J U S T E L     -     Geconsolideerde wetgeving
Einde Eerste woord Laatste woord Aanhef
Parlementaire werkzaamheden Inhoudstafel
Handtekening Einde Franstalige versie
 
belgiëlex . be     -     Kruispuntbank Wetgeving
Raad van State Kamer van volksvertegenwoordigers
ELI - Navigatie systeem via een Europese identificatiecode voor wetgeving
http://www.ejustice.just.fgov.be/eli/wet/2017/06/06/2017012339/justel

Titel
6 JUNI 2017. - Wet houdende invoeging van een Titel 3 " De rechtsvordering tot schadevergoeding wegens inbreuken op het mededingingsrecht " in Boek XVII van het Wetboek van economisch recht, houdende invoeging van definities eigen aan Boek XVII, Titel 3 in Boek I en houdende diverse wijzigingen van het Wetboek van economisch recht

Bron :
ECONOMIE, KMO, MIDDENSTAND EN ENERGIE
Publicatie : 12-06-2017 nummer :   2017012339 bladzijde : 63596       PDF :   originele versie    
Dossiernummer : 2017-06-06/02
Inwerkingtreding : 22-06-2017

Inhoudstafel Tekst Begin
HOOFDSTUK 1. - Algemene bepalingen
Art. 1-2
HOOFDSTUK 2. - Wijzigingen van het Wetboek van economisch recht
Art. 3-44
HOOFDSTUK 3. - Overgangsbepaling
Art. 45

Tekst Inhoudstafel Begin
HOOFDSTUK 1. - Algemene bepalingen

  Artikel 1. Deze wet regelt een aangelegenheid als bedoeld in artikel 74 van de Grondwet.

  Art. 2. Deze wet voorziet in de omzetting van de richtlijn 2014/104/EU van het Europees Parlement en de Raad van 26 november 2014 betreffende bepaalde regels voor schadevorderingen volgens nationaal recht wegens inbreuken op de bepalingen van het mededingingsrecht van de lidstaten en van de Europese Unie.

