J U S T E L     -     Geconsolideerde wetgeving
Einde Eerste woord Laatste woord Aanhef
Parlementaire werkzaamheden Inhoudstafel
Handtekening Einde Franstalige versie
 
belgilex . be     -     Kruispuntbank Wetgeving
Raad van State Kamer van volksvertegenwoordigers
ELI - Navigatie systeem via een Europese identificatiecode voor wetgeving
http://www.ejustice.just.fgov.be/eli/wet/2015/12/18/2015022578/justel

Titel
18 DECEMBER 2015. - Wet tot waarborging van de duurzaamheid en het sociale karakter van de aanvullende pensioenen en tot versterking van het aanvullende karakter ten opzichte van de rustpensioenen

Bron :
SOCIALE ZEKERHEID
Publicatie : 24-12-2015 nummer :   2015022578 bladzijde : 77682   BEELD
Dossiernummer : 2015-12-18/03
Inwerkingtreding : 01-01-2016

Inhoudstafel Tekst Begin
TITEL 1. - Algemene bepaling
Art. 1
TITEL 2. - Maatregelen tot waarborging van de duurzaamheid en het sociale karakter van de aanvullende pensioenen
HOOFDSTUK 1. - Herziening van de rendementsgarantie
Afdeling 1. - Wijzigingen van de wet van 28 april 2003 betreffende de aanvullende pensioenen en het belastingstelsel van die pensioenen en van sommige aanvullende voordelen inzake sociale zekerheid
Art. 2-3
HOOFDSTUK 2. - Invoering van de mogelijkheid tot een overlijdensdekking in geval van uittreding zonder een andere wijziging van de pensioentoezegging
Afdeling 1. - Wijzigingen van de wet van 28 april 2003 betreffende de aanvullende pensioenen en het belastingstelsel van die pensioenen en van sommige aanvullende voordelen inzake sociale zekerheid
Art. 4-6
TITEL 3. - Maatregelen ter versterking van het aanvullende karakter van de aanvullende pensioenen ten opzichte van de rustpensioenen
HOOFDSTUK 1. - Pensionering
Afdeling 1. - Het begrip pensionering
Onderafdeling 1. - Wijzigingen van de programmawet (I) van 24 december 2002
Art. 7-9
Onderafdeling 2. - Wijzigingen van de wet van 28 april 2003 betreffende de aanvullende pensioenen en het belastingstelsel van die pensioenen en van sommige aanvullende voordelen inzake sociale zekerheid
Art. 10-14
Onderafdeling 3. - Wijzigingen van titel 4 van de wet van 15 mei 2014 houdende diverse bepalingen
Art. 15-16
Afdeling 2. - Uitbetaling van de prestaties
Onderafdeling 1. - Wijzigingsbepalingen aan de programmawet (I) van 24 december 2002, aan de wet van 28 april 2003 betreffende de aanvullende pensioenen en het belastingstelsel van die pensioenen en van sommige aanvullende voordelen inzake sociale zekerheid, en aan titel 4 van de wet van 15 mei 2014 houdende diverse bepalingen
Art. 17-19
Onderafdeling 2. - Overgangsbepalingen
Art. 20-28
Afdeling 3. - Activiteit uitgeoefend door een gepensioneerde
Onderafdeling 1. - Wijzigingsbepaling
Art. 29
Onderafdeling 2. - Overgangsbepaling
Art. 30-31
HOOFDSTUK 2. - Pensioenleeftijd
Afdeling 1. - Wijzigingen van de programmawet (I) van 24 december 2002
Onderafdeling 1. - Wijzigingsbepaling
Art. 32
Onderafdeling 2. - Overgangsbepaling
Art. 33
Afdeling 2. - Wijzigingen van de wet van 28 april 2003 betreffende de aanvullende pensioenen en het belastingstelsel van die pensioenen en van sommige aanvullende voordelen inzake sociale zekerheid
Onderafdeling 1. - Wijzigingsbepaling
Art. 34
Onderafdeling 2. - Overgangsbepaling
Art. 35-36
Afdeling 3. - Wijziging van titel 4 van de wet van 15 mei 2014 houdende diverse bepalingen
Onderafdeling 1. - Wijzigingsbepaling
Art. 37
Onderafdeling 2. - Overgangsbepaling
Art. 38-39
TITEL 4. - Bepaling gemeenschappelijk aan de titels 2 en 3
Art. 40
TITEL 5. - Inwerkingtreding
Art. 41-42

Tekst Inhoudstafel Begin
TITEL 1. - Algemene bepaling

  Artikel 1. Deze wet regelt een aangelegenheid als bedoeld in artikel 74 van de Grondwet.

