J U S T E L     -     Geconsolideerde wetgeving
Einde Eerste woord Laatste woord Wijziging(en) Aanhef
Parlementaire werkzaamheden Inhoudstafel 1 uitvoeringbesluit 2 gearchiveerde versies
Handtekening Einde Franstalige versie
 
belgiëlex . be     -     Kruispuntbank Wetgeving
Raad van State Kamer van volksvertegenwoordigers
ELI - Navigatie systeem via een Europese identificatiecode voor wetgeving
http://www.ejustice.just.fgov.be/eli/wet/2016/12/25/2016021100/justel

Titel
25 DECEMBER 2016. - Programmawet
(NOTA : bij arrest nr.124/2018 van 15-10-2018 (B.St. 15-10-2018, p. 78069), heeft het Grondwettelijk Hof de artikelen 51 tot 58 vernietigd, in zoverre zij de ambtenaren van de Algemene Administratie van de Douane en Accijnzen toestaan tot inbeslagneming over te gaan van een voertuig waarvan de kentekenhouder niet de eigenaar is)
(NOTA : Raadpleging van vroegere versies vanaf 29-12-2016 en tekstbijwerking tot 22-12-2017) Zie wijziging(en)

Bron : KANSELARIJ VAN DE EERSTE MINISTER
Publicatie : 29-12-2016 nummer :   2016021100 bladzijde : 90879   BEELD
Dossiernummer : 2016-12-25/01
Inwerkingtreding : 08-01-2017

Inhoudstafel Tekst Begin
TITEL I. - Algemene bepaling
Art. 1
TITEL 2. - Sociale bepalingen
HOOFDSTUK 1. - Gezondheidszorg
Afdeling 1. - Geneesmiddelen
Onderafdeling 1. - Biologische geneesmiddelen
Art. 2-4
Onderafdeling 2. - Goedkoop voorschrijven
Art. 5-6
Afdeling 2. - Heffingen op de omzet
Art. 7-9
Afdeling 3. - Bijdrage op marketing
Art. 10
Afdeling 4. - Begroting geneeskundige verzorging
Art. 11-15
Afdeling 5. - Indexmassa honorariasectoren
Art. 16
Afdeling 6. - Maximumfactuur
Art. 17-19
Afdeling 7. - Gegevensstroom facturatie naar de FOD Financiën
Art. 20-21
Afdeling 8. - Honorarium apothekers
Art. 22-23
Afdeling 9. - Bewarende maatregelen in het kader van de ziekenhuishervorming
Art. 24-27
HOOFDSTUK 2. - Wijzigingen van de wet van 5 juli 1994 betreffende bloed en bloedderivaten van menselijke oorsprong
Art. 28-29
HOOFDSTUK 3. - Sociale fraude - Schoonmaaksector
Art. 30
HOOFDSTUK 4. - RIZIV - Verlenging van de wachttijd in de uitkeringsverzekering voor de werknemers
Afdeling 1. - Wijziging van de wet van 20 juli 1991 houdende sociale en diverse bepalingen
Art. 31
Afdeling 2. - Wijziging van de wet van 6 februari 2003 houdende sociale bepalingen voor militairen die terugkeren naar het burgerleven
Art. 32
Afdeling 3. - Slotbepalingen
Art. 33-34
HOOFDSTUK 5. - Wijziging van hoofdstuk VI van Titel XI van de wet van 27 december 2006 houdende diverse bepalingen (I) betreffende de sociale zekerheidsbijdragen en inhoudingen verschuldigd in de stelsels van werkloosheid met bedrijfstoeslag, op aanvullende vergoedingen bij bepaalde socialezekerheidsuitkeringen en op uitkeringen voor invaliditeit
Art. 35-38
TITEL 3. - Diverse bepalingen
HOOFDSTUK 1. - Opheffing van het Belgisch Fonds voor de Voedselzekerheid
Art. 39-44
HOOFDSTUK 2. - Wijzigingen van de wet betreffende de politie over het wegverkeer, gecoördineerd op 16 maart 1968, wat het bevel tot betalen betreft, van de wet van 1 augustus 1985 houdende fiscale en andere bepalingen, wat de hulp aan slachtoffers van opzettelijke gewelddaden betreft, en van de wet van 14 april 2014 houdende diverse bepalingen
Afdeling 1. - Wijzigingen van de wet betreffende de politie over het wegverkeer, gecoördineerd op 16 maart 1968
Art. 45-46
Afdeling 2. - Wijziging van de wet van 1 augustus 1985 houdende fiscale en andere bepalingen, wat de hulp aan slachtoffers van opzettelijke gewelddaden betreft
Art. 47
Afdeling 3. - Wijzigingen van de wet van 14 april 2011 houdende diverse bepalingen
Art. 48-49
Afdeling 4. - Inwerkingtreding
Art. 50
HOOFDSTUK 3. - Verbetering van de invordering van douane- en accijnsschulden en penale boeten
Art. 51-58
HOOFDSTUK 4. - Wijziging van de wet van 5 maart 1952 betreffende de opdecimes op de strafrechtelijke geldboeten
Art. 59-60
HOOFDSTUK 5. - Wijzigingen van de wet van 6 december 2005 betreffende de opmaak en financiering van actieplannen inzake verkeersveiligheid en de wet van 27 december 1990 houdende oprichting van begrotingsfondsen
Art. 61-66
TITEL 4. - Fiscale bepalingen
HOOFDSTUK 1. - Tankkaarten en andere brandstofkosten
Art. 67-73
HOOFDSTUK 2. - Speculatiebelasting
Art. 74-92
HOOFDSTUK 3. - Roerende voorheffing
Art. 93-95
HOOFDSTUK 4. - Interne meerwaarden
Art. 96-99
HOOFDSTUK 5. - Stelsel dat voorziet in de terugvordering van staatssteun die betrekking heeft op de belasting van de in artikel 185, § 2, b, van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 bedoelde overwinst
Afdeling 1. - Definities
Art. 100
Afdeling 2. - Bepaling van het bedrag aan terug te vorderen steun
Art. 101-103
Afdeling 3. - Vestiging van terug te vorderen steun en rechtsmiddelen
Art. 104-106
Afdeling 4. - Invordering van de terug te vorderen steun
Art. 107-117
Afdeling 5. - Diverse bepalingen
Art. 118
Afdeling 6. - Inwerkingtreding
Art. 119
HOOFDSTUK 6. - Belasting over de toegevoegde waarde
Art. 120-121
HOOFDSTUK 7. - Diverse rechten en taksen
Afdeling 1. - Uitbreiding van het toepassingsgebied van de taks op de beursverrichtingen
Art. 122-123
Afdeling 2. - Verhoging van de plafonds van de taks op de beursverrichtingen
Art. 124
Afdeling 3. - Verlenging van de betalingstermijn en aanpassing van de boetes
Art. 125
Afdeling 4. - Invoering in het kader van de taks op de beursverrichtingen van de mogelijkheid van de aanstelling van een aansprakelijke vertegenwoordiger door de tussenpersonen van beroep van buiten België
Art. 126
Afdeling 5. - Tijdelijke bepaling
Art. 127
Afdeling 6. - Inwerkingtreding
Art. 128
BIJLAGE.
Art. N

Tekst Inhoudstafel Begin
TITEL I. - Algemene bepaling

  Artikel 1. Deze wet regelt een aangelegenheid als bedoeld in artikel 74 van de Grondwet.

  TITEL 2. - Sociale bepalingen

  HOOFDSTUK 1. - Gezondheidszorg

  Afdeling 1. - Geneesmiddelen

  Onderafdeling 1. - Biologische geneesmiddelen

  Art. 2. In de wet betreffende de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen, gecoördineerd op 14 juli 1994, wordt het opschrift van afdeling XIVter van hoofdstuk V van titel III, ingevoegd bij de wet van 27 december 2012, vervangen als volgt :
  "Afdeling XIVter. Vermindering van de tegemoetkoming van de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen, voor de aflevering van geneesmiddelen in ziekenhuizen.".

  Art. 3. Artikel 71ter van dezelfde wet, ingevoegd bij de wet van 27 december 2012, waarvan de bestaande tekst paragraaf 1 zal vormen, wordt aangevuld met een paragraaf 2, luidende :
  " § 2. De tegemoetkoming van de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen voor de biologische geneesmiddelen, zoals gedefinieerd door de richtlijn 2001/83/EG van het Europees Parlement en de Raad van 6 november 2001 tot vaststelling van een communautair wetboek betreffende geneesmiddelen voor menselijk gebruik waarvoor een farmaceutische specialiteit, vergund overeenkomstig artikel 6bis, § 1, achtste lid, van de wet van 25 maart 1964 op de geneesmiddelen, die hetzelfde werkzaam bestanddeel of dezelfde werkzame bestanddelen bevat, ingeschreven is op de in artikel 35bis bedoelde lijst, en niet onbeschikbaar is in de zin van artikel 72bis, § 1bis, en afgeleverd door een ziekenhuisapotheek, wordt verminderd met 10 %. Deze vermindering is van toepassing vanaf 1 januari 2017. Op 1 juli 2017 en vervolgens op 1 januari en 1 juli van elk jaar, wordt de tegemoetkoming van de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen voor de biologische geneesmiddelen, zoals gedefinieerd door de richtlijn 2001/83/EG van het Europees Parlement en de Raad van 6 november 2001 tot vaststelling van een communautair wetboek betreffende geneesmiddelen voor menselijk gebruik, waarvoor in de loop van het voorafgaande semester een farmaceutische specialiteit, vergund overeenkomstig artikel 6bis, § 1, achtste lid, van de wet van 25 maart 1964 op de geneesmiddelen, die hetzelfde werkzaam bestanddeel of dezelfde werkzame bestanddelen bevat, ingeschreven is op de in artikel 35bis bedoelde lijst, en niet onbeschikbaar is in de zin van artikel 72bis, § 1bis, verminderd met 10 %.
  De ziekenhuizen mogen de vermindering van de verzekeringstegemoetkoming niet ten laste leggen van de rechthebbenden.".

  Art. 4. In artikel 30 van de wet van 30 juli 2013 houdende diverse bepalingen, gewijzigd bij de wet van 22 juni 2016, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
  1° tussen het eerste en het tweede lid worden twee leden ingevoegd, luidende :
  "In afwijking van het eerste lid worden op 1 juli 2017 en vervolgens op 1 januari en 1 juli van elk jaar, met uitzondering van de specialiteiten die opgenomen zijn in de vergoedingsgroepen I.10.1, I.10.2, V.8.1, V.8.7, VII.9, VII.10 en XXII, de prijzen en vergoedingsbasissen van de biologische geneesmiddelen, zoals gedefinieerd door de richtlijn 2001/83/EG van het Europees Parlement en de Raad van 6 november 2001 tot vaststelling van een communautair wetboek betreffende geneesmiddelen voor menselijk gebruik, van de hoofdstukken I, II en IV van bijlage I van de bijgevoegde lijst bij het koninklijk besluit van 21 december 2001 tot vaststelling van de procedures, termijnen en voorwaarden inzake de tegemoetkoming van de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen in de kosten van farmaceutische specialiteiten, waarvan, in de loop van het voorafgaande semester, elk werkzaam bestanddeel verschijnt in een specialiteit die meer dan achttien jaar geleden voor het eerst vergoedbaar was of waarvoor in de loop van het voorafgaande semester een farmaceutische specialiteit, vergund overeenkomstig artikel 6bis, § 1, achtste lid, van de wet van 25 maart 1964 op de geneesmiddelen, die hetzelfde werkzaam bestanddeel of dezelfde werkzame bestanddelen bevat, ingeschreven is op de in artikel 35bis bedoelde lijst, van de wet betreffende de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen, gecoördineerd op 14 juli 1994, en niet onbeschikbaar is in de zin van artikel 72bis, § 1bis, van dezelfde wet, verminderd met 10 %.
  Op 1 maart 2017, worden de prijs en vergoedingsbasis van de biologische geneesmiddelen waarvoor vóór 1 maart 2017 de bij het eerste lid bepaalde vermindering werd toegepast, bijkomend en van rechtswege verminderd met 2,70 %.";
  2° in het huidige tweede lid, dat het vierde lid wordt, worden de woorden "in het eerste lid" vervangen door de woorden "in het eerste tot het derde lid".
  3° het huidige tweede lid, dat het vierde lid wordt, wordt aangevuld met de volgende zin : "Ten laatste op 6 januari 2017 stelt het secretariaat van de Commissie Tegemoetkoming geneesmiddelen de lijst vast van de specialiteiten betrokken bij de in het derde lid bedoelde vermindering en deelt deze mee aan de betrokken aanvragers.".

  Onderafdeling 2. - Goedkoop voorschrijven

  Art. 5. In artikel 73, § 2, van de wet betreffende de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging, gecoördineerd op 14 juli 1994, vervangen bij de wet van 24 december 2002 en laatstelijk gewijzigd bij de wet van 22 juni 2016, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
  1° in de Franse tekst van het derde lid, 1°, tweede lid, worden de woorden "le pénultičme" door de woorden "la pénultičme" vervangen;
  2° het derde lid, 1°, tweede lid, wordt aangevuld met de volgende woorden :
  ", op voorwaarde dat deze vergoedingsbasis per gebruikseenheid (afgerond op twee cijfers na de komma) niet meer dan 20 procent hoger is dan de laagste.";
  3° in het vijfde lid, eerste streepje, wordt het getal "50" vervangen door het getal "60";
  4° in het zevende lid wordt de laatste zin, die aanvangt met de woorden "Vanaf 2015" en eindigt met de woorden "in aanmerking wordt genomen", vervangen als volgt :
  "De Koning kan, bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad, na advies van de Nationale commissie geneesheren-ziekenfondsen, van de Nationale commissie tandheelkundigen-ziekenfondsen, of van de Overeenkomstencommissie vroedvrouwen-verzekeringsinstellingen, naargelang de beroepstitel in kwestie, de observatieperiode en het aantal verpakkingen die vergoedbaar zijn in het kader van de verplichte verzekering en afgeleverd in een voor het publiek toegankelijke officina die moeten worden voorgeschreven opdat een zorgverlener in aanmerking wordt genomen, wijzigen.".

  Art. 6. Deze onderafdeling treedt in werking op 1 januari 2017.

  Afdeling 2. - Heffingen op de omzet

  Art. 7. In artikel 191, eerste lid, 15° novies, van dezelfde wet, ingevoegd bij de wet van 27 december 2005 en laatstelijk gewijzigd bij de wet van 26 december 2015, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
  1° het derde lid wordt aangevuld met de volgende zin :
  "Voor 2017 wordt het bedrag van die heffing vastgesteld op 6,73 % van de omzet die in 2017 is verwezenlijkt.";
  2° in het vijfde lid, laatste zin, wordt het woord "en" vervangen door de vermelding "," en wordt de zin aangevuld als volgt :
  "en voor 1 mei 2018 voor de omzet die in 2017 is verwezenlijkt.";
  3° in het zevende lid, eerste zin, wordt het woord "en" vervangen door de vermelding "," en worden de woorden "en de heffing op de omzet 2017" ingevoegd tussen de woorden "omzet 2016" en de woorden "worden via";
  4° het achtste lid wordt aangevuld met de volgende zin :
  "Voor 2017 dienen het in het zevende lid bedoelde voorschot en saldo respectievelijk gestort te worden voor 1 juni 2017 en 1 juni 2018 op rekening van het Rijksinstituut voor ziekte- en invaliditeitsverzekering, met vermelding van respectievelijk "voorschot heffing omzet 2017 "en "saldo heffing omzet 2017".";
  5° het tiende lid wordt aangevuld met de volgende zin :
  "Voor 2017 wordt het voornoemde voorschot bepaald op 6,73 % van de omzet die in het jaar 2016 is verwezenlijkt.";
  6° het laatste lid wordt aangevuld met de volgende zin :
  "De ontvangsten die voortvloeien uit de heffing op de omzet 2017 zullen in de rekeningen van de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging worden opgenomen in het boekjaar 2017.".

  Art. 8. In artikel 191, eerste lid, 15° duodecies, van dezelfde wet, ingevoegd bij de wet van 23 december 2009 en laatstelijk gewijzigd bij de wet van 26 december 2015, wordt het vijfde lid aangevuld met de volgende zin :
  "Voor 2017 wordt het bedrag van die heffing vastgesteld op 1 % van de omzet die in 2017 is verwezenlijkt en het ermee samenhangende voorschot wordt vastgesteld op 1 pct. van de omzet die in 2016 is verwezenlijkt.".

