J U S T E L     -     Geconsolideerde wetgeving
Einde Eerste woord Laatste woord Wijziging(en) Aanhef
Parlementaire werkzaamheden Inhoudstafel 5 gearchiveerde versies
Erratum Handtekening Einde Franstalige versie
 
belgiëlex . be     -     Kruispuntbank Wetgeving
Raad van State Kamer van volksvertegenwoordigers
ELI - Navigatie systeem via een Europese identificatiecode voor wetgeving
http://www.ejustice.just.fgov.be/eli/wet/2017/12/25/2017014414/justel

Titel
25 DECEMBER 2017. - Wet tot hervorming van de vennootschapsbelasting
(NOTA : Raadpleging van vroegere versies vanaf 29-12-2017 en tekstbijwerking tot 15-05-2019)

Bron : FINANCIEN
Publicatie : 29-12-2017 nummer :   2017014414 bladzijde : 116422       PDF :   originele versie    
Dossiernummer : 2017-12-25/04
Inwerkingtreding : 08-01-2018

Deze tekst heeft de volgende teksten gewijzigd :1999012205        2015206007       

Inhoudstafel Tekst Begin
TITEL 1. - Algemene bepaling
Art. 1
TITEL 2. - Hervorming van de vennootschapsbelasting
HOOFDSTUK 1. - Wijzigingen van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992
Art. 2-20, 20/1, 21-53, 53/1, 54-73, 73/1, 74-86
HOOFDSTUK 2. - Wijzigingen van de wet van 26 maart 1999 betreffende het Belgisch actieplan voor de werkgelegenheid 1998 en houdende diverse bepalingen - Inschakelingsbedrijven
Art. 87-88
HOOFDSTUK 3. - Wijziging van de wet van 26 december 2015 houdende maatregelen inzake versterking van jobcreatie en koopkracht
Art. 89
HOOFDSTUK 4. - Overgangsbepaling betreffende de rentevoeten bedoeld in de artikelen 414, § 1, 1°, en 418, eerste lid, van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992
Art. 90

Tekst Inhoudstafel Begin
TITEL 1. - Algemene bepaling

  Artikel 1. Deze wet regelt een aangelegenheid als bedoeld in artikel 74 van de grondwet.

  TITEL 2. - Hervorming van de vennootschapsbelasting

  HOOFDSTUK 1. - Wijzigingen van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992

  Art. 2. Dit hoofdstuk heeft inzonderheid de gedeeltelijke omzetting tot doel van richtlijn (EU) 2016/1164 van de Raad van 12 juli 2016 tot vaststelling van regels ter bestrijding van belastingontwijkingspraktijken welke rechtstreeks van invloed zijn op de werking van de interne markt en de omzetting van richtlijn (EU) 2017/952 van de Raad van 29 mei 2017 tot wijziging van Richtlijn (EU) 2016/1164 wat betreft hybridemismatches met derde landen.

  Art. 3. Artikel 2, § 1, van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992, vervangen bij wet van 10 augustus 2001 en gewijzigd bij de wetten van 17 mei 2004, 15 december 2004, 27 december 2006, 11 december 2008, 30 juli 2013, 21 december 2013, 8 mei 2014, 12 mei 2014, 10 augustus 2015, 18 december 2015, 26 december 2015, 3 augustus 2016 en 21 juli 2017, wordt aangevuld met de bepalingen onder 16°, 17° en 18°, luidende :
  "16° Hybridemismatch
  Onder hybridemismatch wordt verstaan een regeling die leidt tot aftrekbare kosten in hoofde van een binnenlandse vennootschap of een Belgische inrichting en van een buitenlandse onderneming of een vestiging daarvan, of in hoofde van een van deze actoren, maar zonder dat, in dit geval, met deze uitgaven inkomsten overeenstemmen die deel uitmaken van de belastbare inkomsten van de verkrijger.
  Er kan slechts sprake zijn van een hybridemismatch tussen een binnenlandse vennootschap of een Belgische inrichting enerzijds en een buitenlandse onderneming of een vestiging daarvan anderzijds wanneer het geassocieerde ondernemingen zijn, die deel uitmaken van dezelfde onderneming of die handelen in het kader van een gestructureerde regeling.
  Een binnenlandse vennootschap of een Belgische inrichting, en een buitenlandse onderneming of een vestiging daarvan zijn geassocieerde ondernemingen :
  - wanneer de buitenlandse onderneming een entiteit is waarin de binnenlandse vennootschap of de Belgische inrichting rechtstreeks of onrechtstreeks een deelname van 50 pct. of meer bezit inzake het stemrecht of het kapitaal of die gerechtigd is tot ontvangst van 50 pct. of meer van de winst van die entiteit; of
  - wanneer de buitenlandse onderneming of de vestiging daarvan een natuurlijke persoon of een entiteit is die rechtstreeks of onrechtstreeks een deelname van 50 pct. of meer bezit inzake het stemrecht of het kapitaal van de binnenlandse vennootschap, of die gerechtigd is tot ontvangst van 50 pct. of meer van de winst van de binnenlandse vennootschap; of
  - wanneer een natuurlijke persoon of een entiteit rechtstreeks of onrechtstreeks een deelname van 50 pct. of meer bezit inzake het stemrecht of het kapitaal van de binnenlandse vennootschap en van de buitenlandse onderneming; of
  - wanneer de binnenlandse vennootschap, of de Belgische inrichting, en de buitenlandse onderneming, of de vestiging daarvan, deel uitmaken van dezelfde geconsolideerde groep inzake de financiële boekhouding; of
  - wanneer de ene een invloed van betekenis uitoefent op het beheer van de andere.
  In geval van een regeling waarbij een betaling uit hoofde van een financieel instrument betrokken is, wordt de bovengenoemde drempel van 50 pct. teruggebracht tot 25 pct.
  Een persoon die met betrekking tot de stemrechten of het kapitaalbezit van een entiteit samen met een andere persoon optreedt, wordt tevens beschouwd als houder van een deelneming in alle stemrechten of het volledige kapitaalbezit dat die andere persoon of personen in de genoemde entiteit hebben.
  Een geconsolideerde groep inzake financiële boekhouding is een groep die bestaat uit alle entiteiten die volledig zijn opgenomen in een geconsolideerde jaarrekening, opgesteld overeenkomstig de internationale standaarden voor financiële rapportering of het nationale systeem voor financiële rapportering van een lidstaat van de Europese Economische Ruimte.
  Een binnenlandse vennootschap of een Belgische inrichting en een buitenlandse onderneming of een vestiging daarvan, maken deel uit van dezelfde onderneming wanneer de ene een Belgische of vaste inrichting vormt van de andere of wanneer ze beiden Belgische of vaste inrichtingen vormen van dezelfde onderneming.
  Een binnenlandse vennootschap of een Belgische inrichting en een buitenlandse onderneming of een vestiging daarvan, handelen in het kader van een gestructureerde regeling wanneer ze handelen in het kader van een regeling die voor elk van hen tot een aftrek leidt, of tot een aftrek voor de ene die gepaard gaat met een niet-belasting voor de andere, en waarbij de waardering van deze uitwerking reeds in de voorwaarden van de regeling is geïntegreerd, of wanneer ze handelen in het kader van een regeling die zodanig werd opgezet om tot zulk resultaat te leiden, tenzij niet redelijkerwijze van de binnenlandse vennootschap of de Belgische inrichting of van de buitenlandse onderneming of de vestiging daarvan kan worden verwacht dat ze op de hoogte is van het bestaan van die uitwerking en ze er geen voordeel uit gehaald heeft.
  Er kan geen sprake zijn van een hybridemismatch die aanleiding geeft tot een aftrek in hoofde van een van de actoren samen met een niet-belasting in hoofde van een andere actor wanneer de afwezigheid van belasting voor deze laatste enkel te wijten is aan het belastingstelsel dat afwijkt van het gemeen recht dat op hem van toepassing is of aan de verschillen in de aan een betaling toegekende waarde, onder meer door de toepassing van verrekenprijzen.
  17° Hybride-entiteit
  Onder hybride-entiteit wordt verstaan elke entiteit of regeling die krachtens de wetgeving van een rechtsgebied als een belastbare entiteit wordt beschouwd en waarvan de inkomsten of de uitgaven krachtens de wetgeving van een ander rechtsgebied als de inkomsten of de uitgaven van een of meer andere personen worden beschouwd.
  18° Hybrideoverdracht
  Onder hybrideoverdracht wordt verstaan elke regeling voor het overdragen van een financieel instrument waarbij de onderliggende opbrengst van het overgedragen financieel instrument voor belastingdoeleinden wordt behandeld alsof deze tegelijkertijd is verkregen door meer dan een van de partijen bij die regeling.".

  Art. 4. In artikel 18 van hetzelfde Wetboek, gewijzigd bij de wetten van 28 juli 1992 en 20 maart 1996, bij het koninklijk besluit van 20 december 1996 en van de wetten van 22 december 1998, 10 maart 1999, 24 december 2002, 15 december 2004, 27 december 2005, 31 januari 2006, 22 december 2009, 28 juli 2011, 10 augustus 2015, 26 december 2015 en 25 december 2016, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
  1° in het eerste lid worden de bepalingen onder 2° en 2° bis vervangen als volgt :
  "2° gehele of gedeeltelijke terugbetalingen van maatschappelijk kapitaal, met uitzondering van het gedeelte van de terugbetaling dat overeenkomstig het tweede lid is aangerekend op het gestort kapitaal of op de in 2° bis bedoelde bedragen die met gestort kapitaal zijn gelijkgesteld, naar aanleiding van een terugbetaling van kapitaal verkregen ter uitvoering van een regelmatige beslissing tot vermindering van het maatschappelijk kapitaal, overeenkomstig de bepalingen van het Wetboek van vennootschappen of overeenkomstig bepalingen van het vennootschapsrecht van toepassing op de buitenlandse vennootschap;
  2° bis gehele of gedeeltelijke terugbetalingen van uitgiftepremies en van bedragen waarop ter gelegenheid van de uitgifte van winstbewijzen is ingeschreven, met uitzondering van terugbetalingen van bedragen die met gestort kapitaal worden gelijkgesteld ter uitvoering van een regelmatige beslissing van de algemene vergadering genomen overeenkomstig de bepalingen van het Wetboek van vennootschappen die van toepassing zijn op statutenwijzigingen of overeenkomstig de bepalingen van het vennootschapsrecht dat van toepassing is op de buitenlandse vennootschap, in de mate dat deze terugbetalingen overeenkomstig het tweede lid zijn aangerekend op het gestort kapitaal of op de voormelde bedragen die met gestort kapitaal zijn gelijkgesteld;";
  2° tussen het eerste lid en het tweede lid, dat het achtste lid wordt, worden zes leden ingevoegd, luidende :
  "Onverminderd de toepassing van artikel 537, en voor de toepassing van het eerste lid, 2° en 2° bis, worden de terugbetalingen van gestort kapitaal en de terugbetalingen van met gestort kapitaal gelijkgestelde uitgiftepremies en bedragen waarop ter gelegenheid van de uitgifte van winstbewijzen is ingeschreven, geacht verhoudingsgewijs voort te komen :
  - uit het totaalbedrag gevormd door het gestort kapitaal en, naargelang het geval, door de voormelde ermee gelijkgestelde bedragen en,
  - uit het totaal van de belaste reserves en van de vrijgestelde reserves,
  waarbij de aanrekening op de reserves geacht wordt uitsluitend plaats te vinden, eerst op de in het kapitaal geïncorporeerde belaste reserves, dan op de niet in het kapitaal geïncorporeerde belaste reserves en tenslotte op de in het kapitaal geïncorporeerde vrijgestelde reserves. Wanneer het bedrag van het gestort kapitaal, of van de met gestort kapitaal gelijkgestelde uitgiftepremies of winstbewijzen, die het onderwerp uitmaken van een terugbetaling, ontoereikend is om het deel dat verhoudingsgewijs betrekking heeft op ieder van deze categorieën aan te rekenen, wordt het saldo eerst aangerekend op de met gestort kapitaal gelijkgestelde uitgiftepremies, daarna op de met gestort kapitaal gelijkgestelde winstbewijzen in het geval van onvoldoende gestort kapitaal, vervolgens op het gestort kapitaal in geval van onvoldoende met gestort kapitaal gelijkgestelde uitgiftepremies of winstbewijzen en tenslotte van een van deze laatste categorieën op de overige categorie voor het eventuele saldo.
  Onverminderd de toepassing van het vijfde lid wordt de in het tweede lid bedoelde pro rata verkregen overeenkomstig een percentage dat de verhouding uitdrukt tussen :
  - enerzijds, in de teller, de som van het gestort kapitaal, de uitgiftepremies en de winstbewijzen, die met gestort kapitaal worden gelijkgesteld, en,
  - anderzijds, in de noemer, de som van de belaste reserves, de in het kapitaal geïncorporeerde vrijgestelde reserves en het bedrag bepaald in de teller.
  Voor de toepassing van het derde lid wordt het bedrag van de reserves bepaald op het einde van het belastbare tijdperk dat voorafgaat aan datgene waarin de terugbetaling van de in het eerste lid, 2° en 2° bis, bedoelde bedragen is verricht, verminderd met het bedrag van de tijdens het belastbare tijdperk en ten laatste op de datum waarop deze terugbetaling is verricht, uitgekeerde tussentijdse dividenden.
  Om de pro rata bedoeld in het tweede en derde lid te bepalen, wordt geen rekening gehouden met :
  - de negatieve belaste reserves, andere dan het overgedragen verlies en andere dan deze die naar aanleiding van een terugbetaling van kapitaal of van hierboven bedoelde met gestort kapitaal gelijkgestelde bedragen, zijn aangelegd;
  - de vrijgestelde reserves bedoeld in artikel 44, § 1, 1°, en andere vrijgestelde reserves die niet in het kapitaal zijn geïncorporeerd;
  - de vrijgestelde reserves bedoeld in artikel 44, § 1, 1°, die in het kapitaal zijn geïncorporeerd, in de mate dat ze niet uitgekeerd kunnen worden;
  - de vrijgestelde reserves, die in geval van fusie, splitsing, met fusie door overneming gelijkgestelde verrichting of met splitsing gelijkgestelde verrichting als vermeld in artikel 211, § 1, in kapitaal worden heraangelegd wanneer de inbreng niet volledig wordt vergoed met nieuwe aandelen als bedoeld in artikel 211, § 2, derde lid, omdat de overnemende of verkrijgende vennootschappen in bezit zijn van aandelen van de overgenomen of gesplitste vennootschap;
  - de reserves bedoeld in de artikelen 24, eerste lid, 4°, 184quater en 541;
  - de wettelijke reserve ten belope van het wettelijk minimum;
  - de onbeschikbare reserves voor eigen aandelen en voor eigen winstbewijzen binnen de grenzen als bepaald in artikel 620, § 1, 2°, van het Wetboek van vennootschappen;
  - de voorzieningen voor risico's en kosten en waardeverminderingen, al dan niet vrijgesteld overeenkomstig de artikelen 48, 194 en 194bis;
  - of voor buitenlandse vennootschappen, de in gelijkaardige bepalingen naar buitenlands recht bedoelde reserves of voorzieningen.
  De onaantastbaarheidsvoorwaarde bedoeld in artikel 190, wordt niet langer als voldaan geacht in de mate dat de vermindering op de vrijgestelde reserves is aangerekend.
  Niettegenstaande het bepaalde in het tweede tot zesde lid wordt, wanneer de in het eerste lid, 2° en 2° bis, bedoelde beslissing van de algemene vergadering een wijze van aanrekening van vermindering van het eigen vermogen voorziet die zowel op het gestort kapitaal als, naargelang het geval, op de ermee gelijkgestelde bedragen, alsook op andere dan in het vierde lid bedoelde reserves betrekking heeft, die als zodanig wordt geboekt en die leidt tot de bepaling van een bedrag aan dividenden gelijk aan of hoger dan het bedrag aan dividenden dat zou voortvloeien uit een vermindering van gestort kapitaal of van ermee gelijkgestelde bedragen voor eenzelfde totaal bedrag, waarop de in het tweede tot zesde lid bedoelde regels zouden zijn toegepast het bedrag van de dividenden op basis van de voormelde beslissing bepaald.";
  3° in het vroegere tweede lid, dat het achtste lid wordt, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
  - in de inleidende zin worden de woorden "Als voorschot wordt beschouwd, elke al dan niet door effecten vertegenwoordigde geldlening verstrekt door een natuurlijk persoon aan een vennootschap waarin hij aandelen bezit of door een persoon aan een vennootschap" vervangen door de woorden "Als voorschot in de zin van het eerste lid, 4°, wordt beschouwd, elke al dan niet door effecten vertegenwoordigde vordering van een natuurlijk persoon op een vennootschap waarvan hij aandelen bezit of van een persoon op een vennootschap" en worden de woorden "elke geldlening verstrekt aan die vennootschap, door" vervangen door de woorden "elke vordering op die vennootschap van";
  - in de bepaling onder de 2° worden de woorden "geldleningen aan" vervangen door de woorden "vorderingen op";
  - in de bepaling onder 3° worden de woorden "geldleningen verstrekt door" vervangen door de woorden "vorderingen van".

  Art. 5.In artikel 24, derde lid, van hetzelfde Wetboek, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
  1° de woorden "slechts tot 75 pct. in aanmerking genomen." worden vervangen door de woorden "slechts tot het overeenkomstig artikel 198bis, eerste lid, 2°, bepaalde tarief in aanmerking genomen".
  [1 ...]1
  ----------
  (1)<W 2019-05-02/10, art. 40, 006; Inwerkingtreding : 25-12-2017>

  Art. 6.In artikel 27, derde lid, van hetzelfde Wetboek, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
  1° de woorden "slechts tot 75 pct. in aanmerking genomen" worden vervangen door de woorden "slechts tot het overeenkomstig artikel 198bis, eerste lid, 2°, bepaalde tarief in aanmerking genomen".
  [1 ...]1
  ----------
  (1)<W 2019-05-02/10, art. 41, 006; Inwerkingtreding : 25-12-2017>

  Art. 7.In artikel 36, § 2, van hetzelfde Wetboek, ingevoegd bij de wet van 28 december 2011 en gewijzigd bij de wetten van 29 maart 2012 en 21 december 2013, worden, tussen het achtste en het negende lid, dat het twaalfde lid wordt, drie leden ingevoegd, luidende :
  "Indien een vanaf 1 januari 2018 [1 aangekocht, geleased of gehuurd]1 oplaadbaar hybridevoertuig uitgerust is met een elektrische batterij die een energiecapaciteit heeft van minder dan 0,5 kWh per 100 kilogram van het wagengewicht of een uitstoot heeft van meer dan 50 gram CO2 per kilometer, is de in aanmerking te nemen uitstoot van het betrokken voertuig gelijk aan deze van het overeenstemmende voertuig dat voorzien is van een motor die uitsluitend gebruik maakt van dezelfde brandstof. Indien er geen overeenstemmend voertuig bestaat dat uitsluitend voorzien is van een motor die gebruik maakt van dezelfde brandstof, wordt de uitstootwaarde vermenigvuldigd met 2,5.
  Onder oplaadbaar hybridevoertuig wordt verstaan het in artikel 65 bedoelde voertuig dat zowel is uitgerust met een brandstofmotor als een elektrische batterij die opgeladen kan worden via een aansluiting op een externe energiebron buiten het voertuig.
  De Koning kan bepalen wat moet worden verstaan onder overeenstemmend voertuig. De Koning kan, bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad, de in het negende lid bedoelde minimale energiecapaciteit verhogen tot maximaal 2,1 kWh per 100 kilogram van het wagengewicht.".
  ----------
  (1)<W 2019-05-02/10, art. 42, 006; Inwerkingtreding : 25-05-2019>

  Art. 8. In artikel 53, 6°, van hetzelfde Wetboek, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
  1° de woorden "administratieve geldboeten opgelegd door overheden, zelfs wanneer deze geldboeten niet het karakter van een strafrechtelijke sanctie hebben en zelfs wanneer hun bedrag is berekend op basis van een aftrekbare belasting," ingevoegd tussen de woorden "transactionele geldboeten," en het woord "verbeurdverklaringen";
  2° de bepaling onder 6° wordt aangevuld met de woorden ", alsook verhogingen van sociale bijdragen;".

  Art. 9. In artikel 55 van hetzelfde Wetboek, gewijzigd bij de wet van 28 juli 1992, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
  a) het eerste lid wordt vervangen als volgt :
  "Interesten van obligaties, leningen, schulden, deposito's en andere effecten ter vertegenwoordiging van leningen worden slechts als beroepskosten aangemerkt in zover ze niet hoger zijn dan een bedrag dat overeenstemt met :
  1° voor interesten van niet-hypothecaire leningen zonder welbepaalde looptijd, andere dan deze betaald aan verbonden vennootschappen in het kader van een raamovereenkomst voor gecentraliseerd thesauriebeheer binnen een in artikel 198, § 4, vijfde lid, bedoelde groep : de door de Nationale Bank van België bekendgemaakte MFI rentevoet voor leningen voor een bedrag tot 1 000 000 euro met variabel tarief en initiële rentebepaling tot een jaar verstrekt aan niet-financiële vennootschappen gesloten in de maand november van het kalenderjaar voorafgaand aan het kalenderjaar waarop de interesten betrekking hebben, verhoogd met 2,5 pct.;
  2° voor andere dan in 1° bedoelde interesten : de overeenkomstig de marktrente geldende rentevoet, rekening houdende met de bijzondere gegevens eigen aan de beoordeling van het aan de verrichting verbonden risico en inzonderheid met de financiële toestand van de schuldenaar en met de looptijd van de lening.";
  b) de inleidende zin van het tweede lid wordt vervangen als volgt :
  "Voor de toepassing van het eerste lid, 2°, is de in aanmerking te nemen rentevoet :".

