J U S T E L     -     Geconsolideerde wetgeving
Einde Eerste woord Laatste woord Wijziging(en)
Inhoudstafel 8 uitvoeringbesluiten 10 gearchiveerde versies
Handtekening Einde Franstalige versie
 
belgiëlex . be     -     Kruispuntbank Wetgeving
Raad van State
ELI - Navigatie systeem via een Europese identificatiecode voor wetgeving
http://www.ejustice.just.fgov.be/eli/wet/2017/04/28/2017A10461/justel

Titel
28 APRIL 2017. - Codex over het welzijn op het werk (2017)
(NOTA : Raadpleging van vroegere versies vanaf 02-06-2017 en tekstbijwerking tot 21-01-2020) Zie wijziging(en)

Bron : WERKGELEGENHEID, ARBEID EN SOCIAAL OVERLEG
Publicatie : 02-06-2017 nummer :   2017A10461 bladzijde : 60905       PDF :   originele versie    geconsolideerde versie
Dossiernummer : 2017-04-28/27
Inwerkingtreding : 12-06-2017

Inhoudstafel Tekst Begin
BOEK I. - ALGEMENE BEGINSELEN
TITEL 1. - INLEIDENDE BEPALINGEN
HOOFDSTUK I. - Oorsprong van de bepalingen
Art. I.1-1
HOOFDSTUK II. - Toepassingsgebied
Art. I.1-2
HOOFDSTUK III. - Definities
Art. I.1-3-I.1-4
TITEL 2. - ALGEMENE BEGINSELEN BETREFFENDE HET WELZIJNSBELEID
HOOFDSTUK I. - Algemene bepaling
Art. I.2-1
HOOFDSTUK II. - Het dynamisch risicobeheersingssysteem
Art. I.2-2-I.2-14
HOOFDSTUK III. - Verplichtingen van de werkgever inzake onthaal, begeleiding, informatie en vorming van de werknemers
Art. I.2-15-I.2-21
HOOFDSTUK IV. - Verplichtingen van de werkgever in verband met bepaalde documenten
Art. I.2-22
HOOFDSTUK V. - Maatregelen bij noodsituaties en in geval van ernstig en onmiddellijk gevaar
Art. I.2-23-I.2-26
TITEL 3. - PREVENTIE VAN PSYCHOSOCIALE RISICO'S OP HET WERK
HOOFDSTUK I. - Risicoanalyse en preventiemaatregelen
Art. I.3-1-I.3-7
HOOFDSTUK II. - Verzoek tot psychosociale interventie door de werknemer
Afdeling 1. - Algemeenheden
Art. I.3-8-I.3-10
Afdeling 2. - Fase voorafgaand aan een verzoek tot psychosociale interventie
Art. I.3-11
Afdeling 3. - Verzoek tot informele psychosociale interventie
Art. I.3-12
Afdeling 4. - Verzoek tot formele psychosociale interventie
Onderafdeling 1. - Definitie
Art. I.3-13
Onderafdeling 2. - Indiening van het verzoek
Art. I.3-14-I.3-16
Onderafdeling 3. Verzoek met een hoofdzakelijk collectief karakter
Art. I.3-17-I.3-21
Onderafdeling 4. - Verzoek met een hoofdzakelijk individueel karakter
Art. I.3-22-I.3-30
Onderafdeling 5. - Dossier
Art. I.3-31-I.3-34
Afdeling 5. - Bijzonderheden betreffende de behandeling van het verzoek tot formele psychosociale interventie voor feiten van geweld, pesterijen of ongewenst seksueel gedrag op het werk
Art. I.3-35-I.3-43
HOOFDSTUK III. - Rol van de [1 preventieadviseur-arbeidsarts]1
Art. I.3-44-I.3-47
HOOFDSTUK IV. - Informatie - opleiding
Afdeling 1. - Comité voor preventie en bescherming op het werk
Art. I.3-48-I.3-51
Afdeling 2. - Werknemers en leden van de hiërarchische lijn
Art. I.3-52
HOOFDSTUK V. - Bepalingen betreffende het statuut van de preventieadviseur psychosociale aspecten en van de vertrouwenspersoon
Afdeling 1. - Preventieadviseur psychosociale aspecten
Art. I.3-53-I.3-55
Afdeling 2. - Vertrouwenspersoon
Art. I.3-56-I.3-62
Afdeling 3. - Overleg - Uitwisseling van informatie
Art. I.3-63-I.3-65
HOOFDSTUK VI. - Dienst belast met het in ontvangst nemen van gerechtelijke beslissingen
Art. I.3-66
TITEL 4. - MAATREGELEN IN VERBAND MET HET GEZONDHEIDSTOEZICHT OP DE WERKNEMERS
HOOFDSTUK I. - Toepassingsgebied, definities en doelstellingen
Art. I.4-1-I.4-2
HOOFDSTUK II. - Verplichtingen van de werkgever in verband met de toepassing en de uitvoering van het gezondheidstoezicht
Art. I.4-3-I.4-13
HOOFDSTUK III. - De preventieve handelingen en de specifieke verplichtingen van de [1 preventieadviseur-arbeidsarts]1
Art. I.4-14-I.4-24
HOOFDSTUK IV. - De verschillende vormen van gezondheidsbeoordeling
Afdeling 1. - Voorafgaande gezondheidsbeoordeling
Art. I.4-25-I.4-28
Afdeling 2. [1 - Periodiek gezondheidstoezicht]1
Art. I.4-29-I.4-33
Afdeling 3. - Onderzoek bij werkhervatting en bezoek voorafgaand aan de werkhervatting
Art. I.4-34-I.4-36
Afdeling 4. - Spontane raadpleging
Art. I.4-37
Afdeling 5. - Voortgezet gezondheidstoezicht
Art. I.4-38
Afdeling 6. - Uitbreiding van het gezondheidstoezicht
Art. I.4-39-I.4-40
Afdeling 7. - Bijzondere bepalingen voor bepaalde categorieën werknemers
Art. I.4-41-I.4-44
HOOFDSTUK V. - De beslissing van de [1 preventieadviseur-arbeidsarts]1 betreffende de beoordeling van de gezondheid
Afdeling 1. - Toepassingsgebied
Art. I.4-45
Afdeling 2. - Formulier voor de gezondheidsbeoordeling
Art. I.4-46-I.4-52
Afdeling 3. - Vóór elke beslissing te nemen maatregelen
Art. I.4-53-I.4-56
Afdeling 4. - Overlegprocedure
Art. I.4-57-I.4-61
Afdeling 5. - Beroepsprocedure
Art. I.4-62-I.4-67
Afdeling 6. - Tussentijdse tewerkstelling tijdens de overleg- en beroepsprocedures
Art. I.4-68
Afdeling 7. - Gevolgen van de definitieve beslissing van de [1 preventieadviseur-arbeidsarts]1
Art. I.4-69-I.4-71
HOOFDSTUK VI. - Het re-integratietraject van een werknemer die het overeengekomen werk tijdelijk of definitief niet kan uitoefenen
Art. I.4-72-I.4-82
HOOFDSTUK VII. - Het gezondheidsdossier
Afdeling 1. - Doelstellingen
Art. I.4-83-I.4-84
Afdeling 2. - Inhoud
Art. I.4-85-I.4-87
Afdeling 3. - Wijze van bewaren
Art. I.4-88-I.4-91
Afdeling 4. - Overdracht en bewegingen
Art. I.4-92-I.4-94
Afdeling 5. - Toegang
Art. I.4-95
Afdeling 6. - Geautomatiseerde verwerking
Art. I.4-96-I.4-97
HOOFDSTUK VIII. - Aangifte van de beroepsziekten
Art. I.4-98-I.4-99
HOOFDSTUK IX. - Meningsverschillen
Art. I.4-100
TITEL 5. - EERSTE HULP
HOOFDSTUK I. - Definities
Art. I.5-1
HOOFDSTUK II. - Algemene verplichtingen van de werkgever
Art. I.5-2-I.5-3
HOOFDSTUK III. - Uitrusting en organisatie
Art. I.5-4-I.5-7
HOOFDSTUK IV. - Vorming en bijscholing van hulpverleners
Afdeling 1. - De kennis en vaardigheden
Art. I.5-8-I.5-9
Afdeling 2. - Organisatie van de cursussen
Art. I.5-10
Afdeling 3. - Procedure om opgenomen te worden in de lijst bedoeld in artikel I.5-9
Art. I.5-11-I.5-12
Afdeling 4. - Specifieke kennis en vaardigheden
Art. I.5-13
TITEL 6. - MAATREGELEN IN GEVAL VAN ARBEIDSONGEVAL
HOOFDSTUK I. - Maatregelen in geval van ernstig arbeidsongeval
Afdeling 1. - Toepassingsgebied en definities
Art. I.6-1-I.6-2
Afdeling 2. - Aangifte van ernstige arbeidsongevallen
Art. I.6-3
Afdeling 3. - Onderzoek door de preventiediensten
Art. I.6-4-I.6-6
Afdeling 4. - Onderzoek door een deskundige
Art. I.6-7-I.6-11
HOOFDSTUK II. - Maatregelen te nemen bij alle arbeidsongevallen
Art. I.6-12
BOEK II. - ORGANISATORISCHE STRUCTUREN EN SOCIAAL OVERLEG
TITEL 1. - DE INTERNE DIENST VOOR PREVENTIE EN BESCHERMING OP HET WERK
HOOFDSTUK I. - Inleidende bepalingen
Art. II.1-1-II.1-2
HOOFDSTUK II. - De opdrachten van de interne dienst
Art. II.1-3-II.1-11
HOOFDSTUK III. - De organisatie en werking van de interne dienst
Art. II.1-12-II.1-17
HOOFDSTUK IV. - Statuut van de preventieadviseurs van een interne dienst
Art. II.1-18-II.1-25
TITEL 2. - DE GEMEENSCHAPPELIJKE INTERNE DIENST VOOR PREVENTIE EN BESCHERMING OP HET WERK
HOOFDSTUK I. - Definities
Art. II.2-1
HOOFDSTUK II. - Voorwaarden voor de oprichting van een gemeenschappelijke interne dienst
Art. II.2-2
HOOFDSTUK III. - Procedure voor de aanvraag tot oprichting van een gemeenschappelijke interne dienst
Art. II.2-3-II.2-6
HOOFDSTUK IV. - Wijziging van de samenstelling van een gemeenschappelijke interne dienst
Art. II.2-7
HOOFDSTUK V. - Verplichtingen ingeval van aanvullend beroep op een externe dienst
Art. II.2-8
HOOFDSTUK VI. - Bijzondere bepalingen betreffende de werking van de gemeenschappelijke interne dienst
Art. II.2-9-II.2-10
HOOFDSTUK VII. - Overgangsbepaling
Art. II.2-11
TITEL 3. - DE EXTERNE DIENST VOOR PREVENTIE EN BESCHERMING OP HET WERK
HOOFDSTUK I. - Algemene bepalingen betreffende de externe dienst
Art. II.3-1-II.3-3
HOOFDSTUK II. - Oprichting van de externe dienst en algemene principes betreffende het beheer
Art. II.3-4-II.3-13
HOOFDSTUK III. - Verplichte forfaitaire minimumbijdragen uit hoofde van de prestaties van de externe diensten
Art. II.3-14-II.3-21
HOOFDSTUK IV. - De organisatie van de externe dienst
Art. II.3-22-II.3-39
HOOFDSTUK V. - Het statuut van de preventieadviseurs
Art. II.3-40-II.3-43
HOOFDSTUK VI. - De erkenning van de externe dienst
Art. II.3-44-II.3-51
TITEL 4. - VORMING EN BIJSCHOLING VAN DE PREVENTIEADVISEURS
HOOFDSTUK I. - Algemene bepalingen
Art. II.4-1-II.4-2
HOOFDSTUK II. - De aanvullende vorming niveau I en II
Afdeling 1. - Inhoud en opbouw van de aanvullende vorming
Art. II.4-3
Afdeling 2. - Toelatingsvoorwaarden
Art. II.4-4
Afdeling 3. - Organisatie van de aanvullende vorming
Art. II.4-5-II.4-15
Afdeling 4. - Erkenning van de aanvullende vorming
Art. II.4-16-II.4-21
HOOFDSTUK III. - De aanvullende vorming ergonomie, arbeidshygiëne en psychosociale aspecten
Art. II.4-22
HOOFDSTUK IV. - Basiskennis van de preventieadviseur van de interne dienst
Art. II.4-23-II.4-27
HOOFDSTUK V. - Bijscholing van de preventieadviseurs van de interne dienst
Art. II.4-28-II.4-30
TITEL 5. - DE EXTERNE DIENSTEN VOOR TECHNISCHE CONTROLES OP DE WERKPLAATS
HOOFDSTUK I. - Toepassingsgebied en definities
Art. II.5-1-II.5-2
HOOFDSTUK II. - Erkenningsvoorwaarden
Art. II.5-3-II.5-8
HOOFDSTUK III. - Werkingscriteria
Art. II.5-9-II.5-16
HOOFDSTUK IV. - Erkenningsprocedure
Art. II.5-17-II.5-22
HOOFDSTUK V. - De Vaste Operationele Commissie
Art. II.5-23
HOOFDSTUK VI. - Toezicht en sancties
Art. II.5-24-II.5-28
TITEL 6. - LABORATORIA
Art. II.6-1-II.6-14
TITEL 7. - COMITES VOOR PREVENTIE EN BESCHERMING OP HET WERK
HOOFDSTUK I. - Definities
Art. II.7-1
HOOFDSTUK II. - Opdrachten van het Comité
Art. II.7-.2-II.7-13
HOOFDSTUK III.-. Verplichtingen van de werkgever
Art. II.7-14-II.7-20
HOOFDSTUK IV. - De werking van het Comité
Art. II.7-21-II.7-30
HOOFDSTUK V. - Het huishoudelijk reglement
Art. II.7-31
TITEL 8. - RECHTSTREEKSE PARTICIPATIE
Art. II.8-1-II.8-3
TITEL 9. - DE HOGE RAAD VOOR PREVENTIE EN BESCHERMING OP HET WERK
HOOFDSTUK I. - De organen van de Hoge Raad
Art. II.9-1
HOOFDSTUK II. - Opdrachten en samenstelling van de Hoge Raad en benoeming van haar leden
Art. II.9-2-II.9-12
HOOFDSTUK III. - Werkingsregels
Art. II.9-13-II.9-15
HOOFDSTUK IV.-. Het uitvoerend bureau
Art. II.9-16-II.9-17
HOOFDSTUK V. - De vaste commissies
Afdeling 1. - De Vaste Commissie van Deskundigen
Art. II.9-18-II.9-23
Afdeling 2.-. De Vaste Commissie Sensibilisatie en Communicatie
Art. II.9-24-II.9-28
Afdeling 3. - De Vaste Operationele Commissie
Art. II.9-29-II.9-34
Afdeling 4.-. De andere vaste commissies
Art. II.9-35
HOOFDSTUK VI. - De commissies ad hoc
Art. II.9-36-II.9-40
HOOFDSTUK VII. - Het secretariaat
Art. II.9-41-II.9-42
HOOFDSTUK VIII. - Het statuut van de voorzitter en de ondervoorzitter
Art. II.9-43-II.9-47
BOEK III. - ARBEIDSPLAATSEN
TITEL 1. - BASISEISEN BETREFFENDE ARBEIDSPLAATSEN
HOOFDSTUK I. - Toepassingsgebied en algemene beginselen
Art. III.1-1-III.1-3
HOOFDSTUK II. - Uitrusting van de arbeidsplaatsen
Art. III.1-4-III.1-30
HOOFDSTUK III. - Verlichting
Art. III.1-31-III.1-33
HOOFDSTUK IV. - Luchtverversing
Art. III.1-34-III.1-37
HOOFDSTUK V. - Temperatuur
Art. III.1-38
HOOFDSTUK VI. - Sociale voorzieningen
Afdeling 1. - Algemene bepalingen
Art. III.1-39-III.1-46
Afdeling 2. - Kleedkamers
Art. III.1-47-III.1-48
Afdeling 3. - Wastafels en douches
Art. III.1-49-III.1-55
Afdeling 4. - Toiletten
Art. III.1-56-III.1-57
Afdeling 5. - Refters
Art. III.1-58-III.1-59
Afdeling 6. - Rustlokalen
Art. III.1-60-III.1-61
Afdeling 7. - Lokaal voor de zwangere werkneemsters en de werkneemsters die borstvoeding geven
Art. III.1-62
Afdeling 8. - Dranken
Art. III.1-63-III.1-64
TITEL 2. - ELEKTRISCHE INSTALLATIES
HOOFDSTUK I. - Toepassingsgebied en definities
Art. III.2-1-III.2-2
HOOFDSTUK II. - Risicoanalyse en algemene preventiemaatregelen
Art. III.2-3-III.2-5
HOOFDSTUK III. - Minimale voorschriften betreffende de uitvoering van de elektrische installatie
Art. III.2-6-III.2-8
HOOFDSTUK IV. - Werkzaamheden aan elektrische installaties
Art. III.2-9-III.2-10
HOOFDSTUK V. - Controles van elektrische installaties
Art. III.2-11-III.2-16
HOOFDSTUK VI. - Bekwaamheid en opleiding van de werknemers en instructies voor de werknemers
Art. III.2-17-III.2-20
HOOFDSTUK VII. - Documentatie
Art. III.2-21
HOOFDSTUK VIII. - Overgangsbepalingen
Art. III.2-22
TITEL 3. - BRANDPREVENTIE OP DE ARBEIDSPLAATSEN
HOOFDSTUK I. - Toepassingsgebied en definities
Art. III.3-1-III.3-2
HOOFDSTUK II. - Risicoanalyse en preventiemaatregelen
Art. III.3-3-III.3-6
HOOFDSTUK III. - Specifieke preventiemaatregelen
Afdeling 1. - Brandbestrijdingsdienst
Art. III.3-7-III.3-8
Afdeling 2. - Preventie van brand
Art. III.3-9
Afdeling 3. - Verzekeren van de snelle en veilige evacuatie van werknemers en alle personen aanwezig op de arbeidsplaats
Art. III.3-10-III.3-14
Afdeling 4. - Elk begin van brand vlug en doelmatig bestrijden
Art. III.3-15-III.3-19
Afdeling 5. - De schadelijke gevolgen van een brand beperken
Art. III.3-20
Afdeling 6. - Het vergemakkelijken van de interventie van de openbare hulpdiensten
Art. III.3-21
Afdeling 7. - Periodieke controle en onderhoud
Art. III.3-22
HOOFDSTUK IV. - Het intern noodplan
Art. III.3-23
HOOFDSTUK V. - Het brandpreventiedossier
Art. III.3-24
HOOFDSTUK VI. - Opleiding en informatie van de werknemers
Art. III.3-25-III.3-26
HOOFDSTUK VII. - Werkzaamheden uitgevoerd in de inrichting van een werkgever
Art. III.3-27-III.3-29
TITEL 4. - RUIMTEN MET RISICO'S VOOR EEN EXPLOSIEVE ATMOSFEER
HOOFDSTUK I. - Toepassingsgebied en definities
Art. III.4-1-III.4-2
HOOFDSTUK II. - Risicoanalyse en preventiemaatregelen
Art. III.4-3-III.4-7
HOOFDSTUK III. - Explosieveiligheidsdocument
Art. III.4-8
HOOFDSTUK IV. - Voorwaarden betreffende arbeidsmiddelen
Art. III.4-9
TITEL 5. - OPSLAGPLAATSEN VOOR ONTVLAMBARE VLOEISTOFFEN
HOOFDSTUK I. - Algemene bepalingen
Art. III.5-1-III.5-5
HOOFDSTUK II. - Opslag in verplaatsbare recipiënten
Art. III.5-6-III.5-14
HOOFDSTUK III. - Vast opgestelde reservoirs Algemene bepalingen voor alle vast opgestelde reservoirs
Art. III.5-15-III.5-26
HOOFDSTUK IV. - Rechtstreeks in de grond bedolven reservoirs
Art. III.5-27-III.5-30
HOOFDSTUK V. - Reservoirs geplaatst in ondergrondse inkuiping
Art. III.5-31-III.5-38
HOOFDSTUK VI. - Opslag in tanks
Art. III.5-39-III.5-44
HOOFDSTUK VII. - Beproevingen
Art. III.5-45
HOOFDSTUK VIII. - Brandbeveiliging
Art. III.5-46-III.5-54
HOOFDSTUK IX. - Behandeling van de vloeistoffen
Art. III.5-55-III.5-57
HOOFDSTUK X. - Betreden van ondergrondse reservoirs en tanks voor het uitvoeren van onderzoeken, werken en herstellingen
Art. III.5-58-III.5-59
HOOFDSTUK XI. - Herstelling van verplaatsbare recipiënten
Art. III.5-60-III.5-61
HOOFDSTUK XII. - Signalisatie en toezicht
Art. III.5-62-III.5-64
HOOFDSTUK XIII. - Voorlichting van de werknemers
Art. III.5-65
HOOFDSTUK XIV. - Overgangsbepalingen
Art. III.5-66-III.5-67
TITEL 6. - VEILIGHEIDS- EN GEZONDHEIDSSIGNALERING
Art. III.6-1-III.6-11
BOEK IV. - ARBEIDSMIDDELEN
TITEL 1. - Definities
Art. IV.1-1
TITEL 2. - Bepalingen van toepassing op alle arbeidsmiddelen
Art. IV.2-1-IV.2-14
TITEL 3. - Mobiele arbeidsmiddelen al dan niet met eigen aandrijving
HOOFDSTUK I. - Specifieke minimumvoorschriften van toepassing op mobiele arbeidsmiddelen
Art. IV.3-1-IV.3-6
HOOFDSTUK II. - Specifieke bepalingen betreffende het gebruik van mobiele arbeidsmiddelen
Art. IV.3-7
TITEL 4. - Arbeidsmiddelen voor het hijsen of heffen van lasten
HOOFDSTUK I. - Specifieke minimumvoorschriften van toepassing op arbeidsmiddelen voor het hijsen of heffen van lasten
Art. IV.4-1-IV.4-4
HOOFDSTUK II. - Algemene bepalingen betreffende het gebruik van arbeidsmiddelen voor het hijsen of heffen van lasten
Art. IV.4-5-IV.4-10
HOOFDSTUK III. - Specifieke bepalingen betreffende het gebruik van arbeidsmiddelen voor het hijsen of heffen van niet-geleide lasten
Art. IV.4-11-IV.4-17
HOOFDSTUK IV. - Bepalingen betreffende het gebruik van arbeidsmiddelen bestemd voor het hijsen of heffen van lasten die uitzonderlijk gebruikt worden voor het hijsen of heffen van personen
Art. IV.4-18-IV.4-20
HOOFDSTUK V. - Specifieke bepalingen betreffende het gebruik van werkbakken en werkplatformen opgehangen aan een kraan
Art. IV.4-21
TITEL 5. - ARBEIDSMIDDELEN VOOR TIJDELIJKE WERKZAAMHEDEN OP HOOGTE
HOOFDSTUK I. - Risicoanalyse en preventiemaatregelen
Art. IV.5-1-IV.5-3
HOOFDSTUK II. - Specifieke bepalingen betreffende het gebruik van ladders, trapladders en platformladders
Art. IV.5-4-IV.5-6
HOOFDSTUK III. - Specifieke bepalingen betreffende het gebruik van steigers
Art. IV.5-7-IV.5-15
HOOFDSTUK IV. - Specifieke bepalingen betreffende het gebruik van toegangs- en positioneringstechnieken met touwen
Art. IV.5-16-IV.5-19
BOEK V. - OMGEVINGSFACTOREN EN FYSISCHE AGENTIA
TITEL 1. - THERMISCHE OMGEVINGSFACTOREN
HOOFDSTUK I. - Risicoanalyse en preventiemaatregelen
Art. -V.1-2
HOOFDSTUK II. - Actiewaarden voor blootstelling
Art. V.1-3
HOOFDSTUK III. - Programma van technische en organisatorische maatregelen
Art. V.1-4
HOOFDSTUK IV. - Maatregelen in geval van overmatige koude
Afdeling 1. - Overmatige koude van technologische oorsprong
Art. V.1-5
Afdeling 2. - Overmatige koude van klimatologische oorsprong
Art. V.1-6-V.1-7
HOOFDSTUK V. - Maatregelen in geval van overmatige warmte
Afdeling 1. - Overmatige warmte van technologische oorsprong
Art. V.1-8-V.1-10
Afdeling 2. - Overmatige warmte van klimatologische oorsprong
Art. V.1-11-V.1-12
Afdeling 3. - Korte blootstelling aan ernstige overmatige warmte bij interventies
Art. V.1-13
HOOFDSTUK VI. - Gezondheidstoezicht
Art. V.1-14
HOOFDSTUK VII. - Werknemers die behoren tot bijzonder gevoelige risicogroepen
Art. V.1-15
HOOFDSTUK VIII. - Voorlichting en opleiding van de werknemers
Art. V.1-16
TITEL 2. - LAWAAI
HOOFDSTUK I.-. Toepassingsgebied en definities
Art. V.2-1-V.2-3
HOOFDSTUK II. - Grenswaarden en actiewaarden van blootstelling
Art. V.2-4-V.2-5
HOOFDSTUK III. - Bepaling en beoordeling van de risico's
Art. V.2-6-V.2-12
HOOFDSTUK IV. - Maatregelen ter voorkoming of vermindering van de blootstelling
Art. V.2-13-V.2-18
HOOFDSTUK V. - Persoonlijke bescherming
Art. V.2-19
HOOFDSTUK VI. - Voorlichting en opleiding van de werknemers
Art. V.2-20
HOOFDSTUK VII. - Raadpleging en participatie van de werknemers
Art. V.2-21
HOOFDSTUK VIII. - Gezondheidstoezicht
Art. V.2-22-V.2-26
HOOFDSTUK IX. - Afwijkingen
Art. V.2-27-V.2-33
TITEL 3. - TRILLINGEN
HOOFDSTUK I. - Toepassingsgebied en definities
Art. V.3-1-V.3-2
HOOFDSTUK II. - Grenswaarden en actiewaarden voor de blootstelling
Art. V.3-3-V.3-4
HOOFDSTUK III. - Bepaling en beoordeling van de risico's
Art. V.3-5-V.3-10
HOOFDSTUK IV. - Maatregelen ter voorkoming of vermindering van de blootstelling
Art. V.3-11-V.3-14
HOOFDSTUK V. - Voorlichting en opleiding van de werknemers
Art. V.3-15
HOOFDSTUK VI. - Raadpleging en participatie van de werknemers
Art. V.3-16
HOOFDSTUK VII. - Gezondheidstoezicht
Art. V.3-17-V.3-23
HOOFDSTUK VIII. - Afwijkingen
Art. V.3-24-V.3-30
TITEL 4. - WERKZAAMHEDEN IN EEN HYPERBARE OMGEVING
HOOFDSTUK I. - Toepassingsgebied en definities
Art. V.4-1-V.4-2
HOOFDSTUK II. - Werkzaamheden in hyperbare omgeving
Afdeling 1. - Algemene verplichtingen van de werkgever
Art. V.4-3-V.4-8
Afdeling 2. - Specifieke verplichtingen van de werkgever
Art. V.4-9-V.4-12
Afdeling 3. - Vorming van de werknemers
Art. V.4-13
Afdeling 4. - Gezondheidstoezicht
Art. V.4-14-V.4-16
Afdeling 5. - Werkhervatting
Art. V.4-18-V.4-19
Afdeling 6.
Art. V.4-20
HOOFDSTUK III. - Bepalingen betreffende de duikwerkzaamheden
Afdeling 1. - Toepassingsgebied en definities
Art. V.4-21-V.4-22
Afdeling 2. - Specifieke verplichtingen van de werkgever
Art. V.4-23
Afdeling 3. - Voorwaarden om de activiteit van duiker uit te oefenen
Art. V.4-24
Afdeling 4.
Art. V.4-25
HOOFDSTUK IV. - Werkzaamheden in persluchtcaissons
Afdeling 1. - Toepassingsgebied en definities
Art. V.4-26-V.4-27
Afdeling 2. - Algemene verplichtingen van de werkgever
Art. V.4-28-V.4-31
Afdeling 3. - Specifieke verplichtingen van de werkgever
Art. V.4-32
Afdeling 4. - Verbodsbepalingen
Art. V.4-33-V.4-35
TITEL 5. - IONISERENDE STRALINGEN
HOOFDSTUK I. - Toepassingsgebied en definities
Art. V.5-1-V.5-2
HOOFDSTUK II. - Verplichtingen van de werkgevers
Art. V.5-3-V.5-8
HOOFDSTUK III. - Bijzondere verplichtingen van de externe ondernemingen
Art. V.5-9-V.5-11
HOOFDSTUK IV. - Bijzondere verplichtingen van de exploitant
Art. V.5-12
HOOFDSTUK V. - Taken van de departementen of afdelingen belast met het medisch toezicht
Afdeling 1. - Inrichtingen van klasse I, bedoeld in artikel 3 van het algemeen reglement ioniserende stralingen
Art. V.5-13-V.5-19
Afdeling 2. - Andere inrichtingen dan die bedoeld in afdeling 1
Art. V.5-20-V.5-24
HOOFDSTUK VI. - Opdrachten van de dienst voor fysische controle
Art. V.5-25
HOOFDSTUK VII. - Opmaken van de blootstellings- en ontsmettingstabel
Art. V.5-26
HOOFDSTUK VIII. - Oprichting van het gecentraliseerde nationale netwerk en opmaak van het individueel document voor de aan ioniserende straling blootgestelde externe werker
Art. V.5-27-V.5-31
TITEL 6. - KUNSTMATIGE OPTISCHE STRALING
HOOFDSTUK I. - Toepassingsgebied en definities
Art. V.6-1-V.6-3
HOOFDSTUK II. - Grenswaarden voor blootstelling
Art. V.6-4
HOOFDSTUK III. - Risicoanalyse
Art. V.6-5-V.6-9
HOOFDSTUK IV. - Maatregelen ter voorkoming of vermindering van de risico's
Art. V.6-10-V.6-13
HOOFDSTUK V. - Voorlichting en opleiding van de werknemers
Art. V.6-14
HOOFDSTUK VI. - Raadpleging en participatie van de werknemers
Art. V.6-15
HOOFDSTUK VII. - Gezondheidstoezicht
Art. V.6-16-V.6-21
TITEL 7. - ELEKTROMAGNETISCHE VELDEN
HOOFDSTUK I. - Toepassingsgebied en definities
Art. V.7-1-V.7-3
HOOFDSTUK II. - Grenswaarden voor blootstelling en actieniveaus
Art. V.7-4-V.7-12
HOOFDSTUK III. - Risicoanalyse
Art. V.7-13-V.7-19
HOOFDSTUK IV. - Maatregelen ter voorkoming of vermindering van de risico's
Art. V.7-20-V.7-27
HOOFDSTUK V. - Voorlichting en opleiding van de werknemers
Art. V.7-28
HOOFDSTUK VI. - Raadpleging en participatie van de werknemers
Art. V.7-29
HOOFDSTUK VII. - Gezondheidstoezicht
Art. V.7-30-V.7-34
HOOFDSTUK VIII. - Afwijkingen
Art. V.7-35-V.7-41
BOEK VI. [1 - Chemische, kankerverwekkende, mutagene en reprotoxische agentia]1
TITEL 1. - CHEMISCHE AGENTIA
HOOFDSTUK I. - Toepassingsgebied en definities
Art. VI.1-1-VI.1-5
HOOFDSTUK II. - Risicoanalyse
Art. VI.1-6-VI.1-10
HOOFDSTUK III. - Algemene preventiemaatregelen
Art. VI.1-11-VI.1-14
HOOFDSTUK IV. - Bijzondere preventiemaatregelen
Art. VI.1-15-VI.1-20
HOOFDSTUK V. Maatregelen bij ongevallen, incidenten en noodsituaties
Art. VI.1-21-VI.1-26
HOOFDSTUK VI. Informatie en opleiding van de werknemers
Art. VI.1-27-VI.1-28
HOOFDSTUK VII. - Verbodsbepalingen
Art. VI.1-29-VI.1-35
HOOFDSTUK VIII. [1 - Productie en gebruik met interne registratieplicht]1
Art. VI.1-36
HOOFDSTUK IX. - Gezondheidstoezicht
Art. VI.1-37-VI.1-43
HOOFDSTUK X. - Grenswaarden voor beroepsmatige blootstelling
Art. VI.1-44-VI.1-58
TITEL 2. [1 - Kankerverwekkende, mutagene en reprotoxische agentia]1
Art. VI.2-1-VI.2-15
TITEL 3. - ASBEST
HOOFDSTUK I. - Toepassingsgebied en definities
Art. VI.3-1-VI.3-3
HOOFDSTUK II. - Inventaris
Art. VI.3-4-VI.3-10
HOOFDSTUK III. - Beheersprogramma
Art. VI.3-11
HOOFDSTUK IV. - Verbodsbepalingen
Art. VI.3-13-VI.3-14
HOOFDSTUK V. - Risicoanalyse
Art. VI.3-15-VI.3-16
HOOFDSTUK VI. - Metingen
Art. VI.3-17-VI.3-26
HOOFDSTUK VII. - Algemene maatregelen bij blootstelling aan asbest
Afdeling 1. - Melding
Art. VI.3-27-VI.3-28
Afdeling 2. - Register
Art. VI.3-29-VI.3-31
Afdeling 3. - Gezondheidstoezicht
Art. VI.3-32-VI.3-35
Afdeling 4. - Informatie aan de werknemers
Art. VI.3-36
Afdeling 5. - Opleiding van de werknemers
Art. VI.3-37
Afdeling 6. - Algemene technische preventiemaatregelen
Art. VI.3-38-VI.3-39
HOOFDSTUK VIII. - Preventiemaatregelen bij zeer beperkte blootstelling aan asbest
Art. VI.3-40
HOOFDSTUK IX. - Specifieke technische preventiemaatregelen bij herstel- of onderhoudswerkzaamheden waarbij verwacht wordt dat ondanks preventieve technische maatregelen de grenswaarde kan overschreden worden
Art. VI.3-41-VI.3-49
HOOFDSTUK X. - Specifieke technische preventiemaatregelen bij sloop- en verwijderingswerken van asbest of asbesthoudend materiaal
Afdeling 1. - Organisatie van de werkzaamheden
Art. VI.3-50-VI.3-51
Afdeling 2. -Toe te passen technieken
Art. VI.3-52-VI.3-53
Afdeling 3. - Eenvoudige handelingen
Art. VI.3-54
Afdeling 4. - De Couveusezak-methode
Art. VI.3-55-VI.3-60
Afdeling 5. - De hermetisch afgesloten zone
Art. VI.3-61-VI.3-66
Afdeling 6. - Specifieke opleiding voor werknemers belast met het slopen en verwijderen van asbest of asbesthoudende materialen
Art. VI.3-67-VI.3-69
TITEL 4. - ERKENNING VAN ASBESTVERWIJDERAARS
HOOFDSTUK I. - Algemene bepalingen en definities
Art. VI.4-1-VI.4-3
HOOFDSTUK II. - Erkenningsvoorwaarden
Art. VI.4-4
HOOFDSTUK III. - Erkenningsprocedure
Art. VI.4-5-VI.4-13
HOOFDSTUK IV. - Wijziging van de erkenningsvoorwaarden
Art. VI.4-14
HOOFDSTUK V. - Toezicht en sancties
Art. VI.4-15-VI.4-18
BOEK VII.- BIOLOGISCHE AGENTIA
TITEL 1.-. ALGEMENE BEPALINGEN
HOOFDSTUK I. - Toepassingsgebied en definities
Art. VII.1-1-VII.1-2
HOOFDSTUK II. - Risicoanalyse
Art. VII.1-3, VII, VII.1-5-VII.1-9
HOOFDSTUK III. - Lijst van de blootgestelde werknemers
Art. VII.1-10-VII.1-12, VII
HOOFDSTUK IV. - Algemene preventiemaatregelen
Art. VII.1-14-VII.1-16
HOOFDSTUK V. - Bijzondere preventiemaatregelen
Art. VII.1-17-VII.1-24
HOOFDSTUK VI. - Bijzondere bepalingen betreffende het gebruik van scherpe medische instrumenten in de ziekenhuis- en gezondheidszorgsector
Afdeling 1.-. Toepassingsgebied
Art. VII.1-25
Afdeling 2.-. Risicoanalyse en preventiemaatregelen
Art. VII.1-26
Afdeling 3.-. Opleiding van de werknemers
Art. VII.1-27
Afdeling 4.-. Melding en opvolgingsprocedure
Art. VII.1-28-VII.1-29
HOOFDSTUK VII. - Werknemers in contact met voedingswaren
Art. VII.1-30-VII.1-32
HOOFDSTUK VIII. - Hygiënische maatregelen
Art. VII.1-33-VII.1-35
HOOFDSTUK IX. - Opleiding en voorlichting van de werknemers en hun vertegenwoordigers
Art. VII.1-36-VII.1-38
HOOFDSTUK X. - Maatregelen inzake informatie voor specifieke situaties
Art. VII.1-39-VII.1-41
HOOFDSTUK XI. - Gezondheidstoezicht
Art. VII.1-42-VII.1-50
HOOFDSTUK XII. - Inentingen
Afdeling 1.-. Algemene bepalingen
Art. VII.1-51-VII.1-61, VII, VII.1-63
Afdeling 2.-. Verplichte inentingen
Onderafdeling 1.-. Inenting tegen tetanus
Art. VII.1-64--VII.1-68
Onderafdeling 2.-. Inenting tegen tuberculose en tuberculinetest
Art. VII.1-69-VII.1-70
Onderafdeling 3.-. Inenting tegen hepatitis B
Art. VII.1-71-VII.1-74
HOOFDSTUK XIII. - Informatie en kennisgeving aan de inspectie
Art. VII.1-75-VII.1-81
BOEK VIII.- ERGONOMISCHE BELASTING
TITEL 1. - WERKZITPLAATSEN EN RUSTZITPLAATSEN
Art. VIII.1-1-VIII.1-4
TITEL 2. - BEELDSCHERMEN
Art. -VIII.2-5
TITEL 3. - MANUEEL HANTEREN VAN LASTEN
Art. VIII.3-1-VIII.3-10
BOEK IX. - COLLECTIEVE BESCHERMING EN INDIVIDUELE UITRUSTING
TITEL 1. - COLLECTIEVE BESCHERMINGSMIDDELEN
HOOFDSTUK I. - Algemene bepalingen betreffende de collectieve beschermingsmiddelen
Afdeling 1. - Toepassingsgebied
Art. IX.1-1
Afdeling 2. - Algemene beginselen
Art. IX.1-2-IX.1-3
Afdeling 3. - Risicoanalyse
Art. IX.1-4-IX.1-9
Afdeling 4. . - Aankoop van CBM
Art. IX.1-10-IX.1-13
Afdeling 5. - Plaatsing van CBM
Art. IX.1-14-IX.1-15
Afdeling 6. - Gebruik van een CBM
Art. IX.1-16-IX.1-18
Afdeling 7. - Onderhoud en controle
Art. IX.1-19
Afdeling 8. - Opleiding en informatie
Art. IX.1-20
TITEL 2. - PERSOONLIJKE BESCHERMINGSMIDDELEN
HOOFDSTUK I. - Algemene bepalingen
Afdeling 1. - Toepassings gebied
Art. IX.2-1
Afdeling 2. - Algemene beginselen
Art. IX.2-2-IX.2-3
Afdeling 3. - Risicoanalyse
Art. IX.2-4-IX.2-7
Afdeling 4. - Voorwaarden waaraan PBM moeten beantwoorden
Art. IX.2-8-IX.2-9
Afdeling 5. - Keuze van PBM
Art. IX.2-10-IX.2-11
Afdeling 6. - Aankoop van PBM
Art. IX.2-12-IX.2-15
Afdeling 7. - Gebruik van PBM
Art. IX.2-16-IX.2-22
Afdeling 8. - Informatie en opleiding van de werknemers
Art. IX.2-23-IX.2-24
HOOFDSTUK II. - Specifieke bepalingen betreffende de PBM tegen het vallen
Art. IX.2-25-IX.2-26
TITEL 3. - WERKKLEDIJ
HOOFDSTUK I. - Algemene beginselen
Art. IX.3-1
HOOFDSTUK II. - Technische voorwaarden
Art. IX.3-2
HOOFDSTUK III. - Gebruiksvoorwaarden
Art. IX.3-3-IX.3-6
BOEK X. - WERKORGANISATIE EN BIJZONDERE WEKNEMERSCATEGORIEEN
TITEL 1. - NACHTARBEIDERS EN WERKNEMERS IN PLOEGENDIENST
Art. X.1-1-X.1-7
TITEL 2. - UITZENDARBEID
HOOFDSTUK I. - Toepassingsgebied en definities
Art. X.2-1-X.2-2
HOOFDSTUK II. - Werkpostfiche
Art. X.2-3-X.2-5
HOOFDSTUK III. - Gezondheidstoezicht en verdeling van de verplichtingen
Art. X.2-6-X.2-12
HOOFDSTUK IV. - Centrale gegevensbank
Art. X.2-13
HOOFDSTUK V. - Organisatie van de kosten
Art. X.2-14-X.2-15
HOOFDSTUK VI. - Verbodsbepalingen
Art. X.2-16-X.2-18
TITEL 3. - JONGEREN OP HET WERK
HOOFDSTUK I. - Toepassingsgebied en definities
Art. X.3-1-X.3-2
HOOFDSTUK II. - Risicoanalyse en preventiemaatregelen
Art. X.3-3-X.3-7
HOOFDSTUK III. - Verbodsbepalingen
Art. X.3-8-X.3-9
HOOFDSTUK IV. - Afwijkingen
Art. X.3-10
HOOFDSTUK IV/1. [1 - Bijzondere bepalingen van toepassing op de personen bedoeld in artikel X.3-2, 1°, e)]1
Art. X.3-11, X.3-11/1
HOOFDSTUK V. - Gezondheidstoezicht
Art. X.3-12
TITEL 4. - STAGIAIRS
HOOFDSTUK I. - Toepassingsgebied en definities
Art. X.4-1-X.4-2
HOOFDSTUK II. - Verplichtingen van de werkgever inzake risicoanalyse en preventiemaatregelen
Art. X.4-3-X.4-8
HOOFDSTUK III. - Specifieke tariefregeling
Art. X.4-9
HOOFDSTUK IV. - Voorwaarden waaronder de onderwijsinstelling belast kan worden met de verplichtingen van de werkgever
Art. X.4-10-X.4-12
TITEL 5. - MOEDERSCHAPSBESCHERMING
Art. X.5-1-X.5-10
BIJLAGEN.
Art. NI.1-1-NX.5-2

Tekst Inhoudstafel Begin
BOEK I. - ALGEMENE BEGINSELEN

  TITEL 1. - INLEIDENDE BEPALINGEN

  HOOFDSTUK I. - Oorsprong van de bepalingen

  Artikel I.1-1. De codex over het welzijn op het werk is inzonderheid de omzetting van de richtlijnen van de Europese Unie vastgesteld in uitvoering van artikel 153 van het verdrag betreffende de werking van de Europese Unie op de wijze vastgesteld in bijlage I.1-1.

  HOOFDSTUK II. - Toepassingsgebied

  Art. I.1-2. Onverminderd de bijzondere bepalingen van de codex die een specifiek toepassingsgebied vaststellen, is de codex over het welzijn op het werk van toepassing op de werkgevers en de werknemers en op de daarmee gelijkgestelde personen bedoeld in artikel 2, § 1 van de wet van 4 augustus 1996 betreffende het welzijn van de werknemers bij de uitvoering van hun werk.

  HOOFDSTUK III. - Definities

  Art. I.1-3. Voor de toepassing van de bepalingen van de codex worden de volgende begrippen verkort geciteerd :
  1° de wet : de wet van 4 augustus 1996 betreffende het welzijn van de werknemers bij de uitvoering van hun werk;
  2° de codex : de codex over het welzijn op het werk;
  3° de Minister : de Minister tot wiens bevoegdheid het welzijn van de werknemers bij de uitvoering van hun werk behoort;
  4° de algemene directie HUA : de algemene directie Humanisering van de Arbeid van de Federale Overheidsdienst Werkgelegenheid, Arbeid en Sociaal Overleg;
  5° de leidend ambtenaar HUA : de ambtenaar belast met de leiding van de algemene directie HUA of zijn afgevaardigde;
  6° de algemene directie TWW : de algemene directie Toezicht op het Welzijn op het Werk van de Federale Overheidsdienst Werkgelegenheid, Arbeid en Sociaal Overleg;
  7° de plaatselijke directie TWW : de voor de plaats waar het werk wordt uitgevoerd bevoegde directie van de afdeling van het regionaal toezicht van de algemene directie TWW;
  8° de leidend ambtenaar TWW : de ambtenaar belast met de leiding van de algemene directie TWW of zijn afgevaardigde;
  9° de met het toezicht belaste ambtenaar : de ambtenaar die in toepassing van artikel 17 van het Sociaal Strafwetboek werd aangewezen om toezicht te houden op de naleving van de wet en de uitvoeringsbesluiten ervan;
  10° de interne dienst : de interne dienst voor preventie en bescherming op het werk;
  11° de externe dienst : de externe dienst voor preventie en bescherming op het werk;
  12° EDTC : externe dienst voor technische controles op de werkplaats als bedoeld in artikel 40, § 2, van de wet;
  13° het erkend laboratorium : het laboratorium of de dienst erkend voor het uitvoeren van bepaalde metingen in verband met biologische, chemische en fysische agentia;
  14° het Comité : het Comité voor Preventie en Bescherming op het Werk, bij ontstentenis van een comité, de vakbondsafvaardiging, en bij ontstentenis van een vakbondsafvaardiging, de werknemers zelf, overeenkomstig de bepalingen van artikel 53 van de wet;
  15° de Hoge Raad : de Hoge Raad voor Preventie en Bescherming op het Werk;
  16° de Vaste Operationele Commissie : de vaste operationele commissie opgericht bij de Hoge Raad in toepassing van artikel 47bis van de wet;
  17° ARAB : het Algemeen Reglement voor de Arbeidsbescherming, goedgekeurd bij de besluiten van de Regent van 11 februari 1946 en 27 september 1947;
  18° Verordening (EG) nr. 1272/2008 : Verordening (EG) nr. 1272/2008 van het Europees Parlement en de Raad van 16 december 2008 betreffende de indeling, etikettering en verpakking van stoffen en mengsels, tot wijziging en intrekking van de Richtlijnen 67/548/EEG en 1999/45/EG, en tot wijziging van Verordening (EG) nr. 1907/2006;
  19° Verordening (EG) nr. 1907/2006 : Verordening (EG) nr. 1907/2006 van het Europees Parlement en de Raad van 18 december 2006 inzake de registratie en beoordeling van en de autorisatie en beperkingen ten aanzien van chemische stoffen (REACH), tot oprichting van een Europees Agentschap voor chemische stoffen, houdende wijziging van Richtlijn 1999/45/EG en houdende intrekking van Verordening (EEG) nr. 793/93 van de Raad en Verordening (EG) nr. 1488/94 van de Commissie alsmede Richtlijn 76/769/EEG van de Raad en de Richtlijnen 91/155/EEG, 93/67/EEG, 93/105/EG en 2000/21/EG van de Commissie;
  20° AREI : het Algemeen Reglement op de elektrische installaties, goedgekeurd bij de koninklijke besluiten van 10 maart 1981 en 2 september 1981;
  21° het algemeen reglement ioniserende stralingen : het koninklijk besluit van 20 juli 2001 houdende algemeen reglement op de bescherming van de bevolking, van de werknemers en het leefmilieu tegen het gevaar van de ioniserende stralingen.

  Art. I.1-4.Voor de toepassing van de bepalingen van de codex wordt verstaan onder :
  1° gevaar : de intrinsieke eigenschap of het intrinsiek vermogen van inzonderheid een voorwerp, een stof, een proces of een situatie die schade kan veroorzaken of het welzijn van de werknemers kan bedreigen;
  2° risico : de waarschijnlijkheid dat de schade of de aantasting van het welzijn van de werknemers zich in bepaalde gebruiksomstandigheden of door blootstelling aan een gevaar voordoet en de mogelijke omvang van die schade of aantasting;
  3° risicoanalyse : de identificatie van gevaren voor het welzijn van de werknemers bij de uitvoering van hun werk, de vaststelling en bepaling van de risico's voor dit welzijn en de beoordeling van deze risico's;
  4° risicobeoordeling : de fase van de risicoanalyse waarbij de risico's beoordeeld worden met het oog op de keuze van de preventiemaatregelen;
  5° preventie : het geheel van bepalingen of maatregelen die worden genomen of vastgesteld in alle stadia van de activiteit van de onderneming of instelling, en op alle niveaus, teneinde beroepsrisico's te voorkomen of te verminderen;
  6° [2 gezondheidstoezicht: het geheel van preventieve medische handelingen zoals opgesomd in artikel I.4-14, § 1, eerste lid, uitgevoerd door of onder verantwoordelijkheid van de [3 preventieadviseur-arbeidsarts]3 met het oog op het uitvoeren van de opdrachten bedoeld in artikel I.4-2.]2
  7° de psychosociale risico's op het werk : de kans dat een of meerdere werknemers psychische schade ondervinden die al dan niet kan gepaard gaan met lichamelijke schade, ten gevolge van een blootstelling aan de elementen van de arbeidsorganisatie, de arbeidsinhoud, de arbeidsvoorwaarden, de arbeidsomstandigheden en de interpersoonlijke relaties op het werk, waarop de werkgever een impact heeft en die objectief een gevaar inhouden;
  8° eerste hulp : het geheel van noodzakelijke handelingen die er op gericht zijn de gevolgen van een ongeval of een traumatische of niet-traumatische aandoening te beperken en er voor te zorgen dat de letsels niet erger worden, in afwachting van, indien nodig, gespecialiseerde hulp;
  9° hiërarchische lijn : alle door de werkgever aangeduide werknemers die een gedeelte van het gezag van de werkgever over de werknemers uitoefenen;
  10° preventieadviseur : de natuurlijke persoon die vanuit de interne of de externe dienst voor preventie en bescherming op het werk, de werkgever, de leden van de hiërarchische lijn en de werknemers bijstaat in de uitvoering van het welzijnsbeleid en die voldoet aan de reglementaire voorwaarden voor de uitoefening van zijn functie;
  11° de preventieadviseur psychosociale aspecten : de natuurlijke persoon bedoeld in artikel 32sexies, § 1 van de wet, die verbonden is hetzij aan een interne dienst hetzij aan een externe dienst voor preventie en bescherming op het werk en die beantwoordt aan de voorwaarden bedoeld in boek I, titel 3, hoofdstuk V, afdeling 1;
  12° de preventieadviseur-arbeidsarts : de preventieadviseur die beantwoordt aan de voorwaarden bedoeld in artikel II.3-30, § 1, 2° en die belast is met het gezondheidstoezicht op de werknemers;
  13° de preventieadviseur arbeidsveiligheid : de preventieadviseur die overeenkomstig de artikelen II.1-20, II.1-21 of II.3-30, § 1, 1° over de nodige bekwaamheid beschikt om, in overeenstemming met de voorwaarden en de nadere regels bepaald in boek II, de opdrachten en taken van de interne dienst in verband met arbeidsveiligheid uit te oefenen, zoals ze worden beschreven in specifieke bepalingen van de codex;
  14° bevoegd persoon : een persoon die aangeduid is door de werkgever en die door middel van een opleiding de vereiste kennis heeft verworven om specifieke door de codex bepaalde handelingen te stellen, inzonderheid in verband met de toepassing van bepaalde preventiemaatregelen of het uitvoeren van controles;
  15° de vertrouwenspersoon : de persoon bedoeld in en aangewezen overeenkomstig artikel 32sexies, § § 2 tot 2/2 van de wet;
  16° andere aanwezige personen op de arbeidsplaats : iedere andere persoon dan deze bedoeld bij artikel 2, § 1 van de wet die in contact treedt met de werknemers bij de uitvoering van hun werk, inzonderheid klanten, leveranciers, dienstverleners, leerlingen en studenten en personen die uitkeringen genieten;
  17° dynamisch risicobeheersingssysteem : de structurele planmatige aanpak van preventie gebaseerd op de algemene preventiebeginselen die resulteert in het opstellen van een globaal preventieplan en een jaaractieplan;
  18° globaal preventieplan : het plan bedoeld in artikel I.2-8;
  19° jaaractieplan : het plan bedoeld in artikel I.2-9;
  20° werkpost : de plek waar men werkt, het toestel of het geheel van uitrustingen waarmee men werkt, evenals de onmiddellijke werkomgeving;
  21° de sociale voorzieningen : de sanitaire installaties, de refter, het rustlokaal en het lokaal voor de zwangere werkneemsters en de werkneemsters die borstvoeding geven;
  22° chemisch agens : elk chemisch element of elke chemische verbinding, in zuivere vorm of in een mengsel, zoals deze in natuurlijke staat voorkomt of het resultaat is van, gebruikt of vrijgekomen is, ook in de vorm van afval, bij een beroepsactiviteit, al dan niet opzettelijk geproduceerd en al dan niet op de markt gebracht;
  23° biologische agentia : micro-organismen, met inbegrip van die welke genetisch zijn gemodificeerd, celculturen en menselijke endoparasieten die een infectie, een allergie of een intoxicatie kunnen veroorzaken;
  24° arbeidsmiddelen : alle op de arbeidsplaats gebruikte machines, apparaten, gereedschappen en installaties;
  25° collectief beschermingsmiddel, hierna " CBM " genoemd : elke beschermingsuitrusting die tot doel heeft de werknemer te beschermen tegen één of meerdere gevaren die zijn veiligheid of gezondheid op het werk kunnen in het gedrang brengen evenals alle aanvullingen of accessoires die hiertoe bestemd zijn, en die gelijktijdig de volgende kenmerken vertonen :
  a) ze is dermate ontworpen en geïnstalleerd dat ze zo rechtstreeks mogelijk inwerkt op de oorzaak van het risico zodat dit risico maximaal wordt beperkt;
  b) ze is bestemd om, voorafgaand aan de uitvoering van het werk te worden geïnstalleerd;
  c) ze is van die aard dat de werknemer niet actief moet tussenkomen om zijn veiligheid en gezondheid op het werk te verzekeren;
  26° werkkledij : hetzij een overall, hetzij een pak bestaand uit een broek en een jas of windpak, hetzij een kiel of stofjas, bestemd om te vermijden dat de werknemer zich vuil maakt door de aard van zijn activiteiten en die niet beschouwd wordt als beschermingskledij;
  27° persoonlijk beschermingsmiddel, hierna " PBM " genoemd : iedere uitrusting die, behoudens de reglementair bepaalde uitzonderingen, bestemd is om door de werknemer gedragen of vastgehouden te worden ten einde hem te beschermen tegen één of meer risico's die zijn veiligheid of gezondheid op het werk kunnen bedreigen, alsmede alle aanvullingen of accessoires die daartoe kunnen bijdragen;
  28° veiligheids- en gezondheidssignalering : een signalering die, toegepast op een bepaald object, een bepaalde activiteit, een bepaalde situatie of een bepaalde handelswijze, door middel van - al naar gelang van het geval - een bord, een kleur, een lichtsignaal, een akoestisch signaal, een mondelinge mededeling of een hand- of armsein, een aanwijzing of een voorschrift verstrekt met betrekking tot de veiligheid of de gezondheid op het werk.
  [1 29° Werklokaal : een lokaal waarin zich een werkpost bevindt.]1
  ----------
  (1)<KB 2019-05-02/26, art. 1, 006; Inwerkingtreding : 31-05-2019>
  (2)<KB 2019-05-14/07, art. 2, 008; Inwerkingtreding : 21-06-2019>
  (3)<KB 2019-05-14/07, art. 1, 008; Inwerkingtreding : 21-06-2019>

  TITEL 2. - ALGEMENE BEGINSELEN BETREFFENDE HET WELZIJNSBELEID

  HOOFDSTUK I. - Algemene bepaling

  Art. I.2-1. Onverminderd de specifieke verplichtingen die in andere boeken en titels van deze codex aan de werkgever worden opgelegd, zijn de bepalingen van deze titel van algemene toepassing.

  HOOFDSTUK II. - Het dynamisch risicobeheersingssysteem

  Art. I.2-2. Elke werkgever is verantwoordelijk voor de structurele planmatige aanpak van preventie, overeenkomstig artikel 5, § 1, tweede lid, i) van de wet, door middel van een dynamisch risicobeheersingssysteem zoals beschreven in dit hoofdstuk.
  Het dynamisch risicobeheersingssysteem is gesteund op de algemene preventiebeginselen bedoeld in artikel 5, § 1, tweede lid van de wet en heeft betrekking op de volgende domeinen :
  1° de arbeidsveiligheid;
  2° de bescherming van de gezondheid van de werknemer op het werk;
  3° de psychosociale aspecten van het werk;
  4° de ergonomie;
  5° de arbeidshygiëne;
  6° de verfraaiing van de arbeidsplaatsen;
  7° de maatregelen van de onderneming inzake leefmilieu, wat betreft hun invloed op de punten 1° tot 6°.
  Dit systeem houdt rekening met de wisselwerking die er tussen de in het tweede lid bedoelde domeinen bestaat of kan bestaan.

  Art. I.2-3. Het dynamisch risicobeheersingssysteem heeft tot doel de planning van de preventie en de uitvoering van het beleid met betrekking tot het welzijn van de werknemers bij de uitvoering van hun werk mogelijk te maken.
  Om dit doel te verwezenlijken bestaat het systeem steeds uit de volgende elementen :
  1° de uitwerking van het beleid waarbij de werkgever inzonderheid de doelstellingen bepaalt evenals de middelen om deze doelstellingen te realiseren;
  2° de programmatie van het beleid waarbij inzonderheid de toe te passen methodes en de opdrachten, verplichtingen en middelen van alle betrokken personen worden bepaald;
  3° de uitvoering van het beleid waarbij inzonderheid de verantwoordelijkheden van alle betrokken personen worden bepaald;
  4° de evaluatie van het beleid waarbij inzonderheid de criteria worden vastgesteld om het beleid te evalueren.
  De werkgever past dit systeem aan telkens dit noodzakelijk is ingevolge gewijzigde omstandigheden.

  Art. I.2-4. Bij de uitwerking, programmatie, uitvoering en evaluatie van het dynamisch risicobeheersingssysteem houdt de werkgever rekening met de aard van de activiteiten en de specifieke risico's eigen aan die activiteiten evenals met de specifieke risico's die eigen zijn aan bepaalde groepen werknemers.

  Art. I.2-5. De werkgever ontwikkelt in zijn dynamisch risicobeheersingssysteem een strategie in verband met het verrichten van een risicoanalyse op basis waarvan preventiemaatregelen worden vastgesteld, rekening houdend met de bepalingen van de artikelen I.2-6 en I.2-7.

  Art. I.2-6. De risicoanalyse gebeurt op het niveau van de organisatie in haar geheel, op het niveau van elke groep van werkposten of functies en op het niveau van het individu.
  Zij bestaat achtereenvolgens uit :
  1° het identificeren van gevaren voor het welzijn van de werknemers bij de uitvoering van hun werk;
  2° het vaststellen en nader bepalen van risico's voor het welzijn van de werknemers bij de uitvoering van hun werk;
  3° het evalueren van risico's voor het welzijn van de werknemers bij de uitvoering van hun werk.

  Art. I.2-7. De preventiemaatregelen die genomen moeten worden op basis van de in artikel I.2-6 bedoelde risicoanalyse worden vastgesteld op het niveau van de organisatie in haar geheel, op het niveau van elke groep van werkposten of functies en op het niveau van het individu, rekening houdend met de volgende volgorde :
  1° preventiemaatregelen die tot doel hebben risico's te voorkomen;
  2° preventiemaatregelen die tot doel hebben schade te voorkomen;
  3° preventiemaatregelen die tot doel hebben de schade te beperken.
  De werkgever onderzoekt voor elke groep van preventiemaatregelen welke hun invloed is op het risico en of zij zelf geen risico's inhouden, zodat ofwel een andere groep van preventiemaatregelen moet worden toegepast ofwel bijkomende preventiemaatregelen van een andere groep moeten worden genomen.
  De preventiemaatregelen hebben inzonderheid betrekking op :
  1° de organisatie van de onderneming of instelling met inbegrip van de gebruikte werk- en productiemethoden;
  2° de inrichting van de arbeidsplaats;
  3° de conceptie en aanpassing van de werkpost;
  4° de keuze en het gebruik van arbeidsmiddelen en van chemische stoffen of mengsels;
  5° de bescherming tegen de risico's voortvloeiende uit chemische, biologische en fysische agentia;
  6° de keuze en het gebruik van collectieve en persoonlijke beschermingsmiddelen en van werkkledij;
  7° de toepassing van een aangepaste veiligheids- en gezondheidssignalering;
  8° het gezondheidstoezicht met inbegrip van de medische onderzoeken;
  9° de bescherming tegen de psychosociale risico`s op het werk;
  10° de bekwaamheid, de vorming en de informatie van alle werknemers, met inbegrip van aangepaste instructies;
  11° de coördinatie op de arbeidsplaats;
  12° de noodprocedures, met inbegrip van de maatregelen in geval van situaties van ernstig en onmiddellijk gevaar en met betrekking tot de eerste hulp, de brandbestrijding en de evacuatie van de werknemers.

  Art. I.2-8. § 1. De werkgever stelt, in overleg met de leden van de hiërarchische lijn en de diensten voor preventie en bescherming op het werk, een globaal preventieplan op voor een termijn van vijf jaar waarin de te ontwikkelen en toe te passen preventieactiviteiten worden geprogrammeerd, rekening houdend met de grootte van de onderneming en de aard van de risico's verbonden aan de activiteiten van de onderneming.
  Dit globaal preventieplan wordt schriftelijk opgesteld en omvat inzonderheid :
  1° de resultaten van de identificatie van de gevaren en het vaststellen, nader bepalen en evalueren van de risico's;
  2° de vast te stellen preventiemaatregelen;
  3° de te bereiken prioritaire doelstellingen;
  4° de activiteiten die moeten worden verricht en de opdrachten die moeten worden uitgevoerd om deze doelstellingen te bereiken;
  5° de organisatorische, materiële en financiële middelen die moeten worden aangewend;
  6° de opdrachten, verplichtingen en middelen van alle betrokken personen;
  7° de wijze waarop het globaal preventieplan wordt aangepast aan gewijzigde omstandigheden;
  8° de criteria voor de evaluatie van het beleid inzake het welzijn van de werknemers bij de uitvoering van hun werk.
  § 2. De Minister kan ten behoeve van de werkgevers die behoren tot de groep D bedoeld in artikel II.1-2 één of meerdere modellen van een globaal preventieplan opstellen.
  De Minister kan, na advies van de Hoge Raad, ook modellen van een globaal preventieplan vaststellen voor bepaalde sectoren.

  Art. I.2-9. De werkgever stelt, in overleg met de leden van de hiërarchische lijn en de diensten voor preventie en bescherming op het werk, een jaaractieplan op ter bevordering van het welzijn op het werk tijdens het volgende dienstjaar.
  Dit jaaractieplan is gesteund op het globaal preventieplan, wordt schriftelijk opgesteld en bepaalt :
  1° de prioritaire doelstellingen in het kader van het preventiebeleid van het volgend dienstjaar;
  2° de middelen en methoden om deze doelstellingen te bereiken;
  3° de opdrachten, verplichtingen en middelen van alle betrokken personen;
  4° de aanpassingen die moeten aangebracht worden aan het globaal preventieplan ingevolge :
  a) gewijzigde omstandigheden;
  b) de ongevallen en incidenten die zich in de onderneming of instelling hebben voorgedaan;
  c) het jaarverslag van de interne dienst van het voorbije burgerlijk jaar;
  d) de adviezen van het Comité tijdens het voorbije burgerlijk jaar.

  Art. I.2-10. De werkgever betrekt de leden van de hiërarchische lijn en de diensten voor preventie en bescherming op het werk bij de uitwerking, programmatie, uitvoering en evaluatie van het dynamisch risicobeheersingssysteem, het schriftelijk globaal preventieplan en het schriftelijk jaaractieplan.
  Hij raadpleegt tevens het Comité.
  De werkgever legt het schriftelijk vastgelegde globaal preventieplan bij elke wijziging of aanpassing vooraf ter advies voor aan het Comité.
  De werkgever legt het ontwerp van jaaractieplan voor advies voor aan het Comité uiterlijk de eerste dag van de tweede maand voorafgaand aan het begin van het dienstjaar waarop het betrekking heeft.
  Het jaaractieplan mag niet worden uitgevoerd voordat het Comité zijn advies heeft verstrekt of, bij ontstentenis daarvan vóór het begin van het dienstjaar waarop het slaat.

  Art. I.2-11. .- De leden van de hiërarchische lijn voeren, elk binnen hun bevoegdheid en op hun niveau, het beleid van de werkgever met betrekking tot het welzijn van de werknemers bij de uitvoering van hun werk uit.
  Hiertoe hebben zij inzonderheid de volgende taken :
  1° voorstellen en adviezen formuleren aan de werkgever in het kader van het dynamisch risicobeheersingssysteem;
  2° ongevallen en incidenten die zich op de arbeidsplaats hebben voorgedaan onderzoeken en maatregelen voorstellen om dergelijke ongevallen en incidenten te voorkomen;
  3° een effectieve controle uitoefenen op de arbeidsmiddelen, de collectieve en persoonlijke beschermingsmiddelen en de gebruikte stoffen en mengsels teneinde onregelmatigheden vast te stellen en maatregelen te nemen om hieraan een einde te maken;
  4° opsporen van de psychosociale risico's verbonden aan het werk en waken over de tijdige behandeling ervan;
  5° tijdig het advies inwinnen van de diensten voor preventie en bescherming op het werk;
  6° controleren of de verdeling van de taken op een zodanige wijze geschiedt dat de verschillende taken worden uitgevoerd door werknemers die de daartoe vereiste bekwaamheid hebben en de vereiste opleiding en instructies hebben ontvangen;
  7° waken over de naleving van de instructies die in toepassing van de wetgeving inzake het welzijn van de werknemers bij de uitvoering van hun werk moeten worden verstrekt;
  8° zich ervan vergewissen dat de werknemers de inlichtingen die zij gekregen hebben in toepassing van de wetgeving inzake het welzijn van de werknemers bij de uitvoering van hun werk goed begrijpen en in praktijk brengen;
  9° het onthaal van elke beginnende werknemer organiseren en een ervaren werknemer aanduiden die ermee belast is deze te begeleiden. Het door de werkgever aangeduid lid van de hiërarchische lijn, belast met het organiseren van het onthaal, tekent onder zijn naam een document waaruit blijkt dat in het kader van zijn taken bedoeld onder 7° en 8° de nodige inlichtingen en instructies werden verstrekt met betrekking tot het welzijn op het werk.

  Art. I.2-12. De werkgever evalueert regelmatig, in overleg met de leden van de hiërarchische lijn en de diensten voor preventie en bescherming op het werk, het dynamisch risicobeheersingssysteem.
  Hij houdt hierbij inzonderheid rekening met :
  1° de jaarverslagen van de diensten voor preventie en bescherming op het werk;
  2° de adviezen van het Comité en, in voorkomend geval, deze van de met het toezicht belaste ambtenaar;
  3° de gewijzigde omstandigheden die een aanpassing van de strategie in verband met het verrichten van een risicoanalyse op basis waarvan preventiemaatregelen worden vastgesteld, noodzakelijk maken;
  4° de ongevallen, incidenten of feiten van geweld, pesterijen of ongewenst seksueel gedrag op het werk die zich in de onderneming of instelling hebben voorgedaan.
  Rekening houdend met deze evaluatie stelt de werkgever ten minste éénmaal om de vijf jaar een nieuw globaal preventieplan op volgens de bepalingen van artikel I.2-8.

  Art. I.2-13. De verplichtingen opgelegd aan de leden van de hiërarchische lijn en de werknemers doen geen afbreuk aan het beginsel van de verantwoordelijkheid van de werkgever.

  Art. I.2-14. De maatregelen inzake het welzijn van de werknemers bij de uitvoering van hun werk mogen in geen geval financiële lasten voor de werknemers met zich brengen.
  De wijze waarop de financiële lasten worden gedragen ten aanzien van de personen bedoeld in artikel 2, § 1, tweede lid, b) en e) van de wet worden bepaald bij koninklijk besluit.

  HOOFDSTUK III. - Verplichtingen van de werkgever inzake onthaal, begeleiding, informatie en vorming van de werknemers

  Art. I.2-15. De werkgever neemt de gepaste maatregelen voor de organisatie van het onthaal van elke werknemer en vertrouwt die organisatie, in voorkomend geval, toe aan een lid van de hiërarchische lijn.
  Ingeval de werkgever zelf instaat voor de organisatie van het onthaal, tekent hijzelf het document bedoeld in artikel I.2-11, tweede lid, 9°.
  De werkgever of, in voorkomend geval, een lid van de hiërarchische lijn neemt eveneens de gepaste maatregelen om een ervaren werknemer aan te duiden om de werknemer te begeleiden. De werkgever kan eventueel zelf die begeleiding op zich nemen.

  Art. I.2-16. De werkgever geeft aan de leden van de hiërarchische lijn en aan de werknemers alle informatie in verband met de risico's en de preventiemaatregelen die van toepassing zijn op het niveau van de organisatie in zijn geheel, op het niveau van elke groep van werkposten of functies en op de individuele werkpost of functie die zij nodig hebben voor de uitoefening van hun taak of die zij nodig hebben voor de bescherming van hun veiligheid of gezondheid en deze van de andere werknemers.
  Hij geeft hen eveneens de nodige informatie betreffende de noodprocedures en inzonderheid met betrekking tot de maatregelen die moeten worden genomen in geval van ernstig en onmiddellijk gevaar, en met betrekking tot de eerste hulp, de brandbestrijding en de evacuatie van de werknemers.

  Art. I.2-17. § 1. De werkgever informeert de werknemers over de opdrachten en taken van de interne en de externe dienst en van de verschillende preventieadviseurs.
  § 2. De werkgever vermeldt op een voor de werknemers gemakkelijk toegankelijke plaats de namen en de contactgegevens van de preventieadviseurs bevoegd voor arbeidsveiligheid, arbeidsgeneeskunde en psychosociale aspecten, en desgevallend de naam en de contactgegevens van de vertrouwenspersoon en van de externe dienst.

  Art. I.2-18. De werkgever stelt, voor de hiërarchische lijn en voor de werknemers, een programma op tot vorming inzake het welzijn van de werknemers bij de uitvoering van hun werk, rekening houdend met de gegevens van het globaal preventieplan.
  Dit programma evenals de inhoud van de vorming zelf houden rekening met de instructies die krachtens de reglementering moeten worden opgesteld.

  Art. I.2-19. Wanneer de werkgever een werknemer met de uitvoering van een taak belast neemt hij de bekwaamheid van de betrokken werknemer op het gebied van het welzijn op het werk in aanmerking.

  Art. I.2-20. De werkgever neemt de nodige maatregelen opdat alleen werknemers die passende instructies hebben gekregen, toegang hebben tot de zones met ernstige en specifieke gevaren.

  Art. I.2-21. De werkgever zorgt ervoor dat iedere werknemer een voldoende en aangepaste vorming in verband met het welzijn van de werknemers bij de uitvoering van hun werk ontvangt die speciaal gericht is op zijn werkpost of functie.
  Deze vorming wordt inzonderheid gegeven :
  1° bij indienstneming;
  2° bij een overplaatsing of verandering van functie;
  3° bij de invoering van een nieuw arbeidsmiddel of verandering van een arbeidsmiddel;
  4° bij de invoering van een nieuwe technologie.
  Deze vorming wordt aangepast aan de ontwikkeling van de risico's en aan het ontstaan van nieuwe risico's en wordt indien nodig, op gezette tijden herhaald.
  De kosten van de vorming mogen niet ten laste zijn van de werknemers. De vorming wordt gegeven tijdens de werktijd.

  HOOFDSTUK IV. - Verplichtingen van de werkgever in verband met bepaalde documenten

  Art. I.2-22.[1 De werkgever houdt het jaarverslag van de interne dienst, bedoeld in artikel II. 1-6, § 1, 2°, b), ter beschikking van de met het toezicht belaste ambtenaren.]1
  ----------
  (1)<KB 2018-02-07/05, art. 1, 003; Inwerkingtreding : 08-03-2018>

  HOOFDSTUK V. - Maatregelen bij noodsituaties en in geval van ernstig en onmiddellijk gevaar

  Art. I.2-23. De werkgever stelt een intern noodplan op dat van toepassing is voor de bescherming van de werknemers wanneer dit nodig is naar aanleiding van de vaststellingen gedaan ingevolge de risicoanalyse.
  Dit plan is gesteund op procedures die aangepast zijn aan gevaarlijke situaties en mogelijke ongevallen of incidenten die eigen zijn aan de onderneming of instelling evenals aan de gevallen van geweld van externe oorsprong.
  Deze procedures hebben betrekking op :
  1° de informatie en de instructies betreffende de maatregelen in geval van nood;
  2° het alarm- en communicatiesysteem;
  3° de veiligheidsoefeningen;
  4° de handelingen te stellen bij evacuatie en eerste hulp;
  5° de middelen voor de eerste verzorging;
  6° de maatregelen om posttraumatische stress te voorkomen of te beperken.

  Art. I.2-24. De werkgever stelt alle werknemers die blootgesteld zijn of kunnen worden aan een ernstig en onmiddellijk gevaar zo spoedig mogelijk in kennis van dat gevaar en van de getroffen of te treffen beschermingsmaatregelen.
  Hij neemt maatregelen en geeft instructies aan de werknemers ten einde hen toe te staan, in geval van een niet te vermijden, ernstig en onmiddellijk gevaar, hun activiteit stop te zetten of zich in veiligheid te stellen door de arbeidsplaats onmiddellijk te verlaten.
  Hij onthoudt zich ervan, behalve in uitzonderlijke, naar behoren gemotiveerde gevallen, de werknemers te verzoeken hun werk te hervatten in een werksituatie waarin nog een ernstig en onmiddellijk gevaar bestaat.

  Art. I.2-25. De werkgever zorgt ervoor dat elke werknemer, wanneer een ernstig en onmiddellijk gevaar voor zijn eigen veiligheid of die van anderen dreigt en het onmogelijk is contact op te nemen met het bevoegde lid van de hiërarchische lijn of de interne dienst en rekening houdend met zijn technische kennis en middelen, de nodige passende maatregelen kan nemen om de gevolgen van een dergelijk gevaar te voorkomen.
  Zijn optreden mag dan voor hem geen enkel nadeel met zich brengen, tenzij hij ondoordacht heeft gehandeld of een zware fout heeft begaan.

  Art. I.2-26. Een werknemer die, in geval van een niet te vermijden, ernstig en onmiddellijk gevaar, zijn werkpost of een gevaarlijke zone verlaat, mag daar geen nadeel van ondervinden en moet worden beschermd tegen alle ongerechtvaardigde nadelige gevolgen daarvan.
  Hij stelt onmiddellijk het bevoegde lid van de hiërarchische lijn en de interne dienst hiervan in kennis.

  TITEL 3. - PREVENTIE VAN PSYCHOSOCIALE RISICO'S OP HET WERK

  HOOFDSTUK I. - Risicoanalyse en preventiemaatregelen

  Art. I.3-1. In het kader van de risicoanalyse uitgevoerd overeenkomstig artikel I.2-6 identificeert de werkgever inzonderheid de situaties die aanleiding kunnen geven tot psychosociale risico's op het werk.
  Hij houdt inzonderheid rekening met de situaties die aanleiding kunnen geven tot stress of burn-out veroorzaakt door het werk of tot schade aan de gezondheid die voortvloeit uit conflicten verbonden aan het werk of uit geweld, pesterijen of ongewenst seksueel gedrag op het werk.
  Hij bepaalt en evalueert de psychosociale risico's op het werk rekening houdend met de gevaren verbonden aan de elementen van de arbeidsorganisatie, de arbeidsinhoud, de arbeidsvoorwaarden, de arbeidsomstandigheden en de interpersoonlijke relaties op het werk.
  De risicoanalyse van de psychosociale risico's wordt uitgevoerd door de werkgever met medewerking van de werknemers. De werkgever betrekt er de preventieadviseur psychosociale aspecten bij wanneer hij deel uitmaakt van de interne dienst. Bij ontstentenis, betrekt hij er de preventieadviseur psychosociale aspecten van de externe dienst bij wanneer de complexiteit van de analyse het vereist.

  Art. I.3-2. De werkgever treft, voor zover hij een impact heeft op het gevaar, de passende preventiemaatregelen om de psychosociale risico's op het werk te voorkomen, in toepassing van de algemene preventiebeginselen bedoeld in artikel 5, § 1 van de wet.
  Deze maatregelen worden genomen overeenkomstig artikel I.2-7.
  Wanneer de preventieadviseur psychosociale aspecten werd betrokken bij deze analyse, vraagt de werkgever zijn advies alvorens deze maatregelen te treffen.

  Art. I.3-3. § 1. De werkgever wiens werknemers bij de uitvoering van hun werk in contact komen met andere personen op de arbeidsplaats, houdt bij de risicoanalyse bedoeld in artikel I.3-1 en het bepalen van de preventiemaatregelen rekening met dit specifieke element.
  Met het oog hierop, houdt de werkgever onder meer rekening met de verklaringen van de werknemers die opgenomen zijn in het register van feiten van derden.
  Dit register wordt bijgehouden door de vertrouwenspersoon of de preventieadviseur psychosociale aspecten.
  Het wordt bijgehouden door de preventieadviseur belast met de leiding van de interne dienst indien de preventieadviseur psychosociale aspecten deel uitmaakt van een externe dienst en er geen enkele vertrouwenspersoon werd aangewezen.
  Deze verklaringen omvatten een beschrijving van de feiten van geweld, pesterijen of ongewenst seksueel gedrag op het werk die werden veroorzaakt door andere personen op de arbeidsplaats en waarvan de werknemer meent het voorwerp te zijn geweest, evenals de data van die feiten. Ze vermelden de identiteit van de werknemer niet, tenzij deze laatste met de vermelding ervan instemt.
  Alleen de werkgever, de preventieadviseur psychosociale aspecten, de vertrouwenspersoon en de preventieadviseur belast met de leiding van de interne dienst hebben toegang tot dit register.
  Het wordt ter beschikking gehouden van de met het toezicht belaste ambtenaar.
  De werkgever bewaart de verklaringen inzake de feiten die in het register zijn opgenomen gedurende vijf jaren te rekenen vanaf de dag dat de werknemer deze verklaringen heeft laten optekenen.
  § 2. De preventieadviseur psychosociale aspecten brengt een advies uit over de keuze van de gespecialiseerde diensten of instellingen bedoeld in artikel 32quinquies van de wet.

  Art. I.3-4. Naast de algemene risicoanalyse bedoeld in artikel I.3-1, kan een risicoanalyse van de psychosociale risico's op het werk gebeuren op het niveau van een specifieke arbeidssituatie waarin een gevaar werd vastgesteld.
  Deze risicoanalyse moet worden uitgevoerd wanneer een lid van de hiërarchische lijn of ten minste één derde van de werknemersvertegenwoordigers in het Comité hierom vragen.
  Ze wordt uitgevoerd door de werkgever met medewerking van de werknemers. De werkgever betrekt er de preventieadviseur psychosociale aspecten bij wanneer hij deel uitmaakt van de interne dienst. Bij ontstentenis, betrekt hij er de preventieadviseur psychosociale aspecten van de externe dienst bij wanneer de complexiteit van de situatie het vereist.
  Ze houdt rekening met de elementen bedoeld in artikel I.3-1, derde lid.
  In de hypothese dat de preventieadviseur psychosociale aspecten niet bij de analyse wordt betrokken, moeten de werknemers de mogelijkheid hebben informatie op een anonieme wijze mee te delen. In de hypothese dat de preventieadviseur psychosociale aspecten bij de analyse wordt betrokken, deelt hij aan de werkgever slechts de anonieme gegevens mee die voortvloeien uit de gesprekken met de werknemers.

  Art. I.3-5. Op grond van de risicoanalyse bedoeld in artikel I.3-4, treft de werkgever ten aanzien van de specifieke arbeidssituatie de geschikte collectieve en individuele preventiemaatregelen, voor zover hij een impact heeft op het gevaar.
  Deze maatregelen worden genomen overeenkomstig artikel I.2-7.
  Wanneer de preventieadviseur psychosociale aspecten werd betrokken bij deze analyse, vraagt de werkgever zijn advies alvorens deze maatregelen te treffen.
  Hij deelt aan de verzoeker, aan de bij de maatregelen betrokken preventieadviseurs en aan alle andere personen die hij nuttig acht de resultaten mee van de analyse bedoeld in artikel I.3-4 en zijn beslissing met betrekking tot de maatregelen. De resultaten van de risicoanalyse bevatten uitsluitend anonieme gegevens.

  Art. I.3-6.§ 1. De preventiemaatregelen bedoeld in artikel I.3-2 worden opnieuw onderzocht bij elke wijziging die de blootstelling van werknemers aan psychosociale risico's op het werk kan beïnvloeden.
  § 2. De werkgever evalueert minstens eenmaal per jaar deze preventiemaatregelen.
  De evaluatie wordt uitgevoerd door de werkgever. Hij betrekt er de preventieadviseur psychosociale aspecten bij wanneer hij deel uitmaakt van de interne dienst. Bij ontstentenis, betrekt hij er de preventieadviseur psychosociale aspecten van de externe dienst bij wanneer de complexiteit van de evaluatie het vereist.
  Deze evaluatie houdt inzonderheid rekening met de volgende elementen :
  1° het geheel van de verzoeken tot risicoanalyse van een specifieke arbeidssituatie bedoeld in artikel I.3-4;
  2° het geheel van de verzoeken tot formele psychosociale interventie bedoeld in hoofdstuk II, afdeling 4, van deze titel;
  3° de door de [1 preventieadviseur-arbeidsarts]1 meegedeelde elementen bedoeld in artikel I.3-44;
  4° de conclusies getrokken uit incidenten van psychosociale aard die zich bij herhaling hebben voorgedaan en het voorwerp hebben uitgemaakt van een informele psychosociale interventie;
  5° de feiten ingeschreven in het register bedoeld in artikel I.3-3;
  6° de cijfermatige gegevens vervat in deel VIII van het jaarverslag van de interne dienst bedoeld in artikel II.1-6, § 1, 2°, b).
  De preventieadviseur psychosociale aspecten trekt conclusies uit incidenten van psychosociale aard die zich bij herhaling hebben voorgedaan en het voorwerp hebben uitgemaakt van een informele psychosociale interventie door hemzelf of door de vertrouwenspersoon en deelt deze minstens eenmaal per jaar in collectieve en anonieme vorm mee aan de werkgever.
  ----------
  (1)<KB 2019-05-14/07, art. 1, 008; Inwerkingtreding : 21-06-2019>

  Art. I.3-7. De resultaten van de risicoanalyse en de preventiemaatregelen bedoeld in de artikelen I.3-1 en I.3-2 worden opgenomen in het globaal preventieplan en, in voorkomend geval, in het jaaractieplan bedoeld in de artikelen I.2-8 en I.2-9.
  Deze plannen worden, in voorkomend geval, bijgewerkt ten gevolge van de evaluatie bedoeld in artikel I.3-6.

  HOOFDSTUK II. - Verzoek tot psychosociale interventie door de werknemer

  Afdeling 1. - Algemeenheden

  Art. I.3-8. Naast de mogelijkheid zich rechtstreeks te wenden tot de werkgever, de leden van de hiërarchische lijn, een lid van het Comité of een vakbondsafgevaardigde, kan de werknemer die meent psychische schade te ondervinden, die al dan niet kan gepaard gaan met lichamelijke schade, ten gevolge van psychosociale risico's op het werk, waaronder inzonderheid geweld, pesterijen of ongewenst seksueel gedrag op het werk, een beroep doen op de interne procedure bedoeld in dit hoofdstuk.
  In het kader van deze procedure treft de werkgever, voor zover hij een impact heeft op het gevaar, de geschikte preventiemaatregelen om een einde te maken aan de schade, in toepassing van de algemene preventiebeginselen bedoeld in artikel 5, § 1 van de wet.

  Art. I.3-9. De interne procedure maakt het mogelijk dat de werknemer bij de vertrouwenspersoon of de preventieadviseur psychosociale aspecten, volgens de nadere regels bepaald bij dit hoofdstuk, een verzoek indient tot :
  a) hetzij een informele psychosociale interventie;
  b) hetzij een formele psychosociale interventie.
  De preventieadviseur psychosociale aspecten en de vertrouwenspersoon kunnen betrokken worden bij de concrete uitwerking van deze procedure.
  Deze nadere regels dienen binnen de onderneming of de instelling het voorwerp uit te maken van een akkoord van het Comité overeenkomstig artikel 32/2, § 2, vierde lid van de wet. Indien geen akkoord wordt bereikt, vraagt de werkgever het advies van de met het toezicht belaste ambtenaar.
  De ambtenaar hoort de betrokken partijen en poogt de standpunten met elkaar te verzoenen. Indien geen verzoening wordt bereikt, verstrekt deze ambtenaar een advies waarvan per aangetekend schrijven kennis wordt gegeven aan de werkgever. De werkgever stelt het Comité in kennis van het advies van deze ambtenaar binnen een termijn van dertig dagen vanaf de kennisgeving en neemt een beslissing overeenkomstig artikel 32/2, § 2, vierde lid van de wet.

  Art. I.3-10. § 1. De werknemers moeten de mogelijkheid hebben om de vertrouwenspersoon of de preventieadviseur psychosociale aspecten te kunnen raadplegen tijdens de werkuren.
  Indien de gewone arbeidstijdregeling die van toepassing is bij de werkgever het onmogelijk maakt dat de werknemer de vertrouwenspersoon of de preventieadviseur psychosociale aspecten kan raadplegen tijdens de werkuren, mag deze raadpleging ook buiten deze werkuren gebeuren, indien dit wordt voorzien door een collectieve arbeidsovereenkomst of, bij ontstentenis, het arbeidsreglement.
  In beide gevallen wordt de tijd besteed aan de raadpleging van de vertrouwenspersoon of de preventieadviseur psychosociale aspecten beschouwd als arbeidstijd.
  § 2. De verplaatsingskosten die werden gemaakt om zich te begeven naar de vertrouwenspersoon of de preventieadviseur psychosociale aspecten zijn ten laste van de werkgever, ongeacht het moment waarop de raadpleging plaatsvond.

  Afdeling 2. - Fase voorafgaand aan een verzoek tot psychosociale interventie

  Art. I.3-11. Uiterlijk tien kalenderdagen na het eerste contact hoort de vertrouwenspersoon of de preventieadviseur psychosociale aspecten de werknemer en informeert hij hem over de mogelijkheden tot interventie bedoeld in artikel I.3-9.
  Indien deze raadpleging plaatsvindt tijdens een persoonlijk onderhoud overhandigt de tussenkomende partij aan de werknemer, op diens vraag, een document ter bevestiging van dit persoonlijk onderhoud.
  De werknemer kiest, in voorkomend geval, het type interventie waarvan hij gebruik wenst te maken.

  Afdeling 3. - Verzoek tot informele psychosociale interventie

  Art. I.3-12. De informele psychosociale interventie bestaat in het op een informele wijze zoeken naar een oplossing door de verzoeker en de vertrouwenspersoon of de preventieadviseur psychosociale aspecten, door middel van inzonderheid :
  1° gesprekken die het onthaal, het actief luisteren of een advies omvatten;
  2° een interventie bij een andere persoon van de onderneming, inzonderheid bij een lid van de hiërarchische lijn;
  3° een verzoening tussen de betrokken personen voor zover zij hiermee akkoord gaan.
  Het type informele psychosociale interventie gekozen door de verzoeker wordt opgenomen in een document dat wordt gedateerd en ondertekend door de tussenkomende partij en door de verzoeker die daarvan een kopie ontvangt.

  Afdeling 4. - Verzoek tot formele psychosociale interventie

  Onderafdeling 1. - Definitie

  Art. I.3-13. § 1. Het verzoek tot formele psychosociale interventie houdt in dat de werknemer aan de werkgever vraagt om de gepaste collectieve en individuele maatregelen te nemen op basis van een analyse van de specifieke arbeidssituatie en op basis van de voorstellen van maatregelen, die werden gedaan door de preventieadviseur psychosociale aspecten en die opgenomen zijn in een advies waarvan de inhoud wordt bepaald in artikel I.3-24.
  § 2. Wanneer het verzoek tot formele psychosociale interventie, volgens de werknemer, betrekking heeft op feiten van geweld, pesterijen of ongewenst seksueel gedrag op het werk, draagt dit verzoek de naam van "verzoek tot formele psychosociale interventie voor feiten van geweld, pesterijen of ongewenst seksueel gedrag op het werk".
  Dit verzoek wordt behandeld overeenkomstig deze afdeling 4, met uitzondering van de onderafdeling 3 en onder voorbehoud van de toepassing van de bijzondere regels bedoeld in afdeling 5 van dit hoofdstuk.

  Onderafdeling 2. - Indiening van het verzoek

  Art. I.3-14. § 1. Indien de werknemer geen gebruik wenst te maken van de informele psychosociale interventie of indien deze niet tot een oplossing heeft geleid, kan de werknemer tegenover de preventieadviseur psychosociale aspecten zijn wil uitdrukken om een verzoek tot formele psychosociale interventie in te dienen.
  § 2. De werknemer heeft een verplicht persoonlijk onderhoud met de preventieadviseur psychosociale aspecten alvorens zijn verzoek in te dienen.
  Dit onderhoud vindt plaats binnen een termijn van tien kalenderdagen volgend op de dag waarop de werknemer zijn wil heeft uitgedrukt om zijn verzoek in te dienen. De werknemer en de preventieadviseur psychosociale aspecten zorgen er voor dat deze termijn wordt gerespecteerd.
  De preventieadviseur psychosociale aspecten bevestigt in een document dat het verplicht persoonlijk onderhoud heeft plaats gevonden en overhandigt hiervan een kopie aan de werknemer.

  Art. I.3-15. § 1. Het verzoek tot formele psychosociale interventie wordt opgenomen in een door de verzoeker gedateerd en ondertekend document. Dit document bevat de beschrijving van de problematische arbeidssituatie en het verzoek aan de werkgever om passende maatregelen te treffen.
  § 2. Dit document wordt bezorgd aan de preventieadviseur psychosociale aspecten of aan de externe dienst waarvoor de preventieadviseur zijn opdrachten vervult. Hij ondertekent een kopie van het verzoek en bezorgt deze aan de verzoeker. Deze kopie geldt als ontvangstbewijs.
  Indien het verzoek werd verzonden bij aangetekende brief, wordt zij geacht te zijn ontvangen de derde werkdag na de verzendingsdatum.
  § 3. De preventieadviseur psychosociale aspecten weigert de indiening van het verzoek tot formele psychosociale interventie wanneer de situatie die de verzoeker beschrijft kennelijk geen psychosociale risico's op het werk inhoudt.
  De kennisgeving van de weigering of de aanvaarding van het verzoek gebeurt uiterlijk tien kalenderdagen na de inontvangstneming van het verzoek.
  Bij gebrek aan een kennisgeving binnen deze termijn, wordt het verzoek geacht te zijn aanvaard na afloop van deze termijn.

  Art. I.3-16. Wanneer de situatie die de verzoeker beschrijft hoofdzakelijk betrekking heeft op risico's die een collectief karakter vertonen, wordt het verzoek behandeld overeenkomstig de onderafdeling 3.
  Wanneer de situatie die de verzoeker beschrijft hoofdzakelijk betrekking heeft op risico's die een individueel karakter vertonen, wordt het verzoek behandeld overeenkomstig de onderafdeling 4.

  Onderafdeling 3. Verzoek met een hoofdzakelijk collectief karakter

  Art. I.3-17. De preventieadviseur psychosociale aspecten brengt de volgende personen zo snel mogelijk schriftelijk op de hoogte :
  1° de werkgever :
  a) van het feit dat een verzoek tot formele psychosociale interventie met een hoofdzakelijk collectief karakter werd ingediend;
  b) van het feit dat dit verzoek wordt behandeld overeenkomstig onderafdeling 3;
  c) van de risicosituatie die beschreven werd door de verzoeker zonder de identiteit van de verzoeker mee te delen;
  d) van de datum waarop de werkgever zijn beslissing moet treffen betreffende de gevolgen die hij aan het verzoek geeft.
  2° de verzoeker :
  a) van het feit dat zijn verzoek hoofdzakelijk betrekking heeft op risico's met een collectief karakter;
  b) van het feit dat dit verzoek wordt behandeld overeenkomstig de onderafdeling 3;
  c) van de datum waarop de werkgever zijn beslissing moet treffen betreffende de gevolgen die hij aan het verzoek geeft.

  Art. I.3-18. § 1. De werkgever neemt een beslissing betreffende de gevolgen die hij aan het verzoek geeft.
  Indien de werkgever, met het oog op het nemen van deze beslissing, een risicoanalyse uitvoert, moet deze uitgevoerd worden overeenkomstig artikel I.3-4.
  § 2. In de ondernemingen waar een Comité of een vakbondsafvaardiging bestaat, neemt de werkgever een beslissing overeenkomstig de volgende procedure :
  1° hij deelt het document bedoeld in artikel I.3-17, 1°, c mee aan het Comité of aan de vakbondsafvaardiging;
  2° hij vraagt hun advies over de wijze waarop het verzoek zal behandeld worden;
  3° in voorkomend geval, deelt hij hen de resultaten mee van de risicoanalyse bedoeld in artikel I.3-4, die uitsluitend anonieme gegevens bevatten;
  4° hij vraagt hun advies over de gevolgen die aan het verzoek worden gegeven.

  Art. I.3-19. Binnen een termijn van maximum 3 maanden vanaf de mededeling bedoeld in artikel I.3-17, deelt de werkgever schriftelijk zijn gemotiveerde beslissing mee betreffende de gevolgen die hij aan het verzoek geeft :
  1° aan de preventieadviseur psychosociale aspecten die de verzoeker ervan op de hoogte brengt;
  2° aan de preventieadviseur belast met de leiding van de interne dienst, wanneer de preventieadviseur psychosociale aspecten deel uitmaakt van een externe dienst;
  3° aan het Comité of aan de vakbondsafvaardiging.
  Wanneer de werkgever de risicoanalyse in toepassing van artikel I.3-4 uitvoert, mag deze termijn verlengd worden met maximum 3 maanden.
  De werkgever voert zo snel mogelijk de maatregelen uit die hij beslist heeft te nemen.

  Art. I.3-20. Indien nodig, deelt de preventieadviseur psychosociale aspecten, onmiddellijk en in elk geval voor het verstrijken van de termijn van drie maanden bedoeld in artikel I.3-19, schriftelijk aan de werkgever voorstellen voor preventiemaatregelen mee, die een bewarend karakter kunnen hebben, om te voorkomen dat de gezondheid van de verzoeker ernstig wordt aangetast.
  De werkgever voert zo snel mogelijk de maatregelen uit die werden voorgesteld door de preventieadviseur psychosociale aspecten of die een gelijkwaardig beschermingsniveau bieden.

  Art. I.3-21. § 1. Wanneer de werkgever geen risicoanalyse in toepassing van artikel I.3-4 heeft uitgevoerd of wanneer deze analyse niet werd uitgevoerd samen met de preventieadviseur psychosociale aspecten, behandelt de preventieadviseur psychosociale aspecten het verzoek overeenkomstig de bepalingen van de artikelen I.3-23 tot I.3-30, voor zover de verzoeker hiertoe zijn geschreven akkoord geeft, in de volgende gevallen :
  1° de werkgever deelt zijn gemotiveerde beslissing niet mee binnen de termijn bedoeld in artikel I.3-19;
  2° de werkgever beslist om geen preventiemaatregelen te treffen;
  3° de verzoeker meent dat de preventiemaatregelen niet aangepast zijn aan zijn individuele situatie.
  § 2. De preventieadviseur psychosociale aspecten brengt er de werkgever zo snel mogelijk schriftelijk van op de hoogte en deelt deze laatste de identiteit van de verzoeker mee.
  De termijn waarbinnen de preventieadviseur zijn advies verstrekt, bedoeld in artikel I.3-25, begint te lopen vanaf de datum van het document waarin de verzoeker zijn akkoord meedeelt.

  Onderafdeling 4. - Verzoek met een hoofdzakelijk individueel karakter

  Art. I.3-22. De preventieadviseur psychosociale aspecten brengt de werkgever schriftelijk op de hoogte van het feit dat een verzoek tot formele psychosociale interventie werd ingediend en dat dit verzoek een hoofdzakelijk individueel karakter heeft. Hij deelt hem de identiteit van de verzoeker mee.

  Art. I.3-23. De preventieadviseur psychosociale aspecten onderzoekt op volledig onpartijdige wijze de specifieke arbeidssituatie rekening houdend met de informatie overgemaakt door de personen die hij nuttig acht te horen.
  Deze informatie kan worden opgenomen in gedateerde en ondertekende verklaringen die, in voorkomend geval, de toestemming bedoeld in artikel I.3-33, tweede lid vermelden en waarvan een kopie wordt meegedeeld aan de gehoorde personen.

  Art. I.3-24. De preventieadviseur psychosociale aspecten stelt een advies op dat de volgende elementen bevat :
  1° de beschrijving van het verzoek en de context ervan;
  2° de identificatie van de gevaren voor de verzoeker en het geheel van de werknemers;
  3° de elementen die een positieve en negatieve invloed hebben op de risicosituatie inzonderheid op het niveau van de arbeidsorganisatie, de arbeidsinhoud, de arbeidsvoorwaarden, de arbeidsomstandigheden of de interpersoonlijke relaties op het werk;
  4° in voorkomend geval, de voorafgaande stappen die werden genomen om het eventuele gevaar uit te schakelen en de schade te beperken;
  5° de voorstellen voor de nodige collectieve en individuele preventiemaatregelen die ten aanzien van de specifieke arbeidssituatie moeten toegepast worden om het eventuele gevaar uit te schakelen en de schade te beperken evenals de verantwoording van deze voorstellen;
  6° de voorstellen voor collectieve preventiemaatregelen die moeten toegepast worden om elke herhaling in andere arbeidssituaties te voorkomen en de verantwoording van deze voorstellen.

  Art. I.3-25. Binnen een termijn van maximum 3 maanden vanaf de aanvaarding van het verzoek, deelt de preventieadviseur psychosociale aspecten het advies mee :
  1° aan de werkgever;
  2° met het akkoord van de verzoeker, aan de vertrouwenspersoon wanneer die op informele wijze in dezelfde situatie is tussengekomen.
  Deze termijn kan worden verlengd met een termijn van maximum drie maanden, voor zover de preventieadviseur psychosociale aspecten deze verlenging kan rechtvaardigen en de redenen hiervoor schriftelijk meedeelt aan de werkgever, aan de verzoeker en aan de andere rechtstreeks betrokken persoon.

  Art. I.3-26. De preventieadviseur psychosociale aspecten brengt de verzoeker en de andere rechtstreeks betrokken persoon zo snel mogelijk schriftelijk op de hoogte van :
  1° de datum waarop hij zijn advies aan de werkgever heeft overhandigd;
  2° de voorstellen van preventiemaatregelen en hun verantwoording bedoeld in artikel I.3-24, 5°, voor zover deze verantwoording hen toelaat de situatie gemakkelijker te begrijpen en de afloop van de procedure gemakkelijker te aanvaarden.

  Art. I.3-27. Gelijktijdig met de informatie bedoeld in artikel I.3-26, brengt de preventieadviseur psychosociale aspecten, wanneer hij deel uitmaakt van een externe dienst, de preventieadviseur belast met de leiding van de interne dienst schriftelijk op de hoogte van de voorstellen van preventiemaatregelen en hun verantwoording bedoeld in artikel I.3-24, 5° en 6°, voor zover deze verantwoording de preventieadviseur van de interne dienst toelaat zijn coördinatieopdrachten uit te voeren.

  Art. I.3-28. Indien de werkgever overweegt individuele maatregelen te nemen ten aanzien van een werknemer deelt hij dit voorafgaand en schriftelijk mee aan de werknemer, uiterlijk een maand na het advies bedoeld in artikel I.3-24 te hebben ontvangen.
  Indien deze maatregelen de arbeidsvoorwaarden van de werknemer wijzigen, deelt de werkgever aan deze laatste een afschrift van het advies bedoeld in artikel I.3-24 mee en hoort hij deze werknemer die zich tijdens dit onderhoud kan laten bijstaan door een persoon naar zijn keuze.

  Art. I.3-29. Uiterlijk twee maanden na het advies bedoeld in artikel I.3-24 te hebben ontvangen, deelt de werkgever schriftelijk zijn gemotiveerde beslissing mee betreffende de gevolgen die hij aan het verzoek geeft :
  1° aan de preventieadviseur psychosociale aspecten;
  2° aan de verzoeker en aan de andere rechtstreeks betrokken persoon;
  3° aan de preventieadviseur belast met de leiding van de interne dienst wanneer de preventieadviseur psychosociale aspecten deel uitmaakt van een externe dienst.
  De werkgever voert zo snel mogelijk de maatregelen uit die hij beslist heeft te nemen.

  Art. I.3-30. De preventieadviseur psychosociale aspecten deelt zijn advies mee aan de werkgever, zelfs indien de verzoeker niet langer deel uitmaakt van de onderneming of de instelling tijdens het verloop van de interventie.

  Onderafdeling 5. - Dossier

  Art. I.3-31. De preventieadviseur psychosociale aspecten opent en houdt een individueel dossier bij dat in functie van de toegepaste procedure de volgende elementen bevat :
  1° in voorkomend geval, het document dat het informatief persoonlijk onderhoud bedoeld in artikel I.3-11 bevestigt;
  2° het document betreffende het type informele psychosociale interventie gekozen door de verzoeker;
  3° het document dat het verplicht persoonlijk onderhoud bedoeld in artikel I.3-14, § 2 bevestigt;
  4° het verzoek tot formele psychosociale interventie;
  5° in voorkomend geval, het document dat de weigering of de aanvaarding van de indiening van het verzoek bevat;
  6° het document waarbij de werkgever op de hoogte wordt gebracht van het feit dat een verzoek tot formele psychosociale interventie werd ingediend;
  7° het document waarbij de verzoeker op de hoogte wordt gebracht van het feit dat zijn verzoek hoofdzakelijk betrekking heeft op risico's die een collectief karakter vertonen;
  8° de gedateerde en ondertekende verklaringen van de personen die werden gehoord door de preventieadviseur psychosociale aspecten;
  9° in voorkomend geval, het document betreffende de verlenging van de termijn om een advies te verstrekken aan de werkgever;
  10° het advies van de preventieadviseur psychosociale aspecten;
  11° het document dat de datum van overhandiging van het advies aan de werkgever meedeelt;
  12° het document waarbij het advies van de preventieadviseur psychosociale aspecten wordt meegedeeld aan de personen bedoeld in artikel I.3-25;
  13° de documenten bedoeld in de artikelen I.3-26 en I.3-27 die werden meegedeeld aan de verzoeker, aan de andere rechtstreeks betrokken persoon en aan de preventieadviseur belast met de leiding van de interne dienst;
  14° het document dat de gemotiveerde beslissing bevat van de werkgever betreffende de gevolgen die hij geeft aan het verzoek;
  15° in voorkomend geval, het document bedoeld in artikel I.3-20 dat de voorstellen van preventiemaatregelen bevat;
  16° in voorkomend geval, het document bedoeld in artikel I.3-21 waarbij de werkgever op de hoogte wordt gebracht van de analyse door de preventieadviseur psychosociale aspecten van het verzoek met een hoofdzakelijk collectief karakter alsook het geschreven akkoord van de verzoeker.
  De persoonlijke notities die de preventieadviseur psychosociale aspecten heeft opgesteld bij de door hem ondernomen stappen mogen niet voorkomen in het dossier.