  Art. 9. In artikel 191, 15° terdecies, van dezelfde wet, ingevoegd bij de wet van 28 juni 2013 en gewijzigd bij de wetten van 19 december 2014 en 26 december 2015, wordt het vijfde lid aangevuld als volgt :
  "Voor het jaar 2017 worden de percentages van deze weesheffing vastgesteld op 0 % voor het deel van de omzet van 0 tot en met 1,5 miljoen euro, op 3 % voor het deel van de omzet van 1,5 tot en met 3 miljoen euro en op 5 % voor het deel van de omzet groter dan 3 miljoen euro. De percentages, die op de verschillende omzetniveaus toegepast worden om het voorschot 2017 vast te stellen, zijn gelijk aan de percentages die vastgesteld worden voor de weesheffing 2017.".

  Afdeling 3. - Bijdrage op marketing

  Art. 10. In artikel 191, eerste lid, 31°, van dezelfde wet, ingevoegd bij de wet van 27 december 2012 en gewijzigd bij de wetten van 26 december 2013, 19 december 2014 en 26 december 2015 worden de volgende wijzigingen aangebracht :
  1° het eerste lid wordt aangevuld met de volgende zin :
  "Voor 2017 wordt de compensatoire bijdrage gehandhaafd.";
  2° in het tweede lid worden de woorden "en verwezenlijkt in 2016, voor het jaar 2016" vervangen door de woorden "verwezenlijkt in 2016, voor het jaar 2016, en verwezenlijkt in 2017, voor het jaar 2017";
  3° het derde lid wordt aangevuld als volgt :
  "Het voorschot 2017, vastgesteld op 0,13 pct. van het in 2016 verwezenlijkte omzetcijfer, wordt vóór 1 juni 2017 gestort op de rekening van het Rijkinstituut voor ziekte- en invaliditeitsverzekering, met de vermelding "Voorschot compensatoire bijdrage 2017" en het saldo wordt vóór 1 juni 2018 gestort op dezelfde rekening met de vermelding "Saldo compensatoire bijdrage 2017".";
  4° in het vijfde lid wordt het woord "en" opgeheven en wordt de zin aangevuld als volgt :
  ", en in het boekjaar 2017, voor de bijdrage 2017.".

  Afdeling 4. - Begroting geneeskundige verzorging

  Art. 11. Artikel 69, § 5, eerste lid, van dezelfde wet, gewijzigd bij de wetten van 10 augustus 2001 en 7 februari 2014 wordt aangevuld met de volgende zin :
  "Bij de vaststelling van dit budget worden vanaf het jaar 2017 de geraamde bedragen die ter compensatie aan het Instituut verschuldigd zijn in uitvoering van de compensatieregels bedoeld in artikel 35bis, § 7, in mindering gebracht.".

  Art. 12. In artikel 196, § 1, eerste lid, van dezelfde wet, vervangen bij de wet van 24 juli 2008 en gewijzigd bij de wet van 22 juni 2016 worden de woorden ", en voor wat betreft de vaststelling van de financiële verantwoordelijkheid van de verzekeringsinstellingen vanaf het begrotingsjaar 2016, na de toepassing van artikel 197, § 3ter" ingevoegd tussen de woorden "de uitgaven vermeld in artikel 197, § 3bis" en de woorden "uitgesplitst over de algemene regeling en de regeling voor de zelfstandigen".

  Art. 13. Artikel 197 van dezelfde wet, gewijzigd bij de wetten van 24 juli 2008, 23 december 2009 en 19 maart 2013 wordt aangevuld met een paragraaf 3ter, luidende :
  " § 3ter. Bij het vaststellen van de financiële verantwoordelijkheid voor het dienstjaar 2016 wordt aan de globale begrotingsdoelstelling het verschil toegevoegd tussen enerzijds het bedrag van de inkomsten die daadwerkelijk aan het Instituut worden gestort in uitvoering van de compensatieregels bedoeld in artikel 35bis, § 7, en 35septies/2, § 7, en anderzijds het bedrag van de geraamde inkomsten zoals opgenomen in de initiële begroting 2016 in toepassing van de compensatieregels bedoeld in de artikelen 35bis, § 7, en 35septies/2, § 7.
  Bij het vaststellen van de financiële verantwoordelijkheid vanaf het dienstjaar 2017 wordt aan de globale begrotingsdoelstelling het bedrag toegevoegd van de inkomsten die daadwerkelijk aan het Instituut worden gestort in uitvoering van de compensatieregels bedoeld in de artikelen 35bis, § 7, en 35septies/2, § 7.".

  Art. 14. In artikel 202, § 1, van dezelfde wet, gewijzigd bij de wetten van 30 december 2001, 27 december 2006 en 22 juni 2016, wordt tussen het derde en vierde lid een lid ingevoegd, luidende :
  "Vanaf het dienstjaar 2017 wordt voor de toepassing van het tweede lid het gedeelte dat betrekking heeft op de begrotingsdoelstelling van de verzekering voor geneeskundige verzorging, bedoeld in artikel 40, § 1, verhoogd met de geraamde bedragen die ter compensatie aan het Instituut verschuldigd zijn in uitvoering van de compensatieregels bedoeld in de artikelen 35bis, § 7, en 35septies/2, § 7.".

  Art. 15. In artikel 202, § 2, van dezelfde wet, gewijzigd bij de wetten van 27 december 2006 en 31 januari 2007, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
  1° tussen het tweede en derde lid worden twee leden ingevoegd, luidende :
  "Voor het dienstjaar 2016 wordt aan de globale begrotingsdoelstelling het verschil toegevoegd tussen enerzijds het bedrag van de inkomsten die daadwerkelijk aan het Instituut worden gestort in uitvoering van de compensatieregels bedoeld in de artikelen 35bis, § 7, en 35septies/2, § 7, en anderzijds het bedrag van de geraamde inkomsten zoals opgenomen in de initiële begroting 2016 in uitvoering van de compensatieregels bedoeld in de artikelen 35bis, § 7, en 35septies/2, § 7.
  Vanaf het dienstjaar 2017 wordt aan de globale begrotingsdoelstelling het bedrag toegevoegd van de inkomsten die daadwerkelijk aan het Instituut worden gestort in uitvoering van de compensatieregels bedoeld in de artikelen 35bis, § 7, en 35septies/2, § 7.";
  2° in het derde en vierde lid worden de woorden "overeenkomstig, § 1, vierde lid", vervangen door de woorden "overeenkomstig § 1, laatste lid".

  Afdeling 5. - Indexmassa honorariasectoren

  Art. 16. In afwijking van artikel 6 van het koninklijk besluit van 8 december 1997 tot bepaling van de toepassingsmodaliteiten voor de indexering van de prestaties in de regeling van de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging wordt de indexering van de honoraria, de toelagen, de tegemoetkomingen en de andere bedragen die door de Koning in toepassing van de wet betreffende de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen, gecoördineerd op 14 juli 1994, worden vastgesteld, voor het jaar 2017 begrensd tot 0,83%.

  Afdeling 6. - Maximumfactuur

  Art. 17. In artikel 37octies, § 2, eerste lid, van dezelfde wet, ingevoegd bij de wet van 28 juni 2013, worden de woorden "verminderd met een door de Koning bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad vast te stellen bedrag" vervangen door de woorden "verminderd met 100 euro".

  Art. 18. In artikel 37undecies, § 2, van dezelfde wet, ingevoegd bij de wet van 22 december 2008, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
  1° in het eerste lid worden de woorden "verminderd met een door de Koning bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad vast te stellen bedrag" vervangen door de woorden "verminderd met 100 euro";
  2° in het tweede lid worden de woorden "evenwel verminderd met het bedrag vastgesteld overeenkomstige artikel 37octies, § 2, eerste lid," vervangen door de woorden "verminderd met 100 euro".

  Art. 19. Artikel 37quaterdecies van dezelfde wet, ingevoegd bij de wet van 5 juni 2002, waarvan de bestaande tekst paragraaf 1 zal vormen, wordt aangevuld met een paragraaf 2, luidende :
  " § 2. Alle bedragen met betrekking tot de persoonlijke aandelen bedoeld in de artikelen 37octies en 37undecies, worden vanaf 1 januari 2016 gekoppeld aan de spilindex 101,02 (basis 2013=100) van de consumptieprijzen. Nadien worden ze op 1 januari van elk jaar aangepast aan het indexcijfer waartegen de sociale voorzieningen op die datum worden uitbetaald.".

  Afdeling 7. - Gegevensstroom facturatie naar de FOD Financiën

  Art. 20. In artikel 53 van dezelfde wet, laatstelijk gewijzigd bij de wet van 17 juli 2015, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
  1° in paragraaf 1, tweede lid, worden de woorden "Bij toepassing van de derdebetalersregeling, en" opgeheven;
  2° paragraaf 4, eerste lid, wordt aangevuld met de volgende zin :
  "In geval van overdracht van facturatiegegevens door middel van een elektronisch netwerk, deelt het Instituut aan de bevoegde dienst van de FOD Financiën overeenkomstig de nadere uitvoeringsregels vastgesteld bij of krachtens het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992, de gegevens mee met betrekking tot de bedragen medegedeeld aan de verzekeringsinstellingen door de zorgverleners alsook de gegevens met betrekking tot de bedragen die de verzekeringsinstellingen, in voorkomend geval, betaald hebben aan deze laatsten.".

  Art. 21. Artikel 20 heeft uitwerking met ingang van 1 juli 2015.

  Afdeling 8. - Honorarium apothekers

  Art. 22. In het koninklijk besluit van 16 maart 2010 tot vaststelling van de honoraria voor de aflevering van een vergoedbare farmaceutische specialiteit in een voor het publiek opengestelde apotheek worden opgeheven :
  1° artikel 4, 3° ;
  2° artikel 7.

  Art. 23. Deze afdeling treedt in werking op 1 januari 2017.

  Afdeling 9. - Bewarende maatregelen in het kader van de ziekenhuishervorming

  Art. 24. In titel III van de gecoördineerde wet van 10 juli 2008 op de ziekenhuizen en andere verzorgingsinrichtingen wordt een hoofdstuk I/1 ingevoegd, luidende :
  "Hoofdstuk I/1. Bewarende maatregelen".

  Art. 25. In hoofdstuk I/1, ingevoegd bij artikel 24, wordt een artikel 62/1 ingevoegd, luidende :
  "Art. 62/1. Tot de door de Koning te bepalen datum en uiterlijk tot de eerste bijeenroeping van de nieuw verkozen Kamer van volksvertegenwoordigers na de eerstvolgende federale verkiezingen, mag het op het ogenblik van de bekendmaking van dit artikel aantal bestaande, erkende en in gebruik genomen bedden in diensten van algemene en psychiatrische ziekenhuizen, per soort van dienst en per ziekenhuis, niet worden verhoogd.
  De Koning kan in toepassing van het eerste lid een afzonderlijke datum bepalen voor de algemene ziekenhuizen, voor de psychiatrische ziekenhuizen, voor de verschillende soorten diensten binnen deze ziekenhuizen, evenals voor de transfer van bedden tussen ziekenhuizen.".

  Art. 26. In hetzelfde hoofdstuk I/1 wordt een artikel 62/2 ingevoegd, luidende :
  "Art. 62/2. Tot de door de Koning te bepalen datum en uiterlijk tot de eerste bijeenroeping van de nieuw verkozen Kamer van volksvertegenwoordigers na de eerstvolgende federale verkiezingen, mogen het op het ogenblik van de bekendmaking van dit artikel aantal erkende ziekenhuisfuncties, ziekenhuisafdelingen, ziekenhuisdiensten, medische diensten, medisch-technische diensten zorgprogramma's evenals het aantal in gebruik genomen en uitgebate zware medische apparaten niet worden verhoogd. Dat verbod op een verhoging van de aantallen geldt zowel op het niveau van het Rijk als op het niveau van het ziekenhuis.
  De Koning kan in toepassing van het eerste lid een afzonderlijke datum bepalen voor elke in het eerste lid bedoelde categorie evenals voor elke ziekenhuisfunctie, elke ziekenhuisafdeling, elke medische dienst, elke medisch-technische dienst, elk zorgprogramma en elk zwaar medisch apparaat.".

  Art. 27. Deze afdeling treedt in werking de dag van de bekendmaking van deze wet in het Belgisch Staatsblad.
  In afwijking van het eerste lid treden artikelen 25 en 26 in werking op 1 maart 2017 ten aanzien van bedden, ziekenhuisfuncties, ziekenhuisafdelingen, ziekenhuisdiensten, medische diensten, medisch-technische diensten, zorgprogramma's en zware medische apparaten, die erkend werden tijdens een periode van zes maanden voorafgaand aan de bekendmaking van deze wet in het Belgisch Staatsblad, maar waarvoor nog geen toelating voor ingebruikneming of uitbating werd verleend voor de bekendmaking van deze wet in het Belgisch Staatsblad.

  HOOFDSTUK 2. - Wijzigingen van de wet van 5 juli 1994 betreffende bloed en bloedderivaten van menselijke oorsprong

  Art. 28. In artikel 7bis van de wet van 5 juli 1994 betreffende bloed en bloedderivaten van menselijke oorsprong, ingevoegd bij de wet van 27 april 2007, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
  1° tussen het eerste en het tweede lid wordt een lid toegevoegd, luidende :
  "De in het eerste lid bedoelde subsidiëring wordt gestort door middel van een voorschot en een saldo. Per instelling bedraagt het voorschot 80 % van het gemiddelde van de subsidies ontvangen door deze instelling voor de laatste drie afgesloten boekjaren. Voor een instelling die nog geen subsidies ontving gedurende drie afgesloten boekjaren bedraagt het voorschot 80 % van het gemiddelde van de subsidies uitbetaald aan alle instellingen gedurende de laatste drie afgesloten boekjaren. Het saldo wordt gestort, volgens de door de Koning vastgestelde voorwaarden, na voorlegging van de bewijsstukken. De betaling van het saldo sluit het boekjaar van de jaarlijkse subsidie af.";
  2° het tweede lid, dat het derde lid wordt, wordt aangevuld met de volgende zin :
  "Indien bij afsluiting van het in het tweede lid bedoelde boekjaar de op grond van de vorige zin door de Staat gestorte middelen te hoog bleken te zijn, vloeit het verschil terug naar de Schatkist.".

  Art. 29. Dit hoofdstuk treedt in werking op 31 december 2016.

  HOOFDSTUK 3. - Sociale fraude - Schoonmaaksector

  Art. 30. In de wet van 27 juni 1969 tot herziening van de besluitwet van 28 december 1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders, laatstelijk gewijzigd bij de wet van 10 juli 2016,wordt een artikel 2/2 ingevoegd, luidende :
  "Art. 2/2. De toepassing van de wet wordt uitgebreid naar de personen die activiteiten uitoefenen die ressorteren onder het toepassingsgebied van het paritair comité voor de schoonmaak, behalve indien die personen kunnen aantonen dat ze niet gewoonlijk en hoofdzakelijk werken voor één enkele cocontractant en hun activiteiten uitoefenen met eigen materiaal en factureren voor eigen rekening.".

  HOOFDSTUK 4. - RIZIV - Verlenging van de wachttijd in de uitkeringsverzekering voor de werknemers

  Afdeling 1. - Wijziging van de wet van 20 juli 1991 houdende sociale en diverse bepalingen

  Art. 31. In artikel 10, § 1, eerste lid, 2°, van de wet van 20 juli 1991 houdende sociale en diverse bepalingen wordt, na de eerste zin, die eindigt met de woorden "en op de moederschapsverzekering.", de volgende zin ingevoegd : "In geval van beëindiging van de arbeidsverhouding na 31 december 2016, worden deze bijdragen berekend over een periode van twaalf maanden.".

  Afdeling 2. - Wijziging van de wet van 6 februari 2003 houdende sociale bepalingen voor militairen die terugkeren naar het burgerleven

  Art. 32. In artikel 16, § 1, eerste lid, 2°, van de wet van 6 februari 2003 houdende sociale bepalingen voor militairen die terugkeren naar het burgerleven wordt, na de eerste zin, die eindigt met de woorden "en op de moederschapsverzekering.", de volgende zin ingevoegd : "In geval van ontslag wegens een terugkeer naar het burgerleven om enige reden na 31 december 2016, worden deze bijdragen berekend over een periode van twaalf maanden.".