  Art. 10. In artikel 64ter van hetzelfde Wetboek, ingevoegd bij de programmawet van 8 juni 2008 en gewijzigd bij de wet van 27 maart 2009, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
  1° in het eerste lid wordt de bepaling onder 1° opgeheven;
  2° het tweede lid wordt opgeheven;
  3° in het vroegere derde lid, dat het tweede lid is geworden, worden de woorden "1° en" en de woorden "of van de in het tweede lid bedoelde voertuigen" opgeheven;
  4° het vroegere vierde lid wordt opgeheven;
  5° in het vroegere vijfde lid, dat het derde lid is geworden, worden de woorden "en van de in het tweede lid bedoelde voertuigen" en de woorden "en die voertuigen" opgeheven.

  Art. 11.In artikel 66 van hetzelfde Wetboek, vervangen door de wet van 6 juli 1994 en gewijzigd bij het koninklijk besluit van 20 juli 2000 en bij de wetten van 10 augustus 2001, 27 december 2005, 22 december 2008, 23 december 2009 en 28 december 2011, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
  1° paragraaf 1 wordt vervangen als volgt :
  " § 1. Beroepskosten met betrekking tot het gebruik van de in artikel 65 bedoelde voertuigen zijn slechts aftrekbaar tot het overeenkomstig artikel 198bis bepaalde tarief van aftrekbaarheid, met een minimum van 75 pct. voor de gedane of gedragen beroepskosten met betrekking tot het gebruik van vóór 1 januari 2018 aangeschafte voertuigen.";
  2° paragraaf 1 wordt vervangen als volgt :
  " § 1. Beroepskosten met betrekking tot het gebruik van de in artikel 65 bedoelde voertuigen zijn slechts binnen de volgende grenzen aftrekbaar :
  1° 40 pct. indien ze een uitstoot hebben van 200 gram CO2 per kilometer of meer;
  2° een tarief vastgesteld door toepassing van de volgende formule in alle andere gevallen : 120 pct. - (0,5 pct. * coëfficiënt * aantal gram CO2 per kilometer), waarbij de coëfficiënt wordt vastgesteld op 1 voor voertuigen met een dieselmotor en op 0,95 voor voertuigen met een andere motor. Wanneer het voertuig is uitgerust met een aardgasmotor en een belastbaar vermogen heeft van minder dan 12 fiscale paardenkracht wordt de coëfficiënt verder verlaagd tot 0,90.
  Het overeenkomstig het eerste lid, 2°, vastgestelde tarief kan niet lager zijn dan 50 pct., noch hoger zijn dan 100 pct. en bedraagt minimum 75 pct. voor de met betrekking tot het gebruik van vóór 1 januari 2018 aangeschafte voertuigen.
  Indien het in artikel 65 bedoelde voertuig een oplaadbaar hybridevoertuig is als bedoeld in artikel 36, § 2, tiende lid, dat uitgerust is met een elektrische batterij die een energiecapaciteit heeft van minder dan 0,5 kWh per 100 kilogram van het wagengewicht of een uitstoot heeft van meer dan 50 gram CO2 per kilometer, dan is het in het eerste lid bedoelde in aanmerking te nemen CO2-uitstootgehalte gelijk aan dit van het overeenstemmende voertuig dat uitsluitend voorzien is van een motor die gebruik maakt van dezelfde brandstof. Indien er geen overeenstemmend voertuig bestaat dat uitsluitend voorzien is van een motor die gebruik maakt van dezelfde brandstof, wordt de uitstootwaarde vermenigvuldigd met 2,5.
  In afwijking van het eerste lid zijn de minderwaarden met betrekking tot de in datzelfde lid bedoelde voertuigen slechts als beroepskosten aftrekbaar tot de in procenten uitgedrukte verhouding tussen de som van de vóór de verkoop fiscaal aangenomen afschrijvingen [1 , voor elk belastbaar tijdperk beperkt tot 100 pct.,]1 en de som van de geboekte afschrijvingen voor de overeenstemmende belastbare tijdperken.
  De Koning kan bepalen wat moet worden verstaan onder overeenstemmend voertuig.
  De Koning kan, bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad, de in het eerste lid vermelde coëfficiënt van toepassing voor voertuigen uitgerust met een aardgasmotor en met een belastbaar vermogen van minder dan 12 fiscale paardenkracht verlagen tot minimum 0,75, en de in het derde lid bedoelde minimale energiecapaciteit verhogen tot maximaal 2,1 kWh per 100 kilogram van het wagengewicht.
  Het derde lid is niet van toepassing voor de hybridevoertuigen die worden aangekocht vóór 1 januari 2018.";
  3° paragraaf 2 wordt aangevuld met een bepaling onder 4°, luidende :
  "4° voor de kosten die aan derden worden doorgerekend, mits deze kosten uitdrukkelijk en afzonderlijk op factuur zijn vermeld.";
  4° in paragraaf 3, worden de woorden "en gedaan worden door de eindgebruiker van deze voertuigen" ingevoegd tussen de woorden "die toebehoren aan derden" en de woorden ", zomede het bedrag van de in dit artikel vermelde kosten".
  ----------
  (1)<W 2019-05-02/10, art. 43, 006; Inwerkingtreding : 25-05-2019>

  Art. 12. Artikel 69, § 1, eerste lid, 1°, van hetzelfde Wetboek, vervangen bij de wet van 26 december 2015, wordt aangevuld met een zin, luidende :
  "Evenwel bedraagt het basispercentage van de aftrek 20 pct., voor de vaste activa die zijn verkregen of tot stand gebracht tussen 1 januari 2018 en 31 december 2019.".

  Art. 13. Artikel 70 van hetzelfde Wetboek, gewijzigd bij de wet van 16 april 1997, vervangen bij de wet van 26 december 2015 en waarvan deze vervanging wordt ingetrokken bij artikel 89 van deze wet, wordt vervangen als volgt :
  "Art. 70. De belastingplichtigen kunnen desgewenst de investeringsaftrek spreiden over de afschrijvingsperiode van de verkregen of tot stand gebrachte vaste activa, wanneer de over de afschrijvingsperiode van de vaste activa te spreiden investeringsaftrek betrekking heeft op de vaste activa die worden gebruikt ter bevordering van het onderzoek en de ontwikkeling van nieuwe producten en toekomstgerichte technologieën die geen effect op het leefmilieu hebben of die het negatieve effect op het leefmilieu zoveel mogelijk proberen te beperken.
  In dat geval wordt de aftrek eenvormig vastgesteld op het in artikel 69, § 1, eerste lid, 2°, bedoelde basispercentage verhoogd met 17 percentpunten en wordt hij berekend op de afschrijvingen die voor elk belastbaar tijdperk van de afschrijvingsperiode worden aangenomen.
  Wat de andere vaste activa betreft kunnen de belastingplichtigen die op de eerste dag van het belastbaar tijdperk waarin deze vaste activa zijn aangeschaft of tot stand gebracht minder dan 20 werknemers tewerkstellen, ervoor kiezen de investeringsaftrek te spreiden over de afschrijvingsperiode van deze andere aangeschafte of tot stand gebrachte vaste activa. In dat geval wordt de aftrek eenvormig vastgesteld op het in artikel 69, § 1, eerste lid, 2°, bedoelde basispercentage verhoogd met 7 percentpunten en wordt hij berekend op de afschrijvingen die voor elk belastbaar tijdperk van de afschrijvingsperiode worden aangenomen.".

  Art. 14. In artikel 171 van hetzelfde Wetboek, laatstelijk gewijzigd bij de wet van 25 december 2016, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
  1° in de bepaling onder 1°, c, eerste lid, worden de woorden "van 4°, b," vervangen door de woorden "van 2°, a, en 4°, b,";
  2° in de bepaling onder 2° wordt de bepaling onder a) hersteld als volgt :
  "a) stopzettingsmeerwaarden als bedoeld in artikel 28, eerste lid, 1°, die naar aanleiding van de stopzetting van de werkzaamheid vanaf de leeftijd van 60 jaar of ingevolge het overlijden of naar aanleiding van een gedwongen definitieve stopzetting zijn verkregen of vastgesteld op :
  - immateriële vaste activa, in zover ze niet meer bedragen dan de in 1°, c, vermelde grens;
  - andere activa dan immateriële vaste activa.
  Onder gedwongen definitieve stopzetting wordt verstaan de definitieve stopzetting die voortvloeit uit een schadegeval, een onteigening, een opeising in eigendom, of een andere gelijkaardige gebeurtenis, evenals de definitieve stopzetting die het gevolg is van een handicap als bedoeld in artikel 135, eerste lid, 1° ;";
  3° in de bepaling onder 4°, a, eerste lid, worden de woorden "onverminderd de toepassing van 2°, a," ingevoegd voor de woorden "verwezenlijkte meerwaarden";
  4° de bepaling onder 4°, b, wordt vervangen als volgt :
  "b) de in 1°, c, vermelde vergoedingen die worden verkregen naar aanleiding van een handeling verricht vanaf de leeftijd van 60 jaar of ingevolge het overlijden of naar aanleiding van een gedwongen handeling.
  Onder gedwongen handeling wordt verstaan de handeling die voortvloeit uit een schadegeval, een onteigening, een opeising in eigendom, of een andere gelijkaardige gebeurtenis;".

  Art. 15. In artikel 173, eerste lid, van hetzelfde Wetboek, worden de woorden "tegen het tarief van 16,5 pct." vervangen door de woorden "tegen het tarief van 10 of 16,5 pct.".

  Art. 16. In artikel 184 van hetzelfde Wetboek, wordt het vijfde lid, opgeheven bij de wet van 11 december 2008 hersteld, als volgt :
  "Voor de toepassing van deze titel, wordt het bedrag van het in het eerste lid bedoelde gestorte kapitaal, van de uitgiftepremies en van de sommen waarop is ingeschreven ter gelegenheid van de uitgifte van winstbewijzen die overeenkomstig het tweede lid met kapitaal worden gelijkgesteld, geacht niet verminderd te zijn ten belope van de vermindering van het maatschappelijk kapitaal, van de uitgiftepremies of van de bovenvermelde sommen die ten gevolge van de toepassing van artikel 18, tweede tot vijfde lid, als dividenden op de belaste reserves en op de vrijgestelde reserves zijn aangerekend.".

  Art. 17. In artikel 184ter van hetzelfde Wetboek, ingevoegd bij de wet van 11 december 2008, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
  1° in paragraaf 1, eerste lid, worden de woorden "de wet van 27 juni 1921 betreffende de verenigingen zonder winstoogmerk, de internationale verenigingen zonder winstoogmerk en de stichtingen" vervangen door de woorden "de wet van 27 juni 1921 betreffende de verenigingen zonder winstoogmerk, de stichtingen en de Europese politieke partijen en stichtingen";
  2° in paragraaf 2, eerste en tweede lid, worden de woorden "de later gerealiseerde meerwaarden en minderwaarden wat deze activa betreft, vastgesteld uitgaande van de boekwaarde die zij hebben op het ogenblik van de verrichting" telkens vervangen door de woorden "de later gerealiseerde meerwaarden, minderwaarden, afschrijvingen en waardeverminderingen wat deze activa betreft, vastgesteld uitgaande van de werkelijke waarde die zij hebben op het ogenblik van de verrichting";
  3° in paragraaf 2 worden, tussen het tweede lid en het derde lid, dat het achtste lid wordt, vijf leden ingevoegd, luidende :
  "In geval van de overdracht van één of meerdere bestanddelen verbonden aan een buitenlandse inrichting waarvan de winst in België wordt vrijgesteld krachtens een overeenkomst tot het vermijden van dubbele belasting naar de Belgische maatschappelijke zetel, de voornaamste inrichting, de zetel van bestuur of beheer of een andere Belgische inrichting, worden de later gerealiseerde meerwaarden, minderwaarden, afschrijvingen en waardeverminderingen wat deze activa betreft, vastgesteld uitgaande van de werkelijke waarde die zij hebben op het ogenblik van de verrichting.
  In geval van de overdracht van één of meerdere Belgische bestanddelen naar een buitenlandse inrichting waarvan de winst in België wordt vrijgesteld krachtens een overeenkomst tot het vermijden van dubbele belasting, worden de later gerealiseerde meerwaarden, minderwaarden, afschrijvingen en waardeverminderingen wat deze activa betreft, vastgesteld overeenkomstig artikel 185/1 uitgaande van de werkelijke waarde die zij hebben op het ogenblik van de verrichting.
  Indien de waarde van deze bestanddelen naar aanleiding van een in het eerste tot derde lid bedoelde verrichting werd vastgesteld door de Staat waar deze bestanddelen op het ogenblik van de verrichting zijn gelegen, en de niet gerealiseerde meerwaarde op deze bestanddelen ten gevolge van deze verrichtingen daadwerkelijk door deze Staat in de belastinggrondslag wordt opgenomen, wordt de door deze Staat vastgestelde waarde vermoed overeen te stemmen met werkelijke waarde ervan, tenzij kan worden aangetoond dat de door deze Staat vastgestelde waarde hoger is dan de werkelijke waarde.
  Het vijfde lid is enkel van toepassing voor wat de bestanddelen betreft die op het ogenblik van de verrichting gelegen zijn in een Staat waarmee België een akkoord of overeenkomst heeft gesloten of die met België deelneemt aan een ander bilateraal of multilateraal gesloten juridisch instrument, op voorwaarde dat dit akkoord, deze overeenkomst of dit juridisch instrument de uitwisseling van inlichtingen mogelijk maakt met het oog op de toepassing van het interne recht van de overeenkomstsluitende Staten.
  Indien het vijfde lid niet van toepassing is, wordt de werkelijke waarde van de in het eerste tot derde lid bedoelde bestanddelen vermoed overeen te stemmen met de aanschaffings- of beleggingswaarde ervan verminderd met de waardeverminderingen en afschrijvingen die zich overeenkomstig de bepalingen van dit Wetboek zouden hebben voorgedaan, tenzij het tegendeel wordt aangetoond.";
  4° in paragraaf 2 wordt het vroegere derde lid, dat het achtste lid wordt, vervangen als volgt :
  "Behalve wanneer die vennootschap gevestigd is in een lidstaat van de Europese Unie en daar aan de gemeenrechtelijke bepalingen inzake belastingen is onderworpen, is het tweede lid niet van toepassing indien de overbrenging gebeurt vanuit een in artikel 203, § 1, eerste lid, 1°, bedoelde vennootschap. In dat geval worden de later gerealiseerde waardeverminderingen, meerwaarden en minderwaarden wat deze activa betreft, vastgesteld uitgaande van de aanschaffings- of beleggingswaarde ervan verminderd met de afschrijvingen en waardeverminderingen die overeenkomstig de bepalingen van dit Wetboek in aanmerking zouden zijn genomen en worden de afschrijvingen met betrekking tot de op het moment van de verrichting in het buitenland gelegen bestanddelen evenwel slechts in aanmerking genomen in de mate dat zij zijn gegrond op de aanschaffings- of beleggingswaarde.";
  5° in paragraaf 2 wordt het vroegere zesde lid, dat het elfde lid wordt, vervangen als volgt :
  "In het geval het vijfde lid niet van toepassing is, worden de afschrijvingen met betrekking tot de op het ogenblik van de verrichting in het buitenland gelegen bestanddelen, in afwijking van het eerste tot derde lid, evenwel slechts in aanmerking genomen in de mate dat zij zijn gegrond op de aanschaffings- of beleggingswaarde en worden de later gerealiseerde minderwaarden of waardeverminderingen op deze bestanddelen vastgesteld uitgaande van de aanschaffings- of beleggingswaarde ervan verminderd met de waardeverminderingen en afschrijvingen die zich overeenkomstig de bepalingen van dit Wetboek hebben voorgedaan.".

  Art. 18.In artikel 185 van hetzelfde Wetboek, gewijzigd bij de wetten van 21 juni 2004 en 11 december 2008, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
  1° paragraaf 1 wordt aangevuld met drie leden, luidende :
  "De vennootschappen zijn tevens belastbaar op de aan een vaste inrichting toerekenbare winst die vrijgesteld is op grond van een overeenkomst tot het vermijden van dubbele belasting die met een lidstaat van de Europese Unie gesloten werd, indien die winst verwezenlijkt werd in het kader van een hybridemismatch en niet belastbaar is in het rechtsgebied van de vaste inrichting omdat die als vaste inrichting niet wordt beschouwd.
  Indien een of meer geassocieerde entiteiten die geen inwoner zijn in totaal een direct of indirect belang hebben van 50 pct. of meer van de stemrechten, de kapitaalbelangen of de rechten op een deel van de winst van een in artikel 29 bedoelde entiteit die is opgericht of gevestigd in België, zich bevinden in een rechtsgebied dat of in rechtsgebieden die de entiteit als een belastingplichtige aanmerken, wordt de entiteit, in afwijking van het eerste lid en van artikel 29, beschouwd als inwoner van België en belast op haar inkomsten voor zover die inkomsten niet anderszins worden belast krachtens de Belgische wetgeving of die van een ander rechtsgebied.
  Het derde lid is niet van toepassing op instellingen voor collectieve belegging.";
  2° een paragraaf 2/1 wordt ingevoegd, luidende :
  " § 2/1. In afwijking van paragraaf 1, en onverminderd artikel 203, § 1, 6°, zijn de inkomsten die verwezenlijkt werden in het kader van een hybridemismatch en niet opgenomen zijn in de winst van de Belgische vennootschappen of inrichtingen die de gerechtigden zijn tot die winst of op grond van de wetgeving van een andere Staat als dusdanig beschouwd worden, belastbaar of naargelang het geval niet aftrekbaar, voor zover een buitenlandse onderneming of een vestiging daarvan die inkomsten van de belastbare inkomsten mag aftrekken.
  De volgende inkomsten die verwezenlijkt zijn in het kader van een hybridemismatch worden bedoeld :
  a) een inkomen dat verwezenlijkt werd in het kader van een financieel instrument, wanneer de aftrek ervan in hoofde van de buitenlandse onderneming of van een vestiging daarvan, samen met de niet-belasting in hoofde van de Belgische vennootschappen of inrichtingen die er de gerechtigden toe zijn of die als dusdanig beschouwd worden op grond van de wetgeving van een andere Staat, terug te voeren is op de verschillen in de kwalificatie van het financieel instrument.
  Een inkomen dat de onderliggende opbrengst van een overgedragen financieel instrument vormt, geeft geen aanleiding tot een hybridemismatch wanneer het inkomen betaald wordt door een financieel handelaar in het kader van een hybrideoverdracht op de markt, op voorwaarde dat het rechtsgebied van de betaler van de financieel handelaar eist dat hij alle bedragen die hij in verband met het overgedragen financiële instrument heeft ontvangen, als inkomsten opneemt.
  Voor de toepassing van deze bepaling, worden verstaan onder :
  - financieel instrument : elk instrument dat leidt tot rendement op vreemd of eigen vermogen dat wordt belast volgens de regels voor het belasten van vreemd vermogen, eigen vermogen en derivaten uit hoofde van de Belgische wetgeving of van de wetgeving van de Staat van de buitenlandse onderneming of van de vestiging daarvan, met inbegrip van elke hybrideoverdracht;
  - hybrideoverdracht op de markt : een hybrideoverdracht waartoe door een financieel handelaar wordt overgegaan in het kader van de normale uitoefening van zijn activiteiten, en niet als onderdeel van een gestructureerde regeling;
  - financieel handelaar : een persoon of entiteit die als beroepsactiviteit regelmatig voor eigen rekening financiële instrumenten koopt en verkoopt, met als doel winst te maken;
  b) een inkomen betaald door een buitenlandse onderneming of door een vestiging daarvan, die een hybride-entiteit is, voor zover dat inkomen voor die hybride-entiteit aftrekbaar is van de belastbare inkomsten die niet eveneens opgenomen zijn in de belastbare inkomsten van de Belgische vennootschappen of inrichtingen aan wie dat inkomen betaald werd of als dusdanig beschouwd wordt op grond van de wetgeving van een andere Staat.";
  3° paragraaf 3 wordt vervangen als volgt :
  " § 3. Het bedrag van de beroepsverliezen geleden binnen buitenlandse inrichtingen of met betrekking tot in het buitenland gelegen activa waarover de vennootschap beschikt en waarvan de winsten behaald in deze inrichtingen of door middel van deze activa bij toepassing van een overeenkomst tot voorkoming van dubbele belasting door België worden vrijgesteld, blijft buiten beschouwing om de belastbare grondslag vast te stellen, tenzij het definitieve beroepsverliezen geleden binnen een lidstaat van de Europese Economische Ruimte betreft.
  Het bedrag van de beroepsverliezen geleden binnen buitenlandse inrichtingen of met betrekking tot in het buitenland gelegen activa waarover de vennootschap beschikt en waarvan de belasting op de winst behaald in deze inrichtingen of door middel van deze activa bij toepassing van een overeenkomst tot voorkoming van dubbele belasting wordt verminderd, blijft in dezelfde verhouding buiten beschouwing om de belastbare grondslag vast te stellen, als de mate waarin deze overeenkomst de belasting op de winst vermindert.
  Vorige beroepsverliezen die werden geleden binnen een buitenlandse inrichting waarvan de winst wordt vrijgesteld of waarvan de belasting op de winst wordt verminderd krachtens een overeenkomst tot voorkoming van dubbele belasting en die door de vennootschap met betrekking tot een belastbaar tijdperk dat is aangevangen voor 1 januari 2020 werden in mindering gebracht op haar Belgische winst, worden afgetrokken van de winst die wordt vrijgesteld of waarvan de belasting wordt verminderd in toepassing van deze overeenkomst, tenzij de vennootschap aantoont dat deze niet in aftrek zijn genomen van de winst van deze buitenlandse inrichting.
  Voor de toepassing van deze paragraaf worden de hiernavolgende beroepsverliezen als definitief aangemerkt :
  a) de verliezen die bestaan op het ogenblik dat de vennootschap haar activiteiten in een bepaalde lidstaat definitief stopzet voor zover voor deze verliezen geen enkele aftrek van welke aard dan ook is verleend in de lidstaat waarin de buitenlandse inrichting was gelegen;
  b) bij afwezigheid van een buitenlandse inrichting, de verliezen die bestaan op het ogenblik dat de vennootschap over geen activa meer beschikt in een bepaalde lidstaat, voor zover voor deze verliezen geen enkele aftrek van welke aard dan ook is verleend in de lidstaat waar die activa waren gelegen.
  Voor de toepassing van deze paragraaf worden de beroepsverliezen niet als definitief beschouwd voor zover deze verliezen in de Staat waarin de buitenlandse inrichting was gelegen of waar de activa waren gelegen nog in aanmerking komen voor aftrek bij andere in die Staat gelegen inrichtingen of vaste activa waarover de vennootschap beschikt, of voor zover het recht van aftrek van deze verliezen in die andere Staat overgaat op een andere persoon.
  Indien de vennootschap binnen de drie jaar na de aftrek van het definitieve beroepsverlies opnieuw activiteiten opstart in de lidstaat waar de inrichting was gelegen of de activa waren gelegen die aanleiding hebben gegeven tot het vaststellen van het definitieve beroepsverlies, wordt een bedrag ter grootte van het in aftrek genomen definitieve beroepsverlies terug opgenomen in de belastbare grondslag van het belastbaar tijdperk waarin de activiteiten opnieuw werden opgestart.".
  [1 4° het artikel wordt aangevuld met een paragraaf 4, luidende :
   " § 4. Indien de vennootschap in toepassing van de in artikel 205/5, § 3, bedoelde groepsbijdrage-overeenkomst van het aanslagjaar zich ertoe heeft verbonden het bedrag van de groepsbijdrage als winst van het belastbaar tijdperk op te nemen wordt dit bedrag van de groepsbijdrage opgenomen in de belastbare grondslag van het belastbaar tijdperk dat verbonden is met dat aanslagjaar.
   Indien de vennootschap in toepassing van de in artikel 205/5, § 4, bedoelde groepsbijdrage-overeenkomst in een voorgaand belastbaar tijdperk een groepsbijdrage in aftrek heeft genomen en de activiteiten van de buitenlandse vennootschap waarmee de overeenkomst werd gesloten binnen drie jaar na de stopzetting ervan opnieuw worden opgestart, wordt in het belastbaar tijdperk waarin deze activiteiten opnieuw werden opgestart, een bedrag ter grootte van deze groepsbijdrage opgenomen in de belastbare grondslag.".]1
  ----------
  (1)<W 2018-07-30/09, art. 31, 002; Inwerkingtreding : 20-08-2018>

