J U S T E L     -     Geconsolideerde wetgeving
Einde Eerste woord Laatste woord Wijziging(en) Aanhef
Parlementaire werkzaamheden Inhoudstafel 11 uitvoeringbesluiten 11 gearchiveerde versies
Erratum Handtekening Einde Franstalige versie
 
belgiëlex . be     -     Kruispuntbank Wetgeving
Raad van State Kamer van volksvertegenwoordigers
ELI - Navigatie systeem via een Europese identificatiecode voor wetgeving
http://www.ejustice.just.fgov.be/eli/wet/2016/03/13/2016011092/justel

Titel
13 MAART 2016. - Wet op het statuut van en het toezicht op de verzekerings- of herverzekeringsondernemingen.
(NOTA : Raadpleging van vroegere versies vanaf 23-03-2016 en tekstbijwerking tot 22-05-2019)

Bron : ECONOMIE, KMO, MIDDENSTAND EN ENERGIE
Publicatie : 23-03-2016 nummer :   2016011092 bladzijde : 19856       PDF :   originele versie    
Dossiernummer : 2016-03-13/07
Inwerkingtreding : 23-03-2016

Inhoudstafel Tekst Begin
BOEK I. - ALGEMENE BEPALINGEN
TITEL I. - Doel
Art. 1-5
TITEL II. - Toepassingsgebied
HOOFDSTUK I. - Algemene bepalingen
Art. 6-7
HOOFDSTUK II. - Uitsluitingen
Afdeling I. - Wettelijke regelingen
Art. 8
Afdeling II. - Niet-levensverzekering
Art. 9-11
Afdeling III. - Levensverzekering
Art. 12
Afdeling IV. - Herverzekering
Art. 13-14
TITEL III. - Definities
Art. 15
TITEL IV. - Gereserveerde namen
Art. 16
BOEK II. - VERZEKERINGS- OF HERVER- ZEKERINGSONDERNEMINGEN NAAR BELGISCH RECHT
TITEL I. - Toegang tot het bedrijf
HOOFDSTUK I. - Vergunning
Afdeling I. - Vergunningsplicht
Art. 17-21
Afdeling II. - Procedure
Art. 22-31
HOOFDSTUK II. - Vergunningsvoorwaarden
Afdeling I. - Algemene bepalingen
Art. 32
Afdeling II. - Vennootschapsvorm en doel
Art. 33-34
Afdeling III. - Programma van werkzaamheden
Art. 35-36
Afdeling IV. - Eigen vermogen
Art. 37-38
Afdeling V. - Aandeelhouders of vennoten
Art. 39
Afdeling VI. - Leiding
Art. 40-41
Afdeling VII. - Organisatie
Onderafdeling I. - Algemene beginselen
Art. 42-43
Onderafdeling II. - Vennootschapsorganen
Art. 44-45, 45bis, 46-47
Onderafdeling III. - Oprichting van comités binnen het wettelijk bestuursorgaan
Art. 48-53
Onderafdeling IV. - Onafhankelijke controlefuncties
Art. 54-60
Afdeling VIII. - Hoofdbestuur
Art. 61
Afdeling IX. - Bescherming van de schuldeisers uit hoofde van verzekering
Art. 62
TITEL II. - Bedrijfsuitoefeningsvoorwaarden
HOOFDSTUK I. - Algemene bepalingen
Art. 63
HOOFDSTUK II. - Wijzigingen in de kapitaalstructuur
Art. 64-73
HOOFDSTUK III. - Algemene werkingsvoorwaarden
Afdeling I. - Minimum eigen vermogen
Art. 74-75
Afdeling II. - Bewaring van documenten
Art. 76
Afdeling III. - Leiding en leiders
Onderafdeling I. - Toezicht en beoordeling door het wettelijk bestuursorgaan
Art. 77-79
Onderafdeling II. - Door het directiecomité te nemen maatregelen
Art. 80
Onderafdeling III. - Benoemingen, ontslagen en uitoefening van externe functies
Art. 81-83
Afdeling IV. - Risicobeheer
Art. 84-90
Afdeling V. - Beoordeling van het eigen risico en de solvabiliteit (Own Risk and Solvency Assessment)
Art. 91
Afdeling VI. - Uitbesteding
Art. 92
Afdeling VII. - Verrichtingen die beperkt of verboden zijn en betalingen die nietig kunnen worden verklaard
Art. 93, 93/1, 94
Afdeling VIII. - Mededeling van informatie over de situatie van de verzekerings- of herverzekeringsonderneming
Art. 95-101
HOOFDSTUK IV. - Portefeuilleoverdracht en andere bijzondere verrichtingen
Art. 102-106
HOOFDSTUK V. - Uitoefening van verzekerings- of herverzekeringsactiviteiten in het buitenland
Afdeling I. - Oprichting of verwerving van dochterondernemingen in het buitenland
Art. 107
Afdeling II. - Opening van bijkantoren in het buitenland
Onderafdeling I. - Opening van bijkantoren in het buitenland door een verzekeringsonderneming
Art. 108-112
Onderafdeling II. - Opening van een bijkantoor in het buitenland door een herverzekeringsonderneming
Art. 113-114
Afdeling III. - Verrichten van verzekerings- of herverzekeringsdiensten in het buitenland
Onderafdeling I. - Verrichten van diensten in het buitenland door een verzekeringsonderneming
Art. 115-119
Onderafdeling II. - Verrichten van diensten in het buitenland door een herverzekeringsonderneming
Art. 120-121
Afdeling IV. - Gemeenschappelijke bepalingen betreffende de bedrijfsuitoefening in een andere lidstaat
Art. 122
HOOFDSTUK VI. - Reglementaire normen en verplichtingen
Afdeling I. - Waarderingsregels
Onderafdeling I. - Algemene regels
Art. 123
Onderafdeling II. - Regels betreffende de technische voorzieningen § 1. Algemene bepalingen
Art. 124-139
Onderafdeling III. - Eigen vermogen
Art. 140-150
Afdeling II. - Kapitaalvereisten
Onderafdeling I. - Algemene bepalingen betreffende het solvabiliteitskapitaalvereiste
Art. 151-152
Onderafdeling II. - Solvabiliteitskapitaalvereiste berekend volgens de standaardformule
Art. 153-166
Onderafdeling III. - Solvabiliteitskapitaalvereiste berekend aan de hand van geheel of gedeeltelijk interne modellen
Art. 167-188
Onderafdeling IV. - Minimumkapitaalvereiste
Art. 189
Afdeling III. - Beleggingen
Onderafdeling I. - "Prudent person"-beginsel
Art. 190-193
Onderafdeling II. - Bijhouden van een doorlopende inventaris
Art. 194-195
Onderafdeling III. - Lokalisatie van de activa
Art. 196-198
HOOFDSTUK VII. - Periodieke informatieverstrekking en boekhoudregels
Art. 199-203
HOOFDSTUK VIII. - Herstelplannen
Afdeling I. - Opmaak van herstelplannen
Art. 204-207
Afdeling II. - Beoordeling van herstelplannen
Art. 208-210
Afdeling III. - Uitvoering van herstelplannen
Art. 211
HOOFDSTUK IX. - Specifieke bepalingen met betrekking tot het verzekerings- of herverzekeringsbedrijf
Afdeling I. - Bijzondere bepalingen met betrekking tot verzekeringen
Onderafdeling I. - Bijzondere bepalingen met betrekking tot niet-levensverzekeringen
Art. 212
Onderafdeling II. - Bijzondere bepalingen met betrekking tot levensverzekeringen
Art. 213-221
Onderafdeling III. - Gelijktijdige uitoefening van levens- en niet-levensverzekeringsactiviteiten
Art. 222-229
Onderafdeling IV. - Afzonderlijke beheren
Art. 230-231
Onderafdeling V. - Communautaire medeverzekering § 1. Toepassingsgebied
Art. 232-238
Afdeling II. - Bijzondere bepalingen met betrekking tot herverzekeringen
Onderafdeling I. - Finite herverzekering
Art. 239-241
Onderafdeling II. - Effectiseringsvehikels
Art. 242-243
TITEL III. - Bijzondere bepalingen betreffende bepaalde categorieën van verzekeringsondernemingen
HOOFDSTUK I. - Onderlinge verzekeringsverenigingen
Afdeling I. - Algemene bepalingen
Art. 244-247
Afdeling II. - Omzetting van onderlinge verzekeringsverenigingen
Art. 248-260
Afdeling III. - Fusie door overneming van onderlinge verzekeringsverenigingen
Art. 261-271
HOOFDSTUK II. - Ondernemingen die wegens hun omvang aan een bijzondere regeling zijn onderworpen
Afdeling I. - Toepassingsgebied
Art. 272-274
Afdeling II. - Ondernemingen die een overeenkomst hebben gesloten die voorziet in de volledige en systematische herverzekering van de verzekeringsovereenkomsten of in de overdracht van de verplichtingen
Art. 275
Afdeling III. - Andere verzekeringsondernemingen
Art. 276-291, 291/1, 292-293
HOOFDSTUK III. - Lokale verzekeringsondernemingen
Afdeling I. - Toepassingsgebied
Art. 294-295
Afdeling II. - Inschrijving
Art. 296-297
Afdeling III. - Voorwaarden voor de toekenning en het behoud van de inschrijving
Art. 298
Afdeling IV. - Toezicht
Art. 299
Afdeling V. - Uitzonderingsmaatregelen
Art. 300
Afdeling VI. - Beëindiging van de inschrijving
Art. 301-302
TITEL IV. - Toezicht op de ondernemingen
HOOFDSTUK I. - Toezicht door de Bank
Afdeling I. - Algemene beginselen
Art. 303-309
Afdeling II. - Toezicht op in een andere lidstaat uitgeoefende activiteiten
Art. 310-311
Afdeling III. - Voor toezichtsdoeleinden te verstrekken informatie
Art. 312-317
Afdeling IV. - Procedure van prudentieel toezicht
Onderafdeling I. - Procedure van prudentiële toetsing en evaluatie
Art. 318-321
Onderafdeling II. - Stresstests
Art. 322
Onderafdeling III. - Prudentiële maatregelen. - Opslagfactor van het kapitaalvereiste
Art. 323
Afdeling V. - Informatieverstrekking aan EIOPA
Art. 324
HOOFDSTUK II. - Revisoraal toezicht
Afdeling I. - Aanstelling en erkenning van de commissarissen
Art. 325-329
Afdeling II. - Opdracht van de erkend commissarissen
Art. 330-337
TITEL V. - Toezicht op verzekerings- en herverzekeringsgroepen en aanvullend toezicht op financiële conglomeraten
HOOFDSTUK I. - Definities
Art. 338-342
HOOFDSTUK II. - Toezicht op verzekerings- of herverzekeringsondernemingen die deel uitmaken van een verzekerings- of herverzekeringsgroep
Afdeling I. - Toepassingsgevallen, reikwijdte en niveaus van het groepstoezicht
Onderafdeling I. - Toepassingsgevallen van het groepstoezicht
Art. 343-347
Onderafdeling II. - Reikwijdte van het groepstoezicht
Art. 348-350
Onderafdeling III. - Niveaus § 1. Uiteindelijke moederonderneming op het niveau van de Europese Economische Ruimte
Art. 351-357
Afdeling II. - Domeinen van het groepstoezicht
Onderafdeling I. - Groepssolvabiliteit § 1. Algemene bepalingen
Art. 358-387
Onderafdeling II. - Risicoconcentratie en intragroeptransacties § 1. Risicoconcentratie
Art. 388-391
Onderafdeling III. - Governancesysteem op het niveau van de verzekerings- of herverzekeringsgroep
Art. 392-398
Onderafdeling IV. - Bekendmaking van informatie § 1. Verslag over de solvabiliteit en de financiële positie van de groep
Art. 399-406
Afdeling III. - Uitoefening van het groepstoezicht
Onderafdeling I. - Aanwijzing van de groepstoezichthouder
Art. 407-408
Onderafdeling II. - Rechten en plichten van de groepstoezichthouder en van de betrokken toezichthouders - College van toezichthouders
Art. 409-416
Onderafdeling III. - Samenwerking en uitwisseling van informatie tussen toezichthouders
Art. 417-420
Onderafdeling IV. - Overleg tussen toezichthouders
Art. 421
Onderafdeling V. - Voor de uitoefening van het toezicht op groepsniveau te verstrekken informatie
Art. 422-429
Onderafdeling VI. - Revisoraal toezicht
Art. 430-440
Onderafdeling VII. - Prudentiële maatregelen
Art. 441-442
Afdeling IV. - Verzekeringsholdings en gemengde financiële holdings
Art. 443-444
Afdeling V. - Moederondernemingen met zetel in een derde land
Art. 445-449
Afdeling VI. - Gemengde verzekeringsholdings
Art. 450
HOOFDSTUK III. - Aanvullend conglomeraatstoezicht
Afdeling I. - Toepassingsgevallen, reikwijdte en niveaus van het aanvullende conglomeraatstoezicht
Onderafdeling I. - Toepassingsgevallen van het aanvullende conglomeraatstoezicht
Art. 451-453
Onderafdeling II. - Reikwijdte van het aanvullende conglomeraatstoezicht
Art. 454-455
Onderafdeling III. - Niveaus van het aanvullende conglomeraatstoezicht
Art. 456
Afdeling II. - Domeinen van het aanvullende conglomeraatstoezicht
Onderafdeling I. - Aanvullend solvabiliteitstoezicht
Art. 457-458
Onderafdeling II. - Aanvullend toezicht op risicoconcentratie
Art. 459-460
Onderafdeling III. - Aanvullend toezicht op intragroeptransacties
Art. 461-462
Onderafdeling IV. - Periodieke rapportering
Art. 463
Onderafdeling V. - Risicobeheer- en internecontroleprocedures
Art. 464-466
Onderafdeling VI. - Stresstests
Art. 467
Onderafdeling VII. - Governance
Art. 468-470
Afdeling III. - Uitoefening van het aanvullende conglomeraatstoezicht
Onderafdeling I. - Aanwijzing van de coördinator
Art. 471-472
Onderafdeling II. - Rechten en plichten van de coördinator - College
Art. 473-477
Onderafdeling III. - Samenwerking en uitwisseling van informatie tussen de bevoegde autoriteiten
Art. 478-481
Onderafdeling IV. - Overleg tussen bevoegde autoriteiten
Art. 482
Onderafdeling V. - Voor de uitoefening van het aanvullende conglomeraatstoezicht te verstrekken informatie
Art. 483-487
Onderafdeling VI. - Revisoraal toezicht
Art. 488-499
Afdeling IV. - Andere financiële groepen
Art. 500-501
Afdeling V. - Moederondernemingen uit derde landen
Art. 502-503
TITEL VI. - In moeilijkheden of in een onregelmatige situatie verkerende verzekerings- of herverzekeringsondernemingen
HOOFDSTUK I. - Evenwicht van de tarieven
Art. 504-507
HOOFDSTUK II. - Herstelmaatregelen
Afdeling I. - Dwingende maatregelen
Art. 508, 508/1
Afdeling II. - Uitvoering van het herstelplan
Art. 509
Afdeling III. - Saneringsplan en plan inzake financiering op korte termijn
Art. 510-512
Afdeling IV. - Beperking van de bevoegdheid om over de activa te beschikken
Art. 513-516
Afdeling V. - Uitzonderlijke herstelmaatregelen
Art. 517-518
HOOFDSTUK III. - Maatregelen ter bescherming van het financiële stelsel
Afdeling I. - Daden van beschikking
Art. 519-526
Afdeling II. - Gerechtelijke controle
Art. 527-537
TITEL VII. - Beëindiging van de vergunning
HOOFDSTUK I. - Doorhaling van de vergunning
Afdeling I. - Afstand van de vergunning
Art. 538
Afdeling II. - Doorhaling wegens niet-uitoefening van de activiteit
Art. 539
Afdeling III. - Doorhaling van rechtswege
Art. 540
HOOFDSTUK II. - Herroeping van de vergunning
Art. 541-542
HOOFDSTUK III. - Gemeenschappelijke bepalingen betreffende de verschillende gevallen van verlies van de vergunning
Art. 543-549
BOEK III. - VERZEKERINGS- OF HERVERZEKERING- SONDERNEMINGEN NAAR BUITENLANDS RECHT
TITEL I. - Verzekerings- of herverzekeringsondernemingen die onder het recht van een andere lidstaat ressorteren
HOOFDSTUK I. - Uitoefening van activiteiten in België door verzekeringsondernemingen die onder het recht van een andere lidstaat ressorteren
Afdeling I. - Toegang tot het bedrijf
Onderafdeling I. - Opening van bijkantoren
Art. 550-555
Onderafdeling II. - Vrije dienstverrichting
Art. 556-561
Afdeling II. - Bedrijfsuitoefening
Art. 562-564
Afdeling III. - Toezicht
Art. 565-567
Afdeling IV. - Uitzonderingsmaatregelen
Art. 568-574
HOOFDSTUK II. - Uitoefening van activiteiten in België door herverzekeringsondernemingen die onder het recht van een andere lidstaat ressorteren
Afdeling I. - Toegang tot het bedrijf
Art. 575
Afdeling II. - Bedrijfsuitoefening
Art. 576-577
Afdeling III. - Toezicht
Onderafdeling I. - Algemene bepalingen
Art. 578
Onderafdeling II. - Uitzonderingsmaatregelen
Art. 579-583
TITEL II. - Verzekerings- of herverzekeringsondernemingen die onder het recht van een derde land ressorteren
HOOFDSTUK I. - Bijkantoren in België van verzekering- sondernemingen die onder het recht van een derde land ressorteren
Afdeling I. - Toegang tot het bedrijf in België
Art. 584-585
Afdeling II. - Bedrijfsuitoefening
Art. 586-594
Afdeling III. - Toezicht
Art. 595-597
Afdeling IV. - Uitzonderingsmaatregelen, sancties en beëindiging van de vergunning
Art. 598-599
HOOFDSTUK II. - Uitoefening van activiteiten in België via de vestiging van een bijkantoor of het vrij verrichten van diensten, door herverzekeringsondernemingen die onder het recht van een derde land ressorteren
Art. 600-601
BOEK IV. - DWANGSOMMEN EN ANDERE DWANGMAATREGELEN
Art. 602-603
BOEK V. - SANCTIES
TITEL I. - Administratieve boetes
Art. 604
TITEL II. - Strafrechtelijke sancties
Art. 605-609
BOEK VI. - VOOR VERZEKERINGSONDERNEMINGEN GELDENDE REGELS VAN HET INTERNATIONAAL PRIVAATRECHT INZAKE SANERINGSMAATREGELEN EN LIQUIDATIEPROCEDURES
TITEL I. - Saneringsmaatregelen
HOOFDSTUK I. - Bevoegdheidsregeling en erkenning van buitenlandse maatregelen
Art. 610-611
HOOFDSTUK II. - Overleg en informatieverstrekking
Afdeling I. - Verzekeringsondernemingen naar Belgisch recht
Art. 612-613
Afdeling II. - Verzekeringsondernemingen die onder het recht van een derde land ressorteren
Art. 614
TITEL II. - Faillissement en andere liquidatieprocedures die op insolventie berusten
HOOFDSTUK I. - Bevoegdheidsregeling en erkenning van buitenlandse maatregelen
Art. 615-617
HOOFDSTUK II. - Verzekeringsondernemingen naar Belgisch recht
Afdeling I. - Overleg en informatieverstrekking
Art. 618-620
Afdeling II. - Procedurele aspecten en toepasselijk recht
Art. 621-623
HOOFDSTUK III. - Verzekeringsondernemingen die onder het recht van een derde land ressorteren
Art. 624
TITEL III. - Liquidatieprocedures die niet op insolventie berusten betreffende verzekeringsondernemingen die onder het recht van een derde land ressorteren
Art. 625-627
TITEL IV. - Vereffening van bijzondere vermogens
Art. 628-629
TITEL V. - Gemeenschappelijke regels betreffende saneringsmaatregelen en liquidatieprocedures
HOOFDSTUK I. - Uitzonderingen op en nuanceringen van de toepassing van het Belgische recht als procedurerecht
Art. 630-635
HOOFDSTUK II. - Informatieverstrekking
Art. 636
HOOFDSTUK III. - Saneringscommissarissen en liquidateurs
Afdeling I. - Erkenning van buitenlandse maatregelen en procedures
Art. 637-638
Afdeling II. - Belgische saneringscommissarissen en liquidateurs
Art. 639
BOEK VII. - MATERIEELRECHTELIJKE ASPECTEN VAN LIQUIDATIEPROCEDURES
TITEL I. - Bijzondere regels in geval van een faillissementsprocedure
Art. 640-641
TITEL II. - Bijzondere regels in geval van een liquidatieprocedure in de zin van artikel 183 van het Wetboek van Vennootschappen
Art. 642
TITEL III. - Gemeenschappelijke bepalingen betreffende de verschillende liquidatieprocedures en andere gevallen van samenloop
Art. 643-644
BOEK VIII. - SLOT-, WIJZIGINGS-, OVERGANGS- EN OPHEFFINGSBEPALINGEN
TITEL I. - Overgangsbepalingen
Art. 645-674
TITEL II. - Slotbepalingen en diverse bepalingen
Art. 675-679
TITEL III. - Wijzigingsbepalingen
HOOFDSTUK I. - Wijziging van de wet van 12 juli 1957 betreffende het rust- en overlevingspensioen voor bedienden
Art. 680
HOOFDSTUK II. - Wijziging van de arbeidsongevallenwet van 10 april 1971
Art. 681-686
HOOFDSTUK III. - Wijzigingen van de wet van 6 augustus 1990 betreffende de ziekenfondsen en de landsbonden van ziekenfondsen
Art. 687-691
HOOFDSTUK IV. - Wijziging van de wet van 25 juni 1992 op de landverzekeringsovereenkomst
Art. 692
HOOFDSTUK V. - Wijzigingen van de wet van 11 januari 1993 tot voorkoming van het gebruik van het financiële stelsel voor het witwassen van geld en de financiering van terrorisme
Art. 693
HOOFDSTUK VI. - Wijzigingen van de wet van 6 april 1995 inzake het statuut van en het toezicht op de beleggingsondernemingen
Art. 694-695
HOOFDSTUK VII. - Wijzigingen van de wet van 22 februari 1998 tot vaststelling van het organiek statuut van de Nationale Bank van België
Art. 696-706
HOOFDSTUK VIII. - Wijzigingen van de wet van 2 augustus 2002 betreffende het toezicht op de financiële sector en de financiële diensten
Art. 707-708
HOOFDSTUK IX. - Wijzigingen van de programmawet (I) van 24 december 2002: wet op de aanvullende pensioenen voor zelfstandigen
Art. 709-710
HOOFDSTUK X. - Wijziging van de wet van 28 april 2003 betreffende de aanvullende pensioenen en het belastingstelsel van die pensioenen en van sommige aanvullende voordelen inzake sociale zekerheid
Art. 711
HOOFDSTUK XI. - Wijzigingen van de wet van 27 oktober 2006 betreffende het toezicht op de instellingen voor bedrijfspensioenvoorziening
Art. 712-716
HOOFDSTUK XII. - Wijzigingen van de wet van 3 augustus 2012 betreffende de instellingen voor collectieve belegging die voldoen aan de voorwaarden van Richtlijn 2009/65/EG en de instellingen voor belegging in schuldvorderingen
Art. 717-718
HOOFDSTUK XIII. - Wijziging van de wet van 26 december 2013 houdende diverse bepalingen inzake de thematische volksleningen
Art. 719
HOOFDSTUK XIV. - Wijzigingen van de wet van 4 april 2014 betreffende de verzekeringen
Art. 720-731
HOOFDSTUK XV. - Wijzigingen van de wet van 25 april 2014 op het statuut van en het toezicht op kredietinstellingen
Art. 732-748
HOOFDSTUK XVI. - Wijzigingen van het Wetboek van Economisch Recht
Art. 749-754
HOOFDSTUK XVII. - Overige bepalingen
Art. 755-756
TITEL IV. - Opheffingsbepalingen
Art. 757-758
BOEK IX. - INWERKINGTREDING
Art. 759
BIJLAGEN.
Art. N1-N5

Tekst Inhoudstafel Begin
BOEK I. - ALGEMENE BEPALINGEN

  TITEL I. - Doel

  Artikel 1. Deze wet regelt een aangelegenheid als bedoeld in artikel 74 van de Grondwet.

  Art. 2. Deze wet zorgt voor de gedeeltelijke omzetting van:
  1° Richtlijn 2009/138/EG van het Europees Parlement en de Raad van 25 november 2009 betreffende de toegang tot en uitoefening van het verzekerings- en het herverzekeringsbedrijf (Solvabiliteit II);
  2° Richtlijn 2011/89/EU van het Europees Parlement en de Raad van 16 november 2011 houdende wijziging van de Richtlijnen 98/78/EG, 2002/87/EG, 2006/48/EG en 2009/138/EG betreffende het aanvullende toezicht op financiële entiteiten in een financieel conglomeraat, wat de verzekerings- of herverzekeringsondernemingen betreft;
  3° Richtlijn 2013/36/EU van het Europees Parlement en de Raad van 26 juni 2013 betreffende toegang tot het bedrijf van kredietinstellingen en het prudentieel toezicht op kredietinstellingen en beleggingsondernemingen, tot wijziging van Richtlijn 2002/87/EG en tot intrekking van de Richtlijnen 2006/48/EG en 2006/49/EG, in het bijzonder artikel 71 ervan;
  4° Richtlijn 2014/51/EU van het Europees Parlement en de Raad van 16 april 2014 tot wijziging van de Richtlijn 2003/71/EG en 2009/138/EG, alsmede de Verordeningen (EG) nr. 1060/2009, (EU) nr. 1094/2010 en (EU) nr. 1095/2010 wat de bevoegdheden van de Europese toezichthoudende autoriteit (Europese Autoriteit voor verzekeringen en bedrijfspensioenen) en de Europese toezichthoudende autoriteit (Europese Autoriteit voor effecten en markten) betreft.
  5° Richtlijn 2014/59/EU van het Europees Parlement en de Raad van 15 mei 2014 betreffende de totstandbrenging van een kader voor het herstel en de afwikkeling van kredietinstellingen en beleggingsondernemingen en tot wijziging van Richtlijn 82/891/EEG van de Raad en de Richtlijnen 2001/24/EG, 2002/47/EG, 2004/25/EG, 2005/56/EG, 2007/36/EG, 2011/35/EU, 2012/30/EU en 2013/36/EU en de Verordeningen (EU) nr. 1093/2010 en (EU) nr. 648/2012, van het Europees Parlement en de Raad, in het bijzonder de artikelen 84 en 90 ervan.

  Art. 3. Om de verzekeringnemers, de verzekerden en de begunstigden van verzekeringsovereenkomsten en -verrichtingen te beschermen en om de soliditeit en de goede werking van het financiële stelsel te verzekeren, regelt deze wet de vestiging en de activiteiten van, alsook het toezicht op de verzekerings- of herverzekeringsondernemingen die in België werkzaam zijn, met inbegrip van bepaalde modaliteiten en voorwaarden die specifiek zijn voor verzekerings- of herverzekeringsovereenkomsten en -verrichtingen.

  Art. 4. Deze wet doet geen afbreuk aan de verplichtingen die voor de verzekerings- of herverzekeringsondernemingen voortvloeien uit de bijzondere wetten die hun werkzaamheden regelen.

  Art. 5. Voor de toepassing van deze wet en haar uitvoeringsbesluiten en -reglementen wordt verstaan onder:
  1° verzekeringsonderneming: onderneming die voor eigen rekening het verzekeringsbedrijf uitoefent, namelijk het bedrijf dat bestaat in het sluiten van verzekeringsovereenkomsten of het uitvoeren van verzekeringsverrichtingen;
  2° herverzekeringsonderneming: onderneming die voor eigen rekening het herverzekeringsbedrijf uitoefent, namelijk:
  a) het bedrijf dat bestaat in het overnemen van risico's die door een verzekeringsonderneming of een andere herverzekeringsonderneming worden overgedragen;
  b) in het geval van de groep van "underwriters" bekend onder de naam "Lloyd's": het bedrijf dat er voor een andere verzekerings- of herverzekeringsonderneming dan Lloyd's in bestaat de risico's over te nemen die door een lid van Lloyd's worden overgedragen.
  Met het herverzekeringsbedrijf wordt gelijkgesteld de dekking die een herverzekeringsonderneming voor eigen rekening biedt aan een instelling voor bedrijfspensioenvoorziening die onder de toepassing valt van de titels II en III van de wet van 27 oktober 2006 betreffende het toezicht op de instellingen voor bedrijfspensioenvoorziening.

  TITEL II. - Toepassingsgebied

  HOOFDSTUK I. - Algemene bepalingen

  Art. 6. Deze wet is van toepassing op verzekerings- of herverzekeringsondernemingen naar Belgisch of buitenlands recht die in België werkzaam zijn of willen zijn, via een bijkantoor of zonder er gevestigd te zijn.

  Art. 7. § 1. Wat het niet-levensverzekeringsbedrijf en het levensverzekeringsbedrijf betreft, is deze wet van toepassing op de activiteiten van de takken die respectievelijk vermeld zijn in Bijlage I en Bijlage II bij deze wet.
  § 2. Onder het niet-levensverzekeringsbedrijf valt ook de activiteit van hulpverlening aan in moeilijkheden verkerende personen die op reis zijn of zich buiten hun woonplaats of gewone verblijfplaats bevinden. Deze activiteit bestaat erin dat tegen voorafgaande betaling van een premie de verbintenis wordt aangegaan om onmiddellijke hulp te verlenen aan de begunstigde van een hulpverleningsovereenkomst wanneer deze in moeilijkheden verkeert ten gevolge van het zich voordoen van een onzeker voorval, in de gevallen en onder de voorwaarden die in de overeenkomst zijn bepaald.
  De hulp kan bestaan uit prestaties in geld of in natura. De prestaties in natura kunnen ook worden verstrekt met gebruikmaking van eigen personeel of uitrusting van de prestatieverstrekker.
  Onderhoudsdiensten, dienstverlening na verkoop en de loutere aanwijzing omtrent of terbeschikkingstelling van hulp als tussenpersoon vallen niet onder de hulpverleningsactiviteit.

  HOOFDSTUK II. - Uitsluitingen

  Afdeling I. - Wettelijke regelingen

  Art. 8. Deze wet is niet van toepassing op verzekeringsovereenkomsten en -verrichtingen die deel uitmaken van een wettelijke socialezekerheidsregeling en waarvoor de ondernemingen niet voor eigen risico handelen.
  Meer in het bijzonder is deze wet niet van toepassing op:
  1° de maatschappijen van onderlinge bijstand die erkend zijn overeenkomstig de wet van 23 juni 1894 en die niet onder de wet van 6 augustus 1990 betreffende de ziekenfondsen en de landsbonden van ziekenfondsen vallen;
  2° de ziekenfondsen, de landsbonden van ziekenfondsen en de maatschappijen van onderlinge bijstand als bedoeld in de voornoemde wet van 6 augustus 1990 die geen verzekeringen mogen aanbieden en waarvan de diensten als bedoeld in artikel 3, eerste lid, b) en c), van de voornoemde wet van 6 augustus 1990 voldoen aan elk van de voorwaarden van artikel 67, eerste lid, van de wet van 26 april 2010 houdende diverse bepalingen inzake de organisatie van de aanvullende ziekteverzekering (I);
  3° de gemeenschappelijke fondsen, private ondernemingen met vaste premies en openbare instellingen, voor wat betreft de verrichtingen bedoeld in de wetten betreffende de rust- en overlevingspensioenen van arbeiders, bedienden, mijnwerkers, zeelieden en zelfstandigen.

  Afdeling II. - Niet-levensverzekering

  Art. 9. Wat het niet-levensverzekeringsbedrijf betreft, is deze wet niet van toepassing op de ondernemingen die de volgende verrichtingen uitvoeren:
  1° verrichtingen van voorzorgs- en bijstandsinstellingen waarvan de prestaties verschillen naargelang van de beschikbare middelen en waarvan de ledenbijdrage forfaitair wordt bepaald;
  2° verrichtingen van een organisatie die geen rechtspersoonlijkheid bezit, die de onderlinge waarborg van haar leden tot doel hebben, zonder tot de betaling van premies of de vorming van technische reserves aanleiding te geven;
  3° verrichtingen op het gebied van exportkredietverzekering voor rekening of met garantie van de staat, of wanneer de staat de verzekeraar is.

  Art. 10. § 1. Deze wet is niet van toepassing op ondernemingen die een hulpverleningsactiviteit uitoefenen die aan alle volgende voorwaarden voldoet:
  1° de hulp wordt verleend bij een ongeval met of defect aan een wegvoertuig dat zich voordoet op Belgisch grondgebied;
  2° de verplichting tot hulpverlening blijft beperkt tot de volgende verrichtingen:
  a) technische hulp ter plaatse, waarvoor de verlener van de dekking in de meeste gevallen eigen personeel en uitrusting gebruikt;
  b) het vervoer van het voertuig naar de plaats van reparatie die het dichtst bij is of het meest geschikt is voor het uitvoeren van de reparatie, alsmede het eventuele vervoer van bestuurder en passagiers, normaliter met hetzelfde hulpmiddel, naar de dichtstbijzijnde plaats van waaruit zij hun reis met andere middelen kunnen voortzetten;
  c) het vervoer van het voertuig, eventueel begeleid door bestuurder en passagiers, naar hun woonplaats, hun vertrekpunt of hun oorspronkelijke bestemming binnen het Belgische grondgebied;
  3° de hulpverlening wordt niet uitgevoerd door een onderneming die aan deze wet is onderworpen wegens andere activiteiten die rechtvaardigen dat zij aan deze wet is onderworpen.
  § 2. In de gevallen bedoeld in paragraaf 1, 2°, a) en b), is de voorwaarde dat het ongeval of het defect zich heeft voorgedaan op Belgisch grondgebied, niet van toepassing wanneer de onderneming een instelling is waarvan de begunstigde lid is, en de hulpverlening of het vervoer van het voertuig enkel op vertoon van de lidmaatschapskaart, zonder betaling van een extra premie, wordt uitgevoerd door een soortgelijke instelling van het betrokken land op grond van een reciprociteitsovereenkomst.

  Art. 11. Deze wet is niet van toepassing op onderlinge verzekeringsverenigingen die niet-levensverzekeringsactiviteiten uitoefenen en die met een andere onderlinge verzekeringsvereniging een overeenkomst hebben gesloten die voorziet in de volledige herverzekering van de door hen gesloten verzekeringsovereenkomsten of in de overdracht van de contractuele verplichtingen die de vervanging tot gevolg heeft van de cederende onderneming door de overnemende onderneming voor de nakoming van de uit deze overeenkomsten voortvloeiende verplichtingen. In dit geval is de overnemende onderneming onderworpen aan de bepalingen van deze wet.

  Afdeling III. - Levensverzekering

  Art. 12. Wat het levensverzekeringsbedrijf betreft, is deze wet niet van toepassing op de volgende ondernemingen:
  1° voorzorgs- en bijstandsinstellingen waarvan de prestaties verschillen naargelang van de beschikbare middelen en waarvan de ledenbijdrage forfaitair wordt bepaald;
  2° andere organisaties dan de in artikel 6 bedoelde ondernemingen die ten doel hebben aan al dan niet in loondienst werkzame personen, die in het kader van een onderneming of van een groep van ondernemingen of van een beroep of meerdere beroepen omvattende sector zijn gegroepeerd, uitkeringen te verstrekken bij overlijden, bij leven of bij beëindiging of vermindering van de activiteiten, ongeacht of de uit deze verrichtingen voortvloeiende verplichtingen al dan niet volledig en voortdurend door wiskundige voorzieningen zijn gedekt;
  3° organisaties die uitsluitend uitkeringen bij overlijden waarborgen, wanneer het bedrag van deze uitkeringen niet groter is dan het gemiddelde bedrag van de begrafeniskosten voor een sterfgeval of wanneer deze uitkeringen in natura geschieden.

  Afdeling IV. - Herverzekering

  Art. 13. Deze wet is niet van toepassing op de herverzekeringsactiviteit die een lidstaat om belangrijke redenen van openbaar belang uitoefent of volledig garandeert in de hoedanigheid van herverzekeraar in laatste instantie en wanneer een situatie op de markt, waarin het onmogelijk is om een adequate herverzekeringsdekking te verkrijgen, een dergelijk optreden noodzakelijk maakt.

  Art. 14. Deze wet is niet van toepassing op herverzekeringsondernemingen die op 10 december 2007 het sluiten van nieuwe herverzekeringsovereenkomsten hebben gestaakt en uitsluitend hun bestaande portefeuille beheren met het oog op de beëindiging van hun activiteit.
  Deze ondernemingen dienen zich aan te melden bij de Bank en op te geven onder welk soort herverzekeringsactiviteit de door hen beheerde verzekeringsportefeuille valt.
  De Bank maakt een lijst op van de in dit artikel bedoelde herverzekeringsondernemingen en deelt deze lijst mee aan de toezichthouders van de andere lidstaten.

  TITEL III. - Definities

  Art. 15.Voor de toepassing van deze wet en haar uitvoeringsbesluiten en -reglementen wordt verstaan onder:
  1° "Verordening 1094/2010": Verordening (EU) nr. 1094/2010 van het Europees Parlement en de Raad van 24 november 2010 tot oprichting van een Europese toezichthoudende autoriteit (Europese Autoriteit voor verzekeringen en bedrijfspensioenen), tot wijziging van Besluit nr. 716/2009/EG en tot intrekking van Besluit 2009/79/EG van de Commissie;
  2° "Verordening 2015/35": Gedelegeerde Verordening (EU) 2015/35 van de Commissie van 10 oktober 2014 tot aanvulling van Richtlijn 2009/138/EG van het Europees Parlement en de Raad betreffende de toegang tot en uitoefening van het verzekerings- en het herverzekeringsbedrijf (Solvabiliteit II);
  3° "Richtlijn 2002/87/EG": Richtlijn 2002/87/EG van het Europees Parlement en de Raad van 16 december 2002 betreffende het aanvullende toezicht op kredietinstellingen, verzekeringsondernemingen en beleggingsondernemingen in een financieel conglomeraat en tot wijziging van de Richtlijnen 73/239/EEG, 79/267/EEG, 92/49/EEG, 92/96/EEG, 93/6/EEG en 93/22/EEG van de Raad en van de Richtlijnen 98/78/EG en 2000/12/EG van het Europees Parlement en de Raad;
  4° "Richtlijn 2009/65/EG": Richtlijn 2009/65/EG van het Europees Parlement en de Raad van 13 juli 2009 tot coördinatie van de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen betreffende bepaalde instellingen voor collectieve belegging in effecten (icbe's);
  5° "Richtlijn 2009/103/EG": Richtlijn 2009/103/EG van het Europees Parlement en de Raad van 16 september 2009 betreffende de verzekering tegen de wettelijke aansprakelijkheid waartoe de deelneming aan het verkeer van motorrijtuigen aanleiding kan geven en de controle op de verzekering tegen deze aansprakelijkheid;
  6° "Richtlijn 2009/138/EG": Richtlijn 2009/138/EG van het Europees Parlement en de Raad van 25 november 2009 betreffende de toegang tot en uitoefening van het verzekerings- en het herverzekeringsbedrijf (Solvabiliteit II);
  7° "uitvoeringsmaatregelen van Richtlijn 2009/138/EG": het geheel van uitvoeringsmaatregelen genomen ter uitvoering van Richtlijn 2009/138/EG;
  8° "Richtlijn 2013/36/EU": Richtlijn 2013/36/EU van het Europees Parlement en de Raad van 26 juni 2013 betreffende toegang tot het bedrijf van kredietinstellingen en het prudentieel toezicht op kredietinstellingen en beleggingsondernemingen, tot wijziging van Richtlijn 2002/87/EG en tot intrekking van de Richtlijnen 2006/48/EG en 2006/49/EG;
  [2 8° /1. Verordening nr. 537/2014: de Verordening (EU) nr. 537/2014 van het Europees Parlement en de Raad van 16 april 2014 betreffende specifieke eisen voor de wettelijke controles van financiële overzichten van organisaties van openbaar belang en tot intrekking van Besluit 2005/909/EG van de Commissie;]2
  [4 8° /2 "Verordening nr. 648/2012" : Verordening (EU) nr. 648/2012 van het Europees Parlement en de Raad van 4 juli 2012 betreffende otc-derivaten, centrale tegenpartijen en transactieregisters;]4
  [5 8/3° "Verordening nr. 2015/2365": Verordening (EU) 2015/2365 van het Europees Parlement en de Raad van 25 november 2015 betreffende de transparantie van effectenfinancieringstransacties en van hergebruik en tot wijziging van Verordening (EU) nr. 648/2012;]5
  [7 8° /4 "Verordening nr. 2017/2402": Verordening (EU) 2017/2402 van het Europees Parlement en de Raad van 12 december 2017 tot vaststelling van een algemeen kader voor securitisatie en tot instelling van een specifiek kader voor eenvoudige, transparante en gestandaardiseerde securitisatie, en tot wijziging van de Richtlijnen 2009/65/EG, 2009/138/EG en 2011/61/EU en de Verordeningen (EG) nr. 1060/2009 en (EU) nr. 648/2012;]7
  9° "Hypotheekwet": de wet van 16 december 1851 die Titel XVIII van Boek III van het Burgerlijk Wetboek vormt;
  10° [1 "wet van 25 oktober 2016" : de wet van 25 oktober 2016 inzake de toegang tot het beleggings-dienstenbedrijf en betreffende het statuut van en het toezicht op de vennootschappen voor vermogensbeheer en beleggingsadvies"]1;
  11° "wet van 22 februari 1998": de wet van 22 februari 1998 tot vaststelling van het organiek statuut van de Nationale Bank van België;
  12° "wet van 2 augustus 2002": de wet van 2 augustus 2002 betreffende het toezicht op de financiële sector en de financiële diensten;
  13° "Wet Verzekeringen": de wet van 4 april 2014 betreffende de verzekeringen;
  14° [1 "wet van 25 april 2014" : de wet van 25 april 2014 op het statuut van en het toezicht op kredietinstellingen en beursvennootschappen]1;
  15° "verzekeringsovereenkomst":
  a) hetzij een overeenkomst als gedefinieerd in artikel 5, 14°, van de Wet Verzekeringen, met uitzondering van de kapitalisatieovereenkomsten die onder tak 26 als vermeld in Bijlage II vallen;
  b) hetzij een overeenkomst die onder de takken 24 tot 28 als vermeld in Bijlage II valt;
  c) hetzij een verrichting die onder tak 29 als vermeld in Bijlage II valt;
  d) hetzij elke verbintenis die door een verzekeringsonderneming wordt aangegaan en die een soortgelijke prestatie omvat als deze waarin de overeenkomsten en verrichtingen die onder de takken 21 tot 29 als vermeld in Bijlage II vallen, voorzien;
  16° "niet-levensverzekering": de verzekerings-activiteit die betrekking heeft op de takken 1 tot 18 als vermeld in Bijlage I;
  17° "levensverzekering": de verzekerings-activiteit die betrekking heeft op de takken 21 tot 29 als vermeld in Bijlage II;
  18° "verzekeringnemer": de persoon die de overeenkomst sluit met de verzekeringsonderneming;
  19° "verzekerde": de persoon als gedefinieerd in artikel 5, 17°, van de Wet Verzekeringen;
  20° "begunstigde": de persoon in wiens voordeel de verzekeringsprestaties zijn bedongen;
  21° "verzekeringscaptive": een verzekerings-onderneming die hetzij eigendom is van een financiële onderneming die noch een verzekerings- of herverzekeringsonderneming, noch een groep van verzekerings- of herverzekeringsondernemingen in de zin van artikel 339, 2° is, hetzij eigendom is van een niet-financiële onderneming, en die tot doel heeft uitsluitend voor de risico's van de onderneming of de ondernemingen waartoe zij behoort of voor de risico's van een of meer andere ondernemingen van de groep waarvan zij deel uitmaakt, verzekeringsdekking te bieden;
  22° "herverzekeringscaptive": een herverzekeringsonderneming die hetzij eigendom is van een financiële onderneming die noch een verzekerings- of herverzekeringsonderneming, noch een groep van verzekerings- of herverzekeringsondernemingen in de zin van artikel 339, 2° is, hetzij eigendom is van een niet-financiële onderneming, en die tot doel heeft uitsluitend voor de risico's van de onderneming of de ondernemingen waartoe zij behoort of voor de risico's van een of meer ondernemingen van de groep waarvan zij deel uitmaakt, herverzekeringsdekking te bieden;
  23° "herverzekering "niet-leven"": de herverzekeringsactiviteiten die betrekking hebben op de takken 1 tot 18 als vermeld in Bijlage I;
  24° "herverzekering "leven"": de herverzekeringsactiviteiten die betrekking hebben op de takken 21 tot 29 als vermeld in Bijlage II;
  25° "effectiseringsvehikel" ("special purpose vehicle"): een onderneming, al dan niet met een eigen rechtspersoonlijkheid en anders dan een bestaande verzekerings- of herverzekeringsonderneming, die risico's van verzekerings- of herverzekeringsondernemingen overneemt en die zijn blootstelling aan deze risico's volledig financiert door emissieprocedures of andere financieringsmechanismen waarbij de terugbetalingsrechten van de geldgevers van dit soort emissies of financieringsmechanismen achtergesteld zijn bij de herverzekeringsverplichtingen van de onderneming;
  26° "onderlinge verzekeringsvereniging": een verzekerings- of herverzekeringsonderneming die de rechtsvorm als bedoeld in de artikelen 244 tot 271 van deze wet heeft aangenomen;
  27° "lidstaat": een staat die partij is bij de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte (EER);
  28° "derde land"": een staat die geen partij is bij de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte;
  29° "lidstaat van herkomst": een van de volgende lidstaten:
  a) bij niet-levensverzekeringen: de lidstaat waar de zetel is gevestigd van de verzekeringsonderneming die het risico dekt;
  b) bij levensverzekeringen: de lidstaat waar de zetel is gevestigd van de verzekeringsonderneming die de verbintenis aangaat;
  c) bij herverzekeringen: de lidstaat waar de zetel van de herverzekeringsonderneming is gevestigd;
  30° "land van herkomst": een van de volgende derde landen:
  a) bij niet-levensverzekeringen: het derde land waar de zetel is gevestigd van de verzekeringsonderneming die het risico dekt;
  b) bij levensverzekeringen: het derde land waar de zetel is gevestigd van de verzekeringsonderneming die de verbintenis aangaat;
  c) bij herverzekeringen: het derde land waar de zetel van de herverzekeringsonderneming is gevestigd;
  31° "lidstaat van ontvangst": de lidstaat waar een verzekerings- of herverzekeringsonderneming een bijkantoor heeft of verzekerings- of herverzekeringsdiensten verricht en die niet de lidstaat van herkomst is; in het geval van levens- en niet-levensverzekeringen wordt onder "lidstaat van dienstverrichting" verstaan respectievelijk de lidstaat van de verbintenis of de lidstaat van het risico, wanneer de verbintenis of het risico wordt gedekt door een verzekeringsonderneming of een bijkantoor in een andere lidstaat;
  32° "land van ontvangst": het derde land waar een verzekerings- of herverzekeringsonderneming een bijkantoor heeft of verzekerings- of herverzekeringsdiensten verricht en die niet de lidstaat of het land van herkomst is; in het geval van levens- en niet-levensverzekeringen wordt onder "derde land van dienstverrichting" verstaan respectievelijk het derde land van de verbintenis of het derde land van het risico, wanneer de verbintenis of het risico wordt gedekt door een verzekeringsonderneming of een bijkantoor in een ander land;
  33° "bijkantoor": een agentschap of bijkantoor van een verzekerings- of herverzekeringsonderneming die gevestigd is op het grondgebied van een andere lidstaat dan de lidstaat van herkomst of op het grondgebied van een derde land;
  Wordt met een bijkantoor gelijkgesteld, elke duurzame aanwezigheid van een onderneming op het grondgebied van een andere lidstaat dan haar lidstaat van herkomst of op het grondgebied van een derde land, ook indien die aanwezigheid niet de vorm heeft van een bijkantoor, maar enkel bestaat uit een bureau, beheerd door eigen personeel van de onderneming of door een zelfstandig persoon die echter gemachtigd is om duurzaam voor die onderneming op te treden zoals een agentschap zou doen.
  34° "vestiging" van een verzekerings- of herverzekeringsonderneming: de zetel van een onderneming of een van haar bijkantoren;
  35° "vrije dienstverrichting": de activiteit waarbij een verzekerings- of herverzekeringsonderneming vanuit haar zetel of vanuit een in een lidstaat of een derde land gelegen bijkantoor, in een andere lidstaat of in een ander derde land gelegen risico's dekt;
  36° "lidstaat of derde land van het risico": naargelang van het geval, een van de volgende lidstaten of derde landen:
  a) de lidstaat of het derde land waar de goederen zich bevinden, wanneer de verzekering betrekking heeft hetzij op onroerend goed, hetzij op onroerend goed en op de inhoud daarvan, voor zover deze door dezelfde verzekeringsovereenkomst wordt gedekt;
  b) de lidstaat of het derde land van registratie, wanneer de verzekering betrekking heeft op voer- en vaartuigen van om het even welk type;
  In afwijking van het voorgaande lid, wordt, wanneer een motorrijtuig als bedoeld in artikel 1 van de wet van 21 november 1989 betreffende de verplichte aansprakelijkheidsverzekering inzake motorrijtuigen vanuit een lidstaat naar een andere lidstaat wordt verzonden, de lidstaat van bestemming, vanaf de aanvaarding van de levering door de koper, gedurende een periode van dertig dagen beschouwd als de lidstaat van het risico, zelfs indien het motorrijtuig in de lidstaat van bestemming niet officieel is geregistreerd;
  c) de lidstaat of het derde land waar de verzekeringnemer de overeenkomst heeft gesloten, indien het een overeenkomst betreft met een looptijd van vier maanden of minder die betrekking heeft op tijdens een reis of vakantie gelopen risico's, ongeacht de tak;
  d) in alle gevallen die niet uitdrukkelijk zijn genoemd in a), b) of c): de lidstaat of het derde land waar een van de volgende elementen zich bevindt:
  i) de gewone verblijfplaats van de verzekeringnemer;
  ii) indien de verzekeringnemer een rechtspersoon is: de vestiging van die verzekeringnemer waarop de overeenkomst betrekking heeft;
  37° lidstaat of derde land van de verbintenis: naargelang van het geval, de lidstaat of het derde land waar een van de volgende elementen zich bevindt:
  a) de gewone verblijfplaats van de verzekeringnemer;
  b) indien de verzekeringnemer een rechtspersoon is: de vestiging van die verzekeringnemer waarop de overeenkomst betrekking heeft;
  38° "algemeen lasthebber": een natuurlijke persoon aan wie voldoende bevoegdheden zijn verleend om de verzekerings of herverzekeringsonderneming of, in het geval van Lloyd's, de betrokken "underwriters" te verbinden ten opzichte van derden en om haar of hen tegenover de autoriteiten en de rechterlijke instanties van de lidstaat of het land van ontvangst te vertegenwoordigen;
  39° "moederonderneming": een onderneming die de kenmerken bezit van een moedervennootschap als gedefinieerd in artikel 6 van het Wetboek van Vennootschappen;
  40° "dochteronderneming": een onderneming die de kenmerken bezit van een dochtervennootschap als gedefinieerd in artikel 6 van het Wetboek van Vennootschappen; elke dochteronderneming van een dochteronderneming wordt ook beschouwd als een dochteronderneming van de moederonderneming die aan het hoofd van deze ondernemingen staat;
  41° "nauwe banden": een situatie waarbij twee of meer natuurlijke of rechtspersonen verbonden zijn door zeggenschap of deelneming, of een situatie waarin twee of meer natuurlijke of rechtspersonen via een zeggenschapsband duurzaam verbonden zijn met eenzelfde persoon;
  42° "zeggenschapsband": de band die bestaat tussen een moederonderneming en een dochteronderneming, als bedoeld in artikel 5 van het Wetboek van Vennootschappen, of een gelijkaardige band tussen een natuurlijke of rechtspersoon en een onderneming;
  43° "deelneming": het rechtstreeks of door middel van een zeggenschapsband in bezit hebben van ten minste 20 % van de stemrechten of het kapitaal van een onderneming;
  44° "gekwalificeerde deelneming": het rechtstreeks of onrechtstreeks bezit van ten minste 10 % van het kapitaal van een vennootschap of van de stemrechten die zijn verbonden aan de door deze vennootschap uitgegeven effecten, dan wel elke andere mogelijkheid om een invloed van betekenis uit te oefenen op het beleid van de vennootschap waarin wordt deelgenomen; de stemrechten worden berekend overeenkomstig de bepalingen van de wet van 2 mei 2007 op de openbaarmaking van belangrijke deelnemingen en haar uitvoeringsbesluiten; er wordt geen rekening gehouden met stemrechten of aandelen die worden gehouden als gevolg van het vast overnemen van financiële instrumenten en/of het plaatsen van financiële instrumenten met plaatsingsgarantie, tenzij die rechten worden uitgeoefend of anderszins worden gebruikt om inspraak uit te oefenen in het bestuur van de uitgevende instelling, en mits ze binnen één jaar na hun verwerving worden overgedragen;
  45° "intragroeptransactie": een verrichting waarbij een verzekerings- of herverzekeringsonderneming direct of indirect steunt op andere ondernemingen in dezelfde groep of op een natuurlijke of rechtspersoon die door nauwe banden verbonden is met de ondernemingen in die groep, om te voldoen aan een verplichting, al dan niet contractueel en al dan niet tegen betaling;
  46° "gereglementeerde markt": een van de volgende markten:
  a) in het geval van een markt in een lidstaat: een gereglementeerde markt in de zin van [3 artikel 3, 8° of 9°, van de wet van 21 november 2017 over de infrastructuren voor de markten voor financiële instrumenten en houdende omzetting van richtlijn 2014/65/EU]3;
  b) in het geval van een markt in een derde land: een financiële markt die aan de volgende voorwaarden voldoet:
  - de markt is erkend door de lidstaat van herkomst van de verzekeringsonderneming en beantwoordt aan vereisten die vergelijkbaar zijn met die van Richtlijn 2004/39/EG van het Europees Parlement en de Raad van 21 april 2004 betreffende markten voor financiële instrumenten, tot wijziging van de Richtlijnen 85/611/EEG en 93/6/EEG van de Raad en van Richtlijn 2000/12/EG van het Europees Parlement en de Raad en houdende intrekking van Richtlijn 93/22/EEG van de Raad; en
  - de financiële instrumenten die op deze markt worden verhandeld, zijn van een hoedanigheid die vergelijkbaar is met die van de instrumenten die op de gereglementeerde markt(en) van de lidstaat van herkomst worden verhandeld;
  47° [1 "beleggingsonderneming" : een beleggingsonderneming in de zin van artikel 3, § 1 van de wet van 25 oktober 2016]1;
  48° "financiële instelling": een onderneming die geen kredietinstelling [1 of beursvennootschap]1 is en waarvan de hoofdbedrijvigheid bestaat in het verwerven van deelnemingen of het uitoefenen van een of meer van de werkzaamheden als bedoeld in de punten 2 tot 12 en 15 van de lijst opgenomen in artikel 4 van de wet van 25 april 2014;
  49° "financiële onderneming": een van de volgende entiteiten:
  a) een verzekerings- of herverzekeringsonderneming of een verzekeringsholding in de zin van artikel 338, 5° of een gemengde financiële holding in de zin van artikel 2, punt 15) van Richtlijn 2002/87/EG;
  b) een kredietinstelling in de zin van artikel 1, § 3, van de wet van 25 april 2014, een financiële instelling of een onderneming die nevendiensten van het bankbedrijf verricht in de zin van artikel 89, lid 1, onder b) ii), van Verordening nr. 575/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 26 juni 2013 betreffende prudentiële vereisten voor kredietinstellingen en beleggingsondernemingen en tot wijziging van Verordening (EU) nr. 648/2012;
  c) een beleggingsonderneming;
  50° "collectieve beleggingsonderneming": een collectieve beleggingsonderneming in de zin van artikel 3, 1°, van de wet van 3 augustus 2012 betreffende de instellingen voor collectieve belegging die voldoen aan de voorwaarden van Richtlijn 2009/65/EG en de instellingen voor belegging in schuldvorderingen;
  51° "beheervennootschap van instellingen voor collectieve belegging": een beheervennootschap van instellingen voor collectieve belegging in de zin van artikel 3, 12°, van de wet van 3 augustus 2012 betreffende de instellingen voor collectieve belegging die voldoen aan de voorwaarden van Richtlijn 2009/65/EG en de instellingen voor belegging in schuldvorderingen;
  52° "alternatieve instelling voor collectieve belegging of "AICB"": een instelling voor collectieve belegging in de zin van artikel 3, 2°, van de wet van 19 april 2014 betreffende de alternatieve instellingen voor collectieve belegging en hun beheerders;
  53° "beheerder van alternatieve instellingen voor collectieve belegging": een beheerder van alternatieve instellingen voor collectieve belegging in de zin van artikel 3, 13°, van de wet van 19 april 2014 betreffende alternatieve instellingen voor collectieve belegging en hun beheerders, hierna ook "AICB-beheerder" genoemd;
  54° "uitbesteding": een overeenkomst van om het even welke vorm tussen een verzekerings- of herverzekeringsonderneming en een al dan niet onder toezicht staande dienstverlener op grond waarvan deze dienstverlener hetzij rechtstreeks hetzij door middel van onderuitbesteding een proces, een dienst of een activiteit uitvoert die anders door de verzekerings- of herverzekeringsonderneming zelf zou worden uitgevoerd;
  55° "functie": in een governancesysteem: een interne capaciteit om praktische taken uit te voeren; een governancesysteem omvat de risicobeheerfunctie, de compliancefunctie, de interneauditfunctie en de actuariële functie;
  56° "verzekeringstechnisch risico": het risico op verliezen of op een ongunstige verandering in de waarde van verzekeringsverplichtingen door een ondeugdelijke prijsstelling en inadequate hypothesen met betrekking tot de voorzieningen;
  57° "marktrisico": het risico op verliezen of op een ongunstige verandering in de financiële positie als direct of indirect gevolg van schommelingen in het niveau en in de volatiliteit van de marktprijzen van activa, verplichtingen en financiële instrumenten;
  58° "kredietrisico": het risico op verliezen of op een ongunstige verandering in de financiële positie als gevolg van schommelingen in de kredietwaardigheid van emittenten van effecten, tegenpartijen en debiteuren waaraan verzekerings- of herverzekeringsondernemingen in de vorm van een tegenpartijrisico, spreadrisico of marktrisicoconcentraties blootstaan;
  59° "gekwalificeerde centrale tegenpartij": een centrale tegenpartij waaraan een vergunning is verleend overeenkomstig artikel 14 van Verordening (EU) nr. 648/2012 van het Europees Parlement en de Raad van 4 juli 2012 betreffende otc-derivaten, centrale tegenpartijen en transactieregisters of die overeenkomstig artikel 25 van die Verordening erkend is;
  60° "operationeel risico": het risico op verliezen door inadequate of falende interne procedures, personeel of systemen of door externe gebeurtenissen;
  61° "liquiditeitsrisico": "het risico dat verzekerings- of herverzekeringsondernemingen geen beleggingen en andere activa te gelde kunnen maken om aan hun financiële verplichtingen te voldoen wanneer deze opeisbaar worden;
  62° "concentratierisico": alle risicoposities waaraan een potentieel verlies verbonden is dat groot genoeg is om de solvabiliteit of de financiële positie van verzekerings- of herverzekeringsondernemingen in gevaar te brengen;
  63° "risicomatigingstechnieken": alle technieken waarmee verzekerings- of herverzekeringsondernemingen hun risico's deels of in hun geheel kunnen overdragen aan een andere partij;
  64° "diversificatie-effecten": de vermindering van de risicopositie van verzekerings- of herverzekeringsondernemingen en -groepen die verband houdt met de diversificatie van hun activiteiten en die voortvloeit uit het feit dat het tegenvallende resultaat uit hoofde van het ene risico kan worden gecompenseerd met het meevallende resultaat uit hoofde van een ander risico, wanneer er geen volledige correlatie tussen deze risico's bestaat;
  65° "kansverdelingsprognose": een wiskundige functie waarbij een volledige reeks van elkaar uitsluitende toekomstige gebeurtenissen wordt gekoppeld aan een kans dat deze zich daadwerkelijk voordoen;
  66° "risicomaatstaf": een wiskundige functie waarbij een financieel bedrag wordt gekoppeld aan een bepaalde kansverdelingsprognose en die monotoon toeneemt met de omvang van de risicopositie die aan deze kansverdelingsprognose ten grondslag ligt;
  67° "externe kredietbeoordelingsinstelling" of "EKBI": een ratingbureau dat overeenkomstig Verordening (EG) nr. 1060/2009 van het Europees Parlement en de Raad geregistreerd of gecertificeerd is, of een centrale bank die kredietbeoordelingen afgeeft die van de toepassing van die Verordening zijn ontheven;
  68° "technische voorzieningen": reserves aangelegd door de onderneming ter nakoming van de verzekerings- of herverzekeringsverplichtingen die op haar rusten ten aanzien van de verzekeringnemers, de verzekerden of de begunstigden van verzekerings- of herverzekeringsovereenkomsten betreffende zowel de lopende als de vervallen overeenkomsten die nog niet volledig vereffend zijn;
  69° "financiële informatie": de kwantitatieve gegevens die met toepassing van deze wet of de uitvoeringsmaatregelen van Richtlijn 2009/138/EG worden opgevraagd, met inbegrip van de boekhoudkundige gegevens;
  70° "saneringsmaatregelen": de maatregelen die bestemd zijn om de financiële positie van een verzekeringsonderneming in stand te houden of te herstellen en die de bestaande rechten van andere partijen dan de verzekeringsonderneming zelf aantasten. Voor de ondernemingen naar Belgisch recht bestaan deze maatregelen in:
  a) de daden van beschikking als bedoeld in artikel 519 van deze wet;
  b) de in artikel 517, § 1, 4° en 7°, van deze wet bedoelde maatregelen;
  c) de in de artikelen 546 en 547 bedoelde maatregelen die buiten een liquidatieprocedure zijn vastgesteld;
  71° "liquidatieprocedure": een collectieve procedure die het te gelde maken van de activa van een verzekeringsonderneming en het verdelen van de opbrengst onder de schuldeisers, aandeelhouders of vennoten behelst, en die noodzakelijkerwijs een optreden van administratieve of rechterlijke instanties behelst, ongeacht of de procedure op insolventie berust en of de procedure vrijwillig dan wel verplicht is. Voor de ondernemingen naar Belgisch recht stemt deze procedure overeen met een faillissement als geregeld bij [7 Boek XX van het Wetboek van economisch recht]7 en met de collectieve liquidatieprocedures als bedoeld in Boek IV, Titel IX, van het Wetboek van Vennootschappen;
  72° "saneringsautoriteiten": de administratieve of rechterlijke autoriteiten die bevoegd zijn op het vlak van saneringsmaatregelen. Voor de ondernemingen naar Belgisch recht zijn dit de Koning en de Bank wat hun respectieve bevoegdheden inzake saneringsmaatregelen betreft;
  73° [7 "liquidatieautoriteiten": de administratieve of rechterlijke autoriteiten die bevoegd zijn op het vlak van liquidatieprocedures. Voor de ondernemingen naar Belgisch recht is dit de insolventierechtbank wat haar bevoegdheid op het gebied van faillissementen betreft, de rechtbank van koophandel wat haar bevoegdheid op het gebied van gedwongen ontbindingen betreft en de Bank wat haar bevoegdheid in alle andere liquidatieprocedures betreft;]7
  74° "saneringscommissaris": elke persoon of elk orgaan aangesteld door een saneringsautoriteit om saneringsmaatregelen te beheren;
  75° "liquidateur": elke persoon of elk orgaan aangesteld door een liquidatieautoriteit of aangewezen overeenkomstig de wettelijke of statutaire regels om liquidatieprocedures te beheren;
  76° "schuldvordering uit hoofde van verzekering": ieder bedrag dat door een verzekeringsonderneming verschuldigd is aan verzekerden, verzekeringnemers, begunstigden of benadeelden die een rechtstreekse vordering hebben tegen de verzekeringsonderneming en dat uit een verzekeringsovereenkomst voortvloeit, met inbegrip van de gereserveerde bedragen voor de voornoemde personen, zolang niet alle elementen van de schuld bekend zijn. De terug te betalen premies die een verzekeringsonderneming als gevolg van de niet-sluiting, de annulering of de opzegging van die verzekeringsovereenkomsten overeenkomstig het op die overeenkomsten toepasselijke recht verschuldigd is vóór de opening van de liquidatieprocedure, worden ook beschouwd als schuldvorderingen uit hoofde van verzekering;
  77° "strategische beslissing": een beslissing die een zeker belang heeft en daardoor een globalere impact kan hebben op de onderneming, in de mate dat zij gevolgen heeft voor verschillende functies van de verzekerings- of herverzekeringsonderneming, en die betrekking heeft op elke investering, desinvestering, deelneming of strategische samenwerkingsrelatie van de onderneming, met name een beslissing tot aankoop of oprichting van een andere onderneming, tot oprichting van een joint venture, tot vestiging in een andere lidstaat of derde land, tot het sluiten van een samenwerkingsovereenkomst, tot het inbrengen of het kopen van een bedrijfstak, tot het aangaan van een fusie of een splitsing. Bij reglement vastgesteld met toepassing van artikel 12bis, § 2, van de wet van 22 februari 1998 kan de Bank nader bepalen welke beslissingen als strategisch moeten worden beschouwd in de zin van deze wet, met name rekening houdend met het risicoprofiel en de aard van de activiteiten van de ondernemingen. Zij maakt deze nadere bepalingen openbaar;
  78° "winstdeling": bedrag van alle of een deel van de winst van de verzekeringsonderneming die aan de verzekeringsovereenkomsten wordt toegekend;
  79° "verzekeringsmaatschappij van onderlinge bijstand": een maatschappij als bedoeld in de artikelen 43bis, § 5 en 70, §§ 6, 7 en 8 van de wet van 6 augustus 1990 betreffende de ziekenfondsen en de landsbonden van ziekenfondsen;
  80° "toezichthouder": de overheidsinstantie of overheidsinstanties die op grond van het nationaal recht van een lidstaat met toepassing van Richtlijn 2009/138/CE gemachtigd is of zijn toezicht uit te oefenen op verzekerings- of herverzekeringsondernemingen;
  81° "autoriteit van een derde land": autoriteit die belast is het toezicht op de verzekerings- of herverzekeringsondernemingen in een derde land;
  82° "de Bank": de Nationale Bank van België, als bedoeld in de wet van 22 februari 1998;
  83° "de FSMA", de Autoriteit voor Financiële Diensten en Markten, als bedoeld in artikel 44 van de wet van 2 augustus 2002;
  84° "de Controledienst voor de ziekenfondsen": de Controledienst voor de ziekenfondsen en de landsbonden van ziekenfondsen als bedoeld in artikel 49 van de wet van 6 augustus 1990 betreffende de ziekenfondsen en de landsbonden van ziekenfondsen;
  85° "Belgisch Gemeenschappelijk Waarborgfonds": het Gemeenschappelijk Waarborgfonds als bedoeld in artikel 19bis-2 van de wet van 21 november 1989 betreffende de verplichte aansprakelijkheidsverzekering inzake motorrijtuigen;
  86° "Belgisch Bureau": het Belgisch nationaal verzekeringsbureau als bedoeld in artikel 19bis-1 van de wet van 21 november 1989 betreffende de verplichte aansprakelijkheidsverzekering inzake motorrijtuigen;
  87° [6 "Fedris": de openbare instelling van sociale zekerheid als bedoeld in artikel 57 van de arbeidsongevallenwet van 10 april 1971;]6
  88° "ESRB": het Europees Comité voor Systeemrisico's opgericht bij Verordening (EU) nr. 1092/2010 van het Europees Parlement en de Raad van 24 november 2010 betreffende macroprudentieel toezicht van de Europese Unie op het financiële stelsel en tot oprichting van een Europees Comité voor systeemrisico's;
  89° "EIOPA": de Europese Autoriteit voor verzekeringen en bedrijfspensioenen als bedoeld in Verordening 1094/2010;
  90° "EBA": de Europese Bankautoriteit opgericht bij Verordening (EU) nr. 1093/2010 van het Europees Parlement en de Raad van 24 november 2010 tot oprichting van een Europese toezichthoudende autoriteit (Europese Bankautoriteit), tot wijziging van Besluit nr. 716/2009/EG en tot intrekking van Besluit 2009/78/EG van de Commissie;
  91°, "financiële holding": een financiële instelling waarvan de dochterondernemingen uitsluitend of hoofdzakelijk één of meer kredietinstellingen [1 , beursvennootschappen]1 of financiële instellingen zijn, waarbij ten minste een van die dochterondernemingen een kredietinstelling is, en die geen gemengde financiële holding is;
  [7 92° "werkdag": een dag die noch een zaterdag, noch een zondag, noch een wettelijke feestdag is;]7
  [7 93° "insolventierechtbank": de insolventierechtbank als bedoeld in artikel I.22, 4°, van het Wetboek van economisch recht.]7
  ----------
  (1)<W 2016-10-25/05, art. 104, 002; Inwerkingtreding : 01-12-2016>
  (2)<W 2016-12-07/02, art. 137, 003; Inwerkingtreding : 31-12-2016>
  (3)<W 2017-11-21/08, art. 198, 004; Inwerkingtreding : 03-01-2018>
  (4)<W 2017-12-05/04, art. 41, 005; Inwerkingtreding : 28-12-2017>
  (5)<W 2018-07-30/10, art. 103, 006; Inwerkingtreding : 20-08-2018>
  (6)<KB 2018-09-06/13, art. 27, 007; Inwerkingtreding : 01-01-2017>
  (7)<W 2019-05-02/25, art. 73, 010; Inwerkingtreding : 31-05-2019>

  TITEL IV. - Gereserveerde namen

  Art. 16.In België mogen alleen de volgende ondernemingen publiekelijk gebruikmaken van de termen "verzekeringsonderneming", "herverzekeringsonderneming", "verzekeraar" of "herverzekeraar" of meer in het algemeen van de termen die verwijzen naar het statuut van verzekerings- of herverzekeringsonderneming, inzonderheid in hun naam, in de opgave van hun doel, in hun effecten, waarden, stukken of reclame:
  1° in België gevestigde verzekerings- of herverzekeringsondernemingen;
  2° verzekerings- of herverzekeringsondernemingen naar buitenlands recht die in België werkzaam zijn overeenkomstig de artikelen 556 en 600.
  Evenwel,
  1° geldt het eerste lid, wat de termen "verzekering" en "herverzekering" betreft, niet voor de organisaties naar internationaal publiekrecht die actief zijn in de verzekerings- of herverzekeringssector en waarbij een of meer lidstaten zijn aangesloten;
  2° geldt het eerste lid, wat de termen "verzekeringsonderneming" en "herverzekeringsonderneming" betreft, niet voor verzekerings- of herverzekeringsondernemingen die onder een buitenlands recht ressorteren en die in België geen verzekerings- of herverzekeringsactiviteiten mogen uitoefenen en die openbaar beleggingsinstrumenten aanbieden of die verzoeken om beleggingsinstrumenten toe te laten tot de verhandeling op een gereglementeerde markt in de zin van [2 Verordening 2017/1129 van het Europees Parlement en de Raad van 14 juni 2017 betreffende het prospectus dat moet worden gepubliceerd wanneer effecten aan het publiek worden aangeboden of tot de handel op een gereglementeerde markt worden toegelaten en tot intrekking van richtlijn 2003/71/EG]2, voor wat de voornoemde openbare aanbiedingen of verzoeken tot toelating van beleggingsinstrumenten betreft;
  3° mogen verzekeringsholdings gebruikmaken van de term "verzekering" in de uitdrukking "verzekeringsholding" of in soortgelijke uitdrukkingen; ook gemengde financiële holdings en gemengde verzekeringsholdings mogen van de term "verzekering" gebruikmaken in de uitdrukkingen "bankverzekeringsholding" of "verzekeringsbankieren" of in soortgelijke uitdrukkingen.
  Bij gevaar voor verwarring kan de Bank van verzekerings- of herverzekeringsondernemingen die onder een buitenlands recht ressorteren en die gerechtigd zijn om in België de in het eerste lid bedoelde termen te gebruiken, eisen dat er aan hun naam een verklarende vermelding wordt toegevoegd.
  Dit artikel doet geen afbreuk aan [1 artikel 263]1 van de wet van 4 april 2014 betreffende de verzekeringen.
  ----------
  (1)<W 2018-12-06/11, art. 53, 008; Inwerkingtreding : 28-12-2018>
  (2)<W 2018-07-11/06, art. 94, 011; Inwerkingtreding : 21-07-2019>

  BOEK II. - VERZEKERINGS- OF HERVER- ZEKERINGSONDERNEMINGEN NAAR BELGISCH RECHT

  TITEL I. - Toegang tot het bedrijf

  HOOFDSTUK I. - Vergunning

  Afdeling I. - Vergunningsplicht

  Art. 17. Iedere verzekerings- of herverzekeringsonderneming die in België een onder deze wet vallende verzekeringsactiviteit of herverzekeringsactiviteit wenst uit te oefenen, moet, vooraleer deze aan te vatten, een vergunning verkrijgen.

  Art. 18. De in artikel 17 bedoelde vergunning wordt verleend:
  1° wat het verzekeringsbedrijf betreft, voor een of meer takken als vermeld in Bijlage I of Bijlage II; de vergunning geldt voor de volledige tak, tenzij de aanvrager slechts een gedeelte van de tot deze tak behorende risico's wenst te dekken;
  2° wat het herverzekeringsbedrijf betreft, voor de herverzekeringsactiviteit "niet-leven", voor de herverzekeringsactiviteit "leven" of voor beide types van herverzekeringsactiviteiten.
  De vergunning bedoeld in het eerste lid, 1°, kan binnen de door de Bank bepaalde grenzen gecumuleerd worden met de vergunning bedoeld in het eerste lid, 2°.

  Art. 19. Iedere verzekerings- of herverzekeringsonderneming die overeenkomstig artikel 17 een vergunning heeft verkregen, dient voorafgaandelijk een uitbreiding van haar vergunning aan te vragen wanneer zij haar activiteiten wenst uit te breiden, respectievelijk:
  1° tot een of meer andere verzekeringstakken;
  2° tot andere delen van verzekeringstakken;
  3° tot andere herverzekeringsactiviteiten,
  dan deze die door de eerder verleende vergunning zijn gedekt.

  Art. 20. De verzekeringsondernemingen die onder de toepassing van deze wet vallen, mogen onverminderd artikel 21, § 2, de in artikel 10 bedoelde hulpverleningsactiviteit slechts uitoefenen indien zij een vergunning hebben verkregen voor tak 18 als vermeld in Bijlage I. In dat geval is deze wet van toepassing op die activiteit.

  Art. 21. § 1. De risico's die tot een tak behoren kunnen niet in een andere tak worden ingedeeld, met uitzondering van de in dit artikel vermelde gevallen.
  § 2. Een verzekeringsonderneming die een vergunning heeft verkregen voor een hoofdrisico dat tot een in Bijlage I vermelde tak behoort, mag ook risico's verzekeren die tot een andere tak behoren zonder dat voor deze risico's een vergunning is vereist, mits deze risico's als bijkomende risico's kunnen worden beschouwd en aan alle volgende voorwaarden voldoen:
  1° deze risico's hangen samen met het hoofdrisico;
  2° ze hebben betrekking op een persoon, een goed of een object die of dat verzekerd is tegen het hoofdrisico;
  3° ze zijn gedekt door de dezelfde overeenkomst als een hoofdrisico of door een samenhangende overeenkomst die slechts bestaat en uitwerking heeft voor zover de hoofdverzekeringsovereenkomst zelf bestaat en uitwerking heeft.
  § 3. In afwijking van paragraaf 2 mogen de risico's die tot de in Bijlage I vermelde takken 14, 15 en 17 behoren, niet als bijkomende risico's van andere takken worden beschouwd.
  De rechtsbijstandsverzekering bedoeld in tak 17 als vermeld in Bijlage I kan echter als een bijkomend risico van tak 18 worden beschouwd wanneer de voorwaarden van paragraaf 2 en een van de volgende twee voorwaarden vervuld zijn:
  1° het hoofdrisico heeft alleen betrekking op het bieden van hulp aan in moeilijkheden verkerende personen die op reis zijn of zich buiten hun woonplaats of gewone verblijfplaats bevinden;
  2° de verzekering heeft betrekking op geschillen of risico's die voortvloeien uit of samenhangen met het gebruik van zeeschepen.

  Afdeling II. - Procedure

  Art. 22. Bij de vergunningsaanvraag die aan de Bank wordt voorgelegd, wordt een administratief dossier gevoegd dat voldoet aan de door de Bank gestelde voorwaarden en dat met name het in artikel 35 bedoelde programma van werkzaamheden bevat, alsook een beschrijving van het governancesysteem van de verzekerings- of herverzekeringsonderneming en van de nauwe banden die zij met andere personen heeft. De aanvragers verstrekken alle inlichtingen die nodig zijn om hun aanvraag te kunnen beoordelen.
  Bij het bepalen van de in het eerste lid bedoelde voorwaarden houdt de Bank rekening met de voorwaarden die de FSMA stelt aangaande de organisatie en de procedures waarop zij overeenkomstig artikel 45, § 1, eerste lid, 3°, en § 2, van de wet van 2 augustus 2002 toezicht houdt.

  Art. 23. De aanvrager stelt de Bank tevens in kennis van de identiteit van de natuurlijke of rechtspersonen die, alleen of in onderling overleg handelend, rechtstreeks of onrechtstreeks, een al dan niet stemrechtverlenende gekwalificeerde deelneming bezitten in het kapitaal van de verzekerings- of herverzekeringsonderneming. De kennisgeving moet vermelden welke kapitaalfracties en hoeveel stemrechten deze personen bezitten.
  Bij gebreke van gekwalificeerde deelneming heeft de in het eerste lid bedoelde kennisgeving betrekking op de identiteit van de twintig grootste aandeelhouders en hun kapitaalfractie.

  Art. 24.§ 1. Wanneer de te dekken risico's behoren tot tak 10 als vermeld in Bijlage I, voegt de onderneming die de vergunning aanvraagt, bij haar aanvraag eveneens:
  1° het bewijs van haar aansluiting bij het Belgisch Bureau en bij het Gemeenschappelijk Waarborgfonds;
  2° voor zover de te dekken risico's niet alleen betrekking hebben op de aansprakelijkheid van de vervoerder, de naam en het adres van alle schaderegelaars die overeenkomstig artikel 12 van de voornoemde wet van 21 november 1989 in elke andere lidstaat zijn aangewezen, evenals het bewijs dat deze schaderegelaars voldoen aan de voorwaarden van artikel 12, § 1, tweede lid in fine en § 5, van de voornoemde wet van 21 november 1989.
  § 2. Wanneer de te dekken risico's betrekking hebben op arbeidsongevallen als bedoeld in de arbeidsongevallenwet van 10 april 1971, voegt de onderneming bij haar aanvraag:
  1° het bewijs dat [1 Fedris]1 in kennis werd gesteld van de voorgenomen activiteit;
  2° het bewijs dat [2 aan Fedris]2 een verklaring werd overgemaakt waaruit blijkt dat de onderneming op het eerste verzoek [2 van Fedris]2 een bankgarantie als bedoeld in artikel 60 van de arbeidsongevallenwet van 10 april 1971 zal vestigen.
  ----------
  (1)<KB 2018-09-06/13, art. 28, 007; Inwerkingtreding : 01-01-2017>
  (2)<KB 2018-09-06/13, art. 29, 007; Inwerkingtreding : 01-01-2017>

  Art. 25. Indien de onderneming vóór de vergunningsaanvraag een verzekeringsactiviteit uitoefende waarvoor overeenkomstig deze wet geen vergunning is vereist, voegt zij bij haar aanvraag ook de volgende documenten:
  1° een gedetailleerde staat van de technische reserves en overeenstemmende beleggingen op het ogenblik van de indiening van de vergunningsaanvraag;
  2° een staat van de nog niet geregelde schadegevallen die aangegeven zijn vóór het begin van het kalenderjaar tijdens hetwelk de aanvraag wordt ingediend.
  Indien de onderneming vóór de aanvraag een andere activiteit uitoefende, kan de Bank alle inlichtingen verlangen over haar financiële positie en haar verrichtingen, van welke aard die ook zijn.

  Art. 26. De Bank raadpleegt de FSMA vooraleer te beslissen over een vergunningsaanvraag die uitgaat van een verzekerings- of herverzekeringsonderneming die hetzij de dochteronderneming is van een onderneming die van de FSMA een vergunning heeft verkregen, hetzij de dochteronderneming van de moederonderneming van een onderneming die van de FSMA een vergunning heeft verkregen, hetzij onder de controle staat van dezelfde natuurlijke of rechtspersonen als een onderneming die van de FSMA een vergunning heeft verkregen.
  Wanneer de vergunningsaanvraag uitgaat van een verzekerings- of herverzekeringsonderneming die hetzij de dochteronderneming is van een andere verzekerings- of herverzekeringsonderneming, van een kredietinstelling, een beleggingsonderneming, een AICB-beheerder of een beheervennootschap van instellingen voor collectieve belegging, waaraan een vergunning is verleend overeenkomstig het recht van een andere lidstaat, hetzij de dochteronderneming van de moederonderneming van een andere verzekerings- of herverzekeringsonderneming, van een kredietinstelling, een beleggingsonderneming, een AICB-beheerder of een beheervennootschap van instellingen voor collectieve belegging, waaraan overeenkomstig het recht van een andere lidstaat een vergunning is verleend, hetzij onder de controle staat van dezelfde natuurlijke of rechtspersonen als deze die de controle hebben over een andere verzekerings- of herverzekeringsonderneming, een kredietinstelling, een beleggingsonderneming, een AICB-beheerder of een beheervennootschap van instellingen voor collectieve belegging, waaraan overeenkomstig het recht van een andere lidstaat een vergunning is verleend, raadpleegt de Bank, vooraleer te beslissen over de aanvraag, de bevoegde autoriteiten die in deze andere lidstaten bevoegd zijn voor het toezicht op de verzekerings- of herverzekeringsondernemingen, de kredietinstellingen, de beleggingsondernemingen, de AICB-beheerders of de beheervennootschappen van instellingen voor collectieve belegging.
  De Bank raadpleegt eveneens vooraf de autoriteiten als bedoeld in het eerste of tweede lid voor het beoordelen van de geschiktheid van de aandeelhouders, de leiding en de verantwoordelijken voor de onafhankelijke controlefuncties, overeenkomstig de artikelen 39 en 40, wanneer deze aandeelhouder een onderneming is als bedoeld in het eerste of tweede lid of de bij de leiding van de verzekerings- of herverzekeringsonderneming betrokken persoon eveneens betrokken is bij de leiding van een van de in het eerste of tweede lid bedoelde ondernemingen of van een onderneming die tot dezelfde groep behoort, of wanneer de verantwoordelijke voor een onafhankelijke controlefunctie een dergelijke functie uitoefent bij een van de ondernemingen bedoeld in het eerste of tweede lid of bij een onderneming die tot dezelfde groep behoort. Deze autoriteiten delen elkaar alle informatie mee die relevant is voor het beoordelen van de geschiktheid van de in dit lid bedoelde aandeelhouders, bij de leiding betrokken personen en verantwoordelijken voor de onafhankelijke controlefuncties.

  Art. 27. § 1. Op advies van de FSMA beslist de Bank over de vergunningsaanvraag, voor wat betreft:
  1° het passende karakter van de organisatie van de verzekerings- of herverzekeringsonderneming, met name van haar integriteitsbeleid, als bedoeld in de artikelen 42 tot 60, vanuit het oogpunt van de naleving van de regels bedoeld in artikel 45, § 1, eerste lid, 3°, en § 2, van de wet van 2 augustus 2002;
  2° de professionele betrouwbaarheid van de personen die lid zijn van het wettelijk bestuursorgaan van de verzekerings- of herverzekeringsonderneming, van het directiecomité of, bij ontstentenis van een directiecomité, van de personen die belast zijn met de effectieve leiding, evenals van de personen die verantwoordelijk zijn voor de onafhankelijke controlefuncties, indien zij voor het eerst voor een dergelijke functie worden voorgedragen bij een onderneming die met toepassing van artikel 36/2 van de wet van 22 februari 1998 onder het toezicht staat van de Bank.
  De FSMA verstrekt haar advies over de voornoemde aangelegenheden binnen een termijn van een maand te rekenen vanaf de ontvangst van de door de Bank geformuleerde adviesaanvraag, waarbij alle van de vergunningaanvragende onderneming ontvangen stukken zijn gevoegd. Afwezigheid van advies binnen deze termijn geldt als positief advies. Vóór het verstrijken van de termijn van een maand kan de FSMA de Bank er evenwel van in kennis stellen dat zij haar advies uiterlijk binnen 15 dagen na het verstrijken van deze termijn zal verstrekken.
  § 2. Indien de Bank geen rekening houdt met het advies van de FSMA over de in paragraaf 1, eerste lid bedoelde aangelegenheden, wordt dat met de redenen voor de afwijking vermeld in de motivering van de beslissing over de vergunningsaanvraag. Het voornoemde advies van de FSMA over punt 1°, van paragraaf 1, eerste lid, wordt gevoegd bij de kennisgeving van de beslissing over de vergunningsaanvraag.

  Art. 28. De Bank verleent een vergunning aan de verzekerings- en herverzekeringsondernemingen die voldoen aan de voorwaarden van Hoofdstuk II van deze Titel.
  De Bank spreekt zich uit over de aanvraag binnen zes maanden na de indiening van een volledig dossier.
  De beslissingen inzake vergunning worden binnen vijftien dagen ter kennis gebracht van de aanvragers met een aangetekende brief of een brief met ontvangstbewijs, met inachtneming van de termijnen bedoeld in het tweede lid.

  Art. 29. Gelet op de noodzaak van een gezond en voorzichtig beleid kan de Bank voorwaarden verbinden aan de vergunning voor de uitoefening van bepaalde van de voorgenomen activiteiten en, onder meer, de vergunning die voor een tak is aangevraagd, beperken tot sommige van de activiteiten die in het in artikel 35 bedoelde programma van werkzaamheden zijn opgenomen.

  Art. 30. Wanneer een verzekerings- of herverzekeringsonderneming een vergunning verkrijgt, stelt de Bank de gegevens bedoeld in artikel 22 en de eventuele wijzigingen daarin ter beschikking van de FSMA, om haar toe te laten de bevoegdheden bedoeld in artikel 45, § 1, 3° en § 2, van de wet van 2 augustus 2002 uit te oefenen.

  Art. 31. De Bank maakt een lijst op van de verzekerings- of herverzekeringsondernemingen waaraan krachtens dit Boek een vergunning is verleend. Die lijst en alle daarin aangebrachte wijzigingen worden op haar website bekendgemaakt en ter kennis gebracht van EIOPA en de FSMA.
  De bekendmaking vermeldt de verzekeringstakken of delen van verzekeringstakken of de herverzekeringsactiviteiten waarvoor de vergunning wordt verleend en, in voorkomend geval, de met toepassing van artikel 29 opgelegde beperkingen.
  Wanneer de vergunning wordt verleend aan een verzekerings- of herverzekeringsonderneming die een rechtstreekse of onrechtstreekse dochteronderneming is van een verzekerings- of herverzekeringsonderneming die onder het recht van een derde land ressorteert, stelt de Bank ook de Europese Commissie, EIOPA en de toezichthouders van de andere lidstaten in kennis. Deze kennisgeving bevat de structuur van de betrokken groep.

  HOOFDSTUK II. - Vergunningsvoorwaarden

  Afdeling I. - Algemene bepalingen

  Art. 32. Behalve met de voorwaarden van dit Hoofdstuk houdt de Bank ook rekening met het vermogen van de onderneming die de vergunning aanvraagt om te voldoen aan de in Titel II van dit Boek bedoelde bedrijfsuitoefeningsvoorwaarden en om haar ontwikkelingsdoelstellingen te verwezenlijken onder de voorwaarden die nodig zijn voor de goede werking van de sector van de verzekerings- of herverzekeringsondernemingen en van het financiële stelsel evenals voor de bescherming van de verzekeringnemers, de verzekerden en de begunstigden.

  Afdeling II. - Vennootschapsvorm en doel

  Art. 33. Een verzekerings- of herverzekeringsonderneming wordt opgericht in de vorm van een naamloze vennootschap, een coöperatieve vennootschap, een onderlinge verzekeringsvereniging, een Europese vennootschap of een Europese coöperatieve vennootschap.
  Verzekeringsondernemingen die overeenkomstig artikel 34, § 2, een niet-levensverzekeringsactiviteit uitoefenen mogen ook worden opgericht in de vorm van een verzekeringsmaatschappij van onderlinge bijstand.
  Voor de verzekerings- of herverzekeringsondernemingen die opgericht zijn in een van de in dit artikel bedoelde vormen zonder onderworpen te zijn aan het Wetboek van Vennootschappen, gelden niettemin de verplichtingen die rusten op naamloze vennootschappen uit hoofde van de artikelen 67, 68, 73, 74, 75, 76, 98, 100, 101, 102, 173, 179, 195 en 1012 van het Wetboek van Vennootschappen.

  Art. 34. § 1. Onverminderd artikel 18, tweede lid,
  1° beperken de verzekeringsondernemingen hun doel tot de verzekeringsactiviteit en de verrichtingen die daar rechtstreeks uit voortvloeien, met uitsluiting van elke andere handelsactiviteit;
  2° beperken de herverzekeringsondernemingen hun doel tot het herverzekeringsbedrijf en de daarmee samenhangende verrichtingen, met inbegrip van de functie van holding en activiteiten met betrekking tot de financiële sector, in de zin van artikel 2, punt 8, van Richtlijn 2002/87/EG.
  § 2. In afwijking van paragraaf 1 beperken de verzekeringsmaatschappijen van onderlinge bijstand hun activiteiten tot de ziekteverzekeringen in de zin van tak 2 als vermeld in Bijlage I en, aanvullend, tot de hulpverlening die behoort tot tak 18 als vermeld in Bijlage I.
  Aansluiting bij de in het eerste lid bedoelde verzekeringen is voorbehouden aan de volgende personen:
  1° wat de maatschappijen van onderlinge bijstand betreft die met toepassing van artikel 43bis, § 5, van de wet van 6 augustus 1990 betreffende de ziekenfondsen en de landsbonden van ziekenfondsen zijn opgericht, de personen die zijn aangesloten bij het ziekenfonds of de ziekenfondsen die bij de verzekeringsmaatschappij van onderlinge bijstand zijn aangesloten;
  2° wat de verzekeringsmaatschappijen van onderlinge bijstand betreft die met toepassing van artikel 70, §§ 6, 7 en 8 van de voormelde wet van 6 augustus 1990 zijn opgericht, de in diezelfde paragrafen bedoelde personen.

  Afdeling III. - Programma van werkzaamheden

  Art. 35. § 1. Het in artikel 22 bedoelde programma van werkzaamheden bevat gegevens of bewijsstukken betreffende:
  1° de aard van de risico's of de verbintenissen die de verzekerings- of herverzekeringsonderneming voornemens is te dekken;
  2° de aard van de herverzekeringsovereenkomsten die de herverzekeringsonderneming voornemens is te sluiten met cederende ondernemingen;
  3° de leidende beginselen van de verzekeringsonderneming op het gebied van herverzekering en van de herverzekeringsonderneming op het gebied van retrocessie;
  4° de kernvermogensbestanddelen die de absolute ondergrens van het minimumkapitaalvereiste vormen;
  5° de te verwachten kosten voor de tenuitvoerlegging van het governancesysteem, met name de inrichtingskosten van de administratieve diensten en van het productienet, de technische en financiële middelen ter dekking daarvan en, indien de te dekken risico's behoren tot tak 18 als vermeld in Bijlage I, de middelen waarover de verzekeringsonderneming beschikt om de beloofde hulp te verlenen.
  § 2. Naast de vereisten van paragraaf 1 bevat het programma van werkzaamheden voor de eerste drie boekjaren:
  1° een balansprognose;
  2° een raming van het solvabiliteitskapitaalvereiste als bepaald in artikel 151, op basis van de in 1°, bedoelde balansprognose, evenals de voor deze raming gehanteerde berekeningsmethode;
  3° een raming van het minimumkapitaalvereiste als bepaald in artikel 189, op basis van de in 1°, bedoelde balansprognose, evenals de voor deze raming gehanteerde berekeningsmethode;
  4° een raming van de financiële middelen ter dekking van de technische voorzieningen, het minimumkapitaalvereiste en het solvabiliteitskapitaalvereiste;
  5° voor niet-levensverzekeringen en herverzekeringen ook het volgende:
  a)een raming van de beheerkosten, met uitzondering van de inrichtingskosten, met name de lopende algemene kosten en de provisies;
  b) een raming van de premies of bijdragen en van de schadegevallen;
  6° voor levensverzekeringen ook een gedetailleerde prognose van de vermoedelijke ontvangsten en uitgaven, zowel voor het directe verzekeringsbedrijf als voor aangenomen herverzekering en overdrachten uit hoofde van herverzekering.

  Art. 36. Wanneer een verzekerings- of herverzekeringsonderneming waaraan een vergunning is verleend, een vergunning aanvraagt voor de uitbreiding van haar activiteiten met toepassing van artikel 19, legt zij overeenkomstig artikel 35 een programma van werkzaamheden voor.

  Afdeling IV. - Eigen vermogen

  Art. 37. De verzekerings- of herverzekeringsonderneming toont aan:
  1° dat zij voldoende in aanmerking komend kernvermogen aanhoudt om de absolute ondergrens te dekken van het in artikel 189, § 1, 4° bepaalde minimumkapitaalvereiste;
  2° dat zij in staat is om voldoende in aanmerking komend eigen vermogen aan te houden om doorlopend het solvabiliteitskapitaalvereiste te dekken, overeenkomstig artikel 151;
  3° dat zij in staat is om voldoende in aanmerking komend kernvermogen aan te houden om doorlopend het in artikel 189 bepaalde minimumkapitaalvereiste te dekken.

  Art. 38. § 1. Iedere verzekerings- of herverzekeringsonderneming die een vergunning aanvraagt voor de uitbreiding van haar activiteiten overeenkomstig artikel 19, toont aan dat zij beschikt over voldoende in aanmerking komend eigen vermogen om het respectievelijk in de artikelen 151 en 189 bepaalde solvabiliteitskapitaalvereiste en minimumkapitaalvereiste aan te houden.
  § 2. Onverminderd paragraaf 1 toont iedere verzekeringsonderneming die levensverzekeringsactiviteiten uitoefent en die een vergunning aanvraagt voor de uitbreiding van haar activiteiten, overeenkomstig artikel 223, tweede lid, tot de risico's die behoren tot de takken 1 of 2 als vermeld in Bijlage I, het volgende aan:
  1° dat zij beschikt over voldoende in aanmerking komend kernvermogen om de absolute ondergrens van het minimumkapitaalvereiste voor levensverzekeringsondernemingen en de absolute ondergrens van het minimumkapitaalvereiste voor niet-levensverzekeringsondernemingen, als bedoeld in artikel 189, § 1, 4°, d), te dekken;
  2° dat zij zich ertoe verbindt doorlopend te voldoen aan de minimumverplichtingen van punt 1°, in overeenstemming met artikel 225, § 2, tweede lid.
  § 3. Onverminderd paragraaf 1 toont iedere verzekeringsonderneming die niet-levensverzekeringsactiviteiten uitoefent voor de risico's die behoren tot de takken 1 of 2 als vermeld in Bijlage I, en die een vergunning aanvraagt voor de uitbreiding van haar activiteiten tot levensverzekeringsrisico's, overeenkomstig artikel 223, tweede lid, het volgende aan:
  1° dat zij beschikt over voldoende in aanmerking komend kernvermogen om de absolute ondergrens van het minimumkapitaalvereiste voor levensverzekeringsondernemingen en de absolute ondergrens van het minimumkapitaalvereiste voor niet-levensverzekeringsondernemingen, als bedoeld in artikel 189, § 1, 4°, d), te dekken;
  2° dat zij zich ertoe verbindt doorlopend te voldoen aan de minimumverplichtingen van punt 1°, in overeenstemming met artikel 225, § 2, tweede lid.

  Afdeling V. - Aandeelhouders of vennoten

  Art. 39. De vergunning wordt geweigerd wanneer de Bank niet overtuigd is van de geschiktheid van de in artikel 23 bedoelde natuurlijke of rechtspersonen om een gezond en voorzichtig beleid van de verzekerings- of herverzekeringsonderneming te garanderen.
  De beoordeling van de geschiktheid om een gezond en voorzichtig beleid van de verzekerings- of herverzekeringsonderneming te garanderen, gebeurt aan de hand van de volgende criteria:
  1° de betrouwbaarheid van de in artikel 23 bedoelde natuurlijke of rechtspersonen;
  2° de professionele betrouwbaarheid en deskundigheid van elke in artikel 40 bedoelde persoon die het bedrijf van de verzekerings- of herverzekeringsonderneming feitelijk gaat leiden;
  3° de financiële soliditeit van de in artikel 23 bedoelde natuurlijke of rechtspersonen, met name in het licht van de aard van de uitgeoefende en voorgenomen activiteiten binnen de verzekerings- of herverzekeringsonderneming;
  4° of de verzekerings- of herverzekeringsonderneming zal kunnen voldoen en blijven voldoen aan de prudentiële verplichtingen die voortvloeien uit deze wet, haar uitvoeringsbesluiten en -reglementen en de maatregelen tot uitvoering van Richtlijn 2009/138/EG, inzonderheid of de groep waarvan zij deel zal uitmaken zo gestructureerd is dat effectief toezicht en effectieve uitwisseling van informatie tussen de toezichthouders mogelijk zijn, en dat de verdeling van de verantwoordelijkheden tussen de toezichthouders kan worden bepaald;
  5° of er gegronde redenen zijn om te vermoeden dat geld wordt of werd witgewassen of terrorisme wordt of werd gefinancierd dan wel dat gepoogd wordt of werd geld wit te wassen of terrorisme te financieren in verband met de voorgenomen verwerving, of dat de voorgenomen verwerving het risico daarop zou kunnen vergroten.

  Afdeling VI. - Leiding

  Art. 40. § 1. De leden van het wettelijk bestuursorgaan en van het directiecomité van de verzekerings- of herverzekeringsonderneming, de personen belast met de effectieve leiding en de verantwoordelijken voor de onafhankelijke controlefuncties zijn uitsluitend natuurlijke personen.
  De in het eerste lid bedoelde personen moeten permanent over de voor de uitoefening van hun functie vereiste professionele betrouwbaarheid en passende deskundigheid beschikken.
  § 2. De effectieve leiding van de verzekerings- of herverzekeringsonderneming moet worden toevertrouwd aan ten minste twee natuurlijke personen.

  Art. 41. Artikel 20 van de wet van 25 april 2014 is van toepassing op de in artikel 40 bedoelde personen.

  Afdeling VII. - Organisatie

  Onderafdeling I. - Algemene beginselen

  Art. 42. § 1. Om een doeltreffend en voorzichtig beleid te garanderen, beschikt iedere verzekerings- of herverzekeringsonderneming over een passend governancesysteem, waaronder toezichtsmaatregelen, dat met name berust op:
  1° een passende beleidsstructuur die op het hoogste niveau gebaseerd is op een duidelijk onderscheid tussen, enerzijds, de effectieve leiding van de verzekerings- of herverzekeringsonderneming en, anderzijds, het toezicht op die leiding, en die binnen de onderneming voorziet in een passende functiescheiding en in een duidelijk omschreven, transparante en coherente regeling voor de toewijzing van verantwoordelijkheden;
  2° een passende administratieve en boekhoudkundige organisatie en interne controle, waaronder met name controleprocedures die een redelijke mate van zekerheid verschaffen over de betrouwbaarheid van de het verslaggevingsproces;
  3° doeltreffende procedures voor de identificatie, de meting, het beheer en de opvolging van en de interne verslaggeving over de risico's waaraan de onderneming blootstaat of zou kunnen blootstaan, met inbegrip van de voorkoming van belangenconflicten;
  4° onafhankelijke controlefuncties, namelijk passende onafhankelijke sleutelfuncties inzake interne audit, risicobeheer, compliance en actuariaat;
  5° een passend integriteitsbeleid;
  6° een beloningsbeleid dat een gezond en doeltreffend risicobeheer garandeert en dat voorkomt dat de mate waarin er risico's worden genomen, het door de onderneming vastgestelde tolerantieniveau te boven gaat;
  7° voor de activiteiten van de onderneming passende controle- en beveiligingsmaatregelen op informaticagebied;
  8° een passend intern waarschuwingssysteem dat met name voorziet in een specifieke onafhankelijke en autonome melding van inbreuken op de normen en de gedragscodes van de onderneming;
  9° de invoering van passende maatregelen op het vlak van de bedrijfscontinuïteit om te garanderen dat de gegevens en de kritieke functies kunnen worden behouden of zo spoedig mogelijk kunnen worden hersteld en dat de normale activiteit binnen een redelijke tijdspanne kan worden hervat;
  10° de invoering van passende structuren en systemen om te voldoen aan de verzoeken om informatie die de Bank aan de onderneming richt met toepassing van de artikelen 201 en 312.
  11° de invoering van procedures om een verslechtering van de financiële omstandigheden vast te stellen en om de Bank onmiddellijk in kennis te stellen wanneer zo'n verslechtering zich voordoet.
  § 2. Het in paragraaf 1 bedoelde governancesysteem is uitputtend uitgewerkt en staat in verhouding tot de aard, de omvang en de complexiteit van de risico's die aan het bedrijfsmodel en aan de activiteiten van de verzekerings- of herverzekeringsonderneming zijn verbonden.
  § 3. De verzekerings- of herverzekeringsonderneming stelt een governancememorandum op dat voor de betrokken onderneming en, in voorkomend geval, de groep of subgroep waarvan zij de uiteindelijke moederonderneming is, het volledige in paragraaf 1 bedoelde governancesysteem bevat en, in het bijzonder, schriftelijk vastgelegde beleidslijnen voor het risicobeheer, de interne controle, de interne audit en, in voorkomend geval, de uitbesteding.
  Indien de verzekerings- of herverzekeringsonderneming deel uitmaakt van een groep die onder het toezicht staat van de Bank, mag het memorandum dat op het niveau van de verzekerings- of herverzekeringsonderneming wordt opgesteld, deel uitmaken van het memorandum van die groep, onverminderd de maatregelen tot uitvoering van Richtlijn 2009/138/EG.
  § 4. In de Onderafdelingen II tot IV wordt bepaald welke de reikwijdte is van de in de paragrafen 1 en 2 bedoelde algemene verplichtingen in specifieke domeinen.

  Art. 43. Indien de verzekerings- of herverzekeringsonderneming nauwe banden heeft met andere natuurlijke of rechtspersonen, of indien de verzekerings- of herverzekeringsonderneming deel uitmaakt van een groep, mogen die banden of de juridische structuur van de groep geen belemmering vormen voor het individueel prudentieel toezicht op de onderneming of voor het toezicht op de groep waarvan de onderneming deel uitmaakt.
  Indien de verzekerings- of herverzekeringsonderneming nauwe banden heeft met een natuurlijke of rechtspersoon die onder het recht van een derde land ressorteert, mogen de voor die persoon geldende wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen of de tenuitvoerlegging ervan geen belemmering vormen voor het individueel prudentieel toezicht op de onderneming of voor het toezicht op de groep waarvan de onderneming deel uitmaakt.

  Onderafdeling II. - Vennootschapsorganen

  Art. 44.Het wettelijk bestuursorgaan draagt de eindverantwoordelijkheid voor de verzekerings- of herverzekeringsonderneming.
  [1 Hiertoe bepaalt en controleert het wettelijk bestuursorgaan met name :
   1° de strategie en de doelstellingen van de onderneming;
   2° het risicobeleid, met inbegrip van de algemene risicotolerantielimieten;
   3° het in artikel 42, § 1, 5° bedoelde integriteitsbeleid.]1
  ----------
  (1)<W 2017-12-05/04, art. 42, 005; Inwerkingtreding : 28-12-2017>

  Art. 45.§ 1. [1 Iedere verzekerings- of herverzekeringsonderneming die is opgericht als naamloze vennootschap richt een directiecomité op dat de bevoegdheden heeft van de directieraad zoals bepaald in artikel 7:104 van het Wetboek van vennootschappen en verenigingen.]1
  Behoudens toepassing van artikel 56, § 3, is het directiecomité samengesteld uit minstens drie personen die lid zijn van de raad van bestuur.
  § 2. De meerderheid van de bestuurders van de raad van bestuur zijn geen lid van het directiecomité.
  § 3. De functie van voorzitter van de raad van bestuur mag niet worden uitgeoefend door een lid van het directiecomité.
  § 4. Het dagelijks bestuur als bedoeld in artikel 525 van het Wetboek van Vennootschappen mag niet worden opgedragen aan een niet-uitvoerend lid van de raad van bestuur.
  ----------
  (1)<W 2019-03-23/06, art. 22, 009; Inwerkingtreding : 01-05-2019>

  Art. 45bis. [1 § 1. Wanneer een lid van het directiecomité een rechtstreeks of onrechtstreeks belang van vermogensrechtelijke aard heeft dat strijdig is met het belang van de verzekerings- of herverzekeringsonderneming naar aanleiding van een beslissing of een verrichting die tot de bevoegdheid behoort van het directiecomité, moet het betrokken lid dit mededelen aan de andere leden vóór het directiecomité een besluit neemt. Zijn verklaring en toelichting over de aard van dit strijdig belang worden opgenomen in de notulen van de vergadering van het directiecomité dat de beslissing moet nemen.
   Het directiecomité mag deze beslissing niet delegeren. Het directiecomité omschrijft in de notulen de aard van de in het eerste lid bedoelde beslissing of verrichting en de vermogensrechtelijke gevolgen ervan voor de verzekerings- of herverzekeringsonderneming en verantwoordt het genomen besluit, en bezorgt een kopie van deze notulen aan de raad van bestuur tijdens zijn volgende vergadering. In het jaarverslag als bedoeld in artikel 3:5 van het Wetboek van vennootschappen en verenigingen wordt dit deel van de notulen in zijn geheel opgenomen.
   De notulen van de vergadering van het directiecomité worden aan de commissaris meegedeeld. In het in artikel 3:74 van het Wetboek van vennootschappen en verenigingen bedoelde verslag beoordeelt de commissaris, in een afzonderlijke sectie, de vermogensrechtelijke gevolgen voor de verzekerings- of herverzekeringsonderneming van de besluiten van het directiecomité, zoals door hem omschreven, waarvoor een strijdig belang als bedoeld in het eerste lid bestaat.
   Het lid met een belangenconflict als bedoeld in het eerste lid mag niet deelnemen aan de beraadslagingen van het directiecomité over deze verrichtingen of beslissingen, noch aan de stemming in dat verband. Wanneer alle leden een belangenconflict hebben, wordt de beslissing of de verrichting aan de raad van bestuur voorgelegd; ingeval de raad van bestuur de beslissing of de verrichting goedkeurt, kan het directiecomité ze uitvoeren.
   § 2. Onverminderd het recht voor de in de artikelen 2:44 en 2:46 van het Wetboek van vennootschappen en verenigingen genoemde personen om de nietigheid of de opschorting van het besluit van het directiecomité te vorderen, kan de verzekerings- of herverzekeringsonderneming de nietigheid vorderen van besluiten of verrichtingen die hebben plaatsgevonden met overtreding van de in dit artikel bepaalde regels, indien de wederpartij bij die beslissingen of verrichtingen van die overtreding op de hoogte was of had moeten zijn.
   § 3. Paragraaf 1 is niet van toepassing wanneer de beslissingen of verrichtingen die tot de bevoegdheid behoren van het directiecomité, betrekking hebben op beslissingen of verrichtingen die tot stand zijn gekomen tussen vennootschappen, waaronder de verzekerings- of herverzekeringsonderneming, waarvan de ene rechtstreeks of onrechtstreeks ten minste 95 % bezit van de stemmen verbonden aan het geheel van de door de andere uitgegeven effecten, dan wel tussen vennootschappen, waaronder de verzekerings- of herverzekeringsonderneming, waarvan ten minste 95 % van de stemmen verbonden aan het geheel van de door elk van hen uitgegeven effecten in het bezit zijn van een andere vennootschap.
   Bovendien is paragraaf 1 niet van toepassing wanneer de beslissingen van het directiecomité betrekking hebben op gebruikelijke verrichtingen die plaatshebben onder de voorwaarden en tegen de zekerheden die op de markt gewoonlijk gelden voor soortgelijke verrichtingen.]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij W 2019-03-23/06, art. 23, 009; Inwerkingtreding : 01-05-2019>
  

  Art. 46.§ 1. De statuten van de verzekerings- of herverzekeringsondernemingen die anders dan als naamloze vennootschap zijn opgericht [1 , met inbegrip van de Europese vennootschap]1, voorzien in de oprichting, [1 ...]1 van een orgaan, "directiecomité" genaamd, waaraan alle bestuursbevoegdheden van het wettelijk bestuursorgaan worden overgedragen, met uitsluiting van de vaststelling van het algemeen beleid en van de handelingen die bij het Wetboek van Vennootschappen of bij deze wet zijn voorbehouden aan het wettelijk bestuursorgaan.
  Behoudens toepassing van artikel 56, § 3, is het directiecomité samengesteld uit minstens drie personen die lid zijn van het wettelijk bestuursorgaan.
  § 2. De meerderheid van de leden van het wettelijk bestuursorgaan zijn geen lid van het in paragraaf 1 bedoelde directiecomité.
  § 3. De functie van voorzitter van het wettelijk bestuursorgaan mag niet worden uitgeoefend door een lid van het directiecomité.
  § 4. Het dagelijks bestuur mag aan een niet-uitvoerend lid van het wettelijk bestuursorgaan niet worden opgedragen.
  ----------
  (1)<W 2019-05-02/28, art. 64, 012; Inwerkingtreding : 01-06-2019>

  Art. 47. De Bank kan op grond van de omvang en het risicoprofiel van een verzekerings- of herverzekeringsonderneming, met name ten opzichte van de groep waarvan ze deel uitmaakt, toestaan dat geheel of gedeeltelijk wordt afgeweken van de verplichtingen van de artikelen 45 en 46.
  De afwijking kan met name betrekking hebben op:
  1° de verplichting om een directiecomité op te richten, onverminderd de naleving van artikel 40, § 2; in dit geval worden de verplichtingen die door of krachtens deze wet zijn opgelegd aan het directiecomité en zijn leden, uitgevoerd door de personen die belast zijn met de effectieve leiding;
  2° het combineren van de functies van lid van het directiecomité en voorzitter van het wettelijk bestuursorgaan.

  Onderafdeling III. - Oprichting van comités binnen het wettelijk bestuursorgaan

  Art. 48.Onverminderd de taken van het wettelijk bestuursorgaan richt iedere verzekerings- of herverzekeringsonderneming binnen dit orgaan de volgende comités op:
  1° een auditcomité;
  2° een remuneratiecomité;
  3° een risicocomité,
  die uitsluitend zijn samengesteld uit leden van het wettelijk bestuursorgaan die er geen uitvoerend lid van zijn en waarvan minstens één lid onafhankelijk is in de zin van artikel 526ter van het Wetboek van Vennootschappen.
  [1 De meerderheid van de leden van het auditcomité is onafhankelijk in de zin van artikel 526ter van het Wetboek van Vennootschappen. De voorzitter van het auditcomité wordt benoemd door de leden van het comité.]1
  ----------
  (1)<W 2016-12-07/02, art. 138, 003; Inwerkingtreding : 31-12-2016>

  Art. 49.§ 1. Naast de vereisten van artikel 48 beschikken de leden van het auditcomité over een collectieve deskundigheid op het gebied van de activiteiten van de betrokken verzekerings- of herverzekeringsonderneming en op het gebied van boekhouding en audit. Minstens één lid van het auditcomité beschikt over deskundigheid op het gebied van boekhouding en/of audit.
  § 2. [1 Het auditcomité heeft minstens de in artikel 526bis, § 4, van het Wetboek van Vennootschappen opgenomen taken.]1
  Het auditcomité brengt bij het wettelijk bestuursorgaan geregeld verslag uit over de uitoefening van zijn taken, ten minste wanneer het wettelijk bestuursorgaan de in artikel 199, tweede lid en artikel 201 bedoelde jaarrekening en geconsolideerde jaarrekening en periodieke informatie opstelt die de verzekerings- of herverzekeringsonderneming respectievelijk aan het einde van het boekjaar en aan het einde van het eerste halfjaar overmaakt.
  De Bank kan, bij reglement vastgesteld overeenkomstig artikel 12bis, § 2, van de wet van 22 februari 1998, [1 de in deze paragraaf bedoelde elementen]1 op technische punten preciseren en aanvullen.
  § 3. [1 De erkend commissaris is belast met de in artikel 526bis, § 6, leden 1 tot 3 van het Wetboek van Vennootschappen opgenomen opdrachten.]1
  ----------
  (1)<W 2016-12-07/02, art. 139, 003; Inwerkingtreding : 31-12-2016>

  Art. 50. § 1. Het remuneratiecomité is zodanig samengesteld dat het een kundig en onafhankelijk oordeel kan geven over het beloningsbeleid en de beloningspraktijken en de prikkels die daarvan uitgaan voor de risicobeheersing, de eigenvermogensbehoeften en de liquiditeitspositie.
  § 2. Het remuneratiecomité verstrekt een advies over het beloningsbeleid dat door het wettelijk bestuursorgaan moet worden vastgesteld en over elke daarin aangebrachte wijziging.
  § 3. Het remuneratiecomité is belast met het voorbereiden van beslissingen over beloning, met name beslissingen die gevolgen hebben voor de risico's en het risicobeheer van de betrokken verzekerings- of herverzekeringsonderneming en waarover het wettelijk bestuursorgaan zich moet uitspreken. Bij de voorbereiding van dergelijke beslissingen houdt het remuneratiecomité rekening met de langetermijnbelangen van aandeelhouders, investeerders en andere belanghebbenden van de verzekerings- of herverzekeringsonderneming, alsook met het algemeen belang.
  Het eerste lid is eveneens van toepassing op beslissingen over de beloning van de personen die verantwoordelijk zijn voor de onafhankelijke controlefuncties. Bovendien oefent het remuneratiecomité rechtstreeks toezicht uit op de beloning van de verantwoordelijken voor de onafhankelijke controlefuncties.

