J U S T E L     -     Geconsolideerde wetgeving
Einde Eerste woord Laatste woord Wijziging(en) Aanhef
Verslag aan de Koning Inhoudstafel 1 uitvoeringbesluit 1 gearchiveerde versie
Handtekening Einde Franstalige versie
 
belgiëlex . be     -     Kruispuntbank Wetgeving
Raad van State
ELI - Navigatie systeem via een Europese identificatiecode voor wetgeving
http://www.ejustice.just.fgov.be/eli/besluit/2016/02/19/2016014084/justel

Titel
19 FEBRUARI 2016. - Koninklijk besluit tot uitvoering van de artikelen 13, 24 en 25 van de wet van 1 juli 2011 betreffende de beveiliging en bescherming van de kritieke infrastructuren, voor de sector Vervoer, deelsector spoorvervoer
(NOTA : Raadpleging van vroegere versies vanaf 07-04-2016 en tekstbijwerking tot 29-05-2017)

Bron : MOBILITEIT EN VERVOER
Publicatie : 07-04-2016 nummer :   2016014084 bladzijde : 23017       PDF :   originele versie    
Dossiernummer : 2016-02-19/26
Inwerkingtreding : 17-04-2016

Inhoudstafel Tekst Begin
HOOFDSTUK 1. - Toepassingsgebied
Art. 1-2
HOOFDSTUK 2. - Definities
Art. 3
HOOFDSTUK 3. - Bepalingen tot uitvoering van de wet
Afdeling 1. - Beveiligingsmaatregelen die opgenomen zijn in het B.P.E.
Art. 4
Afdeling 2. - Frequentie van de oefeningen en van de bijwerkingen van het B.P.E. en nadere regels van de deelneming van de hulp- en politiediensten aan de oefeningen georganiseerd door de spoorwegexploitant
Art. 5
Afdeling 3. - Inspectiedienst en nadere regels van de controle
Art. 6-8
HOOFDSTUK 4. - Slotbepalingen
Art. 9
BIJLAGE.
Art. N

Tekst Inhoudstafel Begin
HOOFDSTUK 1. - Toepassingsgebied

  Artikel 1. Dit besluit is van toepassing op het geheel van de voorschriften met betrekking tot de bescherming en de beveiliging van de nationale en de Europese kritieke infrastructuren voor de sector Vervoer, deelsector spoorvervoer, zoals bedoeld in artikel 4, § 2, tweede lid, 2°, van de wet van 1 juli 2011 betreffende de beveiliging en bescherming van de kritieke infrastructuren.

  Art. 2. Dit besluit is niet van toepassing op :
  1° spoorweginfrastructuur in particuliere eigendom en enkel op deze infrastructuur gebruikte voertuigen die uitsluitend door hun eigenaar voor eigen goederenvervoer worden gebruikt;
  2° spoorwegnetwerken die functioneel gescheiden zijn van de rest van het spoorwegsysteem en uitsluitend bestemd zijn voor de exploitatie van lokale, stedelijke of voorstedelijke diensten voor reizigers- en goederenvervoer;
  3° spoorwegen met een patrimoniaal, museum- en toeristisch karakter die over hun eigen spoorwegnetwerken beschikken, of die gebruik maken van buiten dienst gestelde maar niet ontmantelde lijnen van de spoorweginfrastructuur, met inbegrip van de werkplaatsen, de voertuigen en het personeel waarvan de activiteiten beperkt zijn tot deze netwerken en lijnen;
  4° voertuigen die uitsluitend bestemd zijn voor patrimoniale, historische en toeristische doeleinden en die gebruik maken van het nationale spoorwegnetwerk;
  5° metro- en tramsystemen en andere systemen voor stads- en regionaal spoorvervoer door middel van light rail en andere spoorgebonden modi, voor zover die systemen geen gebruik maken van het Belgische spoorwegnetwerk.

