J U S T E L     -     Geconsolideerde wetgeving
Einde Eerste woord Laatste woord Aanhef
Parlementaire werkzaamheden Inhoudstafel 3 uitvoeringbesluiten
Erratum Handtekening Einde Franstalige versie
 
belgiėlex . be     -     Kruispuntbank Wetgeving
Raad van State Kamer van volksvertegenwoordigers
ELI - Navigatie systeem via een Europese identificatiecode voor wetgeving
http://www.ejustice.just.fgov.be/eli/wet/2019/02/11/2019040488/justel

Titel
11 FEBRUARI 2019. - Wet houdende fiscale, fraudebestrijdende, financiėle alsook diverse bepalingen

Bron :
FINANCIEN
Publicatie : 22-03-2019 nummer :   2019040488 bladzijde : 28349       PDF :   originele versie    
Dossiernummer : 2019-02-11/10
Inwerkingtreding : 01-04-2019

Inhoudstafel Tekst Begin
TITEL I. - Inleidende bepaling
Art. 1
TITEL II. - Fiscale bepalingen
HOOFDSTUK 1. - Eenheidsstatuut
Art. 2-3
HOOFDSTUK 2. - Atad - Interestaftrekbeperking
Art. 4-7
HOOFDSTUK 3. - Bezoldigingen ontvangen van een buitenlandse vennootschap verbonden met de werkgever
Afdeling 1. - Wijzigingen van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992
Art. 8-21
Afdeling 2. - Verplichting tijdens overgangsperiode voor de inkomsten verkregen in de periode van 1 januari 2019 tot en met 28 februari 2019
Art. 22-23
Afdeling 3.-. - Inwerkingtreding
Art. 24
HOOFDSTUK 4. - Juridische constructies
Art. 25-26
TITEL III. - Fraudebestrijding
HOOFDSTUK 1. - Wijzigingen inzake inkomstenbelastingen
Afdeling 1. - Gegevensuitwisseling met derde landen
Art. 27
Afdeling 2. - Juridische constructies
Art. 28-29
Afdeling 3. - Onderzoeksbevoegdheden
Art. 30
HOOFDSTUK 2. - Wijzigingen van het wetboek van de belasting over de toegevoegde waarde
Art. 31
HOOFDSTUK 3. - Wijzigingen van de wet van 24 december 2002 tot wijziging van de vennootschapsregeling inzake inkomstenbelastingen en tot instelling van een systeem van voorafgaande beslissingen in fiscale zaken
Art. 32
HOOFDSTUK 4. - De invordering
Afdeling 1. - Verplichting van de betaling in euro door bepaalde administraties van de FOD Financiėn
Art. 33
Afdeling 2. - Wijzigingen van het Wetboek van de belasting over de toegevoegde waarde, het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992, de programmawet (I) van 29 maart 2012 en het burgerlijk Wetboek inzake het E-notariaat
Onderafdeling 1. - Wetboek van de belasting over de toegevoegde waarde
Art. 34-42
Onderafdeling 2. - Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992
Art. 43-49
Onderafdeling 3. - Programmawet (I) van 29 maart 2012
Art. 50-55
Onderafdeling 4. - Burgerlijk Wetboek
Art. 56
Onderafdeling 5. - Inwerkingtreding
Art. 57
Afdeling 3. - Reparatiebepalingen van de artikelen 418 en 419 van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992
Art. 58-60
TITEL IV. - Financiėle bepalingen
HOOFDSTUK 1. - Wijzigingen van de wet van 31 juli 2017 houdende diverse financiėle en fiscale bepalingen en houdende maatregelen inzake concessieovereenkomsten
Art. 61-66
HOOFDSTUK 2. - Oprichting van een begrotingsfonds betreffende verrichtingen aangaande monetisatie en demonetisatie van de Koninklijke Munt van Belgiė van de Algemene Administratie van de Thesaurie van de Federale Overheidsdienst Financiėn en wijziging van de organieke wet van 27 december 1990 houdende oprichting van begrotingsfondsen
Afdeling 1. - Oprichting van het begrotingsfonds betreffende de verrichtingen aangaande monetisatie en demonetisatie van de Koninklijke Munt van Belgiė
Art. 67-69
Afdeling 2. - Wijziging van de organieke wet van 27 december 1990 houdende oprichting van begrotingsfondsen
Art. 70
HOOFDSTUK 3. - Opheffing
Art. 71
HOOFDSTUK 4. - Inwerkingtreding
Art. 72
TITEL V. - Diverse bepalingen
HOOFDSTUK 1. - Wijzigingen van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992
Afdeling 1. - Inkomsten uit de deeleconomie, uit het verenigingswerk of uit occasionele diensten tussen burgers
Art. 73-76
Afdeling 2. - Vereenvoudiging inzake PB
Art. 77-79
HOOFDSTUK 2. - Wijziging van het Wetboek diverse rechten en taksen
Art. 80-81
HOOFDSTUK 3. - Wijziging aan het Wetboek der registratie-, hypotheek- en griffierechten
Art. 82-83
TITEL VI. - Achterwaartse verliesverrekening ter compensatie van schade aan landbouwteelten, veroorzaakt door ongunstige weersomstandigheden
Art. 84-108
TITEL VII. - Overgangsbepalingen
Art. 109-110

Tekst Inhoudstafel Begin
TITEL I. - Inleidende bepaling

  Artikel 1. Deze wet regelt een aangelegenheid als bedoeld in artikel 74 van de Grondwet.

  TITEL II. - Fiscale bepalingen

  HOOFDSTUK 1. - Eenheidsstatuut

  Art. 2. In artikel 67quater van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992, ingevoegd bij de wet van 26 december 2013 en gewijzigd bij de wet van 18 december 2015, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
  1° het tweede lid wordt vervangen als volgt :
  "Het voor het belastbaar tijdperk vrij te stellen bedrag van de winsten en baten per in het eerste lid bedoelde werknemer, bedraagt :
  - drie weken bezoldiging, van het zesde tot en met het twintigste door deze werknemer begonnen dienstjaar na 1 januari 2014;
  - een week bezoldiging, vanaf het eenentwintigste door deze werknemer begonnen dienstjaar na 1 januari 2014.";
  2° tussen het tweede en het derde lid wordt een lid ingevoegd, luidende :
  "Het in het tweede lid bedoelde vrij te stellen bedrag van de winsten en baten, dat in voorkomend geval wordt beperkt bij toepassing van het vierde lid, wordt gespreid over het belastbaar tijdperk en de vier volgende belastbare tijdperken ten belope van 20 pct. per belastbaar tijdperk.";
  3° in het vroegere derde lid, dat het vierde lid wordt, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
  a) de woorden "een maximumbedrag" worden vervangen door de woorden "een maximumbedrag van bruto maandbezoldiging per werknemer";
  b) de tweede zin wordt opgeheven;
  4° tussen het vroegere derde lid, dat het vierde lid wordt, en het vroegere vierde lid, dat het achtste lid wordt, worden drie leden ingevoegd, luidende :
  "De Koning zal bij de Kamer van volksvertegenwoordigers, onmiddellijk indien ze in zitting is, zo niet bij de opening van de eerstvolgende zitting, een wetsontwerp indienen tot bekrachtiging van de in uitvoering van het vierde lid genomen besluiten. Deze besluiten worden geacht geen uitwerking te hebben gehad indien ze niet bij wet zijn bekrachtigd binnen de twaalf maanden na de datum van hun bekendmaking in het Belgisch Staatsblad.
  De in aanmerking te nemen bruto maandbezoldiging is de gemiddelde bruto maandelijkse bezoldiging, voor inhouding van de persoonlijke sociale zekerheidsbijdrage, berekend over het totaal aantal maanden van het belastbaar tijdperk waarvoor de vrijstelling wordt aangevraagd.
  Om de wekelijkse bezoldiging te bepalen wordt het maximumbedrag van de bruto maandbezoldiging vermenigvuldigd met drie en gedeeld door dertien.";
  5° in het vierde lid, dat het achtste wordt, worden de woorden "waarin de tewerkstelling een einde neemt." vervangen door de woorden "waarin de tewerkstelling een einde neemt en kan het ingevolge de in het derde lid bedoelde spreiding nog vrij te stellen bedrag voor die werknemer niet meer vrijgesteld worden.".

  Art. 3. Artikel 2 heeft uitwerking met ingang van 1 januari 2019.

  HOOFDSTUK 2. - Atad - Interestaftrekbeperking

  Art. 4. Dit hoofdstuk heeft de gedeeltelijke omzetting tot doel van richtlijn (EU) 2016/1164 van de Raad van 12 juli 2016 tot vaststelling van regels ter bestrijding van belastingontwijkingspraktijken welke rechtstreeks van invloed zijn op de werking van de interne markt.

  Art. 5. Artikel 35 van de wet van 25 december 2017 tot hervorming van de vennootschapsbelasting, vervangen bij de wet van 30 juli 2018, wordt ingetrokken.

  Art. 6. In artikel 86 van dezelfde wet, gewijzigd bij de wet van 30 juli 2018, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
  1° in de bepaling onder B1 worden de woorden "35, 39, 5° en 9° " vervangen door de woorden "34, 36, 39, 5° tot 15°, 40";
  2° in de bepaling onder B2 worden de woorden "34, 36, 39, 2°, 4°, 6° tot 8° en 10° tot 15°, 40" vervangen door de woorden "39, 2° en 4° ".

  Art. 7. Dit hoofdstuk treedt in werking de dag waarop deze wet in het Belgisch Staatsblad wordt bekendgemaakt.

  HOOFDSTUK 3. - Bezoldigingen ontvangen van een buitenlandse vennootschap verbonden met de werkgever

  Afdeling 1. - Wijzigingen van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992

  Art. 8. In artikel 270 van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992, gewijzigd bij de wetten van 28 juli 1992, 28 december 1992 en 22 juli 1993, bij het koninklijk besluit van 12 december 1996 en door de wetten van 24 december 2002 en 13 december 2012, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
  1° de bestaande tekst zal het eerste lid vormen;
  2° een tweede lid wordt ingevoegd, luidende :
  "Voor de toepassing van de bedrijfsvoorheffing worden :
  a) de in artikel 179 of 220 bedoelde belastingplichtige geacht de in artikel 30, 1° en 2°, bedoelde bezoldigingen toe te kennen die een begunstigde ontvangt van een buitenlandse vennootschap die met de belastingplichtige verbonden is in de zin van artikel 1:20 van het Wetboek van vennootschappen en verenigingen wegens of naar aanleiding van de beroepsactiviteit van de begunstigde ten behoeve van de belastingplichtige;
  b) de in artikel 227, 2° en 3°, bedoelde belastingplichtige geacht de in artikel 30, 1° en 2°, bedoelde bezoldigingen toe te kennen die een begunstigde ontvangt van een buitenlandse vennootschap die met de belastingplichtige verbonden is in de zin van artikel 1:20 van het Wetboek van vennootschappen en verenigingen wegens of naar aanleiding van de beroepsactiviteit van de begunstigde ten behoeve van de belastingplichtige waarvoor de belastingplichtige in Belgiė of in het buitenland in artikel 30, 1° en 2°, bedoelde bezoldigingen betaalt of toekent die beroepskosten zijn in de zin van artikel 237.".

  Art. 9. In artikel 272 van hetzelfde Wetboek, gewijzigd bij de wetten van 28 december 1992, 22 juli 1993 en 13 december 2012, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
  1° in het eerste lid, 1°, worden de woorden "in artikel 270, 1°, 3°, 6° en 7° " vervangen door de woorden "in artikel 270, eerste lid, 1°, 3°, 6° en 7° ";
  2° in het eerste lid, 2°, worden de woorden "in artikel 270, 2° " vervangen door de woorden "in artikel 270, eerste lid, 2° ";
  3° in het eerste lid wordt een bepaling onder 3° ingevoegd, luidende :
  "3° hebben de belastingschuldigen overeenkomstig artikel 270, tweede lid, het recht op het geheel van de belastbare inkomsten waarvan zij schuldenaar zijn de voorheffing in te houden.";
  4° in het tweede lid worden de woorden "in artikel 270, 5° " vervangen door de woorden "in artikel 270, eerste lid, 5° ".

  Art. 10. In artikel 2751, eerste lid, van hetzelfde Wetboek, ingevoegd bij de wet van 3 juli 2005 en gewijzigd bij de wet van 22 december 2008, worden de woorden "krachtens artikel 270, 1°, " vervangen door de woorden "krachtens artikel 270, eerste lid, 1°, ".

  Art. 11. In artikel 2752, § 1, van hetzelfde Wetboek, ingevoegd bij de wet van 20 juli 2005, worden de woorden "in toepassing van artikel 270, 1°, " vervangen door de woorden "in toepassing van artikel 270, eerste lid, 1°, ".