  Art. 51. De leden van het risicocomité bezitten individueel de nodige kennis, deskundigheid, ervaring en vaardigheden om de strategie en de risicotolerantie van de verzekerings- of herverzekeringsonderneming te begrijpen en te bevatten.
  Het risicocomité verstrekt advies aan het wettelijk bestuursorgaan over de huidige en toekomstige strategie en risicotolerantie. Het staat het wettelijk bestuursorgaan bij in de uitoefening van het toezicht op de tenuitvoerlegging van deze strategie door het directiecomité.

  Art. 52.§ 1. Een verzekerings- of herverzekeringsonderneming die op geconsolideerde basis voldoet aan ten minste twee van de volgende drie criteria:
  a) gemiddeld aantal werknemers gedurende het betrokken boekjaar van minder dan 250 personen,
  b) balanstotaal van minder dan of gelijk aan 43 000 000 euro,
  c) jaarlijkse netto-omzet van minder dan of gelijk aan 50 000 000 euro,
  is niet verplicht de in artikel 48 bedoelde comités op te richten binnen haar wettelijk bestuursorgaan maar in dat geval moeten de aan die comités toegewezen taken worden uitgevoerd door het wettelijk bestuursorgaan als geheel. Wanneer de voorzitter van dit orgaan ingevolge een met toepassing van artikel 47 toegestane afwijking, een uitvoerend lid is, [1 oefent hij de functies van voorzitter niet uit zolang het wettelijk bestuursorgaan de functies uitoefent van één van de in artikel 48 bedoelde comités]1.
  § 2. De Bank kan aan ondernemingen die niet voldoen aan de voorwaarde van paragraaf 1 maar die zo georganiseerd zijn dat het wettelijk bestuursorgaan en het directiecomité voldoende ondersteund worden bij hun respectieve taken inzake beloningsbeleid als bedoeld in de artikelen 77, § 5 en 80, § 3, een vrijstelling verlenen van de verplichting om binnen het wettelijk bestuursorgaan een remuneratiecomité op te richten.
  § 3. De Bank kan toestaan dat een verzekerings- of herverzekeringsonderneming die een dochteronderneming of een kleindochteronderneming is van een gemengde financiële holding, van een gemengde verzekeringsholding, van een verzekeringsholding, van een financiële holding, van een andere verzekerings- of herverzekeringsonderneming, van een kredietinstelling, van een beleggingsonderneming, van een AICB-beheerder of van een beheervennootschap van instellingen voor collectieve belegging, afwijkt van de bepalingen van deze Onderafdeling en kan specifieke voorwaarden vastleggen voor het verlenen van deze afwijkingen, voor zover er binnen de betrokken groepen of subgroepen één of meer comités zijn opgericht in de zin van de artikelen 49 tot 51, die bevoegd zijn voor de verzekerings- of herverzekeringsonderneming en voldoen aan de vereisten van deze wet.
  [1 Ongeacht de voorwaarden bepaald door de Bank in toepassing van het eerste lid, maakt de erkend commissaris jaarlijks de in artikel 11 van Verordening nr. 537/2014 bedoelde aanvullende verklaring over aan de bestemmelingen voorzien in artikel 79.
   Wanneer de voorwaarden bepaald door de Bank in toepassing van het eerste lid aanleiding geven tot de oprichting van een auditcomité, zijn de in artikel 16, paragraaf 5 van Verordening nr. 537/2014 bedoelde modaliteiten van het voorstel van benoeming van een erkend commissaris van toepassing.
   De in artikel 49, paragraaf 3, opgenomen opdrachten van de erkend commissaris blijven van toepassing, maar worden uitgeoefend ten aanzien van het wettelijk bestuursorgaan wanneer de voorwaarden bepaald door de Bank geen oprichting van een auditcomité opleggen.]1
  § 4. Onverminderd de artikelen 49, § 1, en 51, eerste lid, kunnen de verzekerings- of herverzekeringsondernemingen bepalen dat één enkel comité instaat voor de taken van het risicocomité en het auditcomité.
  ----------
  (1)<W 2016-12-07/02, art. 140, 003; Inwerkingtreding : 31-12-2016>

  Art. 53. De bepalingen van deze Onderafdeling doen geen afbreuk aan de bepalingen van het Wetboek van Vennootschappen over het auditcomité en het remuneratiecomité in genoteerde vennootschappen in de zin van artikel 4 van dat Wetboek.

  Onderafdeling IV. - Onafhankelijke controlefuncties

  Art. 54. § 1. Iedere verzekerings- of herverzekeringsonderneming neemt de nodige maatregelen om blijvend te beschikken over de volgende passende onafhankelijke controlefuncties:
  1° een compliancefunctie;
  2° een risicobeheerfunctie;
  3° een interneauditfunctie;
  4° een actuariële functie.
  De personen die de in het eerste lid bedoelde functies uitoefenen zijn onafhankelijk van de bedrijfseenheden en operationele functies van de onderneming en beschikken over de nodige bevoegdheden en middelen om hun functie naar behoren te kunnen uitoefenen. De beloning van deze personen wordt vastgesteld volgens de verwezenlijking van de doelstellingen waar hun functie op gericht is, onafhankelijk van de resultaten van de activiteiten waarop toezicht wordt gehouden.
  De personen die verantwoordelijk zijn voor de in het eerste lid bedoelde functies rapporteren minstens eenmaal per jaar rechtstreeks aan het wettelijk bestuursorgaan over de uitvoering van hun taak, en lichten het directiecomité in; voor de interneauditfunctie kan dit in voorkomend geval via het auditcomité gebeuren.
  § 2. Bij zijn beoordeling van het passende karakter van de in paragraaf 1 bedoelde functies houdt de Bank rekening met de bepalingen van artikel 42, § 2.

  Art. 55.§ 1. De compliancefunctie moet ervoor zorgen dat de onderneming, de leden van haar wettelijk bestuursorgaan, de leden van haar directiecomité, haar effectieve leiding, werknemers, gevolmachtigden en verzekerings- of herverzekeringsagenten en -subagenten, de wettelijke en reglementaire bepalingen die de verzekerings- of herverzekeringsactiviteit regelen, inzonderheid de regels inzake integriteit en gedrag die van toepassing zijn op die activiteit, naleven.
  De compliancefunctie beoordeelt ook de mogelijke gevolgen van wijzigingen in het rechtskader voor de activiteiten van de verzekerings- of herverzekeringsonderneming en identificeert en beoordeelt compliancerisico's.
  Het eerste lid doet geen afbreuk aan de bepalingen van artikel 87bis van de wet van 2 augustus 2002.
  § 2. Naast de in artikel 54, § 1, derde lid bedoelde rapportering, licht de persoon die verantwoordelijk is voor de compliancefunctie het wettelijk bestuursorgaan en het directiecomité regelmatig in over de naleving van de in paragraaf 1 bedoelde wettelijke en reglementaire bepalingen en richt deze persoon daarover aanbevelingen aan deze organen.
  [1 Het wettelijk bestuursorgaan bezorgt aan de Bank jaarlijks een verslag over de beoordeling van de compliancefunctie die hij met toepassing van artikel 77, § 3, verricht.]1
  ----------
  (1)<W 2017-12-05/04, art. 43, 005; Inwerkingtreding : 28-12-2017>

  Art. 56. § 1. De risicobeheerfunctie wordt zo opgezet dat het in het tweede lid bedoelde risicobeheersysteem ten uitvoer kan worden gelegd.
  Het risicobeheersysteem bestaat uit strategieën, processen en rapporteringsprocedures die nodig zijn om op individueel en geaggregeerd niveau de risico's waaraan de onderneming blootstaat of zou kunnen blootstaan, alsook de onderlinge afhankelijkheid tussen die risico's voortdurend te onderkennen, te meten, te bewaken, te beheren en te rapporteren.
  § 2. Het risicobeheersysteem is doeltreffend en goed geïntegreerd in de organisatiestructuur en de besluitvormingsprocedures van de verzekerings- of herverzekeringsonderneming en wordt op passende wijze in acht genomen door de personen die de onderneming daadwerkelijk besturen of andere sleutelfuncties vervullen.
  Meer in het bijzonder zijn de personen die belast zijn met de risicobeheerfunctie actief betrokken bij de uitstippeling van de risicostrategie van de onderneming en bij alle beleidsbeslissingen die een significante invloed hebben op de risico's en kunnen zij een volledig beeld geven van het hele scala van risico's die de onderneming loopt.
  § 3. Het hoofd van de risicobeheerfunctie is een lid van het directiecomité waarvan de risicobeheerfunctie de enige functie is waarvoor hij individueel verantwoordelijk is.
  In afwijking van het eerste lid,
  1° op grond van de aard, de omvang en de complexiteit van de risico's die inherent zijn aan de activiteiten van de verzekerings- of herverzekeringsonderneming, en rekening houdend met een passende organisatie van de risicobeheerfunctie op het niveau van de groep waarvan de onderneming deel uitmaakt, kan de Bank toestaan dat een lid van het hoger kaderpersoneel binnen de onderneming de risicobeheerfunctie vervult, mits er in hoofde van deze persoon geen belangenconflict bestaat;
  2° mag het lid van het directiecomité dat verantwoordelijk is voor de risicobeheerfunctie, ook de verantwoordelijkheid op zich nemen voor de compliancefunctie evenals voor de taken van de actuariële functie die geen risico's kunnen opleveren, op voorwaarde dat de drie onafhankelijke controlefuncties los van elkaar worden uitgeoefend en dat dit geen belangenconflicten doet rijzen.
  Voor verzekerings- of herverzekeringsondernemingen met een balanstotaal van meer dan 3 miljard euro, dient voor de toepassing van het tweede lid, 2°, de voorafgaande toestemming van de Bank te worden gevraagd.

  Art. 57. Naast de rapportering bedoeld in de artikelen 54, § 1, derde lid en 55, § 2, lichten de personen die verantwoordelijk zijn voor de risicobeheerfunctie en de compliancefunctie, zonder dit aan het directiecomité te moeten voorleggen, uit eigen beweging het wettelijk bestuursorgaan in over hun bezorgdheid en waarschuwen zij het in voorkomend geval indien specifieke risico-ontwikkelingen een negatieve invloed op de onderneming hebben of zouden kunnen hebben, met name haar reputatie zouden kunnen schaden.
  Het eerste lid doet geen afbreuk aan de verantwoordelijkheden die voor het wettelijk bestuursorgaan voortvloeien uit deze wet en de Europese regelgeving.

  Art. 58. § 1. De interneauditfunctie bezorgt aan het wettelijk bestuursorgaan en aan het directiecomité een onafhankelijke beoordeling van de kwaliteit en de doeltreffendheid van de interne controle, het risicobeheer en het governancesysteem van de onderneming.
  Iedere verzekerings- of herverzekeringsonderneming waarborgt in een auditcharter ten minste dat de interneauditfunctie onafhankelijk is en dat haar taken betrekking hebben op alle activiteiten en entiteiten van de onderneming, ook in geval van uitbesteding.
  § 2. De persoon die verantwoordelijk is voor de interneauditfunctie deelt zijn bevindingen en aanbevelingen mee aan het wettelijk bestuursorgaan en aan het directiecomité.

  Art. 59. § 1. De actuariële functie heeft de volgende taken:
  1° coördineren van de berekening van de technische voorzieningen;
  2° ervoor zorgen dat de methodologieën, onderliggende modellen en hypothesen die gehanteerd worden voor de berekening van de technische voorzieningen, adequaat zijn;
  3° beoordelen van de toereikendheid en de kwaliteit van de gegevens die gebruikt worden bij de berekening van de technische voorzieningen;
  4° toetsen van de beste schattingen aan de ervaring;
  5° informatie verstrekken aan het wettelijk bestuursorgaan en aan het directiecomité over de betrouwbaarheid en geschiktheid van de berekening van de technische voorzieningen;
  6° toezien op de berekening van de technische voorzieningen in de gevallen bedoeld in artikel 137, tweede lid;
  7° advies uitbrengen over het algemeen onderschrijvingsbeleid;
  8° advies uitbrengen over de geschiktheid van de herverzekeringsregelingen;
  9° ertoe bijdragen dat het in artikel 84 bedoelde risicobeheersysteem doeltreffend wordt toegepast, in het bijzonder wat betreft de risicomodellering die ten grondslag ligt aan de berekening van de kapitaalvereisten als bedoeld in de artikelen 74 en 75, en wat betreft de in artikel 91 bedoelde beoordeling;
  10° advies uitbrengen over het winstdelings- en restornobeleid evenals over de naleving van de regelgeving ter zake.
  § 2. De actuariële functie wordt uitgeoefend door personen die kennis hebben van actuariële en financiële wiskunde die in verhouding staat tot de aard, de omvang en de complexiteit van de risico's die aan de activiteiten van de verzekerings- of herverzekeringsonderneming zijn verbonden, en die kunnen aantonen dat zij over relevante ervaring met de toepasselijke beroeps- en andere normen beschikken.

  Art. 60.[1 Onverminderd het bepaalde bij de artikelen 40 tot 42 en 48 tot 59, kan de Bank, bij reglement vastgesteld met toepassing van artikel 12bis, § 2, van de wet van 22 februari 1998, nader bepalen wat moet worden verstaan onder een passende beleidsstructuur, een passende interne controle, een passende onafhankelijke risicobeheerfunctie, een passende onafhankelijke interne auditfunctie, een passende actuariële functie en, op advies van de FSMA, een passende onafhankelijke compliancefunctie, en nadere regels opstellen conform de Europese regelgeving, met name de regels waarin de minimumvoorwaarden worden vastgesteld die moeten worden vervuld wat betreft het in artikel 40, § 1, tweede lid bedoelde vereiste om over passende deskundigheid te beschikken, met inbegrip van de modaliteiten met betrekking tot de procedure voor de beoordeling van dat vereiste.]1
  ----------
  (1)<W 2017-12-05/04, art. 44, 005; Inwerkingtreding : 28-12-2017>

  Afdeling VIII. - Hoofdbestuur

  Art. 61. Het hoofdbestuur van een verzekerings- of herverzekeringsonderneming is in België gevestigd.

  Afdeling IX. - Bescherming van de schuldeisers uit hoofde van verzekering

  Art. 62. De verzekeringsondernemingen sluiten zich aan bij een regeling voor de bescherming van levensverzekeringen die door hen gefinancierd wordt en die bij in gebreke blijven garandeert dat de schuldeisers uit hoofde van verzekering met betrekking tot levensverzekeringsovereenkomsten met gewaarborgd rendement die vallen onder tak 21 als vermeld in Bijlage II of met betrekking tot alle andere categorieën van overeenkomsten die vallen onder een dergelijke, door of krachtens de wet ingestelde regeling, schadeloos worden gesteld onder de voorwaarden van deze regelingen.

  TITEL II. - Bedrijfsuitoefeningsvoorwaarden

  HOOFDSTUK I. - Algemene bepalingen

  Art. 63. Iedere verzekerings- of herverzekeringsonderneming moet blijvend voldoen aan de door of krachtens Hoofdstuk II van Titel I van dit Boek vastgelegde voorwaarden.

  HOOFDSTUK II. - Wijzigingen in de kapitaalstructuur

  Art. 64. Onverminderd de wet van 2 mei 2007 op de openbaarmaking van belangrijke deelnemingen, moet iedere alleen of in onderling overleg handelende natuurlijke of rechtspersoon die besloten heeft om, rechtstreeks of onrechtstreeks, een gekwalificeerde deelneming in een verzekerings- of herverzekeringsonderneming naar Belgisch recht te verwerven of te vergroten, waardoor het percentage van de gehouden stemrechten of aandelen in het kapitaal de drempel van 20 %, 30 % of 50 % zou bereiken of overschrijden, dan wel de verzekerings- of herverzekeringsonderneming zijn dochteronderneming zou worden, de Bank daarvan vooraf schriftelijk kennis geven met vermelding van de omvang van de beoogde deelneming en de in het tweede lid bedoelde relevante informatie.
  De Bank publiceert op haar website een lijst met de voor de beoordeling vereiste relevante informatie die in verhouding staat tot en afgestemd is op de aard van de kandidaat-verwerver en de voorgenomen verwerving en die haar samen met de in het eerste lid bedoelde kennisgeving moet worden verstrekt.

  Art. 65. § 1. De Bank zendt de kandidaat-verwerver snel en in elk geval binnen twee werkdagen na ontvangst van de kennisgeving en van alle in artikel 64 bedoelde informatie, alsook na de eventuele ontvangst, op een later tijdstip, van de in paragraaf 2 bedoelde informatie, een schriftelijke ontvangstbevestiging. Zij vermeldt daarin de datum waarop de beoordelingsperiode afloopt.
  De beoordelingsperiode waarover de Bank beschikt om de in artikel 66 bedoelde beoordeling te verrichten, bedraagt ten hoogste zestig werkdagen te rekenen vanaf de datum van de ontvangstbevestiging van de kennisgeving en van alle documenten die vereist zijn op basis van de in artikel 64, tweede lid bedoelde lijst.
  § 2. De Bank kan tijdens de beoordelingsperiode, doch niet na de vijftigste werkdag daarvan, aanvullende informatie opvragen die noodzakelijk is om haar beoordeling af te ronden. Dit verzoek wordt schriftelijk gedaan en vermeldt welke aanvullende informatie nodig is.
  Vanaf de datum van het verzoek van de Bank om informatie tot de ontvangst van een antwoord daarop van de kandidaat-verwerver wordt de beoordelingsperiode onderbroken. De onderbreking duurt ten hoogste twintig werkdagen. Het staat de Bank vrij om na het verstrijken van de uiterste datum die overeenkomstig het vorige lid is vastgesteld, aanvullende verzoeken ter vervollediging of verduidelijking van de informatie te formuleren, maar deze verzoeken mogen geen onderbreking van de beoordelingsperiode tot gevolg hebben.
  § 3. De Bank kan de in paragraaf 2, tweede lid bedoelde onderbreking verlengen tot ten hoogste dertig werkdagen:
  1° indien de kandidaat-verwerver buiten de Europese Economische Ruimte is gevestigd of aan een niet-communautaire reglementering onderworpen is; of
  2° indien de kandidaat-verwerver een natuurlijke of rechtspersoon is die niet aan toezicht onderworpen is krachtens:
  a) Richtlijn 2009/138/EG;
  b) Richtlijn 2009/65/EG;
  c) Richtlijn 2011/61/EU van het Europees Parlement en de Raad van 8 juni 2011 inzake beheerders van alternatieve beleggingsinstellingen en tot wijziging van de Richtlijnen 2003/41/EG en 2009/65/EG en van de Verordeningen (EG) nr. 1060/2009 en (EU) nr. 1095/2010;
  d) Richtlijn 2014/65/EU van het Europees Parlement en de Raad van 15 mei 2014 betreffende markten voor financiële instrumenten en tot wijziging van Richtlijn 2002/92/EG en Richtlijn 2011/61/EU;
  e) Richtlijn 2013/36/EU.

  Art. 66. Bij de beoordeling van de in artikel 64 bedoelde kennisgeving en informatie, en van de in artikel 65, § 2, bedoelde aanvullende informatie, toetst de Bank, met het oog op een gezond en voorzichtig beleid van de verzekerings- of herverzekeringsonderneming die het doelwit is van de voorgenomen verwerving en rekening houdend met de vermoedelijke invloed van de kandidaat-verwerver op de verzekerings- of herverzekeringsonderneming, de geschiktheid van de kandidaat-verwerver en de financiële soliditeit van de voorgenomen verwerving aan alle in artikel 39, tweede lid bedoelde criteria.
  De Bank kan zich in de loop van de in artikel 65 bedoelde beoordelingsperiode verzetten tegen de voorgenomen verwerving indien zij gegronde redenen heeft om aan te nemen, op grond van de criteria van artikel 39, tweede lid, dat de kandidaat-verwerver niet geschikt is om een gezond en voorzichtig beleid van de verzekerings- of herverzekeringsonderneming te waarborgen, of indien de informatie die de kandidaat-verwerver heeft verstrekt onvolledig is.
  Wanneer de Bank na voltooiing van de beoordeling besluit zich tegen de voorgenomen verwerving te verzetten, stelt zij de kandidaat-verwerver daarvan schriftelijk in kennis binnen twee werkdagen en zonder de beoordelingsperiode te overschrijden. Op verzoek van de kandidaat-verwerver kan een passende motivering van het besluit voor het publiek toegankelijk worden gemaakt.
  Indien de Bank zich na afloop van de beoordelingsperiode niet heeft verzet tegen de voorgenomen verwerving, wordt deze geacht te zijn goedgekeurd.
  De Bank mag voor de voltooiing van de voorgenomen verwerving een maximumtermijn vaststellen en deze in voorkomend geval verlengen.

  Art. 67. Voor het verrichten van de in artikel 65 bedoelde beoordeling werkt de Bank in nauw overleg samen met iedere andere betrokken toezichthouder en, in voorkomend geval, met de FSMA, indien de kandidaat-verwerver een van de volgende personen of instellingen is:
  1° een verzekeringsonderneming, een herverzekeringsonderneming, een kredietinstelling, een beleggingsonderneming, een AICB-beheerder of een beheervennootschap van instellingen voor collectieve belegging waaraan een vergunning is verleend volgens het recht van een andere lidstaat, of, al naargelang het geval, door de FSMA;
  2° de moederonderneming van een van de in punt 1°, bedoelde ondernemingen;
  3° een natuurlijke of rechtspersoon die de controle heeft over een van de in punt 1°, bedoelde ondernemingen.
  Hiertoe wisselt de Bank met deze autoriteiten zo spoedig mogelijk alle informatie uit die relevant of van essentieel belang is voor de beoordeling. In dit verband verstrekt zij op verzoek alle relevante informatie en, uit eigen beweging, alle essentiële informatie.
  In de in het eerste lid bedoelde gevallen vermeldt de Bank in haar besluit steeds de eventuele standpunten of bedenkingen van de bevoegde autoriteit die verantwoordelijk is voor de kandidaat-verwerver of, al naargelang het geval, van de FSMA.

  Art. 68. Iedere natuurlijke of rechtspersoon die besloten heeft om niet langer een rechtstreekse of onrechtstreekse gekwalificeerde deelneming in een verzekerings- of herverzekeringsonderneming te bezitten, stelt de Bank daarvan vooraf schriftelijk in kennis met vermelding van het bedrag van de voorgenomen deelneming na de afstoting. Een dergelijke persoon stelt de Bank evenzo in kennis van zijn beslissing om de omvang van zijn gekwalificeerde deelneming zodanig te verkleinen dat het percentage van de door hem gehouden stemrechten of aandelen in het kapitaal onder de drempel van 20 %, 30 % of 50 % daalt of dat de verzekerings- of herverzekeringsonderneming ophoudt zijn dochteronderneming te zijn.

  Art. 69. Indien de bij de artikelen 64 of 68 voorgeschreven voorafgaande kennisgevingen niet worden verricht of indien een deelneming wordt verworven of vergroot ondanks het in artikel 66, tweede lid bedoelde verzet, kan de voorzitter van de rechtbank van koophandel van het rechtsgebied waar de verzekerings- of herverzekeringsonderneming haar zetel heeft, uitspraak doende als in kort geding, de in artikel 516, §§ 1 en 4 van het Wetboek van Vennootschappen bedoelde maatregelen nemen.
  De procedure wordt ingeleid bij dagvaarding door de Bank.
  Artikel 516, § 3, van het Wetboek van Vennootschappen is van toepassing.

  Art. 70. Onverminderd de wet van 2 mei 2007 op de openbaarmaking van belangrijke deelnemingen, moet iedere alleen of in onderling overleg handelende natuurlijke of rechtspersoon die, rechtstreeks of onrechtstreeks, een deelneming heeft verworven in een verzekerings- of herverzekeringsonderneming naar Belgisch recht, dan wel zijn deelneming in een verzekerings- of herverzekeringsonderneming naar Belgisch recht rechtstreeks of onrechtstreeks heeft vergroot, waardoor het percentage van de gehouden stemrechten of aandelen in het kapitaal de drempel van 5 % van de stemrechten of het kapitaal bereikt of overschrijdt zonder dat hij aldus een gekwalificeerde deelneming verkrijgt, de Bank daarvan schriftelijk kennis geven binnen een termijn van tien werkdagen na de verwerving of de vergroting van de deelneming.
  Iedere alleen of in onderling overleg handelende natuurlijke of rechtspersoon die niet langer een rechtstreekse of onrechtstreekse deelneming bezit van meer dan 5 % van de stemrechten of het kapitaal in een verzekerings- of herverzekeringsonderneming, die geen gekwalificeerde deelneming was, dient binnen een termijn van tien werkdagen eenzelfde kennisgeving te verrichten.
  De kennisgevingen bedoeld in het eerste en tweede lid vermelden de exacte identiteit van de verwerver of verwervers, het aantal verworven of vervreemde aandelen en het percentage van de stemrechten en van het kapitaal van de verzekerings- of herverzekeringsonderneming die na de verwerving of vervreemding worden gehouden, alsook de vereiste informatie als opgegeven in de lijst die de Bank overeenkomstig artikel 64, tweede lid, op haar website publiceert.

  Art. 71. Zodra zij daarvan kennis hebben, stellen de verzekerings- of herverzekeringsondernemingen de Bank in kennis van de verwervingen of vervreemdingen van hun aandelen die een stijging boven of daling onder een van de drempels bedoeld in artikel 64 tot gevolg hebben.
  Tevens delen zij aan de Bank onmiddellijk alle informatie mee waarvan zij kennis hebben en die een invloed kan hebben op de situatie van hun aandeelhouders of vennoten ten aanzien van de in artikel 39, tweede lid bedoelde beoordelingscriteria. Deze informatieverplichting geldt eveneens voor de in artikel 23 bedoelde personen.
  Onder dezelfde voorwaarden delen zij de Bank ten minste eens per jaar de identiteit mee van de alleen of in onderling overleg handelende aandeelhouders of vennoten die rechtstreeks of onrechtstreeks een gekwalificeerde deelneming bezitten in hun kapitaal, alsook welke kapitaalfractie en hoeveel stemrechten zij aldus bezitten. Zij delen de Bank evenzo mee voor hoeveel aandelen en voor hoeveel hieraan verbonden stemrechten zij een kennisgeving van verwerving of vervreemding hebben ontvangen overeenkomstig artikel 515 van het Wetboek van Vennootschappen, ingeval een dergelijke kennisgeving aan de Bank niet statutair is voorgeschreven.

  Art. 72. Indien de Bank grond heeft om aan te nemen dat de invloed van een natuurlijke of rechtspersoon die rechtstreeks of onrechtstreeks een gekwalificeerde deelneming bezit in een verzekerings- of herverzekeringsonderneming, een gezond en voorzichtig beleid van die verzekerings- of herverzekeringsonderneming kan belemmeren, kan zij, onverminderd de andere bij deze wet bepaalde maatregelen:
  1° de uitoefening schorsen van de stemrechten verbonden aan de aandelen die in het bezit zijn van de betrokken aandeelhouder of vennoot; zij kan, op verzoek van elke belanghebbende, toestaan dat de door hem bevolen maatregelen worden opgeheven; haar beslissing wordt op de meest geschikte wijze ter kennis gebracht van de betrokken aandeelhouder of vennoot; haar beslissing is uitvoerbaar zodra zij ter kennis is gebracht; de Bank kan haar beslissing openbaar maken;
  2° de betrokken aandeelhouder of vennoot aanmanen om, binnen de termijn die zij bepaalt, de aandeelhoudersrechten in zijn bezit over te dragen.
  Als zij binnen de vastgestelde termijn niet worden overgedragen, kan de Bank bevelen de aandeelhoudersrechten te sekwestreren bij de instelling of de persoon die zij bepaalt. Het sekwester brengt dit ter kennis van de verzekerings- of herverzekeringsonderneming die het register van de aandelen op naam dienovereenkomstig wijzigt en de uitoefening van de hieraan verbonden rechten enkel aanvaardt vanwege het sekwester. Het sekwester handelt in het belang van een gezond en voorzichtig beleid van de verzekerings- of herverzekeringsonderneming en in het belang van de houder van de gesekwestreerde aandeelhoudersrechten. Het oefent alle rechten uit die aan de aandelen zijn verbonden. De bedragen die het sekwester als dividend of anderszins int, worden slechts aan de voornoemde houder overgemaakt indien deze gevolg heeft gegeven aan de in het eerste lid, 2° bedoelde aanmaning.
  Om in te schrijven op kapitaalverhogingen of andere al dan niet stemrechtverlenende effecten, om te kiezen voor dividenduitkering in aandelen van de vennootschap, om in te gaan op openbare overname- of ruilaanbiedingen en om nog niet volgestorte aandelen vol te storten, is de instemming van de voornoemde houder vereist.
  De aandeelhoudersrechten die zijn verworven in het kader van dergelijke verrichtingen worden van rechtswege toegevoegd aan het voornoemde sekwester.
  De vergoeding van het sekwester wordt vastgesteld door de Bank en betaald door de voornoemde houder. Het sekwester kan zijn vergoeding aftrekken van de bedragen die hem worden gestort in zijn hoedanigheid van sekwester of die hem worden gestort door de voornoemde houder in het vooruitzicht of na uitvoering van de in dit artikel bedoelde verrichtingen.
  Indien na afloop van de overeenkomstig het eerste lid, 2°, eerste zin, vastgestelde termijn, stemrechten werden uitgeoefend door de oorspronkelijke houder of door een andere persoon, buiten het sekwester, die optreedt voor rekening van deze houder, of niettegenstaande een schorsing van hun uitoefening overeenkomstig het eerste lid, 1°, kan de rechtbank van koophandel van het rechtsgebied waar de verzekeringsonderneming haar zetel heeft, op verzoek van de Bank, alle of een deel van de beslissingen van de algemene vergadering nietig verklaren wanneer het aanwezigheids- of meerderheidsquorum dat is vereist voor de genoemde beslissingen, zonder de onwettig uitgeoefende stemrechten niet zou zijn bereikt.

  Art. 73. Indien de deelneming in een verzekerings- of herverzekeringsonderneming wordt verworven door een onderneming die onder het recht van een derde land ressorteert, waardoor de verzekerings- of herverzekeringsonderneming een dochteronderneming van deze onderneming wordt, stelt de Bank de Europese Commissie, EIOPA en de toezichthouders van de andere lidstaten daarvan in kennis.

  HOOFDSTUK III. - Algemene werkingsvoorwaarden

  Afdeling I. - Minimum eigen vermogen

  Art. 74. Iedere verzekerings- of herverzekeringsonderneming houdt in aanmerking komend eigen vermogen aan in de zin van de artikelen 140 tot 150, om permanent het overeenkomstig artikel 151 vastgestelde solvabiliteitskapitaalvereiste te dekken.

  Art. 75. Iedere verzekerings- of herverzekeringsonderneming houdt bovendien in aanmerking komend kernvermogen aan in de zin van de artikelen 140 tot 150, om permanent het overeenkomstig artikel 189 vastgestelde minimumkapitaalvereiste te dekken.

  Afdeling II. - Bewaring van documenten

  Art. 76. Iedere verzekerings- of herverzekeringsonderneming bewaart alle documenten die betrekking hebben op haar activiteiten op haar zetel of op elke andere plaats die vooraf door de Bank is goedgekeurd in overleg met de FSMA.
  Onverminderd andere wettelijke bepalingen betreffende de bewaring van documenten, kan de Bank bij reglement vastgesteld overeenkomstig artikel 12bis, § 2, van de wet van 22 februari 1998 de termijn en de modaliteiten bepalen voor de bewaring van de in het eerste lid bedoelde documenten.

  Afdeling III. - Leiding en leiders

  Onderafdeling I. - Toezicht en beoordeling door het wettelijk bestuursorgaan

  Art. 77. § 1. Het wettelijk bestuursorgaan beoordeelt periodiek en minstens eenmaal per jaar de doeltreffendheid van het in artikel 42 bedoelde governancesysteem van de onderneming en de mate waarin het voldoet aan de verplichtingen die door of krachtens deze wet en, in voorkomend geval, door de maatregelen tot uitvoering van Richtlijn 2009/138/EG zijn opgelegd. Het ziet erop toe dat het directiecomité de nodige maatregelen neemt om eventuele tekortkomingen aan te pakken.
  § 2. Het wettelijk bestuursorgaan oefent effectief toezicht uit op het directiecomité en is verantwoordelijk voor het toezicht op de beslissingen die door het directiecomité en door de effectieve leiding van de onderneming worden genomen.
  § 3. Het wettelijk bestuursorgaan beoordeelt in het bijzonder de goede werking van de in artikel 54 bedoelde onafhankelijke controlefuncties.
  § 4. In het jaarlijks verslag van het wettelijk bestuursorgaan wordt de individuele en collectieve deskundigheid van de leden van de in artikel 48 bedoelde comités gerechtvaardigd.
  § 5. Het wettelijk bestuursorgaan legt de algemene beginselen van het beloningsbeleid vast en beoordeelt deze regelmatig, en minstens eenmaal per jaar, en is verantwoordelijk voor het toezicht op de tenuitvoerlegging ervan. Voor die beoordeling kan het een beroep doen op de onafhankelijke controlefuncties.
  § 6. Het wettelijk bestuursorgaan waakt erover dat het in artikel 42, § 3, bedoelde governancememorandum geactualiseerd wordt en dat het geactualiseerde governancememorandum aan de Bank wordt overgemaakt.
  § 7. Het wettelijk bestuursorgaan keurt een schriftelijk vastgelegd beleid goed dat waarborgt dat de informatie die met toepassing van de artikelen 312 tot 316 aan de Bank wordt meegedeeld, altijd adequaat is;
  § 8. Het wettelijk bestuursorgaan keurt het in artikel 95 bedoelde verslag over de solvabiliteit en de financiële positie goed voordat het gepubliceerd wordt. Het waakt erover dat dit verslag jaarlijks geactualiseerd wordt en dat het geactualiseerde verslag aan de Bank wordt overgemaakt.
  § 9. Het wettelijk bestuursorgaan besluit welke maatregelen moeten worden getroffen naar aanleiding van de bevindingen en aanbevelingen van de interne audit en zorgt ervoor dat deze maatregelen worden uitgevoerd.

  Art. 78. § 1. Het wettelijk bestuursorgaan ziet in het bijzonder toe op de integriteit van de boekhoudsystemen en van de systemen voor financiële verslaggeving, met inbegrip van de regelingen voor de operationele en financiële controle. Het beoordeelt de werking van de interne controle minstens eenmaal per jaar en waakt erover dat deze controle een redelijke mate van zekerheid verschaft over de betrouwbaarheid van het verslaggevingsproces, zodat met name de jaarrekening en de financiële informatie in overeenstemming zijn met de geldende regelgeving.
  § 2. Het wettelijk bestuursorgaan houdt toezicht op het publicatie- en communicatieproces dat door of krachtens deze wet en, in voorkomend geval, door de Europese regelgeving is opgelegd.

  Art. 79.[1 De erkend commissaris maakt jaarlijks aan het auditcomité, enerzijds, indien dergelijk comité is opgericht, en aan het wettelijk bestuursorgaan, anderzijds, de in artikel 11 van Verordening nr. 537/2014 bedoelde aanvullende verklaring over. Deze verklaring heeft met name betrekking op belangrijke kwesties die bij de uitoefening van zijn wettelijke controle van de jaarrekening naar voren zijn gekomen, en inzonderheid de ernstige tekortkomingen in de interne controle met betrekking tot het financiële verslaggevingsproces. Deze aanvullende verklaring wordt overgemaakt uiterlijk op de datum van de indiening van het in artikel 325, in de artikelen 144 en 148 van het Wetboek van Vennootschappen en in artikel 10 van Verordening nr. 537/2014 bedoelde controleverslag.
   Op verzoek van de Bank, maakt het auditcomité of, in voorkomend geval, het wettelijk bestuursorgaan, de in het eerste lid bedoelde aanvullende verklaring over.]1
  ----------
  (1)<W 2016-12-07/02, art. 141, 003; Inwerkingtreding : 31-12-2016>

  Onderafdeling II. - Door het directiecomité te nemen maatregelen

  Art. 80. § 1. Onverminderd de bevoegdheden van het wettelijk bestuursorgaan neemt het directiecomité onder toezicht van het wettelijk bestuursorgaan de nodige maatregelen voor de naleving en de tenuitvoerlegging van de bepalingen van artikel 42.
  § 2. Het directiecomité brengt minstens eenmaal per jaar verslag uit aan het wettelijk bestuursorgaan, de erkend commissaris en de Bank, over de beoordeling van de doeltreffendheid van het in artikel 42 bedoelde governancesysteem en over de maatregelen die in voorkomend geval worden genomen om eventuele tekortkomingen aan te pakken. Het verslag rechtvaardigt waarom deze maatregelen voldoen aan de wettelijke en reglementaire bepalingen.
  § 3. Onverminderd zijn andere taken, voert het directiecomité het beloningsbeleid uit dat door het wettelijk bestuursorgaan wordt vastgelegd.
  § 4. Het directiecomité neemt ook de nodige maatregelen om ervoor te zorgen dat de verzekerings- of herverzekeringsonderneming de risico's bedoeld in Afdeling IV van dit Hoofdstuk beheerst.
  § 5. Het directiecomité van de verzekerings- of herverzekeringsonderneming verklaart aan de Bank dat de informatie die haar wordt bezorgd overeenkomstig de artikelen 312 tot 316 volledig is en de situatie van de onderneming correct weergeeft, rekening houdend met haar risicoprofiel, en dat zij is opgesteld volgens de voorschriften die door of krachtens deze wet, de uitvoeringsmaatregelen van Richtlijn 2009/138/EG en de instructies van de Bank zijn vastgesteld.

  Onderafdeling III. - Benoemingen, ontslagen en uitoefening van externe functies

  Art. 81.§ 1. De verzekerings- of herverzekeringsondernemingen stellen de Bank voorafgaandelijk in kennis van het voorstel tot benoeming van de leden van het wettelijk bestuursorgaan en van de leden van het directiecomité of, bij ontstentenis van een directiecomité, van de personen belast met de effectieve leiding, evenals van de verantwoordelijken voor de onafhankelijke controlefuncties.
  In het kader van de krachtens het eerste lid vereiste kennisgeving delen de verzekerings- of herverzekeringsondernemingen aan de Bank alle documenten en informatie mee die haar toelaten te beoordelen of de personen waarvan de benoeming wordt voorgesteld, overeenkomstig [2 artikel 40]2 over de voor de uitoefening van hun functie vereiste professionele betrouwbaarheid en passende deskundigheid beschikken.
  Het eerste lid is eveneens van toepassing op het voorstel tot hernieuwing van de benoeming van de in het eerste lid bedoelde personen, evenals op de niet-hernieuwing van hun benoeming, hun afzetting of hun ontslag.
  § 2. De benoeming van de in paragraaf 1 bedoelde personen wordt voorafgaandelijk ter goedkeuring voorgelegd aan de Bank.
  Wanneer het de benoeming betreft van een persoon die voor het eerst voor een functie als bedoeld in paragraaf 1 wordt voorgedragen bij een onderneming die met toepassing van artikel 36/2 van de wet van 22 februari 1998 onder het toezicht staat van de Bank, raadpleegt de Bank eerst de FSMA.
  De FSMA deelt haar advies mee aan de Bank binnen een termijn van een week na ontvangst van het verzoek om advies.
  § 3. De verzekerings- of herverzekeringsondernemingen stellen de Bank in kennis van de eventuele taakverdeling tussen de leden van het wettelijk bestuursorgaan, tussen de leden van het directiecomité of, bij ontstentenis van een directiecomité, tussen de personen belast met de effectieve leiding.
  Belangrijke wijzigingen in de taakverdeling als bedoeld in het eerste lid, geven aanleiding tot de toepassing van de paragrafen 1 en 2.
  [1 § 4. Naast het bepaalde bij paragraaf 1, brengen verzekerings- of herverzekeringsondernemingen en de in paragraaf 1 bedoelde personen de Bank onverwijld op de hoogte van elk feit of element dat een wijziging inhoudt van de bij de benoeming verstrekte informatie en een invloed kan hebben op de voor de uitoefening van de betrokken functie vereiste professionele betrouwbaarheid of passende deskundigheid.
   Overeenkomstig de artikelen 63, 303 en 304, kan de Bank, wanneer zij in het kader van de uitvoering van haar toezichtsopdracht op de hoogte is van een dergelijk feit of element, dat al dan niet met toepassing van het eerste lid is verkregen, de naleving van de in artikel 40, § 1, tweede lid bedoelde vereisten herbeoordelen.]1
  ----------
  (1)<W 2017-12-05/04, art. 45, 005; Inwerkingtreding : 28-12-2017>
  (2)<W 2017-12-05/04, art. 99, 005; Inwerkingtreding : 28-12-2017>

  Art. 82. De personen die verantwoordelijk zijn voor de in artikel 54 bedoelde onafhankelijke controlefuncties kunnen niet zonder voorafgaande goedkeuring van het wettelijk bestuursorgaan uit hun functie worden verwijderd.

  Art. 83. § 1. De leden van het wettelijk bestuursorgaan, de leden van het directiecomité, en, bij ontstentenis van een directiecomité, de personen belast met de effectieve leiding, besteden de nodige tijd aan de uitoefening van hun functies in de onderneming.
  § 2. Onverminderd paragraaf 1 en artikel 42 mogen de leden van de organen van de verzekerings- of herverzekeringsonderneming en alle personen die, onder welke benaming of in welke hoedanigheid ook, deelnemen aan het bestuur of het beleid van de onderneming, al dan niet ter vertegenwoordiging van de verzekerings- of herverzekeringsonderneming, onder de voorwaarden en binnen de grenzen vastgesteld in dit artikel, mandaten als bestuurder of zaakvoerder waarnemen in dan wel deelnemen aan het bestuur of het beleid van een handelsvennootschap of een vennootschap met handelsvorm, een onderneming met een andere Belgische of buitenlandse rechtsvorm of een Belgische of buitenlandse openbare instelling die industriële, commerciële of financiële activiteiten uitoefent.
  § 3. De externe functies als bedoeld in paragraaf 2 worden beheerst door de interne regels die de verzekerings- of herverzekeringsonderneming invoert en doet naleven teneinde:
  1° te vermijden dat personen die deelnemen aan de effectieve leiding van de verzekerings- of herverzekeringsonderneming, door de uitoefening van die functies niet langer voldoende beschikbaar zouden zijn om de effectieve leiding waar te nemen;
  2° te voorkomen dat bij de verzekerings- of herverzekeringsonderneming belangenconflicten zouden optreden alsook risico's die gepaard gaan met de uitoefening van die functies, onder andere op het vlak van transacties van ingewijden;
  3° te zorgen voor een passende openbaarmaking van die functies.
  De Bank bepaalt, bij reglement vastgesteld met toepassing van artikel 12bis, § 2, van de wet van 22 februari 1998, hoe die verplichtingen ten uitvoer moeten worden gelegd.
  § 4. De mandatarissen van een vennootschap die worden benoemd op voordracht van de verzekerings- of herverzekeringsonderneming, moeten leden van het directiecomité van de verzekerings- of herverzekeringsonderneming zijn, dan wel personen die door het directiecomité zijn aangewezen.
  § 5. De leden van het wettelijk bestuursorgaan die geen lid zijn van het directiecomité van de verzekerings- of herverzekeringsonderneming, mogen geen mandaat uitoefenen in een vennootschap waarin de verzekerings- of herverzekeringsonderneming een deelneming bezit, tenzij zij niet deelnemen aan het dagelijks bestuur van die vennootschap.
  § 6. De leden van het directiecomité, of, bij ontstentenis van een directiecomité, de personen die deelnemen aan de effectieve leiding van de verzekerings- of herverzekeringsonderneming, mogen geen mandaat uitoefenen dat een deelname aan het dagelijks bestuur inhoudt, tenzij in:
  1° een vennootschap als bedoeld in artikel 89, lid 1, van Verordening (EU) nr. 575/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 26 juni 2013 betreffende prudentiële vereisten voor kredietinstellingen en beleggingsondernemingen en tot wijziging van Verordening (EU) nr. 648/2012, waarmee de verzekerings- of herverzekeringsonderneming nauwe banden heeft;
  2° een instelling voor belegging in schuldvorderingen die geregeld is bij statuten in de zin van de wet van 3 augustus 2012 betreffende de instellingen voor collectieve belegging die voldoen aan de voorwaarden van Richtlijn 2009/65/EG en de instellingen voor belegging in schuldvorderingen of een instelling voor collectieve belegging die geregeld is bij statuten in de zin van de voornoemde wet van 3 augustus 2012 of de wet van 19 april 2014 betreffende de alternatieve instellingen voor collectieve belegging en hun beheerders;
  3° een onderneming met een activiteit in het verlengde van het verzekerings- of herverzekeringsbedrijf, zoals verzekeringsbemiddeling of schaderegeling;
  4° een patrimoniumvennootschap waarin zij of hun familie, in het kader van het normale beheer van hun vermogen, een significant belang bezitten.
  De personen die deelnemen aan de effectieve leiding van een verzekeringsmaatschappij van onderlinge bijstand, mogen daarenboven deelnemen aan het dagelijks bestuur van een ziekenfonds, van een landsbond van ziekenfondsen of van een andere maatschappij van onderlinge bijstand als bedoeld in de voornoemde wet van 6 augustus 1990 waarbij de leden van deze verzekeringsmaatschappij van onderlinge bijstand zich kunnen aansluiten.
  § 7. De verzekerings- of herverzekeringsondernemingen brengen de functies die buiten de verzekerings- of herverzekeringsonderneming worden uitgeoefend door de in paragraaf 1 bedoelde personen, zonder uitstel ter kennis van de Bank, ten behoeve van het toezicht op de naleving van de bepalingen van dit artikel.
  De Bank bepaalt de modaliteiten van de in het eerste lid bedoelde kennisgeving.

  Afdeling IV. - Risicobeheer

  Art. 84. Iedere verzekerings- of herverzekeringsonderneming zorgt ervoor dat haar risico's worden beheerst overeenkomstig de bepalingen van deze Afdeling.

  Art. 85. § 1. Het risicobeheersysteem waarin artikel 56 voorziet, bestrijkt de risico's waarmee rekening moet worden gehouden bij de berekening van het solvabiliteitskapitaalvereiste overeenkomstig artikel 151, § 4, alsook de risico's waarmee bij die berekening niet of onvolledig rekening wordt gehouden.
  § 2. Bovendien bestrijkt het risicobeheersysteem minstens de volgende gebieden:
  1° onderschrijving en reservering;
  2° beheer van activa/passiva (asset-liability management - ALM);
  3° beleggingen, in het bijzonder in afgeleide instrumenten en vergelijkbare verbintenissen;
  4° beheer van het liquiditeits- en concentratierisico;
  5° beheer van het operationeel risico;
  6° herverzekering en andere risicomatigingstechnieken.
  De in artikel 42, § 3, bedoelde schriftelijk vastgelegde beleidslijnen voor het risicobeheer bestaan uit beleidslijnen voor de in deze paragraaf opgesomde gebieden.

  Art. 86. Wanneer de verzekerings- of herverzekeringsondernemingen de in artikel 129 bedoelde matchingopslag of de in artikel 131 bedoelde volatiliteitsaanpassing toepassen, stellen zij een liquiditeitsplan op met een raming van de inkomende en uitgaande kasstromen in verband met de activa en passiva waarop die opslagen en aanpassingen worden toegepast.

  Art. 87. Met betrekking tot het beheer van activa/passiva voeren de verzekerings- of herverzekeringsondernemingen een regelmatige beoordeling uit van:
  1° de gevoeligheid van hun technische voorzieningen en hun in aanmerking komend eigen vermogen voor de hypothesen die ten grondslag liggen aan de extrapolatie van de relevante risicovrije rentetermijnstructuur als bedoeld in artikel 126, § 2;
  2° bij toepassing van de in artikel 129 bedoelde matchingsopslag:
  a) de gevoeligheid van hun technische voorzieningen en hun in aanmerking komend eigen vermogen voor de hypothesen die ten grondslag liggen aan de berekening van de matchingsopslag, met inbegrip van de berekening van de fundamentele spread als bedoeld in artikel 130, § 1, 2°, en het mogelijke effect van een gedwongen verkoop van activa op hun in aanmerking komend eigen vermogen;
  b) de gevoeligheid van hun technische voorzieningen en hun in aanmerking komend eigen vermogen voor wijzigingen in de samenstelling van de toegewezen activaportefeuille;
  c) het effect dat een verlaging van de matchingopslag tot nul zal teweegbrengen;
  3° bij toepassing van de in artikel 131 genoemde volatiliteitsaanpassing:
  a) de gevoeligheid van hun technische voorzieningen en hun in aanmerking komend eigen vermogen voor de hypothesen die ten grondslag liggen aan de berekening van de volatiliteitsaanpassing, en het mogelijke effect van een gedwongen verkoop van activa op hun in aanmerking komend eigen vermogen;
  b) het effect dat een verlaging van de volatiliteitsaanpassing tot nul zal teweegbrengen.
  De verzekerings- of herverzekeringsondernemingen leggen de in het eerste lid bedoelde beoordelingen jaarlijks voor aan de Bank in het kader van de informatieverstrekking bedoeld in artikel 312. Indien de verlaging van de matchingopslag of de volatiliteitsaanpassing tot nul, zou resulteren in niet-naleving van het solvabiliteitskapitaalvereiste, dient de onderneming ook een analyse in van de maatregelen die zij zou kunnen nemen om het niveau van het in aanmerking komend eigen vermogen ter dekking van het solvabiliteitskapitaalvereiste te herstellen of het risicoprofiel te verlagen om te garanderen dat het solvabiliteitskapitaalvereiste wordt nageleefd.
  Wanneer de in artikel 131 bedoelde volatiliteitsaanpassing wordt toegepast, omvat het schriftelijk vastgelegde beleid inzake risicobeheer als bedoeld in artikel 42, § 3, een beleid inzake de criteria voor de toepassing van de volatiliteitsaanpassing.

  Art. 88. Wat het beleggingsrisico betreft, tonen de verzekerings- of herverzekeringsondernemingen aan dat zij voldoen aan de bepalingen van de artikelen 190 tot 198.

  Art. 89. Om overmatig vertrouwen in externe kredietbeoordelingsinstellingen te vermijden, beoordelen de verzekerings- of herverzekeringsondernemingen bij het gebruik van externe kredietbeoordelingen bij de berekening van de technische voorzieningen en het solvabiliteitskapitaalvereiste de geschiktheid van deze externe kredietbeoordelingen, in het kader van hun risicobeheer, door in voorkomend geval gebruik te maken van aanvullende beoordelingen teneinde te voorkomen dat zij zich automatisch laten leiden door deze externe beoordelingen.

  Art. 90. Bij verzekerings- of herverzekeringsondernemingen die gebruikmaken van een geheel of gedeeltelijk intern model dat goedgekeurd is overeenkomstig de artikelen 167 en 168, vervult de risicobeheerfunctie de volgende extra taken:
  1° ontwerpen en toepassen van het interne model;
  2° toetsen en valideren van het interne model;
  3° bijhouden van informatie over het interne model en over de daarin aangebrachte wijzigingen;
  4° analyseren van de werking van het interne model en opstellen van samenvattende verslagen daarover.
  5° verstrekken van informatie aan het wettelijk bestuursorgaan en het directiecomité over de werking van het interne model en daarbij aangeven waar verbeteringen noodzakelijk zijn, en op de hoogte houden van deze organen van de vorderingen die gemaakt zijn bij het verhelpen van eerder geconstateerde zwakke punten.

  Afdeling V. - Beoordeling van het eigen risico en de solvabiliteit (Own Risk and Solvency Assessment)

  Art. 91. § 1. In het kader van haar risicobeheersysteem beoordeelt elke verzekerings- of herverzekeringsonderneming haar eigen risico en solvabiliteit (Own Risk and Solvency Assessment of "ORSA").
  Deze beoordeling heeft minstens betrekking op:
  1° de algehele solvabiliteitsbehoeften, waarbij rekening wordt gehouden met het specifieke risicoprofiel evenals met de algemene risicotolerantielimieten en de strategie van de onderneming, die goedgekeurd zijn door het wettelijk bestuursorgaan;
  2° of de in Afdeling II van Hoofdstuk VI vastgelegde kapitaalvereisten en de in Afdeling I, Onderafdeling II van Hoofdstuk VI vastgelegde vereisten inzake technische voorzieningen permanent worden nageleefd;
  3° de mate waarin het risicoprofiel van de onderneming afwijkt van de hypothesen die ten grondslag liggen aan het solvabiliteitskapitaalvereiste zoals vastgelegd in artikel 151 en berekend met de standaardformule overeenkomstig de artikelen 153 tot 166, of met een geheel of gedeeltelijk intern model overeenkomstig de artikelen 167 tot 188.
  § 2. Voor de toepassing van paragraaf 1, tweede lid, 1°, beschikt de onderneming over procedures die in verhouding staan tot de aard, de omvang en de complexiteit van de risico's die aan haar activiteiten verbonden zijn en waarmee zij de korte- en langetermijnrisico's waaraan zij blootstaat of zou kunnen blootstaan, op adequate wijze kan identificeren en beoordelen. De onderneming toont de relevantie aan van de methodes die zij gebruikt voor deze beoordeling.
  § 3. Wanneer de verzekerings- of herverzekeringsonderneming de in artikel 129 bedoelde matchingopslag, de in artikel 131 bedoelde volatiliteitsaanpassing of de in de artikelen 668 en 669 bedoelde overgangsmaatregelen toepast, beoordeelt zij de naleving van de kapitaalvereisten, als bedoeld in paragraaf 1, tweede lid, 2°, waarbij deze opslagen, aanpassingen en overgangsmaatregelen zowel wel als niet in aanmerking worden genomen.
  § 4. Bij gebruikmaking van een intern model wordt de beoordeling in het in paragraaf 1, tweede lid, 3° bedoelde geval samen met de herkalibratie verricht waarbij de resultaten van het interne model worden afgestemd op de risicomaatstaf en de kalibratie van het solvabiliteitskapitaalvereiste.
  § 5. De beoordeling van het eigen risico en de solvabiliteit maakt integraal deel uit van de strategie van de onderneming en wordt systematisch in aanmerking genomen bij de strategische beslissingen van de onderneming.
  § 6. De verzekerings- of herverzekeringsondernemingen verrichten de in paragraaf 1 bedoelde beoordeling minstens eenmaal per jaar en verrichten deze onverwijld na een significante wijziging in hun risicoprofiel.
  § 7. De verzekerings- of herverzekeringsondernemingen stellen de Bank in het kader van de informatieverstrekking met toepassing van artikel 312 in kennis van de conclusies van elke beoordeling van het eigen risico en de solvabiliteit.
  § 8. De beoordeling van het eigen risico en de solvabiliteit dient niet om een kapitaalvereiste te berekenen. Het solvabiliteitskapitaalvereiste mag alleen worden aangepast overeenkomstig de artikelen 323, 373 tot 379 en 383.

  Afdeling VI. - Uitbesteding

  Art. 92. Iedere verzekerings- of herverzekeringsonderneming die functies, activiteiten of operationele taken uitbesteedt, blijft volledig verantwoordelijk voor de nakoming van al haar verplichtingen uit hoofde van deze wet of de maatregelen tot uitvoering van Richtlijn 2009/138/EG.
  De uitbesteding van operationele taken mag niet tot het volgende leiden:
  1° er wordt wezenlijk afbreuk gedaan aan de kwaliteit van het governancesysteem van de verzekerings- of herverzekeringsonderneming;
  2° het operationele risico neemt onnodig toe;
  3° er wordt afbreuk gedaan aan het vermogen van de Bank om na te gaan of de verzekerings- of herverzekeringsonderneming de verplichtingen nakomt die door of krachtens deze wet of door de maatregelen tot uitvoering van Richtlijn 2009/138/EG zijn opgelegd;
  4° de continuïteit en de toereikendheid van de dienstverlening aan de verzekeringnemers, de verzekerden en de begunstigden van verzekeringsovereenkomsten of de personen die bij de uitvoering van de herverzekeringsovereenkomsten zijn betrokken, wordt ondermijnd.
  Vóór de uitbesteding van functies, activiteiten of operationele taken die belangrijk of kritiek zijn, stellen de verzekerings- of herverzekeringsondernemingen de Bank tijdig in kennis daarvan en van latere belangrijke ontwikkelingen met betrekking tot deze taken.

  Afdeling VII. - Verrichtingen die beperkt of verboden zijn en betalingen die nietig kunnen worden verklaard

  Art. 93.[1 § 1. Verzekerings- of herverzekeringsondernemingen mogen rechtstreeks of onrechtstreeks overeenkomsten sluiten of verrichtingen uitvoeren, met name leningen, kredieten of borgstellingen en verzekeringsovereenkomsten, op welke wijze of in welke vorm ook, met name de uitvoering ervan op rekening-courant, met:
   1° de leden van hun wettelijk bestuursorgaan, de leden van hun directiecomité of, bij ontstentenis van een directiecomité, de personen belast met de effectieve leiding, evenals de personen belast met de effectieve leiding van hun bijkantoren;
   2° de in artikel 23, eerste lid bedoelde personen evenals de leden van hun verschillende organen en de personen die deelnemen aan hun effectieve leiding;
   3° de ondernemingen of instellingen waarover de verzekerings- of herverzekeringsonderneming of haar moederonderneming controle uitoefent;
   4° de ondernemingen of instellingen waarin de in 1° bedoelde personen een gekwalificeerde deelneming bezitten of een functie zoals bedoeld in 1° uitoefenen;
   5° de personen die verbonden zijn met de in 1° bedoelde personen. Worden in dit verband als "verbonden personen" beschouwd: echtgenoten, partners die volgens hun nationaal recht als gelijkwaardig met een echtgenoot of echtgenote worden aangemerkt en bloedverwanten in de eerste graad,
   onder de marktvoorwaarden of, in voorkomend geval, op basis van de onderzoeksprocedures en onder de voorwaarden, ten belope van de bedragen en met de waarborgen die gelden voor hun cliënteel.
   Van de in het eerste lid bedoelde leningen, kredieten en borgstellingen, gesloten op welke wijze of in welke vorm ook, moet uitdrukkelijk kennis worden gegeven binnen een termijn die het wettelijk bestuursorgaan in staat stelt zich ertegen te verzetten. Ongeacht het orgaan dat moet beslissen, mogen de leden die een rechtstreeks of onrechtstreeks persoonlijk of functioneel belang hebben, niet deelnemen aan de beraadslagingen van het wettelijk bestuursorgaan over deze verrichtingen, noch aan de stemming in dat verband. Deze leningen, kredieten en borgstellingen, gesloten op welke wijze of in welke vorm ook, met uitzondering van deze die gesloten zijn met ondernemingen of instellingen waarover de verzekerings- of herverzekeringsonderneming of haar moederonderneming controle uitoefent, worden ook ter kennis gebracht van de Bank volgens de frequentie en de regels die zij bepaalt.
   Wanneer deze verrichtingen niet worden gesloten tegen de normale marktvoorwaarden of tegen de voorwaarden die voor hun cliënteel gelden, kan de Bank eisen dat de overeengekomen voorwaarden worden aangepast op de datum waarop deze verrichtingen uitwerking hadden. Zo niet zijn de leden van het wettelijk bestuursorgaan die de beslissing hebben genomen, tegenover de onderneming hoofdelijk aansprakelijk voor het verschil.
   De in het tweede lid bedoelde kennisgevingen aan het wettelijk bestuursorgaan en de Bank dienen niet plaats te vinden wanneer het geheel van de leningen, kredieten of borgstellingen, gesloten op welke wijze of in welke vorm ook, met een bepaalde persoon, onderneming of instelling niet meer bedraagt dan 100 000 euro.
   De in het tweede lid bedoelde kennisgevingen aan het wettelijk bestuursorgaan van leningen, kredieten of borgstellingen, gesloten op welke wijze of in welke vorm ook, aan ondernemingen of instellingen waarover de verzekerings- of herverzekeringsonderneming of haar moederonderneming controle uitoefent dienen evenmin plaats te vinden indien deze leningen, kredieten of borgstellingen, gesloten op welke wijze of in welke vorm ook, vallen binnen de limieten van een kaderovereenkomst die het voorwerp heeft uitgemaakt van een in het tweede lid bedoelde kennisgeving.
   § 2. De in paragraaf 1 vervatte regeling doet geen afbreuk aan de regels die in dit verband op basis van het Wetboek van Vennootschappen gelden.]1
  ----------
  (1)<W 2019-05-02/25, art. 74, 010; Inwerkingtreding : 31-05-2019>

  Art. 93/1. [1 In afwijking van de bepalingen van het Wetboek van Vennootschappen en niettegenstaande artikel 93, mogen rechtstreeks of onrechtstreeks geen leningen, kredieten of borgstellingen, gesloten op welke wijze of in welke vorm ook, worden verleend, ook niet via een krediet- of een borgtochtverzekeringsovereenkomst, aan personen om hen in staat te stellen rechtstreeks of onrechtstreeks in te schrijven op aandelen of andere effecten die recht geven op dividenden van de verzekerings- of herverzekeringsonderneming of van een vennootschap waarmee er een nauwe band bestaat of die het recht verlenen om dergelijke effecten te verwerven, of om dergelijke aandelen of andere effecten te verwerven.]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij W 2019-05-02/25, art. 75, 010; Inwerkingtreding : 31-05-2019>
  

  Art. 94.In geval van faillissement van een verzekerings- of herverzekeringsonderneming zijn, met betrekking tot de boedel, alle betalingen nietig en zonder gevolg die deze onderneming, hetzij in contanten, hetzij anderszins, heeft gedaan aan de leden van haar wettelijk bestuursorgaan en de leden van haar directiecomité, in de vorm van tantièmes of andere winstdeelnemingen, in de loop van de twee jaren die voorafgaan aan het tijdstip dat door [1 de insolventierechtbank]1 is vastgesteld als het ogenblik waarop zij haar betalingen heeft gestaakt.
  Het eerste lid is niet van toepassing wanneer [1 de insolventierechtbank]1 erkent dat geen enkele door deze personen begane kennelijk grove fout tot het faillissement heeft bijgedragen.
  ----------
  (1)<W 2019-05-02/25, art. 76, 010; Inwerkingtreding : 31-05-2019>

  Afdeling VIII. - Mededeling van informatie over de situatie van de verzekerings- of herverzekeringsonderneming

  Art. 95. Rekening houdend met de informatie vereist in artikel 312, § 3, en de beginselen van artikel 312, § 4, publiceren de verzekerings- of herverzekeringsondernemingen jaarlijks een verslag over hun solvabiliteit en financiële positie (Solvency and Financial condition Report of "SFCR" ).

  Art. 96. § 1. Het in artikel 95 bedoelde verslag over de solvabiliteit en de financiële positie bevat de volgende informatie:
  1° een beschrijving van de activiteiten en de resultaten van de onderneming;
  2° een beschrijving van het governancesysteem en een beoordeling van de mate waarin het is afgestemd op het risicoprofiel van de onderneming;
  3° een beschrijving, voor elke risicocategorie afzonderlijk, van de risicopositie, -concentratie, -matiging en -gevoeligheid;
  4° een beschrijving, voor de activa, technische voorzieningen en andere passiva afzonderlijk, van de voor de waardering ervan gehanteerde grondslagen en methodes, met een uitleg over de belangrijkste verschillen met de grondslagen en methodes die voor de waardering ervan worden gehanteerd in de financiële staten;
  5° een beschrijving van de wijze waarop het reglementair kapitaal wordt beheerd, waaronder minstens de volgende elementen:
  a) de structuur en het bedrag van het kapitaal, alsook de kwaliteit ervan;
  b) het bedrag van het solvabiliteitskapitaalvereiste en van het minimumkapitaalvereiste;
  c) de in artikel 162 bedoelde optie voor de berekening van het solvabiliteitskapitaalvereiste;
  d) informatie die inzicht verschaft in de belangrijkste verschillen tussen de hypothesen die ten grondslag liggen aan respectievelijk de standaardformule en enig door de onderneming gehanteerd intern model voor de berekening van haar solvabiliteitskapitaalvereiste;
  e) wanneer tijdens de rapporteringsperiode niet wordt voldaan aan het minimumkapitaalvereiste of duidelijk niet is voldaan aan het solvabiliteitskapitaalvereiste, en zelfs als de problemen inmiddels zijn opgelost: het bedrag van het tekort, met een uitleg over de oorzaak en de gevolgen ervan, waarbij ook wordt vermeld welke corrigerende maatregelen zijn getroffen.
  § 2. Wanneer de matchingopslag als bedoeld in artikel 129 wordt toegepast, bevat de in paragraaf 1, 4° bedoelde beschrijving ook een beschrijving van de matchingopslag en van de portefeuille van verplichtingen en toegewezen activa waarop de matchingopslag wordt toegepast, alsook een kwantificering van het effect van een wijziging van de matchingopslag tot nul op de financiële positie van de onderneming.
  De in paragraaf 1, 4° bedoelde beschrijving bevat ook een verklaring waarin wordt aangegeven of de in artikel 131 bedoelde volatiliteitsaanpassing wordt toegepast door de onderneming, evenals een kwantificering van het effect van een wijziging van de volatiliteitsaanpassing tot nul op de financiële positie van de onderneming.
  § 3. De in paragraaf 1, 5°, a) bedoelde beschrijving bevat een analyse van alle belangrijke veranderingen ten opzichte van de vorige rapporteringsperiode en een uitleg over alle belangrijke verschillen in de waarde van de betrokken elementen in de financiële staten, evenals een korte beschrijving van de overdraagbaarheid van het kapitaal.
  § 4. In de in paragraaf 1, 5°, b) bedoelde informatie over het solvabiliteitskapitaalvereiste worden het bedrag dat overeenkomstig de bepalingen van Afdeling II van Hoofdstuk VI is berekend, en het bedrag van de eventuele kapitaalopslagfactor die overeenkomstig artikel 323 is opgelegd, of het effect van de specifieke parameters die de verzekerings- of herverzekeringsonderneming krachtens artikel 166 dient te hanteren, afzonderlijk vermeld. Daarbij wordt beknopte informatie gevoegd over de reden waarom de Bank die kapitaalopslagfactor heeft opgelegd.
  In de informatie over het solvabiliteitskapitaalvereiste wordt in voorkomend geval vermeld dat het definitieve bedrag ervan beoordeeld moet worden in het kader van het toezicht dat door de Bank wordt uitgeoefend.
  § 5. De krachtens dit artikel vereiste informatie wordt integraal gepubliceerd of, mits de Bank dit toestaat, onder verwijzing naar informatie die qua aard en strekking gelijkwaardig is en die in het kader van andere wettelijke of reglementaire bepalingen gepubliceerd is.

  Art. 97. § 1. Bij belangrijke ontwikkelingen die duidelijk van invloed zijn op de relevantie van de informatie die krachtens de artikelen 95 en 96 wordt meegedeeld, maken de verzekerings- of herverzekeringsondernemingen passende informatie bekend over de aard en de gevolgen van die belangrijke ontwikkeling.
  § 2. Voor de toepassing van paragraaf 1 worden in elk geval als belangrijke ontwikkelingen aangemerkt:
  1° de vaststelling dat het minimumkapitaalvereiste niet wordt nageleefd en het feit dat de Bank de onderneming niet in staat acht om haar een realistisch plan inzake financiering op korte termijn voor te leggen of dat zij dit plan niet ontvangt binnen een maand na de datum waarop de niet-naleving werd vastgesteld;
  2° de vaststelling dat het solvabiliteitskapitaalvereiste duidelijk niet wordt nageleefd en het feit dat de Bank geen realistisch saneringsplan ontvangt binnen twee maanden na de datum waarop de niet-naleving werd vastgesteld.
  In het geval bedoeld in het eerste lid, 1°, maakt de onderneming onmiddellijk het tekortschietende bedrag bekend en geeft zij daarbij uitleg over de oorzaak en de gevolgen ervan, waarbij ook wordt vermeld welke corrigerende maatregelen zijn getroffen. Wanneer ondanks een in eerste instantie realistisch geacht plan inzake financiering op korte termijn, de niet-naleving van het minimumkapitaalvereiste drie maanden na de vaststelling ervan nog niet is verholpen, wordt het tekortschietende bedrag aan het eind van deze periode bekendgemaakt en wordt daarbij uitleg gegeven over de oorzaak en de gevolgen ervan, waarbij ook wordt vermeld welke corrigerende maatregelen zijn getroffen en welke verdere corrigerende maatregelen zijn gepland.
  In het geval bedoeld in het eerste lid, 2°, maakt de onderneming onmiddellijk het tekortschietende bedrag bekend en geeft zij daarbij uitleg over de oorzaak en de gevolgen ervan, waarbij ook wordt vermeld welke corrigerende maatregelen zijn getroffen. Wanneer ondanks een in eerste instantie realistisch geacht saneringsplan de duidelijke niet-naleving van het solvabiliteitskapitaalvereiste zes maanden na de vaststelling ervan nog niet is verholpen, wordt het tekortschietende bedrag aan het eind van deze periode bekendgemaakt en wordt daarbij uitleg gegeven over de oorzaak en de gevolgen ervan, waarbij ook wordt vermeld welke corrigerende maatregelen zijn getroffen en welke verdere corrigerende maatregelen zijn gepland.

  Art. 98. Naast de al krachtens de artikelen 95 tot 97 verplicht bekend te maken informatie of uitleg over hun solvabiliteit en hun financiële positie mogen verzekerings- of herverzekeringsondernemingen uit eigen beweging ook alle andere informatie en uitleg hierover bekendmaken.

  Art. 99. De verzekerings- of herverzekeringsondernemingen beschikken over passende structuren en systemen om aan de vereisten van de artikelen 95 tot 97 te voldoen, en over een schriftelijk vastgelegd beleid dat waarborgt dat de overeenkomstig de artikelen 95 tot 97 bekendgemaakte informatie altijd adequaat is.

  Art. 100. De Bank kan toestaan dat een verzekerings- of herverzekeringsonderneming informatie als bedoeld in artikel 96, § 1, 1°, tot 4°, en § 2, niet bekendmaakt indien:
  1° door de bekendmaking van die informatie de concurrenten van de onderneming duidelijk onterecht worden bevoordeeld;
  2° de onderneming wegens verplichtingen jegens de verzekeringnemers of relaties met andere tegenpartijen, een geheimhoudingsplicht heeft.
  Wanneer de Bank heeft toegestaan dat bepaalde informatie niet bekend wordt gemaakt, vermeldt de betrokken onderneming dit in haar verslag over haar solvabiliteit en haar financiële positie, met opgave van de redenen hiervoor.
  In het geval van een verzekeringsonderneming kan de in dit artikel bedoelde toestemming maar worden verleend of geweigerd nadat de Bank het advies van de FSMA heeft gevraagd. Deze laatste verleent haar advies binnen vijftien dagen na de ontvangst van het verzoek. Afwezigheid van advies binnen deze termijn geldt als een gunstig advies.

  Art. 101. De Bank kan de inhoud en de wijze van indiening van de in deze Afdeling bedoelde informatie preciseren bij reglement vastgesteld met toepassing van artikel 12bis, § 2, van de wet van 22 februari 1998.

  HOOFDSTUK IV. - Portefeuilleoverdracht en andere bijzondere verrichtingen

  Art. 102.De voorafgaande toestemming van de Bank is vereist voor:
  1° de strategische beslissingen van een verzekerings- of herverzekeringsonderneming;
  2° fusies waarbij een verzekerings- of herverzekeringsonderneming is betrokken, evenals splitsingen van verzekerings- of herverzekeringsondernemingen;
  3° de overdracht van alle of een deel van de activiteiten, met inbegrip van de volledige of de gedeeltelijke overdracht van een portefeuille, waardoor de rechten en verplichtingen die voortvloeien uit de verzekerings- of herverzekeringsovereenkomsten worden overgedragen.
  De Bank beslist binnen drie maanden na ontvangst van een volledig dossier van het project. Zij mag haar toestemming enkel weigeren om redenen die verband houden met het vermogen van de onderneming om te voldoen aan de bepalingen die door of krachtens deze wet of de maatregelen tot uitvoering van Richtlijn 2009/138/EG zijn opgelegd of die verband houden met een gezond en voorzichtig beleid van de onderneming of indien de beslissing de stabiliteit van het financiële stelsel ernstig zou kunnen aantasten. Als zij niet binnen de voornoemde termijn optreedt, wordt de toestemming geacht te zijn verkregen, [1 onverminderd artikel 104, § 1, van deze wet en artikel 54bis van de arbeidsongevallenwet van 10 april 1971]1.
  [1 In het geval van een verrichting als bedoeld in het eerste lid, 3°, worden de criteria van het tweede lid zowel beoordeeld voor de overdragende onderneming als voor de overnemende onderneming, voor zover die ondernemingen onder het toezicht van de Bank staan.]1
  Wanneer ze betrekking hebben op verzekeringsovereenkomsten ter dekking van in België gelegen risico's of verbintenissen, zijn de in het eerste lid, 3° bedoelde overdrachten ten gunste van een verzekeringsonderneming van een derde land slechts toegestaan indien het Belgische bijkantoor van die verzekeringsonderneming als overnemer optreedt en daardoor gehouden is tot naleving van de wettelijke en reglementaire beperkingen die inherent zijn aan de overgedragen risico's en verbintenissen.
  ----------
  (1)<W 2019-05-02/28, art. 66, 012; Inwerkingtreding : 01-06-2019>

  Art. 103.De Bank bepaalt per geval, naargelang van de specifieke kenmerken van de verrichting en van de betrokken onderneming of de betrokken ondernemingen, de inhoud van het dossier over de in artikel 102 bedoelde verrichtingen. Het dossier over de in artikel 102, eerste lid, 3° bedoelde verrichtingen bevat ten minste:
  1° de identificatie van de tegenpartij bij de overeenkomst tot overdracht;
  2° een beschrijving van de over te dragen overeenkomsten;
  3° de over te dragen actief- en passiefbestanddelen;
  4° de vermelding van de lidstaten en de derde landen waar de over te dragen risico's en verbintenissen gelegen zijn;
  5° de vermelding van de lidstaten waar de overdragende onderneming een bijkantoor heeft dat bij de overdracht betrokken is;
  [1 5/1° de impact van de overdracht op de vereisten met betrekking tot het in aanmerking komend eigen vermogen ter dekking van het solvabiliteitskapitaalvereiste, op de technische voorzieningen en op de organisatie van de overnemende onderneming, in de mate dat het toezicht op die onderneming onder het door de Bank uitgeoefende toezicht valt;]1
  6° alle andere informatie die door de Bank wordt opgevraagd in het kader van de goedkeuring van de overdracht.
  ----------
  (1)<W 2019-05-02/28, art. 67, 012; Inwerkingtreding : 01-06-2019>

  Art. 104.§ 1. Behoudens de in artikel 102, tweede lid bedoelde voorwaarden kan de toestemming van de Bank maar worden verleend voor verrichtingen als bedoeld in artikel 102, [1 eerste lid]1, 3°, indien voldaan is aan de volgende voorwaarden:
  1° [2 indien de overnemende onderneming onder het recht van een andere lidstaat ressorteert of indien het om een bijkantoor gaat van een verzekeringsonderneming die onder het recht van een derde land ressorteert, dat onder het toezicht van de autoriteiten van een andere lidstaat valt, dienen de toezichthouders van die lidstaat te hebben verklaard dat deze onderneming of dit bijkantoor, mede gelet op de voorgenomen overdracht, het vereiste in aanmerking komend eigen vermogen bezit ter dekking van het solvabiliteitskapitaalvereiste als bedoeld in de wetgeving die op deze onderneming of dit bijkantoor van toepassing is;]2
  2° wanneer de toestemming wordt gevraagd door een verzekeringsonderneming, in haar hoedanigheid van overdragende onderneming, is voor de gehele of de gedeeltelijke overdracht van een portefeuille van verzekeringsovereenkomsten die afgesloten zijn via een in een andere lidstaat gevestigd bijkantoor of in het kader van het vrij verrichten van diensten, bovendien de voorafgaande instemming vereist van de toezichthouders van de betrokken lidstaten van ontvangst. Hiertoe deelt de Bank onverwijld het voorstel van overdracht mee aan de toezichthouders van de betrokken lidstaten. Indien die toezichthouders niet gereageerd hebben binnen een termijn van drie maanden na hun raadpleging, worden zij geacht te hebben ingestemd.
  § 2. Wanneer de Bank geraadpleegd wordt door de toezichthouders van een lidstaat over een verrichting als bedoeld in artikel 102, eerste lid, 3° waarbij een verzekerings- of herverzekeringsonderneming naar Belgisch recht als overnemer optreedt, levert de Bank binnen drie maanden na de ontvangst van het verzoek, een attest af waarin al dan niet bevestigd wordt dat de overnemende onderneming, mede gelet op de voorgenomen overdracht, het vereiste in aanmerking komend eigen vermogen ter dekking van het solvabiliteitskapitaalvereiste als bedoeld in artikel 151 bezit.
  ----------
  (1)<W 2017-12-05/04, art. 100, 005; Inwerkingtreding : 28-12-2017>
  (2)<W 2019-05-02/28, art. 68, 012; Inwerkingtreding : 01-06-2019>

  Art. 105. De Bank stelt de FSMA in kennis van de aanvragen tot goedkeuring van overdrachten van verzekeringsovereenkomsten die zij ontvangt met toepassing van artikel 102, eerste lid, 3°, alsook van haar beslissingen daarover.

  Art. 106.De Bank publiceert in het Belgisch Staatsblad een uittreksel van elke beslissing tot goedkeuring, met toepassing van artikel 102, eerste lid, 2° en 3°, van een fusie of een overdracht van rechten en verplichtingen die voortvloeien uit verzekerings- of herverzekeringsovereenkomsten. Onverminderd de artikelen 17 en 18 van de Wet Verzekeringen is elke gehele of gedeeltelijke overdracht van de rechten en verplichtingen die voortvloeien uit deze verrichtingen tegenwerpbaar aan derden, met name aan de verzekeringnemers, de verzekerden en de begunstigden, zodra de goedkeuring van de Bank in het Belgisch Staatsblad gepubliceerd is.
  De in het eerste lid bedoelde uittreksels worden ter informatie ook op de website van de Bank gepubliceerd.
  Het is niet mogelijk om de overdrachten die de Bank heeft goedgekeurd krachtens artikel 102, eerste lid, 2° en 3°, nietig of niet-tegenwerpbaar te verklaren krachtens artikel 1167 van het Burgerlijk Wetboek of van [1 de artikelen XX.111, XX.112 of XX.114 van het Wetboek van economisch recht]1.
  ----------
  (1)<W 2019-05-02/25, art. 77, 010; Inwerkingtreding : 31-05-2019>

  HOOFDSTUK V. - Uitoefening van verzekerings- of herverzekeringsactiviteiten in het buitenland

  Afdeling I. - Oprichting of verwerving van dochterondernemingen in het buitenland

  Art. 107. Iedere verzekerings- of herverzekeringsonderneming die voornemens is om rechtstreeks of onrechtstreeks, in het buitenland een dochteronderneming te verwerven of op te richten die het verzekerings- of herverzekeringsbedrijf uitoefent, stelt de Bank daarvan in kennis.
  De betrokken verzekerings- of herverzekeringsonderneming voegt bij de in het eerste lid bedoelde kennisgeving informatie over de activiteiten, de organisatie, de leiding en de aandeelhoudersstructuur van de betrokken onderneming.

  Afdeling II. - Opening van bijkantoren in het buitenland

  Onderafdeling I. - Opening van bijkantoren in het buitenland door een verzekeringsonderneming

  Art. 108. § 1. Iedere verzekeringsonderneming die op het grondgebied van een andere lidstaat een bijkantoor wenst te vestigen om er een verzekeringsactiviteit uit te oefenen waarvoor zij in België een vergunning heeft verkregen, stelt de Bank daarvan in kennis.
  Bij deze kennisgeving wordt een dossier gevoegd met de volgende gegevens:
  1° de lidstaat op het grondgebied waarvan de verzekeringsonderneming voornemens is het bijkantoor te vestigen;
  2° het programma van werkzaamheden, waarin minstens de aard van de voorgenomen verrichtingen en de organisatiestructuur van het bijkantoor worden beschreven;
  3° de naam, het adres en de bevoegdheden van de in paragraaf 2 bedoelde algemene lasthebber van het bijkantoor, en, in voorkomend geval, van de andere personen die met de effectieve leiding van het bijkantoor zijn belast, evenals van de verantwoordelijken voor de onafhankelijke controlefuncties van het bijkantoor;
  4° het adres in de lidstaat van ontvangst waar documenten kunnen worden opgevraagd en afgeleverd bij de verzekeringsonderneming, met name de mededelingen aan de algemene lasthebber;
  5° ingeval de verzekeringsonderneming haar bijkantoor de risico's wil laten dekken die behoren tot tak 10 als vermeld in Bijlage I, met uitzondering van de aansprakelijkheid van de vervoerder, een verklaring waarin staat dat zij is toegetreden tot het nationaal bureau en het nationaal waarborgfonds van de lidstaat van ontvangst;
  6° ingeval de verzekeringsonderneming door haar bijkantoor de arbeidsongevallenrisico's wil laten dekken, het bewijs, indien dit van de lidstaat van ontvangst wordt verlangd, dat de specifieke voorschriften die in het nationaal recht van die lidstaat zijn opgenomen met betrekking tot de dekking van dit type risico's, worden nageleefd.
  § 2. De in paragraaf 1 bedoelde verzekeringsonderneming wijst een algemene lasthebber aan voor het bijkantoor. In geval van verzaking aan het mandaat of afzetting van de algemene lasthebber, of in geval van zijn overlijden, neemt de verzekeringsonderneming de nodige maatregelen om binnen een maand in zijn vervanging te voorzien.
  De algemene lasthebber, evenals, in voorkomend geval, de overige personen die belast zijn met de effectieve leiding van het bijkantoor en de verantwoordelijken voor de onafhankelijke controlefuncties van het bijkantoor beschikken permanent over de vereiste professionele betrouwbaarheid en de passende deskundigheid voor de uitoefening van hun functie. De artikelen 41, 81 en 82 zijn op hen van overeenkomstige toepassing.
  § 3. De Bank kan zich verzetten tegen de uitvoering van het project bij beslissing die is ingegeven door de niet-naleving van de vereisten van paragraaf 2 of door de nadelige gevolgen voor het governancesysteem, de financiële positie, met name gelet op de risico's die verbonden zijn aan de voorgenomen activiteit, of het toezicht op de verzekeringsonderneming.
  De beslissing van de Bank wordt uiterlijk drie maanden na ontvangst van het volledige dossier met alle in paragraaf 1, tweede lid bedoelde gegevens, met een aangetekende brief of een brief met ontvangstbewijs ter kennis gebracht van de verzekeringsonderneming. Indien de Bank haar beslissing niet binnen deze termijn ter kennis heeft gebracht, wordt zij geacht geen bezwaar te hebben tegen het project van de verzekeringsonderneming.
  § 4. De Bank stelt de Europese Commissie en EIOPA in kennis van het aantal en de aard van de gevallen waarin een definitieve beslissing tot verzet werd genomen met toepassing van paragraaf 3.
  § 5. Met uitzondering van paragraaf 4 is dit artikel mutatis mutandis van toepassing op de opening van bijkantoren in een derde land, met dien verstande dat de Bank zich ook kan verzetten tegen de uitvoering van het project van de verzekeringsonderneming indien zij redenen heeft om te twijfelen aan de naleving van de regels voor de toegang tot het bedrijf waarin de wetgeving van het derde land voorziet, of, rekening houdend met de voorgenomen activiteit en met de regeling betreffende de samenwerking met de toezichthouders van het derde land, aan de mogelijkheid om effectief toezicht uit te oefenen op het bijkantoor dat op het grondgebied van dit derde land is gevestigd.

  Art. 109. Wanneer het vestigingsland van het bijkantoor een lidstaat is, deelt de Bank, indien zij zich niet tegen de uitvoering van het project heeft verzet overeenkomstig artikel 108, § 3, aan de bevoegde autoriteit van de betrokken lidstaat van ontvangst, binnen drie maanden na ontvangst ervan, alle in artikel 108, § 1, tweede lid vereiste gegevens mee, evenals een verklaring dat de verzekeringsonderneming het solvabiliteitskapitaalvereiste en minimum-kapitaalvereiste dekt zoals berekend overeenkomstig de artikelen 100 en 129 van Richtlijn 2009/138/EG.
  De Bank brengt de betrokken verzekeringsonderneming schriftelijk op de hoogte van de mededeling van het in het eerste lid bedoelde dossier en van de datum waarop de bevoegde autoriteiten van de lidstaat van ontvangst er de ontvangst van hebben bevestigd.
  Wanneer de toezichthouders van de lidstaat van ontvangst aan de Bank de voorwaarden hebben meegedeeld waaronder de activiteiten van het bijkantoor om redenen van algemeen belang in die lidstaat mogen worden uitgeoefend, deelt de Bank deze informatie mee aan de betrokken verzekeringsonderneming.

  Art. 110. Wanneer het vestigingsland van het bijkantoor een derde land is, kan de Bank in overleg met de betrokken autoriteit van het derde land, regels vaststellen voor de opening van en het toezicht op het bijkantoor, alsook voor de wenselijke informatie-uitwisseling, met inachtneming van de bepalingen van Hoofdstuk IV/1, Afdeling 4 van de wet van 22 februari 1998.

  Art. 111.Wanneer het [1 vestigingsland]1 van het bijkantoor een lidstaat is, mogen de activiteiten van het bijkantoor aanvangen vanaf de datum waarop de Bank de in artikel 109, derde lid bedoelde mededeling heeft ontvangen en uiterlijk bij het verstrijken van een termijn van twee maanden die aanvangt op de datum van ontvangst door de toezichthouders van de lidstaat van ontvangst van de met toepassing van artikel 109, eerste lid meegedeelde informatie.
  Wanneer het vestigingsland van het bijkantoor een derde land is, mogen de activiteiten van het bijkantoor aanvangen vanaf de datum waarop geen verzet is aangetekend overeenkomstig artikel 108, § 3, tegen het voornemen om een bijkantoor te openen, onverminderd de naleving van de wettelijke bepalingen van dit land inzake de toegang tot het verzekeringsbedrijf.
  ----------
  (1)<W 2017-12-05/04, art. 101, 005; Inwerkingtreding : 28-12-2017>

  Art. 112. De verzekeringsonderneming stelt de Bank en, in voorkomend geval, de toezichthouders van de betrokken lidstaten van ontvangst minstens een maand op voorhand in kennis van alle wijzigingen die zij wenst aan te brengen in de informatie die met toepassing van artikel 108, § 1, tweede lid, 2°, 3° en 4° werd meegedeeld. Artikel 108, § 3, is van toepassing op deze wijzigingen.

  Onderafdeling II. - Opening van een bijkantoor in het buitenland door een herverzekeringsonderneming

  Art. 113. Iedere herverzekeringsonderneming die op het grondgebied van een andere lidstaat een bijkantoor wenst te vestigen om er een herverzekeringsactiviteit uit te oefenen waarvoor zij in België een vergunning heeft, stelt de Bank daarvan in kennis.

  Art. 114. De artikelen 108, § 1, tweede lid, 1°, tot 4° en §§ 2, 3 en 5, 110, 111, tweede lid en 112 zijn mutatis mutandis van toepassing op de opening van bijkantoren in het buitenland door een herverzekeringsonderneming, met dien verstande dat:
  1° door de Bank ook samenwerkingsakkoorden als bedoeld in artikel 110 kunnen worden gesloten met de toezichthouders van de lidstaten van ontvangst;
  2° artikel 111, tweede lid, ook van toepassing is wanneer het vestigingsland van het bijkantoor een lidstaat is.

  Afdeling III. - Verrichten van verzekerings- of herverzekeringsdiensten in het buitenland

  Onderafdeling I. - Verrichten van diensten in het buitenland door een verzekeringsonderneming

  Art. 115. § 1. Iedere verzekeringsonderneming die op het grondgebied van een andere lidstaat een verzekeringsactiviteit wenst uit te oefenen waarvoor zij in België een vergunning heeft verkregen, zonder er een bijkantoor te vestigen, stelt de Bank daarvan in kennis.
  Bij deze kennisgeving wordt een dossier gevoegd met de volgende gegevens:
  1° de lidstaat op het grondgebied waarvan de verzekeringsonderneming voornemens is haar activiteit uit te oefenen;
  2° het type verzekeringsverrichtingen dat zij van plan is uit te oefenen in het kader van het vrij verrichten van diensten en de takken waartoe deze verrichtingen behoren;
  3° ingeval de verzekeringsonderneming in het kader van het vrij verrichten van diensten de risico's wil laten dekken die behoren tot tak 10 als vermeld in Bijlage I, met uitzondering van de aansprakelijkheid van de vervoerder, en indien de lidstaat van ontvangst verlangt dat deze gegevens worden meegedeeld, een verklaring waarin staat dat de verzekeringsonderneming is toegetreden tot het nationaal bureau en het nationaal waarborgfonds van de lidstaat van ontvangst.
  § 2. De Bank kan zich verzetten tegen de uitvoering van het project bij beslissing die is ingegeven door de nadelige gevolgen van het grensoverschrijdend verrichten van de verzekeringsactiviteit voor het governancesysteem, de financiële positie, met name gelet op de risico's die verbonden zijn aan de voorgenomen activiteit, of het toezicht op de verzekeringsonderneming.
  De beslissing van de Bank wordt uiterlijk een maand na ontvangst van het volledige dossier met alle in paragraaf 1, tweede lid bedoelde gegevens, met een aangetekende brief of een brief met ontvangstbewijs ter kennis gebracht van de verzekeringsonderneming. Indien de Bank haar beslissing niet binnen deze termijn ter kennis heeft gebracht, wordt zij geacht geen bezwaar te hebben tegen het project van de verzekeringsonderneming.
  § 3. De Bank stelt de Europese Commissie en EIOPA in kennis van het aantal en de aard van de gevallen waarin een definitieve beslissing tot verzet werd genomen met toepassing van paragraaf 2.
  § 4. Met uitzondering van paragraaf 3 is dit artikel mutatis mutandis van toepassing op de uitoefening van het verzekeringsbedrijf op het grondgebied van een derde land zonder er een bijkantoor te vestigen, met dien verstande dat
  1° de Bank zich ook kan verzetten tegen de uitvoering van het project van de verzekeringsonderneming indien zij redenen heeft om te twijfelen aan de naleving van de regels voor de toegang tot het bedrijf waarin de wetgeving van het derde land voorziet, of, rekening houdend met de voorgenomen activiteit en met de regeling betreffende de samenwerking met de toezichthouders van het derde land, aan de mogelijkheid om effectief toezicht uit te oefenen op de grensoverschrijdende activiteit die op het grondgebied van dit derde land wordt uitgeoefend;
  2° de in paragraaf 2, tweede lid, bedoelde termijn in dit geval drie maanden bedraagt.

  Art. 116. Wanneer de staat op het grondgebied waarvan de grensoverschrijdende verzekeringsactiviteit wordt uitgeoefend, een lidstaat is, deelt de Bank, indien zij zich niet tegen de uitvoering van het project heeft verzet overeenkomstig artikel 115, § 2, aan de toezichthouder van de betrokken lidstaat van ontvangst, binnen een maand na ontvangst ervan, alle in artikel 115, § 1, tweede lid vereiste gegevens mee, evenals een verklaring dat de verzekeringsonderneming het solvabiliteitskapitaalvereiste en minimumkapitaalvereiste dekt zoals berekend overeenkomstig de artikelen 100 en 129 van Richtlijn 2009/138/EG. Zij deelt eveneens de verzekeringstakken mee waarvoor de verzekeringsonderneming een vergunning heeft verkregen van de Bank.
  De Bank brengt de betrokken verzekeringsonderneming schriftelijk op de hoogte van de in het eerste lid bedoelde mededeling.
  Wanneer de toezichthouders van de lidstaat van ontvangst aan de Bank de voorwaarden hebben meegedeeld waaronder de grensoverschrijdende activiteiten om redenen van algemeen belang in die lidstaat mogen worden uitgeoefend, deelt de Bank deze informatie mee aan de betrokken verzekeringsonderneming.

  Art. 117. Wanneer de staat op het grondgebied waarvan de grensoverschrijdende verzekeringsactiviteit wordt uitgeoefend, een derde land is, kan de Bank in overleg met de betrokken autoriteit van het derde land, regels vaststellen voor het toezicht op die activiteit, alsook voor de wenselijke informatie-uitwisseling, met inachtneming van de bepalingen van Hoofdstuk IV/1, Afdeling 4 van de wet van 22 februari 1998.

  Art. 118. Wanneer de staat op het grondgebied waarvan de grensoverschrijdende verzekeringsactiviteit wordt uitgeoefend, een lidstaat is, mogen de grensoverschrijdende activiteiten aanvangen vanaf de datum waarop de onderneming in kennis werd gesteld door de Bank van de in artikel 116, eerste lid bedoelde mededeling.
  Wanneer de staat op het grondgebied waarvan de grensoverschrijdende verzekeringsactiviteit wordt uitgeoefend, een derde land is, mogen de grensoverschrijdende activiteiten aanvangen vanaf de datum waarop geen verzet is aangetekend overeenkomstig artikel 115, § 2, tegen het voornemen om grensoverschrijdende activiteiten uit te oefenen, onverminderd de naleving van de wettelijke bepalingen van dit land inzake de toegang tot het verzekeringsbedrijf.

  Art. 119. Iedere verzekeringsonderneming die op het grondgebied van een andere lidstaat of van een derde land een verzekeringsactiviteit uitoefent zonder er een bijkantoor te vestigen, stelt de Bank op voorhand in kennis van alle wijzigingen die zij wenst aan te brengen in de informatie die met toepassing van artikel 115, § 1, tweede lid, werd meegedeeld. Artikel 115, § 2, is van toepassing op deze wijzigingen.

  Onderafdeling II. - Verrichten van diensten in het buitenland door een herverzekeringsonderneming

  Art. 120. Iedere herverzekeringsonderneming die op het grondgebied van een andere lidstaat of van een derde land een herverzekeringsactiviteit wenst uit te oefenen waarvoor zij in België een vergunning heeft, zonder er een bijkantoor te vestigen, stelt de Bank daarvan in kennis.

  Art. 121. De artikelen 115, § 1, tweede lid, en §§ 2, en 4, 117, 118, tweede lid en 119 zijn mutatis mutandis van toepassing op de uitoefening van een grensoverschrijdende herverzekeringsactiviteit in het buitenland, zonder er een bijkantoor te vestigen, met dien verstande dat:
  1° door de Bank ook samenwerkingsakkoorden als bedoeld in artikel 117 kunnen worden gesloten met de toezichthouders van de lidstaten van ontvangst waar de grensoverschrijdende herverzekeringsactiviteit wordt uitgeoefend;
  2° de in artikel 115, § 2, tweede lid bedoelde termijn in dit geval drie maanden bedraagt;
  3° artikel 118, tweede lid, ook van toepassing is wanneer de staat waarin de grensoverschrijdende herverzekeringsactiviteit wordt uitgeoefend, een lidstaat is.

  Afdeling IV. - Gemeenschappelijke bepalingen betreffende de bedrijfsuitoefening in een andere lidstaat

  Art. 122. Iedere verzekerings- of herverzekeringsonderneming stelt de Bank, afzonderlijk voor verrichtingen die in het kader van de opening van een bijkantoor worden uitgevoerd en deze die in het kader van het vrij verrichten van diensten worden uitgevoerd, in kennis van het bedrag aan premies, schadegevallen en provisies, zonder aftrek van herverzekering, per vestigingsland van een bijkantoor en per lidstaat op het grondgebied waarvan een grensoverschrijdende verzekerings- of herverzekeringsactiviteit wordt uitgeoefend, en wel als volgt:
  1° voor niet-levensverzekeringen: per business line, overeenkomstig de uitvoeringsmaatregelen van Richtlijn 2009/138/EG;
  2° voor levensverzekeringen: per business line, overeenkomstig de uitvoeringsmaatregelen van Richtlijn 2009/138/EG;
  3° voor herverzekeringen "niet-leven";
  4° voor herverzekeringen "leven".
  Wat betreft tak 10 als vermeld in Bijlage I, met uitzondering van de aansprakelijkheid van de vervoerder, stelt de betrokken verzekeringsonderneming de Bank ook in kennis van de frequentie en de gemiddelde kosten van de schadegevallen.
  De Bank deelt de in het eerste en tweede lid bedoelde informatie binnen een redelijke termijn in geaggregeerde vorm mee aan de toezichthouders van elke van de betrokken lidstaten die daarom verzoeken.

  HOOFDSTUK VI. - Reglementaire normen en verplichtingen

  Afdeling I. - Waarderingsregels

  Onderafdeling I. - Algemene regels

  Art. 123. Met het oog op de naleving van de door of krachtens dit Hoofdstuk opgelegde vereisten, waarderen de verzekerings- of herverzekeringsondernemingen hun activa en passiva als volgt:
  1° de activa worden gewaardeerd tegen het bedrag waarvoor ze kunnen worden geruild in het kader van een afgesloten transactie, bij normale concurrentievoorwaarden, tussen goed geïnformeerde, tot een transactie bereid zijnde partijen;
  2° de passiva worden gewaardeerd tegen het bedrag waarvoor ze kunnen worden overgedragen of afgewikkeld in het kader van een afgesloten transactie, bij normale concurrentievoorwaarden, tussen goed geïnformeerde, tot een transactie bereid zijnde partijen.
  Bij de waardering van de in punt 2° bedoelde passiva wordt niet gecorrigeerd voor de eigen kredietwaardigheid van de verzekerings- of herverzekeringsonderneming.

  Onderafdeling II. - Regels betreffende de technische voorzieningen § 1. Algemene bepalingen

  Art. 124. De verzekerings- of herverzekeringsondernemingen berekenen en boeken onder de benaming technische voorzieningen al hun verzekerings- of herverzekeringsverplichtingen jegens verzekeringnemers, verzekerden en begunstigden van verzekerings- of herverzekeringsovereenkomsten.
  De technische voorzieningen hebben zowel betrekking op de lopende als op de vervallen overeenkomsten die nog niet volledig vereffend zijn.

  Art. 125. Technische voorzieningen worden op een prudente, betrouwbare en objectieve wijze berekend.
  De waarde van de technische voorzieningen stemt overeen met het huidige bedrag dat een verzekerings- of herverzekeringsonderneming zou moeten betalen indien zij haar verzekerings- of herverzekeringsverplichtingen met onmiddellijke ingang aan een andere verzekerings- of herverzekeringsonderneming zou overdragen.
  De berekening van de technische voorzieningen maakt gebruik van en strookt met de informatie van de financiële markten en de algemeen beschikbare gegevens over verzekeringstechnische risico's (marktconsistentie).
  De berekening van de technische voorzieningen wordt uitgevoerd overeenkomstig de artikelen 126 tot 137, de ter uitvoering ervan genomen maatregelen en de uitvoeringsverordeningen van Richtlijn 2009/138/EG, uitgaande van de beginselen die zijn vastgesteld in dit artikel en rekening houdend met de beginselen die zijn vastgesteld in artikel 123.

  Art. 126. § 1. De waarde van de technische voorzieningen is gelijk aan de som van de beste schatting (best estimate) en de risicomarge (risk margin) zoals respectievelijk beschreven in de paragrafen 2 en 3.
  § 2. De beste schatting stemt overeen met het kansgewogen gemiddelde van de toekomstige kasstromen, waarbij rekening wordt gehouden met de tijdswaarde van geld (verwachte contante waarde van de toekomstige kasstromen) en gebruik wordt gemaakt van de relevante risicovrije rentetermijnstructuur.
  Bij de berekening van de beste schatting wordt uitgegaan van geactualiseerde en betrouwbare informatie en realistische hypothesen en worden adequate, toepasselijke en relevante actuariële en statistische methodes gebruikt.
  De kasstroomprognose die bij de berekening van de beste schatting wordt gebruikt, houdt rekening met alle instroom en uitstroom van kasmiddelen die nodig zijn om te voldoen aan de verzekerings- of herverzekerings-verplichtingen gedurende de looptijd ervan.
  De beste schatting wordt bruto berekend, zonder aftrek van de schuldvorderingen die voortvloeien uit herverzekerings-overeenkomsten en effectiseringsvehikels. Overeenkomstig artikel 136 worden deze bedragen apart berekend.
  § 3. De risicomarge wordt zodanig berekend dat de waarde van de technische voorzieningen gelijk is aan het bedrag dat verzekerings- of herverzekeringsondernemingen zouden vragen voor de overname en de nakoming van de verzekerings- of herverzekeringsverplichtingen.

  Art. 127. § 1. De verzekerings- of herverzekeringsondernemingen waarderen de beste schatting en de risicomarge afzonderlijk.
  Wanneer de toekomstige kasstromen in verband met verzekerings- of herverzekeringsverplichtingen echter op betrouwbare wijze kunnen worden gerepliceerd met behulp van financiële instrumenten met een waarneembare betrouwbare marktwaarde, wordt de waarde van de technische voorzieningen voor die toekomstige kasstromen bepaald op basis van de marktwaarde van deze financiële instrumenten. In dit geval zijn geen afzonderlijke berekeningen van de beste schatting en de risicomarge vereist.
  § 2. Wanneer de verzekerings- of herverzekeringsondernemingen de beste schatting en de risicomarge afzonderlijk ramen, wordt de risicomarge berekend door vaststelling van de kosten om een bedrag aan in aanmerking komend eigen vermogen te verschaffen dat gelijk is aan het solvabiliteitskapitaalvereiste dat nodig is om te voldoen aan de verzekerings- of herverzekeringsverplichtingen gedurende de looptijd ervan.
  Voor alle verzekerings- of herverzekeringsondernemingen wordt bij de bepaling van de kosten voor het verschaffen van dit bedrag hetzelfde percentage gehanteerd (kapitaalkostenpercentage - Cost-of-Capital rate). Een verordening tot uitvoering van Richtlijn 2009/138/EG legt dit percentage vast en herziet het periodiek.
  Het gehanteerde kapitaalkostenpercentage is gelijk aan de opslag op de relevante risicovrije rente die een verzekerings- of herverzekeringsonderneming zou betalen die overeenkomstig Onderafdeling III van dit Hoofdstuk een bedrag aan in aanmerking komend eigen vermogen aanhoudt dat gelijk is aan het solvabiliteitskapitaalvereiste dat nodig is om te voldoen aan de verzekerings- of herverzekeringsverplichtingen gedurende de volledige looptijd ervan.
  § 2. Extrapolatie van de relevante risicovrije rentetermijnstructuur (risk-free interest rate term structure)

  Art. 128. Bij de bepaling van de relevante risicovrije rentetermijnstructuur als bedoeld in artikel 126, § 2, wordt gebruikgemaakt van informatie van relevante financiële instrumenten, en deze relevante risicovrije rentetermijnstructuur dient met die informatie consistent te zijn. De markten voor de desbetreffende relevante financiële instrumenten en voor obligaties dienen zodanige looptijden te hebben dat zij kunnen worden beschouwd als diepe, liquide en transparante markten. Wanneer het looptijden betreft waarbij de markten voor zowel de relevante financiële instrumenten als voor obligaties niet langer als diep, liquide en transparant kunnen worden beschouwd, wordt de relevante risicovrije rentetermijnstructuur geëxtrapoleerd.
  Het geëxtrapoleerde deel van de relevante risicovrije rentetermijnstructuur is gebaseerd op forward rates die vloeiend van een forward rate of een reeks forward rates voor de langste looptijden waartegen de relevante financiële instrumenten en obligaties in een diepe, liquide en transparante markt te vinden zijn, convergeren naar een ultimate forward rate.
  § 3. Matchingopslag (matching adjustment) in verband met de relevante risicovrije rentetermijnstructuur

  Art. 129. § 1. Verzekerings- of herverzekeringsondernemingen kunnen een matchingopslag in verband met de relevante risicovrije rentetermijnstructuur toepassen voor de berekening van de beste schatting van een portefeuille van levensverzekerings- of herverzekeringsverplichtingen, met inbegrip van lijfrenten die voortvloeien uit niet-levensverzekerings- of -herverzekeringsovereenkomsten, mits de Bank hiervoor voorafgaandelijk toestemming heeft verleend, indien aan de volgende voorwaarden wordt voldaan:
  1° de verzekerings- of herverzekeringsondernemingen hebben een uit obligaties of andere effecten met vergelijkbare kasstroomkarakteristieken samengestelde activaportefeuille toegewezen ter dekking van de beste schatting van de portefeuille van verzekerings- of herverzekeringsverplichtingen, en behouden die toewijzing gedurende de looptijd van de verplichtingen, tenzij het de bedoeling is de replicatie van de verwachte kasstromen tussen activa en passiva te behouden wanneer die kasstromen wezenlijk zijn veranderd;
  2° de portefeuille van verzekerings- of herverzekeringsverplichtingen waarvoor de matchingopslag wordt toegepast en de toegewezen activaportefeuille worden afzonderlijk van de andere activiteiten van de ondernemingen geïdentificeerd, beheerd en georganiseerd, en de toegewezen activaportefeuille kan niet worden gebruikt ter dekking van verliezen die ontstaan bij andere activiteiten van de ondernemingen;
  3° de verwachte kasstromen uit de toegewezen activaportefeuille corresponderen met elk van de verwachte kasstromen uit de portefeuille van verzekerings- of herverzekeringsverplichtingen in dezelfde valuta, en een eventuele mismatch levert geen wezenlijke risico's op in verhouding tot de risico's die eigen zijn aan de verzekerings- of herverzekeringsactiviteit waarop een matchingsopslag wordt toegepast;
  4° de overeenkomsten die ten grondslag liggen aan de portefeuille van verzekerings- of herverzekeringsverplichtingen, resulteren niet in toekomstige premiebetalingen;
  5° de enige aan de portefeuille van verzekerings- of herverzekeringsverplichtingen verbonden verzekeringstechnische risico's zijn het langleven-, het kosten-, het herzienings- en het overlijdensrisico;
  6° indien het aan de portefeuille van verzekerings- of herverzekeringsverplichtingen verbonden verzekeringstechnische risico het overlijdensrisico omvat, neemt de beste schatting van de portefeuille van verzekerings- of herverzekeringsverplichtingen in het geval van een overeenkomstig artikel 151, §§ 2, tot 5 gekalibreerde overlijdensrisicostress met niet meer dan 5 % toe;
  7° de overeenkomsten die ten grondslag liggen aan de portefeuille van verzekerings- of herverzekeringsverplichtingen, voorzien enkel in een afkoopoptie op voorwaarde dat de afkoopwaarde niet hoger is dan de waarde van de activa die beschikbaar zijn ter dekking van de verzekerings- of herverzekerings-verplichtingen op het moment dat de afkoopoptie wordt uitgeoefend, berekend overeenkomstig artikel 123;
  8° de kasstromen uit de toegewezen activaportefeuille zijn vastgelegd en kunnen niet door de emittenten van de effecten of door derden worden gewijzigd;
  9° de aan verzekerings- of herverzekeringsovereenkomsten verbonden verzekerings- of herverzekeringsverplichtingen worden niet in afzonderlijke delen opgesplitst wanneer ze voor de toepassing van deze paragraaf deel uitmaken van de portefeuille van verzekerings- of herverzekeringsverplichtingen.
  Onverminderd het eerste lid, 8°, kunnen verzekerings- of herverzekeringsondernemingen gebruikmaken van activa met vastgelegde maar inflatiegebonden kasstromen, op voorwaarde dat deze activa de inflatiegebonden kasstromen van de portefeuille van verzekerings- of herverzekerings-verplichtingen repliceren.
  Indien emittenten of derde partijen de kasstromen van activa mogen wijzigen op voorwaarde dat beleggers met de compensatie die ze via herinvesteringen in activa van eenzelfde of een betere kredietkwaliteitscategorie ontvangen, dezelfde kasstromen kunnen genereren, sluit dit recht de activa niet uit van toegang tot de toegewezen portefeuille als bedoeld in het eerste lid, 8°.
  § 2. Verzekerings- of herverzekeringsondernemingen die de matchingopslag op een portefeuille van verzekerings- of herverzekeringsverplichtingen toepassen, mogen niet opnieuw teruggrijpen naar een methode waarbij geen matchingopslag wordt gebruikt. Wanneer een verzekerings- of herverzekeringsonderneming die een matchingopslag toepast, niet meer in staat is om te voldoen aan de voorwaarden van paragraaf 1, stelt zij de Bank daarvan onverwijld in kennis en treft zij de nodige maatregelen om weer aan die voorwaarden te voldoen. Indien de onderneming niet in staat is om binnen twee maanden na de datum van niet-naleving opnieuw aan deze voorwaarden te voldoen, past zij de matchingsopslag niet meer toe op haar verzekerings- of herverzekeringsverplichtingen en mag zij deze matchingsopslag pas opnieuw toepassen na een periode van nog eens 24 maanden.
  § 3. De matchingopslag wordt niet op verzekerings- of herverzekeringsverplichtingen toegepast indien de relevante risicovrije rentetermijnstructuur voor de berekening van de beste schatting van die verplichtingen een volatiliteitsaanpassing als bedoeld in artikel 131 omvat of een overgangsmaatregel ten aanzien van de risicovrije rentevoeten als bedoeld in artikel 668.

  Art. 130. § 1. Voor elke munteenheid wordt de matchingopslag als bedoeld in artikel 129 berekend in overeenstemming met de volgende beginselen:
  1° de matchingopslag is gelijk aan het verschil tussen:
  a) de jaarlijkse effectieve rente, berekend als de unieke discontovoet die, wanneer hij wordt toegepast op de kasstromen uit de portefeuille van verzekerings- of herverzekeringsverplichtingen, resulteert in een waarde die gelijk is aan de overeenkomstig artikel 123 berekende waarde van de toegewezen activaportefeuille;
  b) de jaarlijkse effectieve rente, berekend als de unieke discontovoet die, wanneer hij wordt toegepast op de kasstromen uit de portefeuille van verzekerings- of herverzekeringsverplichtingen, resulteert in een waarde die gelijk is aan de waarde van de beste schatting van de portefeuille van verzekerings- of herverzekeringsverplichtingen, met inachtneming van de tijdswaarde van geld en met gebruikmaking van de relevante risicovrije rentetermijnstructuur;
  2° in de matchingopslag mag niet de fundamentele spread zijn verrekend die de risico's weerspiegelt die door de verzekerings- of herverzekeringsonderneming worden gedragen;
  3° niettegenstaande punt 1°, wordt de fundamentele spread in voorkomend geval verhoogd om te waarborgen dat de matchingopslag voor activa waarvan de kwaliteit lager is dan die van activa van hoge kwaliteit niet groter is dan de matchingopslag voor activa van hoge kwaliteit en dezelfde looptijd, en uit dezelfde activacategorie;
  4° het gebruik van externe kredietbeoordelingen bij de berekening van de matchingopslag is in overeenstemming met de specificaties die met toepassing van artikel 111, lid 1, onder n) van Richtlijn 2009/138/EG zijn vastgelegd.
  § 2. Voor de toepassing van paragraaf 1, 2°, dient de fundamentele spread:
  1° gelijk te zijn aan de som van:
  a) de kredietspread die de kans op wanbetaling voor de activa weerspiegelt;
  b) de kredietspread die het verwachte verlies als gevolg van de afwaardering van de activa weergeeft;
  2° voor vorderingen op de centrale overheden en centrale banken van lidstaten, niet lager te zijn dan 30 % van het langetermijngemiddelde van de spread ten opzichte van de risicovrije rentevoet voor activa met dezelfde looptijd en dezelfde kredietwaardigheid en uit dezelfde activacategorie, zoals gemeten op de financiële markten;
  3° voor andere activa dan vorderingen op de centrale overheden en centrale banken van lidstaten, niet lager te zijn dan 35 % van het langetermijngemiddelde van de spread ten opzichte van de risicovrije rentevoet voor activa met dezelfde looptijd en dezelfde kredietwaardigheid en uit dezelfde activacategorie, zoals gemeten op de financiële markten.
  De kans op wanbetaling als bedoeld in het eerste lid, 1°, a), wordt berekend op basis van de langetermijnwanbetalingsstatistieken die voor het bewuste actief relevant zijn in verhouding tot de looptijd, de kredietwaardigheid en de betrokken activacategorie.
  Indien uit de wanbetalingsstatistieken als bedoeld in het tweede lid geen betrouwbare kredietspread kan worden afgeleid, is de fundamentele spread gelijk aan het deel van het langetermijngemiddelde van de spread ten opzichte van de risicovrije rentevoet als bedoeld in de punten 2° en 3°.
  § 4. Volatiliteitsaanpassing (volatility adjustment) van de relevante risicovrije rentetermijnstructuur

  Art. 131. § 1. Wanneer een verzekerings- of herverzekeringsonderneming een volatiliteitsaanpassing van de relevante risicovrije rentetermijnstructuur wil toepassen bij de berekening van de beste schatting als bedoeld in artikel 126, § 2, brengt zij de Bank daarvan voorafgaandelijk op de hoogte.
  De Bank kan de toepassing van de in het eerste lid bedoelde volatiliteitsaanpassing te allen tijde verbieden of beperken of er voorwaarden aan verbinden indien zij vaststelt dat de verzekerings- of herverzekeringsonderneming niet voldoet aan de voorwaarden van dit artikel of van de Europese verordeningen die met toepassing van artikel 86, lid 1, onder i), van Richtlijn 2009/138/EG zijn vastgesteld of dat haar risicoprofiel wezenlijk verschilt van de voorwaarden voor de toepassing van de volatiliteitsaanpassing waarin de bepalingen van de genoemde verordeningen voorzien.
  § 2. Voor elke betrokken munteenheid is de volatiliteitsaanpassing van de relevante risicovrije rentetermijnstructuur gebaseerd op de spread tussen de rentevoet die verdiend kan worden op de activa die deel uitmaken van een referentieportefeuille voor die munteenheid en de rentevoeten die gelden voor de relevante risicovrije rentetermijnstructuur voor die munteenheid.
  De referentieportefeuille voor een munteenheid is representatief voor de activa in die munteenheid waar de verzekerings- of herverzekeringsondernemingen in hebben belegd ter dekking van de beste schatting van verzekerings- of herverzekeringsverplichtingen in die munteenheid.
  § 3. De volatiliteitsaanpassing die op de relevante risicovrije rentetermijnstructuur wordt toegepast, komt overeen met 65 % van de voor risico's gecorrigeerde spread voor die munteenheid.
  De voor risico's gecorrigeerde spread voor die munteenheid wordt berekend als het verschil tussen de spread als bedoeld in paragraaf 2 en het deel van die spread dat terug te voeren is op een realistische inschatting van te verwachten verliezen of op een onverwacht kredietrisico, of andere aan de activa verbonden risico's.
  De volatiliteitsaanpassing wordt alleen toegepast op de rentevoeten van de relevante risicovrije rentetermijnstructuur die niet worden berekend via extrapolatie overeenkomstig artikel 128. De extrapolatie van de relevante risicovrije rentetermijnstructuur is gebaseerd op deze aangepaste risicovrije rentevoeten.
  § 4. Voor elk betrokken land wordt de volatiliteitsaanpassing van de risicovrije rentevoeten als bedoeld in paragraaf 3 voor de munteenheid van dat land, vóór toepassing van de 65 %-factor, verhoogd met het verschil tussen de voor risico's gecorrigeerde spread voor dat land en tweemaal de voor risico's gecorrigeerde spread voor die munteenheid, op voorwaarde dat het verschil positief is en de voor risico's gecorrigeerde spread voor dat land meer dan 100 basispunten bedraagt.
  De verhoogde volatiliteitsaanpassing wordt toegepast op de berekening van de beste schatting van verzekerings- of herverzekeringsverplichtingen van producten die op de verzekerings- of herverzekeringsmarkt van het betrokken land worden verkocht. De voor risico's gecorrigeerde spread voor dat land wordt op dezelfde manier berekend als de voor risico's gecorrigeerde spread voor die munteenheid van het betrokken land, met dien verstande dat hij gebaseerd is op een referentieportefeuille die representatief is voor de activa waar verzekerings- of herverzekeringsondernemingen in hebben belegd ter dekking van de beste schatting van de verzekerings- of herverzekeringsverplichtingen van producten die op de verzekerings- of herverzekeringsmarkt van het betrokken land worden verkocht en uitgedrukt zijn in de munteenheid van dat land.
  § 5. De volatiliteitsaanpassing wordt niet op de verzekeringsverplichtingen toegepast indien de relevante risicovrije rentetermijnstructuur voor het berekenen van de beste schatting van die verplichtingen een matchingopslag als bedoeld in artikel 129 omvat.
  § 6. Bij wijze van uitzondering op artikel 151 heeft het solvabiliteitskapitaalvereiste geen betrekking op het risico op verlies van het kernvermogen ten gevolge van wijzigingen in de volatiliteitsaanpassing.
  § 5. Overige bepalingen betreffende de technische voorzieningen

  Art. 132. Indien de technische informatie als bedoeld in artikel 77sexies, lid 1 van Richtlijn 2009/138/EG door de Europese Commissie in overeenstemming met lid 2, van hetzelfde artikel is vastgesteld, gebruiken de verzekerings- of herverzekeringsondernemingen die technische informatie voor het berekenen van de beste schatting overeenkomstig de artikelen 126 en 127, het berekenen van de matchingopslag overeenkomstig artikel 130, en het berekenen van de volatiliteitsaanpassing overeenkomstig artikel 131.
  Indien met betrekking tot munteenheden en nationale markten de in artikel 77sexies, lid 1, onder c), van Richtlijn 2009/138/EG bedoelde aanpassing niet in de uitvoeringshandelingen als bedoeld in lid 2, van hetzelfde artikel is opgenomen, wordt geen volatiliteitsaanpassing van de relevante risicovrije rentetermijnstructuur toegepast voor het berekenen van de beste schatting.

