J U S T E L     -     Geconsolideerde wetgeving
Einde Eerste woord Laatste woord Aanhef
Parlementaire werkzaamheden Inhoudstafel 3 uitvoeringbesluiten
Handtekening Einde Franstalige versie
 
belgiëlex . be     -     Kruispuntbank Wetgeving
Raad van State Kamer van volksvertegenwoordigers
ELI - Navigatie systeem via een Europese identificatiecode voor wetgeving
http://www.ejustice.just.fgov.be/eli/wet/2018/01/26/2018010510/justel

Titel
26 JANUARI 2018. - Wet betreffende de postdiensten

Bron :
ECONOMIE, KMO, MIDDENSTAND EN ENERGIE
Publicatie : 09-02-2018 nummer :   2018010510 bladzijde : 9855       PDF :   originele versie    
Dossiernummer : 2018-01-26/08
Inwerkingtreding : 10-02-2018

Inhoudstafel Tekst Begin
HOOFDSTUK 1. - Algemene bepalingen
Art. 1-5
HOOFDSTUK 2. - Vergunningen
Art. 6-8
HOOFDSTUK 3. - Bepalingen inzake de betrekkingen tussen aanbieders van postdiensten
Art. 9-10
HOOFDSTUK 4. - Gebruikers
Art. 11-13
HOOFDSTUK 5. - De universele postdienst
Art. 14-24
HOOFDSTUK 6. - Andere diensten
Art. 25
HOOFDSTUK 7. - Diverse bepalingen
Art. 26-28
HOOFDSTUK 8. - Overgangs-, wijzigings- en opheffingsbepalingen
Art. 29-39

Tekst Inhoudstafel Begin
HOOFDSTUK 1. - Algemene bepalingen

  Artikel 1. Deze wet regelt een aangelegenheid als bedoeld in artikel 74 van de Grondwet.
  Deze wet voorziet in de gedeeltelijke omzetting van richtlijn 97/67/EG van het Europees Parlement en de Raad van 15 december 1997 betreffende gemeenschappelijke regels voor de ontwikkeling van de interne markt voor postdiensten in de Gemeenschap en de verbetering van de kwaliteit van de dienst, laatstelijk gewijzigd bij richtlijn 2008/06/EG van het Europees Parlement en de Raad van 20 februari 2008 tot wijziging van richtlijn 97/67/EG wat betreft de volledige voltooiing van de interne markt voor postdiensten in de Gemeenschap.

  Art. 2. Voor de toepassing van deze wet wordt verstaan onder :
  1° "postdiensten" : diensten die bestaan in het ophalen, het sorteren, het vervoeren en de distributie van postzendingen, met uitzondering van de postdiensten aangeboden door de natuurlijke persoon of rechtspersoon van wie de post afkomstig is;
  2° "aanbieder van postdiensten" : elke onderneming die een of meer postdiensten aanbiedt;
  3° "postnetwerk" : het geheel van de organisatie en alle middelen, waarvan door de aanbieder(s) van de universele dienst gebruik wordt gemaakt om in het bijzonder :
  a) op de toegangspunten op het gehele grondgebied de onder een verplichting tot universeledienstverlening vallende postzendingen op te halen;
  b) deze postzendingen tussen de punten van toegang tot het postnetwerk en het distributiecentrum te verzenden en te verwerken;
  c) deze postzendingen op het vermelde adres te bestellen;
  4° "toegangspunten" : fysieke installaties, met inbegrip van brievenbussen voor het publiek aan de openbare weg of in de gebouwen van de aanbieders van postdiensten, waar de postzendingen door de afzenders in het postnetwerk kunnen worden gebracht;
  5° "ophalen" : de handeling waarbij een aanbieder van postdiensten postzendingen ophaalt;
  6° "distributie" : het proces gaande van het sorteren in distributiecentra tot het bestellen van postzendingen aan de geadresseerden;
  7° "postzending" : geadresseerde zending in de definitieve vorm waarin zij door de aanbieder van postdiensten moet worden vervoerd en waarvan het gewicht niet hoger is dan 31,5 kg.
  Naast brievenpost worden bijvoorbeeld als postzending aangemerkt : boeken, catalogi, kranten, tijdschriften en postpakketten die goederen met of zonder handelswaarde bevatten;
  8° "brievenpost" : een op enigerlei fysieke drager aangebrachte schriftelijke mededeling die wordt vervoerd en besteld op het door de afzender op de zending zelf of op de enveloppe daarvan vermelde adres, met uitzondering van boeken, catalogi, kranten en tijdschriften;
  9° "aangetekende zending" : een dienst die op forfaitaire basis tegen de risico's van verlies, diefstal of beschadiging waarborgt, waarbij de afzender, in voorkomend geval op zijn verzoek, een bewijs ontvangt van de datum van afgifte of van de bestelling van de postzending aan de geadresseerde;
  10° "zending met aangegeven waarde" : een dienst die bestaat in de verzekering van de postzending voor de door de afzender aangegeven waarde tegen verlies, diefstal of beschadiging;
  11° "grensoverschrijdende post" : post afkomstig uit of verzonden naar een andere Staat;
  12° "aanbieder van de universele dienst" : de aanbieder van postdiensten die in België een universele postdienst of een deel daarvan aanbiedt, en waarvan de identiteit aan de Europese Commissie is meegedeeld overeenkomstig artikel 4 van richtlijn 97/67/EG, gewijzigd bij richtlijn 2008/6/EG van het Europees Parlement en de Raad van 20 februari 2008 tot wijziging van richtlijn 97/67/EG wat betreft de volledige voltooiing van de interne markt voor postdiensten in de Gemeenschap;
  13° "vergunning" : een machtiging die door het Instituut wordt verleend en waarbij aan een aanbieder van diensten van nationale en inkomende grensoverschrijdende brievenpost binnen de werkingssfeer van de universele dienst specifieke rechten worden verleend en waarbij de activiteiten van die onderneming aan specifieke verplichtingen worden onderworpen zonder dat de aanbieder gerechtigd is de desbetreffende rechten uit te oefenen alvorens hij het door het Instituut genomen besluit heeft ontvangen;
  14° "afzender" : natuurlijke persoon of rechtspersoon van wie de postzending afkomstig is;
  15° "gebruiker" : natuurlijke persoon of rechtspersoon aan wie de postdienst aangeboden wordt, als afzender of als geadresseerde;
  16° "Instituut" : het Belgisch Instituut voor postdiensten en telecommunicatie, zoals bedoeld in artikel 13 van de wet van 17 januari 2003 met betrekking tot het statuut van de regulator van de Belgische post- en telecommunicatiesector;
  17° "essentiële eisen" : niet-economische redenen van algemeen belang die de Staat ertoe kunnen bewegen voorwaarden inzake het aanbieden van postdiensten op te leggen. Deze redenen zijn :
  a) de vertrouwelijke aard van de brievenpost,
  b) de veiligheid van het functioneren van het netwerk op het gebied van het vervoer van gevaarlijke stoffen,
  c) de naleving van arbeidsvoorwaarden en -omstandigheden en regelingen voor sociale zekerheid die in wettelijke of bestuursrechtelijke bepalingen zijn vastgesteld of via collectieve onderhandelingen tussen sociale partners zijn overeengekomen, in overeenstemming met het recht van de Europese Unie en het nationale recht,
  d) in gerechtvaardigde gevallen, de bescherming van gegevens (met inbegrip van de bescherming van persoonsgegevens, de bescherming van de vertrouwelijke aard van gegevens die worden doorgegeven of opgeslagen alsmede de bescherming van de persoonlijke levenssfeer), de bescherming van het milieu en de ruimtelijke ordening.
  18° "bpost" : de naamloze vennootschap van publiek recht bpost, ingeschreven onder nummer 0214 596 464 in de Kruispuntbank van Ondernemingen;
  19° "adres" : een geheel van gegevens die de aanbieder van postdiensten in staat stelt de plaats van distributie vast te stellen en die minstens het huisnummer, de straatnaam en de naam van de gemeente bevatten of een door de betrokken aanbieder van postdiensten aanvaarde andere vermelding of informatie die hem op een ondubbelzinnige manier in staat stelt minstens het huisnummer, de straatnaam en de naam van de gemeente te bepalen;
  20° "routage-activiteiten" : routage-activiteiten worden verricht door een natuurlijke persoon of rechtspersoon in opdracht van een afzender; ze bestaan uit activiteiten van gereedmaking van postzendingen volgens de normen van de aanbieders van postdiensten eventueel in combinatie met andere activiteiten ter voorbereiding van postzendingen zoals de verpakking, het afdrukken of de frankering van de postzendingen;
  21° "ombudsdienst" : de ombudsdienst voor de postsector bedoeld in artikel 43ter van de wet van 21 maart 1991 betreffende de hervorming van sommige economische overheidsbedrijven;
  22° "werkdag" : iedere kalenderdag andere dan een zaterdag, een zondag of een wettelijke feestdag;
  23° "tegen enkelstuktarieven aangeboden diensten" : de postdiensten waarvoor het tarief is vastgesteld in de algemene voorwaarden van de aanbieder van de universele dienst voor individuele postzendingen;
  24° "postkantoor" : een plaats voor fysiek contact tussen de gebruikers en een aanbieder van postdiensten en die door de aanbieder van postdiensten uitgebaat is;
  25° "minister" : het lid van de federale regering dat bevoegd is voor de postsector;
  26° "beheerscontract" : een contract zoals bedoeld in artikel 3 van de wet van 21 maart 1991 houdende hervorming van sommige economische overheids-bedrijven;
  27° "eindkosten" : vergoeding aan de aanbieders van de universele dienst voor de distributie van de inkomende grensoverschrijdende post, bestaande uit postzendingen die uit een andere Staat afkomstig zijn.

