J U S T E L     -     Geconsolideerde wetgeving
Einde Eerste woord Laatste woord Aanhef
Parlementaire werkzaamheden Inhoudstafel
Handtekening Einde Franstalige versie
 
belgiëlex . be     -     Kruispuntbank Wetgeving
Raad van State Kamer van volksvertegenwoordigers
ELI - Navigatie systeem via een Europese identificatiecode voor wetgeving
http://www.ejustice.just.fgov.be/eli/wet/2018/07/08/2018031478/justel

Titel
8 JULI 2018. - Wet houdende bepalingen ter bescherming van de titel van octrooigemachtigde

Bron :
ECONOMIE, KMO, MIDDENSTAND EN ENERGIE
Publicatie : 19-07-2018 nummer :   2018031478 bladzijde : 57724   BEELD
Dossiernummer : 2018-07-08/06
Inwerkingtreding : onbepaald

Inhoudstafel Tekst Begin
HOOFDSTUK 1. - Algemene bepaling
Art. 1-2
HOOFDSTUK 2. - Wijzigingen aan het Wetboek van economisch recht
Art. 3-39
HOOFDSTUK 3. - Wijzigingen aan het Gerechtelijk Wetboek
Art. 40-41
HOOFDSTUK 4. - Overgangsbepalingen
Art. 42-45
HOOFDSTUK 5. - Inwerkingtreding
Art. 46

Tekst Inhoudstafel Begin
HOOFDSTUK 1. - Algemene bepaling

  Artikel 1. Deze wet regelt een aangelegenheid als bedoeld in artikel 74 van de Grondwet.

  Art. 2. Deze wet voorziet in de gedeeltelijke omzetting van richtlijn 2005/36/EG van het Europees Parlement en de Raad van 7 september 2005 betreffende de erkenning van beroepskwalificaties.

  HOOFDSTUK 2. - Wijzigingen aan het Wetboek van economisch recht

  Art. 3. In artikel I.1 van het Wetboek van economisch recht, ingevoegd bij de wet van 7 november 2013, wordt het tweede lid vervangen als volgt:
  "Het eerste lid, 1°, 4°, en 5°, is niet van toepassing op boek XI. Het eerste lid, 8°, is niet van toepassing op boek XI, titels 3 tot en met 8.".

  Art. 4. Artikel I.14 van hetzelfde Wetboek, ingevoegd bij de wet van 19 april 2014, wordt aangevuld met de bepaling onder 17°, luidende:
  "17° octrooigemachtigde: de natuurlijke persoon die beroepshalve adviestaken inzake uitvindingsoctrooien uitoefent en derden vertegenwoordigt voor de Dienst, met uitzondering van de werknemers bedoeld in artikel XI.62, § 6, en de advocaten bedoeld in artikel XI.64/2.".

  Art. 5. In boek XI, titel 1, hoofdstuk 3, van hetzelfde Wetboek, ingevoegd bij de wet van 19 april 2014, wordt een afdeling 1 ingevoegd die de artikelen XI.62 tot XI.64 van hetzelfde Wetboek bevat, luidende:
  "Afdeling 1. - Verplichting tot vertegenwoordiging".

  Art. 6. In artikel XI.62 van hetzelfde Wetboek, ingevoegd bij de wet van 19 april 2014, wordt paragraaf 5 opgeheven.

  Art. 7. In boek XI, titel 1, hoofdstuk 3, van hetzelfde Wetboek, ingevoegd bij de wet van 19 april 2014, wordt een afdeling 2 ingevoegd, luidende:
  "Afdeling 2. - Toegang tot het beroep van octrooigemachtigde".

  Art. 8. In afdeling 2, ingevoegd bij artikel 7, wordt een artikel XI.64/1 ingevoegd, luidende:
  "Art. XI.64/1. Elke persoon die zich in België vestigt om er het beroep van octrooigemachtigde uit te oefenen, dient voorafgaandelijk aan deze uitoefening ingeschreven te zijn in het register van erkende gemachtigden bedoeld in artikel XI.65.".

  Art. 9. In dezelfde afdeling 2 wordt een artikel XI.64/2 ingevoegd, luidende:
  "Art. XI.64/2. Kunnen in dezelfde hoedanigheid als een erkende gemachtigde optreden voor de Dienst:
  1° elke octrooigemachtigde die aan de voorwaarden van artikel XI.64/3 voldoet en die lid is van het Instituut voor Octrooigemachtigden bedoeld in artikel XI.75/3, § 1;
  2° elke octrooigemachtigde die aan de voorwaarden van artikel XI.64/4 voldoet;
  3° elke advocaat die ingeschreven is op het tableau van de Orde of op de lijst van stagiairs;
  4° elke advocaat die onderdaan is van een lidstaat en die bevoegd is dit beroep uit te oefenen in een lidstaat;
  5° elke advocaat die krachtens een wet of een internationale overeenkomst gemachtigd is in België dit beroep uit te oefenen.".

  Art. 10. In dezelfde afdeling 2 wordt een artikel XI.64/3 ingevoegd, luidende:
  "Art. XI.64/3. Elke persoon die onderdaan is van een lidstaat, die op wettige wijze is gevestigd in een lidstaat om er het beroep van octrooigemachtigde uit te oefenen, en die zich voor het eerst naar het Belgisch grondgebied begeeft om er tijdelijk of incidenteel het beroep van octrooigemachtigde uit te oefenen, dient voorafgaandelijk aan deze uitoefening daartoe te voldoen aan de volgende voorwaarden:
  1° als het beroep van octrooigemachtigde niet gereglementeerd is in de lidstaat van vestiging, dit beroep te hebben uitgeoefend in een of meer lidstaten gedurende ten minste een jaar tijdens de tien jaar die voorafgaan aan de dienstverrichting;
  2° een schriftelijke verklaring te hebben ingediend, waarvan de Koning de vereiste inhoud, de bestemmeling en de overige nadere regels bepaalt.
  De schriftelijke verklaring wordt eenmaal per jaar verlengd indien de dienstverrichter voornemens is om gedurende dat jaar in België tijdelijk of incidenteel diensten te verrichten. De dienstverrichter mag de verklaring met alle middelen aanleveren.
  Het tijdelijke of incidentele karakter van de dienstverrichting wordt per geval door de raad van het Instituut voor Octrooigemachtigden, bedoeld in artikel XI.75/3, § 1, beoordeeld, met name in het licht van de duur, de frequentie, de regelmaat en de continuïteit ervan.
  Voor de eerste dienstverrichting, of indien zich een wezenlijke verandering heeft voorgedaan in de door de documenten gestaafde situatie, bezorgt de dienstverrichter eveneens de documenten voorzien in artikel 9, § 2, a) tot en met d), van de wet van 12 februari 2008 tot instelling van een algemeen kader voor de erkenning van EU-beroepskwalificaties.".