  Art. I.3-32. Het individueel dossier wordt bijgehouden door een preventieadviseur psychosociale aspecten gedurende twintig jaar vanaf de datum van de indiening van het verzoek en valt uitsluitend onder zijn verantwoordelijkheid.
  Van zodra het volledig is, mag het dossier bewaard worden op een elektronische drager op voorwaarde dat de authenticiteit van en de toegang tot de documenten worden beschermd en beveiligd.

  Art. I.3-33. Het individueel dossier wordt ter beschikking gehouden van de met het toezicht belaste ambtenaar.
  De verklaringen bedoeld in artikel I.3-31, 8° mogen door de ambtenaar of de preventieadviseur psychosociale aspecten worden meegedeeld aan het Openbaar Ministerie dat erom vraagt, indien de gehoorde persoon in zijn verklaring heeft ingestemd met deze overdracht.

  Art. I.3-34. Wanneer de werkgever verandert van externe dienst, wordt de overdracht van het individueel dossier als volgt geregeld :
  1° Wanneer het verzoek tot formele psychosociale interventie in behandeling is op het moment van de verandering :
  a) de preventieadviseur psychosociale aspecten brengt de verzoeker en de andere rechtstreeks betrokken persoon zo snel mogelijk op de hoogte van het feit dat de externe dienst waarvoor hij zijn opdrachten vervult niet meer bevoegd zal zijn voor de behandeling van het verzoek;
  b) de werkgever deelt aan de preventieadviseur psychosociale aspecten bij wie het verzoek werd ingediend, op zijn verzoek, de coördinaten mee van de nieuwe externe dienst;
  c) de preventieadviseur psychosociale aspecten bij wie het verzoek werd ingediend, bezorgt het individueel dossier aan de preventieadviseur psychosociale aspecten van de nieuwe externe dienst;
  d) de preventieadviseur psychosociale aspecten van de nieuwe externe dienst brengt de verzoeker en de andere rechtstreeks betrokken persoon op de hoogte van het feit dat hij de behandeling van het verzoek overneemt.
  2° Wanneer de behandeling van het verzoek tot formele psychosociale interventie werd afgesloten op het moment van de verandering van externe dienst, kan de preventieadviseur psychosociale aspecten van de nieuwe externe dienst, wanneer dit noodzakelijk is voor het uitvoeren van zijn opdrachten, een kopie bekomen van het individueel dossier van de preventieadviseur psychosociale aspecten bij wie het verzoek werd ingediend.
  De overdracht van het individueel dossier gebeurt onder voorwaarden die het beroepsgeheim waarborgen.

  Afdeling 5. - Bijzonderheden betreffende de behandeling van het verzoek tot formele psychosociale interventie voor feiten van geweld, pesterijen of ongewenst seksueel gedrag op het werk

  Art. I.3-35. § 1. Het gedateerd en ondertekend document bedoeld in artikel I.3-15, § 1 waarbij het verzoek tot formele psychosociale interventie voor feiten van geweld, pesterijen of ongewenst seksueel gedrag wordt ingediend, bevat de volgende gegevens :
  1° de nauwkeurige beschrijving van de feiten die volgens de werknemer constitutief zijn voor geweld, pesterijen of ongewenst seksueel gedrag op het werk;
  2° het ogenblik en de plaats waarop elk van deze feiten zich hebben voorgedaan;
  3° de identiteit van de aangeklaagde;
  4° het verzoek aan de werkgever om geschikte maatregelen te nemen om een einde te maken aan de feiten.
  § 2. Na het verplichte persoonlijk onderhoud bedoeld in artikel I.3-14, § 2, neemt de preventieadviseur psychosociale aspecten of de externe dienst waarvoor de preventieadviseur zijn opdrachten vervult, het verzoek dat persoonlijk werd overhandigd in ontvangst, ondertekent hij een kopie van dit verzoek en overhandigt deze aan de verzoeker. Deze kopie geldt als ontvangstbewijs.
  Indien het verzoek werd verzonden bij aangetekende brief, wordt zij geacht te zijn ontvangen de derde werkdag na de verzendingsdatum.
  § 3. De preventieadviseur psychosociale aspecten weigert de indiening van het verzoek tot formele psychosociale interventie voor feiten van geweld, pesterijen of ongewenst seksueel gedrag op het werk wanneer de situatie die de verzoeker beschrijft kennelijk geen geweld, pesterijen of ongewenst seksueel gedrag op het werk inhoudt.
  De kennisgeving van de weigering of de aanvaarding van het verzoek gebeurt uiterlijk tien kalenderdagen na de inontvangstneming van het verzoek.
  Bij gebrek aan een kennisgeving binnen deze termijn, wordt het verzoek geacht te zijn aanvaard na afloop van deze termijn.

  Art. I.3-36. Naast de mededeling van de informatie bedoeld in artikel I.3-22, brengt de preventieadviseur psychosociale aspecten, van zodra het verzoek werd aanvaard, de werkgever op de hoogte van het feit dat de verzoeker die dit verzoek heeft ingediend de bescherming geniet bedoeld in artikel 32tredecies van de wet vanaf de datum waarop het verzoek in ontvangst werd genomen.

  Art. I.3-37. In het kader van het onderzoek van het verzoek, zal de preventieadviseur psychosociale aspecten :
  1° zo spoedig mogelijk aan de aangeklaagde de feiten meedelen die hem worden ten laste gelegd;
  2° de personen, getuigen of anderen, die hij nuttig oordeelt horen en het verzoek op volledig onpartijdige wijze onderzoeken;
  3° onmiddellijk de werkgever op de hoogte brengen van het feit dat de werknemer die een getuigenverklaring heeft afgelegd in de zin van artikel 32tredecies, § 1/1, 5° van de wet de bescherming geniet bedoeld in dat artikel en hem de identiteit van de getuige meedelen.
  De aangeklaagde en de getuigen ontvangen een kopie van hun gedateerde en ondertekende verklaringen die, in voorkomend geval, de toestemming bedoeld in artikel I.3-33, tweede lid vermelden.

  Art. I.3-38. Indien de ernst van de feiten het vereist, stelt de preventieadviseur psychosociale aspecten bewarende maatregelen voor aan de werkgever alvorens zijn advies te overhandigen.
  De werkgever deelt zo snel mogelijk en schriftelijk aan de preventieadviseur psychosociale aspecten zijn gemotiveerde beslissing mee betreffende de gevolgen die hij aan de voorstellen voor bewarende maatregelen zal geven.

  Art. I.3-39. Naast de personen bedoeld in artikel I.3-25, deelt de preventieadviseur psychosociale aspecten het advies mee aan het Interfederaal Gelijkekansencentrum en aan het Instituut voor de gelijkheid van vrouwen en mannen, wanneer deze instellingen hierom schriftelijk verzoeken en voor zover de werknemer over dit verzoek schriftelijk zijn akkoord heeft gegeven, evenwel zonder dat het Centrum en het Instituut het advies mogen overmaken aan de werknemer.

  Art. I.3-40. De preventieadviseur psychosociale aspecten doet een beroep op de met het toezicht belaste ambtenaar in de gevallen bepaald in artikel 32septies, § 2 van de wet. Daartoe gaat hij na of de werkgever de geschikte preventiemaatregelen heeft genomen.

  Art. I.3-41. Naast de elementen bepaald in artikel I.3-31, bevat het individueel dossier :
  1° het document waarbij de werkgever op de hoogte wordt gebracht van het feit dat een verzoek tot formele psychosociale interventie voor feiten van geweld, pesterijen of ongewenst seksueel gedrag op het werk werd ingediend en dat de werknemer de bescherming geniet bedoeld in artikel 32tredecies van de wet;
  2° het document waarbij de werkgever op de hoogte wordt gebracht van het feit dat de getuigen de bescherming genieten bedoeld in artikel 32tredecies, § 1/1, 5° van de wet;
  3° in voorkomend geval, de voorstellen voor bewarende maatregelen meegedeeld aan de werkgever;
  4° in voorkomend geval, de beslissing van de werkgever betreffende de bewarende maatregelen;
  5° in voorkomend geval, de vraag tot tussenkomst van de met het toezicht belaste ambtenaar.

  Art. I.3-42. Wanneer de verzoeker of de aangeklaagde overwegen een rechtsvordering in te stellen, deelt de werkgever hen op hun vraag een afschrift van het advies van de preventieadviseur psychosociale aspecten mee.

  Art. I.3-43. De werknemer van een onderneming van buitenaf bedoeld in afdeling 1 van hoofdstuk IV van de wet, die meent het voorwerp te zijn van geweld, pesterijen of ongewenst seksueel gedrag op het werk vanwege een werknemer van de werkgever in wiens inrichting hij permanent werkzaamheden uitvoert, kan een beroep doen op de interne procedure van de werkgever bij wie de werkzaamheden worden uitgevoerd.
  Wanneer er individuele preventiemaatregelen moeten getroffen worden ten aanzien van een werknemer van een onderneming van buitenaf, legt de werkgever in wiens inrichting permanent werkzaamheden worden uitgevoerd de nuttige contacten met de werkgever van de onderneming van buitenaf, opdat deze maatregelen daadwerkelijk zouden kunnen getroffen worden.

  HOOFDSTUK III. - Rol van de [1 preventieadviseur-arbeidsarts]1
  ----------
  (1)<KB 2019-05-14/07, art. 1, 008; Inwerkingtreding : 21-06-2019>

  Art. I.3-44.De [1 preventieadviseur-arbeidsarts]1 deelt minstens eenmaal per jaar aan de werkgever en aan de preventieadviseur psychosociale aspecten de elementen mee die nuttig zijn voor de evaluatie bedoeld in artikel I.3-6 en die voortvloeien uit het geheel van de medische onderzoeken betreffende het gezondheidstoezicht op de werknemers en de bezoeken van de arbeidsplaatsen, in de vorm van collectieve en anonieme gegevens.
  ----------
  (1)<KB 2019-05-14/07, art. 1, 008; Inwerkingtreding : 21-06-2019>

  Art. I.3-45.De [1 preventieadviseur-arbeidsarts]1 die bij gelegenheid van om het even welk medisch onderzoek betreffende het gezondheidstoezicht op de werknemers vaststelt dat de gezondheidstoestand van een werknemer is aangetast en dat dit zou kunnen voortvloeien uit de blootstelling aan psychosociale risico's op het werk :
  1° informeert de werknemer over de mogelijkheid zich te wenden tot de preventieadviseur psychosociale aspecten of de vertrouwenspersoon;
  2° kan de preventieadviseur psychosociale aspecten zelf informeren, indien hij oordeelt dat de werknemer niet in staat is zich zelf tot deze adviseur te wenden en onder voorbehoud van het akkoord van die werknemer.
  ----------
  (1)<KB 2019-05-14/07, art. 1, 008; Inwerkingtreding : 21-06-2019>

  Art. I.3-46.Met toepassing van artikel I.4-55, pleegt de [1 preventieadviseur-arbeidsarts]1, met het akkoord van de werknemer, overleg met de preventieadviseur psychosociale aspecten over de mogelijkheden voor ander werk en de maatregelen voor aanpassing van de werkposten, wanneer de [1 preventieadviseur-arbeidsarts]1, bij gelegenheid van om het even welk medisch onderzoek betreffende het gezondheidstoezicht op de werknemers, vaststelt dat de gezondheidstoestand van de werknemer is aangetast en dat dit zou kunnen voortvloeien uit de blootstelling aan psychosociale risico's op het werk.
  ----------
  (1)<KB 2019-05-14/07, art. 1, 008; Inwerkingtreding : 21-06-2019>

  Art. I.3-47.Wanneer de werknemer, die door de [1 preventieadviseur-arbeidsarts]1 wordt onderzocht, voorafgaand aan de medische onderzoeken betreffende het gezondheidstoezicht een verzoek tot formele psychosociale interventie heeft ingediend, deelt de preventieadviseur psychosociale aspecten, met het akkoord van deze werknemer, het advies bedoeld in artikel I.3-24 mee aan de [1 preventieadviseur-arbeidsarts]1.
  ----------
  (1)<KB 2019-05-14/07, art. 1, 008; Inwerkingtreding : 21-06-2019>

  HOOFDSTUK IV. - Informatie - opleiding

  Afdeling 1. - Comité voor preventie en bescherming op het werk

  Art. I.3-48. De werkgever deelt de resultaten van de risicoanalyse bedoeld in artikel I.3-1 en de resultaten van de evaluatie bedoeld in artikel I.3-6 mee aan het Comité en vraagt het advies van het Comité over de collectieve preventiemaatregelen die daaruit voortvloeien.

  Art. I.3-49. Onverminderd de toepassing van artikel I.3-5, vierde lid, stelt de werkgever het Comité in kennis van de risicoanalyse bedoeld in artikel I.3-4 en houdt hij de resultaten van de risicoanalyse die uitsluitend anonieme gegevens bevatten te zijner beschikking.

  Art. I.3-50. De werkgever deelt aan het Comité, minstens eenmaal per jaar, het geheel mee van de voorstellen tot collectieve preventiemaatregelen bedoeld in artikel I.3-24, 6° die door de preventieadviseur psychosociale aspecten werden voorgesteld om elke herhaling in andere arbeidssituaties te voorkomen. Hij vraagt het advies van het Comité over deze voorstellen.
  De werkgever deelt aan het Comité uitsluitend anonieme gegevens mee.

  Art. I.3-51. § 1. Onverminderd de toepassing van de bepalingen van de artikelen I.2-16 tot I.2-21, neemt de werkgever de nodige maatregelen opdat de leden van het Comité over de nuttige informatie beschikken betreffende :
  1° het verzoek tot risicoanalyse bedoeld in artikel I.3-4;
  2° de procedures die van toepassing zijn wanneer een werknemer schade meent te ondervinden ten gevolge van psychosociale risico's op het werk;
  3° het recht voor de werknemer om een verklaring te doen acteren in het register bedoeld in artikel I.3-3;
  4° de gespecialiseerde diensten of instellingen waarop een beroep wordt gedaan in toepassing van artikel 32quinquies van de wet;
  5° de verplichting om zich te onthouden van geweld, pesterijen of ongewenst seksueel gedrag op het werk.
  § 2. Bovendien zorgt de werkgever er voor dat de leden van het Comité de nodige opleiding krijgen opdat zij de preventiemaatregelen, de procedures en de rechten en plichten waarover zij informatie ontvangen in toepassing van paragraaf 1, 1°, 2°, 3° en 5°, adequaat kunnen toepassen.

  Afdeling 2. - Werknemers en leden van de hiërarchische lijn

  Art. I.3-52. § 1. Naast de elementen bedoeld in artikel I.3-51, § 1, 1° tot 5°, neemt de werkgever de nodige maatregelen opdat de werknemers en de leden van de hiërarchische lijn over alle nuttige informatie beschikken betreffende :
  1° de resultaten van de risicoanalyse bedoeld in artikel I.3-1 en de resultaten van de evaluatie bedoeld in artikel I.3-6;
  2° de toepasselijke preventiemaatregelen.
  § 2. Bovendien zorgt de werkgever er voor dat de werknemers en de leden van de hiërarchische lijn de nodige opleiding ontvangen opdat zij de preventiemaatregelen, de procedures en de rechten en plichten waarover zij informatie ontvangen in toepassing van paragraaf 1, 2° en artikel I.3-51, § 1, 1°, 2°, 3° en 5° adequaat kunnen toepassen.

  HOOFDSTUK V. - Bepalingen betreffende het statuut van de preventieadviseur psychosociale aspecten en van de vertrouwenspersoon

  Afdeling 1. - Preventieadviseur psychosociale aspecten

  Art. I.3-53. De preventieadviseurs van de interne en externe diensten, belast met de opdrachten en taken betreffende de preventie van psychosociale risico's op het werk, moeten voldoen aan de voorwaarden bedoeld in artikel II.3-30, § 1, 5°.

  Art. I.3-54. De preventieadviseurs van de interne diensten die vóór 16 juni 2007 werden aangeduid in toepassing van de artikelen 16, tweede lid en 17 van het koninklijk besluit van 11 juli 2002 betreffende de bescherming tegen geweld, pesterijen en ongewenst seksueel gedrag op het werk mogen de functie van preventieadviseur psychosociale aspecten verder blijven uitoefenen onder de voorwaarden bepaald in deze artikelen.

  Art. I.3-55. Indien het akkoord van alle werknemersvertegenwoordigers in het Comité, bedoeld in artikel 32sexies, § 1, tweede lid van de wet, niet wordt bereikt, vraagt de werkgever het advies van de met het toezicht belaste ambtenaar.
  De ambtenaar hoort de betrokken partijen en poogt de standpunten met elkaar te verzoenen. Indien geen verzoening wordt bereikt, verstrekt deze ambtenaar een advies waarvan per aangetekend schrijven kennis wordt gegeven aan de werkgever. De werkgever stelt de werknemersvertegenwoordigers in het Comité in kennis van het advies van deze ambtenaar binnen een termijn van dertig dagen vanaf de kennisgeving en past artikel 32sexies, § 1, vijfde lid van de wet toe.

  Afdeling 2. - Vertrouwenspersoon

  Art. I.3-56. Indien het akkoord van alle werknemersvertegenwoordigers in het Comité, bedoeld in artikel 32sexies, § 2 van de wet, niet wordt bereikt, vraagt de werkgever het advies van de met het toezicht belaste ambtenaar overeenkomstig de nadere regelen bepaald in artikel I.3-55, tweede lid alvorens een beslissing te nemen overeenkomstig artikel 32sexies, § 2, derde lid van de wet.

  Art. I.3-57. De werkgever zorgt er voor dat de vertrouwenspersoon zijn opdrachten te allen tijde volledig en doeltreffend vervult.
  Hiertoe :
  1° hangt de vertrouwenspersoon die behoort tot het personeel van de werkgever, wanneer hij handelt in het kader van zijn functie als vertrouwenspersoon, functioneel af van de interne dienst en heeft hij rechtstreeks toegang tot de persoon belast met het dagelijks beheer van de onderneming of instelling;
  2° beschikt hij over de nodige tijd voor de uitoefening van zijn opdrachten;
  3° beschikt hij over een passend lokaal om zijn opdrachten op volledig vertrouwelijke wijze te kunnen uitoefenen;
  4° heeft hij het recht om, indien nodig, een beroep te doen op de preventieadviseur psychosociale aspecten voor het vervullen van zijn opdracht en, in elk geval, wanneer het verzoek tot interventie betrekking heeft op de werkgever zelf of een lid van de hiërarchische lijn en deze interventie zijn autonomie kan in het gedrang brengen of zij hem een nadeel kan berokkenen.
  De werkgever deelt aan de vertrouwenspersoon de pertinente informatie mee opdat hij zijn opdrachten doeltreffend zou kunnen vervullen.
  Bovendien treft de werkgever de nodige maatregelen opdat geen enkele persoon op welke wijze ook rechtstreeks of onrechtstreeks druk uitoefent op de vertrouwenspersoon bij de uitoefening van zijn functie en inzonderheid wat betreft de druk met het oog op het bekomen van informatie die verband houdt of kan houden met de uitoefening van deze functie.

  Art. I.3-58. De werkgever treft de nodige maatregelen opdat de vertrouwenspersoon, binnen de twee jaar die volgen op zijn aanstelling, beschikt over de vaardigheden en kennis die nodig zijn voor de uitoefening van zijn opdrachten, zoals bedoeld in bijlage I.3-1, A).
  Hiertoe volgt de vertrouwenspersoon de opleidingen om deze te verwerven alsook om deze te verbeteren inzonderheid door middel van de supervisies bedoeld in bijlage I.3-1, B) die minstens eenmaal per jaar plaatsvinden.
  De kosten verbonden aan de opleidingen alsook de verplaatsingskosten zijn ten laste van de werkgever. De tijd besteed aan deze opleidingen wordt bezoldigd als arbeidstijd.
  De personen die vóór 1 september 2014, in toepassing van het koninklijk besluit van 11 juli 2002 betreffende de bescherming tegen geweld, pesterijen en ongewenst seksueel gedrag op het werk en van het koninklijk besluit van 17 mei 2007 betreffende de voorkoming van psychosociale belasting veroorzaakt door het werk, waaronder geweld, pesterijen en ongewenst seksueel gedrag op het werk, als vertrouwenspersoon werden aangeduid en die reeds een opleiding hebben gevolgd, mogen de functie van vertrouwenspersoon verder blijven uitoefenen zelfs wanneer deze opleiding niet beantwoordt aan alle voorwaarden vermeld in bijlage I.3-1, A).
  Wanneer deze personen geen opleiding hebben gevolgd vóór 1 september 2014, mogen zij de functie van vertrouwenspersoon verder blijven uitoefenen op voorwaarde dat zij :
  1° hetzij de vaardigheden en kennis bedoeld in bijlage I.3-1, A) verwerven binnen de twee jaar die volgen op 1 september 2014;
  2° hetzij een nuttige ervaring van 5 jaar als vertrouwenspersoon kunnen aantonen op 1 september 2014.

  Art. I.3-59. De instellingen of werkgevers die een vorming verstrekken met het oog op het verwerven van de vaardigheden en kennis van vertrouwenspersonen voldoen aan de volgende voorwaarden :
  1° er zorg voor dragen dat de inhoud van de cursussen beantwoordt aan de modules bedoeld in bijlage I.3-1, A) en de best beschikbare praktijken voortdurend integreert;
  2° alleen een beroep doen op lesgevers die geactualiseerde kennis en vaardigheden bezitten in de onderwezen materies;
  3° over de gepaste middelen beschikken, inzonderheid leslokalen en lesmateriaal;
  4° de cursus derwijze organiseren dat hij respectievelijk minimaal 3 effectieve lesuren omvat voor module 1, 3 effectieve lesuren omvat voor module 2, 6 effectieve lesuren omvat voor module 3 en 18 effectieve lesuren omvat voor module 4;
  5° het aantal cursisten per lesgever en per les beperken tot maximaal 20;
  6° na het beëindigen van de cursus aan de cursisten een vormingsattest afleveren.
  De organisatoren kunnen de cursisten vrijstellen van de materies waarvoor zij kunnen aantonen dat zij deze reeds hebben gevolgd in het kader van een andere opleiding.

  Art. I.3-60. De instellingen die een vorming verstrekken met het oog op het verwerven van de vaardigheden en de kennis van vertrouwenspersonen, kunnen een aanvraag indienen om opgenomen te worden in de lijst die wordt gepubliceerd door de algemene directie HUA.
  De aanvragen om opgenomen te worden in deze lijst worden ingediend bij de algemene directie HUA en omvatten :
  1° de benaming, het statuut en het adres van de instelling, alsook het adres van de plaats waar de leslokalen en het lesmateriaal zich bevinden;
  2° de opgave van de kwalificaties van de lesgevers waarop de organisator een beroep doet, inzonderheid hun diploma's, ervaring, curriculum en de wijze waarop zij zich bijscholen;
  3° een schriftelijke verklaring waarbij de instelling de verbintenis aangaat de voorwaarden bedoeld in artikel I.3-59 na te leven.

  Art. I.3-61. De algemene directie HUA gaat na of de aanvraag volledig is en zendt ze vervolgens voor onderzoek, verslag en advies naar de algemene directie TWW.
  De instellingen over wie de algemene directie TWW een gunstig advies heeft gegeven met betrekking tot hun aanvraag, worden door de algemene directie HUA opgenomen in de lijst bedoeld in artikel I.3-60, die wordt gepubliceerd door de Federale Overheidsdienst Werkgelegenheid, Arbeid en Sociaal Overleg.
  Indien, na controle door de algemene directie TWW, en nadat de instelling werd gehoord, blijkt dat deze niet meer voldoet aan de voorwaarden bedoeld in artikel I.3-59 schrapt de algemene directie HUA de betrokken instelling van de lijst bedoeld in artikel I.3-60.

  Art. I.3-62. Wanneer geen vertrouwenspersoon werd aangeduid binnen de onderneming of de instelling en wanneer de preventieadviseur psychosociale aspecten deel uit maakt van een externe dienst, oefent de preventieadviseur belast met de leiding van de interne dienst de bij artikel I.3-11 bedoelde informatieopdrachten van de vertrouwenspersoon uit, zonder dat de uitoefening van deze opdracht het voorafgaand akkoord vereist van alle werknemersvertegenwoordigers in het Comité bedoeld in artikel 32sexies, § 2, eerste lid van de wet en zonder dat dit het volgen van de opleiding bedoeld in artikel I.3-58 vereist.
  Het eerste lid is niet van toepassing in de ondernemingen met minder dan twintig werknemers waar de functie van preventieadviseur wordt uitgeoefend door de werkgever of ingeval de betrokkene zelf of het Comité niet akkoord gaat.

  Afdeling 3. - Overleg - Uitwisseling van informatie

  Art. I.3-63. De preventieadviseur psychosociale aspecten en de vertrouwenspersoon plegen regelmatig overleg.
  Ze hebben het recht en de verplichting alle contacten tussen hen die nodig zijn voor het vervullen van hun opdrachten te onderhouden, inzonderheid door het uitwisselen van de pertinente informatie betreffende hun psychosociale interventies.

  Art. I.3-64. Met het oog op de evaluatie van de preventiemaatregelen bedoeld in artikel I.3-6, deelt de vertrouwenspersoon minstens eenmaal per jaar aan de preventieadviseur psychosociale aspecten schriftelijk de gegevens mee van de door hem behandelde incidenten die zich bij herhaling voordoen.

  Art. I.3-65. Met het oog op het opstellen van deel VIII van het jaarverslag van de interne dienst, verstrekken de preventieadviseur psychosociale aspecten en de vertrouwenspersoon aan de preventieadviseur belast met de leiding van de interne dienst de anonieme gegevens die hem toelaten dit verslag te vervolledigen.

  HOOFDSTUK VI. - Dienst belast met het in ontvangst nemen van gerechtelijke beslissingen

  Art. I.3-66. De algemene directie HUA wordt aangeduid om de beslissingen van de rechtsmachten betreffende hoofdstuk Vbis van de wet, zoals voorzien in artikel 32octiesdecies van de wet, in ontvangst te nemen.

  TITEL 4. - MAATREGELEN IN VERBAND MET HET GEZONDHEIDSTOEZICHT OP DE WERKNEMERS

  HOOFDSTUK I. - Toepassingsgebied, definities en doelstellingen

  Art. I.4-1.§ 1. Onverminderd de specifieke of aanvullende verplichtingen die in andere bepalingen van deze codex worden opgelegd, is deze titel van algemene toepassing.
  § 2. Voor de toepassing van de bepalingen van deze titel wordt verstaan onder :
  1° veiligheidsfunctie : elke werkpost waar gebruik wordt gemaakt van arbeidsmiddelen, waar motorvoertuigen, kranen, rolbruggen, hijstoestellen van welke aard ook, of machines die gevaarlijke installaties of toestellen in werking zetten, bestuurd worden of nog waar dienstwapens worden gedragen, voor zover het gebruik van die arbeidsmiddelen, het besturen van die werktuigen en installaties of het dragen van die wapens de veiligheid en gezondheid van andere werknemers van de onderneming of van ondernemingen van buitenaf, in gevaar kan brengen;
  2° functie met verhoogde waakzaamheid : elke werkpost die bestaat uit het permanent toezicht op de werking van een installatie en waar een gebrek aan waakzaamheid tijdens de uitvoering van het toezicht, de veiligheid en gezondheid van andere werknemers van de onderneming of van ondernemingen van buitenaf in gevaar kan brengen;
  3° activiteit met welbepaald risico : elke activiteit of werkpost waarvoor uit de resultaten van de risicoanalyse het bestaan blijkt van :
  a) een identificeerbaar risico voor de gezondheid van de werknemer, te wijten aan de blootstelling aan een fysisch agens, een biologisch agens of een chemisch agens;
  b) een verband tussen de blootstelling aan een belasting van ergonomische aard of die verbonden is aan de zwaarte van het werk of aan monotoon en tempogebonden werk en een identificeerbaar risico op een fysieke of mentale werkbelasting voor de werknemer;
  c) een identificeerbaar risico voor de gezondheid van de werknemer, te wijten aan de verhoogde blootstelling aan psychosociale risico's op het werk;
  4° de adviserend [1 arts]1 : elke [1 arts]1 die tussenkomt bij de beoordeling van de medische geschiktheid van de werknemer overeenkomstig de desbetreffende sociale zekerheidsreglementering.
  ----------
  (1)<KB 2019-05-14/07, art. 1, 008; Inwerkingtreding : 21-06-2019>

  Art. I.4-2.Het gezondheidstoezicht op de werknemers heeft tot doel de gezondheid van de werknemers te bevorderen en te behouden door risico's te voorkomen. Dit gebeurt door het stellen van preventieve handelingen, waardoor de [1 preventieadviseur-arbeidsarts]1 in staat is om :
  a) de tewerkstellingskansen te bevorderen voor iedereen, inzonderheid door het voorstellen aan de werkgever van aangepaste werkmethodes, van aanpassingen van de werkpost en door het zoeken naar aangepast werk, ook voor werknemers met een beperkte arbeidsgeschiktheid;
  b) zo vroeg mogelijk beroepsziekten en arbeidsgebonden aandoeningen op te sporen;
  c) de werknemers te informeren en te adviseren over de aandoeningen en gebreken waardoor zij eventueel zijn getroffen;
  d) mee te werken aan het opsporen en het onderzoeken van de risicofactoren voor beroepsziekten en arbeidsgebonden aandoeningen;
  e) te vermijden dat werknemers worden tewerkgesteld aan taken waarvan zij, wegens hun gezondheidstoestand, normaal de risico's niet kunnen dragen;
  f) te vermijden dat personen tot het werk worden toegelaten die getroffen zijn door ernstige besmettelijke aandoeningen of die een gevaar betekenen voor de veiligheid van de andere werknemers;
  g) de beslissing inzake de arbeidsgeschiktheid van een werknemer op het ogenblik van het medisch onderzoek te staven, door rekening te houden met :
  1° de veiligheidsfunctie of functie met verhoogde waakzaamheid die hij daadwerkelijk uitoefent of zal uitoefenen, en die de gezondheid en veiligheid van andere werknemers in gevaar kan brengen;
  2° de activiteit met welbepaald risico die zijn gezondheid aantast of kan aantasten.
  ----------
  (1)<KB 2019-05-14/07, art. 1, 008; Inwerkingtreding : 21-06-2019>

  HOOFDSTUK II. - Verplichtingen van de werkgever in verband met de toepassing en de uitvoering van het gezondheidstoezicht

  Art. I.4-3.§ 1. De werkgever neemt de nodige maatregelen opdat de werknemers die een veiligheidsfunctie, een functie met verhoogde waakzaamheid of een activiteit met welbepaald risico uitoefenen, verplicht onder gezondheidstoezicht staan, en opdat de uitvoering van dit gezondheidstoezicht verloopt overeenkomstig de voorschriften van deze titel.
  § 2. Het gezondheidstoezicht van werknemers is niet verplicht wanneer uit de resultaten van de risicoanalyse die uitgevoerd is in samenwerking met de [1 preventieadviseur-arbeidsarts]1 en die aan het voorafgaand advies van het Comité werd voorgelegd, blijkt dat dit niet nodig is.
  § 3. Over de betwistingen die kunnen voortvloeien uit de toepassing van de bepalingen bedoeld in § 1 en § 2 zal beslist worden door de [1 arts]1 sociaal inspecteur van de Algemene Directie TWW.
  ----------
  (1)<KB 2019-05-14/07, art. 1, 008; Inwerkingtreding : 21-06-2019>

  Art. I.4-4.§ 1. [1 ...]1
  § 2. De werkgever verwittigt de [2 preventieadviseur-arbeidsarts]2 :
  1° wanneer een werknemer klaagt over ongemakken of tekenen van een aandoening vertoont die kunnen worden toegeschreven aan zijn arbeidsomstandigheden;
  2° wanneer hij vaststelt dat de lichamelijke of geestelijke toestand van een werknemer de risico's verbonden aan de werkpost onmiskenbaar verhoogt.
  De [2 preventieadviseur-arbeidsarts]2 beoordeelt onafhankelijk of deze werknemer aan een gezondheidsbeoordeling moet worden onderworpen en of maatregelen kunnen worden genomen met het oog op de aanpassing van de arbeidsomstandigheden.
  § 3. De werkgever neemt de nodige maatregelen om de [2 preventieadviseur-arbeidsarts]2 in kennis te stellen van elke arbeidsongeschiktheid van vier weken of meer, vastgesteld voor een werknemer die al dan niet onderworpen is aan het verplicht gezondheidstoezicht.
  ----------
  (1)<KB 2019-05-14/07, art. 3, 008; Inwerkingtreding : 21-06-2019>
  (2)<KB 2019-05-14/07, art. 1, 008; Inwerkingtreding : 21-06-2019>

  Art. I.4-5.§ 1. Op basis van de resultaten van de permanente risicoanalyse maakt de werkgever volgende lijsten op en houdt deze bij :
  1° een lijst met de veiligheidsfuncties, functies met verhoogde waakzaamheid en activiteiten met welbepaald risico;
  2° een naamlijst met de werknemers die verplicht aan het gezondheidstoezicht onderworpen zijn, met naast de naam van elke werknemer de aard van de effectief uitgeoefende veiligheidsfunctie, functie met verhoogde waakzaamheid of activiteit met welbepaald risico;
  3° een naamlijst met de werknemers die onderworpen zijn aan de verplichte inentingen of tuberculinetests bedoeld in artikel VII.1-56;
  4° [1 ...]1
  Bovendien duidt hij voor elke activiteit met een welbepaald risico bedoeld in het eerste lid, 1°, de aard van de fysische, chemische of biologische agentia, of het soort fysieke of mentale werkbelasting, of het soort situaties waaraan de werknemer wordt blootgesteld die psychosociale risico's op het werk inhouden aan.
  § 2. De in § 1, 2° en 3° bedoelde naamlijsten vermelden bovendien voor elke werknemer :
  1° naam en voornaam;
  2° geslacht;
  3° geboortedatum;
  4° datum van de laatste verplichte gezondheidsbeoordeling.
  Deze lijsten worden naamlijsten van het gezondheidstoezicht genoemd en worden bij het jaaractieplan gevoegd.
  ----------
  (1)<KB 2019-05-14/07, art. 4, 008; Inwerkingtreding : 21-06-2019>

  Art. I.4-6.§ 1. De werkgever bezorgt de betrokken [1 preventieadviseur-arbeidsarts]1 jaarlijks de in artikel I.4-5, § 1, 1° bedoelde lijst.
  De [1 preventieadviseur-arbeidsarts]1 onderzoekt deze lijsten en bezorgt de werkgever een advies, onder de vorm van een schriftelijk verslag, opgemaakt op grond van de resultaten van de permanente risicoanalyse en alle gegevens die hij nuttig acht. De werkgever voegt deze lijsten jaarlijks toe aan het jaaractieplan en raadpleegt het Comité overeenkomstig de termijn vastgesteld in artikel I.2-10.
  § 2. De werkgever mag geen enkele werknemer schrappen die op de nominatieve lijst van het gezondheidstoezicht bedoeld in artikel I.4-5, § 1, 2°, is ingeschreven, noch enige wijziging aan deze lijst aanbrengen, behalve als hij het akkoord bekomen heeft van de [1 preventieadviseur-arbeidsarts]1 en het Comité.
  Ingeval van onenigheid vraagt de werkgever de tussenkomst van de [1 arts]1 sociaal inspecteur van de Algemene Directie TWW die beslist om deze lijst al dan niet te wijzigen.
  ----------
  (1)<KB 2019-05-14/07, art. 1, 008; Inwerkingtreding : 21-06-2019>

  Art. I.4-7.§ 1. Na eensluidend advies van het Comité, bezorgt de werkgever de betrokken [1 preventieadviseur-arbeidsarts]1 minstens één maal per jaar een afschrift van de eventueel aangepaste lijsten, bedoeld in artikel I.4-5, § 1.
  § 2. Deze lijsten moeten de betrokken [1 preventieadviseur-arbeidsarts]1 in staat stellen de werknemers via de werkgever op te roepen om zich op de voorziene datum aan te bieden voor de periodieke gezondheidsbeoordeling of de nieuwe inentingen of tuberculinetests waaraan ze zich moeten onderwerpen en na te gaan of alle werknemers die aan het gezondheidstoezicht onderworpen zijn dit daadwerkelijk tijdig hebben ondergaan. Daar waar nodig herinnert hij de werkgever hieraan.
  ----------
  (1)<KB 2019-05-14/07, art. 1, 008; Inwerkingtreding : 21-06-2019>

  Art. I.4-8. De in artikel I.4-5, § 1 bedoelde lijsten kunnen te allen tijde ter plaatse bij de interne dienst geraadpleegd worden door het Comité. De met het toezicht belaste ambtenaren kunnen eisen dat hun de nodige afschriften of uittreksels voor de uitvoering van hun opdracht worden overhandigd.
  De werkgever bewaart deze lijsten gedurende ten minste vijf jaar vanaf de datum waarop deze lijsten werden opgesteld en zij mogen zowel op papier als op elektronische gegevensdrager worden bewaard.

  Art. I.4-9.De werkgever brengt de werknemers die aan het gezondheidstoezicht onderworpen worden vooraf op de hoogte van het doel en de aard van de preventieve medische onderzoeken, inentingen en tuberculinetests die zij moeten ondergaan, alsook van de procedure die zij moeten volgen om deze te ondergaan.
  [1 De werkgever herinnert alle werknemers, al dan niet onderworpen aan het gezondheidstoezicht, jaarlijks aan de mogelijkheid om een spontane raadpleging te vragen overeenkomstig artikel I.4-37.]1
  ----------
  (1)<KB 2019-05-14/07, art. 5, 008; Inwerkingtreding : 21-06-2019>

  Art. I.4-10.De werkgever bezorgt de [1 preventieadviseur-arbeidsarts]1, op de meest aangewezen wijze, een formulier "verzoek om gezondheidstoezicht over de werknemers" met het oog op het uitvoeren bij de kandidaat of werknemer van een voorafgaande gezondheidsbeoordeling, een onderzoek bij werkhervatting, een voortgezet gezondheidstoezicht, een uitbreiding van het gezondheidstoezicht, of een onderzoek in het kader van de moederschapsbescherming. Dit formulier bevat de gegevens zoals vermeld in het model dat gaat als bijlage I.4-1. Het wordt in het gezondheidsdossier bewaard.
  De werkgever legt, in overleg met het departement of de afdeling belast met het medisch toezicht, de datum vast waarop de werknemer het preventief medisch onderzoek zal moeten ondergaan. Hij deelt deze datum mee aan de werknemer evenals om welk soort onderzoek het gaat.
  ----------
  (1)<KB 2019-05-14/07, art. 1, 008; Inwerkingtreding : 21-06-2019>

  Art. I.4-11.§ 1. De werknemer die in het kader van een periodieke gezondheidsbeoordeling, een onderzoek bij werkhervatting, een voortgezet gezondheidstoezicht, een uitbreiding van het gezondheidstoezicht of een onderzoek in het kader van de moederschapsbescherming wordt opgeroepen om te verschijnen voor de afdeling of het departement belast met het medisch toezicht, wordt tijdens de werkuren onderworpen aan de medische onderzoeken, de inentingen en de tuberculinetests, evenals aan de geneeskundige verstrekkingen bedoeld in artikel I.4-14, § 1, tweede lid. De hieraan bestede tijd wordt als arbeidstijd bezoldigd en de verplaatsingskosten zijn ten laste van de werkgever.
  Elke oproeping bedoeld in het eerste lid om te verschijnen voor de afdeling of het departement belast met het medisch toezicht, hetzij buiten zijn werkuren, hetzij tijdens de schorsing van de uitvoering van de arbeidsovereenkomst, hetzij in de loop van de periode van vrijstelling van arbeid, is absoluut nietig en heeft de absolute nietigheid van de beslissing van de [1 preventieadviseur-arbeidsarts]1 tot gevolg.
  § 2. De Minister kan voor bepaalde categorieën van werkgevers afwijken van de verbodsbepaling betreffende de werkuren vermeld in § 1, tweede lid op grond van de aard van het uitgevoerde werk of indien objectieve en technische redenen de toepassing van voormelde bepaling onmogelijk maken, na hiertoe voorafgaand het advies van het bevoegde paritair comité te hebben ingewonnen.
  § 3. De preventieve handelingen die door de [1 preventieadviseur-arbeidsartsen]1 krachtens de bepalingen van deze titel worden verricht, en de geneeskundige verstrekkingen, bedoeld in artikel I.4-14, § 1, tweede lid, mogen voor de werknemers geen enkele uitgave meebrengen.
  ----------
  (1)<KB 2019-05-14/07, art. 1, 008; Inwerkingtreding : 21-06-2019>

  Art. I.4-12. De werknemers die zich onttrekken aan de preventieve medische onderzoeken waaraan zij zich krachtens de bepalingen van deze titel moeten onderwerpen, alsook de werknemers die aan de verplichte inentingen of tuberculinetests zijn onderworpen maar niet beschikken over een geldig bewijs of over een geldige kaart, opgesteld overeenkomstig bijlage VII.1-5 en ondertekend door een arts, mogen door de werkgevers niet aan het werk worden gesteld of gehouden.

  Art. I.4-13.Tijdens de procedure van werving en selectie en tijdens de duur van de tewerkstelling mogen de werkgevers geen andere tests of medische onderzoeken laten uitvoeren dan deze die de [1 preventieadviseur-arbeidsarts]1 krachtens deze titel mag uitvoeren, inzonderheid met een ander doel dan het staven van de beslissing dat de kandidaat of werknemer die onderworpen is aan de verplichte beoordeling van de gezondheid geschikt is in functie van de kenmerken van de betrokken werkpost of activiteit met welbepaald risico of met een ander doel dan het onderzoek naar de mogelijkheden voor re-integratie in de onderneming.
  ----------
  (1)<KB 2019-05-14/07, art. 1, 008; Inwerkingtreding : 21-06-2019>

  HOOFDSTUK III. - De preventieve handelingen en de specifieke verplichtingen van de [1 preventieadviseur-arbeidsarts]1
  ----------
  (1)<KB 2019-05-14/07, art. 1, 008; Inwerkingtreding : 21-06-2019>

  Art. I.4-14.§ 1. [1 De preventieve medische handelingen omvatten:
   1° de preventieve medische onderzoeken zoals bepaald in artikel I.4-15, uitgevoerd door de preventieadviseur-arbeidsarts;
   2° de aanvullende medische handelingen, uitgevoerd door de preventieadviseur-arbeidsarts of, onder zijn verantwoordelijkheid, door zijn verpleegkundig personeel;
   3° het samenstellen en het bijhouden van het gezondheidsdossier conform hoofdstuk VII van deze titel.]1
  In afwijking van het eerste lid mogen de afdelingen of departementen belast met het medisch toezicht van de interne of externe diensten eveneens geneeskundige verstrekkingen uitvoeren met toepassing van andere wetten en besluiten dan de wet en de codex, doch enkel voor de werknemers van de werkgevers die bij hen aangesloten zijn. De bepalingen van hoofdstuk V van deze titel zijn van toepassing op deze verstrekkingen.
  § 2. De preventieve handelingen mogen slechts worden toegepast om de doelstellingen bedoeld in artikel I.4-2 te bereiken.
  ----------
  (1)<KB 2019-05-14/07, art. 6, 008; Inwerkingtreding : 21-06-2019>

  Art. I.4-15. De preventieve medische onderzoeken omvatten :
  1° de voorafgaande gezondheidsbeoordeling;
  2° de periodieke gezondheidsbeoordeling;
  3° het onderzoek bij werkhervatting.
  In voorkomend geval, omvatten zij eveneens :
  1° de spontane raadpleging;
  2° het voortgezet gezondheidstoezicht;
  3° de re-integratiebeoordeling van een werknemer die het overeengekomen werk tijdelijk of definitief niet kan uitoefenen;
  4° de uitbreiding van het gezondheidstoezicht.

  Art. I.4-16.Om zijn beslissing aangaande de huidige gezondheidstoestand van iedere te onderzoeken kandidaat of werknemer te staven, brengt de [1 preventieadviseur-arbeidsarts]1 de resultaten van zijn preventief medisch onderzoek in verband met de resultaten van de geactualiseerde risicoanalyse van de veiligheidsfunctie, functie met verhoogde waakzaamheid of activiteit met welbepaald risico, die de kandidaat of werknemer uitoefent of daadwerkelijk zal uitoefenen.
  ----------
  (1)<KB 2019-05-14/07, art. 1, 008; Inwerkingtreding : 21-06-2019>

  Art. I.4-17.§ 1. [1 De preventieve medische onderzoeken worden uitgevoerd door de preventieadviseur-arbeidsarts die meewerkt aan de uitvoering van de opdrachten in verband met de risicoanalyse.]1
  § 2. Indien de [2 preventieadviseur-arbeidsarts]2 een beroep doet op bevoegde medewerkers voor het uitvoeren van de gerichte onderzoeken of tests, het biologisch toezicht en de radiografische onderzoeken bedoeld in artikel I.4-27, zorgt hij ervoor dat de [2 artsen]2, medische instellingen of medische laboratoria, die hem desgevallend door de werkgever of de bestuursraad van de externe dienst en met zijn goedkeuring werden aangewezen, hem tijdig hun onderzoeksresultaten bezorgen.
  ----------
  (1)<KB 2019-05-14/07, art. 7, 008; Inwerkingtreding : 21-06-2019>
  (2)<KB 2019-05-14/07, art. 1, 008; Inwerkingtreding : 21-06-2019>

  Art. I.4-18.§ 1. Wanneer een [1 preventieadviseur-arbeidsarts]1 van een interne dienst zijn functie onderbreekt om reden van verlof, ziekte, ongeval of om enige andere oorzaak, en wanneer daardoor het departement belast met het medisch toezicht van de interne dienst zijn verplichtingen onmogelijk kan nakomen, zodanig dat de in deze titel opgelegde preventieve handelingen niet meer kunnen worden uitgevoerd binnen de voorziene termijnen, dient de werkgever een tijdelijke vervanger voor die [1 arts]1 aan te stellen.
  § 2. Voor zover de omstandigheden het vereisen, bezit de vervangende arts minstens dezelfde bijzondere kwalificaties als deze van de arts die hij vervangt. Evenwel dient hij steeds te beantwoorden aan de voorschriften van de artikelen I.4-17, I.4-22 en I.4-24.
  § 3. De [1 preventieadviseur-arbeidsarts]1 doet het nodige om aan de werkgever de artsen aan te wijzen die hem kunnen vervangen. Hij houdt hierbij rekening met de bovenvermelde voorwaarden. De [1 preventieadviseur-arbeidsarts]1 stelt de volledige gegevens van deze artsen ter beschikking van de werkgever.
  ----------
  (1)<KB 2019-05-14/07, art. 1, 008; Inwerkingtreding : 21-06-2019>

  Art. I.4-19.§ 1. De [1 preventieadviseur-arbeidsarts]1 brengt uit eigen beweging de betrokken kandidaat of werknemer op de hoogte van de afwijkingen opgespoord tijdens de preventieve medische onderzoeken die op hem betrekking hebben.
  Ter gelegenheid van die onderzoeken geeft de [1 preventieadviseur-arbeidsarts]1 aan de kandidaat of de werknemer de raadgevingen die verantwoord worden door zijn gezondheidstoestand.
  § 2. Hij verzoekt de werknemer, bij wie hij een aantasting van zijn gezondheid vaststelt, zijn behandelend arts te raadplegen. Mits de werknemer hiermee instemt, verschaft hij de behandelende arts alle nuttige informatie.
  Wanneer het hem lijkt dat die aantasting beroepsgebonden is, past hij één van de maatregelen bedoeld in artikel I.4-33 toe en vult hij een aangifte van beroepsziekte in overeenkomstig artikel I.4-98.
  § 3. Zonodig deelt de [1 preventieadviseur-arbeidsarts]1 aan de werknemer mee welke sociale diensten of instellingen hem de gewenste hulp of bijstand kunnen verlenen.
  ----------
  (1)<KB 2019-05-14/07, art. 1, 008; Inwerkingtreding : 21-06-2019>

  Art. I.4-20.De [1 preventieadviseur-arbeidsarts]1 neemt deel aan de vergaderingen van het Comité van de betrokken onderneming overeenkomstig de bepalingen van artikel II.7-25.
  ----------
  (1)<KB 2019-05-14/07, art. 1, 008; Inwerkingtreding : 21-06-2019>

  Art. I.4-21.De [1 preventieadviseur-arbeidsarts]1 heeft bij de uitoefening van zijn functie de vrije toegang tot de ondernemingen en de instellingen.
  Hij dient toegang te krijgen tot alle arbeidsplaatsen.
  ----------
  (1)<KB 2019-05-14/07, art. 1, 008; Inwerkingtreding : 21-06-2019>

  Art. I.4-22.De [1 preventieadviseur-arbeidsarts]1 gaat in geen geval na of de afwezigheid van de werknemers om gezondheidsreden gegrond is. Om beter de doeltreffendheid van het preventieprogramma te kunnen inschatten, beroepsziekten op te sporen, risico's te identificeren en de arbeidsongeschikte werknemer, met het oog op de re-integratie op het werk, werk te geven dat overeenstemt met zijn toestand, mag hij nochtans telkens hij het nuttig acht, en met de toestemming van de werknemer, bij de behandelend [1 arts]1 en de adviserend [1 arts]1 informeren naar de omstandigheden die de oorzaak kunnen zijn van die afwezigheid en naar de evolutie van zijn gezondheidstoestand.
  ----------
  (1)<KB 2019-05-14/07, art. 1, 008; Inwerkingtreding : 21-06-2019>

  Art. I.4-23.Onder voorbehoud van de bepalingen van hoofdstuk VIII van deze titel betreffende de aangifte van beroepsziekten, zijn, wat betreft de inhoud van het gezondheidsdossier, de [1 preventieadviseur-arbeidsartsen]1 en de personen die hen bijstaan strikt gebonden door het beroepsgeheim.
  ----------
  (1)<KB 2019-05-14/07, art. 1, 008; Inwerkingtreding : 21-06-2019>

  Art. I.4-24.Elke klacht over beroepsfouten die de [1 preventieadviseur-arbeidsarts]1 worden verweten, wordt meegedeeld aan de betrokken [1 arts]1 sociaal inspecteur van de algemene directie TWW die, wanneer na onderzoek waaruit blijkt dat de klacht gegrond is, de [1 Orde der artsen]1 ervan in kennis stelt.
  ----------
  (1)<KB 2019-05-14/07, art. 1, 008; Inwerkingtreding : 21-06-2019>

  HOOFDSTUK IV. - De verschillende vormen van gezondheidsbeoordeling

  Afdeling 1. - Voorafgaande gezondheidsbeoordeling

  Art. I.4-25.[1 § 1.]1 De werkgever onderwerpt de volgende werknemers aan een voorafgaande gezondheidsbeoordeling :
  1° de werknemers die in dienst worden genomen om te worden tewerkgesteld in een veiligheidsfunctie, een functie met verhoogde waakzaamheid of een activiteit met welbepaald risico;
  2° de werknemers die in dienst zijn en aan wie een andere functie wordt toegewezen in de onderneming of inrichting, waardoor zij worden tewerkgesteld in een veiligheidsfunctie, een functie met verhoogde waakzaamheid of een activiteit met welbepaald risico, waarin zij voorheen niet waren tewerkgesteld of waardoor zij voor het eerst in dergelijke functie of aan dergelijke activiteit worden tewerkgesteld.
  De bepaling van het eerste lid, 2° is niet van toepassing indien de wijziging van functie het gevolg is van de toepassing van de bepalingen van hoofdstuk VI van deze titel.
  [1 § 2. De werknemers die onderworpen zijn aan een voorafgaande gezondheidsbeoordeling overeenkomstig § 1, worden in elk geval na 12 maanden aan een periodieke gezondheidsbeoordeling onderworpen, om de gevoeligheid van de werknemer voor het specifieke risico waaraan hij is blootgesteld na te gaan. Vervolgens geldt de vastgelegde frequentie in functie van het risico zoals bedoeld in bijlage I.4-5.]1
  ----------
  (1)<KB 2019-05-14/07, art. 8, 008; Inwerkingtreding : 21-06-2019>

  Art. I.4-26.Bij de voorafgaande gezondheidsbeoordeling neemt de [1 preventieadviseur-arbeidsarts]1 zijn beslissing betreffende de geschiktheid van de werknemer, en deelt hij ze mee aan de werknemer en de werkgever, op één van de volgende ogenblikken :
  1° in het geval bedoeld in artikel I.4-25, 1°, vooraleer de werknemer effectief tewerkgesteld wordt in de desbetreffende functie of aan de desbetreffende activiteit;
  2° in het geval bedoeld in artikel I.4-25, 2°, vooraleer de wijziging van de functie of activiteit wordt doorgevoerd en voor zover deze wijziging effectief gebeurt, onder voorbehoud van de beslissing van de [1 preventieadviseur-arbeidsarts]1.
  In afwijking van het eerste lid, 1° mogen de voorafgaande gezondheidsbeoordeling en de betekening van de beslissing ook gebeuren vooraleer de arbeidsovereenkomst gesloten wordt, voor zover deze gezondheidsbeoordeling de laatste stap is in de procedure van werving en selectie en de arbeidsovereenkomst, onder voorbehoud van de beslissing van de [1 preventieadviseur-arbeidsarts]1, effectief tot stand komt.
  ----------
  (1)<KB 2019-05-14/07, art. 1, 008; Inwerkingtreding : 21-06-2019>

  Art. I.4-27.§ 1. De voorafgaande gezondheidsbeoordeling bevat minstens volgende handelingen :
  1° het uitvoeren en het optekenen van de beroepsanamnese en de medische voorgeschiedenis van de werknemer;
  2° een klinisch onderzoek van de algemene gezondheidstoestand en biometrische onderzoeken indien de [1 preventieadviseur-arbeidsarts]1 dit noodzakelijk acht;
  3° de opsporing van afwijkingen en contra-indicaties om de werkpost in te nemen of de activiteit daadwerkelijk uit te oefenen.
  § 2. Deze beoordeling wordt aangevuld met de volgende bijkomende handelingen indien specifieke reglementaire bepalingen van de codex zulks vaststellen :
  1° een gericht onderzoek of gerichte functionele tests toegespitst op de betrokken fysiologische systemen die moeten onderzocht worden omwille van de aard van de blootstelling of de vereisten van de uit te voeren activiteiten. De gekozen onderzoekstechnieken beantwoorden aan de beroepsnormen inzake veiligheid;
  2° een specifiek biologisch toezicht waarbij betrouwbare en gevalideerde indicatoren gebruikt worden die specifiek zijn voor het chemisch agens en zijn metabolieten of voor het biologisch agens;
  3° een test naar vroegtijdige en omkeerbare effecten ten gevolge van de blootstelling, bedoeld om het risico op te sporen;
  4° een radiografisch onderzoek van de borstorganen indien dit vooraf gerechtvaardigd werd volgens de principes, bepaald in artikel 51 van het algemeen reglement ioniserende stralingen.
  ----------
  (1)<KB 2019-05-14/07, art. 1, 008; Inwerkingtreding : 21-06-2019>

  Art. I.4-28.De [1 preventieadviseur-arbeidsarts]1 mag de in artikel I.4-25 bedoelde kandidaten en werknemers vrijstellen van alle of een deel van de handelingen die deel uitmaken van de voorafgaande gezondheidsbeoordeling indien zij deze onlangs hebben ondergaan, mits :
  1° hij in kennis wordt gesteld van het resultaat van deze handelingen;
  2° de tijdspanne die verstreken is sinds de uitvoering van die handelingen niet groter is dan het tijdsverloop tussen de periodieke gezondheidsbeoordelingen die worden voorzien voor de werknemers die een gelijkaardige werkpost bezetten of een gelijkaardige activiteit met welbepaald risico uitoefenen en onderworpen zijn aan het gezondheidstoezicht.
  ----------
  (1)<KB 2019-05-14/07, art. 1, 008; Inwerkingtreding : 21-06-2019>

  Afdeling 2. [1 - Periodiek gezondheidstoezicht]1
  ----------
  (1)<KB 2019-05-14/07, art. 9, 008; Inwerkingtreding : 21-06-2019>

  Art. I.4-29.[1 De werknemers bedoeld in artikel I.4-3, § 1 worden aan een periodiek gezondheidstoezicht onderworpen zoals bepaald in bijlage I.4-5.]1
  ----------
  (1)<KB 2019-05-14/07, art. 9, 008; Inwerkingtreding : 21-06-2019>

  Art. I.4-30.[1 § 1. Het periodiek gezondheidstoezicht omvat:
   1° een gezondheidsbeoordeling, die bestaat uit een anamnese en een klinisch onderzoek, uitgevoerd door de preventieadviseur-arbeidsarts, om de verenigbaarheid van de gezondheidstoestand met de uitgeoefende arbeid na te gaan;
   2° aanvullende medische handelingen, uitgevoerd door of onder de verantwoordelijkheid van de preventieadviseur-arbeidsarts, die ook de resultaten ervan interpreteert. De aanvullende medische handelingen:
   a) houden een persoonlijk onderhoud in met de preventieadviseur-arbeidsarts of zijn verpleegkundig personeel;
   b) houden specifiek verband met het risico waaraan de werknemer wordt blootgesteld wegens het uitoefenen van zijn functie;
   c) kunnen plaatsvinden voorafgaand aan de periodieke gezondheidsbeoordeling, en/of tussen twee periodieke gezondheidsbeoordelingen in, in functie van wat bepaald wordt in bijlage I.4-5;
   d) bestaan minstens uit individuele medische vragenlijsten en/of uit andere individuele medische handelingen vermeld in bijlage I.4-5;
   e) worden uitgevoerd op het tijdstip van de dag, week of jaar dat het meest relevant is voor de evaluatie van het risico en, in voorkomend geval, voor de gezondheidsbeoordeling. Dit tijdstip wordt bepaald door de preventieadviseur-arbeidsarts.
   § 2. De ingevulde vragenlijsten bedoeld in § 1, 2°, d) worden, al dan niet via elektronische weg, rechtstreeks terugbezorgd aan de preventieadviseur-arbeidsarts of zijn verpleegkundig personeel.
   Deze vragenlijsten vermelden in elk geval:
   a) de contactgegevens van de bevoegde preventieadviseur-arbeidsarts;
   b) het recht van de werknemer om te allen tijde een spontane raadpleging te vragen;
   c) de mogelijkheid voor de werknemer om aan te geven dat hij zo snel mogelijk wil worden gecontacteerd door de preventieadviseur-arbeidsarts.
   § 3. De externe diensten werken samen met het oog op het ontwikkelen van modelvragenlijsten en richtlijnen voor een gestandaardiseerde invulling van de andere aanvullende medische handelingen die specifiek verband houden met het risico waaraan de werknemer wordt blootgesteld wegens het uitoefenen van zijn functie, en melden deze aan de algemene directie HUA.
   De Minister kan nadere regels en criteria vastleggen voor het ontwikkelen van de modelvragenlijsten en richtlijnen bedoeld in het eerste lid, of hij kan zelf modelvragenlijsten en richtlijnen opstellen.]1
  ----------
  (1)<KB 2019-05-14/07, art. 9, 008; Inwerkingtreding : 21-06-2019>

  Art. I.4-31.Op initiatief van de [2 preventieadviseur-arbeidsarts]2 kan het soort [1 aanvullende medische handelingen bedoeld in bijlage I.4-5]1, vervangen worden door andere type handelingen waarvan het resultaat dezelfde waarborgen inzake validiteit en betrouwbaarheid biedt.
  In dat geval kiest de [2 preventieadviseur-arbeidsarts]2 voor handelingen die de lichamelijke integriteit van de werknemer het meest respecteren en zijn veiligheid waarborgen.
  [1 De preventieadviseur-arbeidsarts motiveert zijn keuze in een document dat door hem wordt ondertekend en dat ter beschikking wordt gehouden van de arts sociaal inspecteur van de algemene directie TWW.]1
  De preventieadviseur-arbeidsgeneesheer licht het Comité vervolgens in over het type uitgevoerde handelingen.
  ----------
  (1)<KB 2019-05-14/07, art. 9, 008; Inwerkingtreding : 21-06-2019>
  (2)<KB 2019-05-14/07, art. 1, 008; Inwerkingtreding : 21-06-2019>

  Art. I.4-32.[1 § 1. De frequentie van de periodieke gezondheidsbeoordeling en van de aanvullende medische handelingen is vastgelegd in bijlage I.4-5 in functie van de aard, de mate en de duur van de blootstelling aan het risico.
   Wanneer een werknemer is blootgesteld aan meerdere risico's waarvoor een verschillende frequentie van periodieke gezondheidsbeoordeling geldt, wordt de hoogste frequentie gevolgd.
   § 2. Wanneer de aanvullende medische handelingen die in de periode tussen twee periodieke gezondheidsbeoordelingen plaatsvinden, een ongewoon resultaat vertonen, neemt de preventieadviseur-arbeidsarts contact op met de betrokken werknemer om na te gaan of een gezondheidsbeoordeling noodzakelijk is. Hiertoe kan de preventieadviseur-arbeidsarts, telkens hij het nuttig acht en met de toestemming van de werknemer, zich informeren bij zijn behandelend arts.
   In dat geval kan de preventieadviseur-arbeidsarts, afhankelijk van de concrete omstandigheden, één of meerdere van de volgende beslissingen nemen:
   1° hij onderwerpt de betrokken werknemer aan een gezondheidsbeoordeling;
   2° hij onderwerpt alle of bepaalde werknemers die worden blootgesteld aan hetzelfde risico, eveneens aan een gezondheidsbeoordeling;
   3° hij verhoogt de frequentie van de periodieke gezondheidsbeoordelingen en/of van de aanvullende medische handelingen voor de betrokken werknemer, en eventueel ook voor alle of bepaalde werknemers die aan hetzelfde risico worden blootgesteld. De hogere frequentie wordt aangehouden totdat de preventieadviseur-arbeidsarts oordeelt dat het risico onder controle is.
   De preventieadviseur-arbeidsarts motiveert zijn beslissing in een document dat door hem wordt ondertekend en dat ter beschikking wordt gehouden van de arts sociaal inspecteur van de algemene directie TWW.
   § 3. In afwijking van de frequentie bedoeld in bijlage I.4-5, kan de preventieadviseur-arbeidsarts, al dan niet tijdelijk, een hogere frequentie van periodieke gezondheidsbeoordelingen en/of aanvullende medische handelingen vastleggen voor specifieke situaties die volgens zijn oordeel een negatieve impact hebben of kunnen hebben op de gezondheid van de werknemer, bijvoorbeeld omdat de werknemer behoort tot een specifieke risicogroep, of omwille van wijzigingen aan de werkpost of activiteit, of wegens incidenten of ongevallen die zich hebben voorgedaan, of omwille van een overschrijding van actiewaarden.
   De preventieadviseur-arbeidsarts motiveert zijn beslissing in een document dat door hem wordt ondertekend en dat ter beschikking wordt gehouden van de arts sociaal inspecteur van de algemene directie TWW.
   § 4. De arts sociaal inspecteur van de algemene directie TWW kan, zo hij het nodig acht, een hogere frequentie van periodieke gezondheidsbeoordelingen en/of van de aanvullende medische handelingen opleggen, of de inhoud en het tijdstip van de aanvullende medische handelingen aanpassen.
   § 5. De werknemer die getroffen is door een beroepsgebonden aandoening waarvan de diagnose aan de hand van de in artikel I.4-27 bepaalde handelingen niet voldoende kan worden gesteld, wordt onderworpen aan elk bijkomend onderzoek dat de preventieadviseur-arbeidsarts of de arts sociaal inspecteur van de algemene directie TWW nodig acht.
   § 6. De preventieadviseur-arbeidsarts verstrekt regelmatig, en minstens één keer per jaar, aan de werkgever en aan het comité een globale rapportering over de resultaten van het periodiek gezondheidstoezicht met het oog op het eventueel voorstellen of aanpassen van preventiemaatregelen.]1
  ----------
  (1)<KB 2019-05-14/07, art. 9, 008; Inwerkingtreding : 21-06-2019>

  Art. I.4-33.§ 1. Op grond van de resultaten van de periodieke gezondheidsbeoordeling, en wanneer de gezondheidstoestand van de werknemer dit vereist, stelt de [1 preventieadviseur-arbeidsarts]1 aan de werkgever alle gepaste individuele en collectieve preventie- of beschermingsmaatregelen voor.
  § 2. Die maatregelen kunnen er in bestaan :
  1° de duur, intensiteit of frequentie van de blootstelling aan dergelijke agentia of belasting te verminderen;
  2° een herinrichting of aanpassing van de werkpost of activiteit en/of de werkmethodes en/of de arbeidsomstandigheden voor te stellen;
  3° vorming of informatie te verstrekken over de algemene preventie- en beschermingsmaatregelen die moeten worden toegepast;
  4° de gezondheid te beoordelen van alle werknemers die een analoge blootstelling hebben ondergaan of die werden tewerkgesteld aan gelijkaardige activiteiten;
  5° de risicoanalyse opnieuw uit te voeren met betrekking tot de specifieke risico's van de werkpost of activiteit, inzonderheid bij toepassing van een nieuwe techniek, het gebruik van een nieuw product of de verhoging van het werkritme;
  6° de betrokken werknemer niet meer bloot te stellen aan een agens of belasting bedoeld in artikel I.4-1, § 2, 3° of de werknemer tijdelijk over te plaatsen van zijn werkpost of de uitgeoefende activiteit.
  De maatregelen betreffende elke individuele werknemer worden genomen overeenkomstig de bepalingen van hoofdstuk V van deze titel die de beslissingen van de [1 preventieadviseur-arbeidsarts]1 regelen.
  De collectieve maatregelen die genomen zijn worden ter kennis gebracht van het Comité.
  ----------
  (1)<KB 2019-05-14/07, art. 1, 008; Inwerkingtreding : 21-06-2019>

  Afdeling 3. - Onderzoek bij werkhervatting en bezoek voorafgaand aan de werkhervatting

  Art. I.4-34.Na minstens vier opeenvolgende weken afwezigheid wegens om het even welke ziekte, aandoening of ongeval of wegens bevalling, worden de werknemers tewerkgesteld aan een veiligheidsfunctie, een functie met verhoogde waakzaamheid of een activiteit met welbepaald risico verplicht aan een onderzoek bij werkhervatting onderworpen. Mits toestemming van de werknemer kan de [1 preventieadviseur-arbeidsarts]1 overleg plegen met de behandelende arts en/of de adviserend [1 arts]1.
  Op verzoek van de werknemer of wanneer de [1 preventieadviseur-arbeidsarts]1 het nodig oordeelt wegens de aard van de ziekte, de aandoening of het ongeval, kan het onderzoek bij werkhervatting plaatsvinden na een afwezigheid van kortere duur.
  Dit onderzoek gebeurt ten vroegste op de dag waarop het werk of de dienst wordt hernomen en ten laatste op de tiende werkdag daarna.
  ----------
  (1)<KB 2019-05-14/07, art. 1, 008; Inwerkingtreding : 21-06-2019>

  Art. I.4-35.Het onderzoek bij werkhervatting moet de [1 preventieadviseur-arbeidsarts]1 in staat stellen na te gaan of de werknemer nog steeds geschikt is voor de werkpost die hij voordien bezette of de activiteit die hij voordien uitoefende, en in geval van ongeschiktheid, de in artikel I.4-33 bedoelde gepaste preventie- of beschermingsmaatregelen te nemen.
  ----------
  (1)<KB 2019-05-14/07, art. 1, 008; Inwerkingtreding : 21-06-2019>

  Art. I.4-36.§ 1. De werkgever informeert alle werknemers die al dan niet onderworpen zijn aan het verplicht gezondheidstoezicht, over hun recht te genieten van een bezoek voorafgaand aan de werkhervatting in geval van arbeidsongeschiktheid, met het oog op een eventuele aanpassing van hun werkpost.
  § 2. In geval van arbeidsongeschiktheid, kan de werknemer, al dan niet onderworpen aan het verplicht gezondheidstoezicht, rechtstreeks bij de [1 preventieadviseur-arbeidsarts]1 een bezoek voorafgaand aan de werkhervatting vragen. Mits toestemming van de werknemer kan de [1 preventieadviseur-arbeidsarts]1 overleg plegen met de behandelende arts en/of de adviserend [1 arts]1.
  § 3. Vanaf het ogenblik dat hij, overeenkomstig § 2, een aanvraag ontvangt verwittigt de [1 preventieadviseur-arbeidsarts]1 de werkgever, tenzij de werknemer hiermee niet akkoord is, en nodigt hij de werknemer uit voor een bezoek voorafgaand aan de werkhervatting, dat plaatsvindt binnen een termijn van tien werkdagen volgend op de dag van de ontvangst van de aanvraag.
  § 4. Het bezoek voorafgaand aan de werkhervatting zoals bedoeld in § 1 moet de [1 preventieadviseur-arbeidsarts]1 in staat stellen om, op basis van de gezondheidstoestand van de werknemer en het onderzoek van zijn werkpost, aangepaste maatregelen voor te stellen aan de werkgever die inzonderheid bestaan uit een aanpassing van de post of de arbeidsomstandigheden teneinde de belasting verbonden aan deze post te verminderen zodat de werkgever een aangepast werk kan geven aan de werknemer vanaf de werkhervatting.
  § 5. De [1 preventieadviseur-arbeidsarts]1 onderzoekt de werkpost van de werknemer zo spoedig mogelijk met het oog op het onderzoek van de mogelijkheden tot aanpassing van deze post.
  § 6. In afwijking van de bepalingen betreffende het formulier voor de gezondheidsbeoordeling, formuleert de [1 preventieadviseur-arbeidsarts]1 zijn voorstellen betreffende de aanpassingen van de werkpost of van de arbeidsomstandigheden, door enkel rubriek F van het formulier voor de gezondheidsbeoordeling te vervolledigen.
  § 7. De werkgever neemt de verplaatsingskosten van de werknemer voor het bezoek voorafgaand aan de werkhervatting voor zijn rekening.
  ----------
  (1)<KB 2019-05-14/07, art. 1, 008; Inwerkingtreding : 21-06-2019>

  Afdeling 4. - Spontane raadpleging

  Art. I.4-37.§ 1. Elke werknemer, al dan niet onderworpen aan het gezondheidstoezicht, of met zijn akkoord de behandelende arts, kan rechtstreeks bij de [1 preventieadviseur-arbeidsarts]1 een spontane raadpleging vragen :
  1° naar aanleiding van gezondheidsklachten waarvan hij of de behandelende arts meent dat deze arbeidsgerelateerd zijn, of;
  2° indien hij van mening is dat alle of een deel van de maatregelen in het re-integratieplan bedoeld in artikel I.4-74, niet meer zijn aangepast aan zijn gezondheidstoestand.
  § 2. Vanaf het ogenblik dat hij de aanvraag ontvangt, verwittigt de [1 preventieadviseur-arbeidsarts]1 de werkgever, tenzij de werknemer hiermee niet akkoord is, en voert binnen de tien werkdagen een gezondheidsbeoordeling van de werknemer uit. Deze gezondheidsbeoordeling wordt, in voorkomend geval, bekrachtigd door een beslissing van de [1 preventieadviseur-arbeidsarts]1 waaraan alle voorwaarden betreffende de uitvoering van het gezondheidstoezicht verbonden zijn.
  ----------
  (1)<KB 2019-05-14/07, art. 1, 008; Inwerkingtreding : 21-06-2019>

  Afdeling 5. - Voortgezet gezondheidstoezicht

  Art. I.4-38.§ 1. De werkgever neemt de nodige maatregelen opdat de werknemers die blootgesteld werden aan chemische, fysische of biologische agentia, in de gevallen bedoeld bij deze codex, na het einde van de blootstelling kunnen blijven genieten van een toezicht op hun gezondheidstoestand.
  § 2. Dit toezicht bevat alle gerichte functionele onderzoeken en tests die nodig zijn gelet op de gezondheidstoestand van de werknemer en de omstandigheden waaronder hij werd blootgesteld.
  § 3. Indien de betrokken werknemer deel uitmaakt van het personeel van de onderneming waar hij werd blootgesteld, vallen de kosten van het voortgezet gezondheidstoezicht ten laste van de werkgever.
  § 4. Indien de betrokken werknemer niet langer deel uitmaakt van het personeel van de onderneming waar hij werd blootgesteld, kan het voortgezet gezondheidstoezicht verzekerd worden door het Federaal agentschap voor beroepsrisico's onder de voorwaarden en volgens de nadere regels zoals bepaald bij de wetten betreffende de preventie van beroepsziekten en de vergoeding van de schade die uit die ziekten voortvloeit, gecoördineerd op 3 juni 1970.
  De werkgever meldt het bovengenoemde agentschap zonder verwijl welke werknemers recht hebben op een voortgezet gezondheidstoezicht.
  § 5. Zo hij het nodig acht, kan de [1 arts]1 sociaal inspecteur van de algemene directie TWW het voortgezet gezondheidstoezicht opleggen.
  ----------
  (1)<KB 2019-05-14/07, art. 1, 008; Inwerkingtreding : 21-06-2019>

  Afdeling 6. - Uitbreiding van het gezondheidstoezicht

  Art. I.4-39.Op initiatief van de [1 preventieadviseur-arbeidsarts]1, de werkgever of de vertegenwoordigers van de werknemers, op advies van het Comité, en op basis van de resultaten van de risicoanalyse, kan het gezondheidstoezicht uitgebreid worden tot alle werknemers die werken in de onmiddellijke omgeving van de werkpost van een werknemer die onderworpen is aan het verplicht gezondheidstoezicht. De preventieve handelingen voor deze werknemers zijn gelijkaardig aan deze die worden gesteld bij de onderworpen werknemer.
  ----------
  (1)<KB 2019-05-14/07, art. 1, 008; Inwerkingtreding : 21-06-2019>

  Art. I.4-40.[1 De kenmerken en de gevolgen van de uitbreiding van het gezondheidstoezicht bedoeld bij artikel I.4-39 worden vastgelegd door de preventieadviseur-arbeidsarts in een document dat door hem ter beschikking wordt gehouden van de arts sociaal inspecteur van de algemene directie TWW. Deze laatste kan eveneens eender welke nieuwe gezondheidsbeoordeling opleggen die hij nodig acht.
   De preventieadviseur-arbeidsarts verstrekt over de uitbreiding van het gezondheidstoezicht een globale rapportering aan het comité overeenkomstig artikel I.4-30, § 6.]1
  ----------
  (1)<KB 2019-05-14/07, art. 10, 008; Inwerkingtreding : 21-06-2019>

  Afdeling 7. - Bijzondere bepalingen voor bepaalde categorieën werknemers

  Art. I.4-41. Deze afdeling is van toepassing op :
  1° de mindervalide werknemers die de werkgever in dienst moet nemen overeenkomstig artikel 21, § 1, van de wet van 16 april 1963 betreffende de sociale reclassering van de minder-validen, artikel 25 van de wet van 22 maart 1999 houdende diverse maatregelen inzake ambtenarenzaken en artikel 270 van het Waalse Wetboek van Sociale Actie en Gezondheid;
  2° de jongeren op het werk zoals bedoeld in artikel X.3-12;
  3° de werkneemsters tijdens de zwangerschap of die borstvoeding geven zoals bedoeld in artikel X.5-1;
  4° de stagiairs, de leerlingen en de studenten als bedoeld in artikel 2, § 1, tweede lid, 1°, d) en e) van de wet;
  5° de uitzendkrachten zoals bedoeld in artikel X.2-1;
  6° de PWA'ers zoals bedoeld in artikel 4, § 2, van de wet.

  Art. I.4-42. De werkgever treft de nodige maatregelen opdat de in artikel I.4-41 bedoelde werknemers onderworpen worden aan een gepast gezondheidstoezicht.
  De voorwaarden tot uitoefening van dit gezondheidstoezicht zijn vastgelegd in specifieke bepalingen van de codex die betrekking hebben op de bijzondere categorieën werknemers bedoeld in artikel I.4-41.

  Art. I.4-43. Voornoemd gepast gezondheidstoezicht wordt ingesteld om rekening te houden met de specifieke eigenschappen van de werknemers of de aard van de arbeidsrelatie bedoeld in artikel I.4-41, die tot gevolg hebben dat zij beschouwd worden als werknemers met bijzonder risico wegens hun grotere kwetsbaarheid of gevoeligheid, gebrek aan ervaring, verschillende ontwikkeling, en voor wie bijzondere maatregelen inzake bescherming en toezicht op de gezondheid moeten worden getroffen.

  Art. I.4-44. De werkgever mag de werknemers die behoren tot één van de categorieën bedoeld in artikel I.4-41 noch weigeren in dienst te nemen, noch ontslaan louter en alleen om het feit dat zij behoren tot één van die categorieën.

  HOOFDSTUK V. - De beslissing van de [1 preventieadviseur-arbeidsarts]1 betreffende de beoordeling van de gezondheid
  ----------
  (1)<KB 2019-05-14/07, art. 1, 008; Inwerkingtreding : 21-06-2019>

  Afdeling 1. - Toepassingsgebied

  Art. I.4-45.Dit hoofdstuk is van toepassing op de beslissingen van de [1 preventieadviseur-arbeidsarts]1 betreffende de beoordeling van de gezondheid in het kader van de preventieve medische onderzoeken bedoeld in artikel I.4-15, met uitzondering van de beslissingen van de [1 preventieadviseur-arbeidsarts]1 naar aanleiding van een re-integratiebeoordeling van de werknemer voor wie hij een re-integratieverzoek overeenkomstig artikel I.4-73 heeft ontvangen.
  ----------
  (1)<KB 2019-05-14/07, art. 1, 008; Inwerkingtreding : 21-06-2019>

  Afdeling 2. - Formulier voor de gezondheidsbeoordeling

  Art. I.4-46.Het formulier voor de gezondheidsbeoordeling, waarvan het model opgenomen is als bijlage I.4-2, 1ste deel, is het document waarmee de [1 preventieadviseur-arbeidsarts]1 zijn beslissing na elk preventief medisch onderzoek meedeelt.
  De tekst van de artikelen I.4-62 tot I.4-67 die in bijlage I.4-2, 2de deel is opgenomen, moet worden vermeld op het formulier voor de gezondheidsbeoordeling.
  Zodra hij beschikt over alle beoordelingselementen, en meer bepaald over de resultaten van de handelingen bedoeld in artikel I.4-27, en nadat de maatregelen bedoeld in de artikelen I.4-53 tot I.4-56 werden getroffen, vult de [1 preventieadviseur-arbeidsarts]1 dit document in drie exemplaren in.
  De [1 preventieadviseur-arbeidsarts]1 zendt een exemplaar van dit document in een gesloten enveloppe naar de werkgever en een ander naar de werknemer, of bezorgt hen dit persoonlijk. Hij voegt het derde exemplaar toe aan het gezondheidsdossier van de werknemer, overeenkomstig artikel I.4-85.
  Het formulier voor de gezondheidsbeoordeling mag geen enkele aanwijzing over de diagnose bevatten, noch enige andere formulering die de eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer in het gedrang zou kunnen brengen.
  Elke beperking inzake de arbeidsgeschiktheid vermeld op het formulier voor de gezondheidsbeoordeling gaat vergezeld van preventieve maatregelen zoals bedoeld in artikel I.4-33.
  ----------
  (1)<KB 2019-05-14/07, art. 1, 008; Inwerkingtreding : 21-06-2019>

  Art. I.4-47.Indien het gaat om een voorafgaande gezondheidsbeoordeling van een kandidaat of een werknemer, vermeldt de [1 preventieadviseur-arbeidsarts]1 op het formulier voor de gezondheidsbeoordeling dat de kandidaat of de werknemer ofwel voldoende arbeidsgeschikt is, ofwel definitief of voor een periode die hij bepaalt ongeschikt is.
  De [1 preventieadviseur-arbeidsarts]1 motiveert elke verklaring tot arbeidsongeschiktheid die resulteert uit een voorafgaande gezondheidsbeoordeling. Om de gezondheidstoestand van de kandidaat of van de werknemer beter aan te passen aan en af te stemmen op een andere mogelijkheid van tewerkstelling, kan, op hun verzoek, de [1 preventieadviseur-arbeidsarts]1 de gegevens die deze beslissing tot arbeidsongeschiktheid staven naar de door de werknemer of door de kandidaat aangeduide behandelende arts zenden.
  ----------
  (1)<KB 2019-05-14/07, art. 1, 008; Inwerkingtreding : 21-06-2019>

  Art. I.4-48.Indien het gaat om een voorafgaande gezondheidsbeoordeling, een periodieke gezondheidsbeoordeling of een onderzoek bij werkhervatting van een werknemer die een veiligheidsfunctie of een functie met verhoogde waakzaamheid bekleedt ofwel belast is met een activiteit met een welbepaald risico verbonden aan de blootstelling aan ioniserende straling, vermeldt de [1 preventieadviseur-arbeidsarts]1 op het formulier voor de gezondheidsbeoordeling dat de werknemer ofwel in voldoende mate arbeidsgeschikt is, ofwel definitief of voor een periode die hij bepaalt ongeschikt is en dat het verboden is hem op de bewuste werkpost of activiteit aan het werk te stellen of te houden. In dat geval geeft hij de raad hem tewerk te stellen op een werkpost of activiteit waarvan hij de tewerkstellingsvoorwaarden bepaalt in rubriek F ofwel vermeldt hij dat de werknemer met ziekteverlof moet worden gestuurd.
  ----------
  (1)<KB 2019-05-14/07, art. 1, 008; Inwerkingtreding : 21-06-2019>

  Art. I.4-49.Indien het om het even welk ander preventief medisch onderzoek betreft, vermeldt de [1 preventieadviseur-arbeidsarts]1 op het formulier voor de gezondheidsbeoordeling dat de werknemer :
  1° ofwel in voldoende mate arbeidsgeschikt is;
  2° ofwel dat het aangeraden is dat de werknemer definitief of voor een periode die hij bepaalt zou worden overgeplaatst naar een andere werkpost of activiteit waarvan hij de tewerkstellingsvoorwaarden bepaalt in rubriek F;
  3° ofwel dat de werknemer met ziekteverlof moet worden gestuurd;
  4° ofwel dat de werknemer definitief arbeidsongeschikt is.
  ----------
  (1)<KB 2019-05-14/07, art. 1, 008; Inwerkingtreding : 21-06-2019>

  Art. I.4-50.Indien het gaat om een onderzoek van een zwangere werkneemster of een werkneemster die borstvoeding geeft, vermeldt de [1 preventieadviseur-arbeidsarts]1 op het formulier voor de gezondheidsbeoordeling dat de werkneemster :
  1° ofwel voldoende geschikt is om haar activiteit zonder meer voort te zetten, of om haar activiteit voort te zetten onder de door hem bepaalde voorwaarden, of om de voorgestelde, nieuwe activiteit te verrichten voor een door hem bepaalde duur;
  2° ofwel ongeschikt is om haar activiteit voort te zetten voor een door hem bepaalde duur of om de voorgestelde nieuwe activiteit te verrichten voor een door hem bepaalde duur en aldus verwijderd dient te worden;
  3° ofwel met ziekteverlof moet worden gestuurd wegens een aandoening die geen verband houdt met de zwangerschap of de borstvoeding.
  ----------
  (1)<KB 2019-05-14/07, art. 1, 008; Inwerkingtreding : 21-06-2019>

  Art. I.4-51.Indien het gaat om een medisch onderzoek van een jongere op het werk zoals bedoeld in artikel X.3-12, of van een stagiair onderworpen aan een type van gezondheidstoezicht zoals bedoeld in boek X, titel 4, vermeldt de [1 preventieadviseur-arbeidsarts]1 op het formulier voor de gezondheidsbeoordeling ofwel dat de jongere of de stagiair voldoende geschikt is, ofwel dat de jongere of de stagiair geschikt is voor een betrekking waarvan hij de tewerkstellingsvoorwaarden bepaalt.
  ----------
  (1)<KB 2019-05-14/07, art. 1, 008; Inwerkingtreding : 21-06-2019>

  Art. I.4-52.De werkgever rangschikt de formulieren voor de gezondheidsbeoordeling per werknemer. Zolang deze in de onderneming tewerkgesteld is, houdt de werkgever minstens de formulieren van de drie laatste jaren bij alsook alle formulieren waarop aanbevelingen vermeld staan.
  Hij houdt ze op elk ogenblik ter beschikking van de [1 met het toezicht belaste ambtenaar]1.
  ----------
  (1)<KB 2019-05-14/07, art. 11, 008; Inwerkingtreding : 21-06-2019>

  Afdeling 3. - Vóór elke beslissing te nemen maatregelen

  Art. I.4-53.Vooraleer een tijdelijke of definitieve werkverandering van een werknemer voor te stellen of een beslissing tot arbeidsongeschiktheid te nemen, voert de [1 preventieadviseur-arbeidsarts]1 gepaste bijkomende onderzoeken uit, die ten laste vallen van de werkgever, inzonderheid wanneer de werknemer een aandoening heeft waarvan vermoed wordt dat ze beroepsgebonden is en waarvan de diagnose niet afdoende kon worden gesteld met de middelen bepaald voor de periodieke gezondheidsbeoordeling. Daarnaast doet de [1 preventieadviseur-arbeidsarts]1 navraag naar de sociale toestand van de werknemer, maakt hij een nieuwe risicoanalyse en onderzoekt hij ter plaatse welke maatregelen en aanpassingen het mogelijk zouden maken om de werknemer zijn werkpost of activiteit te laten behouden, rekening houdend met zijn mogelijkheden. De werknemer kan zich daarbij laten bijstaan door een werknemersvertegenwoordiger van het Comité of bij ontstentenis daarvan door een syndicale vertegenwoordiger van zijn keuze.
  ----------
  (1)<KB 2019-05-14/07, art. 1, 008; Inwerkingtreding : 21-06-2019>

  Art. I.4-54.Wanneer de [1 preventieadviseur-arbeidsarts]1 oordeelt dat de werknemer zijn werkpost kan behouden of zijn activiteiten kan voortzetten, vermeldt hij op het formulier voor de gezondheidsbeoordeling, in rubriek F, welke maatregelen moeten worden genomen om zo snel mogelijk de risicofactoren tot een minimum te beperken door de preventiemaatregelen toe te passen overeenkomstig de risicoanalyse.
  ----------
  (1)<KB 2019-05-14/07, art. 1, 008; Inwerkingtreding : 21-06-2019>

  Art. I.4-55.De werkgever, de [1 preventieadviseur-arbeidsarts]1, en in voorkomend geval andere preventieadviseurs, de werknemer en de werknemersvertegenwoordigers in het Comité, of bij ontstentenis van het Comité, de vakbondsafgevaardigden van zijn keuze plegen voorafgaandelijk overleg over de mogelijkheden voor ander werk en de maatregelen voor aanpassing van de werkposten.
  ----------
  (1)<KB 2019-05-14/07, art. 1, 008; Inwerkingtreding : 21-06-2019>

  Art. I.4-56.De [1 preventieadviseur-arbeidsarts]1 brengt de werknemer op de hoogte van zijn recht om een beroep te doen op de overleg- en beroepsprocedures bedoeld in deze titel.
  ----------
  (1)<KB 2019-05-14/07, art. 1, 008; Inwerkingtreding : 21-06-2019>

  Afdeling 4. - Overlegprocedure

  Art. I.4-57.Behalve in het geval van de voorafgaande gezondheidsbeoordeling bedoeld in artikel I.4-25, kan de werknemer onder de hierna vermelde voorwaarden een beroep doen op de hieronder beschreven overlegprocedure, indien de [1 preventieadviseur-arbeidsarts]1 oordeelt dat een tijdelijke of definitieve werkverandering noodzakelijk is, omdat een aanpassing van de veiligheidsfunctie of functie met verhoogde waakzaamheid of van de activiteit met welbepaald risico technisch of objectief niet mogelijk is of om gegronde redenen redelijkerwijze niet kan worden geëist.
  ----------
  (1)<KB 2019-05-14/07, art. 1, 008; Inwerkingtreding : 21-06-2019>

  Art. I.4-58.§ 1. Alvorens het formulier voor de gezondheidsbeoordeling in te vullen, brengt de [1 preventieadviseur-arbeidsarts]1 de werknemer schriftelijk op de hoogte van zijn voorstel tot tijdelijke of definitieve werkverandering ofwel door aan de werknemer een document af te leveren dat hij tekent voor ontvangst, ofwel door hem een aangetekende brief met ontvangstmelding te sturen.
  § 2. De werknemer beschikt over een termijn van vijf werkdagen die volgen op de ontvangstmelding om al dan niet zijn akkoord te geven.
  § 3. Indien de werknemer niet akkoord gaat, wijst hij aan de [1 preventieadviseur-arbeidsarts]1 een behandelend arts naar eigen keuze aan. De [1 preventieadviseur-arbeidsarts]1 deelt die arts zijn met redenen omklede beslissing mee. De twee artsen trachten tot een gemeenschappelijke beslissing te komen. Elk van hen mag om de bijkomende onderzoeken of raadplegingen verzoeken die hij onontbeerlijk acht. Enkel de door de [1 preventieadviseur-arbeidsarts]1 gevraagde bijkomende onderzoeken of raadplegingen zijn ten laste van de werkgever.
  ----------
  (1)<KB 2019-05-14/07, art. 1, 008; Inwerkingtreding : 21-06-2019>

  Art. I.4-59.Wanneer het overleg de beslissing van de [1 preventieadviseur-arbeidsarts]1 schorst, wacht deze tot die procedure beëindigd is om het formulier voor de gezondheidsbeoordeling in te vullen.
  ----------
  (1)<KB 2019-05-14/07, art. 1, 008; Inwerkingtreding : 21-06-2019>

  Art. I.4-60.§ 1. Indien het gaat over een medisch onderzoek van een werknemer die belast is met een veiligheidsfunctie of een functie met verhoogde waakzaamheid, of met een activiteit met een risico op blootstelling aan ioniserende straling of van een zwangere werkneemster of een werkneemster die borstvoeding geeft, die is tewerkgesteld op een werkpost waarvan de beoordeling wijst op een activiteit met een specifiek risico, of nog wanneer de werknemer getroffen is door een ernstige besmettelijke ziekte, dan schorst het overleg de beslissing van de [1 preventieadviseur-arbeidsarts]1 niet.
  § 2. In die gevallen vult de [1 preventieadviseur-arbeidsarts]1 een eerste formulier voor de gezondheidsbeoordeling in op het ogenblik dat hij de werknemer op de hoogte brengt van zijn beslissing om een tijdelijke of definitieve werkverandering voor te stellen. In rubriek G tekent hij aan dat de werknemer, indien hij niet akkoord gaat, gebruik kan maken van de in artikel I.4-57 bedoelde overlegprocedure. In rubriek F vermeldt hij dat hij aanbeveelt de werknemer te werk te stellen op een werkpost of aan een activiteit waarvan hij de tewerkstellingsvoorwaarden bepaalt.
  § 3. Na afloop van de overlegprocedure vult hij een nieuw formulier voor de gezondheidsbeoordeling in.
  ----------
  (1)<KB 2019-05-14/07, art. 1, 008; Inwerkingtreding : 21-06-2019>

  Art. I.4-61.Wanneer de twee artsen er niet in slagen een gemeenschappelijke beslissing te nemen, of wanneer de overlegprocedure niet is kunnen eindigen binnen een termijn van 14 werkdagen, handhaaft de [1 preventieadviseur-arbeidsarts]1 zijn eigen beslissing op het formulier voor de gezondheidsbeoordeling. Hij vermeldt in rubriek G dat de arts van de werknemer een andere mening toegedaan is of dat de procedure niet is kunnen eindigen binnen de gestelde termijn, en in rubriek F dat de tijdelijke of definitieve werkverandering noodzakelijk is en dat hij aanbeveelt om de werknemer te werk te stellen op een werkpost of aan een activiteit waarvan hij de tewerkstellingsvoorwaarden bepaalt.
  ----------
  (1)<KB 2019-05-14/07, art. 1, 008; Inwerkingtreding : 21-06-2019>

  Afdeling 5. - Beroepsprocedure

  Art. I.4-62.Behalve in het geval van de voorafgaande gezondheidsbeoordeling bedoeld in artikel I.4-25, kan door de werknemer, die al dan niet gebruik heeft gemaakt van de overlegprocedure bedoeld in artikel I.4-57, beroep worden ingesteld tegen de beslissing van de [1 preventieadviseur-arbeidsarts]1 waarbij de geschiktheid in verband met het uitgevoerde werk wordt beperkt of waarbij hij ongeschikt wordt bevonden om het uitgevoerde werk verder te zetten. Hij gebruikt hiertoe het formulier waarvan het model is opgenomen in bijlage I.4-2, 3de deel.
  ----------
  (1)<KB 2019-05-14/07, art. 1, 008; Inwerkingtreding : 21-06-2019>

  Art. I.4-63.Dit beroep is geldig ingesteld op voorwaarde dat het bij aangetekende brief wordt toegezonden aan de bevoegde [1 arts]1 sociaal inspecteur van de algemene directie TWW binnen de zeven werkdagen na de verzendingsdatum of overhandiging van het formulier voor de gezondheidsbeoordeling aan de werknemer.
  ----------
  (1)<KB 2019-05-14/07, art. 1, 008; Inwerkingtreding : 21-06-2019>

  Art. I.4-64.De [1 arts]1 sociaal inspecteur van de algemene directie TWW roept de [1 preventieadviseur-arbeidsarts]1 en de behandelende arts van de werknemer schriftelijk samen voor de beroepsprocedure waarvan hij de datum en de plaats bepaalt en hij vraagt hen de relevante documenten mee te brengen in verband met de gezondheidstoestand van de werknemer. Hij roept ook de werknemer op om, in voorkomend geval, te worden gehoord en onderzocht.
  ----------
  (1)<KB 2019-05-14/07, art. 1, 008; Inwerkingtreding : 21-06-2019>

  Art. I.4-65. De behandeling van het beroep heeft uiterlijk plaats binnen eenentwintig werkdagen na de ontvangstdatum van het beroep van de werknemer. In geval van een schorsing van de uitvoering van de arbeidsovereenkomst van de werknemer wegens ziekteverlof, kan die termijn worden verlengd tot eenendertig werkdagen.

  Art. I.4-66.§ 1. Indien een arts tijdens de beroepsprocedure een deskundig onderzoek vraagt, mag de termijn voor het nemen van de beslissing de termijn van eenendertig werkdagen vanaf de dag waarop het beroep behandeld werd niet overschrijden.
  Tijdens de definitieve zitting nemen de drie artsen een beslissing bij meerderheid van stemmen.
  Indien de door de werknemer aangeduide behandelende arts of de [1 preventieadviseur-arbeidsarts]1 afwezig is en in geval er geen akkoord wordt bereikt onder de aanwezige artsen, neemt de [1 arts]1 sociaal inspecteur van de algemene directie TWW zelf de beslissing.
  § 2. De medische beslissing wordt door de [1 arts]1 sociaal inspecteur van de algemene directie TWW opgetekend in een verslag dat door de aanwezige artsen wordt ondertekend en in het gezondheidsdossier van de werknemer wordt bewaard.
  Een afschrift van het verslag van de beslissing wordt door de [1 rts]1anspecteur van de algemene directie TWW onmiddellijk aan de werkgever en aan de werknemer bezorgd.
  ----------
  (1)<KB 2019-05-14/07, art. 1, 008; Inwerkingtreding : 21-06-2019>

  Art. I.4-67.Het beroep schorst de beslissing van de [1 preventieadviseur-arbeidsarts]1. Dit geldt niet voor het medisch onderzoek van een werknemer met een veiligheidsfunctie, een functie met verhoogde waakzaamheid, of een activiteit die een risico op blootstelling aan ioniserende stralingen inhoudt of van een zwangere werkneemster of een werkneemster die borstvoeding geeft, die op een werkpost is tewerkgesteld waarvan de beoordeling uitwijst dat deze een activiteit met een specifiek risico betreft.
  ----------
  (1)<KB 2019-05-14/07, art. 1, 008; Inwerkingtreding : 21-06-2019>

  Afdeling 6. - Tussentijdse tewerkstelling tijdens de overleg- en beroepsprocedures

  Art. I.4-68.§ 1. De werkgever tracht, overeenkomstig de aanbevelingen van de [1 preventieadviseur-arbeidsarts]1, zo snel mogelijk elke werknemer, voor wie op het formulier voor de gezondheidsbeoordeling aanbevelingen in die zin zijn aangetekend, te werk te stellen op een andere werkpost of aan een andere activiteit waarvan hij de tewerkstellingsvoorwaarden bepaalt.
  De werkgever die in de onmogelijkheid verkeert om een andere werkpost of activiteit aan te bieden zoals bedoeld in het eerste lid, moet dit aan de [1 arts]1 sociaal inspecteur van de algemene directie TWW kunnen verantwoorden.
  § 2. De werknemer die in beroep gaat, mag, tot de dag van de definitieve beslissing, geen enkele vorm van loonverlies lijden. Tijdens die periode neemt hij elk werk aan dat naar het oordeel van de [1 preventieadviseur-arbeidsarts]1 bij zijn gezondheidstoestand past.
  § 3. Zolang er geen definitieve beslissing omtrent de arbeidsgeschiktheid van de werknemer genomen is, is de definitieve arbeidsongeschiktheid niet bewezen.
  ----------
  (1)<KB 2019-05-14/07, art. 1, 008; Inwerkingtreding : 21-06-2019>

  Afdeling 7. - Gevolgen van de definitieve beslissing van de [1 preventieadviseur-arbeidsarts]1
  ----------
  (1)<KB 2019-05-14/07, art. 1, 008; Inwerkingtreding : 21-06-2019>

  Art. I.4-69.§ 1. Het is verboden een werknemer te werk te stellen of te blijven tewerkstellen aan een veiligheidsfunctie, een functie met verhoogde waakzaamheid of aan activiteiten waaraan een risico voor blootstelling aan ioniserende stralingen is verbonden wanneer hij hiervoor door de [1 preventieadviseur-arbeidsarts]1 ongeschikt werd verklaard.
  § 2. Het is verboden werkneemsters, die door de [1 preventieadviseur-arbeidsarts]1 hiervoor ongeschikt werden verklaard, aan het werk te stellen of te houden op werkposten waarvan de beoordeling heeft aangetoond dat er een bijzonder risico bestaat voor zwangere werkneemsters en werkneemsters die borstvoeding geven en waarvoor een aanpassing technisch of objectief niet mogelijk is of om gegronde redenen redelijkerwijze niet kan worden geëist.
  ----------
  (1)<KB 2019-05-14/07, art. 1, 008; Inwerkingtreding : 21-06-2019>

  Art. I.4-70.Onder voorbehoud van de toepassing van artikel I.4-69, is de werkgever ertoe gehouden de werknemer die definitief ongeschikt is verklaard door een definitieve beslissing van de [1 preventieadviseur-arbeidsarts]1, aan het werk te houden overeenkomstig de aanbevelingen van deze laatste. Hij volgt hiertoe de procedure zoals voorzien in de artikelen I.4-74 tot I.4-78 met het oog op het opstellen van een re-integratieplan.
  ----------
  (1)<KB 2019-05-14/07, art. 1, 008; Inwerkingtreding : 21-06-2019>

  Art. I.4-71.De werknemer met een ernstige besmettelijke ziekte, die verplicht is om ziekteverlof te nemen dat aanbevolen werd door de [1 preventieadviseur-arbeidsarts]1 op het formulier voor de gezondheidsbeoordeling, is er toe gehouden zonder verwijl zijn behandelende arts te raadplegen met wie de [1 preventieadviseur-arbeidsarts]1 contact zal hebben genomen.
  In dit geval zijn de bepalingen met betrekking tot het onderzoek bij werkhervatting bedoeld in de artikelen I.4-34 en I.4-35 op deze werknemer van toepassing.
  ----------
  (1)<KB 2019-05-14/07, art. 1, 008; Inwerkingtreding : 21-06-2019>

  HOOFDSTUK VI. - Het re-integratietraject van een werknemer die het overeengekomen werk tijdelijk of definitief niet kan uitoefenen

  Art. I.4-72. Het re-integratietraject bedoeld in dit hoofdstuk beoogt de re-integratie te bevorderen van de werknemer die het overeengekomen werk niet kan uitoefenen, door deze werknemer :
  - ofwel tijdelijk een aangepast of een ander werk te geven in afwachting van het opnieuw uitoefenen van zijn overeengekomen werk,
  - ofwel definitief een aangepast of een ander werk te geven indien de werknemer definitief ongeschikt is voor het uitoefenen van zijn overeengekomen werk.
  Het re-integratietraject is niet van toepassing op wedertewerkstelling bij arbeidsongeval of beroepsziekte.
  Het Comité neemt deel aan het ontwikkelen van een globale omkadering van het re-integratiebeleid dat in de onderneming wordt gevoerd, overeenkomstig artikel I.4-79.

