J U S T E L     -     Geconsolideerde wetgeving
Einde Eerste woord Laatste woord Aanhef
Parlementaire werkzaamheden Inhoudstafel
Handtekening Einde Franstalige versie
 
belgiėlex . be     -     Kruispuntbank Wetgeving
Raad van State Kamer van volksvertegenwoordigers
ELI - Navigatie systeem via een Europese identificatiecode voor wetgeving
http://www.ejustice.just.fgov.be/eli/wet/2016/12/25/2016011557/justel

Titel
25 DECEMBER 2016. - Wet tot wijziging van de wet van 11 april 2003 betreffende de voorzieningen aangelegd voor de ontmanteling van de kerncentrales en voor het beheer van splijtstoffen bestraald in deze centrales en van de wet van 29 april 1999 betreffende de organisatie van de elektriciteitsmarkt

Bron :
ECONOMIE, KMO, MIDDENSTAND EN ENERGIE
Publicatie : 29-12-2016 nummer :   2016011557 bladzijde : 90988   BEELD
Dossiernummer : 2016-12-25/04
Inwerkingtreding : 29-12-2016

Inhoudstafel Tekst Begin
HOOFDSTUK 1. - Algemene bepaling
Art. 1
HOOFDSTUK 2. - Wijzigingen van de wet van 11 april 2003 betreffende de voorzieningen aangelegd voor de ontmanteling van de kerncentrales en voor het beheer van splijtstoffen bestraald in deze kerncentrales
Art. 2-7
HOOFDSTUK 3. - Wijzigingen van de wet van 29 april 1999 betreffende de organisatie van de elektriciteitsmarkt
Art. 8-9
HOOFDSTUK 4. - Inwerkingtreding
Art. 10
BIJLAGE.
Art. N

Tekst Inhoudstafel Begin
HOOFDSTUK 1. - Algemene bepaling

  Artikel 1. Deze wet regelt een aangelegenheid als bedoeld in artikel 74 van de Grondwet.

  HOOFDSTUK 2. - Wijzigingen van de wet van 11 april 2003 betreffende de voorzieningen aangelegd voor de ontmanteling van de kerncentrales en voor het beheer van splijtstoffen bestraald in deze kerncentrales

  Art. 2. Artikel 2 van de wet van 11 april 2003 betreffende de voorzieningen aangelegd voor de ontmanteling van de kerncentrales en voor het beheer van splijtstoffen bestraald in deze kerncentrales, gewijzigd bij de wet van 25 april 2007 en bij de wet van 27 december 2012, wordt aangevuld met de bepaling onder 10°, luidende :
  "10° "De CREG" : de Commissie voor de regulering van de elektriciteit en het gas, bedoeld in artikel 23 van de wet van 29 april 1999 betreffende de organisatie van de elektriciteitsmarkt".

