J U S T E L     -     Geconsolideerde wetgeving
Einde Eerste woord Laatste woord Wijziging(en) Aanhef
Inhoudstafel 9 uitvoeringbesluiten 2 gearchiveerde versies
Handtekening Einde Franstalige versie
 
belgiëlex . be     -     Kruispuntbank Wetgeving
Raad van State
ELI - Navigatie systeem via een Europese identificatiecode voor wetgeving
http://www.ejustice.just.fgov.be/eli/besluit/2016/12/01/2016031801/justel

Titel
1 DECEMBER 2016. - Besluit van de Regering van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest betreffende het beheer van afvalstoffen
(NOTA : Raadpleging van vroegere versies vanaf 13-01-2017 en tekstbijwerking tot 05-08-2019)

Bron : BRUSSELS HOOFDSTEDELIJK GEWEST
Publicatie : 13-01-2017 nummer :   2016031801 bladzijde : 1806       PDF :   originele versie    
Dossiernummer : 2016-12-01/33
Inwerkingtreding : 23-01-2017

Inhoudstafel Tekst Begin
TITEL I. - Algemene bepalingen
HOOFDSTUK 1. - Definities en toepassingsgebied
Art. 1.1-1.2
HOOFDSTUK 2. - Traceerbaarheid, register en rapportage
Afdeling 1. - Bepalingen betreffende de traceerbaarheid van afvalstoffen
Art. 1.3-1.6
Afdeling 2. - Afvalstoffenregister en -rapport
Art. 1.7-1.8
HOOFDSTUK 3. - Afvalstoffenlijst
Art. 1.9
TITEL II. - Bepalingen betreffende de uitgebreide producentenverantwoordelijkheid van producten
HOOFDSTUK 1. - Algemene bepalingen
Afdeling 1. - Doelstelling en toepassingsgebied
Art. 2.1.1
Afdeling 2. - Personen onderworpen aan de uitgebreide producentenverantwoordelijkheid
Art. 2.1.2
HOOFDSTUK 2. - Algemene verplichtingen met betrekking tot de uitgebreide producentenverantwoordelijkheid
Afdeling 1. - De terugnameplicht
Onderafdeling 1. - Algemene bepalingen
Art. 2.2.1
Onderafdeling 2. - Terugname van de afvalstoffen
Art. 2.2.2-2.2.5
Onderafdeling 3. - Financiering van de terugname van huishoudelijke afvalstoffen
Art. 2.2.6
Onderafdeling 4. - De samenwerking met de vennootschappen met sociaal oogmerk
Art. 2.2.7
Afdeling 2. - Verwerking van de afvalstoffen
Art. 2.2.8
Afdeling 3. - Preventie- en beheersplan
Art. 2.2.9-2.2.11
Afdeling 4. - Informatie en rapportage
Onderafdeling 1. - Rapportage
Art. 2.2.12-2.2.13
Onderafdeling 2. - Sensibilisering van de consumenten
Art. 2.2.14
HOOFDSTUK 3. - Delegaties
Afdeling 1. - Het erkende organisme
Art. 2.3.1-2.3.2
Afdeling 2. - Het beheersorganisme
Art. 2.3.3
Afdeling 3. - De minimuminhoud van de milieuovereenkomst
Art. 2.3.4
Afdeling 4. - Identificatie van de kosten
Art. 2.3.5
Afdeling 5. - Goedkeuring door en advies van het Instituut
Art. 2.3.6-2.3.7
HOOFDSTUK 4. - Verplichtingen per afvalstroom
Art. 2.4.1
Afdeling 1. - Afgedankte batterijen en accu's
Onderafdeling 1. - Definities en toepassingsgebied
Art. 2.4.2
Onderafdeling 2. - Terugnameplicht
Art. 2.4.3-2.4.4
Onderafdeling 3. - Verwerking
Art. 2.4.5
Onderafdeling 4. - Financiering
Art. 2.4.6
Onderafdeling 5. - Doelstellingen
Art. 2.4.7-2.4.8
Onderafdeling 6. - Rapportage
Art. 2.4.9
Onderafdeling 7. - Preventie- en beheersplan
Art. 2.4.10
Onderafdeling 8. - Sensibilisering van de consument
Art. 2.4.11
Onderafdeling 9. - Register van de producenten
Art. 2.4.12
Afdeling 2. - Versleten banden
Onderafdeling 1. - Definities en toepassingsgebied
Art. 2.4.13
Onderafdeling 2. - Terugnameplicht
Art. 2.4.14
Onderafdeling 3. - Verwerking
Art. 2.4.15
Onderafdeling 4. - Financiering
Art. 2.4.16
Onderafdeling 5. - Doelstellingen
Art. 2.4.17-2.4.18
Onderafdeling 6. - Rapportage
Art. 2.4.19
Onderafdeling 7. - Preventie- en beheersplan
Art. 2.4.20
Onderafdeling 8. - Sensibilisering van de consument
Art. 2.4.21
Afdeling 3. - Afgewerkte oliën
Onderafdeling 1. - Definities en toepassingsgebied
Art. 2.4.22-2.4.23
Onderafdeling 2. - Terugnameplicht
Art. 2.4.24
Onderafdeling 3. - Verwerking
Art. 2.4.25
Onderafdeling 4. - Financiering
Art. 2.4.26-2.4.27
Onderafdeling 5. - Doelstellingen
Art. 2.4.28-2.4.29
Onderafdeling 6. - Rapportage
Art. 2.4.30
Onderafdeling 7. - Preventie- en beheersplan
Art. 2.4.31
Onderafdeling 8. - Sensibilisering van de consument
Art. 2.4.32
Afdeling 4. - Afgedankte voertuigen
Onderafdeling 1. - Definities en toepassingsgebied
Art. 2.4.33-2.4.34
Onderafdeling 2. - Terugnameplicht
Art. 2.4.35-2.4.39
Onderafdeling 3. - Verwerking
Art. 2.4.40
Onderafdeling 4. - Financiering
Art. 2.4.41
Onderafdeling 5. - Doelstellingen
Art. 2.4.42
Onderafdeling 6. - Rapportage
Art. 2.4.43
Onderafdeling 7. - Preventie- en beheersplan
Art. 2.4.44
Onderafdeling 8. - Sensibilisering van de consument
Art. 2.4.45
Afdeling 5. - Afgedankte elektrische en elektronische apparatuur
Onderafdeling 1. - Definities en toepassingsgebied
Art. 2.4.46-2.4.48
Onderafdeling 2. - Terugnameplicht
Art. 2.4.49-2.4.52
Onderafdeling 3. - Verwerking
Art. 2.4.53
Onderafdeling 4. - Financiering
Art. 2.4.54-2.4.58
Onderafdeling 5. - Doelstellingen
Art. 2.4.59-2.4.60
Onderafdeling 6. - Rapportage
Art. 2.4.61-2.4.62
Onderafdeling 7. - Preventie- en beheersplan
Art. 2.4.63
Onderafdeling 8. - Sensibilisering van de consument en van de verwerkingsinrichtingen
Art. 2.4.64-2.4.65
Onderafdeling 9. - Registratie van de producenten
Art. 2.4.66
Onderafdeling 10. - De gevolmachtigde
Art. 2.4.67
TITEL III. - Bepalingen betreffende afvalbeheeroperaties en -operatoren
HOOFDSTUK 1. - Registratie, erkenning en milieuvergunning gebonden aan afvalbeheeroperaties
Afdeling 1. - Algemene bepalingen
Art. 3.1.1-3.1.2
Afdeling 2. - Gemeenschappelijke bepalingen voor de registratie-, erkenning- en milieuvergunningsaanvraagprocedures
Art. 3.1.3-3.1.6
HOOFDSTUK 2. - Vervoerder, vervoer en overbrenging van afvalstoffen
Afdeling 1. - Vervoerder
Onderafdeling 1. - Registratie van rechtswege
Art. 3.2.1
Onderafdeling 2. - Algemene voorwaarden voor de uitoefening van de activiteit
Art. 3.2.2-3.2.6
Afdeling 2. - Vervoer
Art. 3.2.7-3.2.8
Afdeling 3. - Grensoverschrijdende overbrenging van afvalstoffen
Art. 3.2.9-3.2.11
HOOFDSTUK 3. - Inzamelaar, handelaar en makelaar van niet gevaarlijke afvalstoffen
Afdeling 1. - Registratieaanvraag
Art. 3.3.1-3.3.2
Afdeling 2. - Algemene voorwaarden voor de uitoefening van de activiteit
Art. 3.3.3-3.3.9
HOOFDSTUK 4. - Inzamelaar, handelaar en makelaar van gevaarlijke afvalstoffen
Afdeling 1. - Erkenningsaanvraag
Art. 3.4.1-3.4.4
Afdeling 2. - Algemene voorwaarden voor de uitoefening van de activiteit
Art. 3.4.5-3.4.12
HOOFDSTUK 5. - Inrichting voor het inzamelen of verwerken van afvalstoffen
Afdeling 1. - Milieuvergunningsaanvraag
Art. 3.5.1-3.5.3
Afdeling 2. - Algemene uitbatingsvoorwaarden
Art. 3.5.4-3.5.14
Afdeling 3. - Bepalingen voor sommige inzamelinrichtingen van afvalstoffen
Art. 3.5.15-3.5.17
HOOFDSTUK 6. - Einde-afvalfase
Art. 3.6.1-3.6.2
HOOFDSTUK 7. - Gescheiden inzameling van afvalstoffen andere dan huishoudelijke
Art. 3.7.1-3.7.2
HOOFDSTUK 8. - Verbranding van afvalstoffen
Afdeling 1. - Het energetisch rendement
Art. 3.8.1
Afdeling 2. [1 - Belasting op het verbranden van afvalstoffen]1
Onderafdeling 1. [1 - Definities]1
Art. 3.8.2-3.8.6
Onderafdeling 2. [1 - Kohieren]1
Art. 3.8.7
Onderafdeling 3. [1 - Inning en invordering]1
Art. 3.8.8-3.8.10
Onderafdeling 4. [1 - Oplossing van moeilijkheden]1
Art. 3.8.11-3.8.12
TITEL IV. - Bepalingen betreffende bepaalde afvalstromen
HOOFDSTUK 1. - Afgedankte elektrische en electronische apparatuur
Afdeling 1. - Definities
Art. 4.1.1
Afdeling 2. - De handelingen voor het beheer van AEEA
Onderafdeling 1. - Voorbereiding voor hergebruik en hergebruik.
Art. 4.1.2
Onderafdeling 2. - Inzameling en verwerking
Art. 4.1.3-4.1.5
Onderafdeling 3. - Overbrenging van gebruikte EEA
Art. 4.1.6
Afdeling 3. - De operatoren van het beheer van AEEA
Onderafdeling 1. - De opslag- en inzamelplaats
Art. 4.1.7
Onderafdeling 2. - De verwerkingssite
Art. 4.1.8
Afdeling 4. - Rapportage met betrekking tot de handelingen voor het beheer van AEEA
Art. 4.1.9-4.1.14
HOOFDSTUK 2. - Afgewerkte voedingsolie en -vetten
Afdeling 1. - Algemene bepalingen
Art. 4.2.1
Afdeling 2. - Beheer van afgewerkte voedingsolie en -vetten
Art. 4.2.2-4.2.3
Afdeling 3. - Financiering
Art. 4.2.4
Afdeling 4. - Rapportage
Art. 4.2.5
Afdeling 5. - Sensibilisering van de consument
Art. 4.2.6
HOOFDSTUK 3. - Afvalstoffen van geneesmiddelen
Afdeling 1. - Algemene Bepalingen
Art. 4.3.1
Afdeling 2. - Beheer van afvalstoffen van geneesmiddelen
Art. 4.3.2
Afdeling 3. - Rapportage
Art. 4.3.3
Afdeling 4. - Sensibilisering van de consument
Art. 4.3.4
HOOFDSTUK 4. - Afgedankte voertuigen
Art. 4.4.1-4.4.3
HOOFDSTUK 5. - Dierlijke bijproducten
Art. 4.5
HOOFDSTUK 6. - Verpakkingsafval
Afdeling I. - Plastic zakjes
Art. 4.6.1-4.6.2
TITEL V. - Wijzigings-, opheffings-, overgangs- en slotbepalingen
HOOFDSTUK 1. - Wijzigingsbepalingen
Art. 5.1-5.3
HOOFDSTUK 2. - Opheffingsbepalingen
Afdeling 1. - Gedeeltelijke opheffing
Art. 5.4
Afdeling 2. - Volledige opheffing
Art. 5.5-5.6
HOOFDSTUK 3. - Overgangs- en slotbepalingen
Afdeling 1. - Inwerkingtreding
Art. 5.7-5.9
Afdeling 2. - Slotbepaling
Art. 5.10
BIJLAGEN.
Art. N

Tekst Inhoudstafel Begin
TITEL I. - Algemene bepalingen

  HOOFDSTUK 1. - Definities en toepassingsgebied

  Artikel 1.1.Definities
  § 1. Voor de toepassing van dit besluit wordt verstaan onder:
  1° "afvalstoffenlijst": de lijst van afvalstoffen zoals bepaald in artikel 10 van de ordonnantie van 14 juni 2012 betreffende afvalstoffen;
  2° "vervoer": het geheel van de operaties van laden, lossen en verplaatsen van afvalstoffen van een plaats naar een andere;
  3° "financieringsovereenkomst": een lening-, lease-, huur- of afbetalingsovereenkomst of een regeling met betrekking tot enige apparatuur, ongeacht of volgens die overeenkomst of regeling dan wel volgens een bijkomende overeenkomst of regeling eigendomsoverdracht van het apparaat zal of kan plaatsvinden;
  4° "in de handel brengen": het voor het eerst beroepsmatig op de markt aanbieden van een product op het Belgisch grondgebied;
  5° "op de markt aanbieden": het in het kader van een handelsactiviteit, al dan niet tegen betaling, verstrekken van een product met het oog op distributie, consumptie of gebruik op de Belgische markt;
  6° [1 "distributeur": elke persoon in de toeleveringsketen die een product op de markt aanbiedt;]1;
  7° "kleinhandelaar": iedere persoon die een product te koop aanbiedt aan de consument;
  8° "consument": de natuurlijke of rechtspersoon die de producten voor privé- of beroepsmatige doeleinden verwerft om ze te verbruiken of gebruiken;
  9° "uitgebreide producentenverantwoordelijkheid": verantwoordelijkheid van de producent die de materiële en/of financiële verplichtingen inhoudt om de afvalstoffen die het gevolg zijn van het in de handel brengen van zijn producten terug te nemen of te laten terugnemen of ze in te zamelen of te laten inzamelen, evenals rapportage-, plannings- en informatieverplichtingen om de preventie en het hergebruik, de recycling en elke andere nuttige toepassing van afvalstoffen te stimuleren;
  10° "producent": onder de producenten van producten in de zin van artikel 3, 13° van de ordonnantie afval, iedere natuurlijke of rechtspersoon die, ongeacht de gebruikte verkooptechniek, inclusief de verkoop op afstand:
  a) in België gevestigd is en onder zijn eigen naam of merknaam producten vervaardigt, of producten laat ontwerpen of vervaardigen en ze onder zijn eigen naam of merknaam op de markt brengt op het Belgisch grondgebied;
  b) in België gevestigd is en in België onder zijn eigen naam of handelsmerk apparatuur wederverkoopt die door andere leveranciers is geproduceerd; hierbij wordt de wederverkoper niet als producent aangemerkt wanneer het merkteken zoals bepaald in punt a) op de apparatuur zichtbaar is;
  c) in België gevestigd is en die beroepsmatig producten uit een derde land of een andere Lidstaat van de Europese Unie op het Belgische grondgebied in de handel brengt;
  d) in België gevestigd is en een product vervaardigt of invoert en het beroepsmatig voor eigen gebruik toewijst.
  Diegene die uitsluitend voorziet in financiering op grond van of in het kader van een financieringsovereenkomst wordt niet als "producent" aangemerkt, tenzij hij tevens optreedt als producent in de zin van het bepaalde onder de punten a) tot en met d);
  11° "terugnameplicht": verplichting voor de producent om de afvalstoffen die het gevolg zijn van het in de handel brengen van zijn producten, terug te nemen of te laten terugnemen, in te zamelen of te laten inzamelen;
  12° "milieuovereenkomst": de overeenkomst geregeld door de ordonnantie van 29 april 2004 betreffende de milieuovereenkomsten;
  13° "milieu-informatie": de informatie zoals omschreven door de ordonnantie van 18 maart 2004 inzake toegang tot milieu-informatie;
  14° "batterijen en accu's": bron van door rechtstreekse omzetting van chemische energie verkregen elektrische energie, bestaande uit een of meer primaire (niet-oplaadbare) batterijcellen of uit een of meer secundaire (oplaadbare) batterijcellen;
  15° "afgedankte batterijen of accu's": elke batterij of accu waarvan de houder zich ontdoet, of voornemens is zich te ontdoen of zich moet ontdoen en die een afvalstof vormt in de zin van de ordonnantie afvalstoffen, ongeacht het gewicht, de vorm, het volume, de samenstelling of het gebruik;
  16° "band": elke volle of met lucht gevulde rubberband, met inbegrip van bandages en met uitzondering van fietsbanden;
  17° "versleten band": elke band die, zonder voorbereiding voor hergebruik, niet of niet meer kan gebruikt worden voor het doel waarvoor de band oorspronkelijk bestemd was en waarvan de houder zich ontdoet, voornemens is zich te ontdoen of zich moet ontdoen;
  18° "elektrische en elektronische apparatuur (EEA)": apparaten die afhankelijk zijn van elektrische stromen of elektromagnetische velden om naar behoren te werken en apparaten voor het opwekken, overbrengen en meten van die stromen en velden en die bedoeld zijn voor gebruik met een spanning van maximaal 1 000 volt bij wisselstroom en 1 500 volt bij gelijkstroom;
  19° "afgedankte elektrische en elektronische apparatuur (AEEA)": de elektrische en elektronische apparatuur, met inbegrip van alle onderdelen, sub-eenheden en verbruiksmaterialen die volledig deel uitmaken van het product op het moment dat het wordt afgedankt, waarvan de houder zich ontdoet, voornemens is zich te ontdoen of zich moet ontdoen en die een afvalstof vormt in de zin van de ordonnantie afvalstoffen;
  20° "huishoudelijk AEEA": AEEA dat afkomstig is van particuliere huishoudens en AEEA dat afkomstig is van commerciële, industriële, institutionele en andere bronnen en die naar aard en hoeveelheid met die van particuliere huishoudens vergelijkbaar is. Afvalstoffen van EEA die waarschijnlijk zowel door particuliere huishoudens als door andere gebruikers dan particuliere huishoudens worden gebruikt, worden in elk geval als huishoudelijk AEEA aangemerkt; In geval van twijfel over het huishoudelijk of professionele karakter van een apparaat wordt de beslissing ter goedkeuring voorgelegd aan het Instituut;
  21° "vennootschappen met sociaal oogmerk": verenigingen zonder winstoogmerk en vennootschappen met sociaal oogmerk, erkend overeenkomstig het besluit van 16 juli 2010 van de Brusselse Hoofdstedelijke Regering betreffende de erkenning en de betoelaging van verenigingen zonder winstoogmerk en van vennootschappen met sociaal oogmerk die bedrijvig zijn in de hergebruik- en recyclingsector in de zin van het besluit.
  22° "valoriseerbare materialen" : afvalstoffen die het statuut van afvalstoffen kunnen verliezen in het Brussels Hoofdstedelijk Gewest :
  - als ze de einde-afvalfase hebben bereikt in het Vlaams Gewest volgens artikel 36 van het decreet van 23 december 2011 betreffende het duurzaam beheer van materiaalkringlopen en afvalstoffen of
  - als ze de einde-afvalfase hebben bereikt in het Waals Gewest volgens artikel 4 ter van het decreet van 27 juni 1996 betreffende afvalstoffen of als ze gevaloriseerd kunnen worden volgens de bepalingen van het besluit van de Waalse Regering van 14 juni 2001 waarbij de nuttige toepassing van sommige afvalstoffen bevorderd wordt;
  23° "ordonnantie milieuvergunningen": de ordonnantie van 5 juni 1997 betreffende de milieuvergunningen;
  24° "ordonnantie afvalstoffen": de ordonnantie van 14 juni 2012 betreffende afvalstoffen;
  25° "ordonnantie bodem": de ordonnantie van 5 maart 2009 betreffende het beheer en de sanering van verontreinigde bodems;
  26° "wetboek van inspectie": het wetboek van inspectie, preventie, vaststelling en bestraffing van milieumisdrijven, en milieuaansprakelijkheid, zoals ingesteld door de ordonnantie van 8 mei 2014 tot wijziging van de ordonnantie van 25 maart 1999 betreffende de opsporing, de vaststelling, de vervolging en de bestraffing van misdrijven inzake leefmilieu alsook andere wetgevingen inzake milieu, en tot instelling van een Wetboek van inspectie, preventie, vaststelling en bestraffing van milieumisdrijven, en milieuaansprakelijkheid;
  27° "Minister": de Minister tot wiens bevoegdheid het leefmilieu behoort.
  § 2. Onverminderd de definities in dit artikel zijn de definities van de ordonnantie milieuvergunningen en de ordonnantie afvalstoffen van toepassing op huidig besluit.
  ----------
  (1)<BESL 2019-06-06/23, art. 1, 003; Inwerkingtreding : 15-08-2019>

  Art. 1.2. Toepassingsgebied
  § 1. Dit besluit regelt het beheer van afvalstoffen.
  § 2. Dit besluit voorziet in de omzetting van de volgende richtlijnen:
  1. richtlijn 2006/66/EG van het Europees Parlement en de Raad van 6 september 2006 inzake batterijen en accu's, alsook afgedankte batterijen en accu's en tot intrekking van richtlijn 91/157/EEG;
  2. richtlijn 2000/53/EG van het Europees Parlement en de Raad van 18 september 2000 betreffende afgedankte voertuigen;
  3. richtlijn 2012/19/EU van het Europees Parlement en de Raad van 4 juli 2012 betreffende afgedankte elektrische en elektronische apparatuur (AEEA);
  4. richtlijn 2008/98/EG van het Europees Parlement en de Raad betreffende afvalstoffen en tot intrekking van een aantal richtlijnen.

  HOOFDSTUK 2. - Traceerbaarheid, register en rapportage

  Afdeling 1. - Bepalingen betreffende de traceerbaarheid van afvalstoffen

  Art. 1.3. De traceerbaarheid van afvalstoffen in de zin van artikel 46 van de ordonnantie afvalstoffen wordt gegarandeerd door het traceerbaarheidsdocument. Deze traceerbaarheid is niet van toepassing voor afvalstoffen afkomstig van huishoudens totdat deze worden aanvaard voor inzameling, verwijdering of nuttige toepassing door een vergunde installatie of onderneming.

  Art. 1.4. Traceerbaarheidsdocument
  § 1. Het traceerbaarheidsdocument voor niet gevaarlijke afvalstoffen bevat minstens de volgende gegevens:
  1. datum van vervoer, afgifte of indien van toepassing de frequentie van ophaling;
  2. naam, adres en ondernemingsnummer van de afvalstoffenhouder en het adres van inontvangstneming van de afvalstoffen, indien verschillend;
  3. naam, adres en registratie- of erkenningsnummer van de inzamelaar, handelaar of makelaar, indien van toepassing;
  4. naam, adres en registratienummer van de vervoerder(s), indien van toepassing;
  5. naam, ondernemingsnummer en adres van de uitbatingszetel van de onderneming waar de afvalstoffen worden afgegeven;
  6. aard van de verwerking in overeenstemming met de in bijlagen 1 en 2 van de ordonnantie afvalstoffen opgenomen lijsten (D- of R-code);
  7. hoeveelheid in ton, kg, mü of indien van toepassing de verzamelstaat van de opgehaalde hoeveelheden;
  8. omschrijving van de afvalstoffen;
  9. de code van de afvalstoffenlijst.
  § 2. Aanvullend bij de gegevens van § 1, bevat het traceerbaarheidsdocument voor gevaarlijke afvalstoffen de volgende gegevens:
  1. samenstelling en fysische eigenschappen van de afvalstof;
  2. type en aantal verpakkingen;
  3. speciale instructies voor het vervoer indien van toepassing.
  § 3. De factuur die de gegevens van vorige paragrafen 1 en 2 bevat, kan gelden als traceerbaarheidsdocument.
  § 4. Het Instituut kan een model van het traceerbaarheidsdocument ter beschikking stellen aan het publiek.

  Art. 1.5. Traceerbaarheid tijdens vervoer
  § 1. Uitgezonderd de gevallen voorzien in § 2, vergezelt een voldoende ingevuld traceerbaarheidsdocument steeds het vervoer van afvalstoffen.
  § 2. In de volgende gevallen kan het vervoer van afvalstoffen gebeuren zonder een traceerbaarheidsdocument:
  1. de inzameling van niet gevaarlijke andere dan huishoudelijke afvalstoffen in één ophaalronde bij de eerste producenten op voorwaarde dat de lijst van ophaalpunten beschikbaar is in het voertuig;
  2. de inzameling van marktafval en afvalstoffen afkomstig van het reinigen van riolen in één ophaalronde;
  3. het vervoer van afvalstoffen onderworpen aan de uitgebreide producentenverantwoordelijkheid door de kleinhandelaar naar zijn uitbatingszetel;
  4. het vervoer door de persoon die geen uitbater van een inzamel- of verwerkingsinrichting is, van zijn eigen afvalstoffen naar:
  - een inzamel- of verwerkingsinrichting van afvalstoffen voor zover de vervoerde hoeveelheid afvalstoffen niet groter is dan 500 kg, of
  - een inrichting zoals bepaald in artikel 3.5.15.
  § 3. Het traceerbaarheidsdocument, volledig ingevuld, is aanwezig in het vervoersmiddel of kan onmiddellijk ter beschikking gesteld worden van de overheden die belast zijn met het uitvoeren van controles.
  Bij gebruik van een traceerbaarheidsdocument in elektronische vorm, worden dit document en de ondersteunende software voorafgaand goedgekeurd door het Instituut.
  § 4. In het geval van een grensoverschrijdende overbrenging van afvalstoffen zoals bedoeld in de verordening (EG) nr. 1013/2006 gelden de door deze verordening opgelegde documenten als traceerbaarheidsdocument in de zin van dit besluit.
  § 5. Het traceerbaarheidsdocument wordt ingevuld en ondertekend vóór het vervoer van de afvalstoffen aanvangt, door:
  - de afvalstoffenhouder die zijn eigen afvalstoffen vervoert of laat vervoeren, of
  - de inzamelaar, handelaar of makelaar.
  Hij is verantwoordelijk voor het opvolgen van het document en bewaart het volledig ingevulde document.
  Het document wordt overhandigd aan de vervoerder.

  Art. 1.6. Traceerbaarheid bij overdracht
  § 1. Uitgezonderd de gevallen voorzien in paragrafen 2 en 3, wordt elke afgifte van afvalstoffen aangetoond door een traceerbaarheidsdocument, ondertekend door de persoon die de afvalstoffen aanvaardt.
  § 2. De afgifte van afvalstoffen aan een inrichting zoals bepaald in punten 1° en 2° van artikel 3.5.15. door de afvalstoffenhouder kan gebeuren zonder een traceerbaarheidsdocument.
  § 3. In volgende gevallen kan de afgifte van volgende afvalstoffen gebeuren door jaarlijks een traceerbaarheidsdocument te bezorgen aan de afvalstoffenhouder:
  1. de afgifte van niet gevaarlijke niet huishoudelijke afvalstoffen ingezameld bij de eerste afvalproducent;
  2. de afgifte van afvalstoffen aan een inrichting zoals bepaald in punt 3° van artikel 3.5.15.
  § 4. De afvalstoffenproducent die afvalstoffen produceert in het kader van zijn professionele activiteit aan een installatie of op de site van een derde geeft een traceerbaarheidsdocument af aan de eigenaar en/of beheerder van de installatie of site waar de afvalstoffen worden geproduceerd, indien hij de verantwoordelijkheid neemt voor het verwijderen van de afvalstoffen.

  Afdeling 2. - Afvalstoffenregister en -rapport

  Art. 1.7. Afvalstoffenregister
  § 1. Het afvalstoffenregister wordt bijgehouden door:
  1. de afvalstoffenhouder van ander dan huishoudelijk afval voor de afvalstoffen die hij produceert of bezit;
  2. de vervoerder van afvalstoffen voor de afvalstoffen die hij vervoert;
  3. de inzamelaar, handelaar en makelaar voor de afvalstoffen die hij inzamelt, verhandelt of makelt;
  4. de uitbater van een inzamel- of verwerkingsinrichting voor de afvalstoffen die hij inzamelt en/of verwerkt. Hij houdt eveneens een afvalstoffenregister bij als afvalstoffenhouder.
  § 2. Het afvalstoffenregister bevat, in voorkomend geval:
  1. de traceerbaarheidsdocumenten, en
  2. indien de afvalstoffenproducent zijn afvalstoffen zelf verwerkt, informatie over de hoeveelheid, de omschrijving en de code van de afvalstoffenlijst, en
  3. het bewijs van het beheer van ander dan huishoudelijk afval zoals vermeld in artikel 23 paragraaf 4 van de ordonnantie afvalstoffen.
  § 3. Het afvalstoffenregister ligt ter inzage op de uitbatingszetel en voor binnenschippers op het schip. Deze bepaling geldt niet voor de uitbater van de uitbatingszetel voor zijn afvalstoffen die hij overbrengt naar een inrichting zoals omschreven in punten 1° en 3° van artikel 3.5.15.
  § 4. Het afvalstoffenregister wordt op eenvoudig verzoek aan de overheden die belast zijn met het toezicht voorgelegd.
  § 5. De persoon zoals omschreven in punten 1 tot 3° van paragraaf 1 voegt op regelmatige wijze de bewijsdocumenten toe aan het afvalstoffenregister. De uitbater van een inzamel- of verwerkingsinrichting voegt dagelijks de bewijsstukken toe.

  Art. 1.8. Afvalstoffenrapport
  § 1. Het afvalstoffenrapport bevat minstens, de jaartotalen van de hoeveelheden voor elke afvalstroom opgenomen in het afvalstoffenregister per kalenderjaar, en maakt een onderscheid:
  1. volgens de codes van de afvalstoffenlijst en
  2. tussen enerzijds de huishoudelijke afvalstoffen, straat- en veegvuil, afvalstoffen uit openbare vuilbakken, zwerfafval dat niet kan toegewezen worden aan de afvalstoffenhouder en anderzijds afvalstoffen andere dan huishoudelijke en
  3. volgens naam, adres en ondernemingsnummer van de afvalstoffenhouder met uitzondering van de houder van afvalstoffen andere dan huishoudelijke, en het adres van inontvangstneming van de afvalstoffen indien verschillend en
  4. volgens naam, adres en registratie- of erkenningsnummer van de inzamelaar, handelaar of makelaar, indien van toepassing en
  5. volgens naam, ondernemingsnummer en adres van de uitbatingszetel van de onderneming waar de afvalstoffen worden afgegeven; indien van toepassing en
  6. volgens aard van de verwerking in overeenstemming met de in bijlagen 1 en 2 van de ordonnantie afvalstoffen opgenomen lijsten (D- of R-code).
  Het afvalstoffenrapport van de afvalstoffenhouder maakt enkel een onderscheid volgens punten 1, 4, 5 en 6 van de huidige paragraaf.
  § 2. Het afvalstoffenrapport wordt jaarlijks vóór 15 maart van het jaar volgend op het rapportagejaar overgemaakt aan het Instituut door:
  1. de inzamelaar, handelaar en makelaar van afvalstoffen;
  2. de uitbater van een inzamel- of verwerkingsinrichting van afvalstoffen die onderworpen is aan het bekomen van een milieuvergunning, met uitzondering van de uitbater van een inrichting zoals omschreven in artikel 3.5.15, voor de afvalstoffen die hij inzamelt en/of verwerkt en als afvalstoffenhouder voor de afvalstoffen die hij produceert of bezit.
  § 3. Het afvalstoffenrapport wordt opgesteld per:
  - maatschappelijke zetel door de inzamelaar, handelaar en makelaar;
  - uitbatingszetel door de uitbater van de inzamel- of verwerkingsinrichting van afvalstoffen.
  § 4. Het Instituut kan een afvalstoffenrapport van elke persoon vermeld in artikel 1.7 paragraaf 1, opvragen onder meer om gegevens te verzamelen over de productie en het beheer van afvalstoffen.
  In dat geval maakt het Instituut een selectie van de personen die een afvalstoffenrapport dienen over te maken.
  Zij publiceert op haar website uiterlijk op 31 december van het jaar voorafgaand aan het rapportagejaar:
  - de selectie van de personen;
  - de modaliteiten van het afvalstoffenrapport;
  - de datum van indiening.
  § 5. Het afvalstoffenrapport wordt aan het Instituut overgemaakt per post of via elektronische weg volgens de vorm en de modaliteiten bepaald door het Instituut.
  § 6. Het Instituut kan een model van afvalstoffenrapport ter beschikking stellen van het publiek.

  HOOFDSTUK 3. - Afvalstoffenlijst

  Art. 1.9. De lijst van afvalstoffen zoals bepaald in artikel 10 van de ordonnantie afvalstoffen is de lijst zoals vastgelegd door de beschikking van de commissie 2000/532/EG van 3 mei 2000 tot vaststelling van een lijst van afvalstoffen.

  TITEL II. - Bepalingen betreffende de uitgebreide producentenverantwoordelijkheid van producten

  HOOFDSTUK 1. - Algemene bepalingen

  Afdeling 1. - Doelstelling en toepassingsgebied

  Art. 2.1.1. § 1. Deze titel omschrijft een regeling voor uitgebreide producentenverantwoordelijkheid die tot doel heeft de preventie, het hergebruik, de voorbereiding voor hergebruik, de recycling of de nuttige toepassing van afvalstoffen te bevorderen met inachtneming van de bescherming van het milieu en met het oog op een verantwoord gebruik van de natuurlijke rijkdommen.
  § 2. Het stelsel van de uitgebreide producentenverantwoordelijkheid dat door dit besluit wordt ingevoerd, voorziet, naargelang het type van afval, in één of meer van de volgende verplichtingen:
  1. een terugnameplicht van de afvalstoffen;
  2. een verplichting om te waarborgen dat de afvalstoffen worden verwerkt met inachtneming van de ordonnantie afvalstoffen;
  3. een verplichting om het afvalbeheer te financieren;
  4. een verplichting om de doelstellingen inzake inzameling, hergebruik, recycling en nuttige toepassing te bereiken;
  5. een verplichting tot rapportage aan het Instituut;
  6. een verplichting om een preventie- en beheersplan goed te keuren;
  7. een informatieplicht ten aanzien van de consument.
  § 3. Het stelsel van de uitgebreide producentenverantwoordelijkheid dat door deze titel wordt ingevoerd, heeft betrekking op de volgende afvalstoffen:
  1. afgedankte batterijen en accu's;
  2. versleten banden;
  3. afgewerkte oliën;
  4. afgedankte voertuigen;
  5. afgedankte elektrische en elektronische apparatuur.

  Afdeling 2. - Personen onderworpen aan de uitgebreide producentenverantwoordelijkheid

  Art. 2.1.2. § 1. Het stelsel van de uitgebreide producentenverantwoordelijkheid is gericht op de producent van wie producten die hij in de handel heeft gebracht aan de oorsprong liggen van de afvalstoffen die bedoeld worden in artikel 2.1.1, onder de voorwaarden bepaald in deze titel.
  § 2. De producent kan:
  1° hetzij zijn verplichtingen zelf nakomen overeenkomstig hoofdstuk 2 van deze titel, eventueel door een overeenkomst af te sluiten met een derde;
  2° hetzij zijn verplichtingen door een erkend organisme laten uitvoeren overeenkomstig hoofdstuk 3, afdeling 1 van deze titel, en in dat kader de uitvoering van al zijn verplichtingen of een deel ervan toevertrouwen aan een erkend organisme waarbij hij zich aangesloten heeft; in dat geval wordt hij geacht zijn verplichtingen te zijn nagekomen als hij kan bewijzen dat hij een contract heeft gesloten met het erkende organisme, hetzij rechtstreeks of via tussenkomst van een persoon die gemachtigd is hem te vertegenwoordigen;
  3° hetzij een, overeenkomstig hoofdstuk 3, afdeling 2 van deze titel gesloten milieuovereenkomst uitvoeren en in dat kader de uitvoering van al zijn verplichtingen of een deel ervan toevertrouwen aan een beheersorganisme waarbij hij zich aangesloten heeft. In dat geval wordt hij geacht zijn verplichtingen na te komen als hij kan bewijzen lid te zijn van een organisatie die de overeenkomst ondertekend heeft of aangesloten te zijn bij het beheersorganisme.
  § 3. In de gevallen 2° en 3° van paragraaf 2 van dit artikel en tenzij anders bepaald in deze titel of krachtens deze titel, is het erkende organisme of het beheersorganisme gehouden tot de verplichtingen die het door de producent werden toevertrouwd.