  Art. 19.[1 In titel III, hoofdstuk II, afdeling II, van hetzelfde Wetboek, wordt een artikel 185/1 ingevoegd, luidende :
   "Art. 185/1. In afwijking van artikel 24 komt winst eveneens voort uit de overdracht van een of meerdere bestanddelen van het actief van een binnenlandse vennootschap naar haar buitenlandse inrichting waarvan de winst in België wordt vrijgesteld krachtens een overeenkomst tot het vermijden van dubbele belasting.
   In het geval van een in het eerste lid bedoelde overdracht wordt als winst aangemerkt, het positieve verschil tussen enerzijds de werkelijke waarde van deze bestanddelen en anderzijds de aanschaffings- of beleggingswaarde ervan, verminderd met de voorheen aangenomen waardeverminderingen en afschrijvingen.".]1
  ----------
  (1)<W 2018-07-30/09, art. 23, 002; Inwerkingtreding : 20-08-2018>

  Art. 20.[1 In titel III, hoofdstuk II, afdeling II, van hetzelfde Wetboek, wordt een artikel 185/2 ingevoegd, luidende :
   "Art. 185/2. § 1. Onverminderd de toepassing van artikel 185, § 2, a, omvat winst eveneens de niet-uitgekeerde winst van de in paragraaf 2, eerste lid, omschreven buitenlandse vennootschap die voortkomt uit een kunstmatige constructie of een reeks van constructies opgezet met als wezenlijk doel een belastingvoordeel te verkrijgen.
   De winst van de in het eerste lid bedoelde buitenlandse vennootschap komt in aanmerking met uitzondering van de bedragen die niet zijn voortgebracht door activa en risico's die verbonden zijn met de sleutelfuncties die door de belastingplichtige worden uitgeoefend.
   Voor de toepassing van dit artikel wordt onder "niet-uitgekeerde winst" de winst verstaan die door een in paragraaf 2 omschreven buitenlandse vennootschap wordt verworven in een belastbaar tijdperk dat wordt afgesloten in de loop van het belastbare tijdperk van de belastingplichtige en die niet wordt uitgekeerd in datzelfde belastbaar tijdperk aan de belastingplichtige of een andere binnenlandse vennootschap.
   § 2. De niet uitgekeerde winst van een buitenlandse vennootschap kan slechts in de winst van de belastingplichtige worden begrepen indien :
   - de belastingplichtige ofwel rechtstreeks of onrechtstreeks de meerderheid van de stemrechten verbonden aan het totaal van de aandelen van deze buitenlandse vennootschap bezit, ofwel rechtstreeks of onrechtstreeks een deelneming bezit van ten minste 50 pct. van het kapitaal van deze vennootschap, ofwel recht heeft op ten minste 50 pct. van de winst van deze vennootschap; en indien
   - de buitenlandse vennootschap krachtens de bepalingen van de wetgeving van de Staat of het rechtsgebied waar zij is gevestigd, aldaar ofwel niet aan een inkomstenbelasting is onderworpen ofwel onderworpen is aan een inkomstenbelasting die minder dan de helft bedraagt van de vennootschapsbelasting die verschuldigd zou zijn geweest indien deze buitenlandse vennootschap in België zou zijn gevestigd.
   Voor de berekening van de vennootschapsbelasting, bedoeld in het eerste lid, tweede streepje, die verschuldigd zou zijn geweest indien deze buitenlandse vennootschap in België zou zijn gevestigd, wordt geen rekening gehouden met het resultaat van deze buitenlandse vennootschap dat werd behaald door middel van één of meerdere buitenlandse inrichtingen van deze buitenlandse vennootschap waarvan de winst wordt vrijgesteld in toepassing van een overeenkomst tot het vermijden van dubbele belasting gesloten tussen het land of rechtsgebied waar deze buitenlandse vennootschap is gevestigd en het land of rechtsgebied waar deze buitenlandse inrichting is gelegen.
   § 3. In het geval de belastingplichtige een in het tweede lid bedoelde buitenlandse inrichting aanhoudt waarvan de winst in België wordt vrijgesteld of verminderd krachtens een overeenkomst tot het vermijden van dubbele belasting, wordt de winst die voortkomt uit een kunstmatige constructie of een reeks van constructies die is opgezet met als wezenlijk doel een belastingvoordeel te verkrijgen niet toegerekend aan de buitenlandse inrichting.
   Deze paragraaf is enkel van toepassing op de buitenlandse inrichtingen die krachtens de bepalingen van de wetgeving van de Staat of het rechtsgebied waar ze zijn gelegen, aldaar ofwel niet aan een inkomstenbelasting zijn onderworpen ofwel onderworpen zijn aan een inkomstenbelasting die minder dan de helft bedraagt van de supplementaire vennootschapsbelasting die verschuldigd zou zijn geweest door de belastingplichtige indien deze inrichtingen in België zouden zijn gelegen.
   § 4. Voor de toepassing van dit artikel wordt een constructie of een reeks van constructies als kunstmatig aangemerkt in de mate dat de in paragraaf 2 omschreven buitenlandse vennootschap of de in paragraaf 3 omschreven buitenlandse inrichting geen eigenaar van de activa zou zijn, of niet de risico's op zich zou hebben genomen die al haar inkomsten, of een deel ervan, genereren indien deze vennootschap of deze inrichting niet onder de zeggenschap stond van de belastingplichtige waar de voor die activa en risico's relevante sleutelfuncties worden verricht, welke een essentiële rol vervullen bij het genereren van de inkomsten van de voormelde buitenlandse vennootschap of buitenlandse inrichting.".]1
  ----------
  (1)<W 2018-07-30/09, art. 24, 002; Inwerkingtreding : 20-08-2018>

  Art. 20/1.
  <Opgeheven bij W 2019-04-28/01, art. 21, 005; Inwerkingtreding : 16-05-2019>

  Art. 21. In artikel 185ter van hetzelfde Wetboek, ingevoegd bij de wet van 27 april 2007, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
  1° in het eerste lid worden de woorden "1° tot 3°, " ingevoegd tussen de woorden "artikel 66, § 2," en de woorden "slechts tot";
  2° het artikel wordt opgeheven.

  Art. 22. Artikel 190bis van hetzelfde Wetboek, ingevoegd bij de wet van 8 juni 2008 en gewijzigd bij de wet van 23 december 2009, wordt vervangen als volgt :
  "Het behoud van de aftrek van 20 pct. van de in artikel 64ter, zoals het bestond voordat het werd gewijzigd door artikel 10 van de wet van 25 december 2017 houdende de hervorming van de vennootschapsbelasting, en artikel 198bis, eerste lid, 1°, a, zoals het bestond voordat het werd gewijzigd door artikel 41, 5°, van de vermelde wet van 25 december 2017, bedoelde kosten, dat werd aanvaard boven het bedrag van de werkelijk gedane of gedragen kosten, is onderworpen aan de in artikel 190, tweede lid, bedoelde voorwaarde.".

  Art. 23. Artikel 191 van hetzelfde Wetboek, gewijzigd bij de wet van 22 december 1998, wordt opgeheven.

  Art. 24. In artikel 192, § 1, van hetzelfde Wetboek, vervangen bij de wet van 28 december 1992 en gewijzigd bij het koninklijk besluit van 20 december 1996 en bij de wetten van 22 december 1998, 10 maart 1999, 15 december 2004, 11 december 2008, 22 december 2009, 29 maart 2012, 13 december 2012 en 27 december 2012, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
  1° het eerste lid wordt vervangen als volgt :
  "De niet in artikel 45, § 1, eerste lid, 1°, bedoelde meerwaarden op aandelen verwezenlijkt, of vastgesteld bij de verdeling van het vermogen van een ontbonden vennootschap, zijn eveneens volledig vrijgesteld in de mate dat de eventuele inkomsten van deze aandelen in aanmerking komen om krachtens de artikelen 202 en 203, van de winst te worden afgetrokken of, voor wat betreft de overeenkomstig artikel 194 van de wet van 13 maart 2016 op het statuut van en het toezicht op verzekerings- of herverzekeringsondernemingen aangehouden aandelen, krachtens de artikelen 202, § 1 en § 2, eerste lid, 2°, en 203, van de winst te worden afgetrokken.";
  2° in het derde lid, worden de woorden "met toepassing van artikel 45, § 1, eerste lid, 2°, wordt" vervangen door de woorden "met toepassing van artikel 45, § 1, eerste lid, 2°, omdat op het ogenblik van de ruil de eventuele inkomsten van de geruilde aandelen niet in aanmerking kwamen om krachtens de artikelen 202, § 1, en 203 van de winst te worden afgetrokken,".

  Art. 25. In titel III, hoofdstuk II, afdeling III, van hetzelfde Wetboek, wordt een onderafdeling Ibis ingevoegd, luidende :
  "Onderafdeling Ibis. Inschakelingsbedrijven.".

  Art. 26. In titel III, hoofdstuk II, afdeling III, onderafdeling Ibis, van hetzelfde Wetboek, ingevoegd bij artikel 25, wordt een artikel 193quater ingevoegd, luidende :
  "Art. 193quater. § 1. Voor vennootschappen die op het einde van het belastbare tijdperk op grond van artikel 1, § 1, 2°, van het koninklijk besluit van 3 mei 1999 tot uitvoering van artikel 7, § 1, derde lid, m, van de besluitwet van 28 december 1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders betreffende de herinschakeling van zeer moeilijk te plaatsen werklozen, door het bevoegde gewest als inschakelingsbedrijf zijn erkend, wordt de winst die in het vermogen van de vennootschap wordt gehouden en die is verwezenlijkt in een belastbaar tijdperk waarvoor zij als inschakelingsbedrijf is erkend onder de hierna gestelde voorwaarden gedeeltelijk vrijgesteld.
  Het gedeelte van de in het eerste lid bedoelde winst dat reeds in dit of een vorig belastbaar tijdperk overeenkomstig artikel 193bis, § 1, eerste lid, is vrijgesteld, komt niet in aanmerking voor de in het eerste lid bedoelde vrijstelling.
  Het in het eerste en tweede lid bedoelde gereserveerde belastbare resultaat dat niet als winst wordt aangemerkt, wordt beperkt tot een bedrag gelijk aan de loonkosten van de in België tewerkgestelde werknemers die behoren tot de doelgroep zoals bepaald in artikel 1, § 2, derde lid, van het genoemde koninklijk besluit van 3 mei 1999, met een minimum van 7 440 euro per in België tewergestelde personeelseenheid behorend tot deze doelgroep. Dit minimumbedrag wordt jaarlijks aan het indexcijfer van de consumptieprijzen van het Rijk aangepast aan de hand van de in artikel 178, § 3, eerste lid, 2°, bepaalde coëfficiënt.
  § 2. De in de eerste paragraaf bedoelde vrijstelling van de winst wordt slechts verleend en behouden indien :
  1° de vrijgestelde winst op een afzonderlijke rekening van het passief van de balans geboekt is en blijft;
  2° de vrijgestelde winst niet tot grondslag dient voor de berekening van de jaarlijkse dotatie aan de wettelijke reserve of van enige beloning of toekenning;
  De in het eerste lid vermelde voorwaarden zijn eveneens van toepassing op winst die overeenkomstig artikel 67 van de wet van 26 maart 1999 betreffende het Belgisch actieplan voor de werkgelegenheid 1998 en houdende diverse bepalingen, zoals het bestond voor het is opgeheven door artikel 87 van de wet van 25 december 2017 houdende de hervorming van de vennootschapsbelasting, is vrijgesteld.
  Indien en in zoverre de in het eerste lid bedoelde voorwaarden in enig belastbaar tijdperk niet langer worden nageleefd, wordt de voorheen vrijgestelde winst beschouwd als winst van dat belastbare tijdperk.
  § 3. Voor een belastbaar tijdperk waarvoor de vennootschap de in dit artikel bedoelde vrijstelling van de winst toepast, zijn de artikelen 67, §§ 1 en 2, 67bis en 67ter, §§ 1 en 2, niet van toepassing.".

  Art. 27. Artikel 193quater, § 3, van hetzelfde Wetboek, ingevoegd bij artikel 26 van deze wet, wordt opgeheven.

  Art. 28. In titel III, hoofdstuk II, afdeling III, van hetzelfde Wetboek, wordt het opschrift van onderafdeling II vervangen als volgt :
  "Onderafdeling II. Vrijgestelde voorzieningen.".

  Art. 29. Artikel 194 van hetzelfde Wetboek wordt vervangen als volgt :
  "Onverminderd de toepassing van artikel 194bis, is de vrijstelling voor voorzieningen voor risico's en kosten voorzien in artikel 48 slechts van toepassing op de volgende voorzieningen :
  1° de voorzieningen die voortvloeien uit verbintenissen die door de onderneming zijn aangegaan gedurende het belastbaar tijdperk of een van de voorgaande belastbare tijdperken;
  2° de voorzieningen die voortvloeien uit wettelijke of reglementaire verplichtingen, andere dan de verplichtingen die louter voortvloeien uit de toepassing van een boekhoudkundige of jaarrekeningrechtelijke reglementering.".

  Art. 30. In artikel 194ter van hetzelfde Wetboek, laatstelijk gewijzigd bij de wet van 26 mei 2016 worden de volgende wijzigingen aangebracht :
  1° in § 2, worden de woorden "ten belope van 310 pct." vervangen door de woorden "ten belope van 356 pct.";
  2° in § 2 de woorden "ten belope van 356 pct." worden vervangen door de woorden "ten belope van 421 pct.";
  3° in § 4, 4°, worden de woorden "150 pct." vervangen door de woorden "172 pct.";
  4° in § 4, 4°, worden de woorden "172 pct." vervangen door de woorden "203 pct.";
  5° in § 7, vierde lid, worden de woorden "150 pct. vervangen door de woorden "172 pct.";
  6° in § 7, vierde lid, worden de woorden "172 pct." vervangen door de woorden "203 pct.".

  Art. 31.In artikel 194quater van hetzelfde Wetboek, ingevoegd bij de wet van 24 december 2002 en gewijzigd bij de wetten van 22 december 2009 en 18 december 2015, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
  1° in paragraaf 1, worden de woorden "dat ten laatste afsluit op 30 december 2018" ingevoegd tussen de woorden "van een belastbaar tijdperk" en de woorden "is aangelegd door vennootschappen".
  [1 ...]1
  ----------
  (1)<W 2019-05-02/10, art. 44, 006; Inwerkingtreding : 25-12-2017>

  Art. 32. In artikel 194quinquies van hetzelfde Wetboek, ingevoegd bij de wet van 9 februari 2017, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
  1° paragraaf 1, derde lid, wordt aangevuld met de woorden "en het in artikel 205/1, § 1, tweede lid, bedoelde bedrag, desgevallend beperkt in toepassing van artikel 207, vijfde en zesde lid";
  2° in paragraaf 2, tweede lid, worden de woorden "beperkt tot het in § 1, tweede lid, bedoelde grensbedrag" vervangen door de woorden "beperkt tot de in paragraaf 1, tweede lid, bedoelde grens en het in artikel 205/1, § 1, tweede lid, bedoelde bedrag, desgevallend beperkt in toepassing van artikel 207, vijfde en zesde lid".

  Art. 33. In titel III, hoofdstuk II, afdeling III, van hetzelfde Wetboek, wordt een onderafdeling VII, ingevoegd, luidende :
  "Onderafdeling VII. - Specifieke vrijstellingen.".

  Art. 34.[1 In titel III, hoofdstuk II, afdeling III, onderafdeling VII, van hetzelfde Wetboek, ingevoegd bij artikel 33, wordt een artikel 194sexies ingevoegd, luidende :
   "Art. 194sexies. De winst wordt vrijgesteld ten belope van het totaal van het in artikel 198/1, § 2 bedoelde financieringskostensurplus dat in toepassing van artikel 198/1, § 1, in een van de voorgaande belastbare tijdperken niet als beroepskost werd aangemerkt en dat in toepassing van dit artikel niet als grondslag heeft gediend voor de vrijstelling van de winst in hoofde van de belastingplichtige.
   De in het eerste lid bedoelde vrijstelling kan niet groter zijn dan het positieve verschil tussen het in artikel 198/1, § 3, bedoelde grensbedrag en het in artikel 198/1, § 2 bedoelde financieringskostensurplus.
   De in het eerste lid bedoelde vrijstelling kan enkel worden verkregen indien de vennootschap bij haar aangifte in de vennootschapsbelasting een opgave voegt waarvan het model door de Koning wordt vastgesteld.".]1
  ----------
  (1)<W 2018-07-30/09, art. 25, 002; Inwerkingtreding : 20-08-2018>

  Art. 35.
  <Opgeheven bij W 2019-02-11/10, art. 5, 003; Inwerkingtreding : 22-03-2019>

  Art. 36.[1 In titel III, hoofdstuk II, afdeling III, onderafdeling VII, van hetzelfde Wetboek, ingevoegd bij artikel 33, wordt een artikel 194septies ingevoegd, luidende :
   "Art. 194septies. De winst wordt vrijgesteld :
   - ten belope van de in artikel 205/5, § 3, vierde lid, bedoelde vergoeding die in uitvoering van de in artikel 205/5, § 3, bedoelde groepsbijdrage-overeenkomst wordt verkregen in ruil voor de opname van het bedrag van de groepsbijdrage in de winst van het belastbaar tijdperk;
   - ten belope van de in artikel 198/1, § 4, vijfde lid, bedoelde vergoeding die wordt verkregen van de binnenlandse vennootschap of Belgische inrichting die deel uitmaakt van dezelfde groep van vennootschappen als de belastingplichtige, in ruil voor de overdracht van het in artikel 198/1, § 3, bedoelde grensbedrag.".]1
  ----------
  (1)<W 2018-07-30/09, art. 27, 002; Inwerkingtreding : 20-08-2018>

  Art. 37. In titel III, hoofdstuk II, afdeling IV, onderafdeling I, van hetzelfde Wetboek, wordt een artikel 195/1 ingevoegd, luidende :
  "Art. 195/1. De kosten die werkelijk zijn betaald of gedragen, of het karakter van zekere en vaststaande schulden of verliezen hebben verkregen en als zodanig zijn geboekt in het belastbare tijdperk, en die geheel of gedeeltelijk betrekking hebben op een toekomstig belastbaar tijdperk, zijn slechts als beroepskosten aftrekbaar in het belastbare tijdperk waarin ze ofwel zijn betaald of gedragen, ofwel als schuld zijn geboekt, alsmede in de volgende belastbare tijdperken, in verhouding tot het gedeelte van die kosten dat betrekking heeft op dat belastbare tijdperk.".