  Art. 11. In dezelfde afdeling 2 wordt een artikel XI.64/4 ingevoegd, luidende:
  "Art. XI.64/4. Elke persoon die onderdaan is van een lidstaat, die op wettige wijze is gevestigd in een lidstaat om er het beroep van octrooigemachtigde uit te oefenen, en die voor het eerst het beroep van octrooigemachtigde in België uitoefent zonder zich naar het Belgisch grondgebied te begeven, dient voorafgaandelijk aan deze uitoefening daartoe te voldoen aan de volgende voorwaarden:
  1° als het beroep van octrooigemachtigde niet gereglementeerd is in de lidstaat van vestiging, dit beroep te hebben uitgeoefend in een of meer lidstaten gedurende ten minste een jaar tijdens de tien jaar die voorafgaan aan de dienstverrichting;
  2° een schriftelijke verklaring te hebben ingediend, waarvan de Koning de vereiste inhoud, de bestemmeling en de overige nadere regels bepaalt.
  Voor de eerste dienstverrichting, of indien zich een wezenlijke verandering heeft voorgedaan in de door de documenten gestaafde situatie, bezorgt de dienstverrichter eveneens de documenten voorzien in artikel 9, § 2, a) tot en met d), van de wet van 12 februari 2008 tot instelling van een algemeen kader voor de erkenning van EU-beroepskwalificaties.".

  Art. 12. In dezelfde afdeling 2 wordt een artikel XI.64/5 ingevoegd, luidende:
  "Art. XI.64/5. De Koning neemt de maatregelen die, inzake de vrije dienstverrichting van een octrooigemachtigde voor de Dienst in de zin van de artikelen XI.64/3 en XI.64/4, nodig zijn voor de uitvoering van de verplichtingen die voortvloeien uit de volgende internationale teksten of uit de bepalingen uitgevaardigd krachtens deze teksten:
  1° het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie;
  2° de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte.".

  Art. 13. In boek XI, titel 1, hoofdstuk 3, van hetzelfde Wetboek, ingevoegd bij de wet van 19 april 2014, wordt een afdeling 3 ingevoegd die de artikelen XI.65 tot XI.75 van hetzelfde Wetboek bevat, luidende:
  "Afdeling 3. - Register van erkende gemachtigden".

  Art. 14. Artikel XI.66 van hetzelfde Wetboek, ingevoegd bij de wet van 19 april 2014, wordt vervangen als volgt:
  "Art. XI.66. § 1. Elke persoon die wenst ingeschreven te worden in het register van erkende gemachtigden dient te voldoen aan de volgende voorwaarden:
  1° de hoedanigheid bezitten van natuurlijke persoon;
  2° onderdaan zijn van een lidstaat en gedomicilieerd zijn in een lidstaat;
  3° niet het voorwerp uitmaken van een rechterlijke beschermingsmaatregel, bedoeld in artikel 492/1 van het Burgerlijk Wetboek;
  4° niet in staat van ontzetting zijn als bedoeld in de artikelen 31 tot 34 van het Strafwetboek;
  5° geen veroordeling in België of in het buitenland hebben opgelopen voor één van de misdrijven vermeld in het koninklijk besluit nr. 22 van 24 oktober 1934 betreffende het rechterlijk verbod aan bepaalde veroordeelden en gefailleerden om bepaalde ambten, beroepen of werkzaamheden uit te oefenen.
  Aan de voorwaarden bepaald in het eerste lid, 2°, dient niet te worden voldaan door de persoon die daarvan is vrijgesteld, hetzij op grond van een internationaal verdrag, hetzij op grond van een afwijking door de Koning uit hoofde van wederkerigheid toegestaan.
  § 2. Naast de voorwaarden vermeld in paragraaf 1, dient elke persoon die wenst ingeschreven te worden in het register van erkende gemachtigden te voldoen aan de volgende voorwaarden:
  1° in het bezit zijn van een Belgisch universitair diploma of van een Belgisch diploma van hoger onderwijs, met een duur van ten minste vier jaar, met betrekking tot een wetenschappelijke, technische of juridische discipline;
  2° een activiteit in verband met uitvindingsoctrooien hebben uitgeoefend, waarvan de Koning de duur en de nadere regels vaststelt;
  3° geslaagd zijn voor een examen over de industriële eigendom en hoofdzakelijk over de uitvindingsoctrooien, af te leggen voor de Commissie tot erkenning van de gemachtigden, bedoeld in artikel XI.75/1, ten laatste twee jaar na de stopzetting van de activiteit bedoeld in 2°.
  De in het buitenland na minstens vier studiejaren uitgereikte diploma's in dezelfde disciplines worden aanvaard mits hun gelijkwaardigheid door de bevoegde Belgische overheden werd erkend.
  § 3. De voorwaarden vermeld in paragraaf 2 zijn niet van toepassing op de onderdaan van een lidstaat die voldoet aan de voorwaarden door de Koning bepaald krachtens het tweede lid.
  De Koning neemt de maatregelen die, inzake de toegang tot het beroep van erkende gemachtigde en de uitoefening van deze beroepsactiviteit, nodig zijn voor de uitvoering van de verplichtingen die voortvloeien uit de volgende internationale teksten of uit de bepalingen uitgevaardigd krachtens deze teksten en die betrekking hebben op de vereisten inzake diploma's, getuigschriften en andere titels:
  1° het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie;
  2° de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte.".