  Art. 3. § 1. De aanbieders van postdiensten :
  1° leven de essentiële eisen na.
  De Koning kan, bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad, de op grond van de essentiële eisen na te leven vereisten nader bepalen;
  2° stellen een transparante, eenvoudige en goedkope interne procedure in voor een billijke en snelle behandeling van klachten van gebruikers die betrekking hebben op het verlies, de diefstal, de beschadiging of de niet-naleving van de kwaliteitsnormen met inbegrip van een procedure voor het bepalen van hun verantwoordelijkheid in gevallen waarbij meer dan een dienstverlener betrokken is;
  3° brengen op hun website en op alle commerciële contracten de gebruikers van postdiensten op de hoogte van de procedure om klachten gericht aan hun diensten in te dienen en te behandelen alsook van de beroepsmogelijkheid bij de ombudsdienst. Om de aan de ombudsdienst voorgelegde geschillen doeltreffend te behandelen, sluiten de aanbieders na ten minste twaalf ontvankelijke klachten per jaar bij de ombudsdienst een protocol dat de nadere regels vaststelt voor de behandeling van de klachten;
  4° informeren alle personeelsleden en in het bijzonder die van de commerciële diensten, klantenrelaties en informatiediensten, over beroepsmogelijkheden van de gebruikers bij de aanbieder zelf en bij de ombudsdienst;
  5° verstrekken op verzoek van de gebruiker de contactgegevens van de ombudsdienst;
  6° maken voor de bevolking de personen belast met de verdeling van geadresseerde postzendingen identificeerbaar en zorgen ervoor dat postzendingen, met uitzondering van kranten, een herkenningsteken dragen aan de hand waarvan de aanbieder van postdiensten die deze zending aanvankelijk heeft behandeld, kan worden bepaald;
  7° leven het verbod na om met kennis van zaken zendingen te vervoeren of te bestellen die aan de buitenkant vermeldingen dragen die duidelijk in strijd zijn met de goede zeden of de openbare orde;
  8° leven de voorwaarden na bepaald door de Koning, bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad, die inzonderheid betrekking hebben op :
  a) de behandeling en de verdeling van de aangetekende zendingen en de zendingen met aangegeven waarde;
  b) de behandeling van de onverdeelbare zendingen en de onbestelbare zendingen; en
  c) de zendingen die niet toegelaten zijn tot het postvervoer om redenen van openbare orde, veiligheid en gezondheid, of nog de regels in verband met het vervoer van gevaarlijke stoffen.
  § 2. De aanbieders van postdiensten zijn verantwoordelijk voor de naleving van de verplichtingen bedoeld in paragraaf 1 door hun onderaannemers en de personen die voor hun rekening handelen.
  § 3. Er wordt bij de aanbieder van postdiensten een persoon aangewezen die naar behoren bevoegd wordt verklaard om de aanbieder van postdiensten te vertegenwoordigen in zijn betrekkingen met de ombudsdienst voor de postsector. De volledige contactgegevens van deze persoon worden meegedeeld aan het Instituut en aan de ombudsdienst.

  Art. 4. Wanneer de openbare veiligheid, de volksgezondheid, de openbare orde of de verdediging van het Rijk dit eisen, kan de Koning, bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad, gedurende de termijn die Hij vaststelt geheel of gedeeltelijk postverrichtingen vertragen of uitstellen. De Koning kan ter zake alle maatregelen voorschrijven die Hij nuttig acht. De in dit artikel bedoelde maatregelen geven geen aanleiding tot de toekenning van enige vergoeding.
  De Koning kan om redenen van veiligheid en openbare orde, bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad, het soort zendingen en de voorwerpen bepalen alsmede de nadere regels in dit verband, die niet toegelaten worden tot het postvervoer.

  Art. 5. § 1. Elke fysieke persoon die activiteiten van ophalen, sorteren of distributie van brievenpost, gedefinieerd overeenkomstig artikel 2, 8°, uitvoert, met uitzondering van de activiteiten bedoeld in artikel 6, § 4, wordt vermoed te zijn tewerkgesteld op basis van een arbeidsovereenkomst met een aanbieder van postdiensten of een uitzendbureau voor rekening van wie een of meer van de voormelde activiteiten worden uitgevoerd, zonder dat het bewijs van het tegendeel kan worden geleverd, onverminderd de tewerkstelling onder een administratiefrechtelijk statuut. Wanneer een beroep gedaan wordt op uitzendkrachten, is de wet van 24 juli 1987 betreffende de tijdelijke arbeid, de uitzendarbeid en het ter beschikking stellen van werknemers ten behoeve van gebruikers van toepassing.
  § 2. Onverminderd de bevoegdheden van het Instituut inzake controle van de naleving en het beteugelen van de niet-naleving van de andere artikelen van deze wet, zijn de sociale inspecteurs van de Algemene Directie Toezicht op de sociale wetten van de Federale Overheidsdienst Werkgelegenheid, Arbeid en Sociaal Overleg bevoegd om de naleving van de eerste paragraaf te controleren. Die controle wordt uitgevoerd conform de bepalingen van het Sociaal Strafwetboek. De ambtenaren die zijn aangewezen krachtens hetzelfde Wetboek lichten het Instituut in over het besluit om een administratieve boete op te leggen of over het besluit van de auditeur bij de arbeidsrechtbank.

