelfde wet, ingevoegd bij de wet van 18 december 2015, worden de woorden "de artikelen 17 tot 21 van de faillissementswet van 8 augustus 1997" vervangen door de woorden "de artikelen XX.111 tot XX.115 van het Wetboek van economisch recht".

  Art. 66. In artikel 468, § 5, van dezelfde wet worden de woorden "kan de afwikkelingsautoriteit de volgende autoriteiten uitnodigen" vervangen door de woorden "nodigt de afwikkelingsautoriteit de volgende autoriteiten uit".

  Art. 67. In artikel 471, § 1, van dezelfde wet wordt het tweede lid vervangen als volgt:
  "In haar hoedanigheid van afwikkelingsautoriteit op groepsniveau, coördineert de afwikkelingsautoriteit de stroom van alle relevante informatie tussen de betrokken afwikkelingsautoriteiten en toezichthouders. Zij verstrekt de buitenlandse afwikkelingsautoriteiten en toezichthouders met name tijdig alle relevante informatie met het oog op het vergemakkelijken van de uitoefening van de taken van het afwikkelingscollege als bedoeld in artikel 468, § 2.".

  Art. 68. In artikel 472 van dezelfde wet wordt paragraaf 4 aangevuld met de woorden "met de instemming van de afwikkelingsautoriteit die de in paragraaf 1 bedoelde kennisgeving heeft verricht.".

  Art. 69. Artikel 587 van dezelfde wet wordt vervangen als volgt:
  "Art. 587. Artikel 238 is van toepassing, met dien verstande dat de beursvennootschappen onderworpen blijven aan de Europeesrechtelijke bepalingen die rechtstreeks op hen van toepassing zijn, aan de bepalingen van boek XII en aan de ter uitvoering ervan genomen besluiten en reglementen, tot de verbintenissen van de vennootschap die voortvloeien uit aan cliėnten verschuldigde geldmiddelen en financiėle instrumenten, vereffend of terugbetaald zijn.".

  Art. 70. In artikel 609 van dezelfde wet worden de volgende wijzigingen aangebracht:
  1° de paragrafen 1 en 2 worden vervangen als volgt:
  " § 1. Onverminderd andere bij deze wet voorgeschreven maatregelen en onverminderd de bij andere wetten, besluiten of reglementen voorgeschreven maatregelen, kan de Bank, indien zij
  a) een inbreuk vaststelt op de bepalingen van deze wet, op de maatregelen genomen in uitvoering ervan;
  b) een inbreuk vaststelt op de bepalingen van Verordening nr. 575/2013, Verordening nr. 600/2014, Verordening 2017/565, op de bepalingen van Titel II van Verordening nr. 648/2012, op de artikelen 4 en 15 van Verordening 2015/2365 of op de artikelen 5 tot 9 van Verordening nr. 2017/2402;
  c) vaststelt dat een vereiste dat door de toezichthouder is opgelegd met toepassing van het bepaalde in a) of b), niet wordt nageleefd;
  d) vaststelt dat vereisten die door de toezichthouder zijn vastgesteld als voorwaarden voor een besluit genomen met toepassing van het bepaalde in a) of b), met name het verlenen van toestemming of van een afwijking, niet worden nageleefd,
  een administratieve geldboete opleggen aan een beursvennootschap, financiėle holding, gemengde financiėle holding of gemengde holding naar Belgisch of buitenlands recht die in Belgiė is gevestigd, aan een of meer leden van het wettelijk bestuursorgaan van deze entiteiten, aan de personen die bij ontstentenis van een directiecomité deelnemen aan hun effectieve leiding, die voor de vastgestelde tekortkoming verantwoordelijk zijn.
  § 2. De administratieve geldboete die aan de in paragraaf 1 bedoelde beursvennootschap of onderneming wordt opgelegd, voor hetzelfde feit of hetzelfde geheel van feiten, bedraagt minimum 10 000 euro en maximum 10 % van de jaarlijkse netto-omzet van de beursvennootschap van het voorbije boekjaar.
  De administratieve geldboete die aan een natuurlijke persoon wordt opgelegd, voor hetzelfde feit of hetzelfde geheel van feiten, bedraagt minimum 5 000 euro en maximum 5 000 000 euro.";
  2° de paragrafen 2/1 en 2/2 worden ingevoegd, luidende:
  " § 2/1. In geval van een inbreuk op de artikelen 4 en 15 van Verordening 2015/2365, bedraagt de administratieve geldboete die aan de in paragraaf 1 bedoelde beursvennootschap of onderneming wordt opgelegd
  a) in het geval van een natuurlijke persoon: maximum 5 000 000 euro;
  b) in het geval van een rechtspersoon: maximum:
  - 5 000 000 euro in geval van een inbreuk op artikel 4 van Verordening 2015/2365; en
  - 15 000 000 euro in geval van een inbreuk op artikel 15 van Verordening 2015/2365
  of, indien dit hoger is, 10 % van de totale jaaromzet van die instelling van het voorbije boekjaar.
  Wanneer de inbreuk voor de overtreder winst heeft opgeleverd of hem heeft toegelaten verlies te vermijden, mag dit maximum worden verhoogd tot het drievoud van deze winst of dit verlies, onverminderd de punten a) en b), van het eerste lid.
  § 2/2. In geval van een inbreuk op de artikelen 5 tot 9 van Verordening nr. 2017/2402, bedraagt de in paragraaf 2, eerste lid bedoelde administratieve geldboete in het geval van een rechtspersoon maximum 5 000 000 euro of 10 % van de totale jaaromzet van die instelling van het voorbije boekjaar.
  Wanneer de inbreuk voor de overtreder winst heeft opgeleverd of hem heeft toegelaten verlies te vermijden, mag het maximumbedrag van de administratieve geldboete worden verhoogd tot het tweevoud van deze winst of dit verlies, onverminderd paragraaf 2, tweede lid, en het eerste lid van deze paragraaf.".

  Art. 71. In artikel 615, tweede lid, van dezelfde wet, gewijzigd bij de wet van 21 november 2017, worden de woorden "overeenkomstig artikel 533, § 1, eerste zin," vervangen door de woorden "en die bestemd zijn voor de verwerving van financiėle instrumenten, voor belegging in gestructureerde deposito's of voor terugbetalingen,".

  Art. 72. Artikel 1, § 2, tweede lid, van Bijlage I bij dezelfde wet wordt aangevuld met de woorden ", waaronder hun totale schuld, waarop toezicht wordt uitgeoefend".

  Afdeling 4. - Wijzigingen van de wet van 13 maart 2016 op het statuut van en het toezicht op de verzekerings- of herverzekeringsondernemingen

  Art. 73. In artikel 15 van de wet van 13 maart 2016 op het statuut van en het toezicht op de verzekerings- of herverzekeringsondernemingen, laatstelijk gewijzigd bij het koninklijk besluit van 6 september 2018, worden de volgende wijzigingen aangebracht:
  1° er wordt een bepaling onder 8° /4 ingevoegd, luidende:
  "8° /4 "Verordening nr. 2017/2402": Verordening (EU) 2017/2402 van het Europees Parlement en de Raad van 12 december 2017 tot vaststelling van een algemeen kader voor securitisatie en tot instelling van een specifiek kader voor eenvoudige, transparante en gestandaardiseerde securitisatie, en tot wijziging van de Richtlijnen 2009/65/EG, 2009/138/EG en 2011/61/EU en de Verordeningen (EG) nr. 1060/2009 en (EU) nr. 648/2012;";
  2° in de bepaling onder 71° worden de woorden "de faillissementswet van 8 augustus 1997" vervangen door de woorden "Boek XX van het Wetboek van economisch recht";
  3° de bepaling onder 73° wordt vervangen als volgt:
  "73° "liquidatieautoriteiten": de administratieve of rechterlijke autoriteiten die bevoegd zijn op het vlak van liquidatieprocedures. Voor de ondernemingen naar Belgisch recht is dit de insolventierechtbank wat haar bevoegdheid op het gebied van faillissementen betreft, de rechtbank van koophandel wat haar bevoegdheid op het gebied van gedwongen ontbindingen betreft en de Bank wat haar bevoegdheid in alle andere liquidatieprocedures betreft;";
  4° er wordt een bepaling onder 92° ingevoegd, luidende:
  "92° "werkdag": een dag die noch een zaterdag, noch een zondag, noch een wettelijke feestdag is;";
  5° er wordt een bepaling onder 93° ingevoegd, luidende:
  "93° "insolventierechtbank": de insolventierechtbank als bedoeld in artikel I.22, 4°, van het Wetboek van economisch recht.".

  Art. 74. Artikel 93 van dezelfde wet wordt vervangen als volgt:
  "Art. 93. § 1. Verzekerings- of herverzekeringsondernemingen mogen rechtstreeks of onrechtstreeks overeenkomsten sluiten of verrichtingen uitvoeren, met name leningen, kredieten of borgstellingen en verzekeringsovereenkomsten, op welke wijze of in welke vorm ook, met name de uitvoering ervan op rekening-courant, met:
  1° de leden van hun wettelijk bestuursorgaan, de leden van hun directiecomité of, bij ontstentenis van een directiecomité, de personen belast met de effectieve leiding, evenals de personen belast met de effectieve leiding van hun bijkantoren;
  2° de in artikel 23, eerste lid bedoelde personen evenals de leden van hun verschillende organen en de personen die deelnemen aan hun effectieve leiding;
  3° de ondernemingen of instellingen waarover de verzekerings- of herverzekeringsonderneming of haar moederonderneming controle uitoefent;
  4° de ondernemingen of instellingen waarin de in 1° bedoelde personen een gekwalificeerde deelneming bezitten of een functie zoals bedoeld in 1° uitoefenen;
  5° de personen die verbonden zijn met de in 1° bedoelde personen. Worden in dit verband als "verbonden personen" beschouwd: echtgenoten, partners die volgens hun nationaal recht als gelijkwaardig met een echtgenoot of echtgenote worden aangemerkt en bloedverwanten in de eerste graad,
  onder de marktvoorwaarden of, in voorkomend geval, op basis van de onderzoeksprocedures en onder de voorwaarden, ten belope van de bedragen en met de waarborgen die gelden voor hun cliėnteel.
  Van de in het eerste lid bedoelde leningen, kredieten en borgstellingen, gesloten op welke wijze of in welke vorm ook, moet uitdrukkelijk kennis worden gegeven binnen een termijn die het wettelijk bestuursorgaan in staat stelt zich ertegen te verzetten. Ongeacht het orgaan dat moet beslissen, mogen de leden die een rechtstreeks of onrechtstreeks persoonlijk of functioneel belang hebben, niet deelnemen aan de beraadslagingen van het wettelijk bestuursorgaan over deze verrichtingen, noch aan de stemming in dat verband. Deze leningen, kredieten en borgstellingen, gesloten op welke wijze of in welke vorm ook, met uitzondering van deze die gesloten zijn met ondernemingen of instellingen waarover de verzekerings- of herverzekeringsonderneming of haar moederonderneming controle uitoefent, worden ook ter kennis gebracht van de Bank volgens de frequentie en de regels die zij bepaalt.
  Wanneer deze verrichtingen niet worden gesloten tegen de normale marktvoorwaarden of tegen de voorwaarden die voor hun cliėnteel gelden, kan de Bank eisen dat de overeengekomen voorwaarden worden aangepast op de datum waarop deze verrichtingen uitwerking hadden. Zo niet zijn de leden van het wettelijk bestuursorgaan die de beslissing hebben genomen, tegenover de onderneming hoofdelijk aansprakelijk voor het verschil.
  De in het tweede lid bedoelde kennisgevingen aan het wettelijk bestuursorgaan en de Bank dienen niet plaats te vinden wanneer het geheel van de leningen, kredieten of borgstellingen, gesloten op welke wijze of in welke vorm ook, met een bepaalde persoon, onderneming of instelling niet meer bedraagt dan 100 000 euro.
  De in het tweede lid bedoelde kennisgevingen aan het wettelijk bestuursorgaan van leningen, kredieten of borgstellingen, gesloten op welke wijze of in welke vorm ook, aan ondernemingen of instellingen waarover de verzekerings- of herverzekeringsonderneming of haar moederonderneming controle uitoefent dienen evenmin plaats te vinden indien deze leningen, kredieten of borgstellingen, gesloten op welke wijze of in welke vorm ook, vallen binnen de limieten van een kaderovereenkomst die het voorwerp heeft uitgemaakt van een in het tweede lid bedoelde kennisgeving.
  § 2. De in paragraaf 1 vervatte regeling doet geen afbreuk aan de regels die in dit verband op basis van het Wetboek van Vennootschappen gelden.".

  Art. 75. In dezelfde wet wordt een artikel 93/1 ingevoegd, luidende:
  "Art. 93/1. In afwijking van de bepalingen van het Wetboek van Vennootschappen en niettegenstaande artikel 93, mogen rechtstreeks of onrechtstreeks geen leningen, kredieten of borgstellingen, gesloten op welke wijze of in welke vorm ook, worden verleend, ook niet via een krediet- of een borgtochtverzekeringsovereenkomst, aan personen om hen in staat te stellen rechtstreeks of onrechtstreeks in te schrijven op aandelen of andere effecten die recht geven op dividenden van de verzekerings- of herverzekeringsonderneming of van een vennootschap waarmee er een nauwe band bestaat of die het recht verlenen om dergelijke effecten te verwerven, of om dergelijke aandelen of andere effecten te verwerven.".

  Art. 76. In artikel 94 van dezelfde wet worden de woorden "de rechtbank" telkens vervangen door de woorden "de insolventierechtbank".

  Art. 77. In artikel 106, derde lid, van dezelfde wet worden de woorden "de artikelen 17, 18 of 20 van de faillissementswet van 8 augustus 1997" vervangen door de woorden "de artikelen XX.111, XX.112 of XX.114 van het Wetboek van economisch recht".

  Art. 78. In dezelfde wet wordt een artikel 291/1 ingevoegd, luidende:
  "Art. 291/1. Artikel 325 is niet van toepassing, de artikelen 330 tot 337 zijn wel van toepassing op de commissarissen.".

  Art. 79. In artikel 302, § 1, tweede lid, van dezelfde wet worden de woorden "artikel 46 van de faillissementswet van 8 augustus 1997" vervangen door de woorden "artikel XX.139 van het Wetboek van economisch recht".

  Art. 80. In artikel 376, eerste lid, 2°, van dezelfde wet worden de woorden "of 374" vervangen door de woorden "of 375".

  Art. 81. In artikel 447, tweede lid, van dezelfde wet worden de woorden "lid 7" vervangen door de woorden "lid 5".

  Art. 82. In artikel 508, § 2, 3°, van dezelfde wet worden de woorden "de bepalingen van de faillissementswet van 8 augustus 1997" vervangen door de woorden "de bepalingen van boek XX van het Wetboek van economisch recht".

  Art. 83. In artikel 522, eerste lid, van dezelfde wet worden de woorden "de artikelen 17, 18 of 20 van de faillissementswet van 8 augustus 1997" vervangen door de woorden "de artikelen XX.111, XX.112 of XX.114 van het Wetboek van economisch recht".

  Art. 84. In artikel 543, tweede lid, van dezelfde wet worden de woorden "artikel 46 van de faillissementswet van 8 augustus 1997" vervangen door de woorden "artikel XX.139 van het Wetboek van economisch recht".

  Art. 85. In artikel 549 van dezelfde wet wordt het eerste lid vervangen als volgt:
  "Ingeval de financiėle situatie van een in deze titel bedoelde verzekerings- of herverzekeringsonderneming verslechtert, kan de Bank, in afwijking van artikel XX.100 van het Wetboek van economisch recht, de zaak uit eigen beweging bij dagvaarding aanhangig maken bij de insolventierechtbank.".

  Art. 86. In artikel 602 van dezelfde wet, laatstelijk gewijzigd bij de wet van 30 juli 2018, worden de woorden "of van de artikelen 4 en 15 van Verordening 2015/2365" vervangen door de woorden ", van de artikelen 5 tot 9 van Verordening nr. 2017/2402 of van de artikelen 4 en 15 van Verordening nr. 2015/2365".

  Art. 87. In artikel 603 van dezelfde wet, laatstelijk gewijzigd bij de wet van 30 juli 2018, worden de volgende wijzigingen aangebracht:
  1° in paragraaf 1, 1°, worden de woorden "aan de bepalingen van Titel II van Verordening nr. 648/2012 of aan de artikelen 4 en 15 van Verordening nr. 2015/2365 of" vervangen door de woorden "aan de bepalingen van Titel II van Verordening nr. 648/2012, aan de artikelen 4 en 15 van Verordening nr. 2015/2365 of aan de artikelen 5 tot 9 van Verordening nr. 2017/2402;";
  2° paragraaf 1 wordt aangevuld met de bepalingen onder 3° en 4°, luidende:
  "3° waarbinnen zij zich moet conformeren aan een vereiste dat door de Bank is opgelegd met toepassing van de bepalingen van deze wet, van een ter uitvoering ervan genomen koninklijk besluit of reglement of van Verordening 2015/35 of van alle andere uitvoeringsmaatregelen van Richtlijn 2009/138/EG of van bepalingen van Titel II van Verordening nr. 648/2012, van de artikelen 4 en 15 van Verordening nr. 2015/2365 of nog van de artikelen 5 tot 9 van Verordening nr. 2017/2402;
  4° waarbinnen zij zich moet conformeren aan de vereisten die door de Bank zijn vastgesteld als voorwaarden voor een besluit genomen met toepassing van deze wet, van een ter uitvoering ervan genomen koninklijk besluit of reglement of van Verordening 2015/35 of van alle andere uitvoeringsmaatregelen van Richtlijn 2009/138/EG of van bepalingen van Titel II van Verordening nr. 648/2012, van de artikelen 4 en 15 van Verordening nr. 2015/2365 of nog van de artikelen 5 tot 9 van Verordening nr. 2017/2402, met name het verlenen van toestemming of van een afwijking.".