  Art. I.4-73.§ 1. De [1 preventieadviseur-arbeidsarts]1 start een re-integratietraject op verzoek van :
  1° de werknemer tijdens de periode van zijn arbeidsongeschiktheid, of de behandelende [1 arts]1 als de werknemer hiermee instemt;
  2° de adviserend [1 arts]1, indien deze van mening is dat de werknemer in aanmerking komt voor re-integratie krachtens de wet betreffende de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen, gecoördineerd op 14 juli 1994;
  3° de werkgever, ten vroegste vanaf 4 maanden na aanvang van de arbeidsongeschiktheid van de werknemer, of vanaf het ogenblik waarop de werknemer hem een attest van zijn behandelend [1 arts]1 bezorgt waaruit de definitieve ongeschiktheid om het overeengekomen werk uit te voeren blijkt.
  § 2. De [1 preventieadviseur-arbeidsarts]1 verwittigt de werkgever vanaf het ogenblik dat hij een re-integratieverzoek, zoals bedoeld § 1, 1° of 2°, heeft ontvangen.
  De [1 preventieadviseur-arbeidsarts]1 verwittigt de adviserend [1 arts]1 het ogenblik dat hij een re-integratieverzoek, zoals bedoeld § 1, 1° of 3°, heeft ontvangen.
  § 3. De [1 ]1 nodigt de werknemer voor wie hij een re-integratieverzoek heeft ontvangen, uit voor een re-integratiebeoordeling om :
  - na te gaan of de werknemer op termijn het overeengekomen werk, desgevallend mits een aanpassing van de werkpost, opnieuw zal kunnen uitoefenen;
  - de mogelijkheden voor re-integratie te onderzoeken, op basis van de arbeidscapaciteiten van de werknemer.
  Mits toestemming van de werknemer, pleegt de [1 preventieadviseur-arbeidsarts]1 eventueel overleg met de behandelende [1 arts]1 van de werknemer, de adviserend [1 arts]1, andere preventieadviseurs en personen die kunnen bijdragen tot het slagen van de re-integratie.
  De [1 preventieadviseur-arbeidsarts]1 onderzoekt tevens de werkpost of werkomgeving van de werknemer met het oog op het nagaan van de mogelijkheden tot aanpassing van deze werkpost.
  Hij maakt een verslag op van zijn bevindingen en van deze van de bij het overleg betrokken personen, dat wordt gevoegd in het gezondheidsdossier van de werknemer.
  § 4. Na afloop van de re-integratiebeoordeling en rekening houdend met het resultaat van het overleg bedoeld in § 3, neemt de [1 preventieadviseur-arbeidsarts]1 zo spoedig mogelijk één van de volgende beslissingen die hij vermeldt op het formulier voor de re-integratiebeoordeling :
  a) de mogelijkheid bestaat dat de werknemer op termijn het overeengekomen werk kan hervatten, desgevallend mits aanpassing van de werkpost, en de werknemer is in staat om in tussentijd bij de werkgever een aangepast of ander werk uit te voeren, desgevallend mits aanpassing van de werkpost. De [1 preventieadviseur-arbeidsarts]1 legt de modaliteiten vast van het aangepast of ander werk, evenals van de aanpassing van de werkpost. Op een door hem vast te stellen tijdstip herbekijkt de [1 preventieadviseur-arbeidsarts]1 het re-integratie-traject overeenkomstig § 3;
  b) de mogelijkheid bestaat dat de werknemer op termijn het overeengekomen werk kan hervatten, desgevallend mits aanpassing van de werkpost, maar de werknemer is niet in staat om in tussentijd bij de werkgever enig aangepast of ander werk uit te voeren. Op een door hem vast te stellen tijdstip herbekijkt de [1 preventieadviseur-arbeidsarts]1 het re-integratietraject overeenkomstig § 3;
  c) de werknemer is definitief ongeschikt om het overeengekomen werk te hervatten, maar is in staat om bij de werkgever een aangepast of een ander werk uit te voeren, desgevallend mits aanpassing van de werkpost. De [1 preventieadviseur-arbeidsarts]1 legt de modaliteiten vast van het aangepast of ander werk, evenals van de aanpassing van de werkpost;
  d) de werknemer is definitief ongeschikt om het overeengekomen werk te hervatten en is niet in staat om bij de werkgever enig aangepast of ander werk uit te voeren;
  e) hij oordeelt dat het om medische redenen niet opportuun is een re-integratietraject op te starten. De [1 preventieadviseur-arbeidsarts]1 herbekijkt elke 2 maanden de mogelijkheden voor het opstarten van het re-integratietraject. Deze beslissing kan niet worden genomen voor re-integratietrajecten opgestart op verzoek van de adviserend [1 arts]1, bedoeld in artikel I.4-73, § 1, 2°.
  Bij de re-integratiebeoordeling heeft de [1 preventieadviseur-arbeidsarts]1 bijzondere aandacht voor de progressiviteit van de maatregelen die hij voorstelt.
  § 5. Uiterlijk binnen een termijn van 40 werkdagen na ontvangst van het re-integratieverzoek, zorgt de [1 preventieadviseur-arbeidsarts]1 ervoor dat :
  1° het formulier voor de re-integratiebeoordeling wordt overgemaakt aan de werkgever en aan de werknemer;
  2° de adviserend [1 arts]1 op de hoogte wordt gebracht als hij geen aangepast of ander werk voorstelt, zoals bedoeld in § 4, b), d) en e);
  3° het formulier voor de re-integratiebeoordeling wordt toegevoegd aan het gezondheidsdossier van de werknemer.
  ----------
  (1)<KB 2019-05-14/07, art. 1, 008; Inwerkingtreding : 21-06-2019>

  Art. I.4-74.§ 1. De werkgever maakt een re-integratieplan op in overleg met de werknemer, de [1 preventieadviseur-arbeidsarts]1 en, in voorkomend geval, andere personen die kunnen bijdragen tot het slagen van de re-integratie :
  1° na ontvangst van de re-integratiebeoordeling, wanneer het gaat om een tijdelijke ongeschiktheid zoals bedoeld in artikel I.4-73, § 4, a);
  2° na het verstrijken van de termijn voor het instellen van beroep overeenkomstig artikel I.4-80, of na ontvangst van het resultaat van de beroepsprocedure waarin de beslissing van de [1 preventieadviseur-arbeidsarts]1 werd bevestigd, wanneer het gaat om een definitieve ongeschiktheid zoals bedoeld in artikel I.4-73, § 4, c).
  § 2. Het re-integratieplan bevat één of meerdere van de volgende maatregelen op een zo concreet en gedetailleerd mogelijke wijze :
  a) een omschrijving van de redelijke aanpassingen van de werkpost;
  b) een omschrijving van het aangepast werk, inzonderheid het volume van het werk en het uurrooster waaraan de werknemer kan worden tewerkgesteld, en in voorkomend geval, de progressiviteit van de maatregelen;
  c) een omschrijving van het ander werk, inzonderheid de inhoud van het werk dat de werknemer kan uitvoeren, evenals het volume van het werk en het uurrooster waaraan de werknemer kan worden tewerkgesteld, en in voorkomend geval, de progressiviteit van de maatregelen;
  d) de aard van de voorgestelde opleiding met het oog op het verwerven van de competenties die moeten toelaten dat de werknemer een aangepast of ander werk kan uitvoeren;
  e) de geldigheidsduur van het re-integratieplan.
  In voorkomend geval bezorgt de [1 preventieadviseur-arbeidsarts]1 het re-integratieplan aan de adviserend [1 arts]1 die een beslissing neemt over de progressieve werkhervatting en de arbeidsongeschiktheid zoals bedoeld in artikel 100 van de wet betreffende de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen, gecoördineerd op 14 juli 1994. Het re-integratieplan maakt melding van deze beslissing. De werkgever past indien nodig het re-integratieplan aan.
  § 3. De werkgever bezorgt het re-integratieplan aan de werknemer :
  1° binnen een termijn van maximum 55 werkdagen na ontvangst van de re-integratiebeoordeling wanneer het gaat om een tijdelijke ongeschiktheid zoals bedoeld in artikel I.4-73, § 4, a);
  2° binnen een termijn van maximum twaalf maanden na ontvangst van de re-integratiebeoordeling wanneer het gaat om een definitieve ongeschiktheid zoals bedoeld in artikel I.4-73, § 4, c).
  § 4. Een werkgever die na het overleg bedoeld in § 1 geen re-integratieplan opmaakt omdat hij meent dat dat technisch of objectief onmogelijk is, of om gegronde redenen redelijkerwijze niet kan worden geëist, motiveert dit in een verslag.
  Hij bezorgt dit verslag aan de werknemer en aan de [1 preventieadviseur-arbeidsarts]1 binnen dezelfde termijnen als bedoeld in § 3, en houdt het ter beschikking van de met het toezicht belaste ambtenaren.
  ----------
  (1)<KB 2019-05-14/07, art. 1, 008; Inwerkingtreding : 21-06-2019>

  Art. I.4-75.§ 1. De werknemer beschikt over een termijn van 5 werkdagen na ontvangst van het re-integratieplan om al dan niet met het plan in te stemmen en het terug te bezorgen aan de werkgever :
  1° indien de werknemer instemt met het re-integratieplan, ondertekent hij voor akkoord;
  2° indien de werknemer niet instemt met het re-integratieplan, vermeldt hij hierin de redenen van zijn weigering.
  § 2. De werkgever bezorgt een exemplaar van het re-integratieplan aan de werknemer en aan de [1 preventieadviseur-arbeidsarts]1, en houdt het ter beschikking van de met het toezicht belaste ambtenaren.
  § 3. De [1 preventieadviseur-arbeidsarts]1 maakt, al naar gelang het geval, het re-integratieplan of het verslag bedoeld in artikel I.4-74, § 4 over aan de adviserend [1 arts]1 en voegt het toe aan het gezondheidsdossier van de werknemer.
  ----------
  (1)<KB 2019-05-14/07, art. 1, 008; Inwerkingtreding : 21-06-2019>

  Art. I.4-76.§ 1. Voor een werknemer die definitief ongeschikt is om het overeengekomen werk uit te voeren, is het re-integratietraject definitief beëindigd op het ogenblik dat de werkgever :
  1° van de [1 preventieadviseur-arbeidsarts]1 een formulier voor de re-integratiebeoordeling heeft ontvangen waarin deze laatste heeft geoordeeld dat er geen aangepast of ander werk mogelijk is zoals bedoeld in artikel I.4-73, § 4, d), en de beroepsmogelijkheden bedoeld in artikel I.4-80 zijn uitgeput;
  2° het verslag bedoeld in artikel I.4-74, § 4, heeft bezorgd aan de [1 preventieadviseur-arbeidsarts]1;
  3° het re-integratieplan waarmee de werknemer niet heeft ingestemd, zoals bedoeld in artikel I.4-75, § 1, 2°, heeft bezorgd aan de [1 preventieadviseur-arbeidsarts]1.
  § 2. De [1 preventieadviseur-arbeidsarts]1 volgt de uitvoering van het re-integratieplan op regelmatige basis op, in overleg met de werknemer en de werkgever.
  Een werknemer die tijdens de uitvoering van het re-integratieplan van mening is dat alle of een deel van de in dit plan vervatte maatregelen niet meer zijn aangepast aan zijn gezondheidstoestand, kan een spontane raadpleging vragen bij de [1 preventieadviseur-arbeidsarts]1 met het oog op het herbekijken van het re-integratietraject overeenkomstig artikel I.4-73, § 3.
  ----------
  (1)<KB 2019-05-14/07, art. 1, 008; Inwerkingtreding : 21-06-2019>

  Art. I.4-77. De werknemer kan zich gedurende het hele re-integratietraject laten bijstaan door een werknemersafgevaardigde in het Comité of bij ontstentenis hiervan, door een vakbondsafgevaardigde van zijn keuze.

  Art. I.4-78. De werkgever en de werknemers werken mee aan het vlot verloop van het re-integratietraject om de slaagkansen van de re-integratie te bevorderen.

  Art. I.4-79.Met het oog op het ontwikkelen van een doeltreffend re-integratiebeleid overlegt de werkgever regelmatig, en minstens één keer per jaar, met het Comité over de mogelijkheden op collectief niveau voor aangepast of ander werk en de maatregelen voor aanpassing van de werkposten, in aanwezigheid van de [1 preventieadviseur-arbeidsarts]1 en in voorkomend geval van de andere bevoegde preventieadviseurs.
  De collectieve aspecten van de re-integratie worden éénmaal per jaar geëvalueerd en overlegd in het Comité op basis van een kwantitatief en kwalitatief verslag van de [1 preventieadviseur-arbeidsarts]1. Het re-integratiebeleid wordt zo nodig aangepast in functie van deze evaluatie.
  ----------
  (1)<KB 2019-05-14/07, art. 1, 008; Inwerkingtreding : 21-06-2019>

  Art. I.4-80.§ 1. De werknemer die niet akkoord gaat met de re-integratiebeoordeling van de [1 preventieadviseur-arbeidsarts]1 waarbij hij definitief ongeschikt is verklaard voor het overeengekomen werk zoals bedoeld in artikel I.4-73, § 4, c) of d), kan hiertegen beroep instellen.
  § 2. De werknemer stuurt hiertoe binnen de 7 werkdagen nadat de [1 preventieadviseur-arbeidsarts]1 het formulier voor de re-integratiebeoordeling aan hem heeft bezorgd, een aangetekende brief aan de bevoegde [1 arts]1 sociaal inspecteur van de algemene directie TWW, en verwittigt ook de werkgever.
  § 3. De [1 arts]1 sociaal inspecteur roept de [1 preventieadviseur-arbeidsarts]1 en de behandelende [1 arts]1 van de werknemer op een door hem bepaalde plaats en tijdstip samen voor overleg, en vraagt hen de relevante documenten mee te brengen in verband met de gezondheidstoestand van de werknemer. In voorkomend geval roept hij ook de werknemer op om te worden gehoord en onderzocht.
  § 4. Tijdens dit overleg nemen de drie [1 artsen]1 een beslissing bij meerderheid van stemmen, en uiterlijk binnen een termijn van 31 werkdagen na de ontvangst van het beroep door de [1 arts]1 sociaal inspecteur.
  Bij afwezigheid van de behandelende arts of van de [1 preventieadviseur-arbeidsarts]1, of indien er geen akkoord wordt bereikt onder de aanwezige artsen, neemt de [1 arts]1 sociaal inspecteur zelf de beslissing.
  § 5. De [1 arts]1 sociaal inspecteur neemt de beslissing op in een medisch verslag dat door de aanwezige geneesheren wordt ondertekend en dat in het gezondheidsdossier van de werknemer wordt bewaard.
  De [1 arts]1 sociaal inspecteur deelt het resultaat van de beroepsprocedure onmiddellijk mee aan de werkgever en aan de werknemer.
  § 6. Afhankelijk van het resultaat van de beroepsprocedure herbekijkt de [1 preventieadviseur-arbeidsarts]1 de re-integratiebeoordeling bedoeld in artikel I.4-73, § 4.
  § 7. Tijdens een re-integratietraject kan de werknemer slechts één keer de beroepsprocedure aanwenden.
  ----------
  (1)<KB 2019-05-14/07, art. 1, 008; Inwerkingtreding : 21-06-2019>

  Art. I.4-81. De werkgever neemt de verplaatsingskosten van de werknemer verbonden aan het re-integratietraject voor zijn rekening.

  Art. I.4-82. De Minister kan modellen van formulieren inzake het re-integratietraject vastleggen.

  HOOFDSTUK VII. - Het gezondheidsdossier

  Afdeling 1. - Doelstellingen

  Art. I.4-83.§ 1. Het gezondheidsdossier van de werknemer bestaat uit de opslag van alle relevante informatie betreffende de werknemer die de [1 preventieadviseur-arbeidsarts]1 in staat stelt het gezondheidstoezicht uit te voeren en de doeltreffendheid te meten van de preventie- en beschermingsmaatregelen die in de onderneming individueel en collectief worden toegepast.
  § 2. De verwerking van de medische persoonsgegevens en van de blootstellinggegevens voor wetenschappelijk onderzoek, epidemiologische registratie, onderwijs en voortgezette vorming moet gebeuren met eerbiediging van de voorwaarden en de nadere regels bedoeld in de wet van 8 december 1992 tot bescherming van de persoonlijke levenssfeer ten opzichte van de verwerking van persoonsgegevens.
  ----------
  (1)<KB 2019-05-14/07, art. 1, 008; Inwerkingtreding : 21-06-2019>

  Art. I.4-84.De [1 preventieadviseur-arbeidsarts]1 staat in voor de samenstelling en het bijhouden van het gezondheidsdossier voor elke werknemer die hij moet onderzoeken.
  De afdeling of het departement belast met het medisch toezicht bepaalt de procedureregels betreffende de samenstelling en het bijhouden van het gezondheidsdossier, overeenkomstig de bepalingen van dit hoofdstuk.
  Deze procedures maken deel uit van het kwaliteitshandboek van de afdeling belast met het medisch toezicht.
  ----------
  (1)<KB 2019-05-14/07, art. 1, 008; Inwerkingtreding : 21-06-2019>

  Afdeling 2. - Inhoud

  Art. I.4-85.§ 1. Het gezondheidsdossier omvat een geheel van gestructureerde en duidelijk geordende gegevens en een aantal documenten. Het bestaat uit vier verschillende delen :
  a) de sociaal-administratieve gegevens betreffende de identificatie van de werknemer en zijn werkgever;
  b) de beroepsanamnese en de objectieve medische persoonsgegevens, bedoeld in artikel I.4-86, die zijn vastgesteld aan de hand van de verplichte handelingen verricht tijdens de preventieve medische onderzoeken. Deze persoonsgegevens houden verband met de werkpost of de activiteit van de werknemer;
  c) de specifieke gegevens van persoonlijke aard vastgesteld door de [1 preventieadviseur-arbeidsarts]1 tijdens de preventieve medische onderzoeken en die aan laatstgenoemde arts zijn voorbehouden;
  d) de blootstellinggegevens, bedoeld in artikel I.4-87, van elke werknemer die is tewerkgesteld op een werkpost of aan een activiteit waarbij hij blootstaat aan biologische, fysische of chemische agentia.
  § 2. Het gezondheidsdossier bevat geen informatie over de medewerking aan programma's inzake volksgezondheid die geen verband houden met het beroep.
  ----------
  (1)<KB 2019-05-14/07, art. 1, 008; Inwerkingtreding : 21-06-2019>

  Art. I.4-86.De objectieve medische persoonsgegevens, bedoeld in het artikel I.4-85, § 1, b) bevatten :
  1° het in artikel I.4-10 bedoelde " Verzoek om gezondheidstoezicht over de werknemers ";
  2° de datum en de aard van het soort uitgevoerd preventief medisch onderzoek en de resultaten van de handelingen uitgevoerd volgens en bepaald in hoofdstuk III van deze titel;
  3° de resultaten van de gerichte onderzoeken of van de gerichte functionele tests met hun datum;
  4° de resultaten van het biologisch toezicht met hun datum;
  5° de radiografieën en de verslagen van de radiologische onderzoeken;
  6° alle andere documenten of gegevens met betrekking tot de gerichte onderzoeken die de betrokken werknemer heeft ondergaan en die door externe artsen of diensten zijn verricht. Al die documenten zijn gedateerd en vermelden de identiteitsgegevens van de werknemer;
  7° het in artikel I.4-46 bedoelde formulier voor de gezondheidsbeoordeling;
  8° de datum en de aard van de inentingen en hernieuwde inentingen, de uitslagen van de tuberculinetests, de inentingskaarten en desgevallend de nauwkeurig omschreven redenen van medische aard van het bestaan van contra-indicaties;
  9° alle nuttige aanwijzingen met betrekking tot het voortgezet gezondheidstoezicht dat eventueel wordt uitgeoefend in toepassing van artikel I.4-38;
  10° alle andere medische of medisch-sociale documenten die de [1 preventieadviseur-arbeidsarts]1 nuttig acht om bij het dossier te voegen, meer bepaald de uitwisseling van informatie met de door de werknemer gekozen arts;
  11° een afschrift van de in artikel I.4-99 bedoelde aangifte van beroepsziekte;
  12° een afschrift van de arbeidsongevallensteekkaart die de werkgever, in toepassing van artikel I.6-3, stuurt naar de afdeling of het departement belast met het medisch toezicht;
  13° het re-integratieplan of het verslag bedoeld in artikel I.4-75, § 3.
  ----------
  (1)<KB 2019-05-14/07, art. 1, 008; Inwerkingtreding : 21-06-2019>

  Art. I.4-87. De in artikel I.4-85, § 1, d) bedoelde blootstellinggegevens van de betrokken werknemer bevatten :
  1° de lijst van de chemische stoffen geïdentificeerd aan de hand van hun CAS-, EINECS-, of ELINCS- nummer, of aan de hand van alle andere informatie die een nauwkeurige identificatie mogelijk maakt;
  2° de kwalitatieve, kwantitatieve en representatieve gegevens in verband met de aard, de intensiteit, de duur en de frequentie van de blootstelling van de werknemer aan chemische of fysische agentia;
  3° de datum en het blootstellingniveau in geval de grenswaarden worden overschreden;
  4° de lijst van de biologische agentia en van de eventuele incidenten of ongevallen.

  Afdeling 3. - Wijze van bewaren

  Art. I.4-88.Het gezondheidsdossier wordt al naargelang het geval bijgehouden binnen de afdeling of het departement belast met het medisch toezicht of op het gewestelijk centrum voor onderzoek van de externe dienst.
  Alleen de [1 preventieadviseur-arbeidsarts]1, verantwoordelijk voor de afdeling of voor het departement van het medisch toezicht, en die er de beheerder van is, is belast met de bewaring ervan en is er exclusief verantwoordelijk voor en hij alleen kan een of meerdere leden van het personeel die hem bijstaan en die onderworpen zijn aan het beroepsgeheim aanduiden om er uitsluitend toegang toe te hebben.
  In afwijking van het eerste lid, mag voor de werkgevers van groepen A en B, zoals bepaald in artikel II.1-2, waar de aanwezigheid van de [1 preventieadviseur-arbeidsarts]1 permanent is, het gezondheidsdossier bijgehouden worden in de onderneming.
  ----------
  (1)<KB 2019-05-14/07, art. 1, 008; Inwerkingtreding : 21-06-2019>

  Art. I.4-89. § 1. Het departement of de afdeling belast met het medisch toezicht bewaart het dossier van de werknemer die geen deel meer uitmaakt van het personeel dat onderworpen is aan het gezondheidstoezicht, in goede staat, volledig en goed gerangschikt in zijn archieven en onder voorwaarden die het medisch geheim waarborgen, behalve indien hij het overeenkomstig artikel I.4-92 doorstuurt aan een ander departement of een andere afdeling belast met het medisch toezicht. Dit dossier bevat de gegevens bedoeld in artikel I.4-85, § 1, a), b) en d).
  § 2. Het dossier wordt daar, ten minste vijftien jaar na het vertrek van de werknemer bewaard. Eens die tijd verstreken mag de afdeling of het departement belast met het medisch toezicht het dossier vernietigen, of het aan de door de werknemer aangewezen arts bezorgen, indien deze werknemer dit bijtijds gevraagd heeft na op de hoogte te zijn gebracht van deze mogelijkheid.
  § 3. Nochtans, wanneer het dossier in de gevallen bepaald door de specifieke bepalingen van de codex, langer dan vijftien jaar moet worden bewaard, bewaart de afdeling of het departement belast met het medisch toezicht het in het archief vanaf de dag dat de werknemer geen deel meer uitmaakt van het aan het gezondheidstoezicht onderworpen personeel.
  Na verloop van deze termijn wordt het dossier noch vernietigd, noch overhandigd aan de werknemer of aan om het even welke instelling, maar wordt het gestuurd naar de algemene directie TWW.

  Art. I.4-90.Geen enkele afdeling of departement belast met het medisch toezicht mag worden opgeheven indien de [1 arts]1 belast met het beheer ervan, niet ten minste drie maanden vooraf de algemene directie TWW hiervan op de hoogte heeft gesteld zodat deze directie in de mogelijkheid wordt gesteld om bijtijds te beslissen welke maatregelen er moeten genomen worden met betrekking tot de bestemming die moet worden gegeven aan de gezondheidsdossiers die zich in deze afdeling of in dit departement bevinden.
  ----------
  (1)<KB 2019-05-14/07, art. 1, 008; Inwerkingtreding : 21-06-2019>

  Art. I.4-91. De vernietiging en de overdracht van de gezondheidsdossiers, evenals het uitlenen en het verstrekken van kopies van de documenten die ze bevatten, zoals bepaald in dit hoofdstuk, gebeurt onder voorwaarden die het medisch geheim volledig waarborgen.

  Afdeling 4. - Overdracht en bewegingen

  Art. I.4-92.§ 1. Het gezondheidsdossier van een werknemer die van werkgever verandert en dat de gegevens bedoeld in artikel I.4-85, § 1, a), b) en d) bevat, moet volledig bewaard worden op de zetel van het huidige departement of de huidige afdeling belast met het medisch toezicht dat het gezondheidstoezicht op de werknemer heeft uitgeoefend.
  § 2. [1 Wanneer voor een werknemer een gezondheidsdossier bestaat in een andere onderneming, vraagt de preventieadviseur-arbeidsarts mits toestemming van de betrokken werknemer aan het departement of aan de afdeling die bij die andere onderneming met het medisch toezicht is belast, om de in artikel I.4-85, § 1, a), b) en d) bedoelde gegevens over te dragen.]1
  § 3. Het departement of de afdeling belast met het medisch toezicht, dat verkiest het gedeelte met de objectieve medische persoonsgegevens niet over te dragen, leent de bedoelde stukken uit aan de [2 preventieadviseur-arbeidsarts]2 of bezorgt hem onverwijld een eensluidend afschrift van de documenten die hij heeft gevraagd. Van radiografieën wordt evenwel steeds het origineel aan deze arts voorgelegd.
  De afdeling of het departement belast met het medisch toezicht die afschriften aflevert moet hierop de vermelding " voor eensluidend afschrift van het oorspronkelijk document " aanbrengen.
  § 4. Bij elk overgedragen dossier of dossiergedeelte wordt een volledige inventaris gevoegd van de documenten die het bevat.
  Elke afdeling of elk departement belast met het medisch toezicht registreert de bewegingen van de dossiers en de delen van dossiers door voor elk dossier of deel van een dossier dat verzonden of ontvangen wordt, de naam en voornaam van de betrokken werknemer te vermelden evenals het adres van de afdeling of het departement belast met het medisch toezicht dat er al naargelang het geval de bestemmeling of de afzender van is.
  Alle voornoemde bewegingen van dossiers of dossiergedeelten gebeuren onder de uitsluitende verantwoordelijkheid van de in artikel I.4-88 vermelde personen.
  [1 § 5. Wanneer de werknemer de onderneming verlaat, inzonderheid bij uitdiensttreding of pensionering, maakt de preventieadviseur-arbeidsarts de gegevens bedoeld in artikel I.4-85, § 1, a), b) en d) mits toestemming van de betrokken werknemer over aan de arts die het globaal medisch dossier van de werknemer bewaart, of aan een door de werknemer aangewezen arts.]1
  ----------
  (1)<W 2019-05-05/07, art. 7, 007; Inwerkingtreding : 01-06-2019>
  (2)<KB 2019-05-14/07, art. 1, 008; Inwerkingtreding : 21-06-2019>

  Art. I.4-93.De dossiers en documenten worden in een gesloten enveloppe en ten persoonlijken titel naar de afdelingen of departementen belast met het medisch toezicht of naar de behandelende artsen van de werknemers gestuurd. De verzending wordt verzekerd door en onder de uitsluitende verantwoordelijkheid van de [1 preventieadviseur-arbeidsarts]1 verantwoordelijk voor het beheer van het dossier, of van het onder het beroepsgeheim vallende personeelslid dat hem bijstaat. De dossiers en documenten worden met de post of langs eender welke andere weg, die tenminste dezelfde waarborgen biedt tegen verlies of beschadiging, aan de bestemmelingen bezorgd.
  ----------
  (1)<KB 2019-05-14/07, art. 1, 008; Inwerkingtreding : 21-06-2019>

  Art. I.4-94.Het departement of de afdeling belast met het medisch toezicht dat kiest voor de elektronische overdracht van het dossier of de gedeelten ervan moet de principes en waarborgen van authenticiteit, betrouwbaarheid en vertrouwelijkheid toepassen.
  De overdracht van de medische gegevens gebeurt onder de verantwoordelijkheid van de [1 arts]1 die de leiding heeft over het departement of de afdeling belast met het medisch toezicht en die, aan de hand van bewezen doeltreffende methodes, instaat voor de bescherming en de beveiliging van die gegevens op gebied van toegang, gebruik en overdracht.
  De maatregelen die hiervoor worden genomen, worden vastgelegd in gedetailleerde instructies die zijn opgenomen in een intern reglement waarvan de toepassing en het toezicht worden toevertrouwd aan de [1 arts]1 die de leiding heeft over het departement of de afdeling belast met het medisch toezicht.
  ----------
  (1)<KB 2019-05-14/07, art. 17, 008; Inwerkingtreding : 21-06-2019>

  Afdeling 5. - Toegang

  Art. I.4-95.§ 1. [1 De preventieadviseur-arbeidsarts die naar aanleiding van een contact met de werknemer in het kader van het gezondheidstoezicht vaststellingen doet waarvan hij meent dat de arts van de betrokken werknemer daarvan op de hoogte moet worden gebracht, contacteert op verzoek van of met toestemming van de betrokken werknemer, de behandelend arts of een andere door de werknemer aangewezen arts, en bezorgt hem minstens de gegevens bedoeld in artikel I.4-85, § 1, a), b) en d).]1
  § 2. De werknemer heeft het recht kennis te nemen van alle medische persoonsgegevens en van de blootstellinggegevens uit zijn gezondheidsdossier overeenkomstig artikel 9 van de wet van 22 augustus 2002 betreffende de rechten van de patiënt.
  § 3. Onder voorbehoud van de bepalingen van § 1 en § 2, en van de artikelen I.4-88 en I.4-92, worden alle nodige maatregelen genomen opdat niemand kan kennis nemen van het gezondheidsdossier.
  ----------
  (1)<W 2019-05-05/07, art. 8, 007; Inwerkingtreding : 01-06-2019>

  Afdeling 6. - Geautomatiseerde verwerking

  Art. I.4-96. De gegevens uit het gezondheidsdossier kunnen automatisch of manueel worden verwerkt overeenkomstig de bepalingen van de wet van 8 december 1992 tot bescherming van de persoonlijke levenssfeer ten opzichte van de verwerking van persoonsgegevens, en de bepalingen van dit hoofdstuk.

  Art. I.4-97.§ 1. Onder voorbehoud van de bepalingen van artikel 16, § 1 van de in artikel I.4-96 bedoelde wet, is de [1 preventieadviseur-arbeidsarts]1, die de leiding heeft over de afdeling of het departement belast met het medisch toezicht, de verantwoordelijke voor de verwerking indien het gezondheidsdossier automatisch wordt verwerkt. In die hoedanigheid zorgt hij ervoor dat een beschrijvende staat van het elektronisch bestand wordt opgemaakt die de volgende gegevens vermeldt :
  1° de wijze waarop de structuur van het dossier wordt beschreven;
  2° de wijze waarop de verschillende gegevenscategorieën van het dossier in rubrieken worden onderverdeeld;
  3° de toegepaste coderingssystemen;
  4° de maatregelen en de hoedanigheid van de personen die de continuïteit en de veiligheid van de geautomatiseerde gegevensverwerking verzekeren;
  5° de hoedanigheid van de personen die de verschillende gegevenscategorieën mogen raadplegen en verwerken.
  § 2. De Minister kan, met het oog op de bewaring en overmaking van de geautomatiseerde gezondheidsdossiers bijzondere voorwaarden en nadere regelen vaststellen voor de toepassing van de artikelen I.4-88 tot I.4-95, inzonderheid binnen het raam van de toepassing van de bepalingen van de wet van 15 januari 1990 houdende oprichting en organisatie van een Kruispuntbank van de sociale zekerheid.
  ----------
  (1)<KB 2019-05-14/07, art. 1, 008; Inwerkingtreding : 21-06-2019>

  HOOFDSTUK VIII. - Aangifte van de beroepsziekten

  Art. I.4-98.De [1 preventieadviseur-arbeidsarts]1 die één van de hierna opgesomde gevallen vaststelt, of ervan op de hoogte wordt gesteld door een andere arts, doet hiervan aangifte bij de [1 arts]1 sociaal inspecteur van de algemene directie TWW en bij de [1 adviserend arts]1 van het Federaal agentschap voor beroepsrisico's :
  1° de gevallen van beroepsziekten op de lijst van deze ziekten opgemaakt in toepassing van artikel 30 van de wetten betreffende de preventie van beroepsziekten en de vergoeding van de schade die uit die ziekten voortvloeit, gecoördineerd op 3 juni 1970;
  2° de gevallen die niet voorkomen op bovenvermelde lijst maar wel op de Europese lijst van beroepsziekten en op de aanvullende lijst van ziekten zoals bedoeld in bijlage I.4-3;
  3° de gevallen van andere ziekten waarvan vaststaat dat ze hun oorsprong in het beroep vinden of waarvoor de arts die ze heeft vastgesteld een gelijkaardige oorsprong bevestigt of vermoedt;
  4° de gevallen van voorbeschiktheid voor één van de hierboven vermelde beroepsziekten of van de eerste symptomen hiervan, telkens dit een invloed kan hebben op de vastheid van betrekking of het loon van de betrokken werknemer.
  ----------
  (1)<KB 2019-05-14/07, art. 1, 008; Inwerkingtreding : 21-06-2019>

  Art. I.4-99.§ 1. De [1 preventieadviseur-arbeidsarts]1 doet de aangifte zo snel mogelijk en aan de hand van een formulier dat overeenstemt met het model in de bijlage I.4-4.
  Hij vult het formulier in drievoud in, zendt een exemplaar naar de bevoegde [1 arts]1 sociaal inspecteur van de algemene directie TWW, een tweede naar de [1 adviserend arts]1 van het Federaal agentschap voor beroepsrisico's en voegt een derde bij het gezondheidsdossier van de betrokkene.
  De verzending gebeurt in een gesloten enveloppe.
  § 2. De [1 preventieadviseur-arbeidsarts]1 kan de aangifteformulieren op aanvraag gratis bekomen bij de algemene directie TWW of bij het Federaal agentschap voor beroepsrisico's.
  § 3. Indien de werknemer waarvoor door de [1 preventieadviseur-arbeidsarts]1 aangifte werd gedaan van een beroepsziekte of een andere ziekte waarvan de oorsprong in het beroep kan worden aangetoond, voldoet aan de vereiste voorwaarden om in aanmerking te komen voor de wetgeving betreffende de vergoeding van schade wegens beroepsziekte, brengt de [1 preventieadviseur-arbeidsarts]1 deze werknemer hiervan op de hoogte en verstrekt hij hem alle attesten die nodig zijn om zijn dossier betreffende die aanvraag tot vergoeding samen te stellen.
  ----------
  (1)<KB 2019-05-14/07, art. 1, 008; Inwerkingtreding : 21-06-2019>

  HOOFDSTUK IX. - Meningsverschillen

  Art. I.4-100.Behalve in geval van de beroepsprocedure bedoeld in de artikelen I.4-62 tot I.4-67, worden alle betwistingen of alle moeilijkheden die kunnen voortvloeien uit de bepalingen van deze titel behandeld door de [1 arts]1 sociaal inspecteur van de algemene directie TWW.
  ----------
  (1)<KB 2019-05-14/07, art. 1, 008; Inwerkingtreding : 21-06-2019>

  TITEL 5. - EERSTE HULP

  HOOFDSTUK I. - Definities

  Art. I.5-1. Voor de toepassing van de bepalingen van deze titel wordt verstaan onder :
  1° hulpverlener : werknemer die de eerste hulp op de arbeidsplaats verleent en die daartoe tenminste de vorming en de bijscholing heeft gevolgd bedoeld in hoofdstuk IV van deze titel, die aangepast zijn aan de risico's inherent aan de activiteiten van de werkgever;
  2° verzorgingslokaal : lokaal dat gevestigd is op de arbeidsplaats of in de onmiddellijke omgeving er van, bestemd om het nodige materiaal te bevatten voor eerste hulp, om de werknemers die het slachtoffer zijn van een ongeval of die onwel worden op te vangen en te verzorgen, en desgevallend om ter beschikking te worden gesteld van werkneemsters tijdens de zwangerschap of werkneemsters die borstvoeding geven.

  HOOFDSTUK II. - Algemene verplichtingen van de werkgever

  Art. I.5-2. § 1. De werkgever is ertoe gehouden in functie van de aard van de activiteiten en van de resultaten van de risicoanalyse, de nodige maatregelen te treffen om :
  1° de werknemers die slachtoffer zijn van een ongeval of die onwel geworden zijn, zo spoedig mogelijk eerste hulp te verlenen en indien nodig de diensten buiten de onderneming gespecialiseerd in medische noodhulp en reddingswerkzaamheden, of een verzorgingsinstelling te alarmeren;
  2° voor zover er geen tegenindicaties bestaan, er voor te zorgen dat de betrokken werknemers vervoerd worden, naargelang het geval hetzij naar het verzorgingslokaal, hetzij naar hun woning, of naar een geschikte of vooraf bepaalde verzorgingsinstelling;
  3° de nodige contacten te leggen met de diensten buiten de onderneming gespecialiseerd in medische noodhulp en reddingswerkzaamheden en de verzorgingsinstellingen waarop een beroep kan worden gedaan, opdat de betrokken werknemers zo snel mogelijk de gepaste medische hulp zouden bekomen.
  § 2. De werkgever waakt erover dat de maatregelen bedoeld in § 1 kunnen toegepast worden op aannemers, onderaannemers en andere personen die aanwezig zijn op de arbeidsplaats.

  Art. I.5-3. § 1. De werkgever stelt, met de medewerking van, al naargelang het geval, de interne of externe dienst aan wie deze opdracht is toegewezen en in toepassing van de artikelen II.1-4, tweede lid, 14° en 15°, II.1-5, 3° en II.1-11, 5°, en na voorafgaand advies van het Comité, de volgende maatregelen vast :
  1° hij werkt de procedures van eerste hulp uit volgens de voorschriften van het intern noodplan;
  2° hij bepaalt welke middelen noodzakelijk zijn voor de organisatie van de eerste hulp;
  3° hij bepaalt het aantal werknemers dat moet ingezet worden voor de organisatie van de eerste hulp en de kwalificaties waarover zij dienen te beschikken;
  4° hij bepaalt de specifieke risico's verbonden aan zijn activiteiten, waarvoor de hulpverleners hetzij de basiskennis en -vaardigheden inzake eerste hulp, bedoeld in artikel I.5-8, tweede lid, hetzij deze basiskennis en -vaardigheden aangevuld met de specifieke kennis en vaardigheden, bedoeld in artikel I.5-8, derde lid, moeten verwerven.
  Bij de vaststelling van de in het eerste lid bedoelde maatregelen houdt de werkgever rekening met :
  1° de aard van de activiteiten die hij verricht;
  2° de resultaten van de risicoanalyse;
  3° het aantal werknemers en, in voorkomend geval, de bijzonder gevoelige risicogroep waartoe ze behoren.
  § 2. De werkgever evalueert de maatregelen die in toepassing van § 1 worden vastgesteld en past ze aan, rekening houdend met de incidenten en ongevallen die zich hebben voorgedaan en met de technologische evolutie in de onderneming en in de eerste hulpverleningstechnieken.

  HOOFDSTUK III. - Uitrusting en organisatie

  Art. I.5-4.De elementaire middelen die nodig zijn om de eerste hulp te kunnen verstrekken omvatten het basismateriaal, een verbanddoos en, in voorkomend geval, een verzorgingslokaal.
  Op advies van de [1 preventieadviseur-arbeidsarts]1 en het Comité bepaalt de werkgever welk materiaal er nodig is en waar het aanwezig moet zijn, stelt de inhoud van de verbanddoos vast en bepaalt of er aanvullingen noodzakelijk zijn.
  De werkgever gaat regelmatig na of de in vorig lid bedoelde middelen effectief aanwezig zijn.
  ----------
  (1)<KB 2019-05-14/07, art. 1, 008; Inwerkingtreding : 21-06-2019>

  Art. I.5-5.§ 1. In de ondernemingen die, krachtens artikel II.1-2, ingedeeld worden in groep A, B of C, omvatten de elementaire middelen bedoeld in artikel I.5-4 een verzorgingslokaal, behalve indien uit de resultaten van de risicoanalyse blijkt dat dit niet noodzakelijk is.
  Het verzorgingslokaal wordt ingericht na advies van de [1 preventieadviseur-arbeidsarts]1 en het Comité.
  Het bevat het materiaal, het meubilair en alle andere middelen die vereist zijn voor het gebruik van dit lokaal en dit overeenkomstig de bestemming ervan.
  Het verzorgingslokaal is voldoende ruim bemeten, biedt alle waarborgen inzake veiligheid en hygiëne en is voorzien van zowel koud als warm stromend water. Het wordt verlucht, verlicht en verwarmd in functie van zijn bestemming.
  De toegangswegen tot dit lokaal worden vrijgehouden en laten de doorgang van een draagbaar toe.
  De plaats van het lokaal wordt aangeduid door een bord, overeenkomstig de bepalingen inzake de veiligheids- en gezondheidssignalering op het werk van boek III, titel 6.
  § 2. Na advies van de [1 preventieadviseur-arbeidsarts]1, kan het verzorgingslokaal dienst doen als lokaal dat ter beschikking wordt gesteld van de werkneemsters tijdens de zwangerschap en de werkneemsters die borstvoeding geven.
  ----------
  (1)<KB 2019-05-14/07, art. 1, 008; Inwerkingtreding : 21-06-2019>

  Art. I.5-6.§ 1. In de ondernemingen die, krachtens artikel II.1-2, ingedeeld worden in groep A, B of C, voorziet elke werkgever, in toepassing van artikel I.5-3, § 1, eerste lid, 3°, na voorafgaand advies van de [1 preventieadviseur-arbeidsarts]1 en het Comité, een voldoende aantal verpleegkundigen, hulpverleners of andere aangeduide personen, in verhouding tot het aantal werknemers, de kenmerken van de activiteiten van de werkgever en de resultaten van de risicoanalyse, zodanig dat de eerste hulp kan verleend worden gedurende de ganse duur van de arbeid.
  § 2. In de ondernemingen die, krachtens artikel II.1-2, ingedeeld worden in groep D, wordt de eerste hulp verstrekt door de werkgever of door één of meerdere daartoe opgeleide en door hem aangeduide werknemers.
  § 3. De werkgever houdt een register bij waarin de werknemer die een interventie doet in het kader van de eerste hulp, de volgende elementen vermeldt :
  1° zijn naam;
  2° de naam van het slachtoffer;
  3° de plaats, de datum, het uur, de beschrijving en de omstandigheden van het ongeval of het onwel worden;
  4° de aard, de datum en het uur van de interventie;
  5° de identiteit van eventuele getuigen.
  ----------
  (1)<KB 2019-05-14/07, art. 1, 008; Inwerkingtreding : 21-06-2019>

  Art. I.5-7. De met het toezicht belaste ambtenaren kunnen aan de werkgever aanvullingen bij het materiaal voor eerste hulp of een andere organisatie van de eerste hulpverlening opleggen.

  HOOFDSTUK IV. - Vorming en bijscholing van hulpverleners

  Afdeling 1. - De kennis en vaardigheden

  Art. I.5-8. De vorming en bijscholing zorgen er voor dat de hulpverlener de kennis en de vaardigheden verwerft om de levensbedreigende medische toestand van personen te herkennen en daarbij de principes van de eerste hulp toe te passen in afwachting van het tussenkomen van de gespecialiseerde diensten, bedoeld in artikel I.5-2, § 1.
  De basiskennis en -vaardigheden hebben betrekking op de doelstellingen, opgenomen als bijlage I.5-1.
  De specifieke kennis en vaardigheden hebben betrekking op het verstrekken van eerste hulp aan werknemers die het slachtoffer zijn van een ongeval dat verband houdt met risico's die inherent zijn aan een specifieke activiteit van de werkgever en waarvoor de basiskennis en -vaardigheden inzake eerste hulp ontoereikend zijn.

  Art. I.5-9.De werknemers die met vrucht een vorming en een jaarlijkse bijscholing inzake de basiskennis en -vaardigheden en de specifieke kennis en vaardigheden, nodig voor het verstrekken van de eerste hulp, hebben gevolgd bij een instelling die voorkomt op de lijst van instellingen of werkgevers die vorming en bijscholing aan hulpverleners verstrekken, gepubliceerd door de algemene directie HUA, worden vermoed te beschikken over de kennis en vaardigheden, bedoeld in artikel I.5-8.
  In afwijking van het eerste lid, kan de bijscholing om de twee jaar plaatsvinden, op voorwaarde dat de werkgever aantoont, op basis van een voorafgaandelijke risicoanalyse die ter beschikking wordt gehouden van de met het toezicht belaste ambtenaar, en na voorafgaand advies van de [1 preventieadviseur-arbeidsarts]1 en van het Comité, dat een bijscholing georganiseerd om de twee jaar geen afbreuk doet aan de kennis en vaardigheden waarover de werknemers die hij als hulpverlener heeft aangeduid in toepassing van deze titel moeten beschikken.
  Wanneer een werknemer aangeduid als hulpverlener niet heeft kunnen deelnemen aan een voorziene bijscholingssessie, moet hij een andere bijscholingssessie volgen binnen de 12 maanden die volgen op de oorspronkelijk voorziene bijscholing. Indien hij tijdens deze periode niet heeft kunnen deelnemen aan een andere sessie, wordt deze werknemer niet langer geacht te beschikken over de kennis en de vaardigheden bedoeld in artikel I.5-8.
  ----------
  (1)<KB 2019-05-14/07, art. 1, 008; Inwerkingtreding : 21-06-2019>

  Afdeling 2. - Organisatie van de cursussen

  Art. I.5-10. De instellingen of werkgevers die een vorming en bijscholing verstrekken met het oog op het verwerven van de basiskennis en -vaardigheden van hulpverlener, voldoen aan de volgende voorwaarden :
  1° er zorg voor dragen dat de inhoud van de cursussen beantwoordt aan de drie doelstellingen bedoeld in de bijlage I.5-1 en de best beschikbare praktijken voortdurend integreert;
  2° op de gepaste tijdstippen beschikken over en alleen een beroep doen op lesgevers die geactualiseerde kennis en vaardigheden bezitten in de onderwezen materies;
  3° over de gepaste middelen beschikken, inzonderheid leslokalen en les- en oefenmateriaal;
  4° de cursus derwijze organiseren dat hij minimum 15 lesuren omvat, de pauzes niet inbegrepen, waarbij respectievelijk minimaal 3 lesuren gewijd worden aan doelstelling 1, 6 lesuren aan doelstelling 2 en 6 lesuren aan doelstelling 3;
  5° jaarlijkse bijscholingen organiseren, die minimaal 4 lesuren omvatten en gericht zijn op het behoud van de basiskennis en -vaardigheden en het bijbrengen van nieuwe of geëvolueerde eerste hulppraktijken of -kennis;
  6° het aantal cursisten per lesgever en per les beperken tot maximaal 15;
  7° na het beëindigen van de cursus aan de cursisten een getuigschrift afleveren op basis van een competentie-evaluatie;
  8° zich ertoe verbinden de voormelde vereisten voortdurend te eerbiedigen.
  Werkgevers die eigen werknemers tot hulpverlener opleiden mogen voor de bijscholing van deze werknemers van het jaarlijks karakter van de bijscholing bedoeld in het eerste lid, 5°, afwijken onder dezelfde voorwaarden als bepaald in artikel I.5-9, tweede lid.

  Afdeling 3. - Procedure om opgenomen te worden in de lijst bedoeld in artikel I.5-9

  Art. I.5-11. De aanvragen om opgenomen te worden in de lijst bedoeld in artikel I.5-9 worden ingediend bij de algemene directie HUA en omvatten :
  1° benaming, statuut en adres van de instelling, alsook het adres van de plaats waar de leslokalen en het les- en oefenmateriaal zich bevinden;
  2° de opgave van de kwalificaties van de lesgevers waarop de organisator een beroep doet, inzonderheid hun diploma's, ervaring, curriculum en de wijze waarop zij zich bijscholen;
  3° een schriftelijke verklaring waarbij de instelling de verbintenis aangaat de voorwaarden bedoeld in artikel I.5-10 na te leven.

  Art. I.5-12. De algemene directie HUA gaat na of de aanvraag volledig is en zendt ze vervolgens voor onderzoek, verslag en advies naar de algemene directie TWW.
  De instellingen aan wie de algemene directie TWW een gunstig advies heeft gegeven met betrekking tot hun aanvraag, worden door de algemene directie HUA opgenomen in de lijst bedoeld in artikel I.5-9, die wordt gepubliceerd door de Federale Overheidsdienst Werkgelegenheid, Arbeid en Sociaal Overleg.
  Indien, na controle door de algemene directie TWW, en nadat de instelling werd gehoord, blijkt dat deze niet meer voldoet aan de voorwaarden bedoeld in artikel I.5-10, schrapt de algemene directie HUA de betrokken instelling van de lijst, bedoeld in artikel I.5-9.

  Afdeling 4. - Specifieke kennis en vaardigheden

  Art. I.5-13. De cursussen voor het verwerven van specifieke kennis en vaardigheden worden georganiseerd door instellingen, sectoren, beroepsorganisaties of werkgevers, die voor het verstrekken van deze cursussen een beroep doen op personen of organisaties waarvan de bevoegdheid inzake het verstrekken van eerste hulp aan werknemers die het slachtoffer zijn van ongevallen of aandoeningen verbonden aan risico's die inherent zijn aan de specifieke activiteit van de onderneming, algemeen aanvaard is.

  TITEL 6. - MAATREGELEN IN GEVAL VAN ARBEIDSONGEVAL

  HOOFDSTUK I. - Maatregelen in geval van ernstig arbeidsongeval

  Afdeling 1. - Toepassingsgebied en definities

  Art. I.6-1. De bepalingen van dit hoofdstuk zijn van toepassing op de personen bedoeld in artikel 94ter, § 1 en § 2 van de wet.

  Art. I.6-2. Als een ernstig arbeidsongeval in de zin van artikel 94bis, 1°, van de wet wordt beschouwd :
  1° een arbeidsongeval dat aanleiding heeft gegeven tot de dood;
  2° een arbeidsongeval waarvan het gebeuren in direct verband staat met een gebeurtenis die afwijkt van de normale uitvoering van het werk en die voorkomt op de lijst opgenomen als bijlage I.6-1, of met het voorwerp dat bij het ongeval betrokken is en dat voorkomt op de lijst opgenomen als bijlage I.6-2, en dat aanleiding heeft gegeven tot :
  a) hetzij een blijvend letsel;
  b) hetzij een tijdelijk letsel dat voorkomt op de lijst opgenomen als bijlage I.6-3.

  Afdeling 2. - Aangifte van ernstige arbeidsongevallen

  Art. I.6-3. De ernstige arbeidsongevallen bedoeld in artikel I.6-2, 1° en 2°, a) worden door de werkgever van het slachtoffer onmiddellijk aangegeven bij de met het toezicht belaste ambtenaren overeenkomstig artikel 94nonies van de wet.
  De kennisgeving gebeurt aan de hand van een technologisch geschikt middel met vermelding van de naam en het adres van de werkgever van het slachtoffer, de naam van het slachtoffer, de datum en de plaats van het ongeval en zijn vermoedelijke gevolgen en met een korte beschrijving van de omstandigheden.

  Afdeling 3. - Onderzoek door de preventiediensten

  Art. I.6-4. De persoon of de personen op wie de verplichtingen, bedoeld in artikel 94ter, § 1 en § 2, van de wet, rusten, brengen met toepassing van die wetsbepalingen, de dienst voor preventie en bescherming op het werk van wie zij zich de medewerking hebben verzekerd voor het onderzoek van arbeidsongevallen op de arbeidsplaats met vier of meer dagen arbeidsongeschiktheid, op de hoogte van het ernstig arbeidsongeval en dragen er zorg voor dat deze dienst het ongeval onmiddellijk onderzoekt, de oorzaken ervan vaststelt, preventiemaatregelen voorstelt om herhaling ervan te voorkomen en hen hierover een verslag bezorgt.

  Art. I.6-5. Het verslag bedoeld in artikel I.6-4 bevat ten minste de volgende elementen :
  1° de identificatie van de slachtoffers en hun werkgevers;
  2° de gedetailleerde beschrijving van de plaats van het ongeval;
  3° de gedetailleerde omschrijving van de omstandigheden van het ongeval, inclusief beeldmateriaal;
  4° de vastgestelde primaire, secundaire en tertiaire oorzaken;
  5° de eventuele andere vastgestelde oorzaken waaronder de oorzaken van psychosociale aard, inzonderheid stress of burn-out veroorzaakt door het werk, conflicten verbonden aan het werk of geweld, pesterijen of ongewenst seksueel gedrag op het werk;
  6° aanbevelingen om herhaling van het ongeval te voorkomen;
  7° de identificatie van de in artikel I.6-4 bedoelde persoon of personen en van de diensten voor preventie en bescherming op het werk die aan de totstandkoming van het verslag hebben bijgedragen;
  8° de identificatie van de personen die het verslag hebben opgesteld;
  9° de identificatie van de personen aan wie een afschrift van het verslag is toegezonden.
  Voor de toepassing van het eerste lid, 4° wordt verstaan onder :
  a) primaire oorzaken : de materiële feiten die het ongeval mogelijk hebben gemaakt, inzonderheid een ontbrekend of niet correct gebruikt CBM of PBM, een ontbrekende of kortgesloten beveiliging van een machine;
  b) secundaire oorzaken : oorzaken van organisatorische aard, waardoor de primaire oorzaken zijn ontstaan, inzonderheid een niet uitgevoerde risicoanalyse, een ontbrekende instructie, een gebrekkig toezicht op de naleving van instructies, een niet correct functionerende interne dienst;
  c) tertiaire oorzaken : materiële of organisatorische oorzaken die zich bij derden situeren, inzonderheid een ontwerp- of fabricagefout aan een van buitenaf betrokken machine, een niet correct advies geformuleerd door een externe dienst of door een EDTC.
  De in artikel I.6-4 bedoelde persoon of personen, aan wie het overeenkomstig het verslag toekomt om aan de geformuleerde aanbevelingen gevolg te geven, vullen dit verslag aan met de volgende elementen :
  1° de inhoud van hun respectievelijke beslissing in verband met de maatregelen die elkeen zal treffen om herhaling van het ongeval te voorkomen, geselecteerd op grond van de aanbevelingen geformuleerd door de dienst of de diensten voor preventie en bescherming op het werk en desgevallend, van het advies van de respectievelijke Comités, of, na overleg met de respectievelijke diensten en desgevallend, Comités, de alternatieve maatregelen die ten minste hetzelfde resultaat garanderen;
  2° een actieplan, dat de termijnen bevat waarin de maatregelen zullen toegepast zijn en de verantwoording van deze termijnen;
  3° het advies van de respectievelijke Comités over de oorzaken die aan de basis liggen van het ernstig arbeidsongeval en over de maatregelen die zijn voorgesteld om herhaling ervan te voorkomen.
  Het geheel van de elementen opgesomd in dit artikel vormt het omstandig verslag bedoeld in artikel 94ter, § 1 en § 2, van de wet.
  Het omstandig verslag wordt aan de met het toezicht belaste ambtenaar bezorgd op papier of via een technologisch geschikt middel en wordt door de in artikel I.6-4 bedoelde persoon of personen eigenhandig ondertekend.

  Art. I.6-6. Indien het omwille van materiële feiten niet mogelijk is om overeenkomstig artikel 94ter, § 1 en § 2, van de wet een omstandig verslag binnen tien dagen aan de met het toezicht belaste ambtenaar te bezorgen, kan deze laatste een binnen dezelfde termijn en op dezelfde wijze bezorgd voorlopig verslag aanvaarden dat ten minste de volgende elementen bevat :
  1° de elementen opgesomd in artikel I.6-5, eerste lid, 1° en 2° ;
  2° een eerste omschrijving van de omstandigheden van het ongeval;
  3° de vastgestelde primaire oorzaken;
  4° een gedetailleerd overzicht van de nog uit te voeren onderzoekingen met vermelding van de materiële feiten waardoor geen omstandig verslag kan worden bezorgd;
  5° de bevindingen van de afvaardiging van het Comité die zich na het ernstig arbeidsongeval onmiddellijk ter plaatse heeft begeven;
  6° de adviezen van de respectievelijke Comités die reeds zouden zijn vastgelegd in goedgekeurde notulen op het ogenblik van het bezorgen van het voorlopig verslag aan de ambtenaar.
  In dit geval stelt deze ambtenaar de termijn vast binnen welke hem de complementaire elementen moeten worden bezorgd.

  Afdeling 4. - Onderzoek door een deskundige

  Art. I.6-7. De met het toezicht belaste ambtenaren kunnen in de volgende gevallen een deskundige aanstellen :
  1° in de gevallen bedoeld in artikel 94ter, § 4, eerste lid van de wet;
  2° indien zij beschikken over aanwijzingen betreffende een gebrekkige samenwerking tussen de in artikel 94ter, § 2, eerste lid, van de wet, bedoelde personen;
  3° in complexe omstandigheden, inzonderheid wanneer één of meer oorzaken of gevolgen van het ernstig arbeidsongeval zich situeren buiten de verhoudingen tussen de personen op wie de verplichtingen, bedoeld in artikel 94ter, § § 1 en 2 van de wet, rusten, en hun eventuele werknemers;
  4° in geval van bijzonder ernstige arbeidsongevallen;
  5° bij onwettige toestanden waar een preventiedienst ontbreekt.

  Art. I.6-8. § 1. Om de functie van deskundige inzake het onderzoek van ernstige arbeidsongevallen te kunnen uitoefenen, moeten de kandidaten in staat zijn het bewijs te leveren dat zij met vrucht een erkende cursus van aanvullende vorming van preventieadviseurs niveau I hebben beëindigd.
  § 2. Om opgenomen te kunnen worden op de lijst van deskundigen, richten de kandidaten hiertoe aan de algemene directie TWW een aanvraag, met de volgende elementen als bijlagen :
  1° de kopies van het bewijs bedoeld in § 1;
  2° hun curriculum vitae;
  3° de inlichtingen betreffende de materies en de activiteitensectoren waarin zij een bijzondere deskundigheid hebben verworven.
  De algemene directie TWW onderzoekt de aanvragen en oordeelt of de kandidaten kunnen worden opgenomen in de lijst. Zij delen deze in volgens de bijzondere deskundigheden en het geografisch werkterrein van de deskundigen.
  De deskundigen mogen geen deel uitmaken van de algemene directie TWW of de algemene directie HUA.

  Art. I.6-9. De met het toezicht belaste ambtenaar kiest uit de lijst een deskundige die over de aan het ongeval aangepaste deskundigheid beschikt en informeert hem langs de geschiktste weg van zijn aanstelling.
  De deskundige stelt binnen een termijn van 72 uur aan de hand van een aangepast technologisch middel de met het toezicht belaste ambtenaar ervan in kennis dat hij de opdracht al dan niet aanvaardt. In geval van belangenconflict, moet de deskundige de opdracht weigeren.

  Art. I.6-10. De deskundige onderzoekt het ernstig arbeidsongeval, stelt er de oorzaken van vast en formuleert aanbevelingen om de herhaling van het ongeval te voorkomen, overeenkomstig het lastenboek waarvan de inhoud is vastgesteld in bijlage I.6-4.
  Hij stelt een verslag op dat de elementen van het onderzoek, de vastgestelde oorzaken en de geformuleerde aanbevelingen vermeldt.
  Hij deelt het verslag, waarvan het model is opgenomen in bijlage I.6-5, binnen een termijn van dertig kalenderdagen na het aanvaarden van zijn opdracht, mee aan de personen bedoeld in artikel 94quater, 3° van de wet en enkel aan deze personen.
  Naar aanleiding van zijn bezoek in het kader van het onderzoek van het ernstig arbeidsongeval, is de deskundige ertoe gehouden contact op te nemen met de preventieadviseur belast met de leiding van de interne dienst van de persoon of de personen op wie de verplichtingen rusten, bedoeld in artikel 94ter, § 1 en § 2, van de wet.

  Art. I.6-11. Het honorarium van de deskundige is vastgesteld op 81,51 EUR per uur geleverde prestatie, de eventuele verplaatsingskosten niet inbegrepen.
  Dit bedrag wordt gekoppeld aan het indexcijfer van de consumptieprijzen op dezelfde wijze als de forfaitaire minimumbijdragen bedoeld in artikel II.3-20.

  HOOFDSTUK II. - Maatregelen te nemen bij alle arbeidsongevallen

  Art. I.6-12. De werkgever zorgt ervoor dat de dienst voor preventie en bescherming op het werk die met deze opdracht is belast voor elk ongeval dat vier of meer dagen arbeidsongeschiktheid heeft veroorzaakt, een arbeidsongevallensteekkaart opstelt.
  Het formulier voor de aangifte van een arbeidsongeval met toepassing van de arbeidsongevallenwet van 10 april 1971 of met toepassing van de wet van 3 juli 1967 betreffende de preventie van of de schadevergoeding voor arbeidsongevallen, voor ongevallen op de weg naar en van het werk en voor beroepsziekten in de overheidssector, mag de arbeidsongevallensteekkaart vervangen, op voorwaarde dat de gegevens nodig om de steekkaart op te stellen, op het aangifteformulier worden ingevuld.
  Bij de toepassing van vorig lid, beperkt de in het eerste lid bedoelde dienst zich tot het invullen van de gegevens waarvoor hij bevoegd is.
  In de gevallen waarin de interne dienst die de arbeidsongevallensteekkaart heeft opgesteld of het formulier voor de aangifte van het arbeidsongeval heeft ingevuld, niet met het gezondheidstoezicht op zijn werknemers is belast, stuurt de werkgever een kopie of een afdruk van de steekkaart of de aangifte naar de afdeling belast met het medisch toezicht van de externe dienst waarbij hij aangesloten is.
  De werkgever bewaart de arbeidsongevallensteekkaarten of kopieën of afdrukken van de formulieren waarmee de arbeidsongevallen zijn aangegeven, ten minste tien jaar.
  Wanneer de onderneming of instelling uit verscheidene exploitatiezetels bestaat, worden de in vorig lid bedoelde steekkaarten, kopieën of afdrukken bijgehouden in de exploitatiezetel waarop ze betrekking hebben.
  Deze steekkaarten, kopieën of afdrukken worden ter beschikking gehouden van de met het toezicht belaste ambtenaren.

  BOEK II. - ORGANISATORISCHE STRUCTUREN EN SOCIAAL OVERLEG

  TITEL 1. - DE INTERNE DIENST VOOR PREVENTIE EN BESCHERMING OP HET WERK

  HOOFDSTUK I. - Inleidende bepalingen

  Artikel II.1-1 Voor de toepassing van de bepalingen van deze titel wordt verstaan onder preventieadviseur : de preventieadviseur van de interne dienst, met uitsluiting van het administratief en medisch hulppersoneel (paramedisch personeel) en van de deskundigen met vaardigheden bedoeld in artikel II.1-13, derde lid, 3° en 4°.

  Art. II.1-2. § 1. Voor de toepassing van de bepalingen van deze titel worden de werkgevers in vier groepen ingedeeld.
  Groep A bevat de werkgevers die meer dan 1.000 werknemers tewerkstellen.
  Dit aantal werknemers wordt verminderd tot :
  1° 500 voor de werkgevers van wie de onderneming behoort tot :
  a) de industrie voor winning, reiniging en distributie van water;
  b) de metaalverwerkende industrie, en de fijnmechanische en optische industrie, met uitzondering van de ondernemingen bedoeld in 2°, f), g), h) en i);
  c) de andere be- en verwerkende industrieën, met uitzondering van de ondernemingen bedoeld in 2°, j) en l);
  2° 200 voor de werkgevers van wie de onderneming behoort tot :
  a) de industrie voor productie en distributie van elektriciteit, gas, stoom en warm water;
  b) de industrie voor vervaardiging en eerste verwerking van metalen;
  c) de industrie voor vervaardiging van steen, cement, betonwaren, aardewerk, glas en dergelijke;
  d) de chemische industrie, met uitzondering van de ondernemingen bedoeld in 3°, d) e) en f);
  e) de kunstmatige en synthetische continugaren- en vezelindustrie;
  f) de industrie voor vervaardiging van producten uit metaal;
  g) de machinebouwnijverheid;
  h) de industrie van de automobielbouw en de fabrieken van auto-onderdelen;
  i) de overige transportmiddelenfabrieken;
  j) de houtindustrie en de fabrieken van houten meubelen;
  k) de bouwnijverheid;
  l) de vleesverwerkende nijverheid;
  m) de menselijke gezondheidszorg;
  n) het vervoer en opslag;
  3° 50 voor de werkgevers van wie de onderneming behoort tot :
  a) de industrie voor winning en vervaardiging van splijt- en kweekstoffen;
  b) de cokesovenbedrijven;
  c) de aardolie-industrie;
  d) de chemische grondstoffenfabrieken;
  e) de petro- en carbochemische industrie;
  f) de industrie voor de vervaardiging van andere chemische producten met voornamelijk industriële of agrarische toepassing.
  Groep B omvat de werkgevers :
  1° die tussen 200 en 1.000 werknemers tewerkstellen en die niet opgenomen zijn in groep A;
  2° die tussen 100 en 200 werknemers tewerkstellen en van wie de onderneming behoort tot de bedrijfstakken bedoeld bij het derde lid, 1° ;
  3° die tussen 50 en 200 werknemers tewerkstellen en van wie de onderneming behoort tot de bedrijfstakken bedoeld bij het derde lid, 2° ;
  4° die tussen 20 en 50 werknemers tewerkstellen en van wie de onderneming behoort tot de bedrijfstakken bedoeld bij het derde lid, 3°.
  Groep C omvat de werkgevers die minder dan 200 werknemers tewerkstellen en die niet zijn opgenomen in de groepen A en B.
  Groep D omvat de werkgevers die minder dan 20 werknemers tewerkstellen en waar de werkgever zelf de functie van preventieadviseur vervult.
  Indien een technische bedrijfseenheid, bedoeld in artikel 35, § 3 van de wet moet worden ingedeeld in één van de groepen bedoeld in deze paragraaf wordt de activiteit van de technische bedrijfseenheid in aanmerking genomen.
  § 2. Het aantal werknemers wordt berekend door het aantal kalenderdagen waarop elke werknemer, gedurende een periode van de vier trimesters die elk trimester voorafgaan, ingeschreven is in het personeelsregister waarvan het bijhouden wordt opgelegd door het koninklijk besluit nr. 5 van 23 oktober 1978 betreffende het bijhouden van sociale documenten, of in elk ander document dat hiertoe bijgehouden wordt indien de werkgever aan de bepalingen van genoemd koninklijk besluit niet onderworpen is, te delen door driehonderd vijfenzestig.
  Wanneer het werkelijke uurrooster van een werknemer niet drie vierde bereikt van het uurrooster dat het zijne zou zijn geweest indien hij voltijds tewerkgesteld was, wordt het aantal kalenderdagen waarop hij in het personeelsregister werd ingeschreven tijdens de in het eerste lid bedoelde periode gedeeld door twee.
  Het aantal gelijkgestelde personen bedoeld in artikel 2, § 1, tweede lid, 1°, b) tot e) van de wet wordt berekend door het aantal uren waarop zij arbeid, stage of een vorm van arbeid verrichten tijdens een periode van vier trimesters die elk trimester voorafgaat, te delen door duizend zevenhonderd vijftig.

  HOOFDSTUK II. - De opdrachten van de interne dienst

  Art. II.1-3. De interne dienst staat de werkgever, de leden van de hiërarchische lijn en de werknemers bij voor de toepassing van de wettelijke en reglementaire bepalingen betreffende het welzijn van de werknemers bij de uitvoering van hun werk en alle andere preventiemaatregelen en -activiteiten.
  De interne dienst mag eveneens de opdrachten inzake gezondheidstoezicht bedoeld in artikel II.1-5 uitoefenen, indien hij beantwoordt aan de voorwaarden opgelegd door artikel II.1-12, § 2.
  De interne dienst werkt samen met de externe dienst, telkens wanneer op die dienst een beroep wordt gedaan.
  De bepalingen van deze titel doen geen afbreuk aan de mogelijkheid voor de werkgever om voor specifieke problemen die rijzen in verband met het welzijn van de werknemers bij de uitvoering van hun werk en die een bijzondere deskundigheid vergen die niet verplicht aanwezig is in de externe dienst, een beroep te doen op andere diensten of instellingen die gespecialiseerd zijn of bijzonder bevoegd zijn op de domeinen bedoeld in artikel 4 van de wet en op het vlak van de mindervalide werknemers.
  De werkgever doet een beroep op de in het vierde lid bedoelde diensten of instellingen met de medewerking van de interne of externe dienst en na advies van het Comité.
  De mogelijkheid om beroep te doen op de bovenvermelde diensten of instellingen moet beschreven zijn in het jaaractieplan.

  Art. II.1-4. De interne dienst heeft als opdracht de werkgever, de leden van de hiërarchische lijn en de werknemers bij te staan in de uitwerking, programmatie, uitvoering en evaluatie van het beleid bepaald door het dynamisch risicobeheersingssysteem.
  In het kader van dit dynamisch risicobeheersingssysteem heeft de interne dienst volgende opdrachten :
  1° in verband met de risicoanalyse :
  a) meewerken aan de identificatie van de gevaren;
  b) advies verlenen over de resultaten die voortvloeien uit het vaststellen en nader bepalen van de risico's, en maatregelen voorstellen teneinde over een permanente risicoanalyse te beschikken;
  c) advies verlenen en voorstellen formuleren voor de opstelling, uitvoering en bijsturing van het globaal preventieplan en het jaaractieplan;
  2° deelnemen aan de studie van de factoren die van invloed zijn op het ontstaan van ongevallen of incidenten en aan de studie van de oorzaken van doorslaggevende aard van elk ongeval dat een arbeidsongeschiktheid tot gevolg heeft gehad;
  3° deelnemen aan de analyse van de oorzaken van beroepsziekten;
  4° deelnemen aan de analyse van de oorzaken van psychosociale risico's op het werk;
  5° bijdragen tot en meewerken aan het onderzoek van de fysieke en mentale belasting op het werk, de aanpassing van de techniek en de arbeidsomstandigheden aan de menselijke fysiologie evenals de voorkoming van overmatige professionele fysieke en mentale vermoeidheid en deelnemen aan de analyse van de oorzaken van aandoeningen te wijten aan de werkdruk;
  6° advies verlenen over de organisatie van de arbeidsplaats, de werkpost, de omgevingsfactoren en fysische, chemische, carcinogene en biologische agentia, de arbeidsmiddelen en de individuele uitrusting en over de andere elementen van de arbeidsorganisatie, de arbeidsinhoud, de arbeidsvoorwaarden, de arbeidsomstandigheden en de interpersoonlijke relaties op het werk die aanleiding kunnen geven tot psychosociale risico's op het werk;
  7° advies verlenen over de hygiëne op de arbeidsplaats inzonderheid wat de keukens, refters, kleedkamers, sanitaire installaties, werk- en rustzitplaatsen en andere bijzondere sociale voorzieningen eigen aan de onderneming betreft die bestemd zijn voor de werknemers;
  8° advies verlenen over het opstellen van instructies betreffende :
  a) het gebruik van arbeidsmiddelen;
  b) het gebruik van chemische en kankerverwekkende stoffen en mengsels en biologische agentia;
  c) het gebruik van collectieve en persoonlijke beschermingsmiddelen;
  d) de voorkoming van brand;
  e) de toe te passen procedures in geval van ernstig en onmiddellijk gevaar;
  9° advies verlenen over de vorming van de werknemers :
  a) bij indienstneming;
  b) bij een overplaatsing of verandering van functie;
  c) bij invoering van een nieuw arbeidsmiddel of verandering van arbeidsmiddel;
  d) bij invoering van een nieuwe technologie;
  10° voorstellen doen voor het onthaal, de begeleiding, de informatie, de vorming en de sensibilisering van de werknemers inzake de maatregelen in verband met het welzijn van de werknemers bij de uitvoering van hun werk van toepassing in de onderneming of instelling en meewerken aan de maatregelen en de uitwerking van propagandamiddelen die in dat verband worden vastgesteld door het Comité;
  11° aan de werkgever en aan het Comité advies verstrekken over ieder ontwerp, maatregel of middel waarvan de werkgever de toepassing overweegt en die rechtstreeks of onrechtstreeks, onmiddellijk of op termijn, gevolgen kunnen hebben voor het welzijn van de werknemers;
  12° deelnemen aan de coördinatie, de samenwerking en de informatie inzake het welzijn van de werknemers bij de uitvoering van hun werk, wat betreft de ondernemingen van buitenaf en zelfstandigen, en meewerken aan de coördinatie, de samenwerking en de informatie inzake veiligheid en gezondheid wat betreft de ondernemingen en instellingen die bedrijvig zijn op eenzelfde arbeidsplaats of wat betreft de tijdelijke of mobiele bouwplaatsen;
  13° ter beschikking staan van de werkgever, de leden van de hiërarchische lijn en de werknemers voor alle vragen die rijzen in verband met de toepassing van de wet en de codex en deze, in voorkomend geval, voorleggen voor advies aan de externe dienst;
   14° meewerken aan de uitwerking van de interne noodprocedures en de toepassing van de maatregelen te nemen ingeval van ernstig en onmiddellijk gevaar;
  15° meewerken aan de organisatie van de eerste hulp van werknemers die slachtoffer zijn van een ongeval of die onwel worden;
  16° het verzekeren van het secretariaat van het Comité;
  17° alle andere opdrachten verrichten die worden opgelegd door de wet en de codex.

  Art. II.1-5.Naast de samenwerking voor het uitvoeren van de opdrachten bedoeld in artikel II.1-4 zijn de volgende opdrachten voorbehouden aan de [1 preventieadviseur-arbeidsartsen]1, die behoren tot het departement of de afdeling belast met het medisch toezicht :
  1° het onderzoeken van de wisselwerking tussen de mens en de arbeid en hierdoor bijdragen tot een betere afstemming van de mens op zijn taak enerzijds en de aanpassing van het werk aan de mens anderzijds;
  2° het gezondheidstoezicht op de werknemers verzekeren inzonderheid om :
  a) te vermijden dat werknemers worden tewerkgesteld aan taken waarvan zij, wegens hun gezondheidstoestand, normaal de risico's niet kunnen dragen en te vermijden dat personen tot het werk worden toegelaten die getroffen zijn door ernstige besmettelijke aandoeningen of die een gevaar voor de veiligheid inhouden van de andere werknemers;
  b) de tewerkstellingskansen te bevorderen voor iedereen, onder meer door het voorstellen van aangepaste werkmethodes, het voorstellen van aanpassingen van de werkpost en het zoeken naar aangepast werk, ook voor personen met een beperkte arbeidsgeschiktheid;
  c) zo vroeg mogelijk beroepsziekten en de aandoeningen gebonden aan de arbeid op te sporen, de werknemers te informeren en te adviseren over de aandoeningen en gebreken waardoor zij zijn getroffen en mee te werken aan het opsporen en de studie van de risicofactoren die van invloed zijn op beroepsziekten en aandoeningen gebonden aan de uitvoering van het werk;
  3° toezicht houden op de organisatie van de eerste hulp van de werknemers die het slachtoffer zijn van een ongeval of die onwel worden.
  ----------
  (1)<KB 2019-05-14/07, art. 1, 008; Inwerkingtreding : 21-06-2019>

  Art. II.1-6. § 1. Om deze opdrachten te vervullen zijn de preventieadviseurs ertoe gehouden ten minste de volgende taken uit te oefenen :
  1° in het kader van de permanente risicoanalyse en het opstellen en het bijsturen van het globaal preventieplan en het jaaractieplan :
  a) verrichten van veelvuldige en systematische onderzoeken op de arbeidsplaats, hetzij op eigen initiatief, hetzij op vraag van de werkgever, hetzij binnen de kortst mogelijke tijd na een aanvraag van de werknemers of hun vertegenwoordigers;
  b) op eigen initiatief, op vraag van de werkgever of op vraag van de betrokken werknemers de werkposten onderzoeken telkens wanneer een werknemer die op die werkpost wordt tewerkgesteld wordt blootgesteld aan de verhoging van de risico's of aan nieuwe risico's;
  c) ten minste één maal per jaar een grondig onderzoek verrichten van de arbeidsplaatsen en van de werkposten;
  d) onderzoeken doen naar aanleiding van arbeidsongevallen en incidenten die zich op de arbeidsplaats hebben voorgedaan;
  e) de nuttige, de nodige en pertinente onderzoeken en opsporingen verrichten voor de verbetering van het welzijn van de werknemers;
  f) zelf analyses of controles uitvoeren of doen uitvoeren onder de voorwaarden bepaald door de wet en de codex;
  g) kennis nemen van de fabricageprocédés, werkmethodes en arbeidsprocessen en ze ter plaatse onderzoeken en maatregelen voorstellen om de risico's te verhelpen die eruit voortvloeien;
  h) de nodige documentatie bijhouden waarvan de inhoud bepaald is in bijlage II.1-1;
  i) in geval van dringende noodzakelijkheid en de onmogelijkheid om op de directie beroep te doen, zelf de nodige maatregelen treffen om de oorzaken van het gevaar of de hinder te verhelpen;
  j) de taken uitvoeren die de werkgever hen geeft, teneinde de herhaling van ernstige arbeidsongevallen te voorkomen;
  k) kennis nemen van de elementen van de arbeidsorganisatie, de arbeidsinhoud, de arbeidsvoorwaarden, de arbeidsomstandigheden en de interpersoonlijke relaties op het werk die aanleiding kunnen geven tot psychosociale risico's op het werk;
  2° in het kader van het beheer en de werking van de dienst te zorgen voor :
  a) het opstellen bij de werkgevers van de groepen A, B en C van de maandverslagen en bij de werkgevers die minder dan 50 werknemers tewerkstellen en die niet behoren tot groep B van de driemaandelijkse verslagen waarvan de inhoud is bepaald in bijlage II.1-2;
  b) het opstellen van het jaarverslag waarvan de inhoud is bepaald in bijlage II.1-3;
  c) het opstellen van de arbeidsongevallensteekkaart waarvan de inhoud is bepaald in bijlage II.1-4 of het invullen van het formulier voor de aangifte van het arbeidsongeval, overeenkomstig artikel I.6-12;
  3° de documenten op te stellen, aan te vullen of te viseren in het kader van de keuze, de aankoop, het gebruik en het onderhoud van arbeidsmiddelen en PBM;
  4° de kennisgevingen die in toepassing van de wet en de codex aan de overheid moeten worden verricht bij te houden;
  5° taken in het kader van het secretariaatswerk van het Comité te verrichten zoals bepaald in artikel II.7-24;
  6° bijhouden van het document bedoeld in artikel I.2-11, tweede lid, 9°.
  § 2. In het kader van de opdrachten inzake gezondheidstoezicht bepaald in artikel II.1-5 zijn volgende taken voorbehouden aan de afdeling belast met het medisch toezicht :
  a) ervoor zorgen dat de werknemers die het slachtoffer zijn van een ongeval of die onwel worden, de eerste hulp krijgen, tenzij andere medische diensten opgericht in toepassing van de arbeidsongevallenwet van 10 april 1971 hiermee belast zijn;
  b) de aangifte doen van beroepsziekten.

  Art. II.1-7. Onverminderd de bepalingen van de artikelen II.1-8 tot II.1-11 worden de opdrachten en taken bedoeld in de artikelen II.1-4 tot II.1-6 uitgeoefend door de interne dienst of de externe dienst.
  Onverminderd de bepaling van artikel II.1-10, kunnen alle opdrachten en taken bedoeld in het eerste lid worden uitgeoefend door de interne dienst, indien deze over de vereiste bekwaamheid beschikt.
  De werkgever moet het in het vierde lid bedoelde identificatiedocument, hetzij apart, hetzij als deel van het jaarverslag van de dienst, hetzij als een bijlage bij de overeenkomst met de externe dienst ter beschikking houden van de met het toezicht belaste ambtenaar.
  Dit document vermeldt :
  1° de identificatie van de werkgever;
  2° de opdrachten die door de interne dienst worden verricht, eventueel middels een verwijzing naar de desbetreffende bepalingen van deze titel;
  3° de samenstelling van de interne dienst, het aantal preventieadviseurs, hun kwalificaties en hun prestatieduur;
  4° de vaardigheden die vertegenwoordigd zijn in de interne dienst, zodat de opdrachten volledig en doeltreffend kunnen worden vervuld;
  5° de administratieve, technische en financiële middelen waarover de interne dienst beschikt;
  6° de adviezen van het Comité;
  7° wanneer het gaat om de opdracht inzake gezondheidstoezicht, een kopie van de erkenning verleend door de bevoegde Gemeenschap.

  Art. II.1-8. Bij de werkgevers van groep A en B worden de volgende opdrachten en taken steeds vervuld door de interne dienst :
  1° de opdrachten van artikel II.1-4, eerste lid en tweede lid, 1°, 5°, 7°, 8°, 9°, 10°, 11°, 12°, 13°, 14°, 15° en 16° ;
  2° de taken opgesomd in artikel II.1-6, § 1, 1°, a) b) c) e) f) g) h) i), 2°, 3°, 4° en 5° ;
  3° de opdrachten en taken bedoeld in artikel II.1-11 indien beroep gedaan wordt op een externe dienst.

  Art. II.1-9. Bij de werkgevers van de groep C wordt de interne dienst steeds belast met de opdrachten bedoeld in artikel II.1-4, tweede lid, 7°, 13° en 16° en de taken bedoeld in artikel II.1-6, § 1, 1°, a) c) h) i), 2°, 3°, 4° en 5° evenals met de opdrachten en taken bedoeld in artikel II.1-11 indien beroep gedaan wordt op een externe dienst.

  Art. II.1-10. § 1. De werkgevers waarvan de interne dienst geen departement heeft dat belast is met het medisch gezondheidstoezicht dat beantwoordt aan de bepalingen van artikel II.1-12, § 2, zijn steeds verplicht een beroep te doen op een externe dienst.
  De externe dienst verricht in dat geval steeds de volgende opdrachten en taken :
  1° de opdrachten bedoeld in artikel II.1-5;
  2° de taken bedoeld in artikel II.1-6, § 2, b).
  § 2. Bij de werkgevers van de groep C waarbij de interne dienst geen preventieadviseur heeft die met vrucht een aanvullende vorming niveau I of II heeft beëindigd zoals bepaald in artikel II.1-21, worden de volgende opdrachten en taken steeds verricht door een externe dienst :
  1° de opdrachten bedoeld in artikel II.1-4, eerste en tweede lid, 1° ;
  2° verrichten van onderzoeken op de arbeidsplaats na een arbeidsongeval op de arbeidsplaats met vier of meer dagen arbeidsongeschiktheid tot gevolg;
  3° de opdrachten en taken die de werkgever hen geeft in toepassing van de artikelen I.6-1 tot I.6-6, teneinde de herhaling van ernstige arbeidsongevallen te voorkomen.
  § 3. Bij de werkgevers van groep D worden de opdrachten en taken bedoeld in § 2 steeds verricht door een externe dienst.

  Art. II.1-11. Onverminderd de bepalingen van de artikelen II.1-8 tot II.1-10, is de interne dienst, telkens wanneer een beroep gedaan wordt op een externe dienst, steeds belast met de volgende opdrachten :
  1° de samenwerking met de externe dienst organiseren;
  2° de coördinatie verzekeren met de externe dienst door aan deze externe dienst alle nuttige informatie te verstrekken die zij nodig heeft voor het vervullen van haar opdrachten;
  3° in het kader van de risicoanalyse samenwerken met de externe dienst, door de preventieadviseur van de externe dienst te vergezellen bij onderzoekingen op de arbeidsplaats en hem bij te staan bij het onderzoeken van de oorzaken van arbeidsongevallen en beroepsziekten en bij het opstellen van inventarissen;
  4° meewerken met de externe dienst in het kader van de implementatie van de preventiemaatregelen die op basis van de risicoanalyse zijn vastgesteld inzonderheid door advies te verstrekken in verband met de maatregelen inzake propaganda en inzake het onthaal, de informatie, de vorming en de sensibilisering van de werknemers en inzake het opstellen van de instructies ten behoeve van de werknemers;
  5° het meewerken aan de uitwerking van de procedures te volgen bij ernstig en onmiddellijk gevaar, en aan de organisatie van de eerste hulp.

  HOOFDSTUK III. - De organisatie en werking van de interne dienst

  Art. II.1-12.§ 1. De interne dienst bestaat al dan niet uit afdelingen overeenkomstig artikel 35 en 36 van de wet.
  § 2. De werkgever die ervoor kiest dat de opdrachten bedoeld in artikel II.1-5 worden uitgeoefend door de interne dienst, richt binnen de interne dienst een departement op belast met het medisch toezicht, dat erkend kan worden door de Gemeenschappen.
  Het departement dat belast is met het medisch toezicht wordt geleid door een [1 preventieadviseur-arbeidsarts]1 bedoeld in artikel II.3-30, § 1, eerste lid, 2°.
  Het personeel dat deel uitmaakt van dit departement oefent zijn opdrachten uit onder de uitsluitende verantwoordelijkheid van deze preventieadviseur.
  De samenstelling van dit departement en de prestatieduur van de leden ervan zijn conform aan de bepalingen van de artikelen II.3-33 tot II.3-35.
  § 3. De medische dienst van de krijgsmacht mag belast worden met de opdrachten van een departement belast met het medisch toezicht.
  In elk geval moet deze dienst voldoen aan de volgende voorwaarden :
  1° de door de bepalingen van deze titel opgelegde verplichtingen kunnen vervullen, zowel wat betreft de uitvoering van de taken die hierin zijn voorgeschreven als wat betreft de titels en wetenschappelijke kwalificaties die de preventieadviseurs aan wie die taken worden toevertrouwd, moeten bezitten;
  2° de structuur van deze dienst is zodanig dat zijn onafhankelijkheid wordt gewaarborgd alsook die van de preventieadviseurs;
  3° het medisch dossier maakt het voorwerp uit van een afzonderlijke behandeling, wat de arbeidsgeneeskunde betreft.
  ----------
  (1)<KB 2019-05-14/07, art. 1, 008; Inwerkingtreding : 21-06-2019>

  Art. II.1-13. Onverminderd de bepalingen betreffende het departement belast met het medisch toezicht, is de interne dienst dermate samengesteld dat zijn opdrachten kunnen worden vervuld op grond van het principe van multidisciplinariteit.
   Het principe van multidisciplinariteit wordt bereikt door het gecoördineerd optreden van preventieadviseurs en deskundigen die beschikken over verschillende vaardigheden die bijdragen tot de bevordering van het welzijn van de werknemers bij de uitvoering van hun werk.
  Deze vaardigheden hebben inzonderheid betrekking op :
  1° de arbeidsveiligheid;
  2° de arbeidsgeneeskunde;
  3° de ergonomie;
  4° de arbeidshygiëne;
  5° de psychosociale aspecten van de arbeid waaronder geweld, pesterijen en ongewenst seksueel gedrag op het werk.
  De werkgever bepaalt, rekening houdend met het globaal preventieplan en, na voorafgaand advies van het Comité, welke vaardigheden in zijn onderneming of instelling aanwezig moeten zijn en voor welke vaardigheden hij een beroep doet op een externe dienst.
  De werkgever geeft gevolg aan dit advies overeenkomstig artikel II.7-19.
  In elk geval mogen de vaardigheden inzake arbeidsveiligheid en deze inzake arbeidsgeneeskunde nooit door één en dezelfde persoon worden beoefend.
  De werkgever die over één van de vaardigheden bedoeld in het derde lid, 3° en 4° moet beschikken, in toepassing van het globaal preventieplan, kan hiervoor ook een beroep doen op andere personen in zijn onderneming of instelling die niet behoren tot de interne dienst, voor zover deze personen over de deskundigheid beschikken bedoeld in artikel II.3-30, § 1, eerste lid, 3° en 4° en voor zover deze personen kunnen beschikken over de nodige tijd en middelen.

  Art. II.1-14. Wanneer een interne dienst bestaat uit meerdere afdelingen in de zin van artikel 35 en 36 van de wet of wanneer een departement belast met het medisch toezicht is opgericht, bepaalt de werkgever, na voorafgaand advies van het Comité, de verhouding tussen, in voorkomend geval, de afdelingen, het departement en de centrale dienst en door wie en op welke wijze de leiding van de dienst en, in voorkomend geval, van elke afdeling wordt verzekerd.
  De leiding van de dienst of de afdeling wordt verzekerd door :
  1° ofwel een preventieadviseur die met vrucht een erkende cursus van niveau I heeft beëindigd, wanneer de werkgever of de technische bedrijfseenheid behoort tot groep A;
  2° ofwel een preventieadviseur die met vrucht een erkende cursus van ten minste niveau II heeft beëindigd, wanneer de werkgever of de technische bedrijfseenheid behoort tot groep B;
  3° ofwel de preventieadviseur belast met de leiding van het departement belast met het medisch toezicht.
  Wanneer de preventieadviseur belast met de leiding van het departement belast met het medisch toezicht, de leiding van de interne dienst of de afdeling waarneemt, moet de interne dienst of de afdeling al naargelang de werkgever of de technische bedrijfseenheid behoort tot groep A of B eveneens beschikken over een preventieadviseur die voldoet aan de voorwaarden bepaald in het tweede lid, 1° en 2°.

  Art. II.1-15. De preventieadviseur belast met de leiding van de dienst hangt rechtstreeks af van de persoon belast met het dagelijks beheer van de onderneming of instelling en heeft rechtstreeks toegang tot de persoon of personen belast met het dagelijks beheer van de technische bedrijfseenheid of bedrijfseenheden.
  De preventieadviseur belast met de leiding van een afdeling hangt rechtstreeks af van de persoon belast met het dagelijks beheer van de technische bedrijfseenheid waarvoor de afdeling werd opgericht en heeft rechtstreeks toegang tot de persoon belast met het dagelijks beheer van de onderneming of instelling.
  De preventieadviseur belast met de leiding van het departement belast met het medisch toezicht bedoeld in artikel II.1-12, § 2 heeft eveneens rechtstreeks toegang tot de personen belast met het dagelijks beheer, bedoeld in het eerste lid.

  Art. II.1-16. § 1. De werkgever bepaalt, na voorafgaand advies van het Comité :
  1° de wijze van samenstelling van de interne dienst;
  2° de technische en wetenschappelijke middelen, de lokalen en de financiële middelen, evenals het administratief personeel dat ter beschikking wordt gesteld van de interne dienst.
  De werkgever geeft gevolg aan dit advies overeenkomstig artikel II.7-19.
  § 2. De werkgever bepaalt, na voorafgaand akkoord van het Comité, de minimumduur van de prestaties van de preventieadviseurs zodat de aan de interne dienst toegewezen opdrachten te allen tijde volledig en doeltreffend worden vervuld.
  Op verzoek van elke belanghebbende partij kan de minimumduur van de prestaties worden gewijzigd, volgens dezelfde procedure.
  Onder duur van de prestaties moet worden verstaan de tijd die minimaal moet worden besteed om de opdrachten en activiteiten toegekend aan de preventieadviseurs te kunnen vervullen.

  Art. II.1-17. Opdat de preventieadviseurs hun opdrachten en activiteiten doeltreffend zouden kunnen vervullen :
  1° stelt de werkgever hen in kennis van de fabricageprocédés, de werktechnieken, de werk- en productiemethodes evenals de stoffen en producten die in de onderneming worden gebruikt of die men zich voorneemt in de onderneming te gebruiken;
  2° licht de werkgever hen in en raadpleegt hij hen over de wijzigingen die worden aangebracht aan de fabricageprocédés, de werktechnieken of de installaties indien zij bestaande risico's kunnen verergeren of er nieuwe kunnen doen ontstaan, evenals wanneer nieuwe producten worden gebruikt of gefabriceerd en over de wijzigingen die worden aangebracht aan de andere elementen van de arbeidsorganisatie, de arbeidsinhoud, de arbeidsvoorwaarden, de arbeidsomstandigheden en de interpersoonlijke relaties op het werk die aanleiding kunnen geven tot psychosociale risico's op het werk;
  3° geven de werkgever, de leden van de hiërarchische lijn en de werknemers hen alle informatie die zij vragen om hen in de mogelijkheid te stellen de opdrachten van de interne dienst te vervullen;
  4° brengt de werkgever de preventieadviseur belast met de leiding van de dienst of van de afdeling op de hoogte van alle activiteiten die op de arbeidsplaats worden uitgevoerd door de tussenkomst van ondernemingen van buitenaf, zelfstandigen of uitzendkrachten;
  5° deelt de werkgever aan de preventieadviseur belast met de leiding van de dienst de lijst van de werknemers mee, aangevuld met de gegevens die nodig zijn voor de uitoefening van zijn opdrachten.

  HOOFDSTUK IV. - Statuut van de preventieadviseurs van een interne dienst

  Art. II.1-18. De preventieadviseurs zijn verbonden met de werkgever door middel van een arbeidsovereenkomst of door middel van een statuut waarbij hun rechtspositie eenzijdig is geregeld door de overheid.
  Zij worden tewerkgesteld in de onderneming of instelling waarvoor de interne dienst is opgericht.
  De preventieadviseurs van een afdeling zijn werkzaam in de technische bedrijfseenheid waarvoor de afdeling is opgericht.

  Art. II.1-19.§ 1. De werkgever duidt de preventieadviseurs of hun tijdelijke plaatsvervangers aan, vervangt hen of verwijdert hen uit hun functie, na voorafgaand akkoord van het Comité.
  Wanneer het de preventieadviseur betreft die belast is met de leiding van een interne dienst die uit verschillende afdelingen bestaat en de preventieadviseurs die hem bijstaan, is het voorafgaand akkoord van alle Comités vereist.
  Wanneer het een preventieadviseur betreft die werkzaam is in een interne dienst die niet uit afdelingen bestaat, is het voorafgaand akkoord van het Comité vereist.
  Wanneer het de preventieadviseur betreft die werkzaam is in een afdeling, is het voorafgaand akkoord vereist van het Comité dat bevoegd is voor de technische bedrijfseenheid waarvoor de afdeling werd opgericht.
  § 2. In geval geen akkoord bereikt wordt binnen één of meerdere Comités, vraagt de werkgever het advies van de met het toezicht belaste ambtenaar.
  Deze ambtenaar hoort de betrokken partijen en poogt de standpunten met elkaar te verzoenen.
  Indien geen verzoening wordt bereikt, verstrekt de met het toezicht belaste ambtenaar een advies waarvan per aangetekend schrijven kennis wordt gegeven aan de werkgever.
  De werkgever stelt het Comité in kennis van het advies van de met het toezicht belaste ambtenaar binnen een termijn van dertig dagen na de kennisgeving, vooraleer hij de beslissing neemt.
  De kennisgeving wordt geacht ontvangen te zijn de derde werkdag na de afgifte van de brief aan de post.
  § 3. De bepalingen van § 1 en § 2 zijn, wat de aanduiding betreft, niet van toepassing op de diensthoofden voor veiligheid, gezondheid en verfraaiing van de werkplaatsen en hun adjuncten die volgens de bepalingen van artikel 833.2.1. ARAB aangeduid waren vóór 10 april 1998, evenmin als op de [1 arbeidsartsen]1 die volgens de bepalingen van artikel 112 ARAB aangeduid waren vóór 10 april 1998, en die de functie van preventieadviseur blijven uitoefenen en voor zover zij die functie in dezelfde onderneming, instelling of technische bedrijfseenheid blijven uitoefenen.
  ----------
  (1)<KB 2019-05-14/07, art. 1, 008; Inwerkingtreding : 21-06-2019>

  Art. II.1-20. De preventieadviseurs bezitten voldoende kennis van de wetgeving inzake het welzijn van de werknemers bij de uitvoering van hun werk van toepassing in de onderneming of instelling waarin zij hun opdracht vervullen, en hebben de nodige technische en wetenschappelijke kennis om de activiteiten bedoeld in hoofdstuk II van deze titel te kunnen vervullen.
  Deze kennis heeft inzonderheid betrekking op :
  1° de technieken in verband met de risicoanalyse;
  2° de coördinatie van preventieactiviteiten :
  - in de interne dienst;
  - tussen de interne en externe dienst;
  - met de werkgevers en werknemers van ondernemingen van buitenaf die in de eigen onderneming werkzaamheden uitvoeren;
  3° de maatregelen in verband met de hygiëne op de arbeidsplaatsen;
  4° de organisatie van de eerste hulp bij werknemers die slachtoffer worden van een ongeval of die onwel worden en de maatregelen te nemen in geval van een ernstig en onmiddellijk gevaar;
  5° de opdrachten van de preventieadviseurs bedoeld in titel 7 van dit boek;
  6° de wijze van verslaggeving.

  Art. II.1-21. § 1. Bij de werkgevers van groep A en B dient een preventieadviseur met vrucht de aanvullende vorming bepaald in titel 4 van dit boek te hebben gevolgd.
  Bij de werkgevers die behoren tot groep A moeten de preventieadviseurs die de opdrachten bedoeld in artikel II.1-4 vervullen het bewijs leveren dat zij met vrucht een erkende cursus van ten minste niveau II hebben beëindigd, en moet de preventieadviseur die de opdrachten bedoeld in artikel II.1-4 vervult en belast is met de leiding van de dienst het bewijs leveren dat hij met vrucht een erkende cursus van niveau I heeft beëindigd en ten minste twee jaar ervaring heeft als preventieadviseur in een interne dienst.
  Bij de technische bedrijfseenheden die behoren tot groep A, moeten de preventieadviseurs die de opdrachten bedoeld in artikel II.1-4 vervullen het bewijs leveren dat zij met vrucht een erkende cursus van ten minste niveau II hebben beëindigd, en moet de preventieadviseur die de opdrachten bedoeld in artikel II.1-4 vervult en die belast is met de leiding van de afdeling het bewijs leveren dat hij met vrucht een erkende cursus van niveau I heeft beëindigd en ten minste twee jaar ervaring heeft als preventieadviseur in een interne dienst.
  Bij de werkgevers die behoren tot groep B, moet de preventieadviseur die de opdrachten bedoeld in artikel II.1-4 vervult en die belast is met de leiding van de dienst het bewijs leveren dat hij met vrucht een erkende cursus van ten minste niveau II heeft beëindigd.
  Bij de technische bedrijfseenheden die behoren tot groep B moet de preventieadviseur die de opdrachten bedoeld in artikel II.1-4 vervult en die belast is met de leiding van de afdeling het bewijs leveren dat hij met vrucht een erkende cursus van ten minste niveau II heeft beëindigd.
  Personen die in het bezit zijn van een diploma, getuigschrift of andere titel waaruit blijkt dat zij de vereiste kwalificatie bezitten om in een lidstaat van de Europese Unie de functie van preventieadviseur te mogen uitoefenen, kunnen, naargelang van het niveau van deze kwalificatie, bij werkgevers van groep A of B, de functie van preventieadviseur uitoefenen, op voorwaarde dat zij kunnen aantonen dat zij bij een inrichter met vrucht de vakken van de multidisciplinaire basismodule en van de specialisatiemodule gevolgd hebben, die betrekking hebben op de juridische en sociale aspecten van deze functie in België.
  § 2. In afwijking van § 1, volstaat het dat de preventieadviseur die de opdrachten bedoeld in artikel II.1-5 vervult, het bewijs levert dat hij beantwoordt aan de vereisten gesteld in artikel II.3-30, § 1, eerste lid, 2°, zelfs wanneer hij belast wordt met de leiding van de interne dienst of van een afdeling.

  Art. II.1-22. De preventieadviseurs hebben het recht en de plicht zich te vervolmaken.
  Daarom geeft de werkgever hen de toelating alle nuttige contacten te onderhouden met universitaire centra en andere gespecialiseerde instanties die in staat zijn hen de gewenste middelen tot vervolmaking, het gewenste onderwijs en de gewenste medewerking te bezorgen.

  Art. II.1-23. De aan vormingsactiviteiten bestede tijd wordt als normale werktijd beschouwd en de daarbij horende kosten worden vergoed.

  Art. II.1-24. In toepassing van artikel 43 van de wet vervullen de preventieadviseurs hun opdrachten in volledige onafhankelijkheid ten overstaan van de werkgever en de werknemers.
  De meningsverschillen betreffende de werkelijkheid van deze onafhankelijkheid worden op verzoek van de preventieadviseur, de werkgever of de werknemers voorgelegd aan het advies van de met het toezicht belaste ambtenaar.

  Art. II.1-25. De preventieadviseurs hebben het recht en de plicht alle contacten die nodig zijn voor de uitvoering van hun opdrachten te onderhouden met de externe dienst, de EDTC en alle andere diensten of instellingen die gespecialiseerd zijn of bijzonder bevoegd zijn op het gebied van arbeidsveiligheid, gezondheid, arbeidshygiëne, ergonomie, leefmilieu en psychosociale aspecten van de arbeid of op het gebied van de mindervaliden, onder dezelfde voorwaarden als deze bepaald in artikel II.1-3, vierde lid.

  TITEL 2. - DE GEMEENSCHAPPELIJKE INTERNE DIENST VOOR PREVENTIE EN BESCHERMING OP HET WERK

  HOOFDSTUK I. - Definities

  Art. II.2-1. Voor de toepassing van de bepalingen van deze titel wordt verstaan onder de aanvrager : de onderneming, instelling of organisatie die, namens een werkgever of een groep werkgevers, gemandateerd wordt om een aanvraag te doen tot oprichting van een gemeenschappelijke interne dienst.

  HOOFDSTUK II. - Voorwaarden voor de oprichting van een gemeenschappelijke interne dienst

  Art. II.2-2. Een werkgever of groep van werkgevers, kan toegelaten worden een gemeenschappelijke interne dienst op te richten in toepassing van artikel 38, § 1, van de wet, voor zover de volgende voorwaarden zijn vervuld :
  1° er bestaat een juridische, economische, geografische of technische band tussen de betrokken werkgevers;
  2° de gemeenschappelijke interne dienst biedt ten opzichte van de afzonderlijke interne diensten van de betrokken werkgevers één of meerdere voordelen. Deze voordelen betreffen inzonderheid :
  - er is een groter aantal preventieadviseurs aanwezig;
  - er is een groter aantal disciplines vertegenwoordigd;
  - er is een hoger niveau van aanvullende vorming aanwezig;
  - er is meer tijd beschikbaar om te besteden aan preventietaken;
  - er worden meer middelen, zoals bedoeld in artikel II.1-16, § 1, eerste lid, 2°, ter beschikking gesteld;
  3° een planning van de organisatie van de gemeenschappelijke interne dienst is uitgewerkt, met dien verstande dat voor het vastleggen van het aantal preventieadviseurs, hun niveau van aanvullende vorming evenals hun prestatieduur de bepalingen bedoeld in titel 1 van dit boek worden toegepast op het geheel van de betrokken werkgevers die de gemeenschappelijke interne dienst wensen op te richten;
  4° er bestaat een voorafgaand akkoord tussen de betrokken werkgevers ingeval ze :
  - de opname wensen in de gemeenschappelijke interne dienst van een bestaand departement belast met het medisch toezicht;
  - een beroep wensen te doen op de deskundigheden ergonomie, arbeidshygiëne of psychosociale aspecten van de arbeid, voor zover werknemers van één of meerdere betrokken werkgevers over de deskundigheid beschikken bedoeld in artikel II.3-30, § 1, eerste lid, 3°, 4° of 5° ;
  5° de voorafgaande adviezen van de betrokken Comités zijn gevraagd met betrekking tot de oprichting van een gemeenschappelijke interne dienst en de prestatieduur van de preventieadviseurs.

  HOOFDSTUK III. - Procedure voor de aanvraag tot oprichting van een gemeenschappelijke interne dienst

  Art. II.2-3. De aanvrager vult het formulier bedoeld in bijlage II.2-1 in.
  Hij maakt dit formulier, evenals de erbij horende stukken, over aan de algemene directie HUA.

  Art. II.2-4. De algemene directie HUA gaat na of de aanvraag volledig is en zendt deze vervolgens voor onderzoek en advies naar de algemene directie TWW.
  De algemene directie TWW houdt bij het geven van haar advies in het bijzonder rekening met :
  1° het aantal voorziene preventieadviseurs, hun niveau van aanvullende vorming evenals de tijd die voorgesteld wordt om te besteden aan preventietaken;
  2° het niveau van aanvullende vorming van de preventieadviseur belast met de leiding van de gemeenschappelijke interne dienst en de tijd die voorgesteld wordt om te besteden aan preventietaken;
  3° in voorkomend geval, het aantal contactpersonen tussen de gemeenschappelijke interne dienst en de betrokken werkgevers.

  Art. II.2-5. In geval van gunstig advies van de algemene directie TWW maakt de algemene directie HUA een ontwerp van ministerieel besluit houdende toelating tot het oprichten van een gemeenschappelijke interne dienst over aan de Minister.
   In geval van ongunstig advies van de algemene directie TWW brengt de algemene directie HUA de Minister hiervan op de hoogte.

  Art. II.2-6. De Minister beslist de toelating tot oprichting van een gemeenschappelijke interne dienst al dan niet te geven.
  Hij verleent de toelating bij wege van ministerieel besluit.
  Dit besluit bevat tenminste de bepalingen bedoeld in artikel II.2-4, tweede lid.
  Dit besluit kan, in voorkomend geval, bijkomende voorwaarden opleggen betreffende :
  1° de financiële aspecten van de werking van de gemeenschappelijke interne dienst;
  2° de oprichting van een beheerscomité, bestaande uit personen aangeduid door de aangesloten werkgevers en vertegenwoordigers aangeduid door de representatieve werknemersorganisaties, belast met het toezicht op het beleid van de gemeenschappelijke interne dienst.
  De Minister kan eveneens nadere bepalingen vastleggen betreffende :
  1° de wijze waarop werkgevers kunnen toetreden tot de gemeenschappelijke interne dienst;
  2° de wijze waarop werkgevers zich kunnen terugtrekken uit de gemeenschappelijke interne dienst.
  In geval van weigering tot oprichting van een gemeenschappelijke interne dienst, motiveert de Minister zijn beslissing en wordt deze bij aangetekend schrijven ter kennis gebracht van de aanvrager.