  HOOFDSTUK 2. - Algemene verplichtingen met betrekking tot de uitgebreide producentenverantwoordelijkheid

  Afdeling 1. - De terugnameplicht

  Onderafdeling 1. - Algemene bepalingen

  Art. 2.2.1. § 1. De terugnameplicht legt de producent de verplichting op om op zijn kosten de afvalstoffen voortkomend van zijn producten in het Brussels Hoofdstedelijk Gewest terug te nemen of te laten terugnemen.
  § 2. De producent waarborgt de naleving van de in hoofdstuk 4 van deze titel bedoelde doelstellingen en neemt alle nodige maatregelen om ervoor te zorgen dat ze binnen de voorgeschreven termijnen worden bereikt.
  § 3. Om de teruggave van de aan de terugnameplicht onderworpen afvalstoffen aan te moedigen, kan de producent statiegeld invoeren op de producten die hij in de handel brengt.

  Onderafdeling 2. - Terugname van de afvalstoffen

  Art. 2.2.2. § 1. De in artikel 2.1.1 § 3 van dit besluit bedoelde afvalstoffen zijn onderworpen aan de terugnameplicht.
  § 2. Voor de afvalstoffen van voor huishoudens bestemde producten, stelt de producent de nodige verpakkingen en andere inzamelingsmiddelen kosteloos ter beschikking van alle inzamelpunten waarmee een contract is afgesloten met het oog op de terugname van de afvalstoffen. Bij de keuze van de inzamelingsmiddelen wordt rekening gehouden met de maximale opslagcapaciteit van de kleinhandelaars en de containerparken en wordt gestreefd naar het optimaliseren van de opslagbeveiliging, de voorbereiding voor hergebruik en het hergebruik.

  Art. 2.2.3. § 1. De producent moet op zijn kosten alle afvalstoffen, onderworpen aan de terugnameplicht en afkomstig van zijn producten op regelmatige wijze inzamelen wanneer die afvalstoffen worden teruggebracht naar distributeurs en kleinhandelaars in het Brussels Hoofdstedelijk Gewest.
  § 2. De distributeur of in voorkomend geval de producent moet ermee instemmen de afvalstoffen van producten die hij op de markt aanbiedt en die aan de terugnameplicht onderworpen zijn, kosteloos te aanvaarden van de kleinhandelaar.
  § 3. De kleinhandelaar moet van de consument kosteloos de afvalstoffen terugnemen van een product dat dezelfde functies vervult als datgene dat hij op de markt aanbiedt en dat aan de terugnameplicht onderworpen is, op voorwaarde dat de consument zich bij deze kleinhandelaar een product aanschaft dat dezelfde functies vervult of hij dat maximaal dertig kalenderdagen eerder heeft gedaan.
  § 4. De in dit artikel bedoelde distributeur en kleinhandelaar moeten aan de producent de afvalstoffen teruggeven die zij overeenkomstig de paragrafen 2 en 3 hebben aanvaard, behoudens de afwijkingen beschreven in hoofdstuk 4. In het geval van een afwijking op deze teruggaveplicht moeten de distributeur en de kleinhandelaar die afvalstoffen in vergunde inrichtingen laten verwerken overeenkomstig de voorschriften, opgelegd door of krachtens de ordonnantie afvalstoffen.

  Art. 2.2.4. Onverminderd artikel 2.2.3 van deze titel kunnen aan de terugnameplicht onderworpen afvalstoffen afzonderlijk worden ingezameld op initiatief en op kosten van de producent, waarbij ze moeten worden teruggebracht naar vergunde inzamelaars, handelaars, makelaars, inzamelinrichtingen of verwerkingsinstallaties.

  Art. 2.2.5. Tenzij anders wordt bepaald in een overeenkomst tussen de producent en de publiekrechtelijke rechtspersonen, moet de producent regelmatig en zonder een vergoeding te eisen, de afvalstoffen terugnemen die onderworpen zijn aan de op hem van toepassing zijnde terugnameplicht en dat door de publiekrechtelijke rechtspersonen die territoriaal verantwoordelijk zijn voor het beheer van de huishoudelijke afvalstoffen, die werden ingezameld, via huis aan huisinzamelingen, via containerparken of via andere inzamelpunten.

  Onderafdeling 3. - Financiering van de terugname van huishoudelijke afvalstoffen

  Art. 2.2.6. De producent draagt de werkelijke en volledige kosten van de inzameling, het sorteren en de verwerking van de afvalstoffen waarvoor hij onderworpen is aan een terugnameplicht en die door de publiekrechtelijke rechtspersonen die territoriaal verantwoordelijk zijn voor het beheer van de huishoudelijke afvalstoffen beheerd worden. De terugbetaling van de nettokosten en de verdeling van de eventuele ontvangsten worden in onderling overleg overeengekomen.
  Bij de bepaling van de in dit artikel bedoelde kosten worden de volgende elementen in aanmerking genomen: de kosten met betrekking tot de containers, de infrastructuur, het personeel belast met het beheer van de inzamel- en sorteerinrichtingen, hierbij inbegrepen de kosten voor het administratief beheer, de algemene kosten voor het beheer van de installaties en de opleiding van de werknemers van de installaties met betrekking tot de betrokken afvalcategorie. De kosten worden bepaald volgens het model dat in onderling overleg werd opgesteld door de betrokken publiekrechtelijke rechtspersonen en de producenten.
  De verdeling van de eventuele ontvangsten met de publiekrechtelijke rechtspersonen geldt alleen als de totale kosten, die toegerekend zijn aan de producent voor de uitvoering van de uitgebreide producentenverantwoordelijkheid aan dewelke deze is onderworpen, gedekt zijn door de wederverkoop van de ingezamelde materialen.
  Indien geen overeenstemming wordt bereikt, kan de Minister, na advies van het Instituut, bindende regels uitvaardigen voor de aanrekening van de kosten en de ontvangsten. Deze bindende regels moeten een lijst van de te betalen kosten omvatten. Zij worden opgesteld na advies van de betrokken producenten en de publiekrechtelijke rechtspersonen die territoriaal verantwoordelijk zijn voor het beheer van huishoudelijke afvalstoffen.

  Onderafdeling 4. - De samenwerking met de vennootschappen met sociaal oogmerk

  Art. 2.2.7. De producent moet regelmatig en zonder een vergoeding te eisen, de aan de op hem van toepassing zijnde terugnameplicht onderworpen afvalstoffen die werden ingezameld door de vennootschappen met sociaal oogmerk waarmee hij een contract heeft overeengekomen, terugnemen.
  De producent draagt de werkelijke en volledige kosten van de inzameling van de aan de op hem van toepassing zijnde terugnameplicht onderworpen afvalstoffen die ten laste genomen zijn door de vennootschappen met sociaal oogmerk. De dekking van de kosten wordt overeengekomen in dit contract.
  § 2. Onverminderd paragraaf 3, geeft de venootschap met sociaal oogmerk het geheel van de volledige en niet herbruikbare afvalstoffen die hij bekomen heeft via de inzamelkanalen van de producent terug aan de producent.
  § 3. Om de voorbereiding voor hergebruik van afvalstoffen onderworpen aan de uitgebreide producentenverantwoordelijkheid te verhogen, kan de vennootschap met sociaal oogmerk noodzakelijke stukken uithalen voor de reparatie van de afvalstoffen die onderworpen zijn aan de uitgebreide producentenverantwoordelijkheid. Dit kan niet als doel de recyclage van het betrokken stuk hebben.

  Afdeling 2. - Verwerking van de afvalstoffen

  Art. 2.2.8. § 1. Alle afvalstoffen die aan de terugnameplicht onderworpen zijn en die overeenkomstig de artikelen 2.2.2 tot 2.2.7 van deze titel ingezameld werden, worden op kosten van de producent in vergunde inrichtingen verwerkt volgens de regels die door of krachtens de ordonnantie afvalstoffen worden opgelegd.
  § 2. Om de voorbereiding voor hergebruik en het hergebruik te bevorderen, garandeert de producent de centra voor de voorbereiding voor hergebruik, toegang tot de afvalstoffen die werden ingezameld in het kader van de terugnameplicht. De vennootschappen met sociaal oogmerk of de publiekrechtelijke rechtspersonen die territoriaal verantwoordelijk zijn voor het beheer van de huishoudelijke afvalstoffen zijn de bevoorrechte partners van de producenten. De modaliteiten voor de toegang tot de afvalstoffen worden in onderling overleg overeengekomen tussen de producenten en de centra voor voorbereiding voor hergebruik en de betrokken vennootschappen met sociaal oogmerk.
  § 3. De producent moet ervoor zorgen dat de ingezamelde afvalstoffen volgens de beste beschikbare technieken voor de bescherming van de gezondheid en het milieu worden verwerkt. De producent moet ervoor zorgen dat de verplichtingen inzake verwerking en recycling worden nagekomen.

  Afdeling 3. - Preventie- en beheersplan

  Art. 2.2.9. Binnen 6 maanden na de inwerkingtreding van de uitgebreide producentenverantwoordelijkheid die op hem van toepassing is, moet de producent een plan voor afvalpreventie en -beheer opstellen dat de volgende elementen en verplichtingen bevat:
  1° identificatiegegevens:
  a) de naam, de rechtsvorm en het handelsregisternummer of een overeenstemmende registratie en het btw-nummer van de producent voor de overeenkomstige afvalstoffen;
  b) de verblijfplaats en het adres van de producent en, in voorkomend geval, de maatschappelijke, de administratieve en de exploitatiezetel, met een adres in België, dat van een gevolmachtigde kan zijn;
  c) het telefoonnummer van de verblijfplaats of van de zetel waar de producent of zijn gemachtigde kan worden bereikt;
  d) de naam en de functie van de ondertekenaar van het plan inzake de preventie en het beheer van de afvalstoffen die onderworpen zijn aan een uitgebreide producentenverantwoordelijkheid.
  2° voorwerp:
  a) de aard van de aan de uitgebreide producentenverantwoordelijkheid onderworpen afvalstoffen waarop het plan voor afvalpreventie en -beheer van toepassing is;
  b) de raming van de hoeveelheden in de handel gebrachte producten en van de hoeveelheid afvalstoffen van deze producten waarop de uitgebreide producentenverantwoordelijkheid van toepassing is;
  3° een preventieplan met de beschrijving van de maatregelen dat de volgende doelstellingen beoogt:
  a) verbeteren van het potentiële hergebruik en van de recycleerbaarheid van de producten die de producent in de handel brengt;
  b) vermindering van de hoeveelheden gevaarlijke afvalstoffen en materialen die potentieel schadelijk zijn voor de menselijke gezondheid en/of het milieu in de producten die in de handel worden gebracht;
  c) vermindering van de hoeveelheid afvalstoffen veroorzaakt door het in de handel brengen van producten die aan de terugnameplicht onderworpen zijn;
  d) de milieuhinder beperken, en dit zowel bij het ontwerp als bij het gebruik van het product, hierbij inbegrepen de informatiemaatregelen waarvan sprake is in artikel 2.2.14.
  4° een beheersplan dat de modaliteiten tot uitvoering van de verplichtingen betreffende de uitgebreide producentenverantwoordelijkheid beschrijft, rekening houdend met de specifieke voorschriften die gelden voor deze afvalstoffen, bedoeld in hoofdstuk 4, en dat borg staat voor een maximale terugname van de afvalstoffen. Dit plan bevat onder meer de volgende informatie:
  a) de maatregelen genomen ter dekking van de kosten van de terugnameplicht overeenkomstig de artikelen 2.2.2 tot 2.2.7, en van alle andere acties die vereist zijn met toepassing van deze titel;
  b) de modaliteiten tot uitvoering van de terugnameplicht, ook wanneer derden, zoals kleinhandelaars en distributeurs in het bezit zijn van de betrokken afvalstoffen;
  c) wanneer het plan huishoudelijke afvalstoffen betreft; de modaliteiten tot samenwerking met de publiekrechtelijke rechtspersonen die verantwoordelijk zijn voor het beheer van het huishoudelijke afvalstoffen;
  d) de maatregelen genomen ter handhaving en ontwikkeling van banen met een maatschappelijk doel in vennootschappen met sociaal oogmerk waarop het plan betrekking heeft;
  e) de modaliteiten tot samenwerking met de afvalbeheerders die tussenkomen in het inzamel- en verwerkingssysteem waar hij beroep op doet;
  f) de maatregelen tot informatieverstrekking aan en sensibilisering van de houders van afvalstoffen ten einde de bij deze titel bepaalde doelstellingen te halen;
  g) de maatregelen inzake de traceerbaarheid van de afvalstoffen uit in de handel gebrachte producten waarop het plan betrekking heeft;
  h) de maatregelen met betrekking tot de verwerking van de afvalstoffen die in het kader van de terugnameplicht worden ingezameld;
  i) de maatregelen met het oog op het verzekeren van de jaarlijkse rapportage aan het Instituut, overeenkomstig artikel 2.2.12.
  5° de voorgestelde geldigheidsduur van het plan voor de preventie en/of het beheer van de afvalstoffen waarop de uitgebreide producentenverantwoordelijkheid van toepassing is;
  6° een financieel plan en een begroting voor de duur van het plan;
  7° het afschrift van de financiële zekerheid, aangelegd overeenkomstig artikel 2.2.11;
  8° de gedateerde en ondertekende schriftelijke verbintenis van de producent of, in voorkomend geval, van een natuurlijke persoon die de vennootschap kan verbinden, waaruit blijkt dat hij de afvalstoffen die, met toepassing van deze titel, door het plan voor de preventie en het beheer van de afvalstoffen worden geregeld en hem door derden, meer bepaald door kleinhandelaars en distributeurs, worden afgeleverd, kosteloos zal aanvaarden en verwerken met naleving van de voorschriften van deze titel;
  9° een beschrijving van het inzamelnetwerk in het Brussels Hoofdstedelijk Gewest waar de houders van de betrokken afvalstoffen ze kosteloos kunnen afleveren.

  Art. 2.2.10. § 1. Het ontwerpplan voor de preventie en het beheer van afvalstoffen wordt bij het Instituut ingediend via een per post aangetekende zending of per elektronische post op het adres en volgens de modaliteiten die zijn voorgeschreven door de Minister.
  § 2. Binnen dertig dagen na ontvangst van het ontwerp van preventie- en beheersplan controleert het Instituut of dit plan de in dit artikel beschreven informatie en documenten bevat. Binnen dezelfde termijn zal het Instituut:
  1° indien het dossier volledig is; de aanvrager een bericht van ontvangst toesturen waarin bevestigd wordt dat het dossier volledig is;
  2° indien het dossier niet volledig is; de aanvrager hiervan in kennis stellen en hem meedelen welke aanvullende documenten of inlichtingen die nuttig geacht worden voor het onderzoek van het project, hij moet afleveren en binnen welke termijn deze elementen moeten worden afgeleverd. Wanneer het dossier volledig geacht wordt, stelt het Instituut de aanvrager hiervan in kennis binnen twintig dagen vanaf de ontvangst van de laatste elementen.
  De in § 3 van dit artikel bepaalde termijn begint te lopen bij de kennisgeving die de volledigheid van het project bevestigt.
  Indien het Instituut niet heeft gereageerd aan het einde van de termijn die is toegekend om het dossier volledig te verklaren, wordt de procedure voortgezet.
  § 3. Het Instituut beoordeelt of het ontwerp van het preventie- en beheersplan in overeenstemming is met de toepasselijke reglementaire bepalingen en keurt het project goed of af. Het bepaalt de geldigheidsduur van het plan, die niet meer dan acht jaar kan bedragen.
  De beslissing wordt genomen binnen een termijn van vier maanden vanaf de kennisgeving die de volledigheid van het ontwerp van preventie- en beheersplan bevestigt. De beslissing wordt binnen deze termijn aan de aanvrager meegedeeld via een per post aangetekende zending of per elektronische post, onder de voorwaarden vastgesteld door de Minister. Bij het uitblijven van een beslissing na die termijn kan de aanvrager een aanmaning naar het Instituut sturen,via een per post aangetekende zending of per elektronische post onder de voorwaarden vastgesteld door de Minister. Het ontbreken van een beslissing binnen dertig dagen na verzending van de aangetekende aanmaningsbrief geldt als een aanvaarding van het ontwerpplan.
  Bij dezelfde beslissing stelt het Instituut een financiële zekerheid waarvan het bedrag gelijk is aan de kostenraming voor de ten laste neming gedurende zes maanden van de uitgebreide producentenverantwoordelijkheid voor de afvalstoffen van voor huishoudens bestemde producten door het Gewest.
  Het preventie- en beheersplan is pas uitvoerbaar wanneer het Instituut bij een per post aangetekende zending of per elektronische post onder voorwaarden, vastgesteld door de Minister, bevestigt dat de financiële zekerheid correct werd gesteld door de producent, met naleving van de voorwaarden vastgesteld in artikel 2.2.11.

  Art. 2.2.11. § 1. De financiële zekerheid wordt door de producent gesteld binnen dertig werkdagen vanaf de datum van kennisgeving waarvan sprake is in artikel 2.2.10, § 3 of vanaf de stilzwijgende aanvaarding van het preventie- en beheersplan, onder de in diezelfde paragraaf bedoelde voorwaarden.
  De financiële zekerheid wordt gesteld door een storting op de rekening van de Deposito- en Consignatiekas of door middel van een bankgarantie. De producent preciseert dat de financiële zekerheid opeisbaar is bij eenvoudig en gemotiveerd verzoek door het Instituut in geval van niet-uitvoering van de verplichtingen.
  Indien de financiële zekerheid bestaat uit een bankgarantie, moet die uitgegeven zijn door een kredietinstelling die erkend is hetzij door de Commissie voor het Bank- en Financiewezen, hetzij door een overheid van een lidstaat van de Europese Unie die gemachtigd is kredietinstellingen te controleren.
  § 2. Indien een producent zijn verplichtingen of een deel ervan niet correct uitvoert, vraagt het Instituut de vrijgave van de financiële zekerheid om de kosten veroorzaakt door de niet-uitvoering van zijn verplichtingen te dekken.
  § 3. De financiële zekerheid wordt teruggegeven wanneer het Instituut heeft vastgesteld dat aan het einde van de geldigheidsduur van het preventie- en beheersplan, geen aanvraag wordt ingediend om het te verlengen.
  Binnen zes maanden na het einde van de geldigheidsduur van het preventie- en beheersplan beslist het Instituut over de teruggave van de zekerheid waarvan sprake is in § 1. Het betekent zijn beslissing aan de Deposito- en Consignatiekas of bij de bankinstelling die de zekerheid gesteld heeft, alsook aan de producent.

  Afdeling 4. - Informatie en rapportage

  Onderafdeling 1. - Rapportage

  Art. 2.2.12. § 1. De producent bezorgt het Instituut jaarlijks, vóór 31 mei, een rapport over:
  1° de manier waarop hij zijn verplichtingen in het kader van de uitgebreide producentenverantwoordelijkheid nakomt;
  2° de totale hoeveelheid producten, uitgedrukt in kilogram, die tijdens het jaar voorafgaand aan het rapportagejaar in de handel werd gebracht;
  3° de inzamel- en recyclingsystemen waarop hij een beroep doet;
  4° de lijst van de inrichtingen waar de afvalstoffen worden verwerkt, alsook de restfractie van de verwerking en de verwerkingsmethoden;
  5° de ingezamelde en beheerde hoeveelheden zoals omschreven in hoofdstuk 4 van deze titel, met indien mogelijk een onderscheid tussen de hoeveelheden van huishoudelijke afvalstoffen en de afvalstoffen andere dan huishoudelijke;
  6° de raming van de totale hoeveelheid producten, uitgedrukt in kilogram, die tijdens het lopende jaar in de handel zal worden gebracht, behoudens de afwijking bedoeld in hoofdstuk 4;
  7° indien een beroep wordt gedaan op een erkend organisme of een beheersorganisme, de aan dit organisme betaalde bijdrage(n), met de berekeningsmodaliteiten en de ledenlijst van het organisme.
  § 2. Het Instituut kan van elke producent eisen dat hij alle relevante informatie verstrekt om te beoordelen in hoeverre de in deze titel beschreven doelstellingen werden bereikt en om de uitvoering te controleren met inachtneming van de vertrouwelijkheid van de doorgegeven gegevens.
  § 3. Alle aan het Instituut afgeleverde cijfergegevens worden door een bedrijfsrevisor of door een onafhankelijk controlebureau gecertificeerd, op de manier vastgesteld door het Instituut.
  De technische recyclinggegevens worden door een hiertoe geaccrediteerd onafhankelijk controlebureau gecertificeerd op de manier, vastgesteld door het Instituut.
  Indien de afvalstoffen worden uitgevoerd, worden alle meegedeelde gegevens door een hiertoe geaccrediteerd onafhankelijk controlebureau gecertificeerd op de manier, vastgesteld door het Instituut.
  De Minister, of het Instituut door delegatie, kan op kosten van de producent een externe controleur aanstellen.
  § 4. De krachtens dit artikel verstrekte milieu-informatie, waarvan de producent verklaart dat ze vertrouwelijk moet blijven om een gewettigd economisch belang te beschermen en waarbij de openbaarmaking hem schade kan toebrengen, komt in aanmerking voor de beperking op de toegang tot informatie met naleving van de eisen, vastgesteld in artikel 111, §§ 2 tot 5, van de ordonnantie van 18 maart 2004 inzake toegang tot milieu-informatie in het Brussels Hoofdstedelijk Gewest.
  § 5. Het jaarverslag waarvan sprake is in paragraaf één van dit artikel, wordt ingediend en bekendgemaakt onder de voorwaarden, vastgesteld door het Instituut. Het Instituut kan, onder de voorwaarden die het zelf bepaalt, toestaan of eisen dat dit jaarverslag of een deel ervan wordt ingediend op een elektronische wijze.

  Art. 2.2.13. § 1. De inzamelaars, handelaars, makelaars en de verwerkingsoperatoren die afvalstoffen beheren voor de producenten verstrekken, op eenvoudig verzoek en binnen een redelijke termijn, aan de producent of, in geval van een collectief systeem, aan het erkend organisme of beheersorganisme, de gegevens die nodig zijn voor de uitvoering van de rapportageplichten waarin artikel 2.2.12 voorziet.
  § 2. De producent of, in geval van een collectief systeem, het erkende organisme of het beheersorganisme, verstrekt de gegevens over de afvalstoffen die ingezameld worden, aan de publiekrechtelijke rechtspersonen die territoriaal bevoegd zijn voor het beheer van huishoudelijke afvalstoffen.

  Onderafdeling 2. - Sensibilisering van de consumenten

  Art. 2.2.14. § 1. Via onder meer voorlichtingscampagnes zorgen de producenten ervoor dat de consumenten, met inbegrip van de professionele gebruikers, geïnformeerd worden:
  1° over het belang van het hergebruik en over de wenselijkheid om de afvalstoffen van hun producten niet als ongesorteerde afvalstoffen te verwijderen en om deel te nemen aan een gescheiden inzameling met het oog op een betere verwerking en recycling;
  2° over het ecologisch rationeel gebruik van hun producten en over de manier waarop het product hergebruikt, voorbereid voor hergebruik, gerecycleerd of op een andere manier nuttig toegepast kan worden;
  3° over de inzamel- en beheerssystemen die hen ter beschikking staan;
  4° over de rol die zij kunnen spelen in de recycling van de afvalstoffen van hun producten;
  § 2. De producenten staan in voor de doeltreffendheid van de keten voor de terugname van de afvalstoffen, meer bepaald via de sensibilisering van de inzamelaars en de vervoerders, distributeurs, kleinhandelaars en verwerkingsinstallaties.
  § 3. De kleinhandelaar zorgt ervoor dat de consumenten geïnformeerd worden over de mogelijkheid om de aan de uitgebreide producentenverantwoordelijkheid onderworpen afvalstoffen naar hun verkooppunten terug te brengen.
  Op een zichtbare plaats plakt hij een advies aan dat onder de titel "TERUGNAMEPLICHT" aangeeft op welke manier hij aan de bepalingen van deze titel voldoet, hierbij inbegrepen de manier waarop de consument zich van de betrokken afvalstoffen kan ontdoen.

  HOOFDSTUK 3. - Delegaties

  Afdeling 1. - Het erkende organisme

  Art. 2.3.1. § 1. De erkenning van een organisme dat door de producenten belast wordt met de uitvoering van al of deels van de verplichtingen die hen door dit besluit worden opgelegd, kan alleen worden toegekend aan rechtspersonen die aan de volgende voorwaarden voldoen:
  1° opgericht zijn in de vorm van een vereniging zonder winstgevend doel in de zin van de wet van 27 juni 1921 over de verenigingen zonder winstgevend oogmerk, de internationale verenigingen zonder winstoogmerk en de stichtingen;
  2° de ten laste neming voor rekening van zijn contractanten van één of meer verplichtingen in het kader van de hen opgelegde uitgebreide producentenverantwoordelijkheid als statutair doel hebben;
  3° onder zijn bestuurders of onder de personen die ertoe gemachtigd zijn de vereniging te verbinden, alleen personen tellen die hun burger- en politieke rechten genieten;
  4° onder zijn bestuurders of onder de personen die ertoe gemachtigd zijn de vereniging te verbinden, geen enkele persoon tellen die bij een in kracht van gewijsde gegane beslissing is veroordeeld voor een overtreding van de in het Brussels Hoofdstedelijk Gewest geldende milieuwetgeving en van zijn uitvoeringsbesluiten of van elke gelijkwaardige wetgeving van een lidstaat van de Europese Unie;
  5° over voldoende financiële garanties en menselijke en technische middelen beschikken om de verplichtingen met betrekking tot de uitgebreide producentenverantwoordelijkheid te vervullen;
  6° een boekhouding overleggen die voldoet aan de bepalingen van het Wetboek van Economisch Recht, boek III, titel 3, hoofdstuk 2;
  7° hun jaarrekeningen laten onderzoeken door een bedrijfsrevisor.
  § 2. De erkenningsaanvraag bevat de volgende gegevens en stukken:
  1° een kopie van de oprichtingsakte, de statuten en hun eventuele wijzigingen, gepubliceerd in het Belgisch Staatsblad;
  2° de nominatieve lijst van de bestuurders en van de personen die ertoe gemachtigd zijn de vereniging te verbinden;
  3° een uittreksel uit het strafregister van de bestuurders en van de personen die ertoe gemachtigd zijn de vereniging te verbinden;
  4° de aard van de afvalstoffen en de handelingen waarvoor de erkenning wordt aangevraagd;
  5° een financieel plan en een begroting voor de geldigheidsduur van de gevraagde erkenning, met op zijn minst de volgende elementen:
  a) de modaliteiten voor de berekening en de raming van de bijdragen van de producenten alsook de modaliteiten voor de herziening van die bijdragen;
  b) de raming van de kosten van het hergebruik, de inzameling en de verwerking van de afvalstoffen, met inbegrip van de eventuele ontvangsten van de recycling;
  c) de bestemming van eventuele overschotten voor de werking van het systeem;
  d) de modaliteiten voor de berekening en de raming van de bijdragen van de consumenten alsook de modaliteiten voor de herziening van die bijdragen;
  e) de raming van de uitgaven i.v.m. de preventiemaatregelen, de ontwikkeling van het hergebruik en de communicatie en sensibilisering die nodig zijn om de toegewezen doelstellingen te halen;
  f) de financiering van eventuele verliezen.
  § 3. Overeenkomstig artikelen 2.2.10 et 2.2.11, vereist de erkenning de aanstelling van een financiële zekerheid of het afsluiten van een verzekeringspolis om de kosten, voortvloeiend uit de uitvoering van de verplichtingen met betrekking tot de uitgebreide producentenverantwoordelijkheid, te dekken bij niet-uitvoering of gebrekkige uitvoering van de terugnameplicht.
  § 4. De erkenning wordt toegekend, geschorst en ingetrokken overeenkomstig de artikelen 70 en volgende van de ordonnantie van 5 juni 1997 betreffende de milieuvergunningen.

  Art. 2.3.2. Het erkend organisme moet:
  1° voldoen aan de voorwaarden van de erkenning;
  2° binnen de gestelde termijnen en voor alle producenten die met het organisme een overeenkomst hebben gesloten, voldoen aan de verplichtingen die deze producenten aan het organisme hebben overgedragen, met inbegrip van de verplichtingen die worden opgesomd in zijn plan voor de preventie en het beheer van afvalstoffen;
  3° een verzekeringscontract sluiten tot dekking van de schade die uit zijn activiteit kan voortvloeien;
  4° op niet-discriminerende wijze de bijdragen van de contractanten innen die nodig zijn om de kosten van alle verplichtingen van het organisme te dekken;
  5° op eenvormige wijze voor het volledige grondgebied van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest de inzameling organiseren van de afvalstoffen die aan de uitgebreide producentenverantwoordelijkheid onderworpen zijn, eventueel in overleg met de publiekrechtelijke rechtspersonen die territoriaal verantwoordelijk zijn voor het beheer van huishoudelijke afvalstoffen en met de vennootschappen met sociaal oogmerk, voor wat betreft de voorbereiding met het oog op hergebruik, als het organisme ermee belast is de inzameling te organiseren voor de producenten die er een contract mee hebben gesloten;
  6° in voorkomend geval, uniforme overeenkomsten sluiten met de inzamel- en de verwerkingsoperatoren, met de publiekrechtelijke rechtspersonen die territoriaal verantwoordelijk zijn voor het beheer van de huishoudelijke afvalstoffen en met de vennootschappen met sociaal oogmerk, die goedgekeurd zijn door het Instituut;
  7° jaarlijks bij het Instituut de jaarrekeningen van het voorbije jaar neerleggen nadat ze door een bedrijfsrevisor of een onafhankelijk controlebureau werden onderzocht. Die neerlegging gebeurt op de manier die door het Instituut werd vastgesteld;
  8° de doelstellingen van inzameling, recycling en nuttige toepassing voor de in de handel gebrachte producten laten vaststellen door een onafhankelijk controlebureau, op de manier, vastgesteld door het Instituut;
  9° de transparantie waarborgen en zich, met inachtneming van het gelijkheids- en mededingingsbeginsel, niet-discriminerend opstellen ten aanzien van de aannemers, leveranciers en dienstverleners waarop het een beroep doet voor de uitvoering van zijn verplichtingen.

  Afdeling 2. - Het beheersorganisme

  Art. 2.3.3. § 1. Via één of meer representatieve organen kan de producent met het Brussels Hoofdstedelijk Gewest een milieuovereenkomst sluiten waarbij hij aan de verplichtingen inzake uitgebreide producentenverantwoordelijkheid voldoet door aan een beheersorganisme verplichtingen over te dragen die identiek zijn aan de verplichtingen die een erkend organisme krachtens artikel 2.3.2 dient te vervullen, met uitzondering van 1° van dit artikel, dat vervangen wordt door de volgende verplichting: "1° voldoen aan de voorwaarden vastgesteld in de milieuovereenkomst".
  § 2. De hoedanigheid van beheersorganisme kan alleen worden toegekend aan rechtspersonen die voldoen aan de voorwaarden, vastgesteld door artikel 2.3.1 § 1.
  § 3. Het beheersorganisme waarborgt dat vertegenwoordigers van het Instituut als waarnemers aanwezig zullen zijn op alle vergaderingen van zijn raad van bestuur en op zijn algemene vergaderingen, en bezorgt hen de uitnodigingen en de notulen van de vergaderingen.
  § 4. Binnen 6 maanden na de ondertekening van de milieuovereenkomst, bij de uitvoering van de verplichtingen waarmee het door zijn leden werd belast in het kader van de uitgebreide producentenverantwoordelijkheid, moet het beheersorganisme de documenten, bedoeld in artikel 2.3.1 § 2, 5° ter goedkeuring voorleggen aan het Instituut.

  Afdeling 3. - De minimuminhoud van de milieuovereenkomst

  Art. 2.3.4. Naast de aanstelling van het in artikel 2.3.3 bedoelde beheersorganisme en zijn verplichtingen legt de milieuovereenkomst minimaal de maatregelen op die nodig zijn om:
  1° de afvalpreventie, het hergebruik, de voorbereiding voor hergebruik en de recycling te bevorderen;
  2° de ontwikkeling van banen met een maatschappelijk doel in vennootschappen met sociaal oogmerk te bevorderen;
  3° de verplichtingen van de producenten en de beheersorganen te beschrijven;
  4° de handelingen op te sommen die voor advies of ter goedkeuring moeten worden voorgelegd aan het Instituut.

  Afdeling 4. - Identificatie van de kosten

  Art. 2.3.5. § 1. In het geval van gemeenschappelijke systemen waarbij de consumenten rechtstreeks of onrechtstreeks een financiële bijdrage krijgen aangerekend, worden de kosten eigen aan de uitvoering van de uitgebreide producentenverantwoordelijkheid geïdentificeerd en uitsluitend toegerekend aan de afvalcategorie die onderworpen is aan de verplichting waarvoor ze worden gemaakt.
  Wanneer kosten worden opgelopen voor diverse afvalcategorieën tegelijk, moeten zij over die categorieën worden verdeeld volgens objectieve en verantwoorde criteria, rekening houdend met de doelstellingen van de uitgebreide producentenverantwoordelijkheid.
  Als de consument de bijdragen dient te betalen, zijn de modaliteiten voor de berekening en voor de herziening van die bijdragen ter goedkeuring aan het Instituut voorgelegd.
  § 2. Wat huishoudelijke afvalstoffen betreft, wordt bij de bepaling van de bijdragen die de producenten aan een erkend organisme of een beheersorganisme moeten betalen, rekening gehouden met:
  1° de kosten die moeten worden toegerekend aan elk van de categorieën van huishoudelijke afvalstoffen;
  2° de ontvangsten uit de verkoop van ingezamelde en gesorteerde materialen;
  3° eventueel het aandeel van ieder materiaal in het bereiken van de doelstellingen inzake recycling en nuttige toepassing die voor de producent werden opgelegd.
  Deze bijdragen zijn bestemd om, na aftrek van de restwaarde van de materialen, de werkelijke en volledige kosten te financieren van de verplichtingen die hen krachtens deze titel worden opgelegd, en meer in het bijzonder de kosten met betrekking tot:
  a) de bestaande en nog in te voeren gescheiden inzamelingen;
  b) het hergebruik, de recycling en de nuttige toepassing;
  c) de operationele voorlichting op gewestelijk en lokaal niveau en de sensibilisering van de consumenten;
  d) het sorteren van de ingezamelde afvalstoffen;
  e) de verwijdering van de reststoffen van de sortering, de recycling en de nuttige toepassing van de afvalstoffen.
  § 3. In voorkomend geval, maakt het beheersorganisme een onderscheid in hun rekeningen tussen kosten met betrekking tot huishoudelijke producten en deze met betrekking tot andere producten dan huishoudelijke.

  Afdeling 5. - Goedkeuring door en advies van het Instituut

  Art. 2.3.6. § 1. De volgende handelingen of documenten worden ter goedkeuring aan het Instituut voorgelegd onder de voorwaarden, vastgesteld in dit artikel:
  1° de documenten met de financiële maatregelen waarvan sprake is in artikel 2.3.1, § 2, 5° a), c) et d)
  2° de uniforme overeenkomsten afgesloten door de organismen waarvan sprake in artikel 2.3.1 en artikel 2.3.3, met de inzamel en verwerkingsoperatoren, met de publiekrechtelijke rechtspersonen die territoriaal verantwoordelijk zijn voor het beheer van de huishoudelijke afvalstoffen en met de vennootschappen met sociaal oogmerk
  3° de communicatiestrategie om de informatieverplichtingen waarvan sprake is in artikel 2.2.14 na te komen;
  4° het jaarverslag waarvan sprake is in artikel 2.2.12;
  5° de criteria om het onderscheid te maken tussen de producten die respectievelijk als huishoudelijk en als professioneel worden beschouwd;
  6° alle handelingen die moeten worden goedgekeurd krachtens dit besluit of de milieuovereenkomst;
  7° alle handelingen die moeten worden goedgekeurd krachtens hoofdstuk 4 van deze titel.
  § 2. Het Instituut beschikt over 60 werkdagen vanaf de dag van ontvangst van de aanvraag om de voorgelegde documenten al dan niet goed te keuren. Indien tijdens deze periode geen beslissing wordt genomen, worden de documenten geacht geweigerd te zijn.

  Art. 2.3.7. § 1. De volgende handelingen of documenten worden voor voorafgaand advies aan het Instituut voorgelegd onder de voorwaarden, vastgesteld in dit artikel:
  1° de documenten met de financiële maatregelen waarvan sprake is in artikel 2.3.1, § 2, 5° b), e) et f);
  2° alle handelingen die krachtens de milieuovereenkomst onderworpen zijn aan advies
  3° alle handelingen die krachtens hoofdstuk 4 van deze titel onderworpen zijn aan advies.
  § 2. Het Instituut beschikt over 45 dagen vanaf de dag van ontvangst van de aanvraag om een gemotiveerd advies uit te brengen. Het beheersorganisme zorgt ervoor dat dit advies in overweging wordt genomen.
  Bij gebrek aan een advies binnen de gestelde termijn, wordt het advies geacht ongunstig te zijn.