  HOOFDSTUK 2. - Vergunningen

  Art. 6. § 1. Naast de inachtneming van de bepalingen van artikel 3, is de levering van een dienst van brievenpost binnen de werkingssfeer van de universele dienst aan de volgende voorwaarden onderworpen :
  1° elke aanbieder van postdiensten die een dergelijke dienst wenst te verstrekken, dient bij het Instituut, per aangetekende zending, een aanvraag in voor een individuele vergunning, volgens de voorwaarden die de Koning, op voorstel van het Instituut, bepaalt;
  2° de toekenning van de individuele vergunning is afhankelijk van de verbintenis vanwege de aanvrager, natuurlijke persoon of rechtspersoon, om te voldoen aan de regelmatigheid en de betrouwbaarheid van de verstrekking van postdiensten. In geval van onderbreking of stopzetting van de verrichtingen is de aanbieder verplicht het Instituut onmiddellijk, en de gebruikers zo snel mogelijk, daarvan op de hoogte te stellen. Teneinde deze betrouwbaarheid en de inachtneming van de verplichtingen inzake zijn vergunning te garanderen, zet de dienstenaanbieder voldoende middelen in en meer bepaald een minimale infrastructuur, een gepast operationeel proces en voldoende personeel.
  3° Vergunninghouders informeren regelmatig het Instituut, de gebruikers en andere aanbieders van postdiensten met voldoende nauwkeurige en actuele inlichtingen over de prijzen en de kwaliteitsnormen en over de kenmerken van de aangeboden diensten van brievenpost die binnen de werkingssfeer vallen van de universele dienst.
  § 2. De Koning stelt, na advies van het Instituut, bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad, de procedure vast voor de toekenning, de weigering en intrekking van de individuele vergunning, alsmede de duur ervan en de voorwaarden voor de overdracht ervan. Tegen beslissingen van het Instituut tot toekenning, weigering of intrekking van een individuele vergunning, of tot toelating of weigering van de overdracht van een individuele vergunning, staat beroep open bij het Marktenhof overeenkomstig artikel 2 van de wet van 17 januari 2003 betreffende de rechtsmiddelen en de geschillenbehandeling naar aanleiding van de wet van 17 januari 2003 met betrekking tot het statuut van de regulator van de Belgische post- en telecommunicatiesector.
  Deze procedure is transparant, niet-discriminerend en evenredig, en gebaseerd op objectieve criteria. Zij voorziet bovendien in rechtsmiddelen bij gedeeltelijke of volledige weigering, alsook bij intrekking van de individuele vergunning. De vergunninghouders leven de in § 1 vermelde verplichtingen gedurende de volledige geldigheidsduur van de vergunning na.
  § 3. De naam van elke aanbieder van postdiensten die houder is van een individuele vergunning wordt opgenomen in een lijst die ten minste eenmaal per jaar wordt bijgewerkt en die op de website van het Instituut wordt bekendgemaakt.
  § 4. De volgende postdiensten worden uitgesloten van de vergunningsplicht bedoeld in § 1 :
  a) de postdiensten die krachtens de bepalingen van hoofdstuk 5 van deze wet niet tot de universele dienst behoren en aldus niet vallen binnen de werkingssfeer van de universele dienst;
  b) het louter transporteren van postzendingen;
  c) de routage-activiteiten zoals gedefinieerd in artikel 2, 20°, van deze wet.

  Art. 7. De Koning stelt, na advies van het Instituut, de bedragen van de rechten vast die de aanvragers van een individuele vergunning aan het Instituut moeten betalen. Die bedragen hangen af van de omvang van de diensten waarvoor een individuele vergunning is aangevraagd.

  Art. 8. § 1. De vergunninghouders bedoeld in artikel 6, betalen jaarlijks aan het Instituut een bijdrage die vastgesteld is op grond van de kosten voor de financiering van de activiteiten op het gebied van postregulering van het Instituut, "reguleringsbijdrage" genoemd.
  § 2. Het Instituut bepaalt jaarlijks de elementen van zijn budget die noodzakelijk zijn voor en evenredig zijn met de opdrachten die het Instituut volbrengt in de postsector. Deze budgettaire elementen dienen te worden gefinancierd door de in § 1 bedoelde ondernemingen, in de vorm van een reguleringsbijdrage.
  § 3. De in § 1 bedoelde ondernemingen delen elk jaar uiterlijk op 30 juni aan het Instituut het omzetcijfer van hun postdienstactiviteiten mee die het voorgaande jaar behaald is in België.
  § 4. Het bedrag van de reguleringsbijdrage komt overeen met het bedrag van de financiële middelen voor de activiteiten op het gebied van postregulering die ingeschreven zijn op de begroting van het Instituut voor het lopende jaar. De reguleringsbijdrage bestaat uit een vast bedrag van 0,1 % van het omzetcijfer behaald in de activiteiten van postdiensten van de in § 1 bedoelde ondernemingen die een omzet hebben boven 500 000 euro. Indien er een nog te financieren saldo overblijft, wordt de reguleringsbijdrage aangevuld met het totaal van het te financieren saldo, vermenigvuldigd met een coëfficiënt die gelijk is aan het aandeel van de onderneming in de omzet die tijdens het voorgaande jaar is behaald door alle in § 1 bedoelde ondernemingen.
  § 5. De reguleringsbijdragen worden uiterlijk op 30 september van het jaar waarvoor zij verschuldigd zijn, betaald op het rekeningnummer dat door het Instituut is opgegeven. Uiterlijk één maand voor de vervaldatum deelt het Instituut aan de in § 1 bedoelde ondernemingen het bedrag mee van de verschuldigde bijdragen.

  HOOFDSTUK 3. - Bepalingen inzake de betrekkingen tussen aanbieders van postdiensten

  Art. 9. § 1. Wanneer zulks noodzakelijk is om de belangen van de gebruikers te beschermen of daadwerkelijke mededinging aan te moedigen, verschaffen aanbieders van postdiensten elkaar op transparante en niet-discriminerende wijze wederzijds toegang tot de diensten die binnen de werkingssfeer van de universele dienst vallen en de onderdelen van de postinfrastructuur die noodzakelijk zijn om postale activiteiten te ontwikkelen, onverminderd de toepassing van artikel 17, § 1, 5°.
  § 2. De technische en tarifaire voorwaarden die met deze toegang overeenstemmen, worden overeengekomen tussen de betrokken aanbieders van postdiensten. Zij worden vastgesteld in een schriftelijke overeenkomst, waarvan een kopie aan het Instituut wordt gezonden.
  De betrokken elementen van postinfrastructuur worden tegen een marktgerichte prijs ter beschikking gesteld.
  § 3. Op verzoek van een aanbieder van postdiensten kan het Instituut met eerbied voor het objectiviteits-, het proportionaliteits- en het non-discriminatiebeginsel de wijzigingen die het noodzakelijk acht aanbrengen in de overeenkomsten.
  § 4. In geval van mislukking van de commerciële onderhandelingen na een periode van drie maanden na de datum van ontvangst van het in § 1 bedoelde verzoek tot toegang, kan elke aanbieder van postdiensten het Instituut verzoeken om, wanneer zulks noodzakelijk is, de belangen van de gebruikers te beschermen of daadwerkelijke mededinging aan te moedigen de inhoud en de voorwaarden van de overeenkomst te bepalen.
  § 5. In de twee gevallen beschreven in §§ 3 en 4, hoort het Instituut vooraf de betrokken aanbieders van postdiensten, met eerbied voor het objectiviteits-, het proportionaliteits- en het non-discriminatiebeginsel.
  § 6. Het Instituut is bovendien bevoegd om de aanbieders van postdiensten te verzoenen betreffende hun geschillen aangaande de toegang tot de in § 1 vermelde elementen van postinfrastructuur overeenkomstig artikel 14, § 1, 4°, van de wet van 17 januari 2003 met betrekking tot het statuut van de regulator van de Belgische post- en telecommunicatiesector.

  Art. 10. § 1. Teneinde billijke mededingingsvoorwaarden in de postsector te verzekeren, kan het Instituut de sector raadplegen over mogelijke voorrechten of specifieke rechten die aan de aanbieders van postdiensten werden toegekend.
  § 2. De resultaten van de raadpleging worden gepubliceerd op de website van het Instituut. Bovendien worden deze resultaten weergegeven in een rapport dat samen met de aanbevelingen van het Instituut wordt gezonden aan de minister.