  Art. 3. In artikel 14, paragraaf 8, van dezelfde wet, laatst gewijzigd bij de programmawet (I) van 26 december 2015, worden volgende wijzigingen aangebracht :
  1° er worden nieuwe leden ingevoegd tussen het dertiende lid en het veertiende lid, luidende :
  "Voor de jaren 2016 tot 2026 wordt een repartitiebijdrage opgelegd aan de exploitanten bedoeld in artikel 2, 5°, en de vennootschappen bedoeld in artikel 24, § 1, zonder hoofdelijkheid onderling en pro rata van hun aandelen in de industriėle productie van elektriciteit door splijting van kernbrandstoffen door de centrales onderworpen aan de repartitiebijdrage (Doel 3, Doel 4, Tihange 2 en Tihange 3), en dat voor het laatste afgelopen kalenderjaar.
  Voor het jaar 2016 wordt het globale bedrag van de repartitiebijdrage vastgelegd op een forfaitair netto bedrag van 130 miljoen euro; waarbij dit bedrag met name rekening heeft gehouden met een vermindering van 47,48 % die overeenstemt met de periode van onbeschikbaarheid van het betrokken nucleaire park omwille van redenen van nucleaire veiligheid of beveiliging, zoals vastgesteld door het Federaal Agentschap voor Nucleaire Controle. Dit bedrag wordt toegewezen aan het budget van de Rijksmiddelenbegroting.
  Voor elk van de jaren 2017 tot 2026, is het bedrag van de repartitiebijdrage gelijk aan een jaarlijks minimumbedrag vastgelegd in toepassing van het zeventiende lid voor wat betreft de jaren 2017 tot 2019, en in toepassing van het achttiende lid voor wat betreft de jaren 2020 tot 2026. Evenwel, en zonder dat dit bedrag negatief kan zijn, is het bedrag van de repartitiebijdrage gelijk aan het bedrag dat overeenkomt met 38 % van de winstmarge van de kerncentrales, berekend overeenkomstig de formule zoals opgenomen in Afdeling 2 van de bijlage bij deze wet, indien dit laatste bedrag hoger is dan het jaarlijkse minimumbedrag. De winstmarge van de kerncentrales, berekend overeenkomstig de formule zoals opgenomen in Afdeling 2 van de bijlage bij deze wet, herneemt, noch rechtstreeks, noch onrechtstreeks, geen enkele kost die verband houdt met de nucleaire voorzieningen en met hun herziening, waaronder de voorzieningen voor de ontmanteling en voor het beheer van bestraalde splijtstoffen, met uitzondering van de oorspronkelijke voorziening voor de splijtstof die als variabele kost wordt opgenomen voor de verbruikte splijtstof gedurende deze periode.
  Voor elk van de jaren 2017 tot 2019, wordt het jaarlijks minimumbedrag bedoeld in het zestiende lid vastgelegd op 177 miljoen euro.
  Voor elk van de jaren 2020 tot 2026, wordt het jaarlijks minimumbedrag bedoeld in het zestiende lid vastgelegd met toepassing van de formule bepaald in Afdeling 1 van de bijlage bij deze wet voor elke driejarige periode. Die vastlegging herneemt, noch rechtstreeks, noch onrechtstreeks, geen enkele kost die verband houdt met de nucleaire voorzieningen en met hun herziening, waaronder de voorzieningen voor de ontmanteling en voor het beheer van bestraalde splijtstoffen, met uitzondering van de oorspronkelijke voorziening voor de splijtstof die als variabele kost wordt opgenomen voor de verbruikte splijtstof gedurende deze periode.
  In de loop van de jaren 2017 tot 2026, in geval van definitieve of tijdelijke stillegging van één of meerdere van de kerncentrales Doel 3, Doel 4, Tihange 2 en Tihange 3 opgelegd door de overheid (krachtens de wet van 15 april 1994 betreffende de bescherming van de bevolking en van het leefmilieu tegen de uit ioniserende stralingen voortspruitende gevaren en betreffende het Federaal Agentschap voor Nucleaire Controle, omwille van dwingende redenen van nucleaire veiligheid of beveiliging, of in uitvoering van een bindend besluit van iedere Belgische, Europese of internationale instelling die dergelijke stillegging oplegt), wordt het jaarlijks minimumbedrag van de repartitiebijdrage bedoeld in het zestiende lid evenredig verminderd overeenkomstig de formule opgenomen in Afdeling 6 van de bijlage bij deze wet. In geval van stillegging in de loop van het jaar zal de vermindering pro rata temporis gebeuren.
  Voor de jaren 2017 tot 2026, in afwijking van het zestiende lid, is het bedrag van de repartitiebijdrage van het derde jaar van elke driejarige periode, respectievelijk 2019, 2022 en 2025, gelijk aan het verschil tussen enerzijds, het maximum tussen de som, voor de drie jaren van de periode, van de bedragen die overeenkomen met 38 % van de winstmarge berekend overeenkomstig de formule bedoeld in Afdeling 2 van de bijlage bij deze wet, met dien verstande dat deze bedragen niet negatief kunnen zijn, en de som, voor dezelfde drie jaren, van de jaarlijkse minimumbedragen bepaald in toepassing van respectievelijk het zeventiende en het achttiende lid, en anderzijds, de som van de repartitiebijdragen betaald tijdens de twee voorgaande jaren. Het bedrag van de repartitiebijdrage tijdens elke driejarige periode mag niet lager zijn dan de som van de minimale repartitiebijdragen van elk jaar van deze driejarige periode.