  Art. 12. In artikel 2753, § 1, van hetzelfde Wetboek, ingevoegd bij de wet van 23 december 2005 en laatstelijk gewijzigd bij de wet van 25 december 2017, worden de woorden "krachtens artikel 270, 1°, " vervangen door de woorden "krachtens artikel 270, eerste lid, 1°, ".

  Art. 13. In artikel 2754, § 1, van hetzelfde Wetboek, ingevoegd door bij de wet van 23 december 2005, worden de woorden "bij toepassing van artikel 270, 1°, " vervangen door de woorden "in toepassing van artikel 270, eerste lid, 1°, ".

  Art. 14. In artikel 2755, § 1, van hetzelfde Wetboek, ingevoegd bij de wet van 23 december 2005 en laatstelijk gewijzigd bij de wet van 26 maart 2018, worden de woorden "krachtens artikel 270, 1°, " vervangen door de woorden "krachtens artikel 270, eerste lid, 1°, ".

  Art. 15. In artikel 2756 van hetzelfde Wetboek, ingevoegd bij de wet van 4 mei 2007 en gewijzigd bij de wetten van 22 december 2008, 22 december 2009 en 28 april 2011, worden de woorden "bedoeld in artikel 270," telkens vervangen door de woorden "bedoeld in artikel 270, eerste lid,".

  Art. 16. In artikel 2757, eerste lid, van hetzelfde Wetboek, vervangen bij de wet van 26 december 2015, worden de woorden "krachtens artikel 270, 1°, " vervangen door de woorden "krachtens artikel 270, eerste lid, 1°, ".

  Art. 17. In artikel 2758 , § 1, van hetzelfde Wetboek, ingevoegd bij de wet van 15 mei 2014 en gewijzigd bij de wetten van 24 maart 2015 en 18 december 2015, worden de woorden "krachtens artikel 270, 1°, " vervangen door de woorden "krachtens artikel 270, eerste lid, 1°, ".

  Art. 18. In artikel 2759, § 1, van hetzelfde Wetboek, ingevoegd bij de wet van 15 mei 2014 en gewijzigd bij de wetten van 24 maart 2015 en 18 december 2015, worden de woorden "krachtens artikel 270, 1°, " vervangen door de woorden "krachtens artikel 270, eerste lid, 1°, ".

  Art. 19. In artikel 27510, eerste lid, van hetzelfde Wetboek, ingevoegd bij de wet van 10 augustus 2015, worden de woorden "krachtens artikel 270, 1°, " vervangen door de woorden "krachtens artikel 270, eerste lid, 1°, ".

  Art. 20. In artikel 27511, eerste lid, van hetzelfde Wetboek, ingevoegd bij de wet van 26 maart 2018, worden de woorden "krachtens artikel 270, 1°, " vervangen door de woorden "krachtens artikel 270, eerste lid, 1°, ".

  Art. 21. In artikel 412bis, eerste lid, van hetzelfde Wetboek, ingevoegd bij de wet van 28 december 1992, worden de woorden "de in artikel 270, 5°, vermelde akten" vervangen door de woorden "de in artikel 270, eerste lid, 5°, vermelde akten".

  Afdeling 2. - Verplichting tijdens overgangsperiode voor de inkomsten verkregen in de periode van 1 januari 2019 tot en met 28 februari 2019

  Art. 22. § 1. De belastingplichtige bedoeld in artikel 179 of 220 van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 maakt een fiche op die de bezoldigingen bedoeld in artikel 30, 1° en 2°, van hetzelfde Wetboek herneemt die in de periode van 1 januari 2019 tot en met 28 februari 2019 aan een begunstigde worden betaald of toegekend door een buitenlandse vennootschap die met de belastingplichtige verbonden is in de zin van artikel 1:20 van het Wetboek van vennootschappen en verenigingen wegens of naar aanleiding van de beroepsactiviteit van de begunstigde ten behoeve van de belastingplichtige.
  De in artikel 227, 2° en 3°, van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 bedoelde belastingplichtige maakt een fiche op die de bezoldigingen bedoeld in artikel 30, 1° en 2°, van hetzelfde Wetboek herneemt die in de periode van 1 januari 2019 tot en met 28 februari 2019 aan een begunstigde zijn betaald of toegekend door een buitenlandse vennootschap die met de belastingplichtige verbonden is in de zin van artikel 1:20 van het Wetboek van vennootschappen en verenigingen wegens of naar aanleiding van de beroepsactiviteit van de begunstigde ten behoeve van de belastingplichtige waarvoor de belastingplichtige in Belgiė of in het buitenland in artikel 30, 1° en 2°, van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 bedoelde bezoldigingen betaalt of toekent die beroepskosten zijn in de zin van artikel 237 van hetzelfde Wetboek.
  De in het eerste en tweede lid bedoelde fiche wordt voor 1 maart 2020 langs elektronische weg aan de FOD Financiėn bezorgd .
  De Koning stelt het model op van de fiche bedoeld in het eerste en tweede lid.
  § 2. In afwijking van de artikelen 219 en 445 van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992, is in geval van afwezigheid, onvolledigheid of laattijdigheid van de in paragraaf 1 bedoelde fiche, per vastgestelde inbreuk een boete verschuldigd van 10 pct. van het bedrag van de toegekende of betaalde bezoldigingen bedoeld in paragraaf 1, eerste en tweede lid.
  Er wordt geen boete toegepast wanneer de belastingplichtige aantoont dat de bezoldigingen bedoeld in artikel 30, 1° en 2°, van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 begrepen zijn in een door de begunstigde overeenkomstig artikel 305 van hetzelfde Wetboek ingediende aangifte of in een door de begunstigde in het buitenland ingediende gelijkaardige aangifte.

  Art. 23. Voor zover daarvan niet wordt afgeweken, zijn de bepalingen van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 van toepassing op deze afdeling.

  Afdeling 3.-. - Inwerkingtreding

  Art. 24. Afdeling 1 van dit hoofdstuk treedt in werking op 1 maart 2019 en is van toepassing op bezoldigingen betaald of toegekend vanaf 1 maart 2019.

  HOOFDSTUK 4. - Juridische constructies

  Art. 25. In artikel 2, § 1, 13°, b), derde lid, van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992, ingevoegd bij de wet van 10 augustus 2015, worden de woorden "de voor welbepaalde Staten of rechtsgebieden beoogde rechtsvormen" vervangen door de woorden "de gevallen".

  Art. 26. Het koninklijk besluit van 21 november 2018 tot aanpassing van het koninklijk besluit van 18 december 2015 tot uitvoering van artikel 2, § 1, 13°, b), tweede lid, van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 wordt bekrachtigd met ingang van de dag van zijn inwerkingtreding.

  TITEL III. - Fraudebestrijding

  HOOFDSTUK 1. - Wijzigingen inzake inkomstenbelastingen

  Afdeling 1. - Gegevensuitwisseling met derde landen

  Art. 27. In het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992, wordt een artikel 338ter ingevoegd, luidende :
  "Art. 338ter. Teneinde de gegevens bedoeld in artikel 338, § 24/1, te kunnen overmaken aan de bevoegde buitenlandse autoriteiten en de bevoegde autoriteiten van derde landen, binnen de juridische grondslag die op basis van wederkerigheid de uitwisseling van informatie tussen Belgiė en het derde land regelt, kunnen de voormelde gegevens door de Belgische bevoegde autoriteit conform artikel 30, tweede lid en artikel 31, zevende lid van de Richtlijn 2015/849/EU zonder enige beperking bij de volgens voormelde Richtlijn meldingsplichtige entiteiten worden opgevraagd, die ze binnen een maand na het verzoek dienen te bezorgen aan de Belgische bevoegde autoriteit.".

  Afdeling 2. - Juridische constructies

  Art. 28. In artikel 333 van hetzelfde Wetboek, laatstelijk gewijzigd bij de wetten van 24 maart 2015 en 30 juni 2017, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
  1° in het tweede lid worden de woorden "vierde lid." vervangen door de woorden "vijfde lid.";
  2° in het derde lid worden de woorden "artikel 354, tweede lid, bedoelde aanvullende termijn van vier jaar," vervangen door de woorden "artikel 354, tweede en derde lid, bedoelde aanvullende termijn van respectievelijk vier en zeven jaar,";
  3° in het derde lid in fine worden de woorden "met de aanvullende termijn van vier jaar." vervangen door de woorden "met de hierboven bedoelde aanvullende termijn van respectievelijk vier en zeven jaar.".

  Art. 29. In artikel 354 van hetzelfde Wetboek, laatstelijk gewijzigd bij de wet van 27 april 2016, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
  1° tussen het tweede en het derde lid wordt een lid ingevoegd, luidende :
  "Wanneer in een land opgenomen in de lijst van staten zonder of met een lage belasting bedoeld in artikel 307, § 1/2, derde lid, met uitzondering van de landen waarmee een overeenkomst ter voorkoming van dubbele belasting werd gesloten en op voorwaarde dat deze overeenkomst of enig verdrag in de uitwisseling van inlichtingen voorziet die nodig zijn om uitvoering te geven aan de bepalingen van de nationale wetten van de overeenkomstsluitende staten, gebruik wordt gemaakt van juridische constructies die ertoe strekken de herkomst of het bestaan van het vermogen te verhullen, wordt de in het eerste lid bedoelde termijn met zeven jaar verlengd in geval van een inbreuk op de bepalingen van dit Wetboek of van ter uitvoering ervan genomen besluiten.";
  2° in het vroegere derde lid, dat het vierde lid wordt, wordt het woord "twee" vervangen door het woord "drie".

  Afdeling 3. - Onderzoeksbevoegdheden

  Art. 30. In artikel 322, § 1, van hetzelfde Wetboek, gewijzigd bij de wet van 26 maart 2018, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
  1° tussen het eerste en het tweede lid wordt een lid ingevoegd luidende :
  "Het recht om derden te horen en om een onderzoek in te stellen mag slechts worden uitgeoefend door ambtenaren die minstens de graad van financieel deskundige bezitten, voorzien van hun aanstellingsbewijs en belast met het verrichten van een controle of een onderzoek betreffende de toepassing van de inkomstenbelastingen.";
  2° het vroegere tweede lid, dat het derde lid wordt, wordt aangevuld als volgt :
  "Het recht om het UBO-register te consulteren mag slechts worden uitgeoefend door een ambtenaar met een hogere titel dan die van attaché.";
  3° het vroegere derde lid wordt opgeheven.

  HOOFDSTUK 2. - Wijzigingen van het wetboek van de belasting over de toegevoegde waarde

  Art. 31. In het Wetboek van de belasting over de toegevoegde waarde wordt een artikel 93bis/1 ingevoegd, luidende :
  "Art. 93bis/1. In afwijking van artikel 4 van de wet van 11 april 1994 betreffende de openbaarheid van bestuur, mogen de verzoeken om inlichtingen van buitenlandse autoriteiten en de antwoorden verstrekt aan die autoriteiten evenals elke andere correspondentie tussen de bevoegde autoriteiten niet openbaar worden gemaakt zolang het onderzoek van de buitenlandse autoriteit niet is afgesloten en voor zover de openbaarmaking nadelig zou zijn voor het voormelde onderzoek, tenzij de buitenlandse autoriteit haar uitdrukkelijk akkoord heeft gegeven voor deze openbaarmaking.
  Het in het eerste lid bedoelde akkoord wordt geacht te zijn bekomen wanneer de buitenlandse autoriteit niet reageert binnen een termijn van 90 dagen te rekenen vanaf het verzenden door de Belgische Staat van de vraag tot openbaarmaking, en de informatie niet verschaft dat de vertrouwelijkheid van de uitgewisselde gegevens en de correspondentie volgens de voorwaarden van dit artikel moet voortduren, wanneer de persoon in wiens hoofde het onderzoek door de buitenlandse Staat wordt gevoerd uitdrukkelijk deze toegang aan de Belgische Staat heeft gevraagd.".

  HOOFDSTUK 3. - Wijzigingen van de wet van 24 december 2002 tot wijziging van de vennootschapsregeling inzake inkomstenbelastingen en tot instelling van een systeem van voorafgaande beslissingen in fiscale zaken

  Art. 32. In artikel 22, derde lid, van de wet van 24 december 2002 tot wijziging van de vennootschapsregeling inzake inkomstenbelastingen en tot instelling van een systeem van voorafgaande beslissingen in fiscale zaken, wordt de bepaling onder 1° vervangen als volgt :
  "1° bij het indienen van de aanvraag, essentiėle elementen van de beschreven verrichting of situatie betrekking hebben op een vluchtland dat niet samenwerkt met de OESO of op een land opgenomen in de lijst van staten zonder of met een lage belasting bedoeld in artikel 307, § 1/2, derde lid, van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 tenzij met dit land een overeenkomst ter voorkoming van dubbele belasting werd gesloten en op voorwaarde dat deze overeenkomst of enig verdrag in de uitwisseling van inlichtingen voorziet die nodig zijn om uitvoering te geven aan de bepalingen van de nationale wetten van de overeenkomstsluitende staten;".