  HOOFDSTUK 2. - Wijzigingen van het Wetboek van economisch recht

  Art. 3. In Boek I, Titel 2, Hoofdstuk 13, van het Wetboek van economisch recht, ingevoegd door de wet van 28 maart 2014, wordt een artikel I.22 ingevoegd, luidende:
  "Art. I.22. Voor de toepassing van Boek XVII, Titel 3, gelden de volgende definities:
  1° "inbreuk op het mededingingsrecht": een inbreuk op artikel 101 of 102 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (hierna "VWEU") en/of op artikel IV.1 of IV.2;
  2° "inbreukpleger": de onderneming of de ondernemingsvereniging die een inbreuk op het mededingingsrecht heeft begaan;
  3° "rechtsvordering tot schadevergoeding": een uit hoofde van artikel XVII.72 ingestelde vordering waarbij een schadevordering voor een rechterlijke instantie wordt gebracht door een partij die zich benadeeld acht of door iemand die optreedt namens een of meer partijen die zich benadeeld achten, of door een natuurlijk persoon of een rechtspersoon op wie de rechten zijn overgegaan van de partij die zich benadeeld acht, daaronder begrepen de persoon die de schadevordering heeft verworven;
  4° "schadevordering": een vordering tot vergoeding van de door een inbreuk op het mededingingsrecht ontstane schade;
  5° "benadeelde partij": een persoon die schade heeft geleden die is ontstaan door een inbreuk op het mededingingsrecht;
  6° "nationale mededingingsautoriteit": de Belgische Mededingingsautoriteit of een andere autoriteit die bevoegd is om de artikelen 101 en 102 VWEU toe te passen, aangewezen door een lidstaat op grond van artikel 35 van de verordening (EG) nr. 1/2003 van de Raad van 16 december 2002 betreffende de uitvoering van de mededingingsregels bedoeld in de artikelen 101 en 102 VWEU;
  7° "mededingingsautoriteit": de Europese Commissie of een nationale mededingingsautoriteit, of beiden, indien de omstandigheden dit vereisen;
  8° "nationale rechterlijke instantie": een rechterlijke instantie van een lidstaat in de zin van artikel 267 VWEU;
  9° "beroepsinstantie": het Gerecht van Eerste Aanleg van de Europese Unie ("Gerecht EU") dat uitspraak doet over een beroep tegen een beslissing van de Europese Commissie betreffende een procedure op grond van artikel 101 en/of 102 van het VWEU, of, in voorkomend geval, het Hof van Justitie dat uitspraak doet over een beroep tegen het arrest van het Gerecht EU conform artikel 256 van het VWEU of een nationale rechterlijke instantie die bevoegd is kennis te nemen van met de gangbare rechtsmiddelen ingestelde beroepen tegen besluiten van een nationale mededingingsautoriteit of tegen uitspraken in beroep tegen deze beslissing ongeacht de vraag of deze rechterlijke instantie al dan niet bevoegd is om een inbreuk op het mededingingsrecht vast te stellen;
  10° "inbreukbeslissing": een beslissing op grond waarvan het bestaan van een inbreuk op het mededingingsrecht wordt vastgesteld, uitgesproken door een mededingingsautoriteit of door een beroepsinstantie;
  11° "definitieve inbreukbeslissing": een beslissing op grond waarvan het bestaan van een inbreuk op het mededingingsrecht wordt vastgesteld waartegen op grond van gangbare rechtsmiddelen geen of niet langer meer beroep open staat;
  12° "kartel": een overeenkomst of onderling afgestemde feitelijke gedraging tussen twee of meer concurrerende ondernemingen en/of ondernemingsverenigingen - met desgevallend één of meer andere niet-concurrerende ondernemingen en/of ondernemingsverenigingen - met als doel hun concurrentiegedrag op de markt te coördineren of de relevante parameters van mededinging te beïnvloeden via praktijken zoals onder meer, doch niet uitsluitend, het bepalen of coördineren van aan- of verkoopprijzen of andere contractuele voorwaarden, onder meer met betrekking tot intellectuele-eigendomsrechten, de toewijzing van productie- of verkoopquota, de verdeling van markten en klanten, met inbegrip van offertevervalsing, het beperken van import of export of mededingingsverstorende maatregelen tegen andere concurrenten;
  13° "clementieregeling": een regeling met betrekking tot de toepassing van artikel 101 VWEU en/of het artikel IV.1 van het Wetboek van economisch recht, op basis waarvan een deelnemer aan een geheim kartel onafhankelijk van de andere bij het kartel betrokken ondernemingen meewerkt aan een onderzoek van de mededingingsautoriteit door vrijwillig informatie te verschaffen over de kennis die deze deelnemer heeft van het kartel en de rol die hij daarin speelt, in ruil waarvoor de deelnemer, op grond van een besluit of door de procedure stop te zetten, volledige of gedeeltelijke vrijstelling van geldboeten of immuniteit tegen vervolgingen wordt verleend voor betrokkenheid bij het kartel;
  14° "clementieverklaring": een vrijwillig door of namens een onderneming of een natuurlijke persoon ten overstaan van een mededingingsautoriteit afgelegde mondelinge of schriftelijke verklaring of een opname daarvan, waarin de onderneming of een natuurlijke persoon mededeelt wat zij of hij weet over een kartel en wat haar of zijn rol daarin was, en die speciaal ten behoeve van die autoriteit is opgesteld met het oog op het krijgen van volledige of gedeeltelijke vrijstelling van geldboeten of immuniteit tegen vervolgingen in het kader van een clementieregeling. Worden uitgesloten, reeds bestaande informatie, namelijk het bewijsmateriaal dat los van de procedure van een mededingingsautoriteit bestaat ongeacht of dit zich al dan niet in het dossier van een mededingingsautoriteit bevindt;
  15° "begunstigde van een volledige vrijstelling van geldboeten": een onderneming of een ondernemingsvereniging waaraan door een mededingingsautoriteit in het kader van een clementieregeling volledige vrijstelling van geldboeten is verleend;
  16° "voorstel met het oog op een schikking": vrijwillige verklaring door of namens een onderneming ten overstaan van een mededingingsautoriteit waarin de onderneming haar deelname aan een inbreuk op het mededingingsrecht en haar aansprakelijkheid voor die inbreuk op het mededingingsrecht erkent of ervan afziet deze deelname en de daaruit voortvloeiende aansprakelijkheid te betwisten, waarbij deze verklaring speciaal is opgesteld om de mededingingsautoriteit in staat te stellen een vereenvoudigde of spoedprocedure toe te passen;
  17° "meerkosten": het verschil tussen de daadwerkelijk betaalde prijs en de prijs die zonder een inbreuk op het mededingingsrecht toegepast was;
  18° "minnelijke oplossing van geschillen": ieder processus dat de partijen in staat stelt een geschil over een schadevordering buitengerechtelijk te beslechten, zoals bemiddeling, buitengerechtelijke schikkingen of arbitrage;
  19° "minnelijke schikking": een door middel van een minnelijke oplossing van geschillen verkregen schikking alsook een scheidsrechterlijk vonnis;
  20° "directe afnemer": een natuurlijk persoon of een rechtspersoon die rechtstreeks van een inbreukpleger producten heeft verworven die het voorwerp waren van een inbreuk op het mededingingsrecht;
  21° "indirecte afnemer": een natuurlijk persoon of een rechtspersoon die niet van de inbreukpleger maar van een directe afnemer of van een volgende afnemer producten heeft verworven die het voorwerp waren van een inbreuk op het mededingingsrecht, of producten waarin deze zijn verwerkt of die daarvan zijn afgeleid.".

  Art. 4. In artikel IV.34, van hetzelfde Wetboek, ingevoegd door de wet van 3 april 2013, wordt het eerste lid aangevuld met de woorden "of om bewijzen te leveren conform de bepalingen van Boek XVII, titel 3, hoofdstuk 3.".

  Art. 5. In artikel IV.45, § 2, van hetzelfde Wetboek, ingevoegd door de wet van 3 april 2013, wordt het tweede lid aangevuld met de woorden ", en onverminderd de artikelen XVII.77, XVII.78 en XVII.79.".

  Art. 6. In artikel IV.46, van hetzelfde Wetboek, ingevoegd bij de wet van 3 april 2013, wordt paragraaf 3 aangevuld met de woorden "en artikelen XVII.77, XVII.78 en XVII.79" ingevoegd tussen de woorden "art. IV.69" en "niet anderszins".