  HOOFDSTUK 4. - Gebruikers

  Art. 11. § 1. De aanbieder van de universele dienst verstrekt aan de gebruikers nauwkeurige, actuele en volledige informatie met betrekking tot de producten en diensten die deel uitmaken van de universele dienst.
  § 2. De aanbieder van de universele dienst maakt voor de gebruikers in de postkantoren en op zijn website de volgende schriftelijke informatie toegankelijk met betrekking tot de diensten die deel uitmaken van de universele dienst :
  1° de voorwaarden inzake het aanbod en de levering van de diensten;
  2° de enkelstuktarieven van de diensten;
  3° voor de diensten aangeboden tegen openbaar verminderd tarief :
  a) de tarieven;
  b) de leveringsvoorwaarden, onder meer inzake volume en postvoorbereiding;
  c) de technische kenmerken;
  4° het tariefmodel voor de conventionele tarieven van de diensten die tot de universele dienst behoren dat minstens volgende informatie bevat :
  a) de basistarieven van toepassing op de conventionele tarieven en de betalingswijze;
  b) de eventuele verschillende klassen en formules;
  c) de contractduur en de opzeggings- en verlengingsmodaliteiten;
  d) de nadere regels voor de prijsherziening.
  Voormeld tariefmodel met de hierboven opgesomde componenten is met uitzondering van de basistarieven, minimum één jaar geldig.
  Voormelde wijzigingen aan de schriftelijke informatie worden eveneens bekendgemaakt door de aanbieder van de universele dienst op zijn website en worden voorafgaandelijk aan het Instituut meegedeeld.

  Art. 12. § 1. Inlichtingen betreffende de toegang tot de dienst, het tarief, het kwaliteitsniveau, de aansprakelijkheidsregeling en de klachtenprocedure moeten mondeling kunnen verstrekt worden. De kenmerken van een product moeten kunnen worden opgesomd.
  § 2. De aanbieder van de universele dienst afficheert op duidelijke en leesbare wijze de openingstijden van de kantoren aan de buitenkant ervan, en binnen ook de belangrijkste tarieven.
  De aanbieder van de universele dienst verstrekt eveneens in alle kantoren brochures met een beschrijving per product dat of dienst die deel uitmaakt van de universele dienst en behoort tot het kleingebruikerpakket bedoeld in artikel 19, § 1, van de toegangsvoorwaarden, de basistarieven, de kortingen, de standaardtoeslagen, de aansprakelijkheidsregeling en de klachtenprocedure, de naam en het adres van zijn hoofdzetel.
  § 3. Elke wijziging die wordt aangebracht in de aanbiedingsvoorwaarden van de producten en diensten wordt, voor zij van toepassing wordt, ter kennis gebracht van de gebruikers.

  Art. 13. § 1. De Koning stelt, na advies van het Instituut, bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad, de kwaliteitsnormen vast voor de aanbieder van universele dienst en bepaalt de inlichtingen die de aangewezen aanbieder van de universele dienst moet verstrekken om de controle ervan mogelijk te maken.
  Deze kwaliteitsnormen hebben inzonderheid betrekking op de verzendingsduur, de regelmaat en de betrouwbaarheid van de binnenlandse en grensoverschrijdende diensten.
  De naleving van die normen wordt minstens één keer per jaar door het Instituut gecontroleerd.
  § 2. De Koning neemt, na advies van het Instituut, de nodige correctiemaatregelen indien de aanbieder van de universele dienst de kwaliteitsnormen bedoeld in § 1 of de kwaliteitsnormen voor de grensoverschrijdende diensten aangenomen door de Europese Unie niet naleeft.

  HOOFDSTUK 5. - De universele postdienst

  Art. 14. § 1. bpost verleent de universele dienst zoals omschreven in artikel 15 van deze wet tot 31 december 2018.
  § 2. Na afloop van de in § 1 vermelde termijn levert bpost verder de universele dienst op basis van een beheerscontract gesloten tussen de federale Staat en bpost voor een duur van vijf jaar.
  Bij het verstrijken van de eerste aanwijzing voor vijf jaar conform het eerste lid, kan de Koning de aanwijzing van bpost als aanbieder van de universele dienst vernieuwen voor opeenvolgende termijnen van vijf jaar, op basis van beheerscontracten gesloten voor dezelfde duur.
  § 3. De aanwijzing van de aanbieder van de universele dienst conform §§ 1 of 2 bestrijkt het gehele nationale grondgebied.
  § 4. Wanneer de aanbieder die conform §§ 1 of 2 werd aangewezen in gebreke blijft en dit door het Instituut wordt vastgesteld, of indien de Staat en deze aanbieder er niet in slagen om conform § 2 een beheerscontract te sluiten voor de volgende periode van vijf jaar, of indien de Koning de aanwijzing van deze aanbieder niet vernieuwt na de afloop ervan, wijst de Koning bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad, op voorstel van het Instituut, een of meerdere andere aanbieders aan ter vervanging van de aanbieder, zodat het gehele nationale grondgebied word bestreken, en dit voor een periode van vijf jaar. In dat geval sluit de Staat een beheerscontract met de nieuwe aanbieder(s) van de universele dienst voor een periode van vijf jaar. De Koning kan tevens, bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad, de nadere regels en de procedures bepalen om tot de vaststelling van het in gebreke blijven van de aangewezen aanbieder te komen.
  § 5. Bij de beslissing krachtens § 2, tweede lid of § 4 om de aanwijzing van bpost of van een andere overeenkomstig § 4 aangewezen aanbieder van de universele dienst al dan niet te vernieuwen, houdt de Koning onder meer rekening met de naleving door de betrokken aanbieder van zijn wettelijke en reglementaire verplichtingen, met zijn prestaties op belangrijke prestatie-indicatoren zoals in voorkomend geval vastgesteld in het beheerscontract.

  Art. 15. § 1. De universele postdienst omvat de volgende verrichtingen :
  1° het ophalen, het sorteren, het vervoer en de distributie van postzendingen tot 2 kg;
  2° het ophalen, het sorteren, het vervoer en de distributie van de tegen enkelstuktarieven aangeboden postpakketten tot 10 kg;
  3° de distributie van de tegen enkelstuktarieven aangeboden postpakketten ontvangen vanuit andere lidstaten tot 20 kg;
  4° de diensten in verband met aangetekende zendingen en zendingen met aangegeven waarde.
  De universele postdienst omvat zowel de nationale als de grensoverschrijdende diensten.
  Wat de brievenpost betreft, kan de Koning, bij een in Ministerraad overlegd besluit, de postale universele dienst beperken tot de tegen enkelstuktarieven aangeboden diensten, indien dit gerechtvaardigd wordt door de veranderende behoeften van de gebruikers of noodzakelijk blijkt om te vermijden dat de universele dienst voor de aanbieder van de universele dienst een onredelijke last wordt in de zin van artikel 23, § 2.
  § 2. Het beheerscontract bedoeld in artikel 14, § 2 of § 4 kan de bijzondere regels en voorwaarden vaststellen waaronder de aangewezen aanbieder van de universele dienst zijn universele dienstverplichtingen vervult.
  § 3. Postale diensten en postzendingen met toegevoegde waarde ten opzichte van de diensten die deel uitmaken van de universele dienst behoren niet tot de universele dienst. De Koning kan, bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad, nader bepalen op grond van welke criteria deze diensten en zendingen met toegevoegde waarde kunnen onderscheiden worden van diensten die behoren tot de universele dienst en aan welke minimumvereisten de standaarddiensten moeten voldoen.