  HOOFDSTUK 4. - De invordering

  Afdeling 1. - Verplichting van de betaling in euro door bepaalde administraties van de FOD Financiėn

  Art. 33. Elke som die door de administratie van de Federale Overheidsdienst Financiėn belast met de inning en de invordering van fiscale en niet-fiscale schuldvorderingen moet worden teruggegeven of betaald, moet uitgevoerd worden in euro.

  Afdeling 2. - Wijzigingen van het Wetboek van de belasting over de toegevoegde waarde, het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992, de programmawet (I) van 29 maart 2012 en het burgerlijk Wetboek inzake het E-notariaat

  Onderafdeling 1. - Wetboek van de belasting over de toegevoegde waarde

  Art. 34. In artikel 62 van het Wetboek van de belasting over de toegevoegde waarde, vervangen bij de wet van 28 december 1992 en gewijzigd bij de programmawet van 27 april 2007 en bij de wet van 25 april 2014, wordt paragraaf 2 opgeheven.

  Art. 35. In artikel 66, eerste lid, van hetzelfde Wetboek, gewijzigd bij de wetten van 28 december 1992, 28 januari 2004 en 17 december 2012, worden de woorden "artikel 62, § 1," vervangen door de woorden "artikel 62".

  Art. 36. Artikel 93ter van hetzelfde Wetboek, ingevoegd bij de wet van 8 augustus 1980, en gewijzigd bij de wetten van 22 december 1989, 28 december 1992, de koninklijke besluiten van 20 juli 2000, 31 maart 2003 en 25 februari 2007 en de wetten van 27 april 2007 en 24 juli 2008, wordt vervangen als volgt :
  "Art. 93ter. § 1. De notaris die verzocht is om een akte op te maken die de vervreemding of hypothecaire aanwending van een voor hypotheek vatbaar goed tot voorwerp heeft, is persoonlijk aansprakelijk voor de betaling van de belasting over de toegevoegde waarde en bijbehoren die tot een hypothecaire inschrijving aanleiding kunnen geven, wanneer hij daarvan geen bericht geeft aan :
  1° de dienst belast met informatie- en communicatietechnologie van de Federale Overheidsdienst Financiėn, op elektronische wijze;
  2° de ontvanger waaronder de eigenaar of de houder van een zakelijk recht op het goed dat het voorwerp van de akte is, ressorteert, of de ontvanger van de dienst die door de Koning daarvoor is aangewezen, wanneer de eigenaar of de houder van een zakelijk recht op het goed zijn verblijfplaats in het buitenland heeft, wanneer het bericht omwille van overmacht of een technische storing niet kan worden meegedeeld overeenkomstig 1°. In dat geval wordt het bericht bij aangetekende brief verzonden.
  Indien de akte waarvan sprake niet verleden wordt binnen drie maanden te rekenen van de verzending van het bericht, wordt dit bericht als niet bestaande beschouwd.
  § 2. Wanneer het bericht meegedeeld is in overeenstemming met paragraaf 1, eerste lid, 1°, wordt onder de verzendingsdatum van het bericht verstaan de datum van ontvangstmelding meegedeeld door de dienst belast met informatie- en communicatietechnologie van de Federale Overheidsdienst Financiėn.
  § 3. Wanneer eenzelfde bericht achtereenvolgens wordt verzonden overeenkomstig de procedures voorzien respectievelijk in paragraaf 1, eerste lid, 1° en 2°, dan zal het bericht opgesteld overeenkomstig paragraaf 1, eerste lid, 2°, slechts primeren wanneer de verzendingsdatum ervan de verzendingsdatum van het bericht opgesteld overeenkomstig paragraaf 1, eerste lid, 1°, voorafgaat.
  § 4. De Koning bepaalt de praktische toepassingsvoorwaarden van dit artikel.".

  Art. 37. Artikel 93quater van hetzelfde Wetboek, ingevoegd bij de wet van 8 augustus 1980 en gewijzigd bij de koninklijke besluiten van 31 maart 2003, en 25 februari 2007, en bij de wet van 24 juli 2008, wordt vervangen als volgt :
  "Art. 93quater. § 1. Indien het belang van de Schatkist dit vereist, geeft de bevoegde ontvanger aan de notaris, vóór het verstrijken van de twaalfde werkdag volgend op de datum van de verzending van het in artikel 93ter bedoelde bericht, kennis van het bedrag van de belasting over de toegevoegde waarde en bijbehoren dat aanleiding kan geven tot inschrijving van de wettelijke hypotheek van de Schatkist op het goed dat het voorwerp van de akte is :
  1° op elektronische wijze, volgens een door de Koning bepaalde procedure;
  2° bij aangetekende brief, wanneer de kennisgeving omwille van overmacht of een technische storing niet kan worden meegedeeld overeenkomstig 1°, of wanneer de notaris het bericht bedoeld in artikel 93ter, § 1, heeft verzonden bij aangetekende brief.
  § 2. Wanneer de kennisgeving is meegedeeld overeenkomstig paragraaf 1, eerste lid, 1°, is de datum van de verzending van de kennisgeving de datum van de ontvangstbevestiging meegedeeld door de dienst informatie- en communicatietechnologie van de afzender van het bericht bedoeld in artikel 93ter, § 1.
  § 3. Wanneer eenzelfde kennisgeving achtereenvolgens wordt verzonden overeenkomstig de procedures voorzien respectievelijk in paragraaf 1, eerste lid, 1° en 2°, dan zal de kennisgeving opgesteld overeenkomstig paragraaf 1, eerste lid, 2°, slechts primeren wanneer de verzendingsdatum ervan de verzendingsdatum van de kennisgeving opgesteld overeenkomstig paragraaf 1, eerste lid, 1°, voorafgaat.".

  Art. 38. Artikel 93quinquies van hetzelfde Wetboek, ingevoegd bij de wet van 8 augustus 1980, vervangen, bij de wet van 24 juli 2008 en gewijzigd bij de wet van 27 april 2016, wordt vervangen als volgt :
  "Art. 93quinquies. § 1. Wanneer de in artikel 93ter bedoelde akte verleden is, geldt de in artikel 93quater bedoelde kennisgeving als beslag onder derden in handen van de notaris op de bedragen en waarden die hij krachtens de akte onder zich houdt voor rekening of ten bate van de belastingschuldige en geldt als verzet tegen de prijs in de zin van artikel 1642 van het Gerechtelijk Wetboek in de gevallen waarin de notaris gehouden is deze bedragen en waarden overeenkomstig de artikelen 1639 tot 1654 van het Gerechtelijk Wetboek te verdelen.
  Onverminderd de rechten van derden, is de notaris ertoe gehouden, wanneer de in artikel 93ter bedoelde akte verleden is, onder voorbehoud van toepassing van de artikelen 1639 tot 1654 van het Gerechtelijk Wetboek, de bedragen en waarden die hij krachtens de akte onder zich houdt voor rekening of ten bate van de belastingschuldige, uiterlijk de achtste werkdag die volgt op het verlijden van de akte, aan de ontvanger bedoeld in artikel 93quater te storten tot beloop van het bedrag van de belasting over de toegevoegde waarde en bijbehoren dat hem ter uitvoering van artikel 93quater ter kennis werd gebracht en in zoverre deze belasting en bijbehoren aanleiding hebben gegeven tot een dwangbevel of zijn opgenomen in een innings-en invorderingsregister als bedoeld in artikel 85 waarvan de tenuitvoerlegging niet werd gestuit door een in artikel 89 bedoelde vordering in rechte.
  Daarenboven, wanneer de aldus door beslag onder derden getroffen sommen en waarden minder bedragen dan het totaal van de sommen verschuldigd aan de ingeschreven schuldeisers en aan de verzetdoende schuldeisers, met inbegrip van de ontvanger, moet de notaris, op straffe van persoonlijke aansprakelijkheid voor het overschot, uiterlijk de eerste werkdag die volgt op het verlijden van de akte hierover informeren aan :
  1° de dienst belast met informatie- en communicatie technologie van de Federale Overheidsdienst Financiėn, op elektronische wijze;
  2° de ontvanger bedoeld in artikel 93quater bij aangetekende brief, wanneer de notaris omwille van overmacht of een technische storing de inlichtingen niet kan verstrekken overeenkomstig de bepaling onder 1° of wanneer hij het bericht bedoeld in artikel 93ter, § 1, bij aangetekende brief heeft verzonden.
  De datum van de inlichting is, naar gelang het geval, de datum van ontvangstmelding meegedeeld door de dienst belast met informatie- en communicatietechnologie van de Federale Overheidsdienst Financiėn, of de datum van verzending van de aangetekende brief.
  § 2. Wanneer eenzelfde inlichting achtereenvolgens wordt verzonden overeenkomstig de procedures voorzien respectievelijk in paragraaf 1, derde lid, 1° en 2°, dan zal de inlichting opgesteld overeenkomstig paragraaf 1, derde lid, 2°, slechts primeren wanneer de verzendingsdatum ervan de verzendingsdatum van de inlichting opgesteld overeenkomstig paragraaf 1, derde lid, 1°, voorafgaat.
  § 3. Onverminderd de rechten van derden, kan de overschrijving of de inschrijving van de akte niet aan de Staat worden tegengeworpen indien de inschrijving van de wettelijke hypotheek geschiedt binnen acht werkdagen van de datum van de inlichting bedoeld in paragraaf 1, vierde lid.
  Alle niet-ingeschreven schuldvorderingen waarvoor slechts na het verstrijken van de in paragraaf 1, derde lid, bepaalde termijn wordt beslag gelegd of verzet aangetekend, zijn zonder uitwerking ten opzichte van de schuldvorderingen inzake belasting over de toegevoegde waarde en bijbehoren, welke overeenkomstig artikel 93quater werden ter kennis gebracht.
  § 4. De Koning bepaalt de praktische toepassings-voorwaarden van dit artikel.".

  Art. 39. Artikel 93octies van hetzelfde Wetboek, ingevoegd bij de wet van 8 augustus 1980, wordt opgeheven.

  Art. 40. In artikel 93nonies van hetzelfde Wetboek, ingevoegd bij de wet van 8 augustus 1980, worden de woorden "artikelen 93ter tot 93octies" vervangen door de woorden "artikelen 93ter tot 93septies".

  Art. 41. Artikel 93decies van hetzelfde Wetboek, ingevoegd bij de wet van 8 augustus 1980, wordt vervangen als volgt :
  "Art. 93decies. Met het akkoord van de belasting-schuldige zijn de banken, onderworpen aan de wet van 25 april 2014 op het statuut van en het toezicht op de kredietinstellingen, evenals de kredietgevers en bemiddelaars inzake hypothecair krediet, onderworpen aan Boek VII, Titel 4, Hoofdstuk 4, van het Wetboek van economisch recht, gemachtigd het in artikel 93ter bedoelde bericht te verzenden en zijn zij bevoegd om de in artikel 93quater bedoelde kennisgeving te ontvangen.
  De afgifte van een attest door die instellingen aan de notaris betreffende de verzending van het bericht en het gevolg daaraan gegeven door de ontvanger bedoeld in artikel 93quater, stelt de aansprakelijkheid van die instellingen in de plaats van die van de notaris.".

  Art. 42. Artikel 93undecies A van hetzelfde Wetboek, ingevoegd bij de wet van 8 augustus 1980 en gewijzigd bij de wetten van 10 augustus 2005 en 11 juli 2018, wordt vervangen als volgt :
  "Art. 93undecies A. Geen akte die in het buitenland verleden is en de vervreemding of de hypothecaire aanwending van een onroerend goed of een schip tot voorwerp heeft, wordt in Belgiė tot overschrijving of inschrijving in de registers van de hypothecaire openbaarmaking, wat de onroerende goederen betreft, of in het Belgisch Scheepsregister, wat de schepen betreft, toegelaten, indien zij niet vergezeld gaat van een attest van de ontvanger bedoeld in artikel 93ter.
  Dit attest moet vaststellen ofwel dat de eigenaar of de houder van een zakelijk recht geen belasting over de toegevoegde waarde verschuldigd is, ofwel dat de wettelijke hypotheek, die de verschuldigde belasting over de toegevoegde waarde waarborgt, ingeschreven is.".