  Art. 88. In artikel 604 van dezelfde wet worden de volgende wijzigingen aangebracht:
  1° de paragrafen 1 en 2 worden vervangen als volgt:
  " § 1. Onverminderd andere bij deze wet voorgeschreven maatregelen en onverminderd de bij andere wetten, besluiten of reglementen voorgeschreven maatregelen, kan de Bank, indien zij
  a) een inbreuk vaststelt op de bepalingen van deze wet, op de maatregelen genomen in uitvoering ervan;
  b) een inbreuk vaststelt op de bepalingen van Verordening 2015/35 of van alle andere uitvoeringsmaatregelen van Richtlijn 2009/138/EG of op de bepalingen van Titel II van Verordening nr. 648/2012 of op de artikelen 4 en 15 van Verordening nr. 2015/2365 of nog op de artikelen 5 tot 9 van Verordening nr. 2017/2402;
  c) vaststelt dat een vereiste dat door de Bank is opgelegd met toepassing van het bepaalde in a) of b), niet wordt nageleefd;
  d) vaststelt dat vereisten die door de Bank zijn opgelegd als voorwaarden voor een besluit genomen met toepassing van het bepaalde in a) of b), met name het verlenen van toestemming of van een afwijking, niet worden nageleefd,
  een administratieve boete opleggen aan een verzekerings- of herverzekeringsonderneming, verzekeringsholding, gemengde financiėle holding of gemengde verzekeringsholding naar Belgisch of buitenlands recht, aan een of meer leden van het wettelijk bestuursorgaan of van het directiecomité van deze entiteiten, aan de personen die bij ontstentenis van een directiecomité deelnemen aan hun effectieve leiding, die voor de vastgestelde tekortkoming verantwoordelijk zijn.
  § 2. De administratieve geldboete die aan een in paragraaf 1 bedoelde verzekerings- of herverzekeringsonderneming wordt opgelegd, voor hetzelfde feit of hetzelfde geheel van feiten, bedraagt minimum 10 000 euro en maximum 10 % van de technische en financiėle opbrengsten van de onderneming van het voorbije boekjaar.
  De administratieve geldboete die aan een in paragraaf 1 bedoelde verzekeringsholding, gemengde financiėle holding of gemengde verzekeringsholding wordt opgelegd, voor hetzelfde feit of hetzelfde geheel van feiten, bedraagt minimum 10 000 euro en maximum 10 % van de jaarlijkse netto-omzet van de entiteit van het voorbije boekjaar.
  De administratieve geldboete die aan een natuurlijke persoon wordt opgelegd, voor hetzelfde feit of hetzelfde geheel van feiten, bedraagt minimum 5 000 euro en maximum 5 000 000 euro.";
  2° de paragrafen 2/1 en 2/2 worden ingevoegd, luidende:
  " § 2/1. In geval van een inbreuk op de artikelen 4 en 15 van Verordening nr. 2015/2365, bedraagt de administratieve geldboete die aan de in paragraaf 1 bedoelde onderneming wordt opgelegd:
  a) in het geval van een natuurlijke persoon: maximum 5 000 000 euro; en
  b) in het geval van een rechtspersoon: maximum:
  - 5 000 000 euro in geval van een inbreuk op artikel 4 van Verordening nr. 2015/2365; en
  - 15 000 000 euro in geval van een inbreuk op artikel 15 van Verordening nr. 2015/2365
  of, indien dit hoger is, 10 % van de totale jaaromzet van die instelling van het voorbije boekjaar.
  Wanneer de inbreuk voor de overtreder winst heeft opgeleverd of hem heeft toegelaten verlies te vermijden, mag dit maximum worden verhoogd tot het drievoud van deze winst of dit verlies, onverminderd de punten a) en b), van het eerste lid.
  § 2/2. In geval van een inbreuk op de artikelen 5 tot 9 van Verordening nr. 2017/2402, bedraagt de in paragraaf 2, eerste en tweede lid bedoelde administratieve geldboete in het geval van een rechtspersoon maximum 5 000 000 euro of 10 % van de totale jaaromzet van die instelling van het voorbije boekjaar.
  Wanneer de inbreuk voor de overtreder winst heeft opgeleverd of hem heeft toegelaten verlies te vermijden, mag het maximumbedrag van de administratieve geldboete worden verhoogd tot het tweevoud van deze winst of dit verlies, onverminderd paragraaf 2, derde lid en het eerste lid van deze paragraaf.".

  Art. 89. Artikel 609 van dezelfde wet wordt aangevuld met een lid, luidende:
  "Hetzelfde geldt voor inbreuken als bedoeld in artikel 1 van koninklijk besluit nr. 22 van 24 oktober 1934 betreffende het rechterlijk verbod aan bepaalde veroordeelden en gefailleerden om bepaalde ambten, beroepen of werkzaamheden uit te oefenen, die bij een strafrechter aanhangig zijn gemaakt tegen een persoon als bedoeld in artikel 40, § 1, eerste lid.".

  Art. 90. In artikel 615 van dezelfde wet worden de woorden "De rechtbank van koophandel" vervangen door de woorden "De insolventierechtbank".

  Art. 91. In artikel 618 van dezelfde wet worden de woorden "de rechtbank van koophandel" vervangen door de woorden "de insolventierechtbank".

  Art. 92. In artikel 619, eerste lid, van dezelfde wet wordt de eerste zin vervangen als volgt:
  "De curator of curatoren die zijn aangesteld overeenkomstig artikel XX.104 van het Wetboek van economisch recht zorgen voor de bekendmaking bedoeld in artikel XX.107 van hetzelfde Wetboek, eveneens via publicatie van het uittreksel in het Publicatieblad van de Europese Unie.".

  Art. 93. In artikel 620 van dezelfde wet worden de volgende wijzigingen aangebracht:
  1° in het eerste lid wordt de eerste zin vervangen als volgt:
  "Indien de schuldeisers aan wie een individuele kennisgeving wordt gericht als bedoeld in artikel XX.155 van het Wetboek van economisch recht, hun woonplaats of gewone verblijfplaats in een andere lidstaat hebben, wordt in het rondschrijven, naast de vermelding van de gegevens van het in artikel 619 bedoelde uittreksel, tevens meegedeeld dat de schuldeisers met een voorrecht of een zakelijke zekerheid verplicht zijn aangifte te doen van hun schuldvorderingen, en welke de gevolgen zijn van de niet-naleving van de termijnen die zijn vastgelegd in artikel XX.165 van het Wetboek van economisch recht.";
  2° in het tweede lid worden de woorden "artikel 62 van de faillissementswet van 8 augustus 1997" vervangen door de woorden "artikel XX.155 van het Wetboek van economisch recht".

  Art. 94. In artikel 622, § 1, van dezelfde wet worden de woorden "Artikel 63 van de faillissementswet van 8 augustus 1997" vervangen door de woorden "Artikel XX.156 van het Wetboek van economisch recht".

  Art. 95. In artikel 623 van dezelfde wet worden de volgende wijzigingen aangebracht:
  1° het eerste lid wordt vervangen als volgt:
  "De curator of curatoren die zijn aangesteld overeenkomstig artikel XX.104 van het Wetboek van economisch recht houden de schuldeisers regelmatig op de hoogte van het verloop van de procedure, op de wijze die zij daartoe het meest geschikt achten.";
  2° in het tweede lid worden de woorden "De rechtbank van koophandel" vervangen door de woorden "De insolventierechtbank".

  Art. 96. In artikel 634 van dezelfde wet worden de woorden "de artikelen 17 tot 20 van de faillissementswet van 8 augustus 1997" telkens vervangen door de woorden "de artikelen XX.111 tot XX.114 van het Wetboek van economisch recht".

  Art. 97. In artikel 635 van dezelfde wet worden de woorden "artikel 16 van de faillissementswet van 8 augustus 1997, en niettegenstaande de artikelen 17 tot 20 van laatstgenoemde wet" vervangen door de woorden "artikel XX.110 van het Wetboek van economisch recht, en niettegenstaande de artikelen XX.111 tot XX.114 van hetzelfde Wetboek".

  Art. 98. In artikel 639, eerste lid, van dezelfde wet worden de woorden "artikel 11 van de faillissementswet van 8 augustus 1997" vervangen door de woorden "artikel XX.104 van het Wetboek van economisch recht".

  Art. 99. In artikel 640 van dezelfde wet worden de volgende wijzigingen aangebracht:
  1° in paragraaf 1 worden de woorden "of een voorlopige ontneming van beheer in de zin van artikel 8 van de faillissementswet van 8 augustus 1997" opgeheven;
  2° in § 2, tweede lid, worden de woorden "de rechtbank" vervangen door de woorden "de insolventierechtbank";
  3° in § 2, derde lid, worden de woorden "de rechtbank van koophandel" vervangen door de woorden "de insolventierechtbank".

  Art. 100. Artikel 641, van dezelfde wet wordt vervangen als volgt:
  "Art. 641. De curator of curatoren bedoeld in artikel XX.122, § 1, van het Wetboek van economisch recht, evenals de personen die als curator zijn toegevoegd met toepassing van hetzelfde artikel XX.122, § 2, worden aangewezen op advies van de Bank.".

  Afdeling 5. - Wijzigingen van de wet van 18 september 2017 tot voorkoming van het witwassen van geld en de financiering van terrorisme en tot beperking van het gebruik van contanten

  Art. 101. In artikel 5, § 1, van de wet van 18 september 2017 tot voorkoming van het witwassen van geld en de financiering van terrorisme en tot beperking van het gebruik van contanten laatstelijk gewijzigd bij de wet van 30 juli 2018, worden de bepalingen onder 6° en 7°, vervangen als volgt:
  "6° a) de betalingsinstellingen naar Belgisch recht bedoeld in boek II, titel II, hoofdstuk 1 van de wet van 11 maart 2018 betreffende het statuut van en het toezicht op de betalingsinstellingen en de instellingen voor elektronisch geld, de toegang tot het bedrijf van betalingsdienstaanbieder en tot de activiteit van uitgifte van elektronisch geld, en de toegang tot betalingssystemen;
  b) de in Belgiė gevestigde bijkantoren van betalingsinstellingen die ressorteren onder het recht van een andere lidstaat of van een derde land, als respectievelijk bedoeld in de artikelen 120 en 144 van dezelfde wet;
  c) de geregistreerde betalingsinstellingen bedoeld in boek II, titel II, hoofdstuk 2 van dezelfde wet;
  d) de betalingsinstellingen bedoeld in artikel 4, punt 4, van richtlijn 2015/2366/EU van het Europees Parlement en de Raad van 25 november 2015 betreffende betalingsdiensten in de interne markt, houdende wijziging van de richtlijnen 2002/65/EG, 2009/110/EG en 2013/36/EU en Verordening (EU) nr. 1093/2010 en houdende intrekking van richtlijn 2007/64/EG, die ressorteren onder het recht van een andere lidstaat en die in Belgiė betalingsdiensten aanbieden via één of meerdere personen die er gevestigd zijn en die de instelling hiervoor vertegenwoordigen;
  7° a) de uitgevers van elektronisch geld als bedoeld in artikel 163, 4° en 5°, van de voornoemde wet van 11 maart 2018;
  b) de instellingen voor elektronisch geld naar Belgisch recht als bedoeld in Boek IV, Titel II, hoofdstuk 1, van dezelfde wet;
  c) de in Belgiė gevestigde bijkantoren van instellingen voor elektronisch geld die ressorteren onder het recht van een andere lidstaat of van een derde land, als respectievelijk bedoeld in de artikelen 218 en 228 van dezelfde wet;
  d) de beperkte instellingen voor elektronisch geld als bedoeld in artikel 201, van dezelfde wet;
  e) de instellingen voor elektronisch geld bedoeld in artikel 2, punt 1 van richtlijn 2009/110/EG van het Europees Parlement en de Raad van 16 september 2009 betreffende de toegang tot, de uitoefening van en het prudentieel toezicht op de werkzaamheden van instellingen voor elektronisch geld, tot wijziging van de richtlijnen 2005/60/EG en 2006/48/EG en tot intrekking van richtlijn 2000/46/EG, die ressorteren onder het recht van een lidstaat en die in Belgiė elektronisch geld overmaken via één of meerdere personen die er gevestigd zijn en die de instelling hiervoor vertegenwoordigen;".

  Art. 102. In artikel 85, § 1, van dezelfde wet, gewijzigd bij de wet van 30 juli 2018, worden de volgende wijzigingen aangebracht:
  1° de bepaling onder 3° wordt aangevuld met de woorden ", ook voor wat betreft de activiteiten die deze entiteiten uitoefenen als kredietgevers in de zin van artikel I.9, 34°, van het Wetboek van economisch recht";
  2° de bepaling onder 4° wordt aangevuld met de woorden ", met uitsluiting van de kredietgevers in de zin van artikel I.9, 34°, van het Wetboek van economisch recht, die krachtens punt 3° onder de toezichtsbevoegdheid van de Nationale Bank van Belgiė vallen".

  Afdeling 6. - Wijzigingen van de wet van 11 maart 2018 betreffende het statuut van en het toezicht op de betalingsinstellingen en de instellingen voor elektronisch geld, de toegang tot het bedrijf van betalingsdienstaanbieder en tot de activiteit van uitgifte van elektronisch geld, en de toegang tot betalingssystemen

  Art. 103. In artikel 2, 5°, van de wet van 11 maart 2018 betreffende het statuut van en het toezicht op de betalingsinstellingen en de instellingen voor elektronisch geld, de toegang tot het bedrijf van betalingsdienstaanbieder en tot de activiteit van uitgifte van elektronisch geld, en de toegang tot betalingssystemen worden de woorden "en om een andere betaalrekening te crediteren" vervangen door de woorden "en om een andere rekening te crediteren".

  Art. 104. Artikel 6 van dezelfde wet wordt aangevuld met een paragraaf 3, luidende:
  " § 3. De paragrafen 1 en 2 zijn ook van toepassing op ondernemingen die ressorteren onder het recht van een andere lidstaat en die in Belgiė betalingsdiensten verrichten met betaalinstrumenten die enkel kunnen worden gebruikt in het kader van een beperkt netwerk.".

  Art. 105. Artikel 7 van dezelfde wet wordt aangevuld met een paragraaf 5, luidende:
  " § 5. De paragrafen 1 tot 4 zijn ook van toepassing op aanbieders van elektronischecommunicatienetwerken of -diensten die ressorteren onder het recht van een andere lidstaat en die in Belgiė betalingstransacties uitvoeren, mits voldaan is aan de voorwaarden van paragraaf 1.".

  Art. 106. In artikel 18, eerste lid, van dezelfde wet worden de woorden "de artikelen 73, 89, 90 en 92 van richtlijn (EU) 2015/2366" vervangen door de woorden "de artikelen 73, 90 en 92 van richtlijn (EU) 2015/2366".

  Art. 107. In artikel 21, § 1, 4°, van dezelfde wet worden de woorden "het beheer van de operationele risico's" vervangen door de woorden "het beheer van de operationele en veiligheidsrisico's".

  Art. 108. In artikel 44, § 1, van dezelfde wet worden de woorden "andere werkzaamheden dan betalingsdiensten en de in artikel 43 bedoelde werkzaamheden" vervangen door de woorden "andere werkzaamheden dan betalingsdiensten of dan de in artikel 43 bedoelde werkzaamheden".

  Art. 109. In artikel 110 van dezelfde wet worden de volgende wijzigingen aangebracht:
  1° in het eerste lid worden de woorden "overeenkomstig artikel 110/1 of" ingevoegd tussen de woorden "erkend zijn" en de woorden "overeenkomstig artikel 222 van de bankwet";
  2° in het tweede lid worden de woorden "overeenkomstig artikel 110/1 of" ingevoegd tussen de woorden "door de Bank" en de woorden "overeenkomstig artikel 222 van de bankwet".

  Art. 110. In boek II, titel II, hoofdstuk III, afdeling I, onderafdeling 3, van dezelfde wet wordt een artikel 110/1 ingevoegd, luidende:
  "Art. 110/1. De Bank legt bij reglement vastgesteld met toepassing van artikel 12bis, § 2, van de wet van 22 februari 1998 het reglement vast voor de erkenning van revisoren en revisorenvennootschappen.
  Het erkenningsreglement wordt uitgevaardigd na raadpleging van de erkende revisoren via hun representatieve beroepsvereniging.
  Het College van toezicht op de bedrijfsrevisoren dat opgericht is bij artikel 32 van de wet van 7 december 2016 tot organisatie van het beroep van en het publiek toezicht op de bedrijfsrevisoren, brengt de Bank op de hoogte telkens als een procedure wordt ingeleid of een maatregel en/of sanctie wordt genomen door dit College tegen een erkende revisor of een erkende revisorenvennootschap wegens een tekortkoming in de uitoefening van zijn of haar opdracht, met opgave van de motivering, en telkens als een verslag wordt opgesteld met toepassing van artikel 56, § 1, van de voornoemde wet van 7 december 2016. Het College brengt de Bank ook op de hoogte van alle soortgelijke procedures, maatregelen en/of sancties die in het buitenland worden opgelegd aan een erkende revisor of een erkende revisorenvennootschap en waarvan het College kennis heeft.".

  Art. 111. In artikel 114, derde lid, van dezelfde wet worden de woorden "artikel 110/1 of" ingevoegd tussen de woorden "bedoeld in" en de woorden "in artikel 222".

  Art. 112. In artikel 115, § 3, derde lid, 2°, van dezelfde wet worden de woorden "van artikel 1, 2° " vervangen door de woorden "van het eerste lid, 2° ".

  Art. 113. Artikel 147, § 2, eerste lid, van dezelfde wet, gewijzigd bij de wet van 30 juli 2018, wordt aangevuld met de bepalingen onder 4° en 5°, luidende:
  "4° waarbinnen zij zich moet conformeren aan een vereiste dat door de Bank is opgelegd met toepassing van de bepalingen van deze wet, van een ter uitvoering ervan genomen koninklijk besluit of reglement of van de uitvoeringsmaatregelen van richtlijn (EU) 2015/2366 of van de bepalingen van titel II van Verordening (EU) nr. 648/2012 of van de artikelen 4 en 15 van Verordening (EU) nr. 2015/2365;
  5° waarbinnen zij zich moet conformeren aan de vereisten die door de Bank zijn vastgesteld als voorwaarden voor een besluit genomen met toepassing van deze wet, van een ter uitvoering ervan genomen koninklijk besluit of reglement of van de uitvoeringsmaatregelen van richtlijn (EU) 2015/2366 of van de bepalingen van titel II van Verordening (EU) nr. 648/2012 of van de artikelen 4 en 15 van Verordening (EU) nr. 2015/2365, met name het verlenen van toestemming of van een afwijking.".