  Art. 7. In artikel IV.70 van hetzelfde Wetboek, ingevoegd bij de wet van 3 april 2013, wordt paragraaf 1 aangevuld met een derde lid, opgesteld als volgt:
  "De Belgische Mededingingsautoriteit kan de vergoeding van schade toegebracht door een inbreuk op de mededinging, die werd toegekend ingevolge een minnelijke schikking als een verzachtende omstandigheid in aanmerking nemen, voordat zij haar beslissing neemt om een boete op te leggen.".

  Art. 8. In hetzelfde Wetboek wordt artikel IV.77, ingevoegd bij de wet van 3 april 2013, waarvan de bestaande tekst paragraaf 1 zal vormen, aangevuld met een paragraaf 2, luidende:
  " § 2. In het kader van een procedure betreffende een rechtsvordering tot schadevergoeding kan de Belgische Mededingingsautoriteit op verzoek van een nationaal rechtscollege dit rechtscollege bijstaan om het schadebedrag te bepalen wanneerzij dergelijke bijstand geschikt acht, volgens de voorwaarden en nadere regels bepaald in paragraaf 1.".

  Art. 9. Artikel XVII.37 van hetzelfde Wetboek, ingevoegd door de wet van 28 maart 2014 en gewijzigd door de wet van 26 oktober 2015, wordt aangevuld met een 33°, luidende:
  "33° artikel 101 en/of 102 van het Verdrag VWEU.".

  Art. 10. In Boek XVII, Titel 2, Hoofdstuk 3, Afdeling 3, van hetzelfde Wetboek, ingevoegd door de wet van 28 maart 2014, wordt een artikel XVII.70 ingevoegd, luidende:
  "Art. XVII.70. Onverminderd de bepalingen van deze titel, zijn de bepalingen van Boek XVII, titel 3, van toepassing op de rechtsvorderingen tot collectief herstel voor inbreuken op het mededingingsrecht, ingevoerd door deze titel met uitzondering van de artikelen XVII.83 en XVII.89.".

  Art. 11. In Boek XVII van hetzelfde Wetboek wordt een Titel 3 ingevoegd, luidende:
  "Titel 3. - Rechtsvordering tot schadevergoeding voor inbreuken op het mededingingsrecht".

  Art. 12. In Titel 3, ingevoegd door artikel 11, wordt een Hoofdstuk 1 ingevoegd, luidende:
  "Hoofdstuk 1. - Toepassingsgebied".

  Art. 13. In Hoofdstuk 1, ingevoegd door artikel 12, wordt een artikel XVII.71 ingevoegd, luidende:
  "Art. XVII.71. § 1. Deze titel is van toepassing op de rechtsvordering tot schadevergoedingen voor inbreuken op het mededingingsrecht.
  § 2. Deze titel stelt regels vast die van toepassing zijn op de rechtsvordering tot schadevergoeding onverminderd het gemene recht. In geval van enig conflict met het gemene recht primeren de regels aangehaald in de bepalingen van deze wet.".

  Art. 14. In dezelfde Titel 3 wordt een Hoofdstuk 2 ingevoegd, luidende:
  "Hoofdstuk 2. - Recht op volledige vergoeding".

  Art. 15. In Hoofdstuk 2, ingevoegd door artikel 14, wordt een artikel XVII.72 ingevoegd, luidende:
  "Art. XVII.72. Iedere natuurlijke persoon of iedere rechtspersoon die schade heeft geleden door een inbreuk op het mededingingsrecht, heeft het recht om volledige schadevergoeding te vorderen en te verkrijgen, overeenkomstig het gemeen recht.".

  Art. 16. In hetzelfde Hoofdstuk 2 wordt een artikel XVII.73 ingevoegd, luidende:
  "Art. XVII. 73. Kartelinbreuken worden geacht schade te berokkenen. De inbreukpleger heeft het recht dit vermoeden te weerleggen.".

  Art. 17. In dezelfde Titel 3 wordt een Hoofdstuk 3 ingevoegd, luidende:
  "Hoofdstuk 3. - Bewijsmateriaal".

  Art. 18. In Hoofdstuk 3, ingevoegd door artikel 17, wordt een Afdeling 1 ingevoegd, luidende:
  "Afdeling 1. - Overlegging van het bewijsmateriaal".

  Art. 19. In Afdeling 1, ingevoegd door artikel 18, wordt een Onderafdeling 1 ingevoegd, luidende:
  "Onderafdeling 1. - Algemene beginselen".

  Art. 20. In Onderafdeling 1, ingevoegd door artikel 19, wordt een artikel XVII.74 ingevoegd, luidende:
  "Art. XVII.74. § 1. Op verzoek van elk van de partijen bij het geding die een met redenen omkleed verzoek heeft ingediend met feitelijke gegevens en redelijkerwijs beschikbare en voldoende bewijzen om de aannemelijkheid van zijn verzoek te staven, kan de rechter ten aanzien van een andere partij of een derde de overlegging gelasten van specifieke relevante bewijsstukken of relevante categorieën bewijsmateriaal, die zich in zijn bezit bevinden. Deze moeten zo nauwkeurig en zo eng mogelijk worden omschreven.
  § 2. De rechter beperkt de overlegging van het bewijsmateriaal tot wat evenredig is. Hierbij houdt de rechter rekening met de rechtmatige belangen van alle betrokken partijen en derden. Hij houdt in het bijzonder rekening met de volgende elementen:
  1° de mate waarin het verzoek tot overlegging van het bewijsmateriaal wordt ondersteund door feitelijke gegevens en beschikbare bewijzen die dit verzoek verantwoorden;
  2° de omvang en de kosten van het overleggen van het bewijsmateriaal, in het bijzonder voor betrokken derden, onder meer om te voorkomen dat op niet-specifieke wijze toegang wordt gezocht tot informatie waarvan het niet waarschijnlijk is dat zij relevant is voor de partijen in de procedure;
  3° de mogelijkheid dat het bewijsmateriaal waarvan de overlegging gevraagd wordt vertrouwelijke informatie bevat, in het bijzonder met betrekking tot eventuele derden, en de bestaande maatregelen tot bescherming van deze vertrouwelijke informatie, overeenkomstig artikel XVII.75.".