  Onderafdeling 2. - Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992

  Art. 43. Artikel 433 van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992, vervangen bij de wet van 24 juli 2008 en gewijzigd bij de wet van 27 april 2016, wordt vervangen als volgt :
  "Art. 433. § 1. De notaris die verzocht is om een akte op te maken die de vervreemding of de hypothecaire aanwending van een voor hypotheek vatbaar goed tot voorwerp heeft, is persoonlijk aansprakelijk voor de betaling van de belastingen en bijbehoren die tot een hypothecaire inschrijving aanleiding kunnen geven, wanneer hij daarvan geen bericht geeft aan :
  1° de dienst belast met informatie- en communicatietechnologie van de Federale Overheidsdienst Financiėn, op elektronische wijze;
  2° de ontvanger waaronder de eigenaar of de houder van een zakelijk recht op het goed ressorteert, of de ontvanger van de dienst die door de Koning daarvoor is aangewezen, wanneer de eigenaar of de houder van een zakelijk recht op het goed zijn verblijfplaats in het buitenland heeft en, daarenboven, zo het om een onroerend goed gaat, de ontvanger, bevoegd voor de invordering van de onroerende voorheffing van dat goed, wanneer het bericht omwille van overmacht of een technische storing niet kan worden meegedeeld overeenkomstig de bepaling onder 1°. In dat geval wordt het bericht bij aangetekende brief verzonden.
  § 2. Indien de akte waarvan sprake niet verleden wordt binnen drie maanden te rekenen van de verzending van het bericht, wordt dit bericht als niet bestaande beschouwd.
  Wanneer het bericht meegedeeld is overeenkomstig paragraaf 1, 1°, wordt onder de verzendingsdatum van het bericht verstaan de datum van ontvangstmelding meegedeeld door de dienst belast met informatie- en communicatietechnologie van de Federale Overheidsdienst Financiėn.
  § 3. Wanneer eenzelfde bericht achtereenvolgens wordt verzonden overeenkomstig de procedures voorzien respectievelijk in paragraaf 1, 1° en 2°, dan zal het bericht opgesteld overeenkomstig paragraaf 1, 2°, slechts primeren wanneer de verzendingsdatum ervan de verzendingsdatum van het bericht opgesteld overeenkomstig paragraaf 1, 1°, voorafgaat.
  § 4. De Koning bepaalt de praktische toepassingsvoorwaarden van dit artikel.".

  Art. 44. Artikel 434 van hetzelfde Wetboek, gewijzigd bij de koninklijke besluiten van 31 maart 2003 en 25 februari 2007 en bij de wet van 24 juli 2008, wordt vervangen als volgt :
  "Art. 434. § 1. Indien het belang van de Schatkist dit vereist, wordt door de bevoegde ontvanger aan de notaris, vóór het verstrijken van de twaalfde werkdag volgend op de datum van de verzending van het in artikel 433 bedoelde bericht, kennis gegeven van het bedrag van de belastingen en bijbehoren dat aanleiding kan geven tot inschrijving van de wettelijke hypotheek van de Schatkist op het goed dat het voorwerp van de akte is :
  1° op elektronische wijze, volgens de door de Koning bepaalde procedure;
  2° bij aangetekende brief, wanneer de kennisgeving omwille van overmacht of een technische storing niet kan worden meegedeeld overeenkomstig 1°, of wanneer de notaris het bericht bedoeld in artikel 433, § 1, heeft verzonden bij aangetekende brief.
  § 2. Wanneer eenzelfde kennisgeving achtereenvolgens wordt verzonden overeenkomstig de procedures voorzien respectievelijk in paragraaf 1, eerste lid, 1° en 2°, dan zal de kennisgeving opgesteld overeenkomstig paragraaf 1, eerste lid, 2°, slechts primeren wanneer de verzendingsdatum ervan de verzendingsdatum van de kennisgeving opgesteld overeenkomstig paragraaf 1, eerste lid, 1°, voorafgaat.
  § 3. Wanneer de kennisgeving is meegedeeld overeenkomstig paragraaf 1, eerste lid, 1°, is de datum van de verzending van de kennisgeving de datum van de ontvangstbevestiging meegedeeld door de dienst informatie- en communicatietechnologie van de afzender van het bericht bedoeld in artikel 433, § 1.".

  Art. 45. Artikel 435 van hetzelfde Wetboek, vervangen bij de wet van 24 juli 2008 en gewijzigd bij de wet van 27 april 2016, wordt vervangen als volgt :
  "Art. 435. § 1. Wanneer de in artikel 433 bedoelde akte verleden is, geldt de in artikel 434 bedoelde kennisgeving als beslag onder derden in handen van de notaris op de bedragen en waarden die hij krachtens de akte onder zich houdt voor rekening of ten bate van de belastingschuldige en geldt als verzet tegen de prijs in de zin van artikel 1642 van het Gerechtelijk Wetboek in de gevallen waarin de notaris gehouden is de bedragen en waarden overeenkomstig de artikelen 1639 tot 1654 van het Gerechtelijk Wetboek te verdelen.
  Onverminderd de rechten van derden, is de notaris, wanneer de in artikel 433 bedoelde akte verleden is, ertoe gehouden onder voorbehoud van toepassing van de artikelen 1639 tot 1654 van het Gerechtelijk Wetboek, de bedragen en waarden die hij krachtens de akte onder zich houdt voor rekening of ten bate van de belastingschuldige, uiterlijk de achtste werkdag die volgt op het verlijden van de akte, aan de in artikel 434 bedoelde ontvanger te storten tot beloop van het bedrag van de belastingen en bijbehoren dat hem ter uitvoering van artikel 434 ter kennis werd gebracht en in zoverre deze belastingen en bijbehoren een zekere en vaststaande schuld in de zin van artikel 410 vormen.
  Daarenboven, wanneer de aldus door beslag onder derden getroffen sommen en waarden minder bedragen dan het totaal van de sommen verschuldigd aan de ingeschreven schuldeisers en aan de verzetdoende schuldeisers, hierin begrepen de ontvanger, moet de notaris, op straffe van persoonlijke aansprakelijkheid voor het overschot, uiterlijk de eerste werkdag die volgt op het verlijden van de akte hierover informeren aan :
  1° de dienst belast met informatie- en communicatietechnologie van de Federale Overheidsdienst Financiėn, op elektronische wijze;
  2° de ontvanger bedoeld in artikel 434 bij een aangetekende brief, wanneer de notaris omwille van overmacht of een technische storing de inlichtingen niet kan verstrekken overeenkomstig de bepaling onder 1° of wanneer hij het bericht bedoeld in artikel 433, § 1, bij aangetekende brief heeft verzonden.
  De datum van de inlichting is, naar gelang het geval, de datum van ontvangstmelding meegedeeld door de dienst belast met informatie- en communicatietechnologie van de Federale Overheidsdienst Financiėn, of de datum van verzending van de aangetekende brief.
  § 2. Wanneer eenzelfde inlichting achtereenvolgens wordt verzonden overeenkomstig de procedures voorzien respectievelijk in paragraaf 1, derde lid, 1° en 2°, dan zal de inlichting opgesteld overeenkomstig paragraaf 1, derde lid, 2°, slechts primeren wanneer de verzendingsdatum ervan de verzendingsdatum van de inlichting opgesteld overeenkomstig paragraaf 1, derde lid, 1°, voorafgaat.
  § 3. Onverminderd de rechten van derden, kan de overschrijving of de inschrijving van de akte, niet aan de Staat tegengeworpen worden indien de inschrijving van de wettelijke hypotheek geschiedt binnen acht werkdagen vanaf de datum van de inlichting bedoeld in paragraaf 1, vierde lid.
  Alle niet-ingeschreven schuldvorderingen waarvoor slechts na het verstrijken van de in paragraaf 1, derde lid, bepaalde termijn wordt beslag gelegd of verzet aangetekend, zijn zonder uitwerking ten opzichte van de schuldvorderingen inzake belastingen en bijbehoren, welke ter uitvoering van artikel 434 werden ter kennis gebracht.
  § 4. De Koning bepaalt de praktische toepassingsvoorwaarden van dit artikel.".

  Art. 46. Artikel 438 van hetzelfde Wetboek wordt opgeheven.

  Art. 47. In artikel 439 van hetzelfde Wetboek, worden de woorden "artikelen 433 tot 438" vervangen door de woorden "artikelen 433 tot 437".

  Art. 48. Artikel 440, eerste lid, van hetzelfde Wetboek, vervangen bij de wet van 22 december 1998 en gewijzigd bij de wet van 18 december 2015, wordt vervangen als volgt :
  "Met het akkoord van de belastingschuldige zijn de banken, onderworpen aan de wet van 25 april 2014 op het statuut van en het toezicht op de kredietinstellingen, evenals de kredietgevers en bemiddelaars inzake hypothecair krediet, onderworpen aan boek VII, titel 4, hoofdstuk 4, van het Wetboek van economisch recht, gemachtigd het in artikel 433 bedoelde bericht te verzenden en zijn zij bevoegd om de in artikel 434 bedoelde kennisgeving te ontvangen.".

  Art. 49. Artikel 441 van hetzelfde Wetboek, gewijzigd bij de wetten van 27 april 2016 en 11 juli 2018, wordt vervangen als volgt :
  "Art. 441. Geen akte die in het buitenland verleden is en de vervreemding of de hypothecaire aanwending van een onroerend goed of een schip tot voorwerp heeft, wordt in Belgiė tot overschrijving of inschrijving in de registers van de hypothecaire openbaarmaking, wat de onroerende goederen betreft, of in het Belgisch Scheepsregister, wat de schepen betreft, toegelaten, indien zij niet vergezeld gaat van een attest van de ontvanger bedoeld in artikel 433.
  Dit attest moet vaststellen ofwel dat de eigenaar of de houder van het zakelijk recht geen belastingen verschuldigd is, ofwel dat de wettelijke hypotheek die de verschuldigde belastingen en bijbehoren waarborgt, ingeschreven is.".

  Onderafdeling 3. - Programmawet (I) van 29 maart 2012

  Art. 50. Artikel 157 van de programmawet van 29 maart 2012, gewijzigd bij de wet van 13 december 2012, wordt vervangen als volgt :
  "Art. 157. § 1. De notarissen verzocht om een in artikel 1240bis van het Burgerlijk Wetboek bedoelde akte of attest van erfopvolging op te maken, zijn persoonlijk aansprakelijk voor de betaling van de schulden van de overledene, zijn erfgenamen en legatarissen waarvan de identiteit vermeld is in de akte of het attest, of de begunstigden van een door hem gemaakte contractuele erfstelling, mits die schulden het onderwerp kunnen uitmaken van een kennisgeving bedoeld in artikel 158 indien zij daarvan geen bericht geven aan :
  1° de dienst belast met informatie- en communicatie-technologie van de Federale Overheidsdienst Financiėn, en dit op elektronische wijze;
  2° de hiernavolgende ambtenaren, wanneer het bericht omwille van overmacht of een technische storing niet kan worden meegedeeld overeenkomstig 1° :
  - de ontvangers waaronder de erflater en de rechtverkrijgenden waarvan de identiteit vermeld is in de akte of het attest van erfopvolging ressorteren, evenals de ontvanger van de dienst die door de Koning daarvoor is aangewezen, wanneer de erflater en/of een van zijn rechtverkrijgenden in het buitenland verblijven;
  - de door de Koning aangewezen ambtenaar van de Algemene Administratie van de Patrimoniumdocumentatie.
  In dat geval wordt het bericht bij aangetekende brief verzonden.
  Wanneer het gaat om schulden lastens de overledene is de aansprakelijkheid bedoeld in het eerste lid beperkt tot de waarde van de nalatenschap.
  Wanneer het gaat om schulden lastens de rechtverkrijgenden is de aansprakelijkheid bedoeld in het eerste lid beperkt tot de waarde van de tegoeden die toekomen aan de rechtverkrijgende waarvan de identiteit vermeld is in de akte of het attest en betreffende dewelke de notaris aansprakelijk kan worden gesteld.
  § 2. Indien de akte of het attest waarvan sprake niet wordt opgesteld binnen drie maanden te rekenen van de verzending van het bericht, wordt het als niet bestaande beschouwd.
  § 3. Wanneer hetzelfde bericht achtereenvolgens gegeven wordt overeenkomstig paragraaf 1, eerste lid, 1° en 2°, dan zal het bericht opgesteld overeenkomstig paragraaf 1, eerste lid, 2°, slechts primeren wanneer de verzendingsdatum ervan de verzendingsdatum van het bericht opgesteld overeenkomstig paragraaf 1, eerste lid, 1°, voorafgaat.
  § 4. Wanneer het bericht gegeven wordt overeenkomstig paragraaf 1, eerste lid, 1°, wordt onder de datum van verzending van het bericht verstaan de datum van de ontvangstmelding die wordt gedaan door de dienst belast met informatie- en communicatietechnologie van de Federale Overheidsdienst Financiėn.
  § 5. Het bericht vermeldt de identiteit van de erflater, van zijn erfgenamen of legatarissen alsook van de eventuele begunstigde van een contractuele erfstelling.
  Voor de toepassing van deze bepaling omvat de identiteit :
  a) voor natuurlijke personen, de naam, de voornaam en, in voorkomend geval, het identificatienummer van het Rijksregister of, bij gebrek daaraan, het identificatienummer bij de Kruispuntbank van de Sociale Zekerheid van de betrokkenen, of, bij gebrek aan zulke nummers, hun geboortedatum;
  b) voor rechtspersonen, trusts, fiducieėn of gelijkaardige rechtsvormen, de maatschappelijke benaming, de maatschappelijke zetel en, in voorkomend geval, het identificatienummer bij de Kruispuntbank van Ondernemingen.
  § 6. De Koning bepaalt de praktische toepassings-voorwaarden van dit artikel.".

