J U S T E L     -     Geconsolideerde wetgeving
Einde Eerste woord Laatste woord Wijziging(en) Aanhef
Verslag aan de Koning Inhoudstafel 4 uitvoeringbesluiten 2 gearchiveerde versies
Handtekening Einde Franstalige versie
 
belgiëlex . be     -     Kruispuntbank Wetgeving
Raad van State
ELI - Navigatie systeem via een Europese identificatiecode voor wetgeving
http://www.ejustice.just.fgov.be/eli/besluit/2017/04/18/2017020322/justel

Titel
18 APRIL 2017. - Koninklijk besluit plaatsing overheidsopdrachten in de klassieke sectoren
(NOTA : Raadpleging van vroegere versies vanaf 09-05-2017 en tekstbijwerking tot 18-04-2018)

Bron : KANSELARIJ VAN DE EERSTE MINISTER
Publicatie : 09-05-2017 nummer :   2017020322 bladzijde : 55345   BEELD
Dossiernummer : 2017-04-18/10
Inwerkingtreding : 30-06-2017

Inhoudstafel Tekst Begin
TITEL 1. - Algemene bepalingen
HOOFDSTUK 1. - Definities, belasting over de toegevoegde waarde en toepassingsgebied
Afdeling 1. - Voorafgaande bepaling
Art. 1
Afdeling 2. - Definities
Art. 2
Afdeling 3. - Belasting over de toegevoegde waarde
Art. 3
Afdeling 4. - Toepassingsgebied
Art. 4-5
HOOFDSTUK 2. - Raming van het bedrag van de opdracht
Art. 6-7
HOOFDSTUK 3. - Bekendmaking
Afdeling 1. - Algemene bekendmakingsregels
Art. 8-10
Afdeling 2. - Europese drempels
Art. 11-12
Afdeling 3. - Europese bekendmaking
Art. 13
Onderafdeling 1. - Algemene regels
Art. 14-17
Onderafdeling 2. - Sociale en andere specifieke diensten
Art. 18
Afdeling 4. - Belgische bekendmaking
Art. 19
Onderafdeling 1. - Algemene regels
Art. 20-23
Onderafdeling 2. - Sociale en andere specifieke diensten
Art. 24
HOOFDSTUK 4. - Prijsvaststelling en prijsbestanddelen
Art. 25-32
HOOFDSTUK 5. - Verbetering van fouten en nazicht van prijzen of kosten
Art. 33-37
HOOFDSTUK 6. - Het Uniform Europees Aanbestedingsdocument (UEA) en de impliciete verklaring op erewoord
Art. 38-40
HOOFDSTUK 7. - Regels van toepassing op de handtekeningen en op de communicatiemiddelen
Art. 41-47
HOOFDSTUK 8. - Opties
Art. 48
HOOFDSTUK 9. - Percelen
Art. 49-50
HOOFDSTUK 10. - Belangenconflicten -Draaideurconstructie
Art. 51
HOOFDSTUK 11. - Indiening van de aanvragen tot deelneming en offertes
Afdeling 1. - Uitnodiging van de geselecteerde kandidaten tot indiening van een offerte
Art. 52
Afdeling 2. - Indieningsmodaliteiten voor de aanvragen tot deelneming en offertes
Art. 53-56
Afdeling 3. - Indiening en verdaging
Art. 57
Afdeling 4. - Verbintenistermijn
Art. 58
HOOFDSTUK 12. - Selectie van de kandidaten en van de inschrijvers
Afdeling 1. - Algemene bepalingen
Art. 59-60
Afdeling 2. - Uitsluitingsgronden
Art. 61-64
Afdeling 3. - Selectiecriteria, beroep op onderaannemers en op andere entiteiten
Art. 65-74
HOOFDSTUK 13. - Modaliteiten voor het onderzoek van de offertes en regelmatigheid van de offertes
Art. 75-76
TITEL 2. - Gunning bij openbare of niet-openbare procedure
HOOFDSTUK 1. - Vorm en inhoud van de offerte
Art. 77-78
HOOFDSTUK 2. - Samenvattende opmeting en inventaris
Art. 79
HOOFDSTUK 3. - Interpretatie, fouten en leemten
Art. 80-82
HOOFDSTUK 4. - Indiening en opening
Art. 83-85
HOOFDSTUK 5. - Verbetering van de offertes
Art. 86
HOOFDSTUK 6. - Gunning van de opdracht
Art. 87
HOOFDSTUK 7. - Sluiting van de opdracht
Art. 88-89
TITEL 3. - Gunning bij onderhandelingsprocedure zonder voorafgaande bekendmaking en bij mededingingsprocedure met onderhandeling
HOOFDSTUK 1. - Specifieke drempels
Art. 90-91
HOOFDSTUK 2. - Verloop en sluiting van de opdracht
Art. 92-95
HOOFDSTUK 3. - Gebruik van de mededingingsprocedure met onderhandeling na een eerste vruchteloze procedure
Art. 96
TITEL 4. - Gunning bij concurrentiegerichte dialoog
Art. 97-100
TITEL 5. - Specifieke en aanvullende opdrachten en procedures
HOOFDSTUK 1. - Dynamisch aankoopsysteem
Art. 101-105
HOOFDSTUK 2. - Elektronische veiling
Art. 106-111
HOOFDSTUK 3. - Elektronische catalogi
Art. 112-116
HOOFDSTUK 4. - Prijsvragen
Afdeling 1. - Toepassingsvoorwaarden en jury
Art. 117-120
Afdeling 2. - Raming en bekendmaking
Art. 121-123
TITEL 6. - Overheidsopdrachten van beperkte waarde
Art. 124
TITEL 7. - Overheidsopdrachten tot aanstelling van een advocaat in het kader van een vertegenwoordiging in rechte of ter voorbereiding van een procedure
Art. 125
TITEL 8. - Eind-, opheffings-, overgangs- en inwerkingtredingsbepalingen
Vraag tot toegang tot Telemarc
Art. 126
Opheffingsbepalingen
Art. 127
Overgangsbepalingen
Art. 128-130
Inwerkingtredingsbepalingen
Art. 131-133
Slotbepaling
Art. 134
BIJLAGEN.
Art. N1-N12

Tekst Inhoudstafel Begin
TITEL 1. - Algemene bepalingen

  HOOFDSTUK 1. - Definities, belasting over de toegevoegde waarde en toepassingsgebied

  Afdeling 1. - Voorafgaande bepaling

  Artikel 1. Dit besluit voorziet in de gedeeltelijke omzetting van Richtlijn 2014/24/EU van het Europees Parlement en de Raad van 26 februari 2014 betreffende het plaatsen van overheidsopdrachten en tot intrekking van Richtlijn 2004/18/EG.

  Afdeling 2. - Definities

  Art. 2. Voor de toepassing van dit besluit wordt verstaan onder :
  1° de wet : de wet van 17 juni 2016 inzake overheidsopdrachten;
  2° de opdracht : de overheidsopdracht, raamovereenkomst en prijsvraag omschreven in artikel 2, 17°, 18°, 20°, 21°, 31° en 35°, van de wet;
  3° de opdracht tegen globale prijs : de opdracht waarbij een forfaitaire prijs het geheel van de prestaties van de opdracht of van elke post dekt;
  4° de opdracht tegen prijslijst : de opdracht waarbij de eenheidsprijzen voor de verschillende posten forfaitair zijn en de hoeveelheden, voor zover er hoeveelheden voor de posten worden bepaald, worden vermoed of worden uitgedrukt binnen een vork. De posten worden verrekend op basis van de werkelijk bestelde en gepresteerde hoeveelheden;
  5° de opdracht tegen terugbetaling : de opdracht waarbij de prijs van de uitgevoerde prestaties wordt vastgesteld na onderzoek van de gevorderde prijzen op basis van wat de opdrachtdocumenten bepalen over de kostenbestanddelen die mogen worden aangerekend, de berekeningswijze van de kosten en de omvang van de daarop toe te passen marges;
  6° de opdracht met gemengde prijsvaststelling : de opdracht waarbij de prijzen worden vastgesteld op de verschillende wijzen zoals omschreven in de bepalingen onder 3° tot 5° ;
  7° de samenvattende opmeting : het opdrachtdocument waarin de prestaties van een opdracht voor werken over verschillende posten worden gefractioneerd en waarbij voor iedere post de hoeveelheid of de wijze van prijsvaststelling wordt vermeld;
  8° de inventaris : het opdrachtdocument waarin de prestaties van een opdracht voor leveringen of diensten over verschillende posten worden gefractioneerd en waarbij voor iedere post de hoeveelheid of de wijze van prijsvaststelling wordt vermeld.
  9° de gekwalificeerde elektronische handtekening : de in artikel 3, 12°, van de verordening nr. 910/2014 van het Europees Parlement en de Raad van 23 juli 2014 betreffende elektronische identificatie en vertrouwensdiensten voor elektronische transacties in de interne markt en tot intrekking van Richtlijn 1999/93/EG bedoelde geavanceerde elektronische handtekening die is aangemaakt met een gekwalificeerd middel voor het aanmaken van elektronische handtekeningen en die gebaseerd is op een gekwalificeerd certificaat voor elektronische handtekeningen;
  10° het indieningsrapport : het rapport aangemaakt door het elektronisch platform bedoeld in artikel 14, § 7, van de wet, dat een lijst van de door de kandidaat of de inschrijver toegestuurde documenten omvat in het kader van de plaatsingsprocedure;
  11° het Uniform Europees Aanbestedingsdocument, afgekort het UEA : verklaring op erewoord waarmee ondernemers een voorlopig bewijs overleggen ter vervanging van door overheidsinstanties of derden afgegeven certificaten. Dit document is opgenomen in de Uitvoeringsverordening 2016/7 van de Commissie van 5 januari 2016 houdende een standaardformulier voor het Uniform Europees Aanbestedingsdocument als vermeld in artikel 73, § 1, eerste lid, van de wet;
  12° het kopersprofiel : online op een internetadres geplaatst platform, dat de instrumenten en middelen nodig voor de dematerialisering van plaatsingsprocedures centraliseert en deze ter beschikking stelt van de ondernemers, met inbegrip van de in artikel 14, § 7, van de wet bedoelde instrumenten voor de elektronische ontvangst van offertes, aanvragen tot deelneming en plannen en ontwerpen bij prijsvragen, alsook informatie bevat inzake vooraankondigingen, lopende plaatsingsprocedures, voorgenomen aankopen, gegunde overheidsopdrachten, geannuleerde procedures en nuttige algemene informatie, zoals een contactpunt, een telefoon- en faxnummer, een postadres en een e-mailadres;
  13° een opdracht voor diensten in een fraudegevoelige sector : een opdracht voor diensten geplaatst in het kader van de in artikel 35/1 van de wet van 12 april 1965 betreffende de bescherming van het loon der werknemers bedoelde activiteiten die onder het toepassingsgebied vallen van de hoofdelijke aansprakelijkheid voor loonschulden.

  Afdeling 3. - Belasting over de toegevoegde waarde

  Art. 3. Tenzij indien anders wordt vermeld in onderhavig besluit is elk bedrag vermeld in dit besluit een bedrag zonder belasting over de toegevoegde waarde.

  Afdeling 4. - Toepassingsgebied

  Art. 4. § 1. Dit besluit is uitsluitend toepasselijk op de overheidsopdrachten die onder het toepassingsgebied van titel 2 van de wet vallen.
  § 2. De volgende artikelen zijn van toepassing op de overheidsopdrachten voor sociale en andere specifieke diensten opgesomd in bijlage III van de wet :
  1° alleen de artikelen 6 tot 10, 11, 18, 24, 25, 38 tot 50, 54, 57, 59 tot 74, 128 en 129 wanneer de aanbestedende overheid beslist de vereenvoudigde onderhandelingsprocedure met voorafgaande bekendmaking te gebruiken overeenkomstig artikel 89, § 1, eerste lid, 1°, van de wet;
  2° alleen de artikelen 6 tot 8, 10, 11, 18, § 2, 25, 38 tot 50, 54, 57, 59 tot 64, 73, 74, 128 en 129 wanneer de aanbestedende overheid beslist de onderhandelingsprocedure zonder voorafgaande bekendmaking te gebruiken overeenkomstig artikel 89, § 1, eerste lid, 2°, van de wet;
  3° alleen de artikelen 6 tot 10, 11, 18, 24, 25, 38 tot 50, 54, 57, 59 tot 64, 73, 74, 128 en 129 wanneer de aanbestedende overheid beslist de procedure sui generis met voorafgaande bekendmaking te gebruiken overeenkomstig artikel 89, § 1, eerste lid, 4°, van de wet;
  4° alle artikelen die van toepassing zijn op de gekozen plaatsingsprocedure of aankooptechniek wanneer de aanbestedende overheid beslist artikel 89, § 1, eerste lid, 3°, van de wet toe te passen.
  De aanbestedende overheid kan andere bepalingen van dit besluit toepasselijk maken op de overheidsopdrachten inzake sociale en andere specifieke diensten. Daartoe vermeldt zij de bedoelde andere bepalingen in de opdrachtdocumenten.
  § 3. Overeenkomstig artikel 92 van de wet zijn alleen de artikelen 6, 7 en 124 van dit besluit van toepassing op de in hoofdstuk 7 van titel 2 van de wet bedoelde overheidsopdrachten van beperkte waarde.
  § 4. Alleen artikel 125, en de artikelen die door deze bepaling van toepassing worden verklaard, zijn van toepassing op de in artikel 28, § 1, 4°, a) en b), van de wet bedoelde opdrachten tot aanstelling van een advocaat in het kader van een vertegenwoordiging in rechte of ter voorbereiding van een procedure in rechte.

  Art. 5. Een niet-limitatieve lijst van publiekrechtelijke instellingen in de zin van artikel 2, 1°, c, van de wet is opgenomen in bijlage 1 van dit besluit.

  HOOFDSTUK 2. - Raming van het bedrag van de opdracht

  Art. 6. De raming van het bedrag van de opdracht bij het opstarten van de procedure bepaalt de regels die gedurende het hele verloop ervan toepasselijk zijn, voor zover de toepassing van deze regels afhankelijk is van het geraamde waarde van de opdracht of van de verplichte voorafgaande Europese bekendmaking.

  Art. 7. § 1. De geraamde waarde van een opdracht wordt berekend op basis van het totaal te betalen bedrag, zonder belasting over de toegevoegde waarde, zoals geraamd door de aanbestedende overheid. De raming houdt rekening met de duur en de totale waarde van de opdracht en met name met de volgende elementen :
  1° alle vereiste of toegestane opties;
  2° alle percelen;
  3° alle herhalingen als bedoeld in artikel 42, § 1, 2°, van de wet;
  4° alle vaste en voorwaardelijke gedeelten van de opdracht;
  5° alle premies of betalingen waarin de aanbestedende overheid voorziet ten voordele van de kandidaten, deelnemers of inschrijvers;
  6° desgevallend de herzieningsbepalingen;
  7° de verlengingen.
  § 2. Indien een aanbestedende overheid uit afzonderlijke operationele eenheden bestaat, wordt de geraamde totale waarde van de opdrachten van al de operationele eenheden in beschouwing genomen.
  Niettegenstaande het eerste lid kunnen, indien een afzonderlijke operationele eenheid zelfstandig verantwoordelijk is voor haar overheidsopdrachten of bepaalde categorieën daarvan, de waarden op het niveau van elke operationele eenheid worden geraamd.
  § 3. De keuze van de methode voor de berekening van de geraamde waarde van een overheidsopdracht mag niet bedoeld zijn om de opdracht aan de bekendmakingsregels te onttrekken. Een overheidsopdracht mag evenmin worden gesplitst om de opdracht aan de bekendmakingsregels te onttrekken, tenzij objectieve redenen dit rechtvaardigen.
  § 4. De geraamde waarde is geldig op het tijdstip waarop de aankondiging van opdracht wordt verzonden of, in gevallen waarin niet in een dergelijke aankondiging is voorzien, op het tijdstip waarop de plaatsingsprocedure voor de aanbestedende overheid aanvangt, bijvoorbeeld, op het tijdstip waarop de opdrachtdocumenten worden verzonden.
  § 5. Bij de berekening van de waarde van een raamovereenkomst en een dynamisch aankoopsysteem wordt uitgegaan van de geraamde maximale waarde, exclusief belasting over de toegevoegde waarde, van alle voor de totale duur van de raamovereenkomst of het dynamisch aankoopsysteem voorgenomen opdrachten.
  § 6. Bij de berekening van de waarde van een innovatiepartnerschap wordt uitgegaan van de geraamde maximale waarde, exclusief belasting over de toegevoegde waarde, van de onderzoeks- en ontwikkelingsactiviteiten die zullen plaatsvinden in alle fases van het voorgenomen partnerschap, alsmede van de leveringen, diensten of werken die zullen worden ontwikkeld en verworven.
  § 7. In het geval van overheidsopdrachten voor werken worden, bij de berekening van de geraamde waarde, de kost van de werken in aanmerking genomen, alsmede de geraamde totale waarde van de leveringen en diensten die door de aanbestedende overheid ter beschikking van de opdrachtnemer zijn gesteld indien deze nodig zijn voor de uitvoering van de werken.
  § 8. In het geval van overheidsopdrachten voor leveringen of voor diensten die met een zekere regelmaat worden verleend of die bestemd zijn om binnen een bepaalde termijn te worden hernieuwd, wordt voor de berekening van de geraamde waarde van de opdracht de volgende grondslag genomen :
  1° ofwel de totale reële waarde van de tijdens het voorafgaande boekjaar of tijdens de voorafgaande twaalf maanden geplaatste soortgelijke opeenvolgende opdrachten, indien mogelijk gecorrigeerd voor verwachte wijzigingen in hoeveelheid of waarde gedurende de twaalf maanden volgend op de eerste opdracht;
  2° ofwel de totale geraamde waarde van de opeenvolgende opdrachten die geplaatst worden gedurende de twaalf maanden volgend op de eerste levering, of gedurende het boekjaar, indien dit zich over meer dan twaalf maanden uitstrekt.
  § 9. In het geval van overheidsopdrachten voor leveringen die betrekking hebben op leasing, huur, of huurkoop van producten wordt voor de berekening van de geraamde waarde van de opdracht de volgende grondslag genomen :
  1° bij overheidsopdrachten met een bepaalde duur, de totale geraamde waarde voor de gehele looptijd indien deze ten hoogste twaalf maanden bedraagt, dan wel de totale waarde indien de looptijd meer dan twaalf maanden bedraagt, met inbegrip van de geraamde restwaarde;
  2° bij overheidsopdrachten voor onbepaalde duur of waarvan de looptijd niet kan worden bepaald, het maandelijks te betalen bedrag vermenigvuldigd met achtenveertig.
  § 10. De raming van opdrachten voor diensten omvat de totale vergoeding van de dienstverlener.
  Voor de berekening van dit bedrag worden in aanmerking genomen :
  1° verzekeringsdiensten : de te betalen premie en andere vormen van vergoeding;
  2° bankdiensten en andere financiële diensten : te betalen honoraria, provisies en rente, alsmede andere vormen van vergoeding;
  3° opdrachten betreffende een ontwerp : te betalen honoraria, provisies en andere vormen van vergoeding.
  § 11. In het geval van overheidsopdrachten voor diensten waarvoor geen totale prijs is vermeld, wordt voor de berekening van de geraamde waarde van de opdracht de volgende grondslag genomen :
  1° bij opdrachten met een vaste looptijd die gelijk is aan of korter is dan achtenveertig maanden : de totale waarde voor de gehele looptijd;
  2° bij opdrachten voor onbepaalde tijd of waarvan de looptijd langer is dan achtenveertig maanden : de maandelijkse waarde vermenigvuldigd met achtenveertig.

  HOOFDSTUK 3. - Bekendmaking

  Afdeling 1. - Algemene bekendmakingsregels

  Art. 8. § 1. Een opdracht onderworpen aan de Europese bekendmaking wordt bekendgemaakt in het Publicatieblad van de Europese Unie en in het Bulletin der Aanbestedingen.
  De aankondiging in het Bulletin der Aanbestedingen mag geen andere inhoud hebben dan die bekendgemaakt in het Publicatieblad van de Europese Unie. Ze mag niet worden bekendgemaakt vóór de datum van bekendmaking van de aankondiging in het Publicatieblad van de Europese Unie. Niettemin kan de bekendmaking in ieder geval in het Bulletin der Aanbestedingen geschieden indien de aanbestedende overheid niet binnen twee dagen na de bevestiging van de ontvangst van de aankondiging is geïnformeerd over de bekendmaking in het Publicatieblad van de Europese Unie.
  Een opdracht die enkel onderworpen is aan de Belgische bekendmaking wordt bekendgemaakt in het Bulletin der Aanbestedingen. Een aanbestedende overheid kan niettemin eveneens een bekendmaking doen in het Publicatieblad van de Europese Unie van een dergelijke aankondiging van de opdracht, op voorwaarde dat de aankondiging elektronisch gebeurt met inachtneming van het format en de modaliteiten voorzien voor de Europese bekendmaking.
  § 2. Voor de opdrachten die overeenkomstig dit besluit aan de bekendmaking onderworpen zijn, geldt enkel de aankondiging bekendgemaakt in het Bulletin der Aanbestedingen en, in voorkomend geval, in Publicatieblad van de Europese Unie, als een officiële bekendmaking.
  Geen andere bekendmaking of verspreiding mag plaatsvinden vóór de bekendmaking van de aankondiging in het Bulletin der Aanbestedingen en, in voorkomend geval, in het Publicatieblad van de Europese Unie. De bekendmaking of verspreiding mag geen andere inhoud hebben dan deze van de officiële bekendmaking.
  § 3. Onverminderd de artikelen 9, 15, 16, 17, 21 en 22, omvatten de vooraankondigingen, de aankondigingen van de opdracht en deze van gegunde opdracht de inlichtingen vermeld in de bijlagen 3 tot 8 onder de vorm van elektronische standaardformulieren opgemaakt door de Federale Overheidsdienst Beleid en Ondersteuning op basis van de uitvoeringsverordening 2015/1986 van de Europese Commissie van 11 november 2015 tot vaststelling van standaardformulieren voor de bekendmaking van aankondigingen op het gebied van overheidsopdrachten.
  § 4. Voor de toepassing van de bekendmakingsvoorschriften worden elektronische communicatiemiddelen aangewend.

  Art. 9. Wanneer de aanbestedende overheid een officiële bekendmaking wenst te verbeteren of aan te vullen, gaat zij, overeenkomstig dit hoofdstuk, over tot de bekendmaking van een rechtzettingsbericht onder de vorm van een elektronisch standaardformulier opgemaakt door de Federale Overheidsdienst Beleid en Ondersteuning op basis van de uitvoeringsverordening 2015/1986 van de Europese Commissie van 11 november 2015 tot vaststelling van standaardformulieren voor de bekendmaking van aankondigingen op het gebied van overheidsopdrachten.
  Voor de opdrachten waarvan de geraamde waarde gelijk is aan of hoger is dan de drempel voor de Europese bekendmaking wordt, wanneer een rechtzettingsbericht wordt gepubliceerd tussen de zevende en de laatste twee dagen vóór de uiterste datum van ontvangst van de aanvragen tot deelneming of de offertes, de voormelde datum verdaagd met minstens zes dagen. Wanneer een rechtzettingsbericht wordt gepubliceerd in de laatste twee dagen vóór de voormelde uiterste datum wordt deze laatste verdaagd met minstens acht dagen.
  Voor de opdrachten waarvan de geraamde waarde lager is dan de drempel voor de Europese bekendmaking en onverminderd artikel 8, § 1, derde lid, wordt, wanneer een rechtzettingsbericht wordt gepubliceerd in de laatste zes dagen vóór de uiterste datum van ontvangst van de aanvragen tot deelneming of de offerte, de voormelde datum verdaagd met minstens zes dagen.
  Voor de berekening van in dit artikel bedoelde termijnen is Verordening nr. 1182/71 van de Raad van 3 juni 1971 houdende vaststelling van de regels die van toepassing zijn op termijnen, data en aanvangs- en vervaltijden, niet van toepassing.

  Art. 10. De aanbestedende overheid moet in staat zijn het bewijs van de verzending van de aankondiging te kunnen leveren.
  De door het Bureau voor Publicaties van de Europese Unie en door de Federale Overheidsdienst Beleid en Ondersteuning verstrekte bevestiging van de bekendmaking van de verzonden informatie, met vermelding van de datum van de bekendmaking, geldt als bewijs van de bekendmaking van de aankondiging.

  Afdeling 2. - Europese drempels

  Art. 11.De Europese drempelbedragen zijn :
  1° [1 5.548.000 euro]1 voor de overheidsopdrachten voor werken;
  2° [1 144.000 euro]1 voor overheidsopdrachten voor leveringen en voor diensten geplaatst door de federale aanbestedende overheden bedoeld in bijlage 2, deel A, en voor door deze laatste georganiseerde prijsvragen; wat betreft overheidsopdrachten voor leveringen geplaatst door federale aanbestedende overheden die op het gebied van defensie werkzaam zijn, geldt deze drempel alleen voor opdrachten betreffende producten die onder bijlage 2, deel B vallen;
  3° [1 221.000 euro]1 voor overheidsopdrachten voor leveringen en voor diensten geplaatst door aanbestedende overheden die niet onder 2° vallen en voor door deze overheden georganiseerde prijsvragen; deze drempel is ook van toepassing op overheidsopdrachten voor leveringen die betrekking hebben op producten welke niet onder bijlage 2, deel B vallen en geplaatst zijn door federale aanbestedende overheden die op het gebied van defensie werkzaam zijn;
  4° 750.000 euro voor de overheidsopdrachten voor diensten die betrekking hebben op sociale en andere specifieke diensten zoals bedoeld in hoofdstuk 6 van de wet.
  De in het eerste lid, 1°, 2° en 3°, bedoelde bedragen worden door de bevoegde minister aangepast op basis van de herzieningen bedoeld in artikel 19, tweede lid, van de wet.
  ----------
  (1)<MB 2017-12-21/02, art. 2, 002; Inwerkingtreding : 01-01-2018>

  Art. 12. Niettegenstaande artikel 7, § 1, mag de aanbestedende overheid wanneer werken, homogene leveringen of diensten de drempels vermeld in artikel 11 bereiken en in percelen worden verdeeld, van de toepassing van de Europese bekendmaking afwijken voor percelen waarvan het individuele geraamde bedrag, kleiner is dan 1.000.000 euro voor werken, respectievelijk 80.000 euro voor leveringen en diensten, voor zover hun samengevoegde geraamde waarde twintig procent van de geraamde waarde van het geheel van de percelen niet overschrijdt. De bepalingen van de Belgische bekendmaking zijn in dat geval van toepassing op de percelen in kwestie.

  Afdeling 3. - Europese bekendmaking

  Art. 13. Deze afdeling is van toepassing op de opdrachten waarvan de geraamde waarde gelijk is aan of hoger dan de drempels voor de Europese bekendmaking vermeld in artikel 11.

  Onderafdeling 1. - Algemene regels

  Art. 14. De Europese bekendmaking bestaat uit een aankondiging van opdracht, een aankondiging van gegunde opdracht en desgevallend een vooraankondiging.

  Art. 15. § 1. Overeenkomstig artikel 60 van de wet, kan de aanbestedende overheid haar voornemens met betrekking tot de te plaatsen overheidsopdrachten te kennen geven door een vooraankondiging te publiceren. Deze vooraankondiging omvat de inlichtingen vermeld in bijlage 3, deel B, en wordt bekendgemaakt op één van de volgende wijzen :
  1° door het Bulletin der Aanbestedingen en het Publicatieblad van de Europese Unie; of
  2° door de aanbestedende overheid via haar kopersprofiel.
  Wanneer de aanbestedende overheid van de in het eerste lid, onder 2°, vermelde mogelijkheid gebruik wenst te maken, zendt zij een "aankondiging van bekendmaking van een vooraankondiging via een kopersprofiel" naar het Bulletin der Aanbestedingen en het Bureau voor Publicaties van de Europese Unie dat de in bijlage 3, deel A, omschreven informatie bevat. Deze vooraankondiging mag niet via het kopersprofiel worden bekendgemaakt voordat de "Aankondiging van bekendmaking van een vooraankondiging via een kopersprofiel" is verzonden. De vooraankondiging op het kopersprofiel vermeldt de datum van deze verzending.
  § 2. De bekendmaking van een vooraankondiging is slechts verplicht wanneer de aanbestedende overheid gebruik wil maken van de mogelijkheid om de termijn voor de ontvangst van de offertes overeenkomstig de artikelen 36, § 2, 37, § 3 en 38, § 3, laatste lid, van de wet in te korten.
  De vooraankondiging wordt zo spoedig mogelijk bekendgemaakt bij het begin van het begrotingsjaar of, voor werken, nadat de beslissing is genomen tot goedkeuring van het programma voor de opdrachten voor werken die de aanbestedende overheid voornemens is te plaatsen.

  Art. 16. Overeenkomstig artikel 61 van de wet en onder voorbehoud van de erin bepaalde uitzonderingen, maakt een opdracht het voorwerp uit van een aankondiging van opdracht die de inlichtingen bevat die zijn vermeld in bijlage 4.

  Art. 17. Overeenkomstig artikel 62 van de wet maakt iedere opdracht die is gesloten, ook na een onderhandelingsprocedure zonder voorafgaande bekendmaking, het voorwerp uit van een aankondiging van gegunde opdracht.
  Deze aankondiging bevat de inlichtingen vermeld in bijlage 5.

  Onderafdeling 2. - Sociale en andere specifieke diensten

  Art. 18. § 1. Overeenkomstig artikel 90, §§ 1 en 2, van de wet, maakt de aanbestedende overheid die een overheidsopdracht wil plaatsen voor de in bijlage III van de wet opgesomde sociale en andere specifieke diensten, haar intentie daartoe kenbaar met behulp van één van de volgende middelen :
  1° een aankondiging van de opdracht die de inlichtingen bedoeld in de bijlage 7, deel B, bevat of
  2° een vooraankondiging, die op voortdurende wijze wordt bekendgemaakt en die de inlichtingen bedoeld in de bijlage 7, deel A, bevat.
  Overeenkomstig artikel 89, § 1, 2°, van de wet is de onderhavige paragraaf niet van toepassing in de in artikel 42, § 1, 1°, b), c) en d), 2°, 3°, 4° en 5°, van de wet bedoelde uitzonderingsgevallen, waarbij gebruik wordt gemaakt van de onderhandelingsprocedure zonder voorafgaande bekendmaking.
  § 2. Overeenkomstig artikel 90, § 3, van de wet, maakt het resultaat van een plaatsingsprocedure van een overheidsopdracht voor de in bijlage III van de wet opgesomde sociale en andere specifieke diensten, het voorwerp uit van een aankondiging van gegunde opdracht die de inlichtingen bedoeld in de bijlage 7, deel C omvat.

  Afdeling 4. - Belgische bekendmaking

  Art. 19. Deze afdeling is van toepassing op de opdrachten waarvan de geraamde waarde lager ligt dan de drempels voor de Europese bekendmaking vermeld in artikel 11 en die onderworpen zijn aan de Belgische bekendmaking.

  Onderafdeling 1. - Algemene regels

  Art. 20. De Belgische bekendmaking bestaat uit een aankondiging van de opdracht en, desgevallend, een vooraankondiging.

  Art. 21. Overeenkomstig artikel 60 van de wet, kan de aanbestedende overheid haar intenties inzake de plaatsing van opdrachten kenbaar maken door middel van de bekendmaking van een vooraankondiging. Deze vooraankondiging omvat de inlichtingen vermeld in bijlage 3.
  De bekendmaking van een vooraankondiging is slechts verplicht wanneer de aanbestedende overheid gebruik wil maken van de mogelijkheid om de termijn voor de ontvangst van offertes overeenkomstig de artikelen 36, § 2 en 37, § 3, van de wet in te korten.
  Indien de aanbestedende overheid beslist een vooraankondiging bekend te maken, gebeurt dit zo vroeg mogelijk na de aanvang van het begrotingsjaar of, wat de werken betreft, na de beslissing die het programma goedkeurt waarin de overheidsopdrachten voor werken die de aanbestedende overheid wenst te plaatsen, zijn ingeschreven.

  Art. 22. Overeenkomstig artikel 61 van de wet en onder voorbehoud van de erin bepaalde uitzonderingen, maakt een opdracht het voorwerp uit van een aankondiging van opdracht die de inlichtingen omvat opgenomen in bijlage 4.

  Art. 23. § 1. Bij niet-openbare procedure of mededingingsprocedure met onderhandeling kan de aankondiging bedoeld in artikel 22 betrekking hebben op de instelling van een kwalificatiesysteem overeenkomstig paragraaf 2. Dit systeem is uitsluitend bestemd voor het plaatsen van gelijkaardige opdrachten.
  § 2. Voor de instelling van een kwalificatiesysteem maakt de aanbestedende overheid een aankondiging bekend en gebruikt daartoe het formulier opgemaakt door de Federale Overheidsdienst Beleid en Ondersteuning, dat ten minste onderstaande inlichtingen omvat :
  1° de naam, het adres en het type van de aanbestedende overheid;
  2° het soort opdracht, het voorwerp en de beschrijving ervan, de NUTS-code, bedoeld in bijlage 12 en de categorie van het hoofdvoorwerp volgens de CPV-code.
  De aankondiging wordt jaarlijks bekendgemaakt, alsook na iedere actualisering bedoeld in het volgende lid.
  De belangstellende ondernemers kunnen op ieder ogenblik vragen om te worden opgenomen in elk door een aanbestedende overheid ingesteld kwalificatiesysteem. De aanbestedende overheid beheert ieder kwalificatiesysteem op basis van regels en criteria, die ze vastlegt overeenkomstig de bepalingen van titel 2, hoofdstuk 4, afdeling 3, van de wet en de bepalingen van hoofdstuk 12 van titel 1 van dit besluit en meedeelt aan de ondernemers die erom verzoeken. Zo nodig zorgt ze regelmatig voor een actualisering van deze regels en criteria.
  Het beheer van het kwalificatiesysteem voldoet aan de volgende voorwaarden :
  1° de aanbestedende overheid kan aan bepaalde aanvragers geen administratieve, technische of financiële voorwaarden opleggen die ze niet aan anderen zou opleggen, noch een beproeving of verantwoording eisen indien daarvoor al objectieve bewijzen voorhanden zijn;
  2° de regels en criteria van titel 2, hoofdstuk 4, afdeling 3, van de wet en van hoofdstuk 12 van titel 1 van dit besluit, alsook de daartoe gevraagde inlichtingen en documenten worden aan de belangstellende ondernemers meegedeeld, ook na een eventuele actualisering van deze gegevens;
  3° de aanbestedende overheid neemt haar beslissing over de kwalificatie binnen een termijn van vier maanden vanaf de indiening van de aanvraag;
  4° de gemotiveerde beslissing tot goedkeuring of tot afwijzing van een aanvraag tot kwalificatie berust op de in 2° bedoelde kwalificatiecriteria en -regels en wordt onmiddellijk aan de aanvrager meegedeeld;
  5° een opheffing van de kwalificatie berust op de in 2° bedoelde kwalificatiecriteria en -regels. De gemotiveerde intentie tot opheffing van de kwalificatie wordt vooraf schriftelijk meegedeeld aan de betrokkene, die binnen vijftien dagen een schriftelijk verweer kan indienen, waarna een beslissing wordt genomen.
  Vóór het uitnodiging tot het indienen van een offerte en rekening houdend met het voorwerp en de specifieke kenmerken van een bepaalde opdracht en met het aantal gekwalificeerde kandidaten, kan de aanbestedende overheid overgaan tot een selectie onder de gekwalificeerde kandidaten op grond van de artikelen 65 tot 72.
  De plaatsingsprocedure wordt ten laatste bepaald op het ogenblik van de uitnodiging tot het indienen van een offerte aan de gekwalificeerde kandidaten.

  Onderafdeling 2. - Sociale en andere specifieke diensten

  Art. 24. Onverminderd artikel 90 van de wet, maakt de aanbestedende overheid die een overheidsopdracht wil plaatsen voor de in bijlage III van de wet opgesomde sociale en andere specifieke diensten, haar intentie daartoe kenbaar met behulp van één van de volgende middelen :
  1° een aankondiging van de opdracht die de inlichtingen bedoeld in de bijlage 7, deel B, bevat; of
  2° een vooraankondiging, die op voortdurende wijze wordt bekendgemaakt en die de inlichtingen bedoeld in de bijlage 7, deel A, bevat.
  Dit artikel is echter niet van toepassing ingeval van een onderhandelingsprocedure zonder voorafgaande bekendmaking.

  HOOFDSTUK 4. - Prijsvaststelling en prijsbestanddelen

  Art. 25. De prijzen worden in de offerte in euro uitgedrukt. Het totale offertebedrag wordt voluit geschreven. Hetzelfde geldt voor de eenheidsprijzen, wanneer de opdrachtdocumenten dit opleggen.

  Art. 26. De prijs van de opdracht wordt bepaald volgens één van de prijsvaststellingen vermeld in artikel 2, 3° tot 6°.
  In de gevallen waarin artikel 9, tweede lid, van de wet de plaatsing van de opdracht zonder forfaitaire prijsvaststelling toestaat, wordt de opdracht gegund :
  1° hetzij tegen terugbetaling;
  2° hetzij deels tegen terugbetaling, deels tegen forfaitaire prijs.

  Art. 27. De inschrijver wordt geacht zijn offertebedrag te hebben vastgesteld volgens zijn eigen bewerkingen, berekeningen en ramingen, rekening houdend met de inhoud en de omvang van de opdracht.

  Art. 28. De eenheidsprijzen en de globale prijzen voor iedere post van de samenvattende opmeting of van de inventaris worden opgegeven met inachtneming van de betrekkelijke waarde van die posten ten opzichte van het totale offertebedrag. Alle algemene en financiële kosten alsmede de winst worden, in verhouding tot hun belangrijkheid, verdeeld over de onderscheiden posten.

  Art. 29.Behoudens andersluidende bepaling in de opdrachtdocumenten zijn inbegrepen in de eenheidsprijzen en de globale prijzen van de opdracht alle heffingen welke de opdracht belasten, met uitzondering van de belasting over de toegevoegde waarde.
  Wat de belasting over de toegevoegde waarde betreft, schrijft de aanbestedende overheid voor :
  1° hetzij dat zij in een afzonderlijke post van de samenvattende opmeting of van de inventaris wordt vermeld om bij de prijs van de offerte te worden gevoegd. Indien de inschrijver verzuimt deze post in te vullen, wordt de geboden prijs door de aanbestedende overheid met deze belasting verhoogd;
  2° hetzij dat de inschrijver verplicht is in de offerte de aanslagvoet van de belasting over de toegevoegde waarde te vermelden. Indien verschillende aanslagvoeten toepasselijk zijn, dient de inschrijver voor elke aanslagvoet de desbetreffende posten van de samenvattende opmeting of van de inventaris op te geven.
  [1 Wanneer de belasting over de toegevoegde waarde een kost met zich meebrengt voor de aanbestedende overheid, gebeurt de evaluatie van de offertebedragen met inbegrip van de belasting over de toegevoegde waarde.]1
  ----------
  (1)<KB 2018-04-15/01, art. 31, 003; Inwerkingtreding : 28-04-2018>

  Art. 30. § 1. Indien de aanbestedende overheid zelf een volledige beschrijving van het geheel of een deel van de opdracht geeft, zijn de aankoopprijs en de verschuldigde vergoedingen voor de gebruikslicenties van de bestaande intellectuele eigendomsrechten die nodig zijn voor de uitvoering van de opdracht en door de aanbestedende overheid kenbaar worden gemaakt, inbegrepen in de eenheidsprijzen of de globale prijzen van de opdracht.
  Indien de aanbestedende overheid geen melding maakt van het bestaan van een intellectueel eigendomsrecht of van een gebruikslicentie, vallen de aankoopprijs en de vergoedingen te haren laste. In dat geval is ze ook aansprakelijk voor eventuele schadevergoedingen gevorderd door de titularis van het intellectuele eigendomsrecht of de licentiehouder.
  § 2. Wanneer de opdrachtdocumenten de inschrijvers verplichten om zelf de beschrijving van het geheel of een deel van de opdrachtprestaties te geven, zijn de vergoedingen verschuldigd aan de inschrijvers voor het gebruik, in dit kader, van een intellectueel eigendomsrecht waarvan ze titularis zijn of waarvoor ze van een derde een gebruikslicentie moeten verkrijgen voor het geheel of een deel van die prestaties, inbegrepen in de eenheidsprijzen en de globale prijzen van de opdracht. In voorkomend geval vermelden zij in hun offerte het nummer en de datum van de registratie van de eventuele gebruikslicentie. In geen geval zijn zij gerechtigd om van de aanbestedende overheid schadevergoeding te eisen op grond van de schending van de intellectuele eigendomsrechten in kwestie.

  Art. 31. De opleveringskosten, met inbegrip van de keuringskosten, zijn inbegrepen in de eenheidsprijzen en globale prijzen van de opdrachten op voorwaarde dat de opdrachtdocumenten de wijze bepalen waarop deze kosten zullen worden berekend.
  De keurings- en opleveringskosten omvatten onder meer de reis- en verblijfskosten en de vergoeding van het met de keuring of oplevering belaste personeel.

  Art. 32.§ 1. Behoudens andersluidende bepaling in de opdrachtdocumenten zijn inbegrepen in de eenheidsprijzen en globale prijzen van de opdrachten voor werken, alle kosten, maatregelen en lasten die inherent zijn aan de uitvoering van de opdracht, met name :
  1° in voorkomend geval, de maatregelen opgelegd door de regelgeving inzake veiligheid en gezondheid van de werknemers bij de uitvoering van hun werk;
  2° alle werken en leveringen die nodig zijn om de grondafkalvingen en andere beschadigingen te voorkomen en eventueel te verhelpen zoals stempelingen, beschoeiingen en bemalingen;
  3° het ongeschonden bewaren en het eventueel verplaatsen en terugplaatsen van kabels en leidingen waarop bij grond-, graaf- of baggerwerken kan worden gestuit, voor zover de wettelijke last hiervoor niet op de eigenaars van die kabels en leidingen rust;
  4° het verwijderen binnen de grenzen van de grond-, graaf- of baggerwerken die eventueel noodzakelijk zijn voor de uitvoering van het werk :
  a) van grond, slijk en kiezel, stenen, breukstenen, allerlei gesteente, overblijfselen van metselwerk, zoden, beplantingen, struiken, stronken, wortels, kreupelhout, puin en afval;
  b) van ieder rotsblok, ongeacht zijn volume, wanneer de opdrachtdocumenten vermelden dat de grond-, graaf, of baggerwerken worden uitgevoerd in rotsachtig terrein en, bij gebrek aan deze vermelding, van ieder uit één stuk bestaand rotsblok, metselwerk of betonblok waarvan het volume een halve kubieke meter niet overschrijdt;
  5° het vervoeren en wegbrengen van graafspecie hetzij buiten het domein van de aanbestedende overheid, hetzij naar de plaatsen voor hergebruik binnen de grenzen van de bouwplaatsen, hetzij naar de stortplaatsen waarin de opdrachtdocumenten voorzien;
  6° alle algemene, bijkomende en onderhoudskosten gedurende de uitvoerings- en waarborgtermijn.
  Zijn eveneens inbegrepen in de prijs van de opdracht, alle werkzaamheden die uit hun aard afhangen van of samenhangen met deze die in de opdrachtdocumenten zijn beschreven.
  § 2. Behoudens andersluidende bepaling in de opdrachtdocumenten zijn inbegrepen in de eenheidsprijzen en globale prijzen van de opdrachten voor leveringen, alle kosten, [1 maatregelen en lasten]1 die inherent zijn aan de uitvoering van de opdracht, met name :
  1° de verpakkingen, behalve wanneer ze eigendom blijven van de inschrijver en het laden, de overslag, het overladen, het vervoer, de verzekering en het inklaren;
  2° het lossen, uitpakken en stapelen op de plaats van levering, op voorwaarde dat de opdrachtdocumenten de juiste plaats van levering en de toegangsmogelijkheden vermelden;
  3° de documentatie die met de levering verband houdt;
  4° het monteren en het bedrijfsklaar maken;
  5° de voor het gebruik noodzakelijke vorming.
  § 3. Behoudens andersluidende bepaling in de opdrachtdocumenten zijn inbegrepen in de eenheidsprijzen en globale prijzen van de opdracht voor diensten, alle kosten, [1 maatregelen en lasten]1 die inherent zijn aan de uitvoering van de opdracht, met name :
  1° de administratie en het secretariaat;
  2° de verplaatsing, het vervoer en de verzekering;
  3° de documentatie die met de diensten verband houdt;
  4° de levering van documenten of stukken die inherent zijn aan de uitvoering;
  5° de verpakkingen;
  6° de voor het gebruik noodzakelijke vorming;
  7° in voorkomend geval, de maatregelen die door de wetgeving inzake de veiligheid en de gezondheid van de werknemers worden opgelegd voor de uitvoering van hun werk.
  ----------
  (1)<KB 2018-04-15/01, art. 32, 003; Inwerkingtreding : 28-04-2018>

  HOOFDSTUK 5. - Verbetering van fouten en nazicht van prijzen of kosten

  Art. 33. Na de verbetering van de offertes overeenkomstig artikel 34, gaat de aanbestedende overheid over tot het prijs- of kostenonderzoek overeenkomstig artikel 35 en, in geval van vermoeden van abnormaal hoge of lage prijzen of kosten, gaat zij over tot de in artikel 36 bedoelde prijzen- of kostenbevraging.

  Art. 34. § 1. De aanbestedende overheid verbetert de offertes in functie van de door haar of een inschrijver vastgestelde rekenfouten en zuiver materiële fouten in de opdrachtdocumenten.
  § 2. De aanbestedende overheid verbetert de rekenfouten en zuiver materiële fouten in de offertes, zonder aansprakelijk te zijn voor de niet ontdekte fouten.
  Ten einde de rekenfouten en de zuiver materiële fouten die door haar vastgesteld worden in de offertes te verbeteren, gaat de aanbestedende overheid de werkelijke bedoeling na van de inschrijver via een globale analyse van de offerte en door deze te vergelijken met de andere offertes en met de marktprijzen. Indien deze bedoeling, na analyse van de offerte, niet voldoende duidelijk is, kan de aanbestedende overheid de inschrijver, binnen een door haar gestelde termijn, uitnodigen om de inhoud van zijn offerte te verduidelijken zonder haar te wijzigen en te vervolledigen en dit zonder afbreuk te doen aan de mogelijkheid om te onderhandelen indien de procedure zulks toelaat.
  Als er in dit laatste geval geen toelichting gegeven is of de toelichting niet aanvaardbaar is voor de aanbestedende overheid, verbetert ze de fouten naar eigen bevindingen. Mocht dit niet mogelijk zijn, dan kan de aanbestedende overheid hetzij beslissen dat de opgegeven eenheidsprijzen van toepassing zijn, hetzij de offerte als onregelmatig weren.
  § 3. Indien de aanbestedende overheid rechtstreeks fouten verbetert in de offertes, bewaart zij de oorspronkelijke versie van die offertes en ziet zij erop toe dat haar rechtzettingen duidelijk identificeerbaar zijn, terwijl ook de oorspronkelijke gegevens zichtbaar blijven.

  Art. 35. De aanbestedende overheid onderwerpt de ingediende offertes aan een prijs-of kostenonderzoek. Daartoe kan de aanbestedende overheid, overeenkomstig artikel 84, tweede lid, van de wet, de inschrijvers verzoeken alle nodige inlichtingen te verstrekken.

  Art. 36. § 1. Indien uit het prijs- of kostenonderzoek overeenkomstig artikel 35 blijkt dat er prijzen of kosten worden aangeboden die abnormaal laag of hoog lijken, voert de aanbestedende overheid een bevraging van deze laatste uit. Wanneer gebruik wordt gemaakt van de mededingingsprocedure met onderhandeling, de vereenvoudigde onderhandelingsprocedure met voorafgaande bekendmaking en de onderhandelingsprocedure zonder voorafgaande bekendmaking, wordt de bevraging uitgevoerd op de laatst ingediende offertes. Dit belet niet dat de aanbestedende overheid deze bevraging reeds kan verrichten in een vroeger stadium van de procedure.
  § 2. Bij de prijzen- of kostenbevraging verzoekt de aanbestedende overheid de inschrijver om de nodige schriftelijke verantwoording over de samenstelling van de abnormaal geachte prijs of kost te verstrekken binnen een termijn van twaalf dagen, tenzij de uitnodiging een langere termijn bepaalt. Wanneer echter gebruik wordt gemaakt van de onderhandelingsprocedure zonder voorafgaande bekendmaking, kan de aanbestedende overheid, mits uitdrukkelijk gemotiveerde bepaling in de opdrachtdocumenten, in een kortere termijn voorzien.
  De inschrijver draagt de bewijslast van de verzending van de verantwoording.
  De verantwoording houdt met name verband met :
  1° de doelmatigheid van het bouwproces, van het productieproces van de producten of van de dienstverlening;
  2° de gekozen technische oplossingen of de uitzonderlijk gunstige omstandigheden waarvan de inschrijver kan profiteren bij de uitvoering van de werken, de levering van de producten of het verlenen van de diensten;
  3° de originaliteit van de door de inschrijver aangeboden werken, producten of diensten;
  4° de eventuele ontvangst van rechtmatig toegekende overheidssteun door de inschrijver.
  In het kader van de in het eerste lid bedoelde prijzen- of kostenbevraging verzoekt de aanbestedende overheid de inschrijver om de schriftelijke verantwoordingen over te maken inzake de eerbiediging van de verplichtingen bedoeld in artikel 7, eerste lid, van de wet, die van toepassing zijn in de domeinen van het sociaal, arbeids- en milieurecht, met inbegrip van de verplichtingen die van toepassing zijn op het vlak van welzijn, lonen en sociale zekerheid.
  De aanbestedende overheid is er echter niet toe gehouden om verantwoordingen te vragen voor prijzen voor verwaarloosbare posten.
  Zo nodig ondervraagt de aanbestedende overheid de inschrijver opnieuw. Dit gebeurt schriftelijk. In dit geval kan de termijn van twaalf dagen worden ingekort.
  § 3. De aanbestedende overheid beoordeelt de ontvangen verantwoordingen en :
  1° stelt ofwel vast dat het bedrag van een of meer niet-verwaarloosbare posten een abnormaal karakter vertoont en weert de offerte omwille van de substantiële onregelmatigheid waarmee deze behept is;
  2° ofwel, stelt vast dat het totale offertebedrag een abnormaal karakter vertoont en weert de offerte omwille van de substantiële onregelmatigheid waarmee deze behept is;
  3° ofwel, motiveert in de gunningsbeslissing dat het totale offertebedrag geen abnormaal karakter vertoont.
  De aanbestedende overheid wijst de offerte eveneens af wanneer zij heeft vastgesteld dat het totale offertebedrag abnormaal laag is omdat de offerte niet voldoet aan de in artikel 7, eerste lid, van de wet, bedoelde verplichtingen op het gebied van het milieu-, sociaal- of arbeidsrecht omwille van de substantiële onregelmatigheid waarmee deze behept is. Wanneer de offerte niet voldoet aan de verplichtingen op het gebied van het federaal sociaal- of het arbeidsrecht, deelt de aanbestedende overheid dit mee overeenkomstig paragraaf 5, tweede lid.
  In het kader van beoordeling kan de aanbestedende overheid ook rekening houden met inlichtingen die niet afkomstig zijn van de inschrijver. Deze gegevens worden voorgelegd aan de inschrijver teneinde hem de kans te geven hierop te reageren.
  Wanneer een aanbestedende overheid vaststelt dat een offerte abnormaal laag lijkt ten gevolge van door de inschrijver verkregen overheidssteun, kan de offerte alleen op die grond worden afgewezen na overleg met de inschrijver en deze niet binnen een door de aanbestedende overheid gestelde toereikende termijn kan aantonen dat de betrokken steun verenigbaar is met de interne markt, in de zin van artikel 107 van het Verdrag betreffende de Werking van de Europese Unie. Wanneer de aanbestedende overheid in een dergelijke situatie een offerte afwijst, deelt zij dit mee overeenkomstig paragraaf 5, derde lid. Onderhavig lid is enkel van toepassing voor de opdrachten waarvan het geraamd bedrag gelijk is aan of hoger dan de drempels voor de Europese bekendmaking.
  § 4. Als bij een opdracht voor werken of voor een opdracht voor diensten in een fraudegevoelige sector, geplaatst bij openbare of niet-openbare procedure de economisch meest voordelige offerte enkel geëvalueerd wordt op basis van de prijs, en voor zover minstens vier offertes in aanmerking genomen werden overeenkomstig de derde en vierde leden, voert de aanbestedende overheid een prijzen- of kostenbevraging uit overeenkomstig de paragrafen 2 en 3, voor elke offerte waarvan het totale offertebedrag minstens vijftien procent onder het gemiddelde bedrag van de door de inschrijvers ingediende offertes ligt. Hetzelfde geldt voor de opdrachten voor werken en voor de opdrachten voor diensten in een fraudegevoelige sector, geplaatst bij openbare of niet-openbare procedure wanneer de economisch meest voordelige offerte geëvalueerd wordt op basis van de beste prijs-kwaliteitsverhouding waarbij het prijscriterium ten minste vijftig procent uitmaakt van het totaal gewicht van de gunningscriteria. In dit laatste geval kan de aanbestedende overheid echter in de opdrachtdocumenten een hoger percentage voorzien dan vijftien procent.
  Het gemiddelde van de bedragen wordt als volgt berekend :
  1° indien het aantal offertes gelijk is aan of groter dan zeven, door zowel de laagste offerte uit te sluiten als de hoogste offertes die samen een vierde van het aantal ingediende offertes vormen. Indien dit aantal niet deelbaar is door vier, wordt het vierde naar de hogere eenheid afgerond;
  2° indien het aantal offertes lager ligt dan zeven, door de laagste en de hoogste offerte uit te sluiten.
  De berekening van het gemiddelde van de bedragen is gebaseerd op alle offertes van de geselecteerde inschrijvers. Wat de openbare procedure betreft mag deze berekening eveneens gebeuren op basis van de offertes van de voorlopig geselecteerde inschrijvers overeenkomstig artikel 75.
  In het kader van deze berekening kan de aanbestedende overheid echter beslissen om geen rekening te houden met de manifest onregelmatige offertes.
  De opdrachtdocumenten kunnen deze paragraaf toepasselijk maken voor opdrachten voor leveringen of opdrachten voor andere diensten dan deze bedoeld in artikel 2, 13°, geplaatst bij openbare of niet-openbare procedure en waarbij de economisch meest voordelige offerte enkel geëvalueerd wordt op basis van de prijs.
  § 5. Wanneer de offerte in het kader van een overheidsopdracht voor werken, leveringen of diensten wordt geweerd op basis van een abnormale prijs dan wel kost, deelt de aanbestedende overheid dat onverwijld mee aan de Auditeur-generaal van de Belgische Mededingingsautoriteit. Deze mededeling bevat minstens de volgende inlichtingen : de identificatiegegevens van de betreffende inschrijvers, het voorwerp van de opdracht, alsook de abnormaal hoge of lage prijs dan wel kost.
  Wanneer de offerte in het kader van een overheidsopdracht voor werken, leveringen of diensten wordt geweerd omwille van de vaststelling dat deze abnormaal laag is omdat zij niet voldoet aan de in artikel 7, eerste lid, van de wet, bedoelde verplichtingen op het gebied van het federaal sociaal- of het arbeidsrecht, deelt de aanbestedende overheid dit onverwijld mee aan de Sociale inlichtingen- en opsporingsdienst, met opgave van de in het eerste lid bedoelde inlichtingen.
  Wanneer de offerte in het kader van een overheidsopdracht voor werken, leveringen of diensten wordt geweerd omwille van de vaststelling dat deze abnormaal laag is ingevolge niet met de interne markt verenigbare overheidssteun, stelt de aanbestedende overheid de Europese Commissie daarvan onverwijld in kennis. Een kopij van deze kennisgeving wordt eveneens onverwijld doorgestuurd naar het in artikel 163, § 2, van de wet, bedoelde aanspreekpunt.
  Wanneer een offerte in het kader van een overheidsopdracht voor werken wordt geweerd op basis van een abnormaal lage prijs dan wel kost, wordt ook de Commissie voor de erkenning van aannemers onverwijld daarvan op de hoogte gebracht.
  § 6. Behoudens andersluidende bepaling in de opdrachtdocumenten is het onderhavige artikel niet toepasselijk op de mededingingsprocedure met onderhandeling, noch op de vereenvoudigde onderhandelingsprocedure met voorafgaande bekendmaking, noch op de onderhandelingsprocedure zonder voorafgaande bekendmaking, voor zover het een opdracht voor leveringen of diensten betreft waarvan de geraamde waarde lager is dan de drempels voor de Europese bekendmaking dan wel een opdracht voor werken waarvan de geraamde waarde lager is dan 500.000 euro.

  Art. 37. De aanbestedende overheid kan personen aanwijzen voor het uitvoeren van alle verificaties van de boekhoudkundige stukken en alle onderzoeken ter plaatse, teneinde de juistheid na te gaan van de gegevens verstrekt in het kader van het in de artikelen 35 of 36 bedoelde onderzoek of bevraging.
  De aanbestedende overheid mag de aldus ingewonnen inlichtingen voor andere doeleinden gebruiken dan voor het onderzoek van de prijzen of kosten in de loop van de betrokken plaatsingsprocedure. Zij mag deze inlichtingen zo nodig ook gebruiken tijdens de uitvoeringsfase van de betrokken opdracht.

  HOOFDSTUK 6. - Het Uniform Europees Aanbestedingsdocument (UEA) en de impliciete verklaring op erewoord

  Art. 38. § 1. Op het ogenblik van de indiening van de aanvragen tot deelneming en/of van de offertes leggen de kandidaten of inschrijvers, overeenkomstig artikel 73 van de wet, het UEA voor, tenzij in de gevallen waarbij gebruik wordt gemaakt van de onderhandelingsprocedure zonder voorafgaande bekendmaking in de in artikel 42, § 1, 1°, b) en d), 2°, 3°, 4°, b), en c), van de wet, bedoelde gevallen.
  De aanbestedende overheid verschaft in de aankondiging van opdracht of in de opdrachtdocumenten waarnaar deze aankondiging verwijst de richtsnoeren die toelaten het UEA in te vullen. Met name geeft hij aan welke de werkwijze is overeenkomstig paragraaf 2.
  Wanneer gebruik wordt gemaakt van de onderhandelingsprocedure zonder voorafgaande bekendmaking en het UEA moet worden ingevuld, geeft de aanbestedende overheid, in afwijking van het tweede lid, de betreffende richtsnoeren aan in een ander opdrachtdocument.
  § 2. Wat deel IV van het UEA betreft, kan de aanbestedende overheid naar keuze beslissen :
  1° om de ondernemers te verzoeken om precieze inlichtingen op te geven door middel van het invullen van de afdelingen A tot D; of
  2° de gevraagde inlichtingen beperken tot de vraag of de ondernemer al dan niet voldoet aan de voorgeschreven selectiecriteria, overeenkomstig de afdeling "Algemene aanwijzing voor alle selectiecriteria". In dat geval moet alleen deze afdeling ingevuld worden.
  Voor de in bijlage III van de wet opgesomde sociale en andere specifieke diensten, moet de aanbestedende overheid echter steeds de mogelijkheid geven aan de ondernemer om op globale wijze kenbaar te maken dat hij voldoet aan de voorgeschreven selectiecriteria, overeenkomstig het eerste lid, 2°.
  § 3. Het onderhavige artikel is slechts van toepassing op de opdrachten waarvan de geraamde waarde gelijk is aan of hoger is dan de drempel voor de Europese bekendmaking.

  Art. 39.§ 1. Onverminderd artikel 73, §§ 3 en 4, van de wet, vormt het loutere feit van de indiening van de aanvraag tot deelneming of van de offerte, voor de opdrachten waarvan het geraamd bedrag lager is dan de drempels voor de Europese bekendmaking, de impliciete verklaring op erewoord van de kandidaat of van de inschrijver dat hij zich niet bevindt in één van de uitsluitingsgevallen bedoeld in de artikelen 67 tot 69 van de wet. Hetzelfde geldt voor de opdrachten waarvan de geraamde waarde gelijk is aan of hoger is dan de voormelde drempel en die worden geplaatst bij een onderhandelingsprocedure zonder voorafgaande bekendmaking in de in artikel 42, § 1, 1°, b) en d), 2°, 3°, 4°, b), en c), van de wet, bedoelde gevallen.
  Wanneer de in het eerste lid bedoelde kandidaat of inschrijver zich in een uitsluitingsgeval bevindt en corrigerende maatregelen doet gelden overeenkomstig artikel 70 van de wet, slaat de impliciete verklaring op erewoord niet op elementen die verband houden met de betreffende uitsluitingsgrond. In dat geval legt hij de schriftelijke beschrijving van de genomen maatregelen voor.
  Behoudens andersluidende bepaling in de opdrachtdocumenten, geldt de toepassing van de in het eerste lid bedoelde impliciete verklaring enkel in zoverre de documenten of certificaten betreffende de uitsluitingsgevallen voor de aanbestedende overheid kosteloos toegankelijk zijn via de in artikel 73, § 4, van de wet bedoelde databanken. Voor de elementen die niet vallen onder de impliciete verklaring moeten de ondersteunende documenten en certificaten waaruit blijkt dat de ondernemer zich niet bevindt in een uitsluitingssituatie [1 vóór de limietdatum en het limietuur]1 voor de indiening van de aanvragen tot deelneming of de offertes worden voorgelegd.
  Voor de opdracht waarvan de geraamde waarde lager is dan de drempel voor de Europese bekendmaking, mag de aanbestedende overheid de kandidaat of inschrijver niet verzoeken het UEA voor te leggen.
  § 2. Wat de selectiecriteria betreft en, in voorkomend geval, de objectieve regels en criteria voor de beperking van het aantal kandidaten, moeten de documenten en certificaten, wat de in paragraaf 1, eerste lid, bedoelde opdrachten betreft, [2 vóór de limietdatum en het limietuur]2 voor de indiening van de aanvragen tot deelneming of de offertes worden voorgelegd.
  Deze paragraaf doet geen afbreuk aan artikel 93, tweede lid.
  ----------
  (1)<KB 2018-04-15/01, art. 33, 003; Inwerkingtreding : 28-04-2018>
  (2)<KB 2018-04-15/01, art. 34, 003; Inwerkingtreding : 28-04-2018>

  Art. 40. De deelnemers aan een combinatie van ondernemers zijn gehouden tot het aanduiden van diegene onder hen die de combinatie zal vertegenwoordigen ten opzichte van de aanbestedende overheid. Wanneer het UEA moet worden ingevuld is deze vermelding opgenomen in het deel II.B van het UEA.

  HOOFDSTUK 7. - Regels van toepassing op de handtekeningen en op de communicatiemiddelen

  Art. 41. Dit hoofdstuk bevat de regels inzake de elektronische handtekeningen en de communicatiemiddelen en is van toepassing bij alle plaatsingsprocedures waarbij gebruik wordt gemaakt van de in artikel 14, § 7, van de wet bedoelde elektronische platformen.

  Art. 42. § 1. In het kader van de openbare procedure of de vereenvoudigde onderhandelingsprocedure met voorafgaande bekendmaking, is de individuele handtekening van de inschrijver niet vereist op het ogenblik van het opladen op het elektronisch platform bedoeld in artikel 14, § 7, van de wet, wat betreft de offerte en haar bijlagen en, wanneer dit voorgelegd moet worden, het UEA. Deze documenten worden op een globale manier ondertekend op het erbij horende indieningsrapport.
  In het kader van de vereenvoudigde onderhandelingsprocedure met voorafgaande bekendmaking, moeten alleen de indieningsrapporten die betrekking hebben op de initiële offerte en de definitieve offerte ondertekend zijn.
  § 2. In het kader van een niet-openbare procedure, een mededingingsprocedure met onderhandeling, een concurrentiegerichte dialoog en een innovatiepartnerschap, is de individuele handtekening van de kandidaat, wat betreft de aanvraag tot deelneming, niet vereist. Dit is evenmin het geval, wanneer dit voorgelegd moet worden, voor het UEA. Beide voormelde documenten kunnen niettemin, op het ogenblik van het opladen op het elektronisch platform bedoeld in artikel 14, § 7, van de wet, op een globale manier getekend worden op het indieningsrapport dat samen gaat met de aanvraag tot deelneming. Als de ondernemer van deze mogelijkheid geen gebruik maakt, moet het UEA, wanneer dit voorgelegd moet worden, opnieuw worden bijgevoegd en globaal ondertekend naar aanleiding van het in het tweede lid bedoelde indieningsrapport.
  Wanneer in een volgende fase offertes en hun bijlagen worden ingediend in één van de in het eerste lid bedoelde procedures, wordt evenmin een individuele handtekening vereist op het ogenblik van het opladen op het elektronisch platform bedoeld in artikel 14, § 7, van de wet. Deze documenten worden op een globale manier getekend op het erbij horende indieningsrapport.
  In het kader van de mededingingsprocedure met onderhandeling en het innovatiepartnerschap, moeten evenwel alleen de indieningsrapporten die betrekking hebben op de initiële offerte en de definitieve offerte ondertekend zijn.
  § 3. In geval van een onderhandelingsprocedure zonder voorafgaande bekendmaking, preciseert de aanbestedende overheid of een handtekening vereist is, het type van handtekening, alsook de te ondertekenen documenten.

  Art. 43. § 1. Behoudens andersluidende bepaling in de opdrachtdocumenten, moet het in artikel 42 bedoelde indieningsrapport ondertekend worden door middel van een gekwalificeerde elektronische handtekening.
  § 2. Voor de wijzigingen aan een offerte die tussenkomen na de ondertekening van het indieningsrapport, alsook voor de intrekking van de offerte, wordt een nieuw indieningsrapport opgemaakt dat overeenkomstig de eerste paragraaf getekend wordt.
  Het voorwerp en de draagwijdte van de wijzigingen moeten nauwkeurig worden vermeld.
  De intrekking moet onvoorwaardelijk zijn.
  Wanneer het indieningsrapport dat opgesteld wordt ingevolge de wijzigingen of de intrekking bedoeld in het eerste lid, niet voorzien is van de in de eerste paragraaf bedoelde handtekening, brengt dit van rechtswege de nietigheid van de wijziging of intrekking met zich mee. Deze nietigheid slaat slechts op de wijzigingen of de intrekking en niet op de offerte zelf.
  § 3. Dit artikel is niet van toepassing op elektronische veiling, overeenkomstig artikel 109, § 1.

  Art. 44. § 1. De in artikel 43 bedoelde handtekeningen worden afgeleverd door de perso(o)n(en) die bevoegd of gemachtigd is/zijn om de inschrijver te verbinden.
  Het eerste lid is van toepassing op elke deelnemer aan een combinatie van ondernemers wanneer de offerte wordt neergelegd door een dergelijke combinatie. Deze deelnemers zijn hoofdelijk aansprakelijk.
  De in het tweede lid bedoelde hoofdelijke aansprakelijkheid is niet van toepassing op een architect die zou behoren tot een combinatie waarin eveneens een aannemer aanwezig is.
  § 2. Als de ondertekening van het indieningsrapport gebeurt door een gemachtigde, vermeldt hij duidelijk zijn volmachtgever of volmachtgevers. De gemachtigde voegt de elektronische authentieke of onderhandse akte toe waaruit zijn bevoegdheid blijkt of een scan van het afschrift van zijn volmacht.
  In voorkomend geval verwijst hij naar het nummer van de bijlage van het Belgisch Staatsblad waarin de akte bij uittreksel is bekendgemaakt, waarbij ook de betreffende bladzijde(n) en/of passage worden opgegeven.
  Een volmachtgever kan met het oog op latere opdrachten de volmacht deponeren die hij aan een of meer gemachtigden heeft gegeven. Deze volmacht geldt alleen voor de opdrachten van de aanbestedende overheid waarbij zij is gedeponeerd. De gemachtigde verwijst in iedere offerte naar die deponering.
  Het indieningsrapport dat namens een rechtspersoon elektronisch wordt ondertekend door middel van een certificaat op naam van deze rechtspersoon, die daarbij enkel een verbintenis aangaat in eigen naam en voor eigen rekening, vereist geen bijkomende volmacht.

  Art. 45. Elk schriftelijk stuk dat met elektronische middelen werd opgesteld en dat in de ontvangen versie een macro, computervirus of andere schadelijke instructie vertoont, kan in een veiligheidsarchief worden opgenomen.
  Voor zover dit technisch noodzakelijk is, kan elke aanvraag tot deelneming of offerte met een in het eerste lid bedoelde macro, computervirus of schadelijke instructie, als niet ontvangen worden beschouwd. De aanvraag tot deelneming of de offerte wordt in dat geval geweerd en de kandidaat of inschrijver wordt hiervan op de hoogte gebracht volgens de bepalingen die van toepassing zijn op de informatie aan de kandidaten en inschrijvers.
  Indien het in het eerste lid bedoelde stuk geen aanvraag tot deelneming of offerte betreft, kan het, voor zover dit technisch noodzakelijk is, als niet ontvangen worden beschouwd. In dit geval wordt de afzender daarvan onverwijld op de hoogte gebracht.

  Art. 46. Overeenkomstig artikel 14, § 5, van de wet, kan de aanbestedende overheid, zo nodig, voor de communicatie langs elektronische weg, het gebruik van niet-algemeen beschikbare instrumenten en middelen voorschrijven, mits zij passende alternatieve toegangsmiddelen aanbiedt. De aanbestedende overheid wordt geacht passende alternatieve toegangsmiddelen aangeboden te hebben in de volgende gevallen :
  1° zij biedt kosteloos onbeperkte en volledige, rechtstreekse toegang langs elektronische weg tot deze hulpmiddelen en instrumenten vanaf de datum van de bekendmaking van de aankondiging van een opdracht. Deze aankondiging vermeldt het internetadres waar deze hulpmiddelen en instrumenten toegankelijk zijn; of
  2° zij zorgt ervoor dat inschrijvers die geen toegang hebben tot deze hulpmiddelen en instrumenten, of buiten hun toedoen niet in staat zijn ze binnen de gestelde termijnen te verkrijgen, toegang hebben tot de plaatsingsprocedure met behulp van tijdelijke tokens die kosteloos op het internet beschikbaar zijn; of
  3° zij ondersteunt een alternatief kanaal voor elektronische indiening van de offertes.

  Art. 47. Door zijn aanvraag tot deelneming of offerte via elektronische communicatiemiddelen over te leggen, aanvaardt de kandidaat of inschrijver dat bepaalde gegevens van zijn aanvraag tot deelneming of offerte worden geregistreerd door het ontvangstsysteem.

  HOOFDSTUK 8. - Opties

  Art. 48. § 1. Opties worden in een afzonderlijk gedeelte van de offerte vermeld.
  § 2. Indien de optie wordt verplicht gesteld, brengt de niet-inachtneming van de minimale vereisten de substantiële onregelmatigheid met zich mee van zowel de optie als van de basisofferte.
  Indien de optie wordt toegestaan, brengt de niet-inachtneming van de minimale vereisten op zich niet de onregelmatigheid van de basisofferte met zich mee.
  § 3. Indien de economisch meest voordelige offerte enkel geëvalueerd wordt op basis van de prijs of de kosten, mogen de inschrijvers aan de vrije of toegestane opties geen meerprijs of een andere tegenprestatie verbinden.