  Art. 15. Artikel XI.67 van hetzelfde Wetboek, ingevoegd bij de wet van 19 april 2014, wordt gewijzigd als volgt:
  1° het artikel wordt vernummerd tot artikel XI.75/1;
  2° in het tweede lid worden de volgende wijzigingen aangebracht:
  a) in de bepaling onder 1° worden de woorden "artikel XI.66, § 1, 1° tot en met 5° " vervangen door de woorden "artikel XI.66 en in voorkomend geval aan de voorwaarden bepaald krachtens hetzelfde artikel";
  b) in de bepaling onder 2° worden de woorden "artikel XI.66, § 1, 6° " vervangen door de woorden "artikel XI.66, § 2, eerste lid, 3° ";
  c) in de bepaling onder 3° worden de woorden "en doorhaling" opgeheven;
  d) het lid wordt aangevuld met de bepaling onder 4°, luidende:
  "4° informatie uit te wisselen met het Instituut voor Octrooigemachtigden, bedoeld in artikel XI.75/3, § 1, over de erkenning en doorhaling van erkende gemachtigden.".

  Art. 16. Artikel XI.68 van hetzelfde Wetboek, ingevoegd bij de wet van 19 april 2014, wordt gewijzigd als volgt:
  1° het artikel wordt vernummerd tot artikel XI.75/2;
  2° in het eerste lid worden de woorden "en de Duitse" ingevoegd tussen de woorden "in de Franse" en het woord "taal";
  3° in het tweede lid worden de woorden "artikel XI.66, § 1, 6° " vervangen door de woorden "artikel XI.66, § 2, eerste lid, 3° ".

  Art. 17. In artikel XI.69, eerste lid, van hetzelfde Wetboek, ingevoegd bij de wet van 19 april 2014, wordt het woord "Commissie" vervangen door de woorden "Commissie tot erkenning van de gemachtigden bedoeld in artikel XI.75/1".

  Art. 18. In artikel XI.72, eerste lid, van hetzelfde Wetboek, ingevoegd bij de wet van 19 april 2014, worden de volgende wijzigingen aangebracht:
  a) in de bepaling onder 2° worden de woorden "artikel XI.66, § 1, 1° en 2° " vervangen door de woorden "artikel XI.66, § 1, eerste lid, 2° en 3°, ";
  b) de bepaling onder 4° wordt opgeheven;
  c) in de bepaling onder 6° worden de woorden "artikel XI.66, § 1, 3° " vervangen door de woorden "artikel XI.66, § 1, eerste lid, 4° en 5° ";
  d) de bepaling onder 7° wordt vervangen als volgt:
  "7° wiens lidmaatschap van het Instituut voor Octrooigemachtigden, bedoeld in artikel XI.75/3, § 1, is vervallen bij toepassing van artikel XI.75/5, § 3, 2° en 4°. ".

  Art. 19. Artikel XI.73 van hetzelfde Wetboek, ingevoegd bij de wet van 19 april 2014, wordt vervangen als volgt:
  "Art. XI.73. De erkende gemachtigde, wiens inschrijving is doorgehaald, wordt op zijn verzoek opnieuw ingeschreven in het register van de erkende gemachtigden, in de volgende gevallen:
  1° de redenen voor de doorhaling bedoeld in artikel XI.72, eerste lid, 1° tot 3°, bestaan niet meer;
  2° de termijn van de met toepassing van artikel XI.72, eerste lid, 5° tot 7°, genomen maatregel tot doorhaling is verstreken.".

  Art. 20. Artikel XI.74 van hetzelfde Wetboek, ingevoegd bij de wet van 19 april 2014, wordt vervangen als volgt:
  "Art. XI.74. § 1. In de bij artikel XI.72 bepaalde gevallen, die vermeld in het eerste lid, 1° en 7°, van die bepaling uitgezonderd, wint de minister vooraf advies in van het Instituut voor Octrooigemachtigden, bedoeld in artikel XI.75/3, § 1.
  Wanneer op grond van artikel XI.73 om een nieuwe inschrijving wordt verzocht, wint de minister vooraf advies in van het Instituut indien een tuchtmaatregel de reden van doorhaling vormt, of van de Commissie tot erkenning van de gemachtigden, bedoeld in artikel XI.75/1, indien een tuchtmaatregel niet de reden van doorhaling vormt.
  § 2. Indien het Instituut of de Commissie tot erkenning van de gemachtigden in de omstandigheden bedoeld in paragraaf 1 overweegt een negatief advies uit te brengen, stelt het de belanghebbende bij een aangetekende zending, en minstens twintig werkdagen vooraf, in kennis van de vergadering waarop de zaak zal worden behandeld. De belanghebbende kan zich laten bijstaan of laten vertegenwoordigen door een advocaat of door een erkende gemachtigde.
  Het advies wordt samen met het dossier aan de minister doorgezonden. Indien het Instituut zijn advies niet binnen drie maanden na de verwijzing verstrekt, wordt dit als in het voordeel van de belanghebbende beschouwd.
  § 3. De beslissingen tot doorhaling en tot weigering van een nieuwe inschrijving alsmede die waarbij de minister van het advies van het Instituut of de Commissie tot erkenning van de gemachtigden afwijkt, dienen met redenen te worden omkleed.
  De minister brengt zijn beslissing tot doorhaling, nieuwe inschrijving of weigering van zulke inschrijving onverwijld ter kennis van de belanghebbende. Hij gaat over tot de doorhaling of tot de nieuwe inschrijving, naargelang van het geval, binnen de maand na de ontvangst van het advies.".

  Art. 21. In boek XI, titel 1, hoofdstuk 3, van hetzelfde Wetboek, ingevoegd bij de wet van 19 april 2014, wordt een afdeling 4 ingevoegd die de artikelen XI.75/1 en XI.75/2, vernummerd bij de artikelen 15 en 16, bevat, luidende:
  "Afdeling 4. - Commissie tot erkenning van de gemachtigden".