  Art. 38. In artikel 196 van hetzelfde Wetboek, vervangen bij de wet van 31 juli 2004 en gewijzigd bij de wetten van 22 december 2009 en 18 december 2015, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
  1° paragraaf 2 wordt vervangen als volgt :
  " § 2. De eerste afschrijvingsannuïteit ten aanzien van tijdens het boekjaar verkregen of tot stand gebrachte vaste activa wordt slechts als beroepskost aangemerkt in verhouding tot het gedeelte van het boekjaar waarin de vaste activa zijn verkregen of tot stand gebracht.";
  2° een paragraaf 3 en een paragraaf 4 worden ingevoegd, luidende :
  " § 3. Het in artikel 64 voorziene degressieve afschrijvingsstelsel is niet van toepassing.";
  § 4. In afwijking van artikel 62 wordt ten name van de vennootschappen die op grond van artikel 15, §§ 1 tot 6, van het Wetboek van vennootschappen als kleine vennootschappen worden aangemerkt voor het aanslagjaar dat verbonden is aan het belastbaar tijdperk waarin het immaterieel of materieel vast actief werd aangeschaft of tot stand gebracht, het totale bedrag van de bij de aankoop komende kosten ofwel ineens afgeschreven tijdens het belastbare tijdperk waarin de kosten zijn gemaakt, ofwel op dezelfde wijze als de hoofdsom van de aanschaffings- of beleggingswaarde van de desbetreffende vaste activa.
  In afwijking van artikel 62 wordt ten name van de vennootschappen die op grond van artikel 15, §§ 1 tot 6, van het Wetboek van vennootschappen niet als kleine vennootschappen worden aangemerkt voor het aanslagjaar dat verbonden is aan het belastbaar tijdperk waarin het immaterieel of materieel vast actief werd aangeschaft of tot stand gebracht, het totale bedrag van de bij de aankoop komende kosten op dezelfde wijze als de hoofdsom van de aanschaffings- of beleggingswaarde van de desbetreffende vaste activa afgeschreven.".

  Art. 39.In artikel 198 van hetzelfde Wetboek, laatstelijk gewijzigd bij de wet van 25 december 2016, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
  1° in paragraaf 1, enig lid, 1°, worden de woorden "ingevolge artikel 219" vervangen door de woorden "ingevolge de artikelen 219 en 219quinquies";
  2° [2 ...]2
  3° in paragraaf 1, enig lid, wordt de bepaling onder 6° opgeheven;
  4° in paragraaf 1, enig lid, wordt de bepaling onder 8° vervangen als volgt :
  "8° het in kosten opgenomen deel van een op niet-afschrijfbare immateriële of materiële, of financiële vaste activa geboekt disconto, voor zover de aankoopprijs lager is dan de werkelijke waarde verhoogd met het disconto;";
  5° paragraaf 1, enig lid, wordt aangevuld met de bepalingen onder 10° /1, 10° /2, 10° /3 en 10° /4, luidende :
  "10° /1 de betalingen die werden gedaan in het kader van een hybridemismatch, voor zover :
  - de binnenlandse vennootschap of de Belgische inrichting die ze wenst af te trekken zulks wenst te doen van de beroepsinkomsten die niet opgenomen zijn in de belastbare inkomsten van een buitenlandse onderneming of een vestiging daarvan; en
  - een buitenlandse onderneming of een vestiging daarvan die betalingen mag aftrekken van haar belastbare inkomsten.
  De betalingen waarvan de aftrek op grond van deze bepaling werd geweigerd, mogen worden afgetrokken van de beroepsinkomsten van de volgende belastbare tijdperken, voor zover die beroepsinkomsten ook opgenomen zijn in de belastbare inkomsten van een buitenlandse onderneming of een vestiging daarvan.
  10° /2 de volgende betalingen die werden gedaan in het kader van een hybridemismatch, voor zover ze niet opgenomen zijn in de belastbare inkomsten van de gerechtigden :
  a) een betaling uit hoofde van een financieel instrument, wanneer :
  - het gegeven dat die betaling zonder deze bepaling aftrekbaar zou zijn zonder opgenomen te zijn in belastbare inkomsten van de gerechtigde, terug te voeren is op de verschillen in de kwalificatie van het financieel instrument of van de betaling die uit hoofde van het financieel instrument gedaan werd; en
  - die betaling niet binnen een redelijke termijn in de belastbare inkomsten van de gerechtigde wordt opgenomen.
  Een betaling uit hoofde van een financieel instrument wordt geacht binnen een redelijke termijn in de belastbare inkomsten van de gerechtigde te zijn opgenomen wanneer :
  - de betaling in het rechtsgebied van de begunstigde wordt opgenomen in een belastbaar tijdperk dat begint binnen 12 maanden na het einde van het belastbaar tijdperk van de betaler; of
  - redelijkerwijs mag worden aangenomen dat de betaling in het rechtsgebied van de gerechtigde in een toekomstig belastbaar tijdperk in de heffing zal worden betrokken en er betalingsvoorwaarden gelden die normaliter tussen onafhankelijke ondernemingen zouden worden overeengekomen.
  Een betaling die de onderliggende opbrengst van een overgedragen financieel instrument vormt, geeft geen aanleiding tot een hybridemismatch indien de betaling door een financieel handelaar wordt verricht in het kader van een hybrideoverdracht op de markt.
  Voor de toepassing van deze bepaling, worden verstaan onder :
  - financieel instrument : elk instrument dat leidt tot rendement op vreemd of eigen vermogen dat wordt belast volgens de regels voor het belasten van vreemd vermogen, eigen vermogen en derivaten uit hoofde van de wetgeving van België of van de Staat van buitenlandse onderneming of de vestiging daarvan, het rechtsgebied van de ontvanger of de betaler, en dat een hybrideoverdracht omvat;
  - hybrideoverdracht op de markt : elke hybrideoverdracht waartoe door een financieel handelaar wordt overgegaan in het kader van de normale uitoefening van zijn activiteiten, en niet als onderdeel van een gestructureerde regeling; en
  - financieel handelaar : elke persoon of entiteit die regelmatig voor eigen rekening financiële instrumenten koopt en verkoopt, met als doel winst te maken;
  b) een betaling aan een hybride-entiteit;
  c) een betaling aan een entiteit die over een of meer vestigingen beschikt, wanneer het feit dat die betaling niet is opgenomen in de belastbare inkomsten van die entiteit het gevolg is van verschillen in de toerekening van betalingen tussen het hoofdkantoor van die entiteit en haar vestiging of tussen twee of meer vestigingen van die entiteit op grond van de wetgeving van de rechtsgebieden waar de entiteit haar bedrijf uitoefent;
  d) een betaling aan een vestiging die beschouwd wordt als aanleiding gevend tot een vaste inrichting op grond van de wetgeving van het rechtsgebied van het hoofdkantoor van de entiteit waarvan de vestiging deel uitmaakt, maar die niet beschouwd wordt als een vaste inrichting op grond van de wetgeving van het rechtsgebied waar de vestiging zich bevindt, behalve wanneer het met die betaling overeenkomende inkomen als belastbaar beschouwd wordt op grond van de wetgeving van het rechtsgebied van het hoofdkantoor van de entiteit waarvan de vestiging deel uitmaakt;
  e) een door een hybride-entiteit gedane betaling, voor zover die betaling zonder deze bepaling zou afgetrokken worden van de belastbare inkomsten die niet eveneens opgenomen zijn in de belastbare inkomsten van de gerechtigde;
  f) een veronderstelde betaling tussen het hoofdkantoor van de vestiging of tussen twee of meer vestigingen, voor zover die betaling zonder deze bepaling zou afgetrokken worden van de belastbare inkomsten die niet eveneens opgenomen zijn in de belastbare inkomsten van de gerechtigde;
  10° /3 betalingen gedaan in het kader van een hybridemismatch voor zover ze direct of indirect de uitgaven financieren die aftrekbaar zijn in hoofde van meerdere buitenlandse ondernemingen, van een buitenlandse onderneming en een vestiging daarvan, van meerdere vestigingen van eenzelfde buitenlandse onderneming of van een buitenlandse onderneming of een vestiging daarvan, maar zonder dat er in dit laatste geval met die uitgaven inkomsten overeenkomen die opgenomen zijn in de belastbare inkomsten van de gerechtigde. Die betalingen worden niettemin beschouwd als beroepskosten voor zover een van de rechtsgebieden die bij de hybridemismatch betrokken zijn een gelijkwaardige aanpassing heeft gemaakt met betrekking tot deze hybridemismatch;
  10° /4 betalingen gedaan door een binnenlandse vennootschap die eveneens als binnenlandse vennootschap beschouwd wordt door een of meer andere rechtsgebieden binnen dewelke die betalingen aftrekbaar zijn van de belastbare inkomsten die niet opgenomen zijn in de belastbare inkomsten van die vennootschap in België. Die betalingen worden niettemin als beroepskosten beschouwd wanneer het andere rechtsgebied of de andere rechtsgebieden lidstaten zijn van de Europese Unie waarmee België een overeenkomst tot het vermijden van dubbele belasting gesloten heeft op grond waarvan de vennootschap beschouwd wordt als een inwoner van België.";
  6° in paragraaf 1, enig lid, wordt de bepaling onder 11° vervangen als volgt :
  "11° onverminderd de toepassing van de artikelen 54 en 55, de betaalde of toegekende interesten van leningen wanneer de werkelijke verkrijger ervan niet onderworpen is aan een inkomstenbelasting of voor die inkomsten onderworpen is aan een aanzienlijk gunstigere aanslagregeling dan die welke voortvloeit uit de in België toepasselijke bepalingen van gemeen recht en indien, in de mate van die overschrijding, het totale bedrag van deze leningen, andere dan obligaties of andere gelijksoortige effecten uitgegeven door een openbaar beroep op het spaarwezen en andere dan leningen toegekend door instellingen bedoeld in artikel 56, § 2, 2°, hoger is dan vijf maal de som van de belaste reserves bij het begin van het belastbaar tijdperk en het gestort kapitaal bij het einde van dit tijdperk;";
  7° in paragraaf 1, enig lid, wordt een bepaling onder 11° /1 ingevoegd, luidende :
  "11° /1 onverminderd de toepassing van de artikelen 54 en 55, de betaalde of toegekende interesten van de in artikel 198/1, § 2, tweede lid, eerste streepje, bedoelde leningen, wanneer de werkelijke verkrijger ervan deel uitmaakt van dezelfde groep van vennootschappen waartoe ook de schuldenaar behoort indien, en in de mate van die overschrijding, het totale bedrag van deze leningen, andere dan obligaties of andere gelijksoortige effecten uitgegeven door een openbaar beroep op het spaarwezen en andere dan leningen toegekend door instellingen bedoeld in artikel 56, § 2, 2°, hoger is dan vijf maal de som van de belaste reserves bij het begin van het belastbaar tijdperk en het gestort kapitaal bij het einde van dit tijdperk;";
  8° [1 in paragraaf 1, enig lid, wordt de bepaling onder 15° hersteld als volgt :
   "15° de in artikel 198/1, § 4, vijfde lid, bedoelde vergoeding;";]1
  9° [1paragraaf 1, enig lid, wordt aangevuld met een bepaling onder 16° ingevoegd, luidende :
   "16° de in artikel 205/5, § 3, vierde lid, of de in artikel 205/5, § 4, vijfde lid, bedoelde vergoeding.";]1
  10° in paragraaf 3 wordt het eerste lid opgeheven;
  11° in paragraaf 3, tweede lid, wordt de woorden "wordt deze derde geacht" vervangen door de woorden "wordt deze derde voor de toepassing van paragraaf 1, 11° en 11° /1 geacht";
  12° in paragraaf 3, derde lid, worden de woorden "bedoeld in § 1, 11°, tweede streepje," vervangen door de woorden "bedoeld in paragraaf 1, 11° /1,";
  13° in paragraaf 3, vierde lid, worden de woorden "als bedoeld in § 1, 11° " vervangen door de woorden "als bedoeld in paragraaf 1, 11° en 11° /1";
  14° in paragraaf 3, vijfde lid, worden de woorden "Voor de toepassing van § 1, 11°, " vervangen door de woorden "Voor de toepassing van paragraaf 1, 11° en 11° /1,";
  15° in paragraaf 4, eerste lid, worden de woorden "Voor de toepassing van paragraaf 1, 11°, tweede streepje," vervangen door de woorden "Voor de toepassing van § 1, 11° /1,".
  ----------
  (1)<W 2018-07-30/09, art. 28, 002; Inwerkingtreding : 20-08-2018>
  (2)<W 2019-04-13/02, art. 7, 004; Inwerkingtreding : 06-05-2019>

  Art. 40.[1 In titel III, hoofdstuk II, afdeling IV, onderafdeling I, van hetzelfde Wetboek, wordt een artikel 198/1 ingevoegd luidende :
   "Art. 198/1. § 1. Onverminderd de toepassing van de artikelen 54 en 55 wordt het in § 2 bedoelde financieringskostensurplus niet als beroepskosten aangemerkt in de mate dat het totale bedrag van deze interesten, hoger is dan het in § 3 bedoelde grensbedrag.
   § 2. Voor de toepassing van dit artikel wordt onder financieringskostensurplus het positieve verschil verstaan tussen :
   - enerzijds het geheel aan interesten en andere door de Koning omschreven kosten die economisch gelijkwaardig zijn aan interesten, die overeenkomstig de artikelen 49, 52, 2°, 54 en 55 in het belastbaar tijdperk als beroepskost worden aangemerkt en die niet verbonden zijn met een vaste inrichting waarvan de winst wordt vrijgesteld krachtens een overeenkomst tot het vermijden van dubbele belasting;
   - en anderzijds het geheel aan interesten en andere door de Koning omschreven opbrengsten die economisch gelijkwaardig zijn aan interesten, die in de winst van het belastbaar tijdperk zijn begrepen en die niet krachtens een overeenkomst tot voorkoming van dubbele belasting worden vrijgesteld.
   Indien aan de door de Koning vastgestelde modaliteiten wordt voldaan, worden de interesten van de volgende leningen niet in aanmerking genomen voor de vaststelling van het financieringskostensurplus :
   - leningen waarvan de belastingplichtige heeft aangetoond dat het contract werd gesloten vóór 17 juni 2016 en waaraan vanaf deze datum geen fundamentele wijzigingen werden aangebracht;
   - leningen die worden gesloten in uitvoering van een project van publiek-private samenwerking gegund na inmededingingstelling overeenkomstig de reglementering inzake overheidsopdrachten, waarbij de uitvoerder van het project, de financieringskosten, de activa en de winst zich allemaal in de Europese Unie bevinden.
   In het geval de belastingplichtige deel uitmaakt van een groep van vennootschappen, komen de interesten en andere door de Koning omschreven kosten of opbrengsten die economisch gelijkwaardig zijn aan interesten en die verschuldigd zijn aan of door een binnenlandse vennootschap of Belgische inrichting die deel uitmaakt van deze groep en die niet uitgesloten zijn van de toepassing van dit artikel, niet in aanmerking voor de vaststelling van het financieringskostensurplus.
   § 3. Het in dit artikel bedoelde grensbedrag is het hoogste van de volgende twee bedragen :
   a) 3 miljoen euro;
   b) 30 pct. van de overeenkomstig het tweede lid samengestelde EBITDA van de belastingplichtige.
   De EBITDA wordt samengesteld door het resultaat van het belastbaar tijdperk te vermeerderen met :
   - de afschrijvingen en waardeverminderingen die voor het belastbaar tijdperk als beroepskosten worden aangemerkt;
   - het in paragraaf 2, bedoelde financieringskostensurplus, met uitzondering van het gedeelte dat overeenkomstig de eerste paragraaf niet als beroepskosten wordt aangemerkt;
   en te verminderen met :
   - het in artikel 205/5 bedoelde bedrag van de groepsbijdrage dat in mindering wordt gebracht van de winst van het belastbaar tijdperk;
   - de in artikel 202 bedoelde inkomsten van het belastbaar tijdperk die overeenkomstig de artikelen 203 tot 205, van de winst van het huidige of een volgend belastbaar tijdperk kunnen worden afgetrokken;
   - 85 pct. van de in artikelen 205/2 en 205/3 bedoelde inkomsten van het belastbaar tijdperk die overeenkomstig artikel 205/1, van de winst van het huidige of een volgend belastbaar tijdperk kunnen worden afgetrokken;
   - 80 pct. van de overeenkomstig artikel 543 bepaalde octrooi-inkomsten die in aanmerking worden genomen om van de winst van het belastbaar tijdperk te worden afgetrokken;
   - het deel van de winst van het belastbaar tijdperk dat krachtens een overeenkomst tot het vermijden van dubbele belasting wordt vrijgesteld;
   - de winst die werd behaald in uitvoering van een project van publiek-private samenwerking gegund na inmededingingstelling overeenkomstig de reglementering inzake overheidsopdrachten, waarbij de uitvoerder van het project, de financieringskosten, de activa en de winst zich allemaal in de Europese Unie bevinden.
   In het geval de belastingplichtige deel uitmaakt van een groep van vennootschappen :
   - wordt het in het eerste lid, a, bedoelde bedrag evenredig verdeeld, overeenkomstig de door de Koning vastgestelde methode over de binnenlandse vennootschappen en de Belgische inrichtingen die tijdens het hele belastbaar tijdperk deel hebben uitgemaakt van deze groep en die niet zijn uitgesloten van toepassing van dit artikel;
   - wordt de in het eerste lid, b, bedoelde EBITDA van de belastingplichtige vermeerderd met de kosten die verschuldigd zijn aan of verminderd met de opbrengsten die verschuldigd zijn door een binnenlandse vennootschap of Belgische inrichting die tijdens het hele belastbaar tijdperk deel heeft uitgemaakt van deze groep van vennootschappen en die niet zijn uitgesloten van toepassing van dit artikel;
   - heeft de belastingplichtige de mogelijkheid om een interestaftrek-overeenkomst te sluiten met een andere binnenlandse vennootschap of een Belgische inrichting die tijdens het hele belastbaar tijdperk deel heeft uitgemaakt van deze groep van vennootschappen en die niet is uitgesloten van toepassing van dit artikel;
   - wordt het grensbedrag van de belastingplichtige naargelang hetgeen is overeengekomen verhoogd of verlaagd met het overgedragen grensbedrag dat in de interestaftrek-overeenkomst werd vastgelegd.
   § 4. Een overeenkomst komt slechts in aanmerking als interestaftrek-overeenkomst indien deze aan de voorwaarden van deze paragraaf voldoet en indien deze voorwaarden ook effectief door de partijen ten uitvoer worden gebracht.
   De belastingplichtige en de binnenlandse vennootschap of de Belgische inrichting van een buitenlandse vennootschap die deel uitmaakt van dezelfde groep van vennootschappen worden als de twee partijen van de interestaftrek-overeenkomst geïdentificeerd.
   In deze overeenkomst wordt het over te dragen grensbedrag vastgelegd. In het geval de belastingplichtige een bedrag overdraagt dat groter is dan het grensbedrag van de belastingplichtige worden de uitgaven van de belastingplichtige verworpen voor een bedrag gelijk aan het positieve verschil tussen het overgedragen bedrag en het grensbedrag.
   In deze overeenkomst verbinden beide partijen zich ertoe om het overgedragen grensbedrag in de aangifte van de vennootschapsbelasting of belasting van de niet-inwoners van het belastbaar tijdperk te verwerken dat verbonden is met het in de overeenkomst vermelde aanslagjaar.
   In deze overeenkomst kunnen de partijen enkel voorzien in de betaling van een vergoeding die gelijk is aan de vennootschapsbelasting of de belasting van niet-inwoners die door één van de partijen verschuldigd was geweest indien geen overdracht zou hebben plaatsgevonden.
   § 5. Om een wijziging aan het grensbedrag te rechtvaardigen moet de belastingplichtige bij haar aangifte van de vennootschapsbelasting of de belasting van niet-inwoners de in paragraaf 4 bedoelde overeenkomst voegen waarvan het model door de door de Koning wordt vastgesteld.
   § 6. Dit artikel is niet van toepassing indien de belastingplichtige aantoont dat hij binnen het toepassingsgebied valt van een van de hiernavolgende definities :
   1° de kredietinstellingen in de zin van artikel 1, § 3, van de wet van 25 april 2014 op het statuut van en het toezicht op kredietinstellingen en beursvennootschappen;
   2° de beleggingsondernemingen in de zin van artikel 3, § 1, van de wet van 25 oktober 2016 betreffende de toegang tot het beleggingsdienstenbedrijf en betreffende het statuut van en het toezicht op de vennootschappen voor vermogensbeheer en beleggingsadvies;
   3° de beheerders van AICB's in de zin van artikel 3, 13°, van de wet van 19 april 2014 betreffende de alternatieve instellingen voor collectieve belegging en hun beheerders;
   4° de beheervennootschappen van instellingen voor collectieve belegging in de zin van artikel 3, 12°, van de wet van 3 augustus 2012 betreffende de instellingen voor collectieve belegging die voldoen aan de voorwaarden van Richtlijn 2009/65/EG en de instellingen voor belegging in schuldvorderingen;
   5° de verzekeringsondernemingen in de zin van artikel 5, 1°, van de wet van 13 maart 2016 op het statuut van en het toezicht op de verzekerings- of herverzekeringsondernemingen;
   6° de herverzekeringsondernemingen in de zin van artikel 5, 2°, van de wet van 13 maart 2016 op het statuut van en het toezicht op de verzekerings- of herverzekeringsondernemingen;
   7° de instelling voor bedrijfspensioen-voorziening in de zin van artikel 2, 1°, van de wet van 27 oktober 2006 betreffende het toezicht op de instellingen voor bedrijfspensioenvoorziening;
   8° pensioeninstellingen die pensioenregelingen uitvoeren welke worden beschouwd als socialezekerheidsregelingen die onder Verordening (EG) nr. 883/2004 van het Europees Parlement en de Raad van 29 april 2004 betreffende de coördinatie van de socialezekerheidsstelsels en Verordening (EG) nr. 987/2009 van het Europees Parlement en de Raad van 16 september 2009 tot vaststelling van de wijze van toepassing van Verordening (EG) nr. 883/2004 betreffende de coördinatie van de socialezekerheidsstelsels vallen, alsook elke juridische entiteit die is opgericht met het oog op de beleggingen van die regelingen;
   9° de alternatieve instellingen voor collectieve belegging in de zin van artikel 3, 2°, van de wet van 19 april 2014 betreffende de alternatieve instellingen voor collectieve belegging en hun beheerders;
   10° de instellingen voor collectieve belegging die voldoen aan de voorwaarden van Richtlijn 2009/65/EG in de zin van artikel 3, 8°, van de wet van 3 augustus 2012 betreffende de instellingen voor collectieve belegging die voldoen aan de voorwaarden van Richtlijn 2009/65/EG en de instellingen voor belegging in schuldvorderingen;
   11° een centrale tegenpartij als omschreven in artikel 2, punt 1, van Verordening (EU) nr. 648/2012 van het Europees Parlement en de Raad van 4 juli 2012 betreffende otc-derivaten, centrale tegenpartijen en transactieregisters;
   12° een centrale effectenbewaarinstelling als omschreven in artikel 2, eerste lid, punt 1, van Verordening (EU) nr. 909/2014 van het Europees Parlement en de Raad van 23 juli 2014 betreffende de verbetering van de effectenafwikkeling in de Europese Unie, betreffende centrale effectenbewaarinstellingen en tot wijziging van Richtlijnen 98/26/EG en 2014/65/EU en Verordening (EU) nr. 236/2012;
   13° een vennootschap waarvan de enige activiteit bestaat in het uitvoeren van een project van publiek-private samenwerking gegund na inmededingingstelling conform de reglementering inzake overheidsopdrachten, waarbij de uitvoerder van het project, de financieringskosten, de activa en de winst zich allemaal in de Europese Unie bevinden;
   14° een vennootschap die geen deel uitmaakt van een groep van vennootschappen en die geen buitenlandse inrichtingen heeft en die geen :
   - rechtstreekse of onrechtstreekse deelneming aanhoudt in een vennootschap die ten minste 25 pct. bedraagt van de stemrechten of kapitaalbezit van deze vennootschap of waarbij deze deelneming recht geeft op ten minste 25 pct. van de winst van deze vennootschap;
   - natuurlijke persoon of rechtspersoon als aandeelhouder heeft die rechtstreeks of onrechtstreeks een deelneming aanhoudt in deze en in een andere vennootschap die elk op zich ten minste 25 pct. bedraagt van de stemrechten of kapitaalbezit van deze vennootschappen of waarbij deze deelnemingen elk op zich recht geven op ten minste 25 pct. van de winst van deze twee vennootschappen;
   15° een vennootschap, waarvan de enige of hoofdzakelijke activiteit bestaat uit de financiering van onroerende goederen via de uitgifte van vastgoedcertificaten. Voor de toepassing van deze bepaling wordt verstaan onder vastgoedcertificaten, de schuldinstrumenten die rechten incorporeren op de inkomsten, op de opbrengsten en op de realisatiewaarde van één of meer bij de uitgifte van de certificaten bepaalde onroerende goederen, ongeacht of de certificaten openbaar werden aangeboden en al dan niet worden verhandeld op een gereglementeerde markt;
   16° de vennootschappen erkend overeenkomstig artikel 2, § 1 van het koninklijk besluit nr. 55 van 10 november 1967 tot regeling van het juridisch statuut der ondernemingen gespecialiseerd in financieringshuur of de vennootschappen waarvan de voornaamste activiteit bestaat uit factoring en dit binnen de financiële sector en voor zover de ontleende kapitalen effectief dienen voor factoringactiviteiten.".]1
  ----------
  (1)<W 2018-07-30/09, art. 29, 002; Inwerkingtreding : 20-08-2018>