  De bedragen van de repartitiebijdrage die verschuldigd zijn krachtens het zestiende lid en het twintigste lid worden verminderd door toepassing van het degressiviteitsmechanisme bedoeld in paragraaf 11bis.
  Onverminderd de haar door de wet van 29 april 1999 betreffende de organisatie van de elektriciteitsmarkt toevertrouwde opdrachten, is de CREG belast met een bijzondere jaarlijkse opdracht tot berekening van de opbrengsten, kosten en de winstmarge bedoeld in Afdeling 2 van de bijlage bij deze wet en met een bijzondere driejaarlijkse opdracht, in 2020, 2023 en 2026, op basis van de parameters vastgelegd in Afdeling 5 van de bijlage bij deze wet, tot vaststelling van de vaste en variabele kosten bedoeld in Afdeling 5 van de bijlage bij deze wet en tot berekening van het jaarlijks minimumbedrag van de repartitiebijdrage voor de jaren 2020 tot 2022, de jaren 2023 tot 2025 en het jaar 2026.
  In het bijzonder controleert de CREG, op driejaarlijkse basis, in 2020, 2023 en 2026, de vaste en variabele kosten, bedoeld in Afdeling 5 van de bijlage bij deze wet, van de exploitanten bedoeld in artikel 2, 5°, en de vennootschappen bedoeld in artikel 24, § 1, in het kader van een analyse van de kosten door hen gedragen gedurende de drie jaren voorafgaand aan de herziening. Deze kosten hernemen noch rechtstreeks, noch onrechtstreeks, geen enkele kost die verband houdt met de nucleaire voorzieningen en met hun herziening, waaronder de voorzieningen voor de ontmanteling en voor het beheer van bestraalde splijtstoffen, met uitzondering van de oorspronkelijke voorziening voor de splijtstof die als variabele kost wordt opgenomen voor de verbruikte splijtstof gedurende deze periode. Na deze controle voert de CREG, in 2020, 2023 en 2026 de driejaarlijkse herziening door van de vaste en variabele kosten, bedoeld in Afdeling 5 van de bijlage bij deze wet, voor respectievelijk de jaren 2020 tot 2022, de jaren 2023 tot 2025 en het jaar 2026.
  Binnen het kader van haar opdracht zoals beschreven in het vorige lid, bepaalt de CREG ten laatste op 30 september 2019 de modaliteiten van de vaststelling van de vaste en variabele kosten in een methodologie die zij vastlegt voor de jaren 2020 tot 2026 op voorstel van de exploitanten bedoeld in artikel 2, 5°, en van de vennootschappen bedoeld in artikel 24, § 1. Hiertoe communiceren de exploitanten bedoeld in artikel 2, 5°, en de vennootschappen bedoeld in artikel 24, § 1, aan de CREG ten laatste op 31 december 2018 een voorstel van methodologie. Bij gebrek aan voorstel van de exploitanten bedoeld in artikel 2, 5°, en van de vennootschappen bedoeld in artikel 24, § 1, ten laatste op 31 december 2018, bepaalt de CREG op eigen initiatief de methodologie die de modaliteiten vastlegt voor de bepaling van de vaste en variabele kosten. De methodologie wordt bepaald met inachtneming van de volgende richtlijnen :
  1° de CREG neemt de elementen bepaald in bijlage van deze wet in acht;
  2° de CREG definieert de te gebruiken rapporteringsmodellen, welke de elementen bevatten die verplicht moeten worden opgenomen in het voorstel betreffende de kosten van de exploitanten bedoeld in artikel 2, 5°, en de vennootschappen bedoeld in artikel 24, § 1. Deze modellen moeten exhaustief zijn teneinde de exploitanten bedoeld in artikel 2, 5°, en de vennootschappen bedoeld in artikel 24, § 1, toe te laten hun voorstel met betrekking tot de kosten (referentie BGAAP) op te stellen enkel op deze basis;
  3° de kosten moeten voldoende aangetoond worden;
  4° de kosten zijn niet discriminerend en evenredig;
  5° de eventuele criteria voor de verwerping van bepaalde kosten zijn niet discriminerend en transparant. In ieder geval beschikt de CREG over een beoordelingsbevoegdheid en kan zij manifest onredelijke kosten verwerpen;
  6° de CREG vraagt aan de exploitanten bedoeld in artikel 2, 5°, en de vennootschappen bedoeld in artikel 24, § 1, alle bijkomende informatie welke zij nodig heeft voor deze controle, op eenvoudig verzoek en kosteloos, en verzamelt hun opmerkingen.
  Elke drie jaar, in 2020, 2023 en 2026 communiceert de CREG :
  - te laatste op 30 juni haar beslissing over de vastlegging van de vaste en variabele kosten, bedoeld in Afdeling 5 van de bijlage bij deze wet, van de exploitanten bedoeld in artikel 2, 5°, en de vennootschappen bedoeld in artikel 24, § 1, toe te passen voor de jaren 2020/2021/2022, de jaren 2023/2024/2025 et het jaar 2026 aan de minister bevoegd voor Energie en aan de Algemene Directie Energie, zoals bedoeld in artikel 2, 28°, van de wet van 29 april 1999 betreffende de organisatie van de elektriciteitsmarkt; en