  Art. 22. In boek XI, titel 1, hoofdstuk 3, van hetzelfde Wetboek, ingevoegd bij de wet van 19 april 2014, wordt een afdeling 5 ingevoegd, luidende:
  "Afdeling 5. - Instituut voor Octrooigemachtigden".

  Art. 23. In afdeling 5, ingevoegd bij artikel 22, wordt een artikel XI.75/3 ingevoegd, luidende:
  "Art. XI.75/3. § 1. Er wordt een Instituut voor Octrooigemachtigden opgericht. Het Instituut bezit rechtspersoonlijkheid. Het Instituut voorziet in zijn eigen financiering. De zetel van het Instituut is gevestigd in het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest.
  § 2. Het Instituut stelt zich exclusief de studie, de bescherming en de ontwikkeling van de professionele, socio-economische, morele en wetenschappelijke belangen van de octrooigemachtigden tot doel.
  § 3. De organen van het Instituut zijn:
  1° de algemene vergadering;
  2° de raad;
  3° de tuchtcommissie.".

  Art. 24. In dezelfde afdeling 5 wordt een artikel XI.75/4 ingevoegd, luidende:
  "Art. XI.75/4. Het Instituut voor Octrooigemachtigden heeft tot taak:
  1° de lijst van zijn leden op te stellen;
  2° een permanente vorming van zijn leden te coördineren;
  3° te waken over de naleving van het tuchtreglement en de gedragsregels;
  4° adviezen te verlenen over materies die tot zijn bevoegdheid behoren, hetzij op eigen initiatief, hetzij op aanvraag van overheidsinstanties of van openbare of particuliere instellingen;
  5° informatie uit te wisselen met de Commissie tot erkenning van de gemachtigden over de status van het lidmaatschap van de leden van het Instituut.".

  Art. 25. In dezelfde afdeling 5 wordt een artikel XI.75/5 ingevoegd, luidende:
  "Art. XI.75/5. § 1. Elke persoon die wordt ingeschreven in het register van erkende gemachtigden, wordt lid van het Instituut voor Octrooigemachtigden.
  Elke persoon bedoeld in artikel XI.64/3 die aan de voorwaarden van hetzelfde artikel voldoet, wordt automatisch en kosteloos lid van het Instituut.
  § 2. Elk lid van het Instituut kan om een tijdelijke opschorting van zijn lidmaatschap verzoeken.
  § 3. Het lidmaatschap van het Instituut vervalt:
  1° voor elke persoon die wordt doorgehaald in het register van erkende gemachtigden bij toepassing van artikel XI.71 of artikel XI.72, eerste lid, 1° tot en met 6° ;
  2° voor elk lid dat door de tuchtcommissie van het Instituut wordt veroordeeld tot doorhaling in de ledenlijst van het Instituut;
  3° voor elk lid bedoeld in paragraaf 1, tweede lid, dat niet langer aan de voorwaarden voldoet van artikel XI.64/3;
  4° voor elk lid dat nalaat de vastgestelde jaarbijdrage te betalen.
  § 4. Het Instituut levert op verzoek van een lid een certificaat van lidmaatschap af.
  § 5. De Koning bepaalt de nadere regels voor de in dit artikel bedoelde verwerving, tijdelijke opschorting of verval van lidmaatschap van het Instituut van een lid.".

  Art. 26. In dezelfde afdeling 5 wordt een artikel XI.75/6 ingevoegd, luidende:
  "Art. XI.75/6. § 1. De algemene vergadering van het Instituut voor Octrooigemachtigden bestaat uit alle leden van het Instituut.
  De algemene vergadering kiest uit haar leden een voorzitter en een ondervoorzitter voor een periode van zes jaar. Deze personen dienen aan de volgende voorwaarden te voldoen:
  1° voor elke nieuwe periode waarvoor zij verkozen worden, te behoren tot een verschillende taalgroep dan tijdens de vorige periode;
  2° elk tot een verschillende taalgroep te behoren.
  § 2. De algemene vergadering heeft tot taak:
  1° behoudens de voorzitter van de tuchtcommissie en zijn plaatsvervanger, de leden van de raad en de leden van de tuchtcommissie en hun plaatsvervangers te benoemen;
  2° buiten haar leden voor een hernieuwbare periode van drie jaar een bedrijfsrevisor aan te wijzen, die is belast met de controle van de inventaris en van de rekeningen;
  3° de giften en legaten te aanvaarden of te weigeren ten voordele van het Instituut;
  4° de vervreemding of de verpanding van haar onroerende goederen te machtigen;
  5° de jaarrekening van ontvangsten en uitgaven goed te keuren;
  6° kwijting te verlenen aan de raad van zijn beheer en aan de bedrijfsrevisor van zijn controle;
  7° een voorstel op te stellen met betrekking tot de vaststelling of de aanpassing van het bedrag van de jaarbijdrage van de leden, om het nadien ter goedkeuring aan de minister voor te leggen;
  8° het huishoudelijk reglement of wijzigingen daarvan op te stellen om nadien ter goedkeuring aan de minister voor te leggen;
  9° de gedragsregels van toepassing op haar leden of wijzigingen daarvan op te stellen om deze nadien ter goedkeuring aan de Koning voor te leggen;
  10° het reglement houdende de organisatie van een permanente vorming van haar leden of wijzigingen daarvan op te stellen om nadien ter goedkeuring aan de minister voor te leggen;
  11° te beraadslagen over alle onderwerpen waarvoor een wet, een besluit of een reglement haar bevoegdheid verlenen;
  12° berichten, voorstellen of aanbevelingen te richten aan de raad over alle onderwerpen die het Instituut aanbelangen en die de algemene vergadering regelmatig zijn voorgelegd.
  § 3. De algemene vergadering neemt beslissingen bij meerderheid van stemmen. Elk lid heeft recht op één stem. De leden kunnen stemmen bij volmacht.
  In afwijking van het eerste lid, kan de Koning ofwel bepalen dat de leden bedoeld in artikel XI.75/5, § 1, tweede lid, geen stemrecht hebben ofwel de afwijkende kenmerken van dat stemrecht vastleggen.
  § 4. De algemene vergadering komt ten minste één maal per jaar bijeen. Op deze vergadering legt de raad minstens de volgende documenten voor ter goedkeuring door de algemene vergadering:
  1° het verslag bedoeld in artikel XI.75/7, § 2, eerste lid, 3° ;
  2° de door de bedrijfsrevisor gecontroleerde inventaris van de activa en passiva van het Instituut, de gecontroleerde jaarrekening van ontvangsten en uitgaven, en de begroting voor het nieuwe boekjaar.
  De raad, de tuchtcommissie of de regeringscommissaris, bedoeld in artikel XI.75/10, kan de algemene vergadering bijeenroepen wanneer hij of zij het nuttig acht. De raad roept de algemene vergadering steeds bijeen wanneer één vijfde van de leden van de algemene vergadering dat schriftelijk vraagt, met vermelding van het onderwerp dat zij op de agenda wensen te plaatsen. De tuchtcommissie kan de algemene vergadering enkel bijeenroepen wanneer dit betrekking heeft op de werking of de bevoegdheden van de tuchtcommissie.
  De vergaderingen van de algemene vergadering zijn openbaar, tenzij zij om gewichtige redenen beslist dat de vergadering geheel of gedeeltelijk met gesloten deuren dient plaats te vinden.
  § 5. Het huishoudelijk reglement bepaalt minstens:
  1° de procedureregels voor het stemmen bij volmacht;
  2° de procedureregels voor de vergaderingen van de algemene vergadering, inclusief de nadere regels met betrekking tot het bijeenroepen van de algemene vergadering en de wijze voor het ter beschikking stellen van de documenten voor deze vergaderingen.".