  Art. 133. Naast hetgeen in de artikelen 126 en 127 is bepaald, nemen verzekerings- of herverzekeringsondernemingen bij de berekening van hun technische voorzieningen het volgende in aanmerking:
  1° alle kosten die worden gemaakt bij het nakomen van verzekerings- of herverzekeringsverplichtingen;
  2° inflatie, waaronder kosten- en schadegevalleninflatie;
  3° alle door de verzekerings- of herverzekeringsondernemingen verwachte betalingen aan verzekeringnemers en begunstigden, waaronder toekomstige discretionaire winstdelingen, ongeacht of deze betalingen contractueel gegarandeerd zijn, tenzij ze onder artikel 145, tweede lid, vallen.

  Art. 134. Bij de berekening van hun technische voorzieningen houden de verzekerings- of herverzekeringsondernemingen rekening met de waarde van financiële garanties en contractuele opties in verzekerings- of herverzekeringsovereenkomsten.
  De verzekerings- of herverzekeringsondernemingen hanteren met betrekking tot de kans dat de verzekeringnemers gebruik zullen maken van de contractuele opties die hen worden geboden, zoals het recht op reductie van de prestaties en het afkooprecht, realistische hypothesen die uitgaan van actuele en betrouwbare informatie. In de hypothesen wordt expliciet dan wel impliciet rekening gehouden met de mogelijke gevolgen van toekomstige veranderingen in de financiële en niet-financiële omstandigheden voor de gebruikmaking van deze opties.

  Art. 135. Bij de berekening van hun technische voorzieningen delen de verzekerings- of herverzekeringsondernemingen hun verzekerings- of herverzekeringsverplichtingen op in homogene risicogroepen en ten minste in business lines.

  Art. 136. Wanneer de verzekerings- of herverzekeringsondernemingen de schuldvorderingen berekenen die voortvloeien uit herverzekeringsovereenkomsten en effectiseringsvehikels, nemen zij de artikelen 125 tot 135 in acht.
  Bij de berekening van de schuldvorderingen die voortvloeien uit herverzekeringsovereenkomsten en effectiseringsvehikels, houden de verzekerings- of herverzekeringsondernemingen rekening met het tijdsverschil tussen de verhaalde bedragen en de rechtstreekse betalingen.
  De uitkomst van deze berekening wordt gecorrigeerd voor de verwachte verliezen door wanbetaling van de tegenpartij. Deze correctie wordt gebaseerd op een beoordeling van de kans op wanbetaling door de tegenpartij en het daaruit resulterende gemiddelde verlies ("loss-given-default").

  Art. 137. De verzekerings- of herverzekeringsondernemingen beschikken over interne processen en procedures om de adequaatheid, volledigheid en juistheid te waarborgen van de gegevens waarvan gebruik wordt gemaakt bij de berekening van hun technische voorzieningen.
  Indien de verzekerings- of herverzekeringsondernemingen in specifieke omstandigheden over onvoldoende degelijke gegevens beschikken om een betrouwbare actuariële methode toe te passen op een set of subset van hun verzekerings- of herverzekeringsverplichtingen of op schuldvorderingen die voortvloeien uit herverzekeringsovereenkomsten en effectiseringsvehikels, mogen passende benaderingen, met inbegrip van ad hocbenaderingen, worden gebruikt voor de berekening van de beste schatting.

  Art. 138. De verzekerings- of herverzekeringsondernemingen beschikken over processen en procedures die ervoor zorgen dat hun beste schattingen en de hypothesen voor de berekening van de beste schattingen regelmatig worden getoetst aan de praktijkervaring.
  Wanneer bij deze toetsing blijkt dat de door de verzekerings- of herverzekeringsonderneming verrichte berekeningen van de beste schatting systematisch afwijken van de praktijkervaring, corrigeert de betrokken onderneming de gehanteerde actuariële methodes en/of hypothesen naar behoren.

  Art. 139. Op verzoek van de Bank tonen de verzekerings- of herverzekeringsondernemingen aan dat hun technische voorzieningen toereikend zijn, dat de gehanteerde methodes toepasselijk en relevant zijn en dat de onderliggende statistische gegevens adequaat zijn.

  Onderafdeling III. - Eigen vermogen

  Art. 140. Het eigen vermogen is de som van het in artikel 141 bedoelde kernvermogen en het in artikel 142 bedoelde aanvullend eigen vermogen.

  Art. 141. Kernvermogen bestaat uit de volgende bestanddelen:
  1° het positieve verschil van de activa ten opzichte van de opeisbare passiva (liabilities), die gewaardeerd worden overeenkomstig artikel 123 en Onderafdeling II van deze Afdeling;
  2° achtergestelde passiva.
  Het in 1°, bedoelde verschil wordt verminderd met het bedrag van de eigen aandelen die door de verzekerings- of herverzekeringsonderneming worden aangehouden.

  Art. 142. § 1. Aanvullend eigen vermogen bestaat uit bestanddelen die geen kernvermogen vormen en die kunnen worden opgevraagd om verliezen te compenseren.
  Aanvullend eigen vermogen kan bestaan uit de volgende bestanddelen, voor zover deze geen kernvermogen vormen:
  1° het niet-gestorte gedeelte van het maatschappelijk kapitaal of van het maatschappelijk fonds dat niet is opgevraagd;
  2° kredietbrieven en garanties;
  3° andere juridisch bindende verplichtingen jegens de verzekerings- of herverzekeringsonderneming.
  Bij onderlinge verzekeringsverenigingen met variabele bijdragen kan het aanvullend eigen vermogen ook de suppletiebijdragen omvatten die zij van hun leden kunnen eisen in de volgende twaalf maanden.
  § 2. Wanneer een bestanddeel van het aanvullend eigen vermogens gestort of opgevraagd is, wordt het behandeld als een actief en maakt het geen deel meer uit van het aanvullend eigen vermogen.

  Art. 143. § 1. Het bedrag aan aanvullend eigen vermogen dat bij de bepaling van het eigen vermogen in aanmerking wordt genomen, dient vooraf door de Bank te worden goedgekeurd.
  § 2. Het bedrag toegewezen aan elk bestanddeel van het aanvullend eigen vermogen weerspiegelt het vermogen van het betrokken bestanddeel om verliezen te compenseren en is gebaseerd op prudente en realistische hypothesen. Indien een bestanddeel van het aanvullend eigen vermogen een vaste nominale waarde heeft, is het bedrag van dat bestanddeel gelijk aan zijn nominale waarde, mits het het vermogen van het bestanddeel om verliezen te compenseren weerspiegelt.
  § 3. De Bank verleent haar goedkeuring aan een van de volgende elementen:
  1° een financieel bedrag voor elk bestanddeel van het aanvullend eigen vermogen;
  2° een methode om het bedrag van elk bestanddeel van het aanvullend eigen vermogen te bepalen. In dit geval verleent de Bank slechts voor een bepaalde periode haar goedkeuring aan het bedrag dat overeenkomstig deze methode is vastgesteld.
  § 4. Bij elk bestanddeel van het aanvullend eigen vermogen baseert de Bank haar goedkeuring op de beoordeling van het volgende:
  1° de positie van de betrokken tegenpartijen, in verband met hun mogelijkheid en bereidheid te betalen;
  2° de invorderbaarheid van het vermogensbestanddeel, waarbij rekening wordt gehouden met de rechtsvorm van het betrokken bestanddeel en met de omstandigheden waaronder het bestanddeel niet zal kunnen worden gestort of opgevraagd;
  3° informatie over de afloop van eerdere opvragingen door de verzekerings- of herverzekeringsondernemingen van dergelijk aanvullend eigen vermogen, voor zover die informatie op betrouwbare wijze kan worden gebruikt om de verwachte afloop van toekomstige opvragingen te beoordelen.

  Art. 144. Naast de vereisten van artikel 68 van Verordening 2015/35, wordt direct, indirect en synthetisch bezit van eigenvermogensinstrumenten van entiteiten uit de financiële sector afgetrokken van de eigenvermogensbestanddelen van een verzekerings- of herverzekeringsonderneming indien deze entiteiten een wederzijdse deelneming hebben in de verzekerings- of herverzekeringsonderneming, die volgens de Bank bedoeld is om het eigen vermogen van de verzekerings- of herverzekeringsonderneming kunstmatig te verhogen.
  Voor de toepassing van dit artikel wordt verstaan onder:
  1° "financiële sector": de financiële sector als gedefinieerd in artikel 338, 9° ;
  2° "synthetisch bezit": een belegging in een financieel instrument waarvan de waarde rechtstreeks verband houdt met de waarde van de door een entiteit uit de financiële sector uitgegeven kapitaalinstrumenten.

  Art. 145. Surplusfondsen zijn geaccumuleerde winsten die nog niet beschikbaar zijn gesteld voor uitkering aan de verzekeringnemers en de begunstigden.
  Surplusfondsen worden niet als verzekerings- of herverzekeringsverplichtingen beschouwd wanneer deze voldoen aan de criteria van artikel 147, § 1.

  Art. 146. § 1. Eigenvermogensbestanddelen worden in drie tiers ingedeeld. De indeling van deze bestanddelen is afhankelijk van de vraag of ze kernvermogens- of aanvullendeigenvermogensbestanddelen zijn en de mate waarin ze de volgende kenmerken bezitten:
  1° het bestanddeel blijft, ook bij liquidatie, beschikbaar of kan op verzoek opgevraagd worden om verliezen volledig te compenseren (permanente beschikbaarheid);
  2° bij liquidatie is het totale bedrag van het bestanddeel beschikbaar om verliezen te compenseren en wordt de terugbetaling van het bestanddeel aan de houder ervan geweigerd totdat alle andere verplichtingen, waaronder verzekerings- of herverzekeringsverplichtingen jegens verzekeringnemers en begunstigden van verzekerings- of herverzekeringsovereenkomsten, zijn nagekomen (achterstelling).
  § 2. Bij de beoordeling van de mate waarin de eigenvermogensbestanddelen op dit moment en in de toekomst de kenmerken bezitten die zijn vastgelegd in paragraaf 1, 1°, en 2°, wordt voldoende rekening gehouden met de duur van het bestanddeel, inzonderheid of het bestanddeel gedateerd is of niet. Wanneer een eigenvermogensbestanddeel gedateerd is, wordt rekening gehouden met de relatieve duur van het bestanddeel in vergelijking met de duur van de verzekerings- of herverzekeringsverplichtingen van de onderneming (voldoende looptijd).
  Bovendien wordt rekening gehouden met de volgende elementen:
  1° of het bestanddeel vrij is van vereisten of stimulansen om de nominale som terug te betalen (afwezigheid van stimulansen voor terugbetaling);
  2° of het bestanddeel vrij is van verplichte vaste kosten (afwezigheid van verplichte inherente kosten);
  3° of het bestanddeel niet bezwaard is (afwezigheid van bezwaringen).

  Art. 147. § 1. Kernvermogensbestanddelen worden ingedeeld in Tier 1 wanneer zij in hoge mate de kenmerken van artikel 146, § 1, 1°, en 2°, bezitten, rekening houdend met de elementen bedoeld in artikel 146, § 2.
  § 2. Kernvermogensbestanddelen worden ingedeeld in Tier 2 wanneer zij in hoge mate de kenmerken van artikel 146, § 1, 2°, bezitten, rekening houdend met de elementen bedoeld in artikel 146, § 2.
  Aanvullendeigenvermogensbestanddelen worden ingedeeld in Tier 2 wanneer zij in hoge mate de kenmerken van artikel 146, § 1, 1°, et 2°, bezitten, rekening houdend met de elementen bedoeld in artikel 146, § 2.
  § 3. Kern- en aanvullendeigenvermogens-bestanddelen die niet onder de paragrafen 1 en 2 vallen, worden ingedeeld in Tier 3.

  Art. 148. De verzekerings- of herverzekeringsondernemingen delen hun eigenvermogensbestanddelen in op basis van de criteria van artikel 147.
  Daartoe verwijzen de verzekerings- of herverzekeringsondernemingen in voorkomend geval naar de lijst van eigenvermogensbestanddelen als bedoeld in de artikelen 69, 72, 74, 76 en 78 van Verordening 2015/35.
  Wanneer een eigenvermogensbestanddeel niet in deze lijst voorkomt, wordt het overeenkomstig het eerste lid beoordeeld en ingedeeld door de verzekerings- of herverzekeringsondernemingen. Deze indeling wordt ter goedkeuring voorgelegd aan de Bank.

  Art. 149. Onverminderd artikel 148 en de lijst van eigenvermogensbestanddelen als bedoeld in de artikelen 69, 72, 74, 76 en 78 van Verordening 2015/35, gelden de volgende indelingen voor het verzekeringsspecifieke eigen vermogen:
  1° surplusfondsen die onder artikel 145, tweede lid, vallen, worden ingedeeld in Tier 1;
  2° kredietbrieven en garanties die door een onafhankelijke trustee ten behoeve van schuldeisers uit hoofde van verzekering in trust worden gehouden en afgegeven zijn door kredietinstellingen waaraan overeenkomstig Richtlijn 2013/36/EU een vergunning is verleend, worden ingedeeld in Tier 2;
  3° suppletiebijdragen die onderlinge verzekeringsverenigingen van reders met variabele bijdragen die uitsluitend de risico's verzekeren die ingedeeld zijn in de takken 6, 12 en 17 als vermeld in Bijlage I, van hun leden kunnen eisen in de volgende twaalf maanden, worden ingedeeld in Tier 2.
  Overeenkomstig artikel 147, § 2, tweede lid, worden suppletiebijdragen die onderlinge verzekeringsverenigingen met variabele bijdragen van hun leden kunnen eisen in de volgende twaalf maanden en die niet onder het eerste lid, 3°, vallen, ingedeeld in Tier 2, wanneer zij in hoge mate de kenmerken van artikel 146, § 1, 1°, en 2° bezitten, rekening houdend met de elementen bedoeld in artikel 146, § 2.

  Art. 150. § 1. Wat de naleving van het solvabiliteitskapitaalvereiste betreft, gelden voor de in aanmerking komende bedragen van de bestanddelen van Tier 2 en Tier 3 kwantitatieve grenzen. Die grenzen zijn zodanig dat gewaarborgd wordt dat ten minste aan de volgende voorwaarden wordt voldaan:
  1° het aandeel van Tier 1-bestanddelen in het in aanmerking komend eigen vermogen is meer dan een derde van het totale bedrag van het in aanmerking komend eigen vermogen;
  2° het in aanmerking komende bedrag van Tier 3-bestanddelen is minder dan een derde van het totale bedrag van het in aanmerking komend eigen vermogen.
  § 2. Wat de naleving van het minimumkapitaalvereiste betreft, geldt dat het bedrag van de in Tier 2 ingedeelde in aanmerking komende kernvermogensbestanddelen ter dekking van het minimumkapitaalvereiste is gebonden aan kwantitatieve grenzen. Die grenzen zijn zodanig dat ten minste gewaarborgd wordt dat het aandeel van Tier 1-bestanddelen in het in aanmerking komend kernvermogen meer is dan de helft van het totale bedrag van het in aanmerking komend kernvermogen.
  § 3. Het in aanmerking komend bedrag van het eigen vermogen ter dekking van het solvabiliteitskapitaalvereiste zoals vastgelegd in artikel 151 is gelijk aan de som van het bedrag van Tier 1, het in aanmerking komend bedrag van Tier 2 en het in aanmerking komend bedrag van Tier 3.
  § 4. Het in aanmerking komend bedrag van het kernvermogen ter dekking van het minimumkapitaalvereiste zoals vastgelegd in artikel 189 is gelijk aan de som van het bedrag van Tier 1 en het in aanmerking komend bedrag van de in Tier 2 ingedeelde kernvermogensbestanddelen.

  Afdeling II. - Kapitaalvereisten

  Onderafdeling I. - Algemene bepalingen betreffende het solvabiliteitskapitaalvereiste

  Art. 151. § 1. Het solvabiliteitskapitaalvereiste waaraan de verzekerings- of herverzekeringsondernemingen moeten voldoen, wordt overeenkomstig de paragrafen 2 tot 5 berekend.
  § 2. Het solvabiliteitskapitaalvereiste wordt berekend op basis van de veronderstelling dat de betrokken onderneming haar bedrijf blijvend zal uitoefenen.
  Het solvabiliteitskapitaalvereiste kan worden berekend aan de hand van de standaardmethode of aan de hand van interne modellen, volgens de regels die respectievelijk zijn vastgesteld in de Onderafdelingen II en III.
  § 3. Het solvabiliteitskapitaalvereiste wordt zo gekalibreerd dat rekening gehouden wordt met alle kwantificeerbare risico's waaraan de verzekerings- of herverzekeringsonderneming blootstaat.
  Het dekt bestaande verzekeringen, alsmede nieuwe verzekeringen die naar verwachting in de volgende twaalf maanden zullen worden afgesloten. Wat de bestaande verzekeringen betreft, dekt het uitsluitend onverwachte verliezen
  Het solvabiliteitskapitaalvereiste stemt overeen met de Value at Risk (VaR) van het kernvermogen van de verzekerings- of herverzekeringsonderneming, met een betrouwbaarheidsgraad van 99,5 % over een periode van één jaar.
  § 4. Het solvabiliteitskapitaalvereiste omvat ten minste de volgende risico's:
  1° het verzekeringstechnisch risico "niet-leven";
  2° het verzekeringstechnisch risico "leven";
  3° het verzekeringstechnisch risico "ziektekosten";
  4° het marktrisico;
  5° het kredietrisico;
  6° het operationeel risico.
  Tot het in het eerste lid, 6°, bedoelde operationele risico worden ook juridische risico's gerekend, maar niet de risico's die voortvloeien uit strategische beslissingen en reputatierisico's.
  De Koning kan bij een in Ministerraad overlegd koninklijk besluit bepalen dat het solvabiliteitskapitaalvereiste andere risico's dient te omvatten dan deze bedoeld in het eerste lid.
  § 5. Bij de berekening van hun solvabiliteitskapitaalvereiste houden de verzekerings- of herverzekeringsondernemingen rekening met het effect van risicomatigingstechnieken, mits in het solvabiliteitskapitaalvereiste afdoende rekening wordt gehouden met krediet- en andere risico's die voortvloeien uit het gebruik van dergelijke technieken.

  Art. 152. § 1. De verzekerings- of herverzekeringsondernemingen berekenen hun solvabiliteitskapitaalvereiste ten minste eenmaal per jaar en melden de uitkomst van deze berekening aan de Bank.
  Om te voldoen aan de bepalingen van de artikelen 74 en 151 controleren de verzekerings- of herverzekeringsondernemingen het bedrag van hun in aanmerking komend eigen vermogen en hun solvabiliteitskapitaalvereiste continu.
  Indien het risicoprofiel van een verzekerings- of herverzekeringsonderneming duidelijk afwijkt van de hypothesen die ten grondslag lagen aan het gemelde solvabiliteitskapitaalvereiste, berekent deze onderneming het solvabiliteitskapitaalvereiste onverwijld opnieuw en meldt zij dit aan de Bank.
  § 2. Wanneer er aanwijzingen zijn dat het risicoprofiel van een verzekerings- of herverzekeringsonderneming duidelijk veranderd is sinds de datum waarop het solvabiliteitskapitaalvereiste voor het laatst is gemeld, mag de Bank deze onderneming verplichten het solvabiliteitskapitaalvereiste opnieuw te berekenen.

  Onderafdeling II. - Solvabiliteitskapitaalvereiste berekend volgens de standaardformule

  Art. 153. Het solvabiliteitskapitaalvereiste berekend volgens de standaardformule is de som van de volgende bestanddelen:
  1° het kernsolvabiliteitskapitaalvereiste (Basic solvency capital requirement) als bedoeld in artikel 154;
  2° het kapitaalvereiste voor het operationele risico (Capital requirement for operational risk), als bedoeld in artikel 163;
  3° de correctie voor het vermogen van de technische voorzieningen en de uitgestelde belastingen (deferred taxes) om verliezen te compenseren (adjustment for the loss-absorbing capacity), als bedoeld in artikel 164.

  Art. 154. § 1. Het kernsolvabiliteitskapitaalvereiste bestaat uit afzonderlijke risicomodules die overeenkomstig punt 1 van Bijlage III geaggregeerd worden.
  Het bestaat uit ten minste de volgende risicomodules:
  1° het verzekeringstechnisch risico "niet-leven";
  2° het verzekeringstechnisch risico "leven";
  3° het verzekeringstechnisch risico "ziektekosten";
  4° het marktrisico;
  5° het tegenpartijrisico.
  De Koning kan bij een besluit, vastgesteld na overleg in de Ministerraad, bepalen dat andere modules dan deze bedoeld in het eerste lid dienen te worden gebruikt.
  § 2. Voor de toepassing van paragraaf 1, 1°, 2° en 3°, worden de verzekerings- of herverzekeringsverrichtingen ondergebracht in de verzekeringstechnische risicomodule die het best rekening houdt met de technische aard van de onderliggende risico's.
  § 3. De correlatiecoëfficiënten voor de aggregatie van de in paragraaf 1 bedoelde risicomodules, en de kalibratie van de kapitaalvereisten voor elke risicomodule afzonderlijk resulteren in een algeheel solvabiliteitskapitaalvereiste dat voldoet aan de beginselen van artikel 151.
  § 4. Elk van de in paragraaf 1 bedoelde risicomodules wordt gekalibreerd aan de hand van een VaR-maatstaf met een betrouwbaarheidsgraad van 99,5 % over een periode van één jaar.
  In voorkomend geval wordt bij de opzet van een risicomodule rekening gehouden met diversificatie-effecten.
  § 5. Voor alle verzekerings- of herverzekeringsondernemingen worden voor de risicomodules dezelfde opzet en specificaties gebruikt, zowel wat het kernsolvabiliteitskapitaalvereiste als de in artikel 165 bedoelde vereenvoudigde berekeningen betreft.
  § 6. Wat de risico's betreft die voortvloeien uit catastrofes, mogen geografische specificaties in voorkomend geval worden gebruikt voor de berekening van de modules "verzekeringstechnisch risico "leven"", "verzekeringstechnisch risico "niet-leven"" en "verzekeringstechnisch risico "ziektekosten"".
  § 7. Mits de Bank hiermee instemt, mogen de verzekerings- of herverzekeringsondernemingen bij de berekening van de modules "verzekeringstechnisch risico "leven"", "verzekeringstechnisch risico "niet-leven"" en "verzekeringstechnisch risico "ziektekosten"" binnen de opzet van de standaardformule een subset van de parameters ervan vervangen door parameters die specifiek zijn voor de betrokken onderneming.
  Dergelijke parameters worden gekalibreerd op basis van de interne gegevens van de betrokken onderneming of van gegevens die rechtstreeks relevantie hebben voor de verrichtingen van die onderneming, met gebruikmaking van standaardmethodes.
  Bij het verlenen van haar goedkeuring controleert de Bank de volledigheid, juistheid en adequaatheid van de gebruikte gegevens.

  Art. 155. Het kernsolvabiliteitskapitaalvereiste wordt overeenkomstig de artikelen 156 tot 160 berekend.

  Art. 156. § 1. De module "verzekerings-technisch risico "niet-leven"", (Non-life underwriting risk) heeft betrekking op het risico dat voortvloeit uit verzekeringsverplichtingen "niet-leven" en houdt rekening met de gedekte gevaren en de processen die in het kader van de bedrijfsuitoefening worden toegepast.
  Deze module houdt rekening met de onzekerheid in de resultaten van de verzekerings- of herverzekeringsondernemingen met betrekking tot hun bestaande verzekerings- of herverzekeringsverplichtingen, alsmede met betrekking tot de nieuwe verzekeringen die naar verwachting in de komende twaalf maanden zullen worden afgesloten.
  § 2. Overeenkomstig punt 2 van Bijlage III wordt de module berekend als een combinatie van de kapitaalvereisten voor ten minste de volgende submodules:
  1° het risico op verliezen (risk of loss) of op een ongunstige verandering (adverse change) in de waarde van de verzekeringsverplichtingen door schommelingen in het tijdstip, de frequentie en de ernst van de verzekerde gebeurtenissen en in het tijdstip en het bedrag van schaderegelingen (premie- en voorzieningenrisico "niet-leven");
  2° het risico op verliezen (risk of loss) of op een ongunstige verandering (adverse change) in de waarde van de verzekeringsverplichtingen door duidelijke onzekerheid over de hypothesen voor de prijsstelling en de voorzieningen die verband houdt met extreme of uitzonderlijke gebeurtenissen (catastroferisico "niet-leven").

  Art. 157. De module "verzekeringstechnisch risico "leven"" (life underwriting risk) heeft betrekking op het risico dat voortvloeit uit levensverzekeringsverplichtingen en houdt rekening met de gedekte gevaren en de processen die in het kader van de bedrijfsuitoefening worden toegepast.
  Overeenkomstig punt 3 van Bijlage III wordt de module berekend als een combinatie van de kapitaalvereisten voor ten minste de volgende submodules:
  1° het risico op verliezen (risk of loss) of op een ongunstige verandering (adverse change) in de waarde van de verzekeringsverplichtingen door schommelingen in het niveau, de trend of de volatiliteit van de sterftecijfers, wanneer een stijging van het sterftecijfer leidt tot een stijging van de waarde van verzekeringsverplichtingen (overlijdensrisico - mortality risk);
  2° het risico op verliezen (risk of loss) of op een ongunstige verandering (adverse change) in de waarde van de verzekeringsverplichtingen door schommelingen in het niveau, de trend of de volatiliteit van sterftecijfers, wanneer een daling van het sterftecijfer leidt tot een stijging van de waarde van verzekeringsverplichtingen (langlevenrisico);
  3° het risico op verliezen (risk of loss) of op een ongunstige verandering (adverse change) in de waarde van de verzekeringsverplichtingen door schommelingen in het niveau, de trend of de volatiliteit van invaliditeits-, ziekte- en morbiditeitscijfers (invaliditeits- en morbiditeitsrisico - disability and morbidity risk);
  4° het risico op verliezen (risk of loss) of op een ongunstige verandering (adverse change) in de waarde van de verzekeringsverplichtingen door schommelingen in het niveau, de trend of de volatiliteit van de kosten voor het beheer van verzekerings- of herverzekeringsovereenkomsten (kostenrisico "leven" - life expense risk);
  5° het risico op verliezen (risk of loss) of op een ongunstige verandering (adverse change) in de waarde van de verzekeringsverplichtingen door schommelingen in het niveau, de trend of de volatiliteit van de op de lijfrente toegepaste herzieningspercentages, als gevolg van veranderingen in het wettelijk kader of in de gezondheidstoestand van de verzekerde (herzieningsrisico - revision risk);
  6° het risico op verliezen (risk of loss) of op een ongunstige verandering (adverse change) in de waarde van de verzekeringsverplichtingen door schommelingen in het niveau of de volatiliteit van de percentages van voortijdige beëindiging, beëindiging, verlenging of afkoop van de overeenkomsten (risico van voortijdige beëindiging - lapse risk);
  7° het risico op verliezen (risk of loss) of op een ongunstige verandering (adverse change) in de waarde van de verzekeringsverplichtingen door duidelijke onzekerheid over de hypothesen voor de prijsstelling en de voorzieningen die verband houdt met extreme of onregelmatige gebeurtenissen (catastroferisico "leven" - life catastrophe risk).

  Art. 158. De module "verzekeringstechnisch risico "ziektekosten"" (health underwriting risk) heeft betrekking op het risico dat voortvloeit uit ziektekostenverzekeringsverplichtingen, ongeacht of hij een soortgelijke technische grondslag heeft als die van levensverzekeringen, en houdt rekening met zowel de gedekte gevaren als de processen die in het kader van de bedrijfsuitoefening worden toegepast.
  De module dekt minstens de volgende risico's:
  1° het risico op verliezen (risk of loss) of op een ongunstige verandering (adverse change) in de waarde van de verzekeringsverplichtingen door schommelingen in het niveau, de trend of de volatiliteit van de kosten voor het beheer van verzekerings- of herverzekeringsovereenkomsten;
  2° het risico op verliezen (risk of loss) of op een ongunstige verandering (adverse change) in de waarde van de verzekeringsverplichtingen door schommelingen in het tijdstip, de frequentie en de ernst van de verzekerde gebeurtenissen en in het tijdstip en het bedrag van schaderegelingen ten tijde van de vorming van de voorzieningen;
  3° het risico op verliezen (risk of loss) of op een ongunstige verandering (adverse change) in de waarde van de verzekeringsverplichtingen door duidelijke onzekerheid over de hypothesen voor de prijsstelling en de voorzieningen door de uitbraak van grote epidemieën en door een ongebruikelijke accumulatie van risico's onder dergelijke extreme omstandigheden.

  Art. 159. De module "marktrisico" (market risk) heeft betrekking op het risico dat voortvloeit uit het niveau of de volatiliteit van de marktprijzen van financiële instrumenten die van invloed zijn op de waarde van de activa en passiva van de betrokken onderneming. Het houdt naar behoren rekening met elke structurele mismatch tussen activa en passiva, inzonderheid wat betreft de looptijd ervan.
  Overeenkomstig punt 4 van Bijlage III wordt de module berekend als een combinatie van de kapitaalvereisten voor ten minste de volgende submodules:
  1° de gevoeligheid van de waarde van de activa, passiva en financiële instrumenten voor veranderingen in de rentetermijnstructuur of in de volatiliteit van de rente (renterisico - interest rate risk);
  2° de gevoeligheid van de waarde van de activa, passiva en financiële instrumenten voor veranderingen in het niveau of in de volatiliteit van de marktprijzen van aandelen (aandelenrisico - equity risk);
  3° de gevoeligheid van de waarde van de activa, passiva en financiële instrumenten voor veranderingen in het niveau of in de volatiliteit van de marktprijzen van vastgoed (vastgoedrisico - property risk);
  4° de gevoeligheid van de waarde van de activa, passiva en financiële instrumenten voor veranderingen in het niveau of in de volatiliteit van de kredietspreads ten opzichte van de risicovrije rentetermijnstructuur (spreadrisico - spread risk);
  5° de gevoeligheid van de waarde van de activa, passiva en financiële instrumenten voor veranderingen in het niveau of in de volatiliteit van wisselkoersen (valutarisico - currency risk);
  6° extra risico's die een verzekerings- of herverzekeringsonderneming loopt hetzij door een gebrek aan diversificatie in de activaportefeuille, hetzij door een sterke blootstelling aan het risico van wanbetaling van een enkele emittent van effecten of een groep van verbonden emittenten (marktrisicoconcentraties - market risk concentrations).

  Art. 160. De module "tegenpartijrisico" (counterparty default risk) heeft betrekking op potentiële verliezen als gevolg van onverwachte wanbetaling of een verslechtering van de kredietwaardigheid van de tegenpartijen en debiteuren van de verzekerings- of herverzekeringsonderneming in de volgende twaalf maanden.
  De module "tegenpartijrisico" omvat risicomatigingsovereenkomsten, zoals herverzekeringsregelingen, effectiseringen en afgeleide instrumenten, alsook vorderingen op tussenpersonen en andere kredietrisico's die niet onder de submodule "spreadrisico" vallen. De module houdt op passende wijze rekening met waarborgen of andere zekerheden die worden gehouden door of voor rekening van de verzekerings- of herverzekeringsonderneming en de daaraan verbonden risico's.
  De module "tegenpartijrisico" houdt voor elke tegenpartij rekening met de algehele blootstelling van de verzekerings- of herverzekeringsonderneming aan het tegenpartijrisico, ongeacht de rechtsvorm van diens contractuele verplichtingen jegens deze onderneming.

  Art. 161. De submodule "aandelenrisico" (equity risk) die wordt berekend volgens de standaardformule omvat een symmetrische aanpassing van het aandelenkapitaalvereiste om het risico te dekken dat voortvloeit uit veranderingen in de aandelenprijzen.
  De symmetrische aanpassing van het standaardvereiste voor aandelenkapitaal, dat gekalibreerd is in overeenstemming met artikel 154, § 4, om de risico's te dekken die voortvloeien uit veranderingen in de aandelenprijzen, is gebaseerd op een functie van de huidige stand van een passende aandelenindex en het gewogen gemiddelde van die index. Het gewogen gemiddelde wordt berekend over een passende periode die dezelfde is voor alle verzekerings- of herverzekeringsondernemingen.
  De symmetrische aanpassing van het standaardvereiste voor aandelenkapitaal, ter dekking van de risico's die voortvloeien uit veranderingen in de aandelenprijzen, mag niet resulteren in de toepassing van een aandelenkapitaalvereiste dat meer dan 10 procentpunten lager of hoger is dan het standaardvereiste voor aandelenkapitaal.

  Art. 162. § 1. Levensverzekeringsondernemingen mogen voor de berekening van het solvabiliteitskapitaalvereiste een submodule "aandelenrisico op basis van looptijd" toepassen (duration-based equity risk), wanneer:
  1° hetzij deze ondernemingen pensioenuitkeringen verlenen die worden uitbetaald tegen de datum van pensionering of te verwachten pensionering, waarbij de voor deze uitkeringen betaalde premies voor de verzekeringnemers van de belasting aftrekbaar zijn volgens de nationale wetgeving van de lidstaat die aan de onderneming een vergunning heeft verleend;
  2° en wanneer aan alle volgende voorwaarden is voldaan:
  a) alle met die activiteiten overeenkomende activa en verplichtingen zijn afgescheiden en worden gescheiden van de overige activiteiten van de verzekeringsondernemingen beheerd en georganiseerd, zonder dat er enige mogelijkheid tot overdracht bestaat;
  b) de activiteiten van de onderneming als bedoeld in 1°, en 2°, ten aanzien waarvan de in dit artikel bedoelde benadering wordt gevolgd, worden alleen uitgeoefend in de lidstaat waar de betrokken onderneming een vergunning heeft verkregen;
  c) de gemiddelde looptijd van de aan deze activiteiten verbonden verplichtingen van de onderneming bedraagt meer dan twaalf jaar.
  § 2. De in dit artikel bedoelde submodule "aandelenrisico op basis van looptijd" (duration-based equity risk) wordt gekalibreerd aan de hand van een VaR-maatstaf, over een periode die strookt met de voor de betrokken onderneming typische aanhoudingsperiode van aandelenbeleggingen, met een betrouwbaarheidsgraad die de verzekeringnemers en begunstigden een bescherming biedt die gelijkwaardig is aan die van artikel 151, indien de in dit artikel voorgeschreven benadering alleen wordt gevolgd ten aanzien van de activa en verplichtingen bedoeld in paragraaf 1, 2°, a). Bij de berekening van het solvabiliteitskapitaalvereiste worden deze activa en verplichtingen volledig in aanmerking genomen voor de beoordeling van de diversificatie-effecten, onverminderd de noodzaak om de belangen van de verzekeringnemers en de begunstigden in andere lidstaten te beschermen.
  Onder voorbehoud van de goedkeuring van de Bank wordt de benadering van het eerste lid alleen gebruikt indien de solvabiliteits- en de liquiditeitspositie, alsmede de strategieën, processen en verslaggevingsprocedures van de betrokken onderneming met betrekking tot haar beheer van activa en verplichtingen van zodanige aard zijn dat doorlopend vaststaat dat de onderneming in staat is aandelenbeleggingen aan te houden gedurende een periode die strookt met de voor die onderneming typische aanhoudingsperiode van aandelenbeleggingen. De onderneming moet in staat zijn om ten behoeve van de Bank aan te tonen dat deze voorwaarde vervuld is met een betrouwbaarheidsgraad die verzekeringnemers en begunstigden een bescherming biedt die gelijkwaardig is aan die van artikel 151.
  De verzekerings- of herverzekeringsondernemingen die gebruikmaken van de bepalingen van dit artikel, vallen niet terug op de benadering van de artikelen 155 tot 160, behalve onder naar behoren gemotiveerde omstandigheden en onder voorbehoud van goedkeuring door de Bank.

  Art. 163. Het kapitaalvereiste voor het operationele risico (operational risk) houdt rekening met de operationele risico's, voor zover daarmee al geen rekening is gehouden in de risicomodules bedoeld in artikel 154. Dit vereiste wordt gekalibreerd overeenkomstig artikel 151, § 3.
  Bij levensverzekeringsovereenkomsten waarbij het beleggingsrisico wordt gedragen door de verzekeringnemer, wordt in de berekening van het kapitaalvereiste voor het operationele risico rekening gehouden met het bedrag aan jaarlijkse kosten dat voor deze verzekeringsverplichtingen wordt gemaakt.
  Bij andere dan de in het tweede lid bedoelde verzekerings- of herverzekeringsverrichtingen wordt bij de berekening van het kapitaalvereiste voor het operationele risico rekening gehouden met het volume van deze verrichtingen wat betreft verdiende premies en technische voorzieningen die voor deze verzekerings- of herverzekeringsverplichtingen worden aangehouden. In dit geval bedraagt het kapitaalvereiste voor het operationele risico niet meer dan 30 % van het kernsolvabiliteitskapitaalvereiste voor deze verzekerings- of herverzekeringsverrichtingen.

  Art. 164. Bij de in artikel 153, 3°, bedoelde correctie voor het vermogen van de technische voorzieningen en de uitgestelde belastingen (deferred taxes) om verliezen te compenseren (adjustment for the loss-absorbing capacity), wordt rekening gehouden met de potentiële compensatie van onverwachte verliezen door middel van een gelijktijdige verlaging van de technische voorzieningen of uitgestelde belastingen dan wel een combinatie van de twee.
  Bij deze correctie wordt rekening gehouden met het risicomatigingseffect van toekomstige discretionaire uitkeringen uit hoofde van verzekeringsovereenkomsten, voor zover de verzekerings- of herverzekeringsondernemingen kunnen aantonen dat dergelijke uitkeringen mogen worden verlaagd om onverwachte verliezen te dekken. Het risicomatigingseffect van de toekomstige discretionaire uitkeringen bedraagt niet meer dan de som van de technische voorzieningen en uitgestelde belastingen in verband met deze toekomstige discretionaire uitkeringen.
  Voor de toepassing van het tweede lid, wordt de waarde van de toekomstige discretionaire uitkeringen onder ongunstige omstandigheden vergeleken met de waarde van dergelijke uitkeringen volgens de hypothesen die aan de berekening van de beste schatting ten grondslag liggen.

  Art. 165. De verzekerings- of herverzekeringsondernemingen mogen voor een bepaalde submodule of risicomodule een vereenvoudigde berekening toepassen wanneer dit op grond van de aard, de omvang en de complexiteit van de risico's waaraan ze blootstaan gerechtvaardigd is en het onevenredig zou zijn om alle verzekerings- of herverzekeringsondernemingen te verplichten de standaardberekening toe te passen.
  Vereenvoudigde berekeningen worden gekalibreerd overeenkomstig artikel 151, § 3.

  Art. 166. Wanneer het solvabiliteitskapitaalvereiste beter niet kan worden berekend volgens de standaardformule bedoeld in Onderafdeling II, omdat het risicoprofiel van de betrokken verzekerings- of herverzekeringsonderneming duidelijk afwijkt van de hypothesen die ten grondslag liggen aan de berekening volgens de standaardformule, mag de Bank de betrokken onderneming bij een met redenen omkleed besluit verplichten bij de berekening van de modules "verzekeringstechnisch risico "leven"", "verzekeringstechnisch risico "niet-leven"" en verzekeringstechnisch risico "ziektekosten"" volgens de standaardformule, een subset van de parameters ervan te vervangen door parameters die specifiek zijn voor die onderneming (undertaking-specific parameters), als bepaald in artikel 154, § 7. Die specifieke parameters worden zodanig berekend dat gewaarborgd wordt dat de onderneming voldoet aan artikel 151, § 3.

  Onderafdeling III. - Solvabiliteitskapitaalvereiste berekend aan de hand van geheel of gedeeltelijk interne modellen

  Art. 167. § 1. De verzekerings- of herverzekeringsondernemingen mogen hun solvabiliteitskapitaalvereiste berekenen aan de hand van een geheel of gedeeltelijk intern model dat goedgekeurd is door de Bank.
  § 2. De verzekerings- of herverzekeringsondernemingen mogen gedeeltelijk interne modellen gebruiken voor de berekening van een of meer van de volgende elementen:
  1° een of meer risicomodules of submodules van het kernsolvabiliteitskapitaalvereiste als bedoeld in de artikelen 154 tot 160;
  2° het kapitaalvereiste voor het operationele risico als beschreven in artikel 163;
  3° de in artikel 164 bedoelde correctie.
  Voorts mogen deelmodellen worden gebruikt voor het gehele bedrijf van de verzekerings- of herverzekeringsondernemingen of voor slechts een of meer belangrijke bedrijfsonderdelen.
  § 3. Bij een goedkeuringsaanvraag dienen de verzekerings- of herverzekeringsondernemingen ten minste gegevens te voegen die bewijzen dat het interne model voldoet aan de vereisten van de artikelen 174 tot 187.
  Wanneer de goedkeuringsaanvraag betrekking heeft op een gedeeltelijk intern model, worden de vereisten van de artikelen 174 tot 187 aangepast om rekening te houden met het beperkte toepassingsgebied van het model.
  § 4. De Bank neemt binnen zes maanden na ontvangst van de volledige aanvraag een beslissing over de goedkeuringsaanvraag.
  § 5. De Bank verleent alleen haar goedkeuring als zij ervan overtuigd is dat de systemen voor de identificering, de meting, de bewaking, het beheer en de melding van de risico's waaraan de verzekerings- of herverzekeringsonderneming blootstaat, passend zijn, en zij er inzonderheid van overtuigd is dat het interne model aan de vereisten van paragraaf 3 voldoet.
  § 6. Een beslissing van de Bank om de aanvraag voor het gebruik van een intern model af te wijzen, wordt met redenen omkleed.
  § 7. Na van de Bank de goedkeuring te hebben verkregen voor het gebruik van een intern model, kan van de verzekerings- of herverzekeringsondernemingen, bij een met redenen omkleed besluit, worden verlangd dat zij een schatting verstrekken van hun solvabiliteitskapitaalvereiste als berekend volgens de standaardformule, overeenkomstig Onderafdeling II.

  Art. 168. § 1. Bij een gedeeltelijk intern model verleent de Bank alleen goedkeuring als dit model voldoet aan de vereisten van artikel 167 en aan de volgende aanvullende voorwaarden:
  1° de betrokken onderneming geeft een goede verklaring voor het beperkte toepassingsgebied van het model;
  2° het solvabiliteitskapitaalvereiste dat eruit voortvloeit, vormt een betere afspiegeling van het risicoprofiel van de betrokken onderneming en voldoet inzonderheid aan de beginselen van Onderafdeling I;
  3° de opzet ervan sluit zodanig aan bij de beginselen van Onderafdeling I, dat het gedeeltelijk interne model volledig kan worden geïntegreerd in de standaardformule voor de berekening van het solvabiliteitskapitaalvereiste.
  § 2. Bij de beoordeling van een aanvraag voor het gebruik van een gedeeltelijk intern model dat slechts bepaalde submodules van een bepaalde risicomodule, of een aantal bedrijfsonderdelen van een verzekerings- of herverzekeringsonderneming met betrekking tot een bepaalde risicomodule of delen van beide bestrijkt, mag de Bank de betrokken verzekerings- of herverzekeringsonderneming verplichten een realistisch overgangsplan in te dienen om het toepassingsgebied van haar model uit te breiden.
  Het overgangsplan vermeldt hoe de verzekerings- of herverzekeringsonderneming het toepassingsgebied van haar model zodanig denkt uit te breiden tot andere submodules of bedrijfsonderdelen dat daarmee het belangrijkste deel van haar verzekeringsverrichtingen met betrekking tot deze specifieke risicomodule wordt bestreken.

  Art. 169. In het kader van de eerste goedkeuringsprocedure voor een intern model keurt de Bank de beleidslijn voor de wijziging van het model van de verzekerings- of herverzekeringsonderneming goed. De verzekerings- of herverzekeringsondernemingen mogen hun interne model overeenkomstig deze beleidslijn wijzigen.
  In de beleidslijn wordt aangegeven welke wijzigingen in het interne model ingrijpend en welke niet-ingrijpend zijn.
  Ingrijpende wijzigingen in het interne model en wijzigingen in de beleidslijn voor de wijziging van het model moeten systematisch vooraf door de Bank worden goedgekeurd overeenkomstig artikel 167.
  Niet-ingrijpende wijzigingen in het interne model moeten niet vooraf door de Bank worden goedgekeurd, voor zover deze in overeenstemming zijn met de genoemde beleidslijn.

  Art. 170. Het wettelijk bestuursorgaan van de verzekerings- of herverzekeringsonderneming verleent goedkeuring voor de indiening bij de Bank van de in artikel 167 bedoelde aanvraag voor goedkeuring van het interne model en de aanvraag voor goedkeuring van latere ingrijpende wijzigingen in dit model.
  Het wettelijk bestuursorgaan draagt de verantwoordelijkheid voor de invoering van systemen die ervoor zorgen dat het interne model naar behoren blijft werken.

  Art. 171. Na overeenkomstig artikel 167 goedkeuring te hebben verkregen, vallen de verzekerings- of herverzekeringsondernemingen voor de berekening van het gehele of een deel van het solvabiliteitskapitaalvereiste niet terug op de standaardformule van Onderafdeling II, behalve onder naar behoren gemotiveerde omstandigheden en onder voorbehoud van goedkeuring door de Bank.

  Art. 172. Indien een verzekerings- of herverzekeringsonderneming nadat ze van de Bank goedkeuring heeft verkregen voor het gebruik van een intern model, de vereisten van de artikelen 174 tot 187 niet meer naleeft, dient zij bij de Bank onverwijld hetzij een plan in om de situatie binnen een redelijke termijn te herstellen, hetzij informatie waaruit blijkt dat dit geen noemenswaardige gevolgen heeft.
  Ingeval de verzekerings- of herverzekeringsonderneming het in het eerste lid bedoelde plan niet uitvoert, mag de Bank deze onderneming verplichten om het solvabiliteitskapitaalvereiste weer volgens de standaardformule van Onderafdeling II te berekenen.

  Art. 173. Wanneer het solvabiliteitskapitaalvereiste beter niet kan worden berekend volgens de standaardformule van Onderafdeling II, omdat het risicoprofiel van de verzekerings- of herverzekeringsonderneming duidelijk afwijkt van de hypothesen die ten grondslag liggen aan de berekening volgens de standaardformule, mag de Bank de betrokken onderneming bij een met redenen omkleed besluit verplichten om een intern model te gebruiken voor de berekening van haar solvabiliteitskapitaalvereiste of de relevante risicomodules daarvan.

  Art. 174. De verzekerings- of herverzekeringsondernemingen tonen aan dat hun interne model algemeen wordt gebruikt in en een belangrijke rol speelt in hun governancesysteem als bedoeld in artikel 42, en inzonderheid:
  1° in hun risicobeheersysteem als bedoeld in artikel 84 en in hun besluitvormingsprocedures;
  2° in hun processen voor de beoordeling en allocatie van het economisch en solvabiliteitskapitaal, waaronder de in artikel 91 bedoelde beoordeling.
  Voorts tonen de verzekerings- of herverzekeringsondernemingen aan dat de frequentie waarmee het solvabiliteitskapitaalvereiste met het interne model wordt berekend, aansluit bij de frequentie waarmee zij hun interne model gebruiken voor de andere in het eerste lid vermelde doeleinden.
  Het wettelijk bestuursorgaan is er verantwoordelijk voor dat de opzet en de werking van het interne model adequaat blijft en dat het risicoprofiel van de betrokken verzekerings- of herverzekeringsonderneming correct tot uiting blijft komen in het interne model.

  Art. 175. Het interne model, en inzonderheid de berekening van de kansverdelingsprognose die eraan ten grondslag ligt, voldoen aan de criteria van de artikelen 176 tot 183.

  Art. 176. De methodes die gebruikt worden voor de berekening van de kansverdelingsprognose, berusten op adequate, toepasselijke en relevante actuariële en statistische methodes en sluiten aan bij de methodes die gebruikt worden voor de berekening van technische voorzieningen.
  De methodes die gebruikt worden voor de berekening van de kansverdelingsprognose, berusten op actuele en betrouwbare informatie en op realistische hypothesen.
  De verzekerings- of herverzekeringsondernemingen kunnen tegenover de Bank de juistheid aantonen van de hypothesen die aan hun interne model ten grondslag liggen.

  Art. 177. Voor het interne model worden juiste, volledige en gepaste gegevens gebruikt.
  De verzekerings- of herverzekeringsondernemingen werken de bij de berekening van de kansverdelingsprognose gebruikte gegevensbestanden ten minste eenmaal per jaar bij.

  Art. 178. Voor de berekening van de kansverdelingsprognose wordt geen specifieke methode voorgeschreven.
  Ongeacht de gekozen berekeningsmethode is het interne model voldoende in staat om risico's zodanig te classificeren dat gewaarborgd is dat het overeenkomstig artikel 174 algemeen wordt gebruikt in en een belangrijke rol speelt in het governancesysteem van de betrokken verzekerings- of herverzekeringsonderneming, en met name in haar risicobeheersysteem en besluitvormingsprocedures en bij de allocatie van haar kapitaal.
  Het interne model bestrijkt alle materiële risico's waaraan de betrokken verzekerings- of herverzekeringsonderneming blootstaat. Het bestrijkt minstens de risico's die in artikel 151, § 4, zijn opgesomd.

  Art. 179. Wat de diversificatie-effecten betreft, mogen de verzekerings- of herverzekeringsondernemingen in hun interne model rekening houden met afhankelijkheden binnen de risicocategorieën en dwars door risicocategorieën heen, mits de Bank overtuigd is van de deugdelijkheid van het systeem dat gebruikt wordt voor de meting van deze diversificatie-effecten.

  Art. 180. De verzekerings- of herverzekeringsondernemingen mogen ten volle rekening houden met het effect van risicomatigingstechnieken op hun interne model, zolang de krediet- en andere risico's die voortvloeien uit het gebruik van deze risicomatigingstechnieken correct tot uiting komen in het interne model.

  Art. 181. De verzekerings- of herverzekeringsondernemingen beoordelen in hun model nauwkeurig de bijzondere risico's die verbonden zijn aan financiële garanties en contractuele opties, wanneer deze van wezenlijk belang zijn. Ook beoordelen zij de risico's die verbonden zijn aan de opties die aan de verzekeringnemer worden geboden, en aan de contractuele opties voor verzekerings- of herverzekeringsondernemingen. Daartoe houden zij rekening met de mogelijke gevolgen van toekomstige veranderingen in de financiële en niet-financiële omstandigheden voor de gebruikmaking van deze opties.

  Art. 182. In hun interne model mogen de verzekerings- of herverzekeringsondernemingen rekening houden met beheeractiviteiten waarvan redelijkerwijs mag worden aangenomen dat zij die onder bepaalde omstandigheden zullen verrichten.
  In het in het eerste lid bedoelde geval houdt de betrokken onderneming rekening met de tijd die nodig is voor de uitvoering van dergelijke activiteiten.

  Art. 183. In hun interne model houden de verzekerings- of herverzekeringsondernemingen rekening met alle door hen verwachte betalingen aan verzekeringnemers en begunstigden, ongeacht of deze contractueel gegarandeerd zijn.

  Art. 184. De verzekerings- of herverzekeringsondernemingen mogen voor de interne modellering een andere periode of risicomaatstaf hanteren dan die waarin artikel 151, § 3, voorziet, op voorwaarde dat de resultaten van hun interne model hen in staat stellen het solvabiliteitskapitaalvereiste te berekenen op een wijze die verzekeringnemers en begunstigden een bescherming biedt die gelijkwaardig is aan die van artikel 151.
  Waar dit uitvoerbaar is, leiden de verzekerings- of herverzekeringsondernemingen aan de hand van de VaR-maatstaf als bedoeld in artikel 151, § 3, het solvabiliteitskapitaalvereiste rechtstreeks af uit de kansverdelingsprognose die hun interne model oplevert.
  Wanneer de verzekerings- of herverzekeringsondernemingen hun solvabiliteitskapitaalvereiste niet rechtstreeks kunnen afleiden uit de kansverdelingsprognose die hun interne model oplevert, mag de Bank toestaan dat bij de berekening van het solvabiliteitskapitaalvereiste benaderingen gebruikt worden, voor zover deze ondernemingen tegenover de Bank kunnen aantonen dat de verzekeringnemers een bescherming wordt geboden die gelijkwaardig is aan die van artikel 151.
  De Bank mag de verzekerings- of herverzekeringsondernemingen verplichten hun interne model toe te passen op relevante benchmarkportefeuilles en daarbij gebruik te maken van hypothesen die niet zozeer op interne als wel op externe gegevens berusten, teneinde de kalibratie van het interne model te controleren en na te gaan of de specificaties ervan in overeenstemming zijn met de vaste marktpraktijk.

  Art. 185. De verzekerings- of herverzekeringsondernemingen beoordelen ten minste eenmaal per jaar voor elk belangrijk bedrijfsonderdeel de oorzaken en bronnen van winsten en verliezen.
  Zij tonen aan op welke wijze de categorisatie van risico's in hun interne model de oorzaken en bronnen van winsten en verliezen verklaart. De categorisatie van risico's en de toeschrijving van winsten en verliezen weerspiegelen het risicoprofiel van de verzekerings- of herverzekeringsondernemingen.

  Art. 186. De verzekerings- of herverzekeringsondernemingen voorzien in een regelmatige modelvalideringscyclus waarbij de werking van het interne model wordt gecontroleerd, de voortdurende deugdelijkheid van de specificaties ervan wordt beoordeeld en de resultaten ervan aan de praktijkervaring worden getoetst.
  Het modelvalideringsproces omvat een doeltreffende statistische procedure voor de validering van het interne model, waarmee de verzekerings- of herverzekeringsondernemingen tegenover de Bank kunnen aantonen dat de resulterende kapitaalvereisten deugdelijk zijn.
  De toegepaste statistische methodes toetsen de deugdelijkheid van de kansverdelingsprognose niet alleen aan de feitelijke verlieservaring, maar ook aan alle materiële nieuwe gegevens en informatie die daaraan gerelateerd zijn.
  Het modelvalideringsproces omvat een analyse van de stabiliteit van het interne model en inzonderheid een toetsing van de gevoeligheid van de resultaten van het interne model voor wijzigingen in de voornaamste onderliggende hypothesen. Het proces omvat ook een beoordeling van de juistheid, volledigheid en adequaatheid van de gegevens waarvan het interne model gebruik maakt.

  Art. 187. De verzekerings- of herverzekeringsondernemingen documenteren de opzet en operationele bijzonderheden van hun interne model.
  Uit die documentatie blijkt dat de artikelen 174 tot 186 worden nageleefd.
  In de documentatie wordt een gedetailleerde beschrijving gegeven van de theorie, de hypothesen en de wiskundige en empirische grondslagen van het interne model.
  Eventuele omstandigheden waaronder het interne model niet doeltreffend werkt, worden in de documentatie vermeld.
  De verzekerings- of herverzekeringsondernemingen documenteren alle overeenkomstig artikel 169 aangebrachte ingrijpende wijzigingen in hun interne model.

  Art. 188. Het gebruik van een model of gegevens van een derde partij wordt niet als een goede reden beschouwd om af te wijken van de vereisten waaraan het interne model moet voldoen overeenkomstig de artikelen 174 tot 187.

  Onderafdeling IV. - Minimumkapitaalvereiste

  Art. 189. § 1. De verzekerings- of herverzekeringsondernemingen voldoen aan een minimumkapitaalvereiste dat berekend wordt overeenkomstig de volgende beginselen:
  1° het wordt op een duidelijke en eenvoudige wijze berekend, en wel zodanig dat de berekening kan worden gecontroleerd;
  2° het komt overeen met een bedrag aan in aanmerking komend kernvermogen waaronder de verzekeringnemers en de begunstigden blootstaan aan een ontoelaatbaar risiconiveau, indien de verzekerings- of herverzekeringsonderneming haar activiteiten zou mogen voortzetten;
  3° de in paragraaf 2 bedoelde lineaire functie die wordt gebruikt voor de berekening van het minimumkapitaalvereiste, wordt gekalibreerd volgens de VaR van het kernvermogen van de betrokken verzekerings- of herverzekeringsonderneming, met een betrouwbaarheidsgraad van 85 % over een periode van één jaar;
  4° het heeft een absolute ondergrens:
  a) van 2 500 000 EUR voor niet-levensverzekeringsondernemingen, met inbegrip van verzekeringscaptives, behalve wanneer alle of sommige van de risico's van een van de takken 10 tot 15 als vermeld in Bijlage I worden gedekt, in welk geval de ondergrens niet lager mag zijn dan 3 700 000 EUR,
  b) van 3 700 000 EUR voor levensverzekeringsondernemingen, met inbegrip van verzekeringscaptives,
  c) van 3 600 000 EUR voor herverzekeringsondernemingen, behalve voor herverzekeringscaptives, in welk geval de ondergrens niet lager mag zijn dan 1 200 000 EUR,
  d) die gelijk is aan de som van de in a) en b) vermelde bedragen voor de verzekeringsondernemingen bedoeld in artikel 223, eerste lid.
  § 2. Onverminderd paragraaf 3, wordt het minimumkapitaalvereiste berekend als een lineaire functie van een set of subset van de volgende variabelen: de technische voorzieningen van de onderneming, de geschreven premies, het risicokapitaal, de uitgestelde belastingen en de administratieve uitgaven. De gebruikte variabelen worden gemeten onder aftrek van herverzekering.
  § 3. Onverminderd paragraaf 1, 4°, mag het minimumkapitaalvereiste niet dalen onder 25 %, noch uitstijgen boven 45 % van het solvabiliteitskapitaalvereiste van de onderneming, berekend overeenkomstig Onderafdeling II of Onderafdeling III van deze Afdeling, met inbegrip van de eventueel overeenkomstig artikel 323 opgelegde opslagfactor.
  § 4. De verzekerings- of herverzekeringsondernemingen berekenen hun minimumkapitaalvereiste ten minste eenmaal per kwartaal en melden de uitkomst van deze berekening aan de Bank.
  Indien het minimumkapitaalvereiste van een onderneming wordt bepaald door een van beide in paragraaf 3 bedoelde grenswaarden, verstrekt de onderneming aan de Bank de informatie die nodig is voor een deugdelijk inzicht in de redenen die hieraan ten grondslag liggen.

  Afdeling III. - Beleggingen

  Onderafdeling I. - "Prudent person"-beginsel

  Art. 190. De verzekerings- of herverzekeringsondernemingen beleggen al hun activa overeenkomstig het in deze Onderafdeling beschreven "prudent person"-beginsel.
  De Bank kan bij reglement vastgesteld overeenkomstig artikel 12bis, § 2, van de wet van 22 februari 1998 en na advies van de FSMA voor wat betreft tak 23 als vermeld in Bijlage II, verduidelijken wat moet worden verstaan onder "prudent person".

  Art. 191. Wat de gehele activaportefeuille betreft, beleggen de verzekerings- of herverzekeringsondernemingen alleen in activa en instrumenten waarvan zij de risico's goed kunnen identificeren, meten, bewaken, beheren, beheersen en rapporteren en op adequate wijze in aanmerking kunnen nemen bij de beoordeling van hun algehele solvabiliteitsbehoefte overeenkomstig artikel 91, § 1, tweede lid, 1°.
  Alle activa, met inbegrip van de activa ter dekking van het minimumkapitaalvereiste en het solvabiliteitskapitaalvereiste, worden zodanig belegd dat de veiligheid, de kwaliteit, de liquiditeit, het rendement en de congruentie van de portefeuille als geheel gewaarborgd zijn. Bovendien worden de activa zodanig gelokaliseerd dat hun beschikbaarheid gewaarborgd is.
  De activa die tegenover de technische voorzieningen staan, worden eveneens belegd op een wijze die strookt met de aard en looptijd van de verzekerings- of herverzekeringsverplichtingen. Deze activa worden belegd in het beste belang van alle verzekeringnemers en begunstigden waarbij rekening wordt gehouden met alle verwoorde beleidsdoelstellingen.
  Bij een belangenconflict zorgen de verzekeringsondernemingen of de entiteit die hun activaportefeuille beheert, ervoor dat de belegging in het beste belang van de verzekeringnemers en de begunstigden wordt gedaan.

  Art. 192.De bepalingen van dit artikel zijn van toepassing op de activa die aangehouden worden voor levensverzekeringsovereenkomsten waarbij het beleggingsrisico door de verzekeringnemer wordt gedragen, onverminderd artikel 191 en [1 artikel 19]1 van de Wet Verzekeringen.
  Indien de uitkeringen waarin een overeenkomst voorziet, rechtstreeks gekoppeld zijn aan de waarde van rechten van deelneming in een ICBE in de zin van Richtlijn 2009/65/EG, of aan de waarde van activa die zijn opgenomen in een door de verzekeringsonderneming gehouden intern fonds, dat gewoonlijk in fracties is verdeeld, worden de technische voorzieningen met betrekking tot deze uitkeringen zo exact mogelijk gedekt door deze rechten van deelneming of fracties, dan wel, indien er geen fracties zijn gecreëerd, door deze activa.
  Indien de uitkeringen waarin een overeenkomst voorziet, rechtstreeks gekoppeld zijn aan een aandelenindex of aan een andere referentiewaarde dan die bedoeld in het tweede lid, worden de technische voorzieningen met betrekking tot deze uitkeringen zo exact mogelijk gedekt door de fracties die geacht worden de referentiewaarde te vertegenwoordigen of, indien er geen fracties zijn gecreëerd, door activa met een toereikende veiligheid en verhandelbaarheid die zo nauw mogelijk aansluiten bij die waarop de betrokken referentiewaarde is gebaseerd.
  Wanneer de uitkeringen als bedoeld in het tweede en derde lid een gegarandeerd rendement of een andere gegarandeerde uitkering behelzen, is artikel 193 van toepassing op de activa die tegenover de desbetreffende aanvullende technische voorzieningen staan.
  ----------
  (1)<W 2019-05-02/28, art. 69, 012; Inwerkingtreding : 01-06-2019>

  Art. 193. Onverminderd artikel 191 zijn het tweede tot vijfde lid van dit artikel van toepassing op de andere activa dan die welke onder artikel 192 vallen.
  Het gebruik van afgeleide instrumenten is toegestaan, voor zover deze bijdragen tot een vermindering van de risico's of een doeltreffend portefeuillebeheer vergemakkelijken.
  Beleggingen en activa die niet zijn toegelaten tot de handel op een gereglementeerde financiële markt, worden tot een prudent niveau beperkt.
  De activa worden naar behoren gediversifieerd zodanig dat een bovenmatige afhankelijkheid van een bepaald actief, een bepaalde emittent of groep van ondernemingen, of een bepaald geografisch gebied en bovenmatige risicoaccumulatie in de portefeuille als geheel worden vermeden.
  Beleggingen in activa uitgegeven door dezelfde emittent of door emittenten die tot dezelfde groep behoren, mogen de verzekerings- of herverzekeringsondernemingen niet blootstellen aan bovenmatige risicoconcentratie.

  Onderafdeling II. - Bijhouden van een doorlopende inventaris

  Art. 194. De verzekeringsondernemingen houden te allen tijde activa aan die vrij zijn van alle lasten en die gewaardeerd worden overeenkomstig artikel 123, voor een bedrag dat de verplichtingen jegens de schuldeisers uit hoofde van verzekering dekt zoals die verschuldigd zouden zijn in het geval van een liquidatieprocedure waarbij de verzekeringsovereenkomsten beëindigd zouden worden. Voor de overeenkomsten die vallen onder de takken als vermeld in Bijlage II stemt dit bedrag overeen met de inventariswaarde waarvan de Koning, op advies van de Bank en de FSMA, ieder wat hun bevoegdheden betreft, de berekeningswijze kan bepalen.

  Art. 195. De verzekeringsondernemingen houden op hun zetel een speciaal register bij, "doorlopende inventaris" genoemd, van de activa bedoeld in artikel 194, voor elk afzonderlijk beheer als bedoeld in artikel 230.
  Wanneer de in de doorlopende inventaris opgenomen activa bezwaard zijn met een ten gunste van een derde gevestigd zakelijk recht waardoor een gedeelte van het bedrag van die activa niet beschikbaar is voor de dekking van de verplichtingen, wordt daarvan melding gemaakt in het register en wordt het niet-beschikbare bedrag niet meegeteld bij de berekening van het in artikel 194 bedoelde vereiste.
  De verzekeringsondernemingen delen de toestand van de doorlopende inventaris van elk afzonderlijk beheer aan de Bank mee met inachtneming van de vorm en de inhoud die door haar zijn voorgeschreven en op de drager en binnen de termijn die door haar zijn bepaald.

  Onderafdeling III. - Lokalisatie van de activa

  Art. 196. De activa van de verzekerings- of herverzekeringsondernemingen zijn binnen of buiten de Europese Economische Ruimte gelokaliseerd.

  Art. 197. § 1. In afwijking van artikel 196 mogen de verzekerings- of herverzekeringsondernemingen de activa die zij aanhouden ter dekking van de technische voorzieningen met betrekking tot risico's die in de Europese Economische Ruimte zijn gelegen, slechts buiten die Ruimte lokaliseren wanneer het gaat om:
  1° onroerende goederen;
  2° effecten en wanneer
  a) de rechten die voor de verzekerings- of herverzekeringsonderneming voortvloeien uit de bewaargeving van deze effecten bij een in bewaring nemende tussenpersoon vormen een zakelijk recht op grond waarvan zij op deze effecten aanspraak kunnen maken, met uitsluiting van het eenvoudige vorderingsrecht; en
  b) de betrokken in bewaring nemende tussenpersoon geeft aan de Bank een verklaring af dat hij zich ertoe verbindt gevolg te geven aan alle beslissingen om de vrije beschikking over de activa van de verzekerings- of herverzekeringsonderneming te beperken of te ontnemen, die met toepassing van de artikelen 513 en 517, § 1, 6°, zijn genomen.
  § 2. In afwijking van artikel 196 kan de Bank bij reglement vastgesteld overeenkomstig artikel 12bis, § 2, van de wet van 22 februari 1998 eisen dat de activa die worden aangehouden ter dekking van de technische voorzieningen met betrekking tot de verzekeringsrisico's die buiten de Europese Economische Ruimte zijn aangegaan, binnen die Ruimte gelokaliseerd zijn.
  Zo niet worden de regels betreffende de dekking van de technische voorzieningen voor deze risico's en betreffende de lokalisatie ervan vastgesteld volgens de regels van het land van het risico.

  Art. 198.[1 Voor herverzekeringsovereenkomsten die worden gesloten met een onderneming die ressorteert onder het recht van een derde land waarvan de solvabiliteitsregeling waaraan ze krachtens die wetgeving onderworpen is, met toepassing van artikel 172, lid 3 of lid 6, van de voormelde richtlijn 2009/138/EG niet als gelijkwaardig wordt beschouwd met de regeling waarin deze richtlijn voorziet, kan de Bank op individuele basis eisen, teneinde het tegenpartijrisico in hoofde van de overdragende verzekeringsondernemingen te beperken, dat de voorziening voor onverdiende premies en voorzieningen voor te betalen schaden uit hoofde van herverzekeringsovereenkomsten gewaarborgd worden door een pand of door een andere - zakelijke hetzij persoonlijke - zekerheid, onverminderd de bepalingen van de internationale verdragen waarbij België partij is.
   De Bank bepaalt de modaliteiten van de in het eerste lid bedoelde zekerheden.
   Bovendien kan de Bank, bij reglement vastgesteld overeenkomstig artikel 12bis, § 2, van de wet van 22 februari 1998, eisen dat de activa ter dekking van de voorziening voor onverdiende premies en voorzieningen voor te betalen schaden uit hoofde van de in het eerste lid bedoelde herverzekeringsovereenkomsten in een lidstaat zijn gelegen.]1
  ----------
  (1)<W 2019-05-02/28, art. 70, 012; Inwerkingtreding : 01-06-2019>

  HOOFDSTUK VII. - Periodieke informatieverstrekking en boekhoudregels

  Art. 199. De verzekerings- of herverzekeringsondernemingen leggen hun jaarrekening neer bij de Bank.
  Onverminderd artikel 200 bepaalt de Koning, op advies van de Bank en de FSMA, ieder voor wat zijn bevoegdheden betreft:
  1° de regels op grond waarvan de verzekerings- of herverzekeringsondernemingen hun boekhouding voeren, de diverse balansposten ramen en hun jaarrekening opstellen en hun jaarverslag opmaken;
  2° de regels die de verzekerings- of herverzekeringsondernemingen in acht moeten nemen bij de opstelling, de controle en de openbaarmaking van hun geconsolideerde jaarrekening, evenals bij de opstelling en de openbaarmaking van de verslagen over het beheer en de controle van die geconsolideerde jaarrekening.
  De Bank kan, bij reglement vastgesteld met toepassing van artikel 12bis, § 2, van de wet van 22 februari 1998, de toepassingsmodaliteiten vastleggen van de regels bepaald in de in het tweede lid bedoelde koninklijke besluiten.

  Art. 200. De in artikel 223 bedoelde verzekeringsondernemingen stellen hun jaarrekening zodanig op dat de bronnen van de resultaten van levensverzekeringen en niet-levensverzekeringen gescheiden tot uiting komen. Alle opbrengsten, met name premies, uitbetalingen van herverzekeraars, inkomsten uit beleggingen, en uitgaven, met name verzekeringsuitkeringen, toevoegingen aan de technische voorzieningen, herverzekeringspremies en werkingskosten voor de verzekerings- en herverzekeringsverrichtingen, worden op basis van hun oorsprong onderverdeeld. De bestanddelen die beide activiteiten gemeen hebben, worden geboekt volgens kostenverdelingsmethodes die door de Bank moeten zijn aanvaard.

  Art. 201. Naast de verplichtingen inzake verslaggeving waarin de uitvoeringsmaatregelen van Richtlijn 2009/138/EG voorzien, en onverminderd de artikelen 312 tot 316, leggen de verzekerings- of herverzekeringsondernemingen aan de Bank periodiek de financiële informatie voor die zij bepaalt en die wordt opgemaakt overeenkomstig de regels die zijn vastgesteld door de Bank, die ook de rapporteringsfrequentie bepaalt. Bovendien kan de Bank voorschrijven dat haar geregeld eventuele andere cijfergegevens of uitleg worden verstrekt om te kunnen nagaan of de voorschriften van deze wet, van de uitvoeringsbesluiten en -reglementen ervan of van de maatregelen tot uitvoering van Richtlijn 2009/138/EG zijn nageleefd.

  Art. 202. Onverminderd artikel 80, § 5, verklaart het directiecomité of, bij ontstentenis van een directiecomité, de personen belast met de effectieve leiding van de verzekerings- of herverzekeringsonderneming, aan de Bank dat de in artikel 201 bedoelde periodieke informatie die haar aan het einde van het eerste halfjaar en aan het einde van het boekjaar wordt bezorgd door de onderneming, opgesteld is volgens de voorschriften die door of krachtens de wet, de uitvoeringsmaatregelen van Richtlijn 2009/138/EG en de instructies van de Bank zijn vastgesteld.
  Daartoe is vereist dat de periodieke informatie, voor wat de boekhoudkundige gegevens betreft:
  1° volledig is, d.w.z. dat zij alle gegevens bevat uit de boekhouding en de inventarissen op basis waarvan zij wordt opgesteld,
  2° juist is, d.w.z. dat zij exact overeenstemt met de gegevens uit de boekhouding en de inventarissen op basis waarvan de periodieke informatie wordt opgesteld.

  Art. 203. Voor bepaalde categorieën van verzekerings- of herverzekeringsondernemingen of in specifieke gevallen kan de Bank afwijkingen toestaan van de in artikel 199, tweede lid, en artikel 201 bedoelde regels.

  HOOFDSTUK VIII. - Herstelplannen

  Afdeling I. - Opmaak van herstelplannen

  Art. 204. Indien ze dit gerechtvaardigd acht in het licht van mogelijke risico's op een aanzienlijke verslechtering van de financiële positie van een verzekerings- of herverzekeringsonderneming, met name op grond van haar bedrijfsmodel, haar juridische structuur, inherente kenmerken van de groep waarvan ze deel uitmaakt, haar risicoprofiel, de kenmerken van de door haar in de handel gebrachte producten, kan de Bank de verzekerings- of herverzekeringsonderneming verplichten een herstelplan op te stellen met maatregelen die door de onderneming kunnen worden uitgevoerd voor het herstel van haar financiële positie na een aanzienlijke verslechtering ervan, en dit plan te actualiseren.
  Het herstelplan houdt rekening met verschillende scenario's van ernstige macro-economische of financiële crisis, waaronder systeembrede gebeurtenissen, crises die specifiek zijn voor de onderneming, en, in voorkomend geval, crises waarbij entiteiten van de groep waarvan de verzekerings- of herverzekeringsonderneming deel uitmaakt, betrokken zijn.
  Het herstelplan dekt de verzekerings- of herverzekeringsonderneming en haar Belgische en buitenlandse dochterondernemingen.
  Wanneer ze een dergelijk plan oplegt, houdt de Bank rekening met het feit dat de verzekerings- of herverzekeringsonderneming in voorkomend geval betrokken is in een groepstoezicht in de zin van artikel 343 of in een aanvullend toezicht op een financieel conglomeraat in de zin van artikel 451, op een andere verzekerings- of herverzekeringsonderneming, een verzekerings-holding, een gemengde verzekeringsholding of een gemengde financiële holding, die onder het recht van een andere lidstaat ressorteert en waarvoor een herstelplan is goedgekeurd door de betrokken bevoegde autoriteit.

  Art. 205. De verzekerings- of herverzekeringsonderneming neemt in het herstelplan de nodige voorwaarden en procedures op om de snelle en doeltreffende uitvoering van de maatregelen te verzekeren en zodoende haar financiële positie te herstellen, zonder dat dit voor het Belgische of internationale financiële stelsel significante negatieve gevolgen heeft.
  Het herstelplan bevat kwalitatieve en kwantitatieve indicatoren van een potentiële verslechtering van de financiële positie van de onderneming, met aanduiding van de tijdstippen waarop ze onderzoekt of in het plan opgenomen corrigerende maatregelen ten uitvoer moeten worden gelegd.
  Te dien einde bepaalt het herstelplan passende procedures voor de periodieke monitoring van de in het tweede lid bedoelde indicatoren, alsook voor het onderzoek van de in overweging te nemen corrigerende maatregelen, met inbegrip van de eventueel te volgen escalatieprocedure.
  Het herstelplan houdt geen rekening met enige uitzonderlijke overheidssteun.

  Art. 206. De verzekerings- of herverzekeringsonderneming actualiseert het herstelplan ten minste eenmaal per jaar en in ieder geval na elke wijziging in haar juridische of organisatiestructuur, haar activiteiten of haar financiële positie, die een aanzienlijke invloed kan hebben op de uitvoering van het plan.
  De Bank kan eisen dat de onderneming het herstelplan vaker actualiseert.

  Art. 207. Naargelang het geval kan de Bank nadere regels bepalen voor:
  1° de minimuminhoud van het herstelplan;
  2° de informatie die door de verzekerings- of herverzekeringsonderneming aan de Bank moet worden meegedeeld, en de frequentie waarmee dit dient te gebeuren.

  Afdeling II. - Beoordeling van herstelplannen

  Art. 208. § 1. Het herstelplan dat met toepassing van artikel 204 is vereist, wordt door het wettelijk bestuursorgaan van de verzekerings- of herverzekeringsonderneming onderzocht en goedgekeurd vooraleer het aan de Bank wordt voorgelegd.
  § 2. De verzekerings- of herverzekeringsonderneming legt het herstelplan als bedoeld in paragraaf 1 aan de Bank voor binnen vier maanden te rekenen vanaf de beslissing waarvan zij met toepassing van artikel 204 in kennis werd gesteld.
  Onder voorbehoud van wat in het derde lid is bepaald, legt de verzekerings- of herverzekeringsonderneming aan de Bank een geactualiseerd plan voor binnen twee maanden volgend op het feit dat aanleiding heeft gegeven tot het ontstaan van de verplichting tot actualisering van het plan, met dien verstande dat de Bank deze termijn kan verlengen tot maximum zes maanden.
  Indien het feit dat aanleiding heeft gegeven tot de verplichting tot actualisering van het plan, een wijziging is in de financiële positie van de verzekerings- of herverzekeringsonderneming die het plan aanmerkelijk kan beïnvloeden, stelt de verzekerings- of herverzekeringsonderneming de Bank hiervan onverwijld in kennis en legt zij een geactualiseerd plan voor binnen de termijn die haar door de Bank wordt meegedeeld.

  Art. 209. § 1. Binnen drie maanden na ontvangst van het herstelplan onderzoekt de Bank dit plan en beoordeelt zij of het voldoet aan de vereisten bepaald door of krachtens de artikelen 204 tot 207.
  Hierbij evalueert de Bank inzonderheid of het herstelplan toelaat redelijkerwijze te verwachten dat:
  1° de uitvoering van de in het plan opgenomen maatregelen van aard is om de levensvatbaarheid en de financiële positie van de verzekerings- of herverzekeringsonderneming of de groep waarvan ze deel uitmaakt, in stand te houden of te herstellen;
  2° het plan en de verschillende opties die daarin zijn opgenomen, snel en doeltreffend kunnen worden uitgevoerd in situaties van financiële stress, waarbij in de mate van het mogelijke significante negatieve gevolgen voor het financiële stelsel worden vermeden, mede in scenario's van gelijktijdige uitvoering van herstelplannen van andere ondernemingen.
  Bij haar evaluatie van het herstelplan besteedt de Bank bijzondere aandacht aan de toereikendheid van de financiering van de verzekerings- of herverzekeringsonderneming, in het bijzonder aan de structuur van haar eigen vermogen, in verhouding tot de graad van complexiteit van haar organisatiestructuur en tot haar risicoprofiel.
  § 2. Indien de Bank oordeelt dat het herstelplan wezenlijke tekortkomingen vertoont of dat er significante belemmeringen zijn voor de tenuitvoerlegging ervan, stelt zij de verzekerings- of herverzekeringsonderneming daarvan in kennis en, nadat zij haar de gelegenheid heeft gegeven om haar standpunt te formuleren, nodigt zij haar uit om binnen twee maanden een herzien plan in te dienen waarin de tekortkomingen of belemmeringen zijn verholpen. De Bank kan de voornoemde termijn met maximum één maand verlengen.
  § 3. Indien de Bank oordeelt dat de door haar geïdentificeerde tekortkomingen of belemmeringen niet naar behoren zijn verholpen in het overeenkomstig paragraaf 2 herziene plan, kan zij de verzekerings- of herverzekeringsonderneming gelasten om binnen dertig dagen vanaf de kennisgeving van deze bevinding specifieke wijzigingen in het herstelplan aan te brengen.

  Art. 210. Indien de verzekerings- of herverzekeringsonderneming binnen de gestelde termijn geen gevolg geeft aan de uitnodiging bedoeld in artikel 209, § 2, of indien de Bank oordeelt dat het herziene herstelplan dat werd ingediend overeenkomstig artikel 209, § 2, de door haar geïdentificeerde tekortkomingen of belemmeringen niet verhelpt of het onmogelijk is om deze naar behoren te verhelpen middels een aanmaning overeenkomstig artikel 209, § 3, of nog indien geen gevolg werd gegeven aan de aanmaning die met toepassing van artikel 209, § 3, werd verricht, stelt de Bank de verzekerings- of herverzekeringsonderneming daarvan in kennis.
  In deze gevallen kan de Bank de verzekerings- of herverzekeringsonderneming gelasten elke maatregel te treffen die ze noodzakelijk en evenredig acht om een einde te maken aan deze tekortkomingen of belemmeringen en kan ze inzonderheid eisen dat de verzekerings- of herverzekeringsonderneming maatregelen treft om:
  1° haar risicoprofiel aan te passen, met name door haar tariferingsbeleid en/of haar onderschrijvingsbeleid of nog haar herverzekerings- en retrocessiebeleid te wijzigen;
  2° een snelle herkapitalisatie mogelijk te maken;
  3° wijzigingen aan te brengen in haar financieringsstrategie en/of in haar beleggingsbeleid;
  4° wijzigingen aan te brengen in haar governancesysteem.
  De beslissing van de Bank wordt ter kennis gebracht van de verzekerings- of herverzekeringsonderneming.

  Afdeling III. - Uitvoering van herstelplannen

  Art. 211. § 1. De verzekerings- of herverzekeringsonderneming stelt de Bank onverwijld in kennis van elke beslissing naar aanleiding van het onderzoek dat met toepassing van artikel 205 werd gevoerd om een corrigerende maatregel te nemen in het kader van de, in voorkomend geval gedeeltelijke, tenuitvoerlegging van haar herstelplan en van elke beslissing om dit niet te doen.
  § 2. Onverminderd de andere bevoegdheden die deze wet haar toekent, kan de Bank de verzekerings- of herverzekeringsonderneming opdragen om een of meer in haar herstelplan opgenomen corrigerende maatregelen te nemen indien ze nalaat om uit eigen initiatief passende maatregelen te nemen.

  HOOFDSTUK IX. - Specifieke bepalingen met betrekking tot het verzekerings- of herverzekeringsbedrijf

  Afdeling I. - Bijzondere bepalingen met betrekking tot verzekeringen

  Onderafdeling I. - Bijzondere bepalingen met betrekking tot niet-levensverzekeringen

  Art. 212. Geen enkele winstdeling of restorno mag, op welke wijze ook, worden gewaarborgd vóór de datum van de verdeling van de winst.
  De Koning kan, op advies van de Bank en de FSMA, de regels bepalen die de verzekeringsondernemingen in acht moeten nemen voor de winstverdeling en -toekenning, met inbegrip van de groepen van overeenkomsten of verplichtingen waarop die regels van toepassing zijn, evenals de voor toezichtsdoeleinden benodigde informatie die de verzekeringsondernemingen aan de Bank moeten verstrekken. De Bank kan deze groepen van overeenkomsten of verplichtingen aanvullen bij reglement vastgesteld overeenkomstig artikel 12bis, § 2, van de wet van 22 februari 1998.

  Onderafdeling II. - Bijzondere bepalingen met betrekking tot levensverzekeringen

  Art. 213. Voor de toepassing van deze Onderafdeling en van de ter uitvoering ervan genomen besluiten en reglementen wordt verstaan onder:
  1° technische rentevoet: een jaarlijkse rentevoet van een beleggingswet tegen samengestelde intrest, die gebruikt wordt voor de bepaling van de actuele waarde van een uitgestelde premie of prestatie;
  2° voorvalswet (van een verzekerde gebeurtenis): een wet met betrekking tot de waarschijnlijkheid dat de verzekerde gebeurtenis zich voordoet;
  3° toeslag: elk ander tariferingselement dan de technische rentevoet en de voorvalswetten van de verzekerde gebeurtenissen waarmee rekening wordt gehouden in de verhouding tussen de verplichtingen van de verzekeringsonderneming en de premies die daar tegenover staan;
  4° technische grondslagen: het geheel van de technische rentevoeten, de voorvalswetten en de toeslagen waarmee rekening wordt gehouden bij de opstelling van de tarieven of de vorming van de reserves;
  5° afkoop (van een overeenkomst): opzegging van de overeenkomst door de verzekeringnemer;
  6° reductie (van een overeenkomst): vermindering van de actuele waarde van de verzekerde prestaties ten gevolge van de stopzetting van de premiebetaling;
  7° afkoopwaarde (op een bepaald ogenblik): door de verzekeringsonderneming te storten uitkering bij afkoop van de overeenkomst;
  8° reductiewaarde (op een bepaald ogenblik): uitkering die bij reductie verzekerd blijft;
  9° winstverdeling: afstand van winstdeling aan de overeenkomsten;
  10° winsttoekenning: definitieve maar, in voorkomend geval, voorwaardelijke, toewijzing van de winstdeling aan bepaalde overeenkomsten.

  Art. 214. Voor elk type van product dat het voorwerp uitmaakt van haar activiteit, deelt de verzekeringsonderneming vóór de toepassing ervan, aan de Bank de grondslagen en de methodes mee die zij gebruikt voor het opstellen van haar tarifering, de berekening van de afkoopwaarden, de reductiewaarden en de technische voorzieningen, alsook de vergoedingen die ze toepast. De Bank bezorgt deze informatie aan de FSMA.
  De Bank kan bij reglement vastgesteld met toepassing van artikel 12bis, § 2, van de wet van 22 februari 1998 de in het eerste lid bedoelde types van producten bepalen.

  Art. 215. De premies voor nieuwe zaken zijn op basis van redelijke actuariële hypothesen voldoende om de levensverzekeringsonderneming in staat te stellen aan al haar verplichtingen te voldoen en met name toereikende technische voorzieningen te vormen.
  Hiertoe kan rekening worden gehouden met alle aspecten van de financiële positie van de levensverzekeringsonderneming, zonder dat de inbreng van andere middelen dan de premies en de opbrengst daarvan een systematisch en permanent karakter heeft, op een wijze waardoor de solvabiliteit van de betrokken onderneming op termijn in gevaar zou kunnen komen.

  Art. 216. § 1. Voor levensverzekeringsovereenkomsten mogen de verzekeringsondernemingen geen technische rentevoet waarborgen die hoger is dan een maximum dat overeenkomstig de bepalingen van deze paragraaf is vastgesteld.
  De maximale technische rentevoet is gelijk aan 85 % van het gemiddelde over de laatste 24 maanden van de rendementen van lineaire Belgische overheidsobligaties op 10 jaar, waarbij het resultaat op de dichtstbijzijnde 25 bp (basispunten) wordt afgerond. De maximale technische rentevoet wordt berekend op 1 juni van elk jaar. Hij mag niet hoger zijn dan 3,75 % en niet lager dan 0,75 %.
  Indien de overeenkomstig het tweede lid berekende maximale technische rentevoet minstens 25 bp hoger of lager is dan de geldende maximale technische rentevoet, stelt de Bank de FSMA daarvan in kennis. De FSMA verstrekt aan de Bank binnen vijftien dagen haar advies over de wijziging van de maximale technische rentevoet voor de in het eerste lid bedoelde overeenkomsten.
  Binnen vijftien dagen na ontvangst van het advies van de FMSA of, bij gebreke van advies, binnen vijftien dagen na het verstrijken van de in het derde lid bedoelde termijn, legt de Bank aan de minister tot wiens bevoegdheid de verzekeringen behoren, een gemotiveerd voorstel voor tot wijziging van de maximale technische rentevoet voor de in het eerste lid bedoelde overeenkomsten. Het advies van de FSMA wordt bij het voorstel van de Bank gevoegd.
  Binnen twee maanden na ontvangst van het voorstel van de Bank, kan de minister tot wiens bevoegdheid de verzekeringen behoren, de door de Bank voorgestelde maximale technische rentevoet afwijzen of wijzigen in een met redenen omkleed besluit. In geval van afwijzing is de maximale technische rentevoet die welke op het tijdstip van de afwijzing van kracht is.
  Zodra zij de beslissing van de minister heeft ontvangen, of, bij gebreke van beslissing, bij het verstrijken van de in het vijfde lid bedoelde termijn, publiceert de Bank in het Belgisch Staatsblad en op haar website de nieuwe maximale technische rentevoet voor de in het eerste lid bedoelde verzekeringsovereenkomsten. Deze rentevoet is van kracht vanaf 1 januari na die publicatie.
  § 2. In afwijking van paragraaf 1 mogen de verzekeringsondernemingen gedurende een periode van ten hoogste acht jaar en voor een welbepaalde, op de datum van de verbintenis gevestigde prestatie, een technische rentevoet waarborgen die hoger is dan de in paragraaf 1 bedoelde maximale technische rentevoet, voor zover de looptijd van en de inkomsten uit de activa van de onderneming dit toelaten.
  De Koning bepaalt op advies van de Bank en de FSMA de voorwaarden voor de toepassing van deze paragraaf.
  § 3. Indien de maximale technische rentevoet wordt gewijzigd met toepassing van paragraaf 1, is die rentevoet van toepassing:
  1° op de overeenkomsten die vanaf de datum van inwerkingtreding van de nieuwe rentevoet zijn gesloten;
  2° op de overeenkomsten die vóór de datum van inwerkingtreding van de nieuwe rentevoet zijn gesloten, waarvoor de te vestigen prestatie niet bepaald wordt bij het sluiten ervan, voor wat betreft de premies die vanaf de datum van inwerkingtreding van de nieuwe rentevoet worden gestort;
  3° op de overeenkomsten die vóór de datum van inwerkingtreding van de nieuwe rentevoet zijn gesloten, waarvoor de te vestigen prestatie bepaald wordt bij het sluiten ervan, voor wat betreft de premies die vanaf de datum van inwerkingtreding van de nieuwe rentevoet worden gestort en die overeenstemmen met een verhoging of een herziening van de waarborg die vanaf die datum geldt.
  Wanneer de overeenkomst tot verschillende van de in het eerste lid bedoelde categorieën behoort of wanneer de te vestigen prestatie enkel wordt bepaald voor een duur die korter is dan de totale duur van de overeenkomst, zijn de bepalingen van het eerste lid van toepassing op elke bij deze overeenkomst betrokken partij alsof het om één enkele overeenkomst ging.
  § 4. De verrichtingen met flexibele premies worden voor de tarifering als een geheel van verrichtingen tegen koopsom beschouwd en geen enkele waarborg inzake tarief mag worden toegekend voor flexibele premies vóór hun storting.

  Art. 217. Geen enkele winstdeling of restorno mag, op welke wijze ook, worden gewaarborgd vóór de datum van de verdeling van de winst.

  Art. 218. Een levensverzekeringsovereenkomst mag met een of meer fondsen met aangewezen activa verbonden zijn. In dat geval verbindt de verzekeringsonderneming zich ertoe om bovenop de tariefgrondslagen, een deel van de gerealiseerde winst afkomstig uit beleggingen in deze aangewezen activa, als winstdeling te verdelen en toe te kennen.

  Art. 219. Een levensverzekeringsovereenkomst mag met een of meer beleggingsfondsen die door een of meer verzekeringsondernemingen worden beheerd, verbonden zijn. In dat geval wordt het beleggingsrisico gedragen door de verzekeringnemer en mag er geen winstdeling worden toegekend die afkomstig is van winst op de beleggingen.

  Art. 220. In het kader van het beheer van collectieve pensioenfondsen die behoren tot tak 27 als vermeld in Bijlage II, mag een verzekeringsonderneming enkel fondsen met betrekking tot pensioenverplichtingen en solidariteitstoezeggingen beheren van:
  1° een instelling voor bedrijfspensioenvoorziening als bedoeld in artikel 2, 1°, van de wet van 27 oktober 2006 betreffende het toezicht op de instellingen voor bedrijfspensioenvoorziening;
  2° een openbaar bestuur als bedoeld in artikel 134, 1°, van de voornoemde wet van 27 oktober 2006;
  3° een overheidsbedrijf als bedoeld in artikel 138, eerste lid, van de voornoemde wet van 27 oktober 2006;
  4° een instelling of externe dienst van een openbaar bestuur of een overheidsbedrijf opgericht overeenkomstig de artikelen 136, § 1, en 138, van de voornoemde wet van 27 oktober 2006;
  5° een rechtspersoon belast met de uitvoering van een solidariteitstoezegging, als bedoeld in artikel 47 van de wet van 28 april 2003 betreffende de aanvullende pensioenen en het belastingstelsel van die pensioenen en van sommige aanvullende voordelen inzake sociale zekerheid;
  6° een rechtspersoon belast met de uitvoering van een solidariteitsstelsel, als bedoeld in artikel 56 van de programmawet (I) van 24 december 2002.
  De verzekeringsonderneming kan aan het beheer van collectieve pensioenfondsen een waarborg verbinden met betrekking tot het rendement of het behoud van het kapitaal.

  Art. 221. Met het oog op de toepassing van deze wet bepaalt de Koning, op advies van de Bank en de FSMA, de regels die de verzekeringsondernemingen moeten volgen voor wat betreft de uitoefening van de levensverzekeringsactiviteiten als vermeld in Bijlage II.
  In bijzonder stelt de Koning regels vast voor:
  1° de bestanddelen van de technische grondslagen en de wijze waarop deze bestanddelen worden vastgesteld;
  2° de begrippen "afkoopwaarde" en "reductiewaarde", evenals de berekeningswijze ervan;
  3° de berekening van de prestatie bij opzegging of afkoop van de overeenkomst;
  4° de berekening van de prestatie bij overlijden ten gevolge van een niet-gedekt risico;
  5° de beperkingen van het voorschot op en de inpandgeving van de verzekerde prestaties;
  6° de winstverdeling en -toekenning alsook de toekenning van restorno's, met inbegrip van het bepalen van de groepen van overeenkomsten of verplichtingen waarop deze regels van toepassing zijn, evenals de voor toezichtsdoeleinden benodigde informatie die de verzekeringsondernemingen aan de Bank moeten verstrekken. De Bank kan deze groepen van overeenkomsten of verplichtingen aanvullen bij reglement vastgesteld overeenkomstig artikel 12bis, § 2, van de wet van 22 februari 1998;
  7° de inventaris van de samenstelling van elk fonds met aangewezen activa;
  8° de verzekeringsovereenkomsten voor de toekenning van buitenwettelijke voordelen aan de werknemers bedoeld bij koninklijk besluit nr. 50 van 24 oktober 1967 betreffende het rust- en overlevingspensioen voor werknemers.

  Onderafdeling III. - Gelijktijdige uitoefening van levens- en niet-levensverzekeringsactiviteiten

  Art. 222. Het is verzekeringsondernemingen niet toegestaan gelijktijdig de in Bijlage I bedoelde niet-levensverzekeringsactiviteiten en de in Bijlage II bedoelde levensverzekeringsactiviteiten uit te oefenen.

  Art. 223. In afwijking van artikel 222 mogen de verzekeringsondernemingen die op 15 maart 1979 gelijktijdig niet-levens- en levensverzekeringsactiviteiten uitoefenden, deze activiteiten voortzetten.
  In afwijking van artikel 222 kunnen de ondernemingen waaraan een vergunning is verleend om levensverzekeringsactiviteiten uit te oefenen, ook een vergunning verkrijgen voor niet-levensverzekeringsactiviteiten die betrekking hebben op de risico's van de takken 1 en 2 als vermeld in Bijlage I.
  Evenzo kunnen ondernemingen waaraan uitsluitend voor de risico's van de takken 1 en 2 als vermeld in Bijlage I, een vergunning is verleend, tevens een vergunning verkrijgen om levensverzekeringsactiviteiten uit te oefenen.

  Art. 224. De in artikel 223 bedoelde ondernemingen voeren een gescheiden beheer voor levensverzekeringsactiviteiten en niet-levensverzekeringsactiviteiten.
  Indien deze ondernemingen ook herverzekeringsactiviteiten uitoefenen, voeren zij bovendien een gescheiden beheer voor enerzijds de verzekerings- en -herverzekeringsactiviteiten "niet-leven" en anderzijds de verzekerings- en herverzekeringsactiviteiten "leven".
  De in artikel 223 bedoelde ondernemingen zien erop toe dat zij de respectieve belangen van levensverzekeringnemers en niet-levensverzekeringnemers respecteren. Dit houdt inzonderheid in dat zij slechts winstdeling, een premierestorno of een gelijkwaardig voordeel toekennen aan levensverzekeringsovereenkomsten op grond van de inkomsten die aan de levensverzekeringsactiviteit zijn verbonden, alsof de onderneming uitsluitend deze activiteit zou uitoefenen. Dit geldt eveneens voor de niet-levensverzekeringsactiviteit.

  Art. 225. § 1. Onverminderd artikel 37, 2° en 3°, berekenen de in artikel 223 bedoelde verzekeringsondernemingen:
  1° een theoretisch minimumkapitaalvereiste "leven" voor hun levensverzekerings- of herverzekeringsactiviteiten, alsof de betrokken onderneming uitsluitend deze activiteiten zou uitoefenen;
  2° een theoretisch minimumkapitaalvereiste "niet-leven" voor hun niet-levensverzekerings- of herverzekeringsactiviteiten, alsof de betrokken onderneming uitsluitend deze activiteiten zou uitoefenen.
  § 2. De in artikel 223, bedoelde verzekeringsondernemingen dekken ten minste het geheel van de volgende vereisten met een overeenkomstig bedrag aan in aanmerking komende kernvermogensbestanddelen:
  1° het theoretisch minimumkapitaalvereiste "leven" voor hun verzekerings- en -herverzekeringsactiviteit "leven";
  2° het theoretisch minimumkapitaalvereiste "niet-leven" voor hun verzekerings- en herverzekeringsactiviteit "niet-leven".
  De in de eerste lid bedoelde financiële minimumverplichtingen respectievelijk voor de levens- en niet-levensverzekeringsactiviteit mogen niet door de andere activiteit worden gedragen.
  § 3. Zolang aan de in paragraaf 2 bedoelde financiële minimumverplichtingen is voldaan en onder voorbehoud van kennisgeving ervan aan de Bank, mag de onderneming ter dekking van het in artikel 37, 2° bedoelde solvabiliteitskapitaalvereiste de nog beschikbare in aanmerking komende eigenvermogensbestanddelen voor de ene of voor de andere activiteit gebruiken.

  Art. 226. De in artikel 223 bedoelde verzekeringsondernemingen stellen een document op waarin de in aanmerking komende kernvermogensbestanddelen ter dekking van elk van beide in artikel 225 bedoelde theoretische minimumkapitaalvereisten duidelijk zijn onderscheiden, overeenkomstig artikel 150, § 4.
  De Bank kan bij reglement vastgesteld overeenkomstig artikel 12bis, § 2, van de wet van 22 februari 1998, de vorm en inhoud bepalen van het in het eerste lid bedoelde document.

  Art. 227. Wanneer het bedrag aan in aanmerking komende kernvermogensbestanddelen voor één van de activiteiten ontoereikend is voor de dekking van de in artikel 225, § 1, bedoelde financiële minimumverplichtingen, mag de Bank op de betrokken activiteit de maatregelen als bedoeld in de artikelen 508 tot 517, met uitzondering van artikel 510, toepassen, ongeacht de resultaten van de andere activiteit.
  In afwijking van artikel 225, § 2, kunnen deze maatregelen een goedkeuring tot overdracht van in aanmerking komende kernvermogensbestanddelen van de ene activiteit naar de andere inhouden.

  Art. 228. Wanneer een niet-levensverzekeringsonderneming financiële, commerciële of administratieve banden heeft met een levensverzekeringsonderneming, ziet de Bank erop toe dat de verdeling van de kosten en inkomsten tussen de niet-levens- en de levensverzekeringsactiviteiten niet wordt vertekend ten gevolge van overeenkomsten of afspraken tussen deze ondernemingen.

  Art. 229. De Bank kan bij reglement vastgesteld overeenkomstig artikel 12bis, § 2, van de wet van 22 februari 1998 verlangen dat de verzekeringsondernemingen alle documenten of staten bijhouden die het haar mogelijk maken toe te zien op de naleving van de vereisten van de artikelen 224 tot 228.

  Onderafdeling IV. - Afzonderlijke beheren

  Art. 230.Naast de verplichting om overeenkomstig artikel 224 een gescheiden beheer te voeren voor levens- en niet-levensverzekeringsactiviteiten, voeren de verzekeringsondernemingen afzonderlijke beheren waarbij per beleggingsfonds een onderscheid wordt gemaakt tussen de verzekeringsactiviteiten die behoren tot de takken 23, [1 25,]1 26 en 27 als vermeld in Bijlage II, waarbij het beleggingsrisico wordt gedragen door de verzekeringnemer, en de andere activiteiten die in de genoemde Bijlage zijn opgenomen en die één enkel afzonderlijk beheer vormen.
  ----------
  (1)<W 2019-05-02/28, art. 71, 012; Inwerkingtreding : 01-06-2019>

  Art. 231. De verzekerings- of herverzekeringsonderneming vermeldt te allen tijde tot welke afzonderlijk beheer of tot welke afzonderlijke beheren elke overeenkomst en elk schadegeval behoort.
  De Koning bepaalt na advies van de Bank en de FSMA voor wat hun respectieve bevoegdheden betreft, de verplichtingen van de verzekerings- of herverzekeringsondernemingen inzake de verzameling van gegevens over de afzonderlijke beheren, met inbegrip van de methodes voor de uitsplitsing van de technische voorzieningen en de activa over de verschillende afzonderlijke beheren en de voorwaarden waaronder de activa ter dekking van de technische voorzieningen van een afzonderlijk beheer mogen worden overgedragen naar een ander afzonderlijk beheer.

  Onderafdeling V. - Communautaire medeverzekering § 1. Toepassingsgebied

  Art. 232. Deze Onderafdeling is van toepassing op communautaire medeverzekerings-verrichtingen die betrekking hebben op een of meer risico's die ingedeeld zijn in de takken 3 tot 16 als vermeld in Bijlage I en die voldoen aan de volgende voorwaarden:
  1° het risico is een groot risico als gedefinieerd in artikel 233;
  2° het risico wordt gedekt door verscheidene, als "medeverzekeraars" optredende verzekeringsondernemingen zonder hoofdelijke aansprakelijkheid, door middel van één enkele overeenkomst tegen één premie voor het gehele risico, en voor dezelfde tijdsduur; één van hen is de eerste verzekeraar;
  3° het risico is gelegen op het Belgische grondgebied of op het grondgebied van verscheidene lidstaten, waarvan er één België is;
  4° voor de dekking van het risico wordt de eerste verzekeraar behandeld als ware hij de verzekeringsonderneming die het volledige risico dekt;
  5° ten minste één van de medeverzekeraars neemt deel aan de overeenkomst via zijn zetel of een bijkantoor dat in een andere lidstaat dan die van de eerste verzekeraar is gevestigd;
  6° de eerste verzekeraar neemt de leidende rol die hem volgens de geldende gebruiken inzake medeverzekering toekomt, volledig op zich; hij stelt inzonderheid de verzekerings- en tariferingsvoorwaarden vast.

  Art. 233. Voor de toepassing van artikel 232 wordt verstaan onder grote risico's:
  1° de risico's die ingedeeld zijn in de takken 4, 5, 6, 7, 11 en 12 als vermeld in Bijlage I;
  2° de risico's die ingedeeld zijn in de takken 14 en 15 als vermeld in Bijlage I, wanneer de verzekeringnemer beroepshalve een industriële of commerciële activiteit dan wel een vrij beroep uitoefent en de risico's op die activiteit betrekking hebben;
  3° de risico's die ingedeeld zijn in de takken 3, 8, 9, 10, 13 en 16 als vermeld in Bijlage I, voor zover de verzekeringnemer ten minste twee van de drie volgende criteria overschrijdt:
  a) een balanstotaal van 6 200 000 EUR;
  b) een netto-omzet van 12 800 000 EUR;
  c) een personeelsbestand van gemiddeld 250 personeelsleden gedurende het boekjaar.
  Wanneer de verzekeringnemer deel uitmaakt van een groep ondernemingen waarvan de geconsolideerde jaarrekening overeenkomstig Richtlijn 83/349/EEG wordt opgesteld, worden de in het eerste lid, 3°, vermelde criteria op basis van de geconsolideerde jaarrekening toegepast.

  Art. 234. Op medeverzekeringsverrichtingen die niet aan de voorwaarden van artikel 232 voldoen, blijven de bepalingen van deze wet, met uitzondering van die van deze Onderafdeling, van toepassing.
  § 2. Uitoefening van het bedrijf

  Art. 235. De artikelen 556 tot 561 zijn enkel van toepassing op de eerste verzekeraar die in België communautaire medeverzekeringsverrichtingen wenst uit te oefenen als bedoeld in deze Onderafdeling.

  Art. 236. Het bedrag van de technische voorzieningen wordt door de in België gevestigde medeverzekeraars bepaald volgens de regels die door of krachtens deze wet zijn vastgesteld.
  De technische voorzieningen zijn echter ten minste gelijk aan die welke door de eerste verzekeraar zijn bepaald volgens de regels die gelden in zijn lidstaat van herkomst.

  Art. 237. De in België gevestigde medeverzekeraars bezorgen aan de Bank, per betrokken land, statistische gegevens waaruit de omvang blijkt van de communautaire verzekeringsverrichtingen waaraan zij deelnemen.
  De Bank bepaalt bij reglement vastgesteld overeenkomstig artikel 12bis, § 2, van de wet van 22 februari 1998 de aard van de voornoemde gegevens, evenals de frequentie waarmee en de drager waarop ze zullen worden meegedeeld.

  Art. 238. In geval van vereffening van een verzekeringsonderneming worden de verplichtingen die voortvloeien uit de deelneming aan een communautaire medeverzekeringsovereenkomst op dezelfde wijze nagekomen als de verplichtingen die voortvloeien uit de andere verzekeringsovereenkomsten van deze onderneming, zonder onderscheid naar nationaliteit van verzekerden en begunstigden.

  Afdeling II. - Bijzondere bepalingen met betrekking tot herverzekeringen

  Onderafdeling I. - Finite herverzekering

  Art. 239. Voor de toepassing van deze Onderafdeling wordt onder "finite herverzekering" verstaan een herverzekering krachtens dewelke het expliciete maximale verliespotentieel, uitgedrukt als hoogste overgedragen economisch risico, dat voortvloeit uit een significante overdracht van zowel verzekeringstechnische risico's als tijdsrisico, hoger is, voor een beperkt maar significant bedrag, dan de premie die geldt voor de volledige looptijd van de overeenkomst, in combinatie met ten minste een van de volgende twee kenmerken:
  1° op expliciete en concrete wijze rekening houden met de tijdswaarde van het geld;
  2° contractuele bepalingen die tot doel hebben de verdeling van de economische effecten tussen de twee partijen in de tijd te effenen met het oog op het bereiken van het nagestreefde niveau van risico-overdracht.

  Art. 240. De verzekerings- of herverzekeringsondernemingen kunnen slechts finite herverzekeringsovereenkomsten sluiten of finite herverzekeringsactiviteiten uitoefenen, wanneer ze in staat zijn de uit deze overeenkomsten of activiteiten voortvloeiende risico's naar behoren te identificeren, te meten, te bewaken, te beheren, te beheersen en te rapporteren.

  Art. 241. § 1. Onverminderd de bevoegdheden van de Europese Commissie als bepaald in artikel 210, lid 2, van Richtlijn 2009/138/EG, kan de Koning de in artikel 240 bedoelde vereisten preciseren en aanvullen.
  § 2. Onder dezelfde voorwaarden kan de Koning op advies van de Bank specifieke bepalingen voor de uitoefening van finite herverzekeringsactiviteiten vaststellen die betrekking hebben op:
  1° de verplichte voorwaarden die in alle afgesloten overeenkomsten moeten worden opgenomen;
  2° deugdelijke administratieve en boekhoudkundige procedures, adequate internecontrolemechanismen en de vereisten op het gebied van risicobeheer;
  3° de boekhoudkundige vereisten, de prudentiële vereisten en de statistische-informatievereisten;
  4° de vorming van technische voorzieningen om ervoor te zorgen dat deze adequaat, betrouwbaar en objectief zijn;
  5° de beleggingen in activa ter dekking van de technische voorzieningen om ervoor te zorgen dat rekening wordt gehouden met de aard van de door de herverzekeringsonderneming verrichte activiteiten, inzonderheid de aard, het bedrag en de duur van de verwachte betalingen in verband met schadegevallen, om de toereikendheid, de liquiditeit, de veiligheid, het rendement en de congruentie van haar activa te waarborgen;
  6° de regels betreffende het eigen vermogen en betreffende het solvabiliteitskapitaalvereiste en het minimumkapitaalvereiste waaraan de herverzekeringsonderneming moet voldoen met betrekking tot haar finite herverzekeringsactiviteiten.

  Onderafdeling II. - Effectiseringsvehikels

  Art. 242. De effectiseringsvehikels die zich op het Belgische grondgebied wensen te vestigen, dienen daarvoor voorafgaandelijk een vergunning te verkrijgen van de Bank.

  Art. 243. Onverminderd de bevoegdheden van de Europese Commissie als bepaald in artikel 211, lid 2, van Richtlijn 2009/138/EG, kan de Koning, op advies van de Bank, de voorwaarden vaststellen voor de verlening van vergunningen aan effectiseringsvehikels.
  De Koning kan inzonderheid bepalingen vaststellen met betrekking tot:
  1° de reikwijdte van de vergunning;
  2° de verplichte voorwaarden die in alle afgesloten overeenkomsten moeten worden opgenomen;
  3° de deskundigheids- en betrouwbaarheidsvereisten als bedoeld in artikel 40, voor de personen die het effectiseringsvehikel leiden;
  4° de deskundigheids- en betrouwbaarheidsvereisten voor de aandeelhouders of vennoten die een gekwalificeerde deelneming bezitten in het effectiseringsvehikel;
  5° deugdelijke administratieve en boekhoudkundige procedures, adequate internecontrolemechanismen en de vereisten op het gebied van risicobeheer;
  6° de boekhoudkundige vereisten, de prudentiële vereisten en de statistische-informatievereisten;
  7° de solvabiliteitsvereisten voor effectiseringsvehikels.
  Bij reglement vastgesteld overeenkomstig artikel 12bis, § 2, van de wet van 22 februari 1998 kan de Bank de in dit artikel bedoelde vereisten op technische en niet-essentiële punten preciseren en aanvullen.

  TITEL III. - Bijzondere bepalingen betreffende bepaalde categorieën van verzekeringsondernemingen

  HOOFDSTUK I. - Onderlinge verzekeringsverenigingen

  Afdeling I. - Algemene bepalingen

  Art. 244. Dit Hoofdstuk is van toepassing op verzekerings- of herverzekeringsondernemingen naar Belgisch recht die de rechtsvorm van een onderlinge verzekeringsvereniging hebben aangenomen.

  Art. 245. Onderlinge verzekeringsverenigingen hebben een burgerlijk karakter.
  Ze hebben rechtspersoonlijkheid. Deze is verworven vanaf de dag waarop hun statuten worden bekendgemaakt op de in artikel 247 voorschreven wijze.
  De bevoegdheden die door deze wet aan de rechtbank van koophandel worden toegekend worden in het geval van de onderlinge verzekeringsverenigingen uitgeoefend door de rechtbank van eerste aanleg.

