J U S T E L     -     Geconsolideerde wetgeving
Einde Eerste woord Laatste woord Aanhef
Inhoudstafel
Handtekening Einde Franstalige versie
 
belgiëlex . be     -     Kruispuntbank Wetgeving
Raad van State
ELI - Navigatie systeem via een Europese identificatiecode voor wetgeving
http://www.ejustice.just.fgov.be/eli/besluit/2016/12/01/2017010293/justel

Titel
1 DECEMBER 2016. - Koninklijk besluit tot wijziging van het koninklijk besluit van 11 maart 1966 tot verklaring van openbaar nut voor het oprichten van gasvervoerinstallaties, ter omschrijving van de nadere regels van het vermoeden van openbaar nut, bedoeld in artikel 8/7 van de wet van 12 april 1965 betreffende het vervoer van gasachtige producten en andere door middel van leidingen, tot wijziging van het koninklijk besluit van 14 mei 2002 betreffende de vervoersvergunning voor gasachtige producten en andere door middel van leidingen, van het koninklijk besluit van 11 maart 1966 betreffende de te nemen veiligheidsmaatregelen bij de oprichting en bij de exploitatie van installaties voor gasvervoer door middel van leidingen en tot bepaling van de inwerkingtreding van diverse bepalingen van de wet van 8 mei 2014 houdende diverse bepalingen inzake energie

Bron :
ECONOMIE, KMO, MIDDENSTAND EN ENERGIE
Publicatie : 30-01-2017 nummer :   2017010293 bladzijde : 14448   BEELD
Dossiernummer : 2016-12-01/37
Inwerkingtreding : 01-03-2017

Inhoudstafel Tekst Begin
HOOFDSTUK 1. - Wijziging van het koninklijk besluit van 11 maart 1966 tot verklaring van openbaar nut voor het oprichten van gasvervoerinstallaties en omschrijving van de nadere regels van het vermoeden van openbaar nut, bedoeld in artikel 8/7 van de wet van 12 april 1965 betreffende het vervoer van gasachtige producten en andere door middel van leidingen
Art. 1-7
HOOFDSTUK 2. - Wijziging van het koninklijk besluit van 14 mei 2002 betreffende de vervoersvergunning voor gasachtige producten en andere door middel van leidingen
Art. 8-29
HOOFDSTUK 3. - Wijziging van het koninklijk besluit van 11 maart 1966 betreffende de te nemen veiligheidsmaatregelen bij de oprichting en bij de exploitatie van installaties voor gasvervoer door middel van leidingen
Art. 30
HOOFDSTUK 4. - Slotbepalingen
Art. 31-32

Tekst Inhoudstafel Begin
HOOFDSTUK 1. - Wijziging van het koninklijk besluit van 11 maart 1966 tot verklaring van openbaar nut voor het oprichten van gasvervoerinstallaties en omschrijving van de nadere regels van het vermoeden van openbaar nut, bedoeld in artikel 8/7 van de wet van 12 april 1965 betreffende het vervoer van gasachtige producten en andere door middel van leidingen

  Artikel 1. Het opschrift van het koninklijk besluit van 11 maart 1966 tot verklaring van openbaar nut voor het oprichten van gasvervoerinstallaties wordt vervangen als volgt :
  "Koninklijk besluit betreffende de verklaring van openbaar nut voor het oprichten van vervoerinstallaties voor gasachtige producten en andere door middel van leidingen en de nadere regels van het vermoeden van openbaar nut van vervoerinstallaties voor gasachtige producten en andere door middel van leidingen.".

  Art. 2. In het hetzelfde besluit wordt een hoofdstuk 1 ingevoegd voor het artikel 1, luidende :
  "Hoofdstuk 1. Verklaring van openbaar nut voor het oprichten van vervoerinstallaties voor gasachtige producten en andere door middel van leidingen.".

  Art. 3. In artikel 1 van hetzelfde besluit, wordt vóór het eerste lid een lid toegevoegd, luidende :
  "Voor de toepassing van dit besluit wordt onder "afgevaardigde van de minister" verstaan : de ambtenaar van de Algemene Directie Energie aangeduid door de minister.".