  HOOFDSTUK IV. - Wijziging van de samenstelling van een gemeenschappelijke interne dienst

  Art. II.2-7. Voor elke wijziging inzake de samenstelling van de gemeenschappelijke interne dienst wat betreft de aangesloten werkgevers, wordt de procedure vermeld in hoofdstuk III van deze titel gevolgd.

  HOOFDSTUK V. - Verplichtingen ingeval van aanvullend beroep op een externe dienst

  Art. II.2-8. Onverminderd de bepalingen van artikel II.3-2, derde, vierde en vijfde lid, doen de bij een gemeenschappelijke interne dienst aangesloten werkgevers, wanneer het aanvullend beroep op een externe dienst vereist is, een beroep op dezelfde externe dienst.
  In afwijking van het eerste lid, mogen de werkgevers, bedoeld in artikel 36, § 1 en § 2, van de wet, een beroep doen op verschillende externe diensten voor elk gebied van een hoog overlegcomité, van een basisoverlegcomité of van een orgaan dat minstens vijftig werknemers telt.
  De verplichting, bedoeld in het eerste lid, geldt niet voor de duur van de opzeggingstermijn bedoeld in artikel II.3-13 ten aanzien van werkgevers die, om te voldoen aan de in het eerste lid bedoelde verplichting, de overeenkomst met hun externe dienst hebben opgezegd.

  HOOFDSTUK VI. - Bijzondere bepalingen betreffende de werking van de gemeenschappelijke interne dienst

  Art. II.2-9. De preventieadviseurs van de gemeenschappelijke interne dienst behoren tot het personeel van één van de betrokken werkgevers.
  Ze hebben toegang tot de bedrijven van alle betrokken werkgevers om hun opdrachten uit te oefenen.

  Art. II.2-10. De eventuele maandverslagen en het jaarverslag van de interne dienst, zoals bedoeld in artikel II.1-6, § 1, 2°, a) en b), bevatten bijlagen met afzonderlijke gegevens betreffende elk van de betrokken werkgevers.

  HOOFDSTUK VII. - Overgangsbepaling

  Art. II.2-11. De machtigingsbesluiten tot oprichting van een gemeenschappelijke interne dienst die in toepassing van artikel 38, § 2, van de wet, werden genomen vóór 26 november 2009, blijven rechtsgeldig mits naleving van de erin vermelde voorwaarden.

  TITEL 3. - DE EXTERNE DIENST VOOR PREVENTIE EN BESCHERMING OP HET WERK

  HOOFDSTUK I. - Algemene bepalingen betreffende de externe dienst

  Art. II.3-1. Voor de toepassing van de bepalingen van deze titel wordt verstaan onder de preventieadviseur : de preventieadviseur van de externe dienst die gespecialiseerd is in één van de disciplines bedoeld in artikel II.3-29 en voldoet aan de voorwaarden van artikel II.3-30.

  Art. II.3-2. Telkens de werkgever een beroep doet of beroep moet doen op een externe dienst om de opdrachten uit te voeren bedoeld in hoofdstuk II van titel 1 van dit boek doet hij beroep op één enkele externe dienst.
  De externe dienst voert de in het eerste lid bedoelde opdrachten uit, werkt samen met de interne dienst en staat ter beschikking van de werkgever, van de leden van de hiërarchische lijn en van de werknemers, inzonderheid door hen alle nuttige informatie en adviezen te verstrekken.
  In afwijking van het eerste lid moet de werkgever een beroep doen op een tweede externe dienst wanneer een technische bedrijfseenheid gelegen is op het grondgebied van een Gemeenschap waarvoor de eerste dienst niet over de erkenning beschikt, bedoeld in artikel 40, § 3, vierde lid van de wet.
  In afwijking van het eerste lid en onverminderd de mogelijkheid waarin artikel II.1-3, vierde lid voor de werkgever voorziet, mag deze een beroep doen op een tweede externe dienst wanneer de technische bedrijfseenheid op voortdurende wijze beroep moet doen op bijzondere bekwaamheden en op technische middelen die nodig zijn voor de uitvoering van voornoemde opdrachten en die niet aanwezig zijn in de eerste externe dienst.
  In afwijking van het eerste lid, kan de werkgever een beroep doen op een andere externe dienst voor elke technische bedrijfseenheid die opgericht is. In elke technische bedrijfseenheid voert een enkele externe dienst het geheel van de in het eerste lid bedoelde opdrachten uit.

  Art. II.3-3. De werkgever die op eigen initiatief of op vraag van het Comité, beslist om ofwel een beroep te doen op meer dan één externe dienst, ofwel om de opdrachten van de interne dienst toe te vertrouwen aan de externe dienst, ofwel om de interne dienst de opdrachten te laten uitvoeren die hij had toevertrouwd aan een externe dienst, ofwel om te veranderen van externe dienst, vraagt het voorafgaand advies van de bevoegde Comités.
  Indien geen overeenstemming wordt bereikt, vraagt de werkgever het advies van de met het toezicht belaste ambtenaar.
  Deze ambtenaar hoort de betrokken partijen en poogt de standpunten te verzoenen.
  Indien geen verzoening wordt bereikt, verstrekt de met het toezicht belaste ambtenaar een advies waarvan per aangetekend schrijven kennis wordt gegeven aan de werkgever.
  De werkgever stelt het Comité in kennis van het advies van de met het toezicht belaste ambtenaar binnen een termijn van dertig dagen na de kennisgeving, vooraleer hij de beslissing neemt.
  De kennisgeving wordt geacht ontvangen te zijn de derde werkdag na de afgifte van de brief aan de post.

  HOOFDSTUK II. - Oprichting van de externe dienst en algemene principes betreffende het beheer

  Art. II.3-4. Een externe dienst kan worden opgericht door :
  1° werkgevers;
  2° de Staat, de Gemeenschappen, de Gewesten, de openbare instellingen, de provincies en de gemeenten.
  Hij wordt opgericht, ofwel voor het volledige Belgische grondgebied, ofwel voor een gebied waarvoor één of meerdere Gemeenschappen bevoegd zijn, ofwel voor een te bepalen gebied, ofwel voor een bepaalde activiteitensector of voor verschillende activiteitensectoren binnen een bepaald gebied.
  De territoriale of sectorale bevoegdheid van de externe dienst wordt uitsluitend bepaald door de erkenning bedoeld in artikel 40, § 3, eerste lid van de wet, met inbegrip van de afdeling belast met het medisch toezicht.

  Art. II.3-5. De externe dienst wordt opgericht volgens Belgisch recht onder de vorm van een vereniging zonder winstoogmerk.
  In afwijking van het eerste lid, kan de Minister, na advies van de Vaste Operationele Commissie, de instellingen van de Staat, de Gemeenschappen, de Gewesten, de openbare instellingen, de provincies en de gemeenten die niet zijn opgericht onder de vorm van een vereniging zonder winstoogmerk eveneens erkennen.

  Art. II.3-6. De rechtspersoon heeft uitsluitend als maatschappelijk doel :
  1° het beheer van de externe dienst;
  2° het vervullen van de opdrachten van een externe dienst en andere preventieactiviteiten die er onmiddellijk verband mee houden, zoals bepaald door de wet en de codex.
  De externe dienst is er altijd toe gehouden een overeenkomst met een werkgever te sluiten, voor zover deze werkgever er zich toe verbindt de bepalingen van de wet en de codex en deze van de overeenkomst na te leven.
  De afdelingen waaruit de externe dienst bestaat mogen geen eigen rechtspersoonlijkheid hebben.

  Art. II.3-7. § 1. De externe dienst mag geen enkel rechtstreeks of onrechtstreeks belang hebben in de ondernemingen of instellingen waarin hij zijn opdrachten moet vervullen.
  § 2. De externe dienst voldoet aan de volgende voorwaarden :
  1° de externe dienst oefent zijn opdrachten uit volgens de principes van integrale kwaliteitszorg;
  2° bij de aanvang van zijn activiteiten dient hij te beschikken over een beleidsverklaring inzake integrale kwaliteitszorg.
  § 3. De externe dienst past een kwaliteitssysteem toe dat gecertificeerd is volgens de norm NBN EN ISO 9001 en levert hiervan het bewijs.
  De externe dienst die voor de eerste maal erkend wordt, moet het in het eerste lid bedoelde bewijs uiterlijk binnen een termijn van twee jaar van activiteiten kunnen voorleggen.
  Het in het eerste lid bedoelde bewijs wordt geleverd door een certificaat voor het uitvoeren van de opdrachten bedoeld in hoofdstuk II van titel 1 van dit boek uitgereikt door een certificatie-instelling die specifiek voor het uitvoeren van de certificatie van deze kwaliteitssystemen geaccrediteerd is door het Belgisch Accreditatiesysteem, overeenkomstig de wet van 20 juli 1990 betreffende de accreditatie van certificatie- en keuringsinstellingen alsmede van beproevingslaboratoria, of door een gelijkwaardige accreditatieinstelling opgericht binnen de Europese Economische Ruimte.
  De externe dienst mag geen gebruik maken van de mogelijkheid voorzien door de norm NBN EN ISO 9001 om bepaalde van zijn eisen niet toe te passen.

  Art. II.3-8. De externe dienst beschikt over de nodige materiële, technische, wetenschappelijke en financiële middelen om te allen tijde zijn opdrachten volledig en doeltreffend te kunnen vervullen.
  Deze middelen worden door de raad van bestuur vastgesteld, rekening houdend met de te verrichten opdrachten, de aard van de risico's en de grootte van de ondernemingen of instellingen die op de externe dienst een beroep doen en de principes van integrale kwaliteitszorg of het kwaliteitssysteem bedoeld in artikel II.3-7.

  Art. II.3-9. De externe dienst voert een boekhouding overeenkomstig de bepalingen van boek III, titel 3, hoofdstuk 2 van het Wetboek van Economisch Recht en zijn uitvoeringsbesluiten, en inzonderheid rekening houdend met de bepalingen van het koninklijk besluit van 23 januari 1992 op de boekhouding, de jaarrekening en de begroting van de interbedrijfsgeneeskundige diensten, met inbegrip van de opdrachten van de bedrijfsrevisor.

  Art. II.3-10. Elke externe dienst stelt een tariefregeling vast voor de opdrachten die zij zal vervullen.
  Deze tariefregeling wordt meegedeeld aan de Minister.
  Deze tariefregeling houdt rekening met de verplichte forfaitaire minimumbijdragen uit hoofde van de prestaties van de preventieadviseurs vastgesteld in hoofdstuk III van deze titel.

  Art. II.3-11. Geen enkele vorm van korting, ristorno, terugbetaling of andere commerciële praktijk die tot doel of als gevolg heeft het bedrag van de verplichte forfaitaire minimumbijdragen bedoeld in hoofdstuk III van deze titel te verlagen, mag door de externe dienst worden toegepast of voorgesteld aan de werkgever en deze laatste mag dit noch vragen noch aanvaarden, zelfs niet wanneer de overeenkomst werd gesloten ingevolge een overheidsopdracht.

  Art. II.3-12. De werkingsopbrengsten van de externe dienst worden aangewend om de dienst in staat te stellen de opdrachten te vervullen die hem zijn toevertrouwd in toepassing van de wet en de codex.
  Wat overblijft, moet uitsluitend worden besteed aan :
  1° het verrichten van wetenschappelijk onderzoek met betrekking tot het welzijn van de werknemers bij de uitvoering van hun werk;
  2° het uitwerken van specifieke actieprogramma's met betrekking tot het welzijn van de werknemers bij de uitvoering van hun werk in de ondernemingen of instellingen of voor een bepaalde sector.

  Art. II.3-13. De externe dienst sluit met de werkgever die op zijn diensten een beroep doet een schriftelijke overeenkomst die aan het voorafgaand advies van het Comité werd voorgelegd, en waarin inzonderheid de volgende bedingen zijn opgenomen :
  1° de opdracht of de opdrachten die aan de externe dienst worden toevertrouwd;
  2° de aard, de omvang en de minimumduur van de prestaties die aan de werkgever zullen worden geleverd om elk van de overeengekomen opdrachten te vervullen;
  3° de middelen die de werkgever ter beschikking stelt van de externe dienst onder de vorm van lokalen en uitrusting in zijn onderneming of instelling;
  4° de wijze waarop samengewerkt wordt met de interne dienst;
  5° de betrekkingen met het Comité;
  6° de wijze waarop de overeenkomst wordt beëindigd, inzonderheid de weerslag ervan op de aanpassing van de forfaitaire bijdragen bedoeld in artikel II.3-15.
  De overeenkomst wordt gesloten voor onbepaalde tijd. Zij wordt beëindigd :
  1° ambtshalve, wanneer de externe dienst niet meer erkend is;
  2° door opzegging door één van de partijen, met naleving van een opzeggingstermijn van ten minste zes maanden die aanvangt op de eerste dag van de maand die volgt op deze waarin de opzegging werd gegeven en die eindigt op 31 december van, al naargelang het geval, het lopende of het volgende kalenderjaar.
  De overeenkomst wordt ter beschikking gehouden van de met het toezicht belaste ambtenaar.
  De externe dienst is ertoe gehouden de opdrachten die het voorwerp zijn van de overeenkomst zelf uit te voeren.

  HOOFDSTUK III. - Verplichte forfaitaire minimumbijdragen uit hoofde van de prestaties van de externe diensten

  Art. II.3-14. Dit hoofdstuk is van toepassing op de werkgevers en de daarmee gelijkgestelde personen, bedoeld in artikel 2 van de wet, alsook op de externe diensten waarop zij een beroep doen bij toepassing van de artikelen II.1-7 tot II.1-10.

  Art. II.3-15. § 1. De werkgever is jaarlijks aan de externe dienst een forfaitaire minimumbijdrage per werknemer verschuldigd waarvan het bedrag wordt bepaald door de tariefgroep waartoe de werkgever behoort op grond van zijn hoofdactiviteit, zoals bepaald in bijlage II.3-1.
  § 2. De forfaitaire minimumbijdrage bedoeld in § 1 bedraagt :
  1° 41,50 euro in tariefgroep 1;
  2° 60,50 euro in tariefgroep 2;
  3° 75,50 euro in tariefgroep 3;
  4° 95,50 euro in tariefgroep 4;
  5° 112,00 euro in tariefgroep 5.
  In afwijking van het eerste lid, bedraagt de forfaitaire minimumbijdrage voor werkgevers die maximum vijf werknemers tewerkstellen op 30 november van het jaar voorafgaand aan het jaar waarin de bijdrage is verschuldigd :
  1° 35,50 euro in tariefgroep 1;
  2° 51,50 euro in tariefgroep 2;
  3° 64,00 euro in tariefgroep 3;
  4° 81,00 euro in tariefgroep 4;
  5° 95,00 euro in tariefgroep 5.
  § 3. De werkgever is de forfaitaire minimumbijdrage verschuldigd voor een werknemer die gedurende een volledig kalenderjaar bij hem is geregistreerd via Dimona, of, bij ontstentenis hiervan, is ingeschreven in een document of register dat op een vergelijkbare wijze het personeelsbestand weergeeft.
  Voor een werknemer die geen volledig kalenderjaar is geregistreerd bij de werkgever, is deze werkgever een twaalfde van de forfaitaire minimumbijdrage verschuldigd per kalendermaand waarin de werknemer ten minste één dag bij hem is geregistreerd. Indien er voor deze werknemer een individuele prestatie wordt geleverd, is de forfaitaire minimumbijdrage in haar geheel verschuldigd.

  Art. II.3-16.§ 1. De werkgever van groep C of D, die in zijn interne dienst niet beschikt over een preventieadviseur die met vrucht een aanvullende vorming niveau I of II heeft beëindigd zoals bepaald in artikel II.1-21, heeft in ruil voor de forfaitaire minimumbijdrage recht op de volgende algemene prestaties :
  1° het actief meewerken aan het opstarten, uitvoeren en updaten van de risicoanalyse;
  2° het voorstellen van de preventiemaatregelen die moeten worden genomen op basis van de risicoanalyse op het niveau van de organisatie in haar geheel, op het niveau van elke groep van werkposten of functies en op het niveau van het individu, zoals voorzien in de artikelen I.2-6 en I.2-7;
  3° [1 ...]1 het uitvoeren van de volgende preventieve handelingen in het kader van het gezondheidstoezicht die voorbehouden zijn aan de afdeling belast met het medisch toezicht :
  a) [1 de voorafgaande gezondheidsbeoordeling, de periodieke gezondheidsbeoordeling en de aanvullende medische handelingen]1
  b) de spontane raadplegingen;
  c) de onderzoeken bij werkhervatting;
  d) de bezoeken voorafgaand aan de werkhervatting;
  e) het voortgezet gezondheidstoezicht;
  f) de onderzoeken in het kader van de moederschapsbescherming, zoals bedoeld in artikel X.5-9;
  4° het organiseren van een inzagerecht in het gezondheidsdossier, zoals bedoeld in artikel I.4-95, binnen een termijn van vijf werkdagen te rekenen vanaf de ontvangst door de externe dienst van het verzoek tot inzage;
  5° het meewerken aan de analyse, in voorkomend geval aangevuld met een bevraging of een ander instrument, en het voorstellen van preventiemaatregelen inzake beeldschermwerk, zoals bedoeld in artikel VIII.2-3;
  6° het meewerken aan de opleiding in verband met voedselhygiëne en aan de analyse van de risico's inzake contact met voedingswaren, zoals bedoeld in hoofdstuk VII van titel 1 van boek VII;
  7° het bijwonen van de vergaderingen van het Comité overeenkomstig artikel II.7-25, eerste lid, 3° ;
  8° met een maximum van vijf prestatie-uren van een preventieadviseur, het verlenen van bijstand naar aanleiding van een ernstig arbeidsongeval zoals bedoeld in artikel 94bis van de wet, van zodra de externe dienst hiervan kennis heeft, meer bepaald :
  a) het voorstellen van bewarende maatregelen, zoals bedoeld in artikel 94septies, § 2 van de wet;
  b) het uitvoeren van de onderzoeken van ernstige arbeidsongevallen;
  9° het uitvoeren van de opdrachten van de preventieadviseur psychosociale aspecten die voortvloeien uit de behandeling van het individuele verzoek tot informele of formele psychosociale interventie van de werknemer in toepassing van hoofdstuk Vbis van de wet, met uitzondering van de prestaties in het kader van de formele psychosociale interventie die volgen op de mededeling van de identiteit van de verzoeker aan de werkgever;
  10° het verrichten van een onderzoek van de arbeidsplaatsen en van de werkposten, nodig voor het uitvoeren van de in dit artikel vermelde prestaties;
  11° het onder de verantwoordelijkheid van de preventieadviseur afleveren, binnen vijf jaar na de datum van aansluiting, van een gemotiveerd beleidsadvies over het preventiebeleid van de werkgever, waarvan de inhoud en de modaliteiten worden bepaald in bijlage II.3-2, en dat op geregelde tijdstippen, en minstens driejaarlijks, wordt geactualiseerd;
  12° het online beschikbaar houden van een inventaris van de bij de werkgever uitgevoerde prestaties, zoals bedoeld in de artikelen II.3-37 en II.3-38.
  De externe dienst wordt geacht de prestaties bedoeld in het eerste lid, 1° en 2° te hebben geleverd indien ze een gestandaardiseerde werkwijze hanteert die :
  a) voor één of meerdere sectoren of voor bepaalde functies werd ontwikkeld, en door de sociale partners van de betrokken sector werd goedgekeurd, en vervolgens aan de algemene directie HUA werd gemeld;
  b) resulteert in een instrument dat toelaat ten minste de resultaten van de risicoanalyse, de te nemen preventiemaatregelen, de vereiste kwalificaties en opleiding en de verplichtingen inzake gezondheidstoezicht vast te stellen op het niveau van de organisatie in haar geheel en op het niveau van elke groep van werkposten of functies;
  c) bijdraagt tot het opstellen van het beleidsadvies;
  d) minstens driejaarlijks wordt geactualiseerd of aangevuld, evenals bij belangrijke wijzigingen aan functies of werkposten waarvan de werkgever de externe dienst op de hoogte brengt;
  e) indien nodig wordt aangevuld met een benadering tot op het niveau van het individu.
  § 2. Voor de werkgever van groep A, B of C die in zijn interne dienst beschikt over een preventieadviseur die met vrucht een aanvullende vorming niveau I of II heeft beëindigd zoals bepaald in artikel II.1-21, wordt de forfaitaire minimumbijdrage omgezet in preventie-eenheden zoals bepaald in artikel II.3-17, die bij voorrang worden besteed aan de volgende prestaties :
  a) de preventieve handelingen in het kader van het gezondheidstoezicht, evenals het organiseren van het inzagerecht in het gezondheidsdossier, zoals bedoeld in § 1, 3° en 4° ;
  b) het uitvoeren van de opdrachten van de preventieadviseur psychosociale aspecten, tenzij de werkgever binnen zijn interne dienst beschikt over een preventieadviseur psychosociale aspecten;
  Indien er preventie-eenheden overblijven na het uitvoeren van de prestaties bedoeld in het eerste lid, kunnen deze preventie-eenheden door de werkgever, in overleg met de externe dienst, worden opgenomen onder de vorm van andere prestaties die rechtstreeks verband houden met het preventiebeleid van de onderneming. De overblijvende preventie-eenheden zijn overdraagbaar.
  Indien er onvoldoende preventie-eenheden zijn om de in het eerste lid bedoelde prestaties te kunnen leveren, garandeert de externe dienst niettemin dat deze prestaties worden uitgevoerd; in dat geval worden deze prestaties afzonderlijk aangerekend.
  § 3. De werkgever die binnen de interne dienst beschikt over een departement belast met het medisch toezicht, is aan de externe dienst een bijdrage verschuldigd die overeenstemt met de prestaties die uitdrukkelijk en gedetailleerd worden vermeld in de overeenkomst gesloten met toepassing van artikel II.3-13, eerste lid, 1° en 2°.
  ----------
  (1)<KB 2019-05-14/07, art. 14, 008; Inwerkingtreding : 21-06-2019>

  Art. II.3-17.§ 1. Een preventie-eenheid bedraagt 150 euro.
  Preventie-eenheden kunnen door de werkgever worden opgenomen door middel van prestaties door het personeel van de externe dienst zoals bepaald in § 2, of door omzetting van de kostprijs van de prestaties zoals bedoeld in artikel II.3-18.
  § 2. De werkgever kan de preventie-eenheden opnemen door middel van prestaties vanwege de externe dienst met toepassing van de volgende wegingsfactoren, die rekening houden met de gemiddelde kostprijs per door het personeel van een externe dienst gepresteerd uur, bruto uurloonkost, extralegale voordelen en overheadkosten inbegrepen :
  a) 1 preventie-eenheid per gepresteerd uur door een preventieadviseur deskundig op het gebied van arbeidsveiligheid, zoals bedoeld in artikel II.3-30, § 1, eerste lid, 1° ;
  b) 1,25 preventie-eenheden per gepresteerd uur door een [1 preventieadviseur-arbeidsarts]1, zoals bedoeld in artikel II.3-30, § 1, eerste lid, 2° ;
  c) 1 preventie-eenheid per gepresteerd uur door een preventieadviseur deskundig op het gebied van de ergonomie, zoals bedoeld in artikel II.3-30, § 1, eerste lid, 3° ;
  d) 1 preventie-eenheid per gepresteerd uur door een preventieadviseur deskundig op het gebied van arbeidshygiëne, zoals bedoeld in artikel II.3-30, § 1, eerste lid, 4° ;
  e) 1 preventie-eenheid per gepresteerd uur door een preventieadviseur deskundig op het gebied van psychosociale aspecten van de arbeid, zoals bedoeld in artikel II.3-30, § 1, eerste lid, 5° ;
  f) 0,75 preventie-eenheden per gepresteerd uur door een persoon die de preventieadviseur bijstaat en die met vrucht een erkende aanvullende vorming tot preventieadviseur van ten minste niveau II beëindigd heeft;
  g) 0,75 preventie-eenheden per gepresteerd uur door een verpleegkundige die de [1 preventieadviseur-arbeidsarts]1 bijstaat.
  ----------
  (1)<KB 2019-05-14/07, art. 1, 008; Inwerkingtreding : 21-06-2019>

  Art. II.3-18.Worden beschouwd als aanvulling op de prestaties bedoeld in artikel II.3-16, § 1 en § 2, eerste lid, en kunnen door de externe dienst afzonderlijk aan de werkgever worden aangerekend :
  1° de technische handelingen in het kader van de opdrachten inzake risicobeheer en die deel uitmaken van de analyse- en expertisemethoden, inzonderheid onderzoeken, controles en metingen die een laboratoriumanalyse vergen;
  2° [1 de bijkomende technische handelingen in het kader van de opdrachten inzake gezondheidstoezicht die niet door de externe dienst zelf kunnen worden uitgevoerd]1, inzonderheid de kosten van de analyses, radiologische onderzoeken, gerichte onderzoeken of gerichte functionele tests, die worden aangerekend conform de erelonen die zijn opgenomen in de nomenclatuur van de gezondheidsprestaties, die is opgesteld in uitvoering van artikel 35 van de wet betreffende de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkering, gecoördineerd op 14 juli 1994;
  3° de reële verplaatsingskosten van de preventieadviseurs en van de personen die hen bijstaan.
  ----------
  (1)<KB 2019-05-14/07, art. 24, 008; Inwerkingtreding : 21-06-2019>

  Art. II.3-19. § 1. De volgende prestaties in het kader van de opdrachten inzake risicobeheer worden aangerekend aan 115 euro per gepresteerd uur met toepassing van de wegingsfactoren bedoeld in artikel II.3-17, § 2 :
  1° de prestaties die niet opgenomen zijn in artikel II.3-16, § 1, bij een werkgever van groep C of D die in zijn interne dienst niet beschikt over een preventieadviseur die met vrucht een aanvullende vorming niveau I of II heeft beëindigd;
  2° de prestaties die worden uitgevoerd na uitputting van de preventie-eenheden bedoeld in artikel II.3-17, bij een werkgever van groep A, B of C die in zijn interne dienst beschikt over een preventieadviseur die met vrucht een aanvullende vorming niveau I of II heeft beëindigd.
  § 2. De volgende prestaties in het kader van de opdrachten inzake gezondheidstoezicht worden aangerekend aan 77,53 euro per prestatie of aan 115 euro per gepresteerd uur met toepassing van de wegingsfactoren bedoeld in artikel II.3-17, § 2 :
  1° de preventieve handelingen in het kader van het gezondheidstoezicht die niet zijn opgenomen in artikel II.3-16, § 1, 3°, bij een werkgever van groep C of D die in zijn interne dienst niet beschikt over een preventieadviseur die met vrucht een aanvullende vorming niveau I of II heeft beëindigd;
  2° de preventieve handelingen in het kader van het gezondheidstoezicht die afzonderlijk moeten worden aangerekend na uitputting van de preventie-eenheden bedoeld in artikel II.3-17, bij een werkgever van groep A, B of C die in zijn interne dienst beschikt over een preventieadviseur die met vrucht een aanvullende vorming niveau I of II heeft beëindigd.

  Art. II.3-20. De forfaitaire minimumbijdragen worden gekoppeld aan het indexcijfer van de consumptieprijzen overeenkomstig de beginselen bepaald door de artikelen 2, 4, 5 en 6, 1° van de wet van 1 maart 1977 houdende inrichting van een stelsel waarbij sommige uitgaven in de overheidssector aan het indexcijfer van de consumptieprijzen van het Rijk worden gekoppeld.
  Artikel 4 van dezelfde wet, aangevuld met artikel 18, § 2 van het koninklijk besluit van 24 december 1993 ter uitvoering van de wet van 6 januari 1989 tot vrijwaring van het concurrentievermogen, voorziet dat enkel de gezuiverde gezondheidsindex in aanmerking mag worden genomen voor de sociale prestaties.
  De basisspilindex bedraagt 101,02.
  De bedragen in deze afdeling worden elk jaar op 1 januari aangepast aan de spilindex.

  Art. II.3-21. De werkgever stelt de externe dienst schriftelijk in gebreke indien deze dienst de prestaties bedoeld in artikel II.3-16 niet heeft uitgevoerd. Indien de externe dienst kennelijk in gebreke blijft om zijn prestaties alsnog uit te voeren, is de werkgever de forfaitaire minimumbijdrage bedoeld in artikel II.3-15 niet verschuldigd.
  Een afschrift van de ingebrekestelling wordt voorgelegd aan het adviescomité bedoeld in artikel II.3-22, volgens de modaliteiten bepaald in het kwaliteitshandboek van de externe dienst.

  HOOFDSTUK IV. - De organisatie van de externe dienst

  Art. II.3-22. Binnen de externe dienst wordt een adviescomité opgericht dat paritair is samengesteld uit leden die de werkgevers vertegenwoordigen die de vereniging vormen, en uit leden die de werknemers van de werkgevers waarmee een overeenkomst werd gesloten, vertegenwoordigen.
  De leden die de werknemers vertegenwoordigen worden aangeduid door de werknemersorganisaties die vertegenwoordigd zijn in de Hoge Raad.
  Deze leden worden aangeduid voor een termijn van vier jaar en zijn herbenoembaar.
  Hun aantal mag niet lager zijn dan drie en niet hoger dan vijf.
  De leden die de werkgevers vertegenwoordigen worden aangeduid door de werkgeversorganisaties die vertegenwoordigd zijn in de Hoge Raad, en het aantal van deze leden mag niet hoger zijn dan het aantal van de leden die de werknemers vertegenwoordigen.
  Eén van de leden van het adviescomité neemt het voorzitterschap op.
  Voor elk lid van het adviescomité wordt een plaatsvervanger aangeduid die het werkend lid vervangt wanneer dit verhinderd is.
  In geval van onenigheid omtrent de aanduiding van de leden die de werkgevers vertegenwoordigen of van de leden die de werknemers vertegenwoordigen, beslist de Vaste Operationele Commissie.
  Het adviescomité stelt een huishoudelijk reglement op waarin ten minste de nadere regels zijn opgenomen betreffende het vereiste aanwezigheidsquorum om rechtsgeldig te kunnen vergaderen evenals de wijze waarop wordt vastgesteld dat een akkoord werd bereikt.

  Art. II.3-23. Onverminderd de bepalingen van de artikelen II.3-26, II.3-28 en II.3-32, is het adviescomité, in verband met de organisatie en het beheer van de externe dienst, bevoegd voor de volgende domeinen :
  1° de jaarrekeningen en de begroting van de externe dienst;
  2° de toepassing van de principes van integrale kwaliteitszorg en het kwaliteitssysteem bedoeld in artikel II.3-7, § 3, eerste lid;
  3° de samenstelling van de afdelingen in verhouding tot het aantal preventieadviseurs en hun deskundigheid;
  4° de verdeling van de taken tussen de preventieadviseurs en de personen die hen bijstaan;
  5° de minimale prestaties die moeten worden uitgevoerd bij de werkgevers met wie de overeenkomst is gesloten, in functie van de kenmerken van deze werkgevers;
  6° de aanduiding, de vervanging of de verwijdering van de preventieadviseurs en de personen die hen bijstaan;
  7° de aanwending van de inkomsten van de externe dienst;
  8° de trimestriële opvolging van de activiteiten van de externe dienst met inbegrip van de prestaties;
  9° de jaarlijkse activiteitenverslagen van de externe dienst;
  10° de hernieuwing van de erkenning van de externe dienst.
  Het adviescomité geeft een advies over de domeinen bedoeld in het eerste lid, 1° en 7° tot 10°.
  Het geeft een voorafgaand akkoord over de criteria van intern beleid inzake de domeinen bedoeld in het eerste lid, 2° tot 6°.
  Op vraag van minstens drie leden van het adviescomité verschaft de raad van bestuur of de persoon belast met de leiding van de dienst het adviescomité het geheel van informatie en documenten die het nodig acht voor het volbrengen van de opdrachten inzake de domeinen bedoeld in het eerste lid.
  Indien geen akkoord wordt bereikt, vraagt het adviescomité of de raad van bestuur het advies van de met het toezicht belaste ambtenaar, na de Vaste Operationele Commissie hierover te hebben ingelicht.
  Deze ambtenaar hoort de betrokken partijen en poogt de standpunten te verzoenen.
  Indien geen verzoening wordt bereikt, verstrekt de met het toezicht belaste ambtenaar een advies waarvan per aangetekend schrijven kennis wordt gegeven aan de raad van bestuur.
  De kennisgeving wordt geacht ontvangen te zijn de derde werkdag na de afgifte van de brief aan de post.
  De raad van bestuur stelt het adviescomité in kennis van het advies van de met het toezicht belaste ambtenaar binnen een termijn van dertig dagen na de ontvangst van de kennisgeving, vooraleer hij de beslissing neemt.

  Art. II.3-24. Om de opdrachten bedoeld in artikel II.3-23 te vervullen, vergadert het adviescomité driemaandelijks.
  Ten minste één maand voor de datum van elk van die vergaderingen, zendt de persoon belast met de leiding van de dienst aan de leden een verslag betreffende de afgelopen periode, dat betrekking heeft op de activiteiten van de dienst en in voorkomend geval, op alle vraagstukken met betrekking tot de organisatie en het beheer van de dienst, evenals op de toestand van het personeel.
  De persoon belast met de leiding van de dienst stelt zelf dit verslag voor. Hij wordt bijgestaan door de preventieadviseurs die de afdelingen van de dienst leiden.
  Dit verslag stemt overeen met het model vastgesteld door de Minister.
  Op het einde van elk dienstjaar legt de voorzitter van de raad van bestuur de jaarrekeningen van de dienst, waaraan het schriftelijk verslag van de bedrijfsrevisor is toegevoegd, voor aan het adviescomité.
  De met het toezicht belaste ambtenaren worden tijdig op de hoogte gebracht door de voorzitter van de raad van bestuur van de datum, het uur en de plaats van de vergaderingen van het adviescomité. Zij kunnen ambtshalve deelnemen aan deze vergaderingen en er gehoord worden op hun vraag. Alle informatie die zij in het kader van hun opdrachten wensen te ontvangen, wordt hen verstrekt.

  Art. II.3-25. Binnen de externe dienst wordt een persoon aangeduid die belast is met de leiding en het beheer van de dienst en die de eindverantwoordelijkheid voor deze leiding en dat beheer draagt.
  Deze persoon moet aan de volgende voorwaarden voldoen :
  1° het bewijs leveren dat hij deskundig is op één van de gebieden bedoeld in artikel II.3-29, door de voorwaarden bedoeld in artikel II.3-30 na te leven;
  2° beschikken over een aangepaste wetenschappelijke en beroepservaring om de externe dienst met de nodige deskundigheid te kunnen leiden;
  3° met de externe dienst verbonden zijn door middel van een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd;
  4° een voltijdse activiteit uitoefenen binnen de externe dienst.
  De voorwaarde bedoeld in het tweede lid, 1° is niet van toepassing op de persoon, belast met de leiding of met het beheer van de externe dienst die deze functie sinds drie jaar uitoefende op 1 januari 2002 onder voorbehoud van een voorafgaandelijk akkoord van het adviescomité, ten laatste bekomen op 1 januari 2003. Deze persoon dient houder te zijn van een universitair einddiploma of van een einddiploma van hoger onderwijs van universitair niveau.

  Art. II.3-26. De persoon belast met de leiding van de externe dienst heeft inzonderheid de volgende opdrachten :
  1° de activiteiten van de verschillende afdelingen waaruit de externe dienst bestaat, coördineren;
  2° er over waken dat de opdrachten van de externe dienst die bij een werkgever worden uitgevoerd, worden verricht in samenwerking met de interne dienst van de werkgever;
  3° zorgen voor de uitwerking en waken over de toepassing van de principes van integrale kwaliteitszorg of van het kwaliteitssysteem van toepassing in de externe dienst;
  4° een jaarverslag over de werking van de externe dienst opstellen;
  5° op schriftelijke wijze een preventieadviseur aanduiden die :
  a) in overleg met de interne dienst de lijst opstelt van de aanvullende opdrachten en taken die door de externe dienst moeten of zullen worden verricht overeenkomstig de bepalingen van de artikelen II.1-7 tot II.1-10;
  b) de overeenkomst voorbereidt die met de werkgever, overeenkomstig artikel II.3-13, zal worden gesloten.
  6° voorstellen doen aan de raad van bestuur wat de materiële, technische en wetenschappelijke middelen betreft, die nodig zijn voor het vervullen van de opdrachten van de externe dienst.
  De persoon belast met de leiding van de externe dienst is uitsluitend tegenover de raad van bestuur verantwoording verschuldigd voor zijn activiteiten in verband met de leiding van de dienst.

  Art. II.3-27. § 1. De externe dienst bestaat uit twee afdelingen, namelijk een afdeling belast met risicobeheersing die multidisciplinair is samengesteld en een afdeling belast met het medisch toezicht.
  § 2. De externe dienst is samengesteld uit preventieadviseurs die kunnen worden bijgestaan door verpleegkundigen die houder zijn van een graduaatsdiploma, door sociaal assistenten of door personen die met vrucht een erkende cursus van aanvullende vorming van ten minste niveau II hebben beëindigd.
  Deze personen die de externe dienst aanvullen, oefenen hun activiteiten uit onder de verantwoordelijkheid van de preventieadviseurs die zij bijstaan.
  In toepassing van artikel II.3-26, 5°, a), wordt een eerste bezoek aan de arbeidsplaatsen bij alle werkgevers uitgevoerd door een preventieadviseur bedoeld in artikel II.3-30.
  Bij de werkgevers waar geen enkele werknemer onderworpen is aan het verplicht gezondheidstoezicht en bij werkgevers waar de werknemers onderworpen zijn aan een niet-jaarlijks gezondheidstoezicht, wordt het volgende bezoek aan de arbeidsplaatsen om de drie jaar uitgevoerd door een persoon die de preventieadviseur bijstaat en die met succes een erkende aanvullende vorming van tenminste niveau II gevolgd heeft.
  Bij de werkgevers waar de werknemers een veiligheidspost waarnemen of blootstaan aan een fysieke of mentale belasting of aan psychosociale risico's op het werk, wordt het jaarlijks bezoek aan de arbeidsplaatsen uitgevoerd door een persoon die de preventieadviseur bijstaat bedoeld in het vierde lid of wordt het bezoek om de twee jaar uitgevoerd door een preventieadviseur bedoeld in artikel II.3-30 in het kader van de permanente risicoanalyse.
  Bij de werkgevers waar de werknemers blootstaan aan fysische, chemische of biologische agentia, die verantwoordelijk zijn voor beroepsziekten of aandoeningen die hun oorsprong vinden in het beroep, wordt een jaarlijks bezoek aan de arbeidsplaatsen uitgevoerd door een preventieadviseur bedoeld in artikel II.3-30.
  § 3. De persoon belast met de leiding van een afdeling draagt de eindverantwoordelijkheid voor de uitvoering van de activiteiten van de afdeling.

  Art. II.3-28. De afdeling belast met risicobeheersing wordt geleid door een ingenieur die met vrucht een erkende cursus van aanvullende vorming van niveau I heeft beëindigd en die :
  1° hetzij academisch gevormd is;
  2° hetzij industrieel ingenieur is en die het bewijs levert van een nuttige beroepservaring van tien jaar in verband met de preventie en bescherming op het werk.
  De preventieadviseur belast met het beheer van deze afdeling is uitsluitend tegenover de met de leiding van de dienst belaste persoon verantwoording verschuldigd voor zijn werkzaamheden in verband met de leiding, het beheer en de organisatie van de afdeling.
  De personen die deel uitmaken van deze afdeling oefenen hun functies uit onder de verantwoordelijkheid van deze preventieadviseur.

  Art. II.3-29. De afdeling belast met risicobeheersing bestaat uit preventieadviseurs die deskundig zijn op het gebied van :
  1° de arbeidsveiligheid;
  2° de arbeidsgeneeskunde;
  3° de ergonomie;
  4° de arbeidshygiëne;
  5° de psychosociale aspecten van de arbeid waaronder geweld, pesterijen en ongewenst seksueel gedrag op het werk.

  Art. II.3-30. § 1. Een preventieadviseur is deskundig op één van de in artikel II.3-29 bedoelde gebieden, indien hij aan de volgende voorwaarden voldoet :
  1° wat de arbeidsveiligheid betreft, academisch gevormd ingenieur of industrieel ingenieur zijn, en het bewijs leveren dat hij met vrucht een aanvullende vorming van niveau I bepaald in artikel II.4-3 heeft beëindigd;
  2° wat de arbeidsgeneeskunde betreft, de houder van een diploma van arts die bovendien :
  a) ofwel houder is van een diploma dat toelaat de arbeidsgeneeskunde te beoefenen;
  b) ofwel houder is van de titel van specialist in de arbeidsgeneeskunde;
  c) ofwel geslaagd is in de theoretische vorming voor het behalen van de titel van specialist in de arbeidsgeneeskunde, waarin de kennis vereist in de multidisciplinaire basisvorming is begrepen, en die titel behaalt ten laatste binnen de drie jaar die er op volgen;
  3° wat betreft de ergonomie, de houder van een master diploma van een universiteit of van een master diploma van hoger onderwijs op universitair niveau en die :
  a) het bewijs levert met vrucht een multidisciplinaire basisvorming en een module specialisatie ergonomie te hebben beëindigd als bedoeld in artikel II.4-22, § 1, 1° ;
  b) bovendien minstens drie jaar nuttige praktische ervaring bewijst;
  4° wat betreft de arbeidshygiëne, de houder van een master diploma van een universiteit of van een master diploma van hoger onderwijs op universitair niveau en die :
  a) het bewijs levert met vrucht een multidisciplinaire basisvorming en een module specialisatie arbeidshygiëne te hebben beëindigd als bedoeld in artikel II.4-22, § 1, 2° ;
  b) bovendien minstens drie jaar nuttige praktische ervaring bewijst;
  5° wat de psychosociale aspecten van de arbeid betreft, de houder van een einddiploma van een universiteit of van een einddiploma van hoger onderwijs op universitair niveau waarvan het curriculum een belangrijk aandeel psychologie en sociologie bevat en met daarenboven reeds een eerste specialisatie in de domeinen van arbeid en organisatie en die :
  a) het bewijs levert met vrucht een multidisciplinaire basisvorming en een module specialisatie psychosociale aspecten van het werk te hebben beëindigd als bedoeld in artikel II.4-22, § 1, 3° ;
  b) bovendien vijf jaar nuttige praktische ervaring bewijst.
  De in het eerste lid, 3°, 4° en 5° bedoelde personen die met vrucht de specialisatiemodules hebben beëindigd, kunnen hun activiteiten uitoefenen onder de verantwoordelijkheid van een preventieadviseur van de desbetreffende discipline, teneinde de vereiste beroepservaring te verwerven.
  De personen die in toepassing van de bepalingen van kracht vóór 1 januari 2004 de functie van preventieadviseur deskundig op gebied van psychosociale aspecten van de arbeid uitoefenden in een erkende externe dienst, mogen deze functie blijven vervullen op voorwaarde dat zij zich er toe verbinden om de specialisatiemodules, bedoeld in het eerste lid, 5° met vrucht te beëindigen vóór 1 januari 2008.
  Evenwel mogen de in het derde lid bedoelde personen die beschikken over één van de einddiploma's bedoeld in het eerste lid, 5°, de functie blijven vervullen, zonder de voormelde specialisatiemodules te volgen, indien zij vóór 1 januari 2004 met vrucht een aanvullende vorming van niveau I hebben beëindigd of deze vorming hebben aangevat en op voorwaarde dat zij het bewijs leveren dat zij gedurende ten minste duizend uren per jaar de desbetreffende discipline beoefenen.
  § 2. De personen die vóór 1 januari 2013 door een erkende externe dienst werden aangeworven in de disciplines bedoeld in § 1, 3° of 4°, en die niet voldoen aan de voorwaarden bedoeld in § 1, mogen hun functie verder vervullen voor de betrokken discipline voor zover zij kunnen aantonen dat zij :
  a) minstens zes jaar ervaring hebben in de disciplines ergonomie of arbeidshygiëne in een erkende externe dienst en in deze periode minstens duizend uren per jaar gepresteerd hebben in hun discipline;
  b) een vorming op universitair niveau bezitten in de disciplines ergonomie of arbeidshygiëne;
  c) een voldoende kennis bezitten van de juridische en sociale aspecten van welzijn op het werk in België.
  De in het eerste lid, a) en b) bedoelde voorwaarden zijn niet van toepassing op de personen werkzaam in een erkende externe dienst die beschikken over een geldige erkenning als Europees ergonoom volgens de HETPEP criteria (Harmonising European Training Programs for the Ergonomics Profession) verleend door de commissie BREE (Belgian Registration European Ergonomics) van de Belgian Ergonomics Society (BES).
  § 3. De personen die vóór 1 januari 2004 door een erkende externe dienst werden aangeworven in de disciplines bedoeld in § 1, 3° of 4°, en die niet voldoen aan de voorwaarden bedoeld in de § § 1 of 2, kunnen een aanvraag voor regularisatie indienen bij de leidend ambtenaar HUA die, na unaniem advies van de Vaste Operationele Commissie, beslist of de ingeroepen kwalificaties tenminste gelijkwaardig zijn aan deze die vereist zijn in § 1, 3° of 4°.

  Art. II.3-31. Bij de uitoefening van eenzelfde opdracht inzake risicobeheersing mag één enkele preventieadviseur tezelfdertijd niet meer dan twee disciplines vertegenwoordigen.
  In elk geval mag de discipline inzake arbeidsveiligheid en deze inzake arbeidsgeneeskunde nooit door één en dezelfde persoon beoefend worden.

  Art. II.3-32.De afdeling belast met het medisch toezicht wordt geleid door een [1 preventieadviseur-arbeidsarts]1 die beantwoordt aan de voorwaarden bedoeld in artikel II.3-30, eerste lid, 2° ;
  Deze [1 preventieadviseur-arbeidsarts]1 is uitsluitend tegenover de met de leiding van de dienst belaste persoon verantwoording verschuldigd voor zijn werkzaamheden in verband met de leiding, het beheer en de organisatie van de afdeling.
  Op deze [1 preventieadviseur-arbeidsarts]1 zijn de bijzondere regels bepaald in de artikelen I.4-17, I.4-18, I.4-22 en I.4-24 van toepassing.
  ----------
  (1)<KB 2019-05-14/07, art. 1, 008; Inwerkingtreding : 21-06-2019>

  Art. II.3-33.De afdeling belast met het medisch toezicht bestaat uit [1 preventieadviseur-arbeidsarts]1 die bijgestaan worden door verplegend personeel en administratief personeel.
  De personen die deel uitmaken van deze afdeling oefenen hun functies uit onder de verantwoordelijkheid van de in artikel II.3-32 bedoelde [1 preventieadviseur-arbeidsarts]1.
  Op de [1 preventieadviseur-arbeidsartsen]1 zijn de bijzondere regels bepaald in de artikelen I.4-17, I.4-18, I.4-22 en I.4-24 van toepassing.
  Tijdens de opdrachten die bij de werkgevers worden uitgevoerd in het kader van het gezondheidstoezicht, wordt de [1 preventieadviseur-arbeidsarts]1 uitsluitend bijgestaan door personeel dat deel uitmaakt van de afdeling belast met het medisch toezicht.
  Voor specifieke prestaties van medische aard opgelegd door de wet en de codex moet de [1 preventieadviseur-arbeidsarts]1 beroep doen op specifiek gekwalificeerd personeel zoals bepaald in deze codex. Dit personeel behoort al dan niet tot de afdeling belast met het medisch toezicht.
  ----------
  (1)<KB 2019-05-14/07, art. 1, 008; Inwerkingtreding : 21-06-2019>

  Art. II.3-34.§ 1. Onverminderd de bepalingen van de artikelen II.3-27 en II.3-29 wordt het aantal en de deskundigheid van de preventieadviseurs die deel uitmaken van de afdeling risicobeheersing, en van de [1 preventieadviseur-arbeidsartsen]1 evenals van het verplegend en administratief personeel, die moeten worden verbonden aan de externe dienst, bepaald, rekening houdend met de eisen die gesteld worden aan de prestaties te verrichten bij elke werkgever die een overeenkomst gesloten heeft met de externe dienst en rekening houdend met het feit dat hun opdrachten te allen tijde volledig en efficiënt moeten worden vervuld.
  § 2. Het minimum aantal preventieadviseurs wordt berekend volgens de volgende verdeling van hun prestaties :
  1° voor de prestaties van een [1 preventieadviseur-arbeidsarts]1, gemiddeld :
  a) een uur per werknemer die verplicht onderworpen is aan gezondheidstoezicht;
  b) twintig minuten per jongere op het werk bedoeld in artikel X.3-12;
  c) twintig minuten per werknemer die blootstaat aan arbeidsdruk, zoals gedefinieerd in artikel I.4-1, § 2, 3°, b);
  2° voor de prestaties van de preventieadviseurs die deel uitmaken van de afdeling risicobeheersing, gemiddeld tien minuten per werknemer geteld onder de personeelsleden.
  § 3. De uren die gepresteerd worden door de [1 preventieadviseur-arbeidsartsen]1 voor de werknemers die onderworpen zijn aan het gezondheidstoezicht, worden als volgt verdeeld :
  1° vijfenveertig minuten per werknemer worden gewijd aan de opdrachten bedoeld in artikel II.1-5;
  2° vijftien minuten per werknemer worden gewijd aan de uitvoering van de opdrachten bedoeld in artikel II.1-4 in samenwerking met de preventieadviseurs van andere disciplines en die deel uitmaken van de afdeling risicobeheersing.
  ----------
  (1)<KB 2019-05-14/07, art. 1, 008; Inwerkingtreding : 21-06-2019>

  Art. II.3-35. Onder prestaties van een preventieadviseur wordt verstaan, het geheel van activiteiten die deze preventieadviseur moet verrichten teneinde de activiteiten toegewezen aan de externe dienst te allen tijde volledig en doeltreffend te kunnen verwezenlijken.
  De verplaatsingen die de preventieadviseurs moeten doen om zich naar de verschillende werkgevers die aangesloten zijn bij de externe dienst te begeven, behoren niet tot deze prestaties.
  Deze prestaties houden bovendien rekening met de tijd die wordt besteed aan studies en onderzoek dat nodig is om deze opdrachten integraal en gewetensvol te vervullen.

  Art. II.3-36. De externe dienst is dermate georganiseerd dat de verschillende opdrachten van die dienst bij eenzelfde werkgever steeds worden vervuld door dezelfde ploeg van preventieadviseurs.
  De naam van de preventieadviseur of van de preventieadviseurs wordt meegedeeld door de werkgever aan het Comité.

  Art. II.3-37. De externe dienst houdt voor de werkgever op elektronische wijze een inventaris bij van alle uitgevoerde prestaties, die door de werkgever te allen tijde online kan worden geraadpleegd.
  Deze inventaris bevat per prestatie de volgende gegevens :
  1° de datum van de prestatie;
  2° de naam van de persoon bedoeld in artikel II.3-17, § 2 die de prestatie heeft uitgevoerd, evenals zijn deskundigheid;
  3° een beschrijving van de prestatie met, in voorkomend geval, de aanduiding van de reglementaire bepaling die ze oplegt;
  4° de verwijzing naar het kwaliteitshandboek;
  5° de adviezen en besluiten;
  6° al naargelang het geval, de eisen opgelegd door de specifieke methodes die bij het uitvoeren van de prestatie werden gebruikt;
  7° voor de werkgevers bedoeld in artikel II.3-16, § 2, de kostprijs uitgedrukt in preventie-eenheden zoals bedoeld in artikel II.3-17, § 1, teneinde het saldo te kunnen berekenen.

  Art. II.3-38. De werkgever brengt het Comité op regelmatige tijdstippen, en telkens wanneer het Comité er om verzoekt, op de hoogte van de inhoud van de inventaris, bedoeld in artikel II.3-37.
  De met het toezicht belaste ambtenaren kunnen de inventaris inkijken telkens zij erom verzoeken.

  Art. II.3-39. De externe dienst stelt een jaarverslag op waarvan de inhoud wordt bepaald door de Minister.
  Dit jaarverslag wordt voorgelegd aan de raad van bestuur van de vereniging, en aan het adviescomité en de algemene directie HUA, en wordt ter beschikking gehouden van de met het toezicht belaste ambtenaar.

  HOOFDSTUK V. - Het statuut van de preventieadviseurs

  Art. II.3-40. De raad van bestuur van de externe dienst duidt de preventieadviseurs of hun tijdelijke plaatsvervangers aan, vervangt hen of verwijdert hen uit hun functie na voorafgaand akkoord van de leden die de werkgevers vertegenwoordigen en van de leden die de werknemers vertegenwoordigen in het adviescomité.
  De raad van bestuur vraagt, indien geen akkoord wordt bereikt, het advies van de met het toezicht belaste ambtenaar.
  De procedure bedoeld in artikel II.3-23, vijfde tot achtste lid is van toepassing.

  Art. II.3-41. Bij toepassing van artikel 43 van de wet, vervullen de preventieadviseurs hun opdrachten in volledige onafhankelijkheid ten overstaan van de werkgevers en de werknemers bij wie zij hun opdrachten uitvoeren evenals ten overstaan van de raad van bestuur.
  De meningsverschillen betreffende de werkelijkheid van de onafhankelijkheid en betreffende de bekwaamheid van de preventieadviseurs worden op verzoek van één van de betrokken partijen onderzocht door de met het toezicht belaste ambtenaar.
  Deze ambtenaar hoort de betrokken partijen en poogt de standpunten te verzoenen.
  Indien geen verzoening wordt bereikt, verstrekt hij een advies waarvan per aangetekend schrijven kennis wordt gegeven aan de betrokken partijen, de raad van bestuur en het adviescomité.
  De kennisgeving wordt geacht ontvangen te zijn de derde werkdag na de afgifte van de brief aan de post.

  Art. II.3-42. De werkgever verzoekt de raad van bestuur de preventieadviseur te vervangen, wanneer deze preventieadviseur die bij deze werkgever opdrachten uitvoert overeenkomstig artikel II.3-36 niet langer het vertrouwen geniet van de werknemers en indien alle werknemersvertegenwoordigers in het Comité hierom verzoeken.
  De raad van bestuur vervangt de preventieadviseur en licht het adviescomité en de werkgever hierover in.

  Art. II.3-43. De preventieadviseurs worden betaald door de raad van bestuur van de externe dienst.

  HOOFDSTUK VI. - De erkenning van de externe dienst

  Art. II.3-44.§ 1. De aanvraag tot erkenning of tot hernieuwing van de erkenning wordt gericht tot de Minister.
  § 2. Bij deze aanvraag dienen de volgende documenten en inlichtingen te worden gevoegd :
  1° een kopie van de statuten van de externe dienst;
  2° een organigram betreffende de structuur van de dienst en de lijst van personen werkzaam in de dienst;
  3° een kopie van de erkenning verleend door de Gemeenschappen aan de afdeling belast met het medisch toezicht;
  4° naam en voornaam van de persoon belast met de leiding van de dienst, zijn kwalificaties en beroepservaring;
  5° naam en voornaam van de preventieadviseur belast met de leiding van de afdeling belast met risicobeheersing en zijn kwalificaties;
  6° naam en voornaam van de [1 preventieadviseur-arbeidsarts]1 belast met de leiding van de afdeling belast met het medisch toezicht en zijn kwalificaties;
  7° naam en voornaam van de preventieadviseurs bedoeld in artikel II.3-30, evenals hun kwalificaties en, in voorkomend geval, hun beroepservaring;
  8° de verklaring waarbij de externe dienst zich ertoe verbindt de principes van integrale kwaliteitszorg toe te passen of een afschrift van het certificaat bedoeld in artikel II.3-7, § 3, derde lid; in geval van gegronde twijfel over de waarachtigheid van de voorgelegde of opgestuurde kopie van dit laatste document dient de in artikel 508, § 2 en § 3, van de programmawet van 22 december 2003 voorziene procedure te worden nageleefd;
  9° een inventaris van de materiële middelen.
  § 3. De Minister of de met het toezicht belaste ambtenaar kan alle andere relevante inlichtingen of documenten vragen die hij nodig acht.
  Indien de externe dienst de gevraagde inlichtingen of documenten niet verstrekt binnen twee maanden vanaf de datum van de vraag, wordt de erkenning ambtshalve geweigerd. Deze beslissing wordt door de algemene directie HUA per aangetekend schrijven ter kennis gebracht van de externe dienst.
  ----------
  (1)<KB 2019-05-14/07, art. 1, 008; Inwerkingtreding : 21-06-2019>

  Art. II.3-45. § 1. De erkenningsaanvraag wordt onderzocht door de met het toezicht belaste ambtenaar op basis van de stukken van het dossier, in voorkomend geval aangevuld met de informatie en documenten verstrekt in toepassing van artikel II.3-44, § 3, eerste lid.
  § 2. Zodra het dossier volledig is, verricht de met het toezicht belaste ambtenaar een onderzoek ter plaatse en stelt een verslag op.
  § 3. Het dossier en het verslag worden voorgelegd aan de Vaste Operationele Commissie die binnen drie maanden na de overzending van die documenten een advies aan de Minister bezorgt.

  Art. II.3-46. § 1. De Minister beslist om de erkenning al dan niet toe te kennen.
  De Minister verleent de erkenning bij wege van ministerieel besluit.
  Dit besluit kan in voorkomend geval de voorwaarden concretiseren betreffende :
  1° de inhoud en de toepassing van het kwaliteitssysteem, zoals opgelegd door artikel II.3-7;
  2° het vereiste minimum aantal preventieadviseurs, evenals hun diplomavereisten en vormingsniveau;
  3° de uitvoering van de opdrachten van de externe dienst, inzonderheid wat betreft het aantal bezoeken aan de arbeidsplaatsen, het gezondheidstoezicht en het bijwonen van vergaderingen van Comités.
  De erkenning kan in voorkomend geval worden beperkt tot de opdrachten die het voorwerp zijn van de bestaande overeenkomsten voor een periode bepaald door de Minister.
  § 2. De erkenning wordt verleend voor een termijn van vijf jaar.
  De erkenning kan worden verleend voor een kortere termijn :
  1° bij een eerste erkenningsaanvraag voor een nieuw op te richten externe dienst;
  2° bij een erkenningsaanvraag door een externe dienst waarvan de erkenning was geweigerd in de zin van § 1, eerste lid;
  3° bij een erkenningsaanvraag van een externe dienst waarvan de erkenning is verkort of ingetrokken in overeenstemming met artikel II.3-50, § 3, 2° of 3°.
  § 3. De gemotiveerde beslissing wordt bij aangetekend schrijven ter kennis gebracht van de externe dienst.
  § 4. De Vaste Operationele Commissie wordt ingelicht over de gemotiveerde beslissing van de Minister.

  Art. II.3-47. § 1. Uiterlijk één jaar voor het verstrijken van de termijn van erkenning vraagt de externe dienst de hernieuwing van de erkenning aan bij de Minister.
  In geval van een erkenning van maximum twee jaar kan de Minister een kortere termijn toestaan voor het indienen van de aanvraag tot hernieuwing van de erkenning.
  § 2. Bij de aanvraag tot hernieuwing van de erkenning dienen de volgende documenten en inlichtingen te worden gevoegd :
  1° de wijzigingen aangebracht in de bij artikel II.3-44, § 2 bedoelde documenten en inlichtingen tijdens de afgelopen erkenningstermijn;
  2° een financieel verslag over de werking van de externe dienst tijdens de afgelopen erkenningstermijn;
  3° een verslag over de organisatie en de werking van de externe dienst en over de opdrachten verricht tijdens de afgelopen erkenningstermijn;
  4° een kwaliteitshandboek of een afschrift van het certificaat bedoeld in artikel II.3-7, § 3, derde lid. In geval van gegronde twijfel over de waarachtigheid van de voorgelegde of opgestuurde kopie van dit laatste document dient de in artikel 508, § 2 en § 3, van de programmawet van 22 december 2003 voorziene procedure te worden nageleefd.
  § 3. De Minister of de met het toezicht belaste ambtenaar kan alle andere relevante inlichtingen of documenten vragen die hij nodig acht.
  Indien de externe dienst de gevraagde inlichtingen of documenten niet verstrekt binnen twee maanden vanaf de datum van de vraag, wordt de hernieuwing van de erkenning ambtshalve geweigerd. Deze beslissing wordt door de algemene directie HUA per aangetekend schrijven ter kennis gebracht van de externe dienst.
  § 4. Het onderzoek van de aanvraag tot hernieuwing van de erkenning gebeurt overeenkomstig artikel II.3-45.
  § 5. De beslissing over de hernieuwing van de erkenning gebeurt overeenkomstig artikel II.3-46.

  Art. II.3-48. Alle kennisgevingen die gebeuren in toepassing van de bepalingen van dit hoofdstuk worden geacht ontvangen te zijn de derde werkdag na de afgifte aan de post van het aangetekend schrijven.

  Art. II.3-49. De erkende externe diensten zijn ertoe gehouden, op eigen initiatief, de volgende inlichtingen en documenten te verstrekken aan de algemene directie HUA :
  1° elke wijziging van hun statuten;
  2° elke wijziging in de organisatie, de beschikbare middelen en het kwaliteitsbeleid dat van aard is de naleving van de voorwaarden van deze titel te beïnvloeden;
  3° elke indienstneming of vervanging van een preventieadviseur al dan niet belast met de leiding van een dienst of een afdeling;
  4° de in artikel II.3-10 bedoelde tariefregeling;
  5° het in artikel II.3-39 bedoelde jaarverslag;
  6° de begroting evenals de in artikel II.3-24, vijfde lid bedoelde jaarrekeningen;
  7° elke intrekking of verval van het in artikel II.3-7, § 3, derde lid, bedoelde certificaat.
  De in het eerste lid, 5° en 6° bedoelde documenten moeten uiterlijk op 30 juni van het daaropvolgende jaar worden overgezonden.
  Deze documenten worden ter beschikking gehouden van de Vaste Operationele Commissie.

  Art. II.3-50. § 1. De erkende externe diensten zijn ertoe gehouden, op verzoek van de met het toezicht belaste ambtenaar, alle documenten of inlichtingen te verstrekken die betrekking hebben op hun activiteiten of hun werking of die noodzakelijk zijn voor het toezicht op de naleving van deze titel.
  § 2. Indien de met het toezicht belaste ambtenaren vaststellen dat de externe dienst niet meer voldoet aan de bepalingen van deze titel, of de voorwaarden opgelegd in het erkenningsbesluit niet naleeft, kunnen zij een termijn vaststellen waarbinnen de externe dienst die nagekomen moet zijn.
  Wanneer de externe dienst houder is van het certificaat bedoeld in artikel II.3-7, § 3, derde lid, stelt de algemene directie HUA de certificatie-instelling die het kwaliteitssysteem van de externe dienst gecertificeerd heeft, in kennis van alle vaststellingen die relevant zijn voor de certificatie.
  § 3. Indien de externe dienst zich niet in regel heeft gesteld na verloop van de in § 2 bedoelde termijn, of wanneer de algemene directie HUA vaststelt dat het in artikel II.3-7, § 3, derde lid bedoelde certificaat door de certificatie-instelling ingetrokken, niet hernieuwd of niet uitgereikt is, kan de Minister op grond van een omstandig verslag van de met het toezicht belaste ambtenaar, en na advies van de Vaste Operationele Commissie dat verstrekt wordt overeenkomstig artikel II.3-45, § 3 beslissen tot :
  1° hetzij het beperken van de erkenning tot de opdrachten die het voorwerp zijn van de bestaande overeenkomsten voor een periode die hij vaststelt;
  2° hetzij het beperken van de verleende erkenning tot een kortere termijn dan de oorspronkelijk voorziene termijn van de erkenning;
  3° hetzij het intrekken van de erkenning.
  § 4. De beslissingen genomen in uitvoering van § 2 en § 3 worden, met opgave van de redenen, aan de betrokken externe dienst betekend bij een ter post aangetekende brief.
  De Vaste Operationele Commissie wordt eveneens van deze gemotiveerde beslissingen op de hoogte gesteld.

  Art. II.3-51. De Vaste Operationele Commissie heeft als opdracht :
  1° advies te verstrekken over de aanvragen tot erkenning, de aanvragen tot hernieuwing van de erkenning, de aanvragen tot uitbreiding van de territoriale bevoegdheid en de aanvragen tot uitbreiding van de sectorale bevoegdheid;
  2° adviezen en voorstellen te formuleren over de erkenningsvoorwaarden, inzonderheid wat de principes van integrale kwaliteitszorg betreft;
  3° de jaarverslagen en financiële verslagen die door de externe dienst worden opgesteld te onderzoeken.

  TITEL 4. - VORMING EN BIJSCHOLING VAN DE PREVENTIEADVISEURS

  HOOFDSTUK I. - Algemene bepalingen

  Art. II.4-1. Voor de toepassing van deze titel wordt onder inrichter verstaan : de instelling die de aanvullende vorming organiseert.

  Art. II.4-2.De aanvullende vorming van de preventieadviseurs, met uitzondering van de [1 preventieadviseur-arbeidsartsen]1, is modulair opgebouwd en omvat een multidisciplinaire basismodule en een specialisatiemodule.
  ----------
  (1)<KB 2019-05-14/07, art. 1, 008; Inwerkingtreding : 21-06-2019>

  HOOFDSTUK II. - De aanvullende vorming niveau I en II

  Afdeling 1. - Inhoud en opbouw van de aanvullende vorming

  Art. II.4-3. § 1. De aanvullende vorming niveau I bestaat uit een multidisciplinaire basismodule en een specialisatiemodule niveau I.
  De aanvullende vorming niveau II bestaat uit een multidisciplinaire basismodule en een specialisatiemodule niveau II.
  § 2. De inhoud van de multidisciplinaire basismodule is bepaald in bijlage II.4-2.
  De inhoud van de specialisatiemodule niveau I is bepaald in bijlage II.4-3.
  De inhoud van de specialisatiemodule niveau II is bepaald in bijlage II.4-4.

  Afdeling 2. - Toelatingsvoorwaarden

  Art. II.4-4. § 1. Worden toegelaten tot de aanvullende vorming van niveau I de kandidaten die houder zijn van een bachelordiploma van een universiteit of van een bachelordiploma van hoger onderwijs op universitair niveau.
  § 2. Worden toegelaten tot de aanvullende vorming van niveau II de kandidaten die houder zijn van een getuigschrift van hoger secundair onderwijs of hogere secundaire leergangen.
  § 3. In afwijking van § 1, kunnen kandidaten die houder zijn van een getuigschrift van aanvullende vorming van niveau II en die bewijzen een nuttige praktische ervaring te bezitten van minstens vijf jaar in een interne of externe dienst, worden toegelaten tot de specialisatiemodule van niveau I om een aanvullende vorming van niveau I te verwerven.
  De praktische ervaring bedoeld in het voorgaande lid geldt niet voor de kandidaten waarvan de werkgever overgaat van groep C of B naar groep A. De kandidaten moeten in dit geval niveau I verwerven binnen de vier jaar na de overgang.
  § 4. In afwijking van § 2, kunnen kandidaten die de basiscursus bedoeld in artikel II.4-24 hebben gevolgd en die bewijzen een nuttige praktische ervaring te bezitten van minstens vijf jaar in een interne of externe dienst, worden toegelaten tot de vorming van niveau II.

  Afdeling 3. - Organisatie van de aanvullende vorming

  Art. II.4-5. De multidisciplinaire basismodule en de specialisatiemodules niveau I en II worden georganiseerd door inrichters die beantwoorden aan de bepalingen van deze afdeling.

  Art. II.4-6. De cursusmodules zijn zo opgevat en gestructureerd dat de kandidaat voor een functie van preventieadviseur op het einde van de cursussen de kennis en de vaardigheden heeft verworven, opgesomd in de bijlagen II.4-2 en II.4-3 of II.4-4.

  Art. II.4-7. De cursusmodules moeten voldoende gericht zijn op de praktijk en doorweven zijn van de principes van de wet.
  De cursisten moeten voldoende in contact komen met de sociale partners en andere actoren binnen het bedrijf.

  Art. II.4-8. § 1. Het lesrooster van de multidisciplinaire basismodule beslaat ten minste 120 uren.
  § 2. Het lesrooster van de specialisatiemodule van niveau I beslaat ten minste 280 uren.
  Het lesrooster van de specialisatiemodule van niveau II beslaat ten minste 90 uren, gespreid over maximum één jaar.

  Art. II.4-9. § 1. De organisatie van de cursusmodules wordt overgelaten aan het vrij initiatief van de inrichters voor zover de bepalingen van dit hoofdstuk en de criteria van de bijlagen II.4-2, II.4-3 en II.4-4 worden nageleefd.
  § 2. Een inrichter mag slechts cursussen aanvullende vorming organiseren die de multidisciplinaire basismodule en één of beide specialisatiemodules omvatten.
  § 3. De organisatie en de omkadering van de aanvullende vorming van niveau I zijn van universitair niveau.

  Art. II.4-10.De lesgevers moeten voldoende voeling hebben met de praktijk. Er wordt voor de praktijkgerichte onderdelen van de cursus zo veel mogelijk beroep gedaan op mensen uit de praktijk, in het bijzonder preventieadviseurs van interne en externe diensten, [1 preventieadviseur-arbeidsartsen]1, vertegenwoordigers van de sociale partners, EDTC, bevoegde ambtenaren.
  ----------
  (1)<KB 2019-05-14/07, art. 1, 008; Inwerkingtreding : 21-06-2019>

  Art. II.4-11. De aanvullende vormingen worden afgesloten met een grondige evaluatie van de cursisten.
  Deze evaluatie omvat :
  1° het testen van de kennis en het inzicht in de leerstof;
  2° het opstellen en de verdediging van een eindwerk waarmee de cursist aantoont de opgedane kennis en vaardigheden in de praktijk te kunnen toepassen.
  De evaluatie dient in zijn geheel representatief te zijn voor het testen van de kennis en de vaardigheden die krachtens bijlagen II.4-2, II.4-3 en II.4-4 van toepassing zijn op de module waarvoor de proef wordt afgelegd.
  De inrichters kunnen cursisten vrijstellen van de vakken waarover zij reeds een examen of een proef hebben afgelegd in het kader van een vorming voor bachelor of master.
  De verdediging van het eindwerk gebeurt voor een multidisciplinaire jury.
  De bevoegde ambtenaren van de algemene directie TWW worden hierover tijdig ingelicht en worden hiervoor uitgenodigd.

  Art. II.4-12. Elke inrichter richt een stuurgroep op. De stuurgroep is samengesteld uit :
  1° een vertegenwoordiger van de inrichter;
  2° minstens één vertegenwoordiger van een andere inrichter die onafhankelijk is ten opzichte van de betrokken inrichter;
  3° minstens twee vertegenwoordigers van de werknemersorganisaties;
  4° minstens twee vertegenwoordigers van de werkgeversorganisaties;
  5° minstens één vertegenwoordiger van de preventieadviseurs;
  6° minstens één vertegenwoordiger aangeduid door de cursisten.
  De leidend ambtenaar TWW kan de vergaderingen van de stuurgroep bijwonen als waarnemer.

  Art. II.4-13. De stuurgroep heeft als opdracht :
  1° aanbevelingen te doen aan de inrichter met betrekking tot de toepassing van de bepalingen van deze afdeling en de wijze waarop de doelstellingen van deze afdeling kunnen worden bereikt;
  2° het in artikel II.4-15 bedoelde verslag te evalueren.
  De stuurgroep stelt van haar activiteiten een verslag op. Een afschrift van dit verslag wordt gestuurd naar de inrichter, de leidend ambtenaar HUA en de leidend ambtenaar TWW en naar de commissie, bedoeld in artikel II.4-21.

  Art. II.4-14. De stuurgroep vergadert telkens de inrichter een in artikel II.4-15 bedoeld verslag heeft opgesteld en minstens eenmaal per jaar.

  Art. II.4-15. Telkens een vormingscyclus is beëindigd, bezorgen de inrichters een verslag aan de in artikel II.4-12 bedoelde stuurgroep, aan de leidend ambtenaar HUA en aan de leidend ambtenaar TWW.
  Dit verslag vermeldt de volgende gegevens :
  1° de wijzigingen in het programma en de organisatie van de cursussen;
  2° de aangewende methoden;
  3° de namen en referenties van de lesgevers;
  4° de voorzieningen voor de cursisten;
  5° de evaluatie door de cursisten van de cursus en van de lesgevers;
  6° de cursisten (naam, adres en eventueel bedrijf) die met vrucht de vormingscyclus beëindigd hebben.
  Het verslag wordt opgesteld ten laatste drie maanden na het beëindigen van de vormingscyclus.

  Afdeling 4. - Erkenning van de aanvullende vorming

  Art. II.4-16. De aanvraag tot erkenning van een aanvullende vorming wordt ingediend bij de algemene directie HUA en bevat de inlichtingen bepaald in bijlage II.4-1.
  Zij dient te gebeuren ten minste zes maanden voor de start van de cyclus waarvoor de erkenning wordt gevraagd.

  Art. II.4-17. De algemene directie HUA onderzoekt de aanvraag.
  Zij gaat inzonderheid na of de inrichter voldoet aan de voorwaarden inzake het programma, de organisatie en de evaluatie van de aanvullende vorming en of de inhoud van de modules beantwoordt aan de criteria vastgesteld in bijlagen II.4-2, II.4-3 en II.4-4.
  In het kader van haar onderzoek kan de algemene directie HUA alle andere inlichtingen of documenten vragen die zij nodig acht.
  De algemene directie HUA legt de aanvraag samen met haar advies voor aan de commissie, bedoeld in artikel II.4-21.
  De commissie onderzoekt de overeenstemming van de cursussen met de bepalingen van deze afdeling.
  De commissie kan de inrichters van de cursussen oproepen en horen.
  De algemene directie HUA maakt haar advies en dat van de commissie over aan de Minister.

  Art. II.4-18. De Minister neemt een beslissing waarbij de erkenning al dan niet wordt verleend.

  Art. II.4-19. De erkenning geldt voor een duur van hoogstens vijf jaar. Zij kan evenwel door de Minister worden ingetrokken of geschorst wanneer de modules niet meer beantwoorden aan de bepalingen van deze titel. Vooraleer zijn beslissing tot intrekking of schorsing te nemen wint de Minister het advies in van de algemene directie HUA en van de commissie.

  Art. II.4-20. Onverminderd de overige bepalingen van dit hoofdstuk zijn de inrichters van aanvullende vormingen van niveau I vrijgesteld van de bepalingen betreffende het oprichten van een stuurgroep en betreffende de erkenning, op voorwaarde dat :
  1° zij onderworpen zijn aan een systeem van kwaliteitsbewaking, opgericht door inrichtingen van hetzelfde niveau als het hunne;
  2° zij aan de algemene directie HUA de inlichtingen bedoeld in bijlage II.4-1 overmaken, alsmede de inlichtingen betreffende het systeem van kwaliteitsbewaking waaraan zij zich onderwerpen;
  3° zij het verslag bedoeld in artikel II.4-15 aan de algemene directie HUA en de algemene directie TWW overmaken.

  Art. II.4-21. De commissie belast met de erkenning van de cursussen aanvullende vorming is de Vaste Operationele Commissie.
  Deze commissie heeft als opdracht :
  1° het uitbrengen van het advies, bedoeld in artikel II.4-17;
  2° het uitbrengen van advies over het intrekken of schorsen van de erkenning overeenkomstig artikel II.4-19;
  3° het opstellen van leidraden voor de opbouw van de cursusprogramma's overeenkomstig bijlagen II.4-2, II.4-3 en II.4-4 en het aanpassen ervan aan nieuwe evoluties met betrekking tot de verschillende modules;
  4° de evaluatie van de verslagen van de stuurgroepen bedoeld in artikel II.4-13, tweede lid.
  De commissie is samengesteld overeenkomstig de bepalingen van artikel II.9-30.

  HOOFDSTUK III. - De aanvullende vorming ergonomie, arbeidshygiëne en psychosociale aspecten

  Art. II.4-22. § 1. De personen die de functie van preventieadviseur deskundig op het vlak van ergonomie, arbeidshygiëne of psychosociale aspecten van de arbeid, zoals bedoeld in artikel II.3-30, § 1, eerste lid, 3°, 4° of 5°, wensen uit te oefenen, moeten de volgende vorming met vrucht hebben beëindigd :
  1° wat de ergonomie betreft : de multidisciplinaire basisvorming, aangevuld met een specialisatiemodule ergonomie;
  2° wat de arbeidshygiëne betreft : de multidisciplinaire basisvorming, aangevuld met een specialisatiemodule arbeidshygiëne;
  3° wat de psychosociale aspecten van de arbeid betreft : de multidisciplinaire basisvorming, aangevuld met een specialisatiemodule psychosociale aspecten van de arbeid.
  § 2. De inhoud van de multidisciplinaire basismodule is bepaald in bijlage II.4-2.
  De inhoud van de specialisatiemodule ergonomie is bepaald in bijlage II.4-5.
  De inhoud van de specialisatiemodule arbeidshygiëne is bepaald in bijlage II.4-6.
  De inhoud van de specialisatiemodule psychosociale aspecten van de arbeid is bepaald in bijlage II.4-7.
  § 3. De multidisciplinaire basisvorming, waarvan de duur niet minder dan 120 uur mag bedragen, gespreid over één jaar wordt gevolgd bij de inrichters van cursussen van aanvullende vorming bedoeld in afdeling 3 van hoofdstuk II van deze titel.
  De specialisatiemodules ergonomie, arbeidshygiëne en psychosociale aspecten van de arbeid worden georganiseerd door de universiteiten of de hogescholen en omvatten ten minste 280 uur, gespreid over één of twee jaren.
  § 4. De evaluatie van de cursisten op het einde van de vorming gebeurt overeenkomstig de bepalingen van artikel II.4-11.

  HOOFDSTUK IV. - Basiskennis van de preventieadviseur van de interne dienst

  Art. II.4-23. De bepalingen van dit hoofdstuk hebben betrekking op de basiskennis die in toepassing van artikel II.1-20 wordt vereist van de preventieadviseurs.

  Art. II.4-24. De preventieadviseurs die een basiscursus hebben gevolgd bij een instelling die voorkomt op een door de Minister bekend te maken lijst van cursussen, worden geacht te hebben voldaan aan de vereiste van de basiskennis bedoeld in artikel II.1-20.

  Art. II.4-25. Om op de in artikel II.4-24 bedoelde lijst te kunnen worden opgenomen, moeten de instellingen die de basiscursus verstrekken met het oog op het verwerven van de basiskennis bedoeld in artikel II.1-20, aan de volgende voorwaarden voldoen :
  1° de inhoud van de cursus moet beantwoorden aan de bepalingen van artikel II.1-20;
  2° beschikken over en zich ertoe verbinden alleen een beroep te zullen doen op lesgevers die praktijkervaring hebben in de onderwezen materies;
  3° zich ertoe verbinden dat de basiscursus minimum 40 uren bestrijkt;
  4° over de gepaste middelen beschikken, inzonderheid leslokalen en lesmateriaal;
  5° zich ertoe verbinden aan de cursisten die de cursus hebben gevolgd, een getuigschrift van deelname af te leveren.

  Art. II.4-26. De aanvragen om opgenomen te worden op de lijst bedoeld in artikel II.4-24, worden ingediend bij de algemene directie HUA.
  Deze aanvragen dienen de volgende gegevens te bevatten :
  1° benaming, statuut en adres van de instelling;
  2° een schriftelijke verklaring waarbij de instelling de verbintenis aangaat de bepalingen van artikel II.4-25 na te leven.

  Art. II.4-27. Indien na controle door de algemene directie TWW en nadat de instelling in de gelegenheid is gesteld toelichting te verschaffen, blijkt dat deze niet meer voldoet aan de voorwaarden gesteld in artikel II.4-25, wordt zij van de in artikel II.4-24 bedoelde lijst geschrapt.

  HOOFDSTUK V. - Bijscholing van de preventieadviseurs van de interne dienst

  Art. II.4-28. De bepalingen van dit hoofdstuk hebben betrekking op de bijscholing, die in toepassing van artikel II.1-22, kadert in het recht en de verplichting van de preventieadviseurs om zich te vervolmaken.

  Art. II.4-29. De bijscholing wordt jaarlijks georganiseerd en heeft betrekking op belangrijke wijzigingen of nieuwe bepalingen inzake de wetgeving over het welzijn op het werk, alsook op de vooruitgang van wetenschap en techniek in dit domein.
  De bijscholing wordt georganiseerd onder de vorm van studiedagen of seminaries van minstens drie, al dan niet opeenvolgende dagen, met betrekking tot ten minste twee vaardigheden of kennisgebieden bedoeld in de bijlagen II.4-2, II.4-3, II.4-4, II.4-5, II.4-6 en II.4-7.

  Art. II.4-30. De bijscholing kan uitsluitend worden georganiseerd door de volgende organisaties :
  1° de algemene directie HUA;
  2° de inrichters;
  3° de representatieve werkgevers- en werknemersorganisaties bedoeld in artikel 3 van de wet van 5 december 1968 betreffende de collectieve arbeidsovereenkomsten en de paritaire comités;
  4° de paritaire comités en de paritaire instellingen voor vorming van werknemers en werkgevers;
  5° de organisaties die vertegenwoordigd zijn in de Hoge Raad;
  6° andere organisaties die activiteiten organiseren die beantwoorden aan de in artikel II.4-29 vermelde criteria, op voorwaarde dat deze activiteiten worden opgenomen in de kalender van de activiteiten van de algemene directie HUA die daartoe tenminste een maand vooraf de nodige gegevens dient te verkrijgen. De bijscholing verstrekt door deze organisaties wordt indien nodig geëvalueerd door de Vaste Operationele Commissie die kan beslissen dat de door hen georganiseerde activiteiten niet langer zullen worden opgenomen in de kalender.

  TITEL 5. - DE EXTERNE DIENSTEN VOOR TECHNISCHE CONTROLES OP DE WERKPLAATS

  HOOFDSTUK I. - Toepassingsgebied en definities

  Art. II.5-1. Deze titel is van toepassing op de EDTC.
  De in het eerste lid bedoelde technische controles hebben betrekking op onderzoeken en controles die in toepassing van de wettelijke en reglementaire bepalingen worden uitgevoerd met betrekking tot inzonderheid machines, installaties, arbeidsmiddelen en beschermingsmiddelen, met het oog op het vaststellen van hun conformiteit met de wetgeving en met het oog op het opsporen van gebreken die een invloed kunnen hebben op het welzijn van de werknemers bij de uitvoering van hun werk.

  Art. II.5-2. § 1. De EDTC's worden erkend overeenkomstig de bepalingen van deze titel.
  § 2. Enkel de EDTC's erkend volgens de bepalingen van deze titel mogen de benaming "Externe dienst voor technische controles op de werkplaats, erkend door de Federale Overheidsdienst Werkgelegenheid, Arbeid en Sociaal Overleg" dragen.
  § 3. Enkel keuringsinstellingen geaccrediteerd volgens de norm NBN EN ISO/IEC 17020 "Algemene criteria voor het functioneren van verschillende soorten instellingen die keuringen uitvoeren" kunnen worden erkend als EDTC.

  HOOFDSTUK II. - Erkenningsvoorwaarden

  Art. II.5-3. § 1. De EDTC wordt opgericht onder de vorm van een vereniging zonder winstoogmerk of een gelijkwaardige rechtsvorm volgens het recht van de lidstaat van vestiging binnen de Europese Economische Ruimte.
  § 2. De rechtspersoon heeft als maatschappelijk doel :
  1° het beheer van de EDTC;
  2° het vervullen van de opdrachten van een EDTC, zoals bepaald door de wet en de codex.
  De rechtspersoon kan geen externe dienst voor preventie en bescherming op het werk zijn.
  De rechtspersoon kan technische onderzoeken of controles uitvoeren die niet in toepassing van wettelijke of reglementaire bepalingen door een EDTC moeten worden uitgevoerd, op voorwaarde dat haar onafhankelijkheid niet in het gedrang komt.
  § 3. In afwijking van § 1, kan de Minister, na gunstig advies van de Vaste Operationele Commissie, de instellingen van de Staat, de Gemeenschappen, de Gewesten, de openbare instellingen, de provincies en de gemeenten of andere instellingen die niet zijn opgericht onder de vorm van een vereniging zonder winstoogmerk erkennen.
  De Minister kan het bekomen van deze afwijking afhankelijk maken van bijzondere voorwaarden.
  § 4. De EDTC voert een boekhouding overeenkomstig de bepalingen van boek III, titel 3, hoofdstuk 2 van het Wetboek van Economisch Recht en zijn uitvoeringsbesluiten.

  Art. II.5-4. Binnen de EDTC wordt een persoon aangeduid die belast is met de leiding en het beheer van de werkzaamheden waarvoor de EDTC werd erkend en die de totale verantwoordelijkheid voor de uitvoering van deze werkzaamheden op zich neemt.
  Deze persoon, hierna directeur genoemd, moet aan volgende voorwaarden voldoen :
  1° houder zijn van een diploma van burgerlijk ingenieur. Deze voorwaarde wordt niet vereist wanneer de directeur houder is van een diploma van industrieel ingenieur en ten minste tien jaar beroepservaring heeft;
  2° beschikken over een gepaste wetenschappelijke en beroepservaring om de EDTC met de nodige deskundigheid te kunnen leiden;
  3° met de EDTC verbonden zijn door middel van een arbeidsovereenkomst van onbepaalde duur;
  4° een voltijdse activiteit uitoefenen binnen de EDTC.

  Art. II.5-5. § 1. De EDTC, de directeur en het technisch personeel mogen niet de ontwerper, de fabrikant, de leverancier, de installateur of de gebruiker zijn van de machines, installaties, arbeidsmiddelen en beschermingsmiddelen die zij controleren, noch de gemachtigde van een der genoemde personen. Zij mogen noch rechtstreeks, noch als gemachtigden van de betrokken partijen optreden bij het ontwerp, de bouw, de verkoop of het onderhoud van deze machines, installaties, arbeidsmiddelen en beschermingsmiddelen. Een eventuele uitwisseling van technische informatie tussen de fabrikant en de EDTC wordt door deze bepaling niet uitgesloten.
  § 2. De EDTC dient de controles uit te voeren met de grootste mate van beroepsintegriteit en technische bekwaamheid; het personeel van de EDTC dient vrij te zijn van elke druk en beïnvloeding, met name van financiële aard, die de beoordeling of de uitslagen van de controles kan beïnvloeden, inzonderheid van personen of groepen van personen die bij de resultaten van hun controle belang hebben.
  § 3. De EDTC dient te beschikken over het nodige personeel en moet de nodige middelen bezitten om de met de uitvoering van de controles verbonden technische en administratieve taken op passende wijze te vervullen; tevens dient de EDTC toegang te hebben tot het nodige materieel om in voorkomend geval bijzondere controles te kunnen uitvoeren.
  § 4. Het technisch personeel dient :
  1° een goede technische en beroepsopleiding te hebben genoten;
  2° in de EDTC een goede vorming en regelmatige bijscholing te ontvangen;
  3° een behoorlijke kennis te bezitten van de voorschriften betreffende de controles die zij verrichten en voldoende ervaring met deze controles;
  4° de vereiste bekwaamheid te bezitten om op grond van de verrichte controles rapporten op te stellen;
  5° met de EDTC verbonden te zijn door middel van een arbeidsovereenkomst van onbepaalde duur.
  § 5. De verklaringen, processen-verbaal en rapporten waarvan het opstellen wordt opgelegd door de wet of de codex moeten door de directeur of namens de directeur ondertekend zijn.
  § 6. De onafhankelijkheid van het personeel dient te zijn gewaarborgd. Zijn bezoldiging mag niet afhangen van het aantal controles dat het verricht, noch van de uitslagen van deze controles.
  § 7. De EDTC dient voor zichzelf en voor zijn personeel een verzekering tegen burgerlijke aansprakelijkheid te sluiten tenzij deze burgerlijke aansprakelijkheid door de Staat wordt gedekt.
  § 8. Het personeel van de EDTC is gebonden aan het beroepsgeheim ten aanzien van alles wat het bij de uitoefening van zijn taak in het kader van deze titel ter kennis is gekomen, behalve tegenover de met het toezicht belaste ambtenaren.

  Art. II.5-6. § 1. Om een erkenning te bekomen voor het uitvoeren van de controles bedoeld in artikel II.5-1, moet de EDTC het bewijs leveren dat hij beantwoordt aan de eisen gesteld in de norm NBN EN ISO/IEC 17020 "Algemene criteria voor het functioneren van verschillende instellingen die keuringen uitvoeren".
  Het in het eerste lid bedoelde bewijs wordt geleverd door een accreditatie afgeleverd door Belac of door een instelling die medeondertekenaar is van de akkoorden van wederzijdse erkenning van de "European Cooperation for Accreditation".
  § 2. De EDTC's die voor het eerst een erkenning aanvragen of de reeds in toepassing van deze titel erkende EDTC's die een uitbreiding van het toepassingsgebied van hun erkenning vragen, mogen een aanvraag indienen voor het bekomen van een voorlopige erkenning zonder te beschikken over een accreditatie bedoeld in § 1 mits het volgen van de bijzondere procedure, bedoeld in artikel II.5-20.

  Art. II.5-7. De EDTC moet bovendien over een voldoende technische bekwaamheid beschikken op het vlak van het specifieke domein waarvoor het zijn erkenning aanvraagt.

  Art. II.5-8. De EDTC's zijn ertoe gehouden vrije toegang te verlenen tot hun lokalen aan de toezichthoudende ambtenaren van de algemene directies HUA en TWW die werden belast met een onderzoek of een audit om te controleren of de werking van de EDTC in overeenstemming is met de bepalingen van deze titel en om te controleren of de erkenningsvoorwaarden zijn nageleefd. Zij zijn ertoe gehouden alle documenten en alle gegevens die nodig zijn voor het uitvoeren van de opdracht van deze ambtenaren ter beschikking te stellen.

  HOOFDSTUK III. - Werkingscriteria

  Art. II.5-9. Om zijn taak naar behoren te kunnen uitvoeren, beschikt de EDTC over de nodige apparatuur, alsook over de nodige literatuur en documentatie, bijgewerkt en aangepast aan de evolutie van wetenschap en techniek.

  Art. II.5-10. De EDTC stelt van elke controle een verslag op, dat de volgende gegevens bevat :
  1° een omschrijving van de controle met een verwijzing naar de reglementaire bepaling die deze controle oplegt;
  2° de identificatie van de werkgever voor wie de controle werd uitgevoerd;
  3° de naam van het personeelslid dat de controle heeft uitgevoerd;
  4° een identificatienummer;
  5° de datum van de controle.
  De Minister kan het model vaststellen waaraan een verslag moet beantwoorden.

  Art. II.5-11. In elk verslag wordt duidelijk vermeld welke de conclusies van de controle zijn en welke maatregelen het bedrijf eventueel moet uitvoeren. Tevens wordt in het verslag vermeld voor welke datum de volgende controle moet plaatsvinden.

  Art. II.5-12. Indien een werkgever voor een controle een beroep doet op een EDTC en deze laatste de controle niet kan uitvoeren voor het ogenblik vastgesteld krachtens de wettelijke bepalingen, deelt de dienst dit mee aan de werkgever binnen een termijn van tien dagen die voorafgaat aan de laatste dag waarop de controle normaal had moeten worden uitgevoerd. De werkgever deelt dit feit onverwijld mee aan het Comité.

  Art. II.5-13. § 1. De EDTC moet de controles waarvoor hij erkend is zelf uitvoeren. Uitbesteding is slechts toegelaten in uitzonderlijke gevallen of voor het uitvoeren van deeltaken van controles die een bijzondere vaardigheid vereisen.
  § 2. Bij de aanvraag tot erkenning deelt de EDTC uitdrukkelijk mee welke deeltaken van controles worden uitbesteed. De identiteit en de kwalificaties van de onderaannemers en de modaliteiten van de contracten van onderaanneming worden meegedeeld bij de aanvraag tot erkenning.
  § 3. De EDTC brengt de werkgever op de hoogte van elke uitbesteding. De uitbesteding moet voor de werkgever aanvaardbaar zijn.

  Art. II.5-14. De EDTC's zijn ertoe gehouden de schriftelijke instructies na te leven die hun door de leidend ambtenaar HUA worden gegeven voor het uitvoeren van de keuringen waarvoor ze erkend zijn.

  Art. II.5-15. De erkende EDTC's zijn ertoe gehouden aan de algemene directie HUA de volgende inlichtingen te verstrekken :
  1° elke wijziging van de statuten van de EDTC;
  2° elke organisatorische of technische wijziging die van aard is de naleving van de erkenningsvoorwaarden te beïnvloeden;
  3° elke vervanging van de directeur;
  4° de lijst van de technische personeelsleden met aanduiding van hun kwalificatie alsook elke wijziging van deze lijst;
  5° een beknopt driemaandelijks verslag betreffende de in het kader van hun erkenning uitgevoerde controles;
  6° een jaarlijks gedetailleerd verslag omvattende een financieel verslag en een verslag van de activiteiten van het voorbije jaar;
  7° elke intrekking of wijziging van de onder artikel II.5-6, § 1, bedoelde accreditatie;
  8° elke aanvraag tot uitbreiding van de in artikel II.5-6, § 1, bedoelde accreditatie;
  9° elke wijziging betreffende de onderaanneming bedoeld in artikel II.5-13 en elke occasionele onderaanneming.

  Art. II.5-16. De EDTC's zijn ertoe gehouden, op aanvraag van de leidend ambtenaar HUA, iedere informatie te verstrekken die betrekking heeft op de activiteiten en de werking van de EDTC of die van belang is voor het toezicht op de naleving van de bepalingen van deze titel en van de andere reglementaire bepalingen in toepassing waarvan zij erkend zijn, inzonderheid informatie over de tijd die de controles in beslag hebben genomen.

  HOOFDSTUK IV. - Erkenningsprocedure

  Art. II.5-17. § 1. De aanvraag tot erkenning of tot hernieuwing van de erkenning wordt gericht aan de algemene directie HUA.
  § 2. De erkenningsaanvraag vermeldt duidelijk op welke controles zij betrekking heeft.
  § 3. Bij de aanvraag dienen de volgende stukken gevoegd :
  1° het afschrift van het diploma van de directeur; in geval van gegronde twijfel over de waarachtigheid van de voorgelegde of opgestuurde kopie van dit document dient de in artikel 508, § 2 en § 3, van de programmawet van 22 december 2003 voorziene procedure te worden nageleefd;
  2° een recent bewijs van goed gedrag en zeden van de directeur;
  3° het curriculum vitae van de directeur;
  4° het afschrift van de statuten van het organisme;
  5° het afschrift van het bewijs van de accreditatie, bedoeld in artikel II.5-6, § 1; in geval van gegronde twijfel over de waarachtigheid van de voorgelegde of opgestuurde kopie van dit document dient de in artikel 508, § 2 en § 3, van de programmawet van 22 december 2003 voorziene procedure te worden nageleefd;
  6° een verklaring dat de burgerlijke aansprakelijkheid van de EDTC zal worden gedekt door een verzekeringscontract;
  7° een verklaring waarbij de EDTC de verbintenis aangaat de bepalingen van deze titel na te leven.
  In voorkomend geval worden bij de aanvraag eveneens de inlichtingen bedoeld in artikel II.5-13 gevoegd.

  Art. II.5-18. De erkenningsaanvraag wordt onderzocht door de algemene directie HUA. Dit onderzoek is gesteund op de bij het aanvraagdossier gevoegde stukken alsook op elk nodig geacht onderzoek ter plaatse.

  Art. II.5-19. § 1. De algemene directie HUA brengt binnen de zestig dagen na de vaststelling van de volledigheid van het dossier advies uit over de aanvraag bij de Minister.
  De Minister neemt een beslissing waarbij de erkenning :
  - ofwel wordt verleend;
  - ofwel gedeeltelijk wordt verleend;
  - ofwel wordt verleend voor een beperkte duur;
  - ofwel wordt geweigerd.
  De erkenning wordt verleend wanneer aan de erkenningsvoorwaarden, bedoeld in hoofdstuk II van deze titel, is voldaan.
  De erkenning wordt gedeeltelijk verleend ingeval de erkenningsaanvraag betrekking heeft op een domein dat het materieel toepassingsgebied van de accreditatie, bedoeld in artikel II.5-6, § 1, overstijgt. In dat geval wordt de erkenning beperkt tot het uitvoeren van controles bedoeld in artikel II.5-1, behorend tot het materieel toepassingsgebied van de accreditatie.
  De erkenning wordt verleend voor een beperkte duur van drie jaar ingeval de erkenningsaanvraag uitgaat van een EDTC die voor het eerst een erkenning aanvraagt of de reeds in toepassing van deze titel erkende EDTC's die een uitbreiding van het toepassingsgebied van hun erkenning vragen, wanneer de verleende accreditatie bedoeld in artikel II.5-6, § 1, onduidelijkheid laat bestaan over de voldoende technische bekwaamheid, bedoeld in artikel II.5-7.
  De erkenning wordt geweigerd wanneer aan de erkenningsvoorwaarden, bedoeld in hoofdstuk II van deze titel, niet is voldaan.
  § 2. Wanneer de Minister een erkenning verleent, verwittigt de algemene directie HUA de EDTC met een ter post aangetekende brief.
  De algemene directie HUA brengt eveneens de Vaste Operationele Commissie op de hoogte van de erkenning.
  § 3. Wanneer de Minister beslist de erkenning niet of slechts gedeeltelijk te verlenen, wordt deze beslissing bij een ter post aangetekende brief en met opgave van de redenen meegedeeld aan de EDTC. De ter post aangetekende brief wordt geacht ontvangen te zijn op de derde werkdag na de afgifte van de brief aan de post.
  De algemene directie HUA brengt eveneens de Vaste Operationele Commissie op de hoogte van de beslissing van de Minister.
  De EDTC beschikt over dertig dagen te rekenen vanaf de ontvangst van de brief om aan de algemene directie HUA zijn bezwaren mee te delen.
  De algemene directie HUA maakt het dossier binnen de zestig dagen na ontvangst van de bezwaren over aan de Vaste Operationele Commissie die bij de Minister advies uitbrengt over de aanvraag.
  De Minister neemt een beslissing. Deze beslissing wordt aan de EDTC meegedeeld bij een ter post aangetekende brief.

  Art. II.5-20. De EDTC's bedoeld in artikel II.5-6, § 2 mogen de hierna vermelde bijzondere erkenningsprocedure volgen :
  1° de aanvraag tot erkenning wordt gericht aan de Minister;
  2° de erkenningsaanvraag vermeldt duidelijk op welke controles zij betrekking heeft;
  3° bij de aanvraag dienen de in artikel II.5-17, § 3 vermelde stukken gevoegd, met uitzondering van deze over de accreditatie, alsook een verklaring waarbij zij de verbintenis aangaan de bepalingen betreffende de werkingscriteria na te leven, artikel II.5-15, 7° en 8° uitgezonderd;
  4° de aanvragen worden onderzocht door de algemene directie HUA op basis van de bij de aanvraag gevoegde stukken alsook op basis van elk nodig geacht onderzoek.
  Om te oordelen of de EDTC over personeel beschikt met een voldoende technische bekwaamheid in het gebied waarop de aanvraag betrekking heeft, kan de algemene directie HUA audits laten uitvoeren door eigen deskundigen.
  De leidend ambtenaar HUA kan eveneens van de aanvrager eisen dat de resultaten van een preaudit, uitgevoerd door een accreditatieinstelling, worden voorgelegd.
  5° de algemene directie HUA brengt verslag uit bij de Vaste Operationele Commissie. Deze commissie onderzoekt de aanvraag en brengt advies uit bij de Minister. De Minister neemt een beslissing waarbij de erkenning al dan niet wordt verleend. Deze beslissing wordt bij een ter post aangetekende brief en met opgave van de redenen medegedeeld aan de EDTC;
  6° de aldus verleende erkenning blijft geldig voor een periode van drie jaar. Zes maanden vóór het verstrijken van die periode moet een erkenningsaanvraag gebeuren overeenkomstig de bepalingen van de artikelen II.5-17, II.5-18 en II.5-19.

  Art. II.5-21. Het aantal EDTC's kan beperkt worden rekening houdend onder meer met de behoeften van de markt, de zorg de onderaanneming op een zo laag mogelijk peil te houden en met de noodzaak te beschikken over EDTC's waarvan het volume van de activiteiten voldoende is om een optimale ontwikkeling van de verworven ervaring en van de uitrusting toe te laten. Over deze aangelegenheden wordt regelmatig de Vaste Operationele Commissie geraadpleegd.

  Art. II.5-22. Voor de controles van elektrische installaties gelden de bepalingen van deze titel niet, wanneer het AREI een andere erkenningsprocedure voorziet.

  HOOFDSTUK V. - De Vaste Operationele Commissie

  Art. II.5-23. De Vaste Operationele Commissie heeft als opdracht :
  1° advies te geven over het erkennen van EDTC's in toepassing van artikel II.5-20;
  2° advies te verlenen bij beroepen van EDTC's waarvan de erkenningsaanvraag werd geweigerd of gedeeltelijk geweigerd overeenkomstig artikel II.5-19 en bij beroepen tegen de beslissingen bedoeld in de artikelen II.5-24, II.5-25, II.5-26 en II.5-27;
  3° advies te verlenen in aangelegenheden bedoeld in artikel II.5-21;
  4° de werking van de EDTC te evalueren.

  HOOFDSTUK VI. - Toezicht en sancties

  Art. II.5-24. Indien de met het toezicht belaste ambtenaren vaststellen dat de EDTC niet meer voldoet aan één van de bepalingen van de artikelen II.5-3, II.5-4 en II.5-5 betreffende de erkenningsvoorwaarden of indien zij vaststellen dat de EDTC niet voldoet aan de verplichtingen die voortvloeien uit de werkingscriteria, kunnen zij een termijn vaststellen binnen welke de EDTC zich in regel moet stellen. De leidend ambtenaar HUA brengt de accrediteringsinstantie van de betrokken EDTC op de hoogte van al de punten die relevant zijn voor de accreditatie.

  Art. II.5-25. § 1. Indien de EDTC zich niet in regel heeft gesteld na verloop van de in artikel II.5-24 bedoelde termijn, kan de Minister, op grond van een omstandig verslag van de met het toezicht belaste ambtenaar beslissen tot :
  1° hetzij het beperken van de erkenning tot de opdrachten die het voorwerp zijn van de bestaande overeenkomsten voor een periode die hij vaststelt;
  2° hetzij het verlenen van een voorlopige erkenning van zes maanden, eenmaal hernieuwbaar, waarbij de oorspronkelijke erkenning wordt geschorst;
  3° hetzij het intrekken van de erkenning.
  Indien de EDTC, bij het verstrijken van de periode bedoeld in het eerste lid, 1° of bij het einde van de voorlopige erkenning bedoeld in het eerste lid, 2° het bewijs levert dat hij voldoet aan de bepalingen van deze titel, heeft de oorspronkelijke erkenning opnieuw uitwerking tot aan het verstrijken van de voorziene termijn. In het andere geval kan de Minister hetzij de oorspronkelijke erkenning intrekken, hetzij de beperking zoals bedoeld in het eerste lid, 1° definitief opleggen, hetzij de oorspronkelijke erkenning beperken tot enkel de opdrachten die het voorwerp zijn van de vóór de periode van schorsing bedoeld in het eerste lid, 2° bestaande overeenkomsten.
  De beslissingen genomen in uitvoering van het eerste en tweede lid worden, met opgave van de redenen, aan de betrokken EDTC betekend bij een ter post aangetekende brief. De Vaste Operationele Commissie wordt eveneens van deze beslissing op de hoogte gesteld.
  De accreditatieinstelling van de betrokken EDTC wordt op de hoogte gesteld van de beslissingen genomen in uitvoering van het eerste en tweede lid.
  § 2. Indien gedurende een periode van drie jaar te rekenen vanaf de erkenning, uit het jaarlijks activiteitenverslag bedoeld in artikel II.5-15 blijkt dat de EDTC geen enkele activiteit heeft uitgeoefend in het domein waarop zijn erkenning betrekking heeft of dat deze activiteit verwaarloosbaar is, vervalt de erkenning ambtshalve.