  Art. 246. Een onderlinge verzekeringsvereniging mag "gemeenschappelijke verzekeringskas" worden genoemd wanneer zij verrichtingen uitvoert die geregeld worden door:
  1° de arbeidsongevallenwet van 10 april 1971;
  2° de wet van 3 juli 1967 betreffende de preventie van of de schadevergoeding voor arbeidsongevallen, voor ongevallen op de weg naar en van het werk en voor beroepsziekten in de overheidssector;
  3° het koninklijk besluit van 14 november 2003 betreffende de toekenning van buitenwettelijke voordelen aan de werknemers bedoeld bij koninklijk besluit nr. 50 van 24 oktober 1967 betreffende het rust- en overlevingspensioen voor werknemers en aan de personen bedoeld in artikel 32, eerste lid, 1°, en 2°, van het Wetboek van Inkomstenbelastingen 1992, tewerkgesteld buiten een arbeidsovereenkomst.

  Art. 247. De statuten van de onderlinge verzekeringsverenigingen vermelden op straffe van nietigheid:
  1° de naam en de zetel van de vereniging;
  2° het doel waarvoor de vereniging is opgericht;
  3° de voorwaarden en de wijze van toelating, ontslag en uitsluiting van de vennoten;
  4° de omvang van de persoonlijke verbintenissen die door de vennoten worden aangegaan met betrekking tot de vorming en instandhouding van een maatschappelijk fonds;
  5° het feit dat er vanaf de rekeningen van de vennoten alleen betalingen aan leden mogen worden verricht indien dit verenigbaar is met de kapitaalvereisten die vastgesteld zijn met toepassing van de artikelen 151 tot 189 of, na ontbinding van de onderneming, indien alle andere schulden zijn voldaan;
  6° het feit dat de Bank ten minste een maand van tevoren in kennis wordt gesteld van elke betaling vanaf de rekeningen van de vennoten voor andere doeleinden dan de individuele opzegging van het lidmaatschap en dat zij gedurende deze termijn de voorgenomen betaling kan verbieden;
  7° de organisatie en het bestuur van de vereniging, de wijze van benoeming, de bevoegdheden en de duur van het mandaat van de personen die met dat bestuur belast zijn;
  8° de wijze van vaststelling en inning van de bijdragen of de premies, evenals van de eventuele supplementen voor de afwikkeling van de schadegevallen;
  9° de wijze waarop de rekeningen worden opgemaakt en goedgekeurd;
  10° de procedure die gevolgd moet worden in geval van wijzigingen in de statuten of van vereffening van de vereniging, onverminderd de bepalingen van deze wet.
  Op advies van de Bank en de FSMA kan de Koning alle andere bepalingen vaststellen die moeten worden opgenomen in de statuten van Belgische onderlinge verzekeringsverenigingen.
  De statuten en de wijzigingen erin worden in de Bijlagen bij het Belgisch Staatsblad bekendgemaakt.

  Afdeling II. - Omzetting van onderlinge verzekeringsverenigingen

  Art. 248. Een onderlinge verzekeringsvereniging kan gebruikmaken van de mogelijkheid die in de artikelen 774 en 775 van het Wetboek van Vennootschappen wordt geboden om een andere rechtsvorm aan te nemen.
  Wanneer een onderlinge verzekeringsvereniging gebruikmaakt van de voornoemde mogelijkheid, zijn de bepalingen van deze Afdeling van toepassing. Deze bepalingen zijn van toepassing in afwijking van de artikelen 776 tot 788 van hetzelfde Wetboek, behalve wanneer er uitdrukkelijk naar verwezen wordt in deze Afdeling.

  Art. 249. Een onderlinge verzekeringsvereniging kan enkel worden omgezet in een van de rechtsvormen van handelsvennootschappen, als bedoeld in artikel 33.

  Art. 250. Het voorstel tot omzetting wordt toegelicht in een verslag dat door het wettelijk bestuursorgaan wordt opgemaakt en wordt vermeld in de agenda van de algemene vergadering die een besluit moet nemen over de omzetting. Dit verslag bevat tevens een nauwkeurige beschrijving en een verantwoording:
  1° van de maatregelen die de rechten van de leden van de vennootschap in haar nieuwe vorm regelen;
  2° onverminderd de wet van 4 april 2014 betreffende de verzekeringen, van de aanpassingen die in dit verband in de verzekerings- of herverzekeringsovereenkomsten moeten worden aangebracht;
  3° van de wijze van verdeling van de aandelen of de deelbewijzen die het maatschappelijk kapitaal van de vennootschap in haar nieuwe vorm vertegenwoordigen.
  Bij dat verslag worden ontwerpstatuten van de vennootschap in haar nieuwe vorm gevoegd, evenals een staat van activa en passiva van de vereniging, die niet meer dan drie maanden voordien is vastgesteld en waarin aangegeven wordt hoeveel het maatschappelijk kapitaal van de vereniging na haar omzetting in een vennootschap bedraagt.
  Het maatschappelijk kapitaal mag niet hoger zijn dan het nettoactief, zoals dat blijkt uit het voornoemde verslag.
  Het bedrag van het nettoactief mag bij de omzetting niet worden terugbetaald aan of verdeeld worden onder de aandeelhouders of vennoten.

  Art. 251. De erkend commissaris van de onderlinge verzekeringsvereniging brengt verslag uit over de in artikel 250 bedoelde staat en vermeldt met name of deze de toestand van de vereniging op volledige, getrouwe en juiste wijze weergeeft.

  Art. 252. De ontwerpverslagen bedoeld in de artikelen 250 en 251 worden overgemaakt aan de Bank.
  Wanneer de betrokken onderlinge verzekeringsvereniging een verzekeringsonderneming is, maakt de Bank de in het eerste lid bedoelde verslagen onverwijld over aan de FSMA voor advies. Deze laatste bezorgt haar advies aan de Bank binnen twee maanden na de ontvangst van de in het eerste lid bedoelde verslagen. Indien er binnen deze termijn geen advies wordt verleend, wordt de FSMA geacht geen bezwaar te hebben tegen de voorgenomen omzetting.
  Binnen drie maanden na de ontvangst van de in het eerste lid bedoelde verslagen verzet de Bank zich tegen de voorgenomen omzetting wanneer:
  1° in het advies van de FSMA wordt geconcludeerd dat de voorgenomen omzetting afbreuk doet aan de rechten van de verzekerden, van de verzekeringnemers of van de begunstigden;
  2° de Bank van oordeel is dat de verzekerings- of herverzekeringsonderneming door de voorgenomen omzetting niet langer voldoet aan de verplichtingen die haar door of krachtens deze wet zijn opgelegd.
  De Bank maakt haar bezwaar kenbaar met een ter post aangetekende brief, waarbij zij de motivering van haar besluit voegt, en, in voorkomend geval, het advies van de FSMA.

  Art. 253. De leden van de onderlinge verzekeringsvereniging worden, met inachtneming van de statutaire regels voor statutenwijzigingen, of, indien deze strenger zijn, voor de vereffening, opgeroepen tot een algemene vergadering die moet beraadslagen over het besluit tot omzetting.
  In geval van oproeping per brief wordt een afschrift van de verslagen van het wettelijk bestuursorgaan en van de commissaris bij de oproepingsbrief gevoegd. Deze documenten worden eveneens kosteloos verstrekt aan de leden van de vereniging die hiertoe een schriftelijke aanvraag indienen.

  Art. 254. Tot omzetting van de onderlinge verzekeringsvereniging wordt besloten door de algemene vergadering. Behalve indien de statuten strengere voorschriften inzake quorum en meerderheid bevatten, kan de algemene vergadering enkel geldig beraadslagen indien minstens de helft van de leden met stemrecht aanwezig of vertegenwoordigd zijn op de vergadering, en indien het besluit minstens vier vijfden van de uitgebrachte stemmen verkrijgt.
  Indien het door de statuten of de wet vereiste quorum niet wordt bereikt, wordt overgegaan tot een tweede bijeenroeping. Deze tweede bijeenroeping voldoet aan de regels van artikel 253. De tweede algemene vergadering beraadslaagt volgens dezelfde stemvoorwaarden, ongeacht het aantal aanwezige of vertegenwoordigde leden met stemrecht. In de oproeping tot de algemene vergadering wordt de tekst van dit artikel opgenomen.

  Art. 255. De omzetting vereist de eenparige instemming van de aanwezige leden indien de onderlinge verzekeringsvereniging niet ten minste twee jaar bestaat of indien in de statuten is bepaald dat zij geen andere rechtsvorm mag aannemen. Zodanige bepaling van de statuten kan enkel onder dezelfde voorwaarden worden gewijzigd.

  Art. 256. Onmiddellijk na het besluit tot omzetting worden de statuten van de vennootschap in haar nieuwe vorm, met inbegrip van de bepalingen tot wijziging van haar doel en van de oorspronkelijke samenstelling van de organen, vastgesteld volgens dezelfde regels inzake aanwezigheid en meerderheid als die welke voor de omzetting voorgeschreven zijn. Gebeurt dit niet, dan blijft de omzetting zonder gevolg.

  Art. 257. Zodra de besluiten als bedoeld in de artikelen 253 tot 256 zijn goedgekeurd:
  1° is de onderlinge verzekeringsvereniging omgezet en worden haar leden van rechtswege en met onmiddellijke ingang aandeelhouders of vennoten van de vennootschap in haar nieuwe vorm, op de wijze die is voorgesteld in het verslag bedoeld in artikel 250, waarbij de leden geacht worden van rechtswege te voldoen aan alle eventuele voorwaarden om vennoot of aandeelhouder van de vennootschap in haar nieuwe vorm te worden;
  2° verliezen de leden van de vereniging alle rechten die zij nog zouden kunnen hebben, zelfs voor de toekomst of onder voorwaarde, ingevolge hun vroegere hoedanigheid van lid;
  3° behouden de verzekeringnemers, de verzekerden en alle derden bij de verzekerings- of herverzekeringsovereenkomsten evenwel hun op die datum in het kader van de verzekerings- of herverzekerings-overeenkomsten verworven rechten; deze overeenkomsten worden voor de toekomst van rechtswege aangepast op de wijze die voorgesteld is in het verslag bedoeld in artikel 250;
  4° voor zover de vennootschap de wettelijke en reglementaire vereisten ter zake vervult of blijft vervullen, behoudt zij in haar nieuwe vorm alle vergunningen voor de uitoefening van verzekerings- of herverzekeringsactiviteiten waarvan de vereniging houder was vóór haar omzetting.

  Art. 258. Ieder besluit tot omzetting wordt, op straffe van nietigheid, bij authentieke akte vastgesteld. In die authentieke akte wordt de conclusie overgenomen van het verslag dat door de erkend commissaris werd opgesteld overeenkomstig artikel 251.
  De authentieke akte van omzetting en de statuten van de vennootschap in haar nieuwe vorm worden tegelijk bekendgemaakt overeenkomstig de artikelen 67, paragrafen 1 tot 3, en 73 van het Wetboek van Vennootschappen. De akte van omzetting wordt bekendgemaakt in haar geheel; de statuten worden bij uittreksel bekendgemaakt overeenkomstig de artikelen 67 tot 69 en 72 van hetzelfde Wetboek.
  Onverminderd de onmiddellijke tegenwerpbaarheid van de in artikel 257, 3° bedoelde contractuele aanpassingen, kan de omzetting aan derden worden tegengeworpen volgens de bepalingen van artikel 76 van het Wetboek van Vennootschappen.
  Van de volmachten, alsook van de verslagen van het wettelijk bestuursorgaan en van de erkend commissaris, wordt het origineel dan wel een expeditie neergelegd tegelijk met de akte waarop zij betrekking hebben. Eenieder kan daarvan kennis nemen of een afschrift verkrijgen volgens de voorwaarden van artikel 67, paragraaf 3, van het Wetboek van Vennootschappen.

  Art. 259. De bepalingen van artikel 784 van het Wetboek van Vennootschappen zijn van toepassing, met uitzondering van het eerste lid.

  Art. 260. De leden van het wettelijk bestuursorgaan van de onderlinge verzekeringsvereniging die wordt omgezet, zijn, niettegenstaande enig andersluidend beding, jegens de belanghebbenden hoofdelijk gehouden:
  1° tot betaling van het eventuele verschil tussen het nettoactief dat opgenomen is in de in artikel 250 bedoelde staat en het maatschappelijk kapitaal van de vennootschap in haar nieuwe vorm;
  2° voor de overwaardering van het nettoactief dat opgenomen is in de in artikel 250 bedoelde staat;
  3° tot vergoeding van de schade die het onmiddellijk en rechtstreeks gevolg is, hetzij van de nietigheid van de omzettingsverrichting wegens niet-naleving van de regels bepaald in de artikelen 403, 2° tot 4° en 454, 2° tot 4°, van het Wetboek van Vennootschappen, die van naar analogie worden toegepast, of in artikel 258, eerste lid, hetzij van het ontbreken of de onjuistheid van de vermeldingen voorgeschreven in artikel 453, eerste lid, met uitzondering van 6° en 9° tot 12°, van hetzelfde Wetboek of van artikel 258, eerste lid.

  Afdeling III. - Fusie door overneming van onderlinge verzekeringsverenigingen

  Art. 261. Onverminderd de artikelen 102 tot 106 kan een onderlinge verzekeringsvereniging door overneming fuseren met een andere onderlinge verzekeringsvereniging.
  Wanneer een onderlinge verzekeringsvereniging door overneming fuseert met een andere onderlinge verzekeringsvereniging, zijn de in boek XI van het Wetboek van Vennootschappen vervatte bepalingen betreffende fusie door overneming van toepassing. Deze bepalingen zijn van toepassing onder voorbehoud van de afwijkingen en met inachtneming van de nadere bepalingen die in deze Afdeling zijn opgenomen. In dat geval wordt onder de in het genoemde Wetboek gebruikte termen "vennootschap" en "venno(o)t(en)" respectievelijk de "onderlinge verzekeringsvereniging" en haar "leden" verstaan.

  Art. 262. In afwijking van artikel 671 van het Wetboek van Vennootschappen is fusie door overneming van onderlinge verzekeringsverenigingen de rechtshandeling waarbij het gehele vermogen van één of meer onderlinge verzekeringsverenigingen, zowel de rechten als de verplichtingen, als gevolg van ontbinding zonder vereffening op een andere onderlinge verzekeringsvereniging overgaat en waarbij de leden van de overgenomen vereniging(en) als tegenprestatie de hoedanigheid verkrijgen van leden van de overnemende onderlinge verzekeringsvereniging.

  Art. 263. De rechtbank van eerste aanleg is bevoegd om kennis te nemen van de in artikel 689 van het Wetboek van Vennootschappen bedoelde vorderingen betreffende de fusie van onderlinge verzekeringsverenigingen.

  Art. 264. In afwijking van artikel 693, tweede lid, van het Wetboek van Vennootschappen wordt in het fusievoorstel ten minste vermeld:
  1° de rechtsvorm, de naam, het doel en de zetel van de te fuseren onderlinge verzekeringsverenigingen;
  2° een nauwkeurige omschrijving van en een verantwoording voor de maatregelen tot regeling van de rechten en verplichtingen van de leden van de overgenomen vereniging binnen de overnemende vereniging, alsmede een nauwkeurige omschrijving van en een verantwoording voor de financiële gevolgen van de fusie voor de leden van de overgenomen en de overnemende vereniging, met name met betrekking tot het recht van de leden op restorno's, de verplichting tot betaling van bijkomende bijdragen in geval van deficit en het recht van de leden op het verenigingsvermogen;
  3° de datum vanaf dewelke de rechten en verplichtingen van de leden van de overgenomen vereniging binnen de overnemende vereniging ingaan;
  4° onverminderd de wet van 4 april 2014 betreffende de verzekeringen, een nauwkeurige omschrijving van en een verantwoording voor de aanpassingen die in het kader van de fusie in de verzekerings- of herverzekeringsovereenkomsten moeten worden aangebracht;
  5° de datum vanaf dewelke de handelingen van de overgenomen vereniging boekhoudkundig geacht worden te zijn verricht voor rekening van de overnemende vereniging;
  6° de rechten die de overnemende vereniging toekent aan de leden van de over te nemen vereniging die bijzondere rechten hebben, of de jegens hen voorgestelde maatregelen;
  7° de bezoldiging die wordt toegekend aan de erkend commissarissen voor het opstellen van het in artikel 266 bedoelde verslag;
  8° ieder bijzonder voordeel toegekend aan de leden van de beheers- en bestuursorganen van de te fuseren verenigingen.
  Het fusievoorstel wordt door elke vereniging die bij de fusie betrokken is, uiterlijk zes weken voor de algemene vergadering die over de fusie moet besluiten, ter griffie van de rechtbank van eerste aanleg neergelegd.

  Art. 265. In afwijking van artikel 694 van het Wetboek van Vennootschappen wordt in het omstandig schriftelijk verslag dat door het wettelijk bestuursorgaan van elke onderlinge verzekeringsvereniging wordt opgesteld, de stand van het vermogen van de te fuseren verenigingen uiteengezet en worden tevens uit een juridisch en economisch oogpunt toegelicht en verantwoord: de wenselijkheid van de fusie, de voorwaarden en de wijze waarop ze zal geschieden en de gevolgen ervan, alsook de maatregelen tot regeling van de rechten van de leden van de overgenomen vereniging binnen de overnemende vereniging, inzonderheid het recht op restorno's, de verplichting tot betaling van bijkomende bijdragen in geval van deficit en het recht op het verenigingsvermogen.

  Art. 266. In afwijking van artikel 695, tweede en derde lid van het Wetboek van Vennootschappen brengt de erkend commissaris met name verslag uit over de financiële gevolgen van de fusie voor de leden van de overgenomen en de overnemende onderlinge verzekeringsvereniging.
  Dit verslag moet ten minste:
  1° aangeven of de financiële en boekhoudkundige gegevens uit het in artikel 265 bedoelde verslag van het wettelijk bestuursorgaan waarheidsgetrouw en toereikend zijn om de algemene vergadering die over het fusievoorstel moet stemmen, duidelijkheid te verschaffen;
  2° beschrijven welke gevolgen de fusie heeft voor het recht van de leden op restorno's, voor hun verplichting tot betaling van bijkomende bijdragen in geval van deficit en voor hun recht op het verenigingsvermogen.

  Art. 267. In elke onderlinge verzekeringsvereniging worden de leden van de vereniging, met inachtneming van de statutaire regels voor statutenwijzigingen, of, indien deze strenger zijn, voor de vereffening, opgeroepen tot een algemene vergadering die moet beraadslagen over het besluit tot fusie.
  Artikel 697, § 1, tweede lid, en § 2, eerste lid, 4°, van het Wetboek van Vennootschappen is van toepassing op de onderlinge verzekeringsverenigingen.

  Art. 268. Voor fusies door overneming van onderlinge verzekeringsverenigingen zijn de in artikel 699, § 1, 1°, van het Wetboek van Vennootschappen bedoelde regels inzake quorum en meerderheid van toepassing, met dien verstande dat de woorden "maatschappelijk kapitaal" en "kapitaal" door de woorden "maatschappelijk fonds" moeten worden vervangen.
  Artikel 699, § 3, van het Wetboek van Vennootschappen is niet van toepassing op fusies door overneming van onderlinge verzekeringsverenigingen.

  Art. 269. In afwijking van artikel 701 van het Wetboek van Vennootschappen worden eventuele wijzigingen in de statuten van de overnemende onderlinge verzekeringsvereniging, met inbegrip van de bepalingen tot wijziging van haar doel, vastgesteld volgens de regels inzake aanwezigheid en meerderheid die krachtens de statuten van de overnemende vereniging vereist zijn.

  Art. 270. Voor de toepassing van artikel 704, eerste lid, van het Wetboek van Vennootschappen geldt voor de fusie door overneming van onderlinge verzekeringsverenigingen de in artikel 264, 5°, bedoelde datum als de in artikel 693, tweede lid, 5°, van hetzelfde Wetboek bedoelde datum.

  Art. 271. Artikel 211 van het WIB 1992 is van toepassing op fusies door overneming van onderlinge verzekeringsverenigingen, in de mate dat de betrokken verenigingen onderworpen zijn aan de vennootschapsbelasting.

  HOOFDSTUK II. - Ondernemingen die wegens hun omvang aan een bijzondere regeling zijn onderworpen

  Afdeling I. - Toepassingsgebied

  Art. 272. Dit Hoofdstuk is van toepassing op de verzekeringsondernemingen die voldoen aan de volgende voorwaarden:
  1° de jaarlijkse inkomsten uit de geboekte brutopremies van de onderneming bedragen niet meer dan 5 000 000 EUR;
  2° de totale technische voorzieningen van de onderneming, of van de groep in de zin van artikel 339, 2° waarvan ze deel uitmaakt, zonder aftrek van de schuldvorderingen die voortvloeien uit herverzekeringsovereenkomsten en effectiseringsvehikels, als bedoeld in artikel 125, bedragen niet meer dan 25 000 000 EUR;
  3° het bedrijf van de onderneming omvat geen verzekeringsactiviteiten ter dekking van aansprakelijkheids-, krediet- en borgtochtverzekeringsrisico's, tenzij deze bijkomende risico's vormen in de zin van artikel 21, § 2;
  4° het bedrijf van de onderneming omvat geen herverzekeringsverrichtingen;
  5° de onderneming oefent noch rechtstreeks, noch onrechtstreeks, activiteiten uit in het buitenland.

  Art. 273. Een verzekeringsonderneming die gedurende drie achtereenvolgende jaren een van de in artikel 272 bedoelde bedragen overschrijdt, kan zich niet langer beroepen op de bepalingen van dit Hoofdstuk.
  Een onderneming die overeenkomstig Hoofdstuk I van Titel II van dit Boek een vergunning als verzekeringsonderneming aanvraagt, kan zich niet beroepen op de bepalingen van dit Hoofdstuk indien een van de in artikel 272 genoemde bedragen naar verwachting in de volgende vijf jaar zal worden overschreden.

  Art. 274. Een verzekeringsonderneming die overeenkomstig Hoofdstuk I van Titel II van dit Boek een vergunning heeft verkregen, kan om de toepassing verzoeken van de bepalingen van dit Hoofdstuk wanneer de Bank van oordeel is dat deze onderneming naast de voorwaarden van artikel 272 ook de volgende voorwaarden vervult:
  1° geen van de in artikel 272 genoemde bedragen werd in de drie jaar vóór het verzoek overschreden;
  2° naar verwachting zal geen van de in artikel 272 genoemde bedragen worden overschreden in de vijf jaar na het verzoek.
  Tot staving van haar verzoek verstrekt de onderneming de informatie die vereist is om na te gaan of voldaan is aan de voorwaarden van het eerste lid.

  Afdeling II. - Ondernemingen die een overeenkomst hebben gesloten die voorziet in de volledige en systematische herverzekering van de verzekeringsovereenkomsten of in de overdracht van de verplichtingen

  Art. 275.§ 1. Deze wet, met uitzondering van de in deze Afdeling bedoelde bepalingen en de Boeken IV en V, is niet van toepassing op niet-levensverzekeringsondernemingen die voldoen aan de voorwaarden van de artikelen 272 en 273 en die met een verzekerings- of herverzekeringsonderneming waaraan met toepassing van Titel II van dit Boek een vergunning is verleend of waaraan met toepassing van Titel I van Boek III toestemming is verleend, een overeenkomst hebben gesloten die voorziet in de volledige en systematische herverzekering van de door hen gesloten verzekeringsovereenkomsten of in de overdracht van de contractuele verplichtingen die de vervanging tot gevolg heeft van de cederende onderneming door de overnemende onderneming voor de nakoming van de uit deze overeenkomsten voortvloeiende verplichtingen.
  Die overeenkomst bevat de verplichting, voor de overnemende onderneming, om de Bank minstens drie maanden voor de vervaldag in kennis te stellen van de beëindiging of de niet-verlenging ervan, evenals van elke bepaling die tot gevolg zou hebben dat de [1 cederende onderneming]1 het voordeel van de toepassing van deze paragraaf verliest.
  § 2. Het voordeel van de bepalingen van paragraaf 1 kan maar worden toegekend indien er een voorafgaande inschrijving heeft plaatsgevonden.
  Bij de inschrijvingsaanvraag die aan de Bank wordt gericht, wordt een administratief dossier gevoegd dat voldoet aan de door de Bank gestelde voorwaarden en dat met name het bewijs bevat dat voldaan is aan de voorwaarden van paragraaf 1, alsook een kopie van de overeenkomst met de identiteitsgegevens van de overnemende onderneming.
  De Bank spreekt zich uit over de inschrijvingsaanvraag binnen twee maanden na indiening van een volledig dossier.
  De beslissingen inzake inschrijving worden binnen vijftien dagen ter kennis gebracht van de aanvragers met een aangetekende brief of een brief met ontvangstbewijs, met inachtneming van de termijn bedoeld in het derde lid.
  De Bank maakt een lijst op van de verzekeringsondernemingen die met toepassing van dit artikel zijn ingeschreven. Die lijst en alle daarin aangebrachte wijzigingen worden op haar website bekendgemaakt.
  De artikelen 22, 23, 27 en 30 zijn van toepassing.
  § 3. De in deze Afdeling bedoelde verzekeringsondernemingen verstrekken aan de Bank, op haar verzoek, alle informatie die nodig is om na te gaan of voldaan is aan de in deze Afdeling bedoelde inschrijvingsvoorwaarden.
  Voor de toepassing van het eerste lid kan de Bank op individuele basis of bij reglement vastgesteld overeenkomstig artikel 12bis, paragraaf 2 van de wet van 22 februari 1998, de aard, de omvang, het formaat, de frequentie en de wijze van indiening bepalen van de informatie die haar door de lokale verzekeringsondernemingen moet worden verstrekt.
  De ondernemingen delen aan de Bank op eigen initiatief en onverwijld alle factoren mee die tot gevolg zouden kunnen hebben dat niet langer voldaan is aan de inschrijvingsvoorwaarden.
  De artikelen 304, tweede lid, 1°, en 305 tot 307 zijn van toepassing.
  § 4. Wanneer de Bank vaststelt dat een in deze Afdeling bedoelde verzekeringsonderneming niet werkt overeenkomstig de bepalingen van dit artikel of de ter uitvoering ervan genomen maatregelen, of wanneer zij over gegevens beschikt waaruit blijkt dat het gevaar bestaat dat deze onderneming in de komende twaalf maanden niet meer zal werken overeenkomstig deze bepalingen, stelt zij de termijn vast waarbinnen deze toestand moet worden verholpen.
  Indien de onderneming de toestand niet heeft verholpen bij het verstrijken van de met toepassing van het eerste lid vastgestelde termijn, kan de Bank een of meer van de maatregelen nemen die opgesomd zijn in artikel 517, § 1, 1°, tot 7°. De paragrafen 2 tot 7 van hetzelfde artikel en artikel 518, eerste lid, zijn van overeenkomstige toepassing.
  Artikel 293 is van toepassing.
  § 5. [1 Artikel 102, eerste lid, 2° en 3°, en tweede en derde lid, artikel 103, 1°, 2°, 3°, 5/1° en 6°, en de artikelen 105 en 106 zijn van toepassing.]1
  ----------
  (1)<W 2019-05-02/28, art. 72, 012; Inwerkingtreding : 01-06-2019>

  Afdeling III. - Andere verzekeringsondernemingen

  Art. 276. Voor de in dit Hoofdstuk bedoelde verzekeringsondernemingen die niet in aanmerking komen voor de toepassing van de bepalingen van artikel 275, zijn de bepalingen van deze wet van toepassing onder de voorwaarden en met inachtneming van de preciseringen en beperkingen die in deze Afdeling zijn opgenomen.
  Bovendien bepaalt de Koning, met inachtneming van de preciseringen en beperkingen die Hij vastlegt, welke bepalingen van de maatregelen tot uitvoering van Richtlijn 2009/138/EG van toepassing zijn op de in dit Hoofdstuk bedoelde verzekeringsondernemingen.
  De in dit artikel bedoelde ondernemingen worden afzonderlijk vermeld in de lijst bedoeld in artikel 31.

  Art. 277. De artikelen 37 en 38 zijn van toepassing met dien verstande dat verwijzingen naar de artikelen 151 en 189 moeten worden opgevat als verwijzingen naar respectievelijk de artikelen 286 en 287.

  Art. 278. De artikelen 45 en 46 zijn niet van toepassing.
  De effectieve leiding wordt toevertrouwd aan ten minste twee natuurlijke personen.
  De verplichtingen die door of krachtens deze wet zijn opgelegd aan het directiecomité, rusten op de personen die belast zijn met de effectieve leiding.
  In afwijking van het eerste lid kan de Bank, op grond van de omvang en het risicoprofiel van de verzekeringsonderneming, verlangen dat een directiecomité wordt opgericht overeenkomstig de artikelen 45 en 46.

  Art. 279. Onverminderd de verplichtingen waarin het Wetboek van Vennootschappen voorziet voor genoteerde vennootschappen, zijn de artikelen 48 tot 53 en 56, § 3, niet van toepassing.
  De taken die door de artikelen 49 tot 51 zijn toegewezen aan het auditcomité, het remuneratiecomité en het risicocomité, worden uitgevoerd door het wettelijk bestuursorgaan als geheel, met uitzondering van de leden ervan die belast zijn met de effectieve leiding of, in voorkomend geval, van de uitvoerende leden ervan.

  Art. 280. De artikelen 74 en 75 zijn van toepassing met dien verstande dat de verwijzingen naar de artikelen 151 en 189 moeten worden opgevat als verwijzingen naar respectievelijk de artikelen 285 en 286.

  Art. 281. § 1. Artikel 83 is niet van toepassing.
  § 2. De in deze Afdeling bedoelde ondernemingen zien erop toe dat de leden van het wettelijk bestuursorgaan, van de effectieve leiding en, in voorkomend geval, van het directiecomité, blijk geven van voldoende beschikbaarheid bij de uitvoering van hun taken, rekening houdend met de omvang en de complexiteit van de verrichtingen die door de onderneming worden uitgevoerd, en zich niet in een belangenconflictsituatie bevinden, rekening houdend met de diverse mandaten of functies die zij bekleden.
  De onderneming stelt interne regels vast en ziet toe op de naleving van die regels, met het oog op de naleving van de doelstellingen van het eerste lid en op de openbaarmaking van de uitoefening van externe functies door de in het eerste lid bedoelde personen.
  De Bank kan bij reglement vastgesteld met toepassing van artikel 12bis, § 2, van de wet van 22 februari 1998 de wijze bepalen waarop de in deze paragraaf bedoelde verplichtingen moeten worden uitgevoerd.

  Art. 282. De artikelen 86 tot 91 zijn niet van toepassing.

  Art. 283. De artikelen 95 tot 97 en 99 tot 101 zijn niet van toepassing.
  De Bank kan, bij reglement vastgesteld met toepassing van artikel 12bis, § 2, van de wet van 22 februari 1998, eisen dat de in deze Afdeling bedoelde ondernemingen, volgens de frequentie die zij bepaalt, informatie bekendmaken over hun solvabiliteit en hun financiële positie.

  Art. 284. De artikelen 107 tot 122 zijn niet van toepassing.

  Art. 285. § 1. In afwijking van de artikelen 151 tot 188 is het solvabiliteitskapitaalvereiste waaraan de in deze Afdeling bedoelde ondernemingen moeten voldoen, minstens gelijk aan de som van de volgende bedragen:
  1° voor niet-levensverzekeringsactiviteiten, met uitzondering van die welke betrekking hebben op lopende renten en op de dekking van natuurrampen, stormen, hagel of vorst: 25 % van de gemiddelde schadelast van de laatste drie afgesloten boekjaren;
  2° voor niet-levensverzekeringsactiviteiten die betrekking hebben op de dekking van natuurrampen, stormen, hagel en vorst: 25 % van de gemiddelde schadelast van de laatste zeven afgesloten boekjaren;
  3° voor levensverzekeringsactiviteiten, met uitzondering van die welke betrekking hebben op de dekking van bijkomende risico's in de zin van artikel 21, § 2, en voor de lopende renten van de niet-levensverzekeringsactiviteiten, de som van:
  a) 4 % van de technische voorzieningen van het vorige boekjaar, met dien verstande dat dit percentage verminderd wordt tot 1 % voor de activiteiten waarvoor het beleggingsrisico wordt gedragen door de verzekeringnemer en voor de activiteiten die tot tak 25 van Bijlage II behoren;
  b) 0,3 % van de niet-negatieve risicokapitalen van het voorbije boekjaar.
  4° voor de levensverzekeringsactiviteiten die betrekking hebben op de dekking van bijkomende risico's in de zin van artikel 21, § 2: 25 % van de gemiddelde schadelast van de laatste drie afgesloten boekjaren.
  Het solvabiliteitskapitaalvereiste is minstens gelijk aan het bedrag dat met toepassing van artikel 189, § 1, 4° is vastgesteld, ongeacht het bedrag dat met toepassing van het eerste lid is vastgesteld.
  § 2. Voor de toepassing van dit artikel bepaalt de Bank, bij reglement vastgesteld met toepassing van artikel 12bis, § 2, van de wet van 22 februari 1998:
  1° de wijze van berekening van de schadelast;
  2° de limieten waarbinnen met de uitbetalingen van de herverzekeringsondernemingen en de effectiseringsvehikels rekening wordt gehouden bij de berekening van de bedoelde schadelast, de technische voorzieningen en de risicokapitalen.

  Art. 286. In afwijking van artikel 189 voldoen de in deze Afdeling bedoelde ondernemingen aan een minimumkapitaalvereiste dat minstens gelijk is aan 60 % van het overeenkomstig artikel 285 berekende solvabiliteitskapitaalvereiste.

  Art. 287.§ 1. De artikelen 140 tot 150 zijn niet van toepassing.
  § 2. De volgende elementen worden in aanmerking genomen voor de samenstelling van het in artikel 285 bedoelde solvabiliteitskapitaalvereiste:
  1° het gestort maatschappelijk kapitaal, verhoogd met de uitgiftepremies, of, voor de onderlinge verzekeringsverenigingen, het gestorte deel van het maatschappelijk fonds plus de ledenrekeningen;
  2° de (wettelijke en vrije) reserves die niet tegenover de verplichtingen staan of die niet zijn ingedeeld als voorzieningen voor egalisatie en catastrofen;
  3° de overgebrachte resultaten;
  4° het fonds voor toekomstige toewijzingen wanneer dit kan worden gebruikt ter dekking van eventuele verliezen en wanneer het niet beschikbaar is gesteld voor uitkering aan de verzekeringnemers;
  5° de achtergestelde leningen;
  6° de helft van het niet-gestorte gedeelte van het maatschappelijk kapitaal of van het maatschappelijk fonds, zodra het gestorte gedeelte 25 % van dat kapitaal of fonds bedraagt;
  7° bij onderlinge verzekeringsverenigingen met variabele bijdragen, de suppletiebijdragen die zij van hun leden kunnen eisen in de volgende twaalf maanden;
  8° de latente nettomeerwaarden die voortvloeien uit de waardering van activa, voor zover deze latente nettomeerwaarden geen uitzonderlijk karakter hebben.
  Van de in het eerste lid bedoelde elementen worden de eigen aandelen van de verzekeringsonderneming evenals de in het eerste lid, 5° bedoelde elementen afgetrokken die uitgegeven zijn door en rechtstreeks worden gehouden door de verzekeringsonderneming.
  De in het eerste lid, 5° tot 8° bedoelde elementen mogen enkel in aanmerking worden genomen mits de Bank daarvoor voorafgaandelijk haar toestemming heeft verleend en indien het totaal van die elementen niet meer bedraagt dan 60 % van het solvabiliteitskapitaalvereiste. De Bank verleent haar goedkeuring op grond van:
  1° de positie van de betrokken tegenpartijen, in verband met hun vermogen en bereidheid om te betalen;
  2° de invorderbaarheid van het vermogensbestanddeel, waarbij rekening wordt gehouden met de rechtsvorm van het betrokken bestanddeel en met alle omstandigheden die zouden kunnen beletten dat het bestanddeel wordt gestort of opgevraagd;
  3° informatie over de afloop van eerdere opvragingen door de verzekerings-ondernemingen van dergelijk aanvullend eigen vermogen, voor zover die informatie op betrouwbare wijze kan worden gebruikt om de verwachte afloop van toekomstige opvragingen te beoordelen.
  § 3. Voor de samenstelling van het minimumkapitaalvereiste mogen de in [1 paragraaf 2]1, eerste lid, 1°, tot 4° bedoelde elementen in aanmerking worden genomen.
  § 4. De Bank kan bij reglement vastgesteld overeenkomstig artikel 12bis, § 2, van de wet van 22 februari 1998 de overige voorwaarden bepalen waaraan de in dit artikel bedoelde eigenvermogensbestanddelen moeten voldoen.
  ----------
  (1)<W 2019-05-02/28, art. 73, 012; Inwerkingtreding : 01-06-2019>

  Art. 288.In afwijking van de artikelen 125 tot 139 berekenen en boeken de in deze Afdeling bedoelde ondernemingen hun technische voorzieningen volgens de regels van het koninklijk besluit van 17 november 1994 op de jaarrekening van de verzekerings- en herverzekeringsondernemingen.
  De in het eerste lid bedoelde technische voorzieningen moeten op elk ogenblik gedekt zijn door gelijkwaardige activa die de verzekeringsonderneming in volle eigendom toebehoren.
  In afwijking van artikel 123 kan de Bank, bij reglement vastgesteld overeenkomstig artikel 12bis, § 2, van de wet van 22 februari 1998, de regels voor de waardering [1 van de activa ter dekking van de technische voorzieningen]1 bepalen.
  Artikel 194 is van toepassing met dien verstande dat de activa overeenkomstig het derde lid worden gewaardeerd.
  ----------
  (1)<W 2019-05-02/28, art. 74, 012; Inwerkingtreding : 01-06-2019>

  Art. 289. De artikelen 204 tot 211 zijn niet van toepassing.

  Art. 290. De artikelen 313 tot 316 zijn niet van toepassing.
  Voor de toepassing van artikel 312 gelden de volgende regels:
  1° de frequentie van de van tevoren bepaalde tijdstippen als bedoeld in paragraaf 2, 1°, a) van het genoemde artikel 312 mag niet hoger zijn dan jaarlijks;
  2° de Bank kan het regelmatig verstrekken van voor toezichtsdoeleinden benodigde informatie beperken;
  3° De Bank kan een onderneming vrijstellen van de verplichting om itemgewijs informatie als bedoeld in het genoemde artikel 312 te verstrekken, op voorwaarde dat de onderneming in staat is om haar deze informatie op eerste verzoek te verstrekken.

  Art. 291. Artikel 324 is niet van toepassing.

  Art. 291/1. [1 Artikel 325 is niet van toepassing, de artikelen 330 tot 337 zijn wel van toepassing op de commissarissen.]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij W 2019-05-02/25, art. 78, 010; Inwerkingtreding : 31-05-2019>
  

  Art. 292. De artikelen 510 en 511 zijn van toepassing met dien verstande dat de verwijzingen naar de artikelen 151 en 189 moeten worden opgevat als verwijzingen naar respectievelijk de artikelen 285 en 286.

  Art. 293. Indien een onderneming waarop de bepalingen van deze Afdeling van toepassing zijn, niettegenstaande de geografische beperking van haar activiteiten, activiteiten uitoefent in het buitenland, stelt de Bank de toezichthouders van de lidstaten waarin activiteiten worden uitgeoefend, daarvan in kennis en verzoekt zij hen passende maatregelen te treffen om te beletten dat de onderneming deze activiteiten blijft uitoefenen op hun grondgebied.

  HOOFDSTUK III. - Lokale verzekeringsondernemingen

  Afdeling I. - Toepassingsgebied

  Art. 294. Dit Hoofdstuk is van toepassing op de verzekeringsondernemingen die hun verzekeringsactiviteiten beperken tot de gemeente waar hun zetel is gevestigd of tot die gemeente en de omliggende Belgische gemeenten. Deze ondernemingen worden "lokale verzekeringsondernemingen" genoemd.

  Art. 295. Met uitzondering van de bepalingen van dit hoofdstuk en van de Boeken IV en V zijn de lokale verzekeringsondernemingen vrijgesteld van de toepassing van deze wet.

  Afdeling II. - Inschrijving

  Art. 296. De toegang tot het verzekeringsbedrijf voor een lokale verzekeringsonderneming wordt afhankelijk gesteld van het verkrijgen van een voorafgaandelijke inschrijving.
  Bij de inschrijvingsaanvraag die aan de Bank wordt gericht, wordt een administratief dossier gevoegd dat voldoet aan de door de Bank gestelde voorwaarden en dat met name een beschrijving bevat van de beleidsstructuur van de onderneming en het bewijs dat voldaan is aan de voorwaarden van artikel 298.
  De Bank spreekt zich uit over de inschrijvingsaanvraag binnen zes maanden na indiening van een volledig dossier.
  De beslissingen inzake inschrijving worden binnen vijftien dagen ter kennis gebracht van de aanvragers met een aangetekende brief of een brief met ontvangstbewijs, met inachtneming van de termijnen bedoeld in het derde lid.
  De Bank maakt een lijst op van de lokale verzekeringsondernemingen die met toepassing van dit Hoofdstuk zijn ingeschreven. Die lijst en alle daarin aangebrachte wijzigingen worden op haar website bekendgemaakt.
  De artikelen 22, 23, 27 en 30 zijn van toepassing.

  Art. 297. Een verzekeringsonderneming die overeenkomstig Titel I van dit Boek een vergunning heeft verkregen, kan afstand doen van haar vergunning en vragen om ingeschreven te worden overeenkomstig dit Hoofdstuk, indien:
  1° zij voldoet aan alle in artikel 298 opgesomde voorwaarden;
  2° de in artikel 298, 3°, d) genoemde ondergrens in de laatste drie jaar vóór de aanvraag niet werd overschreden en naar verwachting niet zal worden overschreden in de vijf jaar na de aanvraag;
  3° zij afstand doet van haar vergunning overeenkomstig artikel 538, met dien verstande dat paragraaf 6 van het genoemde artikel 538 niet van toepassing is wanneer de onderneming met toepassing van dit Hoofdstuk is ingeschreven.

  Afdeling III. - Voorwaarden voor de toekenning en het behoud van de inschrijving

  Art. 298. Om ingeschreven te kunnen worden moeten lokale verzekeringsondernemingen aan de volgende voorwaarden voldoen:
  1° opgericht zijn in de vorm van een onderlinge verzekeringsvereniging of een coöperatieve vennootschap;
  2° een effectieve leiding hebben ingesteld die uit ten minste twee personen bestaat die gezamenlijk optreden en waarop artikel 40, § 1, tweede lid, van deze wet en artikel 20 van de wet van 25 april 2014 van toepassing zijn;
  3° hun activiteiten op de volgende wijze beperken:
  a) de verzekerde goederen beantwoorden aan de definitie van eenvoudige risico's als bedoeld in artikel 5 van het koninklijk besluit van 24 december 1992 tot uitvoering van de wet van 25 juni 1992 op de landverzekeringsovereenkomst, en zijn gelegen in de gemeente waar de lokale verzekeringsonderneming haar zetel heeft of in de omliggende Belgische gemeenten;
  b) de verzekerde gevaren behoren tot de takken 8, 9 en 16 als vermeld in Bijlage I en, op voorwaarde dat zij in de zin van artikel 21, § 2, bijkomend zijn bij de voornoemde gevaren, tot de takken 1, 3, 13, 17 en 18 als vermeld in dezelfde Bijlage;
  c) zij beperken hun doel tot de directe verzekeringsverrichtingen als bedoeld in a) en b) en de verrichtingen die daar rechtstreeks uit voortvloeien, met uitsluiting van elke andere handelsactiviteit;
  d) het jaarlijks incasso voor de verrichtingen bedoeld in a) en b) bedraagt niet meer dan één miljoen euro.
  4° al hun directe verzekeringsactiviteiten herverzekeren bij een onderneming die in België het herverzekeringsbedrijf mag uitoefenen, ten belope van minstens 90 %, of 100 % voor aansprakelijkheidsrisico's en natuurrampen;
  5° de verzekeringsactiviteiten vóór 1 januari 2016 overeenkomstig de bepalingen onder 3° en 4° uitoefenen.

  Afdeling IV. - Toezicht

  Art. 299.§ 1. De lokale verzekeringsondernemingen verstrekken aan de Bank, op haar verzoek, alle informatie die nodig is om na te gaan of voldaan is aan de in artikel 298 bedoelde inschrijvingsvoorwaarden.
  Voor de toepassing van het eerste lid kan de Bank op individuele basis of bij reglement vastgesteld overeenkomstig artikel 12bis, paragraaf 2 van de wet van 22 februari 1998, de aard, de omvang, het formaat, de frequentie en de wijze van indiening bepalen van de informatie die haar door de lokale verzekeringsondernemingen moet worden verstrekt.
  De lokale verzekeringsondernemingen delen aan de Bank op eigen initiatief en onverwijld alle factoren mee die tot gevolg zouden kunnen hebben dat niet langer voldaan is aan de inschrijvingsvoorwaarden.
  De artikelen 304, tweede lid, 1°, en 305 tot 307 zijn van toepassing.
  § 2. [1 Artikel 102, eerste lid, 2° en 3°, en tweede en derde lid, artikel 103, 1°, 2°, 3°, 5/1° en 6°, en de artikelen 105 en 106 zijn van toepassing.]1
  ----------
  (1)<W 2019-05-02/28, art. 75, 012; Inwerkingtreding : 01-06-2019>

  Afdeling V. - Uitzonderingsmaatregelen

  Art. 300. Wanneer de Bank vaststelt dat een lokale verzekeringsonderneming niet werkt overeenkomstig de bepalingen van dit Hoofdstuk of de ter uitvoering ervan genomen maatregelen, of wanneer zij over gegevens beschikt waaruit blijkt dat het gevaar bestaat dat deze onderneming in de komende twaalf maanden niet meer zal werken overeenkomstig deze bepalingen, stelt zij de termijn vast waarbinnen deze toestand moet worden verholpen.
  Indien de lokale verzekeringsonderneming de toestand niet heeft verholpen bij het verstrijken van de met toepassing van het eerste lid vastgestelde termijn, kan de Bank een of meer van de maatregelen nemen die opgesomd zijn in artikel 517, § 1, 1°, tot 7°. De paragrafen 2 tot 7 van hetzelfde artikel en artikel 518, eerste lid, zijn van overeenkomstige toepassing.

  Afdeling VI. - Beëindiging van de inschrijving

  Art. 301. § 1. Een ingeschreven lokale verzekeringsonderneming kan afstand doen van de inschrijving voor al haar activiteiten.
  Artikel 538, §§ 2, tot 5, is van overeenkomstige toepassing.
  § 2. Indien de lokale verzekeringsonderneming de toestand niet heeft verholpen bij het verstrijken van de met toepassing van artikel 300, eerste lid, vastgestelde termijn, kan de Bank de inschrijving herroepen voor alle verzekeringstakken die zij uitoefent.
  In het geval bedoeld in het eerste lid, wordt de lokale verzekeringsonderneming van rechtswege ontbonden en in vereffening gesteld overeenkomstig de artikelen 183 en volgende van het Wetboek van Vennootschappen.
  § 3. Het faillissement of de vrijwillige of gerechtelijke ontbinding, in de zin van de artikelen 181 en 182 van het Wetboek van Vennootschappen, van een lokale verzekeringsonderneming heeft de doorhaling van haar inschrijving tot gevolg voor alle verzekeringstakken die zij uitoefent.

  Art. 302.§ 1. Het is verboden nieuwe verzekeringsovereenkomsten te sluiten wanneer de inschrijving is beëindigd.
  Overeenkomstig het eerste lid en artikel 301, § 3, staan artikel 187 van het Wetboek van Vennootschappen en [1 artikel XX.139 van het Wetboek van economisch recht]1 enkel toe dat de lopende verzekeringsovereenkomsten worden uitgevoerd, met uitzondering van het sluiten van nieuwe verzekeringsovereenkomsten.
  § 2. Indien de lokale verzekeringsonderneming, niettegenstaande de geografische beperking van haar activiteiten, activiteiten uitoefent in het buitenland, stelt de Bank de toezichthouders van de lidstaten waarin activiteiten worden uitgeoefend, daarvan in kennis en verzoekt zij hen passende maatregelen te treffen om te beletten dat de lokale verzekeringsonderneming deze activiteiten blijft uitoefenen op hun grondgebied.
  § 3. Artikel 545 is van overeenkomstige toepassing.
  ----------
  (1)<W 2019-05-02/25, art. 79, 010; Inwerkingtreding : 31-05-2019>

  TITEL IV. - Toezicht op de ondernemingen

  HOOFDSTUK I. - Toezicht door de Bank

  Afdeling I. - Algemene beginselen

  Art. 303. § 1. De Bank waakt erover dat elke verzekerings- of herverzekeringsonderneming werkt overeenkomstig de bepalingen van deze wet, haar uitvoeringsbesluiten en -reglementen en de rechtstreeks toepasbare Europese verordeningen, onverminderd de bevoegdheden die aan de FSMA zijn toegekend op grond van artikel 45, § 1, eerste lid, 3°, en § 2, van de wet van 2 augustus 2002.
  § 2. Bij de uitoefening van haar algemene taken
  1° houdt de Bank afdoende rekening met de gevolgen die haar besluiten, inzonderheid in noodsituaties, kunnen hebben voor de stabiliteit van het financiële stelsel van alle andere betrokken lidstaten, uitgaande van de op het betrokken tijdstip beschikbare informatie; wanneer zich uitzonderlijke bewegingen op de financiële markten voordoen, moet de Bank rekening houden met de mogelijke procyclische effecten van haar optreden;
  2° baseert zij haar toezicht op een toekomstgerichte, risicogebaseerde benadering;
  3° past zij overeenkomstig het evenredigheidsbeginsel de wettelijke en reglementaire vereisten toe, rekening houdend met de aard, de omvang en de complexiteit van de risico's die inherent zijn aan de activiteit van de verzekerings- of herverzekeringsonderneming.
  § 3. In afwijking van paragraaf 1, worden de door deze wet opgelegde toezichtstaak en de desbetreffende prerogatieven die door of krachtens deze wet en de uitvoeringsmaatregelen van Richtlijn 2009/138/EG zijn vastgelegd, toevertrouwd aan de Controledienst voor de ziekenfondsen voor wat de verzekeringsmaatschappijen van onderlinge bijstand betreft.

  Art. 304.Met het oog op haar opdracht kan de Bank zich naast de informatie die de verzekerings- of herverzekeringsondernemingen overeenkomstig de bepalingen van Afdeling III verstrekken, alle inlichtingen doen verstrekken over de organisatie, de werking, de positie en de verrichtingen van de verzekerings- of herverzekeringsondernemingen.
  Zij kan ter plaatse inspecties verrichten en ter plaatse kennis nemen en een kopie maken van elk gegeven in bezit van de onderneming,
  1° om na te gaan of de wettelijke en reglementaire bepalingen en de bepalingen van de rechtstreeks toepasbare Europese verordeningen die betrekking hebben op het statuut van de verzekerings- of herverzekeringsondernemingen, inzonderheid de bepalingen inzake de solvabiliteitsvereisten, de technische voorzieningen, de activa en het in aanmerking komend eigen vermogen, zijn nageleefd en of de boekhouding en jaarrekening, alsmede de haar door de onderneming voorgelegde staten en inlichtingen, juist en waarheidsgetrouw zijn;
  2° om het passende karakter te toetsen van het governancesysteem en inzonderheid van de beleidsstructuren, de administratieve en boekhoudkundige organisatie, de interne controle en het beleid inzake het prospectieve beheer van de eigenvermogensbehoeften en de liquiditeit van de onderneming;
  3° om zich ervan te vergewissen dat het beleid van de onderneming gezond en voorzichtig is en dat haar positie of haar verrichtingen haar liquiditeit, rendabiliteit of solvabiliteit niet in gevaar kunnen brengen.
  De in het eerste en tweede lid bedoelde prerogatieven omvatten ook de toegang tot de agenda's en de notulen van de vergaderingen van de verschillende organen van de onderneming en van hun interne comités, evenals tot de bijbehorende documenten en tot de resultaten van de interne en/of externe beoordeling van de werking van de genoemde organen.
  [1 Voor de uitvoering van haar toezichtsopdracht kan de Bank een beroep doen op de door haar aangewezen deskundigen voor alle nuttige controles en onderzoeken. De bezoldiging en de kosten van die deskundigen worden door de verzekerings- of herverzekeringsonderneming gedragen.]1
  ----------
  (1)<W 2019-05-02/28, art. 76, 012; Inwerkingtreding : 01-06-2019>

  Art. 305. In het kader van het door de Bank uitgeoefende toezicht en met name van de inspecties, zijn de personeelsleden van de Bank gemachtigd om van de leiders en de werknemers van de verzekerings- of herverzekeringsonderneming alle inlichtingen en uitleg te verkrijgen die zij nodig achten voor de uitvoering van hun opdrachten en kunnen zij te dien einde eisen dat er gesprekken plaatsvinden met leiders of personeelsleden van de onderneming die zij aanduiden.

  Art. 306. De inspectieverslagen en meer in het algemeen alle documenten die uitgaan van de Bank, waarvan zij aangeeft dat ze vertrouwelijk zijn, mogen niet openbaar worden gemaakt door de verzekerings- of herverzekeringsondernemingen zonder uitdrukkelijke toestemming van de Bank.
  De niet-naleving van deze verplichting wordt bestraft met de straffen waarin voorzien is in artikel 458 van het Strafwetboek.

  Art. 307. Onverminderd artikel 92, tweede lid, 3°, kan de Bank in geval van uitbesteding ook haar inspectieprerogatieven uitoefenen als bedoeld in artikel 304, tweede lid, bij de ondernemingen waarop de verzekerings- of herverzekeringsondernemingen een beroep doen als dienstverleners (uitbesteding - outsourcing) om na te gaan of de voorwaarden voor die dienstverlening geen afbreuk doen aan de naleving door de verzekerings- of herverzekeringsondernemingen van hun wettelijke en reglementaire verplichtingen. De in de artikelen 305 en 310 bedoelde prerogatieven kunnen, naar analogie, ook worden uitgeoefend ten aanzien van die dienstverleners.
  De toezichthouders van een andere lidstaat waarvan de verzekerings- of herverzekeringsondernemingen die onder hun toezichtsbevoegdheid vallen, een beroep doen op in België gevestigde dienstverlenende ondernemingen (uitbesteding - outsourcing), mogen ten aanzien van die dienstverleners de in het eerste lid bedoelde prerogatieven uitoefenen, in voorkomend geval door middel van personen die zij daartoe machtigen. Wanneer zij daarom verzoeken kan de Bank haar prerogatieven namens deze toezichthouders uitoefenen.

  Art. 308. Met het oog op een efficiënt en gecoördineerd toezicht op de verzekeringsondernemingen sluiten de Bank en de FSMA enerzijds en de Bank en de Controledienst voor de ziekenfondsen anderzijds, een overeenkomst. Zij maken deze overeenkomst bekend op hun respectieve websites.
  Deze overeenkomsten bepalen de modaliteiten van de samenwerking tussen, respectievelijk, de Bank en de FSMA, en de Bank en de Controledienst voor de ziekenfondsen in alle gevallen waar de wet voorziet in een advies, raadpleging, informatie of ander contact tussen deze instellingen of waar overleg tussen deze instellingen noodzakelijk is om een eenvormige toepassing van de wetgeving te verzekeren.

  Art. 309. Relaties tussen een verzekerings- of herverzekeringsonderneming en een bepaalde cliënt behoren niet tot de bevoegdheid van de Bank tenzij het toezicht op die onderneming dit vergt.

  Afdeling II. - Toezicht op in een andere lidstaat uitgeoefende activiteiten

  Art. 310. § 1. De Bank kan bij de bijkantoren van verzekerings- of herverzekeringsondernemingen naar Belgisch recht die in een andere lidstaat zijn gevestigd, na voorafgaande kennisgeving aan de toezichthouders van die staat, de in artikel 304, tweede lid, bedoelde inspecties verrichten, alsook alle inspecties met als doel ter plaatse gegevens te verzamelen of te toetsen over de leiding en het beleid van het bijkantoor, alsook alle gegevens die het toezicht op de verzekerings- of herverzekeringsonderneming kunnen vergemakkelijken. De toezichthouders van de lidstaat van ontvangst kunnen aan die toetsing deelnemen.
  Met hetzelfde doel en na kennisgeving aan de in het eerste lid bedoelde autoriteiten, kan de Bank een deskundige die zij aanstelt, gelasten met alle nuttige controles en onderzoeken. De bezoldiging en de kosten van deze deskundige worden door de onderneming gedragen.
  Evenzo kan zij deze autoriteiten verzoeken bepaalde van de in het eerste lid bedoelde controles en onderzoeken te verrichten.
  Wanneer de autoriteiten van de lidstaat van ontvangst haar echter verhinderen haar recht op die controles uit te oefenen of indien de autoriteiten van die lidstaat niet kunnen deelnemen aan die controles, kan de Bank overeenkomstig artikel 19 van Verordening 1094/2010 de zaak aan EIOPA voorleggen en om haar bijstand verzoeken.
  § 2. Wanneer de in artikel 307, eerste lid, bedoelde dienstverleners in een andere lidstaat zijn gevestigd, is paragraaf 1 van overeenkomstige toepassing op de bij hen verrichte controles.

  Art. 311. Wanneer de toezichthouders van een lidstaat van ontvangst vaststellen dat een verzekerings- of herverzekeringsonderneming dat op haar grondgebied een bijkantoor heeft of aldaar werkzaam is in het kader van het vrij verrichten van diensten, de op haar toepasselijke wettelijke bepalingen van die lidstaat niet naleeft, neemt de Bank op verzoek van deze toezichthouders onverwijld alle passende maatregelen om ervoor te zorgen dat de onderneming een einde maakt aan deze onregelmatige situatie.
  De Bank kan inzonderheid een of meer van de in de artikelen 517 en 603 bedoelde maatregelen nemen.
  De Bank brengt de toezichthouders van de lidstaat van ontvangst op de hoogte van de getroffen maatregelen.
  In de gevallen bedoeld in artikel 155, lid 3, van Richtlijn 2009/138/EG kan de Bank de zaak aan EIOPA voorleggen en om haar bijstand verzoeken overeenkomstig artikel 19 van Verordening 1094/2010.

  Afdeling III. - Voor toezichtsdoeleinden te verstrekken informatie

  Art. 312. § 1. De verzekerings- of herverzekeringsondernemingen verstrekken aan de Bank alle voor toezichtsdoeleinden benodigde informatie, rekening houdend met de doelstellingen van het toezicht die vastgelegd zijn in artikel 303. Deze informatie bevat ten minste de gegevens die nodig zijn voor de uitvoering van de volgende taken in het kader van de tenuitvoerlegging van het in Afdeling IV bedoelde toezichtsproces:
  1° beoordelen van het door de ondernemingen toegepaste governancesysteem, de door hen uitgeoefende activiteiten, de voor solvabiliteitsdoeleinden gehanteerde waarderingsgrondslagen, de risico's waaraan zij blootstaan en hun risicobeheersystemen, hun kapitaalstructuur, kapitaalbehoeften en kapitaalbeheer;
  2° in het kader van de uitoefening van haar rechten en functies met betrekking tot het toezicht elke passende beslissing nemen.
  § 2. Voor de toepassing van paragraaf 1 kan de Bank:
  1° de aard, de omvang, het formaat, de frequentie en de wijze van indiening van de in paragraaf 1 bedoelde informatie vaststellen, op individuele basis of bij reglement vastgesteld overeenkomstig artikel 12bis, § 2, van de wet van 22 februari 1998, en deze informatie bij de verzekerings- en herverzekeringsondernemingen opvragen:
  a) op van tevoren bepaalde tijdstippen;
  b) wanneer er zich van tevoren omschreven gebeurtenissen voordoen;
  c) bij onderzoek naar de situatie van een verzekerings- of herverzekeringsonderneming;
  2° alle informatie inwinnen over overeenkomsten die in het bezit zijn van tussenpersonen, of over overeenkomsten die met derden worden aangegaan;
  3° informatie opvragen bij externe deskundigen;
  4° eisen dat haar geregeld andere cijfergegevens of uitleg dan deze bedoeld in paragraaf 1 worden verstrekt, indien zij deze gegevens nodig heeft om te kunnen nagaan of de bepalingen van deze wet of van de ter uitvoering ervan genomen besluiten en reglementen en van de uitvoeringsmaatregelen van Richtlijn 2009/138/EG zijn nageleefd.
  § 3. De in de paragrafen 1 en 2 bedoelde informatie bestaat uit:
  1° kwalitatieve of kwantitatieve elementen of een passende combinatie daarvan;
  2° historische, huidige of prospectieve elementen of een passende combinatie daarvan;
  3° gegevens uit interne of externe bronnen of een passende combinatie daarvan.
  § 4. Voor de in de paragrafen 1 en 2 bedoelde informatie worden de volgende beginselen in acht genomen:
  1° er moet rekening worden gehouden met de aard, de omvang en de complexiteit van de activiteiten van de betrokken onderneming, en met name met de risico's die aan die activiteit verbonden zijn;
  2° zij is toegankelijk, in alle essentiële opzichten volledig, vergelijkbaar en in de tijd gezien consistent;
  3° zij is relevant, betrouwbaar en begrijpelijk.

  Art. 313. Niettegenstaande de van tevoren bepaalde tijdstippen als bedoeld in artikel 312, § 2, 1°, a) maar onverminderd artikel 189, § 4, kan de Bank toestaan dat een verzekerings- of herverzekeringsonderneming de voor toezichtsdoeleinden benodigde informatie niet vaker dan eenmaal per jaar meedeelt wanneer het verstrekken van die informatie een belasting zou vormen die niet in verhouding staat tot de aard, de omvang en de complexiteit van de risico's die verbonden zijn aan de activiteit van de onderneming.

  Art. 314. De Bank kan het regelmatig verstrekken van voor toezichtsdoeleinden benodigde informatie beperken of de verzekerings- of herverzekeringsondernemingen vrijstellen van deze verplichting om itemgewijs informatie te verstrekken wanneer:
  1° het verstrekken van die informatie een belasting zou vormen die niet in verhouding staat tot de aard, de omvang en de complexiteit van de risico's die verbonden zijn aan de activiteit van de onderneming;
  2° het verstrekken van die informatie niet nodig is voor het effectieve toezicht op de onderneming;
  3° de vrijstelling niet schadelijk is voor de stabiliteit van de betrokken financiële stelsels in de Europese Unie; en
  4° de onderneming informatie op ad-hocbasis kan verstrekken.

  Art. 315. De artikelen 313 en 314, voor zover zij het itemgewijs verstrekken van informatie betreffen, zijn niet van toepassing wanneer de verzekerings- of herverzekeringsonderneming deel uitmaakt van een groep in de zin van artikel 339, 2°, tenzij die onderneming tegenover de Bank aantoont dat het frequenter verstrekken van informatie dan eenmaal per jaar of het itemgewijs verstrekken van informatie niet aangewezen is, gelet op de aard, de omvang en de complexiteit van de risico's die verbonden zijn aan de activiteit van de groep en rekening houdend met de doelstelling van financiële stabiliteit.
  De vrijstelling bedoeld in het eerste lid kan enkel aan de volgende ondernemingen worden verleend:
  1° ondernemingen die samen niet meer dan 20 % van de Belgische verzekerings- of herverzekeringsmarkt "niet-leven" vertegenwoordigen, waarbij het marktaandeel van die ondernemingen gebaseerd is op de geboekte brutopremies;
  2° ondernemingen die samen niet meer dan 20 % van de Belgische verzekerings- of herverzekeringsmarkt "leven" vertegenwoordigen, waarbij het marktaandeel van die ondernemingen gebaseerd is op de bruto technische voorzieningen.
  Bij het bepalen of ondernemingen voor die vrijstellingen in aanmerking komen, geeft de Bank voorrang aan de kleinste ondernemingen.

  Art. 316. Voor de toepassing van de artikelen 313 en 314 beoordeelt de Bank in het kader van het prudentieel toezichtsproces of het verstrekken van informatie een belasting vormt die niet in verhouding staat tot de aard, de omvang en de complexiteit van de risico's waaraan de onderneming blootstaat, waarbij ten minste rekening wordt gehouden met:
  1° het volume van de premies, de technische voorzieningen en de activa van de onderneming;
  2° de volatiliteit van de schadegevallen en schadevergoedingen die gedekt worden door de onderneming;
  3° de marktrisico's die voortvloeien uit de beleggingen van de onderneming;
  4° de risicoconcentratie;
  5° het totaal aantal levens- en niet-levensverzekeringstakken waarvoor een vergunning is verleend;
  6° mogelijke effecten van het beheer van de activa van de onderneming op de financiële stabiliteit;
  7° de systemen en structuren van de onderneming om informatie te verstrekken voor toezichtsdoeleinden, en de schriftelijk vastgelegde beleidslijn bedoeld in artikel 77, § 7;
  8° de geschiktheid van het governancesysteem van de onderneming;
  9° het niveau van het eigen vermogen ter dekking van het solvabiliteitskapitaalvereiste en van het minimumkapitaalvereiste;
  10° het feit of de onderneming al dan niet een verzekeringscaptive of herverzekeringscaptive is die uitsluitend de risico's dekt van de industriële of commerciële groep waartoe zij behoort.

  Art. 317.§ 1. Ten minste drie weken vóór de bijeenkomst van de algemene vergadering of, bij ontstentenis ervan, van het beslissingsorgaan van de onderneming, stellen de verzekerings- of herverzekeringsondernemingen de Bank in kennis van de ontwerpen van wijzigingen in de statuten [1 ...]1.
  De Bank kan eisen dat de door haar geformuleerde opmerkingen over die ontwerpen ter kennis worden gebracht van de algemene vergadering of, bij ontstentenis ervan, van het beslissingsorgaan van de onderneming.
  § 2. Binnen een maand na de goedkeuring ervan door de algemene vergadering, of, bij ontstentenis, door het bevoegde besluitvormingsorgaan, stellen de verzekerings- of herverzekeringsondernemingen de Bank in kennis van de wijzigingen in de statuten [1 ...]1.
  Binnen een termijn van een maand te rekenen vanaf de datum waarop zij er kennis van heeft gekregen, kan de Bank zich verzetten tegen de uitvoering van alle beslissingen of wijzigingen als bedoeld in het eerste lid die strijdig zouden zijn met de bepalingen van deze wet of haar uitvoeringsmaatregelen of de uitvoeringsmaatregelen van Richtlijn 2009/138/EG.
  ----------
  (1)<W 2019-05-02/28, art. 77, 012; Inwerkingtreding : 01-06-2019>

  Afdeling IV. - Procedure van prudentieel toezicht

  Onderafdeling I. - Procedure van prudentiële toetsing en evaluatie

  Art. 318. In het kader van haar opdracht als bedoeld in artikel 303 onderzoekt en evalueert de Bank op regelmatige basis de strategieën, processen en rapporteringsprocedures die de verzekerings- of herverzekeringsondernemingen hebben vastgesteld om te voldoen aan de bepalingen die door of krachtens deze wet zijn opgelegd en aan de bepalingen van de maatregelen tot uitvoering van Richtlijn 2009/138/EG.
  Daarbij worden de kwalitatieve vereisten inzake het governancesysteem beoordeeld, worden de risico's beoordeeld waaraan de betrokken ondernemingen blootstaan of zouden kunnen blootstaan en wordt het vermogen van deze ondernemingen beoordeeld om deze risico's te beoordelen rekening houdend met de omgeving waarin zij werkzaam zijn.

  Art. 319. De Bank onderzoekt en evalueert met name, overeenkomstig de maatregelen tot uitvoering van Richtlijn 2009/138/EG, of voldaan is aan:
  1° de in artikel 42 beschreven vereisten inzake het governancesysteem, met name de interne beoordeling van het eigen risico en de solvabiliteit;
  2° de vereisten inzake de technische voorzieningen, als beschreven in de artikelen 124 tot 139;
  3° de kapitaalvereisten als beschreven in de artikelen 151 tot 189;
  4° de beleggingsvoorschriften als beschreven in de artikelen 190 tot 198;
  5° de vereisten inzake de kwantiteit en de kwaliteit van het eigen vermogen, als beschreven in de artikelen 140 tot 150;
  6° wanneer de verzekerings- of herverzekeringsonderneming een volledig of gedeeltelijk intern model gebruikt: de vereisten die gesteld worden aan volledig of gedeeltelijk interne modellen, als beschreven in de artikelen 167 tot 188.
  In dit verband zorgt de Bank voorpassende monitoringinstrumenten waarmee ze een verslechtering van de financiële positie van een verzekerings- of herverzekeringsonderneming kan detecteren en waarmee ze kan nagaan hoe deze verslechtering wordt verholpen.

  Art. 320. De Bank beoordeelt ook de adequaatheid van de methodes en praktijken van de verzekerings- of herverzekeringsondernemingen om mogelijke gebeurtenissen of toekomstige veranderingen in de economische conjunctuur in kaart te brengen die de algehele financiële positie van de betrokken onderneming zouden kunnen aantasten.
  Ze beoordeelt het vermogen van de ondernemingen om het hoofd te bieden aan dergelijke mogelijke gebeurtenissen of toekomstige veranderingen in de economische conjunctuur.

  Art. 321. De Bank bepaalt de frequentie en de omvang van de in de artikelen 318 tot 320 bedoelde onderzoeken en evaluaties en houdt daarbij rekening met de omvang van de betrokken verzekerings- of herverzekeringsondernemingen, en met de aard, de omvang en de complexiteit van hun activiteiten.

  Onderafdeling II. - Stresstests

  Art. 322. Indien zij van oordeel is dat de stresstests die overeenkomstig artikel 23 van Verordening 1094/2010 worden uitgevoerd, onvoldoende resultaten opleveren, onderwerpt de Bank de verzekerings- of herverzekeringsondernemingen aan specifieke prudentiële stresstests, rekening houdend met de bijzondere kenmerken van de verzekerings- en herverzekeringssector in België, om de in de artikelen 318 tot 321 bedoelde toetsings- en evaluatieprocedure en de uitoefening van het groepstoezicht als bedoeld in Hoofdstuk II van Titel V te vergemakkelijken.

  Onderafdeling III. - Prudentiële maatregelen. - Opslagfactor van het kapitaalvereiste

  Art. 323. § 1. Op grond van de resultaten van de toetsings- en evaluatieprocedure of van de stresstests die overeenkomstig de artikelen 318 tot 322 worden uitgevoerd, kan de Bank voor een verzekerings- of herverzekeringsonderneming een specifieke kapitaalopslagfactor van het kapitaalvereiste opleggen bovenop de vereisten die door of krachtens deze wet of de uitvoeringsmaatregelen van Richtlijn 2009/138/EG zijn opgelegd, om rekening te houden met de risico's waaraan deze onderneming blootstaat of zou kunnen blootstaan.
  § 2. De kapitaalopslagfactor als bedoeld in paragraaf 1 kan enkel worden opgelegd in de volgende uitzonderlijke gevallen:
  1° de Bank is van oordeel dat het risicoprofiel van de verzekerings- of herverzekeringsonderneming significant afwijkt van de hypothesen die ten grondslag liggen aan het solvabiliteitskapitaalvereiste zoals dit met de standaardformule overeenkomstig de artikelen 153 tot 166 is berekend, en:
  a)dat het vereiste om op grond van artikel 173 een intern model te gebruiken, niet is aangewezen of dat het gebruik ervan ondoeltreffend is gebleken; of
  b) dat overeenkomstig artikel 170 een volledig of gedeeltelijk intern model wordt ontwikkeld, dat echter nog niet operationeel is;
  2° de Bank is van oordeel dat het risicoprofiel van de verzekerings- of herverzekeringsonderneming significant afwijkt van de hypothesen die ten grondslag liggen aan het solvabiliteitskapitaalvereiste zoals dit met een intern model of een gedeeltelijk intern model overeenkomstig de artikelen 167 tot 188 is berekend, omdat met bepaalde kwantificeerbare risico's onvoldoende rekening wordt gehouden en het niet binnen een passend tijdskader gelukt is om het model beter af te stemmen op het gegeven risicoprofiel;
  3° de Bank is van oordeel dat het governancesysteem van de verzekerings- of herverzekeringsonderneming significant afwijkt van de normen van artikel 42, dat de verzekerings- of herverzekeringsonderneming door deze afwijkingen niet in staat is de risico's waaraan zij blootstaat of zou kunnen blootstaan, adequaat te onderkennen, te meten, te bewaken, te beheren en te rapporteren, en dat er geen andere maatregelen zijn die binnen een passend tijdskader tot voldoende verbetering zouden leiden;
  4° de verzekerings- of herverzekeringsonderneming past de in artikel 129 bedoelde matchingopslag, de in artikel 131 bedoelde volatiliteitsaanpassing of de in de artikelen 668 en 669 bedoelde overgangsmaatregelen toe, en de Bank is van oordeel dat het risicoprofiel van die onderneming significant afwijkt van de hypothesen die ten grondslag liggen aan die aanpassingen en overgangsmaatregelen.
  § 3. In de gevallen bedoeld in paragraaf 2, 1°, en 2° wordt de kapitaalopslagfactor zo berekend dat gewaarborgd is dat de onderneming voldoet aan artikel 151, § 3.
  In de gevallen bedoeld in paragraaf 2, 3°, staat de kapitaalopslagfactor in verhouding tot de materiële risico's die voortvloeien uit de tekortkomingen die aanleiding hebben gegeven tot het besluit van de Bank om de opslagfactor op te leggen.
  In de gevallen bedoeld in paragraaf 2, 4°, staat de kapitaalopslagfactor in verhouding tot de materiële risico's die voortvloeien uit de afwijking met betrekking tot het risicoprofiel.
  § 4. In de gevallen bedoeld in paragraaf 2, 2° en 3°, zorgt de Bank ervoor dat de verzekerings- of herverzekeringsonderneming alles in het werk stelt om de tekortkomingen te verhelpen die tot de toepassing van een kapitaalopslagfactor hebben geleid.
  § 5. De kapitaalopslagfactoren die met toepassing van dit artikel zijn opgelegd, worden ten minste eenmaal per jaar door de Bank geëvalueerd. Zij worden opgeheven wanneer de onderneming de tekortkomingen heeft verholpen die tot de toepassing van deze factoren hebben geleid.
  § 6. Behalve voor wat betreft de berekening van de risicomarge als bedoeld in artikel 127, § 2, wanneer de kapitaalopslagfactor werd opgelegd in de gevallen bedoeld in paragraaf 2, 3°, wordt het solvabiliteitsvereiste opgevat als het bedrag van dit vereiste, vermeerderd met de kapitaalopslagfactor die met toepassing van dit artikel wordt opgelegd.

  Afdeling V. - Informatieverstrekking aan EIOPA

  Art. 324. Onverminderd artikel 35 van Verordening 1094/2010, verstrekt de Bank jaarlijks de volgende informatie aan EIOPA:
  1° de gemiddelde kapitaalopslagfactor per onderneming en de verdeling van de kapitaalopslagfactoren zoals de Bank deze in het voorgaande jaar heeft opgelegd, berekend als een percentage van het solvabiliteitskapitaalvereiste en afzonderlijk aangegeven voor:
  a) verzekerings- of herverzekeringsondernemingen;
  b) levensverzekeringsondernemingen;
  c) niet-levensverzekeringsondernemingen;
  d) verzekeringsondernemingen die zowel levensverzekerings- als niet-levensverzekeringsactiviteiten uitoefenen;
  e) herverzekeringsondernemingen;
  2° voor alle in punt 1°, van deze paragraaf genoemde gegevens: de verdeling van de kapitaalopslagfactoren die respectievelijk op grond van artikel 323, § 2, 1°, 2° of 3° , zijn opgelegd;
  3° het aantal verzekerings- of herverzekeringsondernemingen dat gedeeltelijk is vrijgesteld van de verplichting om regelmatig informatie te verstrekken en het aantal verzekerings- of herverzekeringsondernemingen dat is vrijgesteld van de verplichting om itemgewijs informatie te verstrekken met toepassing van de artikelen 313 en 314, alsmede het volume van hun kapitaalvereisten, premies, technische voorzieningen en activa, respectievelijk gemeten als een percentage van het totale volume van de kapitaalvereisten, premies, technische voorzieningen en activa van de verzekerings- of herverzekeringsondernemingen naar Belgisch recht;
  4° het aantal groepen dat gedeeltelijk is vrijgesteld van de verplichting om regelmatig informatie te verstrekken en het aantal groepen dat overeenkomstig artikel 423 is vrijgesteld van de verplichting om itemgewijs de informatie te verstrekken, alsmede het volume van hun kapitaalvereisten, premies, technische voorzieningen en activa, respectievelijk gemeten als een percentage van het totale volume van de kapitaalvereisten, premies, technische voorzieningen en activa van alle groepen.

  HOOFDSTUK II. - Revisoraal toezicht

  Afdeling I. - Aanstelling en erkenning van de commissarissen

  Art. 325. § 1. Onverminderd artikel 87ter van de wet van 2 augustus 2002 mag de opdracht van commissaris als bedoeld in het Wetboek van Vennootschappen, in een verzekerings- of herverzekeringsonderneming enkel worden toevertrouwd aan een of meer revisoren of een of meer revisorenvennootschappen die daartoe zijn erkend door de Bank overeenkomstig artikel 327.
  In verzekerings- of herverzekeringsondernemingen die met toepassing van het voornoemde Wetboek geen commissaris moeten hebben, stelt de algemene vergadering van vennoten een of meer erkend revisoren of erkende revisorenvennootschappen aan als bedoeld in het eerste lid.
  Zij nemen de taak waar van commissaris en dragen die titel. De voorschriften van het Wetboek van Vennootschappen met betrekking tot de commissarissen-revisoren van naamloze vennootschappen zijn van toepassing op de aanstelling en de opdracht van commissaris in deze ondernemingen. Voor de toepassing van het Wetboek van Vennootschappen met betrekking tot wat voorafgaat, vervangt de algemene vergadering van vennoten de algemene vergadering van aandeelhouders in vennootschappen waar de wet die niet instelt.
  § 2. De verzekerings- of herverzekeringsondernemingen mogen plaatsvervangende commissarissen aanstellen, die in geval van langdurige verhindering van de commissaris diens taak waarnemen. De voorschriften van dit artikel en van artikel 326 zijn van toepassing op deze plaatsvervangers.

  Art. 326. Een erkende revisorenvennootschap doet voor de uitoefening van de opdracht van commissaris als bedoeld in artikel 325, een beroep op een erkend revisor die zij aanstelt overeenkomstig artikel 132 van het Wetboek van Vennootschappen. De voorschriften van deze wet en haar uitvoeringsbesluiten, die de aanstelling, de opdracht, de verplichtingen en de verbodsbepalingen voor commissarissen alsmede de voor hen geldende, andere dan strafrechtelijke sancties regelen, gelden zowel voor de erkende revisorenvennootschappen als voor de erkend revisoren die hen vertegenwoordigen.
  Een erkende revisorenvennootschap mag een plaatsvervangend vertegenwoordiger aanstellen onder haar leden die voldoen aan de aanstellingsvoorwaarden.

  Art. 327.De Bank legt bij reglement vastgesteld met toepassing van artikel 12bis, § 2, van de wet van 22 februari 1998 het reglement vast voor de erkenning van revisoren en revisorenvennootschappen.
  Het erkenningsreglement wordt uitgevaardigd na raadpleging van de erkend revisoren via hun representatieve beroepsvereniging.
  [1 Het College van toezicht op de bedrijfsrevisoren dat opgericht is bij artikel 32 van de wet van 7 december 2016 tot organisatie van het beroep van en het publiek toezicht op de bedrijfsrevisoren, brengt de Bank op de hoogte telkens als een procedure wordt ingeleid of een maatregel en/of sanctie wordt genomen door dit College tegen een erkend revisor of een erkende revisorenvennootschap wegens een tekortkoming in de uitoefening van zijn of haar opdracht, met opgave van de motivering, en telkens als een verslag wordt opgesteld met toepassing van artikel 56, § 1, van de voornoemde wet van 7 december 2016. Het College brengt de Bank ook op de hoogte van alle soortgelijke procedures, maatregelen en/of sancties die in het buitenland worden opgelegd aan een erkend revisor of een erkende revisorenvennootschap en waarvan het College kennis heeft.]1
  ----------
  (1)<W 2019-05-02/28, art. 78, 012; Inwerkingtreding : 01-06-2019>

  Art. 328. Voor de aanstelling van erkend commissarissen en plaatsvervangend erkend commissarissen bij verzekerings- of herverzekeringsondernemingen is de voorafgaande instemming vereist van de Bank. Deze instemming moet worden gevraagd door het vennootschapsorgaan dat de aanstelling voorstelt. Bij aanstelling van een erkende revisorenvennootschap slaat deze instemming zowel op de vennootschap als op haar vertegenwoordiger.
  Deze instemming is ook vereist voor de hernieuwing van een opdracht.
  Wanneer de aanstelling van de commissaris krachtens de wet geschiedt door de voorzitter van de rechtbank van koophandel of het hof van beroep, kiest deze uit een lijst van erkend revisoren waaraan de Bank haar goedkeuring heeft gehecht.

  Art. 329. De Bank kan haar instemming overeenkomstig artikel 328 met een erkend commissaris, een plaatsvervangend erkend commissaris, een erkende revisorenvennootschap of een vertegenwoordiger of plaatsvervangende vertegenwoordiger van een dergelijke vennootschap, steeds herroepen bij beslissing die gemotiveerd is door redenen die verband houden met hun statuut of hun opdracht als erkend revisor of erkende revisorenvennootschap, zoals bepaald door of krachtens deze wet. Met deze herroeping eindigt de opdracht van commissaris.
  Wanneer een erkend commissaris ontslag neemt, worden de Bank en de verzekerings- of herverzekeringsonderneming hiervan vooraf in kennis gesteld, met opgave van de motivering.
  Het erkenningsreglement regelt de procedure.
  Bij afwezigheid van een plaatsvervangend erkend commissaris of een plaatsvervangende vertegenwoordiger van een erkende revisorenvennootschap, zorgt de verzekerings- of herverzekeringsonderneming of de erkende revisorenvennootschap, met inachtneming van artikel 328, binnen twee maanden voor zijn vervanging.
  Het voorstel om een erkend commissaris in een verzekerings- of herverzekeringsonderneming van zijn opdracht te ontslaan, zoals geregeld bij de artikelen 135 en 136 van het Wetboek van Vennootschappen, wordt ter advies voorgelegd aan de Bank. Dit advies wordt meegedeeld aan de algemene vergadering.

  Afdeling II. - Opdracht van de erkend commissarissen

  Art. 330. De erkend commissarissen als bedoeld in Afdeling I verlenen hun medewerking aan het toezicht van de Bank, op hun eigen en uitsluitende verantwoordelijkheid en overeenkomstig deze Afdeling, volgens de regels van het vak en de Richtlijnen van de Bank.
  De erkend commissarissen en de erkende revisorenvennootschappen mogen bij de buitenlandse bijkantoren van de onderneming waarop zij toezicht houden, het toezicht uitoefenen en de onderzoeken verrichten die bij hun opdracht horen.

  Art. 331. De erkend commissarissen beoordelen de internecontrolemaatregelen die de verzekerings- of herverzekeringsondernemingen hebben getroffen overeenkomstig artikel 42, § 1, 2°, en delen hun bevindingen ter zake mee aan de Bank.

  Art. 332. De erkend commissarissen brengen verslag uit bij de Bank over de resultaten van het beperkt nazicht van de periodieke financiële informatie die de verzekerings- of herverzekeringsondernemingen aan het einde van het eerste halfjaar aan de Bank bezorgt, waarin bevestigd wordt dat zij geen kennis hebben van feiten waaruit zou blijken dat deze periodieke informatie per einde halfjaar niet in alle materieel belangrijke opzichten is opgesteld volgens de voorschriften die door of krachtens deze wet, de uitvoeringsmaatregelen van Richtlijn 2009/138/EG en de instructies van de Bank zijn vastgesteld .
  Bovendien bevestigen zij dat de periodieke financiële informatie per einde halfjaar, voor wat de boekhoudkundige gegevens betreft, in alle materieel belangrijke opzichten in overeenstemming is met de boekhouding en de inventarissen inzake:
  1° volledigheid, wat wil zeggen dat ze alle gegevens bevat uit de boekhouding en de inventarissen op basis waarvan de periodieke financiële informatie wordt opgesteld,
  2° juistheid, wat wil zeggen dat ze de gegevens correct weergeeft uit de boekhouding en de inventarissen op basis waarvan de periodieke financiële informatie wordt opgesteld.
  Zij bevestigen geen kennis te hebben van feiten waaruit zou blijken dat de periodieke financiële informatie per einde halfjaar niet is opgesteld, voor wat de boekhoudkundige gegevens betreft, met toepassing van de boeking- en waarderingsregels voor de opstelling van de periodieke informatie met betrekking tot het laatste boekjaar. De Bank kan de hier bedoelde periodieke informatie nader bepalen.

  Art. 333. De erkend commissarissen brengen eveneens verslag uit bij de Bank over de resultaten van de controle van de periodieke financiële informatie die de verzekerings- of herverzekeringsondernemingen aan het einde van het boekjaar aan de Bank bezorgen, waarin bevestigd wordt dat deze periodieke informatie in alle materieel belangrijke opzichten werd opgesteld volgens de voorschriften die door of krachtens de wet, de uitvoeringsmaatregelen van Richtlijn 2009/138/EG en de instructies van de Bank zijn vastgesteld.
  Bovendien bevestigen zij dat de periodieke financiële informatie per einde van het boekjaar, voor wat de boekhoudkundige gegevens betreft, in alle materieel belangrijke opzichten in overeenstemming is met de boekhouding en de inventarissen, inzake:
  1° volledigheid, wat wil zeggen dat ze alle gegevens bevat uit de boekhouding en de inventarissen op basis waarvan de periodieke financiële informatie wordt opgesteld,
  2° juistheid, wat wil zeggen dat ze de gegevens correct weergeeft uit de boekhouding en de inventarissen op basis waarvan de periodieke financiële informatie wordt opgesteld.
  Zij bevestigen dat de periodieke financiële informatie per einde van het boekjaar werd opgesteld, voor wat de boekhoudkundige gegevens betreft, met toepassing van de boekings- en waarderingsregels voor de opstelling van de jaarrekening.
  De Bank kan de hier bedoelde periodieke informatie nader bepalen.

  Art. 334. De erkend commissarissen brengen bij de Bank op haar verzoek een bijzonder verslag uit over de organisatie, de activiteiten en de financiële structuur van de onderneming; de kosten voor de opstelling van dit verslag worden door de verzekerings- of herverzekeringsonderneming gedragen.

  Art. 335. In het kader van hun opdracht bij een verzekerings- of herverzekeringsonderneming of een revisorale opdracht bij een met een verzekerings- of herverzekeringsonderneming verbonden onderneming, brengen de erkend commissarissen op eigen initiatief verslag uit bij de Bank zodra zij kennis krijgen van beslissingen, feiten of, in voorkomend geval, ontwikkelingen:
  1° die de positie van de onderneming financieel of op het vlak van haar administratieve en boekhoudkundige organisatie of van haar interne controle, op betekenisvolle wijze beïnvloeden of kunnen beïnvloeden;
  2° die de bedrijfscontinuïteit van de verzekerings- of herverzekeringsonderneming kunnen aantasten;
  3° die tot de niet-naleving van de voorschriften inzake het solvabiliteitskapitaalvereiste kunnen leiden;
  4° die tot de niet-naleving van de voorschriften inzake het minimumkapitaalvereiste kunnen leiden;
  5° die een overtreding van het Wetboek van Vennootschappen, de statuten, deze wet en de ter uitvoering ervan genomen besluiten en reglementen kunnen vormen;
  6° die kunnen leiden tot een weigering van de certificering van de jaarrekening of tot het formuleren van voorbehoud.

  Art. 336. De erkend commissarissen delen aan het directiecomité van de verzekerings- of herverzekeringsonderneming of, bij ontstentenis van een directiecomité, aan de personen belast met de effectieve leiding, de verslagen mee die zij aan de Bank richten overeenkomstig artikel 334. Artikel 306 is op deze mededelingen van toepassing.
  Zij bezorgen de Bank een kopie van de mededelingen die zij aan het directiecomité van de verzekerings- of herverzekeringsonderneming of, bij ontstentenis van een directiecomité, aan de personen belast met de effectieve leiding, richten en die betrekking hebben op zaken die van belang kunnen zijn voor het toezicht dat zij uitoefent.

  Art. 337. Tegen erkend commissarissen die te goeder trouw informatie hebben verstrekt als bedoeld in artikel 335, kunnen geen burgerrechtelijke, strafrechtelijke of tuchtrechtelijke vorderingen worden ingesteld, noch professionele sancties worden uitgesproken.

  TITEL V. - Toezicht op verzekerings- en herverzekeringsgroepen en aanvullend toezicht op financiële conglomeraten

  HOOFDSTUK I. - Definities

  Art. 338.Onverminderd artikel 15 wordt voor de toepassing van deze Titel en van de uitvoeringsbesluiten en -reglementen ervan verstaan onder:
  1° moederonderneming: een moederonderneming in de zin van artikel 15, 39°, alsmede iedere onderneming die, naar de mening van de Bank, feitelijk een overheersende invloed op een andere onderneming uitoefent;
  2° dochteronderneming: een dochteronderneming in de zin van artikel 15, 40°, alsmede iedere onderneming waarop, naar de mening van de Bank, een moederonderneming feitelijk een overheersende invloed uitoefent. Alle dochterondernemingen van dochterondernemingen worden eveneens geacht dochterondernemingen te zijn van de moederonderneming die aan het hoofd staat van die ondernemingen;
  3° deelneming: een deelneming in de zin van artikel 15, 43°, alsmede het rechtstreeks of onrechtstreeks in bezit hebben van stemrechten of kapitaal van een andere onderneming waarop naar de mening van de Bank feitelijk een aanzienlijke invloed wordt uitgeoefend;
  4° verbonden onderneming: een dochteronderneming of iedere andere onderneming waarin een deelneming bestaat, of een onderneming waarmee een consortium wordt gevormd in de zin van artikel 10 van het Wetboek van Vennootschappen;
  5° verzekeringsholding: een moederonderneming die geen gemengde financiële holding is, en waarvan de hoofdactiviteit bestaat uit het verkrijgen en houden van deelnemingen in dochterondernemingen die uitsluitend of hoofdzakelijk verzekerings- of herverzekeringsondernemingen of verzekerings- of herverzekeringsondernemingen van derde landen zijn, van welke dochterondernemingen er ten minste één een verzekerings- of herverzekeringsonderneming is;
  6° gemengde verzekeringsholding: een moederonderneming die geen verzekerings- of herverzekeringsonderneming, verzekerings- of herverzekeringsonderneming van een derde land, verzekeringsholding of gemengde financiële holding is, en die onder haar dochterondernemingen ten minste één verzekerings- of herverzekeringsonderneming telt;
  7° gemengde financiële holding: een moederonderneming die geen gereglementeerde onderneming is en die aan het hoofd van een financieel conglomeraat staat;
  8° gereglementeerde onderneming: een verzekerings- of herverzekeringsonderneming, een kredietinstelling, een beleggingsonderneming, een beheervennootschap van instellingen voor collectieve belegging of een beheerder van alternatieve instellingen voor collectieve belegging;
  9° financiële sector: de sector die bestaat uit een of meer van de volgende ondernemingen:
  a) een gereglementeerde onderneming die een kredietinstelling is, een financiële instelling in de zin van artikel 3, 41°, van de wet van 25 april 2014, een onderneming die nevendiensten verricht in de zin van artikel 164, § 1, 4°, van diezelfde wet; deze ondernemingen behoren tot eenzelfde financiële sector, die "de banksector" wordt genoemd;
  b) een gereglementeerde onderneming die een verzekerings- of herverzekeringsonderneming is, een verzekeringsholding; deze ondernemingen behoren tot eenzelfde financiële sector, die "de verzekeringssector" wordt genoemd;
  c) een gereglementeerde onderneming die een beleggingsonderneming is, een onderneming die nevendiensten verricht [1 in de zin van artikel 3, 72°, van de wet van 25 april 2014, een financiële instelling in de zin van artikel 3, 41°, van diezelfde wet]1; deze ondernemingen behoren tot eenzelfde financiële sector, die "de beleggingsdienstensector" wordt genoemd.
  10° financiële instelling: worden met financiële instellingen als bedoeld in artikel 15, 48°, gelijkgesteld, de instellingen voor postcheque- en girodiensten, de AICB-beheerders, de beheervennootschappen van instellingen voor collectieve belegging, de vereffeningsinstellingen bedoeld in artikel 36/1, 14°, van de wet van 22 februari 1998 en de instellingen waarvan het bedrijf bestaat uit het gehele of gedeeltelijke operationele beheer van diensten die verstrekt worden door dergelijke vereffeningsinstellingen.
  ----------
  (1)<W 2016-10-25/05, art. 105, 002; Inwerkingtreding : 01-12-2016>

  Art. 339. Onverminderd de artikelen 15 en 338, wordt voor de toepassing van Hoofdstuk II van deze Titel en van de uitvoeringsbesluiten en -reglementen ervan verstaan onder:
  1° deelnemende onderneming: een onderneming die een moederonderneming is of een andere onderneming die een deelneming bezit, of een onderneming waarmee een consortium wordt gevormd in de zin van artikel 10 van het Wetboek van Vennootschappen;
  2° groep: een groep ondernemingen,
  a) die bestaat uit een deelnemende onderneming, haar dochterondernemingen en de entiteiten waarin de deelnemende onderneming of haar dochterondernemingen een deelneming aanhouden, alsook ondernemingen die een consortium vormen in de zin van artikel 10 van het Wetboek van Vennootschappen;
  b) die stoelt op de totstandbrenging, middels contract of op een andere wijze, van nauwe en duurzame financiële banden tussen die ondernemingen, met inbegrip van onderlinge waarborgmaatschappijen of onderlinge verzekeringsverenigingen, waarbij:
  i. een van deze ondernemingen via centrale coördinatie feitelijk een overheersende invloed uitoefent op de besluiten, ook financiële besluiten, van de andere ondernemingen die deel uitmaken van de groep; alsmede
  ii. voor de vorming en ontbinding van dergelijke banden ter wille van deze Titel vooraf toestemming moet worden verleend door de groepstoezichthouder,
  met dien verstande dat de onderneming die de gecentraliseerde coördinatie uitoefent, wordt beschouwd als de moederonderneming en de andere ondernemingen als dochterondernemingen;
  3° groepstoezichthouder: de toezichthouder die verantwoordelijk is voor het toezicht op het niveau van de verzekerings- of herverzekeringsgroep en overeenkomstig artikel 406 is aangewezen;
  4° college van toezichthouders: een permanente maar flexibele structuur voor samenwerking en coördinatie tussen de toezichthouders van de betrokken lidstaten en voor de vergemakkelijking van de besluitvorming met betrekking tot groepstoezicht;
  5° betrokken toezichthouder: de toezichthouder van een lidstaat waar een dochteronderneming haar zetel heeft.

  Art. 340.Onverminderd de artikelen 15 en 338, wordt voor de toepassing van Hoofdstuk III van deze Titel en van de uitvoeringsbesluiten en -reglementen ervan verstaan onder:
  1° groep: een geheel van ondernemingen dat gevormd wordt door een moederonderneming, haar dochterondernemingen, de ondernemingen waarin de moederonderneming of haar dochterondernemingen rechtstreeks of onrechtstreeks een deelneming aanhouden, alsook de ondernemingen waarmee een consortium wordt gevormd en de ondernemingen die door deze laatste ondernemingen worden gecontroleerd of waarin deze laatste ondernemingen een deelneming aanhouden;
  2° financieel conglomeraat: een groep of subgroep waarvan ten minste één van de dochterondernemingen een gereglementeerde onderneming is en die aan de volgende voorwaarden voldoet:
  a) wanneer een gereglementeerde onderneming aan het hoofd van de groep of subgroep staat:
  i. is deze onderneming de moederonderneming van een onderneming in de financiële sector, een onderneming die houdster is van een deelneming in een onderneming in de financiële sector, dan wel een onderneming die met een onderneming in de financiële sector verbonden is onder de vorm van een consortium;
  ii. is ten minste één van de entiteiten in de groep of subgroep een onderneming uit de verzekeringssector en is ten minste één van de entiteiten in de groep of subgroep een onderneming uit de banksector of de beleggingsdienstensector, en
  iii. zijn de geconsolideerde en/of geaggregeerde activiteiten van de tot de groep of subgroep behorende entiteiten uit de verzekeringssector en van de entiteiten uit de banksector en de beleggingsdienstensector significant in de zin van artikel 452, § 3; of
  b) wanneer aan het hoofd van de groep of subgroep geen gereglementeerde onderneming staat:
  i. vinden de activiteit van de groep of subgroep in hoofdzaak plaats in de financiële sector in de zin van artikel 452, § 2;
  ii. is ten minste één van de entiteiten in de groep of subgroep een onderneming uit de verzekeringssector en ten minste één van de entiteiten in de groep of subgroep een onderneming uit de banksector of de beleggingsdienstensector, en
  iii. zijn de geconsolideerde en/of geaggregeerde activiteiten van de tot de groep of subgroep behorende entiteiten uit de verzekeringssector en van de entiteiten uit de banksector en de beleggingsdienstensector significant in de zin van artikel 452, § 3;
  3° bevoegde autoriteiten: de nationale autoriteiten van de lidstaten die krachtens wettelijke of reglementaire bepalingen gemachtigd zijn om toezicht uit te oefenen op gereglementeerde ondernemingen, hetzij op individuele, hetzij op groepswijde basis;
  4° relevante bevoegde autoriteiten:
  a) de bevoegde autoriteiten die verantwoordelijk zijn voor het sectorale groepstoezicht op gereglementeerde ondernemingen die deel uitmaken van een financieel conglomeraat, en met name op de moederneming die aan het hoofd van een sector staat;
  b) de coördinator, indien deze niet behoort tot de onder a) bedoelde autoriteiten;
  c) in voorkomend geval, andere betrokken bevoegde autoriteiten die naar het oordeel van de onder a) en onder b) bedoelde autoriteiten relevant zijn.
  Tot de inwerkingtreding van overeenkomstig artikel 21bis, lid 1, onder b) van Richtlijn 2002/87/EG vast te stellen technische reguleringsnormen, wordt in het punt c) bedoelde oordeel in het bijzonder rekening gehouden met het marktaandeel dat de gereglementeerde ondernemingen van het financieel conglomeraat in andere lidstaten hebben, inzonderheid indien dit meer dan 5 % bedraagt, en met het belang van iedere in een andere lidstaat gevestigde gereglementeerde onderneming in het financieel conglomeraat;
  5° coördinator: de bevoegde autoriteit die belast is met het uitoefenen van het aanvullende conglomeraatstoezicht;
  6° Gemengd Comité: het comité bedoeld in artikel 54 van respectievelijk Verordening (EU) nr. 1093/2010 van het Europees Parlement en de Raad van 24 november 2010 tot oprichting van een Europese toezichthoudende autoriteit (Europese Bankautoriteit), tot wijziging van Besluit nr. 716/2009/EG en tot intrekking van Besluit 2009/78/EG van de Commissie, Verordening (EU) nr. 1094/2010 en Verordening (EU) nr. 1095/2010 van het Europees Parlement en de Raad van 24 november 2010 tot oprichting van een Europese toezichthoudende autoriteit (Europese Autoriteit voor effecten en markten), tot wijziging van Besluit nr. 716/2009/EG en tot intrekking van Besluit 2009/77/EG van de Commissie.
  7° Europees Comité voor Financiële Conglomeraten: het comité ingesteld bij artikel 21 van Richtlijn 2002/87/EG;
  8° sectorale regelgeving: deze wet, de wet van 25 april 2014, [1 de wet van 25 oktober 2016]1, de wet van 3 augustus 2012 betreffende bepaalde vormen van collectief beheer van beleggingsportefeuilles, evenals de uitvoeringsbesluiten en - reglementen van deze wetten, met uitsluiting van de bepalingen inzake het aanvullende conglomeraatstoezicht op gereglementeerde ondernemingen in een financieel conglomeraat; de vergelijkbare nationale regelgevingen en toezichtspraktijken in andere lidstaten;
  9° intragroeptransacties: verrichtingen die rechtstreeks of onrechtstreeks worden uitgevoerd, al dan niet tegen betaling, tussen gereglementeerde ondernemingen en andere ondernemingen die deel uitmaken van hetzelfde financieel conglomeraat of met die ondernemingen door nauwe banden verbonden natuurlijke personen of rechtspersonen, en die al dan niet betrekking hebben op de uitvoering van een contractuele verplichting;
  10° risicoconcentratie: het geheel van de posities ingenomen door ondernemingen in een financieel conglomeraat, die potentieel tot verlies aanleiding kunnen geven en die groot genoeg zijn om de financiële positie in het algemeen en de solvabiliteit in het bijzonder van de gereglementeerde ondernemingen in het financieel conglomeraat in gevaar te brengen, en die voortvloeien uit tegenpartij- of kredietrisico's, beleggingsrisico's, verzekeringsrisico's, marktrisico's, of andere belangrijke risico's, of een combinatie of wisselwerking van deze risico's;
  11° sectoraal groepstoezicht: het toezicht op gereglementeerde ondernemingen in uitvoering van Hoofdstuk II van deze Titel, de artikelen 165 tot 184 [1 of de artikelen 573 tot 576 van de wet van 25 april 2014, artikel 59 van de wet van 25 oktober 2016]1 of artikel 241 van de wet betreffende bepaalde vormen van collectief beheer van beleggingsportefeuilles, en het toezicht in uitvoering van vergelijkbare nationale regelgevingen en toezichtspraktijken in andere lidstaten;
  12° Verordening 342/2014: Gedelegeerde Verordening (EU) nr. 342/2014 van de Commissie van 21 januari 2014 tot aanvulling van Richtlijn 2002/87/EG van het Europees Parlement en de Raad en Verordening (EU) nr. 575/2013 van het Europees Parlement en de Raad ten aanzien van technische reguleringsnormen voor de toepassing van de berekeningsmethoden voor kapitaaltoereikendheidsvereisten voor financiële conglomeraten.
  13° Verordening 2015/2303: Gedelegeerde Verordening (EU) 2015/2303 van de Commissie van 28 juli 2015 tot aanvulling van Richtlijn 2002/87/EG van het Europees Parlement en de Raad met betrekking tot technische reguleringsnormen tot specificering van de definities van en coördinering van het aanvullende toezicht op risicoconcentratie en intragroepstransacties.
  ----------
  (1)<W 2016-10-25/05, art. 106, 002; Inwerkingtreding : 01-12-2016>

  Art. 341. Met het oog op een zo efficiënt mogelijk groepstoezicht en een zo efficiënt mogelijk aanvullend conglomeraatstoezicht, kan de Bank individuele afwijkingen toestaan op de bepalingen van deze Titel en, in voorkomend geval, op de met toepassing van artikel 12bis, § 2, van de wet van 22 februari 1998 vastgestelde reglementen, voor zover deze in lijn blijven met de ter zake relevante bepalingen van, naargelang van het geval, Richtlijn 2009/138/EG en Richtlijn 2002/87/EG. In dat geval stelt zij de Europese Commissie daarvan in kennis.

  Art. 342. De Bank kan, in voorkomend geval bij reglement vastgesteld met toepassing van artikel 12bis, § 2, van de wet van 22 februari 1998, de praktische modaliteiten van het groepstoezicht zoals opgenomen in Hoofdstuk II van deze Titel en van het aanvullende conglomeraatstoezicht, zoals opgenomen in Hoofdstuk III van deze titel, nader bepalen.

  HOOFDSTUK II. - Toezicht op verzekerings- of herverzekeringsondernemingen die deel uitmaken van een verzekerings- of herverzekeringsgroep

  Afdeling I. - Toepassingsgevallen, reikwijdte en niveaus van het groepstoezicht

  Onderafdeling I. - Toepassingsgevallen van het groepstoezicht

  Art. 343. Verzekerings- of herverzekeringsonder-nemingen naar Belgisch recht die deel uitmaken van een groep, zijn onderworpen aan een toezicht op groepsniveau, overeenkomstig dit Hoofdstuk, de uitvoeringsbesluiten en -reglementen ervan en de uitvoeringsmaatregelen van Richtlijn 2009/138/EG.
  Het toezicht op groepsniveau wordt uitgeoefend op verzekerings- of herverzekeringsondernemingen naar Belgisch recht:
  1° die een deelnemende onderneming in ten minste één verzekerings- of herverzekeringsonderneming in de Europese Economische Ruimte of van een derde land zijn, overeenkomstig de Afdelingen I tot IV van dit Hoofdstuk;
  2° waarvan de moederonderneming een verzekeringsholding of een gemengde financiële holding in de Europese Economische Ruimte is, overeenkomstig de Afdelingen I tot IV van dit Hoofdstuk;
  3° waarvan de moederonderneming een verzekeringsholding of een gemengde financiële holding van een derde land of een verzekerings- of herverzekeringsonderneming van een derde land is, overeenkomstig Afdeling V van dit Hoofdstuk;
  4° waarvan de moederonderneming een gemengde verzekeringsholding in de Europese Economische Ruimte of van een derde land is, overeenkomstig Afdeling VI van dit Hoofdstuk.
  Het toezicht op groepsniveau doet geen afbreuk aan het toezicht dat op individuele basis wordt uitgeoefend op verzekerings- of herverzekeringsondernemingen die betrokken zijn in het toezicht op groepsniveau, behoudens andersluidende bepalingen die door of krachtens dit Hoofdstuk of de uitvoeringsmaatregelen van Richtlijn 2009/138/EG zijn vastgelegd. De Bank kan evenwel rekening houden met de implicaties van het toezicht op groepsniveau bij de bepaling van de inhoud en de modaliteiten van het toezicht op individuele basis op verzekerings- of herverzekeringsondernemingen.

  Art. 344. In de gevallen bedoeld in artikel 343, tweede lid, 1°, en 2°, waarin de deelnemende verzekerings- of herverzekeringsonderneming, de verzekeringsholding of de gemengde financiële holding in de Europese Economische Ruimte hetzij een verbonden onderneming van een gereglementeerde entiteit of een gemengde financiële holding is die overeenkomstig artikel 5, lid 2, van Richtlijn 2002/87/EG aan aanvullend toezicht is onderworpen, hetzij zelf een gereglementeerde entiteit of een gemengde financiële holding is die aan hetzelfde toezicht is onderworpen, kan de groepstoezichthouder, na overleg met de andere betrokken toezichthouders, besluiten op het niveau van deze deelnemende verzekerings- of herverzekeringsonderneming, deze verzekeringsholding of deze gemengde financiële holding het in de artikelen 388 en 389 bedoelde toezicht op de risicoconcentratie of het in de artikelen 390 en 391 bedoelde toezicht op intragroeptransacties of beide niet uit te oefenen.

  Art. 345. Alle bepalingen van dit Hoofdstuk die van toepassing zijn op groepsniveau wegens de positie van de verzekeringsholding naar Belgisch recht, zijn ook van toepassing op het niveau van een gemengde financiële holding naar Belgisch recht voor zover:
  1° de verzekeringssector de belangrijkste sector is binnen het financieel conglomeraat;
  2° minstens één van de dochterondernemingen een verzekerings- of herverzekeringsonderneming is;
  3° de Bank zowel het toezicht op groepsniveau als het aanvullende conglomeraatstoezicht uitoefent.
  Voor de toepassing van het eerste lid, wordt de omvang van de verzekeringssector gemeten overeenkomstig artikel 452, § 3.
  Voor de toepassing van dit artikel overlegt de Bank, in haar hoedanigheid van groepstoezichthouder, met de betrokken toezichthouders die belast zijn met het toezicht op de dochterondernemingen en verkrijgt zij de instemming van de consoliderende toezichthouder van de banksector en de beleggingsdienstensector.
  In haar hoedanigheid van groepstoezichthouder stelt de Bank de EBA en EIOPA in kennis van de krachtens dit artikel genomen besluiten.

  Art. 346. Onverminderd artikel 347 kan de Bank, wanneer een verzekerings- of herverzekeringsonderneming die aan het hoofd staat van een financieel conglomeraat of wanneer een gemengde financiële holding naar Belgisch recht onderworpen is aan gelijkwaardige bepalingen van Hoofdstuk II en Hoofdstuk III van deze Titel, met name als het gaat om risicogebaseerd toezicht, in haar hoedanigheid van groepstoezichthouder besluiten op deze gemengde financiële holding alleen de relevante bepalingen van Hoofdstuk III van deze Titel toe te passen.
  Voor de toepassing van dit artikel overlegt de Bank, in haar hoedanigheid van groepstoezichthouder, met de betrokken toezichthouders die belast zijn met het toezicht op de dochterondernemingen en, in voorkomend geval, met de consoliderende toezichthouder van de banksector en de beleggingsdienstensector.
  In haar hoedanigheid van groepstoezichthouder stelt de Bank de EBA en EIOPA in kennis van de krachtens dit artikel genomen besluiten.

  Art. 347. Wanneer een verzekerings- of herverzekeringsonderneming deel uitmaakt van een financieel conglomeraat waarin de verzekeringssector de belangrijkste sector is en waarover de Bank zowel het toezicht op groepsniveau als het aanvullende conglomeraatstoezicht uitoefent, kan deze besluiten, na overleg met de bevoegde autoriteiten in de zin van artikel 340, 3°, dat de volgende maatregelen van toepassing zijn:
  1° wat betreft de verplichtingen en bevoegdheden inzake risicogebaseerd toezicht, zoals neergelegd in de artikelen 383 tot 401 en 417 tot 424, of onderdelen daarvan, zal bij wijze van afwijking de groep als gedefinieerd in artikel 340, 1°, die het financieel conglomeraat vormt, in aanmerking worden genomen als relevante reikwijdte voor het toezicht op groepsniveau;
  2° voor de naleving van de artikelen 459 tot 466 worden de groepsrisico's die voortvloeien uit intragroeptransacties en risicoconcentratie binnen het financieel conglomeraat, als een bijkomende risicocategorie behandeld. Deze risico's worden voldoende specifiek behandeld, met inachtneming van de Richtlijnen of standaarden die de Europese toezichthoudende autoriteiten uitvaardigen en van de kwantitatieve of kwalitatieve maatregelen waarnaar verwezen wordt in de voornoemde artikelen;
  3° voor de naleving van artikel 467 kunnen de bedoelde stresstests op het niveau van het financieel conglomeraat worden geïntegreerd in de stresstests die vereist zijn op basis van artikel 322.
  De praktische modaliteiten voor de toepassing van het eerste lid worden schriftelijk vastgelegd in een coördinatieregeling die met de relevante bevoegde autoriteiten in de zin van artikel 340, 4°, is gesloten binnen het college dat op de vereiste wijze is samengesteld op basis van artikel 474.
  In haar hoedanigheid van groepstoezichthouder stelt de Bank de EBA en EIOPA in kennis van de krachtens het eerste lid genomen besluiten.

  Onderafdeling II. - Reikwijdte van het groepstoezicht

  Art. 348. De uitoefening van het groepstoezicht overeenkomstig dit Hoofdstuk betekent niet dat toezicht op individuele basis moet worden uitgeoefend op de verzekerings- of herverzekeringsondernemingen van een derde land, op de verzekeringsholding, op de gemengde financiële holding of op de gemengde verzekeringsholding die onder het toezicht op groepsniveau vallen, onverminderd Afdeling IV van dit Hoofdstuk wat verzekeringsholdings en gemengde financiële holdings betreft.

  Art. 349. § 1. De groepstoezichthouder kan per geval besluiten om bij het in artikel 343 bedoelde toezicht op groepsniveau een onderneming niet in aanmerking te nemen:
  1° indien de onderneming gevestigd is in een derde land waar er juridische belemmeringen bestaan voor het doorgeven van de benodigde informatie, onverminderd het bepaalde in artikel 371;
  2° indien de bij het toezicht te betrekken onderneming in het licht van de doeleinden van het groepstoezicht van te verwaarlozen betekenis is; of
  3° indien het in aanmerking nemen van de onderneming in het licht van de doeleinden van het groepstoezicht ongepast of misleidend zou zijn.
  Wanneer verscheidene ondernemingen van dezelfde groep individueel genomen buiten beschouwing mogen worden gelaten op grond van het eerste lid, 2°, moeten deze toch bij het toezicht op groepsniveau in aanmerking worden genomen indien zij gezamenlijk van niet te verwaarlozen betekenis zijn.
  § 2. Indien de Bank, in haar hoedanigheid van groepstoezichthouder, in de in paragraaf 1, eerste lid, 2° of 3° bedoelde gevallen van mening is dat een verzekerings- of herverzekeringsonderneming niet bij het toezicht op groepsniveau in aanmerking moet worden genomen, raadpleegt zij de andere betrokken toezichthouders alvorens een besluit te nemen.

  Art. 350. Wanneer een verzekerings- of herverzekeringsonderneming op grond van artikel 349, § 1, eerste lid, 2° of 3° of van een bepaling van het recht van een andere lidstaat die voorziet in de omzetting van artikel 214, lid 2, eerste alinea, onder b) of c), van Richtlijn 2009/138/EG, niet bij het groepstoezicht in aanmerking wordt genomen, dient de onderneming naar Belgisch recht die aan het hoofd van de groep staat, aan de toezichthouders van de lidstaat waar deze niet in het groepstoezicht opgenomen onderneming is gevestigd, alle informatie te verstrekken die naar haar mening het toezicht op de betrokken verzekerings- of herverzekeringsonderneming kan vergemakkelijken.

  Onderafdeling III. - Niveaus § 1. Uiteindelijke moederonderneming op het niveau van de Europese Economische Ruimte

  Art. 351. Wanneer de in artikel 343, tweede lid, 1°, en 2° bedoelde deelnemende verzekerings- of herverzekeringsonderneming, verzekeringsholding of gemengde financiële holding zelf een dochteronderneming van een andere verzekerings- of herverzekeringsonderneming, een andere verzekeringsholding of een andere gemengde financiële holding met zetel in de Europese Economische Ruimte is, zijn de bepalingen die door of krachtens de Afdelingen II tot IV van dit Hoofdstuk zijn vastgelegd, alleen van toepassing op het niveau van de uiteindelijke moederverzekerings- of -herverzekeringsonderneming in de Europese Economische Ruimte, de uiteindelijke moederverzekeringsholding of de uiteindelijke gemengde financiële moederholding in de Europese Economische Ruimte.