  - te laatste op 31 juli haar advies over de bepaling van het jaarlijks minimumbedrag van de repartitiebijdrage, van toepassing voor een periode van drie jaar, zijnde de jaren 2020/2021/2022, de jaren 2023/2024/2025 en het jaar 2026, aan de Algemene Directie Energie, zoals bedoeld in artikel 2, 28°, van de wet van 29 april 1999 betreffende de organisatie van de elektriciteitsmarkt, en aan de minister bevoegd voor Energie.
  Elk jaar maakt de CREG uiterlijk op 30 juni haar advies betreffende de winstmarge van de industriėle productie van elektriciteit door splijting van kernbrandstoffen, met inbegrip van de berekening van de inkomsten van het jaar N-1 en de kosten van het jaar N-1 door toepassing van de formule opgenomen in Afdeling 2 van de bijlage bij deze wet over aan de minister bevoegd voor Energie, aan de Algemene Directie Energie bedoeld in artikel 2, 28°, van de wet van 29 april 1999 betreffende de organisatie van de elektriciteitsmarkt en aan de kernexploitanten bedoeld in artikel 2, 5°, en aan de vennootschappen bedoeld in artikel 24, § 1, ieder wat hen betreft.
  De exploitanten bedoeld in artikel 2, 5°, en de vennootschappen bedoeld in artikel 24, § 1, communiceren aan de CREG ten laatste op 30 maart van elk jaar de jaarlijkse gemaakte kosten van het voorgaande jaar. In afwijking van hetgeen voorafgaat zullen de kosten gemaakt tijdens het jaar 2016 gecommuniceerd worden ten laatste op 30 september 2017. De exploitanten bedoeld in artikel 2, 5°, en de vennootschappen bedoeld in artikel 24, § 1, zullen op eenvoudige vraag van de CREG elke bijkomende informatie leveren die ze nodig zou kunnen hebben voor het opstellen van haar verschillende adviezen en beslissingen krachtens deze wet.
  Teneinde de vaststelling van de repartitiebijdrage verschuldigd voor een bepaald jaar mogelijk te maken, stelt de Algemene Directie Energie aan de minister bevoegd voor Energie, uiterlijk op 31 augustus van dat jaar, het gedocumenteerd resultaat voor van de toepassing van de vier hierna vermelde bewerkingen :
  - het resultaat, in geval van definitieve of tijdelijke stillegging van één of meerdere van de kerncentrales Doel 3, Doel 4, Tihange 2 en Tihange 3 opgelegd door de overheid bedoeld in het negentiende lid, van de evenredige vermindering van het jaarlijks minimumbedrag van de repartitiebijdrage bedoeld in het zestiende lid overeenkomstig de formule opgenomen in Afdeling 6 van de bijlage bij deze wet;
  - de bepaling van het hoogste bedrag tussen het jaarlijkse minimumbedrag vastgelegd in toepassing van het zeventiende lid voor wat betreft de jaren 2017 tot 2019 en van het achttiende lid voor wat betreft de jaren 2020 tot 2026 en het bedrag dat overeenstemt met 38 % van de winstmarge van de kerncentrales berekend overeenkomstig de formule opgenomen in Afdeling 2 van de bijlage bij deze wet;
  - het resultaat van de toepassing van het driejaarlijkse kredietmechanisme van de repartitiebijdrage bedoeld in het twintigste lid; en
  - het resultaat van de toepassing van het degressiviteitsmechanisme voorzien in paragraaf 11bis op het einde van deze bewerkingen.
  Voor de jaren 2020, 2023 en 2026 kan dit voorstel enkel worden gedaan na ontvangst van de beslissing van de CREG betreffende de vaste en variabele kosten en het advies van de CREG betreffende het jaarlijks minimumbedrag van de repartitiebijdrage.
  Op voorstel van de minister bevoegd voor Energie, neergelegd uiterlijk op 15 oktober van ieder jaar, stelt de Koning het bedrag vast van de repartiebijdrage bedoeld in het zestiende lid en in voorkomend geval, bij iedere driejarige periode vanaf 2020, het jaarlijks minimumbedrag van de repartitiebijdrage bedoeld inhet zestiende lid. Elk besluit genomen in die zin wordt geacht nooit uitwerking te hebben gehad indien het niet wordt bevestigd door een wet binnen de 12 maanden na de inwerkingtreding van het besluit.
  2° tussen het vroegere zevenentwintigste en het vroegere achtentwintigste lid, welke het vierenveertigste en het achtenveertigste lid worden, worden nieuwe leden ingevoegd, luidende :
  "Voor de jaren 2016 tot 2026 draagt de kernprovisievennootschap de repartiebijdrage bedoeld in deze paragraaf uiterlijk op 31 december van elk jaar over op de bankrekening 679-2003169-22 ter attentie van de FOD Financiėn.
  De Koning kan dit bankrekeningnummer wijzigen.
  Voor elk betrokken jaar moet het bedrag van de individuele repartitiebijdrage worden betaald door de kernexploitanten bedoeld in artikel 2, 5°, en elke andere vennootschap bedoeld in artikel 24, § 1, aan de kernprovisievennootschap uiterlijk op 31 januari van het volgende kalenderjaar.".
  3° De bepaling wordt aangevuld met een lid, luidende :
  "Voor de toepassing van artikel 49 van het WIB/92, wordt de aftrek van de repartitiebijdrage voor de jaren 2016 tot 2026 toegepast op de belastbare inkomsten van het belastbare tijdperk dat overeenstemt met het jaartal van de repartitiebijdrage.".