  Art. 114. In artikel 148 van dezelfde wet, gewijzigd bij de wet van 30 juli 2018, wordt paragraaf 1 vervangen als volgt:
  " § 1. Onverminderd andere bij deze wet voorgeschreven maatregelen en onverminderd de bij andere wetten, besluiten of reglementen voorgeschreven maatregelen, kan de Bank, indien zij
  a) een inbreuk vaststelt op de bepalingen van boek II van deze wet, op de maatregelen genomen in uitvoering ervan;
  b) een inbreuk vaststelt op de bepalingen van de uitvoeringsmaatregelen van richtlijn (EU) 2015/2366 of op de bepalingen van titel II van Verordening (EU) nr. 648/2012 of op de artikelen 4 en 15 van Verordening (EU) nr. 2015/2365;
  c) vaststelt dat een vereiste dat door de Bank is opgelegd met toepassing van het bepaalde in a) of b), niet wordt nageleefd;
  d) vaststelt dat vereisten die door de Bank zijn vastgesteld als voorwaarden voor een besluit genomen met toepassing van het bepaalde in a) of b), met name het verlenen van toestemming of van een afwijking, niet worden nageleefd,
  een administratieve geldboete opleggen aan een betalingsinstelling naar Belgisch of buitenlands recht die in Belgiė is gevestigd, aan een in artikel 5, § 1, 1° en 2° bedoelde betalingsdienstaanbieder die zich niet conformeert aan artikel 145, aan een of meer leden van het wettelijk bestuursorgaan van deze entiteiten en/of aan de personen die deelnemen aan hun effectieve leiding, die voor de vastgestelde tekortkoming verantwoordelijk zijn.".

  Art. 115. In dezelfde wet wordt artikel 164, waarvan de bestaande tekst paragraaf 1 zal vormen, aangevuld met een paragraaf 2, luidende:
  " § 2. Paragraaf 1 is ook van toepassing op ondernemingen die ressorteren onder het recht van een andere lidstaat en die in Belgiė elektronisch geld uitgeven dat enkel kan worden gebruikt in het kader van een beperkt netwerk.".

  Art. 116. In artikel 229, § 2, van dezelfde wet, gewijzigd bij de wet van 30 juli 2018, worden de volgende wijzigingen aangebracht:
  1° het eerste lid, 1°, wordt aangevuld met de woorden "aan bepalingen van de uitvoeringsmaatregelen van richtlijn 2009/110/EG;";
  2° het eerste lid wordt aangevuld met de bepalingen onder 4° en 5°, luidende:
  "4° waarbinnen zij zich moet conformeren aan een vereiste dat door de Bank is opgelegd met toepassing van de bepalingen van deze wet, van een ter uitvoering ervan genomen koninklijk besluit of reglement of van de uitvoeringsmaatregelen van richtlijn 2009/110/EG; of
  5° waarbinnen zij zich moet conformeren aan de vereisten die door de Bank zijn vastgesteld als voorwaarden voor een besluit genomen met toepassing van deze wet, van een ter uitvoering ervan genomen koninklijk besluit of reglement of van de uitvoeringsmaatregelen van richtlijn 2009/110/EG, met name het verlenen van toestemming of van een afwijking.".

  Art. 117. In artikel 230 van dezelfde wet, gewijzigd bij de wet van 30 juli 2018, wordt paragraaf 1 vervangen als volgt:
  " § 1. Onverminderd andere bij deze wet voorgeschreven maatregelen en onverminderd de bij andere wetten, besluiten of reglementen voorgeschreven maatregelen, kan de Bank, indien zij
  a) een inbreuk vaststelt op de bepalingen van boek IV van deze wet, op de maatregelen genomen in uitvoering ervan;
  b) een inbreuk vaststelt op de bepalingen van de uitvoeringsmaatregelen van richtlijn 2009/110/EG of een inbreuk op de bepalingen van Titel II van Verordening (EU) nr. 648/2012 of op de artikelen 4 en 15 van Verordening (EU) nr. 2015/2365;
  c) vaststelt dat een vereiste dat door de Bank is opgelegd met toepassing van het bepaalde in a) of b), niet wordt nageleefd;
  d) vaststelt dat vereisten die door de Bank zijn vastgesteld als voorwaarden voor een besluit genomen met toepassing van het bepaalde in a) of b), met name het verlenen van toestemming of van een afwijking, niet worden nageleefd, een administratieve geldboete opleggen aan een instelling voor elektronisch geld naar Belgisch of buitenlands recht die in Belgiė is gevestigd, aan een of meer leden van het wettelijk bestuursorgaan van deze instelling en/of aan de personen die deelnemen aan haar effectieve leiding, die voor de vastgestelde tekortkoming verantwoordelijk zijn.".

  Art. 118. Artikel 236 van dezelfde wet wordt aangevuld met een lid, luidende:
  "Hetzelfde geldt voor inbreuken als bedoeld in artikel 1 van het koninklijk besluit nr. 22 van 24 oktober 1934 betreffende het rechterlijk verbod aan bepaalde veroordeelden en gefailleerden om bepaalde ambten, beroepen of werkzaamheden uit te oefenen, die bij een strafrechter aanhangig zijn gemaakt tegen een persoon als bedoeld in artikel 20, § 1, eerste lid.".

  Afdeling 7. - Wijzigingen van het Gerechtelijk Wetboek

  Art. 119. Artikel 578 van het Gerechtelijk Wetboek, laatstelijk gewijzigd bij de wet van 6 december 2018, wordt aangevuld met de bepaling onder 27°, luidende:
  "27° van de geschillen betreffende vergelding, discriminatie en andere vormen van nadelige behandeling of nadelige maatregelen, die verband houden met de melding van een inbreuk in de zin van artikel 36/7/1 van de wet van 22 februari 1998 tot vaststelling van het organiek statuut van de Nationale Bank van Belgiė, onder voorbehoud van de bevoegdheden van de Raad van State, zoals bepaald door de gecoördineerde wetten van 12 januari 1973 op de Raad van State, voor wat betreft de statutaire personeelsleden.".

  Art. 120. Artikel 581 van het Gerechtelijk Wetboek, laatstelijk gewijzigd bij de wet van 31 juli 2017, wordt aangevuld met de bepaling onder 15°, luidende:
  "15° van de geschillen betreffende vergelding, discriminatie en andere vormen van nadelige behandeling of maatregelen, die verband houden met de melding van een inbreuk in de zin van artikel 36/7/1 van de wet van 22 februari 1998 tot vaststelling van het organiek statuut van de Nationale Bank van Belgiė en die betrekking hebben op zelfstandige beroepen.".

  Afdeling 8. - Wijzigingen van het Wetboek van economisch recht

  Art. 121. In artikel XX.1 van het Wetboek van economisch recht, wordt paragraaf 2, laatstelijk gewijzigd bij de wet van 30 juli 2018, vervangen als volgt:
  " § 2. De bepalingen van de titels 2, 3, 4 en 5 van dit boek zijn niet van toepassing op de kredietinstellingen, de verzekeringsondernemingen, de herverzekeringsondernemingen, de beleggingsondernemingen, de beheervennootschappen van instellingen voor collectieve belegging, de instellingen voor bedrijfspensioenvoorziening, de centrale tegenpartijen, de vereffeningsinstellingen, de centrale effectenbewaarinstellingen, de instellingen die ondersteuning verlenen aan centrale effectenbewaarinstellingen, de depositobanken, de financiėle holdings en de gemengde financiėle holdings.".

  TITEL III. - DIVERSE FINANCIELE BEPALINGEN

  HOOFDSTUK 1. - Wijzigingen van de wet van 2 augustus 2002 betreffende het toezicht op de financiėle sector et de financiėle diensten

  Art. 122. In artikel 2, eerste lid, van de wet van 2 augustus 2002 betreffende het toezicht op de financiėle sector en de financiėle diensten, laatstelijk gewijzigd bij de wet van 30 juli 2018, worden de volgende wijzigingen aangebracht:
  1° er wordt een bepaling onder 55/1° ingevoegd, luidende:
  "55° /1 "Verordening 2017/2402": Verordening (EU) 2017/2402 van het Europees Parlement en de Raad van 12 december 2017 tot vaststelling van een algemeen kader voor securitisatie en tot instelling van een specifiek kader voor eenvoudige, transparante en gestandaardiseerde securitisatie, en tot wijziging van de richtlijnen 2009/65/EG, 2009/138/EG en 2011/61/EU en de Verordeningen (EG) nr. 1060/2009 en (EU) nr. 648/2012;";
  2° het lid wordt aangevuld met de bepalingen onder 69° tot 72°, luidende:
  "69° "Verordening 2016/1011": Verordening (EU) 2016/1011 van het Europees Parlement en de Raad van 8 juni 2016 betreffende indices die worden gebruikt als benchmarks voor financiėle instrumenten en financiėle overeenkomsten of om de prestatie van beleggingsfondsen te meten en tot wijziging van richtlijnen 2008/48/EG en 2014/17/EU en Verordening (EU) nr. 596/2014;
  70° "benchmark": een benchmark in de zin van artikel 3, lid 1, 3), van Verordening 2016/1011";
  71° "benchmarkbeheerder": een beheerder in de zin van artikel 3, lid 1, 6), van Verordening 2016/1011;
  72° "transactieregister": een transactieregister in de zin van artikel 2, 2), van Verordening 648/2012"."

  Art. 123. In artikel 23quater, § 2, derde lid, van dezelfde wet, laatstelijk gewijzigd bij de wet van 30 juli 2018, worden de woorden "op vereffeningssystemen" vervangen door de woorden "op afwikkelingssystemen".

  Art. 124. In artikel 25 van dezelfde wet, laatstelijk gewijzigd bij de wet van 30 juli 2018, wordt paragraaf 1 aangevuld met een lid, luidende:
  "De bepalingen van de artikelen 36 en 37 zijn van toepassing ingeval de op grond van het tweede lid, 3°, opgelegde verplichtingen of maatregelen niet worden nageleefd.".

  Art. 125. Artikel 35, § 1, van dezelfde wet, laatstelijk gewijzigd bij de wet van 27 juni 2016, wordt aangevuld met een lid, luidende:
  "Voor de uitoefening van haar toezicht op de naleving van de bepalingen van Verordening 2016/1011 of wanneer zij een verzoek ontvangt van een autoriteit als bedoeld in het eerste lid, 2° of 3°, kan de FSMA van de contribuanten die actief zijn op de betrokken spotmarkten inlichtingen vorderen over de grondstoffenbenchmarks, indien van toepassing overeenkomstig genormaliseerde indelingen en verslagen van transacties. De FSMA kan ook directe toegang vorderen tot de systemen van de betrokken marktexploitanten.".

  Art. 126. In artikel 36, § 2, van dezelfde wet, laatstelijk gewijzigd bij de wet van 30 juli 2018, worden de volgende wijzigingen aangebracht:
  1° het tweede lid wordt aangevuld met de bepalingen onder 9°, 10° en 11°, luidende:
  "9° in geval van een inbreuk op de artikelen 4 tot 10, 11, lid 1, punten a), b), c) of e), lid 2 of lid 3, 12 tot 16, 21, 23 tot 29 of 34 van Verordening 2016/1011 of op de bepalingen die op basis of ter uitvoering van die artikelen zijn genomen: voor natuurlijke personen, 500 000 euro, en, voor rechtspersonen, 1 000 000 euro, of, indien dit hoger is, tien procent van de totale jaaromzet. Wanneer de inbreuk voor de overtreder winst heeft opgeleverd of hem heeft toegelaten verlies te vermijden, mag dit maximum worden verhoogd tot het drievoud van het bedrag van deze winst of dit verlies;
  10° in geval van een inbreuk op artikel 11, lid 1, punt d), of lid 4, van Verordening 2016/1011 of op de bepalingen die op grond of ter uitvoering van dat artikel zijn genomen: voor natuurlijke personen, 100 000 euro, en, voor rechtspersonen, 250 000 euro, of, indien dit hoger is, twee procent van de totale jaaromzet. Wanneer de inbreuk voor de overtreder winst heeft opgeleverd of hem heeft toegelaten verlies te vermijden, mag dit maximum worden verhoogd tot het drievoud van het bedrag van deze winst of dit verlies;
  "11° in geval van een inbreuk op de artikelen 5 tot 9 of 17 tot 28 van Verordening 2017/2402, of de op grond of ter uitvoering van deze artikelen genomen bepalingen: voor natuurlijke personen 5 000 000 euro en voor rechtspersonen 5 000 000 euro of tien procent van de totale nettojaaromzet. Wanneer de inbreuk voor de overtreder winst heeft opgeleverd of hem heeft toegelaten verlies te vermijden, mag dit maximum worden verhoogd tot het tweevoud van het bedrag van deze winst of dit verlies.";
  2° in het vierde lid worden de woorden "het tweede lid, 1°, 6°, 7° of 8° " vervangen door de woorden "het tweede lid, 1°, 6°, 7°, 8°, 9°, 10° of 11° ".

  Art. 127. In artikel 36bis van dezelfde wet, laatstelijk gewijzigd bij de wet van 30 juli 2018, worden de volgende wijzigingen aangebracht:
  1° in § 1, eerste lid, worden de woorden ", een benchmarkbeheerder" ingevoegd tussen de woorden "een depositobank" en de woorden "of een centrale tegenpartij";
  2° in § 2 worden de volgende wijzigingen aangebracht:
  a) in de bepaling onder 1° worden de woorden ", benchmarkbeheerdiensten" ingevoegd tussen de woorden "van een depositobank" en de woorden "of verzekeringsdiensten";
  b) in de bepaling onder 3° worden de woorden "of, indien het een geregistreerd benchmarkbeheerder betreft, de registratie" ingevoegd tussen de woorden "de vergunning" en de woorden "zelf herroepen";
  3° in paragraaf 6 wordt het tweede lid opgeheven.

  Art. 128. In artikel 37bis van dezelfde wet, vervangen bij de wet van 21 november 2017, worden de volgende wijzigingen aangebracht:
  1° in het vierde lid worden de woorden "genomen door de FSMA krachtens deze verordening" vervangen door de woorden "genomen door de FSMA, ESMA, EIOPA of EBA krachtens deze verordening";
  2° het vierde lid wordt aangevuld met de volgende zin: "De bepalingen van de artikelen 36 en 37 zijn ook van toepassing ingeval de op grond van het tweede lid, 2°, opgelegde verplichtingen of maatregelen niet worden nageleefd.".

  Art. 129. In artikel 37ter, van dezelfde wet, ingevoegd bij de wet van 30 juli 2013, worden de volgende wijzigingen aangebracht:
  a) de bepaling onder 1° wordt vervangen als volgt:
  "1° de bevoegdheden bedoeld in de artikelen 34 en 35 uitoefenen ten aanzien van alle natuurlijke of rechtspersonen;"
  b) in het vierde lid, wordt de bepaling onder 2° vervangen als volgt:
  "2° de bevoegdheden bedoeld in de artikelen 79 tot 85bis uitoefenen overeenkomstig de nadere bepalingen in die artikelen;"
  c) het zesde lid wordt aangevuld met de volgende zin: "De bepalingen van de artikelen 36 en 37 zijn ook van toepassing ingeval de op grond van het vierde lid, 2°, opgelegde verplichtingen of maatregelen niet worden nageleefd.".

  Art. 130. Artikel 37quinquies van dezelfde wet, ingevoegd bij de wet van 18 december 2015, wordt vervangen als volgt:
  "Art. 37quinquies. De FSMA staat in voor de taken die aan de bevoegde autoriteit worden toevertrouwd door Verordening 2016/1011 en ziet toe op de naleving van die Verordening en van de op basis of ter uitvoering ervan genomen bepalingen.
  Voor de uitoefening van deze taken kan de FSMA:
  1° de in de artikelen 34 en 35 bedoelde bevoegdheden uitoefenen ten aanzien van alle natuurlijke of rechtspersonen;
  2° de in de artikelen 79 tot 85bis bedoelde bevoegdheden uitoefenen overeenkomstig de nadere bepalingen in die artikelen;
  3° de natuurlijke personen die verantwoordelijk worden gehouden voor een inbreuk op de bepalingen van Verordening 2016/1011 tijdelijk verbieden om leidinggevende functies uit te oefenen bij benchmarkbeheerders of onder toezicht staande contribuanten in de zin van deze Verordening.
  De FSMA kan ook alle noodzakelijke maatregelen nemen om te waarborgen dat het publiek juist wordt geļnformeerd over de het aanbieden van benchmarks, inclusief het opdragen van een verklaring tot correctie of het corrigeren van vorige input voor of cijfers van de benchmark aan de relevante benchmarkbeheerder of de persoon die de benchmark heeft bekendgemaakt of verspreid, of aan beide.
  De artikelen 36 en 37 zijn van toepassing ingeval de in het eerste lid bedoelde Verordening, de op basis of ter uitvoering van die Verordening genomen bepalingen, alsook de krachtens die Verordening of haar uitvoeringsbepalingen door de FSMA genomen maatregelen niet worden nageleefd. De bepalingen van de artikelen 36 en 37 zijn ook van toepassing ingeval de op grond van het tweede lid, 2°, opgelegde verplichtingen of maatregelen niet worden nageleefd.".

  Art. 131. In artikel 37sexies, § 4, van dezelfde wet, ingevoegd bij de wet van 18 april 2017, worden de volgende wijzigingen aangebracht:
  a) in het eerste lid, wordt de bepaling onder 2° vervangen als volgt:
  "2° de bevoegdheden bedoeld in de artikelen 79 tot 85bis uitoefenen overeenkomstig de in de nadere bepalingen in die artikelen;"
  b) in het tweede lid worden de woorden ", 36bis" opgeheven;
  c) het tweede lid wordt aangevuld met de volgende zin:
  "De bepalingen van de artikelen 36 en 37 zijn ook van toepassing ingeval de op grond van het eerste lid, 2°, opgelegde verplichtingen of maatregelen niet worden nageleefd.".