  Art. 352. Wanneer de in artikel 351 bedoelde uiteindelijke moederverzekerings- of herverzekeringsonderneming op het niveau van de Europese Economische Ruimte, de uiteindelijke moederverzekeringsholding of de uiteindelijke gemengde financiële moederholding op het niveau van de Europese Economische Ruimte een dochteronderneming van een overeenkomstig artikel 5, lid 2, van Richtlijn 2002/87/EG aan aanvullend toezicht onderworpen onderneming is, kan de groepstoezichthouder, na overleg met de andere betrokken toezichthouders, besluiten op het niveau van deze uiteindelijke moederonderneming, moederverzekeringsholding of moederholding het in de artikelen 388 en 389 bedoelde toezicht op de risicoconcentratie of het in de artikelen 390 en 391 bedoelde toezicht op intragroeptransacties of beide niet uit te oefenen.
  § 2. Uiteindelijke moederonderneming op Belgisch niveau

  Art. 353. § 1. Onverminderd de artikelen 351 en 352, wanneer de zetel van de in artikel 351 bedoelde uiteindelijke moederonderneming op het niveau van de Europese Economische Ruimte niet in België is gelegen, kan de Bank, na raadpleging van de groepstoezichthouder en deze uiteindelijke moederonderneming op het niveau van de Europese Economische Ruimte, besluiten de in artikel 343, tweede lid, 1°, en 2° bedoelde verzekerings- of herverzekeringsonderneming, verzekeringsholding of gemengde financiële holding aan het toezicht op groepsniveau te onderwerpen overeenkomstig de bepalingen die door of krachtens dit Hoofdstuk en door de uitvoeringsmaatregelen van Richtlijn 2009/138/EG zijn vastgelegd.
  De in het eerste lid bedoelde verzekerings- of herverzekeringsonderneming, verzekeringsholding of gemengde financiële holding, wordt als uiteindelijke moederonderneming op Belgisch niveau aangemerkt.
  De Bank legt haar besluit uit aan de groepstoezichthouder en aan de uiteindelijke moederonderneming op het niveau van de Europese Economische Ruimte.
  § 2. De Bank mag paragraaf 1 niet toepassen en mag geen besluiten handhaven die met toepassing van paragraaf 1 zijn genomen wanneer de in artikel 351 bedoelde uiteindelijke moederonderneming op het niveau van de Europese Economische Ruimte overeenkomstig artikel 237 of 243 van Richtlijn 2009/138/EG toestemming heeft verkregen om haar dochteronderneming, die de uiteindelijke moederonderneming op Belgisch niveau is, aan de artikelen 238 en 239 van Richtlijn 2009/138/EG te onderwerpen.

  Art. 354. § 1. Wanneer zij artikel 353 toepast, kan de Bank het groepstoezicht op de uiteindelijke moederonderneming op Belgisch niveau beperken tot een of meer van de Onderafdelingen I, II of III van Afdeling II van dit Hoofdstuk.
  § 2. Wanneer de Bank besluit de bepalingen van Onderafdeling 1 van Afdeling II van dit Hoofdstuk op de uiteindelijke moederonderneming op Belgisch niveau toe te passen, wordt de keuze van de methode voor de berekening van de solvabiliteit op het niveau van de groep die overeenkomstig artikel 220 van Richtlijn 2009/138/EG door de groepstoezichthouder met betrekking tot de in artikel 351 bedoelde uiteindelijke moederonderneming op het niveau van de Europese Economische Ruimte wordt gemaakt, als definitief erkend en door de Bank toegepast.
  § 3. Wanneer de Bank besluit de bepalingen van Onderafdeling 1 van Afdeling II van dit Hoofdstuk op de uiteindelijke moederonderneming op Belgisch niveau toe te passen en de in artikel 351 bedoelde uiteindelijke moederonderneming op het niveau van de Europese Economische Ruimte overeenkomstig artikel 231 of artikel 233, lid 5, van Richtlijn 2009/138/EG toestemming heeft verkregen om het solvabiliteitskapitaalvereiste van de groep en het solvabiliteitskapitaalvereiste van de verzekerings- of herverzekeringsondernemingen die deel uitmaken van die groep, op basis van een intern model te berekenen, wordt dit besluit als definitief erkend en door de Bank toegepast.
  Wanneer de Bank in een dergelijke situatie van mening is dat het risicoprofiel van de uiteindelijke moederonderneming op Belgisch niveau duidelijk afwijkt van het op het niveau van de Europese Economische Ruimte goedgekeurde interne model, en zolang deze onderneming niet afdoende tegemoet komt aan de bezorgdheden van de Bank, kan zij besluiten een opslagfactor toe te passen op het solvabiliteitskapitaalvereiste van de groep dat voor de uiteindelijke moederonderneming op Belgisch niveau uit de toepassing van dit model voortvloeit, of, in uitzonderlijke omstandigheden waarin de toepassing van een dergelijke opslagfactor niet gepast is, verlangen dat deze onderneming het solvabiliteitskapitaalvereiste van de groep op basis van de standaardformule berekent.
  De Bank legt de krachtens het tweede lid genomen besluiten uit aan de groepstoezichthouder en aan de uiteindelijke moederonderneming op Belgisch niveau.
  § 4. Wanneer de Bank besluit de bepalingen van Onderafdeling 1 van Afdeling II van dit Hoofdstuk op de uiteindelijke moederonderneming op Belgisch niveau toe te passen, is het deze onderneming niet toegestaan overeenkomstig artikel 382 een aanvraag in te dienen om één of meer van haar dochterondernemingen aan de artikelen 384 en 385 te onderwerpen.

  Art. 355. Wanneer een toezichthouder de Bank, in haar hoedanigheid van groepstoezichthouder, ervan in kennis stelt dat zij artikel 216, lid 1 of lid 4 van Richtlijn 2009/138/EG heeft toepast, deelt de Bank dit mee aan het college van toezichthouders overeenkomstig artikel 409, § 1.
  § 3. Moederonderneming die meerdere lidstaten bestrijkt

  Art. 356. § 1. In geval van toepassing van artikel 353, mag de Bank een overeenkomst sluiten met toezichthouders van andere lidstaten waar een andere verbonden uiteindelijke moederonderneming op nationaal niveau aanwezig is, teneinde groepstoezicht uit te oefenen op het niveau van een subgroep die meerdere lidstaten bestrijkt.
  Wanneer er overeenkomstig het eerste lid een overeenkomst is gesloten, mag geen groepstoezicht worden uitgeoefend op het niveau van de uiteindelijke moederondernemingen op nationaal niveau die in andere lidstaten aanwezig zijn dan de lidstaat waar de in het eerste lid bedoelde subgroep is gevestigd.
  § 2. De Bank en de toezichthouders die partij zijn bij de in paragraaf 1 bedoelde overeenkomst kunnen overeenkomen het groepstoezicht op het niveau van de subgroep die meerdere lidstaten bestrijkt, te beperken tot een of meer afdelingen van Hoofdstuk II van Titel III van Richtlijn 2009/138/EG.
  Wanneer de Bank en de toezichthouders die partij zijn bij de in paragraaf 1 bedoelde overeenkomst besluiten de artikelen 218 tot 243 van Richtlijn 2009/138/EG toe te passen, wordt de keuze van de methode voor de berekening van de solvabiliteit op het niveau van de groep, die overeenkomstig artikel 220 van Richtlijn 2009/138/EG door de groepstoezichthouder met betrekking tot de uiteindelijke moederonderneming op het niveau van de Europese Economische Ruimte wordt gemaakt, als definitief erkend en door de Bank en de toezichthouders die partij zijn bij de in paragraaf 1 bedoelde overeenkomst toegepast.
  Ingeval de Bank en de toezichthouders die partij zijn bij de in paragraaf 1 bedoelde overeenkomst besluiten de artikelen 218 tot 243 van Richtlijn 2009/138/EG te passen en ingeval de uiteindelijke moederonderneming op het niveau van de Europese Economische Ruimte overeenkomstig artikel 231 of artikel 233, lid 5, van Richtlijn 2009/138/EG toestemming heeft verkregen om het solvabiliteitskapitaalvereiste van de groep en het solvabiliteitskapitaalvereiste van de verzekerings- of herverzekeringsondernemingen die deel uitmaken van de groep op basis van een intern model te berekenen, wordt dat besluit als definitief erkend en door de Bank en de toezichthouders die partij zijn bij de in paragraaf 1 bedoelde overeenkomst toegepast.
  Wanneer de Bank en de toezichthouders die partij zijn bij de in paragraaf 1 bedoelde overeenkomst, in het in het derde lid bedoelde geval van mening zijn dat het risicoprofiel van de subgroep die meerdere lidstaten bestrijkt, duidelijk afwijkt van het op het niveau van de Europese Economische Ruimte goedgekeurde interne model, en zolang deze subgroep niet afdoende tegemoet komt aan de bezorgdheden van de Bank en van de toezichthouders die partij zijn bij de in paragraaf 1 bedoelde overeenkomst, kunnen zij besluiten op het uit de toepassing van dit model voortvloeiende solvabiliteitskapitaalvereiste van de subgroep die meerdere lidstaten bestrijkt, een opslagfactor toe te passen of, in uitzonderlijke omstandigheden waarin de toepassing van een dergelijke opslagfactor niet gepast is, verlangen dat deze subgroep die meerdere lidstaten bestrijkt, het solvabiliteitskapitaalvereiste van de subgroep op basis van de standaardformule berekent.
  De Bank legt de krachtens het vierde lid genomen besluiten uit aan de groepstoezichthouder en aan de uiteindelijke moederonderneming op het niveau van de Europese Economische Ruimte.
  § 3. De Bank en de toezichthouders die partij zijn bij de met toepassing van dit artikel gesloten overeenkomst, leggen de genoemde overeenkomst uit aan de groepstoezichthouder en aan de uiteindelijke moederonderneming op het niveau van de Europese Economische Ruimte.
  § 4. De in dit artikel bedoelde overeenkomst mag geen betrekking hebben op een uiteindelijke moederonderneming op Belgisch niveau of op een ander nationaal niveau die met toepassing van de artikelen 237 of 243 van Richtlijn 2009/138/EG onderworpen is aan de artikelen 238 en 239 van Richtlijn 2009/138/EG.

  Art. 357. Wanneer een toezichthouder de Bank, in haar hoedanigheid van groepstoezichthouder, ervan in kennis stelt dat zij artikel 217, lid 1, of artikel 217, lid 2 juncto artikel 216, lid 4, tweede alinea van Richtlijn 2009/138/EG heeft toegepast, deelt de Bank dit mee aan het college van toezichthouders overeenkomstig artikel 409, § 1.

  Afdeling II. - Domeinen van het groepstoezicht

  Onderafdeling I. - Groepssolvabiliteit § 1. Algemene bepalingen

  Art. 358. § 1. Op de groepssolvabiliteit wordt toezicht uitgeoefend overeenkomstig dit artikel en Onderafdeling III van deze Afdeling.
  § 2. In het in artikel 343, tweede lid, 1°, bedoelde geval zorgt de deelnemende verzekerings- of herverzekeringsonderneming ervoor dat er in de groep in aanmerking komend eigen vermogen beschikbaar is dat altijd ten minste gelijk is aan het solvabiliteitskapitaalvereiste van de groep als berekend overeenkomstig de artikelen 361 tot 380.
  In het in artikel 343, tweede lid, 2° bedoelde geval zorgt de verzekerings- of herverzekeringsonderneming die deel uitmaakt van de groep ervoor dat er in de groep in aanmerking komend eigen vermogen beschikbaar is dat altijd ten minste gelijk is aan het solvabiliteitskapitaalvereiste van de groep als berekend overeenkomstig artikel 381.
  De in deze paragraaf bedoelde vereisten zijn overeenkomstig Afdeling III van dit Hoofdstuk aan het toezicht van de groepstoezichthouder onderworpen.
  § 3. De deelnemende verzekerings- of herverzekeringsonderneming die zich in het in artikel 343, tweede lid, 1°, bedoelde geval bevindt, en, indien aan het hoofd van de groep geen verzekerings- of herverzekeringsonderneming staat, de verzekeringsholding of de gemengde financiële holding die zich in het in artikel 343, tweede lid, 2° bedoelde geval bevindt, beschikken over procedures om een verslechtering van de vereisten als respectievelijk bedoeld in het eerste lid en het tweede lid vast te stellen en om de groepstoezichthouder onmiddellijk in kennis te stellen wanneer zo'n verslechtering zich voordoet.
  Zodra zij vaststelt dat het solvabiliteitskapitaalvereiste van de groep niet meer wordt nageleefd of dat het gevaar dreigt dat het in de komende drie maanden niet meer wordt nageleefd, stelt de in het eerste lid bedoelde onderneming de groepstoezichthouder daarvan onmiddellijk in kennis.
  Binnen twee maanden na de in het tweede lid bedoelde vaststelling of de kennisgeving door de groepstoezichthouder van het feit dat hij een dergelijke vaststelling heeft gedaan, dient de in het eerste lid bedoelde onderneming bij de groepstoezichthouder ter goedkeuring een realistisch saneringsplan in, dat het solvabiliteitskapitaalvereiste van de groep weer op peil beoogt te brengen binnen uiterlijk zes maanden. Na overleg met de betrokken toezichthouders kan de groepstoezichthouder deze termijn met drie maanden verlengen indien hij dit nodig acht. Artikel 510, §§ 2, en 3 is van overeenkomstige toepassing.

  Art. 359. Wanneer de Bank, in haar hoedanigheid van groepstoezichthouder, ervan in kennis wordt gesteld dat het solvabiliteitskapitaalvereiste van de groep niet meer wordt nageleefd of dat het gevaar dreigt dat het in de komende drie maanden niet meer wordt nageleefd, deelt zij dit mee aan de betrokken toezichthouders in het college van toezichthouders, dat de situatie van de groep vervolgens analyseert.

  Art. 360. § 1. De deelnemende verzekerings- of herverzekeringsonderneming of, indien aan het hoofd van de groep geen verzekerings- of herverzekeringsonderneming staat, de verzekeringsholding of de gemengde financiële holding voeren de in artikel 358, § 2, bedoelde berekeningen minstens eenmaal per jaar uit.
  De voor de berekening benodigde gegevens en de resultaten van de berekening worden aan de groepstoezichthouder voorgelegd door de deelnemende verzekerings- of herverzekeringsonderneming of, indien aan het hoofd van de groep geen verzekerings- of herverzekeringsonderneming staat, door de verzekeringsholding, de gemengde financiële holding of de tot de groep behorende verzekerings- of herverzekeringsonderneming die door de groepstoezichthouder na overleg met de betrokken toezichthouders en met de groep zelf is aangewezen.
  § 2. Het solvabiliteitskapitaalvereiste van de groep wordt continu bewaakt door de verzekerings- of herverzekeringsonderneming of, indien aan het hoofd van de groep geen verzekerings- of herverzekeringsonderneming staat, door de verzekeringsholding of de gemengde financiële holding. Wanneer het risicoprofiel van de groep in significante mate. afwijkt van de hypothesen die aan het laatst gemelde solvabiliteitskapitaalvereiste van de groep ten grondslag liggen, wordt dit solvabiliteitskapitaalvereiste onmiddellijk herberekend en aan de groepstoezichthouder meegedeeld.
  Indien er aanwijzingen zijn dat het risicoprofiel van de groep in significante mate is gewijzigd sinds de datum waarop de laatste melding van het solvabiliteitskapitaalvereiste van de groep heeft plaatsgevonden, kan de groepstoezichthouder een herberekening van het dit solvabiliteitskapitaalvereiste verlangen.
  § 2. Keuze van de methode voor de berekening van de groepssolvabiliteit en algemene beginselen

  Art. 361. De solvabiliteit op het niveau van de groep van een deelnemende verzekerings- of herverzekeringsonderneming wordt berekend overeenkomstig de technische beginselen die in de artikelen 362 tot 371 zijn beschreven en volgens berekeningsmethode 1 als bedoeld in de artikelen 372 tot 376 en in de uitvoeringsmaatregelen van Richtlijn 2009/138/EG.
  In afwijking van het eerste lid kan de groepstoezichthouder, na overleg met de betrokken toezichthouders en de groep zelf, besluiten om voor deze groep berekeningsmethode 2 als bedoeld in de artikelen 377 tot 380 en in de uitvoeringsmaatregelen van Richtlijn 2009/138/EG, of een combinatie van de berekeningsmethodes 1 en 2 toe te passen indien de uitsluitende toepassing van methode 1 ongepast zou zijn.

  Art. 362. § 1. Bij de berekening van de groepssolvabiliteit van een deelnemende verzekerings- of herverzekeringsonderneming wordt rekening gehouden met het proportionele deel dat de deelnemende onderneming in met haar verbonden ondernemingen bezit.
  Voor de toepassing van het eerste lid, wordt onder "proportioneel deel" het volgende verstaan:
  1° ofwel, bij toepassing van methode 1 voor de berekening van de groepssolvabiliteit, de percentages die worden gebruikt voor de opstelling van de geconsolideerde jaarrekening;
  2° ofwel, bij toepassing van methode 2 voor de berekening van de groepssolvabiliteit, het gedeelte van het geplaatste kapitaal dat rechtstreeks of onrechtstreeks het eigendom is van de deelnemende onderneming.
  Ongeacht welke methode wordt toegepast voor de berekening van de groepssolvabiliteit, wordt echter, indien de verbonden onderneming een dochteronderneming is die onvoldoende in aanmerking komend eigen vermogen bezit om haar solvabiliteitskapitaalvereiste te dekken, het totale solvabiliteitstekort van de dochteronderneming in aanmerking genomen.
  In afwijking van het derde lid kan de groepstoezichthouder toestaan dat het solvabiliteitstekort van de dochteronderneming op proportionele grondslag in aanmerking wordt genomen indien hij na overleg met de betrokken toezichthouders van oordeel is dat de aansprakelijkheid van de moederonderneming die een gedeelte van het kapitaal in eigendom heeft, strikt tot dat gedeelte van het kapitaal is beperkt.
  § 2. In de onderstaande gevallen bepaalt de groepstoezichthouder, na overleg met de betrokken toezichthouders en de groep zelf, het proportionele deel dat in aanmerking wordt genomen:
  1° indien tussen sommige van de ondernemingen in een groep geen kapitaalbanden bestaan;
  2° indien de Bank of een andere toezichthouder heeft bepaald dat het rechtstreekse of onrechtstreekse bezit van stemrechten of kapitaal van een onderneming als een deelneming moet worden aangemerkt, omdat naar haar mening feitelijk een aanzienlijke invloed op deze onderneming wordt uitgeoefend;
  3° indien de Bank of een andere toezichthouder heeft bepaald dat een onderneming een moederonderneming van een andere onderneming is, omdat de Bank of die andere toezichthouder van oordeel is dat die onderneming feitelijk een overheersende invloed op die andere onderneming uitoefent.

  Art. 363. § 1. Het is niet toegestaan eigen vermogen dat voor de dekking van het solvabiliteitskapitaalvereiste in aanmerking komt, meerdere malen te gebruiken voor de verschillende verzekerings- of herverzekeringsondernemingen die bij de berekening van de groepssolvabiliteit van een deelnemende verzekerings- of herverzekeringsonderneming betrokken zijn.
  Daartoe worden bij de berekening van de groepssolvabiliteit en voor zover de in de artikelen 372 tot 380 en in de uitvoeringsmaatregelen van Richtlijn 2009/138/EG beschreven berekeningsmethodes daarin niet voorzien, de volgende bedragen van de berekening uitgesloten:
  1° de waarde van activa van de deelnemende verzekerings- of herverzekeringsonderneming die de financiering vertegenwoordigen van eigen vermogen dat in aanmerking komt voor de dekking van het solvabiliteitskapitaalvereiste van één van de met haar verbonden verzekerings- of herverzekeringsondernemingen;
  2° de waarde van activa van een met de deelnemende verzekerings- of herverzekeringsonderneming verbonden verzekerings- of herverzekeringsonderneming die de financiering vertegenwoordigen van eigen vermogen dat in aanmerking komt voor de dekking van het solvabiliteitskapitaalvereiste van die deelnemende verzekerings- of herverzekeringsonderneming;
  3° de waarde van activa van een met de deelnemende verzekerings- of herverzekeringsonderneming verbonden verzekerings- of herverzekeringsonderneming die de financiering vertegenwoordigen van eigen vermogen dat in aanmerking komt voor de dekking van het solvabiliteitskapitaalvereiste van andere met die deelnemende verzekerings- of herverzekeringsonderneming verbonden verzekerings- of herverzekeringsondernemingen.
  § 2. Onverminderd paragraaf 1 mogen de onderstaande vermogensbestanddelen alleen in de berekening van de groepssolvabiliteit worden betrokken voor zover zij in aanmerking komen voor de dekking van het solvabiliteitskapitaalvereiste van de betrokken verbonden onderneming:
  1° surplusfondsen uit hoofde van artikel 145, tweede lid, die gegenereerd worden in een verbonden levensverzekerings- of herverzekeringsonderneming van de deelnemende verzekerings- of herverzekeringsonderneming waarvoor de groepssolvabiliteit wordt berekend;
  2° het geplaatste maar niet-gestorte aandelenkapitaal van een verbonden verzekerings- of herverzekeringsonderneming van de deelnemende verzekerings- of herverzekeringsonderneming waarvoor de groepssolvabiliteit wordt berekend.
  De volgende bestanddelen worden in elk geval van de berekening van de groepssolvabiliteit uitgesloten:
  1° geplaatst maar niet-gestort aandelenkapitaal dat een potentiële verplichting van de zijde van de deelnemende onderneming vormt;
  2° geplaatst maar niet-gestort aandelenkapitaal van de deelnemende verzekerings- of herverzekeringsonderneming dat een potentiële verplichting van de zijde van een verbonden verzekerings- of herverzekeringsonderneming vormt;
  3° geplaatst maar niet-gestort aandelenkapitaal van een verbonden verzekerings- of herverzekeringsonderneming dat een potentiële verplichting van de zijde van een andere met dezelfde deelnemende verzekerings- of herverzekeringsonderneming verbonden verzekerings- of herverzekeringsonderneming vormt.
  § 3. Indien de Bank of een andere toezichthouder van mening is dat bepaald ander dan in paragraaf 2 bedoeld eigen vermogen dat voor de dekking van het solvabiliteitskapitaalvereiste van een verbonden verzekerings- of herverzekeringsonderneming in aanmerking komt, niet effectief beschikbaar mag worden gesteld voor de dekking van het solvabiliteitskapitaalvereiste van de deelnemende verzekerings- of herverzekeringsonderneming waarvoor de groepssolvabiliteit wordt berekend, mag dat eigen vermogen slechts in de berekening worden opgenomen voor zover het in aanmerking komt voor de dekking van het solvabiliteitskapitaalvereiste van de verbonden onderneming.
  § 4. De som van de in de paragrafen 2 en 3 bedoelde eigenvermogensbestanddelen mag het solvabiliteitskapitaalvereiste van de verbonden verzekerings- of herverzekeringsonderneming niet overschrijden.
  § 5. In aanmerking komend eigen vermogen van een verbonden verzekerings- of herverzekeringsonderneming van de deelnemende verzekerings- of herverzekeringsonderneming waarvoor de groepssolvabiliteit wordt berekend, en waarvan de inaanmerkingneming voorafgaande toestemming vereist, naargelang van het geval, van de Bank, overeenkomstig artikel 143, of van een andere toezichthouder, overeenkomstig artikel 90 van Richtlijn 2009/138/EG, mag alleen in de berekening worden betrokken voor zover daarvoor toestemming is verkregen, naargelang van het geval, van de Bank of van de toezichthouder die voor het toezicht op die verbonden onderneming verantwoordelijk is.

  Art. 364. Bij de berekening van de groepssolvabiliteit van een deelnemende verzekerings- of herverzekeringsonderneming wordt geen rekening gehouden met het voor de dekking van het solvabiliteitskapitaalvereiste in aanmerking komend eigen vermogen dat afkomstig is van de wederzijdse financiering tussen de deelnemende verzekerings- of herverzekeringsonderneming en:
  1° een daarmee verbonden onderneming;
  2° een daarin deelnemende onderneming;
  3° een andere verbonden onderneming van een van haar deelnemende ondernemingen.
  Bij de berekening van de groepssolvabiliteit wordt geen rekening gehouden met het voor de dekking van het solvabiliteitskapitaalvereiste in aanmerking komend eigen vermogen van een verbonden verzekerings- of herverzekeringsonderneming van de deelnemende verzekerings- of herverzekeringsonderneming waarvoor de groepssolvabiliteit wordt berekend, wanneer het desbetreffende eigen vermogen afkomstig is van de wederzijdse financiering met een andere met die deelnemende verzekerings- of herverzekeringsonderneming verbonden onderneming.
  Er wordt ten minste geacht van wederzijdse financiering sprake te zijn wanneer een verzekerings- of herverzekeringsonderneming of een van de met haar verbonden ondernemingen houdster is van aandelen in, of leningen verstrekt aan een andere onderneming die, rechtstreeks of onrechtstreeks, houdster is van voor de dekking van het solvabiliteitskapitaalvereiste in aanmerking komend eigen vermogen van de eerste onderneming.

  Art. 365. De activa en passiva worden gewaardeerd overeenkomstig artikel 123.
  § 3. Toepassing van de methodes voor de berekening van de groepssolvabiliteit

  Art. 366. Wanneer meerdere verzekerings- of herverzekeringsondernemingen met de deelnemende verzekerings- of herverzekeringsonderneming verbonden zijn, wordt elk van deze verbonden verzekerings- of herverzekeringsondernemingen in aanmerking genomen bij de berekening van de groepssolvabiliteit van de deelnemende verzekerings- of herverzekeringsonderneming.
  Wanneer de verbonden verzekerings- of herverzekeringsonderneming haar zetel in een andere lidstaat dan België heeft, wordt bij de berekening van de groepssolvabiliteit van de deelnemende verzekerings- of herverzekeringsonderneming met betrekking tot de verbonden onderneming rekening gehouden met het solvabiliteitskapitaalvereiste en met het voor de dekking van dat vereiste in aanmerking komend eigen vermogen als voorgeschreven in die andere lidstaat.

  Art. 367. § 1. Bij de berekening van de groepssolvabiliteit van de deelnemende verzekerings- of herverzekeringsonderneming die middels een verzekeringstussenholding of een gemengde financiële holding een deelneming bezit in een verbonden verzekerings- of herverzekeringsonderneming of in een verzekerings- of herverzekeringsonderneming van een derde land, wordt met de positie van die verzekeringsholding of die gemengde financiële holding rekening gehouden.
  Louter voor deze berekening wordt de verzekeringstussenholding of de gemengde financiële tussenholding behandeld als betrof het een verzekerings- of herverzekeringsonderneming die onderworpen is aan de voorschriften van de artikelen 151 tot 188 met betrekking tot het solvabiliteitskapitaalvereiste en aan dezelfde voorwaarden als die van de artikelen 140 tot 150 met betrekking tot het voor de dekking van het solvabiliteitskapitaalvereiste in aanmerking komend eigen vermogen.
  § 2. Indien de verzekeringstussenholding of de gemengde financiële tussenholding in het in paragraaf 1 bedoelde geval achtergestelde schuldvorderingen of ander in aanmerking komend eigen vermogen bezit waarvoor overeenkomstig artikel 150 een begrenzing geldt, worden deze bestanddelen slechts als in aanmerking komend eigen vermogen erkend ten belope van het bedrag dat wordt verkregen door de in artikel 150 vastgelegde begrenzing toe te passen op het totale in aanmerking komend eigen vermogen op groepsniveau in vergelijking met het solvabiliteitskapitaalvereiste op groepsniveau.
  In aanmerking komend eigen vermogen van een verzekeringstussenholding of van een gemengde financiële tussenholding dat de voorafgaande toestemming van de Bank overeenkomstig artikel 143 of van een andere toezichthouder overeenkomstig artikel 90 van Richtlijn 2009/138/EG zou vereisen, indien het in bezit van een verzekerings- of herverzekeringsonderneming zou zijn, mag alleen in de berekening van de groepssolvabiliteit worden betrokken voor zover daarvoor toestemming is verkregen van de groepstoezichthouder.

  Art. 368. § 1. Bij de berekening overeenkomstig de artikelen 377 tot 380 van de groepssolvabiliteit van een deelnemende verzekerings- of herverzekeringsonderneming van een verzekerings- of herverzekeringsonderneming van een derde land, wordt louter voor deze berekening de onderneming van het derde land op dezelfde wijze behandeld als een verbonden verzekerings- of herverzekeringsonderneming.
  Wanneer het derde land waar deze onderneming haar zetel heeft, de betrokken onderneming onderwerpt aan een vergunning en haar een solvabiliteitsregeling oplegt die ten minste gelijkwaardig is aan die van de artikelen 75 tot 135 van Richtlijn 2009/138/EG, wordt bij de berekening van de groepssolvabiliteit met betrekking tot deze onderneming rekening gehouden met het solvabiliteitskapitaalvereiste en met het voor de dekking van dat vereiste in aanmerking komend eigen vermogen, als voorgeschreven door het betrokken derde land.
  § 2. Indien de Europese Commissie geen gedelegeerde handeling heeft vastgesteld met toepassing van artikel 227, lid 4 of lid 5, van Richtlijn 2009/138/EG, om de gelijkwaardigheid te erkennen van de solvabiliteitsregeling van een derde land met die van Richtlijn 2009/138/EG, verifieert de groepstoezichthouder, op verzoek van de deelnemende onderneming of op eigen initiatief, of de regeling van het derde land ten minste gelijkwaardig is.
  Hierbij raadpleegt de groepstoezichthouder, hierin bijgestaan door EIOPA, de betrokken toezichthouders alvorens een besluit over de gelijkwaardigheid te nemen. Dit besluit wordt genomen op grond van de criteria die krachtens artikel 227, lid 3, van Richtlijn 2009/138/EG zijn vastgesteld.
  De groepstoezichthouder neemt ten aanzien van een derde land geen enkel besluit dat indruist tegen eventueel in een eerder stadium ten aanzien van dat derde land genomen besluiten, tenzij zulks noodzakelijk is als gevolg van belangrijke wijzigingen in de toezichtsregeling die is vastgelegd in de artikelen 75 tot 135 van Richtlijn 2009/138/EG en in de toezichtsregeling van het derde land.
  § 3. Wanneer de Europese Commissie met toepassing van artikel 227, lid 5, van Richtlijn 2009/138/EG een gedelegeerde handeling heeft vastgesteld waarin de toezichtsregeling van een derde land als voorlopig gelijkwaardig wordt aangemerkt, wordt dat derde land geacht gelijkwaardig te zijn voor de toepassing van paragraaf 1, tweede lid.

  Art. 369. Indien de Bank het oneens is met het krachtens artikel 227, lid 2, van Richtlijn 2009/138/EG genomen besluit, kan zij binnen drie maanden na kennisgeving van het besluit door de groepstoezichthouder de zaak aan EIOPA voorleggen en om haar bijstand verzoeken overeenkomstig artikel 19 van Verordening nr. 1094/2010.

  Art. 370. Bij de berekening van de groepssolvabiliteit van een deelnemende verzekerings- of herverzekeringsonderneming in een kredietinstelling, beleggingsonderneming of financiële instelling, mag de deelnemende verzekerings- of herverzekeringsonderneming mutatis mutandis de methodes 1 of 2 van Bijlage V toepassen.
  Methode 1 van deze Bijlage wordt echter alleen toegepast mits de groepstoezichthouder daarmee heeft ingestemd gelet op het bevredigende niveau van geïntegreerd beheer en interne controle van de entiteiten die onder de consolidatie zouden vallen. De gekozen methode wordt consequent toegepast in de tijd.
  De groepstoezichthouder mag evenwel op verzoek van de deelnemende onderneming of uit eigen beweging een in het eerste lid bedoelde deelneming van het voor de dekking van de groepssolvabiliteit van de deelnemende onderneming in aanmerking komend eigen vermogen aftrekken.

  Art. 371. Wanneer, naargelang van het geval, de Bank of een andere toezichthouder niet beschikt over de voor de berekening van de groepssolvabiliteit van een deelnemende verzekerings- of herverzekeringsonderneming benodigde informatie over een verbonden onderneming, wordt de boekwaarde van deze onderneming in de deelnemende verzekerings- of herverzekeringsonderneming in mindering gebracht op het voor de dekking van de groepssolvabiliteit in aanmerking komend eigen vermogen.
  In dat geval worden met deze deelneming verband houdende latente meerwaarden niet als voor de dekking van de groepssolvabiliteit in aanmerking komend eigen vermogen aanvaard.
  § 4 - Methode voor de berekening van de groepssolvabiliteit op basis van consolidatie van jaarrekeningen

  Art. 372. De berekening van de groepssolvabiliteit van de deelnemende verzekerings- of herverzekeringsonderneming aan de hand van de berekeningsmethode op basis van consolidatie van jaarrekeningen, of "methode 1 voor de berekening van de groepssolvabiliteit", wordt uitgevoerd aan de hand van de geconsolideerde jaarrekening.
  De groepssolvabiliteit van de deelnemende verzekerings- of herverzekeringsonderneming is het verschil tussen:
  1° het eigen vermogen dat in aanmerking komt voor de dekking van het op basis van geconsolideerde gegevens berekende solvabiliteitskapitaalvereiste; en
  2° het op basis van geconsolideerde gegevens berekende solvabiliteitskapitaalvereiste op groepsniveau.
  De voorschriften van de artikelen 140 tot 150 en van de artikelen 151 tot 188, zijn respectievelijk van toepassing voor de berekening van het voor de dekking van het solvabiliteitskapitaalvereiste in aanmerking komend eigen vermogen en van het op basis van geconsolideerde gegevens berekende solvabiliteitskapitaalvereiste op groepsniveau.

  Art. 373. Het op basis van geconsolideerde gegevens berekende solvabiliteitskapitaalvereiste op groepsniveau van de deelnemende verzekerings- of herverzekeringsonderneming, of het "geconsolideerde solvabiliteitskapitaalvereiste van de groep", wordt berekend aan de hand van de standaardformule of van een goedgekeurd intern model. Deze berekening moet stroken met de algemene beginselen vervat in de artikelen 151 en 152 en in de artikelen 153 tot 166 indien de standaardformule wordt gehanteerd, of in de artikelen 167 tot 188 indien een intern model wordt gebruikt, evenals in de uitvoeringsmaatregelen van Richtlijn 2009/138/EG.
  Het geconsolideerde solvabiliteitskapitaalvereiste van de groep is ten minste gelijk aan de som van:
  1° het in artikel 189 bedoelde minimumkapitaalvereiste van de deelnemende verzekerings- of herverzekeringsonderneming; en
  2° het proportionele deel van de minimumkapitaalvereiste van de verbonden verzekerings- en herverzekeringsondernemingen.
  Dit minimum wordt gedekt door het in aanmerking komend eigen kernvermogen dat overeenkomstig artikel 150, § 4, is bepaald.
  Om uit te maken of dit in aanmerking komend eigen vermogen het minimale geconsolideerde solvabiliteitskapitaalvereiste van de groep kan dekken, zijn de beginselen van de paragrafen 2 en 3 van deze Onderafdeling van overeenkomstige toepassing. Artikel 511 is van overeenkomstige toepassing.

  Art. 374. § 1. Indien een deelnemende verzekerings- of herverzekeringsonderneming en haar verbonden ondernemingen, of de verbonden ondernemingen van een verzekeringsholding of een gemengde financiële holding gezamenlijk een aanvraag indienen om zowel het geconsolideerde solvabiliteitskapitaalvereiste van de groep als het solvabiliteitskapitaalvereiste van de tot de groep behorende verzekerings- of herverzekeringsondernemingen op basis van een intern model te mogen berekenen, bepalen de Bank en de betrokken toezichthouders in onderling overleg of zij deze aanvraag al dan niet inwilligen en onder welke eventuele voorwaarden deze aanvraag wordt ingewilligd.
  De in de eerste lid bedoelde aanvraag wordt bij de groepstoezichthouder ingediend.
  De groepstoezichthouder stelt de betrokken toezichthouders onverwijld in kennis en bezorgt hen de volledige aanvraag.
  De Bank doet alles wat in haar vermogen ligt om binnen zes maanden na de datum van ontvangst door de groepstoezichthouder van de volledige aanvraag, met de betrokken toezichthouders een gezamenlijk besluit over de aanvraag te nemen. De groepstoezichthouder bezorgt aan de aanvrager een document met een volledige opgave van de redenen waarop dit gezamenlijk besluit is gebaseerd.
  § 2. Indien er binnen zes maanden na de ontvangst door de groepstoezichthouder van de volledige aanvraag geen gezamenlijk besluit is genomen, neemt de groepstoezichthouder op eigen gezag een besluit over de aanvraag, onverminderd paragraaf 3.
  De groepstoezichthouder houdt naar behoren rekening met de standpunten en voorbehouden die de betrokken toezichthouders binnen de termijn van zes maanden hebben geuit.
  De groepstoezichthouder bezorgt aan de aanvrager en aan de betrokken toezichthouders een document met een volledige opgave van de redenen waarop zijn besluit is gebaseerd.
  Dit besluit wordt als definitief erkend en door de betrokken toezichthouders toegepast.
  § 3. Tijdens de in paragraaf 1, vierde lid bedoelde periode van zes maanden, en zolang er geen gezamenlijk besluit is genomen, kan de Bank de zaak aan EIOPA voorleggen overeenkomstig artikel 19 van Verordening nr. 1094/2010.
  De groepstoezichthouder schort zijn besluit op en wacht het besluit af dat EIOPA eventueel overeenkomstig artikel 19, lid 3, van de genoemde verordening neemt; vervolgens neemt hij zijn besluit in overeenstemming met het eventuele besluit van EIOPA. Dit besluit wordt als definitief erkend en door de Bank en de betrokken toezichthouders toegepast.
  EIOPA neemt haar besluit binnen één maand.
  Indien het door het panel voorgestelde besluit met toepassing van artikel 41, leden 2 en 3, en artikel 44, lid 1, derde alinea van Verordening nr. 1094/2010 wordt afgewezen, neemt de groepstoezichthouder een definitief besluit. Dit besluit wordt als definitief erkend en door de Bank en de betrokken toezichthouders toegepast. De termijn van zes maanden wordt beschouwd als de verzoeningsperiode in de zin van artikel 19, lid 2, van de genoemde verordening.

  Art. 375. Wanneer de Bank, bij toepassing van artikel 374, van mening is dat het risicoprofiel van een onder haar toezicht staande verzekerings- of herverzekeringsonderneming duidelijk afwijkt van de hypothesen die ten grondslag liggen aan het op het niveau van de groep van de deelnemende verzekerings- of herverzekeringsonderneming goedgekeurde interne model, en zolang deze onderneming niet afdoende tegemoet komt aan de bezorgdheden van de Bank, kan zij overeenkomstig artikel 323 besluiten een opslagfactor toe te passen op het solvabiliteitskapitaalvereiste dat voor deze onderneming uit de toepassing van het genoemde interne model voortvloeit.
  In uitzonderlijke omstandigheden waarin de toepassing van de in het eerste lid bedoelde opslagfactor niet gepast is, kan de Bank verlangen dat de betrokken onderneming haar solvabiliteitskapitaalvereiste berekent op basis van de in de artikelen 151 tot 166 bedoelde standaardformule. Overeenkomstig artikel 323, § 2, kan de Bank op het uit de toepassing van de standaardformule voortvloeiende solvabiliteitskapitaalvereiste van de betrokken verzekerings- of herverzekeringsonderneming een kapitaalopslagfactor toepassen.
  De Bank legt eventuele in het eerste en het tweede lid bedoelde besluiten uit aan zowel de verzekerings- of herverzekeringsonderneming als aan de andere leden van het college van toezichthouders.

  Art. 376.Bij het bepalen of het geconsolideerde solvabiliteitskapitaalvereiste van de groep van de deelnemende verzekerings- of herverzekeringsonderneming het risicoprofiel van de groep adequaat weergeeft, besteedt de Bank, in haar hoedanigheid van groepstoezichthouder, bijzondere aandacht aan elk geval waarin de in artikel 323, § 2, bedoelde omstandigheden zich op groepsniveau kunnen voordoen, met name indien:
  1° specifieke risico's op groepsniveau onvoldoende gedekt zouden zijn door de standaardformule of het gebruikte interne model omdat deze moeilijk te kwantificeren zijn;
  2° een kapitaalopslagfactor die met toepassing van artikel 323 [1 of 375]1, of van artikel 37 van Richtlijn 2009/138/EG naargelang van het geval door de Bank of door een andere toezichthouder op het solvabiliteitskapitaalvereiste van de verbonden verzekerings- of herverzekeringsondernemingen is toegepast.
  Wanneer het risicoprofiel van de groep niet adequaat wordt weergegeven, kan op het geconsolideerde solvabiliteitskapitaalvereiste van de groep een opslagfactor worden toegepast.
  Artikel 323 en de uitvoeringsmaatregelen van Richtlijn 2009/138/EG zijn van overeenkomstige toepassing.
  § 5. Methode voor de berekening van de groepssolvabiliteit op basis van aftrek en aggregatie
  ----------
  (1)<W 2019-05-02/25, art. 80, 010; Inwerkingtreding : 31-05-2019>

  Art. 377. § 1. In geval van toepassing van de berekeningsmethode op basis van aftrek en aggregatie, of "methode 2 voor de berekening van de groepssolvabiliteit", is de groepssolvabiliteit van de deelnemende verzekerings- of herverzekeringsonderneming het verschil tussen:
  1° het geaggregeerde in aanmerking komend eigen vermogen van de groep als bepaald in paragraaf 2; en
  2° de waarde in de deelnemende verzekerings- of herverzekeringsonderneming van de verbonden verzekerings- of herverzekeringsondernemingen en het geaggregeerde solvabiliteitskapitaalvereiste van de groep als bepaald in paragraaf 3.
  § 2. Het geaggregeerde in aanmerking komend eigen vermogen van de groep is gelijk aan de som van:
  1° het eigen vermogen dat in aanmerking komt voor de dekking van het solvabiliteitskapitaalvereiste van de deelnemende verzekerings- of herverzekeringsonderneming; en
  2° het proportionele deel van de deelnemende verzekerings- of herverzekeringsonderneming in het eigen vermogen dat in aanmerking komt voor de dekking van het solvabiliteitskapitaalvereiste van de verbonden verzekerings- of herverzekeringsondernemingen.
  § 3. Het geaggregeerde solvabiliteitskapitaalvereiste van de groep is gelijk aan de som van:
  1° het solvabiliteitskapitaalvereiste van de deelnemende verzekerings- of herverzekeringsonderneming; en
  2° het proportionele deel van het solvabiliteitskapitaalvereiste van de verbonden verzekerings- of herverzekeringsondernemingen.

  Art. 378. Wanneer de deelneming in de verbonden verzekerings- of herverzekeringsondernemingen geheel of ten dele bestaat in de vorm van onrechtstreekse eigendom, dan wordt in de waarde in de deelnemende verzekerings- of herverzekeringsonderneming van de verbonden verzekerings- of herverzekeringsondernemingen de waarde van die onrechtstreekse eigendom meegenomen, met inachtneming van de desbetreffende successieve belangen, en worden in de in artikel 377, § 2, 2°, en § 3, 2°, bedoelde bestanddelen de overeenkomstige proportionele delen meegenomen van respectievelijk het eigen vermogen dat in aanmerking komt voor de dekking van het solvabiliteitskapitaalvereiste van de verbonden verzekerings- of herverzekeringsondernemingen en het solvabiliteitskapitaalvereiste van de verbonden verzekerings- of herverzekeringsondernemingen.

  Art. 379. Indien een verzekerings- of herverzekeringsonderneming en haar verbonden ondernemingen, of de verbonden ondernemingen van een verzekeringsholding of een gemengde financiële holding gezamenlijk een aanvraag indienen om het solvabiliteitskapitaalvereiste van de verzekerings- of herverzekeringsondernemingen in de groep op basis van een intern model te mogen berekenen, zijn de artikelen 374 en 375 van overeenkomstige toepassing.

  Art. 380. Bij het bepalen of het overeenkomstig artikel 377, § 3, berekende geaggregeerde solvabiliteitskapitaalvereiste van de groep van de deelnemende verzekerings- of herverzekeringsonderneming het risicoprofiel van de groep adequaat weergeeft, besteden de Bank en de betrokken toezichthouders bijzondere aandacht aan eventuele specifieke risico's op groepsniveau die onvoldoende gedekt zouden zijn omdat ze moeilijk te kwantificeren zijn.
  Wanneer het risicoprofiel van de groep duidelijk afwijkt van de hypothesen die aan het geaggregeerde solvabiliteitskapitaalvereiste van de groep ten grondslag liggen, kan op het geaggregeerde solvabiliteitskapitaalvereiste van de groep een opslagfactor worden toegepast.
  Artikel 323 en de uitvoeringsmaatregelen van Richtlijn 2009/138/EG zijn van overeenkomstige toepassing.
  § 6. Berekening van de groepssolvabiliteit voor verzekerings- of herverzekeringsondernemingen die dochteronderneming zijn van een verzekeringsholding of een gemengde financiële holding

  Art. 381. Wanneer de verzekerings- of herverzekeringsonderneming de dochteronderneming van een verzekeringsholding of een gemengde financiële holding is, wordt de solvabiliteit van de groep op het niveau van de verzekeringsholding of de gemengde financiële holding berekend overeenkomstig de bepalingen van deze Onderafdeling en de uitvoeringsmaatregelen van Richtlijn 2009/138/EG.
  Bij de in het eerste lid bedoelde berekening wordt de moederonderneming behandeld als betrof het een verzekerings- of herverzekeringsonderneming die onderworpen is aan de voorschriften van de artikelen 151 tot 188 met betrekking tot het solvabiliteitskapitaalvereiste en aan dezelfde voorwaarden als die van de artikelen 140 tot 150 met betrekking tot het voor de dekking van het solvabiliteitskapitaalvereiste in aanmerking komend eigen vermogen.
  § 7. Berekening van de solvabiliteit van groepen met een gecentraliseerd risicobeheer

  Art. 382. De artikelen 384 en 385 zijn van toepassing op elke verzekerings- of herverzekeringsonderneming die de dochteronderneming van een verzekerings- of herverzekeringsonderneming is of die de dochteronderneming van een verzekeringsholding of een gemengde financiële holding is, indien aan alle onderstaande voorwaarden is voldaan:
  1° de dochteronderneming ten aanzien waarvan de groepstoezichthouder geen besluit overeenkomstig artikel 349, heeft genomen, valt onder het toezicht op groepsniveau dat overeenkomstig Titel III van Richtlijn 2009/138/EG door de groepstoezichthouder op het niveau van de moederonderneming wordt uitgeoefend;
  2° de risicobeheerprocedures en de internecontrolemechanismen van de moederonderneming bestrijken de dochteronderneming, en de moederonderneming toont ten genoegen van de Bank aan dat er van een prudente bedrijfsvoering van de dochterverzekerings- of herverzekeringsonderneming sprake is;
  3° de moederonderneming heeft de instemming verkregen als bedoeld in artikel 397;
  4° de moederonderneming heeft de instemming verkregen als bedoeld in artikel 405;
  5° de moederonderneming heeft een aanvraag ingediend om aan de artikelen 384 en 385 te worden onderworpen en deze aanvraag is ingewilligd volgens de procedure van artikel 383.

  Art. 383. § 1. Bij een aanvraag van toestemming om een verzekerings- of herverzekeringsonderneming die de dochteronderneming is van een verzekerings- of herverzekeringsonderneming of de dochteronderneming van een verzekerings- of herverzekeringsholding, aan de voorschriften van de artikelen 384 en 385 te onderwerpen, bepaalt de Bank in het college van toezichthouders, in overleg met de betrokken toezichthouders, of de aanvraag al dan niet wordt ingewilligd en onder welke eventuele voorwaarden deze aanvraag wordt ingewilligd.
  De in het eerste lid bedoelde aanvraag wordt ingediend bij de Bank. Zij stelt de toezichthouders in het college van toezichthouders in kennis en bezorgt hen onverwijld de volledige aanvraag.
  § 2. De Bank doet alles wat in haar vermogen ligt om binnen drie maanden na de datum van ontvangst van de volledige aanvraag door de toezichthouders in het college van toezichthouders, met die toezichthouders een gezamenlijk besluit over de aanvraag te nemen.
  Wanneer de Bank en de betrokken toezichthouders een gezamenlijk besluit hebben genomen als bedoeld in het eerste lid, bezorgt de Bank aan de aanvrager het besluit met een volledige opgave van de redenen waarop het is gebaseerd. Het gezamenlijk besluit wordt als definitief erkend en door de Bank en de betrokken toezichthouders toegepast.
  § 3. Indien er binnen drie maanden na de ontvangst van de volledige aanvraag door de toezichthouders in het college van toezichthouders geen gezamenlijk besluit is genomen, neemt de groepstoezichthouder op eigen gezag een besluit over de aanvraag, onverminderd paragraaf 4.
  De groepstoezichthouder houdt naar behoren rekening met de standpunten en voorbehouden die de Bank en de toezichthouders van de lidstaten waar een dochteronderneming haar zetel heeft, hebben geuit, en met de door de andere toezichthouders in het college van toezichthouders geuite voorbehouden.
  Het besluit bevat een volledige opgave van de redenen waarop het is gebaseerd en een uitleg van elke aanzienlijke afwijking van de voorbehouden van de Bank of van de toezichthouders. De groepstoezichthouder bezorgt een kopie van het besluit aan de Bank en aan de betrokken toezichthouders. Dit besluit wordt als definitief erkend en door de Bank en de betrokken toezichthouders toegepast.
  § 4. Tijdens de in paragraaf 2 bedoelde periode van drie maanden, en zolang er geen gezamenlijk besluit is genomen, kan de Bank de zaak aan EIOPA voorleggen overeenkomstig artikel 19 van Verordening nr. 1094/2010.
  De groepstoezichthouder schort zijn besluit op en wacht het besluit af dat EIOPA eventueel overeenkomstig artikel 19, lid 3, van de genoemde verordening neemt; vervolgens neemt hij zijn besluit in overeenstemming met het eventuele besluit van EIOPA. Dit besluit wordt als definitief erkend en door de Bank en de betrokken toezichthouders toegepast.
  EIOPA neemt haar besluit binnen één maand.
  Indien het door het panel voorgestelde besluit met toepassing van artikel 41, leden 2 en 3, en artikel 44, lid 1, derde alinea, van Verordening nr. 1094/2010 wordt afgewezen, neemt de groepstoezichthouder een definitief besluit. Dit besluit wordt als definitief erkend en door de Bank en de betrokken toezichthouders toegepast. De termijn van drie maanden wordt beschouwd als de verzoeningsperiode in de zin van artikel 19, lid 2, van de genoemde verordening.

  Art. 384. § 1. Onverminderd de artikelen 374 en 375, wordt het solvabiliteitskapitaalvereiste van de dochterverzekerings- of herverzekeringsonderne-ming waarvoor de in artikel 383 bedoelde aanvraag is ingewilligd, berekend overeenkomstig dit artikel.
  § 2. Wanneer het solvabiliteitskapitaalvereiste van de in paragraaf 1 bedoelde dochterverzekerings- of herverzekeringsonderneming wordt berekend op basis van een overeenkomstig de artikelen 374 en 375 op groepsniveau goedgekeurd intern model en indien de Bank van mening is dat het risicoprofiel van deze onder haar toezicht staande onderneming duidelijk afwijkt van dit model, en zolang deze onderneming niet afdoende tegemoet komt aan de bezorgdheden van de Bank, kan de Bank in de in artikel 323 bedoelde gevallen voorstellen een opslagfactor toe te passen op het solvabiliteitskapitaalvereiste dat voor deze dochteronderneming uit de toepassing van dit model voortvloeit, of, in uitzonderlijke omstandigheden waarin de toepassing van een dergelijke opslagfactor niet gepast is, verlangen dat deze onderneming haar solvabiliteitskapitaalvereiste berekent op basis van de standaardformule als bedoeld in de artikelen 151 tot 166.
  De Bank bespreekt dit voorstel in het college van toezichthouders en deelt de redenen waarom zij een dergelijk voorstel doet, aan zowel de dochterverzekerings- of herverzekeringsonderne-ming als aan het college van toezichthouders mee.
  § 3. Wanneer het solvabiliteitskapitaalvereiste van de in paragraaf 1 bedoelde dochterverzekerings- of herverzekeringsonderneming wordt berekend op basis van de in de artikelen 151 tot 166 bedoelde standaardformule en indien de Bank van mening is dat het risicoprofiel van die onderneming duidelijk afwijkt van de hypothesen die aan de standaardformule ten grondslag liggen, en zolang deze onderneming niet afdoende tegemoet komt aan de bezorgdheden van de Bank, kan de Bank in uitzonderlijke omstandigheden voorstellen dat de onderneming een subset van de parameters die in de standaardformule voor de berekening worden gebruikt, vervangt door parameters die kenmerkend zijn voor die onderneming bij de berekening van de modules "verzekeringstechnisch risico leven", "verzekeringstechnisch risico niet-leven" en "verzekeringstechnisch risico ziektekosten", zoals uiteengezet in artikel 166, of, in de in artikel 323 bedoelde gevallen, op het solvabiliteitskapitaalvereiste van die onderneming een opslagfactor toepassen.
  De Bank bespreekt dit voorstel in het college van toezichthouders en deelt de redenen waarom zij een dergelijk voorstel doet, aan zowel de dochterverzekerings- of herverzekeringsonderne-ming als aan het college van toezichthouders mee.
  § 4. De Bank doet alles wat in haar vermogen ligt om met de toezichthouders in het college van toezichthouders tot overeenstemming te komen over het voorstel dat zij overeenkomstig paragraaf 1 of 2 heeft gedaan, of over andere mogelijke maatregelen.
  Dit besluit wordt als definitief erkend en door de Bank en de betrokken toezichthouders toegepast.
  § 5. Tijdens een termijn van een maand na de formulering van het voorstel als bedoeld in paragraaf 1 of 2, en zolang er geen overeenkomst is gesloten in het college van toezichthouders, kan de Bank, indien zij het oneens is met de groepstoezichthouder, de zaak aan EIOPA voorleggen en om haar bijstand verzoeken overeenkomstig artikel 19 van Verordening nr. 1094/2010. EIOPA neemt haar besluit binnen een maand nadat de zaak aan haar is voorgelegd. De termijn van een maand wordt beschouwd als de verzoeningsperiode in de zin van artikel 19, lid 2, van Verordening nr.1094/2010.
  De Bank schort haar besluit op en wacht het besluit af dat EIOPA eventueel overeenkomstig artikel 19 van Verordening nr. 1094/2010 neemt; vervolgens neemt zij haar besluit in overeenstemming met het eventuele besluit van EIOPA.
  Dit besluit wordt als definitief erkend en door de Bank en de betrokken toezichthouders toegepast.
  Het besluit bevat een volledige opgave van de redenen waarop het is gebaseerd en wordt voorgelegd aan de dochterverzekerings- of herverzekeringsonderneming en aan het college van toezichthouders.

  Art. 385. § 1. In geval van niet-naleving van het solvabiliteitskapitaalvereiste van een dochterverzekerings- of herverzekeringsonderneming waarvoor de in artikel 383 bedoelde aanvraag is ingewilligd, en onverminderd artikel 510, bezorgt de Bank aan het college van toezichthouders onverwijld het saneringsplan dat de dochteronderneming heeft ingediend om binnen zes maanden na de vaststelling dat het solvabiliteitskapitaalvereiste niet wordt nageleefd, het in aanmerking komend eigen vermogen weer op peil te brengen of haar risicoprofiel zodanig te verlagen dat het solvabiliteitskapitaalvereiste weer wordt nageleefd.
  De Bank doet alles wat in haar vermogen ligt om met de toezichthouders in het college van toezichthouders tot overeenstemming te komen over het voorstel dat zij met het oog op de goedkeuring van het saneringsplan heeft geformuleerd, en dit binnen vier maanden na de datum waarop voor het eerst is vastgesteld dat het solvabiliteitskapitaalvereiste niet wordt nageleefd.
  Indien geen overeenstemming wordt bereikt, beslist de Bank over de goedkeuring van het saneringsplan, waarbij naar behoren rekening wordt gehouden met de standpunten en voorbehouden van de toezichthouders in het college van toezichthouders, onverminderd het vierde lid.
  Tijdens de in het tweede lid bedoelde termijn van vier maanden, en zolang er geen overeenkomst is gesloten in het college van toezichthouders, kan de Bank, indien zij het oneens is met de groepstoezichthouder over de goedkeuring van het saneringsplan, met name over de verlenging van de herstelperiode, de zaak aan EIOPA voorleggen en om haar bijstand verzoeken overeenkomstig artikel 19 van Verordening nr. 1094/2010. EIOPA neemt haar besluit binnen een maand nadat de zaak aan haar is voorgelegd. De termijn van vier maanden maand wordt beschouwd als de verzoeningsperiode in de zin van artikel 19, lid 2, van Verordening nr.1094/2010.
  De Bank schort haar besluit op en wacht het besluit af dat EIOPA eventueel overeenkomstig artikel 19 van Verordening nr. 1094/2010 neemt; vervolgens neemt zij haar besluit in overeenstemming met het eventuele besluit van EIOPA.
  Dit besluit wordt als definitief erkend en door de Bank en de betrokken toezichthouders toegepast.
  Het besluit bevat een volledige opgave van de redenen waarop het is gebaseerd en wordt voorgelegd aan de dochterverzekerings- of herverzekeringsonderneming en aan het college van toezichthouders.
  § 2. Indien de Bank bij een in paragraaf 1 bedoelde dochterverzekerings- of herverzekeringsonderneming overeenkomstig artikel 510 een verslechtering van de financiële omstandigheden vaststelt, stelt zij het college van toezichthouders onverwijld in kennis van de maatregelen die zij voorstelt te nemen. Behalve in noodsituaties moeten de te nemen maatregelen worden besproken in het college van toezichthouders.
  De Bank doet alles wat in haar vermogen ligt om met de toezichthouders in het college van toezichthouders tot overeenstemming te komen over de te nemen maatregelen die zij heeft voorgesteld, en dit binnen één maand na het tijdstip van de inkennisstelling.
  Indien geen overeenstemming wordt bereikt, beslist de Bank over de goedkeuring van de voorgestelde maatregelen, waarbij naar behoren rekening wordt gehouden met de standpunten en voorbehouden van de toezichthouders in het college van toezichthouders, onverminderd het vierde lid.
  Behalve in noodsituaties geldt dat de Bank, tijdens de in het tweede lid bedoelde termijn van een maand, en zolang er geen overeenkomst is gesloten in het college van toezichthouders, indien zij het oneens is met de groepstoezichthouder over de goedkeuring van de krachtens het eerste lid voorgestelde maatregelen, de zaak aan EIOPA kan voorleggen en om haar bijstand kan verzoeken overeenkomstig artikel 19 van Verordening nr. 1094/2010. EIOPA neemt haar besluit binnen een maand nadat de zaak aan haar is voorgelegd. De termijn van een maand wordt beschouwd als de verzoeningsperiode in de zin van artikel 19, lid 2, van Verordening nr. 1094/2010.
  De Bank schort haar besluit op en wacht het besluit af dat EIOPA eventueel overeenkomstig artikel 19 van Verordening nr. 1094/2010 neemt; vervolgens neemt zij haar besluit in overeenstemming met het eventuele besluit van EIOPA.
  Dit besluit wordt als definitief erkend en door de Bank en de betrokken toezichthouders toegepast.
  Het besluit bevat een volledige opgave van de redenen waarop het is gebaseerd en wordt voorgelegd aan de dochterverzekerings- of herverzekeringsonderneming en aan het college van toezichthouders.
  § 3. In geval van niet-naleving van het minimumkapitaalvereiste van een in paragraaf 1 bedoelde dochterverzekerings- of herverzekeringsonderneming, en onverminderd artikel 511, bezorgt de Bank aan het college van toezichthouders onverwijld het plan inzake financiering op korte termijn dat de dochterverzekerings- of herverzekeringsonderneming heeft ingediend om binnen drie maanden na de datum waarop voor het eerst is vastgesteld dat het minimumkapitaalvereiste niet wordt nageleefd, het in aanmerking komend eigen vermogen ter dekking van het minimumkapitaalvereiste weer op peil te brengen of haar risicoprofiel zodanig te verlagen dat het minimumkapitaalvereiste weer wordt nageleefd. Ook het college van toezichthouders moet in kennis worden gesteld van alle maatregelen die worden genomen om toe te zien op de naleving van het minimumkapitaalvereiste op het niveau van de dochteronderneming.

  Art. 386. Overeenkomstig artikel 239, lid 4 van Richtlijn 2009/138/EG kan de Bank, in haar hoedanigheid van groepstoezichthouder, indien zij het oneens is over de elementen bedoeld in artikel 239, lid 4, eerste alinea, van Richtlijn 2009/138/EG, met de toezichthouder van een dochterverzekerings- of herverzekeringsonderneming met zetel in een andere lidstaat en waarvoor de in artikel 237 bedoelde aanvraag is ingewilligd, de zaak aan EIOPA voorleggen en om haar bijstand verzoeken overeenkomstig artikel 19 van Verordening nr. 1094/2010.

  Art. 387. § 1. De voorschriften waarin de artikelen 384 en 385 voorzien, zijn niet meer van toepassing indien:
  1° niet meer wordt voldaan aan de voorwaarde van artikel 382, 1° ;
  2° niet meer wordt voldaan aan de voorwaarde van artikel 382, 2°, en de groep nalaat om binnen een passende termijn weer aan deze voorwaarde te voldoen;
  3° niet meer wordt voldaan aan de voorwaarden van artikel 382, 3° en 4°.
  Indien de groepstoezichthouder in het in het eerste lid, 1°, bedoelde geval na raadpleging van het college van toezichthouders besluit de dochteronderneming niet langer in het door hem uitgeoefende groepstoezicht te betrekken, stelt hij de Bank en de moederonderneming onmiddellijk daarvan in kennis.
  Voor de toepassing van artikel 382, 2°, 3° en 4°, behoort het tot de verantwoordelijkheid van de moederonderneming om ervoor te zorgen dat doorlopend aan de voorwaarden wordt voldaan. Indien niet aan de voorwaarden wordt voldaan, stelt zij de groepstoezichthouder en de Bank daar onverwijld van in kennis. De moederonderneming legt een plan voor opdat binnen een passende termijn weer aan de voorwaarden wordt voldaan.
  Onverminderd het derde lid verifieert de groepstoezichthouder ten minste eenmaal per jaar uit eigen beweging of nog steeds aan de voorwaarden van artikel 382, 2°, 3° en 4°, is voldaan. De groepstoezichthouder verricht een dergelijke verificatie ook op verzoek van de Bank wanneer deze zich ernstig zorgen maakt over de vraag of nog steeds aan deze voorwaarden is voldaan.
  Wanneer de verrichte verificatie tekortkomingen aan het licht brengt, verlangt de groepstoezichthouder van de moederonderneming dat deze een plan voorlegt opdat binnen een passende termijn weer aan de voorwaarden wordt voldaan.
  Indien de groepstoezichthouder na raadpleging van het college van toezichthouders vaststelt dat het in het derde of vijfde lid bedoelde plan ontoereikend is, of later constateert dat het niet binnen de overeengekomen termijn wordt uitgevoerd, concludeert hij dat niet langer aan de voorwaarden van artikel 382, 2°, 3° en 4°, is voldaan en stelt hij de Bank daar onverwijld van in kennis.
  § 2. De regeling waarin de artikelen 384 en 385 voorzien, wordt opnieuw van toepassing indien de moederonderneming een nieuwe aanvraag indient en de aanvraag volgens de procedure van artikel 382 wordt ingewilligd.

  Onderafdeling II. - Risicoconcentratie en intragroeptransacties § 1. Risicoconcentratie

  Art. 388. § 1. Het toezicht op de risicoconcentratie op het niveau van de verzekerings- of herverzekeringsgroep wordt uitgeoefend overeenkomstig dit artikel en artikel 389, en overeenkomstig Onderafdeling III van deze Afdeling.
  § 2. De verzekerings- of herverzekeringsondernemingen, de verzekeringsholdings en de gemengde financiële holdings rapporteren regelmatig en ten minste eenmaal per jaar iedere significante risicoconcentratie op het niveau van de groep aan de groepstoezichthouder, tenzij artikel 352 van toepassing is.
  De benodigde informatie wordt aan de groepstoezichthouder meegedeeld door de deelnemende verzekerings- of herverzekeringsonderneming of, indien aan het hoofd van de groep geen verzekerings- of herverzekeringsonderneming staat, door de verzekeringsholding, de gemengde financiële holding of de verzekerings- of herverzekeringsonderneming in de groep die daartoe door de groepstoezichthouder na overleg met de betrokken toezichthouders en de groep is aangewezen.
  De in het eerste lid bedoelde risicoconcentraties zijn overeenkomstig Afdeling III van dit Hoofdstuk aan het prudentieel toezicht van de groepstoezichthouder onderworpen.

  Art. 389. Na overleg met de betrokken toezichthouders en de groep bepaalt de groepstoezichthouder welke types risico's in elk geval moeten worden gerapporteerd.
  Bij het bepalen van, of het geven van een oordeel over de types risico's houden de groepstoezichthouder en de betrokken toezichthouders rekening met de specifieke groeps- en risicobeheerstructuur van de groep.
  Met het oog op de aanmerking als significante risicoconcentratie die moet worden gerapporteerd, stelt de groepstoezichthouder, na overleg met de betrokken toezichthouders en de groep, passende drempels vast op basis van het solvabiliteitskapitaalvereiste, de technische voorzieningen, of beide.
  Bij het toezicht op de risicoconcentraties let de groepstoezichthouder vooral op mogelijke besmettingsrisico's in de groep, op het risico van belangenconflicten en op het niveau of het volume van de risico's.
  § 2. Intragroeptransacties

  Art. 390. § 1. Het toezicht op de intragroeptransacties wordt uitgeoefend overeenkomstig dit artikel en artikel 391, en overeenkomstig Onderafdeling III van deze Afdeling.
  § 2. De verzekerings- of herverzekeringsondernemingen, de verzekeringsholdings en de gemengde financiële holdings rapporteren regelmatig en ten minste eenmaal per jaar alle significante intragroeptransacties door verzekerings- of herverzekeringsondernemingen in een groep aan de groepstoezichthouder, met inbegrip van verrichtingen met een natuurlijke persoon die nauwe banden heeft met een onderneming van die groep, tenzij artikel 352 van toepassing is.
  Bovendien moeten zeer significante intragroeptransacties zo spoedig mogelijk worden gerapporteerd.
  De benodigde informatie wordt aan de groepstoezichthouder meegedeeld door de deelnemende verzekerings- of herverzekeringsonderneming of, indien aan het hoofd van de groep geen verzekerings- of herverzekeringsonderneming staat, door de verzekeringsholding, de gemengde financiële holding of de verzekerings- of herverzekeringsonderneming in de groep die door de groepstoezichthouder na overleg met de betrokken toezichthouders en de groep is aangewezen.
  De intragroeptransacties zijn overeenkomstig Afdeling III van dit Hoofdstuk aan het prudentieel toezicht van de groepstoezichthouder onderworpen.

  Art. 391. Na overleg met de betrokken toezichthouders en de groep bepaalt de groepstoezichthouder welke types intragroeptransacties in elk geval moeten worden gerapporteerd.
  Bij het bepalen van, of het geven van een oordeel over de types intragroeptransacties houden de groepstoezichthouder en de betrokken toezichthouders rekening met de specifieke groeps- en risicobeheerstructuur van de groep.
  Met het oog op de aanmerking als intragroeptransacties die moet worden gerapporteerd, stelt de groepstoezichthouder, na overleg met de betrokken toezichthouders en de groep, passende drempels vast op basis van het solvabiliteitskapitaalvereiste, de technische voorzieningen, of beide.
  Bij het toezicht op de intragroeptransacties let de groepstoezichthouder vooral op mogelijke besmettingsrisico's in de groep, op het risico van belangenconflicten en op het niveau of het volume van de risico's.

  Onderafdeling III. - Governancesysteem op het niveau van de verzekerings- of herverzekeringsgroep
  § 1. Algemene bepalingen

  Art. 392.De deelnemende verzekerings- of herverzekeringsondernemingen en de verzekerings- of herverzekeringsondernemingen waarvan de moederonderneming een verzekeringsholding of een gemengde financiële holding in de Europese Economische Ruimte is, [1 moeten op het niveau van de groep]1 voldoen aan de vereisten van Afdeling VII, Hoofdstuk II, Titel I van dit Boek en aan Afdeling III, Hoofdstuk III, Titel II van dit Boek, zodat de regelingen, procedures en mechanismen die zij krachtens deze bepalingen moeten opzetten, samenhang vertonen en goed geïntegreerd zijn, de invloed van de in het toezicht op de verzekerings- of herverzekeringsgroep betrokken ondernemingen op andere ondernemingen kan beoordeeld worden en alle gegevens en informatie die voor de uitoefening van het groepstoezicht nodig zijn, onderling uitgewisseld kunnen worden, en dat kan worden ingegaan op de informatieverzoeken van de groepstoezichthouder. Zij passen die regelingen, procedures en mechanismen eveneens toe in hun niet onder deze wet vallende dochterondernemingen. Ook deze regelingen, procedures en mechanismen zijn samenhangend en goed geïntegreerd, en ook deze dochterondernemingen moeten de voor de uitoefening van het groepstoezicht relevante gegevens en informatie kunnen verstrekken.
  ----------
  (1)<W 2019-05-02/28, art. 80, 012; Inwerkingtreding : 01-06-2019>

  Art. 393.De verzekerings- of herverzekeringsonderneming waarvan de moederonderneming een verzekeringsholding of een gemengde financiële holding is waarvan de zetel buiten België is gevestigd, ziet toe op de naleving door haar moederonderneming van de verplichtingen met betrekking tot het groepstoezicht die voor die verzekeringsholding of gemengde financiële holding voortvloeien uit [1 Richtlijn 2009/138/EG]1 en haar uitvoeringsmaatregelen.
  De verzekerings- of herverzekeringsonderneming moet van de in het eerste lid bedoelde moederonderneming de medewerking verkrijgen voor het opzetten van een passende beleidsstructuur die ertoe bijdraagt dat het groepstoezicht zo efficiënt mogelijk kan worden uitgeoefend en waakt erover dat de invloed van de moederonderneming niet in strijd is met het Wetboek van Vennootschappen en zijn uitvoeringsbesluiten en geen afbreuk doet aan het toezicht op individuele basis of aan het toezicht op groepsniveau dat van toepassing is op de verzekerings- of herverzekeringsonderneming.
  In het krachtens artikel 42, § 3, vereiste governancememorandum dient, wat betreft het toezicht op groepsniveau, te worden uitgewerkt hoe voldaan wordt aan het bepaalde in het eerste en het tweede lid.
  § 2. Risicobeheer en interne controle
  ----------
  (1)<W 2017-12-05/04, art. 102, 005; Inwerkingtreding : 28-12-2017>

  Art. 394. Onverminderd artikel 392 worden de risicobeheer- en internecontrolesystemen en verslaggevingsprocedures in alle ondernemingen die overeenkomstig dit Hoofdstuk in het groepstoezicht zijn betrokken, consequent toegepast, zodat deze systemen en procedures op het niveau van de groep kunnen worden gecontroleerd.
  Onverminderd artikel 392 omvat de internecontrolesysteem van de groep ten minste het volgende:
  1° adequate procedures met betrekking tot de groepssolvabiliteit om alle bestaande materiële risico's te bepalen en te meten en het in aanmerking komend eigen vermogen naar behoren af te stemmen op de risico's;
  2° gedegen rapporterings- en boekhoudkundige systemen om de intragroeptransacties en de risicoconcentratie te bewaken en te beheren.

  Art. 395. De in de artikelen 392 en 394 bedoelde verslaggevingssystemen en -procedures zijn overeenkomstig Afdeling III van dit Hoofdstuk aan het prudentieel toezicht van de groepstoezichthouder onderworpen.
  § 3. Beoordeling van het eigen risico en de solvabiliteit van de groep

  Art. 396. De deelnemende verzekerings- of herverzekeringsonderneming of, indien aan het hoofd van de groep geen verzekerings- of herverzekeringsonderneming staat, de verzekeringsholding of de gemengde financiële holding voert de bij artikel 91 voorgeschreven beoordeling op het niveau van de groep uit.
  Wanneer de berekening van de solvabiliteit op het niveau van de groep wordt uitgevoerd volgens berekeningsmethode 1 als bedoeld in de artikelen 372 en 373, dan zorgt de deelnemende verzekerings- of herverzekeringsonderneming, de verzekeringsholding of de gemengde financiële holding ervoor dat de groepstoezichthouder een helder inzicht heeft in het verschil tussen de som van de verschillende solvabiliteitskapitaalvereisten van alle verbonden verzekerings- of herverzekeringsondernemingen van de groep en het geconsolideerde solvabiliteitskapitaalvereiste van de groep.

  Art. 397. De deelnemende verzekerings- of herverzekeringsonderneming, de verzekeringsholding of de gemengde financiële holding mag, als de groepstoezichthouder daarmee instemt, alle bij artikel 91 voorgeschreven beoordelingen tegelijkertijd op het niveau van de groep en op het niveau van een dochteronderneming van de groep uitvoeren en mag één enkel document opstellen dat op alle beoordelingen betrekking heeft.
  Alvorens overeenkomstig het eerste lid zijn instemming te geven, raadpleegt de groepstoezichthouder de leden van het college van toezichthouders, waarbij hij naar behoren rekening houdt met hun standpunten en voorbehouden.
  De instemming die overeenkomstig het eerste lid door de groepstoezichthouder wordt gegeven, ontslaat de betrokken dochterondernemingen niet van de verplichting om ervoor te zorgen dat aan de vereisten van artikel 91 is voldaan.
  In geval van toepassing van dit artikel, doet de deelnemende verzekerings- of herverzekeringsonderneming, de verzekeringsholding of de gemengde financiële holding het enig document tegelijkertijd aan alle betrokken toezichthouders toekomen.

  Art. 398. De op groepsniveau uitgevoerde beoordeling van het eigen risico en de solvabiliteit is overeenkomstig Afdeling III van dit Hoofdstuk aan het prudentieel toezicht van de groepstoezichthouder onderworpen.

  Onderafdeling IV. - Bekendmaking van informatie § 1. Verslag over de solvabiliteit en de financiële positie van de groep

  Art. 399. De deelnemende verzekerings- of herverzekeringsonderneming of, indien aan het hoofd van de groep geen verzekerings- of herverzekeringsonderneming staat, de verzekeringsholding of de gemengde financiële holding maakt jaarlijks een verslag over de solvabiliteit en de financiële positie op het niveau van de groep openbaar.
  Dit verslag bevat de informatie die krachtens Verordening 2015/35 en de andere uitvoeringsmaatregelen van Richtlijn 2009/138/EG is vereist. Deze informatie wordt integraal gepubliceerd of, mits de groepstoezichthouder dit toestaat, onder verwijzing naar informatie die qua aard en strekking gelijkwaardig is en die in het kader van andere wettelijke of reglementaire bepalingen gepubliceerd is.

  Art. 400. § 1. Bij belangrijke ontwikkelingen die duidelijk van invloed zijn op de relevantie van de informatie die in het verslag over de solvabiliteit en de financiële positie van de groep is opgenomen, maakt de deelnemende verzekerings- of herverzekeringsonderneming of, indien aan het hoofd van de groep geen verzekerings- of herverzekeringsonderneming staat, de verzekeringsholding of de gemengde financiële holding passende informatie bekend over de aard en de gevolgen van die belangrijke ontwikkelingen.
  § 2. Voor de toepassing van paragraaf 1 worden in elk geval als belangrijke ontwikkelingen aangemerkt: een significante niet-naleving van het solvabiliteitskapitaalvereiste van de groep en het feit dat de groepstoezichthouder binnen twee maanden na de datum waarop de niet-naleving werd vastgesteld, geen realistisch saneringsplan ontvangt.
  In het in het eerste lid bedoelde geval maakt de onderneming onmiddellijk het tekortschietende bedrag bekend en geeft zij daarbij uitleg over de oorzaak en de gevolgen ervan, waarbij ook wordt vermeld welke corrigerende maatregelen zijn getroffen. Wanneer ondanks een in eerste instantie realistisch geacht saneringsplan, de significante niet-naleving van het solvabiliteitskapitaalvereiste van de groep zes maanden na de vaststelling ervan nog niet is verholpen, wordt het tekortschietende bedrag aan het eind van deze periode bekendgemaakt en wordt daarbij uitleg gegeven over de oorzaak en de gevolgen ervan, waarbij ook wordt vermeld welke corrigerende maatregelen zijn getroffen en welke verdere corrigerende maatregelen zijn gepland.

  Art. 401. Naast de al krachtens de artikelen 383 en 384 verplicht bekend te maken informatie of uitleg over de solvabiliteit en de financiële positie van de groep mag de deelnemende verzekerings- of herverzekeringsonderneming, of, indien aan het hoofd van de groep geen verzekerings- of herverzekeringsonderneming staat, de verzekeringsholding of de gemengde financiële holding op eigen initiatief ook alle andere informatie en uitleg hierover bekendmaken.

  Art. 402. Onverminderd de artikelen 392 en 394 beschikt de verzekerings- of herverzekeringsonderneming of, indien aan het hoofd van de groep geen verzekerings- of herverzekeringsonderneming staat, de verzekeringsholding of de gemengde financiële holding, over passende structuren en systemen om aan de vereisten van de artikelen 399 en 400 te voldoen, en over een schriftelijk vastgelegd beleid dat waarborgt dat de overeenkomstig de artikelen 399 en 400 bekendgemaakte informatie altijd adequaat is.

  Art. 403. De groepstoezichthouder kan toestaan dat een deelnemende verzekerings- of herverzekeringsonderneming, een verzekeringsholding of een gemengde financiële holding informatie als bedoeld in artikel 399 niet bekendmaakt indien:
  1° door de bekendmaking van die informatie de concurrenten van de betrokken onderneming duidelijk onterecht worden bevoordeeld;
  2° de onderneming wegens verplichtingen jegens de verzekeringnemers of relaties met andere tegenpartijen, een geheimhoudingsplicht heeft.
  Wanneer de groepstoezichthouder heeft toegestaan dat bepaalde informatie niet bekend wordt gemaakt, vermeldt de verzekerings- of herverzekeringsonderneming, de verzekeringsholding of de gemengde financiële holding dit in het verslag over de solvabiliteit en de financiële positie van de groep, met opgave van de redenen hiervoor.

  Art. 404. De Bank kan de inhoud en de wijze van indiening van de in deze Onderafdeling bedoelde informatie preciseren bij reglement vastgesteld met toepassing van artikel 12bis, § 2, van de wet van 22 februari 1998.
  § 2. Enig verslag over de solvabiliteit en de financiële positie

  Art. 405. Een deelnemende verzekerings- of herverzekeringsonderneming, een verzekeringsholding of, indien aan het hoofd van de groep geen verzekerings- of herverzekeringsonderneming staat, een gemengde financiële holding kan, mits de groepstoezichthouder daarmee instemt, één enkel verslag over haar solvabiliteit en haar financiële positie verstrekken, dat het volgende bevat:
  1° de informatie op het niveau van de groep die overeenkomstig artikel 399 openbaar moet worden gemaakt;
  2° de informatie voor elk van de dochterondernemingen binnen de groep, die individueel te identificeren moet zijn en die naargelang van het geval overeenkomstig de artikelen 95 tot 101 van deze wet of de artikelen 51, 53, 54 en 55 van Richtlijn 2009/138/EG, en overeenkomstig de uitvoeringsmaatregelen van deze Richtlijn openbaar moet worden gemaakt.
  Alvorens overeenkomstig het eerste lid zijn instemming te geven, raadpleegt de groeps-toezichthouder de leden van het college van toezichthouders, waarbij hij naar behoren rekening houdt met hun standpunten en voorbehouden.

  Art. 406. Indien het in artikel 405 bedoelde verslag niet de informatie bevat die de Bank van een dochterverzekerings- of herverzekeringsonderneming naar Belgisch recht van de groep verlangt, en indien wezenlijke informatie ontbreekt, kan de Bank van de betrokken dochteronderneming verlangen dat zij de nodige aanvullende informatie openbaar maakt.

  Afdeling III. - Uitoefening van het groepstoezicht

  Onderafdeling I. - Aanwijzing van de groepstoezichthouder

  Art. 407. § 1. Onder de betrokken toezichthouders wordt één enkele toezichthouder aangewezen die verantwoordelijk is voor de coördinatie en uitoefening van het groepstoezicht, hierna de "groepstoezichthouder" genoemd.
  § 2. Het toezicht op het niveau van een verzekerings- of herverzekeringsgroep wordt uitgeoefend door de Bank wanneer zij de toezichthouder is van alle verzekerings- of herverzekeringsondernemingen in de groep.
  In alle andere gevallen wordt, behoudens het bepaalde in artikel 408, de functie van groepstoezichthouder als volgt uitgeoefend:
  1° indien aan het hoofd van de groep een verzekerings- of herverzekeringsonderneming naar Belgisch recht staat, door de Bank;
  2° indien aan het hoofd van een groep geen verzekerings- of herverzekeringsonderneming naar Belgisch recht staat:
  a) indien de moederonderneming van de verzekerings- of herverzekeringsonderneming een verzekeringsholding of een gemengde financiële holding is, door de Bank;
  b) indien meerdere verzekerings- of herverzekeringsondernemingen in de Europese Economische Ruimte, waaronder een verzekerings- of herverzekeringsonderneming naar Belgisch recht, dezelfde verzekeringsholding of gemengde financiële holding als moederonderneming hebben en aan een van deze ondernemingen een vergunning is verleend in de lidstaat waar de verzekeringsholding of de gemengde financiële holding haar zetel heeft, door de toezichthouder van de verzekerings- of herverzekeringsonderneming in die lidstaat;
  c) indien meerdere verzekeringsholdings of gemengde financiële holdings met zetel in verschillende lidstaten aan het hoofd van de groep staan en er in elk van deze lidstaten, waaronder België, een verzekerings- of herverzekeringsonderneming is, door de toezichthouder van de verzekerings- of herverzekeringsonderneming met het hoogste balanstotaal;
  d) indien meerdere verzekerings- of herverzekeringsondernemingen in de Europese Economische Ruimte, waaronder België, dezelfde verzekeringsholding of gemengde financiële holding als moederonderneming hebben en aan geen van deze ondernemingen een vergunning is verleend in de lidstaat waar de verzekeringsholding of de gemengde financiële holding haar zetel heeft, door de toezichthouder van de verzekerings- of herverzekeringsonderneming met het hoogste balanstotaal; of
  e) indien de groep een groep is zonder moederonderneming, of in elk geval dat niet bedoeld is in de punten a) tot d), door de toezichthouder die een vergunning heeft verleend aan de verzekerings- of herverzekeringsonderneming met het hoogste balanstotaal.

  Art. 408. § 1. In bijzondere gevallen kunnen de Bank en de betrokken toezichthouders gezamenlijk besluiten om af te wijken van de criteria van artikel 407 indien de toepassing ervan, gelet op de structuur van de groep en het relatieve belang van de activiteiten van de verzekerings- of herverzekeringsondernemingen in de verschillende landen, ongepast zou zijn, en een andere toezichthouder als groepstoezichthouder aanwijzen.
  De Bank kan verzoeken om een discussie te openen over de vraag of de in artikel 407 bedoelde criteria gepast zijn. Een dergelijke discussie vindt niet vaker dan eenmaal per jaar plaats, op initiatief van de Bank of van de betrokken toezichthouder.
  De Bank doet alles wat in haar vermogen ligt om binnen drie maanden na het verzoek om opening van een discussie, met de betrokken toezichthouders een gezamenlijk besluit over de keuze van de groepstoezichthouder te nemen. Alvorens hun besluit te nemen, bieden de Bank en de betrokken toezichthouders de groep de gelegenheid haar standpunt kenbaar te maken.
  Indien de Bank met toepassing van deze paragraaf als groepstoezichthouder is aangewezen, legt zij het gezamenlijk besluit met volledige opgave van de redenen waarop het is gebaseerd, voor aan de groep.
  § 2. Tijdens de in paragraaf 1, derde lid bedoelde termijn van drie maanden, en zolang er geen gezamenlijk besluit is genomen, kan de Bank de zaak aan EIOPA voorleggen overeenkomstig artikel 19 van Verordening nr. 1094/2010.
  In geval van toepassing van het eerste lid schorten de Bank en de betrokken toezichthouders hun gezamenlijk besluit op en wachten zij het besluit af dat EIOPA eventueel overeenkomstig artikel 19, lid 3, van Verordening nr. 1094/2010 neemt. De in paragraaf 1, derde lid bedoelde termijn van drie maanden wordt beschouwd als de verzoeningsperiode in de zin van artikel 19, lid 2, van Verordening nr. 1094/2010.
  De Bank en de betrokken toezichthouders nemen hun gezamenlijk besluit in overeenstemming met het besluit van EIOPA. Dit gezamenlijk besluit wordt als definitief erkend en wordt door de Bank en de betrokken toezichthouders toegepast.
  Indien de Bank met toepassing van deze paragraaf als groepstoezichthouder is aangewezen, legt zij het gezamenlijk besluit met volledige opgave van de redenen waarop het is gebaseerd, voor aan de groep en aan het college van toezichthouders.
  § 3. Indien er met toepassing van dit artikel geen gezamenlijk besluit is genomen, wordt de functie van groepstoezichthouder uitgeoefend door de toezichthouder die overeenkomstig artikel 407 is bepaald.

  Onderafdeling II. - Rechten en plichten van de groepstoezichthouder en van de betrokken toezichthouders - College van toezichthouders

  Art. 409. § 1. Onverminderd de andere bevoegdheden en taken die haar door of krachtens deze wet en door de uitvoeringsmaatregelen van Richtlijn 2009/138/EG zijn opgelegd, verricht de Bank, in haar hoedanigheid van groepstoezichthouder, de volgende taken:
  1° zij coördineert de vergaring en verspreiding van informatie die relevant of essentieel is in normale omstandigheden en in noodsituaties, met inbegrip van de verspreiding van informatie die van belang is voor het toezicht door een betrokken toezichthouder;
  2° zij oefent het prudentieel toezicht uit op en beoordeelt de financiële positie van de groep;
  3° zij beoordeelt de naleving door de groep van de voorschriften inzake solvabiliteit, risicoconcentratie en intragroeptransacties, die door of krachtens Afdeling II van dit Hoofdstuk en door de uitvoeringsmaatregelen van Richtlijn 2009/138/EG zijn opgelegd;
  4° zij beoordeelt het governancesysteem van de groep, overeenkomstig Onderafdeling III van Afdeling II van dit Hoofdstuk, en de vraag of de leden van het wettelijk bestuursorgaan, het directiecomité of, in voorkomend geval, de effectieve leiding van de deelnemende onderneming naar Belgisch recht aan de vereisten van de artikelen 40, 81 en 443, eerste lid, voldoen;
  5° zij plant en coördineert, aan de hand van regelmatige bijeenkomsten die minstens eenmaal per jaar plaatsvinden, of aan de hand van andere passende middelen, de toezichtsactiviteiten in normale omstandigheden en in noodsituaties, in samenwerking met de betrokken toezichthouders en rekening houdend met de aard, de omvang en de complexiteit van de risico's die verbonden zijn aan de activiteiten van alle ondernemingen die deel uitmaken van de groep;
  6° zij voert de andere taken uit en neemt de andere maatregelen en besluiten die door of krachtens deze wet en door de uitvoeringsmaatregelen van Richtlijn 2009/138/EG aan de groepstoezichthouder zijn toegewezen, met name het leiden van het validatieproces van een intern model op groepsniveau overeenkomstig de artikelen 374 en 377 tot 380 en het leiden van het proces voor het toestaan van de toepassing van de in de artikelen 383 tot 387 vastgelegde regeling.
  § 2. Wanneer een betrokken toezichthouder niet samenwerkt met de Bank, in haar hoedanigheid van groepstoezichthouder, in de mate die voor de uitvoering van de in paragraaf 1 bedoelde taken wordt vereist, kan de Bank de zaak aan EIOPA voorleggen en om haar bijstand verzoeken overeenkomstig artikel 19 van Verordening nr. 1094/2010.

  Art. 410. Om de uitvoering van de groepstoezichtstaken als bedoeld in artikel 409, te vergemakkelijken, richt de Bank, in haar hoedanigheid van groepstoezichthouder, een door haar voorgezeten college van toezichthouders op.
  Dit college van toezichthouders zorgt ervoor dat de samenwerking, de informatie-uitwisseling en de onderlinge raadpleging tussen de toezichthouders die lid zijn van het college van toezichthouders verlopen overeenkomstig de bepalingen van Titel III van Richtlijn 2009/138/EG en haar uitvoeringsmaatregelen, teneinde de convergentie van hun besluiten en activiteiten te bevorderen.

  Art. 411. Het college van toezichthouders is samengesteld uit:
  1° de Bank, in haar hoedanigheid van groepstoezichthouder;
  2° de betrokken toezichthouders;
  3° EIOPA, overeenkomstig artikel 21 van Verordening nr. 1094/2010;
  4° op de voorwaarden die door de uitvoeringsmaatregelen van Richtlijn 2009/138/EG zijn vastgelegd, de toezichthouders die belast zijn met het toezicht op een belangrijk bijkantoor of een verbonden onderneming in de groep, met dien verstande dat hun deelname zich beperkt tot het doel van een efficiënte uitwisseling van informatie tussen toezichthouders.
  EIOPA wordt voor de toepassing van deze Onderafdeling als een betrokken toezichthouder beschouwd.
  Met het oog op de doeltreffende werking van het college van toezichthouders kan het nodig zijn dat bepaalde activiteiten door een beperkt aantal toezichthouders van het college worden uitgevoerd.

  Art. 412. Onverminderd de bepalingen die door of krachtens deze wet en de uitvoeringsmaatregelen van Richtlijn 2009/138/EG zijn vastgelegd, stoelt de oprichting en werking van het college van toezichthouders op coördinatieafspraken tussen de Bank, in haar hoedanigheid van groepstoezichthouder, en de betrokken toezichthouders.
  Onverminderd de bepalingen die door of krachtens deze wet en de uitvoeringsmaatregelen van Richtlijn 2009/138/EG zijn vastgelegd, worden in de in het eerste lid bedoelde coördinatieafspraken de procedures gespecificeerd voor:
  1° het besluitvormingsproces tussen de Bank, in haar hoedanigheid van groepstoezichthouder, en de betrokken toezichthouders, overeenkomstig de artikelen 374, 376, 407 en 408;
  2° het overleg uit hoofde van de artikelen 359 en 413;
  3° het overleg tussen de Bank, in haar hoedanigheid van groepstoezichthouder, en de betrokken toezichthouders, met name als in de gevallen bedoeld in de artikelen 343 tot 357, 360 tot 362, 368, 369, 388 tot 406, 421, 445 tot 448;
  4° de samenwerking met andere toezichthouders dan de betrokken toezichthouders.
  Onverminderd de rechten en plichten die door of krachtens deze wet en door de uitvoeringsmaatregelen van Richtlijn 2009/138/EG zijn vastgelegd voor de Bank, in haar hoedanigheid van groepstoezichthouder, en voor de betrokken toezichthouders, kunnen in de coördinatieafspraken nog andere taken worden toevertrouwd aan de Bank, in haar hoedanigheid van groepstoezichthouder, of aan andere toezichthouders of aan EIOPA, ingeval dit leidt tot een efficiënter toezicht op de groep en het geen afbreuk doet aan de toezichtsactiviteiten van de leden van het college van toezichthouders ten opzichte van hun individuele verantwoordelijkheden.

  Art. 413. Wanneer een betrokken toezichthouder de zaak heeft voorgelegd aan EIOPA met toepassing van artikel 248, lid 4, tweede alinea, van Richtlijn 2009/138/EG, neemt de Bank, in haar hoedanigheid van groepstoezichtouder, haar definitieve besluit over het meningsverschil over een met toepassing van artikel 412 gemaakte coördinatieafspraak, binnen een termijn van twee maanden na de ontvangst van het advies van EIOPA. Zij neemt haar definitieve besluit in overeenstemming met het eventuele besluit van EIOPA. Zij bezorgt haar besluit aan de betrokken toezichthouders.

  Art. 414. In haar hoedanigheid van groepstoezichthouder belegt de Bank ten minste in de volgende gevallen onverwijld een vergadering van alle betrokken toezichthouders:
  1° wanneer zij kennis heeft dat in belangrijke mate wordt afgeweken van het solvabiliteitskapitaalvereiste of niet langer wordt voldaan aan het minimumkapitaalvereiste van een verzekerings- of herverzekeringsonderneming die onder het toezicht op groepsniveau valt;
  2° wanneer zij vaststelt dat in belangrijke mate wordt afgeweken van het op basis van geconsolideerde gegevens berekende solvabiliteitskapitaalvereiste op groepsniveau of van het geaggregeerde solvabiliteitskapitaalvereiste van de groep, naargelang van de methode die overeenkomstig de artikelen 372 tot 380 wordt gebruikt;
  3° wanneer zij kennis heeft van andere uitzonderlijke omstandigheden.

  Art. 415. De Bank verstrekt in haar hoedanigheid van groepstoezichthouder informatie aan EIOPA die van belang is voor de evaluatie van de werking van de colleges van toezichthouders, die EIOPA uitvoert overeenkomstig artikel 248, lid 6 van Richtlijn 2009/138/EG. Zij verstrekt ook informatie over de in het kader van deze werking gerezen moeilijkheden.

  Art. 416. § 1. De Bank neemt in haar hoedanigheid van betrokken toezichthouder deel aan het college van toezichthouders dat overeenkomstig artikel 248, lid 2, van Richtlijn 2009/138/EG is opgericht door een toezichthouder van een andere lidstaat in zijn hoedanigheid van groepstoezichthouder.
  Zij werkt samen met de groepstoezichthouder, in de mate die vereist is voor de uitvoering van de taken die hem met toepassing van artikel 248, lid 1, van Richtlijn 2009/138/EG en haar uitvoeringsmaatregelen zijn opgelegd. Wanneer de groepstoezichthouder de voornoemde taken niet vervult, kan de Bank de zaak aan EIOPA voorleggen en om haar bijstand verzoeken overeenkomstig artikel 19 van Verordening nr. 1094/2010.
  Bij verschil van mening met de groepstoezichthouder of een andere betrokken toezichthouder over de coördinatieafspraak over de oprichting en de werking van het college van toezichthouders waaraan zij deelneemt, kan de Bank, in haar hoedanigheid van betrokken toezichthouder, de zaak voorleggen aan EIOPA en om haar bijstand verzoeken overeenkomstig artikel 19 van Verordening nr. 1094/2010.
  Bovendien kan de Bank, in haar hoedanigheid van toezichthouder belast met het toezicht op een belangrijk bijkantoor of op een verbonden onderneming van de groep, op de voorwaarden vastgelegd in de uitvoeringsmaatregelen van Richtlijn 2009/138/EG, deelnemen aan het college van toezichthouders dat is opgericht om het toezicht op het niveau van de genoemde groep te vergemakkelijken. In dat geval beperkt haar deelneming zich tot het doel van een efficiënte uitwisseling van informatie tussen toezichthouders.
  § 2. De Bank belegt ten minste in de volgende gevallen onverwijld een vergadering van het college van toezichthouders:
  1° wanneer zij vaststelt dat in belangrijke mate wordt afgeweken van het solvabiliteitskapitaalvereiste of niet langer wordt voldaan aan het minimumkapitaalvereiste van een verzekerings- of herverzekeringsonderneming naar Belgisch recht die onder het toezicht op groepsniveau valt;
  2° wanneer zij kennis heeft van andere uitzonderlijke omstandigheden.

  Onderafdeling III. - Samenwerking en uitwisseling van informatie tussen toezichthouders

  Art. 417. De Bank werkt zowel in haar hoedanigheid van groepstoezichthouder als van betrokken toezichthouder nauw samen met de toezichthouders van de verzekerings- of herverzekeringsondernemingen die deel uitmaken van verzekerings- of herverzekeringsgroep, met name in gevallen waarin een verzekerings- of herverzekeringsonderneming met financiële moeilijkheden wordt geconfronteerd.
  Zij kan op eigen initiatief of op verzoek vertrouwelijke informatie meedelen aan deze toezichthouders of hen vragen haar relevante informatie mee te delen, wanneer deze informatie van belang is om de uitoefening van de toezichtstaken die aan haar of aan deze toezichthouders zijn opgelegd krachtens Richtlijn 2009/138/EG of haar uitvoeringsmaatregelen, mogelijk te maken of te vergemakkelijken. De in dit lid bedoelde informatie omvat onder meer informatie over het optreden van de groep en de toezichthouders, en informatie die door de groep is verstrekt.
  Indien een in het eerste lid bedoelde toezichthouder nalaat relevante informatie mee te delen of indien een verzoek tot samenwerking van de Bank, en met name om relevante informatie uit te wisselen, is afgewezen of niet binnen twee weken gevolg heeft gekregen, kan de Bank de zaak aan EIOPA voorleggen overeenkomstig artikel 19 van Verordening nr. 1094/2010.

  Art. 418. In haar hoedanigheid van groepstoezichthouder verschaft de Bank aan de betrokken toezichthouders en aan EIOPA informatie over de verzekerings- of herverzekeringsgroep, overeenkomstig de artikelen 95 en 96 en Onderafdeling V van deze Afdeling, inzonderheid over de juridische structuur, het governancesysteem en de organisatiestructuur van de groep.

  Art. 419. Wanneer de Bank niet de groepstoezichthouder is die met toepassing van artikel 407 is aangewezen, kan de groepstoezichthouder haar verzoeken om van een moederonderneming naar Belgisch recht alle informatie te vragen die relevant is voor de uitoefening door de groepstoezichthouder van zijn coördinatierechten en -plichten als omschreven in Richtlijn 2009/138/EG en haar uitvoeringsmaatregelen, en die informatie aan hem door te geven.
  Wanneer de Bank overeenkomstig artikel 407 de groepstoezichthouder is en de moederonderneming haar zetel in een andere lidstaat dan België heeft, kan de Bank de toezichthouder van die lidstaat verzoeken om van die moederonderneming alle informatie te vragen die relevant is voor de uitoefening van haar coördinatierechten en -plichten als omschreven in deze wet, Richtlijn 2009/138/EG en haar uitvoeringsmaatregelen, en die informatie aan haar door te geven.

  Art. 420. Wanneer een verzekerings- of herverzekeringsonderneming naar Belgisch recht en hetzij een kredietinstelling, hetzij een beleggingsonderneming, hetzij beide, rechtstreeks of onrechtstreeks verbonden zijn, dan wel een gemeenschappelijke deelnemende onderneming hebben, werkt de Bank nauw samen met de toezichthouders van die kredietinstelling of beleggingsonderneming.
  Onverminderd hun respectieve bevoegdheden kan de Bank, op eigen initiatief of op verzoek, alle informatie die de uitoefening van hun respectieve taken mogelijk kan maken en kan vergemakkelijken en die het mogelijk maakt toezicht uit te oefenen op de activiteiten en de financiële positie van alle ondernemingen die aan hun toezicht zijn onderworpen, meedelen of deze toezichthouders vragen haar dergelijke informatie mee te delen.

  Onderafdeling IV. - Overleg tussen toezichthouders

  Art. 421. Onverminderd Onderafdeling III van deze Afdeling pleegt de Bank in het college van toezichthouders overleg met de toezichthouders van de verzekerings- of herverzekeringsondernemingen die onder het toezicht op groepsniveau vallen, voordat zij een besluit neemt over de volgende aangelegenheden:
  1° veranderingen in het aandeelhouderschap, de organisatie of de beleidsstructuur van een verzekerings- of herverzekeringsonderneming die goedkeuring of machtiging door de Bank vereisen; en
  2° de verlenging van de herstelperiode overeenkomstig artikel 510;
  3° de belangrijkste sancties en buitengewone maatregelen die door de Bank zijn getroffen, zoals onder meer het toepassen van een opslagfactor op het solvabiliteitskapitaalvereiste op grond van artikel 323 en het opleggen van enigerlei beperking op het gebruik van een intern model voor de berekening van het solvabiliteitskapitaalvereiste op grond van de artikelen 167 tot 188.
  4° alle besluiten die gebaseerd zijn op van een andere toezichthouder ontvangen informatie.
  De Bank kan besluiten geen overleg als bedoeld in het eerste lid te plegen in spoedeisende gevallen of indien dat overleg de doeltreffendheid van haar besluit in gevaar zou kunnen brengen. In dat geval stelt de Bank de betrokken toezichthouders onverwijld daarvan in kennis zodra zij haar besluit heeft genomen.
  In afwijking van het tweede lid moet de Bank de groepstoezichthouder altijd raadplegen wanneer zij van plan is een besluit te nemen als bedoeld in het eerste lid, 2° of 3°.

  Onderafdeling V. - Voor de uitoefening van het toezicht op groepsniveau te verstrekken informatie

  Art. 422. § 1. De verzekerings- of herverzekeringsondernemingen, de verzekeringsholdings en de gemengde financiële holdings, hun dochterondernemingen en alle andere ondernemingen die in het toezicht op groepsniveau zijn betrokken, verstrekken aan de Bank, in haar hoedanigheid van groepstoezichthouder, alle informatie die nodig is voor de uitoefening van de toezichtstaken die door of krachtens deze wet aan de groepstoezichthouder zijn toegewezen, en de informatie die nodig is om met het oog op de uitoefening van de rechten en plichten van de groepstoezichthouder met betrekking tot het toezicht op groepsniveau, elke passende beslissing te kunnen nemen.
  § 2. Voor de toepassing van paragraaf 1 kan de Bank:
  1° op individuele basis of bij reglement vastgesteld overeenkomstig artikel 12bis, § 2, van de wet van 22 februari 1998, de aard, de reikwijdte, het model, de frequentie en de wijze van indiening vaststellen van de in paragraaf 1 bedoelde informatie, en deze informatie bij de in paragraaf 1 bedoelde ondernemingen opvragen:
  a) op van tevoren bepaalde tijdstippen;
  b) wanneer zich van tevoren omschreven gebeurtenissen voordoen;
  c) bij onderzoek naar de positie van een verzekerings- of herverzekeringsonderneming naar aanleiding van haar opname in het toezicht op groepsniveau.
  2° alle informatie inwinnen over overeenkomsten die in het bezit zijn van tussenpersonen, of over overeenkomsten die met derden worden gesloten;
  3° informatie opvragen bij externe deskundigen;
  4° voorschrijven dat haar geregeld andere dan de in paragraaf 1 bedoelde cijfergegevens of uitleg worden verstrekt, wanneer deze informatie nodig is om te kunnen nagaan of de voorschriften van deze wet of van de uitvoeringsbesluiten en -reglementen ervan zijn nageleefd.
  Artikel 312, § 3, is van toepassing op de in de paragrafen 1 en 2 bedoelde informatie.
  § 3. De in de paragrafen 1 en 2 bedoelde informatie voldoet aan de volgende beginselen:
  1° er moet rekening worden gehouden met de aard, de omvang en de complexiteit van de activiteiten van de verzekerings- of herverzekeringsgroep en met name met de risico's die aan die activiteiten verbonden zijn;
  2° zij is toegankelijk, in alle essentiële opzichten volledig, vergelijkbaar en in de tijd gezien consistent;
  3° zij is relevant, betrouwbaar en begrijpelijk.

  Art. 423. Niettegenstaande de in artikel 422, § 2, a), bedoelde van tevoren bepaalde tijdstippen kan de Bank, in haar hoedanigheid van groepstoezichthouder, de regelmatige rapportering van de voor toezichtsdoeleinden te verstrekken informatie met een frequentie van minder dan een jaar op groepsniveau beperken, als alle verzekerings- of herverzekeringsondernemingen die in het toezicht op groepsniveau zijn betrokken, de toepassing van artikel 313 genieten, rekening houdend met de aard, de omvang en de complexiteit van de risico's die verbonden zijn aan de activiteiten van de groep.

  Art. 424. In haar hoedanigheid van groepstoezichthouder kan de Bank op groepsniveau een vrijstelling verlenen van de verplichting om itemgewijs informatie te verstrekken, als alle verzekerings- of herverzekeringsondernemingen die in het toezicht op groepsniveau zijn betrokken, de toepassing van artikel 314 genieten, rekening houdend met de aard, de omvang en de complexiteit van de risico's die verbonden zijn aan de activiteiten van de groep en met de doelstelling van financiële stabiliteit.

  Art. 425. Indien de Bank, in haar hoedanigheid van groepstoezichthouder, informatie als bedoeld in de artikelen 422, 423 en 424, nodig heeft die reeds aan een andere toezichthouder is verstrekt, treedt zij zo mogelijk met deze toezichthouder in contact teneinde dubbele informatieverstrekking door de onderneming aan de diverse bij het toezicht op groepsniveau betrokken toezichthouders te voorkomen.

  Art. 426. De ondernemingen die met toepassing van artikel 349, niet in het toezicht op groepsniveau zijn betrokken, moeten aan de Bank, in haar hoedanigheid van groepstoezichthouder, alle gegevens en inlichtingen verstrekken die deze dienstig acht voor de uitoefening van het toezicht op groepsniveau.
  Ondernemingen die uitsluitend of samen met andere ondernemingen de controle hebben over een verzekerings- of herverzekeringsonderneming naar Belgisch recht, en de dochterondernemingen van die ondernemingen moeten, indien die ondernemingen en dochterondernemingen niet in het toezicht op groepsniveau zijn betrokken, de Bank en de andere betrokken toezichthouders alle gegevens en inlichtingen verstrekken die nuttig zijn voor de uitoefening van het toezicht op die verzekerings- of herverzekeringsonderneming.

  Art. 427. Onverminderd de artikelen 422 tot 426, mag de Bank zich alleen zelf rechtstreeks tot de ondernemingen in de groep wenden om de informatie die nodig is voor de uitoefening van het toezicht op groepsniveau te verkrijgen, indien deze informatie aan de in het groepstoezicht betrokken verzekerings- of herverzekeringsonderneming is gevraagd, maar door deze onderneming niet binnen een redelijke termijn is verstrekt.

  Art. 428. § 1. De Bank kan ter plaatse inspecties verrichten en ter plaatse kennis nemen en een kopie maken van elk gegeven in bezit van de verzekerings- of herverzekeringsonderneming die onder het toezicht op groepsniveau valt, haar verbonden ondernemingen, haar moederonderneming of de met haar moederonderneming verbonden ondernemingen, om na te gaan of de bepalingen die door of krachtens dit Hoofdstuk en door de uitvoeringsmaatregelen van Richtlijn 2009/138/EG zijn vastgelegd, zijn nageleefd en, met name, om na te gaan of de in de artikelen 422, 423 en 424 bedoelde informatie juist en volledig is. Artikel 304 is van toepassing.
  Zij kan op kosten van deze ondernemingen de commissaris van deze ondernemingen of een door haar daartoe erkende deskundige met deze verificaties belasten.
  De artikelen 305, 306 en 307 zijn van toepassing.
  § 2. Wanneer de in paragraaf 1 bedoelde ondernemingen hun zetel in een andere lidstaat hebben, verzoekt de Bank de toezichthouder van die lidstaat om de inspectie ter plaatse uit te voeren. De Bank verricht deze inspectie zelf als zij daarvoor de toestemming krijgt van de toezichthouder van die lidstaat. Wanneer deze laatste de inspectie zelf wenst te verrichten, of daartoe een revisor of een deskundige aanstelt, kan de Bank niettemin aan de inspectie deelnemen indien zij dat wenst.
  Indien het door de Bank overeenkomstig het eerste lid geformuleerde verzoek geen gevolg heeft gekregen binnen twee weken, of indien zij om praktische redenen niet kan deelnemen aan de inspectie ter plaatse, kan de Bank de zaak aan EIOPA voorleggen en om haar bijstand verzoeken overeenkomstig artikel 19 van Verordening nr. 1094/2010.
  § 3. Wanneer de in paragraaf 1 bedoelde ondernemingen hun zetel in een derde land hebben, worden de modaliteiten van de verificatie ter plaatse geregeld in samenwerkingsovereenkomsten die de Bank met de betrokken autoriteiten van dit derde land heeft gesloten, in voorkomend geval overeenkomstig artikel 36/16, § 2, van de wet van 22 februari 1998, of die de Europese Commissie overeenkomstig het bepaalde bij artikel 264 van Richtlijn 2009/138/EG heeft gesloten.

  Art. 429. § 1. Wanneer het toezicht op het niveau van de verzekerings- of herverzekeringsgroep wordt uitgeoefend door een toezichthouder die onder het recht van een andere lidstaat dan België ressorteert, verstrekken de verzekerings- of herverzekeringsondernemingen, de verzekeringsholdings, de gemengde financiële holdings en hun dochterondernemingen naar Belgisch recht aan deze toezichthouder de gegevens en inlichtingen die deze dienstig acht voor de uitoefening van de toezichtstaken waarmee hij als groepstoezichthouder is belast overeenkomstig Richtlijn 2009/138/EG en haar uitvoeringsmaatregelen.
  Wanneer deze toezichthouder onder het recht van een derde land ressorteert en de verplichting tot informatieverstrekking voortvloeit uit samenwerkingsovereenkomsten die de Bank of de Europese Commissie met toepassing van artikel 264 van Richtlijn 2009/138/EG heeft gesloten, is het eerste lid van overeenkomstige toepassing.
  § 2. Wanneer het toezicht op het niveau van de verzekerings- of herverzekeringsgroep wordt uitgeoefend door een toezichthouder die onder het recht van een andere lidstaat dan België ressorteert, kan die toezichthouder, om na te gaan of de bepalingen die door of krachtens dit Hoofdstuk en door de uitvoeringsmaatregelen van Richtlijn 2009/138/EG zijn vastgelegd, zij, nageleefd, ter plaatse in de in paragraaf 1 bedoelde ondernemingen naar Belgisch recht, de gegevens en inlichtingen toetsen die zij heeft ontvangen, of kan zij erkend commissarissen of door haar erkende deskundigen hiermee belasten. De bepalingen van artikel 428, § 2, zijn van overeenkomstige toepassing.
  Wanneer deze toezichthouder onder het recht van een derde land ressorteert, zijn de bepalingen van artikel 428, § 3, van overeenkomstige toepassing.

  Onderafdeling VI. - Revisoraal toezicht

  Art. 430. Het bepaalde bij de artikelen 330 tot 337 betreffende de opdracht van erkend commissaris van een verzekerings- of herverzekeringsonderneming is van overeenkomstige toepassing op verzekerings- of herverzekering ondernemingen die aan een toezicht op groepsniveau zijn onderworpen overeenkomstig artikel 343.

  Art. 431. § 1. In een verzekeringsholding of in een gemengde financiële holding naar Belgisch recht die onder het door de Bank uitgeoefende toezicht op groepsniveau valt, wordt de opdracht van commissaris als bedoeld in het Wetboek van Vennootschappen toevertrouwd aan een of meer revisoren of revisorenvennootschappen die overeenkomstig artikel 327 door de Bank erkend zijn voor de opdracht van commissaris bij een verzekerings- of herverzekeringsonderneming. De artikelen 325 tot 329 zijn van overeenkomstige toepassing.
  § 2. De commissarissen aangesteld bij een in paragraaf 1 bedoelde verzekeringsholding of gemengde financiële holding verlenen hun medewerking aan de uitoefening van het toezicht op groepsniveau waarmee de Bank is belast, op hun eigen en uitsluitende verantwoordelijkheid en overeenkomstig deze paragraaf, volgens de regels van het vak en de Richtlijnen van de Bank.

  Art. 432. De commissarissen aangesteld bij een in artikel 431 bedoelde onderneming beoordelen het passend karakter op het niveau van de groep van de internecontrolemaatregelen als bedoeld in artikel 42, § 1, 2°, en delen hun bevindingen ter zake mee aan de Bank.

  Art. 433. De commissarissen aangesteld bij een in artikel 431 bedoelde onderneming brengen verslag uit aan de Bank over de resultaten van het beperkt nazicht van de periodieke staten die de verzekeringsholding of de gemengde financiële holding aan het einde van het eerste halfjaar aan de Bank bezorgt, waarin bevestigd wordt dat zij geen kennis hebben van feiten waaruit zou blijken dat deze periodieke staten niet in alle materieel belangrijke opzichten zijn opgesteld volgens de voorschriften die door of krachtens deze wet, de uitvoeringsmaatregelen van Richtlijn 2009/138/EG en de instructies van de Bank zijn vastgesteld.
  Bovendien bevestigen zij dat de periodieke staten per einde halfjaar, voor wat de boekhoudkundige gegevens betreft, in alle materieel belangrijke opzichten in overeenstemming zijn met de boekhouding en de inventarissen inzake:
  1° volledigheid, wat wil zeggen dat ze alle gegevens bevatten uit de boekhouding en de inventarissen op basis waarvan de periodieke staten worden opgesteld,
  2° juistheid, wat wil zeggen dat ze de gegevens correct weergeven uit de boekhouding en de inventarissen op basis waarvan deze periodieke staten worden opgesteld.
  Zij bevestigen geen kennis te hebben van feiten waaruit zou blijken dat de periodieke staten per einde halfjaar niet zijn opgesteld, voor wat de boekhoudkundige gegevens betreft, met toepassing van de boekings- en waarderingsregels voor de opstelling van de periodieke staten met betrekking tot het laatste boekjaar. De Bank kan de hier bedoelde periodieke staten nader bepalen.