  Art. 4. In artikel 14 van dezelfde wet wordt tussen de §§ 11 en 12 een nieuwe § 11bis ingevoegd, luidende :
  " § 11bis. Teneinde rekening te houden met de bijdragemogelijkheid en de risico's in verband met de grootte van het productiepark van elk van de bijdrageplichtigen van de repartitiebijdrage, wordt een degressieve vermindering van het bedrag van deze bijdrage toegekend aan de bijdrageplichtigen.
  De degressieve vermindering van de repartitiebijdrage voor de jaren 2017 tot 2026 toegekend aan de bijdrageplichtigen bedoeld in het eerste lid - in de vorm van een bijdragekrediet - wordt toegekend in schijven die als volgt cumuleerbaar zijn :
  - op de schijf tussen 0 en 5 % van het aandeel in de industriėle productie van elektriciteit door splijting van kernbrandstoffen, bedraagt de vermindering 65 %;
  - op de schijf tussen 5 en 10 % van het aandeel in de industriėle productie van elektriciteit door splijting van kernbrandstoffen, bedraagt de vermindering 45 %;
  - op de schijf tussen 10 en 20 % van het aandeel in de industriėle productie van elektriciteit door splijting van kernbrandstoffen, bedraagt de vermindering 25 %;
  - op de schijf tussen 20 en 30 % van het aandeel in de industriėle productie van elektriciteit door splijting van kernbrandstoffen, bedraagt de vermindering 15 %;
  Deze verminderingen zijn persoonlijk en kunnen niet worden overgedragen aan andere bijdrageplichtigen.".