  HOOFDSTUK 9. - Percelen

  Art. 49. Bij opdrachten verdeeld in percelen kan de aanbestedende overheid, onverminderd artikel 58, § 1, van de wet, het minimale niveau bepalen dat vereist is voor de kwalitatieve selectie :
  1° voor elk perceel afzonderlijk;
  2° in geval van gunning van meerdere percelen aan dezelfde inschrijver.
  Wanneer de aanbestedende overheid toepassing maakt van het eerste lid, 2°, onderzoekt ze bij de gunning van de percelen in kwestie, of er is voldaan aan het vereiste minimale niveau.
  Voor zover de opdrachtdocumenten het opleggen en de aanbestedende overheid toepassing maakt van het eerste lid, 2°, vermeldt de inschrijver die offertes voor meerdere percelen indient, zijn voorkeurvolgorde voor de gunning van deze percelen.

  Art. 50. De inschrijver mag in zijn offertes voor meerdere percelen, hetzij één of meerdere prijskortingen aanbieden, hetzij één of meerdere verbeteringsvoorstellen in het kader van zijn offerte, voor het geval dat deze percelen hem zouden worden gegund, op voorwaarde dat de opdrachtdocumenten het niet verbieden.

  HOOFDSTUK 10. - Belangenconflicten -Draaideurconstructie

  Art. 51. Onverminderd de artikelen 6 en 69, eerste lid, 5°, van de wet, wordt als een belangenconflict beschouwd, elke situatie waarbij een fysieke persoon die gewerkt heeft voor een aanbestedende overheid als interne medewerker, al dan niet in hiërarchisch verband, als betrokken ambtenaar, openbare gezagsdrager of andere persoon die op welke wijze ook aan de aanbestedende overheid verbonden is, later tussenkomt in het kader van een overheidsopdracht geplaatst door deze aanbestedende overheid en een verband bestaat tussen de vroegere activiteiten die de voormelde persoon heeft uitgevoerd voor de aanbestedende overheid en de activiteiten in het kader van de opdracht.
  De toepassing van de bepaling opgelegd in het eerste lid is niettemin beperkt tot een periode van twee jaar te rekenen vanaf het ontslag van de betrokken personen, of vanaf eender welke andere vorm van beëindiging van de vroegere activiteiten.

  HOOFDSTUK 11. - Indiening van de aanvragen tot deelneming en offertes

  Afdeling 1. - Uitnodiging van de geselecteerde kandidaten tot indiening van een offerte

  Art. 52. De uitnodigingen bedoeld in artikel 65 van de wet vermelden de in bijlage 9 vermelde inlichtingen.

  Afdeling 2. - Indieningsmodaliteiten voor de aanvragen tot deelneming en offertes

  Art. 53.§ 1. Onverminderd de toepassing van de gecoördineerde wetten op het gebruik van de talen in bestuurszaken geeft de aanbestedende overheid in de aankondiging van opdracht of, bij ontstentenis daarvan, in de andere opdrachtdocumenten aan in welke taal of talen de kandidaten of inschrijvers hun aanvraag tot deelneming of hun offerte mogen indienen.
  [1 De aanbestedende overheid kan aan de kandidaat of de inschrijver een vertaling vragen van de bijlagen die in een andere taal gesteld zijn dan die van de aankondiging van opdracht of, bij ontstentenis daarvan, van de andere opdrachtdocumenten. Hetzelfde geldt ten aanzien van de inlichtingen en documenten die worden voorgelegd in het kader van het nazicht van de uitsluitingsgronden, het voldoen aan de toepasselijke selectiecriteria of het voldoen, in voorkomend geval, aan de regels voor de beperking van het aantal kandidaten, alsook ten aanzien van de in artikel 59, 2°, bedoelde statuten, akten en inlichtingen.]1
  § 2. Zo de opdrachtdocumenten in meer dan één taal zijn opgesteld, gebeurt de interpretatie van de stukken in de taal van de aanvraag tot deelneming of de offerte, voor zover de opdrachtdocumenten in die taal zijn opgesteld.
  ----------
  (1)<KB 2018-04-15/01, art. 35, 003; Inwerkingtreding : 28-04-2018>

  Art. 54. § 1. Een kandidaat mag slechts één aanvraag tot deelneming per opdracht indienen.
  § 2. Een inschrijver kan slechts één offerte per opdracht indienen of, in geval van concurrentiegerichte dialoog, per aanvaarde oplossing. De indiening van de initiële offerte belet echter niet dat, voor zover toegelaten in de betreffende plaatsingsprocedure, onderhandelingen worden gevoerd en daaropvolgende offertes worden ingediend, noch dat de definitieve offerte wordt ingediend.
  Het eerste lid doet geen afbreuk aan de mogelijkheid of verplichting om één of meerdere varianten in te dienen of een offerte voor één of meerdere percelen in het kader van eenzelfde opdracht, voor zover dit toegelaten wordt krachtens respectievelijk artikel 56 dan wel artikel 58 van de wet.
  Voor de toepassing van de onderhavige paragraaf wordt elke deelnemer aan een combinatie van ondernemers zonder rechtspersoonlijkheid beschouwd als een inschrijver.
  § 3. Behoudens andersluidende beding in de opdrachtdocumenten is de onderhavige bepaling niet van toepassing in de onderhandelingsprocedure zonder voorafgaande bekendmaking.

  Art. 55. In een niet-openbare procedure, in een mededingingsprocedure met onderhandeling, in een concurrentiegerichte dialoog en in een innovatiepartnerschap mogen enkel de geselecteerde kandidaten een offerte indienen.
  Nochtans kunnen de opdrachtdocumenten toestaan dat de offerte wordt ingediend door een combinatie van ondernemers bestaande uit een geselecteerde en één of meer niet-geselecteerde personen.
  Anderzijds kunnen de opdrachtdocumenten het gezamenlijk indienen van één enkele offerte door meerdere geselecteerde kandidaten beperken of verbieden, teneinde een voldoende mededinging te waarborgen.

  Art. 56.Een inschrijver-natuurlijke persoon die, overeenkomstig artikel 72 van de wet, in de loop van de [1 plaatsingsprocedure]1 zijn beroepsactiviteit onderbrengt in een rechtspersoon, blijft samen met die rechtspersoon hoofdelijk aansprakelijk voor de verbintenissen die hij in zijn offerte heeft aangegaan.
  ----------
  (1)<KB 2018-04-15/01, art. 36, 003; Inwerkingtreding : 28-04-2018>

  Afdeling 3. - Indiening en verdaging

  Art. 57.§ 1. De aanbestedende overheid kan beslissen [1 de limietdatum en het limietuur]1 voor het indienen van de aanvragen tot deelneming of van de offertes te verdagen, wanneer zij kennis heeft gekregen van de onbeschikbaarheid van de in artikel 14, § 7, van de wet, bedoelde elektronische platformen. Deze verdaging moet minstens zes dagen zijn voor de opdrachten waarvan het geraamde bedrag lager ligt dan de drempel voor de Europese bekendmaking en minstens acht dagen voor de opdrachten waarvan het geraamde bedrag gelijk is aan of hoger is dan de voormelde drempel, onverminderd artikel 8, § 1, derde lid.
  In geval van een verdaging overeenkomstig het eerste lid gaat de aanbestedende overheid over tot een aangepaste bekendmaking tot mededeling van de nieuwe datum voor de indiening van de aanvragen tot deelneming of de offertes, al naargelang.
  § 2. Voor de opdrachten waarvoor geen gebruik wordt gemaakt van de elektronische platformen overeenkomstig artikel 14, § 2, van de wet, wordt een laattijdig ontvangen offerte aanvaard voor zover de aanbestedende overheid de opdracht nog niet heeft gesloten en de offerte ten laatste vier dagen vóór de datum van de opening van de offertes als aangetekende zending is verzonden.
  ----------
  (1)<KB 2018-04-15/01, art. 37, 003; Inwerkingtreding : 28-04-2018>

  Afdeling 4. - Verbintenistermijn

  Art. 58. De inschrijvers blijven verbonden door hun offerte, zoals eventueel verbeterd door de aanbestedende overheid, gedurende negentig dagen te rekenen vanaf de uiterste datum voor ontvangst. De opdrachtdocumenten kunnen een afwijkende termijn voorschrijven.
  Vóór het verstrijken van de verbintenistermijn kan de aanbestedende overheid aan de inschrijvers een vrijwillige verlenging van deze termijn vragen, onverminderd de toepassing van artikel 89 in geval de inschrijvers niet op dat verzoek ingaan.
  Onderhavig artikel is niet van toepassing op de onderhandelingsprocedure zonder voorafgaande bekendmaking.

  HOOFDSTUK 12. - Selectie van de kandidaten en van de inschrijvers

  Afdeling 1. - Algemene bepalingen

  Art. 59. Onverminderd artikel 73 van de wet kan de aanbestedende overheid, wanneer dit noodzakelijk is voor het goede verloop van de procedure :
  1° inlichtingen inwinnen over de in artikel 66, § 1, 2°, van de wet bedoelde situatie van om het even welke kandidaat of inschrijver. Meer bepaald kan de aanbestedende overheid, wanneer zij twijfels heeft over de persoonlijke toestand van de kandidaten of inschrijvers, ondanks de inlichtingen waarover zij beschikt, zich richten tot de bevoegde Belgische of buitenlandse overheden om de inlichtingen te verkrijgen die zij hieromtrent noodzakelijk acht;
  2° van elke rechtspersoon die een aanvraag tot deelneming of een offerte heeft ingediend de voorlegging eisen van zijn statuten of vennootschapsakten, evenals van elke wijziging van de inlichtingen betreffende zijn bestuurders of zaakvoerders, voor zover het documenten en inlichtingen betreft die niet met toepassing van de wet van 16 januari 2003 tot oprichting van de Kruispuntbank van ondernemingen, tot modernisering van het handelsregister, tot oprichting van erkende ondernemingsloketten en houdende diverse bepalingen, kunnen worden verkregen.

  Art. 60. De aanbestedende overheid kan de selectie van een reeds geselecteerde kandidaat of inschrijver herzien, in welk stadium van de plaatsingsprocedure ook, indien zijn situatie in het licht van de uitsluitingsgronden, dan wel van het voldoen aan het of de toepasselijke selectiecriterium of - criteria, niet meer beantwoordt aan de voorwaarden.

  Afdeling 2. - Uitsluitingsgronden

  Art. 61. De misdrijven die in aanmerking worden genomen voor de toepassing van de in artikel 67, § 1, van de wet bedoelde verplichte uitsluitingsgronden zijn :
  1° deelneming aan een criminele organisatie als bedoeld in artikel 324bis van het Strafwetboek of in artikel 2 van Kaderbesluit 2008/841/JBZ van de Raad van 24 oktober 2008 ter bestrijding van georganiseerde criminaliteit;
  2° omkoping als bedoeld in artikelen 246 en 250 van het Strafwetboek of in artikel 3 van de Overeenkomst ter bestrijding van corruptie waarbij ambtenaren van de Europese Gemeenschappen of van de lidstaten van de Europese Unie betrokken zijn of in artikel 2.1, van Kaderbesluit 2003/568/JBZ van de Raad van 22 juli 2003 inzake de bestrijding van corruptie in de privésector;
  3° fraude als bedoeld in artikel 1 van de overeenkomst aangaande de bescherming van de financiële belangen van de Europese Gemeenschappen, goedgekeurd door de wet van 17 februari 2002;
  4° terroristische misdrijven of strafbare feiten in verband met terroristische activiteiten als bedoeld in artikel 137 van het Strafwetboek of in de zin van de artikelen 1 of 3 van Kaderbesluit 2002/475/JBZ van de Raad van 13 juni 2002 inzake terrorismebestrijding dan wel uitlokking van, medeplichtigheid aan of poging tot het plegen van een dergelijk misdrijf of strafbaar feit als bedoeld in artikel 4 van genoemd kaderbesluit;
  5° witwassen van geld of financiering van terrorisme als bedoeld in artikel 5 van de wet van 11 januari 1993 tot voorkoming van het gebruik van het financiële stelsel voor het witwassen van geld en de financiering van terrorisme of in de zin van artikel 1 van Richtlijn 2005/60/EG van het Europees Parlement en de Raad van 26 oktober 2005 tot voorkoming van het gebruik van het financiële stelsel voor het witwassen van geld en de financiering van terrorisme;
  6° kinderarbeid en andere vormen van mensenhandel als bedoeld in artikel 433quinquies van het Strafwetboek of in de zin van artikel 2 van Richtlijn 2011/36/EU van het Europees Parlement en de Raad van 5 april 2011 inzake de voorkoming en bestrijding van mensenhandel en de bescherming van slachtoffers daarvan, en ter vervanging van Kaderbesluit 2002/629/JBZ van de Raad;
  7° tewerkstelling van onderdanen van derde landen die illegaal in het land verblijven in de zin van artikel 35/7 van de wet van 12 april 1965 betreffende de bescherming van het loon der werknemers of in de zin van de wet van 30 april 1999 betreffende de tewerkstelling van vreemde arbeiders.

  Art. 62.§ 1. De kandidaat of inschrijver die niet voldaan heeft aan zijn verplichtingen inzake betaling van zijn sociale zekerheidsbijdragen, wordt uitgesloten van de toegang tot een plaatsingsprocedure, overeenkomstig artikel 68 van de wet. De toegang tot de procedure wordt evenwel niet ontzegd aan een kandidaat of inschrijver die geen bijdrageschuld heeft van meer dan 3.000 euro of die voor die schuld uitstel van betaling heeft verkregen en de afbetalingen daarvan strikt in acht neemt.
  § 2. De aanbestedende overheid verifieert de toestand op het vlak van de sociale schulden van de kandidaten of inschrijvers op basis van de attesten die elektronisch beschikbaar zijn voor de aanbestedende overheid via de Telemarc-toepassing of via gelijkaardige gratis toegankelijke elektronische toepassingen in andere lidstaten. Deze verificatie gebeurt binnen de twintig dagen na de uiterste datum voor het indienen van de aanvragen tot deelneming of de offertes.
  Het Telemarc-attest vermeldt het precieze bedrag van de schuld in hoofde van de betrokken kandidaat of inschrijver.
  § 3. Wanneer de in de tweede paragraaf bedoelde verificatie niet toelaat om te weten of de kandidaat of inschrijver zijn sociale zekerheidsbijdragen heeft betaald, verzoekt de aanbestedende overheid deze laatste een recent attest voor te leggen waaruit blijkt dat hij aan deze verplichtingen voldoet. Hetzelfde geldt wanneer er geen dergelijke toepassing beschikbaar is in een andere lidstaat.
  Voor de kandidaat of inschrijver die personeel tewerkstelt dat onderworpen is aan de wet van 27 juni 1969 tot herziening van de besluitwet van 28 december 1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders, wordt het in het eerste lid bedoelde recent attest uitgereikt door de Rijksdienst voor Sociale Zekerheid en heeft het betrekking op het [1 laatste vervallen kalenderkwartaal]1 vóór de uiterste datum voor de ontvangst van de aanvragen tot deelneming of de offertes, al naargelang.
  Voor de kandidaat of inschrijver die personeel uit een andere lidstaat van de Europese Unie tewerkstelt dat niet onder het tweede lid valt, wordt het in het eerste lid bedoelde recente attest uitgereikt door de bevoegde buitenlandse overheid. Het bevestigt dat de kandidaat of inschrijver voldoet aan zijn verplichtingen inzake betaling van zijn sociale zekerheidsbijdragen overeenkomstig de wettelijke bepalingen van het land waar hij gevestigd is. Dit attest moet gelijkwaardig zijn met het in het tweede lid bedoelde attest.
  Wanneer de kandidaat of de inschrijver personeel tewerkstelt dat zowel onder het tweede lid als onder het derde lid valt, zijn de bepalingen van beide leden toepasselijk.
  In het geval waarin het door Telemarc, een gelijkaardig elektronische toepassing geleverde attest of het door de bevoegde overheid afgeleverde attest niet aantoont dat hij in regel is, kan de kandidaat of inschrijver beroep doen op de eenmalige regularisatie als bedoeld in artikel 68, § 1, derde lid, van de wet. Indien de kandidaat of inschrijver een bijdrageschuld heeft van meer dan 3.000 euro, toont hij aan, teneinde niet te worden uitgesloten, dat hij op een aanbestedende overheid of op een overheidsbedrijf, een of meer schuldvorderingen bezit die zeker, opeisbaar en vrij van elke verbintenis tegenover derden zijn voor een bedrag dat minstens gelijk is aan zijn schuld verminderd met 3.000 euro.
  § 4. Voor de kandidaat of inschrijver die personeel tewerkstelt dat onderworpen is aan de wet van 27 juni 1969 tot herziening van de besluitwet van 28 december 1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders en als er nog twijfel blijft bestaan, gaat de aanbestedende overheid na of de sociale verplichtingen werden nageleefd door de Rijksdienst voor Sociale Zekerheid te ondervragen voor zover die de door de aanbestedende overheid gevraagde attesten uitreikt.
  § 5. De aanbestedende overheid kan inlichtingen inwinnen over de toestand van de kandidaat of inschrijver die onderworpen is aan de sociale zekerheid van de zelfstandigen om na te gaan of hij aan zijn verplichtingen inzake betaling van zijn sociale zekerheidsbijdragen heeft voldaan.
  ----------
  (1)<KB 2018-04-15/01, art. 38, 003; Inwerkingtreding : 28-04-2018>

  Art. 63. § 1. De kandidaat of inschrijver die niet voldaan heeft aan zijn verplichtingen inzake betaling van zijn fiscale schulden, wordt uitgesloten van de toegang tot een plaatsingsprocedure, overeenkomstig artikel 68 van de wet. De toegang tot de procedure wordt evenwel niet ontzegd aan een kandidaat of inschrijver die geen schuld heeft van meer dan 3.000 euro of die voor die schuld uitstel van betaling heeft verkregen en de afbetalingen daarvan strikt in acht neemt.
  § 2. De aanbestedende overheid verifieert de fiscale toestand van de kandidaten of inschrijvers op basis van de attesten die elektronisch beschikbaar zijn voor de aanbestedende overheid via de Telemarc-toepassing of via gelijkaardige gratis toegankelijke elektronische toepassingen in andere lidstaten. Deze verificatie gebeurt binnen de twintig dagen na de uiterste datum voor het indienen van de aanvragen tot deelneming of de offertes.
  Het Telemarc-attest vermeldt het precieze bedrag van de schuld in hoofde van de betrokken kandidaat of inschrijver.
  § 3. Wanneer de in de tweede paragraaf bedoelde verificatie niet toelaat om te weten of de kandidaat of inschrijver aan zijn fiscale verplichtingen voldoet, verzoekt de aanbestedende overheid de kandidaat of inschrijver rechtstreeks een recent attest voor te leggen waaruit blijkt dat hij aan zijn fiscale verplichtingen voldoet. Hetzelfde geldt wanneer er geen dergelijke toepassing beschikbaar is in een andere lidstaat.
  Het in het eerste lid bedoelde recente attest wordt uitgereikt door de bevoegde Belgische en/of buitenlandse overheid en bevestigt dat de kandidaat of inschrijver aan zijn fiscale verplichtingen heeft voldaan overeenkomstig de wettelijke bepalingen van het land waar hij gevestigd is.
  In het geval waarin het door Telemarc, een gelijkaardige elektronische toepassing geleverde attest van een andere lidstaat of het door de bevoegde overheid afgeleverde attest niet aantoont dat hij in regel is, kan de kandidaat of inschrijver beroep doen op de eenmalige regularisatie als bedoeld in artikel 68, § 1, derde lid, van de wet. Indien de kandidaat of inschrijver fiscale schulden heeft van meer dan 3.000 euro, toont hij aan, teneinde niet te worden uitgesloten, dat hij op een aanbestedende overheid of op een overheidsbedrijf, een of meer schuldvorderingen bezit die zeker, opeisbaar en vrij van elke verbintenis tegenover derden zijn voor een bedrag dat minstens gelijk is aan zijn schuld verminderd met 3.000 euro.
  § 4. Als er nog twijfel blijft bestaan, gaat de aanbestedende overheid na of de ondernemer zijn fiscale verplichtingen heeft nageleefd door de Federale Overheidsdienst Financiën te ondervragen voor zover die de door de aanbestedende overheid gevraagde attesten uitreikt.
  § 5. De aanbestedende overheid kan overgaan tot de verificatie van de naleving van de betaling van andere dan de in paragraaf 4 bedoelde fiscale schulden. In dat geval preciseert ze in de opdrachtdocumenten welke andere fiscale schulden ze wenst te onderzoeken alsook aan de hand van welke documenten.

  Art. 64. De bepalingen van deze afdeling zijn individueel toepasselijk op :
  1° alle deelnemers die samen een aanvraag tot deelneming indienen en de intentie hebben om, ingeval van selectie, een combinatie van ondernemers op te richten;
  2° alle deelnemers die samen een offerte indienen als combinatie van ondernemers; en
  3° de derden op wiens draagkracht wordt beroep gedaan overeenkomstig artikel 73, § 1.

  Afdeling 3. - Selectiecriteria, beroep op onderaannemers en op andere entiteiten

  Art. 65. Onverminderd artikel 42, § 3, eerste lid, 2°, van de wet, worden de selectiecriteria alsook de aanvaardbare bewijsmiddelen door de aanbestedende overheid vermeld in de aankondiging van de opdracht of, in afwezigheid van een dergelijke aankondiging, in de opdrachtdocumenten.
  De aanbestedende overheid is verplicht om elk kwalitatief selectiecriterium van economische, financiële en/of technische aard, te verbinden aan een gepast niveau, behalve wanneer één van de gebruikte criteria zich daar niet toe leent.
  Indien de aanbestedende overheid een economisch, financieel of technisch criterium gebruikt dat zich niet leent tot de vaststelling van een niveau, moet dit criterium gepaard gaan met een tweede criterium van dezelfde aard dat zich wel daartoe leent.
  Elk criterium moet geformuleerd worden op een voldoende duidelijke wijze teneinde de selectie van de kandidaten of van de inschrijvers toe te laten.

  Art. 66. Met betrekking tot de geschiktheid om de beroepsactiviteit uit te oefenen kan de aanbestedende overheid van ondernemers eisen dat zij zijn ingeschreven bij een van de in de lidstaat van vestiging bijgehouden beroeps- of handelsregisters, als omschreven in bijlage 10, of dat zij voldoen aan andere eisen in die bijlage.
  Bij plaatsingsprocedures van opdrachten voor diensten kan de aanbestedende overheid, voor zover ondernemers moeten beschikken over een bepaalde vergunning of lid moeten zijn van een bepaalde organisatie om in hun land van herkomst de betrokken dienst te verlenen, van deze ondernemers eisen dat zij het bewijs leveren van die vergunning of van dat lidmaatschap.

  Art. 67. § 1. Met betrekking tot de economische en financiële draagkracht, kan de aanbestedende overheid eisen stellen om ervoor te zorgen dat ondernemers over de nodige economische en financiële draagkracht beschikken om de opdracht uit te voeren.
  In het algemeen kan de financiële en economische draagkracht van de ondernemer worden aangetoond door één of meer van de volgende referenties :
  1° overlegging van jaarrekeningen of uittreksels uit de jaarrekeningen, indien de wetgeving van het land waar de ondernemer is gevestigd publicatie van jaarrekeningen voorschrijft;
  2° een verklaring betreffende de totale omzet en, in voorkomend geval, de omzet van de bedrijfsactiviteit die het voorwerp van de opdracht is, over ten hoogste de laatste drie beschikbare boekjaren, afhankelijk van de oprichtingsdatum of van de datum waarop de ondernemer met zijn bedrijvigheid is begonnen, voor zover de betrokken omzetcijfers beschikbaar zijn;
  3° het bewijs van een verzekering tegen beroepsrisico's of, in voorkomend geval, een bankverklaring.
  Niettemin, wanneer de ondernemer om gegronde redenen niet in staat is de door de aanbestedende overheid gevraagde referenties over te leggen, kan hij zijn economische en financiële draagkracht aantonen met andere documenten die de aanbestedende overheid geschikt acht.
  § 2. Wat betreft de overlegging van de in paragraaf 1, tweede lid, 1°, bedoelde jaarrekeningen of uittreksels uit jaarrekeningen kan de aanbestedende overheid eisen dat de ondernemers informatie verstrekken over hun jaarrekeningen, met name over de verhouding tussen de activa en de passiva. De verhouding tussen de activa en de passiva kan in aanmerking genomen worden wanneer de aanbestedende overheid de methodes en de criteria hiervoor in de opdrachtdocumenten vermeldt. Deze methoden en criteria moeten transparant, objectief en niet-discriminerend zijn.
  § 3. Wat de in paragraaf 1, tweede lid, 2°, bedoelde verklaring van de totale omzet betreft, kan de aanbestedende overheid eisen dat de ondernemers een minimumjaaromzet realiseren, met name in het domein waarop de opdracht betrekking heeft.
  De jaarlijkse minimumomzet die van de ondernemers kan worden geëist, bedraagt maximaal twee maal de geraamde waarde van de opdracht, behalve in naar behoren gemotiveerde gevallen, zoals deze in verband met de bijzondere risico's die voortvloeien uit de aard van de werken, diensten of producten. De aanbestedende overheid vermeldt de voornaamste redenen voor het opleggen van een dergelijke eis in de opdrachtdocumenten of in de te bewaren inlichtingen in de zin van artikel 164, § 1, van de wet.
  Wanneer op een raamovereenkomst gebaseerde opdrachten na het opnieuw in mededinging stellen in hun geheel of gedeeltelijk worden gegund overeenkomstig artikel 43, § 5, 2° of 3°, van de wet, wordt de minimumjaaromzet berekend op basis van de verwachte maximumomvang van specifieke opdrachten die tegelijkertijd zullen worden uitgevoerd, of als deze niet bekend is, op basis van de geraamde waarde van de raamovereenkomst.
  In het geval van dynamische aankoopsystemen, wordt de maximale vereiste inzake jaaromzet berekend op basis van de verwachte maximumomvang van specifieke opdrachten die volgens dat systeem worden gegund.
  § 4. Wat betreft het in paragraaf 1, tweede lid, 3°, bedoelde bewijs van een verzekering tegen beroepsrisico's betreft, kan de aanbestedende overheid een passend niveau van verzekering tegen beroepsrisico's eisen.
  Wanneer beroep wordt gedaan op de in paragraaf 1, tweede lid, 3°, bedoelde bankverklaring, wordt het in bijlage 11 bedoeld model gebruikt.
  § 5. Wanneer een opdracht in percelen is onderverdeeld, geldt dit artikel voor elk afzonderlijk perceel. De aanbestedende overheid kan echter de eis van een verplichte minimumjaaromzet voor ondernemers wel vaststellen ten aanzien van groepen van percelen, ingeval de begunstigde inschrijver verschillende percelen gegund krijgt die tegelijkertijd moeten worden uitgevoerd.

  Art. 68. § 1. Met betrekking tot de technische bekwaamheid en beroepsbekwaamheid kan de aanbestedende overheid voorwaarden opleggen opdat ondernemers over de noodzakelijke personele en technische middelen en ervaring beschikken om de opdracht volgens een passend kwaliteitsniveau uit te voeren.
  De aanbestedende overheid kan met name eisen dat de ondernemers een voldoende mate van ervaring hebben die kan worden aangetoond met geschikte referenties inzake in het verleden uitgevoerde opdrachten.
  § 2. In geval van een opdracht voor werken, een opdracht voor leveringen waarvoor plaatsings- of installatiewerkzaamheden nodig zijn of een opdracht voor diensten, kan de aanbestedende overheid :
  1° de technische of beroepsbekwaamheid van de kandidaten of inschrijvers om de werken of de installatie uit te voeren of de diensten te verstrekken beoordelen aan de hand van met name hun knowhow, efficiëntie, ervaring en betrouwbaarheid;
  2° de rechtspersonen verplichten om in hun aanvraag tot deelneming of in hun offerte de namen en de beroepskwalificaties te vermelden van de personen die belast zijn met de uitvoering van de opdracht.
  § 3. De technische en beroepsbekwaamheid van de ondernemer kan worden aangetoond op één of meer van de wijzen bedoeld in paragraaf 4, naargelang de aard, de hoeveelheid of het belang en het gebruik van de werken, leveringen of diensten.
  § 4. Bewijsmiddelen van de technische bekwaamheid van de ondernemer zijn :
  1° de volgende lijsten :
  a) een lijst van de werken die gedurende de afgelopen periode van maximaal vijf jaar werden verricht en vergezeld gaat van certificaten die bewijzen dat de belangrijkste werken naar behoren zijn uitgevoerd, zowel met betrekking tot de wijze van uitvoering als met betrekking tot het resultaat; indien noodzakelijk om een toereikend mededingingsniveau te waarborgen, kunnen de aanbestedende overheden aangeven dat bewijs van relevante werken die langer dan vijf jaar geleden zijn verricht toch in aanmerking wordt genomen;
  b) een lijst van de voornaamste leveringen of diensten die gedurende de afgelopen periode van maximaal drie jaar werden verricht, met vermelding van het bedrag, de datum en van de publiek- of privaatrechtelijke instanties waarvoor zij bestemd waren. Indien noodzakelijk om een toereikend mededingingsniveau te waarborgen, kunnen de aanbestedende overheden aangeven dat bewijs van relevante leveringen of diensten die langer dan drie jaar geleden zijn geleverd of verleend toch in aanmerking wordt genomen;
  2° de opgave van de al dan niet tot de onderneming van de ondernemer behorende technici of technische organen, in het bijzonder van die welke belast zijn met de kwaliteitscontrole en, in het geval van overheidsopdrachten voor werken, van die welke de aannemer ter beschikking zullen staan om de werken uit te voeren;
  3° de beschrijving van de technische uitrusting van de ondernemer, van de maatregelen die hij treft om de kwaliteit te waarborgen en van de mogelijkheden van zijn onderneming ten aanzien van studie en onderzoek;
  4° de vermelding van de systemen voor het beheer van de toeleveringsketen en de traceersystemen die de ondernemer kan toepassen in het kader van de uitvoering van de opdracht;
  5° in het geval van complexe producten of diensten of wanneer deze bij wijze van uitzondering aan een bijzonder doel moeten beantwoorden, aan de hand van een controle door de aanbestedende overheid of, in diens naam, door een bevoegd officieel orgaan van het land waar de leverancier of de dienstverlener gevestigd is, onder voorbehoud van instemming door dit orgaan; deze controle heeft betrekking op de productiecapaciteit van de leverancier of op de technische capaciteit van de dienstverlener en, waar noodzakelijk, op diens mogelijkheden inzake studie en onderzoek en de maatregelen die hij treft om de kwaliteit te waarborgen;
  6° de studie- en beroepskwalificaties van de dienstverlener of de aannemer of die van het leidinggevend personeel van de onderneming, mits zij niet als een gunningscriterium worden gehanteerd;
  7° een vermelding van de maatregelen inzake milieubeheer die de ondernemer kan toepassen in het kader van de uitvoering van de opdracht;
  8° een verklaring betreffende de gemiddelde jaarlijkse personeelsbezetting van de onderneming van de dienstverlener of de aannemer, en de omvang van het kaderpersoneel gedurende de laatste drie jaar;
  9° een verklaring welke de werktuigen, het materieel en de technische uitrusting vermeldt waarover de dienstverlener of de aannemer voor het realiseren van de opdracht beschikt;
  10° een omschrijving van het gedeelte van de opdracht dat de ondernemer eventueel in onderaanneming wil geven;
  11° wat de te leveren producten betreft :
  a) monsters, beschrijvingen of foto's, waarvan op verzoek van de aanbestedende overheid de echtheid moet kunnen worden aangetoond;
  b) certificaten die door officieel erkende instituten of diensten voor kwaliteitscontrole zijn opgesteld, waarin de overeenstemming van goed geïdentificeerde producten wordt bevestigd door middel van referenties naar technische specificaties of normen.

  Art. 69. Een aanbestedende overheid kan ervan uitgaan dat een ondernemer niet over de vereiste beroepsbekwaamheid beschikt wanneer hij heeft vastgesteld dat de ondernemer conflicterende belangen heeft die negatief kunnen uitwerken op de uitvoering van de overeenkomst.

  Art. 70. § 1. Wanneer bij een opdracht voor werken, de werken die er het voorwerp van uitmaken overeenkomstig artikel 3, eerste lid, van de wet van 20 maart 1991 houdende regeling van de erkenning van aannemers van werken, slechts mogen worden uitgevoerd door ondernemers die ofwel hiertoe erkend zijn, ofwel aan de voorwaarden ertoe voldoen of nog het bewijs geleverd hebben van het feit dat ze voldoen aan de voorwaarden voor de erkenning bepaald door of krachtens de voormelde wet, vermelden de aankondiging van de opdracht of, bij gebrek daaraan, de opdrachtdocumenten welke erkenning vereist is in overeenstemming met de eerder aangehaalde wet en haar uitvoeringsbesluiten.
  De aanvraag tot deelneming of de offerte vermeldt :
  1° ofwel dat de kandidaat of inschrijver over de vereiste erkenning beschikt;
  2° ofwel dat de kandidaat of inschrijver in het bezit is van een certificaat of ingeschreven is op een officiële lijst van erkende aannemers in een andere lidstaat van de Europese Unie. In dat geval kan de kandidaat of inschrijver bij zijn aanvraag tot deelneming of offerte het door de bevoegde certificeringsinstelling afgeleverde certificaat of het door de bevoegde instantie van de lidstaat bevestigde bewijs van inschrijving voegen, alsook elk document dat de gelijkwaardigheid tussen deze certificering of inschrijving en de vereiste erkenning als bedoeld in het eerste lid kan aantonen. Op dit certificaat worden de referenties vermeld op grond waarvan de inschrijving van die ondernemers op de officiële lijst of certificering mogelijk was, alsmede de classificatie op deze lijst;
  3° ofwel dat de kandidaat of inschrijver de toepassing inroept van artikel 3, eerste lid, 2°, van de wet van 20 maart 1991 houdende regeling van de erkenning van aannemers van werken. De aanbestedende overheid stelt de Commissie voor erkenning der aannemers ingesteld door de voormelde wet hiervan onmiddellijk op de hoogte.
  In geval van een openbare procedure of een vereenvoudigde onderhandelingsprocedure met voorafgaande bekendmaking kan de aanbestedende overheid, indien zij de voorwaarden vastgesteld door of krachtens de wet van 20 maart 1991 voldoende acht om de selectie van de inschrijvers uit te voeren, zich beperken tot de vermelding bedoeld in het eerste lid, zonder van de inschrijvers andere inlichtingen of documenten betreffende hun economische, financiële, alsook hun technische of beroepsbekwaamheid te eisen.
  § 2. De ondernemers die erkend zijn overeenkomstig de voornoemde wet van 20 maart 1991 verwijzen, wat betreft de inlichtingen vereist op basis van de delen III tot V van het UEA, naar het internetadres waarop de aanbestedende overheid de betrokken certifica(a)t(en) kan ophalen of voegen er een afschrift van toe.
  Deze ondernemers vullen de velden van het UEA in die daar betrekking op hebben. In dit geval zijn ze niet verplicht de delen III tot V van het UEA in te vullen, behalve wanneer de aanbestedende overheid bijkomende selectiecriteria bepaalt ten opzichte van deze die zijn voorzien in de reglementering aangaande de erkenning van aannemers. In dat laatste geval maakt de aanbestedende overheid hier melding van in de aankondiging van opdracht of, in afwezigheid daarvan, in de opdrachtdocumenten.
  In afwijking van het tweede lid vult de ondernemer het UEA niet in voor de onderhandelingsprocedure zonder voorafgaande bekendmaking in de in artikel 42, § 1, eerste lid, 1°, b) en d), 2°, 3°, 4°, b), en c), van de wet bedoelde gevallen en voor de opdrachten voor werken waarvan de geraamde waarde lager is dan de drempel voor de Europese bekendmaking, maar hij maakt de betreffende inlichtingen of bewijzen over aan de aanbestedende overheid.
  § 3. De ondernemers die niet erkend zijn, noch overeenkomstig de voornoemde wet van 20 maart 1991, noch in een andere lidstaat, vullen het UEA in zijn geheel in. De krachtens de voornoemde wet van 20 maart 1991 voor het beheer van het erkenningssysteem bevoegde federale overheidsdienst neemt, zo nodig, contact op met de ondernemer teneinde de rechtvaardigende stukken te bekomen.
  In afwijking van het eerste lid vult de ondernemer het UEA niet in voor de onderhandelingsprocedure zonder voorafgaande bekendmaking in de in artikel 42, § 1, eerste lid, 1°, b) en d), 2°, 3°, 4°, b), en c), van de wet bedoelde gevallen en voor de opdrachten voor werken waarvan de geraamde waarde lager is dan de drempel voor de Europese bekendmaking, maar hij maakt de betreffende inlichtingen en bewijzen over aan de aanbestedende overheid, die deze op haar beurt doorgeeft aan de voor het beheer van het erkenningssysteem bevoegde federale overheidsdienst.
  § 4. De ondernemers die houder zijn van een certificaat of ingeschreven op een officiële lijst van erkende aannemers in een andere lidstaat van de Europese Unie kunnen, wat betreft de inlichtingen vereist in de delen III tot V van het UEA, verwijzen naar het internetadres waarop de aanbestedende overheid de betrokken certifica(a)t(en) kan ophalen of voegen een afschrift toe van dit certificaat of van een bewijs van inschrijving.
  De in het eerste lid bedoelde ondernemers vullen die velden van het UEA in die daar betrekking op hebben. Indien de aanbestedende overheid geen toegang heeft tot de bedoelde certificaten via een internetadres, moet de ondernemer deze afleveren samen met het UEA. De aanbestedende overheid maakt de voormelde gegevens op haar beurt over aan de voor het beheer van het erkenningssysteem bevoegde federale overheidsdienst.
  In afwijking van het tweede lid vullen de ondernemers het UEA niet in voor de onderhandelingsprocedure zonder voorafgaande bekendmaking in de in artikel 42, § 1, eerste lid, 1°, b) en d), 2°, 3°, 4°, b), en c), van de wet bedoelde gevallen en voor de opdrachten voor werken waarvan de geraamde waarde lager is dan de drempel voor de Europese bekendmaking, maar maken de betreffende inlichtingen en bewijzen over aan de aanbestedende overheid, die deze op haar beurt doorgeeft aan de voor het beheer van het erkenningssysteem bevoegde federale overheidsdienst.

  Art. 71. De door de bevoegde autoriteit gecertificeerde inschrijving op een officiële lijst of het door de certificeringsinstelling afgegeven certificaat vormt een vermoeden van geschiktheid met betrekking tot de eisen voor kwalitatieve selectie zoals vervat in de officiële lijst of het certificaat.
  De informatie die uit de inschrijving op een officiële lijst of de certificering kan worden afgeleid, kan niet zonder motivering ter discussie worden gesteld.
  De aanbestedende overheden passen dit artikel alleen toe ten gunste van ondernemers die zijn gevestigd in de lidstaat die de officiële lijst heeft opgesteld.

  Art. 72. § 1. De aanbestedende overheid kan eisen dat de certificaten, verklaringen en andere bewijsmiddelen bedoeld in paragraaf 2 en in de artikelen 67, 68 en 70 worden voorgelegd om aan te tonen dat gronden voor uitsluiting als bedoeld in de artikelen 67 tot 69 van de wet ontbreken en dat de selectiecriteria overeenkomstig artikel 71 van de wet zijn vervuld.
  De aanbestedende overheid eist geen andere bewijsmiddelen dan die bedoeld in dit artikel en in artikel 77 van de wet. In verband met artikel 78 van de wet kunnen ondernemers gebruik maken van alle passende middelen om ten aanzien van de aanbestedende overheid te bewijzen dat zij de nodige middelen tot hun beschikking zullen hebben.
  § 2. Onverminderd artikel 67, § 1, vierde lid, van de wet, wordt als voldoende bewijs dat de ondernemer niet verkeert in een van de in de artikelen 67, 68 en 69, eerste lid, 2°, van de wet bedoelde situaties door de aanbestedende overheid aanvaard :
  1° voor de in artikel 67 van de wet bedoelde verplichte uitsluitingsgronden, een uittreksel uit het desbetreffende register, zoals een uittreksel uit het strafregister of, bij gebreke daarvan, een gelijkwaardig document dat is afgegeven door een bevoegde rechterlijke of administratieve instantie van het land van oorsprong of het land waar de ondernemer is gevestigd, waaruit blijkt dat aan de betrokken eisen is voldaan;
  2° voor de artikelen 68 en 69, eerste lid, 2°, van de wet, een door de bevoegde instantie van het betrokken land afgegeven certificaat.
  Wanneer dergelijke documenten of certificaten niet door het betrokken land worden uitgegeven, of indien deze documenten niet alle in de artikelen 67 en 68 van de wet en de in artikel 69, eerste lid, 2°, van de wet, bedoelde gevallen dekken, kunnen zij worden vervangen door een verklaring onder ede of, in landen waar niet voorzien is in verklaringen onder ede, door een plechtige verklaring die door betrokkene wordt afgelegd ten overstaan van een bevoegde rechterlijke of administratieve instantie, een notaris of een bevoegde beroepsorganisatie van het land van herkomst of van het land waar de ondernemer gevestigd is.
  De ondernemer kan desgevallend aan de bevoegde overheden van de Lidstaat waarin hij gevestigd is een officiële verklaring vragen die bevestigt dat de in deze paragraaf bedoelde documenten of certificaten niet zijn afgegeven of dat zij niet alle gevallen bedoeld in de artikelen 67 en 68 van de wet en in artikel 69, eerste lid, 2°, van de wet dekken. Die officiële verklaringen worden beschikbaar gesteld via de onlinedatabank van certificaten, e-Certis, vermeld in artikel 76 van de wet.

  Art. 73. § 1. Overeenkomstig artikel 78 van de wet, kan een ondernemer zich eventueel en voor een welbepaalde opdracht beroepen op de draagkracht van andere entiteiten, ongeacht de juridische aard van zijn band met die entiteiten, met betrekking tot de in artikel 67 bedoelde criteria inzake economische en financiële draagkracht en de in artikelen 68 en 70 bedoelde criteria inzake technische bekwaamheid en beroepsbekwaamheid. Wat betreft de in artikel 68, § 4, 6°, bedoelde criteria inzake de studie- en beroepskwalificaties, of inzake de relevante beroepservaring, mogen de ondernemers zich evenwel slechts beroepen op de draagkracht van andere entiteiten wanneer laatstgenoemde de werken of diensten waarvoor die draagkracht vereist is, zal uitvoeren. Wanneer een ondernemer zich op de draagkracht van andere entiteiten wil beroepen, toont hij ten behoeve van de aanbestedende overheid aan dat hij zal kunnen beschikken over de nodige middelen, met name door overlegging van een verbintenis daartoe van deze andere entiteiten.
  De aanbestedende overheid gaat overeenkomstig de artikelen 73 tot 76 van de wet na of de entiteiten op wier draagkracht een ondernemer zich wil beroepen, aan de selectiecriteria voldoen en of voor hen uitsluitingsgronden bestaan, onverminderd de mogelijkheid tot corrigerende maatregelen overeenkomstig artikel 70 van de wet. De aanbestedende overheid eist dat de ondernemer een entiteit waartegen gronden tot uitsluiting bestaan als bedoeld in de artikelen 67 en 68 van de wet of die niet voldoet aan een toe te passen selectiecriterium, vervangt. De aanbestedende overheid kan bovendien eisen dat de ondernemer een entiteit waarbij er niet-verplichte uitsluitingsgronden als bedoeld in artikel 69 van de wet aanwezig zijn, vervangt. Het niet ingaan op een verzoek tot vervanging geeft aanleiding tot een beslissing tot niet-selectie.
  Onder dezelfde voorwaarden kan een combinatie van ondernemers zich beroepen op de draagkracht van de deelnemers aan de combinatie of van andere entiteiten.
  § 2. Wanneer de kandidaat of de inschrijver beroep doet op de draagkracht van andere entiteiten als bedoeld in paragraaf 1, antwoordt de kandidaat of inschrijver op de vraag bedoeld in deel II, C, van het in artikel 38 bedoeld UEA. Hij vermeldt tevens voor welk deel van de opdracht hij beroep doet op deze draagkracht, alsook welke andere entiteiten hij voorstelt. Dit laatste gebeurt :
  1° in zijn offerte ingeval de procedure slechts één fase met de indiening van offertes omvat;
  2° zowel in zijn aanvraag tot deelneming als in zijn offerte ingeval de procedure een eerste fase met de indiening van aanvragen tot deelneming omvat.
  De in het eerste lid bedoelde vermeldingen laten de aansprakelijkheid van de inschrijver onverlet.
  In de situatie van het eerste lid, 2°, verifieert de aanbestedende overheid in de latere fases van de procedure of de inschrijver de in de inleidende zin van dat lid bedoelde vermeldingen in zijn offerte heeft opgenomen en of deze overeenstemmen met de vermeldingen in zijn aanvraag tot deelneming, die in de eerste fase tot zijn selectie hebben geleid.
  De eerste zin van het eerste lid is slechts van toepassing wanneer een UEA moet worden ingevuld.

  Art. 74. Ten aanzien van onderaannemers op wier draagkracht de ondernemer geen beroep doet, kan de aanbestedende overheid de inschrijver in de opdrachtdocumenten verzoeken om in zijn offerte te vermelden welk gedeelte van de opdracht hij eventueel voornemens is in onderaanneming te geven en welke onderaannemers hij voorstelt.
  De in het eerste lid bedoelde vermelding laat de aansprakelijkheid van de inschrijver onverlet.

  HOOFDSTUK 13. - Modaliteiten voor het onderzoek van de offertes en regelmatigheid van de offertes

  Art. 75. Overeenkomstig de modaliteiten bepaald in artikel 66, § 2, van de wet, kan de aanbestedende overheid, wanneer zij gebruik maakt van de openbare procedure, voor een opdracht waarvan het geraamd bedrag gelijk is aan of hoger ligt dan de drempels voor de Europese bekendmaking, overgaan tot het nazicht van de offertes na verificatie van de afwezigheid van uitsluitingsgronden en eerbiediging van de selectiecriteria op basis van het UEA. De aanbestedende overheid moet niettemin, alvorens hij van deze mogelijkheid gebruik maakt, de afwezigheid nagaan van fiscale en sociale schulden overeenkomstig artikel 68 van de wet en van de artikelen 62 en 63 van dit besluit alsook, in voorkomend geval, de in artikel 70 van de wet bedoelde corrigerende maatregelen evalueren.
  Wat betreft de opdrachten waarvan de geraamde waarde lager ligt dan deze van de drempels voor de Europese bekendmaking kan de aanbestedende overheid in een openbare procedure of in een vereenvoudigde onderhandelingsprocedure met voorafgaande bekendmaking, overgaan tot het nazicht van de offertes. Vooraleer hij van deze mogelijkheid gebruikt maakt, moet de aanbestedende overheid :
  1° de afwezigheid nagaan van fiscale en sociale schulden overeenkomstig artikel 68 van de wet en van de artikelen 62 en 63 van dit besluit;
  2° in voorkomend geval, de in artikel 70 van de wet bedoelde corrigerende maatregelen evalueren.
  In de overige gevallen slaat het nazicht van de regelmatigheid van de offertes slechts op de offertes van de geselecteerde inschrijvers.

  Art. 76. § 1. De aanbestedende overheid gaat na of de offertes regelmatig zijn.
  De offerte kan substantieel of niet substantieel onregelmatig zijn.
  Een offerte is substantieel onregelmatig wanneer ze van aard is de inschrijver een discriminerend voordeel te bieden, tot concurrentievervalsing te leiden, de beoordeling van de offerte van de inschrijver of de vergelijking ervan met de andere offertes te verhinderen, of de verbintenis van de inschrijver om de opdracht onder de gestelde voorwaarden uit te voeren onbestaande, onvolledig of onzeker te maken.
  De volgende onregelmatigheden worden met name als substantieel beschouwd :
  1° de niet-naleving van het milieu-, sociaal of arbeidsrecht, voor zover deze niet-naleving strafrechtelijk gesanctioneerd wordt;
  2° de niet-naleving van de vereisten bedoeld in de artikelen 38, 42, 43, § 1, 44, 48, § 2, eerste lid, 54, § 2, 55, 83 en 92 van dit besluit en in artikel 14 van de wet, voor zover zij verplichtingen bevatten ten aanzien van de inschrijvers;
  3° de niet-naleving van de minimale eisen en de vereisten die als substantieel worden aangemerkt in de opdrachtdocumenten.
  § 2. De offerte die slechts een of meer niet-substantiële onregelmatigheden bevat die, zelfs gecumuleerd of gecombineerd, niet de in paragraaf 1, derde lid, bedoelde gevolgen teweeg brengen, wordt niet nietig verklaard.
  § 3. Wanneer gebruik wordt gemaakt van een openbare of niet-openbare procedure, verklaart de aanbestedende overheid de substantieel onregelmatige offerte nietig. Dit is ook het geval voor een offerte die meerdere niet-substantiële onregelmatigheden bevat wanneer de cumulatie of combinatie ervan de in paragraaf 1, derde lid, bedoelde gevolgen teweeg brengt.
  § 4. De onderhavige paragraaf is van toepassing op het regelmatigheidsonderzoek van de offertes die geen finale offertes zijn bij de opdrachten met een geraamde waarde gelijk aan of hoger dan de drempel voor de Europese bekendmaking waarbij gebruik wordt gemaakt van een procedure waarin onderhandelingen toegelaten zijn en onverminderd artikel 39, § 7, tweede lid, van de wet. Wanneer het een finale offerte betreft is paragraaf 3 van toepassing.
  Wanneer een offerte die meerdere niet substantiële onregelmatigheden bevat die door hun cumulatie of combinatie de in paragraaf 1, derde lid, bedoelde gevolgen teweeg brengen, verschaft de aanbestedende overheid de inschrijver de mogelijkheid om deze onregelmatigheden te regulariseren vóór de onderhandelingen worden aangevat.
  De aanbestedende overheid verklaart de offerte die een substantiële onregelmatigheid bevat nietig, behalve indien anders is bepaald in de opdrachtdocumenten. In dat laatste geval verschaft zij de inschrijver de mogelijkheid om een substantiële onregelmatigheid te regulariseren vóór de onderhandelingen worden aangevat, tenzij de aanbestedende overheid ten aanzien van de betreffende onregelmatigheid heeft aangegeven dat deze geen voorwerp kan uitmaken van regularisatie.
  § 5. De onderhavige paragraaf is van toepassing op het regelmatigheidsonderzoek van de offertes bij de opdrachten met een geraamde waarde lager dan de drempel voor de Europese bekendmaking waarbij gebruik wordt gemaakt van een procedure waarin onderhandelingen toegelaten zijn en onverminderd paragraaf 2 en artikel 39, § 7, tweede lid, van de wet. De aanbestedende overheid beslist om hetzij de substantieel onregelmatige offerte nietig te verklaren, hetzij om deze onregelmatigheid te laten regulariseren. Hetzelfde geldt indien de offerte meerdere niet-substantiële onregelmatigheden bevat, wanneer de cumulatie of combinatie ervan de in paragraaf 1, derde lid, bedoelde gevolgen teweeg brengt.

  TITEL 2. - Gunning bij openbare of niet-openbare procedure

  HOOFDSTUK 1. - Vorm en inhoud van de offerte

  Art. 77. Als bij de opdrachtdocumenten een formulier is gevoegd voor het opmaken van de offerte en het invullen van de samenvattende opmeting of de inventaris, maakt de inschrijver daarvan gebruik. Doet hij dit niet, dan draagt hij de volle verantwoordelijkheid voor de volledige overeenstemming van de door hem aangewende documenten met het formulier.

  Art. 78. De offerte vermeldt :
  1° de naam, voornamen, hoedanigheid of beroep, nationaliteit en woonplaats van de inschrijver of voor een rechtspersoon, de handelsnaam of benaming, rechtsvorm, nationaliteit, maatschappelijke zetel, het e-mailadres en, desgevallend, het ondernemingsnummer;
  2° a) het totale offertebedrag, belasting over de toegevoegde waarde desgevallend inbegrepen, zoals eventueel gedetailleerd in de samenvattende opmeting of de inventaris;
  b) de prijstoeslagen;
  c) in voorkomend geval, de prijskortingen of verbeteringen voor het geheel of een deel van de offerte;
  d) de prijskorting of verbetering in geval van toepassing van artikel 50;
  e) elk ander prijsgegeven zoals voorzien door de opdrachtdocumenten;
  3° het nummer en de benaming van de rekening bij een financiële instelling waarop de betaling van de opdracht moet gebeuren;
  4° wat de onderaanneming betreft, de eventuele inlichtingen overeenkomstig artikel 74;
  5° voor zover de opdrachtdocumenten zulks opleggen, de oorsprong van de te leveren producten en de te verwerken materialen die afkomstig zijn van buiten de Europese Unie, met vermelding per land van oorsprong van de waarde exclusief douanerechten die zij in de offerte vertegenwoordigen. Als de producten of materialen op het grondgebied van de Europese Unie worden afgewerkt of verwerkt, wordt enkel de waarde van deze grondstoffen vermeld;
  6° in geval van offertes voor meerdere percelen, overeenkomstig artikel 49 de voorkeurvolgorde van de percelen.
  Als de offerte wordt ingediend door een combinatie van ondernemers, zijn de bepalingen van het eerste lid, 1°, van toepassing op elke deelnemer aan de combinatie.

  HOOFDSTUK 2. - Samenvattende opmeting en inventaris

  Art. 79. § 1. Indien bij de opdrachtdocumenten een samenvattende opmeting of inventaris is gevoegd, vult de inschrijver deze in en maakt hij de nodige berekeningen.
  § 2. De inschrijver voert, rekening houdende met de opdrachtdocumenten, zijn beroepskennis of persoonlijke vaststellingen, verbeteringen door voor :
  1° de fouten die hij ontdekt in de forfaitaire hoeveelheden;
  2° de fouten die hij ontdekt in de vermoedelijke hoeveelheden waarvoor de opdrachtdocumenten een dergelijke verbetering toelaten en op voorwaarde dat de voorgestelde verbetering minstens tien percent in meer of in min van de hoeveelheid van de post in kwestie bedraagt;
  3° de leemten in de samenvattende opmeting of inventaris.
  Hij voegt bij zijn offerte een nota ter verantwoording van deze verbeteringen.

  HOOFDSTUK 3. - Interpretatie, fouten en leemten

  Art. 80. Behoudens andersluidende bepaling in de opdrachtdocumenten is de volgende voorrangsorde bepalend voor de interpretatie in geval van tegenspraak tussen de opdrachtdocumenten :
  1° de plannen;
  2° het bestek;
  3° de samenvattende opmeting of de inventaris.
  Als de plannen tegenspraak vertonen, kan de inschrijver zich op de voor hem meest gunstige hypothese steunen, tenzij de andere opdrachtdocumenten daarover uitsluitsel geven.

  Art. 81. Als een ondernemer in de opdrachtdocumenten fouten of leemten ontdekt die van die aard zijn dat ze de prijsberekening of de vergelijking van de offertes onmogelijk maken, meldt hij dit onmiddellijk en schriftelijk aan de aanbestedende overheid. Alleszins verwittigt hij haar ten laatste tien dagen vóór de uiterste datum voor de ontvangst van de offertes, tenzij zulks onmogelijk is door de inkorting van de termijn voor ontvangst van de offertes.
  De aanbestedende overheid oordeelt of de fouten of leemten voldoende belangrijk zijn om tot een rechtszettingsbericht over te gaan of tot een andere vorm van aangepaste bekendmaking en om, indien nodig en met inachtneming van artikel 9, tweede en derde lid, de termijn voor de indiening van de offertes te verlengen.

  Art. 82.Na de eventueel verlengde [1 limietdatum en het limietuur voor het indienen]1 van offertes heeft de inschrijver niet meer het recht om zich te beroepen op fouten of leemten die voorkomen in de samenvattende opmeting of de inventaris, zoals verstrekt door de aanbestedende overheid.
  Bovendien kan hij zich vanaf dat ogenblik niet meer beroepen op vormgebreken, fouten of leemten in zijn offerte.
  ----------
  (1)<KB 2018-04-15/01, art. 39, 003; Inwerkingtreding : 28-04-2018>

  HOOFDSTUK 4. - Indiening en opening

  Art. 83.Onverminderd artikel 57, moet elke aanvraag tot deelneming of offerte vóór de [1 ...]1 datum en uur voor de indiening aankomen. Laattijdige aanvragen tot deelneming of laattijdige offertes worden niet aanvaard.
  ----------
  (1)<KB 2018-04-15/01, art. 40, 003; Inwerkingtreding : 28-04-2018>

  Art. 84. Voor de plaatsingsprocedures waarbij de aanbestedende overheid gebruik maakt van de in artikel 14, § 7, van de wet bedoelde elektronische communicatiemiddelen vindt de opening van de offertes plaats op de datum en het uur bepaald in de opdrachtdocumenten. De verrichtingen verlopen in volgende orde :
  1° de offertes zijn elektronisch ingediend op het platform bedoeld in artikel 14, § 7, van de wet;
  2° alle ingediende offertes worden geopend;
  3° een proces-verbaal wordt opgesteld.
  Het in het eerste lid, 3°, bedoelde proces-verbaal bevat minstens :
  1° de naam of handelsnaam van de inschrijvers, hun woonplaats en maatschappelijke zetel;
  2° de naam van de persoon of personen die het indieningsrapport elektronisch ondertekend heeft/hebben.

  Art. 85. Wat betreft de plaatsingsprocedures waarvoor de aanbestedende overheid geen gebruik maakt van de in artikel 14, § 7, van de wet bedoelde elektronische communicatiemiddelen bepaalt zij de regels voor de indiening en opening van de offertes in de opdrachtdocumenten.

  HOOFDSTUK 5. - Verbetering van de offertes

  Art. 86. § 1. Wanneer een inschrijver, overeenkomstig de artikelen 34 en 79, § 2, de hoeveelheid van één of meer posten van de samenvattende opmeting of inventaris heeft verbeterd, ziet de aanbestedende overheid die wijzigingen na, verbetert ze zo nodig volgens eigen berekeningen en wijzigt desgevallend de opmetingen of inventarissen gevoegd bij de offertes.
  Voor de inschrijver die een vermindering heeft voorgesteld met toepassing van artikel 79, § 2, 2°, wordt de totale prijs die overeenstemt met de aldus verminderde hoeveelheid een forfaitaire prijs, op voorwaarde en in de mate dat de aanbestedende overheid deze verbetering aanvaardt.
  Wanneer de aanbestedende overheid de wijzigingen van een post met vermoedelijke hoeveelheden niet door eigen berekeningen kan nazien, brengt zij de voorgestelde verhoging of verlaging van de hoeveelheid terug tot de oorspronkelijke hoeveelheid van de opmeting of inventaris.
  § 2. Wanneer een inschrijver voor een willekeurige post van de samenvattende opmeting of de inventaris geen prijs heeft vermeld, kan de aanbestedende overheid hetzij de offerte als onregelmatig weren, hetzij ze behouden door de leemte aan te vullen met behulp van de volgende formule :
  P = L x Y
  X
  waarbij dient te worden begrepen onder :
  - P : de prijs van de post waarvoor de inschrijver geen prijs heeft vermeld;
  - L : de verkregen waarde op basis van het rekenkundig gemiddelde van de prijs, desgevallend verbeterd door de aanbestedende overheid volgens artikel 34 en paragraaf 1 van dit artikel, die voor die post werd aangegeven door de inschrijvers die de prijs in hun samenvattende opmeting of inventaris hebben vermeld;
  - Y : het totale bedrag van de opmeting of de inventaris van de inschrijver die voor de betrokken post geen prijs heeft vermeld, eventueel verbeterd op grond van de juist bevonden hoeveelheden voor elke post van de opmeting of de inventaris en overeenkomstig artikel 34 en paragraaf 1 van dit artikel;
  - X : de verkregen waarde op basis van het rekenkundig gemiddelde van het totale bedrag van de opmeting of inventaris van alle inschrijvers die de prijs voor de betrokken post hebben vermeld, eventueel verbeterd op grond van de juist bevonden hoeveelheden voor elke post van de opmeting of de inventaris en overeenkomstig artikel 34, en paragraaf 1 van dit artikel zonder rekening te houden met de prijs die voor die post werd aangegeven.
  Indien de inschrijver voor verschillende posten geen prijs heeft vermeld, wordt voor de berekening van de waarde van X geen rekening gehouden met de prijs die de andere inschrijvers voor die posten hebben vermeld.
  Voor de berekening van de waarden L en X kan de aanbestedende overheid beslissen geen rekening te houden met de offertes die voor de betrokken post een abnormale prijs vermelden.
  § 3. Telkens er met toepassing van artikel 79, § 2, een leemte in de samenvattende opmeting of in de inventaris is aangevuld, gaat de aanbestedende overheid als volgt te werk :
  1° ze onderzoekt de gegrondheid van die aanvulling en verbetert ze zo nodig volgens haar eigen bevindingen.
  Indien de andere inschrijvers geen prijzen voor deze leemten hebben voorgesteld, worden deze prijzen, voor elke post, met het oog op de rangschikking van de offertes, volgens de onderstaande formule berekend en blijven ze behouden bij de definitieve verbetering van de offertes :
  S = L x Y
  X
  waarbij dient te worden begrepen onder :
  - S : de prijs van de leemte;
  - L : het eventueel door de aanbestedende overheid verbeterde bedrag voor de leemte in de samenvattende opmeting of de inventaris van de inschrijver die op de leemte heeft gewezen;
  - X : het totale offertebedrag van dezelfde inschrijver, desgevallend verbeterd op grond van de juist bevonden hoeveelheden voor elke post van de samenvattende opmeting of inventaris en overeen-komstig artikel 34 en paragraaf 1 van dit artikel, zonder met de leemten rekening te houden;
  - Y : het totale offertebedrag van de betrokken inschrijver die de leemte niet heeft vermeld, even-tueel verbeterd op grond van de juist bevonden hoeveelheden voor elke post van de samenvattende opmeting of de inventaris en overeenkomstig artikel 34 en paragraaf 1 van dit artikel, zonder met de leemte rekening te houden;
  2° wanneer verscheidene inschrijvers dezelfde leemte hebben vermeld, worden L en X in de voormelde formule verkregen door het rekenkundig gemiddelde te nemen van de waarden L en X in de samenvattende opmeting of inventaris van die inschrijvers;
  3° in de gevallen bedoeld in 1° en 2° wordt de eenheidsprijs van de leemte verkregen door het bedrag S te delen door de overeenstemmende hoeveelheid, zoals die eventueel door de aanbestedende overheid is verbeterd;
  4° voor de berekening van de prijzen van een leemte overeenkomstig 1° en 2° kan de aanbestedende overheid beslissen geen rekening te houden met de offerte waarin voor die leemtepost een abnormale prijs is geboden.
  Als geen enkele inschrijver een normale prijs heeft geboden voor die leemte, kan de aanbestedende overheid de opdracht gunnen zonder die post.
  § 4. Enkel voor de rangschikking van de offertes worden de hoeveelheden aanvaard door de aanbestedende overheid die groter zijn dan of gelijk zijn aan de hoeveelheden van de oorspronkelijke opmeting of inventaris, zonder onderscheid naar alle opmetingen of inventarissen gebracht.
  Daarentegen spelen de wijzigingen die door de aanbestedende overheid aanvaard worden en die een vermindering van de hoeveelheden tot gevolg hebben, enkel in het voordeel van de inschrijvers die ze gemeld hebben en enkel in de mate dat hun verantwoording is aanvaard. Aldus :
  1° wordt, indien de hoeveelheid voorgesteld door de inschrijver kleiner is dan de hoeveelheid aanvaard door de aanbestedende overheid, deze laatste hoeveelheid in de opmeting of inventaris gebracht;
  2° wordt, indien de hoeveelheid voorgesteld door de inschrijver ligt tussen de hoeveelheid aanvaard door de aanbestedende overheid en de hoeveelheid van de oorspronkelijke opmeting of inventaris, de hoeveelheid voorgesteld door de inschrijver in de opmeting of inventaris gebracht;
  3° wordt, indien de hoeveelheid voorgesteld door de inschrijver, groter is dan de hoeveelheid van de oorspronkelijke opmeting of inventaris, de door de inschrijver voorgestelde hoeveelheid teruggebracht tot de hoeveelheid van de oorspronkelijke opmeting of inventaris.
  § 5. Voor de toepassing van dit artikel houdt de aanbestedende overheid rekening met de verbeteringen die zijn voorgesteld in al dan niet regelmatige offertes die door geselecteerde of voorlopig geselecteerde inschrijvers overeenkomstig artikel 66, § 2, van de wet zijn ingediend.

  HOOFDSTUK 6. - Gunning van de opdracht

  Art. 87. § 1. In het geval van vereiste of toegestane varianten wordt de economisch meest voordelige offerte bepaald op grond van één enkele rangschikking van de basisoffertes en de variantenoffertes overeenkomstig artikel 81 van de wet.
  Indien vrije varianten mogen worden voorgesteld, bepaalt de aanbestedende overheid welke vrije varianten ze niet in aanmerking neemt. Op de andere vrije varianten is het vorige lid toepasselijk.
  De aanbestedende overheid neemt de vereiste of toegestane opties in aanmerking en beslist welke vrije opties ze in aanmerking neemt voor de bepaling van de inschrijver met de economisch meest voordelige offerte. In geval van vereiste, toegestane of vrije opties die door de aanbestedende overheid in aanmerking worden genomen wordt de economisch meest voordelige offerte bepaald op grond van de rangschikking van de offertes verhoogd met de erin geboden economische voordelen.
  Indien een inschrijver in strijd met artikel 48, § 3, aan een vrije of toegestane optie een meerprijs of een andere tegenprestatie heeft verbonden, wordt die vrije of toegestane optie buiten beschouwing gelaten voor zover zulks mogelijk is. Zo niet bevat zijn offerte een onregelmatigheid die overeenkomstig artikel 76 moet worden beoordeeld.
  Wanneer inschrijvers conform artikel 50 een prijsvermindering of een verbeteringsvoorstel van hun offerte hebben gedaan, wordt, voor om het even welk perceel, de economisch meest voordelige regelmatige offerte bepaald rekening houdende met de prijsverminderingen of verbeteringsvoorstellen voor bepaalde gegroepeerde percelen en met het economisch meest voordelige geheel van alle percelen.
  Wanneer de aanbestedende overheid toepassing maakt van artikel 49, eerste lid, 2°, en de inschrijver met de economisch meest voordelige regelmatige offerte niet voldoet aan het vereiste minimale niveau voor meerdere percelen, wordt hem enkel dat aantal percelen gegund waarvoor hij wel voldoet aan dat vereiste minimale niveau, met inachtneming van de voorkeurvolgorde als bedoeld in artikel 49, derde lid. Bij gebrek aan deze laatste houdt de aanbestedende overheid een loting tussen de percelen in kwestie waartoe de betrokkenen worden uitgenodigd.
  § 2. Wanneer verscheidene regelmatige offertes in gelijke mate als economisch meest voordelige worden beschouwd, vraagt de aanbestedende overheid de inschrijvers in kwestie met het oog op een beslissing schriftelijke prijsverminderingen of verbeteringsvoorstellen voor hun offerte in te dienen.
  Zijn de offertes daarna nog gelijkwaardig, dan houdt de aanbestedende overheid een loting waartoe de betrokkenen worden uitgenodigd.
  De onderhavige paragraaf is niet van toepassing op de elektronische veiling, in welk geval artikel 111, tweede lid, van toepassing is.

  HOOFDSTUK 7. - Sluiting van de opdracht

  Art. 88. De sluiting van de opdracht gebeurt door de kennisgeving van de goedkeuring van zijn offerte aan de opdrachtnemer en mag niet onderhevig zijn aan enig voorbehoud.
  De kennisgeving gebeurt via de elektronische platformen bedoeld in artikel 14, § 7, van de wet, per e-mail of per fax en, dezelfde dag, per aangetekende zending.
  De kennisgeving is geldig en tijdig gedaan binnen de eventueel verlengde verbintenistermijn bedoeld in artikel 58.

  Art. 89.Als de eventueel verlengde verbintenistermijn verstrijkt zonder dat de opdracht is gesloten en de aanbestedende overheid in dit stadium geen toepassing maakt van artikel 85 van de wet, gaat ze als volgt te werk.
  Vooraleer de opdracht te gunnen, vraagt de aanbestedende overheid schriftelijk aan de inschrijver in kwestie of hij instemt met het behoud van zijn offerte. Als die inschrijver daarmee zonder voorbehoud instemt, gaat de aanbestedende overheid over tot de gunning en de sluiting van de opdracht.
  Indien de inschrijver in kwestie slechts instemt met het behoud van zijn offerte mits hij een wijziging van zijn offerte krijgt, gebeuren de gunning en de sluiting van de opdracht met inbegrip van de gevraagde wijziging indien de inschrijver de wijziging verantwoordt op grond van omstandigheden die zich na [1 de limietdatum en het limietuur]1 voor de indiening van de offertes hebben voorgedaan en de aldus gewijzigde offerte de economisch meest voordelige blijft.
  Als de inschrijver in kwestie niet instemt met het behoud van zijn offerte of de gevraagde wijziging niet gerechtvaardigd blijkt of de gewijzigde offerte niet de economisch meest voordelige blijft, richt de aanbestedende overheid zich :
  1° hetzij achtereenvolgens, volgens de rangschikking, tot de andere regelmatige inschrijvers. In dit geval zijn eveneens het tweede en derde lid toepasselijk;
  2° hetzij gelijktijdig tot al de andere regelmatige inschrijvers met de vraag hun offerte te herzien, op grond van de oorspronkelijke voorwaarden van de opdracht, om de opdracht vervolgens te gunnen en te sluiten op basis van de offerte die de economisch meest voordelige is geworden. De gevraagde wijzigingen moeten verantwoord worden op grond van omstandigheden die zich na [1 de limietdatum en het limietuur]1 voor de indiening van de offertes hebben voorgedaan, opdat ze in aanmerking zouden komen. De aanbestedende overheid houdt hierbij ook rekening met de bij toepassing van het derde lid gewijzigde offerte, voor zover de gegeven rechtvaardiging werd aanvaard.
  In het geval waarbij de economisch meest voordelige offerte, overeenkomstig artikel 81, § 2, eerste lid, 1°, van de wet, uitsluitend op basis van de prijs wordt bepaald, kan de in het vierde lid, 2°, bedoelde herziening alleen betrekking hebben op de offerteprijs.
  ----------
  (1)<KB 2018-04-15/01, art. 41, 003; Inwerkingtreding : 28-04-2018>

  TITEL 3. - Gunning bij onderhandelingsprocedure zonder voorafgaande bekendmaking en bij mededingingsprocedure met onderhandeling

  HOOFDSTUK 1. - Specifieke drempels

  Art. 90. De aanbestedende overheid kan gebruik maken van de onderhandelingsprocedure zonder voorafgaande bekendmaking wanneer de goed te keuren uitgave bedoeld in artikel 42, § 1, 1°, a), van de wet, lager ligt dan :
  1° het in artikel 11, eerste lid, 2°, bedoelde bedrag;
  2° het in artikel 11, eerste lid, 3°, bedoelde bedrag, voor de diensten inzake arbeidsbemiddeling en vervoersondersteunende diensten, alsook voor de in artikel 32, tweede zin, van de wet bedoelde opdrachten voor diensten inzake onderzoek en ontwikkeling, en dit enkel voor de andere dan federale aanbestedende overheden;
  3° 100.000 euro voor elk perceel van een opdracht waarvan het geraamde bedrag van de opdracht de drempels van artikel 11 niet bereikt, op voorwaarde dat het samengevoegde bedrag van deze percelen niet meer dan twintig percent van het geraamde bedrag van de opdracht bedraagt.
  Wat de in het eerste lid, 2°, bedoelde arbeidsbemiddeling betreft is het voormelde punt alleen van toepassing op de opdrachten met CPV-code 63000000-9 tot en met 63734000-3 (met uitzondering van 63711200-8, 63712700-0, 63712710-3, en 63727000-1 tot en met 63727200-3), alsook 98361000-1. Wat de in lid 1, 2°, bedoelde vervoersondersteunende activiteiten betreft is dit punt alleen van toepassing op de opdrachten met CPV-code 79600000-0 tot en met 79635000-4 (met uitzondering van 79611000-0, 79632000-3, 79633000-0), alsook op 98500000-8 tot en met 98514000-9.