  Art. 21. In dezelfde Onderafdeling 1 wordt een artikel XVII.75 ingevoegd, luidende:
  "Art. XVII.75. De rechter kan de overlegging gelasten van het bewijsmateriaal dat vertrouwelijke informatie bevat, indien hij dat bewijsmateriaal relevant acht voor de rechtsvordering tot schadevergoeding.
  Wanneer de rechter de overlegging van deze informatie gelast, neemt hij doeltreffende maatregelen om deze vertrouwelijke informatie te beschermen. Tot deze maatregelen behoren, onder meer, de mogelijkheid om gevoelige passages te verbergen door de houders van bewijsstukken de overlegging te vragen van niet-vertrouwelijke versies, samenvattingen te vragen van informatie uitgevoerd door deskundigen in een globale of niet-vertrouwelijke vorm, besloten zittingen te houden, of de groep personen die van het bewijsmateriaal kennis kan nemen te beperken.".

  Art. 22. In dezelfde Onderafdeling 1 wordt een artikel XVII.76 ingevoegd, luidende:
  "Art. XVII.76. Alvorens de overlegging van het bewijsmateriaal te gelasten bij toepassing van de artikelen XVII.74 en XVII.75, vraagt de rechter volgens de nadere regels en de termijn die hij bepaalt, aan de persoon die gelast wordt met de overlegging van het bewijsmateriaal om schriftelijke opmerkingen in te dienen. Hij kan eveneens worden gehoord als de rechter hem hiertoe de toelating geeft.".

  Art. 23. In dezelfde Afdeling 1 wordt een Onderafdeling 2 ingevoegd, luidende:
  "Onderafdeling 2. - Overlegging van bewijsmateriaal dat zich in het dossier van een mededingingsautoriteit bevindt".

  Art. 24. In de Onderafdeling 2, ingevoegd door artikel 23 wordt een artikel XVII.77, ingevoegd, luidende:
  "Art. XVII.77. § 1. De bepalingen van deze onderafdeling zijn van toepassing, onverminderd de artikelen XVII.74 tot XVII.76 en de regels en praktijken die gelden krachtens het recht van de Europese Unie, Boek IV of het mededingingsrecht van andere lidstaten betreffende de bescherming van de interne stukken van mededingingsautoriteiten en van de briefwisseling tussen mededingingsautoriteiten.
  § 2. De rechter kan de overlegging van bewijsmateriaal dat zich in het dossier van de mededingingsautoriteit bevindt enkel gelasten indien geen enkele partij of derde het gevraagde bewijsmateriaal redelijkerwijs kan verstrekken.".

  Art. 25. In dezelfde Onderafdeling 2 wordt een artikel XVII.78 ingevoegd, luidende:
  "Art. XVII.78. § 1. Bij het beoordelen van de evenredigheid van een bevel tot het overleggen van bewijsmateriaal dat zich in het dossier van de mededingingsautoriteit bevindt overeenkomstig artikel XVII.74, § 2, neemt de rechter bovendien het volgende in overweging:
  1° of het verzoek tot overlegging van het bewijsmateriaal specifiek geformuleerd is wat betreft de aard, het onderwerp of de inhoud van de documenten die aan een mededingingsautoriteit zijn voorgelegd of zich in het dossier van een mededingingsautoriteit bevinden;
  2° of de partij die om de overlegging van het bewijsmateriaal verzoekt, zulks doet in het kader van een rechtsvordering tot schadevergoeding en
  3° wat artikelen XVII.77, § 2, en XVII.79, § 1, betreft of op verzoek van een mededingingsautoriteit bij toepassing van paragraaf 2 van dit artikel, de noodzaak om de doeltreffendheid van de tenuitvoerlegging van het mededingingsrecht te waarborgen door een mededingingsautoriteit of een beroepsinstantie.
  § 2. De rechter vraagt volgens de nadere regels en de termijn die hij bepaalt, aan de mededingingsautoriteit tot wie een verzoek tot overlegging van bewijsmateriaal gericht is om schriftelijke opmerkingen in te dienen betreffende de evenredigheid van dit verzoek. Zij kan eveneens worden gehoord als de rechter haar hiertoe de toelating geeft.".