  Art. 5. In artikel 22bis, § 1, eerste lid, van dezelfde wet worden de woorden "eerste tot vijftiende lid" opgeheven.

  Art. 6. In artikel 22bis, § 2, van dezelfde wet worden de woorden "De Commissie voor de regulering van de elektriciteit en het gas, bedoeld in artikel 23 van de wet van 29 april 1999 betreffende de organisatie van de elektriciteitsmarkt" vervangen door de woorden "De CREG".

  Art. 7. In dezelfde wet wordt een bijlage ingevoegd die als bijlage gevoegd is bij deze wet.

  HOOFDSTUK 3. - Wijzigingen van de wet van 29 april 1999 betreffende de organisatie van de elektriciteitsmarkt

  Art. 8. In artikel 26 van de wet van 29 april 1999 betreffende de organisatie van de elektriciteitsmarkt, wordt een paragraaf 1quater ingevoegd tussen paragraaf 1ter en paragraaf 2, luidende :
  " § 1quater. Bij de uitvoering van de opdrachten die haar door de wet van 11 april 2003 betreffende de voorzieningen aangelegd voor de ontmanteling van de kerncentrales en voor het beheer van splijtstoffen bestraald in deze centrales worden toebedeeld, beschikt de Commissie over de bevoegdheden en rechten zoals beschreven in paragraaf 1 ten opzichte van de exploitanten bedoeld in artikel 2, 5°, van voornoemde wet en van de vennootschappen bedoeld in artikel 24, § 1, van diezelfde wet".

  Art. 9. Artikel 29bis, § 1, van dezelfde wet, wordt aangevuld met de bepaling onder 10, luidende :
  "10° De beslissingen genomen in toepassing van artikel 14, § 8, drieėntwintigste en vierentwintigste lid, van de wet van 11 april 2003 betreffende de voorzieningen aangelegd voor de ontmanteling van de kerncentrales en voor het beheer van splijtstoffen bestraald in deze kerncentrales.".

  HOOFDSTUK 4. - Inwerkingtreding

  Art. 10. Deze wet treedt in werking de dag waarop ze in het Belgisch Staatsblad wordt bekendgemaakt.

  BIJLAGE.

  Art. N.
  ( Beeld niet opgenomen om technische redenen, zie B.St. van 29-12-2016, p. 90993 )

Handtekening Tekst Inhoudstafel Begin
   Kondigen deze wet af, bevelen dat zij met `s Lands zegel zal worden bekleed en door het Belgisch Staatsblad zal worden bekendgemaakt.
Gegeven te Brussel, 25 december 2016.
FILIP
Van Koningswege :
De Minister van Energie,
Mevr. M.-C. MARGHEM
Met `s Lands zegel gezegeld :
De Minister van Justitie,
K. GEENS

Aanhef Tekst Inhoudstafel Begin
   FILIP, Koning der Belgen,
   Aan allen die nu zijn en hierna wezen zullen, Onze Groet.
   De Kamer van volksvertegenwoordigers heeft aangenomen en Wij bekrachtigen hetgeen volgt :

Parlementaire werkzaamheden Tekst Inhoudstafel Begin
    Kamer van volksvertegenwoordigers (www.dekamer.be) Stukken : 54 2070 Integraal Verslag : 21 december 2016

Begin Eerste woord Laatste woord Aanhef
Parlementaire werkzaamheden Inhoudstafel
Franstalige versie