  TITEL 2. - Maatregelen tot waarborging van de duurzaamheid en het sociale karakter van de aanvullende pensioenen

  HOOFDSTUK 1. - Herziening van de rendementsgarantie

  Afdeling 1. - Wijzigingen van de wet van 28 april 2003 betreffende de aanvullende pensioenen en het belastingstelsel van die pensioenen en van sommige aanvullende voordelen inzake sociale zekerheid

  Art. 2. In artikel 24 van de wet van 28 april 2003 betreffende de aanvullende pensioenen en het belastingstelsel van die pensioenen en van sommige aanvullende voordelen inzake sociale zekerheid, laatstelijk gewijzigd bij de wet van 15 mei 2014, worden de volgende wijzigingen aangebracht:
  1 in de Franstalige versie van paragraaf 1 en paragraaf 2, eerste lid, worden de woorden "par le Roi" vervangen door de woorden "conformment au 3";
  2 in paragraaf 1 en paragraaf 2, eerste lid worden de woorden "een door de Koning bepaalde rentevoet" vervangen door de woorden "de rentevoet vastgesteld overeenkomstig 3";
  3 in de Franstalige versie van paragraaf 2, tweede lid worden de woorden "article 1er" vervangen door de woorden "alina 1er";
  4 paragraaf 3 wordt vervangen als volgt:
  " 3. Tot 31 december 2015 is de rentevoet bedoeld in 1, gelijk aan 3,75 % en de rentevoet bedoeld in 2, eerste lid, gelijk aan 3,25 %.
  Met ingang van 1 januari 2016, is de rentevoet bedoeld in 1 en 2, eerste lid gelijk aan een percentage van het gemiddelde rendement op 1 juni over de voorbije 24 maanden van de Belgische Lineaire Obligaties met een duurtijd van 10 jaar afgerond tot op de meest nabije 25 bp (basispunt). Deze rentevoet wordt toegepast op 1 januari van het daaropvolgende jaar. Voor de bepaling van de rentevoet die op 1 januari 2016 van toepassing wordt, wordt het gemiddelde op 1 juni 2015 in aanmerking genomen.
  Het in het tweede lid bedoelde percentage is gelijk aan 65 % voor de jaren 2016 en 2017.
  Op voorwaarde van een positief advies van de Nationale Bank van Belgi voor 1 november 2017, wordt het in het tweede lid bedoelde percentage, vanaf 1 januari 2018, op 75 % gebracht.
  Op voorwaarde van een positief advies van de Nationale Bank van Belgi voor 1 november 2018, wordt het in het tweede lid bedoelde percentage, vanaf 1 januari 2019, op 75 % gebracht bij ontstentenis van een eerder gegeven positief advies over het optrekken tot dit percentage.
  Op voorwaarde van een positief advies van de Nationale Bank van Belgi voor 1 november 2019, wordt het in het tweede lid bedoelde percentage, vanaf 1 januari 2020, op 85 % of, bij gebreke aan een positief advies over het optrekken tot dit percentage, op 75 % gebracht als de Nationale Bank van Belgi voordien geen positief advies heeft gegeven over het optrekken tot dit percentage.
  De Nationale Bank van Belgi brengt een advies uit voor 1 november van elk daaropvolgend jaar zolang zij de voorgaande jaren nog geen positief advies over de toepassing van de in het voorgaande lid bedoelde percentages heeft uitgebracht.
  De in de voorgaande leden bedoelde adviezen van de Nationale Bank van Belgi zijn positief indien de in het tweede lid voorziene formule met toepassing van het optrekken van het geplande percentage tot een resultaat leidt dat lager is dan of gelijk is aan de maximale interestvoet voor levensverzekeringen van de prudentile reglementering van toepassing op verzekeringsmaatschappijen.
  De Nationale Bank van Belgi publiceert de in de voorgaande leden bedoelde adviezen op haar website.
  Indien het resultaat van de berekening bedoeld in het tweede lid, niet afgerond tot op de meest nabije 25 bp (basispunt), minder dan 25 bp (basispunt) afwijkt van het resultaat van dezelfde berekening in het vorige jaar, dan wordt de rentevoet in afwijking van het tweede lid, niet gewijzigd en blijft de rentevoet van het vorige jaar van kracht.