  Art. II.5-26. De erkenning vervalt ambtshalve indien de in artikel II.5-6 bedoelde accreditatie door de accrediteringsinstantie werd ingetrokken of niet werd hernieuwd. De intrekking van de erkenning treedt in voege wanneer, na verloop van de procedure die volgt uit het door de EDTC bij de accreditatieinstelling eventueel ingediend beroep, deze instelling de intrekking of niet hernieuwing van de accreditatie bevestigt.

  Art. II.5-27. De erkenning vervalt ambtshalve, indien de EDTC weigert de bepalingen van artikel II.5-16 na te leven.

  Art. II.5-28. § 1. De beslissingen genomen in uitvoering van de bepalingen van de artikelen II.5-24 en II.5-25, § 1 worden, met opgave van de redenen, aan de betrokken EDTC medegedeeld bij een ter post aangetekende brief.
  Indien de beslissing de schorsing of de intrekking van de erkenning als gevolg heeft, treedt zij in werking drie maanden na de datum van ontvangst van de beslissing.
  De accrediteringsinstantie van de betrokken EDTC en de Vaste Operationele Commissie worden op de hoogte gebracht van deze beslissingen.
  § 2. De EDTC beschikt over dertig dagen te rekenen vanaf de ontvangst van de brief om zijn bezwaren kenbaar te maken bij de Minister. Dit beroep is schorsend.
  § 3. De bezwaren worden onderzocht door de Vaste Operationele Commissie die advies verstrekt aan de Minister.
  De beslissing tot schorsing of intrekking wordt door de Minister bevestigd of vernietigd en bij een ter post aangetekende brief en met opgave van de redenen aan de EDTC overgemaakt.
  In geval van bevestiging treedt de schorsing of intrekking in werking drie maanden na de datum van de beslissing tot bevestiging.
  § 4. De bij dit artikel bedoelde aangetekende brieven worden geacht te zijn ontvangen de derde werkdag na de afgifte van de brief aan de post.

  TITEL 6. - LABORATORIA

  Art. II.6-1. Voor de toepassing van deze titel, wordt verstaan onder :
  1° laboratorium : laboratorium of dienst;
  2° meting van de verontreiniging van de atmosfeer van de arbeidsplaatsen : de monsterneming, de analyse en de berekening van het resultaat voor de stoffen of groepen van stoffen die in de atmosfeer van de arbeidsplaatsen kunnen voorkomen;
  3° analyse van industriële producten : analyse van stoffen of groepen van stoffen die kunnen voorkomen in op de arbeidsplaatsen aanwezige producten;
  4° meting van fysische agentia : de registrering, de meting en de analyse van op de arbeidsplaatsen aanwezige fysische agentia.

  Art. II.6-2. De laboratoria en diensten bedoeld in artikel l48decies, 1, § 6, tweede lid, ARAB en in artikel 64nonies, tweede lid, van het besluit van de Regent van 25 september l947 houdende algemeen reglement betreffende de maatregelen op gebied van hygiëne en gezondheid der werknemers in de mijnen, ondergrondse groeven en graverijen, worden door de Minister erkend overeenkomstig de bij deze titel vastgelegde voorwaarden.
  Enkel de ter uitvoering van deze titel erkende laboratoria mogen de benaming : "Laboratorium erkend door de Minister van Werk" dragen.
  De erkenning wordt enkel verleend voor de verrichtingen, stoffen, groepen van stoffen en fysische agentia die vermeld staan in het erkenningsbesluit.

  Art. II.6-3. De erkenningsaanvraag wordt bij ter post aangetekend schrijven gericht aan de Minister.
  De erkenningsaanvraag moet vergezeld gaan van de volgende inlichtingen en documenten :
  1° de naam, voornaam, hoedanigheid en het adres van de aanvrager en, indien deze een rechtspersoon is, een afschrift van de oprichtingsakte van de vennootschap of van de statuten van de vereniging alsook de naam, voornamen, hoedanigheid en het adres van de personen die met het beheer belast zijn;
  2° de lijst van de verrichtingen waarvoor de erkenning wordt gevraagd :
  a) meting van de verontreiniging van de atmosfeer van de arbeidsplaatsen met opsomming van de stoffen of groepen van stoffen;
  b) analyse van industriële producten met opsomming van de stoffen of groepen van stoffen;
  c) meting van fysische agentia met opsomming van die agentia;
  3° de volledige personeelslijst met vermelding van de namen, voornamen, kwalificaties en functies, vergezeld van de afschriften van de diploma's van de persoon bedoeld in artikel II.6-10, § 3, en van de leidende personeelsleden. In geval van gegronde twijfel over de waarachtigheid van de voorgelegde of opgestuurde kopie van deze laatste documenten dient de in artikel 508, § § 2 en 3, van de programmawet van 22 december 2003 voorziene procedure te worden nageleefd;
  4° de volledige beschrijving van de lokalen (plan en uitrusting) en van de aanwezige wetenschappelijke apparatuur;
  5° een beschrijving van de aanwezige wetenschappelijke literatuur en documentatie.

  Art. II.6-4. De Minister of de leidend ambtenaar HUA mag, wanneer hij dit nuttig acht, van de aanvrager eisen dat hij hem alle andere bijkomende documenten en informatie geeft.

  Art. II.6-5. Elke wijziging die gedurende de erkenningsperiode wordt aangebracht aan de inlichtingen bedoeld in de punten 1°, 3° en 4° van artikel II.6-3 wordt zonder verwijl medegedeeld aan de Minister of aan de leidend ambtenaar HUA.

  Art. II.6-6. De erkenning wordt verleend voor een duur van maximum 10 jaar.
  De vraag om vernieuwing van de erkenning wordt ingediend ten laatste zes maanden voor het verstrijken van de termijn van de erkenning, overeenkomstig de bepalingen van artikel II.6-3.

  Art. II.6-7. De erkenning van de laboratoria wordt slechts verleend, indien de personen die met het beheer belast zijn zich ertoe verbinden de volgende verplichtingen na te komen :
  1° toegang tot het laboratorium verlenen aan de met het toezicht belaste ambtenaren;
  2° de met het toezicht belaste ambtenaren alle documenten en nuttige gegevens die getuigen van het nakomen van de erkenningsvoorwaarden en de uitrustings- en werkingsvoorwaarden vastgesteld door deze titel, laten opvragen en nakijken;
  3° indien nodig, aan de met het toezicht belaste ambtenaren de documenten of een afschrift ervan die de controle moeten mogelijk maken, ter hand stellen;
  4° de met het toezicht belaste ambtenaren toelaten de uitvoering van de opdrachten die aan het laboratorium in uitvoering van deze titel zijn toevertrouwd, te verifiëren;
  5° aan de met het toezicht belaste ambtenaren alle inlichtingen mededelen betreffende de technieken en uitslagen van de toegepaste werkmethoden, alsmede de conclusie van de verrichte analysen en controles.

  Art. II.6-8. Wanneer niet is voldaan aan één of meer uitrustings- of werkingsvoorwaarden bepaald in artikel II.6-10, stellen de met het toezicht belaste ambtenaren een termijn vast om het betrokken laboratorium in staat te stellen deze na te leven.
  Moeilijkheden of problemen van technische aard waarmee de toepassing van deze titel mocht gepaard gaan, worden beslecht door de met het toezicht belaste ambtenaren.

  Art. II.6-9. De erkende laboratoria staan onder het toezicht van de algemene directie TWW.

  Art. II.6-10. § 1. De laboratoria die de erkenning vragen moeten beantwoorden aan de uitrustings- en werkingscriteria vermeld in § 2 tot § 6.
  § 2. De vorm van de vennootschap of van de vereniging mag het laboratorium niet verhinderen zijn activiteiten in volledige onafhankelijkheid ten opzichte van de klanten uit te voeren.
  § 3. Het laboratorium wordt geleid door een persoon die de nodige wetenschappelijke en technische bekwaamheden bezit en die volledig onafhankelijk staat ten opzichte van de ondernemingen waar het laboratorium moet optreden.
  Het beschikt over voldoende gekwalificeerd personeel om de taken die hem werden toevertrouwd tot een goed einde te brengen. De persoon die het laboratorium leidt en alle personeelsleden mogen rechtstreeks noch onrechtstreeks belangen hebben in de ondernemingen waarop die werkzaamheden betrekking hebben.
  De persoon die het laboratorium leidt en alle personeelsleden zijn strikt gebonden door het beroepsgeheim, zelfs na het beëindigen van hun functies, wat de vertrouwelijke gegevens betreft die zij moeten inwinnen betreffende de industriële installaties, de fabricageprocédés, de samenstelling van de aangewende, gebruikte of gefabriceerde producten en betreffende alle andere aangelegenheden in verband met de organisatie of de toestand van de ondernemingen waar zij opdrachten uitvoerden.
  § 4. Het laboratorium beschikt over de nodige lokalen, aangepast aan de activiteiten waarvoor het erkend werd en ingericht overeenkomstig de van kracht zijnde reglementaire bepalingen betreffende veiligheid en hygiëne van het werk en bescherming van het leefmilieu.
  § 5. Het beschikt over de nodige wetenschappelijke apparatuur.
  § 6. Het beschikt over adequate wetenschappelijke en technische documentatie bijgewerkt en aangepast aan de evolutie van wetenschap en techniek.

  Art. II.6-11. § 1. De erkende laboratoria moeten beantwoorden aan de werkingscriteria vermeld in § 2 tot § 7.
  § 2. De metingen, monsternemingen en analyses worden binnen een aanvaardbare termijn uitgevoerd. Indien dit niet mogelijk blijkt, dient dit aan de klant te worden medegedeeld.
  § 3. Wanneer blijkt dat de metingen, monsternemingen of analysen niet correct werden uitgevoerd of tot geen besluit hebben geleid worden ze zonder bijkomende kosten voor de klant herdaan of aangevuld.
  § 4. Het laboratorium aanvaardt een door de algemene directie TWW georganiseerde externe controle over de kwaliteit van zijn analysen en verleent er zijn medewerking aan. Die externe controle kan er onder meer in bestaan deel te nemen aan het maken van vergelijkingen tussen de laboratoria, proefmonsters te analyseren en gebruik te maken van standaarden of referentiemateriaal.
  § 5. Het laboratorium stemt ermee in, wanneer de Minister of de leidend ambtenaar HUA zulks eist, zich met het oog op de erkenning te onderwerpen aan een proeftijd tijdens welke het de in § 3 bedoelde externe controle aanvaardt.
  § 6. Het laboratorium past de Europese Norm EN ISO 17025 toe.
  § 7. Het stelt elk jaar een verslag op over de geleverde prestaties.
  Het jaarverslag bevat met name de navolgende gegevens voor elke prestatie :
  a) de naam en het adres van de onderneming waarvoor metingen of analysen of monsternemingen werden verricht;
  b) de aard van de geleverde prestaties met vermelding van de datum van die prestaties en de datum en het nummer van het verslag bedoeld in artikel II.6-12, § 5 of artikel II.6-13, § 4;
  c) de naam van de persoon onder wiens verantwoordelijkheid de prestaties geleverd werden.
  Het jaarverslag vermeldt eveneens de eventuele wijzigingen die werden aangebracht aan de structuur van de vennootschap of de vereniging, aan de personeelsformatie en de voornaamste aankopen van wetenschappelijke apparatuur bedoeld in artikel II.6-3, tweede lid, 4°.
  Het jaarverslag wordt naar de algemene directie TWW gestuurd ten laatste op 1 maart van het jaar dat volgt op dat waar het betrekking op heeft.

  Art. II.6-12. § 1. De laboratoria die erkend zijn voor de meting van de verontreiniging van de arbeidsplaatsen en de analyses van industriële producten beantwoorden aan specifieke criteria bedoeld in § 2 tot § 5.
  § 2. Bij de metings- en analyseverrichtingen wordt de voorkeur gegeven aan achtereenvolgens referentiemethoden, genormaliseerde methoden en methoden die gepubliceerd worden door de in die materie onderlegde instellingen of laboratoria.
  § 3. De meting van de luchtverontreiniging behelst de monsterneming, de analyses en de berekening van het resultaat.
  Het erkende laboratorium voert alle fasen van de verrichtingen zelf uit en houdt er toezicht op. Wanneer dat niet het geval is, kan de meting niet worden aangezien als een meting uitgevoerd door een erkend laboratorium.
  § 4. Alle ter zake dienende gegevens worden gedurende de monsterneming en de analyse opgeschreven en blijven op dusdanige wijze bewaard dat een externe controle, zowel op het verloop van de verrichtingen als op de wijze waarop de resultaten bekomen werden, mogelijk is.
  Die gegevens blijven gedurende ten minste vijf jaar bewaard en worden ter beschikking gehouden van de met het toezicht belaste ambtenaar.
  § 5. Het laboratorium levert aan de klant een verslag af dat op zijn minst de hiernavolgende gegevens bevat :
  a) voor de analyse van industriële producten :
  - de naam en de hoedanigheid van de persoon die de monsters genomen heeft en ze aan het laboratorium heeft toevertrouwd;
  - de volledige identificatie van de monsters.
  b) voor de meting van de verontreiniging van de atmosfeer van de arbeidsplaatsen :
  - de naam en de hoedanigheid van de persoon die de monsters genomen heeft en ze aan het laboratorium heeft toevertrouwd;
  - in geval van stationaire monsterneming : de plaats; in geval van persoonlijke monsterneming : de functie van de bemonsterde werknemer;
  - de beschrijving van de monsternemingsapparatuur; de datum; de omstandigheden waaronder de monsterneming plaats had; het aanvangs- en eindtijdstip van de monsterneming;
  c) voor de onder a) en b) vermelde punten :
  - het analyseverslag dat de gebruikte methode en ook de resultaten van de metingen vermeldt.
  De klant krijgt, zo nodig, bijkomende inlichtingen ten einde de in de punten a) en b) vermelde metingen correct te kunnen interpreteren.

  Art. II.6-13. § 1. De laboratoria die erkend zijn voor de meting van fysische agentia beantwoorden aan specifieke criteria bedoeld in § 2 tot § 4.
  § 2. Het erkend laboratorium maakt bij voorkeur gebruik achtereenvolgens van referentiemethoden, genormaliseerde methoden en methoden die gepubliceerd worden door in die materie onderlegde instellingen of laboratoria.
  § 3. Het bewaart gedurende ten minste vijf jaar de grafische registrering die op de arbeidsplaatsen werd verricht en houdt die ter beschikking van de met het toezicht belaste ambtenaar.
  § 4. Het levert aan de klant een verslag af dat op zijn minst de navolgende gegevens bevat :
  a) de naam en de hoedanigheid van de persoon die de metingen heeft gedaan;
  b) in geval van stationaire monsterneming : de plaats; in geval van individuele monsterneming : de functie van de bemonsterde werknemer;
  c) de omstandigheden waaronder de metingen werden verricht en het aanvangs- en eindtijdstip van de metingen;
  d) de gebruikte methode en de resultaten van de metingen alsmede, zo nodig, bijkomende inlichtingen die een correcte interpretatie van de metingen toelaten.

  Art. II.6-14. De Minister kan de aan een laboratorium verleende erkenning intrekken :
  1° wanneer herhaaldelijk fouten werden vastgesteld in de metingen en analysen verricht op vraag van opdrachtgevers of bij externe controles;
  2° wanneer, bij het verstrijken van de door de met het toezicht belaste ambtenaar gestelde termijn om zich te schikken naar de in artikel II.6-10 gestelde uitrustings- en werkingscriteria, het nog steeds niet voldoet aan die criteria;
  3° wanneer het in zijn hoedanigheid van erkend laboratorium metingen, monsternemingen en analysen levert waarvoor het niet werd erkend en dit niet expliciet in het verslag aan de klant vermeldt.
  De beslissing tot intrekking van de erkenning wordt met redenen omkleed. Ze wordt slechts genomen nadat het betrokken laboratorium is gehoord, minstens behoorlijk opgeroepen. De intrekking heeft uitwerking op de laatste dag van de maand volgend op die gedurende welke ze aan het laboratorium bij aangetekende brief werd meegedeeld.

  TITEL 7. - COMITES VOOR PREVENTIE EN BESCHERMING OP HET WERK

  HOOFDSTUK I. - Definities

  Art. II.7-1. Voor de toepassing van de hoofdstukken II en III van deze titel wordt onder Comité verstaan : het Comité voor Preventie en Bescherming op het Werk, bij ontstentenis van een comité, de vakbondsafvaardiging, en, bij ontstentenis van een vakbondsafvaardiging, de werknemers zelf, overeenkomstig de bepalingen van artikel 53 van de wet.
  In afwijking van artikel I.1-3, 14° wordt voor de toepassing van de hoofdstukken IV en V van deze titel onder Comité verstaan : het Comité voor Preventie en Bescherming op het Werk.

  HOOFDSTUK II. - Opdrachten van het Comité

  Art. II.7-.2.In toepassing van artikel 65 van de wet heeft het Comité inzonderheid als opdracht adviezen uit te brengen en voorstellen te formuleren omtrent het beleid inzake het welzijn van de werknemers bij de uitvoering van hun werk, omtrent het globaal preventieplan en het jaaractieplan opgesteld door de werkgever, de wijzigingen, de uitvoering en de resultaten ervan.
  Het Comité wordt tevens betrokken bij het beheer en de werkzaamheden van het departement belast met het medisch toezicht van de interne dienst door ten minste tweemaal per jaar, met een tijdsverloop van maximaal zes maanden, hieraan aandacht te besteden op grond van een verslag dat hiertoe door de [1 preventieadviseur-arbeidsarts]1 wordt opgesteld.
  ----------
  (1)<KB 2019-05-14/07, art. 1, 008; Inwerkingtreding : 21-06-2019>

  Art. II.7-3. Het Comité brengt een voorafgaand advies uit over :
  1° alle voorstellen, maatregelen en toe te passen middelen, die rechtstreeks of onrechtstreeks, meteen of na verloop van tijd, gevolgen kunnen hebben voor het welzijn van de werknemers bij de uitvoering van hun werk;
  2° de planning en invoering van nieuwe technologieën, wat betreft de gevolgen voor het welzijn van de werknemers bij de uitvoering van hun werk, verbonden aan de keuzen inzake uitrusting, de arbeidsomstandigheden en de invloed op de omgevingsfactoren op het werk, met uitzondering van die gevolgen waarop een collectieve arbeidsovereenkomst van toepassing is, die in gelijkwaardige waarborgen voorziet;
  3° de keuze of de vervanging van een EDTC en andere instellingen en deskundigen;
  4° de keuze of de verandering van de diensten waarop een beroep wordt gedaan in toepassing van de arbeidsongevallenwetten;
  5° elke maatregel die overwogen wordt om de technieken en de arbeidsvoorwaarden aan de mens aan te passen en om de beroepsvermoeidheid te voorkomen;
  6° de specifieke maatregelen voor de inrichting van de arbeidsplaats teneinde, in voorkomend geval, rekening te houden met de tewerkgestelde mindervalide werknemers;
  7° de keuze, de aankoop, het onderhoud en het gebruik van arbeidsmiddelen en PBM en CBM;
  8° de andere elementen van de arbeidsorganisatie, de arbeidsinhoud, de arbeidsvoorwaarden, de arbeidsomstandigheden en de interpersoonlijke relaties op het werk die aanleiding kunnen geven tot psychosociale risico's op het werk.

  Art. II.7-4. Het Comité geeft zijn voorafgaand akkoord in de gevallen bepaald door de verschillende wetten en uitvoeringsbesluiten ervan.

  Art. II.7-5. Het Comité is ermee belast in de hem eigen domeinen de propagandamiddelen en de maatregelen in verband met het onthaal van de werknemers, de informatie en de opleiding op het vlak van de preventie en bescherming op het werk uit te werken en in toepassing te brengen.

  Art. II.7-6. Het Comité stimuleert de activiteiten van de interne dienst en volgt de werking van de interne dienst op.

  Art. II.7-7. Het Comité onderzoekt de door de werknemers geuite klachten met betrekking tot het welzijn op het werk, evenals de klachten die betrekking hebben op de manier waarop de diensten, waarop in toepassing van de arbeidsongevallenwetten een beroep wordt gedaan, hun opdracht vervullen.

  Art. II.7-8. Het Comité werkt voorstellen uit om de arbeidsplaats en de omgeving ervan te verfraaien.

  Art. II.7-9. Het Comité verleent, op vraag van de met het toezicht belaste ambtenaren, zijn medewerking aan deze ambtenaren.

  Art. II.7-10. Het Comité draagt bij tot de toepassing van het dynamisch risicobeheersingssysteem door sommige van zijn leden werkgevers en werknemers af te vaardigen om samen met de bevoegde preventieadviseur en het bevoegde lid van de hiërarchische lijn, periodiek en ten minste éénmaal per jaar een grondig onderzoek in te stellen op al de arbeidsplaatsen waarvoor het Comité bevoegd is.

  Art. II.7-11. Het Comité wijst een afvaardiging aan die zich onmiddellijk ter plaatse begeeft, wanneer er ernstige risico's zijn, waarbij de schade dreigend is en telkens er een ernstig ongeval of incident gebeurd is, of wanneer ten minste een derde van de werknemersafvaardiging in het Comité er om verzoekt.

  Art. II.7-12. Het Comité wijst een afvaardiging aan om de met het toezicht belaste ambtenaren te woord te staan bij hun toezichtsbezoeken.

  Art. II.7-13. Het Comité vervult bovendien alle andere opdrachten die door specifieke bepalingen aan hem worden toevertrouwd.

  HOOFDSTUK III.-. Verplichtingen van de werkgever

  Art. II.7-14. De werkgever is er toe gehouden aan het Comité alle nodige informatie te verstrekken opdat het met volkomen kennis van zaken advies zou kunnen uitbrengen.
  Hij stelt een documentatie samen betreffende de vraagstukken inzake het welzijn van de werknemers bij de uitvoering van hun werk, het intern en extern milieu, waarvan de inhoud is bepaald in bijlage II.1-1, en houdt deze ter beschikking van het Comité.
  Daartoe moeten de leden van het Comité op de hoogte worden gebracht en kennis kunnen krijgen van alle al dan niet door de arbeids- of milieureglementering opgelegde inlichtingen, verslagen, adviezen en documenten die verband houden met het welzijn van de werknemers bij de uitvoering van hun werk, het intern of extern milieu.
  Dit geldt inzonderheid voor de inlichtingen, verslagen, adviezen en documenten die de eigen onderneming in toepassing van de milieureglementering aan de overheid dient te verschaffen of ter beschikking dient te houden.
  Dit geldt eveneens voor de inlichtingen, verslagen, adviezen en documenten die derde ondernemingen ter gelegenheid van hun aanvraag voor een vergunning openbaar dienen te maken, indien en voor zover de werkgever ten opzichte van die documenten een inzagerecht kan doen gelden.
  Dit geldt bovendien voor de wijzigingen aangebracht aan de fabricageprocédés, de werkmethodes of de installaties als ze de bestaande risico's voor het welzijn van de werknemers, het intern of het extern milieu kunnen verzwaren of er nieuwe kunnen vormen, evenals bij de aanwending of fabricage van nieuwe producten.
  Bovendien houdt de werkgever de bestelbon, de leveringsdocumenten en het indienststellingsverslag die betrekking hebben op de keuze, de aankoop en het gebruik van arbeidsmiddelen en PBM en CBM ter inzage van het Comité en legt hij regelmatig een verslag of overzicht ter bespreking voor aan het Comité.
  De informatie bedoeld in het eerste lid bevat inzonderheid de informatie betreffende de producten die de werkgever heeft geregistreerd of genotificeerd, of naar aanleiding waarvan hij een registratie- of kennisgevingsnummer heeft ontvangen in het kader van het koninklijk besluit van 27 mei 2014 betreffende het op de markt brengen van stoffen geproduceerd in nanoparticulaire toestand. Deze informatie betreft eveneens informatie over de in artikel 1 van voormeld besluit bedoelde producten waarvoor in toepassing van een specifieke regelgeving een kennisgeving of toelating moet gebeuren voor wat betreft de aanwezigheid van nanomaterialen.

  Art. II.7-15. De werkgever verstrekt aan het Comité alle nodige informatie betreffende de risico's voor het welzijn op het werk, evenals de beschermings- en preventiemaatregelen, zowel voor de organisatie in haar geheel als op het niveau van elke groep van werkposten of functies evenals alle nodige informatie betreffende de maatregelen genomen met betrekking tot de eerste hulp, de brandbestrijding en de evacuatie van werknemers.
  De werkgever verstrekt bovendien alle nodige informatie betreffende de evaluatie van de risico's en de beschermende maatregelen, in het kader van het dynamisch risicobeheersingssysteem en het globaal preventieplan.

  Art. II.7-16. De werkgever verzorgt jaarlijks op een vergadering van het Comité een omstandige toelichting met betrekking tot het door de onderneming gevoerde milieubeleid.
  Hij bezorgt aan het Comité tevens de toelichtingen waarnaar een lid van het Comité met betrekking tot externe milieuaangelegenheden zou hebben gevraagd.

  Art. II.7-17. De werkgever geeft aan de werknemersvertegenwoordigers in het Comité de mogelijkheid om met hemzelf, of zijn afgevaardigden alsmede met de leden van de hiërarchische lijn, de preventieadviseurs en de betrokken werknemers alle contacten te hebben die nodig zijn voor de uitvoering van hun opdracht.

  Art. II.7-18. De werkgever deelt zijn standpunt of, in voorkomend geval, dat van de interne of externe dienst, de EDTC of andere betrokken instellingen en deskundigen, mede aan het Comité omtrent de adviezen van het Comité inzake de door de werknemers geuite klachten betreffende het welzijn op het werk en inzake de manier waarop de diensten waarop in toepassing van de arbeidsongevallenwetten een beroep wordt gedaan, hun opdracht vervullen.

  Art. II.7-19. De werkgever geeft zo vlug mogelijk een conform gevolg aan de met algemene stemmen uitgebrachte adviezen van het Comité met betrekking tot ernstige risico's voor het welzijn van de werknemers waarbij de schade dreigend is en geeft er een passend gevolg aan in geval van uiteenlopende adviezen.
  Hij geeft gevolg aan alle andere adviezen binnen de door het Comité gestelde termijn of, indien geen termijn is bepaald, uiterlijk binnen de zes maanden.
  De werkgever die niet overeenkomstig de adviezen heeft gehandeld, er geen gevolg aan heeft gegeven of gekozen heeft onder de uiteenlopende adviezen, deelt de redenen hiervan mee aan het Comité.
  Hij verklaart tevens de maatregelen die in gewettigd dringend geval werden genomen zonder het Comité vooraf te raadplegen of te informeren.

  Art. II.7-20. De werkgever stelt de nodige middelen ter beschikking van de leden van het Comité, waardoor zij de vastgestelde gevaren of risico's kunnen signaleren aan het rechtstreeks bevoegde lid van de hiërarchische lijn.
  In het kader van de informatieverplichting stelt hij tevens een uithangbord of een ander geschikt communicatiemiddel waarmee alle werknemers kunnen worden bereikt, ter beschikking van het Comité.

  HOOFDSTUK IV. - De werking van het Comité

  Art. II.7-21. De werkgever zorgt ervoor dat het Comité ten minste éénmaal per maand vergadert, evenals wanneer ten minste een derde van de werknemersvertegenwoordigers in het Comité erom verzoekt.
  De werkgever zorgt ervoor dat het Comité ten minste tweemaal per jaar met een tussentijd van maximaal zes maanden vergadert over de zaken die betrekking hebben op het gezondheidstoezicht, wanneer er een departement belast met het medisch toezicht is opgericht bij de interne dienst.
  Het Comité vergadert op de zetel van de technische bedrijfseenheid.

  Art. II.7-22. De werkgever of zijn afgevaardigde aan wie hij zijn bevoegdheden overdraagt, neemt het voorzitterschap op zich.
  Hij stelt de agenda op en vermeldt er elk punt op dat ten minste tien dagen voor de vergadering door een lid van het Comité werd voorgesteld.
  Hij laat de notulen van de vorige vergadering goedkeuren.

  Art. II.7-23. Het secretariaat van het Comité wordt verzekerd door de interne dienst, wanneer bij de werkgever één Comité moet worden opgericht.
  Wanneer een werkgever meerdere technische bedrijfseenheden heeft waarvoor een Comité moet worden opgericht, wordt het secretariaat van het Comité verzekerd door de afdeling van de interne dienst die is opgericht voor de technische bedrijfseenheid waarvoor het desbetreffende Comité is opgericht.

  Art. II.7-24.Het secretariaat is belast met de volgende taken :
  1° elk gewoon lid van het Comité ten minste acht dagen voor de vergadering schriftelijk uitnodigen;
  2° elk gewoon lid ten minste vijftien dagen voor de vergadering van de maand februari het jaarverslag van de interne dienst toesturen, onverminderd de verplichting om binnen de dertig dagen na het opstellen ervan een afschrift van het jaarverslag toe te zenden aan de gewone en plaatsvervangende leden van het Comité;
  3° elk gewoon lid tenminste een maand voordat de vergadering over de zaken in verband met het gezondheidstoezicht plaats heeft het verslag toesturen dat in dit verband is opgesteld door de [1 preventieadviseur-arbeidsarts]1;
  4° de datum en de agenda van de vergadering meedelen aan de preventieadviseur van de externe dienst die krachtens artikel II.3-26 is aangeduid;
  5° op verschillende in het oog vallende en toegankelijke plaatsen, acht dagen voor de vergadering van het Comité een bericht aanplakken dat de datum en de agenda van de vergadering mededeelt of dit bericht kenbaar maken aan alle werknemers via andere gelijkwaardige communicatiekanalen;
  6° de notulen van de vergadering opstellen en ze ten minste acht dagen voor de volgende vergadering bezorgen aan de gewone en plaatsvervangende leden evenals aan de preventieadviseurs van de interne dienst en de preventieadviseur van de externe dienst die krachtens artikel II.3-26 is aangeduid;
  7° binnen de acht dagen na de vergadering, de conclusies en de genomen beslissingen op dezelfde plaats aanplakken of ze kenbaar maken aan alle werknemers via andere gelijkwaardige communicatiekanalen;
  8° de inhoud van het jaaractieplan, het jaarverslag van de interne dienst, de aan de adviezen van het Comité gegeven gevolgen en elke informatie die het Comité in het bijzonder wil kenbaar maken op dezelfde plaatsen aanplakken of al deze informatie kenbaar maken aan alle werknemers via andere gelijkwaardige communicatiekanalen;
  9° binnen dertig dagen vanaf het tijdstip opgelegd voor het opstellen ervan, een afschrift van de maandverslagen toezenden aan de gewone en plaatsvervangende leden van het Comité;
  10° binnen dertig dagen vanaf het tijdstip opgelegd voor het opstellen ervan, een afschrift van de maand- en jaarverslagen toezenden aan de gewone en de plaatsvervangende leden van de ondernemingsraad en de syndicale afvaardiging, indien deze instellingen bestaan.
  De convocatie bedoeld in het eerste lid, 1° vermeldt de plaats, de datum, het uur en de agenda en wordt vergezeld van het maandverslag van de interne dienst en van alle nodige inlichtingen met betrekking tot die agenda.
  De volgende taken moeten, in elk geval, verzekerd worden door de preventieadviseur die belast is met de leiding van de interne dienst of, in voorkomend geval, de preventieadviseur die belast is met de leiding van de afdeling :
  1° de adviezen van het Comité opstellen;
  2° er voor zorgen dat de notulen van de vergaderingen worden opgesteld;
  3° de vergaderingen bijwonen en er de nodige toelichtingen verstrekken;
  4° er voor zorgen dat de in het eerste lid bedoelde taken worden uitgevoerd.
  ----------
  (1)<KB 2019-05-14/07, art. 1, 008; Inwerkingtreding : 21-06-2019>

  Art. II.7-25.Nemen eveneens deel aan de vergaderingen van het Comité, met raadgevende stem :
  1° de [1 preventieadviseur-arbeidsarts]1, die deel uitmaakt van de interne dienst;
  2° de preventieadviseur belast met de leiding van de interne dienst, wanneer de dienst uit verschillende afdelingen bestaat telkens wanneer zijn aanwezigheid vereist is ingevolge de verhouding die is vastgesteld tussen de centrale dienst en de afdelingen in toepassing van artikel II.1-14, eerste lid;
  3° de andere preventieadviseurs van de interne dienst dan deze bedoeld in 1° en 2°, en de preventieadviseurs van de externe dienst, telkens wanneer er op de agenda een punt staat dat behoort tot hun bijzondere bevoegdheid en inzonderheid bij de bespreking van het globaal preventieplan, het jaaractieplan en het medisch jaarverslag;
  4° de afgevaardigden-werklieden bij het toezicht op de graverijen en de groeven, wat de groeven in de open lucht en hun aanhorigheden betreft;
  5° de vertrouwenspersonen telkens wanneer er op de agenda een punt staat dat betrekking heeft op de preventie van psychosociale risico's op het werk.
  Het secretariaat stelt deze personen in kennis van de datum en de agenda van de vergadering.
  ----------
  (1)<KB 2019-05-14/07, art. 1, 008; Inwerkingtreding : 21-06-2019>

  Art. II.7-26. De werknemersvertegenwoordigers in het Comité mogen zich, met de instemming van de werkgever, laten bijstaan door een deskundige van hun keuze.
  Met het oog op de voorbereiding van de vergaderingen kunnen zij zich, met het stilzwijgende akkoord van de werkgever, laten bijstaan door een bestendige afgevaardigde van hun vakvereniging.
  Zij mogen steeds beroep doen op de met het toezicht belaste ambtenaar.

  Art. II.7-27. Het Comité verstrekt binnen de kortst mogelijke termijn zijn advies omtrent elke aangelegenheid waarover het verplicht geraadpleegd wordt door de werkgever, evenals, in voorkomend geval, over de informatie die het ontvangt.
  De adviezen die niet met algemene stemmen worden uitgebracht vermelden de andersluidende standpunten.
  Het advies omtrent het jaaractieplan wordt in elk geval verstrekt voor de datum waarop dit plan in werking moet treden.

  Art. II.7-28. De met het toezicht belaste ambtenaar mag ambtshalve het Comité convoceren en het voorzitterschap van de vergadering op zich nemen.

  Art. II.7-29. De leden van het Comité mogen zowel de globale als de individuele informatie waarover zij beschikken ingevolge de functies of mandaten die zij vervullen, niet aan anderen meedelen of openbaar maken, indien dit de belangen van de werkgever of van de werknemers schaadt.
  De bepaling van het eerste lid heeft niet tot doel de normale betrekkingen tussen de vakverenigingen en de werknemersvertegenwoordigers in het Comité te belemmeren en doet geen afbreuk aan hun recht om zich tot de werkgever te wenden in geval een geschil rijst in het Comité.

  Art. II.7-30. De werknemersvertegenwoordigers in het Comité hebben het recht op een passende opleiding.
  Zij mag niet te hunnen laste komen en wordt gegeven tijdens de werktijd of overeenkomstig de desbetreffende collectieve arbeidsovereenkomsten of wettelijke regelingen.

  HOOFDSTUK V. - Het huishoudelijk reglement

  Art. II.7-31. Onverminderd de bepalingen van hoofdstuk III van deze titel, bevat het huishoudelijk reglement ten minste de volgende punten :
  1° de nadere regels betreffende de plaats en het tijdstip van de vergaderingen;
  2° de naam en voornaam van de gewone en plaatsvervangende leden die de werkgever vertegenwoordigen en de naam en voornaam van de gewone en plaatsvervangende leden die de werknemers vertegenwoordigen;
  3° de naam en voornaam van de voorzitter en, in voorkomend geval, van zijn plaatsvervanger;
  4° de nadere regels betreffende de taak van de voorzitter en de wijze waarop hij zich kan laten vervangen;
  5° de wijze waarop een punt kan worden ingeschreven op de agenda;
  6° de wijze waarop de leden worden opgeroepen voor de vergadering;
  7° de nadere regels betreffende het verloop van de vergaderingen;
  8° de nadere regels betreffende het vereiste aanwezigheidsquorum om rechtsgeldig te kunnen vergaderen en de wijze waarop wordt vastgesteld dat er een akkoord is;
  9° de wijze waarop inzage wordt verleend in de verslagen, adviezen en alle andere documenten die door de werkgever ter beschikking van het Comité moeten worden gehouden;
  10° de wijze van bewaring en de termijn van bewaring van het archief van het Comité en de nadere regels betreffende de inzage ervan door de leden van het Comité;
  11° de nadere regels betreffende de aanduiding van de afvaardigingen bedoeld in de artikelen II.7-10 tot II.7-12 en de samenstelling van die afvaardigingen;
  12° de aard van de middelen, inzonderheid onder de vorm van een notitieboekje of een gelijkwaardig rapporteringmiddel, die in toepassing van artikel II.7-20 ter beschikking worden gesteld van de leden van het Comité;
  13° de nadere regels betreffende de contacten bedoeld in artikel II.7-17;
  14° de nadere regels betreffende de voorbereidende vergaderingen en de bijkomende vergaderingen.
  15° de wijze waarop, in voorkomend geval, deskundigen worden uitgenodigd;
  16° de wijze waarop het personeel wordt geïnformeerd over de agendapunten en de beslissingen van het Comité;
  17° de procedure tot wijziging van het reglement.

  TITEL 8. - RECHTSTREEKSE PARTICIPATIE

  Art. II.8-1. § 1. De werkgever raadpleegt zelf rechtstreeks zijn werknemers betreffende elk vraagstuk dat betrekking heeft op het welzijn van de werknemers bij de uitvoering van hun werk waarvoor hun rechtstreekse participatie vereist is overeenkomstig artikel 53 van de wet.
  § 2. Onverminderd de bepalingen van artikel II.7-20, stelt de werkgever, in het kader van de rechtstreekse participatie bedoeld in § 1, de volgende middelen ter beschikking van zijn werknemers :
  1° een register waarin de werknemers volledig discreet hun voorstellen, opmerkingen of advies kunnen optekenen;
  2° een uithangbord waarop berichten kunnen worden aangebracht of een ander geschikt communicatiemiddel waarmee alle werknemers kunnen worden bereikt, zoals elektronische post.
  Deze middelen bevinden zich permanent op een voor de werknemers gemakkelijk toegankelijke plaats.
  Alle in dit artikel bepaalde kennisgevingen en mededelingen gebeuren door middel van het communicatiemiddel bedoeld in het eerste lid, 2°.
  De bovengenoemde communicatiemiddelen vermelden op permanente wijze de naam, het adres, het telefoonnummer, het faxnummer alsook het elektronisch adres van de externe dienst en van de met het toezicht belaste ambtenaren.
  § 3. Na raadpleging, van zijn interne of externe dienst, brengt de werkgever zijn voorstel ter kennis van zijn werknemers, tezelfdertijd als het advies van de geraadpleegde dienst.
  Gedurende een termijn van vijftien dagen te rekenen van de dag van de kennisgeving, hebben de werknemers de vrije keuze hun opmerkingen of adviezen, hetzij, in het register in te schrijven, hetzij, deze mee te delen, in de gevallen waar de werkgever zelf de functie van preventieadviseur vervult, aan de externe dienst, en in de andere gevallen, aan de interne dienst.
  Ten laatste vijftien dagen na te zijn gecontacteerd door de betrokken werknemers, deelt de externe dienst, of respectievelijk, de interne dienst, op een adequate wijze en met inachtname van de anonimiteit van de betrokken werknemers, de opmerkingen of adviezen van deze laatsten tezelfdertijd met hun eigen advies hierover mee aan de werkgever.
  In de gevallen waar hij door de betrokken werknemers is gecontacteerd, kan de externe dienst, met het oog op de adequate formulering van hun opmerkingen of adviezen, zo nodig verduidelijking vragen vanwege deze werknemers.
  Indien in het register geen opmerking of advies van de werknemers voorkomt en er geen opmerking of advies van de werknemers door toedoen van de externe, of respectievelijk, interne dienst aan de werkgever is meegedeeld, geldt dit als instemming met het voorstel van de werkgever.
  De werkgever stelt de werknemers in kennis van zijn beslissing.
  Indien de werkgever niet overeenkomstig de opmerkingen of de adviezen heeft gehandeld, er geen gevolg aan heeft gegeven of gekozen heeft onder de uiteenlopende adviezen, deelt hij de redenen hiervan mee aan zijn werknemers.

  Art. II.8-2. § 1. De werkgever stelt de middelen, bedoeld in artikel II.8-1, § 2, ter beschikking van zijn werknemers in het kader van hun recht om voorstellen te doen betreffende vraagstukken die betrekking hebben op het welzijn van de werknemers bij de uitvoering van hun werk.
  Alle in dit artikel bepaalde kennisgevingen en mededelingen gebeuren door middel van het communicatiemiddel bedoeld in artikel II.8-1, § 2, eerste lid, 2°.
  § 2. De werknemers hebben evenwel de vrije keuze hun opmerkingen of adviezen, hetzij in het register in te schrijven, hetzij deze mede te delen, in de gevallen waar de werkgever zelf de functie van preventieadviseur vervult, aan de externe dienst, en in de andere gevallen, aan de interne dienst.
  Ten laatste vijftien dagen na te zijn gecontacteerd door de betrokken werknemers, deelt de externe dienst, of respectievelijk, de interne dienst, op een adequate wijze en met inachtneming van de anonimiteit van de betrokken werknemers, de opmerkingen of adviezen van deze laatsten tezelfdertijd met hun eigen advies hierover mee aan de werkgever.
  In de gevallen waar hij door de betrokken werknemers is gecontacteerd, kan de externe dienst, met het oog op de adequate formulering van hun opmerkingen of adviezen, zo nodig verduidelijking vanwege deze werknemers vragen.
  Indien voorstellen in het register voorkomen, vraagt de werkgever, vooraleer hij eventueel de beslissing neemt om er geen gunstig gevolg aan te geven, hierover het advies van zijn interne of externe dienst.
  De werkgever stelt de werknemers in kennis van het advies van zijn interne dienst of in voorkomend geval van zijn externe dienst, en van zijn beslissing.
  Indien de werkgever niet overeenkomstig de voorstellen van de werknemers of de adviezen die daarop betrekking hebben, heeft gehandeld, er geen gevolg aan heeft gegeven of gekozen heeft onder de uiteenlopende adviezen, deelt hij de redenen hiervan mee aan zijn werknemers.

  Art. II.8-3. De werknemers die in toepassing van deze titel voorstellen, opmerkingen of adviezen formuleren, mogen daar geen nadeel van ondervinden.

  TITEL 9. - DE HOGE RAAD VOOR PREVENTIE EN BESCHERMING OP HET WERK

  HOOFDSTUK I. - De organen van de Hoge Raad

  Art. II.9-1. De Hoge Raad wordt bij de uitoefening van zijn opdrachten bijgestaan door de volgende organen die binnen de Hoge Raad worden opgericht :
  1° een uitvoerend bureau;
  2° vaste commissies;
  3° commissies ad hoc;
  4° een secretariaat.

  HOOFDSTUK II. - Opdrachten en samenstelling van de Hoge Raad en benoeming van haar leden

  Art. II.9-2. § 1. De Hoge Raad is belast met het verstrekken van de adviezen bedoeld in artikel 46 van de wet.
  Hij onderzoekt bovendien alle problemen die betrekking hebben op het welzijn van de werknemers bij de uitvoering van hun werk zoals bepaald in artikel 4, § 1, tweede lid van de wet en doet terzake voorstellen aan de Minister, wat het algemeen beleid betreft.
  § 2. De Hoge Raad brengt advies uit over de jaarverslagen die door de algemene directie TWW en door de algemene directie HUA, worden opgesteld.
  § 3. Hij brengt advies uit over de verslagen die door de overheid worden opgesteld ten behoeve van de Commissie van de Europese Unie en die betrekking hebben op de praktische tenuitvoerlegging van de richtlijnen die in het kader van de Europese Unie met betrekking tot het welzijn van de werknemers bij de uitvoering van hun werk zijn uitgevaardigd en wordt geïnformeerd over de werkzaamheden van de Europese Unie met betrekking tot het welzijn van de werknemers bij de uitvoering van hun werk.
  § 4. De Hoge Raad wordt, via de Vaste Operationele Commissie opgericht in toepassing van artikel 47bis van de wet belast met de in dat artikel bedoelde opdrachten, inzonderheid het verstrekken van advies en het doen van voorstellen in het kader van de toepassing van de wet en van de codex, evenals in het kader van de toepassing van andere wetten en besluiten die verband houden met het welzijn van de werknemers bij de uitvoering van hun werk en die behoren tot de bevoegdheid van de Minister.
  § 5. De Hoge Raad stelt een jaarverslag op over zijn werkzaamheden.

  Art. II.9-3. Overeenkomstig artikel 44 van de wet is de Hoge Raad samengesteld uit :
  1° een voorzitter en een ondervoorzitter;
  2° dertien gewone leden en dertien plaatsvervangende leden die de meest representatieve werkgeversorganisaties vertegenwoordigen;
  3° dertien gewone leden en dertien plaatsvervangende leden die de meest representatieve werknemersorganisaties vertegenwoordigen;
  4° de directeur-generaal van de algemene directie HUA die zich kan laten bijstaan of vertegenwoordigen door maximaal twee medewerkers en die als permanente deskundige deelneemt aan de werkzaamheden van de Hoge Raad;
  5° de directeur-generaal van de algemene directie TWW die zich kan laten bijstaan of vertegenwoordigen door maximaal twee medewerkers en die als permanente deskundige deelneemt aan de werkzaamheden van de Hoge Raad.

  Art. II.9-4. Om gewoon of plaatsvervangend lid te kunnen zijn van de Hoge Raad moet iedere kandidaat :
  1° Belg zijn of burger van de Europese Unie;
  2° de burgerlijke en politieke rechten genieten.

  Art. II.9-5. Het mandaat van gewoon lid en van plaatsvervangend lid dat de werkgevers- of de werknemersorganisaties vertegenwoordigt, is onverenigbaar met de uitoefening van de functie van preventieadviseur.

  Art. II.9-6. De gewone leden die de werkgeversorganisaties, vertegenwoordigd in de schoot van de Nationale Arbeidsraad, vertegenwoordigen, worden gekozen uit de kandidaten, op een dubbele lijst voorgedragen door die organisaties.
  De gewone leden die de werknemersorganisaties, vertegenwoordigd in de schoot van de Nationale Arbeidsraad, vertegenwoordigen, worden gekozen uit de kandidaten op een dubbele lijst voorgedragen door die organisaties.
  Deze voordrachten gebeuren door de in het eerste en tweede lid bedoelde organisaties, binnen een termijn van één maand, nadat zij hiertoe door de Minister zijn verzocht.
  De voordracht en de benoeming van de plaatsvervangende leden geschieden op dezelfde wijze als voor de gewone leden.
  Bij de voordracht van de leden passen de organisaties de wet van 20 juli 1990 ter bevordering van de evenwichtige aanwezigheid van mannen en vrouwen in organen met adviserende bevoegdheid toe.

  Art. II.9-7. Wanneer in de vervanging van een gewoon of plaatsvervangend lid moet worden voorzien, verzoekt de Minister, al naargelang het geval, de werkgeversorganisaties of de werknemersorganisaties, vertegenwoordigd in de Nationale Arbeidsraad, hem binnen één maand een dubbele lijst van kandidaten te bezorgen.
  Wanneer het mandaat evenwel beëindigd wordt omdat de organisatie die het lid heeft voorgedragen om zijn vervanging verzoekt of omdat het betrokken lid geen lid meer is van de organisatie die hem heeft voorgedragen, meldt die organisatie deze toestand onverwijld aan het secretariaat en bezorgt die organisatie op eigen initiatief aan de Minister een dubbele lijst van kandidaten uiterlijk binnen een termijn van één maand na de beëindiging van het mandaat.
  Indien de bepaling van het tweede lid niet wordt nageleefd, blijft het mandaat van het aldaar genoemde lid dat moet vervangen worden vacant.
  De personen die benoemd worden ter vervanging van een lid van de Hoge Raad beëindigen het mandaat van hun voorganger.

  Art. II.9-8.[1 § 1. De vertegenwoordigers van de organisaties die actief zijn in een of meerdere domeinen betreffende het welzijn op het werk, onder de vorm van een vereniging, een instituut, een fonds voor bestaanzekerheid, of onder een andere vorm, kunnen deelnemen aan de activiteiten van de Hoge Raad als permanent deskundigen in de specifieke hoedanigheid van buitengewone leden van de Hoge Raad.
   § 2. De in paragraaf 1 bedoelde buitengewone leden worden benoemd op voorstel van de gewone of plaatsvervangende leden van de Hoge Raad, onder de kandidaten die door de in paragraaf 1 bedoelde organisaties worden voorgesteld aan de Hoge Raad.
   De in paragraaf 1 bedoelde organisaties sturen de kandidaturen van hun vertegewoordigers naar de Voorzitter en het secretariaat van de Hoge Raad binnen een termijn van één maand nadat ze hiertoe zijn uitgenodigd door de Voorzitter van de Hoge Raad.
   § 3. Het mandaat van buitengewoon lid van de Hoge Raad eindigt :
   - bij volledige stopzetting van de activiteiten van het buitengewoon lid bij de organisatie waarvoor het mandaat werd uitgeoefend;
   - in geval van de gemotiveerde vraag tot vervanging die uitgaat van het buitengewoon lid, de organisatie waarvoor het mandaat werd uitgeoefend of van de Hoge Raad;
   - in geval van stopzetting van de activiteiten van de organisatie waarvoor het mandaat werd uitgeoefend.
   Het betrokken buitengewoon lid of de organisatie waarvoor het mandaat werd uitgeoefend zijn ertoe gehouden zonder verwijl de Voorzitter en het secretariaat van de Hoge Raad te informeren over het einde van het mandaat bedoeld in het eerste lid.
   Bij het einde van het mandaat, bedoeld in het eerste lid, bezorgt de betrokken organisatie, in voorkomend geval, de kandidatuur van een vervanger aan de Voorzitter en het secretariaat van de Hoge Raad binnen een termijn van een maand nadat het mandaat is beëindigd.
   Alle lopende mandaten van de buitengewone leden eindigen op collectieve wijze ingevolge de inwerkingtreding van het benoemingsbesluit van alle nieuwe gewone en plaatsvervangende leden van de Hoge Raad ter gelegenheid van de collectieve wedersamenstelling van de Hoge Raad overeenkomstig artikel II.9-12, § 1.]1
  ----------
  (1)<KB 2018-09-16/04, art. 1, 005; Inwerkingtreding : 26-10-2018>

  Art. II.9-9. De leidend ambtenaar van het Federaal agentschap voor beroepsrisico's neemt eveneens deel aan de werkzaamheden van de Hoge Raad, in de hoedanigheid van permanente deskundige.
  De in het eerste lid bedoelde ambtenaar wordt voorgedragen door de Minister waaronder hij ressorteert.

  Art. II.9-10. De Hoge Raad kan, onder de voorwaarden en volgens de nadere regels bepaald in het huishoudelijk reglement, een beroep doen op personen die gespecialiseerd zijn in of bijzonder bevoegd zijn voor het bestudeerde onderwerp, en die al dan niet behoren tot de Vaste Commissie van Deskundigen bedoeld in artikel II.9-18.
  De in het eerste lid bedoelde personen nemen als tijdelijke deskundigen deel aan de werkzaamheden van de Hoge Raad.

  Art. II.9-11. Het secretariaat van de Hoge Raad wordt waargenomen door de ambtenaar die belast is met de leiding van de afdeling Sociaal Overleg over het Welzijn op het Werk van de algemene directie HUA. Hij wordt bijgestaan door zijn directe medewerkers.

  Art. II.9-12. § 1. De gewone en plaatsvervangende leden worden benoemd voor zes jaar. Hun mandaat is hernieuwbaar.
  § 2. Ieder plaatsvervangend lid wordt voor de vergaderingen van de Hoge Raad uitgenodigd en mag deze bijwonen. Hij is niet stemgerechtigd, tenzij hij een gewoon lid vervangt.
  Ieder gewoon lid dat verhinderd is een vergadering bij te wonen duidt zelf zijn vervanger aan onder de plaatsvervangende leden. De voorzitter wordt hiervan op de hoogte gebracht.
  Een plaatsvervangend lid mag tegelijkertijd niet meer dan één gewoon lid vervangen.
  § 3. Het mandaat van de in § 1 bedoelde personen eindigt :
  1° wanneer de duur van het mandaat verstreken is;
  2° in geval van ontslag;
  3° wanneer de organisaties die hen hebben voorgedragen om hun vervanging verzoeken;
  4° wanneer zij niet langer deel uitmaken van de organisaties die hen hebben voorgedragen;
  5° in geval van overlijden.

  HOOFDSTUK III. - Werkingsregels

  Art. II.9-13. Alleen de gewone leden en de plaatsvervangende leden van de Hoge Raad, opgeroepen om in hun plaats te zetelen, hebben een beslissende stem.

  Art. II.9-14. De Hoge Raad beraadslaagt en beslist slechts geldig als ten minste de helft van de gewone of plaatsvervangende leden die de werkgevers vertegenwoordigen en ten minste de helft van de gewone of plaatsvervangende leden die de werknemers vertegenwoordigen aanwezig zijn of geldig vertegenwoordigd zijn volgens de regels bepaald in het huishoudelijk reglement.
  Na een tweede bijeenroeping beraadslaagt en beslist de Hoge Raad evenwel geldig, ongeacht het aantal aanwezige leden, met beslissende stem.
  Hij beraadslaagt en beslist slechts over de inhoud van de vraagstukken, de redactionele opmerkingen worden schriftelijk aan het secretariaat gestuurd voor de beraadslaging.
  De door de leden ingediende voorstellen worden duidelijk en precies opgesteld, zijn gemotiveerd en worden voor de beraadslaging schriftelijk ingediend.

  Art. II.9-15. De Hoge Raad stelt zijn huishoudelijk reglement op dat wordt goedgekeurd door de Minister.

  HOOFDSTUK IV.-. Het uitvoerend bureau

  Art. II.9-16. Binnen de Hoge Raad wordt een uitvoerend bureau opgericht dat tot taak heeft de werkzaamheden van de Hoge Raad te regelen inzonderheid door :
  1° de agenda van de vergaderingen van de Hoge Raad vast te stellen;
  2° de bespreking van de aan de Hoge Raad voor te leggen onderwerpen en ontwerpen van adviezen voor te bereiden;
  3° de procedures van onderzoek vast te stellen, inzonderheid door het oprichten van commissies ad hoc en het preciseren van het mandaat van deze commissies;
  4° er voor te zorgen dat de beslissingen van de Hoge Raad worden uitgevoerd;
  5° het in overweging nemen, het verwerpen of het terugzenden voor aanvullende inlichtingen van de voorstellen voorgelegd door de leden van de Hoge Raad of, in voorkomend geval, door de vaste commissies of de commissies ad hoc.

  Art. II.9-17. Het uitvoerend bureau wordt door de Hoge Raad gekozen onder zijn leden.
  Het omvat :
  1° vier leden uit de gewone leden van de Hoge Raad gekozen door het geheel van de gewone leden die de werkgevers vertegenwoordigen;
  2° vier leden uit de gewone leden van de Hoge Raad gekozen door het geheel van de gewone leden die de werknemers vertegenwoordigen;
  3° de ambtenaren en hun medewerkers bedoeld in artikel II.9-3, 4° en 5°.
  De voorzitter van de Hoge Raad neemt het voorzitterschap waar.
  De secretaris van de Hoge Raad maakt van rechtswege deel uit van het uitvoerend bureau.

  HOOFDSTUK V. - De vaste commissies

  Afdeling 1. - De Vaste Commissie van Deskundigen

  Art. II.9-18. Binnen de Hoge Raad wordt een Vaste Commissie van Deskundigen opgericht die bestaat uit personen die beroepshalve of ingevolge hun activiteiten in academische inrichtingen bijzonder bevoegd zijn inzake één of meerdere domeinen die behoren tot het welzijn van de werknemers bij de uitvoering van hun werk.

  Art. II.9-19. Deze vaste commissie heeft als opdracht om, op verzoek van de Minister of op verzoek van de Hoge Raad of van zijn uitvoerend bureau, elk probleem te bestuderen dat betrekking heeft op het welzijn van de werknemers bij de uitvoering van hun werk zoals bepaald in artikel 4, § 1, tweede lid van de wet, verslag uit te brengen over de huidige stand van zaken op het vlak van de wetenschappelijke en praktische kennis in dit verband en eventueel terzake voorstellen te formuleren.
  De Hoge Raad bepaalt in haar huishoudelijk reglement onder welke voorwaarden en volgens welke nadere regels aan deze vaste commissie een onderzoek, een verslag of voorstellen worden gevraagd.

  Art. II.9-20. Deze vaste commissie bestaat uit ten minste 12 en maximum 24 leden die representatief zijn voor de verschillende domeinen die behoren tot het welzijn van de werknemers bij de uitvoering van hun werk.
  De twee ambtenaren en hun medewerkers bedoeld in artikel II.9-3, 4° en 5° en de ambtenaren bedoeld in artikel II.9-9, maken ambtshalve deel uit van de vaste commissie.
  De Minister bepaalt op voorstel van de Hoge Raad het effectief aantal leden van de vaste commissie.
  De leden van de vaste commissie worden benoemd door de Minister.
  De Minister deelt zijn voornemen om de leden van de vaste commissie te benoemen mee aan het uitvoerend bureau van de Hoge Raad dat over een termijn van veertien dagen beschikt om zijn opmerkingen betreffende dit voornemen mee te delen. Na het verstrijken van deze termijn mag de Minister overgaan tot benoeming.
  Hun mandaat duurt zes jaar en is hernieuwbaar.
  Het mandaat van de leden van de commissie eindigt :
  1° wanneer de duur van het mandaat verstreken is;
  2° in geval van ontslag;
  3° in geval van overlijden;
  4° wanneer de Hoge Raad om hun vervanging verzoekt, volgens de regels vastgesteld in het huishoudelijk reglement.
  Er wordt, overeenkomstig de bepalingen van het vierde en vijfde lid onverwijld in de vervanging voorzien van de leden van wie het mandaat beëindigd is.

  Art. II.9-21. De voorzitter van de Hoge Raad neemt het voorzitterschap van deze vaste commissie waar.
  De leden van deze vaste commissie kiezen in hun midden een ondervoorzitter die de voorzitter vervangt wanneer deze verhinderd is.

  Art. II.9-22. De leden van het secretariaat van de Hoge Raad nemen het secretariaat van deze vaste commissie waar.

  Art. II.9-23. Op voorstel van de vaste commissie worden de regels betreffende haar werking opgenomen in het huishoudelijk reglement van de Hoge Raad.
  Het huishoudelijk reglement van de Hoge Raad kan bovendien voorzien in de oprichting van subcommissies per domein dat behoort tot het welzijn op het werk.

  Afdeling 2.-. De Vaste Commissie Sensibilisatie en Communicatie

  Art. II.9-24. § 1. Binnen de Hoge Raad wordt een Vaste Commissie Sensibilisatie en Communicatie opgericht.
  Deze vaste commissie bestaat ambtshalve uit :
  1° de leden van het uitvoerend bureau van de Hoge Raad;
  2° de ambtenaren en hun medewerkers bedoeld in artikel III.9-3, 4° en 5° ;
  3° de ambtenaar belast met de leiding van de afdeling promotie van de algemene directie HUA;
  4° de ambtenaar belast met de leiding van de directie van het onderzoek over de verbetering van de arbeidsomstandigheden van de algemene directie HUA.
  Wanneer deze vaste commissie de opdrachten uitvoert bedoeld in artikel II.9-25, 1° en 2°, bestaat zij eveneens uit de secretarissen van de provinciale comités voor de bevordering van de arbeid of, in geval van verhindering, hun adjuncten.
  Wanneer deze vaste commissie de opdrachten uitvoert bedoeld in artikel II.9-25, 6° :
  1° bestaat zij, wat de leden van het uitvoerend bureau betreft, uitsluitend uit de leden die de meest representatieve werknemersorganisaties vertegenwoordigen;
  2° bestaat zij, onverminderd de toepassing van het tweede lid, 2° tot 4°, bovendien uit :
  a) de ambtenaar belast met de leiding van de algemene directie van het Toezicht op de Sociale Wetten van de Federale Overheidsdienst Werkgelegenheid, Arbeid en Sociaal Overleg, of zijn vertegenwoordiger;
  b) twee deskundige ambtenaren van de algemene directie HUA, aangewezen door de directeur-generaal.
  § 2. Deze vaste commissie kan, onder de voorwaarden en volgens de nadere regels bepaald in het huishoudelijk reglement van de Hoge Raad, een beroep doen op personen die gespecialiseerd zijn in of bijzonder bevoegd zijn voor het bestudeerde onderwerp en die al dan niet behoren tot de vaste commissie van deskundigen bedoeld in artikel II.9-18.
  De in het eerste lid bedoelde personen nemen als tijdelijke deskundigen deel aan de werkzaamheden van de vaste commissie.
  § 3. Indien de in § 1, tweede lid, 1° bedoelde leden verhinderd zijn, voorzien zij zelf in hun vervanging door een ander lid van de Hoge Raad dat behoort tot de organisatie die zij vertegenwoordigen of door een lid van hun organisatie dat bijzonder bevoegd is voor de materie en voorkomt op een lijst die door het uitvoerend bureau daartoe opgemaakt werd, volgens de regels bepaald in het huishoudelijk reglement van de Hoge Raad.
  Zij bezorgen aan hun vervangers de nodige documenten.

  Art. II.9-25. Deze vaste commissie heeft als opdracht :
  1° de acties te evalueren inzake communicatie met betrekking tot welzijn op het werk die in het afgelopen kalenderjaar werden uitgevoerd, inzonderheid deze die uitgingen van de afdeling promotie over het welzijn op het werk van de algemene directie HUA;
  2° adviezen te verstrekken en voorstellen te doen betreffende de communicatie inzake welzijn op het werk in het algemeen en betreffende het actieplan dat inzake communicatie voor het volgend kalenderjaar wordt opgesteld door de afdeling promotie over het welzijn op het werk in het bijzonder;
  3° adviezen te verstrekken en voorstellen te doen betreffende het onderzoek met betrekking tot welzijn op het werk in het algemeen en betreffende het actieplan voor onderzoek opgesteld door de algemene directie HUA voor het volgend kalenderjaar in het bijzonder;
  4° het uitgevoerde onderzoek te evalueren en inzonderheid de uitvoering van het actieplan voor onderzoek van de algemene directie HUA van het afgelopen kalenderjaar;
  5° de functie uit te oefenen van het vast bureau van het Belgisch steunpunt van het Europees Agentschap voor de veiligheid en gezondheid op het werk;
  6° het uitbrengen van de adviezen bedoeld in artikel 6 van het koninklijk besluit van 20 november 1990 betreffende de toelage voor sociaal onderzoek en voor vorming van de werknemersvertegenwoordigers in de onderneming.

  Art. II.9-26. § 1. De directeur-generaal van de algemene directie HUA neemt het voorzitterschap van deze vaste commissie waar.
  In afwijking van het eerste lid, neemt de ambtenaar belast met de leiding van het Belgisch steunpunt van het Europees Agentschap voor de Veiligheid en Gezondheid op het Werk, het voorzitterschap waar, wanneer deze vaste commissie de opdrachten uitvoert bedoeld in artikel II.9-25, 5°.
  § 2. In geval van verhindering van de personen bedoeld in § 1, wordt de functie van voorzitter uitgeoefend door de ambtenaar belast met de leiding van de afdeling promotie over het welzijn op het werk van de algemene directie HUA.

  Art. II.9-27. De leden van het secretariaat van de Hoge Raad nemen het secretariaat van deze vaste commissie waar.
  Zij worden bijgestaan door ambtenaren die behoren tot de afdeling promotie over het welzijn op het werk van de algemene directie HUA.

  Art. II.9-28. De werkingsregels bedoeld in hoofdstuk III van deze titel zijn van toepassing op deze vaste commissie, tenzij op voorstel van de vaste commissie hiervan afgeweken wordt in het huishoudelijk reglement van de Hoge Raad.
  Deze vaste commissie brengt één maal per jaar verslag uit over haar activiteiten aan de Hoge Raad.

  Afdeling 3. - De Vaste Operationele Commissie

  Art. II.9-29. Binnen de Hoge Raad wordt een Vaste Operationele Commissie opgericht.
  Deze Vaste Operationele Commissie oefent, overeenkomstig artikel 47bis van de wet, de opdrachten uit bedoeld in :
  1° artikel II.3-51;
  2° artikel II.4-21 en II.4-30, 6° ;
  3° artikel II.5-23;
  4° artikel 58, § 6 van het koninklijk besluit van 25 januari 2001 betreffende de tijdelijke of mobiele bouwplaatsen;
  5° artikel 4 van de wet van 13 juni 1999 betreffende de controlegeneeskunde;
  6° de artikelen 3, 15 en 21 van het koninklijk besluit van 1 juli 2006 tot bevordering van de arbeidsmogelijkheden, de kwaliteit van de arbeidsvoorwaarden of de organisatie van de arbeid van oudere werknemers in het kader van het ervaringsfonds;
  7° in de andere koninklijke besluiten.

  Art. II.9-30. § 1. Deze Vaste Operationele Commissie bestaat ambtshalve uit :
  1° de leden van het uitvoerend bureau van de Hoge Raad;
  2° de voorzitter en de ondervoorzitters bedoeld in artikel II.9-31 en de leidend ambtenaar TWW;
  3° naar gelang het geval, deskundigen die bevoegd zijn op het vlak van de opdrachten bedoeld in artikel II.9-29 en die door het uitvoerend bureau worden aangewezen.
  Overeenkomstig de regels bepaald in het huishoudelijk reglement van de Hoge Raad stelt zijn uitvoerend bureau per opdracht een lijst op van de deskundigen die werden aangewezen om deel te nemen aan de werkzaamheden van de Vaste Operationele Commissie en die zes jaar geldig blijft.
  § 2. De voorzitter en de leden mogen zich bovendien laten bijstaan door tijdelijke deskundigen naar hun keuze.
  § 3. Indien de in § 1, eerste lid, 1°, bedoelde leden verhinderd zijn, voorzien zij zelf in hun vervanging door een ander lid van de Hoge Raad dat behoort tot de organisatie die zij vertegenwoordigen of door een lid van hun organisatie dat bijzonder bevoegd is voor de materie en voorkomt op een lijst die door het uitvoerend bureau daartoe werd opgemaakt, volgens de regels bepaald in het huishoudelijk reglement van de Hoge Raad.
  Zij bezorgen aan hun vervangers de nodige documenten.

  Art. II.9-31. De leidend ambtenaar HUA neemt het voorzitterschap van deze Vaste Operationele Commissie waar.
  De directeur-generaal van de algemene directie HUA duidt twee ondervoorzitters aan die gekozen worden uit de ambtenaren die de titel dragen van adviseur of adviseur-generaal en behoren tot het personeel van de algemene directie HUA.

  Art. II.9-32. De leden van het secretariaat van de Hoge Raad nemen het secretariaat van deze Vaste Operationele Commissie waar.
  Zij worden hierin, indien nodig, bijgestaan door andere ambtenaren die behoren tot de algemene directie HUA.

  Art. II.9-33. § 1. De Vaste Operationele Commissie beraadslaagt en beslist slechts rechtsgeldig indien ten minste twee van de leden die de werkgevers vertegenwoordigen en twee van de leden die de werknemers vertegenwoordigen aanwezig zijn.
  Indien, na een eerste bijeenroeping, het vereiste aantal leden niet aanwezig is, kan zij echter, na een tweede bijeenroeping, over dezelfde agendapunten geldig beraadslagen en beslissen, ongeacht het aantal aanwezige leden.
  § 2. De voorzitter of in geval van verhindering de door hem aangewezen ondervoorzitter bedoeld in artikel II.9-31, tweede lid, en de gewone leden bedoeld in artikel II.9-30, § 1, eerste lid, 1° zijn stemgerechtigd.
  Het plaatsvervangend lid is stemgerechtigd, indien hij een gewoon lid vervangt dat verhinderd is.
  De deskundigen hebben raadgevende stem.
  § 3. Een advies wordt aangenomen bij gewone meerderheid van stemmen van de aanwezige stemgerechtigde leden.
  In geval van staking van stemmen, is de stem van de voorzitter doorslaggevend.
  § 4. In afwijking van dit artikel kunnen de bepalingen bedoeld in artikel II.9-29 in specifieke werkingsregels voorzien.

  Art. II.9-34. De Vaste Operationele Commissie stelt een huishoudelijk reglement op dat wordt goedgekeurd door de Minister.

  Afdeling 4.-. De andere vaste commissies

  Art. II.9-35. De Minister kan, op verzoek van de Hoge Raad, eveneens andere vaste commissies oprichten die bevoegd zijn voor een bepaalde bedrijfstak of een welbepaald onderwerp.
  Bij de oprichting van een vaste commissie voor een bepaalde bedrijfstak worden de leden en de deskundigen bij voorkeur gekozen uit organisaties die representatief zijn voor deze bedrijfstak.
  De Minister bepaalt, na advies van de Hoge Raad, de opdracht van de in dit artikel bedoelde vaste commissies en de samenstelling ervan.
  De regels betreffende de werking worden bepaald in het huishoudelijk reglement van de Hoge Raad op voorstel van de betrokken commissie.

  HOOFDSTUK VI. - De commissies ad hoc

  Art. II.9-36. Het uitvoerend bureau kan voor een bepaalde duur commissies ad hoc oprichten die belast worden met het onderzoek van bijzondere vraagstukken inzonderheid ter voorbereiding van adviezen die door de Hoge Raad zullen worden verstrekt.

  Art. II.9-37. De samenstelling van de commissies ad hoc wordt bepaald volgens de regels vastgesteld in het huishoudelijk reglement. Zij bestaan ten minste uit :
  1° vertegenwoordigers van de werkgevers- en werknemersorganisaties, die lid zijn van de Hoge Raad;
  2° ambtenaren van de voor het bestudeerd onderwerp bevoegde administraties;
  3° in voorkomend geval, uit deskundigen die al dan niet behoren tot de vaste commissie van deskundigen, op vraag van het uitvoerend bureau.

  Art. II.9-38. Zij worden voorgezeten door de voorzitter of in geval van verhindering door de secretaris van de Hoge Raad.

  Art. II.9-39. Hun secretariaat wordt waargenomen door één van de ambtenaren, bedoeld in artikel II.9-42, die deel uitmaken van het secretariaat van de Hoge Raad en die de ambtenaar belast met de leiding van het secretariaat aanduidt.

  Art. II.9-40. Het uitvoerend bureau deelt aan de Hoge Raad mede dat een commissie ad hoc werd opgericht, evenals zijn samenstelling en zijn opdracht.

  HOOFDSTUK VII. - Het secretariaat

  Art. II.9-41. Het secretariaat van de Hoge Raad is belast met het verlenen van de nodige wetenschappelijke, technische, juridische en logistieke ondersteuning aan de Hoge Raad en zijn organen.
  Het staat in voor het goede verloop van de vergaderingen van de Hoge Raad en zijn organen door het opstellen van de agenda's, de notulen van de vergaderingen en de adviezen, en het verzenden ervan, en het bewaart de archieven.
  Het doet opzoekingen omtrent de onderwerpen die behandeld worden door de Hoge Raad en zijn organen en verstrekt hen op hun verzoek de nodige inlichtingen.
  Op vraag van de voorzitter stelt het de voorbereidende documenten op voor bespreking in de vergaderingen van de Hoge Raad en zijn organen.
  Het stelt de ontwerpadviezen op voor de Hoge Raad en zijn organen op basis van de gevoerde besprekingen en de schriftelijke opmerkingen en voorstellen van de leden, ambtenaren en deskundigen.
  Het advies geeft duidelijk de gemeenschappelijke standpunten weer en vermeldt de inhoud van de verdeelde standpunten. Het verslag van de vergadering van de Hoge Raad vermeldt afzonderlijk de standpunten van de leden die niet in het advies weerhouden zijn.
  Het bereidt het jaarverslag over de werkzaamheden van de Hoge Raad voor.
  Het stelt eveneens de begroting op die nodig is opdat het zijn ondersteuningsfunctie ten opzichte van de Hoge Raad zou kunnen vervullen en de kosten bedoeld in artikel II.9-45 kunnen worden betaald.

  Art. II.9-42. Het secretariaat is gehecht aan de algemene directie HUA. Het is samengesteld uit :
  1° een adviseur-generaal belast met de leiding van de afdeling Sociaal Overleg over het Welzijn op het Werk van de algemene directie HUA;
  2° een academisch gevormd ingenieur;
  3° een arts;
  4° twee masters in de rechten;
  5° vier personen die houder zijn van een universitair diploma of van een diploma van hoger onderwijs van het lange type met volledig leerplan of die opgenomen zijn in het hoogste niveau van de administratie.

  HOOFDSTUK VIII. - Het statuut van de voorzitter en de ondervoorzitter

  Art. II.9-43. De voorzitter van de Hoge Raad wordt benoemd op voordracht van de Minister.

  Art. II.9-44. Binnen de vijf maanden wordt in de vervanging voorzien van de voorzitter waarvan het mandaat een einde heeft genomen voor de normale datum van beëindiging ervan. In dat geval voltooit de nieuwe voorzitter het mandaat.

  Art. II.9-45. § 1. Een forfaitaire vergoeding wegens representatiekosten kan worden toegekend aan de voorzitter.
  Het bedrag en de toekenningsmodaliteiten van deze vergoeding worden bij koninklijk besluit vastgesteld.
  § 2. Artikel 16 van het koninklijk besluit van 18 januari 1965 houdende algemene reiskosten is van toepassing op de voorzitter.

  Art. II.9-46. De voorzitter heeft de volgende opdrachten :
  1° hij zorgt voor de samenroeping en de goede werking van de Hoge Raad;
  2° hij zit de vergaderingen van de Hoge Raad, het uitvoerend bureau, de Vaste Commissie van Deskundigen en de commissies ad hoc voor en zorgt voor het goede verloop ervan;
  3° hij legt de ontwerpen van adviezen en voorstellen voor aan de Hoge Raad en zorgt ervoor dat de adviezen worden verstrekt binnen de bij de wet voorgeschreven termijnen;
  4° hij legt het jaarlijks activiteitenverslag voor aan de Hoge Raad.

  Art. II.9-47. Het ondervoorzitterschap van de Hoge Raad wordt waargenomen door de leidend ambtenaar HUA of de leidend ambtenaar TWW.
  De in het eerste lid bedoelde personen vervullen de opdrachten van de voorzitter wanneer deze verhinderd is, volgens de volgorde bepaald in het huishoudelijke reglement."

  BOEK III. - ARBEIDSPLAATSEN

  TITEL 1. - BASISEISEN BETREFFENDE ARBEIDSPLAATSEN

  HOOFDSTUK I. - Toepassingsgebied en algemene beginselen

  Art. III.1-1. Deze titel is van toepassing op elke plaats die bestemd is als locatie voor werkplekken in gebouwen van de onderneming of inrichting, met inbegrip van elke andere plaats op het terrein van de onderneming of inrichting waartoe de werknemer in het kader van de uitvoering van zijn werk toegang heeft.
  Deze titel is niet van toepassing op:
  1° buiten de onderneming of inrichting gebruikte transportmiddelen, noch op de arbeidsplaatsen binnen transportmiddelen;
  2° tijdelijke of mobiele bouwplaatsen;
  3° winningsindustrieën;
  4° vissersvaartuigen;
  5° velden, bossen en andere terreinen die deel uitmaken van een landbouwbedrijf of bosbouwbedrijf doch buiten het bebouwde gebied van dat bedrijf gelegen zijn.

  Art. III.1-2. Onverminderd de toepassing van specifieke maatregelen die voortvloeien uit de risicoanalyse, is de werkgever er toe gehouden de nodige maatregelen te treffen opdat de arbeidsplaatsen te allen tijde zouden beantwoorden aan de bepalingen van deze titel.
  De werkgever vraagt het voorafgaand advies van het Comité over de maatregelen die getroffen worden in toepassing van deze titel.
  Hij verstrekt tevens alle informatie aan het Comité en aan de werknemers betreffende de maatregelen die getroffen worden in toepassing van deze titel.

  Art. III.1-3. Bij de inrichting van de arbeidsplaatsen wordt rekening gehouden met gehandicapte werknemers.
  Dit geldt inzonderheid voor deuren, verbindingswegen, trappen, sociale voorzieningen en werkposten die rechtstreeks door gehandicapte werknemers worden gebruikt of ingenomen.

  HOOFDSTUK II. - Uitrusting van de arbeidsplaatsen

  Art. III.1-4. De gebouwen waarin zich arbeidsplaatsen bevinden hebben structuren, een stabiliteit en een stevigheid die zijn afgestemd op het gebruik dat ervan wordt gemaakt.

  Art. III.1-5. De elektrische installatie moet zodanig zijn ontworpen en uitgevoerd dat zij geen brand- en ontploffingsgevaar oplevert en dat personen op afdoende wijze worden beschermd tegen ongevallenrisico's die uit directe of indirecte aanraking kunnen voortvloeien.
  Bij het ontwerp, de uitvoering en de keuze van het materiaal en de beschermingsvoorzieningen moet rekening worden gehouden met de spanning, de externe invloeden en de deskundigheid van de personen die toegang hebben tot delen van de installatie.

  Art. III.1-6. De oppervlakte, de hoogte en het luchtvolume van de lokalen waarin gewerkt wordt zijn van die aard dat de werknemers hun werk kunnen uitvoeren zonder risico voor hun welzijn.
  Met het oog op het bereiken van het in het eerste lid beoogde resultaat worden de volgende voorschriften toegepast:
  1° de lokalen zijn ten minste 2,5 m hoog;
  2° iedere werknemer beschikt over een werkelijke ruimte van tenminste 10 m3;
  3° iedere werknemer beschikt over een vrije oppervlakte van tenminste 2 m2.
  De werkgever kan afwijken van de in het tweede lid bedoelde voorschriften, indien aan al de volgende voorwaarden is voldaan:
  1° het is technisch en objectief niet mogelijk deze normen na te leven of dit kan om gegronde redenen niet worden geëist;
  2° uit de resultaten van de risicoanalyse blijkt dat door deze normen niet toe te passen de veiligheid en de gezondheid van de werknemers niet in het gevaar kan komen of dat de veiligheid en gezondheid van de werknemers kan worden gewaarborgd door alternatieve preventiemaatregelen toe te passen;
  3° er worden alternatieve preventiemaatregelen getroffen die voorzien in een gelijkwaardig beschermingsniveau;
  4° de bevoegde preventieadviseur heeft een voorafgaand advies en het Comité heeft een voorafgaand akkoord gegeven over de risicoanalyse en de preventiemaatregelen.

  Art. III.1-7. De afmetingen van het vrije, ongemeubileerde oppervlak van de werkpost wordt zodanig berekend dat de werknemers bij de uitoefening van hun taak over voldoende bewegingsruimte beschikken.
  Indien om redenen die specifiek zijn voor de werkpost, niet aan deze eis kan worden voldaan, beschikt de werknemer op een andere plaats dicht bij zijn werkpost over voldoende vrije ruimte.

  Art. III.1-8. De vloeren van de lokalen en van de plaatsen in open lucht zijn vrij van hobbels, putten of gevaarlijke hellingen.
  Ze zijn vast, stabiel en slipvrij.

  Art. III.1-9. De werkgever zorgt voor het technisch onderhoud van de arbeidsplaatsen en de installaties en inrichtingen die er zich bevinden en neemt de nodige maatregelen opdat de vastgestelde gebreken die de veiligheid en de gezondheid van de werknemers kunnen beïnvloeden zo snel mogelijk worden hersteld.
  De werkgever zorgt ervoor dat de arbeidsplaatsen en de gebouwen waarin zij zich bevinden worden schoongemaakt en onderhouden, teneinde elk risico voor het welzijn van de werknemers te voorkomen.
  In functie van de aard van de activiteiten van de onderneming of inrichting en de aard van de risico's voor de werknemers:
  1° kiest hij de geschikte schoonmaakmethodes;
  2° kiest hij de geschikte schoonmaakmiddelen, die hij op passende wijze onderhoudt;
  3° kiest hij schoonmaakproducten die geschikt zijn voor het onderhoud;
  4° bepaalt hij de frequentie van het onderhoud en de schoonmaak evenals het ogenblik ervan.
  Het oppervlak van vloeren, muren en plafonds van de desbetreffende lokalen is van zodanige aard dat zij kunnen worden schoongemaakt en onderhouden, teneinde passende hygiënische omstandigheden te verkrijgen.
  De werkgever zorgt er tevens voor dat alle afval veilig en regelmatig wordt verzameld, opgeslagen, behandeld en verwijderd van de arbeidsplaats, rekening houdend, in voorkomend geval, met de specifieke regelgeving die op de verwijdering van afvalstoffen van toepassing is.

  Art. III.1-10. Transparante of lichtdoorlatende wanden, met name volledig glazen wanden in de lokalen of in de omgeving van werkposten en wegen zijn vervaardigd uit aangepaste veiligheidsmaterialen of zijn op zodanige wijze van de werkposten en wegen afgescheiden dat de werknemers niet met deze wanden in aanraking kunnen komen en ook niet gewond kunnen raken wanneer deze breken.
  Ze zijn duidelijk gemarkeerd overeenkomstig de bepalingen inzake de veiligheids- en gezondheidssignalering op het werk van titel 6 van dit boek.
  Wanneer de transparante of lichtdoorlatende wanden niet uit veiligheidsmaterialen zijn vervaardigd en indien de kans bestaat dat werknemers gewond raken indien een wand breekt, moeten deze oppervlakken tegen indrukken worden beveiligd.

  Art. III.1-11. Teneinde het risico op vallen te voorkomen, zijn de trappen, gaanderijen en platformen voorzien van Beschermingsmiddelen, inzonderheid leuningen, waarvan het aantal en de dimensies worden bepaald door de regels van goed vakmanschap.

  Art. III.1-12. Toegang tot daken van materialen die niet voldoende weerstand bieden is slechts toegestaan indien aangepaste uitrusting wordt verstrekt en de nodige preventiemaatregelen worden genomen opdat het werk veilig kan worden uitgevoerd.

  Art. III.1-13. Ramen, bovenlichtvoorzieningen en ventilatievoorzieningen, die kunnen worden geopend, kunnen door de werknemers veilig worden geopend, gesloten, geregeld en vastgezet. In geopende stand vormen zij geen risico voor de werknemers.
  Ramen en bovenlichtvoorzieningen zijn zodanig in combinatie met de uitrusting ontworpen of zijn uitgerust met zodanige voorzieningen dat zij kunnen worden schoongemaakt zonder risico's voor de werknemers die dit werk verrichten en evenmin voor de werknemers die zich in en om het gebouw bevinden.
  De bepaling van het tweede lid is enkel van toepassing op de arbeidsplaatsen die na 31 december 1992 voor de eerste maal worden gebruikt, alsmede op de wijziging, uitbreidingen of verbouwingen van op 1 januari 1993 in gebruik zijnde arbeidsplaatsen, die vanaf de laatst genoemde datum worden uitgevoerd.

  Art. III.1-14. Plaats, aantal en afmetingen van deuren en poorten alsook de materialen waaruit ze worden vervaardigd, worden bepaald door de aard en het gebruik van de vertrekken of ruimten.

  Art. III.1-15. Wanneer de transparante of lichtdoorlatende oppervlakten van deuren en poorten niet van veiligheidsmateriaal zijn vervaardigd en indien de kans bestaat dat werknemers gewond raken als een deur of een poort breekt, moeten deze oppervlakken tegen indrukken worden beveiligd.
  Klapdeuren en -poorten moeten transparant zijn of van transparante panelen zijn voorzien.
  Op transparante deuren wordt er op ooghoogte een markering aangebracht.

  Art. III.1-16. Schuifdeuren zijn voorzien van een veiligheidssysteem waardoor zij niet uit hun rails kunnen lopen of omvallen.
  Deuren en poorten die naar boven toe opengaan zijn voorzien van een veiligheidssysteem waardoor zij niet kunnen terugvallen.

  Art. III.1-17. Deuren op het traject van vluchtwegen zijn op een passende wijze gemarkeerd.
  Deze deuren kunnen te allen tijde van binnenuit geopend worden zonder speciale hulp.
  Wanneer er nog werknemers op de arbeidsplaats zijn moeten de deuren er kunnen worden geopend.

  Art. III.1-18. In de onmiddellijke nabijheid van poorten die hoofdzakelijk voor het verkeer van voertuigen zijn bestemd, moeten zich, tenzij de doorgang voor voetgangers veilig is, deuren voor voetgangers bevinden die voortdurend vrij moeten blijven en die duidelijk zichtbaar en overeenkomstig de bepalingen inzake de veiligheids- en gezondheidssignalering op het werk van titel 6 van dit boek gemarkeerd zijn.
  Voor de arbeidsplaatsen die reeds vóór 1 januari 1993 in gebruik werden genomen en die niet aanzienlijk werden verbouwd na 31 december 1992, is het toegelaten de veiligheid van de wegen te verzekeren door middel van andere passende maatregelen dan deze bedoeld in het eerste lid.

  Art. III.1-19. Automatische deuren en poorten functioneren op dergelijke wijze dat zij voor de werknemers geen risico's opleveren.
  Zij zijn uitgerust met gemakkelijk herkenbare en toegankelijke noodstopvoorzieningen en kunnen ook met de hand worden geopend, tenzij ze bij een energiestoring automatisch opengaan.

  Art. III.1-20. De bepalingen van de artikelen III.1-21 tot III.1-27 zijn van toepassing op:
  1° de wegen, lokalen, roltrappen, rolpaden, laadkaaien en laadplatforms die zich in de gebouwen van de onderneming bevinden;
  2° op de gedeelten van arbeidsplaatsen die zich in open lucht bevinden, inzonderheid:
  a) de wegen in open lucht op het bedrijfsterrein die leiden naar de vaste werkposten;
  b) de in open lucht gelegen wegen gebruikt voor het periodieke onderhoud en de geregelde bewaking van de installaties van de onderneming;
  c) de in open lucht gelegen rolpaden, laadkaaien en laadplatforms.
  Voor de toepassing van dit artikel worden spoorwegen met wegen gelijkgesteld.

  Art. III.1-21. Wegen, met inbegrip van trappen, vaste ladders, laadkaaien en laadplatforms, zijn zodanig gelegen en berekend dat zij gemakkelijk, veilig en overeenkomstig hun bestemming door voetgangers of voertuigen kunnen worden gebruikt en de werknemers die in de buurt van die wegen werken, geen enkel risico lopen.
  De werkposten, wegen en andere locaties of installaties in de open lucht die zich op het bedrijfsterrein bevinden, waar werknemers werkzaam zijn, zijn zodanig ontworpen of aangepast dat het verkeer van voetgangers en voertuigen er veilig kan plaats vinden.

  Art. III.1-22. Bij het bepalen van de afmetingen van voor het verkeer van personen of goederen bestemde wegen, wordt uitgegaan van het mogelijke aantal gebruikers en de aard van de onderneming.
  Wanneer op de wegen voertuigen worden gebruikt, moet er een veilige afstand overblijven voor de voetgangers.

  Art. III.1-23. De voor voertuigen bestemde wegen liggen op voldoende afstand van deuren, poorten, doorgangen voor voetgangers, gangen en trappen.

  Art. III.1-24. Het tracé van de wegen dient duidelijk en overeenkomstig de bepalingen inzake de veiligheids- en gezondheidssignalering op het werk van titel 6 van dit boek te zijn afgebakend, tenzij het gebruik en de uitrusting van de plaatsen dit niet vereisen om de bescherming van de werknemers te garanderen.

  Art. III.1-25. Voor de arbeidsplaatsen die reeds vóór 1 januari 1993 in gebruik werden genomen en die niet aanzienlijk werden verbouwd na 31 december 1992, is het toegelaten de veiligheid van de wegen te verzekeren door middel van andere maatregelen die gelijkwaardige waarborgen bieden als deze bedoeld in de artikelen III.1-21 tot III.1-24.

  Art. III.1-26. Roltrappen en -paden functioneren veilig.
  Ze zijn uitgerust met de noodzakelijke veiligheidsvoorzieningen.
  Ze hebben gemakkelijk herkenbare en toegankelijke noodstopvoorzieningen.

  Art. III.1-27. De laadkaaien en laadplatforms zijn afgestemd op de afmetingen van de te vervoeren ladingen.
  Laadkaaien en laadplatforms beschikken over tenminste één uitgang.
  Voor zover dat technisch mogelijk is, hebben laadplatforms die een bepaalde lengte overschrijden aan beide uiteinden een uitgang.
  Laadplatforms bieden, binnen de grenzen van het mogelijke, een zodanige veiligheid dat de werknemers niet kunnen vallen of geklemd geraken.

  Art. III.1-28. De arbeidsplaatsen, al dan niet in open lucht, waar er risico op vallen bestaat door de aanwezigheid van putten of gaten in de vloer, de grond of de muur worden afgedekt of voorzien van CBM waarvan de dimensies worden bepaald door de regels van goed vakmanschap.

  Art. III.1-29. Het opslaan van goederen, materialen en andere voorwerpen gebeurt dermate dat de stabiliteit ervan is verzekerd en dat ze niet kunnen vallen.
  Wanneer werk wordt uitgevoerd waarbij materialen, arbeidsmiddelen of andere voorwerpen kunnen vallen, inzonderheid bij het gebruik, de behandeling of het vervoer ervan, treft de werkgever maatregelen om het vallen ervan te voorkomen.

  Art. III.1-30. Arbeidsplaatsen, al dan niet in open lucht, waar door de aard van het werk zones met val- of glijgevaar of beknelling voor werknemers of risico's voor vallende voorwerpen voorkomen, zijn voor zover mogelijk, uitgerust met voorzieningen die beletten dat de werknemers deze zones zonder toestemming betreden.
  Alleen de werknemers die onmisbaar zijn voor het uitvoeren van noodzakelijk werk in deze zone, mogen deze zone betreden.
  Er worden passende maatregelen getroffen om de werknemers die de gevarenzone mogen betreden te beschermen.
  De gevarenzones zijn duidelijk zichtbaar en overeenkomstig de bepalingen inzake de veiligheids- en gezondheidssignalering op het werk van titel 6 van dit boek gemarkeerd.

  HOOFDSTUK III. - Verlichting

  Art. III.1-31. De werkgever zorgt ervoor dat er op de arbeidsplaats voldoende daglicht binnenkomt en dat indien dit niet mogelijk is, er een adequate kunstverlichting aanwezig is.
  De kunstmatige verlichting omvat een algemene verlichtingsinstallatie die, in voorkomend geval, aangevuld wordt met een plaatselijke verlichtingsinstallatie.
  De kunstmatige verlichting op de arbeidsplaatsen en wegen is van die aard dat het risico op ongevallen wordt voorkomen en deze verlichting mag zelf geen ongevallenrisico voor de werknemers opleveren.

  Art. III.1-32. De werkgever bepaalt, op grond van de resultaten van een risicoanalyse, aan welke voorwaarden de verlichting van de arbeidsplaatsen, al dan niet in open lucht, evenals van de werkposten moet beantwoorden teneinde ongevallen door de aanwezigheid van voorwerpen of hindernissen en vermoeidheid van de ogen te voorkomen.
  De werkgever die de vereisten van de norm NBN EN 12464-1 en de norm NBN EN 12464-2 toepast bij het bepalen van de voorwaarden inzake verlichting wordt, vermoed te hebben gehandeld in overeenstemming met het eerste lid.
  Wanneer de werkgever de normen bedoeld in het tweede lid niet wenst toe te passen, moet de verlichting tenminste beantwoorden aan de voorwaarden die zijn vastgesteld in bijlage III.1-2.

  Art. III.1-33. Arbeidsplaatsen waar werknemers bij het uitvallen van de kunstverlichting aan een verhoogd risico zijn blootgesteld, zijn uitgerust met een verlichting die bijdraagt aan de veiligheid van de personen die bezig zijn met een mogelijk gevaarlijke activiteit of zich in een mogelijk gevaarlijke situatie bevinden en die het hen mogelijk maakt een gepaste afsluitprocedure uit te voeren voor de veiligheid van de bediener en andere aanwezigen in het gebouw. De sterkte van deze verlichting mag niet minder zijn dan 10% van de normaal vereiste verlichtingssterkte voor de betreffende taak.

  HOOFDSTUK IV. - Luchtverversing

  Art. III.1-34.[1 § 1. De werkgever zorgt ervoor dat de werknemers in de werklokalen over een goede binnenluchtkwaliteit beschikken.
   § 2. Daartoe voert de werkgever overeenkomstig artikel I.2-6 een risicoanalyse uit van de binnenluchtkwaliteit in de werklokalen, waarbij hij rekening houdt met het debiet van de aangevoerde lucht en de mogelijke bronnen van verontreiniging, bijvoorbeeld :
   1° de aanwezigheid en de fysieke activiteit van personen;
   2° de in de werklokalen aanwezige producten en materialen, zoals bouwmaterialen, vloerbekleding en aankleding, meubilair, planten en dieren, technische uitrusting, aanwezige toestellen, werktuigen en machines;
   3° onderhoud, herstel en reiniging van de arbeidsplaatsen;
   4° kwaliteit van de aangevoerde lucht als gevolg van infiltratie en ventilatie, verontreiniging en werking van het ventilatie-, luchtbehandelings- en verwarmingssysteem.
   De risicoanalyse wordt uitgevoerd door middel van visuele inspecties, controle van installaties en documenten, en met medewerking van de werknemers. Indien nodig worden metingen en/of berekeningen uitgevoerd.
   § 3. De werkgever neemt de nodige technische en/of organisatorische maatregelen om ervoor te zorgen dat de CO2-concentratie in de werklokalen gewoonlijk lager is dan 900 ppm of dat een minimum ventilatiedebiet van 40 m3/u per aanwezige persoon wordt gerespecteerd.
   In afwijking van het eerste lid, neemt de werkgever de nodige technische en/of organisatorische maatregelen om ervoor te zorgen dat de CO2-concentratie in de werklokalen gewoonlijk lager is dan 1200 ppm of dat er een minimum ventilatiedebiet van 25 m3/u per aanwezige persoon wordt gerespecteerd, op voorwaarde dat de volgende voorwaarden vervuld zijn :
   1° de werkgever kan op basis van de resultaten van de risicoanalyse aantonen dat de werknemers een gelijkwaardig of beter beschermingsniveau genieten wat de binnenluchtkwaliteit betreft, doordat de verontreinigingsbronnen bedoeld in § 2, 2° tot 4° werden uitgeschakeld of aanzienlijk werden verminderd, bijvoorbeeld door het gebruik van emissiearme materialen;
   2° de werkgever heeft hierover voorafgaand het advies gevraagd van de bevoegde preventieadviseur en van het comité.
   De CO2-concentratie in de werklokalen wordt beschouwd als gewoonlijk lager dan 900 ppm of 1200 ppm respectievelijk, wanneer de CO2-concentratie onder deze waarde blijft gedurende 95 % van de gebruikstijd, berekend over maximaal 8 uur, en uitgaande van een buitenconcentratie van 400 ppm. Als metingen aantonen dat de buitenconcentratie 400 ppm overstijgt, kan rekening worden gehouden met het verschil tussen 400 ppm en de werkelijke buitenconcentratie.
   § 4. Voor werklokalen in gebouwen of in delen van gebouwen die worden gebouwd, verbouwd of gerenoveerd met een bouwaanvraag na 1 januari 2020, neemt de werkgever de nodige technische en/of organisatorische maatregelen om te voldoen aan de eisen van § 3.
   Als in andere werklokalen dan bedoeld in het eerste lid, niet kan worden voldaan aan de eisen bepaald in § 3, stelt de werkgever een actieplan op, in overleg met de bevoegde preventieadviseur en met het comité, waarin de nodige technische en/of organisatorische maatregelen op korte, middellange en lange termijn worden vastgelegd, evenals een tijdspad voor de implementatie van deze maatregelen, om ervoor te zorgen dat de binnenluchtkwaliteit wordt verbeterd en dat binnen afzienbare termijn kan worden voldaan aan de eisen bepaald in § 3. De resultaten van de risicoanalyse bedoeld in § 2 en het actieplan worden opgenomen in het globaal preventieplan.]1
  ----------
  (1)<KB 2019-05-02/26, art. 2, 006; Inwerkingtreding : 31-05-2019>

  Art. III.1-35. De luchtverversing gebeurt op natuurlijke wijze of door middel van een luchtverversingsinstallatie.

  Art. III.1-36.[1 § 1.]1 Indien een luchtverversingsinstallatie wordt gebruikt, inzonderheid airconditioninginstallaties of mechanische ventilatie-installaties, moet deze beantwoorden aan de volgende voorwaarden:
  1° ze is dermate gebouwd dat zij verse lucht verspreidt, die gelijkmatig wordt verdeeld over de werklokalen;
  2° ze is dermate gebouwd dat de werknemers niet blootgesteld worden aan hinder door temperatuurschommelingen, tocht, lawaai of trillingen;
  3° [1 ...]1
  4° ze wordt dermate onderhouden dat elke afzetting van vuil en de verontreiniging of besmetting van de installatie wordt voorkomen of dat dit vuil zo snel mogelijk wordt verwijderd of de installatie gereinigd, zodat elk risico voor de gezondheid van de werknemers door de verontreiniging of besmetting van de ingeademde lucht wordt voorkomen of beperkt;
  5° storingen worden door een controlesysteem gemeld;
  6° de werkgever treft de nodige maatregelen opdat de installatie regelmatig wordt gecontroleerd door een bevoegd persoon, zodat zij te allen tijde gebruiksklaar is.
  [1 ...]1
  [1 § 2. Wanneer het gaat om systemen met bevochtigings- of ontvochtigingsinstallaties, zijn deze dermate ingesteld dat de gemiddelde relatieve luchtvochtigheid over een werkdag tussen 40 en 60 % ligt, tenzij dit om technische redenen of omwille van de aard van de activiteiten niet mogelijk is.
   De relatieve luchtvochtigheid bedoeld in het eerste lid mag tussen 35 en 70 % liggen indien de werkgever aantoont dat de lucht geen chemische of biologische agentia bevat die een risico kunnen vormen voor de veiligheid en de gezondheid van de aanwezige personen op de arbeidsplaats.]1
  ----------
  (1)<KB 2019-05-02/26, art. 3, 006; Inwerkingtreding : 31-05-2019>

  Art. III.1-37. De bepalingen van de artikelen III.1-34 tot III.1-36 doen geen afbreuk aan de verplichting te voorzien in specifieke ventilatie- of afzuigingsystemen in de gevallen bedoeld in andere bepalingen van de codex die betrekking hebben op specifieke risico's.

  HOOFDSTUK V. - Temperatuur

  Art. III.1-38. § 1. De arbeidsplaatsen waar werkposten zijn ingericht zijn thermisch voldoende geïsoleerd, rekening houdend met de aard van de activiteit van de onderneming of instelling.
  Ramen, bovenlichtvoorzieningen en glazen wanden zijn zodanig geconstrueerd dat, rekening houdend met de aard van het werk en de aard van de arbeidsplaats, overmatige zonnestraling op de arbeidsplaats wordt vermeden.
  § 2. De temperatuur op de arbeidsplaats is gedurende de arbeidstijd afgestemd op het menselijk organisme, rekening houdend met de factoren bedoeld in artikel V.1-1, § 1.
  § 3. De temperatuur in de lokalen waarin zich sociale voorzieningen bevinden is afgestemd op de specifieke bestemming van deze lokalen.

  HOOFDSTUK VI. - Sociale voorzieningen

  Afdeling 1. - Algemene bepalingen

  Art. III.1-39.De werkgever stelt de volgende sociale voorzieningen ter beschikking van de werknemers:
  1° sanitaire installaties, inzonderheid kleedkamers, wastafels, douches en toiletten;
  2° een refter;
  3° een rustlokaal;
  4° een lokaal voor de zwangere werkneemsters en de werkneemsters die borstvoeding geven.
  Hij bepaalt de ligging, de inrichting en de uitrusting van de sociale voorzieningen na advies van de [1 preventieadviseur-arbeidsarts]1 en het Comité.
  ----------
  (1)<KB 2019-05-14/07, art. 1, 008; Inwerkingtreding : 21-06-2019>

  Art. III.1-40. De sociale voorzieningen en de lokalen waarin ze zich bevinden beantwoorden aan de minimumvoorschriften opgenomen in bijlage III.1-1.
  De in het eerste lid bepaalde minimumvoorschriften zijn evenwel niet van toepassing indien aan één van de volgende voorwaarden wordt voldaan:
  1° er bestaat een regelgeving die van toepassing is in een specifieke sector en die specifieke voorschriften betreffende de sociale voorzieningen voorziet;
  2° uit de risicoanalyse blijkt dat de toepassing van andere maatregelen leidt tot een gelijkwaardig of beter resultaat.

  Art. III.1-41. De lokalen waarin zich sociale voorzieningen bevinden zijn voldoende ruim bemeten en bieden alle waarborgen inzake veiligheid en hygiëne.
  Ze worden verlucht, verlicht en verwarmd in functie van hun bestemming.
  Ze worden voorzien van meubilair dat beantwoordt aan de bestemming van het lokaal en ze zijn gemakkelijk toegankelijk.

  Art. III.1-42. De lokalen en de sociale voorzieningen zelf worden ten minste één maal per dag schoongemaakt, zodat ze te allen tijde blijven beantwoorden aan de hygiënische voorschriften.
  Bij ploegenarbeid worden de lokalen en de sociale voorzieningen voor iedere ploegwisseling schoongemaakt.

  Art. III.1-43. Zonder afbreuk te doen aan de bepaling van artikel III.1-56, derde lid, stelt de werkgever de toegangsmodaliteiten en de toegangsuren tot de sociale voorzieningen vast in het arbeidsreglement.

  Art. III.1-44. De kleedkamers, wastafels en douches bevinden zich in één of verschillende lokalen die volledig gescheiden zijn van de arbeidsplaats.
  Zij mogen in één enkel lokaal worden ingericht of in aanpalende lokalen die met elkaar in verbinding staan.
  Deze lokalen moeten op slot kunnen worden gedaan.

  Art. III.1-45. Er wordt voorzien in aparte kleedkamers, douches en toiletten voor mannen en vrouwen.
  Wanneer er enkel wastafels aanwezig zijn, omdat er geen douches vereist zijn, wordt er voorzien in aparte wastafels voor mannen en vrouwen.

  Art. III.1-46. § 1. De sociale voorzieningen die deel uitmaken van de woning van de werkgever, mogen de sociale voorzieningen bedoeld in artikel III.1-39 vervangen onder de volgende voorwaarden:
  1° het aantal werknemers dat van deze voorzieningen gebruik moet maken is niet groter dan vijf;
  2° er is geen specifiek risico op bevuiling, intoxicatie of besmetting vastgesteld;
  3° deze woning omvat de arbeidsplaats zelf of ligt er onmiddellijk naast;
  4° deze voorzieningen worden daadwerkelijk ter beschikking gesteld van de werknemers;
  5° de bevoegde preventieadviseur heeft hierover een gunstig advies verstrekt en de werkgever geeft hem tijdens de werkuren toegang tot deze voorzieningen;
  6° de werkgever geeft aan de met het toezicht belaste ambtenaar tijdens de werkuren toegang tot deze voorzieningen.
  § 2. Indien er meerdere werkgevers eenzelfde onroerend goed gebruiken, mogen de sociale voorzieningen gemeenschappelijk voor al deze werkgevers ingericht worden.
  In dat geval bevinden deze sociale voorzieningen zich in een gemeenschappelijk lokaal en werken de werkgevers samen voor de bepaling van de regels betreffende de ligging, de uitrusting, het onderhoud en het gebruik van deze voorzieningen.