  Art. 4. In artikel 2 van hetzelfde besluit, gewijzigd bij het koninklijk besluit van 14 mei 2002, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
  1° tussen het derde en het vierde lid worden twee leden toegevoegd, luidende :
  ""Elk exemplaar wordt ingediend in een omslag.
  Ter aanvulling is de aanvraag vergezeld van de adressen, op etiket, van de eigenaars en gebeurlijke huurders of andere bezetters der percelen bedoeld in 4.".
  2° het artikel wordt aangevuld met een lid, luidende :
  "De aanvrager heeft de mogelijkheid om aangepaste of bijkomende plannen of andere documenten in te dienen alvorens de minister of de afgevaardigde van de minister een besluit hebben genomen over de aanvraag. In dit geval beslist de minister of de afgevaardigde van de minister of deze plannen of documenten aan een nieuw openbaar onderzoek bedoeld in artikel 3 worden onderworpen, en of de beslissingsperiode van zes maanden moet worden verlengd overeenkomstig artikel 8.".

  Art. 5. In hetzelfde besluit wordt een artikel 7/1 ingevoegd, luidende :
  "Art.7/1. De plannen van de verklaring van openbaar nut worden ondertekend door de afgevaardigde van de minister.".

  Art. 6. In hetzelfde besluit, wordt een hoofdstuk 2 ingevoegd, dat een artikel 9/1 bevat, luidende :
  "Hoofdstuk 2. Omschrijving van de nadere regels van het vermoeden van openbaar nut, bedoeld in artikel 8/7 van de wet van 12 april 1965 betreffende het vervoer van gasachtige producten en andere door middel van leidingen.
  Art. 9/1. Het vermoeden van openbaar nut bedoeld in artikel 8/7 van de wet van 12 april 1965 betreffende het vervoer van gasachtige producten en andere door middel van leidingen is van toepassing op :
  1° de vervoersinstallaties die het voorwerp hebben uitgemaakt van een vervoersvergunning, die vrijgesteld zijn van een dergelijke vergunning, of die het voorwerp hebben uitgemaakt van een melding, overeenkomstig de artikelen 3 en 4 van de wet;
  2° de werken uitgevoerd voor de aanleg en de uitbating van de installaties bedoeld in 1°. ".

  Art. 7. In hetzelfde besluit wordt een hoofdstuk 3 ingevoegd voor het artikel 10, luidende :
  "Hoofdstuk 3. Slotbepalingen.".

  HOOFDSTUK 2. - Wijziging van het koninklijk besluit van 14 mei 2002 betreffende de vervoersvergunning voor gasachtige producten en andere door middel van leidingen

  Art. 8. Artikel 1 van het koninklijk besluit van 14 mei 2002 betreffende de vervoers-vergunning voor gasachtige producten en andere door middel van leidingen, gewijzigd bij het koninklijk besluit van 3 december 2006, wordt aangevuld met de bepalingen onder 7° en 8°, luidende :
  "7° "afgevaardigde van de minister" : de ambtenaar van het Bestuur Energie aangeduid door de minister;
  8° " MAOP " : de maximale druk aan dewelke een vervoerinstallatie voor gasachtige producten en andere door middel van leidingen mag worden uitgebaat.".

  Art. 9. In artikel 2, § 2, van hetzelfde besluit worden volgende wijzigingen aangebracht :
  1° het woord "twee" wordt vervangen door het woord "tien";
  2° de paragraaf wordt aangevuld met twee leden, luidende :
  "Indien gedurende deze periode een verandering plaats heeft van de voorwaarden die aanleiding hebben gegeven tot het toekennen van de vervoersvergunning, en die een belangrijke impact heeft op de financiële of economische capaciteit van de houder van een vervoervergunning, moet deze het bewijs leveren dat aan de voorwaarden voldaan is.
  De voorwaarden bedoeld in § 1, 1° tot 6°, worden geacht vervuld te zijn voor alle ingediende aanvragen van de beheerders waarvan sprake in artikel 8 van de wet van 12 april 1965.".