  Art. 51. In artikel 158, derde lid, 3°, van de programmawet (I) van 29 maart 2012 worden de woorden "die aanleiding hebben gegeven tot een dwangbevel bedoeld in artikel 85 van het Wetboek van de belasting over de toegevoegde waarde" vervangen door de woorden "die aanleiding hebben gegeven tot een dwangbevel of een opname in een innings- en invorderingsregister bedoeld in artikel 85 van het Wetboek van de belasting over de toegevoegde waarde".".

  Art. 52. Artikel 158 van dezelfde wet, gewijzigd bij de wet van 13 december 2012, wordt vervangen als volgt :
  "Art. 158. De ontvanger of dienst bevoegd voor de invordering van de fiscale schuld kan aan de notaris die het in artikel 157 bedoelde bericht verzonden heeft, vóór het verstrijken van de twaalfde werkdag volgend op de datum van verzending van dat bericht, kennisgeven van het bestaan lastens de erflater of een andere persoon vermeld in het bericht, van een fiscale schuld bestaande uit belastingen, bijbehoren, verhogingen en boetes, met opgave voor elk van de schuldenaars van het bedrag van de hiervoor bedoelde schuld :
  1° op elektronische wijze, volgens de door de Koning bepaalde procedure;
  2° bij een aangetekende brief, wanneer de kennisgeving, omwille van overmacht of een technische storing, niet kan worden meegedeeld overeenkomstig 1°, of wanneer de notaris het bericht bedoeld in artikel 157, § 1, heeft meegedeeld bij aangetekende brief.
  Wanneer eenzelfde kennisgeving achtereenvolgens wordt verzonden overeenkomstig de procedures voorzien respectievelijk in het eerste lid, 1° en 2°, dan zal het bericht opgesteld overeenkomstig het eerste lid, 2°, slechts primeren wanneer de verzendingsdatum ervan de verzendingsdatum van het bericht opgesteld overeenkomstig het eerste lid, 1°, voorafgaat.
  Het eerste lid is enkel van toepassing voor zover die fiscale schuld een zekere en vaststaande schuld uitmaakt.
  Wanneer de kennisgeving meegedeeld is overeenkomstig het eerste lid, 1°, is de datum van de verzending van de kennisgeving de datum van de ontvangstbevestiging meegedeeld door de dienst informatie- en communicatietechnologie van de afzender van het bericht bedoeld in artikel 157, § 1.".

  Art. 53. In artikel 159 van dezelfde wet, vervangen bij de wet van 13 december 2012, worden de woorden "door de schuldenaar." vervangen door de woorden "door hun schuldenaar.".

  Art. 54. In artikel 160 van dezelfde wet, gewijzigd bij de wet van 13 december 2012, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
  1° in paragraaf 1, worden de woorden "belastingen en hun bijbehoren" vervangen door de woorden "ter kennis gebrachte schulden";
  2° in de inleidende zin van paragraaf 2, worden de woorden "of aan een gerechtsmandataris" ingevoegd tussen de woorden "een begunstigde van een contractuele erfstelling" en de woorden ", indien deze een attest van erfopvolging of een uitgifte van de akte van erfopvolging voorlegt";
  3° in paragraaf 2, wordt de bepaling onder b) vervangen als volgt :
  "b) dat de tegoeden kunnen worden vrijgegeven aan de erfgenaam, de legataris, de begunstigde van een contractuele erfstelling of de gerechtsmandataris na betaling van de schulden ter kennis gebracht op naam van de rechtverkrijgende en van zijn deel in de schulden ter kennis gebracht op naam van de erflater, met tegoeden gehouden door de schuldenaar van deze fondsen.".

  Art. 55. Artikel 161 van dezelfde wet wordt vervangen als volgt :
  "Art. 161. Het in artikel 157 bedoelde bericht wordt opgemaakt overeenkomstig het door de Koning bepaalde model.".

  Onderafdeling 4. - Burgerlijk Wetboek

  Art. 56. In artikel 1240bis van het Burgerlijk Wetboek, ingevoegd bij de wet van 6 mei 2009 en gewijzigd bij de wetten van 13 december 2012 en 11 juli 2018, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
  1° paragraaf 1, eerste lid, wordt vervangen als volgt :
  " § 1. Behoudens andersluidende wettelijke bepaling, geeft een schuldenaar te goeder trouw bevrijdend tegoeden van een overledene vrij, indien dit gebeurt, ofwel aan of op instructie van de personen aangewezen in een attest of een akte van erfopvolging, ofwel aan of op instructie van een gerechtsmandataris, na voorlegging :
  - van een attest van erfopvolging opgesteld door het bevoegde kantoor van de Algemene Administratie van de Patrimoniumdocumentatie; of
  - van een attest of akte van erfopvolging opgesteld door een notaris.";
  2° in paragraaf 3 worden de woorden "een erfovereenkomst," ingevoegd tussen de woorden ", in geval van bestaan van onbekwame rechtsopvolgers of indien er sprake is van een uiterste wilsbeschikking," en de woorden "een contractuele erfstelling of een huwelijkscontract in hoofde van de overledene";
  3° in paragraaf 4 wordt het tweede lid vervangen als volgt :
  "In voorkomend geval vermeldt de akte of het attest van erfopvolging het identificatienummer van het Rijksregister, het identificatienummer bij de Kruispuntbank van de Sociale Zekerheid of het identificatienummer bij de Kruispuntbank van Ondernemingen.".

  Onderafdeling 5. - Inwerkingtreding

  Art. 57. De artikelen 93quater van het Wetboek van de belasting over de toegevoegde waarde, 434 van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 en 158 van de programmawet (I) van 29 maart 2012, zoals vervangen door de bepalingen van huidige wet, treden in werking op 1 september 2019.
  In afwijking van het eerste lid treedt artikel 158, derde lid, 3°, van de programmawet (I) van 29 maart 2012, zoals gewijzigd bij artikel 51 van deze wet, in werking op 1 april 2019.
  De Koning kan een datum van inwerkingtreding bepalen voorafgaand aan de datum vermeld in het eerste lid.

  Afdeling 3. - Reparatiebepalingen van de artikelen 418 en 419 van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992

  Art. 58. Artikel 418, eerste lid, van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992, vervangen bij de wet van 25 december 2017, wordt aangevuld met de volgende zin :
  "Als de betaling van belastingen, voorheffingen, voorafbetalingen, nalatigheidsinteresten, belastingverhogingen of administratieve boetes plaatsvindt na de ingebrekestelling gericht tot de administratie, is de moratoriuminterest te rekenen vanaf de eerste dag van de maand die volgt op de werkelijke betaling.".

  Art. 59. In artikel 86, C, van de wet van 25 december 2017 tot hervorming van de vennootschapsbelasting, wordt het elfde lid, vervangen als volgt :
  "De artikelen 77, 79 en 80 zijn van toepassing vanaf 1 januari 2018. De artikelen 79 en 80, in de mate dat ze de begindatum van de moratoriuminteresten wijzigen bedoeld in de artikelen 418, eerste lid, en 419, eerste lid, 6°, van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992, zijn toepasselijk op de inkohieringen uitgevoerd vanaf 1 januari 2018. In geval van opeenvolgende aanslagen, wordt de datum van inkohiering van de oorspronkelijke aanslag in beschouwing genomen voor de toepassing van deze bepalingen. Artikel 79, in de mate dat het de begindatum wijzigt van de moratoriuminteresten voor de toepassing van artikel 418, eerste lid, van hetzelfde Wetboek, is van toepassing op de bedrijfsvoorheffing en de roerende voorheffing verbonden aan de aanslagjaren 2018 en volgende.
  Artikel 80, in de mate dat het de begindatum wijzigt van de moratoriuminteresten voor de toepassing van artikel 419, tweede lid, van hetzelfde Wetboek, is van toepassing op de bedrijfsvoorheffing, de roerende voorheffing en de voorafbetalingen verbonden aan de aanslagjaren 2018 en volgende.".

  Art. 60. De artikelen 58 en 59 hebben uitwerking met ingang van 1 januari 2018.

  TITEL IV. - Financiėle bepalingen

  HOOFDSTUK 1. - Wijzigingen van de wet van 31 juli 2017 houdende diverse financiėle en fiscale bepalingen en houdende maatregelen inzake concessieovereenkomsten

  Art. 61. In de wet van 31 juli 2017 houdende diverse financiėle en fiscale bepalingen en houdende maatregelen inzake concessieovereenkomsten, wordt het opschrift van Afdeling 3 van Hoofdstuk 1 van Titel II vervangen als volgt :
  "Omvorming van de Koninklijke Munt van Belgiė tot een administratieve dienst".

  Art. 62. Artikel 7 van dezelfde wet wordt vervangen als volgt :
  "Art. 7. De administratieve dienst met boekhoudkundige autonomie "Koninklijke Munt van Belgiė" wordt omgevormd tot een administratieve dienst van de Algemene Administratie van de Thesaurie van de Federale Overheidsdienst Financiėn.
  Deze administratieve dienst wordt "Koninklijke Munt van Belgiė" genoemd en wordt hierna als "Munt" aangeduid.".

  Art. 63. In artikel 8 van dezelfde wet wordt het tweede lid opgeheven.

  Art. 64. Artikel 9 van dezelfde wet wordt opgeheven.

  Art. 65. In artikel 10 van dezelfde wet, worden de punten 3° en 4° opgeheven.

  Art. 66. Artikel 12 van dezelfde wet wordt opgeheven.

  HOOFDSTUK 2. - Oprichting van een begrotingsfonds betreffende verrichtingen aangaande monetisatie en demonetisatie van de Koninklijke Munt van Belgiė van de Algemene Administratie van de Thesaurie van de Federale Overheidsdienst Financiėn en wijziging van de organieke wet van 27 december 1990 houdende oprichting van begrotingsfondsen

  Afdeling 1. - Oprichting van het begrotingsfonds betreffende de verrichtingen aangaande monetisatie en demonetisatie van de Koninklijke Munt van Belgiė

  Art. 67. In toepassing van artikel 62, § 1, van de wet van 22 mei 2003 houdende organisatie van de begroting en van de comptabiliteit van de Federale Staat, wordt bij de Federale Overheidsdienst Financiėn een begrotingsfonds opgericht betreffende de verrichtingen aangaande monetisatie en demonetisatie van de "Koninklijke Munt van Belgiė" van de Algemene Administratie van de Thesaurie van de Federale Overheidsdienst Financiėn, genaamd "Begrotingsfonds betreffende monetaire verrichtingen van de Koninklijke Munt van Belgiė".

  Art. 68. Het begrotingsfonds betreffende de monetaire verrichtingen van de Koninklijke Munt van Belgiė beschikt over :
  1° de storting van het op 1 januari 2019 beschikbare saldo van de postrekening van de Koninklijke Munt van Belgiė die gebruikt werd voor de uitgaven in verband met de verrichtingen aangaande demonetisatie;
  2° de stortingen van de Nationale Bank van Belgiė voor de verrichtingen aangaande monetisatie.

  Art. 69. De ontvangsten van het Begrotingsfonds betreffende de monetaire verrichtingen van de Koninklijke Munt van Belgiė worden gebruikt ter financiering van de uitgaven in verband met de activiteiten aangaande demonetisatie van de Koninklijke Munt van Belgiė vanaf 1 januari 2019.

  Afdeling 2. - Wijziging van de organieke wet van 27 december 1990 houdende oprichting van begrotingsfondsen

  Art. 70. Rubriek 18 van de tabel bijgevoegd aan de organieke wet van 27 december 1990 houdende oprichting van begrotingsfondsen, laatst gewijzigd door de programmawet (I) van 26 december 2015, wordt als volgt aangevuld :
  "18-5 Begrotingsfonds betreffende de monetaire verrichtingen van de Koninklijke Munt van Belgiė
  Aard van de toegewezen ontvangsten :
  1° de storting van het beschikbare saldo van de postrekening van de Koninklijke Munt van Belgiė die gebruikt werd voor de uitgaven in verband met verrichtingen aangaande demonetisatie;
  2° de stortingen die de Koninklijke Munt van Belgiė ontvangt van de Nationale Bank van Belgiė voor de verrichtingen aangaande monetisatie.
  Aard van de toegestane uitgaven :
  De uitgaven in verband met de activiteiten aangaande demonetisatie van de Koninklijke Munt van Belgiė vanaf 1 januari 2019.".