  HOOFDSTUK 2. - Definities

  Art. 3. Voor dit besluit, wordt verstaan onder :
  1° "de wet" : de wet van 1 juli 2011 betreffende de beveiliging en de bescherming van de kritieke infrastructuren;
  2° "B.P.E." : het beveiligingsplan van de exploitant bedoeld in artikel 13 van de wet;
  3° "spoorwegexploitant" : de exploitant zoals gedefinieerd in artikel 3, 10°, van de wet, in de deelsector spoorvervoer;
  4° "spoorbeveiligingszone" : elke zone van het spoorwegnet zoals bedoeld in punt 7° van dit artikel, dat essentieel is voor spoorbeveiliging en dat bepaald is door de spoorwegexploitant op basis van een specifieke beveiligingsbeoordeling;
  5° "spoorweginfrastructuur" : de spoorweginfrastructuur zoals gedefinieerd in artikel 3, 32°, van de Spoorcodex;
  6° "inspectiedienst" : de Directie die bevoegd is voor het spoorbeleid binnen de Federale Overheidsdienst Mobiliteit en Vervoer;
  7° "spoorwegnet" : het netwerk zoals gedefinieerd in artikel 3, 59°, van de Spoorcodex alsook de onbemande stopplaatsen;
  8° "tafeloefening" : simulatie-oefening in zaal gebaseerd op informatieberichten en bijzondere bevelen, die toegelicht worden na elk incident.

  HOOFDSTUK 3. - Bepalingen tot uitvoering van de wet

  Afdeling 1. - Beveiligingsmaatregelen die opgenomen zijn in het B.P.E.

  Art. 4. De spoorwegexploitant bepaalt de spoorbeveiligingszones in het spoorwegnet door een specifieke beveiligingsbeoordeling te maken. Deze zones kunnen een deel van het spoorwegnet omvatten dat groter is dan een infrastructuur die aangeduid is als kritiek en dit om rekening te houden met elementen van het spoorwegnet die een impact kunnen hebben op de bescherming van deze als kritiek aangeduide infrastructuren. De beveiligingsbeoordelingen die werden uitgevoerd om de beveiligingszones te bepalen, houden rekening met de bijzonderheden van de verschillende delen van het spoorwegnet en ook met de aangrenzende zones als deze laatste een invloed hebben op de beveiliging van het spoorwegnet.
  Het B.P.E. houdt rekening met de verschillende door de spoorwegexploitant geïdentificeerde spoorbeveiligingszones van de infrastructuur.
  De documenten van het B.P.E. worden gemerkt met de vermelding "beperkte verspreiding" zoals bedoeld in artikel 20 van het koninklijk besluit van 24 maart 2000 tot uitvoering van de wet van 11 december 1998 betreffende de classificatie en de veiligheidsmachtigingen, veiligheidsattesten en veiligheidsadviezen.

  Afdeling 2. - Frequentie van de oefeningen en van de bijwerkingen van het B.P.E. en nadere regels van de deelneming van de hulp- en politiediensten aan de oefeningen georganiseerd door de spoorwegexploitant

  Art. 5. § 1. Het B.P.E. wordt met passende tussenpozen van niet meer dan drie jaar uitgetest door middel van oefeningen.
  § 2. Wanneer meerdere infrastructuren van de spoorwegexploitant als kritiek werden aangeduid, en zij van hetzelfde type zijn en een identieke functie uitoefenen, kan het B.P.E. van één van deze infrastructuren worden getest binnen de in de eerste paragraaf bedoelde tussenpozen.
  § 3. De oefeningen kunnen plaatsvinden onder de vorm van tafeloefeningen of als realistische simulatieoefeningen.
  De hulp- en politiediensten worden systematisch uitgenodigd om deel te nemen aan de oefeningen. De termijn en de nadere regels van deze uitnodiging worden bepaald in gezamenlijk akkoord met deze diensten.
  De oefeningen worden gebaseerd op geloofwaardige scenario's en worden gradueel opgebouwd op basis van de resultaten die eruit voortvloeien.
  § 4. De spoorwegexploitant informeert de inspectiedienst over het tijdstip en de aard van de oefening. De termijn en de nadere regels van deze uitnodiging worden bepaald in gezamenlijk akkoord met deze dienst.
  § 5. De inspectiedienst kan vrijblijvend deelnemen als waarnemer bij de oefeningen.
  § 6. Indien de diensten bedoeld in de paragrafen 3, tweede lid, en 5 deelnemen, organiseert de spoorwegexploitant met hen een voorafgaande overlegvergadering inzake de nadere regels van de oefening. De termijn en de nadere regels van deze uitnodiging worden bepaald in gezamenlijk akkoord met deze dienst.
  § 7. Het B.P.E wordt, indien nodig, herzien in functie van de conclusies van de oefeningen. Het is in elk geval minstens eenmaal om de vijf jaar geëvalueerd.
  § 8. De spoorwegexploitant maakt een evaluatieverslag van de oefening en stuurt een kopie naar de inspectiedienst.