  Art. 10. In artikel 9 van hetzelfde besluit, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
  1° het eerste lid wordt vervangen als volgt :
  "Het aantal exemplaren waarin de stukken van de aanvraag worden ingediend, stemt overeen met het totaal aantal adressen, bedoeld in artikel 8, 1°, vermeerderd met twee exemplaren voor het Bestuur Energie, één exemplaar voor het Bestuur Kwaliteit en Veiligheid en één exemplaar voor de Commissie wanneer de aanvraag tot haar bevoegdheid behoort.".
  2° een lid wordt tussen het eerste en het tweede lid toegevoegd, luidende :
  "Elk exemplaar wordt ingediend in een omslag.".

  Art. 11. In hetzelfde besluit wordt een artikel 11bis ingevoegd, luidende :
  "Art. 11bis. De plannen van de vervoersvergunning worden ondertekend door de afgevaardigde van de minister."

  Art. 12. In hetzelfde besluit wordt een artikel 15bis ingevoegd, luidende :
  "Art. 15bis. De lengte van een aansluiting van een afnemer, zoals vermeld in de van kracht zijnde vervoersvergunning kan worden gewijzigd via een melding van de houder van de vervoersvergunning overeenkomstig artikel 27, voor zover deze melding een plan van de leiding zoals die is gebouwd ("as built" plan) en, indien van toepassing, het akkoord van de overheden of van de in artikel 8 bedoelde instanties die betrokken zijn bij deze melding, inhoudt.
  Indien het Bestuur Energie van oordeel is dat de melding niet volstaat, brengt het binnen 10 werkdagen na ontvangst van de melding de houder van de vervoersvergunning ervan op de hoogte dat hij een aanvraag tot wijziging van de lopende vergunning moet indienen waarvoor een bijvoegsel is vereist."

  Art. 13. In afdeling I van Hoofdstuk V van hetzelfde besluit, worden de woorden "A. Wijzigingen waarvoor een bijvoegsel aan de lopende vervoervergunning vereist is." en "B. Wijzigingen met loutere meldingsplicht tot gevolg." opgeheven.

  Art. 14. In artikel 25 van hetzelfde besluit, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
  1° in de bepaling onder 2°, worden de woorden "bij elke verhoging van het risico, meer bepaald" opgeheven;
  2° in de bepaling onder 3°, worden de woorden "bij elke wijziging van een voorwaarde, die opgenomen werd in de oorspronkelijke vervoervergunning." vervangen door de woorden ""bij elke wijziging van een advies of een voorwaarde van een overheid of instantie bedoeld in artikel 8, die opgenomen werd in het vervoersvergunning.".

  Art. 15. In hetzelfde besluit, wordt een artikel 25bis ingevoegd, luidende :
  "Art. 25bis. De volgende werken en handelingen zijn vrijgesteld van vervoersvergunning :
  1° elke wijziging of uitbreiding van een vergunde vervoerinstallatie binnen de grenzen van een omheind station van de houder van de vervoersvergunning, voor zover deze werken geen verhoging van de MAOP, de nominale diameter of de capaciteit van de installatie met zich meebrengen;
  2° alle herstellingen en instandhoudings- en onderhoudswerken aan een vergunde vervoerinstallatie;
  3° alle werken ter bescherming van een vergunde vervoerinstallatie.
  Behalve herstelling door slijpen, zullen de definitieve herstellingen en het plaatsen van composietmoffen voorafgaandelijk gemeld worden aan het Bestuur Kwaliteit en Veiligheid.".

  Art. 16. In artikel 27 van hetzelfde besluit worden de volgende wijzigingen aangebracht :
  1° de woorden "Bij een wijziging die niet onder de toepassing van artikel 25 valt" worden vervangen door de woorden "Bij een wijziging die niet onder de toepassing van artikel 25 en artikel 25bis valt";
  2° de bepaling onder 4° wordt opgeheven;
  3° het artikel wordt aangevuld met een lid, luidende :
  "De melding wordt ingediend in drie exemplaren.".

  Art. 17. In artikel 28 van hetzelfde besluit, worden de woorden "tien werkdagen" vervangen door de woorden "dertig dagen".