  Art. 91. De aanbestedende overheid kan gebruik maken van de mededingingsprocedure met onderhandeling wanneer het in artikel 38, § 1, f), van de wet, geraamde bedrag van de opdracht lager is dan :
  1° 750.000 euro voor de opdrachten voor werken;
  2° het in artikel 11, eerste lid, 2° dan wel 3°, bepaalde bedrag voor de opdrachten voor leveringen en diensten, afhankelijk van het feit of het al dan niet een federale aanbestedende overheid betreft.

  HOOFDSTUK 2. - Verloop en sluiting van de opdracht

  Art. 92.In geval van een mededingingsprocedure met onderhandeling moet elke offerte [1 vóór]1 de [1 ...]1 datum en uur voor de indiening van de offertes aankomen. Laattijdige offertes worden niet aanvaard.
  ----------
  (1)<KB 2018-04-15/01, art. 42, 003; Inwerkingtreding : 28-04-2018>

  Art. 93. De spontane offertes worden in de onderhandelingsprocedure zonder voorafgaande bekendmaking niet aanvaard door de aanbestedende overheid, tenzij uitdrukkelijk gemotiveerde andersluidende beslissing.
  Voor de opdrachten die worden geplaatst door middel van een onderhandelingsprocedure zonder voorafgaande bekendmaking en waarvan de geraamde waarde lager is dan de drempel voor de Europese bekendmaking, is de aanbestedende overheid niet gehouden specifieke selectiecriteria te bepalen en zijn de artikelen 65 tot 70 niet van toepassing. Overeenkomstig artikel 42, § 3, eerste lid, 2°, van de wet, kunnen de opdrachtdocumenten echter afwijken van dit lid.

  Art. 94.Indien er bij een onderhandelingsprocedure zonder voorafgaande bekendmaking, meerdere ondernemers worden geraadpleegd, worden ze gelijktijdig en schriftelijk uitgenodigd om een offerte in te dienen. Deze uitnodiging bevat minstens :
  1° de opdrachtdocumenten, tenzij de aanbestedende overheid deze via elektronische middelen op kosteloze, vrije, volledige en rechtstreekse wijze aanbiedt, in welk geval zij het internetadres dat toegang biedt tot deze documenten vermeldt;
  2° [1 de limietdatum en het limietuur]1 voor de indiening van de offertes;
  3° de aanduiding van de eventueel toe te voegen documenten;
  4° het gunningscriterium of de gunningscriteria voor zover ze niet zijn opgenomen in de andere opdrachtdocumenten, overeenkomstig artikel 81 van de wet, tenzij desgevallend in de in artikel 42, § 3, tweede lid, van de wet bedoelde gevallen.
  ----------
  (1)<KB 2018-04-15/01, art. 43, 003; Inwerkingtreding : 28-04-2018>

  Art. 95. Een opdracht geplaatst via mededingingsprocedure met onderhandeling of een onderhandelingsprocedure zonder voorafgaande bekendmaking wordt gesloten :
  1° ofwel op grond van briefwisseling volgens handelsgebruiken, in geval van een onderhandelingsproce-dure zonder voorafgaande bekendmaking;
  2° ofwel door de kennisgeving aan de opdrachtnemer van de goedkeuring van zijn offerte zoals eventueel gewijzigd na onderhandelingen en/of verbeterd in toepassing van artikel 34. Deze betekening gebeurt overeenkomstig de modaliteiten vermeld in artikel 88, tweede lid;
  3° ofwel door de ondertekening van een overeenkomst door de partijen.

  HOOFDSTUK 3. - Gebruik van de mededingingsprocedure met onderhandeling na een eerste vruchteloze procedure

  Art. 96. Voor de toepassing van artikel 38, § 1, lid 2, van de wet, worden de offertes die de artikelen 38, 42, 43, § 1, 44, 48, § 2, 54, § 2, 55, en 83 van dit besluit en van artikel 14 van de wet naleven beschouwd als offertes die aan de formele eisen van de initiële plaatsingsprocedure voldeden.

  TITEL 4. - Gunning bij concurrentiegerichte dialoog

  Art. 97. De uitnodiging tot deelneming aan de dialoog bedoeld in artikel 39, § 1, vierde lid, van de wet, omvat de inlichtingen bedoeld in de bijlage 9.

  Art. 98. De aanbestedende overheid start een dialoog op met de geselecteerde kandidaten, met het doel na te gaan en te bepalen welke middelen geschikt zijn om zo goed mogelijk aan haar behoeften te voldoen. Ze verschaft de deelnemers een voldoende termijn om de dialoog voor te bereiden.
  De dialoog gebeurt met elke deelnemer afzonderlijk.

  Art. 99. Overeenkomstig artikel 39, § 6, van de wet, nodigt de aanbestedende overheid elke deelnemer aan de dialoog, van wie één of meerdere oplossingen werden weerhouden, tegelijkertijd en schriftelijk uit om een definitieve offerte in te dienen voor één of meerdere oplossingen die in aanmerking werden genomen.
  De aanbestedende overheid vermeldt in haar uitnodiging om één of meerdere definitieve offertes in te dienen de voorwaarden die van toepassing zijn tijdens de uitvoering van de opdracht.

  Art. 100. De opdracht wordt gesloten door de ondertekening van een overeenkomst tussen de partijen.

  TITEL 5. - Specifieke en aanvullende opdrachten en procedures

  HOOFDSTUK 1. - Dynamisch aankoopsysteem

  Art. 101. Bij het opzetten van een dynamisch aankoopsysteem binnen de voorwaarden van artikel 44, § 1, van de wet gaat de aanbestedende overheid als volgt te werk :
  1° ze maakt een aankondiging van opdracht bekend onder de vorm van een standaardformulier uit de uitvoeringsverordening (EU) 2015/1986 van de Commissie van 11 november 2015 tot vaststelling van standaardformulieren voor de bekendmaking van aankondigingen op het gebied van overheidsopdrachten en tot intrekking van de uitvoeringsverordening (EU) nummer 842/2011;
  2° ze vermeldt in de opdrachtdocumenten ten minste de aard en de geraamde hoeveelheid van de beoogde aankopen, alsmede alle nodige informatie omtrent het dynamisch aankoopsysteem, inclusief op welke wijze het dynamisch aankoopsysteem functioneert, de gebruikte elektronische apparatuur en de nadere technische bepalingen en specificaties voor de verbinding;
  3° ze geeft elke verdeling in categorieën van producten, werken of diensten aan en de kenmerken daarvan;
  4° ze biedt vanaf de bekendmaking van de opdracht en zolang het dynamisch aankoopsysteem geldig is via elektronische communicatiemiddelen een vrije, rechtstreekse, onmiddellijke en volledige toegang tot de opdrachtdocumenten.

  Art. 102. De aanbestedende overheid verleent elke ondernemer tijdens de gehele geldigheidstermijn van het dynamisch aankoopsysteem de mogelijkheid te verzoeken om deelneming aan het systeem onder de voorwaarden van artikel 44, § 2 van de wet. Zij verricht een beoordeling van deze verzoeken volgens de selectiecriteria binnen de tien werkdagen volgend op de ontvangst. Waar dit gerechtvaardigd is, kan die termijn in bepaalde gevallen tot vijftien werkdagen worden verlengd, met name gezien de noodzaak aanvullende documentatie te bestuderen of anderszins te controleren of aan de selectiecriteria wordt voldaan.
  Niettegenstaande het eerste lid kan de aanbestedende overheid, voor zover de uitnodiging tot het indienen van een offerte voor de eerste specifieke opdracht in het kader van het dynamisch aankoopsysteem niet is toegezonden, de evaluatieperiode verlengen, op voorwaarde dat er tijdens de verlengde evaluatieperiode geen uitnodiging tot het indienen van een offerte wordt uitgeschreven. De aanbestedende overheid geeft in de opdrachtdocumenten de duur van de door haar voorgenomen verlenging aan.
  De aanbestedende overheid deelt de betrokken ondernemer zo spoedig mogelijk mee of hij al dan niet is toegelaten tot het dynamisch aankoopsysteem.

  Art. 103. De aanbestedende overheid nodigt overeenkomstig artikel 65 van de wet alle toegelaten deelnemers uit om voor elke specifieke opdracht in het dynamisch aankoopsysteem een offerte in te dienen. Wanneer het dynamisch aankoopsysteem in categorieën van werken, producten, of diensten is ingedeeld, nodigt de aanbestedende overheid alle deelnemers die zijn toegelaten tot de categorie waarop de betrokken specifieke opdracht betrekking heeft, uit een offerte in te dienen.
  Zij gunt de opdracht aan de inschrijver die de beste offerte heeft ingediend op basis van de gunningscriteria als bepaald in de aankondiging van de opdracht voor het dynamisch aankoopsysteem. Deze criteria kunnen in voorkomend geval worden gepreciseerd in de uitnodiging tot het indienen van een offerte.

  Art. 104. De bepalingen van artikel 73, §§ 3 en 4, van de wet, zijn gedurende de gehele geldigheidstermijn van het dynamisch aankoopsysteem van toepassing.
  De aanbestedende overheid kan op ieder moment tijdens de geldigheidstermijn van het dynamisch aankoopsysteem van toegelaten deelnemers verlangen dat zij binnen de vijf werkdagen vanaf de datum van verzending van het verzoek, een herziene en geactualiseerde UEA overleggen. Het onderhavige lid is niet van toepassing op de opdrachten waarvan de geraamde waarde lager is dan de drempel voor de Europese bekendmaking.

  Art. 105. De aanbestedende overheid vermeldt de geldigheidstermijn van het dynamisch aankoopsysteem in de aankondiging van opdracht. Indien het geraamd bedrag van het systeem gelijk is aan of hoger dan de drempels voor de Europese bekendmaking brengt zij de Europese Commissie en het in artikel 163, § 2, van de wet bedoelde aanspreekpunt op de hoogte van elke verandering in de geldigheidstermijn, met gebruik van de volgende standaardformulieren :
  1° wanneer de geldigheidstermijn wordt gewijzigd zonder dat het systeem wordt beëindigd : het formulier dat aanvankelijk is gebruikt voor de aankondiging van de opdracht voor het dynamisch aankoopsysteem;
  2° wanneer het systeem wordt beëindigd, een aankondiging van gegunde opdracht als bedoeld in artikel 17.

  HOOFDSTUK 2. - Elektronische veiling

  Art. 106. Om gebruik te kunnen maken van een elektronische veiling overeenkomstig artikel 45 van de wet, vermeldt de aanbestedende overheid deze mogelijkheid in de aankondiging van opdracht. De opdrachtdocumenten bevatten ten minste de in bijlage 8 genoemde informatie.

  Art. 107. Overeenkomstig artikel 45, § 4, van de wet, doet de aanbestedende overheid, alvorens over te gaan tot de elektronische veiling, een eerste volledige beoordeling van de ingediende offertes.
  Alle inschrijvers die een offerte hebben ingediend die na de in het eerste lid bedoelde beoordeling in aanmerking komen, worden tegelijkertijd via elektronische weg uitgenodigd om aan de elektronische veiling deel te nemen, door op het vermelde tijdstip overeenkomstig de in de uitnodiging vermelde instructies gebruik te maken van de verbindingen. De elektronische veiling kan in een aantal opeenvolgende fasen verlopen.

  Art. 108. De uitnodiging gaat vergezeld van het resultaat van de volledige beoordeling van de betrokken offerte, uitgevoerd overeenkomstig de in artikel 81, § 4, van de wet, bedoelde weging.
  De uitnodiging vermeldt eveneens de wiskundige formule die tijdens de elektronische veiling zal worden gebruikt om de automatische herklasseringen te bepalen op basis van de ingediende nieuwe prijzen en/of nieuwe waarden. Behoudens in gevallen waarin de economisch meest voordelige offerte uitsluitend op basis van de prijs wordt bepaald, houdt deze formule rekening met het gewicht dat is toegekend aan alle vastgestelde criteria om de economisch meest voordelige offerte te bepalen, zoals in de aankondiging van de opdracht of in andere opdrachtdocumenten is aangegeven. Daartoe moeten eventuele marges vooraf in een bepaalde waarde worden uitgedrukt.
  Wanneer varianten zijn toegestaan, moeten voor elke variant afzonderlijke formules worden verstrekt.
  Vrije varianten zijn niet toegelaten in het kader van een elektronische veiling.
  De uitnodiging bevat eventueel aangepaste informatie voor de individuele verbinding met het gebruikte elektronisch systeem. Ze preciseert de datum en het aanvangsuur van de elektronische veiling evenals, in voorkomend geval, de opeenvolgende fases en hun tijdschema en afsluitingswijze.
  De elektronische veiling kan pas beginnen na het verstrijken van een termijn van minstens twee werkdagen vanaf de datum van verzending van de uitnodiging.

  Art. 109. § 1. De biedingen worden niet elektronisch ondertekend, aangezien de inschrijver erdoor gebonden is indien ze worden ingediend op de wijze bepaald in de opdrachtdocumenten en eventueel de uitnodiging.
  § 2. In elke fase van de elektronische veiling verstrekt de aanbestedende overheid aan alle inschrijvers onmiddellijk ten minste voldoende informatie om hen in staat te stellen op elk moment hun respectieve klassering te kennen. Zij kan ook andere informatie betreffende andere ingediende prijzen of waarden verstrekken indien dat in de opdrachtdocumenten is vermeld. Zij kan tevens op elk moment meedelen hoeveel inschrijvers aan die fase van de veiling deelnemen. Zij mag echter hoe dan ook in geen enkele fase van de elektronische veiling de identiteit van de inschrijvers bekendmaken.
  Noch gedurende de veiling, noch na afloop ervan, kan de inschrijver zijn laatste bod intrekken.

  Art. 110. De aanbestedende overheid kan de elektronische veiling op één of meer van de onderstaande wijzen afsluiten :
  1° op het vooraf aangegeven datum en uur;
  2° wanneer zij geen nieuwe prijzen of nieuwe waarden meer ontvangt die voldoen aan de voorschriften inzake minimumverschillen, mits zij vooraf heeft aangegeven welke termijn zij na ontvangst van de laatste aanbieding in acht zal nemen alvorens de elektronische veiling te sluiten; of
  3° wanneer het vooraf aangegeven aantal fasen in de veiling volledig is doorlopen.
  Wanneer de aanbestedende overheid voornemens is de elektronische veiling overeenkomstig punt 3° van het eerste lid af te sluiten, in voorkomend geval in combinatie met de in punt 2° van dit lid bepaalde regelingen, vermeldt de uitnodiging tot deelneming aan de veiling het tijdschema voor elke fase van de veiling.

  Art. 111. Na de sluiting van de elektronische veiling gunt de aanbestedende overheid de opdracht op basis van het resultaat van de veiling, overeenkomstig artikel 81 van de wet.
  Wanneer meerdere inschrijvers dezelfde economisch meest voordelige bieding hebben gedaan, gaat de aanbestedende overheid over tot een elektronische loting.

  HOOFDSTUK 3. - Elektronische catalogi

  Art. 112. Offertes die in de vorm van de in artikel 46 van de wet bedoelde elektronische catalogus worden ingediend, kunnen vergezeld gaan van andere documenten ter aanvulling van de offerte.

  Art. 113. Wanneer de indiening van offerte in de vorm van een elektronische catalogus wordt aanvaard dan wel verplicht is gesteld, gaat de aanbestedende overheid te werk als volgt :
  1° zij vermeldt dit in de aankondiging van de opdracht;
  2° zij verstrekt in de opdrachtdocumenten alle nodige informatie betreffende het format, de gebruikte elektronische apparatuur en de nadere technische bepalingen voor de verbinding en technishce specificaties voor de catalogus.

  Art. 114. Wanneer een raamovereenkomst met meer dan één ondernemer is gesloten na indiening van de offertes in de vorm van elektronische catalogi, kan de aanbestedende overheid bepalen dat voor specifieke opdrachten opnieuw tot mededinging wordt opgeroepen op basis van bijgewerkte catalogi. In een dergelijk geval gebruikt de aanbestedende overheid een van de volgende methodes :
  1° zij verzoekt de deelnemers aan de raamovereenkomst hun elektronische catalogi, na aanpassing aan de eisen van de betrokken opdracht, opnieuw in te dienen, of
  2° zij deelt de deelnemers aan de raamovereenkomst mee dat zij voornemens is uit de reeds ingediende elektronische catalogi de nodige informatie te verzamelen om offertes op te maken die aan de vereisten van de betrokken opdracht aangepast zijn, mits het gebruik van deze methode in de opdrachtdocumenten voor de raamovereenkomst is aangekondigd.

  Art. 115. Indien een aanbestedende overheid voor specifieke opdrachten overeenkomstig artikel 114, 2°, opnieuw oproept tot mededinging, deelt hij aan de inschrijvers de datum en het uur mede, waarop zij voornemens is de nodige informatie te verzamelen voor nieuwe offertes die aan de eisen van de betrokken specifieke opdracht aangepast zijn, en geeft zij inschrijvers de mogelijkheid om het zodanig verzamelen van informatie te weigeren.
  De aanbestedende overheid voorziet in een toereikende termijn tussen de mededeling en het daadwerkelijk verzamelen van de informatie.
  Vóór de gunning van de opdracht, legt de aanbestedende overheid de verzamelde informatie over aan de betrokken inschrijver zodat deze kan betwisten of bevestigen dat de aldus samengestelde offerte geen materiële fouten bevat.

  Art. 116. De aanbestedende overheid mag opdrachten op grond van een dynamisch aankoopsysteem gunnen op basis van de eis dat offertes voor een specifieke opdracht in de vorm van een elektronische catalogus moeten worden ingediend.
  De aanbestedende overheid kan opdrachten ook gunnen op grond van een dynamisch aankoopsysteem overeenkomstig de artikelen 114, 2°, en 115, mits het verzoek om deelname aan het dynamische aankoopsysteem vergezeld gaat van een elektronische catalogus in overeenstemming met de technische specificaties en format zoals vastgesteld door de aanbestedende overheid. Deze catalogus wordt vervolgens aangevuld door de kandidaten, wanneer zij in kennis zijn gesteld van het voornemen van de aanbestedende overheid om offertes op te stellen door middel van de procedures als bepaald in artikel 114, 2°.

  HOOFDSTUK 4. - Prijsvragen

  Afdeling 1. - Toepassingsvoorwaarden en jury

  Art. 117. De aanbestedende overheid kan :
  1° prijsvragen organiseren die als onderdeel van een procedure voor het plaatsen van overheidsopdrachten voor diensten worden uitgeschreven;
  2° prijsvragen met prijzengeld of betalingen aan de deelnemers organiseren.

  Art. 118. De beoordelingscriteria worden vermeld in de aankondiging van de prijsvraag.

  Art. 119. § 1. De prijsvraagdocumenten bepalen de samenstelling van de jury en haar wijze van optreden.
  De jury bestaat uitsluitend uit natuurlijke personen, minimum vijf in aantal, die onafhankelijk zijn van de deelnemers aan de prijsvraag. Minstens één van hen behoort niet tot de aanbestedende overheid.
  Indien van de deelnemers aan de prijsvraag een bijzondere beroepskwalificatie vereist wordt, beschikt minstens één derde van de juryleden over diezelfde of een gelijkwaardige beroepskwalificatie.
  § 2. De prijsvraagdocumenten bepalen of de jury een beslissings- of adviesbevoegdheid heeft. In alle gevallen is de jury autonoom bij het uitspreken van haar beslissingen of adviezen.
  § 3. De prijsvraagdocumenten bepalen het eventueel toekennen van prijzengeld voor de best gerangschikte ontwerpen of van vergoedingen voor de deelnemers. Het prijzengeld wordt door de aanbestedende overheid toegekend met verplicht behoud van de door de jury opgestelde rangschikking. De aanbestedende overheid kan het prijzengeld of de vergoedingen ook geheel of gedeeltelijk niet toekennen indien ze oordeelt dat de ontwerpen niet voldoen.
  § 4. De prijsvraagdocumenten bepalen nauwkeurig de respectieve rechten van de aanbestedende overheid en de ontwerpers inzake de eigendom en het gebruik van de ontwerpen.

  Art. 120. Wanneer het een prijsvraag betreft waarvoor een voorafgaande Europese bekendmaking verplicht is, worden de ontwerpen anoniem aan de jury voorgesteld en uitsluitend op grond van de criteria die in de aankondiging van de prijsvraag zijn vermeld. De anonimiteit wordt geëerbiedigd tot de beslissing of het advies van de jury bekend is.
  Vóór het verstrijken van de termijn voor ontvangst van de ontwerpen neemt de jury geen kennis van de inhoud ervan.
  Ze evalueert de ontwerpen op grond van de criteria bedoeld in artikel 118.
  Ze stelt een door alle leden ondertekend proces-verbaal op met de op basis van de merites van elk project vastgestelde rangorde van de projecten, vergezeld van opmerkingen en punten die verduidelijking behoeven.
  De deelnemers kunnen zo nodig worden verzocht om de in het proces-verbaal vermelde opmerkingen en vragen te beantwoorden teneinde duidelijkheid te verschaffen omtrent bepaalde aspecten van de projecten.
  Van de informatie-uitwisseling tussen de juryleden en de deelnemers wordt eveneens een volledig proces-verbaal opgesteld.

  Afdeling 2. - Raming en bekendmaking

  Art. 121. § 1. De prijsvraag is onderworpen aan de verplichte voorafgaande Europese bekendmaking in de volgende gevallen :
  1° wanneer de prijsvraag georganiseerd wordt in het kader van de plaatsingsprocedure van een overheidsopdracht voor diensten waarvan het geraamde bedrag, met inbegrip van het totale bedrag van de premies en de betalingen aan de deelnemers, gelijk is aan of hoger dan de drempel vermeld in artikel 11;
  2° in alle gevallen van prijsvraag waarvoor het totale bedrag van de premies en de betalingen aan de deelnemers gelijk is aan of hoger dan de drempel vermeld in artikel 11. Het geraamde bedrag van de overheidsopdracht die achteraf kan worden geplaatst, wordt ook in aanmerking genomen, tenzij de aanbestedende overheid de plaatsing van deze opdracht heeft uitgesloten in de aankondiging van prijsvraag.
  Wanneer zij het voornemen hebben een vervolgopdracht voor diensten te gunnen overeenkomstig artikel 42, § 1, 5°, van de wet, wordt dit in de aankondiging van de prijsvraag vermeld.
  § 2. De prijsvraag die niet verplicht onderworpen is aan de voorafgaande Europese bekendmaking zoals vermeld in paragraaf 1, is onderworpen aan de Belgische bekendmaking.

  Art. 122. Inzake de bekendmakingsvoorschriften van hoofdstuk 3 van titel 1 zijn enkel de artikelen 8 tot 10 van toepassing op de prijsvraag.
  De aankondiging van prijsvraag bevat de inlichtingen bedoeld in bijlage 6.A.

  Art. 123. Wanneer het een prijsvraag betreft waarvoor een voorafgaande Europese bekendmaking verplicht is, wordt een aankondiging van de resultaten van de prijsvraag bekendgemaakt die de inlichtingen in bijlage 6.B omvat.
  De aankondiging wordt naar het Publicatieblad van de Europese Unie en naar het Bulletin der Aanbestedingen verzonden binnen een termijn van dertig dagen na de keuze van het ontwerp of de ontwerpen.
  Bepaalde gegevens betreffende de resultaten van de prijsvraag mogen niet meegedeeld worden indien de openbaarmaking ervan de toepassing van een wet zou belemmeren, in strijd zou zijn met het algemeen belang, nadelig zou zijn voor de rechtmatige commerciële belangen van de overheidsbedrijven of particuliere ondernemingen, of de eerlijke mededinging tussen de dienstverleners zou kunnen schaden.

  TITEL 6. - Overheidsopdrachten van beperkte waarde

  Art. 124. Voor de in hoofdstuk 7 van titel 2 van de wet bedoelde overheidsopdrachten van beperkte waarde plaatst de aanbestedende overheid zijn opdracht na raadpleging, indien mogelijk, van de voorwaarden van meerdere ondernemers maar zonder dat om de indiening van offertes moet worden verzocht.
  Het bewijs van die raadpleging moet door de aanbestedende overheid geleverd kunnen worden.

  TITEL 7. - Overheidsopdrachten tot aanstelling van een advocaat in het kader van een vertegenwoordiging in rechte of ter voorbereiding van een procedure

  Art. 125. De in artikel 28, § 1, eerste lid, 4°, a) en b), van de wet bedoelde opdrachten tot aanstelling van een advocaat in het kader van een vertegenwoordiging in rechte of ter voorbereiding van een procedure in rechte, zijn onderworpen aan de beginselen van titel 1 van de wet, met uitzondering van de artikelen 12 en 14 van de wet. Deze overheidsopdrachten worden geplaatst na raadpleging, indien mogelijk, van de voorwaarden van meerdere advocaten maar zonder dat om de indiening van offertes moet worden verzocht.
  Het bewijs van die raadpleging moet door de aanbestedende overheid geleverd kunnen worden.
  De in het eerste lid bedoelde opdrachten mogen niet tot stand komen via een aanvaarde factuur, behalve indien hun geraamd bedrag lager ligt dan het in artikel 92, eerste lid, van de wet bedoelde bedrag.

  TITEL 8. - Eind-, opheffings-, overgangs- en inwerkingtredingsbepalingen

  Vraag tot toegang tot Telemarc

  Art. 126. De aanbestedende overheden die nog niet over een toegang tot Telemarc beschikken, vragen dit aan bij de Dienst voor Administratieve Vereenvoudiging.

  Opheffingsbepalingen

  Art. 127. Het koninklijk besluit plaatsing overheidsopdrachten klassieke sectoren van 15 juli 2011, gewijzigd bij koninklijk besluit van 7 februari 2014 en bij het ministerieel besluit van 22 december 2015, wordt opgeheven, met uitzondering van Hoofdstuk 10.

  Overgangsbepalingen

  Art. 128. Voor de opdrachten waarvan de geraamde waarde gelijk is aan of hoger is dan de drempel voor de Europese bekendmaking, mag de aanbestedende overheid tot en met 17 oktober 2018 ervoor kiezen om in een plaatsingsprocedure niet, of niet uitsluitend, gebruik te maken van de elektronische communicatiemiddelen. In dat geval geeft zij in de opdrachtdocumenten aan van welk communicatiemiddel gebruik mag worden gemaakt voor het uitwisselen van informatie, te weten :
  1° per post of via een andere geschikte vervoerder;
  2° per fax;
  3° via communicatie door middel van elektronische middelen, maar zonder gebruik, voor de indiening van de aanvragen tot deelneming of offertes, van de in artikel 14, § 7, van de wet bedoelde elektronische platformen;
  4° door een combinatie van deze middelen.
  Wanneer de aanbestedende overheid ervoor kiest om de in dit artikel bedoelde overgangsmaatregel toe te passen, blijven de artikelen 45, 90, §§ 1 en 2, eerste en tweede lid, 91, § 1, eerste en tweede lid, 92, eerste tot derde lid, 93 en 94 van het koninklijk besluit plaatsing overheidsopdrachten klassieke sectoren van 15 juli 2011, van toepassing. Echter :
  1° behoudens andersluidend beding in de opdrachtdocumenten, zijn de artikelen 90, § 1 en § 2, eerste en tweede lid, 91, § 1, eerste en tweede lid, 92, eerste tot derde lid, 93 en 94 van het voormelde koninklijk besluit van 15 juli 2011 slechts van toepassing wanneer gebruik wordt gemaakt van de openbare of niet-openbare procedure;
  2° kan de intrekking van een offerte, bij een openbare of niet-openbare procedure, ook per fax of via een ander elektronisch middel meegedeeld worden, voor zover deze toekomt bij de voorzitter van de openingszitting alvorens deze de zitting opent, en de intrekking wordt bevestigd door middel van een aangetekende zending verzonden ten laatste de dag vóór de openingszitting;
  3° kan artikel 90, § 1, van het voormelde koninklijk besluit van 15 juli 2011, slechts worden toegepast voor zover gebruik mag worden gemaakt van post of via een andere geschikte vervoerder als communicatiemiddel.
  Wanneer gebruik wordt gemaakt van de onderhavige overgangsbepaling voor een andere plaatsingsprocedure dan de openbare of de niet-openbare procedure, geeft de aanbestedende overheid in de opdrachtdocumenten aan welke bijkomende regels op het vlak van communicatiemiddelen van toepassing zijn.
  De onderhavige overgangsbepaling blijft van kracht zelfs na de in het eerste lid vermelde datum, ten aanzien van de opdrachten die tot aan deze datum worden bekendgemaakt of hadden moeten worden bekendgemaakt, alsook voor de overheidsopdrachten waarvoor, bij ontstentenis van een verplichting tot voorafgaande bekendmaking, tot aan die datum wordt uitgenodigd tot het indienen van een offerte.
  Het onderhavige artikel is niet van toepassing wanneer gebruikt wordt gemaakt van dynamische aankoopsystemen, elektronische veilingen of elektronische catalogi. Het onderhavige artikel mag niet worden toegepast in het kader van de bekendmakingsvoorschriften, de terbeschikkingstelling van opdrachtdocumenten en mag evenmin worden aangewend door aankoopcentrales.

  Art. 129. Onverminderd artikel 14, § 2, eerste lid, 5°, van de wet en voor de opdrachten waarvan de geraamde waarde lager is dan de drempel voor de Europese bekendmaking, mag de aanbestedende overheid nog tot en met 31 december 2019 ervoor kiezen om in een plaatsingsprocedure niet, of niet uitsluitend, gebruik te maken van de elektronische communicatiemiddelen. In dat geval geeft zij in de opdrachtdocumenten aan van welk communicatiemiddele gebruik mag worden gemaakt voor het uitwisselen van informatie, te weten :
  1° per post of via een andere geschikte vervoerder;
  2° per fax;
  3° via communicatie door middel van elektronische middelen, maar zonder gebruik, voor de indiening van de aanvragen tot deelneming of offertes, van de in artikel 14, § 7, van de wet bedoelde elektronische platformen;
  4° door een combinatie van deze middelen.
  Wanneer de aanbestedende overheid ervoor kiest om de in dit artikel bedoelde overgangsmaatregel toe te passen, blijven de artikelen 45, 90, § 1 en § 2, eerste en tweede lid, 91, § 1, eerste en tweede lid, 92, eerste tot derde lid, 93 en 94 van het koninklijk besluit plaatsing overheidsopdrachten klassieke sectoren van 15 juli 2011, van toepassing. Echter :
  1° behoudens andersluidend beding in de opdrachtdocumenten, zijn de artikelen 90, § 1 en § 2, eerste en tweede lid, 91, § 1, eerste en tweede lid, 92, eerste tot derde lid, 93 en 94 van het voormelde koninklijk besluit van 15 juli 2011 slechts van toepassing wanneer gebruik wordt gemaakt van de openbare of niet-openbare procedure;
  2° kan de intrekking van een offerte, bij een openbare of niet-openbare procedure, ook per fax of via een ander elektronisch middel meegedeeld worden, voor zover deze toekomt bij de voorzitter van de openingszitting alvorens deze de zitting opent, en de intrekking wordt bevestigd door middel van een aangetekende zending verzonden ten laatste de dag vóór de openingszitting;
  3° kan artikel 90, § 1, van het voormelde koninklijk besluit van 15 juli 2011, slechts worden toegepast voor zover gebruik mag worden gemaakt van post of via een andere geschikte vervoerder als communicatiemiddel.
  Wanneer gebruik wordt gemaakt van de onderhavige overgangsbepaling voor een andere plaatsingsprocedure dan de openbare of de niet-openbare procedure, geeft de aanbestedende overheid in de opdrachtdocumenten aan welke bijkomende regels op het vlak van communicatiemiddelen van toepassing zijn.
  De onderhavige overgangsbepaling blijft van kracht zelfs na de in het eerste lid vermelde datum, ten aanzien van de overheidsopdrachten die tot aan deze datum worden bekendgemaakt of hadden moeten worden bekendgemaakt, alsook voor de opdrachten waarvoor, bij ontstentenis van een verplichting tot voorafgaande bekendmaking, tot aan die datum wordt uitgenodigd tot het indienen van een offerte.
  Het onderhavige artikel is niet van toepassing wanneer gebruikt wordt gemaakt van dynamische aankoopsystemen, elektronische veilingen of elektronische catalogi. Het onderhavige artikel mag niet worden toegepast in het kader van de bekendmakingsvoorschriften en mag evenmin worden aangewend door aankoopcentrales.
  Het onderhavige artikel kan wel worden toegepast in het kader van het ter beschikking stellen van opdrachtdocumenten.

  Art. 130. De aanbestedende overheid die gebruikt maakt van de overgangsmaatregelen vervat in de artikelen 128 of 129 maakt hier melding van in de opdrachtdocumenten. Zij geeft aan welke vereisten gelden, desgevallend, op het vlak van de ondertekening van het UEA, de aanvraag tot deelneming of de offertes.

  Inwerkingtredingsbepalingen

  Art. 131. Voor de overheidsopdrachten die onder het toepassingsveld van titel 2 van de wet vallen, treden de artikelen van de wet die nog niet in werking zijn getreden, met uitzondering van de in artikel 132 van dit besluit vermelde bepalingen, in werking op 30 juni 2017, voor de opdrachten die vanaf die datum worden bekendgemaakt of hadden moeten worden bekendgemaakt, alsook voor de opdrachten waarvoor, bij ontstentenis van een verplichting tot voorafgaande bekendmaking, vanaf die datum wordt uitgenodigd tot het indienen van een offerte.

  Art. 132.Voor de overheidsopdrachten die onder het toepassingsveld van titel 2 van de wet vallen, [1 treedt artikel 14, § 1, eerste lid, van de wet]1 in werking op een van de volgende data voor de opdrachten die vanaf die datum worden bekendgemaakt of hadden moeten worden bekendgemaakt, alsook voor de opdrachten waarvoor, bij ontstentenis van een verplichting tot voorafgaande bekendmaking, vanaf de desbetreffende datum wordt uitgenodigd tot het indienen van een offerte :
  1° 30 juni 2017, wanneer deze bepalingen worden toegepast door aankoopcentrales;
  2° 30 juni 2017 voor de opdrachten waarbij gebruik wordt gemaakt van dynamische aankoopsystemen, elektronische veilingen of elektronische catalogi;
  3° 18 oktober 2018 voor de opdrachten, andere dan onder 1° of 2°, waarvan de geraamde waarde gelijk is aan of hoger is dan de drempel voor de Europese bekendmaking;
  4° 1 januari 2020 voor de opdrachten, andere dan onder 1° of 2°, waarvan de geraamde waarde lager is dan de drempel voor de Europese bekendmaking.
  [1 Voor de overheidsopdrachten die onder het toepassingsgebied van titel 2 van de wet vallen, treedt artikel 73, § 2, van de wet in werking op 18 april 2018 voor de opdrachten die vanaf die datum worden bekendgemaakt of hadden moeten worden bekendgemaakt, alsook voor de opdrachten waarvoor, bij ontstentenis van een verplichting tot voorafgaande bekendmaking, vanaf die datum wordt uitgenodigd tot het indienen van een offerte.]1
  ----------
  (1)<KB 2018-04-15/01, art. 44, 003; Inwerkingtreding : 18-04-2018>

  Art. 133. Dit besluit, met uitzondering van artikel 126, treedt in werking op 30 juni 2017.
  Artikel 126 treedt in werking op 1 mei 2018.

  Slotbepaling

  Art. 134. De Eerste Minister is belast met de uitvoering van dit besluit.

  BIJLAGEN.

  Art. N1. Bijlage 1. Instellingen en personen als bedoeld in artikel 5, § 1, van het koninklijk besluit
  - Académie royale de Langue et de Littérature française
  - Agence de Stimulation économique
  - Agence de Stimulation technologique
  - Agence wallonne à l'Exportation et aux Investissements étrangers
  - Agence wallonne de l'Air et du Climat
  - Agence wallonne des Télécommunications
  - Agence wallonne pour la Promotion d'une Agriculture de Qualité
  - Agence wallonne pour l'Intégration des Personnes handicapées
  - Agentschap Plantentuin Meise
  - Agentschap ter Bevordering van de lichamelijke Ontwikkeling, de Sport en de Openluchtrecreatie
  - Agentschap voor de buitenlandse Handel
  - Agentschap voor de Oproepen tot de Hulpdiensten
  - Agentschap voor geografische Informatie Vlaanderen
  - Agentschap voor Infrastructuur in het Onderwijs
  - Agentschap voor Landbouw en Visserij
  - Agentschap voor territoriale Ontwikkeling voor het Brussels Hoofdstedelijk Gewest
  - Apetra
  - Aquafin NV
  - Arbeitsamt der Deutschsprachigen Gemeinschaft
  - Astrid SA
  - Atrium ASBL
  - Autonoom Provinciebedrijf Campus Vesta
  - Autonoom Provinciebedrijf Cultuurhuis de Warande
  - Autonoom Provinciebedrijf Inovant
  - Autonoom Provinciebedrijf Plantijn Hogeschool
  - Autonoom Provinciebedrijf Provinciaal Domein De Gavers
  - Autonoom Provinciebedrijf Provinciaal Zorgcentrum Lemberge
  - Autonoom Provinciebedrijf Provinciale Hogeschool Limburg
  - Autonoom Provinciebedrijf Sport
  - Autonoom Provinciebedrijf Vera
  - Autonoom Provinciebedrijf Westtoer
  - Beheersmaatschappij Antwerpen Mobiel
  - Belgische Investeringsmaatschappij voor Ontwikkelingslanden
  - Belgische Maatschappij voor internationale Investeringen
  - Belgische technische Coöperatie
  - Belgisches Rundfunk- und Fernsehzentrum der Deutschsprachigen Gemeinschaft
  - Belgisch Instituut voor Post en Telecommunicatie
  - Berlaymont 2000
  - Bijzondere Verrekenkas voor Gezinsvergoedingen ten Bate van de Arbeiders der Diamantnijverheid
  - Bijzondere Verrekenkas voor Gezinsvergoedingen ten Bate van de Arbeiders der Ondernemingen voor Binnenscheepvaart
  - Bijzondere Verrekenkas voor Gezinsvergoedingen ten Bate van de Arbeiders gebezigd door Ladings- en Lossingsondernemingen en door de Stuwadoors in de Havens, Losplaatsen, Stapelplaatsen en Stations
  - Bijzondere Verrekenkas voor Gezinsvergoedingen ten Bate van de Arbeiders in de Houtnijverheid
  - Blue Gate Antwerp
  - Brussels Agentschap voor de Onderneming
  - Brussels Energie Agentschap ASBL
  - Brussels gewestelijk Herfinancieringsfonds van de gemeentelijke Thesaurieën
  - Brussels Instituut voor Milieubeheer
  - Brussels internationaal - Tourism & Congres ASBL
  - Brussels Waarborgfonds
  - Brusselse gewestelijke Dienst voor Arbeidsbemiddeling
  - Brusselse gewestelijke Huisvestingsmaatschappij en erkende maatschappijen
  - Brusselse hoofdstedelijke Dienst voor Brandweer en dringende medische Hulp
  - Bureau voor Normalisatie
  - Cel voor financiële Informatieverwerking
  - Centrale Dienst voor sociale en culturele Actie van het Ministerie van Landsverdediging
  - Centrale Raad voor het Bedrijfsleven
  - Centre hospitalier psychiatrique Les Marronniers à Tournai
  - Centre hospitalier universitaire de Liège
  - Centre régional d'Aide aux Communes
  - Centre wallon de recherches agronomiques
  - Centrum voor Informatica voor het Brusselse Gewest
  - Centrum voor Landbouweconomie
  - Comité de Contrôle de l'Electricité et du Gaz
  - Commissariat général au Tourisme
  - Commissie voor de Regulering van de Elektriciteit en het Gas
  - Commissie voor het Bank-, Financie- en Assurantiewezen
  - Commission wallonne pour l'Energie
  - Conseil économique et social de Wallonie
  - Controledienst voor de Ziekenfondsen en de Landsbonden van Ziekenfondsen
  - Delcrederedienst NV
  - De Rand
  - De Vlaamse Waterweg NV
  - Dienst Informatie, Vorming en Afstemming
  - Dienst Kijk- en Luistergeld in het tweetalig Brusselse Hoofdstedelijk Gewest
  - Dienst voor de Bijzondere Sociale zekerheidsstelsels
  - Dienststelle der Deutschsprachigen Gemeinschaft für Personen mit Behinderung
  - Ecole d'Administration publique commune
  - Economische en sociale Raad van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest
  - Educatief Bosbouwcentrum Groenendaal
  - Egov
  - Eigen Vermogen Flanders Hydraulics
  - Eigen Vermogen van het Instituut voor Landbouw en Visserijonderzoek
  - Eigen Vermogen van het Instituut voor Natuur- en Bosonderzoek
  - Eigen Vermogen van het Vlaams Instituut voor het Onroerend Erfgoed
  - Entreprise publique des nouvelles Technologies de l'Information et de la Communication de la Communauté française
  - Europees sociaal Fonds- Agentschap Vlaanderen
  - Europese Programma's voor Onderwijs, Opleiding en Samenwerking
  - Evoliris
  - Federaal Agentschap voor de Opvang van Asielzoekers
  - Federaal Agentschap voor de Veiligheid van de Voedselketen
  - Federaal Agentschap voor Geneesmiddelen en Gezondheidsproducten
  - Federaal Agentschap voor nucleaire Controle
  - Federaal Kenniscentrum voor de Gezondheidszorg
  - Federaal Planbureau
  - [1 ...]1
  - Federale Pensioendienst
  - Financieringsfonds voor Schuldafbouw en eenmalige Investeringsuitgaven
  - Financieringsinstrument voor de Vlaams Visserij- en Aquicultuursector
  - Flanders international technical Agency
  - Fonds bruxellois francophone pour l'Intégration sociale et professionnelle des Personnes handicapées
  - Fonds culturele Infrastructuur
  - Fonds d'Aide au Redressement financier des Communes
  - Fonds de Constructions d'Institutions hospitalières et medico-sociales de la Communauté française
  - Fonds du Logement des Familles nombreuses de Wallonie
  - Fonds Ecureuil de la Communauté française
  - Fonds Jongerenwelzijn
  - Fonds piscicole de Wallonie
  - Fonds pour l'Egalisation des Budgets et pour le Désendettement de la Communauté française
  - Fonds Stationsomgevingen
  - Fonds tot Vergoeding van de in Geval van Sluiting van Ondernemingen ontslagen Werknemers
  - Fonds voor Arbeidsongevallen
  - Fonds voor de Beroepsziekten
  - Fonds voor de Financiering van het Waterbeleid
  - Fonds voor de Scheepsjongens aan Boord van Vissersvaartuigen
  - Fonds voor dringende Geneeskundige Hulpverlening
  - Fonds voor Financiering van de Leningen aan Vreemde Staten
  - Fonds voor wetenschappelijk Onderzoek
  - Garantiefonds der Deutschsprachigen Gemeinschaft für Schulbauten
  - Garantiefonds voor Huisvesting
  - Gewestelijk School voor openbaar Bestuur
  - Gimvindus
  - GO Onderwijs van de Vlaamse Gemeenschap
  - Grindfonds
  - Herculesstichting
  - Hermesfonds
  - Herplaatsingsfonds
  - Hoge Raad voor de Justitie
  - Hoge Raad voor de Zelfstandigen en de kleine en middelgrote Ondernemingen
  - Hulp- en Voorzorgskas voor Zeevarenden
  - Hulpkas voor Werkloosheidsuitkeringen
  - Hulpkas voor Ziekte- en Invaliditeitsverzekering
  - Institut du Patrimoine wallon
  - Institut für Aus- und Weiterbildung im Mittelstand und in kleinen und mittleren Unternehmen
  - Institut scientifique de Service public
  - Institut wallon de Formation en Alternance et des Indépendants et petites et moyennes Entreprises
  - Institut wallon de l'Evaluation, de la Prospective et de la Statistique
  - Instituut ter Bevordering van het wetenschappelijk Onderzoek en de Innovatie van Brussel
  - Instituut voor de Gelijkheid van Vrouwen en Mannen
  - Instituut voor de nationale Rekeningen
  - Instituut voor gerechtelijke Opleiding
  - Instituut voor Innovatie door Wetenschap en Technologie
  - Instituut voor Textiel en Confectie
  - Instituut voor Veteranen - Nationaal Instituut voor Oorlogsinvaliden, Oudstrijders en Oorlogsslachtoffers
  - Instituut voor Vorming en Begeleiding van de Zelfstandigen en de kleine en middelgrote Ondernemingen
  - Interfederaal Gelijkekansencentrum
  - Investeringsfonds voor Grond- en Woonbeleid voor Vlaams-Brabant
  - Jobpunt Vlaanderen
  - Kas der geneeskundige Verzorging van de NMBS Holding
  - Kind en Gezin
  - Koninklijk Belgisch Filmarchief
  - Koninklijk Museum voor schone Kunsten Antwerpen
  - Koninklijke Academie voor Geneeskunde van België
  - Koninklijke Academie voor Nederlandse Taal- en Letterkunde
  - Koninklijke Academie voor overzeese Wetenschappen
  - Koninklijke Academie voor Wetenschappen, Letteren en schone Kunsten van België
  - Koninklijke Instelling van Mesen
  - Koninklijke Muntschouwburg
  - Koninklijke Schenking
  - Koninklijke Vlaamse Academie van België voor Wetenschappen en Kunsten
  - Koninklijke Vlaamse Schouwburg
  - Kruispuntbank van de sociale Zekerheid
  - Le Circuit de Spa-Francorchamps
  - Limburgse Reconversiemaatschappij
  - Maatschappij voor de Verwerving van Vastgoed
  - Maatschappij voor Grond- en industrialisatiebeleid Linkerscheldeoevergebied
  - Mijnschade en Bemaling Limburgs Mijngebied
  - Milieu- en Natuur Raad van Vlaanderen
  - Multisectoriële individuele Rekening
  - Nationaal Gedenkteken van het Fort van Breendonk
  - Nationaal geografisch Instituut
  - Nationaal Instituut voor Criminalistiek
  - Nationaal Instituut voor Radio-Elementen
  - Nationaal Onderzoeksinstituut voor Arbeidsomstandigheden
  - Nationaal Orkest van België
  - Nationaal Waarborgfonds voor Schoolgebouwen
  - Nationale Arbeidsraad
  - Nationale Bank van België
  - Nationale Instelling voor radioactief Afval en Splijtstoffen
  - Nationale Kas voor Oorlogspensioenen
  - Nationale Kas voor Rampenschade
  - Nationale Loterij
  - Nautinvest Vlaanderen
  - Net - Brussel - Gewestelijke Agentschap voor Netheid
  - Novovil
  - Office de la Naissance et de l'Enfance
  - Office de Promotion du Tourisme de la Communauté française
  - Office régional de Promotion de l'Agriculture et de l'Horticulture
  - Office wallon de la Formation professionnelle et de l'Emploi
  - Ondersteunend Centrum van het Agentschap voor Natuur en Bos
  - Oost-Vlaams Milieubeheer
  - Openbaar Psychiatrisch Zorgcentrum Geel
  - Openbaar Psychiatrisch Zorgcentrum Rekem
  - Openbare Vlaamse Afvalstoffenmaatschappij
  - Opéra royal de Wallonie
  - Paleis voor Congressen
  - Paleis voor schone Kunsten
  - [1 ...]1
  - [1 ...]1
  - Patrimoniale Immobiliënmaatschappij
  - Pendelfonds
  - Pensioenfonds voor de Rustpensioenen van het statutair Personeel van Belgacom
  - Proefbank voor Vuurwapens te Luik
  - Radio et Télévision belge de la Communauté française
  - Regie der Gebouwen
  - Rentenfonds
  - Reservefonds van het Brussels hoofdstedelijk Gewest
  - Rijksdienst voor Arbeidsvoorziening
  - Rijksdienst voor jaarlijkse Vakantie
  - Rijksdienst voor Kinderbijslag voor Werknemers
  - Rijksdienst voor sociale Zekerheid
  - Rijksinstituut voor de sociale Verzekeringen der Zelfstandigen
  - Rijksinstituut voor Ziekte- en Invaliditeitsverzekering
  - Rubiconfonds
  - Sciensano
  - Service social des Services du Gouvernement wallon
  - Smals
  - Sociaal economische Raad van Vlaanderen
  - Société publique d'Administration des Bâtiments scolaires bruxellois
  - Société publique d'Administration des Bâtiments scolaires de Liège
  - Société publique d'Administration des Bâtiments scolaires de Luxembourg
  - Société publique d'Administration des Bâtiments scolaires de Namur
  - Société publique d'Administration des Bâtiments scolaires du Hainaut
  - Société publique d'Administration des Bâtiments scolaires du Brabant wallon
  - Société publique d'Aide à la Qualité de l'Environnement
  - Société publique de Gestion de l'Eau
  - Société wallonne de Financement complémentaires des Infrastructures
  - Société wallonne de Location-Financement
  - Société wallonne du Crédit social
  - Société wallonne du Logement et sociétés agréées
  - Sofibru
  - Stichting Technologie Vlaanderen
  - Stichting Vlaams Erfgoed
  - Studiecentrum voor Kernenergie
  - Technopolis
  - Théâtre national de Belgique
  - Toerisme Vlaanderen
  - Topstukkenfonds
  - Universitaire instellingen afhangende van de Franse Gemeenschap
  - Universitaire instellingen afhangende van de Vlaamse Gemeenschap
  - Universitaire Stichting
  - Universitaire Ziekenhuis Gent
  - Via Invest Vlaanderen
  - Vlaams Agentschap voor internationaal Ondernemen
  - Vlaams Agentschap voor Personen met een Handicap
  - Vlaams Audiovisueel Fonds
  - Vlaams Brusselfonds
  - Vlaams Centrum voor Agro- en Visserijmarketing
  - Vlaams Fonds voor de Letteren
  - Vlaams Informatiecentrum over Land- en Tuinbouw VZW
  - Vlaams Infrastructuurfonds
  - Vlaams Infrastructuurfonds voor Persoonsgebonden Aangelegenheden
  - Vlaams Instituut voor de Bevordering van het wetenschappelijk- en technologisch Onderzoek in de Industrie
  - Vlaams Instituut voor zelfstandig Ondernemen
  - Vlaams Landbouwinvesteringsfonds
  - Vlaams Toekomstfonds
  - Vlaams Woningfonds voor de grote Gezinnen
  - Vlaams Zorgfonds
  - Vlaamse Dienst voor Arbeidsbemiddeling en Beroepsopleiding
  - Vlaamse Fonds voor de Lastendelging
  - Vlaamse Havens
  - Vlaamse Instelling voor technologisch Onderzoek
  - Vlaamse Landmaatschappij
  - Vlaamse Maatschappij voor Sociaal Wonen en erkende maatschappijen
  - Vlaamse Milieuholding
  - Vlaamse Milieumaatschappij
  - Vlaamse Opera
  - [1 ...]1
  - Vlaamse Radio- en Televisieomroep
  - Vlaamse Regulator voor de Media
  - Vlaamse Reguleringsinstantie voor de Elektriciteits- en Gasmarkt
  - Vlaamse Stichting voor Verkeerskunde
  - Vlaamse Zorgkas
  - Wallonie-Bruxelles international
  - Werkholding
  - Woningfonds van de grote Gezinnen van het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest
  ----------
  (1)<KB 2018-04-15/01, art. 45, 003; Inwerkingtreding : 28-04-2018>

  Art. N2. Bijlage 2.
  Deel A. : federale aanbestedende overheden waarop het verminderd bedrag van artikel 11, eerste lid, 2°, van het koninklijk besluit van toepassing is :- de Federale Overheidsdiensten (de FOD's);
  - Ministerie van Landsverdediging;
  - de Programmatorische Overheidsdiensten (de POD's);
  - Regie der Gebouwen;
  - Rijksdienst voor sociale Zekerheid;
  - Rijksintituut voor de sociale Verzekeringen der Zelfstandigen;
  - Rijksintituut voor Ziekte- en Invaliditeits- verzekering;
  - Federale Pensioendienst;
  - Hulpkas voor Ziekte- en Invaliditeitsverzekering;
  - Fonds voor de Beroepsziekten;
  - Rijksdienst voor Arbeidsvoorziening;
  - Federaal instituut voor Duurzame Ontwikkeling.
  Deel B. : Ministerie van Landsverdediging : lijst van producten voor de opdrachten inzake defensie onderworpen aan de herzien Overeenkomst inzake overheidsopdrachten van 2012 en waarop het verminderd bedrag van artikel 11, eerste lid, 2°, van het koninklijk besluit van toepassing is :
  Hoofdstuk 25. : zout; zwavel; aarde en steen; gips; kalk en cement.
  Hoofdstuk 26. : metaalertsen, slakken en assen.
  Hoofdstuk 27. : minerale brandstoffen, aardoliën en distillatieproducten daarvan; bitumineuze stoffen; minerale wassen, met uitzondering van : ex 27.10 : bijzondere motorbrandstoffen.
  Hoofdstuk 28. : anorganische chemische producten; anorganische of organische verbindingen van edele metalen, van zeldzame aardmetalen, van radioactieve elementen en van isotopen met uitzondering van : ex 28.09 : explosieven;
  ex 28.13 : explosieven;
  ex 28.14 : traangas;
  ex 28.28 : explosieven;
  ex 28.32 : explosieven;
  ex 28.39 : explosieven;
  ex 28.50 : toxicologische producten;
  ex 28.51 : toxicologische producten;
  ex 28.54 : explosieven.
  Hoofdstuk 29. : organische chemische producten, met uitzondering van : ex 29.03 : explosieven;
  ex 29.04 : explosieven;
  ex 29.07 : explosieven;
  ex 29.08 : explosieven;
  ex 29.11 : explosieven;
  ex 29.12 : explosieven;
  ex 29.13 : toxicologische producten;
  ex 29.14 : toxicologische producten;
  ex 29.15 : toxicologische producten;
  ex 29.21 : toxicologische producten;
  ex 29.22 : toxicologische producten;
  ex 29.23 : toxicologische producten;
  ex 29.26 : explosieven;
  ex 29.27 : toxicologische producten;
  ex 29.29 : explosieven.
  Hoofdstuk 30. : farmaceutische producten.
  Hoofdstuk 31. : meststoffen.
  Hoofdstuk 32. : looi- en verfextracten; looizuur (tannine) en derivaten daarvan; kleur- en verfstoffen, verf en vernis en verfmiddelen; mastiek; inkt.
  Hoofdstuk 33. : etherische oliën en harsaroma's; parfumerieën, toiletartikelen en kosmetische producten.
  Hoofdstuk 34. : zeep, organische tensioactieve producten, wasmiddelen, smeermiddelen, kunstwas, bereide was, poets- en onderhoudsmiddelen, kaarsen en dergelijke artikelen, modelleerpasta's en tandtechnische waspreparaten.
  Hoofdstuk 35. : eiwitstoffen; lijm; enzymen.
  Hoofdstuk 37. : producten voor fotografie en cinematografie.
  Hoofdstuk 38. : diverse producten van de chemische industrie, met uitzondering van : ex 38.19 : toxicologische producten.
  Hoofdstuk 39. : kunstmatige plastische stoffen, ethers en esters van cellulose, kunstharsen en werken daarvan, met uitzondering van : ex 39.03 : explosieven.
  Hoofdstuk 40. : rubber (natuurlijke en synthetische rubber en factis) en werken van rubber, met uitzondering van : ex 40.11 : kogelbestendige banden.
  Hoofdstuk 41. : huiden, vellen en leder.
  Hoofdstuk 42. : lederwaren; zadel- en tuigmakerswerk; reisartikelen, dameshandtassen en dergelijke bergingsmiddelen; werken van darmen.
  Hoofdstuk 43. : pelterijen en bontwerk; namaakbont.
  Hoofdstuk 44. : hout, houtskool en houtwaren.
  Hoofdstuk 45. : kurk en kurkwaren.
  Hoofdstuk 46. : vlechtwerk en mandenmakerswerk.
  Hoofdstuk 47. : stoffen voor het vervaardigen van papier.
  Hoofdstuk 48. : papier en karton; cellulose, papier- en kartonwaren.
  Hoofdstuk 49. : artikelen van de boekhandel en producten van de grafische kunst.
  Hoofdstuk 65. : hoofddeksels en delen daarvan.
  Hoofdstuk 66. : paraplu's, parasols, wandelstokken, zwepen, rijzwepen, alsmede delen daarvan.
  Hoofdstuk 67. : geprepareerde veren en geprepareerde dons en artikelen van veren of van dons; kunstbloemen; werken van mensenhaar.
  Hoofdstuk 68. : werken van steen, van gips, van cement, van asbest, van mica en van dergelijke stoffen.
  Hoofdstuk 69. : keramische producten.
  Hoofdstuk 70. : glas en glaswerk.
  Hoofdstuk 71. : echte parels, natuurlijke en andere edelstenen en halfedelstenen, edele metalen en metalen geplateerd met edele metalen, alsmede werken daarvan; fancy-bijouterieën.
  Hoofdstuk 73. : gietijzer, ijzer van staal.
  Hoofdstuk 74. : koper.
  Hoofdstuk 75. : nikkel.
  Hoofdstuk 76. : aluminium.
  Hoofdstuk 77. : magnesium, beryllium (glucinium).
  Hoofdstuk 78. : lood.
  Hoofdstuk 79. : zink.
  Hoofdstuk 80. : tin.
  Hoofdstuk 81. : andere onedele metalen.
  Hoofdstuk 82. : gereedschap; messenmakerswerk, lepels en vorken, van onedel metaal, met uitzondering van : ex 82.05 : gereedschap;
  ex 82.07 : stukken gereedschap.
  Hoofdstuk 83. : allerlei werken van onedele metalen.
  Hoofdstuk 84. : stoomketels, machines, toestellen en mechanische werktuigen, met uitzondering van : ex 84.06 : motoren;
  ex 84.08 : andere voortstuwingsmiddelen;
  ex 84.45 : machines;
  ex 84.53 : automatische gegevens verwerkende machines;
  ex 84.55 : delen van post 84.53;
  ex 84.59 : kernreactoren.
  Hoofdstuk 85. : elektrische machines, apparaten en toestellen; artikelen voor elektrotechnisch gebruik, met uitzondering van : ex 85.13 : telecommunicatie;
  ex 85.15 : zendtoestellen.
  Hoofdstuk 86. : rollend en ander materieel voor spoor- en tramwegen; niet elektrische signaal- en waarschuwingstoestellen voor het verkeer, met uitzondering van : ex 86.02 : gepantserde locomotieven;
  ex 86.03 : andere gepantserde locomotieven;
  ex 86.05 : gepantserde wagons;
  ex 86.06 : rijdende werkplaatsen;
  ex 86.07 : wagons.
  Hoofdstuk 87. : automobielen, tractors, rijwielen, motorrijwielen en andere voertuigen, voor vervoer te lande, met uizondering van : ex 87.08 : gevechtswagens en pantserauto's;
  ex 87.01 : tractoren;
  ex 87.02 : militaire voertuigen;
  ex 87.03 : takelwagens;
  ex 87.09 : motorrijwielen;
  ex 87.14 : aanhangwagens.
  Hoofdstuk 89. : scheepvaart, met uitzondering van : ex 89.01 A : oorlogsschepen.
  Hoofdstuk 90. : optische instrumenten, apparaten en toestellen, instrumenten, apparaten en toestellen, voor de fotografie en de cinematografie; meet-, verificatie-, controle- en precisieinstrumenten, -apparaten en -toestellen; medische en chirurgische instrumenten, apparaten en toestellen, met uitzondering van : ex 90.05 : binocles;
  ex 90.13 : diverse instrumenten, lasers;
  ex 90.14 : telemeters;
  ex 90.28 : elektrische of elektronische meetinstrumenten;
  ex 90.11 : microscopen;
  ex 90.17 : instrumenten voor de geneeskunde;
  ex 90.18 : toestellen voor mechanische therapie;
  ex 90.19 : orthopedische toestellen;
  ex 90.20 : röntgentoestellen.
  Hoofdstuk 91. : uurwerken.
  Hoofdstuk 92. : muziekinstrumenten; toestellen voor het opnemen of het weergeven van geluid; toestellen voor het opnemen of het weergeven van geluid en beelden voor televisie; delen en toebehoren van deze instrumenten en toestellen.
  Hoofdstuk 94. : meubelen (ook voor medisch of voor chirurgisch gebruik); artikelen voor bedden en dergelijke artikelen, met uitzondering van : ex 94.01 A : zitmeubelen voor luchtvaarttuigen.
  Hoofdstuk 95. : stoffen geschikt om te worden gesneden of te worden gevormd, in bewerkte staat (werken daaronder begrepen).
  Hoofdstuk 96. : borstelwerk, kwasten en penselen, bezems, poederkwastjes en zeven.
  Hoofdstuk 98. : diverse werken. Gezien om te worden gevoegd bij Ons besluit van 18 april 2017 plaatsing overheidsopdrachten in de klassieke sectoren.

  Art. N3. Bijlage 3.
  DEEL A. Inlichtingen die in aankondigingen van bekendmaking van een vooraankondiging via een kopersprofiel moeten worden opgenomen (als bedoeld in artikel 15, § 1, tweede lid)
  1. Naam, identificatienummer (indien de nationale wetgeving hierin voorziet), adres inclusief NUTS-code, telefoonnummer, fax, e-mail- en internetadres van de aanbestedende overheid en, indien het een andere dienst betreft, van de dienst waar nadere inlichtingen kunnen worden verkregen.
  2. Type aanbestedende overheid en uitgeoefende hoofdactiviteit.
  3. Indien van toepassing, vermelding dat de aanbestedende overheid een aankoopcentrale is, of dat het om een andere vorm van gezamenlijke opdrachten gaat of kan gaan.
  4. CPV-codes.
  5. Internetadres van het "kopersprofiel" (URL).
  6. Datum van verzending van de aankondiging van bekendmaking van de vooraankondiging in het kopersprofiel.
  DEEL B. Inlichtingen die in vooraankondigingen moeten worden opgenomen (als bedoeld in artikel 15, § 1, eerste lid)
  1. Naam, identificatienummer (indien de nationale wetgeving hierin voorziet), adres inclusief NUTS-code, telefoonnummer, fax, e-mail- en internetadres van de aanbestedende overheid en, indien het een andere dienst betreft, van de dienst waar nadere inlichtingen kunnen worden verkregen.
  2. E-mail- of internetadres waar de opdrachtdocumenten vrij, rechtstreeks, volledig en gratis toegankelijk zijn.
  Wanneer er geen kosteloze, rechtstreekse en volledige toegang is om een van de in artikel 14, § 2, eerste lid, van de wet, genoemde redenen, of omdat de aanbestedende overheid artikel 13, § 3, van de wet wil toepassen, wordt aangegeven hoe de opdrachtdocumenten kunnen worden geraadpleegd.
  3. Type aanbestedende overheid en uitgeoefende hoofdactiviteit.
  4. Indien van toepassing, vermelding dat de aanbestedende overheid een aankoopcentrale is of dat het om een andere vorm van gezamenlijke opdrachten gaat of kan gaan.
  5. CPV-codes. Indien de opdracht in percelen is verdeeld, moet deze informatie voor elk perceel worden verstrekt.
  6. NUTS-code voor de hoofdlocatie van de werken in het geval van opdrachten voor werken of NUTS-code voor de hoofdplaats van levering of uitvoering voor opdrachten voor leveringen en diensten. Indien de opdracht in percelen is verdeeld, moet deze informatie voor elk perceel worden verstrekt.
  7. Beknopte beschrijving van de overheidsopdracht : aard en omvang van werken, aard en hoeveelheid of waarde van leveringen, aard en omvang van diensten.
  8. Vermoedelijke datum of data voor bekendmaking van een aankondiging van een opdracht of aankondigingen van opdrachten ten aanzien van de in deze vooraankondiging bedoelde opdracht(en).
  9. Datum van verzending van de aankondiging.
  10. Overige relevante informatie.
  11. Voor de opdrachten waarvan de geraamde waarde gelijk is aan op hoger is dan de betreffende drempel voor de Europese bekendmaking, vermelding of de opdracht onder de Overeenkomst inzake de overheidsopdrachten van 15 april 1994 valt.

  Art. N4. Bijlage 4. - INLICHTINGEN DIE IN DE AANKONDIGING VAN OPDRACHT MOETEN WORDEN OPGENOMEN
  (als bedoeld in de artikelen 16 en 22)
  1. Naam, identificatienummer, adres inclusief NUTS-code, telefoonnummer, fax, e-mail- en internetadres van de aanbestedende overheid en, indien het een andere dienst betreft, van de dienst waar nadere inlichtingen kunnen worden verkregen.
  2. E-mail- of internetadres waar de opdrachtdocumenten vrij, rechtstreeks, volledig en gratis toegankelijk zijn.
  Wanneer er geen kosteloze, rechtstreekse en volledige toegang is om de in artikel 14, § 2, eerste lid, van de wet genoemde redenen of omdat de aanbestedende overheid artikel 13, § 3, van de wet wil toepassen, wordt aangegeven hoe de opdrachtdocumenten kunnen worden geraadpleegd.
  3. Type aanbestedende overheid en uitgeoefende hoofdactiviteit.
  4. Indien van toepassing, vermelding dat de aanbestedende overheid een aankoopcentrale is of dat het om een andere vorm van gezamenlijke opdrachten gaat.
  5. CPV-codes. Indien de opdracht in percelen is verdeeld, moet deze informatie voor elk perceel worden verstrekt.
  6. NUTS-code voor de hoofdlocatie van de werken in het geval van opdrachten voor werken of NUTS-code voor de hoofdplaats van levering of uitvoering voor opdrachten voor leveringen en diensten. Indien de opdracht in percelen is verdeeld, moet deze informatie voor elk perceel worden verstrekt.
  7. Beschrijving van de overheidsopdracht : aard en omvang van werken, aard en hoeveelheid of waarde van leveringen, aard en omvang van diensten. Indien de opdracht in percelen is verdeeld, moet deze informatie voor elk perceel worden verstrekt. Indien van toepassing, beschrijving van vereiste opties.
  8. Geraamde totale orde van grootte van de opdracht/opdrachten; indien de opdracht in percelen is verdeeld, moet deze informatie voor elk perceel worden verstrekt.
  9. Toelating of verbod van varianten.
  10. Tijd voor de levering van leveringen, werken of diensten en, voor zover mogelijk, looptijd van de opdracht.
  a) Ingeval van raamovereenkomsten, beoogde looptijd van de raamovereenkomst, in voorkomend geval, onder vermelding van de redenen voor een looptijd van meer dan vier jaar; voor zover mogelijk, vermelding van waarde of orde van grootte en frequentie van de te gunnen opdrachten, aantal ondernemers dat zal deelnemen, en, in voorkomend geval het maximumaantal.
  b) Ingeval van een dynamisch aankoopsysteem, vermelding van de geplande duur van dat systeem; voor zover mogelijk, vermelding van waarde of orde van grootte en frequentie van de te gunnen opdrachten.
  11. Voorwaarden voor deelneming met inbegrip van :
  a) indien van toepassing, de vermelding dat het gaat om een overheidsopdracht die is voorbehouden aan sociale werkplaatsen of waarvan de uitvoering is voorbehouden in het kader van programma's voor beschermde arbeid;
  b) indien van toepassing, vermelding of het verlenen van de dienst ingevolge wettelijke of bestuursrechtelijke bepalingen aan een bepaalde beroepsgroep is voorbehouden; verwijzing naar de desbetreffende wettelijke of bestuursrechtelijke bepalingen;
  c) een lijst en een beknopte omschrijving van de criteria betreffende de persoonlijke situatie van ondernemers die tot hun uitsluiting kunnen leiden en van selectiecriteria; eventueel vereiste specifieke minimumeisen ten aanzien van de bekwaamheid; vermelding van vereiste informatie (eigen verklaringen, documentatie).
  12. Het type plaatsingsprocedure; indien van toepassing, motivering van de toepassing van een versnelde procedure (in geval van een openbare procedure, een niet-openbare procedure of een mededingingsprocedure met onderhandeling).
  13. Indien van toepassing, vermelding of :
  a) het om een raamovereenkomst gaat,
  b) het om een dynamisch aankoopsysteem gaat,
  c) er sprake is van een elektronische veiling (in geval van een openbare procedure, een niet-openbare procedure of een mededingingsprocedure met onderhandeling).
  14. Wanneer de opdracht in percelen moet worden verdeeld, vermelding van de mogelijkheid voor de ondernemers om voor één, meer en/of alle percelen in te schrijven; vermelding van elke mogelijke beperking van het aantal percelen dat aan één inschrijver kan worden gegund. Wanneer de opdracht niet in percelen is verdeeld en het een opdracht betreft waarvan de geraamde waarde gelijk is aan op hoger dan de in artikel 58, § 1, tweede lid, van de wet bedoelde drempel, vermelding van de redenen daarvan, tenzij deze vermeld staan in een ander opdrachtdocument of in de in het artikel 164, § 1, van de wet bedoelde informatie.
  15. Voor de niet-openbare procedures, de mededingingsprocedures met onderhandeling, de concurrentiegerichte dialogen of de innovatiepartnerschappen waar gebruik wordt gemaakt van de mogelijkheid tot beperking van het aantal kandidaten voor het indienen van offertes, de dialoog of de onderhandelingen : minimumaantal en, in voorkomend geval, maximumaantal kandidaten en objectieve criteria voor de bepaling van het aantal kandidaten in kwestie.
  16. Voor de mededingingsprocedures met onderhandeling, de concurrentiegerichte dialogen of de innovatiepartnerschappen, indien van toepassing, vermelding van de toepassing van een procedure in achtereenvolgende fasen waarbij het aantal te bespreken oplossingen of ter onderhandeling openstaande offertes geleidelijk wordt beperkt.
  17. Indien van toepassing, de bijzondere voorwaarden voor de uitvoering van de opdracht.
  18. i) de opgave van het gunningscriterium prijs of de gunningscriteria;
  ii) onverminderd bijlage 9, punt 1.e), in voorkomend geval, opgave van de weging dan wel de (dalende) volgorde van belangrijkheid, overeenkomstig artikel 81, § 4, van de wet.
  De in het onderhavige punt 18 bedoelde informatie mag echter ook uitsluitend in het bestek of, in geval van een concurrentiegerichte dialoog, in het beschrijvend document worden opgenomen, tenzij wanneer de economisch meest voordelige offerte louter op basis van de prijs wordt bepaald.
  19. Uiterste datum voor de ontvangst van de offertes (openbare procedures, vereenvoudigde onderhandelingsprocedure met voorafgaande bekendmaking) of verzoeken tot deelname (niet-openbare procedures, mededingingsprocedures met onderhandeling, dynamische aankoopsystemen, concurrentiegerichte dialogen of innovatiepartnerschappen).
  20. Adres waar de offertes of verzoeken tot deelname naartoe moeten worden gestuurd.
  21. In geval van een openbare procedure :
  a) termijn gedurende welke de inschrijver zijn offerte gestand moet doen,
  b) dag, tijd en plaats voor de opening van de offertes,
  c) personen die bij de opening worden toegelaten.
  22. Taal of talen die moeten worden gebruikt bij offertes of verzoeken tot deelname.
  23. Indien van toepassing, vermelding of :
  a) elektronische indiening van offertes of verzoeken tot deelname wordt aanvaard,
  b) elektronische orderplaatsing wordt gebruikt,
  c) elektronische facturering wordt aanvaard,
  d) elektronische betalingen worden gebruikt.
  24. Vermelding of de opdracht betrekking heeft op een project en/of programma dat met middelen van de Unie wordt gefinancierd.
  25. Naam en adres van de instantie die bevoegd is voor beroepsprocedures en eventueel bemiddelingsprocedures. Preciseringen betreffende de termijnen voor beroepsprocedures of, in voorkomend geval, naam, adres, telefoonnummer, fax en e-mailadres van de dienst waar deze inlichtingen kunnen worden verkregen.
  26. Datum of data van en verwijzing(en) naar eerdere bekendmakingen in het Bulletin der Aanbestedingen en/ of het Publicatieblad van de Europese Unie ten aanzien van de in deze aankondiging bekendgemaakte opdracht(en).
  27. Bij een serie periodiek terugkerende opdrachten, geraamde tijdstippen waarop vervolgaankondigingen worden bekendgemaakt.
  28. Datum van verzending van de aankondiging.
  29. Vermelding of de opdracht onder de Overeenkomst inzake de overheidsopdrachten van 15 april 1994 valt.
  30. Overige relevante informatie.