  Afdeling 2. - Kleedkamers

  Art. III.1-47. De werkgever stelt een kleedkamer ter beschikking van de werknemers, wanneer deze werknemers van kledij dienen te wisselen.
  Wanneer er geen kleedkamers vereist zijn, moet elke werknemer kunnen beschikken over een plaats om zijn kledij op te hangen.

  Art. III.1-48. § 1. De kleedkamers worden zodanig uitgerust met kleerkasten dat elke werknemer zijn kleding tijdens de werktijd achter slot en grendel kan bewaren.
  Elke werknemer die de kleedkamer gebruikt, beschikt over een individuele kleerkast.
  § 2. Wanneer er geen specifiek risico is, mogen de individuele kleerkasten vervangen worden door een gewone kapstok met kleerhaak of een kleerhanger en een individueel vak.
  § 3. Wanneer de werknemers worden blootgesteld aan vocht of vuil of wanneer er een risico is op intoxicatie of besmetting beschikken zij over twee individuele kleerkasten, de ene voor de eigen kledij, de andere voor de werkkledij.
  § 4. De werknemers bewaren kledij en toiletartikelen in de kleedkamers of, in geval van afwezigheid van kleedkamers, op de daarvoor bestemde plaatsen.

  Afdeling 3. - Wastafels en douches

  Art. III.1-49. De wastafels en douches worden ingericht in specifiek hiertoe bestemde lokalen.
  De wastafels mogen evenwel ingericht worden in de toiletten indien de aard van het werk en de afwezigheid van risico's dit rechtvaardigen en mits het akkoord van het Comité werd bekomen.

  Art. III.1-50. Wanneer de werknemers ingevolge de aard van het werk dienen gebruik te maken van de wastafels zorgt de werkgever ervoor dat er per drie werknemers die gelijktijdig hun arbeidstijd beëindigen, tenminste één kraan is.
  Dit aantal mag evenwel verminderd worden tot één kraan per vijf werknemers die gelijktijdig hun arbeidstijd beëindigen indien de aard van het werk en de daaraan verbonden risico's dit kunnen rechtvaardigen en voor zover het Comité hiermee akkoord is.

  Art. III.1-51. De werkgever bepaalt in functie van de aard van het werk en de aard van het risico of de wastafels moeten voorzien zijn van koud en warm water en welke zeep of reinigingsmiddelen worden gebruikt.

  Art. III.1-52. Indien de werknemers tijdens het werk hun handen moeten wassen, worden er wastafels in de nabijheid van de werkpost geïnstalleerd.

  Art. III.1-53. De werkgever stelt een douche met warm en koud water ter beschikking van de werknemers, indien:
  1° de werknemers worden blootgesteld aan overmatige warmte;
  2° de werknemers sterk bevuilend werk verrichten;
  3° de werknemers worden blootgesteld aan gevaarlijke chemische of biologische agentia.
  Er wordt voorzien in één douche per groep van zes werknemers die gelijktijdig de arbeidstijd beëindigen.
  De doucheruimten zijn voldoende ruim bemeten om iedere werknemer in staat te stellen zich onder hygiënisch verantwoorde omstandigheden ongehinderd te wassen.

  Art. III.1-54. De werkgever stelt zonder kosten voor de werknemers voldoende toiletartikelen en, in voorkomend geval speciale reinigingsproducten evenals elke andere bijkomende uitrusting, ter beschikking van de werknemers.
  Hij stelt eveneens voldoende handdoeken ter beschikking waarvan hij het onderhoud en de tijdige vervanging verzekert. Voor het drogen van de handen kan hij een ander middel ter beschikking stellen.

  Art. III.1-55. De werknemers moeten de in dit hoofdstuk bedoelde sociale voorzieningen die hen ter beschikking worden gesteld gebruiken op het einde van de arbeidstijd en, in voorkomend geval, vooraleer de maaltijd te gebruiken.

  Afdeling 4. - Toiletten

  Art. III.1-56. De toiletten bestaan uit één of meerdere individuele wc's en desgevallend urinoirs, samen met één of meerdere wastafels.
  De toiletten zijn volledig gescheiden voor mannen en vrouwen, en bevinden zich dicht bij hun werkpost, de rustlokalen, de kleedkamers en de douches.
  De werknemers moeten zich vrij naar de toiletten kunnen begeven.

  Art. III.1-57. Het aantal individuele wc's bedraagt tenminste 1 per 15 mannelijke werknemers die gelijktijdig worden tewerkgesteld en ten minste 1 per 15 vrouwelijke werknemers die gelijktijdig worden tewerkgesteld.
  De individuele wc's voor de mannelijke werknemers kunnen worden vervangen door urinoirs, op voorwaarde dat het aantal individuele wc's ten minste 1 bedraagt per 25 mannelijke werknemers die gelijktijdig worden tewerkgesteld.
  Per vier wc's of urinoirs is er één wastafel.

  Afdeling 5. - Refters

  Art. III.1-58.De refters worden ingericht in één of meer lokalen, volledig afgescheiden van de arbeidsplaats.
  De werkgever moet geen refter ten behoeve van de werknemers inrichten indien hij daarover het akkoord bekomen heeft van het Comité.
  De werkgever mag toelaten dat werknemers die tewerkgesteld worden in eenzelfde kantoorruimte, daar de maaltijd gebruiken, voor zover de hygiëne te allen tijde gewaarborgd is en de [1 preventieadviseur-arbeidsarts]1 en het Comité over deze mogelijkheid een voorafgaand akkoord hebben gegeven.
  ----------
  (1)<KB 2019-05-14/07, art. 1, 008; Inwerkingtreding : 21-06-2019>

  Art. III.1-59. Wanneer de werknemers in aanraking komen met vuil of indien er een risico bestaat op intoxicatie of besmetting moeten de werknemers, vooraleer zij de refter binnenkomen, de handen wassen en hetzij zich omkleden, hetzij overkleding aantrekken.

  Afdeling 6. - Rustlokalen

  Art. III.1-60. Wanneer uit de risicoanalyse blijkt dat het voor bepaalde functies noodzakelijk is dat de werknemers rustpauzes nemen of wanneer dit blijkt uit de toepassing van specifieke bepalingen van de codex stelt de werkgever een rustlokaal te hunner beschikking.
  Dit is inzonderheid het geval indien:
  1° de werknemers worden blootgesteld aan thermische omgevingsfactoren die tot gevolg hebben dat periodes van aanwezigheid op de werkpost worden afgewisseld met rusttijden;
  2° de werknemers worden blootgesteld aan lawaai of trillingen;
  3° de werknemers werk verrichten dat een energieverbruik van meer dan 410 Watt tot gevolg heeft;
  4° de werknemers werk verrichten dat een verhoogde blootstelling aan psychosociale risico's op het werk veroorzaakt;
  5° de werknemers werk verrichten dat wachtdiensten inhoudt;
  6° de arbeidstijd verdeeld over de dag wordt onderbroken;
  7° de bevoegde preventieadviseur en het Comité dit nodig achten.

  Art. III.1-61. Het rustlokaal mag hetzij een bijgebouw zijn van de refter, hetzij ondergebracht zijn in een lokaal dat eventueel ook een ander doel dient.
  Het is beschermd tegen de hinder die tot de inrichting van het rustlokaal aanleiding gaf.
  De rustlokalen zijn uitgerust met voldoende tafels en stoelen met rugleuning, rekening houdend met het aantal werknemers.
  Het aantal rustzitplaatsen, aangepast aan de bestemming van het lokaal, is gelijk aan het aantal werknemers dat er gelijktijdig moet over beschikken.
  De plaats waar het rustlokaal zich bevindt wordt gesignaleerd overeenkomstig de bepalingen inzake de veiligheids- en gezondheidssignalering op het werk van titel 6 van dit boek.

  Afdeling 7. - Lokaal voor de zwangere werkneemsters en de werkneemsters die borstvoeding geven

  Art. III.1-62. Zonder afbreuk te doen aan de toepassing van de bepalingen van een in de Nationale Arbeidsraad gesloten collectieve arbeidsovereenkomst die algemeen verbindend is verklaard bij koninklijk besluit, stelt de werkgever een onopvallend en gesloten lokaal ter beschikking van:
  1° de zwangere werkneemsters, waar zij in liggende positie kunnen rusten in aangepaste omstandigheden wat het comfort betreft;
  2° de werkneemsters die borstvoeding geven om hen de mogelijkheid te geven om:
  a) borstvoeding te geven, indien de aanwezigheid van het kind op de arbeidsplaats niet verboden is gelet op de risico's;
  b) melk af te kolven en deze te bewaren in hygiënische omstandigheden.
  Dit lokaal is tevens uitgerust met een voorziening om zich te wassen.

  Afdeling 8. - Dranken

  Art. III.1-63. In functie van de aard van het werk en de aard van de risico's, stelt de werkgever drinkwater of een andere drank ter beschikking van de werknemers.
  Individuele drinkbekertjes, eventueel voor eenmalig gebruik, worden ter beschikking gesteld.
  De distributiepunten zijn gemakkelijk bereikbaar.

  Art. III.1-64.In geval van risico op intoxicatie of besmetting of bij bijzonder bevuilend werk voorziet de werkgever, op voorstel van de [1 preventieadviseur-arbeidsarts]1, voor de werknemers die blootgesteld worden aan deze risico's, in de aanleg van drinkwaterfonteinen of van waterbedelingspunten met wegwerpbekertjes.
  In dit geval is het verboden drinkbekertjes en dranken te nemen alvorens de handen te hebben gewassen.
  ----------
  (1)<KB 2019-05-14/07, art. 1, 008; Inwerkingtreding : 21-06-2019>

  TITEL 2. - ELEKTRISCHE INSTALLATIES

  HOOFDSTUK I. - Toepassingsgebied en definities

  Art. III.2-1. Deze titel is van toepassing op de elektrische installaties bestemd voor productie, omvorming, transport, verdeling of gebruik van elektrische energie, voor zover dat de nominale frequentie van de stroom niet groter is dan 10.000 Hz, gelegen in gebouwen of op de terreinen van de onderneming of de inrichting van een werkgever.

  Art. III.2-2. § 1. Voor de toepassing van de bepalingen van deze titel wordt verstaan onder:
  1° inrichting: de geografisch afgebakende plaats die deel uitmaakt van een onderneming of een instelling, en die onder de verantwoordelijkheid valt van een werkgever die er zelf werknemers tewerkstelt;
  Worden met een inrichting gelijkgesteld, installaties die door een werkgever uitgebaat worden;
  2° oude elektrische installatie: elektrische installatie, waarvan de uitvoering ter plaatse is aangevangen:
  a) ten laatste op 1 oktober 1981 voor de elektrische installaties van de inrichtingen die geen elektriciteitsdienst hebben die bestaat uit gewaarschuwde of bevoegde personen die beschikken over de bekwaamheden gekenmerkt door de code BA 4 of BA 5, zoals bepaald in artikel 47 van het AREI;
  b) ten laatste op 1 januari 1983 voor de andere installaties.
  § 2. Voor de toepassing van de bepalingen van deze titel hebben de technische begrippen en uitdrukkingen dezelfde betekenis als deze die er aan gegeven wordt door het AREI.

  HOOFDSTUK II. - Risicoanalyse en algemene preventiemaatregelen

  Art. III.2-3. De werkgever voert, overeenkomstig artikel I.2-6 een risicoanalyse uit van elke elektrische installatie waarvan hij de houder is.
  De werkgever spoort ten minste de volgende risico's op en evalueert ze:
  1° de risico's voor elektrische schokken door rechtstreekse aanraking;
  2° de risico's voor elektrische schokken door onrechtstreekse aanraking;
  3° de risico's te wijten aan ontladingen en lichtbogen;
  4° de risico's te wijten aan potentiaalspreiding;
  5° de risico's te wijten aan ophoping van energie, zoals in condensatoren;
  6° de risico's te wijten aan overspanningen ten gevolge van inzonderheid fouten die kunnen ontstaan tussen actieve delen op kringen op verschillende spanning, van het schakelen en van atmosferische ontladingen;
  7° de risico's voor oververhitting, brandwonden, brand en ontploffing, veroorzaakt door de elektrische uitrusting;
  8° de risico's te wijten aan overstromen;
  9° de risico's te wijten aan een spanningsdaling en het wederopkomen van de spanning;
  10° de risico's inherent aan het gebruik van elektrische energie en de werkzaamheden aan elektrische installaties;
  11° de niet elektrische risico's die te wijten kunnen zijn aan een fout of een slecht functioneren van een elektrische uitrustingscomponent, zoals stuurorganen of stuurstroombanen.

  Art. III.2-4. Bij de evaluatie van de in artikel III.2-3 bedoelde risico's houdt de werkgever tenminste rekening met de volgende parameters:
  1° de spanningsgebieden;
  2° de absolute conventionele grensspanning en de relatieve conventionele grensspanning;
  3° het systeem van de aardverbindingen;
  4° de uitwendige invloeden;
  5° de eventuele inplanting van de elektrische installatie in een exclusieve ruimte van de elektrische dienst zoals bedoeld door het AREI;
  6° de eventueel aanwezige andere factoren die de ernst van de risico's kunnen beïnvloeden, inzonderheid de aanwezigheid van andere elektrische of niet elektrische installaties en vreemde geleidende delen.

  Art. III.2-5. De werkgever treft op grond van de risicoanalyse bedoeld in de artikelen III.2-3 en III.2-4, alle nodige preventiemaatregelen ter bescherming van de werknemers tegen de in artikel III.2-3 bedoelde risico's, waarbij hij inzonderheid rekening houdt met de parameters bedoeld in artikel III.2-4.
  Hiertoe toont de werkgever aan dat de elektrische installatie zodanig is uitgevoerd, zodanig wordt uitgebaat en in stand gehouden dat de werknemers doeltreffend beschermd zijn tegen de risico's verbonden aan elektriciteit.
  De werkgever houdt eveneens rekening met de bepalingen van boek IV.

  HOOFDSTUK III. - Minimale voorschriften betreffende de uitvoering van de elektrische installatie

  Art. III.2-6. De uitvoering van iedere elektrische installatie voldoet, voor elk te evalueren risico, ten minste aan de bepalingen van het AREI.

  Art. III.2-7. In afwijking van artikel III.2-6 is het toegelaten dat de oude elektrische installaties voldoen aan de voorwaarden vermeld in bijlage III.2-1.

  Art. III.2-8. De bepalingen van artikel III.2-6 en artikel III.2-7 zijn evenwel niet van toepassing op de elektrische installaties die volgens artikel 1.02 van het AREI niet vallen onder het toepassingsgebied van het AREI.

  HOOFDSTUK IV. - Werkzaamheden aan elektrische installaties

  Art. III.2-9. De werkgever zorgt ervoor dat de werkzaamheden aan de elektrische installatie worden uitgevoerd overeenkomstig de artikelen 192 tot 197 en 266 van het AREI.

  Art. III.2-10. In toepassing van artikel 9, § 1 van de wet, is de werkgever, in wiens inrichting aannemers of onderaannemers, werkzaamheden uitvoeren aan de elektrische installatie of andere werkzaamheden komen uitvoeren waarbij de aanwezigheid van elementen van de elektrische installatie die niet of niet volledig aan de bepalingen van het AREI voldoen een risico kan vormen, er toe gehouden om aan deze aannemers of onderaannemers ten minste informatie te verstrekken over:
  1° de aanwezigheid in de elektrische installatie van delen die niet of niet volledig voldoen aan de bepalingen van het AREI, en van de lokalisatie van deze delen;
  2° en, in voorkomend geval, de bijzondere preventiemaatregelen die ten gevolge van deze omstandigheden moeten genomen worden om de veiligheid van de werknemers of zelfstandige te verzekeren.

  HOOFDSTUK V. - Controles van elektrische installaties

  Art. III.2-11. De werkgever zorgt ervoor dat de elektrische installaties onderworpen worden aan de in artikel III.2-12 tot III.2-14 bedoelde controles en dat deze controles het geheel van de installatie omvatten.

  Art. III.2-12. Elke elektrische installatie, bedoeld in artikel III.2-6, maakt het voorwerp uit van een gelijkvormigheidsonderzoek bedoeld in, naargelang het geval, artikel 270 of 272 van het AREI, door een erkend organisme bedoeld in artikel 275 van het AREI.
  Wanneer de werkgever in het bezit is van het verslag van het gelijkvormigheidsonderzoek, zoals bedoeld in het eerste lid, dan dient voormelde controle niet meer te worden uitgevoerd.

  Art. III.2-13. § 1. Elke elektrische installatie, bedoeld in artikel III.2-7, maakt het voorwerp uit van een eerste controle, door een erkend organisme bedoeld in artikel 275 van het AREI.
  De in het eerste lid bedoelde controles zijn niet van toepassing op:
  1° de luchtlijnen en de ondergrondse leidingen van een openbaar verdeelnet van elektriciteit;
  2° de installaties op zeer lage gelijkspanning gevoed uitsluitend door batterijen, accumulatoren, accumulatorenbatterijen die niet onder het toepassingsgebied van artikel 63 van het AREI vallen, fotovoltaïsche cellen of andere gelijkaardige bronnen.
  § 2. De eerste controle, bedoeld in § 1, wordt uitgevoerd ten laatste op 1 januari 2014.
  De eerste controle heeft betrekking op de overeenstemming van de elektrische installatie met de bepalingen van bijlage III.2-1.
  De eerste controle geeft aanleiding tot het opstellen van een verslag van de eerste controle.
  De Minister kan nadere regels vaststellen met betrekking tot de uitvoering van de eerste controle en tot de vorm en de inhoud van het verslag van de eerste controle.

  Art. III.2-14. § 1. De elektrische installaties, bedoeld in de artikelen III.2-6 en III.2-7, maken het voorwerp uit van een periodieke controle door een erkend organisme bedoeld in artikel 275 van het AREI.
  De periodieke controles hebben betrekking op het behoud van de overeenstemming van de elektrische installatie met de bepalingen van hoofdstuk III van deze titel.
  De periodieke controles geven aanleiding tot het opstellen van een verslag van periodieke controle.
  De Minister kan nadere regels vaststellen met betrekking tot de uitvoering van de periodieke controle en tot de vorm en de inhoud van het verslag van de periodieke controle.
  § 2. De periodieke controle wordt uitgevoerd met dezelfde frequentie als bepaald in het AREI.

  Art. III.2-15. Indien het verslag opgesteld na een controlebezoek aantoont dat de elektrische installatie niet voldoet aan de bepalingen van hoofdstuk III van deze titel, is de werkgever ertoe gehouden om de installatie in overeenstemming te brengen met deze bepalingen.
  Indien de elektrische installatie ondertussen in dienst gehouden wordt, treft de werkgever noodzakelijke maatregelen ter bevordering van de veiligheid van de werknemers.
  Deze maatregelen worden vastgesteld op basis van een risicoanalyse, zoals bedoeld in artikel I.2-6.

  Art. III.2-16. De werkgever zorgt ervoor dat de hoogspanningsinstallaties regelmatig worden onderzocht overeenkomstig de bepalingen van artikel 267 van het AREI.

  HOOFDSTUK VI. - Bekwaamheid en opleiding van de werknemers en instructies voor de werknemers

  Art. III.2-17. De werkgever verzekert de nodige opleiding van de werknemers en hij verstrekt de nodige instructies om de risico's eigen aan het gebruik van, de uitbating van en de werkzaamheden aan de elektrische installatie te vermijden, rekening houdend met de opdrachten waarmee deze werknemers belast zijn.
  Bij het vaststellen van deze vorming en van deze instructies houdt de werkgever rekening met de risico's die kunnen voortvloeien uit het feit dat een elektrische installatie niet of niet volledig werd uitgevoerd overeenkomstig de bepalingen van het AREI.

  Art. III.2-18. De werkgever treft de nodige maatregelen opdat alleen werknemers die daartoe de nodige bekwaamheid bezitten, belast worden met het gebruik van, de uitbating van en de werkzaamheden aan elektrische installaties of delen ervan die een risico van elektriciteit kunnen opleveren.
  De bepalingen van het AREI waarbij bepaalde activiteiten of de toegang tot bepaalde installaties of delen van installaties voorbehouden worden aan personen die beschikken over de bekwaamheid die gekenmerkt wordt door de code BA 4 of BA 5, zijn van toepassing op de in deze titel bedoelde personen en elektrische installaties.
  De bekwaamheid van personen die gekenmerkt wordt door de code BA 4 of BA 5 wordt door de werkgever aan de werknemers toegekend overeenkomstig artikel 47 van het AREI.

  Art. III.2-19. De werkgever vergewist zich ervan dat de werknemers de reglementering en de instructies die moeten nageleefd worden kennen.
  Bovendien vergewist hij zich er van dat de leden van de hiërarchische lijn de reglementering en de instructies die moeten nageleefd worden kennen, naleven en doen naleven.

  Art. III.2-20. De werkgever hangt op oordeelkundig gekozen plaatsen een instructie uit met betrekking tot de eerste hulp die toegediend moet worden in geval van ongeval met elektrische oorsprong.

  HOOFDSTUK VII. - Documentatie

  Art. III.2-21. De werkgever stelt een dossier van de elektrische installatie samen, op een geschikte drager, bewaart het en stelt het ter beschikking van de personen voor wie deze documenten dienstig zijn bij het uitvoeren van hun werk of bij het vervullen van hun opdracht.
  Dit dossier omvat tenminste de elementen opgenomen in bijlage III.2-2.

  HOOFDSTUK VIII. - Overgangsbepalingen

  Art. III.2-22. Elke oude elektrische installatie voldoet uiterlijk op 31 december 2014 aan de bepalingen van hoofdstuk II van deze titel en uiterlijk op 31 december 2016 aan de bepalingen van de artikelen III.2-7 en III.2-8.
  De werkgever mag deze datum overschrijden met een maximale termijn van 2 jaar, enkel wat betreft de bepalingen van de artikelen III.2-7 en III.2-8, mits hij op advies van de preventieadviseur arbeidsveiligheid en van het Comité vóór het verstrijken van die datum een gedetailleerd uitvoeringsplan opstelt.
  Dit plan bevat ten minste de volgende elementen:
  1° de redenen waarom de in het eerste lid bedoelde datum niet kan worden gerespecteerd;
  2° de eventuele opeenvolgende uitvoeringsfasen die de werkgever zal naleven om de installatie in overeenstemming te brengen met de bepalingen van de artikelen III.2-7 en III.2 8 en de daaraan verbonden termijnen;
  3° de uiterste datum voor dewelke de installatie aan de bepalingen van de artikelen III.2-7 en III.2-8 zal beantwoorden;
  4° het verslag van de eerste controle door het erkend organisme bedoeld in artikel III.2-13, § 2;
  5° het advies van de preventieadviseur arbeidsveiligheid bedoeld in het tweede lid;
  6° het advies van het Comité bedoeld in het tweede lid.
  Zolang de in het eerste lid bedoelde elektrische installatie niet voldoet aan de bepalingen van de artikelen III.2-7 en III.2-8, moet zij blijven beantwoorden aan de veiligheidsvoorschriften van titel III, hoofdstuk I, eerste afdeling van het ARAB.

  TITEL 3. - BRANDPREVENTIE OP DE ARBEIDSPLAATSEN

  HOOFDSTUK I. - Toepassingsgebied en definities

  Art. III.3-1. Deze titel is van toepassing op de arbeidsplaatsen bedoeld in artikel III.1-1.

  Art. III.3-2. Voor de toepassing van de bepalingen van deze titel wordt verstaan onder:
  1° brand: geheel van de verschijnselen behorend bij een niet-gecontroleerde schade toebrengende verbranding;
  2° gebouw: elke bouwconstructie die een voor personen toegankelijke overdekte ruimte vormt, geheel of gedeeltelijk met wanden omsloten;
  3° compartiment: deel van een gebouw, al dan niet onderverdeeld in lokalen, begrensd door wanden die de brandvoortplanting naar het aangrenzende compartiment of compartimenten gedurende een bepaalde tijd dienen te beletten;
  4° veilige plaats: een plaats buiten het gebouw of, in voorkomend geval, het gedeelte van het gebouw dat gelegen is buiten het compartiment waar er brand is en vanwaar het mogelijk is om het gebouw te verlaten zonder door dat compartiment te moeten gaan;
  5° evacuatieweg: doorlopende en onbelemmerde weg die toelaat de veilige plaats te bereiken door gebruik te maken van de normale circulatiewegen;
  6° nooduitgang: uitgang die specifiek bestemd is voor de evacuatie van het gebouw in geval van nood;
  7° nooddeur: deur die geplaatst is in een nooduitgang;
  8° waarschuwing: informatie over de ontdekking van een brand doorgegeven aan de personen die deel uitmaken van het personeel van de werkgever die specifiek daartoe zijn aangeduid;
  9° melding: informeren van de openbare hulpdiensten over de ontdekking van een brand;
  10° alarm: bevel aan de gebruikers van één of meerdere compartimenten om te evacueren;
  11° beschermingsmiddel tegen brand: elke uitrusting die toelaat brand te detecteren, te signaleren, te blussen, zijn schadelijke gevolgen te beperken, of de tussenkomst van de openbare hulpdiensten te vergemakkelijken;
  12° veiligheidsverlichting: verlichting die, wanneer de locatie in gebruik is, van zodra de normale kunstmatige verlichting uitvalt, de herkenning en het veilig gebruik van de voorzieningen voor evacuatie op elk moment verzekert en die, om alle risico op paniek te voorkomen, een verlichting voorziet die de aanwezigen toelaat om de evacuatiewegen te herkennen en te bereiken;
  13° ontvlambare vloeistof: ontvlambare, licht ontvlambare, zeer licht ontvlambare en brandbare vloeistof zoals omschreven in artikel III.5-2;
  14° brandbestrijdingsdienst: dienst georganiseerd door de werkgever, zoals bedoeld in de artikelen III.3-7 en III.3-8.

  HOOFDSTUK II. - Risicoanalyse en preventiemaatregelen

  Art. III.3-3. De werkgever voert een risicoanalyse uit betreffende het brandrisico.
  Bij de uitvoering van deze risicoanalyse houdt de werkgever inzonderheid rekening met de volgende risicofactoren:
  1° de waarschijnlijkheid van de gelijktijdige aanwezigheid van een brandstof, een oxidatiemiddel en een ontstekingsbron, noodzakelijk voor het ontstaan van een brand;
  2° de arbeidsmiddelen, de gebruikte stoffen, de processen en hun eventuele interacties;
  3° de aard van de activiteiten;
  4° de grootte van de onderneming of inrichting;
  5° het maximum aantal werknemers en andere personen die aanwezig kunnen zijn in de onderneming of inrichting;
  6° de specifieke risico's eigen aan bepaalde groepen van personen aanwezig in de onderneming of inrichting;
  7° de ligging en de bestemming van de lokalen;
  8° de aanwezigheid van meerdere ondernemingen of instellingen op eenzelfde arbeidsplaats of op een aanpalende arbeidsplaats, zoals bedoeld in hoofdstuk III van de wet;
  9° de werkzaamheden uitgevoerd door externe ondernemingen zoals bedoeld in hoofdstuk IV, afdeling I van de wet.
  De werkgever bepaalt de waarschijnlijke scenario's en de omvang van de voorspelbare gevolgen die eruit kunnen voortvloeien.
  De risicoanalyse wordt regelmatig bijgewerkt en dit, in elk geval, telkens wanneer zich wijzigingen voordoen die een invloed hebben op de brandrisico's.

  Art. III.3-4. Met toepassing van artikel I.2-7, neemt de werkgever op basis van de risicoanalyse bedoeld in artikel III.3-3, de noodzakelijke materiële en organisatorische preventiemaatregelen om:
  1° brand te voorkomen;
  2° de veiligheid te verzekeren en indien nodig de snelle evacuatie van de werknemers en alle aanwezige personen op de arbeidsplaats zonder hen in gevaar te brengen;
  3° vlug en efficiënt elk begin van brand te bestrijden om uitbreiding ervan te vermijden;
  4° de schadelijke gevolgen van een brand te beperken;
  5° de tussenkomst van de openbare hulpdiensten te vergemakkelijken.

  Art. III.3-5. De resultaten van de risicoanalyse en de preventiemaatregelen worden opgenomen in een document dat voorgelegd wordt voor advies aan het Comité.

  Art. III.3-6. Bij de evaluatie van het dynamisch risicobeheersingssysteem bedoeld in artikel I.2-12, houdt de werkgever rekening met de resultaten van de evacuatieoefeningen bedoeld in artikel III.3-26, § 2, tweede lid, de opgedane ervaring bij eerder opgetreden branden en bij incidenten die aanleiding kunnen geven tot een brand.

  HOOFDSTUK III. - Specifieke preventiemaatregelen

  Afdeling 1. - Brandbestrijdingsdienst

  Art. III.3-7. Elke werkgever richt een brandbestrijdingsdienst op.
  Deze dienst vervult minstens volgende taken:
  1° erop toezien dat de melding gebeurt;
  2° erop toezien dat het waarschuwingssignaal, ontvangen door een aangeduide persoon, gepast behandeld wordt;
  3° de taken verrichten die nodig zijn om elk begin van brand te bestrijden in optimale omstandigheden wat de veiligheid betreft, inzonderheid door de aanwezigheid van een persoon die hulp kan bieden;
  4° het in veiligheid brengen van de personen in afwachting van de tussenkomst van de openbare hulpdiensten;
  5° de maatregelen uitvoeren die vooraf zijn vastgesteld door de werkgever om de openbare hulpdiensten in staat te stellen om de onderneming te betreden;
  6° de leden van de openbare hulpdiensten vlug naar de plaats van het onheil leiden;
  7° meewerken aan de risicoanalyse en aan de ontwikkeling van de procedures bedoeld in artikel III.3-23;
  8° de situaties signaleren die de evacuatie kunnen hinderen of die een brand kunnen uitlokken.
  Deze dienst voert zijn taken uit overeenkomstig de schriftelijke procedures bedoeld in artikel III.3-23.

  Art. III.3-8. De werkgever vergewist zich ervan dat de brandbestrijdingsdienst beschikt over voldoende middelen om haar taken volledig en efficiënt te vervullen.
  In functie van de aard van de activiteiten, het aantal personen dat aanwezig kan zijn in de onderneming of instelling, het specifieke brandrisico, de uit te voeren preventiemaatregelen en de middelen waarover de openbare hulpdiensten beschikken, bepaalt de werkgever inzonderheid:
  1° het aantal werknemers dat deel uitmaakt van de dienst;
  2° de bekwaamheden nodig voor het uitvoeren van hun taken, rekening houdend met de minimale bekwaamheden zoals vastgelegd in de bijlage III.3-1;
  3° de specifieke opleidingen nodig voor het verwerven van deze bekwaamheden, rekening houdend met de voorschriften opgenomen in de bijlage III.3-1;
  4° de verdeling van deze werknemers zodat het geheel van de arbeidsplaatsen gedekt is;
  5° de nadere regels betreffende de uitvoering van de taken, beschreven in artikel III.3-7, tweede lid.
  De werkgever mag, in voorkomend geval, aanvullend een beroep doen op personen die geen deel uitmaken van het personeel van de onderneming of instelling.
  Voor de organisatie van de brandbestrijdingsdienst vraagt de werkgever het advies van de preventieadviseur arbeidsveiligheid en van het Comité en raadpleegt hij, in voorkomend geval, de bevoegde openbare hulpdienst.

  Afdeling 2. - Preventie van brand

  Art. III.3-9. § 1. De preventiemaatregelen die bedoeld zijn om brand te voorkomen, moeten het mogelijk maken om de gevaren uit te schakelen of de risico's te verminderen verbonden aan de aanwezigheid van elke ontvlambare of brandbare stof en inzonderheid deze met betrekking tot:
  1° het gebruik, de productie of de opslag van ontvlambare vloeistoffen, ongeacht de aanwezige hoeveelheid en onverminderd de toepassing van de meer specifieke bepalingen van titel 5 van dit boek;
  2° het ontstaan van explosies, inzonderheid overeenkomstig titel 4 van dit boek;
  3° activiteiten die het gebruik, de productie of de opslag van brandbare gassen inhouden;
  4° het gebruik van toestellen of installaties voor verwarming en airconditioning;
  5° het gebruik van toestellen, arbeidsmiddelen en producten die vermoedelijk een brand kunnen veroorzaken.
  § 2. Wanneer de uitvoering van het werk het gebruik van ontplofbare stoffen, brandbare gassen of ontvlambare of voor zelfontbranding vatbare vloeistoffen of vaste stoffen vereist, neemt de werkgever inzonderheid de volgende bijzondere maatregelen om het in § 1 beoogde doel te bereiken:
  1° het beperken tot het strikt noodzakelijke van de aanwezige hoeveelheid van deze stoffen op de arbeidsplaats;
  2° het opslaan van deze stoffen op een passende wijze;
  3° het eerbiedigen van de voorwaarden inzake afstand of isolering van deze stoffen ten opzichte van elke ontstekingsbron;
  4° het beheersen van de omstandigheden waarbij zelfontbranding van stoffen of afvalstoffen kan optreden;
  5° het plaatsen van de afvalstoffen bedoeld in punt 4°, in afwachting van hun verwijdering, in passende veiligheidsrecipiënten met een hermetische sluiting;
  6° het regelmatig verwijderen van de afvalstoffen bedoeld in punt 4°.
  § 3. De preventiemaatregelen bedoeld in dit artikel doen geen afbreuk aan de toepassing van de minimale voorschriften bedoeld in de artikelen 52.6 en 52.8 van het ARAB.

  Afdeling 3. - Verzekeren van de snelle en veilige evacuatie van werknemers en alle personen aanwezig op de arbeidsplaats

  Art. III.3-10. De werkgever neemt de noodzakelijke maatregelen opdat, in geval van brand, de werknemers en de andere aanwezige personen de arbeidsplaatsen vlug kunnen evacueren naar een veilige plaats, in optimale veilige omstandigheden.
  Hiertoe neemt de werkgever de maatregelen bedoeld in de artikelen III.3-11 tot III.3-14, rekening houdend met de risicofactoren bedoeld in artikel III.3-3.

  Art. III.3-11. § 1. De werkgever bepaalt, op basis van de risicoanalyse bedoeld in artikel III.3-3 en overeenkomstig de minimumvoorschriften bedoeld in de artikelen 52.5.2 tot 52.5.8, 52.5.10 en 52.5.18 van het ARAB, het aantal evacuatiewegen, uitgangen en nooduitgangen, hun verspreiding en hun afmetingen in functie van het gebruik, de inrichting en de afmetingen van de arbeidsplaats en van het maximum aantal personen dat er aanwezig kan zijn.
  De evacuatiewegen en de nooduitgangen moeten zo rechtstreeks mogelijk uitkomen op een veilige plaats.
  § 2. De evacuatiewegen, uitgangen en nooduitgangen en de wegen die toegang geven tot de evacuatiewegen, uitgangen en nooduitgangen moeten vrij gehouden worden. Ze mogen niet door voorwerpen zijn geblokkeerd, zodat zij steeds onbelemmerd kunnen worden gebruikt.
  § 3. De evacuatiewegen, uitgangen en nooduitgangen moeten uitgerust zijn met een veiligheidsverlichting en een gepaste signalisatie.
  De signalering van de evacuatiewegen, uitgangen en nooduitgangen wordt uitgevoerd overeenkomstig de bepalingen inzake de veiligheids- en gezondheidssignalering op het werk van titel 6 van dit boek.
  Onverminderd de toepassing van artikel 52.5.11 van het ARAB, moet deze signalering op de gepaste plaatsen aangebracht worden en moet haar eigenschappen in de tijd behouden.

  Art. III.3-12. De nooddeuren moeten openen in de richting van de evacuatie. Het mogen geen schuifdeuren of draaideuren zijn.
  Ze moeten gemakkelijk en onmiddellijk kunnen geopend worden, door elke persoon die er gebruik van wil maken, in geval van nood. Ze mogen niet op slot zijn.
  De deuren die zich bevinden op het traject van de evacuatiewegen en de deuren die uitgeven op de evacuatiewegen en op de nooduitgangen moeten, wanneer de arbeidsplaatsen gebruikt worden, steeds kunnen geopend worden zonder speciale hulp.
  Voor de deuren die geplaatst zijn in de uitgangen van het gebouw, bepaalt de werkgever de bewegingswijze, de draairichting en de eventuele vergrendeling ervan, in functie van het gebruik, de inrichting en de afmetingen van de arbeidsplaats en van het maximum aantal personen dat er aanwezig kan zijn.
  Indien de openbare veiligheid, de veiligheid van de werknemers of de veiligheid van bepaalde kwetsbare personen van wie de bewegingsvrijheid moet worden beperkt en die aanwezig zijn op de arbeidsplaats het vergt, mag worden afgeweken van het tweede lid, op voorwaarde dat de werkgever voldoende maatregelen neemt om de evacuatie van de werknemers en andere aanwezige personen in omstandigheden van maximale veiligheid te verzekeren. De evacuatie gebeurt, indien nodig, met behulp van personen specifiek aangeduid en opgeleid voor dit doel.

  Art. III.3-13. De werkgever hangt aan de ingang van het gebouw en per niveau een evacuatieplan op.
  Het evacuatieplan en zijn wijzigingen worden uitgewerkt in samenwerking met de preventieadviseur arbeidsveiligheid en worden voorgelegd voor advies aan het Comité.
  Het evacuatieplan omvat inzonderheid:
  1° de indeling en de bestemming van de lokalen, de situering van de compartimentsgrenzen;
  2° de ligging van de lokalen met een verhoogd gevaar voor brand;
  3° de ligging van de uitgangen, nooduitgangen en verzamelplaatsen na evacuatie en het tracé van de evacuatiewegen.

  Art. III.3-14. De evacuatie van de personen wordt georganiseerd overeenkomstig de schriftelijke procedures bedoeld in artikel III.3-23.

  Afdeling 4. - Elk begin van brand vlug en doelmatig bestrijden

  Art. III.3-15. Onverminderd de meer specifieke bepalingen van deze titel, past de werkgever de artikelen IX.1-2 tot IX.1-18 toe, wanneer hij de beschermingsmiddelen tegen brand evalueert, kiest, aankoopt, gebruikt en installeert, zelfs indien deze middelen niet beantwoorden aan de definitie van CBM.

  Art. III.3-16. Bij de evaluatie en de keuze bedoeld in artikel III.3-15, houdt de werkgever inzonderheid rekening met de volgende elementen:
  1° de inrichting van de arbeidsplaatsen en de risico's die ermee verband houden;
  2° de fysische en chemische eigenschappen van de aanwezige stoffen;
  3° de arbeidsprocessen en de arbeidsmiddelen en de risico's die ermee verband houden;
  4° de kenmerken van de werknemers die de beschermingsmiddelen moeten gebruiken;
  5° het maximale aantal personen dat op de arbeidsplaatsen aanwezig kan zijn;
  6° het standaard materieel van en het personeel van de openbare hulpdiensten;
  7° de nodige tijd voor de openbare hulpdiensten om de plaats van interventie te bereiken.
  De werkgever raadpleegt de openbare hulpdienst voor de toepassing van de punten 6° en 7° van het eerste lid.
  De werkgever betrekt het Comité bij de evaluatie en de keuze van de beschermingsmiddelen tegen brand, inzonderheid door haar voorafgaand advies te vragen over de punten bedoeld in het eerste lid.

  Art. III.3-17. De niet-automatische beschermingsmiddelen tegen brand moeten geplaatst worden op plaatsen die zichtbaar zijn of die duidelijk gesignaleerd worden.
  De toegang tot en de bediening van de niet-automatische beschermingsmiddelen tegen brand moet gemakkelijk zijn.
  Het doel waarvoor deze middelen moeten worden gebruikt wordt duidelijk aangegeven.

  Art. III.3-18. De signalering van de beschermingsmiddelen tegen brand wordt uitgevoerd overeenkomstig de bepalingen inzake de veiligheids- en gezondheidssignalering op het werk van titel 6 van dit boek.
  Deze signalering moet op de gepaste plaatsen aangebracht worden en moet haar eigenschappen in de tijd behouden.
  De waarschuwings- en alarmsignalen of -boodschappen zijn voor alle betrokken personen goed waarneembaar en mogen noch met elkaar, noch met andere signalen verward kunnen worden.

  Art. III.3-19. De beschermingsmiddelen tegen brand worden gebruikt overeenkomstig de schriftelijke procedures bedoeld in artikel III.3-23.

  Afdeling 5. - De schadelijke gevolgen van een brand beperken

  Art. III.3-20. § 1. De werkgever vergewist zich ervan dat in geval van brand de constructie van het gebouw toelaat dat:
  1° de werknemers en de andere aanwezige personen op de arbeidsplaatsen, deze arbeidsplaatsen zo vlug mogelijk kunnen evacueren, zonder zich in gevaar te brengen en dat ze, in voorkomend geval, kunnen geholpen worden;
  2° de leden van de openbare hulpdiensten in alle veiligheid kunnen optreden.
  De werkgever vergewist zich er, onder andere, van dat de bepalingen op gebied van risicoanalyse bedoeld in hoofdstuk II van deze titel toegepast worden tijdens de ontwerpfase van de constructie van het gebouw.
  Hij ziet erop toe dat het gebouw dermate ontworpen en gebouwd is, dat in geval van brand:
  1° de stabiliteit van de dragende elementen en, in voorkomend geval, van de hele structuur van het gebouw gedurende een bepaalde tijd kan gewaarborgd worden;
  2° het ontstaan en verspreiden van vuur en rook binnenin het gebouw beperkt wordt;
  3° de uitbreiding van de brand naar aanpalende gebouwen vermeden wordt.
  § 2. Om de doelstellingen bedoeld in § 1 te bereiken, eerbiedigt de werkgever de artikelen 52.1.2, 52.1.3, 52.2, 52.3, 52.5.2, 52.5.3, 52.5.4, 52.5.5, 52.5.6, 52.5.7, 52.5.8, 52.5.10, 52.5.12a), 52.5.18, 52.7, 52.9.3, 52.10.7, 52.14, 52.15.1, 52.15.2 en 52.16 van het ARAB.

  Afdeling 6. - Het vergemakkelijken van de interventie van de openbare hulpdiensten

  Art. III.3-21. Teneinde de interventie van de openbare hulpdiensten te vergemakkelijken, ziet de werkgever erop toe dat hen een interventiedossier ter beschikking wordt gesteld aan de ingang van het gebouw.
  Dit interventiedossier bevat:
  1° de elementen van het brandpreventiedossier bedoeld in artikel III.3- 24, tweede lid, 4°, 7° en 11° ;
  2° de locatie van de elektrische installaties;
  3° de locatie en de werking van de sluitkranen van de gebruikte fluïda;
  4° de locatie en de werking van de ventilatiesystemen;
  5° de locatie van de branddetectiecentrale.

  Afdeling 7. - Periodieke controle en onderhoud

  Art. III.3-22. § 1. Onverminderd de meer specifieke bepalingen van deze afdeling, past de werkgever artikel IX.1-19 toe, wanneer hij de beschermingsmiddelen tegen brand controleert en onderhoudt, zelfs indien deze middelen niet beantwoorden aan de definitie van CBM.
  Bij ontstentenis van strengere voorschriften vanwege de fabrikant of de installateur of voortvloeiend uit de regels van goed vakmanschap, worden de beschermingsmiddelen tegen brand tenminste één keer per jaar gecontroleerd.
  Bovendien ziet de werkgever erop toe dat de beschermingsmiddelen tegen brand door onderhoudsbeurten in goede staat voor gebruik worden gehouden.
  De controles en onderhoudsbeurten worden uitgevoerd overeenkomstig de voorschriften van de fabrikant of de installateur.
  § 2. De werkgever ziet erop toe dat de gas-, verwarmings- en airconditioningsinstallaties evenals de elektrische installaties:
  1° in goede staat worden gehouden;
  2° periodiek worden gecontroleerd.
  Deze controles en onderhoudsbeurten worden uitgevoerd overeenkomstig de wetgeving die op deze installaties van toepassing is, of bij ontstentenis, overeenkomstig de voorschriften van de fabrikant of van de installateur of, bij ontstentenis daarvan, overeenkomstig de meest strenge en meest geschikte regels van goed vakmanschap.
  § 3. De data van de controles en onderhoudsbeurten bedoeld in dit artikel, en de vaststellingen die er gedaan werden, moeten bewaard worden en ter beschikking gehouden van het Comité en van de met het toezicht belaste ambtenaren.

  HOOFDSTUK IV. - Het intern noodplan

  Art. III.3-23. Overeenkomstig artikel I.2-23, stelt de werkgever schriftelijk gepaste procedures vast voor:
  1° de uitvoering van de taken toevertrouwd aan de brandbestrijdingsdienst bedoeld in artikel III.3-7, tweede lid;
  2° de evacuatie van personen;
  3° de evacuatieoefeningen;
  4° het gebruik van de beschermingsmiddelen tegen brand;
  5° de informatie en de opleiding van de werknemers.
  Voor het opstellen van deze procedures vraagt de werkgever het advies van de preventieadviseur arbeidsveiligheid en van het Comité.
  Deze procedures worden `voor gezien' getekend door de preventieadviseur belast met de leiding van de interne dienst, of in voorkomend geval, van de afdeling van de interne dienst.

  HOOFDSTUK V. - Het brandpreventiedossier

  Art. III.3-24.De werkgever houdt een dossier bij genaamd " brandpreventiedossier ".
  Dit dossier bevat:
  1° het document bedoeld in artikel III.3-5 dat de resultaten bevat van de risicoanalyse en de preventiemaatregelen;
  2° het document dat de organisatie van de brandbestrijdingsdienst beschrijft;
  3° de procedures opgemaakt in uitvoering van artikel III.3-23;
  4° het evacuatieplan bedoeld in artikel III.3-13;
  5° het interventiedossier bedoeld in artikel III.3-21;
  6° de vaststellingen gedaan naar aanleiding van de evacuatieoefeningen bedoeld in artikel III.3-26, § 2, tweede lid;
  7° een lijst van de beschermingsmiddelen tegen brand die beschikbaar zijn op de arbeidsplaats en hun situering op een plan;
  8° de data van de controles en de onderhoudsbeurten van de beschermingsmiddelen tegen brand, van de gas-, verwarmings- en airconditioningsinstallaties en van de elektrische installaties evenals de vaststellingen gedaan tijdens deze controles;
  9° de lijst van eventuele individuele afwijkingen die aan de werkgever werden verleend op basis van artikel 52 van het ARAB;
  10° de adviezen verstrekt door:
  a) de preventieadviseur arbeidsveiligheid, en in voorkomend geval, de [1 preventieadviseur-arbeidsarts]1;
  b) het Comité;
  c) de openbare hulpdienst;
  11° de informatie die eventueel werd overgemaakt op vraag van de openbare hulpdienst, inzonderheid voor het opmaken van het noodplan en het interventieplan, bedoeld in het koninklijk besluit van 16 februari 2006 betreffende de nood- en interventieplannen.
  Dit dossier wordt bijgewerkt. Het wordt ter beschikking gehouden van het Comité, van de met het toezicht belaste ambtenaren en van de openbare hulpdiensten.
  ----------
  (1)<KB 2019-05-14/07, art. 1, 008; Inwerkingtreding : 21-06-2019>

  HOOFDSTUK VI. - Opleiding en informatie van de werknemers

  Art. III.3-25. § 1. Overeenkomstig artikel I.2-16, geeft de werkgever aan de werknemers de nodige informatie betreffende de preventiemaatregelen bedoeld in deze titel.
  § 2. De informatie bevat voor elke werknemer de relevante informatie over:
  1° de brandrisico's;
  2° de preventiemaatregelen, inzonderheid deze die van die aard zijn om het ontstaan van een brand tijdens de uitvoering van hun taken te voorkomen;
  3° de waarschuwings- en alarmsignalen;
  4° de toe te passen maatregelen in geval van brand;
  5° de evacuatie.
  § 3. De informatie wordt aan elke werknemer gegeven door de werkgever ten laatste op de dag van indiensttreding van de werknemer en wordt bijgewerkt in functie van de evolutie van de risico's en van de preventiemaatregelen.
  § 4. De informatie wordt verstrekt overeenkomstig de schriftelijke procedures bedoeld in artikel III.3-23.

  Art. III.3-26. § 1.- Overeenkomstig artikel I.2-21, geeft de werkgever aan de werknemers de nodige vorming betreffende de preventiemaatregelen bedoeld in deze titel.
  § 2. De opleiding heeft voor de werknemers inzonderheid tot doel de volgende bekwaamheden te verwerven:
  1° de bekwaamheid een gedrag aan te nemen dat van die aard is om het ontstaan van een brand tijdens de uitvoering van hun taken te voorkomen;
  2° de bekwaamheid om op gepaste wijze te reageren in geval van de ontdekking van een brand of de aanwezigheid van rook;
  3° de bekwaamheid om de waarschuwing te geven;
  4° het begrijpen van de waarschuwings- en alarmsignalen;
  5° de bekwaamheid om, in geval van alarm, de instructies betreffende de evacuatie te volgen en correct toe te passen, opdat deze evacuatie kan gebeuren zonder paniek en zonder gevaar en opdat het werk van de leden van de brandbestrijdingsdienst niet gehinderd wordt.
  Daartoe omvat de opleiding inzonderheid evacuatieoefeningen die tenminste één keer per jaar worden georganiseerd.
  § 3. De opleidingen worden georganiseerd overeenkomstig de schriftelijke procedures bedoeld in artikel III.3-23.

  HOOFDSTUK VII. - Werkzaamheden uitgevoerd in de inrichting van een werkgever

  Art. III.3-27. § 1. De werkgever in wiens inrichting werkzaamheden worden uitgevoerd door aannemers of, in voorkomend geval, onderaannemers, verstrekt aan de aannemers de voor hen relevante informatie betreffende:
  1° de risico's die inzonderheid voortvloeien uit:
  a) de inrichting van de lokalen;
  b) de stoffen die er opgeslagen zijn of behandeld worden;
  c) de nabijheid van gevaarlijke installaties;
  d) de activiteiten in de onmiddellijke omgeving van de uit te voeren werkzaamheden;
  2° de preventiemaatregelen getroffen in toepassing van artikel III.3-4, 1° tot 3° ;
  3° de informatie bedoeld in artikel III.3-25, nuttig voor het goed begrijpen van de preventiemaatregelen bedoeld in 2°.
  De werkgever vergewist zich ervan dat de aannemers de informatie die hen is verstrekt begrijpen.
  § 2. De werkgever ziet erop toe dat de aannemers, en in voorkomend geval de onderaannemers, die werkzaamheden komen uitvoeren in de inrichting van de werkgever, hem de informatie betreffende de brandrisico's eigen aan de uit te voeren werkzaamheden verstrekken.

  Art. III.3-28. Wanneer, ten gevolge van de informatie bedoeld in artikel III.3-27, de werkgever vaststelt dat de uit te voeren werkzaamheden een bijkomende risicofactor inhouden, onderwerpt de werkgever de uitvoering van de werkzaamheden aan zijn voorafgaande toestemming.
  De voorafgaande toestemming van de werkgever wordt opgenomen in een document dat inzonderheid de volgende elementen bevat:
  1° de plaats waar de werkzaamheden worden uitgevoerd, de aard van de uit te voeren werkzaamheden alsook de risicoanalyse en de preventiemaatregelen die moeten genomen worden;
  2° de door de aannemer of de onderaannemer als noodzakelijk beoordeelde bijkomende preventiemaatregelen, bovenop deze bedoeld in 1°.
  Het document wordt ondertekend door de werkgever, zijn preventieadviseur arbeidsveiligheid en de aannemer, of in voorkomend geval de onderaannemer, die een afschrift ontvangt.

  Art. III.3-29. Wanneer de werkzaamheden worden uitgevoerd door een werknemer van de werkgever in wiens inrichting de werkzaamheden worden uitgevoerd, wordt de voorafgaande toestemming, bedoeld in artikel III.3-28, gegeven aan het lid van de hiërarchische lijn die belast is met de leiding van de dienst die de werkzaamheden uitvoert.

  TITEL 4. - RUIMTEN MET RISICO'S VOOR EEN EXPLOSIEVE ATMOSFEER

  HOOFDSTUK I. - Toepassingsgebied en definities

  Art. III.4-1. Deze titel is van toepassing in ruimten waar werknemers en daarmee gelijkgestelde personen bedoeld in artikel 2 van de wet een risico kunnen lopen door explosieve atmosferen.
  Deze titel is niet van toepassing op:
  1° ruimten die direct gebruikt worden voor en gedurende de medische behandeling van patiënten;
  2° het gebruik van gastoestellen waarop de voorschriften van het koninklijk besluit van 3 juli 1992 betreffende het op de markt brengen van gastoestellen van toepassing zijn, in die zin dat deze gastoestellen zelf niet beschouwd worden als emissiebronnen die een explosieve atmosfeer kunnen veroorzaken;
  3° vervaardiging, bewerking, gebruik, opslag en transport van springstoffen of chemisch instabiele stoffen;
  4° de winningindustrieën waarop het koninklijk besluit van 6 januari 1997 betreffende de minimumvoorschriften ter verbetering van de bescherming van de veiligheid en de gezondheid van werknemers in de winningindustrieën die delfstoffen winnen met behulp van boringen, en het koninklijk besluit van 6 januari 1997 betreffende de minimumvoorschriften ter verbetering van de bescherming van de veiligheid en de gezondheid van werknemers in de winningindustrieën in dagbouw of ondergronds, van toepassing zijn;
  5° het gebruik van vervoermiddelen over land, over het water en door de lucht waarop de desbetreffende voorschriften van de wetten en besluiten tot omzetting in Belgisch recht van internationale overeenkomsten (zoals ADNR, ADR, ICAO, IMO, RID) en de communautaire richtlijnen, waarmee uitvoering wordt gegeven aan deze overeenkomsten, toegepast worden. Vervoermiddelen bestemd voor gebruik in een potentieel explosieve atmosfeer zijn niet uitgesloten.

  Art. III.4-2. Voor de toepassing van deze titel wordt verstaan onder:
  1° explosieve atmosfeer: een mengsel van lucht en brandbare stoffen in de vorm van gassen, dampen, nevels of stof, onder atmosferische omstandigheden, waarin de verbranding zich na ontsteking uitbreidt tot het gehele niet verbrande mengsel;
  2° ADNR: het Reglement voor het vervoer van gevaarlijke stoffen over de Rijn;
  3° ADR: het Europees verdrag betreffende het internationaal vervoer van gevaarlijke goederen over de weg;
  4° ICAO: de internationale burgerluchtvaartorganisatie;
  5° IMO: de internationale maritieme organisatie;
  6° RID: het Reglement betreffende het internationaal spoorwegvervoer van gevaarlijke stoffen.

  HOOFDSTUK II. - Risicoanalyse en preventiemaatregelen

  Art. III.4-3. Bij het voldoen aan zijn verplichtingen die voortvloeien uit de bepalingen van artikel 5 van de wet dient de werkgever ter voorkoming van en bescherming tegen explosies, met de aard van zijn bedrijf overeenstemmende technische en/of organisatorische maatregelen te treffen, met prioriteitsaanduiding en volgens de volgende grondbeginselen:
  1° het verhinderen van het ontstaan van explosieve atmosferen of, wanneer dat gezien de aard van het werk niet mogelijk is;
  2° het vermijden van de ontsteking van explosieve atmosferen, en
  3° het beperken van de schadelijke gevolgen van een explosie, teneinde het welzijn van de werknemers te verzekeren.
  Deze maatregelen worden zo nodig gecombineerd en/of aangevuld met maatregelen tegen de uitbreiding van explosies en worden regelmatig herzien, in ieder geval telkens wanneer zich belangrijke veranderingen voordoen.

  Art. III.4-4. § 1. Bij het voldoen aan zijn verplichtingen krachtens de bepalingen van boek I, titel 2, beoordeelt de werkgever de specifieke risico's die voortvloeien uit explosieve atmosferen, daarbij ten minste rekening houdend met:
  1° de waarschijnlijkheid van de aanwezigheid en het voortduren van explosieve atmosferen;
  2° de waarschijnlijkheid dat ontstekingsbronnen, elektrostatische ontladingen daaronder begrepen, aanwezig zijn, actief worden en daadwerkelijk ontsteken;
  3° de installaties, de gebruikte stoffen, de processen en hun mogelijke wisselwerkingen;
  4° de omvang van de te verwachten gevolgen.
  De explosierisico's moeten in hun geheel worden beoordeeld.
  § 2. Ruimten die via openingen verbonden zijn of kunnen worden verbonden met ruimten waar explosieve atmosferen aanwezig kunnen zijn, dienen bij de beoordeling van explosierisico's in aanmerking te worden genomen.

  Art. III.4-5. Ter verzekering van de veiligheid en de gezondheid van werknemers treft de werkgever, overeenkomstig de algemene preventiebeginselen en de beginselen van artikel III.4-3, de nodige maatregelen om ervoor te zorgen dat:
  1° wanneer explosieve atmosferen kunnen ontstaan in hoeveelheden die het welzijn van werknemers of anderen in gevaar kunnen brengen, de werkomgeving zodanig is dat er veilig kan worden gewerkt;
  2° in een werkomgeving waarin explosieve atmosferen kunnen ontstaan in hoeveelheden die het welzijn van werknemers in gevaar kunnen brengen, tijdens de aanwezigheid van werknemers passend toezicht gewaarborgd is, in overeenstemming met de risicobeoordeling door middel van passende technische middelen;
  3° personen die geen werknemer zijn, en die om het even welke reden toegang hebben tot een werkomgeving waarin explosieve atmosferen aanwezig kunnen zijn, de veiligheid van de werknemers niet in het gedrang brengen.

  Art. III.4-6. Onverminderd de voorschriften van artikel 7 van de wet, is elke werkgever verantwoordelijk voor alle zaken die onder zijn controle staan, wanneer zich op dezelfde arbeidsplaats werknemers van verschillende ondernemingen bevinden.
  Onverminderd de voorschriften van hoofdstuk IV, afdeling 1 van de wet, coördineert de werkgever in wiens inrichting werknemers van ondernemingen van buitenaf of zelfstandigen werkzaamheden komen uitvoeren, de uitvoering van alle maatregelen inzake het welzijn van de werknemers en preciseert hij in het explosieveiligheidsdocument als bedoeld in artikel III.4-8 het doel van de coördinatie en de maatregelen en de wijze van uitvoering ervan.

  Art. III.4-7. § 1. De werkgever deelt de ruimten waar explosieve atmosferen aanwezig kunnen zijn overeenkomstig bijlage III.4-1 in, in zones.
  De interne dienst en, indien nodig met het oog op de vereiste deskundigheid met betrekking tot de bescherming tegen explosies, de afdeling belast met de risicobeheersing van de externe dienst, worden overeenkomstig de bepalingen van boek II, titel 1, betrokken bij de indeling van de ruimten waar explosieve atmosferen kunnen voorkomen.
  § 2. De werkgever zorgt ervoor dat in de in § 1 bedoelde ruimten de minimumvoorschriften van bijlage III.4-2 worden toegepast.
  § 3. Waar nodig worden aan de ingang van ruimten waar explosieve atmosferen kunnen ontstaan in hoeveelheden die het welzijn van de werknemers in gevaar kunnen brengen, waarschuwingsborden aangebracht overeenkomstig bijlage III.4-3.

  HOOFDSTUK III. - Explosieveiligheidsdocument

  Art. III.4-8. Bij het voldoen aan de verplichtingen van artikel III.4-4 zorgt de werkgever ervoor dat er een document, hierna te noemen "explosieveiligheidsdocument", wordt opgesteld en bijgehouden.
  Uit het explosieveiligheidsdocument moet met name blijken:
  1° dat de explosierisico's geïdentificeerd en beoordeeld werden;
  2° dat afdoende maatregelen genomen zullen worden om het doel van deze titel te bereiken;
  3° welke ruimten overeenkomstig bijlage III.4-1 in zones zijn ingedeeld;
  4° in welke ruimten de minimumvoorschriften van bijlage III.4-2 van toepassing zijn;
  5° dat de arbeidsplaatsen en arbeidsmiddelen, met inbegrip van de alarminstallaties, met de vereiste aandacht voor de veiligheid worden ontworpen, bediend en onderhouden;
  6° dat overeenkomstig de bepalingen van boek IV, titel 2, voorzorgsmaatregelen voor het veilig gebruik van de arbeidsmiddelen zijn getroffen.
  Het explosieveiligheidsdocument moet worden herzien wanneer belangrijke wijzigingen, uitbreidingen of verbouwingen van de arbeidsplaatsen, arbeidsmiddelen of het arbeidsproces plaatsvinden.
  De werkgever kan bestaande beoordelingen van de explosierisico's, documenten of andere gelijkwaardige rapporten die krachtens andere besluiten opgesteld zijn, combineren.

  HOOFDSTUK IV. - Voorwaarden betreffende arbeidsmiddelen

  Art. III.4-9. Arbeidsmiddelen bestemd voor gebruik op plaatsen waar een explosieve atmosfeer aanwezig kan zijn, die reeds in gebruik zijn, of die vóór 30 juni 2003 voor de eerste maal ter beschikking van de werknemers worden gesteld, moeten vanaf die datum voldoen aan de minimumvoorschriften van bijlage III.4-2, deel A, wanneer de risico's die inherent zijn aan explosieve atmosferen niet gedekt zijn door de voorschriften van een ander koninklijk besluit dat een communautaire richtlijn geheel of gedeeltelijk omzet.
  Arbeidsmiddelen bestemd voor gebruik in ruimten waar een explosieve atmosfeer aanwezig kan zijn en die op 30 juni 2003 of later voor de eerste maal ter beschikking van de werknemers worden gesteld, moeten voldoen aan de voorschriften van bijlage III.4-2, deel A en deel B.

  TITEL 5. - OPSLAGPLAATSEN VOOR ONTVLAMBARE VLOEISTOFFEN

  HOOFDSTUK I. - Algemene bepalingen

  Art. III.5-1. Deze titel is van toepassing op de opslagplaatsen van zeer licht ontvlambare, licht ontvlambare, ontvlambare en brandbare vloeistoffen.
  Deze titel is niet van toepassing:
  1° op transportvoertuigen;
  2° op fabricagetoestellen waarin de producten een bewerking moeten ondergaan en de pompen en buffervaten, gekoppeld aan de productie;
  3° op hoeveelheden kleiner dan:
  a) 50 liter zeer licht ontvlambare en licht ontvlambare vloeistoffen;
  b) 500 liter ontvlambare vloeistoffen;
  c) 3 000 liter brandbare vloeistoffen;
  4° op voedingshouders van voertuigen en motoren met inwendige verbranding;
  5° op vloeibaar gemaakte ontvlambare gassen;
  6° op verdeeltoestellen, zoals benzine- en dieselpompen voor autobrandstof.

  Art. III.5-2. § 1. Voor de toepassing van deze titel wordt verstaan onder:
  1° opslag: het bewaren van vloeistoffen in recipiënten in een hoeveelheid die het dagverbruik (24 uur) overschrijdt;
  2° opslagplaatsen: de ruimten of plaatsen in gebouwen of in open lucht bestemd om de in deze titel bedoelde vloeistoffen in vaste of verplaatsbare recipiënten op te slaan;
  3° zeer licht ontvlambare vloeistoffen: vloeibare stoffen en mengsels waarvan het vlampunt lager is dan 0 ° C en het kookpunt gelijk aan of lager dan 35 ° C;
  4° licht ontvlambare vloeistoffen: vloeibare stoffen en mengsels waarvan het vlampunt lager is dan 21 ° C;
  5° ontvlambare vloeistoffen: vloeibare stoffen en mengsels waarvan het vlampunt lager is dan of gelijk is aan 55 ° C, maar minstens 21 ° C;
  6° brandbare vloeistoffen: vloeibare stoffen en mengsels waarvan het vlampunt lager is dan of gelijk is aan 100 ° C en hoger is dan 55 ° C;
  7° verplaatsbare recipiënten: alle niet vast opgestelde recipiënten (bussen, flessen, jerrycans, vaten, laadketel,...) die geen integraal deel uitmaken van het productieprocédé;
  8° deskundige: hetzij een al dan niet tot de onderneming behorende natuurlijke persoon, hetzij, een rechtspersoon, die beschikt over de vereiste kennis en de nodige ervaring omtrent de bouw, de beveiliging, het onderhoud en de controle van reservoirs, tanks, leidingen en toebehoren;
  9° gesloten opslagplaats: ruimte die voor meer dan drie vierden van de omtrek gesloten is en voorzien van een dak;
  10° open opslagplaats: ruimte in open lucht, die voor maximum drie vierden van de omtrek is gesloten, eventueel voorzien van een dak;
  11° veiligheidskast: kast in onbrandbaar materiaal bestemd voor de opslag van vloeistoffen bedoeld in 3° tot 6° ;
  12° ondergrondse inkuiping: ondergrondse constructie die geen deel uitmaakt van een gebouw en die begrensd is door een vloer, wanden en eventueel een dakplaat in metselwerk of beton, waarin reservoirs zijn geplaatst;
  13° vergunde reservoirs en vergunde tanks: reservoirs en tanks die op 25 mei 1998 vergund zijn in toepassing van de bepalingen betreffende de politie van de gevaarlijke, ongezonde en hinderlijke inrichtingen, bedoeld in artikel 6, § 1, II, 3° van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 tot hervorming der instellingen;
  14° tanks: vast opgestelde bovengrondse reservoirs.
  § 2. De vlampunten bedoeld in § 1, 3° tot 6°, worden bepaald volgens de normen NBN T52-900, NBN T52-110 en NBN T52-075.

  Art. III.5-3. De kortstondige opslag samenhangend met het vervoer over de weg, per spoor, over binnenwateren of zeewateren of door de lucht, met inbegrip van laden en lossen en de overbrenging naar of van een andere tak van vervoer in havens, op kaden of in spoorwegemplacementen is niet onderworpen aan de voorschriften van deze titel.
  Wanneer de in deze titel bedoelde vloeistoffen echter worden opgeslagen in opslagplaatsen die gelegen zijn in havens, langs kaden of spoorwegemplacementen en die bestemd zijn om regelmatig dergelijke vloeistoffen kortstondig op te slaan, dan zijn deze opslagplaatsen onderworpen aan de voorschriften van deze titel.

  Art. III.5-4. De kennis en ervaring van de in artikel III.5-2, § 1, 8° bedoelde deskundige moeten te allen tijde aan de met het toezicht belaste ambtenaar kunnen aangetoond worden.

  Art. III.5-5. De Minister kan in uitzonderlijke omstandigheden, gewettigd door de aard van de opslag, technische noodzaak, of in geval van onvoorziene omstandigheden of ten gevolge van de evolutie van de techniek afwijkingen verlenen van de technische voorschriften van deze titel.
  Deze afwijkingen die het voorwerp uitmaken van een gemotiveerd besluit, worden verleend na advies van de algemene directie TWW.
  Het ministerieel besluit vermeldt de voorwaarden waaronder de afwijking wordt verleend.

  HOOFDSTUK II. - Opslag in verplaatsbare recipiënten

  Art. III.5-6. Het opslaan van zeer licht ontvlambare, van licht ontvlambare en ontvlambare vloeistoffen in verplaatsbare recipiënten mag enkel geschieden op plaatsen daartoe bestemd, te weten:
  1° in open opslagplaatsen;
  2° in gesloten opslagplaatsen;
  3° in veiligheidskasten.
  Het is verboden deze opslagplaatsen aan te leggen in kelderverdiepingen.

  Art. III.5-7. Een veiligheidskast is uitgerust met een opvangbak voor eventuele lekvloeistof en deuren die ingeval van brand zelfsluitend zijn.
  De opvangkuip moet bovendien beantwoorden aan de bepalingen van bijlage III.5-1, punt 1.1.

  Art. III.5-8. § 1. De lokalen bestemd voor de opslag van zeer licht ontvlambare, licht ontvlambare of ontvlambare vloeistoffen moeten beantwoorden aan de bepalingen van artikel 52 van het ARAB en aan de voorschriften bedoeld in § 2.
  § 2. De deuren van de opslagplaatsen gaan naar buiten open.
  Indien dit om bedrijfstechnische redenen vereist is mogen de deuren in afwijking van artikel 52 van het ARAB tijdelijk geopend blijven.
  In geval van brand moeten de deuren automatisch sluiten.

  Art. III.5-9. De vloer van de open en gesloten opslagplaatsen en de bodem van de veiligheidskasten moeten kuipvormig uitgevoerd worden en geconstrueerd uit onbrandbare materialen.
  De inkuiping moet ondoordringbaar zijn en bestand tegen de erin opgeslagen vloeistoffen.
  De inkuiping moet conform zijn aan de bepalingen van bijlage III.5-1, punt 1.

  Art. III.5-10. In de opslagplaatsen mogen alleen elektrische verlichtingsmiddelen gebruikt worden.
  De elektrische installaties beantwoorden aan de voorschriften van het AREI, inzonderheid aan deze die handelen over explosieve atmosferen, en aan de bepalingen van titel 4 van dit boek.

  Art. III.5-11. Alle opslagplaatsen moeten op afdoende wijze, hetzij natuurlijk, hetzij kunstmatig geventileerd worden.

  Art. III.5-12. De zeer licht ontvlambare, licht ontvlambare en ontvlambare vloeistoffen moeten in gesloten recipiënten bewaard worden.
  Zij moeten bovendien tegen de nadelige gevolgen van de inwerking van zonnestralen of van de straling van gelijk welke warmtebron beschermd worden.

  Art. III.5-13. De recipiënten moeten met de nodige voorzichtigheid behandeld worden.

  Art. III.5-14. De opslag van verplaatsbare recipiënten van zeer licht ontvlambare, licht ontvlambare en ontvlambare vloeistoffen moet eveneens voldoen aan de bepalingen van bijlage III.5-1.

  HOOFDSTUK III. - Vast opgestelde reservoirs Algemene bepalingen voor alle vast opgestelde reservoirs

  Art. III.5-15. De reservoirs worden gebouwd, getest en geplaatst volgens een norm, een code van goede praktijk of bij ontstentenis daarvan volgens de regels van goed vakmanschap, aanvaard door een deskundige, zodanig dat ze alle waarborgen bieden inzake sterkte, stabiliteit en dichtheid.
  De deskundige vergewist zich van de correcte keuze en de volledige toepassing van de normen, codes en regels van goed vakmanschap.

  Art. III.5-16. De reservoirs moeten uitgerust zijn met een doeltreffend beveiligingssysteem tegen over- en onderdruk.

  Art. III.5-17. Het ventilatiesysteem voor reservoirs van zeer licht ontvlambare, licht ontvlambare en ontvlambare vloeistoffen moet afgesloten worden met een toestel dat vlamdoorgang belet. Het eventueel opvangen van de uittredende gassen geschiedt via een procedé dat de veiligheid waarborgt.

  Art. III.5-18. De ontluchtingspijpen van de reservoirs moeten uitmonden in de vrije lucht op een voldoende hoogte en derwijze dat het uittredend gas de naburige lokalen niet kan binnendringen. De bepalingen van bijlage III.5-2, punt 2 en bijlage III.5-3, punt 2 zijn eveneens van toepassing.

  Art. III.5-19. De reservoirs worden beschermd tegen corrosie, hetzij door ze te vervaardigen uit corrosiebestendig materiaal, hetzij door het aanbrengen van een corrosiebestendige bekleding, hetzij door een kathodische bescherming.
  De keuze van de bescherming houdt rekening met de opstelling van de houder en desgevallend met de aard van de bodem.

  Art. III.5-20. De reservoirs en bijhorende buizen en toebehoren moeten op equipotentiaal gebracht worden. Metalen reservoirs moeten geaard worden.
  Wanneer een houder voorzien is van een kathodische bescherming, is hij elektrisch geïsoleerd van het bovengrondse deel van de installatie. De bovengrondse vulleidingen worden in dat geval stroomopwaarts van deze isolatie geaard.

  Art. III.5-21. Tijdens het vullen en ledigen moeten maatregelen genomen worden om gevaarlijke elektrostatische ladingen te voorkomen.

  Art. III.5-22. De reservoirs worden getest volgens de code gekozen voor het ontwerp.
  Ze ondergaan periodiek een dichtheidsproef volgens de voorschriften van de gebruikte code.
  De deskundige vergewist zich van de correcte en volledige toepassing van de regels van de gebruikte testmethode.

  Art. III.5-23. De aansluitingen om de reservoirs te vullen moeten gemakkelijk bereikbaar zijn.

  Art. III.5-24. Bij de vulopening of op een andere voor de informatieverstrekking evenwaardige plaats moet een plaat aangebracht worden die volgende aanduidingen draagt:
  1° het nummer van het reservoir;
  2° de naam van de opgeslagen vloeistof;
  3° de gevarensymbolen;
  4° het inhoudsvermogen van het reservoir.

  Art. III.5-25. Het is verboden een bepaald reservoir met andere vloeistoffen te vullen, dan deze waarvoor hij werd ontworpen, tenzij na onderzoek bewezen is dat deze hiervoor geschikt is.
  Dit onderzoek dient te gebeuren door een deskundige.

  Art. III.5-26. Indien de noodzaak bestaat voertuigen te laten rijden over een plaats waar zich bedolven reservoirs bevinden of over een plaats waar zich een ondergrondse inkuiping bevindt, moet deze plaats afgesloten worden met een stevige en onontbrandbare vloer die genoeg mechanische weerstand biedt om te vermijden dat de reservoirs door de voertuigen beschadigd worden.

  HOOFDSTUK IV. - Rechtstreeks in de grond bedolven reservoirs

  Art. III.5-27. De rechtstreekse plaatsing in de grond is enkel toegelaten voor dubbelwandige metalen reservoirs en reservoirs in gewapende thermohardende kunststof of in roestvrij staal.

  Art. III.5-28. De reservoirs dienen stevig door beugels te worden bevestigd aan een onvervormbare fundering waarvan het gewicht zwaar genoeg is om te beletten dat de ledige reservoirs bij overstroming zouden opgelicht worden.

  Art. III.5-29. De reservoirs worden geplaatst in zand, aarde of een ander aangepast materiaal dat inert is tegenover het reservoir, zijn bekleding en inhoud en dat ook de bekleding niet mechanisch mag beschadigen.
  De reservoirs worden bedekt met een voldoende dikke laag zand, aarde of een ander aangepast materiaal.

  Art. III.5-30. De bepalingen van bijlage III.5-2 zijn eveneens van toepassing.

  HOOFDSTUK V. - Reservoirs geplaatst in ondergrondse inkuiping

  Art. III.5-31. De ondergrondse inkuiping wordt gebouwd in onbrandbare materialen.
  Ze moet stevig zijn en waterdicht.
  De wanden van de inkuiping mogen niet raken aan gemeenschapsmuren.

  Art. III.5-32. De reservoirs mogen in geen geval ontluchten in de ondergrondse inkuiping.

  Art. III.5-33. Indien de ondergrondse inkuiping wordt opgevuld met zand, aarde of een ander materiaal moet dit inert zijn tegenover het reservoir, zijn bekleding, de ingehouden vloeistof en het materiaal van de ondergrondse inkuiping.

  Art. III.5-34. Vanuit het laagste punt van de inkuiping moeten de nodige voorzieningen aangebracht worden om de eventuele lekken op te sporen en eventuele lekvloeistof en het hemelwater te verwijderen.

  Art. III.5-35. Het is verboden aan de ondergrondse inkuiping een andere bestemming te geven dan die voor opslagruimte van het reservoir.

  Art. III.5-36. Enkel de leidingen vereist voor de exploitatie van de erin geplaatste reservoirs mogen doorheen de wanden van de ondergrondse inkuiping gevoerd worden.

  Art. III.5-37. Wanneer de reservoirs een inhoud hebben die groter is dan 2.000 liter, dan dient tussen de wanden van de reservoirs alsook tussen de reservoirs onderling en die van de ondergrondse inkuiping een vrije ruimte te bestaan om het onderzoek van de reservoirs mogelijk te maken.

  Art. III.5-38. De bepalingen van bijlage III.5-3 zijn eveneens van toepassing.

  HOOFDSTUK VI. - Opslag in tanks

  Art. III.5-39. De tanks moeten op een fundering rusten met een voldoende stabiliteit, om te beletten dat de belasting ongelijke inzakkingen mocht veroorzaken waardoor een gevaar voor omvallen of breuk zou kunnen ontstaan.

  Art. III.5-40. Rondom de tanks wordt een vloeistofdichte dam in beton, metselwerk, aarde of een ander onbrandbaar materiaal aangelegd. De aldus bekomen inkuiping heeft een inhoudsvermogen overeenkomstig de bepalingen van bijlage III.5-4.
  In afwijking van het eerste lid is geen inkuiping vereist voor dubbelmanteltanks, geplaatst op een vloeistofdichte bodem onder de voorwaarden bepaald in bijlage III.5-4.

  Art. III.5-41. Het doorvoeren van buizen door de inkuiping is slechts toegelaten indien de dichtheid van de inkuiping verzekerd blijft.

  Art. III.5-42. De inkuipingen moeten voorzien zijn van reddingsladders of onbrandbare trappen, zo geplaatst dat een persoon die vlucht, snel een reddingsladder of een trap kan bereiken.

  Art. III.5-43. Tussen de tanks onderling of de tank en de dam moet een vrije ruimte bestaan om het onderzoek van de tank mogelijk te maken.

  Art. III.5-44. De bepalingen van bijlage III.5-4 zijn eveneens van toepassing.

  HOOFDSTUK VII. - Beproevingen

  Art. III.5-45. De verplichte beproevingen en dichtheidsonderzoeken bedoeld in deze titel en zijn bijlagen worden uitgevoerd door een deskundige.
  De werkgever houdt de verslagen van deze beproevingen en onderzoeken ter beschikking van de met het toezicht belaste ambtenaren.

  HOOFDSTUK VIII. - Brandbeveiliging

  Art. III.5-46. De bepalingen van de artikelen III.5-49 tot III.5-56 zijn van toepassing onverminderd de bepalingen van titel 3 van dit boek.

  Art. III.5-47. In de opslagplaatsen is het verboden vuur te maken, eender welke vlam binnen te brengen of te roken.
  Dit verbod wordt aangeduid door het pictogram overeenkomstig de bepalingen inzake de veiligheids- en gezondheidssignalering op het werk van titel 6 van dit boek.
  Het verbod moet worden aangebracht bij de ingang van de betrokken opslagplaats of bij de ingang van de zone indien in deze zone een totaal rook- en vuurverbod geldt.

  Art. III.5-48. Het werken met vuur of open vlam in de opslagplaatsen is onderworpen aan een voorafgaandelijke geschreven machtiging die wordt verleend door de werkgever of zijn aangestelde.

  Art. III.5-49. De toestellen die inzonderheid bestemd zijn voor het behandelen, peilen, overtappen moeten bestand zijn tegen de vloeistoffen waarmee ze in contact komen. Ze dienen beveiligd te zijn tegen elektrostatische opladingen die tot gevaarlijke ontladingen kunnen aanleiding geven.

  Art. III.5-50. In de installaties voor de opslag van bedoelde vloeistoffen in niet verplaatsbare reservoirs moet een voorziening aangebracht worden om bij brand de aanvoer te onderbreken. Indien dit manueel moet gebeuren, moet dit geschieden van op een veilige plaats.

  Art. III.5-51. De keuze en de opstellingsplaats van de elektrische apparaten dient te beantwoorden aan de voorschriften van het AREI inzonderheid aan deze die handelen over explosieve atmosferen en aan de bepalingen van titel 4 van dit boek.

  Art. III.5-52. Het vullen en ledigen van vaste reservoirs mag enkel geschieden met behulp van aangepaste verbindingen die op stevige wijze aan het reservoir bevestigd zijn.

  Art. III.5-53. De werknemers mogen geen schoeisel dragen dat vonkvorming kan veroorzaken.

  Art. III.5-54. In de gesloten opslagplaatsen worden enkel verwarmingstoestellen aangewend, die geen gevaar opleveren voor de ontsteking van de opgeslagen vloeistoffen.

  HOOFDSTUK IX. - Behandeling van de vloeistoffen

  Art. III.5-55. De vloeistoffen bedoeld in artikel III.5-1 worden behandeld op een wijze om alle risico's op incidenten en ongevallen te voorkomen.
  Hiertoe worden inzonderheid de maatregelen bedoeld in de artikelen III.5-58 en III.5-59 genomen.

  Art. III.5-56. Bij reservoirs gevuld met zeer licht ontvlambare, licht ontvlambare en ontvlambare vloeistoffen:
  1° mogen alleen pompen gebruikt worden of inerte gassen als drukkingsmiddel;
  2° dienen de nodige maatregelen getroffen te worden opdat de maximaal toelaatbare druk niet zou overschreden worden.

  Art. III.5-57. Bij het behandelen van zeer licht ontvlambare, licht ontvlambare, ontvlambare en brandbare vloeistoffen zullen alle maatregelen genomen worden om morsen te voorkomen.
  De nodige middelen moeten aanwezig zijn om toevallige lekvloeistof onmiddellijk en efficiënt op te ruimen.

  HOOFDSTUK X. - Betreden van ondergrondse reservoirs en tanks voor het uitvoeren van onderzoeken, werken en herstellingen

  Art. III.5-58. Vooraleer een ondergronds reservoir of een tank te betreden dient een geschreven machtiging van de werkgever of van zijn aangestelde verkregen te worden.
  Hiertoe worden inzonderheid de volgende maatregelen getroffen:
  1° alle ontvlambare dampen moeten verwijderd worden, evenals de bezinkingen die na het ledigen overblijven;
  2° onverminderd de bepalingen van artikel 53 van het ARAB is het betreden van een reservoir of tank zonder ademhalingstoestel enkel toegelaten indien uit metingen blijkt dat er voldoende zuurstof aanwezig is;
  3° de grenswaarden voor blootstelling bedoeld in boek VI, titel 1, hoofdstuk X mogen niet overschreden worden;
  4° gedurende het ganse verblijf in het reservoir of in de tank moeten deze metingen op regelmatige tijdstippen herhaald worden;
  5° indien het noodzakelijk is de reservoirs of tanks te betreden vooraleer de dampen van de opgeslagen vloeistoffen en de bezinkingen die aanleiding kunnen geven tot die dampen volkomen verwijderd werden, moeten de werknemers een ademhalingstoestel dragen dat aangepast is aan de omstandigheden en beantwoordt aan de voorschriften van het koninklijk besluit van 31 december 1992 betreffende het op de markt brengen van persoonlijke beschermingsmiddelen, hierna KB op de markt brengen van PBM, genoemd;
  6° personen die een reservoir of tank betreden zullen een gordel met schouderbanden dragen, die verbonden is met een veiligheidskoord, die tot buiten leidt en vastgehouden wordt door personen die speciaal belast zijn met het toezicht en met de eventuele reddingswerken of dragen een uitrusting die equivalente veiligheidswaarborgen biedt en beantwoordt aan de voorschriften van het KB op de markt brengen van PBM;
  7° de personen die belast zijn met de eventuele reddingswerken moeten in hun nabijheid het daartoe benodigde materieel hebben, inzonderheid ladders en touwen, alsmede ademhalingstoestellen die in de gegeven omstandigheden geschikt zijn en van het type "met toevoer van vrije lucht", van het type "met toevoer van perslucht" of van het "onafhankelijk" type zijn, zoals bepaald in het KB op de markt brengen van PBM.

  Art. III.5-59. Onverminderd de voorschriften van artikel III.5-60 is het uitvoeren van werken of herstellingen aan ondergrondse reservoirs of aan tanks inzonderheid aan de volgende maatregelen onderworpen:
  1° vooraleer aan een tank of een reservoir werken of herstellingen worden uitgevoerd, worden ze gereinigd volgens een reinigingsmethode die op gebied van brand- en explosiebeveiliging voldoende waarborgen biedt;
  2° de werken of herstellingen dienen in een procedure te worden vastgelegd welke geviseerd moet worden door de preventieadviseur belast met de leiding van de interne dienst of met de leiding van de afdeling van de interne dienst;
  3° tijdens de werken of herstellingen zal in het reservoir of de tank een permanente verluchting verzekerd worden.

  HOOFDSTUK XI. - Herstelling van verplaatsbare recipiënten

  Art. III.5-60. De herstellingswerkplaats voor verplaatsbare recipiënten is afgescheiden van de opslagplaats hetzij door middel van wanden uit onbrandbare materialen, metselwerk of beton hetzij door een veiligheidsafstand om een eventuele brandoverslag te vermijden.
  De herstellingswerkplaats moet voldoen aan de voorschriften van het AREI, inzonderheid aan deze die handelen over explosieve atmosferen, en aan de bepalingen van titel 4 van dit boek.
  In deze werkplaats mogen geen zeer licht ontvlambare, licht ontvlambare of ontvlambare vloeistoffen worden opgeslagen.

  Art. III.5-61. Vooraleer de herstelling aan te vatten, moeten de resten van de bedoelde vloeistoffen en dampen verwijderd worden.
  Te dien einde dienen de recipiënten gereinigd te worden volgens een methode die de nodige waarborgen biedt opdat alle zeer licht ontvlambare, licht ontvlambare, ontvlambare of brandbare vloeistoffen en dampen verwijderd zijn.
  De recipiënten moeten tijdens gans de duur van de herstellingen open blijven.

  HOOFDSTUK XII. - Signalisatie en toezicht

  Art. III.5-62. Een signalisatie die het gebruik van vuur of open vlam en roken verbiedt overeenkomstig de bepalingen inzake de veiligheids- en gezondheidssignalering op het werk van titel 6 van dit boek, wordt op de deuren van de lokalen en op de reservoirs aangebracht waarin de bedoelde vloeistoffen aanwezig zijn. Deze bepaling is niet van toepassing indien er voor het geheel van de installaties een vuur- en/of rookverbod aan de ingang van de zone is aangebracht.

  Art. III.5-63. De installaties moeten goed onderhouden worden. Ieder tekort dat een risico betekent of dat de veiligheid van de werknemers nadelig kan beïnvloeden, moet onverwijld verholpen worden.

  Art. III.5-64. Maatregelen worden getroffen om te voorkomen dat onbevoegden de opslagplaatsen zouden betreden.

  HOOFDSTUK XIII. - Voorlichting van de werknemers

  Art. III.5-65. Onverminderd de bepalingen van artikel I.2-21, neemt de werkgever de nodige maatregelen om ervoor te zorgen dat de werknemers een adequate specifieke vorming krijgen en alle inlichtingen ontvangen voor de eigen veiligheid, deze van medewerknemers en deze van derden, overeenkomstig de bepalingen van deze titel.
  De resultaten van de in deze titel voorgeschreven controles moeten ter kennis gebracht worden van het Comité.

  HOOFDSTUK XIV. - Overgangsbepalingen

  Art. III.5-66. § 1. De op 25 mei 1998 bestaande enkelwandige, rechtstreeks in de grond bedolven reservoirs mogen slechts verder in gebruik gehouden worden, indien het gaat om vergunde reservoirs.
  De op 25 mei 1998 bestaande reservoirs die niet voldoen aan de bepalingen van artikel III.5-16, mogen slechts verder in gebruik gehouden worden, indien het gaat om vergunde reservoirs.
  § 2. Indien het bestaande reservoir niet volledig overeenstemt met de bepalingen van artikel III.5-15, moet het reservoir aan een dichtheidsproef onderworpen worden onder het toezicht van een deskundige.
  De periodiciteit van de dichtheidsproef wordt bepaald door de deskundige in functie van de vloeistof in kwestie, maar mag een termijn van vijf jaar niet overschrijden.

  Art. III.5-67. De op 25 mei 1998 bestaande tanks die niet volledig voldoen aan alle bepalingen van de artikelen III.5-39 tot III.5-44 mogen slechts verder in gebruik gehouden worden, indien het gaat om vergunde tanks.

  TITEL 6. - VEILIGHEIDS- EN GEZONDHEIDSSIGNALERING

  Art. III.6-1. Deze titel is van toepassing op de veiligheids- en gezondheidssignalering op het werk.
  Deze titel is niet van toepassing op:
  1° de signalering voorgeschreven voor het op de markt brengen van gevaarlijke stoffen en mengsels, producten en uitrusting;
  2° de signalering gebruikt voor het weg- en spoorwegverkeer, de binnen- en zeescheepvaart en het luchtverkeer.

  Art. III.6-2. Voor de toepassing van deze titel wordt verstaan onder:
  1° verbodssignaal: een signaal dat een handelswijze, waardoor gevaar zou kunnen worden gelopen of gevaar zou kunnen ontstaan, verbiedt;
  2° waarschuwingssignaal: een signaal dat voor een risico of een gevaar waarschuwt;
  3° gebodssignaal: een signaal dat een bepaalde handelswijze voorschrijft;
  4° reddings- of hulpsignaal: een signaal dat aanwijzingen geeft met betrekking tot nooduitgangen of hulp- of reddingsmiddelen;
  5° aanwijzingssignaal: een signaal dat andere aanwijzingen geeft dan die bedoeld onder 1° tot 4° ;
  6° bord: een signaal dat door de combinatie van een geometrische vorm, kleuren en een symbool of een pictogram een bepaalde aanwijzing verstrekt en waarvan de zichtbaarheid van het bord wordt gegarandeerd door een voldoende sterke verlichting;
  7° aanvullend bord: een bord dat samen met een onder 6° genoemd bord wordt gebruikt en dat aanvullende aanwijzingen verstrekt;
  8° veiligheidskleur: een kleur waaraan een bepaalde betekenis is toegekend;
  9° symbool of pictogram: een afbeelding die een situatie beschrijft of een bepaalde handelswijze voorschrijft en die wordt aangebracht op een bord of een verlicht oppervlak;
  10° lichtsignaal: een signaal, uitgezonden door een inrichting bestaande uit doorzichtig of doorschijnend materiaal dat van binnen uit of van achteren wordt verlicht, zodat een lichtgevend oppervlak wordt waargenomen;
  11° akoestisch signaal: een gecodeerd geluidssignaal, uitgezonden en verspreid door een daartoe ontworpen inrichting, zonder gebruikmaking van de menselijke stem of van spraaksynthese;
  12° mondelinge mededeling: een overeengekomen mondelinge boodschap, met gebruikmaking van de menselijke stem of van spraaksynthese;
  13° hand- of armsein: een beweging of stand van de armen of handen in gecodeerde vorm, bedoeld om aanwijzingen te geven aan personen die handelingen verrichten waarbij risico of gevaar voor werknemers bestaat;
  14° etikettering: de etikettering zoals bedoeld in Verordening (EG) nr. 1272/2008 van het Europees Parlement en de Raad van 16 december 2008 betreffende de indeling, etikettering en verpakking van stoffen en mengsels, tot wijziging en intrekking van de Richtlijnen 67/548/EEG en 1999/45/EG, en tot wijziging van Verordening (EG) nr. 1907/2006.

  Art. III.6-3. Onverminderd de bepalingen van artikel I.2-21, neemt de werkgever de nodige maatregelen om ervoor te zorgen dat de werknemers, wat de veiligheids- en gezondheidssignalering op het werk betreft, een passende opleiding krijgen, inzonderheid in de vorm van nauwkeurige instructies.
  De in vorig lid bedoelde opleiding heeft in het bijzonder betrekking op de betekenis van de signalering, inzonderheid wanneer daarbij woorden worden gebruikt, en op de te volgen algemene en specifieke handelswijzen.

  Art. III.6-4. Onverminderd de bepalingen van artikel I.2-16, zorgt de werkgever ervoor dat de werknemers geïnformeerd worden over alle, betreffende de veiligheids- en gezondheidssignalering op het werk, te nemen maatregelen.

  Art. III.6-5. De veiligheids- en gezondheidssignalering op het werk mag alleen gebruikt worden voor het overbrengen van boodschappen of informatie, bedoeld in deze titel.

  Art. III.6-6. § 1. Uitgezonderd in de omstandigheden bedoeld in § 3, wordt de veiligheids- en gezondheidssignalering op het werk op de volgende wijzen uitgevoerd:
  1° op permanente wijze:
  a) de signalering met betrekking tot een verbod, een waarschuwing en een gebod, alsmede de signalering met betrekking tot de lokalisatie en de identificatie van reddings- of hulpmiddelen, door middel van borden die overeenstemmen met de voorschriften van de bijlagen III.6-1, III.6-2 en III.6-6;
  b) de signalering voor de lokalisatie en identificatie van het materieel en de uitrusting voor brandbestrijding, door middel van borden of de veiligheidskleur die overeenstemmen met de voorschriften van de bijlagen III.6-1, III.6-2 en III.6-4;
  c) de signalering op recipiënten en leidingen, overeenkomstig de voorschriften van artikel III.6-10 en van de bijlagen III.6-1 en III.6-3;
  d) de signalering van het gevaar door stoten tegen obstakels, door vallende voorwerpen of voor vallen van personen, door middel van banden of borden die overeenstemmen met de voorschriften van de bijlagen III.6-1, III.6-2 en III.6-5;
  e) de markering van verkeerswegen overeenkomstig de voorschriften van de bijlagen III.6-1 en III.6-5;
  2° op occasionele wijze:
  a) de signalering van gevaarlijke gebeurtenissen, de oproep van personen voor een specifieke actie, alsmede de dringende evacuatie van personen, door middel van een lichtsignaal, een akoestisch signaal of een mondelinge mededeling die overeenstemmen met de voorschriften van de bijlagen III.6-1, III.6-6, III.6-7 en III.6-8 en rekening houdend met de mogelijkheden tot vrije keuze bedoeld in artikel III.6-8 en tot gelijktijdig gebruik bedoeld in artikel III.6-9;
  b) het leiden van personen, die handelingen verrichten waarbij een risico of een gevaar bestaat, door middel van hand- of armseinen of mondelinge mededelingen die overeenstemmen met de voorschriften van de bijlagen III.6-1, III.6-8, en III.6-9.
  § 2. In afwijking van de bepalingen van § 1 kan de Minister aan werkgevers of categorieën van werkgevers de toestemming verlenen de maatregelen met betrekking tot de bijlagen III.6-6, III.6-7, III.6-8, punt 2 en III.6-9, punt 3, te vervangen door alternatieve maatregelen die hetzelfde beschermingsniveau garanderen.
  De in het eerste lid bedoelde toestemming wordt verleend op advies van de algemene directie TWW.
  De aanvraag wordt ingediend bij de algemene directie HUA en is vergezeld van een voorstel van alternatieve maatregelen en van het advies van het of de betrokken Comités.
  § 3. De signalering die van toepassing is op het weg- en spoorwegverkeer, de binnen- en zeescheepvaart en het luchtverkeer moet, indien daar reden toe is en onverminderd de bepalingen met betrekking tot de bijlage III.6-5, voor dat verkeer worden gebruikt binnen de ondernemingen of inrichtingen.

  Art. III.6-7. De veiligheids- en gezondheidssignalering op het werk moet doeltreffend zijn.
  Daartoe eerbiedigt de werkgever de algemene principes, opgesomd in de bijlage III.6-1, punt 3.

  Art. III.6-8. Bij gelijke doeltreffendheid bestaat een vrije keuze tussen:
  1° een band of een bord voor het signaleren van risico's van struikelen, of vallen door hoogteverschil;
  2° de lichtsignalen, de akoestische signalen of de mondelinge mededeling;
  3° het hand- of armsein of de mondelinge mededeling.

  Art. III.6-9. De volgende signalen kunnen gelijktijdig gebruikt worden:
  1° het lichtsignaal en het akoestisch signaal;
  2° het lichtsignaal en de mondelinge mededeling;
  3° het hand- of armsein en de mondelinge mededeling.

  Art. III.6-10. Recipiënten die gebruikt worden bij werkzaamheden met gevaarlijke stoffen of mengsels bedoeld in Verordening (EG) nr. 1272/2008, en recipiënten gebruikt voor de opslag van dergelijke gevaarlijke stoffen of mengsels alsmede zichtbare leidingen die dergelijke gevaarlijke stoffen of mengsels bevatten of waardoor deze gevaarlijke stoffen of mengsels worden getransporteerd, moeten voorzien zijn van de voorgeschreven etikettering, zoals gedefinieerd in artikel III.6-2, 14°.
  De bepalingen van het eerste lid zijn niet van toepassing op recipiënten die worden gebruikt bij werkzaamheden van korte duur of op recipiënten met een vaak wisselende inhoud, mits er toereikende alternatieve maatregelen worden genomen, inzonderheid op het gebied van voorlichting en opleiding van de werknemers, die hetzelfde beschermingsniveau garanderen.
  De etikettering kan:
  1° vervangen worden door waarschuwingsborden als weergegeven in bijlage III.6-2, waarbij dezelfde pictogrammen of symbolen worden gebruikt. Indien punt 3.2 van bijlage III.6-2 geen gelijkwaardig waarschuwingsbord bevat, moet het relevante gevarenpictogram als weergegeven in bijlage V van Verordening (EG) nr. 1272/2008 worden gebruikt;
  2° aangevuld worden met bijkomende informatie zoals de naam en/of de formule van de gevaarlijke stof of van het gevaarlijke mengsel en een gedetailleerde beschrijving van het gevaar;
  3° voor het transport van recipiënten op de arbeidsplaats worden aangevuld met of vervangen door borden die in de hele Europese Unie van toepassing zijn voor het transport van gevaarlijke stoffen of mengsels.

  Art. III.6-11. Plaatsen, lokalen of afgesloten ruimten die worden gebruikt voor de opslag van aanzienlijke hoeveelheden gevaarlijke stoffen of mengsels, moeten worden aangeduid door de passende waarschuwingsborden bedoeld in bijlage III.6-2, punt 3, 2°, of worden voorzien van een signalering overeenkomstig artikel III.6-10, tenzij, rekening houdend met bijlage III.6-2, punt 1, 4°, wat de afmetingen betreft, de etikettering van de afzonderlijke verpakkingen of recipiënten daartoe volstaat. Indien punt 3, 2° van bijlage III.6-2 geen gelijkwaardig waarschuwingsbord bevat om mensen te waarschuwen voor gevaarlijke stoffen of mengsels, moet het relevante gevarenpictogram als vastgelegd in bijlage V bij Verordening (EG) nr. 1272/2008 worden gebruikt.
  De in het eerste lid bedoelde borden of etikettering moeten, al naar gelang het geval, bij de opslagruimte of op de toegangsdeur tot de opslagruimte worden geplaatst.

  BOEK IV. - ARBEIDSMIDDELEN

  TITEL 1. - Definities

  Art. IV.1-1. Voor de toepassing van dit boek wordt verstaan onder gebruik van arbeidsmiddelen : elke activiteit met betrekking tot een arbeidsmiddel, zoals ingebruikneming of buitengebruikstelling, aanwending, vervoer, reparatie, het ombouwen, het in goede staat houden, en het onderhoud waaronder met name ook reiniging.

  TITEL 2. - Bepalingen van toepassing op alle arbeidsmiddelen

  Art. IV.2-1. De werkgever neemt de nodige maatregelen om ervoor te zorgen dat de arbeidsmiddelen die in de onderneming of in de inrichting ter beschikking van de werknemers worden gesteld, geschikt zijn voor het uit te voeren werk of daartoe behoorlijk zijn aangepast, zodat de veiligheid en de gezondheid van de werknemers tijdens het gebruik van deze arbeidsmiddelen kunnen worden gewaarborgd.
  Bij de keuze van de arbeidsmiddelen die hij overweegt te gebruiken, houdt de werkgever rekening met de arbeidsomstandigheden en de specifieke kenmerken van de arbeid en met de in de onderneming of inrichting, met name op de werkpost, bestaande risico's voor de veiligheid en de gezondheid van de werknemers en, in voorkomend geval, de risico's die daaraan zouden kunnen worden toegevoegd door het gebruik van de desbetreffende arbeidsmiddelen.
  Wanneer het niet mogelijk is de veiligheid en de gezondheid van de werknemers aldus volledig te waarborgen bij het gebruik van arbeidsmiddelen, treft de werkgever passende maatregelen om de risico's tot een minimum te beperken.

  Art. IV.2-2. De werkpost en de houding van de werknemers bij het gebruik van arbeidsmiddelen, alsmede de ergonomische beginselen, moeten door de werkgever ten volle in aanmerking worden genomen bij de toepassing van de algemene minimumvoorschriften van bijlage IV.2-2 en de specifieke minimumvoorschriften van titel 3, hoofdstuk I en titel 4, hoofdstuk I van dit boek.

  Art. IV.2-3. De werkgever treft de nodige maatregelen opdat de arbeidsmiddelen worden opgesteld, gebruikt en, in voorkomend geval, gemonteerd en gedemonteerd, in overeenstemming met de bepalingen van bijlage IV.2-1.
  Wanneer het gebruik van een arbeidsmiddel een specifiek gevaar voor de veiligheid of de gezondheid van de werknemers kan opleveren, neemt de werkgever de nodige maatregelen om ervoor te zorgen dat :
  1° het gebruik van het arbeidsmiddel voorbehouden blijft aan de werknemers die met het gebruik belast zijn;
  2° de betrokken werknemers in geval van herstelling, het ombouwen, het in goede staat houden of het onderhoud daartoe een specifieke bekwaamheid bezitten.

  Art. IV.2-4. Onverminderd de bepalingen van de artikelen I.2 16 tot I.2-21 neemt de werkgever de nodige maatregelen om ervoor te zorgen dat de werknemers, bedoeld in artikel IV.2-3, tweede lid, 2°, een adequate specifieke opleiding krijgen.

  Art. IV.2-5. De werkgever neemt de nodige maatregelen om ervoor te zorgen dat de werknemers over voldoende informatie en, in voorkomend geval, over gebruiksaanwijzingen betreffende de op het werk gebruikte arbeidsmiddelen beschikken.
  Deze informatie en deze gebruiksaanwijzingen moeten ten minste bevatten:
  1° de omstandigheden waaronder de arbeidsmiddelen dienen te worden gebruikt;
  2° voorzienbare abnormale situaties;
  3° de conclusies die, in voorkomend geval, kunnen worden getrokken uit de bij het gebruik van arbeidsmiddelen opgedane ervaringen.
  Deze informatie en deze gebruiksaanwijzingen moeten voor de betrokken werknemers begrijpelijk zijn.
  De werknemers dienen te worden gewezen op de gevaren die zij lopen, op de arbeidsmiddelen in hun onmiddellijke werkomgeving en op de veranderingen die voor hen van belang zijn, voor zover die betrekking hebben op de in hun onmiddellijke werkomgeving gesitueerde arbeidsmiddelen, ook al maken de werknemers hiervan geen rechtstreeks gebruik.
  Voor elke installatie, machine of gemechaniseerd werktuig moeten de nodige schriftelijke instructies bestaan voor hun werking, hun gebruikswijze, hun inspectie en hun onderhoud. De inlichtingen betreffende de veiligheidstoestellen worden gevoegd bij die instructies.
  De instructies worden "voor gezien" getekend door de preventieadviseur arbeidsveiligheid en, als het past, door hem aangevuld.