  Art. 434. De erkend commissarissen aangesteld bij een in artikel 431 bedoelde onderneming brengen ook verslag uit bij de Bank over de resultaten van de controle van de periodieke staten die de verzekeringsholding of de gemengde financiële holding aan het einde van het boekjaar aan de Bank bezorgt, waarin bevestigd wordt dat deze periodieke staten in alle materieel belangrijke opzichten zijn opgesteld volgens de voorschriften die door of krachtens deze wet, de uitvoeringsmaatregelen van Richtlijn 2009/138/EG en de instructies van de Bank zijn vastgesteld.
  Bovendien bevestigen zij dat de periodieke staten per einde van het boekjaar, voor wat de boekhoudkundige gegevens betreft, in alle materieel belangrijke opzichten in overeenstemming zijn met de boekhouding en de inventarissen inzake:
  1° volledigheid, wat wil zeggen dat ze alle gegevens bevatten uit de boekhouding en de inventarissen op basis waarvan de periodieke staten worden opgesteld,
  2° juistheid, wat wil zeggen dat ze de gegevens correct weergeven uit de boekhouding en de inventarissen op basis waarvan de periodieke staten worden opgesteld.
  Zij bevestigen dat de periodieke staten per einde van het boekjaar werden opgesteld, voor wat de boekhoudkundige gegevens betreft, met toepassing van de boekings- en waarderingsregels voor de opstelling van de jaarrekening.
  De Bank kan de hier bedoelde periodieke staten nader bepalen.

  Art. 435. De erkend commissarissen aangesteld bij een in artikel 431 bedoelde onderneming brengen bij de Bank op haar verzoek een bijzonder verslag uit over de organisatie, de activiteiten en de financiële structuur op het niveau van de verzekerings- of herverzekeringsgroep; de kosten voor de opstelling van dit verslag worden door de verzekeringsholding of de gemengde financiële holding gedragen.

  Art. 436. In het kader van hun opdracht bij een in artikel 431 bedoelde onderneming of een revisorale opdracht bij een met een dergelijke onderneming verbonden onderneming, brengen de erkend commissarissen op eigen initiatief verslag uit bij de Bank zodra zij kennis krijgen van beslissingen, feiten of, in voorkomend geval, ontwikkelingen:
  1° die de positie van de verzekerings- of herverzekeringsgroep financieel of op het vlak van haar administratieve en boekhoudkundige organisatie of van haar interne controle, op betekenisvolle wijze beïnvloeden of kunnen beïnvloeden;
  2° die tot de niet-naleving van de voorschriften inzake het solvabiliteitskapitaalvereiste op groepsniveau kunnen leiden;
  3° die een overtreding van het Wetboek van Vennootschappen, de statuten, deze wet en de ter uitvoering ervan genomen besluiten en reglementen kunnen vormen voor wat de verzekeringsholding of de gemengde financiële holding betreft;
  4° die kunnen leiden tot een weigering van de certificering van de geconsolideerde jaarrekening of tot het formuleren van voorbehoud.

  Art. 437. De erkend commissarissen delen aan de leiders van de verzekerings- of herverzekeringsonderneming de verslagen mee die zij aan de Bank richten overeenkomstig artikel 435. Artikel 306 is op deze mededelingen van toepassing.
  Zij bezorgen de Bank een kopie van de mededelingen die zij aan deze leiders richten en die betrekking hebben op zaken die van belang kunnen zijn voor het toezicht dat zij uitoefent.

  Art. 438. Tegen erkend commissarissen die te goeder trouw informatie hebben verstrekt als bedoeld in artikel 436, kunnen geen burgerrechtelijke, strafrechtelijke of tuchtrechtelijke vorderingen worden ingesteld, noch professionele sancties worden uitgesproken.

  Art. 439. Wanneer de moederonderneming van een verzekerings- of herverzekeringsonderneming naar Belgisch recht een verzekeringsholding of een gemengde financiële holding met zetel in een andere lidstaat is, die onder het door de Bank uitgeoefende toezicht op groepsniveau valt, wordt de opdracht bepaald bij de artikelen 432 tot 436 op overeenkomstige wijze uitgeoefend door de commissaris die met een vergelijkbare taak bij deze verzekeringsholding of gemengde financiële holding is aangesteld. Bij afwezigheid van een dergelijke commissaris wordt de in de artikelen 432 tot 436 bedoelde opdracht uitgeoefend door de commissaris die is aangesteld bij de verzekerings- of herverzekeringsonderneming naar Belgisch recht die een dochteronderneming is van deze verzekeringsholding of gemengde financiële holding.

  Art. 440. De commissarissen aangesteld bij verzekerings- of herverzekeringsondernemingen, verzekeringsholdings of gemengde financiële holdings naar Belgisch recht overeenkomstig de artikelen 430 en 431, hebben voor de uitoefening van hun opdracht als bepaald bij deze artikelen, toegang tot en inzage in alle documenten en stukken die uitgaan zowel van de in het toezicht op groepsniveau betrokken dochterondernemingen, als van de in artikel 349 bedoelde ondernemingen.
  Het bepaalde bij artikel 35 van de wet van 22 februari 1998 is van toepassing wat de informatie betreft waarvan zij kennis hebben genomen in uitvoering van het eerste lid.

  Onderafdeling VII. - Prudentiële maatregelen

  Art. 441.Indien de verzekerings- of herverzekeringsondernemingen naar Belgisch recht die in een toezicht op groepsniveau zijn betrokken, de voorschriften die door of krachtens dit Hoofdstuk of de uitvoeringsmaatregelen van Richtlijn 2009/138/EG zijn opgelegd niet naleven, of indien die voorschriften in acht worden genomen maar de groepssolvabiliteit toch dreigt te worden ondermijnd, of indien de intragroeptransacties of de risicoconcentraties de financiële positie van de genoemde verzekerings- of herverzekeringsondernemingen bedreigen, neemt de Bank, in haar hoedanigheid van groepstoezichthouder,
  1° ten aanzien van de deelnemende verzekerings- of herverzekeringsonderneming naar Belgisch recht, de nodige maatregelen [1 als bedoeld in titel VI van dit boek]1 om de vastgestelde situatie zo spoedig mogelijk recht te zetten;
  2° ten aanzien van de moederverzekeringsholding of de gemengde financiële moederholding naar Belgisch recht, de nodige maatregelen als bedoeld in de artikelen 508, § 1, en 517, § 1, 1°, tot 5°, om de vastgestelde situatie zo spoedig mogelijk recht te zetten.
  Indien de Bank in het in het eerste lid bedoelde geval niet de groepstoezichthouder is, neemt zij de in dit lid bedoelde maatregelen respectievelijk ten aanzien van de verzekerings- of herverzekeringsonderneming of de verzekeringsholding of de gemengde financiële holding, op verzoek van de groepstoezichthouder of op eigen initiatief beweging, rekening houdend met de bevindingen van de groepstoezichthouder met betrekking tot de naleving van de bepalingen die van toepassing zijn op die entiteiten.
  Indien nodig coördineert de Bank de met toepassing van dit artikel genomen maatregelen met de betrokken toezichthouders, met inbegrip van, naargelang het geval, de groepstoezichthouder.
  ----------
  (1)<W 2019-05-02/28, art. 81, 012; Inwerkingtreding : 01-06-2019>

  Art. 442. Wanneer de Bank, in haar hoedanigheid van groepstoezichthouder, vaststelt dat de verzekerings- of herverzekeringsondernemingen met zetel in een andere lidstaat dan België die in het door haar uitgeoefende toezicht op groepsniveau zijn betrokken, de voorschriften van Richtlijn 2009/138/EG of van haar uitvoeringsmaatregelen niet naleven, of indien die voorschriften in acht worden genomen maar de groepssolvabiliteit toch dreigt te worden ondermijnd, of indien de intragroeptransacties of de risicoconcentraties de financiële positie van de genoemde verzekerings- of herverzekeringsondernemingen bedreigen, deelt zij haar bevindingen mee aan de toezichthouder van de lidstaat waar, naargelang van het geval, de deelnemende moederverzekerings- of -herverzekeringsonderneming of de moederverzekeringsholding of de gemengde financiële moederholding, haar zetel heeft, opdat deze toezichthouder de in zijn nationale wetgeving bepaalde maatregelen neemt die nodig zijn om de vastgestelde situatie zo spoedig mogelijk recht te zetten.

  Afdeling IV. - Verzekeringsholdings en gemengde financiële holdings

  Art. 443. Onverminderd artikel 348 zijn de artikelen 39, 40, 41, 45, §§ 1, 3 en 4, 46, §§ 1, 3 en 4, 47, 64 tot 72, 81, 82, 83, 93 et 94 eveneens van overeenkomstige toepassing op alle verzekeringsholdings naar Belgisch recht en alle gemengde financiële holding naar Belgisch recht die in een toezicht op groepsniveau zijn betrokken.
  Onverminderd artikel 441 zijn de artikelen 508, § 1, en 517 van toepassing op de verzekeringsholding naar Belgisch recht en op de gemengde financiële holding naar Belgisch recht bij overtreding van de bepalingen van het eerste lid.

  Art. 444. In haar hoedanigheid van groepstoezichthouder stelt de Bank de lijst op van de verzekeringsholdings die betrokken zijn in het door haar uitgeoefende toezicht op groepsniveau.
  Zij maakt deze lijst over aan de toezichthouders van de andere lidstaten, aan EIOPA en aan de Europese Commissie.

  Afdeling V. - Moederondernemingen met zetel in een derde land

  Art. 445. Wanneer de verzekerings- of herverzekeringsonderneming als moederonderneming een verzekeringsholding, een gemengde financiële holding van een derde land of een verzekerings- of herverzekeringsonderneming van een derde land heeft, verifieert de Bank, indien zij de toezichthouder is die de groepstoezichthouder zou zijn indien de criteria van artikel 247, lid 2, van Richtlijn 2009/138/EG van toepassing waren (hierna "de fungerend groepstoezichthouder" genoemd) of deze verzekerings- of herverzekeringsonderneming onderworpen is aan een door een toezichthouder van een derde land uitgeoefend toezicht dat gelijkwaardig is aan het toezicht waarin Titel III van Richtlijn 2009/138/EG voorziet voor de deelnemende verzekerings- of herverzekeringsondernemingen of voor de verzekerings- of herverzekeringsondernemingen waarvan de moederonderneming een verzekeringsholding of een gemengde financiële holding met zetel in een lidstaat is.
  De Bank verricht de in het eerste lid bedoelde verificatie wanneer de Europese Commissie geen gedelegeerde handeling heeft vastgesteld overeenkomstig artikel 260, lid 3 of 5, van Richtlijn 2009/138/EG om te bepalen of het prudentieel regime van het betrokken derde land gelijkwaardig is aan dat waarin Titel III van Richtlijn 2009/138/EG voorziet. Zij doet dit op verzoek van de moederonderneming of van de dochterverzekerings- of herverzekeringsonderneming of op haar eigen initiatief.
  Voor de in het tweede lid bedoelde verificatie wordt de Bank, in haar hoedanigheid van fungerend groepstoezichthouder, bijgestaan door EIOPA overeenkomstig artikel 33, lid 2, van Verordening nr. 1094/2010. Zij raadpleegt de betrokken toezichthouders alvorens een besluit over de gelijkwaardigheid te nemen. Dit besluit wordt genomen op grond van de criteria die overeenkomstig artikel 260, lid 2, van Richtlijn 2009/138/EG zijn vastgesteld.
  In haar hoedanigheid van fungerend groepstoezichthouder neemt de Bank ten aanzien van een derde land geen enkel besluit dat indruist tegen eventueel in een eerder stadium ten aanzien van dat derde land genomen besluiten, tenzij zulks noodzakelijk is als gevolg van belangrijke wijzigingen in de toezichtsregeling die is vastgelegd in Richtlijn 2009/138/EG of in de toezichtsregeling van het derde land.

  Art. 446. Overeenkomstig artikel 260, lid 1, vierde alinea van Richtlijn 2009/138/EG kan de Bank de zaak aan EIOPA voorleggen en om haar bijstand verzoeken, overeenkomstig artikel 19 van Verordening nr. 1094/2010, wanneer zij het oneens is met het door de fungerend groepstoezichthouder genomen besluit over de gelijkwaardigheid van de regeling voor het prudentieel toezicht van een derde land.

  Art. 447.Wanneer er sprake is van gelijkwaardig toezicht in de zin van artikel 260 van Richtlijn 2009/138/EG, vertrouwt de Bank op het gelijkwaardige toezicht op groepsniveau dat wordt uitgeoefend door de toezichthouders van het derde land, met dien verstande dat de artikelen 441 en 442 en de Afdelingen III en IV van dit Hoofdstuk van overeenkomstige toepassing zijn op de samenwerking met de toezichthouders van derde landen.
  Het eerste lid is ook van toepassing wanneer de Europese Commissie overeenkomstig artikel 260, [1 lid 5]1 van Richtlijn 2009/138/EG heeft vastgesteld dat er sprake is van tijdelijke gelijkwaardigheid, tenzij er in een lidstaat een verzekerings- of herverzekeringsonderneming is met een balanstotaal dat groter is dan het balanstotaal van de moederonderneming in een derde land. In dat geval wordt de functie van groepstoezichthouder uitgeoefend door de fungerend groepstoezichthouder.
  ----------
  (1)<W 2019-05-02/25, art. 81, 010; Inwerkingtreding : 31-05-2019>

  Art. 448. § 1. Indien er geen sprake is van gelijkwaardig toezicht in de zin van artikel 260 van Richtlijn 2009/138/EG, past de Bank, in haar hoedanigheid van groepstoezichthouder, op de verzekerings- of herverzekeringsonderneming waarvan de moederonderneming een verzekeringsholding, een gemengde financiële holding van een derde land of een verzekerings- of herverzekeringsonderneming van een derde land is, op overeenkomstige wijze de bepalingen toe die door of krachtens dit Hoofdstuk zijn vastgelegd.
  De in de Afdelingen I tot IV van dit Hoofdstuk bedoelde algemene beginselen en methodes zijn van toepassing op het niveau van de verzekeringsholding, de gemengde financiële holding of de verzekerings- of herverzekeringsonderneming van het derde land.
  Uitsluitend voor de berekening van de groepssolvabiliteit wordt de moederonderneming behandeld alsof het een verzekerings- of herverzekeringsonderneming was die onderworpen is aan dezelfde voorwaarden als die van de artikelen 140 tot 150, wat het voor de dekking van het solvabiliteitskapitaalvereiste in aanmerking komend eigen vermogen betreft en aan:
  1° een overeenkomstig de beginselen van artikel 366 bepaald solvabiliteitskapitaalvereiste indien het een verzekeringsholding of een gemengde financiële holding betreft;
  2° een overeenkomstig de beginselen van artikel 367 bepaald solvabiliteitskapitaalvereiste indien het een verzekerings- of herverzekeringsonderneming van een derde land betreft.
  § 2. In afwijking van paragraaf 1, is de Bank, in haar hoedanigheid van groepstoezichthouder, gemachtigd om na overleg met de betrokken toezichthouders, andere methodes toepassen die een passend toezicht op de in het eerste lid bedoelde verzekerings- of herverzekeringsonderneming waarborgen en de mogelijkheid bieden de doeleinden van het toezicht op groepsniveau als omschreven in Titel III van Richtlijn 2009/138/EG te verwezenlijken.
  De Bank kan meer bepaald verlangen dat een verzekeringsholding met zetel in de Europese Economische Ruimte of een gemengde financiële holding met zetel in de Europese Economische Ruimte wordt opgericht, en op de verzekerings- of herverzekeringsondernemingen in de groep aan het hoofd waarvan deze verzekeringsholding of gemengde financiële holding staat, dit Hoofdstuk toepassen.
  De Bank deelt aan de betrokken toezichthouders en aan de Europese Commissie alle besluiten mee die overeenkomstig deze paragraaf worden genomen.

  Art. 449. Wanneer de in artikel 445 bedoelde moederonderneming zelf een dochteronderneming van een verzekeringsholding of een gemengde financiële holding met zetel in een derde land, dan wel een verzekerings- of herverzekeringsonderneming van een derde land is, voert de Bank als fungerend groepstoezichthouder de verificatie als bedoeld in artikel 445 alleen uit op het niveau van de uiteindelijke moederonderneming die een verzekeringsholding van een derde land, een gemengde financiële holding van een derde land of een verzekerings- of herverzekeringsonderneming van een derde land is.
  In haar hoedanigheid van fungerend groepstoezichthouder kan de Bank evenwel, bij gebreke van een gelijkwaardig toezicht in de zin van artikel 260 van Richtlijn 2009/138/EG, een nieuwe verificatie uitvoeren op een lager niveau waar er een moederonderneming van verzekerings- of herverzekeringsondernemingen bestaat, ongeacht of het een verzekeringsholding van een derde land, een gemengde financiële holding van een derde land of een verzekerings- of herverzekeringsonderneming van een derde land betreft. Zij legt haar besluit uit aan de groep.
  Artikel 448 is van overeenkomstige toepassing.

  Afdeling VI. - Gemengde verzekeringsholdings

  Art. 450. § 1. Wanneer een of meer verzekerings- of herverzekeringsondernemingen naar Belgisch recht als moederonderneming een gemengde verzekeringsholding hebben, kan de Bank alle gegevens en inlichtingen vragen die zij nodig acht voor de uitoefening van haar toezicht op individuele basis en op groepsniveau, op deze verzekerings- of herverzekeringsondernemingen, hetzij rechtstreeks van de gemengde verzekeringsholding, hetzij via de dochterverzekerings- of herverzekeringsondernemingen. In dit laatste geval blijft de gemengde verzekeringsholding samen met de rapporterende verzekerings- of herverzekeringsonderneming verantwoordelijk voor de juistheid en stipte mededeling van de verstrekte informatie.
  Indien de in het eerste lid bedoelde gemengde verzekeringsholding een onderneming naar Belgisch recht is, beschikt zij over een passende administratieve en boekhoudkundige organisatie en interne controle, teneinde de juistheid en conformiteit met de geldende regels te waarborgen van de te verstrekken gegevens en inlichtingen.
  § 2. De Bank kan de met toepassing van paragraaf 1 verstrekte gegevens en inlichtingen ter plaatse controleren.
  Indien de gemengde verzekeringsholding of een van haar dochterondernemingen in een andere lidstaat dan België is gevestigd, geschiedt de controle ter plaatse van de informatie in overeenstemming met de procedure die vervat is in artikel 429. Indien die gemengde verzekeringsholding of een van de dochterondernemingen daarvan een kredietinstelling of een beleggingsonderneming is, kan ook de procedure van artikel 420 worden gevolgd.
  Wanneer de gemengde verzekeringsholding of een van haar dochterondernemingen haar zetel buiten de Europese Economische Ruimte heeft, worden de modaliteiten voor de uitvoering van het bepaalde bij paragraaf 1 vastgelegd in samenwerkingsovereenkomsten tussen de Bank en de betrokken autoriteiten van derde landen, in voorkomend geval overeenkomstig artikel 36/16, § 2, van de wet van 22 februari 1998, of in samenwerkingsovereenkomsten die de Europese Commissie heeft gesloten overeenkomstig het bepaalde in artikel 264 van Richtlijn 2009/138/EG.
  § 3. De Bank kan de met toepassing van paragraaf 1 verstrekte gegevens en inlichtingen laten verifiëren op hun juistheid en volledigheid:
  1° wanneer de rapporterende onderneming een vennootschap naar Belgisch recht is, door de erkend commissaris van deze onderneming;
  2° wanneer de rapporterende onderneming haar zetel buiten België heeft, door de erkend commissaris van de verzekerings- of herverzekeringsonderneming naar Belgisch recht die een dochteronderneming van de gemengde verzekeringsholding is.
  Wat de gegevens en inlichtingen betreft die uitgaan van gemengde holdings en hun dochterondernemingen, is voor de erkend commissarissen het recht bedoeld in artikel 440 op overeenkomstige wijze van toepassing.
  § 4. De in paragraaf 1 bedoelde gegevens en inlichtingen moeten de Bank met name in staat stellen de volgende aspecten te beoordelen: de soliditeit van de verzekerings- of herverzekeringsonderneming, de invloed van de gemengde verzekeringsholding op het beleid van de dochterverzekerings- of -herverzekeringsondernemingen, en de transacties tussen de verzekerings- of herverzekeringsonderneming en de gemengde verzekeringsholding.
  § 5. De in paragraaf 1 bedoelde verzekerings- of herverzekeringsondernemingen beschikken over passende risicobeheerprocessen en internecontrolemechanismen, met inbegrip van gedegen rapporterings- en boekhoudkundige systemen, met het oog op een passende herkenning, meting, bewaking en controle van transacties met hun gemengde moederverzekeringsholding en de met haar verbonden ondernemingen. Zij rapporteren alle belangrijke transacties met deze entiteiten. Deze procedures en belangrijke transacties worden door de Bank gecontroleerd.
  De artikelen 390, 391, 417 tot 430, 441, leden 1, 2°, 2 en 3, en 442 zijn van overeenkomstige toepassing.
  Indien de aard en de omvang van de in het eerste lid bedoelde transacties een bedreiging vormen voor de financiële positie van de dochterverzekerings- of -herverzekeringsonderneming naar Belgisch recht, neemt de Bank passende maatregelen. Onverminderd eventuele andere maatregelen kan zij eisen dat deze verrichtingen worden stopgezet.

  HOOFDSTUK III. - Aanvullend conglomeraatstoezicht

  Afdeling I. - Toepassingsgevallen, reikwijdte en niveaus van het aanvullende conglomeraatstoezicht

  Onderafdeling I. - Toepassingsgevallen van het aanvullende conglomeraatstoezicht

  Art. 451. In de mate en op de wijze bepaald in dit Hoofdstuk en de uitvoeringsbesluiten en -reglementen ervan zijn verzekerings- of herverzekeringsondernemingen naar Belgisch recht
  1° die aan het hoofd staan van een financieel conglomeraat; of
  2° met als moederonderneming een gemengde financiële holding met zetel in een lidstaat
  onderworpen aan een aanvullend conglomeraatstoezicht.
  Indien meerdere gereglementeerde ondernemingen dochteronderneming zijn van de in het eerste lid, 2° bedoelde gemengde financiële holding, is het aanvullende conglomeraatstoezicht alleen van toepassing op de verzekerings- of herverzekeringsonderneming naar Belgisch recht voor zover de Bank, met toepassing van artikel 471 bevoegd is voor het aanvullende conglomeraatstoezicht.
  Het aanvullende conglomeraatstoezicht doet geen afbreuk aan het individuele toezicht van elke gereglementeerde onderneming die binnen de reikwijdte van het het aanvullende conglomeraatstoezicht valt, behoudens andersluidende bepalingen die door of krachtens dit Hoofdstuk zijn vastgelegd. Er kan evenwel rekening worden gehouden met de implicaties van het aanvullende conglomeraatstoezicht bij de bepaling van de inhoud en de modaliteiten van het individueel toezicht op verzekerings- of herverzekeringsondernemingen.

  Art. 452. § 1. Om te bepalen of een groep een financieel conglomeraat is in de zin van artikel 340, 2°, zijn de in de volgende paragrafen bepaalde drempels van toepassing.
  § 2. De activiteiten van een groep worden geacht in hoofdzaak in de financiële sector plaats te vinden in de zin van artikel 340, 2°, b), i), indien de verhouding tussen het gezamenlijk balanstotaal van de tot de financiële sector behorende ondernemingen in de groep, en het gezamenlijke balanstotaal van alle tot de groep behorende ondernemingen groter is dan 40 %.
  § . 3. De activiteiten van de tot een groep behorende ondernemingen uit eenzelfde financiële sector worden geacht significant te zijn in de zin van artikel 340, 2°, a), iii) of b), iii), indien:
  1° hetzij het gemiddelde van de volgende twee verhoudingen groter is dan 10 %: de verhouding tussen het gezamenlijke balanstotaal van alle ondernemingen in de groep die behoren tot diezelfde financiële sector en het gezamenlijke balanstotaal van alle tot de groep behorende ondernemingen uit de financiële sector, en de verhouding tussen de gezamenlijke solvabiliteitsvereisten van alle ondernemingen in de groep die behoren tot diezelfde financiële sector en de gezamenlijke solvabiliteitsvereisten van alle tot de groep behorende ondernemingen uit de financiële sector;
  2° hetzij het gezamenlijke balanstotaal van de ondernemingen die behoren tot de kleinste financiële sector in de groep groter is dan 6 miljard euro;
  Voor de toepassing van het eerste lid:
  1° worden de banksector en de beleggingsdienstensector samengenomen en beschouwd als behorende tot eenzelfde financiële sector;
  2° wordt onder de kleinste financiële sector in een financieel conglomeraat verstaan, de financiële sector met het kleinste gemiddelde en onder de belangrijkste financiële sector in een financieel conglomeraat, de sector met het grootste gemiddelde.
  § 4. De relevante bevoegde autoriteiten kunnen bij onderlinge overeenkomst besluiten een groep niet als een financieel conglomeraat aan te merken of kunnen besluiten de bepalingen van de artikelen 7, 8, 9 en 9bis van Richtlijn 2002/87/EG niet toe te passen, indien zij oordelen dat het onder de werkingssfeer van het aanvullende conglomeraatstoezicht brengen van de groep of de toepassing van die bepalingen in het licht van de doeleinden van het aanvullende conglomeraatstoezicht onnodig, ongepast of misleidend is, in de hierna volgende gevallen:
  1° indien de groep de in paragraaf 3, eerste lid, 2° bedoelde drempel bereikt, maar het in paragraaf 3, eerste lid, 1°, bedoelde gemiddelde onder de 10 % blijft;
  2° indien de groep het in paragraaf 3, eerste lid, 1°, bedoelde gemiddelde bereikt, maar de kleinste sector onder het in paragraaf 3, eerste lid, 2°, bedoelde bedrag van 6 miljard euro blijft.
  Besluiten genomen met toepassing van het eerste lid worden aan de andere bevoegde autoriteiten meegedeeld, en deze worden, behoudens buitengewone omstandigheden, door de bevoegde autoriteiten openbaar gemaakt.
  § 5. Voor de toepassing van de paragrafen 2 tot 4 kunnen de relevante bevoegde autoriteiten gezamenlijk beslissen om:
  1° voor de berekening van de drempels een onderneming buiten beschouwing te laten, om dezelfde reden als zij met toepassing van artikel 458, § 2, kunnen worden weggelaten voor de berekening van de solvabiliteitsvereisten, tenzij de entiteit van een lidstaat naar een derde land verhuisd is en er aanwijzingen zijn dat de entiteit haar locatie veranderd heeft om zich aan de regulering te onttrekken;
  2° een groep die niet meer voldoet aan de drempels van de paragrafen 2 tot 4, maar die er gedurende drie opeenvolgende jaren aan voldaan heeft, als een financieel conglomeraat aan te merken teneinde een plotse verandering van toezichtregime te voorkomen, dan wel anders te beslissen of een eerder genomen beslissing te herzien omwille van blijvende significante wijzigingen in de structuur van de groep;
  3° één of meer deelnemingen in de kleinste sector buiten beschouwing laten indien deze deelnemingen bepalend zijn voor de identificatie van een groep als financieel conglomeraat en samengenomen van te verwaarlozen belang zijn gelet op de doelstellingen van het aanvullende conglomeraatstoezicht.
  Indien een groep overeenkomstig de paragrafen 2 tot 4 als financieel conglomeraat wordt aangemerkt, worden de in het eerste lid van deze paragraaf bedoelde beslissingen genomen op basis van een voorstel van de Bank indien deze coördinator is.
  § 6. Voor de toepassing van paragraaf 2 en paragraaf 3, eerste lid, 1°, kunnen de relevante bevoegde autoriteiten in uitzonderlijke gevallen bij onderlinge overeenkomst het gezamenlijke balanstotaal als parameter vervangen door, of aanvullen met, één of meer van de hierna volgende andere parameters, indien zij van oordeel zijn dat deze andere parameters in het licht van de doelstellingen van het aanvullende conglomeraatstoezicht een betere weergave zijn van het bedrijf van de groep; deze andere parameters zijn: de inkomensstructuur, activiteiten buiten balanstelling van de groep en totaal beheerd vermogen. De Bank bepaalt in haar hoedanigheid van coördinator hoe deze parameters dienen te worden berekend.
  § 7. Indien een aan aanvullend conglomeraatstoezicht onderworpen financieel conglomeraat niet meer voldoet aan een of meerdere van de in de paragrafen 2 tot 4 bepaalde drempels, worden de drempels gedurende de drie volgende jaren als volgt vervangen: 40 % wordt 35 %, 10 % wordt 8 % en 6 miljard euro wordt 5 miljard euro, om plotse veranderingen van toezichtregime te voorkomen.
  In afwijking van het eerste lid kan de Bank, in haar hoedanigheid van coördinator, na instemming van de andere relevante bevoegde autoriteiten, beslissen deze lagere drempels niet of niet meer toe te passen in de voornoemde periode van drie jaar, rekening houdend met de doelstellingen van het aanvullende conglomeraatstoezicht.
  § 8. De in dit artikel bedoelde berekeningen inzake het gezamenlijke balanstotaal worden gemaakt op basis van het geaggregeerde balanstotaal van de tot de groep behorende ondernemingen, uitgaande van hun meest recente jaarrekening, volgens de voorschriften bepaald door de Bank, indien deze coördinator is. Ondernemingen waarin de groep deelnemingen heeft, worden in aanmerking genomen voor het bedrag van hun balanstotaal dat overeenkomt met het geaggregeerde proportionele aandeel van de groep. Indien voor een bepaalde groep of delen van de groep geconsolideerde jaarrekeningen worden opgesteld, worden deze gebruikt voor de berekeningen.
  De in dit artikel bedoelde solvabiliteitsvereisten worden berekend volgens de bepalingen van de sectorale regelgeving die op de betrokken gereglementeerde ondernemingen van toepassing is.
  § 9. De bevoegde autoriteiten herbeoordelen op jaarbasis de vrijstellingen van de toepassing van het aanvullende conglomeraatstoezicht en evalueren de kwantitatieve indicatoren waarin dit artikel voorziet, alsmede de risicobeoordelingen van financiële groepen.

  Art. 453. § 1. De Bank gaat na of verzekerings- of herverzekeringsondernemingen die overeenkomstig het Belgisch recht een vergunning hebben verkregen, deel uitmaken van een financieel conglomeraat. Daartoe werkt de Bank nauw samen met de bevoegde autoriteiten van andere tot die groep behorende gereglementeerde ondernemingen die overeenkomstig het Europees recht een vergunning hebben verkregen. Indien de Bank van oordeel is dat de betrokken groep een financieel conglomeraat is en niet reeds aan aanvullend conglomeraatstoezicht onderworpen is, dan deelt zij dit mee aan de andere relevante bevoegde autoriteiten en aan het Gemengd Comité.
  § 2. In haar hoedanigheid van coördinator, stelt de Bank de moederonderneming van de groep, of bij ontstentenis van een moederonderneming, de gereglementeerde onderneming met het grootste balanstotaal in de belangrijkste financiële sector in de groep, in kennis van de identificatie van de groep als een financieel conglomeraat, alsmede van haar aanwijzing als coördinator. Zij informeert hierover eveneens de bevoegde autoriteiten van andere tot de groep behorende gereglementeerde ondernemingen die overeenkomstig het Europees recht een vergunning hebben verkregen, de bevoegde autoriteiten van de lidstaat waar de gemengde financiële holding haar zetel heeft, het Gemengd Comité, alsook, zo zij dit noodzakelijk acht in het licht van de doelstellingen van het aanvullende conglomeraatstoezicht, de autoriteiten van derde landen.

  Onderafdeling II. - Reikwijdte van het aanvullende conglomeraatstoezicht

  Art. 454. De in artikel 451 bedoelde verzekerings- of herverzekeringsondernemingen voldoen aan de vereisten van de artikelen 459 tot 467 op het niveau van het financieel conglomeraat. Deze reikwijdte van het aanvullende conglomeraatstoezicht stemt overeen met alle ondernemingen, hetzij gereglementeerd, hetzij ongereglementeerd, die deel uitmaken van de groep als gedefinieerd in artikel 340, 1°, vertrekkende vanuit de verzekerings- of herverzekeringsonderneming aan het hoofd van het financieel conglomeraat dan wel vanuit de gemengde financiële holding met zetel in de Europese Economische Ruimte.

  Art. 455. Het aanvullende conglomeraatstoezicht heeft niet tot gevolg dat op een gemengde financiële holding en op elke andere in de reikwijdte van dit toezicht opgenomen onderneming individueel toezicht wordt uitgeoefend.

  Onderafdeling III. - Niveaus van het aanvullende conglomeraatstoezicht

  Art. 456. Wanneer een financieel conglomeraat zelf deel uitmaakt van een ander financieel conglomeraat dat aan een aanvullend conglomeraatstoezicht is onderworpen, kan de Bank, in haar hoedanigheid van coördinator, de in artikel 451 bedoelde verzekerings- of herverzekeringsondernemingen die deel uitmaken van de subgroep geheel of gedeeltelijk vrijstellen van het aanvullende conglomeraatstoezicht indien de doelstellingen ervan in voldoende mate bereikt worden door het aanvullende conglomeraatstoezicht op het ander financieel conglomeraat.

  Afdeling II. - Domeinen van het aanvullende conglomeraatstoezicht

  Onderafdeling I. - Aanvullend solvabiliteitstoezicht

  Art. 457. De in artikel 451 bedoelde verzekerings- of herverzekeringsondernemingen zijn onderworpen aan een aanvullend solvabiliteitstoezicht op het niveau van de groep. Dit aanvullend toezicht slaat op:
  1° de naleving van het vereiste dat er steeds eigen vermogen beschikbaar is op het niveau van het financieel conglomeraat dat minstens gelijk is aan de solvabiliteitsvereisten; het eigen vermogen en de solvabiliteitsvereisten op het niveau van het financieel conglomeraat worden berekend volgens een van de methodes bepaald in Bijlage V, en met naleving van de bepalingen en beginselen opgenomen in Verordening 342/2014;
  2° het passende karakter van de beheersprocedures en de internecontroleprocedures met betrekking tot de solvabiliteit van de groep, overeenkomstig het bepaalde in Onderafdeling V van deze Afdeling;
  3° het passende karakter van de strategieën inzake eigen vermogen.
  De in het eerste lid bedoelde voorschriften worden gecontroleerd door de Bank, in haar hoedanigheid van coördinator, overeenkomstig Afdeling IV van dit Hoofdstuk. Zij zorgt ervoor dat de in het eerste lid bedoelde berekening ten minste eenmaal per jaar wordt uitgevoerd. De resultaten van de berekening en de voor de berekening benodigde gegevens worden aan haar voorgelegd door de verzekerings- of herverzekeringsonderneming, door de gemengde financiële holding of door een tot het financieel conglomeraat behorende gereglementeerde onderneming die de Bank na overleg met de andere relevante bevoegde autoriteiten en met het financieel conglomeraat heeft aangewezen.

  Art. 458. § 1. In afwijking van de reikwijdte van het in artikel 454 bedoelde aanvullende conglomeraatstoezicht worden voor de toepassing van artikel 457, eerste lid, 1°, alle ondernemingen in de groep die tot de financiële sector behoren, in het aanvullende solvabiliteitstoezicht opgenomen.
  § 2. In afwijking van paragraaf 1 kan de Bank in haar hoedanigheid van coördinator besluiten in onderstaande gevallen een bepaalde onderneming buiten de reikwijdte van het aanvullende solvabiliteitstoezicht van artikel 457, eerste lid, 1°, te laten:
  1° indien de onderneming gevestigd is in een derde land waar er juridische belemmeringen bestaan voor het doorgeven van de benodigde informatie, onverminderd de sectorale regelgeving die betrekking heeft op de voor de bevoegde autoriteiten geldende verplichting om de vergunning te weigeren indien de doeltreffende uitoefening van hun toezichthoudende taken wordt belemmerd;
  2° indien de onderneming in het licht van de doeleinden van het aanvullende conglomeraatstoezicht op gereglementeerde ondernemingen in een financieel conglomeraat van te verwaarlozen betekenis is;
  3° indien het in aanmerking nemen van de onderneming in het licht van de doeleinden van het aanvullende conglomeraatstoezicht ongepast of misleidend zou zijn.
  Indien in het onder het eerste lid, 2° bedoelde geval verscheidene ondernemingen uit te sluiten zijn, moeten deze toch in aanmerking worden genomen indien zij gezamenlijk van niet te verwaarlozen betekenis zijn.
  § 3. Indien de Bank, in haar hoedanigheid van coördinator, van mening is dat een verzekerings- of herverzekeringsonderneming niet zou mogen worden opgenomen in het aanvullende conglomeraatstoezicht met toepassing van paragraaf 2, eerste lid, 3°, raadpleegt zij de andere relevante bevoegde autoriteiten voordat zij een besluit neemt, behoudens in spoedeisende gevallen.

  Onderafdeling II. - Aanvullend toezicht op risicoconcentratie

  Art. 459. De in artikel 451 bedoelde verzekerings- of herverzekeringsondernemingen zijn onderworpen aan een aanvullend toezicht op de risicoconcentratie. Onverminderd de bepalingen van Verordening 2015/2303, slaat dit aanvullende toezicht op:
  1° de identificatie en de rapportering van significante risicoconcentraties;
  2° het passend karakter van de beheersprocedures en de internecontroleprocedures met betrekking tot de risicoconcentratie van de groep, overeenkomstig het bepaalde in Onderafdeling V van deze Afdeling.
  Bij het toezicht wordt inzonderheid aandacht besteed aan de volgende aspecten: het zogenaamde besmettingsrisico in de groep, de aanwezigheid van belangenconflicten, de omzeiling van de sectorale regelgeving, alsook het niveau en de omvang van de risicoconcentratie.

  Art. 460. § 1. De Bank, stelt, in haar hoedanigheid van coördinator, voor de toepassing van artikel 459, eerste lid, 1°, in overleg met de andere relevante bevoegde autoriteiten en na raadpleging van het financieel conglomeraat, de drempels vast voor het identificeren en het rapporteren van elke significante risicoconcentratie binnen het financieel conglomeraat. Zij legt de drempels vast op basis van een of beide van volgende parameters: het reglementaire eigen vermogen en de technische voorzieningen.
  Indien geen drempels zijn vastgesteld, worden risicoconcentraties geacht significant te zijn indien deze groter zijn dan 10 % van de solvabiliteitsvereiste van het betrokken financieel conglomeraat.
  § 2. Onverminderd het bepaalde in artikel 459 kan de Bank, in haar hoedanigheid van coördinator, begrenzingsnormen of andere evenwaardige toezichtmaatregelen opleggen ter beheersing van de risicoconcentratie op het niveau van een financieel conglomeraat. Teneinde omzeiling van de sectorale regelgeving inzake risicoconcentratie tegen te gaan, kan zij ook beslissen, overeenkomstig artikel 347, de sectorale bepalingen ter zake naar analogie toe te passen op het niveau van het financieel conglomeraat. Zij raadpleegt voorafgaandelijk de andere relevante bevoegde autoriteiten.

  Onderafdeling III. - Aanvullend toezicht op intragroeptransacties

  Art. 461. De in artikel 451 bedoelde verzekerings- of herverzekeringsondernemingen zijn onderworpen aan een aanvullend toezicht op de intragroeptransacties. Onverminderd de bepalingen van Verordening 2015/2303, slaat dit aanvullende toezicht op:
  1° de identificatie en de rapportering van significante intragroeptransacties;
  2° het passend karakter van de beheersprocedures en de internecontroleprocedures met betrekking tot intragroeptransacties, overeenkomstig het bepaalde in Onderafdeling V van deze Afdeling.
  Bij het toezicht wordt inzonderheid aandacht besteed aan volgende aspecten: het zogenaamde besmettingsrisico in de groep, de aanwezigheid van belangenconflicten, de omzeiling van de sectorale regelgeving, alsook het niveau en de omvang van de intragroeptransacties.

  Art. 462. § 1. Voor de toepassing van artikel 461, eerste lid, 1°, stelt de Bank, in haar hoedanigheid van coördinator, in overleg met de andere relevante bevoegde autoriteiten en na raadpleging van het financieel conglomeraat, passende drempels vast voor het identificeren en het rapporteren van significante intragroeptransacties. Zij legt de drempels vast op basis van een of beide van volgende parameters: het reglementaire eigen vermogen en de technische voorzieningen.
  Indien geen drempels zijn vastgesteld, worden intragroeptransacties geacht significant te zijn indien deze groter zijn dan 5 % van het solvabiliteitsvereiste van het betrokken financieel conglomeraat.
  § 2. Onverminderd het bepaalde in artikel 461 kan de Bank, in haar hoedanigheid van coördinator, begrenzingsnormen of andere evenwaardige toezichtmaatregelen opleggen ter verwezenlijking van de doelstellingen van het aanvullende conglomeraatstoezicht inzake intragroeptransacties. Teneinde omzeiling van de sectorale regelgeving inzake intragroeptransacties tegen te gaan, kan zij ook beslissen, overeenkomstig artikel 347, de sectorale bepalingen ter zake naar analogie toe te passen op het niveau van het financieel conglomeraat. Zij raadpleegt voorafgaandelijk de andere relevante bevoegde autoriteiten.

  Onderafdeling IV. - Periodieke rapportering

  Art. 463. § 1. Voor het in Onderafdelingen I, II en III van deze Afdeling geregelde aanvullende conglomeraatstoezicht worden aan de Bank, in haar hoedanigheid van coördinator, volgens de modaliteiten die zij bepaalt en minstens tweemaal per jaar, de volgende staten voorgelegd:
  1° een boekhoudstaat die betrekking heeft op de financiële positie van het financieel conglomeraat en die minstens bestaat uit de balans en de resultatenrekening;
  2° een staat waaruit de naleving blijkt van de normen bepaald bij of in uitvoering van de artikelen 457, eerste lid, 1°, 460, § 2, en 462, § 2, en een staat met opgave van de significante risicoconcentraties en significante intragroeptransacties bedoeld in de artikelen 459, eerste lid, 1°, en 461, eerste lid, 1°.
  Te dien einde bepaalt de Bank, in haar hoedanigheid van coördinator, in overleg met de andere relevante bevoegde autoriteiten, de categorieën verrichtingen, risico's en posities die voor de opvolging van de significante risicoconcentraties en intragroeptransacties moeten worden gerapporteerd; zij kan daarbij rekening houden met de specifieke groeps- en risicobeheerstructuur van het betrokken financieel conglomeraat.
  § 2. De in paragraaf 1 bedoelde staten worden gerapporteerd door de verzekerings- of herverzekeringsonderneming, door de gemengde financiële holding of door een tot het financieel conglomeraat behorende gereglementeerde onderneming, die de Bank, na overleg met de andere relevante bevoegde autoriteiten en met het financieel conglomeraat heeft aangewezen.

  Onderafdeling V. - Risicobeheer- en internecontroleprocedures

  Art. 464. De in artikel 451 bedoelde verzekerings- of herverzekeringsondernemingen zorgen ervoor dat het financieel conglomeraat beschikt over passende risicobeheer- en internecontroleprocedures en over een passende administratieve en boekhoudkundige organisatie.
  Inzonderheid dienen deze risicobeheer- en internecontroleprocedures aanwezig te zijn op geconsolideerd en gesubconsolideerd niveau bij de in artikel 451 bedoelde moederondernemingen, ongeacht of het om de verzekerings- of herverzekeringsonderneming gaat of om de gemengde financiële holding aan het hoofd van het financieel conglomeraat, en bij alle gereglementeerde ondernemingen die deel uitmaken van het financieel conglomeraat, zodat de risicobeheer- en internecontroleprocedures samenhang vertonen en goed geïntegreerd zijn, de invloed van de tot de groep behorende ondernemingen op de gereglementeerde ondernemingen kan beoordeeld worden en alle gegevens en informatie die voor het aanvullende conglomeraatstoezicht van belang zijn, kunnen worden verkregen. Deze moederondernemingen passen die risicobeheer- en internecontroleprocedures eveneens toe in hun niet-gereglementeerde dochterondernemingen. Ook deze risicobeheer- en internecontroleprocedures zijn samenhangend en goed geïntegreerd, en ook deze dochterondernemingen moeten de voor het toezicht relevante gegevens en informatie kunnen verstrekken.

  Art. 465. § 1. De risicobeheerprocedures omvatten:
  1° een passend bestuur en beheer, met goedkeuring en periodieke evaluatie van de strategie en het beleid door de bevoegde organen, met betrekking tot alle belangrijke risico's die op het niveau van het financieel conglomeraat worden gelopen;
  2° een passend solvabiliteitsbeleid, dat met name de toekomstige gevolgen anticipeert voor de groep van de gevolgde bedrijfsstrategie op het risicoprofiel van de groep en de in Onderafdeling I van deze Afdeling bedoelde solvabiliteitsvereisten;
  3° passende procedures die waarborgen dat de risicobeheer- en risico-opvolgingssystemen voldoende zijn geïntegreerd in de organisatie van de groep en dat de in de ondernemingen van de groep gehanteerde systemen met elkaar in overeenstemming zijn, zodat op het niveau van het financieel conglomeraat de risico's correct worden geïdentificeerd, opgevolgd en beheerst;
  4° regelmatig geactualiseerde regelingen om bij te dragen tot de verwezenlijking en, in voorkomend geval, de ontwikkeling van passende herstel- en afwikkelingsmechanismen en -plannen.
  § 2. De internecontroleprocedures omvatten:
  1° passende procedures voor het opvolgen van de solvabiliteit op het niveau van de groep, zodat alle belangrijke risico's correct worden geïdentificeerd en opgevolgd en het eigen vermogen voldoende is in het licht van de gelopen risico's;
  2° het passende karakter van de procedures en systemen voor de identificatie, meting, opvolging en beheersing van de intragroeptransacties en risicoconcentraties.
  § 3. De in artikel 451 bedoelde verzekerings- of herverzekeringsondernemingen beschikken over een passende boekhoudkundige en administratieve organisatie die de juistheid en conformiteit met de geldende regels waarborgt van de voor het aanvullende conglomeraatstoezicht verstrekte gegevens en inlichtingen en de opstelling van de jaarrekeningen.

  Art. 466. De in artikel 451 bedoelde verzekerings- of herverzekeringsondernemingen zorgen voor een transparante groepsstructuur. De verzekerings- of herverzekeringsonderneming, de gemengde financiële holding of een tot het financieel conglomeraat behorende gereglementeerde onderneming die de Bank, in haar hoedanigheid van coördinator, na overleg met de andere relevante bevoegde autoriteiten en met het financieel conglomeraat heeft aangewezen, doen daartoe het volgende:
  1° zij delen aan de Bank regelmatig bijzonderheden mee omtrent hun juridische structuur, hun regeling voor de bedrijfsorganisatie en hun beleidsstructuur, die gelden voor alle gereglementeerde ondernemingen, niet-gereglementeerde dochterondernemingen en significante bijkantoren;
  2° zij maken op het niveau van het financieel conglomeraat jaarlijks een beschrijving van de juridische structuur, van de regeling voor de bedrijfsorganisatie en van de beleidsstructuur voor het publiek openbaar en zorgen ervoor dat alle gereglementeerde ondernemingen deze informatie ook openbaar maken, hetzij door volledige vermelding, hetzij door verwijzing naar gelijkwaardige informatie.

  Onderafdeling VI. - Stresstests

  Art. 467. In haar hoedanigheid van coördinator beoordeelt de Bank minstens jaarlijks de noodzaak van stresstests op het niveau van het financieel conglomeraat. Zij stemt haar beoordeling af op de stresstest die worden georganiseerd voor de belangrijkste financiële sector vertegenwoordigd in het financieel conglomeraat en overlegt met de andere relevante bevoegde autoriteiten.
  Voor het toepassen van deze stresstests houdt de Bank rekening met parameters die specifieke risico's verbonden aan financiële conglomeraten kunnen identificeren.
  De Bank deelt de resultaten van de stresstests mee aan het Gemengd Comité.

  Onderafdeling VII. - Governance

  Art. 468. § 1. Wanneer de Bank krachtens artikel 471 het aanvullende conglomeraatstoezicht uitoefent op een in artikel 451 bedoelde verzekerings- of herverzekeringsonderneming, dan zijn de in dit artikel 451 bedoelde moederondernemingen die hun zetel in België hebben verantwoordelijk voor de naleving van de verplichtingen met betrekking tot het aanvullende conglomeraatstoezicht.
  Bij de uitoefening van de coördinatie en het toezicht waarmee zij belast zijn als hoofd van het financieel conglomeraat, vaardigen de in het eerste lid bedoelde moederondernemingen Richtlijnen uit aan de ondernemingen die deel uitmaken van het financieel conglomeraat met het oog op het naleven van de verplichtingen die voortvloeien uit het aanvullende conglomeraatstoezicht en op het verzekeren van de stabiliteit van het financieel conglomeraat. Deze Richtlijnen mogen niet in strijd zijn met het Wetboek van Vennootschappen en zijn uitvoeringsbesluiten en mogen geen afbreuk doen aan het toezicht op individuele basis op verzekerings- of herverzekeringsondernemingen die deel uitmaken van het financieel conglomeraat.
  § 2. Wanneer de Bank krachtens artikel 471 het aanvullende conglomeraatstoezicht uitoefent op een verzekerings- of herverzekeringsonderneming bedoeld in artikel 451 met als moederonderneming een gemengde financiële holding met zetel buiten België, waakt deze verzekerings- of herverzekeringsonderneming over de naleving door haar moederonderneming van de verplichtingen met betrekking tot het aanvullende conglomeraatstoezicht.
  De verzekerings- of herverzekeringsonderneming dient van de bedoelde moederonderneming de medewerking te verkrijgen voor het opzetten van een passende beleidsstructuur die ertoe bijdraagt dat het aanvullende conglomeraatstoezicht zo efficiënt mogelijk kan worden uitgeoefend en waakt erover dat de invloed van de moederonderneming niet in strijd is met het Wetboek van Vennootschappen en zijn uitvoeringsbesluiten en geen afbreuk doet aan het toezicht op individuele basis dat van toepassing is op de verzekerings- of herverzekeringsonderneming of het aanvullende conglomeraatstoezicht.
  § 3. In het krachtens artikel 42, § 3, vereiste internal governancememorandum dient, wat betreft het niveau van het financieel conglomeraat, te worden uitgewerkt hoe voldaan wordt aan de beginselen vervat in de paragrafen 1 en 2.
  § 4. In de gevallen bedoeld in paragraaf 1 verstrekken de betrokken verantwoordelijke moederondernemingen de krachtens artikel 463 van deze wet vereiste rapportering, evenals, op verzoek van de Bank, alle bijkomende inlichtingen die nuttig zijn voor het uitoefenen van het aanvullende conglomeraatstoezicht.
  § 5. Wanneer de Bank krachtens artikel 471 het aanvullende conglomeraatstoezicht uitoefent in andere gevallen dan deze bedoeld in de paragrafen 1 en 2, kan zij per geval nader bepalen hoe de beginselen van de paragrafen 1 tot 4 van overeenkomstige toepassing zijn.
  § 6. Voor de toepassing van de paragrafen 1, 2 en 5, raadpleegt de Bank, in voorkomend geval, de andere bevoegde autoriteiten.
  § 7. Wanneer een andere bevoegde autoriteit dan de Bank het aanvullende conglomeraatstoezicht uitoefent over een verzekerings- of herverzekeringsonderneming naar Belgisch recht, dient deze verzekerings- of herverzekeringsonderneming na te gaan of de invloed van haar moederonderneming niet in strijd is met het Wetboek van Vennootschappen en zijn uitvoeringsbesluiten en geen afbreuk doet aan het toezicht op individuele basis waaraan deze verzekerings- of herverzekeringsonderneming is onderworpen.

  Art. 469. § 1. Het directiecomité, in voorkomend geval de effectieve leiding, van de in artikel 451 bedoelde moederondernemingen naar Belgisch recht, die betrokken zijn in het aanvullende conglomeraatstoezicht uitgeoefend door de Bank, verklaart dat de in artikel 468, § 4 bedoelde rapporteringen in overeenstemming zijn met de boekhouding en de inventarissen. Daartoe is vereist dat de staten volledig zijn, wat wil zeggen dat ze alle gegevens bevatten uit de boekhouding en de inventarissen op basis waarvan deze staten worden opgesteld, en juist zijn, wat wil zeggen dat ze de gegevens correct weergeven uit de boekhouding en de inventarissen op basis waarvan deze staten worden opgesteld. Het directiecomité, in voorkomend geval de effectieve leiding, bevestigt het nodige gedaan te hebben opdat de voornoemde staten volgens de geldende regels opgemaakt zijn, en opgesteld zijn met toepassing van de boekings- en waarderingsregels voor de opstelling van de geconsolideerde jaarrekening, of, voor de rapporteringsstaten die geen betrekking hebben op het einde van het boekjaar, met toepassing van de boekings- en waarderingsregels voor de opstelling van de geconsolideerde jaarrekening met betrekking tot het laatste boekjaar.
  § 2. Artikel 80 is van overeenkomstige toepassing op het directiecomité, in voorkomend geval de effectieve leiding, van de in paragraaf 1 bedoelde moederondernemingen wat betreft de maatregelen opgenomen in de artikelen 464 tot 466.

  Art. 470. Onverminderd het beginsel vervat in artikel 455 en wanneer het aanvullende conglomeraatstoezicht uitgeoefend wordt door de Bank, zijn de volgende artikelen op overeenkomstige wijze van toepassing op de gemengde financiële holding naar Belgisch recht: de artikelen 39, 40, 41, 45, §§ 1, 3 en 4, 46, §§ 1, 3 en 4, 47, 64 tot 72, 81, 82, 83, 508, § 1, en 517.

  Afdeling III. - Uitoefening van het aanvullende conglomeraatstoezicht

  Onderafdeling I. - Aanwijzing van de coördinator

  Art. 471. § 1. Teneinde een passend aanvullend conglomeraatstoezicht te verzekeren, wordt uit de bevoegde autoriteiten van de betrokken lidstaten, met inbegrip van die van de lidstaat waar de gemengde financiële holding haar zetel heeft, één enkele coördinator aangewezen die verantwoordelijk is voor de coördinatie en de uitoefening van het aanvullende conglomeraatstoezicht.
  § 2. Het aanvullende conglomeraatstoezicht op de in artikel 451, eerste lid bedoelde verzekerings- of herverzekeringsondernemingen wordt als volgt uitgeoefend:
  1° door de Bank in het in artikel 451, eerste lid, 1°, bedoelde geval;
  2° indien aan het hoofd van het financieel conglomeraat een Belgische gemengde financiële holding staat, door de Bank, onverminderd de punten 3° tot 7° ;
  3° indien naast een Belgische verzekerings- of herverzekeringsonderneming ten minste één andere Belgische gereglementeerde onderneming eenzelfde Belgische gemengde financiële holding aan het hoofd van het financieel conglomeraat heeft, door de Belgische bevoegde autoriteit belast met het prudentieel toezicht op de Belgische gereglementeerde onderneming met het grootste balanstotaal;
  4° indien de gemengde financiële holding aan het hoofd van het financieel conglomeraat haar zetel in een andere lidstaat dan België heeft en in deze lidstaat een dochteronderneming heeft die een gereglementeerde onderneming is, door de bevoegde autoriteit van dat land;
  5° indien de gemengde financiële holding aan het hoofd van het financieel conglomeraat haar zetel in een andere lidstaat dan België heeft en in deze lidstaat ten minste twee dochterondernemingen heeft die een gereglementeerde onderneming zijn, met elk een verschillende bevoegde autoriteit, door de bevoegde autoriteit van de gereglementeerde onderneming in de belangrijkste financiële sector;
  6° indien meerdere gemengde financiële holdings, met zetel in verschillende lidstaten, aan het hoofd staan van het financieel conglomeraat, en er in elk van deze lidstaten een gereglementeerde onderneming is, door de bevoegde autoriteit van de gereglementeerde onderneming met het hoogste balanstotaal indien de activiteiten van deze ondernemingen plaatsvinden in dezelfde financiële sector, of door de bevoegde autoriteit van de gereglementeerde onderneming in de belangrijkste financiële sector;
  7° indien ten minste twee gereglementeerde ondernemingen met zetel in een lidstaat dezelfde gemengde financiële holding als moederonderneming hebben en aan geen van deze ondernemingen een vergunning is verleend in de lidstaat waar de gemengde financiële holding haar zetel heeft, door de bevoegde autoriteit van de gereglementeerde onderneming met het hoogste balanstotaal in de belangrijkste financiële sector;
  8° indien het financiële conglomeraat een groep is zonder moederonderneming aan het hoofd, of in alle andere dan de voormelde gevallen, door de bevoegde autoriteit die belast is met het toezicht op de gereglementeerde onderneming met het hoogste balanstotaal in de belangrijkste financiële sector.

  Art. 472. De Bank en de andere relevante bevoegde autoriteiten kunnen in bijzondere gevallen in gemeen overleg overeenkomen om van de in artikel 471 bepaalde bevoegdheidsregeling af te wijken, indien de toepassing ervan, gelet op de structuur van het financieel conglomeraat en het relatieve belang van de activiteiten van de groep in de verschillende lidstaten, niet passend zou zijn, en een andere bevoegde autoriteit belasten met het aanvullende conglomeraatstoezicht. Zij raadplegen het financieel conglomeraat alvorens hierover een beslissing te nemen.

  Onderafdeling II. - Rechten en plichten van de coördinator - College

  Art. 473. § 1. Onverminderd de andere bevoegdheden en taken die haar door of krachtens deze wet en door Richtlijn 2002/87/EG worden toegewezen, omvatten de taken van de Bank, in haar hoedanigheid van coördinator:
  1° het coördineren van de vergaring en de verspreiding van relevante en essentiële informatie, in normale omstandigheden en in noodsituaties, met inbegrip van de verspreiding van informatie die van belang is voor het toezicht door een bevoegde autoriteit krachtens de sectorale regelgeving;
  2° het toezicht op, inclusief de evaluatie van, de financiële positie van het financieel conglomeraat;
  3° het toezicht op de naleving van de bepalingen van de artikelen 457 tot 462 inzake solvabiliteit, risicoconcentratie en intragroeptransacties, en op de naleving van de in artikel 463 bedoelde rapporteringsverplichtingen;
  4° het toezicht op, inclusief de evaluatie van, de structuur, de organisatie en de internecontroleprocedures van het financieel conglomeraat, als bedoeld in de artikelen 464 tot 466;
  5° het plannen en coördineren van toezichtsactiviteiten, in normale omstandigheden en in noodsituaties, in samenwerking met de andere relevante bevoegde autoriteiten;
  6° het nemen van maatregelen en sancties ten aanzien van de gemengde financiële holding.
  § 2. De relevante bevoegde autoriteiten kunnen, in voorkomend geval in overleg met andere bevoegde autoriteiten, overeenkomen de Bank, in haar hoedanigheid van coördinator, andere toezichtstaken toe te vertrouwen, buiten de in paragraaf 1 bedoelde taken.

  Art. 474. § 1. In haar hoedanigheid van coördinator richt de Bank voor het aanvullende conglomeraatstoezicht een college op om vorm te geven aan de uit hoofde van dit Hoofdstuk vereiste samenwerking en de uitoefening van de taken als coördinator en, onder voorbehoud van vertrouwelijkheidsvereisten en van het recht van de Unie, de passende coördinatie en samenwerking met de betrokken toezichthoudende autoriteiten van derde landen.
  § 2. Wanneer relevante bevoegde autoriteiten reeds deelnemen aan een college opgericht krachtens artikel 248, lid 2, van Richtlijn 2009/138/EG of artikel 116 van Richtlijn 2013/36/EU, dan zal het college op het niveau van het financieel conglomeraat functioneren binnen het college opgericht voor de belangrijkste financiële sector. De banksector en de beleggingsdienstensector worden voor dit doeleinde samen beschouwd.
  De regels voor de in paragraaf 1 bedoelde coördinatie worden apart opgenomen in de schriftelijke coördinatieafspraken die worden ingesteld voor het sectorale college. In haar hoedanigheid van coördinator beslist de Bank, als voorzitter van dit sectorale college, welke andere bevoegde autoriteiten aan een vergadering of een activiteit van dat college deelnemen.

  Art. 475. Onverminderd de in de overige bepalingen van dit Hoofdstuk bedoelde samenwerkingsovereenkomsten en coördinatieafspraken, sluit de Bank, in haar hoedanigheid van coördinator, met andere bevoegde autoriteiten de overeenkomsten die noodzakelijk zijn voor de verwezenlijking van het aanvullende conglomeraatstoezicht als bepaald bij dit Hoofdstuk. Deze overeenkomsten regelen waar nodig de modaliteiten van uitoefening van dit toezicht, met inbegrip van de modaliteiten van samenwerking en informatie-uitwisseling onder bevoegde autoriteiten. Zij kunnen inzonderheid de procedures regelen voor de besluitvorming tussen de relevante bevoegde autoriteiten.

  Art. 476. In haar hoedanigheid van coördinator stelt de Bank lijsten op van de gemengde financiële holdings die betrokken zijn bij het door haar uitgeoefende aanvullende conglomeraatstoezicht.
  Zij maakt deze lijsten over aan de bevoegde autoriteiten van de andere lidstaten, EIOPA, EBA en de Europese Commissie.

  Art. 477. Onverminderd de delegatie van specifieke toezichtsbevoegdheden en -verantwoordelijkheden overeenkomstig de sectorale regelgeving, doet de aanwijzing van de Bank als coördinator geen afbreuk aan de in de sectorale regelgeving bepaalde taken en verantwoordelijkheden van de relevante bevoegde autoriteiten.

  Onderafdeling III. - Samenwerking en uitwisseling van informatie tussen de bevoegde autoriteiten

  Art. 478. De Bank, ongeacht of zij optreedt als coördinator of als bevoegde autoriteit zonder coördinator te zijn, werkt nauw samen met de andere bevoegde autoriteiten, ongeacht of deze optreden als coördinator of als bevoegde autoriteit zonder coördinator te zijn.
  De Bank kan aan deze bevoegde autoriteiten, op eigen initiatief of op verzoek, alle informatie, met inbegrip van vertrouwelijke informatie, meedelen of vragen, wanneer deze essentieel of relevant is om de uitoefening toe te laten of te vergemakkelijken van de toezichtstaken die aan haar of aan deze autoriteiten werden toevertrouwd krachtens de sectorale regelgeving en het aanvullende conglomeraatstoezicht krachtens Richtlijn 2002/87/EG.
  Deze samenwerking betreft ten minste de vergaring en uitwisseling van informatie met betrekking tot de volgende aspecten:
  1° de juridische structuur, de regeling voor de bedrijfsorganisatie en de beleidsstructuur van de groep, die gelden voor alle gereglementeerde ondernemingen, niet-gereglementeerde dochterondernemingen en belangrijke bijkantoren in de zin van artikel 354 van Verordening 2015/35 die tot het financieel conglomeraat behoren, de houders van gekwalificeerde deelnemingen op het niveau van de uiteindelijke moederonderneming, alsmede de bevoegde autoriteiten voor de gereglementeerde ondernemingen in de groep;
  2° de door het financieel conglomeraat gevolgde strategie;
  3° de financiële positie van het financieel conglomeraat, met name de toereikendheid van het eigen vermogen, de intragroeptransacties, de risicoconcentratie en de winstgevendheid;
  4° de belangrijkste aandeelhouders en de leiding van het financieel conglomeraat;
  5° de organisatie en de risicobeheer- en internecontroleprocedures op het niveau van het financieel conglomeraat;
  6° de procedures voor de vergaring van informatie bij de ondernemingen in het financieel conglomeraat en de verificatie van deze informatie;
  7° ongunstige ontwikkelingen bij gereglementeerde ondernemingen of bij andere ondernemingen in het financieel conglomeraat die ernstige nadelige gevolgen voor de gereglementeerde ondernemingen kunnen hebben;
  8° belangrijke sancties en buitengewone maatregelen die de bevoegde autoriteiten in overeenstemming met de sectorale regelgeving of Richtlijn 2002/87/EG hebben getroffen.
  De Bank kan tevens informatie uitwisselen met het ESRB wat betreft de uitoefening van het toezicht op verzekerings- of herverzekeringsondernemingen die deel uitmaken van een financieel conglomeraat.

  Art. 479. § 1. Indien de Bank in het geval van een moederonderneming naar Belgisch recht niet zelf op grond van artikel 471 het aanvullende conglomeraatstoezicht uitoefent, kan haar verzocht worden, door de met dit toezicht belaste bevoegde autoriteiten, om bij de moederonderneming de inlichtingen op te vragen die voor dat toezicht dienstig zijn, en om die inlichtingen aan hen door te geven.
  § 2. Indien de Bank op grond van artikel 471 het aanvullende conglomeraatstoezicht uitoefent en de moederonderneming haar zetel in een andere lidstaat dan België heeft, kan de Bank aan de bevoegde autoriteit van die lidstaat vragen om bij die moederonderneming alle inlichtingen op te vragen die voor dat toezicht dienstig zijn, en om die inlichtingen aan haar door te geven.

  Art. 480. Wanneer een bevoegde autoriteit van een andere lidstaat het aanvullende conglomeraatstoezicht uitoefent op een verzekerings- of herverzekeringsonderneming die een dochteronderneming is van een gemengde financiële holding naar Belgisch recht, gaat de Bank na, wanneer zij daartoe het verzoek krijgt van die bevoegde autoriteit, hoe zij medewerking kan verlenen voor het toepassen van de maatregelen die zouden bestaan in de lidstaat van die bevoegde autoriteit met het oog op het betrekken van de gemengde financiële holdings in het aanvullende conglomeraatstoezicht.

  Art. 481. Het inwinnen, uitwisselen of bezitten van informatie door de Bank en de bevoegde autoriteiten met het oog op het vergemakkelijken van het aanvullende conglomeraatstoezicht met betrekking tot de ondernemingen genoemd in artikel 483, § 1, betekent geenszins dat de Bank een afzonderlijk toezicht uitoefent op deze ondernemingen.

  Onderafdeling IV. - Overleg tussen bevoegde autoriteiten

  Art. 482. Onverminderd haar verantwoordelijkheden als omschreven in de sectorale regelgeving, pleegt de Bank, voordat zij een besluit neemt in verband met de hierna vermelde aangelegenheden, overleg indien dat besluit van belang is voor de toezichtstaken van andere bevoegde autoriteiten:
  1° wijzigingen in de aandeelhoudersstructuur, de organisatie of het bestuur van gereglementeerde ondernemingen in een financieel conglomeraat, die goedkeuring of machtiging door de bevoegde autoriteiten vereisen;
  2° voorgenomen belangrijke sancties of buitengewone maatregelen.
  De Bank kan besluiten geen overleg te plegen in spoedeisende gevallen of indien dat overleg de doeltreffendheid van haar besluiten in gevaar kan brengen. In dat geval stelt de Bank de andere bevoegde autoriteiten daar onverwijld van in kennis.

  Onderafdeling V. - Voor de uitoefening van het aanvullende conglomeraatstoezicht te verstrekken informatie

  Art. 483. § 1. Onverminderd de toepasselijke periodieke rapportering, dient de Bank toegang te krijgen, door de betrokken verzekerings- of herverzekeringsondernemingen, en gemengde financiële holdings, hun dochterondernemingen en alle andere in het financieel conglomeraat opgenomen ondernemingen, hetzij direct hetzij indirect te benaderen, tot alle inlichtingen die nuttig zijn voor het door haar uitgeoefende aanvullende conglomeraatstoezicht.
  De overeenkomstig artikel 458, § 2, buiten het aanvullende conglomeraatstoezicht gelaten ondernemingen, moeten de Bank, in haar hoedanigheid van coördinator, alle gegevens en inlichtingen verstrekken die zij dienstig acht voor haar aanvullende conglomeraatstoezicht.
  Ondernemingen die uitsluitend of samen met andere ondernemingen de controle hebben over een verzekerings- of herverzekeringsonderneming naar Belgisch recht, en de dochterondernemingen van deze ondernemingen moeten, indien die ondernemingen en dochterondernemingen niet vallen onder het toepassingsgebied van het aanvullende conglomeraatstoezicht, de Bank en de andere bevoegde autoriteiten alle gegevens en inlichtingen verstrekken die nuttig zijn voor de uitoefening van het toezicht op deze verzekerings- of herverzekeringsonderneming.
  § 2. De Bank kan eisen dat de in paragraaf 1 bedoelde inlichtingen omtrent ondernemingen met zetel in een andere lidstaat dan België haar worden meegedeeld door de naar Belgisch recht opgerichte verzekerings- of herverzekeringsonderneming of gemengde financiële holding, of dat inlichtingen omtrent ondernemingen met zetel in een derde land haar worden meegedeeld door een verzekerings- of herverzekeringsonderneming, of gemengde financiële holding met zetel in een lidstaat.
  § 3. Indien een verzekerings- of herverzekeringsonderneming naar Belgisch recht buiten het financieel conglomeraat wordt gelaten door een andere bevoegde autoriteit die optreedt als coördinator, kan de Bank eisen dat de moederonderneming aan het hoofd van het financieel conglomeraat haar de gegevens en inlichtingen bezorgt die zij dienstig acht voor de uitoefening van haar toezicht op die verzekerings- of herverzekeringsonderneming.

  Art. 484. Wanneer de Bank, in het kader van het door haar uitgeoefende individuele toezicht, groepstoezicht of aanvullende conglomeraatstoezicht, informatie wenst te verkrijgen die in uitvoering van de sectorale regelgeving reeds gerapporteerd is aan een andere bevoegde autoriteit, richt zij zich in de mate van het mogelijke tot die bevoegde autoriteit voor het verkrijgen van die informatie.

  Art. 485. Zonder dat zij hiertegen bezwaren van privaatrechtelijke aard kunnen tegenwerpen, met name betreffende geheimhoudingsverbintenissen of de aard van hun banden, delen de in het aanvullende conglomeraatstoezicht opgenomen ondernemingen, alsook de overeenkomstig artikel 458, § 2, buiten het aanvullende conglomeraatstoezicht gelaten ondernemingen die tot een financieel conglomeraat behoren elkaar alle nuttige gegevens en inlichtingen mee.

  Art. 486. § 1. De Bank kan de naleving van de bij dit Hoofdstuk bepaalde verplichtingen, en de juistheid en volledigheid van de verstrekte gegevens en inlichtingen ter plaatse nagaan in de in artikel 483, § 1 bedoelde ondernemingen. Zij kan op kosten van deze ondernemingen commissarissen of door haar daartoe erkende buitenlandse deskundigen hiermee belasten.
  § 2. Wanneer de in paragraaf 1 bedoelde ondernemingen hun zetel in een andere lidstaat hebben, verzoekt de Bank de bevoegde autoriteit van die lidstaat om deze controle uit te voeren. De Bank verricht deze controle zelf als zij daarvoor de toestemming heeft gekregen van de bevoegde autoriteit van die lidstaat. Wanneer deze laatste de controle zelf wenst te doen, of een erkend revisor of een deskundige daartoe aanstelt, kan de Bank niettemin aan de controle deelnemen indien zij dat wenst.
  § 3. Wanneer de in paragraaf 1 bedoelde ondernemingen hun zetel in een derde land hebben, worden de modaliteiten van de verificatie ter plaatse geregeld in samenwerkingsovereenkomsten die de Bank met de betrokken buitenlandse autoriteiten heeft gesloten, in voorkomend geval overeenkomstig artikel 36/16, § 2, van de wet van 22 februari 1998, of die de Europese Commissie met de betrokken buitenlandse autoriteiten heeft gesloten, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 264 van Richtlijn 2009/138/EG.

  Art. 487. § 1. Wanneer het aanvullende conglomeraatstoezicht wordt uitgeoefend door een autoriteit die een bevoegde autoriteit is die onder het recht van een andere lidstaat dan België ressorteert, verstrekken de Belgische verzekerings- of herverzekeringsondernemingen en gemengde financiële holdings en hun dochterondernemingen deze bevoegde autoriteit de gegevens en inlichtingen die deze dienstig acht voor het aanvullende conglomeraatstoezicht waarmee deze is belast, hetzij direct, hetzij indirect.
  Wanneer deze autoriteit onder het recht van een derde land ressorteert en de verplichting tot informatieverstrekking voortvloeit uit samenwerkingsovereenkomsten die de Bank met de betrokken buitenlandse autoriteit heeft gesloten, is het eerste lid van overeenkomstige toepassing.
  § 2. Wanneer het aanvullende conglomeraatstoezicht wordt uitgeoefend door een autoriteit die een bevoegde autoriteit is die onder het recht van een andere lidstaat dan België ressorteert, kan deze bevoegde autoriteit, om de naleving na te gaan van de bepalingen die door of krachtens dit Hoofdstuk zijn vastgelegd, ter plaatse in de in artikel 483, § 1 bedoelde ondernemingen met zetel in België overgaan tot een toetsing van de gegevens en inlichtingen die zij heeft ontvangen, of erkende commissarissen of door haar erkende deskundigen hiermee belasten. De bepalingen van artikel 485, § 2, zijn van overeenkomstige toepassing.
  Wanneer deze autoriteit onder het recht van een derde land ressorteert, zijn de bepalingen van artikel 485, § 3, van overeenkomstige toepassing.

  Onderafdeling VI. - Revisoraal toezicht

  Art. 488. Het bepaalde bij de artikelen 330 tot 337 betreffende de opdracht van erkend commissaris bij een verzekerings- of herverzekeringsonderneming op individuele basis is van overeenkomstige toepassing met betrekking tot verzekerings- of herverzekeringsondernemingen bedoeld in artikel 451, eerste lid, 1°, voor het aanvullende conglomeraatstoezicht waaraan deze verzekerings- of herverzekeringsondernemingen zijn onderworpen.

  Art. 489.§ 1. In een gemengde financiële holding naar Belgisch recht als bedoeld in artikel 451, eerste lid, 2°, die betrokken is in het door de Bank uitgeoefende aanvullende conglomeraatstoezicht, wordt de opdracht van commissaris als bedoeld in het Wetboek van Vennootschappen, toevertrouwd aan een of meer revisoren of revisorenvennootschappen die door de Bank zijn erkend overeenkomstig, naargelang van het geval, artikel 327 van deze wet, artikel 222 van de wet van 25 april 2014, of [1 artikel 578 van de wet van 25 april 2014]1. Het college van revisoren of de revisorenvennootschappen, aangesteld bij een gemengde financiële holding, moeten zo zijn samengesteld dat zij, hetzij individueel, hetzij samen, erkend zijn in elk van de financiële sectoren waarin het financieel conglomeraat een significante activiteit heeft. De Bank kan met verwijzing naar de in artikel 452 bedoelde drempels bepalen wat onder significante activiteit moet worden verstaan. De bepalingen van de sectorale regelgeving inzake revisoraal toezicht zijn van overeenkomstige toepassing.
  § 2. De erkend commissarissen aangesteld bij de in paragraaf 1 bedoelde gemengde financiële holdings verlenen hun medewerking aan het aanvullende conglomeraatstoezicht waarmee de Bank is belast, op hun eigen en uitsluitende verantwoordelijkheid en overeenkomstig deze paragraaf, volgens de regels van het vak en de Richtlijnen van de Bank.
  ----------
  (1)<W 2016-10-25/05, art. 107, 002; Inwerkingtreding : 01-12-2016>

  Art. 490. De erkend commissarissen aangesteld bij de in artikel 489 bedoelde gemengde financiële holdings beoordelen het passend karakter van de risicobeheerprocedures, de internecontroleprocedures en de administratieve en boekhoudkundige organisatie als bedoeld in de artikelen 464 tot 466 en delen hun bevindingen ter zake mee aan de Bank.

  Art. 491. De erkend commissarissen aangesteld bij een in artikel 489 bedoelde onderneming brengen verslag uit bij de Bank over de resultaten van het beperkt nazicht van de in artikel 463 bedoelde staten die de gemengde financiële holding aan het einde van het eerste halfjaar aan de Bank bezorgt, waarin bevestigd wordt dat zij geen kennis hebben van feiten waaruit zou blijken dat deze periodieke staten per einde halfjaar niet in alle materieel belangrijke opzichten zijn opgesteld volgens de voorschriften die door of krachtens de wet en de instructies van de Bank zijn vastgesteld.
  Bovendien bevestigen zij dat deze staten per einde halfjaar, voor wat de boekhoudkundige gegevens betreft in alle materieel belangrijke opzichten in overeenstemming zijn met de boekhouding en de inventarissen, inzake
  1° volledigheid, wat wil zeggen dat ze alle gegevens bevatten uit de boekhouding en de inventarissen op basis waarvan deze staten worden opgesteld, en
  2° juistheid, wat wil zeggen dat ze de gegevens correct weergeven uit de boekhouding en de inventarissen op basis waarvan deze staten worden opgesteld.
  Zij bevestigen eveneens geen kennis te hebben van feiten waaruit zou blijken dat de periodieke staten per einde halfjaar niet zijn opgesteld, voor wat de boekhoudkundige gegevens betreft, met toepassing van de boekings- en waarderingsregels voor de opstelling van de periodieke staten met betrekking tot het laatste boekjaar. De Bank kan de hier bedoelde periodieke staten nader bepalen.

  Art. 492. De erkend commissarissen aangesteld bij een in artikel 489 bedoelde onderneming brengen ook verslag uit bij de Bank over de resultaten van de controle van de periodieke staten die de gemengde financiële holding aan het einde van het boekjaar aan de Bank bezorgt, waarin bevestigd wordt dat deze periodieke staten in alle materieel belangrijke opzichten zijn opgesteld volgens de voorschriften die door of krachtens de wet en de instructies van de Bank zijn vastgesteld.
  Bovendien bevestigen zij dat deze staten per einde van het boekjaar, voor wat de boekhoudkundige gegevens betreft in alle materieel belangrijke opzichten in overeenstemming zijn met de boekhouding en de inventarissen, inzake:
  1° volledigheid, wat wil zeggen dat ze alle gegevens bevatten uit de boekhouding en de inventarissen op basis waarvan deze staten worden opgesteld, en
  2° juistheid, wat wil zeggen dat ze de gegevens correct weergeven uit de boekhouding en de inventarissen op basis waarvan deze staten worden opgesteld.
  Zij bevestigen eveneens dat de periodieke staten per einde van het boekjaar werden opgesteld, voor wat de boekhoudkundige gegevens betreft, met toepassing van de boekings- en waarderingsregels voor de opstelling van de jaarrekening.
  De Bank kan de hier bedoelde staten nader bepalen.

  Art. 493. De erkend commissarissen aangesteld bij een in artikel 489 bedoelde onderneming brengen bij de Bank op haar verzoek een bijzonder verslag uit over de in de artikelen 457 tot 460 en de artikelen 490 tot 492 bedoelde aspecten.

  Art. 494. In het kader van hun opdracht bij de gemengde financiële holding, of een revisorale opdracht bij een met de gemengde financiële holding verbonden onderneming, brengen de erkend commissarissen op eigen initiatief verslag uit bij de Bank zodra zij kennis krijgen van beslissingen, feiten of, in voorkomend geval, ontwikkelingen:
  1° die een betekenisvolle invloed hebben of kunnen hebben op de situatie van de groep vanuit financieel oogpunt of vanuit het oogpunt van zijn administratieve en boekhoudkundige organisatie of van zijn interne controle;
  2° die een schending kunnen uitmaken van het Wetboek van Vennootschappen, van de statuten of van deze wet of de besluiten en reglementen die in uitvoering van deze wet worden genomen met betrekking tot de gemengde financiële holding;
  3° die kunnen leiden tot een weigering van de certificering van de geconsolideerde jaarrekening of tot het formuleren van voorbehoud.

  Art. 495. De kosten voor de opstelling van deze verslagen worden door de gemengde financiële holding, door de verzekerings- of herverzekeringsonderneming naar Belgisch recht of door beide samen gedragen.

  Art. 496. De erkend commissarissen delen aan de leiding van de verzekerings- of herverzekeringsonderneming de verslagen mee die zij richten aan de Bank in overeenstemming met artikel 494. Deze mededelingen zijn onderworpen aan artikel 306.
  Zij bezorgen aan de Bank een kopie van de mededelingen die zij richten aan deze leiding en die zaken betreffen die van belang kunnen zijn voor het door haar uitgeoefende toezicht.

  Art. 497. Geen enkele burgerlijke, straf- of disciplinaire vordering mag worden ingesteld en geen enkele professionele sanctie mag worden uitgesproken tegen de erkend commissarissen die te goeder trouw zijn overgegaan tot de mededeling van gegevens bedoeld in artikel 495.

  Art. 498. Wanneer de moederonderneming een in artikel 451, eerste lid, 2°, bedoelde gemengde financiële holding is, met zetel in een andere lidstaat, die betrokken is in het door de Bank uitgeoefende aanvullende conglomeraatstoezicht, wordt de opdracht bepaald bij de artikelen 489, § 2, tot 494 op overeenkomstige wijze uitgeoefend door de erkend commissaris die met een vergelijkbare taak bij deze gemengde financiële holding is aangesteld. Bij afwezigheid van een dergelijke commissaris wordt de bedoelde opdracht uitgeoefend door de commissaris die aangesteld is bij een gereglementeerde onderneming naar Belgisch recht die onder het toezicht van de Bank staat en dochteronderneming is van de bedoelde gemengde financiële holding.

  Art. 499. De erkend commissarissen aangesteld bij verzekerings- of herverzekeringsondernemingen, of gemengde financiële holdings naar Belgisch recht overeenkomstig de artikelen 488 tot 498, hebben voor de uitoefening van hun opdracht als bepaald bij deze artikelen, toegang tot en inzage in alle documenten en stukken die uitgaan zowel van de in het financieel conglomeraat opgenomen dochterondernemingen, als van de in artikel 483, § 1, tweede lid, bedoelde ondernemingen.
  Het bepaalde bij artikel 35 van de wet van 22 februari 1998 is van toepassing wat de informatie betreft waarvan zij kennis hebben genomen in uitvoering van het eerste lid.

  Afdeling IV. - Andere financiële groepen

  Art. 500. Indien in andere dan de in artikel 451 bedoelde gevallen een onderneming een deelneming of een andere kapitaalbinding heeft met één of meer andere ondernemingen, of, buiten een deelneming of andere kapitaalbinding, op dergelijke ondernemingen invloed van betekenis uitoefent, en een van de voormelde ondernemingen een verzekerings- of herverzekeringsonderneming naar Belgisch recht is, kan de Bank, in haar hoedanigheid van relevante bevoegde autoriteit, samen met de andere relevante bevoegde autoriteiten, in gemeenschappelijk overleg beslissen een aanvullend conglomeraatstoezicht uit te oefenen op de gereglementeerde ondernemingen in de groep. De relevante bevoegde autoriteiten bepalen gezamenlijk de modaliteiten van dit aanvullende conglomeraatstoezicht, en meer in het bijzonder welke artikelen van dit Hoofdstuk betreffende het aanvullende conglomeraatstoezicht van toepassing zijn. Zij nemen hun beslissing met inachtneming van de doelstellingen van het aanvullende conglomeraatstoezicht als bepaald in dit Hoofdstuk en houden daarbij rekening met de internationale beginselen inzake aanvullend conglomeraatstoezicht.
  Voor de toepassing van het bepaalde in het eerste lid moet voldaan worden aan de voorwaarden van artikel 340, 2°, a) ii) en iii) of b), ii) en iii).

  Art. 501. De bevoegde autoriteit die belast is met het aanvullende conglomeraatstoezicht op de groep wordt aangeduid met overeenkomstige toepassing van het bepaalde in artikel 471.
  Indien met toepassing van artikel 500, eerste lid, beslist wordt een aanvullend conglomeraatstoezicht uit te oefenen, is het bepaalde bij artikel 453, § 2, op overeenkomstige wijze van toepassing.

  Afdeling V. - Moederondernemingen uit derde landen

  Art. 502. Verzekerings- of herverzekeringson-dernemingen naar Belgisch recht met als moederonderneming een gereglementeerde onderneming aan het hoofd van een financieel conglomeraat of een gemengde financiële holding met zetel in een derde land, die niet reeds onderworpen zijn aan of opgenomen zijn in de reikwijdte van het door de Bank of een andere bevoegde autoriteit uitgeoefende aanvullende conglomeraatstoezicht, overeenkomstig dit Hoofdstuk, 0worden aan een aanvullend conglomeraatstoezicht onderworpen overeenkomstig de bepalingen van deze Afdeling.

  Art. 503. § 1. De Bank verifieert of de in artikel 502 bedoelde verzekerings- of herverzekeringsondernemingen onderworpen zijn aan een door een bevoegde autoriteit van een derde land uitgeoefend toezicht dat gelijkwaardig is aan het aanvullende conglomeraatstoezicht overeenkomstig de bepalingen van dit Hoofdstuk.
  Zij doet dit op eigen initiatief dan wel op verzoek van de in artikel 502 bedoelde moederondernemingen of van de verzekerings- of herverzekeringsonderneming naar Belgisch recht.
  Alvorens een beslissing te nemen raadpleegt de Bank de andere bevoegde autoriteiten over de al dan niet gelijkwaardigheid van het bedoelde toezicht.
  Aangaande deze gelijkwaardigheid houdt de Bank rekening met de richtsnoeren opgesteld door het Gemengd Comité overeenkomstig de artikelen 16 en 56 van Verordening 1093/2010, Verordening 1094/2010 of Verordening 1095/2010, over het aanvullende conglomeraatstoezicht, overeenkomstig Richtlijn 2002/87/EG:
  § 2. Indien met overeenkomstige toepassing van het bepaalde in artikel 10 van Richtlijn 2002/87/EG een andere bevoegde autoriteit dan de Bank coördinator is, geschiedt de verificatie en raadpleging door deze andere bevoegde autoriteit en kan de Bank haar bevindingen en zienswijze over de in paragraaf 1 bedoelde gelijkwaardigheid aan deze andere bevoegde autoriteit meedelen.
  Wanneer de Bank van mening verschilt over een door een andere bevoegde autoriteit overeenkomstig het eerste lid genomen besluit, is artikel 19, naargelang van het geval, van Verordening 1094/2010, van Verordening 1093/2010 of van Verordening 1095/2010 van toepassing.
  § 3. Indien de procedure in de paragrafen 1 en 2 leidt tot de vaststelling dat er geen gelijkwaardigheid is, worden de betrokken verzekerings- of herverzekeringsondernemingen naar Belgisch recht onderworpen aan een aanvullend conglomeraatstoezicht, met overeenkomstige toepassing van de bepalingen van paragraaf 1, eerste lid, door de Bank indien zij de bevoegde autoriteit is die belast zou zijn met het aanvullende conglomeraatstoezicht met overeenkomstige toepassing van de bepalingen van artikel 471.
  In afwijking van het eerste lid kan de Bank, na overleg met de andere relevante bevoegde autoriteiten, ook beslissen een andere passende toezichtsmethode toe te passen die de doelstellingen achter de bepalingen bedoeld in paragraaf 2, eerste lid, dient te verwezenlijken.
  De Bank kan meer bepaald eisen dat de verzekerings- of herverzekeringsondernemingen naar Belgisch recht en de eventuele andere gereglementeerde ondernemingen opgericht naar het recht van een lidstaat, worden ondergebracht in een groep met aan het hoofd een gemengde financiële holding opgericht naar het recht van een lidstaat, en de bepalingen van dit Hoofdstuk toepassen op het niveau van het financieel conglomeraat met aan het hoofd deze gemengde financiële holding.
  In dat geval stelt de Bank de overige relevante bevoegde autoriteiten en de Europese Commissie in kennis van elke beslissing genomen met toepassing van het tweede en het derde lid.
  Voor de toepassing van het eerste tot het vierde lid sluit de Bank de nodige overeenkomsten met de relevante bevoegde autoriteiten.

  TITEL VI. - In moeilijkheden of in een onregelmatige situatie verkerende verzekerings- of herverzekeringsondernemingen

  HOOFDSTUK I. - Evenwicht van de tarieven

  Art. 504.[1 § 1.]1 Indien de Bank vaststelt of indien een verzekerings- of herverzekeringsonderneming haar ervan in kennis stelt dat de toepassing van één van haar tarieven verlieslatend is of dreigt te worden, kan de Bank eisen dat de betrokken onderneming dit tarief in evenwicht brengt.
  Dit in evenwicht brengen van het tarief kan een aanpassing van de dekkingsvoorwaarden inhouden.
  In afwijking van artikel 41 van de Wet Verzekeringen en onverminderd het opzeggingsrecht van de verzekeringnemer, wordt de tariefverhoging voor levensverzekerings- en -herverzekeringsovereenkomsten toegepast overeenkomstig het bepaalde in artikel 216, § 3.
  [1 § 2. Voor de in artikel 505, eerste lid, bedoelde overeenkomsten kan de Bank de verzekeringsonderneming verplichten gebruik te maken van de mogelijkheid om de tariefverhogingen toe te passen die haar krachtens artikel 204, §§ 2 en 3, van de Wet Verzekeringen zijn toegestaan vanaf de datum van kennisgeving van de krachtens dit artikel genomen beslissing van de Bank.]1
  ----------
  (1)<W 2019-05-02/28, art. 82, 012; Inwerkingtreding : 01-06-2019>

  Art. 505. Wanneer de overeenkomsten waarop artikel 504 betrekking heeft, andere dan beroepsgebonden ziekteverzekeringsovereen-komsten in de zin van artikel 202 van de Wet Verzekeringen zijn, raadpleegt de Bank de FSMA vooraleer een beslissing te nemen.
  De FSMA deelt haar advies mee aan de Bank binnen een termijn van een maand na ontvangst van het verzoek om advies. Bij gebreke van advies binnen deze termijn wordt ervan uitgegaan dat zij geen opmerkingen heeft.

  Art. 506.
  <Opgeheven bij W 2019-05-02/28, art. 83, 012; Inwerkingtreding : 01-06-2019>

  Art. 507.De Bank stelt de FSMA en de Prijzencommissie in kennis van de beslissing tot tariefverhoging van een verzekeringsonderneming.
  De Bank laat tevens in het Belgisch Staatsblad een uittreksel van de beslissing publiceren, waarin het percentage van de [1 opgelegde]1 verhoging wordt vermeld.
  ----------
  (1)<W 2019-05-02/28, art. 84, 012; Inwerkingtreding : 01-06-2019>

  HOOFDSTUK II. - Herstelmaatregelen

  Afdeling I. - Dwingende maatregelen

  Art. 508.§ 1. Wanneer de Bank vaststelt dat een verzekerings- of herverzekeringsonderneming niet werkt overeenkomstig de bepalingen van deze wet, haar uitvoeringsbesluiten en -reglementen of de uitvoeringsmaatregelen van Richtlijn 2009/138/EG, of wanneer zij over gegevens beschikt waaruit blijkt dat het gevaar bestaat dat deze onderneming in de komende twaalf maanden niet meer zal werken overeenkomstig deze bepalingen, stelt zij de termijn vast waarbinnen deze toestand moet worden verholpen.
  § 2. Zolang de verzekerings- of herverzekeringsonderneming de in paragraaf 1 bedoelde toestand niet heeft verholpen, kan de Bank te allen tijde:
  1° de toepassing opleggen van bijzondere regels inzake waardering of waardeaanpassing voor de berekening van de eigenvermogensvereisten die opgelegd zijn door of krachtens deze wet of door de uitvoeringsmaatregelen van Richtlijn 2009/138/EG;
  2° de verdeling van winstdelingen en restorno's of de toekenning van verdeelde winstdelingen beperken of verbieden, na raadpleging van de FSMA;
  3° alle dividenduitkeringen of betalingen, met name van interesten, aan aandeelhouders of houders van kernkapitaalinstrumenten, beperken of verbieden, voor zover de schorsing van de betalingen die daaruit zou voortvloeien, niet leidt tot de opening van een liquidatieprocedure met toepassing van [1 de bepalingen van boek XX van het Wetboek van economisch recht]1;
  4° de gehele of gedeeltelijke reservering van uitkeerbare winst opleggen;
  5° eisen dat de variabele component van de beloning van de personen waarop het beloningsbeleid van toepassing is, beperkt wordt tot een percentage van de winst;
  6° specifieke liquiditeitsnormen opleggen, die dwingender zijn dan deze waarin voorzien is door reglementen die in voorkomend geval met toepassing van deze wet zijn vastgesteld, waaronder beperkingen ten aanzien van mismatches tussen activa en passiva van de verzekerings- of herverzekeringsonderneming;
  7° eisen dat de verzekerings- of herverzekeringsonderneming het risico dat verbonden is aan bepaalde activiteiten of producten of aan haar organisatie, beperkt, in voorkomend geval door de integrale of gedeeltelijke overdracht op te leggen van haar bedrijf of haar net;
  8° normen opleggen inzake risicoconcentratie of ter beperking van de blootstellingen die van toepassing zijn op de activa en die dwingender zijn dan deze waarin voorzien is door of krachtens deze wet;
  9° een aanvullende rapporteringsverplichting opleggen of een frequentere rapportering opleggen dan waarin voorzien is door of krachtens deze wet of door de uitvoeringsmaatregelen van Richtlijn 2009/138/EG, met name voor de rapportering over risico's, eigen vermogen of liquiditeitsposities;
  10° volledigere en frequentere openbaarmakingen eisen dan deze waarin voorzien is door of krachtens deze wet of door de uitvoeringsmaatregelen van Richtlijn 2009/138/EG;
  § 3.Wanneer de Bank van oordeel is dat de maatregelen die de verzekerings- of herverzekeringsonderneming binnen de met toepassing van paragraaf 1 vastgestelde termijn heeft genomen om de vastgestelde toestand te verhelpen, bevredigend zijn, heft zij volgens de modaliteiten die zij bepaalt, alle of een deel van de maatregelen op waartoe zij met toepassing van paragraaf 2 heeft besloten.
  ----------
  (1)<W 2019-05-02/25, art. 82, 010; Inwerkingtreding : 31-05-2019>

  Art. 508/1. [1 Indien de afkoop van levensverzekeringsovereenkomsten een aanzienlijke invloed kan hebben op de financiële positie van de verzekeringsonderneming, kan de Bank:
   1° eisen dat de afkoop wordt gespreid in de tijd, volgens de modaliteiten die zij bepaalt;
   2° zich verzetten tegen de afkoop, in voorkomend geval voor de duur die zij bepaalt.
   De Bank stelt de FSMA in kennis van de krachtens dit artikel genomen beslissingen.]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij W 2019-05-02/28, art. 85, 012; Inwerkingtreding : 01-06-2019>
  

  Afdeling II. - Uitvoering van het herstelplan

  Art. 509. Zolang de verzekerings- of herverzekeringsonderneming de toestand bedoeld in artikel 508, § 1, niet heeft verholpen, en onverminderd de maatregelen bedoeld in paragraaf 2 van het genoemde artikel, kan de Bank te allen tijde en volgens de modaliteiten die zij bepaalt, eisen dat de onderneming het met toepassing van artikel 204 opgestelde herstelplan geheel of gedeeltelijk uitvoert.

  Afdeling III. - Saneringsplan en plan inzake financiering op korte termijn

  Art. 510. § 1. Zodra een verzekerings- of herverzekeringsonderneming vaststelt dat zij niet meer voldoet aan het solvabiliteitskapitaalvereiste als bedoeld in artikel 151, of dat het gevaar dreigt dat zij er in de komende drie maanden niet meer aan voldoet, stelt ze de Bank daarvan onmiddellijk in kennis.
  Binnen twee maanden na de vaststelling bedoeld in het eerste lid of de kennisgeving door de Bank van het feit dat zij een dergelijke vaststelling heeft gedaan, dient de onderneming bij de Bank ter goedkeuring een realistisch saneringsplan in om het in aanmerking komend eigen vermogen ter dekking van het solvabiliteitskapitaalvereiste weer op peil te brengen of haar risicoprofiel zodanig te verlagen dat weer wordt voldaan aan het solvabiliteitskapitaalvereiste binnen uiterlijk zes maanden. De Bank kan deze termijn met drie maanden verlengen indien zij dit nodig acht.
  § 2. Het saneringsplan bevat ten minste voor de volgende drie boekjaren een gedetailleerde beschrijving van de volgende elementen of de desbetreffende rechtvaardigingen:
  1° een raming van de te verwachten beheerkosten, met name van de algemene kosten en de commissies;
  2° een raming van de ontvangsten en uitgaven, zowel wat het rechtstreekse verzekeringsbedrijf als de aangenomen herverzekeringen en de overdrachten uit hoofde van herverzekering betreft;
  3° een balansprognose;
  4° een raming van de financiële middelen ter dekking van de technische voorzieningen, en van het solvabiliteitskapitaalvereiste en het minimumkapitaalvereiste;
  5° het algemene onderschrijvings- en tariferingsbeleid;
  6° het algemene herverzekerings- of retrocessiebeleid;
  7° de relevante bepalingen van het ter uitvoering van de artikelen 204 tot 206 opgestelde herstelplan.
  De Bank kan alle aanvullende informatie of rechtvaardigingen eisen die zij noodzakelijk acht voor de beoordeling van het plan.
  § 3. In uitzonderlijke ongunstige omstandigheden als bedoeld in artikel 138, lid 4, van Richtlijn 2009/138/EG, die als zodanig worden aangemerkt door EIOPA, kan de Bank de in paragraaf 1, tweede lid, bedoelde termijn voor de desbetreffende onderneming verlengen met een periode van maximum zeven jaar, rekening houdend met alle relevante factoren, en met name met de gemiddelde looptijd van de technische voorzieningen.
  De betrokken verzekerings- of herverzekeringsonderneming dient om de drie maanden een tussentijds verslag in bij de Bank waarin wordt aangegeven welke maatregelen er zijn getroffen en welke vooruitgang er is geboekt om het in aanmerking komend eigen vermogen ter dekking van het solvabiliteitskapitaalvereiste weer op peil te brengen of haar risicoprofiel zodanig te verlagen dat weer wordt voldaan aan het solvabiliteitskapitaalvereiste.
  De in het eerste lid bedoelde verlenging wordt ingetrokken als uit het tussentijds verslag blijkt dat er geen duidelijke vooruitgang is geboekt door de onderneming in het licht van de in het tweede lid bedoelde doelstellingen.

  Art. 511. § 1. Zodra een verzekerings- of herverzekeringsonderneming vaststelt dat zij niet meer voldoet aan het minimumkapitaalvereiste als bedoeld in artikel 189, of dat het gevaar dreigt dat zij er in de komende drie maanden niet meer aan voldoet, stelt ze de Bank daarvan onmiddellijk in kennis.
  Binnen een maand na de vaststelling bedoeld in het eerste lid of de kennisgeving door de Bank van het feit dat zij een dergelijke vaststelling heeft gedaan, dient de onderneming bij de Bank ter goedkeuring een realistisch plan inzake financiering op korte termijn in om het in aanmerkend komend kernvermogen binnen uiterlijk drie maanden op het niveau van het minimumkapitaalvereiste terug te brengen of haar risicoprofiel zodanig te verlagen dat weer wordt voldaan aan het minimumkapitaalvereiste.
  § 2. Het plan inzake financiering op korte termijn bevat ten minste voor de volgende drie boekjaren een gedetailleerde beschrijving van de in artikel 510, § 2, bedoelde elementen en de desbetreffende rechtvaardigingen.

  Art. 512. Zolang het in artikel 510 bedoelde saneringsplan of het in artikel 511 bedoelde plan inzake financiering op korte termijn loopt en de Bank van oordeel is dat de rechten van de verzekeringnemers, de verzekerden of de begunstigden of de naleving van de rechten die uit de herverzekeringsovereenkomsten voortvloeien, in het gedrag komen, onthoudt zij zich van de afgifte van de in artikel 109, eerste lid en artikel 116, eerste lid, bedoelde solvabiliteitsattesten.

  Afdeling IV. - Beperking van de bevoegdheid om over de activa te beschikken

  Art. 513. Onverminderd de andere maatregelen die door of krachtens de wet zijn vastgelegd, kan de Bank de vrije beschikking over de activa van een verzekerings- of herverzekeringsonderneming, waar zij zich ook bevinden, beperken of ontnemen in de volgende gevallen:
  1° indien de onderneming zich niet conformeert aan de bepalingen van de artikelen 124 tot 139 voor wat de technische voorzieningen betreft;
  2° in de uitzonderlijke omstandigheid dat de Bank, wanneer de onderneming een saneringsplan heeft ingediend of moet indienen krachtens artikel 510, van oordeel is dat de financiële positie van de onderneming verder zal verslechteren;
  3° indien niet meer wordt voldaan aan het overeenkomstig artikel 189 vastgestelde minimumkapitaalvereiste;
  4° indien de solvabiliteitspositie van de onderneming blijft verslechteren of de belangen van de verzekeringnemers, de verzekerden of de begunstigden van de verzekeringsovereenkomsten of de naleving van de rechten die uit de herverzekeringsovereenkomsten voortvloeien, in het gedrag komen, ondanks de uitvoering van een saneringsplan of een plan inzake financiering op korte termijn.

  Art. 514.§ 1. Het verbod op de vrije beschikking over de in België gelokaliseerde activa dat met toepassing van artikel 513 wordt opgelegd, wordt door de volgende bepalingen beheerst:
  1° Zonder dat een dergelijke mededeling een voorwaarde uitmaakt voor het verbod, bezorgt de onderneming aan de Bank een volledige inventaris van haar activa, met inbegrip van de andere activa dan deze die ter dekking van de technische voorzieningen worden aangehouden. Voor elke daad van beschikking of toewijzing met betrekking tot die activa is de voorafgaande toestemming van de Bank vereist.
  2° Voor de activa die op een rekening zijn ingeschreven, beveelt de Bank de in bewaring nemende instelling de rekening te blokkeren. Voor de andere voor bewaargeving vatbare activa beveelt de Bank de onderneming ze onmiddellijk in bewaring te geven op een bijzondere rekening ter verwezenlijking van de blokkering van de activa bij een kredietinstelling, beursvennootschap of buitenlandse beleggingsonderneming waarvan de vergunning het in ontvangst nemen van tegoeden dekt en die onder het recht van een lidstaat ressorteert.
  De in bewaring nemende instellingen mogen de activa die ze voor rekening van de verzekerings- of herverzekeringsonderneming in bewaring houden, slechts teruggeven op voorlegging van de toestemming van de Bank. Deze laatste brengt de in bewaring nemende instellingen op de hoogte van de verplichtingen die krachtens dit artikel op hen rusten. Deze instellingen worden verantwoordelijk gehouden voor de geldelijke verliezen die voortvloeien uit de niet-naleving van de op hen rustende verplichtingen die vastgesteld zijn in dit lid.
  3° De in België gestorte bedragen ter uitvoering van vorderingen van de verzekerings- of herverzekeringsonderneming worden gestort op een bijzondere geblokkeerde rekening bij een kredietinstelling naar Belgisch recht of die onder het recht van een lidstaat ressorteert, en vallen onder dezelfde regeling als de activa bedoeld in 1°.
  4° Wat de andere activa betreft die niet voor bewaargeving vatbaar zijn, kan de Koning, op advies van de Bank, de regels vaststellen inzake de bewarende maatregelen die op deze activa van toepassing kunnen zijn.
  5° De onroerende activa zijn onderworpen aan een wettelijke hypotheek ten bate van de gezamenlijke schuldeisers uit hoofde van verzekering of herverzekering.
  De inschrijving wordt gevorderd door de Bank, onder de voorwaarden bepaald in de artikelen 82 tot 87 van de hypotheekwet.
  De inschrijving wordt doorgehaald of verminderd met instemming van de Bank, onder de voorwaarden bepaald in de artikelen 92 tot 95 van de hypotheekwet.
  De kosten en rechten van inschrijving, doorhaling en vermindering komen ten laste van de betrokken onderneming.
  6° De Bank kan zich met een aangetekende brief aan de hypotheekbewaarders verzetten tegen de doorhaling of de vermindering van de hypotheek verleend door een derde ten bate van de verzekerings- of herverzekeringsonderneming.
  § 2. [1 De roerende activa die het voorwerp uitmaken van de bepalingen van paragraaf 1 zijn niet voor beslag vatbaar, tenzij in het voordeel van de schuldeisers die houders zijn van rechten die te goeder trouw zijn verkregen krachtens een formaliteit vervuld vóór de toewijzing van de betreffende activa als activa ter dekking van de technische voorzieningen.]1
  ----------
  (1)<W 2019-05-02/28, art. 86, 012; Inwerkingtreding : 01-06-2019>

  Art. 515. De Bank stelt de toezichthouders van de betrokken lidstaten van ontvangst vooraf in kennis van haar voornemen om de vrije beschikking over de activa te beperken of te ontnemen.
  De Bank kan de toezichthouders van de lidstaten op het grondgebied waarvan de activa van de onderneming gelokaliseerd zijn, verzoeken de nodige maatregelen te nemen om de effectiviteit te verzekeren van de beperking van of het verbod op de vrije beschikking over die activa. De Bank bepaalt op welke activa deze maatregelen van toepassing zullen zijn.

  Art. 516. Op verzoek van een toezichthouder van een lidstaat kan de Bank overeenkomstig artikel 513 de vrije beschikking over de activa van een verzekerings- of herverzekeringsonderneming die onder het recht van die lidstaat ressorteert, beperken of ontnemen indien die activa op het Belgische grondgebied gelokaliseerd zijn en door deze toezichthouder zijn aangeduid.

  Afdeling V. - Uitzonderlijke herstelmaatregelen

  Art. 517.§ 1. Wanneer de Bank vaststelt dat een verzekerings- of herverzekeringsonderneming niet of niet langer voldoet aan de met toepassing van artikel 508, § 2, genomen maatregelen, of dat zij de toestand na het verstrijken van de met toepassing van artikel 508, § 1, vastgestelde termijn niet heeft verholpen, kan de Bank, onverminderd de andere bepalingen die door of krachtens deze wet zijn vastgesteld:
  1° een speciaal commissaris aanstellen.
  In dit geval is voor alle handelingen en beslissingen van alle organen van de onderneming, alsook voor die van de personen die instaan voor het beleid, zijn schriftelijke, algemene of bijzondere toestemming vereist; de Bank kan de verrichtingen waarvoor toestemming is vereist, evenwel beperken.
  De speciaal commissaris mag elk voorstel dat hij nuttig acht, voorleggen aan alle organen van de onderneming, inclusief de algemene vergadering.
  De leden van de bestuurs- en beleidsorganen en de personen die instaan voor het beleid, die handelingen stellen of beslissingen nemen zonder de vereiste toestemming van de speciaal commissaris, zijn hoofdelijk aansprakelijk voor het nadeel dat hieruit voortvloeit voor de onderneming of voor derden.
  Indien de Bank de aanstelling van een speciaal commissaris in het Belgisch Staatsblad heeft bekendgemaakt, met opgave van de handelingen en beslissingen waarvoor zijn toestemming vereist is, zijn alle handelingen en beslissingen zonder deze vereiste toestemming nietig, tenzij de speciaal commissaris die bekrachtigt. Onder dezelfde voorwaarden zijn alle beslissingen van de algemene vergadering zonder de vereiste toestemming van de speciaal commissaris nietig, tenzij hij die bekrachtigt.
  De bezoldiging van de speciaal commissaris wordt vastgesteld door de Bank en gedragen door de onderneming.
  De Bank kan een plaatsvervangend commissaris aanstellen;
  2° de vervanging gelasten van alle of een deel van de leden van het wettelijk bestuursorgaan, van het directiecomité en/of in voorkomend geval van de personen belast met de effectieve leiding van de verzekerings- of herverzekeringsonderneming, binnen een termijn die zij bepaalt en, zo binnen deze termijn geen vervanging geschiedt, in de plaats van de voltallige bestuurs- en beleidsorganen van de onderneming een of meer voorlopige bestuurders of zaakvoerders aanstellen die alleen of collegiaal, naargelang van het geval, de bevoegdheden hebben van de vervangen personen. De Bank maakt haar beslissing bekend in het Belgisch Staatsblad.
  Wanneer de omstandigheden dit rechtvaardigen, kan de Bank een of meer voorlopige bestuurders of zaakvoerders aanstellen zonder vooraf de vervanging te gelasten van alle of een deel van de leiders van de onderneming.
  Mits de Bank hiermee instemt, kan of kunnen de voorlopige bestuurder(s) of zaakvoerder(s) een algemene vergadering bijeenroepen en de agenda ervan vaststellen.
  De Bank kan volgens de modaliteiten die zij bepaalt eisen dat de voorlopige bestuurder(s) of zaakvoerder(s) aan haar verslag uitbrengen over de financiële positie van de onderneming en over de maatregelen die zij in het kader van hun opdracht hebben genomen, evenals over de financiële positie aan het begin en aan het einde van die opdracht.
  De bezoldiging van de voorlopige bestuurder(s) of zaakvoerder(s) wordt vastgesteld door de Bank en gedragen door de betrokken onderneming.
  De Bank kan de voorlopige bestuurder(s) of zaakvoerder(s) te allen tijde vervangen, hetzij ambtshalve, hetzij op verzoek van een meerderheid van aandeelhouders of vennoten, wanneer zij aantonen dat het beleid van de betrokkenen niet langer de nodige waarborgen biedt;
  3° de verzekerings- of herverzekeringsonderneming gelasten binnen de door haar vastgestelde termijn een algemene vergadering van aandeelhouders bijeen te roepen waarvan zij de agenda vaststelt;
  4° voor de duur die zij bepaalt, de rechtstreekse of onrechtstreekse uitoefening van het bedrijf van de onderneming geheel of ten dele schorsen dan wel verbieden. Deze schorsing kan, in de door de Bank bepaalde mate, de volledige of gedeeltelijke schorsing van de uitvoering van de lopende overeenkomsten tot gevolg hebben, zonder dat deze schorsing langer mag duren dan twee maanden of een reden mag zijn voor niet-betaling van de premies die reeds verschuldigd waren vóór de datum van de schorsingsmaatregel.
  De leden van de bestuurs- en beleidsorganen en de personen die instaan voor het beleid, die handelingen stellen of beslissingen nemen ondanks de schorsing of het verbod, zijn hoofdelijk aansprakelijk voor het nadeel dat hieruit voortvloeit voor de onderneming of voor derden.
  Indien de Bank de schorsing of het verbod in het Belgisch Staatsblad heeft bekendgemaakt, zijn alle hiermee strijdige handelingen en beslissingen nietig;
  5° de verzekerings- of herverzekeringsonderneming gelasten de aandelen over te dragen die zij bezit;
  6° de vrije beschikking over de activa van de verzekerings- of herverzekeringsonderneming beperken of ontnemen, in welk geval de artikelen 514 en 515 van toepassing zijn;
  7° de verzekerings- of herverzekeringsonderneming gelasten een deel of het geheel van haar activiteiten over te dragen, met inbegrip van een deel of het geheel van haar portefeuille, waardoor de rechten en verplichtingen die voortvloeien uit vervallen of lopende verzekerings- of herverzekeringsovereenkomsten worden overgedragen, alsmede de activa die ter dekking van die verplichtingen worden aangehouden, binnen de termijn die de Bank bepaalt. In dat geval zijn de artikelen 102 tot 106 en artikel 547, § 2, 1°, van toepassing. [3 Wanneer de Bank de overdracht beveelt van een portefeuille van verzekerings- of herverzekeringsovereenkomsten, kan zij de overdracht opleggen van de herverzekeringsovereenkomsten die deze overeenkomsten dekken, ongeacht door welke wetgeving de contractuele aspecten van deze herverzekeringsovereenkomsten worden geregeld. Deze bepaling wordt beschouwd als een bepaling van bijzonder dwingend recht in de zin van artikel 9 van verordening (EG) nr. 593/2008 van het Europees Parlement en de Raad van 17 juni 2008 inzake het recht dat van toepassing is op verbintenissen uit overeenkomst (Rome I)]3;
  8° de vergunning herroepen, voor één of meer of voor alle verzekeringstakken waarvoor de verzekeringsonderneming een vergunning heeft verkregen, of voor een deel of het geheel van de activiteiten waarvoor de herverzekeringsonderneming een vergunning heeft verkregen.
  § 2. Niettegenstaande de voorwaarden voor de toepassing van paragraaf 1, kan de Bank in uiterst spoedeisende gevallen of indien de vrijwaring van de rechten van de schuldeisers uit hoofde van verzekering dit vereist, de maatregelen als bedoeld in de genoemde paragraaf 1 treffen zonder vooraf een termijn op te leggen.
  § 3. De in paragraaf 1 bedoelde beslissingen van de Bank hebben voor de onderneming uitwerking vanaf de datum van de kennisgeving ervan met een aangetekende brief of een brief met ontvangstbewijs en, voor derden, vanaf de datum van de bekendmaking ervan of de vervulling van de formaliteiten overeenkomstig de voorschriften van paragraaf 1.
  § 4. De Bank kan de in dit artikel bedoelde maatregelen ook nemen wanneer een verzekerings- of herverzekeringsonderneming een vergunning heeft verkregen door middel van valse verklaringen of op enige andere onregelmatige wijze.
  § 5. Wanneer de Bank kennis heeft van het feit dat een verzekerings- of herverzekeringsonderneming een bijzonder mechanisme heeft ingesteld met als doel of gevolg fiscale fraude door derden te bevorderen, zijn artikel 508, evenals paragraaf 1, 1°, 2°, 4° en 6° en de paragrafen 2 en 3 van dit artikel van toepassing.
  [1 § 5/1. Artikel 508, § 1, en paragraaf 1, eerste lid, 2°, 3°, 4° en 6°, en de paragrafen 2 en 3 van dit artikel zijn van toepassing wanneer de Bank vaststelt dat een verzekerings- of herverzekeringsonderneming niet werkt overeenkomstig de bepalingen van Titel II van Verordening nr. 648/2012.[2 of de artikelen 4 en 15 van Verordening nr. 2015/2365]2 .]1
  § 6. Bij ernstige en stelselmatige overtreding van de regels bedoeld in artikel 45, § 1, eerste lid, 3°, of § 2, van de wet van 2 augustus 2002, kan de Bank de vergunning herroepen op verzoek van de FSMA, volgens de procedure en de regels bepaald bij artikel 36bis van diezelfde wet.
  § 7. De rechtbank van koophandel spreekt op verzoek van elke belanghebbende de nietigverklaringen uit als bedoeld in paragraaf 1, 1°, en 4°.
  De nietigheidsvordering wordt ingesteld tegen de onderneming. Indien verantwoord om ernstige redenen, kan de eiser in kort geding de voorlopige schorsing vorderen van de gewraakte handelingen of beslissingen. Het schorsingsbevel en het vonnis van nietigverklaring hebben uitwerking ten aanzien van iedereen. Ingeval de geschorste of vernietigde handeling of beslissing bekendgemaakt is, worden het schorsingsbevel en het vonnis van nietigverklaring bij uittreksel op dezelfde wijze bekendgemaakt.
  Wanneer de nietigheid afbreuk kan doen aan de rechten die een derde te goeder trouw ten aanzien van de onderneming heeft verworven, kan de rechtbank verklaren dat die nietigheid geen uitwerking heeft ten aanzien van de betrokken rechten, onverminderd het eventuele recht van de eiser op schadevergoeding.
  De nietigheidsvordering kan niet meer worden ingesteld na afloop van een termijn van zes maanden vanaf de datum waarop de betrokken handelingen of beslissingen kunnen worden tegengeworpen aan wie hun nietigheid inroept, of hem bekend zijn.
  ----------
  (1)<W 2017-12-05/04, art. 47, 005; Inwerkingtreding : 28-12-2017>
  (2)<W 2018-07-30/10, art. 104, 006; Inwerkingtreding : 20-08-2018>
  (3)<W 2019-05-02/28, art. 87, 012; Inwerkingtreding : 01-06-2019>

  Art. 518. De Bank stelt de FSMA in kennis van de beslissingen genomen overeenkomstig de artikelen 504 tot 517 en houdt de FSMA op de hoogte van de behandeling van het beroep tegen deze beslissingen.
  Zij brengt hiervan tevens de toezichthouders op de hoogte van de andere lidstaten waar de verzekerings- of herverzekeringsonderneming een bijkantoor heeft gevestigd of activiteiten uitoefent in het kader van het vrij verrichten van diensten.