  Art. 41. In artikel 198bis van hetzelfde Wetboek, ingevoegd bij de wet van 27 april 2007 en gewijzigd bij de wetten van 22 december 2008 en 23 december 2009, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
  1° de inleidende zin van het eerste lid wordt vervangen als volgt :
  "De beroepskosten met betrekking tot het gebruik van de in artikel 65 bedoelde voertuigen zijn slechts aftrekbaar ten belope van :";
  2° de inleidende zin van het eerste lid, 1°, wordt vervangen als volgt :
  "1° een tarief bepaald op :";
  3° in het eerste lid, 2°, worden de woorden "wat het in aanmerking te nemen tarief voor de minderwaarden betreft, bepaald op" vervangen door de woorden "wat de minderwaarden betreft, een tarief bepaald op";
  4° in het eerste lid wordt een bepaling onder 3° ingevoegd, luidende :
  "3° 75 pct. wat het in aanmerking te nemen tarief voor de brandstofkosten betreft.";
  5° het artikel wordt vervangen als volgt :
  "Art. 198bis. Het in artikel 66, § 1, tweede lid, vermelde minimum van 75 pct. voor de met betrekking tot het gebruik van vóór 1 januari 2018 aangeschafte voertuigen gedane of gedragen beroepskosten is niet van toepassing.".

  Art. 42.In titel III, hoofdstuk II, afdeling IV, onderafdeling II, van hetzelfde Wetboek, wordt [1 een artikel 198quater]1 ingevoegd luidende :
  "[1 Art. 198quater.]1 De in artikelen 67 tot 67ter bedoelde economische vrijstellingen zijn niet van toepassing.".
  ----------
  (1)<W 2019-05-02/10, art. 45, 006; Inwerkingtreding : 25-05-2019>

  Art. 43. In artikel 201, § 1, eerste lid, 1°, van hetzelfde Wetboek, vervangen bij de wet van 22 juni 2005 en gewijzigd bij de wet van 26 december 2015, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
  1° de woorden "des nouvelles immobilisations corporels ou incorporels" worden in de Franse tekst vervangen door de woorden "des nouvelles immobilisations corporelles ou incorporelles";
  2° de bepaling onder 1° wordt aangevuld met een zin, luidende :
  "Evenwel bedraagt het basis percentage van de aftrek voor de vaste activa die zijn verkregen of tot stand gebracht tussen 1 januari 2018 en 31 december 2019, 20 pct.;".

  Art. 44.In artikel 202, § 1, van hetzelfde Wetboek, gewijzigd bij de wetten van 28 juli 1992 en 22 maart 1995 en gewijzigd bij het koninklijk besluit van 20 december 1996, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
  1° de bepalingen onder 4° en 5° worden opgeheven;
  2° [1 de bepalingen onder 4° en 5° worden hersteld als volgt :
   "4° de winst die wordt uitgekeerd door een in artikel 185/2, § 2, bedoelde buitenlandse vennootschap, voor zover en in de mate dat de belastingplichtige heeft aangetoond dat deze winst reeds in een vorig belastbaar tijdperk als niet uitgekeerde winst in toepassing van artikel 185/2 in hoofde van de binnenlandse vennootschap werd belast;
   5° de niet vrijgestelde meerwaarde op aandelen van een buitenlandse vennootschap, voor zover en in de mate dat de belastingplichtige heeft aangetoond dat de winst van deze buitenlandse vennootschap in toepassing van artikel 185/2 in een vorig belastbaar tijdperk als niet uitgekeerde winst in hoofde van de binnenlandse vennootschap werd belast, en deze winst nog niet eerder was uitgekeerd en nog bestonden op een rekening van het passief op het tijdstip van de vervreemding van deze aandelen.";]1
  [1 3° de paragraaf wordt aangevuld met een lid, luidende :
   "Voor de toepassing van het eerste lid, 4° en 5°, wordt de winst van de buitenlandse vennootschap die overeenkomstig artikel 185/2 in hoofde van de binnenlandse vennootschap werd belast, geacht eerst te zijn uitgekeerd.".]1
  ----------
  (1)<W 2018-07-30/09, art. 30, 002; Inwerkingtreding : 20-08-2018>

  Art. 45. Artikel 204 van hetzelfde Wetboek, vervangen bij het koninklijk besluit van 20 december 1996 en gewijzigd bij de wet van 11 december 2008, wordt vervangen als volgt :
  "Art. 204. De ingevolge artikel 202, § 1, aftrekbare inkomsten worden geacht in de winst van het belastbare tijdperk voor te komen ten belope van het geïnde of verkregen bedrag eventueel vermeerderd met de roerende voorheffing of de fictieve roerende voorheffing.".

  Art. 46. In artikel 205, § 3, van hetzelfde Wetboek, ingevoegd bij de wet van 21 december 2009 en gewijzigd bij de wetten van 10 augustus 2015 en 3 augustus 2016, worden de woorden ", tot 95 pct. van hun bedrag," opgeheven.

  Art. 47. In titel III, hoofdstuk II, afdeling IV, van hetzelfde Wetboek, wordt een onderafdeling IIIbis/1 ingevoegd, luidende :
  "Onderafdeling IIIbis/1. - Aftrek van de groepsbijdrage.".

  Art. 48.[1 In titel III, hoofdstuk II, afdeling IV, onderafdeling IIIbis/1, van hetzelfde Wetboek, ingevoegd bij artikel 47, wordt een artikel 205/5 ingevoegd, luidende :
   "Art. 205/5. § 1. Bij de bepaling van het belastbaar inkomen wordt het in dit artikel omschreven bedrag van de groepsbijdrage in mindering gebracht van de winst van het belastbaar tijdperk. Deze vermindering wordt "aftrek van de groepsbijdrage" genoemd.
   § 2. Het bedrag van de groepsbijdrage wordt vastgesteld in een overeenkomstig paragraaf 3 of 4 bedoelde groepsbijdrage-overeenkomst die wordt gesloten tussen de belastingplichtige en een in aanmerking komende binnenlandse of buitenlandse vennootschap en die betrekking heeft op een bepaald aanslagjaar.
   Er kan geen bedrag van de groepsbijdrage in mindering van de winst worden gebracht op basis van een groepsbijdrage-overeenkomst die betrekking heeft op een ander aanslagjaar.
   Een in aanmerking komende binnenlandse of buitenlandse vennootschap is een vennootschap die gedurende een onafgebroken periode van 5 jaar, die aanvangt op 1 januari van het vierde kalenderjaar voor het kalenderjaar waarnaar het aanslagjaar wordt genoemd, verbonden is met de belastingplichtige.
   Indien de belastingplichtige of een binnenlandse of buitenlandse vennootschap die verbonden is met de belastingplichtige werd opgericht binnen de in het derde lid vermelde periode ingevolge een fusie door oprichting van een nieuwe vennootschap, een splitsing door oprichting van nieuwe vennootschappen, een gemengde splitsing of een hiermee gelijkgestelde verrichting, mag voor de toepassing van dit derde lid de belastingplichtige of de met de belastingplichtige verbonden vennootschap gelijk worden gesteld met de vennootschap of met elke vennootschap waarin het totale vermogen van de belastingplichtige of van de hiermee verbonden vennootschap zich bevond voor de uitwerking van deze fusie, splitsing of hiermee gelijkgestelde verrichting.
   Indien het vermogen of een deel van het vermogen van een vennootschap is overgegaan in het vermogen van de belastingplichtige of van een binnenlandse of buitenlandse vennootschap die verbonden is met de belastingplichtige binnen de in het derde lid vermelde periode ingevolge een fusie door overneming, splitsing door overneming of een hiermee gelijkgestelde verrichting, een inbreng van een tak van werkzaamheid of een inbreng van de algemeenheid van goederen, zal voor de toepassing van het derde lid elke vennootschap waarin een deel van het totale vermogen van de belastingplichtige of van de vennootschap die verbonden is met de belastingplichtige zich bevond voor de uitwerking van deze fusie, splitsing, inbreng of hiermee gelijkgestelde verrichting worden gelijkgesteld met de belastingplichtige of de binnenlandse of buitenlandse vennootschap die verbonden is met de belastingplichtige en zullen deze eveneens aan de toepassingsvoorwaarden van dit derde lid moeten voldoen.
   Voor de toepassing van dit artikel is een binnenlandse of buitenlandse vennootschap die verbonden is met de belastingplichtige een vennootschap :
   - die beschikt over een rechtstreekse deelneming van ten minste 90 pct. in het kapitaal van de belastingplichtige; of
   - waarvan het kapitaal rechtstreeks voor ten minste 90 pct. wordt aangehouden door de belastingplichtige; of
   - waarvan het kapitaal rechtstreeks voor ten minste 90 pct. wordt aangehouden door een andere binnenlandse of buitenlandse vennootschap en voor zover deze andere binnenlandse of buitenlandse vennootschap beschikt over een deelneming van ten minste 90 pct. in het kapitaal van de belastingplichtige.
   Een buitenlandse vennootschap wordt voor de toepassing van dit artikel enkel als een in aanmerking komende buitenlandse vennootschap aangemerkt indien deze gevestigd is in de Europese Economische Ruimte.
   De in het eerste lid bedoelde overeenkomst kan niet worden gesloten indien één van beide partijen :
   - een vennootschap is die een onroerend goed of ander zakelijke recht met betrekking tot dergelijk goed ter beschikking stelt aan een of meerdere natuurlijke personen die in de vennootschap een opdracht of functies als bedoeld in artikel 32, eerste lid, uitoefenen, of aan de echtgenoot of kinderen van deze personen wanneer die personen of hun echtgenoot het wettelijk genot van de inkomsten van die kinderen hebben;
   - een in artikel 185bis bedoelde vennootschap is;
   - een zeescheepvaartvennootschap is die aan de belasting wordt onderworpen met toepassing van de artikelen 115 tot 120 of van artikel 124 van de programmawet van 2 augustus 2002;
   - een als diamanthandelaar geregistreerde vennootschap is die aan de belasting wordt onderworpen met toepassing van artikel 67 tot 71 van de programmawet van 10 augustus 2015;
   - een vennootschap is die in toepassing van artikel 342, § § 2 en 4, forfaitair wordt belast op de winst van het belastbaar tijdperk;
   - voor de toepassing van paragraaf 4, een in het buitenland gevestigde vennootschap is die, alhoewel ze in het land van haar fiscale woonplaats onderworpen is aan de vennootschapsbelasting of aan een buitenlandse belasting van gelijke aard als die belasting, in dat land een belastingregeling geniet dat afwijkt van het gemeen recht.
   § 3. Een overeenkomst komt slechts in aanmerking als groepsbijdrage-overeenkomst indien deze aan de voorwaarden van deze paragraaf voldoet en indien deze voorwaarden ook effectief door de partijen ten uitvoer worden gebracht.
   De belastingplichtige en de in aanmerking komende binnenlandse vennootschap of de Belgische inrichting van een in aanmerking komende buitenlandse vennootschap worden als de twee partijen van de overeenkomst geïdentificeerd.
   In deze overeenkomst verbindt deze binnenlandse vennootschap of Belgische inrichting zich ertoe om het in de overeenkomst opgenomen bedrag van de groepsbijdrage overeenkomstig artikel 185, § 4, eerste lid, in de aangifte van de vennootschapsbelasting of belasting van de niet-inwoners als winst van een belastbaar tijdperk op te nemen dat verbonden is met het aanslagjaar waarop de overeenkomst betrekking heeft.
   In deze overeenkomst verbindt de belastingplichtige zich ertoe aan deze binnenlandse vennootschap of Belgische inrichting een vergoeding te betalen die gelijk is aan de vennootschapsbelasting of belasting van de niet-inwoners die verschuldigd zou zijn indien het in de overeenkomst opgenomen bedrag van de groepsbijdrage niet in mindering was gebracht van de winst van het belastbaar tijdperk.
   § 4. In het geval een in aanmerking komende buitenlandse vennootschap haar activiteiten definitief heeft stopgezet en deze activiteiten door een andere vennootschap die deel uitmaakt van dezelfde groep van vennootschappen als deze buitenlandse vennootschap niet worden overgenomen binnen drie jaar na de stopzetting ervan, kan de belastingplichtige een groepsbijdrage-overeenkomst met deze buitenlandse vennootschap sluiten indien deze aan de voorwaarden van deze paragraaf voldoet en indien deze voorwaarden ook effectief door de partijen ten uitvoer worden gebracht.
   De belastingplichtige en de in het eerste lid bedoelde in aanmerking komende buitenlandse vennootschap worden als de twee partijen van de overeenkomst geïdentificeerd.
   In deze overeenkomst wordt het bedrag van de groepsbijdrage opgenomen. Dit bedrag kan niet hoger zijn dan het overeenkomstig de bepalingen van dit Wetboek vast te stellen beroepsverlies dat in hoofde van de in het eerste lid bedoelde in aanmerking komende buitenlandse vennootschap in het belastbaar tijdperk wordt geleden waarin de activiteiten definitief werden stopgezet.
   In het geval het voormelde beroepsverlies geheel of gedeeltelijk door de buitenlandse vennootschap of door een andere persoon in aftrek kan worden genomen, wordt het in het vorige lid bedoelde beroepsverlies, beperkt tot het deel van het beroepsverlies dat niet door de buitenlandse vennootschap of door een andere persoon in aftrek kan worden genomen.
   In deze overeenkomst verbindt de belastingplichtige zich ertoe aan deze buitenlandse vennootschap een vergoeding te betalen die gelijk is aan de vennootschapsbelasting of belasting van de niet-inwoners die verschuldigd was geweest indien het in de overeenkomst opgenomen bedrag van de groepsbijdrage niet in mindering zou zijn gebracht van de winst van het belastbaar tijdperk.
   § 5. Ten einde het voordeel van de aftrek van de groepsbijdrage te rechtvaardigen, moet de belastingplichtige bij haar aangifte van de vennootschapsbelasting of belasting van niet-inwoners vennootschappen de in paragraaf 3 of 4 bedoelde overeenkomst voegen waarvan het model door de Koning wordt vastgesteld.".]1
  ----------
  (1)<W 2018-07-30/09, art. 32, 002; Inwerkingtreding : 20-08-2018>

  Art. 49. In artikel 205ter van hetzelfde Wetboek, ingevoegd bij de wet van 22 juni 2005 en gewijzigd bij de wetten van 14 april 2011, 26 juni 2013, 21 december 2013 en 28 juni 2013, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
  1° de paragrafen 1 en 2 worden vervangen als volgt :
  " § 1. Om de aftrek voor risicokapitaal voor een belastbaar tijdperk te bepalen, is het in aanmerking te nemen risicokapitaal gelijk aan een vijfde van het positieve verschil tussen :
  - het jaarlijkse bedrag van risicokapitaal dat, onder voorbehoud van de bepalingen van de §§ 2 tot 6, overeenstemt met het bedrag van het eigen vermogen van de vennootschap, aan het eind van het belastbare tijdperk, en dat overeenkomstig de wetgeving betreffende de boekhouding en de jaarrekening van ondernemingen werd bepaald en voor het bedrag waarvoor die bestanddelen op de balans voorkomen; en
  - het jaarlijkse bedrag van risicokapitaal dat, onder voorbehoud van de bepalingen van de §§ 2 tot 6, overeenstemt met het bedrag van het eigen vermogen van de vennootschap, aan het eind van het vijfde voorgaande belastbare tijdperk, en dat overeenkomstig de wetgeving betreffende de boekhouding en de jaarrekening van ondernemingen werd bepaald en voor het bedrag waarvoor die bestanddelen op de balans voorkomen.
  Het jaarlijkse bedrag aan risicokapitaal voor een belastbaar tijdperk waarin de vennootschap nog niet bestond, is voor dat belastbaar tijdperk gelijk aan nul.
  § 2. Voor de bepaling van het in aanmerking te nemen risicokapitaal worden de in § 1, eerste lid, bepaalde jaarlijkse bedragen van risicokapitaal met betrekking tot elk belastbaar tijdperk verminderd met de volgende bestanddelen aan het einde van het betrokken belastbaar tijdperk :
  1° de fiscale nettowaarde van de eigen aandelen en de financiële vaste activa die uit deelnemingen en andere aandelen bestaan;
  2° de fiscale nettowaarde van de aandelen waarvan de eventuele inkomsten in aanmerking komen om krachtens de artikelen 202 en 203 van de winst te worden afgetrokken;
  3° de netto boekwaarde van de materiële vaste activa of gedeelten ervan in zover de erop betrekking hebbende kosten op onredelijke wijze de beroepsbehoeften overtreffen;
  4° de netto boekwaarde van de bestanddelen die als belegging worden gehouden en die door de aard ervan niet bestemd zijn om een belastbaar periodiek inkomen voort te brengen;
  5° de netto boekwaarde van onroerende goederen of andere zakelijke rechten met betrekking tot dergelijke goederen waarvan natuurlijke personen die in de vennootschap een opdracht of functies als bedoeld in artikel 32, eerste lid, 1°, uitoefenen, hun echtgenoot of hun kinderen wanneer die personen of hun echtgenoot het wettelijk genot van de inkomsten van die kinderen hebben, het gebruik hebben;
  6° de in artikel 44, § 1, 1°, bedoelde uitgedrukte maar niet verwezenlijkte meerwaarden, die geen betrekking hebben op activabestanddelen als bedoeld in 3° tot 5°, de belastingkredieten voor onderzoek en ontwikkeling en de kapitaalsubsidies.";
  2° paragraaf 3 wordt opgeheven;
  3° paragraaf 4, die paragraaf 3 wordt, wordt vervangen als volgt :
  " § 3. Wanneer de in de §§ 1 en 2 bedoelde bestanddelen wijzigen tijdens het belastbaar tijdperk waarvoor de aftrek wordt toegepast, wordt het in aanmerking te nemen jaarlijkse bedrag van risicokapitaal voor dit belastbaar tijdperk bedoeld in § 1, eerste lid, eerste streepje, bepaald op basis van het bedrag op het einde van het voorgaande belastbare tijdperk en wordt dit bedrag naar gelang van het geval vermeerderd of verminderd met het bedrag van deze wijzigingen, berekend als gewogen gemiddelde en waarbij de wijzigingen geacht worden te hebben plaatsgevonden de eerste dag van de kalendermaand volgend op die waarin ze zich hebben voorgedaan.";
  4° in paragraaf 5, die paragraaf 4 wordt, worden de woorden "van paragraaf 1" vervangen door de woorden "van § 2, 1° ";
  5° de huidige paragraaf 6 wordt paragraaf 5.