  Art. 26. In dezelfde Onderafdeling 2 wordt een artikel XVII.79 ingevoegd, luidende:
  "Art. XVII. 79. § 1. De rechter kan het overleggen van de volgende categorieën bewijsmateriaal alleen gelasten nadat de mededingingsautoriteit door een beslissing te nemen of anderszins haar procedure heeft beëindigd:
  1° informatie die door een natuurlijke persoon of rechtspersoon specifiek voor de procedure van een mededingingsautoriteit is voorbereid;
  2° informatie die een mededingingsautoriteit in de loop van haar procedure heeft opgesteld en aan de partijen heeft toegezonden en
  3° schikkingsvoorstellen die zijn ingetrokken.
  § 2. De rechter kan op geen enkel moment een partij of een derde opdragen toegang te verlenen tot de volgende categorieën bewijsmateriaal:
  1° clementieverklaringen en
  2° voorstellen met het oog op een schikking.
  § 3. Een rechter kan op vertoon van een gemotiveerd verzoek van de eiser toegang krijgen tot bewijsmateriaal als bedoeld in paragraaf 2, uitsluitend om zich ervan te vergewissen dat de inhoud ervan voldoet aan de definities van artikel I.22, 14° en 16°.
  Bij zijn beoordeling bedoeld in het eerste lid vraagt de rechter, volgens de nadere regels en de termijn die hij bepaalt, aan de auteur van het betrokken bewijsmateriaal om, schriftelijke opmerkingen in te dienen. Hij kan ook de mogelijkheid krijgen om gehoord te worden als de rechter het hem toestaat.
  De rechter kan ook bijstand vragen van de bevoegde mededingingsautoriteit, volgens de nadere regels en de termijn die hij bepaalt.
  In geen geval verleent de rechter aan andere partijen of derden toegang tot dit bewijsmateriaal.
  § 4. Indien slechts delen van het bewijsmateriaal ten aanzien waarvan toegang wordt verzocht, onder paragraaf 2 vallen, wordt tot de resterende delen, van het bewijsmateriaal, afhankelijk van de categorie waaronder zij vallen, toegang verleend overeenkomstig de artikelen XVII.77, XVII.78 en het huidige artikel.
  § 5. De rechter mag te allen tijde de overlegging gelasten van bewijsmateriaal uit het dossier van een mededingingsautoriteit dat niet tot één van de in de paragrafen 1 en 2 vermelde categorieën behoort.".

  Art. 27. In dezelfde Onderafdeling 2 wordt een artikel XVII.80 ingevoegd, luidende:
  "Art. XVII.80. § 1. Het bewijsmateriaal dat tot één van de in artikel XVII.79, § 2, vermelde categorieën behoort, dat door een natuurlijke persoon of rechtspersoon enkel via toegang tot het dossier van een mededingingsautoriteit werd verkregen, mag niet aan het dossier van de procedure worden toegevoegd. Als dit bewijsmateriaal toch wordt toegevoegd, is het niet toelaatbaar en wordt het ambtshalve uit alle debatten geweerd.
  § 2. Zolang een mededingingsautoriteit haar procedure niet heeft beëindigd door een besluit te nemen of op enige andere manier, mag het bewijsmateriaal dat tot één van de in artikel XVII.79, § 1, vermelde categorieën behoort, dat door een natuurlijke persoon of rechtspersoon enkel via toegang tot het dossier van een mededingingsautoriteit werd verkregen, niet aan het dossier van de procedure worden toegevoegd. Als dit bewijsmateriaal toch wordt toegevoegd, is het niet toelaatbaar en wordt het ambtshalve uit alle debatten geweerd.
  § 3. Bewijsmateriaal dat door een natuurlijke persoon of rechtspersoon enkel via toegang tot het dossier van een mededingingsautoriteit werd verkregen en dat niet onder paragraaf 1 of 2 valt, kan in rechtsvordering tot schadevergoeding enkel worden gebruikt door die persoon of door een natuurlijke persoon of rechtspersoon die zijn rechtsopvolger is, daaronder begrepen een persoon die diens vordering heeft verworven.".

  Art. 28. In dezelfde Afdeling 1, wordt een Onderafdeling 3 ingevoegd, luidende: "Sancties".

  Art. 29. In dezelfde Onderafdeling 3, ingevoegd door artikel 28, wordt een artikel XVII.81 ingevoegd, luidende:
  "Art. XVII.81. Onverminderd artikel 1385bis van het Gerechtelijk Wetboek kan de rechter aan partijen, aan derden of aan hun wettelijke vertegenwoordigers een geldboete van 1 000 tot 10 000 000 euro, opleggen onverminderd de schadevergoeding die zou worden gevraagd in de volgende gevallen:
  1° niet-nakoming van een door een rechter uitgevaardigd bevel tot overlegging van bewijsmateriaal, of de weigering een dergelijk bevel na te leven;
  2° de vernietiging van relevant bewijsmateriaal;
  3° niet-nakoming van de op bevel van de rechter opgelegde verplichtingen ter bescherming van vertrouwelijke informatie, of weigering dergelijke verplichtingen na te leven;
  4° inbreuk op de beperkingen op het gebruik van bewijsmateriaal waarin dit hoofdstuk voorziet.
  De geldboete moet doeltreffend, afschrikwekkend en evenredig zijn, rekening houdend met de onderneming of persoon aan wie ze wordt opgelegd en met de concrete omstandigheden van het geval, zoals het bedrag van de schadevordering, het doorslaggevende belang van het bewijs waarvan de overlegging wordt bevolen door de rechter, zijn bewijswaarde, de ernst van de procedurele inbreuk en het al dan niet bestaan van opzet om de inbreuk te plegen in hoofde van één van de partijen, een derde of hun wettelijke vertegenwoordigers.
  De boete wordt geïnd door de administratie van de Registratie en Domeinen met aanwending van alle middelen van recht.
  Wanneer één van de gevallen vermeld in het eerste lid te wijten is aan de gedragingen van een partij kan de rechter hieruit bovendien de nadelige conclusies trekken die hij passend acht, bijvoorbeeld dat een punt van discussie bewezen is of dat vorderingen en verweermiddelen geheel of ten dele worden afgewezen. Hij kan eveneens de betaling van de kosten gelasten.".