  Art. 16. § 1. De levering van de universele dienst brengt de volgende verplichtingen met zich mee :
  1° in elke gemeente van het Rijk, met inbegrip van fusiegemeenten die op 31 december 1971 een afzonderlijke bestuurlijke eenheid vormden, dient zich ten minste één toegangspunt te bevinden voor het deponeren van postzendingen bedoeld in artikel 15, § 1;
  2° per gemeente dient er minimaal vijf dagen per week ten minste één lichting vanuit elk toegangspunt en één bestelling van die postzendingen bedoeld in artikel 15, § 1, te geschieden, behalve op zondag en wettelijke feestdagen en behalve in geval van uitzonderlijke omstandigheden;
  3° bij de bestelling van de postzendingen bedoeld in artikel 15, § 1, moeten alle woningen van het Rijk worden betrokken voor zover zij voorzien zijn van een brievenbus binnen handbereik geplaatst aan de grens van de openbare weg en beantwoordend aan de reglementering uitgevaardigd door de minister, op voorstel van het Instituut.
  Deze verplichting wordt uitgebreid tot de pakketten bedoeld in artikel 15, § 1, 2° en 3°. Zo het aangeboden pakket niet kan worden besteld op het adres van de bestemmeling, wordt het bewaard op een plaats in de gemeente van de geadresseerde, waarbij die laatste daarvan op de hoogte wordt gebracht door een bericht dat in zijn bus wordt achtergelaten. Die plaats moet ten minste vijf dagen per week, behalve op zondag en wettelijke feestdagen, toegankelijk zijn. Een andere plaats kan ook worden gedefinieerd door de aanbieder van de universele dienst mits akkoord van de bestemmeling.
  Het beheerscontract kan de uitzonderlijke omstandigheden bepalen waarin er kan afgeweken worden van de verplichting onder 2°, met dien verstande dat een daling van de volumes postzendingen die het financieel evenwicht van de universele dienst in gevaar brengt in elk geval als een dergelijke omstandigheid zal worden beschouwd. In dat geval bepaalt het beheerscontract de minimumverplichtingen waaraan de dienstverlening moet voldoen.
  § 2. De levering van de universele dienst beantwoordt aan de volgende eisen :
  1° de essentiële eisen worden nageleefd;
  2° een identieke dienstverlening aanbieden aan de gebruikers die zich in vergelijkbare omstandigheden bevinden;
  3° wordt aangeboden zonder discriminatie, inzonderheid op grond van politieke, religieuze of levensbeschouwelijke overtuiging;
  4° de dienst wordt niet onderbroken of beëindigd behalve wegens overmacht;
  5° de dienst evolueert overeenkomstig de technische, economische en sociale ontwikkeling en de reële behoeften van de gebruikers.
  § 3. In geval van onderbreking of stopzetting van de verrichtingen van de universele dienst in de zin van het tweede lid, is de aanbieder verplicht de minister en het Instituut onmiddellijk, en de gebruikers zo snel mogelijk daarvan op de hoogte te stellen.
  Het betreft onderbrekingen of stopzettingen die een substantiële weerslag hebben op de kwaliteit van de dienstverlening van de aanbieder van de universele dienst en de universele dienstverplichtingen zoals bepaald in dit artikel in gevaar brengen. De Koning kan de criteria bepalen van hetgeen onder "substantiële weerslag" wordt verstaan.
  De aanbieder van de universele dienst brengt aan de minister en het Instituut een gedetailleerd verslag uit over de impact van de stopzetting of onderbreking.
  § 4. De Koning kan, bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad, met betrekking tot de hiernavermelde onderwerpen, nadere regels bepalen voor de zendingen die tot de universele dienst behoren :
  1° de nadere regels met betrekking tot de definiëring van brieven, drukwerk en briefkaarten;
  2° de nadere regels met betrekking tot afmetingen en normalisatie van postzendingen;
  3° de nadere regels inzake de uitreiking van postzendingen met inbegrip van de behandeling van onbestelbare postzendingen en onvoldoende gefrankeerde postzendingen;
  4° de nadere regels inzake frankering, de verkoop van postzegels en andere postwaarden en inzake de goedkeuring en het gebruik van frankeermachines;
  5° de nadere regels inzake de verzameling en de behandeling van adreswijzigingen en de nazending van postzendingen ingevolge een adreswijziging.

  Art. 17. § 1. De tarieven voor elk van de diensten die deel uitmaken van de universele dienstverlening door de aanbieder van de universele dienst worden met inachtneming van de volgende beginselen vastgesteld :
  1° de tarieven zijn betaalbaar;
  2° de tarieven zijn kostengeoriënteerd en stimuleren een efficiënte aanbieding van de universele dienst;
  3° het tarief van de diensten aangeboden tegen enkelstuktarieven is identiek over het gehele grondgebied van het Rijk, ongeacht de plaats van ophaling en distributie, onverminderd het recht van de aanbieder(s) van de universele dienst om met gebruikers individuele prijsafspraken te maken;
  4° de tarieven zijn transparant en niet-discriminerend. Zowel prijzen als voorwaarden worden zonder discriminatie toegepast;
  5° wanneer een aanbieder van de universele dienst speciale tarieven toepast, bijvoorbeeld voor diensten voor zakelijke gebruikers, aanbieders van grote partijen post of tussenpersonen die post van verschillende gebruikers samenvoegen, past hij de beginselen van transparantie en non-discriminatie toe ten aanzien van zowel de eigenlijke tarieven als de betreffende voorwaarden. De tarieven en de betreffende voorwaarden worden steeds op dezelfde wijze toegepast zowel tussen derden onderling als tussen derden en aanbieders van de universele dienst die gelijkwaardige diensten aanbieden. Al deze tarieven zijn ook beschikbaar voor de gebruikers, inzonderheid de particulieren en de kleine en middelgrote ondernemingen, die onder gelijkwaardige omstandigheden van de postdiensten gebruikmaken.
  § 2. Voor de brievenpost die deel uitmaakt van de universele dienstverlening, dient de aanbieder van de universele dienstverlening minstens één openbaar verminderd tarief aan te bieden dat afhangt van minimale afgiftehoeveelheden. Deze korting is georiënteerd op de vermeden kosten ten opzichte van de standaarddiensten.

  Art. 18. § 1. Een geheel van diensten behorende tot de universele dienst die representatief zijn voor particulieren en voor de zakelijke kleine gebruiker wordt "kleingebruikerpakket" genoemd. Dat pakket, waarvoor de enkelstuktarieven gelden, omvat :
  1° binnenlandse standaard brievenpost waarvan het gewicht lager is dan of gelijk aan 2 kg;
  2° de standaard uitgaande grensoverschrijdende post waarvan het gewicht lager is dan of gelijk aan 2 kg;
  3° de uitgaande binnenlandse en grensoverschrijdende postpakketten tot 10 kg;
  4° de aangetekende zendingen en de uitgaande binnenlandse en grensoverschrijdende zendingen met aangegeven waarde.
  De Koning bepaalt, bij besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad, de minimumvereisten waaraan de standaarddiensten bedoeld in punten 1° en 2° van deze paragraaf moeten voldoen.
  De aanbieder van de universele dienst beperkt zijn jaarlijkse tariefverhogingen voor de producten die tot het kleingebruikerpakket behoren volgens een tarifair plafond ("price cap"). De Koning bepaalt, bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad, de procedures en nadere regels inzake tussenkomst van het Instituut, naast diegene waarvan sprake in § 2.
  § 2. Indien de aanbieder van de universele dienst een tariefverhoging wenst door te voeren voor de producten die behoren tot het kleingebruikerpakket waarvan sprake is in § 1, 1°, worden alle documenten met betrekking tot de kostprijsberekening voorafgaandelijk aan de wijziging en uiterlijk op 1 juli van het jaar n-1 meegedeeld aan het Instituut met het oog op de goedkeuring van de tariefverhoging die kan toegepast worden vanaf 1 januari van het jaar n. Het Instituut controleert of de tarifaire principes bedoeld in artikel 17, § 1, worden nageleefd. Het Instituut gaat de betaalbaarheid en de kostenoriëntering na op basis van de price cap formule bedoeld in paragraaf 1.
  Het Instituut beschikt vanaf de dag van ontvangst van de aanvraag tot tariefverhogingen over drie maanden om een beslissing te nemen.
  Ingeval het Instituut van mening is dat het dossier onvolledig is, dient het mee te delen binnen tien werkdagen na ontvangst welke informatie ontbreekt.
  De termijn van drie maanden wordt opgeschort tot op het ogenblik van de ontvangst van de ontbrekende informatie in het dossier.
  Indien een van de principes bedoeld in artikel 17, § 1, niet nageleefd wordt, zal het Instituut de voorgestelde tariefverhoging van de aangewezen aanbieder van de universele dienst weigeren.
  § 3. In afwijking van artikel 9, 3de lid, tweede en derde zin, en 4de lid, van de wet van 21 maart 1991 betreffende de hervorming van sommige economische overheidsbedrijven, worden de tarieven van de universele postdiensten waarvoor § 1, geen formule voorschrijft, bepaald door de leverancier van de universele dienst.
  § 4. Wanneer een prijsverhogingsaanvraag van de aanbieder van de universele dienst met betrekking tot de tarieven van de diensten behorende tot het kleingebruikerpakket de price cap bedoeld in artikel 18, § 1, respecteert, worden de tarieven conform geacht met de verplichtingen van betaalbaarheid en kostenoriëntering bedoeld in paragraaf 1, 1° en 2°.
  Indien de tarieven van de diensten behorende tot het kleingebruikerpakket bedoeld in § 1 voldoen aan de price cap bedoeld in § 1, derde lid, worden de daarop gebaseerde gereduceerde tarieven ten opzichte van de standaarddiensten eveneens conform geacht met de verplichtingen van betaalbaarheid en kostenoriëntering bedoeld in § 1, 1° en 2°.