  Afdeling 3. - Slotbepalingen

  Art. 33. Als de beëindiging van de arbeidsverhouding bedoeld in artikel 7 van de wet van 20 juli 1991 houdende sociale en diverse bepalingen of het ontslag wegens een terugkeer naar het burgerleven om enige reden bedoeld in artikel 14 van de wet van 6 februari 2003 houdende sociale bepalingen voor militairen die terugkeren naar het burgerleven, plaatsvindt in de periode vanaf 1 juli 2016 tot en met 31 december 2016 en voor zover de betrokkene na 31 december 2016 een recht opent op de prestaties bedoeld in titel IV van de wet betreffende de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen, gecoördineerd op 14 juli 1994, worden de werkgevers- en werknemersbijdragen geacht te zijn gestort voor een welbepaald tijdvak voorafgaandelijk aan de in artikel 10, § 1, eerste lid, 2°, van de voormelde wet van 20 juli 1991 of de in artikel 16, § 1, eerste lid, 2°, van de voormelde wet van 6 februari 2003 bedoelde periode teneinde betrokkene recht te geven op de voormelde prestaties.
  Voor de toepassing van het eerste lid stemt het tijdvak, waarvoor de werkgevers- en werknemersbijdragen worden geacht te zijn gestort, overeen met de duur van de periode die aanvat op 1 juli 2016 en eindigt hetzij op de dag van de beëindiging van de arbeidsverhouding, hetzij op de dag van het ontslag wegens een terugkeer naar het burgerleven om enige reden. Dit tijdvak mag geenszins de duur overtreffen van de arbeidsverhouding van de ontslagen persoon of de werkelijke dienstperiode van de ontslagen militair, waarbij rekening moet worden gehouden met de periode van zes maanden waarvoor de verschuldigde werkgevers- en werknemersbijdragen berekend zijn geweest.

  Art. 34. Dit hoofdstuk treedt in werking op 1 januari 2017.

  HOOFDSTUK 5. - Wijziging van hoofdstuk VI van Titel XI van de wet van 27 december 2006 houdende diverse bepalingen (I) betreffende de sociale zekerheidsbijdragen en inhoudingen verschuldigd in de stelsels van werkloosheid met bedrijfstoeslag, op aanvullende vergoedingen bij bepaalde socialezekerheidsuitkeringen en op uitkeringen voor invaliditeit

  Art. 35. In artikel 118 van de wet van 27 december 2006 houdende diverse bepalingen (I), laatstelijk gewijzigd bij het koninklijk besluit van 19 juni 2012, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
  a) er wordt een paragraaf 2quinquies ingevoegd, luidende :
  " § 2quinquies. Voor de werklozen met bedrijfstoeslag van wie de opzegging of de verbreking van de arbeidsovereenkomst betekend werd na 31 oktober 2016 en van wie de werkloosheid met bedrijfstoeslag vanaf 1 januari 2017 ingaat, bedraagt, in afwijking van de §§ 2bis en 2quater en van artikel 124ter, het percentage van de werkgeversbijdrage bedoeld in § 1 :
  1° 142,50 % voor de werkloze met bedrijfstoeslag die bij aanvang van de werkloosheid met bedrijfstoeslag de leeftijd van 55 jaar niet heeft bereikt;
  2° 75,00 % voor de werkloze met bedrijfstoeslag die bij aanvang van de werkloosheid met bedrijfstoeslag minstens 55 jaar is en de leeftijd van 58 jaar niet heeft bereikt;
  3° 75,00 % voor de werkloze met bedrijfstoeslag die bij aanvang van de werkloosheid met bedrijfstoeslag minstens 58 jaar is en de leeftijd van 60 jaar niet heeft bereikt;
  4° 37,50 % voor de werkloze met bedrijfstoeslag die bij aanvang van de werkloosheid met bedrijfstoeslag minstens 60 jaar is en de leeftijd van 62 jaar niet heeft bereikt;
  5° 31,25 % voor de andere werklozen met bedrijfstoeslag.";
  b) er wordt een paragraaf 3/2 ingevoegd, luidende :
  " § 3/2. Voor de werklozen met bedrijfstoeslag die tewerkgesteld waren bij sociale werkplaatsen, als bedoeld in het decreet van de Vlaamse Gemeenschap van 14 juli 1998 inzake sociale werkplaatsen, of door werkgevers die behoren tot de non-profitsector, als bedoeld in artikel 1, 1° en 2°, van het koninklijk besluit van 18 juli 2002 houdende maatregelen met het oog op de bevordering van de tewerkstelling in de non-profitsector, en van wie de bedrijfstoeslag voor het eerst wordt toegekend vanaf 1 januari 2017 als gevolg van een opzegging of een verbreking van de arbeidsovereenkomst betekend na 31 oktober 2016, bedraagt, in afwijking van de §§ 2ter en 3/1 en van artikel 124ter, het percentage van de bijzondere werkgeversbijdrage :
  1° 48,11 % voor elke maand waarin de werkloze met bedrijfstoeslag de leeftijd van 55 jaar niet heeft bereikt;
  2° 43,04 % voor elke maand waarin de werkloze met bedrijfstoeslag minstens 55 jaar is en de leeftijd van 58 jaar niet heeft bereikt;
  3° 27,86 % voor elke maand waarin de werkloze met bedrijfstoeslag minstens 58 jaar is en de leeftijd van 60 jaar niet heeft bereikt;
  4° 12,38 % voor elke maand waarin de werkloze met bedrijfstoeslag minstens 60 jaar is en de leeftijd van 62 jaar niet heeft bereikt;
  5° 10,00 % voor de andere werklozen met bedrijfstoeslag.";
  c) in paragraaf 4 worden de woorden "bedoeld in de §§ 2ter, 3 en 3/1" vervangen door de woorden "bedoeld in de §§ 2ter, 3, 3/1 en 3/2.".

  Art. 36. In artikel 120 van dezelfde wet, laatstelijk gewijzigd door het koninklijk besluit van 19 juni 2012, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
  a) er wordt een paragraaf 3/2 ingevoegd, luidende :
  " § 3/2. Voor de aanvullende vergoedingen voor de eerste keer toegekend vanaf 1 januari 2017 als gevolg van een opzegging of een verbreking van de arbeidsovereenkomst betekend na 31 oktober 2016 of van elke andere beëindiging van de arbeidsovereenkomst na deze datum, bedraagt, in afwijking van §§ 3 en 3/1 en van artikel 124ter, het percentage van de bijzondere werkgeversbijdrage bedoeld in § 1 :
  1° 150,00 % voor elke gerechtigde die bij de aanvang van de uitkering bedoeld in artikel 114, 3°, a) of b), de leeftijd van 52 jaar niet heeft bereikt;
  2° 142,50 % voor elke gerechtigde die bij de aanvang van de uitkering bedoeld in artikel 114, 3°, a) of b), minstens 52 jaar is en de leeftijd van 55 jaar niet heeft bereikt;
  3° 75,00 % voor elke gerechtigde die bij de aanvang van de uitkering bedoeld in artikel 114, 3°, a) of b), minstens 55 jaar is en de leeftijd van 58 jaar niet heeft bereikt;
  4° 75,00 % voor elke gerechtigde die bij de aanvang van de uitkering bedoeld in artikel 114, 3°, a) of b), minstens 58 jaar is en de leeftijd van 60 jaar niet heeft bereikt;
  5° 58,24 % voor elke gerechtigde die bij de aanvang van de uitkering bedoeld in artikel 114, 3°, a) of b), minstens 60 jaar is en de leeftijd van 62 jaar niet heeft bereikt;
  6° 48,53 % voor de andere gerechtigden op de aanvullende vergoeding.";
  b) er wordt een paragraaf 4/2 ingevoegd, luidende :
  " § 4/2. Voor de aanvullende vergoedingen toegekend in de non-profitsector bedoeld in artikel 1, 1° en 2° van het koninklijk besluit van 18 juli 2002 houdende maatregelen met het oog op de bevordering van de tewerkstelling in de non-profitsector of in de sociale werkplaatsen bedoeld in het decreet van de Vlaamse Gemeenschap van 14 juli 1998 inzake sociale werkplaatsen en wanneer deze vergoeding voor de eerste keer wordt toegekend vanaf 1 januari 2017 als gevolg van een opzegging of een verbreking van de arbeidsovereenkomst betekend na 31 oktober 2016 of naar aanleiding van elke andere beëindiging van de arbeidsovereenkomst na deze datum, bedraagt, in afwijking van de §§ 4 en 4/1 en van artikel 124ter, het percentage van de bijzondere werkgeversbijdrage :
  1° 50,63 % voor elke maand waarin de gerechtigde de leeftijd van 52 jaar niet heeft bereikt;
  2° 48,11 % voor elke maand waarin de gerechtigde minstens 52 jaar is en de leeftijd van 55 jaar niet heeft bereikt;
  3° 43,04 % voor elke maand waarin de gerechtigde minstens 55 jaar is en de leeftijd van 58 jaar niet heeft bereikt;
  4° 27,86 % voor elke maand waarin de gerechtigde minstens 58 jaar is en de leeftijd van 60 jaar niet heeft bereikt;
  5° 12,38 % voor elke maand waarin de gerechtigde minstens 60 jaar is en de leeftijd van 62 jaar niet heeft bereikt;
  6° 10,00 % voor de andere gerechtigden op de aanvullende vergoeding.";
  c) in paragraaf 5 worden de woorden "bedoeld in de §§ 4 en 4/1" vervangen door de woorden "bedoeld in de §§ 4, 4/1 en 4/2.".

  Art. 37. In artikel 124 van dezelfde wet, laatst gewijzigd bij de wet van 29 maart 2012, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
  1° in paragraaf 1, eerste lid, worden de woorden "bedoeld in artikel 118, §§ 2, 2bis, 2ter, 2quater, 3 en 3/1, in artikel 120, §§ 2, 3, 3bis, 4 en 4/1 en in artikel 122, §§ 1 en 2" vervangen door de woorden "bedoeld in artikel 118, §§ 2, 2bis, 2ter, 2quater, 2quinquies, 3, 3/1 en 3/2, in artikel 120, §§ 2, 3, 3/1, 3/2, 4, 4/1 en 4/2, in artikel 122, §§ 1 en 2 en in artikel 124ter";
  2° in paragraaf 1, tweede lid, worden de woorden "bedoeld in artikel 118, §§ 2bis en 2quater, verlagen" vervangen door de woorden "bedoeld in artikel 118, §§ 2bis, 2ter, 2quater, en 2quinquies, en in artikel 124ter, aanpassen";
  3° in paragraaf 3 worden de woorden "van artikel 118, §§ 2, 2bis, 2quater en 3 of van artikel 120, §§ 2, 3 en 3/1" vervangen door de woorden "van artikel 118, §§ 2, 2bis, 2quater, 2quinquies, en 3, van artikel 120, §§ 2, 3, 3/1 en 3/2, of van artikel 124ter,".

  Art. 38. Dit hoofdstuk treedt in werking op 1 januari 2017.

  TITEL 3. - Diverse bepalingen

  HOOFDSTUK 1. - Opheffing van het Belgisch Fonds voor de Voedselzekerheid

  Art. 39. In artikel 22 van de wet van 19 april 2002 tot rationalisering van de werking en het beheer van de Nationale Loterij, gewijzigd bij de wet van 19 januari 2010, wordt het eerste lid vervangen als volgt :
  "Art. 22. In het beheerscontract worden de nadere regels voor de berekening en betaling van de monopolierente, de bijzondere bijdragen en het percentage van de winst voor belastingen vastgesteld dat jaarlijks wordt voorafgenomen en welke bestemd wordt voor de financiering van interventies voor hulpverlening aan en voedselzekerheid in ontwikkelingslanden en voor de doeleinden van openbaar nut, die worden bepaald door de Koning bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad, en voor de jaarlijkse dotatie, waarvan het bedrag wordt bepaald door de Koning bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad, die wordt toegekend aan de Nationale Kas voor Rampenschade en aan de Koning Boudewijnstichting.".

  Art. 40. Artikel 2 van de organieke wet van 27 december 1990 houdende oprichting van begrotingsfondsen wordt opgeheven.

  Art. 41. In de tabel gevoegd bij dezelfde wet wordt de rubriek 14-2 - Belgisch Fonds voor de Voedselzekerheid (BFVZ), ingevoegd bij de wet van 19 juni 2011, opgeheven.

  Art. 42. Opgeheven worden :
  1° de wet van 19 januari 2010 tot opheffing van de wet van 9 februari 1999 tot oprichting van het Belgisch Overlevingsfonds en tot oprichting van een Belgisch Fonds voor de Voedselzekerheid, gewijzigd bij de wetten van 19 juni 2011 en 28 juni 2013;
  2° de wet van 19 juni 2011 houdende uitvoering en wijziging van de wet van 19 januari 2010 tot opheffing van de wet van 9 februari 1999 tot oprichting van het Belgisch Overlevingsfonds en tot oprichting van een Belgisch Fonds voor Voedselzekerheid.

  Art. 43. § 1. De projecten en programma's van het Belgisch Fonds voor de Voedselzekerheid die nog lopende zijn op het ogenblik van de inwerkingtreding van dit hoofdstuk, worden uitgevoerd overeenkomstig de bepalingen die voor die datum van toepassing waren totdat het bedrag dat in het ministerieel besluit of de toewijzingsovereenkomst is vermeld, integraal werd besteed.
  § 2. Een eindevaluatie van de in paragraaf 1 bedoelde programma's zal worden uitgevoerd overeenkomstig de bepalingen die van toepassing waren voor de inwerkingtreding van dit hoofdstuk.

  Art. 44. Dit hoofdstuk treedt in werking op 1 januari 2017.

  HOOFDSTUK 2. - Wijzigingen van de wet betreffende de politie over het wegverkeer, gecoördineerd op 16 maart 1968, wat het bevel tot betalen betreft, van de wet van 1 augustus 1985 houdende fiscale en andere bepalingen, wat de hulp aan slachtoffers van opzettelijke gewelddaden betreft, en van de wet van 14 april 2014 houdende diverse bepalingen

  Afdeling 1. - Wijzigingen van de wet betreffende de politie over het wegverkeer, gecoördineerd op 16 maart 1968