  Art. 132. In dezelfde wet wordt een artikel 37septies ingevoegd, luidende:
  "Art. 37septies. § 1. Met het oog op:
  1° de opdrachten bedoeld in artikel 29, lid 1, 2 en 3, van Verordening 2017/2402 met betrekking tot de beheerders van AICB's, de instellingen voor collectieve belegging en de beheervennootschappen van instellingen voor collectieve belegging, de instellingen voor bedrijfspensioenvoorziening en de vennootschappen voor vermogensbeheer en beleggingsadvies; en
  2° het toezicht op de naleving van artikel 3 van Verordening 2017/2402,
  kan de FSMA:
  1° de bevoegdheden uitoefenen als bedoeld in de artikelen 34 en 35;
  2° de bevoegdheden uitoefenen als bedoeld in de artikelen 79 tot 85bis conform de regels vervat in die artikelen.
  § 2. De artikelen 36 en 37 zijn van toepassing ingeval een in artikel 29, lid 1, 2 of 3 van Verordening 2017/2402 bedoelde entiteit die onder het toezicht van de FSMA staat, een inbreuk maakt op de verplichtingen en verbodsbepalingen die voortvloeien uit de artikelen 5 tot 9 van deze Verordening of uit de op grond of ter uitvoering van deze artikelen genomen bepalingen, dan wel een inbreuk maakt op de krachtens deze Verordening of haar uitvoeringsbepalingen door de FSMA genomen maatregelen. De bepalingen van de artikelen 36 en 37 zijn ook van toepassing in geval van schending van de verplichtingen of maatregelen opgelegd krachtens paragraaf 1, 2°. ".

  Art. 133. In artikel 45, § 1, van dezelfde wet, laatstelijk gewijzigd bij de wet van 30 juli 2018, worden de volgende wijzigingen aangebracht:
  1° in het eerste lid worden de volgende wijzigingen aangebracht:
  a) de bepaling onder 1° wordt vervangen als volgt:
  "1° toe te zien op de naleving van de regels die de bescherming van de belangen van de belegger beogen bij verrichtingen in financiėle instrumenten en andere beleggingsinstrumenten, en op de naleving van de regels die de goede werking, de integriteit en de transparantie van de markten voor financiėle instrumenten en andere beleggingsinstrumenten moeten waarborgen, en meer in het bijzonder van de regels bedoeld in hoofdstuk II, de bepalingen van de wet van 21 november 2017 over de infrastructuren voor de markten voor financiėle instrumenten en houdende omzetting van richtlijn 2014/65/EU en de besluiten en reglementen genomen ter uitvoering van al het voorgaande";
  b) in de bepaling onder 2° worden de volgende wijzigingen aangebracht:
  1° de bepaling onder a. wordt vervangen als volgt:
  "a. de vennootschappen voor vermogensbeheer en beleggingsadvies bedoeld in de wet van 25 oktober 2016, de beheervennootschappen van instellingen voor collectieve belegging, de beheerders van AICB's bedoeld in de wet van 19 april 2014 betreffende de alternatieve instellingen voor collectieve belegging en hun beheerders, en de wisselkantoren bedoeld in de wet van 25 oktober 2016 en haar uitvoeringsbesluiten";
  2° de bepaling onder b. wordt aangevuld met de woorden "bedoeld in de wet van 3 augustus 2012 betreffende de instellingen voor collectieve belegging die voldoen aan de voorwaarden van richtlijn 2009/65/EG en de instellingen voor belegging in schuldvorderingen, en in de wet van 19 april 2014 betreffende de alternatieve instellingen voor collectieve belegging en hun beheerders";
  3° de bepaling onder h. wordt aangevuld met de woorden "bedoeld in de wet van 12 mei 2014 betreffende de gereglementeerde vastgoedvennootschappen";
  4° de bepaling onder 2° wordt aangevuld met een bepaling onder m., luidende:
  "m. de benchmarkbeheerders bedoeld in Verordening (EU) 2016/1011";
  c) in de bepaling onder 3° worden de volgende wijzigingen aangebracht:
  1° de woorden "toe te zien op de naleving door de kredietinstellingen, de verzekeringsondernemingen, de beursvennootschappen, de centrale tegenpartijen, de centrale effectenbewaarinstellingen, de instellingen die ondersteuning verlenen aan centrale effectenbewaarinstellingen, en de depositobanken, van de volgende bepalingen, voor zover die op hen van toepassing zijn" worden vervangen door de woorden "toe te zien op de naleving door de kredietinstellingen, de verzekeringsondernemingen, de herverzekeringsondernemingen, de beursvennootschappen, de centrale tegenpartijen, de transactieregisters, de centrale effectenbewaarinstellingen, de instellingen die ondersteuning verlenen aan centrale effectenbewaarinstellingen, en de depositobanken, van de volgende bepalingen en de ter uitvoering ervan genomen besluiten en reglementen, voor zover die op hen van toepassing zijn:";
  2° de bepaling onder a. wordt vervangen als volgt:
  "a. de regels bedoeld in hoofdstuk II;";
  3° in de bepaling onder c. worden de woorden "en haar uitvoeringsbesluiten en -reglementen" opgeheven;
  4° in de bepaling onder h. worden de woorden "in artikel 16, § 2," vervangen door de woorden "in de bepalingen bedoeld in artikel 16, § 7,";
  d) in de bepaling onder 4° worden de volgende wijzigingen aangebracht:
  1° de aanhef wordt vervangen als volgt:
  "toe te zien op de naleving van de volgende bepalingen en de ter uitvoering ervan genomen besluiten en reglementen:";
  2° de bepaling onder c. wordt aangevuld met de woorden ", wat het aanvullend pensioen voor bedrijfsleiders betreft";
  3° in de bepaling onder d. worden de woorden "titel 2" vervangen door de woorden "titel II" en worden de woorden "natuurlijke persoon" vervangen door de woorden "natuurlijk persoon";
  4° er wordt een bepaling onder e. ingevoegd, luidende:
  "e. artikel 12 van de wet van 10 mei 2007 ter bestrijding van bepaalde vormen van discriminatie, in de mate dat artikel 32 van die wet voorziet in de bevoegdheid van de FSMA, en artikel 12 van de wet van 10 mei 2007 ter bestrijding van discriminatie tussen vrouwen en mannen, in de mate dat artikel 38 van die wet voorziet in de bevoegdheid van de FSMA;";
  e) er wordt een bepaling onder 4° /1 ingevoegd, luidende:
  "4° /1 toe te zien op de naleving van de volgende bepalingen en de ter uitvoering ervan genomen besluiten en reglementen:
  a. de bepalingen bedoeld in artikel 15, eerste lid, van de wet van 21 december 2013 betreffende diverse bepalingen inzake de financiering voor kleine en middelgrote ondernemingen;
  b. de bepalingen bedoeld in artikel 17, § 1, van de wet van 26 december 2013 houdende diverse bepalingen inzake de thematische volksleningen;";
  f) in de bepaling onder 6° worden de woorden "van de afnemers van financiėle producten of diensten" opgeheven;
  g) in de bepaling onder 7° worden de woorden "en zijn uitvoeringsbesluiten" vervangen door de woorden "en de ter uitvoering ervan genomen besluiten en reglementen";
  2° de paragraaf wordt aangevuld met een lid, luidende:
  "De FSMA heeft eveneens als opdracht, in de mate waarin de wet van 18 september 2017 tot voorkoming van het witwassen van geld en de financiering van terrorisme en tot beperking van het gebruik van contanten hierin voorziet, toe te zien op de naleving door de onderworpen entiteiten bedoeld in artikel 85, § 1, 4°, van dezelfde wet, van de wettelijke en reglementaire of Europeesrechtelijke bepalingen die strekken tot voorkoming van het gebruik van het financiėle stelsel voor het witwassen van geld en de financiering van terrorisme, evenals van de financiering van de proliferatie van massavernietigingswapens.".

  Art. 134. In artikel 72, § 3, van dezelfde wet, laatstelijk gewijzigd bij de wet van 30 juli 2018, worden de volgende wijzigingen aangebracht:
  1° het eerste lid wordt aangevuld met een bepaling onder 10°, luidende:
  "10° in geval van een inbreuk op de bepalingen van Verordening (EU) 2016/1011, het cruciale karakter van de benchmark voor de financiėle stabiliteit en de reėle economie";
  2° het tiende en het elfde lid worden opgeheven.

  Art. 135. In hoofdstuk III, afdeling 6, van dezelfde wet wordt een artikel 77quinquies ingevoegd, luidende:
  "Art. 77quinquies. § 1. De FSMA stelt ESMA in kennis van de volgende beslissingen over een inbreuk op de bepalingen tot omzetting van richtlijn 2009/65/EG van het Europees Parlement en de Raad van 13 juli 2009 tot coördinatie van de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen betreffende bepaalde instellingen voor collectieve belegging in effecten (icbe's), op de bepalingen tot omzetting van richtlijn 2014/65/EU, op de bepalingen van Verordening 600/2014, of op de bepalingen genomen op basis of ter uitvoering van deze bepalingen of deze Verordening, met inbegrip van elk beroep tegen deze beslissingen en de afloop daarvan:
  - de maatregelen die zij openbaar maakt;
  - de minnelijke schikkingen die zij aanvaardt;
  - de beslissingen van de sanctiecommissie waarbij een inbreuk wordt vastgesteld.
  De FSMA verstrekt ESMA tevens jaarlijks geaggregeerde informatie over de in het vorige lid bedoelde beslissingen en over de niet openbaar gemaakte maatregelen die zij heeft genomen in geval van een in het vorige lid bedoelde inbreuk, alsook over dergelijke beslissingen over een inbreuk op de bepalingen tot omzetting van richtlijn 2011/61/EU van het Europees Parlement en de Raad van 8 juni 2011 inzake beheerders van alternatieve beleggingsinstellingen en tot wijziging van de richtlijnen 2003/41/EG en 2009/65/EG en van de Verordeningen (EG) nr. 1060/2009 en (EU) nr. 1095/2010 of op de bepalingen genomen op basis of ter uitvoering van deze bepalingen.
  § 2. De FSMA stelt EIOPA in kennis van de volgende beslissingen over een inbreuk op de bepalingen tot omzetting van richtlijn (EU) 2016/97 van het Europees Parlement en de Raad van 20 januari 2016 betreffende verzekeringsdistributie (herschikking) of op de bepalingen genomen op basis of ter uitvoering van deze bepalingen, met inbegrip van elk beroep tegen deze beslissingen en de afloop daarvan:
  - de maatregelen die zij neemt;
  - de minnelijke schikkingen die zij aanvaardt;
  - de beslissingen van de sanctiecommissie waarbij een inbreuk wordt vastgesteld.
  De FSMA verstrekt EIOPA tevens jaarlijks geaggregeerde informatie over de in het vorige lid bedoelde beslissingen.
  § 3. De FSMA leeft daarnaast de verplichtingen na die in de Europese Verordeningen waarvoor zij als bevoegde autoriteit is aangeduid, zijn vermeld om ESMA, EIOPA of EBA kennis te geven van beslissingen over een inbreuk op de bepalingen van deze Verordeningen of op de bepalingen genomen op basis of ter uitvoering van deze Verordeningen.".

  Art. 136. In artikel 85, eerste lid, van dezelfde wet, laatstelijk gewijzigd bij de wet van 31 juli 2017, worden de woorden "of Verordening 600/2014" vervangen door de woorden "of van de Europese Verordeningen als bedoeld in artikelen 37bis, 37ter, 37quinquies tot 37septies"

  Art. 137. In artikel 86bis, § 1, eerste lid, van dezelfde wet, wordt de bepaling onder 3° vervangen als volgt:
  "3° betalingsdiensten in Belgiė aanbiedt of de activiteit van uitgifte van elektronisch geld in Belgiė verricht zonder te beantwoorden aan het bepaalde bij de artikelen 5, 120, 124, 127, 144, 163, 218 (dat verwijst naar artikel 120), 219 (dat verwijst naar artikel 124) of 220 (dat verwijst naar artikel 127) van de wet van 11 maart 2018 betreffende het statuut van en het toezicht op de betalingsinstellingen en de instellingen voor elektronisch geld, de toegang tot het bedrijf van betalingsdienstaanbieder en tot de activiteit van uitgifte van elektronisch geld, en de toegang tot betalingssystemen".

  Art. 138. In artikel 121, § 1, eerste lid, 4bis°, van dezelfde wet, ingevoegd bij de wet van 7 december 2016, worden de woorden "wet van ... december 2016 tot organisatie" vervangen door de woorden "wet van 7 december 2016 tot organisatie".

  HOOFDSTUK 2. - Wijziging van de wet van 15 december 2004 betreffende financiėle zekerheden en houdende diverse fiscale bepalingen inzake zakelijke zekerheidsovereenkomsten en leningen met betrekking tot financiėle instrumenten

  Art. 139. Artikel 7, § 2, van de wet van 26 december 2013 houdende diverse fiscale bepalingen inzake zakelijke zekerheidsovereenkomsten en leningen met betrekking tot financiėle, gewijzigd bij de wet van 25 december 2016, wordt aangevuld met de woorden: ", eerste tot en met derde lid.".

  HOOFDSTUK 3. - Wijzigingen van de wet van 22 maart 2006 betreffende de bemiddeling in bank- en beleggingsdiensten en de distributie van financiėle instrumenten

  Art. 140. In artikel 4 van de wet van 22 maart 2006 betreffende de bemiddeling in bank- en beleggingsdiensten en de distributie van financiėle instrumenten, laatstelijk gewijzigd bij de wet van 21 november 2017, worden de volgende wijzigingen aangebracht:
  a) in de bepaling onder 8° worden de woorden "de wet van 27 maart 1995 betreffende de verzekeringsbemiddeling en de distributie van verzekeringen" vervangen door de woorden "de wet van 4 april 2014 betreffende de verzekeringen";
  b) de bepaling onder 13° wordt vervangen als volgt:
  "13° "richtlijn 2014/65/EU": de richtlijn 2014/65/EU van het Europees Parlement en de Raad van 15 mei 2014 betreffende markten voor financiėle instrumenten en tot wijziging van richtlijn 2002/92/EG en richtlijn 2011/61/EU;".

  Art. 141. In artikel 5, § 1, van dezelfde wet, gewijzigd bij de wet van 25 oktober 2016 en bij de wet van 21 november 2017, worden de volgende wijzigingen aangebracht:
  1° het eerste lid wordt aangevuld met de volgende zin: "De activiteit van verbonden agent in de zin van richtlijn 2014/65/EU kan in Belgiė evenwel worden uitgeoefend door agenten die niet in Belgiė zijn gevestigd en zijn ingeschreven in het register van de verbonden agenten in de lidstaat van de Europese Economische Ruimte waar zij gevestigd zijn";
  2° in het vierde lid, worden de woorden "richtlijn 2004/39/EG betreffende financiėle instrumenten" vervangen door de woorden "richtlijn 2014/65/EU";
  3° het vijfde lid wordt vervangen als volgt:
  "De in Belgiė gevestigde agenten in bank- en beleggingsdiensten die, overeenkomstig de voornoemde richtlijn, de in artikel 4, 1°, b), bedoelde beleggingsdiensten verrichten in naam en voor rekening van een beleggingsonderneming of een kredietinstelling die ressorteert onder het recht van een andere lidstaat van de Europese Economische Ruimte, worden gelijkgesteld met een bijkantoor wanneer in Belgiė een bijkantoor is gevestigd in de zin van artikel 2, 26) van de wet van 25 oktober 2016. In ieder geval zijn de voorschriften bepaald door de artikelen 10 en 70 tot 82 van de wet van 25 oktober 2016 en door de artikelen 590 en 592 tot 600 van de wet van 25 april 2014 van toepassing.".

  Art. 142. In artikel 7, § 1, van dezelfde wet wordt het vierde lid opgeheven.

  Art. 143. In artikel 8 van dezelfde wet, laatstelijk gewijzigd bij de wet van 21 november 2017, worden de volgende wijzigingen aangebracht:
  1° in het eerste lid wordt de bepaling onder 8° vervangen als volgt:
  "8° aansluiten bij Ombudsfin, de gekwalificeerde entiteit voor de buitengerechtelijke regeling van consumentengeschillen inzake financiėle diensten, in de zin van boek XVI van het Wetboek van economisch recht. Hij dient ofwel zelf toegetreden te zijn tot die klachtenregeling, ofwel lid te zijn van een beroepsvereniging die is toegetreden. De tussenpersoon dient bij te dragen tot de financiering van bedoelde klachtenregeling en in te gaan op elk verzoek om informatie dat hij in het kader van die regeling ontvangt;";
  2° in het tweede lid wordt de bepaling onder 2° opgeheven;
  3° in de derde lid worden de woorden "en in het geval van artikel 7, § 1, vierde lid, de centrale instelling" en de woorden "bij reglement" opgeheven.

  Art. 144. In artikel 9 van dezelfde wet, gewijzigd bij de wetten van 6 april 2010, 25 april 2014 en 25 oktober 2016, worden de volgende wijzigingen aangebracht:
  a) in de bepaling onder 1°, worden de woorden "en beschikken over de noodzakelijke professionele betrouwbaarheid, de vereiste beroepskennis in de zin van artikel 8, eerste lid, 1°, en de passende ervaring om deze functie waar te nemen", vervangen door de woorden "en over de voor de uitoefening van hun functie vereiste passende deskundigheid en professionele betrouwbaarheid beschikken";
  b) in de bepaling onder 2°, worden de woorden "artikel 3, 27°, van de wet van 25 april 2014" vervangen door de woorden "artikel 3, 26°, van de wet van 25 april 2014";
  c) het artikel wordt aangevuld met een bepaling onder 3°, luidende:
  "3° de personen belast met de effectieve leiding die de facto de verantwoordelijkheid hebben over de werkzaamheid van bemiddeling in bank- en beleggingsdiensten, moeten de beroepskennis bezitten als bedoeld in artikel 8, eerste lid, 1°. ".

  Art. 145. In artikel 11, § 1/1, van dezelfde wet, ingevoegd bij de wet van 21 november 2017, worden de woorden "artikel 26, § 2, en 5" vervangen door de woorden "artikelen 26, § 2, en 5, en 26/1, § 2".

  Art. 146. In de Franse tekst van artikel 12, § 1, 2°, van dezelfde wet, gewijzigd bij de wet van 25 april 2014 en bij de wet van 25 oktober 2016, wordt het woord "compte" ingevoegd tussen de woorden "pour son propre" en de woorden ", des activités".

  Art. 147. In artikel 14, § 1, van dezelfde wet, vervangen bij de wet van 30 juli 2013 en gewijzigd bij de wet van 21 november 2017, worden de volgende wijzigingen aangebracht:
  1° in het tweede lid, wordt de eerste zin aangevuld met de woorden ", alsook door de bepalingen van de besluiten en reglementen en van de overeenkomstig richtlijn 2014/65/EU vastgestelde overeenkomstige gedelegeerde handelingen, die ter uitvoering daarvan zijn genomen";
  2° het derde lid wordt aangevuld met de woorden ", alsook door de bepalingen van de besluiten en reglementen en van de overeenkomstig richtlijn 2014/65/EU vastgestelde overeenkomstige gedelegeerde handelingen, die ter uitvoering daarvan zijn genomen".