  Art. 50. Artikel 205quinquies, derde lid, van hetzelfde Wetboek, hersteld bij de wet van 21 december 2013, wordt vervangen als volgt :
  "Het in het eerste en tweede lid bedoelde bedrag wordt bepaald door het tarief bedoeld in artikel 205quater te vermenigvuldigen met een vijfde van het positieve verschil tussen :
  1° het positieve verschil vastgesteld aan het einde van het belastbare tijdperk, onder voorbehoud van de bepalingen van artikel 205ter, §§ 2 tot 6, tussen enerzijds de netto boekwaarde van de activabestanddelen van de buitenlandse vaste inrichtingen, onroerende goederen of rechten bedoeld in respectievelijk het eerste en het tweede lid, en anderzijds het totaal van de passivabestanddelen die niet behoren tot het eigen vermogen van de vennootschap en die aanrekenbaar zijn op de vaste inrichtingen, onroerende goederen of rechten bedoeld in respectievelijk het eerste of tweede lid; en
  2° het positieve verschil vastgesteld aan het eind van het vijfde voorgaande belastbare tijdperk, onder voorbehoud van de bepalingen van artikel 205ter, §§ 2 tot 6, tussen enerzijds de netto boekwaarde van de activabestanddelen van de buitenlandse vaste inrichtingen, onroerende goederen of rechten bedoeld in respectievelijk het eerste en het tweede lid, en anderzijds het totaal van de passivabestanddelen die niet behoren tot het eigen vermogen van de vennootschap en die aanrekenbaar zijn op de vaste inrichtingen, onroerende goederen of rechten bedoeld in respectievelijk het eerste of tweede lid.

  Art. 51. Artikel 205novies van hetzelfde Wetboek, ingevoegd bij de wet van 22 juni 2005 en gewijzigd bij de wetten van 22 december 2009 en 18 december 2015, wordt opgeheven.

  Art. 52.In artikel 206 van hetzelfde Wetboek, vervangen bij de wet van 6 augustus 1993 en gewijzigd bij de wetten van 4 april 1995, 22 december 1998 en 11 december 2008, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
  1° paragraaf 1, tweede lid, wordt vervangen als volgt :
  "Onverminderd de toepassing van artikel 185, § 3, worden vorige beroepsverliezen van de toepassing van het eerste lid uitgesloten indien :
  - deze werden geleden door middel van buitenlandse activa waarvan de winst in toepassing van een overeenkomst tot voorkoming van dubbele belasting wordt vrijgesteld in een belastbaar tijdperk dat is aangevangen vanaf 1 januari 2020;
  - zij werden geleden in een buitenlandse inrichting waarvan de winst in toepassing van een overeenkomst tot voorkoming van dubbele belasting wordt vrijgesteld in een belastbaar tijdperk dat is aangevangen vanaf 1 januari 2020.";
  2° [1 ...]1
  3° [1 ...]1
  4° [1 ...]1
  5° [1 ...]1
  6° [1 ...]1
  ----------
  (1)<W 2018-07-30/09, art. 39, 002; Inwerkingtreding : 20-08-2018>

  Art. 53. In artikel 207 van hetzelfde Wetboek, laatstelijk gewijzigd bij de wet van 25 december 2016, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
  1° voor het eerste lid worden drie leden ingevoegd, luidende :
  "De in de artikelen 199 tot 206, 536 en 543 bedoelde aftrekken worden als volgt van de winst van het belastbare tijdperk afgetrokken.
  In eerste orde en in de hierna bepaalde volgorde, ten belope van het resterende saldo van de winst van het belastbare tijdperk :
  - de in artikel 199 bedoelde aftrekken, andere dan de investeringsaftrek;
  - de in de artikelen 202 tot 205 bedoelde aftrek, met uitsluiting van het deel van deze aftrek dat betrekking heeft op de in artikel 205, § 3, bedoelde inkomsten van een voorgaand belastbaar tijdperk die in dat tijdperk niet van de winst konden worden afgetrokken;
  - de in artikel 543 bedoelde aftrek voor octrooi-inkomsten;
  - de in de artikelen 205/1 tot 205/4 bedoelde aftrek, met uitsluiting van het deel van deze aftrek dat betrekking heeft op de in artikel 205/1, § 1, tweede lid, bedoelde inkomsten van een voorgaand belastbaar tijdperk die in dat tijdperk niet van de winst konden worden afgetrokken;
  - de investeringsaftrek.
  In tweede orde en in de hierna bepaalde volgorde, ten belope van het na toepassing van het tweede lid resterende saldo van de winst van het belastbare tijdperk :
  - de in de artikelen 205bis tot 205octies bedoelde aftrek voor risicokapitaal;
  - de aftrek van de in artikel 205, § 3, bedoelde inkomsten van een voorgaand belastbaar tijdperk die in dat of in een later tijdperk niet van de winst konden worden afgetrokken;
  - de aftrek van de in artikel 205/1, § 1, tweede lid, bedoelde inkomsten van een voorgaand belastbaar tijdperk die in dat of in een later tijdperk niet van de winst konden worden afgetrokken;
  - de in artikel 206 bedoelde vorige beroepsverliezen;
  - de in artikel 536, derde lid, bedoelde aftrek;
  - de in artikel 536, eerste en tweede lid, bedoelde aftrek.";
  2° het tweede lid wordt aangevuld met wat volgt :
  "- de in artikel 205/5 bedoelde aftrek van de groepsbijdrage.";
  3° tussen het vroegere eerste lid, dat het vierde lid wordt, en het vroegere tweede lid, dat het zevende lid wordt, worden twee leden ingevoegd, luidende :
  "Het totale bedrag van de in het derde lid bedoelde aftrekken wordt voor het belastbare tijdperk beperkt tot 1 000 000 euro, vermeerderd met 70 pct. van het gedeelte van de na toepassing van de in het tweede lid bedoelde aftrekken overblijvende winst die het bedrag van 1 000 000 euro overstijgt. De aldus beperkte aftrek wordt uitgevoerd in de in het derde lid bepaalde volgorde. De Koning regelt de wijze waarop deze aftrekken worden verricht.
  Ten name van een vennootschap die op grond van artikel 15, §§ 1 tot 6, van het Wetboek van vennootschappen als kleine vennootschap wordt aangemerkt, is het vijfde lid niet van toepassing op de in artikel 206 bedoelde verliezen, gedurende de eerste vier belastbare tijdperken vanaf haar oprichting zoals bedoeld in artikel [145.26, derde en vierde lid.]"; (Erratum, zie B.St. van 26-03-2018, p. 29514)
  4° in het vroegere tweede lid, dat het zevende lid wordt, worden de woorden "noch op de meerwaarden bedoeld in artikel 217, 3° noch op de dividenden als bedoeld in artikel 219ter" vervangen door de woorden "noch op de dividenden bedoeld in artikel 219ter, noch op het gedeelte van het resultaat dat het voorwerp uitmaakt van een wijziging van de aangifte bedoeld in artikel 346 of een aanslag van ambtswege bedoeld in artikel 351 waarvoor de in artikel 444 bedoelde belastingverhogingen tegen een percentage gelijk of hoger dan 10 pct. effectief worden toegepast, met uitzondering in dit laatste geval van de overeenkomstig artikel 205, § 2, aftrekbare inkomsten.";
  5° in het vroegere derde lid, dat het achtste lid wordt, worden tussen het eerste en het tweede streepje twee streepjes ingevoegd, luidende :
  "- in afwijking van artikel 205, § 3, de wegens geen of onvoldoende winst van de belastbare tijdperken die voorafgaan aan het eerstgenoemde tijdperk niet-verleende in de artikelen 202 tot 205 bedoelde aftrek;
  - in afwijking van artikel 205/1, § 1, tweede lid, de wegens geen of onvoldoende winst van de belastbare tijdperken die voorafgaan aan het eerstgenoemde tijdperk niet-verleende aftrek voor innovatie-inkomsten;";
  6° in het vroegere vierde lid dat het negende lid wordt, worden de woorden"op het werkelijk gebruikte bedrag," vervangen door de woorden "op het werkelijk gebruikte bedrag rekening houdend met de toepassing van het vijfde en zesde lid,".

  Art. 53/1. [1 In artikel 207 van hetzelfde Wetboek, laatstelijk gewijzigd door artikel 53, wordt tussen het zevende lid en het achtste lid, een lid ingevoegd, luidende :
   "Geen van de in de artikelen 199 tot 206, 536 en 543 bepaalde aftrekken mag worden verricht op het bedrag van de in artikel 185, § 4, eerste lid, bedoelde groepsbijdrage dat in de belastbare grondslag wordt opgenomen.".]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij W 2018-07-30/09, art. 33, 002; Inwerkingtreding : 20-08-2018>
  

  Art. 54. In artikel 215 van hetzelfde Wetboek, laatstelijk gewijzigd bij de wet van 3 augustus 2016, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
  1° het eerste en tweede lid worden vervangen als volgt :
  "Art. 215. Het tarief van de vennootschapsbelasting bedraagt 29 pct.
  Voor vennootschappen die op grond van artikel 15, §§ 1 tot 6, van het Wetboek van vennootschappen als kleine vennootschappen worden aangemerkt, wordt het tarief van de belasting op de eerste schijf van 0 tot 100 000 euro evenwel vastgesteld op 20 pct.";
  2° in het derde lid wordt de bepaling onder 3° opgeheven;
  3° in het eerste lid, vervangen bij de bepaling onder 1°, worden de woorden "29 pct." vervangen door de woorden "25 pct.";
  4° in het derde lid, wordt de bepaling onder 4° vervangen als volgt :
  "4° op vennootschappen, andere dan door de Nationale Raad van de coöperatie erkende coöperatieve vennootschappen, en andere dan de in artikel 219quinquies, § 5, bedoelde vennootschappen, die niet aan ten minste één van hun bedrijfsleiders een bezoldiging toekennen ten laste van het resultaat van het belastbaar tijdperk die ten minste gelijk is aan 45 000 euro. Indien de bezoldiging minder bedraagt dan 45 000 euro, moet deze bezoldiging ten laste van het resultaat van het belastbaar tijdperk minstens gelijk zijn aan het resultaat van het belastbaar tijdperk;".

  Art. 55.In artikel 217, eerste lid, van hetzelfde Wetboek, ingevoegd bij de wet van 29 maart 2012 en gewijzigd bij de wetten van 27 december 2012, 12 mei 2014, 19 december 2014, 18 december 2015 en 3 augustus 2016, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
  1° [1 ...]1
  2° [1 ...]1
  3° in de bepaling onder 2°, worden de woorden "waarvan de eventuele inkomsten in aanmerking komen om krachtens de artikelen 202, § 1, en 203" vervangen door de woorden "in de mate dat de eventuele inkomsten van deze aandelen in aanmerking komen om krachtens de artikelen 202, § 1 en § 2, eerste lid, 1°, en 203," en worden de woorden ", voor zover en in de mate dat deze meerwaarden niet voor het in artikel 215, tweede lid, bedoelde tarief in aanmerking komen" toegevoegd na de woorden "werden behouden";
  4° de bepaling onder 2° wordt opgeheven;
  5° de bepaling onder 3° wordt opgeheven.
  ----------
  (1)<W 2018-07-30/09, art. 40, 002; Inwerkingtreding : 20-08-2018>

  Art. 56. In titel III, hoofdstuk III, afdeling I, onderafdeling II, van hetzelfde Wetboek, wordt een artikel 217/1 ingevoegd, luidende :
  "Art. 217/1. § 1. Het tarief van de vennootschapsbelasting is evenwel gelijk aan het in het derde lid bedoelde percentage wat betreft :
  - het gedeelte van de in de artikelen 44bis, 44ter en 47 van dit Wetboek en in artikel 122, § 2, van de programmawet van 2 augustus 2002 bedoelde vrijgestelde meerwaarden dat krachtens artikel 190, vierde lid, belastbaar is geworden alvorens te worden herbelegd voor een bedrag en op de wijze als respectievelijk bedoeld in de artikelen 44bis, 44ter en 47 van dit Wetboek en in artikel 122, §§ 2 tot 4, van de programmawet van 2 augustus 2002;
  - het gedeelte van de vrijgestelde meerwaarden dat krachtens artikel 44bis, § 5, 44ter, § 5, of 47, § 6, van dit Wetboek of artikel 122, § 6, van de programmawet van 2 augustus 2002, belastbaar is geworden;
  - het gedeelte van de in artikel 48 bedoelde vrijgestelde voorzieningen dat is teruggenomen;
  - het gedeelte van de in artikel 194quater bedoelde investeringsreserve dat krachtens artikel 190, vierde lid, alvorens te worden herbelegd voor een bedrag en op de wijze bedoeld in artikel 194quater, § 3, of krachtens artikel 194quater, § 4, belastbaar is geworden.
  Het eerste lid is slechts van toepassing indien de vrijgestelde reserve of de voorziening waarop het in het eerste lid bedoelde belastbaar feit betrekking heeft, is aangelegd in een belastbaar tijdperk dat ten vroegste op 1 januari 2017 en ten laatste op 30 december 2020 afsluit.
  Het in het eerste lid vermelde tarief wordt bepaald op 33,99 pct. of 29,58 pct., naargelang het in het eerste lid bedoelde belastbare feit respectievelijk betrekking heeft op een vrijgestelde reserve of voorziening aangelegd in een belastbaar tijdperk verbonden aan de aanslagjaren 2018 en vorige, of aan de aanslagjaren 2019 en volgende.
  In geval van terugname van een voorziening worden de oudste bedragen van de voorziening geacht eerst te zijn teruggenomen.".

  Art. 57. In artikel 218, § 1, van hetzelfde Wetboek, ingevoegd bij de wet van 24 december 2002 en gewijzigd bij de wetten van 30 juli 2013 en 1 december 2016, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
  1° tussen het eerste en het tweede lid, dat het derde lid wordt, wordt een lid ingevoegd, luidende :
  "Voor de toepassing van dit artikel mag de in artikel 161 bedoelde basisrentevoet niet lager zijn dan 3 pct.";
  2° de paragraaf wordt aangevuld met een lid, luidende :
  "De bij artikel 163 bepaalde uitzondering op de vermeerdering is niet van toepassing.".

  Art. 58. In artikel 219 van hetzelfde Wetboek, vervangen bij de programmawet van 19 december 2014, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
  1° in het tweede lid worden de woorden "of dat de verdoken meerwinsten terug zijn opgenomen in de boekhouding, als bedoeld in het vierde lid, in welke gevallen de aanslag gelijk is aan 50 pct." vervangen door de woorden ", in welk geval de aanslag gelijk is aan 50 pct.";
  2° het vierde lid wordt opgeheven.

  Art. 59. In titel III, hoofdstuk III, afdeling II, van hetzelfde Wetboek, wordt een artikel 219quinquies ingevoegd, luidende :
  "Art. 219quinquies. § 1. Er wordt een afzonderlijke aanslag gevestigd in hoofde van de vennootschap die ten laste van het resultaat van het belastbaar tijdperk niet aan ten minste een van haar in artikel 32 bedoelde bedrijfsleiders een in paragraaf 2 bedoelde minimumbezoldiging heeft toegekend.
  Deze afzonderlijke aanslag staat los van, en komt in voorkomend geval bovenop andere aanslagen die overeenkomstig andere bepalingen van dit Wetboek of in voorkomend geval in invoering van bijzondere wetsbepalingen verschuldigd zijn.
  § 2. De basis van de afzonderlijke aanslag wordt gevormd door het positieve verschil tussen het in artikel 215, derde lid, 4°, bedoelde minimumbedrag van de bezoldiging enerzijds en de hoogste bezoldiging door de vennootschap aan een van haar bedrijfsleiders toegekend, anderzijds.
  § 3. Het tarief van de afzonderlijke aanslag bedraagt 5 pct.
  § 4. De afzonderlijke aanslag is het resultaat van de in paragraaf 2 bedoelde basis van de afzonderlijke aanslag, vermenigvuldigd met het in paragraaf 3 bedoelde tarief.
  § 5. Ten name van een vennootschap die op grond van artikel 15, §§ 1 tot 6, van het Wetboek van vennootschappen als kleine vennootschap wordt aangemerkt, is dit artikel niet van toepassing gedurende de eerste vier belastbare tijdperken vanaf haar oprichting zoals bedoeld in artikel [14526, derde en vierde lid]. (Erratum, zie B.St. van 26-03-2018, p. 29514)
  § 6. Ten name van verbonden vennootschappen in de zin van artikel 11 van het Wetboek van vennootschappen waarvan minstens de helft van de bedrijfsleiders dezelfde personen zijn in ieder van de betrokken vennootschappen, kan voor de toepassing van dit artikel het totaal van de door deze vennootschappen aan een van diezelfde personen gestorte bezoldigingen gezamenlijk in aanmerking worden genomen. Het totaal van het in artikel 215, derde lid, 4°, bedoelde bedrag van de minimum bezoldiging wordt in dat geval op 75 000 euro gebracht.
  De afzonderlijke aanslag is in het geval bedoeld in het eerste lid verschuldigd door de vennootschap met het hoogste belastbaar resultaat, onder de bedoelde verbonden vennootschappen die niet voldoen aan de bezoldigingsvoorwaarde bedoeld in artikel 215, derde lid, 4°. ".