  Art. 27. In dezelfde afdeling 5 wordt een artikel XI.75/7 ingevoegd, luidende:
  "Art. XI.75/7. § 1. De raad van het Instituut voor Octrooigemachtigden bestaat uit vier leden, die door de algemene vergadering uit haar leden worden verkozen voor een periode van zes jaar die eenmaal hernieuwbaar is. Twee leden van de raad dienen tot een andere taalgroep te behoren.
  De raad kiest uit zijn leden een voorzitter en een ondervoorzitter. Deze personen dienen aan de volgende voorwaarden te voldoen:
  1° voor elke nieuwe periode waarvoor zij verkozen worden, te behoren tot een verschillende taalgroep dan tijdens de vorige periode;
  2° elk tot een verschillende taalgroep te behoren.
  De raad kiest uit zijn leden eveneens een secretaris en een penningmeester.
  § 2. De raad heeft tot taak:
  1° in te staan voor het beheer van het Instituut;
  2° de lijst van de leden van het Instituut op te stellen;
  3° elk jaar een verslag op te stellen waarin zij rekenschap geeft van haar beleid, en waarvan zij een kopie aan de minister bezorgt;
  4° de adviezen te verlenen bedoeld in artikel XI.74, § 1;
  5° het tijdelijke of incidentele karakter te beoordelen van de dienstverrichting zoals bedoeld in artikel XI.64/3;
  6° in te staan voor de taken die haar door een wet, een besluit of een reglement zijn opgedragen.
  De raad is bevoegd voor enige handeling van bestuur of beschikking die niet uitsluitend aan de algemene vergadering is opgedragen.
  § 3. De raad neemt beslissingen bij meerderheid van stemmen. Elk lid heeft recht op één stem. Wanneer geen meerderheid wordt bereikt, beslist de stem van de voorzitter.
  Elke beslissing van de raad met individuele strekking wordt uitdrukkelijk gemotiveerd.
  De raad vertegenwoordigt het Instituut bij rechtshandelingen en bij rechtsvorderingen, hetzij als eiser hetzij als verweerder. De voorzitter of de ondervoorzitter kunnen optreden namens de raad.
  § 4. De Koning bepaalt de minimale inhoud van het verslag bedoeld in paragraaf 2, eerste lid, 3°.
  Het huishoudelijk reglement bepaalt minstens:
  1° de procedureregels voor de verkiezing van de leden van de raad;
  2° de procedureregels voor de vergaderingen van de raad, waarbij de regeringscommissaris, bedoeld in artikel XI.75/10, steeds de raad kan bijeenroepen.".

  Art. 28. In dezelfde afdeling 5 wordt een artikel XI.75/8 ingevoegd, luidende:
  "Art. XI.75/8. § 1. De tuchtcommissie van het Instituut voor Octrooigemachtigden bestaat uit vier leden, inclusief de voorzitter. Behoudens de voorzitter, worden zij door de algemene vergadering uit haar leden verkozen voor een periode van zes jaar die eenmaal hernieuwbaar is. Behoudens voor de voorzitter, verkiest de algemene vergadering uit haar leden voor elk effectief lid van de tuchtcommissie een plaatsvervanger voor een periode van zes jaar die eenmaal hernieuwbaar is.
  De voorzitter van de tuchtcommissie en zijn plaatsvervanger worden na advies van het College van de hoven en rechtbanken voor een periode van zes jaar door de Koning benoemd op voordracht van de minister, uit de volgende personen:
  1° de magistraten van de zetel die ten minste gedurende tien jaar voorafgaand aan hun benoeming de functie van magistraat uitoefenen;
  2° de advocaten die ten minste gedurende tien jaar voorafgaand aan hun benoeming zijn ingeschreven aan de balie.
  Twee leden van de tuchtcommissie dienen tot een andere taalgroep te behoren. De voorzitter en zijn plaatsvervanger dienen voor elke nieuwe periode waarvoor zij worden benoemd, te behoren tot een verschillende taalgroep dan tijdens de vorige periode.
  De Koning bepaalt de nadere regels voor de opvolging van een lid van de tuchtcommissie bij overlijden of ontslag van dit lid.
  § 2. De tuchtcommissie heeft tot taak het tuchtreglement en de gedragsregels van toepassing op de leden van het Instituut te handhaven.
  Op zijn eenvoudig verzoek, wordt de tuchtprocedure gevoerd in de taal van de taalgroep waartoe het vervolgde lid behoort. Het vervolgde lid dat niet over voldoende kennis beschikt van de taal van de tuchtprocedure, kan zich tijdens de zitting laten bijstaan door een tolk naar zijn keuze.
  De Koning bepaalt het tuchtreglement.
  § 3. De tuchtcommissie neemt beslissingen bij meerderheid van stemmen. Elk lid heeft recht op één stem. Wanneer geen meerderheid wordt bereikt, beslist de stem van de voorzitter.
  Elke beslissing van de tuchtcommissie wordt uitdrukkelijk gemotiveerd.
  § 4. De zittingen van de tuchtcommissie zijn openbaar, tenzij zij om gewichtige redenen beslist dat de zitting geheel of gedeeltelijk met gesloten deuren dient plaats te vinden.
  § 5. De tuchtcommissie kan de volgende tuchtstraffen uitspreken:
  1° de waarschuwing;
  2° de berisping;
  3° een boete waarvan het bedrag niet hoger is dan het maximale bedrag voor een sanctie van niveau 1 bedoeld in artikel XV.70;
  4° de doorhaling in de ledenlijst van het Instituut voor minstens de duur bedoeld in artikel XI.72, tweede lid.
  § 6. Tegen de beslissingen van de tuchtcommissie staat hoger beroep open bij het hof van beroep te Brussel.
  De rechtsmiddelen ingesteld tegen de beslissingen van de tuchtcommissie hebben schorsende kracht.".