  Indien de rentevoet bepaald overeenkomstig het tweede tot achtste lid, minder dan 1,75 % bedraagt, dan wordt hij verhoogd tot 1,75 %. Indien deze rentevoet meer dan 3,75 % bedraagt, dan wordt hij beperkt tot 3,75 %.
  De FSMA publiceert voor 1 december van elk jaar op haar website de overeenkomstig deze paragraaf vastgestelde rentevoet die van toepassing zal zijn op 1 januari van het daaropvolgende jaar. Voor de rentevoet van toepassing vanaf 1 januari 2016, zal de FSMA overgaan tot de publicatie ten laatste op 31 december 2015.";
  5 het artikel wordt aangevuld met de paragrafen 4, 5 en 6 luidende:
  " 4. voor de toepassing van deze paragraaf wordt verstaan onder:
  - horizontale methode: de methode waarbij in geval van een wijziging van de rentevoet overeenkomstig 3, de oude rentevoet wordt toegepast tot aan de eerste van de gebeurtenissen bedoeld in 1 en 2, eerste lid op de bijdragen verschuldigd op basis van het pensioenreglement of de pensioenovereenkomst voor de wijziging en de nieuwe rentevoet wordt toegepast tot aan de eerste van de gebeurtenissen bedoeld in 1 en 2, eerste lid op de bijdragen verschuldigd op basis van het pensioenreglement of de pensioenovereenkomst vanaf de wijziging;
  - verticale methode: de methode waarbij in geval van een wijziging van de rentevoet overeenkomstig 3 de oude rentevoet wordt toegepast tot op het moment van zijn wijziging op de bijdragen verschuldigd op basis van het pensioenreglement of de pensioenovereenkomst voor de wijziging en de nieuwe rentevoet wordt toegepast op de bijdragen verschuldigd op basis van het pensioenreglement of de pensioenovereenkomst vanaf de wijziging en op het bedrag resulterend uit de kapitalisatie tegen de oude rentevoet van de bijdragen verschuldigd op basis van het pensioenreglement of de pensioenovereenkomst tot aan de wijziging.
  Voor de pensioentoezeggingen die worden ingevoerd vanaf 1 januari 2016, bepaalt het pensioenreglement of de pensioenovereenkomst of voor de kapitalisatie van de bijdragen bij wijziging van de rentevoet overeenkomstig 3, de verticale dan wel de horizontale methode wordt toegepast.
  Bij gebreke aan een uitdrukkelijke vermelding in het pensioenreglement of de pensioenovereenkomst en voor alle pensioentoezeggingen die werden ingevoerd vr 1 januari 2016, wordt:
  - de horizontale methode toegepast indien de pensioentoezegging in haar geheel wordt uitgevoerd door n of meerdere pensioeninstellingen die over de volledige pensioentoezegging een welbepaald resultaat garanderen in functie van de gestorte bijdragen tot aan de pensioenleeftijd;
  - de verticale methode toegepast in alle andere gevallen.
  De toepassing van de verticale of horizontale methode kan uitsluitend gewijzigd worden in geval van een wijziging aangebracht aan de uitvoering van de pensioentoezegging met als gevolg dat de pensioeninstelling voortaan tot aan de pensioenleeftijd over de volledige pensioentoezegging een welbepaald resultaat in functie van de gestorte bijdragen garandeert of ophoudt dit te garanderen.
  Indien de methode gewijzigd wordt bij de wijziging, zoals bedoeld in het voorgaande lid, aangebracht aan de uitvoering van de pensioentoezegging die niet gepaard gaat met een overdracht van reserves, geldt de gewijzigde methode enkel voor de nieuwe bijdragen verschuldigd op basis van het pensioenreglement of de pensioenovereenkomst. In het geval van een overdracht van reserves, geldt de gewijzigde methode voor de bijdragen verschuldigd op basis van het pensioenreglement of de pensioenovereenkomst na de overdracht en op de bijdragen verschuldigd voor de overdracht, gekapitaliseerd op basis van de oude methode tot aan de datum van de overdracht.
   5. Voor de toepassing van dit artikel op de pensioentoezeggingen bedoeld in artikel 21, wordt met "bijdragen" "toegewezen bedragen" bedoeld.
   6. De pensioeninstelling bezorgt op eenvoudig verzoek aan de aangeslotene een gedetailleerde berekening van de kapitalisatie van de bijdragen berekend op grond van dit artikel."