  Art. 148. In artikel 17, § 1, tweede lid, van dezelfde wet, gewijzigd bij het koninklijk besluit van 3 maart 2011, wordt de eerste zin aangevuld met de woorden "evenals alle opnames van telefoonverkeer en elektronische communicatie of ander dataverkeer die in het bezit zijn van een makelaar in bank- en beleggingsdiensten".

  Art. 149. In artikel 17/1, van dezelfde wet, ingevoegd bij de wet van 18 april 2017, worden de woorden ", die failliet zijn verklaard," ingevoegd tussen de woorden "afstand doen" en de woorden"of die hun activiteiten hebben stopgezet".

  Art. 150. In artikel 18, § 1, van dezelfde wet, wordt het tweede lid vervangen als volgt:
  "Bij deze gelegenheid kan de FSMA het uitoefenen van een deel of het geheel van de activiteit van de tussenpersoon in bank- en beleggingsdiensten verbieden en de inschrijving in het register schorsen tot zij heeft vastgesteld dat de tekortkomingen werden verholpen.".

  HOOFDSTUK 4. - Wijziging van de wet van 10 mei 2007 ter bestrijding van bepaalde vormen van discriminatie

  Art. 151. Artikel 32 van de wet van 10 mei 2007 ter bestrijding van bepaalde vormen van discriminatie, gewijzigd bij de wet van 6 juni 2010, wordt aangevuld met de paragrafen 4 en 5, luidende:
  " § 4. Wat de aanvullende pensioenen voor bedrijfsleiders betreft, onverminderd de bepalingen van § 1, is de Autoriteit voor Financiėle Diensten en Markten, bedoeld in artikel 44 van de wet van 2 augustus 2002 betreffende het toezicht op de financiėle sector en de financiėle diensten, bevoegd voor het toezicht op de naleving van artikel 12. In het kader van dit toezicht zijn de strafbepalingen bedoeld in artikel 51 van de wet van 15 mei 2014 houdende diverse bepalingen, van toepassing onverminderd titel IV.
  § 5. Wat de aanvullende pensioenen voor de zelfstandigen actief als natuurlijk persoon, de meewerkende echtgenoten en de zelfstandige helpers betreft, onverminderd de bepalingen van § 1, is de Autoriteit voor Financiėle Diensten en Markten, bedoeld in artikel 44 van de wet van 2 augustus 2002 betreffende het toezicht op de financiėle sector en de financiėle diensten, bevoegd voor het toezicht op de naleving van artikel 12. In het kader van dit toezicht zijn de strafbepalingen bedoeld in artikel 18 van de wet van 18 februari 2018 houdende diverse bepalingen inzake aanvullende pensioenen en tot instelling van een aanvullend pensioen voor de zelfstandigen actief als natuurlijk persoon, voor de meewerkende echtgenoten en voor de zelfstandige helpers, van toepassing onverminderd titel IV.".

  HOOFDSTUK 5. - Wijziging van de wet van 10 mei 2007 ter bestrijding van discriminatie tussen vrouwen en mannen

  Art. 152. Artikel 38 van de wet van 10 mei 2007 ter bestrijding van discriminatie tussen vrouwen en mannen, gewijzigd bij de wet van 6 juni 2010, wordt aangevuld met de paragrafen 4 en 5, luidende:
  " § 4. Wat de aanvullende pensioenen voor bedrijfsleiders betreft, onverminderd de bepalingen van § 1, is de Autoriteit voor Financiėle Diensten en Markten, bedoeld in artikel 44 van de wet van 2 augustus 2002 betreffende het toezicht op de financiėle sector en de financiėle diensten, bevoegd voor het toezicht op de naleving van artikel 12. In het kader van dit toezicht zijn de strafbepalingen bedoeld in artikel 51 van de wet van 15 mei 2014 houdende diverse bepalingen, van toepassing onverminderd titel IV.
  § 5. Wat de aanvullende pensioenen voor de zelfstandigen actief als natuurlijk persoon, de meewerkende echtgenoten en de zelfstandige helpers betreft, onverminderd de bepalingen van § 1, is de Autoriteit voor Financiėle Diensten en Markten, bedoeld in artikel 44 van de wet van 2 augustus 2002 betreffende het toezicht op de financiėle sector en de financiėle diensten, bevoegd voor het toezicht op de naleving van artikel 12. In het kader van dit toezicht zijn de strafbepalingen bedoeld in artikel 18 van de wet van 18 februari 2018 houdende diverse bepalingen inzake aanvullende pensioenen en tot instelling van een aanvullend pensioen voor de zelfstandigen actief als natuurlijk persoon, voor de meewerkende echtgenoten en voor de zelfstandige helpers, van toepassing onverminderd titel IV.".

  HOOFDSTUK 6. - Wijzigingen van de wet van 3 augustus 2012 betreffende de instellingen voor collectieve belegging die voldoen aan de voorwaarden van richtlijn 2009/65/EG en de instellingen voor belegging in schuldvorderingen

  Art. 153. Artikel 271/18 van de wet van 3 augustus 2012 betreffende de instellingen voor collectieve belegging die voldoen aan de voorwaarden van richtlijn 2009/65/EG en de instellingen voor belegging in schuldvorderingen, ingevoegd bij de wet van 19 april 2014, wordt vervangen als volgt:
  "Art. 271/18 de FOD financiėn is belast met het toezicht op de naleving, door institutionele instellingen voor belegging in schuldvorderingen, van dit onderdeel en de ter uitvoering ervan genomen besluiten en reglementen.
  Op verzoek bezorgen institutionele instellingen voor belegging in schuldvorderingen de FOD Financiėn, alle inlichtingen en stukken over hun organisatie, werking en verrichtingen, inclusief het type uitgevoerde beleggingen, die nodig zijn voor het in het eerste lid bedoelde toezicht. In dit kader kan de FOD Financiėn institutionele instellingen voor belegging in schuldvorderingen met name verplichten om, volgens de frequentie die deze bepaalt, verslag uit te brengen over de naleving van de bepalingen van dit onderdeel en de ter uitvoering ervan genomen besluiten en reglementen.
  De commissaris belast met het toezicht op de jaarrekening van een institutionele instelling voor belegging in schuldvorderingen die kennis heeft van beslissingen of feiten die kunnen wijzen op een inbreuk op de bepalingen van deze titel, de ter uitvoering ervan genomen besluiten en reglementen of de statutaire bepalingen van de institutionele instelling voor belegging in schuldvorderingen, stelt de FOD Financiėn daarvan onmiddellijk in kennis. Tegen commissarissen die te goeder trouw informatie hebben verstrekt als bedoeld in dit lid, kunnen geen burgerrechtelijke, strafrechtelijke of tuchtrechtelijke vorderingen worden ingesteld, noch professionele sancties worden uitgesproken.
  De FOD Financiėn kan een door hem aangestelde revisor of de commissarissen belast met het toezicht op de jaarrekening van een institutionele instelling voor belegging in schuldvorderingen vragen om hem, op kosten van die instelling, bijzondere verslagen te bezorgen over de onderwerpen die hij bepaalt. Institutionele instellingen voor belegging in schuldvorderingen zijn verplicht hun medewerking te verlenen aan de betrokken revisor.".

  Art. 154. In deel IIIbis van dezelfde wet wordt een boek IV ingevoegd, met als opschrift: "Boek IV. Dematerialisatie van de relaties tussen de Federale Overheidsdienst Financiėn en instellingen voor belegging in schuldvorderingen".

  Art. 155. In boek IV, ingevoegd bij artikel 154, wordt een artikel 271/19 ingevoegd, luidende:
  "Art. 271/19. Dit deel is van toepassing op de in artikel 271/3 bedoelde institutionele instellingen voor belegging in schuldvorderingen van deze wet, die verplicht zijn om, alvorens hun activiteiten te starten, zich in te schrijven op een lijst bijgehouden door de Federale Overheidsdienst Financiėn in toepassing van de artikel 271/14 van deze wet.".

  Art. 156. In hetzelfde boek IV wordt een artikel 271/20 ingevoegd, luidende:
  "Art. 271/20. Niettegenstaande elke andersluidende wettelijke en reglementaire bepaling, verloopt elke procedure tot inschrijving, controle en schrapping, en elke uitwisseling van informatie of documenten, of alle communicatie tussen de instellingen vermeld in artikel 271/19 en de Federale Overheidsdienst Financiėn via elektronische weg.".

  Art. 157. In hetzelfde boek IV wordt een artikel 271/21 ingevoegd, luidende:
  "Art. 271/21. De aanbieding van informatie en documenten door de Federale Overheidsdienst Financiėn via een elektronische dienst geldt als rechtsgeldige kennisgeving.".

  Art. 158. In hetzelfde boek IV wordt een artikel 271/22 ingevoegd, luidende:
  "Art. 271/22. Onder voorbehoud van de volgende artikelen van dit deel, bepaalt de Koning de toepassingsmodaliteiten met betrekking tot het gebruik van elektronische diensten.
  De Koning bepaalt ook de toepassingsmodaliteiten met betrekking tot het gebruik van alternatieve verzendingswijzen in geval van de onbeschikbaarheid van het beveiligd elektronisch platform.".

  Art. 159. In hetzelfde boek IV wordt een artikel 271/23 ingevoegd, luidende:
  "Art. 271/23. De Federale Overheidsdienst Financiėn stelt via een beveiligd elektronisch platform, aan de in artikel 271/19 bedoelde instellingen, elektronische diensten ter beschikking die de oorsprong en de integriteit van de inhoud van de zending door middel van aangepaste beveiligingstechnieken garanderen.".

  Art. 160. In hetzelfde boek IV wordt een artikel 271/25 ingevoegd, luidende:
  "Art. 271/25. Alle informatie uitgaande van de Federale Overheidsdienst Financiėn overeenkomstig artikel 271/20 die rechtsgevolgen teweeg brengt, maakt automatisch het voorwerp uit van een elektronische ontvangstbevestiging. De datum van de ontvangstbevestiging geldt als datum van de ontvangst van de informatie door de Federale Overheidsdienst Financiėn.
  De automatische elektronische ontvangstbevestiging geldt niet als een bevestiging van inschrijving op de lijst bijgehouden door de Federale Overheidsdienst Financiėn. ".

  Art. 161. In hetzelfde boek IV, wordt een artikel 271/26 ingevoegd, luidende:
  "De Koning bepaalt de datum van inwerkingtreding van dit boek.".

  HOOFDSTUK 7. - Wijzigingen van het Burgerlijk Wetboek betreffende de uitwinning van het bezitloos pand

  Art. 162. Artikel 47 van titel XVII, boek III van het Burgerlijk Wetboek, ingevoegd door de wet van 11 juli 2013 en gewijzigd bij de wet van 25 december 2016, wordt aangevuld met een lid, luidende:
  "Indien binnen de termijn voorzien in het eerste lid van artikel 48 of in voorkomend geval in artikel 49 de uitwinning niet wordt opgeschort overeenkomstig artikel 54 is de pandhouder gerechtigd een gerechtsdeurwaarder te gelasten om bezit te nemen van de verpande goederen en is de pandgever gehouden tot afgifte van de verpande goederen.".

  Art. 163. In artikel 48 van hetzelfde Wetboek worden de volgende wijzigingen aangebracht:
  1° in het eerste lid worden de woorden "bij een aangetekende zending" vervangen door de woorden "bij aangetekende zending met ontvangstbewijs of gerechtsdeurwaardersexploot'";
  2° in het tweede lid worden de woorden "bij aangetekende zending" ingevoegd tussen de woorden "te worden gedaan" en de woorden "aan de andere pandhouders";
  3° het artikel wordt aangevuld met een lid, luidende:
  "Tegelijk met de kennisgeving aan de schuldenaar en de derde-pandgever kan de pandhouder, zonder toelating van de rechter, via een gerechtsdeurwaarder beslag laten leggen op de verpande goederen.".

  Art. 164. In artikel 54 van hetzelfde Wetboek worden de volgende wijzigingen aangebracht:
  1° Een eerste lid wordt ingevoegd, luidende:
  "Indien de pandgever geen consument is, kunnen de pandgever en in geval van een derde-pandgever, de schuldenaar van de gewaarborgde verbintenissen, zich binnen de toepasselijke termijn bepaald in de artikelen 48 en 49 tot de rechter wenden om zich te verzetten tegen de uitwinning.
  2° Het vroegere eerste lid, dat het tweede lid wordt, wordt vervangen als volgt:
  "Ter beslechting van ieder ander geschil dat bij de uitwinning kan rijzen of indien de pandgever een consument is in de zin van artikel I, 1, 2°, van boek I van het Wetboek van economisch recht, kunnen de pandhouder, de pandgever en belanghebbende derden zich op ieder ogenblik tot de rechter wenden.".

  HOOFDSTUK 8. - Wijzigingen van de wet van 21 december 2013 houdende diverse fiscale en financiėle bepalingen

  Art. 165. In artikel 115, tweede lid, van de wet van 21 december 2013 houdende diverse fiscale en financiėle bepalingen, wordt de tweede zin, die aanvangt met de woorden "De privaatrechtelijke organismen" en eindigt met de woorden "mits een in Ministerraad overlegd koninklijk besluit.", opgeheven.

  Art. 166. Artikel 116 van dezelfde wet wordt aangevuld met een lid, luidende:
  "Alle berichten en uitwisselingen van de in het (eerste, vierde en zesde) lid bedoelde inlichtingen, gegevens, vooruitzichten, boeken en documenten, moeten aan de Algemene Administratie van de Thesaurie van de Federale Overheidsdienst Financiėn worden voorgelegd volgens de modaliteiten die zij bepaalt. Elk berichten en elke uitwisselingen die rechtsgevolgen teweeg brengt, maakt automatisch het voorwerp uit van een elektronische ontvangstbevestiging. De datum van de ontvangstbevestiging geldt als datum van de ontvangst van de inlichtingen en documenten door de Federale Overheidsdienst Financiėn.".

  HOOFDSTUK 9. - Wijzigingen van de wet van 19 april 2014 betreffende de alternatieve instellingen voor collectieve belegging en hun beheerders

  Art. 167. Artikel 3 van de wet van 19 april 2014 betreffende de alternatieve instellingen voor collectieve belegging en hun beheerders, laatstelijk gewijzigd door de wet van 30 juli 2018 wordt aangevuld met een bepaling onder 108°, luidende:
  "108° "verordening 2017/2402": de verordening (EU) 2017/2402 van het Europees Parlement en de Raad van 12 december 2017 tot vaststelling van een algemeen kader voor securitisatie en tot instelling van een specifiek kader voor eenvoudige, transparante en gestandaardiseerde securitisatie, en tot wijziging van de richtlijnen 2009/65/eg, 2009/138/eg en 2011/61/eu en de verordeningen (eg) nr. 1060/2009 en (eu) nr. 648/2012.".

  Art. 168. In deel II, boek I, titel I, hoofdstuk III, afdeling II, onderafdeling I, van dezelfde wet wordt onder een punt A/1 met als opschrift "A/1. Belegging in effectiseringsposities", een artikel 48/1 ingevoegd luidende:
  "Art. 48/1. Indien de beheerders worden blootgesteld in het kader van een effectisering die niet langer voldoet aan de voorschriften van Verordening 2017/2402, handelen zij in het belang van de beleggers in de betrokken OPCA en nemen zij, indien nodig, corrigerende maatregelen.".

  Art. 169. In artikel 281, van dezelfde wet worden de volgende wijzigingen aangebracht:
  1° het tweede lid wordt aangevuld met de bepaling onder d) luidende:
  "d) de entiteiten die als investeringsvehikel dienen en waarin de aandeelhouders, als collectief, een dagelijkse beslissingsbevoegdheid of zeggenschap hebben.";
  2° het derde lid wordt vervangen als volgt:
  "De in het vorige lid bedoelde entiteiten zijn uitsluitend onderworpen aan de bepalingen van dit Boek, waarbij wordt gepreciseerd dat de verwijzingen in dit Boek naar alternatieve instellingen voor collectieve belegging of AICB dienen te worden begrepen als een verwijzing naar alle entiteiten bedoeld in het eerste en tweede lid van dit artikel.".

  Art. 170. In artikel 288, § 1, van dezelfde wet worden de volgende wijzigingen aangebracht:
  1° in het eerste lid worden de woorden "196, §§ 1, 3 en 4" vervangen door de woorden "196, § 1, en 4, derde lid";
  2° een derde lid wordt ingevoegd, luidende:
  "Bij de oprichting van compartimenten binnen een institutionele beleggingsvennootschap met een vast aantal rechten van deelneming die in de vorm van een naamloze vennootschap of een commanditaire vennootschap op aandelen is opgericht, mag het aandeel in het kapitaal dat vertegenwoordigd wordt door de rechten van deelneming van de betrokken categorie, niet lager zijn dan het bedrag als bedoeld in artikel 439 van het Wetboek van Vennootschappen.".

  Art. 171. Artikel 289, eerste lid, van dezelfde wet, vervangen bij de wet van 3 augustus 2016, wordt vervangen als volgt:
  "Met uitzondering van de institutionele AICB's waarvoor de Koning gebruik gemaakt heeft van de machtiging vervat in artikel 291, § 1, worden de institutionele AICB's waarvoor de Koning gebruik gemaakt heeft van de machtiging vervat in artikel 183, tweede lid, ingeschreven op een lijst die wordt bijgehouden door de Federale Overheidsdienst Financiėn.".