  HOOFDSTUK 4. - Verplichtingen per afvalstroom

  Art. 2.4.1. De bepalingen van dit hoofdstuk vullen de bepalingen van de hoofdstukken 1 tot 3 van deze titel aan.

  Afdeling 1. - Afgedankte batterijen en accu's

  Onderafdeling 1. - Definities en toepassingsgebied

  Art. 2.4.2. § 1. In deze afdeling zijn de volgende definities van toepassing:
  1° "knoopcel": elke kleine ronde draagbare batterij of accu met een diameter die groter is dan de hoogte en die wordt gebruikt voor speciale doeleinden zoals gehoorapparaten, horloges, kleine draagbare apparatuur of als back-upstroomvoorziening;
  2° "draagbare batterij of accu": elke batterij, knoopcel, batterijpak of accu die/dat:
  a) afgedicht is, en
  b) met de hand kan worden gedragen, en
  c) geen industriële batterij of accu, noch een autobatterij of -accu is;
  3° "autobatterij of -accu": elke batterij of accu gebruikt voor het starten, de verlichting of het ontstekingsvermogen van een voertuig;
  4° "industriële batterij of -accu": elke batterij of accu die uitsluitend voor gebruik voor industriële of professionele doeleinden is ontworpen of in elk type elektrisch voertuig wordt gebruikt;
  5° "batterijpak" elke set batterijen of accu's die onderling verbonden zijn en/of van een buitenverpakking voorzien zijn, die één volledige eenheid vormt en niet is bedoeld om door de eindgebruiker te worden opgedeeld of geopend;
  6° "inzamelingspercentage": het percentage dat wordt verkregen door het gewicht van de tijdens één kalenderjaar ingezamelde afgedankte draagbare batterijen en accu's te delen door het gemiddelde gewicht van draagbare batterijen en accu's die producenten hetzij rechtstreeks verkopen aan de consument, hetzij leveren aan derde partijen om ze te verkopen aan de consument, gedurende dat kalenderjaar en de voorafgaande twee kalenderjaren.
  § 2. Voor de batterijen en accu's die in nieuwe EEA's of voertuigen geïntegreerd zijn, is de producent van deze EEA's of voertuigen de producent.
  § 3. In afwijking van artikel 2.1.1 van deze titel is het stelsel van de uitgebreide producentenverantwoordelijkheid niet van toepassing op:
  1° batterijen en accu's in apparatuur die wordt aangewend in samenhang met de bescherming van wezenlijke belangen in verband met de veiligheid van België, wapens, munitie en oorlogsmateriaal, met uitzondering van producten die niet voor specifieke militaire doeleinden zijn bestemd;
  2° apparatuur die bestemd is om in de ruimte gelanceerd te worden.

  Onderafdeling 2. - Terugnameplicht

  Art. 2.4.3. Elke houder van afgedankte draagbare batterijen en -accu's is ertoe gehouden om ze hetzij aan een inzamelaar, vergund voor de inzameling van gevaarlijk afvalstoffen af te geven, hetzij te brengen naar één van de inzamelpunten die hiertoe werden ingericht door de producent en de publiekrechtelijke rechtspersonen die territoriaal verantwoordelijk zijn voor het beheer van huishoudelijke afvalstoffen.
  Het inzamelnetwerk moet zo opgevat zijn dat de inzamelpunten, rekening houdend met de bevolkingsdichtheid, dichtbijgelegen en goed bereikbaar zijn.
  De kleinhandelaar moet kosteloos alle afgedankte draagbare batterijen en accu's, afkomstig van de producten die hij in de handel aanbiedt, van de consumenten terugnemen, zelfs als deze consumenten geen product met dezelfde functies kopen.
  De producent moet op eigen kosten regelmatig alle afgedankte draagbare batterijen en accu's inzamelen die bij de kleinhandelaars, distributeurs, publiekrechtelijke rechtspersonen en andere inzamelpunten teruggenomen worden, ten einde die afvalstoffen op zijn kosten te laten verwerken in een daartoe vergunde inrichting. In dat geval mogen de inzamelaars geen verwerkingskosten factureren aan de eindgebruikers.
  Daarenboven is de producent gehouden tot terugname van alle afgedankte draagbare batterijen en accu's afkomstig van de installaties voor de ontmanteling en de depollutie van afgedankte elektrische of elektronische apparatuur, en van afgedankte voertuigen.

  Art. 2.4.4. De producent zorgt ervoor dat alle afgedankte industriële of autobatterijen of -accu's gescheiden van de andere afvalstromen kunnen worden ingezameld, ongeacht hun chemische samenstelling en herkomst.
  Iedere houder van afgedankte industriële of autobatterijen en -accu's moet deze afvalstoffen hetzij aan een voor de inzameling van gevaarlijke afvalstoffen vergunde inzamelaar afgeven, hetzij het brengen naar één van de inzamelpunten die de producent hiertoe heeft ingericht.
  De kleinhandelaar moet alle afgedankte industriële of autobatterijen of -accu's, afkomstig van de producten die hij op de markt aanbiedt, kosteloos van de consumenten terugnemen, zelfs als deze consumenten geen product met dezelfde functies kopen. Kleinhandelaars die zorgen voor het onderhoud, de herstelling en de vervanging van autobatterijen en -accu's, moeten alle autobatterijen en -accu's die hen door de consumenten worden gebracht, kosteloos terugnemen, zelfs als deze consumenten geen product met dezelfde functies kopen.
  De distributeur moet op eigen kosten, regelmatig en ter plaatse bij de kleinhandelaars alle, overeenkomstig de vorige leden ontvangen afgedankte industriële of autobatterijen en -accu's, terugnemen en aan de producent overmaken.
  De producent moet op eigen kosten regelmatig alle afgedankte industriële of autobatterijen en -accu's die bij de in de vorige leden bedoelde distributeurs of eventueel kleinhandelaars worden teruggenomen, ongeacht hun chemische samenstelling en oorsprong, inzamelen om ze in een hiertoe vergunde inrichting te laten verwerken.
  Daarenboven dient de producent alle afgedankte industriële of autobatterijen en -accu's afkomstig van de installaties voor de ontmanteling en depollutie van afgedankte elektrische of elektronische apparatuur en afgedankte voertuigen terug te nemen.
  De producent is verplicht afgedankte industriële batterijen en accu's, ongeacht hun chemische samenstelling en herkomst, die hem door de consumenten worden aangeboden, terug te nemen.
  Overeenkomstig artikel 2.2.3 § 4 kan er, voor wat betreft autobatterijen, van de afgifteplicht van de distributeurs en de kleinhandelaars bedoeld in leden 3 en 4 van dit artikel worden afgeweken in een milieuovereenkomst.

  Onderafdeling 3. - Verwerking

  Art. 2.4.5. § 1. De batterijen en accu's worden verwerkt in een vergunde verwerkingsinstallatie. Afgedankte batterijen en accu's mogen niet verwijderd worden zonder voorafgaande behandeling met het oog op gehele of gedeeltelijke recyclage ervan. Het is verboden het zuur buiten een vergunde verwerkingsinstallatie te verwijderen uit de loodaccu's.
  § 2. De verwerking houdt minimaal het verwijderen van alle vloeistoffen en zuren in.
  § 3. De verwerking en de opslag, met inbegrip van tijdelijke opslag, in verwerkingsinstallaties vinden plaats op locaties met ondoorlaatbare oppervlakken en passende weerbestendige afdekkingen of in hiertoe geschikte containers.

  Onderafdeling 4. - Financiering

  Art. 2.4.6. § 1. De producenten van batterijen en accu's zijn verantwoordelijk voor de financiering van de inzameling, de verwerking en de recyclage van de afvalstoffen van alle batterijen en van alle accu's, ongeacht wanneer die in de handel werden gebracht.
  Zij dragen ook de kosten van de voorlichtingscampagnes ten behoeve van de consumenten die handelen over de preventie, de inzameling, de verwerking en de recyclage van de afgedankte batterijen en accu's.
  § 2. De producenten en de gebruikers van industriële en autobatterijen en -accu's mogen overeenkomsten sluiten waarin andere dan de in lid 1 bedoelde financieringsregelingen worden gestipuleerd.

  Onderafdeling 5. - Doelstellingen

  Art. 2.4.7. § 1. Voor afgedankte draagbare batterijen en accu's moet de producent een minimum inzamelingspercentage van 50% bereiken.
  § 2. De producent moet alle afgedankte industriële en auto-accu's terugnemen die hem worden aangeboden.

  Art. 2.4.8. Wat de afgedankte draagbare, industriële en autobatterijen en -accu's betreft, zorgt de producent ervoor dat bij de recyclingprocessen de volgende minimale recyclingpercentages en aanverwante doelstellingen worden bereikt:
  1° recycling van 65% van het gemiddelde gewicht van lood-zuurbatterijen en -accu's, met zo groot mogelijke recycling van het loodgehalte als technisch haalbaar met vermijding van buitensporige kosten, en met een volledige nuttige toepassing van kunststoffen met vermijding van buitensporige kosten,
  2° recycling van 75% van het gemiddelde gewicht van nikkel-cadmiumbatterijen en -accu's, met zo groot mogelijke recycling van het cadmiumgehalte als technisch haalbaar is met vermijding van buitensporige kosten; en
  3° recycling van 50% van het gemiddelde gewicht van andere afgedankte batterijen en accu's.
  4° De recyclingrendementen worden berekend overeenkomstig Verordening (EU) nr. 493/2012 van de Commissie van 11 juni 2012 houdende nadere bepalingen van de recyclingrendementen van de recyclingprocessen van afgedankte batterijen en accu's, overeenkomstig richtlijn 2006/66/EG van het Europees Parlement en de Raad.
  5° Afgedankte batterijen en accu's die in overeenstemming met de van toepassing zijnde wetgevingen, naar bestemmingen buiten de Europese Unie worden uitgevoerd, worden alleen geacht bij te dragen tot de naleving van de verplichtingen en de rendementen als bepaald in dit artikel, indien er harde bewijzen zijn dat de recycling heeft plaatsgevonden in omstandigheden die stroken met de eisen van dit besluit.

  Onderafdeling 6. - Rapportage

  Art. 2.4.9. In het kader van de rapportageverplichtingen bedoeld in artikel 2.2.12 verstrekt de producent het Instituut vóór 30 april van ieder jaar de volgende gegevens met betrekking tot het vorige jaar en per type van batterijen (draagbare, industriële en autobatterijen):
  1° de in kilogram uitgedrukte totale hoeveelheid afgedankte batterijen en accu's, ingezameld in het Brussels Hoofdstedelijk Gewest, op de manier vastgesteld door het Instituut;
  2° de totale hoeveelheid in de handel gebrachte batterijen en accu's, uitgedrukt in kilogram, per chemisch systeem en in eenheden;
  3° de in kilogram uitgedrukte totale hoeveelheid afgedankte batterijen en accu's die voor verwerking werd toevertrouwd aan de vergunde inrichtingen, per verwerkingstype en per categorie;
  4° de lijst van inzamelaars, handelaars, makelaars en verwerkingsoperatoren die het beheer van de afgedankte batterijen en accu's hebben waargenomen;
  5° de wijze van verwerking van de afgedankte batterijen en accu's per verwerkingsproces, met inbegrip van de kwalitatieve en kwantitatieve omschrijving van de handelingen, per verwerkingsproces;
  6° de in kilogram uitgedrukte hoeveelheden afgedankte batterijen en accu's afkomstig van de centra voor de ontmanteling of de depollutie van afgedankte elektrische en elektronische apparatuur en afgedankte voertuigen.

  Onderafdeling 7. - Preventie- en beheersplan

  Art. 2.4.10. De producent stimuleert de preventieacties door voorlichtingscampagnes te organiseren die een aangepast gebruik van de batterijen en accu's bevorderen om hun levensduur te optimaliseren en, in voorkomend geval, door het gebruik van oplaadbare draagbare batterijen en accu's aan te moedigen.

  Onderafdeling 8. - Sensibilisering van de consument

  Art. 2.4.11. § 1. De producenten van batterijen en accu's zorgen ervoor, in het bijzonder door middel van voorlichtingscampagnes, dat de consumenten volledig worden geïnformeerd over:
  1. de potentiële effecten van in batterijen en accu's gebruikte stoffen op het milieu en de menselijke gezondheid;
  2. het belang om afgedankte batterijen en accu's niet als ongesorteerde afvalstoffen te verwijderen en deel te nemen aan hun gescheiden inzameling met het oog op een betere verwerking en recycling;
  3. de inzamelings- en recyclingsystemen die hen ter beschikking staan;
  4. de rol die ze hebben bij de recycling van afgedankte batterijen en accu's;
  5. de betekenis van het symbool van de doorgestreepte vuilnisbak op wielen bedoeld in bijlage 3 en van de chemische symbolen Hg, Cd en Pb.
  § 2. De kleinhandelaars zorgen ervoor dat de consumenten geïnformeerd worden over de mogelijkheid om zich te ontdoen van hun afgedankte batterijen of accu's in hun verkooppunten.
  § 3. Bij de verkoop van nieuwe draagbare batterijen en accu's worden de kosten van de inzameling, de verwerking en de recycling voor de eindgebruikers niet afzonderlijk vermeld.

  Onderafdeling 9. - Register van de producenten

  Art. 2.4.12. Elke producent van batterijen en accu's dient geregistreerd te zijn in het register van de producenten overeenkomstig de procedurele vereisten vermeld in bijlage 5. Het Instituut kan de nodige praktische modaliteiten van de registratie verduidelijken.

  Afdeling 2. - Versleten banden

  Onderafdeling 1. - Definities en toepassingsgebied

  Art. 2.4.13. § 1. In deze afdeling zijn de volgende definities van toepassing:
  1° "inzamelingspercentage voor de vervangingsmarkt": het percentage, verkregen door het totaalgewicht van de ingezamelde versleten banden te delen door het totaalgewicht van de nieuwe banden die tijdens het betrokken kalenderjaar in de handel werden gebracht, na aftrek van het slijtagepercentage;
  2° "het inzamelingspercentage van de banden waarmee de nieuwe voertuigen zijn uitgerust": het percentage dat verkregen wordt door het totaalgewicht van de versleten banden, ingeleverd bij geregistreerde centra voor demontage of geregistreerde centra voor vernietiging en recycling van afgedankte voertuigen te delen door het totaalgewicht van de tijdens het bedoelde kalenderjaar op de markt gebrachte banden die deel uitmaken van nieuwe voertuigen, na aftrek van het slijtagepercentage;
  3° "het gecumuleerd globaal percentage van hergebruik, loopvlakvernieuwing en recycling van de ingezamelde versleten banden": het percentage, verkregen door het totaalgewicht van de daadwerkelijk hergebruikte banden, banden met loopvlakvernieuwing en gerecycleerde banden te delen door het totaalgewicht van de ingezamelde versleten banden;
  4° "recyclingpercentage": het percentage, verkregen door het gewicht van de gerecycleerde versleten banden te delen door het totaalgewicht van de ingezamelde versleten banden;
  5° "rechapeerbare band": elke versleten band die, in de staat waarin hij zich bevindt, niet meer in aanmerking komt voor hergebruik en waarvan het loopvlak kan worden vervangen zodat hij opnieuw kan worden aangewend voor het doel waarvoor hij oorspronkelijk bestemd was.
  § 2. Voor de banden van de nieuwe voertuigen is de producent van deze voertuigen de producent.
  § 3. De uitgebreide producentenverantwoordelijkheid is van toepassing op versleten banden.
  § 4. De weerslag van het in punten 1° en 2° bedoelde slijtagepercentage op het gewicht van de versleten banden wordt bepaald op basis van een onderzoek dat op objectieve en contradictoire wijze door de producent wordt uitgevoerd en waarvan de conclusies door het Instituut worden goedgekeurd.

  Onderafdeling 2. - Terugnameplicht

  Art. 2.4.14. § 1. De kleinhandelaar neemt elke versleten band die hem door de consument wordt gebracht, gratis terug bij de aankoop van een nieuwe band. Indien de consument geen versleten band meebrengt op het ogenblik van de aankoop, beschikt hij over twaalf maanden om er alsnog één af te leveren met voorlegging van het aankoopbewijs. De kleinhandelaar kan in onderlinge samenspraak met de producent elke versleten band die hem gebracht wordt, terugnemen zonder dat de consument een nieuwe band hoeft te kopen. Dit is alleen mogelijk binnen de perken van de hoeveelheden die hij zelf van de producent gekocht heeft in de loop van het vorige kalenderjaar.
  § 2. De distributeur neemt op eigen kosten regelmatig alle ontvangen versleten banden bij de kleinhandelaars terug binnen de perken van de hoeveelheden die hij zelf in de loop van het vorige kalenderjaar bij de producenten gekocht heeft.
  § 3. De producent neemt op eigen kosten regelmatig alle teruggenomen banden bij de distributeurs of bij de kleinhandelaars en vergunde inzamelaars terug binnen de perken van de hoeveelheden die hij zelf op de markt heeft aangeboden.
  Hij bouwt een gratis inzamelnetwerk uit met een voldoend aantal inzamelpunten die evenwichtig geografisch verspreid zijn over het Brussels Hoofdstedelijk Gewest.
  § 4. De producent zamelt op zijn kosten en op regelmatige basis, alle versleten banden van de huishoudens in die ingezameld worden door de publiekrechtelijke rechtspersonen die verantwoordelijk zijn voor de inzameling van huishoudelijke afvalstoffen, binnen de perken van de hoeveelheid banden die hij op de markt heeft aangeboden, en laat ze in een hiertoe vergunde inrichting verwerken.
  Een overeenkomst tussen de producent en de publiekrechtelijke rechtspersonen voorziet in de voorwaarden van aanvaarding en terugname van versleten banden, met name het maximumaantal banden dat door de huishoudens afgeleverd mag worden in de containerparken.
  De producent draagt de reële en volledige kost van de inzameling van de versleten banden die ten laste genomen zijn door de publiekrechtelijke rechtspersonen die territoriaal verantwoordelijk zijn voor het beheer van huishoudelijke afvalstoffen.

  Onderafdeling 3. - Verwerking

  Art. 2.4.15. § 1. De banden die geïdentificeerd worden als technisch rechapeerbaar hetzij door de kleinhandelaar voorafgaand aan de inzameling of hetzij door de inzamelaar tijdens de verplichte sortering na inzameling, zijn bij voorkeur bestemd voor loopvlakvernieuwingsketens.
  De banden die door de kleinhandelaars worden teruggenomen, alsook de banden van afgedankte voertuigen die in de vergunde centra voor de ontmanteling van afgedankte voertuigen worden afgeleverd en die niet in aanmerking komen voor hergebruik of loopvlakvernieuwing, zijn bij voorkeur bestemd voor recyclingketens.
  § 2. De ingezamelde banden die niet hergebruikt of gerecycleerd worden en waarvan het loopvlak niet vernieuwd wordt, worden gevaloriseerd door energieterugwinning.

  Onderafdeling 4. - Financiering

  Art. 2.4.16. De bandenproducenten zijn verantwoordelijk voor de financiering van de inzameling, de loopvlakvernieuwing, de verwerking en de recycling van de ingezamelde versleten banden overeenkomstig deze titel.
  Zij dragen ook de kosten van de voorlichtingscampagnes ten behoeve van de consumenten die handelen over de preventie, de loopvlakvernieuwing, de inzameling, de verwerking en de recycling van de versleten banden.

  Onderafdeling 5. - Doelstellingen

  Art. 2.4.17. De producent moet een inzamelingspercentage van minimaal 85% behalen.
  De producent van banden, voor de uitrusting van nieuwe voertuigen, moet alle versleten banden terugnemen van de afgedankte voertuigen die ingeleverd worden bij de centra voor de ontmanteling en depollutie van afgedankte voertuigen.

  Art. 2.4.18. § 1. De producent dient ieder jaar een gecumuleerd globaal percentage van minimaal 55% hergebruik, loopvlakvernieuwing en/of recycling van de ingezamelde banden bereiken.
  § 2. Het percentage hergebruik en het percentage loopvlakvernieuwing is minstens 10%.

  Onderafdeling 6. - Rapportage

  Art. 2.4.19. In het kader van de rapportageverplichtingen bedoeld in artikel 2.2.12 verstrekt de producent het Instituut vóór 31 mei van ieder jaar de volgende gegevens met betrekking tot het vorige jaar:
  1° de in kilogram en in eenheden uitgedrukte totale hoeveelheid banden per categorie die in de handel werden gebracht. Het rapport vermeldt respectievelijk de hoeveelheid banden die op de vervangingsmarkt werd gebracht en de banden die in de handel gebrachte nieuwe voertuigen uitrusten;
  2° de in kilogram en eenheden uitgedrukte totale hoeveelheid versleten banden, ingezameld in het Brussels Hoofdstedelijk Gewest, waarbij een onderscheid gemaakt wordt tussen de versleten banden ingezameld via het netwerk van publiekrechtelijke rechtspersonen, de banden ingezameld via het distributienetwerk en de banden ingezameld via de vergunde centra voor de ontmanteling van afgedankte voertuigen;
  3° de installaties waarin de ingezamelde versleten banden zijn verwerkt, de omschrijving van de verwerkingswijze en het percentage afvalstoffen dat verwijderd wordt na die verwerkingen;
  4° de in kilogram en eenheden uitgedrukte totale hoeveelheden versleten banden die respectievelijk hergebruikt, vernieuwd, gerecycleerd en energetisch gevaloriseerd werden;
  5° de in kg en eenheden uitgedrukte totale hoeveelheid banden afkomstig van de centra voor de ontmanteling van afgedankte voertuigen.

  Onderafdeling 7. - Preventie- en beheersplan

  Art. 2.4.20. De producenten moeten kwantitatieve en kwalitatieve afvalpreventiemaatregelen uitwerken om de milieuhinder te beperken zonder aan de veiligheid te raken.

  Onderafdeling 8. - Sensibilisering van de consument

  Art. 2.4.21. § 1. De producent moedigt het gebruik van banden met geringe milieueffecten aan, zoals banden met een vernieuwbaar of uitdiepbaar loopvlak, en wijst de gebruikers op de milieuvoordelen van dergelijke banden.
  § 2. De producenten zorgen, in het bijzonder door middel van voorlichtingscampagnes, voor:
  1° de sensibilisering van de consumenten voor het systeem voor de inzameling en verwerking van versleten banden;
  2° de verstrekking van informatie aan de consumenten over de inzamel- en recyclingsystemen die hen ter beschikking worden gesteld en over hun rol bij de inzameling.
  § 3. De producenten staan in voor de doeltreffendheid van de keten voor de terugname van de versleten banden en de sensibilisering van de inzamelaars, vervoerders, kleinhandelaars en vergunde verwerkingscentra.
  § 4. De in de paragrafen 1 en 2 bedoelde initiatieven hebben tot doel bij te dragen tot:
  1° het duurzaam gebruik van de banden door de gebruikers;
  2° de levensduurverlenging van de banden;
  3° de verlaging van de CO2-uitstoot door het juiste gebruik van de band;
  4° initiatieven op het vlak van kwalitatieve preventie, bijvoorbeeld met betrekking tot de samenstelling en de slijtvastheid van de band;
  5° het informeren van de consumenten over de milieuvoordelen van de aankoop van gerechapeerde banden.

  Afdeling 3. - Afgewerkte oliën

  Onderafdeling 1. - Definities en toepassingsgebied

  Art. 2.4.22. § 1. In deze afdeling zijn de volgende definities van toepassing:
  1° "inzamelingspercentage": het percentage, verkregen door het totaalgewicht van de ingezamelde afgewerkte oliën te delen door het totaalgewicht van de oliën die tijdens het beoogde kalenderjaar kunnen worden ingezameld;
  2° "percentage van valorisatie door regeneratie of ander hergebruik": het percentage verkregen door het totaalgewicht van de afgewerkte oliën die daadwerkelijk door regeneratie of andere technieken voor hergebruik gevaloriseerd werden, te delen door het totaalgewicht van de oliën ingezameld tijdens het beoogde kalenderjaar.
  § 2. Voor de oliën die in nieuwe voertuigen gebruikt worden, is de producent van deze voertuigen de producent.
  § 3. De hoeveelheden afgewerkte oliën die ingezameld kunnen worden, worden jaarlijks bepaald op basis van de hoeveelheden nieuwe oliën die in de handel gebracht worden, rekening houdend met de weer uitgevoerde oliën, de oliën vervat in de uitgevoerde tweedehandse voertuigen en de verliezen bij het gebruik van de oliën. Het verliespercentage bij gebruik van de oliën wordt bepaald op basis van een onderzoek dat op objectieve en contradictoire wijze gevoerd wordt door de producent, en waarvan de conclusies door het Instituut goedgekeurd worden. De oliehoeveelheden vervat in de uitgevoerde tweedehandse voertuigen worden bepaald op basis van een jaarlijkse raming van het door de constructeur uitgevoerde aantal voertuigen.

  Art. 2.4.23. De uitgebreide producentenverantwoordelijkheid is van toepassing op afgewerkte huishoudelijke en andere dan huishoudelijke oliën.

  Onderafdeling 2. - Terugnameplicht

  Art. 2.4.24. § 1. De producent moet gratis de afgewerkte olie terugnemen die aan de distributeurs en de kleinhandelaars werd geleverd.
  Hij bouwt een gratis inzamelnetwerk uit met een voldoende groot aantal inzamelpunten die evenwichtig geografisch verspreid zijn over het Brussels Hoofdstedelijk Gewest.
  § 2. In afwijking van artikel 2.2.3 van deze titel zijn de kleinhandelaars in nieuwe oliën die op een zichtbare plaats in al hun verkooppunten duidelijk leesbare informatie verstrekken over de door de producenten ingerichte inzamelpunten, niet verplicht om de huishoudelijke afgewerkte oliën die hen door een consument worden teruggebracht, te aanvaarden.
  § 3. De producent moet de afgewerkte huishoudelijke olie die ingezameld werd door de publiekrechtelijke rechtspersonen die territoriaal verantwoordelijk zijn voor het beheer van huishoudelijke afvalstoffen, gratis terugnemen en ze in een hiertoe vergunde inrichting laten verwerken.
  § 4. In afwijking op artikel 2.2.3 § 1er, moeten de distributeur en de kleinhandelaar zoals vermeld in huidig artikel, niet de door hen aanvaardde afvalstoffen teruggeven aan de producent.
  § 5. De inzameling van afgewerkte oliën uit beroepsactiviteiten gebeurt door dat de beroepsgebruikers deze toevertrouwen aan vergunde inzamelaars, vergunde inzamelinstallaties of vergunde verwerkingsbedrijven.
  § 6. De producent is verplicht alle afgewerkte oliën afkomstig van de demonteercentra en de centra voor vernietiging en recycling van afgedankte voertuigen terug te nemen.

  Onderafdeling 3. - Verwerking

  Art. 2.4.25. De producent waarborgt dat de afgewerkte oliën bij voorkeur door regeneratie of hergebruik worden gevaloriseerd met inachtneming van de doelstellingen vermeld in artikel 2.4.29.
  De overige afgewerkte oliën worden voor energieterugwinning verwerkt in een hiertoe vergunde installatie.

  Onderafdeling 4. - Financiering

  Art. 2.4.26. § 1. De olieproducenten zijn verantwoordelijk voor de financiering van de inzameling, de verwerking en de recycling van alle afgewerkte oliën.
  Zij dragen ook de kosten van de voorlichtingscampagnes ten behoeve van de consumenten die handelen over de preventie, de inzameling, de verwerking en de recyclage van de afgewerkte oliën.
  De producent draagt de werkelijke en volledige kosten van de inzameling, het sorteren en de verwerking van de afgewerkte oliën n die door de publiekrechtelijke rechtspersonen die territoriaal verantwoordelijk zijn voor het beheer van de huishoudelijke afvalstoffen beheerd worden.
  § 2. De producent betaalt de eventuele kosten, gemaakt in het kader van de in artikel 2.4.24 bedoelde terugname van de afvalstoffen, forfaitair terug aan de gebruikers andere dan huishoudens.
  De producent mag de kosten voor het verstrekken van de voor de rapportage nodige gegevens, terugbetalen aan de inzamelaars, handelaars, makelaars- en/of verwerkingsoperatoren.

  Art. 2.4.27. Als de afgewerkte huishoudelijke oliën die door de publiekrechtelijke rechtspersonen worden ingezameld, besmet zijn met pcb's of andere ongewenste stoffen, worden de extra kosten voor de verwerking van deze vloeistoffen door de producenten gedragen naar rato van de hoeveelheden die zij in de handel brengen en van een door de producenten en het Instituut of de publiekrechtelijke rechtspersonen verantwoordelijk voor het beheer van de huishoudelijke afvalstoffen overeengekomen jaarlijks maximumvolume.
  Er kan een verwerkingsbijdrage van de beroepsgebruiker of de houder van afgewerkte oliën andere dan huishoudelijke geëist worden indien de afgewerkte oliën vermengd zijn met oplosmiddelen, reinigingsproducten, detergenten, antivriesmiddelen, PCB/PCT's, andere brandstoffen of stoffen. De bijdrage blijft beperkt tot de meerkosten voor het beheer.

  Onderafdeling 5. - Doelstellingen

  Art. 2.4.28. De producent moet een inzamelingspercentage van minimaal 90% halen.

  Art. 2.4.29. De producent is verplicht een minimaal percentage van regeneratie, recycling of ander hergebruik van de afgewerkte oliën van 85% te halen.
  De ingezamelde olie moet worden verwerkt om een maximum percentage van 15% te halen voor hoofdgebruik als brandstof of ander middel om energie te produceren.

  Onderafdeling 6. - Rapportage

  Art. 2.4.30. Vóór 31 mei van ieder jaar bezorgt de producent het Instituut, overeenkomstig artikel 2.2.12 en voor het verstreken kalenderjaar, de volgende informatie:
  1° de in kilogram uitgedrukte totale hoeveelheid op in de handel gebrachte oliën, waarbij een onderscheid wordt gemaakt tussen de oliën bestemd voor huishoudens en de oliën voor beroepsgebruikers, volgens een door het Instituut bepaalde opsplitsing;
  2° een raming van de verliezen voortvloeiend uit het gebruik van de olie;
  3° de in kilogram uitgedrukte totale hoeveelheid afgewerkte oliën, ingezameld in het Brussels Hoofdstedelijk Gewest, waarbij het onderscheid gemaakt wordt tussen de oliën bestemd voor huishoudens en de oliën voor beroepsgebruikers, volgens een door het Instituut bepaalde opsplitsing;
  4° de inrichtingen waarin de ingezamelde afgewerkte oliën werden verwerkt en de beschrijving van de verwerkingsmethode;
  5° de in kilogram uitgedrukte totale hoeveelheden afgewerkte oliën die opgenomen werden in de ketens voor respectievelijk regeneratie, overige hergebruiksvormen voor olie en energetische valorisatie;
  6° de in kilogram uitgedrukte totale hoeveelheden basisoliën en andere bestanddelen afkomstig van respectievelijk de regeneratie en de andere vormen van hergebruik van de afgewerkte oliën;
  7° de in kilogram uitgedrukte totale hoeveelheid te verwijderen afvalstoffen uit te verwerking van afgewerkte oliën;
  8° de nodige gegevens voor de beoordeling van de preventieacties en de berekening van de resultatenindicatoren.

  Onderafdeling 7. - Preventie- en beheersplan

  Art. 2.4.31. § 1. De producent draagt bij aan de doeltreffendheid van de inzameling en de verwerking van de afgewerkte oliën, meer in het bijzonder door de garagisten, inzamelbedrijven, vervoerders en verwerkingscentra te sensibiliseren.
  § 2. De producent moet afvalpreventiemaatregelen uitwerken en uitvoeren, met name de ontwikkeling en bevordering van het gebruik van biologisch afbreekbare olie voor open smeersystemen zoals ontkistingsolie, kettingzaagolie en biosmeerolie voor toepassingen met betrekking tot oppervlaktewater.
  § 3. De producent neemt maatregelen om de aflevering van afgewerkte olie op de inzamelpunten te bevorderen en de gebruikers erop te wijzen dat deze olie niet met andere stoffen mag worden gemengd.

  Onderafdeling 8. - Sensibilisering van de consument

  Art. 2.4.32. De producenten verstrekken de consumenten, in het bijzonder door middel van voorlichtingscampagnes, informatie over:
  1. de potentiële effecten van de afgewerkte oliën op het milieu en de menselijke gezondheid;
  2. de wijzen waarop de oliën optimaal gebruikt worden;
  3. het verbod om de afgewerkte oliën met PCB's of andere gevaarlijke afvalstoffen te mengen, om vreemde stoffen aan de afgewerkte oliën toe te voegen of ermee te vermengen;
  4. de inzamelings- en valorisatiesystemen die hen ter beschikking gesteld worden en hun rol bij de valorisatie van de afgewerkte oliën;
  5. de voordelen en mogelijkheden die het gebruik van biologisch afbreekbare oliën hen biedt.

  Afdeling 4. - Afgedankte voertuigen

  Onderafdeling 1. - Definities en toepassingsgebied

  Art. 2.4.33. In deze afdeling zijn de volgende definities van toepassing:
  1° "hergebruiks- en recyclingpercentage": het percentage dat verkregen wordt door het gewicht van de hergebruikte en gerecycleerde onderdelen van de afgedankte voertuigen te delen door het totaalgewicht van de ingezamelde afgedankte voertuigen;
  2° "hergebruiks- en valorisatiepercentage": het percentage dat verkregen wordt door het gewicht van de hergebruikte en gevaloriseerde onderdelen van de afgedankte voertuigen te delen door het totaalgewicht van de ingezamelde afgedankte voertuigen;
  3° "verwerking": elke activiteit die plaatsvindt nadat het afgedankt voertuig is afgeleverd aan een depollutie-, demontage-, snij-, vermalings-, valorisatie-installatie of aan een installatie tot voorbereiding op de verwijdering van de vermalen afvalstoffen, alsook elke andere handeling uitgevoerd met het oog op de valorisatie en/of de verwijdering van het afgedankt voertuig en zijn onderdelen;
  4° "shredder": voorziening om de afgedankte voertuigen in stukken te snijden of te fragmenteren, inclusief om onmiddellijk bruikbaar schroot te verkrijgen;
  5° "voertuig": ieder voertuig in de zin van het besluit van 15 april 2004 betreffende het beheer van afgedankte voertuigen.

  Art. 2.4.34. De uitgebreide producentenverantwoordelijkheid is van toepassing op voertuigen en afgedankte voertuigen, met inbegrip van hun onderdelen en materialen. Voor de producten die krachtens dit besluit aan de uitgebreide producentenverantwoordelijkheid onderworpen zijn en die in de nieuwe voertuigen geïntegreerd zijn wanneer die in de handel worden gebracht, is de constructeur van deze voertuigen de producent.

  Onderafdeling 2. - Terugnameplicht

  Art. 2.4.35. § 1. De eigenaar of houder van een afgedankt voertuig moet zijn afgedankt voertuig naar een terugnamepunt brengen overeenkomstig § 2 van dit artikel.
  § 2. Het net van terugnamepunten telt een voldoende hoog aantal terugnamepunten en is geografisch evenwichtig verdeeld over het Brussels Hoofdstedelijk Gewest.
  Het wordt uitvoerig beschreven in het individuele preventie- en beheersplan, in de erkenningsaanvraag of in de milieuovereenkomst.
  Dat net bestaat uit garages, demontage- en depollutiecentra en uit centra voor de inzameling, sortering of recycling van afgedankte voertuigen, vergund door het Brussels Hoofdstedelijk Gewest.

  Art. 2.4.36. § 1. De kleinhandelaar is verplicht hetzij elk afgedankt voertuig dat hem aangeboden wordt en dat van een merk is dat hij op de markt aanbiedt, gratis terug te nemen, hetzij de houder het vergunde terugnamepunt aan te wijzen wanneer hij niet zelf voor de terugname zorgt.
  De kleinhandelaar is verplicht elk afgedankt voertuig dat hem aangeboden wordt, gratis terug te nemen in geval van aankoop van een vervangingsvoertuig, ongeacht het merk.
  § 2. De kleinhandelaar levert een aanvaardingsbewijs naar het door het Instituut opgestelde model af in ruil voor het afgedankt voertuig, vergezeld van het inschrijvingsbewijs het identificatieplaatje en eventueel het laatste keuringsbewijs. In afwachting van dit model geldt het aankoopborderel of de factuur met vermelding van de terugname als bewijs.

  Art. 2.4.37. De distributeur is ertoe verplicht op eigen kosten, regelmatig en ter plaatse bij de kleinhandelaars alle overeenkomstig artikel 2.4.36 in ontvangst genomen afgedankte voertuigen terug te nemen en aan de producent aan te bieden.