  Art. 45. Hoofdstuk II/1 van Titel V van de wet betreffende de politie over het wegverkeer, gecoördineerd op 16 maart 1968, ingevoegd bij de wet van 22 april 2012, wordt vervangen als volgt :
  "Hoofdstuk II/1. Bevel tot betalen
  Art. 65/1. § 1. Wanneer zowel de in artikel 65, § 1, bedoelde som als de in artikel 216bis, § 1, van het Wetboek van Strafvordering bedoelde geldsom niet binnen de bepaalde termijn worden betaald, kan de procureur des Konings aan de overtreder een bevel geven tot betalen van de op deze overtreding toepasselijke geldsom, verhoogd met 35 % en desgevallend met de bijdrage voor het bijzonder Fonds tot hulp aan de slachtoffers van opzettelijke gewelddaden en aan de occasionele redders.
  De betaling moet gebeuren binnen een termijn van dertig dagen volgend op de dag van ontvangst van het bevel.
  Dit bevel wordt per aangetekende zending of per gerechtsbrief verstuurd aan de overtreder en bevat ten minste :
  1° de dagtekening;
  2° de ten laste gelegde feiten en de geschonden wetsbepalingen;
  3° de datum, het tijdstip en de plaats van de overtreding;
  4° de identiteit van de overtreder;
  5° het nummer van het proces-verbaal;
  6° het bedrag van de te betalen geldsom;
  7° de dag waarop de som uiterlijk moet worden betaald;
  8° de wijze waarop en de termijn waarbinnen het beroep kan worden ingesteld, alsook de bevoegde politierechtbank.
  Het bevel tot betalen wordt geacht te zijn ontvangen de derde werkdag na de dag van de afgifte van de aangetekende zending of gerechtsbrief aan de post.
  § 2. De overtreder of diens advocaat kan binnen de dertig dagen volgend op de dag van ontvangst van het bevel tot betalen beroep aantekenen bij de bevoegde politierechtbank. Het beroep wordt ingesteld bij een verzoekschrift dat neergelegd wordt op de griffie van de bevoegde politierechtbank of bij een aangetekende zending of via elektronische post die aan de griffie worden verzonden. In die laatste gevallen geldt de datum van verzending van de aangetekende zending of van de elektronische post als datum waarop het verzoekschrift werd ingediend.
  Het verzoekschrift wordt met redenen omkleed en houdt keuze van woonplaats in België in, indien de verzoeker er zijn woonplaats niet heeft. Op straffe van onontvankelijkheid vermeldt het verzoekschrift het nummer van het proces-verbaal.
  Het verzoekschrift wordt ingeschreven in het daartoe bestemde register.
  De verjaring van de strafvordering wordt geschorst vanaf de dag dat het verzoekschrift wordt ingediend, tot de dag dat het definitief vonnis wordt gewezen.
  De overtreder wordt binnen een termijn van dertig dagen vanaf de inschrijving in het daartoe bestemde register door de griffier per gerechtsbrief of per aangetekende zending opgeroepen om te verschijnen op de zitting die de rechter bepaalt. De griffier zendt een kopie van het verzoekschrift over aan de procureur des Konings en deelt hem de datum van de zitting mee.
  Indien het beroep ontvankelijk wordt verklaard, wordt het bevel tot betalen als niet bestaande beschouwd.
  § 3. Minstens om de drie maanden of op verzoek van de procureur des Konings deelt de griffier hem een lijst mee met de bevelen tot betalen waarvoor de overtreder de opgelegde geldsom niet binnen de gestelde termijn heeft betaald en waarvoor de overtreder geen beroep heeft aangetekend of het aangetekende beroep onontvankelijk is verklaard.
  § 4. De procureur des Konings of de door hem aangestelde parketjurist, verklaart de in paragraaf 3 bedoelde lijsten met de bevelen tot betalen uitvoerbaar. Deze lijsten vormen de uitvoerbare titel.
  De gegevens op deze lijsten die door de procureur des Konings of onder zijn toezicht, op een gepaste informatiedrager worden geregistreerd en bewaard, evenals hun leesbare weergave, hebben dezelfde bewijskracht als de originele gegevens.
  § 5. De procureur des Konings geeft opdracht aan de administratie, die binnen de Federale Overheidsdienst Financiën bevoegd is voor de invordering van niet-fiscale schuldvorderingen om de geldsommen opgenomen in de in paragraaf 3 bedoelde lijst in te vorderen, volgens de regels van toepassing op de gedwongen tenuitvoerlegging van strafrechtelijke geldboeten, met inbegrip van het vereenvoudigd derdenbeslag bedoeld in artikel 101 van het Algemeen Reglement op de gerechtskosten in strafzaken.
  § 6. De invordering gebeurt op basis van een uittreksel uit de in paragraaf 3 bedoelde lijst, opgemaakt door de ambtenaren van de Federale Overheidsdienst Financiën belast met de invordering.
  De overhandiging door deze ambtenaren aan de gerechtsdeurwaarder van een uittreksel, met vermelding van de datum van uitvoerbaarverklaring van de lijst, geldt als volmacht voor alle tenuitvoerleggingen.
  § 7. De Koning kan de wijze regelen waarop men dient te handelen voor het opmaken en de kennisgeving van de lijsten, de betalingen en de kwijtschriften.
  § 8. Als de overtreder aantoont dat hij geen kennis heeft kunnen nemen van het bevel tot betalen binnen de in paragraaf 2 bedoelde termijn om beroep in te dienen, kan hij dit beroep alsnog indienen binnen een termijn van vijftien dagen volgend op de dag waarop hij van dit bevel kennis heeft gekregen of volgend op de eerste daad van invordering van de geldsom door of op vervolging van de bevoegde administratie van de Federale Overheidsdienst Financiën. De in paragraaf 2 bedoelde bepalingen zijn van toepassing.
  In dat geval is de verjaring van de strafvordering geschorst vanaf de dag waarop het bevel tot betalen van rechtswege uitvoerbaar is geworden tot de dag waarop de overtreder het beroep indient.
  § 9. De artikelen 49 en 96 van het Strafwetboek en de wet van 1 augustus 1985 houdende fiscale en andere bepalingen gewijzigd bij de programmawet van 27 december 2004, zijn op deze procedure van toepassing.
  § 10. Wanneer de administratie die binnen de Federale Overheidsdienst Financiën bevoegd is voor de invordering van de niet-fiscale schuldvorderingen, de in paragraaf 1 bedoelde geldsom niet kan invorderen binnen een termijn van drie jaar na de ontvangst van de lijst met bevelen tot betalen, deelt zij dit mee aan de procureur des Konings. De procureur des Konings beveelt onverwijld de schorsing van het recht tot sturen in hoofde van de overtreder van een motorvoertuig en deelt dit mee aan de overtreder.
  Deze schorsing van het recht tot sturen bedraagt :
  a) acht dagen wegens het overschrijden van de maximumsnelheid met hoogstens 20 km/per uur en hoogstens 10 km/per uur in een bebouwde kom, in een zone 30, schoolomgeving, erf of woonerf, en voor de overtredingen van de eerste graad bedoeld in artikel 29, §§ 1 en 2;
  b) vijftien dagen wegens het overschrijden van de maximumsnelheid met meer dan 20 km/per uur en hoogstens 30 km/per uur en met meer dan 10 km/per uur en hoogstens 20 km/per uur in een bebouwde kom, in een zone 30, schoolomgeving, erf of woonerf, en voor overtredingen van de tweede graad bedoeld in artikel 29, §§ 1 en 2;
  c) één maand wegens het overschrijden van de maximumsnelheid met meer dan 30 km/per uur en hoogstens 40 km/per uur en met meer dan 20 km/per uur en hoogstens 30 km/per uur in een bebouwde kom, in een zone 30, schoolomgeving, erf of woonerf, in geval van overtreding van artikel 34, § 2, en voor overtredingen van de derde graad bedoeld in artikel 29, §§ 1 en 2.
  Elk schorsing gaat in de vijfde dag na die waarop het openbaar ministerie de kennisgeving aan de overtreder heeft gedaan. Zaterdagen, zondagen en wettelijke feestdagen zijn in deze termijn niet inbegrepen.
  Indien er lastens de veroordeelde meerdere schorsingen zijn, kan het openbaar ministerie deze na de kennisgeving opeenvolgend laten ingaan.
  De Koning bepaalt de formaliteiten die moeten worden vervuld met betrekking tot de uitvoering van de schorsing van het recht tot sturen.
  Indien de overtreder inmiddels toch het geheel of een deel van de oorspronkelijke onmiddellijke inning of van de minnelijke schikking betaalt, zal er geen schorsing van het recht tot sturen worden uitgevoerd.".

  Art. 46. In dezelfde wet wordt een artikel 68/1 ingevoegd, luidende :
  "Art. 68/1. De invordering bedoeld in artikel 65/1, § 3, verjaart door verloop van vijf jaar te rekenen van de dag waarop het bevel tot betalen van rechtswege uitvoerbaar is geworden.".

  Afdeling 2. - Wijziging van de wet van 1 augustus 1985 houdende fiscale en andere bepalingen, wat de hulp aan slachtoffers van opzettelijke gewelddaden betreft

  Art. 47. In artikel 29, tweede lid, van de wet van 1 augustus 1985 houdende fiscale en andere bepalingen, wat de hulp aan slachtoffers van opzettelijke gewelddaden betreft, wordt na de eerste zin, de volgende zin ingevoegd :
  "Elk door de procureur des Konings gegeven bevel tot betalen, overeenkomstig artikel 65/1 van de wet van 16 maart 1968 betreffende de politie over het wegverkeer, aangaande feiten strafbaar gesteld met een correctionele hoofdstraf van minimum 26 euro, wordt verhoogd met dezelfde bijdrage tot het fonds.".

  Afdeling 3. - Wijzigingen van de wet van 14 april 2011 houdende diverse bepalingen

  Art. 48. In artikel 6, 11°, van de wet van 14 april 2011 houdende diverse bepalingen worden de woorden "de schorsing van het recht tot sturen," ingevoegd tussen de woorden "verval van het recht tot sturen," en de woorden "de onmiddellijke intrekking".

  Art. 49. In artikel 8, § 3, 5°, a), van dezelfde wet worden de woorden "de schorsingen van het recht tot sturen," ingevoegd tussen de woorden "vervallenverklaringen van het recht tot sturen," en de woorden "de maatregelen die een einde stellen aan het verval van het recht tot sturen".

  Afdeling 4. - Inwerkingtreding

  Art. 50. Dit hoofdstuk treedt in werking op 1 juli 2017.

  HOOFDSTUK 3. - Verbetering van de invordering van douane- en accijnsschulden en penale boeten

  Art. 51. Voor de toepassing van dit hoofdstuk wordt er verstaan onder geldsommen :
  1° alle vaststaande en uitvoerbare douane- en accijnsschulden;
  2° alle geldsommen die werden opgelegd in een uitvoerbaar geworden bevel tot betalen zoals bedoeld in artikel 65/1, § 1, van de wet van 16 maart 1968 betreffende de politie over het wegverkeer of in een in kracht van gewijsde gegane strafrechtelijke beslissing.

  Art. 52.Indien tijdens een controle op de openbare weg door ambtenaren van de Algemene Administratie van de Douane en Accijnzen [1 of van de politie]1, de niet-betaling wordt vastgesteld van de in artikel 51 bedoelde geldsommen ten laste van de eigenaar van het voertuig of lastens de persoon die als titularis van het kenteken van het voertuig wordt vermeld, moet de bestuurder de geldsommen in handen van deze ambtenaren betalen op het ogenblik van de vaststelling.
  De in het eerste lid bedoelde ambtenaren zijn bevoegd om de identiteit van de bestuurder van het voertuig vast te stellen, met het oog op de doelstellingen van dit hoofdstuk.
  ----------
  (1)<W 2017-06-08/16, art. 2, 002; Inwerkingtreding : 10-07-2017>

  Art. 53.In geval van niet-betaling van de in artikel 51 bedoelde geldsommen kan het voertuig door de ambtenaren van de Algemene Administratie van de Douane en Accijnzen [1 of van de politie]1 in beslag worden genomen.
  Het bericht van inbeslagneming wordt binnen de twee werkdagen verstuurd naar het adres van de titularis, vermeld op het kentekenbewijs. Indien de bestuurder de titularis van het kenteken is, kan het bericht van inbeslagneming hem onmiddellijk worden overhandigd.
  Het bericht van inbeslagneming wordt geacht door de titularis van het kenteken van het voertuig te zijn ontvangen de derde werkdag na de verzending ervan.
  De titularis van het kenteken van het voertuig is gehouden het bericht van inbeslagneming onverwijld aan de eigenaar van het voertuig over te maken en is tegenover die eigenaar aansprakelijk voor elke schade veroorzaakt door het niet of het niet tijdig voldoen van die verplichting.
  Het bericht van inbeslagneming stemt overeen met het model in bijlage en wordt in een origineel en een kopie opgesteld.
  Het voertuig wordt in beslag genomen op kosten en risico van de eigenaar of de persoon die als titularis van het kenteken van het voertuig wordt vermeld.
  De inbeslagneming wordt ten vroegste opgeheven op de dag van volledige betaling van de in artikel 51 bedoelde geldsommen, verhoogd met de kosten van inbeslagname waaronder de takelingskosten en de stallingskosten van het voertuig, aan de bevoegde ontvanger.
  ----------
  (1)<W 2017-06-08/16, art. 3, 002; Inwerkingtreding : 10-07-2017>

  Art. 54. Indien de geldsommen en kosten niet binnen de tien werkdagen na de datum van overhandiging of ontvangst van het bericht van inbeslagneming worden betaald aan de bevoegde ontvanger, kan deze ontvanger laten overgaan tot de verkoop van het voertuig.

  Art. 55. De toerekening bij de opbrengst van de verkoop van het voertuig gebeurt eerst op de douaneschulden, daarna op de verkoopkosten en de kosten van de inbeslagneming, vervolgens op de accijnsschulden en ten slotte op de in artikel 51, 2°, bedoelde geldsommen, onverminderd de toepassing van artikel 49, tweede lid, van het Strafwetboek en van artikel 29, laatste lid, van de wet van 1 augustus 1985 houdende fiscale en andere bepalingen.
  Een eventueel overschot wordt terugbetaald aan de titularis van het kenteken van het voertuig of aan de voormalige eigenaar van het voertuig.

  Art. 56. De wet van 17 juni 2013 houdende betere inning van penale boeten wordt opgeheven.

  Art. 57. Indien er voor de inwerkingtreding van dit hoofdstuk, met toepassing van artikel 2, § 2, van de wet van 17 juni 2013 houdende betere inning van penale boeten, een voertuig is geďmmobiliseerd, wordt de procedure afgehandeld overeenkomstig de bepalingen die van toepassing waren op het ogenblik van deze immobilisering.

  Art. 58. Dit hoofdstuk treedt in werking op 1 januari 2017.

  HOOFDSTUK 4. - Wijziging van de wet van 5 maart 1952 betreffende de opdecimes op de strafrechtelijke geldboeten

  Art. 59. In artikel 1, eerste en tweede lid, van de wet van 5 maart 1952 betreffende de opdecimes op de strafrechtelijke geldboeten, wordt het woord "vijftig" vervangen door het woord "zeventig".

  Art. 60. Dit hoofdstuk treedt in werking op 1 januari 2017.

  HOOFDSTUK 5. - Wijzigingen van de wet van 6 december 2005 betreffende de opmaak en financiering van actieplannen inzake verkeersveiligheid en de wet van 27 december 1990 houdende oprichting van begrotingsfondsen

  Art. 61. Het opschrift van de wet van 6 december 2005 betreffende de opmaak en financiering van actieplannen inzake verkeersveiligheid wordt vervangen als volgt : "Wet betreffende de verdeling van een deel van de federale ontvangsten inzake verkeersveiligheid".

  Art. 62. In dezelfde wet wordt het opschrift van hoofdstuk I vervangen als volgt : "Algemene bepaling".