  Art. 172. Artikel 291, van dezelfde wet, waarvan de bestaande tekst paragraaf 1 zal vormen, wordt aangevuld met een paragraaf 2, luidende:
  " § 2. Deze paragraaf is van toepassing op de institutionele AICB's waarvoor de Koning gebruik gemaakt heeft van de machtiging vervat in artikel 183, tweede lid, met uitzondering van de institutionele AICB's waarvoor Hij gebruik gemaakt heeft van de machtiging vervat in paragraaf 1.
  De FOD Financiėn is belast met het toezicht op de naleving, door deze institutionele AICB's, van de bepalingen van deze titel en de ter uitvoering ervan genomen besluiten en reglementen.
  Op verzoek bezorgen deze institutionele AICB's de FOD Financiėn alle inlichtingen en stukken over hun organisatie, werking en verrichtingen, inclusief het type uitgevoerde beleggingen, die nodig zijn voor het in het eerste lid bedoelde toezicht. In dit kader kan de FOD Financiėn deze institutionele AICB's met name verplichten om, volgens de frequentie die deze bepaalt, verslag uit te brengen over de naleving van de bepalingen van deze titel en de ter uitvoering ervan genomen besluiten en reglementen.
  De commissaris belast met het toezicht op de jaarrekening van een dergelijke institutionele AICB die kennis heeft van beslissingen of feiten die kunnen wijzen op een inbreuk op de bepalingen van deze titel, de ter uitvoering ervan genomen besluiten en reglementen of de statutaire bepalingen van de betrokken institutionele AICB, stelt de FOD Financiėn daarvan onmiddellijk in kennis. Tegen commissarissen die te goeder trouw informatie hebben verstrekt als bedoeld in dit lid, kunnen geen burgerrechtelijke, strafrechtelijke of tuchtrechtelijke vorderingen worden ingesteld, noch professionele sancties worden uitgesproken.
  De FOD Financiėn kan een door hem aangestelde revisor of de commissarissen belast met het toezicht op de jaarrekening en de geconsolideerde jaarrekening van een dergelijke institutionele AICB vragen om hem, op kosten van die instelling, bijzondere verslagen te bezorgen over de onderwerpen die hij bepaalt. De institutionele AICB's zijn verplicht hun medewerking te verlenen aan de betrokken revisor.".

  Art. 173. In deel III, boek II, titel III, hoofdstuk I, afdeling III, van van dezelfde wet, wordt een artikel 297/1 ingevoegd, luidende:
  "Art. 297/1. Onverminderd de toepassing van de bepalingen van titel I van dit boek en van delen I en II is de private privak onderworpen aan de bepalingen van deze afdeling en van de artikelen 302 tot 305.".

  Art. 174. In artikel 298 van dezelfde wet wordt tussen het eerste en het tweede lid een lid ingevoegd, luidende:
  "Voor de toepassing van de bepalingen van deze afdeling en de ter uitvoering ervan genomen besluiten en reglementen, en in afwijking van artikel 3, 40°, moet onder "niet-genoteerde vennootschap" een vennootschap worden verstaan waarvan de aandelen niet zijn toegelaten tot de verhandeling op een gereglementeerde markt of op een gelijkwaardige markt van een land dat geen lid is van de Europese Economische Ruimte.".

  Art. 175. Artikel 299, derde lid, van dezelfde wet, gewijzigd bij de wetten van 18 december 2016 en 26 maart 2018, wordt vervangen als volgt:
  "Artikel 196, § 4, derde lid, is van toepassing op de private privaks die voldoen aan de voorwaarden bepaald door de Koning bij besluit genomen na advies van de FSMA.
  Artikel 196/1 is mutatis mutandis van toepassing op de private privaks die voldoen aan de voorwaarden bepaald door de Koning bij besluit genomen na advies van de FSMA. Bij de oprichting van compartimenten binnen een private privak die in de vorm van een naamloze vennootschap of een commanditaire vennootschap op aandelen is opgericht, mag het aandeel in het kapitaal dat vertegenwoordigd wordt door de rechten van deelneming van de betrokken categorie, niet lager zijn dan het bedrag als bedoeld in artikel 439 van het Wetboek van Vennootschappen.".

  Art. 176. Artikel 305 van dezelfde wet, waarvan de bestaande tekst paragraaf 1 zal vormen, wordt aangevuld met een paragraaf 2, luidende:
  " § 2. De FOD Financiėn is belast met het toezicht op de naleving van de bepalingen van deze titel en de ter uitvoering ervan genomen besluiten en reglementen door de private privaks en de andere private AICB's waarvoor de Koning gebruik gemaakt heeft van de machtiging vervat in artikel 183, tweede lid, met uitzondering van de private AICB's waarvoor Hij gebruik gemaakt heeft van de machtiging vervat in paragraaf 1.
  Op verzoek bezorgen deze private AICB's de FOD Financiėn alle inlichtingen en stukken over hun organisatie, werking en verrichtingen, inclusief het type uitgevoerde beleggingen, die nodig zijn voor het in het eerste lid bedoelde toezicht. In dit kader kan de FOD Financiėn deze private AICB's met name verplichten om, volgens de frequentie die deze bepaalt, verslag uit te brengen over de naleving van de bepalingen van deze titel en de ter uitvoering ervan genomen besluiten en reglementen.
  De commissaris belast met het toezicht op de jaarrekening van een dergelijke private AICB die kennis heeft van beslissingen of feiten die kunnen wijzen op een inbreuk op de bepalingen van deze titel, de ter uitvoering ervan genomen besluiten en reglementen of de statutaire bepalingen van de betrokken private AICB, stelt de FOD Financiėn daarvan onmiddellijk in kennis. Tegen commissarissen die te goeder trouw informatie hebben verstrekt als bedoeld in dit lid, kunnen geen burgerrechtelijke, strafrechtelijke of tuchtrechtelijke vordering worden ingesteld, noch professionele sancties worden uitgesproken.
  De FOD Financiėn kan een door hem aangestelde revisor of de commissarissen belast met het toezicht op de jaarrekening en de geconsolideerde jaarrekening van een dergelijke private AICB vragen om hem, op kosten van die instelling, bijzondere verslagen te bezorgen over de onderwerpen die hij bepaalt. Private AICB's zijn verplicht hun medewerking te verlenen aan de betrokken revisor.".

  Art. 177. In deel III, boek II, van van dezelfde wet van 19 april 2014 wordt een titel IV ingevoegd, met als opschrift: "titel IV. Dematerialisatie van de relaties tussen de federale overheidsdienst financiėn en institutionele en private alternatieve instellingen voor collectieve belegging".

  Art. 178. In dezelfde titel IV ingevoegd bij artikel 177, wordt een artikel 305/1 ingevoegd, luidende:
  "Art. 305/1. Deze titel is van toepassing op de institutionele alternatieve instellingen voor collectieve belegging en de private alternatieve instellingen voor collectieve belegging, die ingeschreven zijn op een lijst bijgehouden door de Federale Overheidsdienst Financiėn, en hun beheerders, bewaarders en revisors.".

  Art. 179. In dezelfde titel IV wordt een artikel 305/2 ingevoegd, luidende:
  "Art. 305/2. Niettegenstaande elke andersluidende wettelijke en reglementaire bepaling, verloopt elke procedure tot inschrijving, controle en schrapping, en elke uitwisseling van informatie of documenten, of alle communicatie tussen de instellingen vermeld in artikel 305/1 en de Federale Overheidsdienst Financiėn via elektronische weg.".

  Art. 180. In dezelfde titel IV wordt een artikel 305/3 ingevoegd, luidende:
  "Art. 305/3. De aanbieding van informatie en documenten door de Federale Overheidsdienst Financiėn via een elektronische dienst geldt als rechtsgeldige kennisgeving.".

  Art. 181. In dezelfde titel IV, wordt een artikel 305/4 ingevoegd, luidende:
  "Art. 305/4. Onder voorbehoud van de volgende artikelen van dit deel, bepaalt de Koning de toepassingsmodaliteiten met betrekking tot het gebruik van elektronische diensten.
  De Koning bepaalt ook de toepassingsmodaliteiten met betrekking tot het gebruik van alternatieve verzendingswijzen in geval van de onbeschikbaarheid van het beveiligd elektronisch platform.".

  Art. 182. In dezelfde titel IV wordt een artikel 305/5 ingevoegd, luidende:
  "Art. 305/5. De Federale Overheidsdienst Financiėn stelt via een beveiligd elektronisch platform, aan de in artikel 305/1 bedoelde instellingen, elektronische diensten ter beschikking die de oorsprong en de integriteit van de inhoud van de zending door middel van aangepaste beveiligingstechnieken garanderen.".

  Art. 183. In dezelfde titel IV wordt een artikel 305/6 ingevoegd, luidende:
  "Art. 305/6. Alle informatie gericht aan de Federale Overheidsdienst Financiėn overeenkomstig artikel 305/2 die rechtsgevolgen teweeg brengt, maakt automatisch het voorwerp uit van een elektronische ontvangstbevestiging. De datum van de ontvangstbevestiging geldt als datum van de ontvangst van de informatie door de Federale Overheidsdienst Financiėn.
  De automatische elektronische ontvangstbevestiging geldt niet als een bevestiging van inschrijving op de lijst bijgehouden door de Federale Overheidsdienst Financiėn.".

  Art. 184. In dezelfde titel IV wordt een artikel 305/7 ingevoegd, luidende:
  "Art. 305/7. De Koning bepaalt de datum van inwerkingtreding van deze titel.".

  Art. 185. In artikel 512 van dezelfde wet wordt het woord "305" vervangen door de woorden "305, § 1".

  HOOFDSTUK 10. - Wijziging van de wet van 12 mei 2014 betreffende de gereglementeerde vastgoedvennootschappen

  Art. 186. In artikel 26, § 1, van de wet van 12 mei 2014 betreffende de gereglementeerde vastgoedvennootschappen wordt tussen het tweede en het derde lid een lid ingevoegd, luidende:
  "Onverminderd de toepassing van de artikelen 592 tot en met 598 van het wetboek van vennootschappen, zijn het eerste en het tweede lid onder de volgende voorwaarden niet van toepassing in het geval van een kapitaalverhoging door inbreng in geld:
  1° de kapitaalverhoging gebeurt met gebruik van het toegestane kapitaal;
  2° het gecumuleerde bedrag van de kapitaalverhogingen die, overeenkomstig dit lid, zijn uitgevoerd over een periode van 12 maanden, bedraagt niet meer dan 10 % van het bedrag van het kapitaal op het ogenblik van de beslissing tot kapitaalverhoging.".

  HOOFDSTUK 11. - Wijzigingen van het Wetboek van economisch recht

  Art. 187. In artikel VII.165, § 1, eerste lid, van het Wetboek van economisch recht, vervangen bij de wet van 30 juli 2018, worden de woorden "en de wet van 18 september 2017 tot voorkoming van het witwassen van geld en de financiering van terrorisme en tot beperking van het gebruik van contanten en de ter uitvoering van dit boek en deze wet genomen besluiten en reglementen" vervangen door de woorden "en de ter uitvoering ervan genomen besluiten en reglementen".

  Art. 188. In artikel VII.181 van hetzelfde Wetboek, ingevoegd bij de wet van 19 april 2014 en laatstelijk gewijzigd bij de wet van 30 juli 2018, worden de volgende wijzigingen aangebracht:
  1° in de eerste paragraaf, tweede lid, worden de woorden ", alsook, in het in § 5 bedoelde geval, de centrale instelling" opgeheven;
  2° paragraaf 5 wordt opgeheven.

  Art. 189. In artikel VII.186 van hetzelfde Wetboek, ingevoegd bij de wet van 19 april 2014 en laatstelijk gewijzigd bij de wet van 30 juli 2018, worden de volgende wijzigingen aangebracht:
  1° in de § 1, tweede lid, worden de woorden ", alsook, in het in paragraaf 4 bedoelde geval, de centrale instelling" opgeheven;
  2° paragraaf 4 wordt opgeheven.

  Art. 190. In artikel XV.67/2, § 1, van hetzelfde Wetboek wordt het tweede lid vervangen als volgt:
  "Bij deze gelegenheid kan de FSMA het uitoefenen van een deel of het geheel van de activiteit van de kredietbemiddelaar verbieden en de inschrijving in het register schorsen tot zij heeft vastgesteld dat de tekortkomingen werden verholpen".

  HOOFDSTUK 12. - Wijzigingen van de wet van 25 oktober 2016 betreffende de toegang tot het beleggingsdienstenbedrijf en betreffende het statuut van en het toezicht op de vennootschappen voor vermogensbeheer en beleggingsadvies

  Art. 191. In artikel 8 van dezelfde wet worden het tweede en het derde lid opgeheven.

  Art. 192. In artikel 13, § 1, tweede lid, van dezelfde wet, ingevoegd bij de wet van 21 november 2017, worden de woorden "niet-professionele of professionele cliėnt in de zin van artikel 2, 28°, van de wet van 2 augustus 2002" vervangen door de woorden "niet-professionele of professionele cliėnt".

  Art. 193. In artikel 25, § 1, 1°, van dezelfde wet, vervangen bij de wet van 21 november 2017, worden de woorden "op die leiding die binnen de vennootschap" vervangen door de woorden "op die leiding en die binnen de vennootschap".

  Art. 194. In artikel 26, § 5, tweede lid, van dezelfde wet, vervangen bij de wet van 21 november 2017, worden in de Franse tekst de woorden "relatifs aux ordres de clients" opgeheven.

  Art. 195. In artikel 27, § 1, van dezelfde wet worden de woorden "De FSMA bepaalt" vervangen door de woorden "De FSMA kan bepalen", de woorden "Zij bepaalt tevens" door de woorden "In dat geval bepaalt zij tevens", en de woorden "artikel 25, § 2, eerste lid, in fine" door de woorden "artikel 25, § 1, 6° ".

  Art. 196. In artikel 29 van dezelfde wet worden de woorden "als bedoeld in titel V" vervangen door de woorden "als bedoeld in titel IV".

  Art. 197. In artikel 36 van dezelfde wet, vervangen door de wet van 21 november 2017, wordt paragraaf 12 vervangen als volgt:
  " § 12. In afwijking van paragraaf 6 mogen de leden van het directiecomité of, bij ontstentenis van een directiecomité, de personen die deelnemen aan de effectieve leiding van een vennootschap voor vermogensbeheer en beleggingsadvies, tot 3 januari 2021 hun lopende mandaten blijven uitoefenen die een deelname inhouden aan het dagelijks bestuur van een vennootschap waarvan zij de enige leiders zijn en waarvan het bedrijf beperkt is tot het verlenen van beheerdiensten aan de in artikel 36, § 6, bedoelde vennootschappen.

  Art. 198. In artikel 44, § 1, van dezelfde wet worden de volgende wijzigingen aangebracht:
  1° in het tweede lid worden de woorden "in een daartoe bestemd openbaar register" vervangen door de woorden "in het register bedoeld in artikel 29, lid 3, van richtlijn 2014/65/EU";
  2° het derde lid wordt opgeheven.

  Art. 199. In artikel 56/1, eerste lid, van dezelfde wet, ingevoegd bij de wet van 21 november 2017, worden de woorden "in haar hoedanigheid van dienstverlener" vervangen door de woorden "in hun hoedanigheid van dienstverlener".

  Art. 200. In artikel 73 van dezelfde wet worden de woorden "Artikel 55, tweede en derde lid" vervangen door de woorden "Artikel 55, derde lid".

  Art. 201. In artikel 76, § 1, eerste lid, van dezelfde wet, worden de woorden "richtlijn 2004/39/EG" vervangen door de woorden "richtlijn 2014/65/EU".

  HOOFDSTUK 13. - Wijzigingen van de wet van 25 oktober 2016 houdende oprichting van het Federaal Agentschap van de Schuld en opheffing van het Rentenfonds

  Art. 202. In artikel 4, § 2, van de wet van 25 oktober 2016 houdende oprichting van het Federaal Agentschap van de Schuld en opheffing van het Rentenfonds, gewijzigd bij de wet van 5 december 2017, wordt het vijfde lid opgeheven.

  Art. 203. In artikel 5, § 2, van dezelfde wet, worden de volgende wijzigingen aangebracht:
  1° het eerste lid wordt vervangen als volgt:
  "Het uitvoerend comité is samengesteld uit de directeurs van het Agentschap of hun plaatsvervanger. Het strategisch comité bepaalt de modaliteiten voor de aanstelling van de voorzitter en kiest deze uit een van de directeurs.";
  2° het tweede lid wordt opgeheven.

  HOOFDSTUK 14. - Wijzigingen van de wet van 21 november 2017 over de infrastructuren voor de markten voor financiėle instrumenten en houdende omzetting van richtlijn 2014/65/EU

  Art. 204. In artikel 21, eerste lid, van de wet van 21 november 2017 over de infrastructuren voor de markten voor financiėle instrumenten en houdende omzetting van richtlijn 2014/65/EU wordt een bepaling onder 5° /1 ingevoegd, luidende:
  "5° /1 beschikken over een passend intern waarschuwingssysteem dat met name voorziet in een specifieke, onafhankelijke en autonome melding van inbreuken op de normen en de gedragscodes van de vennootschap;".

  Art. 205. Artikel 65 van dezelfde wet wordt aangevuld met een paragraaf 6, luidende:
  " § 6. APA's beschikken over een passend intern waarschuwingssysteem dat met name voorziet in een specifieke, onafhankelijke en autonome melding van inbreuken op de normen en de gedragscodes van de vennootschap".

  Art. 206. Artikel 66 van dezelfde wet wordt aangevuld met een paragraaf 6, luidende:
  " § 6. CTP's beschikken over een passend intern waarschuwingssysteem dat met name voorziet in een specifieke, onafhankelijke en autonome melding van inbreuken op de normen en de gedragscodes van de vennootschap".

  Art. 207. Artikel 67 van dezelfde wet wordt aangevuld met een paragraaf 5, luidende:
  " § 5. ARM's beschikken over een passend intern waarschuwingssysteem dat met name voorziet in een specifieke, onafhankelijke en autonome melding van inbreuken op de normen en de gedragscodes van de vennootschap".

  Art. 208. In artikel 75, tweede lid, van dezelfde wet worden de woorden "vereffeningsinstellingen en met vereffeningsinstellingen gelijkgestelde instellingen" vervangen door de woorden "centrale effectenbewaarinstellingen, instellingen die ondersteuning verlenen aan centrale effectenbewaarinstellingen en depositobanken".