  Art. 60.
  <Opgeheven bij W 2018-07-30/09, art. 41, 002; Inwerkingtreding : 20-08-2018>

  Art. 61. In artikel 229 van hetzelfde Wetboek, gewijzigd bij de wetten van 28 juli 1992, 11 december 2008, 22 december 2009, 14 april 2011, 13 december 2012 en 9 februari 2017, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
  1° paragraaf 2 wordt vervangen als volgt :
  "Een Belgische inrichting is eveneens de vertegenwoordiger of andere tussenpersoon die in België optreedt voor een buitenlandse onderneming, zelfs wanneer die persoon geen machtiging bezit om namens die onderneming overeenkomsten te sluiten.
  In afwijking van het eerste lid is er geen sprake van een Belgische inrichting indien de persoon die voor de buitenlandse onderneming optreedt, in België een bedrijf uitoefent als een onafhankelijke tussenhandelaar en voor de onderneming in de normale uitoefening van dat bedrijf optreedt. Een persoon die uitsluitend of bijna uitsluitend optreedt voor een of meer ondernemingen waarmee hij nauw verbonden is, wordt niet geacht een onafhankelijke tussenhanderlaar te zijn.
  Voor de toepassing van het tweede lid wordt een persoon geacht nauw verbonden te zijn met een onderneming indien uit alle relevante feiten en omstandigheden blijkt dat de ene zeggenschap heeft in de andere of dat ze beiden onder zeggenschap staan van dezelfde personen of ondernemingen. In alle gevallen wordt een persoon geacht nauw verbonden te zijn met een onderneming indien de ene rechtstreeks of onrechtstreeks meer dan 50 pct. bezit van het uiteindelijke belang in de andere persoon, of, in het geval van een vennootschap, meer dan 50 pct. bezit van het totale aantal stemmen en de waarde van de aandelen van de vennootschap of van het uiteindelijk belang in het vermogen van de vennootschap, of indien een andere persoon rechtstreeks of onrechtstreeks meer dan 50 pct. bezit van het uiteindelijk belang, of, in het geval van een vennootschap, meer dan 50 pct. bezit van het totale aantal stemmen en de waarde van de aandelen van de vennootschap of van het uiteindelijke belang in het vermogen van de vennootschap, in de persoon en in de onderneming.";
  2° het artikel wordt aangevuld met een paragraaf 5, luidende :
  " § 5. Wat de in artikel 227, 2°, bedoelde belastingplichtigen betreft, worden in het geval van een in het tweede lid bedoelde overdracht van een of meerdere in het buitenland gelegen bestanddelen, de later gerealiseerde meerwaarden, minderwaarden, afschrijvingen en waardeverminderingen wat deze activa betreft, vastgesteld uitgaande van de werkelijke waarde die zij hebben op het ogenblik van de verrichting.
  Het toepassingsgebied van het eerste lid strekt zich uit tot de volgende verrichtingen :
  1° de overdracht van een of meerdere bestanddelen van het actief van de maatschappelijke zetel, de voornaamste inrichting of de zetel van bestuur of beheer van een buitenlandse vennootschap naar een Belgische inrichting;
  2° de overdracht van een of meerdere bestanddelen van het actief van een buitenlandse inrichting naar een Belgische inrichting, voor zover deze buitenlandse inrichting en deze Belgische inrichting deel uitmaken van dezelfde buitenlandse vennootschap;
  3° de overdracht van een of meerdere bestanddelen van het actief die blijvend worden aangewend door een buitenlandse inrichting van een buitenlandse vennootschap in het geval deze inrichting naar België wordt verplaatst en ten gevolge hiervan wordt beschouwd als een Belgische inrichting.
  Indien de waarde van deze bestanddelen naar aanleiding van een in het tweede lid bedoelde verrichting werden vastgesteld door de Staat waar deze bestanddelen op het ogenblik van de verrichting waren gelegen, en de niet gerealiseerde meerwaarde op deze bestanddelen ten gevolge van deze verrichtingen daadwerkelijk door deze Staat in de belastinggrondslag worden opgenomen, wordt de door deze Staat vastgestelde waarde vermoed overeen te stemmen met de werkelijke waarde ervan, tenzij kan worden aangetoond dat de door deze Staat vastgestelde waarde hoger is dan de werkelijke waarde.
  Het derde lid is enkel van toepassing voor wat de bestanddelen betreft die voor de verrichting gelegen waren in een Staat waarmee België een akkoord of overeenkomst heeft gesloten of die met België deelneemt aan een ander bilateraal of multilateraal gesloten juridisch instrument, op voorwaarde dat deze overeenkomst, dit akkoord of dit juridisch instrument de uitwisseling van inlichtingen mogelijk maakt met het oog op de toepassing van het interne recht van de overeenkomst sluitende Staten.
  Indien het derde lid niet van toepassing is :
  - wordt de werkelijke waarde vermoed overeen te stemmen met de aanschaffings- of beleggingswaarde verminderd met de waardeverminderingen en afschrijvingen die zich overeenkomstig de bepalingen van dit Wetboek hebben voorgedaan van die bestanddelen, tenzij de werkelijke waarde van de in het eerste lid bedoelde bestanddelen kan worden aangetoond;
  - worden, in afwijking van het eerste lid, de afschrijvingen met betrekking tot de op het moment van de verrichting in het buitenland gelegen bestanddelen evenwel slechts in aanmerking genomen in de mate dat zij zijn gegrond op de aanschaffings- of beleggingswaarde;
  - worden, in afwijking van het eerste lid, de later gerealiseerde minderwaarden of waardeverminderingen op deze bestanddelen vastgesteld uitgaande van de aanschaffings-of beleggingswaarde ervan verminderd met de waardeverminderingen en afschrijvingen die zich overeenkomstig de bepalingen van dit Wetboek hebben voorgedaan.".

  Art. 62. In artikel 231, § 1, 3°, van hetzelfde Wetboek, gewijzigd bij de wet van 28 juli 1992; worden de woorden "niet in artikel 228, § 2, 3°, b, vermelde" en de woorden "uit verrichtingen door bemiddeling van een vertegenwoordiger die er enkel de bestellingen van de cliënteel inzamelt en ze aan de onderneming doet toekomen zonder deze te verbinden, of" opgeheven.

  Art. 63. In artikel 234, eerste lid, van hetzelfde Wetboek, laatstelijk gewijzigd bij de wet van 25 december 2016, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
  1° in de bepaling onder 6° worden de woorden "eerste tot negende lid" vervangen door de woorden "eerste tot twaalfde lid";
  2° in de bepaling onder 7° worden de woorden "eerste tot negende lid" vervangen door de woorden "eerste tot twaalfde lid".

  Art. 64. In artikel 235, 2°, van hetzelfde Wetboek, gewijzigd bij de wetten van 21 juni 2004, 8 juni 2008 en 22 december 2008, worden de woorden "in de artikelen 183, 185, § 2, 185ter, 185quater en 190 tot 208;" vervangen door de woorden "in de artikelen 183, 185, § 2, 185quater en 190 tot 208;".

  Art. 65. Artikel 239 van hetzelfde Wetboek wordt opgeheven.

  Art. 66. In artikel 239/1 van hetzelfde Wetboek, ingevoegd bij de wet van 3 augustus 2016, worden de woorden "vierde en vijfde" vervangen door de woorden "negende en tiende".

  Art. 67. In artikel 246, eerste lid, van hetzelfde Wetboek, gewijzigd bij de wetten van 30 maart 1994, 30 januari 1996, 22 december 1998, 4 mei 1999, 27 december 2006, 11 mei 2007, 29 maart 2012, 30 juli 2013 en 16 december 2014, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
  1° in de bepaling onder 1°, worden de woorden "en 217" vervangen door de woorden ", 217 en 217/1";
  2° in de bepaling onder 2°, worden de woorden "of dat de verdoken meerwinsten terug zijn opgenomen in de boekhouding overeenkomstig artikel 219, vierde lid, in welke gevallen" vervangen door de woorden "in welk geval".

  Art. 68. In artikel 264 van hetzelfde Wetboek, gewijzigd bij de wetten van 6 juli 1994, 24 december 2002, 27 december 2004 en 22 december 2009 en bij het koninklijk besluit van 3 maart 2011, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
  1° het eerste lid, 3°, wordt aangevuld met een bepaling onder c, luidende :
  "c) aan de winst die voorheen werd belast ten belope van de in artikel 18, § 1, eerste lid, 2° en 2° bis, bedoelde bedragen, die overeenkomstig het tweede tot zesde lid van hetzelfde artikel op de gereserveerde winst werden aangerekend.".
  2° tussen het eerste lid en het tweede lid, dat het vierde lid wordt, worden twee leden ingevoegd, luidende :
  "Het eerste lid, 3°, c, is niet van toepassing op de in artikel 18, eerste lid, 2° ter, bedoelde bedragen.
  Voor de toepassing van de in het eerste lid, 3°, c, bedoelde vrijstelling worden de opnemingen van gereserveerde winsten geacht bij voorrang voort te komen uit de gereserveerde winsten die niet het onderwerp hebben uitgemaakt van zulke aanrekening.".

  Art. 69. In titel VI, hoofdstuk I, afdeling III, onderafdeling II, van hetzelfde Wetboek, wordt een artikel 264/1 ingevoegd, luidende :
  "Art. 264/1. § 1. De roerende voorheffing is niet verschuldigd op de in artikel 202, § 1, 1° en 2°, bedoelde dividenden waarvan de schuldenaar een Belgische vennootschap is en waarvan de verkrijger een vennootschap is die gevestigd is in een andere lidstaat van de Europese Economische Ruimte dan België of in een Staat waarmee België een overeenkomst ter voorkoming van dubbele belasting heeft gesloten, op voorwaarde dat deze overeenkomst of enig ander verdrag in de uitwisseling van inlichtingen voorziet die nodig zijn om uitvoering te geven aan de bepalingen van de nationale wetten van de overeenkomstsluitende Staten.
  Dit artikel is evenwel slechts van toepassing indien op de datum van toekenning of betaalbaarstelling van de in het eerste lid bedoelde dividenden de verkrijger in het kapitaal van de schuldenaar een deelneming van minder dan 10 pct. bezit waarvan de aanschaffingswaarde ten minste 2 500 000 euro bedraagt en deze deelneming gedurende een ononderbroken periode van ten minste één jaar in volle eigendom wordt of werd behouden.
  Dit artikel is slechts van toepassing in de mate dat de roerende voorheffing, die verschuldigd zou zijn in het geval de bij dit artikel bepaalde vrijstelling niet zou bestaan, niet zou kunnen worden verrekend noch worden terugbetaald in hoofde van de verkrijger.
  Dit artikel is slechts van toepassing indien de schuldenaar en de verkrijger vennootschappen zijn die :
  - een rechtsvorm hebben die in de bijlage I, deel A, van de richtlijn van de Raad van 30 november 2011 (2011/96/EU) betreffende de gemeenschappelijke fiscale regeling voor moedermaatschappijen en dochter-ondernemingen uit verschillende lidstaten, gewijzigd door de richtlijn van de Raad van 8 juli 2014 (2014/86/EU) wordt genoemd of een rechtsvorm hebben die vergelijkbaar is met de rechtsvormen die zijn genoemd in die bijlage en die wordt beheerst door het recht van een andere lidstaat van de Europese Economische Ruimte of door het recht van een Staat waarmee België een overeenkomst ter voorkoming van dubbele belasting heeft gesloten;
  - zijn onderworpen aan de vennootschapsbelasting of aan een gelijksoortige belasting als de vennootschapsbelasting zonder te genieten van een belastingstelsel dat afwijkt van het gemeen recht.
  § 2. De vrijstelling wordt slechts toegestaan indien de schuldenaar van de dividenden in het bezit is van een attest dat bevestigt :
  1° dat de verkrijger een rechtsvorm heeft die in de bijlage I, deel A, van de richtlijn van de Raad van 30 november 2011 (2011/96/EU) betreffende de gemeenschappelijke fiscale regeling voor moedermaatschappijen en dochter-ondernemingen uit verschillende lidstaten, gewijzigd door de richtlijn van de Raad van 8 juli 2014 (2014/86/EU) wordt genoemd of een rechtsvorm heeft die vergelijkbaar is met de rechtsvorm die zijn genoemd in die bijlage en die wordt beheerst door het recht van een andere lidstaat van de Europese Economische Ruimte of door het recht van een Staat waarmee België een overeenkomst ter voorkoming van dubbele belasting heeft gesloten;
  2° dat de verkrijger onderworpen is aan de vennootschapsbelasting of aan een gelijksoortige belasting als de vennootschapsbelasting zonder te genieten van een belastingstelsel dat afwijkt van het gemeen recht;
  3° dat de verkrijger in het kapitaal van de schuldenaar een deelneming van minder dan 10 pct. bezit waarvan de aanschaffingswaarde ten minste 2 500 000 euro bedraagt;
  4° dat de dividenden betrekking hebben op aandelen die gedurende een ononderbroken periode van ten minste één jaar in volle eigendom worden of werden behouden;
  5° in welke mate, voor de verkrijgende vennootschap, de roerende voorheffing, die verschuldigd zou zijn in het geval de bij dit artikel bepaalde vrijstelling niet zou bestaan, in beginsel verrekenbaar of terugbetaalbaar is op grond van de wettelijke bepalingen die gelden op 31 december van het jaar voorafgaand aan de toekenning of betaalbaarstelling van het in paragraaf 1, eerste lid, bedoelde dividend;
  6° wat de volledige naam, de rechtsvorm, het adres en in voorkomend geval het fiscaal identificatienummer van de verkrijgende vennootschap is.

  Art. 70. Artikel 269/1 van hetzelfde Wetboek, ingevoegd bij de wet van 18 december 2015 en gewijzigd bij de wet van 3 augustus 2016, wordt opgeheven.

  Art. 71. In artikel 2753 van hetzelfde Wetboek, ingevoegd bij de wet van 23 december 2005 en gewijzigd bij de wetten van 27 december 2006, 25 april 2007, 8 juni 2008, 24 juli 2008, 27 maart 2009, 21 december 2009, 17 juni 2013, 21 december 2013 en 18 december 2015, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
  1° in paragraaf 1, derde lid, worden in de bepaling onder 3°, de woorden "in § 2," vervangen door de woorden "in § 2, 1° of 2°, ";
  2° in paragraaf 1, worden tussen het vijfde en het zesde lid, dat het negende lid wordt, drie leden ingevoegd, luidende :
  "Eenzelfde vrijstelling van storting van de bedrijfsvoorheffing ten belope van 40 pct. van die bedrijfsvoorheffing wordt toegekend aan ondernemingen die bezoldigingen uitbetalen of toekennen aan onderzoekers die zijn tewerkgesteld in onderzoeks- of ontwikkelingsprojecten of -programma's en die een in § 2, 3° of 4°, bedoeld diploma hebben.
  Het totale bedrag van de vrijstelling van storting van de bedrijfsvoorheffing die toegekend wordt aan de ondernemingen die bezoldigingen uitbetalen of toekennen aan onderzoekers die zijn tewerkgesteld in onderzoeks- of ontwikkelingsprojecten of -programma's en die een in § 2, 3° of 4°, bedoeld diploma hebben, is evenwel beperkt tot 25 pct. van het totale bedrag van de vrijstelling van storting van de bedrijfsvoorheffing voor de ondernemingen die bezoldigingen uitbetalen of toekennen aan onderzoekers die zijn tewerkgesteld in onderzoeks- of ontwikkelingsprojecten of -programma's en die een in § 2, 1° of 2°, bedoeld diploma hebben.
  Het percentage van de in het zevende lid bedoelde beperking wordt evenwel verdubbeld voor de vennootschappen die op grond van artikel 15, §§ 1 tot 6, van het Wetboek van vennootschappen als kleine vennootschappen worden aangemerkt voor het aanslagjaar dat verbonden is aan het belastbaar tijdperk waarin de bezoldigingen zijn betaald.";
  3° in paragraaf 1 wordt het zesde lid, dat door het 2° is ingevoegd, opgeheven;
  4° in paragraaf 1, zesde lid, dat het negende lid wordt, worden in de bepaling onder het vierde streepje de woorden "in het derde lid, 3°, " vervangen door de woorden "in het derde lid, 3°, en zesde lid,";
  5° in de inleidende zin van paragraaf 2, worden de woorden "in § 1, derde lid, 3°, " vervangen door de woorden "in § 1, derde lid, 3°, en zesde lid,";
  6° in paragraaf 2, 2°, wordt de bepaling onder a), vervangen als volgt :
  "a) voor de Vlaamse gemeenschap :
  - wetenschappen;
  - toegepaste wetenschappen;
  - toegepaste biologische wetenschappen;
  - geneeskunde;
  - diergeneeskunde;
  - farmaceutische wetenschappen;
  - biomedische wetenschappen;
  - industriële wetenschappen en technologie;
  - nautische wetenschappen;
  - biotechniek;
  - architectuur;
  - productontwikkeling;";
  7° paragraaf 2 wordt aangevuld met de bepalingen onder 3° en 4°, luidende :
  "3° ofwel, een diploma van academische bachelor of een gelijkwaardig diploma in de studiegebieden of combinaties van studiegebieden bedoeld in de bepaling onder 2° ;
  4° ofwel, een diploma van professionele bachelor of een gelijkwaardig diploma in de studiegebieden of combinaties van studiegebieden van :
  a) voor de Vlaamse gemeenschap :
  - biotechniek;
  - gezondheidszorg;
  - industriële wetenschappen en technologie;
  - nautische wetenschappen;
  - handelswetenschappen en bedrijfskunde, evenwel beperkt tot de opleidingen die in hoofdzaak zijn gericht op informatica en innovatie;
  b) voor de Franstalige Gemeenschap :
  - paramedisch;
  - techniek, evenwel beperkt tot de opleidingen die in hoofdzaak gericht zijn op biotechniek, industriële wetenschappen, technologie, nautische wetenschappen, productontwikkeling en informatica.";
  8° het artikel wordt aangevuld met een paragraaf 4, luidende :
  " § 4. De Koning kan de voorwaarden en de wijze bepalen waarop de in § 1, tweede lid, bedoelde wetenschappelijke instellingen worden erkend.".

  Art. 72. In artikel 289quater, tweede lid, van hetzelfde Wetboek, ingevoegd bij de wet van 23 december 2005, worden de woorden ", verhoogd met de in artikel 463bis vermelde aanvullende crisisbijdrage" opgeheven.

  Art. 73.[1 Artikel 292 van hetzelfde Wetboek, gewijzigd bij de wetten van 22 juli 1993 en 4 mei 1999, wordt aangevuld met twee leden, luidende :
   "De in het eerste lid bedoelde verrekenbare sommen worden niet verrekend met het bedrag van de in artikel 185, § 4, eerste lid, bedoelde groepsbijdrage dat in de belastbare grondslag wordt opgenomen.
   In afwijking van het eerste lid wordt het forfaitair gedeelte van de buitenlandse belasting slechts verrekend tot het aandeel van de vennootschapsbelasting dat betrekking heeft op de belastbare netto-inkomsten die voortkomen uit een hybride overdracht. Die netto-inkomsten bestaan uit het verschil tussen de inkomsten die zijn verkregen in het kader van die hybride overdracht en de eventuele betalingen die eveneens in het kader van die hybride overdracht moesten gedaan worden.".]1
  ----------
  (1)<W 2018-07-30/09, art. 34, 002; Inwerkingtreding : 20-08-2018>

  Art. 73/1. [1 Artikel 307, § 1/2, van hetzelfde Wetboek, ingevoegd bij de wet van 25 december 2017, wordt aangevuld met drie leden, luidende :
   "De belastingplichtigen onderworpen aan de vennootschapsbelasting of, overeenkomstig artikel 227, 2°, aan de belasting van niet-inwoners, zijn eveneens gehouden aangifte te doen van :
   - het bestaan van een in artikel 185/2, § 1 bedoelde buitenlandse vennootschap waarvan de winst geheel of gedeeltelijk in toepassing van dat artikel in hoofde van de belastingplichtige wordt belast;
   - het bestaan van een in artikel 185/2, § 3 bedoelde buitenlandse inrichting waarvan de winst in toepassing van dat artikel geheel of gedeeltelijk niet wordt toegerekend aan deze buitenlandse inrichting.
   In het geval in de aangifte het bestaan wordt gemeld van een in artikel 185/2, § 1 bedoelde buitenlandse vennootschap wordt eveneens de volledige naam, de rechtsvorm, het adres en in voorkomend geval het identificatienummer van deze buitenlandse vennootschap vermeld.
   In het geval in de aangifte het bestaan wordt gemeld van een in artikel 185/2, § 3, bedoelde buitenlandse inrichting wordt eveneens het adres en in voorkomend geval het identificatienummer van deze buitenlandse inrichting vermeld.".]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij W 2018-07-30/09, art. 37, 002; Inwerkingtreding : 20-08-2018>
  

  Art. 74. Artikel 342 van hetzelfde Wetboek, gewijzigd bij de wet van 11 juli 2005, wordt aangevuld met een paragraaf 4, luidende :
  " § 4. Bij niet-aangifte of laattijdige overlegging van de aangifte door een onderneming onderworpen aan de vennootschapsbelasting of de belasting der niet-inwoners overeenkomstig artikel 227, 2°, wordt het minimum van de belastbare winst vastgesteld op 34 000 euro.
  Dit bedrag wordt bij herhaalde inbreuken verhoogd volgens een schaal waarvan de trappen, gaande van 25 pct. minimum tot 200 pct. maximum, door de Koning worden vastgesteld.".

  Art. 75. In artikel 342, § 4, van hetzelfde Wetboek, ingevoegd bij artikel 74 van deze wet, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
  1° In het eerste lid worden de woorden "34 000 euro." worden vervangen door de worden "40 000 euro.";
  2° de paragraaf wordt aangevuld met een lid, luidende :
  "Het minimum van de belastbare winst wordt jaarlijks geïndexeerd volgens de regels van artikel 178, § 2, met dien verstande dat het bedrag van 40 000 euro eerst wordt gedeeld door de indexeringscoëfficiënt die van toepassing is voor aanslagjaar 2020 waarna het resultaat wordt afgerond tot het hogere of lagere veelvoud van 100 euro naargelang de cijfers van de eenheden en tientallen al dan niet 50 bereiken.".

  Art. 76. In artikel 413/1, § 1, eerste lid, van hetzelfde Wetboek, ingevoegd bij de wet van 1 december 2016 wordt een bepaling onder 1° /1 ingevoegd, luidende :
  "1° /1 de in artikel 185/1 bedoelde meerwaarde;".