  Art. 3. Artikel 42, 1, tweede lid, van dezelfde wet wordt aangevuld met de bepalingen onder 6, 7 en 8, luidende:
  "6 de technische grondslagen voor de tarifering alsook in welke mate en voor welke duur de technische grondslagen van de tarifering worden gewaarborgd wanneer de pensioeninstelling een welbepaald resultaat garandeert op de gestorte bijdragen;
  7 de toepasselijke methode overeenkomstig artikel 24, 4;
  8 het huidige niveau van financiering van de garantie bedoeld in artikel 24."

  HOOFDSTUK 2. - Invoering van de mogelijkheid tot een overlijdensdekking in geval van uittreding zonder een andere wijziging van de pensioentoezegging

  Afdeling 1. - Wijzigingen van de wet van 28 april 2003 betreffende de aanvullende pensioenen en het belastingstelsel van die pensioenen en van sommige aanvullende voordelen inzake sociale zekerheid

  Art. 4. In artikel 31, 1, tweede lid, van de wet van 28 april 2003 betreffende de aanvullende pensioenen en het belastingstelsel van die pensioenen en van sommige aanvullende voordelen inzake sociale zekerheid worden de volgende wijzigingen aangebracht:
  1 het 3 wordt aangevuld met de volgende woorden:
  "in geval van behoud van een overlijdensdekking, het bedrag en het type ervan."
  2 het lid wordt aangevuld met de bepaling onder 4 luidende:
  "4 indien zij berekend kunnen worden, het bedrag van de verworven prestaties indien de aangeslotene opteert voor de keuzemogelijkheid bedoeld in artikel 32, 1, eerste lid, 3, c)."

  Art. 5. In artikel 32 van dezelfde wet, laatstelijk gewijzigd bij de wet van 27 oktober 2006, worden de volgende wijzigingen aangebracht:
  1 paragraaf 1, eerste lid, 3 wordt aangevuld met c) luidende:
  "c) zonder een andere wijziging van de pensioentoezegging dan een overlijdensdekking die overeenstemt met het bedrag van de verworven reserves; in dit geval worden de verworven prestaties herberekend in functie van de verworven reserves om rekening te houden met deze overlijdensdekking."
  2 in paragraaf 3, derde lid, worden de woorden "in de 11 maanden die volgen opteren voor de mogelijkheid bedoeld in 1, eerste lid, 3, c) of" ingevoegd tussen de woorden "kan de aangeslotene" en de woorden "te allen tijde".

  Art. 6. In artikel 33/1 van dezelfde wet, ingevoegd bij de wet van 15 mei 2014, worden de volgende wijzigingen aangebracht:
  1 paragraaf 1, tweede lid, wordt als volgt vervangen:
  "In afwijking van het vorige lid, in de gevallen van uittreding zoals bedoeld in artikel 3, 1, 11, a), 2, en b), 2, kan de werknemer opteren voor de mogelijkheid bedoeld in artikel 32, 1, eerste lid, 3, c)."
  2 paragraaf 1, derde lid wordt opgeheven.
  3 paragraaf 2, derde lid, wordt vervangen als volgt:
  "De pensioeninstelling beschikt vervolgens over een termijn van dertig dagen om de aangeslotene schriftelijk te informeren over de uittreding, het al dan niet behouden van de overlijdensdekking en van zijn recht, overeenkomstig paragraaf 1, tweede lid, om te opteren voor de mogelijkheid bedoeld in artikel 32, 1, eerste lid, 3, c)."
  4 paragraaf 2, vierde lid wordt vervangen als volgt:
  "Wanneer de aangeslotene een termijn van dertig dagen heeft laten verstrijken na het versturen van de informatie door de pensioeninstelling zoals bedoeld in het derde lid, wordt hij verondersteld niet geopteerd te hebben voor de mogelijkheid bedoeld in artikel 32, 1, eerste lid, 3, c). De aangeslotene behoudt evenwel het recht om te opteren voor de mogelijkheid bedoeld in artikel 32, 1, eerste lid, 3, c) gedurende een bijkomende termijn van 11 maanden."
  5 paragraaf 3, tweede lid wordt vervangen als volgt:
  "De pensioeninstelling beschikt vervolgens over een termijn van dertig dagen om de aangeslotene schriftelijk te informeren over de uittreding, het al dan niet behouden van de overlijdensdekking en van zijn recht, overeenkomstig paragraaf 1, tweede lid, om te opteren voor de mogelijkheid bedoeld in artikel 32, 1, eerste lid, 3, c)."
  6 paragraaf 3, derde lid wordt vervangen als volgt:
  "Wanneer de aangeslotene een termijn van dertig dagen heeft laten verstrijken na het versturen van de informatie door de pensioeninstelling zoals bedoeld in het tweede lid, wordt hij verondersteld niet geopteerd te hebben voor de mogelijkheid bedoeld in artikel 32, 1, eerste lid, 3, c). De aangeslotene behoudt evenwel het recht om te opteren voor de mogelijkheid bedoeld in artikel 32, 1, eerste lid, 3, c) gedurende een bijkomende termijn van 11 maanden."