  Afdeling 3. - Inspectiedienst en nadere regels van de controle

  Art. 6. De inspectiedienst wordt belast met de controle op de naleving door de spoorwegexploitanten van de deelsector spoorvervoer van de bepalingen van de wet en van haar uitvoeringsbesluiten.
  De leden van de inspectiedienst beschikken over een legitimatiekaart waarvan het model bepaald wordt in de bijlage.
  De inspectiedienst stuurt naar alle spoorwegexploitanten een lijst op met de namen en voornamen van de inspecteurs die bevoegd zijn om controles op de kritieke infrastructuur uit te voeren en die houder zijn van de legitimatiekaart, bedoeld in het tweede lid. Bij elke wijziging wordt een geactualiseerde lijst verstuurd.

  Art. 7. § 1. Om toegang te krijgen tot de te controleren site, identificeert de inspecteur van de inspectiedienst zich aan de hand van :
  1° zijn identiteitskaart;
  2° zijn persoonlijke legitimatiekaart bedoeld in artikel 6, tweede lid.
  § 2. Na identificatie krijgt de inspecteur inzage in het B.P.E. en krijgt hij op verzoek een kopie ervan, en bekomt hij ook toegang tot alle informatie en plaatsen van de kritieke infrastructuur die aan zijn controle onderworpen zijn en die noodzakelijk zijn om zijn functie naar behoren uit te voeren overeenkomstig artikel 25, § 1, van de wet.
  § 3. De spoorwegexploitant verleent zijn volledige medewerking aan de inspecteur om deze zo goed mogelijk te informeren over alle bestaande beveiligingsmaatregelen.
  De spoorwegexploitant stelt in voorkomend geval het veiligheidsmateriaal ter beschikking opdat de inspecteur voldoet aan de veiligheidsvoorschriften die gelden in de te controleren infrastructuur.
  Onverminderd artikel 9 van de wet van 4 augustus 1996 betreffende het welzijn van de werknemers bij de uitvoering van hun werk neemt de spoorwegexploitant de passende maatregelen om de veiligheid van de inspecteurs te garanderen gedurende de te realiseren inspecties. Indien deze inspecties vereisen dat in de sporen of in het vrije ruimteprofiel wordt getreden, kunnen deze maatregelen het verbod inhouden van spoorwegverkeer naar één of meerdere sporen.
  De inspectiedienst en de spoorwegexploitant sluiten een protocol met betrekking tot de veiligheid van de inspecteurs tijdens de uitvoering van inspecties in de installaties van de spoorwegexploitant, zoals voorzien in artikel 9 van de wet van 4 augustus 1996 betreffende het welzijn van de werknemers bij de uitvoering van hun werk. Het protocol voorziet in het bijzonder de te nemen maatregelen wanneer eventueel in de sporen of in het vrije ruimteprofiel wordt getreden.
  § 4. De inspectiedienst is ermee belast na te gaan :
  1° of het B.P.E. voldoet aan de minimale inhoud opgelegd door en krachtens de wet;
  2° of de interne beveiligingsmaatregelen zoals beschreven in het B.P.E. effectief worden uitgevoerd;
  3° of de oefeningen uitgevoerd worden binnen de voorziene termijnen zoals bepaald in artikel 5, § 1;
  4° of de spoorwegexploitant een beveiligingscontactpunt heeft aangesteld en of de aan de inspectiedienst meegedeelde contactgegevens actueel zijn;
  5° of de spoorwegexploitant elke andere verplichting naleeft die hem eventueel krachtens de wet wordt opgelegd.