  Art. 30. In hetzelfde Hoofdstuk 3 wordt een Afdeling 2 ingevoegd, luidende:
  "Afdeling 2. Doorwerking van de nationale beslissingen waarbij een inbreuk op het mededingingsrecht wordt vastgesteld".

  Art. 31. In Afdeling 2, ingevoegd door artikel 30, wordt een artikel XVII.82 ingevoegd, luidende:
  "Art. XVII.82. § 1. Een inbreuk op het mededingingsrecht vastgesteld in het kader van een definitieve beslissing door de Belgische Mededingingsautoriteit of, in voorkomend geval, in het kader van een arrest van het Hof van Beroep van Brussel dat in kracht van gewijsde is getreden en dat uitspraak doet over een beroep tegen een beslissing van de Belgische Mededingingsautoriteit conform artikel IV.79, wordt geacht onweerlegbaar vast te staan voor de behandeling van een rechtsvordering tot schadevergoeding voor een inbreuk op het mededingingsrecht.
  § 2. Een definitieve beslissing waarbij een inbreuk op het mededingingsrecht wordt vastgesteld, genomen in een andere lidstaat van de Europese Unie door een nationale mededingingsautoriteit of zijn beroepsinstantie, wordt minstens aanvaard als een begin van bewijs van het feit dat zich een inbreuk op het mededingingsrecht heeft voorgedaan en kan onderzocht worden samen met de andere door de partijen aangevoerde bewijselementen.".

  Art. 32. In hetzelfde Hoofdstuk 3, wordt een Afdeling 3 ingevoegd, luidende:
  "Afdeling 3. Doorberekening van meerkosten".

  Art. 33. In Afdeling 3, ingevoegd door artikel 32 wordt een artikel XVII.83 ingevoegd, luidende:
  "Art. XVII.83. De verweerder in een rechtsvordering tot schadevergoeding kan als verweer tegen een schadevordering aanvoeren dat de eiser de door de inbreuk op het mededingingsrecht veroorzaakte meerkosten volledig of ten dele heeft doorberekend. De bewijslast dat de meerkosten zijn doorberekend, rust op de verweerder, die de eiser en/of derden redelijkerwijs om de overlegging van het bewijsmateriaal kan vragen conform de artikelen van dit hoofdstuk.
  Het recht van een benadeelde partij om in geval van winstderving door een volledige of gedeeltelijke doorberekening van de meerkosten schadevergoeding te vorderen en te verkrijgen, wordt door het eerste lid onverlet gelaten.".

  Art. 34. In dezelfde Afdeling 3 wordt een artikel XVII.84 ingevoegd, luidende:
  "Art. XVII.84. Wanneer het bestaan van een schadevordering of het bedrag van de vergoeding afhangt van de doorberekening van de meerkosten of van de omvang ervan, berust de bewijslast van het bestaan en de omvang van deze doorberekening van de meerkosten bij de eiser. Hiertoe kan hij redelijkerwijs aan de verweerder of aan derden de overlegging van het bewijsmateriaal vragen in overeenstemming met de artikelen van dit hoofdstuk.
  Wanneer de eiser echter een indirecte afnemer is, wordt hij geacht het bewijs te hebben geleverd dat er doorberekening aan hem heeft plaatsgevonden, wanneer hij heeft aangetoond dat:
  1° de verweerder een inbreuk op het mededingingsrecht heeft gemaakt;
  2° de inbreuk op het mededingingsrecht heeft geleid tot meerkosten voor de directe afnemer van de verweerder en
  3° de indirecte afnemer de goederen of diensten waarop de inbreuk op het mededingingsrecht betrekking had, heeft afgenomen dan wel goederen of diensten heeft afgenomen die daarvan zijn afgeleid of waarin deze zijn verwerkt.
  Het tweede lid is echter niet van toepassing indien de rechter meent dat de verweerder aannemelijk heeft gemaakt dat de meerkosten niet gedeeltelijk of volledig aan de indirecte afnemer werden doorberekend.".

  Art. 35. In dezelfde afdeling 3 wordt een artikel XVII.85 ingevoegd, luidende:
  "Art. XVII.85. Teneinde te voorkomen dat door eisers op verschillende niveaus van de toeleveringsketen rechtsvorderingen tot schadevergoeding worden ingesteld die tezamen aanleiding geven tot een meervoudige aansprakelijkheid of tot het ontbreken van aansprakelijkheid van de inbreukpleger, kan de rechter bij wie een rechtsvordering tot schadevergoeding aanhangig is gemaakt, bij de beoordeling van de vraag of aan de uit de toepassing van de artikelen XVII.83, eerste lid, en XVII.84, voortvloeiende bewijslast is voldaan, met gebruikmaking van de in het recht van de Europese Unie of het Belgisch recht beschikbare rechtsmiddelen naar behoren rekening houden met een of meer van de volgende factoren:
  a) rechtsvorderingen tot schadevergoeding die verband houden met dezelfde inbreuk op het mededingingsrecht, maar die worden ingesteld door eisers op een ander niveau van de toeleveringsketen;
  b) uitspraken die het gevolg zijn van rechtsvorderingen tot schadevergoeding als bedoeld onder a);
  c) relevante, tot het publiek domein behorende informatie uit zaken betreffende de handhaving van het mededingingsrecht door een mededingingsautoriteit of een beroepsinstantie.".