  Art. N5. Bijlage 5. - Inlichtingen die in aankondigingen van gegunde opdrachten moeten worden opgenomen
  (als bedoeld in artikel 17)
  1. Naam, identificatienummer, adres inclusief NUTS-code, telefoonnummer, fax, e-mail- en internetadres van de aanbestedende overheid en, indien het een andere dienst betreft, van de dienst waar nadere inlichtingen kunnen worden verkregen.
  2. Type aanbestedende overheid en uitgeoefende hoofdactiviteit.
  3. Indien van toepassing, vermelding dat de aanbestedende overheid een aankoopcentrale is of dat het om een andere vorm van gezamenlijke opdrachten gaat.
  4. CPV-codes.
  5. NUTS-code voor de hoofdlocatie van de werken in het geval van opdrachten voor werken of NUTS-code voor de hoofdplaats van levering of uitvoering voor opdrachten voor leveringen en diensten.
  6. Beschrijving van de overheidsopdracht : aard en omvang van werken, aard en hoeveelheid of waarde van leveringen, aard en omvang van diensten. Indien de opdracht in percelen is verdeeld, moet deze informatie voor elk perceel worden verstrekt. Indien van toepassing, beschrijving van eventuele opties.
  7. Het type plaatsingsprocedure; in geval van een onderhandelingsprocedure zonder voorafgaande bekendmaking, motivering van de keuze van de procedure.
  8. Indien van toepassing, vermelding of :
  a) het om een raamovereenkomst ging,
  b) het om een dynamisch aankoopsysteem ging.
  9. De in artikel 81 van de wet bedoelde gunningscriteria die zijn toegepast voor de gunning van de opdracht(en). Indien van toepassing, vermelding van of er sprake was van gebruikmaking van een elektronische veiling (in geval van een openbare procedure, een niet-openbare procedure of een mededingingsprocedure met onderhandeling).
  10. Datum van sluiting van de opdracht(en) of van sluiting van de raamovereenkomst(en) in aansluiting op het besluit tot gunning of sluiting.
  11. Aantal ontvangen offertes ten aanzien van elke plaatsing, met inbegrip van :
  a) het aantal uit het midden- en kleinbedrijf ontvangen offertes,
  b) aantal ontvangen offertes uit een andere lidstaat of uit derde landen,
  c) het aantal elektronisch ontvangen offertes.
  12. Per gunning, naam, adres inclusief NUTS-code, telefoonnummer, fax, e-mail- en internetadres van de begunstigde(n) met inbegrip van :
  a) informatie of de aangewezen inschrijver behoort tot het midden- en kleinbedrijf,
  b) informatie of de opdracht is gegund aan een combinatie van ondernemers (joint venture, consortium of andere).
  13. Waarde van de begunstigde offerte(en) of de hoogste en de laagste offerte die bij de gunning(en) in aanmerking zijn genomen.
  14. Indien van toepassing, voor elke gunning, gedeelte van de opdracht dat aan derden in onderaanneming kan worden gegeven en de waarde daarvan.
  15. Vermelding of de opdracht betrekking heeft op een project en/of programma dat met middelen van de Unie wordt gefinancierd.
  16. Naam en adres van de instantie die bevoegd is voor beroepsprocedures en eventueel bemiddelingsprocedures. Preciseringen betreffende de termijnen voor beroepsprocedures of, in voorkomend geval, naam, adres, telefoon- en faxnummers, en e-mailadres van de dienst waar deze informatie kan worden verkregen.
  17. Datum of data van en verwijzing(en) naar eerdere bekendmakingen in het Bulletin der Aanbestedingen en/ of Publicatieblad van de Europese Unie ten aanzien van de in deze aankondiging bekendgemaakte opdracht(en).
  18. Datum van verzending van de aankondiging.
  19. Overige relevante informatie.

  Art. N6. Bijlage 6.
  DEEL A. : Inlichtingen die in aankondigingen van prijsvragen moeten worden opgenomen (als bedoeld in artikel 122, tweede lid)
  1. Naam, identificatienummer (indien de nationale wetgeving hierin voorziet), adres inclusief NUTS-code, telefoonnummer, fax, e-mail- en internetadres van de aanbestedende overheid en, indien het een andere dienst betreft, van de dienst waar nadere inlichtingen kunnen worden verkregen.
  2. E-mail- of internetadres waar de opdrachtdocumenten vrij, rechtstreeks, volledig en gratis toegankelijk zijn.
  Wanneer er geen kosteloze, rechtstreekse en volledige toegang is om een van de in artikel 14, § 2, eerste lid, van de wet, genoemde redenen, of omdat de aanbestedende overheid artikel 13, § 3, van de wet wil toepassen, wordt aangegeven hoe de opdrachtdocumenten kunnen worden geraadpleegd.
  3. Type aanbestedende overheid en uitgeoefende hoofdactiviteit.
  4. Indien van toepassing, vermelding dat de aanbestedende overheid een aankoopcentrale is of dat het om een andere vorm van gezamenlijke opdrachten gaat.
  5. CPV-codes. Indien de opdracht in percelen is verdeeld, moet deze informatie voor elk perceel worden verstrekt.
  6. Omschrijving van de belangrijkste kenmerken van het project.
  7. Indien van toepassing, aantal en waarde van de prijzen.
  8. Type prijsvraag (openbaar of niet-openbaar).
  9. In geval van een openbare prijsvraag, uiterste datum voor de indiening van ontwerpen.
  10. In geval van een niet-openbare prijsvraag :
  a) beoogd aantal deelnemers,
  b) indien van toepassing, namen van reeds geselecteerde deelnemers,
  c) criteria voor selectie van de deelnemers,
  d) uiterste datum voor de verzoeken tot deelname.
  11. Indien van toepassing, vermelding dat de deelneming voorbehouden is aan een specifieke beroepsgroep.
  12. Criteria die bij de beoordeling van de ontwerpen zullen worden gehanteerd.
  13. Vermelding of het besluit van de jury voor de aanbestedende overheid bindend is.
  14. Indien van toepassing, aan alle deelnemers uit te betalen bedragen.
  15. Vermelding of de overheidsopdrachten naar aanleiding van de prijsvraag al dan niet zullen worden gegund aan de winnaar(s) van de prijsvraag.
  16. Datum van verzending van de aankondiging.
  17. Overige relevante informatie.
  DEEL B. : Inlichtingen die in aankondigingen van uitslagen van prijsvragen moeten worden opgenomen (als bedoeld in artikel 123, eerste lid)
  1. Naam, identificatienummer (indien de nationale wetgeving hierin voorziet), adres inclusief NUTS-code, telefoonnummer, fax, e-mail- en internetadres van de aanbestedende overheid en, indien het een andere dienst betreft, van de dienst waar nadere inlichtingen kunnen worden verkregen.
  2. Type aanbestedende overheid en uitgeoefende hoofdactiviteit.
  3. Indien van toepassing, vermelding dat de aanbestedende overheid een aankoopcentrale is of dat het om een andere vorm van gezamenlijke opdrachten gaat.
  4. CPV-codes.
  5. Omschrijving van de belangrijkste kenmerken van het project.
  6. Waarde van de prijzen.
  7. Type prijsvraag (openbaar of niet-openbaar).
  8. Criteria die bij de beoordeling van de ontwerpen zijn gehanteerd.
  9. Datum van het besluit van de jury.
  10. Aantal deelnemers.
  a) Aantal deelnemende uit het midden- en kleinbedrijf.
  b) Aantal buitenlandse deelnemers.
  11. Naam, adres inclusief NUTS-code, telefoonnummer, fax, e-mail- en internetadres van de winnaar(s) van de prijsvraag en vermelding of de winnaar(s) afkomstig is/zijn uit het midden- en kleinbedrijf.
  12. Vermelding of de prijsvraag betrekking heeft op een project of programma dat met middelen van de Unie wordt gefinancierd.
  13. Datum of data van en verwijzing(en) naar eerdere bekendmakingen in het Bulletin der Aanbestedingen en/ of Publicatieblad van de Europese Unie ten aanzien van het project of de projecten waar deze aankondiging betrekking op heeft.
  14. Datum van verzending van de aankondiging.
  15. Overige relevante informatie.

  Art. N7. Bijlage 7.
  DEEL A. : Inlichtingen die in vooraankondigingen voor sociale en andere specifieke diensten moeten worden opgenomen (als bedoeld in de artikelen 18, § 1, 2° en 24, eerste lid, 2° )
  1. Naam, identificatienummer (indien de nationale wetgeving hierin voorziet), adres inclusief NUTS-code, e-mail- en internetadres van de aanbestedende overheid.
  2. Beknopte omschrijving van de opdracht, met inbegrip van de geraamde totale waarde van de opdracht en CPV-codes.
  3. Voor zover bekend :
  a) NUTS-code voor de hoofdplaats van uitvoering;
  b) tijd voor de levering van diensten en looptijd van de opdracht;
  c) voorwaarden voor deelneming met inbegrip van :
  - indien van toepassing, de vermelding dat het gaat om een overheidsopdracht die is voorbehouden aan sociale werkplaatsen of waarvan de uitvoering is voorbehouden in het kader van programma's voor beschermde arbeid,
  - indien van toepassing, vermelding of het verlenen van de dienst ingevolge wettelijke of bestuursrechtelijke bepalingen aan een bepaalde beroepsgroep is voorbehouden,
  d) beknopte omschrijving van de belangrijkste elementen van de toe te passen plaatsingsprocedure.
  4. Vermelding van het feit dat belangstellende ondernemers de aanbestedende overheid in kennis moeten stellen van hun belangstelling voor de opdracht(en) en de termijnen voor de ontvangst van blijken van belangstelling en de plaats waarnaar de blijken van belangstelling verzonden moeten worden.
  DEEL B. : Inlichtingen die in aankondigingen van opdrachten ten aanzien van opdrachten voor sociale en andere specifieke diensten moeten worden opgenomen (als bedoeld in de artikelen 18, § 1, 1° en 24, eerste lid, 2° )
  1. Naam, identificatienummer (indien de nationale wetgeving hierin voorziet), adres inclusief NUTS-code, e-mail- en internetadres van de aanbestedende overheid.
  2. NUTS-code voor de hoofdplaats van uitvoering.
  3. Korte omschrijving van de opdracht, met inbegrip van CPV-codes.
  4. Voorwaarden voor deelneming met inbegrip van :
  - indien van toepassing, de vermelding dat de opdracht is voorbehouden aan sociale werkplaatsen of dat de uitvoering ervan is voorbehouden in het kader van programma's voor beschermde arbeid;
  - indien van toepassing, vermelding of het verlenen van de dienst ingevolge wettelijke of bestuursrechtelijke bepalingen aan een bepaalde beroepsgroep is voorbehouden.
  5. Uiterste datum of data voor het opnemen van contact met de aanbestedende overheid met het oog op deelname.
  6. Beknopte omschrijving van de belangrijkste elementen van de toe te passen plaatsingsprocedure.
  DEEL C. : Inlichtingen die in aankondigingen van gegunde opdrachten ten aanzien van opdrachten voor sociale en andere specifieke diensten moeten worden opgenomen (als bedoeld in artikel 18, § 2)
  1. Naam, identificatienummer (indien de nationale wetgeving hierin voorziet), adres inclusief NUTS-code, e-mail- en internetadres van de aanbestedende overheid.
  2. Korte omschrijving van de opdracht, met inbegrip van CPV-codes.
  3. NUTS-code voor de hoofdplaats van uitvoering.
  4. Aantal ontvangen offertes.
  5. Betaalde prijs of prijzen (maximum/minimum).
  6. Per plaatsing, naam, adres inclusief NUTS-code, e-mail- en internetadres van de begunstigde(n).
  7. Overige relevante informatie.

  Art. N8. Bijlage 8. - INLICHTINGEN DIE IN DE OPDRACHTDOCUMENTEN MET BETREKKING TOT ELEKTRONISCHE VEILINGEN MOETEN WORDEN OPGENOMEN
  (als bedoeld in artikel 106)
  Wanneer de aanbestedende overheden hebben besloten een elektronische veiling te houden, omvatten de opdrachtdocumenten tenminste de volgende bijzonderheden :
  a) de elementen waarvan de waarden vallen onder de elektronische veiling, voor zover deze elementen kwantificeerbaar zijn zodat ze kunnen worden uitgedrukt in cijfers of procenten;
  b) de eventuele limieten van de waarden die kunnen worden ingediend, zoals zij voortvloeien uit de specificaties van het voorwerp van de opdracht;
  c) de informatie die tijdens de elektronische veiling ter beschikking van de inschrijvers zal worden gesteld en, in voorkomend geval, het tijdstip waarop;
  d) relevante informatie betreffende het verloop van de elektronische veiling;
  e) de voorwaarden waaronder de inschrijvers een bod kunnen doen en met name de minimumverschillen die in voorkomend geval voor de biedingen vereist zijn;
  f) relevante informatie betreffende het gebruikte elektronische systeem en de nadere technische bepalingen en specificaties voor de verbinding.

  Art. N9. Bijlage 9. INHOUD VAN DE UITNODIGINGEN TOT HET INDIENEN VAN EEN OFFERTE OF TOT DEELNEMING AAN DE DIALOOG
  (als bedoeld in artikel 52)
  1. De uitnodiging tot het indienen van een offerte of tot deelneming aan de dialoog zoals bedoeld in artikel 50 moet ten minste het volgende bevatten :
  a) een verwijzing naar de bekendgemaakte aankondiging van opdracht;
  b) de uiterste datum voor de ontvangst van de offertes, het adres waar deze moeten worden ingediend en de taal of talen waarin zij moeten worden gesteld;
  c) bij de concurrentiegerichte dialoog en het innovatiepartnerschap, de aanvangsdatum en het adres van de raadpleging, alsook de daarbij gebruikte taal of talen;
  d) opgave van de stukken die eventueel moeten worden bijgevoegd;
  e) de weging van de gunningscriteria of, in voorkomend geval, de dalende volgorde van belangrijkheid van deze criteria, indien deze niet in de aankondiging van opdracht en evenmin het bestek is vermeld dan wel, in geval van een concurrentiegerichte dialoog, in het beschrijvende document.
  2. Bij opdrachten die gegund worden op basis van een concurrentiegerichte dialoog of een innovatiepartnerschap, staan de onder 1.b) bedoelde inlichtingen evenwel niet in de uitnodiging tot deelneming de procedure, maar in de uitnodiging tot indiening van een offerte.

  Art. N10. Bijlage 10. - REGISTERS
  
  ( Beeld niet opgenomen om technische redenen, zie B.St. van 09-05-2017, p. 55482 )

  Art. N11. Bijlage 11. - MODEL BANKVERKLARING
  Met betrekking tot : Overheidsopdracht n°. .., gepubliceerd in..., op datum van...
  Hierbij bevestigen wij U dat de (naam vennootschap) onze cliënt is sinds (datum).
  Wat betreft de financiële relatie bank-cliënt
  De financiële relaties die wij onderhouden met (naam vennootschap) hebben tot op heden, (datum), beantwoord aan onze verwachtingen.
  Op basis van de gegevens waarover onze bank vandaag beschikt hebben wij geen ongunstige elementen vastgesteld en de (naam vennootschap) heeft tot op heden, voor zover wij kunnen nagaan en met betrekking tot de ons gekende contracten en projecten, de financiële capaciteit gehad om de contracten of projecten uit te voeren die haar werden toegewezen.
  De (naam vennootschap) geniet ons vertrouwen en
  ofwel : onze bank stelt op dit ogenblik volgende kredietlijnen ter beschikking van deze vennootschap (alleen vermelden met de voorafgaandelijke schriftelijke toestemming van de klant) :...
  ofwel : onze bank stelt op dit ogenblik kredietlijnen ter beschikking van de vennootschap.
  ofwel : onze bank is bereid eventuele kredietaanvragen of een aanvraag voor borgstelling met het oog op de uitvoering van de opdracht te onderzoeken.
  ofwel : (geen van de drie voorafgaande verklaringen).
  Deze verklaring houdt geen verbintenis in van onzentwege voor de toekomst en onze bank neemt dienaangaande geen enkele verantwoordelijkheid.
  Wat betreft de notoriëteit van de cliënt
  De (naam vennootschap) bekleedt een belangrijke plaats (ofwel : is actief) in de sector van (...). Tot op heden en voor zover we konden nagaan heeft ze een uitstekende (ofwel : goede) technische reputatie en is gebleken dat ze werd geleid door bekwame en achtbare personen. De bank kan niet verantwoordelijk worden gesteld voor de juistheid en de volledigheid van haar verschafte informatie. De feiten die in de toekomst deze verklaring zouden beïnvloeden kunnen U niet automatisch worden medegedeeld.
  Opgemaakt in ........................................, op ........................................
  Benaming bank, naam en titel ondertekenaar en handtekening

  Art. N12. Bijlage 12. - NUTS CODE
  
  ( Beeld niet opgenomen om technische redenen, zie B.St. van 09-05-2017, p. 55485 )
  

Handtekening Tekst Inhoudstafel Begin
   Gegeven te Brussel, 18 april 2017.
FILIP
Van Koningswege :
De Eerste Minister,
Ch. MICHEL

Aanhef Tekst Inhoudstafel Begin
   FILIP, Koning der Belgen,
   Aan allen die nu zijn en hierna wezen zullen, Onze Groet.
   Gelet op de Grondwet, artikel 108;
   Gelet op de wet van 17 juni 2016 inzake overheidsopdrachten, de artikelen 6, § 1, derde lid, 8, § 2, tweede lid, 9, eerste lid, 14, §§ 5 en 7, vierde lid, 16, eerste lid, 17, tweede lid, 19, tweede lid, 28, § 2, 36, § 2, 1° en § 5, 37, § 1, eerste lid, § 3, 1°, en § 6, 38, § 1, eerste lid, 1°, f), en § 9, 39, § 9, 40, § 7, 41, § 7, 42, § 1, eerste lid, 1°, a), § 3, eerste lid, 2°, en § 4, 44, § 5, 45, § 5, 46, § 3, 50, eerste lid, 56, § 5, 60, vierde lid, 61, tweede lid, 62, vijfde lid, 63, 65, derde lid, 66, § 2, tweede lid, en § 4, 67, § 1, tweede lid, 68, § 1, eerste lid en § 2, 71, derde lid, 72, 74, 75, 78, vierde lid, 81, § 5, 83, 84, eerste lid, 90, § 4, 167, 171, eerste lid, en 193;
   Gelet op het koninklijk besluit plaatsing overheidsopdrachten klassieke sectoren van 15 juli 2011;
   Gelet op de adviezen van de Commissie voor de overheidsopdrachten, gegeven op 19 september 2016 en op 9 december 2016;
   Gelet op de regelgevingsimpactanalyse van 16 september 2016;
   Gelet op de advies van de Inspecteur van Financiën, gegeven op 3 oktober 2016;
   Gelet op de akkoordbevinding van de Minister van Begroting, gegeven op 16 januari 2017;
   Gelet op de advies 60.903/1 van de Raad van State, gegeven op 13 maart 2017, met toepassing van artikel 84, § 1, eerste lid, 2°, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;
   Op de voordracht van de Eerste Minister en op het advies van de in Raad vergaderde Ministers,
   Hebben Wij besloten en besluiten Wij :

Wijziging(en) Tekst Inhoudstafel Begin
BEELD
  • KONINKLIJK BESLUIT VAN 15-04-2018 GEPUBL. OP 18-04-2018
    (GEWIJZIGDE ART. : 29; 32; 39; 53; 56; 57; 62; 82; 83; 89; 92; 94; 132; N1)
  • BEELD
  • MINISTERIEEL BESLUIT VAN 21-12-2017 GEPUBL. OP 28-12-2017
    (GEWIJZIGD ART. : 11)