  Art. 8. Na elke inspectie stelt de inspecteur een inspectierapport op en maakt kopie ervan over aan de spoorwegexploitant van de geïnspecteerde kritieke infrastructuur.

  HOOFDSTUK 4. - Slotbepalingen

  Art. 9. De minister bevoegd voor het spoorwegvervoer is belast met de uitvoering van dit besluit.

  BIJLAGE.

  Art. N.[1 Bijlage. Legitimatiekaart.
   ( Beeld niet opgenomen om technische redenen, zie B.St. van 29-05-2017, p. 59853 )]1
  ----------
  (1)<KB 2017-05-05/06, art. 1, 002; Inwerkingtreding : 29-05-2017>
  

Handtekening Tekst Inhoudstafel Begin
   Gegeven te Brussel op 19 februari 2016.
FILIP
Van Koningswege :
De Minister van Mobiliteit,
Mevr. J. GALANT

Aanhef Tekst Inhoudstafel Begin
   FILIP, Koning der Belgen,
   Aan allen die nu zijn en hierna wezen zullen, Onze Groet.
   Gelet op de wet van 1 juli 2011 betreffende de beveiliging en de bescherming van de kritieke infrastructuren, de artikelen 13, §§ 2, tweede lid, en 6, derde en vierde lid, 24, §§ 2 en 3, gewijzigd bij de wet van 25 april 2014, en artikel 25, § 2;
   Gelet op het advies van de inspecteur van Financiën, gegeven op 7 september 2015;
   Gelet op de akkoordbevinding van de Minister van Begroting, d.d. 10 september 2015;
   Gelet op de betrokkenheid van de gewestregeringen;
   Gelet op advies 58.680/4 van de Raad van State, gegeven op 11 januari 2016, met toepassing van artikel 84, § 1, eerste lid, 2°, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;
   Op de voordracht van de Minister van Mobiliteit,
   Hebben Wij besloten en besluiten Wij :

Wijziging(en) Tekst Inhoudstafel Begin
originele versie
  • KONINKLIJK BESLUIT VAN 05-05-2017 GEPUBL. OP 29-05-2017
    (GEWIJZIGD ART. : N)