  Art. 18. In afdeling III van Hoofdstuk V van hetzelfde besluit, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
  1° de woorden "A. Schorsing of intrekking op initiatief van de overheid." worden vervangen door de woorden "Onderafdeling I. Schorsing of intrekking op initiatief van de overheid.";
  2° de woorden "B. Gedeeltelijke opheffing op initiatief van de vervoervergunninghouder." worden vervangen door de woorden "Onderafdeling II. Opheffing op initiatief van de vervoervergunninghouder.";
  3° de woorden "A. Opheffing van het exploitatierecht" worden ingevoegd voor het artikel 34;
  4° de woorden "C. Volledige opheffing op initiatief van de vergunninghouder." worden vervangen door de woorden "B. Volledige opheffing van de vervoersvergunning.";
  5° de woorden "D. Verval van rechtswege bij einde vergunningstermijn." worden vervangen door de woorden "Onderafdeling III. Verval van rechtswege bij einde vergunningstermijn.".

  Art. 19. Artikel 34 van hetzelfde besluit, wordt vervangen als volgt :
  "Art. 34. Op aanvraag van de vervoervergunninghouder, wanneer alle door deze vervoervergunning gedekte vervoerinstallaties voor een lange tijd buiten dienst worden gesteld, kan de minister beslissen tot de opheffing van het exploitatierecht voor de duur van de buitendienststelling, zonder afbreuk aan het recht van de bezetting van de betrokken terreinen door de vervoerinstallatie.
  Wanneer de vergunninghouder de installaties opnieuw in gebruik wenst te nemen, moet hij hiertoe voorafgaandelijk een aanvraag indienen overeenkomstig de bepalingen van hoofdstuk III, met dien verstande dat in dit geval enkel de Commissie, wanneer de betrokken vervoervergunning tot haar bevoegdheid behoort, en het Bestuur Kwaliteit en Veiligheid over deze aanvraag om advies moeten worden verzocht.".

  Art. 20. In artikel 35 van hetzelfde besluit, worden de woorden "gedeeltelijke opheffing" vervangen door de woorden "opheffing van het exploitatierecht".

  Art. 21. In artikel 36 van hetzelfde besluit, worden de woorden "gedeeltelijke opheffing" vervangen door de woorden "opheffing van het exploitatierecht".

  Art. 22. In artikel 39, eerste lid, van hetzelfde besluit worden de volgende wijzigingen aangebracht :
  1° de woorden "gedeeltelijke opheffing" worden vervangen door de woorden "opheffing van het exploitatierecht";
  2° de woorden "zes exemplaren ingediend worden" worden vervangen door de woorden "in drievoud, behalve voor tweetalige aanvragen die in viervoud moeten".

  Art. 23. In artikel 41 van hetzelfde besluit worden volgende wijzigingen aangebracht :
  "1° een lid wordt toegevoegd tussen het eerste en het tweede lid, luidende :
  "De plannen van de beslissing tot opheffing van het exploitatierecht worden ondertekend door de afgevaardigde van de minister.";
  2° de woorden "gedeeltelijke opheffing" worden vervangen door de woorden "opheffing van het exploitatierecht".

  Art. 24. In artikel 43, eerste lid, van hetzelfde besluit worden de volgende wijzigingen aangebracht :
  1° de woorden "gedeeltelijke opheffing" worden vervangen door de woorden "opheffing van het exploitatierecht";
  2° de woorden "de volledige intrekking" worden vervangen door de woorden "de volledige opheffing van de vervoersvergunning".

  Art. 25. In artikel 51 van hetzelfde besluit, worden de woorden "een conform artikels 34 tot en met 41 gedeeltelijk opgeheven vervoervergunning" vervangen door de woorden "een vervoervergunning waarvan het exploitatierecht opgeheven werd overeenkomstig de artikelen 34 tot en met 41".

  Art. 26. In artikel 52 van hetzelfde besluit, worden de woorden "gedeeltelijke opheffing" vervangen door de woorden "opheffing van het exploitatierecht".

  Art. 27. In artikel 53, eerste lid, van hetzelfde besluit, worden de woorden " in viervoud" vervangen door de woorden "in drievoud, behalve voor tweetalige aanvragen die in viervoud moeten".

  Art. 28. In hetzelfde besluit wordt een artikel 54bis ingevoegd, luidende :
  "Art. 54bis. De plannen van de beslissing tot verlenging van de vervoersvergunning worden ondertekend door de afgevaardigde van de minister.".