  Art. 63. In dezelfde wet wordt het hoofdstuk II, dat de artikelen 2 tot 8 bevat, gewijzigd bij de wetten van 8 juni 2008, 23 december 2009, 6 januari 2014 en 25 april 2014, vervangen als volgt :
  "Hoofdstuk II. De definitie en de verdeling van een deel van de federale ontvangsten inzake verkeersveiligheid.
  Art. 2. Voor de toepassing van deze wet, wordt verstaan onder "federale ontvangsten inzake verkeersveiligheid" : de per kalenderjaar geďnde ontvangsten van de penale geldboeten en de bevelen tot betalen inzake verkeer, van de sommen tegen betaling met eventueel verval van de strafvordering, zoals bepaald bij de gecoördineerde wet van 16 maart 1968 betreffende de politie over het wegverkeer en van de geldsommen bedoeld in artikel 216bis van het Wetboek van strafvordering behalve deze bedoeld in artikel 2bis van de bijzondere wet van 16 januari 1989 betreffende de financiering van de gemeenschappen en de gewesten.
  Art. 3. Een deel van de federale ontvangsten inzake verkeersveiligheid, genaamd "jaarlijks bedrag", wordt, onverminderd artikel 6, 2°, in het daarop volgende begrotingsjaar ingeschreven als limitatief krediet in de algemene uitgavenbegroting volgens de verdeling en nadere regels bepaald bij deze wet. Dit jaarlijks bedrag wordt als volgt berekend :
  1° de federale ontvangsten inzake verkeersveiligheid voor een jaar X worden vermeerderd met 181 100 000 euro en verminderd met het bedrag van diezelfde ontvangsten in 2002;
  2° het bedrag van 181 100 000 euro is gekoppeld aan de gemiddelde consumentenprijsindex die op 31 december 2011 werd bereikt en wordt op 1 januari van elk jaar aangepast aan de gemiddelde jaarlijkse consumentenprijsindex van het voorgaande jaar;
  3° het bedrag van deze ontvangsten in 2002 is gekoppeld aan de gemiddelde consumentenprijsindex die op 31 december 2002 werd bereikt en wordt op 1 januari van elk jaar aangepast aan de gemiddelde jaarlijkse consumentenprijsindex van het voorgaande jaar;
  4° vanaf het begrotingsjaar 2018, kan de Koning, op voorstel van de ministers van Mobiliteit, Justitie en Binnenlandse Zaken, bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad, het jaarlijks bedrag verminderen met een bedrag gelijk aan maximaal de meerontvangsten van de betrokken federale ontvangsten inzake verkeersveiligheid ten aanzien van de federale ontvangsten inzake verkeersveiligheid van het jaar 2016.
  Art. 4. Het jaarlijks bedrag wordt als volgt verdeeld :
  1° een bedrag dat gelijk is aan 5 % van het jaarlijks bedrag wordt aan de Federale Overheidsdienst Justitie toegewezen. Dit bedrag wordt gebruikt om de uitvoering van de alternatieve maatregelen of straffen die betrekking hebben op de verbetering van de verkeersveiligheid, te financieren. Dat bedrag wordt ook gebruikt ter financiering van het bij Justitie beheerde deel van het afhandelingsproces enkel met het oog op een optimale inning van de verkeersboetes. Dit bedrag wordt zowel op het niveau van de vastleggingen als op het niveau van de vereffeningen ingeschreven onder begrotingssectie 12 van de algemene uitgavenbegroting;
  2° een bedrag van 300 000 euro wordt aan de Federale Overheidsdienst Mobiliteit en Vervoer toegekend voor de opvolging en verbetering van het strafrechtelijk beleid inzake verkeersveiligheid. Dit bedrag wordt zowel op het niveau van de vastleggingen als op het niveau van de vereffeningen ingeschreven onder begrotingssectie 33 van de algemene uitgavenbegroting;
  3° een bedrag van 13 000 000 euro, voor de "gemeenschappelijke projecten", wordt aan de geďntegreerde politie toegekend om projecten te financieren die een meer doeltreffende vaststelling van de verkeersinbreuken mogelijk maken, die een vlottere afhandeling en snellere inning van de boetes beogen en die de verwerving van gestandaardiseerd materiaal via gemeenschappelijke aankopen ondersteunen. Deze projecten worden voorbereid en uitgevoerd door de federale politie en de Vaste Commissie van de Lokale Politie, bedoeld in artikel 91 van de wet van 7 december 1998 tot organisatie van een geďntegreerde politiedienst, gestructureerd op twee niveaus. Voor de projecten met gerechtelijke finaliteit moet het advies van het College van procureurs-generaal voorafgaandelijk worden ingewonnen. Dit bedrag wordt zowel op het niveau van de vastleggingen als op het niveau van de vereffeningen ingeschreven onder begrotingssectie 17 van de algemene uitgavenbegroting;
  4° een bedrag van 500 000 euro wordt aan de Vaste Commissie van de Lokale Politie toegekend om de coördinatie en het behartigen van de belangen en behoeften van de lokale politie te financieren in het kader van de uitvoering van de verschillende projecten inzake verkeersveiligheid. Dit bedrag wordt zowel op het niveau van de vastleggingen als op het niveau van de vereffeningen ingeschreven onder begrotingssectie 13 van de algemene uitgavenbegroting;
  5° het overige deel is het deel dat aan de politiezones en aan de federale politie wordt toegewezen ter ondersteuning van de uitvoering van de prioriteiten van het veiligheidsbeleid waaronder die inzake verkeer.
  De bedragen bedoeld in 2°, 3° en 4° zijn gekoppeld aan de gemiddelde jaarlijkse consumentenprijsindex bereikt op 31 december 2016 en worden jaarlijks op 1 januari aangepast aan de gemiddelde jaarlijkse consumentenprijsindex van het voorgaande jaar.
  Art. 5. Indien het jaarlijks bedrag bedoeld in artikel 3, lager is dan de som van de bedragen bedoeld in artikel 4, eerste lid, 1° tot 4°, wordt het als volgt verdeeld :
  1° 5 % wordt toegekend aan de Federale Overheidsdienst Justitie;
  2° 2,09 % wordt toegekend aan de Federale Overheidsdienst Mobiliteit en Vervoer;
  3° 89,49 % wordt toegekend voor de gemeenschappelijke projecten;
  4° 3,42 % wordt toegekend aan de Vaste Commissie van de Lokale Politie.
  Art. 6. Het bedrag bedoeld in artikel 4, eerste lid, 5°, wordt als volgt verdeeld onder de politiezones en de federale politie :
  1° de eerste schijf komt overeen met de bedragen, jaarlijks geďndexeerd op basis van de gemiddelde jaarlijkse consumentenprijsindex van het voorgaande jaar, die aan elke politiezone en aan de federale politie worden toegewezen en die zij in 2007 hebben ontvangen. In voorkomend geval, indien het in artikel 4, eerste lid, 5°, bedoelde bedrag lager is dan het in artikel 4, eerste lid, 5°, bedoelde bedrag dat in 2007 aan elke zone en de federale politie werd toegewezen, wordt het bedrag onder deze laatstgenoemden evenredig verdeeld volgens de toegewezen middelen van 2007.
  Het aan de federale politie toegekende bedrag wordt zowel op het niveau van de vastleggingen als op het niveau van de vereffeningen ingeschreven onder begrotingssectie 17 van de algemene uitgavenbegroting.
  Het aan de politiezones toegekende bedrag wordt zowel op het niveau van de vastleggingen als op het niveau van de vereffeningen ingeschreven onder begrotingssectie 17 van de algemene uitgavenbegroting, onder de basisallocaties die voor de lokale politiezones bestemd zijn.
  De minister bevoegd voor Binnenlandse Zaken maakt in het Belgisch Staatsblad de aan de lokale politiezones toegekende bedragen, bekend. De vereffening van dit bedrag geschiedt ten laatste op 30 juli van het betrokken begrotingsjaar;
  2° de tweede schijf komt overeen met de eventuele meerontvangsten ten opzichte van de in 1° bedoelde schijf en wordt als volgt verdeeld :
  - het aan de federale politie toegewezen bedrag is gelijk aan 5 % van deze meerontvangsten;
  - het overige deel dat voor de lokale politiezones is bestemd, wordt eerst verdeeld onder de gewesten op basis van de lokalisering van de vaststelling van de overtredingen van de wet betreffende de politie over het wegverkeer en haar uitvoeringsbesluiten.
  Na deze gewestelijke verdeling wordt de verdeling aan elke politiezone gerealiseerd op basis van de volgende criteria :
  1° de categorisering van de lokale politiezones in vijf groepen naargelang van het organiek politiekader;
  2° de daling van het aantal verkeersslachtoffers en/of verkeersongevallen met gekwetsten of doden op de wegen die onder de bevoegdheid van de lokale politiezone staan;
  3° het aantal kilometers van de wegen waarvoor de lokale politiezone bevoegd is.
  De nadere regels voor de verdeling van het in de bepaling onder 2°, tweede streepje, bedoelde overige deel dat aan lokale politiezones wordt toegewezen, worden bepaald door de Koning, bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad.
  De bedragen die hieruit voortvloeien, worden in het vierde begrotingsjaar volgend op het jaar van ontvangst van die bedragen, zowel op het niveau van de vastleggingen als op het niveau van de vereffeningen ingeschreven onder begrotingssectie 17 van de algemene uitgavenbegroting.
  De minister bevoegd voor Binnenlandse Zaken maakt in het Belgisch Staatsblad de aan de lokale politiezones toegekende bedragen, bekend. De vereffening van die bedragen geschiedt ten laatste op 31 maart van het betrokken begrotingsjaar.".

  Art. 64. In dezelfde wet wordt het hoofdstuk IV, dat het artikel 12 bevat, opgeheven.

  Art. 65. In rubriek 17-1 van de tabel gevoegd bij de organieke wet van 27 december 1990 houdende oprichting van begrotingsfondsen, laatstelijk gewijzigd bij de wet van 26 december 2015, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
  1° in rubriek "Aard van de toegewezen ontvangsten", wordt punt b opgeheven;
  2° in rubriek "Aard van de toegestane uitgaven" worden de woorden "met inbegrip van, mits een specifieke opvolging, de uitgaven verbonden aan de uitvoering van de actieplannen inzake verkeersveiligheid bedoeld in de wet van 6 december 2005 betreffende de opmaak en financiering van actieplannen inzake verkeersveiligheid" opgeheven.

  Art. 66. Dit hoofdstuk heeft uitwerking met ingang van 1 januari 2016.

  TITEL 4. - Fiscale bepalingen

  HOOFDSTUK 1. - Tankkaarten en andere brandstofkosten

  Art. 67. In artikel 198, § 1, van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992, laatstelijk gewijzigd bij de wet van 18 december 2015, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
  a) in de bepaling onder 9° worden de woorden "ten belope van 17 %. van het in artikel 36, § 2, bedoelde voordeel van alle aard voor het persoonlijk gebruik van een ter beschikking gesteld voertuig;" vervangen door de woorden "die, al dan niet kosteloos, voor persoonlijk gebruik ter beschikking zijn gesteld, ten belope van 17 %. van het bedrag zoals bepaald overeenkomstig artikel 36, § 2, eerste tot negende lid;";
  b) tussen de bepalingen onder 9° en 10°, wordt een bepaling onder 9° bis ingevoegd, luidende :
  9° bis in afwijking van de bepaling onder 9°, de kosten van in artikel 65 bedoelde voertuigen die, al dan niet kosteloos, voor persoonlijk gebruik ter beschikking zijn gesteld, ten belope van 40 %. van het bedrag zoals bepaald overeenkomstig artikel 36, § 2, eerste tot negende lid, wanneer de brandstofkosten verbonden met dit persoonlijk gebruik geheel of gedeeltelijk door de vennootschap ten laste zijn genomen;".

  Art. 68. In artikel 207, tweede lid, van hetzelfde Wetboek, laatstelijk gewijzigd bij de wet van 30 juli 2013, wordt het woord ", 9° bis" ingevoegd tussen de woorden "artikel 198, § 1, 9° " en de woorden "en 12° ".

  Art. 69. In artikel 223, eerste lid, van hetzelfde Wetboek, laatstelijk gewijzigd bij de wet van 19 december 2014, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
  a) de bepaling onder 4° wordt vervangen als volgt :
  "4° een bedrag gelijk aan 17 %. van het bedrag zoals bepaald overeenkomstig artikel 36, § 2, eerste tot negende lid, wanneer in artikel 65 bedoelde voertuigen, al dan niet kosteloos, voor persoonlijk gebruik ter beschikking zijn gesteld;";
  b) de bepaling onder 5°, opgeheven bij de wet van 19 december 2014, wordt hersteld als volgt :
  "5° in afwijking van de bepaling onder 4°, een bedrag gelijk aan 40 %. van het bedrag zoals bepaald overeenkomstig artikel 36, § 2, eerste tot negende lid, wanneer in artikel 65 bedoelde voertuigen, al dan niet kosteloos, voor persoonlijk gebruik ter beschikking zijn gesteld en wanneer de brandstofkosten verbonden met dit persoonlijk gebruik geheel of gedeeltelijk door de rechtspersoon ten laste zijn genomen.".

  Art. 70. In artikel 225, tweede lid, 5°, van hetzelfde Wetboek, vervangen bij de wet van 22 december 2008 en gewijzigd bij de wet van 17 juni 2013, worden de woorden "artikel 223, eerste lid, 4°, " vervangen door de woorden "artikel 223, eerste lid, 4° en 5°, ".

  Art. 71. In artikel 234, eerste lid, van hetzelfde Wetboek, laatstelijk gewijzigd bij de wet van 13 december 2012, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
  a) de bepaling onder 6° wordt vervangen als volgt :
  "6° op een bedrag gelijk aan 17 %. van het bedrag zoals bepaald overeenkomstig artikel 36, § 2, eerste tot negende lid, wanneer in artikel 65 bedoelde voertuigen, al dan niet kosteloos, voor persoonlijk gebruik ter beschikking zijn gesteld;";
  b) het eerste lid wordt aangevuld met een bepaling onder 7°, luidende :
  "7° in afwijking van de bepaling onder 6°, op een bedrag gelijk aan 40 %. van het bedrag zoals bepaald overeenkomstig artikel 36, § 2, eerste tot negende lid, wanneer in artikel 65 bedoelde voertuigen, al dan niet kosteloos, voor persoonlijk gebruik ter beschikking zijn gesteld en wanneer de brandstofkosten verbonden met dit persoonlijk gebruik geheel of gedeeltelijk door de rechtspersoon ten laste zijn genomen.".

  Art. 72. In artikel 247, 2°, van hetzelfde Wetboek, vervangen bij de wet van 28 december 2011, worden de woorden "het in artikel 234, eerste lid, 6°, vermelde bedrag gelijk aan 17 %. van het voordeel van alle aard;'' vervangen door de woorden "de in artikel 234, eerste lid, 6° en 7°, bedoelde bedragen;".

  Art. 73. De artikelen 67 tot 72 treden in werking vanaf 1 januari 2017 en zijn van toepassing vanaf diezelfde datum.

  HOOFDSTUK 2. - Speculatiebelasting

  Art. 74. In artikel 87, eerste lid, van het Wetboek van inkomstenbelastingen 1992, laatstelijk gewijzigd bij de wet van 26 december 2015, worden de woorden "en 90, eerste lid, 6°, 9° en 13°, " vervangen door de woorden "en 90, eerste lid, 6° en 9°, ".

  Art. 75. In artikel 88, tweede lid, van hetzelfde Wetboek, laatstelijk gewijzigd bij de wet van 26 december 2015, worden de woorden "en 90, eerste lid, 6° en 9° en 13°, " vervangen door de woorden "en 90, eerste lid, 6° en 9°, ".

  Art. 76. In artikel 90 van hetzelfde Wetboek, vervangen bij de wet van 11 december 2008 en laatstelijk gewijzigd bij de programmawet van 1 juli 2016, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
  1° de bepaling onder 13° wordt opgeheven;
  2° het vierde en vijfde lid worden opgeheven.

  Art. 77. In artikel 95, eerste lid, van hetzelfde Wetboek, vervangen bij de wet van 11 december 2008 en gewijzigd bij de wet van 26 december 2015, worden de woorden "in artikel 90, eerste lid, 9° en 13°, " vervangen door de woorden "in artikel 90, eerste lid, 9°, ".

  Art. 78. In artikel 96 van hetzelfde Wetboek, vervangen bij de wet van 11 december 2008 en gewijzigd bij de wet van 26 december 2015, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
  1° in het eerste lid, worden de woorden "de artikelen 90, eerste lid, 9° en 13°, 94 en 95" vervangen door de woorden "de artikelen 90, eerste lid, 9°, 94 en 95";
  2° in het tweede lid, worden de woorden "van artikel 90, eerste lid, 9° en 13°, " vervangen door de woorden "van artikel 90, eerste lid, 9°, ".

  Art. 79. Artikel 96/1 van hetzelfde Wetboek, ingevoegd bij de wet van 26 december 2015, wordt opgeheven.

  Art. 80. In artikel 102 van hetzelfde Wetboek, laatstelijk gewijzigd bij de wet van 26 december 2015, worden het tweede, het derde en het vierde lid opgeheven.

  Art. 81. In artikel 14533, § 1, vierde lid, van hetzelfde Wetboek, ingevoegd bij de wet van 13 december 2012 en gewijzigd bij de wetten van 8 mei 2014 en 26 december 2015, worden de woorden "de artikelen 171 en 171/1" vervangen door de woorden "artikel 171".

  Art. 82. In artikel 171, 1°, a, van hetzelfde Wetboek, laatstelijk gewijzigd bij de wet van 26 december 2015, worden de woorden "artikel 90, eerste lid, 1°, 9°, eerste streepje, 12° en 13°, " vervangen door de woorden "artikel 90, eerste lid, 1°, 9°, eerste streepje, en 12°, ".

  Art. 83. Artikel 171/1 van hetzelfde Wetboek, ingevoegd bij de wet van 26 december 2015, wordt opgeheven.

  Art. 84. In artikel 172, eerste lid, van hetzelfde Wetboek, gewijzigd bij de wetten van 28 december 1992, 8 mei 2014 en 26 december 2015, worden de woorden "in de artikelen 171 en 171/1" vervangen door de woorden "in artikel 171".

  Art. 85. In artikel 178/1, § 1, eerste lid, van hetzelfde Wetboek, ingevoegd bij de wet van 10 augustus 2015 en gewijzigd bij de wet van 26 december 2015, worden de woorden "en 90, eerste lid, 6°, 9° en 13°, " vervangen door de woorden "en 90, eerste lid, 6° en 9°, ".

  Art. 86. In artikel 228, § 2, 9°, van hetzelfde Wetboek, laatstelijk gewijzigd bij de wet van 26 december 2015, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
  1° in de inleidende zin worden de woorden "in artikel 90, eerste lid, 1° tot 13°, " vervangen door de woorden "in artikel 90, eerste lid, 1° tot 12°, ";
  2° de bepaling onder l) wordt opgeheven.

  Art. 87. Artikel 261, 2° ter, van hetzelfde Wetboek, ingevoegd bij de wet van 26 december 2015, wordt opgeheven.

  Art. 88. Artikel 267, achtste lid, van hetzelfde Wetboek, ingevoegd bij de wet van 26 december 2015, wordt opgeheven.

  Art. 89. Artikel 269, § 1, 9°, van hetzelfde Wetboek, ingevoegd bij de wet van 26 december 2015, wordt opgeheven.

  Art. 90. In artikel 313, eerste lid, van hetzelfde Wetboek, laatstelijk gewijzigd bij de wet van 26 december 2015, worden de woorden "de in artikel 90, eerste lid, 6°, 9°, 11° en 13°, vermelde" vervangen door de woorden "de in artikel 90, eerste lid, 6°, 9° en 11°, vermelde".

  Art. 91. In artikel 466, tweede lid, van hetzelfde Wetboek, vervangen bij de wet van 13 december 2012 en aangevuld bij de wet van 26 december 2015, worden de woorden ", en op diverse inkomsten als bedoeld in artikel 90, eerste lid, 13°, "opgeheven.

  Art. 92. De artikelen 74 tot 91 treden in werking op 1 januari 2017 en zijn van toepassing op de meerwaarden die zijn gerealiseerd vanaf 1 januari 2017.