  • Verslag aan de Koning Tekst Inhoudstafel Begin
       VERSLAG AAN DE KONING
       Sire,
       Dit koninklijk besluit heeft tot doel om de wet van 1 juli 2011 betreffende de beveiliging en de bescherming van de kritieke infrastructuren, met name de artikelen 13, §§ 2, tweede lid, en 6, derde en vierde lid, 24, §§ 2 en 3, gewijzigd bij de wet van 25 april 2014, en artikel 25, § 2, uit te voeren.
       Dit koninklijk besluit moet onderscheiden worden van het koninklijk besluit van 26 januari 2006 tot oprichting van een nationale autoriteit voor de beveiliging van het spoorwegvervoer en houdende diverse maatregelen voor de beveiliging van het intermodaal vervoer, dat van toepassing is op de gehele spoorbeveiliging.
       De kritieke infrastructuren zijn inderdaad de eersten die op prioritaire wijze dienen beschermd te worden.
       In dit besluit, in de Franse tekst, dient het woord "sécurité" begrepen te worden als "sûreté", met uitzondering van het gebruik ervan in artikel 7, § 1, tweede en derde lid.
       Commentaar per artikel
       Artikel 1
       Het toepassingsgebied van dit besluit beperkt zich tot de bescherming en de beveiliging van kritieke infrastructuren voor de sector Vervoer, deelsector spoorvervoer.
       Artikel 2
       De uitsluitingen uit het toepassingsgebied van dit besluit zijn overgenomen uit de Spoorcodex.
       Artikel 3
       1° dit punt behoeft geen commentaar;
       2° dit punt behoeft geen commentaar;
       3° het begrip "spoorwegexploitant" kan zowel Infrabel als NMBS viseren.
       Het begrip "spoorwegexploitant" viseert enerzijds Infrabel als beheerder van de spoorweginfrastructuur, wanneer deze of een deel ervan is aangeduid als kritieke infrastructuur in de zin van artikel 3, 4° van de wet van 1 juli 2011 betreffende de beveiliging en de bescherming van de kritieke infrastructuren.
       Het begrip "spoorwegexploitant" viseert ook de NMBS rekening houdend met haar maatschappelijk doel en met haar opdrachten van openbare dienst, zoals deze zijn beschreven in de artikelen 155, 156, 156bis en 156quater van de wet van 21 maart 1991 betreffende de hervorming van sommige economische overheidsbedrijven, wanneer de door dit maatschappelijk doel en door deze opdrachten beoogde infrastructuren aangeduid zijn als kritieke infrastructuur in de zin van artikel 3, 4°, van de vermelde wet van 1 juli 2011;
       4° wanneer de spoorwegexploitanten beveiligingsbeoordelingen uitvoeren om de beveiligingszones te bepalen, moeten zij overleg plegen met de beheerders van deze zones en van de aangrenzende zones indien deze laatste een invloed hebben op de beveiliging van het spoorwegnet.
       Bovendien is het nodig dat de interne beveiligingsmaatregelen die de spoorwegexploitant in het beveiligingsplan van de exploitant voorziet, rekening houden met het belang voor de beveiliging van aan kritieke infrastructuren aangrenzende zones, met name de toegangszones tot kritieke infrastructuren.
       Bijgevolg is het belangrijk dat deze aangrenzende zones, met name deze toegangszones, in rekening worden gebracht bij de beveiligingsbeoordelingen die de spoorwegexploitant uitvoert om de spoorbeveiligingszones in het spoorwegnet te bepalen;
       5° het begrip "spoorweginfrastructuur" is beperkter dan het begrip "spoorwegnet" zoals gedefinieerd in de bepaling onder 7° ;
       6° dit punt behoeft geen commentaar;
       7° het begrip "spoorwegnet" omvat met name het begrip "spoorweginfrastructuur", gedefinieerd in de bepaling onder 5°, maar is daar niet toe beperkt;
       8° dit punt behoeft geen commentaar.
       Artikel 4
       Dit artikel voorziet in de verplichting voor de spoorwegexploitant om specifieke beveiligingsbeoordelingen te maken om spoorbeveiligingszones in het spoorwegnet te bepalen.
       Het geeft aan de documenten van het B.P.E. ook een confidentiële waarde door verwijzing naar het koninklijk besluit van 24 maart 2000 tot uitvoering van de wet van 11 december 1998 betreffende de classificatie en de veiligheidsmachtigingen, veiligheidsattesten en veiligheidsadviezen.
       Artikel 5
       Dit artikel voorziet in de verplichting voor de spoorwegexploitant om zijn B.P.E. uit te testen door middel van oefeningen met passende tussenpozen van niet meer dan drie jaar, en om, indien nodig, het B.P.E. te herzien in functie van de conclusies van de oefeningen, en om het in elk geval minstens eenmaal om de vijf jaar te evalueren.
       Artikel 6
       Dit artikel duidt de inspectiedienst aan die belast is met de controle op de naleving van de bepalingen van de wet en van haar uitvoeringsbesluiten door de spoorwegexploitanten van de deelsector spoorvervoer.
       Artikel 7
       Dit artikel bepaalt de voorwaarden waarin de inspecteurs van de dienst bedoeld in artikel 6 hun inspecties uitvoeren.
       Artikel 8
       De artikel behoeft geen commentaar.
       Artikel 9
       De artikel behoeft geen commentaar.
       Ik heb de eer te zijn,
       Sire,
       Van Uwe Majesteit,
       de zeer eerbiedige en zeer getrouwe dienaar,
       De Minister van Mobiliteit,
       Mevr. J. GALANT
       