  Art. 29. In punt 3.3 van de Bijlage van hetzelfde besluit worden de woorden " max. 8 jaar vóór het aflopen van de vergunning" vervangen door de woorden " max. 10 jaar vóór de datum van de aanvraag tot verlenging".

  HOOFDSTUK 3. - Wijziging van het koninklijk besluit van 11 maart 1966 betreffende de te nemen veiligheidsmaatregelen bij de oprichting en bij de exploitatie van installaties voor gasvervoer door middel van leidingen

  Art. 30. In artikel 70, eerste lid, van het koninklijk besluit van 11 maart 1966 betreffende de te nemen veiligheidsmaatregelen bij de oprichting en bij de exploitatie van installaties voor gasvervoer door middel van leidingen, gewijzigd bij het koninklijk besluit van 28 maart 1974, worden de woorden "en moet aan de Minister het bewijs dat de in artikel 47 en in artikel 47bis bepaalde proeven geslaagd zijn, verstrekken" vervangen door de woorden "en moet beschikken over het bewijs dat de in artikel 47 en in artikel 47bis bepaalde proeven geslaagd zijn.".

  HOOFDSTUK 4. - Slotbepalingen

  Art. 31. Treden in werking op de eerste dag van de maand die volgt op het verstrijken van een termijn van tien dagen die ingaat op de dag na de bekendmaking ervan in het Belgisch Staatsblad :
  1° de artikelen 20, 21, 22, 24, 25 en 26 van de wet van 8 mei 2014 houdende diverse bepalingen inzake energie;
  2° dit besluit.

  Art. 32. De minister bevoegd voor Energie is belast met de uitvoering van dit besluit.

Handtekening Tekst Inhoudstafel Begin
   Gegeven te Brussel, 1 december 2016.
FILIP
Van Koningswege :
De Minister van Energie, Leefmilieu en Duurzame Ontwikkeling,
Marie Christine MARGHEM

Aanhef Tekst Inhoudstafel Begin
   FILIP, Koning der Belgen,
   Aan allen die nu zijn en hierna wezen zullen, Onze Groet.
   Gelet op de wet van 12 april 1965 betreffende het vervoer van gasachtige producten en andere door middel van leidingen, de artikelen 4, 8/7, en 16, eerste lid, 4° en 8°, gewijzigd bij de wet van 8 mei 2014;
   Gelet op de wet van 8 mei 2014 houdende diverse bepalingen inzake energie, het artikel 51;
   Gelet op het koninklijk besluit van 11 maart 1966 tot verklaring van openbaar nut voor het oprichten van gasvervoerinstallaties;
   Gelet op het koninklijk besluit van 11 maart 1966 betreffende de te nemen veiligheidsmaatregelen bij de oprichting en bij de exploitatie van installaties voor gasvervoer door middel van leidingen;
   Gelet op het koninklijk besluit van 14 mei 2002 betreffende de vervoersvergunning voor gasachtige producten en andere door middel van leidingen;
   Gelet op het advies van de inspecteur van Financiën gegeven op 28 juni 2016;
   Gelet op het advies van de Commissie voor de Regulering van de Elektriciteit en het Gas met kenmerk (A)160707-CDC-1545, gegeven op 7 juli 2016;
   Gelet op het advies 60.072/3 van de Raad van State, gegeven op 29 september 2016, in toepassing van artikel 84, § 1, eerste lid, 2°, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;
   Overwegende de wil van de Regering om de administratieve vereenvoudiging verder door te voeren;
   Overwegende de noodzaak om een aantal bepalingen van de wet van 12 april 1965, zoals gewijzigd bij de wet van 8 mei 2014 in werking te doen treden;
   Overwegende de noodzaak om te bepalen op welke vervoerinstallaties voor gasachtige producten en andere door middel van leidingen het vermoeden van openbaar nut, zoals vermeld in artikel 8/7 van de wet van 12 april 1965, van toepassing is;
   Op de voordracht van de Minister van Energie, Leefmilieu en Duurzame Ontwikkeling,
   Hebben Wij besloten en besluiten Wij :

Begin Eerste woord Laatste woord Aanhef
Inhoudstafel
Franstalige versie