  Art. 36. In dezelfde Titel 3, wordt een Hoofdstuk 4 ingevoegd, luidende:
  "Hoofdstuk 4. - Hoofdelijke aansprakelijkheid".

  Art. 37. In Hoofdstuk 4, ingevoegd door artikel 36 wordt een artikel XVII.86 ingevoegd, luidende:
  "Art. XVII.86. § 1. Ondernemingen en/of verenigingen van ondernemingen die door een gemeenschappelijk optreden inbreuk hebben gemaakt op het mededingingsrecht zijn hoofdelijk aansprakelijk voor de door deze inbreuk veroorzaakte schade.
  § 2. Wanneer in afwijking van paragraaf 1, de inbreukpleger een kleine of middelgrote onderneming is (hierna "K.M.O.") in de zin van de aanbeveling 2003/361/EG van de Europese Commissie van 6 mei 2003 betreffende de definitie van kleine, middelgrote en micro-ondernemingen, is hij enkel hoofdelijk aansprakelijk voor de schade:
  1° jegens zijn directe of indirecte afnemers of leveranciers en
  2° jegens de andere benadeelde partijen, doch slechts indien geen volledige schadevergoeding kan worden verkregen van de andere bij dezelfde inbreuk op het mededingingsrecht betrokken ondernemingen.
  Om in aanmerking te komen voor de afwijking bedoeld in het eerste lid, moet de K.M.O. aan de volgende voorwaarden voldoen:
  1° haar marktaandeel op de relevante markt moet op gelijk welk moment tijdens de inbreuk op het mededingingsrecht minder dan 5 % bedragen en
  2° de toepassing van de regels van hoofdelijke aansprakelijkheid zou haar economische levensvatbaarheid onherstelbaar in gevaar brengen en zou haar vermogensbestanddelen al hun waarde doen verliezen.
  De uitzondering als bedoeld in het eerste lid geldt echter niet indien:
  1° de K.M.O. een leidinggevende rol heeft gespeeld bij de inbreuk op het mededingingsrecht of andere ondernemingen heeft gedwongen om deel te nemen aan de inbreuk of
  2° de K.M.O. voordien schuldig is bevonden aan een inbreuk op het mededingingsrecht.
  § 3. In afwijking van paragraaf 1, is de begunstigde van een volledige vrijstelling van geldboetes slechts hoofdelijk aansprakelijk voor de schade jegens:
  1° zijn directe of indirecte afnemers of leveranciers en
  2° de andere benadeelde partijen, doch slechts indien geen volledige schadevergoeding kan worden verkregen van de andere bij dezelfde inbreuk op het mededingingsrecht betrokken ondernemingen.".

  Art. 38. In hetzelfde Hoofdstuk 4 wordt een artikel XVII.87 ingevoegd, luidende:
  "Art. XVII.87. § 1. De inbreukpleger die het geheel of een deel van het schadebedrag betaald heeft, kan bij elke andere inbreukpleger een bijdrage terugvorderen waarvan het bedrag overeenkomt met de relatieve verantwoordelijkheid van elk van hen voor de door de genoemde inbreuk veroorzaakte schade.
  § 2. In afwijking van paragraaf 1 mag de bijdrage van een inbreukpleger die geniet van een volledige vrijstelling van geldboetes is, niet groter zijn dan de omvang van de schade die deze inbreuk aan zijn eigen directe of indirecte afnemers of leveranciers heeft berokkend.
  Voor zover de inbreuk op het mededingingsrecht schade heeft veroorzaakt aan andere benadeelde partijen dan de directe of indirecte afnemers of leveranciers van de inbreukplegers, mag het bedrag van de bijdrage van de inbreukpleger die ontvanger van een volledige vrijstelling van geldboetes is, niet groter zijn dan het bedrag dat overeenstemt met zijn relatieve verantwoordelijkheid voor de schade die door de genoemde inbreuk werd berokkend.".