  Art. 19. § 1. De aanbieder van de universele dienst dient de volgende regels in acht te nemen voor de berekening van de tariefverhogingen met betrekking tot het in artikel 18, § 1 bedoelde "kleingebruikerpakket" :
  1° De gewogen tariefverhoging, zoals gedefinieerd, is lager dan of gelijk aan de verhoging van het gezondheidsindexcijfer tussen de maand april van het voorlaatste jaar en de maand april van het jaar n-1 dat voorafgaat aan de toepassing van de tariefverhoging, verminderd met een correctiefactor "X".
  
  ( Beeld niet opgenomen om technische redenen, zie B.St. van 09-02-2018, p. 9864 )
  
  Mj,n : tariefwijziging van dienst j in jaar n ten opzichte van het voorgaande jaar, uitgedrukt in %
  Wj,n-2 : aandeel in de omzet van dienst j in jaar n-2, gedeeld door de totale omzet van het pakket in hetzelfde jaar, uitgedrukt in %
  N : het aantal in het pakket opgenomen diensten
  n : jaar waarin de tariefverhoging wordt toegepast
  In-1 : waarde van het gezondheidsindexcijfer in april van jaar n-1 dat aan de toepassing van de tariefverhoging voorafgaat
  In-2 : waarde van het gezondheidsindexcijfer in april van het voorlaatste jaar n-2
  X : een correctiefactor die wordt toegepast op de inflatie om de maximale verhoging van de gemiddelde tarieven van het kleingebruikerpakket te bepalen. De waarde van deze factor kan negatief zijn.
  2° Om de naleving van de beginselen van betaalbaarheid en kostenoriëntering bedoeld in artikel 17, § 1, 1° en 2° te verzekeren, houdt de berekening van de X-factor rekening met de evolutie van de volumes behandeld door de aanbieder van de universele dienst, een mechanisme voor het aanmoedigen van een efficiënte aanbieding van de universele dienst en met een billijke verdeling van de efficiëntiewinsten van de aanbieder van de universele dienst tussen deze aanbieder en de gebruikers van de producten behorende tot het kleingebruikerpakket. Deze berekening wordt gemaakt aan de hand van de volgende formule :
  X = V/(1 + V) + KRF * EWV
  i) V is de verwachte gewogen gemiddelde evolutie van het volume van de producten behorende tot het kleingebruikerpakket tussen het jaar n-1 en het jaar n, berekend door de verwachte evolutie van de volumes van elk van de producten behorende tot het kleingebruikerpakket tussen het jaar n-1 en het jaar n te wegen gebruik makend van het aandeel in de verwachte inkomsten van het kleingebruikerpakket van elk van deze producten in het jaar n-1 als wegingsfactor.
  ii) "KRF" is een kostenreductiefactor, dit wil zeggen de jaarlijkse graad van kostenreductie die de aanbieder van de universele dienst moet realiseren in de komende jaren teneinde gedeeltelijk het effect van de daling van de volumes te compenseren. Deze factor wordt vastgesteld op 2,8 %.
  iii) "EWV" is een efficiëntiewinstverdelingsfactor, dit wil zeggen een factor die het aandeel van de efficiëntiewinsten van de aanbieder van de universele dienst vertegenwoordigt dat deze moet afstaan aan de gebruikers van de diensten van het kleingebruikerpakket via de tarieven. Deze factor wordt vastgesteld op 33 %."
  De prijzen die verkregen worden door de toepassing van de price cap formule worden afgerond op de hogere of lagere cent van een euro, zelfs indien de tariefverhoging dan het maximum overschrijdt dat het resultaat is van de toepassing van diezelfde formule.
  Voor de toepassing van de price cap formule wordt er rekening gehouden met de prijsverlagingen.
  Wat de uitgaande grensoverschrijdende post en de uitgaande grensoverschrijdende postpakketten betreft, zullen de tariefverhogingen die rechtstreeks het gevolg zijn van een verhoging van de eindrechten betaald door de aanbieder van de universele dienst niet in rekening worden genomen voor de toepassing van de price cap formule.
  § 2. De aanbieder van de universele dienst kan de tariefaanpassingen vanaf 1 januari van elk jaar toepassen. Deze hoeven niet tegelijk te worden toegepast en mogen over het jaar worden gespreid.
  § 3. Indien de aanbieder van de universele dienst zijn prijzen tijdens een kalenderjaar niet zo veel verhoogt als is toegestaan ingevolge de toepassing van de price cap bedoeld in artikel 18, § 1, en berekend volgens de formule vastgesteld in paragraaf 1, mag hij die overblijvende marge in de loop van de volgende drie jaar gebruiken. Dezelfde regel geldt wanneer er geen tariefaanpassingen hebben plaatsgevonden.

  Art. 20. § 1. De aanbieder van de universele dienst houdt in zijn interne boekhouding gescheiden rekeningen voor :
  1. elk van de diensten die deel uitmaken van de universele dienst;
  2. de niet-universele postdiensten;
  3. de hem eventueel toevertrouwde diensten die opdrachten van openbare dienst zijn.
  Deze interne boekhouding steunt op de samenhangende toepassing van de principes van de analytische boekhouding, die objectief gerechtvaardigd kunnen worden.
  § 2. De aanbieder van de universele dienst legt jaarlijks aan het Instituut ter goedkeuring de categorie voor waartoe elk van de door hem aangeboden diensten behoort. De aanbieder van de universele dienst deelt alle voorgestelde wijzigingen gezamenlijk aan het Instituut ter goedkeuring mee in het jaar voorafgaand aan de invoering.