  HOOFDSTUK III. - Maatregelen ter bescherming van het financiële stelsel

  Afdeling I. - Daden van beschikking

  Art. 519. Indien een van de in artikel 508, § 1, vermelde toestanden van dien aard is dat zij de stabiliteit van het Belgische of internationale financiële stelsel dreigt aan te tasten wegens de omvang van de verbintenissen van de betrokken verzekerings of herverzekeringsonderneming of haar rol in het financiële stelsel, kan de Koning, bij een in Ministerraad overlegd besluit, hetzij op verzoek van de Bank, hetzij op eigen initiatief, na het advies te hebben ingewonnen van de Bank, elke daad van beschikking vaststellen, ten gunste van de Staat om of het even welke andere publiek- of privaatrechtelijke Belgische of buitenlandse persoon, met name elke overdracht, verkoop of inbreng met betrekking tot:
  1° activa, passiva of één of meer bedrijfstakken en meer algemeen, alle of een deel van de rechten en verplichtingen van de betrokken verzekerings of herverzekeringsonderneming;
  2° al dan niet stemrechtverlenende aandelen die al dan niet het kapitaal vertegenwoordigen, die door de verzekerings- of herverzekeringsonderneming zijn uitgegeven.

  Art. 520. Het koninklijk besluit dat met toepassing van artikel 519 wordt genomen, bepaalt de schadeloosstelling die betaald moet worden aan de eigenaars van de goederen of de houders van de rechten waarop de in het besluit vastgestelde daad van beschikking betrekking heeft. Indien de bij het koninklijk besluit aangewezen overnemer een andere persoon is dan de Staat, komt de prijs die volgens de met de Staat gesloten overeenkomst verschuldigd is door de overnemer, als vergoeding toe aan de genoemde eigenaars of houders, volgens de verdeelsleutel die in hetzelfde besluit is vastgelegd.

  Art. 521. Het koninklijk besluit dat met toepassing van artikel 519 wordt genomen, wordt ter kennis gebracht van de betrokken verzekerings of herverzekeringsonderneming. De maatregelen waarin dit besluit voorziet, worden bovendien bekendgemaakt via een bericht in het Belgisch Staatsblad. Dit bericht wordt bovendien bekendgemaakt op de website van de betrokken onderneming.
  Zodra zij de in het eerste lid bedoelde kennisgeving heeft ontvangen, verliest de verzekerings- of herverzekeringsonderneming de vrije beschikking over de activa waarop de in het koninklijk besluit vastgestelde daden van beschikking betrekking hebben.

  Art. 522.Het is niet mogelijk om de in artikel 519 bedoelde daden niet-tegenwerpbaar te verklaren krachtens [1 de artikelen XX.111, XX.112 of XX.114 van het Wetboek van economisch recht]1 of artikel 1167 van het Burgerlijk Wetboek.
  Niettegenstaande elke strijdige contractuele bepaling mogen de door de Koning met toepassing van artikel 519 vastgestelde maatregelen noch tot gevolg hebben dat de bepalingen van een tussen de verzekerings- of herverzekeringsonderneming en één of meer derden gesloten overeenkomst worden gewijzigd, noch dat een einde wordt gesteld aan een dergelijke overeenkomst, noch dat aan één van de betrokken partijen het recht wordt verleend om de overeenkomst eenzijdig te beëindigen.
  Ten aanzien van de door de Koning met toepassing van artikel 519 vastgestelde maatregelen geldt geen enkele statutaire of contractuele goedkeuringsclausule en geen enkel statutair of contractueel recht van voorkoop, geen enkele optie tot aankoop van een derde, en geen enkele statutaire of contractuele clausule die de wijziging van de controle over de betrokken verzekerings of herverzekeringsonderneming verhindert.
  De Koning is gemachtigd om alle overige regelingen te treffen die nodig zijn om de goede uitvoering van de met toepassing van artikel 519 genomen maatregelen te verzekeren.
  ----------
  (1)<W 2019-05-02/25, art. 83, 010; Inwerkingtreding : 31-05-2019>

  Art. 523. De burgerrechtelijke aansprakelijkheid van de personen die in naam van de Staat of op diens verzoek optreden in het kader van de in deze Afdeling bedoelde maatregelen, wegens of met betrekking tot hun beslissingen, daden of handelingen in het kader van deze maatregelen, is beperkt tot gevallen van bedrog of zware fout in hun hoofde.
  Het al dan niet bestaan van een zware fout wordt beoordeeld op grond van de concrete omstandigheden van het betrokken geval, en met name van de hoogdringendheid waarmee die personen werden geconfronteerd, van de praktijken op de financiële markten, van de complexiteit van het betrokken geval, van de bedreigingen voor de bescherming van het spaarwezen en van het gevaar voor schade aan de nationale economie ingevolge de discontinuïteit van de betrokken verzekerings of herverzekeringsonderneming.

  Art. 524. Alle geschillen waartoe de in deze Afdeling bedoelde daden en de in artikel 523 bedoelde aansprakelijkheid aanleiding zouden kunnen geven, behoren tot de uitsluitende bevoegdheid van de Belgische rechtbanken, die uitsluitend het Belgische recht toepassen.

  Art. 525. Voor de toepassing van de Collectieve arbeidsovereenkomst nr. 32bis gesloten op 7 juni 1985 in de Nationale Arbeidsraad, betreffende het behoud van de rechten van de werknemers bij wijziging van werkgever ingevolge de overgang van ondernemingen krachtens overeenkomst en tot regeling van de rechten van de werknemers die overgenomen worden bij overname van activa na faillissement, worden de daden die krachtens artikel 519, 1°, zijn verricht, beschouwd als daden die door de verzekerings of herverzekeringsonderneming zelf zijn gesteld.

  Art. 526. Onverminderd de algemene rechtsbeginselen die hij zou kunnen inroepen, kan de raad van bestuur van de verzekerings- of herverzekeringsonderneming afwijken van de statutaire beperkingen van zijn bestuursbevoegdheden indien een van de in artikel 508, § 1, eerste lid, vermelde toestanden van dien aard is dat zij de stabiliteit van het Belgische of internationale financiële stelsel dreigt aan te tasten wegens de omvang van de verbintenissen van de betrokken verzekerings- of herverzekeringsonderneming of haar rol in het financiële stelsel. De raad van bestuur stelt een bijzonder verslag op waarin wordt verantwoord waarom deze bepaling wordt toegepast, en waarin de genomen beslissingen worden uiteengezet; dit verslag wordt binnen twee maanden bezorgd aan de algemene vergadering.

  Afdeling II. - Gerechtelijke controle

  Art. 527. Voor de toepassing van deze Afdeling en van de ter uitvoering ervan genomen besluiten en reglementen, dient te worden verstaan onder:
  1° koninklijk besluit: het koninklijk besluit dat na overleg in de Ministerraad is vastgesteld met toepassing van artikel 519;
  2° daad van beschikking: de beslissing tot overdracht of de andere daad van beschikking waarin het koninklijk besluit voorziet;
  3° rechtbank: de rechtbank van eerste aanleg te Brussel;
  4° eigenaars: de natuurlijke of rechtspersonen die op de datum van het koninklijk besluit eigenaar zijn van de activa of aandelen dan wel houder zijn van de rechten die het voorwerp uitmaken van de daad van beschikking;
  5° derde-overnemer: de natuurlijke of rechtspersoon, andere dan de Belgische Staat, die volgens het koninklijk besluit de activa, aandelen of rechten die het voorwerp uitmaken van de daad van beschikking zal verwerven;
  6° schadeloosstelling: de schadeloosstelling die door het koninklijk besluit ten voordele van de eigenaars wordt vastgesteld als tegenprestatie voor de daad van beschikking.

  Art. 528. Elke daad van beschikking wordt vooraf door de rechtbank gecontroleerd overeenkomstig deze Afdeling.
  Het koninklijk besluit treedt in werking op de dag waarop het in artikel 534 bedoelde vonnis wordt bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad.

  Art. 529. § 1. De Belgische Staat dient ter griffie van de rechtbank een verzoekschrift in teneinde te laten vaststellen dat de daad van beschikking in overeenstemming is met de wet en dat de schadeloosstelling haar billijk voorkomt, met name rekening houdend met de criteria bepaald in artikel 533, § 4.
  § 2. Op straffe van nietigheid bevat dit verzoekschrift:
  1° de identiteit van de betrokken verzekerings- of herverzekeringsonderneming;
  2° in voorkomend geval, de identiteit van de derde-overnemer;
  3° de verantwoording van de daad van beschikking in het licht van de criteria vastgesteld in artikel 519;
  4° de schadeloosstelling, de elementen op grond waarvan zij werd vastgesteld, met name wat het variabele deel betreft waaruit zij zou zijn samengesteld en, in voorkomend geval, de sleutel voor de verdeling onder de eigenaars;
  5° in voorkomend geval, de vereiste toelatingen van overheidsinstanties en alle andere opschortende voorwaarden waaraan de daad van beschikking is onderworpen;
  6° in voorkomend geval, de prijs die met de derde-overnemer is overeengekomen voor de activa of aandelen die het voorwerp uitmaken van de daad van beschikking, alsook de mechanismen voor prijsherziening of -aanpassing;
  7° de opgave van dag, maand en jaar;
  8° de handtekening van de persoon die de Belgische Staat vertegenwoordigt of van de advocaat van de Belgische Staat.
  Bij het verzoekschrift wordt een kopie van het koninklijk besluit gevoegd.
  § 3. De bepalingen van Titel Vbis van Boek II van Deel IV van het Gerechtelijk Wetboek, met inbegrip van de artikelen 1034bis tot 1034sexies, zijn niet van toepassing op het verzoekschrift.

  Art. 530. De procedure die is ingeleid met het in artikel 529 bedoelde verzoekschrift, sluit alle andere gelijktijdige of toekomstige beroepen of rechtsvorderingen tegen het koninklijk besluit of tegen de daad van beschikking uit, met uitzondering van de vordering bedoeld in artikel 537.
  Ingevolge de indiening van het verzoekschrift vervalt elke andere procedure gericht tegen het koninklijk besluit of de daad van beschikking, die voorheen zou zijn ingeleid en nog hangende zou zijn voor een ander gewoon of administratief rechtscollege.

  Art. 531. § 1. Binnen vierentwintig uur na de indiening van het verzoekschrift als bedoeld in artikel 529, bepaalt de voorzitter van de rechtbank bij beschikking dag en uur van de in artikel 533 bedoelde rechtszitting, die moet plaatsvinden binnen zeven dagen na de indiening van het verzoekschrift. In deze beschikking worden alle in artikel 529, § 2, bepaalde vermeldingen opgenomen.
  § 2. De beschikking wordt door de griffie bij gerechtsbrief ter kennis gebracht van de Belgische Staat, van de betrokken verzekerings- of herverzekeringsonderneming alsook, in voorkomend geval, van de derde-overnemer. Zij wordt tezelfdertijd bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad. Deze bekendmaking geldt als kennisgeving aan de eventuele andere eigenaars dan de betrokken verzekerings- of herverzekeringsonderneming.
  Bovendien wordt de beschikking door de betrokken verzekerings- of herverzekeringsonderneming binnen vierentwintig uur na de kennisgeving op haar website gepubliceerd.

  Art. 532. De in artikel 531, § 2, bedoelde personen kunnen ter griffie kosteloos inzage nemen van het in artikel 529 bedoelde verzoekschrift en de bijlagen ervan, tot het in artikel 534 bedoelde vonnis wordt uitgesproken.

  Art. 533. § 1. Tijdens de zitting die door de voorzitter van de rechtbank is vastgelegd, alsook tijdens eventuele latere zittingen die de rechtbank nuttig acht, hoort de rechtbank de Belgische Staat, de betrokken verzekerings- of herverzekeringsonderneming, in voorkomend geval de derde-overnemer alsook de eigenaars die vrijwillig tussenkomen in de procedure.
  § 2. In afwijking van de bepalingen van Hoofdstuk II van Titel III van Boek II van Deel IV van het Gerechtelijk Wetboek, mag geen enkele andere persoon dan deze bedoeld in het vorige lid, optreden in de procedure.
  § 3. Na de partijen te hebben gehoord, gaat de rechtbank na of de daad van beschikking in overeenstemming is met de wet en of de schadeloosstelling haar billijk voorkomt.
  § 4. De rechtbank houdt rekening met de daadwerkelijke situatie van de betrokken verzekerings- of herverzekeringsonderneming op het ogenblik dat de daad van beschikking wordt aangenomen, met name met haar financiële situatie zoals die was of zou zijn geweest indien haar geen rechtstreekse of onrechtstreekse overheidssteun zou zijn verleend. Ten behoeve van dit lid worden met overheidssteun gelijkgesteld, de dringende voorschotten van liquide middelen evenals de garanties die door een publiekrechtelijk rechtspersoon worden verleend.
  § 5. De rechtbank spreekt zich uit in een en hetzelfde vonnis dat wordt gewezen binnen twintig dagen na de rechtszitting die door de voorzitter van de rechtbank is vastgelegd.

  Art. 534. Het vonnis waarmee de rechtbank vaststelt dat de daad van beschikking in overeenstemming is met de wet en de schadeloosstelling haar billijk voorkomt, geldt als akte van eigendomsoverdracht van de activa en aandelen die het voorwerp uitmaken van de daad van beschikking, evenwel onder voorbehoud van de opschortende voorwaarden bedoeld in artikel 529, § 2, 5°.

  Art. 535. Tegen het in artikel 534 bedoelde vonnis is geen beroep, verzet of derdenverzet mogelijk.
  Het vonnis wordt bij gerechtsbrief ter kennis gebracht van de Belgische Staat, de betrokken verzekerings- of herverzekeringsonderneming en, in voorkomend geval, de derde-overnemer, en wordt tezelfdertijd bij uittreksel bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad.
  Deze bekendmaking van het vonnis geldt als kennisgeving aan de eventuele andere eigenaars dan de betrokken verzekerings- of herverzekeringsonderneming, en maakt de daad van beschikking zonder verdere formaliteiten tegenstelbaar aan derden.
  Bovendien wordt het vonnis door de betrokken verzekerings- of herverzekeringsonderneming binnen vierentwintig uur na de kennisgeving op haar website gepubliceerd.

  Art. 536. Na kennisgeving van het in artikel 534 bedoelde vonnis, geeft de Belgische Staat of, in voorkomend geval, de derde-overnemer, de schadeloosstelling in bewaring bij de Deposito- en Consignatiekas, zonder dat hiervoor enige formaliteit moet worden vervuld.
  De Belgische Staat ziet erop toe dat in het Belgisch Staatsblad een bericht wordt bekendgemaakt waarin bevestigd wordt dat voldaan is aan de opschortende voorwaarden bedoeld in artikel 529, § 2, 5°.
  Zodra het in het tweede lid bedoelde bericht is gepubliceerd, stort de Deposito- en Consignatiekas, op de door de Koning vastgestelde wijze, het bedrag van de in bewaring gegeven schadeloosstelling aan de eigenaars, onverminderd eventueel regelmatig derdenbeslag op of verzet tegen het gedeponeerde bedrag.

  Art. 537. De eigenaars kunnen bij de rechtbank een vordering tot herziening van de schadeloosstelling indienen, en dit op straffe van verval binnen twee maanden te rekenen vanaf de bekendmaking in het Belgisch Staatsblad van het in artikel 534 bedoelde vonnis. Deze vordering heeft geen enkel gevolg ten aanzien van de eigendomsoverdracht van de activa of aandelen die het voorwerp uitmaken van de daad van beschikking.
  De vordering tot herziening wordt voor het overige geregeld door het Gerechtelijk Wetboek. Artikel 533, § 4, is van toepassing.

  TITEL VII. - Beëindiging van de vergunning

  HOOFDSTUK I. - Doorhaling van de vergunning

  Afdeling I. - Afstand van de vergunning

  Art. 538. § 1. Een verzekerings- of herverzekeringsonderneming die krachtens deze wet een vergunning heeft verkregen, kan volledig of gedeeltelijk afstand doen van haar vergunning.
  § 2. Het verzoek tot afstand wordt aan de Bank gericht en vermeldt de verzekeringstakken en herverzekeringsactiviteiten waarvoor om afstand wordt verzocht. Bij het verzoek wordt een plan gevoegd waarin wordt aangegeven op welke wijze de onderneming haar verplichtingen zal afwikkelen die voortvloeien uit de verzekerings- of herverzekeringsovereenkomsten die betrekking hebben op de activiteiten waarvoor om afstand van de vergunning wordt verzocht.
  Bij gebreke van een dergelijk plan of wanneer zij van oordeel is dat het in het eerste lid bedoelde plan niet de nodige waarborgen biedt voor de bescherming van de schuldeisers uit hoofde van verzekering of herverzekering, kan de Bank alle maatregelen treffen ter omkadering van de correcte afwikkeling van de verzekerings- of herverzekeringsverplichtingen van de onderneming en met name alle maatregelen ter vrijwaring van de rechten van de schuldeisers uit hoofde van verzekering of herverzekering. Deze maatregelen omvatten de in de artikelen 509 tot 517 bedoelde maatregelen.
  Wanneer zij van oordeel is dat het in het eerste lid bedoelde plan voldoende waarborgen biedt voor de bescherming van de schuldeisers uit hoofde van verzekering of herverzekering, haalt de Bank de vergunning door voor alle of een deel van de takken en activiteiten waarvoor om afstand wordt verzocht.
  § 3. De Bank bepaalt de datum waarop de met toepassing van dit artikel uitgesproken doorhaling uitwerking heeft.
  Wanneer het een verzekeringsonderneming betreft, raadpleegt de Bank de FSMA over de toereikendheid van de waarborgen voor de bescherming van de schuldeisers uit hoofde van verzekering vooraleer deze datum te bepalen. De FSMA deelt haar advies mee aan de Bank uiterlijk binnen twintig dagen vanaf de datum van ontvangst van het verzoek om advies.
  § 4. Op de website van de Bank wordt bekendgemaakt dat de vergunning is doorgehaald als gevolg van het feit dat de onderneming afstand heeft gedaan van haar vergunning.
  § 5. De verzekerings- of herverzekeringsonderneming waarvan de vergunning met toepassing van dit artikel werd doorgehaald, verstrekt aan de Bank een geactualiseerde versie van het in paragraaf 2, eerste lid bedoelde plan, op de voorwaarden, met name inzake frequentie en inhoud, die geval per geval door de Bank worden bepaald.
  § 6. De verzekerings- of herverzekeringsondernemingen waarvan de vergunning met toepassing van dit artikel werd doorgehaald, worden vermeld in een specifieke rubriek van de in artikel 31 bedoelde lijst. Wijzigingen in deze rubriek worden ter kennis gebracht van de toezichthouders van de andere lidstaten.

  Afdeling II. - Doorhaling wegens niet-uitoefening van de activiteit

  Art. 539. § 1. Bij een beslissing die met een aangetekende brief of met een brief met ontvangstbewijs ter kennis wordt gebracht, kan de Bank de vergunning doorhalen van verzekerings- of herverzekeringsondernemingen.
  1° die hun activiteiten niet hebben aangevat binnen twaalf maanden nadat zij de vergunning hebben verkregen;
  2° die al meer dan 6 maanden geen activiteiten meer uitoefenen;
  § 2. Paragraaf 1 is van toepassing op de verzekeringstak(ken) of de herverzekeringsactiviteit(en) waarop de in paragraaf 1 bedoelde situatie betrekking heeft.

  Afdeling III. - Doorhaling van rechtswege

  Art. 540. De vergunning van een verzekerings- of herverzekeringsonderneming wordt van rechtswege doorgehaald voor alle verzekeringstakken en/of herverzekerings-activiteiten wanneer deze onderneming:
  1° failliet wordt verklaard;
  2° het voorwerp uitmaakt van een vrijwillige of gerechtelijke ontbinding in de zin van de artikelen 181 en 182 van het Wetboek van Vennootschappen.

  HOOFDSTUK II. - Herroeping van de vergunning

  Art. 541. Onverminderd de gevallen waarin de herroeping van de vergunning wordt uitgesproken met toepassing van artikel 517, § 1, 8°, herroept de Bank de vergunning voor alle verzekeringstakken en verzekerings- en herverzekeringsactiviteiten wanneer een verzekerings- of herverzekeringsonderneming niet langer voldoet aan het minimumkapitaalvereiste en de Bank van oordeel is dat het met toepassing van artikel 511 voorgelegde plan voor financiering op korte termijn duidelijk inadequaat is of dat de betrokken onderneming er niet in slaagt om het goedgekeurde plan te volgen binnen drie maanden na de vaststelling dat niet meer wordt voldaan aan het minimumkapitaalvereiste.

  Art. 542. Wanneer de vergunning met toepassing van artikel 517, § 1, 8°, of van artikel 541 wordt herroepen voor alle verzekeringstakken en/of herverzekeringsactiviteiten, wordt de onderneming van rechtswege ontbonden en in vereffening gesteld overeenkomstig de artikelen 183 en volgende van het Wetboek van Vennootschappen.

  HOOFDSTUK III. - Gemeenschappelijke bepalingen betreffende de verschillende gevallen van verlies van de vergunning

  Art. 543.Bij volledige of gedeeltelijke afstand, doorhaling of herroeping van de vergunning is het verboden nieuwe overeenkomsten te sluiten in de verzekeringstakken en voor de herverzekeringsactiviteiten waarop het verlies van de vergunning betrekking heeft.
  Overeenkomstig het eerste lid, en artikel 540, staan artikel 187 van het Wetboek van Vennootschappen en [1 artikel XX.139 van het Wetboek van economisch recht]1 enkel toe dat de lopende verzekerings- of herverzekeringsovereenkomsten worden uitgevoerd, met uitzondering van het sluiten van nieuwe verzekerings- of herverzekeringsovereenkomsten.
  ----------
  (1)<W 2019-05-02/25, art. 84, 010; Inwerkingtreding : 31-05-2019>

  Art. 544. De Bank stelt de FSMA en de toezichthouders van de andere lidstaten waar de verzekerings- of herverzekeringsonderneming activiteiten uitoefent, in kennis van het verlies van de vergunning.
  Zij verzoekt deze laatste passende maatregelen te treffen om te beletten dat de verzekerings- of herverzekeringsonderneming op hun grondgebied nieuwe activiteiten aanvangt.

  Art. 545. De verzekerings- of herverzekeringsondernemingen die niet langer over een vergunning beschikken op grond van artikel 517, § 1, 8°, of van de bepalingen van deze Titel, blijven onderworpen aan deze wet en haar uitvoeringsbesluiten en -reglementen evenals aan de bepalingen van de uitvoeringsmaatregelen van Richtlijn 2009/138/EG, tot al haar verzekerings- of herverzekeringsovereenkomsten en alle desbetreffende verplichtingen afgewikkeld zijn, tenzij de Bank hen vrijstelt van de toepassing van bepaalde voorschriften.

  Art. 546.De Bank kan, in voorkomend geval in samenwerking met de toezichthouders van de andere lidstaten, aan de in deze Titel bedoelde ondernemingen alle passende maatregelen opleggen tot vrijwaring van de rechten van de verzekeringnemers, de verzekerden en de begunstigden van de verzekerings- en herverzekeringsovereenkomsten.
  Zij kan met name alle maatregelen treffen als bedoeld in [1 titel VI]1, inzonderheid deze bedoeld in artikel 517, § 1, zonder vooraf een termijn vast te stellen.
  Indien er een overdracht is opgelegd op grond van artikel 517, § 1, 7°, kan de Bank haar maatregel gepaard doen gaan met een aanpassing, in de toekomst, van de gewaarborgde rendementsvoet in levensverzekeringsovereenkomsten, zonder dat deze aanpassing tot een lagere rendementsvoet mag leiden dan deze die op de Belgische verzekeringsmarkt wordt geboden op de dag dat het besluit hiertoe wordt genomen door de Bank. De Bank raadpleegt de FSMA over de naleving van de voormelde ondergrens van de rendementsvoet.
  De maatregelen bedoeld in het eerste lid, omvatten ook de mogelijkheid voor de Bank om de verzekerings- en herverzekeringsovereenkomst te beëindigen volgens de modaliteiten en binnen de termijn die zij bepaalt.
  ----------
  (1)<W 2019-05-02/28, art. 88, 012; Inwerkingtreding : 01-06-2019>

  Art. 547. § 1. De Bank mag de in artikel 546, derde lid, bedoelde aanpassing van de rendementsvoet enkel doorvoeren en de overeenkomsten enkel beëindigen overeenkomstig artikel 546, vierde lid, indien het niet nemen van deze maatregelen een nadeel inhoudt voor de betrokken schuldeisers uit hoofde van verzekering.
  § 2. Voor de toepassing van met name paragraaf 1, moeten de maatregelen bedoeld in artikel 546, inzonderheid de portefeuilleoverdracht, die in voorkomend geval gepaard gaat met een vermindering van de rendementsvoet, voldoen aan de volgende voorwaarden:
  1° de portefeuilleoverdracht, inzonderheid de vaststelling van de activa waarmee de overdracht van de verzekeringsverplichtingen gepaard gaat, mag geen afbreuk doen aan de gelijkheid van de schuldeisers uit hoofde van verzekering. Deze gelijkheid vereist:
  a) per afzonderlijk beheer, een verdeling van de in artikel 194 bedoelde activa naar rato van de overgedragen verplichtingen;
  en voor het overige, indien nodig,
  b) een verdeling van de overige activa naar rato van de overgedragen verplichtingen die niet onder a) vallen, ten opzichte van alle verzekeringsverplichtingen van de verzekeringsonderneming,
  zoals deze overgedragen verplichtingen gewaardeerd worden op het ogenblik van de overdracht.
  2° de verzekeringsovereenkomsten kunnen maar worden beëindigd en er kan maar een vermindering van de rendementsvoet worden opgelegd indien de voortzetting van de verzekeringsovereenkomsten tot een deficitaire vereffening zou leiden. Bovendien wordt de vermindering van de rendementsvoet op een zodanige wijze uitgevoerd dat het verlies dat voortvloeit uit de vermindering van de rendementsvoet verdeeld wordt over alle schuldeisers uit hoofde van verzekering die tot hetzelfde afzonderlijke beheer behoren.
  Indien er niettegenstaande het tweede lid, 2°, een batig saldo bij vereffening zou zijn, wordt het bedrag daarvan uitsluitend verdeeld onder de schuldeisers uit hoofde van verzekering, naar rato van de bedragen waarop ze recht zouden hebben gehad indien hun overeenkomsten werden voortgezet.

  Art. 548. Naast de soortgelijke maatregelen waarin de uitvoeringsmaatregelen van Richtlijn 2009/138/EG voorzien, kan de Bank een beperking van of een verbod op de terugbetaling en uitkering van kapitaal of interesten opleggen ten aanzien van houders van kernvermogensinstrumenten, in afwachting van de maatregelen ter vrijwaring van de rechten van de schuldeisers uit hoofde van verzekering die met toepassing van de artikelen 546 en 547 worden getroffen.
  Van het in het eerste lid bedoelde prerogatief kan maar gebruik worden gemaakt in de gevallen bedoeld in artikel 542 en op voorwaarde dat rekening wordt gehouden met de situatie van de schuldeisers van de verzekeringsonderneming zoals die voortvloeit uit de toepassing van de artikelen 643 en 644.

  Art. 549.[1 Ingeval de financiële situatie van een in deze titel bedoelde verzekerings- of herverzekeringsonderneming verslechtert, kan de Bank, in afwijking van artikel XX.100 van het Wetboek van economisch recht, de zaak uit eigen beweging bij dagvaarding aanhangig maken bij de insolventierechtbank.]1
  De artikelen 545 tot 548 zijn niet van toepassing bij doorhaling van de vergunning van een failliet verklaarde verzekerings- of herverzekeringsonderneming.
  ----------
  (1)<W 2019-05-02/25, art. 85, 010; Inwerkingtreding : 31-05-2019>

  BOEK III. - VERZEKERINGS- OF HERVERZEKERING- SONDERNEMINGEN NAAR BUITENLANDS RECHT

  TITEL I. - Verzekerings- of herverzekeringsondernemingen die onder het recht van een andere lidstaat ressorteren

  HOOFDSTUK I. - Uitoefening van activiteiten in België door verzekeringsondernemingen die onder het recht van een andere lidstaat ressorteren

  Afdeling I. - Toegang tot het bedrijf

  Onderafdeling I. - Opening van bijkantoren

  Art. 550.§ 1. Verzekeringsondernemingen die onder het recht van een andere lidstaat ressorteren en die op grond van hun nationaal recht verzekeringsactiviteiten in hun lidstaat van herkomst mogen uitoefenen, mogen die activiteiten via de vestiging van een bijkantoor in België uitoefenen, op voorwaarde dat de toezichthouders van die lidstaat van herkomst aan de Bank het dossier hebben bezorgd dat mutatis mutandis de gegevens bevat als bedoeld in artikel 108, § 1, tweede lid, 1°, tot 4°, evenals de aanvullende gegevens bedoeld in artikel 109.
  § 2. Dit dossier bevat eveneens:
  1° ingeval de verzekeringsonderneming haar bijkantoor arbeidsongevallenrisico's wil laten dekken:
  a) het bewijs dat [1 Fedris]1 door de verzekeringsonderneming in kennis werd gesteld van de voorgenomen activiteit;
  b) het bewijs dat de verzekeringsonderneming zich er ten aanzien [2 van Fedris]2 toe heeft verbonden om op het eerste verzoek van het genoemde Fonds een bankgarantie als bedoeld in artikel 60 van de arbeidsongevallenwet van 10 april 1971 te vestigen met het oog op de schadeloosstelling van de arbeidsongevallen wanneer de verzekeringsonderneming in gebreke is gebleven.
  2° ingeval de verzekeringsonderneming overeenkomsten met betrekking tot de verplichte aansprakelijkheidsverzekering inzake motorrijtuigen wenst uit te geven, met uitzondering van de aansprakelijkheid van de vervoerder, een verklaring waaruit blijkt dat de onderneming zich heeft aangesloten bij het Belgisch Gemeenschappelijk Waarborgfonds en bij het Belgisch Bureau.
  ----------
  (1)<KB 2018-09-06/13, art. 30, 007; Inwerkingtreding : 01-01-2017>
  (2)<KB 2018-09-06/13, art. 31, 007; Inwerkingtreding : 01-01-2017>

  Art. 551. De Bank beschikt over een termijn van twee maanden vanaf de ontvangst van de gegevens bedoeld in artikel 550 om aan de toezichthouders van de lidstaat van herkomst van de betrokken onderneming de in artikel 564 bedoelde bepalingen van algemeen belang mee te delen.

  Art. 552. De activiteiten die in hoofde van het bijkantoor zijn toegestaan, mogen in België worden aangevat vanaf de datum waarop de toezichthouder van de lidstaat van herkomst de in artikel 551 bedoelde mededeling heeft ontvangen en uiterlijk bij het verstrijken van de in artikel 551 bedoelde termijn van twee maanden.

  Art. 553. De Bank bezorgt aan de FSMA binnen de in artikel 551 bedoelde termijn het in artikel 550 bedoelde informatiedossier evenals alle latere wijzingen in de daarin opgenomen gegevens.

  Art. 554. De verzekeringsonderneming die in België een bijkantoor heeft geopend, deelt aan de Bank alle wijzigingen mee die zij van plan is aan te brengen in de gegevens die opgenomen zijn in het informatiedossier bedoeld in artikel 550, en dit minstens één maand voor het aanbrengen van deze wijzigingen.

  Art. 555. De Bank stelt de lijst op van de in artikel 550 bedoelde bijkantoren van verzekeringsondernemingen. Die lijst en alle daarin aangebrachte wijzigingen worden op haar website bekendgemaakt.

  Onderafdeling II. - Vrije dienstverrichting

  Art. 556.§ 1. Verzekeringsondernemingen die onder het recht van een andere lidstaat ressorteren en die op grond van hun nationaal recht verzekeringsactiviteiten in hun lidstaat van herkomst mogen uitoefenen, mogen die activiteiten in het kader van het vrij verrichten van diensten in België uitoefenen, op voorwaarde dat de toezichthouders van die lidstaat van herkomst aan de Bank het dossier hebben bezorgd met de gegevens als bedoeld in artikel 115, § 1, 1°, et 2° en de aanvullende gegevens bedoeld in artikel 116.
  § 2. Dit dossier bevat eveneens:
  1° ingeval de verzekeringsonderneming arbeidsongevallenrisico's wil dekken:
  a) het bewijs dat [1 Fedris]1 door de verzekeringsonderneming in kennis werd gesteld van de voorgenomen activiteit;
  b) het bewijs dat de verzekeringsonderneming zich er ten aanzien [2 van Fedris]2 toe heeft verbonden om op het eerste verzoek van het genoemde Fonds een bankgarantie als bedoeld in artikel 60 van de arbeidsongevallenwet van 10 april 1971 te vestigen met het oog op de schadeloosstelling van de arbeidsongevallen wanneer de verzekeringsonderneming in gebreke is gebleven;
  c) de naam en het adres van de vertegenwoordiger bedoeld in artikel 557, §§ 2, en 3;
  2° ingeval de verzekeringsonderneming overeenkomsten met betrekking tot de verplichte aansprakelijkheidsverzekering inzake motorrijtuigen wenst uit te geven, met uitzondering van de aansprakelijkheid van de vervoerder:
  a) een verklaring waaruit blijkt dat de onderneming zich heeft aangesloten bij het Belgisch Gemeenschappelijk Waarborgfonds en bij het Belgisch Bureau;
  b) de naam en het adres van de schaderegelaar bedoeld in artikel 21 van Richtlijn 2009/103/EG;
  c) de naam en het adres van de vertegenwoordiger bedoeld in artikel 557, §§ 1 en 3.
  ----------
  (1)<KB 2018-09-06/13, art. 32, 007; Inwerkingtreding : 01-01-2017>
  (2)<KB 2018-09-06/13, art. 33, 007; Inwerkingtreding : 01-01-2017>

  Art. 557. § 1. De verzekeringsonderneming die in het kader van het vrij verrichten van diensten overeenkomsten met betrekking tot de verplichte aansprakelijkheidsverzekering inzake motorrijtuigen wenst uit te geven, met uitzondering van de aansprakelijkheid van de vervoerder, zorgt ervoor dat het feit dat zij haar activiteiten in België niet via een bijkantoor uitoefent, er niet toe leidt dat personen die een schadevordering indienen die ontstaan is uit voorvallen die zich op het Belgische grondgebied hebben voorgedaan, in een nadeliger positie verkeren.
  Hiertoe stelt de onderneming een vertegenwoordiger aan die zijn woonplaats of zijn gewone verblijfplaats in België heeft en over de nodige professionele betrouwbaarheid en deskundigheid beschikt om zijn opdracht uit te voeren.
  Deze vertegenwoordiger verzamelt alle nodige informatie over de schadedossiers en beschikt over voldoende bevoegdheid om de verzekeringsonderneming te vertegenwoordigen tegenover personen die een schadevergoeding kunnen eisen, met inbegrip van de betaling van deze schadevergoeding, en om de onderneming voor de Belgische rechtbanken en autoriteiten te vertegenwoordigen of zo nodig te laten vertegenwoordigen in verband met deze schadevorderingen.
  Deze vertegenwoordiger beschikt ook over de bevoegdheid om de verzekeringsonderneming te vertegenwoordigen bij de bevoegde Belgische autoriteiten voor de controle op het bestaan en de geldigheid van overeenkomsten met betrekking tot de verplichte aansprakelijkheidsverzekering inzake motorrijtuigen.
  § 2. De verzekeringsonderneming die in het kader van het vrij verrichten van diensten arbeidsongevallenrisico's wil laten dekken, stelt voor wat betreft de verzekeringsovereenkomsten met betrekking tot arbeidsongevallen, een vertegenwoordiger aan die mutatis mutandis voldoet aan de voorwaarden van paragraaf 1.
  § 3. De functie van de vertegenwoordiger bedoeld in paragraaf 1 kan worden vervuld door de schaderegelaar die overeenkomstig artikel 556, § 2, 2°, b) wordt aangesteld, voor zover de voorwaarden van paragraaf 1 zijn vervuld.
  De aanstelling door een verzekeringsonderneming van een vertegenwoordiger met toepassing van de paragrafen 1 of 2 wordt niet beschouwd als de opening van een bijkantoor.

  Art. 558. De verzekeringsonderneming mag haar activiteiten in België aanvatten in het kader van het vrij verrichten van diensten vanaf de datum waarop ze door de toezichthouders van haar lidstaat van herkomst in kennis werd gesteld van de mededeling aan de Bank van het dossier bedoeld in artikel 556.

  Art. 559. De Bank bezorgt aan de FSMA het in artikel 556 bedoelde dossier evenals alle latere wijzigingen in de daarin opgenomen gegevens.

  Art. 560.Wanneer de verzekeringsonderneming voornemens is een wijziging aan te brengen in de in artikel 556 bedoelde gegevens, volgt zij daartoe de procedure waarin deze [1 onderafdeling]1 voorziet.
  ----------
  (1)<W 2019-05-02/28, art. 89, 012; Inwerkingtreding : 01-06-2019>

  Art. 561. De Bank stelt de lijst op van de in artikel 556 bedoelde verzekeringsondernemingen. Die lijst en alle daarin aangebrachte wijzigingen worden op haar website bekendgemaakt.

  Afdeling II. - Bedrijfsuitoefening

  Art. 562. § 1. De in dit Hoofdstuk bedoelde verzekeringsondernemingen moeten blijvend voldoen aan de voorwaarden die door of krachtens de artikelen 550, 556 en 557 van deze wet zijn vastgesteld.
  § 2. Indien de Bank redenen heeft om aan te nemen dat de activiteiten van de verzekeringsonderneming haar financiële soliditeit kunnen aantasten, stelt zij de toezichthouders van de lidstaat van herkomst daarvan in kennis.

  Art. 563. De in de artikelen 550 en 556 bedoelde verzekeringsondernemingen moeten bij de uitoefening van hun activiteiten in België, aan hun naam hun lidstaat van herkomst toevoegen en, in het geval van artikel 550, hun zetel.

  Art. 564. § 1. De bepalingen van dit Hoofdstuk doen geen afbreuk aan de naleving, bij de uitoefening van in België toegestane verzekeringsactiviteiten, van de wettelijke en reglementaire bepalingen die om redenen van algemeen belang in België van toepassing zijn op verzekeringsondernemingen en hun verrichtingen.
  De in dit Hoofdstuk bedoelde verzekeringsondernemingen mogen inzonderheid met alle beschikbare communicatiemiddelen in België reclame maken voor hun diensten, mits zij de om redenen van algemeen belang vastgestelde voorschriften inzake vorm en inhoud van dergelijke reclame naleven.
  De Bank deelt aan de in artikel 550 bedoelde verzekeringsondernemingen mee welke bepalingen bij haar weten van algemeen belang zijn. Hiertoe wint zij het advies van de FSMA in.
  De bepalingen van dit Hoofdstuk doen evenmin afbreuk aan de naleving, bij de uitoefening van andere activiteiten dan in België toegestane verzekeringsactiviteiten, van de wettelijke en reglementaire bepalingen die in België van toepassing zijn op die activiteiten.
  § 2. De artikelen 199 tot 203 zijn van toepassing op de in artikel 550 bedoelde verzekeringsondernemingen.

  Afdeling III. - Toezicht

  Art. 565. Behalve het toezicht waaraan zij onderworpen zijn krachtens andere wettelijke of reglementaire bepalingen die hun activiteiten regelen, staan de in dit Hoofdstuk bedoelde verzekeringsondernemingen onder het toezicht van de Bank voor wat betreft de naleving van de artikelen 550, 556 en 557.

  Art. 566.Op verzoek van de Bank dienen de verzekeringsondernemingen alle inlichtingen en documenten te verstrekken die vereist zijn voor het toezicht op de naleving van de in artikel 562 bedoelde bepalingen.
  Met hetzelfde doel kan de Bank ook in het Belgische bijkantoor inspecties ter plaatse verrichten of een kopie maken van alle gegevens waarover het bijkantoor van de verzekeringsonderneming beschikt.
  In het kader van het toezicht waarin deze Afdeling voorziet, dienen de [1 de verzekeringsagenten, verzekeringsmakelaars, verzekeringstussenpersonen of nevenverzekeringstussenpersonen]1 aan de Bank op eenvoudig verzoek alle inlichtingen te verstrekken over de verzekeringsovereenkomsten waarvoor zij als tussenpersonen zijn opgetreden en die betrekking hebben op in België gelegen risico's.
  In de gevallen bedoeld in het tweede lid, brengt de Bank de toezichthouders van de lidstaat van herkomst voorafgaandelijk op de hoogte.
  ----------
  (1)<W 2018-12-06/11, art. 54, 008; Inwerkingtreding : 28-12-2018>

  Art. 567.§ 1. De toezichthouders van de lidstaat van herkomst kunnen, na de Bank daarvan voorafgaandelijk in kennis te hebben gesteld, bij de in artikel 550 bedoelde bijkantoren controles en inspecties ter plaatse verrichten om zelf of, in voorkomend geval, via de personen die zij daartoe machtigen, de gegevens die voor het toezicht op de financiële positie van de verzekeringsonderneming noodzakelijk zijn, te verifiëren of op te vragen. De Bank kan deelnemen aan deze verificatie.
  [1 § 1/1. Om de toezichthouders van de lidstaat van herkomst in staat te stellen een besluit te nemen over een portefeuilleoverdracht waarbij rechten en verplichtingen worden overgedragen van verzekeringsovereenkomsten die in België zijn gesloten via een bijkantoor of in het kader van het vrij verrichten van diensten, deelt de Bank haar advies of haar instemming aan die autoriteiten mee binnen drie maanden na het aan haar gerichte verzoek om advies.]1
  § 2. Portefeuilleoverdrachten waarbij rechten en verplichtingen worden overgedragen van verzekeringsovereenkomsten waarvoor de lidstaat van de verbintenis of van het risico België is, en die verricht worden door de in dit Hoofdstuk bedoelde verzekeringsondernemingen en toegelaten zijn door de toezichthouders van hun lidstaat van herkomst, worden bekendgemaakt in België. Deze bekendmaking wordt op verzoek van deze autoriteiten door de Bank verricht volgens de modaliteiten van artikel 106.
  ----------
  (1)<W 2019-05-02/28, art. 90, 012; Inwerkingtreding : 01-06-2019>

  Afdeling IV. - Uitzonderingsmaatregelen

  Art. 568. Wanneer de Bank vaststelt dat een verzekeringsonderneming die onder het recht van een andere lidstaat ressorteert en die in België werkzaam is via een bijkantoor of in het kader van het vrij verrichten van diensten, zich niet conformeert aan de in de artikelen 562 en 564 bedoelde bepalingen, voor zover de inhoud van deze bepalingen onder de bevoegdheid van de Bank valt, maant zij de verzekeringsonderneming aan om, binnen de termijn die zij bepaalt, de vastgestelde toestand te verhelpen.
  De Bank stelt de FSMA in kennis van haar voornemen om het vorige lid toe te passen.
  Indien de toestand na de termijn bedoeld in het eerste lid niet is verholpen, brengt de Bank de toezichthouders van de betrokken lidstaat van herkomst daarvan op de hoogte.

  Art. 569. § 1. Wanneer de overtredingen blijven aanhouden, kan de Bank passende maatregelen nemen, met name de maatregelen waarin artikel 517 voorziet.
  Wanneer deze maatregel evenredig blijkt, kan de Bank de onderneming ook verbieden nieuwe verzekeringsovereenkomsten te sluiten in België en kan zij op kosten van de onderneming overgaan tot de publicatie van de verbodsbepalingen in de kranten van haar keuze of op de plaatsen en voor de duur die zij bepaalt.
  Indien de Bank bovendien van oordeel is dat de toezichthouder van de lidstaat van herkomst geen passende maatregelen heeft genomen om de onregelmatige situatie als bedoeld in artikel 568 te verhelpen, kan zij de zaak overeenkomstig artikel 19 van Verordening 1094/2010 aan EIOPA voorleggen en haar om bijstand verzoeken.
  Artikel 517, § 5, is van toepassing.
  § 2. De Bank brengt de toezichthouders van de lidstaat van herkomst op de hoogte vooraleer zij de in paragraaf 1 bedoelde maatregelen neemt.

  Art. 570. In spoedeisende gevallen kan de Bank de in artikel 569, § 1 bedoelde maatregelen nemen zonder vooraf een termijn vast te stellen; zij stelt de toezichthouders van de lidstaat van herkomst hiervan in kennis onmiddellijk nadat zij de genoemde maatregelen heeft genomen.

  Art. 571.De Bank brengt de FSMA onmiddellijk op de hoogte van de maatregelen die zij op grond van de artikelen 569 en 570 heeft genomen, alsook [1 Fedris]1 wanneer deze maatregelen worden genomen ten aanzien van ondernemingen die arbeidsongevallenrisico's dekken.
  De Bank deelt aan de Europese Commissie en aan EIOPA het aantal en de aard van de gevallen mee waarin maatregelen zijn genomen overeenkomstig de artikelen 569 en 570.
  ----------
  (1)<KB 2018-09-06/13, art. 34, 007; Inwerkingtreding : 01-01-2017>

  Art. 572. De Bank kan, op verzoek van de betrokken bevoegde Belgische autoriteiten, de artikelen 568 tot 570 toepassen op een in dit Hoofdstuk bedoelde verzekeringsonderneming wanneer zij in België, in het kader van haar verzekeringsactiviteiten, handelingen heeft gesteld die strijdig zijn met de wettelijke of reglementaire bepalingen van algemeen belang als bedoeld in artikel 564, eerste lid.

  Art. 573. Bij doorhaling of herroeping van de vergunning van een verzekeringsonderneming door de toezichthouder van haar lidstaat van herkomst, neemt de Bank, op verzoek van deze autoriteit, passende maatregelen om te beletten dat de betrokken verzekeringsonderneming in België nieuwe overeenkomsten sluit of nieuwe activiteiten aanvangt.
  Na deze autoriteit in kennis te hebben gesteld, kan de Bank inzonderheid de sluiting bevelen van het bijkantoor dat deze verzekeringsonderneming in België heeft gevestigd. Zij kan een voorlopige zaakvoerder aanstellen die toeziet op de vrijwaring van de tegoeden van het bijkantoor in afwachting van een uitspraak omtrent hun bestemming en die gemachtigd is in het belang van de verzekeringnemers, de verzekerden en de begunstigden in België alle bewarende maatregelen te treffen.
  De Bank stelt de FSMA in kennis van de beslissing tot doorhaling of herroeping van de vergunning van de verzekeringsonderneming door de toezichthouder van haar lidstaat, evenals van de maatregelen die zij met toepassing van dit artikel neemt.

  Art. 574. Indien de toezichthouders van de lidstaat van herkomst van een verzekeringsonderneming daarom verzoeken, kan de Bank, overeenkomstig de artikelen 513 tot 515, de vrije beschikking over de op het Belgische grondgebied gelokaliseerde activa die door deze autoriteiten zijn aangeduid, beperken of ontnemen.

  HOOFDSTUK II. - Uitoefening van activiteiten in België door herverzekeringsondernemingen die onder het recht van een andere lidstaat ressorteren

  Afdeling I. - Toegang tot het bedrijf

  Art. 575. Herverzekeringsondernemingen die onder het recht van een andere lidstaat dan België ressorteren, mogen in België, via de vestiging van een bijkantoor of in het kader van het vrij verrichten van diensten, de herverzekeringsactiviteiten uitoefenen waarvoor zij in hun lidstaat van herkomst een vergunning hebben verkregen.

  Afdeling II. - Bedrijfsuitoefening

  Art. 576. De bepalingen van dit Hoofdstuk doen geen afbreuk aan de naleving, bij de uitoefening van herverzekeringsactiviteiten in België, van de wettelijke en reglementaire bepalingen die om redenen van algemeen belang in België van toepassing zijn op herverzekeringsondernemingen en hun verrichtingen.
  De bepalingen van dit Hoofdstuk doen evenmin afbreuk aan de naleving, bij de uitoefening van andere activiteiten dan herverzekeringsactiviteiten, van de wettelijke en reglementaire bepalingen die in België van toepassing zijn op die activiteiten.
  De artikelen 199 tot 202 zijn van toepassing op de in artikel 575 bedoelde herverzekeringsondernemingen die hun activiteiten in België uitoefenen via de vestiging een bijkantoor.

  Art. 577. De in artikel 575 bedoelde herverzekeringsondernemingen moeten bij de uitoefening van hun activiteiten in België, aan hun naam hun lidstaat van herkomst toevoegen en, wanneer zij hun activiteiten via een bijkantoor uitoefenen, hun zetel.

  Afdeling III. - Toezicht

  Onderafdeling I. - Algemene bepalingen

  Art. 578. § 1. De toezichthouders van de lidstaat van herkomst kunnen, na de Bank daarvan voorafgaandelijk in kennis te hebben gesteld, bij de in artikel 575 bedoelde bijkantoren controles en inspecties ter plaatse verrichten om zelf of, in voorkomend geval, via de personen die zij daartoe machtigen, de gegevens die voor het toezicht op de financiële positie van de herverzekeringsonderneming noodzakelijk zijn, te verifiëren of op te vragen. De Bank kan deelnemen aan deze verificatie.
  § 2. Indien de Bank redenen heeft om aan te nemen dat de activiteiten van de herverzekeringsonderneming haar financiële soliditeit kunnen aantasten, stelt zij de toezichthouders van de lidstaat van herkomst daarvan in kennis.

  Onderafdeling II. - Uitzonderingsmaatregelen

  Art. 579. Wanneer de Bank vaststelt dat een herverzekeringsonderneming die onder het recht van een andere lidstaat ressorteert en die in België werkzaam is via een bijkantoor of in het kader van het vrij verrichten van diensten, zich niet conformeert aan de in België geldende wettelijke en reglementaire bepalingen die tot de bevoegdheidssfeer van de Bank behoren, maant zij de herverzekeringsonderneming aan om, binnen de termijn die zij bepaalt, de vastgestelde toestand te verhelpen.
  De Bank stelt de betrokken toezichthouders van de lidstaat van herkomst hiervan in kennis.

  Art. 580.§ 1. Wanneer de overtredingen blijven aanhouden, kan de Bank passende maatregelen nemen, met name de maatregelen waarin artikel 517 voorziet.
  Wanneer deze maatregel evenredig blijkt, kan de Bank de onderneming ook verbieden nieuwe herverzekeringsovereenkomsten te sluiten in België en kan zij op kosten van de onderneming overgaan tot de publicatie van de verbodsbepalingen in de kranten van haar keuze of op de plaatsen en voor de duur die zij bepaalt.
  Indien de Bank bovendien van oordeel is dat de toezichthouder van de lidstaat van herkomst geen passende maatregelen heeft genomen om de onregelmatige situatie als bedoeld in artikel [1 579]1 te verhelpen, kan zij de zaak overeenkomstig artikel 19 van Verordening 1094/2010 aan EIOPA voorleggen en haar om bijstand verzoeken.
  Artikel 517, § 5, is van toepassing.
  § 2. De Bank brengt de toezichthouders van de lidstaat van herkomst op de hoogte vooraleer zij de in paragraaf 1 bedoelde maatregelen neemt.
  ----------
  (1)<W 2019-05-02/28, art. 91, 012; Inwerkingtreding : 01-06-2019>

  Art. 581. De Bank brengt de FSMA onmiddellijk op de hoogte van de maatregelen die zij op grond van de artikelen 579 en 580 heeft genomen.

  Art. 582. Bij doorhaling of herroeping van de vergunning van een herverzekeringsonderneming door de toezichthouder van haar lidstaat van herkomst, neemt de Bank, op verzoek van deze toezichthouder, passende maatregelen om te beletten dat de betrokken herverzekeringsonderneming in België nieuwe overeenkomsten sluit of nieuwe activiteiten aanvangt.
  Na deze autoriteit in kennis te hebben gesteld, kan de Bank inzonderheid de sluiting bevelen van het bijkantoor dat deze herverzekeringsonderneming in België heeft gevestigd. Zij kan een voorlopige zaakvoerder aanstellen die toeziet op de vrijwaring van de tegoeden van het bijkantoor in afwachting van een uitspraak omtrent hun bestemming en die gemachtigd is in het belang van de herverzekeringsbegunstigden in België alle bewarende maatregelen te treffen.

  Art. 583. Indien de toezichthouders van de lidstaat van herkomst van een herverzekeringsonderneming daarom verzoeken, kan de Bank, overeenkomstig de artikelen 513 tot 515, de vrije beschikking over de op het Belgische grondgebied gelokaliseerde activa die door deze autoriteiten zijn aangeduid, beperken of ontnemen.

  TITEL II. - Verzekerings- of herverzekeringsondernemingen die onder het recht van een derde land ressorteren

  HOOFDSTUK I. - Bijkantoren in België van verzekering- sondernemingen die onder het recht van een derde land ressorteren

  Afdeling I. - Toegang tot het bedrijf in België

  Art. 584. Onverminderd de bepalingen van de internationale verdragen waarbij België partij is, moeten de verzekeringsondernemingen die onder het recht van een derde land ressorteren en waaraan in die hoedanigheid een vergunning werd verleend in dit derde land, alvorens een bijkantoor te openen om hun activiteiten in België uit te oefenen, een vergunning verkrijgen van de Bank.
  Voor de uitvoering van de internationale verdragen waarbij België partij is, kan de Koning de voorwaarden en modaliteiten bepalen waaronder de verzekeringsondernemingen waarop deze verdragen van toepassing zijn, een recht van vestiging en vrij verrichten van diensten kunnen genieten voor de uitoefening van hun activiteiten in België.

  Art. 585. § 1. In verband met de toekenning van de vergunning als bedoeld in artikel 584, zijn de volgende artikelen van toepassing:
  1° de artikelen 22, 23, 24, 26, 27 28, 29, 30, 32, 34, 1°, en 35, met dien verstande dat
  a) artikel 18, derde lid, niet van toepassing is;
  b) de verzekeringsonderneming in haar land van herkomst gemachtigd is om de activiteiten uit te oefenen die in haar programma van werkzaamheden zijn opgenomen;
  c) het administratief dossier bovendien de naam, het adres en de bevoegdheden bevat van de algemeen lasthebber als bedoeld in artikel 593;
  d) de verwijzing naar artikel 23 geldt voor de verzekeringsonderneming waarvan het bijkantoor afhangt;
  2° artikel 31, met dien verstande dat de in deze Titel bedoelde bijkantoren in een bijzondere rubriek van de lijst worden vermeld;
  3° artikel 37, 2° en 3° ;
  4° de artikelen 39 tot 43, met dien verstande dat de verwijzing naar de artikelen 39 en 43 geldt voor de verzekeringsonderneming waarvan het bijkantoor afhangt en dat de verwijzing naar de artikelen 40 tot 42 geldt voor het bijkantoor in België;
  5° artikel 62, voor zover de verzekeringsonderneming niet kan aantonen dat de verbintenissen van haar Belgisch bijkantoor minstens in dezelfde mate gedekt zijn door een regeling ter bescherming van de schuldeisers uit hoofde van verzekering in haar land van herkomst als door de regelingen in België, voor wat de types van gedekte overeenkomsten en het vastgestelde beschermingsniveau betreft.
  Naast het vereiste bedoeld in het eerste lid, 3°, toont de onderneming aan
  a)dat haar bijkantoor over het nodige in aanmerking komende eigen vermogen beschikt om de helft van de absolute ondergrens van het minimumkapitaalvereiste als vastgelegd in artikel 189, § 1, 4°, te bereiken;
  b) dat zij in België over activa beschikt voor het in a) bedoelde bedrag en dat zij bovendien de helft van deze activa bij een financiële intermediair heeft gedeponeerd, om ze onbeschikbaar te maken. De Bank bepaalt, bij reglement vastgesteld met toepassing van artikel 12bis, § 2, van de wet van 22 februari 1998, de voorwaarden en modaliteiten waaraan deze onbeschikbaarheid moet voldoen.
  § 2. De vergunning als bedoeld in paragraaf 1 kan slechts worden toegekend indien voldaan is aan de volgende voorwaarden:
  1° de statuten van de betrokken verzekeringsonderneming zijn niet strijdig met de bepalingen van deze wet en haar uitvoeringsbesluiten en -reglementen; inzonderheid mogen de statuten niet toestaan dat andere activiteiten worden uitgeoefend dan deze die bedoeld zijn in artikel 34, 1° ;
  2° de toezichthouder die belast is met het toezicht op de verzekeringsonderneming in het derde land, bevestigt dat de onderneming voldoet aan de prudentiële vereisten die op haar van toepassing zijn in dat land.
  § 3. Onverminderd de paragrafen 1 en 2 kan aan een bijkantoor van een verzekeringsonderneming die onder het recht van een derde land ressorteert slechts een vergunning worden toegekend indien voldaan is aan de volgende algemene voorwaarden:
  1° de verzekeringsonderneming is in haar land van herkomst aan een prudentieel toezicht onderworpen dat gelijkwaardig is aan het prudentieel toezicht dat bij Richtlijn 2009/138/EG en haar uitvoeringsmaatregelen wordt geregeld;
  2° de Bank heeft met de betrokken autoriteit van een derde land een samenwerkingsovereenkomst ondertekend voor de uitwisseling van informatie om op de activiteiten van het Belgische bijkantoor een doeltreffend toezicht te kunnen uitoefenen. De Bank kan afwijken van deze voorwaarde indien zij in een concreet geval van oordeel is dat deze haar kennis van de verzekeringsonderneming en van de groep waartoe zij behoort, niet wezenlijk verbetert wat betreft haar organisatie en de risico's die voortvloeien uit haar activiteiten, in het bijzonder de risico's ten aanzien van de schuldeisers uit hoofde van verzekering van het Belgische bijkantoor.
  § 4. Zonder afbreuk te doen aan de internationale overeenkomsten die België binden, kan de Bank een vergunning weigeren aan het bijkantoor van een verzekeringsonderneming die ressorteert onder het recht van een derde land dat niet dezelfde toegangsmogelijkheden tot zijn markt biedt aan verzekeringsondernemingen naar Belgisch recht.
  § 5. De Bank kan ook een vergunning weigeren aan een in deze Titel bedoeld bijkantoor indien zij van oordeel is dat voor de bescherming van de verzekeringnemers, de verzekerden en de begunstigden of voor een gezond en voorzichtig beleid van de onderneming of nog voor de stabiliteit van het financiële stelsel, de oprichting van een vennootschap naar Belgisch recht vereist is.
  Bij een dergelijke beslissing kan met name rekening worden gehouden met de volgende criteria:
  1° het feit dat de verzekeringsonderneming in het derde land, of binnen de groep waartoe zij behoort, de door het bijkantoor voorgenomen activiteiten niet effectief uitoefent;
  2° het belang van het bijkantoor in verhouding tot de omvang van de verzekeringsonderneming.
  § 6. Alvorens zich uit te spreken over de vergunningsaanvraag van een bijkantoor, raadpleegt de Bank de betrokken autoriteit van het derde land.
  De Bank spreekt zich over de vergunningsaanvraag van het bijkantoor uit na advies van de FSMA over de bescherming van de verzekeringnemers, de verzekerden en de begunstigden. De FSMA verstrekt haar advies binnen een termijn van een maand te rekenen vanaf de ontvangst van de door de Bank geformuleerde adviesaanvraag, waarbij alle nuttige, van de vergunningaanvragende onderneming ontvangen stukken zijn gevoegd. Afwezigheid van advies binnen deze termijn geldt als positief advies.

  Afdeling II. - Bedrijfsuitoefening

  Art. 586. De Belgische bijkantoren van verzekeringsondernemingen die onder het recht van een derde land ressorteren moeten blijvend voldoen aan de door of krachtens artikel 584 vastgelegde voorwaarden.

  Art. 587. Op de in artikel 584 bedoelde bijkantoren zijn de volgende artikelen van toepassing:
  1° artikel 71;
  2° artikel 83, voor wat betreft de algemeen lasthebber van het bijkantoor, als bedoeld in artikel 593, evenals, in voorkomend geval, de andere personen die met de effectieve leiding van het bijkantoor zijn belast, en artikel 81, voor wat betreft diezelfde personen en, in voorkomend geval, de verantwoordelijken voor de onafhankelijke controlefuncties in het bijkantoor;
  3° artikel 93, met dien verstande dat de leiders van het bijkantoor gelijkgesteld worden met de leden van het wettelijk bestuursorgaan;
  4° de artikelen 36 en 38, § 1;
  5° de artikelen 102, 103, 104, § 1, 1°, en § 2, 105 en 106, met dien verstande dat:
  a) artikel 102, eerste lid, 1°, betrekking heeft op het bijkantoor in België;
  b) in de gevallen bedoeld in artikel 102, eerste lid, 3°, waar de overnemende onderneming een bijkantoor is van een verzekeringsonderneming die onder het recht van een derde land ressorteert, die op het grondgebied van een andere lidstaat is gevestigd, verleent de Bank haar toestemming voor een portefeuilleoverdracht enkel indien:
  - de toezichthouders van de betrokken lidstaat hebben ingestemd met de overdracht, en
  - deze toezichthouders verklaren dat de betrokken overnemende onderneming, na de voorgenomen overdracht, over voldoende in aanmerking komend eigen vermogen beschikt om het solvabiliteitskapitaalvereiste dat met toepassing van de wetgeving van die lidstaat is opgelegd, te dekken;
  c) wanneer daarom verzocht wordt door het in artikel 584 bedoelde bijkantoor in zijn hoedanigheid van overdragende onderneming, mag de toestemming als bedoeld in artikel 102, eerste lid, 3°, enkel worden verleend indien de Bank de instemming heeft verkregen van de toezichthouders van de andere lidstaten waar de risico's zijn gelegen of, naargelang van het geval, van de toezichthouders van de lidstaten van de verbintenis. Indien de geraadpleegde buitenlandse toezichthouders niet hebben gereageerd binnen een termijn van drie maanden, worden zij geacht hun instemming te hebben gegeven.

  Art. 588. § 1. Op de in artikel 584 bedoelde bijkantoren zijn ook de volgende artikelen van toepassing:
  1° de artikelen 123 tot 139;
  2° de artikelen 76, 199 tot 203, met dien verstande dat voor de toepassing van artikel 76, de plaats waar de documenten met betrekking tot de verrichtingen die via het bijkantoor worden uitgevoerd worden bewaard, de zetel van het bijkantoor is.
  § 2. De Koning bepaalt de verplichtingen en de modaliteiten inzake de openbaarmaking van de jaarlijkse boekhoudkundige situaties van de in artikel 584 bedoelde bijkantoren.

  Art. 589. § 1. De in artikel 584 bedoelde bijkantoren moeten over eigen vermogen beschikken dat voldoet aan de volgende regels:
  1° het eigen vermogen voldoet aan de artikelen 140 tot 150;
  2° het eigen vermogen voldoet aan het solvabiliteitskapitaalvereiste en aan het minimumkapitaalvereiste die overeenkomstig de artikelen 151 tot 189 worden berekend, met dien verstande dat voor de toepassing van die vereisten, zowel voor levensverzekeringen als voor niet-levensverzekeringen, enkel de verrichtingen in aanmerking worden genomen die door het betrokken bijkantoor worden uitgevoerd;
  3° de vereiste absolute ondergrens is gelijk aan de helft van het in artikel 189, § 1, 4°, bedoelde bedrag.
  Het overeenkomstig artikel 585, tweede lid, b), gestorte depot wordt onder het in aanmerking komend kernvermogen ter dekking van het minimumkapitaalvereiste gerekend.
  § 2. Artikel 323 is van toepassing met dien verstande dat de opslagfactor een aanvullend vereiste is met betrekking tot het eigenvermogensvereiste dat met toepassing van die artikel is opgelegd.
  § 3. Artikel 91 is van toepassing op de in artikel 584 bedoelde bijkantoren.

  Art. 590. De in artikel 584 bedoelde bijkantoren mogen het niet-levensverzekeringsbedrijf en het levensverzekeringsbedrijf niet gelijktijdig uitoefenen.

  Art. 591. § 1. De artikelen 190 tot 193 zijn van toepassing voor wat de activa betreft die het bijkantoor bezit.
  § 2. Onverminderd artikel 585, § 1, tweede lid, zijn de artikelen 194 en 195 eveneens van toepassing op de verbintenissen die door het bijkantoor worden aangegaan. De activa bedoeld in de artikelen 194 en 195 moeten in België gelokaliseerd zijn.
  § 3. In afwijking van paragraaf 2 mogen de activa maar in België gelokaliseerd zijn ten belope van het minimumkapitaalvereiste en, voor het resterende gedeelte, in een lidstaat, wanneer de onderneming aantoont dat zij voldoet aan de volgende voorwaarden:
  1° het recht inzake liquidatieprocedures van het derde land garandeert dat de schuldeisers uit hoofde van verzekering van wie de rechten bij het Belgische bijkantoor zijn onderschreven, gelijkwaardig worden behandeld als de schuldeisers uit hoofde van verzekering van wie de rechten bij de verzekeringsonderneming in het derde land zijn onderschreven; en
  2° ingeval er tegen de verzekeringsonderneming een liquidatieprocedure wordt geopend in het derde land, kent het recht dat deze procedure regelt aan de schuldeisers uit hoofde van verzekering waarvan de rechten bij het Belgische bijkantoor zijn onderschreven, een rang toe die een gelijkwaardige bescherming biedt als deze waarin de artikelen 643 en 644 voorzien.

  Art. 592. Op de in artikel 584 bedoelde bijkantoren zijn ook de volgende artikelen van toepassing:
  1°, de artikelen 212 tot 221;
  2°, de artikelen 230 en 231;
  3°, de artikelen 232 tot 238;
  4°, de artikelen 240 en 241.

  Art. 593. De in artikel 584 bedoelde bijkantoren moeten een algemeen lasthebber aanduiden. De artikelen 81, 83 en 93 zijn op hem van toepassing.
  Bovendien moet die algemeen lasthebber zijn woonplaats of gewone verblijfplaats in België hebben en moet hij over voldoende bevoegdheden beschikken om de verzekeringsonderneming ten opzichte van derden te verbinden en om haar in haar betrekkingen met de Belgische autoriteiten en rechterlijke instanties te vertegenwoordigen.
  In geval van verzaking aan of intrekking van het mandaat of in geval van overlijden van de algemeen lasthebber, neemt de verzekeringsonderneming de nodige maatregelen opdat de opvolger binnen een maand in functie is.

  Art. 594. § 1. De verzekeringsondernemingen die onder het recht van een derde land ressorteren en die met toepassing van dit Hoofdstuk in België een vergunning hebben aangevraagd of verkregen en in een of meer andere lidstaten een vergunning hebben verkregen voor de vestiging van een bijkantoor, kunnen vragen om het voordeel te genieten van de volgende bijzondere bepalingen, die enkel gezamenlijk kunnen worden toegekend:
  1° het solvabiliteitskapitaalvereiste wordt berekend op basis van het geheel van de activiteiten die in de lidstaten worden uitgeoefend. Bij deze berekening worden enkel de verrichtingen van alle in lidstaten gevestigde bijkantoren in aanmerking genomen;
  2° in afwijking van artikel 585, tweede lid, b), wordt het depot dat met toepassing van deze bepaling is opgelegd, uitgevoerd in de lidstaat van de in paragraaf 2, tweede lid bedoelde toezichthouder;
  3° in afwijking van artikel 592, mogen de activa die tegenover het minimumkapitaalvereiste staan gelokaliseerd zijn in een van de lidstaten waar zij hun activiteit uitoefenen.
  § 2. De in paragraaf 1 bedoelde aanvraag moet worden ingediend bij de Bank en bij de toezichthouders van elk van de andere betrokken lidstaten. In deze aanvraag moet de onderneming aangeven welke toezichthouder belast zal zijn met het toezicht op de solvabiliteit voor het geheel van de activiteiten van de bijkantoren die in de Europese Economische Ruimte zijn gevestigd.
  De keuze van de toezichthouder moet door de onderneming met redenen worden omkleed en door die toezichthouder worden aanvaard.
  § 3. Het voordeel van de in paragraaf 1 bedoelde bijzondere bepalingen kan enkel worden toegekend aan de onderneming mits de toezichthouders van alle andere betrokken lidstaten hun toestemming verlenen.
  Deze bijzondere bepalingen zijn maar van toepassing vanaf de datum waarop de gekozen toezichthouder aan de andere toezichthouders bevestigt dat hij zijn aanstelling aanvaardt en dat hij toezicht zal houden op de naleving van de solvabiliteitsvereisten door de bijkantoren die in de Europese Economische Ruimte zijn gevestigd, voor het geheel van hun activiteiten.
  Wanneer een toezichthouder van een andere lidstaat wordt gekozen met toepassing van de paragrafen 2 en 3, verstrekt de Bank aan die toezichthouder de nodige inlichtingen voor het toezicht op de naleving van de vereisten inzake de globale solvabiliteit van de betrokken verzekeringsonderneming.
  Het voordeel van de in paragraaf 1 bedoelde bijzondere bepalingen wordt van rechtswege opgeheven op verzoek van de Bank aan de andere betrokken toezichthouders of op verzoek van een van hen. Deze opheffing wordt ter kennis gebracht van het in artikel 584 bedoelde bijkantoor.
  § 4. Wanneer zij met toepassing van de paragrafen 2 en 3 wordt gekozen, stelt de Bank EIOPA daarvan in kennis.

  Afdeling III. - Toezicht

  Art. 595. De volgende artikelen zijn van toepassing:
  1° de artikelen 303 tot 309;
  2° de artikelen 504 tot 507;
  3° de artikelen 510, 511, 513 tot 515, met dien verstande dat, in de gevallen bedoeld in artikel 594, de toezichthouder die belast is met het toezicht op de naleving van de solvabiliteitsvereisten door de bijkantoren die in de verschillende lidstaten zijn gevestigd, voor het geheel van hun activiteiten, ook de prerogatieven kan uitoefenen waarop die bepalingen betrekking hebben.

  Art. 596. De leiding van de in deze Titel bedoelde bijkantoren moet een of meer erkend revisoren of een of meer erkende revisorenvennootschappen aanstellen overeenkomstig artikel 327. Op dezelfde wijze kan zij een plaatsvervanger aanstellen.
  Bij aanstelling van een revisorenvennootschap is artikel 326 van overeenkomstige toepassing.
  Artikel 328, artikel 329, eerste tot vierde lid, artikel 330, eerste lid, en de artikelen 331 tot 337 zijn mutatis mutandis van toepassing.

  Art. 597. § 1. De Bank kan op basis van het wederkerigheidsbeginsel met de autoriteiten van derde landen van de verzekeringsonderneming en met de bevoegde autoriteiten van derde landen van de andere bijkantoren van deze onderneming die buiten België zijn gevestigd, overeenkomen welke verplichtingen en verbodsbepalingen voor het bijkantoor in België gelden, hoe het toezicht wordt opgevat en uitgeoefend en op welke wijze de samenwerking en de informatie-uitwisseling met deze autoriteiten, zoals bedoeld in de artikelen 36/16 en 36/17 van de wet van 22 februari 1998, worden georganiseerd.
  § 2. Om regels en modaliteiten te kunnen vaststellen die beter aansluiten bij de aard en spreiding van de activiteiten van de verzekeringsonderneming en haar toezicht, mogen de overeenkomsten, met de goedkeuring van de minister bevoegd voor Economie, afwijken van de bepalingen van deze wet.
  Voor zover er een algemeen toezicht bestaat dat voldoet aan de criteria vastgesteld door of krachtens deze wet, mogen deze overeenkomsten vrijstelling verlenen van de toepassing van bepaalde voorschriften van deze wet en van haar uitvoeringsbesluiten en -reglementen.
  De in dit artikel bedoelde overeenkomsten mogen voor de bijkantoren waarop zij betrekking hebben, geen gunstiger regels bevatten dan voor de in België gevestigde bijkantoren van verzekeringsondernemingen die onder het recht van een andere lidstaat ressorteren.

  Afdeling IV. - Uitzonderingsmaatregelen, sancties en beëindiging van de vergunning

  Art. 598. § 1. De artikelen 508 en 517 zijn van toepassing.
  Bij intrekking van de vergunning door de Bank wegens niet-naleving van de regels inzake de solvabiliteitsvereisten, stelt de Bank de andere toezichthouders als bedoeld in artikel 594 hiervan in kennis.
  Bij intrekking van de vergunning door een toezichthouder die met toepassing van artikel 594, §§ 2, en 3, is aangesteld, trekt de Bank eveneens de in artikel 585 bedoelde vergunning in.
  § 2. De Bank kan de vergunning van een in dit Hoofdstuk bedoeld bijkantoor ook herroepen indien zij van oordeel is dat voor de bescherming van de schuldeisers uit hoofde van verzekering of voor een gezond en voorzichtig beleid van de verzekeringsonderneming of nog voor de stabiliteit van het financiële stelsel, de oprichting van een vennootschap naar Belgisch recht vereist is. De Bank kan hiertoe gebruik maken van de criteria bedoeld in artikel 585, § 4.
  De Bank stelt de FSMA in kennis van de overeenkomstig het eerste lid genomen besluiten.

  Art. 599. De artikelen 538 tot 541, artikel 543, eerste lid, en 544 tot 547 zijn van toepassing.

  HOOFDSTUK II. - Uitoefening van activiteiten in België via de vestiging van een bijkantoor of het vrij verrichten van diensten, door herverzekeringsondernemingen die onder het recht van een derde land ressorteren

  Art. 600.Herverzekeringsondernemingen die onder het recht van een derde land ressorteren [1 ...]1 mogen in België via de vestiging van een bijkantoor of het vrij verrichten van diensten de herverzekeringsactiviteiten uitoefenen waarvoor zij in [1 hun land van herkomst]1 een vergunning hebben verkregen.
  In dit verband zijn de bepalingen van Hoofdstuk II van Titel I mutatis mutandis van toepassing.
  ----------
  (1)<W 2019-05-02/28, art. 92, 012; Inwerkingtreding : 01-06-2019>

  Art. 601.
  <Opgeheven bij W 2019-05-02/28, art. 93, 012; Inwerkingtreding : 01-06-2019>

  BOEK IV. - DWANGSOMMEN EN ANDERE DWANGMAATREGELEN

  Art. 602.Onverminderd de andere bij deze wet voorgeschreven maatregelen, kan de Bank openbaar maken dat een verzekerings- of herverzekeringsonderneming, een verzekeringsholding, een gemengde financiële holding of een gemengde verzekeringsholding naar Belgisch of buitenlands recht, geen gevolg heeft gegeven aan haar aanmaningen om zich binnen de termijn die zij bepaalt te conformeren aan de voorschriften van deze wet of van de ter uitvoering ervan genomen besluiten of reglementen of van Verordening 2015/35 of van alle andere uitvoeringsmaatregelen van Richtlijn 2009/138/EG [1 [2 , van Titel II van Verordening nr. 648/2012 [3 , van de artikelen 5 tot 9 van Verordening nr. 2017/2402 of van de artikelen 4 en 15 van Verordening nr. 2015/2365]3]2]1.
  ----------
  (1)<W 2017-12-05/04, art. 48, 005; Inwerkingtreding : 28-12-2017>
  (2)<W 2018-07-30/10, art. 105, 006; Inwerkingtreding : 20-08-2018>
  (3)<W 2019-05-02/25, art. 86, 010; Inwerkingtreding : 31-05-2019>

  Art. 603.§ 1. Onverminderd de andere bij deze wet voorgeschreven maatregelen, kan de Bank voor een verzekerings- of herverzekeringsonderneming, een verzekeringsholding, een gemengde financiële holding of een gemengde verzekeringsholding naar Belgisch of buitenlands recht, een termijn bepalen:
  1° [2 waarbinnen zij zich moet conformeren aan welbepaalde voorschriften van deze wet, van de ter uitvoering ervan genomen besluiten of reglementen, van Verordening nr. 2015/35, van alle andere uitvoeringsmaatregelen van Richtlijn 2009/138/EG, [3 aan de bepalingen van Titel II van Verordening nr. 648/2012, aan de artikelen 4 en 15 van Verordening nr. 2015/2365 of aan de artikelen 5 tot 9 van Verordening nr. 2017/2402]3]2
  2° waarbinnen zij de nodige aanpassingen moet aanbrengen in haar regeling voor de bedrijfsorganisatie of haar beleid inzake eigenvermogensbehoeften en het beheer van haar risico's. Deze aanmaning geldt voor de bijkantoren van verzekerings- of herverzekeringsondernemingen die onder het recht van een andere lidstaat ressorteren enkel voor wat betreft de niet-nakoming van een van de in de artikel 564, eerste lid en artikel 576, eerste lid bedoelde verplichtingen;
  [3 3° waarbinnen zij zich moet conformeren aan een vereiste dat door de Bank is opgelegd met toepassing van de bepalingen van deze wet, van een ter uitvoering ervan genomen koninklijk besluit of reglement of van Verordening 2015/35 of van alle andere uitvoeringsmaatregelen van Richtlijn 2009/138/EG of van bepalingen van Titel II van Verordening nr. 648/2012, van de artikelen 4 en 15 van Verordening nr. 2015/2365 of nog van de artikelen 5 tot 9 van Verordening nr. 2017/2402;
   4° waarbinnen zij zich moet conformeren aan de vereisten die door de Bank zijn vastgesteld als voorwaarden voor een besluit genomen met toepassing van deze wet, van een ter uitvoering ervan genomen koninklijk besluit of reglement of van Verordening 2015/35 of van alle andere uitvoeringsmaatregelen van Richtlijn 2009/138/EG of van bepalingen van Titel II van Verordening nr. 648/2012, van de artikelen 4 en 15 van Verordening nr. 2015/2365 of nog van de artikelen 5 tot 9 van Verordening nr. 2017/2402, met name het verlenen van toestemming of van een afwijking.]3
  § 2. Indien de onderneming in gebreke blijft bij het verstrijken van de termijn, kan de Bank, na de onderneming gehoord of tenminste opgeroepen te hebben, haar een dwangsom opleggen van maximum 2 500 000 euro per overtreding en maximum 50 000 euro per dag vertraging.
  § 3. Bij de vaststelling van het bedrag van de dwangsom wordt met name rekening gehouden met
  1° de ernst van de vastgestelde tekortkomingen en, in voorkomend geval, de potentiële impact van die tekortkomingen op de stabiliteit van het financiële stelsel;
  2° de financiële draagkracht van de betrokken onderneming, zoals die met name blijkt uit haar omzet.
  § 4. De dwangsommen die met toepassing van paragraaf 2 worden opgelegd, worden ingevorderd ten bate van de Schatkist [1 door de Algemene Administratie van de inning en invordering van de Federale overheidsdienst Financiën]1.
  ----------
  (1)<W 2016-10-25/05, art. 108, 002; Inwerkingtreding : 01-12-2016>
  (2)<W 2018-07-30/10, art. 106, 006; Inwerkingtreding : 20-08-2018>
  (3)<W 2019-05-02/25, art. 87, 010; Inwerkingtreding : 31-05-2019>

  BOEK V. - SANCTIES

  TITEL I. - Administratieve boetes

  Art. 604.§ 1. [4 Onverminderd andere bij deze wet voorgeschreven maatregelen en onverminderd de bij andere wetten, besluiten of reglementen voorgeschreven maatregelen, kan de Bank, indien zij
   a) een inbreuk vaststelt op de bepalingen van deze wet, op de maatregelen genomen in uitvoering ervan;
   b) een inbreuk vaststelt op de bepalingen van Verordening 2015/35 of van alle andere uitvoeringsmaatregelen van Richtlijn 2009/138/EG of op de bepalingen van Titel II van Verordening nr. 648/2012 of op de artikelen 4 en 15 van Verordening nr. 2015/2365 of nog op de artikelen 5 tot 9 van Verordening nr. 2017/2402;
   c) vaststelt dat een vereiste dat door de Bank is opgelegd met toepassing van het bepaalde in a) of b), niet wordt nageleefd;
   d) vaststelt dat vereisten die door de Bank zijn opgelegd als voorwaarden voor een besluit genomen met toepassing van het bepaalde in a) of b), met name het verlenen van toestemming of van een afwijking, niet worden nageleefd,
   een administratieve boete opleggen aan een verzekerings- of herverzekeringsonderneming, verzekeringsholding, gemengde financiële holding of gemengde verzekeringsholding naar Belgisch of buitenlands recht, aan een of meer leden van het wettelijk bestuursorgaan of van het directiecomité van deze entiteiten, aan de personen die bij ontstentenis van een directiecomité deelnemen aan hun effectieve leiding, die voor de vastgestelde tekortkoming verantwoordelijk zijn.]4
  § 2. [4 De administratieve geldboete die aan een in paragraaf 1 bedoelde verzekerings- of herverzekeringsonderneming wordt opgelegd, voor hetzelfde feit of hetzelfde geheel van feiten, bedraagt minimum 10 000 euro en maximum 10 % van de technische en financiële opbrengsten van de onderneming van het voorbije boekjaar.
   De administratieve geldboete die aan een in paragraaf 1 bedoelde verzekeringsholding, gemengde financiële holding of gemengde verzekeringsholding wordt opgelegd, voor hetzelfde feit of hetzelfde geheel van feiten, bedraagt minimum 10 000 euro en maximum 10 % van de jaarlijkse netto-omzet van de entiteit van het voorbije boekjaar.
   De administratieve geldboete die aan een natuurlijke persoon wordt opgelegd, voor hetzelfde feit of hetzelfde geheel van feiten, bedraagt minimum 5 000 euro en maximum 5 000 000 euro.]4
  [4 § 2/1. In geval van een inbreuk op de artikelen 4 en 15 van Verordening nr. 2015/2365, bedraagt de administratieve geldboete die aan de in paragraaf 1 bedoelde onderneming wordt opgelegd:
   a) in het geval van een natuurlijke persoon: maximum 5 000 000 euro; en
   b) in het geval van een rechtspersoon: maximum:
   - 5 000 000 euro in geval van een inbreuk op artikel 4 van Verordening nr. 2015/2365; en
   - 15 000 000 euro in geval van een inbreuk op artikel 15 van Verordening nr. 2015/2365
   of, indien dit hoger is, 10 % van de totale jaaromzet van die instelling van het voorbije boekjaar.
   Wanneer de inbreuk voor de overtreder winst heeft opgeleverd of hem heeft toegelaten verlies te vermijden, mag dit maximum worden verhoogd tot het drievoud van deze winst of dit verlies, onverminderd de punten a) en b), van het eerste lid.
   § 2/2. In geval van een inbreuk op de artikelen 5 tot 9 van Verordening nr. 2017/2402, bedraagt de in paragraaf 2, eerste en tweede lid bedoelde administratieve geldboete in het geval van een rechtspersoon maximum 5 000 000 euro of 10 % van de totale jaaromzet van die instelling van het voorbije boekjaar.
   Wanneer de inbreuk voor de overtreder winst heeft opgeleverd of hem heeft toegelaten verlies te vermijden, mag het maximumbedrag van de administratieve geldboete worden verhoogd tot het tweevoud van deze winst of dit verlies, onverminderd paragraaf 2, derde lid en het eerste lid van deze paragraaf.]4
  § 3. De boetes die met toepassing van paragraaf 1 worden opgelegd door de Bank, worden ingevorderd ten bate van de Schatkist [1 door de Algemene Administratie van de inning en invordering van de Federale overheidsdienst Financiën]1.
  § 4. Het bedrag van de boete wordt met name vastgesteld op grond van
  1° de ernst en de duur van de tekortkomingen;
  2° de mate van verantwoordelijkheid van de betrokkene;
  3° de financiële draagkracht van de betrokkene, zoals die met name blijkt uit de totale omzet van de betrokken rechtspersoon of uit het jaarinkomen van de betrokken natuurlijke persoon;
  4° het voordeel of de winst die deze tekortkomingen eventueel opleveren;
  5° het nadeel dat derden door deze tekortkomingen hebben geleden, voor zover dit kan worden bepaald;
  6° de mate van medewerking van de betrokken natuurlijke of rechtspersoon met de bevoegde autoriteiten;
  7° vroegere tekortkomingen van de betrokkene;
  8° de potentiële negatieve impact van de tekortkomingen op de stabiliteit van het financiële stelsel.
  § 5. Wanneer de Bank maatregelen die zij overeenkomstig dit artikel oplegt, openbaar maakt, stelt zij tezelfdertijd EIOPA en de toezichthouder van de betrokken lidstaat in kennis, indien het een verzekerings- of herverzekeringsonderneming betreft die activiteiten uitoefent in een andere lidstaat.
  [3 De Bank stelt de Europese Autoriteit voor effecten en markten eveneens in kennis van de maatregelen die zij overeenkomstig paragraaf 2 oplegt in geval van een inbreuk op de artikelen 4 en 15 van Verordening nr. 2015/2365, wanneer die maatregelen niet openbaar worden gemaakt.]3
  ----------
  (1)<W 2016-10-25/05, art. 109, 002; Inwerkingtreding : 01-12-2016>
  (2)<W 2017-12-05/04, art. 50, 005; Inwerkingtreding : 28-12-2017>
  (3)<W 2018-07-30/10, art. 107, 006; Inwerkingtreding : 20-08-2018>
  (4)<W 2019-05-02/25, art. 88, 010; Inwerkingtreding : 31-05-2019>

  TITEL II. - Strafrechtelijke sancties

  Art. 605. § 1. Met een gevangenisstraf van één maand tot één jaar en met een geldboete van 50 euro tot 10 000 euro of met één van die straffen alleen wordt gestraft:
  1° wie zich niet conformeert aan artikel 16;
  2° wie de activiteit uitoefent van een verzekerings- of herverzekeringsonderneming als bedoeld in artikel 17 of in Boek III, Titel II zonder een vergunning te bezitten of wanneer de vergunning is doorgehaald of herroepen;
  3° wie met opzet de kennisgevingen als bedoeld in de artikelen 64 en 68 niet verricht, wie het verzet negeert als bedoeld in artikel 66, tweede lid, of wie de schorsing negeert als bedoeld in artikel 72, eerste lid, 1° ;
  4° de leden van het wettelijk bestuursorgaan en de andere in artikel 83 bedoelde personen die de bepalingen van dit artikel overtreden;
  5° de leden van het wettelijk bestuursorgaan of van het directiecomité of de personen belast met de effectieve leiding die de artikelen 93, 102, 2° en 3°, 426, 428, 483 of 486 overtreden;
  6° de leden van het wettelijk bestuursorgaan of van het directiecomité of de personen belast met de effectieve leiding van een verzekerings- of herverzekeringsonderneming die in het buitenland een bijkantoor openen of diensten verstrekken, zonder de kennisgevingen te hebben verricht als bepaald in de artikelen 108, 113, 115 of 120 of die zich niet conformeren aan de artikelen 112, 119 of 122;
  7° de leden van het wettelijk bestuursorgaan of van het directiecomité of de personen belast met de effectieve leiding van een verzekerings- of herverzekeringsonderneming die de in de artikelen 199, 201, 342, 564, § 2, 576, derde lid of 588, § 1, 2° bedoelde besluiten of reglementen overtreden;
  8° de leden van het wettelijk bestuursorgaan of van het directiecomité of de personen belast met de effectieve leiding van een verzekerings- of herverzekeringsonderneming die zich niet conformeren aan de artikelen 201 of 202.
  9° wie handelingen stelt of verrichtingen uitvoert zonder daartoe de toestemming te hebben verkregen van de speciaal commissaris als bedoeld in artikel 517, § 1, 1°, of die indruisen tegen een schorsingsbeslissing die overeenkomstig artikel 517, § 1, 4°, is genomen, wie geen gevolg geeft aan de aanmaning die overeenkomstig de artikelen 568, eerste lid, of 579, eerste lid, aan hem is gericht, of wie zich niet conformeert aan de maatregelen die met toepassing van de artikelen 569, § 1, eerste lid, 580, § 1, 573 of 582 zijn getroffen;
  10° wie als commissaris, erkend revisor of onafhankelijk deskundige, rekeningen, jaarrekeningen, balansen en resultatenrekeningen of geconsolideerde jaarrekeningen van ondernemingen dan wel periodieke staten of inlichtingen certificeert, goedkeurt of bekrachtigt terwijl niet is voldaan aan de voorschriften van deze wet of van haar uitvoeringsbesluiten en -reglementen of de uitvoeringsmaatregelen van Richtlijn 2009/138/EG en daarvan kennis heeft, of niet heeft gedaan wat hij normaal had moeten doen om zich ervan te vergewissen of aan die bepalingen was voldaan;
  11° wie de onderzoeken en controles verhindert waartoe hij verplicht is in het land of in het buitenland dan wel weigert de gegevens te verstrekken waartoe hij verplicht is op grond van deze wet en de uitvoeringsmaatregelen van Richtlijn 2009/138/EG of wie bewust onjuiste of onvolledige inlichtingen verstrekt;
  12° elke bestuurder en zaakvoerder die zich niet houdt aan de voorschriften van de artikelen 325, § 1, eerste lid, en 596;
  § 2. Overtredingen van het verbod van artikel 41 worden gestraft met een gevangenisstraf van drie maanden tot twee jaar en met een geldboete van 1 000 euro tot 10 000 euro.

  Art. 606. De voorschriften van Boek I van het Strafwetboek, Hoofdstuk VII en artikel 85 niet uitgezonderd, zijn van toepassing op de misdrijven die door deze Titel worden bestraft.

  Art. 607. De verzekerings- of herverzekeringsondernemingen zijn burgerrechtelijk aansprakelijk voor de geldboetes waartoe de leden van hun wettelijk bestuursorgaan of van hun directiecomité, de personen belast met hun effectieve leiding of hun lasthebbers met toepassing van de voorschriften van deze Titel worden veroordeeld.

  Art. 608. Ieder opsporingsonderzoek ten gevolge van de overtreding van deze wet of één van de in artikel 20 van de wet van 25 april 2014 bedoelde wetgevingen, tegen leden van het wettelijk bestuursorgaan of van het directiecomité, personen belast met de effectieve leiding, lasthebbers of erkend commissarissen van verzekerings- of herverzekeringsondernemingen en ieder opsporingsonderzoek ten gevolge van een overtreding van deze wet tegen iedere andere natuurlijke of rechtspersoon, moet ter kennis worden gebracht van de Bank en van de FSMA, ieder voor wat zijn bevoegdheden betreft, door de gerechtelijke of bestuursrechtelijke autoriteit waar dit aanhangig is gemaakt.
  Iedere strafrechtelijke vordering op grond van in het eerste lid bedoelde misdrijven moet ter kennis worden gebracht van de Bank en van de FSMA, ieder voor wat zijn bevoegdheden betreft, door het openbaar ministerie.

  Art. 609.De Bank en de FSMA zijn gerechtigd in elke stand van het geding tussen te komen voor de strafrechter bij wie een door deze wet bestraft misdrijf aanhangig is, zonder dat zij daarom het bestaan van enig nadeel hoeven aan te tonen.
  De tussenkomst geschiedt volgens de regels die gelden voor de burgerlijke partij.
  [1 Hetzelfde geldt voor inbreuken als bedoeld in artikel 1 van koninklijk besluit nr. 22 van 24 oktober 1934 betreffende het rechterlijk verbod aan bepaalde veroordeelden en gefailleerden om bepaalde ambten, beroepen of werkzaamheden uit te oefenen, die bij een strafrechter aanhangig zijn gemaakt tegen een persoon als bedoeld in artikel 40, § 1, eerste lid.]1
  [2 Hetzelfde geldt voor inbreuken als bedoeld in artikel 1 van het koninklijk besluit nr. 22 van 24 oktober 1934 betreffende het rechterlijk verbod aan bepaalde veroordeelden en gefailleerden om bepaalde ambten, beroepen of werkzaamheden uit te oefenen, die bij een strafrechter aanhangig zijn gemaakt tegen een persoon als bedoeld in artikel 40, § 1, eerste lid.]2
  ----------
  (1)<W 2019-05-02/25, art. 89, 010; Inwerkingtreding : 31-05-2019>
  (2)<W 2019-05-02/28, art. 94, 012; Inwerkingtreding : 01-06-2019>

  BOEK VI. - VOOR VERZEKERINGSONDERNEMINGEN GELDENDE REGELS VAN HET INTERNATIONAAL PRIVAATRECHT INZAKE SANERINGSMAATREGELEN EN LIQUIDATIEPROCEDURES

  TITEL I. - Saneringsmaatregelen

  HOOFDSTUK I. - Bevoegdheidsregeling en erkenning van buitenlandse maatregelen

  Art. 610. Onder voorbehoud van de artikelen 598 en 614, zijn de Belgische saneringsautoriteiten uitsluitend bevoegd om saneringsmaatregelen te treffen ten aanzien van verzekeringsondernemingen naar Belgisch recht. Deze saneringsmaatregelen worden ten uitvoer gelegd en hebben rechtswerking overeenkomstig de Belgische wetgeving, onder voorbehoud van de preciseringen en uitzonderingen die in deze wet zijn vastgesteld. De Belgische saneringsautoriteiten kunnen inzonderheid geen saneringsmaatregelen treffen ten aanzien van een verzekeringsonderneming die onder het recht van een andere lidstaat ressorteert, en evenmin ten aanzien van een in België gevestigd bijkantoor van een dergelijke onderneming.

  Art. 611. De saneringsmaatregelen die door de saneringsautoriteiten van een andere lidstaat zijn getroffen ten aanzien van een verzekeringsonderneming die onder het recht van die lidstaat ressorteert, hebben rechtswerking in België overeenkomstig de wetgeving van die lidstaat zodra zij aldaar rechtswerking hebben, en dit onverminderd hun eventuele bekendmaking in België. Deze saneringsmaatregelen zijn zonder verdere formaliteiten van toepassing in België.

  HOOFDSTUK II. - Overleg en informatieverstrekking

  Afdeling I. - Verzekeringsondernemingen naar Belgisch recht

  Art. 612. De Koning stelt de Bank onverwijld in kennis van zijn beslissing om een saneringsmaatregel te treffen met toepassing van artikel 519; hij doet dit zo mogelijk vóór de vaststelling van deze maatregel of anders onmiddellijk daarna.
  De Bank stelt de FSMA en de toezichthouders van alle andere lidstaten onmiddellijk en met alle dienstige middelen in kennis van de vaststelling van alle saneringsmaatregelen alsmede van de concrete gevolgen die deze maatregelen zouden kunnen hebben. Daartoe houdt de Koning de Bank op de hoogte van het verloop van de tenuitvoerlegging van artikel 519.

  Art. 613. Indien de rechten van derden in een andere lidstaat waar de betrokken verzekeringsonderneming een bijkantoor heeft of diensten verricht, kunnen worden aangetast door de tenuitvoerlegging van een saneringsmaatregel die overeenkomstig artikel 610 werd getroffen, en indien er tegen deze maatregel een beroep werd ingesteld, maakt de Bank of, met betrekking tot de daden van beschikking bedoeld in artikel 519, de Koning, de beslissing bekend overeenkomstig de van toepassing zijnde wettelijke bepalingen en ziet zij of hij erop toe dat zo snel mogelijk een uittreksel uit die beslissing wordt bekendgemaakt in het Publicatieblad van de Europese Unie, in de officiële taal of een van de officiële talen van die lidstaten. Deze bekendmaking beïnvloedt op geen enkele wijze de gevolgen van de saneringsmaatregel, met name voor de schuldeisers van de betrokken verzekeringsonderneming. In het uittreksel worden ten minste de volgende gegevens vermeld:
  1° het onderwerp en de juridische grondslag van de genomen beslissing, met vermelding van het feit dat de maatregel wordt beheerst door het Belgische recht;
  2° de saneringsautoriteiten en, in voorkomend geval, de aangewezen saneringscommissaris;
  3° de termijnen om beroep in te stellen en de contactgegevens van de autoriteit die bevoegd is voor het beroep.
  Voor derden met woonplaats of gewone verblijfplaats in een andere lidstaat vangt de termijn om beroep in te stellen tegen de vaststelling van een saneringsmaatregel aan op de datum van bekendmaking in het Publicatieblad van de Europese Unie.

  Afdeling II. - Verzekeringsondernemingen die onder het recht van een derde land ressorteren

  Art. 614. De Bank stelt de toezichthouders van de andere lidstaten waar de verzekeringsonderneming die onder het recht van een derde land ressorteert eveneens een bijkantoor heeft, onverwijld en met alle dienstige middelen in kennis van haar beslissing om krachtens artikel 598 een saneringsmaatregel te treffen alsmede van de concrete gevolgen van deze maatregel; zij doet dit zo mogelijk vóór de vaststelling van deze maatregel of anders onmiddellijk daarna. De Bank beijvert zich om haar optreden te coördineren met dat van de toezichthouders, de saneringsautoriteiten en, in voorkomend geval, de liquidatieautoriteiten van de verzekeringsondernemingen van de andere lidstaten.

  TITEL II. - Faillissement en andere liquidatieprocedures die op insolventie berusten

  HOOFDSTUK I. - Bevoegdheidsregeling en erkenning van buitenlandse maatregelen

  Art. 615.[1 De insolventierechtbank]1 is uitsluitend bevoegd om verzekeringsondernemingen naar Belgisch recht failliet te verklaren. Dit impliceert dat zij een verzekeringsonderneming die onder een buitenlands recht ressorteert, alsook haar in België gevestigde bijkantoren, niet failliet kan verklaren.
  ----------
  (1)<W 2019-05-02/25, art. 89, 010; Inwerkingtreding : 31-05-2019>

  Art. 616. Een liquidatieprocedure die is geopend door de liquidatieautoriteiten van een andere lidstaat ten aanzien van een verzekeringsonderneming die onder het recht van die lidstaat ressorteert, wordt zonder enige formaliteit erkend in België en heeft rechtswerking in België zodra ze rechtswerking heeft in de lidstaat waar ze is geopend.

  Art. 617. Een buitenlandse rechterlijke beslissing inzake een liquidatieprocedure die berust op insolventie van een verzekeringsonderneming die onder het recht van een derde land ressorteert, kan maar erkend worden en uitvoerbaar worden verklaard in België indien de volgende voorwaarden vervuld zijn:
  1° het recht inzake insolventieprocedures van het derde land garandeert dat de schuldeisers uit hoofde van verzekering die hun overeenkomst bij het Belgische bijkantoor hebben gesloten, gelijkwaardig worden behandeld als de schuldeisers uit hoofde van verzekering die hun overeenkomst bij de verzekeringsonderneming in het derde land hebben gesloten;
  2° het recht dat de insolventieprocedure in het derde land regelt, kent aan de schuldeisers uit hoofde van verzekering die hun overeenkomst bij het Belgische bijkantoor hebben gesloten, een gelijkwaardige bescherming toe als deze waarin de artikelen 643 en 644 voorzien.

  HOOFDSTUK II. - Verzekeringsondernemingen naar Belgisch recht

  Afdeling I. - Overleg en informatieverstrekking

  Art. 618.Onverminderd artikel 640 stelt [1 de insolventierechtbank]1 de Bank onverwijld in kennis van haar beslissing om een onderneming failliet te verklaren, alsmede van de concrete gevolgen van het faillissement; zij doet dit zo mogelijk vóór de faillietverklaring of anders onmiddellijk daarna. De Bank deelt deze informatie onverwijld en met alle dienstige middelen mee aan de FSMA en aan de toezichthouders van alle andere lidstaten.
  ----------
  (1)<W 2019-05-02/25, art. 91, 010; Inwerkingtreding : 31-05-2019>

  Art. 619.[1 De curator of curatoren die zijn aangesteld overeenkomstig artikel XX.104 van het Wetboek van economisch recht zorgen voor de bekendmaking bedoeld in artikel XX.107 van hetzelfde Wetboek, eveneens via publicatie van het uittreksel in het Publicatieblad van de Europese Unie.]1
  De bekendmaking vermeldt minstens:
  1° dat de liquidatieprocedure beheerst wordt door het Belgische recht;
  2° de gegevens van de bevoegde rechtbank en van de aangestelde curator.
  ----------
  (1)<W 2019-05-02/25, art. 92, 010; Inwerkingtreding : 31-05-2019>

  Art. 620.[1 Indien de schuldeisers aan wie een individuele kennisgeving wordt gericht als bedoeld in artikel XX.155 van het Wetboek van economisch recht, hun woonplaats of gewone verblijfplaats in een andere lidstaat hebben, wordt in het rondschrijven, naast de vermelding van de gegevens van het in artikel 619 bedoelde uittreksel, tevens meegedeeld dat de schuldeisers met een voorrecht of een zakelijke zekerheid verplicht zijn aangifte te doen van hun schuldvorderingen, en welke de gevolgen zijn van de niet-naleving van de termijnen die zijn vastgelegd in artikel XX.165 van het Wetboek van economisch recht.]1 In geval van schuldvorderingen uit hoofde van verzekering vermeldt het rondschrijven tevens welke de algemene gevolgen van de liquidatieprocedure voor de verzekeringsovereenkomsten zijn, inzonderheid de datum waarop de verzekeringsovereenkomsten of -verrichtingen geen effect meer sorteren, alsmede de rechten en verplichtingen van de verzekerde in verband met de overeenkomst of verrichting.
  Het rondschrijven als bedoeld in [1 artikel XX.155 van het Wetboek van economisch recht]1, dat is opgesteld in de taal van de procedure of, voor de schuldeisers uit hoofde van verzekering met gewone verblijfplaats, woonplaats of statutaire zetel in een andere lidstaat, in een officiële taal van die lidstaat, draagt in alle officiële talen van de Europese Unie het opschrift "Oproep tot indiening van schuldvorderingen. Termijnen".
  ----------
  (1)<W 2019-05-02/25, art. 93, 010; Inwerkingtreding : 31-05-2019>

  Afdeling II. - Procedurele aspecten en toepasselijk recht

  Art. 621. Het faillissement van verzekerings-ondernemingen naar Belgisch recht wordt beheerst door het Belgische recht, onder voorbehoud van de preciseringen en uitzonderingen die in deze wet zijn vastgesteld.

  Art. 622.§ 1. Schuldeisers met woonplaats of gewone verblijfplaats in een andere lidstaat kunnen aangifte doen van hun schuldvorderingen of hun opmerkingen indienen in een officiële taal van die lidstaat, met vermelding van het opschrift "Indiening van een schuldvordering" of "Indiening van opmerkingen betreffende een schuldvordering" in de taal van de procedure in België. [1 Artikel XX.156 van het Wetboek van economisch recht]1 is van toepassing. De overeenkomstig de artikelen 643 en 644 aan schuldvorderingen uit hoofde van verzekering verleende voorrang hoeft echter niet te worden vermeld.
  § 2. De schuldvorderingen van schuldeisers met woonplaats of gewone verblijfplaats in een andere lidstaat krijgen dezelfde behandeling en in het bijzonder dezelfde rang als soortgelijke schuldvorderingen die de schuldeisers met woonplaats of gewone verblijfplaats in België kunnen aangeven. Daartoe worden de schuldvorderingen van soortgelijke schuldeisers als gelijkwaardig beschouwd.
  Het eerste lid geldt ook voor schuldeisers met woonplaats of gewone verblijfplaats in een derde land, voor zover het recht dat in dat land van toepassing is, niet in de mogelijkheid voorziet om een insolventieprocedure te openen ten aanzien van de betrokken verzekeringsonderneming en de in België geopende procedure in dat land effect kan sorteren. Als dit niet het geval is, worden die schuldeisers voor de in België geopende procedure gelijkgesteld met chirografaire schuldeisers.
  ----------
  (1)<W 2019-05-02/25, art. 94, 010; Inwerkingtreding : 31-05-2019>

  Art. 623.[1 De curator of curatoren die zijn aangesteld overeenkomstig artikel XX.104 van het Wetboek van economisch recht houden de schuldeisers regelmatig op de hoogte van het verloop van de procedure, op de wijze die zij daartoe het meest geschikt achten.]1
  Op verzoek van de toezichthouders van de andere lidstaten deelt de Bank hen informatie mee over het verloop van de liquidatieprocedure. [1 De insolventierechtbank]1 houdt de Bank daartoe op de hoogte van het verloop van de procedure.
  ----------
  (1)<W 2019-05-02/25, art. 95, 010; Inwerkingtreding : 31-05-2019>

  HOOFDSTUK III. - Verzekeringsondernemingen die onder het recht van een derde land ressorteren

  Art. 624. Wanneer een verzekerings-onderneming die onder het recht van een derde land ressorteert, bijkantoren heeft in België en in andere lidstaten, beijveren de Bank, de liquidatieautoriteiten en de toezichthouders van die lidstaten zich om hun optreden te coördineren.

  TITEL III. - Liquidatieprocedures die niet op insolventie berusten betreffende verzekeringsondernemingen die onder het recht van een derde land ressorteren

  Art. 625. Indien de vergunning van een onderneming die onder het recht van een derde land ressorteert, wordt doorgehaald of herroepen of indien deze onderneming zelf afstand doet van de vergunning voor al haar verrichtingen in België, kan de Bank een liquidateur benoemen met als opdracht alle activa van de onderneming in België te gelde te maken en alle in België aangegane verbintenissen af te wikkelen.
  Onverminderd artikel 599 bepaalt de Koning op advies van de Bank de bevoegdheden en verplichtingen van die liquidateur.
  De kosten van de vereffening zijn ten laste van de betrokken onderneming.
  De bepalingen van dit artikel zijn niet van toepassing wanneer er ten aanzien van de verzekeringsonderneming die onder het recht van een derde land ressorteert, op het tijdstip van de herroeping van de vergunning, in dat land een liquidatieprocedure is geopend die op insolventie berust.

  Art. 626. § 1. Een beslissing tot vereffening die niet op insolventie berust, van een verzekeringsonderneming die onder het recht van een derde land ressorteert, kan maar erkend worden en uitvoerbaar worden verklaard in België indien de volgende voorwaarden vervuld zijn;
  1° het recht van het derde land dat de liquidatieprocedure regelt, garandeert dat de schuldeisers uit hoofde van verzekering die hun overeenkomst bij het Belgische bijkantoor hebben gesloten, gelijkwaardig worden behandeld als de schuldeisers uit hoofde van verzekering die hun overeenkomst bij de verzekeringsonderneming in het derde land hebben gesloten;
  2° het recht dat de liquidatieprocedure regelt in het derde land, kent aan de schuldeisers uit hoofde van verzekering die hun overeenkomst bij het Belgische bijkantoor hebben gesloten, een gelijkwaardige bescherming toe als deze waarin de artikelen 643 en 644 voorzien.
  § 2. Artikel 625 is niet van toepassing wanneer een liquidatieprocedure die niet berust op insolvabiliteit van een verzekeringsonderneming die onder het recht van een derde land ressorteert, in België wordt erkend en uitvoerbaar wordt verklaard overeenkomstig paragraaf 1.

  Art. 627. Wanneer een verzekeringsonderneming die onder het recht van een derde land ressorteert, bijkantoren heeft in België en in andere lidstaten, beijveren de Bank, de liquidatieautoriteiten en de toezichthouders van die lidstaten zich om hun optreden te coördineren. Ook de eventuele liquidateurs beijveren zich om hun optreden te coördineren.

  TITEL IV. - Vereffening van bijzondere vermogens

  Art. 628. § 1. Onverminderd artikel 631 en artikel 195, tweede lid, wordt de behandeling van activa als bedoeld in artikel 194 dat die bezwaard zijn met een zakelijk recht, bepaald door de Belgische wet als lex fori concursus.
  § 2. Onverminderd artikel 632 wordt de behandeling van activa als bedoeld in artikel 194 waarop een eigendomsvoorbehoud rust, bepaald door de Belgische wet als lex fori concursus.
  § 3. Onverminderd artikel 633 en de verplichting voor een verzekeringsonderneming om voor de waardering van haar activa als bedoeld in artikel 194, de schuldvorderingen op een derde te ramen na aftrek van de schulden jegens die derde, wordt de behandeling van dergelijke activa die het voorwerp uitmaken van een wettelijke of contractuele schuldvergelijking, bepaald door de Belgische wet als lex fori concursus.
  § 4. Voor de toepassing van dit artikel omvat de Belgische wet haar bepalingen inzake materieel recht die voortvloeien uit de omzetting van de Europese Richtlijnen die de in de paragrafen 1 tot 3 bedoelde aangelegenheden regelen.

  Art. 629. De samenstelling van de activa die op het tijdstip van de beslissing tot opening van een liquidatieprocedure zijn ingeschreven in de doorlopende inventaris overeenkomstig artikel 195, wordt daarna niet meer veranderd; in de doorlopende inventaris worden geen wijzigingen aangebracht, behalve voor de verbetering van zuiver materiële fouten, tenzij de liquidatieautoriteiten daarvoor toestemming geven.
  Onverminderd het eerste lid voegt de liquidateur aan de genoemde activa de kapitaalopbrengst ervan toe, alsmede het bedrag van het premie-incasso (zuivere premies) in het betrokken afzonderlijk beheer voor de periode tussen het tijdstip van opening van de liquidatieprocedure en het tijdstip van uitkering van de schuldvorderingen uit hoofde van verzekering, of tot het tijdstip van portefeuilleoverdracht.
  Indien de opbrengst van de te gelde gemaakte activa lager is dan het bedrag waarvoor zij in de doorlopende inventaris gewaardeerd zijn, dient de liquidateur die situatie te rechtvaardigen bij de Bank.

  TITEL V. - Gemeenschappelijke regels betreffende saneringsmaatregelen en liquidatieprocedures

  HOOFDSTUK I. - Uitzonderingen op en nuanceringen van de toepassing van het Belgische recht als procedurerecht

  Art. 630.In afwijking van de artikelen 610 en 621 worden de gevolgen van een saneringsmaatregel of een liquidatieprocedure voor:
  1° arbeidsovereenkomsten en arbeids-betrekkingen, uitsluitend beheerst door het recht van de lidstaat dat op de arbeidsovereenkomst of -betrekking van toepassing is;
  2° overeenkomsten die recht geven op het genot of de verkrijging van een onroerend goed, uitsluitend beheerst door het recht van de lidstaat op het grondgebied waarvan het onroerend goed gelegen is. Die wetgeving bepaalt of het goed roerend of onroerend is;
  3° de rechten van de verzekeringsonderneming op een onroerend goed, een schip of een luchtvaartuig die onderworpen zijn aan inschrijving in een openbaar register, beheerst door het recht van de lidstaat onder het gezag waarvan het register wordt bijgehouden;
  4° transacties op een buitenlandse gereglementeerde markt in de zin van artikel 2, 6°, van de wet van 2 augustus 2002 betreffende het toezicht op de financiële sector en de financiële diensten, uitsluitend beheerst door het recht dat op die markt van toepassing is;
  5° aanhangige rechtsgedingen betreffende een goed of recht waarover de verzekeringsonderneming het beheer en de beschikking heeft verloren, uitsluitend beheerst door het recht van de lidstaat waar het rechtsgeding aanhangig is.
  Op advies van de Bank kan de Koning de in het eerste lid, 4° bedoelde regel uitbreiden tot transacties op [1 mtf of otf bedoeld in de wet van 21 november 2017 over de infrastructuren voor de markten voor financiële instrumenten en houdende omzetting van richtlijn 2014/65/EU]1.
  ----------
  (1)<W 2017-11-21/08, art. 199, 004; Inwerkingtreding : 03-01-2018>

  Art. 631. § 1. Het treffen van saneringsmaatregelen of de opening van een faillissementsprocedure raakt niet aan het zakelijk recht van een schuldeiser of van een derde op materiële of immateriële, roerende of onroerende goederen - zowel bepaalde goederen als gehelen van onbepaalde goederen met wisselende samenstelling - die toebehoren aan de verzekeringsonderneming en die zich op het tijdstip waarop deze maatregelen worden getroffen of deze procedure wordt geopend, op het grondgebied van een andere lidstaat bevinden.
  § 2. Onder "rechten" in de zin van paragraaf 1 wordt met name verstaan:
  1° het recht een goed te gelde te maken of te gelde te laten maken en te worden voldaan uit de opbrengst van of de inkomsten uit dat goed, in het bijzonder op grond van een pand of een hypotheek;
  2° het exclusieve recht een schuldvordering te innen, met name door middel van een pandrecht op de schuldvordering of door de cessie van die schuldvordering tot zekerheid;
  3° het recht om het goed terug te eisen en/of de teruggave ervan te verlangen van eenieder die het tegen de wil van de rechthebbende in bezit of in gebruik heeft;
  4° het zakelijke recht om van een goed de vruchten te trekken.
  § 3. Met een zakelijk recht wordt gelijkgesteld, het in een openbaar register ingeschreven recht tot verkrijging van een zakelijk recht in de zin van paragraaf 1, dat aan derden kan worden tegengeworpen.