  Art. 39. In hetzelfde Hoofdstuk 4 wordt een artikel XVII.88 ingevoegd, luidende:
  "Art. XVII.88. § 1. Wanneer de benadeelde partij een minnelijke schikking heeft gesloten met de inbreukpleger wordt de schadevordering van de bij de schikking betrokken benadeelde partij verminderd met het aandeel dat de bij de schikking betrokken inbreukpleger heeft gehad in de schade die de benadeelde partij door de inbreuk op het mededingingsrecht heeft geleden.
  De resterende schadevordering van de bij de schikking betrokken benadeelde partij kan alleen worden uitgeoefend tegen niet bij de schikking betrokken inbreukplegers, die daarvoor geen bijdrage kunnen terugvorderen van de bij de schikking betrokken inbreukpleger.
  § 2. In afwijking van paragraaf 1, eerste lid, kan de bij de schikking betrokken benadeelde partij, wanneer de niet bij de schikking betrokken inbreukplegers op het mededingingsrecht niet bij machte zijn de met de resterende schadevordering overeenstemmende schade te vergoeden, de resterende schadevordering tegen de bij de schikking betrokken inbreukpleger uitoefenen.
  De in de eerste alinea bedoelde afwijking kan in de voorwaarden van de minnelijke schikkingen uitdrukkelijk worden uitgesloten.
  § 3. Bij het bepalen van het bedrag van de bijdrage dat door een inbreukpleger van een andere inbreukpleger kan worden teruggevorderd naar rato van hun relatieve aansprakelijkheid voor de door de inbreuk op het mededingingsrecht berokkende schade, houdt de rechter rekening met schade die reeds vergoed is in het kader van een vroegere minnelijke schikking waarbij de inbreukpleger in kwestie betrokken was.".

  Art. 40. In dezelfde Titel 3, wordt een Hoofdstuk 5 ingevoegd, luidende:
  "Hoofdstuk 5. - Schorsende werking van de minnelijke oplossing van geschillen".

  Art. 41. In Hoofdstuk 5, ingevoegd door artikel 40, wordt een artikel XVII.89 ingevoegd, luidende:
  "Art. XVII.89. Onverminderd artikel 1682 van het Gerechtelijk Wetboek kan de rechter bij wie een rechtsvordering tot schadevergoeding is aangebracht de procedure opschorten gedurende een niet-verlengbare periode die tot twee jaar kan duren wanneer de partijen bij deze procedure deelnemen aan een minnelijke oplossing van geschillen betreffende de eis gedekt door de rechtsvordering tot schadevergoeding.".

  Art. 42. In dezelfde Titel 3 wordt een Hoofdstuk 6 ingevoegd, luidende:
  "Hoofdstuk 6. - Verjaringstermijnen".

  Art. 43. In Hoofdstuk 6, ingevoegd door artikel 42, wordt een artikel XVII.90 ingevoegd, luidende:
  "Art. XVII.90. § 1. De verjaringstermijnen van het gemeen recht voor het instellen van rechtsvordering tot schadevergoeding voor inbreuken op het mededingingsrecht beginnen te lopen vanaf de dag die volgt op de dag waarop de inbreuk op het mededingingsrecht is stopgezet en waarop de eiser weet heeft of redelijkerwijs geacht kan worden weet te hebben van:
  1° de gedraging en het feit dat deze gedraging een inbreuk op het mededingingsrecht vormt;
  2° het feit dat hij door de inbreuk op het mededingingsrecht schade heeft geleden en
  3° de identiteit van de inbreukpleger.
  Voor de voortdurende of herhaalde inbreuken wordt de inbreuk geacht te zijn beëindigd op de dag waarop de laatste inbreuk is geëindigd.
  § 2. De verjaringstermijnen bedoeld in paragraaf 1 worden gestuit wanneer een mededingingsautoriteit een handeling verricht tot onderzoek of vervolging van de inbreuk op het mededingingsrecht waarop de rechtsvordering tot schadevergoeding betrekking heeft. Deze stuiting eindigt op de dag die volgt op de dag na de vaststelling van een definitieve inbreukbeslissing of nadat de procedure op een andere wijze is beëindigd.".

  Art. 44. In hetzelfde Hoofdstuk 6 wordt een artikel XVII.91 ingevoegd, luidende:
  "Art. XVII.91. De minnelijke oplossing van geschillen, met uitzondering van de arbitrage, schorst de verjaringstermijnen voor het instellen van een rechtsvordering tot schadevergoeding voor de ganse duur van die minnelijke oplossing van geschillen . Deze schorsing is enkel van toepassing op partijen die bij deze procedure betrokken zijn of betrokken geweest zijn of er vertegenwoordigd werden.".

  HOOFDSTUK 3. - Overgangsbepaling

  Art. 45. In afwijking van artikel 3 van het Gerechtelijk Wetboek zijn de procedureregels bepaald door deze wet niet van toepassing op de rechtsvorderingen tot schadevergoeding die vóór 26 december 2014 bij een rechtscollege werden aangebracht.

Handtekening Tekst Inhoudstafel Begin
   Kondigen deze wet af, bevelen dat zij met 's Lands zegel zal worden bekleed en door het Belgisch Staatsblad zal worden bekendgemaakt.
Gegeven te Brussel, 6 juni 2017.
FILIP
Van Koningswege :
De minister van Economie en Consumenten,
K. PEETERS
Met 's Lands zegel gezegeld :
De Minister van Justitie,
K. GEENS

Aanhef Tekst Inhoudstafel Begin
   FILIP, Koning der Belgen,
   Aan allen die nu zijn en hierna wezen zullen, Onze Groet.
   De Kamer van volksvertegenwoordigers heeft aangenomen en Wij bekrachtigen hetgeen volgt

Parlementaire werkzaamheden Tekst Inhoudstafel Begin
   Kamer van volksvertegenwoordigers : (www.dekamer.be) Stukken : 54-2413 (2016/2017) Integraal Verslag : 18 mei 2017

Begin Eerste woord Laatste woord Aanhef
Parlementaire werkzaamheden Inhoudstafel
Franstalige versie