  HOOFDSTUK 3. - Opheffing

  Art. 71. In artikel 4, § 5, van het koninklijk besluit van 18 januari 1990 houdende de uitvoeringsmodaliteiten van de wet van 11 augustus 1987 houdende waarborg van werken uit edele metalen, wordt het tweede lid opgeheven.

  HOOFDSTUK 4. - Inwerkingtreding

  Art. 72. Deze titel heeft uitwerking met ingang van 1 januari 2019.

  TITEL V. - Diverse bepalingen

  HOOFDSTUK 1. - Wijzigingen van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992

  Afdeling 1. - Inkomsten uit de deeleconomie, uit het verenigingswerk of uit occasionele diensten tussen burgers

  Art. 73. In artikel 90, derde lid, van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992, ingevoegd bij de wet van 1 juli 2016 en vervangen bij de wet van 18 juli 2018, worden de woorden "Onverminderd de toepassing van de voorheffingen, worden de inkomsten van onroerende goederen, de inkomsten van roerende goederen en kapitalen evenals de in het eerste lid, 5°, vermelde inkomsten uit onderverhuring van onroerende goederen" vervangen door de woorden "De inkomsten van onroerende goederen, de in artikel 17, § 1, 3° en 5°, bedoelde inkomsten van roerende goederen evenals de in het eerste lid, 5°, bedoelde inkomsten uit onderverhuring van onroerende goederen worden" en worden de woorden "die goederen en kapitalen" vervangen door de woorden "die goederen".

  Art. 74. Artikel 97/1 van hetzelfde Wetboek, ingevoegd bij de wet van 1 juli 2016 en opgeheven bij de wet van 18 juli 2018, wordt hersteld als volgt :
  "Art. 97/1. De in artikel 90, eerste lid, 1° bis tot 1° quater, vermelde inkomsten worden naar het netto bedrag ervan in aanmerking genomen, dit is het bruto bedrag verminderd met de kosten waarvan de belastingplichtige het bewijs levert dat zij tijdens het belastbare tijdperk zijn gedaan of gedragen om die inkomsten te verkrijgen of te behouden.
  Het bruto bedrag van de inkomsten wordt bepaald overeenkomstig artikel 90/1, tweede en derde lid.".

  Art. 75. In titel II, hoofdstuk II, afdeling V, onderafdeling 3, van hetzelfde Wetboek, wordt een artikel 102ter ingevoegd, luidende :
  "Art. 102ter. Verliezen die in het belastbare tijdperk zijn geleden bij het verrichten van handelingen als vermeld in artikel 90, eerste lid, 1° bis, 1° ter of 1° quater worden evenredig afgetrokken van de andere inkomsten uit zulke handelingen.".

  Art. 76. Deze afdeling is van toepassing op de inkomsten die worden betaald of toegekend vanaf 1 januari 2018.

  Afdeling 2. - Vereenvoudiging inzake PB

  Art. 77. In artikel 38, § 1, van hetzelfde Wetboek, laatstelijk gewijzigd bij de wet van 17 maart 2019 betreffende de invoering van een mobiliteitsbudget, wordt tussen het eerste en het tweede lid, een lid ingevoegd, luidende :
  "Wanneer de in het eerste lid, 24°, bedoelde voordelen zowel in artikel 31 als in artikel 32 bedoelde bezoldigingen omvatten, wordt het maximumbedrag van de vrijstelling verhoudingsgewijs aangerekend op elk van die bezoldigingen.".

  Art. 78. Artikel 538 van hetzelfde Wetboek, ingevoegd bij de wet van 26 december 2013, wordt opgeheven.

  Art. 79. Artikel 77 heeft uitwerking met ingang van 1 januari 2019 en is van toepassing vanaf aanslagjaar 2020.
  Artikel 78 heeft uitwerking met ingang van 1 januari 2019 en is van toepassing op ontslaguitkeringen, vergoedingen, en schadeloosstellingen bekomen vanaf 1 januari 2019.

  HOOFDSTUK 2. - Wijziging van het Wetboek diverse rechten en taksen

  Art. 80. Artikel 10 van het Wetboek diverse rechten en taksen, gewijzigd bij de wet van 11 juli 2018, wordt aangevuld met de woorden "in het kader van de hypothecaire openbaarmaking".

  Art. 81. Artikel 80 heeft uitwerking met ingang van 30 juli 2018.

  HOOFDSTUK 3. - Wijziging aan het Wetboek der registratie-, hypotheek- en griffierechten

  Art. 82. Artikel 921 van het Wetboek der registratie, hypotheek en griffierechten, vervangen bij de wet van 23 december 1958, vernummerd bij het koninklijk besluit nr. 12 van 18 april 1967 en gewijzigd bij de wet van 25 december 2016, wordt vervangen als volgt :
  "Art. 921. Het in artikel 88 en het in artikel 3, eerste lid, 7°, a), van de bijzondere wet van 16 januari 1989 betreffende de financiering van de Gemeenschappen en de Gewesten bedoeld recht dekt elke latere vestiging van hypotheek op een schip tot zekerheid van dezelfde schuldvordering en van hetzelfde gewaarborgd bedrag.".

  Art. 83. Artikel 82 heeft uitwerking met ingang van 1 januari 2019.

  TITEL VI. - Achterwaartse verliesverrekening ter compensatie van schade aan landbouwteelten, veroorzaakt door ongunstige weersomstandigheden

  Art. 84. In artikel 2 van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992, laatstelijk gewijzigd bij de wet van 30 juli 2018, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
  a) in paragraaf 1 wordt een bepaling onder 4° /1 ingevoegd, luidende :
  "4° /1 Middelgrote onderneming
  Onder middelgrote onderneming wordt een natuurlijke persoon of een rechtspersoon verstaan die een economische activiteit uitoefent en die in ten minste twee van de laatste drie afgesloten belastbare tijdperken een gemiddeld personeelsbestand heeft van minder dan 250 personen uitgedrukt in voltijdse equivalenten en waarvan :
  - de omzet exclusief de belasting over de toegevoegde waarde het bedrag van 50 miljoen euro niet overschrijdt; of
  - het balanstotaal het bedrag van 43 miljoen euro niet overschrijdt.
  Wanneer het belastbare tijdperk een duur heeft van minder of meer dan twaalf maanden, wordt het bedrag van de in het eerste lid bedoelde omzet, exclusief de belasting over de toegevoegde waarde, vermenigvuldigd met een breuk waarvan de noemer twaalf is en de teller het aantal maanden van het betrokken belastbare tijdperk, waarbij elke begonnen maand voor een volle maand wordt geteld.
  Indien de onderneming een verbonden onderneming is, worden de criteria inzake jaaromzet en jaarlijks balanstotaal op geconsolideerde basis vastgesteld. Om het gemiddelde personeelsbestand van een verbonden onderneming te bepalen, wordt het gemiddelde personeelsbestand van elk van de betrokken verbonden vennootschappen in het belastbare tijdperk opgeteld.
  De in het eerste lid bedoelde omzet, balanstotaal en gemiddeld personeelsbestand worden verhoogd met de jaaromzet, het balanstotaal en het gemiddeld personeelsbestand van elke partneronderneming, in verhouding tot het hoogste percentage van de volgende vier percentages :
  - hetzij het in paragraaf 4, eerste lid, bedoelde deelnemingspercentage van de eerstgenoemde onderneming in de stemrechten van de andere onderneming;
  - hetzij het in paragraaf 4, eerste lid, bedoelde deelnemingspercentage van de andere onderneming in de stemrechten van de eerstgenoemde onderneming;
  - hetzij het in paragraaf 4, eerste lid, bedoelde deelnemingspercentage van de eerstgenoemde onderneming in het kapitaal van de andere onderneming;
  - hetzij het in paragraaf 4, eerste lid, bedoelde deelnemingspercentage van de andere onderneming in het kapitaal van de eerstgenoemde onderneming.
  In het geval van een nieuwe onderneming waarvan het eerste, tweede of derde belastbare tijdperk nog niet is afgesloten, worden de in aanmerking te nemen gegevens bepaald door middel van een in de loop van het belastbare tijdperk te goeder trouw gemaakte schatting.
  Een onderneming kan evenwel geen middelgrote onderneming zijn indien de controle over het kapitaal of de stemrechten van de onderneming, individueel of gezamenlijk, rechtstreeks of onrechtstreeks, voor 25 pct. of meer wordt uitgeoefend door één of meerdere aanbestedende overheden als bedoeld in artikel 2 van de wet van 17 juni 2016 inzake overheidsopdrachten. De in paragraaf 4, tweede lid, bedoelde gevallen die niet verbonden zijn met de voornoemde onderneming, worden voor de toepassing van dit lid niet beschouwd als aanbestedende overheden.";
  b) in paragraaf 1 wordt een bepaling onder 4° /2 ingevoegd, luidende :
  "4° /2 Onderneming in moeilijkheden
  Onder onderneming in moeilijkheden wordt een onderneming verstaan :
  - waarvoor een aangifte of vordering tot faillietverklaring is ingesteld of waarvan op dat ogenblik het beheer van het actief geheel of ten dele is ontnomen zoals bepaald in de artikelen XX. 32 en XX. 100 van het Wetboek van economisch recht;
  - waarvoor een procedure van gerechtelijke reorganisatie is geopend zoals bepaald in titel V van boek XX van het Wetboek van economisch recht;
  - die een ontbonden vennootschap is en zich in staat van vereffening bevindt;
  - waarvan ten gevolge van geleden verlies het netto actief is gedaald tot minder dan de helft van het vaste gedeelte van het maatschappelijk kapitaal;
  - die steun heeft ontvangen die door de Europese Commissie geacht wordt verenigbaar te zijn met de richtsnoeren voor reddings- en herstructureringssteun aan niet-financiėle ondernemingen in moeilijkheden van 31 juli 2014 (PB C 249) of met artikel 107, derde lid, b, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie en die in het geval van reddingssteun de lening nog niet heeft terugbetaald of de garantie nog niet heeft beėindigd of in het geval van herstructureringssteun zich nog steeds in de herstructureringsfase bevindt.";
  c) het artikel wordt aangevuld met een paragraaf 4, luidende :
  " § 4. Voor de toepassing van paragraaf 1, 4° /1, wordt een onderneming als een partneronderneming van een andere onderneming aangemerkt indien deze eerstgenoemde onderneming niet verbonden is met deze andere onderneming, en :
  - de eerstgenoemde onderneming al dan niet samen met de met deze onderneming verbonden ondernemingen een deelneming heeft van 25 pct. of meer van het kapitaal of de stemrechten van de andere onderneming; of
  - de andere onderneming al dan niet samen met de met deze onderneming verbonden ondernemingen een deelneming heeft van 25 pct. of meer van het kapitaal of de stemrechten van de eerstgenoemde onderneming.
  Openbare participatiemaatschappijen, risicokapitaalmaatschappijen, business angels, universiteiten, onderzoekscentra zonder winstoogmerk, institutionele beleggers, regionale ontwikkelingsfondsen en autonome lokale autoriteiten, zoals bedoeld in artikel 3, lid 2, van bijlage I, van verordening (EU) 651/2014 van de Commissie van 17 juni 2014 waarbij bepaalde categorieėn steun op grond van de artikelen 107 en 108 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie met de interne markt verenigbaar worden verklaard, worden voor de toepassing van paragraaf 1, 4° /1 niet beschouwd als partnerondernemingen.
  Voor de toepassing van het eerste lid en van paragraaf 1, 4° /1 wordt een onderneming als een verbonden onderneming van een andere onderneming aangemerkt indien :
  - de eerstgenoemde onderneming rechtstreeks of middels derde ondernemingen de meerderheid heeft van de stemrechten van de aandeelhouders of vennoten van de andere onderneming;
  - de andere onderneming rechtstreeks of middels derde ondernemingen de meerderheid heeft van de stemrechten van de aandeelhouders of vennoten van de eerstgenoemde onderneming;
  - de eerstgenoemde onderneming rechtstreeks of middels derde ondernemingen het recht heeft de meerderheid van de leden van het bestuurs-, leidinggevend of toezichthoudend orgaan van de andere onderneming te benoemen of te ontslaan;
  - de andere onderneming rechtstreeks of middels derde ondernemingen het recht heeft de meerderheid van de leden van het bestuurs-, leidinggevend of toezichthoudend orgaan van de eerstgenoemde onderneming te benoemen of te ontslaan;
  - de eerstgenoemde onderneming rechtstreeks of middels derde ondernemingen het recht heeft een overheersende invloed op een andere onderneming uit te oefenen op grond van een met deze onderneming gesloten overeenkomst of een bepaling in de statuten van de laatstgenoemde onderneming, behalve in het geval de eerstgenoemde onderneming onder het toepassingsgebied van het tweede lid valt en uit de feiten niet blijkt dat dit recht daadwerkelijk wordt uitgeoefend;
  - de andere onderneming rechtstreeks of middels derde ondernemingen het recht heeft een overheersende invloed op een andere onderneming uit te oefenen op grond van een met deze onderneming gesloten overeenkomst of een bepaling in de statuten van de laatstgenoemde onderneming, behalve in het geval de andere onderneming onder het toepassingsgebied van het tweede lid valt en uit de feiten niet blijkt dat dit recht daadwerkelijk wordt uitgeoefend;
  - de eerstgenoemde onderneming rechtstreeks of middels derde ondernemingen de aandeelhouder of vennoot is van een andere onderneming en op grond van een met andere aandeelhouders of vennoten van die andere onderneming gesloten overeenkomst als enige zeggenschap heeft over de meerderheid van de stemrechten van de aandeelhouders of vennoten van die andere onderneming;
  - de andere onderneming rechtstreeks of middels derde ondernemingen de aandeelhouder of vennoot is van de eerstgenoemde onderneming en op grond van een met andere aandeelhouders of vennoten van die eerst genoemde onderneming gesloten overeenkomst als enige zeggenschap heeft over de meerderheid van de stemrechten van de aandeelhouders of vennoten van die eerst genoemde onderneming.
  Voor de toepassing van paragraaf 1, 4° /1, wordt onder het gemiddelde personeelsbestand begrepen het gemiddelde van het aantal werknemers, uitgedrukt in voltijdse equivalenten dat is geregistreerd in de DIMONA-databank overeenkomstig het koninklijk besluit van 5 november 2002 tot invoering van een onmiddellijke aangifte van tewerkstelling, met toepassing van artikel 38 van de wet van 26 juli 1996 tot modernisering van de sociale zekerheid en tot vrijwaring van de leefbaarheid van de wettelijke pensioenstelsels, per einde van elke maand van het belastbare tijdperk, of indien de tewerkstelling niet behoort tot het toepassingsgebied van dit koninklijk besluit, het gemiddelde aantal tewerkgestelde werknemers uitgedrukt in voltijdse equivalenten van de in het algemene personeelsregister of een gelijkwaardig document ingeschreven werknemers per einde van elke maand van het desbetreffende belastbare tijdperk.
  Dit gemiddelde van het aantal werknemers wordt in voorkomend geval verhoogd met het aantal natuurlijke personen die in de onderneming een leidende functie of een leidende werkzaamheid van dagelijks bestuur, van commerciėle, financiėle of technische aard uitoefenen en die niet werden geregistreerd in de DIMONA-databank noch werden ingeschreven in het voormelde algemene personeelsregister of het voormelde gelijkwaardig document.
  Het aantal werknemers uitgedrukt in voltijdse equivalenten is gelijk aan het arbeidsvolume uitgedrukt in voltijds tewerkgestelde equivalenten, te berekenen voor de deeltijdse werknemers op basis van het conventioneel aantal te presteren uren, gerelateerd ten opzichte van de normale arbeidsduur van een vergelijkbare voltijdse werknemer.".