  Art. 2.4.38. § 1. Binnen de drie maanden na de terugname door de kleinhandelaars moet de producent op eigen kosten alle in ontvangst genomen afgedankte voertuigen terugnemen bij de distributeurs of de kleinhandelaars, en ze in een hiertoe geregistreerd demonteercentrum of een geregistreerd centrum voor vernietiging en recycling van afgedankte voertuigen laten verwerken.
  § 2. Een afgedankt voertuig wordt zonder kosten voor de houder en/of de eigenaar ervan teruggenomen voor zover de volgende cumulatieve voorwaarden vervuld zijn:
  1° het afgedankt voertuig bevat alle onderdelen die noodzakelijk zijn voor de werking van een voertuig;
  2° het afgedankt voertuig bevat geen afvalstoffen dat niet eigen is aan het voertuig. Bij gebreke daarvan kunnen kosten gevorderd worden, zonder overschrijding van de kosten gemaakt door de producent wegens niet-inachtneming van genoemde voorwaarden;
  3° het afgedankt voertuig wordt afgeleverd met het inschrijvingsbewijs, het identificatieplaatje en eventueel het laatste keuringsbewijs;
  4° het afgedankt voertuig wordt ingeleverd bij de door de kleinhandelaar of de producent aangegeven terugnamepunten.
  § 3. De producent zet met alle middelen waarover hij beschikt aan tot de aflevering van de afgedankte voertuigen in het net van terugnamepunten waarvan sprake is in artikel 2.4.35.

  Art. 2.4.39. Voor zover dat technisch mogelijk is, stellen de producenten inzamelsystemen ter beschikking voor afgedankte onderdelen die als afvalstoffen te beschouwen zijn en die uit personenauto's worden gehaald tijdens herstellingen.

  Onderafdeling 3. - Verwerking

  Art. 2.4.40. § 1. De verwerking van afgedankte voertuigen wordt geregeld door het besluit van 15 april 2004 betreffende het beheer van afgedankte voertuigen.
  § 2. De producent zorgt ervoor dat, in de mate van het mogelijke, herbruikbare onderdelen worden hergebruikt, dat niet-herbruikbare componenten een nuttige toepassing krijgen en dat de voorkeur wordt gegeven aan recycling.
  § 3. De producenten bezorgen de centra voor de depollutie en ontmanteling van afgedankte voertuigen gratis de informatie die nodig is om de afgedankte voertuigen op correcte en milieuvriendelijke wijze te verwerken. Deze informatie heeft betrekking op de diverse onderdelen en materialen van de voertuigen en de plaats van alle gevaarlijke stoffen, meer in het bijzonder zware metalen, alsook het materieel dat nodig is om ze te verwijderen.
  Deze informatie wordt door de autoconstructeurs en de onderdelenfabrikanten ter beschikking van de vergunde verwerkingscentra gesteld in de vorm van handleidingen of van elektronische bestanden.
  De fabrikanten van voertuigonderdelen verstrekken op verzoek van de centra informatie over de demontage, de opslag en het testen van onderdelen die opnieuw kunnen worden gebruikt, rekening houdend met de vertrouwelijkheid van commerciële en industriële gegevens.
  § 4. De hierna aangegeven voorschriften zijn van toepassing op de aangegeven voertuigonderdelen en materialen.
  1° De batterijen en accu's worden gerecycleerd en gevaloriseerd overeenkomstig de doelstellingen en de bepalingen van afdeling 1 van dit hoofdstuk.
  2° De versleten banden worden gerecycleerd en gevaloriseerd overeenkomstig de doelstellingen en de bepalingen van afdeling 2 van dit hoofdstuk.
  3° De afgewerkte oliën worden gerecycleerd en gevaloriseerd overeenkomstig de doelstellingen en de bepalingen van afdeling 3 van dit hoofdstuk.

  Onderafdeling 4. - Financiering

  Art. 2.4.41. De constructeurs van de voertuigen zijn verantwoordelijk voor de financiering van de inzameling, de verwerking en de recycling van alle afgedankte voertuigen.
  Zij dragen ook de kosten van de voorlichtingscampagnes ten behoeve van de consumenten die handelen over de preventie, de inzameling, de verwerking en de recyclage van de afgedankte voertuigen.

  Onderafdeling 5. - Doelstellingen

  Art. 2.4.42. Wat de verwerking van afgedankte voertuigen betreft, dienen de producenten de volgende doelstellingen bereikt te hebben:
  a) hergebruik- en valorisatiepercentage van 95%;
  b) hergebruik- en recyclingpercentage van 85%.

  Onderafdeling 6. - Rapportage

  Art. 2.4.43. § 1. Vóór 31 mei van ieder jaar bezorgt de producent het Instituut, overeenkomstig artikel 2.2.12 van deze titel en voor het verstreken kalenderjaar, de volgende informatie:
  1° de in kilogram en aantal uitgedrukte totale hoeveelheid afgedankte voertuigen, ingezameld in het kader van de terugnameplicht;
  2° de inrichtingen waar de afgedankte voertuigen worden verwerkt, alsook de verwerkingsresten en de verwerkingsmethoden;
  3° de gegevens die het Instituut nodig heeft voor de beoordeling van het hergebruik van de afgedankte onderdelen die uit de afgedankte voertuigen werden gehaald;
  4° de in kilogram uitgedrukte hoeveelheden afvalstoffen die respectievelijk hergebruikt, gerecycleerd, gevaloriseerd en verwijderd worden, bevestigd door de certificaten van de in 2° bedoelde inrichtingen;
  § 2. Het Instituut kan de kleinhandelaar, de distributeur en de producent verzoeken om alle aanvullende informatie te verstrekken die het nuttig acht om de omschreven doelstellingen te beoordelen overeenkomstig de bepalingen van deze afdeling.
  § 3. De producent kan een globaal rapport opmaken voor alle afvalstromen met betrekking tot de voertuigen die hij in de handel brengt. In dit rapport wordt rekening gehouden met de specifieke verplichtingen voor elk van die stromen.

  Onderafdeling 7. - Preventie- en beheersplan

  Art. 2.4.44. De producenten moeten kwantitatieve en kwalitatieve afvalpreventiemaatregelen uitwerken om de milieuhinder te beperken zonder aan de veiligheid te raken.

  Onderafdeling 8. - Sensibilisering van de consument

  Art. 2.4.45. § 1. De producenten zorgen ervoor, met name via regelmatige voorlichtingscampagnes en sensibiliseringsacties, dat de gebruikers, kleinhandelaars en distributeurs ingelicht worden over de tot stand gebrachte inzamel- en verwerkingssystemen en over de rol die zij bij het beheer van de afgedankte voertuigen te vervullen hebben.
  § 2. Ze zien toe op de doeltreffendheid en de veiligheid van de activiteiten met betrekking tot de inzameling en verwerking van afgedankte voertuigen, met name via sensibiliseringsacties ten behoeve van de operatoren.
  De producenten kunnen globale communicatiemaatregelen vastleggen voor alle stromen in verband met de voertuigen.
  § 3. De producenten verstrekken alle vergunde verwerkingscentra gratis de informatie die zij nodig hebben om de afgedankte voertuigen te verwerken en te depollueren, inclusief de plaats van gevaarlijke stoffen en zware metalen die moeten worden verwijderd, een beschrijving van het noodzakelijke materieel en alle informatie over de gevaarlijke stoffen, en meer in het bijzonder de zware metalen.

  Afdeling 5. - Afgedankte elektrische en elektronische apparatuur

  Onderafdeling 1. - Definities en toepassingsgebied

  Art. 2.4.46. § 1. In deze afdeling zijn de volgende definities van toepassing:
  1° "producent": de producent in de zin van artikel 1.1, § 1, 10°, met uitzondering van punt d) van deze definitie, dat als volgt wordt vervangen: "d) via verkoop op afstand EEA rechtstreeks verkoopt aan particuliere huishoudens of aan andere gebruikers dan particuliere huishoudens in België, en is gevestigd in een andere lidstaat of in een derde land. ".
  2° "grote, niet verplaatsbare industriële installaties": groot geheel van machines, apparatuur en/of onderdelen die samenwerken voor een bepaalde toepassing, op een vaste plaats door vakmensen worden geïnstalleerd of afgebroken en door vakmensen worden gebruikt en onderhouden in een industriële productieomgeving of een centrum voor onderzoek en ontwikkeling;
  3° "grote vaste installatie": een grootschalig samenstel van diverse typen apparaten en eventueel andere hulpmiddelen die:
  I. door vakmensen wordt gemonteerd, geïnstalleerd en afgebroken,
  II. bestemd is voor permanent gebruik als onderdeel van een gebouw of een structuur op een vooraf bepaalde en speciaal daarvoor bestemde plaats, en
  III. uitsluitend door dezelfde speciaal ontworpen apparatuur vervangen kan worden;
  4° "niet voor de weg bestemde mobiele machines": een machine met een interne krachtbron, waarvan de werking ofwel mobiliteit vereist, ofwel permanente of semipermanente beweging tussen een reeks vaste werklocaties tijdens het werk;
  5° "medisch hulpmiddel": een medisch hulpmiddel of hulpstuk l in de zin van artikel 1, § 2, 1° van het Koninklijk Besluit van 18 maart 1999 betreffende de medische hulpmiddelen, dat EEA is;
  6° "medisch hulpmiddel voor in-vitrodiagnostiek": een hulpmiddel of hulpstuk voor in-vitrodiagnostiek in de zin van artikel 1, § 2, 2°, van het Koninklijk Besluit van 14 november 2001 betreffende medische hulpmiddelen voor in-vitrodiagnostiek, dat EEA is;
  7° "actief implanteerbaar medisch hulpmiddel": actief implanteerbaar medisch hulpmiddel in de zin van artikel 1, § 1, tweede lid, 3°, van het Koninklijk Besluit van 15 juli 1997 betreffende de actieve implanteerbare medische hulpmiddelen, dat EEA is;
  8° "zeer klein AEEA": AEEA waarvan de buitenafmetingen kleiner zijn dan of gelijk zijn aan 25 cm.
  § 2. Deze afdeling is van toepassing op AEEA in het Brussels Hoofdstedelijk Gewest, afkomstig van EEA die in de handel gebracht wordt, op de manier die omschreven wordt in dit artikel.
  Tot 14 augustus 2018 moeten de apparaten waarop deze afdeling van toepassing is, worden ingedeeld in de volgende categorieën:
  1. grote huishoudelijke apparaten;
  2. kleine huishoudelijke apparaten;
  3. IT- en telecommunicatieapparatuur;
  4. consumentenapparatuur en fotovoltaïsche zonnepanelen;
  5. verlichtingsapparatuur;
  6. elektrisch en elektronisch gereedschap (uitgezonderd grote, niet-verplaatsbare industriële installaties);
  7. speelgoed, ontspannings- en sportapparatuur;
  8. medische hulpmiddelen (met uitzondering van alle geïmplanteerde of geïnfecteerde producten);
  9. meet- en controle-instrumenten;
  10. automaten.
  Bijlage 1 bevat een indicatieve lijst van EEA die behoort tot de in deze paragraaf vermelde categorieën.
  § 3. Vanaf 15 augustus 2018 zal deze afdeling van toepassing zijn op alle EEA. Die wordt ingedeeld in de volgende categorieën:
  1. warmte- of koude-uitwisselende apparatuur;
  2. schermen, monitors en apparatuur met schermen die een oppervlakte hebben van meer dan 100 cm;
  3. lampen
  4. grote apparatuur;
  5. kleine apparatuur (waarvan alle buitenafmetingen kleiner zijn dan of gelijk zijn aan 50 cm);
  6. kleine IT- en telecommunicatieapparatuur (waarvan alle buitenafmetingen kleiner zijn dan of gelijk zijn aan 50 cm).
  Bijlage 2 bevat een indicatieve lijst van EEA die behoort tot de in deze paragraaf vermelde categorieën.
  § 4. Het stelsel van de uitgebreide producentenverantwoordelijkheid is niet van toepassing op de volgende EEA:
  1. apparatuur die noodzakelijk is voor de bescherming van de wezenlijke belangen van de veiligheid van België, met inbegrip van wapens, munitie en oorlogsmateriaal voor specifieke militaire doeleinden;
  2. apparatuur die specifiek is ontworpen en geïnstalleerd om deel uit te maken van andere apparatuur welke is uitgesloten van of niet onder het toepassingsgebied van dit besluit valt, die haar functie alleen kan vervullen als zij deel uitmaakt van laatstbedoelde apparatuur;
  3. gloeilampen.
  § 5. Vanaf 15 augustus 2018 is het stelsel van de uitgebreide producentenverantwoordelijkheid niet van toepassing op de hierna genoemde EEA, bovenop de uitzonderingen vermeld in paragraaf 4 :
  1. de apparatuur die ontworpen is om de ruimte ingestuurd te worden;
  2. de grote, niet verplaatsbare industriële installaties;
  3. de grote, vaste installaties met uitzondering van apparatuur die niet specifiek is ontworpen en geïnstalleerd wordt als onderdeel van zulke installaties, zoals bijvoorbeeld verlichtingsmateriaal of fotovoltaïsche zonnepanelen;
  4. vervoermiddelen voor personen of goederen, met uitzondering van elektrische tweewielers zonder typegoedkeuring;
  5. niet voor de weg bestemde mobiele machines die uitsluitend beroepsmatig ter beschikking zijn gesteld;
  6. apparatuur die speciaal is ontworpen uitsluitend voor doeleinden van onderzoek en ontwikkeling en die alleen door een bedrijf aan een ander bedrijf ter beschikking wordt gesteld;
  7. medische hulpmiddelen en medische hulpmiddelen voor in-vitrodiagnostiek, wanneer deze hulpmiddelen naar verwachting vóór het einde van hun levensduur infectieus zijn, en actieve implanteerbare medische hulpmiddelen.

  Art. 2.4.47. Deze afdeling geldt onverminderd de voorschriften van de wetgeving inzake veiligheid en gezondheid en inzake chemische producten, met name de verordening (EG) nr. 1907/2006 van het Europees Parlement en de Raad van 18 december 2006 inzake de registratie en beoordeling van en de autorisatie en beperkingen ten aanzien van chemische stoffen (REACH).

  Art. 2.4.48. Deze afdeling heeft tot doel de verwijdering van AEEA in de vorm van ongesorteerde afvalstoffen tot een minimum te beperken, een correcte verwerking van alle ingezamelde AEEA te waarborgen en een hoog niveau van gescheiden inzameling van AEEA te bereiken, met name en bij voorrang voor warmte of koude uitwisselende apparatuur die ozon afbrekende stoffen en gefluoreerde broeikasgassen bevat, kwikhoudende fluorescentielampen, fotovoltaïsche zonnepanelen en kleine elektrische en elektronische apparatuur zoals bedoeld in de categorieën 5 en 6 van bijlage 2.

  Onderafdeling 2. - Terugnameplicht

  Art. 2.4.49.§ 1. De kleinhandelaar dient kosteloos, en op een één-voor-één basis, van de consument alle huishoudelijke AEEA terug te nemen die de consument aanbiedt, voor zover de consument een apparaat met gelijkwaardige functies of met dezelfde functies koopt, en dit ongeacht de verkoopvoorwaarden en de leverings-ophalingswijze van de apparatuur.
  Om de in artikel 2.4.59 omschreven inzamelingsdoelstellingen te bereiken, zorgen de kleinhandelaars met afzonderlijke verkoopruimte voor EEA van minimaal 400 m, gratis voor de terugname van zeer klein AEEA, afgeleverd door de consumenten, en dit zonder verplichting om EEA met dezelfde functies te kopen. De kleinhandelaar plaatst zijn inzamelrecipiënt op een voldoende zichtbare plaats in zijn verkoopruimte of in de onmiddellijke nabijheid ervan.
  De verplichting zoals vermeld in vorige alinea, kan worden opgeheven indien een door het Instituut goedgekeurd onderzoek aantoont dat er goedkopere alternatieven bestaan met dezelfde prestaties op het vlak van de inzameling van klein EEA. Die onderzoeken zijn voor het publiek beschikbaar.
  § 2. De kleinhandelaar bewaart de AEEA zoals hij hem door de consumenten werd afgegeven om hem toe te vertrouwen aan de distributeur of de producent. Hij mag de apparaten niet ontmantelen en/of de verschillende delen ervan niet scheiden, behalve om zijn klanten bij gelegenheid wisselstukken te bezorgen in het kader van een reparatiedienst die hij verstrekt.
  § 3. De distributeur of in voorkomend geval de producent, moet op zijn kosten, regelmatig en ter plaatse bij de kleinhandelaars alle met toepassing van paragraaf 1 teruggenomen AEEA ophalen en deze aan de producent of zijn vertegenwoordiger bezorgen.
  § 4. Huishoudelijk AEEA wordt gratis teruggenomen in de containerparken.
  § 5. De producent moet op zijn kosten regelmatig alle door de kleinhandelaars, distributeurs, ondernemingen met sociaal oogmerk en publiekrechtelijke rechtspersonen verantwoordelijk voor het beheer van huishoudelijke afvalstoffen ingezameld AEEA terugnemen.
  Hij stelt de nodige verpakkingen en andere inzamelingsmiddelen gratis ter beschikking van alle inzamelpunten waarmee een contract is gesloten met het oog op de terugname van de huishoudelijke AEEA. Bij de keuze van de inzamelingsmiddelen wordt onder meer rekening gehouden met de opslagcapaciteit van de kleinhandelaars, distributeurs en containerparken, en wordt gestreefd naar het optimaliseren van de opslagbeveiliging, de voorbereiding op hergebruik en het hergebruik.
  § 6. In afwijking van de paragrafen 1 tot 6 van dit artikel kan de producent, de distributeur of de kleinhandelaar de terugname van huishoudelijke AEEA weigeren indien:
  1° de apparatuur niet alle onderdelen bevat die essentieel zijn voor zijn werking;
  2° de afgedankte apparatuur afvalstoffen bevat vreemd aan het apparaat;
  3° de apparatuur elementen bevat die, ten gevolge van verontreiniging, een risico vormen voor de gezondheid of de veiligheid van zijn personeel. [1 In dit geval kan de producent, de distributeur of de kleinhandelaar de houder van het geweigerde huishoudelijke AEEA alternatieve oplossingen van terugname aanreiken bij inzamelaars, handelaars, makelaars of erkende verwerkingsinrichtingen voor het beheer van gevaarlijke afvalstoffen, conform de regels voorgeschreven door of krachtens de afvalordonnantie.]1
  ----------
  (1)<BESL 2019-06-06/23, art. 2, 003; Inwerkingtreding : 15-08-2019>

  Art. 2.4.50. De producenten staan in voor de inzameling van de professionele AEEA.

  Art. 2.4.51. § 1. De gescheiden ingezamelde AEEA wordt gesorteerd naargelang het om herbruikbare of niet-herbruikbare apparatuur gaat. De producenten geven de centra voor voorbereiding voor hergebruik waarmee zij een overeenkomst tot bepaling van de modaliteiten rond het hergebruik en het voorbereiden voor hergebruik van AEEA hebben gesloten, toegang tot de ingezamelde AEEA.
  Er wordt voorrang gegeven aan het hergebruik en de voorbereiding voor hergebruik van de AEEA als deze apparatuur voldoet aan de criteria voor hergebruik, omschreven in artikel 4.1.2. en in bijlage 4.
  Een model van de overeenkomst met de centra voor voorbereiding voor hergebruik wordt ter goedkeuring voorgelegd aan het Instituut.
  § 2. De publiekrechtelijke rechtspersonen die territoriaal verantwoordelijk zijn voor het beheer van huishoudelijke afvalstoffen, stimuleren het hergebruik en de voorbereiding voor hergebruik van de AEEA, meer in het bijzonder door een overeenkomst te sluiten met één of meer ondernemingen met sociaal oogmerk en met de voorafgaande goedkeuring van de producenten. Deze overeenkomst bevat op zijn minst de bepalingen in verband met de sensibilisering van de consument voor het hergebruik en met de toegang tot het ingezamelde afval. De publiekrechtelijke rechtspersonen voeren voor al het door hen ingezamelde afval een selectie door met het oog op hergebruik.
  § 3. In samenwerking met de publiekrechtelijke rechtspersonen en/of met één of meer ondernemingen met sociaal oogmerk kunnen de producenten aanvullende inzamelkanalen organiseren om de sensibilisering van de consument, de gescheiden inzameling, het hergebruik en de voorbereiding voor hergebruik van AEEA in het Brussels Hoofdstedelijk Gewest te verbeteren.

  Art. 2.4.52. De producent moet ervoor zorgen dat de inzameling en het vervoer van de overeenkomstig deze afdeling gescheiden ingezamelde AEEA, op zodanige wijze plaatsvinden dat de voorbereiding voor hergebruik, de recycling en de inperking van de gevaarlijke stoffen optimaal kunnen verlopen.

  Onderafdeling 3. - Verwerking

  Art. 2.4.53. § 1. De producent moet ervoor zorgen dat de AEEA die hij in het kader van deze afdeling inzamelt, in een hiertoe vergunde inrichting wordt opgeslagen, gesorteerd, nuttig toegepast, gerecycleerd en verwerkt met inachtneming van de voorschriften van titel IV, hoofdstuk 1, van dit besluit.
  § 2. De verwerkingshandelingen mogen ook buiten het Belgisch grondgebied plaatsvinden, mits de overbrenging van het AEEA in overeenstemming is met verordening (EG) nr. 1013/2006.

  Onderafdeling 4. - Financiering

  Art. 2.4.54. § 1. Voor huishoudelijke EEA en die na 13 augustus 2005 in de handel werden gebracht, is elke producent verantwoordelijk voor de inzameling bij de containerparken, de distributeurs of de kleinhandelaars en voor de verwerking van de afvalstoffen van zijn eigen producten.
  § 2. Voor huishoudelijk EEA en die vóór 13 augustus 2005 in de handel werden gebracht ("historische afvalstoffen"), berust het beheer bij één of meer systemen waaraan alle producenten die op de markt aanwezig zijn op het tijdstip waarop de betrokken kosten ontstaan, naar evenredigheid van hun marktaandeel voor de betrokken apparatuur, bijdragen.

  Art. 2.4.55. § 1. De beheerskosten voor de professionele AEEA, afkomstig van producten die vóór 13 augustus 2005 in de handel werden gebracht, worden betaald:
  1° door de producent wanneer de apparatuur vervangen wordt door een gelijkwaardig product of door een product dat dezelfde functies heeft. Ter aanvulling kan de regering beslissen dat de beroepsmatige gebruikers eveneens al deze kosten volledig of gedeeltelijk ten laste moeten nemen;
  2° door de beroepsmatige gebruiker in de overige gevallen.
  § 2. De beheerskosten voor de professionele AEEA van die na 13 augustus 2005 in de handel werd gebracht, zijn ten laste van de producent.
  § 3 De producenten en de gebruikers van professionele AEEA's kunnen overeenkomsten sluiten die in andere financieringsmethoden voorzien.

  Art. 2.4.56. De producenten nemen de nodige maatregelen om ervoor te zorgen dat de juiste mechanismen of procedures worden ingevoerd voor de terugbetaling van de bijdragen van de producenten aan de producenten wanneer de EEA is overgebracht om buiten het Belgisch grondgebied in de handel te brengen.

  Art. 2.4.57. Wanneer een product in de handel wordt gebracht, geeft elke producent een waarborg dat het beheer van alle AEEA zal worden gefinancierd. Deze garantie moet waarborgen dat de handelingen voor de inzameling, verwerking, nuttige toepassing en milieuvriendelijke verwijdering van de huishoudelijke AEEA die naar de inzamelinstallaties wordt gebracht, die betrekking hebben op dit product, gefinancierd zullen worden. Deze waarborg kan de vorm hebben van een bijdrage van de producent aan aangepaste systemen voor de financiering van het beheer van de AEEA, een recyclingverzekering of een geblokkeerde bankrekening.

  Art. 2.4.58. Behoudens uitdrukkelijke afwijkingen goedgekeurd door het Instituut, verstrekken de producenten aan de kleinhandelaars en de distributeurs bij de verkoop van nieuwe producten informatie over de kosten voor de inzameling, de verwerking en de milieuvriendelijke verwijdering, en vermelden zij deze kosten op de factuur.

  Onderafdeling 5. - Doelstellingen

  Art. 2.4.59. De producent wordt geacht de volgende doelstellingen te bereiken met betrekking tot de inzameling van AEEA:
  1° De minimaal ingezamelde hoeveelheid is 4 kilogram AEEA van particuliere huishoudens per inwoner en per jaar;
  2° Vanaf 2016 is het minimale inzamelingspercentage bepaald op 45%, berekend op basis van het totaalgewicht van de op het grondgebied ingezamelde AEEA en uitgedrukt in percentage van het gemiddelde gewicht van de apparatuur die tijdens de voorgaande drie jaar in de handel werd gebracht.
  De producenten zorgen ervoor dat het volume ingezamelde AEEA geleidelijk toeneemt tijdens de periode van 2016 tot 2019, tenzij het inzamelingspercentage dat is vastgelegd in paragraaf 3 reeds is bereikt.
  3° Vanaf 2019 bedraagt het jaarlijks te bereiken minimum- inzamelingspercentage 65% van het gemiddeld gewicht van de EEA die de voorgaande drie jaar in de handel is gebracht of 85% van de hoeveelheid geproduceerde AEEA op het grondgebied, in gewicht.
  De hoeveelheden gemeld door de inzamelaars, handelaars, makelaars en centra voor voorbereiding voor hergebruik, de kennisgevers in de zin van verordening (EG) nr. 1013/2006, die de AEEA buiten de door de producent ter beschikking gestelde inzamelkanalen beheren overeenkomstig de artikelen 4.1.9 tot 4.1.14 worden in rekening gebracht voor het bereiken van de in dit artikel bedoelde doelstellingen.

  Art. 2.4.60. § 1. De producent bereikt de volgende doelstellingen inzake nuttige toepassing, hergebruik en recycling.
  1° Van 13 augustus 2012 tot 14 augustus 2018 zijn de volgende minimumdoelstellingen per categorie van toepassing op de categorieën, vermeld in artikel 2.4.46, § 2:
  a. voor AEEA uit de categorie 1 of 10 van bijlage 1:
  - 85% wordt gevaloriseerd, en
  - 80% wordt voorbereid voor hergebruik en gerecycleerd;
  b. voor AEEA uit de categorie 3 of 4 van bijlage 1:
  - 80% wordt gevaloriseerd, en
  - 70% wordt voorbereid voor hergebruik en gerecycleerd;
  c. voor AEEA A uit de categorie 2, 5, 6, 7, 8 of 9 van bijlage 1:
  - 75% wordt gevaloriseerd, en
  - 55% wordt voorbereid voor hergebruik en gerecycleerd;
  d. voor gasontladingslampen wordt 80% gerecycleerd.
  2° Vanaf 15 augustus 2018 zijn de volgende minimumdoelstellingen per categorie van toepassing op de categorieën, vermeld in artikel 2.4.46, § 3
  a. voor AEEA uit de categorie 1 of 4 van bijlage 2:
  - 85% wordt gevaloriseerd, en
  - 80% wordt voorbereid voor hergebruik en gerecycleerd
  b. voor AEEA uit de categorie 2 van bijlage 2:
  - 80% wordt gevaloriseerd, en
  - 70% wordt voorbereid voor hergebruik en gerecycleerd;
  c. voor AEEA uit de categorie 5 of 6 van bijlage 2:
  - 75% wordt gevaloriseerd, en
  - 55% wordt voorbereid voor hergebruik en gerecycleerd;
  voor AEEA uit de categorie 3 van bijlage 2, wordt 80% gerecycleerd
  § 2. De hergebruiks- en recyclingpercentages van de onderdelen afkomstig van de demontage en de verwerking, weergegeven in de tabel hieronder, moeten bovendien worden bereikt.
  Componenten Recycling
  Ferrometalen 95 %.
  Non-ferrometalen 95 %.
  Kunststoffen 50 %
  Van de kunststoffen wordt 80% gevaloriseerd.
  De batterijen en accu's worden gerecycleerd en gevaloriseerd overeenkomstig de doelstellingen en de bepalingen van hoofdstuk 4, afdeling 1 van deze titel.
  § 3. Of de doelstellingen werden behaald, wordt voor elke categorie berekend door het gewicht van het gevaloriseerde, gerecycleerde of tot hergebruik voorbereidde AEEA, na passende verwerking overeenkomstig artikel 4.1.3 tot 4.1.4 wat nuttige toepassing of recycling betreft, te delen door het geheel van het ingezamelde AEEA afzonderlijk voor deze categorie.
  Voorbereidende activiteiten, waaronder sorteren en opslag voorafgaand aan nuttige toepassing, tellen niet mee voor de verwezenlijking van deze doelstellingen.
  § 4. AEEA die buiten de Unie is uitgevoerd, wordt, bij de narekening of de in deze afdeling bedoelde verplichtingen en doelstellingen bereikt zijn, slechts meegeteld indien de uitvoerder in overeenstemming met Verordeningen (EG) nr. 1013/2006 en (EG) nr. 1418/2007 kan aantonen dat de verwerking gebeurde in omstandigheden die gelijkwaardig zijn aan de voorschriften van dit besluit.
  § 5. Voor de berekening van die doelstellingen moeten de producenten ervoor zorgen dat de AEEA, wordt ingeschreven in registers het gewicht van de AEEA, van zijn onderdelen, materialen of stoffen op het moment dat zij de inzamelinrichtingen verlaten (output) en zij de verwerkingsinrichtingen binnenkomen (input) en verlaten (output), en dat zij de inrichting voor nuttige toepassing of recycling/voorbereiding voor hergebruik binnenkomen (input) en verlaten (output).

  Onderafdeling 6. - Rapportage

  Art. 2.4.61. In het kader van de rapportageverplichtingen bedoeld in artikel 2.2.12 verstrekt de producent het Instituut vóór 31 mei van ieder jaar de volgende gegevens met betrekking tot het vorige jaar:
  1° de totale hoeveelheid EEA, uitgedrukt in kilogram en in eenheden, die in de handel werd gebracht per categorie en per type (huishoudelijk of professioneel);
  2° de totale hoeveelheid AEEA, uitgedrukt in kilogram en in eenheden, per categorie overeenkomstig artikel 2.4.46 en per type (huishoudelijk of professioneel), die werd ingezameld in het Brussels Hoofdstedelijk Gewest in het kader van de uitgebreide producentenverantwoordelijkheid;
  3° de totale hoeveelheid AEEA, onderdelen, materialen of stoffen ervan, uitgedrukt in kilogram en in eenheden, per categorie en per type, die de voorverwerkings- en verwerkingsinstallaties en de inrichtingen voor recycling of nuttige toepassing binnenkwamen (input) en verlieten (output);
  4° de totale hoeveelheid AEEA, uitgedrukt in kilogram en in eenheden, per categorie en per type (huishoudelijk of professioneel), die door de in artikel 2.4.65 bedoelde centra voor voorbereiding voor hergebruik werd voorbereid voor hergebruik;
  5° de totale gevaloriseerde en verwijderde hoeveelheden, per materialenstroom (ferrometalen, non-ferrometalen, kunststoffen, andere), afkomstig van de verwerking van de AEEA, uitgedrukt in kilogram, per categorie en per type (huishoudelijk of professioneel);
  6° de totale hoeveelheid gevaarlijke afvalstoffen per categorie en per type (huishoudelijk of professioneel), uitgedrukt in gewicht en per soort;
  7° een beoordeling van de gemiddelde samenstelling van de apparatuur, inclusief de gebruikte gevaarlijke stoffen en onderdelen;
  8° de lijst van inzamel- en verwerkingsoperatoren en van centra voor voorbereiding voor hergebruik, evenals de verwerkingsmethoden en hun beschrijving, evenwel zonder vertrouwelijke gegevens te vermelden;
  9° de maatregelen die werden genomen om de traceerbaarheid van de verwerkte stromen en de inachtneming van de milieu- en sociale doelstellingen te waarborgen;
  10° de installatie(s) waar de AEEA werd(en) verwerkt alsook de verwerkingsresten en de toegepaste verwerkingsmethode;
  11° de preventiemaatregelen die werden genomen om:
  a) de recycleerbaarheid, de hergebruikbaarheid, de herstelbaarheid, van de in de handel gebrachte producten te verbeteren;
  b) het gebruik van materialen die gevaarlijke stoffen bevatten, te beperken;
  c) productietechnieken te gebruiken die het milieu zo weinig mogelijk belasten;
  d) besparingen van natuurlijke en energiehulpbronnen te bevorderen, zowel bij de productie als bij het gebruik van de apparatuur;
  12° de raming van de hoeveelheid EEA, uitgedrukt in kilogram, die in de loop van het jaar in de handel zal worden gebracht.

  Art. 2.4.62. De producenten bepalen de rapportagemodaliteiten in samenspraak met de andere actoren die aan een rapportageplicht inzake het beheer van de AEEA bedoelde in artikelen 4.1.9 tot 4.1.14 onderworpen zijn. Deze modaliteiten waarborgen de vertrouwelijkheid van de verstrekte gegevens en zorgen er voor dat de bevoegde controle-instanties toegang hebben tot de informatie. De rapportagemodaliteiten worden ter goedkeuring voorgelegd aan het Instituut, dat, op deze basis, een organisatie aanduidt, waaraan de rapportage moet uitgevoerd worden.

  Onderafdeling 7. - Preventie- en beheersplan

  Art. 2.4.63. § 1. In zijn preventie- en beheersplan waarvan sprake is in artikel 2.2.9, moet de producent maatregelen voor de preventie van AEEA, voorbereiding tot hergebruik van AEEA en het hergebruik van EEA uitwerken en ten uitvoer leggen. Die maatregelen beogen meer in het bijzonder de volgende doelstellingen:
  1° het ontwerp van gemakkelijk herstelbare apparatuur en de beschikbaarheid van wisselstukken bevorderen;
  2° gegevens verstrekken die nodig zijn voor de herstelling en het hergebruik van de apparatuur, met name aan de centra voor voorbereiding voor hergebruik, op het eerste verzoek van het (de) betrokken centrum (centra);
  3° de samenstelling van de diverse elementen en materialen van de apparatuur meedelen aan de betrokken actoren, met name wat gevaarlijke stoffen betreft;
  4° de samenwerking inzake voorbereiding voor hergebruik en hergebruik bevorderen met de betrokken operatoren, met name met de ondernemingen met sociaal oogmerk;
  5° een vlotte toegang verlenen tot de potentiële markt van de voor hergebruik geschikte apparatuur om de voorbereiding voor hergebruik en het hergebruik te bevorderen, met name voor de centra voor voorbereiding voor hergebruik van de ondernemingen met sociaal oogmerk.
  § 2. De producent bevordert het ontwerp en de productie van EEA die zich leent voor de demontage, het hergebruik en de nuttige toepassing van de AEEA en van zijn onderdelen en materialen.
  § 3. De producent mag het hergebruik van EEA niet verhinderen door bijzondere ontwerpkenmerken of fabricagetechnieken, tenzij die bijzondere ontwerpkenmerken of fabricagetechnieken doorslaggevende voordelen bieden, bijvoorbeeld wat milieubescherming en/of veiligheid betreft.

  Onderafdeling 8. - Sensibilisering van de consument en van de verwerkingsinrichtingen

  Art. 2.4.64. Via de gebruiksaanwijzing, in het verkooppunt of in het kader van sensibiliseringscampagnes verstrekken de producenten, de distributeurs en de kleinhandelaars de consument de nodige informatie over:
  1° de verplichting om AEEA niet langer samen met het ongesorteerd afval te verwijderen en om deel te nemen aan de gescheiden inzameling van AEEA;
  2° de terugname- en inzamelsystemen die hen ter beschikking worden gesteld, om zo de coördinatie van de informatie over de beschikbare inzamelpunten te bevorderen, ongeacht het de producent dan wel de operator is die ze ter beschikking stelt;
  3° hun rol in het hergebruik, de recycling en de andere vormen van nuttige toepassing van AEEA;
  4° de potentiële effecten van de aanwezigheid van gevaarlijke stoffen in de EEA op het milieu en de menselijke gezondheid;
  5° de betekenis van het symbool dat in bijlage 3 wordt aangegeven.

  Art. 2.4.65. § 1. De producent verstrekt de centra voor voorbereiding voor hergebruik en de verwerkingsinrichtingen, op verzoek en gratis, de informatie over de voorbereiding voor hergebruik en de verwerking van de EEA waarvoor hij verantwoordelijk is.
  Voor elk in de handel gebracht nieuw type EEA stelt de producent kosteloos informatie voor voorbereiding voor hergebruik en verwerking, en wel binnen het jaar nadat zij die in de handel hebben gebracht, ter beschikking van de centra voor voorbereiding voor hergebruik en de verwerkings- en recycling-inrichtingen. Voor zover de centra die de voorbereiding voor hergebruik verrichten en de verwerkings- en recyclinginrichtingen zulks nodig hebben om aan dit besluit te kunnen voldoen, bevat de informatie aanwijzingen over de verschillende onderdelen en materialen van de EEA, de energielabels alsook de plaatsen in de apparatuur waar zich gevaarlijke stoffen en mengsels bevinden.
  De informatie wordt onder andere verstrekt in de vorm van handboeken of via elektronische media.
  De software voor de diagnose en de herinitialisatie van de EEA en zijn updates worden eveneens ter beschikking gesteld door de producenten. De producenten geven toegang tot de wisselstukken.
  § 2. De producenten van EEA organiseren minimaal 2 keer per jaar een overleg met de verwerkingsinrichtingen, de centra voor voorbereiding voor hergebruik en hun federaties om het hergebruik te bevorderen en de recycleerbaarheid van de EEA te verbeteren.