  Art. 29. In dezelfde afdeling 5 wordt een artikel XI.75/9 ingevoegd, luidende:
  "Art. XI.75/9. § 1. Elk van de volgende functies binnen het Instituut voor Octrooigemachtigden is onderling onverenigbaar:
  1° voorzitter van de raad, ondervoorzitter van de raad, secretaris van de raad, en penningmeester van de raad;
  2° voorzitter van de algemene vergadering, ondervoorzitter van de algemene vergadering, lid van de raad, en lid van de tuchtcommissie.
  Elk van de functies bedoeld in het eerste lid, dient door een verschillende persoon te worden uitgeoefend.
  § 2. Behoudens eventueel presentiegeld en een functievergoeding, waarvan de bedragen door de algemene vergadering worden vastgesteld, is elk van de functies bedoeld in paragraaf 1 onbezoldigd.
  De Koning bepaalt of het presentiegeld en de functievergoeding bedoeld in het eerste lid kunnen worden toegekend. Indien Hij deze toekenning toestaat, kan de Koning het maximum bepalen van de bedragen bedoeld in het eerste lid.".

  Art. 30. In dezelfde afdeling 5 wordt een artikel XI.75/10 ingevoegd, luidende:
  "Art. XI.75/10. § 1. Een regeringscommissaris, bijgestaan door een plaatsvervanger, oefent toezicht uit op de handelingen gesteld door de algemene vergadering en door de raad van het Instituut voor Octrooigemachtigden.
  De regeringscommissaris en zijn plaatsvervanger worden door de Koning benoemd, op voordracht van de minister, overeenkomstig de voorwaarden door de Koning bepaald.
  § 2. De regeringscommissaris wordt uitgenodigd op de vergaderingen van de algemene vergadering en van de raad, waarvan de notulen hem worden meegedeeld. Hij kan bovendien ter plaatse kennis nemen van alle beslissingen en documenten van de algemene vergadering en van de raad. Het Instituut voorziet hem van alle informatie en documenten die hem in staat stellen om zijn opdrachten te vervullen.
  § 3. De regeringscommissaris beschikt over een termijn van dertig werkdagen om bij de minister beroep in te stellen tegen de uitvoering van elke beslissing van de algemene vergadering of de raad, die met een wet, een besluit of een reglement strijdig is.
  De beroepstermijn gaat in op de dag waarop de regeringscommissaris in kennis gesteld wordt van het proces-verbaal van de beslissing. Het beroep heeft schorsende kracht. Indien de minister de beslissing niet nietig verklaart binnen een termijn van vijftien werkdagen, te rekenen van de ontvangst van het beroep, wordt de beslissing definitief.
  § 4. Elk belanghebbend lid van het Instituut beschikt over een termijn van vijftien werkdagen om de regeringscommissaris bij een aangetekende zending te verzoeken het beroep in te stellen bedoeld in paragraaf 3. De aangetekende zending zet de redenen van het verzoek uiteen. Het verzoek verbindt de regeringscommissaris op geen enkele manier.
  De termijn voor het indienen van een verzoek bij aangetekende zending gaat in op de dag waarop het proces-verbaal van de beslissing werd bekendgemaakt dan wel de dag waarop het belanghebbend lid in kennis werd gesteld van het proces-verbaal van de beslissing indien het gaat om een beslissing met individuele strekking die op het belanghebbend lid betrekking heeft.".

  Art. 31. In boek XI, titel 1, hoofdstuk 3, van hetzelfde Wetboek, ingevoegd bij de wet van 19 april 2014, wordt een afdeling 6 ingevoegd, luidende:
  "Afdeling 6. - Aspecten verbonden aan het lidmaatschap van het Instituut voor Octrooigemachtigden".

  Art. 32. In afdeling 6, ingevoegd bij artikel 31, wordt een artikel XI.75/11 ingevoegd, luidende:
  "Art. XI.75/11. § 1. Elk lid van het Instituut voor Octrooigemachtigden dient het tuchtreglement, de gedragsregels, het reglement houdende de organisatie van een permanente vorming, en het huishoudelijk reglement na te leven.
  § 2. Elk lid van het Instituut dient voor de aansprakelijkheid die uit zijn beroepsuitoefening in de hoedanigheid van octrooigemachtigde kan voortvloeien, gedekt te zijn door een verzekering.
  De Koning bepaalt de regels en de voorwaarden van deze verzekering, en bepaalt minstens:
  1° het minimum te waarborgen grensbedrag;
  2° de uitwerking in de tijd van de waarborg;
  3° de risico's die dienen te worden gedekt.
  Bij het bepalen van de regels en voorwaarden van de verzekering houdt de Koning rekening met een adequate risicodekking ten voordele van de ontvanger van de diensten geleverd door het lid van het Instituut in zijn hoedanigheid van octrooigemachtigde.".