  • Verslag aan de Koning Tekst Inhoudstafel Begin
       VERSLAG AAN DE KONING
       Sire,
       De wet overheidsopdrachten van 17 juni 2016, hierna "de wet" genoemd, heeft tot doel de nieuwe richtlijn 2014/24/EU om te zetten in Belgisch recht in de klassieke sectoren.
       Dit ontwerp van koninklijk besluit zorgt voor de uitvoering van de titel 2 van de wet en bevat eveneens de inwerkingtredingsbepalingen, voornamelijk voor de opdrachten in de klassieke sectoren.
       Het beoogt een vrij ingrijpende omvorming van het koninklijk besluit plaatsing overheidsopdrachten klassieke sectoren van 15 juli 2011. Bovendien zullen de uitvoeringsregels voor de concessieovereenkomsten voortaan in een afzonderlijk koninklijk besluit opgenomen worden, ter uitvoering van de wet van 17 juni 2016 inzake de concessieovereenkomsten.
       Het voorliggende ontwerp omvat onder meer een reeks nieuwe bepalingen op het vlak van elektronische communicatiemiddelen, procedures, enz.
       Zoals dit reeds het geval was in de nieuwe wetten inzake de overheidsopdrachten en inzake de concessieovereenkomsten, werd de nieuwe terminologie van de Europese richtlijnen inzake benaming van de procedures in onderhavig ontwerp eveneens geëerbiedigd.
       Tevens zijn een zeker aantal bepalingen overgenomen uit het bovenvermeld koninklijk besluit van 15 juli 2011. Andere bepalingen uit dit besluit komen dan weer niet meer voor in dit ontwerp omdat ze voortaan in de voormelde wetten zijn opgenomen.
       Bovendien voorziet dit ontwerp in bepalingen voor de opdrachten van beperkte waarde en voor bepaalde opdrachten tot aanstelling van advocaten.
       Ten slotte is rekening gehouden met de opmerkingen in het advies 60.903/1 van de Raad van State, gegeven op 13 maart 2017, tenzij anders is bepaald in de commentaar.
       TITEL 1. - Algemene bepalingen
       HOOFDSTUK 1. - Definities, belasting over de toegevoegde waarde en toepassingsgebied
       Afdeling 1. - Voorafgaande bepaling
       Artikel 1. Dit artikel verwijst naar richtlijn 2014/24/EU van het Europees Parlement en de Raad van 26 februari 2014 betreffende het plaatsen van overheidsopdrachten en tot intrekking van richtlijn 2004/18/EG. Het ontwerp voorziet in de gedeeltelijke omzetting van deze richtlijn.
       Afdeling 2. - Definities
       Art. 2. In deze bepaling worden de definities samengebracht. Deze definities kwamen voor het grootste deel reeds voor in het koninklijk besluit van 15 juli 2011. De definitie van de vereenvoudigde onderhandelingsprocedure met bekendmaking werd overgebracht naar de wet inzake overheidsopdrachten onder de nieuwe benaming "vereenvoudigde onderhandelingsprocedure met voorafgaande bekendmaking". Ook de definities van "variante", "technische specificatie", "norm", "gemeenschappelijke technische specificatie" en "technisch referentiekader" werden verplaatst naar voormelde wet.
       In de punten 9° tot 13° werden vijf nieuwe definities toegevoegd.
       Het punt 9° verwijst naar de gekwalificeerde elektronische handtekening zoals gedefinieerd in Verordening nr. 910/2014 van het Europees Parlement en de Raad van 23 juli 2014 betreffende elektronische identificatie en vertrouwensdiensten voor elektronische transacties in de interne markt en tot intrekking van Richtlijn 1999/93/EG. Voor een definitie van de geavanceerde elektronische handtekening wordt verwezen naar dezelfde verordening.
       Punt 10° definieert het begrip "indieningsrapport". Deze definitie is noodzakelijk omdat de individuele handtekening van de kandidaat of inschrijver enkel vereist is voor dit indieningsrapport.
       Punt 11° definieert het Uniform Europees Aanbestedingsdocument (afgekort het UEA) als bedoeld in de uitvoeringsverordening 2016/7 van de Commissie van 5 januari 2016 houdende een standaardformulier voor het Uniform Europees Aanbestedingsdocument.
       Punt 12° definieert het kopersprofiel. Voor nadere toelichting, wordt verwezen naar de commentaar bij artikel 15.
       Afdeling 3. - Belasting over de toegevoegde waarde
       Art. 3. Dit artikel verduidelijkt dat elk bedrag vermeld in dit ontwerp een bedrag zonder belasting over de toegevoegde waarde is, tenzij anders is bepaald.
       Afdeling 4. - Toepassingsgebied
       Art. 4. De eerste paragraaf bepaalt dat het toepassingsgebied van dit ontwerp zich beperkt tot de overheidsopdrachten in de klassieke sectoren.
       De tweede paragraaf is gewijd aan de sociale en andere specifieke diensten en verduidelijkt dat minstens een aantal kernartikelen, die variëren naargelang de door de aanbestedende overheid gekozen procedure, van toepassing zijn op deze diensten.
       Punt 1° betreft het geval waarin de aanbestedende overheid beslist de vereenvoudigde onderhandelingsprocedure met voorafgaande bekendmaking te gebruiken. In dat geval past de aanbestedende overheid de volgende artikelen toe :
       - de artikelen 6 en 7 betreffende de raming van het opdrachtbedrag. Opgemerkt wordt dat artikel 7 niet alleen betrekking heeft op diensten. Het is evenwel evident dat enkel de paragrafen betreffende de diensten hier van toepassing zijn, namelijk de §§ 1 tot 6, 8, 10 en 11;
       - de artikelen 8 tot 10 betreffende de algemene bekendmakingsregels;
       - artikel 11, 4° betreffende de Europese drempels;
       - artikel 18 betreffende de Europese bekendmaking;
       - artikel 24 betreffende de Belgische bekendmaking;
       - artikel 25 betreffende de prijs;
       - artikel 38 betreffende het Uniform Europees Aanbestedingsdocument;
       - artikel 39 betreffende de impliciete verklaring op erewoord;
       - artikel 40 betreffende de vertegenwoordiger van een combinatie van ondernemingen;
       - de artikelen 41 tot 47 betreffende de regels die van toepassing zijn op de handtekeningen en op de communicatiemiddelen;
       - artikel 48 betreffende de opties;
       - artikel 49 betreffende de percelen;
       - artikel 50 betreffende de prijskortingen en verbeteringen in het kader van een in percelen verdeelde opdracht;
       - artikel 54 betreffende de enige offerte;
       - artikel 57 betreffende de onbeschikbaarheid van de elektronische platformen;
       - de artikelen 59 en 60 betreffende de algemene bepalingen inzake selectie;
       - de artikelen 61 tot 64 betreffende de uitsluitingsgronden;
       - de artikelen 65 tot 70 betreffende de selectiecriteria;
       - de artikelen 73 en 74 betreffende het beroep op andere entiteiten en op de onderaanneming;
       - de artikelen 128 en 129.
       Het punt 2° betreft het geval waarin de aanbestedende overheid beslist de onderhandelingsprocedure zonder voorafgaande bekendmaking te gebruiken. In dat geval past zij mutatis mutandis dezelfde artikelen toe als die vermeld in 1°, met uitzondering van de artikelen 65 tot 72 betreffende de selectiecriteria. Er is tevens een onderscheid voorzien voor de artikelen betreffende de bekendmaking.
       Het punt 3° betreft het geval waarin de aanbestedende overheid beslist beroep te doen op een procedure sui generis met voorafgaande bekendmaking. In een dergelijk geval past zij, mutatis mutandis, dezelfde artikelen toe als deze bedoeld in 2°. Desalniettemin zijn de artikelen betreffende de bekendmaking specifiek want, in tegenstelling tot de onderhandelingsprocedure zonder voorafgaande bekendmaking (2° ), vergt de sui generis procedure wel degelijk een voorafgaande bekendmaking
       Het punt 4° betreft het geval waarin de aanbestedende overheid beslist een beroep te doen op een van de plaatsingsprocedures of aankooptechnieken bedoeld in titel 2, hoofdstukken 2 en 3 van de wet. In dat geval dient de aanbestedende overheid de artikelen na te leven die van toepassing zijn op de plaatsingsprocedure of aankooptechniek waarop zij een beroep doet.
       Volgens het derde lid kan de aanbestedende overheid andere bepalingen dan die bedoeld in dit ontwerp toepasselijk maken op de sociale en andere specifieke diensten. Daartoe vermeldt de aanbestedende overheid in de opdrachtdocumenten welke bijkomende artikelen zij wenst toe te passen.
       De derde paragraaf heeft betrekking de overheidsopdrachten van beperkte waarde (of ook opdrachten die geplaatst worden via aanvaarde factuur genaamd) en verduidelijkt dat enkel de artikelen 6, 7 en 124 van dit besluit hier van toepassing zijn. Zijn echter eveneens van toepassing het gelijkheidsbeginsel, het niet-discriminatiebeginsel, transparantiebeginsel, het proportionaliteitsbeginsel, het forfait, enz, overeenkomstig artikel 92 van de wet.
       De vierde paragraaf verduidelijkt welke artikelen van toepassing op de in artikel 28, § 1, 4°, a) en b), van de wet bedoelde opdrachten tot aanstelling van een advocaat in het kader van een vertegenwoordiging in rechte of ter voorbereiding van een procedure in rechte.
       Art. 5. Deze bepaling neemt artikel 4, § 1, van het koninklijk besluit plaatsing overheidsopdrachten klassieke sectoren van 15 juli 2011 over. De tweede paragraaf van het voormelde artikel 4 werd overgebracht naar artikel 18 van de wet.
       HOOFDSTUK 2. - Raming van het opdrachtbedrag
       Art. 6. Dit artikel neemt artikel 28 van het koninklijk besluit van 15 juli 2011 ongewijzigd over.
       Art. 7. Dit artikel neemt quasi ongewijzigd de bepalingen van de artikelen 24 tot 27 van het koninklijk besluit van 15 juli 2011 en artikel 5 van richtlijn 2014/24/EU over.
       Paragraaf 1 bevat de regel volgens dewelke de berekening van de geraamde waarde van de opdracht gebaseerd is op het totaal te betalen bedrag, zonder belasting over de toegevoegde waarde, zoals geraamd door de aanbestedende overheid, met inbegrip van alle vereiste of toegestane opties, alle percelen, alle herhalingen, alle vaste en voorwaardelijke gedeelten van de opdracht, alle premies of betalingen waarin de aanbestedende overheid voorziet ten voordele van de kandidaten, deelnemers of inschrijvers, de herzieningsbepalingen en de verlengingen.
       Voor zover nuttig wordt er aan herinnerd dat, wanneer een opdracht in percelen verdeeld is, de berekening van de totale geraamde waarde het geheel van de percelen moet omvatten.
       Paragraaf 2 verduidelijkt dat wanneer en aanbestedende overheid samengesteld is uit onderscheiden operationele eenheden, het noodzakelijk is de totale geraamde waarde van alle operationele eenheden in aanmerking te nemen. Het tweede lid bevat evenwel een uitzondering op dit principe. Het kan bijvoorbeeld gerechtvaardigd zijn de waarde van een opdracht te ramen op het niveau van een afzonderlijke operationele eenheid van de aanbestedende overheid, mits die eenheid zelf verantwoordelijk is voor haar opdrachten. Dit mag worden verondersteld indien de afzonderlijke operationele eenheid de plaatsingsprocedures leidt en zelf de aankoop-beslissingen neemt, over een eigen budgetlijn beschikt voor de betrokken opdrachten, haar opdrachten autonoom sluit en dat bekostigt uit een budget waarover zij beschikt. Een onderverdeling is niet gerechtvaardigd wanneer de aanbestedende overheid de plaatsing van een opdracht alleen maar decentraal organiseert. Voorbeelden van afzonderlijke operationele eenheden zijn de afzonderlijke territoriale afdelingen van het Agentschap Wegen en Verkeer (AWV), die zelf verantwoordelijk zijn voor de plaatsing van hun overheidsopdrachten.
       Paragraaf 3 herinnert aan het principe volgens hetwelk geen enkele opdracht mag gesplitst worden om deze aan de bekendmakingsregels te onttrekken.
       De laatste woorden van deze paragraaf wijzen erop dat, indien objectieve redenen dit rechtvaardigen, de raming van de waarde van een opdracht gebaseerd mag zijn op een onderdeel ervan.
       Paragraaf 4 verduidelijkt op welk tijdstip de raming moet plaatsvinden : dit moet gebeuren op het tijdstip waarop de aankondiging wordt verzonden, of, wanneer deze aankondiging niet vereist is, op het tijdstip waarop de procedure wordt aangevat, bijvoorbeeld op het ogenblik van de verzending van de opdrachtdocumenten.
       Paragraaf 5 bepaalt dat alle voorgenomen opdrachten tijdens de totale duur van een raamovereenkomst of van een dynamisch aankoopsysteem in aanmerking moeten worden genomen.
       Paragraaf 6 bevat een nieuwe verduidelijking. Hij verwijst immers naar de nieuwe procedure van het innovatiepartnerschap en bepaalt dat de waarde die in aanmerking genomen moet worden de geraamde maximale waarde is, zonder belasting over de toegevoegde waarde, van de onderzoeks- en ontwikkelingsactiviteiten die zullen plaatsvinden tijdens de verschillende fasen van het partnerschap, alsook van de leveringen, diensten of werken die zullen worden ontwikkeld en verworven.
       Paragraaf 7 bevat de na te leven regels inzake overheidsopdrachten voor werken. Artikel 25 van het koninklijk besluit van 15 juli 2011 voorzag reeds in een gelijkaardige bepaling, die echter beperkt was tot het in aanmerking nemen van de leveringen die nodig zijn voor de uitvoering van de werken en die de aanbestedende overheid ter beschikking stelt van de opdrachtnemer. Deze nieuwigheid moet evenwel worden gerelativeerd. In het koninklijk besluit van 16 juli 2012 plaatsing overheidsopdrachten speciale sectoren is immers reeds een gelijkaardige bepaling opgenomen die ook betrekking heeft op de diensten die nodig zijn voor de uitvoering van de werken.
       Zo bevat de tekst drie verduidelijkingen voor de berekening van de geraamde waarde van een opdracht voor werken :
       1° enerzijds moet rekening worden gehouden met alle geplande werken;
       2° anderzijds moet ook rekening worden gehouden met de geraamde waarde van leveringen of diensten die nodig zijn voor de uitvoering van de werken en die de aanbestedende overheid ter beschikking stelt van de aannemer. Voorbeeld : het ter beschikking stellen van een partij straatstenen of andere materialen;
       3° de leveringen of diensten die niet nodig zijn voor de uitvoering van een opdracht voor werken mogen niet worden toegevoegd.
       Paragraaf 8 neemt artikel 5.11 van richtlijn 2014/24/EU over. Deze tekst stond reeds in richtlijn 2004/18/EG maar werd niet volledig overgenomen in het koninklijk besluit van 15 juli 2011. Er werd immers beslist om slechts voor één van beide berekeningsmethodes te opteren die voor dit soort opdrachten bestaan, namelijk de strengste berekeningsmethode. Voortaan heeft de aanbestedende overheid de keuze tussen beide in de richtlijn vermelde berekeningsmethodes, wat haar meer vrijheid biedt. Bovendien is dit ontwerp nu volkomen in overeenstemming met de richtlijn op dit punt.
       Paragraaf 9 neemt artikel 26, tweede lid, van voormeld besluit over dat evenwel licht wordt aangepast om nauwer aan te sluiten bij richtlijn 2014/24/EU.
       Paragraaf 10 neemt artikel 27, § 1, van voormeld besluit over dat evenwel licht wordt aangepast om nauwer aan te sluiten bij voormelde richtlijn.
       Paragraaf 11 neemt artikel 27, § 2, van voormeld besluit over dat evenwel licht wordt aangepast om nauwer aan te sluiten bij voormelde richtlijn.
       HOOFDSTUK 3. - Bekendmaking
       Afdeling 1. - Algemene bekendmakingsregels
       Art. 8. Dit artikel stemt overeen met artikel 29 van het koninklijk besluit van 15 juli 2011. Volgens paragraaf 1 worden de aankondigingen van opdrachten onderworpen aan de Europese bekendmaking in het Publicatieblad van de Europese Unie en in het Bulletin der Aanbestedingen bekendgemaakt. De aankondiging in het Bulletin der Aanbestedingen moet inhoudelijk overeen-stemmen met die bestemd voor het Publicatieblad en mag niet worden bekendgemaakt vóór de bekendmaking van de aankondiging in het Publicatieblad van de Europese Unie. Opgemerkt wordt dat het tijdstip van bekendmaking in het Bulletin der Aanbestedingen werd gewijzigd conform de richtlijn. Vroeger mocht de bekendmaking niet plaatsvinden vóór de datum waarop de aankondiging naar het Bureau voor Publicaties van de Europese Unie werd verzonden. Voortaan mag de aankondiging in het Bulletin der Aanbestedingen worden bekendgemaakt indien de aanbestedende overheid niet geïnformeerd werd over de bekendmaking in het Publicatieblad van de Europese Unie binnen twee dagen na bevestiging van de ontvangst van de aankondiging.
       Voor de opdrachten die enkel onderworpen zijn aan de Belgische bekendmaking, moet deze laatste gebeuren in het Bullletin der Aanbestedingen. Zelfs al is dit niet nodig, toch kan de aanbestedende overheid haar opdracht niettemin eveneens bekendmaken in het Publicatieblad van de Europese Unie. Het is van belang er aan te herinneren dat, indien een aanbestedende overheid beslist haar opdracht op Europees niveau bekend te maken terwijl ze daar niet toe verplicht is, deze laatste enkel de regels inzake Europese bekendmaking moet eerbiedigen (hoofdstuk 3, afdeling 3), en geenszins de overige regels voorzien voor de opdrachten waarvan het geraamde bedrag gelijk is aan of hoger dan de Europese drempels. Deze aanbestedende overheid behoudt bijgevolg de in artikel 67, § 1, lid 6, van de wet bedoelde mogelijkheid de afwezigheid van verplichte uitsluitingsgronden niet na te zien in hoofde van de leden van het bestuurs-, leidinggevend of toezichthoudend orgaan van de kandidaat of inschrijver.
       Paragraaf 2 wijst erop dat enkel de aankondiging bekendgemaakt in het Publicatieblad van de Europese Unie en/of in het Bulletin der Aanbestedingen als officiële bekendmaking geldt. Volgens deze bepaling is het ook verboden om de informatie vervat in de aankondiging bekend te maken of te verspreiden vóór de bekendmaking van de aankondiging, al naargelang, in het Publicatieblad van de Europese Unie en/of in het Bulletin der Aanbestedingen. Tot slot wordt verduidelijkt dat de inhoud van de niet-officiële bekendmaking niet mag verschillen van die van de officiële bekendmaking, zodat het niet toegestaan is om langs die weg bijkomende informatie mee te delen. De aanbestedende overheid moet er zich bovendien van vergewissen dat de effectieve bekendmaking van de aankondiging gebeurt vooraleer zij deze in een niet - officiële publicatie doet. Opgemerkt wordt dat dit lid uitgaat van een nieuw vertrekpunt van de termijn. Het koninklijk besluit van 15 juli 2011 bepaalt immers dat geen andere bekendmaking mag plaatsvinden vóór de verzendingsdatum van de aankondiging voor bekendmaking in het Publicatieblad van de Europese Unie en in het Bulletin der Aanbestedingen. Voortaan mag evenwel geen andere bekendmaking plaatsvinden vóór de bekendmaking van de aankondiging in het Publicatieblad van de Europese Unie en in het Bulletin der Aanbestedingen.
       Volgens paragraaf 3 moeten de vooraankondiging, de aankondiging van opdracht en de aankondiging van gegunde opdracht worden opgesteld in de vorm van standaardformulieren, die aangemaakt worden door de Federale Overheidsdienst Beleid en Ondersteuning. Deze formulieren zijn thans opgesteld op basis van de uitvoeringsverordening (EU) 2015/1986 van de Commissie van 11 november 2015 tot vaststelling van standaardformulieren voor de bekendmaking van aankondigingen op het gebied van overheidsopdrachten en tot intrekking van Uitvoeringsverordening (EU) nr. 842/2011.
       De paragraaf 4 is een nieuwe bepaling, die verplicht tot het gebruik van elektronische communicatiemiddelen voor wat betreft de bekendmakingen. Terzake is geen enkele overgangsmaatregel voorzien.
       Art. 9. Het eerste lid van dit artikel neemt artikel 30 van het besluit van 15 juli 2011 over. Voortaan mag de aanbestedende overheid geen volledig nieuwe aankondiging meer bekendmaken wanneer zij een officiële bekendmaking wenst te verbeteren of aan te vullen. Enkel de bekendmaking van een rechtzettingsbericht is toegestaan.
       Voor zover nodig wordt eraan herinnerd dat, conform artikel 59 van de wet, de aanbestedende overheid rekening moet houden met de complexiteit van de opdracht en de ondernemers de tijd moet laten die nodig is voor de voorbereiding van hun offertes, onverminderd de in de wet vastgestelde minimumtermijnen.
       Het tweede en derde lid bevatten een verplichting tot verdaging wanneer een rechtszettingsbericht wordt gepubliceerd net vóór de uiterste datum. Dit geeft de economische operatoren de mogelijkheid om hun aanvragen tot deelneming of offertes nog aan te passen. Voor de opdrachten die de drempel voor de Europese bekendmaking bereiken wordt een onderscheid gemaakt tussen de hypothese waarbij het rechtzettingsbericht wordt gepubliceerd tussen de zevende kalenderdag en de tweede kalenderdag vóór de uiterste datum enerzijds (dus op de derde, vierde, vijfde of zesde kalenderdag voorafgaand aan uiterste datum) en de hypothese waarbij het rechtzettingsbericht wordt gepubliceerd in de laatste twee kalenderdagen anderzijds (dus de uiterste datum van ontvangst, de dag voorafgaand aan deze datum en de tweede dag voorafgaand aan de uiterste datum). In het eerste geval moet worden verdaagd met minstens zes kalenderdagen. In het tweede geval met minstens acht kalenderdagen. Dit onderscheid is te wijten aan het feit dat rechtszettingsberichten niet onmiddellijk zichtbaar zijn voor de economische operatoren, dit in uitvoering van artikel 8, § 1, tweede lid, van dit ontwerp. Aangezien deze bepaling alleen van toepassing is op de opdrachten waarvan de geraamde waarde de drempel voor de Europese bekendmaking bereikt, werden twee afzonderlijke leden gecreëerd.
       Voor de opdrachten die de drempel voor de Europese bekendmaking niet bereiken moet in beide voormelde hypothesen worden verdaagd met minstens zes kalenderdagen. Wanneer een rechtzettingsbericht wordt gepubliceerd in de zes kalenderdagen voor de uiterste datum van ontvangst van de aanvragen tot deelneming of de offerte (dus op de eerste, tweede, derde, vierde, vijfde of zesde kalenderdag voorafgaand aan uiterste datum), moet worden verdaagd met minstens zes kalenderdagen.
       Voor wat kan dienen wordt erop gewezen dat ingevolge het gebruik van het woord "tussen" in het tweede lid (tussen de zevende en de tweede dag vóórde uiterste datum), uit de aard der zaak noch de tweede dag, noch de zesde dag voorafgaand aan de uiterste datum omvat. Zodoende wordt er met ten minste acht kalenderdagen verdaagd, in de hypothese waarbij een rechtzettingsbericht wordt gepubliceerd de tweede kalenderdag voor de voormelde uiterste datum.
       De berekeningswijze van artikel 9 is niet verenigbaar met verordening nr. 1182/71 van de Raad van 3 juni 1971. Immers moet ook worden gerekend in dagen vóór de uiterste datum van ontvangst van de aanvragen tot deelneming of de offertes. Artikel 3.4 van de voormelde verordening bepaalt bijvoorbeeld dat, indien de laatste dag een feestdag, zondag of zaterdag is, dan de termijn afloopt bij het einde van het laatste uur van de daaropvolgende werkdag. De draagwijdte van de in de vorige zin vermelde woorden is onduidelijk indien naar vóór wordt gerekend. Het werd daarom aangewezen geacht om te rekenen in kalenderdagen, en dit voor alle berekeningswijzen in artikel 9 (zowel naar voor als naar achter). Twee berekeningswijzen invoeren in één en hetzelfde artikel werd als te ingewikkeld ervaren. Artikel 167 van de wet laat toe dat afgeweken wordt van verordening nr. 1182/71. De betreffende berekeningen kaderen in een artikel dat niet terug te vinden is in richtlijn 2014/24/EU.
       Art. 10. Dit artikel stemt overeen met artikel 31 van het besluit van 15 juli 2011.
       Afdeling 2 - Europese drempels
       Art. 11. Dit artikel stemt overeen met artikel 32 van het koninklijk besluit van 15 juli 2011 en met artikel 4 van richtlijn 2014/24/EU. De eerste drie drempelbedragen vermeld in artikel 4 van de richtlijn werden evenwel gewijzigd door de gedelegeerde verordening (EU) 2015/2170 van de Commissie van 24 november 2015 tot wijziging van Richtlijn 2014/24/EU van het Europees Parlement en de Raad wat betreft de toepassingsdrempels inzake de procedures voor het plaatsen van opdrachten, met ingang op 1 januari 2016.
       Dit artikel vermeldt de Europese drempelbedragen. Voor opdrachten waarvan de geraamde waarde gelijk is aan of hoger dan de in dit artikel vermelde drempels, geldt de Europese bekendmaking. Opgemerkt wordt dat, overeenkomstig artikel 3, de belasting over de toegevoegde waarde niet begrepen is in deze bedragen.
       De drempelbedragen zijn de volgende :
       1° 5.225.000 euro voor opdrachten voor werken, en dit ongeacht de aanbestedende overheid die de opdracht plaatst;
       2° 135.000 euro voor overheidsopdrachten voor leveringen en diensten geplaatst door de federale aanbestedende overheden bedoeld in bijlage 2, deel A, en voor de door hen georganiseerde prijsvragen.
       Voor overheidsopdrachten voor leveringen geplaatst door federale aanbestedende overheden die werkzaam zijn op het gebied van defensie geldt de drempel van 135.000 euro enkel voor de in bijlage 2, deel B, vermelde producten.
       3° 209.000 euro voor overheidsopdrachten voor leveringen en diensten die door niet in 2° bedoelde aanbestedende overheden worden geplaatst en voor de door hen georganiseerde prijsvragen. Voor overheidsopdrachten voor leveringen geplaatst door federale aanbestedende overheden die werkzaam zijn op het gebied van defensie geldt deze drempel wanneer hun opdrachten betrekking hebben op niet in bijlage 2, deel B, vermelde producten.
       4° 750.000 euro voor de opdrachten die sociale en andere specifieke diensten tot voorwerp hebben.
       Opgemerkt wordt dat de Europese regelgever beslist heeft om geen onderscheid meer te maken tussen de zogenaamde prioritaire en niet-prioritaire diensten, zoals vroeger in de bijlagen II.A en II.B van richtlijn 2004/18/EG. Voortaan zijn de sociale en andere specifieke diensten onderworpen aan een specifieke regeling omdat ze, vanwege hun aard, een beperkte grensoverschrijdende dimensie behouden. Bijgevolg geldt voor deze diensten een drempel van 750.000 euro, die hoger is dan die welke op andere diensten toepasselijk is.
       Er wordt aan herinnerd dat de Europese Commissie de Europese drempelbedragen (met uitzondering van de vaste drempel van 750.000 euro) kan herzien overeenkomstig artikel 6 van richtlijn 2014/24/EU. Daarom is de bevoegde minister belast met de aanpassing van de betreffende bedragen naargelang de door de Europese Commissie verrichte herzieningen.
       Art. 12. Dit artikel stemt overeen met artikel 33 van het koninklijk besluit van 15 juli 2011, alsook met artikel 5.10 van richtlijn 2014/24/EU.
       Onder homogene leveringen moeten leveringen worden verstaan van dezelfde aard en met dezelfde of een vergelijkbare bestemming : bijvoorbeeld fotokopieerpapier ongeacht het vereiste formaat, kantoormeubelen die een harmonisch geheel moeten vormen of nog voedingsmiddelen van een bepaald assortiment. In dat geval moeten de bedragen van alle percelen worden samengevoegd teneinde te bepalen of de Europese drempel is bereikt. Als dat zo is, zijn alle percelen onderworpen aan de Europese bekendmaking.
       De aanbestedende overheid kan nochtans gebruik maken van de in dit artikel vermelde mogelijk-heid om percelen waarvan het individuele bedrag kleiner is dan 1.000.000 euro voor werken en 80.000 euro voor diensten en voor homogene leveringen aan de Europese bekendmaking te onttrekken. Hiervoor geldt evenwel als voorwaarde dat het samengevoegde bedrag van de onttrokken percelen niet meer bedraagt dan twintig procent van het bedrag van het geheel van alle percelen. Een dergelijke bepaling maakt het mogelijk deze percelen met een beperkte waarde enkel op nationaal niveau bekend te maken, daar deze immers vooral interessant zijn voor kleine en middelgrote ondernemingen.
       De waarde van deze percelen wordt niettemin in aanmerking genomen voor de raming van de opdracht overeenkomstig de artikel 7.
       Een voorbeeld zou kunnen zijn, een bouwwerk met een geraamd bedrag van 5,5 miljoen euro en verdeeld in vier percelen van respectievelijk :
       - perceel "ruwbouw" = 4 miljoen euro
       - perceel "speciale technieken" = 0,7 miljoen euro
       - perceel "schrijnwerk" = 0,5 miljoen euro
       - perceel "afwerking" = 0,3 miljoen euro.
       De aanbestedende overheid mag de percelen " speciale technieken " en " schrijnwerk " niet onttrekken aan de Europese bekendmaking. Alhoewel de individuele waarde van deze verschillende percelen inderdaad minder bedraagt dan 1 miljoen euro, is hun samengevoegd bedrag evenwel hoger dan 20 procent van het opdrachtbedrag, d.w.z. 1,1 miljoen euro.
       De percelen "schrijnwerk" en "afwerking" kunnen daarentegen wel aan de Europese bekendmaking worden onttrokken, omdat de individuele waarde van deze verschillende percelen minder bedraagt dan 1 miljoen euro en hun samengevoegd bedrag lager is dan 20 procent van het opdrachtbedrag, d.w.z. 1,1 miljoen euro.
       Hetzelfde zou gelden voor het perceel "speciale technieken".
       In deze gevallen dienen de andere percelen vanzelfsprekend te worden bekendgemaakt op Europees niveau, zelfs indien de totale waarde van die percelen de Europese drempel niet bereikt. In het eerst geciteerde voorbeeld vertegenwoordigen de percelen "ruwbouw" en "speciale technieken" slechts een bedrag van 4,7 miljoen euro. Niettemin moeten ze worden bekendgemaakt omdat rekening moet worden gehouden met de geraamde waarde van de onttrokken percelen bij het bepalen van de globale waarde van de opdracht (rekening houdend met de huidige Europese drempel van 5.225.000 euro).
       Afdeling 3. - Europese bekendmaking
       Art. 13. Dit artikel stemt overeen met artikel 34 van het koninklijk besluit van 15 juli 2011. Het bepaalt dat deze afdeling van toepassing is op de overheidsopdrachten die de Europese drempels bereiken.
       De voorwaarde dat de opdrachten onderworpen moeten zijn aan de Europese bekendmaking, zoals vermeld in het koninklijk besluit van 15 juli 2011, werd geschrapt. Ze had tot doel de opdrachten uit te sluiten die onderworpen waren aan de wet maar niet aan de Europese bekendmaking, zoals sommige opdrachten die geheim waren verklaard of waarvan de uitvoering gepaard diende te gaan met bijzondere veiligheidsmaatregelen. Deze voorwaarde werd overbodig geacht, aangezien deze opdrachten voortaan niet meer onderworpen zijn aan de wet inzake de overheidsopdrachten, maar wel aan de wet van 13 augustus 2011 inzake de overheidsopdrachten en bepaalde opdrachten voor werken, leveringen en diensten op defensie- en veiligheidsgebied.
       Tot slot dient te worden vermeld dat een specifiek artikel, namelijk artikel 18, gewijd is aan de sociale en andere specifieke diensten.
       Onderafdeling 1. - Algemene regels
       Art. 14. Dit artikel neemt artikel 35 van het koninklijk besluit van 15 juli 2011 ongewijzigd over. Het somt de aankondigingen op die gebruikt worden voor de Europese bekendmaking, namelijk de aankondiging van de opdracht, de aankondiging van gegunde opdracht en eventueel de vooraankondiging.
       Art. 15. Dit artikel neemt de regels over die toepasselijk zijn inzake de bekendmaking van een vooraankondiging.
       De eerste paragraaf is nieuw. Het stemt overeen met artikel 48.1 van richtlijn 2014/24/EU. Deze bepaling verduidelijkt de inhoud van de vooraankondiging en de bekendmakingsregels ervan. De aanbestedende overheid moet deze vooraankondiging bekendmaken bij het Bulletin der Aanbestedingen en bij het Publicatieblad van de Europese Unie of, en dat is nieuw, via haar kopersprofiel.
       Het kopersprofiel wordt gedefinieerd in artikel 2, 12°. Het gaat dus verder dan een gewone website van een aanbestedende overheid. Het moet immers in staat zijn om vooraankondigingen en opdrachtdocumenten online te plaatsen, elektronische kandidaturen en offertes te ontvangen op veilige en vertrouwelijke wijze en de informatie-uitwisseling tussen aanbestedende overheid en ondernemers te beheren. Opgemerkt wordt dat de aanbestedende overheid intern de nodige softwaretoepassing kan ontwikkelen of deze kan aankopen of huren bij een externe dienstverlener die een gezamenlijk platform aanbiedt.
       Het eerste lid van de tweede paragraaf stemt overeen met artikel 36, § 1, van het koninklijk besluit van 15 juli 2011. Het bepaalt dat de bekendmaking van een dergelijke vooraankondiging slechts verplicht is wanneer de aanbestedende overheid de termijn voor de ontvangst van de offertes wil inkorten. Indien dit niet in haar bedoeling ligt, kan de aanbestedende overheid beslissen om een dergelijke aankondiging niet te publiceren, maar in dat geval zal zij niet genieten van de inkorting van de termijnen die met deze publicatie gepaard gaat.
       Het tweede lid van de tweede paragraaf stemt overeen met artikel 36, § 2, van het koninklijk besluit van 15 juli 2011. Alhoewel deze bepaling niet meer opgenomen is in richtlijn 2014/24/EU, werd beslist deze te behouden om redenen van goed beheer. Dit lid bepaalt immers dat een vooraankondiging zo spoedig mogelijk moet worden bekendgemaakt bij het begin van het begrotingsjaar of, voor werken, nadat de beslissing is genomen tot goedkeuring van het programma waarin de werken of de raamovereenkomsten zijn opgenomen. De bekendmaking van een vooraankondiging zorgt er immers voor dat de ondernemers zich kunnen voorbereiden op de deelname aan de aldus aangekondigde procedures en dat de aanbestedende overheden voordeel kunnen halen uit een eventuele verruiming van de mededinging. Opgelet : deze bepaling belet evenwel niet dat later in de loop van het begrotingsjaar een bekendmaking kan plaatsvinden indien, bijvoorbeeld, nieuwe opdrachten worden uitgeschreven.
       Art. 16. Dit artikel stemt overeen met artikel 37 van het koninklijk besluit van 15 juli 2011. De tekst werd evenwel gewijzigd, rekening houdend met het feit dat de Europese regelgever beslist heeft om geen onderscheid meer te maken tussen de prioritaire en niet-prioritaire diensten, zoals in de bijlagen II.A en II.B van richtlijn 2004/18/EG. Volgens dit artikel moet elke opdracht het voorwerp uitmaken van een aankondiging van opdracht.
       Art. 17. Dit artikel stemt overeen met artikel 38 van het koninklijk besluit van 15 juli 2011. Volgens dit artikel moet elke opdracht het voorwerp uitmaken van een aankondiging van gegunde opdracht en dit ongeacht de gebruikte procedure. Dit artikel verwijst ook naar de inhoud van de aankondiging van gegunde opdracht die opgenomen is in bijlage 5.
       Voor zover dit nuttig kan zijn, wordt ook nog aangestipt dat een aanbestedende overheid die tussenkomt als aankoopcentrale alleen verantwoordelijk is voor de gegroepeerde bekendmaking van een aankondiging van gunning in het kader van een dynamisch aankoopsysteem.
       Onderafdeling 2. - Sociale en andere specifieke diensten
       Art. 18. Dit artikel is nieuw en handelt over de sociale en andere specifieke diensten. Het vervolledigt artikel 90 van de wet en verduidelijkt welke aankondigingen kunnen gebruikt worden door de aanbestedende overheid.
       Afdeling 4. - Belgische bekendmaking
       Art. 19. Dit artikel stemt overeen met artikel 39, eerste lid, van het koninklijk besluit van 15 juli 2011. Het leidt afdeling 4 in die de na te leven bekendmakingsregels bevat voor de opdrachten die enkel onderworpen zijn aan de Belgische bekendmaking, met uitzondering van de sociale en andere specifieke diensten die geregeld worden in artikel 24.
       Onderafdeling 1. - Algemene regels
       Art. 20. Dit artikel somt de aankondigingen op die gebruikt worden voor de Belgische bekendmaking, namelijk de aankondiging van opdracht en, in voorkomend geval, de vooraan-kondiging. De aankondiging van gegunde opdracht is niet verplicht voor opdrachten waarvan het geraamde bedrag lager is dan de Europese drempels.
       Art. 21. Dit artikel is een nieuwe bepaling. Het staat de aanbestedende overheden toe gebruik te maken van een vooraankondiging om hun intenties kenbaar te maken inzake het plaatsen van opdrachten.
       Het eerste lid bepaalt de inhoud van de vooraankondiging en de bekendmakingsregels ervan.
       Het tweede lid, naar analogie met het tweede paragraaf, eerste lid, van artikel 15, bepaalt dat de bekendmaking van een dergelijke aankondiging slechts verplicht is wanneer de aanbestedende overheid de termijn voor de ontvangst van de offertes wil inkorten. Indien dit niet in haar bedoeling ligt, kan zij beslissen geen dergelijke aankondiging te publiceren, maar laat deze geen inkorting van de termijnen verbonden aan een dergelijke publicatie toe.
       Het derde lid verduidelijkt, naar analogie met het tweede lid van artikel 15, § 2, dat een vooraankondiging zo spoedig mogelijk moet worden bekendgemaakt bij het begin van het begrotingsjaar of, voor werken, nadat de beslissing is genomen tot goedkeuring van het programma waarin de werken of de raamovereenkomsten zijn opgenomen.
       Art. 22. Dit artikel stemt overeen met artikel 40 van het koninklijk besluit van 15 juli 2011 en gaat nader in op de verplichting om een aankondiging van opdracht bekend te maken. Het verduidelijkt de erin te verstrekken inlichtingen.
       Art. 23. Dit artikel neemt quasi ongewijzigd de bepalingen over van artikel 41 van het koninklijk besluit van 15 juli 2011. Het behandelt het kwalificatiesysteem.
       Paragraaf 1 bepaalt dat de aanbestedende overheid een kwalificatiesysteem kan instellen voor soortgelijke opdrachten waarvan het geraamde bedrag lager is dan de Europese drempels. Dit systeem is evenwel uitsluitend toepasselijk in geval van niet-openbare procedure en mededingingsprocedure met onderhandeling. Opgemerkt wordt dat het kwalificatiesysteem uitsluitend betrekking mag hebben op soortgelijke opdrachten.
       Paragraaf 2 wijst erop dat dit systeem tijdens de volledige duur ervan permanent openstaat voor de kwalificatie van belangstellende ondernemingen. Het biedt de aanbestedende overheid de mogelijkheid een aantal gekwalificeerde ondernemingen te kiezen die zij uitnodigt tot het indienen van een offerte, rekening houdend met het minimumaantal concurrenten vermeld in artikel 79, § 2, van de wet.
       De aankondiging betreffende het kwalificatiesysteem wordt jaarlijks bekendgemaakt, alsook na elke actualisering van de regels en criteria betreffende de kwalitatieve selectie, om ervoor te zorgen dat het systeem voldoende transparant is.
       De intrekking van een kwalificatie moet gebaseerd zijn op de toepasselijke kwalificatiecriteria en -voorschriften. Alvorens een beslissing te nemen, moet de aanbestedende overheid haar gemotiveerde intentie tot intrekking schriftelijk meedelen aan de betrokkene, die binnen een termijn van vijftien dagen een bezwaarschrift kan indienen.
       Deze paragraaf bepaalt ook dat, rekening houdend met het voorwerp en de specificaties van elke opdracht uitgeschreven in het kader van dat systeem en met het aantal gekwalificeerde kandidaten, de aanbestedende overheid kan overgaan tot een selectie van de kandidaten op grond van de artikelen 65 tot 72.
       Tot slot wordt opgemerkt dat voortaan niet meer wordt verwezen naar het opstellen van een lijst van geselecteerden; dat systeem werd immers weinig gebruikt gezien het gesloten karakter ervan voor nieuwe kandidaten.
       Onderafdeling 2. - Sociale en andere specifieke diensten
       Art. 24. Dit artikel is nieuw en is gewijd aan de sociale en andere specifieke diensten. Het vervolledigt artikel 90 van de wet en verduidelijkt welke aankondigingen kunnen gebruikt worden door de aanbesteder.
       HOOFDSTUK 4. - Prijsvaststelling en prijsbestanddelen
       Art. 25. Onderhavig artikel herneemt artikel 88 van het koninklijk besluit van 15 juli 2011 en veralgemeent het. Dit artikel is voortaan van toepassing op alle procedures, daar waar het vroeger beperkt was tot de aanbestedingen en de offerteaanvragen.
       Dit artikel verduidelijkt dat de prijzen in de offertes in euro worden uitgedrukt en dat het totaal bedrag van de offertes voluit in letters dient geschreven te zijn. Hetzelfde geldt overigens voor de eenheidsprijzen indien de opdrachtdocumenten het vereisen.
       Het verschil tussen de prijzen uitgedrukt in letters en deze uitgedrukt in cijfers wordt opgelost met toepassing van artikel 34.
       Art. 26. Dit artikel neemt de inhoud over van artikel 13 van het koninklijk besluit van 15 juli 2011. De mogelijkheid om de opdracht eerst te gunnen tegen voorlopige prijzen en vervolgens tegen forfaitaire prijzen eenmaal de voorwaarden van de opdracht goed gekend zijn, werd geschrapt. Er werd immers geoordeeld dat een dergelijk principe de vergelijking van de offertes zou bemoeilijken en eventueel de gelijke behandeling van de ondernemingen zou in vraag stellen. Overigens zou een dergelijke aanpak moeilijk in overeenstemming te brengen vallen met de door artikel 72 van richtlijn 2014/24/EU opgelegde modaliteiten betreffende de wijzigingen van de opdracht.
       Art. 27. Dit artikel is een gedeeltelijke overname van paragraaf 2 van artikel 13 van het koninklijk besluit van 15 juli 2011 en bepaalt dat de inschrijver het bedrag van zijn offerte vaststelt volgens zijn eigen bewerkingen, berekeningen en ramingen. Deze bepaling is voortaan niet meer beperkt tot de opdrachten tegen globale prijs en de forfaitaire posten van de gemengde opdracht.
       Art. 28. Dit artikel neemt artikel 15 van het koninklijk besluit van 15 juli 2011 ongewijzigd over.
       Art. 29. De eerste en tweede leden nemen artikel 16 van het koninklijk besluit van 15 juli 2011 ongewijzigd over. Verduidelijkt moet worden dat onder alle heffingen welke de opdracht belasten moeten begrepen worden de belastingen en heffingen die gelden bij de indiening van de offerte en niet deze die na deze indiening zouden gelden.
       Het derde lid verduidelijkt dat de vergelijking van de offertes gebeurt met inbegrip van de belasting over de toegevoegde waarde.
       Art. 30 tot 32. Deze artikelen nemen de artikelen 17 tot 19 van het koninklijk besluit van 15 juli 2011 ongewijzigd over.
       HOOFDSTUK 5. - Verbetering van fouten en nazicht van prijzen of kosten
       Art. 33. Dit artikel is een nieuwe bepaling die hoofdstuk 5 inleidt.
       Art. 34. Dit artikel neemt in een gewijzigde vorm artikel 96 van het koninklijk besluit van 15 juli 2011 over. Het voert een uniform verbeteringssysteem in door de aanbestedende overheid wat betreft de rekenfouten en zuiver materiële fouten. Interessant is dat dit verbeteringssysteem voortaan toepasselijk is op alle opdrachten ongeacht de plaatsingsprocedure ervan, terwijl dit systeem vroeger beperkt was tot de aanbesteding en de offerteaanvraag.
       Paragraaf 1 heeft het over de verbetering van offertes in functie van de rekenfouten en zuiver materiële fouten die de aanbestedende overheid of een inschrijver ontdekken in de opdrachtdocumenten. Deze verbeteringen moeten toelaten dat de gunning gebeurt op een zo juist mogelijke basis, teneinde de vergelijkbaarheid van de offertes te verbeteren en de gelijke behandeling van de inschrijvers niet op de helling te zetten.
       Paragraaf 2 verduidelijkt in zijn eerste lid dat de verantwoordelijkheid van de aanbestedende overheid niet kan ingeroepen worden in geval van het niet ontdekken van een of andere fout.
       Het tweede lid voorziet dat de aanbestedende overheid, in het proces van rechtzetting van de offertes, de echte bedoeling van de inschrijver moet nagaan door deze te vergelijken met de andere offertes alsook met de marktprijzen. Slechts wanneer dit nazicht niet leidt tot een oplossing zal zij de inschrijver uitnodigen om zijn reële bedoeling te verduidelijken.
       In het derde lid van paragraaf 2 wordt tevens voorzien dat, wanneer de inschrijver geen toelichting verstrekt of zijn toelichting niet aanvaardbaar is voor de aanbestedende overheid, laatstgenoemde de fouten verbetert naar eigen bevindingen. Indien dit onmogelijk is, kan de aanbestedende overheid beslissen dat de eenheidsprijzen van toepassing zijn of de offerte als onregelmatig weren. Deze laatste keuze moet evenwel door de aanbestedende overheid worden gemaakt, rekening houdend met het specifieke karakter van elk dossier.
       De aanbestedende overheid zal dit bijgevolg beoordelen in functie van de eigenheden van het dossier en niet op basis van vooraf bepaalde criteria. De aanbestedende overheid zal bijvoorbeeld logischerwijze de opgegeven eenheidsprijzen bekrachtigen, indien het een fout in een verwaarloosbare post betreft. Het zal waarschijnlijk anders gesteld zijn wanneer het een belangrijke post betreft.
       Paragraaf 3 neemt paragraaf 3 van artikel 96 van het koninklijk besluit van 15 juli 2011 over, licht aangepast in functie van de veralgemening van het gebruik van elektronische platformen.
       Art. 35. Dit artikel herneemt met een wijziging het artikel 21 van het koninklijk besluit van 15 juli 2011. Het voorziet in een prijs- of kostenonderzoek, en laat de aanbestedende overheid toe de inschrijver te vragen alle nodige inlichtingen te verstrekken.
       Art. 36. Dit artikel herneemt in een gewijzigde vorm de artikelen 21, § 3 en 99 van het koninklijk besluit van 15 juli 2011 en voorziet in de omzetting van artikel 69 van richtlijn 2014/24/EU maar verruimt het toepassingsgebied ervan. Het is van belang te onderstrepen dat deze bepaling zich niet beperkt tot de abnormaal lage prijzen of kosten, maar ook de abnormaal hoge prijzen of kosten omvat.
       Volgens paragraaf 1, wanneer de aanbestedende overheid vaststelt dat een prijs of kost abnormaal laag of hoog lijkt tijdens het nazicht waarvan sprake in artikel 35, onderzoekt zij verder de betrokken prijs of kost. Wanneer gebruik wordt gemaakt van de in paragraaf 1 vermelde procedures, moet de bevraging slechts worden uitgevoerd op de laatst ingediende offertes. Dit belet geenszins dat de aanbestedende overheid deze bevraging reeds kan verrichten in een vroeger stadium van de procedure.
       Wanneer blijkt dat er prijzen of kosten worden aangeboden die abnormaal laag of hoog lijken, is de prijzenbevraging verplicht ongeacht de basis waarop de overheidsopdracht aan de economisch meest voordelige offerte wordt gegund, tenzij in uitzonderingsgevallen opgelijst in paragraaf 6.
       Paragraaf 2 voorziet dat de aanbestedende overheid de betrokken inschrijver tijdens het nazicht bedoeld in de eerste paragraaf, moet ondervragen en hem de gelegenheid moet bieden om een rechtvaardiging te geven van de samenstelling van zijn prijs of kost. De aanbestedende overheid moet de inschrijvers ondervragen over alle posten die abnormaal lijken onder voorbehoud van de uitzondering voorzien in het laatste lid (prijs van de verwaarloosbare posten). De aandacht wordt gevestigd op het feit dat de in het ontwerp opgesomde rechtvaardigingen,, die in aanmerking kunnen genomen worden om het normaal karakter van de offerte aan te tonen geen limitatief karakter hebben. De inschrijver beschikt over een termijn van twaalf dagen om de verantwoording te verschaffen. De aanbestedende overheid kan steeds een langere termijn geven, mits dit aangegeven is in de uitnodiging. Enkel in de onderhandelingsprocedure zonder voorafgaande bekendmaking kan hij een kortere termijn bepalen, die hij moet motiveren in de opdrachtdocumenten.
       De aandacht wordt er eveneens op gevestigd dat aan de aanbestedende overheid wordt gevraagd de inschrijver systematisch te verzoeken de verantwoordingen te geven die betrekking hebben op de eerbieding van de regels inzake milieu-, sociaal en arbeidsrecht, met inbegrip van de verplichtingen die gelden op het vlak van welzijn, lonen en sociale zekerheid. Moeten aldus nagezien worden : de juiste berekening van de loonkosten, de correcte betaling van de sociale bijdragen of het bestaan van een globaal preventieplan (wanneer dit vereist is) in hoofde van de inschrijver. Als voorbeelden in het domein van het welzijn kan het volgende aangehaald worden : correcte logementsvoorwaarden (niet op de werf), de arbeidstijd, de wekelijkse rusttijd,...
       Ook dient aangestipt dat een inschrijver zich niet eenvoudigweg kan beroepen op de met een winstmarge verhoogde prijs van een onderaannemer om zijn prijs uit te leggen. In dit geval is verdere informatie over de prijs van de onderaannemer vereist.
       Bovendien bepaalt het vijfde lid van paragraaf 2 uitdrukkelijk dat de aanbestedende overheid niet verplicht is om formeel verantwoording te vragen voor prijzen voor verwaarloosbare posten. Er kan immers van worden uitgegaan dat deze geen invloed zullen hebben gezien hun verwaarloos-bare aard. In het geval waarin de aanbestedende overheid ondanks alles toch zou overgaan tot bevraging van de prijzen voor verwaarloosbare posten, bij opdrachten bijvoorbeeld die meerdere abnormaal geachte prijzen in verwaarloosbare posten bevatten, en na onderzoek zou blijken dat de abnormaal bevonden prijzen van de verwaarloosbare posten heel beperkt in aantal zijn, kan de offerte toch nog beschouwd worden als zijnde regelmatig. Inderdaad is in de derde paragraaf verduidelijkt dat de offerte slechts geweerd wordt in twee hypothesen : omwille van het abnormaal karakter van het totale offertebedrag en/of vanwege een abnormaal karakter bij een of meerdere niet-verwaarloosbare posten.
       Er werd geen gevolg gegeven worden aan de opmerking van de Raad van State om in het verslag aan de Koning praktijkvoorbeelden op te geven. Het al dan niet verwaarloosbare karakter van een bepaalde post moet altijd beoordeeld worden in het kader van de betrokken overheidsopdracht.
       Het laatste lid van paragraaf 2 verduidelijkt dat de aanbestedende overheid zo nodig de inschrijver opnieuw kan ondervragen binnen een termijn van twaalf dagen, die desgevallend kan verminderd worden. Paragraaf 3 verduidelijkt tot welke vaststellingen de aanbestedende overheid vervolgens kan komen :
       - ofwel dat het bedrag van een of meer niet-verwaarloosbare posten een abnormaal karakter vertoont. Ook in dat geval is de offerte behept met een substantiële onregelmatigheid en dient deze bijgevolg geweerd te worden;
       - ofwel dat het totaal bedrag van de offerte een abnormaal karakter vertoont. Een dergelijke offerte is behept met een substantiële onregelmatigheid en dient bijgevolg geweerd te worden;
       - ofwel dat het totaal bedrag van de offerte geen abnormaal karakter vertoont. In dit geval zal een motivering in die zin ingelast worden in de gunningsbeslissing.
       Er wordt tevens op gewezen dat de aanbestedende overheid voor één en dezelfde offerte kan vaststellen dat een of meer niet-verwaarloosbare posten een abnormaal karakter vertonen en dat dit eveneens het geval is wat het totale offertebedrag betreft.
       Het past er de aandacht op te vestigen dat de inschrijver moeilijkheden kan ondervinden om de nodige rechtvaardiging van zijn prijs of kost te verstrekken. Worden aldus als onvoldoende beschouwd de simpele bevestiging van de prijs zonder uitleg, een verwarde, vage of onduidelijke rechtvaardiging,... De aanbestedende overheid kan in een dergelijk geval deze prijs of kost zelf rechtvaardigen rekening houdende met haar eigen kennis of met andere informatie die niet van de inschrijver komt. Zij zal evenwel de gegevens moeten voorleggen aan de inschrijver teneinde hem de kans te geven hierop te reageren, vooraleer hij zijn beslissing neemt. Deze verplichting vloeit voort uit artikel 69.3 van richtlijn 2014/24/EU, waarin is bepaald dat de aanbestedende overheid bij de beoordeling in overleg moet treden met de inschrijver. Op die wijze wordt daarenboven gegarandeerd dat de rechten van de verdediging worden nageleefd. Er wordt aan herinnerd dat het gelijkheidsbeginsel ook in deze context van toepassing is.
       Er wordt op gewezen dat het weigeren van een offerte verplicht is indien de aanbestedende overheid vaststelt dat de abnormaal lage prijs of kost te wijten is aan het niet nakomen van de verplichtingen op het vlak van het milieu-, sociaal of arbeidsrecht zoals bedoeld in artikel 7, eerste lid, van de wet.
       Bovendien kan een aanbestedende overheid, die vaststelt dat een abnormaal lage offerte werd ingediend ingevolge het bekomen van overheidssteun, deze offerte niet verwerpen om die enige reden, behalve wanneer de inschrijver, na herondervraging, niet kan aantonen, binnen een redelijke termijn die door de aanbestedende overheid wordt toegekend, dat de verkregen steun verenigbaar is met het Verdrag over de werking van de Europese Unie. Deze bepaling is echter niet van toepassing op de opdrachten waarvan het geraamd bedrag lager ligt dan de drempels voor de Europese bekendmaking.
       De bevraging en herbevraging gebeuren schriftelijk. Dit stemt overeen met de aanpak van artikel 14, § 4, van de wet, op grond waarvan mondelinge communicatie slechts toegestaan is voor zover het mededelingen betreft die geen betrekking op essentiële elementen van de plaatsingsprocedure, en onder bepaalde voorwaarden. Het abnormaal prijzenonderzoek heeft betrekking op essentiële elementen van de procedure.
       Paragraaf 4 bevat een specifieke regeling voor het onderzoek van het totale offertebedrag voor opdrachten voor werken of diensten in een fraudegevoelige sector geplaatst via een openbare of niet-openbare procedure en waarvan de economisch meest voordelige offerte enkel geëvalueerd is op de prijs of wanneer het gewicht van de prijs minstens vijftig procent van de gunningscriteria uitmaakt. De opdrachtdocumenten kunnen het toepassingsgebied van deze paragraaf echter uitbreiden tot de opdrachten voor leveringen of voor diensten, andere dan de diensten in een fraudegevoelige sector. In tegenstelling tot het koninklijk besluit van 15 juli 2011, wordt deze verplichting in onderhavig ontwerp aldus uitgebreid naar de opdrachten voor diensten in een fraudegevoelige sector en naar de opdrachten waarvan het gewicht van de prijs minstens vijftig percent van de gunningscriteria uitmaakt.
       De uitbreiding van de voormelde verplichting kadert in de context van de strijd tegen de sociale dumping. Er wordt immers vaak vastgesteld dat de factor "loon" een niet onbelangrijk onderdeel voorstelt in arbeidsintensieve sectoren. Voor zover nuttig, wordt herinnerd aan het feit dat de sociale dumping zich vooral voordoet in de arbeidsintensieve sectoren, waar een sterke prijsconcurrentie heerst en waar misbruiken heersen ten opzichte van de Europese detacheringsregels (buitenlandse arbeiders met lonen die de Belgische minimale vereisten niet eerbiedigen, ...).
       Wanneer de economisch meest voordelige offerte enkel geëvalueerd wordt op basis van de prijs, blijft het percentage dat in aanmerking wordt genomen om uit te maken of een prijs abnormaal laag is, bepaald op vijftien procent. Ook wanneer het gewicht van de prijs minstens vijftig procent van de gunningscriteria uitmaakt, wordt dit percentage vastgelegd op vijftien procent, maar de aanbestedende overheid kan hiervan afwijken in de opdrachtdocumenten en aldus een hoger percentage voorzien. De aanbestedende overheid beschikt aldus over de mogelijkheid om het percentage te bepalen in functie van de aard en de karakteristieken van de opdracht. Toch kunnen, bij wijze van voorbeeld, een aantal richtsnoeren worden aangereikt. Zo zal in principe slechts een licht verhoogd percentage nodig zijn wanneer het gewicht van het prijscriterium sterk doorweegt ten opzichte van de andere criteria (bijvoorbeeld 90 % voor het prijscriterium). Wanneer het criterium prijs aanleunt bij de 50 %, zou het percentage dat in aanmerking wordt genomen aanzienlijk hoger kunnen liggen. Zelfs al worden percentages hoger dan 30 % niet verboden, deze zullen doorgaans genomen minder aangewezen zijn. Vanzelfsprekend hangt de bepaling van het gepast percentage af van de aard en karakteristieken van de opdracht. Zodoende wordt de bepaling van het gepast percentage overgelaten aan de keuze van de aanbestedende overheid.
       Tevens wordt een verduidelijking gegeven wat betreft de offertes die in aanmerking dienen genomen te worden voor de berekening van het gemiddelde bedrag van de ingediende offertes. De berekening van het gemiddelde is gebaseerd op de offertes van de geselecteerde inschrijvers. Niettemin gebeurt de berekening, in de openbare procedure, op basis van de offertes van de voorlopig geselecteerde inschrijvers. Voor nadere toelichting hieromtrent wordt verwezen naar de commentaar bij artikel 75.
       Tenslotte past het aan te dringen op het feit dat het mogelijk is voor de aanbestedende overheid om geen rekening te houden met manifest onregelmatige offertes.
       Paragraaf 5 neemt paragraaf 3 van artikel 99 van koninklijk besluit van 15 juli 2011 gedeeltelijk over. De voormelde paragraaf bepaalt dat de Belgische Mededingingsautoriteit, de Commissie voor de erkenning van aannemers, de Sociale Inlichtingen- en Opsporingsdienst van de Federale Overheidsdienst Werkgelegenheid, de Europese Commissie en het aanspreekpunt worden ingelicht van de wering van de offerte op basis van een abnormaal lage prijs of kost. Sommige van de hierboven bedoelde instellingen moeten ook worden ingelicht in geval van wering omwille van een abnormaal hoge prijs of kost. Het is de bedoeling dat de aangewezen overheden de problemen waarmee bepaalde activiteitensectoren worden geconfronteerd zouden kennen en verhelpen. Niet alle voormelde overheden worden systematisch gecontacteerd. Dat is slechts het geval voor de Belgische Mededingingsautoriteit en, voor de opdrachten voor werken, voor de Commissie voor de erkenning van aannemers (voor zover het een wering wegens abnormaal lage prijs of kost betreft). De hoger vermelde Sociale inlichtingen -en opsporingsdienst van zijn kant moet slechts gecontacteerd worden wanneer de offerte wordt geweerd omwille van de vaststelling dat deze abnormaal laag is omdat zij niet voldoet aan de verplichtingen op het vlak van het federaal sociaal- of arbeidsrecht. De aanpak is gelijkaardig wat de wering betreft omwille van vaststelling van abnormaal lage offerteprijzen ingevolge de niet-eerbiediging van de interne marktregels inzake overheidssteun.
       Paragraaf 6 bepaalt dat artikel 36 niet toepasselijk is op de mededingingsprocedure met onderhandeling, noch op de vereenvoudigde onderhandelingsprocedure met voorafgaande bekendmaking, noch op de onderhandelingsprocedure zonder voorafgaande bekendmaking, voor zover het om een opdracht gaat waarvan het geraamde bedrag lager ligt dan de Europese drempels wat de opdrachten voor leveringen en diensten betreft en lager dan 500.000 euro wat de opdrachten voor werken betreft. Niettemin is het mogelijk om hiervan af te wijken door het invoegen van een bepaling in die zin in de opdrachtdocumenten.
       Het is niettemin belangrijk er aan te herinneren dat alhoewel artikel 36 niet van toepassing is op de hoger vermelde procedures, toch niet dient geconcludeerd te worden dat er geen regels bestaan in dit domein. De problematiek is echter op een andere manier aangepakt. Onderhavige bepaling moet immers gelezen worden in combinatie met artikel 76 betreffende de regelmatigheid van de offertes. De aanbestedende overheid beschikt niettemin over een maneuvreerruimte in het geval van een substantiële onregelmatigheid. Zij kan, naar keuze, ofwel de offerte die behept is met een substantiële onregelmatigheid nietig verklaren, ofwel deze laten regulariseren. Hetzelfde geldt voor de offertes die behept zijn met meerdere niet-substantiële onregelmatigheden wanneer deze ingevolge de opeenstapeling of combinatie ervan, van aard zijn een weerslag te hebben zoals bedoeld in de eerste paragraaf, derde lid van artikel 76.
       Tot slot moet erop worden gewezen dat de zesde paragraaf niet van toepassing is op de opdrachten die worden geplaatst door middel van een concurrentiegerichte dialoog of een innovatiepartnerschap.
       Art. 37. Dit artikel bevat een bepaling die gelijkaardig is met die van paragraaf 2 van artikel 21 van het koninklijk besluit van 15 juli 2011. Het wijst erop dat, ongeacht de procedure, ter plaatse verificaties van de boekhoudkundige stukken en onderzoeken kunnen worden uitgevoerd door de personen die hiertoe zijn aangewezen door de aanbestedende overheid. Echter is voor een dergelijke verificatie niet langer vereist dat dit in de opdrachtdocumenten wordt voorzien. Evenwel en dit is eveneens nieuw, mag de tijdens dit onderzoek ingezamelde informatie voor andere doeleinden worden gebruikt dan om het abnormaal karakter van de prijzen na te gaan. Deze inlichtingen kunnen dus opnieuw gebruikt worden in een latere fase van dezelfde opdracht.
       Er wordt verduidelijkt dat deze bepaling alleen van toepassing is op de relatie tussen de aanbestedende overheid en de inschrijver, met uitsluiting van de onderaannemer.
       HOOFDSTUK 6. - Het Uniform Europees Aanbestedingsdocument (UEA) en de impliciete verklaring op erewoord
       Art. 38. Dit artikel, dat alleen van toepassing is op de opdrachten waarvan de geraamde waarde gelijk is aan of hoger dan de drempel voor de Europese bekendmaking, handelt over het UEA dat bestaat uit een officiële verklaring van de ondernemer dat de betrokken uitsluitingsgronden niet op hem van toepassing zijn, dat aan de betrokken selectiecriteria is voldaan en dat hij de relevante informatie die door de aanbestedende overheid wordt gevraagd zal verstrekken. Dit artikel vervolledigt bijgevolg artikel 73 van de wet.
       Het eerste lid van de eerste paragraaf bevat een uitzondering op de verplichte voorlegging van het UEA voor de opdrachten geplaatst via een onderhandelingsprocedure zonder voorafgaande bekendmaking, en dit in de volgende gevallen :
       1° in geval van dwingende spoed voortvloeiend uit een voor de aanbestedende overheid onvoorzienbare gebeurtenis, overeenkomstig artikel 42, § 1, 1°, b), van de wet;
       2° wanneer de werken, leveringen of diensten alleen door een bepaalde ondernemer kunnen worden verricht, overeenkomstig artikel 42, § 1, 1°, d), van de wet;
       3° in geval van een herhaling van soortgelijke werken of diensten die aan de opdrachtnemer van de oorspronkelijke opdracht worden gegund door dezelfde aanbestedende overheid, overeenkomstig artikel 42, § 1, 2°, van de wet;
       4° wanneer het gaat om de aankoop van leveringen of diensten tegen bijzonder gunstige voorwaarden, overeenkomstig artikel 42, § 1, 3°, van de wet;
       5° in geval van aanvullende leveringen, overeenkomstig artikel 42, § 1, 4°, b), van de wet;
       6° wanneer het gaat om op een grondstoffenmarkt genoteerde en aangekochte leveringen, overeenkomstig artikel 42, § 1, 4°, c), van de wet.
       In dit verband kan verwezen worden naar de voetnoot 5 van bijlage 1 - `Gebruiksaanwijziging' van de Uitvoeringsverordening 2016/7 van de Europese Commissie van 5 januari 2016 houdende een standaardformulier voor het Uniform Europees Aanbestedingsdocument, alwaar wordt gesteld, omtrent de principiële verplichting om het UEA voor te leggen, dat het in sommige gevallen geheel niet passend zou zijn om de overlegging van het UEA te verlangen, of dat dit totaal onnodige administratieve lasten met zich zou meebrengen, hetgeen niet de bedoeling kan zijn geweest. Anders gesteld : volgens de Europese Commissie volgt uit artikel 32 van richtlijn 2014/24/EU dat in de hierboven bedoelde hypothesen waarbij gebruik mag worden gemaakt van de onderhandelingsprocedure zonder voorafgaande bekendmaking, de overlegging van het UEA niet verplicht is. Volgens de Europese Commissie blijkt het verplicht karakter van het UEA niet éénduidig uit artikel 59 van richtlijn 2014/24/EU zelf maar moet dit afgeleid worden uit de gecombineerde lezing van onder meer de artikelen 34 (mogelijkheid voor aanbestedende overheden om op ieder moment tijdens de geldigheidstermijn van het dynamisch aankoopsysteem een geactualiseerde versie UEA op te vragen), 59 en de artikelen 71.5 en 71.6.b (mogelijkheid voor de lidstaten om te bepalen dat de UEA's worden voorgelegd van de onderaannemers om na te gaan of in hun hoofde geen gronden tot uitsluiting bestaan). Met andere woorden blijkt het verplicht karakter slechts onrechtstreeks uit de samenlezing van de artikelen 34, 59 en 71. In sommige uitzonderlijke situaties waarbij gebruik mag worden gemaakt van de onderhandelingsprocedure zonder voorafgaande bekendmaking ontstaat dan ook de interpretatiemarge die kan verantwoorden waarom het UEA in de opgegeven gevallen toch niet moet worden overgelegd. Het feit dat dit niet verplicht is vloeit dan voort uit artikel 32 van richtlijn 2014/24/EU en de specifieke aard van sommige van de aldaar opgesomde gevallen. De interpretatie dat het UEA verplicht is ingevolge de gecombineerde lezing van de artikelen 34, 59 en 71 mag er langs de andere kant niet toe leiden dat een rigide interpretatie zou moeten gegeven worden aan artikel 32.
       Volgens het tweede lid dient de aanbestedende overheid, in de aankondiging van opdracht of, bij gebreke daaraan, in de opdrachtdocumenten, te vermelden welke inlichtingen zij van de ondernemers zal eisen. De aanbestedende overheid moet aldus de richtsnoeren bepalen die toelaten het UEA in te vullen. Dit bestaat uit de de volgende delen :
       1° Deel I. Gegevens over de plaatsingsprocedure en de aanbestedende overheid of aanbestedende entiteit;
       2° Deel II. Gegevens over de ondernemer;
       3° Deel III. Uitsluitingscriteria;
       4° Deel IV. Selectiecriteria;
       5° Deel V. Beperking van het aantal gekwalificeerde kandidaten;
       6° Deel VI. Slotopmerkingen.
       Deze richtsnoeren kunnen ingelast worden in de Afdeling VI.VI.3) "Nadere inlichtingen" van de aankondiging van de opdracht.
       Zoals verduidelijkt is in paragraaf 2 kan de aanbestedende overheid, wat deel IV betreft :
       1° ofwel de ondernemers vragen nauwkeurige gegevens te verstrekken over de selectiecriteria bij het invullen van de afdelingen A tot D. De ondernemer dient evenwel enkel de gegevens over de selectiecriteria te verstrekken die door de aanbestedende overheid werden gevraagd in de aankondiging van opdracht of, bij gebreke daaraan, in de opdrachtdocumenten;
       2° ofwel de ondernemers vragen een algemene aanwijzing voor alle selectiecriteria te geven. De ondernemer kan zich dan beperken tot het invullen van de eerste afdeling van deel IV (Algemene aanwijzing voor alle selectiecriteria). Zo is hij vrijgesteld van de verplichting om de meer nauwkeurige gegevens die in de volgende kaders van het deel IV worden gevraagd te verstrekken en dient hij enkel algemeen te bevestigen dat hij de vereiste selectiecriteria respecteert.
       Art. 39. Dit artikel herneemt met enige wijziging het artikel 61, § 4, van het koninklijk besluit van 15 juli 2011, maar alleen voor de opdrachten waarvan de geraamde waarde lager is dan de drempel voor de Europese bekendmaking (zie evenwel infra wat de uitzondering betreft omtrent de onderhandelingsprocedure zonder voorafgaande bekendmaking). De eerste paragraaf heeft betrekking op het principe op van de impliciete verklaring op erewoord van de kandidaten of inschrijvers. Dit principe laat toe dat deze laatsten, door de enkele indiening van hun aanvraag tot deelneming of offerte, verklaren dat ze zich niet bevinden in een geval van uitsluiting (betreffende de verplichte uitsluitingsgronden en deze inzake de fiscale en sociale schulden en, indien de opdrachtdocumenten dit voorzien, de facultatieve uitsluitingsgronden).
       De onderhavige bepaling is uitzonderlijk ook van toepassing voor opdrachten waarvan de geraamde waarde de drempel voor de Europese bekendmaking bereikt, maar dit alleen voor opdrachten geplaatst via een onderhandelingsprocedure zonder voorafgaande bekendmaking in de gevallen voorzien in artikel 42, § 1, 1°, b), en d), 2°, 3°, 4°, b), en c), van de wet. Het betreft dezelfde uitzonderingsgevallen waarbij voor de opdrachten waarvan de geraamde waarde de drempel voor de Europese bekendmaking bereikt, overeenkomstig artikel 38, § 1, eerste lid, geen UEA wordt voorgelegd.
       In het tweede lid van de eerste paragraaf wordt erop gewezen dat de impliciete verklaring op erewoord niet van toepassing is voor de kandidaat of inschrijver die zich bevindt in één van de uitsluitingsgronden en die corrigerende maatregelen heeft genomen die zijn betrouwbaarheid aantonen. In dat geval zal hij een beschrijving moeten voorleggen van de genomen maatregelen. De impliciete verklaring op erewoord blijft dan wel van toepassing op andere elementen die los staan van de corrigerende maatregelen.
       In het derde lid van de eerste paragraaf wordt het toepassingsgebied van de impliciete verklaring op erewoord behandeld, dat verschilt van het UEA. De impliciete verklaring heeft enkel betrekking op de informatie omtrent documenten of certificaten met betrekking tot de uitsluitingsgevallen die voor de aanbestedende overheid kosteloos toegankelijk zijn via de in artikel 73, § 4, van de wet bedoelde databanken in elke lidstaat. In concreto betekent dit voor ons land de Telemarc-databank. In de opdrachtdocumenten kan het toepassingsgebied van de impliciete verklaring op erewoord echter worden verruimd tot andere informatie met betrekking tot de uitsluitingsgevallen die niet toegankelijk zijn via databanken zoals Telemarc.
       In het voormelde derde lid wordt er voorts op gewezen dat, voor de elementen die niet vallen onder de impliciete verklaring, de ondersteunende documenten en certificaten zullen moeten voorgelegd worden door de ondernemer op het uiterste tijdstip voor de indiening van de aanvragen tot deelneming of de offertes. Zoals verduidelijkt in de tweede paragraaf geldt dit eveneens voor het voldoen aan de selectiecriteria, alsook aan de objectieve regels en criteria voor de beperking van het aantal kandidaten : het betreft elementen die niet (nooit) gedekt worden door de impliciete verklaring. Het woord "desgevallend" werd aangewend aangezien er niet altijd regels en criteria bepaald worden voor de beperking van het aantal kandidaten. In het laatste lid van de tweede paragraaf wordt verwezen naar artikel 93, tweede lid, waarin voorzien is dat de aanbestedende overheid, voor de opdrachten geplaatst door middel van een onderhandelingsprocedure zonder voorafgaande bekendmaking en waarvan de geraamde waarde lager is dan de drempel voor de Europese bekendmaking, er niet toe gehouden is specifieke selectiecriteria te bepalen.
       Tot slot wordt in het laatste lid van paragraaf 1 verduidelijkt dat niet om het UEA mag verzocht worden door de aanbestedende overheid voor de opdrachten waarvan de geraamde waarde lager is dan de drempel voor de Europese bekendmaking. Echter, indien de kandidaat of inschrijver het UEA toch voorlegt, dan overtreedt hij daarmee het onderhavige ontwerp niet. Voor de elementen die niet door Telemarc behandeld worden, is het aan te raden dat de aanbestedende overheden toepassing maken van artikel 66, § 3, eerste lid, van de wet.
       Art. 40. Dit artikel is nieuw. Het voorziet dat de deelnemers aan een combinatie van ondernemers verplicht zijn de deelnemer aan te duiden die de combinatie zal vertegenwoordigen tegenover de aanbestedende overheid. Het UEA laat toe in zijn bijlage II, deel II.B, de gegevens betreffende de persoon die gemachtigd is om de combinatie te vertegenwoordigen ten opzichte van de aanbestedende overheid te vermelden.
       Tevens dient genoteerd dat wanneer een combinatie van ondernemers gezamenlijk deelneemt aan een plaatsingsprocedure voor een opdracht, voor elk van de deelnemende ondernemers een apart UEA houdende de inlichtingen vereist in de delen II tot V van het UEA, moet worden ingediend (althans voor de opdrachten waarvan de geraamde waarde de drempel voor de Europese bekendmaking bereikt; zie de artikelen 38 en 39).
       HOOFDSTUK 7. - Regels van toepassing op de handtekeningen en op de communicatiemiddelen
       Onderhavig hoofdstuk beoogt de aanvulling van artikel 14 van de wet, alsook de omzetting van artikel 22.6 van de richtlijn 2014/24/EU. Het past eveneens te verduidelijken dat de voornoemde richtlijnbepaling uitdrukkelijk verwijst naar de richtlijn 1999/93/EG van het Europees Parlement en de Raad van 13 december 1999 betreffende een gemeenschappelijk kader voor elektronische handtekeningen. Deze laatste werd opgeheven met ingang op 1 juli 2016 en vervangen door de verordening (EU) nr. 910/2014 van het Europees Parlement en de Raad van 23 juli 2014 betreffende elektronische identificatie en vertrouwensdiensten voor elektronische transacties in de interne markt en tot intrekking van Richtlijn 1999/93/EG.
       Vervolgens is het belangrijk te herinneren aan het feit dat dit hoofdstuk in bepaalde gevallen een zekere ruimte laat aan de aanbestedende overheid om het veiligheidsniveau te bepalen waaraan de elektronische communicatiemiddelen moeten voldoen. Het is wel van belang er aan te herinneren dat de aanbestedende overheden de proportionaliteit moeten evalueren tussen enerzijds de eisen bedoeld om een juiste en betrouwbare identificatie van de afzenders van de betrokken communicatie te waarborgen en de integriteit van de inhoud ervan en anderzijds het risico dat er problemen rijzen bijvoorbeeld in de gevallen waarin de berichten werden doorgestuurd door een andere afzender dan deze die is aangeduid. Zonder te raken aan andere elementen betekent dit dat het veiligheidsniveau voor bijvoorbeeld een elektronisch bericht dat een bevestiging vraagt van het juiste adres waar een informatievergadering zal plaats hebben niet noodzakelijk hetzelfde zal zijn als wat vereist is voor het indienen van de offerte zelf. Dit laatste houdt immers een dwingende verbintenis in voor de ondernemer. Evenzo zou de evaluatie van de proportionaliteit kunnen leiden tot het vereisen van lagere veiligheidsniveaus voor de presentatie van elektronische catalogi, voor het indienen van offertes in het kader van "mini-competities" in het kader van een raamovereenkomst of voor de toegang tot de opdrachtdocumenten.
       Art. 41. Deze bepaling is nieuw. Ze verduidelijkt dat deze afdeling enkel toepasselijk is op de plaatsingsprocedures waarvoor gebruik wordt gemaakt van de elektronische platformen bedoeld in artikel 14, § 7, van de wet.
       Art. 42. Deze bepaling is nieuw. De eerste paragraaf heeft betrekking op de openbare procedure en op de vereenvoudigde onderhandelingsprocedure met voorafgaande bekendmaking. Ze verduidelijkt dat de offerte, de bijlagen ervan en het UEA niet moeten worden ondertekend. Enkel het in artikel 2, 10°, bedoelde indieningsrapport moet worden ondertekend (in het geval van de vereenvoudigde onderhandelingsprocedure met voorafgaand bekendmaking alleen nog de indieningsrapporten die betrekking hebben op de initiële en definitieve offerte; zie infra). Aldus staat het ontwerp toe dat essentiële documenten niet individueel worden ondertekend. Deze worden immers verzonden als onderdeel van een reeks documenten waarvan de authenticiteit en integriteit gewaarborgd worden door de globale ondertekening van het indieningsrapport.
       Er is ook voorzien voor de vereenvoudigde onderhandelingsprocedure met voorafgaande bekendmaking, dat niet alle indieningsrapporten moeten ondertekend zijn. Immers moeten slechts die indieningsrapporten behoorlijk ondertekend worden die betrekking hebben op de initiële en de finale offerte met uitsluiting van deze die de opeenvolgende (tussen)offertes betreffen.
       Paragraaf 2 betreft de niet-openbare procedures, de mededingingsprocedure met onderhandeling, de concurrentiegerichte dialoog en het innovatiepartnerschap. Het eerste lid zegt dat de aanvraag tot deelneming en het UEA niet afzonderlijk dienen getekend te worden. De ondernemer kan de documenten echter wel globaal ondertekenen via het indieningsrapport dat er betrekking op heeft. Het tweede lid van deze paragraaf voorziet dat de offertes en hun bijlagen globaal moeten ondertekend worden via het indieningsrapport.
       Er dient genoteerd dat de ondertekening van het indieningsrapport bedoeld in het eerste lid van paragraaf 2 een onmiskenbaar voordeel biedt voor de ondernemer. Zelfs al is deze facultatief, dan nog laat het toe dat de ondernemer het UEA slechts éénmaal moet voorleggen. Immers, indien het eerste UEA niet getekend blijkt of niet geldig getekend blijkt via het indieningsrapport dat samengaat met de aanvraag tot deelneming, moet de ondernemer zijn UEA een tweede maal indienen samen met zijn offerte en haar bijlagen. Het UEA, de offerte en haar bijlagen vormen aldus het voorwerp van een nieuw indieningsrapport dat moet ondertekend worden.
       Het laatste lid van deze paragraaf is gewijd aan de mededingingsprocedure met onderhandeling en aan het innovatiepartnerschap. Voor deze procedures is voorzien dat niet alle aan een offerte gehechte indieningsrapporten dienen ondertekend te worden. Immers moeten enkel de indieningsrapporten betreffende de initiële en de finale offerte ondertekend te zijn. Dit lid geldt onverminderd de mogelijkheid voor de ondernemer om zijn aanvraag tot deelneming te ondertekenen overeenkomstig het eerste lid van paragraaf 2.
       Paragraaf 3 voorziet een zekere soepelheid voor de onderhandelingsprocedure zonder voorafgaande bekendmaking. Deze bepaling laat inderdaad een zeer grote vrijheid aan de aanbestedende overheid. Aldus kan deze laatste volledig vrij beslissen : op welke documenten zij een handtekening wenst te zien, welk type van handtekening gewenst is en zelfs of het nodig is te ondertekenen.
       Art. 43. Het eerste lid van paragraaf 1 heeft betrekking op de manier waarop de offertes moeten worden ondertekend. In principe gebeurt dit door middel van een gekwalificeerde elektronische handtekening. De aanbestedende overheid mag in de opdrachtdocumenten evenwel afwijken van dat principe en een andere wijze van ondertekening opleggen. Het is evenwel belangrijk aan te dringen op het feit dat een gekwalificeerde elektronische handtekening een grotere waarborg biedt in termen van veiligheid dan de overige handtekeningen.
       Paragraaf 2 behandelt de wijzigingen na ondertekening van het indieningsrapport en de intrekking van een offerte. In dat geval moet een nieuw indieningsrapport worden ondertekend overeen-komstig paragraaf 1. De aanbestedende overheid kan aldus afwijkende regels voorzien wat betreft de categorie van handtekening maar niet wat betreft het de ondertekeningsvereiste.
       Paragraaf 2, laatste lid verduidelijkt dat als het indieningsrapport niet voorzien is van de vereiste handtekening, de nietigheid slechts van toepassing is op de wijziging of op de intrekking en niet op de offerte zelf.
       Voor zover nuttig wordt herhaald dat het mogelijk is om meerdere wijzigingen in te dienen op elektronische wijze en op te nemen in één enkel indieningsrapport dat door een elektronisch platform wordt aangemaakt en nadien wordt ondertekend.
       Tenslotte herinnert de laatste paragraaf er aan dat de biedingen bij elektronische veilingen niet hoeven ondertekend te worden. Dit zou inderdaad te omslachtig zijn.
       Art. 44. Paragraaf 1 herneemt artikel 51, § 2, van het koninklijk besluit van 15 juli 2011. De tekst werd echter herwerkt op het vlak van de hoofdelijke aansprakelijkheid in het geval van een combinatie van ondernemers teneinde beter rekening te houden met het arrest nr. 225.191 van de Raad van State, volgens hetwelk een architect niet aansprakelijk kan geacht worden voor de fouten gemaakt door een aannemer met wie hij samen inschreef. Deze situatie zou immers tegenstrijdig zijn met de onafhankelijkheid van de architect voorzien in de wet van 20 februari 1939 op de bescherming van den titel en van het beroep van architect, die bepaalt dat de uitoefening van het beroep van architect niet verenigbaar is met dit van aannemer van openbare of private werken. Het past te onderstrepen dat de uitzondering voorzien voor het beroep van architect slechts van toepassing is in geval van een combinatie van één of meerdere architecten en één of meerdere ondernemers. Deze uitzondering is bijgevolg niet van toepassing op een combinatie van architecten.
       De eerste paragraaf betreft :
       - De handtekening van een inschrijver - fysieke persoon;
       - De handtekening van een fysieke of rechtspersoon die bevoegd is om de inschrijver te verbinden, krachtens de regels van het vennootschapsrecht of andere wets- of reglementaire bepalingen en de statutaire bepalingen;
       - de handtekening van een mandataris, fysieke of rechtspersoon, bevoegd om de inschrijver - fysieke of rechtspersoon - te verbinden.
       Voor zover nuttig wordt verduidelijkt dat het begrip van dagelijks beheer het voorwerp uitmaakt van verschillende interpretaties vanwege het Hof van Cassatie (zie o.m. Cass 26 feb 2009) en vanwege de Raad van State (zie o.m. RvS nr 230.716 van 1 april 2015 en RvS nr 232.024 van 6 aug 2015). Het hoort bijgevolg de aanbestedende overheid toe in deze waakzaam te zijn en de statutaire bepalingen per afzonderlijk geval te analyseren.
       Paragraaf 2 herneemt met enige wijziging het artikel 82, §§ 3 en 4, van het koninklijk besluit van 15 juli 2011 over, ten einde rekening te houden met de veralgemening van het gebruik van de elektronische platformen. Deze bepaling is niet enkel meer van toepassing op de aanbestedingen en offerteaanvragen, maar werd uitgebreid naar alle procedures.
       Voor zover nuttig wordt nog verduidelijkt dat de aanbestedende overheid het mandaat van de ondertekenaar van het indieningsrapport kan nazien.
       Art. 45. Dit artikel herneemt de artikelen 6, § 2, van het koninklijk besluit van 15 juli 2011 over. Het bepaalt het lot dat wordt voorbehouden aan een document dat elektronisch is aangemaakt en waarin een macro, computervirus of andere schadelijke instructie wordt vastgesteld in de ontvangen versie.
       Het is mogelijk dat de ontvangen versie in het veiligheidsarchief bewaard wordt. Voor zover dit technisch noodzakelijk is kan het document als niet ontvangen worden beschouwd. De afzender van dit stuk wordt er onverwijld van op de hoogte gesteld. De bestemmeling kan eveneens beslissen het bewuste document te aanvaarden indien hij denkt dat hij dit zonder risico niet alleen voor zijn eigen informaticasystemen maar ook voor de integriteit van het document kan desinfecteren of lezen. De bestemmeling die een dergelijke operatie overweegt moet er zeker van zijn dat deze laatste de inhoud van het document niet zal wijzigen. De bevoegde overheid is verantwoordelijk voor de eindbeslissing en moet er over waken dat het gelijkheidsprincipe wordt geëerbiedigd.
       Indien het document echter een aanvraag tot deelneming is of een offerte, is de benadering anders. Voor zover dit technisch noodzakelijk is kan de aanvraag tot deelneming of offerte geweerd worden. De selectie- of gunningsbeslissing zal deze wering motiveren. Indien de macro of infectie wordt vastgesteld, mag de aanbestedende overheid er de kandidaat of inschrijver niet onmiddellijk over inlichten. Aan de betrokken kandidaten of inschrijvers kan immers geen mogelijkheid geboden worden om een document neer te leggen dat overeenstemt met de vereisten en aldus hun aanvraag tot deelneming of offerte te regulariseren.
       Art. 46. Dit artikel neemt artikel 22.5 van richtlijn 2014/24/EU over. Overeenkomstig artikel 14, § 5, van de wet kan de aanbestedende overheid, indien nodig, het gebruik van instrumenten opleggen die niet algemeen beschikbaar zijn op voorwaarde dat zij passende alternatieve toegangsmiddelen aanbiedt.
       Volgens dit artikel wordt de aanbestedende overheid geacht passende alternatieve middelen te hebben aangereikt :
       - wanneer zij gratis via elektronische middelen volledige toegang biedt tot deze instrumenten vanaf de datum van de bekendmaking van de aankondiging;
       - wanneer zij ervoor zorgt dat de inschrijvers die geen toegang hebben tot deze instrumenten, of niet in staat zijn ze binnen de vereiste termijnen te verkrijgen, toegang hebben tot de plaatsingsprocedure van de opdracht via het gebruik van gratis online ter beschikking gestelde tijdelijke tokens of
       - wanneer zij de beschikbaarheid van een andere elektronische indieningswijze voor de offertes ondersteunt.
       Art. 47. Dit artikel neemt artikel 52, § 2, vierde lid, van het koninklijk besluit van 15 juli 2011 over. Deze bepaling blijft nodig omdat de registratie van de activiteiten van het ontvangstsysteem van de aanvragen tot deelneming of van de offertes onontbeerlijk is. Dit artikel laat onder meer toe de voorschriften van de wet van 8 december 1992 tot bescherming van de persoonlijke levenssfeer na te leven.
       HOOFDSTUK 8. - De opties
       Art. 48. Paragraaf 1 herneemt artikel 10, § 2, eerste lid, van het koninklijk besluit van 15 juli 2011. De opties moeten duidelijk onderscheiden zijn van de basisofferte, reden waarom deze moeten opgenomen worden in een afzonderlijk deel van de offerte.
       Krachtens paragraaf 2 brengt de niet-eerbiediging van de minimale eisen van een vereiste optie de onregelmatigheid van deze optie alsook van de basisofferte mee. De niet-eerbiediging van de minimale eisen van een toegestane optie brengt niet de onregelmatigheid van de offerte mee, maar enkel van de optie zelf.
       Paragraaf 3 herneemt, mits enige wijziging, de inhoud van artikel 10, § 2, tweede lid van het koninklijk besluit van 15 juli 2011. Wanneer de economisch meest voordelige offerte enkel geëvalueerd wordt op basis van de prijs of de kosten, mogen de inschrijvers aan de indiening van een vrije of toegelaten optie geen meerprijs of andere tegenprestatie verbinden. Een aanbestedende overheid mag bijgevolg normaliter een voordeel halen uit de in aanmerkingneming van vrije opties in een dergelijk geval, gezien er geen prijssupplement aan deze optie mag verbonden worden.
       HOOFDSTUK 9. - Percelen
       Art. 49. Onderhavig artikel neemt de artikelen 58, § 4, en 89, tweede lid, van het koninklijk besluit van 15 juli 2011 over.
       Art. 50. Dit artikel herneemt het eerste lid van artikel 89 van het koninklijk besluit van 15 juli 2011. Daar waar het eerder beperkt was tot de aanbestedingen en offerteaanvragen wordt het voortaan uitgebreid naar alle procedures. Deze bepaling voorziet dat een inschrijver, voor zover de opdrachtdocumenten dit niet verbieden, in zijn offerte prijskortingen of verbeteringen kan aanbieden in het geval dat meerdere percelen aan hem zouden worden gegund.
       Het past niettemin deze bepaling te nuanceren. Een inschrijver kan geen verbeteringsvoorstel indienen wanneer de opdracht gegund wordt op basis van de prijs als enig gunningscriterium. In een dergelijke procedure telt immers enkel het prijscriterium en een verbetering van de offerte zou bijgevolg enkel mogelijk zijn via een prijskorting.
       Het is aanbevolen, bij toepassing van artikel 12, om in de opdrachtdocumenten het indienen van prijskortingen of verbeteringsvoorstellen te verbieden.
       HOOFDSTUK 10. - Belangenconflicten - Draaideurconstructie
       Art. 51. Dit artikel voert een nieuw mechanisme in, namelijk de zogenaamde "draaideurconstructie". Het heeft betrekking op een situatie waarin een fysiek persoon die in een recent verleden als intern medewerker, al dan niet in hiërarchisch verband, bij een aanbestedende overheid heeft gewerkt, als ambtenaar of als mandataris, en die naderhand, hetzij als personeelslid van een onderneming, hetzij als zelfstandige of via een E-BVBA, optreedt in het kader van een overheidsopdracht geplaatst door de aanbestedende overheid voor wie hij in het verleden heeft gewerkt.
       Het "tussenkomen in het kader van een overheidsopdracht" verwijst zowel naar verrichtingen met betrekking tot de plaatsingsprocedure (opstellen en indienen van een aanvraag tot deelneming of van een offerte, deelname aan onderhandelingen, ...) als naar verrichtingen in het kader van de uitvoering van het geheel of een deel van de opdracht.
       Opgemerkt wordt dat slechts van dit mechanisme sprake kan zijn indien er een verband bestaat tussen de vroegere activiteiten van de betrokken persoon bij de aanbestedende overheid en zijn verrichtingen in het kader van de opdracht.
       Verder is het verbod voor een inschrijver om beroep te doen op een persoon die zich in een dergelijke situatie bevindt beperkt in de tijd. Het tweede lid bepaalt immers dat het verbod beperkt is tot een periode van twee jaar te rekenen vanaf het ontslag van de betrokken personen of van eender welke andere vorm van beëindiging van de vroegere activiteiten (bijvoorbeeld oppensioenstelling). Na deze termijn kan algemeen beschouwd worden dat de band tussen de betrokken persoon en zijn vroegere werkgever in zodanige mate minder hecht is geworden dat de informatie waarover hij beschikt geen reële belangenconflicten meer zou kunnen scheppen.
       Er wordt herinnerd aan het feit dat het draaideurconstructie een vorm van belangenconflict is in de zin van artikel 6 van de wet en aldus een facultatieve uitsluitingsgrond is in de zin van artikel 69, 5°, van de wet. Wanneer aan het belangenconflict niet kan verholpen worden met andere minder ingrijpende maatregelen (bijvoorbeeld : vervanging van het personeelslid dat zich in de situatie van belangenconflict bevindt), is de voormelde uitsluitingsgrond van toepassing.
       De onderhavige bepaling blijft van toepassing wanneer gebruik wordt gemaakt van aankoopcentrales. Het spreekt voor zich dat er ook een belangenconflict voorligt wanneer een interne medewerker de aanbestedende overheid "verlaat" door middel van een verlof zonder wedde en tijdens dit verlof tussenkomt in het kader van de plaatsing van een opdracht van deze aanbestedende overheid. In een dergelijk geval bevindt de medewerker zich in een belangenconflict als bedoeld in artikel 6 van de wet.
       Tot slot wordt nog verwezen naar de hypothese waarbij een oud-medewerker van een inschrijver komt werken bij een aanbestedende overheid en aldaar tussenkomt bij de plaatsing van een overheidsopdracht. Dit geval wordt niet geviseerd in de onderhavige bepaling. Blijft niettemin dat het voor elke ambtenaar verboden is tussen te komen in de plaatsing van een overheidsopdracht zodra deze zich bevindt in een situatie van belangenconflict (art. 6, § 2, van de wet). Dit vergt een analyse per afzonderlijk geval. Bovendien mag de aanbestedende overheid geen overheidsopdrachten opvatten met de bedoeling de mededinging op kunstmatige wijze te beperken (art. 5 van de wet). Deze laatste moet tevens de nodige maatregelen nemen die toelaten belangenconflicten doeltreffend te voorkomen, te onderkennen en op te lossen (art. 6, § 1, van de wet).
       HOOFDSTUK 11. - Indiening van de aanvragen tot deelneming en offertes
       Afdeling 1. - Uitnodiging van de geselecteerde kandidaten
       tot indiening van een offerte
       Art. 52. Dit artikel vervangt artikel 50 van het koninklijk besluit van 15 juli 2011. Het verduidelijkt welke inlichtingen de uitnodiging tot het indienen van een offerte moet bevatten en welke documenten erbij moeten worden gevoegd. Deze bepaling is zowel van toepassing op de opdrachten onderworpen aan de Belgische bekendmaking als op de opdrachten onderworpen aan de Europese bekendmaking.
       Afdeling 2. - Indieningsmodaliteiten voor de aanvragen tot deelneming en offertes
       Art. 53. Dit artikel neemt de artikelen 53 en 59, van het koninklijk besluit van 15 juli 2011, mits een wijziging, over.
       Paragraaf 1, eerste lid bepaalt dat de aanbestedende overheid in de aankondiging van opdracht of, bij ontstentenis daarvan, in de andere opdrachtdocumenten een of meer talen moet vermelden die de kandidaten of inschrijvers mogen gebruiken voor het opstellen van hun aanvraag tot deelneming of hun offerte, met inbegrip van de eventuele bijlagen, en dit onverminderd de toepassing van de gecoördineerde wetten op het gebruik van de talen in bestuurszaken.
       Het tweede lid preciseert dat de aanbestedende overheid een vertaling kan vragen van de bijlagen wanneer deze opgesteld zijn in een andere taal dan deze gebruikt in de aankondiging van de opdracht of bij gebrek daaraan, in de opdrachtdocumenten.
       Het derde lid laat de aanbestedende overheid toe de kandidaten of inschrijvers een vertaling te vragen van de documenten die bij hun aanvraag tot deelneming of offerte zijn gevoegd. Zo kan zij een vertaling vragen van de documenten betreffende de uitsluitingsgronden, de selectiecriteria, het beperken van het aantal kandidaten, de statuten en handelingen van de vennootschap en elke wijziging van de inlichtingen betreffende diens raadsleden en beheerders. Van dit principe wordt evenwel afgeweken wanneer de documenten in één van de Belgische landstalen zijn opgesteld.
       Paragraaf 2 heeft betrekking op de opdrachtdocumenten die in verschillende talen zijn opgesteld. De interpretatie van de stukken gebeurt bijgevolg in de taal van de aanvraag tot deelneming of van de offerte, mits de opdrachtdocumenten in die taal zijn opgesteld.
       Art. 54. Dit artikel neemt in een gewijzigde vorm artikel 54 van het koninklijk besluit van 15 juli 2011 over. Het bepaalt dat een kandidaat slechts één aanvraag tot deelneming per opdracht mag indienen. De inschrijver mag ook slechts één offerte per opdracht indienen. Dit principe verhindert evenwel niet dat een inschrijver, in voorkomend geval, nog steeds een initiële offerte, meerdere opeenvolgende offertes na de onderhandelingen en een definitieve offerte kan indienen.
       Bovendien belet deze bepaling niet dat de deelnemers aan een concurrentiegerichte dialoog meerdere oplossingen mogen voorstellen tijdens de dialoog, die desgevallend elk het voorwerp zullen uitmaken van een definitieve offerte.
       Verder blijft het mogelijk om een of meer varianten of een offerte voor één of meer percelen in te dienen voor eenzelfde opdracht. Indien vrije varianten toegestaan zijn, kunnen verschillende varianten betrekking hebben op een of meer posten, behoudens andersluidende bepaling in de opdrachtdocumenten.
       In tegenstelling tot artikel 54 van het koninklijk besluit van 15 juli 2011 wordt voortaan niet meer bepaald dat de opdrachtdocumenten het aantal percelen kunnen beperken waarvoor een inschrijver een offerte mag indienen, aangezien deze preciseringen te vinden zijn in artikel 58 van de wet. Ook de precisering dat de inschrijver een offerte kan indienen voor één, voor meerdere of voor alle percelen werd ondergebracht in de wet.
       Er wordt tevens verduidelijkt dat elke deelnemer aan een combinatie van ondernemers als een inschrijver wordt beschouwd. Dit belet echter niet dat een ondernemer die afzonderlijk een aanvraag tot deelneming indient ook kan deelnemen aan een combinatie van ondernemers die eveneens een aanvraag tot deelneming indient. Tenslotte wordt nog verduidelijkt dat naast de offerte van een combinatie van ondernemers, geen offerte kan ingediend worden door één of meerdere deelnemers aan deze combinatie.
       De derde paragraaf bepaalt, in lijn met wat voorzien is in artikel 106 van het koninklijk besluit van 15 juli 2011, dat behoudens andersluidend beding in de opdrachtdocumenten, de hier besproken bepaling niet van toepassing is in de onderhandelingsprocedure zonder voorafgaande bekendmaking.
       Art. 55. Dit artikel neemt artikel 55 van het koninklijk besluit van 15 juli 2011 over. Het eerste lid herinnert aan de regel volgens dewelke, bij procedures die twee fasen omvatten, enkel de geselecteerden een offerte mogen indienen. Deze bepaling is voortaan niet alleen van toepassing op de niet-openbare procedure, de onderhandelingsprocedure met voorafgaande bekendmaking en de concurrentiegerichte dialoog, maar ook op het innovatiepartnerschap.
       Het tweede lid blijft ongewijzigd. Zo dient een aanbestedende overheid die aan een combinatie van ondernemers die een geselecteerde en één of meer niet-geselecteerden omvat toestemming wenst te geven om een offerte in te dienen, dit in de opdrachtdocumenten te vermelden. Bij ontstentenis van zulke vermelding is de indiening van een dergelijke offerte niet toegestaan en zal deze dan ook substantieel onregelmatig zijn.
       Wat de zinsnede "en één of meer niet-geselecteerde personen" betreft in het tweede lid, dient te worden verduidelijkt dat hiermee niet alleen wordt gedoeld op die ondernemers die deelnemen aan de procedure maar niet geselecteerd werden, maar ook op ondernemers die nog niet deelnamen aan de procedure.
       Het derde lid blijft ongewijzigd. Deze bepaling maakt het mogelijk om in de opdrachtdocumenten het gezamenlijk indienen van één enkele offerte door meerdere geselecteerden te beperken of te verbieden.
       Art. 56. Dit artikel neemt artikel 56 van het koninklijk besluit van 15 juli 2011 ongewijzigd over en regelt het geval waarbij een inschrijver-natuurlijke persoon zich omvormt in een rechtspersoon tussen het tijdstip van indiening van de offerte en dat van sluiting van de opdracht.
       Afdeling 3. - Indiening en verdaging
       Art. 57. Dit artikel neemt artikel 90, § 3, van het koninklijk besluit van 15 juli 2011 enigszins gewijzigd over. Het vereist dat tenminste één kandidaat of inschrijver de aanbestedende overheid op de hoogte heeft gesteld van de onbeschikbaarheid van het elektronisch platform, is niet langer opgenomen. Het volstaat dat deze laatste kennis heeft gekregen, op welke wijze ook, van de opgetreden onbeschikbaarheid. Bovendien valt het voor dat de aanbestedende overheid slechts kennis krijgt van de onbeschikbaarheid, die kort voor het uiterste tijdstip is tussengekomen, na verloop van dit uiterste moment. Om die reden wordt er niet meer naar verwezen in deze bepaling. Er is daarenboven verduidelijkt met welke minimumtermijn verdaagd moet worden.
       De tweede paragraaf heeft betrekking het aanvaarden van "laattijdige" offertes voor opdrachten waarbij geen gebruik wordt gemaakt van de elektronische platformen, voor zover de aanbestedende overheid de opdracht nog niet heeft gesloten en de offerte ten laatste vier kalenderdagen vóór de opening van de offertes als aangetekende zending is verzonden. Het betreft een overname van artikel 90, § 2, lid 3, van het koninklijk besluit van 15 juli 2011. In tegenstelling tot de voormelde bepaling gaat het hier voortaan over een aangetekende zending en niet meer over een aangetekende brief.
       Afdeling 4. - Verbintenistermijn
       Art. 58. Dit artikel neemt artikel 57 van het koninklijk besluit van 15 juli 2011 over. Het werd gewijzigd teneinde rekening te houden met de beslissing om de termen aanbesteding en offerteaanvraag niet meer te gebruiken.
       Voor zover nuttig wordt nog verduidelijkt dat de woorden "in geval ze niet op dat verzoek ingaan" die inschrijvers beoogt die hun offerte niet wilden verlengen of deze niet wilden verlengen aan dezelfde voorwaarden.
       HOOFDSTUK 12. - Selectie van de kandidaten en van de inschrijvers
       Afdeling 1. - Algemene bepalingen
       Art. 59. Dit artikel neemt in een gewijzigde vorm artikel 59 van het koninklijk besluit van 15 juli 2011 over. Het handelt over de inlichtingen die door de aanbestedende overheid kunnen geëist worden.
       Volgens 1° kan de aanbestedende overheid inlichtingen inwinnen over de situatie van elke kandidaat of inschrijver met betrekking tot dienst draagkracht, afwezigheid van uitsluitingsgronden en toepassing van eventuele criteria voor de beperking van het aantal kandidaten. De aanbestedende overheid kan door om het even welk nuttig geacht middel inlichtingen inwinnen, met name door zich te richten tot de bevoegde Belgische of buitenlandse overheden.
       Punt 2° laat de aanbestedende overheid toe inlichtingen te bekomen heeft met betrekking tot de wijziging van de inlichtingen betreffende de bestuurders of zaakvoerders van de ondernemer en laat haar eveneens toe, de voorlegging van de statuten of vennootschapsakten van diezelfde ondernemer op te vragen. Deze mogelijkheid geldt alleen als het documenten en inlichtingen betreft die niet met toepassing van de wet van 16 januari 2003 tot oprichting van de Kruispuntbank van ondernemingen, tot modernisering van het handelsregister, tot oprichting van erkende ondernemingsloketten en houdende diverse bepalingen, kunnen worden verkregen.
       Art. 60. Deze bepaling neemt artikel 58, § 5, van het besluit van 15 juli 2011met een wijziging over. Hij handelt over de mogelijkheid om de selectie te herzien.
       Na de selectie worden de kandidaten-geselecteerde verondersteld zich niet te bevinden in een situatie van uitsluiting en in staat te zijn de opdracht uit te voeren. Dit vermoeden zal echter kunnen omgegooid worden indien de aanbestedende overheid na de selectie, maar voor de gunning van de opdracht vaststelt dat één van de geselecteerde kandidaten of één van de inschrijvers zich in een situatie van uitsluiting bevindt.
       Het risico bestaat eveneens dat de bekwaamheid van een geselecteerde kandidaat aangetast wordt, onder meer in de gevallen waarin een plaatsingsprocedure lang aansleept. Dit is bijvoorbeeld het geval in een niet-openbare procedure wanneer zich tussen de neerlegging van de aanvragen tot deelneming en de verzending naar de geselecteerde kandidaten van de uitnodiging tot het indienen van een offerte een lange periode voordoet. Hetzelfde kan gebeuren bij de voorlegging van de opdracht aan de controle-autoriteiten. Dit kan zich ook voordoen bij offertes die betrekking hebben op technisch ingewikkelde opdrachten.
       Het is dan ook mogelijk dat een geselecteerde kandidaat in een beperkte procedure of in een mededingingsprocedure met onderhandeling, of een inschrijver op basis van de verkregen inlichtingen en documenten voor selectie in aanmerking komt in een openbare procedure of vereenvoudigde onderhandelingsprocedure met voorafgaande bekendmaking, bijvoorbeeld zijn financiële en economische draagkracht ongunstig ziet evolueren.
       In functie van de nieuwe sluitende of nieuw gekende inlichtingen, kan de aanbestedende overheid zijn evaluatie slaande op de selectie van de ondernemer herzien. De regel is immers dat een opdracht normaal slechts gegund wordt aan een onderneming wiens bekwaamheid bewezen is.
       Deze herziening kan echter niet leiden tot de regularisatie van een kandidaat of inschrijver die niet voldoet aan de selectievoorwaarden wat betreft de referentieperiode die voor de selectie in aanmerking dient genomen te worden. Dit betekent ook dat een niet-geselecteerde kandidaat of inschrijver niet meer kan terug opgevist worden in een later stadium om de plaats in te nemen van een geweerde geselecteerde kandidaat. Men mag echter evenmin de corrigerende maatregelen bedoeld in artikel 70 van de wet uit het oog verliezen. Deze laten een kandidaat of inschrijver die zich in een uitsluitingssituatie bevindt immers toe de bewijzen te leveren van het feit dat de maatregelen die hij genomen heeft voldoende zijn betrouwbaarheid aantonen, ondanks de aanwezigheid van een uitsluitingsgrond.
       Afdeling 2. - Uitsluitingsgronden
       Art. 61. Dit artikel behandelt de verplichte uitsluitingsgronden. Het geeft uitvoering aan artikel 67 van de wet en stemt overeen met artikel 61 van het koninklijk besluit van 15 juli 2011, weze het dat een aantal verplichte uitsluitingsgronden werden toegevoegd, meer bepaald :
       1° kinderarbeid en andere vormen van mensenhandel;
       2° terroristische misdrijven of strafbare feiten in verband met terroristische activiteiten.
       Voor zover nuttig wordt er aan herinnerd dat de uitsluitingsgrond omtrent de tewerkstelling van illegaal verblijvende onderdanen van derde landen van toepassing blijft.
       In dit kader moet artikel 67, § 1, vijfde lid, van de wet in herinnering gebracht worden. Voor de opdrachten waarvan de geraamde waarde gelijk is aan of hoger is dan de drempel voor de Europese bekendmaking is in uitvoering van de richtlijn in een verplichting tot uitsluiting voorzien indien een verplichte uitsluitingsgrond aanwezig is in hoofde van leden van een bestuur-, leidinggevend of toezichthoudend orgaan van de kandidaat of inschrijver. Dit impliceert in de praktijk dat men een uittreksel uit het strafregister zal moeten vragen voor alle leden van de bedoelde organen. Voor de opdrachten beneden de voormelde drempels gaat het om een mogelijkheid en niet om een verplichting.
       Art. 62. Deze bepaling geeft uitvoering aan artikel 68 van de wet en stemt overeen met het artikel 62 van het koninklijk besluit van 15 juli 2011. Ze verduidelijkt de toepasselijke regels inzake naleving van de verplichtingen tot betaling van de sociale zekerheidsbijdragen.
       Paragraaf 1 verduidelijkt dat de kandidaat of de inschrijver moet voldoen aan zijn bijdrageverplichtingen op het vlak van de sociale zekerheid ten einde niet uitgesloten te worden van de deelneming aan een plaatsingsprocedure. Hij mag geen bijdrageschuld hebben die hoger is dan 3.000 euro, tenzij hij voor die schuld uitstel van betaling heeft verkregen en de afbetalingen daarvan strikt in acht neemt. Deze tolerantie van 3.000 euro, die reeds vervat was in het koninklijk besluit van 15 juli 2011, voor de kandidaat of inschrijver die personeel tewerkstelt dat onderworpen is aan de Belgische sociale zekerheidswetgeving, wordt voortaan uitgebreid tot de kandidaat of inschrijver die personeel tewerkstelt dat onderworpen is aan de wetgeving die in een andere lidstaat van toepassing is.
       De tweede paragraaf verduidelijkt dat de aanbestedende overheid beschikt over een termijn van twintig dagen na het uiterste tijdstip voor de indiening van de aanvragen tot deelneming of van de offertes om na te gaan of de kandidaat of inschrijver voldoet aan zijn verplichtingen tot betaling van de sociale zekerheidsbijdragen met gebruik van de toepassing Telemarc of een andere gelijkwaardige elektronische toepassing die gratis toegankelijk is een andere lidstaat. De aandacht wordt gevestigd op het feit dat de termijn van twintig dagen waarvan sprake in deze paragraaf slechts geldt voor het nazicht via de toepassingen (Telemarc of gelijkwaardig) en niet van toepassing is op de attesten die geleverd worden door de Belgische of buitenlandse bevoegde overheden.
       Volgens het eerste lid van paragraaf 3, moet de aanbestedende overheid, wanneer het niet mogelijk is om zich een duidelijk beeld te vormen van de situatie van de kandidaat of inschrijver na verificatie via Telemarc of via een gelijkaardige gratis toegankelijke elektronische toepassing in een andere lidstaat, aan deze laatste vragen haar een recent attest te bezorgen waaruit blijkt dat hij wel voldaan heeft aan zijn verplichtingen.
       Het tweede lid betreft uitsluitend de kandidaat of inschrijver die personeel tewerkstelt dat onderworpen is aan de Belgische wetgeving. Om aan te tonen dat hij zijn sociale zekerheidsbijdragen heeft betaald, verstrekt deze laatste, op verzoek van de aanbestedende overheid, een attest van de Rijksdienst voor Sociale Zekerheid. Dit attest moet recent zijn en betrekking hebben op het laatste afgelopen kalenderkwartaal voor de uiterste datum voor de ontvangst van de aanvragen tot deelneming of de offertes. Het past er op te wijzen dat de periode die gedekt is door het attest niet identiek is met deze in het koninklijk besluit van 15 juli 2011. Dit laatste voorzag immers een attest dat betrekking had op het voorlaatste afgelopen burgerlijk kwartaal. Deze wijziging heeft enkel als doel om zich in de overeenstemming te brengen met de huidige praktijk.
       Het derde lid betreft uitsluitend de kandidaat of inschrijver die personeel tewerkstelt dat onderworpen is aan de wetgeving van een andere lidstaat van de Europese Unie. In dat geval wordt de naleving van verplichtingen inzake betaling van sociale zekerheidsbijdragen beoordeeld op grond van de wettelijke bepalingen van het land van vestiging. Om aan te tonen dat hij aan de voormelde verplichtingen voldoet, vraagt de aanbestedende overheid aan de kandidaat of inschrijver om een attest voor te leggen dat door de buitenlandse bevoegde overheid wordt afgeleverd. Dit attest moet recent zijn en betrekking hebben op een gelijkaardige periode als deze voor de kandidaten of inschrijvers die personeel tewerk stellen dat onderworpen is aan de Belgische wetgeving.
       Het vierde lid stemt overeen met paragraaf 3 van artikel 62 van het koninklijk besluit van 15 juli 2011.
       In het vijfde lid wordt aangegeven dat de kandidaat of inschrijver desgevallend het bewijs kan leveren van zijn regularisatie overeenkomstig artikel 68, § 1, derde lid, van de wet. Hij kan zich eveneens, voor het geval hij een bijdrageschuld heeft die hoger ligt dan 3.000 euro, beroepen op schuldvorderingen die hij heeft ten opzichte van een aanbestedende overheid of een overheidsbedrijf; deze schuldvorderingen moeten zeker zijn, opeisbaar en vrij van elke verbintenis ten opzichte van derden. Het past ook er nog op te wijzen dat de belanghebbende zich niet kan beperken tot het voorleggen van een factuur indien hij op dit mechanisme beroep wil doen. Hij moet in staat zijn een document voor te leggen dat uitgaat van een aanbestedende overheid.
       Paragraaf 4 betreft enkel de kandidaat of inschrijver die personeel tewerkstelt dat onderworpen is aan de Belgische wetgeving. Hij verduidelijkt dat, in het geval er twijfel blijft bestaan na de ontvangst van de attesten, de aanbestedende overheid de verplichting heeft om de eerbiediging van de verplichtingen inzake betaling van de sociale zekerheidsbijdragen na te gaan door ondervraging van de Rijksdienst voor Sociale zekerheid.
       Paragraaf 5 bevat een bepaling die toepasselijk is op de kandidaten en inschrijvers die onderworpen zijn aan het sociale zekerheidsstelsel van de zelfstandigen. Deze paragraaf stemt overeen met paragraaf 5 van artikel 62 van het koninklijk besluit van 15 juli 2011. Het nazicht van hun toestand inzake betaling van de sociale bijdragen kan, voor de zelfstandigen die onderworpen zijn aan het in België toepasselijke stelsel, worden gedaan aan de hand van een fiscaal attest dat wordt voorgelegd door de kandidaten of inschrijvers. Dit attest wordt hen jaarlijks overgemaakt door het Rijksinstituut voor de Sociale Verzekeringen der Zelfstandigen (RSVZ).
       Een werkgever die het statuut van zelfstandige heeft en werknemers tewerkstelt, op aanvraag een attest kan voorleggen betreffende de sociale zekerheid van de zelfstandigen, voor zichzelf, als een ander attest vanwege de sociale zekerheid van de werknemers, wat betreft deze laatste.
       Art. 63. Deze bepaling, die overeenstemt met artikel 63 van het koninklijk besluit van 15 juli 2011, slaat op de eerbiediging van de fiscale verplichtingen door de kandidaten of inschrijvers. Dit artikel geeft bovendien uitvoering aan artikel 67 van de wet.
       De eerste paragraaf verduidelijkt dat de kandidaat of inschrijver moet voldoen aan zijn verplichtingen inzake betaling van fiscale schulden, ten einde niet uitgesloten te worden van de deelneming aan een plaatsingsprocedure. Hij mag bijgevolg geen fiscale schuld mag hebben die hoger ligt dan 3.000 euro, tenzij hij voor die schuld uitstel van betaling heeft verkregen en de afbetalingen daarvan strikt in acht neemt. Er wordt op gewezen dat deze tolerantie van 3.000 euro, die reeds bestond in het koninklijk besluit van 15 juli 2011, voor de Belgische kandidaat of inschrijver vandaag wordt uitgebreid naar de buitenlandse kandidaat of inschrijver.
       Het is bovendien belangrijk er aan te herinneren dat de hier bedoelde Belgische fiscale schulden de belastingen omvatten die in het attest betreffende de fiscale schulden zijn begrepen. Dit attest kan via Telemarc geraadpleegd worden. Thans omvat dit attest enkel de heffingen en belastingen die door de Federale Overheidsdienst Financiën functioneel gedefinieerd zijn onder de naam "fiscale balans".
       De tweede paragraaf voorziet dat het nazicht van de situatie van de kandidaten of inschrijvers gebeurt binnen de twintig dagen die volgen op het uiterste tijdstip voor de indiening van de aanvragen tot deelneming of de offertes. Het gaat bijgevolg om een belangrijke wijziging van de termijn. Het koninklijk besluit van 15 juli 2011 voorzag slechts een termijn van 48 uur na de opening van de offertes, indien deze laatste plaats had of na de uiterste tijdstip voor de indiening van de aanvragen tot deelneming of de offertes. Deze termijn van 48 uur bleek in de praktijk vaak veel te kort en dit was een bron van moeilijkheden voor de aanbestedende overheid.
       Dit nazicht gebeurt, voor de Belgische kandidaten en inschrijvers, op basis van de attesten die gratis beschikbaar zijn voor de aanbestedende overheid via de Telemarc-toepassing. Voor de buitenlandse kandidaten en inschrijvers gebeurt dit nazicht door middel van andere gelijkaardige elekronische toepassingen die gratis toegankelijk zijn in een andere lidstaat. Analoog met wat voorzien is voor de sociale schulden is de periode van twintig dagen waarvan sprake in deze paragraaf slechts geldig voor het nazicht via de databanken (Telemarc of andere) et niet voor de attesten die geleverd worden door de Belgische of buitenlandse bevoegde overheden.
       Volgens paragraaf 3, wanneer de verificatie via Telemarc of via een andere gelijkwaardige elektronische toepassing in een andere lidstaat niet toelaat een voldoende beeld te krijgen van de fiscale toestand van de kandidaat of inschrijver, moet de aanbestedende overheid aan de kandidaat of inschrijver vragen dat hij haar een recent attest levert waaruit blijkt dat hij voldaan heeft aan zijn Belgische of buitenlandse fiscale verplichtingen, al naargelang het geval.
       Er wordt eveneens verduidelijkt dat de kandidaat of inschrijver desgevallend het bewijs kan leveren van zijn regularisatie overeenkomstig artikel 68, § 1, derde lid, van de wet. In geval van een fiscale schuld van meer dan 3.000 euro kan hij zich eveneens beroepen op schuldvorderingen die hij heeft ten opzichte van een aanbestedende overheid of een overheidsbedrijf; deze schuldvorderingen moeten zeker zijn, opeisbaar en vrij van elke verbintenis ten opzichte van derden. Het past ook er nog op te wijzen dat de belanghebbende zich niet kan beperken tot het voorleggen van een factuur indien hij op dit mechanisme beroep wil doen. Hij moet in staat zijn een document voor te leggen dat uitgaat van een aanbestedende overheid of van een overheidsbedrijf.
       De vierde paragraaf omvat een bepaling die de aanbestedende overheid ertoe verplicht, in geval van twijfel, zich rechtstreeks te richten tot de Federale Overheidsdienst Financiën met het oog op het nazicht van de eerbiediging van de fiscale verplichtingen door de kandidaat of inschrijver.
       De vijfde paragraaf beoogt de andere fiscale verplichtingen dan deze ten opzichte van de Federale Overheidsdienst Financiën. Hier dient dan ook onderstreept te worden dat de aanbestedende overheid vrij staat over te gaan tot het nazicht van de eerbiediging van andere fiscale verplich-tingen (bijvoorbeeld op lokaal of regionaal niveau). Indien dit haar wens is, moet de aanbestedende overheid echter wel duidelijk aangeven in de opdrachtdocumenten, welke fiscale schulden zij zal nazien alsook op basis van welke documenten dit zal gebeuren.
       Art. 64. Deze bepaling stemt overeen met artikel 66 van het koninklijk besluit van 15 juli 2011.
       De punten 1° en 2° hebben dezelfde draagwijdte als deze voorzien in het voormeld besluit. Ze beogen de verduidelijking van de situatie van de combinaties van ondernemingen.
       Het punt 3° is een nieuwe bepaling. Aldaar wordt verduidelijkt dat de afdeling 2 ook van toepassing is op de derden op wiens draagkracht beroep gedaan wordt.
       Afdeling 3. - Selectiecriteria, beroep op onderaannemers en op andere entiteiten
       Art. 65. Deze bepaling is een inleidende bepaling op het vlak van de selectiecriteria. Het past er aan te herinneren dat de keuze van de selectiecriteria waarvan sprake in deze afdeling, overeenkomstig artikel 71 van de wet, betrekking moet hebben op en proportioneel zijn met het voorwerp van de opdracht. Men dient indachtig te zijn dat de aanbestedende overheid er niet gehouden is alle selectiecriteria waarvan sprake in hogervermeld artikel 71 te weerhouden.. De aanbestedende overheid zou zich bijvoorbeeld kunnen beperken tot het opleggen van een technische en professionele capaciteit met uitsluiting van een economische en financiële capaciteit. De aanbestedende overheid moet immers haar eisen aanpassen en pertinente criteria bepalen die op een zodanige manier moeten worden voorzien dat ze de uitvoering van de opdracht toelaten, alsook de zekerheid bieden dat er een voldoende mededinging werd georganiseerd onder de ondernemers.
       Het eerste lid handelt over de verplichting om de vereiste selectievoorwaarden en bewijsmiddelen aanvaard in het kader van de kwalitatieve selectie op te nemen in de aankondiging van opdracht of, indien deze niet voorzien is, in de opdrachtdocumenten in te dienen. Het komt bepaling die quasi gelijkloopt maar niet identiek is met artikel 58, § 1, tweede lid, van het koninklijk besluit van 15 juli 2011.
       Het tweede lid heeft betrekking op de verplichting om elk selectiecriterium te verbinden aan een gepast niveau. Het herneemt artikel 58, § 1, 2°, van het koninklijk besluit van 15 juli 2011, weliswaar met wijzigingen. De Raad van State heeft er herhaaldelijk en op consistente wijze op gewezen dat het gebruik van kwalitatieve selectiecriteria slechts betekenis heeft indien deze criteria gepaard gaan met een gepast niveau dat moet gehaald worden met het oog op de selectie. In afwezigheid van een dergelijk niveau zou het mogelijk zijn dat ondernemers met een potentieel verschillende draagkracht op identieke en dus discriminatoire wijze behandeld worden. Als de aanbestedende overheid bijvoorbeeld eenvoudigweg vraagt om een lijst over te leggen van de werken die in de loop van de laatste vijf jaar uitgevoerd werden, dan zou een aannemer die vijf werken heeft verricht van 10.000 euro op dezelfde wijze worden behandeld als een andere aannemer die er tien heeft gerealiseerd voor 200.000 euro elk. Ter herinnering, uit artikel 71 van de wet blijkt dat de aanbestedende overheid kan beslissen economische of technische criteria zonder meer achterwege te laten. De aanbestedende overheid moet echter, wanneer hij ervoor kiest om een criterium of meerdere criteria in verband met economische draagkracht of technische bekwaamheid of de twee types van criteria te gebruiken, ook een niveau bepalen voor elk in aanmerking genomen criterium.
       Op het eind van het tweede lid is evenwel in een afwijking voorzien. Het is inderdaad mogelijk dat sommige criteria er zich niet toe lenen om een minimumniveau vast te stellen (bijvoorbeeld bij de bankverklaring). In een dergelijk geval is de aanbestedende overheid niet verplicht om een minimaal niveau voor het betreffende criterium vast te stellen maar moet zij, zoals vermeld in het derde lid, dit criterium gepaard laten gaan met een tweede criterium (in het voormelde voorbeeld dus een criterium van economische aard) die toelaat om een minimaal niveau vast te stellen.
       Wat de erkenning betreft moet erop worden gewezen dat in dat er een kwalitatief selectiecriterium voorligt die uit zichzelf een niveau bevat (klasse en categorie). Indien de aanbestedende overheid echter beslist om andere kwalitatieve selectiecriteria toe te voegen, bovenop de erkenning, zal hij aan deze criteria eveneens een niveau moeten verbinden, tenzij wanneer deze criteria zich daar niet toe lenen. De aanbestedende overheid zal overigens verplicht zijn in de andere procedures dan de openbare procedure en de vereenvoudigde onderhandelingsprocedure met voorafgaande bekendmaking een kwalitatief selectiecriterium toe te voegen, in overeenstemming met artikel 71, § 1, derde lid.
       Wat het vast te stellen niveau betreft wordt erop gewezen dat deze proportioneel moet zijn met het belang en de complexiteit van de opdracht. Het komt erop aan om een niveau te bepalen dat niet ridicuul is ten opzichte van het belang van de opdracht en evenmin, in omgekeerde zin, disproportioneel is. Het komt erop aan zowel een kwalitatief niveau als een kwantitatief niveau vast te stellen (bijvoorbeeld vijf referenties met betrekking tot de werken, minstens voorlopig opgeleverd, voor een bedrag van ten minste 350.000 euro en met betrekking tot werken van een bepaalde aard).
       Art. 66. Dit artikel geeft omzetting aan artikel 58.2 van de richtlijn 2014/24/EU. Het herneemt, met enige wijziging, de artikelen 75 en 76 van het koninklijk besluit van 15 juli 2011.
       Dit artikel heeft het over de bekwaamheid voor de uitoefening van een beroepsactiviteit. Het laat de aanbestedende overheid toe de kandidaten of inschrijvers te verplichten zich in te schrijven in een beroeps- of handelsregister overeenkomstig de wetgeving van het land waarin zij gevestigd zijn. Voor wat betreft een lijst per Lidstaat van de beroeps- of handelsregisters en de verklaringen en certificaten, wordt verwezen naar bijlage 10 bij dit besluit.
       Het tweede lid handelt meer bepaald over de opdrachten voor diensten waarvoor de aanbestedende overheid aan de ondernemers, die nood hebben aan een specifieke toestemming of die lid moeten zijn van een specifieke organisatie om in hun land van oorsprong de betrokken dienst te mogen leveren, kan vragen te bewijzen dat ze over de nodige toestemming beschikken of dat zij tot die organisatie behoren.
       Art. 67. Deze bepaling handelt over de economische en financiële draagkracht en geeft omzetting aan artikel 58.3 van de richtlijn 2014/24/EU, alsook aan het eerste deel van bijlage XII bij de voormelde richtlijn.
       Zoals in het koninklijk besluit van 15 juli 2011, behoudt de aanbestedende overheid de mogelijkheid om aan de ondernemers voorwaarden op te leggen die waarborgen dat zij over de nodige economische en financiële draagkracht beschikken om de opdracht uit te voeren. Zij kan bijgevolg eisen dat de ondernemers een minimumjaaromzet hebben, dat zij de nodige inlichtingen verstrekken over hun jaarrekeningen en/of van hen een passend niveau van verzekering tegen beroepsrisico's eisen.
       Het gebruik van de bankverklaring blijft mogelijk. Het past echter er op te wijzen dat de bankverklaring op het vlak van de toegang tot de overheidsopdrachten voor de KMO's een hindernis kan zijn. Het bekomen van de bankverklaring voor elke overheidsopdracht kan immers gepaard gaan met kosten aangerekend door de bankinstelling. Bovendien blijkt de bankverklaring in meerdere opzichten een minder betrouwbaar instrument dan andere. Tot slot is het zo dat aan de bankverklaring als kwalitatief selectiecriterium de facto geen "gepast niveau" in de zin van artikel 66, tweede lid, kan worden verbonden. Overeenkomstig artikel 66, derde lid, volgt hieruit dan ook dat de bankverklaring niet als enig economisch criterium kan worden aangewend. Het is om al deze redenen aangewezen de bankverklaring met de grootste omzichtigheid te hanteren. Vandaar dan ook dat deze bankverklaring helemaal op het einde van de opsomming van de eerste paragraaf, tweede lid, werd vermeld.
       De aandacht van de aanbestedende overheden dient overigens gevestigd op het feit dat onredelijke eisen op het vlak van de selectie vaak een ongerechtvaardigd obstakel vormen voor de deelneming van KMO'S aan de overheidsopdrachten. Elke dergelijke eis moet bijgevolg verband houden met en proportioneel zijn ten opzichte van het voorwerp van de opdracht. Aldus mag de aanbestedende overheid niet eisen dat de ondernemer een minimumomzet heeft die disproportioneel is ten opzichte van het voorwerp van de opdracht. Over het algemeen mag het vereiste bedrag, zoals vermeld in paragraaf 3, tweede lid, niet hoger zijn dan het dubbel van de geraamde waarde van de opdracht. Niettemin kan het in goed gerechtvaardigde omstandigheden mogelijk blijven meer strikte regels toe te passen. Dit zou het geval kunnen zijn wanneer de opdracht belangrijke risico's inhoudt of wanneer de goede uitvoering van de opdracht binnen de gestelde termijn essentieel is, bijvoorbeeld omdat deze de uitvoering van andere opdrachten rechtstreeks beïnvloedt.
       In deze goed gemotiveerde gevallen staat het de aanbestedende overheid vrij autonoom te beslissen of het opportuun en pertinent is om hoge minimumjaaromzet op te leggen. Wanneer hogere minimumjaaromzet gelden, blijft het de aanbestedende overheid vrijstaan zulks te doen, zolang deze maar verbonden zijn met en proportioneel ten opzichte van het voorwerp van de opdracht. Wanneer de aanbestedende overheid beslist dat het minimumjaaromzet hoger moet liggen dan het dubbel van de geraamde waarde van de opdracht, moeten de opdrachtdocumenten of de te bewaren inlichtingen bedoeld in artikel 164 van de wet een melding inhouden die de keuze van de aanbestedende overheid rechtvaardigt.
       De aanbestedende overheid kan overigens de omzet beperken tot een specifiek domein, dat echter niet te strikt geïnterpreteerd moet worden. Het gaat om een element dat per afzonderlijk geval beoordeeld moet worden. Bijvoorbeeld de aankoop van een vaccin tegen polio : het kan opportuun zijn eerder te verwijzen naar het domein "productie van vaccins" dan naar het domein van "productie van polio-vaccins", ten einde de mededinging maximaal open te stellen. Inderdaad, het domein "productie van vaccins" is beduidend breder en laat bijgevolg toe dat meer ondernemers inschrijven.
       In de tweede paragraaf wordt verduidelijkt dat inlichtingen kunnen worden opgevraagd omtrent de ratio tussen, bijvoorbeeld, de actieve en passieve elementen van de jaarlijkse balans.