  Onderafdeling 9. - Registratie van de producenten

  Art. 2.4.66.§ 1. Elke producent, met inbegrip van de producenten die EEA leveren door middel van communicatie op afstand, moet ingeschreven zijn in het register dat door de hiertoe aangestelde organisatie ter beschikking wordt gesteld, overeenkomstig artikel 2.4.62. De producenten die EEA leveren door middel van communicatie op afstand zijn geregistreerd door hun gevolmachtigden zoals bedoeld in artikel 2.4.67.
  § 2. Het in paragraaf 1 van dit artikel bedoelde register bevat alle nuttige informatie over de activiteiten van de producent in België, en meer in het bijzonder de volgende gegevens:
  1. naam en adres van de producent of naam en adres van zijn gevolmachtigde als die overeenkomstig dit artikel is aangesteld (postcode en gemeente, straat en nummer, land, telefoon- en faxnummer, e-mailadres en contactpersoon). In het geval van een gevolmachtigde, ook de gegevens van de producent die hij of zij vertegenwoordigt;
  2. nationale identificatiecode van de producent, inclusief Europees of nationaal belastingnummer;
  3. categorie van de EEA, overeenkomstig artikel 2.4.46;
  4. type van EEA (huishoudelijk of bestemd voor andere gebruikers dan de huishoudens);
  5. handelsbenaming van de EEA;
  6. informatie over de wijze waarop de producent zijn verantwoordelijkheden nakomt: door middel van een individuele of een collectieve regeling, inclusief informatie over de financiële waarborgen;
  7. gebruikte verkoopmethode (bijvoorbeeld verkoop op afstand);
  8. verklaring die waarborgt dat de verstrekte informatie strookt met de werkelijkheid.
  [1 § 3. Het register dat wordt beoogd in paragraaf 1 is online beschikbaar en bevat links naar andere nationale registers om de registratie van producenten en gevolmachtigden te vergemakkelijken.]1
  ----------
  (1)<BESL 2019-06-06/23, art. 3, 003; Inwerkingtreding : 15-08-2019>

  Onderafdeling 10. - De gevolmachtigde

  Art. 2.4.67. § 1. De in een andere Lidstaat gevestigde producent mag een in België gevestigde natuurlijke of rechtspersoon aanstellen als gevolmachtigde die moet toezien op de naleving van de verplichtingen die krachtens titels II en IV dit besluit op de producent rusten.
  Iedere producent zoals omschreven in artikel 1.1, § 1, 10° d) en door artikel 2.4.46, § 1, 1° ;gevestigd in een andere Lidstaat, die in België EEA rechtstreeks verkoopt aan de huishoudens en aan andere gebruikers dan de huishoudens, stelt een in België gevestigde natuurlijke of rechtspersoon aan als gevolmachtigde die moet toezien op de naleving van de verplichtingen die krachtens titels II en IV van dit besluit op de producent rusten.
  § 2. De aanstelling van een gevolmachtigde gebeurt via een schriftelijk mandaat. Wanneer het mandaat afloopt, stellen de gevolmachtigde en de producent het Instituut hiervan in kennis binnen de maand die op het einde van het mandaat volgt.
  § 3. Iedere op het grondgebied van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest gevestigde producent die EEA verkoopt in een andere Lidstaat waarin hij niet gevestigd is, stelt in deze Lidstaat een gevolmachtigde aan die moet toezien op de naleving van de verplichtingen die in op het grondgebied van deze Lidstaat op de producent rusten krachtens de geldende wetgeving in die andere Lidstaat.

  TITEL III. - Bepalingen betreffende afvalbeheeroperaties en -operatoren

  HOOFDSTUK 1. - Registratie, erkenning en milieuvergunning gebonden aan afvalbeheeroperaties

  Afdeling 1. - Algemene bepalingen

  Art. 3.1.1. Registratie
  Laat zich registreren volgens de voorwaarden van de ordonnantie milieuvergunningen en de voorwaarden van de huidige titel, de persoon die activiteiten uitoefent als:
  1° vervoerder van afvalstoffen, met uitzondering van de afvalstoffenproducent die zijn eigen afvalstoffen vervoert naar een inzamelinrichting zoals omschreven in artikel 3.5.15. of voor zover zijn vervoerde hoeveelheid afvalstoffen niet groter is dan 500 kg;
  2° inzamelaar, handelaar of makelaar van niet gevaarlijke afvalstoffen.
  De houders van een milieuvergunning voor de verwerking en/of inzameling van niet gevaarlijke afvalstoffen zijn niet onderworpen aan de registratie voor de ophaalactiviteiten die plaats vinden op hun site.

  Art. 3.1.2. Erkenning
  Laat zich erkennen volgens de voorwaarden van de ordonnantie milieuvergunningen en de voorwaarden van de huidige titel, de natuurlijke of rechtspersoon die activiteiten uitoefent als inzamelaar, handelaar of makelaar van gevaarlijke afvalstoffen.
  De houders van een milieuvergunning voor de verwerking en/of inzameling van gevaarlijke afvalstoffen zijn niet onderworpen aan de erkenning voor de ophaalactiviteiten die plaats vinden op hun site.

  Afdeling 2. - Gemeenschappelijke bepalingen voor de registratie-, erkenning- en milieuvergunningsaanvraagprocedures

  Art. 3.1.3. Uitgezonderd de vervoerders, voldoet de aanvrager van een registratie, erkenning of milieuvergunning, vermeld in titel III, aan volgende voorwaarden:
  1° de rechtspersoon:
  - is opgericht in overeenstemming met de wetgeving van een lidstaat van de Europese Economische Ruimte;
  - is ingeschreven in de Kruispuntbank der Ondernemingen of in het handels- of beroepsregister volgens de eisen van het land waar hij gevestigd is;
  - telt onder zijn bestuurders, zaakvoerders of personen die de vennootschap kunnen verbinden enkel personen die niet ontzet zijn uit hun burgerlijke of politieke rechten;
  - telt onder zijn bestuurders, zaakvoerder(s) of personen die de vennootschap kunnen verbinden enkel personen die in de laatste tien jaar niet, bij een definitief vonnis of arrest, veroordeeld zijn voor een misdrijf dat door zijn aard hun beroepsmoraal aantast;
  2° de natuurlijke persoon:
  - is onderdaan van een Lidstaat van de Europese Economische Ruimte;
  - is ingeschreven in de Kruispuntbank der Ondernemingen of in het handels- of beroepsregister volgens de eisen van het land waar hij gevestigd is;
  - is niet ontzet uit zijn burgerlijke of politieke rechten;
  - is in de laatste tien jaar niet, bij een definitief vonnis of arrest, veroordeeld voor een misdrijf dat door zijn aard zijn beroepsmoraal aantast.

  Art. 3.1.4. De registratie-, erkenning- en milieuvergunningsaanvraag en zijn verlenging gebeurt met behulp van formulieren die minstens de inhoud bevat van bijlagen 6, 7, 8 en 9 van dit besluit, alsook met de in het formulier gevraagde bijlagen.
  Het Instituut kan deze formulieren aanpassen aan de technische en wetenschappelijke vooruitgang of aan wijzigingen in de Europese regelgeving.

  Art. 3.1.5. § 1 Het Instituut analyseert of de aanvrager van de registratie, erkenning of milieuvergunning voldoet aan de opgelegde voorwaarden om een registratie, een erkenning of een milieuvergunning te verkrijgen.
  § 2. Het Instituut stelt aan het publiek ter beschikking:
  - een lijst met de geregistreerde en erkende vervoerders, inzamelaars, handelaars en makelaars;
  - een lijst met de geschorste en ingetrokken registraties en erkenningen van vervoerders, inzamelaars, handelaars en makelaars;

  Art. 3.1.6. Het Instituut kan, in het kader van het onderzoek, de voorlegging eisen van aanvullende gegevens en/of documenten waaruit blijkt dat de aanvrager voldoet aan de opgelegde voorwaarden om een registratie of een erkenning te verkrijgen. De aanvrager is ertoe gehouden deze aanvullende gegevens en/of documenten te verstrekken.

  HOOFDSTUK 2. - Vervoerder, vervoer en overbrenging van afvalstoffen

  Afdeling 1. - Vervoerder

  Onderafdeling 1. - Registratie van rechtswege

  Art. 3.2.1. § 1. De vervoerder die in één van de Belgische Gewesten erkend of geregistreerd is krachtens artikel 26 van de richtlijn 2008/98/EG wordt van rechtswege geregistreerd als vervoerder.
  § 2. Wordt van rechtswege geregistreerd als vervoerder, voor het vervoer van afvalstoffen die ontstaan zijn in het kader van zijn activiteit:
  1. de bodemsaneringsaannemer, geregistreerd volgens de ordonnantie bodem;
  2. de koeltechnicus, geregistreerd volgens het besluit van 22 maart 2012 van de Brusselse Hoofdstedelijke Regering inzake de bepaling van de minimumopleidingseisen voor koeltechnici en de registratie van koeltechnische bedrijven en de erkenning van de examencentra;
  3. de verwarmingsinstallateur, geregistreerd volgens het besluit van 3 juni 2010 van de Brusselse Hoofdstedelijke Regering betreffende de voor de verwarmingssystemen van gebouwen geldende EPB-eisen bij hun installatie en tijdens hun uitbatingperiode.

  Onderafdeling 2. - Algemene voorwaarden voor de uitoefening van de activiteit

  Art. 3.2.2. De vervoerder zorgt ervoor dat al het personeel voldoende bekwaam is en over voldoende informatie beschikt om de taken verbonden aan het vervoer van afvalstoffen uit te voeren.

  Art. 3.2.3. De vervoerder werkt in opdracht van een geregistreerde of erkende inzamelaar, handelaar of makelaar of van de afvalstoffenhouder. De bestemming wordt bepaald door de opdrachtgever voor het vervoer.

  Art. 3.2.4. De vervoerder brengt het Instituut onmiddellijk op de hoogte van elke verandering van één van de elementen in het dossier betreffende zijn registratie, onder meer:
  - vervoerde afvalstoffen;
  - naam en adres van de vervoerder.

  Art. 3.2.5. Elke vijf jaar, ten laatste op de verjaardag van de registratie, meldt de vervoerder aan het Instituut of hij de activiteit wil voortzetten. Indien de vervoerder niet gemeld heeft dat hij de activiteit wil voortzetten, of indien hij meldt dat hij zijn activiteiten wil stopzetten, wordt de registratie geschorst of ingetrokken.

  Art. 3.2.6. De vervoerder komt de voorwaarden van de ordonnantie afvalstoffen en haar uitvoeringsbesluiten en de bijzondere voorwaarden betreffende de uitoefening van zijn activiteit na, gedurende de volledige geldigheidsduur van zijn registratie.

  Afdeling 2. - Vervoer

  Art. 3.2.7. § 1. De opdrachtgever voor het vervoer, vervoert de afvalstoffen naar een toegelaten bestemming of zorgt ervoor dat de afvalstoffen naar een toegelaten bestemming worden vervoerd.
  Onder opdrachtgever voor het vervoer wordt verstaan:
  1. elke houder van afvalstoffen andere dan huishoudelijke die zijn afvalstoffen vervoert of die beroep doet op een vervoerder;
  2. elke inzamelaar, handelaar en makelaar.
  § 2. De afvalstoffen worden zodanig verpakt dat verlies van inhoud onmogelijk is en zodanig vervoerd dat elk risico voor het leefmilieu en de gezondheid of de veiligheid van de bevolking en elke verontreiniging als gevolg van het vervoer uitgesloten is.
  § 3. De vervoersmiddelen en de recipiënten voldoen aan volgende voorwaarden:
  1. ze zijn technisch geschikt voor de afvalstoffen die worden vervoerd en beschikken, indien nodig, over de nodige keuringsattesten en certificaten;
  2. ze worden in goede staat van werking gehouden;
  3. ze worden op gepaste wijze in- en uitwendig gereinigd om vermenging van verschillende soorten afvalstoffen te vermijden.
  § 4. De aangeboden gesorteerde afvalstromen zoals vermeld in artikel 3.7.1 worden gescheiden vervoerd.
  § 5. De opdrachtgever voor het vervoer en de vervoerder controleren de zichtbare conformiteit van de afvalstoffen en hun verpakking.
  § 6. De opdrachtgever voor het vervoer schat de risico's van een incident in die, tijdens het vervoer, gevaar kunnen opleveren voor de gezondheid van de mens en nadelige gevolgen hebben voor het milieu en stelt een lijst op van te nemen maatregelen in het geval van een incident.
  § 7. Bij een incident worden onmiddellijk efficiënte maatregelen genomen om de risico's op hinder voor de gezondheid van de mens en voor het milieu te voorkomen en te beperken.

  Art. 3.2.8. Verzekering voor het vervoer en de ophaling van gevaarlijke afvalstoffen
  § 1. Elke inzamelaar, handelaar en makelaar van gevaarlijke afvalstoffen is in het bezit van een geldig verzekeringscontract van het type burgerlijke aansprakelijkheid uitbating dat uitdrukkelijk het vervoer en de ophaling van gevaarlijke afvalstoffen beoogt.
  § 2. Het verzekeringscontract dekt de buitencontractuele burgerlijke aansprakelijkheid voor schade die veroorzaakt wordt aan derden door een ongeval dat zich heeft voorgedaan naar aanleiding van of door de uitoefening van deze activiteiten.
  Het verzekeringscontract dekt minstens de volgende schades :
  1. de lichamelijke schade met inbegrip van overlijden en de daaruit voortkomende immateriële schade;
  2. het verlies van of schade aan eigendom, met inbegrip van de daaruit voortkomende immateriële schade
  3. het inkomstenverlies dat rechtstreeks voortvloeit uit een economisch belang in het gebruik van het milieu, ten gevolge van een aantasting van het milieu, rekening houdend met besparingen en kosten en die het gevolg zijn van een aantasting van het milieu in kwestie;
  4. de kosten van maatregelen tot herstel van het aangetaste milieu, beperkt tot de kosten die effectief worden gemaakt of zullen worden gemaakt;
  5. de reddingskosten zoals bepaald door artikel 106 van de wet van 4 april 2014 betreffende de verzekeringen
  § 3. De hoogte van de dekking wordt zo bepaald dat het verzekeringscontract de schade dekt die veroorzaakt wordt aan derden door een ongeval dat zich heeft voorgedaan naar aanleiding van of door de uitoefening van deze activiteiten en respecteert minstens de volgende dekkingen:
  1. 2.500.000 EUR per schadegeval betreffende gevaarlijke afvalstoffen;
  2. 250.000 EUR per schadegeval betreffende gevaarlijke afvalstoffen waarvoor een terugnamesysteem bestaat in het kader van de uitgebreide producentenverantwoordelijkheid van producten volgens de bepalingen van artikel 26 van de ordonnantie afvalstoffen.
  Wanneer de ingezette vervoersmiddelen een laadvermogen van minder dan 3,5 ton hebben, wordt de hoogte van de dekking in bovenstaande alinea gehalveerd.
  § 4. Het Instituut kan een afwijking op de hoogte van de dekking zoals vereist in paragraaf 3, alinea 1 toestaan op vraag van een natuurlijke of rechtspersoon, indien deze gespecialiseerd is in een categorie afvalstoffen.
  De naar behoren gemotiveerde afwijkingsaanvraag wordt ingediend bij het Instituut uiterlijk een maand voor het vervoer.
  § 5. Het verzekeringscontract bevat de volgende bepalingen:
  1. geen enkele nietigheid, exceptie, of verval tegen benadeelde derden zal worden ingeroepen;
  2. de activiteiten van de vervoerder zijn eveneens gedekt door deze verzekering;
  § 6. In het geval van vervoer over de weg moeten de gebruikte vervoersmiddelen voor het vervoer van gevaarlijke afvalstoffen verzekerd zijn conform de wet van 21 november 1989 betreffende de verplichte aansprakelijkheidsverzekering inzake motorrijtuigen of de in het buitenland bestaande gelijkaardige wetgeving.

  Afdeling 3. - Grensoverschrijdende overbrenging van afvalstoffen

  Art. 3.2.9. Algemene bepalingen
  § 1. Deze bepalingen zijn van toepassing op de overbrenging van afvalstoffen onderworpen aan de bepalingen van de verordening (EG) nr. 1013/2006 en waarvoor het Brussels Hoofdstedelijk Gewest bevoegd is.
  § 2. Het Instituut wordt aangesteld als bevoegde overheid in de zin van artikel 53 van de verordening (EG) nr. 1013/2006.

  Art. 3.2.10. Kennisgeving
  § 1. De administratieve kosten verbonden aan een kennisgeving zoals bepaald in artikel 29 van de verordening (EG) nr. 1013/2006 bedraagt 400 EUR ongeacht of het Brussels Hoofdstedelijk Gewest het gewest van verzending of bestemming is.
  Dit bedrag kan door het Instituut worden aangepast en wordt op haar website gepubliceerd.
  § 2. Het bedrag van de administratieve kosten wordt, vrij van alle bankonkosten, voorafgaand aan het indienen van een kennisgeving overgemaakt op de rekening van het Instituut, met vermelding van het kennisgevingnummer.
  § 3. Deze kennisgeving wordt gedaan door het indienen van onderstaande informatie en documenten:
  1. de aanvullende informatie en documentatie bedoeld in artikel 4.3 van de verordening (EG) nr. 1013/2006 zoals omschreven in punt 1, 2, 3, 4, 5, 6, 7, 8, 9, 10, 12 en 13 van bijlage II, deel 3 van deze verordening;
  2. een afschrift van het contract tussen de kennisgever en de ontvanger, krachtens artikel 4.4 van de verordening (EG) nr. 1013/2006;
  3. de borgsom of gelijkwaardige verzekering, krachtens artikel 4.5 van de verordening (EG) nr. 1013/2006;
  4. het bewijs van betaling van de administratieve kosten zoals vermeld in paragraaf 1.
  § 4. Elke communicatie volgend uit de verplichtingen van de verordening (EG) nr. 1013/2006 gebeurt volgens de bepalingen van artikel 26 van deze verordening en kan door het Instituut nader worden omschreven.
  § 5. Het Instituut stelt aan het publiek een type-inhoud van het kennisgevingdossier ter beschikking.

  Art. 3.2.11. Borgsom
  § 1. Het bedrag van de borgsom of van de gelijkwaardige verzekering wordt bepaald door het Instituut, in overeenstemming met de bepalingen vermeld in artikel 6 van de Verordening (EG) nr. 1013/2006 tenzij anders bepaald volgens artikel 59 van deze verordening.
  § 2. De borgsom of gelijkwaardige verzekering wordt ten voordele van het Instituut ingesteld.

  HOOFDSTUK 3. - Inzamelaar, handelaar en makelaar van niet gevaarlijke afvalstoffen

  Afdeling 1. - Registratieaanvraag

  Art. 3.3.1. De aanvrager van een registratie als inzamelaar, handelaar en makelaar van niet gevaarlijke afvalstoffen, conform de bepalingen van huidige titel, voldoet aan de bepalingen van huidige afdeling.

  Art. 3.3.2. Vakbekwaamheid
  § 1. De inzamelaar, handelaar of makelaar duidt een persoon aan die beschikt over voldoende kennis van de afvalstoffenwetgeving en het afvalstoffenbeheer.
  Er is permanent een persoon ter beschikking die voldoet aan bovenvermelde voorwaarden.
  § 2. De kennis van de afvalstoffenwetgeving en het afvalstoffenbeheer wordt aangetoond met diploma's, certificaten of attesten van een opleiding waaruit de kennis van deze materie blijkt.
  Een afwijking hiervan kan toegestaan worden door het Instituut, indien de aanvrager of zijn afgevaardigde beschikt over het bewijs van gelijkwaardige beroepservaring. Elke aanvraag tot afwijking wordt in de aanvraag gemotiveerd.
  § 3. Het Instituut bepaalt de noodzakelijke elementen die de vormingen moeten omvatten om de nodige kennis van de afvalstoffenwetgeving en het afvalstoffenbeheer aan te tonen.

  Afdeling 2. - Algemene voorwaarden voor de uitoefening van de activiteit

  Art. 3.3.3. Kwaliteitbeheersysteem
  § 1. De inzamelaar, handelaar of makelaar beschikt over een kwaliteitbeheersysteem, gebaseerd op het principe van de zelfcontrole. Het is gedateerd en wordt regelmatig (minimaal één maal per jaar) bijgewerkt aan de actuele omstandigheden van de inrichting of activiteit.
  § 2. In elke vestiging die betrokken is bij de activiteit, is een exemplaar van dit kwaliteitbeheersysteem beschikbaar voor het personeel.
  De personeelsleden belast met het toezicht volgens de bepalingen van artikel 5 van het wetboek van inspectie kunnen het kwaliteitbeheersysteem op elk ogenblik opvragen en inkijken en opleggen om het aan te passen.
  § 3. Het kwaliteitbeheersysteem bevat minimaal de volgende elementen:
  - te respecteren voorwaarden opgelegd door de wetgeving en de erkenning of registratie;
  - een overzichtelijke en volledige handleiding met betrekking tot de uitoefening van de activiteit.
  § 2. Het Instituut stelt een lijst ter beschikking aan het publiek met de in het kwaliteitbeheersysteem op te nemen elementen.

  Art. 3.3.4. De inzamelaar, handelaar of makelaar beschikt steeds over voldoende en gekwalificeerd personeel om doeltreffend in te kunnen staan voor het toezicht op en de controle van de ingezamelde, verhandelde of gemakelde afvalstoffen.
  De inzamelaar, handelaar of makelaar stelt alles in het werk om het personeel voldoende op te leiden en dat het over voldoende informatie beschikt om de specifieke taken verbonden aan het afvalstoffenbeheer uit te voeren.

  Art. 3.3.5. § 1. De inzamelaar, handelaar of makelaar doet beroep op een overeenkomstig huidige titel geregistreerde vervoerder.
  § 2. Hij gaat na dat deze over de technische middelen en opgeleid personeel beschikt om die afvalstoffen te vervoeren in overeenstemming met de ordonnantie afvalstoffen en de uitvoeringsbesluiten ervan.
  § 3. Hij zorgt dat de recipiënten door hun kleur, logo, opschrift of een ander geschikt middel duidelijk identificeerbaar zijn op het ogenblik van de inzameling op de openbare weg.

  Art. 3.3.6. De inzamelaar, handelaar of makelaar, mag enkel de afvalstoffen inzamelen, verhandelen en makelen die vermeld zijn in zijn dossier.

  Art. 3.3.7. De inzamelaar, handelaar of makelaar brengt het Instituut onmiddellijk op de hoogte van elke verandering van één van de elementen in het dossier betreffende zijn registratie, onder meer:
  - de afvalstoffen die hij inzamelt, verhandelt of makelt;
  - de persoon die werd aangeduid conform artikel 3.3.2, § 1;
  - de naam en het adres van de inzamelaar, handelaar of makelaar.

  Art. 3.3.8. Elke vijf jaar, ten laatste op de verjaardag van de registratie, meldt de inzamelaar, handelaar of makelaar of hij de activiteit wil voortzetten.
  Indien hij niet gemeld heeft dat hij de activiteit wil voortzetten, of indien hij meldt dat hij zijn activiteiten wil stopzetten, wordt de registratie geschorst of ingetrokken.

  Art. 3.3.9. De inzamelaar, handelaar of makelaar komt de voorwaarden van de ordonnantie afvalstoffen, evenals de bijzondere voorwaarden betreffende de uitoefening van zijn activiteit, na gedurende de volledige geldigheidsduur van zijn registratie.

  HOOFDSTUK 4. - Inzamelaar, handelaar en makelaar van gevaarlijke afvalstoffen

  Afdeling 1. - Erkenningsaanvraag

  Art. 3.4.1. De aanvrager van een erkenning als inzamelaar, handelaar of makelaar van gevaarlijke afvalstoffen, conform de bepalingen van huidige titel, voldoet aan de bepalingen van huidige afdeling.

  Art. 3.4.2. Vakbekwaamheid
  § 1. De aanvrager is onderworpen aan de verplichtingen van artikel 3.3.2.
  § 2. De aanvrager duidt eveneens een persoon aan die beschikt over voldoende kennis van de eigenschappen en gevaren van de afvalstoffen, van de geschikte verpakking en de bijhorende veiligheidsvoorschriften inclusief tijdens het vervoer.
  Deze persoon is permanent ter beschikking.
  § 3. De kennis van de eigenschappen en gevaren van de afvalstoffen wordt aangetoond met een diploma van het hoger onderwijs of een ermee gelijkgesteld diploma (met inbegrip van buitenlandse diploma's die als gelijkwaardig erkend zijn) waaruit de kennis van deze materie blijkt.
  Een afwijking hiervan kan toegestaan worden door het Instituut, onder meer indien de aanvrager gespecialiseerd is in één enkele categorie afvalstoffen en enkel indien de aanvrager of zijn afgevaardigde beschikt over het bewijs van gelijkwaardige beroepservaring. Elke afwijking wordt in de aanvraag gemotiveerd.

  Art. 3.4.3. Financiële capaciteit
  De aanvrager beschikt over voldoende financiële capaciteit om zijn activiteiten uit te voeren in overeenstemming met de bepalingen van de geldende wetgeving, onder meer de ordonnantie afvalstoffen en de uitvoeringsbesluiten ervan.

  Art. 3.4.4. De erkenning gebeurt voor een maximale termijn van tien jaar. De bevoegde overheid kan, bij een met redenen omklede beslissing, de erkenning voor een kortere periode toekennen.

  Afdeling 2. - Algemene voorwaarden voor de uitoefening van de activiteit

  Art. 3.4.5. Kwaliteitbeheersysteem
  De inzamelaar, handelaar of makelaar is onderworpen aan de verplichtingen van artikel 3.3.3.

  Art. 3.4.6. De inzamelaar, handelaar of makelaar respecteert gedurende de volledige geldigheidsduur van zijn erkenning de voorwaarden van de ordonnantie afvalstoffen en haar uitvoeringsbesluiten en de bijzondere voorwaarden in het besluit tot erkenning.

  Art. 3.4.7. Binnen de acht dagen na het sluiten van de verzekering zoals bepaald in artikel 3.2.8, brengt de inzamelaar, handelaar of makelaar het Instituut hiervan in kennis.
  De inzamelaar, handelaar of makelaar stuurt op de verjaardag van de erkenning een verzekeringsattest aan het Instituut met naast de herhaling van de gedekte risico's en het maximumbedrag van de schadeloosstelling, ook de vermelding van de eventuele wijzigingen in het contract evenals de geldigheidsduur van dit attest.

  Art. 3.4.8. De inzamelaar, handelaar of makelaar beschikt steeds over voldoende en gekwalificeerd personeel om doeltreffend in te kunnen staan voor het toezicht op en de controle van de ingezamelde, verhandelde of gemakelde afvalstoffen.
  De inzamelaar, handelaar of makelaar stelt alles in het werk om het personeel voldoende op te leiden en dat die laatste over voldoende informatie beschikt om de specifieke taken verbonden aan het afvalstoffenbeheer uit te voeren.

  Art. 3.4.9. De inzamelaar, handelaar of makelaar doet beroep op een in het Brussels Hoofdstedelijk Gewest geregistreerde vervoerder. Hij gaat na dat deze over de technische middelen en opgeleid personeel beschikt om die afvalstoffen te vervoeren in overeenstemming met de ordonnantie afvalstoffen en de uitvoeringsbesluiten ervan.

  Art. 3.4.10. De inzamelaar, handelaar of makelaar mag enkel de afvalstoffen zoals opgenomen in zijn erkenning, inzamelen, verhandelen en makelen.

  Art. 3.4.11. Wijziging van de erkenning
  Zonder afbreuk van artikel 76bis van de ordonnantie milieuvergunningen kan de bevoegde overheid, op eigen initiatief de erkenning wijzigen.

  Art. 3.4.12. Schorsing en intrekking van de erkenning
  § 1. De bevoegde overheid kan, te allen tijde, de erkenning schorsen indien de erkenninghouder zijn activiteiten tijdelijk wenst stop te zetten.
  § 2. De bevoegde overheid kan, op verzoek van de erkende inzamelaar, handelaar of makelaar, de erkenning intrekken wanneer de erkenninghouder zijn activiteiten als inzamelaar, handelaar of makelaar stopzet.
  § 3. De bevoegde overheid kan de erkenning intrekken indien van de erkenning niet op aantoonbare wijze gebruik gemaakt werd gedurende twee opeenvolgende jaren.

  HOOFDSTUK 5. - Inrichting voor het inzamelen of verwerken van afvalstoffen

  Afdeling 1. - Milieuvergunningsaanvraag

  Art. 3.5.1. Met het oog op het bekomen van een milieuvergunning, is de inzamel- of verwerkingsinrichting onderworpen aan de voorschriften van huidige afdeling.

  Art. 3.5.2. Vorming van het personeel en aanduiding van een verantwoordelijke "afvalbeheer"
  § 1. De inrichting beschikt over voldoende en gekwalificeerd personeel om doeltreffend in te kunnen staan voor het toezicht op en de controle van de aangevoerde afvalstoffen.
  De uitbater stelt alles in het werk om het personeel voldoende op te leiden en stelt voldoende informatie ter beschikking om de taken verbonden aan het afvalstoffenbeheer uit te voeren.
  § 2. De uitbater duidt een persoon aan die beschikt over voldoende kennis van de afvalstoffenwetgeving en het afvalstoffenbeheer.
  Indien in de inrichting gevaarlijke afvalstoffen worden aanvaard duidt de aanvrager eveneens een persoon aan die beschikt over voldoende kennis van de eigenschappen en gevaren van de afvalstoffen, van de geschikte verpakking en de bijhorende veiligheidsvoorschriften.
  Deze personen die voldoen aan bovenvermelde voorwaarden zijn permanent ter beschikking.
  § 3. Deze kennis wordt aangetoond zoals bepaald in artikel 3.3.2 paragraaf 2 en artikel 3.4.2 paragraaf 3.

  Art. 3.5.3. Financiële capaciteit
  De houder van de milieuvergunning respecteert de bepalingen in artikel 3.4.3.

  Afdeling 2. - Algemene uitbatingsvoorwaarden

  Art. 3.5.4. Kwaliteitbeheersysteem
  § 1. De houder van de milieuvergunning respecteert de bepalingen in artikel 3.3.3, paragrafen 1 en 2.
  § 2. Het kwaliteitbeheersysteem bevat minimaal de volgende elementen:
  1. te respecteren uitbatingvoorwaarden opgelegd door de wetgeving en de milieuvergunning;
  2. een overzichtelijke en volledige handleiding met betrekking tot de uitbating van de inrichting;
  3. een stappenplan om de bepalingen van artikel 22 van de ordonnantie afvalstoffen na te leven.

  Art. 3.5.5. Infrastructuur
  § 1. De inrichting wordt volledig omheind om op doeltreffende wijze te voorkomen dat personen of voertuigen buiten de openingsuren de inrichting kunnen betreden.
  § 2. Tenzij anders bepaald in de milieuvergunning, zijn de installatie en het gebruik van een geijkt weegtoestel met automatische registratie verplicht. De ijking van het weegtoestel gebeurt in overeenstemming met de geldende wetgeving.
  § 3. De inrichting beschikt over de nodige bewegwijzeringen om de afvalstoffen naar de correcte plaats te brengen.

  Art. 3.5.6. Aanvoer, opslag en verwerking van de afvalstoffen
  § 1. De milieuvergunning bepaalt de afvalstoffen die aangevoerd, opgeslagen of verwerkt kunnen worden in de inrichting.
  Enkel de vergunde afvalstoffen en degene die technisch verwerkbaar zijn in de inrichting worden aanvaard in de inrichting. Indien nodig en relevant, worden op regelmatige basis analyses en/of testen op de afvalstoffen gerealiseerd.
  § 2. De aangeboden gesorteerde afvalstromen worden gescheiden beheerd om aan de sorteerverplichting te kunnen voldoen.
  § 3. Verbranding op het terrein van elke afvalstof of materiaal is ten strengste verboden zonder over de nodige toelatingen te beschikken.

  Art. 3.5.7. Toezicht en controle door de uitbater
  § 1. Het aanvaarden, de opslag en de afvoer van afvalstoffen zijn enkel toegelaten onder toezicht van de uitbater of zijn bevoegde afgevaardigde die de nodige voorzorgsmaatregelen neemt om de samenstelling, de oorsprong en de hoeveelheid van de afvalstoffen te controleren. Elke vracht dient minstens visueel geïnspecteerd te worden.
  § 2. De toegang tot de inrichting wordt strikt gereglementeerd door de uitbater.

  Art. 3.5.8. Werkingsuren
  § 1. Geen enkele activiteit gebonden aan de inrichting mag plaatsvinden buiten de werkingsuren zoals bepaald in de milieuvergunning.
  § 2. Buiten de werkingsuren wordt de toegang tot de inrichting vergrendeld.

  Art. 3.5.9. Activiteit
  § 1. De afvalstof wordt rechtstreeks naar de daarvoor bestemde opslag- of verwerkingsplaats gebracht. De toegang tot de inrichting van de voertuigen die de afvalstoffen aanbrengen gebeurt verplicht via het in dienst zijnde weegtoestel.
  § 2. De afvalstof wordt alleen in aangepaste en goed onderhouden recipiënten opgeslagen. Op elk recipiënt is op duidelijk leesbare wijze aangebracht welke afvalstoffen het bevat. De afvalstoffen worden oordeelkundig gestapeld.
  § 3. Afvalstoffen worden niet opgeslagen buiten de inrichting.
  § 4. De opslag van de afvalstoffen gebeurt op een verhard en aangepast bodemoppervlak aflopend naar de riolering.
  § 5. De uitbater treft de nodige schikkingen om bij defect aan de inrichting alle herstellingen zo snel mogelijk uit te voeren. Hij zorgt ervoor dat de nodige reserveonderdelen snel worden bekomen.

  Art. 3.5.10. Trillingen
  De uitbater treft de vereiste schikkingen om te voorkomen dat trillingen inherent aan de uitbating schadelijk zijn voor de stabiliteit van constructies of een bron van ongemak zijn voor de buurt. De trillingen van de installaties worden niet overgedragen op het gebouw of de omgeving. De gedeelten van de installaties die een trillingsbron kunnen zijn, worden daartoe met een trillingdempend systeem uitgerust.

  Art. 3.5.11. Lucht, bodem en water
  § 1. Alle voorzorgen worden genomen om verontreiniging van bodem, lucht of water te voorkomen. Een voldoende hoeveelheid absorberende stoffen is aanwezig in de inrichting, opdat er snel en efficiënt gereageerd kan worden in het geval van een lek of bij morsen.
  § 2. Tenzij anders bepaald in de milieuvergunning, wordt het afvalwater dat ontstaat in de inrichting opgevangen. Het afvalwater wordt steeds op een aangepaste wijze behandeld om daar waar mogelijk opnieuw te worden benut of om in het andere geval te worden geloosd.

  Art. 3.5.12. Netheid van de inrichting
  § 1. De inrichting, inclusief de in- en uitrit en de parkeerruimten, wordt goed onderhouden en regelmatig grondig gereinigd. Het zwerfvuil langsheen de omheining, aan de in- en uitrit en op het terrein wordt regelmatig verwijderd.
  § 2. Alle voorzorgen worden genomen om de buurt geen hinder te bezorgen door geur, stof, modder, lawaai, rook, gassen en andere uitwasemingen en om te vermijden dat insecten of andere schadelijke dieren zich verspreiden. Tijdens de uitbating en bij de aan- en afvoer van afvalstoffen worden alle voorzorgen genomen om de verspreiding van afvalstoffen te voorkomen.
  § 3. De toegang tot de inrichting mag niet worden verhinderd door loslopende dieren tijdens de werkingsuren.

  Art. 3.5.13. Brandpreventie
  De nodige middelen voor preventie, detectie en blussen van brand zijn aanwezig en zijn in perfecte staat van werking. Dit materiaal wordt, in voorkomend geval, voorzien in overleg met de brandweerdiensten.

  Art. 3.5.14. Informatiebord
  Tenzij anders bepaald in de milieuvergunning van de inzamel- of verwerkingsinrichting en behalve in het geval dat in de inrichting uitsluitend afvalstoffen afkomstig van de eigen bedrijfsactiviteiten worden verwerkt, wordt bij de ingang een informatiebord van minstens 1 m grootte aangebracht waarop duidelijk leesbaar volgende vermeldingen voorkomen:
  1. een beschrijving van de activiteiten van de inrichting;
  2. naam, adres, ondernemingsnummer en het telefoonnummer van de uitbater;
  3. vervaldatum van de vergunning: "Vergund tot ...";
  4. normale openingsuren;
  5. bij brand of onheil: telefoonnummer van de brandweerdiensten.