       ADVIES 58.680/4 VAN 11 JANUARI 2016 VAN DE RAAD VAN STATE, AFDELING WETGEVING, OVER EEN ONTWERP VAN KONINKLIJK BESLUIT `TOT UITVOERING VAN DE ARTIKELEN 13, 24 EN 25 VAN DE WET VAN 1 JULI 2011 BETREFFENDE DE BEVEILIGING EN BESCHERMING VAN DE NATIONALE EN EUROPESE KRITIEKE INFRASTRUCTUREN VOOR DE SECTOR VERVOER, DEELSECTOR SPOORVERVOER'
       Op 15 december 2015 is de Raad van State, afdeling Wetgeving, door de Minister van Mobiliteit verzocht binnen een termijn van dertig dagen een advies te verstrekken over een ontwerp van koninklijk besluit `tot uitvoering van de artikelen 13, 24 en 25 van de wet van 1 juli 2011 betreffende de beveiliging en bescherming van de nationale en Europese Kritieke infrastructuren voor de sector Vervoer, deelsector spoorvervoer'.
       Het ontwerp is door de vierde kamer onderzocht op 11 januari 2016.
       De kamer was samengesteld uit Pierre Liénardy, kamervoorzitter, Martine Baguet en Bernard Blero, staatsraden, Sébastien Van Drooghenbroeck en Marianne Dony, assessoren, en Colette Gigot, griffier.
       Het verslag is uitgebracht door Yves Chauffoureaux, eerste auditeur.
       De overeenstemming tussen de Franse en de Nederlandse tekst van het advies is nagezien onder toezicht van Martine Baguet.
       Het advies, waarvan de tekst hierna volgt, is gegeven op 11 januari 2016.
       Aangezien de adviesaanvraag ingediend is op basis van artikel 84, § 1, eerste lid, 2°, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State, beperkt de afdeling Wetgeving overeenkomstig artikel 84, § 3, van de voornoemde gecoördineerde wetten haar onderzoek tot de rechtsgrond van het ontwerp, de bevoegdheid van de steller van de handeling en de te vervullen voorafgaande vormvereisten.
       Wat deze drie punten betreft, geeft het ontwerp aanleiding tot de volgende opmerkingen.
       Voorafgaande vormvereisten
       Overeenkomstig artikel 6, § 4, 3°, eerste lid, van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 `tot hervorming der instellingen', zijn de gewestregeringen betrokken bij het uitwerken van het voorliggende ontwerp.
       In het kader van die procedure heeft de Vlaamse Regering op 16 oktober 2015 over het ontwerp een negatief advies uitgebracht. De Brusselse Hoofdstedelijke Regering heeft harerzijds op 10 december 2015 een voorwaardelijk positief advies uitgebracht.
       Opdat dit voorafgaand vormvereiste geacht kan worden naar behoren vervuld te zijn, moeten de Vlaamse Regering en de Brusselse Hoofdstedelijke Regering op de hoogte worden gebracht van het gevolg dat gegeven is aan de opmerkingen die ze hebben gemaakt. Indien die opmerkingen ertoe leiden dat de oorspronkelijke tekst gewijzigd wordt, dienen de drie gewestregeringen daarvan op de hoogte te worden gebracht.
       Onderzoek van het ontwerp
       Opschrift
       Het opschrift moet worden herzien om er geen enkele twijfel over te laten bestaan dat het juiste opschrift van de wet van 1 juli 2011 als volgt luidt : `betreffende de beveiliging en de bescherming van de kritieke infrastructuren'.
       Deze opmerking geldt eveneens voor artikel 1 van het ontwerp en de bijlage ervan.
       Aanhef
       1. In het eerste lid moet tevens artikel 24, § 3, van de wet van 1 juli 2011 als rechtsgrond van het ontwerp worden vermeld.
       Ook dient daarin te worden vermeld dat de artikelen 13 en 24 van dezelfde wet gewijzigd zijn bij de wet van 25 april 2014.
       2. Aangezien het niet gebruikelijk is reglementaire besluiten uitdrukkelijk te motiveren, dienen het zesde tot het veertiende lid, die niet noodzakelijk zijn voor een goed begrip van het besluit, te vervallen.
       De griffier,
       C. Gigot.
       De voorzitter,
       P. Liénardy.

    Begin Eerste woord Laatste woord Wijziging(en) Aanhef
    Verslag aan de Koning Inhoudstafel 1 uitvoeringbesluit 1 gearchiveerde versie
    Franstalige versie