  Art. 21. § 1. In de boekhouding van de aanbieder van de universele dienst worden de kosten als volgt toegerekend :
  1° kosten die direct kunnen worden toegerekend aan een bepaalde dienst of aan een bepaald product, worden aldus toegerekend;
  2° gemeenschappelijke kosten, dit zijn kosten die niet direct kunnen worden toegerekend aan een bepaalde dienst of aan een bepaald product, worden als volgt toegerekend :
  a) indien mogelijk worden gemeenschappelijke kosten toegerekend op basis van een directe analyse van de herkomst van de kosten;
  b) indien een directe analyse niet mogelijk is, worden de gemeenschappelijke kostencategorieën toegerekend op basis van een indirecte koppeling met een andere kostencategorie of groep van kostencategorieën waarvoor een directe toerekening mogelijk is; de indirecte koppeling is gebaseerd op vergelijkbare kostenstructuren;
  c) indien directe noch indirecte kostentoerekening mogelijk is, wordt de kostencategorie toegerekend op basis van een algemene kostenverdeling die wordt berekend door de verhouding vast te stellen tussen, enerzijds, alle uitgaven die direct of indirect aan de universele dienst worden toegerekend en, anderzijds, alle uitgaven die direct of indirect aan de andere diensten worden toegerekend;
  d) gemeenschappelijke kosten die nodig zijn voor het aanbieden van zowel universele diensten als niet-universele diensten, worden dienovereenkomstig toegerekend; voor universele diensten en niet-universele diensten worden dezelfde kostendrijvers gehanteerd.
  § 2. De verdeling van de kosten wordt gedaan door de aanbieder van de universele dienst overeenkomstig de principes bedoeld in § 1. Dit gebeurt volgens de methode van de volledige kostentoewijzing, bekend onder de naam "FDC - Fully Distributed Cost" (of "Fully Allocated Cost") waarbij gebruik wordt gemaakt van het principe "ABC-Activity Based Costing" dat de kosten aan de producten toerekent op grond van de activiteiten.
  § 3. Andere systemen van analytische boekhouding mogen slechts worden toegepast als ze compatibel zijn met de bepalingen van artikel 20 en nadat zij door het Instituut zijn goedgekeurd. De Europese Commissie wordt over het nieuwe systeem van analytische boekhouding door het Instituut ingelicht vóór de toepassing ervan.
  § 4. De aanbieder van de universele dienst houdt een document bij omtrent zijn analytische boekhouding dat voldoende gedetailleerde gegevens bevat in verband met de systemen voor analytische boekhouding die hij gebruikt en waarin de door deze systemen gegenereerde gedetailleerde boekhoudgegevens zijn opgenomen. Dat document bevat inzonderheid de vertrouwelijke boekhoudgegevens waarvan de lijst en de inhoud door de Koning worden bepaald. De aanbieder van de universele dienst zendt dat document op aanvraag toe aan de Europese Commissie, het Instituut en de bevoegde instelling bedoeld in artikel 22. De Koning bepaalt de nadere regels voor het toezenden van dat document.
  De aanbieder van de universele dienst bezorgt op eigen initiatief aan het Instituut een versie van het in het eerste lid bedoelde document, waaruit de vertrouwelijke boekhoudgegevens weggelaten zijn, op de wijze bepaald door de Koning. Na de goedkeuring ervan door het Instituut wordt het document gepubliceerd overeenkomstig de modaliteiten bepaald door de Koning.

  Art. 22. § 1. De in de artikelen 20 en 21 bedoelde interne analytische boekhouding wordt gecontroleerd door het College van Commissarissen of elke andere door het Instituut aangewezen bevoegde instelling die onafhankelijk is van de aanbieder van de universele dienst. De Koning stelt de modaliteiten van de controle op de naleving van de artikelen 20 en 21 van de wet vast. De controlekosten worden ten laste genomen door de aanbieder van de universele dienst.
  § 2. Het Instituut ziet erop toe dat jaarlijks een conformiteitsverklaring wordt gepubliceerd. De inhoud en de modaliteiten van deze publicatie worden vastgesteld door de Koning. De conformiteitsverklaring refereert niet aan en bevat geen vertrouwelijke informatie bepaald in artikel 21, § 4.

  Art. 23. § 1. De universeledienstverlener berekent jaarlijks de nettokosten van de universeledienstverplichtingen. Het Instituut verifieert of de berekening van de nettokosten van de universeledienstverplichtingen van de aanbieder van de universele dienst, zoals uitgevoerd door de aanbieder, overeenkomt met de methode bepaald in dit artikel. Voor het verifiëren van de nettokosten werkt de aangewezen universeledienstverlener samen met het Instituut. Het Instituut brengt over deze verificatie schriftelijk verslag uit bij de minister. Dit verslag vermeldt het resultaat van de berekening van de nettokosten door de aanbieder van de universele dienst en motiveert desgevallend waarom het Instituut tot een afwijkende berekening komt.
  De nettokosten van de universeledienstverplichtingen zijn alle kosten in verband met en noodzakelijk voor het aanbieden van de universele dienst. De nettokosten van de universeledienstverplichtingen zijn te berekenen als het verschil in de nettokosten van een aangewezen aanbieder van de universele dienst die zich wel aan de universeledienstverplichtingen moet houden en de nettokosten die diezelfde aanbieder draagt wanneer die zich niet aan de universeledienstverplichtingen moet houden.
  Bij de berekening wordt met alle overige relevante elementen rekening gehouden, zoals de eventuele immateriële en marktvoordelen die een als aanbieder van de universele dienst aangewezen aanbieder van postdiensten heeft genoten, het recht op een redelijke winst en maatregelen ter bevordering van de kostenefficiëntie.
  De berekening wordt gebaseerd op de kosten die toe te schrijven zijn aan :
  - elementen van de diensten die slechts met verlies kunnen worden aangeboden of onder voorwaarden die buiten de normale commerciële standaarden vallen;
  - specifieke gebruikers of groepen van gebruikers die, rekening houdend met de kosten van het aanbieden van de gespecificeerde dienst, het gegenereerde inkomen en uniforme prijzen, slechts met verlies kunnen worden bediend of onder voorwaarden die buiten de normale commerciële standaarden vallen.
  Deze categorie omvat die gebruikers of groepen van gebruikers die zonder de verplichting tot het aanbieden van de universele dienst niet zouden worden bediend door een commerciële aanbieder van postdiensten.
  De nettokosten van specifieke aspecten van universeledienstverplichtingen worden afzonderlijk berekend teneinde dubbeltelling van bepaalde directe of indirecte voordelen en kosten te vermijden. De totale nettokosten van universeledienstverplichtingen voor een aangewezen aanbieder van de universele dienst zijn te berekenen als de som van de nettokosten die uit de specifieke componenten van universeledienstverplichtingen voortvloeien, rekening houdend met alle immateriële voordelen.
  De Koning bepaalt, na advies van het Instituut, bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad, de methode voor de berekening van de nettokosten van de universele dienstverplichtingen overeenkomstig de wettelijke en reglementaire principes, alsook de procedureregels voor de verificatie bedoeld in het eerste lid.
  § 2. De nettokosten houden een onredelijke last in voor de aanbieder van de universele dienst ingeval deze drie procent overschrijdt van de omzet die de aanbieder van de universele dienst realiseert in het segment van de universele dienst.

  Art. 24. De eventuele onredelijke last voortvloeiende uit de universeledienstverplichtingen en berekend overeenkomstig artikel 23 wordt vergoed ten laste van de Rijksbegroting.
  Daartoe dient de aanbieder van de universele dienst na de afsluiting van het boekjaar waarvoor hij acht dat de aanbieding van de universele dienst aanleiding heeft gegeven tot een onredelijke last, een gemotiveerd schriftelijk verzoek tot staatstussenkomst in bij de minister waarin hij meer bepaald op grond van boekhoudkundige gegevens aantoont dat de verplichtingen van de universele dienst een onredelijke last voor hem uitmaken.
  Een kopie van het verzoek om staatstussenkomst wordt door de aanbieder van de universele dienst overgezonden naar het Instituut voor de controle overeenkomstig artikel 23.
  Het Instituut brengt binnen twee maanden volgend op de ontvangst van de kopie van het naar behoren gemotiveerde verzoek om tussenkomst gemotiveerd advies uit aan de minister.
  De Koning bepaalt, bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad, de concrete regels voor de betaling door de Staat.

  HOOFDSTUK 6. - Andere diensten

  Art. 25. De Koning kan, bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad, de nadere regels bepalen met betrekking tot :
  1° het aanbieden van een verlaagd tarief voor de distributie van al dan niet geadresseerd verkiezingsdrukwerk;
  2° de dienst van de administratieve correspondentie, zoals de behandeling, de conditionering en de uitreiking, en de nadere regels van uitgestelde vergoeding inbegrepen de rechthebbenden en de verplichte vermeldingen;
  3° de dienst postabonnementen op erkende kranten en erkende tijdschriften met betrekking tot de vraag en de daaraan verbonden administratieve kosten evenals onder meer de technische afwerking, de verplichte vermeldingen, de afgiftevoorwaarden en de bijvoegsels. De Koning bepaalt, bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad, de criteria zoals de periodiciteit en het vereiste informatieniveau waar de zendingen aan moeten beantwoorden om erkend te worden als krant of tijdschrift;
  4° de verzending tegen een verminderd tarief van postzendingen verstuurd door stichtingen en verenigingen zonder winstoogmerk;
  5° de uitreiking van brievenpost die onder het stelsel van de portvrijdom valt.