  HOOFDSTUK 3. - Roerende voorheffing

  Art. 93. In artikel 171 van Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992, laatstelijk gewijzigd bij de wet van 18 december 2016 tot regeling van de erkenning en de afbakening van crowdfunding en houdende diverse bepalingen inzake financiën, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
  1° in de bepaling onder 3° worden de woorden "27 %." vervangen door de woorden "30 %." en worden de woorden "3° quinquies tot 3° septies" vervangen door de woorden "3° quater tot 3° septies";
  2° in de bepaling onder 3° septies worden de woorden "17 %." vervangen door de woorden "20 %.".

  Art. 94. In artikel 269, § 1, van hetzelfde Wetboek, laatstelijk gewijzigd bij de wet van 18 december 2016 tot regeling van de erkenning en de afbakening van crowdfunding en houdende diverse bepalingen inzake financiën, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
  1° in de bepaling onder 1° worden de woorden "27 %." vervangen door de woorden "30 %." en worden de woorden "onder 2°, 4°, 8° en 9° " vervangen door de woorden "onder 2° tot 4° en 8° ";
  2° in de bepaling onder 8° worden de woorden "17 %." vervangen door de woorden "20 %.".

  Art. 95. De artikelen 93, 1°, en 94, 1°, treden in werking op 1 januari 2017 en zijn van toepassing op de vanaf 1 januari 2017 betaalde of toegekende inkomsten.
  De artikelen 93, 2°, en 94, 2°, treden in werking op 1 januari 2017 en zijn van toepassing op de liquidatiereserves die zijn aangelegd voor een belastbaar tijdperk dat ten vroegste verbonden is met het aanslagjaar 2018.

  HOOFDSTUK 4. - Interne meerwaarden

  Art. 96. In artikel 18 van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992, laatstelijk gewijzigd bij de wet van 31 januari 2006, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
  1° in het eerste lid, wordt de bepaling onder 2° aangevuld met de woorden : "of overeenkomstig de bepalingen van het vennootschapsrecht dat van toepassing is op de buitenlandse vennootschap";
  2° in het eerste lid, 2° bis, worden de woorden "of overeenkomstig de bepalingen van het vennootschapsrecht dat van toepassing is op de buitenlandse vennootschap" ingevoegd tussen de woorden "Wetboek van vennootschappen" en de worden "die van toepassing zijn op statutenwijzigingen";
  3° het artikel wordt aangevuld met een lid, luidende :
  "Voor de toepassing van het eerste lid, 2° en 2° bis, ingeval van verrichtingen gedaan door een buitenlandse vennootschap, dient het begrip gestort kapitaal overeenkomstig artikel 2, § 1, 6°, begrepen te worden in de zin van de bepalingen van dit Wetboek betreffende de vennootschapsbelasting.".

  Art. 97. In artikel 184, derde lid, van hetzelfde Wetboek, vervangen bij de wet van 11 december 2008, wordt het woord "ofwel" ingevoegd tussen de woorden "waarvoor de meerwaarden" en de woorden "zijn vrijgesteld krachtens" en worden de woorden "ofwel niet belastbaar zijn overeenkomstig artikel 90, eerste lid, 9°, eerste streepje, of artikel 228, § 2, 9°, h," ingevoegd tussen de woorden "bepaald in artikel 192, "en de woorden "is het gestort kapitaal".

  Art. 98. Artikel 198, § 2, van hetzelfde Wetboek, laatstelijk gewijzigd bij de wet van 26 juni 2012, wordt aangevuld met een vierde lid, luidende :
  "Voor de toepassing van § 1, 7°, ingeval van verrichtingen gedaan door een buitenlandse vennootschap, dient het begrip gestort kapitaal overeenkomstig artikel 2, § 1, 6°, begrepen te worden in de zin van de bepalingen van dit Wetboek betreffende de vennootschapsbelasting.".

  Art. 99. Dit hoofdstuk treedt in werking op 1 januari 2017.
  Artikel 97 is van toepassing voor inbrengen die plaatsvinden vanaf 1 januari 2017.

  HOOFDSTUK 5. - Stelsel dat voorziet in de terugvordering van staatssteun die betrekking heeft op de belasting van de in artikel 185, § 2, b, van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 bedoelde overwinst

  Afdeling 1. - Definities

  Art. 100. De definities die zijn opgenomen in de artikelen 2 en 229 van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 en in de artikelen 5 tot 11 van het Wetboek van vennootschappen zijn op dit hoofdstuk van toepassing.
  Verder moet voor de toepassing van dit hoofdstuk worden verstaan onder :
  - steun : het niet belasten door de Belgische Staat in de in artikel 1 van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 bedoelde vennootschapsbelasting of de belasting van niet-inwoners, van een gedeelte van de overwinst die in hoofde van de verkrijgers werd gegenereerd in uitvoering van artikel 185, § 2, b, van hetzelfde Wetboek, in voorkomend geval in samenhang met artikel 235, 2°, van dat Wetboek, op grond waarvan de voorafgaande beslissingen, zoals bedoeld in de beslissing SA.37667 van de Europese Commissie, ten gunste van binnenlandse vennootschappen of Belgische inrichtingen werden gegeven;
  - terug te vorderen steun : het bedrag aan steun, dat aan de Belgische Staat moet worden terugbetaald door de verkrijger van de steun, en dat voor elk belastbaar tijdperk gelijk is aan het verschil tussen de belasting die werd betaald in toepassing van de aan de verkrijger van de steun op basis van artikel 185, § 2, b, van hetzelfde Wetboek, gegeven voorafgaande beslissing, en de belasting die zou zijn betaald geweest in het geval deze beslissing niet zou hebben bestaan vermeerderd met de op dit bedrag samengestelde interesten, die zijn gedefinieerd op de hieronder vermelde wijze en zijn berekend tot de datum waarop de steun wordt terugbetaald;
  - verkrijger van de steun : de binnenlandse vennootschap of Belgische inrichting van een buitenlandse vennootschap, die deel uitmaakt van een groep van verbonden vennootschappen die een voorafgaande beslissing gevraagd en verkregen heeft op basis van artikel 185, § 2, b, van hetzelfde Wetboek, en waarvoor effectief een eenzijdige aanpassing is toegepast op de daadwerkelijk in haar boekhouding geboekte winst teneinde haar belastbare winst te bepalen in het kader van het algemeen stelsel van de vennootschapsbelasting of de belasting van niet-inwoners in België;
  - groep : de groep van verbonden vennootschappen waartoe de verkrijger van de steun behoort;
  - interesten : interesten op de bedragen aan niet gestorte belasting berekend overeenkomstig hoofdstuk V van de verordening (EG) nr. 794/2004 van de Commissie van 21 april 2004 tot uitvoering van verordening (EU) 2015/1589 van de Raad tot vaststelling van nadere bepalingen voor de toepassing van artikel 108 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, (hierna verordening (EG) nr. 794/2004).

  Afdeling 2. - Bepaling van het bedrag aan terug te vorderen steun

  Art. 101.Het bedrag aan terug te vorderen steun wordt vastgesteld per belastbaar tijdperk en dit voor elk belastbaar tijdperk vanaf het belastbaar tijdperk waarvoor de terug te vorderen steun voor de eerste keer werd toegekend [1 tot en met het laatste belastbaar tijdperk waarvoor aanspraak wordt gemaakt op de toepassing van artikel 185, § 2, b, van hetzelfde Wetboek en, in voorkomend geval, tot en met het laatste belastbaar tijdperk waarvoor elementen die aftrekbaar zijn van de belastbare winsten overeenkomstig artikel 103, tweede lid, aangepast worden]1.
  Voor het bepalen van de steun die overeenstemt met het bedrag aan belasting dat niet werd gestort ten gevolge van het geheel van de op basis van artikel 185, § 2, b, van hetzelfde Wetboek, gegeven voorafgaande beslissingen, wordt de berekening van de belasting voor elk betrokken belastbaar tijdperk opnieuw uitgevoerd naar gelang het geval, door toepassing van de bepalingen van titel III, hoofdstukken 2 en 3, of de artikelen 233, 235, 2°, 236 tot 240, 242, 246, en de artikelen 276 tot 296, 304 en 463bis van hetzelfde Wetboek, zoals deze bepalingen bestonden [1 en toepasbaar zijn]1 voor het aanslagjaar dat verbonden is met het desbetreffende belastbare tijdperk, waarbij geen rekening wordt gehouden met de voorafgaande beslissingen die overeenkomstig artikel 185, § 2, b, van hetzelfde Wetboek, de belasting van de overwinst hebben toegekend, en waarbij in voorkomend geval enkel rekening wordt gehouden met de vanuit het vorige belastbaar tijdperk overgedragen aftrekbare elementen die voortvloeien uit de [1 krachtens dit artikel en artikel 103, tweede lid]1 opnieuw uitgevoerde berekening van de belasting die betrekking heeft op het vorige belastbaar tijdperk.
  Voor het bepalen van het verkregen bedrag aan steun kan desgevallend worden rekening gehouden met door de verkrijger van de steun bewezen concrete elementen wat betreft het toevoegen van in België vrijgestelde bedragen aan het belastbaar inkomen op het niveau van andere buitenlandse verbonden vennootschappen in de zin van artikel 11 van het Wetboek van vennootschappen, en andere elementen met betrekking tot buitenlandse belastingheffingen die van aard zijn het daadwerkelijk verkregen netto voordeel te corrigeren, en dit voor zover het in aanmerking nemen van deze elementen geschiedt conform de bedoelde beslissing van 11 januari 2016 van de Europese Commissie.
  De vermeerdering ingeval geen of ontoereikende voorafbetalingen bedoeld in de artikelen 218 en 246, eerste lid, 1°, en tweede lid, van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992, is niet van toepassing op de [1 in het tweede en het derde lid bedoelde berekening voor de aanslagjaren die verbonden zijn met belastbare tijdperken die uiterlijk op 11 januari 2016 werden afgesloten]1.
  Het bedrag aan niet gestorte belasting voor een belastbaar tijdperk wordt bepaald door het verschil te nemen tussen, enerzijds, het saldo dat resulteert uit de herberekening van de belasting overeenkomstig de voorgaande leden en, anderzijds, de oorspronkelijk verschuldigde belasting, vastgesteld na verrekening van de verrekenbare sommen in toepassing van de artikelen 276 tot 296 en 304 van hetzelfde Wetboek, zonder evenwel rekening te houden met de vermeerdering ingeval geen of ontoereikende voorafbetalingen bedoeld in artikelen 218 en 246, eerste lid, 1°, en tweede lid, van hetzelfde Wetboek [1 voor de aanslagjaren die verbonden zijn met belastbare tijdperken die uiterlijk op 11 januari 2016 werden afgesloten]1.
  Voor het bepalen van het gedeelte van de terug te vorderen steun dat in toepassing van de artikelen 104 en 111 overeenstemt met het bedrag van de interesten, wordt het deel van de terug te vorderen steun dat overeenstemt met het bedrag aan niet-gestorte belasting dat overeenkomstig de voorgaande leden per belastbaar tijdperk werd vastgesteld, verondersteld te zijn toegekend vanaf 20 december van het jaar vóór dat waarnaar het aanslagjaar wordt genoemd dat verbonden is met het betreffende belastbaar tijdperk of vanaf de door de Koning bepaalde datum die wordt geacht overeen te stemmen met 20 december in de gevallen bedoeld in artikel 167, tweede lid, van hetzelfde Wetboek.
  [1 In afwijking van het zesde lid, worden voor de aanslagjaren 2016 en volgende, die verbonden zijn met belastbare tijdperken die vanaf 12 januari 2016 worden afgesloten, de interesten berekend vanaf de eerste dag van de tweede maand die volgt op de datum van verzending van het eerste aanslagbiljet voor het betreffende aanslagjaar.]1
  ----------
  (1)<W 2017-12-17/03, art. 15, 003; Inwerkingtreding : 29-12-2016>

  Art. 102. Op vraag van de verkrijger van de steun, kunnen de in de artikelen 199 tot 206 bedoelde aftrekken en de in de artikelen 292, 292bis en 294, van hetzelfde Wetboek bedoelde sommen waarop de verkrijger van de steun geen aanspraak heeft gemaakt in zijn aangiften van de vennootschapsbelasting of de belasting van niet-inwoners die betrekking hebben op de in artikel 101 bedoelde belastbare tijdperken, alsnog worden toegepast op de belastbare winst van deze belastbare tijdperken, die wordt vastgesteld voor de uitvoering van de in artikel 101, tweede lid bedoelde berekening, voor zover alle vereiste voorwaarden en rechtvaardigingen geleverd worden.

  Art. 103.De terug te vorderen steun wordt gelijkgesteld naar gelang het geval met de vennootschapsbelasting of met de belasting niet-inwoners en de bedragen die krachtens dit hoofdstuk worden terugbetaald vormen, wat het gedeelte betreft dat betrekking heeft op de belastingen, met uitsluiting van het gedeelte dat betrekking heeft op de in de artikelen 104 en 111 bedoelde interesten, geen aftrekbare beroepskosten in de zin van de artikelen 49, 198, eerste lid, 1°, en 235, 2°, van hetzelfde Wetboek.
  In afwijking van de artikelen 199 tot 207, 235, 2°, 236 tot 240bis en 360 tot 364 van hetzelfde Wetboek, worden voor de bepaling van de belastbare winsten van de verkrijger van de steun [1 betreffende de belastbare tijdperken die verbonden zijn met de aanslagjaren die volgen op deze waarvoor de in artikel 100, eerste streepje, bedoelde overwinsten werden uitgesloten uit de belastbare winsten, de elementen die aftrekbaar zijn van de overeenkomstig artikel 101 vastgestelde belastbare winsten van de belastbare tijdperken die verbonden zijn met deze voorgaande aanslagjaren]1 die niet konden worden afgetrokken en die, ten gevolge van de afwezigheid van winsten of het onvoldoende aanwezig zijn ervan worden overgedragen naar een volgende belastbaar tijdperk, aangepast alsof de overwinst nooit zou zijn vrijgesteld geweest in uitvoering van de voorafgaande beslissingen die overeenkomstig artikel 185, § 2, b, van hetzelfde Wetboek aan elke verkrijger werden toegekend.
  Uit het oogpunt van de Rijkscomptabiliteit, wordt de terug te vorderen steun gelijkgesteld, naargelang het geval, met de vennootschapsbelasting of met de belasting van niet-inwoners ten name van de in artikel 227, 2°, van hetzelfde Wetboek, vermelde belastingplichtigen.
  ----------
  (1)<W 2017-12-17/03, art. 16, 003; Inwerkingtreding : 29-12-2016>

  Afdeling 3. - Vestiging van terug te vorderen steun en rechtsmiddelen

  Art. 104.De Federale Overheidsdienst Financiën gaat, overeenkomstig de artikelen 298 tot 303 van hetzelfde Wetboek en de ter uitvoering ervan genomen bepalingen, over tot de inkohiering [1 van de in 101, eerste tot vijfde lid, bedoelde bedragen en de interest berekend, naargelang het geval, vanaf de in artikel 101, zesde lid, bedoelde datum waarop de steun werd toegekend tot op de datum van de inkohiering, of vanaf de in artikel 101, zevende lid, bedoelde datum waarop de steun werd toegekend, wanneer de terugvordering van de steun het voorwerp uitmaakt van een bijkomende aanslag voor de aanslagjaren 2016 en volgende, tot op de datum van de inkohiering]1.
  In het geval het bedrag aan terug te vorderen steun op een definitieve en onherroepelijke wijze vóór de datum van de inkohiering is betaald in het kader van de uitvoering van een kantonnementovereenkomst gesloten tussen de verkrijger van de steun en de door de Federale Overheidsdienst Financiën met het oog hierop aangestelde ontvanger, wordt het ingekohierde bedrag aan interesten berekend vanaf de in artikel 101 bedoelde datum tot op de datum van deze betaling en wordt het bedrag dat reeds werd betaald overeenkomstig de voormelde overeenkomst met wederzijds akkoord tussen de partijen verrekend op het ingekohierde bedrag. Een eventueel overschot wordt terugbetaald.
  Het toepasselijke interesttarief is het tarief dat van toepassing was op de datum waarop de terug te vorderen steun wordt verondersteld aan de genieter van de steun te zijn toegekend. Dit tarief wordt bepaald overeenkomstig hoofdstuk V van de verordening (EG) nr. 794/2004.
  [1 Artikel 444 van hetzelfde Wetboek en de bepalingen genomen door de Koning in uitvoering van dit artikel zijn van toepassing op de bedragen die overeenkomstig het eerste lid worden ingekohierd voor aanslagjaren 2017 en volgende.]1
  ----------
  (1)<W 2017-12-17/03, art. 17, 003; Inwerkingtreding : 29-12-2016>

  Art. 105. In de eventualiteit dat een vennootschap overgenomen of gesplitst wordt in het kader van een fusie, een verrichting gelijkaardig aan een fusie of een splitsing bedoeld in de artikelen 671 tot 677 van het Wetboek van vennootschappen, of van een gelijkaardige verrichting in buitenlands vennootschapsrecht, wordt de inkohiering van de terug te vorderen steun verkregen door de overgenomen of gesplitste vennootschap, tot en met de voornoemde verrichting, gevestigd in hoofde van de overnemende of verkrijgende vennootschappen, zelfs op het moment dat de overgenomen of gesplitste vennootschap niet meer bestaat als rechtspersoon.