       De derde paragraaf is gewijd aan de minimumjaaromzet. Het derde lid van deze paragraaf behandelt de opdrachten die na een nieuwe in mededingingstelling in hun geheel of gedeeltelijk gebaseerd zijn op een raamovereenkomst. De tekst preciseert dat de minimumvereiste in termen van jaaromzet berekend wordt op basis van de maximale grootte van de specifieke opdrachten die tegelijkertijd uitgevoerd zullen worden, of indien deze laatste niet gekend is, op basis van de geraamde waarde van de raamovereenkomst.
       Het laatste lid van de derde paragraaf heeft betrekking op de dynamische aankoopsystemen. Daar wordt voorzien dat de maximumvereiste in termen van jaaromzet berekend wordt op basis van de maximumomvang van de specifieke opdrachten die in het kader van een dergelijk systeem gegund worden.
       De paragraaf 4 is gewijd aan de verzekering tegen beroepsrisico's en de bankverklaring. Indien gebruik wordt gemaakt van de bankverklaring hetgeen, het weze herhaald, met de grootste omzichtigheid moet gebeuren, dan moet het model van bankverklaring worden aangewend vervat in bijlage 11. Het betreft geen overname van het model dat in bijlage was gevoegd bij het koninklijk besluit van 15 juli 2011, maar een overname van het model van bankverklaring vervat in de omzendbrief van 10 februari 1998 betreffende de overheidsopdrachten en de kwalitatieve selectie van de aannemers, leveranciers en dienstverleners.
       De vijfde paragraaf laat toe aan de ondernemers voorwaarden op te leggen die waarborgen dat ze over de nodige economische en financiële draagkracht beschikken en dit per perceel. Het laat de aanbestedende overheid eveneens toe een minimaal jaaromzet vast te leggen dat door de ondernemers moet gerealiseerd worden voor de groepen van percelen die ze zouden moeten uitvoeren.
       Art. 68. Deze bepaling handelt over de technische en beroepsbekwaamheid en geeft omzetting aan artikel 58.4 van de richtlijn 2014/24/EU, alsook aan deel II van bijlage XII bij deze richtlijn. Het algemeen opzet van de kwalitatieve selectie op het vlak van de technische en beroepsbekwaamheid blijft ongewijzigd. Wel is in het eerste lid van de eerste paragraaf verduidelijkt dat het opleggen van eisen in dit verband erop gericht is te garanderen dat ondernemers over de noodzakelijke personele en technische middelen en ervaring beschikken om de opdracht volgens een passend kwaliteitsniveau uit te voeren. De in de Nederlandse versie van de richtlijn in dit verband gebruikte terminologie ("kwalititeitsnorm") werd aangepast aan de in de Franse versie gebruikte bewoordingen ("niveau de qualité approprié"). De bedoeling van dit ontwerp is inderdaad geenszins te verwijzen naar "normen" zoals die gedefinieerd zijn in artikel 2, 45°, van de wet (namelijk normen van erkende normalisatie-instellingen).
       De tweede paragraaf herneemt het laatste lid artikel 68 van het koninklijk besluit van 15 juli 2011, zonder wijziging.
       De derde paragraaf behoeft geen toelichting.
       Anders dan in de richtlijn worden de in aanmerking genomen bewijsmiddelen niet in bijlage opgesomd maar in de vierde paragraaf beschreven. Er dient aangestipt dat de bepalingen opgenomen in de artikelen 69, 71 en 72 van het koninklijk besluit van 15 juli 2011, grotendeels identiek zijn met deze vervat in dit ontwerp. Niettemin vallen onderstaande wijzigingen te signaleren :
       - er wordt een nieuwe bewijsmogelijkheid toegevoegd, namelijk de vermelding van "de systemen voor het beheer van de toeleveringsketen en de traceersystemen die de ondernemer kan toepassen in het kader van de uitvoering van de opdracht";
       - bijkomende flexibiliteit werd gecreëerd op het vlak van de referenties. Nog steeds zal een lijst kunnen worden opgevraagd van de werken/leveringen/diensten die gedurende de afgelopen jaren werden verricht. Wat de werken betreft slaat deze lijst maximum op de vijf afgelopen jaren. Wat de voornaamste leveringen of diensten betreft, slaat deze maximum op de drie laatste jaren. Er werd echter versoepeling voorzien wat de termijn betreft. Aanbestedende overheden kunnen inderdaad aangeven dat de bewijselementen van de relevante werken/leveringen/diensten die al naargelang het geval al langer dan vijf jaar of drie jaar geleden zijn verricht toch in aanmerking wordt genomen, indien dit noodzakelijk is om een toereikend mededingingsniveau te waarborgen. In tegenstelling tot wat voorzien is in de artikelen 71, 3°, en 72, 7°, van het koninklijk besluit van 15 juli 2011, wordt er geen reglementaire eis meer opgelegd wat betreft het uitvoeringsattest voor de opdrachten voor leveringen en diensten;
       - een aantal bewijsmiddelen werden veralgemeend. Dit is het geval voor de maatregelen inzake milieubeheer die de ondernemer kan toepassen in het kader van de uitvoering van de opdracht (in het koninklijk besluit van 15 juli 2011 wordt deze mogelijkheid alleen opgelijst bij de werken en diensten, maar niet bij de leveringen). Dit is eveneens het geval voor de aanduiding van het gedeelte van de opdracht dat de ondernemer in onderaanneming wil geven (in het koninklijk besluit plaatsing van 15 juli 2011 wordt dit beperkt opgelijst bij de diensten).
       Er moet ook verwezen worden naar een belangrijke wijziging op het vlak van de onderwijs- en beroepskwalificaties van de aannemer of dienstverlener of van het leidinggevend personeel van de onderneming. Het is immers belangrijk te onderstrepen dat er geen gebruik gemaakt kan worden van dit bewijsmiddel in het geval waarin dit criterium reeds als gunningscriterium werd aangewend. Er wordt aan herinnerd dat in artikel 81, § 2, 3°, b), van de wet voortaan de mogelijkheid is verankerd om de organisatie, de kwalificatie en de ervaring van het personeel die de opdracht zal uitvoeren, als gunningscriterium aan te wenden, wanneer de kwaliteit van het personeel bepalend is voor het prestatieniveau van de opdracht. In dat geval zal geen gebruik mogen worden gemaakt van het bewijsmiddel omtrent onderwijs- en beroepskwalificaties.
       Art. 69. Dit artikel is een nieuwe bepaling die artikel 58.4 van de richtlijn 2014/24/EU omzet en dat een aanbestedende overheid toelaat ervan uit te gaan dat een ondernemer niet over de vereiste beroepsbekwaamheid beschikt wanneer hij heeft vastgesteld dat de ondernemer "conflicterende belangen" heeft die negatief kunnen uitwerken op de uitvoering van de opdracht. Het is belangrijk te onderstrepen dat het hier bedoelde begrip "conflicterende belangen" verschilt van het nazicht op de afwezigheid van belangenconflicten in de zin van de artikelen 6, § 1, en, 69, eerste lid, 5°, van de wet. Het begrip conflicterende belangen, is een ruimer begrip dan de notie "belangenconflicten". Om dit beter te begrijpen kan verwezen worden naar onderstaande voorbeelden :
       Een aanbestedende overheid plaatst een overheidsopdracht voor het doorvoeren van een haalbaarheidsstudie omtrent de eventuele vervanging van een aflopende (lucratieve) opdracht voor diensten door een alternatieve en radicaal andere (en waarschijnlijk goedkopere) invulling van de te leveren dienst. Indien de opdrachtnemer van de lopende dienst deelneemt aan de haalbaarheidsstudie, dan kan hij daarbij een belang hebben dat de kwaliteit en objectiviteit van de studie in het gedrang brengt (namelijk het belang om de continuïteit van de huidige invulling van de te leveren dienst te bewerkstelligen), in welk geval de aanbestedende overheid er kan van uitgaan (het betreft dus geen verplichting) dat de betreffende ondernemer niet voldoet aan de selectiecriteria. De aanbestedende overheid kan anderzijds ook tot de conclusie komen dat het conflicterend belang geen (significante) negatieve uitwerking kan hebben op de uitvoering, bijvoorbeeld omdat zij als aanbestedende overheid perfect in staat is het luik waaromtrent zich problemen zouden kunnen stellen zo nodig zelf te "corrigeren". De afweging zal geval per geval moeten worden gemaakt, in functie van de concrete opdracht en gelet op de beginselen en met name het proportionaliteitsbeginsel.
       Conflicterende belangen zouden zich ook kunnen voordoen inzake een opdracht voor werfcontrole, wanneer de aanbestedende overheid een architect zou vragen om tussen te komen als "leidend ambtenaar" voor een bepaalde opdracht, waarbij deze architect zich kandidaat stelt of een offerte indient, en zou tussenkomen als opdrachtnemer voor de te controleren werf zelf. Hetzelfde geldt voor het geval dat deze persoon nauw verwant zou zijn met de opdrachtnemer. Het spreekt voor zich dat de opdrachtnemer "zichzelf" niet kan of mag controleren.
       Conflicterende belangen kunnen zich ook voordoen bijvoorbeeld wanneer een evaluatie wordt gevraagd van een reeds uitgevoerde studie of impactanalyse. In dit geval zal de opdrachtnemer van deze studie/impactanalyse zich per definitie bevinden in een situatie van conflicterende belangen.
       Zoals reeds gezegd zijn de "conflicterende belangen" waarvan hier sprake een ander (en ruimer) concept dan het "belangenconflict". Om verwarring te vermijden werd daarom gekozen, in de Franstalige versie, voor het begrip "intérêts conflictuels". De concordantie met de Nederlandstalige versie ("conflicterende belangen") en de Engelstalige versie ("conflicting interests") is aldus volledig gewaarborgd.
       Art. 70. Dit artikel heeft het over de reglementering houdende regeling van de erkenning van aannemers van werken, waarvan de bepalingen in het kader van de kwalitatieve selectie moeten toegepast worden.
       De eerste paragraaf herneemt artikel 70 van het koninklijk besluit van 15 juli 2011 met enkele wijzigingen.
       In het eerste lid is bepaald dat de aanbestedende overheid in de aankondiging van de opdracht of, bij gebrek daaraan, in de opdrachtdocumenten de erkenning moet aangeven waaronder de uit te voeren werken behoren.
       Het tweede lid voorziet drie aanvaardbare bewijsmethodes :
       1° het bezit van een Belgische certificaat van erkenning;
       2° het bezit van een certificaat of een inschrijving op een officiële lijst van erkende aannemers in een andere lidstaat van de Europese unie;
       3° het inroepen door de kandidaat of inschrijver van het feit dat hij voldoet aan de door de Belgische reglementering houdende regeling van de erkenning van aannemers van werken opgelegde eisen.
       Het derde lid is een overname van artikel 70, derde lid, van het koninklijk besluit van 15 juli 2011.
       Paragraaf 2 beoogt de krachtens de wet van 20 maart 1991 houdende regeling van de erkenning van aannemers van werken erkende ondernemers. Hij preciseert dat de hier bedoelde ondernemer in het UEA het internetadres moet vermelden waarop het mogelijk is toegang te verkrijgen tot de certificaten betreffende de delen III tot V van het UEA. In een dergelijk geval moeten de delen III tot V niet ingevuld worden. Tevens wordt erop gewezen dat de ondernemer een afschrift van de documenten die hij nuttig acht kan toevoegen . Ook wanneer de aanbestedende overheid in de aankondiging van de opdracht of, bij gebrek daaraan, in de opdrachtdocumenten, bijkomende selectiecriteria voorziet naast wat reeds is opgelegd inzake erkenning, kan de ondernemer zich niet beperken tot een verwijzing naar een internetsite, maar dient hij tevens de delen III tot V van het UEA in te vullen. Voor de opdrachten waarvan de geraamde waarde lager is dan de drempel voor de Europese bekendmaking alsook voor de opdrachten geplaatst via een onderhandelingsprocedure zonder voorafgaande bekendmaking in de gevallen bedoeld in het artikel 42, § 1, 1°, b), en d), 2°, 3°, 4°, b), en c), van de wet, is een afwijkende bepaling voorzien, waarbij het volstaat de betreffende inlichtingen of bewijzen over te maken aan de aanbestedende overheid.
       Paragraaf 3 heeft betrekking op de ondernemers die niet erkend zijn op basis van de Belgische wetgeving of krachtens een wetgeving van een andere Lidstaat van de Europese Unie. Er wordt verduidelijkt dat een dergelijke ondernemer het UEA integraal dient in te vullen. Deze ondernemer bevindt zich aldus in de voorwaarden van artikel 3, § 1, 2°, van de wet van 20 maart 1991 en is verondersteld het bewijs geleverd te hebben van het feit dat hij de door en krachtens de voormelde wet gestelde voorwaarden vervult. De bevoegde federale overheidsdienst in verband met het beheer van het erkenningssysteem (op dit moment de FOD Economie), kan in voorkomend geval contact opnemen met de ondernemer teneinde de rechtvaardigende stukken te bekomen. Voor de opdrachten waarvan de geraamde waarde lager is dan de drempel voor de Europese bekendmaking, is een afwijkende bepaling voorzien, waarbij het volstaat de betreffende inlichtingen of bewijzen over te maken aan de aanbestedende overheid, die deze op haar beurt doorgeeft aan de voor het beheer van het erkenningssysteem bevoegde federale overheidsdienst.
       Paragraaf 4 beoogt de ondernemers die houder zijn van een certificaat of ingeschreven zijn op een officiële lijst van in een andere Lidstaat van de Europese Unie erkende aannemers. Er wordt verduidelijkt dat de aldus bedoelde aannemers in het UEA het internetadres moeten vermelden waarop het mogelijk is de certificaten betreffende de delen III tot V van het UEA op te halen. Zij kunnen overigens ook uit eigen beweging een afschrift van hun certificaat of het bewijs van inschrijving toevoegen. Indien echter blijkt dat de aanbestedende overheid geen elektronische toegang heeft tot deze certificaten, moet de ondernemer haar samen met het UEA de nodige certificaten of bewijzen bezorgen. Wel dient opgemerkt dat deze gegevens moeten overgemaakt worden door de aanbestedende overheid aan de federale overheidsdienst bevoegd voor de erkenningssysteem.
       Een uitzondering is voorzien voor de opdrachten waarvan de geraamde waarde lager ligt dan de drempels bepaald voor de Europese bekendmaking. De ondernemer die geen UEA moet invullen, moet de betrokken inlichtingen of bewijsstukken overmaken aan de aanbestedende overheid die deze op haar beurt overmaakt aan de federale overheidsdienst bevoegd voor de erkenningssysteem.
       Er kon geen gevolg worden gegeven aan de opmerking van de Raad van State om de verwijzingen naar de wet van 20 maart 1991 houdende regeling van de erkenning van aannemers van werken in de eerste paragraaf, eerste lid en tweede lid, 3°, aan te passen. De voormelde wet werd immers aangepast door de wet van 17 juni 2016 betreffende de concessieovereenkomsten. De betrokken verwijzingen houden hiermee reeds rekening.
       Art. 71. Dit artikel herneemt artikel 79 van het koninklijk besluit van 15 juli 2011 en stemt overeen met de artikelen 64.4 en 64.5 van de richtlijn 2014/24/EU. Het verduidelijkt dat het certificaat dat door een certificeringsinstelling wordt afgeleverd of de inschrijving van een ondernemer op een officiële lijst van een andere Lidstaat als een vermoeden van geschiktheid kan beschouwd worden. Dit vermoeden beperkt zich echter tot de eisen in verband met de kwalitatieve selectie die gedekt zijn door deze officiële lijst of dit certificaat.
       In het tweede lid wordt verduidelijkt dat informatie die uit de inschrijving op een officiële lijst worden afgeleid, niet zonder motivering ter discussie kunnen worden gesteld.
       Voor wat kan dienen wordt nog in herinnering gebracht dat de toepassing van onderhavige lid beperkt is tot de ondernemers die gevestigd zijn in de lidstaat die de officiële lijst heeft opgesteld wordt toegepast.
       Art. 72. Deze bepaling geeft omzetting aan artikel 60 van de richtlijn 2014/24/EU. Ze handelt over de bewijsmiddelen die opgevraagd mogen worden bij de ondernemer. Het betreft zowel de bewijsmiddelen die aangewend worden om het ontbreken van gronden tot uitsluiting aan te tonen, als bewijsmiddelen die betrekking hebben op het vervuld zijn van de selectiecriteria.
       In het tweede lid van paragraaf 1 wordt vermeld dat de aanbestedende overheid slechts de bewijsmiddelen kan opvragen bedoeld in artikel 77 van de wet (betreffende de kwaliteitsnormen en normen inzake milieubeheer), alsook deze bedoeld in onderhavig artikel. Wat betreft het beroep op de draagkracht van derden wordt verduidelijkt dat de ondernemer elk middel kan gebruiken dat toelaat aan de aanbestedende overheid te bewijzen dat hij over de nodige draagkracht zal beschikken om de opdracht uit te voeren.
       De tweede paragraaf behandelt meer specifiek de bewijsmiddelen omtrent de afwezigheid van bepaalde uitsluitingsgronden. Hij stemt overeen met artikel 61, § 3, van het koninklijk besluit van 15 juli 2011. Er wordt wel aan toegevoegd dat, in het geval de betreffende documenten of certificaten niet afgeleverd worden of niet alle gevallen die noodzakelijkerwijze geviseerd zijn dekken, de ondernemer zich kan wenden tot de bevoegde instanties van de Lidstaat waarin hij gevestigd is om hen te vragen een officiële verklaring af te leveren waarin dit wordt bevestigd. Het model voor dit type van verklaring is ter beschikking gesteld via de onlinedatabank van certificaten "e-Certis".
       Art. 73. Dit artikel geeft omzetting aan artikel 63 van de richtlijn 2014/24/EU en stemt overeen met artikel 74 van het koninklijk besluit van 15 juli 2011. Het handelt over het geval van de kandidaat of inschrijver die zelf niet beantwoordt aan de selectiecriteria en die bijgevolg beroep doet op de draagkracht van derde entiteiten.
       Volgens paragraaf 1, eerste lid, kan een kandidaat of inschrijver voor een bepaalde opdracht beroep doen op de draagkracht van andere entiteiten (onderaanneming of andere) en dit ongeacht de aard van de juridische band tussen hem en deze entiteiten. Hij moet niettemin aan de aanbestedende overheid het bewijs verstrekken dat hij voor de uitvoering van de opdracht reëel over de nodige middelen zal beschikken die door die entiteiten ter beschikking worden gesteld. Het Hof van Justitie had in zijn arrest Holst Italia van 2 december 1999 (nr. C-176/98) en meer recent in zijn arrest "Ostas celtnieks" van 14 januari 2016 (nr. C-234/14), de gelegenheid om zich uit te spreken omtrent deze problematiek. Zij heeft zich de vraag gesteld of een aanbestedende overheid de wijze waarop de inschrijvers beschikken over de middelen van andere entiteiten mag opleggen, of het aan de inschrijvers toekomt hierover vrij te beschikken. Het Hof heeft besloten dat de inschrijver "vrij [is] om te kiezen welke juridische aard de banden hebben die hij wenst aan te knopen met de andere entiteiten op wier draagkracht of bekwaamheden hij zich beroept om een bepaalde opdracht uit te voeren, en om te kiezen op welke wijze die banden kunnen worden aangetoond". Bovendien overweegt het Hof dat de artikelen 47, tweede lid, en 48, derde lid, van richtlijn 2004/18/EG, uitdrukkelijk bepalen "dat bijvoorbeeld de overlegging van de verbintenis van andere entiteiten om aan de inschrijver de middelen die noodzakelijk zijn voor de uitvoering van de opdracht ter beschikking te stellen, acceptabel bewijs is van het feit dat hij daadwerkelijk over die middelen zal beschikken". Voor wat kan dienen wordt evenwel aangeraden, om elke latere betwisting uit te sluiten, dat de kandidaat of inschrijver bewijst door middel van een geschrift dat hij in staat is op de diensten van de entiteiten waarnaar hij verwijst beroep te doen en dat deze entiteiten een passend deel van de uitvoering voor hun rekening zullen nemen.
       Bovendien mogen de kandidaten of inschrijvers, wat betreft de criteria inzake studie- of beroepskwalificaties of andere pertinente beroepservaring, geen beroep doen op de draagkracht van andere entiteiten dan wanneer deze laatste ook effectief de werken of diensten waarvoor hun draagkracht nodig is zullen uitvoeren of leveren.
       Volgens het tweede lid moet de aanbestedende overheid nagaan of de entiteiten op wiens draagkracht beroep wordt gedaan zich niet bevinden in een uitsluitingssituatie. Wanneer een verplichte uitsluitingsgrond vastgesteld werd, of een uitsluitingsgrond inzake fiscale of sociale schulden, in hoofde van de entiteit op wiens draagkracht beroep wordt gedaan, of dat deze laatste niet voldoet aan het selectiecriterium betreffende de capaciteit waarop beroep wordt gedaan, moet de aanbestedende overheid diens vervanging eisen. Wanneer het echter gaat om een facultatieve uitsluitingsgrond, staat het de aanbestedende overheid vrij al dan niet diens vervanging te eisen, zonder verplichting daartoe. Daar dient nog aan toegevoegd dat wanneer de vervanging gevraagd wordt van een entiteit op wiens draagkracht beroep wordt gedaan, het uitblijven van deze vervanging aanleiding geeft tot een beslissing tot niet-selectie.
       Het derde lid verduidelijkt dat de bepaling ook van toepassing is op de combinaties van ondernemingen die de capaciteiten van de deelnemers aan de combinatie of van derde entiteiten willen laten gelden.
       Paragraaf 2 herneemt de inhoud van artikel 12, tweede lid, van het koninklijk besluit van 15 juli 2011. Nieuw is echter dat bepaalde inlichtingen ook in het UEA dienen ingevuld te worden, tenminste wanneer het UEA moet worden ingevuld, namelijk voor de opdrachten waarvan de geraamde waarde de drempel voor de Europese bekendmaking bereikt (zie voor nadere toelichting, alsook voor de uitzonderingen, naar de commentaar bij artikel 38). In dat geval is het namelijk nodig deel II, C, van het UEA in te vullen.
       Bovendien heeft de kandidaat of inschrijver volgens deze paragraaf ook de verplichting :
       1° aan te duiden voor welk deel van de opdracht hij op de draagkracht van een derde beroep doet;
       2° de identiteit aan te geven van de entiteit op wie hij beroep doet.
       Er is echter in deze paragraaf een onderscheid tussen de éénstaps- en de tweestapsprocedures. In het eerste geval moeten de vermeldingen hernomen zijn in de offerte en in het tweede geval moet deze zowel in de aanvraag tot deelneming als in de offerte worden vermeld.
       Het is interessant erop te wijzen dat de ondernemer die op individuele basis deelneemt aan een overheidsopdrachtenprocedure, maar een beroep doet op de draagkracht van een of meer andere entiteiten, zijn UEA moet verstrekken, alsook een afzonderlijk UEA dat de nodige informatie bevat voor elk van de entiteiten op wie hij een beroep doet, althans voor de opdrachten waarvoor een UEA moet worden ingevuld.
       Het tweede lid van paragraaf 2 stelt de communicatie door de ondernemer van de identiteit van de derde onderneming en van het deel van de opdracht waarvoor hij voornemens is beroep te doen op de capaciteit van deze entiteit niet vooruitloopt op de verantwoordelijkheid van de hoofdondernemer. Het derde en vierde lid behoeven geen nadere commentaar.
       Art. 74. Dit artikel geeft gedeeltelijk omzetting aan artikel 71 van de richtlijn 2014/24/EU en stemt overeen met artikel 12, eerste lid, van het koninklijk besluit van 15 juli 2011. Het beoogt het geval van de ondernemer die beroep doet op de onderaanneming zonder dat hierbij beroep wordt gedaan op de draagkracht van de onderaannemer.
       Het tweede lid stelt dat het doorgeven door de ondernemer van de identiteit van de onderaannemer en van het deel van de opdracht dat hij voornemens is in onderaanneming te geven, niet vooruitloopt op de vraag van de verantwoordelijkheid van de hoofdondernemer.
       HOOFDSTUK 13. - Modaliteiten voor het onderzoek van de offertes en regelmatigheid van de offertes
       Art. 75. Deze bepaling heeft betrekking op de modaliteiten voor het onderzoek van de offerte. De offertes in principes slechts nagezien wanneer de selectie reeds werd doorgevoerd (weliswaar met de mogelijkheid om de selectiebeslissing te herzien, zie commentaar bij artikel 60). Niettemin bestaan er een aantal belangrijke afwijkingen op dit principe. Wanneer gebruik gemaakt wordt van de openbare procedure, mag de aanbestedende overheid reeds "vervroegd" overgaan tot het nazicht van de offertes, nog vóór de eigenlijke selectiebeslissingen zijn genomen. Het betreft de mogelijkheid die reeds verankerd is, ten aanzien van de opdrachten die de drempel voor de Europese bekendmaking bereiken, in artikel 66, § 2, eerste lid, van de wet. In dat geval zal de aanbestedende overheid kunnen overgaan tot de evaluatie van de offertes zonder dat een grondige controle op de afwezigheid van uitsluitingsgronden en het voldoen aan de selectiecriteria werd doorgevoerd. De aanbestedende overheid zal wel eerst de afwezigheid moeten nagaan van fiscale en sociale schulden. Zij zal ook rekening moeten houden met de informatie die verkregen werd op basis van het UEA. Er werd verduidelijkt dat aldus ook (desgevallend) rekening zal moeten gehouden worden met de in artikel 70 van de wet bedoelde corrigerende maatregelen.
       Het is evident dat de aanbestedende overheid, wanneer zij gebruik maakt van de mogelijkheid voorzien in dit artikel, het ontbreken van uitsluitingsgronden (andere de uitsluitingsgrond betreffende de sociale en fiscale schulden) moet nazien na de analyse van de offertes, in hoofde van de inschrijver aan wie men voornemens is de opdracht te gunnen, alsook het voldoen aan de selectiecriteria. Er tevens herinnerd aan het feit dat de aanbestedende overheid die overgaat tot het "vervroegd" onderzoek van de offertes, erover moet waken dat het nazicht van de afwezigheid van uitsluitingsgronden en het voldoen aan de selectiecriteria op onpartijdige en transparante wijze gebeurt. Aldus moet worden vermeden dat een opdracht zou worden gegund aan een inschrijver die had moeten worden uitgesloten of die niet voldoet aan de kwalitatieve selectiecriteria (zie artikel 66, § 2, derde lid, van de wet).
       In het tweede lid wordt de aanpak zoals die van toepassing is op de opdrachten die de drempel van de Europese bekendmaking bereiken, grotendeels doorgetrokken naar de opdrachten onder deze drempel, weze het dat daar geen rekening moet worden gehouden met de informatie afkomstig uit het UEA. Het volstaat voor de betreffende opdrachten, alvorens tot "vervroegd nazicht" wordt overgegaan, om de afwezigheid na te gaan van fiscale en sociale schulden enerzijds, alsook, in voorkomend geval, de corrigerende maatregelen te evalueren. Bovendien is het zo dat de mogelijkheid tot vervroegd nazicht van de offertes aldaar niet alleen bestaat in de openbare procedure, maar tevens in de vereenvoudigde onderhandelingsprocedure met voorafgaande bekendmaking.
       Wellicht zal de mate waarin het nuttig zal zijn om gebruik te maken van het "vervroegd nazicht van de offertes" in de voormelde gevallen afhangen van het aantal offertes dat werd ontvangen, alsook van de aangewende gunningscriteria (A. Semple, A pratical guide to public procurement, Oxford university press, p. 73). Als er veel offertes werden ontvangen en de evaluatie in het licht van onder meer de gunningscriteria veel tijd in beslag dreigt te nemen, is het waarschijnlijk nog steeds beter om eerst het nazicht op afwezigheid van uitsluitingsgronden en het voldoen aan de kwalitatieve selectiecriteria door te voeren.
       Art. 76. Deze bepaling heeft betrekking op het onderzoek van de regelmatigheid van de offertes en bevat de beginselen vermeld in artikel 95 van het koninklijk besluit van 15 juli 2011. Ze heeft betrekking op de verplichting voor de aanbestedende overheid om de regelmatigheid van de offertes te onderzoeken. Deze verplichting is grondig herwerkt en geldt voortaan voor alle procedures.
       Het begrip "regelmatigheid" van de offerte omvat het "voldoen" van de offerte aan de eisen, voorwaarden en criteria vermeld in de aankondiging van de opdracht of in de opdrachtdocumenten waarvan sprake in artikel 66, § 1, 1°, van de wet. De regelmatigheid is echter een ruimer begrip, aangezien dit onderzoek ook betrekking heeft op de naleving van de voorschriften van de wet en het onderhavig ontwerp, alsook op de naleving van het arbeids-, sociaal en milieurecht.
       In dit ontwerp wordt niet alleen ingegaan op de onregelmatigheidsleer, maar ook, en dit is nieuw, op de regularisatiemogelijkheden in de procedures waarin onderhandelingen toegelaten zijn. Aangezien de mededingingsprocedure met onderhandeling en de concurrentiegerichte dialoog voortaan meer als gewone procedures worden beschouwd (zelfs al is het beroep op deze procedures onderworpen aan het voldoen aan bepaalde voorwaarden), is het niet onlogisch om ook aandacht te hebben voor de onregelmatigheid en de regularisatiemogelijkheden voor deze procedures.
       Het eerste lid van de eerste paragraaf bevat de verplichting voor de aanbestedende overheid om de regelmatigheid van de offertes na te gaan. De tweede tot vierde leden van de eerste paragraaf hebben vervolgens betrekking op het onderscheid tussen de substantiële en de niet-substantiële onregelmatigheden. De eventuele gevolgen van dit onderscheid verschillen per procedure en komen in de volgende paragrafen aan bod.
       In het derde lid wordt gesteld dat de offerte substantieel onregelmatig is wanneer ze van aard is de inschrijver een discriminerend voordeel te bieden, tot concurrentievervalsing te leiden, de beoordeling van de offerte van de inschrijver of de vergelijking ervan met de andere offertes te verhinderen, of de verbintenis van de inschrijver om de opdracht onder de gestelde voorwaarden uit te voeren onbestaande, onvolledig of onzeker te maken.
       In het vierde lid worden een aantal onregelmatigheden opgesomd die als substantieel worden beschouwd. Het betreft meer bepaald de onregelmatigheden die voortvloeien uit de niet-naleving van het milieu, sociaal of arbeidsrecht, voor zover het gaat over de niet-naleving van strafrechtelijk beteugelde bepalingen alsook de onregelmatigheden die volgen uit de niet-naleving van de eisen voorgeschreven door artikel 14 van de wet en door de artikelen 38, 42, 43, § 1, 44, 48, § 2, 54, § 2, 55, 83 en 92 van dit ontwerp. In het kader van de strijd tegen de sociale dumping en gelet op de mededingingsvertekende effecten die voortvloeien uit de niet-eerbiediging van het milieu-, sociaal of arbeidsrecht, legt dit ontwerp aldus de nadruk op het belang van de eerbiediging van deze vereisten door de ondernemers. De niet-naleving van de minimale eisen en van de in de opdrachtdocumenten als substantieel aangekondigde vereisten, wordt eveneens beschouwd als een substantiële onregelmatigheid.
       In de tweede paragraaf wordt verduidelijkt dat de offerte die een of meer niet-substantiële onregelmatigheden bevat die, zelfs gecumuleerd of gecombineerd, niet de in paragraaf 1, derde lid, bedoelde gevolgen teweeg brengt, niet nietig kan worden verklaard. Op te merken valt dat deze bepaling van toepassing is op alle opdrachten.
       De derde paragraaf, omtrent het regelmatigheidsonderzoek in de openbare en niet-openbare procedure, komt nog slechts gedeeltelijk overeen met het artikel 95 van het koninklijk besluit van 15 juli 2011. In geval van een substantiële onregelmatigheid, moet de offerte steeds nietig worden verklaard en beschikt de aanbestedende overheid over geen enkele beoordelingsruimte. Wat de niet-substantiële onregelmatigheden betreft wordt nu echter gesteld dat deze in beginsel niet nietig worden verklaard, behalve wanneer de cumulatie of combinatie ervan de in paragraaf 1, derde lid, bedoelde gevolgen kan hebben. In artikel 95, § 4, tweede lid, van het koninklijk besluit van 15 juli 2011, zoals gewijzigd door het koninklijk besluit van 7 februari 2014, is in meer algemene bewoordingen gesteld dat de aanbestedende overheid, in geval van een niet-substantiële onregelmatigheden, deze kan nietig verklaren.
       De mogelijkheid tot nietigverklaring in geval van niet-substantiële onregelmatigheden is in het koninklijk besluit van 15 juli 2011 enigszins ruimer gesteld dan het geval is in het ontwerp. In het Verslag aan de Koning bij het voormelde koninklijk besluit van 7 februari 2014 is nog gesteld dat de aanbestedende overheid ter zake over een beoordelingsruimte beschikt waarvan zij gebruik moet maken rekening houdende met de beginselen van onder meer gelijke behandeling, proportionaliteit en vergelijkbaarheid van de offertes. In het ontwerp wordt deze beoordelingsruimte duidelijker omkaderd in het dispositief zelf. Zoals reeds gesteld, wordt een offerte die slechts een of meer niet-substantiële onregelmatigheden bevat, niet nietig verklaard, behalve wanneer de cumulatie of combinatie ervan van aard is de inschrijver een discriminerend voordeel te bieden, tot concurrentievervalsing te leiden, de beoordeling van de offerte van de inschrijver of de vergelijking ervan met de andere offertes te verhinderen, of de verbintenis van de inschrijver om de opdracht onder de gestelde voorwaarden uit te voeren onbestaande, onvolledig of onzeker maakt. Eén enkele niet-substantiële onregelmatigheid kan aldus niet langer tot de nietigheid leiden. Daarvoor is een cumulatie of combinatie nodig van meerdere niet-substantiële onregelmatigheden, die tot de hogervermelde gevolgen kan leiden (zie paragraaf 4).
       Deze voormelde vernieuwde aanpak waarbij één enkele niet-substantiële onregelmatigheid niet tot de nietigheid kan leiden is natuurlijk een logisch gevolg van de andere indelingswijze tussen substantiële of niet-substantiële onregelmatigheden, waarbij dit onderscheid op een meer algemene wijze wordt omschreven. Inderdaad zou het onlogisch zijn om de mogelijkheid tot nietigverklaring te behouden voor een offerte die inschrijver nochtans geen discriminerend voordeel biedt, geenszins tot concurrentievervalsing leidt, de beoordeling van de offerte van de inschrijver of de vergelijking ervan met de andere offertes geenszins verhindert, en de verbintenis van de inschrijver om de opdracht onder de gestelde voorwaarden uit te voeren geenszins onbestaande, onvolledig of onzeker maakt.
       Anders dan het geval is in artikel 95 van het koninklijk besluit van 15 juli 2011, wordt het onderscheid tussen de materiële en de formele onregelmatigheden niet langer gemaakt. Dit onderscheid was in sommige gevallen inderdaad niet makkelijk te maken. Hieromtrent moet echter onderstreept worden dat artikel 96 wel verduidelijkt welke offertes, in het kader van artikel 38, § 1, tweede lid, van de wet, worden beschouwd als offertes die aan de formele eisen van de initiële plaatsingsprocedure voldeden. Ter herinnering, het betreft de hypothese waarbij gebruik mag worden gemaakt van de mededingingsprocedure met onderhandeling na een eerste vruchteloze procedure. Inderdaad is het gebruik van de mededingingsprocedure met onderhandeling toegelaten met betrekking tot opdrachten waarvoor, naar aanleiding van een openbare of niet-openbare procedure, enkel onregelmatige of onaanvaardbare offertes werden ingediend. De aanbestedende overheid zal in deze hypothese mits bepaalde voorwaarden worden nageleefd, althans voor de opdrachten die de drempel voor de Europese bekendmaking bereiken (zie infra), niet verplicht zijn een aankondiging van opdracht bekend te maken, meer bepaald indien zij tot de procedure uitsluitend alle inschrijvers toelaat die aan de eisen inzake selectie beantwoorden en bij de eerste procedure een formeel regelmatige offerte hebben ingediend. Voor de toepassing van deze bepaling is het onderscheid tussen formele en materiële regelmatigheid dus wel van belang. Voor nadere toelichting hieromtrent wordt verwezen naar de commentaar bij artikel 96. Voor de volledigheid wordt er nog aan herinnerd dat voor de opdrachten waarbij de eerste procedure niet verplicht onderworpen is aan de Europese bekendmaking een andere meer soepele regeling geldt, waarbij het in de betreffende hypothese nooit nodig is een aankondiging van opdracht te publiceren.
       In de vierde en vijfde paragraaf wordt het regelmatigheidsonderzoek behandeld voor de procedures waarin onderhandelingen toegelaten zijn. Het is belangrijk voor ogen te houden dat de vierde paragraaf alleen van toepassing is op de offertes met uitzondering van de finale offertes, daar waar paragraaf 5 van toepassing is op het regelmatigheidsonderzoek van alle offertes.
       De vierde paragraaf heeft betrekking op de voormelde procedures die de drempel voor de Europese bekendmaking bereiken. In deze gevallen moet de aanbestedende overheid de offerte die een substantiële onregelmatigheid bevat nietig verklaren, behalve indien anders is bepaald in de opdrachtdocumenten. Maar in dat laatste geval kunnen de opdrachtdocumenten deze mogelijkheid tot regularisatie nog beperken : voor sommige substantiële onregelmatigheden kan de aanbestedende overheid in de opdrachtdocumenten aangeven dat de regularisatie verboden is.
       Daarnaast is de regularisatiemogelijkheid sowieso voorzien indien de offerte meerdere niet substantiële onregelmatigheden bevat die door hun cumulatie of combinatie de in paragraaf 1, derde lid, bedoelde gevolgen teweeg brengt. Er wordt ook herinnerd aan het feit dat er geen regularisatiemogelijkheid bestaat wat de finale offertes betreft, aangezien deze laatste offertes onderworpen zijn aan dezelfde regels als bij de openbare en niet-openbare procedures.
       Er wordt eveneens op gewezen dat de offertes die die een substantiële onregelmatigheid bevatten nooit tot de onderhandelingen toegelaten kunnen worden. De eventuele mogelijkheid tot regularisatie (die in dat geval moet vermeld zijn in de opdrachtdocumenten) moet plaatsvinden voor de effectieve onderhandelingen worden aangevat. Dit is eveneens het geval wanneer de offerte meerdere niet substantiële onregelmatigheden bevat die door hun cumulatie of combinatie de in paragraaf 1, derde lid, bedoelde gevolgen teweeg brengen. Er weze echter aan herinnerd dat in dat laatste geval de mogelijkheid tot regularisatie zal bestaan zelfs zonder dat een bepaling in die zin voorzien is in de opdrachtdocumenten.
       De vijfde paragraaf heeft betrekking op de procedures waarin onderhandelingen toegelaten zijn en waarvan de geraamde waarde lager is dan de drempel voor de Europese bekendmaking. In dit laatste geval beschikt de aanbestedende overheid over meer beoordelingsruimte. Inderdaad kan hij ofwel beslissen om de substantieel onregelmatige offerte nietig te verklaren, ofwel om deze onregelmatigheid te laten regulariseren. Hetzelfde geldt indien de offerte meerdere niet-substantiële onregelmatigheden bevat, wanneer de cumulatie of combinatie ervan de in paragraaf 1, derde lid, bedoelde gevolgen teweeg brengt.
       Wat de concurrentiegerichte dialoog betreft moet wel herinnerd worden aan artikel 39, § 7, tweede lid, van de wet. Deze bepaling op grond waarvan de aanbestedende overheid, na afsluiting van de dialoog en ontvangst en beoordeling van de offertes, met de inschrijver die de offerte met de beste prijs-kwaliteitverhouding heeft ingediend, onderhandelingen mag voeren om financiële toezeggingen of andere voorwaarden te bevestigen en de voorwaarden van de opdracht af te ronden. Evenwel wordt er in dezelfde bepaling op gewezen, wat de voormelde mogelijkheden betreft, dat hierdoor de essentiële aspecten van de offerte of overheidsopdracht materieel ongewijzigd moeten worden gelaten en dit niet tot een vervalsing van de mededinging of discriminatie mag leiden. De onmogelijkheid om in de betreffende onderhandelingen de essentiële aspecten van de offerte inhoudelijk nog aan te passen, zal er doorgaans toe leiden dat de aanbestedende overheid alleen voor substantiële onregelmatigheden op formeel vlak een regularisatiemogelijkheid kan bieden in het kader van de onderhandelingen. Vandaar dan ook dat in het begin van de derde paragraaf naar artikel 39, § 7, tweede lid, van de wet wordt verwezen.
       TITEL 2. - Gunning bij openbare of niet-openbare procedure
       HOOFDSTUK 1. - Vorm en inhoud van de offertes
       Art. 77. Dit artikel herneemt, zonder enige wijziging, het artikel 80 van het koninklijk besluit van 15 juli 2011. De aanbestedende overheid kan aldus in de opdrachtdocumenten een formulier voorzien dat bestemd is om de offerte op te stellen en de samenvattende opmeting of inventaris aan te vullen. Het gebruik van een dergelijk formulier toegevoegd aan de opdrachtdocumenten vergemakkelijkt de behandeling van de offertes en maakt vooral de vergelijking ervan minder moeilijk.
       Het gebruik van dit formulier is aanbevolen, maar niet verplicht. Dit artikel bevestigt tevens het principe van de verantwoordelijkheid van de ondernemer wat betreft de volledige overeenstemming tussen de documenten die hij gebruikt en het formulier.
       Art. 78. Deze bepaling stemt overeen met artikel 81 van het koninklijk besluit van 15 juli 2011 en geeft aan welke de inhoud moet zijn van een offerte.
       Het punt 1° beoogt de identificering van de inschrijver;
       Het punt 2° beoogt de elementen die moeten toelaten de aangeboden prijs te bepalen.
       Er dient opgemerkt dat onder de aanwijzingen die in de offerte moeten voorkomen het totaal bedrag, met inbegrip van de belasting over de toegevoegde waarde bedoeld zijn. Niet alle inschrijvers zijn echter onderworpen aan deze belasting. Deze aanwijzingen hebben ook betrekking op de prijstoeslagen, prijsverminderingen of verbeteringen die voorgesteld worden in toepassing van artikel 50 betreffende de opdrachten in percelen en tot slot elk ander gegeven betreffende de prijs dat in de opdrachtdocumenten voorkomt;
       Het punt 3° betreft het nummer en de benaming van de rekening bij een financiële instelling waarop de betaling dient te gebeuren;
       Het punt 4° handelt over de onderaanneming. Voor verdere informatie ter zake wordt verwezen naar de commentaar bij artikel 74;
       Volgens punt 5°, de oorsprong en de waarde van de te leveren producten en te gebruiken materialen afkomstig uit derde landen ten opzichte van de Europese Unie moet slechts worden aangegeven voor zover de opdrachtdocumenten eisen hebben gesteld op dit vlak. Worden niet beschouwd als derde landen de Staten met wie een verdrag of een handelsakkoord werd afgesloten op het vlak van de overheidsopdrachten.
       Het punt 6° slaat op de voorkeursorde die moet toelaten het artikel 49 toe te passen in het geval waarin de inschrijver offertes aanbiedt voor meerdere percelen.
       Het tweede lid voorziet dat elk van de deelnemers aan een combinatie van ondernemers in zijn offerte gelijkaardige gegevens vermeldt als deze die reeds zijn voorzien in het eerste lid, 1°, voor de inschrijver.
       Alhoewel de bepaling in artikel 81, laatste lid van het koninklijk besluit van 15 juli 2011 werd geschrapt, blijft het voor een aanbestedende overheid mogelijk in de opdrachtdocumenten de modaliteiten te voorzien voor de terbeschikkingstelling van de documenten, de modellen, de stalen en andere inlichtingen.
       HOOFDSTUK 2. - Samenvattende opmeting en inventaris
       Art. 79. Dit artikel herneemt de artikelen 83 en 84 van het koninklijk besluit van 15 juli 2011 en voegt ze samen. Eén enkele bepaling regelt nu de materie niet alleen voor de opdrachten voor werken maar ook voor de opdrachten voor leveringen en diensten.
       Deze bepaling handelt over de samenvattende opmeting, zoals deze is gedefinieerd in artikel 2, 7°, van dit ontwerp, alsook over de inventaris, zoals deze is gedefinieerd in artikel 2, 8°, van dit ontwerp.
       Krachtens de eerste paragraaf moet de inschrijver, wanneer de opdrachtdocumenten een samenvattende opmeting of een inventaris omvatten, er de nodige aanwijzingen in aanbrengen alsook de nodige rekenkundige bewerkingen uitvoeren.
       De tweede paragraaf heeft het over de verbetering door de inschrijver van diverse fouten in de forfaitaire en vermoedelijke hoeveelheden, alsook van de leemten in de samenvattende opmeting of in de inventaris. Deze wijzigingen zullen het voorwerp uitmaken van een rechtvaardigende nota van de inschrijver die aan de offerte wordt toegevoegd.
       Wat de fouten in de forfaitaire hoeveelheden betreft wordt niet langer vereist dat deze mogelijkheid tot verbetering uitdrukkelijk voorzien zou zijn in de opdrachtdocumenten. De verbetering is bijgevolg toegelaten, zelfs als dit niet voorzien is door de opdrachtdocumenten. Ter herinnering, een dergelijke toelating was noodzakelijk voor de opdrachten voor leveringen of diensten.
       Er is ook een wijziging op het vlak van de ontdekte fouten in de vermoedelijke hoeveelheden. Voortaan moeten dergelijke verbeteringen toegelaten worden in de opdrachtdocumenten en dit eveneens voor de opdrachten voor werken. Het betreft een wijziging ten opzichte van het koninklijk besluit van 15 juli 2011 waarin deze toelating slechts voorzien was voor de opdrachten voor leveringen en diensten.
       Een andere nieuwigheid heeft betrekking op het percentage dat gebruikt wordt voor de verbetering van de in de vermoedelijke hoeveelheden ontdekte fouten. De inschrijver verbetert de vermoedelijke hoeveelheden slechts op voorwaarde dat de voorgestelde verbetering in meer of min minstens tien procent bedraagt van de post in kwestie (en niet vijfentwintig procent). Er wordt terug aangeknoopt met de situatie zoals die voorheen van toepassing was. Inderdaad was in het koninklijk besluit van 8 januari 1996 betreffende de overheidsopdrachten voor aanneming van werken, leveringen en diensten en de concessies voor openbare werken, een percentage van tien procent voorzien.
       De rechtvaardigende nota waarvan sprake in het tweede lid moet de aanbestedende overheid toelaten de pertinentie van de door de inschrijver aangebrachte verbeteringen te beoordelen. Aldus kan zij deze ofwel aanvaarden, ofwel rechtzetten of zelfs weigeren. Het past te melden dat de niet-eerbiediging van de verplichting tot het verstrekken van een rechtvaardigende nota, niet van substantiële aard is. Bij gebrek aan een dergelijke nota kan de aanbestedende overheid aan de inschrijver vragen zijn verbeteringen te rechtvaardigen of in geval van een onvoldoende uitleg, weigeren een verbetering in aanmerking te nemen die zij niet kan natrekken.
       HOOFDSTUK 3. - Interpretatie, fouten en leemten
       Art. 80. Dit artikel herneemt quasi zonder wijziging het artikel 85, § 1, van koninklijk besluit van 15 juli 2011. Het vermeldt de te volgen orde van voorrang bij de interpretatie in geval van tegenspraak tussen de opdrachtdocumenten.
       Aldus voorziet het eerste lid dat de tegenspraak tussen opdrachtdocumenten dient opgelost te worden met inachtneming van de hiërarchie van de in dit artikel vermelde documenten. De opdrachtdocumenten kunnen nochtans een andere voorrangsorde voorzien.
       Het tweede lid verduidelijkt eveneens dat de tegenspraak in de plannen onderling de inschrijver niet schaadt gezien deze laatste kan beweren dat hij zijn offerte heeft opgesteld op basis van de aanname die voor hem het meest voordelig blijkt. Er dient niettemin te worden toegevoegd dat de opdrachtdocumenten daar anders kunnen over beschikken. Deze laatste verduidelijking moet toelaten de juiste bedoeling van de aanbestedende overheid te zoeken.
       Er wordt op gewezen dat de tweede paragraaf van artikel 85 van het koninklijk besluit van 15 juli 2011 werd geschrapt. Voortaan is dus niet langer bepaald dat de aanwijzingen die in de opmeting worden aangebracht slechts een statuut van gewone "inlichting" hebben, en dat die opmeting slechts kan worden ingeroepen om desgevallend een onvolledigheid in de overige opdrachtdocumenten op te vangen.
       Art. 81. Dit artikel herneemt artikel 86 van het koninklijk besluit van 15 juli 2011 en handelt over de fouten en leemten die het onmogelijk maken de prijs van de offerte te bepalen of de vergelijking van de offertes te doen. Voorbeeld : het ontbreken van bewapeningsgegevens waardoor het niet mogelijk is de hoeveelheden staal te berekenen voor een bouwwerk in gewapend beton, een wezenlijk verschil tussen de Franstalige en de Nederlandstalige versie van de opdrachtdocumenten, .... In dat geval moet de ondernemer die zinnens is een offerte in te dienen de aanwezigheid van dergelijke fouten of leemten onmiddellijk schriftelijk aan de aanbestedende overheid melden, ten laatste tien dagen vóór de uiterste datum voor de ontvangst van de offertes (behalve ingeval van verkorting van de termijn voor de ontvangst van de offertes). Het past te onderstrepen dat de termijn niet gelijkloopt met de termijn van het koninklijk besluit van 15 juli 2011. Voorheen diende de aanbestedende overheid ten laatste tien dagen voor de datum van de openingszitting verwittigd te worden. Voortaan is deze termijn niet meer verbonden aan de openingszitting maar wel aan de uiterste datum voor ontvangst van de offertes.
       Afhankelijk van het belang van de vastgestelde fouten of leemten, moet de aanbestedende overheid oordelen of de fouten en leemten het opstellen of de vergelijking van de offertes onmogelijk maken enerzijds, en anderzijds of passende maatregelen al dan niet nodig zijn.
       De ondernemer moet de aanbestedende overheid onmiddellijk en ten laatste 10 dagen vóór de uiterste datum voor de ontvangst van de offertes verwittigen omtrent de fouten of leemten. Vervolgens oordeelt deze laatste of de fouten van die aard zijn dat een rechtzettingsbericht moet worden gepubliceerd of een andere vorm van aangepaste bekendmaking gepast is. Hij beschikt hiervoor over tenminste 3 dagen (minstens van de 10de dag tot en met de 7de dag). Wacht hij langer, bijvoorbeeld tot de 6de dag en beslist hij alsnog dat een rechtszettingsbericht nodig is, dan moet toepassing worden gemaakt van artikel 9, tweede en derde lid. De verdaging moet dan sowieso minstens 6 of 8 dagen bedragen.
       Art. 82. Dit artikel stemt overeen met artikel 87 van het koninklijk besluit van 15 juli 2011 en is zowel van toepassing op de opdrachten voor werken als op de opdrachten voor leveringen en diensten.
       Deze bepaling verduidelijkt dat de inschrijver zich vanaf de uiterste datum voor de indiening van de offertes, eventueel verlengd, niet meer mag beroepen op fouten of leemten die zich zouden kunnen voordoen in de samenvattende opmeting of in de inventaris. Het past er op te wijzen dat dit verbod loopt vanaf de uiterste datum voor de indiening van de offertes en niet, zoals in het koninklijk besluit van 15 juli 2011, vanaf de datum van de openingszitting van de offertes.
       De inschrijvers mogen zich volgens het tweede lid vanaf de uiterste datum en uur voor de indiening van de offertes bovendien niet meer beroepen op vormgebreken, fouten of leemten in hun offerte.
       Tenslotte is het nog interessant er aan te herinneren dat deze bepaling essentieel tot doel heeft de risico's op speculatie te vermijden en er naar streeft een gelijke behandeling te verzekeren alsook een normaal spel van de mededinging.
       HOOFDSTUK 4. - Indiening en opening van de offertes
       Art. 83. Deze bepaling stemt overeen met artikel 90, § 2, van het koninklijk besluit van 15 juli 2011, dat grondig gewijzigd wordt ten einde rekening te houden met de verplichting om elektronische middelen te gebruiken zoals voorzien in artikel 14 van de wet en met de verdwijning van de publieke openingszitting van de offertes. Aldus is niet langer sprake, voor het uiterste tijdstip van aankomst van de offerte, dat deze bij de voorzitter van de zitting moet toekomen vooraleer deze de zitting geopend verklaart. Bovendien is de bepaling uitgebreid naar de aanvraag tot deelneming.
       Art. 84. Dit artikel dat handelt over de opening van de offertes waarvoor gebruik gemaakt wordt van elektronische communicatiemiddelen, stemt overeen met artikel 92 van het koninklijk besluit van 15 juli 2011. Deze bepaling werd echter wel grondig gewijzigd. De opening van de offertes gebeurt immers niet meer in een openbare zitting.
       Het past te wijzen op de chronologische volgorde van de verrichtingen. In een eerste tijd worden de offertes neergelegd op een elektronisch platform. Na deze neerlegging worden de offertes geopend en wordt een proces-verbaal opgesteld. In dat proces-verbaal moet ook, en dat is nieuw, de naam van de persoon die elektronisch ondertekend heeft worden vermeld. Wanneer gebruik wordt gemaakt van het elektronische platform dat door de FOD Beleid en Ondersteuning (BOSA). wordt ter beschikking gesteld, dan kan dit proces-verbaal aangemaakt worden met behulp van dit platform. De aanbestedende overheid beschikt vervolgens over drie mogelijkheden om al dan niet over te gaan tot een actieve verspreiding van de informatie vervat in het proces-verbaal : 1° hij kan beslissen om het proces-verbaal zichtbaar te maken voor alle gebruikers van het platform; 2° hij kan beslissen om het proces-verbaal alleen zichtbaar te maken voor de inschrijvers; 3° tot slot kan hij beslissen om het proces-verbaal niet op actieve wijze te verspreiden. Niettemin moet de aandacht erop gevestigd worden dat de wetten, decreten en ordonnanties inzake toegang tot bestuursdocumenten van toepassing blijven en in de meeste gevallen de toegang garanderen tot de bestuursdocumenten, en dus ook tot het proces-verbaal van opening. Daarnaast zorgt ook artikel 163, § 8, van de wet ervoor dat de ondernemers toegang krijgen tot de documenten voor de in de voormelde bepaling bedoelde opdrachten. In de voormelde gevallen zal op passieve wijze toegang verschaft worden tot het proces-verbaal van opening.
       Art. 85. Dit artikel is van toepassing op de gevallen bedoeld in artikel 14, § 2, van de wet en meer bepaald op de gevallen waarin de aanbestedende overheid niet verplicht onderworpen is aan het gebruik van elektronische communicatiemiddelen. In een dergelijke hypothese wordt aan de aanbestedende overheden een grote vrijheid gelaten om voortaan geval per geval te bepalen welke de bijkomende modaliteiten zijn voor de indiening en opening van de offertes.
       HOOFDSTUK 5. - Verbetering van de offertes
       Art. 86. Dit artikel herneemt en versmelt de artikelen 97 en 98 van het koninklijk besluit van 15 juli 2011. Het slaat op de definitieve verbetering van de hoeveelheden die door de aanbestedende overheid wordt uitgevoerd wanneer de inschrijver de hoeveelheid heeft aangepast van een of meerdere posten van de samenvattende opmeting of van de inventaris.
       Gezien de inschrijvers uitgenodigd worden om de hoeveelheid van een of meerdere posten van de samenvattende opmeting of van de inventaris te verbeteren, lijkt het vanzelfsprekend dat dit artikel de aanbestedende overheid een verplichting voorschrijft om de verbeteringen na te zien en zo nodig recht te zetten.
       Wanneer de inschrijver een vermindering van de vermoedelijke hoeveelheden heeft voorgesteld en deze door de aanbestedende overheid werden aanvaard, wordt de totale prijs die overeenstemt met de verminderde hoeveelheid volgens paragraaf 1, tweede lid, een forfaitaire prijs. Dit forfaitair karakter kan een voordeel betekenen in hoofde van de betrokken inschrijver gezien hij de enige zal zijn die van deze vermindering van hoeveelheid zal genieten en bijgevolg ook van een lagere eindprijs voor de rangschikking van zijn offerte. Deze inschrijver zal echter ook alleen het risico dragen dat verbonden is aan een eventuele onderschatting van de hoeveelheid van de verminderde post, want in dit geval zal hij de reële hoeveelheid moeten uitvoeren tegen een forfaitaire prijs.
       Het derde lid bepaalt dat, indien het onmogelijk is voor de aanbestedende overheid om de wijzigingen van een post met vermoedelijke hoeveelheid na te zien, deze laatste de initiële hoeveelheid van de opmeting of inventaris behoudt.
       De tweede paragraaf slaat op de berekening van de prijs van een post van de samenvattende opmeting waarvoor de inschrijver geen enkele prijs aangaf. In dit geval kan de aanbestedende overheid naar eigen keuze ofwel de offerte weren als onregelmatig, ofwel de leemte invullen met toepassing van de formule die in dit ontwerp is opgenomen.
       Het laatste lid van paragraaf 2 bepaalt dat de aanbestedende overheid, voor de berekening van de waarden L en X, gerechtigd is geen rekening te houden met de offertes die voor de betrokken post een abnormale prijs vermelden, en dit om te vermijden dat een dergelijke prijs ten onrechte het gemiddelde zou beïnvloeden.
       Paragraaf 3 slaat op de berekening van de leemten die de aanbestedende overheid in de samenvattende opmeting of in de inventaris heeft laten staan en die verbeterd werden overeenkomstig het artikel 79, § 2.
       Volgens het punt 1° verzekert de aanbestedende overheid zich van de juistheid van deze rechtzetting en verbetert zij die zo nodig in functie van haar eigen vaststellingen.
       Wanneer de overige inschrijvers geen prijzen hebben voorgesteld voor de leemten, zullen deze prijzen voor elke post berekend worden op basis van de formule hernomen in dit ontwerp met het oog op de rangschikking van de offertes en deze blijven aangehouden bij de definitieve verbetering van de offertes.
       Het punt 2° beveelt de aanpassing van de factoren van de formule aan wanneer meerdere inschrijvers dezelfde leemte hebben gesignaleerd.
       Het punt 3° verduidelijkt dat de eenheidsprijs van een leemte bekomen wordt door de som S te delen door de overeenstemmende hoeveelheid, zoals deze eventueel werd rechtgezet door de aanbestedende overheid.
       Het punt 4° biedt de mogelijkheid aan de aanbestedende overheid om geen rekening te houden met een offerte waarin de voor deze leemte (ontbrekende post) aangeboden prijs abnormaal is.
       Het laatste lid van paragraaf 3 verduidelijkt dat, indiengeen enkele inschrijver een normale prijs heeft geboden voor die leemte, de aanbestedende overheid de opdracht kan gunnen zonder met deze post rekening te houden.
       Paragraaf 4 die reeds van toepassing was op de aanbestedingen in het koninklijk besluit van 15 juli 2011 is voortaan van toepassing op alle openbare en beperkte procedures, ook indien meerdere gunningscriteria worden aangewend.
       Het eerste lid verduidelijkt dat enkel met het oog op de rangschikking van de offertes, de door de aanbestedende overheid aanvaarde hoeveelheden die hoger zijn dan of gelijk aan de initiële opmeting of initiële inventaris, zonder onderscheid worden ingebracht in alle opmeting en inventarissen. Indien de verbeteringen niet op alle offertes worden toegepast, zou hun vergelijking inderdaad uit zijn evenwicht gebracht kunnen worden. In geval van een verhoging van de hoeveelheden, ingeleid door de rechtzetting, zou een inschrijver, auteur van de rechtzetting, immers benadeeld kunnen worden, gezien zijn offerte in essentie duurder zal zijn dan deze van de concurrenten. De aanpassing van de opmeting en inventarissen heeft bijgevolg tot doel deze onevenwichten te neutraliseren ten einde een eventuele onthouding van een ondernemer die zou afzien van een rechtzetting van de hoeveelheden om niet benadeeld te zijn ten opzichte van zijn concurrenten tegen te gaan.
       Volgens het tweede lid heeft de door de aanbestedende overheid toegelaten wijziging die leidt tot een vermindering van de hoeveelheden geen baat voor anderen dan voor diegene die ze doorvoerde. De verantwoording van deze bepaling ligt voor de hand. De aanpassing van de opmeting of van de inventaris bij de offertes van de andere inschrijvers zou het voordeel van de inschrijver, auteur van de rechtzetting tenietdoen. Deze laatste zou geen enkel belang meer hebben bij een dergelijke rechtzetting. Hij zou er aldus vaak toe kunnen komen te verkiezen om niets voor te stellen en voordeel te halen uit een vermindering van hoeveelheden in de loop van de uitvoering van de opdracht, zonder weerslag op de prijs (vermindering die - het weze herhaald - reeds door hem had moeten voorzien zijn).
       De vijfde paragraaf legt de verplichting op om rekening te houden met de in de al dan niet regelmatige offerte voorgestelde verbeteringen, die door een geselecteerde of voorlopig geselecteerde inschrijver worden ingediend. Het lijkt immers normaal dat de fouten in de hoeveelheden van de opmeting of inventarissen moeten kunnen rechtgezet worden, zelfs al werden ze enkel gesignaleerd in de onregelmatig verklaarde offertes. Zowel de inschrijver als de aanbestedende overheid hebben er inderdaad alle belang bij een opdracht af te sluiten op juiste basissen.
       HOOFDSTUK 6. - Gunning van de opdracht
       Art. 87. Dit artikel fusioneert de artikelen 100 en 101 van het koninklijk besluit van 15 juli 2011.
       Het eerste lid van de eerste paragraaf handelt over de vereiste en de toegestane varianten. Ten einde de economisch meest voordelige offerte te bepalen moet een rangschikking van de basisoffertes en van de varianten worden opgesteld.
       Het tweede lid handelt over de vrije varianten en gebruikt het systeem dat in plaats gesteld is in het eerste lid en dit enkel voor de varianten die de aanbestedende overheid wenst te weerhouden.
       Het derde lid betreft de vereiste, de toegestane en de vrije opties. Het verduidelijkt dat een gelijkaardig systeem als dit voorzien voor de varianten tevens van toepassing is voor deze opties.
       Het vierde lid geeft aan welke weg dient gevolgd te worden in het geval een meerprijs of andere tegenprestatie wordt gevraagd die verbonden is aan een vrije of toegestane optie in weerwil van het verbod in artikel 48, § 3. In een dergelijk geval moet de optie gewoon buiten beschouwing worden gelaten voor zover zulks mogelijk is (zonder dat de offerte dus onregelmatig wordt verklaard). Als dit niet mogelijk, dan is de offerte behept met een onregelmatigheid die overeenkomstig artikel 76 van het onderhavige ontwerp moet worden beoordeeld. De in artikel 76, § 1, derde lid, bedoelde voorwaarden zullen in dit laatste geval vaak vervuld zijn. Hieruit volgt dat de offerte substantieel onregelmatig moet worden verklaard.
       Het vijfde lid verduidelijkt dat de keuze van de opdrachtnemer, wanneer meerdere inschrijvers een verbetering van de offerte of een prijskorting in geval van groepering van meerdere percelen hebben voorgesteld. Het is belangrijk er zich bewust van te zijn dat de economisch meest voordelige offerte niet alleen wordt bepaald door het groeperen van de economisch meest voordelige percelen, maar ook door het geheel van de economisch meest voordelige percelen. Het in deze bepaling vooropgestelde doel is immers toe te laten de economisch meest voordelige combinatie in aanmerking te nemen vanuit het oogpunt van de aanbestedende overheid, ongeacht of het nu om een groepering van percelen of om individuele percelen gaat.
       Het zesde lid gaat over het geval waarin de inschrijver niet voldoet aan de minimumeisen voor bepaalde percelen.
       De tweede paragraaf verduidelijkt wat moet gebeuren in het geval waarin meerdere economische meest voordelige offertes gelijkwaardig zijn. In een eerste fase worden de betrokken inschrijvers uitgenodigd om hun offerte te verbeteren. Indien er daarna nog gelijkwaardige offertes overblijven, moet overgegaan worden tot een loting. Te dien einde worden de betrokken inschrijvers uitgenodigd hierop aanwezig te zijn, zonder dat dit echter een verplichting is.
       HOOFDSTUK 7. - Sluiting van de opdracht
       Art. 88. Het eerste lid van artikel 88 neemt artikel 102 van het koninklijk besluit van 15 juli 2011 over.
       Het tweede lid van dit artikel is enigszins gewijzigd ten opzichte van voormeld artikel 102 ingevolge de evolutie naar een veralgemeend gebruik van de elektronische communicatiemiddelen zoals voorzien in artikel 14, § 1, van de wet. Gezien de fax, ondanks het teruglopend belang van dit verzendingsmiddel ingevolge de opkomst van andere elektronische communicatiemiddelen, toch nog steeds als dusdanig gebruikt wordt, is het hier nog steeds vermeld. Er wordt op gewezen dat de betekening via e-mail ook specifiek is vermeld. De verwijzing naar de klassieke aangetekende brief is echter weggevallen en er wordt voortaan enkel nog gewag gemaakt van een aangetekende zending, waarbij zowel de schriftelijke als de elektronische aangetekende zending wordt bedoeld.
       In het laatste lid van dit artikel wordt het derde lid van artikel 102 van het koninklijk besluit van 15 juli 2011 overgenomen, maar enigszins ingekort.
       Art. 89. Artikel 89 behandelt de gevallen waarin de verbintenistermijn (geldigheidstermijn) van de offerte overschreden wordt. Het eerste lid van artikel 89 herneemt, licht gewijzigd, beide eerste leden van de artikelen 103 en 104 van het koninklijk besluit van 15 juli 2011. Voor de toepassing van dit artikel wordt er voortaan geen onderscheid meer gemaakt tussen de vroeger genoemde procedures van aanbesteding en offerteaanvraag.
       Het tweede lid herneemt eveneens quasi onveranderd de overeenstemmende tweede leden van de voormelde artikelen, zij het dat er geen melding meer wordt gemaakt van een "schriftelijke" toestemming, maar enkel van een toestemming zonder meer. Dit sluit eveneens aan bij de evolutie naar een veralgemeend gebruik van elektronische middelen, zoals reeds aangehaald in de commentaar bij artikel 88, tweede lid.
       Ook de derde leden van voormelde artikelen 103 en 104 zijn grotendeels overgenomen in het derde lid van onderhavig artikel, met dien verstande dat hier evenmin nog melding wordt gemaakt van de aanbestedingsprocedure of offerteaanvraag.
       In het vierde lid, dat in grote mate een overname is van de inhoud van de vierde leden van respectievelijk de artikelen 103 en 104 van het koninklijk besluit van 15 juli 2011, is er enkel in het punt 2° een zekere aanpassing van de tekst van voormelde artikelen, in die zin dat rekening wordt gehouden met het gebruik van de elektronische platformen.
       Voor wat betreft de verdere commentaar bij dit artikel wordt verwezen naar het verslag aan de Koning bij de artikelen 103 en 104 van het hoger koninklijk besluit van 15 juli 2011.
       TITEL 3. - Gunning bij onderhandelingsprocedure zonder voorafgaande bekendmaking en bij mededingingsprocedure met onderhandeling
       HOOFDSTUK 1. - Specifieke drempels
       Art. 90 en 91. Deze artikelen bepalen een aantal specifieke drempels voor het gebruik maken van de onderhandelingsprocedure zonder voorafgaande bekendmaking (artikel 90) en van de mededingingsprocedure met onderhandeling (artikel 91).
       In artikel 90, eerste lid, 1°, wordt de vaste drempel van 85.000 euro van artikel 105 van het koninklijk besluit van 15 juli 2011 naar de herzienbare drempel van 135.000 euro gebracht. Beneden deze drempel kan voor het plaatsen van overheidsopdrachten steeds beroep worden gedaan op de onderhandelingsprocedure zonder voorafgaande bekendmaking.
       In artikel 90, eerste lid, 2° wordt terzake een herzienbare drempel opgelegd van 209.000 euro voor wat betreft de opdrachten voor diensten inzake onderzoek en ontwikkeling, doch enkel voor de andere dan federale aanbestedende overheden. Hetzelfde geldt voor de diensten inzake arbeidsbemiddeling en vervoersondersteunende diensten, maar slechts ten aanzien van de CPV-codes die in het tweede lid zijn opgelijst. Het betreft telkens diensten waarbij ingevolge artikel 105, § 1, 1°, van het koninklijk besluit van 15 juli 2011, reeds een hoger drempel van toepassing was, maar die niet in de in bijlage III bij de wet vermelde sociale en andere specifieke diensten zijn opgenomen. Zodoende is op deze opdrachten het in artikel 89, § 1, 2°, van de wet bedoelde drempel van 750.000 euro niet van toepassing en is een specifieke bepaling nodig om te vermijden dat deze diensten plots aan het voormelde drempel van 135.000 euro zouden worden onderworpen. Immers is er voor de betreffende diensten en met name voor de diensten inzake onderzoek en ontwikkeling (voor zover deze laatste al niet uitgesloten zijn uit het toepassingsgebied; zie artikel 32 van de wet) nog steeds een iets soepeler houding nodig.
       Het punt 3°, waarin de bestaande drempel van 30.000 euro voor elke perceel opgetrokken naar 100.000 euro, stemt voor het overige volledig overeen met paragraaf 1, 3°, van artikel 105 van het koninklijk besluit van 15 juli 2011. Voor verdere informatie wordt verwezen naar de commentaar bij artikel 105 van het koninklijk besluit 15 juli 2011.
       Er wordt op gewezen dat de drempels voor de vereenvoudigde onderhandelingsprocedure met voorafgaande bekendmaking bepaald zijn in artikel 41 van de wet. Aldus is voorzien dat enkel de opdrachten voor leveringen en voor diensten waarvan het geraamde bedrag lager is dan de drempels bepaald voor de Europese bekendmaking en voor de opdrachten voor werken waarvan het geraamd bedrag lager is dan 750.000 euro, kunnen geplaatst worden via een vereenvoudigde onderhandelingsprocedure met voorafgaande bekendmaking.
       Artikel 91 bepaalt in zijn punt 1° dat beneden de vaste drempel van 750.000 euro voor de opdrachten voor werken kan beroep gedaan worden op de mededingingsprocedure met onderhandeling, in uitvoering van artikel 38, § 1, f), van de wet. Op heden is dit 600.000 euro (artikel 105, § 2, 1°, van het koninklijk besluit van 51 juli 2011). Aldus werd dit drempel afgestemd op het in artikel 41, § 1, 2°, van de wet bedoelde drempel waarbij voor de opdrachten van werken gebruik mag worden gemaakt van de vereenvoudigde onderhandelingsprocedure met voorafgaande bekendmaking. Dit laatste drempel is immers eveneens op 750.000 euro gebracht.
       In artikel 91, 2°, worden de drempels voor de opdrachten voor leveringen en diensten - al naargelang het type van aanbestedende overheid die de opdracht lanceert - vastgesteld op de (herzienbare) bedragen voorzien in artikel 11, eerste lid, 2° dan wel 3°, namelijk op (op heden) 135.000 dan wel 209.000 euro.
       HOOFDSTUK 2. - Verloop en sluiting van de opdracht
       Art. 92. Dit artikel is nieuw en verduidelijkt dat de uiterste datum en uur voor de indiening van de offertes strikt moeten geëerbiedigd worden in het kader van een mededingingsprocedure met onderhandeling. Dezelfde aanpak werd gevolgd als bij de openbare en niet-openbare procedure (zie artikel 83), weze het dat bij de mededingingsprocedure met onderhandeling er uit de aard der zaak geen aanvraag tot deelneming is.
       Art. 93. Het gaat om een nieuwe bepaling betreffende de spontane offertes. Er is voorzien, in de onderhandelingsprocedure zonder voorafgaande bekendmaking, dat de spontane offertes in principe verworpen worden, tenzij bij uitdrukkelijke en gemotiveerde andersluidende beslissing van de aanbestedende overheid. De wering van de spontane offertes vergt echter geen motivering vanwege de aanbestedende overheid. Deze bepaling wijkt af van de rechtspraak van de Raad van State (met name arrest nr. 227.909 van de Raad van State van 26 juni 2014).
       Voor wat betreft de opdrachten onder de Europese drempel, geplaatst via een onderhandelingsprocedure zonder voorafgaande bekendmaking, bepaalt het tweede lid dat er geen verplichting bestaat tot het opleggen van specifieke selectiecriteria. Het betreft een verduidelijking ten opzichte van hetgeen reeds voorzien is in artikel 42, § 3, 2°, van de wet, waarbij is bepaald dat, voor dezelfde opdrachten, artikel 71 van de wet omtrent de selectiecriteria niet van toepassing is. Hieruit volgt dat, behoudens andersluidende bepaling in de opdrachtdocumenten, de artikelen 65 tot 70 niet van toepassing zijn.
       Art. 94. Het eerste lid van artikel 94 herneemt artikel 108, § 1, van het koninklijk besluit van 15 juli 2011, maar met aanpassing aan de nieuwe terminologie in die zin dat de meer algemene term "ondernemer" gebruikt wordt in plaats van "aannemer, leverancier en dienstverlener", overeenkomstig de definitie in artikel 2, 10°, van de wet. De bepaling werd veralgemeend naar alle opdrachten die worden geplaatst bij onderhandelingsprocedure zonder bekendmaking, ongeacht het geraamde opdrachtbedrag. Zodoende zullen, wanneer meerdere ondernemers worden geraadpleegd, deze ook bij de opdrachten waarvan de geraamde waarde drempel voor de Europese bekendmaking niet bereikt en die worden geplaatst bij onderhandelingsprocedure zonder bekendmaking, gelijktijdig en schriftelijk moeten worden uitgenodigd om een offerte in te dienen. Hierbij moet worden benadrukt dat de aanbestedende overheid een gepast aantal ondernemers moet consulteren in functie van de aard van de opdracht. Echter kan als algemene maatstaf worden gesteld dat de aanbestedende overheid er goed aan doet tenminste drie ondernemers te consulteren.
       Het punt 1° werd aangepast in die zin dat de uitnodiging de opdrachtdocumenten nog slechts dient te omvatten voor zover deze niet reeds op elektronische wijze ter beschikking zijn gesteld, volgens de modaliteiten opgelegd in dit punt, met vermelding van het internetadres dat toegang biedt tot deze documenten. Dit is een gevolg van de veralgemening van het gebruik van elektronische middelen. De kosteloosheid van deze terbeschikkingstelling is voortaan algemeen geldend.
       In het punt 2° is nu sprake van het uiterste datum en tijdstip voor de indiening van de offertes. Het taalgebruik wordt niet langer behandeld in de onderhavige bepaling, in tegenstelling tot wat het geval is in artikel 108, 2°, van het koninklijk besluit van 15 juli 2011. Voor verdere informatie in dit verband wordt verwezen naar de commentaar bij artikel 53 van dit besluit.
       Het punt 3° is ongewijzigd overgenomen van artikel 108 van het koninklijk besluit van 15 juli 2011.
       In het punt 4° werd het eerste deel van de zin overgenomen van artikel 108, § 1, lid 2, 4°, van koninklijk besluit van 15 juli 2011. Het tweede deel van de zin, waarin sprake is van de gunningscriteria van de opdracht, werd enigszins aangepast in die zin dat verwezen wordt naar artikel 81 van de wet, dat handelt over deze criteria en over de weging en naar artikel 42, § 3, tweede lid, van de wet, dat de gevallen opsomt waarin voormeld artikel 81 niet van toepassing is.
       Art. 95. Dit artikel herneemt de bepalingen van artikel 110, 1°, en 3°, van het koninklijk besluit van 15 juli 2011, dat de wijzen van sluiting van een opdracht via mededingingsprocedure met onderhandeling of een onderhandelingsprocedure zonder voorafgaande bekendmaking verduidelijkt. Nieuw is het feit dat voortaan wordt verwezen in 2° naar de mogelijkheid tot verbetering van fouten door de aanbestedende overheid. Het verbeteringssysteem is immers van toepassing voor alle opdrachten, ongeacht de plaatsingsprocedure daar waar het koninklijk besluit van 15 juli 2011 dit systeem had beperkt tot de aanbesteding en de offerteaanvraag.
       In het punt 2° van dit artikel wordt, voor wat de notificatie betreft, verwezen naar de modaliteiten opgelegd door het artikel 88, tweede lid, rekening houdend met het gebruik van de elektronische communicatiemiddelen.
       Tenslotte kan nog worden aangehaald dat het laatste lid van artikel 110 van het koninklijk besluit van 15 juli 2011, dat bepaalt dat de wijzen van sluiting van de opdracht ingeval van een onderhandelingsprocedure niet gelden voor de opdrachten gesloten met aanvaarde factuur, niet meer werd overgenomen in dit ontwerp. Artikel 92, laatste lid, van de wet bepaalt immers reeds dat deze opdrachten tot stand komen via een aanvaarde factuur, wat inhoudt dat de factuur geldt als bewijs van de sluiting van de opdracht.
       HOOFDSTUK 3. - Gebruik van de mededingingsprocedure met onderhandeling na een eerste vruchteloze procedure
       Art. 96. Het doel van dit nieuwe artikel is een definitie te geven van wat onder "formele eisen" moet begrepen worden in de zin van artikel 38, § 1, tweede lid, van de wet. Ter herinnering, het betreft de hypothese waarbij gebruik mag worden gemaakt van de mededingingsprocedure met onderhandeling na een eerste vruchteloze procedure. Inderdaad is het gebruik van de mededingingsprocedure met onderhandeling toegelaten met betrekking tot opdrachten waarvoor, naar aanleiding van een openbare of niet-openbare procedure, enkele onregelmatige of onaanvaardbare offertes werden ingediend. De aanbestedende overheid zal in deze hypothese niet verplicht zijn een aankondiging van opdracht bekend te maken indien zij tot de procedure alle inschrijvers toelaat die aan de eisen inzake selectie beantwoorden en bij de eerste procedure een offerte hebben ingediend die "aan de formele eisen voldeed". Voor de opdrachten die de drempels voor de Europese bekendmaking bereiken, kan de aanbestedende overheid uitsluitend de voormelde inschrijvers toelaten (indien hij geen aankondiging van de opdracht bekendmaakt). Voor de opdrachten die de voormelde drempels niet bereiken, kan zij ook andere inschrijvers raadplegen overeenkomstig het bepaalde in artikel 38, § 1, derde lid, van de wet. Voor de toepassing van artikel 38, § 1, tweede en derde leden, is het onderscheid tussen formele en materiële regelmatigheid dus van belang. In het kader van het regelmatigheidsonderzoek wordt dit onderscheid in beginsel niet langer gemaakt (voor nadere toelichting hieromtrent wordt verwezen naar de commentaar bij artikel 76).
       Welnu, de offertes die de artikelen 38, 42, 43, § 1, 44, 48, § 2, 54, § 2, 55, en 83 van dit ontwerp en van artikel 14 van de wet naleven beschouwd als offertes die aan de formele eisen van de initiële plaatsingsprocedure voldeden.
       TITEL 4. - Gunning bij concurrentiegerichte dialoog
       Art. 97. Dit artikel herneemt het artikel 112, § 1, derde lid van het koninklijk besluit van 15 juli 2011. In tegenstelling tot het veel uitgebreider artikel 111 van het koninklijk besluit van 15 juli 2011, zijn nu reeds heel wat bepalingen omtrent de concurrentiegerichte dialoog opgenomen in artikel 39 van de wet, onder meer wie aan de dialoog kan deelnemen, welke behoeften en eisen van de aanbestedende overheid in de aankondiging van de opdracht dienen aangegeven te worden incluis gunningscriteria, welke principes dienen nageleefd te worden, met wie onderhandelingen kunnen gevoerd worden, enz. Er is bijgevolg geen behoefte meer aan herhaling van deze elementen in dit ontwerp, maar het is wel nuttig aan te geven in welke bijlage de door de kandidaat deelnemer aan de dialoog te verstrekken inlichtingen zijn opgesomd. Dit verklaart waarom onderhavig artikel bondig kon worden opgesteld.
       Art. 98. Dit artikel herneemt het artikel 113, § 1, eerste lid en tweede lid, van het koninklijk besluit van 15 juli 2011 zonder enige wijziging. De inhoud van artikel 113, § 1, derde lid en 113, § 2 van ditzelfde besluit is respectievelijk reeds opgenomen in artikel 39, §§ 4 en 5, van de wet, zonder noemenswaardige wijziging van de inhoud.
       Art. 99. Dit artikel geeft meer details omtrent de indiening van een definitieve offerte nadat de dialoog is afgesloten. Anders dan het geval is in artikel 114, § 1, eerste en tweede lid, van het koninklijk besluit van 15 juli 2011, wordt niet langer een formeel onderscheid gemaakt tussen de gemeenschappelijke en individuele oplossing. Dit doet evenwel geen afbreuk aan artikel 39, § 3, derde lid van de wet. Bovendien werd er de voorkeur aan gegeven om nauw aan te sluiten bij de bewoordingen van de overeenkomstige richtlijnbepaling (artikel 30.6 van richtlijn 2014/24/EU).
       Art. 100. Artikel 100 van dit ontwerp stemt overeen met artikel 114, § 3, van het koninklijk besluit van 15 juli 2011, en bepaalt dat de concurrentiegerichte dialoog wordt gesloten door de ondertekening van een overeenkomst tussen de betrokken partijen.
       TITEL 5. - Specifieke of aanvullende opdrachten en procedures
       HOOFDSTUK 1. - Dynamisch aankoopsysteem
       Art. 101. Wat betreft het dynamisch aankoopsysteem is artikel 44 van de wet duidelijk meer uitgebreid dan het artikel 29 van de wet van 15 juni 2006. Dit artikel geeft omzetting aan de bepalingen van artikel 34 van de richtlijn 2014/24/EU.
       In punt 1° van artikel 101 werd de inhoud van artikel 125, 1°, van het koninklijk besluit van 15 juli 2011 opgenomen, met dien verstande dat het huidig artikel verwijst naar de standaardformulieren die door de Europese Commissie worden opgelegd bij uitvoeringsreglement inzake de bekendmaking van aankondigingen. Dit punt stemt tevens overeen met artikel 34, punt 4, a), van de richtlijn 2014/24/EU.
       In het punt 2° van artikel 101 wordt de inhoud van het tweede punt van artikel 125 van het koninklijk besluit van 15 juli 2011 grotendeels overgenomen, mits enige wijziging in die zin dat nu naast de aard ook de geraamde hoeveelheid van de beoogde aankopen moet vermeld worden, zoals opgelegd door artikel 34, punt 4, b), van de voormelde richtlijn. Verder is de inhoud van dit punt quasi gelijklopend met punt 2° van artikel 125 van het koninklijk besluit van 15 juli 2011. Zoals reeds gezegd in artikel 44 van de wet verloopt het dynamisch aankoopsysteem als een volledig elektronisch proces.
       Het punt 3° van artikel 101 is nieuw en vloeit rechtstreeks voort uit de richtlijn. Het bepaalt dat, overeenkomstig artikel 44, § 2, tweede lid, van de wet de aanbestedende overheid verplicht is elke verdeling van het systeem in categorieën van producten, werken of diensten aan te geven, alsook de kenmerken ervan.
       Het laatste punt van artikel 101 herneemt de inhoud van het punt 3° van artikel 125 van koninklijk besluit van 15 juli 2011. Er wordt geen melding meer gemaakt van de kosteloosheid wat betreft de toegang tot de opdrachtdocumenten zoals dit het geval was in artikel 129, tweede lid, van het koninklijk besluit van 15 juli 2011, gezien deze verplichting reeds is opgenomen in artikel 44, § 4, van de wet.
       Art. 102. Het eerste lid van dit artikel geeft omzetting aan de bepalingen van artikel 34, punt 5, eerste lid, van de richtlijn 2014/24/EU en valt ook grotendeels samen met het artikel 126, eerste en tweede lid, van het koninklijk besluit van 15 juli 2011, waarbij er weliswaar geen sprake meer is van het indienen van indicatieve offertes.
       Het tweede lid van artikel 102 herneemt het artikel 126, tweede lid van het koninklijk besluit van 15 juli 2011, met wijziging. Het geeft bovendien omzetting aan punt 5, tweede lid van artikel 34 van de richtlijn. Het betreft de concrete modaliteiten voor de verlenging van de evaluatieperiode van de aanvragen tot deelneming aan het systeem.
       Het derde lid van dit artikel geeft omzetting aan punt 5, derde lid van artikel 34 van de richtlijn. Het verplicht de aanbestedende overheid elke betrokken deelnemer zo snel mogelijk in te lichten of hij al dan niet is toegelaten tot het dynamisch aankoopsysteem.
       Art. 103. Dit artikel herneemt het artikel 128 van het koninklijk besluit van 15 juli 2011, met wijziging en geeft omzetting aan artikel 34, punt 6, eerste lid van de richtlijn 2014/24/EU. Het sluit nauw aan bij artikel 44, paragraaf 2, van de wet. Hij behoeft geen verdere toelichting.
       Art. 104. Dit artikel is volledig nieuw.
       In zijn eerste lid verwijst dit artikel naar de §§ 3 en 4 van artikel 73, van de wet, waarin de mogelijkheid is geopend voor de aanbestedende overheden om bijkomende informatie of ondersteunende documenten te vragen tijdens de procedure, alsook voor de ondernemers om zelf geen bewijsstukken over te leggen indien deze rechtstreeks toegankelijk zijn via andere kanalen (databases, aanbestedingsregisters, enz.).
       Het geeft in zijn tweede lid aan volgens welke modaliteiten de aanbestedende overheid van de deelnemers aan dit aankoopsysteem kan verlangen dat een geactualiseerd UEA wordt voorgelegd.
       Art. 105. Onderhavig artikel geeft in zijn punten 1° en 2° respectievelijk omzetting aan artikel 34, punt 8, a) en b), van de richtlijn 2014/24/EU. De geldigheidstermijn van het dynamisch aankoopsysteem dient voortaan aangekondigd via de standaardformulieren waarnaar verwezen wordt in 1° en 2° van dit artikel. In tegenstelling tot wat bepaald was in artikel 129, eerste lid, van het koninklijk besluit van 15 juli 2011, is de looptijd van een dergelijk aankoopsysteem niet meer beperkt tot vier jaar vanaf de eerste inmededingingstelling. De geldigheidstermijn kan door de aanbestedende overheid worden bepaald.
       Wat betreft de opdrachten waarvan het geraamd bedrag de drempels voor de Europese bekendmaking bereikt, heeft de aanbestedende overheid voortaan ook de verplichting om de Europese Commissie en het in artikel 163, § 2, van de wet bedoelde aanspreekpunt op de hoogte te brengen van elke verandering in de geldigheidstermijn van een dynamisch aankoopsysteem.
       HOOFDSTUK 2. - Elektronische veiling
       Art. 106. Dit artikel geeft omzetting aan artikel 35, punt 4, van de richtlijn 2014/24/EU, dat als voorwaarde oplegt voor het gebruik van een elektronische veiling dat zulks moet meegedeeld zijn in de aankondiging van de opdracht. De opdrachtdocumenten terzake moeten minstens de in de bijlage 8 vermelde informatie bevatten, daar waar deze gegevens in het artikel 131, tweede lid, punten 1° tot 4° van het koninklijk besluit van 15 juli 2011 waren opgesomd.
       Art. 107. Het eerste lid van artikel 107 herhaalt eigenlijk het gezegde in artikel 45, § 4 van de wet en bevestigt aldus dat er in de eerste plaats een volledige evaluatie van de offertes moet gebeuren, zoals overigens reeds was gestipuleerd in artikel 132, eerste lid van het koninklijk besluit van 15 juli 2011. Deze evaluatie bestaat met name uit de selectie, het nazicht van de regelmatigheid, de evaluatie op basis van de gunningscriteria en het voorlopig klassement.
       In het tweede lid van dit artikel worden het tweede en derde lid van voormeld artikel 132, enigszins gewijzigd, hernomen. Het stemt overeen met het laatste lid van het punt 5 van artikel 35 van de richtlijn 2014/24/EU. Er wordt in bevestigd dat de elektronische uitnodigingen om deel te nemen aan een dergelijke veiling tegelijkertijd dienen gelanceerd te worden en dat deze laatste in meerdere fasen kan verlopen.
       Art. 108. Artikel 108, eerste lid, geeft omzetting aan artikel 35, punt 6, van de richtlijn 2014/24/EU, voor wat betreft het verzenden van de resultaten van de evaluatie van de betrokken offerte samen met de uitnodigingen.
       Het artikel 35, punt 6, tweede lid, van bovenvermelde richtlijn wordt volledig omgezet in het tweede lid van dit artikel, dat nieuw is.
       Het geeft gevolg aan het feit dat voortaan bij elektronische veilingen eveneens rekening kan gehouden worden met meerdere gunningscriteria en met de eventuele weging die werd opgelegd, op basis van een wiskundige formule die tijdens de veiling zal worden gehanteerd. Het is immers zo dat voorheen enkel rekening werd gehouden met het criterium "prijs" als gunningscriterium.
       Het derde lid van dit artikel, dat handelt over de toegestane varianten, stemt volledig overeen met het derde lid van artikel 35, punt 6, van de voormelde richtlijn.
       In het vierde lid van artikel 108 wordt gespecifieerd dat vrije varianten niet toegelaten kunnen worden in het kader van een elektronische veiling. Het is nieuw ten opzichte van het koninklijk besluit van 15 juli 2011.
       Het vijfde lid van artikel 108 stemt overeen met artikel 132, derde lid, van het koninklijk besluit van 15 juli 2011, zonder enige wijziging.
       In het laatste lid van dit artikel wordt het laatste lid van artikel 132 van het koninklijk besluit van 15 juli 2011 overgenomen, mits een lichte wijziging in die zin dat de termijn voor het starten van de elektronische veiling pas kan aanvangen na het verstrijken van tenminste twee werkdagen vanaf de datum van verzending van de uitnodiging in overeenstemming met artikel 35, punt 5, laatste zin van de richtlijn 2014/24/UE en dus niet meer van vijf dagen.
       Art. 109. De eerste paragraaf van dit artikel herneemt artikel 133, § 1, eerste lid, van het koninklijk besluit van 15 juli 2011, zonder wijziging.
       In het eerste lid van de tweede paragraaf wordt punt 7 van artikel 35 van de richtlijn 2014/24/EU omgezet. Deze bepaling was overigens op quasi identieke wijze reeds opgenomen in de tweede paragraaf van het voormeld artikel 133.
       Het tweede lid van voormelde paragraaf is een letterlijke overname van het laatste lid van paragraaf 2 van artikel 133 van het koninklijk besluit van 15 juli 2011.
       Art. 110. Artikel 110, eerste lid, van dit besluit geeft omzetting aan artikel 35, punt 8, eerste lid, a), b) en c), van de richtlijn 2014/24/EU. De inhoud ervan valt eveneens in grote mate samen met het artikel 134, 1°, 2° en 3°, van het koninklijk besluit van 15 juli 2011 en is enkel enigszins anders geformuleerd ten einde volledig overeen te stemmen met de eerder vermelde richtlijnbepaling.
       Het tweede lid van dit artikel handelt over de sluiting van de elektronische veiling, en geeft omzetting van artikel 35, punt 8, tweede lid van de bovenvermelde richtlijn.
       Art. 111. Het artikel 111 van onderhavig besluit geeft omzetting aan artikel 35, punt 9, van de richtlijn 2014/24/EU.
       De inhoud van het eerste lid van dit artikel is tevens een overname van artikel 135, eerste lid, van het koninklijk besluit van 15 juli 2011, met verwijzing naar artikel 81 van de wet dat handelt over de gunningscriteria van de opdracht.
       Het tweede lid van dit artikel is een aangepaste overname van de inhoud van het tweede lid van artikel 135 van voormeld besluit. Er wordt geen verwijzing meer opgenomen in de tekst noch naar de procedure van aanbesteding, noch naar de onderhandelingsprocedure. In de hoger vermelde richtlijn en in dit ontwerp bij de elektronische veiling kan desgevallend ook sprake zijn van meerdere gunningscriteria, in tegenstelling tot het koninklijk besluit van 15 juli 2011, dat in een dergelijke procedure enkel de prijs als enig gunningscriterium erkent. Bovendien wordt de keuze tussen een elektronische loting of een laatste onderhandeling over de prijs niet meer vermeld in dit ontwerp voor de procedures waarin onderhandelingen toegestaan zijn. Dit belet echter niet dat een laatste onderhandeling over de prijs kan plaats hebben vooraleer wordt overgegaan tot de elektronische loting.
       HOOFDSTUK 3. - Elektronische catalogi
       Art. 112. Dit artikel geeft de bijkomende regels aan ter omzetting van artikel 36, punt 1, derde lid van de richtlijn 2014/24/EU, dat voor het eerst de mogelijkheid tot gebruik van elektronische catalogi in de regelgeving inzake overheidsopdrachten invoert. Het verwijst tevens naar artikel 46 van de wet dat handelt over dit type van instrument voor de afhandeling van overheidsaankopen.
       Zoals Roger Bickerstaff het stelt in het artikel "E-procurement Under the New EU Procurement Directives" in het Public Procurement Law Review" (Nummer 3 - 2014) is dit concept in sommige lidstaten al sinds meerdere jaren in gebruik in het domein van de overheidsaankopen, maar dit instrument is pas in de nieuwste richtlijnen inzake overheidsopdrachten opgenomen in dit kader.
       Art. 113. Artikel 113, 1° en 2°, neemt de bepalingen van artikel 36, punt 3, a) en b), van de richtlijn 2014/24/EU over. Het geeft de concrete werkwijze aan voor het geval de aanbestedende overheid van dergelijke catalogi gebruik wenst te maken voor de indiening van een offerte. Voor verdere commentaar bij de elektronische catalogi wordt ook verwezen naar de overweging 68 van de richtlijn 2014/24/EU, die luidt als volgt :
       "Er worden voortdurend nieuwe elektronische aankooptechnieken zoals elektronische catalogi ontwikkeld. Elektronische catalogi zijn een format waarmee informatie voor alle deelnemende bieders op dezelfde wijze wordt gepresenteerd en georganiseerd en dat zich leent voor elektronische verwerking. Het kan bijvoorbeeld gaan om inschrijvingen in de vorm van een spreadsheet. De aanbestedende diensten moeten elektronische catalogi kunnen verlangen in alle beschikbare procedures waarin het gebruik van elektronische communicatiemiddelen verplicht is. Elektronische catalogi bevorderen de mededinging en het stroomlijnen van overheidsaankopen, vooral omdat zij tijd en kosten besparen. Regels moeten echter worden vastgesteld die ervoor zorgen dat het gebruik van de nieuwe technieken voldoet aan de richtlijn en de beginselen gelijke behandeling, non-discriminatie en transparantie. Het gebruik van elektronische catalogi voor de presentatie van de inschrijvingen mag er dus niet toe leiden dat ondernemers de mogelijkheid hebben zich te beperken tot toezending van hun algemene catalogus. Ondernemers moeten verplicht blijven hun algemene catalogi aan te passen voor de specifieke aanbestedingsprocedure. Door die aanpassing bevat de catalogus welke wordt ingediend in het kader van een bepaalde aanbestedingsprocedure slechts de producten, werken of diensten die naar het oordeel van de ondernemers - na grondige bestudering - overeenkomen met de eisen van de aanbestedende dienst. Daarbij dient het de ondernemers te worden toegestaan informatie uit hun algemene catalogus over te nemen, maar mogen zij niet de algemene catalogus als zodanig toezenden.
       Voorts moeten aanbestedende diensten - in het bijzonder als in het kader van een raamovereenkomst opnieuw tot mededinging is opgeroepen of als een dynamisch aankoopsysteem wordt gebruikt - inschrijvingen met betrekking tot bepaalde aankopen kunnen opstellen op basis van eerder toegezonden elektronische catalogi, mits er voldoende waarborgen zijn wat betreft traceerbaarheid, gelijke behandeling en voorspelbaarheid.
       Voor inschrijvingen die door de aanbestedende dienst zijn opgesteld, moet de betrokken ondernemer kunnen nagaan of de inschrijving geen materiële fouten bevat. Als er sprake is van materiële fouten, is de ondernemer niet gebonden door de inschrijving die de aanbestedende dienst heeft opgesteld, tenzij de fout gecorrigeerd wordt.
       Overeenkomstig de voorschriften inzake elektronische communicatiemiddelen moeten de aanbestedende diensten vermijden onterechte belemmeringen op te werpen voor de toegang van ondernemers tot aanbestedingsprocedures waarbij inschrijving in de vorm van een elektronische catalogus wordt vereist en de naleving van de algemene beginselen non-discriminatie en gelijke behandeling wordt gewaarborgd.".
       Art. 114. In artikel 114 wordt artikel 36, punt 4, a) en b), van de richtlijn 2014/24/EU omgezet. Het handelt over het gebruik van elektronische catalogi in het kader van raamovereenkomsten met meer dan één ondernemer. In dat geval kan de aanbestedende overheid bepalen dat voor specifieke opdrachten opnieuw tot mededinging wordt opgeroepen op basis van bijgewerkte catalogi. Concreet beschikt de aanbestedende overheid hiervoor over twee mogelijkheden : ofwel verzoekt zij de deelnemers hun elektronische catalogi, na aanpassing aan de eisen van de betrokken opdracht, opnieuw in te dienen, hetgeen de meest eenvoudige werkwijze is, ofwel maakt zij gebruik van "gegenereerde offertes" (in het Engels "punch outs"). In dat laatste geval geeft de aanbestedende overheid in de opdrachtdocumenten aan dat zij voornemens is om uit de reeds ingediende elektronische catalogi de informatie te verzamelen om zelf de offertes op te maken. Deze techniek is iets ingewikkelder en wordt verder uitgewerkt in artikel 115.
       Art. 115. Artikel 115 geeft omzetting aan artikel 36, punt 5, van de richtlijn 2014/24/EU. Het bepaalt nader welke concrete verplichtingen in acht genomen moeten worden in geval van een nieuwe oproep tot mededinging waarbij gebruik wordt gemaakt van "gegenereerde offertes". In het eerste lid is bepaald dat de aanbestedende overheid aan de inschrijvers de datum en het uur zal moeten meedelen waarop zij voornemens is de informatie te verzamelen om er "gegenereerde offertes" uit op te maken, aangepast aan de eisen van de betrokken specifieke opdracht. Daarbij geeft zij de inschrijvers de mogelijkheid om het zodanig verzamelen van informatie te weigeren. In het tweede lid wordt verduidelijkt dat de aanbestedende overheid voldoende tijd moet voorzien tussen deze mededeling en de daadwerkelijke verzameling. Dit is echter niet alles. Uit het derde lid blijkt immers dat erover moet worden gewaakt dat de inschrijver de mogelijkheid behoudt om de juistheid van de door de aanbestedende overheid aldus verzamelde informatie voor een nieuwe offerte na te gaan. Voor de "gegeneerde offerte" die door de aanbestedende overheid is opgesteld, moet de betrokken ondernemer meer bepaald kunnen nagaan of de offerte geen materiële fouten bevat. Als er sprake is van een materiële fout, mag de ondernemer immers niet gebonden zijn door de gegenereerde offerte, tenzij de aanbestedende overheid natuurlijk deze fout alsnog corrigeert, zoals is aangegeven in overweging 68 bij de richtlijn. De aanbestedende overheid zal in principe overigens toe gehouden zijn, in het licht van de basisbeginselen, om de desgevallend door de inschrijver voorgestelde correctie effectief aan te brengen in de offerte (hetgeen op zich los staat van het regelmatigheidsonderzoek). In het tegenovergestelde geval zou de aanbestedende overheid immers een enorm middel ter beschikking hebben om ongepaste en oneerlijke druk uit te oefenen op ondernemers. De aanbestedende overheid zou dan immers bewust fouten kunnen introduceren in haar eigen voordeel en vervolgens de offerte niet in aanmerking nemen indien de ondernemer deze niet accepteert. Het spreekt voor zich dat een dergelijke werkwijze geenszins in overeenstemming zou zijn met de basisbeginselen. In geval van betwisting door de inschrijver van de gegenereerde offerte, waarbij deze ook een correctie voorstelt, zal de aanbestedende overheid deze in principe dan ook dienen aan te brengen in de offerte.
       Op het voormelde principe bestaat evenwel ook een uitzondering. Het geval kan zich immers ook voordoen dat de inschrijver een voorstel tot correctie formuleert, maar daarbij een inhoudelijke verbetering tracht door te voeren van de offerte (en onrechtstreeks dus ook van de elektronische catalogus). In dat geval mag de aanbestedende overheid de correctie niet aanvaarden. De mogelijkheid tot correctie slaat, zoals aangegeven in het dispositief, slechts op de "materiële" fouten, namelijk in de eerste plaats op fouten als gevolg van een vergissing of verschrijving door het systeem dat de offertes "genereert", alsook op andere grove feitelijke vergissingen die worden begaan door ofwel de aanbestedende overheid (in het kader van het proces waarbij de offertes worden "aangemaakt" door de aanbestedende overheid), ofwel door de inschrijver, waarbij het duidelijk is dat dit niet kan overeenstemmen met de werkelijke bedoeling van de inschrijver en waaromtrent dan ook weinig discussie kan bestaan. Met andere woorden zal de aanbestedende overheid de voorgestelde correcties van materiële fouten moeten aanvaarden, maar wel mits nazicht dat het wel "materiële" fouten betreft.
       Betreft het geen materiële fout, dan kan het betreffende voorstel tot correctie niet worden aanvaard, hetgeen ertoe zal leiden, dat de aanbestedende overheid de betwisting (minstens gedeeltelijk) ongegrond zal verklaren. Voor alle duidelijkheid blijft de ondernemer in dat geval gebonden. Het spreekt voor zich dat de aanbestedende overheid ook in het hier bedoelde geval waarbij de betwisting wordt verworpen, toch de voorgestelde correcties moet aanvaarden waarbij wel degelijk materiële fouten gecorrigeerd werden.
       Er moet op worden gewezen dat het gebruik van de nieuwe techniek van de elektronische catalogi, indien goed aangewend, in bepaalde gevallen welllicht kan leiden tot een verlaging van de administratieve lasten, maar dat ook een aantal onzekerheden gepaard gaan met het gebruik van deze techniek. De aanbestedende overheid doet er dan ook goed aan de modaliteiten omtrent de in het eerste lid bedoelde "weigering" en vooral de in het derde lid bedoelde "betwisting" in de opdrachtdocumenten te omkaderen. Wat dit laatste aspect betreft kan bijvoorbeeld gedacht worden aan een clausule waarbij de aanbestedende overheid concreet aangeeft binnen welke termijn de inschrijver de gegenereerde offerte kan bevestigen dan wel betwisten, waarbij ook aangegeven wordt wat het gevolg is van afwezigheid van reactie binnen de opgegeven termijn. Bovendien zou de aanbestedende overheid kunnen opleggen dat de betwisting telkens gepaard moet gaan met een voorstel tot correctie (hetgeen niet wordt opgelegd door het dispositief).
       Art. 116. Dit artikel is de getrouwe overname van de bepalingen van artikel 36, punt 6, eerste en tweede leden, van de richtlijn 2014/24/UE. Het geeft aan dat er een mogelijkheid is om opdrachten op basis van een dynamisch aankoopsysteem te gunnen, terwijl voor de offertes kan geëist worden dat deze onder de vorm van een elektronische catalogus wordt ingediend.
       HOOFDSTUK 4. - Prijsvragen
       Afdeling 1. - Toepassingsvoorwaarden en jury
       Art. 117. Artikel 117 betreft de omzetting van artikel 78 van de richtlijn 2014/24/EU, dat handelt over de prijsvragen en het geeft meer bepaald aan dat er een nieuw onderscheid gemaakt wordt inzake dit soort overheidsopdrachten. Voortaan heeft men het over prijsvragen als een onderdeel van opdrachten voor diensten enerzijds en prijsvragen met prijzengeld of betalingen aan de deelnemers anderzijds, in de zin van artikel 2, 31°, van de wet. Voor wat de in dit domein toepasselijke drempels betreft wordt verwezen naar artikel 11, 2° en 3°, van dit ontwerp.
       Het is van belang te onderstrepen dat de werkenwedstrijden en de ontwerpwedstrijden waarvan sprake in de artikelen 139 tot 145 van het koninklijk besluit van 15 juli 2011 niet voorkomen in de Europese richtlijnen en dat ze bijgevolg werden geschrapt uit de Belgische reglementering inzake overheidsopdrachten.
       In de overweging 120 van de richtlijn 2014/24/EU kan men de volgende commentaar lezen : "Prijsvragen worden traditioneel het meest gebruikt op de gebieden ruimtelijke ordening, architectuur, engineering of automatische gegevensverwerking. Er dient evenwel op te worden gewezen dat deze soepele instrumenten ook voor andere doeleinden gebruikt kunnen worden. Zij kunnen bijvoorbeeld worden ingezet bij projecten voor financiële engineering die de mkb-steun in het kader van het programma "Joint European Resources for Micro to Medium Enterprises" (Jeremie) of andere mkb-programma's van de Unie in een bepaalde lidstaat zouden optimaliseren".
       Art. 118. Dit artikel 102 herneemt het artikel 141, § 1, 5° van het koninklijk besluit van 15 juli 2011. In onderhavig ontwerp is gepreciseerd dat de beoordelingscriteria in de aankondiging van de prijsvraag dienen opgenomen te worden en niet in de prijsvraagdocumenten.
       Art. 119. Dit artikel is deels een overname van de bepalingen van artikel 139 en deels van artikel 141 van het koninklijk besluit van 15 juli 2011.
       Het eerste lid van paragraaf 1 bevestigt dat de prijsvraagdocumenten de samenstelling en werkwijze van de jury vastleggen.
       Het tweede lid van deze paragraaf zet het artikel 81 van de richtlijn 2014/24/EU om, met toevoeging van twee bijkomende eisen, die reeds voorkwamen in het koninklijk besluit van 15 juli 2011 : een minimumaantal van vijf juryleden en minstens één van deze vijf personen mogen niet behoren tot de aanbestedende overheid.
       Het derde lid van paragraaf 1 is een overname van zowel de laatste zin van het eerste lid van artikel 81 van de hoger vermelde richtlijn, als van artikel 141, § 2, derde lid van het koninklijk besluit van 15 juli 2011.
       Paragraaf 2 is een getrouwe overname van het artikel 141, § 2, vierde lid van het koninklijk besluit van 15 juli 2011, alsook van wat wordt bepaald in artikel 82, punt 1, van de eerder aangehaalde richtlijn. De autonomie van de jury wordt er bevestigd, alsook de noodzaak haar beslissings- of adviesbevoegdheid aan te kondigen in de beoogde prijsvraag.
       De paragrafen 3 en 4 van artikel 119 zijn respectievelijk de overname van de paragrafen 3 en 4 van artikel 141 van het koninklijk besluit van 15 juli 2011, zonder inhoudelijke wijziging. Enkel het woord "wedstrijddocumenten" werd vervangen door het woord "prijsvraagdocumenten" in de Nederlandstalige versie.
       Art. 120. Artikel 120, eerste lid, van onderhavig ontwerp neemt artikel 142, eerste lid van het koninklijk besluit van 15 juli 2011 over alsook punt 4 van artikel 82, van de eerder bedoelde richtlijn in verband met de verplichting tot eerbiediging van de anonimiteit van de ontwerpen tot de beslissing of het advies van de jury gekend is.
       Het tweede en derde lid van dit artikel stemmen volledig overeen met het artikel 142, tweede en derde leden van het koninklijk besluit van 15 juli 2011.
       In het vierde lid van artikel 120 is omzetting gegeven aan het bepaalde in artikel 82, punt 3 van de richtlijn 2014/24/EU. Men vindt er ook een goed deel van de inhoud van artikel 142, vierde lid van het voormelde besluit dat ermee samenloopt, in terug.
       De vijfde en zesde leden van ditzelfde artikel geven quasi letterlijk omzetting aan artikel 82, punten 5 en 6 van de voormelde richtlijn en lopen tevens nauw samen met de inhoud van het artikel 142, vijfde lid van het koninklijk besluit van 15 juli 2011. Het vijfde lid voorziet in de mogelijkheid om zo nodig de deelnemers te verzoeken om de in het proces-verbaal vermelde opmerkingen en vragen te beantwoorden teneinde duidelijkheid te verschaffen omtrent bepaalde aspecten van de projecten. Aangezien de anonimiteit gedurende de ganse procedure moet worden geëerbiedigd (tot de beslissing of het advies van de jury bekend is), komt dit er doorgaans op neer dat de hier bedoelde informatie-uitwisseling, althans voor de opdrachten waarvoor een voorafgaande Europese bekendmaking vereist is, op schriftelijke wijze geschiedt.
       Het spreekt voor zich dat de anonimiteit niet slaat op de administratieve diensten, die er net voor zullen zorgen dat de anonimiteit kan worden bewaard, bijvoorbeeld ook als in uitvoering van vijfde lid de deelnemers worden verzocht om opmerkingen en vragen te beantwoorden. Met name zullen zij daarbij in de praktijk codes dienen te hanteren, zodat de prestaties kunnen onderscheiden worden van de identiteit van de betrokken ontwerpen. De codes moeten gekozen worden zodat identificatie geheel onmogelijk is en de anonimiteit bewaard blijft (zie in de verband, arrest Raad van State nr. 126.667 van 19 december 2003, waarbij een - door een kandidaat gekozen - code onvoldoende werd geacht, aangezien de juryleden daarbij bij machte waren, gelet op hun expertise in een bepaald vakgebied, om alsnog de betreffende kandidaat te achterhalen, aangezien het eerste deel van de code deels overeenkwam met de naam van een architect die als partij betrokken was bij de tijdelijke handelsvennootschap die deelnam aan de prijsvraag, en het tweede deel van de code gelinkt kon worden aan een andere partij bij de tijdelijke handelsvennootschap).
       Nochtans kan niet worden uitgesloten, mits de adequate middelen daartoe worden gebruikt, dat de informatie-uitwisseling ook op mondelinge wijze gebeurt zonder schending van de anonimiteitsregel. Dit zal evenwel in de praktijk niet zo eenvoudig zijn. Bijvoorbeeld zou de aanbestedende overheid de betrokken deelnemers kunnen uitnodigen in het hetzelfde gebouw, maar niet op hetzelfde tijdstip, en telkens in een ander lokaal en natuurlijk niet in het lokaal waarin de jury vergadert (en waarbij zowel de jury als elke uitgenodigde deelnemer een lokaal krijgt toegewezen dat niet uitziet op met name de parking of de ingang en bij voorkeur op verschillende verdiepingen is gevestigd). Daarbij wordt gezorgd dat de jury individueel in mondelinge interactie treedt met de betrokken deelnemer, waarbij de stemmen van de deelnemer wel worden vervormd (zo niet dreigt een deelnemer via stemherkenning toch nog identificeerbaar te zijn voor een in een betrokken vakgebied onderlegd jurylid). Langs de andere kant hoeven de stemmen van de jury natuurlijk niet worden vervormd (en is het evenmin problematisch moest de jury via video-conferentie zichtbaar zijn voor de betrokken deelnemer). Alleen de anonimiteit van de ontwerpen is van belang. Dit veronderstelt natuurlijk ook dat de juryleden en de deelnemers op adequate wijze worden vergezeld in het gebouw, zodat het naleven van de concrete afspraken kan worden nagegaan.
       Ook andere meer creatieve oplossingen zijn mogelijk, waarbij evenwel steeds de anonimiteit zal gegarandeerd moeten worden.
       Aangezien de informatie-uitwisseling doorgaans niet op mondelinge wijze gebeurt, werd in het zesde lid het woord "dialoog" vervangen door "informatie-uitwisseling".
       Afdeling 2. - Raming en bekendmaking
       Art. 121. Artikel 121, § 1, eerste lid, 1° en 2°, handelt over de raming en bekendmakingsvoorschriften voor prijsvragen die aan de Europese bekendmaking zijn onderworpen. Ze dienen samen gelezen te worden met artikel 11 van dit ontwerp. Deze verplichtingen zijn in het koninklijk besluit van 15 juli 2011 opgenomen in artikel 143, voor wat betreft de bekendmaking van ontwerpenwedstrijden.
       Het tweede lid van § 1 van dit artikel sluit aan bij artikel 42, § 1, 5° van de wet dat een mogelijkheid voorziet om een prijsvraag te laten opvolgen door een opdracht voor diensten. Indien de aanbestedende overheid zulks voor ogen heeft moet het in de aankondiging van de prijsvraag vermeld worden. Het geeft ook omzetting aan artikel 79, punt 1, tweede lid, van de richtlijn 2014/24/EU.
       Paragraaf 2 van artikel 121 legt de verplichting tot bekendmaking op Belgisch niveau op voor prijsvragen die de Europese drempel voor bekendmaking niet bereiken en stemt overeen met artikel 143, § 2, van het koninklijk besluit van 15 juli 2011.
       Art. 122. De inhoud van artikel 122 stemt volledige overeen met artikel 144 van het koninklijk besluit van 15 juli 2011 en vergt geen verdere commentaar.
       Art. 123. Het eerste lid van artikel 123, geeft omzetting aan artikel 79, punt 2, eerste lid van de richtlijn 2014/24/EU. Het herneemt tevens de inhoud van het eerste lid van artikel 145 van het besluit van 15 juli 2011 omtrent de bekendmaking van de resultaten van een prijsvraag.
       In het tweede lid van dit artikel wordt de verplichting opgelegd om de aankondiging van deze resultaten binnen een termijn van dertig dagen te verzenden naar enerzijds het Publicatieblad van de Europese Unie en anderzijds het Bulletin der Aanbestedingen. Hierbij wordt de inhoud van artikel 145, tweede lid van het hoger aangehaald besluit hernomen, waarbij echter wel een kortere termijn (binnen dertig dagen na de keuze van het ontwerp) wordt voorzien dan in het zonet vermeld artikel 145 (achtenveertig dagen).
       Het laatste lid van artikel 123 betreffende de beperkingen op de openbaarmaking geeft omzetting aan artikel 79, punt 2, tweede lid van de voormelde richtlijn. De inhoud van dit lid was eveneens reeds opgenomen in artikel 145, laatste lid van het koninklijk besluit van 15 juli 2011.
       TITEL 6. - Overheidsopdrachten van beperkte waarde
       Art. 124. Deze bepaling verduidelijkt dat het voor de opdrachten van beperkte waarde volstaat om de voorwaarden van meerdere ondernemers te consulteren en dit om de mededingingen te laten spelen. Echter moeten de voormelde ondernemers niet noodzakelijk een offerte indienen. Inderdaad kunnen deze opdrachten gesloten worden door middel van een aanvaarde factuur, overeenkomstig artikel 92, lid 2, van de wet. Daarnaast moet de aandacht erop worden gevestigd dat de algemene beginselen van de wet van toepassing blijven (met uitzondering van de bepaling omtrent het gebruik elektronische communicatiemiddelen alsook de bepaling omtrent het verstrekken van voorschotten). Een eenvoudige raadpleging die erop gericht is de voorwaarden van een eventuele aankoop te kennen, volstaat. Het komt evenwel aan de aanbestedende overheid toe het bewijs te kunnen leveren dat zij aan de principiële verplichting tot inmededingingstelling heeft voldaan, temeer gelet op de significante verhoging van de toepassingsdrempel voor de opdrachten van beperkte waarde, van 8.500 euro naar 30.000 euro. Daartoe wordt aanbevolen het bewijs van de raadpleging in het administratief dossier te bewaren, zij het eventueel gedematerialiseerd. Hoewel niet verplicht, kan ook uitdrukkelijk een offerte worden gevraagd, zij het via de meest eenvoudige weg (e-mail, ..). Dit vergemakkelijkt de bedoelde bewijsvoering, laat toe om de aankoopvoorwaarden beter te kaderen, onzekerheden over de verbintenissen van de ondernemer weg te werken en laat dikwijls toe om beter aangepaste en voordeliger offertes te verkrijgen. Voor al wat kan dienen, wordt er nog aan herinnerd dat het in sommige uitzonderlijke gevallen niet nodig is meerdere ondernemers te consulteren (bv monopoliesituatie).
       TITEL 7. - Overheidsopdrachten tot aanstelling van een advocaat in het kader van een vertegenwoordiging in rechte of ter voorbereiding van een procedure
       Art. 125. Dit artikel is nieuw en betreft enkel de opdrachten tot aanstelling van een advocaat in het kader van een vertegenwoordiging in rechte of ter voorbereiding van een procedure in rechte. In uitvoering van de in artikel 28, § 2, van de wet bedoelde machtigingsbepaling wordt voorzien in minimale plaatsingsregels. Deze komen quasi overeen met deze die van toepassing zijn op de in titel 6 van dit ontwerp bedoelde opdrachten van beperkte waarde. Deze opdrachten mogen echter niet tot stand komen louter via aanvaarde factuur, tenzij indien hun geraamde waarde lager is dan 30.000 euro.
       TITEL 8. - Eind-, opheffings-, overgangs- en inwerkingtredingsbepalingen
       Vraag tot toegang tot tot Telemarc
       Art. 126. Deze bepaling is erop gericht de aanbestedende overheden te verplichten om toe te treden tot de elektronische applicatie Telemarc. De terzake bevoegde Dienst voor de Administratieve Vereenvoudiging (DAV) verleent door middel van de gratis webservice Telemarc toegang tot verscheidene authentieke bronnen (Nationale Bank, btw en Belastingen, RSZ, KBO, Databank erkende aannemers). Alle aanbestedende overheden kunnen een toegang tot de voormelde toepassing aanvragen. Zij die nog niet over een toegang beschikken zullen verplicht zijn een toegang aan te vragen tegen 1 mei 2018. De onderhavige bepaling treedt inderdaad slechts in werking op 1 mei 2018 (cf. artikel 133, tweede lid).
       Opheffingsbepalingen
       Art. 127. Deze bepaling is gericht op de opheffing van het koninklijk besluit van 15 juli 2011 betreffende plaatsing overheidsopdrachten klassieke sectoren. Hoofdstuk 10 van het voormelde koninklijk besluit, dat betrekking heeft op de concessies voor openbare werken, zal opgeheven worden door middel van een afzonderlijk koninklijk besluit, dat overigens ook de plaatsingsregels en uitvoeringsregels voor de concessieovereenkomsten zal bevatten. Deze bepaling behoeft geen bijkomende commentaar.
       Overgangsbepalingen
       Art. 128. Deze bepaling bevat een overgangsmaatregel voor de opdrachten waarvan de geraamde waarde de drempel voor de Europese bekendmaking bereikt : tot en met 17 oktober 2018 kan de aanbestedende overheid ervoor kiezen om geen elektronische communicatiemiddelen. Aldus wordt volledig gebruik gemaakt van de mogelijkheid vervat in artikel 90.2 van richtlijn 2014/24/EU, om de verplichtingen op het vlak van "e-procurement" uit te stellen. Deze datum werd reeds aangegeven in de Memorie van Toelichting bij de wet van 17 juni 2016 inzake overheidsopdrachten (zie de toelichting bij artikel 14 van de voormelde wet). Voor de opdrachten onder de drempel voor de Europese bekendmaking, zal in een langere periode worden voorzien (zie de commentaar bij artikel 129 bij het onderhavig ontwerp). Voor wat kan dienen wordt er nog op gewezen dat de hier besproken bepaling de aanbestedende overheid toelaat een keuze te maken tussen communicatie per post of via een andere geschikte vervoerder, per fax, alsook door middel van eenvoudige email (dus zonder gebruik van de in artikel 14, § 7, van de wet bedoelde elektronische platformen). De aanbestedende overheid kan er in de overgangsperiode ook voor kiezen om combinaties van de hierboven vermelde communicatiemiddelen toe te laten. De enige niet toegelaten combinatie is het gebruik van de in artikel 14, § 7, van de wet bedoelde elektronische platformen en eenvoudige e-mail voor de indiening van de aanvragen tot deelneming of de offertes. Dit zou verwarrend zijn voor het beheer van de plaatsingsprocedure.
       In het tweede lid worden een aantal bepalingen opgelijst uit het koninklijk besluit van 15 juli 2011 die in principe van toepassing blijven wanneer gebruik wordt gemaakt van de overgangsmaatregel. Het betreft telkens bepalingen die verband houden met de indiening en de opening van de offertes. Het betreft onder meer de in artikel 90, § 1, van het voormelde koninklijk besluit van 15 juli 2011 bedoelde verplichting een definitief gesloten envelop te gebruiken en zelfs, wanneer gekozen wordt voor het versturen per postdienst, een dubbele omslag. Om evidente redenen kunnen deze bepalingen alleen toegepast worden in een papieren omgeving.
       In het tweede lid wordt bovendien verduidelijkt dat de opgelijste bepalingen van het koninklijk besluit van 15 juli 2011 slechts van toepassing zijn wanneer gebruik wordt gemaakt van de openbare of niet-openbare procedure. Er wordt tevens verduidelijkt dat de keuze voor papieren communicatiemiddelen sowieso niet verhindert, zoals reeds het geval in het koninklijk besluit van 15 juli 2011, dat de intrekking van een offerte ook via elektronische middelen gebeurt, mits de intrekking toekomt alvorens de voorzitter de zitting opent en zij wordt bevestigd door middel van een aangetekende zending. Deze modaliteiten komen quasi volledig overeen met deze vervat in artikel 91, § 2, van het koninklijk besluit van 15 juli 2011. Wel is vermeld dat voor de bevestiging aangetekende zending volstaat (dit hoeft niet noodzakelijk een aangetekende brief te zijn).
       De aanbestedende overheid zal, opdracht per opdracht, moeten kiezen of zij gebruik wenst te maken van de overgangsmaatregel en welke van de oplijste communicatiemiddelen of combinaties daarvan zij toelaatbaar acht. Er moet echter op gewezen worden dat het gebruik van de fax als communicatiemiddel doorgaans niet aangewezen zal zijn. Immers moet de aanbestedende overheid ervoor zorgen dat de integriteit en de vertrouwelijkheid van de gegevens gewaarborgd blijft. Inderdaad, artikel 14, § 6, van de wet blijft van toepassing in de overgangsperiode. De aanbestedende overheid mag dan ook pas na het verstrijken van de uiterste termijn kennis nemen van de inhoud van de aanvragen tot deelneming of de offertes. Hieruit volgt dat de fax, tenzij indien er bijzondere (en waarschijnlijke omslachtige) maatregelen zouden genomen worden, geen goed middel aangezien er doorgaans onvoldoende garanties op het vlak van vertrouwelijkheid geboden kunnen worden. De fax is toch vermeld om de overeenstemming met artikel 90.2, derde alinea, van richtlijn 2014/24/EU te bewaren.
       Eenvoudige e-mail kan echter wel worden gebruikt, op voorwaarde dat de nodige maatregelen worden getroffen om de vertrouwelijkheid te bewaren, bijvoorbeeld door te vereisen in de opdrachtdocumenten dat de offertes in bijlage bij de mail worden gevoegd.
       In het derde lid is aangegeven dat de aanbestedende overheid, wanneer gebruik wordt gemaakt van de overgangsbepaling voor een andere plaatsingsprocedure dan de openbare of de niet-openbare procedure, in de opdrachtdocumenten moet aangeven welke bijkomende regels op het vlak van communicatiemiddelen van toepassing zijn.
       De aanbestedende overheid doet er goed aan zorgvuldig te overwegen of hij combinaties van communicatiemiddelen toelaatbaar acht, en zo ja, welke communicatiemiddelen, teneinde het beheer van de plaatsingsprocedure niet nodeloos ingewikkeld te maken.
       In het vierde lid wordt verduidelijkt dat de overgangsbepaling van kracht blijft na 17 oktober 2018, althans voor de opdrachten die tot aan deze datum worden bekendgemaakt of hadden moeten worden bekendgemaakt. Op die manier wordt vermeden dat, in de loop van de plaatsingsprocedure, andere regels op het vlak van communicatie van toepassing zouden worden. In de praktijk zou een dergelijke aanpassing in de loop van de procedure niet mogelijk zijn. Voor de opdrachten waarvoor er geen verplichting tot voorafgaande bekendmaking is wordt de datum waarop wordt uitgenodigd tot het indienen van een aanvraag tot deelneming of van een offerte als ijkpunt genomen.
       Het gestelde in deze bepaling doet natuurlijk geen afbreuk aan de uitzonderingen op het verplicht gebruik van elektronische communicatiemiddelen die reeds in artikel 14, § 2, van de wet voorzien zijn. Met name wordt artikel 14, § 2, eerste lid, 5°, van de wet in herinnering gebracht, waarin reeds voorzien is in een uitzondering wanneer het een overheidsopdracht betreft die wordt geplaatst door middel van een onderhandelingsprocedure zonder voorafgaande bekendmaking waarvan de geraamde bedrag lager is dan de drempel voor de Europese bekendmaking.
       Art. 129. Deze bepaling bevat een overgangsmaatregel voor de opdrachten waarvan het geraamde bedrag de drempel voor de Europese bekendmaking niet bereikt. De bepaling loopt inhoudelijk quasi volledig gelijk met artikel 128. Er wordt alleen in een ruimere overgangsperiode voorzien. Tot en met 31 december 2019 mogen de aanbestedende overheden ervoor kiezen om papieren communicatiemiddelen te gebruiken. Daarnaast is het zo dat de hier bedoelde overgangsmaatregelen eveneens aangewend zal kunnen worden in het kader van het ter beschikking stellen van opdrachtdocumenten.
       Art. 130. Deze bepaling behoeft geen bijkomende commentaar.
       Inwerkingtredingsbepalingen
       Art. 131. Deze bepaling heeft betrekking op de inwerkingtreding. Zij bepaalt de datum van inwerkingtreding van titel 2 van de wet. Zij treedt slechts in werking voor de overheidsopdrachten die vanaf die datum worden bekendgemaakt of hadden moeten worden bekendgemaakt, alsook voor de opdrachten waarvoor, bij ontstentenis van een verplichting tot voorafgaande bekendmaking, vanaf die datum wordt uitgenodigd tot het indienen van een offerte. Deze bepaling is erop gericht te vermijden dat andere regels inzake communicatie van toepassing zouden zijn in de loop van de plaatsing van éénzelfde procedure. In de praktijk zou een dergelijke aanpassing tijdens de procedure een bron zijn van grote rechtsonzekerheid; de partijen zouden niet meer weten welke regels ze moeten toepassen. Artikel 4 van de richtlijn 2014/24/EU voorziet dat de geraamde waarde bepalend is om te weten of de opdracht binnen het toepassingsgebied van de richtlijn valt, wetende dat deze waarde geldig moet zijn op het ogenblik van de verzending van de aankondiging van de opdracht of, in het geval waarin geen dergelijke aankondiging is voorzien, op het moment waarop de aanbestedende overheid de plaatsingsprocedure voor de opdracht lanceert en niet later. De regels wijzigen in de loop van de procedure zou leiden tot ongewenste en onlogische toestanden. De aankondiging van de opdracht zou bijvoorbeeld kunnen verwijzen naar een onderhandelingsprocedure met bekendmaking (met inbegrip van de toepasselijke regels), terwijl men uiteindelijk nieuwe regels van de mededingingsprocedure met onderhandeling zou toepassen. De wil van de Europese wetgever is evenmin dat men een dergelijke rechtsonzekerheid zou scheppen. De regels van goed beheer vereisen dat men de regels niet wijzigt in de loop van de procedure. Dit zou eveneens in strijd zijn met de basisbeginselen bedoeld in artikel 18.1 van richtlijn 2014/24/EU.
       Art. 132. Deze bepaling voorziet in een gespreide inwerkingtreding voor een aantal bepalingen uit de wet die verband houden met gebruik van elektronische communicatiemiddelen, namelijk de artikelen 14, § 1, eerste lid (algemene verplichting omtrent het gebruik van elektronische communicatiemiddelen), 64, § 1, eerste lid (elektronische beschikbaarheid van opdrachtdocumenten) en 73, § 2, van de wet (de verplichting om het UEA op elektronische wijze te verstrekken).
       De gespreide inwerkingtreding slaat, wat het UEA betreft, de facto alleen op de zinsnede waaruit blijkt dat deze in elektronische vorm moet worden verstrekt. Dat bij de opstelling van het UEA gebruik moet worden gemaakt van het model vastgesteld door de Europese Commissie volgt, voor de opdrachten die de drempel voor de Europese bekendmaking bereiken, reeds uit de Uitvoeringsverordening 2016/7 van de Commissie van 5 januari 2016 houdende een standaardformulier voor het Uniform Europees Aanbestedingsdocument. Deze uitvoeringsverordening is rechtstreeks van toepassing.
       Voor de opdrachten die de drempel voor de Europese bekendmaking bereiken moet slechts op 18 oktober 2018 gebruik gemaakt worden van elektronische communicatiemiddelen (en dus eveneens van de elektronische platformen). Voor de opdrachten die de voormelde drempel niet bereiken is dit 1 januari 2020. Deze data zijn afgestemd op de overgangsmaatregelen die zijn uitgewerkt in de artikelen 128 en 129.
       Er is in een afwijkende vervroegde inwerkingtreding voorzien wanneer gebruik wordt gemaakt van dynamische aankoopsystemen, elektronische veilingen en elektronische catalogi. Deze afwijking is ingegeven door artikel 90.2 van richtlijn 2014/24/EU. Dezelfde afwijkende vervroegde inwerkingtreding geldt ten aanzien van aankoopcentrales.
       Art. 133. Deze bepaling behoeft geen toelichting.
       Slotbepaling
       Art. 134. Deze bepaling behoeft geen toelichting.
       Ik heb de eer te zijn,
       Sire,
       Van Uwe Majesteit,
       de zeer eerbiedige en zeer getrouwe dienaar,
       De Eerste Minister,
       Ch. MICHEL
       