  HOOFDSTUK 7. - Diverse bepalingen

  Art. 26. Het Instituut vraagt op gemotiveerde en proportionele wijze bij de aanbieders van postdiensten alle informatie op, met inbegrip van financiële informatie en informatie over het aanbieden van de universele dienst, die nodig is :
  a) om het in staat te stellen de naleving van deze wet en haar uitvoeringsbesluiten te waarborgen;
  b) voor duidelijk omschreven statistische doeleinden, voor marktanalyses en voor alle maatregelen die tot de transparantie kunnen bijdragen.
  De doeleinden worden verduidelijkt in de informatievraag van het Instituut.

  Art. 27. In alle wetten die betrekking hebben op aangelegenheden als bedoeld in artikel 74 van de Grondwet en hun uitvoeringsbesluiten moeten de woorden "ter post aangetekende zending", "ter post aangetekende brief", "ter post aangetekend schrijven" of elke andere soortgelijke verwijzing, begrepen worden in de zin van een aangetekende zending zoals gedefinieerd in artikel 2, 9°, van deze wet of van een elektronisch aangetekende zending overeenkomstig verordening (EU) nr. 910/2014 van 23 juli 2014 betreffende elektronische identificatie en vertrouwensdiensten voor elektronische transacties in de interne markt en tot intrekking van richtlijn 1999/93/EG, en dit ongeacht de aanbieder van postdiensten door wie deze zending werd bezorgd. De Koning kan, binnen een termijn van vierentwintig maanden volgend op de inwerkingtreding van deze bepaling, alle noodzakelijke puur formele aanpassingen doen om de betrokken bepalingen in deze zin aan te passen.

  Art. 28. § 1. De Koning kan, bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad, vóór 31 december 2020, de bepalingen van deze wet opheffen, aanvullen, wijzigen of vervangen teneinde de vereiste maatregelen te nemen ter uitvoering van de verplichtingen die, inzake de postdiensten, voortvloeien uit de van kracht zijnde verordeningen en richtlijnen van de Europese Unie.
  § 2. Het koninklijk besluit genomen krachtens § 1 wordt opgeheven wanneer het niet binnen vijftien maanden na de bekendmaking in het Belgisch Staatsblad bij wet werd bekrachtigd.

  HOOFDSTUK 8. - Overgangs-, wijzigings- en opheffingsbepalingen

  Art. 29. In zijn hoedanigheid van aanbieder van de universele dienst wordt bpost geacht tot 31 december 2018 over een individuele vergunning bedoeld in artikel 6 te beschikken.

  Art. 30. Artikel 2, tweede lid, van de wet van 17 januari 2003 met betrekking tot het statuut van de regulator van de Belgische post- en telecommunicatiesector, zoals gewijzigd door de wet van 25 april 2007, wordt vervangen door de volgende bepaling :
  "De termen gebruikt in deze wet hebben dezelfde betekenis als deze verleend in de wet van 21 maart 1991 betreffende de hervorming van sommige economische overheidsbedrijven, in de wet van 13 juni 2005 betreffende de elektronische communicatie, in de wet van 26 januari 2018 betreffende de postdiensten, alsook in de bijbehorende uitvoeringsbesluiten."

  Art. 31. In artikel 14, § 1, van dezelfde wet, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
  1° de woorden "artikel 131 van de wet van 21 maart 1991 betreffende de hervorming van sommige economische overheidsbedrijven" worden vervangen door de woorden "artikel 2 van de wet van 26 januari 2018 betreffende de postdiensten";
  2° onder 3°, worden de woorden "alsook Titel I, hoofdstuk X en Titel III en IV van de wet van 21 maart 1991 betreffende de hervorming van sommige economische overheidsbedrijven" vervangen door de woorden "van Titel I, hoofdstuk X, en Titel III van de wet van 21 maart 1991 betreffende de hervorming van sommige economische overheidsbedrijven, van de wet van 26 januari 2018 betreffende de postdiensten.";
  3° onder 4°, et 4° /1, worden de woorden "postoperatoren" vervangen door de woorden "aanbieders van postdiensten".

  Art. 32. In artikel 24, eerste lid, van dezelfde wet, zoals gewijzigd door de wet van 27 maart 2014 houdende diverse bepalingen inzake elektronische communicatie, worden de woorden "de wet van 26 januari 2018 betreffende de postdiensten" ingevoegd tussen de woorden "de wet van 13 juni 2005 betreffende de elektronische communicatie," en de woorden "de wet van 21 maart 1991".

  Art. 33. In artikel 41 van dezelfde wet wordt het derde lid opgeheven.

  Art. 34. In artikel 44 van dezelfde wet wordt het derde lid opgeheven.

  Art. 35. In artikel 2, eerste lid, van de wet van 6 juli 1971 betreffende de oprichting van bpost en betreffende sommige postdiensten, vervangen bij de wet van 1 april 2007 en gewijzigd bij de wet van 13 december 2010, wordt de bepaling onder a) opgeheven.

  Art. 36. In de wet van 21 maart 1991 betreffende de hervorming van sommige economische overheidsbedrijven, zoals laatst gewijzigd door de wet van 10 augustus 2015, wordt het volgende opgeheven :
  1° de artikelen 134 tot 139;
  2° de artikelen 141sexies tot 143;
  3° de artikelen 144 tot 144ter;
  4° artikel 144quater, §§ 1 en 3;
  5° de artikelen 144quinquies tot 144duodecies;
  6° artikel 148bis;
  7° artikel 148ter;
  8° de artikelen 148sexies tot 148decies.

  Art. 37. In het koninklijk besluit van 11 januari 2006 tot toepassing van titel IV (Hervorming van de Regie der Posterijen) van de wet van 21 maart 1991 betreffende de hervorming van sommige economische overheidsbedrijven, zoals gewijzigd door het koninklijk besluit van 19 april 2014, worden de volgende bepalingen opgeheven :
  1° artikelen 29 tot 32;
  2° in artikel 35, de bepalingen onder 1° en 5° ;
  3° de artikelen 38 tot 45.

  Art. 38. Deze wet treedt in werking de dag volgend op de bekendmaking ervan in het Belgisch Staatsblad.

  Art. 39. In afwijking van artikel 18, § 2, mag de aanbieder van de universele dienst na de inwerkintreding van deze wet éénmalig en uitzonderlijk een verhoging doorvoeren van de tarieven van de producten behorende tot het kleingebruikerpakket bedoeld in artikel 18, § 1, zonder voorafgaande goedkeuring van het Instituut, zonder evenwel afbreuk te doen aan de bevoegdheid van het Instituut om a posteriori de conformiteit van deze tariefverhoging met de tariefbeginselen van artikel 17, § 1 te toetsen. Deze controle moet gebeuren met toepassing van de price cap formule vastgesteld in artikel 19, § 1 van deze wet.

Handtekening Tekst Inhoudstafel Begin
   Kondigen deze wet af, bevelen dat zij met `s Lands zegel zal worden bekleed en door het Belgisch Staatsblad zal worden bekendgemaakt.
Gegeven te Brussel, 26 januari 2018.
FILIP
Van Koningswege :
De Minister van Post,
A. DE CROO
Met `s Lands zegel gezegeld :
De Minister van Justitie,
K. GEENS

Aanhef Tekst Inhoudstafel Begin
   FILIP, Koning der Belgen,
   Aan allen die nu zijn en hierna wezen zullen, Onze Groet.
   De Kamer van volksvertegenwoordigers heeft aangenomen en Wij bekrachtigen hetgeen volgt :

Parlementaire werkzaamheden Tekst Inhoudstafel Begin
    Kamer van volksvertegenwoordigers (www.dekamer.be) Stukken : 54-2694/1 Integraal Verslag : 17 januari 2018

Begin Eerste woord Laatste woord Aanhef
Parlementaire werkzaamheden Inhoudstafel 3 uitvoeringbesluiten
Franstalige versie