  Art. 632. Het treffen van saneringsmaatregelen of de opening van een faillissementsprocedure tegen een verzekeringsonderneming die een goed koopt, laat de op een eigendomsvoorbehoud berustende rechten van de verkoper onverlet wanneer dat goed zich, op het tijdstip waarop de maatregelen worden getroffen of de procedure wordt geopend, bevindt op het grondgebied van een andere lidstaat dan de lidstaat waar de maatregelen worden getroffen of de procedure wordt geopend.
  Het treffen van saneringsmaatregelen of de opening van een faillissementsprocedure tegen een verzekeringsonderneming die de hoedanigheid van verkoper heeft, nadat de levering van het verkochte goed heeft plaatsgevonden, is geen grond voor ontbinding of opzegging van de verkoop en belet de koper niet de eigendom van het gekochte goed te verkrijgen wanneer dit goed zich, op het tijdstip waarop de maatregelen worden getroffen of de procedure wordt geopend, bevindt op het grondgebied van een andere lidstaat dan de lidstaat waar de maatregelen worden getroffen of de procedure wordt geopend.

  Art. 633. Het treffen van saneringsmaatregelen of de opening van een faillissementsprocedure laat het recht van een schuldeiser op schuldvergelijking van zijn vordering met de vordering van de verzekeringsonderneming onverlet wanneer die schuldvergelijking is toegestaan door het recht dat op de vordering van de verzekeringsonderneming van toepassing is.

  Art. 634.Onverminderd artikel 630, eerste lid, 1°, tot 3°, en onder voorbehoud van artikel 635, doen de artikelen 631, § 1, 632 en 633 geen afbreuk aan de toepassing van [1 de artikelen XX.111 tot XX.114 van het Wetboek van economisch recht]1.
  Artikel 1167 van het Burgerlijk Wetboek en de artikelen 17 tot 20 van de faillissementswet van 8 augustus 1997 zijn niet van toepassing wanneer de begunstigde van een rechtshandeling als bedoeld in de genoemde bepalingen, het bewijs levert dat de rechtshandeling onderworpen is aan het recht van een lidstaat dat niet het Belgische recht is en dat dit recht in casu niet voorziet in de mogelijkheid om die rechtshandeling te betwisten.
  ----------
  (1)<W 2019-05-02/25, art. 96, 010; Inwerkingtreding : 31-05-2019>

  Art. 635.In afwijking van artikel 517, § 1, 1°, en 4° en [1 artikel XX.110 van het Wetboek van economisch recht, en niettegenstaande de artikelen XX.111 tot XX.114 van hetzelfde Wetboek]1, indien de verzekeringsonderneming na het treffen van een saneringsmaatregel of na de opening van een faillissementsprocedure, onder bezwarende titel beschikt over een onroerend goed, een schip of een luchtvaartuig dat onderworpen is aan inschrijving in een openbaar register, dan wel over financiële instrumenten waarvan het bestaan of de overdracht een inschrijving veronderstelt in een wettelijk voorgeschreven register of op een wettelijk voorgeschreven rekening, of die geplaatst zijn in een gecentraliseerd effectendepot dat door het recht van een lidstaat wordt beheerst, wordt de nietigheid of de niet-tegenwerpbaarheid van deze handeling beoordeeld op grond van het recht van de lidstaat op het grondgebied waarvan dat onroerend goed gelegen is of onder het gezag waarvan dat register, die rekening of dat effectendepot wordt bijgehouden.
  ----------
  (1)<W 2019-05-02/25, art. 97, 010; Inwerkingtreding : 31-05-2019>

  HOOFDSTUK II. - Informatieverstrekking

  Art. 636. Onverminderd de artikelen 610 en 615, wanneer de toezichthouders van de lidstaat van herkomst van een verzekeringsonderneming de Bank in kennis stellen van hun beslissing tot opening van een liquidatieprocedure of tot vaststelling van een saneringsmaatregel, stelt de Bank de FSMA hiervan in kennis. De Bank en de FSMA kunnen een bericht laten publiceren in het Belgisch Staatsblad en in twee dagbladen of periodieke uitgaven met regionale spreiding.
  Dat bericht bevat minstens een uittreksel uit die beslissing en vermeldt de autoriteiten die bevoegd zijn om een saneringsmaatregel te treffen of een liquidatieprocedure te openen, het recht dat deze maatregelen of procedures beheerst en, naargelang het geval, de aangewezen liquidateur of saneringscommissaris, en wordt bekendgemaakt in minstens één van de officiële talen in België.

  HOOFDSTUK III. - Saneringscommissarissen en liquidateurs

  Afdeling I. - Erkenning van buitenlandse maatregelen en procedures

  Art. 637. De benoeming van een saneringscommissaris of van een liquidateur door een autoriteit van een andere lidstaat, wordt aangetoond met een voor eensluidend gewaarmerkt afschrift van de beslissing tot benoeming of van ieder ander door die autoriteit opgesteld attest.
  Hoewel er geen legalisatie of soortgelijke formaliteit wordt verlangd, dient niettemin een vertaling te worden gemaakt van het in het eerste lid bedoelde document, in de taal of een van de talen van het taalgebied waar de saneringscommissaris of de liquidateur wil optreden.

  Art. 638. § 1. De saneringscommissarissen en de liquidateurs die aangesteld zijn door een autoriteit van een andere lidstaat kunnen in België alle bevoegdheden uitoefenen die zij gemachtigd zijn uit te oefenen op het grondgebied van die andere lidstaat.
  Hetzelfde geldt voor de personen die zij aanwijzen, overeenkomstig het recht van die lidstaat, om hen bij te staan of te vertegenwoordigen bij de afwikkeling van een saneringsmaatregel of een liquidatieprocedure.
  § 2. Bij de uitoefening van hun bevoegdheden in België leven de in paragraaf 1 bedoelde saneringscommissarissen en liquidateurs de Belgische wetgeving na, meer bepaald wat betreft de wijze waarop goederen te gelde worden gemaakt en het informeren van de werknemers. Deze bevoegdheden mogen noch de aanwending van dwangmiddelen behelzen, noch het recht om uitspraak te doen in gedingen of geschillen.
  § 3. De in paragraaf 1 bedoelde saneringscommissarissen en liquidateurs stellen de Kruispuntbank als bedoeld in artikel 3 van de wet van 16 januari 2003 tot oprichting van een Kruispuntbank van Ondernemingen, tot modernisering van het handelsregister, tot oprichting van erkende ondernemingsloketten en houdende diverse bepalingen, in kennis van de saneringsmaatregelen en de liquidatieprocedures waartoe is beslist door een autoriteit van een andere lidstaat, opdat ze worden ingeschreven.

  Afdeling II. - Belgische saneringscommissarissen en liquidateurs

  Art. 639.De curator of curators die aangesteld is of zijn overeenkomstig [1 artikel XX.104 van het Wetboek van economisch recht]1 nemen alle nodige maatregelen om de inschrijving van een liquidatieprocedure in een openbaar register van een andere lidstaat die krachtens de wetgeving van die lidstaat verplicht gesteld is, te waarborgen.
  De kosten die voortvloeien uit een inschrijving in een openbaar register van een andere lidstaat worden beschouwd als kosten met betrekking tot de procedure, ongeacht of de inschrijving verplicht is of geschiedt op initiatief van de in het eerste lid bedoelde personen.
  ----------
  (1)<W 2019-05-02/25, art. 98, 010; Inwerkingtreding : 31-05-2019>

  BOEK VII. - MATERIEELRECHTELIJKE ASPECTEN VAN LIQUIDATIEPROCEDURES

  TITEL I. - Bijzondere regels in geval van een faillissementsprocedure

  Art. 640.§ 1. Behalve wanneer er een dagvaarding wordt verricht met toepassing van artikel 549, eerste lid, kan de opening van een faillissementsprocedure [1 ...]1 tegen een verzekerings- of herverzekeringsonderneming enkel worden uitgesproken na eensluidend advies van de Bank.
  § 2. Het verzoek om advies wordt schriftelijk aan de Bank gericht. Bij dit verzoek worden de nodige documenten ter informatie gevoegd.
  De Bank brengt haar advies uit binnen vijftien dagen na de ontvangst van het verzoek om advies. Ingeval een procedure betrekking heeft op een verzekerings- of herverzekeringsonderneming waarvan de Bank vermoedt dat er zich belangrijke verwikkelingen kunnen voordoen op het vlak van het systeemrisico of waarvoor een voorafgaande coördinatie met buitenlandse autoriteiten vereist is, beschikt de Bank over een ruimere termijn om haar advies uit te brengen, met dien verstande dat de totale termijn niet meer dan dertig dagen mag bedragen. Indien de Bank van oordeel is dat zij gebruik moet maken van deze uitzonderlijke termijn, brengt zij dit ter kennis van de rechterlijke instantie die een uitspraak moet doen. De termijn waarover de Bank beschikt om een advies uit te brengen, schorst de termijn waarbinnen de rechterlijke instantie uitspraak moet doen. Indien de Bank geen advies verstrekt binnen de vastgestelde termijn, kan [1 de insolventierechtbank]1 uitspraak doen.
  De Bank verstrekt haar advies schriftelijk. Het wordt door ongeacht welk middel bezorgd aan de griffier, die het doorgeeft aan de voorzitter van [1 de insolventierechtbank]1 en aan de procureur des Konings. Het advies wordt toegevoegd aan het dossier.
  ----------
  (1)<W 2019-05-02/25, art. 99, 010; Inwerkingtreding : 31-05-2019>

  Art. 641.[1 De curator of curatoren bedoeld in artikel XX.122, § 1, van het Wetboek van economisch recht, evenals de personen die als curator zijn toegevoegd met toepassing van hetzelfde artikel XX.122, § 2, worden aangewezen op advies van de Bank.]1
  ----------
  (1)<W 2019-05-02/25, art. 100, 010; Inwerkingtreding : 31-05-2019>

  TITEL II. - Bijzondere regels in geval van een liquidatieprocedure in de zin van artikel 183 van het Wetboek van Vennootschappen

  Art. 642. § 1. Behalve in geval van ontbinding van rechtswege met toepassing van artikel 542, is voor de ontbinding van een verzekerings- of herverzekeringsonderneming, ongeacht of deze vrijwillig of gerechtelijk geschiedt en de daaropvolgende vereffening in de zin van het Wetboek van Vennootschappen, het eensluidend advies van de Bank vereist.
  Alvorens uitspraak te doen over een in het Wetboek van Vennootschappen vastgelegde grond tot gerechtelijke ontbinding van een verzekerings- of herverzekeringsonderneming, richt de rechtbank van koophandel een verzoek om advies aan de Bank volgens de procedure van artikel 640, § 2.
  § 2. Bij vrijwillige of gerechtelijke ontbinding of ontbinding met toepassing van artikel 542 van de verzekerings- of herverzekeringsonderneming, kan de liquidateur, die aangewezen wordt overeenkomstig de statutaire of wettelijke regels, slechts worden benoemd met goedkeuring van de Bank.
  Onverminderd de wettelijke bepalingen die van toepassing zijn op de handelsvennootschappen en onverminderd artikel 545, bepaalt de Koning op advies van de Bank de bevoegdheden en verplichtingen van de liquidateur, in het bijzonder wat de vereffening betreft van de schuldvorderingen uit hoofde van verzekering. De liquidateur moet in elk geval voldoen aan verzoeken om informatie van de Bank en moet de Bank ook uit eigen beweging inlichten over het verloop van zijn opdracht.
  § 3. De Bank stelt de toezichthouders van alle andere lidstaten en, indien het om een verzekeringsonderneming gaat, de FSMA, onverwijld in kennis van elke ontbinding, alsmede van de mogelijke concrete gevolgen ervan.

  TITEL III. - Gemeenschappelijke bepalingen betreffende de verschillende liquidatieprocedures en andere gevallen van samenloop

  Art. 643. De gezamenlijke activa als bedoeld in artikel 194 vormen per afzonderlijk beheer als bedoeld in artikel 230 een bijzonder vermogen dat is voorbehouden ter nakoming van de verbintenissen tegenover de verzekeringnemers, verzekerden of verzekeringsbegunstigden die onder dat beheer vallen, bij absolute voorrang ten opzichte van alle andere schuldvorderingen op de verzekeringsonderneming
  Het bijzonder vermogen van elk afzonderlijk beheer bestaat uit de inhoud van de bij artikel 195 voorgeschreven doorlopende inventaris.

  Art. 644. Elke vereffening van bijzondere vermogens moet rekening houden met de rechten van de schuldeisers uit hoofde van verzekering, met de in het tweede lid bedoelde schuldeisers en met de gelijkheid van alle schuldeisers van eenzelfde rang.
  In afwijking van artikel 643, eerste lid, mag de liquidateur op ieder bijzonder vermogen voorafneming doen van zijn bezoldiging en die van zijn personeel en van alle andere vereffeningskosten, voor zover deze kosten de vereffening van dit vermogen ten goede komen.
  Indien er na de vereffening van een bijzonder vermogen een positief saldo overblijft, wordt dit saldo verdeeld over de andere bijzondere vermogens naar rato van de tekorten van die bijzondere vermogens.
  Indien er na de vereffening van alle bijzondere vermogens nog een beschikbaar saldo overblijft, wordt dit toegewezen aan de massa van de schuldeisers.
  Indien de bijzondere vermogens ontoereikend zijn om de schuldeisers uit hoofde van verzekering volledig schadeloos te stellen, behouden dezen voor het overige een bevoorrechte schuldvordering op de onderneming. Dit voorrecht is algemeen; de bijzondere voorrechten en de algemene voorrechten van werknemers, van de Schatkist en van socialezekerheidsinstellingen en sociale verzekeraars, evenals de uitoefening van zakelijke rechten gaan erboven.

  BOEK VIII. - SLOT-, WIJZIGINGS-, OVERGANGS- EN OPHEFFINGSBEPALINGEN

  TITEL I. - Overgangsbepalingen

  Art. 645. De verzekeringsondernemingen die op de datum van inwerkingtreding van deze wet zijn opgenomen in de lijst van de verzekeringsondernemingen als bedoeld in artikel 4 van de wet van 9 juli 1975 betreffende de controle der verzekeringsondernemingen, verkrijgen voor de toepassing van deze wet van rechtswege een vergunning in die hoedanigheid.
  De verzekeringsondernemingen die onder het recht van een lidstaat ressorteren en die opgenomen zijn in de lijsten bedoeld in artikel 66 van de wet van 9 juli 1975 betreffende de controle der verzekeringsondernemingen, worden van rechtswege opgenomen, naargelang van het geval, in de lijst bedoeld in artikel 555 of 561.

  Art. 646. § 1. De verzekeringsondernemingen bedoeld in artikel 275 die hun activiteiten uitoefenden op de datum van inwerkingtreding van deze wet, worden voorlopig opgenomen in de lijst bedoeld in artikel 275, § 2, vijfde lid.
  Deze ondernemingen beschikken over een termijn van vier maanden vanaf de inwerkingtreding van deze wet om aan de Bank de in artikel 275, § 2, bedoelde inschrijvingsaanvraag te richten.
  § 2. De in artikel 276 bedoelde verzekeringsondernemingen beschikken over een termijn van een jaar te rekenen vanaf de inwerkingtreding van deze wet om te voldoen aan de bepalingen van de artikelen 276 tot 293.
  § 3. De lokale verzekeringsondernemingen bedoeld in artikel 294 die hun activiteiten uitoefenden op de datum van inwerkingtreding van deze wet, worden voorlopig opgenomen in de lijst bedoeld in artikel 296.
  Deze ondernemingen beschikken over een termijn van vier maanden vanaf de inwerkingtreding van deze wet om aan de Bank de in artikel 296 bedoelde inschrijvingsaanvraag te richten.

  Art. 647. § 1. De koninklijk besluiten, de reglementen van de Bank en alle andere handelingen van reglementaire aard die ter uitvoering van de wet van 9 juli 1975 betreffende de controle der verzekeringsondernemingen zijn vastgesteld, blijven van toepassing in de mate dat de bepalingen van deze wet voorzien in de algemene of specifieke juridische machtigingen die nodig zijn voor deze reglementaire handelingen zijn en dat hun inhoud niet in strijd is met deze wet.
  § 2. De machtigingen en afwijkingen die door de Bank zijn verleend en alle handelingen met individuele draagwijdte die eerder zijn vastgesteld op grond van de wet van 9 juli 1975 betreffende de controle der verzekeringsondernemingen of van de reglementaire handelingen die ter uitvoering ervan zijn vastgesteld, blijven geldig, tenzij zij overeenkomstig deze wet worden herroepen of gewijzigd.

  Art. 648. De herverzekeringsondernemingen die op de datum van inwerkingtreding van deze wet zijn opgenomen in de lijst van de herverzekeringsondernemingen als bedoeld in artikel 11 van de wet van 16 februari 2009 op het herverzekeringsbedrijf, verkrijgen voor de toepassing van deze wet van rechtswege een vergunning in die hoedanigheid.

  Art. 649. De verzekeringsondernemingen die op de datum van inwerkingtreding van deze wet zijn opgenomen in de lijst van de verzekeringsondernemingen als bedoeld in artikel 4 van de wet van 9 juli 1975 betreffende de controle der verzekeringsondernemingen en die op diezelfde datum een herverzekeringsactiviteit uitoefenden, verkrijgen voor de toepassing van deze wet van rechtswege een vergunning als herverzekeringsonderneming.

  Art. 650. § 1. De koninklijke besluiten, de reglementen van de Bank en alle andere handelingen van reglementaire aard die ter uitvoering van de wet van 16 februari 2009 op het herverzekeringsbedrijf zijn vastgesteld, blijven van toepassing in de mate dat de bepalingen van deze wet voorzien in de algemene of specifieke juridische machtigingen die nodig zijn voor deze reglementaire handelingen en dat hun inhoud niet in strijd is met deze wet.
  § 2. De machtigingen en afwijkingen die door de Bank zijn verleend en alle handelingen met individuele draagwijdte die eerder zijn vastgesteld op grond van de wet van 16 februari 2009 op het herverzekeringsbedrijf of van de reglementaire handelingen die ter uitvoering ervan zijn vastgesteld, blijven geldig, tenzij zij overeenkomstig deze wet worden herroepen of gewijzigd.

  Art. 651. In afwijking van artikel 40, § 1, eerste lid, mogen de rechtspersonen die op 7 mei 2014 een functie uitoefenden van lid van het wettelijk bestuursorgaan van een verzekerings- of herverzekeringsonderneming, hun lopend mandaat blijven uitoefenen tot het verstrijkt. Tot het verstrijken van de in dit artikel bedoelde mandaten is artikel 40, § 1, tweede lid, van toepassing op de vaste vertegenwoordiger van de rechtspersoon.

  Art. 652. § 1. In afwijking van de artikelen 48, 50 en 51 beschikken de verzekerings- of herverzekeringsondernemingen over een termijn van zes maanden vanaf de inwerkingtreding van deze wet om te voldoen aan de verplichting tot oprichting van een remuneratiecomité en een risicocomité.
  § 2. In afwijking van artikel 56, beschikken de verzekerings- of herverzekeringsondernemingen over een termijn van zes maanden vanaf de inwerkingtreding van deze wet om te voldoen aan de verplichting tot oprichting van een risicobeheerfunctie in overeenstemming met het genoemde artikel 56.
  § 3. De leningen, kredieten, waarborgen of verzekeringsovereenkomsten die vóór de inwerkingtreding van deze wet zijn verstrekt en die niet in overeenstemming zijn met het bepaalde in artikel 93, moeten uiterlijk op 30 juni 2016 worden beëindigd.

  Art. 653. In afwijking van artikel 96, § 4, hoeft de kapitaalopslagfactor of het effect van de specifieke parameters die de verzekerings- of herverzekeringsonderneming krachtens artikel 166 moet hanteren, niet apart bekendgemaakt te worden gedurende een overgangsperiode die op 31 december 2020 verstrijkt, ook al wordt het totale solvabiliteitskapitaalvereiste als bedoeld in artikel 96, § 1, 5°, b), bekendgemaakt.

  Art. 654. § 1. Tot 31 december 2017 passen de verzekerings- of herverzekeringsondernemingen de in artikel 189, § 3, bedoelde percentages uitsluitend toe op het solvabiliteitskapitaalvereiste van de onderneming als berekend volgens de standaardformule bedoeld in de artikelen 153 tot 166.
  § 2. In afwijking van de artikelen 511 en 541 beschikken de verzekerings- of herverzekeringsondernemingen die op 31 december 2015 voldoen aan de vereiste solvabiliteitsmarge die door of krachtens de wet van 9 juli 1975 betreffende de controle der verzekeringsondernemingen of door of krachtens de wet van 16 februari 2009 op het herverzekeringsbedrijf is vastgelegd, en die op de datum van inwerkingtreding van deze wet niet over voldoende in aanmerking komend kernvermogen ter dekking van het minimumkapitaalvereiste beschikken, over een termijn die eindigt op 31 december 2016 om te voldoen aan artikel 75.
  Indien een onderneming bij het verstrijken van de in het eerste lid genoemde termijn niet over voldoende in aanmerking komend kernvermogen ter dekking van het minimumkapitaalvereiste beschikt, wordt haar vergunning met toepassing van artikel 517, § 1, 8° ingetrokken.

  Art. 655. Zolang de maximale referentierentevoeten voor levensverzekerings-verrichtingen niet zijn vastgesteld met toepassing van artikel 216, blijven de met toepassing van artikel 19, §§ 2, en 3, van de wet van juli 1975 betreffende de controle der verzekeringsondernemingen of artikel 24 van het koninklijk besluit van 14 november 2003 betreffende de levensverzekeringsactiviteit vastgestelde maximale correlatieve rentevoeten van toepassing.

  Art. 656. In afwijking van artikel 224, tweede lid, maar onverminderd de artikelen 224, derde lid, en 225 tot 229, mogen de in artikel 223 bedoelde ondernemingen die eveneens herverzekeringsactiviteiten "leven" en "niet-leven" uitoefenen, tot 31 december 2019, al deze herverzekeringsactiviteiten samen beheren met hetzij hun levensverzekeringsactiviteiten, hetzij hun niet-levensverzekeringsactiviteiten.
  De Bank trekt het voordeel van de toepassing van het eerste lid in wanneer de verzekeringsonderneming niet voldoet aan de vereisten van artikel 224, derde lid.

  Art. 657. De onderlinge verzekeringsverenigingen als bedoeld in artikel 244 gaan uiterlijk op 31 december 2017 over tot de formele aanpassing van hun statuten en verzekeringsovereenkomsten en van alle voor het publiek bestemde documenten, voor wat de vermelding van hun rechtsvorm betreft.

  Art. 658. In afwijking van artikel 538, §§ 1, 2, 3 en 5 en van artikel 545, zijn de verzekerings- of herverzekeringsondernemingen die op 1 januari 2016, zonder in vereffening te zijn in de zin van de artikelen 183 en volgende van het Wetboek van Vennootschappen, het sluiten van nieuwe overeenkomsten hebben gestaakt en uitsluitend hun bestaande portefeuille beheren met het oog op de beëindiging van hun activiteit, zijn vrijgesteld van de toepassing van de bepalingen van Boek II van deze wet indien aan alle volgende voorwaarden is voldaan:
  1° de onderneming heeft de Bank ervan verzekerd dat zij haar lopende activiteiten tegen 1 januari 2019 zal beëindigen of zij is onderworpen aan saneringsmaatregelen en er is met toepassing van artikel 517, § 1, 2° een voorlopige bestuurder of zaakvoerder aangewezen;
  2° de onderneming maakt geen deel uit van een groep, tenzij alle ondernemingen van de groep hun activiteiten hebben beëindigd overeenkomstig dit artikel of de nationale bepalingen tot omzetting van artikel 308ter, leden 1 tot 3 van Richtlijn 2009/138/EG;
  3° de onderneming stelt de Bank uiterlijk op 15 januari 2016 in kennis van haar voornemen om de bepalingen van dit artikel toe te passen;
  4° de onderneming dient bij de Bank een plan in waarin wordt aangegeven hoe de onderneming haar verplichtingen zal afwikkelen.
  De Bank trekt het voordeel van de bepalingen van dit artikel in:
  - op 1 januari 2019, voor de ondernemingen die zich ertoe verbonden hebben hun activiteiten op die datum te beëindigen;
  - op 1 januari 2021, voor de ondernemingen die onderworpen zijn aan saneringsmaatregelen;
  of op een eerdere datum indien de Bank van mening is dat de onderneming onvoldoende vooruitgang heeft geboekt met het beëindigen van haar activiteit.
  Bij gebreke van plan als bedoeld in het eerste lid, 4°, of wanneer zij van mening is dat dit plan onvoldoende waarborgen biedt voor de bescherming van de schuldeisers uit hoofde van verzekering en herverzekering, kan de Bank alle ondersteunende maatregelen nemen voor een correcte afwikkeling van de verzekerings- en herverzekeringsverplichtingen van de onderneming en met name alle maatregelen om de rechten van de schuldeisers uit hoofde van verzekering en herverzekering te vrijwaren. Deze maatregelen omvatten ook de maatregelen vastgesteld in de artikelen 504 tot 517, 546 en 547.
  De in dit artikel bedoelde verzekerings- of herverzekeringsondernemingen verstrekken aan de Bank jaarlijks een geactualiseerde versie van het plan bedoeld in het eerste lid, 4°. Bovendien bepaalt de Bank geval per geval de inhoud van het geactualiseerde plan.

  Art. 659. § 1. Gedurende een periode van ten hoogste vier jaar vanaf 1 januari 2016, wordt de maximumtermijn waarbinnen de verzekerings- of herverzekeringsondernemingen de in artikel 312 bedoelde informatie jaarlijks of minder frequent moeten verstrekken, vastgesteld op twintig weken vanaf de afsluiting van het boekjaar van de onderneming, dat tussen 30 juni 2016 en 1 januari 2017 eindigt. Deze termijn wordt elk boekjaar met twee weken verkort en wordt vastgesteld op veertien weken vanaf de afsluiting van het boekjaar van de onderneming dat tussen 30 juni 2019 en 1 januari 2020 eindigt.
  § 2. Gedurende een periode van ten hoogste vier jaar vanaf 1 januari 2016, wordt de maximumtermijn waarbinnen de verzekerings- of herverzekeringsondernemingen de in artikel 312 bedoelde informatie op kwartaalbasis moeten verstrekken, vastgesteld op acht weken vanaf elk kwartaal dat tussen 1 januari 2016 en 1 januari 2017 eindigt. Deze termijn wordt elk boekjaar met een week verkort en wordt vastgesteld op vijf weken vanaf elk kwartaal dat tussen 30 juni 2019 en 1 januari 2020 eindigt.

  Art. 660. Gedurende een periode van ten hoogste vier jaar vanaf 1 januari 2016, wordt de maximumtermijn waarbinnen de verzekerings- of herverzekeringsondernemingen de in de artikelen 95 en 96 bedoelde informatie moeten verstrekken, vastgesteld op twintig weken vanaf de afsluiting van het boekjaar van de onderneming dat tussen 30 juni 2016 en 1 januari 2017 eindigt. Deze termijn wordt elk boekjaar met twee weken verkort en wordt vastgesteld op veertien weken vanaf de afsluiting van het boekjaar van de onderneming dat tussen 30 juni 2019 en 1 januari 2020 eindigt.

  Art. 661. Voor wat betreft de in de artikelen 93, 94 en 307 vervatte informatieverplichtingen zijn de artikelen 659 en 660 van overeenkomstige toepassing op deelnemende verzekerings- of herverzekeringsondernemingen, verzekeringsholdings en gemengde financiële holdings, met dien verstande dat de in de artikelen 659 en 660 bedoelde termijnen telkens met zes weken worden verlengd.

  Art. 662. § 1er. Niettegenstaande artikel 147 worden kernvermogensbestanddelen gedurende ten hoogste tien jaar na 1 januari 2016 tot het in Tier 1 ingedeelde kernvermogen gerekend, indien die bestanddelen:
  1° zijn uitgegeven vóór 18 januari 2015;
  2° op 31 december 2015 konden worden gebruikt, rekening houdend met hun kenmerken, om aan ten hoogste 50 % van de voorgeschreven beschikbare solvabiliteitsmarge te voldoen, overeenkomstig de bepalingen van de wet van 9 juli 1975 betreffende de controle der verzekeringsondernemingen of de wet van 16 februari 2009 op het herverzekeringsbedrijf en hun uitvoeringsbesluiten en -reglementen;
  § 2. De in paragraaf 1 bedoelde vrijstelling geldt niet voor kernvermogensbestanddelen die met toepassing van artikel 147 in Tier 2 kunnen worden ingedeeld.

  Art. 663. § 1. In afwijking van artikel 147 worden kernvermogensbestanddelen gedurende ten hoogste tien jaar na 1 januari 2016 tot het in Tier 2 ingedeelde kernvermogen gerekend, indien die bestanddelen:
  1° zijn uitgegeven vóór 18 januari 2015;
  2° op 31 december 2015 konden worden gebruikt, rekening houdend met hun kenmerken, om aan ten hoogste 25 % van de voorgeschreven beschikbare solvabiliteitsmarge te voldoen, overeenkomstig de bepalingen van de wet van 9 juli 1975 betreffende de controle der verzekeringsondernemingen of de wet van 16 februari 2009 op het herverzekeringsbedrijf en hun uitvoeringsbesluiten en -reglementen.

  Art. 664. Op de verzekerings- of herverzekeringsondernemingen die beleggen in verhandelbare effecten of in andere op herverpakte leningen gebaseerde financiële instrumenten die vóór 1 januari 2011 zijn uitgegeven, zijn de vereisten van Verordening 2015/35 slechts van toepassing indien er na 31 december 2014 nieuwe onderliggende vorderingen werden toegevoegd of bestaande onderliggende vorderingen werden vervangen.

  Art. 665. Niettegenstaande artikel 74, artikel 151, § 2, tweede lid, en § 3, en artikel 154 zijn de volgende regels van toepassing:
  1° tot en met 31 december 2017 zijn de standaardparameters die moeten worden gebruikt bij de berekening van de submodule "concentratierisico" en de submodule "spreadrisico - spread risk" volgens de standaardformule, dezelfde voor vorderingen op de centrale overheden of de centrale banken van de lidstaten die uitgedrukt en gefinancierd zijn in de nationale munteenheid van een lidstaat, als voor dergelijke vorderingen die uitgedrukt en gefinancierd zijn in euro;
  2° in 2018 worden de standaardparameters die moeten worden gebruikt bij de berekening van de submodule "concentratierisico" en de submodule "spreadrisico - spread risk" volgens de standaardformule, met 80 % verminderd voor vorderingen op de centrale overheden of de centrale banken van de lidstaten die uitgedrukt en gefinancierd zijn in de nationale munteenheid van een lidstaat;
  3° in 2019 worden de standaardparameters die moeten worden gebruikt bij de berekening van de submodule "concentratierisico" en de submodule "spreadrisico - spread risk" volgens de standaardformule, met 50 % verminderd voor vorderingen op de centrale overheden of de centrale banken van de lidstaten die uitgedrukt en gefinancierd zijn in de nationale munteenheid van een lidstaat;
  4° met ingang van 1 januari 2020 worden de standaardparameters die moeten worden gebruikt bij de berekening van de submodule "concentratierisico" en de submodule "spreadrisico" volgens de standaardformule, niet verminderd voor vorderingen op de centrale overheden en de centrale banken van de lidstaten die uitgedrukt en gefinancierd zijn in de nationale munteenheid van een andere lidstaat.

  Art. 666. Niettegenstaande artikel 74, artikel 151, § 2, tweede lid en § 3, en artikel 154 worden de standaardparameters die moeten worden gebruikt voor aandelen die uiterlijk op 1 januari 2016 door de onderneming zijn verworven, wanneer de submodule "aandelenrisico" wordt berekend volgens de standaardformule zonder gebruik te maken van de in artikel 162 beschreven mogelijkheid, berekend als het gewogen gemiddelde van:
  a) de standaardparameter die moet worden gebruikt bij de berekening van de submodule "aandelenrisico" overeenkomstig artikel 162; en
  b) de standaardparameter die moet worden gebruikt wanneer de submodule "aandelenrisico" wordt berekend volgens de standaardformule zonder gebruik te maken van de in artikel 162 beschreven mogelijkheid.
  Het gewicht van de in het eerste lid, b), bedoelde parameter neemt aan het eind van elk jaar ten minste lineair toe van 0 % in het jaar dat aanvangt op 1 januari 2016 tot 100 % op 1 januari 2023.

  Art. 667. Wanneer de verzekerings- of herverzekeringsondernemingen die voldeden aan de vereiste solvabiliteitsmarge als bedoeld in de wet van 9 juli 1975 betreffende de controle der verzekeringsondernemingen of de wet van 16 februari 2009 op het herverzekeringsbedrijf en hun uitvoeringsbesluiten en -reglementen, maar in het eerste jaar van toepassing van deze wet niet voldoen aan het solvabiliteitskapitaalvereiste, eist de Bank, niettegenstaande artikel 510, §§ 1 en 2 en onverminderd paragraaf 3 van het genoemde artikel, dat de betrokken verzekerings- of herverzekeringsonderneming de nodige maatregelen treft om uiterlijk op 31 december 2017 het in aanmerking komend eigen vermogen ter dekking van het solvabiliteitskapitaalvereiste op peil te brengen of haar risicoprofiel zodanig te verlagen dat wordt voldaan aan het solvabiliteitskapitaalvereiste.
  De betrokken verzekerings- of herverzekeringsonderneming dient om de drie maanden een tussentijds verslag in bij de Bank waarin wordt aangegeven welke maatregelen er zijn getroffen en welke vooruitgang er is geboekt om het in aanmerking komend eigen vermogen ter dekking van het solvabiliteitskapitaalvereiste op peil te brengen of haar risicoprofiel zodanig te verlagen dat wordt voldaan aan het solvabiliteitskapitaalvereiste.
  De in het eerste lid bedoelde verlenging wordt ingetrokken wanneer uit het tussentijds verslag blijkt dat er geen duidelijke vooruitgang is geboekt door de onderneming bij het weer op peil brengen van het in aanmerking komend eigen vermogen ter dekking van het solvabiliteitskapitaalvereiste of bij het zodanig verlagen van het risicoprofiel dat weer wordt voldaan aan het solvabiliteitskapitaalvereiste, tussen de datum waarop is vastgesteld dat niet meer werd voldaan aan het solvabiliteitskapitaalvereiste en de datum van indiening van het tussentijds verslag.

  Art. 668. § 1. In afwijking van de artikelen 126 tot 131 kan de Bank toestaan dat de verzekerings- of herverzekeringsondernemingen bij wijze van overgangsmaatregel een uitzonderingsregeling toepassen op de relevante risicovrije rentetermijnstructuur voor levensverzekerings- en -herverzekeringsverplichtingen die voldoen aan de volgende voorwaarden:
  1° de verzekerings- of herverzekerings-verplichtingen die voortvloeien uit overeenkomsten die vóór 1 januari 2016 zijn gesloten, met uitzondering van de verlengingen van overeenkomsten vanaf die datum;
  2° tot 1 januari 2016 zijn de technische voorzieningen voor de verzekerings- en herverzekeringsverplichtingen vastgesteld overeenkomstig de bepalingen van de wet van 9 juli 1975 betreffende de controle der verzekeringsondernemingen of de wet van 16 februari 2009 op het herverzekeringsbedrijf en hun uitvoeringsbesluiten en -reglementen;
  3° de in artikel 129 bedoelde matchingopslag wordt niet op de verzekerings- en herverzekeringsverplichtingen toegepast.
  § 2. De in paragraaf 1 bedoelde uitzonderingsregeling die bij wijze van overgangsmaatregel wordt toegepast, maakt het mogelijk om de matchingopslag voor elke valuta te berekenen als een deel van het verschil tussen:
  1° de rentevoet die de verzekerings- of herverzekeringsovereenkomst op 31 december 2015 heeft vastgesteld overeenkomstig de bepalingen van de wet van 9 juli 1975 betreffende de controle der verzekeringsondernemingen of de wet van 16 februari 2009 op het herverzekeringsbedrijf en hun uitvoeringsbesluiten en -reglementen; en
  2° de jaarlijkse effectieve rente, berekend als de unieke discontovoet die, wanneer hij wordt toegepast op de kasstromen uit de portefeuille van verzekerings- en herverzekeringsverplichtingen die voldoen aan de voorwaarden van paragraaf 1, resulteert in een waarde die gelijk is aan de waarde van de beste schatting van de portefeuille van die verzekerings- en herverzekeringsverplichtingen met inachtneming van de tijdswaarde van geld en met gebruikmaking van de relevante risicovrije rentetermijnstructuur als bedoeld in artikel 126, § 2.
  Wanneer de verzekerings- of herverzekeringsondernemingen de volatiliteitsaanpassing als bedoeld in artikel 131 toepassen, is de in het eerste lid, 2° bedoelde risicovrije rentetermijnstructuur de in artikel 131 bedoelde risicovrije rentetermijnstructuur.
  Indien de Bank haar toestemming verleent overeenkomstig paragraaf 3, neemt het in het eerste lid bedoelde deel aan het eind van elk jaar lineair af van 100 % in het jaar dat aanvangt op 1 januari 2016 tot 0 % op 1 januari 2032.
  § 3. De toestemming van de Bank als bedoeld in paragraaf 1, eerste lid, kan maar worden gegeven indien de onderneming aantoont, op basis van een dossier waarvan de Bank de inhoud bepaalt, dat zij op grond van geloofwaardige prognoses met betrekking tot de marktomstandigheden en haar risicotolerantielimieten, in staat is om gedurende de volledige overgangsperiode te voldoen aan de solvabiliteitsvereisten, rekening houdend met de toepassing van de regels inzake lineaire vermindering als bedoeld in paragraaf 2, derde lid.
  De Bank bevestigt de ontvangst van het dossier bedoeld in het eerste lid en laat de onderneming binnen vijftien dagen na ontvangst van het dossier weten dat het dossier volledig is en onderzocht kan worden, of dat zij aanvullende informatie nodig heeft.
  De Bank spreekt zich uit over het verzoek om toestemming binnen twee maanden na de indiening van een volledig dossier en uiterlijk binnen drie maanden na ontvangst van het verzoek.
  § 4. Naast het vereiste van artikel 670, gelden voor de verzekerings- of herverzekeringsondernemingen die overeenkomstig dit artikel bij wijze van overgangsmaatregel de uitzonderingsregeling toepassen op de relevante risicovrije rentetermijnstructuur de volgende vereisten:
  - zij tellen de toelaatbare verzekerings- en herverzekeringsverplichtingen niet mee bij de berekening van de volatiliteitsaanpassing als bedoeld in artikel 131;
  - zij vermelden in hun verslag over hun solvabiliteit en financiële positie als bedoeld in de artikelen 95 en 96 dat zij de overgangs-risicovrije rentetermijnstructuur toepassen en kwantificeren het effect dat het niet toepassen van die overgangsmaatregel zou hebben op hun financiële positie.

  Art. 669. § 1. In afwijking van de artikelen 124 tot 139 kan de Bank toestaan dat de verzekerings- of herverzekeringsondernemingen bij wijze van overgangsmaatregel een aftrek toepassen op hun technische voorzieningen met betrekking tot de op 1 januari 2016 bestaande verzekerings- of herverzekeringsverplichtingen. Die aftrek kan worden toegepast op het niveau van homogene risicogroepen als bedoeld in artikel 135.
  De aftrek bedoeld in het eerste lid komt overeen met het verschil tussen
  1° het bedrag van de technische voorzieningen na aftrek van de schuldvorderingen die voortvloeien uit herverzekerings-overeenkomsten en effectiseringsvehikels, berekend op 1 januari 2016 met toepassing van de artikelen 124 tot 139, en
  2° het bedrag van de technische voorzieningen na aftrek van de schuldvorderingen die voortvloeien uit herverzekerings-overeenkomsten, berekend met toepassing van de bepalingen van de wet van 9 juli 1975 betreffende de controle der verzekeringsondernemingen of de wet van 16 februari 2009 op het herverzekeringsbedrijf en hun uitvoeringsbesluiten- en reglementen.
  Wanneer de verzekerings- of herverzekeringsondernemingen gebruikmaken van artikel 131, wordt het bedrag bedoeld in het tweede lid, 1°, berekend met de volatiliteitsaanpassing op 1 januari 2016.
  Indien de Bank haar toestemming verleent overeenkomstig paragraaf 2, neemt het maximale aftrekbare deel van de technische voorzieningen aan het eind van elk jaar lineair af van 100 % in het jaar dat aanvangt op 1 januari 2016 tot 0 % op 1 januari 2032.
  Onder voorbehoud van de voorafgaande goedkeuring van of op initiatief van de Bank kunnen de bedragen van de technische voorzieningen, in voorkomend geval met inbegrip van het bedrag van de volatiliteitsaanpassing, die worden gebruikt voor de berekening overeenkomstig deze paragraaf van de overgangsaftrek, om de vierentwintig maanden worden herberekend, of frequenter indien het risicoprofiel van de onderneming wezenlijk is veranderd als gevolg van een verwerving of een overdracht van op 1 januari 2016 bestaande verzekerings- of herverzekeringsverplichtingen.
  § 2. De toestemming van de Bank als bedoeld in paragraaf 1, eerste lid, kan maar worden gegeven indien de onderneming aantoont, op basis van een dossier waarvan de Bank de inhoud bepaalt, dat zij op grond van geloofwaardige prognoses met betrekking tot de marktomstandigheden en haar risicotolerantielimieten, in staat is om gedurende de volledige overgangsperiode te voldoen aan de regels inzake lineaire vermindering van de aftrek als bedoeld in paragraaf 1, vierde lid.
  De Bank bevestigt de ontvangst van het dossier bedoeld in het eerste lid en laat de onderneming binnen vijftien dagen na ontvangst van het dossier weten dat het dossier volledig is en onderzocht kan worden, of dat zij aanvullende informatie nodig heeft.
  De Bank spreekt zich uit over het verzoek om toestemming binnen twee maanden na de indiening van een volledig dossier en uiterlijk binnen drie maanden na ontvangst van het verzoek.
  De Bank kan de in paragraaf 1 bedoelde aftrek beperken indien de toepassing ervan zou kunnen resulteren in een vermindering van de voor de onderneming vereiste financiële middelen ten opzichte van de vereiste financiële middelen als berekend overeenkomstig de bepalingen van de wet van 9 juli 1975 betreffende de controle der verzekeringsondernemingen of de wet van 16 februari 2009 op het herverzekeringsbedrijf en hun uitvoeringsbesluiten en -reglementen op 31 december 2015.
  Om te garanderen dat de onderneming de regels inzake lineaire vermindering van de aftrek als bedoeld in paragraaf 1, vierde lid naleeft, kan de Bank aan haar toestemming ook voorwaarden verbinden waarvan de niet-naleving tot gevolg heeft dat de Bank de krachtens dit artikel verleende toestemming kan opheffen.
  Indien de Bank haar toestemming na 1 januari 2016 verleent, moet de verzekerings- of herverzekeringsonderneming de lineariteit van het in paragraaf 1, vierde lid bedoelde aftrekbare deel in acht nemen alsof de toestemming was verleend op 1 januari 2016.
  § 3. Naast het vereiste van artikel 670 vermelden de verzekerings- of herverzekeringsondernemingen die overeenkomstig dit artikel de overgangsaftrek toepassen op de technische voorzieningen, in hun verslag over hun solvabiliteit en financiële positie als bedoeld in de artikelen 95 en 96 dat zij deze overgangsaftrekregeling toepassen en kwantificeren zij het effect dat het niet toepassen van die overgangsmaatregel zou hebben op hun financiële positie.

  Art. 670. De verzekerings- of herverzekeringsondernemingen kunnen de toestemming die met toepassing van artikel 668 wordt verleend en deze die met toepassing van artikel 669 wordt verleend, niet cumulatief verkrijgen voor dezelfde verplichtingen die onder de takken vermeld in Bijlage II vallen.

  Art. 671. § 1. De verzekerings- of herverzekeringsondernemingen die de in artikel 668 of 669 bedoelde overgangsmaatregelen toepassen, dienen jaarlijks een verslag in bij de Bank waarin wordt aangegeven welke maatregelen er zijn getroffen en welke vooruitgang er is geboekt om aan het einde van de overgangsperiode aan het solvabiliteitskapitaalvereiste te voldoen. De Bank trekt haar toestemming voor de toepassing van de overgangsmaatregel in wanneer uit dit tussentijds verslag blijkt dat het onrealistisch is dat aan het einde van de overgangsperiode aan het solvabiliteitskapitaalvereiste zal worden voldaan.
  Bovendien lichten de verzekerings- of herverzekeringsondernemingen die de in de artikelen 668 of 669 bedoelde overgangsmaatregelen toepassen, de Bank in wanneer zij vaststellen dat zij zonder de toepassing van die overgangsmaatregelen niet aan het solvabiliteitskapitaalvereiste zouden voldoen. De Bank eist dat de betrokken verzekerings- of herverzekeringsonderneming de nodige maatregelen treft om aan het einde van de overgangsperiode aan het solvabiliteitskapitaalvereiste te voldoen.
  Binnen twee maanden na de vaststelling dat zonder de toepassing van de in de artikelen 668 of 669 bedoelde overgangsmaatregelen niet aan het solvabiliteitskapitaalvereiste zou worden voldaan, dient de betrokken verzekerings- of herverzekeringsonderneming bij de Bank een geleidelijke-invoeringsplan in waarin wordt aangegeven welke maatregelen er zijn gepland om aan het einde van de overgangsperiode het in aanmerking komend eigen vermogen ter dekking van het solvabiliteitskapitaalvereiste op peil te brengen of haar risicoprofiel zodanig te verlagen dat wordt voldaan aan het solvabiliteitskapitaalvereiste. De betrokken verzekerings- of herverzekeringsonderneming kan het geleidelijke-invoeringsplan gedurende de overgangsperiode aanpassen. Bovendien dienen de ondernemingen die de in artikel 669 bedoelde overgangsmaatregel toepassen jaarlijks een verslag in waarin wordt aangegeven welke maatregelen er zijn getroffen en welke vooruitgang er is geboekt met het in dit lid bedoelde geleidelijke-invoeringsplan.
  § 2. Tot 1 januari 2021 verstrekt de Bank aan EIOPA jaarlijks de volgende informatie:
  1°, de beschikbaarheid van langetermijngaranties in verzekeringsproducten op de nationale markt en het gedrag van verzekerings- en herverzekeringsondernemingen als langetermijnbeleggers;
  2° het aantal verzekerings- en herverzekeringsondernemingen dat de matchingopslag, de volatiliteitsaanpassing, de verlenging van de herstelperiode met toepassing van artikel 510, § 3, de looptijdgebaseerde submodule "aandelenrisico" en de overgangsmaatregelen als bedoeld in de artikelen 668 en 669 toepast;
  3° het effect op de financiële positie van de verzekerings- en herverzekeringsondernemingen van de matchingopslag, de volatiliteitsaanpassing, het mechanisme voor de symmetrische aanpassing aan het aandelenkapitaalvereiste, de looptijdgebaseerde submodule "aandelenrisico" en de overgangsmaatregelen als bedoeld in de artikelen 668 en 669, op nationaal niveau, en geanonimiseerd voor elke onderneming;
  4° het effect van de matchingopslag, de volatiliteitsaanpassing, het mechanisme voor de symmetrische aanpassing aan het aandelenkapitaalvereiste en de looptijdgebaseerde submodule "aandelenrisico" op het beleggingsgedrag van de verzekerings- en herverzekeringsondernemingen en het feit of deze maatregelen al dan niet leiden tot een onrechtmatig capital relief;
  5° het effect van een eventuele verlenging van de overeenkomstig artikel 510, § 3, verleende herstelperiode, op de inspanningen van verzekerings- en herverzekeringsondernemingen om het niveau van het in aanmerking komend eigen vermogen ter dekking van het solvabiliteitskapitaalvereiste te herstellen of het risicoprofiel te verlagen om te garanderen dat het solvabiliteitskapitaalvereiste wordt nageleefd;
  6° indien verzekerings- en herverzekeringsondernemingen de overgangsmaatregelen als bedoeld in de artikelen 668 en 669 toepassen, of zij zich houden aan de in paragraaf 1 van dit artikel bedoelde geleidelijke-invoeringsplannen, alsmede de vooruitzichten op een gereduceerde afhankelijkheid van deze overgangsmaatregelen, met inbegrip van maatregelen die genomen zijn of naar verwachting genomen zullen worden door de ondernemingen en de Bank, met inachtneming van het toepasselijke rechtskader.

  Art. 672.§ 1. Niettegenstaande artikel [1 358]1, § 2, zijn de overgangsbepalingen van de artikelen 661 tot 665 en 668 tot 671, § 1, mutatis mutandis van toepassing op het niveau van de groep.
  Niettegenstaande artikel [1 358]1, §§ 2, en 3, zijn de overgangsbepalingen van artikel 667 mutatis mutandis van toepassing op het niveau van de groep wanneer de deelnemende verzekerings- of herverzekeringsondernemingen of de verzekerings- of herverzekeringsondernemingen die tot een groep behoren, voldeden aan het vereiste van aangepaste solvabiliteit als bedoeld in Hoofdstuk VIIbis van de wet van 9 juli 1975 betreffende de controle der verzekeringsondernemingen, maar niet voldoen aan het solvabiliteitskapitaalvereiste van de groep.
  § 2. In afwijking van artikel 373 kan de uiteindelijke moederonderneming tot 31 maart 2022 een aanvraag indienen voor de toepassing van een intern groepsmodel op een deel van de groep indien zowel de verzekerings- of herverzekeringsonderneming als de uiteindelijke moederonderneming in dezelfde lidstaat zijn gevestigd en indien dit deel een apart onderdeel vormt met een duidelijk ander risicoprofiel van de rest van de groep.
  ----------
  (1)<W 2019-05-02/28, art. 95, 012; Inwerkingtreding : 01-06-2019>

  Art. 673. Tot 31 december 2020 is artikel 600 van toepassing op de herverzekeringsondernemingen die onder het recht van een derde land ressorteren en die opgenomen zijn in de lijst die met toepassing van artikel 172, lid 4, derde alinea van Richtlijn 2009/138/EG gepubliceerd wordt door EIOPA.

  Art. 674. De verzekeringsondernemingen gaan uiterlijk op 1 januari 2019 over tot de formele aanpassing van hun overeenkomsten van tak 27 als vermeld in Bijlage II.

  TITEL II. - Slotbepalingen en diverse bepalingen

  Art. 675. Artikel 2, § 1quater van de wet van 9 juli 1975 betreffende de controle der verzekeringsondernemingen, ingevoegd bij artikel 30, 2°, van de wet van 26 april 2010, zoals dit bestond voor de opheffing ervan bij artikel 757 van deze wet, moet geïnterpreteerd worden in die zin dat de onderlinge verzekeringsverenigingen en de coöperatieve vennootschappen die hun verzekeringsactiviteit beperken tot de gemeente waar hun maatschappelijke zetel is gevestigd of tot die gemeente en de omliggende gemeenten, vrijgesteld zijn van de toepassing van de bepalingen van de wet van 9 juli 1975 betreffende de controle der verzekeringsondernemingen, met uitzondering van de bepalingen van die wet die door de Koning van toepassing zijn verklaard volgens de regels en de modaliteiten die Hij bepaalt.

  Art. 676. Onverminderd de verplichtingen die door het Unierecht aan België zijn opgelegd, kan de Koning, bij een in Ministerraad overlegd besluit, de bijzondere regels bepalen die van toepassing zijn op de verzekerings-ondernemingen voor wat betreft de toekenning van buitenwettelijke voordelen aan de werknemers bedoeld in koninklijk besluit nr. 50 van 24 oktober 1967 betreffende het rust- en overlevingspensioen voor werknemers en aan de personen bedoeld in artikel 32, eerste lid, 1°, en 2°, van het Wetboek van de Inkomstenbelastingen 1992, die buiten een arbeidsovereenkomst zijn tewerkgesteld.

  Art. 677. Onverminderd de bepalingen van Richtlijn 2009/138/EG en de uitvoeringsmaatregelen ervan, kan de Koning bij een koninklijk besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad en op advies van de Bank of van de FSMA, ieder voor wat zijn bevoegdheden betreft, en van de Controledienst voor de ziekenfondsen, de verzekeringsmaatschappijen van onderlinge bijstand vrijstellen van de toepassing van sommige bepalingen van deze wet en aangeven welke regels in plaats daarvan van toepassing zijn.

  Art. 678. De in euro luidende bedragen in deze wet worden aangepast conform de aanpassing die in het Publicatieblad van de Europese Unie wordt bekendgemaakt door de Europese Commissie met toepassing van artikel 300 van de Richtlijn. De in dit artikel bedoelde aanpassing heeft uitwerking binnen zes maanden te rekenen vanaf de genoemde bekendmaking.

  Art. 679. Het koninklijk besluit van 11 juni 2015 houdende aanwijzing van de bevoegde autoriteit verantwoordelijk voor het uitvoeren van de vergunning en het toezicht op de centrale effectenbewaarinstellingen wordt bekrachtigd met uitwerking op 19 juni 2015.

  TITEL III. - Wijzigingsbepalingen

  HOOFDSTUK I. - Wijziging van de wet van 12 juli 1957 betreffende het rust- en overlevingspensioen voor bedienden

  Art. 680. In Artikel 22, § 2, van de wet van 12 juli 1957 betreffende het rust- en overlevingspensioen voor bedienden, laatstelijk gewijzigd bij de wet van 28 april 2003, worden de woorden "bij een verzekeringsonderneming of -instelling bedoeld in artikel 2, § 1 en § 3, 5°, van de wet van 9 juli 1975 betreffende de controle der verzekeringsondernemingen, voor zover zij door de Koning zijn erkend volgens de door Hem vastgestelde voorwaarden." vervangen door de woorden "bij een verzekeringsonderneming bedoeld in artikel 5, eerste lid, 1°, van de [wet van 13 maart 2016] op het statuut van en het toezicht op de verzekerings- of herverzekeringsondernemingen.". <Errata, zie B.St. 08-04-2016, p. 23236>

  HOOFDSTUK II. - Wijziging van de arbeidsongevallenwet van 10 april 1971

  Art. 681. In artikel 48ter, eerste lid, van de arbeidsongevallenwet van 10 april 1971, laatstelijk gewijzigd bij de wet van 10 augustus 2001, worden de woorden "bedoeld in artikel 80 van de wet van 9 juli 1975 betreffende de controle der verzekeringsondernemingen" vervangen door de woorden "bedoeld in artikel 24, § 1, 1°, van de [wet van 13 maart 2016] op het statuut van en het toezicht op de verzekerings- of herverzekeringsondernemingen,". <Errata, zie B.St. 08-04-2016, p. 23236>

  Art. 682. In artikel 49, eerste lid, 1°, van dezelfde wet worden de woorden "overeenkomstig de wet van 9 juli 1975 betreffende de controle op de verzekeringsondernemingen" vervangen door de woorden "overeenkomstig de [wet van 13 maart 2016] op het statuut van en het toezicht op de verzekerings- of herverzekeringsondernemingen". <Errata, zie B.St. 08-04-2016, p. 23236>

  Art. 683. In artikel 52 van dezelfde wet worden de woorden "bedoeld in artikel 68, § 1, 5°, van de wet van 9 juli 1975 betreffende de controle der verzekeringsondernemingen" vervangen door de woorden "bedoeld in artikel 556, § 2, 1°, van de [wet van 13 maart 2016] op het statuut van en het toezicht op de verzekerings- of herverzekeringsondernemingen". <Errata, zie B.St. 08-04-2016, p. 23236>

  Art. 684. Artikel 54bis van dezelfde wet, ingevoegd bij de wet van 10 augustus 2008, wordt vervangen als volgt:
  "Wanneer bij de overdrachten bedoeld in artikel 102, eerste lid, 3°, van de [wet van 13 maart 2016] op het statuut van en het toezicht op de verzekerings- of herverzekeringsondernemingen een verzekeringsonderneming die de wettelijke arbeidsongevallenverzekering uitoefent, betrokken is, kan de Nationale Bank van België de toestemming enkel verlenen na advies van het beheerscomité van het Fonds voor arbeidsongevallen. <Errata, zie B.St. 08-04-2016, p. 23236>
  Indien een dergelijke verzekeringsonderneming betrokken is bij een herstructurering van vennootschappen als bedoeld in boek XI van de wet van 7 mei 1999 houdende het Wetboek van Vennootschappen, stelt de Nationale Bank van België het Fonds voor arbeidsongevallen hiervan onverwijld in kennis.".

  Art. 685. In artikel 88quater, § 1, ingevoegd bij de wet van 13 juli 2006, van dezelfde wet worden de volgende wijzigingen aangebracht:
  1° de bepaling onder 1°, wordt vervangen als volgt:
  "1°, de Nationale Bank van België;"
  2° er wordt een bepaling onder 1bis° ingevoegd, luidende:
  "1bis° de Autoriteit voor Financiële Diensten en Markten;"

  Art. 686. In artikel 91, § 2, van dezelfde wet, laatstelijk gewijzigd bij de wet van 21 december 2013, wordt de bepaling onder 2°, vervangen als volgt:
  "2° aan de Nationale Bank van België en de Autoriteit voor Financiële Diensten en Markten vragen om de maatregelen toe te passen die bedoeld zijn, voor de Nationale Bank van België, in artikel 517 of 569 van de [wet van 13 maart 2016] op het statuut van en het toezicht op de verzekerings- of herverzekeringsondernemingen en, voor de Autoriteit voor Financiële Diensten en Markten, in artikel 36bis, § 2, van de wet van 2 augustus 2002 betreffende het toezicht op de financiële sector en de financiële diensten, artikel 288 van de wet van 4 april 2014 betreffende de verzekeringen of artikel 291 van dezelfde wet. Indien nodig verzoekt de minister bevoegd voor Sociale Zaken de Nationale Bank van België of de Autoriteit voor Financiële Diensten en Markten onverwijld de genoemde maatregelen te nemen. <Errata, zie B.St. 08-04-2016, p. 23236>
  Onverminderd het eerste lid stelt het Fonds voor arbeidsongevallen de Nationale Bank van België en de Autoriteit voor Financiële Diensten en Markten in kennis van de tekortkomingen vastgesteld bij een verzekeringsonderneming die onder het recht van een andere lidstaat van de Europese Unie ressorteert dan België, met het oog op de toepassing, door de Nationale Bank van België, van met name de artikelen 566 tot 574 van de [wet van 13 maart 2016] op het statuut van en het toezicht op de verzekerings- of herverzekeringsondernemingen en, door de Autoriteit voor Financiële Diensten en Markten, van met name de artikelen 286, 291 en 293 van de wet van 4 april 2014 betreffende de verzekeringen.". <Errata, zie B.St. 08-04-2016, p. 23236>

  HOOFDSTUK III. - Wijzigingen van de wet van 6 augustus 1990 betreffende de ziekenfondsen en de landsbonden van ziekenfondsen

  Art. 687. In artikel 9, § 1septies, vijfde lid, van de wet van 6 augustus 1990 betreffende de ziekenfondsen en de landsbonden van ziekenfondsen, ingevoegd bij de wet van 26 april 2010, worden de woorden "aan de wet van 9 juli 1975 betreffende de controle der verzekeringsondernemingen," vervangen door de woorden "aan de [wet van 13 maart 2016] op het statuut van en het toezicht op de verzekerings- of herverzekeringsondernemingen,". <Errata, zie B.St. 08-04-2016, p. 23236>

  Art. 688. In artikel 43ter van dezelfde wet, ingevoegd bij de wet van 22 februari 1998, worden de volgende wijzingen aangebracht:
  1° in het eerste lid worden de woorden "van een bankproduct, zoals bepaald in de wet van 22 maart 1993 op het statuut van en het toezicht op de kredietinstellingen" vervangen door de woorden "van een bankproduct, in het kader van een activiteit als bedoeld in artikel 4 van de wet van 25 april 2014 op het statuut van en het toezicht op kredietinstellingen";
  2° in het tweede lid worden de woorden "zoals bepaald in de wet van 22 maart 1993 betreffende het statuut van en het toezicht op de kredietinstellingen" vervangen door de woorden "zoals bepaald in artikel 4 van de wet van 25 april 2014 op het statuut van en het toezicht op kredietinstellingen".

  Art. 689. In artikel 52, 11°, van dezelfde wet, ingevoegd bij de wet van 26 april 2010, worden de woorden "volgens de bepalingen van de wetten van 9 juli 1975 betreffende de controle der verzekeringsondernemingen," vervangen door de woorden "volgens de bepalingen van de wetten van 13 maart 2016 op het statuut van en het toezicht op de verzekerings- of herverzekeringsondernemingen,".

  Art. 690. In artikel 62quater van dezelfde wet, ingevoegd bij de wet van 26 april 2010, worden de woorden "van de wet van 9 juli 1975 betreffende de controle der verzekeringsondernemingen" vervangen door de woorden "van de [wet van 13 maart 2016] op het statuut van en het toezicht op de verzekerings- of herverzekeringsondernemingen". <Errata, zie B.St. 08-04-2016, p. 23236>

  Art. 691. In artikel 75, § 1 van dezelfde wet wordt de bepaling onder 3° opgeheven.

  HOOFDSTUK IV. - Wijziging van de wet van 25 juni 1992 op de landverzekeringsovereenkomst

  Art. 692. In artikel 140, vierde lid, van de wet van 25 juni 1992 op de landverzekeringsovereenkomst, laatstelijk gewijzigd bij de wet van 30 juli 2013, worden de woorden "van artikel 21octies van de wet van 9 juli 1975 betreffende de controle der verzekeringsondernemingen" vervangen door de woorden "van artikel 504 van de [wet van 13 maart 2016] op het statuut van en het toezicht op de verzekerings- of herverzekeringsondernemingen". <Errata, zie B.St. 08-04-2016, p. 23236>

  HOOFDSTUK V. - Wijzigingen van de wet van 11 januari 1993 tot voorkoming van het gebruik van het financiële stelsel voor het witwassen van geld en de financiering van terrorisme

  Art. 693. In artikel 2, § 1, van de wet van 11 januari 1993 tot voorkoming van het gebruik van het financiële stelsel voor het witwassen van geld en de financiering van terrorisme, laatstelijk gewijzigd bij de wet van 25 april 2014, worden de volgende wijzigingen aangebracht:
  1° in de bepaling onder 6° worden de woorden ", met toepassing van de wet van 9 juli 1975 betreffende de controle der verzekeringsondernemingen," vervangen door de woorden "met toepassing van de [wet van 13 maart 2016] op het statuut van en het toezicht op de verzekerings- of herverzekeringsondernemingen";
  2° in de bepaling onder 7° worden de woorden "bedoeld in de wet van 9 juli 1975 betreffende de controle der verzekeringsondernemingen; "vervangen door de woorden "bedoeld in de [wet van 13 maart 2016] op het statuut van en het toezicht op de verzekerings- of herverzekeringsondernemingen;". <Errata, zie B.St. 08-04-2016, p. 23236>

  HOOFDSTUK VI. - Wijzigingen van de wet van 6 april 1995 inzake het statuut van en het toezicht op de beleggingsondernemingen

  Art. 694. In artikel 45, § 1, van de wet van 6 april 1995 inzake het statuut van en het toezicht op de beleggingsondernemingen, laatstelijk gewijzigd bij de wet van 25 april 2014, wordt de bepaling onder 2°, vervangen als volgt:
  "2° de verzekerings- en herverzekeringsondernemingen bedoeld in de Boeken II en III van de [wet van 13 maart 2016] op het statuut van en het toezicht op de verzekerings- of herverzekeringsondernemingen". <Errata, zie B.St. 08-04-2016, p. 23236>

  Art. 695. In artikel 95bis, § 1, van dezelfde wet, laatstelijk gewijzigd bij de wet van 25 april 2014, worden de volgende wijzigingen aangebracht:
  1° in de bepaling onder 3° worden de woorden "hetzij een verzekeringsonderneming als gedefinieerd in artikel 91bis, 1°, en 2°, van de wet van 9 juli 1975 betreffende de controle der verzekeringsondernemingen, hetzij een herverzekeringsonderneming als gedefinieerd in artikel 82, 3° en 4°, van de wet van 16 februari 2009 op het herverzekeringsbedrijf" vervangen door de woorden "hetzij een verzekerings- of herverzekeringsonderneming waarvan de zetel gelegen is in een lidstaat of in een derde land in de zin van de [wet van 13 maart 2016] op het statuut van en het toezicht op de verzekerings- of herverzekeringsondernemingen"; <Errata, zie B.St. 08-04-2016, p. 23236>
  2° in de bepaling onder 4°, b), worden de woorden "verzekeringsholding in de zin van artikel 91bis, 9°, van dezelfde wet;" vervangen door de woorden "verzekeringsholding in de zin van artikel 338, 5°, van de [wet van 13 maart 2016] op het statuut van en het toezicht op de verzekerings- of herverzekeringsondernemingen;"; <Errata, zie B.St. 08-04-2016, p. 23236>
  3° in de bepaling onder 6° worden de woorden "hoofdstuk VIIbis van de wet van 9 juli 1975 of artikel 82 van de wet van 16 februari 2009 op het herverzekeringsbedrijf." vervangen door de woorden "Boek II, Titel V, Hoofdstuk III, van de [wet van 13 maart 2016] op het statuut van en het toezicht op de verzekerings- of herverzekeringsondernemingen.". <Errata, zie B.St. 08-04-2016, p. 23236>

  HOOFDSTUK VII. - Wijzigingen van de wet van 22 februari 1998 tot vaststelling van het organiek statuut van de Nationale Bank van België

  Art. 696. In artikel 35 van de wet van 22 februari 1998 tot vaststelling van het organiek statuut van de Nationale Bank van België, laatstelijk gewijzigd bij het koninklijk besluit van 3 maart 2011, worden de volgende wijzigingen aangebracht:
  1° het tweede lid, wordt opgeheven;
  2° artikel 35, als gewijzigd bij de bepaling onder 1°, van dit artikel en waarvan de bestaande tekst paragraaf 1 zal vormen, wordt aangevuld met de paragrafen 2 en 3, luidende:
  " § 2. Onverminderd paragraaf 1 mag de Bank vertrouwelijke informatie meedelen:
  1° ingeval de mededeling van dergelijke informatie wordt voorgeschreven of toegestaan door of krachtens de wet;
  2° voor de aangifte van strafrechtelijke misdrijven bij de gerechtelijke autoriteiten;
  3° in het kader van administratieve of gerechtelijke beroepsprocedures tegen de handelingen of beslissingen van de Bank, en in het kader van elk ander rechtsgeding waarbij de Bank partij is;
  4° in beknopte of samengevoegde vorm zodat individuele natuurlijke of rechtspersonen niet kunnen worden geïdentificeerd.
  De Bank kan de beslissing om strafrechtelijke misdrijven bij de gerechtelijke autoriteiten aan te geven, openbaar maken.
  § 3. Binnen de grenzen van het recht van de Europese Unie en binnen de eventuele beperkingen waarin bij of krachtens een wet uitdrukkelijk is voorzien, mag de Bank gebruikmaken van de vertrouwelijke informatie waarover zij in het kader van haar wettelijke opdrachten beschikt, om haar taken en opdrachten als bedoeld in de artikelen 12, § 1, 12ter, 36/2, 36/3 en haar opdrachten binnen het ESCB uit te voeren.".

  Art. 697. In Hoofdstuk IV van dezelfde wet wordt een artikel 35/1 ingevoegd, luidende:
  "Art. 35/1. § 1. In afwijking van artikel 35 en binnen de grenzen van het recht van de Europese Unie mag de Bank vertrouwelijke informatie meedelen:
  1° die zij ontvangen heeft in het kader van de uitvoering van haar opdracht als bedoeld in artikel 39 van de wet van 11 januari 1993 tot voorkoming van het gebruik van het financiële stelsel voor het witwassen van geld en de financiering van terrorisme,
  a) aan de autoriteiten van de Europese Unie en van andere lidstaten van de Europese Economische Ruimte, alsook aan de autoriteiten van derde Staten die een bevoegdheid uitoefenen die vergelijkbaar is met die als bedoeld in artikel 39 van de voormelde wet van 11 januari 1993;
  b) aan de bevoegde autoriteiten van de Europese Unie en van andere lidstaten van de Europese Economische Ruimte en aan de bevoegde autoriteiten van derde Staten die één of meerdere bevoegdheden uitoefenen die vergelijkbaar zijn met die als bedoeld in de artikelen 36/2 en 36/3, alsook aan de Europese Centrale Bank voor wat betreft de taken die haar zijn opgedragen bij Verordening (EU) nr. 1024/2013 van de Raad van 15 oktober 2013 waarbij aan de Europese Centrale Bank specifieke taken worden opgedragen betreffende het beleid inzake het prudentieel toezicht op kredietinstellingen;
  2° in het kader van de uitvoering van haar taak als bedoeld in artikel 12ter, § 1, en met het oog op de uitoefening van die taak,
  a) aan de afwikkelingsautoriteiten van de Europese Unie en van andere lidstaten van de Europese Economische Ruimte, alsook aan de autoriteiten van derde Staten die belast zijn met taken die te vergelijken zijn met die als bedoeld in artikel 12ter, § 1;
  b) aan de personen of autoriteiten als bedoeld in artikel 36/14, § 1, 1°, 2°, 3°, 4°, 5°, 8°, 11°, 18° en 19° ;
  c) aan de minister van Financiën;
  d) aan iedere andere persoon, ongeacht of hij onder het Belgische recht of onder een buitenlands recht valt, wanneer dit noodzakelijk is voor het plannen of uitvoeren van een afwikkelingsmaatregel, en met name,
  - aan de bijzondere bestuurders die krachtens artikel 281, § 2, van de wet van 25 april 2014 op het statuut van en het toezicht op kredietinstellingen zijn benoemd;
  - aan het orgaan dat bevoegd is voor de financieringsregelingen voor de afwikkeling;
  - aan auditors, boekhouders, juridische en professionele adviseurs, taxateurs en andere deskundigen die rechtstreeks of onrechtstreeks door de Bank, een afwikkelingsautoriteit, een bevoegd ministerie of een potentiële verwerver in de arm zijn genomen;
  - aan een overbruggingsinstelling als bedoeld in artikel 260 van de wet van 25 april 2014 op het statuut van en het toezicht op kredietinstellingen of aan een vehikel voor activabeheer als bedoeld in artikel 265 van dezelfde wet;
  - aan de personen of autoriteiten als bedoeld in artikel 36/14, § 1, 6°, 7°, 9°, 10°, 12°, 15° et 20° ;
  - aan de potentiële verwervers van effecten of tegoeden die respectievelijk zijn uitgegeven of worden aangehouden door de instelling die het voorwerp uitmaakt van een afwikkelingsprocedure.
  e) onverminderd de punten a) tot d), aan elke persoon of autoriteit die met een taak of opdracht is belast als bedoeld in Richtlijn 2014/59/EU van het Europees Parlement en de Raad van 15 mei 2014 betreffende de totstandbrenging van een kader voor het herstel en de afwikkeling van kredietinstellingen en beleggingsondernemingen, wanneer de mededeling van vertrouwelijke informatie over een persoon als bedoeld in artikel 1, lid 1, onder a), b), c) of d) van de genoemde Richtlijn voorafgaandelijk werd goedgekeurd door deze persoon of door de autoriteit die ten aanzien van die persoon een taak uitoefent die te vergelijken is met die als bedoeld in artikel 12, § 1 en artikel 12ter, wanneer deze informatie afkomstig is van deze persoon of autoriteit;
  § 2. De Bank mag enkel vertrouwelijke informatie krachtens paragraaf 1 meedelen op voorwaarde dat de autoriteiten, instellingen of personen die deze informatie ontvangen, deze informatie gebruiken voor de uitvoering van hun opdrachten, en dat zij, wat die informatie betreft, aan een beroepsgeheim zijn gebonden dat te vergelijken is met dat als bedoeld in artikel 35. Bovendien mag de informatie die afkomstig is van een autoriteit van een andere lidstaat enkel bekendgemaakt worden aan een autoriteit van een derde Staat mits deze autoriteit uitdrukkelijk akkoord gaat met deze bekendmaking, en, in voorkomend geval, mits de informatie alleen voor de door deze autoriteit toegestane doeleinden bekendgemaakt wordt. Evenzo mag de informatie die afkomstig is van een autoriteit van een derde Staat enkel bekendgemaakt worden mits deze autoriteit uitdrukkelijk akkoord gaat met deze bekendmaking, en, in voorkomend geval, mits de informatie alleen voor de door deze autoriteit toegestane doeleinden bekendgemaakt wordt.
  De Bank mag enkel vertrouwelijke informatie krachtens paragraaf 1 meedelen aan de autoriteiten van derde Staten waarmee zij een samenwerkingsakkoord heeft gesloten waarin wordt voorzien in de uitwisseling van informatie.
  § 3. Onverminderd de strengere bepalingen van de bijzondere wetten die op hen van toepassing zijn, zijn de Belgische personen, autoriteiten en instellingen gebonden aan het in artikel 35 bedoelde beroepsgeheim voor wat betreft de vertrouwelijke informatie die zij van de Bank ontvangen met toepassing van paragraaf 1."

  Art. 698. In artikel 36/1 van dezelfde wet, laatstelijk gewijzigd bij de wet van 25 april 2014, worden de volgende wijzigingen aangebracht:
  1° de bepaling onder 6° wordt vervangen als volgt:
  "6° "verzekeringsonderneming of herverzekeringsonderneming": een onderneming als bedoeld in artikel 5, eerste lid, 1°, of 2°, van de [wet van 13 maart 2016] op het statuut van en het toezicht op de verzekerings- of herverzekeringsondernemingen;"; <Errata, zie B.St. 08-04-2016, p. 23236>
  2° de bepaling onder 7° wordt opgeheven.

  Art. 699. In artikel 36/2 van dezelfde wet, laatstelijk gewijzigd bij de wet van 25 april 2014, worden de volgende wijzigingen aangebracht:
  1° er wordt een tweede lid ingevoegd, luidende:
  "Voor het toezicht op de verzekeringsondernemingen duidt de Bank binnen het directiecomité of onder de personeelsleden een vertegenwoordiger aan die met raadgevende stem zitting heeft in het beheerscomité en in bepaalde technische comités van het Fonds voor arbeidsongevallen.";
  2° in het tweede lid, waarvan de bestaande tekst met toepassing van de bepaling onder 1°, van dit artikel het derde lid zal vormen, worden de woorden "het vorige lid" vervangen door de woorden "het eerste lid";
  3° het vierde lid, a), waarvan de bestaande tekst met toepassing van de bepaling onder 1°, van dit artikel het vijfde lid, a) zal vormen, wordt aangevuld met de woorden "en van de Europese Autoriteit voor verzekeringen en bedrijfspensioenen";
  4° in het vierde lid, b), waarvan de bestaande tekst met toepassing van de bepaling onder 1°, van dit artikel het vijfde lid, b), zal vormen, worden de woorden "en door de Europese Autoriteit voor verzekeringen en bedrijfspensioenen" ingevoegd tussen de woorden "door de Europese Bankautoriteit" en de woorden "vastgestelde maatregelen".

  Art. 700. In artikel 36/3, § 2, van dezelfde wet, laatstelijk gewijzigd bij de wet van 25 april 2014, worden de woorden "en de verzekerings- en herverzekeringsondernemingen" ingevoegd tussen de woorden "met uitzondering van de kredietinstellingen" en de woorden ", welke als systeemrelevant moeten worden beschouwd".

  Art. 701. In artikel 36/6 van dezelfde wet, laatstelijk gewijzigd bij de wet van 25 april 2014, wordt paragraaf 2 vervangen als volgt:
  " § 2. De Bank verstrekt op haar website eveneens de volgende informatie:
  1° naast de wetgeving op het statuut van en het toezicht op de kredietinstellingen en de beursvennootschappen en de wetgeving op het statuut van en het toezicht op de verzekerings- en herverzekeringsondernemingen, evenals de besluiten, reglementen en circulaires genomen in uitvoering of met toepassing van deze wetgeving of van de Europeesrechtelijke verordeningen ter zake, een omzettingstabel van de bepalingen van de Europese Richtlijnen inzake prudentieel toezicht op kredietinstellingen en beursvennootschappen en toezicht op de verzekerings- en herverzekeringsondernemingen, met opgaaf van de gekozen opties;
  2° de doelstellingen van het toezicht dat door haar wordt uitgeoefend met toepassing van de in 1°, bedoelde wetgeving en de taken en activiteiten die zij in die hoedanigheid uitoefent, in het bijzonder de toetsingscriteria en de methodiek die zij gebruikt bij haar beoordeling als bedoeld in artikel 142 van de wet van 25 april 2014 op het statuut van en het toezicht op de kredietinstellingen en in de artikelen 318 tot 321 van de [wet van 13 maart 2016] op het statuut van en het toezicht op de verzekerings- en herverzekeringsondernemingen; <Errata, zie B.St. 08-04-2016, p. 23236>
  3° geaggregeerde statistische gegevens over de belangrijkste aspecten inzake toepassing van de in 1°, bedoelde wetgeving;
  4° andere informatie, als voorgeschreven bij de besluiten en reglementen genomen in uitvoering van deze wet.
  De in het eerste lid bedoelde informatie wordt bekendgemaakt volgens de richtsnoeren die in voorkomend geval zijn opgesteld door de Europese Commissie, de Europese Bankautoriteit of de Europese Autoriteit voor verzekeringen en bedrijfspensioenen. De Bank zorgt voor een geregelde actualisering van de op haar website verstrekte informatie.
  De Bank maakt ook alle andere informatie bekend die vereist is met toepassing van de Unierechtelijke handelingen die van toepassing zijn op het vlak van het toezicht op kredietinstellingen en beursvennootschappen en op het vlak van het toezicht op de verzekerings- en herverzekeringsondernemingen.
  De Bank kan volgens de modaliteiten die zij vaststelt en met inachtneming van het recht van de Europese Unie de resultaten bekendmaken van de stresstests die zij overeenkomstig het recht van de Europese Unie heeft uitgevoerd.".

  Art. 702. In Hoofdstuk IV/1, Afdeling 1, van dezelfde wet wordt een artikel 36/7/1 ingevoegd, luidende:
  "Art. 36/7/1. Tegen een personeelslid van een financiële instelling als bedoeld in artikel 36/2 die de Bank te goeder trouw heeft ingelicht over een feitelijke of vermeende inbreuk op de wetten en reglementen die het statuut van en het toezicht op de genoemde financiële instellingen regelen, kunnen geen burgerrechtelijke, strafrechtelijke of tuchtrechtelijke vorderingen worden ingesteld, noch professionele sancties worden uitgesproken omwille van het feit dat hij deze informatie heeft verstrekt.
  Elke nadelige of discriminatoire behandeling van deze persoon alsook elke verbreking van de arbeidsverhouding naar aanleiding van de melding die deze persoon heeft verricht, is verboden.
  In geval van niet-naleving van het eerste en het tweede lid kan de Bank een administratieve sanctie uitspreken met toepassing van de bepalingen betreffende administratieve sancties die opgenomen zijn in de wetgeving met betrekking tot het statuut van en het toezicht op instellingen als bedoeld in artikel 36/2.".

  Art. 703. Artikel 36/13 van dezelfde wet wordt opgeheven.

  Art. 704. In artikel 36/14 van dezelfde wet, laatstelijk gewijzigd bij de wet van 25 april 2014, worden de volgende wijzigingen aangebracht:
  1° in paragraaf 1, 5°, worden de woorden "deposito- of beleggersbeschermingsregeling" vervangen door de woorden "beschermingsregeling voor deposito's, beleggers of levensverzekeringen";
  2° paragraaf 1, 12°, wordt vervangen als volgt:
  "12° binnen de grenzen van het recht van de Europese Unie, aan de Belgische mededingingsautoriteit;";
  3° in paragraaf 1 wordt een bepaling onder 21°, ingevoegd, luidende:
  "21° aan de Controledienst voor de ziekenfondsen en de landsbonden van ziekenfondsen, voor de uitoefening van zijn wettelijke opdrachten als bedoeld in artikel 303, § 3, van de [wet van 13 maart 2016] op het statuut van en het toezicht op de verzekerings- of herverzekeringsondernemingen, met betrekking tot de maatschappijen van onderlinge bijstand als bedoeld in artikel 43bis, § 5 of artikel 70, §§ 6, 7 en 8 van de wet van 6 augustus 1990 betreffende de ziekenfondsen en de landsbonden van ziekenfondsen en hun verrichtingen;"; <Errata, zie B.St. 08-04-2016, p. 23236>
  4° in paragraaf 1 wordt een bepaling onder 22° ingevoegd, luidende:
  "22° binnen de grenzen van het recht van de Europese Unie, aan de afwikkelingsautoriteiten als bedoeld in artikel 3 van Richtlijn 2014/59/EU van het Europees Parlement en de Raad van 15 mei 2014 betreffende de totstandbrenging van een kader voor het herstel en de afwikkeling van kredietinstellingen en beleggingsondernemingen, aan de autoriteiten van derde Staten die belast zijn met taken die te vergelijken zijn met die als bedoeld in artikel 12ter, § 1, waarmee de Bank een samenwerkingsakkoord heeft gesloten waarin wordt voorzien in de uitwisseling van informatie, alsook aan de bevoegde ministeries van de lidstaten van de Europese Economische Ruimte, wanneer dit noodzakelijk is voor het plannen of uitvoeren van afwikkelingsmaatregel.";
  5° in paragraaf 3 wordt het woord "personen," ingevoegd tussen de woorden "de in § 1 bedoelde Belgische" en de woorden "autoriteiten en instellingen".

  Art. 705. In artikel 36/16 van dezelfde wet, laatstelijk gewijzigd bij het koninklijk besluit van 12 november 2013, worden de volgende wijzigingen aangebracht:
  1° paragraaf 1 wordt aangevuld met een lid, luidende:
  "Overeenkomstig het recht van de Europese Unie werkt de Bank ook samen met De Europese Bankautoriteit, de Europese Autoriteit voor verzekeringen en bedrijfspensioenen, de Europese Autoriteit voor effecten en markten en de Europese Centrale Bank voor wat betreft de taken die haar zijn opgedragen bij Verordening (EU) nr. 1024/2013 van de Raad van 15 oktober 2013 waarbij aan de Europese Centrale Bank specifieke taken worden opgedragen betreffende het beleid inzake het prudentieel toezicht op kredietinstellingen.";
  2° in paragraaf 2 worden de woorden "eerste lid," ingevoegd tussen de woorden "waarvan sprake in § 1," en de woorden "overeenkomsten";
  3° paragraaf 3 wordt opgeheven.

  Art. 706. In artikel 36/24, § 1, 1°, van dezelfde wet, laatstelijk gewijzigd bij de wet van 25 april 2014, worden de woorden "ten opzichte van de wet van 9 juli 1975 betreffende de controle der verzekeringsondernemingen," vervangen door de woorden "ten opzichte van de [wet van 13 maart 2016] op het statuut van en het toezicht op de verzekerings- of herverzekeringsondernemingen,". <Errata, zie B.St. 08-04-2016, p. 23236>

  HOOFDSTUK VIII. - Wijzigingen van de wet van 2 augustus 2002 betreffende het toezicht op de financiële sector en de financiële diensten

  Art. 707. In artikel 45, § 1, 3°, f, van de wet van 2 augustus 2002 betreffende het toezicht op de financiële sector en de financiële diensten, laatstelijk gewijzigd bij de wet van 25 april 2014, worden de woorden "artikel 14bis van de wet van 9 juli 1975 betreffende de controle der verzekeringsondernemingen," vervangen door de woorden "artikel 42 van de [wet van 13 maart 2016] op het statuut van en het toezicht op de verzekerings- of herverzekeringsondernemingen,". <Errata, zie B.St. 08-04-2016, p. 23236>

  Art. 708. In artikel 121, § 1, 4°, van dezelfde wet, laatstelijk gewijzigd bij de wet van 19 april 2014, worden de woorden "artikel 82, § 1, eerste lid van de wet van 9 juli 1975 betreffende de controle der verzekeringsondernemingen," vervangen door de woorden "de artikelen 294, § 1, 1°, 295, § 1, 1°, 299, § 1 en 300, § 1, van de wet van 4 april 2014 betreffende de verzekeringen,".

  HOOFDSTUK IX. - Wijzigingen van de programmawet (I) van 24 december 2002: wet op de aanvullende pensioenen voor zelfstandigen

  Art. 709. In artikel 42 van de programmawet (I) van 24 december 2002, laatstelijk gewijzigd bij de wet van 15 mei 2014, worden de volgende wijzigingen aangebracht:
  1° in de bepaling onder 2° worden de woorden "bedoeld in artikel 2, § 1 of § 3, 5°, van de wet van 9 juli 1975 betreffende de controle der verzekeringsondernemingen," vervangen door de woorden "bedoeld in de Boeken II en III van de [wet van 13 maart 2016] op het statuut van en het toezicht op de verzekerings- of herverzekeringsondernemingen,"; <Errata, zie B.St. 08-04-2016, p. 23236>
  2° in de bepaling onder 12° worden de woorden "de wet van 9 juli 1975 betreffende de controle der verzekeringsondernemingen" vervangen door de woorden "de [wet van 13 maart 2016] op het statuut van en het toezicht op de verzekerings- of herverzekeringsondernemingen". <Errata, zie B.St. 08-04-2016, p. 23236>

  Art. 710. Artikel 81 van dezelfde wet wordt opgeheven.

  HOOFDSTUK X. - Wijziging van de wet van 28 april 2003 betreffende de aanvullende pensioenen en het belastingstelsel van die pensioenen en van sommige aanvullende voordelen inzake sociale zekerheid

  Art. 711. In artikel 3, § 1, van de wet van 28 april 2003 betreffende de aanvullende pensioenen en het belastingstelsel van die pensioenen en van sommige aanvullende voordelen inzake sociale zekerheid, laatstelijk gewijzigd bij de wet van 18 december 2015, worden de volgende wijzigingen aangebracht:
  1° in de bepaling onder 16° worden de woorden "een instelling bedoeld in artikel 2, § 1 of § 3, 5°, van de wet van 9 juli 1975" vervangen door de woorden "een instelling bedoeld in de Boeken II en III van de [wet van 13 maart 2016] op het statuut van en het toezicht op de verzekerings- of herverzekeringsondernemingen."; <Errata, zie B.St. 08-04-2016, p. 23236>
  2° in de bepaling onder 20° worden de woorden "de wet van 9 juli 1975 betreffende de controle deze verzekeringsondernemingen" vervangen door de woorden "de [wet van 13 maart 2016] op het statuut van en het toezicht op de verzekerings- of herverzekeringsondernemingen". <Errata, zie B.St. 08-04-2016, p. 23236>

  HOOFDSTUK XI. - Wijzigingen van de wet van 27 oktober 2006 betreffende het toezicht op de instellingen voor bedrijfspensioenvoorziening

  Art. 712. In artikel 3, § 1, van de wet van 27 oktober 2006 betreffende het toezicht op de instellingen voor bedrijfspensioenvoorziening wordt de bepaling onder 3°, vervangen als volgt:
  "3° een verzekeringsonderneming bedoeld in de Boeken II en III van de [wet van 13 maart 2016] op het statuut van en het toezicht op de verzekerings- of herverzekeringsondernemingen." <Errata, zie B.St. 08-04-2016, p. 23236>

  Art. 713. In artikel 5, tweede lid, van dezelfde wet wordt de bepaling onder 6°, vervangen als volgt:
  "6° van de Commissie voor Verzekeringen ingesteld door artikel 301 van de wet van 4 april 2014 betreffende de verzekeringen.".

  Art. 714. In artikel 139, eerste lid, 2de streepje, van dezelfde wet worden de woorden ", bedoeld in artikel 2, § 1, van de wet van 9 juli 1975 betreffende de controle der verzekeringsondernemingen;" vervangen door de woorden "bedoeld in de Boeken II en III van de [wet van 13 maart 2016] op het statuut van en het toezicht op de verzekerings- of herverzekeringsondernemingen;". <Errata, zie B.St. 08-04-2016, p. 23236>

  Art. 715. Artikel 227 van dezelfde wet wordt opgeheven.

  Art. 716. In artikel 228, § 3, van dezelfde wet worden de woorden "ingesteld door artikel 41 van de wet van 9 juli 1975 betreffende de controle der verzekeringsondernemingen," vervangen door de woorden "ingesteld door artikel 301 van de wet van 4 april 2014 betreffende de verzekeringen,".

  HOOFDSTUK XII. - Wijzigingen van de wet van 3 augustus 2012 betreffende de instellingen voor collectieve belegging die voldoen aan de voorwaarden van Richtlijn 2009/65/EG en de instellingen voor belegging in schuldvorderingen

  Art. 717. In artikel 3 van de wet van 3 augustus 2012 betreffende de instellingen voor collectieve belegging die voldoen aan de voorwaarden van Richtlijn 2009/65/EG en de instellingen voor belegging in schuldvorderingen, laatstelijk gewijzigd bij de wet van 25 april 2014, worden de volgende wijzigingen aangebracht:
  1° de bepaling onder 45° wordt vervangen als volgt:
  "45° "wet van ...": de [wet van 13 maart 2016] op het statuut van en het toezicht op de verzekerings- of herverzekeringsondernemingen;"; <Errata, zie B.St. 08-04-2016, p. 23236>
  2° de bepaling onder 55° wordt opgeheven.

  Art. 718. In artikel 241 van dezelfde wet, laatstelijk gewijzigd bij de wet van 25 april 2014, worden de volgende wijzigingen aangebracht:
  1° in paragraaf 1, 2°, worden de woorden "artikel 91octiesdecies van de wet van 9 juli 1975 of artikel 98 van de wet van 16 februari 2009;" vervangen door de woorden "artikel 338, 7°, van de [wet van 13 maart 2016] ;"; <Errata, zie B.St. 08-04-2016, p. 23236>
  2° in paragraaf 1, 3°, tweede lid, worden de woorden "hoofdstuk VIIbis van de wet van 9 juli 1975 of titel VIII van de wet van 16 februari 2009." vervangen door de woorden "Titel V, Hoofdstuk II van de wet van ....";
  3° in paragraaf 5 worden de woorden "artikel 98 van de wet van 16 februari 2009 of artikel 91octiesdecies van de wet van 9 juli 1975," vervangen door de woorden "Titel V, Hoofdstuk III van de [wet van 13 maart 2016],". <Errata, zie B.St. 08-04-2016, p. 23236>

  HOOFDSTUK XIII. - Wijziging van de wet van 26 december 2013 houdende diverse bepalingen inzake de thematische volksleningen

  Art. 719. In artikel 2, 6°, van de wet van 26 december 2013 houdende diverse bepalingen inzake de thematische volksleningen worden de woorden "met een toelating op grond van artikel 2bis van de wet van 9 juli 1975 betreffende de controle der verzekeringsondernemingen" en de woorden "op grond van Hoofdstuk Vter van de voornoemde wet van 9 juli 1975;" respectievelijk vervangen door de woorden ", waaraan een vergunning is verleend op grond van artikel 28 van de [wet van 13 maart 2016] op het statuut van en het toezicht op de verzekerings- of herverzekeringsondernemingen" en door de woorden "op grond van Boek III, Titel I van de voornoemde [wet van 13 maart 2016];". <Errata, zie B.St. 08-04-2016, p. 23236>

  HOOFDSTUK XIV. - Wijzigingen van de wet van 4 april 2014 betreffende de verzekeringen

  Art. 720. In artikel 5 van de wet van 4 april 2014 betreffende de verzekeringen worden de volgende wijzigingen aangebracht:
  1° de bepaling onder 40° wordt vervangen als volgt:
  "40° "Herverzekeringsonderneming": een onderneming als gedefinieerd in artikel 5, eerste lid, 2°, van de [wet van 13 maart 2016] op het statuut van en het toezicht op de verzekerings- of herverzekeringsondernemingen;"; <Errata, zie B.St. 08-04-2016, p. 23236>
  2° de bepaling onder 42° wordt vervangen als volgt:
  "42° "[wet van 13 maart 2016]": de [wet van 13 maart 2016] op het statuut van en het toezicht op de verzekerings- of herverzekeringsondernemingen;". <Errata, zie B.St. 08-04-2016, p. 23236>

  Art. 721. In artikel 7 van dezelfde wet worden de woorden "de wet van 9 juli 1975," vervangen door de woorden "de [wet van 13 maart 2016],". <Errata, zie B.St. 08-04-2016, p. 23236>

  Art. 722. In artikel 17 van dezelfde wet worden de woorden "de in artikel 78 van de wet van 9 juli 1975 bedoelde publicatie" vervangen door de woorden "de in de artikelen 106 of 567, § 2, van de [wet van 13 maart 2016] bedoelde publicatie". <Errata, zie B.St. 08-04-2016, p. 23236>

  Art. 723. In artikel 18, § 1, van dezelfde wet worden de woorden "bedoeld in artikel 78 van de wet van 9 juli 1975" vervangen door de woorden "bedoeld in de artikelen 106 of 567, § 2, van de [wet van 13 maart 2016]". <Errata, zie B.St. 08-04-2016, p. 23236>

  Art. 724. In artikel 22 van dezelfde wet worden de volgende wijzigingen aangebracht:
  1° in paragraaf 1 worden de woorden "of met de bepalingen van de wet van 9 juli 1975" en de woorden "dan wel met de bepalingen van de wet van 9 juli 1975" respectievelijk vervangen door de woorden "of met de bepalingen van de [wet van 13 maart 2016]" en door de woorden "dan wel met de bepalingen van de [wet van 13 maart 2016]"; <Errata, zie B.St. 08-04-2016, p. 23236>
  2° paragraaf 2 wordt opgeheven.

  Art. 725. In artikel 33, § 2, van dezelfde wet worden de woorden "zoals bedoeld in artikel 68 van de wet van 9 juli 1975," vervangen door de woorden "zoals bedoeld in artikel 557 van de [wet van 13 maart 2016],". <Errata, zie B.St. 08-04-2016, p. 23236>

  Art. 726. In artikel 34, eerste lid, b) van dezelfde wet worden de woorden "zoals bedoeld in artikel 68 van de wet van 9 juli 1975" vervangen door de woorden "zoals bedoeld in artikel 557 van de [wet van 13 maart 2016]". <Errata, zie B.St. 08-04-2016, p. 23236>

  Art. 727. In artikel 41 van dezelfde wet worden de woorden "overeenkomstig artikel 21octies, § 2, eerste en tweede lid, van de wet van 9 juli 1975" vervangen door de woorden "overeenkomstig artikel 504 van de [wet van 13 maart 2016]". <Errata, zie B.St. 08-04-2016, p. 23236>

  Art. 728. In artikel 204 van de wet van 4 april 2014 betreffende de verzekeringen, gewijzigd door de wet van 26 oktober 2015, worden de volgende wijzigingen aangebracht:
  1°, paragraaf 2 wordt vervangen als volgt:
  " § 2. De premie, de vrijstelling en/of de prestatie mogen worden aangepast op de jaarlijkse premievervaldag op grond van het indexcijfer der consumptieprijzen.";
  2° paragraaf 3, eerste lid, wordt vervangen als volgt:
  "De premie, de vrijstelling en/of de prestatie mogen worden aangepast op de jaarlijkse premievervaldag, op grond van één of verschillende specifieke indexcijfers aan de kosten van de diensten die gedekt worden door de private ziekteverzekeringsovereenkomsten, indien en voor zover de evolutie van dat of deze indexcijfers het indexcijfer der consumptieprijzen overschrijdt.";
  3° paragraaf 3 wordt aangevuld met de volgende leden luidende:
  "Elke verzekeringsonderneming past de indexatiebedingen en -modaliteiten in de overeenkomsten, automatisch aan in overeenstemming met deze paragraaf en met de uitvoeringsbesluiten, inbegrepen hun latere wijzigingen. Ze worden aangepast binnen een termijn van 2 jaar vanaf de inwerkingtreding van deze besluiten en van iedere latere wijziging ervan. De verzekeringsonderneming informeert de verzekeringnemer over de gewijzigde indexatiemethode en de modaliteiten ervan door middel van een vermelding op het vervaldagbericht.
  De wijzigingen die voortvloeien uit de aanpassing van de bestaande overeenkomsten aan deze wet en haar uitvoeringsbesluiten, kunnen de opzegging van de overeenkomst door de verzekeringsnemer niet rechtvaardigen.".
  4° in paragraaf 4 worden de woorden "artikel 21octies van de wet van 9 juli 1975" vervangen door de woorden "artikel 504 van de [wet van 13 maart 2016]". <Errata, zie B.St. 08-04-2016, p. 23236>

  Art. 729. In artikel 267, § 1, vierde lid, van dezelfde wet worden de woorden "een verzekeringsonderneming onderworpen aan het aanvullend toezicht op een verzekeringsonderneming in de zin van artikel 91ter van de Wet van 9 juli 1975," vervangen door de woorden "een verzekeringsonderneming die onderworpen is aan een groepstoezicht in de zin van Boek II, Titel V, Hoofdstuk III van de [wet van 13 maart 2016],". <Errata, zie B.St. 08-04-2016, p. 23236>

  Art. 730. In artikel 297, § 2, van dezelfde wet worden de woorden "de betekenis die hieraan wordt gegeven in de wet van 9 juli 1975." vervangen door de woorden "de betekenis die hieraan wordt gegeven in de [wet van 13 maart 2016].". <Errata, zie B.St. 08-04-2016, p. 23236>

  Art. 731. In artikel 302, § 2, 1°, van dezelfde wet worden de woorden "of van de wet van 9 juli 1975," vervangen door de woorden "of van de [wet van 13 maart 2016],". <Errata, zie B.St. 08-04-2016, p. 23236>

  HOOFDSTUK XV. - Wijzigingen van de wet van 25 april 2014 op het statuut van en het toezicht op kredietinstellingen

  Art. 732. In artikel 2, 2°, van de wet van 25 april 2014 op het statuut van en het toezicht op kredietinstellingen worden de woorden "die geregeld zijn bij de wet van 9 juli 1975 betreffende de controle der verzekeringsondernemingen." vervangen door de woorden "die geregeld zijn bij de [wet van 13 maart 2016] op het statuut van en het toezicht op de verzekerings- of herverzekeringsondernemingen." <Errata, zie B.St. 08-04-2016, p. 23236>

  Art. 733. In artikel 3 van dezelfde wet worden de volgende wijzigingen aangebracht:
  1° de bepaling onder 26° wordt vervangen als volgt:
  "26° de begrippen controle, deelneming, deelnemingsverhouding, moederonderneming, dochteronderneming, consortium en verbonden onderneming: de omschrijving die hiervan wordt gegeven in de uitvoeringsbesluiten van artikel 106, § 1, van deze wet;";
  2° de bepaling onder 31°, wordt vervangen als volgt:
  "31° verzekeringsonderneming: een onderneming als bedoeld in artikel 5, eerste lid, 1°, van de [wet van 13 maart 2016] op het statuut van en het toezicht op de verzekerings- of herverzekeringsondernemingen;"; <Errata, zie B.St. 08-04-2016, p. 23236>
  3° de bepaling onder 32° wordt vervangen als volgt:
  "32° herverzekeringsonderneming: een onderneming als bedoeld in artikel 5, eerste lid, 2°, van de [wet van 13 maart 2016] op het statuut van en het toezicht op de verzekerings- of herverzekeringsondernemingen;"; <Errata, zie B.St. 08-04-2016, p. 23236>
  4° de bepaling onder 43° wordt vervangen als volgt:
  "43° verzekeringsholding: een verzekeringsholding in de zin van artikel 338, 5°, van de [wet van 13 maart 2016] op het statuut van en het toezicht op de verzekerings- of herverzekeringsondernemingen;";
  5° de bepaling onder 44° wordt vervangen als volgt: <Errata, zie B.St. 08-04-2016, p. 23236>
  "44° gemengde verzekeringsholding: een gemengde verzekeringsholding in de zin van artikel 338, 6°, van de [wet van 13 maart 2016] op het statuut van en het toezicht op de verzekerings- of herverzekeringsondernemingen;". <Errata, zie B.St. 08-04-2016, p. 23236>

  Art. 734. In artikel 9 van dezelfde wet worden de volgende wijzigingen aangebracht:
  1° de zin "Bij gebreke van gekwalificeerde deelnemingen heeft de kennisgeving betrekking op de identiteit van de twintig grootste aandeelhouders en hun kapitaalfractie." wordt opgeheven;
  2° artikel 9, als gewijzigd bij de bepaling onder 1°, van dit artikel en waarvan de bestaande tekst het eerste lid zal vormen, wordt aangevuld met een tweede lid, luidende:
  "Bij gebreke van gekwalificeerde deelnemingen heeft de in het eerste lid bedoelde kennisgeving betrekking op de identiteit van de twintig grootste aandeelhouders en hun kapitaalfractie.".

  Art. 735. In artikel 20, § 1, van dezelfde wet worden de volgende wijzigingen aangebracht:
  1° in de bepaling onder 2° wordt de bepaling onder n) vervangen als volgt:
  "n) de artikelen 83 en 87 van de wet van 9 juli 1975 betreffende de controle der verzekeringsondernemingen;";
  2° de bepaling onder 2° wordt aangevuld met een bepaling onder z/5), luidende:
  "z/5) artikel 605 van de [wet van 13 maart 2016] op het statuut van en het toezicht op de verzekerings- of herverzekeringsondernemingen;"; <Errata, zie B.St. 08-04-2016, p. 23236>
  3° in de bepaling onder 3° wordt een bepaling onder d) ingevoegd, luidende:
  "d) van de artikelen bedoeld in artikel 605 van de [wet van 13 maart 2016] op het statuut van en het toezicht op de verzekerings- of herverzekeringsondernemingen;". <Errata, zie B.St. 08-04-2016, p. 23236>

  Art. 736. In artikel 72, § 1, 2°, van dezelfde wet, gewijzigd bij de [wet van 18 december 2015], worden de woorden ", eerste lid" ingevoegd tussen de woorden "aan de in artikel 9" en de woorden "bedoelde personen". <Errata, zie B.St. 08-04-2016, p. 23236>

  Art. 737. In artikel 164, § 3, 7°, van dezelfde wet worden de volgende wijzigingen aangebracht:
  1° de woorden ", de wet van 9 juli 1975 betreffende de controle der verzekeringsondernemingen," worden vervangen door de woorden ", de [wet van 13 maart 2016] op het statuut van en het toezicht op de verzekerings- of herverzekeringsondernemingen,"; <Errata, zie B.St. 08-04-2016, p. 23236>
  2° de woorden "de wet van 6 april 1995, de wet van 16 februari 2009," worden geschrapt.

  Art. 738. In artikel 170 van dezelfde wet worden de volgende wijzigingen aangebracht:
  1° in paragraaf 1 wordt het derde lid opgeheven;
  2° in paragraaf 1 wordt het vroegere vierde lid, dat het derde lid, wordt, vervangen als volgt:
  "Voor de toepassing van deze paragraaf verkrijgt de toezichthouder in zijn hoedanigheid van consoliderende toezichthouder het akkoord van de betrokken bevoegde autoriteiten die belast zijn met het toezicht op de dochterondernemingen en van de groepstoezichthouder in de verzekeringssector.";
  3° in paragraaf 1 wordt het vroegere vijfde lid opgeheven;
  4° er wordt een paragraaf 1/1 ingevoegd, luidende:
  " § 1/1. Onverminderd de toepassing van paragraaf 2, indien een kredietinstelling naar Belgisch recht die aan het hoofd staat van een financieel conglomeraat of een gemengde financiële holding naar Belgisch recht onderworpen is aan gelijkwaardige bepalingen van dit Hoofdstuk die enerzijds betrekking hebben op het geconsolideerde toezicht, anderzijds op het aanvullende conglomeraatstoezicht, en met name als deze bepalingen betrekking hebben op risicogebaseerd toezicht, kan de toezichthouder besluiten op deze kredietinstelling of gemengde financiële holding alleen de relevante bepalingen die betrekking hebben op het aanvullende conglomeraatstoezicht toe te passen.";
  5° in paragraaf 2 worden in de bepaling onder 1°, de woorden "en die het financieel conglomeraat vormt," ingevoegd tussen de woorden "de groep zoals gedefinieerd in artikel 164, § 3" en "in aanmerking worden genomen";
  6° in paragraaf 3, tweede zin, worden de woorden "De toezichthouder pleegt daartoe overleg" geschrapt;
  7° er wordt een paragraaf 4 ingevoegd, luidende:
  " § 4. In zijn hoedanigheid van consoliderende toezichthouder stelt de toezichthouder de EBA en de Europese Autoriteit voor Verzekeringen en Bedrijfspensioenen in kennis van het krachtens paragraaf 1, derde lid verkregen akkoord, het krachtens paragraaf 1/1 genomen besluit en de krachtens § 3, getroffen coördinatieregeling.".

  Art. 739. In artikel 171, § 2, van dezelfde wet, wordt tussen het derde en het vierde lid een lid ingevoegd, luidende:
  "Onverminderd artikel 212, wanneer de toezichthouder op grond van artikel 111, lid 5, van Richtlijn 2013/36/EU werd of is aangewezen als consoliderende toezichthouder voor het uitoefenen van het geconsolideerd toezicht op een kredietinstelling die onder het recht van een andere lidstaat ressorteert en waarvan de moederonderneming een financiële holding of gemengde financiële holding naar Belgisch recht is, zonder dat een kredietinstelling naar Belgisch recht aanwezig is in het geconsolideerde geheel, zijn de bepalingen die gelden voor de kredietinstellingen als bedoeld in artikel 165, 2°, van overeenkomstige toepassing op de voornoemde holding.".

  Art. 740. In Boek II, Titel III, Hoofdstuk IV, Afdeling II, Onderafdeling III van dezelfde wet wordt een artikel 183/1 ingevoegd, luidende:
  "Art. 183/1. Een kredietinstelling naar Belgisch recht die een consortium vormt met een of meer andere ondernemingen, valt onder een geconsolideerd toezicht dat geldt voor alle ondernemingen van het consortium en hun dochterondernemingen. De bepalingen die gelden voor de kredietinstellingen als bedoeld in artikel 165, 2°, zijn van toepassing.".

  Art. 741. In artikel 194, § 2, van dezelfde wet, wordt de bepaling onder 4°, vervangen als volgt: "4° regelmatig geactualiseerde regelingen om bij te dragen tot de verwezenlijking en, in voorkomend geval, de ontwikkeling van passende herstel- en afwikkelingsmechanismen en -plannen.".

  Art. 742. In de Franse tekst van artikel 196, § 2, van dezelfde wet worden de volgende wijzigingen aangebracht:
  1° in de bepaling onder 3° worden de woorden "autorité compétente belge chargée du contrôle" vervangen door de woorden "autorité compétente chargée du contrôle";
  2° in de bepaling onder 5° worden de woorden "et que cet Etat membre a" vervangen door de woorden "et a dans cet Etat membre".

  Art. 743. In artikel 196, § 3, van dezelfde wet worden de volgende wijzigingen aangebracht:
  1° de woorden "paragraaf 1" worden vervangen door de woorden "paragraaf 2";
  2° er wordt een tweede lid ingevoegd, luidende:
  "Wanneer de toezichthouder op grond van artikel 11, lid 3, van Richtlijn 2002/87/EG is aangewezen als coördinator voor het uitoefenen van het aanvullende conglomeraatstoezicht op een kredietinstelling die onder het recht van een andere lidstaat ressorteert en waarvan de moederonderneming een gemengde financiële holding naar Belgisch recht is, zonder dat een kredietinstelling naar Belgisch recht of een andere gereglementeerde onderneming naar Belgisch recht die op individuele basis aan het toezicht van de toezichthouder is onderworpen, aanwezig is in de groep die het financieel conglomeraat vormt, zijn de bepalingen die gelden voor de kredietinstellingen als bedoeld in artikel 185, eerste lid, 2°, van overeenkomstige toepassing op de voornoemde holding, behoudens afwijkende regelingen in de overeenkomst tussen de bevoegde autoriteiten als bedoeld in artikel 11, lid 3, van Richtlijn 2002/87/EG.".

  Art. 744. In artikel 210, § 1, 2°, van dezelfde wet worden de woorden ", artikel 40 van de wet van 9 juli 1975 betreffende de controle der verzekeringsondernemingen, artikel 42 van de wet van 16 februari 2009 op het herverzekeringsbedrijf" vervangen door de woorden ", artikel 327 van de [wet van 13 maart 2016] op het statuut van en het toezicht op de verzekerings- of herverzekeringsondernemingen". <Errata, zie B.St. 08-04-2016, p. 23236>

  Art. 745. In de Franse tekst van artikel 213, § 1, derde lid, van dezelfde wet worden de woorden "et ces filiales" tussen de woorden "si ces entreprises" en de woorden "ne tombent pas" opgeheven.

  Art. 746. In de Franse tekst van artikel 217, § 1, eerste lid, van dezelfde wet worden de woorden "ainsi que les compagnies financières mixtes et leurs filiales" vervangen door de woorden "ainsi que les compagnies mixtes et leurs filiales".

  Art. 747. In artikel 219, § 4, vijfde lid, van dezelfde wet worden de woorden "met de betrokken bevoegde autoriteiten" vervangen door de woorden "met de relevante bevoegde autoriteiten".

  Art. 748. In artikel 3, § 1, tweede lid, van Bijlage VI van dezelfde wet worden de woorden "de artikelen 15 en 91nonies van de wet van 9 juli 1975 betreffende de controle der verzekeringsondernemingen." vervangen door de woorden "de artikelen 151 en 358 van de [wet van 13 maart 2016] op het statuut van en het toezicht op de verzekerings- of herverzekeringsondernemingen.". <Errata, zie B.St. 08-04-2016, p. 23236>

  HOOFDSTUK XVI. - Wijzigingen van het Wetboek van Economisch Recht

  Art. 749. In artikel I.9, 72°, van het Wetboek van Economisch Recht worden de woorden "bedoeld in artikel 2, § 1, van de wet van 9 juli 1975 betreffende de controle der verzekeringsondernemingen;" vervangen door de woorden "bedoeld in artikel 5, eerste lid, 1°, van de [wet van 13 maart 2016] op het statuut van en het toezicht op de verzekerings- of herverzekeringsondernemingen;". <Errata, zie B.St. 08-04-2016, p. 23236>

  Art. 750. In artikel VII.119, § 1, 2°, van hetzelfde Wetboek, ingevoegd bij de wet van 19 april 2014, worden de volgende wijzigingen aangebracht:
  1° de woorden "door de Koning" worden geschrapt;
  2° de woorden "met toepassing van de wet van 9 juli 1975 betreffende de controle der verzekeringsondernemingen;" worden vervangen door de woorden "met toepassing van de [wet van 13 maart 2016] op het statuut van en het toezicht op de verzekerings- of herverzekeringsondernemingen;". <Errata, zie B.St. 08-04-2016, p. 23236>

  Art. 751. In artikel VII.173 van hetzelfde Wetboek, ingevoegd bij de wet van 19 april 2014, worden de woorden "hetzij als verzekeringsondernemingen op de in artikel 4 van de wet van 9 juli 1975 betreffende de controle der verzekeringsondernemingen bedoelde lijst" vervangen door de woorden "hetzij als verzekeringsondernemingen op de lijst als bedoeld in artikel 31 van de [wet van 13 maart 2016] op het statuut van en het toezicht op de verzekerings- of herverzekeringsondernemingen". <Errata, zie B.St. 08-04-2016, p. 23236>

  Art. 752. In artikel VII.176, § 3, van hetzelfde Wetboek, ingevoegd bij de wet van 19 april 2014, worden de woorden "op de in de artikelen 4 en 66 van de wet van 9 juli 1975 betreffende de controle der verzekeringsondernemingen bedoelde lijsten" vervangen door de woorden "op de lijsten als bedoeld in de artikelen 31 en 555 van de [wet van 13 maart 2016] op het statuut van en het toezicht op de verzekerings- of herverzekeringsondernemingen". <Errata, zie B.St. 08-04-2016, p. 23236>

  Art. 753. In artikel XI.250, tweede lid, van hetzelfde Wetboek, ingevoegd bij de wet van 19 april 2014, worden de volgende wijzigingen aangebracht:
  1° in de bepaling onder 2° wordt de bepaling onder o) vervangen als volgt:
  "o) de artikelen 83 tot 87 van de wet van 9 juli 1975 betreffende de controle der verzekeringsondernemingen;";
  2° de bepaling onder 2° wordt aangevuld met een bepaling onder s), luidende:
  "s) artikel 605 van de [wet van 13 maart 2016] op het statuut van en het toezicht op de verzekerings- of herverzekeringsondernemingen;". <Errata, zie B.St. 08-04-2016, p. 23236>

  Art. 754. In artikel XII.4, eerste lid van hetzelfde Wetboek, ingevoegd bij de wet van 15 december 2013, worden de woorden "blijven de hoofdstukken IIIbis, IIIter, Vbis en Vter van de wet van 9 juli 1975 betreffende de controle der verzekeringsondernemingen van toepassing." vervangen door de woorden "blijven Boek II, Titel II, Hoofdstuk V, Afdelingen 2 tot 4, en Boek III, Titel I van de [wet van 13 maart 2016] op het statuut van en het toezicht op de verzekerings- of herverzekeringsondernemingen van toepassing.". <Errata, zie B.St. 08-04-2016, p. 23236>

  HOOFDSTUK XVII. - Overige bepalingen

  Art. 755. In de wetten die verwijzingen bevatten naar Bijlage I van het koninklijk besluit van 22 februari 1991 houdende algemeen reglement betreffende de controle op de verzekeringsondernemingen, moeten deze verwijzingen worden gelezen als verwijzingen naar Bijlage I van de [wet van 13 maart 2016] op het statuut van en het toezicht op de verzekerings- of herverzekeringsondernemingen voor wat betreft de groep van activiteiten "niet-leven" en als verwijzingen naar Bijlage II van dezelfde wet voor wat betreft de groep van activiteiten "leven". <Errata, zie B.St. 08-04-2016, p. 23236>

  Art. 756. Onverminderd de wijzigingen die bij de artikelen 680 tot 684, 686, 687 tot 696, 698, 699, 704 tot 733, 735, 737, 744 en 748 tot 754 zijn aangebracht in de wetten die verwijzingen bevatten naar de wet van 9 juli 1975 of naar het koninklijk besluit van 22 februari 1991 houdende algemeen reglement betreffende de controle op de verzekeringsondernemingen, moeten deze verwijzingen in voorkomend geval worden gelezen als verwijzingen naar de bepalingen met hetzelfde voorwerp van de [wet van 13 maart 2016] op het statuut van en het toezicht op de verzekerings- of herverzekeringsondernemingen. <Errata, zie B.St. 08-04-2016, p. 23236>

  TITEL IV. - Ophe