  Art. 209. In dezelfde wet wordt een artikel 77/1 ingevoegd, luidende:
  "Art. 77/1. § 1. De commissarissen die, overeenkomstig het Wetboek van Vennootschappen, belast zijn met het toezicht op de jaarrekeningen en de geconsolideerde jaarrekening van de marktexploitanten en de aanbieders van datarapporteringsdiensten brengen op eigen initiatief verslag uit bij de FSMA zodra zij, in het kader van hun opdracht bij een marktexploitant of een aanbieder van datarapporteringsdienst of in het kader van een revisorale opdracht bij een verbonden vennootschap:
  a) beslissingen, feiten of ontwikkelingen vaststellen die de positie van de marktexploitant of de aanbieder van datarapporteringsdiensten financieel of op het vlak van haar administratieve en boekhoudkundige organisatie of van haar interne controle, op betekenisvolle wijze kunnen beļnvloeden;
  b) beslissingen of feiten vaststellen die kunnen wijzen op een overtreding van het Wetboek van Vennootschappen, de statuten, dit boek en de ter uitvoering ervan genomen besluiten en reglementen;
  c) andere beslissingen of feiten vaststellen die kunnen leiden tot een weigering van de certificering van de jaarrekening of tot het formuleren van voorbehoud;
  d) beslissingen of feiten vaststellen met betrekking tot de marktexploitant of de aanbieder van datarapporteringsdiensten die van aard zijn de bedrijfscontinuļteit ervan aan te tasten.
  § 2. Tegen commissarissen die te goeder trouw informatie hebben verstrekt als bedoeld in paragraaf 1, kunnen geen burgerrechtelijke, strafrechtelijke of tuchtrechtelijke vorderingen worden ingesteld, noch professionele sancties worden uitgesproken.".

  Art. 210. In dezelfde wet wordt een artikel 77/2 ingevoegd, luidende:
  "Art. 77/2. De FSMA kan een door haar aangesteld erkend revisor of de commissarissen belast met het toezicht op de jaarrekeningen en de geconsolideerde jaarrekeningen van marktexploitanten of aanbieders van datarapporteringsdiensten, overeenkomstig het Wetboek van Vennootschappen, vragen om haar, op kosten van die entiteiten, bijzondere verslagen te bezorgen over de onderwerpen die zij bepaalt.".

  Art. 211. In dezelfde wet wordt artikel 87, waarvan de bestaande tekst paragraaf 1 zal vormen, aangevuld met een paragraaf 2, luidende:
  " § 2. De FSMA stelt ESMA en de overige bevoegde autoriteiten in kennis van:
  1° elk verzoek dat ertoe strekt de omvang van een positie of een blootstelling te beperken conform paragraaf 1;
  2° elke beperking van de mogelijkheid voor een persoon om een grondstoffenderivatencontract te sluiten conform paragraaf 1.
  In voorkomend geval wordt bij de kennisgeving melding gemaakt van de details van het overeenkomstig artikel 73 gedane verzoek, met inbegrip van de identiteit van de persoon of personen tot wie het verzoek was gericht en de redenen die eraan ten grondslag liggen, alsook de reikwijdte van de overeenkomstig artikel 69 ingestelde beperkingen, met inbegrip van de betrokken persoon, de desbetreffende financiėle instrumenten, eventuele beperkingen in de omvang van de posities die een persoon op elk moment kan aanhouden, eventuele vrijstellingen die worden toegekend in overeenstemming met artikel 69, en de redenen die daaraan ten grondslag liggen.
  De kennisgevingen vinden uiterlijk 24 uur vóór de geplande inwerkingtreding van de acties of maatregelen plaats. In buitengewone omstandigheden kan de FSMA minder dan 24 uur vóór de geplande inwerkingtreding van de maatregel kennis geven wanneer het onmogelijk is 24 uur van tevoren tot kennisgeving over te gaan.
  Wanneer een optreden uit hoofde van het eerste lid betrekking heeft op de voor de groothandel bestemde energieproducten, stelt de FSMA ook het krachtens Verordening (EG) nr. 713/2009 opgerichte Agentschap voor de samenwerking tussen energieregulators (Agency for the Cooperation of Energy Regulators - ACER) in kennis.
  Indien de FSMA een kennisgeving ontvangt overeenkomstig artikel 79, lid 5, van richtlijn 2014/65/EU, kan zij maatregelen nemen overeenkomstig het eerste lid, indien zij ervan overtuigd is dat die maatregelen noodzakelijk zijn om het doel van de andere bevoegde autoriteit te verwezenlijken. In dat geval zijn de bepalingen van deze paragraaf van toepassing. De FSMA gaat eveneens over tot kennisgeving overeenkomstig de bepalingen van deze paragraaf wanneer zij voornemens is maatregelen te treffen.".

  HOOFDSTUK 15. - Wijzigingen van de wet van 11 juli 2018 op de aanbieding van beleggingsinstrumenten aan het publiek en de toelating van beleggingsinstrumenten tot de verhandeling op een gereglementeerde markt

  Art. 212. In artikel 22 van de wet van 11 juli 2018 op de aanbieding van beleggingsinstrumenten aan het publiek en de toelating van beleggingsinstrumenten tot de verhandeling op een gereglementeerde markt worden de volgende wijzigingen aangebracht:
  1° in paragraaf 2 wordt de bepaling onder 4° opgeheven;
  2° een paragraaf 3 wordt ingevoegd, luidende:
  " § 3. In afwijking van paragraaf 1 is artikel 24 niet van toepassing:
  1° op de toelatingen op een gereglementeerde markt of op een MTF van beleggingsinstrumenten met een nominale waarde per eenheid van tenminste 100 000 euro;
  2° op de in artikel 10 bedoelde aanbiedingen aan het publiek en toelatingen tot de verhandeling.".

  Art. 213. Artikel 88 van dezelfde wet wordt opgeheven de dag waarop deze wet in het Belgisch Staatsblad wordt bekendgemaakt.

  Art. 214. In dezelfde wet wordt een artikel 101/1 ingevoegd, luidende:
  "Art. 101/1. Voor de doeleinden van de toepassing de bepalingen van het Wetboek van vennootschappen, wordt het gepreciseerd dat een vennootschap niet wordt geacht een openbaar beroep op het spaarwezen te doen of gedaan te hebben in geval van:
  1° een aanbieding van beleggingsinstrumenten die uitsluitend gericht is aan gekwalificeerde beleggers;
  2° een aanbieding van beleggingsinstrumenten die, per lidstaat van de Europese Economische Ruimte, gericht is aan minder dan 150 natuurlijke of rechtspersonen die geen gekwalificeerde beleggers zijn;
  3° een aanbieding van beleggingsinstrumenten die een totale tegenwaarde van ten minste 100 000 euro per belegger en per afzonderlijke aanbieding vereisen;
  4° een aanbieding van beleggingsinstrumenten met een nominale waarde per eenheid van ten minste 100 000 euro;
  5° een aanbieding met een totale tegenwaarde in de Europese Economische Ruimte van minder van 100 000 euro.".

  HOOFDSTUK 16. - Gedeeltelijke omzetting van richtlijn 2014/65/EU van het Europees Parlement en de Raad van 15 mei 2014 betreffende markten voor financiėle instrumenten en tot wijziging van richtlijn 2002/92/EG en richtlijn 2011/61/EU

  Art. 215. Dit hoofdstuk voorziet in de gedeeltelijke omzetting van richtlijn (EU) 2014/65/EU van het Europees Parlement en de Raad van 15 mei 2014 betreffende markten voor financiėle instrumenten en tot wijziging van richtlijn 2002/92/EG en richtlijn 2011/61/EU (richtlijn 2014/65/EU).

  Art. 216. Tot 3 juli 2021:
  a) zijn de in artikel 4 van verordening (eu) nr. 648/2012 van het europees parlement en de raad van 4 juli 2012 betreffende otc-derivaten, centrale tegenpartijen en transactieregisters neergelegde clearingverplichting en de in artikel 11, lid 3, van die verordening neergelegde risico-inperkingstechnieken niet van toepassing op de energiederivatencontracten bedoeld in deel C.6 van bijlage I bij richtlijn 2014/65/eu die zijn aangegaan door niet-financiėle tegenpartijen die voldoen aan de voorwaarden in artikel 10, lid 1, van verordening nr. 648/2012, of door niet-financiėle tegenpartijen die voor de eerste keer een vergunning krijgen als beleggingsonderneming vanaf 3 januari 2018; en
  b) worden dergelijke energiederivatencontracten bedoeld in deel C.6 van bijlage I bij richtlijn 2014/65/EU niet aangemerkt als otc-derivatencontracten met het oog op de clearingdrempel van artikel 10 van Verordening nr. 648/2012.
  De contracten waarop de in het eerste lid uiteengezette overgangsregeling van toepassing is, vallen onder alle andere voorschriften die zijn vastgelegd in Verordening nr. 648/2012.
  De in het eerste lid bedoelde vrijstelling wordt, door de Nationale Bank van Belgiė en de FSMA op hun aanvraag verleend, aan de niet-financiėle tegenpartijen die overeenkomstig artikel 36/25bis van de wet van 22 februari 1998 tot vaststelling van het organiek statuut van de Nationale Bank van Belgiė en artikel 22bis, § 1, van de wet van 2 augustus 2002 betreffende het toezicht op de financiėle sector en de financiėle diensten, onder hun respectievelijk toezicht vallen. De Nationale Bank van Belgiė en de FSMA stellen ESMA in kennis van de energiederivatencontracten bedoeld in deel C.6 van bijlage I bij richtlijn 2014/65/EU waarvoor deze vrijstelling is verleend.

  HOOFDSTUK 17. - Wijzigingen van de wet van 11 juli 2018 op de Deposito- en Consignatiekas

  Art. 217. In artikel 11 van de wet van 11 juli 2018 op de Deposito- en Consignatiekas, wordt de bepaling onder 4° opgeheven.

  Art. 218. In dezelfde wet wordt een artikel 21/1 ingevoegd, luidende:
  "Art. 21/1. De Deposito- en Consignatiekas kan alle geconsigneerde bedragen die zij moet teruggeven zonder formaliteit en naar keuze van de bevoegde ambtenaar gebruiken voor de betaling van schulden van de rechthebbende waarvan de inning en invordering door de federale overheidsdienst financiėn of door de rijksdienst voor sociale zekerheid verzekerd wordt.
  De aanwending van de geconsigneerde goederen wordt beperkt tot het niet-betwiste gedeelte van de schuldvorderingen op de rechthebbende.
  Dit artikel blijft van toepassing in geval van beslag, schuldoverdracht, samenloop of een insolvabiliteitsprocedure. ".

  TITEL IV. - OVERDRACHT VAN DE NATIONALE KAS VOOR RAMPENSCHADE VAN DE FOD FINANCIEN NAAR DE FOD BINNENLANDSE ZAKEN

  Art. 219. In artikel 37 van de wet van 12 juli 1976 betreffende het herstel van zekere schade veroorzaakt aan private goederen door natuurrampen, gewijzigd bij de wetten van 22 juli 1991, 20 juli 2006 en 25 april 2014, worden de woorden "het Ministerie van Financiėn" vervangen door de woorden "de Federale Overheidsdienst Binnenlandse Zaken".

  Art. 220. In artikel 38 van dezelfde wet, gewijzigd bij de wet van 25 april 2014, worden de woorden "het Ministerie van Financiėn" vervangen door de woorden "de Federale Overheidsdienst Binnenlandse Zaken".

  Art. 221. In artikel 39 van dezelfde wet worden de woorden "minister van Financiėn" vervangen door de woorden "minister van Binnenlandse Zaken".

  Art. 222. Artikel 41 van dezelfde wet wordt wordt vervangen als volgt:
  "Bij de afsluiting van de Nationale Kas voor Rampenschade wordt het saldo van haar bpostrekening in de Schatkist gestort. ".

  TITEL V. - WIJZIGINGEN VAN HET WETBOEK VAN DE INKOMSTENBELASTINGEN 1992 BETREFFENDE DE PENSIOENSPAARFONDSEN

  Art. 223. Artikel 145/11 van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992, ingevoegd bij de wet van 28 december 1992 en gewijzigd bij de wet van 17 mei 2004, wordt vervangen als volgt:
  "Art. 145/11. De beheersvennootschap van de overeenkomstig artikel 145/16 erkende pensioenspaarfondsen moet de activa van dat fonds en de inkomsten van die activa, na aftrek van de kosten, uitsluitend beleggen in de investeringen vermeld en binnen de grenzen vastgelegd in 1° tot 7°, hierna:
  1° ten hoogste 20 pct. van de in bezit zijnde activa die hierna zijn omschreven in 2° tot 6°, mogen in een andere munt dan de EUR uitgedrukt zijn;
  2° ten hoogste 75 pct. van de in bezit zijnde activa mogen worden geļnvesteerd in obligaties en andere schuldinstrumenten die op de kapitaalmarkt verhandelbaar zijn, in hypothecaire leningen en in gelddeposito's binnen de volgende grenzen en overeenkomstig de volgende modaliteiten:
  - in obligaties en andere schuldinstrumenten in EUR of in de munt van een lidstaat van de Europese Economische Ruimte, uitgegeven of onvoorwaardelijk gewaarborgd, in hoofdsom en in interest, door een lidstaat van de Europese Economische Ruimte, door een van zijn politieke onderafdelingen, door andere openbare lichamen of instellingen van een lidstaat van de Europese Economische Ruimte of door een supranationale organisatie waarvan een of meer leden van de Europese Economische Ruimte deel uitmaken of in hypothecaire leningen in EUR of in de munt van een lidstaat van de Europese Economische Ruimte;
  - maximum 40 pct. van het totaal van die obligaties en andere schuldinstrumenten die op de kapitaalmarkt verhandelbaar zijn, van die hypothecaire leningen en van die gelddeposito's mag bestaan uit activa, in EUR of in de munt van een lidstaat van de Europese Economische Ruimte, uitgegeven door publiek- of privaatrechtelijke vennootschappen uit een lidstaat van de Europese Economische Ruimte, of uit gelddeposito's, in EUR of in de munt van een lidstaat van de Europese Economische Ruimte, met een looptijd van meer dan één jaar bij een kredietinstelling die is erkend en wordt gecontroleerd door een toezichthoudende overheid van deze lidstaat;
  - maximum 40 pct. van het totaal van die obligaties en andere schuldinstrumenten die op de kapitaalmarkt verhandelbaar zijn, van die hypothecaire leningen en van die gelddeposito's mag bestaan uit activa, in de munt van een Staat die geen lid is van de Europese Economische Ruimte, uitgegeven of onvoorwaardelijk gewaarborgd, in hoofdsom en in interest, door een Staat die geen lid is van de Europese Economische Ruimte, door andere openbare lichamen of instellingen van een Staat die geen lid is van de Europese Economische Ruimte, of door een supranationale organisatie waarvan geen enkel lid van de Europese Economische Ruimte deel uitmaakt, of uit activa in de munt van een Staat die geen lid is van de Europese Economische Ruimte, met een looptijd van meer dan één jaar, uitgegeven door publiek- of privaatrechtelijke vennootschappen uit diezelfde Staat, of uit gelddeposito's, in de munt van een Staat die geen lid is van de Europese Economische Ruimte, met een looptijd van meer dan één jaar bij een kredietinstelling die is erkend en wordt gecontroleerd door een toezichthoudende overheid van deze Staat;
  3° ten hoogste 75 pct. van de in bezit zijnde activa mogen rechtstreeks worden geļnvesteerd in de volgende aandelen en andere met aandelen gelijk te stellen waarden binnen de volgende grenzen en overeenkomstig de volgende modaliteiten:
  - maximum 70 pct. van het totaal van die aandelen en waarden mag rechtstreeks bestaan uit aandelen en andere met aandelen gelijk te stellen waarden van vennootschappen naar het recht van een lidstaat van de Europese Economische Ruimte waarvan de beurskapitalisatie meer bedraagt dan 3 000 000 000 euro of de tegenwaarde daarvan uitgedrukt in de munt van een lidstaat van de Europese Economische Ruimte en die genoteerd zijn op een gereglementeerde markt;
  - maximum 30 pct. van het totaal van die aandelen en waarden mag rechtstreeks bestaan uit aandelen en andere met aandelen gelijk te stellen waarden van vennootschappen naar het recht van een lidstaat van de Europese Economische Ruimte en waarvan de beurskapitalisatie minder bedraagt dan 3 000 000 000 euro of de tegenwaarde daarvan uitgedrukt in de munt van een lidstaat van de Europese Economische Ruimte en die genoteerd zijn op een gereglementeerde markt;
  - maximum 20 pct. van het totaal van die aandelen en waarden mag rechtstreeks bestaan uit aandelen en andere met aandelen gelijk te stellen waarden van vennootschappen naar het recht van een Staat die geen lid is van de Europese Economische Ruimte, die niet in EUR of in een munt van een lidstaat van de Europese Economische Ruimte zijn uitgedrukt, en die genoteerd zijn op een regelmatig werkende markt, waarop wordt toegezien door overheden die erkend zijn door de publieke overheid van een lidstaat van de Organisatie voor Economische Samenwerking en Ontwikkeling;
  4° ten hoogste 10 pct. van de activa mogen worden geļnvesteerd (a) in contanten op een rekening in EUR of in een munt van een lidstaat van de Europese Economische Ruimte, bij een kredietinstelling die is erkend en wordt gecontroleerd door een toezichthoudende overheid van een lidstaat van de Europese Economische Ruimte of (b) in rechten van deelneming van instellingen voor collectieve belegging bedoeld in artikel 52, § 1, 5° en 6°, van het Koninklijk Besluit van 12 november 2012 met betrekking tot de instellingen voor collectieve belegging die voldoen aan de voorwaarden van richtlijn 2009/65/EG of in artikel 35, § 1, 5° en 6°, van het Koninklijk Besluit van 25 februari 2017 met betrekking tot bepaalde openbare alternatieve instellingen voor collectieve belegging en hun beheervennootschappen, en houdende diverse bepalingen die hoofdzakelijk beleggen in geldmarktinstrumenten en liquiditeiten, overeenkomstig Verordening (EU) 2017/1131 van het Europees Parlement en de Raad van 14 juni 2017 inzake geldmarktfondsen;
  5° ten hoogste 10 pct. van de in bezit zijnde activa mogen worden geļnvesteerd in andere effecten en geldmarktinstrumenten zoals vermeld in artikel 52, § 2, van het Koninklijk Besluit van 12 november 2012 met betrekking tot de instellingen voor collectieve belegging die voldoen aan de voorwaarden van richtlijn 2009/65/EG of in artikel 35, § 2, van het Koninklijk Besluit van 25 februari 2017 met betrekking tot bepaalde openbare alternatieve instellingen voor collectieve belegging en hun beheervennootschappen, en houdende diverse bepalingen;
  6° ten hoogste 20 pct. van de activa mogen geļnvesteerd worden in rechten van deelneming van instellingen voor collectieve belegging bedoeld in artikel 52, § 1, 5° en 6° van het Koninklijk Besluit van 12 november 2012 met betrekking tot de instellingen voor collectieve belegging die voldoen aan de voorwaarden van richtlijn 2009/65/EG of in artikel 35, § 1, 5° en 6°, van het Koninklijk Besluit van 25 februari 2017 met betrekking tot bepaalde openbare alternatieve instellingen voor collectieve belegging en hun beheervennootschappen, en houdende diverse bepalingen die uitsluitend de collectieve belegging van uit het publiek aangetrokken financieringsmiddelen in activa bedoeld in 2° en/of 3° als doel hebben;
  7° de in bezit zijnde activa die hierboven zijn omschreven in 2° tot 6°, en in een andere munt dan de EUR uitgedrukt zijn, mogen voor het muntrisico geheel of gedeeltelijk met financiėle derivaten worden afgedekt, zodat het afgedekte gedeelte niet in aanmerking wordt genomen voor de bepaling van het maximumpercentage vermeld in 1°. ".