  Afdeling 3. - Bepalingen voor sommige inzamelinrichtingen van afvalstoffen

  Art. 3.5.15. De bepalingen van huidige afdeling zijn enkel van toepassing op de hieronder vermelde inrichtingen gelegen in het Brussels Hoofdstedelijk Gewest die het inzamelen van afvalstoffen als nevenactiviteit uitoefenen:
  1° De inzamelinrichting van afvalstoffen afkomstig van verschillende uitbatingszetels van eenzelfde natuurlijke of rechtspersoon, onder de volgende voorwaarden:
  1. de inrichting en de verschillende uitbatingszetels beschikken over één en hetzelfde ondernemingsnummer;
  2. een lijst wordt bijgehouden van de uitbatingszetels waarvan afvalstoffen ingezameld worden.
  2° De exploitatiezetel van een bouw- en slooponderneming waar afvalstoffen worden ingezameld van eigen werven op voorwaarde dat de opslagplaats van afvalstoffen niet groter is dan 100 m2.
  3° De inzamelinrichting van afvalstoffen afkomstig van verschillende natuurlijke en rechtspersonen die gevestigd zijn op hetzelfde bedrijventerrein, onder de volgende voorwaarden:
  1. de afvalstoffen komen enkel van bureauactiviteiten;
  2. een lijst wordt bijgehouden van de natuurlijke of rechtspersonen waarvan afvalstoffen ingezameld worden.
  4° De inzamelinrichting van afvalstoffen afkomstig van andere afvalstoffenhouders, onder de volgende voorwaarden:
  1. de ingezamelde afvalstoffen zijn van dezelfde soort en afkomstig van een zelfde sector als degene van de inrichting;
  2. de hoeveelheid ingezamelde afvalstoffen bedraagt per afgifte maximaal 500 kg;
  3. een lijst wordt bijgehouden van de natuurlijke of rechtspersonen waarvan afvalstoffen ingezameld worden.
  5° De exploitatiezetel van de kleinhandelaar waar afvalstoffen in het kader van de uitgebreide producentenverantwoordelijkheid, volgens titel II worden teruggenomen. De afvalstoffen worden rechtstreeks aangebracht door de consument.
  6° De exploitatiezetel van de kleinhandelaar waar afvalstoffen worden teruggenomen buiten het kader van de uitgebreide producentenverantwoordelijkheid. De afvalstoffen zijn van gelijke aard als de verkochte producten en worden rechtstreeks aangebracht door de consument.
  7° De bijkomende inzamelinrichting van heel klein AEEA vallend onder artikel 4.1.4 van huidig besluit.

  Art. 3.5.16. § 1. Onverminderd de verplichting een toelating te verkrijgen voor de opslagplaats van afvalstoffen, is de inrichting vallend onder deze afdeling vrijgesteld van de verplichting tot het verkrijgen van een toelating als een inrichting voor het inzamelen van afvalstoffen.
  § 2. Deze inrichting is niet onderworpen aan de bepalingen van afdelingen 1 en 2 van dit hoofdstuk.

  Art. 3.5.17. De afvalstoffen ingezameld in een inrichting zoals bedoeld in deze afdeling mogen niet worden vervoerd naar een andere inrichting vallend onder deze afdeling.

  HOOFDSTUK 6. - Einde-afvalfase

  Art. 3.6.1. Bekomen van einde-afvalfase binnen een geklasseerde inrichting
  § 1. De uitbater van een inrichting die de einde-afvalfase heeft bekomen voor een stroom in overeenstemming met artikel 9 § 1 van de ordonnantie afvalstoffen, meldt dit aan het Instituut.
  § 2. De uitbater van een inrichting voor nuttige toepassing van afvalstoffen die de einde-afvalfase wil bekomen voor bepaalde afvalstoffen conform artikel 9. § 3.3° van de ordonnantie afvalstoffen, voldoet aan de vereisten vastgelegd door kader VI van bijlage 9.
  § 3. Het Instituut stelt een lijst ter beschikking op haar website van de inrichtingen die de einde-afvalfase hebben bekomen volgens § 1 en § 2.

  Art. 3.6.2. Gebruik van valoriseerbare materialen
  § 1. Het gebruik van valoriseerbare materialen is onderworpen aan een toelating voor de rubriek 178, volgens het besluit van de Brusselse Hoofdstedelijke Regering van 4 maart 1999 tot vaststelling van de lijst van de inrichtingen van klasse IB, 1C, 1D, II en III in uitvoering van artikel 4 van de ordonnantie van 5 juni 1997 betreffende de milieuvergunningen.
  § 2. De valoriseerbare materialen zijn niet langer afvalstoffen op de site waarvoor de toelating vermeld in paragraaf 1 bekomen werd en voor het vervoer naar de site.
  § 3. De aanvraag gebeurt met behulp van het formulier waarvan de inhoud is vastgelegd in bijlage 10.
  Het Instituut kan dit formulier aanpassen aan de technische en wetenschappelijke vooruitgang of aan wijzigingen in de Europese regelgeving.
  § 4. De minister kan een lijst opstellen met de stromen afvalstoffen waarvoor de toelating volgens artikel 3.6.2. § 1 niet noodzakelijk is en het Instituut publiceert deze op haar website.

  HOOFDSTUK 7. - Gescheiden inzameling van afvalstoffen andere dan huishoudelijke

  Art. 3.7.1. § 1. Conform artikel 19 van de ordonnantie afvalstoffen sorteert de afvalstoffenhouder van andere dan huishoudelijke afvalstoffen de volgende stromen:
  1. plastic flessen en flacons, metalen verpakkingen en drankkartons (PMD): plastic flessen en flacons van frisdranken, water, melk, detergenten en verzorgingsproducten, metalen dozen (blikjes) van bier, frisdranken en water, conservendozen, aluminium schotels en schaaltjes, kroonkurken, metalen deksels, schroefdoppen van flessen en bokalen en drankkartons, leeg en proper;
  2. papier en karton, droog en proper, zoals verpakkingen die volledig bestaan uit papier en uit karton, kranten, tijdschriften, reclamefolders, schrijfpapier, papier voor fotokopieerapparaat, computerpapier, boeken, telefoonboeken;
  3. afvalstoffen van kleurloos en gekleurd verpakkingsglas;
  4. plantenafval afkomstig van het onderhoud van groenzones en tuinen: gras- en bladafval, snoeihout van bomen en struiken, beplantingsresten en takken;
  5. gevaarlijke afvalstoffen;
  6. afvalstoffen die selectief ingezameld moeten worden in het kader van de uitgebreide producentenverantwoordelijkheid conform titel II van dit besluit en de afvalstoffen bedoeld in hoofdstuk 2 van titel IV.
  § 2. De afvalstoffenhouder sorteert de afvalstoffen opgenomen in hoofdstuk 17 van de lijst van afvalstoffen of vervoert ze of laat ze vervoeren naar een toegelaten verwerkingsinrichting voor uitsortering.
  § 3. De houder van afvalstoffen geproduceerd op bouw- en afbraakwerven die niet meldings- of milieuvergunningsplichtig zijn in de zin van de ordonnantie milieuvergunningen, is niet onderworpen aan de bepalingen van § 1 met uitzondering van de sortering van de gevaarlijke afvalstoffen.
  § 4. De houder van afvalstoffen die aan boord van voertuigen, treinen, vliegtuigen en schepen zijn ontstaan, is niet onderworpen aan de bepalingen van § 1 met uitzondering van de sortering van de gevaarlijke afvalstoffen.

  Art. 3.7.2. De verschillende afvalstromen bedoeld in artikel 3.7.1. § 1 en ingezameld in het Brussels Hoofdstedelijk Gewest, mogen in dezelfde container verzameld worden voor zover deze stromen van elkaar gescheiden worden in verschillende houders.

  HOOFDSTUK 8. - Verbranding van afvalstoffen

  Afdeling 1. - Het energetisch rendement

  Art. 3.8.1. De waarde van de energie-efficiëntieformule, zoals bedoeld in voetnoot (*) van bijlage II van de ordonnantie afvalstoffen wordt vermenigvuldigd met een klimaatcorrectiefactor (CCF), zoals bepaald in bijlage 11.

  Afdeling 2. [1 - Belasting op het verbranden van afvalstoffen]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij BESL 2019-04-25/24, art. 1, 002; Inwerkingtreding : 30-05-2019>
  

  Onderafdeling 1. [1 - Definities]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij BESL 2019-04-25/24, art. 1, 002; Inwerkingtreding : 30-05-2019>
  

  Art. 3.8.2. [1 Voor de toepassing van deze afdeling wordt verstaan onder:
   1° ordonnantie van 21 december 2012: de ordonnantie van 21 december 2012 tot vaststelling van de fiscale procedure in het Brussels Hoofdstedelijk Gewest;
   2° Agentschap: Gewestelijk Agentschap voor Netheid, opgericht door de ordonnantie van 19 juli 1990 houdende oprichting van het Gewestelijk Agentschap voor Netheid;
   3° ontvanger: de rekenplichtige van ontvangsten belast met fiscale zaken;
   4° afvalstoffen uit de gezondheidszorg: afval afkomstig van activiteiten inzake gezondheidszorg in de zin van het besluit van de Regering van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest van 23 maart 1994 betreffende het beheer van afvalstoffen afkomstig van activiteiten in de gezondheidszorg.]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij BESL 2019-04-25/24, art. 1, 002; Inwerkingtreding : 30-05-2019>
  

  Art. 3.8.3. [1 De ambtenaren die worden bedoeld in artikel 44, § 1, 3de lid van de ordonnantie afvalstoffen, in de artikelen 7 en 9 van de ordonnantie van 21 december 2012, die respectievelijk belast zijn met het bezorgen, de ontvangst en het nazicht van de aangifte en in voorkomend geval met het overgaan tot ambtshalve heffing in het kader van de belasting bedoeld in de artikelen 40 en 41 van de ordonnantie afvalstoffen, zijn de leidende ambtenaren van Leefmilieu Brussel.
   § 2. De gegevens van de contactpersoon van de betrokken ondernemingen die door de in § 1 betreffende ambtenaren verwerkt moeten worden:
   1° naam en voornaam;
   2° de taal;
   3° het telefoonnummer;
   4° de faxnummer, wanneer bestaande;
   5° het mailadres, wanneer bestaande;
   6° het adres van de onderneming;
   7° de functie.
   Deze gegevens worden gedurende 5 jaar bewaard vanaf ontvangst door de in § 1 betreffende ambtenaren.]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij BESL 2019-04-25/24, art. 1, 002; Inwerkingtreding : 30-05-2019>
  

  Art. 3.8.4. [1 § 1. Het model van aangifteformulier bedoeld in artikel 40, 2de lid van de ordonnantie afvalstoffen wordt vastgesteld:
   1° in bijlage 13 van dit besluit voor wat betreft de afvalstoffen verbrand in het Brussels Hoofdstedelijk Gewest;
   2° in bijlage 14 van dit besluit voor wat betreft de afvalstoffen verbrand buiten het Brussels Hoofdstedelijk Gewest.
   § 2. Het model van aangifteformulier bedoeld in artikel 41, § 1, 3de lid van de ordonnantie afvalstoffen wordt vastgesteld in bijlage 17 van dit besluit.
   Het formulier wordt ingevuld rekening houdende met de inhoud van de bijlagen 15 en 16.
   § 3. Het aangifteformulier bedoeld in artikel 41 van de ordonnantie afvalstoffen dat aan de belastingplichtige verzonden wordt, geeft de gegevens voor de vakjes C, D en E weer, voor zover Leefmilieu Brussel over volledige gegevens beschikt. In bijlage van het aangifteformulier voegt Leefmilieu Brussel de informatie per subcategorie (C1, C2, ..., D1, D2, ... en E1, E2 ...) die toeliet om de berekeningen van de globale tonnages C, D en E te bekomen. Leefmilieu Brussel duidt de gegevens aan waarover het bij de verzending van de aangifte niet beschikt.
   Indien het detail van de informatie in subcategorieën kan uitmonden in het onthullen van vertrouwelijke informatie die een legitiem economisch belang beschermt, dan wordt Leefmilieu Brussel ontslaan van het gedetailleerd weergeven van de hoeveelheden per subcategorieën.
   § 4. Indien een afvalstroom die in de referenties C1, C2, ..., D1, D2, ... en E1, E2.... opgenomen is, uit afzonderlijk ingezamelde onderstromen samengesteld is, duidt Leefmilieu Brussel de opgenomen onderstromen aan zonder echter het gewicht ervan te vermelden.
   § 5. Voor de tonnage die in F opgenomen is, wordt het jaar waarmee de gegevens overeenkomen, aangeduid.]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij BESL 2019-04-25/24, art. 1, 002; Inwerkingtreding : 30-05-2019>
  

  Art. 3.8.5. [1 § 1. De ingevulde en ondertekende aangiften moeten door de belastingplichtige naar Leefmilieu Brussel worden gestuurd binnen de vijfenveertig dagen nadat ze hem werden ter beschikking gesteld wat de belastingen betreft die worden bedoeld in de artikelen 40 en 41 van de ordonnantie afvalstoffen.
   Leefmilieu Brussel bevestigt de ontvangst van de aangifte binnen de tien dagen na de ontvangst ervan.
   § 2. De belastingplichtigen die op 1 juli van het jaar volgend op het belastingjaar nog geen aangifteformulier hebben ontvangen, dienen er zelf een aan te vragen voor 1 augustus van het jaar volgend op het belastingjaar.
   Indien de belastingplichtige deze verplichting niet naleeft, kan worden overgegaan tot een ambtshalve heffing volgens de procedure zoals omschreven in artikel 9 van de ordonnantie van 21 december 2012.
   § 3. De minister kan tegen de voorwaarden die hij vaststelt toestaan dat de aangiften en de documenten of inlichtingen waarvan het overleggen door het model wordt vereist, geheel of gedeeltelijk elektronisch worden ingediend.]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij BESL 2019-04-25/24, art. 1, 002; Inwerkingtreding : 30-05-2019>
  

  Art. 3.8.6. [1 De ambtenaren bedoeld in artikel 3.8.3 berekenen het bedrag van de belasting en sturen aan de ambtenaar bedoeld in artikel 3.8.7 voor elke aangifte of ambtshalve gevestigde belasting de informatie bedoeld in artikel 10, § 2 van de ordonnantie van 21 december 2012, uiterlijk op 15 september van het jaar dat volgt op het belastingjaar of, in geval van ambtshalve heffing, uiterlijk op 15 september van het derde jaar dat volgt op het belastingjaar waarvoor de belasting verschuldigd is.]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij BESL 2019-04-25/24, art. 1, 002; Inwerkingtreding : 30-05-2019>
  

  Onderafdeling 2. [1 - Kohieren]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij BESL 2019-04-25/24, art. 1, 002; Inwerkingtreding : 30-05-2019>
  

  Art. 3.8.7. [1 § 1. De kohieren bedoeld in artikel 10 van de ordonnantie van 21 december 2012 worden, bij toepassing van artikel 44 van de ordonnantie afvalstoffen in het kader van de belastingen voorzien in de artikelen 40 en 41 van de ordonnantie afvalstoffen, vastgesteld en uitvoerbaar verklaard door de directeur van de Directie Inkohiering van de Gewestelijke Overheidsdienst Brussel Fiscaliteit.
   § 2. Indien de functie van directeur van de Directie Inkohiering niet is ingevuld worden zijn bevoegdheden uitgeoefend door de eerste attaché of de attaché met de hoogste dienstanciënniteit binnen die Directie.
   Bij afwezigheid van de directeur van de Directie Inkohiering worden zijn bevoegdheden uitgeoefend door de eerste attaché of de attaché met de hoogste dienstanciënniteit binnen die Directie.]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij BESL 2019-04-25/24, art. 1, 002; Inwerkingtreding : 30-05-2019>
  

  Onderafdeling 3. [1 - Inning en invordering]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij BESL 2019-04-25/24, art. 1, 002; Inwerkingtreding : 30-05-2019>
  

  Art. 3.8.8. [1 De belasting moet aan de ontvanger worden betaald door storting of overschrijving op de lopende rekening van de ontvanger.
   De belasting waarvan de betaling, met toepassing van artikel 16 van de ordonnantie van 21 december 2012, wordt vervolgd door een gerechtsdeurwaarder, kan worden betaald in handen van deze gerechtsdeurwaarder.]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij BESL 2019-04-25/24, art. 1, 002; Inwerkingtreding : 30-05-2019>
  

  Art. 3.8.9. [1 De betaling van de belasting heeft uitwerking op de datum van het rekeninguittreksel van de ontvanger waarin de betaling werd gecrediteerd.]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij BESL 2019-04-25/24, art. 1, 002; Inwerkingtreding : 30-05-2019>
  

  Art. 3.8.10. [1 § 1. De ontvanger is, in toepassing van artikel 44 van de ordonnantie van 14 juni 2012 in het kader van de belastingen voorzien in de artikelen 40 en 41 van de ordonnantie afvalstoffen, belast met de invordering van de gewestbelasting bedoeld in artikel 15 van de ordonnantie van 21 december 2012. Hij is bevoegd om het dwangbevel waarin het bovenvermelde artikel voorziet uit te vaardigen, te viseren en uitvoerbaar te verklaren, overeenkomstig artikel 15, § 1, van de ordonnantie van 21 december 2012.
   § 2. Bij afwezigheid van de ontvanger worden de bevoegdheden die in de vorige paragraaf worden bedoeld uitgeoefend door de plaatsvervangende rekenplichtige van ontvangsten belast met fiscale zaken.]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij BESL 2019-04-25/24, art. 1, 002; Inwerkingtreding : 30-05-2019>
  

  Onderafdeling 4. [1 - Oplossing van moeilijkheden]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij BESL 2019-04-25/24, art. 1, 002; Inwerkingtreding : 30-05-2019>
  

  Art. 3.8.11. [1 § 1. De directeur-generaal van de Gewestelijke Overheidsdienst Brussel Fiscaliteit is, in toepassing van artikel 44 van de ordonnantie afvalstoffen in het kader van de belastingen voorzien in de artikelen 40 en 41 van de ordonnantie afvalstoffen, bevoegd voor het oplossen van de moeilijkheden die kunnen rijzen met betrekking tot de inning van de belastingen, zoals bepaald door artikel 23 van de ordonnantie van 21 december 2012.
   § 2. Indien de functie van directeur-generaal van de Gewestelijke Overheidsdienst Brussel Fiscaliteit niet is ingevuld worden de bevoegdheden die aan deze ambtenaar worden verleend, uitgeoefend door de adjunct-directeur-generaal van de Gewestelijke Overheidsdienst Brussel Fiscaliteit.
   Bij afwezigheid van de directeur-generaal van de Gewestelijke Overheidsdienst Brussel Fiscaliteit worden de bevoegdheden die aan deze ambtenaar worden verleend, uitgeoefend door de adjunct-directeur-generaal van de Gewestelijke Overheidsdienst Brussel Fiscaliteit.]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij BESL 2019-04-25/24, art. 1, 002; Inwerkingtreding : 30-05-2019>
  

  Art. 3.8.12. [1 § 1. De schriftelijke bezwaren, zoals bedoeld in artikel 23/1 van de ordonnantie van 21 december 2012 moeten worden ingediend bij de directeur-generaal van de Gewestelijke Overheidsdienst Brussel Fiscaliteit, in toepassing van artikel 44 van de ordonnantie afvalstoffen in het kader van de belastingen voorzien in de artikelen 40 en 41 van de ordonnantie afvalstoffen.
   § 2. Indien de functie van directeur-generaal van de Gewestelijke Overheidsdienst Brussel Fiscaliteit niet is ingevuld, worden de bevoegdheden die aan deze ambtenaar worden verleend, uitgeoefend door de adjunct-directeur-generaal van de Gewestelijke Overheidsdienst Brussel Fiscaliteit.
   Bij afwezigheid van de directeur-generaal van de Gewestelijke Overheidsdienst Brussel Fiscaliteit worden de bevoegdheden die aan deze ambtenaar worden verleend, uitgeoefend door de adjunct-directeur-generaal van de Gewestelijke Overheidsdienst Brussel Fiscaliteit.]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij BESL 2019-04-25/24, art. 1, 002; Inwerkingtreding : 30-05-2019>
  

  TITEL IV. - Bepalingen betreffende bepaalde afvalstromen

  HOOFDSTUK 1. - Afgedankte elektrische en electronische apparatuur

  Afdeling 1. - Definities

  Art. 4.1.1. § 1. In dit hoofdstuk is de volgende definitie van toepassing.
  "Afzondering": manuele, mecanische, chemische of metallurgische behandeling die ervoor zorgt dat gevaarlijke stoffen, mengsels en onderdelen tijdens het verwerkingsproces in een identificeerbare stroom of als identificeerbaar deel van een stroom zijn afgescheiden. Stoffen, mengsels of onderdelen zijn identificeerbaar als zij kunnen worden gemonitord om te verifiëren of zij worden verwerkt op een wijze die veilig is voor het milieu.
  § 2. Voorts zijn de bij artikel 1.1 en 2.4.46 definities van "producent", "kleinhandelaar", "distributeur", "erkend organisme" en "beheersorganisme" van toepassing op dit hoofdstuk.

  Afdeling 2. - De handelingen voor het beheer van AEEA

  Onderafdeling 1. - Voorbereiding voor hergebruik en hergebruik.

  Art. 4.1.2. § 1. Er wordt voorrang gegeven aan het hergebruik van gebruikte EEA en aan de voorbereiding voor hergebruik van AEEA.
  § 2. Voor het hergebruik van gebruikte EEA zijn de volgende regels van toepassing :
  1. Wat de huishoudelijke EEA betreft, is het hergebruik van schermen met kathodestraalbuizen (CRT) verboden.
  2. Het hergebruik van een apparaat is alleen toegestaan als de behuizing volledig is en als alle essentiële onderdelen aanwezig en in goede staat zijn.
  § 3. Voor de voorbereiding tot hergebruik van AEEA, zijn de volgende regels van toepassing :
  1. De voorbereiding voor hergebruik van een apparaat dat CFK's of HCFK's bevat zoals vermeld in verordening (EG) nr. 1005/2009 van het Europees parlement en de raad van 16 september 2009 betreffende de ozonlaag afbrekende stoffen, is verboden. De gebruikte koelgassen staan steeds vermeld op het koel- of vriesapparaat die CFK's of HCFK's bevatten. Als de gebruikte koelgassen niet vermeld staan op het koel- of vriesapparaat wordt er van uitgegaan dat het koel- of vriesapparaat CFK's of HCFK's bevat.
  2. AEEA mag alleen voor hergebruik worden voorbereid als er een reguliere markt voor het betrokken apparaat bestaat.
  3. De door auteursrechten beschermde software waarvoor er geen licentie is, wordt gewist.
  4. De elektrische veiligheid van elk apparaat wordt getest. Deze test omvat, indien van toepassing, een isolatiemeting, een aardingsmeting en een kortsluitingscontrole. Alleen apparaten die elektrisch veilig zijn, mogen hergebruikt worden.
  5. De functionaliteit van alle apparaten moet getest worden. Alleen apparaten die volledig functioneel zijn, mogen hergebruikt worden. Een apparaat is volledig functioneel als de test aantoont dat het zijn oorspronkelijke functies nog volledig kan vervullen.
  De specifieke functionaliteitsregels, vastgesteld in bijlage 4, zijn van toepassing op alle apparaten die erin vermeld worden.
  § 4. Elk apparaat dat werd klaargemaakt met het oog op hergebruik beschikt over een etiket en een fiche voor hergebruik dat voldoet aan de verplichtingen bepaald in deze paragraaf.
  Het etiket bevat de unieke identificatiecode van hetapparaat en de naam van het centrum voor voorbereiding voor hergebruik. Het etiket wordt stevig op het apparaat bevestigd en is zichtbaar en leesbaar.
  De hergebruiksfiche bevestigt dat het apparaat voldoet aan de diverse criteria voor hergebruik die worden vastgelegd door deze onderafdeling.
  De fiche vermeldt minimaal:
  1° de naam van het centrum voor voorbereiding voor hergebruik waar de apparatuur werd voorbereid voor hergebruik;
  2° de unieke identificatiecode van het apparaat;
  3° de benaming van het apparaat;
  4° de categorie van het apparaat in de zin van artikel 2.4.46;
  5° het resultaat van de uitgevoerde tests en de datum waarop ze plaatsvonden.
  De hergebruikfiche kan de vorm aannemen van een papieren fiche, een digitale fiche, of een registratie in een database.
  Voor elk apparaat dat voorbereid werd voor hergebruik, moet de hergebruikfiche onmiddellijk ter beschikking gesteld kunnen worden van de instanties die gemachtigd zijn om controles uit te voeren, inclusief tijdens het vervoer.
  De hergebruikfiche wordt gedurende ten minste vijf jaar bewaard door het centrum voor voorbereiding voor hergebruik.
  § 5. De apparaten bestemd voor hergebruik worden doeltreffend beschermd tegen beschadiging tijdens het vervoer, meer in het bijzonder door middel van een afdoende verpakking en een oordeelkundige stapeling van de lading.
  § 6. Dit artikel is niet van toepassing als gebruikte EEA worden overgebracht overeenkomstig artikel 4.1.6. § 3 a, b en c.

  Onderafdeling 2. - Inzameling en verwerking

  Art. 4.1.3. § 1. Gescheiden ingezamelde AEEA die nog niet overeenkomstig de bepalingen van deze afdeling werd verwerkt, mag niet worden verwijderd.
  § 2. De inzameling en het vervoer van gescheiden ingezamelde AEEA gebeuren op zodanige wijze dat de voorbereiding voor hergebruik, de recycling en de inperking van de gevaarlijke stoffen optimaal kunnen verlopen.
  § 3. AEEA wordt op droge plaatsen ingezameld. Koelkasten en diepvriezers worden manueel verplaatst, waarbij beschadiging en wegvloeiing van de vloeistoffen en gassen wordt vermeden. Ze worden zodanig opgeslagen dat hun koelsysteem niet beschadigd wordt. Beeldschermen worden zodanig ingezameld dat ze bij het verlaten van de opslagplaats onbeschadigd zijn.
  § 4. Voor gescheiden ingezamelde AEEA wordt een voorselectie doorgevoerd om apparaten die zichtbaar niet in aanmerking komen voor hergebruik, te weren.
  De volgende elementen worden in aanmerking genomen:
  1. slechte algemene staat van het apparaat;
  2. aanzienlijke esthetische schade (bv. deuken, barsten, gaten enz.);
  3. wat de huishoudelijke AEEA betreft: CRT-beeldscherm.
  Deze voorselectie kan worden uitgevoerd op de plaats waar de AEEA wordt ingezameld.

  Art. 4.1.4. § 1. Met inachtname van de verplichtingen van paragrafen 2 tot 5 van huidig artikel kan de vergunde inzamelaar, handelaar of makelaar bijkomende inzamelingen organiseren van heel kleine AEEA, met uitzondering van lampen en rookmelders, op bijkomende inzamelinrichtingen. De producent kan ook bijkomende inzamelingen organiseren voor zover hij beroep doet op een vergunde inzamelaar.
  § 2. Voor de bijkomende inzamelingen van heel kleine AEEA, zijn de volgende voorwaarden van toepassing:
  1. De naam van de inzamelaar, handelaar en makelaar, of de producent is aangeduid op het inzamelrecipiënt ;
  2. De inzamelrecipiënten bevinden zich op een veilige en bewaakte plaats ;
  3. De ingezamelde AEEA wordt regelmatig en op georganiseerde wijze afgevoerd;
  4. De AEEA wordt niet ingezameld op de openbare weg;
  5. De inzamelplaats en haar omgeving worden zuiver gehouden;
  6. Deze inzamelingen kaderen in bredere sensibiliseringsacties met betrekking tot preventie, hergebruik en geschikt beheer van AEEA;
  7. Het inzamelrecipient is zo ontworpen om de veiligheid van de opslag, de inperking van de gevaarlijke stoffen, de voorbereiding voor hergebruik en het hergebruik te optimaliseren;
  8. De bijkomende inzamelinrichtingen hebben een voor inzameling bestemde totale oppervlakte van maximum 2 m. Minstens een derde van deze oppervlakte is bestemd voor de ophaling met het oog op hergebruik van AEEA.
  9. De inzameling van de bijkomende inzamelingspunten wordt uitgevoerd binnen drie werkdagen volgend op de inzamelingsaanvraag door de beheerder van de site waar het recipiënt zich bevindt.
  § 3. De bijkomende inzamelpunten worden voorafgaandelijk door het Instituut goedgekeurd. De aanvraag voorgelegd door de inzamelaar, makelaar, en handelaar, bevat minstens :
  1. Een beschrijving van het opgezette inzamelsysteem, met inbegrip van een beschrijving van de recipiënten en het gebruikte sensibiliseringsmateriaal;
  2. De verantwoordelijkheden van de actoren betrokken bij het beheer van de ingezamelde AEEA;
  3. Een lijst van de bijkomende inzamelpunten.
  Het Instituut beschikt over 30 dagen vanaf de dag van ontvangst van de aanvraag om de voorgelegde documenten al dan niet goed te keuren. Het Instituut kan afwijken van de verplichting om minstens een derde van de inzameloppervlakte te bestemmen voor het inzamelen met het oog op hergebruik. De goedkeuring is maximaal vijf jaar geldig.
  Indien tijdens deze periode geen beslissing wordt genomen, wordt de aanvraag geacht geweigerd te zijn.
  § 4. De lijst van inzamelpunten, de ingezamelde hoeveelheden en de actoren betrokken bij het beheer van heel kleine AEEA wordt op vraag aan het Instituut doorgegeven.
  § 5. Wat de inzameling van heel kleine AEEA in scholen betreft, zijn bovendien de volgende regels van toepassing:
  1. De inzamelingen zijn verboden in kleuter- of lagere scholen;
  2. De acties mogen niet langer duren dan 3 dagen en mogen niet meer dan twee keer plaatsvinden in hetzelfde kalenderjaar;
  3. De ingezamelde AEEA wordt binnen drie werkdagen na het einde van de actie opgehaald.

  Art. 4.1.5. § 1. Gescheiden ingezamelde AEEA wordt gesorteerd en gedemonteerd in verschillende fracties:
  1° apparatuur en onderdelen bestemd voor hergebruik;
  2° gevaarlijke onderdelen en stoffen, zoals condensatoren die pcb's bevatten, kwikschakelaars, batterijen, kathodestraalbuizen, stoffen bedoeld in het protocol van Montreal, HFC, PFC en SF6 en eventueel andere bestanddelen die gevaarlijke stoffen bevatten;
  3° onderdelen en materialen bestemd voor recycling;
  4° niet herbruikbare en niet recycleerbare onderdelen en materialen;
  5° gebruikte batterijen en accu's.
  Gescheiden ingezamelde fotovoltaïsche panelen worden gedemonteerd in diverse fracties:
  1° het eventuele aluminium frame;
  2° het glas;
  3° de kunststoffen;
  4° de non-ferrometalen inclusief het verdeelbord.
  § 2. Uit alle AEEA wordt ten minste de volgende stoffen, mengsels en onderdelen afgezonderd :
  1° polychloorbifenyl (PCB)-houdende condensatoren overeenkomstig het besluit van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest van 4 maart 1999 betreffende de planning van de verwijdering van polychloorbifenylen (PCB's) en polychloorterfenylen (PCT's);
  2° kwikhoudende onderdelen zoals schakelaars en lampen voor achtergrondverlichting;
  3° batterijen en accu's;
  4° printplaten van mobiele telefoons in het algemeen en van andere apparaten indien de oppervlakte van de printplaat meer dan 10 cm2 bedraagt;
  5° tonercassettes met vloeibare of pasteuze toner, en kleurentoners;
  6° kunststoffen die gebromeerde brandvertragers bevatten;
  7° asbestafval en onderdelen die asbest bevatten;
  8° beeldbuizen;
  9° chloorfluorkoolstoffen (CFK's), chloorfluorkoolwaterstoffen (HCFK's) of fluorkoolwaterstoffen HFK's), koolwaterstoffen (HC's);
  10° gasontladingslampen;
  11° lcd-schermen (in voorkomend geval met toebehoren) met een oppervlak van meer dan 100 cm2 en schermen met achtergrondverlichting met behulp van gasontladingslampen;
  12° uitwendige elektrische kabels;
  13° onderdelen die vuurvaste keramische vezels bevatten zoals beschreven in bijlage VI, derde deel, van Verordening (EG) n° 1272/2008 van het Europees parlement en de raad van 16 december 2008 betreffende de indeling, etikettering en verpakking van stoffen en mengsels;
  14° onderdelen die radioactieve stoffen bevatten, met uitzondering van onderdelen beneden de vrijstellingsdrempels die vastgesteld zijn in het koninklijk besluit van 20 juli 2001 houdende algemeen reglement op de bescherming van de bevolking, van de werknemers en het leefmilieu tegen het gevaar van de ioniserende stralingen;
  15° elektrolytische condensatoren die gevaarlijke stoffen bevatten (hoogte > 25 mm, diameter > 25 mm, of met een naar verhouding vergelijkbaar volume).
  § 3. De volgende onderdelen van gescheiden ingezamelde AEEA worden als volgt behandeld:
  1° beeldbuizen: de fluorescerende laag wordt afgezonderd;
  2° apparatuur die gassen bevat die de ozonlaag aantasten of een aardopwarmingspotentieel van meer dan 15 GWP hebben, zoals in isolatieschuim en koelcircuits: deze gassen worden adequaat verwijderd en behandeld. Gassen die de ozonlaag aantasten worden behandeld overeenkomstig verordening (EG) nr. 1005/2009;
  3° gasontladingslampen: het kwik wordt afgezonderd;
  4° batterijen en accu's: de batterijen en accu's, uitgezonderd die welke met een vaste verbinding bevestigd zijn, worden manueel gedemonteerd.
  § 4. De in dit artikel bedoelde stoffen, mengsels en onderdelen worden afgegeven aan een in het Brussels Hoofdstedelijk Gewest vergunde inzamelaar, handelaar en makelaar.
  § 5. De paragrafen 1 tot 3 worden, rekening houdend met milieuoverwegingen en de wenselijkheid van voorbereiding voor hergebruik en recycling, zodanig toegepast dat het op milieuverantwoorde wijze voorbereiden voor hergebruik en recycleren van onderdelen of complete apparaten niet bemoeilijkt wordt.