  Art. 33. In dezelfde afdeling 6 wordt een artikel XI.75/12 ingevoegd, luidende:
  "Art. XI.75/12. § 1. De leden van het Instituut voor Octrooigemachtigden voeren tijdens hun beroepsuitoefening de beroepstitel van "octrooigemachtigde", "mandataire en brevets" of "Patentanwalt".
  In afwijking van het eerste lid, zal elk lid bedoeld in artikel XI.75/5, § 1, tweede lid, zijn diensten verrichten onder de beroepstitel van de lidstaat van vestiging in een officiële taal van die lidstaat, voorafgegaan of gevolgd door een aanduiding van de lidstaat van vestiging. Indien de betrokken beroepstitel niet bestaat in de lidstaat van vestiging, vermeldt het lid zijn opleidingstitel in een officiële taal van die lidstaat.
  § 2. Niemand mag een van de volgende titels voeren zonder lid te zijn van het Instituut:
  1° de beroepstitel van "octrooigemachtigde", "mandataire en brevets" of "Patentanwalt";
  2° enige andere titel die de indruk zou geven dat men het beroep van octrooigemachtigde uitoefent.
  Onverminderd het eerste lid, is het aan personen ingeschreven op de lijst van de erkende gemachtigden bedoeld in artikel 134 van het Europees Octrooiverdrag toegestaan de beroepstitel te voeren die verbonden is aan hun beroepsuitoefening in de hoedanigheid van Europees octrooigemachtigde.".

  Art. 34. In dezelfde afdeling 6 wordt een artikel XI.75/13 ingevoegd, luidende:
  "Art. XI.75/13. § 1. Wanneer een lid van het Instituut voor Octrooigemachtigden in zijn hoedanigheid van octrooigemachtigde wordt geraadpleegd, mag niemand de voor dat doel uitgewisselde of tot uitwisseling bestemde communicatie tussen deze octrooigemachtigde en zijn cliënt openbaren of gedwongen worden deze te openbaren, in het kader van gerechtelijke of administratieve procedures, tenzij de cliënt uitdrukkelijk afstand heeft gedaan van dit recht.
  Het eerste lid is uitsluitend van toepassing op de leden van het Instituut, onder voorbehoud van de bepalingen van internationale verdragen.
  § 2. De communicatie bedoeld in paragraaf 1 betreft onder meer alle communicatie aangaande:
  1° de beoordeling van de octrooieerbaarheid van een uitvinding of van de opportuniteit tot het indienen van een octrooiaanvraag;
  2° de voorbereiding van een Belgische octrooiaanvraag, dan wel een internationale aanvraag waarin België wordt aangeduid, of de daaraan verbonden procedure;
  3° elk advies betreffende de geldigheid van, de beschermingsomvang van, of de inbreuk op een Belgisch octrooi of een Belgische octrooiaanvraag.
  § 3. Artikel 458 van het Strafwetboek is van toepassing op de leden van het Instituut en op hun aangestelden.
  Overtredingen op het verbod bedoeld in paragraaf 1 door deze personen begaan, worden gestraft met de sanctie voorzien in artikel 458 van het Strafwetboek.".

  Art. 35. Artikel XI.76 van hetzelfde Wetboek, ingevoegd bij de wet van 19 april 2014, wordt vernummerd tot artikel XI.65/1.

  Art. 36. In hetzelfde Wetboek wordt een artikel XI.90/1 ingevoegd, luidende:
  "Art. XI.90/1. § 1. Wanneer een persoon ingeschreven op de lijst van erkende gemachtigden bedoeld in artikel 134 van het Europees Octrooiverdrag in de hoedanigheid van Europees octrooigemachtigde wordt geraadpleegd, mag niemand de voor dat doel uitgewisselde of tot uitwisseling bestemde communicatie tussen deze Europese octrooigemachtigde en zijn cliënt openbaren of gedwongen worden deze te openbaren, in het kader van gerechtelijke of administratieve procedures, tenzij de cliënt uitdrukkelijk afstand heeft gedaan van dit recht.
  Het eerste lid is uitsluitend van toepassing op de personen ingeschreven op de lijst bedoeld in artikel 134 van het Europees Octrooiverdrag, onder voorbehoud van de bepalingen van internationale verdragen.
  § 2. De communicatie bedoeld in paragraaf 1 betreft onder meer alle communicatie aangaande:
  1° de beoordeling van de octrooieerbaarheid van een uitvinding of van de opportuniteit tot het indienen van een octrooiaanvraag;
  2° de voorbereiding van een Europese octrooiaanvraag, dan wel een internationale aanvraag waarin België wordt aangeduid, of de daaraan verbonden procedure;
  3° elk advies betreffende de geldigheid van, de beschermingsomvang van, of de inbreuk op een Europees octrooi of een Europese octrooiaanvraag.
  § 3. Artikel 458 van het Strafwetboek is van toepassing op de Europese octrooigemachtigden bedoeld in paragraaf 1 en op hun aangestelden.
  Overtredingen op het verbod bedoeld in paragraaf 1 door deze personen begaan, worden gestraft met de sanctie voorzien in artikel 458 van het Strafwetboek.".

  Art. 37. In boek XV, titel 3, hoofdstuk 2, afdeling 8, van hetzelfde Wetboek, ingevoegd bij de wet van 19 april 2014, wordt een onderafdeling 3 ingevoegd, luidende:
  "Onderafdeling 3. - Misbruik van beroepstitels".