  TITEL VI. - OVERGANG EN OPHEFFINGSBEPALINGEN

  HOOFDSTUK 1. - Bepalingen betreffende de ongewilde buitenbezitstelling van de titels aan toonder en het Nationaal kantoor voor roerende waarden

  Art. 224. Opgeheven worden:
  1° de wet van 24 juli 1921 op de ongewilde buitenbezitstelling van de titels aan toonder, gewijzigd bij de wetten van 10 april 1923, 22 juli 1991, 22 maart 1995, 21 december 2013 en de koninklijke besluiten van 13 juli 2001 en 26 april 2007;
  2° het koninklijk besluit van 24 december 1934 betreffende de toepassing der wetten op het onvrijwillig bezitsverlies van toonderpapier, gewijzigd bij de koninklijke besluiten van 4 juni 1970, 4 maart 1997, 25 mei 1999 en 8 oktober 2004;
  3° het koninklijk besluit van 5 augustus 1992 betreffende de ongewilde buitenbezitstelling van de titels aan toonder, gewijzigd bij de koninklijke besluiten van 25 februari 1996, 20 juli 2000, 19 november 2015;
  4° het ministerieel besluit van 21 mei 2007 betreffende de kosten voor de vervanging van beschadigde effecten aan toonder van de staatsschuld, gewijzigd bij de ministerieel besluit van 21 februari 2017.

  Art. 225. De effecten bedoeld in artikel 24, vierde lid, van de wet van 24 juli 1921 op de ongewilde buitenbezitstelling van de titels aan toonder, verliezen van rechtswege alle waarde en de gevolgen van het waardeverlies in het tweede lid van hetzelfde artikel, treden in werking.

  Art. 226. Het Nationaal Kantoor voor roerende waarden publiceert ter attentie van de uitgevende instellingen en financiėle bemiddelaars, binnen het jaar na de inwerkingtreding van dit artikel, een laatste keer het Bulletijn der met verzet aangetekende waarden in het Belgisch Staatsblad. Deze publicatie omvat alle nog lopende gerechtelijke geschillen over de rechtmatige eigenaar van het effect waarvoor er nog geen finale gerechtelijke beslissing is gevallen. Het verzet wordt van rechtswege opgeheven, zodra er een met gezag van gewijsde beklede eindbeslissing voorhanden is, waarna de uitgevende instellingen en financiėle bemiddelaars deze uitvoeren.

  HOOFDSTUK 2. - Bepaling betreffende de tussenpersonen in bank- en beleggingsdiensten en de kredietbemiddelaars

  Art. 227. § 1. De collectief ingeschreven tussenpersonen in bank- en beleggingsdiensten bedoeld in artikel 7, § 1, vierde lid, van de wet van 22 maart 2006 betreffende de bemiddeling in bank- en beleggingsdiensten en de distributie van financiėle instrumenten, zoals van kracht voor de inwerkingtreding van de huidige wet, behouden hun inschrijving na de inwerkingtreding van de huidige wet.
  De centrale instellingen bedoeld in artikel 7, § 1, vierde lid, van de wet van 22 maart 2006 betreffende de bemiddeling in bank- en beleggingsdiensten en de distributie van financiėle instrumenten, zoals van kracht voor de inwerkingtreding van de huidige wet, zijn verplicht om de dossiers over de onder hun verantwoordelijkheid ingeschreven tussenpersonen in bank- en beleggingsdiensten over te dragen aan de FSMA. De Koning bepaalt de voorwaarden waaronder en de termijn waarbinnen deze overdracht gebeurt.
  § 2. De collectief ingeschreven kredietbemiddelaars bedoeld in artikel VII. 181, § 5, of in artikel VII. 186, § 4, van het Wetboek van economisch recht, zoals van kracht voor de inwerkingtreding van de huidige wet, behouden hun inschrijving na de inwerkingtreding van de huidige wet.
  De centrale instellingen bedoeld in de artikelen VII. 181, § 5, en VII. 186, § 4, van het Wetboek van economisch recht, zoals van kracht voor de inwerkingtreding van de huidige wet, zijn verplicht om de dossiers over de onder hun verantwoordelijkheid ingeschreven kredietbemiddelaars over te dragen aan de FSMA. De Koning bepaalt de voorwaarden waaronder en de termijn waarbinnen deze overdracht gebeurt.

  HOOFDSTUK 3. - Bepaling betreffende de tenuitvoerlegging van Verordening (EU) 2017/2402 van het Europees Parlement en de Raad van 12 december 2017 tot vaststelling van een algemeen kader voor securitisatie en tot instelling van een specifiek kader voor eenvoudige, transparante en gestandaardiseerde securitisatie, en tot wijziging van de richtlijnen 2009/65/EG, 2009/138/EG en 2011/61/EU en de Verordeningen (EG) nr. 1060/2009 en (EU) nr. 648/2012

  Art. 228. De Koning wordt gemachtigd om, op advies van de Autoriteit voor Financiėle diensten en Markten en de Nationale Bank van Belgiė, alle nuttige maatregelen te nemen om artikel 29, lid 4 en 5, van Verordening (EU) 2017/2402 van het Europees Parlement en de Raad van 12 december 2017 tot vaststelling van een algemeen kader voor securitisatie en tot instelling van een specifiek kader voor eenvoudige, transparante en gestandaardiseerde securitisatie, en tot wijziging van de Richtlijnen 2009/65/EG, 2009/138/EG en 2011/61/EU en de Verordeningen (EG) nr. 1060/2009 en (EU) nr. 648/2012 uit te voeren, alsook, in de mate dat dat zij betrekking hebben tot deze bepalingen, de artikelen 30, lid 1, 32 en 37, leden 1 tot 3, van dezelfde verordening.

  HOOFDSTUK 4. - Bepaling betreffende het toezicht van de kredietgevers

  Art. 229. In afwijking van artikel 85, § 1, 3°, van de wet van 18 september 2017 tot voorkoming van het witwassen van geld en de financiering van terrorisme en tot beperking van het gebruik van contanten, als gewijzigd bij deze wet, blijft de Autoriteit voor Financiėle Diensten en Markten de toezichthouder voor de kredietgevers in de zin van artikel I.9, 34°, van het wetboek van economisch recht voor wat betreft feiten die zich vóór de inwerkingtreding van deze wet hebben voorgedaan, ongeacht of de auditeur van de autoriteit voor financiėle diensten en markten al dan niet in kennis werd gesteld van aanwijzingen van inbreuken met betrekking tot deze feiten.

  TITEL VII. - TENUITVOERLEGGING VAN VERORDENING (EG) 2271/96 VAN DE RAAD VAN 22 NOVEMBER 1996 TOT BESCHERMING TEGEN DE GEVOLGEN VAN DE EXTRATERRITORIALE TOEPASSING VAN RECHTSREGELS UITGEVAARDIGD DOOR EEN DERDE LAND EN DAAROP GEBASEERDE OF DAARUIT VOORTVLOEIENDE HANDELINGEN ("BLOCKING STATUTE")

  Art. 230. Voor de tenuitvoerlegging van verordening (eg) 2271/96 van de Raad van 22 november 1996 tot bescherming tegen de gevolgen van de extraterritoriale toepassing van rechtsregels uitgevaardigd door een derde land en daarop gebaseerde of daaruit voortvloeiende handelingen (hierna te noemen "verordening 2271/96") is de federale Overheidsdienst Buitenlandse Zaken de bevoegde autoriteit voor de informatieverstrekking als bedoeld in artikel 2, lid 3, en artikel 10 van verordening 2271/96.
  De Algemene Administratie van de Thesaurie van de Federale Overheidsdienst Financiėn en de Federale Overheidsdienst Economie, KMO, Middenstand en Energie zijn de bevoegde autoriteiten voor het toezicht op de naleving van de verplichtingen bepaald in artikel 2, lid 1 en 2, en artikel 5 van Verordening 2271/96.
  Dit artikel laat onverlet de bevoegdheden toegekend door andere wettelijke of reglementaire bepalingen aan andere overheden, instellingen en autoriteiten, waaronder in het bijzonder de bevoegdheden van de Gemeenschappen en Gewesten, de officieren en agenten van gerechtelijke of administratieve politie en van de ambtenaren van de Algemene Administratie van de Douane en Accijnzen van de Federale Overheidsdienst Financiėn.
  De koning kan de modaliteiten bepalen voor de uitoefening van de toezichtbevoegdheden toegekend krachtens het tweede lid.

  Art. 231. § 1. Onverminderd andere wettelijke of reglementaire bepalingen en onverminderd de bevoegdheden van de Gemeenschappen en Gewesten, kan de bevoegde minister, indien de in artikel 230, tweede lid, bedoelde toezichtautoriteiten een inbreuk vaststellen op de verplichtingen bepaald bij artikel 2, lid 1 en 2 en artikel 5 van Verordening 2271/96, een administratieve geldboete opleggen aan de inbreukpleger(s) en, in voorkomend geval, aan een of meer leden van het wettelijk bestuursorgaan van rechtspersonen, van hun directiecomité en aan de personen die bij ontstentenis van een directiecomité deelnemen aan hun effectieve leiding, die voor de vastgestelde inbreuk verantwoordelijk zijn.
  § 2. De in paragraaf 1 bedoelde administratieve geldboete bedraagt, voor hetzelfde feit of voor hetzelfde geheel van feiten:
  1° minimum 10 000 euro en maximum tien procent van de jaarlijkse netto-omzet van het voorbije boekjaar, indien het gaat om een rechtspersoon;
  2° minimum 250 euro en maximum 5 000 000 euro, indien het gaat om een natuurlijke persoon.
  § 3. Het bedrag van de in paragraaf 1 bedoelde administratieve geldboete wordt vastgesteld overeenkomstig paragraaf 2, rekening houdend met alle relevante omstandigheden, en met name met:
  1° de ernst en de duur van de inbreuken;
  2° de mate van verantwoordelijkheid van de betrokkene;
  3° de financiėle draagkracht van de betrokkene, zoals die met name blijkt uit de totale omzet van de betrokken rechtspersoon, of uit het jaarinkomen van de betrokken natuurlijke persoon;
  4° het voordeel of de winst die de inbreuken eventueel opleveren voor de betrokkene voor zover die kunnen worden bepaald;
  5° het nadeel dat derden eventueel hebben geleden door deze inbreuken, voor zover dit kan worden bepaald;
  6° de mate van medewerking van de betrokkene met de toezichtautoriteiten;
  7° eventuele vroegere inbreuken die gepleegd zijn door de betrokkene.
  § 4. De administratieve geldboete bedoeld in paragraaf 1 wordt opgelegd nadat de betrokken natuurlijke of rechtspersoon werd gehoord of minstens behoorlijk werd opgeroepen.
  § 5. De administratieve geldboetes die met toepassing van paragrafen 1 tot 3 worden opgelegd, worden ingevorderd door de administratie van de Federale Overheidsdienst Financiėn belast met de inning en invordering van de niet-fiscale schuldvorderingen, overeenkomstig de artikelen 3 en volgende van de domaniale wet van 22 december 1949.

  Art. 232. In artikel 2 van de wet van 13 mei 2003 inzake de tenuitvoerlegging van de beperkende maatregelen die genomen worden door de Raad van de Europese Unie ten aanzien van Staten, sommige personen en entiteiten worden de volgende wijzigingen aangebracht:
  1° in het eerste streepje worden de woorden "12, 14 en 15" vervangen door de woorden "25, 28 en 29";
  2° in het eerste en tweede streepje worden de woorden "60, § 1, 301 en 308 van het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap" vervangen door de woorden "75, 215 et 352 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie";
  3° in het tweede streepje worden de woorden "249 van het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap" vervangen door de woorden "288 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie".

  Art. 233. In artikel 6 van dezelfde wet worden de volgende wijzigingen aangebracht:
  1° in het eerste lid worden de woorden "communautaire verordeningen" vervangen door de woorden "verordeningen genomen door de Europese Unie";
  2° in het eerste lid worden de woorden "60, § 1, 301 en 308 van het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap" vervangen door de woorden "75, 215 et 352 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie";
  3° tussen het eerste en het tweede lid wordt een lid ingevoegd, luidende:
  "Inbreuken op de maatregelen vervat in verordeningen genomen door de Europese Unie of in beschikkingen genomen in toepassing van deze verordeningen in het kader van de artikelen 75, 215 en 352 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie kunnen door de bevoegde minister worden bestraft met een administratieve boete van 250 tot 2500000 euro.".

  Art. 234. In artikel 7 van dezelfde wet worden de volgende wijzigingen aangebracht:
  1° de woorden "daartoe door de bevoegde minister aangestelde ambtenaren" worden vervangen door de woorden "de ambtenaren van de Algemene Administratie van de Thesaurie van de Federale Overheidsdienst Financiėn";
  2° de woorden "op de krachtens deze wet genomen maatregelen" worden vervangen door de woorden "bedoeld in artikel 6"."

  TITEL VIII. - UITVOERING VAN DE BEVRIEZINGSMAATREGELEN VASTGESTELD DOOR DE VEILIGHEIDSRAAD VAN DE VERENIGDE NATIES

  Art. 235. Voor de toepassing van deze titel wordt verstaan onder:
  1° "Sanctiecomité": comité ingesteld door een resolutie van de Veiligheidsraad van de Verenigde Naties met het mandaat om toe te zien op de uitvoering van de beperkende maatregelen vastgesteld door die resolutie;
  2° "Sanctielijst": lijst met natuurlijke personen, rechtspersonen, entiteiten of lichamen ten aanzien waarvan beperkende maatregelen genomen zijn door de Veiligheidsraad van de Verenigde Naties of het bevoegde sanctiecomité.

  Art. 236. § 1. De bevriezingsmaatregelen betreffende tegoeden en economische middelen opgenomen in de sanctielijsten vastgesteld of geactualiseerd door de Veiligheidsraad van de Verenigde Naties of de bevoegde Sanctiecomités in het kader van Hoofdstuk VII van het Handvest van de Verenigde Naties, worden uitgevoerd vanaf het tijdstip dat zij aangenomen worden door de Veiligheidsraad van de Verenigde Naties of deze Sanctiecomités.
  § 2. De Algemene Administratie van de Thesaurie van de Federale Overheidsdienst Financiėn stelt op elektronische wijze of, indien dit onmogelijk is, met een aangetekend schrijven, de betrokkene die de Belgische nationaliteit heeft of die in Belgiė woonachtig is, voor het gedeelte dat hem aanbelangt in kennis van deze bevriezingsmaatregelen.

  Art. 237. Inbreuken op de in artikel 236, § 1, bedoelde bevriezingsmaatregelen worden bestraft overeenkomstig artikel 4 van de wet van 11 mei 1995 inzake de tenuitvoerlegging van de besluiten van de Veiligheidsraad van de Organisatie van de Verenigde naties... en opgespoord en vastgesteld overeenkomstig artikel 5 ervan.

  Art. 238. Artikelen 1/1 en 1/2 van de wet van 11 mei 1995 inzake de tenuitvoerlegging van de besluiten van de Veiligheidsraad van de Organisatie van de Verenigde Naties, ingevoegd bij de wet van 18 december 2015, worden opgeheven.

  Art. 239. In artikel 3 van dezelfde wet, gewijzigd bij de wet van 18 december 2015, worden de volgende wijzigingen aangebracht:
  1° in het eerste lid worden de woorden "en de minister van Financiėn" opgeheven;
  2° in het eerste lid wordt het woord "nemen." vervangen door het woord "neemt.";
  3° in het tweede lid worden de woorden "en de minister van Financiėn" opgeheven;
  4° in het tweede lid wordt het woord "geven" vervangen door het woord "geeft".

  Art. 240. In artikel 5 van dezelfde wet worden de woorden "daartoe door de bevoegde minister aangestelde ambtenaren" vervangen door de woorden "de ambtenaren van de Algemene Administratie van de Thesaurie van de Federale Overheidsdienst Financiėn".

  TITEL IX. (VROEGER ART. VII). - INWERKINGTREDING

  Art. 241. De bepalingen van deze wet treden in werking overeenkomstig het gemeen recht, met uitzondering van hetgeen is bepaald in artikel 22, en met uitzondering van titel IV die in werking treedt op 1 januari 2020.

Handtekening Tekst Inhoudstafel Begin
   Kondigen deze wet af, bevelen dat zij met 's Lands zegel zal worden bekleed en door het Belgisch Staatsblad zal worden bekendgemaakt.
Gegeven te Brussel, 2 mei 2019.
FILIP
Van Koningswege :
De Vice-Eerste Minister en Minister van Financiėn,
A. DE CROO
Met 's Lands zegel gezegeld :
De Minister van Justitie,
K. GEENS

Aanhef Tekst Inhoudstafel Begin
   FILIP, Koning der Belgen,
   Aan allen die nu zijn en hierna wezen zullen, Onze Groet.
   De Kamer van volksvertegenwoordigers heeft aangenomen en Wij bekrachtigen, hetgeen volgt :

Parlementaire werkzaamheden Tekst Inhoudstafel Begin
   Kamer van volksvertegenwoordigers (www.dekamer.be) Stukken: K54-3624 Integraal verslag: 22 april 2019

Begin Eerste woord Laatste woord Aanhef
Parlementaire werkzaamheden Inhoudstafel
Franstalige versie