  Onderafdeling 3. - Overbrenging van gebruikte EEA

  Art. 4.1.6. § 1. De overbrenging van gebruikte EEA is enkel toegestaan als de gebruikte EEA doeltreffend worden beschermd tegen beschadiging tijdens het vervoer en het in- en uitladen, met name door voldoende verpakking en passende stapeling van de lading.
  § 2. Om het onderscheid te maken tussen "elektrische en elektronische apparatuur" en "afgedankte elektrische en elektronische apparatuur", in gevallen waarin de houder van het voorwerp beweert dat hij gebruikte EEA overbrengt of voornemens is over te brengen die geen AEEA is, stelt hun houder de volgende documenten ter beschikking van de instanties die bevoegd zijn om controles uit te voeren, om de juistheid van deze bewering te staven:
  1° een kopie van de factuur en het contract met betrekking tot de verkoop en/of de eigendomsoverdracht van de EEA, waarin wordt verklaard dat de apparatuur bestemd is voor onmiddellijk hergebruik en helemaal functioneel is;
  2° een bewijs van beoordeling of beproeving, in de vorm van een kopie van de documenten (beproevingscertificaat, keuringsbewijs), voor elk stuk dat deel uitmaakt van de zending, alsmede een protocol dat alle in paragrafen 3 en 4 van artikel 4.1.2. gespecificeerde etiketinformatie bevat;
  3° een verklaring van de houder die het vervoer van de EEA organiseert, dat de zending geen materiaal of apparatuur omvat die een afvalstof is in de zin van artikel 2 van de ordonnantie afvalstoffen.
  § 3. Het bepaalde in 1° en 2° van § 2, en § 4 is niet van toepassing wanneer dit wordt gedocumenteerd door afdoende bewijs dat de overbrenging plaatsvindt in het kader van een overdrachtovereenkomst tussen ondernemingen en dat :
  a) de EEA wordt teruggestuurd naar de producent of naar een derde die in diens naam handelt als defect voor reparatie onder garantie met het oog op hergebruik, of
  b) de gebruikte EEA voor professioneel gebruik wordt verzonden naar de producent of naar een derde die in diens naam handelt of naar faciliteiten van een derde in landen waar Besluit C(2001)107/def. van de OESO-Raad inzake de herziening van Besluit C(92)39/def. betreffende het toezicht op de grensoverschrijdende overbrenging van afvalstoffen bestemd voor handelingen ter nuttige toepassing van toepassing is, met als doel om te worden opgeknapt of gerepareerd, krachtens een geldig contract, met het oog op hergebruik, of
  c) de defecte gebruikte EEA voor professioneel gebruik, zoals medische hulpmiddelen of onderdelen daarvan naar de producent of naar een derde die in diens naam handelt wordt verzonden, voor analyse van de onderliggende oorzaak, krachtens een geldig contract, wanneer zo'n analyse alleen kan worden uitgevoerd door de producent of derden die in zijn naam handelen.
  § 4. Als bewijs dat de overgebrachte producten gebruikte EEA vormen en geen AEEA, moeten de volgende test- en documentatiestappen met betrekking tot gebruikte EEA worden doorgelopen:
  Stap 1: tests
  a) er wordt gekeken of het apparaat functioneert en of het gevaarlijke stoffen bevat. Welke tests worden uitgevoerd, hangt af van de aard van de EEA. Voor de meeste gebruikte EEA volstaat een functionaliteitstest van de belangrijkste functies;
  b) de uitkomsten van de beoordeling en het testen worden geregistreerd.
  Stap 2: etiket
  a) het etiket wordt stevig, maar niet onlosmakelijk bevestigd hetzij aan de (onverpakte) EEA zelf, hetzij aan de verpakking, op zodanige wijze dat het kan worden gelezen zonder dat de apparatuur moet worden uitgepakt;
  b) het etiket bevat de volgende informatie:
  - benaming (benaming van het apparaat en vermelding van de categorie waartoe het behoort overeenkomstig artikel 2.4.46);
  - identificatienummer van het apparaat (typenummer), in voorkomend geval;
  - productiejaar, indien bekend;
  - naam, adres en btw-nummer van het centrum voor voorbereiding voor hergebruik dat het apparaat heeft voorbereid voor hergebruik;
  - resultaten van de tests als omschreven in stap 1 met inbegrip van de datum van de test van de functionele capaciteit;
  - aard van de uitgevoerde tests.
  § 5. Naast de in de paragrafen 2, 3 en 4 vermelde documenten is elke lading gebruikte EEA (bv. container, vrachtwagen) vergezeld van:
  a) een relevant vervoersdocument, bijvoorbeeld de CMR-vrachtbrief of de geleidebrief;
  b) een verklaring door de aansprakelijke persoon met betrekking tot zijn verantwoordelijkheid.
  § 6. Bij ontbreken van bewijs dat een voorwerp gebruikte EEA is en niet AEEA volgens de overeenkomstig de paragrafen 2, 3, 4 en 5 vereiste documenten en bij ontbreken van passende bescherming tegen beschadiging tijdens het vervoer en het in- en uitladen, met name door voldoende verpakking en passende stapeling van de lading, waarvoor de houder die het vervoer organiseert verantwoordelijk is, zijn de betrokken apparaten AEEA en de lading het voorwerp is van illegale overbrenging. In deze omstandigheden wordt met de lading omgegaan overeenkomstig de artikelen 24 en 25 van Verordening (EG) nr. 1013/2006.
  § 7. De kosten van de passende analyses en inspecties, waaronder de opslagkosten, van gebruikte EEA waarvan vermoed wordt dat het AEEA is, kunnen in rekening worden gebracht aan de producenten, aan derden die in hun naam handelen, of aan andere personen die de overbrenging organiseren van gebruikte EEA waarvan vermoed wordt dat het AEEA is.

  Afdeling 3. - De operatoren van het beheer van AEEA

  Onderafdeling 1. - De opslag- en inzamelplaats

  Art. 4.1.7. De opslag- en inzamelplaats voor AEEA omvat de volgende uitrustingen:
  1° ondoorlatende ondergronden van geschikte terreinen met opvangvoorzieningen voor lekolie en indien nodig bezinktanks en olie- en vuilafscheiders ;
  2° weerbestendige afdekking voor de geschikte terreinen.

  Onderafdeling 2. - De verwerkingssite

  Art. 4.1.8. De site voor de verwerking van AEEA gebruikt de beste beschikbare verwerkingstechnieken en voldoet minimaal aan de eisen van onderafdeling 2 van afdeling 2 van dit hoofdstuk.
  Met uitzondering van de centra voor voorbereiding voor hergebruik beschikt de verwerkingsinstallatie minimaal over de volgende uitrustingen:
  1° een zone die uitsluitend bestemd is voor de opslag (ook tijdelijke opslag) van niet-gedepollueerde AEEA;
  2° een werkplaats voor de depollutie en de ontmanteling van AEEA;
  3° opslagplaatsen om alle afvalstoffen verwijderd uit de AEEA conform artikel 4.1.5 § 2 op te slaan;
  4° een geschikte opslagzone voor gedemonteerde onderdelen;
  5° een opslagzone voor niet gevaarlijk afval;
  6° één of meer geschikte containers voor de opslag van batterijen en accu's, PCB/PCT-houdende condensatoren en ander gevaarlijke afvalstoffen zoals radioactief afval;
  7° weegapparatuur om het gewicht van de verwerkte afvalstoffen te bepalen;
  8° ondoorlatende ondergrond en waterdichte afdekking van geschikte terreinen met opvangvoorzieningen voor lekolie en indien nodig bezinktanks en olie- en vuilafscheiders;
  9° installaties voor de behandeling van water, overeenkomstig de gezondheids- en milieuvoorschriften.

  Afdeling 4. - Rapportage met betrekking tot de handelingen voor het beheer van AEEA

  Art. 4.1.9. De kleinhandelaar, de distributeur of de derde die voor zijn rekening AEEA terugneemt, bezorgt de organisatie aangesteld conform artikel 2.4.62, jaarlijks vóór 31 mei een rapport over de manier waarop hij zijn verplichtingen inzake de terugname van AEEA vervult. Dit rapport bevat minimaal de volgende informatie:
  1° de periode waarop het rapport betrekking heeft;
  2° naam van de kleinhandelaar/ distributeur, ondernemingsnummer, adres, telefoon- en faxnummer, e-mailadres en contactpersoon;
  3° de hoeveelheid AEEA, uitgedrukt in kilogram en in eenheden, per type (huishoudelijk en professioneel) en per categorie overeenkomstig artikel 2.4.46, die werd:
  a) ingezameld door of laten inzamelen door een inzamelaar of een afvalstoffenhandelaar of -makelaar;
  b) teruggebracht naar een producent van EEA;
  c) voorbereid voor hergebruik;
  d) hergebruikt.

  Art. 4.1.10. De inzamelaar, handelaar of makelaar die AEEA inzamelt of laat inzamelen, stelt ter beschikking aan de organisatie, aangesteld conform artikel 2.4.62 een rapport over de manier waarop hij zijn verplichtingen inzake het beheer van AEEA nakomt.
  Dit rapport bevat minimaal de volgende informatie:
  1° de periode waarop het rapport betrekking heeft;
  2° de hoeveelheid AEEA, uitgedrukt in kilogram en in eenheden, per type (huishoudelijk en professioneel) en per categorie overeenkomstig artikel 2.4.46, die op het grondgebied werd:
  a) ingezameld, in het kader van de terugnameplicht, door of in opdracht van de producent;
  b) ingezameld of laten inzamelen is buiten het kader van de terugnameplicht;
  c) overgemaakt aan een andere inzamelaar, handelaar of makelaar;
  d) overgemaakt aan de verwerkingsinstallatie
  3° de hoeveelheid AEEA, uitgedrukt in kilogram en in eenheden, per categorie, per type (huishoudelijk en professioneel) en per materialenstroom (ferrometalen, non-ferrometalen, kunststoffen, andere), die op het grondgebied werd:
  a) voorbereid voor hergebruik door een centrum voor hergebruik;
  b) hergebruikt;
  c) gerecycleerd;
  d) gevaloriseerd;
  e) verwijderd in verbrandingsinstallaties;
  f) overgebracht naar een stortplaats.

  Art. 4.1.11. Het centrum voor voorbereiding voor hergebruik dat de AEEA voorbereidt voor hergebruik, bezorgt de organisatie, aangesteld conform artikel 2.4.62, een rapport over de manier waarop het zijn verplichtingen inzake het beheer van AEEA nakomt.
  Dit rapport bevat minimaal de volgende informatie:
  1° de periode waarop het rapport betrekking heeft;
  2° de hoeveelheid AEEA, uitgedrukt in kilogram en in eenheden, per categorie overeenkomstig artikel 2.4.46 en per type (huishoudelijk en professioneel), die op het grondgebied werd:
  a) voorbereid voor hergebruik;
  b) hergebruikt;

  Art. 4.1.12. De verwerkingsinstallatie bezorgt de organisatie, aangesteld conform artikel 2.4.62, een rapport over de manier waarop zij haar verplichtingen inzake het beheer van AEEA vervult. Dit rapport bevat minimaal de volgende informatie:
  1° de periode waarop het rapport betrekking heeft;
  2° de hoeveelheid AEEA, uitgedrukt in kilogram en in eenheden, per type (huishoudelijk en professioneel) en per categorie overeenkomstig artikel 2.4.46 die haar op het grondgebied werd toevertrouwd, per inzamelkanaal;
  3° de hoeveelheid AEEA, uitgedrukt in kilogram en in eenheden, per categorie overeenkomstig artikel 2.4.46 per type (huishoudelijk en professioneel) en per materialenstroom (ferrometalen, non-ferrometalen, kunststoffen, andere), die op het grondgebied werd:
  a) voorbereid voor hergebruik;
  b) hergebruikt;
  c) gerecycleerd;
  d) gevaloriseerd;
  e) verwijderd in verbrandingsinstallaties;
  f) overgebracht naar een stortplaats.

  Art. 4.1.13. De kennisgever in de zin van verordening (EG) nr. 1013/2006, die gebruikte EEA overeenkomstig artikel 4.1.6 heeft overgebracht, bezorgt de organisatie, aangesteld conform artikel 2.4.62, een rapport dat minimaal de volgende informatie bevat:
  1° de periode waarop het rapport betrekking heeft;
  2° de hoeveelheid EEA, uitgedrukt in kilogram en in eenheden, per categorie overeenkomstig artikel 2.4.46 en per type (huishoudelijk en professioneel), die overeenkomstig artikel 4.1.6 werd overgebracht.

  Art. 4.1.14. § 1. Indien voor één van de activiteiten voor het beheer van AEEA, waarop de in de artikelen 4.1.9 tot 4.1.13 bedoelde rapporten betrekking hebben, een beroep werd gedaan op een derde partij, moet de contactinformatie van deze derde partij worden vermeld (naam van de onderneming, ondernemingsnummer, adres, telefoonnummer, e-mailadres, contactpersoon).
  § 2. De cijfergegevens die overeenkomstig de bepalingen van deze afdeling aan de organisatie, aangewezen voor dit doelconform artikel 2.4.62, worden verstrekt, worden gevalideerd door een onafhankelijke certificeringsinstelling, geaccrediteerd overeenkomstig de ISO 17020 norm. De kosten voor de certificering van de gegevens, verstrekt door de producenten, inzamelaars, handelaars, makelaars en centra voor voorbereiding voor hergebruik en verwerkingscentra die een overeenkomst hebben gesloten met de producenten zijn ten laste van de producenten. Indien aanzienlijke verschillen worden vastgesteld, komen de certificeringskosten ten laste van de contractant.
  § 3. In afwijking van paragraaf 2, worden de door de kleinhandelaars en distributeurs verstrekte gegevens op verzoek van het Instituut gevalideerd door een controle-instelling, geaccrediteerd volgens de ISO 17020 norm.
  § 4. De gegevens, verstrekt door de kennisgevers in de zin van verordening (EG) nr. 1013/2006, moeten gevalideerd worden door een controle-instelling, geaccrediteerd volgens de ISO 17020 norm.
  § 5. De gegevens, verstrekt door de centra voor voorbereiding voor hergebruik worden op verzoek van het Instituut en maximaal één keer elke vier jaar gevalideerd door een controle-instelling, geaccrediteerd volgens de ISO 17020 norm.
  § 6. De gegevens, die krachtens deze afdeling, verstrekt worden door de inzamelaars, handelaars en makelaars worden minstens om de vijf jaar gevalideerd door een controle-instelling, geaccrediteerd volgens de ISO 17020 norm.
  § 7. De gegevens, die krachtens deze afdeling verstrekt worden door de verwerkingsinstallaties worden minstens om de twee jaar gevalideerd door een controle-instelling, geaccrediteerd volgens de ISO 17020 norm.
  § 8. Het beheersorganisme of het erkend organisme kan de door de producenten verstrekte cijfergegevens certificeren of laten certificeren op voorwaarde dat alle producenten minimaal elke 3 jaar worden gecontroleerd en dat dit organisme jaarlijks bij de betrokken organisatie, hiervoor aangesteld, verslag uitbrengt over deze controles, conform artikel 2.4.62.
  § 9. Het Instituut kan de personen die, krachtens deze afdeling aan de rapportageplicht onderworpen zijn, alle aanvullende informatie vragen die het nodig acht om het goede beheer en de traceerbaarheid van de AEEA te waarborgen.
  § 10. De minister kan de drempels bepalen beneden dewelke de ISO 17020 certificatie, opgelegd in deze afdeling, niet vereist is.
  § 11. De minister kan een certificatielijst opstellen die gelijkwaardige conformiteitsgaranties leveren als de ISO 17020 certificatie.

  HOOFDSTUK 2. - Afgewerkte voedingsolie en -vetten

  Afdeling 1. - Algemene bepalingen

  Art. 4.2.1. § 1. In dit hoofdstuk zijn de volgende definities van toepassing.
  1. Voedingsolie en -vetten: alle voor voeding bestemde plantaardige en dierlijke oliën en vetten die kunnen worden gebruikt om voedingsmiddelen te frituren;
  2. Afgewerkte voedingsolie en -vetten: alle voedingsoliën en vetten waarvan de houder zich ontdoet, voornemens is zich te ontdoen of zich moet ontdoen en die afvalstoffen zijn in de zin van de ordonnantie afvalstoffen;
  3. Afgewerkte voedingsolie en -vetten van professionele oorsprong: afgewerkte voedingsoliën of -vetten afkomstig van professionele gebruikers, namelijk iedere persoon die een restauratie-inrichting zoals een restaurant, hotel, café, fastfoodrestaurant, snackbar, frituur (permanent, maar ook mobiele of tijdelijke installaties), traiteurszaak, maar ook een openbare instelling (zoals een ziekenhuis, kantine, catering en soortgelijke inrichting waar voedingsmiddelen worden bereid of verpakt om verbruikt te worden) en soortgelijke inrichtingen die in het kader van hun beroepsactiviteit frituuroliën en vetten gebruiken om voedingsmiddelen te frituren.
  § 2. Voorts zijn de bij artikel 1.1 definities van "producent" en "kleinhandelaar" ook van toepassing op dit hoofdstuk.
  § 3. Dit hoofdstuk is van toepassing op afgewerkte voedingsolie en -vetten afkomstig van de huishoudens, met uitsluiting van voedingsolie en -vetten afkomstig van professionele gebruikers. De criteria op grond waarvan een onderscheid wordt gemaakt tussen huishoudelijke en professionele voedingsolie en -vetten, worden ter goedkeuring voorgelegd aan het Instituut overeenkomstig artikel 2.3.6 van titel II van dit besluit.

  Afdeling 2. - Beheer van afgewerkte voedingsolie en -vetten

  Art. 4.2.2. § 1. Iedere houder van afgewerkte voedingsolie en -vetten moet deze bij de inzameling gescheiden van het restafval aanbieden.
  § 2. De afgewerkte voedingsolie en -vetten van huishoudelijke oorsprong worden ingezameld door de publiekrechtelijke rechtspersonen die territoriaal verantwoordelijk zijn voor het beheer van huishoudelijke afvalstoffen, meer bepaald via mobiele inzamelpunten of in containerparken, of door vergunde inzamelaars overeenkomstig artikel 4.2.3.
  Voor de huishoudelijke voedingsolie en -vetten moeten de producenten, in samenwerking met de publiekrechtelijke rechtspersonen, de ingezamelde hoeveelheden van nu tot eind 2017 en van nu tot eind 2020 verhogen met respectievelijk 15 en 20 % van de hoeveelheid die in 2011 werd ingezameld. De hoeveelheden, ingezameld conform artikel 4.2.3, worden in aanmerking genomen bij de evaluatie van deze doelstellingen.
  § 3. De producenten richten een begeleidingscomité op dat als taak heeft het beheer van de afvalstromen van gebruikte voedingsolie en -vetten op te volgen. Het begeleidingscomité bestaat minimaal uit vertegenwoordigers van de publiekrechtelijke rechtspersonen die territoriaal verantwoordelijk zijn voor het beheer van huishoudelijke afvalstoffen en van het Instituut. Het vergadert minimaal elke zes maanden.
  § 4. De producenten sluiten met de publiekrechtelijke rechtspersonen een overeenkomst die minimaal de volgende elementen omschrijft:
  - de berekeningsmodaliteiten voor de vergoeding van de inzamelpunten, hierbij inbegrepen de dekking van de infrastructuur- en werkingskosten van de containerparken;
  - de modaliteiten voor de organisatie en de financiering van de sensibilisatiecampagnes waarvan sprake is in artikel 4.2.6.
  Deze overeenkomst wordt ter goedkeuring voorgelegd aan het Instituut, overeenkomstig artikel 2.3.6 van dit besluit.
  § 5. De afgewerkte frituuroliën en vetten die afzonderlijk zijn ingezameld worden volledig gerecycleerd of gevaloriseerd.

  Art. 4.2.3. § 1. Overeenkomstig artikel 3.5.15 6° kunnen de kleinhandelaars die voedingsolie en -vetten verkopen, de afgewerkte voedingsolie en -vetten van huishoudelijke oorsprong terugnemen. Als hij ze terugneemt, geeft de kleinhandelaar de producenten kennis of laat hij kennisgeving doen van het gebruikte inzamelsysteem, met een omschrijving van de verantwoordelijkheden van de betrokken partijen.
  § 2. Inzamelaars die afgewerkte voedingsolie en -vetten ophalen bij de kleinhandelaars waarvan sprake is in paragraaf 1, verstrekken uiterlijk op 30 april van ieder jaar de volgende informatie aan de producenten:
  - de ingezamelde hoeveelheden afgewerkte voedingsolie en -vetten;
  - de techniek voor de verwerking van de ingezamelde afgewerkte voedingsolie en -vetten.
  § 3. De inzameling van de afgewerkte voedingsolie en -vetten bij de kleinhandelaars voldoet aan de volgende voorwaarden:
  - de opgehaalde afgewerkte voedingsolie en -vetten worden niet opgeslagen op de openbare weg;
  - de opslag gebeurt op zodanige wijze dat geen schade kan worden toegebracht aan de menselijke gezondheid of het milieu;
  - de afgewerkte voedingsolie en -vetten worden regelmatig opgehaald of vervoerd door een vergunde inzamelaar of vervoerder;
  - de opslagplaats en haar omgeving worden zuiver gehouden;
  - de recipiënten moeten zuiver gehouden worden en voorzien zijn van een etiket met de aanduiding "Categorie 3: niet voor menselijke consumptie";
  - op de site moet een erkend ontsmettingsproduct aanwezig zijn.

  Afdeling 3. - Financiering

  Art. 4.2.4. § 1. De producent draagt de werkelijke en volledige kosten van de inzameling, het sorteren en de verwerking van de afgewerkte voedingsolie en -vetten die beheerd worden door de publiekrechtelijke rechtspersonen die territoriaal verantwoordelijk zijn voor het beheer van de huishoudelijke afvalstoffen.
  § 2. De dekking van de kosten bedoeld in paragraaf 1 en de verdeling van de eventuele ontvangsten worden in onderling overleg overeengekomen door de betrokken publiekrechtelijke rechtspersonen en de producenten.
  § 3. De verdeling van de eventuele ontvangsten met de publiekrechtelijke rechtspersonen geldt enkel als de totale kosten, die toegerekend zijn aan de producent voor de uitvoering van de sensibiliseringscampagnes bedoeld in artikel 4.2.6, gedekt zijn door de wederverkoop van de ingezamelde vetten.

  Afdeling 4. - Rapportage

  Art. 4.2.5. De producenten verstrekken het Instituut voor 31 mei van ieder jaar de volgende informatie voor het verstreken kalenderjaar:
  1° de totale hoeveelheid voedingsolie en -vetten bestemd voor huishoudens, uitgedrukt in kilogram, die in de handel werd gebracht;
  2° de totale hoeveelheid afgewerkte huishoudelijke voedingsolie en -vetten, uitgedrukt in kilogram, die in het Brussels gewest werd ingezameld per inzamelingswijze;
  3° het aantal inzamelpunten in het Brussels Hoofdstedelijk Gewest en hun identificatie, waarbij een onderscheid wordt gemaakt tussen de inzamelpunten van de publiekrechtelijke rechtspersonen en de aanvullende inzamelpunten;
  4° de installaties waar de ingezamelde afgewerkte voedingsolie en -vetten werden verwerkt, met vermelding van de verwerkte hoeveelheid en de beschrijving van hun verwerkingsmethode;
  5° de totale hoeveelheid afgewerkte huishoudelijke voedingsolie en -vetten, uitgedrukt in kilogram, die gevaloriseerd of gerecycleerd werd;
  6° de gegevens over de ondernomen sensibiliserings- en preventieacties, de beoordeling van die acties en de berekening van de resultatenindicatoren.
  § 2. Het Instituut kan van elke producent eisen dat hij alle andere relevante informatie verstrekt om te beoordelen in hoeverre de in dit besluit beschreven doelstellingen werden bereikt en om de uitvoering te controleren.

  Afdeling 5. - Sensibilisering van de consument

  Art. 4.2.6. § 1. Om de in artikel 4.2.2 bedoelde doelstellingen te halen, voeren de producenten en de publiekrechtelijke rechtspersonen gezamenlijk en regelmatig regionale en lokale voorlichtings- en sensibiliseringscampagnes gericht op de huishoudens.
  § 2. De campagnes bedoeld in de vorige paragraaf worden gefinancierd uit de opbrengst van de inzameling van afgewerkte voedingsolie en -vetten door de publiekrechtelijke rechtspersoon, na aftrek van de inzamelingskosten bedoeld in artikel 4.2.3. Wanneer deze opbrengst onvoldoende is om de campagnes bedoeld in de vorige paragraaf te financieren, betaalt de producent de nodige som om deze te financieren.
  § 3. De modaliteiten voor de sensibiliseringscampagnes worden overeengekomen in onderling overleg tussen de producenten en de publiekrechtelijke rechtspersonen.

  HOOFDSTUK 3. - Afvalstoffen van geneesmiddelen

  Afdeling 1. - Algemene Bepalingen

  Art. 4.3.1. § 1. In dit hoofdstuk zijn de volgende definities van toepassing.
  1° "kleinhandelaar": Apotheek die beschikt over een voor het publiek opengestelde farmaceutische officina, zoals gedefinieerd in artikel 1 van het koninklijk besluit van 21 januari 2009 houdende onderrichtingen voor de apothekers;
  2° "distributeur": groothandelaars-verdelers in de zin van artikel 1/20 van de wet op de geneesmiddelen van 25 maart 1964.
  3° "geneesmiddelen": elke stof of samenstelling die curatieve en preventieve eigenschappen ten opzichte van menselijke of dierlijke ziektes zou vertonen, die op voorhand wordt voorbereid en in een specifieke verpakking, onder een specifieke benaming of onder zijn internationale gemeenschappelijke benaming in de handel wordt gebracht.
  4° "afvalstof van geneesmiddelen": elk geneesmiddel waarvan de houder zich ontdoet, voornemens is zich te ontdoen of zich moet ontdoen en dat een afvalstof is in de zin van de ordonnantie afvalstoffen, ongeacht of de geldigheidsdatum verstreken is dan wel het geneesmiddel ongebruikt is.
  § 2. Dit hoofdstuk is van toepassing op de afvalstoffen van geneesmiddelen, opgenomen onder de volgende afvalcode:
  20 01 32 Andere geneesmiddelen dan die bedoeld in rubriek 20 01 31.

  Afdeling 2. - Beheer van afvalstoffen van geneesmiddelen

  Art. 4.3.2. § 1. Iedere houder van afvalstoffen van geneesmiddelen moet deze bij de inzameling gescheiden van het restafval aanbieden.
  § 2. De kleinhandelaar neemt gratis al de afvalstoffen van geneesmiddelen terug die hem door de consument worden aangeboden, zonder verplichting om een ander product te kopen.
  Vóór de inzameling van de teruggebrachte afvalstoffen brengt de kleinhandelaar op elk recipiënt een identificatie-etiket of zijn stempel aan, duidelijk leesbaar.
  § 3. De distributeur haalt op zijn kosten regelmatig al de teruggenomen afvalstoffen van geneesmiddelen op bij de kleinhandelaars. Hij houdt die afvalstoffen ter beschikking van de producent en zorgt eventueel, in samenspraak met de producent, voor het vervoer naar de door deze producent aangewezen vergunde verwerkingsinrichtingen, met inachtneming van de reglementaire bepalingen betreffende het vervoer en de inzameling van afvalstoffen.
  § 4. De producent is verplicht de afvalstoffen van geneesmiddelen regelmatig en op eigen kosten bij de distributeurs of, bij gebreke daarvan, bij de kleinhandels op te halen.
  § 5. De producent laat de afvalstoffen van geneesmiddelen op zijn kosten verwerken in een vergunde verbrandingsinstallatie.
  Al de afvalstoffen van geneesmiddelen worden energetisch gevaloriseerd.
  § 6. De handelingen voor de inzameling en verwerking worden uitgevoerd op kosten van de producent.

  Afdeling 3. - Rapportage

  Art. 4.3.3. § 1. De producent verstrekt het Instituut vóór 31 mei van ieder jaar de volgende informatie voor het verstreken kalenderjaar:
  1. het aantal kleinhandelaars gevestigd in het Brussels Hoofdstedelijk Gewest en het aantal kleinhandelaars dat daadwerkelijk heeft deelgenomen aan de gescheiden inzameling van de afvalstoffen van geneesmiddelen;
  2. de lijst van de distributeurs die deelgenomen hebben aan de gescheiden inzameling van de afvalstoffen van geneesmiddelen;
  3. een overzicht van de modaliteiten betreffende de verpakking, de inzameling, het vervoer en de nuttige toepassing van de afvalstoffen van geneesmiddelen;
  4. het in kilogram uitgedrukte totaalgewicht van de ingezamelde en verwerkte afvalstoffen van geneesmiddelen;
  5. de gegevens over de ondernomen sensibiliserings- en preventieacties, de beoordeling van die acties en de berekening van de resultatenindicatoren;
  6. de wijze(n) van financiering van de inzameling en verwerking van de afvalstoffen van geneesmiddelen.
  § 2. Het Instituut kan van elke producent eisen dat hij alle andere relevante informatie verstrekt om te beoordelen in hoeverre de in dit besluit beschreven doelstellingen werden bereikt en om de uitvoering te controleren.

  Afdeling 4. - Sensibilisering van de consument

  Art. 4.3.4. De producenten zorgen ervoor, met name via voorlichtingscampagnes en een geschikt systeem voor de behandeling van de aanvragen, dat de consumenten en kleinhandelaars ingelicht worden over de tot stand gebrachte inzamel- en verwerkingssystemen en over de rol die zij bij het beheer van de afvalstoffen van geneesmiddelen te vervullen hebben.

  HOOFDSTUK 4. - Afgedankte voertuigen

  Art. 4.4.1. Artikel 2. 2° van het besluit van 15 april 2004 betreffende het beheer van afgedankte voertuigen wordt vervangen door de volgende bepaling:
  " Afgedankt voertuig :
  (...) Elk voertuig dat niet meer overeenkomstig zijn oorspronkelijke bestemming wordt gebruikt of kan worden gebruikt en waarvan de houder zich ontdoet, voornemens of verplicht is zich te ontdoen, of waarvan de houder niet binnen de maand alle volgende boorddocumenten kan tonen:
  - het geldige inschrijvingsbewijs van de bevoegde overheid voor de inschrijving van de voertuigen of van de bevoegde overheid voor inschrijving van de voertuigen van een lidstaat van de Europese Unie;
  - het geldige schouwingsbewijs, afgegeven door een instelling van de technische keuring van een EU lidstaat, tenzij het voertuig er niet over moet beschikken volgens het Koninklijk Besluit van 15 maart 1986 houdende algemeen reglement op de technische eisen waaraan de auto's, hun aanhangwagens, hun onderdelen en hun veiligheidstoebehoren moeten voldoen.
  (...) Elk voertuig dat niet over een geldig schouwingsbewijs beschikt, tenzij het er niet over moet beschikken, waarvan het schouwingsbewijs sedert ten minste twee jaar vervallen is of waarvan twee jaar verstreken zijn vanaf de datum waarop hij voor het eerst op de technische keuring had moeten worden aangeboden, of dat zich in een staat van technisch totaal verlies bevindt, is een afgedankt voertuig.
  (...) Worden niet beschouwd als afgedankte voertuigen:
  - oldtimers die in het repertorium van de voertuigen en de aanhangwagens ingeschreven zijn;
  - voertuigen die als verzamelstuk in een voor hen bestemd afgesloten lokaal worden bewaard;
  - voertuigen die voor didactische doeleinden worden gebruikt;
  - voertuigen die voor tentoonstellings- of herdenkingsactiviteiten bestemd zijn;
  - voertuigen die het voorwerp uitmaken van een gerechtelijk onderzoek of een inbeslagname en nog niet vrijgegeven. "

  Art. 4.4.2. In hetzelfde besluit wordt artikel 7 § 2 vervangen door de volgende bepaling:
  " De houder van een afgedankt voertuig die niet in staat is de boorddocumenten binnen de maand te tonen, of dat zich in een staat van technisch totaal verlies bevindt en waarvan de houder niet binnen de maand de rehabilitatieprocedure opstart, of waarvan het schouwingsbewijs sedert ten minste twee jaar vervallen is of waarvan twee jaar verstreken zijn vanaf de datum waarop hij voor het eerst op de technische keuring had moeten worden aangeboden, dient het voertuig onmiddellijk in te leveren op één van de volgende bestemmingen.
  - bij een kleinhandelaar die minstens de in artikel 8 gestelde voorwaarden vervult,
  - bij de exploitant van een geregistreerd demonteercentrum voor afgedankte voertuigen,
  - bij de exploitant van een geregistreerd demonteercentrum voor afgedankte voertuigen dat ertoe gemachtigd is een vernietigingsattest af te geven,
  - bij de exploitant van een geregistreerd centrum voor de vernietiging en recycling van afgedankte voertuigen dat ertoe gemachtigd is een vernietigingsattest af te geven,
  - of bij elk ander centrum dat in de andere Gewesten is vergund en ertoe gemachtigd is een vernietigingsattest af te geven. "

  Art. 4.4.3. Afgedankte voertuigen zijn niet onderworpen aan de bepalingen van titels I en III.

  HOOFDSTUK 5. - Dierlijke bijproducten

  Art. 4.5. Dierlijke bijproducten zijn niet onderworpen aan de bepalingen van huidig besluit.

  HOOFDSTUK 6. - Verpakkingsafval

  Afdeling I. - Plastic zakjes

  Art. 4.6.1. Definities
  In de zin van deze afdeling verstaan we onder :
  1° " kassazakjes " : de zakjes die, tegen betaling of gratis, ter beschikking worden gesteld in de verkooppunten voor het verpakken van de waren van de klanten als ze aan de kassa voorbijkomen. De zakjes die worden aangeboden als primaire verpakking voor voedingswaren in bulk worden niet als kassazakjes beschouwd.

  Art. 4.6.2. § 1. Het gebruik van plastic wegwerpzakjes is verboden in de verkoopruimte van detailhandelaars.
  Het verbod is niet van toepassing op herbruikbare plastic zakjes die beantwoorden aan de vereisten inzake herbruikbare verpakkingen zoals gedefinieerd in bijlage 12.
  § 2. Het verbod zoals bedoeld in paragraaf 1 is van toepassing vanaf 1 september 2017 voor de kassazakjes en vanaf 1 september 2018 voor alle andere zakjes die bestemd zijn voor het verpakken van waren en die gebruikt worden in de verkoopruimte van detailhandelaars.
  § 3. In afwijking van de voorgaande paragraaf, bepaalt de minister de soorten plastic zakjes waarvoor de in de voorgaande paragraaf beoogde data niet van toepassing zijn. De minister preciseert de lijst van de vrijstellingen.