       ADVIES 60.903/1 VAN 13 MAART 2017 VAN DE RAAD VAN STATE, AFDELING WETGEVING, OVER EEN ONTWERP VAN KONINKLIJK BESLUIT `PLAATSING OVERHEIDSOPDRACHTEN IN DE KLASSIEKE SECTOREN'
       Op 26 januari 2017 is de Raad van State, afdeling Wetgeving, door de Eerste Minister verzocht binnen een termijn van dertig dagen, verlengd tot 13 maart 2017, een advies te verstrekken over een ontwerp van koninklijk besluit `plaatsing overheidsopdrachten in de klassieke sectoren '.
       Het ontwerp is door de eerste kamer onderzocht op 2 maart 2017.
       De kamer was samengesteld uit Marnix Van Damme, kamervoorzitter, Wilfried Van Vaerenbergh en Wouter Pas, staatsraden, Michel Tison, assessor, en Wim Geurts, griffier.
       Het verslag is uitgebracht door Pierrot T'Kindt, auditeur.
       De overeenstemming tussen de Franse en de Nederlandse tekst van het advies is nagezien onder toezicht van Marnix Van Damme, kamervoorzitter.
       Het advies, waarvan de tekst hierna volgt, is gegeven op 13 maart 2017.
       1. Met toepassing van artikel 84, § 3, eerste lid, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973, heeft de afdeling Wetgeving zich toegespitst op het onderzoek van de bevoegdheid van de steller van de handeling, van de rechtsgrond, alsmede van de vraag of aan de te vervullen vormvereisten is voldaan.
       Strekking en rechtsgrond van het ontwerp
       2. De regeling die in het om advies voorgelegde ontwerp van koninklijk besluit is vervat, betreft de plaatsing van overheidsopdrachten in de zogenaamde "klassieke sectoren", zijnde de overeenkomsten onder bezwarende titel die worden gesloten tussen een of meer ondernemers en een of meer aanbestedende overheden en die betrekking hebben op het uitvoeren van werken, het leveren van producten of het verlenen van diensten.
       Het ontwerp strekt tot een verdere omzetting in het interne recht van richtlijn 2014/24/EU van het Europees Parlement en de Raad van 26 februari 2014 `betreffende het plaatsen van overheidsopdrachten en tot intrekking van richtlijn 2004/18/EG' (hierna : richtlijn 2014/24/EU). Met die omzetting werd eerder een begin gemaakt met de wet van 17 juni 2016 `inzake overheidsopdrachten' (hierna : de wet van 17 juni 2016).
       Het ontwerp beoogt diverse bepalingen van titel 2 ("Overheidsopdrachten in de klassieke sectoren") van de wet van 17 juni 2016 uit te voeren en regelt de inwerkingtreding van sommige bepalingen van die wet.
       De ontworpen regeling is in essentie bedoeld om mettertijd in de plaats te komen van de regeling die nu is vervat in het koninklijk besluit `plaatsing overheidsopdrachten klassieke sectoren' van 15 juli 2011 (hierna : het koninklijk besluit van 15 juli 2011). Het ontworpen koninklijk besluit houdt een vrij grondige hervorming in van de in het koninklijk besluit van 15 juli 2011 vervatte regeling, al werden wel een aantal bepalingen van dat koninklijk besluit in de nieuwe regeling overgenomen. Sommige bepalingen van het koninklijk besluit van 15 juli 2011 werden niet overgenomen omdat zij een plaats krijgen in een afzonderlijk koninklijk besluit. Dit is het geval voor de bepalingen met betrekking tot de concessieovereenkomsten die zullen worden opgenomen in een specifiek koninklijk besluit houdende uitvoering van de wet van 17 juni 2016 `inzake de concessieovereenkomsten'.
       3. Het ontwerp van koninklijk besluit bestaat uit acht titels.
       Titel 1 bevat een aantal algemene bepalingen waarin onder meer het toepassingsgebied wordt omschreven (hoofdstuk 1), en regelt voorts de raming van het opdrachtbedrag (hoofdstuk 2), de bekendmaking (hoofdstuk 3), de vaststelling, samenstelling en verbetering van prijzen (hoofdstukken 4 en 5), de opdrachtdocumenten (hoofdstuk 6), de ondertekening en de communicatiemiddelen (hoofdstuk 7), de opties (hoofdstuk 8), de percelen (hoofdstuk 9), de belangenconflicten (hoofdstuk 10), de indiening van de aanvragen tot deelneming en van de offertes (hoofdstuk 11), de selectie van de kandidaten en van de inschrijvers (hoofdstuk 12) en het onderzoek en de voorwaarden voor de regelmatigheid van de offertes (hoofdstuk 13).
       Titel 2 betreft de regeling van de gunning bij openbare en niet-openbare procedure. Die regeling omvat voorschriften voor de vorm en de inhoud van de offerte (hoofdstuk 1), de samenvattende opmeting en de inventaris (hoofdstuk 2), de interpretatie, fouten en leemten (hoofdstuk 3), de indiening en de opening (hoofdstuk 4), de verbetering van de offertes (hoofdstuk 5), en de gunning en de sluiting van de opdracht (hoofdstukken 6 en 7).
       Titel 3 heeft betrekking op de gunning bij onderhandelingsprocedure zonder voorafgaande bekendmaking en bij mededingingsprocedure met onderhandeling. Daarvoor wordt voorzien in specifieke toepassingsdrempels (hoofdstuk 1), eigen regels voor het verloop en de sluiting van de opdracht (hoofdstuk 2) en een bepaling voor het gebruik van de mededingingsprocedure met onderhandeling na een eerste vruchteloze procedure (hoofdstuk 3).
       In titel 4 wordt de regeling van de gunning bij concurrentiegerichte dialoog uitgewerkt.
       Daarnaast zijn er in titel 5 een aantal regels betreffende specifieke of aanvullende opdrachten en procedures. Zij hebben het dynamisch aankoopsysteem (hoofdstuk 1), de elektronische veiling (hoofdstuk 2), de elektronische catalogi (hoofdstuk 3) en de prijsvragen (hoofdstuk 4) tot voorwerp.
       Voorts handelen de titels 6 en 7 respectievelijk over de overheidsopdrachten van beperkte waarde en tot aanstelling van een advocaat in het kader van vertegenwoordiging in rechte of ter voorbereiding van een procedure.
       In titel 8 zijn ten slotte de eind-, opheffings-, overgangs- en inwerkingtredingsbepalingen opgenomen.
       4.1. Het merendeel van de artikelen van het ontwerp kan worden geacht rechtsgrond te vinden in de bepalingen van de wet van 17 juni 2016 waarvan melding wordt gemaakt in het tweede lid van de aanhef van het ontwerp, zoals het om advies is voorgelegd. Het verdient wel aanbeveling om enkele van de in het voornoemde lid van de aanhef opgesomde wetsbepalingen te specificeren of te corrigeren, door te verwijzen naar de artikelen 6, § 1, derde lid (niet : "6, § 1"), 14, §§ 5 en 7, vierde lid (niet : "14"), 42, § 1, eerste lid, 1°, a) (niet : "42, § 1, 1°, a)) en 171, eerste lid (niet : "171") (1).
       4.2. De Raad van State ziet niet welke bepaling van het ontwerp zou kunnen worden beschouwd als een uitvoering van de machtiging in artikel 86, derde lid, van de wet van 17 juni 2016 (2). Bij gebreke van een zodanige uitvoering dient de vermelding van artikel 86, derde lid, van de wet van 17 juni 2016 te worden weggelaten in het tweede lid van de aanhef.
       4.3. De opsomming van rechtsgrond biedende bepalingen in het tweede lid van de aanhef moet worden vervolledigd met de vermelding van artikel 167 van de wet van 17 juni 2016. Op grond van dat artikel gebeurt de berekening van de krachtens die wet bepaalde termijnen overeenkomstig de verordening nr. 1182/71 van de Raad van 3 juni 1971 `houdende vaststelling van de regels die van toepassing zijn op termijnen, data en aanvangs- en vervaltijden' (hierna : verordening nr. 1182/71), tenzij het anders is bepaald. Artikel 167 van de wet van 17 juni 2016 biedt rechtsgrond voor artikel 9, vierde lid, van het ontwerp.
       4.4. Een aantal bepalingen van het ontwerp vindt rechtsgrond in de algemene bevoegdheid die de Koning put uit artikel 108 van de Grondwet om de wet uit te voeren, gelezen in samenhang met sommige bepalingen van de wet van 17 juni 2016 waarvan er een aantal worden vermeld in het tweede lid van de aanhef, maar andere niet. Dat een beroep wordt gedaan op de algemene uitvoeringsbevoegdheid blijkt evenwel reeds uit het eerste lid van de aanhef van het ontwerp waarin wordt verwezen naar artikel 108 van de Grondwet en uit de verwijzing naar de wet van 17 juni 2016 in haar geheel (3). De verwijzingen naar de artikelen 38, § 1, tweede lid, 47, § 3, 58, 73 en 92 van de wet van 17 juni 2016 worden derhalve het best weggelaten in het tweede lid van de aanhef.
       Onderzoek van de tekst
       Aanhef
       5. De opsomming van artikelen van de wet van 17 juni 2016 die voorkomt in het tweede lid van de aanhef van het ontwerp moet worden aangepast rekening houdend met de opmerkingen sub 4.1 tot 4.4.
       6. Onmiddellijk na het lid van de aanhef waarin wordt verwezen naar de rechtsgrond biedende bepalingen van de wet van 17 juni 2016 moet een nieuw lid worden toegevoegd waarin wordt verwezen naar het koninklijk besluit van 15 juli 2011, waarvan artikel 128 van het ontwerp de opheffing beoogt, met uitzondering van hoofdstuk 10 van dat koninklijk besluit. Dat lid dient te luiden als volgt :
       "Gelet op het koninklijk besluit plaatsing overheidsopdrachten klassieke sectoren van 15 juli 2011;".
       7. In de aanhef moet tevens een lid worden ingevoegd waarin wordt verwezen naar de regelgevingsimpactanalyse van 16 september 2016.
       Artikel 2
       8. In de Nederlandse tekst van artikel 2, 4°, van het ontwerp, vervange men de woorden "vermoedelijk zijn" door de woorden "worden vermoed".
       9. In artikel 2, 5°, van het ontwerp, stemt het woord "marges", in de Franse tekst, niet overeen met het woord "verhogingen" in de Nederlandse tekst. Deze discordantie moet worden weggewerkt.
       10. In de Nederlandse tekst van artikel 2, 6°, van het ontwerp, passe men de definitie van "de opdracht met gemengde prijsvaststelling" aan als volgt : "de opdracht waarbij de prijzen worden vastgesteld op de verschillende wijzen zoals omschreven in de bepalingen onder 3° tot 5° ;".
       11. In artikel 2, 10°, van het ontwerp, vervange men het woord "inventaris" door een alternatief, zoals het woord "opgave", aangezien het eerstvermelde woord niet strookt met de bijzondere omschrijving van het begrip "inventaris" in de bepaling onder 8° van hetzelfde artikel.
       12. Aan het einde van de eerste zin van artikel 2, 11°, van het ontwerp schrijve men ter wille van de duidelijkheid "als vermeld in artikel 73, § 1, eerste lid, van de wet".
       13. De Nederlandse tekst van artikel 2, 12°, van het ontwerp, bevat geen equivalent voor de woorden "à une adresse internet", in de Franse tekst, hetgeen dient te worden verholpen. Voorts dienen in elke versie van die bepaling de woorden "en middelen" ("et dispositifs") te worden ingevoegd na het woord "instrumenten" ("outils"), overeenkomstig de terminologie die wordt gebruikt in de inleidende zin van artikel 14, § 7, eerste lid, van de wet van 17 juni 2016, waarnaar wordt verwezen.
       Artikel 4
       14. Volgens de verklaring van de gemachtigde zou de zinsnede "en de bepalingen van titel 6", in artikel 4, § 2, eerste lid, 1° tot 3°, van het ontwerp, telkens moeten worden vervangen door de zinsnede "en de artikelen 129 en 130" (4).
       15. In artikel 4, § 3, van het ontwerp, wordt melding gemaakt van "de artikelen 5, 6 en 125 van dit besluit". Rekening houdend met de commentaar die bij de betrokken bepaling wordt verstrekt in het verslag aan de Koning, wordt wellicht beoogd te verwijzen naar "de artikelen 6, 7 en 125 van dit besluit".
       Artikel 8
       16. In artikel 8, § 3, van het ontwerp, wordt melding gemaakt van "de ter zake bevoegde federale overheidsdienst". Aan de gemachtigde werd gevraagd of de beoogde overheidsdienst nog moet worden aangeduid en in welke normatieve tekst dit zal gebeuren. De gemachtigde antwoordde :
       "Dit kan reeds gebeuren in het ontwerp van koninklijk besluit dat voor advies aan de Raad van State is voorgelegd. Ondertussen is immers gekend welke de ter zake bevoegde federale overheidsdienst is. Het betreft de (nog op te richten) federale overheidsdienst `Beleid en Ondersteuning' (afgekort FOD BOSA). Binnen de federale overheid loopt thans een optimaliseringsproject (redesign). Eind vorig jaar heeft de Regering in het kader van dit project beslist om een aantal (horizontale) federale diensten te integreren (de diensten van de FOD Personeel en Organisatie, de FOD Budget en Beheerscontrole, Fedict, Selor en Empreva). In de komende weken zal de FOD BOSA formeel worden opgericht en haar werking opstarten. Daarmee is dan ook duidelijk dat de FOD BOSA zal worden opgericht vóór de inwerkingtreding van de nieuwe wetgeving overheidsopdrachten (en de publicatie van het ontwerp van KB dat ter advies voorligt). Zodoende kan al melding worden gemaakt van deze FOD BOSA in het ontwerp."
       Rekening houdend met deze toelichting dient de redactie van artikel 8, § 3, van het ontwerp, te worden aangepast op de wijze zoals aangegeven door de gemachtigde. Een gelijkaardige opmerking kan worden gemaakt met betrekking tot het begrip "bevoegde federale overheidsdienst" in de artikelen 10, tweede lid, 23, § 2, eerste lid, en 127 van het ontwerp.
       Artikel 9
       17. Artikel 9, vierde lid, van het ontwerp, luidt :
       "Voor de berekening van de in dit artikel bedoelde termijnen is verordening nr. 1182/71 van de Raad van 3 juni 1971 houdende vaststelling van de regels die van toepassing zijn op termijnen, data en aanvangs- en vervaltijden, niet van toepassing."
       In het verslag aan de Koning wordt vermeld dat de niet-toepasselijkheid van de voornoemde verordening "te wijten [is] aan het feit dat rechtzettingsberichten niet onmiddellijk zichtbaar zijn voor de economische operatoren, dit in uitvoering van artikel 8, § 1, tweede lid, van dit ontwerp".
       Daarover om meer verduidelijking gevraagd, heeft de gemachtigde het volgende verklaard :
       "De betreffende bepaling luidt als volgt :
       `De aankondiging in het Bulletin der Aanbestedingen mag geen andere inhoud hebben dan die bekendgemaakt in het Publicatieblad van de Europese Unie. Ze mag niet worden bekendgemaakt vóór de datum van bekendmaking van de aankondiging in het Publicatieblad van de Europese Unie. Niettemin kan de bekendmaking in ieder geval in het Bulletin der Aanbestedingen geschieden indien de aanbestedende overheid niet binnen twee dagen na de bevestiging van de ontvangst van de aankondiging is geïnformeerd over de bekendmaking in het Publicatieblad van de Europese Unie.'
       Anders gesteld : de bekendmaking op Belgisch niveau mag niet langer onmiddellijk plaatsvinden. Voortaan moet gewacht worden tot op Europees niveau effectief werd gepubliceerd. Vroeger mocht de bekendmaking op Belgisch niveau niet plaatsvinden vóór de datum waarop de aankondiging naar het Bureau voor Publicaties van de Europese Unie werd verzonden. Nu geldt als referentiepunt de publicatie op Europees niveau. Echter, als deze bekendmaking op Europees niveau te lang op zich laat wachten, mag men toch overgaan tot publicatie op Belgisch niveau. Dit laatste zal het geval zijn indien de aanbestedende overheid niet binnen twee dagen na de bevestiging van de ontvangst van de aankondiging is geïnformeerd over de bekendmaking in het Publicatieblad van de Europese Unie.
       Het feit dat `gewacht' moet worden, maximaal twee dagen, op de Europese publicatie, geldt alleen voor de opdrachten die onderworpen zijn aan de Europese bekendmaking. Dit verantwoordt het onderscheid tussen het tweede en het derde lid.
       De berekeningswijze van artikel 9 is niet verenigbaar met verordening nr. 1182/71 van de Raad van 3 juni 1971. Immers moet ook worden gerekend in dagen vóór de uiterste datum van ontvangst van de aanvragen tot deelneming of de offertes. Artikel 3.4 van de voormelde verordening bepaalt bijvoorbeeld dat, indien de laatste dag een feestdag, zondag of zaterdag is, dan de termijn afloopt bij het einde van het laatste uur van de daaropvolgende werkdag. De draagwijdte van de in de vorige zin onderstreepte woorden is onduidelijk indien naar vóór wordt gerekend. Het werd daarom duidelijk geacht om te rekenen in kalenderdagen, en dit voor alle berekeningswijzen in artikel 9 (zowel naar voor als naar achter). Twee berekeningswijzen invoeren in één en hetzelfde artikel werd als te ingewikkeld ervaren. Artikel 167 van de wet laat toe dat afgeweken wordt van verordening nr. 1182/71. De betreffende berekeningen kaderen in een artikel dat niet terug te vinden is in richtlijn 2014/24/EU."
       Uit de door de gemachtigde verstrekte uitleg valt af te leiden waarom verordening nr. 1182/71 niet van toepassing is voor de berekening van de termijnen, bedoeld in artikel 9 van het ontwerp. Het zou tevens aanbeveling verdienen indien in het verslag aan de Koning enige bijkomende verduidelijking zou worden gegeven over de berekening van de in artikel 9, tweede en derde lid, van het ontwerp, bepaalde termijnen, nu verordening nr. 1182/71 daarop niet van toepassing is.
       18. Indien de steller van een normatieve tekst wenst dat een termijn alle dagen omvat, volstaat het woord "dagen". Het gebruik van het woord "kalenderdagen" wordt afgeraden (5). Het woord "kalenderdagen" wordt bijgevolg het best vervangen door het woord "dagen" in artikel 9, tweede en derde lid, van het ontwerp. Dit is ook het geval in de artikelen 36, § 2, zesde lid, en 57, § 2, van het ontwerp.
       Artikel 11
       19. In artikel 11, tweede lid, van het ontwerp, dient te worden verwezen naar de desbetreffende internrechtelijke norm, d.w.z. naar "de herzieningen bedoeld in artikel 19, tweede lid, van de wet" (niet : "de herzieningen bepaald in artikel 6 van de richtlijn 2014/24/EU van het Europees Parlement en de Raad van 26 februari 2014 betreffende het plaatsen van overheidsopdrachten en tot intrekking van Richtlijn 2004/18/EG").
       Artikel 12
       20. De eerste zin van artikel 12 van het ontwerp wordt beter geredigeerd als volgt :
       "Niettegenstaande artikel 7, § 1, mag de aanbestedende overheid, wanneer werken, homogene leveringen of diensten de drempels vermeld in artikel 11 bereiken en in percelen worden verdeeld, van de toepassing van de Europese bekendmaking afwijken voor percelen waarvan het individuele geraamde bedrag kleiner is dan 1.000.000 euro voor werken, respectievelijk 80.000 euro voor leveringen en diensten, voor zover hun samengevoegde geraamde waarde twintig percent van de geraamde waarde van het geheel van de percelen niet overschrijdt." (6)
       Artikel 15
       21. In de inleidende zin van artikel 15, § 1, eerste lid, van het ontwerp stemmen de woorden "en matière de passation de marchés", in de Franse tekst, niet overeen met de woorden "met betrekking tot geplande overheidsopdrachten", in de Nederlandse tekst. Deze discordantie moet worden weggewerkt.
       22. In de Franse tekst van het tweede lid van artikel 15, § 1, schrijve men - zoals in de Nederlandse tekst het geval is - telkens "avis annonçant la publication d'un avis de préinformation sur un profil d'acheteur" (niet : nu eens "avis de préinformation sur son profil d'acheteur", dan eens "avis annonçant la publication d'un avis de préinformation sur son profil d'acheteur") (7).
       Artikel 16
       23. Artikel 16 van het ontwerp wordt beter geredigeerd als volgt :
       "Overeenkomstig artikel 61 van de wet maakt een opdracht het voorwerp uit van een aankondiging van opdracht die de inlichtingen bevat die zijn vermeld in bijlage 4."
       De redactie van de Nederlandse tekst van dat artikel wordt hiermee meer afgestemd op die van de Franse tekst. In het tekstvoorstel is de zinsnede "Onverminderd artikel 42 van de wet en" weggelaten. Die zinsnede is immers overbodig, omdat zij al is vervat in de bepaling onder 1° van artikel 61, eerste lid, van de wet van 17 juni 2016; zij is daarnaast onvolledig, gelet op de overige uitzonderingen bepaald in dat lid. Eventueel zou nog aan al die uitzonderingen kunnen worden gerefereerd door na de zinsnede "Overeenkomstig artikel 61 van de wet" de woorden "en onder voorbehoud van de erin bepaalde uitzonderingen" in te voegen.
       Dezelfde opmerking geldt voor artikel 22 van het ontwerp.
       Artikel 18
       24. Het is juridisch correcter om in de inleidende zin van artikel 18, § 1, eerste lid, van het ontwerp, de zinsnede "Onverminderd artikel 90 van de wet," te vervangen door de zinsnede "Overeenkomstig artikel 90, §§ 1 en 2, van de wet,". Artikel 18, § 2, van het ontwerp, vangt dan het best aan met de woorden "Overeenkomstig artikel 90, § 3, van de wet,".
       Ook in de inleidende zin van artikel 24, eerste lid, van het ontwerp, vervange men de zinsnede "Onverminderd artikel 90 van de wet," door de zinsnede "Overeenkomstig artikel 90, §§ 1 en 2, van de wet,".
       25. In de Nederlandse tekst van artikel 18, § 1, tweede lid, van het ontwerp, schrijve men "is de onderhavige paragraaf niet van toepassing" in plaats van "is de onderhavige paragraaf is niet van toepassing".
       Artikel 23
       26. In artikel 23, § 2, eerste lid, 2°, van het ontwerp, vervange men de woorden "de NUTS-code" door de woorden "de NUTS-code, bedoeld in bijlage 12," (8).
       27. In artikel 23, § 2, vierde lid, 5°, van het ontwerp, wordt het begrip "intrekking" vermeld. Vraag is evenwel of niet veeleer een "opheffing" wordt bedoeld en of niet deze laatste term moet worden vermeld (9).
       28. De verwijzing aan het einde van artikel 23, § 2, vijfde lid, van het ontwerp, met betrekking tot een selectie onder de gekwalificeerde kandidaten, naar "de artikelen 65 tot 72", spoort niet met het verslag aan de Koning, waarin daarvoor wordt verwezen naar "de artikelen 66 tot 75". Een en ander dient beter op elkaar te worden afgestemd.
       Artikel 34
       29. De Nederlandse tekst van artikel 34, § 2, tweede lid, van het ontwerp, bevat geen tegenhanger voor de woorden "sans la modifier" in de Franse tekst. Deze discordantie moet worden weggewerkt.
       30. Aan het einde van artikel 34, § 2, derde lid, van het ontwerp, wordt bepaald dat aan de aanbestedende overheid de keuze wordt gelaten tussen hetzij een beslissing dat de opgegeven eenheidsprijzen van toepassing zijn, hetzij het weren van de offerte als zijnde onregelmatig. Aan de gemachtigde werd gevraagd op grond van welke criteria de aanbestedende overheid zich zal laten leiden bij het maken van de voornoemde keuze.
       De gemachtigde antwoordde :
       "De aanbestedende overheid zal dit beoordelen in functie van de eigenheden van het dossier en niet op basis van vooraf bepaalde criteria. De aanbestedende overheid zal bijvoorbeeld logischerwijze de opgegeven eenheidsprijzen bekrachtigen, indien het een fout in een verwaarloosbare post betreft. Het zal waarschijnlijk anders gesteld zijn wanneer het een belangrijke post betreft."
       Het verdient aanbeveling om de commentaar die in het verslag aan de Koning wordt gegeven bij de desbetreffende bepaling van het ontwerp aan te vullen met een aantal praktijkvoorbeelden in de zin van het door de gemachtigde gegeven voorbeeld (10).
       Artikel 36
       31. Aan de gemachtigde is gevraagd wat in artikel 36, § 2, vijfde lid, van het ontwerp, moet worden verstaan onder de woorden "verwaarloosbare posten".
       De gemachtigde antwoordde :
       "Het is onmogelijk een algemeen bruikbare definitie te geven van wat verwaarloosbaar is en wat niet. Het komt de aanbestedende overheid toe om de situatie te evalueren in functie van de betreffende opdracht."
       Het antwoord van de gemachtigde valt te begrijpen. Niettemin zou de ontworpen regeling aan toegankelijkheid winnen indien het begrip "verwaarloosbare posten" aan de hand van een aantal voorbeelden in het verslag aan de Koning meer concreet zou kunnen worden gemaakt.
       32. De wijze waarop artikel 36, § 3, van het ontwerp, is geredigeerd, lijkt de aanbestedende overheid geen appreciatiemogelijkheid te laten. Vraag is hoe deze bepaling moet worden begrepen in samenhang met artikel 76, § 4, van het ontwerp, dat regularisatie van een substantiële onregelmatigheid in een volgende onderhandelingsronde onder voorwaarden mogelijk maakt.
       De gemachtigde heeft daarover het volgende verklaard :
       "Het is inderdaad zo dat artikel 36, § 3, geen appreciatiemogelijkheid laat aan de aanbestedende overheid (dat is althans de bedoeling). Wanneer zij na de beoordeling van de ontvangen verantwoordingen vaststelt dat het bedrag van een of meer niet-verwaarloosbare posten of het totale offertebedrag een abnormaal laag karakter vertoont, dan moet ze de offerte weren, zonder dat nog op enigerlei wijze een regularisatiemogelijkheid zou kunnen worden onder ogen genomen. Overeenkomstig artikel 36, § 1, kan zij er echter voor kiezen, in een procedure met meerdere onderhandelingsrondes, om de bevraging uit te voeren op de laatst ingediende offertes. In dat geval zal ze eerder in deze fase ook geen verantwoordingen ontvangen."
       De stellers van het ontwerp zullen erover oordelen of in het verslag aan de Koning een verdere verduidelijking wordt opgenomen met betrekking tot de samenhang tussen de voornoemde bepalingen van het ontwerp.
       33. Op de vraag of artikel 36, § 3, van het ontwerp, geen aanvulling behoeft met bepalingen betreffende de vaststelling van een abnormaal hoge prijs of kost, rekening houdend met artikel 36, § 5, eerste en vierde lid, heeft de gemachtigde het volgende geantwoord :
       "Artikel 36, § 3, heeft betrekking op de sanctionering van abnormale prijzen. In het initiële voorstel was in artikel 36, § 3, sprake van een (verplichte) wering omwille van de vaststelling van een abnormaal hoge prijs of kost. Deze verplichte wering werd in de politieke besprekingen als te streng ervaren. Deze sanctie werd dan ook geschrapt. In het kader van de politieke besprekingen werd daarbij gedacht aan situaties waarin in het kader van de prijzen- of kostenbevraging om verantwoording wordt verzocht van bepaalde posten van een inschrijver(s) die wel abnormaal hoog lijken, maar waarbij de beweerde abnormaliteit te wijten is aan de abnormaal lage prijzen van meerdere andere inschrijvers. In sommige sectoren waarin praktijken inzake sociale dumping worden vastgesteld kan dit scenario, nog steeds volgens de bedoelde politieke besprekingen, niet uitgesloten worden.
       Ingevolge de schrapping werd ook de vijfde paragraaf aangepast (evenwel niet volledig, zie infra). In het eerste lid van de vijfde paragraaf, in verband met de kennisgeving aan de Auditeur-generaal van de BMA, werd het onderscheid gemaakt tussen een abnormaal lage prijs dan wel kost, in welk geval de offerte wordt geweerd, en het geval waarbij een abnormaal hoge prijs of kost wordt vastgesteld. In dat laatste geval is er niet noodzakelijk sprake van wering. Er zal echter wel sprake zijn van verplichte wering in het in artikel 5, § 2, 1°, van de wet bedoelde geval, waarbij de aanbestedende overheid ook mededingingsverstorende handelingen vaststelt. Er zal ook altijd sprake zijn van verplichte wering wanneer het een offerte betreft van de inschrijver aan wie ze voornemens is te gunnen, maar die niet voldoet aan de in artikel 7 van de wet bedoelde verplichtingen op het vlak van het milieu-, sociaal of arbeidsrecht, tenminste wanneer het een verplichting betreft waarvan de niet-naleving ook strafrechtelijk beteugeld wordt.
       De vaststelling van abnormaal hoge prijzen kan voor de aanbestedende overheid ook een reden zijn om de opdracht niet te gunnen overeenkomstig artikel 85 van de wet, wanneer ingevolge de toepassing van de gunningscriteria de offerte met abnormaal hoge prijzen de best geklasseerde offerte is.
       In de vijfde paragraaf, vierde lid, aangaande de kennisgeving aan de Commissie voor de erkenning van aannemers, is per vergissing nog steeds sprake van wering op basis van een abnormaal hoge prijs. Dit zal rechtgezet worden."
       De omstandige uitleg van de gemachtigde ten spijt blijft de vraag of de wijze waarop een aanbestedende overheid kan komen tot de vaststelling van een abnormaal hoge prijs of kost, niet toch het best het voorwerp uitmaakt van een uitdrukkelijke regeling in het ontwerp, zoals trouwens voor het abnormaal lage karakter van prijzen of kosten het geval is in artikel 36, §§ 3 en 4, van het ontwerp.
       34. Er werd aan de gemachtigde gevraagd waarom het voldoen aan de in artikel 7, eerste lid, van de wet bedoelde verplichtingen op het gebied van het milieu-, sociaal of arbeidsrecht in het raam van de toepassing van artikel 36, § 3, tweede lid, van het ontwerp, uit het oogpunt van abnormaal lage prijzen of kosten enkel wordt getoetst aan "het totale offertebedrag" en niet mede aan "het bedrag van een of meer niet-verwaarloosbare posten", zoals het geval is in het eerste lid, 1°, van die paragraaf.
       De gemachtigde heeft die vraag beantwoord als volgt :
       "Het tweede lid van de derde paragraaf is nodig om de conformiteit met de richtlijn te bewaren, alsook om het belang aan te tonen, in het kader van de bevraging rond abnormale prijzen/kosten, van het nazicht van de betreffende verplichtingen op het gebied van het milieu, sociaal- of arbeidsrecht, maar dit tweede lid volgt strikt genomen reeds uit het eerste lid. Om die reden zou een eventuele toetsing op postenniveau eigenlijk ook niets wijzigen. Echter, aangezien het merendeel van de posten niet of slechts onrechtstreeks verband houdt het milieu, sociaal of arbeidsrecht, leek een eerder letterlijke overname van de richtlijnbepaling het meest aangewezen. De betreffende bepaling van de richtlijn luidt als volgt :
       `De aanbestedende diensten wijzen de inschrijving af wanneer zij hebben vastgesteld dat de inschrijving abnormaal laag is omdat zij niet voldoet aan de in artikel 18, lid 2, genoemde toepasselijke verplichtingen.'
       Bovendien moet herinnerd worden aan artikel 66, § 1, tweede lid, van de wet, waarin reeds is voorzien in een weringsplicht dan wel een weringsmogelijkheid wegens vaststelling dat de offerte van de inschrijver aan wie de aanbestedende overheid voornemens is te gunnen, niet voldoet aan het milieu-, sociaal of arbeidsrecht, afhankelijk van het feit of het al dan niet een strafrechtelijk beteugelde bepaling betreft.
       Gezien de diverse weringsplichten en weringsmogelijkheden werd het raadzaam geacht de bewoordingen van artikel 36, § 3, lid 2, zo eenvoudig mogelijk te houden."
       De Raad van State acht deze verduidelijking voldoende plausibel.
       35. In artikel 36, § 3, derde lid, van het ontwerp, wordt enkel verwezen naar het eerste lid. Vraag is evenwel of het de bedoeling is dat bij de beoordeling in het kader van het tweede lid van die paragraaf geen rekening kan worden gehouden met inlichtingen die niet afkomstig zijn van de inschrijver. De gemachtigde deelde in dit verband mee dat zulks "niet de bedoeling" is. Artikel 36, § 3, derde lid, kan evenwel een andere indruk wekken. De redactie ervan wordt daarom het best aangepast.
       36. De gemachtigde heeft bevestigd dat in artikel 36, § 5, vierde lid, van het ontwerp, dient te worden geschreven "wordt geweerd op basis van een abnormaal lage prijs dan wel kost" (niet : "wordt geweerd op basis van een abnormaal hoge of lage prijs dan wel kost"), zoals het geval is in het eerste lid van dezelfde paragraaf.
       Artikel 38
       37. Aan de gemachtigde werd gevraagd op welke wijze de in artikel 38, § 1, eerste lid, van het ontwerp, vermelde uitzonderingen te verenigen vallen met het bepaalde in artikel 59 van richtlijn 2014/24/EU. De gemachtigde beantwoordde deze vraag als volgt :
       "In dit verband kan verwezen worden naar de voetnoot 5 van bijlage 1 - `Gebruiksaanwijziging' van de Uitvoeringsverordening 2016/7 van de Europese Commissie van 5 januari 2016 houdende een standaardformulier voor het Uniform Europees Aanbestedingsdocument, alwaar wordt gesteld, omtrent de principiële verplichting om het UEA voor te leggen, dat het in sommige gevallen geheel niet passend zou zijn om de overlegging van het UEA te verlangen, of dat dit totaal onnodige administratieve lasten met zich zou meebrengen, hetgeen niet de bedoeling kan zijn geweest. Dit is meer bepaald zo in de volgende gevallen waarbij gebruik wordt gemaakt van de onderhandelingsprocedure zonder voorafgaande bekendmaking :
       1° wanneer er maar één van te voren vaststaande deelnemer mogelijk is (zie art. 32, lid 2, onder b), lid 3, onder b), lid 3, onder d), en lid 5 van richtlijn 2014/24/EU);
       2° vanwege de betrokken spoed (art. 32, lid 2, onder c), van richtlijn 2014/24/EU) of vanwege de bijzondere kenmerken van de transactie inzake op een grondstoffenmarkt genoteerde en aangekochte producten (art. 32, lid 3, onder c), van richtlijn 2014/24/EU).
       Anders gesteld : volgens de Europese Commissie volgt uit artikel 32 van richtlijn 2014/24/EU dat in de hierboven bedoelde hypothesen waarbij gebruik mag worden gemaakt van de onderhandelingsprocedure zonder voorafgaande bekendmaking, dat de overlegging van het UEA niet verplicht is. Volgens de Europese Commissie blijkt het verplicht karakter van het UEA niet éénduidig uit artikel 59 van richtlijn 2014/24/EU zelf maar moet dit afgeleid worden uit de gecombineerde lezing van onder meer de artikelen 34 (mogelijkheid voor aanbestedende overheden om op ieder moment tijdens de geldigheidstermijn van het dynamisch aankoopsysteem een geactualiseerde versie UEA op te vragen), 59 en de artikelen 71.5 en 71.6.b (mogelijkheid voor de lidstaten om te bepalen dat de UEA's worden voorgelegd van de onderaannemers om na te gaan of in hun hoofde geen gronden tot uitsluiting bestaan). Met andere woorden blijkt het verplicht karakter slechts onrechtstreeks uit de samenlezing van de artikelen 34, 59 en 71. In sommige uitzonderlijke situaties waarbij gebruik mag worden gemaakt van de onderhandelingsprocedure zonder voorafgaande oproep tot mededinging, ontstaat dan ook de interpretatiemarge die kan verantwoorden waarom het UEA in de opgegeven gevallen toch niet moet worden overgelegd. Het feit dat dit niet verplicht is vloeit dan voort uit artikel 32 van richtlijn 2014/24/EU en de specifieke aard van sommige van de aldaar opgesomde gevallen. De interpretatie dat het UEA verplicht is ingevolge de gecombineerde lezing van de artikelen 34, 59 en 71 mag er langs de andere kant niet toe leiden dat een absurde lezing zou moeten gegeven worden aan artikel 32."
       Het verdient aanbeveling om de aldus geschetste verhouding van artikel 38, § 1, eerste lid, van het ontwerp, tot artikel 59 van richtlijn 2014/24/EU, ook in het verslag aan de Koning te verduidelijken.
       38. Aan het einde van de Nederlandse tekst van artikel 38, § 2, tweede lid, van het ontwerp, moet worden verwezen naar "het eerste lid, 2° " (niet : "het eerste lid 1, 2° ").
       Artikel 41
       39. In artikel 41 van het ontwerp stemmen de woorden "les règles relatives aux signatures électroniques et aux moyens de communication", in de Franse tekst, niet overeen met de woorden "de regels inzake ondertekening en de te gebruiken communicatiemiddelen", in de Nederlandse tekst. Deze discordantie moet worden weggewerkt.
       Artikel 42
       40. In de Franse tekst van artikel 42, § 1, tweede lid, van het ontwerp, schrijve men "la procédure négociée directe avec publication préalable" (niet : "la procédure directe avec publication préalable").
       Artikel 44
       41. Artikel 44, § 2, tweede en vierde lid, van het ontwerp, lijken uitsluitend te zijn afgestemd op de vertegenwoordiging van een persoon met domicilie of vestiging in België (11). Aan de gemachtigde is gevraagd of die bepalingen geen equivalent behoeven voor buitenlandse personen en of de tekst van het ontwerp op dat punt niet moet worden aangevuld.
       Daarop is door de gemachtigde geantwoord als volgt :
       "Wat de publicatie in het Belgisch Staatsblad betreft lijkt dit niet nodig, gelet op de woorden `in voorkomend geval' in het begin van het derde [lees : tweede] lid.
       Het andere aspect, in verband indieningsrapport dat namens een rechtspersoon wordt ondertekend door middel van een certificaat op naam van deze rechtspersoon, die enkel een verbintenis aangaat voor eigen naam en rekening, is inderdaad problematisch.
       Als alternatief zou de volgende formulering overwogen kunnen worden :
       `Het indieningsrapport dat namens een rechtspersoon elektronisch wordt ondertekend door middel van een certificaat op naam van deze rechtspersoon, die daarbij enkel een verbintenis aangaat voor eigen naam en rekening, vereist geen bijkomende volmacht.'"
       Het door de gemachtigde gedane tekstvoorstel kan worden bijgetreden. Men schrijve wel "in eigen naam en voor eigen rekening".
       Artikel 51
       42. Aan de gemachtigde is gevraagd of het niet raadzaam is om de opsomming van situaties die tot een belangenconflict leiden te verruimen, rekening houdend met de opsomming van situaties in artikel 6, § 1, tweede lid, van de wet van 17 juni 2016.
       De gemachtigde heeft daarop geantwoord dat het "inderdaad raadzaam" is "om de tekst aldus te vervolledigen en het woord rechtstreeks te schrappen".
       43. Aan het einde van artikel 51, tweede lid, van het ontwerp, schrijve men "eender welke andere vorm van beëindiging van de vroegere activiteiten" (niet : "eender welke andere vorm van vertrek").
       Artikel 59
       44. Aan het einde van de Nederlandse tekst van artikel 59, 1°, van het ontwerp, schrijve men "om de inlichtingen te verkrijgen" (niet : "om de inlichtingen te komen").
       45. Voor zover artikel 59, 2°, van het ontwerp, betrekking heeft op documenten en inlichtingen die reeds met toepassing van de wet van 16 januari 2003 (12) onder de verplichte eenmalige gegevensverzameling vallen, is die bepaling op een te algemene wijze geredigeerd, omdat ermee de indruk wordt gewekt dat wordt afgeweken van de voornoemde wettelijke regeling, terwijl dat niet kan (13). Er kan worden overwogen om in artikel 59, 2°, van het ontwerp, te expliciteren dat documenten en inlichtingen worden bedoeld die niet met toepassing van de wet van 16 januari 2003 kunnen worden verkregen.
       Artikel 61
       46. Naar analogie van de Franse tekst schrappe men in de Nederlandse tekst van artikel 61, 4°, van het ontwerp, het woord "respectievelijk".
       47. In artikel 61, 5° en 6°, van het ontwerp, wordt verwezen naar sommige richtlijnbepalingen. Er zou evenwel moeten worden verwezen naar de internrechtelijke regels die de betrokken richtlijnbepalingen in het interne recht hebben omgezet.
       Artikel 63
       48. In artikel 63, § 3, eerste lid, van het ontwerp, dienen de woorden "ten opzichte van de Federale Overheidsdienst Financiën" te worden weggelaten na de woorden "fiscale verplichtingen", gelet op het daaropvolgende tweede lid waarin wordt bepaald dat "[h]et in het eerste lid bedoelde attest wordt uitgereikt door de bevoegde Belgische en/of buitenlandse overheid en bevestigt dat de kandidaat of inschrijver aan zijn fiscale verplichtingen heeft voldaan overeenkomstig de wettelijke bepalingen van het land waar hij gevestigd is".
       In het verlengde daarvan schrijve men in artikel 63, § 4, van het ontwerp, "door de Federale Overheidsdienst Financiën te ondervragen voor zover die de door de aanbestedende overheid gevraagde attesten uitreikt" (niet : "de Federale Overheidsdienst Financiën (...) die de (...) attesten uitreikt").
       Artikel 67
       49. In de Nederlandse tekst van artikel 67, § 2, van het ontwerp, dient in de eerste zin te worden verwezen naar "de in paragraaf 1, tweede lid, 1°, bedoelde jaarrekeningen" (niet : "paragraaf 1, tweede lid 2, 1° ").
       50. Aan het einde van artikel 67, § 3, tweede lid, van het ontwerp, wordt het best verwezen naar "de te bewaren inlichtingen in de zin van artikel 164, § 1, van de wet" (niet "artikel 164") (14).
       Artikel 68
       51. Naar analogie van de Franse tekst vulle men de inleidende zin van de Nederlandse tekst van artikel 68, § 4, van het ontwerp, aan met het woord "zijn".
       52. Aan het einde van de bepalingen onder 3° en 5° van artikel 68, § 4, van het ontwerp, stemmen de woorden "ontwerpen en onderzoek", in de Nederlandse tekst, niet overeen met de woorden "étude et [...] recherche", in de Franse tekst. Beide teksten zouden beter op elkaar moeten worden afgestemd.
       53. Ook in artikel 68, § 4, 9°, van het ontwerp, is er een gebrek aan overeenstemming tussen de Nederlandse ("het verlenen van de opdracht") en de Franse tekst ("la réalisation du marché"). Beide teksten dienen ook op dit punt eenvormig te worden gemaakt.
       54. In de inleidende zin van artikel 68, § 4, 11°, van het ontwerp, vervange men de woorden "de opdrachten voor leveringen" door de woorden "de te leveren producten" (15).
       Artikel 70
       55. In artikel 70, § 1, eerste lid, en tweede lid, 3°, van het ontwerp, moet worden verwezen naar respectievelijk "artikel 3, § 1," en "artikel 3, § 1, 2°, " van de wet van 20 maart 1991 `houdende regeling van de erkenning van aannemers van werken'.
       56. In artikel 70, § 1, eerste lid, van het ontwerp, hebben de woorden "aan de voorwaarden ertoe voldoen of nog", in de Nederlandse tekst, geen equivalent in de Franse tekst. Deze discordantie dient te worden verholpen.
       57. In de Nederlandse tekst van artikel 70, §§ 2, derde lid, 3, tweede lid, en 4, derde lid, van het ontwerp, schrijve men telkens "in de in artikel 42, § 1, eerste lid, 1°, b) en d), 2°, 3°, 4°, b) en c), van de wet bedoelde gevallen".
       58. In de Nederlandse tekst van artikel 70, § 4, tweede lid, van het ontwerp, schrijve men "certificaten" en niet "getuigschriften". Op die wijze wordt er ook in de Nederlandse tekst van artikel 70, § 4, eerste en tweede lid, een eenvormige terminologie gebruikt.
       Een gelijkaardige opmerking kan worden gemaakt met betrekking tot artikel 72, § 2, eerste lid, 2°, tweede en derde lid, van het ontwerp.
       Artikel 72
       59. De gemachtigde is het ermee eens dat in de inleidende zin van artikel 72, § 2, eerste lid, van het ontwerp, dient te worden verwezen naar achtereenvolgens "artikel 67, § 1, vierde lid, van de wet" van 17 juni 2016 (niet : "artikel 67, § 1, derde lid, van de wet") en "de artikelen 67 tot 69 van de wet" (niet : "de artikelen 67 tot 70 van de wet").
       60. Ter wille van de overeenstemming met de Franse tekst, vermelde men in de Nederlandse tekst van artikel 72, § 2, eerste lid, 1°, van het ontwerp "verplichte uitsluitingsgronden" (niet : "uitsluitingsgronden"). Voorts dienen de woorden "de lidstaat of" te worden weggelaten. Die woorden moeten dan ook worden geschrapt in artikel 72, § 2, tweede lid, van het ontwerp.
       61. Aan de gemachtigde is gevraagd of in artikel 72, § 2, tweede en derde lid, van het ontwerp, niet telkens kan worden volstaan met een verwijzing naar de gevallen bedoeld in "het eerste lid", gelet op de verwijzingen in artikel 60, lid 2, eerste en tweede alinea, van richtlijn 2014/24/EU.
       De gemachtigde beantwoordde die vraag als volgt :
       "Les références sont en effet erronées. Il ne peut toutefois être uniquement fait référence à l'alinéa 1er qui reprend tous les cas d'exclusion. Cette référence est trop large.
       Il convient de viser, selon la directive 2014/24/UE, les motifs d'exclusions obligatoires (article 67 de la loi), les dettes sociales et fiscales (article 68 de la loi) et l'état de faillite repris dans les motifs d'exclusion facultatifs (article 69, 2°, de la loi). Aucune référence ne doit être faite aux autres motifs d'exclusion facultatifs."
       Het antwoord van de gemachtigde doet ervan blijken dat de verwijzingen in artikel 72, § 2, tweede en derde lid, van het ontwerp, aanpassing behoeven.
       Artikel 73
       62. Het is niet duidelijk waarom in artikel 73, § 1, tweede lid, van het ontwerp niet wordt aangesloten op de redactie van de eerste zin van artikel 63, lid 1, tweede alinea, van richtlijn 2014/24/EU door te schrijven :
       "De aanbestedende overheid gaat overeenkomstig de artikelen 73 tot 76 van de wet na of de entiteiten op wier draagkracht een ondernemer zich wil beroepen, aan de selectiecriteria voldoen en of voor hen uitsluitingsgronden bestaan, onverminderd de mogelijkheid tot corrigerende maatregelen overeenkomstig artikel 70 van de wet."
       Het ware eveneens meer in overeenstemming met de voornoemde richtlijnbepaling om verder in artikel 73, § 1, tweede lid, van het ontwerp, de woorden "bovenvermeld selectiecriterium" te vervangen door de woorden "een toe te passen selectiecriterium" (16).
       Artikel 75
       63. In de laatste zin van artikel 75, eerste lid, van het ontwerp, schrijve men "de afwezigheid nagaan van fiscale en sociale schulden overeenkomstig artikel 68 van de wet en van de artikelen 62 en 63 van dit besluit" (niet : "de artikelen 63 en 64 van dit besluit"). Op die wijze wordt de redactie van artikel 75, eerste lid, uniform gemaakt met die van het tweede lid, 1°, van artikel 75 van het ontwerp.
       Artikel 76
       64. In de Nederlandse tekst van artikel 76, § 5, van het ontwerp, schrijve men "met een geraamde waarde lager dan de drempel".
       Artikel 83
       65. Het is de vraag of de woorden "Ongeacht de oorzaak van de vertraging", in de tweede zin van artikel 83 van het ontwerp, die aangeven dat laattijdige aanvragen tot deelneming of laattijdige offertes niet kunnen worden aanvaard, niet beter worden weggelaten. Het artikel geldt immers "[o]nverminderd artikel 57", dat net voorziet in een mogelijke verdaging van het uiterste tijdstip van indiening. Het is bovendien volgens de gemachtigde niet de bedoeling om de mogelijkheid tot aanvaarding van laattijdige aanvragen tot deelneming of laattijdige offertes wegens overmacht uit te sluiten.
       Een gelijkaardige vraag rijst bij artikel 92 van het ontwerp waarin eveneens wordt bepaald dat "[O]ngeacht de oorzaak van de vertraging (...) laattijdige offertes niet [worden] aanvaard".
       Artikel 87
       66. Er is aan de gemachtigde gevraagd of de onregelmatigheid vermeld aan het einde van artikel 87, § 1, vierde lid, van het ontwerp, al dan niet een substantieel karakter heeft.
       De gemachtigde heeft daarover de volgende verduidelijking gegeven :
       "Pour savoir si l'irrégularité visée à l'article 87 est substantielle ou non, il faut se référer ici à l'article 76, § 1er, al 3 du projet : `Constitue une irrégularité substantielle celle qui est de nature à donner un avantage discriminatoire au soumissionnaire, à entraîner une distorsion de concurrence, à empêcher l'évaluation de l'offre du soumissionnaire ou la comparaison de celle-ci aux autres offres, ou à rendre inexistant, incomplet ou incertain l'engagement du soumissionnaire à exécuter le marché dans les conditions prévues.'
       Lorsqu'un soumissionnaire a lié un supplément de prix ou une autre contrepartie à une option libre ou autorisée et qu'il n'est pas possible de ne pas prendre cela en considération, les conditions de 76, § 1er, al 3 seront souvent remplies. L'offre devra alors être déclarée irrégulière. Elle ne pourra être prise en considération que lorsque le supplément de prix ou la contrepartie à une option libre ou autorisée, n'est pas prise en considération."
       67. In de Nederlandse tekst van artikel 87, § 2, eerste lid, van het ontwerp, komt geen zinsnede voor die overeenstemt met de zinsnede ", afin de les départager," in de Franse tekst van die bepaling. Deze discordantie moet worden weggewerkt.
       Artikel 88
       68. In de onderscheiden leden van artikel 88 van het ontwerp wordt in de Franse tekst melding gemaakt van het woord "notification". In de Nederlandse tekst wordt telkens melding gemaakt van de term "betekening". Overeenkomstig artikel 32 van het Gerechtelijk Wetboek wordt het begrip "betekening" evenwel uitsluitend gebruikt voor gerechtsdeurwaardersexploten, terwijl voor poststukken de term "kennisgeving" moet worden gebruikt. Vraag is derhalve of in de Nederlandse tekst van de verschillende leden van artikel 88 van het ontwerp niet telkens beter melding wordt gemaakt van het begrip "kennisgeving".
       Dezelfde vraag rijst ten aanzien van de Nederlandse tekst van artikel 95, 2°, van het ontwerp.
       Artikel 91
       69. In de commentaar die in het verslag aan de Koning wordt gegeven bij artikel 91 van het ontwerp wordt verkeerdelijk verwezen naar "artikel 10, eerste lid, 2° of 3°, " van het ontwerp. Deze verwijzing stemt evenwel niet overeen met de verwijzing naar "artikel 11, eerste lid, 2° dan wel 3° ", die in artikel 91, 2°, van het ontwerp voorkomt. De tekst van het verslag aan de Koning moet op dat punt worden gecorrigeerd.
       Artikel 93
       70. Artikel 93, tweede lid, van het ontwerp, komt - volgens de commentaar in het verslag aan de Koning - neer op een "verduidelijking ten opzichte van" artikel 42, § 3, eerste lid, 2°, van de wet van 17 juni 2016. Het verdient aanbeveling om het verband met de voornoemde wetsbepaling in artikel 93, tweede lid, van het ontwerp, weer te geven door in de tweede zin van dat lid te schrijven "Overeenkomstig artikel 42, § 3, eerste lid, 2°, van de wet, kunnen de opdrachtdocumenten echter afwijken van dit lid".
       71. In de commentaar die in het verslag aan de Koning wordt gegeven bij artikel 93, tweede lid, van het ontwerp, wordt verkeerdelijk melding gemaakt van "de artikelen 64 tot 70". In artikel 93, tweede lid, van het ontwerp, wordt evenwel verwezen naar "de artikelen 65 tot 70". De redactie van het verslag aan de Koning moet hiermee in overeenstemming worden gebracht.
       Artikel 94
       72. In de Nederlandse tekst van de inleidende zin van artikel 94 van het ontwerp schrijve men "een onderhandelingsprocedure zonder voorafgaande bekendmaking" in plaats van "een onderhandelingsprocedure zonder bekendmaking" (17).
       73. De gemachtigde bevestigt dat de verwijzing, aan het einde van artikel 94, 4°, van het ontwerp, moet worden verruimd tot het geheel van "de in artikel 42, § 3, tweede lid, van de wet [van 17 juni 2016] bedoelde gevallen" (niet : "de in artikel 42, § 3, tweede lid, 1°, van de wet bedoelde gevallen").
       Artikel 95
       74. In de Franse tekst van de inleidende zin van artikel 95 van het ontwerp schrijve men, in overeenstemming met de Nederlandse tekst, "par procédure concurrentielle avec négociation ou par procédure négociée sans publication préalable". De betrokken procedures kunnen immers niet tegelijk worden toegepast op één opdracht.
       Artikel 101
       75. In de Nederlandse tekst van artikel 101, 1°, van het ontwerp, moet worden verwezen naar "de uitvoeringsverordening (EU) 2015/1986 van de Commissie van 11 november 2015 tot vaststelling van standaardformulieren voor de bekendmaking van aankondigingen op het gebied van overheidsopdrachten en tot intrekking van uitvoeringsverordening (EU) nummer 842/2011".
       76. In de Franse tekst van artikel 101, 4°, van het ontwerp, zijn de woorden "tegelijk met de bekendmaking van de opdracht", die in de Nederlandse tekst voorkomen, niet weergegeven. Deze discordantie moet worden weggewerkt.
       Artikel 105
       77. In de Franse tekst van artikel 105, 2°, van het ontwerp schrijve men "l'avis d'attribution de marché" (niet : "l'avis d'attribution").
       Artikel 108
       78. Ter wille van de overeenstemming met de om te zetten laatste zin van artikel 35, lid 5, van richtlijn 2014/24/EU, vervange men in artikel 108, zesde lid, van het ontwerp, de woorden "twee dagen" door de woorden "twee werkdagen".
       Artikel 116
       79. In de Nederlandse tekst van artikel 116, tweede lid, van het ontwerp lijkt het woord "gegadigden" het best te worden vervangen door het woord "kandidaten" (18).
       Artikel 117
       80. In de Nederlandse tekst van artikel 117, 1°, van het ontwerp vervange men, in overeenstemming met de Franse tekst van die bepaling, de term "gunnen" door de meer passende term "plaatsen" (19).
       Om een gelijkaardige reden vervange men in artikel 122, § 1, eerste lid, 1°, van het ontwerp, het woord "gunningsprocedure" door het woord "plaatsingsprocedure".
       Artikel 118
       81. Op de vervanging van het woord "kandidaten" door het woord "gegadigden" (20) na, komt artikel 118 van het ontwerp neer op een herneming van hetgeen reeds in artikel 50, derde lid, van de wet van 17 juni 2016 wordt bepaald. Het staat niet aan de uitvoerende macht om louter te bevestigen wat in de wet is bepaald. Artikel 118 wordt dan ook het best uit het ontwerp weggelaten.
       Artikel 122
       82. Artikel 122, § 3, van het ontwerp, is overbodig en moet worden weggelaten. Hetgeen in die paragraaf is bepaald, volgt immers reeds uit de verwijzing in artikel 123, eerste lid, naar artikel 10 van het ontwerp. Door die verwijzing wordt het laatstgenoemde artikel als onderdeel van de bekendmakingsvoorschriften van titel 1, hoofdstuk 3, van toepassing verklaard op prijsvragen.
       Titel 7. - Opschrift en artikel 126
       83. In het opschrift van titel 7 en in artikel 126 van het ontwerp, dienen de woorden "procedure in rechte" te worden vervangen door het woord "procedure". Uit artikel 28, § 1, eerste lid, 4°, a) en b) (niet : "artikel 28, § 1, 4°, a) en b)"), van de wet van 17 juni 2016, blijkt immers dat de in die wetsbepaling en de in artikel 126 van het ontwerp beoogde overheidsopdrachten (niet : "opdrachten") niet noodzakelijk op een procedure voor een rechterlijke instantie betrekking hoeven te hebben.
       Artikel 128
       84. In artikel 128 van het ontwerp moet ook nog melding worden gemaakt van het ministerieel besluit van 22 december 2015 dat het op te heffen koninklijk besluit van 15 juli 2011 heeft gewijzigd.
       Artikelen 129 en 130
       85. Er werden aan de gemachtigde een aantal vragen gesteld die onder meer betrekking hebben op de verenigbaarheid van de overgangsregeling die is uitgewerkt in de artikelen 129 en 130 van het ontwerp met de overgangsbepalingen van richtlijn 2014/24/EU.
       85.1. In artikel 90, lid 2, eerste alinea, van richtlijn 2014/24/EU wordt melding gemaakt van de zinsnede "behalve wanneer het gebruik van elektronische middelen verplicht is krachtens artikel 34, artikel 35, artikel 36, artikel 37, lid 3, artikel 51, lid 2, of artikel 53". Bijgevolg kan de vraag rijzen of het bepaalde in artikel 90, leden 1 en 2, eerste alinea, van de richtlijn, niet vereist dat in artikel 129 van het ontwerp, wordt voorzien in een uitzondering op de mogelijke toepassing van dat laatste artikel als het verplicht is om gebruik te maken van elektronische middelen in het raam van de toepassing van de internrechtelijke bepalingen die strekken tot het omzetten van de artikelen van de richtlijn waarnaar wordt verwezen in de aangehaalde zinsnede in artikel 90, lid 2, eerste alinea, van de richtlijn.
       De gemachtigde antwoordde :
       "Il est en effet nécessaire de prévoir des exceptions à la possibilité de ne pas faire usage des moyens de communication électroniques et ce,
       - pour le système d'acquisition dynamique (art 34 de la directive),
       - l'enchère électronique (article 35 de la directive),
       - les catalogues électroniques (article 36 de la directive),
       - l'article 37, § 3 (dans la mesure où il s'agit d'une procédure de passation menée par un centrale d'achat),
       - l'article 51, § 2 (dans la mesure où l'avis de préinformation, l'avis de marché et l'avis d'attribution doivent être publiés de manière électronique) et
       - l'article 53 (mise à disposition des documents de marché).
       Des références analogues à ce qui est prévu dans la directive doivent dès lors être insérées dans le projet."
       85.2. Aan de gemachtigde werd gevraagd of de opsomming van bepalingen van het koninklijk besluit van 15 juli 2011, in de artikelen 129, tweede lid, 1°, en 130, tweede lid, 1°, van het ontwerp, sluitend is in alle gevallen waarin een aanbestedende overheid, voor een andere plaatsingsprocedure dan de openbare of niet-openbare procedure, toepassing maakt van de mogelijkheid die wordt geboden door de artikelen 129, eerste lid, en 130, eerste lid, van het ontwerp.
       De gemachtigde antwoordde :
       "Bij nader inzien stellen we vast dat de werkwijze van artikel 129, dus voor de opdrachten die de drempel voor de Europese bekendmaking bereiken, niet in overeenstemming valt te brengen met de keuzemogelijkheid die artikel 90.2, derde lid, van richtlijn 2014/24/EU laat aan de aanbestedende overheid, wanneer een lidstaat een overgangsperiode wenst in te voeren. Het antwoord dat volgt heeft dan ook alleen betrekking op artikel 130 omtrent de opdrachten waarvan de geraamde waarde lager is dan de drempel voor de Europese bekendmaking. De bewoordingen van artikel 129 zullen moeten worden afgestemd op artikel 90.2, derde lid, van richtlijn 2014/24/EU. Andere mogelijkheid is artikel 129 te schrappen.
       Er kan eveneens gebruik worden gemaakt van de overgangsmaatregel in andere dan de openbare of niet-openbare procedure, bijvoorbeeld in de mededingingsprocedure met onderhandeling. Daartoe is niet vereist dat de aanbestedende overheid de bepalingen van het KB van 15 juli 2011 waarnaar wordt verwezen van toepassing verklaart. Als geen elektronische communicatiemiddelen worden gebruikt, dan is duidelijk aangegeven dat papieren communicatiemiddelen moeten worden aangewend. De overgangsmaatregel geldt wel alleen wat de afwijking op het verplicht gebruik van elektronische communicatiemiddelen betreft. Een reeks andere artikelen van de wet en van het ontwerp blijven van toepassing.
       Stel bijvoorbeeld dat een aanbestedende overheid bij een mededingingsprocedure met onderhandeling gebruik wenst te maken van de overgangsmaatregel. In dat geval moeten papieren communicatiemiddelen worden aangewend voor de indiening van de offerte. Ook artikel 14, § 6, van de wet, is van toepassing. De aanbesteder moet er dus voor zorgen dat de integriteit van de gegevens en de vertrouwelijkheid van de offertes gewaarborgd zijn. Hij mag pas na het vestrijken van de uiterste termijn voor de indiening kennis nemen van de inhoud van de aanvragen tot deelneming en de offertes. Daarnaast zullen heel wat bepalingen uit de wet en met name de beginselen van toepassing blijven.
       Ook het artikelen 95 van het ontwerp (overname van artikel 110, lid 1 van het KB van 15 juli 2011) blijft in dat geval van toepassing.
       De aanbestedende overheid kan er in de voormelde voorbeeld ook voor kiezen om de bepalingen van het KB van 15 juli 2011 waarnaar wordt verwezen van toepassing te verklaren. In dat laatste geval zal een openingszitting moeten worden georganiseerd, etc..
       De werkwijze in de overgangsperiode sluit aan op de regeling vervat in de artikelen 106 tot 110 van het KB van 15 juli 2011, waarbij er relatief weinig regels zijn opgelegd voor de onderhandelingsprocedure met bekendmaking.
       Wellicht is een verduidelijking aangewezen voor artikel 130. Een andere mogelijkheid is ook daar de bepaling af te stemmen op artikel 90.2, derde lid, van richtlijn 2014/24/EU.
       Volledigheidshalve wordt er nog op gewezen dat artikel 100 van het ontwerp (overname van artikel 114, § 3 van het KB van 15 juli 2011) van toepassing zal blijven indien een aanbestedende overheid in geval van een concurrentiegerichte dialoog gebruik wenst te maken van de overgangsperiode."
       85.3. In artikel 129, tweede lid, 2°, van het ontwerp, wordt onder meer bepaald dat de intrekking van een offerte, bij een openbare of niet-openbare procedure, "ook per telefax of via een ander elektronisch middel meegedeeld [kan] worden". Aan de gemachtigde werd gevraagd of het ontwerp op dit punt in overeenstemming is met artikel 90, lid 2, derde alinea, van richtlijn 2014/24/EU, temeer daar de toepassing van die richtlijnbepaling niet beperkt blijft tot de intrekking van een offerte en tot "een openbare of niet-openbare procedure".
       De gemachtigde bevestigde dat artikel 129, tweede lid, 2°, van het ontwerp, inderdaad niet in overeenstemming is met de voornoemde richtlijn en dat deze bepaling om die reden - en afgezien van het sub 85.2 weergegeven antwoord - niet ongewijzigd in het ontwerp kan worden behouden.
       85.4. Uit de sub 85.1 tot 85.3 weergegeven antwoorden van de gemachtigde valt af te leiden dat de overgangsregeling die in het ontwerp is uitgewerkt op diverse punten moet worden herzien en afgestemd op de overgangsbepalingen in richtlijn 2014/24/EU. Daarbij dient er tevens op te worden toegezien dat de overeenstemming met de richtlijn gewaarborgd blijft wat de toepassing van artikel 129 van het ontwerp betreft, eenmaal de in artikel 129, eerste lid, van het ontwerp, vermelde datum van 17 oktober 2018 is verstreken (21).
       Artikelen 132 en 133
       86. In artikel 132 van het ontwerp worden de desbetreffende bepalingen van de wet van 17 juni 2016 in werking gesteld op 30 juni 2017 "voor de opdrachten die vanaf die datum worden bekendgemaakt of hadden moeten worden bekendgemaakt, alsook voor de opdrachten waarvoor, bij ontstentenis van een verplichting tot voorafgaande bekendmaking, vanaf die datum wordt uitgenodigd tot het indienen van een offerte".
       In de inleidende zin van artikel 133 van het ontwerp komt een gelijkaardige beperking van het toepassingsgebied van de ontworpen bepaling van inwerkingtreding voor.
       Aan de gemachtigde werd gevraagd op welke wijze dergelijke beperkingen zich verhouden tot richtlijn 2014/24/EU en of er voor beperkingen van die aard een aanknopingspunt kan worden gevonden in de richtlijn.
       De gemachtigde beantwoordde die vraag als volgt :
       "Une disposition similaire existait dans l'AR du 2 juin 2013 fixant la date d'entrée en vigueur de la loi du 15 juin 2006 relative aux marchés publics et à certains marchés de travaux, de fournitures et de services, et de ses arrêtés royaux d'exécution.
       Une telle disposition vise à éviter que d'autres règles en matière de communication soient rendues applicables au cours de la passation d'un même marché. En pratique, une telle adaptation au cours de la procédure serait source d'insécurité juridique; les parties ne sachant plus quelles règles appliquer.
       L'article 4 de la directive 2014/24/UE prévoit que la valeur estimée est déterminante pour savoir si le marché entre dans le champ d'application de la directive, en sachant que cette valeur doit être valable au moment de l'envoi de l'avis d'appel à la concurrence, ou, dans les cas où un tel avis n'est pas prévu, au moment où le pouvoir adjudicateur engage la procédure de passation du marché (et pas à un moment ultérieur). La valeur estimée doit encore être valable au moment où le pouvoir adjudicateur lance la procédure. Cet élément doit être considéré comme l'élément déclencheur pour déterminer les règles à respecter. Changer ces règles en cours de procédure conduirait à des situations absurdes. L'avis de marché ferait par exemple référence à une procédure négociée avec publicité (en ce compris les règles y applicables), tandis que la procédure appliquerait finalement les nouvelles règles de la procédure concurrentielle avec négociation. La volonté du législateur européen n'est pas de créer une telle insécurité juridique.
       A titre l'exemple, on peut citer l'obligation dans le cas d'un marché réservé de renvoyer à l'article correspondant de la directive dans l'appel à la concurrence, n'a pas de sens si ces règles changent en cours de procédure (l'article 19 de la directive 2004/18/CE demande de faire référence au présent article; une disposition similaire se retrouve à l'article 20 de la nouvelle directive 2014/24/UE)."
       Uit de door de gemachtigde verstrekte toelichting valt niet af te leiden dat de beperking van het toepassingsgebied van de inwerkingtredingsbepalingen van de artikelen 132 en 133 van het ontwerp teruggaat tot een duidelijke bepaling van richtlijn 2014/24/EU. De stellers van het ontwerp doen er goed aan om in het verslag aan de Koning de betrokken beperking nader toe te lichten en nauwkeuriger te situeren ten aanzien van richtlijn 2014/24/EU (22).
       87. Ter wille van de leesbaarheid schrijve men in de inleidende zin van artikel 133 van het ontwerp : "(...) treden in werking op een van de volgende datums voor de opdrachten die vanaf de desbetreffende datum worden bekendgemaakt of hadden moeten worden bekendgemaakt, alsook voor de opdrachten waarvoor, bij ontstentenis van een verplichting tot voorafgaande bekendmaking, vanaf de desbetreffende datum wordt uitgenodigd tot het indienen van een offerte".
       Bijlagen
       88. Iedere bijlage dient aan te geven dat ze een bijlage vormt bij het te nemen besluit en dient het opschrift van dat besluit te vermelden ("Bijlage (...) bij het koninklijk besluit van (...)").
       Onderaan de bijlage moeten de woorden "Gezien om gevoegd te worden bij het koninklijk besluit van (...)" voorkomen en de bijlage moet dezelfde datum en dezelfde ondertekeningsformule vermelden als die van het besluit waarbij ze is gevoegd (23).
       89. Op de twee laatste bijlagen na wordt in alle bijlagen die bij het ontwerp zijn gevoegd stelselmatig verwezen naar verkeerde bepalingen van het dispositief. Te vermelden vallen :
       - bijlage 1, waar dient verwezen naar "artikel 5" (niet : "artikel 4, § 1,");
       - bijlage 2, waar telkens (in delen A en B) dient verwezen naar "artikel 11, eerste lid, 2°, " (niet : "artikel 10, eerste lid, 2°, ");
       - bijlage 3, waar dient verwezen, in deel A, naar "artikel 15, § 1, tweede lid" (niet "artikel 14, § 1, tweede lid") en, in deel B, naar "artikel 15, § 1, eerste lid" (niet "artikel 14, § 1, eerste lid");
       - bijlage 4, waar dient verwezen naar "de artikelen 16 en 22" (niet : "de artikelen 15 en 21");
       - bijlage 5, waar dient verwezen naar "artikel 17" (niet : "artikel 16");
       - bijlage 6, waar dient verwezen, in deel A, naar "artikel 123, tweede lid" (niet "artikel 118, tweede lid") en, in deel B, naar "artikel 124, eerste lid" (niet "artikel 119, eerste lid");
       - bijlage 7, waar dient verwezen, in deel A, naar "de artikelen 18, § 1, eerste lid, 2°, en 24, eerste lid, 2° " (niet "de artikelen 17, § 1, 2° en 23, eerste lid, 2° "), in deel B, naar "de artikelen 18, § 1, eerste lid, 2°, en 24, eerste lid, 1° " (niet "de artikelen 17, § 1, 1° en 23, eerste lid, 2° ") en, in deel C, naar "artikel 18, § 2" (niet : "artikel 17, § 2");
       - bijlage 8, waar dient verwezen naar "artikel 106" (niet : "artikel 101");
       - bijlage 9, waar telkens (onder het opschrift en in de inleidende zin van de bepaling onder 1) dient verwezen naar "de artikelen 52 en 97" (niet : "artikel 50") (24);
       - bijlage 10, waar in voetnoot 1 dient verwezen naar "artikel 66, eerste lid," (niet : "artikel 67, lid 1, van de besluit").
       Uit wat voorafgaat, volgt dat de tekst van de bijlagen aan een grondige bijkomende controle moet worden onderworpen.
       