  Art. 77. In artikel 414, § 1, van hetzelfde Wetboek, gewijzigd bij de wetten van 28 juli 1992, 28 december 1992, 22 december 1998, 15 maart 1999 en 17 februari 2000, bij het koninklijke besluit van 13 juli 2001 en bij de wetten van 20 juni 2002 en 1 december 2016, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
  1° in het eerste lid, worden de woorden "de wettelijke interest" vervangen door de woorden "in afwijking van artikel 2, § 2, van de wet van 5 mei 1865 betreffende de lening tegen intrest, een interest aan een rentevoet zoals bepaald overeenkomstig het tweede lid";
  2° tussen het eerste en het tweede lid worden twee leden ingevoegd, luidende :
  "Deze rentevoet wordt jaarlijks aangepast en komt overeen met het gemiddelde van de referte-indexen J met betrekking tot de lineaire obligaties op 10 jaar van de maanden juli, augustus en september van het laatste jaar dat het jaar waarin de rentevoet van toepassing is voorafgaat, zonder dat deze minder dan 4 pct. of meer dan 10 pct. mag bedragen. Deze indexen worden door het Federaal Agentschap van de Schuld bekendgemaakt, als bedoeld in artikel 8, van het koninklijk besluit van 14 september 2016 betreffende de kosten, de percentages, de duur en de terugbetalingsmodaliteiten van kredietovereenkomsten onderworpen aan boek VII van het Wetboek van economisch recht en de vaststelling van referte-indexen voor de veranderlijke rentevoeten inzake hypothecaire kredieten en de hiermee gelijkgestelde consumentenkredieten.
  De Federale Overheidsdienst Financiën maakt via een bericht in het Belgisch Staatsblad, in het laatste trimester van elk jaar de te gebruiken rentevoet voor het volgende kalenderjaar bekend op grond van de bepalingen van het tweede lid.".

  Art. 78. In artikel 416 van hetzelfde Wetboek, gewijzigd bij de wetten van 2 augustus 2002, 24 december 2002, 14 januari 2003, 22 december 2003, 17 mei 2004, 25 april 2007, 26 mei 2016 en 9 februari 2017, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
  1° in het eerste lid worden de woorden "van dit Wetboek of artikel 122, § 6, van de programmawet van 2 augustus 2002," ingevoegd tussen de woorden "of 47, § 6," en de woorden "belastbaar geworden meerwaarden";
  2° tussen het eerste en het tweede lid, wordt een lid ingevoegd, luidende :
  "In afwijking van artikel 414 en onverminderd de toepassing van de artikelen 444 en 445, is op het gedeelte van de belasting dat proportioneel verband houdt met de krachtens artikel 190, vierde lid, van dit Wetboek, belastbaar geworden meerwaarden bedoeld in de artikelen 44bis, 44ter en 47 van dit Wetboek en in artikel 122, § 2, van de programmawet van 2 augustus 2002, wanneer nog niet is herbelegd voor een bedrag en op de wijze respectievelijk bedoeld in de artikelen 44bis, 44ter en 47 van dit Wetboek en in artikel 122, §§ 2 tot 4, van de programmawet van 2 augustus 2002, een nalatigheidsintrest verschuldigd, berekend overeenkomstig artikel 414 van dit Wetboek, vanaf 1 januari van het jaar waarnaar het aanslagjaar wordt genoemd waarvoor de vrijstelling werd toegestaan.".

  Art. 79. Artikel 418 van hetzelfde Wetboek, gewijzigd bij de wetten van 22 december 1998, 15 maart 1999 en 20 juni 2002, wordt vervangen als volgt :
  "Art. 418. Bij terugbetaling van belastingen, voorheffingen, voorafbetalingen, nalatigheidsinterest, belastingverhogingen of administratieve boeten wordt een moratoriuminterest toegekend tegen een rentevoet zoals bepaald overeenkomstig het tweede lid, te rekenen van de eerste dag van de maand volgend op deze waarin de administratie in gebreke werd gesteld door een aanmaning of door een andere daarmee gelijkstaande akte.
  Deze rentevoet is gelijk aan de overeenkomstig artikel 414, § 1, tweede lid, berekende rentevoet, verminderd met 2 procentpunt.
  Die interest wordt per kalendermaand berekend op het bedrag van elke betaling, afgerond op het lagere veelvoud van 10 euro; de maand waarin de terugbetaling wordt voldaan, wordt niet meegerekend.".

  Art. 80. In artikel 419 van hetzelfde Wetboek, gewijzigd bij de wet van 15 maart 1999 en bij de koninklijke besluiten van 20 juli 2000 en 13 juli 2001, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
  1° in het eerste lid, wordt de bepaling onder 1° aangevuld met de woorden ", per aanslag, voor eenzelfde aanslagjaar;";
  2° het eerste lid wordt aangevuld met een bepaling onder 6°, luidende :
  "6° wanneer de administratie redelijkerwijze in de onmogelijkheid verkeerde om de terugbetaling te voldoen, omwille van onder meer de afwezigheid van gegevens over de identiteit of de bankgegevens van de begunstigde of begunstigden en dit, tijdens de periode die zich uitstrekt van de eerste dag van de maand volgend op deze waarin de terugbetaling zou moeten zijn voldaan indien de administratie over de noodzakelijke gegevens had beschikt tot het einde van de tweede maand volgend op deze waarin de ingebrekestelling werd verstuurd aan de administratie, en op voorwaarde dat deze onmogelijkheid ophield te bestaan.";
  3° het tweede lid wordt vervangen als volgt :
  "Wanneer de terugbetaling plaatsheeft na het verstrijken van de in het eerste lid, 3°, vastgestelde termijn, is de moratoriuminterest verschuldigd vanaf de eerste dag van de maand volgend op deze waarin de administratie in gebreke werd gesteld door een aanmaning of door een andere daarmee gelijkstaande akte.".

  Art. 81. Artikel 445, § 1, vijfde lid, van hetzelfde Wetboek, laatstelijk gewijzigd bij de programmawet van 1 juli 2016, wordt vervangen als volgt :
  "Geen boete wordt toegepast wanneer de belastingplichtige aantoont dat het bedrag van de kosten, bedoeld in artikel 57, of van de voordelen van alle aard bedoeld in de artikelen 31, tweede lid, 2°, en 32, tweede lid, 2°, begrepen is in een door de verkrijger overeenkomstig artikel 305 ingediende aangifte of in een door de verkrijger in het buitenland ingediende gelijkaardige aangifte.".

  Art. 82. In artikel 463bis, van hetzelfde Wetboek, vervangen bij de wet van 12 augustus 2000 en gewijzigd bij de wetten van 24 december 2002, 11 mei 2007, 30 juli 2013, 19 december 2014 en 10 augustus 2015, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
  1° in de inleidende zin van paragraaf 1, eerste lid, worden de woorden "3 opcentiemen" vervangen door de woorden "2 opcentiemen";
  2° in paragraaf 3 worden de woorden "artikelen 217, eerste lid, 4°, en 246, derde lid" vervangen door de woorden "artikelen 217, eerste lid, 4°, 217/1, en 246, derde lid".

  Art. 83. Titel VIIbis van hetzelfde Wetboek, met als opschrift "Aanvullende crisisbijdrage", die het artikel 463bis bevat, ingevoegd bij de wet van 22 juli 1993 en gewijzigd bij de wetten van 12 augustus 2000, 24 december 2002, 11 mei 2007 en 30 juli 2013 en bij artikel 82 van deze wet, wordt opgeheven.

  Art. 84.In artikel 519ter van hetzelfde Wetboek, ingevoegd bij de wet van 25 april 2007, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
  a) in de inleidende zin van paragraaf 1, eerste lid, worden de woorden "aanslagjaren 2008 tot 2010" vervangen door de woorden "aanslagjaren 2021 en 2022" en wordt het woord "verlaagd" vervangen door de woorden "verlaagd tot 15 pct.";
  b) in paragraaf 1, eerste lid, 2°, worden de woorden "artikelen 44bis en 47 van dit wetboek en in artikel 115, § 2" vervangen door de woorden "artikelen 44bis, 44ter en 47 van dit Wetboek en in artikel 122, § 2" en worden de woorden "aan het aanslagjaar 2004 verbonden belastbaar tijdperk" vervangen door de woorden "laatste belastbare tijdperk dat afsluit vóór 1 januari 2017";
  c) [1 paragraaf 1, eerste lid, wordt aangevuld met de volgende bepalingen :
   "3° met betrekking tot de belastbare opnemingen op de in artikel 190bis bedoelde vrijgestelde bedragen die bestonden op het einde van het laatste belastbare tijdperk dat afsluit vóór 1 januari 2017;
   4° met betrekking tot de overeenkomstig artikel 193quater, § 2, derde lid, belastbare opnemingen, die zijn verricht op de overeenkomstig artikel 67 van de wet van 26 maart 1999 betreffende het Belgisch actieplan voor de werkgelegenheid 1998 en houdende diverse bepalingen, zoals het bestond voordat het door artikel 87 van de wet van 25 december 2017 tot hervorming van de vennootschapsbelasting werd opgeheven, in een belastbaar tijdperk dat afsluit vóór 1 januari 2017 vrijgestelde winst;
   5° met betrekking tot de belastbare opnemingen op de in een belastbaar tijdperk dat afsluit vóór 1 januari 2017 gevormde investeringsreserve bedoeld in artikel 194quater [2 ...]2, voor zover § 4, tweede lid, van dat artikel geen toepassing meer kan vinden.";]1
  d) paragraaf 1, tweede lid, wordt opgeheven;
  e) in paragraaf 1, derde lid, worden de woorden "De in het eerste lid vermelde tarieven worden bovendien voor de aanslagjaren 2008 tot 2010 verlaagd tot respectievelijk 10 pct., 12 pct. en 14 pct." vervangen door de woorden "Het in het eerste lid bedoelde tarief wordt bovendien verlaagd tot 10 pct.", worden de woorden "aan het desbetreffende aanslagjaar verbonden" opgeheven en worden de woorden ", die niet als herbelegging worden aangemerkt krachtens de artikelen 44bis, 44ter, 47 en 194quater en die voorheen nog niet in aanmerking werden genomen voor de toepassing van deze bepaling" vervangen door de woorden "en die niet als herbelegging of besteding worden aangemerkt krachtens de artikelen 44bis, 44ter, 47 en 205/4, § 5, van dit Wetboek en artikel 122, § 2, van de programmawet van 2 augustus 2002";
  f) in paragraaf 3 worden de woorden "bij de artikelen 157 tot 159, 161 tot 164 en 166 tot 168" vervangen door de woorden "in artikel 218";
  g) paragraaf 4 wordt opgeheven.
  ----------
  (1)<W 2018-07-30/09, art. 35, 002; Inwerkingtreding : 20-08-2018>
  (2)<W 2019-05-02/10, art. 46, 006; Inwerkingtreding : 25-05-2019>

  Art. 85. In artikel 536 van hetzelfde Wetboek, ingevoegd bij de wet van 13 december 2012 en gewijzigd bij de programmawet van 10 augustus 2015 en bij de wet van 3 augustus 2016, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
  1° het tweede lid wordt opgeheven;
  2° in het derde lid, dat het tweede lid wordt, worden de woorden "na de andere in de artikelen 199 tot 206 bepaalde aftrekken," vervangen door de woorden "na de andere in de artikelen 199 tot 205/4, 206 en 543 bepaalde aftrekken,".

  Art. 86.A. De artikelen 5, 1°, 6, 1°, 11, 1°, 3° en 4°, 13 tot 15, 17, 1°, 21, 1°, 24 tot 26, 28, 29, 30, 1°, 3°, en 5°, 31, 1°, 32, 37, 39, 1° en 3°, 41, 1° tot 4°, 43, 1°, 44, 1°, 45, 46, 49, 50, 52, 2° tot 6°, 53, 1° en 3° tot 6°, 54, 1°, 2° en 4°, 55, 1°, 3° en 5°, 56, 57, 59, 66, 67, 1°, 74, 78, 82 en 85 treden in werking op 1 januari 2018 en zijn van toepassing vanaf aanslagjaar 2019 verbonden aan een belastbaar tijdperk dat ten vroegste aanvangt op 1 januari 2018.
  B1. De artikelen 3, [1 18, 1°, 2° en 4°]1, 20, 33, [2 34, 36, 39, 5° tot 15°, 40]2, [1 44, 2° en 3°]1, 47, 48, [1 53, 2°, 53/1, 73 en 73/1]1 treden in werking op 1 januari 2019 en zijn van toepassing vanaf aanslagjaar 2020 verbonden aan een belastbaar tijdperk dat ten vroegste aanvangt op 1 januari 2019.
  B2. De artikelen [6 ...]6 7, 8, 10, 11, 2°, 18, 3°, [5 ...]5 21, 2°, 22, 23, 27, 30, 2°, 4° en 6°, [6 ...]6 [2 39, [4 ...]4 4°]2, 41, 5°, 42, 51, 52, 1°, 54, 3°, [1 55, 4°]1, 58, [1 ...]1 61, 1°, 62 tot 65, 67, 2°, 72, 75, 1°, 81, 83 en 84 treden in werking op 1 januari 2020 en zijn van toepassing vanaf aanslagjaar 2021 verbonden aan een belastbaar tijdperk dat ten vroegste aanvangt op 1 januari 2020.
  C. De artikelen 4, 1° en 2°, 16 en 68 treden in werking op 1 januari 2018 en zijn van toepassing op verrichtingen van kapitaalverminderingen en terugbetalingen van met kapitaal gelijkgestelde uitgiftepremies of winstbewijzen die worden beslist door de algemene vergadering vanaf 1 januari 2018.
  De artikelen 4, 3°, en 9 treden in werking op 1 januari 2020 en zijn van toepassing op de interesten die betrekking hebben op periodes na 31 december 2019.
  De artikelen 17, 2° tot 5°, 19, 61, 2°, en 76 treden in werking op 1 januari 2019 en zijn van toepassing op de overdrachten die plaatsvinden vanaf 1 januari 2019.
  Artikel 29 treedt in werking op 1 januari 2018 en is niet van toepassing op voorzieningen of toevoegingen aan voorzieningen die zijn aangelegd in belastbare tijdperken die aanvangen vóór 1 januari 2018.
  Artikel 38 treedt in werking op 1 januari 2020 en is van toepassing op de activa verkregen of tot stand gebracht vanaf 1 januari 2020.
  De artikelen 69 en 70 treden in werking op 1 januari 2018 en zijn van toepassing op de dividenden die vanaf 1 januari 2018 worden betaald of toegekend.
  Artikel 71, 1°, 4° en 5°, treedt in werking op 1 januari 2018 en is van toepassing op de bezoldigingen die vanaf 1 januari 2018 tot en met 31 december 2019 worden betaald of toegekend.
  Artikel 71, 2° en 6° tot 8°, treedt in werking op 1 januari 2018 en is van toepassing op de bezoldigingen die vanaf 1 januari 2018 worden betaald of toegekend.
  Artikel 71, 3°, treedt in werking op 1 januari 2020 en is van toepassing op de bezoldigingen die vanaf 1 januari 2020 worden betaald of toegekend.
  Artikel 75, 2°, treedt in werking vanaf aanslagjaar 2022.
  [3 De artikelen 77, 79 en 80 zijn van toepassing vanaf 1 januari 2018. De artikelen 79 en 80, in de mate dat ze de begindatum van de moratoriuminteresten wijzigen bedoeld in de artikelen 418, eerste lid, en 419, eerste lid, 6°, van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992, zijn toepasselijk op de inkohieringen uitgevoerd vanaf 1 januari 2018. In geval van opeenvolgende aanslagen, wordt de datum van inkohiering van de oorspronkelijke aanslag in beschouwing genomen voor de toepassing van deze bepalingen. Artikel 79, in de mate dat het de begindatum wijzigt van de moratoriuminteresten voor de toepassing van artikel 418, eerste lid, van hetzelfde Wetboek, is van toepassing op de bedrijfsvoorheffing en de roerende voorheffing verbonden aan de aanslagjaren 2018 en volgende.
   Artikel 80, in de mate dat het de begindatum wijzigt van de moratoriuminteresten voor de toepassing van artikel 419, tweede lid, van hetzelfde Wetboek, is van toepassing op de bedrijfsvoorheffing, de roerende voorheffing en de voorafbetalingen verbonden aan de aanslagjaren 2018 en volgende.]3
  D. Elke wijziging die vanaf 26 juli 2017 aan de afsluitingsdatum van het boekjaar wordt aangebracht, blijft zonder uitwerking voor de toepassing van de in dit hoofdstuk bedoelde bepalingen.
  ----------
  (1)<W 2018-07-30/09, art. 38, 002; Inwerkingtreding : 20-08-2018>
  (2)<W 2019-02-11/10, art. 6, 003; Inwerkingtreding : 22-03-2019>
  (3)<W 2019-02-11/10, art. 59, 003; Inwerkingtreding : 01-01-2018>
  (4)<W 2019-04-13/02, art. 8, 004; Inwerkingtreding : 06-05-2019>
  (5)<W 2019-04-28/01, art. 22, 005; Inwerkingtreding : 16-05-2019>
  (6)<W 2019-05-02/10, art. 47, 006; Inwerkingtreding : 25-05-2019>

  HOOFDSTUK 2. - Wijzigingen van de wet van 26 maart 1999 betreffende het Belgisch actieplan voor de werkgelegenheid 1998 en houdende diverse bepalingen - Inschakelingsbedrijven

  Art. 87. Artikel 67 van de wet van 26 maart 1999 betreffende het Belgisch actieplan voor de werkgelegenheid 1998 en houdende diverse bepalingen, laatstelijk gewijzigd bij de wet van 22 mei 2005, wordt opgeheven.

  Art. 88. Artikel 87 is van toepassing vanaf aanslagjaar 2019 verbonden aan een belastbaar tijdperk dat ten vroegste aanvangt op 1 januari 2018.
  Elke wijziging die vanaf 26 juli 2017 aan de afsluitingsdatum van het boekjaar wordt aangebracht, blijft zonder uitwerking voor de toepassing van de in het eerste lid bedoelde bepaling.

  HOOFDSTUK 3. - Wijziging van de wet van 26 december 2015 houdende maatregelen inzake versterking van jobcreatie en koopkracht

  Art. 89. Afdeling 4 van hoofdstuk 1 van titel 3 van de wet van 26 december 2015 houdende maatregelen inzake versterking van jobcreatie en koopkracht, die de artikelen 95 tot 101 bevat, wordt ingetrokken.

  HOOFDSTUK 4. - Overgangsbepaling betreffende de rentevoeten bedoeld in de artikelen 414, § 1, 1°, en 418, eerste lid, van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992

  Art. 90. Voor het kalenderjaar 2018 is de in artikel 414, § 1, eerste lid, van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 bedoelde rentevoet gelijk aan 4 pct., overeenkomstig de bepalingen van artikel 414, § 1, tweede lid, van hetzelfde Wetboek.
  Voor het kalenderjaar 2018 is de in artikel 418, eerste lid, van hetzelfde Wetboek bedoelde rentevoet bijgevolg gelijk aan 2 pct., overeenkomstig de bepalingen van artikel 418, tweede lid, van hetzelfde Wetboek.
  Deze overgangsbepaling geldt voor het kalenderjaar 2018 als bericht als bedoeld in artikel 414, § 1, derde lid, van hetzelfde Wetboek.

Handtekening Tekst Inhoudstafel Begin
   Gegeven te Brussel, 25 december 2017.
FILIP
Van Koningswege :
De Minister van Financiën,
J. VAN OVERTVELDT
Met 's Lands zegel gezegeld :
De Minister van Justitie,
K. GEENS

Aanhef Tekst Inhoudstafel Begin
   FILIP, Koning der Belgen,
   Aan allen die nu zijn en hierna wezen zullen, Onze Groet.
   De Kamer van volksvertegenwoordigers heeft aangenomen en Wij bekrachtigen hetgeen volgt :
Erratum Tekst Begin

originele versie
2018011481
PUBLICATIE :
2018-03-26
bladzijde : 29514

Errata



Wijziging(en) Tekst Inhoudstafel Begin
originele versie
  • WET VAN 02-05-2019 GEPUBL. OP 15-05-2019
    (GEWIJZIGDE ART. : 5; 6; 7; 11; 31; 42; 84; 86)
  • originele versie
  • WET VAN 28-04-2019 GEPUBL. OP 06-05-2019
    (GEWIJZIGDE ART. : 20/1; 86)
  • originele versie
  • WET VAN 13-04-2019 GEPUBL. OP 26-04-2019
    (GEWIJZIGDE ART. : 39; 86)
  • originele versie
  • WET VAN 11-02-2019 GEPUBL. OP 22-03-2019
    (GEWIJZIGDE ART. : 35; 86)
  • originele versie
  • WET VAN 30-07-2018 GEPUBL. OP 10-08-2018
    (GEWIJZIGDE ART. : 19; 20; 34; 35; 36; 39; 40; 44; 18; 48; 53/1; 73; 84; 20/1; 73/1; 86; 52; 55; 60)

  • Parlementaire werkzaamheden Tekst Inhoudstafel Begin
        Kamer van volksvertegenwoordigers (www.dekamer.be) Stukken : K54-2864

    Begin Eerste woord Laatste woord Wijziging(en) Aanhef
    Parlementaire werkzaamheden Inhoudstafel 5 gearchiveerde versies
    Erratum Franstalige versie