  Art. 38. In onderafdeling 3, ingevoegd bij artikel 37, wordt een artikel XV.114 ingevoegd, luidende:
  "Art. XV.114. Met een sanctie van niveau 1 wordt gestraft, diegene die in het economisch verkeer de titel van "octrooigemachtigde", "mandataire en brevets" of "Patentanwalt" voert, buiten de omstandigheden bedoeld in artikel XI.75/12.
  Met een sanctie van niveau 1 wordt eveneens gestraft, diegene die in het economisch verkeer een beroepstitel voert die verbonden is aan de beroepsuitoefening van Europees octrooigemachtigde zoals bedoeld in artikel XI.75/12, buiten de omstandigheden bedoeld in hetzelfde artikel.".

  Art. 39. In de artikelen XI.32, XI.62 en XI.72 van hetzelfde Wetboek, ingevoegd bij de wet van 19 april 2014, worden de woorden "lidstaat van de Europese Unie" telkens vervangen door het woord "lidstaat".

  HOOFDSTUK 3. - Wijzigingen aan het Gerechtelijk Wetboek

  Art. 40. In artikel 605bis van het Gerechtelijk Wetboek, vervangen bij de wet van 7 december 2016, worden de volgende wijzigingen aangebracht:
  1° de woorden "en van het beroep als bedoeld in artikel 61 van de wet van 7 december 2016 tot organisatie van het beroep van en het publiek toezicht op de bedrijfsrevisoren." worden vervangen door de woorden "van het beroep als bedoeld in artikel 61 van de wet van 7 december 2016 tot organisatie van het beroep van en het publiek toezicht op de bedrijfsrevisoren, en van het beroep als bedoeld in artikel XI.75/8, § 6, van het Wetboek van economisch recht.";
  2° het artikel wordt aangevuld met een lid, luidende:
  "Voor het beroep als bedoeld in artikel XI.75/8, § 6, van het Wetboek van economisch recht, is alleen het hof van beroep te Brussel bevoegd.".

  Art. 41. In artikel 728 van hetzelfde Wetboek, laatstelijk gewijzigd bij de wet van 17 juli 2015, wordt een paragraaf 2ter ingevoegd, luidende:
  " § 2ter. Op uitdrukkelijk verzoek van de partij of van zijn advocaat, ingediend bij conclusie, hoort de rechter de volgende door de partij gekozen personen in hun schriftelijke of mondelinge toelichting ter terechtzitting:
  1° de leden van het Instituut voor Octrooigemachtigden bedoeld in artikel XI.75/3, § 1, van het Wetboek van economisch recht;
  2° de personen ingeschreven op de lijst van erkende gemachtigden bedoeld in artikel 134 van het Europees Octrooiverdrag en die tezelfdertijd ingeschreven zijn op de lijst bedoeld in artikel 48, paragraaf 3, van de Overeenkomst van 19 februari 2013 betreffende de oprichting van een eengemaakt octrooigerecht.
  De uiteenzetting van de personen bedoeld in het eerste lid, mag slechts betrekking hebben op feiten, op technische overwegingen of op rechtsvragen die verband houden met de toepassing van het octrooirecht.".

  HOOFDSTUK 4. - Overgangsbepalingen

  Art. 42. Elke persoon die bij de inwerkintreding van artikel 23 is ingeschreven in het register van erkende gemachtigden bedoeld in artikel XI.65 van het Wetboek van economisch recht, wordt lid van het Instituut voor Octrooigemachtigden bedoeld in artikel XI.75/3, § 1, van hetzelfde Wetboek.

  Art. 43. De erkende gemachtigde wiens inschrijving is doorgehaald, voor de inwerkingtreding van artikel 18, wegens de ambtshalve doorhaling in de lijst bedoeld in artikel 134 van het Europees Octrooiverdrag ten gevolge van een tuchtmaatregel getroffen in uitvoering van artikel 134bis, § 1, letter c), van het Europees Octrooiverdrag, wordt op zijn verzoek opnieuw ingeschreven in het register van de erkende gemachtigden wanneer de voornoemde tuchtmaatregel geen effecten meer sorteert.

  Art. 44. De Koning bepaalt de datum, de agenda en de procedure van de eerste vergadering van de algemene vergadering van het Instituut voor Octrooigemachtigden bedoeld in artikel XI.75/3, § 1, van het Wetboek van economisch recht.
  Op deze eerste vergadering of binnen drie maanden vanaf deze vergadering, voert de algemene vergadering van het Instituut haar taken uit bedoeld in artikel XI.75/6, § 2, 1° en 2°, en artikel XI.75/6, § 2, 7° tot 10°, van het Wetboek van economisch recht.

  Art. 45. Deze wet doet geen afbreuk aan de rechten verkregen op grond van de wet of van rechtshandelingen, noch aan exploitatiehandelingen verricht voor de inwerkingtreding ervan.

  HOOFDSTUK 5. - Inwerkingtreding

  Art. 46. Met uitzondering van dit artikel, bepaalt de Koning de datum van inwerkingtreding van het geheel of een deel van elk van de artikelen van deze wet en van elke bepaling ingevoegd bij deze wet in het Wetboek van economisch recht en in het Gerechtelijk Wetboek.

Handtekening Tekst Inhoudstafel Begin
   Kondigen deze wet af, bevelen dat zij met's Lands zegel zal worden bekleed en door het Belgisch Staatsblad zal worden bekendgemaakt.
Gegeven te Brussel, 8 juli 2018.
FILIP
Van Koningswege :
De Minister van Economie,
K. PEETERS
De Minister van Justitie,
K. GEENS
Met 's Lands zegel gezegeld :
De Minister van Justitie,
K. GEENS

Aanhef Tekst Inhoudstafel Begin
   FILIP, Koning der Belgen,
   Aan allen die nu zijn en hierna wezen zullen, Onze Groet.
   De Kamer van volksvertegenwoordigers heeft aangenomen en Wij bekrachtigen hetgeen volgt:

Parlementaire werkzaamheden Tekst Inhoudstafel Begin
    Kamer van Volksvertegenwoordigers : (www.dekamer.be) Stukken : 54-3069 (2017/2018). Integraal verslag : 28 juni 2018.

Begin Eerste woord Laatste woord Aanhef
Parlementaire werkzaamheden Inhoudstafel
Franstalige versie