  Art. 106.De bepalingen van titel VII, hoofdstuk VII, met uitzondering van artikel 373, van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992, zijn van toepassing op de ingediende verhalen tegen het in toepassing van dit hoofdstuk bepaalde bedrag van terug te vorderen steun.
  De artikelen 355 en 356 van hetzelfde Wetboek zijn eveneens van toepassing op dit hoofdstuk.
  [1 Zolang er geen arrest van het Gerecht van de Europese Unie in kracht van gewijsde is getreden of zolang door het Hof van Justitie van de Europese Unie geen arrest werd genomen over de grond van een vernietigingsberoep over de voormelde beslissing van de Europese Commissie van 11 januari 2016, kan de adviseur-generaal bevoegd om te beslissen over het bezwaar ingediend tegen de aanslag ter terugvordering van de staatssteun, de beslissing schorsen voor de grief die het bestaan van de staatssteun betwist en, in voorkomend geval, zijn beslissing voorlopig beperken tot de andere grieven.
   Niettegenstaande de in het derde lid bedoelde schorsing kan de bezwaarindiener een gerechtelijk verhaal indienen volgens de voorwaarden van artikel 1385undecies van het Gerechtelijk Wetboek. Wanneer een beslissing tot schorsing werd genomen over de grief die het bestaan van de staatssteun betwist, blijft de subsidiaire aanslag bedoeld in artikel 356 van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 mogelijk in geval van een vernietiging van de aanslag.]1
  ----------
  (1)<W 2017-12-17/03, art. 18, 003; Inwerkingtreding : 29-12-2016>

  Afdeling 4. - Invordering van de terug te vorderen steun

  Art. 107. Met uitzondering van de artikelen 298, § 2, tweede en derde lid, en 399bis zijn de bepalingen van hetzelfde Wetboek inzake de invordering van toepassing, behalve indien er bij dit hoofdstuk wordt van afgeweken.

  Art. 108. De terug te vorderen steun, ingekohierd op naam van de verkrijger van de steun, wordt lastens hem ingevorderd.
  Het kohier is uitvoerbaar ten opzichte van de leden van de groep die er niet zijn in opgenomen in de mate waarin ze gehouden zijn de terug te vorderen steun te betalen krachtens het voornoemde besluit van de Commissie.

  Art. 109. In afwijking van de artikelen 409 tot 411 van hetzelfde Wetboek, moet, in geval van betwisting, het totaal van het ingekohierde bedrag van de betwiste terug te vorderen steun betaald worden overeenkomstig artikel 110.

  Art. 110. In afwijking van artikel 413 van hetzelfde Wetboek moet de ingekohierde terug te vorderen steun onmiddellijk voor zijn totaliteit worden voldaan.

  Art. 111.In afwijking van afdeling V van titel VII, hoofdstuk VIII, van hetzelfde Wetboek, zijn de interesten verschuldigd en worden ze berekend op het ingekohierde bedrag aan terug te vorderen steun overeenkomstig artikel 11 van verordening (EG) nr. 794/2004. Deze interesten kunnen niet het voorwerp zijn van een vrijstelling voor het geheel of voor een deel ervan.
  Het toepasselijke interesttarief is het tarief dat van toepassing was op de datum waarop de terug te vorderen steun wordt [1 verondersteld aan de verkrijger van de steun te zijn toegekend overeenkomstig artikel 101, zesde en zevende lid]1. Dit tarief wordt bepaald overeenkomstig artikel 9 van de verordening (EG) nr. 794/2004.
  ----------
  (1)<W 2017-12-17/03, art. 19, 003; Inwerkingtreding : 29-12-2016>

  Art. 112.[1 In het geval de teruggevorderde steun geheel of gedeeltelijk wordt teruggegeven door de Staat in uitvoering van een administratieve beslissing of een uitspraak van een Belgische rechtsmacht ten gevolge van een in toepassing van artikel 106 ingediend verhaal of van een arrest van het Gerecht of van het Hof van Justitie van de Europese Unie dat kracht van gewijsde heeft gekregen]1 wordt in afwijking van afdeling V van titel VII, hoofdstuk VIII, van hetzelfde Wetboek, een moratoriuminterest toegekend aan hetzelfde tarief als datgene bepaald overeenkomstig hoofdstuk V van verordening (EG) nr. 794/2004, [1 en berekend op het reeds betaalde bedrag dat geheel of gedeeltelijk moet worden terugbetaald]1, vanaf de datum van de betaling van dit bedrag tot de effectieve terugbetaling ervan.
  ----------
  (1)<W 2017-12-17/03, art. 20, 003; Inwerkingtreding : 29-12-2016>

  Art. 113. Bij gebrek aan betaling overeenkomstig artikel 110, kan een waarborg gevorderd worden van elke schuldenaar van de terug te vorderen steun met toepassing van artikel 420 van hetzelfde Wetboek.

  Art. 114. Wat de rechten en voorrechten van de Schatkist betreft, zijn de bepalingen van titel VII, hoofdstuk IX, van hetzelfde Wetboek, van toepassing voor de invordering van het ingekohierde bedrag van de terug te vorderen steun, met inbegrip van de in artikel 111 bedoelde interest.
  Het voorrecht bezwaart eveneens de inkomsten en roerende goederen van leden van de groep die niet in het kohier zijn opgenomen in de mate waarin zij gehouden zijn tot betaling van de terug te vorderen steun overeenkomstig artikel 108.
  Wat de ranginname van het in het tweede lid bedoelde voorrecht betreft, wordt de terug te vorderen steun gelijkgesteld met de vennootschapsbelasting of de belasting van niet-inwoners.

  Art. 115. Het ingekohierde bedrag van de terug te vorderen steun, evenals de interesten bedoeld in artikel 111, worden gewaarborgd door een wettelijke hypotheek op alle aan de belastingschuldige toebehorende goederen, die in België gelegen en daarvoor vatbaar zijn.
  De hypotheek bezwaart eveneens de goederen toebehorend aan de leden van de groep die niet opgenomen zijn in het kohier in de mate waarin zij gehouden zijn tot het betalen van de terug te vorderen steun.

  Art. 116. In overeenstemming met artikel 288 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, zijn de artikelen 443bis en 443ter van hetzelfde Wetboek niet van toepassing.

  Art. 117. De terug te vorderen steun wordt gelijkgesteld met de vennootschapsbelasting en de belasting van niet-inwoners wat de toepassing betreft van internationale instrumenten die voorzien in wederzijdse bijstand bij invordering.

  Afdeling 5. - Diverse bepalingen

  Art. 118.De in uitvoering van dit hoofdstuk terug te vorderen steun [1 wordt geheel of gedeeltelijk teruggegeven in uitvoering van een administratieve beslissing of een uitspraak van een Belgische rechtsmacht ten gevolge van een in toepassing van artikel 106 ingediend verhaal of van een arrest van het Gerecht van de Europese Unie waartegen geen tijdig beroep is ingesteld en dat kracht van gewijsde heeft verkregen, of van een arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie]1 waarop het Gerecht of het Hof zich uitspreekt over een vernietigingsberoep dat betrekking heeft op de beslissing van de Europese Commissie van 11 januari 2016 betreffende het stelsel van staatssteun inzake de vrijstelling van overwinst SA.37667 (2015/C) (ex 2015/NN) en de vernietiging hiervan beveelt.
  In dit geval maken de in uitvoering van dit hoofdstuk ingekohierde bedragen van de terug te vorderen steun, die worden ingevorderd tussen de datum van inwerkingtreding van dit hoofdstuk en de datum van uitspraak van het in het eerste lid bedoelde arrest, het voorwerp uit van een ambtshalve ontheffing, en de bedragen die effectief zijn ingevorderd en betaald op basis van de in uitvoering van dit hoofdstuk ingekohierde bedragen worden integraal terugbetaald [1 binnen 12 maanden na de uitspraak van de in het eerste lid bedoelde beslissing of arrest]1.
  De interesten op de ontheven en terugbetaalde bedragen zijn verschuldigd, zoals bepaald conform artikel 112.
  De krachtens dit artikel terugbetaalde bedragen vormen, wat het gedeelte betreft dat betrekking heeft op de belastingen, met uitsluiting van het gedeelte dat betrekking heeft op de in de artikelen 104, 111 en 112 bedoelde interesten, geen belastbare winsten in de vennootschapsbelasting of de belasting van niet-inwoners, in de mate dat sommen die ten laste werden genomen, met het oog op de terugbetaling van de terug te vorderen steun, in uitvoering van dit hoofdstuk niet werden beschouwd als aftrekbare beroepskosten in de vennootschapsbelasting of de belasting van niet-inwoners.
  [1 In het geval op basis van dit artikel de ontheffing geheel of gedeeltelijk plaatsvindt]1, worden de in artikel 103, tweede lid, bedoelde aanpassingen vernietigd, ten belope van de overwinst die in aanmerking werd genomen voor de ontheffing van de belasting.
  ----------
  (1)<W 2017-12-17/03, art. 21, 003; Inwerkingtreding : 29-12-2016>

  Afdeling 6. - Inwerkingtreding

  Art. 119. Dit hoofdstuk treedt in werking de dag waarop deze wet in het Belgisch Staatsblad wordt bekendgemaakt.