  TITEL V. - Wijzigings-, opheffings-, overgangs- en slotbepalingen

  HOOFDSTUK 1. - Wijzigingsbepalingen

  Art. 5.1. Wijziging van het besluit van de Brusselse Hoofdstedelijke Regering van 4 maart 1999 tot vaststelling van de ingedeelde inrichtingen van klasse IB, IC, ID, II en III met toepassing van artikel 4 van de ordonnantie van 5 juni 1997 betreffende de milieuvergunningen
  § 1. De rubrieken nr. 22, nr 28, nr. 33, nr. 41, nr. 44, nr. 45, nr. 46, nr. 47, nr. 48, nr. 49, nr. 50, nr. 51 en nr.103 van de bijlage van het besluit van de Brusselse Hoofdstedelijke Regering van 4 maart 1999 tot vaststelling van de ingedeelde inrichtingen van klasse IB, IC, ID, II en III met toepassing van artikel 4 van de ordonnantie van 5 juni 1997 betreffende de milieuvergunningen worden respectievelijk door volgende rubrieken vervangen:
  

  
Nr. Rubriek/
  N° rubrique
Benamingen Dénomination Klasse/Classe Sleutelwoord/Mot-clé
22.1 Opslagplaatsen voor slib met een voor opslag bestemde totale oppervlakte tot en met 100 m Dépôts de boues dont la surface totale destinée au stockage est inférieure ou égale à 100 m 1C Boues, terres excavées (dépôt)/Slib, uitgegraven grond (opslag)
22.2 Opslagplaatsen voor slib en/of uitgegraven grond met een voor opslag bestemde totale oppervlakte van meer dan 100 m Dépôts de boues et/ou de terres excavées dont la surface totale destinée au stockage est supérieure à 100 m 1B  
22.3 Verwerkingsinrichting, met inbegrip van de inzameling, van slib en/of uitgegraven grond Installation de traitement, y compris la collecte, de boues et/ou de terres excavées  Boues, terres excavées (verwerking)/Slib, uitgegraven grond (traitement)
 A tot en met 1000 t/jaar A inférieure ou égale à 1000 t/an 2  
 B van meer dan 1000 t/jaar B supérieure à 1000 t/an 1B  
28.1 Werf voor:
  - de bouw, de verbouwing of de afbraak van gebouwen buiten het openbare wegennet of kunstwerken waarbij installaties worden gebruikt met een totale drijfkracht van meer dan 50 kW;
  - de verbouwing of afbraak met een bruto oppervlakte van meer dan 500 m van een gebouw, een kunstwerk of een leiding waarvan de bouwvergunning is afgeleverd voor 1 oktober 1998;
  met inbegrip van de inrichtingen begrepen in andere rubrieken met uitzondering van :
  - de in-situ afvalverwijderingsinrichting,
  - de opslagplaats voor springstoffen,
  - saneringswerven
Chantier de :
  - construction, transformation ou démolition de bâtiments hors voirie ou d'ouvrages d'art mettant en oeuvre des installations ayant une force motrice totale de plus de 50 kW ;
  - transformation ou démolition d'une surface brute de plus de 500 m d'un bâtiment, d'un ouvrage d'art ou d'une conduite, dont le permis d'urbanisme autorisant la construction a été délivré avant le 1er octobre 1998 ;
  y compris les installations reprises à d'autres rubriques à l'exception de :
  - l'élimination de déchets in-situ,
  - dépôt d'explosifs,
  - chantiers d'assainissement
  -
3 Chantiers/Werven
28.2 Rioolrenovatiewerven met kousmethode waarbij gebruik gemaakt wordt van polymeer (met uitzondering van herstellen van aftakleidingen) Chantiers de chemisage ou coating des égouts, utilisant des polymères (à l'exception des chantiers relatifs à la réfection des branchements) 3  
33 Inrichtingen voor het schoonmaken en herconditioneren van vaten, containers en tanken die gevaarlijke stoffen hebben bevat (stoffen gekarakteriseerd door een gevaarseigenschap " H") Installations pour le nettoyage et le reconditionnement de fûts, conteneurs et citernes ayant contenu des substances dangereuses (substances caractérisées par une mention de danger "H" ) 1B Citernes (nettoyage)/Tanken (schoonmaak)
41.1 Composteercentra met een capaciteit: Centres de compostage d'une capacité :  Compostage/
  Biométhanisation
  Composteren/
  Biomethaniseren
 A van 10 tot en met 1000 t/jaar A de 10 à 1000 t/an 2  
 B van meer dan 1000 t/jaar B supérieure à 1000 t/an 1B  
41.2 Biomethaniseercentra Centres de biométhanisation 1B  
44 Inrichtingen voor het sorteren en/of voor het voorbereiden met het oog op hergebruik van afvalstoffen met een capaciteit: Installations de tri et/ou de préparation en vue du réemploi des déchets d'une capacité :  Déchets
  (Centre de tri/
  Réemploi)
  Afvalstoffen (Sorteercentrum/
  Hergebruik)
 A tot en met 10 t/jaar A inférieure ou égale à 10 t/an 3  
 B van meer dan 10 tot en met 1000 t/jaar B supérieure à 10 et jusqu'à 1000 t/an 2  
 C van meer dan 1000 tot en met 100.000 t/jaar C supérieure à 1000 et jusqu'à 100.000 t/an 1B  
45.1 Opslagplaatsen voor gevaarlijke afvalstoffen, met uitzondering van opslagplaatsen die onder andere rubrieken vallen, met een voor opslag bestemde totale oppervlakte: Dépôts de déchets dangereux, à l'exception des dépôts repris à d'autres rubriques, dont la surface totale destinée au stockage est :  Déchets dangereux (dépôt) Gevaarlijke afvalstoffen (opslag)
 A van 1 tot en met 5 m A comprise entre 1 et 5 m 2  
 B van meer dan 5 m B supérieure à 5 m 1B  
45.2 Opslagplaatsen voor vloeibare gevaarlijke afvalstoffen met een vlampunt lager dan of gelijk aan 21° C met een capaciteit : Dépôts de déchets dangereux liquides dont le point d'éclair est inférieur à 21° C d'une capacité :  Déchets dangereux liquides inflammables (dépôt) Ontvlambare vloeibare gevaarlijke afvalstoffen (opslag)
 A van 50 tot en met 500 l A comprise entre 50 et 500 l 2  
 B van meer dan 500 l B supérieure à 500 l 1B  
45.3 Opslagplaatsen voor vloeibare gevaarlijke afvalstoffen niet opgenomen in rubriek 45.2 met een capaciteit : Dépôts de déchets dangereux liquides non repris à la rubrique 45.2 d'une capacité :  Déchets dangereux liquides (dépôt) Vloeibare gevaarlijke afvalstoffen (opslag)
 A van 100 tot en met 5.000 l A comprise entre 100 et 5.000 l 2  
 B van meer dan 5.000 l B supérieure à 5.000 l 1B  
45.4 Opslagplaatsen voor afgedankte elektrische en elektronische apparatuur met een voor opslag bestemde totale oppervlakte Dépôts de déchets d'équipements électriques et électroniques d'une superficie totale destinée au stockage :  DEEE (dépôt)
  AEEA (opslag)
 A - van 5 tot en met 25 m A - entre 5 et 25 m ; 3  
 B van meer dan 25 m B supérieure à 25 m 1B  
46 Inrichtingen of uitrusting voor de verwerking van gevaarlijke afvalstoffen, met uitzondering van inrichtingen die onder andere rubrieken vallen Installations ou équipements pour le traitement de déchets dangereux à l'exception des installations reprises à d'autres rubriques 1B Déchets dangereux (traitement)
  Gevaarlijke afvalstoffen (verwerking)
47 Opslagplaatsen voor niet gevaarlijke afvalstoffen, met uitzondering van opslagplaatsen die onder andere rubrieken vallen, met een voor opslag bestemde totale oppervlakte: Dépôts de déchets non dangereux, à l'exception des dépôts repris à d'autres rubriques, dont la surface totale destinée au stockage est :  Déchets non dangereux (dépôt)
  Niet gevaarlijke afvalstoffen (opslagplaats)
 A van 100 tot en met 2000 m A comprise entre 100 et 2000 m 2  
 B van meer dan 2000 m B supérieure à 2000 m 1B  
48 Inrichtingen of uitrustingen voor de mechanische verwerking van niet gevaarlijke afvalstoffen, met uitzondering van inrichtingen die onder rubriek 44 vallen, met een totale drijfkracht: Installations ou équipements pour le traitement mécanique de déchets non dangereux, à l'exception des installations reprises à la rubrique 44, dont la force motrice totale est :  Déchets non dangereux (traitement mécanique)
  Niet gevaarlijke afvalstoffen (mechanische verwerking)
 A van 2 tot en met 20 kW A comprise entre 2 et 20 kW 2  
 B van meer dan 20 kW B supérieure à 20 kW 1B  
49 Inrichtingen of uitrustingen voor de verwerking van niet gevaarlijke afvalstoffen, met uitzondering van inrichtingen die onder andere rubrieken vallen, met een capaciteit van : Installations ou équipements pour le traitement de déchets non dangereux, à l'exception des installations reprises à d'autres rubriques, d'une capacité  Déchets non dangereux (traitement)
  Niet gevaarlijke afvalstoffen (verwerking)
 A. 0 tot 100 t/jaar A de 0 à 100 t/an 2  
 B. van meer dan 100 t/jaar B supérieure à 100 t/an 1B  
50 Verbrandingsinrichtingen van niet gevaarlijke afvalstoffen met een capaciteit kleiner dan of gelijk aan 12 t/dag Installations d'incinération de déchets non dangereux d'une capacité inférieure ou égale à 12 t/jour 1B Déchets non dangereux (incinération)
  Niet gevaarlijke afvalstoffen (verbranding)
51 Inzamelinrichting van afvalstoffen, met inbegrip van de opslag van deze afvalstoffen en met uitzondering van de inrichtingen die onder rubrieken 44 en 220 vallen, met een capaciteit: Installations de collecte de déchets, y compris le dépôt de ces déchets et à l'exception des installations reprises aux rubriques 44 et 220, d'une capacité :  Déchets (collecte)
  Afvalstoffen (inzameling)
 A tot en met 1000 t/jaar A inférieure ou égale à 1000 t/an 2  
 B van meer dan 1000 tot en met 100.000 t/jaar B supérieure à 1000 et jusqu' à 100.000 t/an 1B  
103 - Inrichtingen voor de winning van ruwe non-ferrometalen uit erts of ertsconcentraat of een ander materiaal (met uitzondering van afvalstoffen) met metallurgische of elektrolytische processen met een capaciteit van minder dan of gelijk aan 100.000 t/jaar ruwe non-ferrometalen;
  - Inrichtingen voor het roosten en sinteren van ertsen
- Installations destinées à la production de métaux bruts non ferreux à partir de minerais ou de concentrés de minerais ou autre matériau (à l'exception des déchets) selon des procédés métallurgiques ou électrolytiques et dont la capacité est inférieure ou égale à 100.000 t/an de métaux bruts non ferreux ;
  - Installations de calcination et de frittage de minerais métalliques
1B Minerais (traitement)
  (bewerking)

§ 2. De volgende rubriek wordt toegevoegd in de bijlage van het besluit van de Brusselse Hoofdstedelijke Regering van 4 maart 1999 tot vaststelling van de lijst van de inrichtingen van klasse IB, 1C, 1D, II en III in uitvoering van artikel 4 van de ordonnantie van 5 juni 1997 betreffende de milieuvergunningen :
  

  
Nr. Rubriek/
  N° rubrique
Benamingen Dénomination Klasse/Classe Sleutelwoord/Mot-clé
178 Gebruik van valoriseerbare materialen Utilisation de matériaux valorisables 1D Matériaux valorisables/
  valoriseerbare materialen

§ 3. De rubrieken nr. 80 en nr. 81 van de bijlage van het besluit van de Brusselse Hoofdstedelijke Regering van 4 maart 1999 tot vaststelling van de ingedeelde inrichtingen van klasse IB, IC, ID, II en III met toepassing van artikel 4 van de ordonnantie van 5 juni 1997 betreffende de milieuvergunningen worden geschrapt.

  Art. 5.2. Wijziging van het besluit van 20 mei 1999 van de Brusselse Hoofdstedelijke Regering tot verplichting van het inwinnen van het advies van de Brusselse Hoofdstedelijke Dienst voor Brandweer en Dringende Medische Hulp voor bepaalde ingedeelde inrichtingen
  § 1. De rubrieken nr. 44, nr. 45, nr. 46, nr. 47, nr. 48, nr. 49, nr. 50, nr. 51 en nr. 103 in de bijlage I bij het besluit van 20 mei 1999 van de Brusselse Hoofdstedelijke Regering tot verplichting van het inwinnen van het advies van de Brusselse Hoofdstedelijke Dienst voor Brandweer en Dringende Medische Hulp voor bepaalde ingedeelde inrichtingen worden respectievelijk vervangen door volgende rubrieken:
  

  
Nr. Rubriek/
  N° rubrique
Benaming Dénomination Klasse/Classe Sleutelwoord/Mot-clé
44 Inrichtingen voor het sorteren en/of voor het voorbereiden met het oog op hergebruik van afvalstoffen met een capaciteit: Installations de tri et/ou de préparation en vue du réemploi des déchets d'une capacité :  Déchets (Centre de tri/Réemploi)
  Afvalstoffen (Sorteercentrum/
  Hergebruik)
 C van meer dan 1000 tot en met 100.000 t/jaar C supérieure à 1000 et jusqu' à 100.000 t/an 1B  
45.1 Opslagplaatsen voor gevaarlijke afvalstoffen, met uitzondering van de opslagplaats die onder andere rubrieken valt, met een voor opslag bestemde totale oppervlakte: Dépôts de déchets dangereux, à l'exception du dépôt repris à d'autres rubriques, dont la surface totale destinée au stockage sur le site est :  Déchets dangereux (dépôt) Gevaarlijke afvalstoffen (opslag)
 B van meer dan 5 m B supérieure à 5 m 1B  
45.2 Opslagplaatsen voor vloeibare gevaarlijke afvalstoffen met een vlampunt lager dan of gelijk aan 21° C met een capaciteit : Dépôts de déchets dangereux liquides dont le point d'éclair est inférieur à 21° C d'une capacité :  Déchets dangereux liquides inflammables (dépôt) Ontvlambare vloeibare gevaarlijke afvalstoffen (opslag)
 A van 50 tot en met 500 l A comprise entre 50 et 500 l 2  
 B van meer dan 500 l B supérieure à 500 l 1B  
45.3 Opslagplaatsen voor vloeibare gevaarlijke afvalstoffen niet opgenomen in rubriek 45.2 met een capaciteit: Dépôts de déchets dangereux liquides non repris à la rubrique 45.2 d'une capacité :  Déchets dangereux liquides (dépôt) Vloeibare gevaarlijke afvalstoffen (opslag)
 A van 100 tot en met 5.000 l A comprise entre 100 et 5.000 l 2  
 B van meer dan 5.000 l B supérieure à 5.000 l 1B  
46 Inrichtingen of uitrustingen voor de verwerking van gevaarlijke afvalstoffen, met uitzondering van de inrichtingen die onder andere rubrieken vallen Installations ou équipements pour le traitement de déchets dangereux à l'exception des installations reprises à d'autres rubriques 1B Déchets dangereux
  (traitement)
  Gevaarlijke afvalstoffen (verwerking)
47 Opslagplaatsen voor niet gevaarlijke afvalstoffen, met uitzondering van de opslagplaatsen die onder andere rubrieken vallen, met een voor opslag bestemde totale oppervlakte: Dépôts de déchets non dangereux, à l'exception des dépôts repris à d'autres rubriques, dont la surface totale destinée au stockage sur le site est :  Déchets non dangereux (dépôt)
  Niet gevaarlijke
  afvalstoffen (opslagplaats)
 A van 100 tot en met 2000 m A comprise entre 100 et 2000 m 2  
 B van meer dan 2000 m B supérieure à 2000 m 1B  
48 Inrichtingen of uitrustingen voor de mechanische verwerking van niet gevaarlijke afvalstoffen, met uitzondering van inrichtingen die onder rubriek 44 vallen, met een totale drijfkracht: Installations ou équipements pour le traitement mécanique de déchets non dangereux, à l'exception des installations reprises à la rubrique 44, dont la force motrice totale est :  Déchets non dangereux (traitement mécanique)
  Niet gevaarlijke afvalstoffen (mechanische verwerking)
 B van meer dan 20 kW B supérieure à 20 kW 1B  
49 Inrichtingen of uitrustingen voor de verwerking van niet gevaarlijke afvalstoffen, met uitzondering van inrichtingen die onder andere rubrieken vallen Installations ou équipements pour le traitement de déchets non dangereux, à l'exception des installations reprises à d'autres rubriques  Déchets non dangereux (traitement)
  Niet gevaarlijke afvalstoffen (verwerking)
 B. van meer dan 100 t/jaar B supérieure à 100 t/an 1B  
50 Verbrandingsinrichtingen van niet gevaarlijke afvalstoffen met een capaciteit kleiner dan of gelijk aan 12 t/dag Installations d'incinération de déchets non dangereux d'une capacité inférieure ou égale à 12 t/jour 1B Déchets non dangereux (incinération)
  Niet gevaarlijke afvalstoffen (verbranding)
51 Inzamelinrichting van afvalstoffen, met inbegrip van de opslag van deze afvalstoffen en met uitzondering van de inrichting die onder rubrieken 44 en 220 vallen, met een capaciteit: Installations de collecte de déchets, y compris le dépôt de ces déchets et à l'exception des installations reprises sous rubriques 44 et 220, d'une capacité :  Déchets (collecte)
  Afvalstoffen (inzameling)
 B van meer dan 1000 tot en met 100.000 t/jaar B supérieure à 1000 et jusqu' à 100.000 t/an 1B  
103 - Inrichtingen voor de winning van ruwe non-ferrometalen uit erts of ertsconcentraat of een ander materiaal (met uitzondering van afvalstoffen) met metallurgische of elektrolytische processen met een capaciteit van minder dan of gelijk aan 100.000 t/jaar ruwe non-ferrometalen;
  - Inrichtingen voor het roosten en sinteren van ertsen
- Installations destinées à la production de métaux bruts non ferreux à partir de minerais ou de concentrés de minerais ou autre matériau (à l'exception des déchets) selon des procédés métallurgiques ou électrolytiques et dont la capacité est inférieure ou égale à 100.000 t/an de métaux bruts non ferreux ;
  - Installations de calcination et de frittage de minerais métalliques
1B Minerais (traitement)

§ 2. De volgende rubriek wordt toegevoegd in de bijlage I bij het besluit van 20 mei 1999 van de Brusselse Hoofdstedelijke Regering tot verplichting van het inwinnen van het advies van de Brusselse Hoofdstedelijke Dienst voor Brandweer en Dringende Medische Hulp voor bepaalde ingedeelde inrichtingen:
  

  
Nr. Rubriek/
  N° rubrique
Benaming Dénomination Klasse/Classe Sleutelwoord/
  Mot-clé
41.1 Composteercentra met een capaciteit: Centres de compostage d'une capacité :  Compostage/
  Biométhanisation
  Composteren/
  Biomethaniseren
 B van meer dan 1000 t/jaar B supérieure à 1000 t/an 1B  
41.2 Biomethaniseercentra Centres de biométhanisation 1B

§ 3. De rubrieken n° 80 en nr. 81 in de bijlage I bij het besluit van 20 mei 1999 van de Brusselse Hoofdstedelijke Regering tot verplichting van het inwinnen van het advies van de Brusselse Hoofdstedelijke Dienst voor Brandweer en Dringende Medische Hulp voor bepaalde ingedeelde inrichtingen worden geschrapt.

  Art. 5.3. Wijziging van het besluit van 17 december 2009 van de Brusselse Hoofdstedelijke Regering tot vaststelling van de lijst van de risicoactiviteiten
  § 1. De rubrieken nr. 22, nr. 33, nr. 45, nr. 46, en nr. 103 van de bijlage bij het besluit van 17 december 2009 van de Brusselse Hoofdstedelijke Regering tot vaststelling van de lijst van de risicoactiviteiten worden respectievelijk vervangen door volgende rubrieken:
  

  
Nr. Rubriek/
  N° rubrique
Benaming Dénomination Klasse/Classe Sleutelwoord/Mot-clé Beperking Limitations
22.1 Opslagplaatsen voor slib met een voor opslag bestemde totale oppervlakte tot en met 100 m Dépôts de boues dont la surface totale destinée au stockage sur le site est inférieure ou égale à 100 m 1C Boues, terres excavées (dépôt)/Slib, uitgegraven grond (opslag) Worden niet als risicoactiveiten beschouwd : de opslagplaatsen voor en de verwerking van slib en/of uitgegraven grond die de interventienormen niet overschrijden Ne sont pas considérées comme activité à risque : les dépôts de et le traitement de boues et/ou de terres excavées ne dépassant pas les normes d'intervention
22.2 Opslagplaatsen voor slib en/of uitgegraven grond met een voor opslag bestemde totale oppervlakte van meer dan 100 m Dépôts de boues et/ou de terres excavées dont la surface totale destinée au stockage sur le site est supérieure à 100 m 1B    
22.3 Verwerkingsinrichting, met inbegrip van de inzameling, van slib en/of uitgegraven grond Installation de traitement, y compris la collecte, de boues et/ou de terres excavées  Boues, terres excavées (verwerking)/Slib, uitgegraven grond (traitement)   
 A tot en met 1000 t/jaar A inférieure ou égale à 1000 t/an 2    
 B van meer dan 1000 t/jaar B supérieure à 1000 à 1000 t/an 1B    
33 Inrichtingen voor het schoonmaken en herconditioneren van vaten, containers en tanken die gevaarlijke stoffen hebben bevat (stoffen gekarakteriseerd door een gevaarseigenschap " H") Installations pour le nettoyage et le reconditionnement de fûts, conteneurs et citernes ayant contenu des substances dangereuses (substances caractérisées par une mention de danger "H" ) 1B Citernes (nettoyage)/
  Tanken (schoonmaak)
Zijn risicoactiviteiten als de bedoelde substanties volgens de CLP-verordening geklasseerd zijn als producten die een risico of een gevaar voor de gezondheid inhouden, anders dan corrosief en irriterend, of voor het leefmilieu, anders dan voor de ozonlaag* Sont des activités à risque si les substances visées sont classées selon le règlement CLP comme présentant un risque ou un danger envers la santé autre que corrosif et irritant, ou envers l'environnement autre que pour la couche d'ozone*
41.2 Biomethaniseercentra Centres de biométhanisation 1B Compostage/
  Biométhanisation
  Composteren/
  Biomethaniseren
Worden niet als risicoactiveiten beschouwd : de biomethaniseercentra die enkel afvalstoffen of producten van plantaardige oorsprong verwerken Ne sont pas considérées comme activité à risque : les centres de biométhanisation ne traitant que des déchets ou des produits d'origine végétale
45.1 Opslagplaatsen voor gevaarlijke afvalstoffen, met uitzondering van de opslagplaatsen die onder andere rubrieken vallen, met een voor opslag bestemde totale oppervlakte: Dépôts de déchets dangereux, à l'exception des dépôts repris à d'autres rubriques, dont la surface totale destinée au stockage sur le site est :  Déchets dangereux (dépôt) Gevaarlijke afvalstoffen (opslag)   
 B van meer dan 5 m B supérieure à 5 m 1B    
45.2 Opslagplaatsen voor vloeibare gevaarlijke afvalstoffen met een vlampunt lager dan of gelijk aan 21° C met een capaciteit : Dépôts de déchets dangereux liquides dont le point d'éclair est inférieur à 21° C d'une capacité :  Déchets dangereux liquides inflammables (dépôt) Ontvlambare vloeibare gevaarlijke afvalstoffen (opslag) Worden uitsluitend als risicoactiviteiten beschouwd: de opslagplaatsen van vloeibare gevaarlijke ontvlambare afvalstoffen als de bedoelde substanties volgens de CLP-verordening geklasseerd zijn als producten die een risico of een gevaar voor de gezondheid inhouden, anders dan corrosief en irriterend, of voor het leefmilieu, anders dan voor de ozonlaag* Sont exclusivement considérés comme activités à risque : les dépôts de déchets dangereux liquides inflammables si les substances visées sont classées selon le règlement CLP comme présentant un risque ou un danger envers la santé autre que corrosif et irritant, ou envers l'environnement autre que pour la couche d'ozone*
 B van meer dan 500 l B supérieure à 500 l 1B    
45.3 Opslagplaatsen voor vloeibare gevaarlijke afvalstoffen niet opgenomen in rubriek 45.2 met een capaciteit : Dépôts de déchets dangereux liquides à l'exception du dépôt repris à la rubrique 45.2 d'une capacité :  Déchets dangereux liquides (dépôt) Vloeibare gevaarlijke afvalstoffen (opslag) Worden uitsluitend als risicoactiviteiten beschouwd: de opslagplaatsen van vloeibare gevaarlijke afvalstoffen van meer dan 2000 liter en als de bedoelde substanties volgens de CLP-verordening geklasseerd zijn als producten die een risico of een gevaar voor de gezondheid inhouden, anders dan corrosief en irriterend, of voor het leefmilieu, anders dan voor de ozonlaag* Sont exclusivement considérés comme activités à risque : les dépôts de déchets dangereux liquides de plus de 2000 litres et si les substances visées sont classées selon le règlement CLP comme présentant un risque ou un danger envers la santé autre que corrosif et irritant, ou envers l'environnement autre que pour la couche d'ozone*
 A van 100 tot en met 5.000 l A comprise entre 100 et 5.000 l 2    
 B van meer dan 5.000 l B supérieure à 5.000 l 1B    
46 Inrichtingen of uitrustingen voor de verwerking van gevaarlijke afvalstoffen, met uitzondering van de inrichtingen die onder andere rubrieken vallen Installations ou équipements pour le traitement de déchets dangereux à l'exception des installations reprises à d'autres rubriques 1B Déchets dangereux (traitement)
  Gevaarlijke afvalstoffen (verwerking)
Worden niet als risicoactiviteiten beschouwd: apparaten voor de distillatie van gebruikte solventen met een totale capaciteit lager dan 250 liter en enkel bestemd voor de behandeling van solventen afkomstig van de inrichting. Ne sont pas considérées comme des activités à risque : appareils de distillation de solvants usagés d'une capacité totale inférieure à 250 litres et destinés exclusivement au traitement des solvants provenant de l'établissement
47 Opslagplaatsen voor niet gevaarlijke afvalstoffen, met uitzondering van de opslagplaatsen die onder andere rubrieken vallen, met een voor opslag bestemde totale oppervlakte: Dépôts de déchets non dangereux, à l'exception des dépôts repris à d'autres rubriques, dont la surface totale destinée au stockage sur le site est :  Déchets non dangereux (dépôt)
  Niet gevaarlijke afvalstoffen (opslagplaats)
Worden niet als risicoactiviteiten beschouwd : de opslagplaatsen van niet gevaarlijke inerte afvalstoffen Ne sont pas considérés comme des activités à risque : les dépôts de déchets non dangereux inertes
 B van meer dan 2000 m B supérieure à 2000 m 1B    
103 - Inrichtingen voor de winning van ruwe non-ferrometalen uit erts of ertsconcentraat of een ander materiaal (met uitzondering van afvalstoffen) met metallurgische of elektrolytische processen met een capaciteit van minder dan of gelijk aan 100.000 t/jaar ruwe non-ferrometalen;- Inrichtingen voor het roosten en sinteren van ertsen - Installations destinées à la production de métaux bruts non ferreux à partir de minerais ou de concentrés de minerais ou autre matériau (à l'exception de déchets) selon des procédés métallurgiques ou électrolytiques et dont la capacité est inférieure ou égale à 100.000 t/an de métaux bruts non ferreux;- Installations de calcination et de frittage de minerais métalliques 1B Minerais (traitement)
  Erts (bewerking)
 

§ 2. De volgende rubriek wordt toegevoegd in de bijlage bij het besluit van 17 december 2009 van de Brusselse Hoofdstedelijke Regering tot vaststelling van de lijst van de risicoactiviteiten:
  

  
Nr. Rubriek/
  N° rubrique
Benaming Dénomination Klasse/Classe Sleutelwoord/Mot-clé Beperking Limitations
51 Inzamelinrichting van afvalstoffen, met inbegrip van de opslag van deze afvalstoffen en met uitzondering van inrichtingen die onder rubrieken 44 en 220 vallen, met een capaciteit: Installation de collecte de déchets, y compris le dépôt de ces déchets et à l'exception des installations reprises sous rubriques 44 et 220, d'une capacité :  Déchets (collecte)
  Afvalstoffen
  (inzameling)
Worden niet als risicoactiviteiten beschouwd: de inzamelinrichting uitsluitend bestemd voor niet gevaarlijke afvalstoffen, huishoudelijke afvalstoffen of afgedankte elektrische en elektronische apparatuur Ne sont pas considérées comme activité à risque : les installations de collecte destinées exclusivement aux déchets non dangereux, déchets ménagers ou déchets d'équipements électriques et électroniques
 B van meer dan 1000 tot en met 100.000 t/jaar B supérieure à 1000 et jusqu' à 100.000 t/an 1B   

§ 3. De rubrieken nr. 80 en nr. 81 in de bijlage bij het besluit van 17 december 2009 van de Brusselse Hoofdstedelijke Regering tot vaststelling van de lijst van de risicoactiviteiten worden geschrapt.

  HOOFDSTUK 2. - Opheffingsbepalingen

  Afdeling 1. - Gedeeltelijke opheffing

  Art. 5.4. De artikelen 15 en 16 van het besluit van 21 november 2002 van de Brusselse Hoofdstedelijke Regering betreffende de verbranding van afval worden opgeheven bij het van kracht worden van huidig besluit.

  Afdeling 2. - Volledige opheffing

  Art. 5.5. De volgende besluiten worden opgeheven bij het van kracht worden van huidig besluit:
  - het besluit van de Executieve van het Brusselse Hoofdstedelijk Gewest van 19 september 1991 houdende regeling van de verwijdering van gevaarlijke afvalstoffen;
  - het besluit van de Executieve van het Brusselse Hoofdstedelijk Gewest van 19 september 1991 houdende regeling van de verwijdering van afvalolie;
  - het besluit van de Executieve van het Brusselse Hoofdstedelijk Gewest van 19 september 1991 houdende regeling van de verwijdering van PCB's;
  - het besluit van de Regering van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest van 7 juli 1994 betreffende de internationale invoer en uitvoer van afvalstoffen;
  - het ministerieel besluit van 15 september 1994 houdende verscheidene uitvoeringsmaatregelen van het besluit van de Regering van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest van 7 juli 1994 betreffende de internationale invoer en uitvoer van afvalstoffen;
  - het besluit van de Brusselse Hoofdstedelijke Regering van 21 juni 2012 betreffende de registratie van ophalers en vervoerders van niet-gevaarlijke niet-huishoudelijke afvalstoffen;
  - het besluit van de Brusselse Hoofdstedelijke Regering van 21 juni 2012 tot bepaling van de voorschriften voor de tenuitvoerlegging van de sorteerplicht voor houders van afvalstoffen andere dan huishoudelijke.
  - het besluit van 18 juli 2002 tot invoering van een terugnameplicht voor sommige afvalstoffen met het oog op hun nuttige toepassing of hun verwijdering, zoals gewijzigd door het besluit van de Brusselse Hoofdstedelijke Regering van 15 april 2004, het besluit van de Brusselse Hoofdstedelijke Regering van 3 juni 2004, het besluit van de Brusselse Hoofdstedelijke Regering van 23 maart 2006, het besluit van de Brusselse Hoofdstedelijke Regering van 23 oktober 2008, het besluit van de Brusselse Hoofdstedelijke Regering van 10 december 2009 en het besluit van de Brusselse Hoofdstedelijke Regering van 3 maart 2011, met uitzondering van artikel 2, leed 4, 4°, van artikels 3, 4 en 6, voor wat de afgewerkte voedingsolie en vetten afkomstig van de huishoudens, die vanaf 1 januari 2019 worden opgeheven;
  - het besluit van de Brusselse Hoofdstedelijke Regering van 3 juni 2004 betreffende de beheerders van afgedankte elektrische en elektronische apparatuur, zoals gewijzigd door het besluit van de Brusselse Hoofdstedelijke Regering van 28 oktober 2010 en het besluit van de Brusselse Hoofdstedelijke Regering van 18 maart 2011;
  - het besluit van de Brusselse Hoofdstedelijke Regering van 25 april 2002 tot vaststelling van de lijst van afvalstoffen en gevaarlijke afvalstoffen;

  Art. 5.6. Het besluit van de Brusselse Hoofdstedelijke Regering van 30 januari 1997 betreffende het afvalregister wordt opgeheven op 1 januari 2018.

  HOOFDSTUK 3. - Overgangs- en slotbepalingen

  Afdeling 1. - Inwerkingtreding

  Art. 5.7. § 1 Huidig besluit treedt in werking 10 dagen na zijn publicatie in het Belgisch Staatsblad.
  § 2. Artikel 1.8 treedt in werking op 1 januari 2018.
  § 3. Met uitzondering van artikel 4.2.3 dat inwerkingtreedt 10 dagen na publicatie van huidig besluit in het Belgisch Staatsblad, treedt titel IV, hoofdstuk II in op1 januari 2019.

  Art. 5.8. Huidige registraties en erkenningen
  § 1. De persoon die geregistreerd is als vervoerder van niet-gevaarlijke niet-huishoudelijke afvalstoffen volgens de bepalingen van het besluit van de Brusselse Hoofdstedelijke Regering van 21 juni 2012 betreffende de registratie van ophalers en vervoerders van niet-gevaarlijke niet-huishoudelijke afvalstoffen, wordt van rechtswege geregistreerd als vervoerder.
  § 2. De persoon die geregistreerd is als ophaler van niet-gevaarlijke niet-huishoudelijke afvalstoffen volgens de bepalingen van het besluit van de Brusselse Hoofdstedelijke Regering van 21 juni 2012 betreffende de registratie van ophalers en vervoerders van niet-gevaarlijke niet-huishoudelijke afvalstoffen, wordt van rechtswege geregistreerd als inzamelaar, handelaar of makelaar van niet gevaarlijke afvalstoffen.
  § 3. De houder van een erkenning die werd afgeleverd volgens de bepalingen van:
  - het besluit van 19 september 1991 van de Executieve van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest houdende regeling van de verwijdering van gevaarlijke afvalstoffen;
  - het besluit van 19 september 1991 van de Executieve van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest houdende regeling van de verwijdering van afvaloliën;
  - het besluit van 19 september 1991 van de Executieve van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest houdende regeling van de verwijdering van PCB's;
  wordt van rechtswege erkend als inzamelaar, handelaar of makelaar van gevaarlijke afvalstoffen voor de duurtijd zoals bepaald in zijn huidige erkenningbesluit.
  § 4. De in paragraaf 1 en 2 bedoelde geregistreerde persoon en de houder van de erkenning bedoeld in paragraaf 3 oefenen hun activiteit uit conform aan huidig besluit, niettegenstaande tegenstrijdige bepalingen opgenomen in hun registratie of erkenning.
  § 5. De houder van de erkenning bekomen in het kader van het besluit van 3 juni 2004 van de Brusselse Hoofdstedelijke Regering betreffende de beheerders van afgedankte elektrische en elektronische apparatuur, stuurt het formulier van bijlage 9, volledig ingevuld, op aan het Instituut.

  Art. 5.9. De producent die zijn uitgebreide producentveranwoordelijkheid verplichtingen niet uitvoert via een erkende organisatie of via een milieubeleidovereenkomst, dient zijn eerste plan voor de preventie en het beheer van afvalstoffen bedoeld in artikel 2.2.9 in te dienen binnen een termijn van één maand vanaf de inwerkingtreding van de uitgebreide producentverantwoordelijkheid waaraan hij krachtens artikel 2.1.1 wordt onderworpen.

  Afdeling 2. - Slotbepaling

  Art. 5.10. De Minister bevoegd voor het Leefmilieu is belast met de uitvoering van dit besluit.

  BIJLAGEN.

  Art. N. Bijlagen
  ( Beeld niet opgenomen om technische redenen, zie B.St. van 13-01-2017, p. 1870 )
  
  Gewijzigd door:
  
  <BESL 2019-04-25/24, art. 2, 002; Inwerkingtreding : 30-05-2019>
  

Handtekening Tekst Inhoudstafel Begin
   Brussel, 1 december 2016.
Door de Brusselse Hoofdstedelijke Regering :
De Minister-voorzitter,
R. VERVOORT
De Minister van de Brusselse Hoofdstedelijke Regering,
belast met Leefmilieu,
Mevr. C. FREMAULT

Aanhef Tekst Inhoudstafel Begin
   De Brusselse Hoofdstedelijke Regering,
   Gelet op de bijzondere wet van 8 augustus 1980 tot hervorming der instellingen, artikel 20;
   Gelet op de bijzondere wet van 12 januari 1989 met betrekking tot de Brusselse instellingen, artikel 8;
   Gelet op het koninklijk besluit van 8 maart 1989 tot oprichting van het Brussels Instituut voor Milieubeheer, artikel 3, § 3, bekrachtigd bij de wet van 16 juni 1989;
   Gelet op de ordonnantie van 14 juni 2012 betreffende afvalstoffen, de artikelen 9, 10, 16, 19, 22, 23, 26, 27, 32, 33, 35, 38, 39, 45, 46, en 56;
   Gelet op de ordonnantie van 5 juni 1997 betreffende de milieuvergunningen, de artikelen 4, 6, 10, 13, 70, 71, 78, 78/1 ;
   Gelet op de ordonnantie van 5 maart 2009 betreffende het beheer en de sanering van verontreinigde bodems, artikel 3, 3° ;
   Gelet op het besluit van 18 juli 2002 tot invoering van een terugnameplicht voor sommige afvalstoffen met het oog op hun nuttige toepassing of hun verwijdering;
   Gelet op het besluit van de Brusselse Hoofdstedelijke Regering van 3 juni 2004 betreffende de beheerders van afgedankte elektrische en elektronische apparatuur;
   Gelet op het besluit van de Brusselse Hoofdstedelijke Regering van 25 april 2002 tot vaststelling van de lijst van afvalstoffen en gevaarlijke afvalstoffen;
   Gelet op het besluit van de Brusselse Hoofdstedelijke Regering van 30 januari 1997 betreffende het afvalregister;
   Gelet op het besluit van 21 november 2002 van de Brusselse Hoofdstedelijke Regering betreffende de verbranding van afval, de artikelen 15 en 16;
   Gelet op het besluit van de Executieve van het Brusselse Hoofdstedelijk Gewest van 19 september 1991 houdende regeling van de verwijdering van gevaarlijke afvalstoffen;
   Gelet op het besluit van de Executieve van het Brusselse Hoofdstedelijk Gewest van 19 september 1991 houdende regeling van de verwijdering van afvalolie;
   Gelet op het besluit van de Executieve van het Brusselse Hoofdstedelijk Gewest van 19 september 1991 houdende regeling van de verwijdering van PCB's;
   Gelet het besluit van de Regering van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest van 7 juli 1994 betreffende de internationale invoer en uitvoer van afvalstoffen;
   Gelet op het ministerieel besluit van 15 september 1994 houdende verscheidene uitvoeringsmaatregelen van het besluit van de Regering van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest van 7 juli 1994 betreffende de internationale invoer en uitvoer van afvalstoffen;
   Gelet op het besluit van de Brusselse Hoofdstedelijke Regering van 21 juni 2012 betreffende de registratie van ophalers en vervoerders van niet-gevaarlijke niet-huishoudelijke afvalstoffen;
   Gelet op het besluit van de Brusselse Hoofdstedelijke Regering van 21 juni 2012 tot bepaling van de voorschriften voor de tenuitvoerlegging van de sorteerplicht voor houders van afvalstoffen andere dan huishoudelijke;
   Gelet op de verordening (EG) nr. 1013/2006 van het Europees parlement en de raad van 14 juni 2006 betreffende de overbrenging van afvalstoffen;
   Gelet op het advies van de Inspectie van Financiën, gegeven op 2/05/2016;
   Gelet op het akkoord van de Minister van Begroting uitgebracht op 2/06/2016 ;
   Gelet op de uitgevoerde gender test zoals opgelegd door artikel 3 van de ordonnantie van 29 maart 2012 houdende de integratie van de genderdimensie in de beleidslijnen van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest;
   Gelet op het advies van de Raad voor het Leefmilieu voor het Brussels Hoofdstedelijk Gewest, gegeven op 29 juni 2016;
   Gelet op het advies van de Economische en Sociale Raad voor het Brussels Hoofdstedelijk Gewest, gegeven op 7 juli 2016;
   Gelet op advies nr. 60/161/1 van de Raad van State, gegeven op 28 oktober 2016 met toepassing van artikel 84, § 1, 1ste lid, 1° van de gecoördineerde wetten op de Raad van State;
   Op voorstel van de Minister van Leefmilieu;
   Na beraadslaging,
   Besluit :

Wijziging(en) Tekst Inhoudstafel Begin
originele versie
  • BESLUIT (BRUSSEL) VAN 06-06-2019 GEPUBL. OP 05-08-2019
    (GEWIJZIGDE ART. : 1.1; 2.4.49; 2.4.66)
  • originele versie
  • BESLUIT (BRUSSEL) VAN 25-04-2019 GEPUBL. OP 20-05-2019
    (GEWIJZIGDE ART. : 3.8.2-3.8.12; N)

  • Begin Eerste woord Laatste woord Wijziging(en) Aanhef
    Inhoudstafel 9 uitvoeringbesluiten 2 gearchiveerde versies
    Franstalige versie