  Art. 85. In artikel 23, § 2, 3°, van hetzelfde Wetboek, gewijzigd bij de wet van 28 december 1992, worden de woorden "vorige belastbare tijdperken" vervangen door de woorden "vorige, of, in het geval vermeld in artikel 78, § 2, latere belastbare tijdperken".

  Art. 86. Artikel 78 van hetzelfde Wetboek, waarvan de bestaande tekst paragraaf 1 zal vormen, wordt aangevuld met een paragraaf 2, luidende :
  " § 2. In afwijking van paragraaf 1, wordt op vraag van een belastingplichtige die voldoet aan de in het vierde lid bedoelde criteria het gedeelte van de beroepsverliezen, dat toe te schrijven is aan schade aan landbouwteelten die werd veroorzaakt door ongunstige weersomstandigheden, en werd geleden in een gewest waarmee een in het derde lid bedoeld protocol werd gesloten, achtereenvolgens afgetrokken van de beroepsinkomsten van de drie belastbare tijdperken voorafgaand aan het belastbare tijdperk waarin die schade definitief is vastgesteld, te beginnen met het oudste. Het gedeelte van deze beroepsverliezen dat niet in aftrek kan worden gebracht van deze beroepsinkomsten, is aftrekbaar overeenkomstig paragraaf 1.
  Het gedeelte van de beroepsverliezen dat toe te schrijven is aan de in het eerste lid omschreven schade, stemt overeen met het bedrag van de beroepsverliezen achtereenvolgens beperkt tot het bedrag van het beroepsverlies uit de in artikel 23, § 1, 1°, bedoelde beroeps-werkzaamheid van de belastingplichtige en tot het bedrag van deze schade die door het Gewest binnen de grenzen van artikel 25 van verordening (EU) Nr. 702/2014 van de Commissie van 25 juni 2014 waarbij bepaalde categorieėn steun in de landbouw- en de bosbouwsector en in plattelandsgebieden op grond van de artikelen 107 en 108 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie met de interne markt verenigbaar worden verklaard. De Koning kan, na raadpleging van de Interministeriėle Conferentie voor het Landbouwbeleid, op nadere wijze het tijdstip omschrijven waarop de schade definitief is vastgesteld.
  De in het eerste lid omschreven achterwaartse verliesaftrek kan enkel worden toegepast indien de in het eerste lid bedoelde schade werd geleden op het grondgebied van een gewest dat met de federale overheid een in het Belgisch Staatsblad bekendgemaakt protocol heeft gesloten op grond van artikel 8 van het samenwerkingsakkoord van 18 juni 2003 tussen de Federale Staat, het Vlaamse Gewest, het Waalse Gewest en het Brussels Hoofdstedelijk Gewest met betrekking tot de uitoefening van de geregionaliseerde bevoegdheden op het gebied van Landbouw en Visserij, met het oog op de uitwisseling van informatie die nodig is voor de gezamenlijke naleving van de cumulatieregels zoals bedoeld in artikel 8 van de voormelde verordening (EU) Nr. 702/2014.
  Deze paragraaf is enkel van toepassing indien de belastingplichtige :
  - een middelgrote onderneming is; en
  - een onderneming uitbaat die de productie van landbouwproducten tot doel heeft die zijn opgenomen in bijlage I bij het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, waarbij deze landbouwproducten geen verdere bewerking ondergaan die de aard van deze producten wijzigt;
  - geen onderneming in moeilijkheden was op het ogenblik dat de schade werd geleden; en
  - geen bevel tot terugvordering heeft uitstaan ingevolge een besluit van de Commissie die een door Belgiė verleende steun onrechtmatig en onverenigbaar met de interne markt heeft verklaard.
  Voor de toepassing van deze paragraaf en van artikel 206, § 4, wordt onder ongunstige weersomstandigheden de weersomstandigheden verstaan die met een natuurramp kunnen worden gelijkgesteld, zoals gedefinieerd in artikel 2, punt 16, van de voormelde verordening (EU) Nr. 702/2014, die formeel door een gewest als ramp worden erkend en waarvan die erkenning in het Belgisch Staatsblad werd bekendgemaakt.
  De beroepsverliezen waarvoor de toepassing van de achterwaartse verliesaftrek wordt gevraagd, worden afgetrokken na aftrek van de beroepsverliezen van vorige belastbare tijdperken bij toepassing van paragraaf 1.
  De belastingplichtige vraagt de toepassing van de achterwaartse verliesaftrek aan in de aangifte die betrekking heeft op het belastbare tijdperk waarin de in het eerste lid bedoelde schade definitief is vastgesteld. Deze aanvraag is definitief en onherroepelijk. De Koning kan nadere regels met betrekking tot de aanvraag vastleggen.".

  Art. 87. In titel II, hoofdstuk III, afdeling I van hetzelfde Wetboek wordt een onderafdeling VI ingevoegd, luidende :
  "Onderafdeling VI. Vermeerdering ingevolge de overschrijding van de maximale steunintensiteit ten gevolge van de achterwaartse aftrek van beroepsverliezen".

  Art. 88. In titel II, hoofdstuk III, afdeling I, onderafdeling VI, van hetzelfde Wetboek wordt een artikel 168/1 ingevoegd, luidende :
  "Art. 168/1. § 1. Wanneer de belastingplichtige heeft geopteerd voor de achterwaartse aftrek van beroepsverliezen bij toepassing van artikel 78, § 2 en ingevolge deze aftrek het teveel aan belasting in toepassing van artikel 375/1 van rechtswege is ontheven, wordt de totale belasting van het belastbare tijdperk waarvoor de in paragraaf 2 omschreven alternatieve berekening overeenkomstig het tweede lid van diezelfde paragraaf voor het laatst wordt gemaakt, vermeerderd met het overeenkomstig paragraaf 3 bepaalde bedrag.
  § 2. Wanneer de belastingplichtige heeft geopteerd voor de achterwaartse aftrek van beroepsverliezen bij toepassing van artikel 78, § 2, worden alternatieve berekeningen gemaakt van de door de belastingplichtige verschuldigde belasting waarbij die belasting telkens wordt bepaald alsof de belastingplichtige niet zou hebben geopteerd voor de achterwaartse aftrek van verliezen, waarbij de beroepsverliezen die effectief zijn afgetrokken van de beroepsinkomsten van de drie voorgaande belastbare tijdperken achtereenvolgens worden afgetrokken van de beroepsinkomsten van de volgende belastbare tijdperken overeenkomstig artikel 78, § 1.
  De alternatieve berekening wordt gemaakt voor elk van de belastbare tijdperken vanaf het derde belastbare tijdperk voorafgaand aan het belastbare tijdperk waarin de in artikel 78, § 2, bedoelde schade definitief is vastgesteld tot het belastbare tijdperk waarin ofwel :
  - het gecumuleerde bedrag van de beroepsverliezen die in de alternatieve berekeningen overeenkomstig artikel 78, worden afgetrokken gelijk is aan het bedrag aan beroepsverliezen dat in dezelfde belastbare tijdperken in toepassing van artikel 78 daadwerkelijk van de beroepsinkomsten werd afgetrokken;
  - de landbouwactiviteit wordt stopgezet.
  § 3. De vermeerdering is gelijk aan het positieve verschil tussen :
  - het brutosubsidie-equivalent van het voordeel dat verbonden is met de overeenkomstig artikel 375/1 toegepaste ontheffing ingevolge de achterwaartse aftrek van beroepsverliezen, berekend op basis van het verschil tussen de werkelijke berekeningen van de belasting en de overeenkomstig paragraaf 2 uitgevoerde alternatieve berekeningen van de belasting, en
  - het bedrag van de schade, verhoudingsgewijs beperkt tot de beschikbare steunintensiteit.
  Voor de toepassing van het eerste lid moet onder de beschikbare steunintensiteit, de maximale steunintensiteit worden begrepen zoals omschreven in artikel 25 van de verordening (EU) 702/2014, van de Commissie van 25 juni 2014, waarbij bepaalde categorieėn steun in de landbouw- en de bossector en in plattelandsgebieden op grond van de artikelen 107 en 108 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie met de interne markt verenigbaar worden verklaard, in voorkomend geval verminderd met de steunintensiteit van de gewestelijke steun die is verleend ter compensatie van de in artikelen 78, § 2, of 206, § 4, bedoelde schade.
  § 4. De Koning legt de nadere regels vast om het in paragraaf 3 bedoelde brutosubsidie-equivalent van het voordeel dat verbonden is met de overeenkomstig artikel 375/1 toegepaste ontheffing ingevolge de achterwaartse aftrek van beroepsverliezen en het in paragraaf 3 bedoelde bedrag van de vermeerdering te bepalen. Dit brutosubsidie-equivalent en deze vermeerdering worden bepaald met toepassing van de relevante bepalingen van voormelde verordening (EU) 702/2014 en andere relevante Europeesrechtelijke bepalingen.".

  Art. 89. In artikel 175 van hetzelfde Wetboek, gewijzigd bij de wetten van 20 december 1995, 8 mei 2014, 10 augustus 2015 en 26 maart 2018, worden de woorden "en 14532, § 2, bedoelde vermeerderingen" vervangen door de woorden ", 14532, § 2, en 168/1, bedoelde vermeerderingen".