  HOOFDSTUK 6. - Belasting over de toegevoegde waarde

  Art. 120. Tabel B van de bijlage bij het koninklijk besluit nr. 20 van 20 juli 1970 tot vaststelling van de tarieven van de belasting over de toegevoegde waarde en tot indeling van de goederen en de diensten bij die tarieven, laatstelijk gewijzigd bij de wet van 28 december 2011, wordt aangevuld met een rubriek XI, luidende :
  "XI. Huisvesting in het kader van het sociaal beleid - Privé-initiatief
  § 1. Het verlaagd tarief van 12 %. is van toepassing op de leveringen van de nagenoemde goederen bedoeld in artikel 1, § 9, van het Wetboek, en op de vestigingen, overdrachten en wederoverdrachten van zakelijke rechten op zulke goederen, die niet overeenkomstig artikel 44, § 3, 1°, van het Wetboek, van de belasting zijn vrijgesteld, wanneer die goederen bestemd zijn voor de huisvesting in het kader van het sociaal beleid :
  1° de privéwoningen die worden verhuurd aan navolgende publiekrechtelijke of privaatrechtelijke rechtspersonen en die door hen worden bestemd om te worden verhuurd :
  a) de provincies, de autonome provinciebedrijven en de provinciale extern verzelfstandigde agentschappen;
  b) de intercommunales en andere intergemeentelijke samenwerkingsverbanden, de gemeenten, de autonome gemeentebedrijven en de gemeentelijke extern verzelfstandigde agentschappen;
  c) de intercommunale openbare centra voor maatschappelijk welzijn en de openbare centra voor maatschappelijk welzijn;
  d) de gemengde holdingmaatschappijen waarin de overheid een meerderheid heeft;
  e) de sociale verhuurkantoren;
  f) de gewestelijke huisvestingsmaatschappijen en de door hen erkende maatschappijen voor sociale huisvesting;
  g) het Vlaams Woningfonds, het "Fonds du Logement des familles nombreuses de Wallonie" en het Woningfonds van het Brusselse Hoofdstedelijk Gewest;
  h) andere publiekrechtelijke en privaatrechtelijke rechtspersonen met sociaal oogmerk die door de bevoegde overheid zijn erkend;
  2° de woningcomplexen die worden verhuurd aan de personen bedoeld in rubriek X, § 1, A, punt d).
  Het voordeel van het verlaagd tarief is onderworpen aan de volgende voorwaarden :
  1° degene die een privéwoning, een woningcomplex of een zakelijk recht hierop verkrijgt in omstandigheden waarbij de belasting opeisbaar wordt, moet :
  a) vooraleer de belasting opeisbaar wordt overeenkomstig artikel 17 van het Wetboek, bij het controlekantoor belast met de belasting over de toegevoegde waarde in het ambtsgebied waar hij zijn woonplaats of maatschappelijke zetel heeft, een verklaring indienen in de vorm bepaald door de minister van Financiën of zijn gemachtigde, dat in het kader van het sociaal beleid deze privéwoning of dit woningcomplex bestemd is om te worden verhuurd aan een in het eerste lid, bedoelde publiekrechtelijke of privaatrechtelijke rechtspersoon; deze verklaring moet eveneens worden ondertekend door laatstgenoemde;
  b) aan de vervreemder een kopie van de verklaring bedoeld in de bepaling onder a) overhandigen;
  c) een voor eensluidend verklaard afschrift van het verhuurcontract gesloten met een in het eerste lid, bedoelde publiekrechtelijke of privaatrechtelijke rechtspersoon voorleggen bij het controlekantoor bedoeld in de bepaling onder a), binnen de maand vanaf de ondertekening van het contract;
  2° de door de vervreemder uitgereikte factuur en het dubbel dat hij moet bewaren moet de datum en het referentienummer vermelden van de verklaring alsook de aanduiding van het controlekantoor bedoeld in de bepaling onder 1°, a);
  3° uiterlijk de laatste werkdag van de maand die volgt op de maand waarin de factuur met toepassing van het verlaagd tarief van 12 %. werd uitgereikt, moet de vervreemder een kopie van deze factuur toesturen naar het controlekantoor waaronder hij ressorteert.
  § 2. Het verlaagd tarief van 12 %. is van toepassing op het werk in onroerende staat in de zin van artikel 19, § 2, tweede lid, van het Wetboek, met uitsluiting van het reinigen, en op de gelijkgestelde handelingen bedoeld in rubriek XXXI, § 3, 3° tot en met 6°, van tabel A, met betrekking tot de in paragraaf 1, eerste lid, bedoelde privéwoningen en woningcomplexen, wanneer zij na de uitvoering van de werken, bestemd zijn voor de huisvesting in het kader van het sociaal beleid.
  Het voordeel van het verlaagd tarief is onderworpen aan de volgende voorwaarden :
  1° de bouwheer die een privéwoning of een woningcomplex opricht of laat oprichten of voor wie werken in onroerende staat worden verricht die tot voorwerp hebben de gehele of gedeeltelijke omvorming van een gebouw tot één of meer privéwoningen onder omstandigheden die de belasting opeisbaar maken, moet :
  a) vooraleer de belasting opeisbaar wordt overeenkomstig artikel 22bis van het Wetboek, bij het controlekantoor belast met de belasting over de toegevoegde waarde in het ambtsgebied waar hij zijn woonplaats of maatschappelijke zetel heeft, een verklaring indienen in de vorm bepaald door de minister van Financiën of zijn gemachtigde, dat in het kader van het sociaal beleid deze privéwoning of dit woningcomplex bestemd is om te worden verhuurd aan een in paragraaf 1, eerste lid, bedoelde publiekrechtelijke of privaatrechtelijke rechtspersoon; deze verklaring moet eveneens worden ondertekend door laatstgenoemde;
  b) aan de dienstverrichter een kopie van de verklaring bedoeld in de bepaling onder a) overhandigen;
  c) een voor eensluidend verklaard afschrift van het verhuurcontract gesloten met een in paragraaf 1, eerste lid, bedoelde publiekrechtelijke of privaatrechtelijke rechtspersoon, voorleggen bij het controlekantoor bedoeld in de bepaling onder a), binnen de maand vanaf de ondertekening van het contract;
  2° de eigenaar of de hoofdhuurder van een privéwoning of een woningcomplex voor wie andere werken in onroerende staat dan bedoeld in de bepaling onder 1° worden verricht, is ertoe gehouden een voor eensluidend verklaard afschrift van het verhuurcontract dat in het kader van het sociaal beleid werd gesloten, te overhandigen aan de dienstverrichter;
  3° in het geval bedoeld in de bepaling onder 1°, moet de dienstverrichter :
  a) op de factuur die hij uitreikt en op het dubbel dat hij moet bewaren de datum en het referentienummer vermelden van de verklaring en de aanduiding van het controlekantoor, bedoeld in de bepaling onder 1°, a);
  b) uiterlijk de laatste werkdag van de maand die volgt op de maand waarin de factuur met toepassing van het verlaagd tarief van 12 %. werd uitgereikt, een kopie van deze factuur toesturen naar het controlekantoor waaronder hij ressorteert;
  4° in het geval bedoeld in de bepaling onder 2°, moet de dienstverrichter :
  a) op de factuur die hij uitreikt en op het dubbel dat hij moet bewaren de datum vermelden van het verhuurcontract en de aanduiding van het controlekantoor, bedoeld in de bepaling onder 1°, a);
  b) uiterlijk de laatste werkdag van de maand die volgt op de maand waarin de factuur met toepassing van het verlaagd tarief van 12 %. werd uitgereikt, een kopie van deze factuur toesturen naar het controlekantoor waaronder hij ressorteert.
  § 3. Het verlaagd tarief van 12 %. is van toepassing op de in artikel 44, § 3, 2°, b), van het Wetboek, bedoelde onroerende financieringshuur of onroerende leasing met betrekking tot de onder paragraaf 1, eerste lid, bedoelde privéwoningen en woningcomplexen, wanneer zij bestemd zijn voor de huisvesting in het kader van het sociaal beleid.
  Het voordeel van het verlaagd tarief is onderworpen aan de volgende voorwaarden :
  1° de persoon die een privéwoning of een woningcomplex in leasing neemt in omstandigheden waarbij de belasting opeisbaar wordt, moet :
  a) vooraleer de belasting opeisbaar wordt, overeenkomstig artikel 22bis van het Wetboek, bij het controlekantoor belast met de belasting over de toegevoegde waarde in het ambtsgebied waar hij zijn woonplaats of maatschappelijke zetel heeft, een verklaring indienen in de vorm bepaald door de minister van Financiën of zijn gemachtigde, dat in het kader van het sociaal beleid deze privéwoning of dit woningcomplex bestemd is om te worden verhuurd aan een in paragraaf 1, eerste lid, bedoelde publiekrechtelijke of privaatrechtelijke rechtspersoon; deze verklaring moet eveneens worden ondertekend door laatstgenoemde;
  b) aan de leasinggever een kopie van de verklaring bedoeld in de bepaling onder a) overhandigen;
  c) een voor eensluidend verklaard afschrift van het verhuurcontract gesloten met een in paragraaf 1, eerste lid, bedoelde publiekrechtelijke of privaatrechtelijke rechtspersoon, voorleggen bij het controlekantoor bedoeld in de bepaling onder a) binnen de maand vanaf de ondertekening van het contract;
  2° de door de leasinggever uitgereikte factuur en het dubbel dat hij moet bewaren moet de datum en het referentienummer vermelden van de verklaring en de aanduiding van het controlekantoor bedoeld in de bepaling onder 1°, a);
  3° uiterlijk de laatste werkdag van de maand die volgt op de maand waarin de factuur met toepassing van het verlaagd tarief van 12 %. werd uitgereikt, moet de leasinggever een kopie van deze factuur toesturen naar het controlekantoor waaronder hij ressorteert.
  § 4. Het verlaagd tarief van 12 %. is van toepassing op de in paragraaf 1, eerste lid, paragraaf 2, eerste lid, en paragraaf 3, eerste lid, bedoelde handelingen, met betrekking tot privéwoningen en woningcomplexen die bestemd zijn voor de huisvesting in het kader van het sociaal beleid en die worden verhuurd in het kader van een beheersmandaat toegekend aan een in paragraaf 1, eerste lid, 1°, bedoelde publiekrechtelijke of privaatrechtelijke rechtspersoon.
  Het voordeel van het verlaagd tarief is onderworpen aan de volgende voorwaarden :
  1° de verwerver, de bouwheer of leasingnemer moet :
  a) vooraleer de belasting opeisbaar wordt, overeenkomstig de artikelen 17 of 22bis van het Wetboek, bij het controlekantoor belast met de belasting over de toegevoegde waarde in het ambtsgebied waar hij zijn woonplaats of maatschappelijke zetel heeft, een verklaring indienen in de vorm bepaald door de minister van Financiën of zijn gemachtigde, dat in het kader van het sociaal beleid deze privéwoning of dit woningcomplex bestemd is om te worden verhuurd in het kader van een beheersmandaat toegekend aan een in paragraaf 1, eerste lid, bedoelde publiekrechtelijke of privaatrechtelijke rechtspersoon; deze verklaring moet eveneens worden ondertekend door laatstgenoemde;
  b) aan de vervreemder, dienstverrichter of leasinggever een kopie van de verklaring bedoeld in de bepaling onder a) overhandigen;
  c) een voor eensluidend verklaard afschrift van het verhuurcontract voorleggen bij het controlekantoor bedoeld in de bepaling onder a) binnen de maand vanaf de ondertekening van het contract;
  2° de eigenaar voor wie andere werken in onroerende staat worden uitgevoerd dan bedoeld in paragraaf 2, tweede lid, 1°, moet een voor eensluidend verklaard afschrift van het verhuurcontract aan de dienstverrichter overhandigen;
  3° al naargelang het geval moeten de voorwaarden bedoeld in paragraaf 1, tweede lid, 2° en 3°, paragraaf 2, tweede lid, 3° of 4°, of paragraaf 3, tweede lid, 2° en 3° eveneens vervuld zijn.
  § 5. Voor zover de voorwaarden bedoeld in paragraaf 1, tweede lid, paragraaf 2, tweede lid, 1° en 3°, paragraaf 3, tweede lid, en paragraaf 4, tweede lid, vervuld zijn, en behalve in geval van samenspanning tussen partijen of het klaarblijkelijk niet naleven van deze rubriek, ontlast de verklaring van de verwerver, de bouwheer of de leasingnemer de vervreemder, de dienstverrichter of de leasinggever van de aansprakelijkheid betreffende de vaststelling van het tarief.
  Voor zover de voorwaarden bedoeld in paragraaf 2, tweede lid, 2° en 4°, vervuld zijn, en behalve in geval van samenspanning tussen partijen of het klaarblijkelijk niet naleven van deze rubriek, ontlast het voor eensluidend verklaard afschrift van het verhuurcontract dat hem door de eigenaar werd overhandigd, de dienstverrichter van de aansprakelijkheid betreffende de vaststelling van het tarief.
  § 6. Om het verlaagd tarief te kunnen genieten eindigt de voorziene verhuurtermijn ten vroegste op 31 december van het vijftiende jaar volgend op het jaar waarin de eerste ingebruikneming van de woning of het woningcomplex bedoeld in de paragrafen 1 tot 4 heeft plaats gevonden. In de gevallen bedoeld in de paragrafen 1 tot 3 wordt die minimum verhuurtermijn bij de aanvang van de verhuurovereenkomst vastgelegd en in het geval bedoeld in paragraaf 4 wordt die termijn vastgelegd bij de aanvang van het beheersmandaat.
  Indien zich tijdens de voormelde termijn wijzigingen voordoen waardoor de voorwaarden bedoeld in paragraaf 1, eerste lid, paragraaf 2, eerste lid, paragraaf 3, eerste lid, of paragraaf 4, eerste lid, niet meer zijn vervuld, moet :
  1° enerzijds, de verwerver, de bouwheer, de eigenaar of de leasingnemer en, anderzijds, de hoofdhuurder of, in voorkomend geval, de beheerder en de huurder bij het controlekantoor belast met de belasting over de toegevoegde waarde in het ambtsgebied waar zij hun woonplaats of maatschappelijke zetel hebben hiervan binnen de maand die volgt op deze wijziging een verklaring indienen in de vorm bepaald door de minister van Financiën of zijn gemachtigde; deze verklaring moet eveneens door de betrokken partijen worden ondertekend;
  2° de verwerver, de bouwheer, de eigenaar of de leasingnemer het belastingvoordeel dat hij heeft genoten, terugstorten aan de Staat voor het jaar waarin de wijziging zich voordoet en voor de nog te lopen jaren tot beloop van een vijftiende per jaar.
  § 7. Het verlaagd tarief is in geen geval van toepassing op :
  1° werk in onroerende staat en de andere onroerende handelingen die geen betrekking hebben op de eigenlijke woning, zoals bebouwingswerkzaamheden, tuinaanleg en oprichten van afsluitingen;
  2° werk in onroerende staat en andere onroerende handelingen die tot voorwerp hebben de bestanddelen of een gedeelte van de bestanddelen van zwembaden, sauna's, midgetgolfbanen, tennisterreinen en dergelijke installaties.".

  Art. 121. Dit hoofdstuk treedt in werking op 1 januari 2017.

  HOOFDSTUK 7. - Diverse rechten en taksen

  Afdeling 1. - Uitbreiding van het toepassingsgebied van de taks op de beursverrichtingen

  Art. 122. Artikel 120 van het Wetboek diverse rechten en taksen, vervangen bij de programmawet van 24 december 1993 en gewijzigd bij de programmawet van 27 december 2004, wordt aangevuld met een lid, luidende :
  "De verrichtingen bedoeld in het eerst lid worden ook geacht in België te zijn aangegaan of uitgevoerd wanneer het order daartoe rechtstreeks of onrechtstreeks aan een in het buitenland gevestigde tussenpersoon wordt gegeven :
  - hetzij door een natuurlijke persoon met gewone verblijfplaats in België;
  - hetzij door een rechtspersoon voor rekening van een zetel of een vestiging ervan in België.".

  Art. 123. Artikel 1262 van hetzelfde Wetboek, ingevoegd bij de wet van 13 augustus 1947, wordt aangevuld met een lid, luidende :
  "Wanneer evenwel de tussenpersoon van beroep in het buitenland gevestigd is, wordt de ordergever schuldenaar van de belasting en is hij onderworpen aan de verplichtingen bedoeld in artikel 125, tenzij hij kan aantonen dat de taks werd betaald.".

  Afdeling 2. - Verhoging van de plafonds van de taks op de beursverrichtingen

  Art. 124. In artikel 124 van hetzelfde Wetboek, hersteld bij de wet van 28 april 2005 en gewijzigd bij de wetten van 28 december 2011, 22 juni 2012 en 19 december 2014, worden de bedragen 650 euro, 800 euro en 2 000 euro vervangen door de respectieve bedragen 1 300 euro, 1 600 euro en 4 000 euro.

  Afdeling 3. - Verlenging van de betalingstermijn en aanpassing van de boetes

  Art. 125. Artikel 125 van hetzelfde Wetboek, vervangen bij de wet van 10 december 2001, wordt vervangen als volgt :
  "Art. 125. § 1. De taks is betaalbaar uiterlijk de laatste werkdag :
  1° van de tweede maand die volgt op die waarin de verrichting werd aangegaan of uitgevoerd, wanneer de ordergever de belastingschuldige is;
  2° van de maand die volgt op die waarin de verrichting werd aangegaan of uitgevoerd, in de andere gevallen.
  De taks wordt betaald door storting of overschrijving op de bankrekening van het bevoegde kantoor.
  Op de dag van de betaling wordt door de belastingschuldige op dat kantoor een opgave ingediend die de maatstaf van heffing opgeeft alsmede alle elementen noodzakelijk ter bepaling ervan.
  § 2. Wanneer de taks niet binnen de in paragraaf 1 bepaalde termijn werd betaald, is de interest van rechtswege verschuldigd te rekenen van de dag waarop de betaling had moeten geschieden.
  Indien de opgave bedoeld in paragraaf 1 niet binnen de bepaalde termijn werd ingediend, wordt een boete verbeurd van 50 euro per week vertraging. Iedere begonnen week wordt voor een gehele week aangerekend. Deze boete kan per overtreding niet meer bedragen dan het bedrag dat na 52 weken vertraging verschuldigd is.
  Iedere onjuistheid of onvolledigheid in de opgave bedoeld in paragraaf 1 wordt gestraft met een boete gelijk aan vijf maal de ontdoken taks zonder dat ze minder dan 250 euro kan bedragen.
  Het niet afgeven van het in artikel 127 bedoelde borderel, wordt gestraft met een boete gelijk aan vijf maal de ontdoken taks zonder dat ze minder dan 1 000 euro kan bedragen.
  § 3. De elementen die in de in paragraaf 1 bedoelde opgave moeten worden meegedeeld evenals het bevoegde kantoor worden door de Koning bepaald.".

  Afdeling 4. - Invoering in het kader van de taks op de beursverrichtingen van de mogelijkheid van de aanstelling van een aansprakelijke vertegenwoordiger door de tussenpersonen van beroep van buiten België

  Art. 126. In hetzelfde Wetboek wordt een artikel 1263 ingevoegd, luidende :
  "Art. 1263. De niet in België gevestigde tussenpersonen van beroep kunnen, vooraleer beursverrichtingen in België uit te voeren of aan te gaan, door of vanwege de minister van Financiën een in België gevestigde aansprakelijke vertegenwoordiger laten erkennen. Deze vertegenwoordiger verbindt zich hoofdelijk jegens de Belgische Staat, tot de betaling der rechten op de verrichtingen welke de tussenpersoon van beroep hetzij voor rekening van derden, hetzij voor zijn eigen rekening doet, en tot uitvoering van alle verplichtingen waartoe de tussenpersoon van beroep krachtens deze titel gehouden is.
  In geval van overlijden van de aansprakelijke vertegenwoordiger, van intrekking van zijn erkenning of van een gebeurtenis die tot zijn onbevoegdheid leidt, wordt dadelijk in zijn vervanging voorzien.
  De Koning bepaalt de voorwaarden en nadere bepalingen van erkenning van de aansprakelijke vertegenwoordiger.".

  Afdeling 5. - Tijdelijke bepaling

  Art. 127. § 1. De boete bepaald bij artikel 125, § 2, tweede lid, van hetzelfde Wetboek, gewijzigd bij deze wet, wordt verlaagd tot :
  1° 12,50 euro per week vertraging, in geval van een niet tijdige indiening van de opgave in de periode tot 30 juni 2017;
  2° 25 euro per week vertraging, in geval van een niet tijdige indiening van de opgave in de periode van 1 juli 2017 tot 31 december 2017.
  § 2. Het bedrag van het minimum van de boete bepaald bij artikel 125, § 2, vierde lid, van hetzelfde Wetboek, gewijzigd bij deze wet wordt verlaagd tot :
  1° 250 euro in geval van een niet tijdige afgifte van het borderel in de periode tot 30 juni 2017;
  2° 500 euro in geval van een niet tijdige afgifte van het borderel in de periode van 1 juli 2017 tot 31 december 2017.

  Afdeling 6. - Inwerkingtreding

  Art. 128. De artikelen 122 tot 127 zijn van toepassing voor verrichtingen die plaatsvinden vanaf 1 januari 2017.

  BIJLAGE.

  Art. N.
  ( Beeld niet opgenomen om technische redenen, zie B.St. van 29-12-2016, p. 90906 )

Handtekening Tekst Inhoudstafel Begin
   Kondigen deze wet af, bevelen dat zij met 's Lands Zegel zal worden bekleed en door het Belgisch Staatsblad zal worden bekendgemaakt.
Gegeven te Brussel, 25 december 2016.
FILIP
Van Koningswege :
De Eerste Minister,
Ch. MICHEL
De Minister van Werk,
K. PEETERS
De Minister van Veiligheid en Binnenlandse Zaken,
J. JAMBON
De Minister van Ontwikkelingssamenwerking,
A.DE CROO
De Minister van Justitie,
K. GEENS
De Minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid,
M. DE BLOCK
De Minister van Financiën,
J. VAN OVERTVELDT
De Minister van Begroting,
S. WILMES
De Minister van Mobiliteit,
F. BELLOT
De Staatssecretaris voor Bestrijding van de sociale fraude,
P. DE BACKER
Met 's Lands Zegel gezegeld :
De Minister van Justitie,
K. GEENS

Aanhef Tekst Inhoudstafel Begin
   FILIP, Koning der Belgen,
   Aan allen die nu zijn en hierna wezen zullen, Onze Groet.
   De Kamer heeft aangenomen en Wij bekrachtigen hetgeen volgt :

Wijziging(en) Tekst Inhoudstafel Begin
BEELD
  • WET VAN 17-03-2019 GEPUBL. OP 10-05-2019
    (GEWIJZIGDE ART. : 100; 101; 105)
  • BEELD
  • ARREST GRONDWETTELIJK HOF VAN 15-10-2018 GEPUBL. OP 15-10-2018
    (GEWIJZIGD ART. : 51-58)
  • BEELD
  • WET VAN 17-12-2017 GEPUBL. OP 22-12-2017
    (GEWIJZIGDE ART. : 101; 103; 104; 106; 111; 112; 118)
  • BEELD
  • WET VAN 08-06-2017 GEPUBL. OP 30-06-2017
    (GEWIJZIGDE ART. : 52; 53)

  • Parlementaire werkzaamheden Tekst Inhoudstafel Begin
        Kamer van volksvertegenwoordigers (www.dekamer.be) Stukken : 54-2208 Integraal verslag : 22 december 2016.

    Begin Eerste woord Laatste woord Wijziging(en) Aanhef
    Parlementaire werkzaamheden Inhoudstafel 1 uitvoeringbesluit 2 gearchiveerde versies
    Franstalige versie