       (1) Wat de laatste van die aanpassingen betreft, zij erop gewezen dat het ontwerp geen bepalingen bevat ter uitvoering van de machtiging in artikel 171, derde lid, van de wet van 17 juni 2016 om bepalingen van die wet zelf op te heffen, aan te vullen, te wijzigen of te vervangen om te voorzien in de omzetting van niet-verplichte bepalingen die voortvloeien uit het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie en de internationale akten die genomen werden krachtens dit Verdrag en die betrekking hebben op de overheidsopdrachten en de opdrachten voor werken, leveringen en diensten bedoeld in die wet.
       (2) In het ontwerp komen slechts enkele bepalingen voor die betrekking hebben op onderaannemers (zie de artikelen 68, § 4, 10°, 74 en 78, eerste lid, 4° ) en in geen daarvan lijkt ten aanzien van hen een uitbreiding te kunnen worden gezien zoals mogelijk gemaakt bij artikel 86, derde lid, van de wet van 17 juni 2016.
       (3) Zie ook Beginselen van de wetgevingstechniek. Handleiding voor het opstellen van wetgevende en reglementaire teksten, Raad van State, 2008, aanbeveling nr. 23.1, d), te raadplegen op de internetsite van de Raad van State (www.raadvst-consetat.be), hierna verkort weergegeven als Handleiding wetgevingstechniek.
       (4) Zie evenwel de opmerkingen sub 85 en 85.1 tot 85.4.
       (5) Handleiding wetgevingstechniek, aanbeveling nr. 95, a).
       (6) In het tekstvoorstel werd de zinsnede ", exclusief belasting over de toegevoegde waarde," weggelaten. Die zinsnede is immers overbodig, rekening houdend met het bepaalde in artikel 3 van het ontwerp.
       (7) Zie ook de Franse tekst van het opschrift van bijlage 3, deel A, van het ontwerp en van bijlage V, A, bij richtlijn 2014/24/EU.
       (8) Wat de aan het einde van dezelfde bepaling bedoelde "CPV-code" betreft, zie artikel 2, 40°, van de wet van 17 juni 2016.
       (9) Er kan immers worden aangenomen dat het enkel de bedoeling is om de kwalificatie binnen een kwalificatiesysteem voor de toekomst te ontnemen, d.w.z. "op te heffen", niet dat de kwalificatie ab initio zou vervallen en moet worden geacht nooit te zijn verkregen, d.w.z. te zijn ingetrokken (zie voor een bespreking van de twee betrokken begrippen o.m. A. Mast, J. Dujardin, M. Van Damme en J. Vande Lanotte, Overzicht van het Belgisch administratief recht, Mechelen, Kluwer, 2014, p. 984-985, nrs. 1042 e.v.).
       (10) Een gelijkaardige suggestie kan worden gedaan bij andere bepalingen van het ontwerp, zoals artikel 86, § 2, eerste lid, en artikel 89, vierde lid, van het ontwerp.
       (11) Zie artikel XII.25, § 3, van het Wetboek van economisch recht, waarnaar wordt verwezen in artikel 44, § 2, vierde lid, van het ontwerp.
       (12) Wet van 16 januari 2003 `tot oprichting van een Kruispuntbank van ondernemingen, tot modernisering van het handelsregister, tot oprichting van erkende ondernemingsloketten en houdende diverse bepalingen'.
       (13) Zie bovendien ook artikel 73, § 4, eerste lid, van de wet van 17 juni 2016.
       (14) Artikel 164, § 2, van de wet van 17 juni 2016 betreft titel 3 van die wet (dus geen overheidsopdrachten in de klassieke, maar in de speciale sectoren). De overige paragrafen van artikel 164 van de wet behoeven evenmin vermelding.
       (15) Zie richtlijn 2014/24/EU, bijlage XII, deel II, k). De woorden "opdrachten voor leveringen" hebben een beperktere draagwijdte. Er kunnen immers ook producten moeten worden geleverd bij andersoortige opdrachten (bijvoorbeeld gemengde opdrachten).
       (16) In artikel 73, § 1, eerste lid, van het ontwerp, worden immers verschillende selectiecriteria vermeld.
       (17) Zie de Franse tekst van de inleidende zin en, onder meer, artikel 2, 26°, van de wet van 17 juni 2016.
       (18) Zie inzonderheid, aangezien die bepaling betrekking heeft op opdrachten geplaatst op basis van een dynamisch aankoopsysteem, artikel 44, § 2, eerste lid, van de wet van 17 juni 2016.
       (19) Zie immers de woorden "prijsvragen organiseren die als onderdeel van een procedure (...) worden uitgeschreven" in artikel 117, 1°, van het ontwerp. Vergelijk tevens met de definities van de begrippen "plaatsing" en "gunning" in artikel 2, 37° en 38°, van de wet van 17 juni 2016.
       (20) In verband met dergelijke vervanging, zie ook opmerking 79.
       (21) Zie artikel 129, derde lid, van het ontwerp.
       (22) Temeer daar de uiterste datum voor omzetting van de richtlijn, zoals voorgeschreven door artikel 90 ervan, is verstreken.
       (23) Handleiding wetgevingstechniek, aanbeveling nr. 172 en formule F 4-8-1.
       (24) In de Nederlandse tekst van de bepaling onder 2 van die bijlage schrijve men ook "deelneming aan de procedure" (niet : "deelneming de procedure").
       
       De griffier,
       W. Geurts.
       De voorzitter,
       M. Van Damme.

    Begin Eerste woord Laatste woord Wijziging(en) Aanhef
    Verslag aan de Koning Inhoudstafel 4 uitvoeringbesluiten 2 gearchiveerde versies
    Franstalige versie