  Art. IV.2-6. Iedere bestelling van installaties, machines en gemechaniseerde werktuigen omvat in de bestelbon of in het lastenkohier de eis van de naleving van:
  1° de vigerende wetten en reglementen inzake veiligheid en hygiëne;
  2° de voorwaarden inzake veiligheid en hygiëne, niet noodzakelijk bij de vigerende wetten en reglementen inzake veiligheid en hygiëne opgelegd, maar onontbeerlijk om het objectief te bereiken vooropgesteld door het dynamisch risicobeheersingssysteem bedoeld in artikel I.2-2.
  De preventieadviseur arbeidsveiligheid neemt deel aan de werkzaamheden voor het opstellen van de bestelbon. In voorkomend geval, doet hij aanvullende vereisten bijvoegen op het gebied van de veiligheid en hygiëne na raadpleging, indien nodig, van andere deskundigen.
  De bestelbon wordt "voor gezien" getekend door de preventieadviseur belast met de leiding van de interne dienst of, in voorkomend geval, van de afdeling van de interne dienst.

  Art. IV.2-7. Bij de levering geeft de leverancier aan de klant een document, waarin de naleving van de bij de bestelling geformuleerde vereisten inzake veiligheid en hygiëne verantwoord wordt.

  Art. IV.2-8. Vóór elke indienststelling is de werkgever in het bezit van een verslag dat de naleving vaststelt van:
  1° de vigerende wetten en reglementen inzake veiligheid en hygiëne;
  2° de voorwaarden inzake veiligheid en hygiëne, niet noodzakelijk bij de vigerende wetten en reglementen inzake veiligheid en hygiëne opgelegd, maar onontbeerlijk om het objectief te bereiken vooropgesteld door het dynamisch risicobeheersingssysteem bedoeld in artikel I.2-2.
  Het verslag wordt opgesteld door de preventieadviseur belast met de leiding van de interne dienst of, in voorkomend geval, van de afdeling van de interne dienst, in overleg met de preventieadviseur arbeidsveiligheid, en na raadpleging, indien nodig, van andere deskundigen.

  Art. IV.2-9. Wat betreft de installaties, de machines en de gemechaniseerde werktuigen reeds in exploitatie op 25 juli 1975 wordt bij ontstentenis van een reeds bestaand gelijkaardig verslag een verslag opgesteld overeenkomstig de bepalingen van artikel IV.2-8.

  Art. IV.2-10. De bepalingen van de artikelen IV.2-7, IV.2-8 en IV.2-9 zijn niet van toepassing :
  1° voor de machines, gemechaniseerde werktuigen, onderdelen van machines of van installaties die voorzien zijn van een merk van keuring, goedkeuring of overeenkomst aangebracht bij toepassing van boek IX Veiligheid van producten en diensten van het wetboek van economisch recht en van zijn uitvoeringsbesluiten;
  2° voor de machines, toestellen, installaties en onderdelen van machines, van toestellen en van installaties, gecontroleerd in toepassing van het ARAB door een EDTC;
  3° voor de voorwerpen bedoeld in artikel IV.2-6 inzake veiligheid en hygiëne gelijkvormig aan een exemplaar waarvoor aan de vereisten van de artikelen IV.2-6, IV.2-7, IV.2-8 en IV.2-9 reeds voldaan werd; althans wat de aspecten betreft die gedekt zijn door het merk van keuring, goedkeuring of overeenkomst aangebracht in toepassing van boek IX Veiligheid van producten en diensten van het wetboek van economisch recht en van zijn uitvoeringsbesluiten, gedekt zijn ingevolge de controle die in toepassing van het ARAB werd uitgevoerd door een EDTC of gedekt zijn ingevolge een in toepassing van het ARAB verleende erkenning.
  De bepalingen van de artikelen IV.2-7, IV.2-8 en IV.2-9 zijn wel van toepassing wat betreft de verklaringen en de vaststellingen met betrekking tot de naleving van de aanvullende voorwaarden gesteld met het oog op het bereiken van het objectief vooropgesteld door het dynamisch risicobeheersingssysteem bedoeld in artikel I.2-2 en tot de aspecten die niet gedekt zijn door het merk van keuring, goedkeuring of overeenkomst aangebracht in toepassing van boek IX Veiligheid van producten en diensten van het wetboek van economisch recht en van zijn uitvoeringsbesluiten, niet gedekt zijn ingevolge de controle die in toepassing van het ARAB werd uitgevoerd door een EDTC of niet gedekt zijn ingevolge een in toepassing van het ARAB verleende erkenning.
  Deze verklaringen en vaststellingen bedoeld in het tweede lid zijn respectievelijk:
  1° het attest van de leverancier bedoeld in artikel IV.2-7;
  2° het verslag van de interne dienst of, in voorkomend geval, de afdeling ervan bedoeld in artikel IV.2-8.

  Art. IV.2-11. De documenten en attesten bedoeld in de artikelen IV.2-6, IV.2-7, IV.2-8, IV.2-9 en IV.2-10 worden ter beschikking gehouden van de met het toezicht belaste ambtenaren en medegedeeld aan het Comité.

  Art. IV.2-12. Onverminderd de bepalingen van artikel IV.2-1, moeten de arbeidsmiddelen die ter beschikking van de werknemers zijn gesteld in de onderneming of inrichting, voldoen aan de bepalingen van de besluiten genomen in uitvoering van de communautaire richtlijnen die op deze arbeidsmiddelen van toepassing zijn.
  Voor zover de bepalingen bedoeld in het eerste lid niet of slechts ten dele van toepassing zijn moeten de arbeidsmiddelen die ter beschikking van de werknemers zijn gesteld in de onderneming of inrichting voldoen aan de algemene minimumvoorschriften bedoeld in de bijlage IV.2-2, aan de bepalingen van het ARAB die er op van toepassing zijn en aan de specifieke minimumvoorschriften die er op van toepassing zijn bedoeld in titel 3, hoofdstuk I en titel 4, hoofdstuk I van dit boek.

  Art. IV.2-13. De werkgever neemt de nodige maatregelen om ervoor te zorgen dat de arbeidsmiddelen door een adequaat onderhoud in zodanige staat worden gehouden dat zij tijdens de gehele gebruiksduur voldoen aan de toepasselijke bepalingen.

  Art. IV.2-14. De werkgever ziet erop toe dat de arbeidsmiddelen waarvan de veiligheid afhangt van de wijze van installatie, worden onderworpen, na de installatie en vóór de eerste ingebruikneming, aan een eerste controle, alsmede aan een controle na elke montage op een nieuwe locatie of een nieuwe plek, teneinde ervoor te zorgen dat deze arbeidsmiddelen op de juiste wijze worden geïnstalleerd en goed functioneren.
  De werkgever ziet erop toe dat de arbeidsmiddelen die onderhevig zijn aan invloeden die leiden tot verslechteringen welke aanleiding kunnen geven tot het ontstaan van gevaarlijke situaties, worden onderworpen aan:
  1° periodieke controles en, in voorkomend geval, aan periodieke proeven;
  2° bijzondere controles, telkens wanneer zich uitzonderlijke gebeurtenissen hebben voorgedaan die schadelijke gevolgen kunnen hebben voor de veiligheid van het arbeidsmiddel, zoals het ombouwen, ongevallen, natuurverschijnselen en lange perioden van buitengebruikstelling.
  De in het tweede lid bedoelde controles hebben tot doel te garanderen dat de veiligheids- en gezondheidsvoorschriften worden nageleefd en deze verslechteringen tijdig worden opgespoord en hersteld.
  De resultaten van de controles moeten schriftelijk worden vastgelegd en ter beschikking worden gehouden van de met het toezicht belaste ambtenaar. Zij moeten gedurende een gepaste tijd worden bewaard.
  Wanneer de betrokken arbeidsmiddelen buiten de onderneming worden gebruikt, moeten zij vergezeld gaan van een materieel bewijs van de laatste controle.
  Onverminderd de wettelijke verplichtingen inzake controles door EDTC's, worden de in dit artikel bedoelde controles uitgevoerd door deskundigen, intern of extern aan de onderneming of inrichting.

  TITEL 3. - Mobiele arbeidsmiddelen al dan niet met eigen aandrijving

  HOOFDSTUK I. - Specifieke minimumvoorschriften van toepassing op mobiele arbeidsmiddelen

  Art. IV.3-1. Mobiele arbeidsmiddelen waarop een of meer werknemers worden meegevoerd, moeten zodanig uitgevoerd zijn dat het risico voor de werknemer(s) tijdens de verplaatsing beperkt wordt.
  Onder dit risico valt ook het risico dat de werknemers in aanraking komen met banden of rupsbanden, of daartussen beklemd raken.

  Art. IV.3-2. Wanneer er bij het onverhoeds blokkeren van de elementen voor de energieoverbrenging tussen een mobiel arbeidsmiddel en zijn hulpstukken en/of aanhangers specifieke risico's kunnen ontstaan, moet dit arbeidsmiddel zodanig uitgerust of uitgevoerd zijn dat wordt verhinderd dat de elementen voor energieoverbrenging blokkeren.
  Wanneer een dergelijke blokkering niet kan worden verhinderd, moeten alle mogelijke maatregelen worden genomen om te vermijden dat schadelijke gevolgen voor de werknemers ontstaan.

  Art. IV.3-3. Wanneer de elementen voor de energieoverbrenging tussen mobiele arbeidsmiddelen vervuild of beschadigd dreigen te worden doordat zij over de grond slepen, moeten bevestigingsmiddelen voorhanden zijn.

  Art. IV.3-4. Mobiele arbeidsmiddelen met een of meer meerijdende werknemers moeten zodanig zijn uitgevoerd dat onder de werkelijke gebruiksomstandigheden de risico's als gevolg van het kantelen of omvallen van het arbeidsmiddel worden beperkt door:
  1° hetzij een beschermingsconstructie die verhindert dat het arbeidsmiddel meer dan een kwartslag kantelt;
  2° hetzij een constructie die ervoor zorgt dat er rond de meegevoerde werknemer(s) voldoende vrije ruimte voorhanden is, wanneer het arbeidsmiddel zich meer dan een kwartslag kan bewegen;
  3° hetzij door een andere voorziening van gelijke waarde.
  Deze beschermingsconstructies kunnen een integrerend onderdeel van het arbeidsmiddel zijn.
  Deze beschermingsconstructies zijn niet vereist wanneer het arbeidsmiddel tijdens het gebruik wordt gestabiliseerd of wanneer het arbeidsmiddel zodanig is ontworpen dat het niet kan kantelen of omvallen.
  Als het risico bestaat dat een meerijdende werknemer bij kanteling of omslaan wordt platgedrukt tussen de delen van het arbeidsmiddel en de grond, moet een systeem worden geïnstalleerd waarmee de meegevoerde werknemer(s) kan (kunnen) worden tegengehouden.

  Art. IV.3-5. Heftrucks met een of meer meerijdende werknemers moeten zodanig worden uitgevoerd of uitgerust, dat het gevaar voor kanteling wordt beperkt, bijvoorbeeld:
  1° hetzij door de installatie van een bestuurderscabine;
  2° hetzij door een inrichting die verhindert dat de heftruck kantelt;
  3° hetzij door een inrichting die ervoor zorgt dat, wanneer de heftruck kantelt, er voor de meerijdende werknemer(s) voldoende vrije ruimte is tussen de grond en bepaalde delen van de heftruck;
  4° hetzij door een inrichting die ervoor zorgt dat de werknemer(s) op de bestuurdersstoel wordt (worden) vastgehouden, zodat hij (zij) niet door delen van de kantelende heftruck kan (kunnen) worden gegrepen.

  Art. IV.3-6. Mobiele arbeidsmiddelen met eigen aandrijving waarvan de verplaatsing risico's voor de werknemers kan opleveren, moeten aan de volgende voorwaarden voldoen:
  a) uitgerust zijn met middelen om te vermijden dat zij door onbevoegden in werking kunnen worden gesteld;
  b) uitgerust zijn met passende middelen ter beperking van de gevolgen van een eventuele botsing, ingeval verschillende, op rails rijdende arbeidsmiddelen tegelijkertijd worden verplaatst;
  c) uitgerust zijn met een rem- en stopvoorziening; voor zover dit om veiligheidsredenen nodig is, moet een door gemakkelijk toegankelijke besturingsorganen of via automatische systemen in werking gestelde noodvoorziening worden aangebracht, waarmee bij het uitvallen van het hoofdsysteem het arbeidsmiddel kan worden afgeremd en tot stilstand kan worden gebracht;
  d) uitgerust zijn met adequate hulpmiddelen die een toereikend zicht mogelijk maken wanneer het directe gezichtsveld van de bestuurder ontoereikend is om de veiligheid te waarborgen;
  e) als zij 's nachts of op donkere plaatsen gebruikt moeten worden, moeten zij zijn voorzien van een verlichtingsinstallatie die aangepast is aan het uit te voeren werk, en aan de werknemers voldoende veiligheid bieden;
  f) indien zij zelf of door hun aanhangers en/of ladingen brandrisico's opleveren waardoor werknemers in gevaar kunnen worden gebracht, moeten zij van passende brandbestrijdingsmiddelen zijn voorzien, tenzij de plaats van gebruik hiermee op voldoende korte afstand van het arbeidsmiddel is uitgerust;
  g) wanneer zij op afstand worden bediend, moeten zij automatisch tot stilstand komen, wanneer zij het controlegebied verlaten;
  h) wanneer zij op afstand worden bediend en onder normale gebruiksomstandigheden werknemers kunnen aan- of klemrijden, moeten zij zijn uitgerust met voorzieningen die bescherming tegen deze risico's bieden, tenzij er andere geschikte inrichtingen aanwezig zijn om het gevaar voor aanrijdingen te beperken.

  HOOFDSTUK II. - Specifieke bepalingen betreffende het gebruik van mobiele arbeidsmiddelen

  Art. IV.3-7. De werkgever treft de nodige maatregelen opdat de mobiele arbeidsmiddelen worden gebruikt in overeenstemming met volgende specifieke bepalingen:
  1° mobiele arbeidsmiddelen met eigen aandrijving mogen alleen worden bestuurd door werknemers die een adequate opleiding voor het veilig besturen van deze arbeidsmiddelen hebben gekregen;
  2° wanneer een arbeidsmiddel zich binnen een werkzone beweegt, moeten adequate verkeersregels worden vastgesteld en nageleefd;
  3° er moeten organisatorische maatregelen worden genomen om te vermijden dat zich werknemers te voet bevinden in de werkzone van arbeidsmiddelen met eigen aandrijving. Indien de aanwezigheid van blootgestelde werknemers te voet voor de goede uitvoering van de werkzaamheden vereist is, moeten passende maatregelen worden genomen om te voorkomen dat deze door de arbeidsmiddelen worden verwond;
  4° het meerijden van werknemers op mechanisch voortbewogen mobiele arbeidsmiddelen is slechts toegestaan op speciaal daartoe ingerichte veilige plaatsen. Als tijdens de verplaatsing werkzaamheden moeten worden uitgevoerd, moet de snelheid zo nodig worden aangepast;
  5° met een verbrandingsmotor uitgeruste mobiele arbeidsmiddelen mogen in de werkzones slechts worden gebruikt als er wordt gezorgd voor voldoende lucht die geen gevaar oplevert voor de veiligheid en gezondheid van de werknemers.

  TITEL 4. - Arbeidsmiddelen voor het hijsen of heffen van lasten

  HOOFDSTUK I. - Specifieke minimumvoorschriften van toepassing op arbeidsmiddelen voor het hijsen of heffen van lasten

  Art. IV.4-1. Wanneer arbeidsmiddelen voor het hijsen of heffen van lasten vast worden opgesteld, moet er worden gezorgd voor hun stevigheid en stabiliteit tijdens het gebruik, met name rekening houdend met de te hijsen of te heffen lasten en de belastingen waaraan de ophangings- of bevestigingspunten aan de draagconstructies worden onderworpen.

  Art. IV.4-2. Op machines voor het hijsen of heffen van lasten moet de nominale last op een duidelijk zichtbare wijze worden aangegeven en, in voorkomend geval, moet op een plaat de nominale last voor elke configuratie van de machine worden vermeld.
  Hijs- en hefhulpstukken moeten zodanig worden gemarkeerd dat de voor een veilig gebruik essentiële kenmerken daarvan kunnen worden geïdentificeerd.
  Wanneer een arbeidsmiddel niet bestemd is voor het hijsen of heffen van werknemers en er een mogelijkheid tot verwarring bestaat, moet een passende signalering op zichtbare wijze worden aangebracht.

  Art. IV.4-3. Vast opgestelde arbeidsmiddelen moeten zodanig worden opgesteld dat het risico beperkt wordt dat de lasten:
  a) de werknemers raken;
  b) ongewild, op gevaarlijke wijze uit hun baan of in vrije val geraken; of
  c) ongewild losraken.

  Art. IV.4-4. Arbeidsmiddelen voor het hijsen, heffen of verplaatsen van werknemers, moeten zodanig worden uitgerust dat :
  a) met behulp van passende voorzieningen wordt voorkomen dat de kooi, indien aanwezig, naar beneden valt;
  b) wordt voorkomen dat de gebruiker uit de eventuele kooi valt;
  c) wordt voorkomen dat de gebruiker wordt verpletterd, beklemd geraakt of wordt aangestoten, met name als gevolg van een onopzettelijk contact met een voorwerp;
  d) de veiligheid van de bij een ongeval in de kooi opgesloten werknemers wordt gegarandeerd en hun bevrijding mogelijk wordt gemaakt.
  Wanneer de in het eerste lid, onder a) vermelde risico's om redenen in verband met de terreinomstandigheden en het hoogteverschil niet met behulp van een veiligheidsvoorziening kunnen worden vermeden, moet een kabel met een verhoogde veiligheidscoëfficiënt worden geïnstalleerd en moet de goede staat daarvan elke werkdag worden gecontroleerd.

  HOOFDSTUK II. - Algemene bepalingen betreffende het gebruik van arbeidsmiddelen voor het hijsen of heffen van lasten

  Art. IV.4-5. De werkgever treft de nodige maatregelen opdat de arbeidsmiddelen voor het hijsen of heffen van lasten worden gebruikt in overeenstemming met de bepalingen van de hoofdstukken II tot V van deze titel.

  Art. IV.4-6. Demonteerbare of mobiele arbeidsmiddelen die dienen voor het hijsen of heffen van lasten moeten zodanig worden gebruikt dat de stabiliteit van het arbeidsmiddel tijdens het gebruik onder alle voorzienbare omstandigheden, rekening houdend met de aard van de bodem, wordt gewaarborgd.

  Art. IV.4-7. Het hijsen of heffen van werknemers is uitsluitend toegestaan met behulp van speciaal daarvoor bestemde arbeidsmiddelen.
  Bij wijze van uitzondering mogen niet daarvoor bestemde arbeidsmiddelen worden gebruikt voor het hijsen of heffen van werknemers, mits passende maatregelen zijn genomen om de veiligheid te waarborgen, overeenkomstig de bepalingen van de hoofdstukken IV en V van deze titel.

  Art. IV.4-8. Er moeten maatregelen worden getroffen opdat werknemers zich niet ophouden onder hangende lasten, tenzij zulks is vereist voor het goede verloop van de werkzaamheden.
  Het is niet toegestaan hangende lasten te verplaatsen boven niet beschermde werkplekken waar zich gewoonlijk werknemers bevinden. Indien het goede verloop van de werkzaamheden anders niet kan worden gewaarborgd, moeten passende procedures worden vastgesteld en toegepast.

  Art. IV.4-9. De hijs- en hefhulpstukken moeten worden gekozen op grond van de te hanteren lasten, de aanvatpunten, de haakvoorziening en de weersomstandigheden, daarbij rekening houdend met de wijze van aanslaan van de last en het gebruikte soort hijs- of hefmiddel.
  De tot een geheel samengevoegde hijs- en hefhulpstukken moeten duidelijk worden gemarkeerd om de gebruiker in staat te stellen de kenmerken daarvan te kennen, wanneer zij na gebruik niet worden losgemaakt.

  Art. IV.4-10. De hijs- en hefhulpstukken moeten zodanig worden opgeslagen dat zij niet kunnen worden beschadigd of aangetast.

  HOOFDSTUK III. - Specifieke bepalingen betreffende het gebruik van arbeidsmiddelen voor het hijsen of heffen van niet-geleide lasten

  Art. IV.4-11. Wanneer twee of meer arbeidsmiddelen die dienen voor het hijsen of heffen van niet-geleide lasten zodanig op een arbeidsplaats worden geïnstalleerd of gemonteerd dat hun werkgebieden elkaar overlappen, moeten passende maatregelen worden genomen om botsingen tussen de lasten en/of delen van de arbeidsmiddelen zelf te voorkomen.

  Art. IV.4-12. Tijdens het gebruik van een mobiel arbeidsmiddel dat dient voor het hijsen of heffen van niet-geleide lasten moeten maatregelen worden genomen om te vermijden dat het arbeidsmiddel kantelt, omkipt en eventueel in beweging komt of wegglijdt. Er moet op worden toegezien dat de maatregelen naar behoren worden uitgevoerd.

  Art. IV.4-13. Wanneer de bediener van een arbeidsmiddel dat dient voor het hijsen of heffen van niet-geleide lasten noch rechtstreeks noch door middel van de nodige informatie verstrekkende hulpmiddelen de volledige baan van de last kan volgen, moet een met de bediener in verbinding staande seingever worden aangewezen om hem te leiden en moeten organisatorische maatregelen worden genomen om botsingen van de last te voorkomen die de werknemers in gevaar kunnen brengen.

  Art. IV.4-14. De werkzaamheden moeten zodanig worden georganiseerd dat, wanneer een werknemer een last met de hand vast- of losmaakt, deze handelingen in alle veiligheid kunnen worden verricht, door er met name voor te zorgen dat de werknemer hierover direct of indirect de controle behoudt.

  Art. IV.4-15. Alle handelingen voor het hijsen of heffen moeten correct gepland en onder adequaat toezicht worden uitgevoerd teneinde de veiligheid van de werknemers te garanderen.
  Met name wanneer een last gelijktijdig moet worden gehesen of geheven door twee of meer arbeidsmiddelen die dienen voor het hijsen of heffen van niet-geleide lasten moet een procedure worden opgesteld en toegepast om een goede coördinatie van de handelingen van de bedieners te waarborgen.

  Art. IV.4-16. Wanneer arbeidsmiddelen die dienen voor het hijsen of heffen van niet-geleide lasten bij het geheel of gedeeltelijk uitvallen van de energietoevoer de lasten niet meer kunnen houden, moeten passende maatregelen worden genomen om te vermijden dat de werknemers aan de daarmee gepaard gaande risico's worden blootgesteld.
  De aan een hijs- of hefwerktuig hangende lasten mogen niet zonder toezicht blijven, tenzij de toegang tot de gevarenzone wordt verhinderd en de last volkomen veilig is vastgemaakt en wordt vastgehouden.

  Art. IV.4-17. In de open lucht gebruikte arbeidsmiddelen die dienen voor het hijsen of heffen van niet-geleide lasten moeten worden stilgelegd zodra de weersomstandigheden zodanig verslechteren dat de bedrijfsveiligheid in gevaar wordt gebracht en de werknemers aan risico's worden blootgesteld. Er moeten adequate beschermingsmaatregelen, met name om te verhinderen dat het arbeidsmiddel omkantelt, worden genomen om risico's voor de werknemers te voorkomen.

  HOOFDSTUK IV. - Bepalingen betreffende het gebruik van arbeidsmiddelen bestemd voor het hijsen of heffen van lasten die uitzonderlijk gebruikt worden voor het hijsen of heffen van personen

  Art. IV.4-18. In toepassing van artikel IV.2-1 en van de voorschriften van artikel IV.4-7 moet vermeden worden arbeidsmiddelen te gebruiken voor het hijsen of heffen van personen die hiervoor niet ontworpen of bestemd zijn. Dit kan derhalve slechts worden toegepast voor uitzonderlijke situaties waarvoor de risicoanalyse bovendien heeft aangetoond dat, mits naleving van de toepasselijke reglementaire bepalingen alsook van gepaste maatregelen en procedures, de veiligheid van de betrokken werknemers wordt verzekerd, in het bijzonder ten aanzien van het val- en knellingsrisico.
  Alleen de volgende arbeidsmiddelen kunnen voor dit gebruik in aanmerking komen: de kranen, de vorkheftrucks, de teleporters, de mobiele kranen met telescopische giek en de hijswerktuigen van het type autolaadkraan.
  Het gebruik van andere arbeidsmiddelen die niet bestemd zijn voor het hijsen of heffen van personen, inzonderheid van bouwterreinmachines, is verboden voor het hijsen of heffen van personen.

  Art. IV.4-19. De arbeidsmiddelen bestemd voor het hijsen of heffen van lasten die door het gebruik van hulpmiddelen aangepast worden voor het hijsen of heffen van personen worden gelijkgesteld met hefwerktuigen zoals bedoeld in artikel 267.2.1. van het ARAB. De reglementaire bepalingen inzake controle voor ingebruikname en periodieke controles zijn derhalve van toepassing op het geheel, arbeidsmiddel en werkbak, en moeten de aspecten van het vervoer van personen dekken.
  De totale nuttige belasting van deze arbeidsmiddelen mag niet groter zijn dan de helft van de nuttige belasting voorzien voor het hijsen of heffen van lasten. Voor de bepaling van de nuttige last in de werkbak wordt rekening gehouden met een gewicht van 80 kg per persoon en van minstens 40 kg uitrusting en materieel per persoon.

  Art. IV.4-20. Wanneer werknemers aanwezig zijn in een geheven werkbak moet de bedieningspost van het arbeidsmiddel permanent zijn bemand.
  De werknemers die worden gehesen of geheven moeten over een geschikt communicatiemiddel beschikken.
  De nodige voorzieningen worden getroffen om de werknemers veilig te kunnen evacueren.

  HOOFDSTUK V. - Specifieke bepalingen betreffende het gebruik van werkbakken en werkplatformen opgehangen aan een kraan

  Art. IV.4-21. De bepalingen van artikel 453, inzonderheid artikel 453.1, van het ARAB, zijn van toepassing.
  De bepalingen van artikel 453.12 van het ARAB inzake het maximaal aantal personen dat toegelaten is in de draaginrichting is niet van toepassing bij het louter vervoer van personen naar een hoger- of lagergelegen werkpost. Aanbevolen wordt evenwel het aantal personen dat in eenmaal vervoerd wordt te beperken.

  TITEL 5. - ARBEIDSMIDDELEN VOOR TIJDELIJKE WERKZAAMHEDEN OP HOOGTE

  HOOFDSTUK I. - Risicoanalyse en preventiemaatregelen

  Art. IV.5-1. De werkgever treft, overeenkomstig de bepalingen van de artikelen I.2-6 en I.2-7, de nodige materiële en organisatorische maatregelen opdat de arbeidsmiddelen voor tijdelijke werkzaamheden op hoogte die ter beschikking van de werknemers worden gesteld geschikt zijn voor het uit te voeren werk zodat het welzijn van de werknemers bij het gebruik van deze middelen wordt verzekerd.

  Art. IV.5-2. § 1. Bij de vaststelling van de materiële maatregelen houdt de werkgever rekening met de principes bedoeld in §§ 2 tot 6.
  § 2. De werkgever zorgt ervoor dat de uitvoering van de werkzaamheden onder passende ergonomische omstandigheden gebeurt van op een daartoe geschikte werkvloer die zodanig ontworpen, geïnstalleerd en uitgerust is dat de veiligheid wordt gewaarborgd en dat doorgang mogelijk is zonder gevaar.
  § 3. De afmetingen, eigenschappen en kenmerken van het arbeidsmiddel worden aangepast aan de aard van de te verrichten werkzaamheden en aan de voorzienbare belastingen.
  § 4. De werkgever voorziet in het aanbrengen van beveiligingsmiddelen om vallen te voorkomen, waarbij voorrang wordt gegeven aan collectieve beschermingsmaatregelen boven persoonlijke beschermingsmaatregelen.
  Deze beveiligingsmiddelen hebben een zodanige configuratie en sterkte dat vallen van hoogte wordt voorkomen of dat een eventuele val wordt gestopt, zodanig dat lichamelijk letsel bij de werknemers wordt voorkomen.
  De collectieve beveiligingsmiddelen om vallen te voorkomen mogen alleen onderbroken worden waar zich een toegang tot een ladder of trap bevindt.
  § 5. De werkgever kiest, in functie van de frequentie van het verkeer, de te bereiken hoogte en de gebruiksduur, de meest geschikte toegangsmiddelen tot de werkposten voor tijdelijke werkzaamheden op hoogte.
  Het gekozen toegangsmiddel biedt de mogelijkheid van ontruiming bij dreigend gevaar.
  Het overstappen van een toegangsmiddel op platformen, vloeren of loopbruggen en omgekeerd mag geen bijkomende risico's op vallen opleveren.
  § 6. Wanneer de uitvoering van specifieke werkzaamheden vereist dat een collectief beveiligingsmiddel om vallen te voorkomen tijdelijk wordt verwijderd, wordt gezorgd voor doeltreffende vervangende veiligheidsvoorzieningen.
  De werkzaamheden mogen niet worden uitgevoerd zolang deze vervangende voorzieningen niet zijn getroffen.
  Na de definitieve of tijdelijke beëindiging van de specifieke werkzaamheden worden de collectieve beveiligingsmiddelen om vallen te voorkomen weer aangebracht.

  Art. IV.5-3. De organisatorische maatregelen hebben inzonderheid tot doel ervoor te zorgen dat:
  1° bij de keuze van elk arbeidsmiddel dat ter beschikking wordt gesteld voor tijdelijke werkzaamheden op hoogte, voorrang wordt gegeven aan de arbeidsmiddelen die gebouwd zijn, overeenkomstig de bepalingen van de besluiten genomen ter uitvoering van de communautaire richtlijnen die op deze arbeidsmiddelen van toepassing zijn, of bij ontstentenis van dergelijke bepalingen, overeenkomstig gelijkwaardige technische voorschriften;
  2° tijdelijke werkzaamheden op hoogte alleen worden uitgevoerd wanneer de weersomstandigheden de veiligheid en de gezondheid van de werknemers niet in gevaar brengen.

  HOOFDSTUK II. - Specifieke bepalingen betreffende het gebruik van ladders, trapladders en platformladders

  Art. IV.5-4. De werkgever beperkt het gebruik van ladders, trapladders en platformladders als werkpost op hoogte tot omstandigheden waarin, gelet op de bepalingen van artikel IV.5-1, het gebruik van andere, veiligere arbeidsmiddelen niet verantwoord is, gelet op het geringe risico en gelet op, hetzij de korte gebruiksduur, hetzij de bestaande kenmerken van de arbeidsplaats en werkposten die de werkgever niet kan veranderen.

  Art. IV.5-5. Onverminderd de bepalingen van artikel IV.5-3, 1°, zorgt de werkgever ervoor dat de ladders, trapladders en platformladders worden gebruikt binnen de grenzen die worden opgelegd door het ontwerp ervan en zodanig worden geïnstalleerd en uitgerust dat het vallen van hoogte wordt voorkomen.
  De ladders, trapladders en platformladders worden zodanig geplaatst dat hun stabiliteit bij de toegang en tijdens het gebruik ervan gewaarborgd is en dat hun sporten of trappen horizontaal blijven.
  Draagbare ladders worden ondersteund en rusten op stabiele en stevige steunpunten met passende afmetingen zodanig dat zij, inzonderheid, onbeweeglijk blijven.
  Het wegglijden van de voet van draagbare ladders tijdens het gebruik wordt tegengegaan hetzij door de boven- of onderkant van de ladderbomen vast te zetten, hetzij door middel van een antislipinrichting of een andere gelijkwaardige doeltreffende oplossing.
  Hangladders worden stevig vastgemaakt en wel op dergelijke wijze dat zij, met uitzondering van touwladders, niet kunnen verschuiven en dat heen en weer zwaaien wordt vermeden.
  Toegangsladders steken voldoende boven het toegangsniveau uit, tenzij andere voorzieningen werden getroffen om een veilige houvast te waarborgen.
  Meerdelige ladders en schuifladders worden zodanig gebruikt dat de verschillende delen niet ten opzichte van elkaar kunnen bewegen.
  Beweegbare ladders worden vastgezet voordat zij worden betreden.

  Art. IV.5-6. Ladders worden zodanig gebruikt dat de werknemers steeds veilige steun en houvast hebben.
  Met name blijft het dragen van lasten beperkt tot lichte lasten en mag het een veilige houvast niet belemmeren.

  HOOFDSTUK III. - Specifieke bepalingen betreffende het gebruik van steigers

  Art. IV.5-7. De werkgever die de steiger gebruikt wijst een persoon aan, hierna de bevoegde persoon genoemd, die door middel van een opleiding de vereiste kennis heeft verworven voor het uitvoeren van de volgende taken:
  1° waken over de toepassing van de maatregelen ter preventie van de risico's dat personen of voorwerpen vallen;
  2° waken over de toepassing van de veiligheidsmaatregelen bij veranderende weersomstandigheden die afbreuk zouden kunnen doen aan de veiligheid van de betrokken steiger;
  3° waken over de naleving van de voorwaarden inzake toelaatbare belasting;
  4° uitvoeren van controles vereist om de bepalingen van artikel IV.5-13 na te leven.
  Onverminderd de toepassing van het eerste lid is de bevoegde persoon die aangewezen wordt door de werkgever die de steiger monteert, demonteert of ombouwt tevens belast met het opstellen en het aanpassen van een montage-, demontage- en ombouwschema van een steiger.

  Art. IV.5-8. De werkgever die de steiger monteert, demonteert of ombouwt moet beschikken over de gebruiksaanwijzing van de fabrikant, opdat de montage, demontage of het ombouwen van de steiger zou gebeuren overeenkomstig de voorschriften van de fabrikant.
  De gebruiksaanwijzing van de fabrikant is vergezeld van een nota die een sterkte- en stabiliteitsberekening bevat.
  Indien deze berekeningsnota niet beschikbaar is of niet voorziet in de overwogen structuurconfiguratie, dan moet een sterkte- en stabiliteitsberekening worden uitgevoerd door een persoon die kan aantonen dat hij over de nodige kennis beschikt om deze berekeningen uit te voeren.
  Wanneer de werkgever die de steiger gebruikt een andere werkgever is dan deze die de steiger monteert, demonteert of ombouwt, bezorgt deze laatste de berekeningsnota aan de werkgever die de steiger gebruikt.

  Art. IV.5-9. De werkgever die de steiger monteert, demonteert of ombouwt zorgt ervoor dat de bevoegde persoon bedoeld in artikel IV.5-7, tweede lid een montage-, demontage- en ombouwschema opstelt, wanneer dit niet aanwezig is in de gebruiksaanwijzing van de fabrikant.
  Dit schema neemt de vorm aan van een algemeen uitvoeringsschema, maar wordt aangevuld met elementen die betrekking hebben op de details die eigen zijn aan de betrokken steiger, indien de complexiteit van de steiger dit vereist.
  Het schema wordt gedurende de ganse duur van de werken ter beschikking gehouden van de met het toezicht belaste ambtenaren.

  Art. IV.5-10. De werkgever die de steiger monteert, demonteert of ombouwt zorgt ervoor dat de bevoegde persoon bedoeld in artikel IV.5-7, tweede lid een instructienota opstelt betreffende het gebruik van de steiger.
  Deze nota bevat alle nuttige instructies die moeten nageleefd worden om de risico's verbonden aan, al naargelang het geval, hetzij de montage, de demontage of het ombouwen, hetzij het gebruik van de steiger te ondervangen.
  Wanneer de werkgever die de steiger gebruikt een andere werkgever is dan deze die de steiger monteert, demonteert of ombouwt, bezorgt deze laatste de instructienota aan de werkgever die de steiger gebruikt.

  Art. IV.5-11. § 1. Elke steiger wordt zodanig opgebouwd dat geen enkel onderdeel, tijdens het gebruik van de steiger, ten opzichte van het geheel kan bewegen.
  De steigers worden zodanig opgebouwd dat zij de lasten waaraan ze worden blootgesteld kunnen dragen en ze kunnen weerstaan aan de belasting die voortvloeit uit atmosferische omstandigheden, inzonderheid de invloed van de wind.
  Ze moeten verankerd of bevestigd zijn aan een punt dat voldoende weerstand biedt of beschermd zijn tegen elk risico van wegglijden of omvallen door elk ander middel met een gelijkwaardige doeltreffendheid.
  Het draagvlak moet voldoende stevig zijn om elke vervorming van de ondersteunende delen te voorkomen.
  § 2. De afmetingen, de vorm en de ligging van de vloeren van een steiger zijn aangepast aan de aard van de te verrichten werkzaamheden en aan de te dragen lasten, opdat er veilig verkeer kan plaatsvinden en er veilig kan worden gewerkt.
  De vloeren van de steigers zijn zodanig gemonteerd dat hun onderdelen bij normaal gebruik niet kunnen bewegen.
  § 3. Tussen de randen van de vloeren en het bouwwerk waartegen de steiger is geplaatst, mogen geen gevaarlijke openingen voorkomen.
  Wanneer de configuratie van het bouwwerk of het arbeidsmiddel niet toelaat deze afstand te eerbiedigen moet het risico op vallen worden voorkomen door middel van beschermingsmaatregelen waarbij voorrang wordt gegeven aan de collectieve beschermingsmaatregelen boven de persoonlijke beschermingsmaatregelen.
  § 4. Er worden veilige toegangswegen die in voldoende aantal aanwezig zijn voorzien tussen de verschillende vloeren van de steiger.
  § 5. Tijdens de montage, de demontage, het ombouwen en het gebruik van de steiger wordt er een aangepaste bescherming tegen het risico van vallen en tegen het risico van vallende voorwerpen aangebracht op elk niveau van de steiger.
  § 6. Ongewilde bewegingen van rolsteigers tijdens werkzaamheden op hoogte worden door een passende voorziening voorkomen.
  Wanneer een rolsteiger verplaatst wordt, mag er zich geen enkele werknemer op bevinden, tenzij de rolsteiger speciaal ontworpen is zodanig dat de veiligheid van de werknemers op de rolsteiger niet in het gedrang komt door de verplaatsing.

  Art. IV.5-12. Als bepaalde gedeelten van een steiger niet gebruiksklaar zijn, bijvoorbeeld tijdens de montage, demontage of het ombouwen, markeert de werkgever die de steiger monteert, demonteert of ombouwt deze met waarschuwingssignalen voor algemeen gevaar, overeenkomstig de voorschriften inzake de veiligheids- en gezondheidssignalering op het werk van titel 6 van boek III.
  Deze gedeelten worden behoorlijk afgebakend door materiële elementen die de toegang tot de gevarenzone beletten.

  Art. IV.5-13. De werkgever die de steiger gebruikt zorgt er, onder zijn verantwoordelijkheid, voor dat de bevoegde persoon bedoeld in artikel IV.5-7, eerste lid nagaat of de steiger, in alle omstandigheden, blijft beantwoorden aan de berekeningsnota bedoeld in artikel IV.5-8.
  De werkgever die de steiger gebruikt zorgt ervoor dat de steiger, tijdens het gebruik, te allen tijde blijft beantwoorden aan de bepalingen van artikel IV.5-11 en dat zijn werknemers geen toegang hebben tot de gedeelten van de steiger die niet gebruiksklaar zijn.
  Indien de werkgever die de steiger gebruikt aan die steiger wijzigingen aanbrengt die betrekking hebben op de montage, demontage of het ombouwen van die steiger moet hij de verplichtingen die opgelegd worden aan de werkgever die de steiger monteert, demonteert of ombouwt naleven.

  Art. IV.5-14. § 1. De werkgever die werknemers tewerkstelt die zullen werken op een steiger zorgt ervoor dat deze werknemers een opleiding ontvangen die hen in staat stelt de kennis en vaardigheden te verwerven die noodzakelijk zijn voor de uitvoering van hun taken.
  Deze opleiding heeft inzonderheid betrekking op:
  1° de maatregelen ter preventie van de risico's dat personen of voorwerpen vallen;
  2° de veiligheidsmaatregelen bij veranderende weersomstandigheden die afbreuk zouden kunnen doen aan de veiligheid van de betrokken steiger;
  3° de voorwaarden inzake toelaatbare belasting.
  § 2. De werkgever die werknemers tewerkstelt die zullen meewerken aan de montage, de demontage of het ombouwen van een steiger zorgt ervoor dat deze werknemers een opleiding ontvangen die hen in staat stelt de kennis en vaardigheden te verwerven die noodzakelijk zijn voor de uitvoering van hun taken.
  Deze opleiding heeft inzonderheid betrekking op:
  1° het begrijpen van het montage-, demontage- of ombouwschema van de betreffende steiger;
  2° het veilig monteren, demonteren of ombouwen van de betreffende steiger;
  3° de maatregelen bedoeld in § 1, tweede lid;
  4° ieder ander risico dat de montage-, demontage- of ombouwwerkzaamheden met zich kunnen brengen.

  Art. IV.5-15. Alleen werknemers die de in artikel IV.5-14 bedoelde kennis en vaardigheden hebben verworven mogen op een steiger werken of meewerken aan de montage, de demontage of het ombouwen ervan.
  De werknemers moeten de instructies naleven die voorkomen in het montage-, demontage- en ombouwschema bedoeld in artikel IV.5-9 en in de instructienota bedoeld in artikel IV.5-10.

  HOOFDSTUK IV. - Specifieke bepalingen betreffende het gebruik van toegangs- en positioneringstechnieken met touwen

  Art. IV.5-16. Het gebruik van toegangs- en positioneringstechnieken met touwen voor het uitvoeren van werkzaamheden op hoogte die een systematisch of herhaaldelijk karakter hebben, is verboden.

  Art. IV.5-17. In afwijking van artikel IV.5-16 mogen de toegangs- en positioneringstechnieken met touwen gebruikt worden in de volgende gevallen :
  1° wanneer de risicoanalyse heeft aangetoond dat de toegang tot de werkpost onmogelijk is of gevaarlijker is bij gebruik van een veiliger arbeidsmiddel en de plaats waar het werk wordt verricht niet dermate kan gewijzigd worden dat het gebruik van een veiliger arbeidsmiddel mogelijk wordt of minder gevaarlijk is dan de toegangs- en positioneringstechnieken op basis van touwen;
  2° wanneer de risico's verbonden aan het opstellen van deze veiligere arbeidsmiddelen groter zijn dan de risico's verbonden aan de uitvoering van het werk.

  Art. IV.5-18. Het gebruik van toegangs- en positioneringstechnieken met touwen gebeurt met eerbiediging van de volgende principes en voorwaarden:
  1° de samenstellende delen die de werknemer toelaten om zich te verplaatsen of te positioneren, de samenstellende delen die deze werknemer beschermen tegen het vallen van op hoogte, alsook alle andere samenstellende delen die gebruikt worden bij de opbouw van het systeem stemmen overeen met deze waarvan het gebruik is opgelegd door titel 2 van boek IX;
  2° het systeem omvat tenminste twee afzonderlijk verankerde lijnen, waarvan de ene dient om op of uit de werkplek te komen en als steun (werklijn), terwijl de andere als flexibele ankerlijn dient voor een valbeveiligingsmechanisme (veiligheidslijn);
  3° de werknemers beschikken over en maken gebruik van een antivalharnas waardoor zij verbonden zijn met de veiligheidslijn via een beweegbaar valbeveiligingsmechanisme dat de werknemer in zijn bewegingen volgt;
  4° de werklijn is voorzien van een veilig stijg- en daalmechanisme en is uitgerust met een zelfblokkerend en zelfregelend systeem van de snelheid waardoor de gebruiker, wanneer hij de controle over zijn bewegingen verliest, niet kan vallen;
  5° onverminderd de bepalingen van artikel IV.2-1, hebben de verankeringspunten die bij deze techniek gebruikt worden een weerstand die ten minste gelijk is aan de verankeringspunten waarvan het gebruik is opgelegd door titel 2 van boek IX;
  6° er wordt voorzien in een zitje met voetsteunen en met geschikte toebehoren, rekening houdend met de risicoanalyse en inzonderheid in functie van de duur van de werkzaamheden en de ergonomische vereisten;
  7° de gereedschappen en andere hulpstukken die de werknemer moet gebruiken, zijn verbonden met het zitje van de werknemer, of indien er geen zitje aanwezig is, met het harnas of ze worden op een andere passende wijze bevestigd;
  8° geen enkele werkzaamheid op hoogte waarbij toegangs- en positioneringstechnieken met touwen gebruikt worden mag toevertrouwd worden aan een afgezonderd tewerkgestelde werknemer. De aanwezigheid van een andere werknemer die in staat is snel alarm te geven en de nodige kennis heeft van de procedures voor reddingsoperaties is verplicht;
  9° de betrokken werknemers ontvangen een adequate en specifieke opleiding voor de beoogde werkzaamheden, inzonderheid op het vlak van de procedures voor reddingsoperaties;
  10° de opbouw van het systeem om werken uit te voeren met toegangs- en positioneringstechnieken met touwen en de uitvoering van deze werken gebeurt onder het toezicht van een bevoegd persoon die door de werkgever werd aangewezen en waarvan de ervaring en de technische kennis hem moeten toelaten het werk op de juiste wijze te programmeren en te waken over de naleving van de voorwaarden bedoeld in dit artikel.

  Art. IV.5-19. § 1. Het gebruik van een tweede lijn die uitgerust is met een valbeveiligingsmechanisme is niet verplicht tijdens de redding van personen, indien de omstandigheden dit vereisen om de plaats waar de te redden persoon zich bevindt te kunnen bereiken.
  Bij de evacuatie van redder en geredde moet een tweede lijn die uitgerust is met een valbeveiligingsmechanisme worden aange-bracht.
  Indien door het gebruik van een tweede lijn die uitgerust is met een valbeveiligingsmechanisme de evacuatie echter gevaarlijker wordt, is het toegelaten één enkele lijn te gebruiken.
  § 2. Het gebruik van een tweede lijn die uitgerust is met een valbeveiligingsmechanisme is niet verplicht bij werkzaamheden op niet verticale wanden waar het gebruik van een veiligheidslijn uitgerust met een valbeveiligingsmechanisme onmogelijk is.
  De werknemer die de werkzaamheid uitvoert moet beschermd worden door een andere werknemer.
  § 3. Het gebruik van een tweede lijn die uitgerust is met een valbeveiligingsmechanisme is niet verplicht voor het uitvoeren van snoeiwerken, wanneer de risicoanalyse bedoeld in artikel IV.5-17, 1° bijzondere omstandigheden heeft vastgesteld waaruit blijkt dat het gebruik van een dergelijke lijn gevaarlijker is.
  In dat geval moet de gebruikte techniek een gelijkwaardig beschermingsniveau voor de veiligheid van de werknemers waarborgen.
  Deze werken moeten steeds uitgevoerd worden onder het toezicht van een bevoegd persoon bedoeld in artikel IV.5-18, 10°.

  BOEK V. - OMGEVINGSFACTOREN EN FYSISCHE AGENTIA

  TITEL 1. - THERMISCHE OMGEVINGSFACTOREN

  HOOFDSTUK I. - Risicoanalyse en preventiemaatregelen

  Art.V.1-1 .§ 1. Overeenkomstig artikel I.2-6 voert de werkgever een risicoanalyse uit van de thermische omgevingsfactoren van technologische of klimatologische aard die aanwezig zijn op de arbeidsplaats, waarbij hij rekening houdt met de volgende factoren:
  1° de luchttemperatuur, uitgedrukt in graden Celsius;
  2° de relatieve luchtvochtigheid, uitgedrukt in percentage;
  3° de luchtstroomsnelheid, uitgedrukt in meter per seconde;
  4° de thermische straling veroorzaakt door de zon of door technologische omstandigheden;
  5° de fysieke werkbelasting, geëvalueerd door de per seconde te produceren energie, nodig om een werk uit te voeren, en berekend in watt. Voor een continu werk van 8 uren, kan de fysieke belasting gekwalificeerd worden als zeer licht (minder dan 117 watt), licht (117 tot 234 watt), halfzwaar (235 tot 360 watt), zwaar (361 tot 468 watt) en zeer zwaar (meer dan 468 watt);
  6° de gebruikte werkmethodes en arbeidsmiddelen;
  7° de eigenschappen van de werkkledij en van de PBM;
  8° de combinatie van al deze factoren.
  De risicoanalyse houdt rekening met de evolutie van deze factoren tijdens de werkduur, met frequent wisselende arbeidsomstandigheden en met seizoenschommelingen.
  § 2. In het kader van de risicoanalyse, evalueert de werkgever de thermische omgevingsfactoren en, indien nodig, meet hij ze.
  De in toepassing van deze paragraaf gebruikte meet- en berekeningsmethodes worden bepaald, na advies van de [1 preventieadviseur-arbeidsarts]1 of de preventieadviseur-arbeidshygiëne en na akkoord van het Comité.
  Indien er in het Comité geen akkoord wordt bereikt, kiest de werkgever één van de methodes, waarvan tenminste de referenties worden gepubliceerd op de website van de Federale Overheidsdienst Werkgelegenheid, Arbeid en Sociaal Overleg.
  ----------
  (1)<KB 2019-05-14/07, art. 1, 008; Inwerkingtreding : 21-06-2019>

  Art. V.1-2. Op grond van de in artikel V.1-1 bedoelde risicoanalyse, stelt de werkgever, overeenkomstig artikel I.2-7 en met inachtneming van de algemene preventiebeginselen bedoeld in artikel 5, § 1, tweede lid van de wet passende preventiemaatregelen vast :
  1° die inspelen op de factoren bedoeld in artikel V.1-1, § 1, eerste lid, 1° tot 7° en de eventuele combinatie ervan;
  2° die rekening houden met de actiewaarden bedoeld in artikel V.1-3 en de gangbare voorschriften en gebruiken inzake comfort op de arbeidsplaats.
  De in het eerste lid, 2° bedoelde gangbare voorschriften en gebruiken inzake comfort op de arbeidsplaats worden inzonderheid beschreven in de norm NBN EN ISO 7730 "Ergonomie van de thermische omgeving : analytische bepaling en interpretatie van thermische behaaglijkheid door berekening van de PMV en PPD waarden en door criteria voor de plaatselijke behaaglijkheid".

  HOOFDSTUK II. - Actiewaarden voor blootstelling

  Art. V.1-3. § 1. Voor de blootstelling aan koude worden de actiewaarden voor blootstelling vastgesteld in functie van de fysieke werkbelasting.
  De luchttemperatuur mag niet lager zijn dan:
  a) 18° C voor zeer licht werk;
  b) 16° C voor licht werk;
  c) 14° C voor halfzwaar werk;
  d) 12° C voor zwaar werk;
  e) 10° C voor zeer zwaar werk.
  § 2. Voor de blootstelling aan warmte, worden de actiewaarden voor blootstelling vastgesteld uitgaande van de WBGT-index in functie van de fysieke werkbelasting.
  De waarde van deze index mag niet hoger zijn dan:
  a) 29 voor zeer licht of licht werk;
  b) 26 voor halfzwaar werk;
  c) 22 voor zwaar werk;
  d) 18 voor zeer zwaar werk.
  De WBGT-index kan hetzij rechtstreeks gemeten worden, hetzij berekend worden uitgaande van de meting van de klimatologische parameters bedoeld in artikel V.1-1, § 1, eerste lid, 1° tot 4° waardoor een waarde kan worden bekomen die gelijkwaardig is aan deze WBGT-index.
  De berekening van de WBGT-index kan gebeuren volgens methodes zoals deze die gepubliceerd zijn op de website van de Federale Overheidsdienst Werkgelegenheid, Arbeid en Sociaal Overleg.

  HOOFDSTUK III. - Programma van technische en organisatorische maatregelen

  Art. V.1-4.§ 1. Wanneer de heersende temperaturen wegens technologische of klimatologische redenen de actiewaarden bedoeld in artikel V.1-3 kunnen overschrijden, gaat de werkgever, op grond van de in artikel V.1-1 bedoelde risicoanalyse, vooraf over tot de opstelling van een programma van technische en organisatorische maatregelen om de blootstelling aan, al naargelang het geval, koude of warmte en de daaruit voortvloeiende risico's te voorkomen of tot een minimum te beperken.
  De in het eerste lid bedoelde technische en organisatorische maatregelen hebben inzonderheid betrekking op :
  1° technische maatregelen die inspelen op de temperatuur van de omgevingslucht, de luchtvochtigheid, de thermische straling of de luchtstroomsnelheid inzonderheid het voorzien van inrichtingen voor kunstmatige ventilatie, overeenkomstig de bepalingen betreffende de luchtverversing van arbeidsplaatsen, het opvangen en afvoeren van warme en vochtige dampen of gassen, het plaatsen van reflecterende afschermingen en het gebruik van luchtbevochtigers of -ontvochtigers;
  2° het verlagen van de fysieke werkbelasting door aanpassing van de arbeidsmiddelen of van de werkmethodes;
  3° alternatieve werkmethoden die de noodzaak van blootstelling aan overmatige koude of warmte verminderen;
  4° de beperking van de duur en intensiteit van de blootstelling;
  5° het aanpassen van de werkroosters of de arbeidsorganisatie zodanig dat de blootstellingsduur van de werknemer aan de overmatige warmte verlaagd wordt, en, indien nodig, periodes van aanwezigheid op de werkpost worden afgewisseld met rusttijden, door te brengen ter plaatse of in rustlokalen, die beantwoorden aan de voorschriften bedoeld in artikel III.1-61 en in bijlage III.1-1;
  6° het verschaffen van kledij die de werknemers beschermt tegen de blootstelling aan overmatige koude of warmte en tegen vocht of thermische straling;
  7° het zonder kosten voor de werknemers ter beschikking stellen van aangepaste verfrissende of warme dranken.
  De afwisseling van periodes van aanwezigheid op de werkpost met rusttijden bedoeld in het tweede lid, 5° wordt vastgesteld in de volgende volgorde :
  1° de werkgever die de norm NBN EN ISO 7243, de norm NBN EN ISO 7933 of de norm NBN EN ISO 9886 toepast wordt vermoed passende maatregelen in verband met de afwisseling van periodes van aanwezigheid op de werkpost met rusttijden te hebben getroffen;
  2° indien de werkgever de in 1° bedoelde normen niet wenst toe te passen, wordt de afwisseling van periodes van aanwezigheid op de werkpost met rusttijden vastgesteld na advies van de [1 preventieadviseur-arbeidsarts]1 en na het voorafgaand akkoord van de werknemersvertegenwoordigers in het Comité, of bij ontstentenis de vakbondsafvaardiging;
  3° indien de werkgever de in 1° bedoelde normen niet wenst toe te passen en indien de afwisseling van periodes van aanwezigheid op de werkpost met rusttijden niet kan bepaald worden in toepassing van 2°, wordt deze afwisseling vastgesteld overeenkomstig de bepalingen van een bij koninklijk besluit algemeen verbindend verklaarde collectieve arbeidsovereenkomst die gesloten werd in het paritair comité, waaronder de werkgever ressorteert voor zover deze bepalingen een bescherming bieden die vergelijkbaar is met deze bepaald in bijlage V.1-1;
  4° indien de werkgever de in 1° bedoelde normen niet wenst toe te passen en indien de afwisseling van periodes van aanwezigheid op de werkpost met rusttijden niet kan bepaald worden in toepassing van 2° of 3°, past de werkgever de bepalingen toe opgenomen in bijlage V.1-1.
  § 2. Het in § 1 bedoelde programma beschrijft per werkpost of per groep van werkposten, per functie of per groep van functies de technische en organisatorische maatregelen die in toepassing van deze titel zullen worden getroffen.
  Het wordt aangepast telkens er zich wijzigingen voordoen in één of meerdere elementen die aanleiding hebben gegeven tot het opstellen van dit programma.
  § 3. Het in § 1 bedoelde programma wordt voor advies voorgelegd aan de bevoegde preventieadviseur en aan het Comité en het wordt gevoegd bij het globaal preventieplan.
  De werkgever voert dit programma uit van zodra de actiewaarden worden overschreden.
  § 4. Het programma bedoeld in dit artikel doet geen afbreuk aan de toepassing van de minimumvoorschriften bedoeld in de artikelen V.1-5 tot V.1-13.
  ----------
  (1)<KB 2019-05-14/07, art. 1, 008; Inwerkingtreding : 21-06-2019>

  HOOFDSTUK IV. - Maatregelen in geval van overmatige koude

  Afdeling 1. - Overmatige koude van technologische oorsprong

  Art. V.1-5.Wanneer de heersende temperaturen in gekoelde lokalen wegens technologische redenen lager zijn dan de minimale temperaturen bedoeld in artikel V.1-3, § 1, tweede lid neemt de werkgever de volgende maatregelen :
  1° de werknemers worden voorzien van aangepaste werkkledij en PBM;
  2° de luchtstroomsnelheid in deze lokalen wordt, wanneer er werknemers aanwezig zijn, beperkt tot een minimumniveau dat compatibel is met de werking van de installaties;
  3° er worden technische middelen voorzien om de beschermkledij na gebruik te drogen;
  4° er worden zonder kosten voor de werknemers warme dranken ter beschikking van de werknemers gesteld.
  Telkens de [1 preventieadviseur-arbeidsarts]1 het noodzakelijk oordeelt voor de gezondheid van de werknemers, voorziet de werkgever bovendien in een rusttijd in een rustlokaal, overeenkomstig de bepalingen van artikel V.1-4, § 1, derde lid.
  ----------
  (1)<KB 2019-05-14/07, art. 1, 008; Inwerkingtreding : 21-06-2019>

  Afdeling 2. - Overmatige koude van klimatologische oorsprong

  Art. V.1-6. Tijdens de periode tussen 1 november en 31 maart van het daaropvolgende jaar worden de open werklokalen en de arbeidsplaatsen in open lucht van een voldoende aantal verwarmingsinrichtingen voorzien.
  Wanneer het ingevolge de weersomstandigheden nodig blijkt en in elk geval wanneer de buitentemperatuur lager is dan 5 ° C, moeten deze verwarmingsinrichtingen in werking worden gesteld.
  Indien de vertegenwoordigers van de werknemers in het Comité, of bij ontstentenis de vakbondsafvaardiging, vooraf hun akkoord geven mogen deze verwarmingstoestellen worden opgesteld in lokalen, in voorlopige constructies of op andere plaatsen, teneinde de werknemers de mogelijkheid te bieden zich bij tussenpozen te verwarmen.

  Art. V.1-7. Bij een buitentemperatuur van minder dan 5 ° C is het de exploitanten van winkels voor detailverkoop verboden werknemers tewerk te stellen aan toonbanken of winkelbanken die zich buiten en in de onmiddellijke nabijheid van de winkel bevinden.
  Bij een buitentemperatuur van minder dan 10 ° C moeten de aan voornoemde banken tewerkgestelde werknemers over een voldoende krachtige verwarmingsinrichting beschikken, tenzij maatregelen worden genomen waardoor deze werknemers zich geregeld en zo dikwijls als nodig kunnen verwarmen.
  Bovendien beschikken die werknemers over een vloer, waardoor rechtstreeks contact met de grond wordt voorkomen, en worden ze zoveel mogelijk tegen weer en wind beschermd.
  Deze werknemers mogen dergelijke arbeid niet verrichten vóór 8 uur of na 19 uur, ook niet langer dan 2 uur zonder onderbreking van ten minste één uur, noch meer dan 4 uren per dag.

  HOOFDSTUK V. - Maatregelen in geval van overmatige warmte

  Afdeling 1. - Overmatige warmte van technologische oorsprong

  Art. V.1-8. Wanneer in de gesloten werklokalen overmatige warmte van technologische oorsprong te wijten aan convectie wordt vastgesteld en de in artikel V.1-3, § 2, tweede lid bedoelde actiewaarden worden overschreden op het niveau van de werkpost met zwaarste last, plaatst de werkgever inrichtingen voor kunstmatige verluchting of een systeem van afzuiging, overeenkomstig de bepalingen betreffende de luchtverversing van de arbeidsplaatsen.

  Art. V.1-9. Wanneer de overmatige warmte van technologische oorsprong wordt veroorzaakt door stralingen en de in artikel V.1-3, § 2, tweede lid bedoelde actiewaarden worden overschreden worden beveiligingsschermen of reflectorische beschermingskledij of beschermingskledij met een ingebouwd koelsysteem gebruikt.

  Art. V.1-10.Indien de in artikel V.1-8 en V.1-9 voorgeschreven maatregelen niet kunnen genomen worden of ondoeltreffend blijken, wordt de duur van de blootstelling aan de warmte verlaagd.
  Deze verlaging gebeurt door aanwezigheden op de betrokken werkpost af te wisselen met rusttijden ter plaatse of in rustlokalen, die beantwoorden aan de voorschriften bedoeld in artikel III.1-61 en in bijlage III.1-1.
  De afwisseling van de aanwezigheidstijd op de werkpost en de rusttijden wordt bepaald overeenkomstig artikel V.1-4, § 1, derde lid.
  Bovendien zorgt de werkgever, zonder kosten voor de werknemers, voor de verdeling van verfrissende dranken, overeenkomstig het advies van de [1 preventieadviseur-arbeidsarts]1, om het vochtverlies ten gevolge van de arbeidsomstandigheden te compenseren.
  ----------
  (1)<KB 2019-05-14/07, art. 1, 008; Inwerkingtreding : 21-06-2019>

  Afdeling 2. - Overmatige warmte van klimatologische oorsprong

  Art. V.1-11.Wanneer de in artikel V.1-3, § 2, tweede lid bedoelde actiewaarden worden overschreden, neemt de werkgever de volgende maatregelen:
  1° indien de overschrijding aanhoudt, installeert de werkgever binnen de 48 uur, na het ogenblik van de vaststelling van de overschrijding, in de werklokalen inrichtingen voor kunstmatige verluchting, overeenkomstig de bepalingen betreffende de luchtverversing van de arbeidsplaatsen;
  2° indien, nadat de in punt 1° vermelde termijn verstreken is, de overschrijding voortduurt, voert de werkgever een regime in van beperkte aanwezigheid op de werkpost en van rusttijden zoals voorzien in artikel V.1-10, tweede en derde lid;
  3° de werkgever zorgt, zonder kosten voor de werknemers, voor de verdeling van verfrissende dranken, overeenkomstig het advies van de [1 preventieadviseur-arbeidsarts]1, om het vochtverlies ten gevolge van de arbeidsomstandigheden te compenseren.
  Wanneer de overschrijding van de actiewaarden bedoeld in artikel V.1-3, § 2, tweede lid zowel haar oorsprong vindt in technologische factoren als klimatologische factoren past de werkgever de bepalingen toe van de artikelen V.1-8 tot V.1-10.
  ----------
  (1)<KB 2019-05-14/07, art. 1, 008; Inwerkingtreding : 21-06-2019>

  Art. V.1-12. De werknemers worden tegen de zonnestraling beschermd door om het even welke installatie die zich daarvoor leent of door een aanpassing van de arbeidsorganisatie.
  De werknemers blootgesteld aan rechtstreekse zonnestraling beschikken over CBM of PBM.

  Afdeling 3. - Korte blootstelling aan ernstige overmatige warmte bij interventies

  Art. V.1-13.Bij een korte blootstelling aan een ernstige overmatige warmte bij interventies, worden de maximale blootstellingsduur en de organisatie van het werk vooraf vastgelegd door de [1 preventieadviseur-arbeidsarts]1.
  Deze laatste kan beslissen om tijdens de blootstelling over te gaan tot de monitoring van de fysiologische parameters van de betrokken werknemer, om aldus een overschrijding van de fysiologische limieten te vermijden.
  ----------
  (1)<KB 2019-05-14/07, art. 1, 008; Inwerkingtreding : 21-06-2019>

  HOOFDSTUK VI. - Gezondheidstoezicht

  Art. V.1-14.§ 1. De werknemers worden onderworpen aan een passend gezondheidstoezicht, wanneer zij uit hoofde van hun normale dagtaak regelmatig, om technologische redenen worden blootgesteld aan :
  1° koude, wanneer de temperatuur lager is dan 8 ° C;
  2° warmte, wanneer de actiewaarden bedoeld in artikel V.1-3, § 2, tweede lid worden overschreden.
  Dit gezondheidstoezicht wordt uitgevoerd alvorens de werknemer te werk te stellen en wordt [1 ...]1 herhaald.
  § 2. De werknemers worden onderworpen aan een passend gezondheidstoezicht, wanneer zij gewoonlijk buiten tewerkgesteld worden.
  § 3. Het gezondheidstoezicht bedoeld in dit artikel wordt uitgevoerd overeenkomstig de bepalingen van boek I, titel 4.
  ----------
  (1)<KB 2019-05-14/07, art. 23, 008; Inwerkingtreding : 21-06-2019>

  HOOFDSTUK VII. - Werknemers die behoren tot bijzonder gevoelige risicogroepen

  Art. V.1-15.Om werknemers die behoren tot bijzonder gevoelige risicogroepen te kunnen beschermen tegen de voor hen specifieke risico's, past de werkgever, na advies van de [1 preventieadviseur-arbeidsarts]1, de maatregelen voorzien in de hoofdstukken III tot VI van deze titel aan, aan de vereisten van de werknemers die tot die groepen behoren.
  ----------
  (1)<KB 2019-05-14/07, art. 1, 008; Inwerkingtreding : 21-06-2019>

  HOOFDSTUK VIII. - Voorlichting en opleiding van de werknemers

  Art. V.1-16. De werknemers die aan overmatige koude of warmte worden blootgesteld krijgen voorlichting en een opleiding in overeenstemming met deze risico's, inzonderheid betreffende:
  1° de resultaten van de risicoanalyse, van de evaluaties en van de metingen van de blootstelling in toepassing van hoofdstuk I van deze titel en de letsels die deze blootstelling zou kunnen veroorzaken;
  2° de actiewaarden bedoeld in hoofdstuk II van deze titel;
  3° de maatregelen die in toepassing van deze titel genomen worden om de risico's te wijten aan een blootstelling aan koude of aan warmte te voorkomen of tot een minimum te beperken;
  4° het belang van en de handelswijze voor het opsporen en het signaleren van lichamelijke symptomen te wijten aan overmatige koude of warmte;
  5° het belang van de invloed van individuele eigenschappen op de thermische belasting;
  6° veilige handelingen en professionele praktijken om de blootstelling tot een minimum te beperken;
  7° de omstandigheden waarin de werknemers met toepassing van boek I, titel 4 recht hebben op gezondheidstoezicht.

  TITEL 2. - LAWAAI

  HOOFDSTUK I.-. Toepassingsgebied en definities

  Art. V.2-1. Deze titel is van toepassing op activiteiten waarbij werknemers vanwege hun werk worden of kunnen worden blootgesteld aan risico's verbonden aan lawaai.

  Art. V.2-2. Voor de toepassing van deze titel wordt verstaan onder:
  1° blootstelling: de mate waarin het lawaai op het menselijk lichaam inwerkt;
  2° meting: de meting op zich, de analyse en de berekening van het resultaat.

  Art. V.2-3. Voor de toepassing van deze titel worden volgende fysische grootheden als risico-indicator gebruikt en als volgt gedefinieerd :
  1° piekgeluidsdruk (Ppiek): maximumwaarde van de "C"-frequentiegewogen momentane lawaaidruk;
  2° dagelijkse blootstelling aan lawaai (LEX, 8h) (dB(A) re. 20 µPa): tijdgewogen gemiddelde van de niveaus van blootstelling aan lawaai op een nominale werkdag van acht uur, zoals gedefinieerd in de norm NBN ISO 1999:1992*, punt 3.6. Dit omvat alle op het werk aanwezige geluiden, met inbegrip van impulsgeluiden;
  3° wekelijkse blootstelling aan lawaai (LEX, 8h) : tijdgewogen gemiddelde van de dagelijkse niveaus van blootstelling aan lawaai in een nominale week van vijf werkdagen van acht uur, zoals gedefinieerd in de norm NBN ISO 1999:1992, punt 3.6 (noot 2).

  HOOFDSTUK II. - Grenswaarden en actiewaarden van blootstelling

  Art. V.2-4. Voor de toepassing van deze titel worden de grenswaarden en actiewaarden voor de dagelijkse niveaus van blootstelling aan lawaai en voor de piekgeluidsdruk vastgesteld op :
  1° grenswaarden voor blootstelling: respectievelijk LEX, 8h = 87 dB(A) en Ppiek = 200 Pa, (140 dB(C) in verhouding tot 20 µPa);
  2° bovenste actiewaarden voor blootstelling: respectievelijk LEX, 8h = 85 dB(A) en Ppiek = 140 Pa, (137 dB(C) in verhouding tot 20 µPa);
  3° onderste actiewaarden voor blootstelling: respectievelijk LEX, 8h = 80 dB(A) en Ppiek = 112 Pa, (135 dB(C) in verhouding tot 20 µPa).

  Art. V.2-5. Bij de toepassing van de grenswaarden voor blootstelling wordt ter bepaling van de daadwerkelijke blootstelling van de werknemer rekening gehouden met de dempende werking van door de werknemer gedragen individuele gehoorbeschermers. Bij de toepassing van de actiewaarden voor blootstelling wordt geen rekening gehouden met het effect van gehoorbeschermers.

  HOOFDSTUK III. - Bepaling en beoordeling van de risico's

  Art. V.2-6. In het kader van de risicoanalyse en de op basis daarvan te nemen preventiemaatregelen overeenkomstig de bepalingen van boek I, titel 2, onderzoekt de werkgever of de werknemers tijdens hun werk worden of kunnen worden blootgesteld aan risico's verbonden aan lawaai.
  In geval uit het in het eerste lid bedoelde onderzoek blijkt dat de werknemers tijdens hun werk worden of kunnen worden blootgesteld aan risico's verbonden aan lawaai, beoordeelt en, indien nodig, meet de werkgever het niveau van blootstelling van de werknemers aan dit lawaai.

  Art. V.2-7. De voor de in artikel V.2-6 bedoelde beoordeling en meting gebruikte methoden en apparaten zijn afgestemd op de heersende omstandigheden, in het bijzonder in het licht van de kenmerken van het te meten lawaai, de duur van de blootstelling, omgevingsfactoren en de kenmerken van de meetapparatuur.
  Met de in het eerste lid bedoelde methoden en apparaten moet het mogelijk zijn de in artikel V.2-3 gedefinieerde parameters vast te stellen en te besluiten of in een bepaald geval de in artikel V.2-4 vastgestelde waarden zijn overschreden.
  De in het eerste lid bedoelde methoden mogen onder meer bestaan uit steekproeven die representatief zijn voor de persoonlijke blootstelling van een werknemer.

  Art. V.2-8. Voor de in artikel V.2-6, tweede lid, bedoelde beoordeling en meting, die op deskundige wijze worden gepland en met passende tussenpozen worden uitgevoerd, doet de werkgever een beroep op zijn, naar gelang het geval, interne of externe dienst.
  Indien de nodige deskundigheid voor de in het eerste lid bedoelde beoordeling en meting niet aanwezig is in de interne of externe dienst, doet de werkgever een beroep op een erkend laboratorium waarvan de erkenning betrekking heeft op het meten van lawaai.

  Art. V.2-9. De gegevens die door middel van de beoordeling en/of meting van het niveau van blootstelling aan lawaai zijn verkregen, worden in een passende vorm bewaard, om latere raadpleging mogelijk te maken.

  Art. V.2-10. Voor de beoordeling van de meetresultaten wordt rekening gehouden met de meetonzekerheden vastgesteld volgens de metrologische praktijk.

  Art. V.2-11. In het kader van de risicobeoordeling en de op basis daarvan te nemen preventiemaatregelen overeenkomstig de bepalingen van boek I, titel 2, besteedt de werkgever met name aandacht aan :
  1° het niveau, de aard en de duur van de blootstelling, met inbegrip van eventuele blootstelling aan impulsgeluid;
  2° de in artikel V.2-4 vastgelegde grenswaarden en actiewaarden voor de blootstelling;
  3° de mogelijke gevolgen voor de gezondheid en veiligheid van werknemers die tot bijzonder gevoelige risicogroepen behoren;
  4° voor zover dit technisch uitvoerbaar is, de mogelijke gevolgen voor de veiligheid en de gezondheid van werknemers van de wisselwerking tussen lawaai en werkgerelateerde ototoxische stoffen en tussen lawaai en trillingen;
  5° de mogelijke indirecte gevolgen voor de veiligheid en de gezondheid van werknemers van de wisselwerking tussen lawaai en waarschuwingssignalen of andere geluiden waarop dient te worden gelet teneinde het risico op ongelukken te verkleinen;
  6° de informatie over de lawaai-emissie die door fabrikanten van arbeidsmiddelen overeenkomstig de bepalingen van het koninklijk besluit van 12 augustus 2008 betreffende het op de markt brengen van machines is verstrekt;
  7° het bestaan van alternatieve arbeidsmiddelen die ontworpen zijn om de lawaai-emissie te verminderen;
  8° de voortzetting van de blootstelling aan lawaai buiten normale werktijd onder verantwoordelijkheid van de werkgever;
  9° uit gezondheidstoezicht verkregen relevante informatie, met inbegrip van gepubliceerde informatie, voor zover dat mogelijk is;
  10° de beschikbaarheid van gehoorbeschermers met voldoende dempende werking.

  Art. V.2-12. De werkgever evalueert de risico's overeenkomstig de bepalingen van boek I, titel 2 en vermeldt welke maatregelen ter voorkoming of vermindering van de blootstelling zijn getroffen in toepassing van de artikelen V.2-13 tot V.2-18.
  De risico-evaluatie moet naar behoren gedocumenteerd zijn en moet regelmatig worden bijgewerkt, met name indien ingrijpende veranderingen hebben plaatsgevonden waardoor zij verouderd kan zijn, of wanneer uit de resultaten van het gezondheidstoezicht blijkt dat bijwerking nodig is.

  HOOFDSTUK IV. - Maatregelen ter voorkoming of vermindering van de blootstelling

  Art. V.2-13. De risico's van blootstelling aan lawaai worden weggenomen aan de bron of tot een minimum beperkt, waarbij rekening wordt gehouden met de technische vooruitgang en de beschikbaarheid van maatregelen om het risico aan de bron te beheersen.
  De beperking van deze risico's geschiedt met inachtneming van de in artikel 5, § 1 van de wet vermelde algemene preventiebeginselen, waarbij vooral rekening wordt gehouden met:
  1° alternatieve werkmethoden die leiden tot minder blootstelling aan lawaai;
  2° de keuze van de juiste arbeidsmiddelen, rekening houdend met het te verrichten werk, die zo weinig mogelijk lawaai maken, met inbegrip van de mogelijkheid om de werknemers te laten beschikken over arbeidsmiddelen die voldoen aan de bepalingen van het koninklijk besluit van 12 augustus 2008 betreffende het op de markt brengen van machines, en die een beperking van de blootstelling aan lawaai tot doel of als gevolg hebben;
  3° het ontwerp en de indeling van de werkpost en de arbeidsplaats;
  4° een adequate voorlichting en opleiding om de werknemers te leren hoe arbeidsmiddelen juist te gebruiken teneinde de blootstelling aan lawaai tot een minimum te beperken;
  5° technische maatregelen ter beperking van lawaai:
  a) ingevolge luchtgeluid, inzonderheid door afscherming, omkasting of afdekking met geluidsabsorberend materiaal;
  b) ingevolge constructiegeluid, inzonderheid door demping of isolatie;
  6° passende onderhoudsprogramma's voor de arbeidsmiddelen, de arbeidsplaats en de systemen op de arbeidsplaats;
  7° de organisatie van de werkzaamheden, met het oog op een beperking van het lawaai:
  a) beperking van de duur en intensiteit van de blootstelling;
  b) aangepaste werkschema's en voldoende rustpauzes.

  Art. V.2-14. Wanneer de bovenste actiewaarden, vastgesteld in artikel V.2-4, 2° worden overschreden, gaat de werkgever op basis van de in artikel V.2-6 bedoelde risicobeoordeling over tot de opstelling en uitvoering van een programma van technische en/of organisatorische maatregelen om de blootstelling aan lawaai tot een minimum te beperken, met inachtneming van met name de in artikel V.2-13 genoemde maatregelen.

  Art. V.2-15. Op basis van de in artikel V.2-6 bedoelde risicobeoordeling, worden arbeidsplaatsen waar werknemers kunnen worden blootgesteld aan lawaai dat de bovenste actiewaarden voor blootstelling, bedoeld in artikel V.2-4, 2° overschrijdt, duidelijk aangegeven door middel van passende signaleringen. Deze zones worden ook afgebakend en de toegang ertoe wordt beperkt indien dit technisch uitvoerbaar is en het risico van blootstelling zulks rechtvaardigt.

  Art. V.2-16. In geen geval mag de blootstelling van de werknemer, vastgesteld overeenkomstig de bepalingen van artikel V.2-5, de grenswaarden bedoeld in artikel V.2-4, 1° overschrijden.
  Indien, ondanks de maatregelen die ter uitvoering van deze titel zijn getroffen, toch blootstellingen worden geconstateerd die de desbetreffende grenswaarden overschrijden, worden door de werkgever:
  1° onmiddellijk maatregelen genomen om de blootstelling terug te brengen tot een niveau beneden de grenswaarden voor blootstelling,
  2° de redenen van de overmatige blootstelling vastgesteld en
  3° de beschermings- en preventiemaatregelen aangepast om te voorkomen dat zulks opnieuw gebeurt.

  Art. V.2-17. Wanneer de werknemer, vanwege de aard van het werk, gebruik kan maken van rustlokalen waarvoor de werkgever verantwoordelijk is, wordt het lawaai in deze ruimten teruggebracht tot een niveau dat verenigbaar is met de functie van de ruimten en de omstandigheden waarin zij worden gebruikt.

  Art. V.2-18. Ten einde bijzonder gevoelige risicogroepen te kunnen beschermen tegen voor hen specifieke gevaren stemt de werkgever de maatregelen, bedoeld in de artikelen V.2-13 tot V.2-15 en in artikel V.2-17 af op de behoeften van werknemers die tot die groepen behoren.

  HOOFDSTUK V. - Persoonlijke bescherming

  Art. V.2-19. Indien de risico's die voortvloeien uit blootstelling aan lawaai niet op andere wijze kunnen worden voorkomen, worden passende, naar behoren aangemeten individuele gehoorbeschermers beschikbaar gesteld aan de werknemers, die daarvan op grond van de bepalingen van boek IX, titel 2 en van artikel 6 van de wet en in de hieronder omschreven omstandigheden gebruikmaken:
  1° wanneer de blootstelling aan lawaai de onderste actiewaarden voor blootstelling, bedoeld in artikel V.2-4, 3°, overschrijdt, stelt de werkgever individuele gehoorbeschermers ter beschikking van de werknemers;
  2° wanneer de blootstelling aan lawaai de bovenste actiewaarden voor blootstelling, bedoeld in artikel V.2-4, 2°, evenaart of overschrijdt, worden individuele gehoorbeschermers gebruikt;
  3° de individuele gehoorbeschermers worden zodanig geselecteerd dat het risico op gehoorbeschadiging wordt uitgeband of tot een minimum wordt beperkt.
  De werkgever is verantwoordelijk voor de doeltreffendheid van de in toepassing van dit artikel genomen maatregelen en zorgt ervoor dat de werknemers de gehoorbeschermers dragen.

  HOOFDSTUK VI. - Voorlichting en opleiding van de werknemers

  Art. V.2-20. Onverminderd de artikelen I.2-16 tot I.2-21, draagt de werkgever er zorg voor dat de werknemers die op de arbeidsplaats worden blootgesteld aan lawaai dat gelijk aan of hoger is dan de onderste actiewaarden voor blootstelling, bedoeld in artikel V.2-4, 3°, en het Comité voorlichting en opleiding ontvangen inzake de risico's die voortvloeien uit blootstelling aan lawaai, in het bijzonder betreffende:
  1° de aard van dergelijke risico's;
  2° maatregelen die uit hoofde van deze titel zijn genomen om de risico's in verband met lawaai weg te nemen of tot een minimum te beperken, met inbegrip van de omstandigheden waaronder de maatregelen van toepassing zijn;
  3° de in artikel V.2-4 vastgelegde grenswaarden en actiewaarden voor blootstelling;
  4° de resultaten van de overeenkomstig het artikel V.2-6 verrichte beoordeling en meting van het lawaai en uitleg van de betekenis en de mogelijke risico's ervan;
  5° het juiste gebruik van gehoorbeschermers;
  6° waarom en hoe signalen van gehoorbeschadiging op te sporen en te melden zijn;
  7° de omstandigheden waarin werknemers recht hebben op gezondheidstoezicht en het doel van het gezondheidstoezicht overeenkomstig de artikelen V.2-22 tot V.2-26;
  8° veilige werkmethoden om de blootstelling aan lawaai tot een minimum te beperken.

  HOOFDSTUK VII. - Raadpleging en participatie van de werknemers

  Art. V.2-21. Raadpleging en deelneming van werknemers en/of hun vertegenwoordigers in aangelegenheden bestreken door deze titel vinden plaats overeenkomstig de bepalingen van boek II, titel 7.
  Het Comité wordt geraadpleegd over en neemt deel aan inzonderheid:
  1° de in artikelen V.2-6 tot V.2-12 bedoelde beoordeling van de risico's en vaststelling van genomen maatregelen;
  2° de maatregelen ter voorkoming of vermindering van de risico's van blootstelling, bedoeld in de artikelen V.2-13 tot V.2-15 en in de artikelen V.2-17 en V.2-18;
  3° de in artikel V.2-19, 3° bedoelde keuze van individuele gehoorbeschermers.

  HOOFDSTUK VIII. - Gezondheidstoezicht

  Art. V.2-22. De werknemers die een activiteit met een aan lawaai te wijten risico uitvoeren, waarbij de blootstelling de onderste actiewaarden bedoeld in artikel V.2-4, 3° overschrijdt, worden onderworpen aan een gezondheidstoezicht volgens de bepalingen van boek I, titel 4.

  Art. V.2-23. Voor iedere werknemer die overeenkomstig artikel V.2-22 aan het gezondheidstoezicht onderworpen is, wordt een gezondheidsdossier aangelegd en bijgehouden overeenkomstig de bepalingen van boek I, titel 4.

  Art. V.2-24. Alvorens een werknemer een activiteit, zoals bedoeld in artikel V.2-22, wordt toegewezen, wordt deze laatste onderworpen aan een voorafgaande gezondheidsbeoordeling.
  Deze voorafgaande gezondheidsbeoordeling bestaat uit een controle van het gehoor door middel van een preventief audiometrisch onderzoek dat wordt uitgevoerd volgens de voorschriften van de norm ISO 6189^.

  Art. V.2-25.[1 De betrokken werknemer wordt onderworpen aan een periodieke gezondheidsbeoordeling.
   Er wordt een audiometrisch onderzoek uitgevoerd binnen de 12 maanden die volgen op de eerste beoordeling.]1
  ----------
  (1)<KB 2019-05-14/07, art. 21, 008; Inwerkingtreding : 21-06-2019>

  Art. V.2-26.Wanneer uit de resultaten van de periodieke gezondheidsbeoordeling blijkt dat een werknemer een aantoonbare gehoorbeschadiging heeft:
  1° informeert de [1 preventieadviseur-arbeidsarts]1 de werknemer over de uitslag die hem betreft;
  2° treft de werkgever de volgende maatregelen:
  a) hij herziet de in artikel V.2-6 bedoelde risicoanalyse;
  b) hij herziet de preventiemaatregelen, genomen om de risico's weg te nemen of te verminderen, zoals bedoeld in de artikelen V.2-13 tot V.2-15 en V.2-17 tot V.2-19;
  c) hij houdt rekening met het advies van de [1 preventieadviseur-arbeidsarts]1, van enig andere terzake deskundige preventieadviseur of van de met het toezicht belaste ambtenaar bij het nemen van preventiemaatregelen, genomen om de risico's weg te nemen of te verminderen, zoals bedoeld in de artikelen V.2-13 tot V.2-15 en V.2-17 tot V.2-19, met inbegrip van het geven van ander werk aan de werknemers waarbij geen blootstellingsrisico meer bestaat;
  d) hij zorgt ervoor dat alle werknemers die een gelijkaardige blootstelling hebben ondergaan aan een gezondheidsbeoordeling worden onderworpen.
  ----------
  (1)<KB 2019-05-14/07, art. 1, 008; Inwerkingtreding : 21-06-2019>

  HOOFDSTUK IX. - Afwijkingen

  Art. V.2-27. Wanneer in uitzonderlijke omstandigheden het volledige en correcte gebruik van individuele gehoorbeschermers wegens de aard van het werk tot grotere risico's voor de gezondheid of de veiligheid zou kunnen leiden dan het niet gebruiken van deze beschermers, kan een afwijking van de bepalingen van de artikelen V.2-16 en V.2-19, eerste lid, 1° en 2° worden toegekend.

  Art. V.2-28. Voor de toepassing van de grenswaarden en actiewaarden voor blootstelling ter beoordeling van de lawaainiveaus waaraan de werknemers zijn blootgesteld, kan het dagelijkse niveau van blootstelling aan lawaai vervangen worden door het wekelijkse niveau van blootstelling, op voorwaarde dat:
  1° het activiteiten betreft waarbij de dagelijkse blootstelling aan lawaai per werkdag aanmerkelijk verschilt;
  2° de omstandigheden naar behoren gemotiveerd zijn;
  3° het wekelijkse niveau van blootstelling aan lawaai, zoals dit blijkt uit een adequate controle, niet meer bedraagt dan de grenswaarde voor blootstelling van 87 dB(A) en;
  4° er adequate maatregelen worden genomen om het aan deze activiteiten verbonden risico tot een minimum te beperken.

  Art. V.2-29. De in de artikelen V.2-27 en V.2-28 bedoelde afwijkingen worden verleend door de Minister of door de ambtenaar aan wie hij daartoe delegatie heeft verleend.
  De in het eerste lid bedoelde afwijkingen worden verleend na onderzoek en advies van de met het toezicht belaste ambtenaar.
  Bij gebrek aan advies binnen de twee maanden na de indiening van de aanvraag tot afwijking door de werkgever, wordt het geacht gunstig te zijn.

  Art. V.2-30. De aanvraag tot afwijking wordt schriftelijk gericht aan de algemene directie HUA en gaat vergezeld van het proces-verbaal van de vergadering van het Comité, waarin het advies van de leden van het Comité omtrent deze aanvraag tot afwijking werd ingewonnen en van het advies van de bevoegde interne of externe dienst.
  De aanvraag bevat eveneens de vermelding van de bijzondere omstandigheden en redenen die de werkgever ertoe gebracht hebben deze afwijking aan te vragen en het voorstel van de maatregelen die hij zinnens is te nemen om, rekening houdende met deze omstandigheden, te waarborgen dat de eruit voortvloeiende risico's tot een minimum beperkt worden.

  Art. V.2-31. De toelating tot afwijking bevat:
  1° de voorwaarden die waarborgen dat de eruit voortvloeiende risico's, rekening houdende met bijzondere omstandigheden, tot een minimum beperkt worden;
  2° de verplichting de betrokken werknemers onder verscherpt gezondheidstoezicht te stellen.

  Art. V.2-32. De toelating tot afwijking heeft een geldigheidsduur van vier jaar. Ten laatste een maand voor het verstrijken van de lopende geldigheidsduur wordt opnieuw een aanvraag gedaan. De toelating tot afwijking vervalt bij het verstrijken van de geldigheidsduur indien de aanvraag niet binnen voornoemde termijn wordt gedaan.

  Art. V.2-33. Wanneer tijdens de duurtijd van de afwijking, hetzij de werkgever, hetzij de met het toezicht belaste ambtenaar, vaststelt dat de omstandigheden die de afwijking rechtvaardigden, ophouden te bestaan, stellen zij hiervan de leidend ambtenaar HUA, onverwijld schriftelijk in kennis.
  Nadat, in voorkomend geval, de werkgever werd gehoord, wordt de verleende toelating tot afwijking opgeheven.
  De werkgever wordt in kennis gesteld van de gemotiveerde beslissing tot opheffing van de afwijking.

  TITEL 3. - TRILLINGEN

  HOOFDSTUK I. - Toepassingsgebied en definities

  Art. V.3-1. Deze titel is van toepassing op alle activiteiten waarbij werknemers vanwege hun werk worden of kunnen worden blootgesteld aan risico's verbonden aan mechanische trillingen.

  Art. V.3-2. Voor de toepassing van deze titel wordt verstaan onder:
  1° hand-armtrillingen: mechanische trillingen die, wanneer zij op het hand-armsysteem van de mens worden overgebracht, risico's voor de gezondheid en veiligheid van de werknemers inhouden, met name vaat-, bot- of gewrichts-, zenuw- of spieraandoeningen;
  2° lichaamstrillingen: mechanische trillingen die, wanneer zij op het lichaam in zijn geheel worden overgebracht, risico's voor de gezondheid en veiligheid van de werknemers inhouden, met name aandoeningen van de lage rug en beschadigingen van de wervelkolom;
  3° blootstelling: de mate waarin op het menselijk lichaam mechanische trillingen worden uitgeoefend;
  4° meting: elke meetverrichting met inbegrip van de analyse en de berekening van het resultaat.

  HOOFDSTUK II. - Grenswaarden en actiewaarden voor de blootstelling

  Art. V.3-3. Voor hand-armtrillingen wordt de grenswaarde voor dagelijkse blootstelling, herleid tot een standaardreferentieperiode van acht uur, vastgesteld op 5 m/s2 en wordt de actiewaarde voor dagelijkse blootstelling, herleid tot dezelfde standaardreferentieperiode, vastgesteld op 2,5 m/s2.
  De blootstelling aan hand-armtrillingen wordt beoordeeld of gemeten volgens de bepalingen van deel A, punt 1 van de bijlage V.3-1.

  Art. V.3-4. Voor lichaamstrillingen wordt de grenswaarde voor dagelijkse blootstelling, herleid tot een standaardreferentieperiode van acht uur, vastgesteld op 1,15 m/s2 en wordt de actiewaarde voor dagelijkse blootstelling, herleid tot dezelfde standaardreferentieperiode, vastgesteld op 0,5 m/ s2.
  De blootstelling aan lichaamstrillingen wordt beoordeeld of gemeten volgens de bepalingen van deel B, punt 1 van de bijlage V.3-1.

  HOOFDSTUK III. - Bepaling en beoordeling van de risico's

  Art. V.3-5. Bij de toepassing van de verplichtingen bedoeld in boek I, titel 2 en inzonderheid van de artikelen I.2-6 en I.2-7, gaat de werkgever eerst na of zich mechanische trillingen tijdens het werk voordoen of kunnen voordoen.
  Is dat het geval, dan beoordeelt en, indien nodig, meet de werkgever de blootstelling van de werknemers aan deze mechanische trillingen. De meting vindt plaats overeenkomstig punt 2 van deel A, respectievelijk deel B, van de bijlage V.3-1.
  In geval van betwisting van de meetresultaten door het Comité, worden deze metingen toevertrouwd aan een erkend laboratorium.

  Art. V.3-6. Het niveau van blootstelling aan mechanische trillingen kan worden beoordeeld door middel van observatie van specifieke werkmethoden en door gebruikmaking van passende informatie over het waarschijnlijke trillingsniveau van het materieel of de soorten materieel in bijzondere gebruiksomstandigheden, met inbegrip van dergelijke informatie die door de fabrikant van het materieel wordt verstrekt. Deze procedure is verschillend van een meting, waarvoor specifieke apparaten en passende methoden nodig zijn.
  Indien de verzamelde gegevens niet volstaan om te kunnen vaststellen dat de grenswaarden worden nageleefd, worden zij aangevuld met metingen zoals bedoeld in het artikel V.3-5, tweede en derde lid.
  Op verzoek van de bevoegde preventieadviseur of van de werknemersvertegenwoordigers in het Comité, laat de werkgever in elk geval metingen uitvoeren zoals bedoeld in het artikel V.3-5, tweede en derde lid.

  Art. V.3-7. De in artikel V.3-6 bedoelde beoordeling en meting worden op deskundige wijze gepland en met passende tussenpozen uitgevoerd. Zij maken deel uit van het dynamisch risicobeheersingssysteem, bedoeld in het artikel I.2-2.
  Indien de werkgever voor deze beoordelingen en metingen zelf de nodige deskundigheid niet bezit, doet hij, met toepassing van artikel II.1-13, vierde lid, een beroep op een terzake deskundige preventieadviseur van een externe dienst of op een erkend laboratorium waarvan de erkenning betrekking heeft op het meten van mechanische trillingen.

  Art. V.3-8. De gegevens die door middel van de beoordeling en/of meting van het niveau van blootstelling aan mechanische trillingen zijn verkregen, worden in een passende vorm bewaard zodat zij later kunnen worden geraadpleegd.

  Art. V.3-9. Bij de toepassing van de verplichtingen bedoeld in boek I, titel 2 en inzonderheid van de artikelen I.2-6 en I.2-7, besteedt de werkgever bij de risicobeoordeling met name aandacht aan :
  1° het niveau, de aard en de duur van de blootstelling, met inbegrip van eventuele blootstelling aan periodieke trillingen of herhaalde schokken;
  2° de in artikelen V.3-3 en V.3-4 vastgelegde grenswaarden en actiewaarden voor de blootstelling;
  3° mogelijke gevolgen voor de gezondheid en veiligheid van werknemers met een verhoogd risico;
  4° mogelijke indirecte gevolgen voor de veiligheid van werknemers die worden veroorzaakt door de wisselwerking tussen mechanische trillingen en de arbeidsplaats, of andere arbeidsmiddelen;
  5° de informatie die door fabrikanten van arbeidsmiddelen is verstrekt overeenkomstig de bepalingen van het koninklijk besluit van 12 augustus 2008 betreffende het op de markt brengen van machines;
  6° het bestaan van vervangende uitrusting die ontworpen is om de niveaus van blootstelling aan mechanische trillingen te verminderen;
  7° voortzetting van de blootstelling aan lichaamstrillingen buiten normale werktijd onder verantwoordelijkheid van de werkgever;
  8° bijzondere arbeidsomstandigheden, zoals het werken bij lage temperaturen;
  9° door het gezondheidstoezicht verkregen relevante informatie, met inbegrip van gepubliceerde informatie, voor zover dat mogelijk is.

  Art. V.3-10. De werkgever is in het bezit van een globaal preventieplan, zoals bepaald in artikel I.2-8, § 1, tweede lid, 1° en 2° en vermeldt hierin bovendien welke preventiemaatregelen zijn getroffen met toepassing van de artikelen V.3-11 tot V.3-15.
  De risicobeoordeling is naar behoren gedocumenteerd. Indien een verdere uitvoerige risicobeoordeling niet wordt uitgevoerd, geeft de werkgever hiervoor een schriftelijke verantwoording, waarin hij aantoont dat de aard en de omvang van de met mechanische trillingen verbonden risico's dit overbodig maken.
  De risicobeoordeling wordt bijgewerkt, met name indien ingrijpende veranderingen hebben plaatsgevonden waardoor zij verouderd kan zijn, of wanneer uit de resultaten van het gezondheidstoezicht blijkt dat bijwerking nodig is.

  HOOFDSTUK IV. - Maatregelen ter voorkoming of vermindering van de blootstelling

  Art. V.3-11. De risico's van blootstelling aan mechanische trillingen worden weggenomen aan de bron of tot een minimum verkleind, waarbij rekening wordt gehouden met de technische vooruitgang en de beschikbaarheid van maatregelen om het risico aan de bron te beheersen.
  De verkleining van deze risico's geschiedt met inachtneming van de algemene preventieprincipes vermeld in artikel 5, § 1 van de wet.

  Art. V.3-12. Wanneer de in artikel V.3-3 en V.3-4 vastgestelde actiewaarden van dagelijkse blootstelling worden overschreden, gaat de werkgever op basis van de in hoofdstuk III van deze titel bedoelde risicobeoordeling over tot de opstelling en uitvoering van een programma van technische en/of organisatorische maatregelen om de blootstelling aan mechanische trillingen en de daarmee gepaard gaande risico's tot een minimum te beperken, met inachtneming van met name:
  1° alternatieve werkmethoden die de noodzaak van blootstelling aan mechanische trillingen verminderen;
  2° de keuze van de juiste arbeidsmiddelen, ergonomisch goed ontworpen en zo weinig mogelijk trillingen veroorzakend, rekening houdend met het te verrichten werk;
  3° de verstrekking van hulpmiddelen om het risico van gezondheidsschade ten gevolge van trillingen te voorkomen, bijvoorbeeld stoelen die lichaamstrillingen doeltreffend afzwakken en handvatten die de trilling die op het hand-armsysteem wordt overgebracht, dempen;
  4° passende onderhoudsprogramma's voor de arbeidsmiddelen, de arbeidsplaats en de systemen op de arbeidsplaats;
  5° het ontwerp en de indeling van de arbeidsplaatsen en de werkposten;
  6° een adequate voorlichting en opleiding van de werknemers, opdat zij de arbeidsmiddelen veilig en juist gebruiken, zodanig dat de blootstelling aan mechanische trillingen zo gering mogelijk is;
  7° beperking van de duur en intensiteit van de blootstelling;
  8° passende werkschema's met voldoende rustpauzes;
  9° het verschaffen van kleding die de blootgestelde werknemers beschermt tegen koude en vocht.

  Art. V.3-13. Werknemers mogen in geen geval worden blootgesteld aan trillingen boven de grenswaarden voor blootstelling, bepaald in de artikelen V.3-3 en V.3-4.
  Indien de grenswaarde voor blootstelling ondanks de maatregelen die de werkgever uit hoofde van deze titel heeft genomen, is overschreden, neemt de werkgever onmiddellijk maatregelen om de blootstelling terug te brengen tot onder de grenswaarde voor blootstelling. Hij gaat na waarom de grenswaarde voor blootstelling is overschreden en past de beschermings- en preventiemaatregelen dienovereenkomstig aan om te voorkomen dat zulks opnieuw gebeurt.

  Art. V.3-14. Ten einde bijzonder kwetsbare risicogroepen te kunnen beschermen tegen voor hen specifieke gevaren stemt de werkgever de in de artikelen V.3-11 tot V.3-13 bedoelde maatregelen af op de behoeften van werknemers die tot die groepen behoren.

  HOOFDSTUK V. - Voorlichting en opleiding van de werknemers

  Art. V.3-15. Onverminderd de artikelen I.2-16 tot I.2-21, draagt de werkgever er zorg voor dat de werknemers die aan risico's in verband met mechanische trillingen op het werk worden blootgesteld en het Comité voorlichting en opleiding ontvangen met betrekking tot het resultaat van de in artikel V.3-5 bedoelde risicobeoordeling, die met name betrekking heeft op:
  1° maatregelen die met toepassing van deze titel zijn genomen om de risico's veroorzaakt door mechanische trillingen weg te nemen of tot een minimum te beperken;
  2° de grenswaarden en actiewaarden voor blootstelling;
  3° de resultaten van de overeenkomstig hoofdstuk III van deze titel verrichte beoordelingen en metingen van mechanische trillingen en de gezondheidsschade die de gebruikte arbeidsmiddelen kunnen veroorzaken;
  4° het nut van en de methode voor het opsporen en melden van symptomen van gezondheidsschade;
  5° de omstandigheden waarin werknemers met toepassing van boek I, titel 4 hetzij recht hebben op gezondheidstoezicht, hetzij er verplicht worden aan onderworpen;
  6° veilige werkmethoden om de blootstelling aan mechanische trillingen tot een minimum te beperken.

  HOOFDSTUK VI. - Raadpleging en participatie van de werknemers

  Art. V.3-16. Raadpleging en deelneming van werknemers en/of hun vertegenwoordigers in aangelegenheden bestreken door deze titel vinden plaats overeenkomstig de bepalingen van boek II, titel 7.

  HOOFDSTUK VII. - Gezondheidstoezicht

  Art. V.3-17. Het gezondheidstoezicht, waarvan de resultaten in aanmerking worden genomen voor de toepassing van preventieve maatregelen op de betrokken arbeidsplaats, beoogt de preventie en vroegtijdige diagnose van iedere aandoening die het gevolg is van blootstelling aan mechanische trillingen.

  Art. V.3-18. De werknemers die blootgesteld worden aan mechanische trillingen worden onderworpen aan een passend gezondheidstoezicht, tenzij uit de resultaten van de risicobeoordeling blijkt dat zij geen gezondheidsrisico lopen.

  Art. V.3-19. Dit gezondheidstoezicht is passend wanneer :
  1° de blootstelling van de werknemer aan trillingen van dien aard is dat een verband kan worden gelegd tussen die blootstelling en een aantoonbare ziekte of schadelijke gevolgen voor de gezondheid;
  2° het waarschijnlijk is dat de ziekte of de gevolgen zich in de specifieke werkomstandigheden van de werknemer zullen voordoen;
  3° beproefde technieken bestaan om de ziekte of de schadelijke gevolgen voor de gezondheid op te sporen.

  Art. V.3-20. Dit passend gezondheidstoezicht wordt uitgevoerd volgens de bepalingen van boek I, titel 4.

  Art. V.3-21. Werknemers die worden blootgesteld aan mechanische trillingen die de in artikelen V.3-3 en V.3-4 genoemde actiewaarden voor dagelijkse blootstelling overschrijden, worden in ieder geval onderworpen aan een passend gezondheidstoezicht.

  Art. V.3-22. Voor iedere werknemer die overeenkomstig artikel V.3-18 aan het gezondheidstoezicht onderworpen is, wordt een gezondheidsdossier aangelegd en bijgehouden overeenkomstig de bepalingen van boek I, titel 4.

  Art. V.3-23.Wanneer uit het gezondheidstoezicht blijkt dat de blootstelling van de werknemer aan mechanische trillingen van die aard is, dat een verband kan worden gelegd tussen die blootstelling en een aantoonbare ziekte of schadelijke gevolgen voor de gezondheid:
  1° wordt de werknemer door de [1 preventieadviseur-arbeidsarts]1 op de hoogte gesteld van de uitslag die op hem persoonlijk betrekking heeft en krijgt hij informatie en advies over het gezondheidstoezicht dat hij na beëindiging van de blootstelling kan ondergaan;
  2° wordt de werkgever op de hoogte gesteld van door het gezondheidstoezicht vastgestelde feiten van betekenis, waarbij het medisch geheim in acht wordt genomen;
  3° treft de werkgever de volgende maatregelen:
  a) hij herziet de risicobeoordeling die overeenkomstig hoofdstuk III van deze titel is uitgevoerd;
  b) hij herziet de maatregelen die overeenkomstig hoofdstuk IV van deze titel zijn genomen om de risico's weg te nemen of te verkleinen;
  c) hij houdt rekening met het advies van de [1 preventieadviseur-arbeidsarts]1, van enig andere terzake deskundige preventieadviseur of van de met het toezicht belaste ambtenaar bij het nemen van maatregelen die nodig zijn om het risico op te heffen of te verkleinen in overeenstemming met hoofdstuk IV van deze titel, met inbegrip van het geven van ander werk aan de werknemers waarbij geen blootstellingsrisico meer bestaat;
  d) hij zorgt voor permanent gezondheidstoezicht en treft maatregelen voor een heronderzoek van de gezondheidstoestand van elke andere werknemer die op soortgelijke wijze is blootgesteld. In dergelijke gevallen kunnen de [1 preventieadviseur-arbeidsarts]1, dan wel de met het toezicht belaste ambtenaar adviseren de blootgestelde personen aan een gezondheidstoezicht te onderwerpen.
  ----------
  (1)<KB 2019-05-14/07, art. 1, 008; Inwerkingtreding : 21-06-2019>

  HOOFDSTUK VIII. - Afwijkingen

  Art. V.3-24. Met inachtneming van de algemene beginselen van bescherming van de veiligheid en gezondheid van werknemers, mogen de werkgevers, voor de sectoren zeevaart en luchtvaart, in naar behoren gerechtvaardigde omstandigheden afwijken van de toepassing van de verplichtingen, gesteld in het artikel V.3-13, wat lichaamstrillingen betreft, wanneer het gezien de stand van de techniek en de specifieke kenmerken van de arbeidsplaats ondanks de uitvoering van technische en/of organisatorische maatregelen niet mogelijk is de grenswaarde voor blootstelling in acht te nemen.