  Art. 90. Artikel 206 van hetzelfde Wetboek, laatstelijk gewijzigd bij de wet van 30 juli 2018, wordt aangevuld met een paragraaf 4, luidende :
  " § 4. In afwijking van paragraaf 1, eerste lid, wordt op vraag van de belastingplichtige die voldoet aan de criteria bedoeld in artikel 78, § 2, vierde lid, het gedeelte van de beroepsverliezen, dat toe te schrijven is aan schade aan landbouwteelten veroorzaakt door ongunstige weersomstandigheden, en geleden in een gewest waarmee een in artikel 78, § 2, derde lid, bedoeld protocol werd gesloten, achtereenvolgens afgetrokken van de beroepsinkomsten van de drie belastbare tijdperken voorafgaand aan het belastbare tijdperk waarin die schade definitief is vastgesteld, te beginnen met het oudste. Het gedeelte van deze beroepsverliezen dat niet in aftrek kan worden gebracht van deze beroepsinkomsten, is aftrekbaar overeenkomstig paragraaf 1.
  Het gedeelte van de beroepsverliezen dat toe te schrijven is aan de in het eerste lid omschreven schade stemt overeen met het bedrag van de beroepsverliezen, beperkt tot het overeenkomstig artikel 78, § 2, tweede lid, omschreven bedrag van deze schade die in het belastbare tijdperk definitief werd vastgesteld. De Koning kan, na raadpleging van de Interministeriėle Conferentie voor het Landbouwbeleid, op nadere wijze het tijdstip omschrijven waarop de schade definitief is vastgesteld.
  De beroepsverliezen waarvoor de toepassing van de achterwaartse verliesaftrek wordt gevraagd, worden afgetrokken na aftrek van de beroepsverliezen van vorige belastbare tijdperken bij toepassing van paragraaf 1.
  De belastingplichtige vraagt de toepassing van de achterwaartse verliesaftrek aan in de aangifte die betrekking heeft op het belastbare tijdperk waarin de in het eerste lid bedoelde schade definitief is vastgesteld. Deze aanvraag is definitief en onherroepelijk. De Koning kan nadere regels met betrekking tot de aanvraag vastleggen.".

  Art. 91. In titel III, hoofdstuk III, afdeling I, van hetzelfde Wetboek wordt een onderafdeling 4 ingevoegd, luidende :
  "Onderafdeling 4. Vermeerdering ingevolge de overschrijding van de maximale steunintensiteit ten gevolge van de achterwaartse aftrek van beroepsverliezen".

  Art. 92. In titel II, hoofdstuk III, afdeling I, onderafdeling 4, van hetzelfde Wetboek wordt een artikel 218/1 ingevoegd, luidende :
  "Art. 218/1. Wanneer de belastingplichtige heeft geopteerd voor de achterwaartse aftrek van beroepsverliezen bij toepassing van artikel 206, § 4, en ingevolge deze aftrek het teveel aan belasting in toepassing van artikel 375/1 van rechtswege is ontheven, wordt de totale belasting van het belastbare tijdperk waarvoor de in artikel 168/1, § 2, omschreven alternatieve berekening overeenkomstig het tweede lid van diezelfde paragraaf voor het laatst wordt gemaakt, vermeerderd met het overeenkomstig in artikel 168/1, § 3, bepaalde bedrag.
  De Koning legt de nadere regels vast overeenkomstig artikel 168/1, § 4.".

  Art. 93. In artikel 243, derde lid, 5°, van hetzelfde Wetboek, vervangen bij de wet van 25 december 2017, worden de woorden "165 en 175" vervangen door de woorden "165, 168/1 en 175".

  Art. 94. In artikel 243/1, 4°, van hetzelfde Wetboek, ingevoegd bij de wet van 8 mei 2014 en gewijzigd bij de wetten van 18 augustus 2015 en 26 maart 2018, worden de woorden "165 en 175" vervangen door de woorden "165, 168/1 en 175".

  Art. 95. In artikel 245, eerste lid, 1°, eerste en tweede streepje, van hetzelfde Wetboek, vervangen bij de wet van 8 mei 2014 en gewijzigd bij de wetten van 10 augustus 2015 en 26 maart 2018, worden de woorden "157 tot 168" vervangen door de woorden "157 tot 168/1".

  Art. 96. In artikel 2758 van hetzelfde Wetboek, hersteld bij de wet van 15 mei 2014 en gewijzigd bij de wetten van 24 maart 2015, 18 december 2015, en 30 juli 2018 worden de volgende wijzigingen aangebracht :
  1° in paragraaf 2 wordt het eerste lid vervangen als volgt :
  "De in dit artikel bedoelde vrijstelling van doorstorting van de bedrijfsvoorheffing kan enkel worden toegepast indien de werkgever en in voorkomend geval de in paragraaf 1, vierde lid, bedoelde vennootschap die de investering heeft verricht, een middelgrote onderneming is.";
  2° in paragraaf 2 worden het tweede lid tot en met het zevende lid opgeheven;
  3° in paragraaf 2 wordt het achtste lid, dat het tweede lid wordt, vervangen als volgt :
  "De in dit artikel bedoelde vrijstelling van doorstorting van de bedrijfsvoorheffing kan niet worden toegepast door een werkgever die op het ogenblik van het overleggen van het in § 5 bedoelde formulier een onderneming in moeilijkheden is.".

  Art. 97. In artikel 2759 van hetzelfde Wetboek, ingevoegd bij de wet van 15 mei 2014 en gewijzigd bij de wetten van 24 maart 2015, 18 december 2015, en 30 juli 2018, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
  1° in paragraaf 2 wordt het eerste lid vervangen als volgt :
  "De in dit artikel bedoelde vrijstelling van doorstorting van de bedrijfsvoorheffing kan enkel worden toegepast indien de werkgever of in voorkomend geval de in paragraaf 1, vierde lid, bedoelde vennootschap die de investering heeft verricht geen middelgrote onderneming is.";
  2° in paragraaf 2, tweede lid, worden de woorden "vrijstelling van doorstorting van de bedrijfsvoorheffing kan niet worden toegepast door een werkgever zoals bedoeld in artikel 2758, § 2, achtste lid" vervangen door de woorden "in dit artikel bedoelde vrijstelling van doorstorting van de bedrijfsvoorheffing kan niet worden toegepast door een werkgever die op het ogenblik van het overleggen van het in artikel 2758, § 5, bedoelde formulier een onderneming in moeilijkheden is.".

  Art. 98. In artikel 290, tweede lid, van hetzelfde Wetboek, vervangen bij de wet van 8 mei 2014 en gewijzigd bij de wetten van 10 augustus 2015 en 26 maart 2018, worden de woorden "en 157 bedoelde vermeerderingen" vervangen door de woorden ", 157 en 168/1 bedoelde vermeerderingen".

  Art. 99. In artikel 294, tweede lid, 2°, eerste en tweede streepje, van hetzelfde Wetboek, ingevoegd bij de wet van 8 mei 2014 en gewijzigd bij de wetten van 10 augustus 2015 en 26 maart 2018, worden de woorden "en 157 bedoelde vermeerderingen" telkens vervangen door de woorden ", 157 en 168/1 bedoelde vermeerderingen".

  Art. 100. In titel VII, hoofdstuk VI, afdeling 1, van hetzelfde Wetboek, wordt een artikel 358/1 ingevoegd, luidende :
  "Art. 358/1. Wanneer wordt vastgesteld dat beroepsverliezen van een belastbaar tijdperk, geheel of gedeeltelijk, ten onrechte bij toepassing van artikel 78, § 2, of artikel 206, § 4, zijn afgetrokken van de beroepsinkomsten van vorige belastbare tijdperken en de belasting voor deze tijdperken geheel of gedeeltelijk in toepassing van artikel 375/1 ten onrechte werd ontheven, kan die ten onrechte verleende aftrek worden rechtgezet gedurende de aanslagtermijn die van toepassing is met betrekking tot het belastbare tijdperk waarin deze beroepsverliezen zijn ontstaan.".

  Art. 101. In titel VII, hoofdstuk VII, afdeling 1, van hetzelfde Wetboek, wordt een artikel 375/1 ingevoegd, luidende :
  "Art. 375/1. De adviseur-generaal van de administratie belast met de vestiging van de inkomstenbelastingen of de door hem gedelegeerde ambtenaar verleent van rechtswege ontheffing van het teveel aan gevestigde belasting ingevolge de achterwaartse aftrek van beroepsverliezen bij toepassing van artikel 78, § 2, of artikel 206, § 4.".

  Art. 102. In artikel 409 van hetzelfde Wetboek, vervangen bij de wet van 15 maart 1999, worden de woorden "artikel 376" vervangen door de woorden "de artikelen 375/1 en 376".

  Art. 103. In artikel 410, eerste lid, van hetzelfde Wetboek, vervangen bij de wet van 15 maart 1999, worden de woorden "in artikel 376" vervangen door de woorden "in de artikelen 375/1 en 376".

  Art. 104. In titel VII, hoofdstuk VIII, afdeling 5, onderafdeling 1, van hetzelfde Wetboek, wordt een artikel 415/1 ingevoegd, luidende :
  "Art. 415/1. Wanneer bij toepassing van artikel 375/1 ontheffing werd verleend en het bedrag van de beroepsverliezen dat bij toepassing van artikel 78, § 2, of artikel 206, § 4, in aanmerking komt voor de achterwaartse verliesaftrek wordt gewijzigd, is, in afwijking van de artikelen 414 en 415, op het gedeelte van de belasting dat verband houdt met de wijziging van het bedrag van de in aftrek te brengen beroepsverliezen een nalatigheidsintrest verschuldigd, berekend overeenkomstig artikel 414, § 1, vanaf de eerste dag van de maand die volgt op de maand waarin de ontheffing werd verleend.".

  Art. 105. In artikel 419, eerste lid, van hetzelfde Wetboek, vervangen bij de wet van 15 maart 1999 en gewijzigd bij de koninklijke besluiten van 20 juli 2000 en 13 juli 2001 en bij de wet van 25 december 2017, wordt een bepaling onder 4° /1 ingevoegd, luidende :
  "4° /1 in geval van terugbetaling van belasting met toepassing van artikel 375/1;".

  Art. 106. In artikel 443ter van hetzelfde Wetboek, ingevoegd bij de wet van 26 maart 2018, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
  1° in paragraaf 1, tweede lid, worden de woorden "in artikel 376" vervangen door de woorden "in de artikelen 375/1 en 376";
  2° in paragraaf 2, tweede lid, worden de woorden "aanvraag tot ambtshalve ontheffing bedoeld in artikel 376," vervangen door de woorden "aanvraag tot ontheffing bedoeld in de artikelen 375/1 en 376,".

  Art. 107. Voor de schade die definitief is vastgesteld in een belastbaar tijdperk verbonden met het aanslagjaar 2019 kan de Koning bepalen dat, in afwijking van de artikelen 78, § 2, laatste lid, en 206, § 4, laatste lid, van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992, de toepassing van de achterwaartse verliesaftrek wordt aangevraagd aan de hand van een apart formulier. De Koning bepaalt de vorm en de inhoud van dat formulier en de termijn waarbinnen het moet worden ingediend.

  Art. 108. Deze titel is van toepassing vanaf aanslagjaar 2019 op de beroepsverliezen die toe te schrijven zijn aan schade aan landbouwteelten, veroorzaakt door ongunstige weersomstandigheden die hebben plaatsgevonden vanaf 1 januari 2018.

  TITEL VII. - Overgangsbepalingen

  Art. 109. De verwijzingen naar artikel 1 :20 van het Wetboek van vennootschappen en verenigingen, opgenomen in de artikelen 8 en 22 van deze wet, moeten worden gelezen als verwijzingen naar artikel 11 van het Wetboek van vennootschappen.

  Art. 110. Artikel 109 is van toepassing zolang de wet tot invoering van het Wetboek van vennootschappen en verenigingen en houdende diverse bepalingen niet in werking is getreden.

Handtekening Tekst Inhoudstafel Begin
   Kondigen deze wet af, bevelen dat zij met 's Lands zegel zal worden bekleed en door het Belgisch Staatsblad zal worden bekendgemaakt.
Gegeven te Brussel, 11 februari 2019.
FILIP
Van Koningswege :
De Vice-Eerste Minister en Minister van Financiėn,
A. DE CROO
Met 's Lands zegel gezegeld :
De Minister van Justitie,
K. GEENS

Aanhef Tekst Inhoudstafel Begin
   FILIP, Koning der Belgen,
   Aan allen die nu zijn en hierna wezen zullen, Onze Groet.
   De Kamer van volksvertegenwoordigers heeft aangenomen en Wij bekrachtigen hetgeen volgt :
Erratum Tekst Begin

originele versie
2019012176
PUBLICATIE :
2019-05-08
bladzijde : 44089

Erratum



Parlementaire werkzaamheden Tekst Inhoudstafel Begin
    Kamer van volksvertegenwoordigers (www.dekamer.be) Stukken : K54-3424 Integraal verslag : 31 januari 2019

Begin Eerste woord Laatste woord Aanhef
Parlementaire werkzaamheden Inhoudstafel 3 uitvoeringbesluiten
Erratum Franstalige versie