  Art. V.3-25. Indien de blootstelling van een werknemer aan mechanische trillingen gewoonlijk onder de in de artikelen V.3-3 en V.3-4 bepaalde actiewaarden voor dagelijkse blootstelling blijft, maar naar gelang van het tijdstip aanzienlijk verschilt en incidenteel de grenswaarde voor blootstelling kan overschrijden, is de toepassing van de in artikel V.3-13 bedoelde verplichtingen niet verplicht indien de gemiddelde blootstelling over een periode van 40 uur onder de grenswaarde voor blootstelling blijft en indien de werkgever het bewijs levert dat de risico's van het blootstellingspatroon geringer zijn dan de risico's van blootstelling aan de grenswaarde voor blootstelling.

  Art. V.3-26. De in de artikelen V.3-24 en V.3-25 bedoelde afwijkingen van de verplichtingen bedoeld in het artikel V.3-13 worden verleend door de Minister of door de ambtenaar aan wie hij daartoe delegatie heeft verleend.
  De in het eerste lid bedoelde afwijkingen worden verleend na onderzoek en advies van de met het toezicht belaste ambtenaar.
  Bij gebrek aan advies binnen de twee maanden na de indiening van de aanvraag tot afwijking door de werkgever, wordt het geacht gunstig te zijn.

  Art. V.3-27. De aanvraag tot afwijking wordt schriftelijk gericht aan de algemene directie HUA en gaat vergezeld van het proces-verbaal van de vergadering van het Comité, waarin het advies van de leden van het Comité omtrent deze aanvraag tot afwijking werd ingewonnen en van het advies van de bevoegde interne of externe dienst.
  De aanvraag bevat eveneens de vermelding van de bijzondere omstandigheden en redenen die de werkgever ertoe gebracht hebben deze afwijking aan te vragen en het voorstel van de maatregelen die hij zinnens is te nemen om, rekening houdende met deze omstandigheden, te waarborgen dat de eruit voortvloeiende risico's tot een minimum beperkt worden.

  Art. V.3-28. De toelating tot afwijking bevat naast de voorwaarden om, rekening houdend met bijzondere omstandigheden, te waarborgen dat de eruit voortvloeiende risico's tot een minimum beperkt worden, de verplichting de betrokken werknemers onder verscherpt gezondheidstoezicht te stellen.

  Art. V.3-29. De toegekende afwijkingen hebben een geldigheidsduur van vier jaar. Minstens een maand voor het verstrijken van de lopende geldigheidsduur wordt opnieuw een aanvraag gedaan, op straffe van het verval van de afwijking op datum van verstrijking van de lopende geldigheidsduur.

  Art. V.3-30. Wanneer tijdens de duurtijd van de afwijking, hetzij de werkgever, hetzij de met het toezicht belaste ambtenaar, vaststelt dat de omstandigheden die de afwijking rechtvaardigden, ophouden te bestaan, stellen zij hiervan de leidend ambtenaar HUA, onverwijld schriftelijk in kennis.
  Nadat, in voorkomend geval, de werkgever werd gehoord, wordt de verleende toelating tot afwijking opgeheven.
  De werkgever wordt in kennis gesteld van de gemotiveerde beslissing tot opheffing van de afwijking.

  TITEL 4. - WERKZAAMHEDEN IN EEN HYPERBARE OMGEVING

  HOOFDSTUK I. - Toepassingsgebied en definities

  Art. V.4-1. Deze titel is van toepassing op de activiteiten waarbij werknemers bij duikwerkzaamheden of werkzaamheden in persluchtcaissons, aan een hyperbare omgeving worden blootgesteld.
  Van het toepassingsgebied worden uitgesloten:
  1° duikwerkzaamheden uitgevoerd zonder ademhalingsapparatuur;
  2° duikwerkzaamheden waarbij de werknemers gebruik maken van drukbestendige duikerklokken of duikpakken of beschikken over drukbestendige kleding en niet worden blootgesteld aan een druk die groter is dan of gelijk is aan de atmosferische druk verhoogd met ten minste 100 hectopascal.

  Art. V.4-2. Voor de toepassing van deze titel wordt verstaan onder:
  1° koninklijk besluit van 25 januari 2001: het koninklijk besluit van 25 januari 2001 betreffende de tijdelijke of mobiele bouwplaatsen;
  2° hyperbare omgeving: omgeving waarin de werknemers worden onderworpen aan een druk die groter is dan of gelijk is aan de plaatselijke atmosferische druk verhoogd met ten minste 100 hectopascal;
  3° duikwerkzaamheden: werkzaamheden die in een hyperbare omgeving door werknemers uitgerust met ademhalingsapparatuur onder een oppervlakte in een vloeistof worden uitgevoerd;
  4° werkzaamheden in persluchtcaissons: werkzaamheden die verricht worden in horizontale, en verticale hyperbare caissons en die een tijdelijke of mobiele bouwplaats vormen zoals bepaald in artikel 2, § 1 van het koninklijk besluit van 25 januari 2001;
   5° recompressiekamer: ruimte die bestand is tegen binnendruk en bestemd is om de werknemers onder hyperbare druk te brengen en te behouden;
  6° reddingswerkzaamheden: alle duikwerkzaamheden die door werknemers van brandweer of civiele bescherming in het kader van hun wettelijke opdrachten worden uitgevoerd ongeacht of ze de redding van personen in nood tot doel hebben dan wel of ze betrekking hebben op oefeningen.

  HOOFDSTUK II. - Werkzaamheden in hyperbare omgeving

  Afdeling 1. - Algemene verplichtingen van de werkgever

  Art. V.4-3. Overeenkomstig de bepalingen van de artikelen I.2-6 en I.2-7, voert de werkgever een risicoanalyse uit voor elke werkzaamheid in hyperbare omgeving teneinde elk risico voor het welzijn van de werknemers te evalueren en de preventiemaatregelen te bepalen die moeten worden genomen.

  Art. V.4-4.De werkgever voert de risicoanalyse uit in samenwerking met de bevoegde preventieadviseur van de interne dienst en de betrokken [1 preventieadviseur-arbeidsarts]1 en houdt daarbij bovendien rekening met alle bestaande gegevens betreffende inzonderheid :
  1° de aard van de werkzaamheden;
  2° de aard van de gebruikte arbeidsmiddelen;
  3° de gebruikte ademhalingsgasmengsels;
  4° de gebruikte luchtdrukken;
  5° de zwaarte en de duur van de werkzaamheden;
  6° de PBM;
  7° in voorkomend geval, de vroegere ongevallen of incidenten.
  ----------
  (1)<KB 2019-05-14/07, art. 1, 008; Inwerkingtreding : 21-06-2019>

  Art. V.4-5. De werkgever bepaalt welke preventiemaatregelen moeten worden getroffen.
  Hiertoe :
  1° zorgt hij ervoor dat er voor werkzaamheden in hyperbare omgeving specifieke procedures worden opgesteld en toegepast zowel wanneer deze werkzaamheden gebeuren in normale omstandigheden als bij ongeval of incident;
  2° stelt hij arbeidsmiddelen ter beschikking van de werknemers die geen risico inhouden voor de werknemers die ze gebruiken;
  3° stelt hij PBM ter beschikking van de werknemers overeenkomstig de bepalingen van boek IX, titel 2;
  4° ziet hij er op toe dat voor elke werkzaamheid in een hyperbare omgeving de gebruikte ademhalingsgassen beantwoorden aan de eisen van de in bijlage V.4-1 bedoelde bijzondere kwaliteitsnormen. Die normen worden onderworpen aan een permanente controle.

  Art. V.4-6. De in artikel V.4-5, 1° bedoelde procedures hebben, inzonderheid, betrekking op :
  1° de inrichting van de gebruikte werfinstallaties en van de arbeidsplaatsen waar de werkzaamheden worden uitgevoerd;
  2° de samenstelling van de werk- of duikploegen;
  3° de veiligheidssystemen en -regels;
  4° de toezichtsmiddelen;
  5° de communicatie- en signaleringssystemen;
  6° het alarmsysteem;
  7° in voorkomend geval, het onderhoud van de duikuitrusting;
  8° het gebruik en de beschikbaarheid van ademhalingsgassen;
  9° de installatie van een decompressiekamer, de toegang tot die kamer en het gebruik ervan onder voorwaarden die verenigbaar zijn met de eisen inzake eerste hulp;
  10° het verblijf in recompressiekamers en het gebruik van decompressietabellen;
  11° de eerste hulp.
  De procedures worden in voorkomend geval aangepast aan de resultaten van de risicoanalyse die is gemaakt van de te uit te voeren werken.
  Zij worden bijgestuurd wanneer hun toepassing tot een slechte werking leidt die incidenten of ongevallen veroorzaakt.

  Art. V.4-7. Deze procedures worden opgenomen in een basishandleiding voor veiligheid en gezondheid die ter beschikking wordt gesteld van de werknemers tewerkgesteld aan werkzaamheden in een hyperbare omgeving.

  Art. V.4-8. De elementen die hebben bijgedragen tot de risicoanalyse, de resultaten van de risicoanalyse en de te nemen maatregelen worden vermeld in een document dat bij het globaal preventieplan wordt gevoegd. Dit document wordt ter advies aan het Comité voorgelegd en wordt ter beschikking gehouden van de met het toezicht belaste ambtenaren.

  Afdeling 2. - Specifieke verplichtingen van de werkgever

  Art. V.4-9. Onverminderd de algemene verplichtingen bepaald in afdeling 1:
  1° bezorgt de werkgever een werkboekje aan elke werknemer die een werkzaamheid in hyperbare omgeving moet uitvoeren;
  2° houdt de werkgever voor elke werkzaamheid in een hyperbare omgeving een register voor werkzaamheden in een hyperbare omgeving bij.

  Art. V.4-10.Het werkboekje is individueel en onoverdraagbaar.
  Het wordt door de werkgever bijgehouden en bevat de volgende inlichtingen:
  1° de identificatie van de werkgever en van de betrokken werknemer;
  2° de vorming bedoeld in artikel V.4-13;
  3° de datum van de laatste [1 ...]1 periodieke gezondheidsbeoordeling en van de beslissing waarbij de arbeidsgeschiktheid werd vastgesteld;
  4° de naam van de betrokken [2 preventieadviseur-arbeidsarts]2.
  ----------
  (1)<KB 2019-05-14/07, art. 19, 008; Inwerkingtreding : 21-06-2019>
  (2)<KB 2019-05-14/07, art. 1, 008; Inwerkingtreding : 21-06-2019>

  Art. V.4-11. Na elke werkzaamheid die werd uitgevoerd in een hyperbare omgeving vermeldt de werkgever in het werkboekje van elke betrokken werknemer de volgende inlichtingen:
  1° de datum en plaats van de werkzaamheden;
  2° de maximale druk tijdens de werkzaamheden;
  3° de duur van het verblijf in de decompressiekamer;
  4° de naam van de verantwoordelijke van de werkzaamheden.
  Het werkboekje wordt door de werkgever of door de verantwoordelijke van de werkzaamheden die hij heeft aangeduid ondertekend.

  Art. V.4-12. Het register van werkzaamheden in hyperbare omgeving moet steeds op de werf blijven en ter beschikking worden gehouden van de werknemers en van de met het toezicht belaste ambtenaren.
  Het bevat de volgende inlichtingen :
  1° de identificatie van de werkgever en van de opdrachtgever;
  2° de datum, duur en plaats van de werkzaamheden;
  3° in voorkomend geval, de inhoud van het in artikel V.4-28 bedoelde werkplan;
  4° de aard van de werkzaamheden en gebruikte arbeidsmiddelen;
  5° de naam en de functie van al de werknemers die ter plaatse bij de werkzaamheden betrokken zijn;
  6° de samenstelling van de ademhalingsgassen;
  7° de druk bij blootstelling;
  8° het adres van het ziekenhuis of van de instelling waar de eerste hulp kan worden verstrekt;
  9° elk ongeval of incident bij de uitvoering van de werkzaamheden;
  10° het adres van de dichtstbijzijnde decompressiekamer.
  In geval van reddingswerkzaamheden bevat het register van werkzaamheden in hyperbare omgeving de inlichtingen, bedoeld in het tweede lid, 2°, en 4° tot 10°. Het wordt bijgehouden op de zetel van het korps van de plaats waar de reddingswerkzaamheden worden uitgevoerd.
  Het register van werkzaamheden in een hyperbare omgeving wordt door de werkgever gedurende een periode van 20 jaar bewaard.

  Afdeling 3. - Vorming van de werknemers

  Art. V.4-13. De werkgever zorgt ervoor dat de werknemers die zullen worden tewerkgesteld aan werkzaamheden in een hyperbare omgeving een specifieke vorming ontvangen waardoor zij in staat zijn om die werkzaamheden uit te voeren met een minimum aan risico.
  Deze vorming houdt rekening met de vereiste technische kennis om werkzaamheden in een hyperbare omgeving uit te voeren en houdt rekening met de procedures bedoeld in artikel V.4-6.
  Zij wordt gegeven voordat de werknemers aan deze werkzaamheden worden tewerkgesteld.
  Bovendien verstrekt de werkgever aan de werknemers passende instructies betreffende de procedures bedoeld in artikel V.4-6 evenals de basishandleiding voor veiligheid en gezondheid bedoeld in artikel V.4-7.

  Afdeling 4. - Gezondheidstoezicht

  Art. V.4-14. Onverminderd de toepassing van de bepalingen van boek I, titel 4, neemt de werkgever de maatregelen bedoeld bij deze afdeling om te voorzien in het passende gezondheidstoezicht voor de werknemers die werkzaamheden in een hyperbare omgeving moeten verrichten.
  Het gezondheidstoezicht omvat inzonderheid :
  1° de voorafgaande gezondheidsbeoordeling;
  2° de periodieke gezondheidsbeoordelingen en;
  3° bij voorkomend geval, de onderzoeken bij werkhervatting.

  Art. V.4-15. Vooraleer een werknemer effectief te werk te stellen aan werkzaamheden in een hyperbare omgeving, moet hij over een beoordeling van zijn gezondheidstoestand beschikken.
  Die beoordeling omvat het gepersonaliseerd geneeskundig onderzoek bedoeld bij artikel I.4-27, § 1 en de gerichte onderzoeken bedoeld in artikel V.4-16, tweede en derde lid.

  Art. V.4-16.De betrokken werknemer wordt onderworpen aan een [1 ...]1 periodieke gezondheidsbeoordeling.
  Die beoordeling bestaat in een algemeen klinisch onderzoek dat, naar gelang van het geval wordt aangevuld met gerichte onderzoeken met het oog op de vroegtijdige opsporing van aandoeningen die het gevolg zijn van blootstelling in een hyperbare omgeving.
  Die gerichte onderzoeken omvatten :
  1° een onderzoek van de ademhalingsorganen en van de longfunctie;
  2° een onderzoek van de keel-, neus- en oorholten met daarbij in het bijzonder een audiometrie;
  3° een bloedonderzoek;
  4° een radiologisch onderzoek van de bovenste en onderste ledematen. Dit onderzoek wordt om de vijf jaar herhaald wanneer de gezondheidstoestand van de werknemer en zijn medische antecedenten dit rechtvaardigen.
  ----------
  (1)<KB 2019-05-14/07, art. 19, 008; Inwerkingtreding : 21-06-2019>

  Art.V.4-17 .Zodra de [2 preventieadviseur-arbeidsarts]2 de [1 ...]1 periodieke gezondheidsbeoordeling heeft verricht, stelt hij aan de werkgever de gepaste individuele en collectieve preventiemaatregelen voor die ten aanzien van elke werknemer moeten worden genomen.
  De individuele maatregelen kunnen, in voorkomend geval, bestaan in een verbod voor de betrokken werknemer om werkzaamheden in een hyperbare omgeving uit te voeren. Zij worden genomen overeenkomstig de bepalingen van boek I, titel 4, hoofdstuk V.
  ----------
  (1)<KB 2019-05-14/07, art. 19, 008; Inwerkingtreding : 21-06-2019>
  (2)<KB 2019-05-14/07, art. 1, 008; Inwerkingtreding : 21-06-2019>

  Afdeling 5. - Werkhervatting

  Art. V.4-18.De werknemer die halfzwaar of zwaar werk heeft verricht, zoals bepaald in artikel V.1-1, § 1, eerste lid, 5°, onder een relatieve overdruk van meer dan 1.200 hectopascal mag enkel met de toestemming van de [1 preventieadviseur-arbeidsarts]1 binnen een termijn van 12 uur na de uitschutting opnieuw in een hyperbare omgeving worden toegelaten of met zwaar of halfzwaar werk worden belast.
  ----------
  (1)<KB 2019-05-14/07, art. 1, 008; Inwerkingtreding : 21-06-2019>

  Art. V.4-19. De werkgever moet elke werknemer die geregeld onder een volstrekte overdruk van meer dan 1.200 hectopascal werkt, wekelijks een ononderbroken rustperiode van 48 uur toekennen.

  Afdeling 6.
  <Opgeheven bij KB 2018-02-07/05, art. 2, 003; Inwerkingtreding : 08-03-2018>

  Art. V.4-20.
  <Opgeheven bij KB 2018-02-07/05, art. 2, 003; Inwerkingtreding : 08-03-2018>

  HOOFDSTUK III. - Bepalingen betreffende de duikwerkzaamheden

  Afdeling 1. - Toepassingsgebied en definities

  Art. V.4-21. Voor de toepassing van dit hoofdstuk wordt verstaan onder:
  1° duiker: elke werknemer die is uitgerust met ademhalingsapparatuur en onder een oppervlakte in een vloeistof duikwerkzaamheden verricht;
  2° veiligheidsduiker: elke werknemer die niet direct deelneemt aan de duikwerkzaamheden maar die aan de oppervlakte paraat is om een duiker onder water ter hulp te komen op bevel van de chef van de duikwerkzaamheden;
  3° chef van de duikwerkzaamheden: elke werknemer die over minimum drie jaar ervaring beschikt als duiker, die aan de oppervlakte blijft en belast is met het toezicht op de veiligheid van de duikers die duikwerkzaamheden verrichten, ongeacht of hij op het ogenblik van de aanduiding als chef van de duikwerkzaamheden nog zelf duikwerkzaamheden verricht;
  4° oppervlakteassistent: elke werknemer, al dan niet duiker, die aan de oppervlakte assistentie verleent aan de chef van de duikwerkzaamheid.

  Art. V.4-22. Onverminderd het resultaat van de procedures bedoeld in artikel V.4-5, 1°, zal de minimale samenstelling van de duikploeg bestaan uit:
  1° een duiker;
  2° een veiligheidsduiker;
  3° een chef van de duikwerkzaamheden die eveneens de taak van oppervlakteassistent op zich neemt.
  Bij reddingswerkzaamheden mag de functie van chef van de duikwerkzaamheden ook uitgeoefend worden door een werknemer, al dan niet duiker, die reeds minimum drie jaar actief betrokken is bij de uitoefening van reddingswerkzaamheden.

  Afdeling 2. - Specifieke verplichtingen van de werkgever

  Art. V.4-23. De werkgever vermeldt de volgende aanvullende inlichtingen in het bij artikel V.4-12 bedoelde register voor werkzaamheden in een hyperbare omgeving:
  1° het gevolgde duikprofiel: de diepte, de duur, de duikinterval;
  2° de druk van de duik, de decompressieprocedure en het eventueel gebruik van zuivere zuurstof tijdens de decompressiefase;
  3° het type van de gebruikte duikuitrusting.

  Afdeling 3. - Voorwaarden om de activiteit van duiker uit te oefenen

  Art. V.4-24. § 1. Enkel de duikers die beschikken over het getuigschrift van beroepsbekwaamheid en een geschiktheidattest mogen duikwerkzaamheden uitvoeren.
  § 2. Met het oog op het behalen van het getuigschrift van beroepsbekwaamheid volgen de duikers een passende beroepsopleiding.
  Deze beroepsopleiding heeft tot doel ervoor te zorgen dat de duikers de noodzakelijke knowhow verwerven voor de uitoefening zonder risico's voor de gezondheid en de veiligheid van duikwerkzaamheden met lucht en met overmatige zuurstofmengsels met behulp van ademhalingsapparatuur met open omloop.
  Ze heeft ten minste betrekking op de volgende materies:
  1° de natuurkundige wetten die het duiken beheersen;
  2° gassen en ademhalingsmengsels (lucht, nitrox, O);
  3° gebruik van duiktafels;
  4° risico's te wijten aan de voornaamste onderzeese arbeidsmiddelen;
  5° kennis en behandeling van decompressieongevallen en duikongevallen.
  Deze opleiding wordt georganiseerd door een Belgische instelling die hiervoor erkend is volgens de gebruiken eigen aan de sector of door een buitenlandse instelling die hiervoor is erkend volgens de wetgeving van het land waar de instelling gevestigd is. Zij zijn bijgevolg gemachtigd het getuigschrift van beroepsbekwaamheid uit te reiken.
  Het getuigschrift van militair duiker wordt gelijkgesteld met het getuigschrift van beroepsbekwaamheid.
  Het getuigschrift van reddingsduiker uitgereikt door een Belgische instelling erkend volgens de gebruiken eigen aan de sector van de brandweer of de civiele bescherming wordt gelijkgesteld met het getuigschrift van beroepsbekwaamheid, voor de aspecten die betrekking hebben op reddingswerkzaamheden.
  § 3. Het geschiktheidattest bedoeld in § 1 stelt vast dat de duiker fysiek in staat is om te duiken met lucht en met overmatige zuurstofmengsels met behulp van ademhalingsapparatuur met open omloop.
  Het wordt uitgereikt onder de voorwaarden en volgens de nadere regels bepaald door de gebruiken eigen aan de sector.
  De arts die het geschiktheidattest uitreikt moet beschikken over een specifieke ervaring op het vlak van risico's verbonden aan duikwerkzaamheden, vastgesteld overeenkomstig de gebruiken eigen aan de sector.

  Afdeling 4.
  <Opgeheven bij KB 2018-02-07/05, art. 3, 003; Inwerkingtreding : 08-03-2018>

  Art. V.4-25.
  <Opgeheven bij KB 2018-02-07/05, art. 3, 003; Inwerkingtreding : 08-03-2018>

  HOOFDSTUK IV. - Werkzaamheden in persluchtcaissons

  Afdeling 1. - Toepassingsgebied en definities

  Art. V.4-26. Onverminderd de bepalingen van het koninklijk besluit van 25 januari 2001, is dit hoofdstuk van toepassing op de werkzaamheden die verricht worden in persluchtcaissons.

  Art. V.4-27. Elk persluchtcaisson moet bestaan uit ten minste de volgende vier compartimenten:
  1° werkruimte: ruimte onder overdruk in rechtstreeks contact met het front;
  2° sas of personenschutsluis: ruimte voor het in- of uitschutten van werknemers;
  3° noodsas: ruimte voorbehouden om op elk ogenblik werknemers te kunnen inschutten zonder dat hiervoor in de drukluchtruimte speciale handelingen moeten worden verricht of zonder dat de druk in de werkruimte of het sas moet worden aangepast;
  4° materiaal- of materieelsas: ruimte voor het versassen van klein materiaal of materieel.
  Wanneer werkzaamheden in persluchtcaisson worden uitgevoerd, dient er steeds een werknemer, hierna chef van de hyperbare werkzaamheden genoemd, aangewezen te worden die instaat voor het inschutten en uitschutten in de hyperbare kamers en in de belendende sassen.

  Afdeling 2. - Algemene verplichtingen van de werkgever

  Art. V.4-28. Onder voorbehoud van de verplichtingen in verband met het opstellen van het veiligheids- en gezondheidsplan vastgesteld in de artikelen 25 tot 30 van het koninklijk besluit van 25 januari 2001, maakt de werkgever een werkplan op.
  Dit werkplan bevat:
  1° de beschrijving van de resultaten van de risicoanalyse, bedoeld in de artikelen V.4-3 en V.4-4;
  2° de beschrijving van de preventiemaatregelen, bedoeld in artikel V.4-5;
  3° de exploitatievergunning;
  4° de resultaten van het geotechnisch onderzoek;
  5° de schema's van het verluchtingsnet;
  6° het uitvoeringsplan van de werkzaamheden.
  Dit werkplan wordt in het register voor werkzaamheden in een hyperbare omgeving opgenomen.

  Art. V.4-29. De werkgever vermeldt de volgende inlichtingen in het register van werkzaamheden in hyperbare omgeving:
  1° over alle werknemers die in een persluchtcaisson werkzaamheden verrichten en dit in afwijking van artikel V.4-12, tweede lid, 5° :
  a) de naam van de werknemers die in persluchtcaissons werken, van de chef van de hyperbare werkzaamheden en van de bouwplaatsverantwoordelijken;
  b) de gegevens betreffende het in- en uitschutten van de werknemers;
  c) duur van de werken in de persluchtcaisson, namelijk de effectieve tijd tussen het einde van het inschutten en het begin van het uitschutten;
  2° over elke werknemer die in een persluchtcaisson werkzaamheden verricht:
  a) de maximumdruk tijdens de werkzaamheden;
  b) de tijdstippen van begin en einde van de werkzaamheden in de persluchtcaisson;
  c) het eventueel gebruik van zuivere zuurstof tijdens het uitschutten;
  3° over het verloop van de werkzaamheden:
  a) het eventueel gebruik van de recompressiekamer;
  b) de gebruikte uitschuttingstabellen;
  c) alle onontbeerlijke informatie voor de behandeling van een eventuele caissonziekte;
  d) de rechtvaardiging van het eventueel gebruik van springstoffen, alsook de vastgestelde veiligheidsmaatregelen;
  e) de rechtvaardiging van het gebruik van open vuur of van vloeibaar gemaakte gassen, alsook de vastgestelde veiligheidsmaatregelen.

  Art. V.4-30. Wanneer de recompressiekamer werd gebruikt, vermeldt de werkgever de volgende bijkomende inlichtingen in het register voor werkzaamheden in een hyperbare omgeving:
  1° de recompressietijd;
  2° de maximumdruk en de tijdsduur van de therapeutische recompressie;
  3° de tijdsduur van het uitschutten;
  4° de omstandigheden waaronder eventueel zuivere zuurstof is gebruikt.

  Art. V.4-31. Wanneer het aanleggen en het bijhouden van een coördinatiedagboek verplicht zijn in toepassing van de bepalingen van het koninklijk besluit van 25 januari 2001, maakt het register van werkzaamheden in hyperbare omgeving integrerend deel uit van het coördinatiedagboek voor de volledige duur van de werkzaamheden in een hyperbare omgeving.

  Afdeling 3. - Specifieke verplichtingen van de werkgever

  Art. V.4-32.In overleg met de [1 preventieadviseur-arbeidsarts]1 houdt de werkgever rekening met de ondergane maximumdruk evenals met de voorziene arbeidsbelasting teneinde de maximumduur van het werken in een persluchtcaisson te bepalen.
  De arbeid in persluchtcaissons wordt zodanig georganiseerd dat de maximumwerkduur, welke ook de toegepaste uitschuttingsmethode is, in geen enkele omstandigheid de in bijlage V.4-2 vastgestelde grenzen overschrijdt.
  ----------
  (1)<KB 2019-05-14/07, art. 1, 008; Inwerkingtreding : 21-06-2019>

  Afdeling 4. - Verbodsbepalingen

  Art. V.4-33. Het is verboden werknemers toe te laten in een persluchtcaisson waarin de relatieve overdruk meer dan 4.000 hectopascal bedraagt.

  Art. V.4-34. Het is verboden werknemers toe te laten in een persluchtcaisson waarin de relatieve overdruk meer dan 2.500 hectopascal bedraagt indien de installatie niet is uitgerust om met zuurstof uit te schutten.

  Art. V.4-35. Het is verboden te roken in de persluchtcaissons.

  TITEL 5. - IONISERENDE STRALINGEN

  HOOFDSTUK I. - Toepassingsgebied en definities

  Art. V.5-1. Deze titel is van toepassing op de activiteiten waarbij werknemers beroepshalve worden of kunnen worden blootgesteld aan een uit ioniserende straling voortkomend risico.

  Art. V.5-2.Voor de toepassing van de bepalingen van deze titel, worden de technische termen en uitdrukkingen van technische aard met betrekking tot de ioniserende straling waarnaar deze bepalingen verwijzen, verstaan in de betekenis die eraan is gegeven in artikel 2 van het algemeen reglement ioniserende stralingen.
  Er wordt verstaan onder:
  1° FANC: het Federaal Agentschap voor Nucleaire Controle, opgericht bij de wet van 15 april 1994 betreffende de bescherming van de bevolking en van het leefmilieu tegen de uit ioniserende stralingen voortspruitende gevaren en betreffende het Federaal Agentschap voor Nucleaire Controle;
  2° exploitant: elke natuurlijke of rechtspersoon die krachtens de bepalingen van deze titel, verantwoordelijk is voor een gecontroleerde zone waar een werkzaamheid wordt uitgeoefend waarvoor een vergunning of aangifte in de zin van hoofdstuk II, afdeling II van het bij het eerste lid bedoelde besluit vereist is;
  3° externe onderneming: elke natuurlijke of rechtspersoon, met uitzondering van de exploitant en zijn personeelsleden, die werkzaamheden van ongeacht welke aard in een gecontroleerde zone uitvoert;
  4° externe werker: iedere persoon beroepshalve onderworpen aan categorie A, die in een gecontroleerde zone werkzaamheden van ongeacht welke aard uitvoert, ongeacht of hij tijdelijk of vast werknemer van een externe onderneming is, alsook de stagiair, leerling en student of degene die werkzaamheden als zelfstandige verricht;
  5° erkende [1 arbeidsarts]1: de [1 preventieadviseur-arbeidsarts]1 van het departement of de afdeling belast met het medisch toezicht van de interne of externe dienst waarop door de werkgever een beroep wordt gedaan, en die bovendien erkend is door het FANC, overeenkomstig de bepalingen van artikel 75 van het algemeen reglement ioniserende stralingen.
  ----------
  (1)<KB 2019-05-14/07, art. 1, 008; Inwerkingtreding : 21-06-2019>

  HOOFDSTUK II. - Verplichtingen van de werkgevers

  Art. V.5-3. De werkgever neemt de nodige maatregelen opdat de werknemers die beroepshalve aan ioniserende straling worden of kunnen worden blootgesteld en die zijn gedefinieerd en ingedeeld in categorieën in het algemeen reglement ioniserende stralingen, verplicht onderworpen worden aan het gezondheidstoezicht.

  Art. V.5-4.De werkgever is ertoe gehouden elke betrokken werknemer, vóór de blootstelling, aan een voorafgaande gezondheidsbeoordeling te onderwerpen.
  Wanneer deze blootstelling niet voortkomt uit de normale uitoefening van de taken, maar uit de uitoefening van niet-uitstelbare opdrachten na een radiologische noodtoestand, wordt de voorafgaande gezondheidsbeoordeling uitgesteld.
  Indien de blootstelling voortkomt uit opdrachten bedoeld bij het tweede lid, moeten de betrokken werknemers onverwijld worden onderworpen aan een geneeskundig onderzoek dat geldt als periodieke gezondheidsbeoordeling.
  De voorafgaande gezondheidsbeoordeling wordt herhaald bij elke tewerkstelling van externe werkers die aan ioniserende straling worden blootgesteld tijdens hun werkzaamheden in een gecontroleerde zone in inrichtingen van klasse I, bedoeld in artikel 3 van het algemeen reglement ioniserende stralingen.
  De beslissing van de erkende [1 arbeidsarts]1 volgend op de voorafgaande gezondheidsbeoordeling wordt genomen vóór de tewerkstelling van de betrokken werknemer en mag in geen geval worden uitgesteld, behalve in geval van de in het tweede lid bedoelde radiologische noodtoestand.
  De werknemer die binnen dezelfde onderneming op een andere plaats wordt tewerkgesteld, waarbij die verandering tot gevolg heeft dat hij beroepshalve wordt blootgesteld, wordt onderworpen aan een voorafgaande gezondheidsbeoordeling.
  ----------
  (1)<KB 2019-05-14/07, art. 1, 008; Inwerkingtreding : 21-06-2019>

  Art. V.5-5. De werkgever is ertoe gehouden de beroepshalve aan ioniserende straling blootgestelde werknemers aan de periodieke gezondheidsbeoordeling en, in voorkomend geval, aan het onderzoek bij werkhervatting te onderwerpen.

  Art. V.5-6.Naargelang de aanwijzingen van de erkende [2 arbeidsarts]2 dient het bijkomend onderzoek te bestaan uit:
  1° dosimetrie van het orgaan en van het volledig organisme, op grond van het aan de werkpost verbonden risico en de ontvangen doses;
  2° en/of dosimetrie van het bloed, de urine en het opperhuidbegroeisel;
  3° en/of bloedonderzoek;
  4° en/of dermatologisch-, oog-, genitaal onderzoek;
  5° en/of bepaling van het aminozuurgehalte in de urine;
  6° en/of opsporing van chromosomale afwijkingen.
  [1 ...]1
  Er is geen minimumduur van blootstelling aan het risico om de uitvoering van het gezondheidstoezicht op te leggen.
  ----------
  (1)<KB 2019-05-14/07, art. 18, 008; Inwerkingtreding : 21-06-2019>
  (2)<KB 2019-05-14/07, art. 1, 008; Inwerkingtreding : 21-06-2019>

  Art. V.5-7. Ten aanzien van de geschiktheidsverklaring van de beroepshalve aan ioniserende straling blootgestelde werknemers geldt de volgende arbeidsgeneeskundige indeling:
  - geschikt;
  - geschikt onder bepaalde voorwaarden;
  - ongeschikt.

  Art. V.5-8.De werkgever ziet erop toe dat, voor de werknemers die beroepshalve aan het risico voortkomende uit ioniserende straling worden of kunnen worden blootgesteld, de volgende voorschriften worden nageleefd:
  1° de erkende [1 arbeidsartsen]1 geven inlichtingen aan de werknemers over de risico's verbonden aan blootstelling aan ioniserende straling en over de aan te nemen gebruiksgewoonten, in verband met het systeem van dosislimitering en de optimalisering;
   2° elk jaar zendt het departement of de afdeling belast met het medisch toezicht van de bevoegde interne of externe dienst, in samenwerking met de dienst voor fysische controle, aan het Comité, op een globale en anonieme manier, een analyse, volgens de in die inrichting uitgevoerde activiteiten, van de gemeten doses die het gevolg zijn van ioniserende straling.
  ----------
  (1)<KB 2019-05-14/07, art. 1, 008; Inwerkingtreding : 21-06-2019>

  HOOFDSTUK III. - Bijzondere verplichtingen van de externe ondernemingen

  Art. V.5-9. De uitoefening, in gecontroleerde zones, van activiteiten van externe ondernemingen en van zelfstandige externe werkers, zoals die is gedefinieerd in artikel V.5-1, is onderworpen aan het stelsel van voorafgaande aangifte aan de algemene directie TWW.

  Art. V.5-10. De voorafgaande aangifte wordt verricht door de externe onderneming en bevat de volgende inlichtingen:
  1° de naam, voornamen, functie en woonplaats van de aangever en eventueel de naam van de onderneming, de hoofd- en maatschappelijke zetel;
  2° het aansluitingsnummer bij de R.S.Z.;
  3° de categorie van de activiteiten volgens de NACE-bedrijfsindeling;
  4° de naam van het departement of de afdeling belast met het medisch toezicht van de bevoegde interne of externe dienst die het gezondheidstoezicht uitoefent.
  De voorafgaande aangifte wordt bijgewerkt zodra in een van de punten die ze bevat een wijziging optreedt, en de gewijzigde aangifte wordt doorgezonden aan de algemene directie TWW.

  Art. V.5-11. § 1. De externe onderneming ziet erop toe dat hij, onder de voorwaarden bepaald in hoofdstuk VIII van deze titel, voor elke externe werker, die in een gecontroleerde zone werkt, een individueel document voor radiologisch toezicht van de externe werker verkrijgt, hierna "bestralingspaspoort van externe werker" genoemd. Dit document wordt aan elke werknemer overhandigd en is niet overdraagbaar.
  § 2. De externe onderneming waakt, hetzij rechtstreeks, hetzij door middel van overeenkomsten met de exploitant, over de stralingsbescherming van zijn werkers overeenkomstig de artikelen V.5-12 tot V.5-18, en inzonderheid:
  1° waarborgt hij dat zijn werkers onderworpen worden aan een beoordeling van de blootstelling en aan een gezondheidstoezicht overeenkomstig de voorwaarden bepaald in de artikelen V.5-12 en V.5-15;
  2° verzekert hij zich dat de radiologische gegevens van het individueel toezicht op de blootstelling van elk van zijn werkers in het bestralingspaspoort van externe werker of in het gecentraliseerde nationale net actueel worden gehouden.
  In het geval echter dat de externe werkers werken in een gecontroleerde zone van een exploitant van een inrichting, ingedeeld in de klasse I volgens artikel 3 van het algemeen reglement ioniserende stralingen, is de externe onderneming verplicht overeenkomsten met de exploitant te sluiten met het doel zijn werknemers te beschermen.

  HOOFDSTUK IV. - Bijzondere verplichtingen van de exploitant

  Art. V.5-12.De exploitant van een gecontroleerde zone waar externe werkers werkzaamheden uitvoeren, is rechtstreeks, dan wel via overeenkomsten, verantwoordelijk voor de praktische aspecten van hun bescherming tegen straling die rechtstreeks met de aard van de gecontroleerde zone en van de werkzaamheden verband houden.
  In het bijzonder dient de exploitant voor elke externe werker die in een gecontroleerde zone werkzaamheden uitvoert:
  1° erop toe te zien dat die werker medisch geschikt is bevonden voor het werk dat hem wordt opgedragen. Vóór het werk wordt uitgevoerd, bezorgt de externe onderneming het bestralingspaspoort van externe werker bedoeld in hoofdstuk VIII van deze titel aan de erkende [1 arbeidsarts]1 van de exploitant, opdat wordt nagegaan of elke werker medisch geschikt is bevonden voor het werk dat hem wordt opgedragen;
  2° er eveneens op toe te zien dat de blootstelling van die externe werker individueel gecontroleerd wordt volgens de aard van het werk en dat hij de eventueel noodzakelijke, praktische dosimetrische controle geniet;
  3° alle nodige maatregelen te nemen om ervoor te zorgen dat na elke werkzaamheid de radiologische gegevens van het individueel toezicht op de blootstelling van elke externe werker wordt bijgehouden in het bestralingspaspoort van externe werker of in het gecentraliseerde nationale net.
  ----------
  (1)<KB 2019-05-14/07, art. 1, 008; Inwerkingtreding : 21-06-2019>

  HOOFDSTUK V. - Taken van de departementen of afdelingen belast met het medisch toezicht

  Afdeling 1. - Inrichtingen van klasse I, bedoeld in artikel 3 van het algemeen reglement ioniserende stralingen

  Art. V.5-13.De exploitant van een gecontroleerde zone ziet erop toe dat voor de externe werkers en voor de eigen werknemers die in een gecontroleerde zone werkzaamheden uitvoeren, de erkende [1 arbeidsartsen]1 van het departement of de afdeling belast met het medisch toezicht van de bevoegde interne of externe dienst, de voorschriften van de artikelen V.5-14 tot V.5-18 naleven.
  ----------
  (1)<KB 2019-05-14/07, art. 1, 008; Inwerkingtreding : 21-06-2019>

  Art. V.5-14.De erkende [1 arbeidsartsen]1 onderwerpen deze eigen werknemers en externe werkers aan de geneeskundige onderzoeken voorgeschreven in de artikelen V.5-4 en V.5-5.
  ----------
  (1)<KB 2019-05-14/07, art. 1, 008; Inwerkingtreding : 21-06-2019>

  Art. V.5-15.De erkende [1 arbeidsartsen]1 zien erop toe dat deze eigen werknemers en externe werkers hun zo spoedig mogelijk laten weten welke geneeskundige onderzoeken of behandelingen door middel van ioniserende straling zij door toedoen van hun behandelende [1 arts]1 eventueel ondergaan hebben of nog ondergaan.
  Zij vragen aan die werknemers hun de redenen, de aard, de datum alsmede de frequentie van die onderzoeken of behandelingen mede te delen, en noteren die gegevens in het gezondheidsdossier. Indien zij dat nodig achten, vragen zij aan de behandelende [1 arts]1 van de betrokken werknemers bijkomende inlichtingen over die onderzoeken of behandelingen.
  Overeenkomstig de bepalingen van artikel I.4-92 delen zij, in voorkomend geval, hun vaststellingen en de resultaten van de meting van de individuele blootstelling die is verricht en opgetekend door de dienst voor fysische controle van de exploitant, mee aan de erkende [1 arbeidsarts]1 van de externe onderneming. Voor de zelfstandige externe werkers worden de gegevens meegedeeld aan de [1 arts]1 van hun keuze.
  ----------
  (1)<KB 2019-05-14/07, art. 1, 008; Inwerkingtreding : 21-06-2019>

  Art. V.5-16.De erkende [1 arbeidsarts]1 doet eveneens een uitspraak over de eventuele afzondering van de eigen werknemer of de externe werker, en over de toe te passen medische spoedbehandeling, de ontsmettingsmaatregelen inbegrepen. De erkende [1 arbeidsarts]1 doet een voorstel over zijn behoud op of verwijdering van de post. De mededeling ervan gebeurt overeenkomstig de bepalingen voorzien in artikel V.5-15, derde lid.
  Elke ontsmetting van werknemers of externe werkers die wordt uitgevoerd onder toezicht van de erkende [1 arbeidsarts]1, wordt in een register ingeschreven.
  ----------
  (1)<KB 2019-05-14/07, art. 1, 008; Inwerkingtreding : 21-06-2019>

  Art. V.5-17.Onverminderd de toepassing van artikel I.4-32, § 2, eerste lid, onderwerpen de erkende [1 arbeidsartsen]1 de eigen werknemers en externe werkers die een blootstelling hebben ondergaan die de limieten vastgesteld bij het algemeen reglement ioniserende stralingen overschrijdt, aan een uitzonderlijk gezondheidstoezicht.
  In dat geval worden de geneeskundige onderzoeken voorgeschreven in artikel V.5-5 aangevuld met alle onderzoeken, ontsmettingsmaatregelen en dringende behandelingen die de erkende [1 arbeidsarts]1 noodzakelijk acht.
  Deze [1 arts]1 doet een uitspraak over het behoud van de werknemer op zijn post of zijn verwijdering, waarbij hij een oordeel geeft inzake geschiktheid, geschiktheid onder bepaalde voorwaarden of ongeschiktheid. De overlegprocedure en de beroepsprocedure geschieden overeenkomstig de bepalingen van de afdelingen 3 en 4 van boek I, titel 4, hoofdstuk V.
  De toepassing van de bepalingen van de artikelen I.4-55 en I.4-68, behoort tot de verantwoordelijkheid van de werkgever van de externe onderneming.
  ----------
  (1)<KB 2019-05-14/07, art. 1, 008; Inwerkingtreding : 21-06-2019>

  Art. V.5-18.§ 1. Op verzoek van de erkende [1 arbeidsartsen]1 en zolang deze laatsten het nodig oordelen om de gezondheid van de betrokkenen te vrijwaren, mogen de werknemers die niet meer beroepshalve aan ioniserende straling worden blootgesteld, aan voortgezet gezondheidstoezicht onderworpen blijven.
  Dit voortgezet gezondheidstoezicht omvat al de onderzoeken die noodzakelijk zijn gelet op de gezondheidstoestand van de betrokken werknemer en de omstandigheden waarin deze is blootgesteld of besmet.
  Wanneer de betrokken werknemer geen deel meer uitmaakt van het personeel van de onderneming waarvan de erkende [1 arbeidsarts]1 het nodig heeft geoordeeld hem aan het voortgezet gezondheidstoezicht te onderwerpen, moet hierin worden voorzien door het Federaal agentschap voor beroepsrisico's en op kosten van deze instelling. In dat geval moet een door dit agentschap aangewezen [1 arts]1 voor dit gezondheidstoezicht zorgen en over de duur ervan beslissen.
  § 2. Wanneer de erkende [1 arbeidsarts]1 het nodig acht de externe werkers aan het voortgezet gezondheidstoezicht te onderwerpen, deelt hij dit mede aan de werkgever van de externe onderneming. Als de externe werker niet langer wordt blootgesteld, zendt die werkgever hem naar het Federaal agentschap voor beroepsrisico's. Dit agentschap voorziet in het voortgezet gezondheidstoezicht op zijn kosten en treedt op onder dezelfde voorwaarden als die bepaald in § 1, derde lid.
  ----------
  (1)<KB 2019-05-14/07, art. 1, 008; Inwerkingtreding : 21-06-2019>

  Art. V.5-19. De werkgever doet, aan bovengenoemd agentschap en op de manier bepaald in bijlage V.5-1, onverwijld aangifte van de werknemers voor wie in dit voortgezet gezondheidstoezicht moet worden voorzien.
  De werkgever doet, onverwijld en op de manier bepaald in bijlage V.5-1, eveneens aangifte aan de algemene directie TWW, van de werknemers die zijn onderworpen aan het uitzonderlijk of voortgezet gezondheidstoezicht, voorgeschreven in de artikelen V.5-17 en V.5-18.

  Afdeling 2. - Andere inrichtingen dan die bedoeld in afdeling 1

  Art. V.5-20. De werkgever ziet erop toe dat, voor de werknemers die beroepshalve aan het risico van ioniserende straling worden of kunnen worden blootgesteld, de voorschriften van de artikelen V.5-21 en V.5-22 worden nageleefd.

  Art. V.5-21.De erkende [1 arbeidsartsen]1 van het departement of de afdeling belast met het medisch toezicht van de interne of externe dienst, waarop de werkgever een beroep doet, voeren de in de artikelen V.5-14 tot V.5-19 bepaalde voorschriften uit.
  ----------
  (1)<KB 2019-05-14/07, art. 1, 008; Inwerkingtreding : 21-06-2019>

  Art. V.5-22.§ 1. Wanneer een externe werker een blootstelling heeft ondergaan die de limieten overschrijdt die zijn vastgesteld in het algemeen reglement ioniserende stralingen en moet worden onderworpen aan het uitzonderlijk gezondheidstoezicht, moet de exploitant deze beslissing aan de externe onderneming mededelen.
  In dat geval moet de externe onderneming dit toezicht laten uitoefenen door een erkende [1 arbeidsarts]1 aan wie elke nuttige informatie in verband met de blootstellings- en besmettingsomstandigheden of -omvang worden medegedeeld.
  De externe onderneming dient eveneens de naam, de voornamen en het adres van de betrokken werknemer, alsook de beslissing die te zijnen opzichte werd genomen, kenbaar te maken aan het departement of de afdeling belast met het medisch toezicht van de bevoegde interne of externe dienst waarvan zij zich de medewerking heeft verzekerd, zelfs als de erkende [1 arts]1 die met het hierboven genoemde toezicht is belast geen deel uitmaakt van die dienst.
  § 2. In de mate dat uit de omstandigheden blijkt dat het dringend of noodzakelijk is, moet, in hetzelfde geval, het in het vorige lid bedoelde toezicht, ten minste in het begin, worden uitgeoefend door de erkende [1 arbeidsarts]1 van de exploitant van de inrichting waar de externe werker is blootgesteld of besmet. Deze [1 arts]1 doet eveneens een uitspraak over de eventuele afzondering van de externe werker en de toe te passen medische spoedbehandeling, de ontsmettingsmaatregelen inbegrepen.
  ----------
  (1)<KB 2019-05-14/07, art. 1, 008; Inwerkingtreding : 21-06-2019>

  Art. V.5-23.Het uitzonderlijk en het voortgezet gezondheidstoezicht bedoeld in de artikelen V.5-17 en V.5-18 mogen eveneens door de [1 arts sociaal inspecteurs]1 worden opgelegd.
  ----------
  (1)<KB 2019-05-14/07, art. 1, 008; Inwerkingtreding : 21-06-2019>

  Art. V.5-24.De bepalingen van de artikelen V.5-13 tot V.5-15 zijn niet van toepassing op de personen die met het toezicht zijn belast krachtens internationale of Europese verdragen, een wet, een decreet, een ordonnantie of een besluit, en die hierna worden opgesomd:
  1° de inspecteurs van het Internationaal Agentschap voor Atoomenergie;
  2° de personen die belast zijn met het toezicht krachtens het verdrag van 25 maart 1957 tot oprichting van de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie;
  3° de sociale inspecteurs bedoeld bij de wet van 6 juni 2010 tot invoering van het Sociaal Strafwetboek;
  4° de leden van de dienst van toezicht van het FANC, bedoeld bij artikel 9 van de wet van 15 april 1994 betreffende de bescherming van de bevolking en van het leefmilieu tegen de uit ioniserende stralingen voortspruitende gevaren en betreffende het Federaal Agentschap voor Nucleaire Controle.
  De erkende [1 arbeidsartsen]1 van de inrichtingen van klasse I doen bovendien geen uitspraak over het behoud op het werk of de verwijdering van deze personen.
  ----------
  (1)<KB 2019-05-14/07, art. 1, 008; Inwerkingtreding : 21-06-2019>

  HOOFDSTUK VI. - Opdrachten van de dienst voor fysische controle

  Art. V.5-25.Onverminderd de bepalingen opgenomen in artikel 23 van het algemeen reglement ioniserende stralingen, in artikel 148decies, 1, § 6, van het ARAB en in boek II, is de dienst voor fysische controle ertoe gehouden :
  1° de nominatieve boekhouding op te maken van de doses voor elke werknemer die tot een inrichting van klasse I, II of III behoort, bedoeld in artikel 3.1. van het algemeen reglement ioniserende stralingen, en die beroepshalve blootgesteld is of kan worden aan ioniserende straling;
  2° de praktische dosimetrische controle van iedere externe werker gedurende de werkzaamheden te organiseren;
  3° zonder verwijl aan het departement of de afdeling belast met het medisch toezicht van de bevoegde interne of externe dienst van die inrichting, alsook aan het hoofd van die inrichting, aan de werkgever van de externe onderneming en, in voorkomend geval, aan de door de zelfstandige externe werker gekozen [1 arts]1, de individuele opgemeten doses te bezorgen;
  4° rekening te houden met de blootstellinggrenzen opgelegd door het departement of de afdeling belast met het medisch toezicht van de bevoegde interne of externe dienst van die inrichting, op grond van de uitwendige en inwendige blootstellingen en de vroegere besmettingen, en van de eventueel overeengekomen praktische limietdoses.
  ----------
  (1)<KB 2019-05-14/07, art. 1, 008; Inwerkingtreding : 21-06-2019>

  HOOFDSTUK VII. - Opmaken van de blootstellings- en ontsmettingstabel

  Art. V.5-26.§ 1. Onverminderd de bepalingen van de artikelen 23 en 24 van het algemeen reglement ioniserende stralingen stelt de dienst voor fysische controle van de onderneming of, bij ontstentenis ervan, het departement of de afdeling belast met het medisch toezicht van de bevoegde interne of externe dienst waarvan de werkgever zich de medewerking heeft verzekerd, elk jaar, voor alle beroepshalve blootgestelde werknemers een blootstellings- en ontsmettingstabel op.
  Deze tabel bestaat uit de eigenlijke tabel, overeenkomstig het model opgenomen in bijlage V.5-2, en de inlichtingen betreffende de onderneming en de betrokken werknemer vermeld in bijlage V.5-2. Zij wordt op de daartoe voorgeschreven plaatsen getekend door de werkgever of zijn afgevaardigde en door de erkende [1 arbeidsarts]1 die voor de medische controle van die onderneming verantwoordelijk is.
  Een tabel die anders is opgesteld dan in het model opgenomen in bijlage V.5-2, mag worden gebruikt op voorwaarde dat alle in het model voorkomende gegevens erin zijn opgenomen.
  Elk jaar stuurt de werkgever, ten laatste op 31 maart, voor elk van de bovengenoemde werknemers drie exemplaren van die tabel betreffende het voorgaande jaar naar de algemene directie TWW.
  § 2. De algemene directie TWW zendt, zonder verwijl, één van de drie exemplaren van de tabel bedoeld in § 1 door naar het Bestuur van de Volksgezondheid bij de Federale overheidsdienst Volksgezondheid, Veiligheid van de Voedselketen en Leefmilieu.
  § 3. Op basis van de gegevens doorgestuurd door de dienst voor fysische controle van de inrichting maakt het departement of de afdeling belast met het medisch toezicht van de bevoegde interne of externe dienst van diezelfde inrichting voor de zelfstandige externe werkers, ten behoeve van de door de betrokkenen gekozen [1 arts]1, een document op dat de blootstellingdoses weergeeft zoals vermeld in artikel I.4-87, 2° en 3°.
  § 4. Ingeval de hoofdzetel van de externe onderneming in een lidstaat van de Europese Unie is gevestigd, zijn de bepalingen van § 1 niet van toepassing.
  ----------
  (1)<KB 2019-05-14/07, art. 1, 008; Inwerkingtreding : 21-06-2019>

  HOOFDSTUK VIII. - Oprichting van het gecentraliseerde nationale netwerk en opmaak van het individueel document voor de aan ioniserende straling blootgestelde externe werker

  Art. V.5-27. Er wordt een gecentraliseerd blootstellingnetwerk opgericht om een stralingsdosis-beheersysteem van de externe werkers te doen werken en te onderhouden.
  Het gecentraliseerd netwerk bestaat enerzijds uit een centrale gegevensbank en anderzijds uit de gegevensbanken van de diensten voor fysische controle van de exploitanten.
  De centrale gegevensbank wordt opgericht en beheerd door de algemene directie TWW.

  Art. V.5-28. Binnen het kader van het in artikel V.5-27 bedoelde systeem wordt aan de externe werkers een individueel document uitgereikt.
  Dit individueel document omvat de inlichtingen met betrekking tot de identificatie van de externe onderneming en de betrokken externe werker, de medische classificatie van de externe werker, de datum van het laatste geneeskundig onderzoek, van de resultaten van het individueel toezicht op de blootstelling van de betrokken externe werker en de inlichtingen met betrekking tot zijn opleiding in stralingsbescherming bedoeld bij hoofdstuk III, sectie II, artikel 25 van het algemeen reglement ioniserende stralingen. Deze gegevens worden door de externe onderneming verstrekt.
  Het individueel document omvat eveneens de volgende inlichtingen over de periode waarin de werkzaamheden zijn uitgevoerd:
  1° een raming van de eventueel door de betrokken werker ontvangen effectieve dosis;
  2° in geval van niet-eenvormige blootstelling, een raming van het dosisequivalent in de verschillende delen van het lichaam;
  3° in geval van interne besmetting, een raming van de opgenomen activiteit of te verwachten dosis.
  Deze gegevens worden verstrekt door de exploitant of volgens de overeenkomsten met de externe onderneming, na elke prestatie van een externe werker.
  Dit individueel document wordt "bestralingspaspoort van externe werker" genoemd.
  Het bestaat uit twee delen: enerzijds een map en anderzijds interventiebladen voor die map. Het model en de gebruikswijze ervan worden bepaald in bijlage V.5-4.
  De externe onderneming kan in het geval de externe werker wordt tewerkgesteld bij exploitanten die het Nederlands, Frans of Duits niet machtig zijn bij het bestralingspaspoort van externe werker een instructiekaart toevoegen die de Engelse vertaling van zijn bestralingspaspoort bevat.
  De dosisgegevens van elke afzonderlijke externe werker worden beschouwd als medische persoonsgegevens in de zin van de wet van 8 december 1992 tot bescherming van de persoonlijke levenssfeer ten opzichte van de verwerking van persoonsgegevens.
  De algemene directie TWW neemt alle praktische maatregelen voor het beveiligen van de dosisgegevens tijdens de gegevensoverdracht binnen het gecentraliseerde netwerk.

  Art. V.5-29. De algemene directie TWW is belast met:
  1° de aanmaak van de bestralingspaspoorten;
  2° de levering van het bestralingspaspoort van externe werker;
  3° de toevoeging van de na elke tussenkomst opgelopen dosis, aan de met betrekking tot de externe werker gekende dosis;
  4° het bijwerken van de interventiebladen aan de hand van de door de exploitanten meegedeelde bestralingsgegevens: bijlage V.5-4 bevat de wijze van actualisering;
  5° de verzending, vóór de vervaldatum van de vorige reeks interventiebladen, van de gevraagde hoeveelheid interventiebladen;
  6° het beheer en de exploitatie van de dosisgegevens.
  De interventiebladen hebben een geldigheidsperiode van één jaar vanaf de afgiftedatum.
  Indien de hoeveelheid benodigde interventiebladen voor de volgende geldigheidsperiode niet werd aangevraagd, zal eenzelfde aantal interventiebladen als voor de lopende geldigheidsperiode worden toegestuurd.
  Tijdens een lopende geldigheidsperiode kunnen steeds bijkomende interventiebladen worden aangevraagd.

  Art. V.5-30.§ 1. De diensten voor fysische controle van de exploitanten zijn belast met:
  1° de elektronische overdracht van de dosisgegevens naar de centrale gegevensbank na elke tussenkomst van de externe werker;
  2° de bijwerking van het interventieblad van het bestralingspaspoort, volgens de aanwijzingen vermeld op de keerzijde van dit document.
  § 2. De gegevensoverdracht bedoeld in § 1, 1° gebeurt onmiddellijk na het beëindigen van de tussenkomst.
  De algemene directie TWW bepaalt er de praktische voorwaarden van.
  § 3. Het interventieblad bedoeld in § 1, 2° wordt bijgewerkt aan de hand van de tijdens de tussenkomst eventueel opgelopen dosissen en wordt onmiddellijk na het beëindigen van de tussenkomst aan de externe werker overhandigd, die het in zijn bestralingspaspoort bewaart.
  Een afschrift van dit interventieblad wordt tezelfdertijd opgestuurd naar de externe onderneming.
  Deze laatste stuurt, na kennisneming, het afschrift door naar de erkende [1 arbeidsarts]1.
  ----------
  (1)<KB 2019-05-14/07, art. 1, 008; Inwerkingtreding : 21-06-2019>

  Art. V.5-31.§ 1. De bestralingspaspoorten worden door de externe onderneming aangevraagd bij de algemene directie TWW.
  De aanvraag moet de inlichtingen en documenten, opgesomd in bijlage V.5-3, bevatten.
  Een aanvraag moet eveneens worden verricht wanneer het bestralingspaspoort onbruikbaar is geworden, verloren is gegaan of wanneer de identiteitsgegevens, bedoeld in punt 2 van bijlage V.5-3, van de externe werker gewijzigd zijn.
  Het voor een geldigheidsperiode van één jaar voorspelde aantal benodigde interventiebladen dient door de externe onderneming bij de algemene directie TWW te worden aangevraagd. Deze aanvraag moet minstens twee maanden voor het verstrijken van de geldigheidsdatum van de vorige reeks worden verricht.
  § 2. De externe onderneming overhandigt het bestralingspaspoort aan de externe werker, nadat de erkende [1 arbeidsarts]1, de geactualiseerde interventiebladen heeft geviseerd.
  Slechts interventiebladen met een nog niet verstreken geldigheidsperiode mogen aan de externe werker ter beschikking worden gesteld.
  § 3. Op de interventiebladen van het bestralingspaspoort, die voorzien zijn van een volgnummer, staan de dosisgegevens van de externe werker vermeld, die op het ogenblik van afgifte door de algemene directie TWW zijn gekend.
  § 4. Elk interventieblad is slechts geldig voor een reeks opeenvolgende werkzaamheden bij eenzelfde exploitant.
  De interventiebladen moeten volgens het erop aangebrachte volgnummer worden gebruikt.
  Indien interventiebladen tijdens de geldigheidsperiode niet werden gebruikt, moeten zij onmiddellijk na het verstrijken van de geldigheidsperiode naar de algemene directie TWW worden teruggestuurd.
  ----------
  (1)<KB 2019-05-14/07, art. 1, 008; Inwerkingtreding : 21-06-2019>

  TITEL 6. - KUNSTMATIGE OPTISCHE STRALING

  HOOFDSTUK I. - Toepassingsgebied en definities

  Art. V.6-1. Voor de toepassing van deze titel wordt verstaan onder:
  1° blootstelling: de mate waarin kunstmatige optische straling op het menselijk lichaam inwerkt;
  2° meting: de meting op zich, de analyse en de berekening van het resultaat.

  Art. V.6-2. Voor de toepassing van deze titel worden volgende natuurkundige begrippen als volgt bepaald:
  1° optische straling: elektromagnetische straling in het golflengtegebied tussen 100 nm en 1 mm. Het spectrum van de optische straling wordt ingedeeld in ultraviolette straling, zichtbare straling en infrarode straling:
  a) ultraviolette straling: optische straling in het golflengtegebied tussen 100 nm en 400 nm. Het ultraviolette gebied wordt ingedeeld in UVA (315-400 nm), UVB (280-315 nm) en UVC (100-280 nm);
  b) zichtbare straling: optische straling in het golflengtegebied tussen 380 nm en 780 nm;
  c) infrarode straling: optische straling in het golflengtegebied tussen 780 nm en 1 mm. Het infrarode gebied wordt ingedeeld in IRA (780-1400 nm), IRB (1400-3000 nm) en IRC (3000 nm - 1 mm);
  2° laser (lichtversterking door gestimuleerde stralingsemissie): elk apparaat dat in staat is om elektromagnetische straling in het golflengtegebied van optische straling te produceren of te versterken, hoofdzakelijk via gecontroleerde gestimuleerde emissie;
  3° laserstraling: optische straling afkomstig van een laser;
  4° niet-coherente straling: optische straling die geen laserstraling is;
  5° grenswaarden voor blootstelling: grenzen voor de blootstelling aan optische straling, die direct gebaseerd zijn op bewezen gezondheidseffecten en biologische overwegingen. Inachtneming van deze grenzen waarborgt dat aan kunstmatige bronnen van optische straling blootgestelde werknemers worden beschermd tegen alle bekende negatieve gevolgen voor de gezondheid;
  6° bestralingssterkte (E) of vermogensdichtheid: het invallend vermogen aan straling per eenheid van oppervlakte uitgedrukt in watt per vierkante meter (W m-2);
  7° bestralingsdosis (H): de tijdsintegraal van de bestralingssterkte uitgedrukt in joule per vierkante meter (J m-2);
  8° radiantie (L): de stralingsstroom of het vermogen per eenheid van ruimtehoek en per eenheid van oppervlakte uitgedrukt in watt per vierkante meter per steradiaal (W m-2 sr-1);
  9° niveau: de combinatie van bestralingssterkte, bestralingsdosis en radiantie waaraan een werknemer is blootgesteld.

  Art. V.6-3. Deze titel betreft de risico's voor de gezondheid en de veiligheid van werknemers door negatieve effecten op de ogen en de huid die worden veroorzaakt door blootstelling aan kunstmatige optische straling.

  HOOFDSTUK II. - Grenswaarden voor blootstelling

  Art. V.6-4. De grenswaarden voor blootstelling aan niet-coherente straling, anders dan die welke wordt uitgestraald door natuurlijke bronnen van optische straling, zijn vermeld in bijlage V.6-1.
  De grenswaarden voor blootstelling aan laserstraling zijn vermeld in bijlage V.6-2.

  HOOFDSTUK III. - Risicoanalyse

  Art. V.6-5. Bij de toepassing van de verplichtingen bedoeld in boek I, titel 2, inzonderheid wat de risicoanalyse betreft, bedoeld in de artikelen I.2-6 en I.2-7, beoordeelt en, indien nodig, meet en/of berekent de werkgever de niveaus van de optische straling waaraan de werknemers waarschijnlijk zullen worden blootgesteld, zodat de nodige maatregelen kunnen worden bepaald en uitgevoerd om de blootstelling tot de toepasselijke grenzen te beperken.
  Bij de beoordeling, meting en/of berekeningen past de werkgever een methodiek toe die de normen volgt van de Internationale Elektrotechnische Commissie (IEC) met betrekking tot laserstraling en de aanbevelingen van de Internationale Commissie voor Verlichtingskunde (CIE) en de Europese Commissie voor Normalisatie (CEN) met betrekking tot niet-coherente straling.
  In blootstellingssituaties die niet door die normen en aanbevelingen worden bestreken, voert de werkgever, totdat passende EU-normen of -aanbevelingen beschikbaar zijn, de beoordeling, meting en/of berekeningen uit aan de hand van de beschikbare nationale of internationale richtsnoeren met een wetenschappelijke grondslag.
  In beide blootstellingssituaties mag de werkgever bij de beoordeling rekening houden met door de producent van de arbeidsmiddelen opgegeven informatie, wanneer die arbeidsmiddelen onder een toepasselijke communautaire richtlijn vallen.

  Art. V.6-6. De werkgever doet, naargelang het geval, beroep op zijn interne of externe dienst voor de in artikel V.6-5 bedoelde beoordeling, meting en/of berekeningen, die met passende tussenpozen worden gepland en uitgevoerd na voorafgaand advies van het Comité.
  Indien de nodige deskundigheid voor de in het eerste lid bedoelde beoordeling, meting en/of berekeningen niet aanwezig is in de interne of externe dienst, doet de werkgever een beroep op een erkend laboratorium waarvan de erkenning betrekking heeft op de meting van kunstmatige optische straling.

  Art. V.6-7. De gegevens die door middel van de beoordeling, meting en/of berekeningen van het niveau van blootstelling aan kunstmatige optische straling zijn verkregen, worden in een passende vorm bewaard, om latere raadpleging mogelijk te maken.

  Art. V.6-8. In het kader van de risicoanalyse en de op basis daarvan te nemen preventiemaatregelen overeenkomstig de bepalingen van boek I, titel 2, besteedt de werkgever met name aandacht aan :
  1° het niveau, het golflengtegebied en de duur van de blootstelling aan kunstmatige bronnen van optische straling;
  2° de in artikel V.6-4 bedoelde grenswaarden voor blootstelling;
  3° de mogelijke gevolgen voor de gezondheid en veiligheid van werknemers die tot bijzonder gevoelige risicogroepen behoren;
  4° de mogelijke gevolgen voor de gezondheid en de veiligheid van werknemers van de interactie op de arbeidsplaats tussen optische straling en fotosensibiliserende chemicaliën;
  5° de mogelijke indirecte effecten zoals tijdelijke blindheid, ontploffing of brand;
  6° het bestaan van vervangende arbeidsmiddelen die ontworpen zijn om de niveaus van blootstelling aan kunstmatige optische straling te verminderen;
  7° uit gezondheidstoezicht verkregen relevante informatie, met inbegrip van gepubliceerde informatie, voor zover dat mogelijk is;
  8° de blootstelling aan verscheidene bronnen van kunstmatige optische straling;
  9° de classificatie die wordt toegepast op lasers die worden gedefinieerd conform de desbetreffende IEC-norm, alsook soortgelijke classificaties met betrekking tot kunstmatige bronnen die soortgelijke schade kunnen toebrengen als lasers van de klasse 3B of 4;
  10° de informatie over de bronnen van optische straling en aanverwante arbeidsmiddelen die door fabrikanten overeenkomstig het koninklijk besluit van 12 augustus 2008 betreffende het op de markt brengen van machines wordt verstrekt.

  Art. V.6-9. De werkgever is in het bezit van een risicoanalyse, vastgesteld in een geschreven document, overeenkomstig de bepalingen van boek I, titel 2 en vermeldt welke maatregelen ter voorkoming of vermindering van de blootstelling zijn getroffen in toepassing van de artikelen V.6-10 en V.6-11.
  De risicoanalyse moet naar behoren gedocumenteerd zijn. Indien een verdere uitvoerige risicoanalyse niet wordt uitgevoerd, geeft de werkgever hiervoor een schriftelijke verantwoording, waarin hij aantoont dat de aard en de omvang van de aan optische straling verbonden risico's dit overbodig maken.
  De risicoanalyse wordt regelmatig bijgewerkt, met name indien er ingrijpende veranderingen hebben plaatsgevonden waardoor zij verouderd kan zijn, of wanneer uit de resultaten van het gezondheidstoezicht blijkt dat bijwerking nodig is.

  HOOFDSTUK IV. - Maatregelen ter voorkoming of vermindering van de risico's

  Art. V.6-10. De risico's die verbonden zijn aan de blootstelling aan kunstmatige optische straling worden weggenomen of tot een minimum beperkt, waarbij rekening wordt gehouden met de technische vooruitgang en de mogelijkheid om maatregelen te nemen om het risico aan de bron te beheersen.
  De beperking van deze risico's geschiedt met inachtneming van de in artikel 5, § 1 van de wet vermelde algemene preventiebeginselen.
  Indien uit de overeenkomstig artikel V.6-5 uitgevoerde risicoanalyse voor aan kunstmatige bronnen van optische straling blootgestelde werknemers blijkt dat het enigszins mogelijk is dat de blootstellingsgrenswaarden overschreden worden, gaat de werkgever over tot de opstelling en uitvoering van een actieplan dat technische en/of organisatorische maatregelen omvat om een blootstelling waarbij de grenswaarden worden overschreden, te voorkomen. Er dient met name rekening te worden gehouden met:
  1° alternatieve werkmethoden die het risico van optische straling verminderen;
  2° de keuze van arbeidsmiddelen die minder optische straling uitzenden, rekening houdend met het te verrichten werk;
  3° technische maatregelen om de emissie van optische straling te beperken, waar nodig ook door het gebruik van vergrendeling, afscherming of soortgelijke mechanismen ter bescherming van de gezondheid;
  4° passende onderhoudsprogramma's voor de arbeidsmiddelen, de arbeidsplaats en de systemen op de werkpost;
  5° het ontwerp en de indeling van de arbeidsplaatsen en de werkposten;
  6° de beperking van de duur en het niveau van de blootstelling;
  7° de beschikbaarheid van passende PBM;
  8° de aanwijzingen van de fabrikant van de arbeidsmiddelen die, overeenkomstig het koninklijk besluit van 12 augustus 2008 betreffende het op de markt brengen van machines, zijn verstrekt.

  Art. V.6-11. Op basis van de in artikel V.6-5 uitgevoerde risicoanalyse, worden arbeidsplaatsen waar werknemers zouden kunnen worden blootgesteld aan niveaus van optische straling uit kunstmatige bronnen die de grenswaarden voor blootstelling overschrijden, aangegeven door middel van passende signaleringen, overeenkomstig de bepalingen betreffende de veiligheids- en gezondheidssignalering op het werk van titel 6 van boek III.
  De betrokken zones worden afgebakend en de toegang ertoe wordt beperkt indien dit technisch mogelijk is en indien het risico bestaat dat de grenswaarden voor blootstelling worden overschreden.

  Art. V.6-12. In geen geval mag de blootstelling van de werknemer, vastgesteld overeenkomstig de bepalingen van artikel V.6-5, de grenswaarden bedoeld in artikel V.6-4 overschrijden.
  In geval de grenswaarden voor blootstelling worden overschreden ondanks de maatregelen die de werkgever overeenkomstig de bepalingen van deze titel met betrekking tot kunstmatige bronnen van optische straling heeft genomen, dan neemt hij onmiddellijk maatregelen om de blootstelling terug te brengen tot onder de grenswaarden voor blootstelling.
  De werkgever gaat na waarom de grenswaarden voor blootstelling zijn overschreden en past de beschermings- en preventiemaatregelen zo aan dat deze grenswaarden niet opnieuw worden overschreden.

  Art. V.6-13.Ten einde bijzonder gevoelige risicogroepen te kunnen beschermen tegen de voor hen specifieke gevaren stemt de werkgever, na voorafgaand advies van de [1 preventieadviseur-arbeidsarts]1, de in de artikelen V.6-10 tot V.6-12 bedoelde maatregelen af op de behoeften voor werknemers die tot die groepen behoren.
  ----------
  (1)<KB 2019-05-14/07, art. 1, 008; Inwerkingtreding : 21-06-2019>

  HOOFDSTUK V. - Voorlichting en opleiding van de werknemers

  Art. V.6-14. Onverminderd de artikelen I.2-16 tot en met I.2-21, zorgt de werkgever ervoor dat werknemers die aan risico's in verband met kunstmatige optische straling op het werk worden blootgesteld, en het Comité, voorlichting en opleiding ontvangen in verband met het resultaat van de in artikel V.6-5 bedoelde risicoanalyse, in het bijzonder betreffende:
  1° maatregelen die ter uitvoering van deze titel zijn genomen;
  2° de grenswaarden voor blootstelling en de gerelateerde potentiële gevaren;
  3° de resultaten van de overeenkomstig artikel V.6-5 uitgevoerde beoordeling, meting en/of berekeningen van de niveaus van blootstelling aan kunstmatige optische straling, samen met een toelichting bij de betekenis en de potentiële risico's ervan;
  4° de wijze van opsporing van schadelijke effecten voor de gezondheid te wijten aan de blootstelling en de melding ervan;
  5° de omstandigheden waarin werknemers recht hebben op gezondheidstoezicht;
  6° veilige werkmethoden om risico's van blootstelling tot een minimum te beperken;
  7° goed gebruik van passende PBM.

  HOOFDSTUK VI. - Raadpleging en participatie van de werknemers

  Art. V.6-15. Raadpleging en participatie van werknemers en/of hun vertegenwoordigers in aangelegenheden bestreken door deze titel vinden plaats overeenkomstig de bepalingen van boek II, titel 7.

  HOOFDSTUK VII. - Gezondheidstoezicht

  Art. V.6-16. Het gezondheidstoezicht, waarvan de resultaten in aanmerking worden genomen voor de toepassing van preventieve maatregelen op de betrokken arbeidsplaats, beoogt de preventie en vroegtijdige diagnose van iedere aandoening die het gevolg is van blootstelling aan optische straling.

  Art. V.6-17. De werknemers die blootgesteld worden aan optische straling worden onderworpen aan een passend gezondheidstoezicht, tenzij uit de resultaten van de risicoanalyse blijkt dat zij geen gezondheidsrisico lopen.

  Art. V.6-18. Dit gezondheidstoezicht is passend wanneer:
  1° de blootstelling van de werknemer aan optische straling van die aard is dat een verband kan worden gelegd tussen die blootstelling en een aantoonbare ziekte of schadelijke gevolgen voor de gezondheid;
  2° het waarschijnlijk is dat de ziekte of de gevolgen zich in de specifieke werkomstandigheden van de werknemer zullen voordoen;
  3° beproefde technieken bestaan om de ziekte of de schadelijke gevolgen voor de gezondheid op te sporen.

  Art. V.6-19. Dit passend gezondheidstoezicht wordt uitgevoerd volgens de bepalingen van boek I, titel 4.

  Art. V.6-20. Voor iedere werknemer die overeenkomstig artikel V.6-17 aan het gezondheidstoezicht onderworpen is, wordt een gezondheidsdossier aangelegd en bijgehouden overeenkomstig de bepalingen van boek I, titel 4.

  Art. V.6-21.In geval een blootstelling boven de grenswaarden wordt vastgesteld, worden de betrokken werknemers in ieder geval onderworpen aan een medisch onderzoek volgens de bepalingen van boek I, titel 4.
  Dit medisch onderzoek wordt ook gedaan wanneer uit het gezondheidstoezicht blijkt dat een werknemer aan een herkenbare ziekte lijdt of schadelijke effecten voor zijn gezondheid ondervindt die door de [1 preventieadviseur-arbeidsarts]1 wordt beoordeeld als het gevolg van blootstelling aan kunstmatige optische straling op het werk.
  In de gevallen, bedoeld in het eerste en het tweede lid:
  1° wordt de werknemer door de [1 preventieadviseur-arbeidsarts]1 op de hoogte gesteld van de uitslag en medische besluiten die op hem persoonlijk betrekking hebben, en krijgt hij informatie en advies over het gezondheidstoezicht dat hij na beëindiging van de blootstelling dient te ondergaan;
  2° wordt de werkgever op de hoogte gesteld van significante bevindingen van het gezondheidstoezicht, waarbij rekening wordt gehouden met het vertrouwelijke karakter van de medische gegevens;
  3° treft de werkgever de volgende maatregelen:
  a) hij herziet de risicoanalyse die overeenkomstig artikel V.6-5 is uitgevoerd;
  b) hij herziet de maatregelen die overeenkomstig de artikelen V.6-10 tot V.6-13 genomen zijn om risico's weg te nemen of te verminderen;
  c) hij houdt rekening met het advies van de [1 preventieadviseur-arbeidsarts]1 of van een ander ter zake voldoende gekwalificeerde persoon of van de met het toezicht belaste ambtenaar bij het nemen van maatregelen die nodig zijn om het risico weg te nemen of te verkleinen in overeenstemming met de artikelen V.6-10 tot V.6-13;
  d) hij zorgt voor het voortgezet gezondheidstoezicht en treft maatregelen voor een heronderzoek van de gezondheidstoestand van elke andere werknemer die op soortgelijke wijze is blootgesteld. In dergelijke gevallen kunnen de [1 preventieadviseur-arbeidsarts]1 of de met het toezicht belaste ambtenaar voorstellen de andere blootgestelde personen aan een gezondheidstoezicht te onderwerpen.
  ----------
  (1)<KB 2019-05-14/07, art. 1, 008; Inwerkingtreding : 21-06-2019>

  TITEL 7. - ELEKTROMAGNETISCHE VELDEN

  HOOFDSTUK I. - Toepassingsgebied en definities

  Art. V.7-1. Deze titel heeft betrekking op alle bekende directe biofysische effecten en indirecte effecten veroorzaakt door elektromagnetische velden waaraan werknemers tijdens het werk worden blootgesteld en die een risico inhouden of kunnen inhouden voor hun gezondheid en veiligheid.
  Deze titel heeft geen betrekking op de veronderstelde effecten op lange termijn, noch op de risico's die verbonden zijn aan het contact met stroomvoerende geleiders.

  Art. V.7-2. Voor de toepassing van deze titel wordt verstaan onder:
  1° blootstelling: de mate waarin elektromagnetische velden op het menselijk lichaam inwerken;
  2° meting: de meting op zich, de analyse en de berekening van het resultaat.

  Art. V.7-3. Voor de toepassing van deze titel worden volgende natuurkundige begrippen als volgt bepaald :
  1° elektromagnetische velden: statische elektrische, statische magnetische en tijdsafhankelijke elektrische, magnetische en elektromagnetische velden met frequenties tot 300 GHz;
  2° directe biofysische effecten: effecten op het menselijk lichaam rechtstreeks veroorzaakt door de aanwezigheid ervan in een elektromagnetisch veld, met inbegrip van:
  a) thermische effecten, zoals opwarming van weefsel door absorptie van energie van elektromagnetische velden in het weefsel;
  b) niet-thermische effecten, zoals stimulering van spieren, zenuwen of zintuigen. Deze effecten kunnen een schadelijke uitwerking hebben op de mentale en fysieke gezondheid van blootgestelde werknemers. De stimulering van zintuigen kan bovendien leiden tot voorbijgaande symptomen zoals duizeligheid of fosfenen. Deze effecten kunnen tijdelijke hinder veroorzaken of de cognitie of andere hersen- of spierfuncties beïnvloeden en daardoor het vermogen van een werknemer om veilig te werken beïnvloeden waardoor veiligheidsrisico's ontstaan of kunnen ontstaan; en
  c) elektrische stromen in extremiteiten;
  3° indirecte effecten: effecten veroorzaakt door de aanwezigheid van een object in een elektromagnetisch veld, die een gevaar voor de veiligheid of de gezondheid kunnen opleveren, zoals :
  a) interferentie met medische elektronische apparatuur en hulpmiddelen, inclusief pacemakers en andere implantaten of op het lichaam gedragen medische hulpmiddelen;
  b) het risico op rondvliegende ferromagnetische voorwerpen in statische magnetische velden;
  c) het in werking stellen van elektrische ontstekingen (detonators);
  d) brand en explosies als gevolg van de ontbranding van brandbare materialen door vonken als gevolg van geïnduceerde velden, contactstromen of vonkontladingen; en
  e) contactstromen;
  4° grenswaarden voor blootstelling (GWB): waarden die zijn vastgesteld op grond van biofysische en biologische bevindingen, met name op grond van breed wetenschappelijk erkende directe kortetermijn- en acute effecten, te weten thermische effecten en elektrische stimulering van weefsel;
  5° GWB voor effecten op de gezondheid: GWB bij overschrijding waarvan werknemers zouden kunnen blootstaan aan effecten die schadelijk zijn voor de gezondheid, zoals opwarming of stimulering van de zenuwen en het spierweefsel;
  6° GWB voor effecten op de zintuigen: GWB bij overschrijding waarvan werknemers zouden kunnen blootstaan aan voorbijgaande verstoringen van de zintuiglijke waarneming en geringe wijzigingen in de hersenfuncties;
  7° actieniveaus (AN): operationele niveaus die zijn vastgesteld om eenvoudiger te kunnen aantonen dat de relevante GWB in acht zijn genomen, of, in voorkomend geval, om de in deze titel gespecificeerde geschikte beschermings- of preventiemaatregelen te nemen.
  De in bijlage V.7-2 gehanteerde AN-terminologie moet als volgt worden uitgelegd :
  a) voor elektrische velden hebben "laag AN" en "hoog AN" betrekking op de niveaus behorende bij de specifieke beschermings- of preventiemaatregelen welke in deze titel zijn gespecificeerd; en
  b) voor magnetische velden heeft "laag AN" betrekking op de niveaus van de GWB voor effecten op de zintuigen en "hoog AN" op de GWB voor effecten op de gezondheid.

  HOOFDSTUK II. - Grenswaarden voor blootstelling en actieniveaus

  Art. V.7-4. De in deze titel vastgestelde GWB hebben enkel betrekking op de wetenschappelijk zorgvuldig vastgestelde verbanden tussen directe biofysische effecten op de korte termijn en blootstelling aan elektromagnetische velden.

  Art. V.7-5. De natuurkundige grootheden met betrekking tot blootstelling aan elektromagnetische velden staan vermeld in bijlage V.7-1. De GWB voor effecten op de gezondheid, de GWB voor effecten op de zintuigen alsmede de AN zijn opgenomen in de bijlagen V.7-2 en V.7-3.

  Art. V.7-6. De werkgever zorgt ervoor dat de blootstelling van werknemers aan elektromagnetische velden beperkt blijft tot de GWB voor effecten op de gezondheid en de GWB voor effecten op de zintuigen opgenomen in bijlage V.7-2, voor niet-thermische effecten, en opgenomen in bijlage V.7-3 voor thermische effecten.

  Art. V.7-7. De inachtneming van de GWB voor effecten op de gezondheid en de GWB voor effecten op de zintuigen wordt aangetoond met behulp van de relevante in hoofdstuk III genoemde procedures voor de beoordeling van de blootstelling.

  Art. V.7-8. Wanneer de blootstelling van werknemers aan elektromagnetische velden de GWB ter zake overschrijdt, dan neemt de werkgever onverwijld maatregelen overeenkomstig artikel V.7-26.

  Art. V.7-9. De werkgever wordt geacht de GWB voor effecten op de gezondheid en de GWB voor effecten op de zintuigen in acht te nemen wanneer wordt aangetoond dat de relevante, in de bijlagen V.7-2 en V.7-3 opgenomen AN niet worden overschreden.

  Art. V.7-10. Overschrijdt de blootstelling de AN, dan neemt de werkgever maatregelen overeenkomstig artikel V.7-20, derde lid, tenzij uit de overeenkomstig de artikelen V.7-13 en V.7-14, verrichte beoordeling blijkt dat de relevante GWB niet zijn overschreden en dat veiligheidsrisico's kunnen worden uitgesloten.

  Art. V.7-11. Niettegenstaande het bepaalde in de artikelen V.7-9 en V.7-10, mag de blootstelling hoger zijn dan:
  1° de lage AN voor elektrische velden (bijlage V.7-2, tabel B1) indien dat door de praktijk of het procedé wordt gerechtvaardigd, mits ofwel de GWB voor effecten op de zintuigen (bijlage V.7-2, tabel A3) niet worden overschreden; of
  a) de GWB voor effecten op de gezondheid (bijlage V.7-2, tabel A2) niet worden overschreden;
  b) overmatige vonkontladingen en contactstromen (bijlage V.7-2, tabel B3) worden voorkomen met behulp van specifieke beschermingsmaatregelen overeenkomstig artikel V.7-24; en
  c) aan de werknemers informatie aangaande de situaties als bedoeld in artikel V.7-28, 6°, is verstrekt;
  2° de lage AN voor magnetische velden (bijlage V.7-2, tabel B2) indien dat door de praktijk of het procedé wordt gerechtvaardigd, onder andere voor hoofd en romp, gedurende de werktijd, mits ofwel de GWB voor effecten op de zintuigen (bijlage V.7-2, tabel A3) niet worden overschreden; of
  a) de GWB voor effecten op de zintuigen slechts tijdelijk worden overschreden;
  b) de GWB voor effecten op de gezondheid (bijlage V.7-2, tabel A2) niet worden overschreden;
  c) gehandeld wordt overeenkomstig artikel V.7-27, wanneer er symptomen van voorbijgaande aard zijn overeenkomstig artikel V.7-27, tweede lid, 1° ; en
  d) aan de werknemers informatie aangaande de situaties als bedoeld in artikel V.7-28, 6°, is verstrekt.

  Art. V.7-12. Niettegenstaande het bepaalde in de artikelen V.7-6 tot V.7-11 mag de blootstelling hoger zijn dan:
  1° de GWB voor effecten op de zintuigen (bijlage V.7-2, tabel A1) gedurende de werktijd, indien dat door de praktijk of het procedé wordt gerechtvaardigd, mits:
  a) zij slechts tijdelijk worden overschreden;
  b) de GWB voor effecten op de gezondheid (bijlage V.7-2, tabel A1) niet worden overschreden;
  c) specifieke preventiemaatregelen zijn genomen overeenkomstig artikel V.7-25;
  d) gehandeld wordt overeenkomstig artikel V.7-27, wanneer er symptomen van voorbijgaande aard zijn overeenkomstig artikel V.7-27, tweede lid, 2° ; en
  e) aan de werknemers informatie aangaande de situaties als bedoeld in artikel V.7-28, 6°, is verstrekt;
  2° de GWB voor effecten op de zintuigen (bijlage V.7-2, tabel A3 en bijlage V.7-3, tabel A2) gedurende de werktijd, indien dat door de praktijk of het procedé wordt gerechtvaardigd, mits:
  a) zij slechts tijdelijk worden overschreden;
  b) de GWB voor effecten op de gezondheid (bijlage V.7-2, tabel A2 en bijlage V.7-3, tabel A1 en tabel A3) niet worden overschreden;
  c) gehandeld wordt overeenkomstig artikel V.7-27, wanneer er symptomen van voorbijgaande aard zijn overeenkomstig artikel V.7-27, tweede lid, 1° ; en
  d) aan de werknemers informatie aangaande de situaties als bedoeld in artikel V.7-28, 6° is verstrekt.

  HOOFDSTUK III. - Risicoanalyse

  Art. V.7-13. Bij de toepassing van de verplichtingen bedoeld in boek I, titel 2, inzonderheid wat de risicoanalyse betreft, bedoeld in de artikelen I.2-6 en I.2-7, beoordeelt de werkgever alle risico's waaraan de werknemers zijn blootgesteld als gevolg van de elektromagnetische velden op de arbeidsplaats en, indien nodig, meet of berekent hij de niveaus van de elektromagnetische velden waaraan de werknemers zijn blootgesteld.

  Art. V.7-14. Met het oog op de in artikel V.7-13 bedoelde beoordeling stelt de werkgever vast in hoeverre er sprake is van elektromagnetische velden op de arbeidsplaats en beoordeelt hij deze, waarbij hij rekening houdt met de relevante praktische handleidingen van de Europese Commissie zoals bedoeld in artikel 14 van richtlijn 2013/35/EU van 13 juni 2013 en andere normen of richtsnoeren, waaronder gegevensbanken betreffende blootstelling.
  Niettegenstaande zijn verplichtingen uit hoofde van dit hoofdstuk, is de werkgever in voorkomend geval ook gerechtigd rekening te houden met de emissieniveaus en andere passende veiligheidsgegevens die door de fabrikant of distributeur overeenkomstig het relevante recht van de Europese Unie voor de apparatuur zijn verstrekt, waaronder een risicobeoordeling, indien van toepassing op de blootstellingsomstandigheden op de arbeidsplaats of de plaats van installatie.
  Indien niet op betrouwbare wijze aan de hand van beschikbare gegevens kan worden vastgesteld of de GWB in acht worden genomen, wordt de blootstelling beoordeeld aan de hand van metingen of berekeningen. Bij de beoordeling wordt dan rekening gehouden met de onzekerheden bij metingen of berekeningen, zoals rekenkundige fouten, bronmodellering, fantoomgeometrie en de elektrische eigenschappen van weefsel en materiaal, zoals bepaald volgens de relevante beste praktijken.

  Art. V.7-15. De werkgever doet, naargelang het geval, beroep op zijn interne of externe dienst voor de in de artikelen V.7-13 en V.7-14 bedoelde beoordeling, meting en/of berekening, die met passende tussenpozen worden gepland en uitgevoerd na voorafgaand advies van het Comité.
  Indien de nodige deskundigheid voor de in het eerste lid bedoelde beoordeling, meting en/of berekening niet aanwezig is in de interne of externe dienst, doet de werkgever, na voorafgaand advies van het Comité, een beroep op een erkend laboratorium waarvan de erkenning betrekking heeft op de meting van elektromagnetische velden.

  Art. V.7-16. De gegevens die door middel van de beoordeling, meting en/of berekening van het niveau van blootstelling aan elektromagnetische velden zijn verkregen, worden in een passende traceerbare vorm bewaard, om latere raadpleging mogelijk te maken.

  Art. V.7-17. In het kader van de risicoanalyse en de op basis daarvan te nemen preventiemaatregelen overeenkomstig de bepalingen van boek I, titel 2, besteedt de werkgever met name aandacht aan :
  1° de GWB voor effecten op de gezondheid, de GWB voor effecten op de zintuigen en de AN als bedoeld in hoofdstuk II en de bijlagen V.7-2 en V.7-3;
  2° de frequentie, het niveau, de duur en de aard van de blootstelling, met inbegrip van de verdeling over het lichaam van de werknemer en over de ruimte van de arbeidsplaats;
  3° alle directe biofysische effecten;
  4° alle effecten voor de gezondheid en veiligheid van werknemers met een bijzonder risico, in het bijzonder werknemers die een actief of passief geïmplanteerd medisch hulpmiddel, zoals een pacemaker, dragen, werknemers met op het lichaam gedragen medische hulpmiddelen, zoals een insulinepomp, en zwangere werkneemsters;
  5° alle indirecte effecten;
  6° het bestaan van vervangend materieel dat ontworpen is om het niveau van blootstelling aan elektromagnetische velden te verminderen;
  7° passende, door het in hoofdstuk VII bedoelde gezondheidstoezicht verkregen informatie;
  8° informatie verstrekt door de vervaardiger van apparatuur;
  9° andere relevante informatie aangaande gezondheid en veiligheid;
  10° blootstelling aan verscheidene bronnen;
  11° gelijktijdige blootstelling aan velden van verschillende frequenties.

  Art. V.7-18. De beoordeling van de blootstelling behoeft niet te worden uitgevoerd op arbeidsplaatsen die opengesteld zijn voor het publiek, indien er reeds een beoordeling heeft plaatsgevonden overeenkomstig de bepalingen inzake beperking van de blootstelling van de bevolking aan elektromagnetische velden, de in die bepalingen vervatte beperkingen voor de werknemers worden geëerbiedigd en de gezondheids- en veiligheidsrisico's worden uitgesloten. Aan deze voorwaarden wordt geacht te zijn voldaan wanneer apparatuur die bestemd is voor algemeen gebruik op de beoogde wijze wordt gebruikt en in overeenstemming is met het recht van de Europese Unie inzake producten dat voorziet in stringentere veiligheidsniveaus dan die waarin deze titel voorziet, en er geen andere apparatuur wordt gebruikt.

  Art. V.7-19. De werkgever is in het bezit van een risicoanalyse, vastgesteld in een geschreven document, overeenkomstig de bepalingen van boek I, titel 2 en vermeldt welke maatregelen ter voorkoming of vermindering van de blootstelling moeten worden getroffen in toepassing van hoofdstuk IV.
  De risicoanalyse moet naar behoren gedocumenteerd zijn.
  Indien een verdere uitvoerige risicoanalyse niet wordt uitgevoerd, geeft de werkgever hiervoor een schriftelijke verantwoording, waarin hij aantoont dat de aard en de omvang van de aan elektromagnetische velden verbonden risico's dit overbodig maken.
  De risicoanalyse wordt regelmatig bijgewerkt, met name indien er ingrijpende veranderingen hebben plaatsgevonden waardoor zij verouderd kan zijn, of wanneer uit de resultaten van het in hoofdstuk VII bedoelde gezondheidstoezicht blijkt dat bijwerking nodig is.

  HOOFDSTUK IV. - Maatregelen ter voorkoming of vermindering van de risico's

  Art. V.7-20. De werkgever neemt de nodige maatregelen om ervoor te zorgen dat de risico's ten gevolge van elektromagnetische velden op de arbeidsplaats worden weggenomen of tot een minimum beperkt, waarbij hij rekening houdt met de technische vooruitgang en de beschikbaarheid van maatregelen om de productie van elektromagnetische velden aan de bron te beheersen.
  De vermindering van de risico's die verbonden zijn aan de blootstelling aan elektromagnetische velden geschiedt met inachtneming van de in artikel 5, § 1 van de wet vermelde algemene preventiebeginselen.
  Op basis van de in hoofdstuk III bedoelde risicobeoordeling, als blijkt dat de in hoofdstuk II en de bijlagen V.7-2 en V.7-3 bedoelde relevante AN overschreden worden en tenzij uit de overeenkomstig de artikelen V.7-13 en V.7-14, verrichte beoordeling blijkt dat de relevante GWB niet worden overschreden en veiligheidsrisico's kunnen worden uitgesloten, gaat de werkgever over tot de opstelling en uitvoering van een actieplan dat technische en/of organisatorische maatregelen omvat om een blootstelling waarbij de GWB voor effecten op de gezondheid en de GWB voor effecten op de zintuigen worden overschreden te voorkomen. Er dient met name rekening te worden gehouden met :
  1° alternatieve werkmethoden die leiden tot lagere blootstelling aan elektromagnetische velden;
  2° de keuze van arbeidsmiddelen die minder intense elektromagnetische velden uitzenden, rekening houdend met het te verrichten werk;
  3° technische maatregelen om de emissie van elektromagnetische velden te beperken, waar nodig ook door het gebruik van vergrendeling, afscherming of soortgelijke mechanismen ter bescherming van de gezondheid;
  4° adequate afbakenings- en toegangsmaatregelen, zoals signaleringen, etiketten, vloermarkeringen, hekken, om de toegang te beperken of te controleren;
  5° bij blootstelling aan elektrische velden: maatregelen en procedures voor het beheersen van vonkontladingen en contactstromen met behulp van technische middelen en door opleiding van werknemers;
  6° passende onderhoudsprogramma's voor de arbeidsmiddelen, de arbeidsplaatsen en de werkposten;
  7° het ontwerp en de indeling van de werkposten en de arbeidsplaatsen;
  8° beperking van de duur en intensiteit van de blootstelling; en
  9° de beschikbaarheid van geschikte PBM.

  Art. V.7-21. Op basis van de in hoofdstuk III bedoelde risicobeoordeling gaat de werkgever over tot de opstelling en uitvoering van een actieplan dat technische en/of organisatorische maatregelen bevat om alle risico's voor werknemers met een verhoogd risico alsmede alle risico's ten gevolge van indirecte effecten, als bedoeld in hoofdstuk III, te voorkomen.

  Art. V.7-22. Naast het verschaffen van informatie beschreven in hoofdstuk V, past de werkgever de in dit hoofdstuk bedoelde maatregelen aan aan de vereisten voor werknemers met een verhoogd risico en in voorkomend geval aan individuele risicobeoordelingen, met name voor werknemers die verklaard hebben dat zij actieve of passieve geïmplanteerde medische hulpmiddelen gebruiken, zoals pacemakers, of op het lichaam gedragen medische hulpmiddelen gebruiken, zoals insulinepompen, of voor zwangere werkneemsters die de werkgever van hun zwangerschap op de hoogte hebben gesteld.

  Art. V.7-23. Op basis van de in hoofdstuk III bedoelde risicobeoordeling worden arbeidsplaatsen waar werknemers met waarschijnlijkheid worden blootgesteld aan elektromagnetische velden die de AN overschrijden, overeenkomstig de bijlagen V.7-2 en V.7-3 en de bepalingen betreffende de veiligheids- en gezondheidssignalering op het werk van titel 6 van boek III gemarkeerd door middel van passende signaleringen.
  De betreffende ruimten worden als zodanig aangewezen en voor zover nodig wordt de toegang ertoe beperkt.
  Indien de toegang tot deze ruimten reeds om andere redenen op passende wijze is beperkt en de werknemers over de met elektromagnetische velden samenhangende risico's zijn geïnformeerd, zijn geen specifieke signaleringen en beperkingen van de toegang in verband met elektromagnetische velden vereist.

  Art. V.7-24. Indien artikel V.7-11, 1°, van toepassing is, worden specifieke beschermingsmaatregelen genomen, zoals opleiding van werknemers overeenkomstig hoofdstuk V en het gebruik van technische middelen en persoonlijke bescherming, met name:
  1° het aarden van de voorwerpen waarmee gewerkt wordt;
  2° het verbinden van werknemers met die voorwerpen (potentiaalvereffening);
  3° in voorkomend geval, het gebruik van isolerende schoenen, handschoenen en beschermende kleding overeenkomstig artikel IX.2-9, 1°.

  Art. V.7-25. Indien artikel V.7-12, 1°, van toepassing is, worden specifieke beschermingsmaatregelen genomen, onder meer betreffende beheersing van bewegingen.

  Art. V.7-26. Tenzij voldaan is aan de voorwaarden van hetzij de artikelen V.7-35 of V.7-36, hetzij de artikelen V.7-9 tot V.7-11, of artikel V.7-12, worden werknemers niet aan hogere waarden blootgesteld dan de GWB voor effecten op de gezondheid en GWB voor effecten op de zintuigen.
  Indien de GWB voor effecten op de gezondheid en de GWB voor effecten op de zintuigen ondanks de maatregelen die de werkgever heeft genomen, worden overschreden, neemt de werkgever onmiddellijk maatregelen om de blootstelling terug te brengen tot onder die GWB.
  De werkgever gaat na en registreert waarom de GWB voor effecten op de gezondheid en de GWB voor effecten op de zintuigen zijn overschreden en wijzigt de beschermings- en preventiemaatregelen op zodanige wijze dat de grenswaarden niet opnieuw worden overschreden.
  De gewijzigde beschermings- en preventiemaatregelen worden in een passende traceerbare vorm bewaard, om latere raadpleging mogelijk te maken.

  Art. V.7-27. Indien de artikelen V.7-9 tot V.7-12, van toepassing zijn, en wanneer de werknemer signaleert dat symptomen van voorbijgaande aard optreden, werkt de werkgever indien nodig de risicobeoordeling en de preventiemaatregelen bij.
   Symptomen van voorbijgaande aard kunnen het volgende omvatten:
  1° zintuiglijke gewaarwordingen en effecten in het functioneren van het centraal zenuwstelsel in het hoofd, opgewekt door tijdsafhankelijke magnetische velden; en
  2° effecten van statische magnetische velden, zoals duizeligheid en misselijkheid.

  HOOFDSTUK V. - Voorlichting en opleiding van de werknemers

  Art. V.7-28. Onverminderd de artikelen I.2-16 tot en met I.2-21, zorgt de werkgever ervoor dat werknemers die met waarschijnlijkheid aan risico's in verband met elektromagnetische velden op het werk zullen worden blootgesteld, en het Comité, alle noodzakelijke voorlichting en opleiding ontvangen in verband met het resultaat van de in hoofdstuk III bedoelde risicoanalyse, in het bijzonder betreffende:
  1° maatregelen die ter uitvoering van deze titel zijn genomen;
  2° de waarden en concepten van de GWB en AN, de daarmee verbonden mogelijke risico's en de getroffen preventieve maatregelen;
  3° de mogelijke indirecte gevolgen van blootstelling;
  4° de resultaten van de overeenkomstig hoofdstuk III verrichte beoordeling, meting of berekening van de mate van blootstelling aan elektromagnetische velden;
  5° de wijze waarop schadelijke gezondheidseffecten van de blootstelling kunnen worden opgespoord en gemeld;
  6° het mogelijk optreden van voorbijgaande symptomen en gewaarwordingen die verband houden met effecten in het centrale en het perifere zenuwstelsel;
  7° de omstandigheden waarin werknemers recht hebben op gezondheidstoezicht;
  8° veilige werkmethoden om de risico's als gevolg van blootstelling tot een minimum te beperken;
  9° werknemers met een verhoogd risico, zoals bedoeld in artikel V.7-17, 4°, en de artikelen V.7-21 en V.7-22.

  HOOFDSTUK VI. - Raadpleging en participatie van de werknemers

  Art. V.7-29. Raadpleging en participatie van werknemers en/of hun vertegenwoordigers in aangelegenheden bestreken door deze titel vinden plaats overeenkomstig de bepalingen boek II, titel 7.

  HOOFDSTUK VII. - Gezondheidstoezicht

  Art. V.7-30. Het gezondheidstoezicht, waarvan de resultaten in aanmerking worden genomen voor de toepassing van preventieve maatregelen op de betrokken arbeidsplaats, beoogt de preventie en vroegtijdige diagnose van mogelijke schadelijke gezondheidseffecten ten gevolge van blootstelling aan elektromagnetische velden.

  Art. V.7-31. De werknemers die blootgesteld worden aan elektromagnetische velden worden onderworpen aan een passend gezondheidstoezicht, tenzij overeenkomstig artikel I.4-3, § 2 uit de resultaten van de risicoanalyse blijkt dat zij geen gezondheidsrisico lopen.

  Art. V.7-32. Dit passend gezondheidstoezicht wordt uitgevoerd volgens de bepalingen van boek I, titel 4.

  Art. V.7-33. Voor iedere werknemer die overeenkomstig artikel V.7-31 aan het gezondheidstoezicht onderworpen is, wordt een gezondheidsdossier aangelegd en bijgehouden overeenkomstig de bepalingen van boek I, titel 4.

  Art. V.7-34. Indien een werknemer melding maakt van een ongewenst of onverwacht gezondheidseffect, of indien blootstelling boven de grenswaarden wordt vastgesteld, worden de betrokken werknemers in ieder geval onderworpen aan een gezondheidstoezicht volgens de bepalingen van boek I, titel 4.

  HOOFDSTUK VIII. - Afwijkingen

  Art. V.7-35.In afwijking van hoofdstuk II en onverminderd artikel V.7-20, eerste en tweede lid, mogen blootstellingen de GWB overschrijden indien de blootstelling verband houdt met de installatie, het testen, het gebruik, de ontwikkeling, het onderhoud van of onderzoek betreffende MRI-apparatuur voor patiënten in de gezondheidssector, indien aan alle volgende voorwaarden is voldaan :
  a) op grond van de overeenkomstig hoofdstuk III uitgevoerde risicobeoordeling is aangetoond dat de GWB zijn overschreden;
  b) gezien de stand van de techniek zijn alle technische en/of organisatorische maatregelen toegepast;
  c) de omstandigheden rechtvaardigen de overschrijding van de GWB naar behoren;
  d) er is rekening gehouden met de kenmerken van de arbeidsplaats, de arbeidsmiddelen of de arbeidspraktijken; en
  e) na advies van het Comité en de [1 preventiea