  TITEL 3. - Maatregelen ter versterking van het aanvullende karakter van de aanvullende pensioenen ten opzichte van de rustpensioenen

  HOOFDSTUK 1. - Pensionering

  Afdeling 1. - Het begrip pensionering

  Onderafdeling 1. - Wijzigingen van de programmawet (I) van 24 december 2002

  Art. 7. In artikel 42 van de programmawet (I) van 24 december 2002, laatstelijk gewijzigd bij de wet van 15 mei 2014, worden de volgende wijzigingen aangebracht:
  1 de bepaling opgenomen onder 14, opgeheven bij de wet van 19 april 2014, wordt hersteld als volgt:
  "14 pensionering: de effectieve ingang van het rustpensioen met betrekking tot de beroepsactiviteit die aanleiding gaf tot de opbouw van de prestaties."
  2 het artikel wordt aangevuld met de bepaling onder 16, luidende:
  "16 wettelijke pensioenleeftijd: de pensioenleeftijd volgens artikel 3 van het koninklijk besluit van 30 januari 1997 betreffende het pensioenstelsel der zelfstandigen met toepassing van de artikelen 15 en 27 van de wet van 26 juli 1996 tot modernisering van de sociale zekerheid en tot vrijwaring van de leefbaarheid van de wettelijke pensioenstelsels en van artikel 3, 1, 4, van de wet van 26 juli 1996 strekkende tot realisatie van de budgettaire voorwaarden tot deelname van Belgi aan de Europese Economische en Monetaire Unie."

  Art. 8. In artikel 47 van dezelfde wet, laatstelijk gewijzigd bij de wet van 15 mei 2014, worden de volgende wijzigingen aangebracht:
  1 het tweede lid wordt vervangen als volgt:
  "Bij pensionering of wanneer de prestaties verschuldigd zijn overeenkomstig artikel 49, 1, vijfde lid of artikel 65/1, worden de prestaties voor zover nodig, aangevuld tot het gedeelte van de gestorte bijdragen dat niet werd gebruikt voor de dekking van het overlijdensrisico vr de datum waarop de prestaties verschuldigd zijn en, in voorkomend geval, voor de financiering van de solidariteitsprestaties.";
  2 het derde lid wordt vervangen als volgt:
  "De bepaling van het tweede lid is niet van toepassing op de prestaties verschuldigd binnen de vijf jaar volgend op het sluiten van de pensioenovereenkomst."

  Art. 9. In artikel 48 van dezelfde wet wordt paragraaf 3, vervangen door de wet van 15 mei 2014, vervangen als volgt:
  " 3. Bij pensionering of wanneer er andere prestaties verschuldigd zijn, licht de pensioeninstelling de begunstigde of zijn rechthebbenden in over de prestaties die verschuldigd zijn en over de mogelijke uitbetalingswijzen, met inbegrip van het recht op omzetting in een rente voorzien in artikel 50, 1, eerste lid en over de noodzakelijke gegevens voor de uitbetaling."

  Onderafdeling 2. - Wijzigingen van de wet van 28 april 2003 betreffende de aanvullende pensioenen en het belastingstelsel van die pensioenen en van sommige aanvullende voordelen inzake sociale zekerheid

  Art. 10. In artikel 3, 1, van de wet van 28 april 2003 betreffende de aanvullende pensioenen en het belastingstelsel van die pensioenen en van sommige aanvullende voordelen inzake sociale zekerheid, laatstelijk gewijzigd door de wet van 15 mei 2014, worden de volgende wijzigingen aangebracht:
  1 de bepaling opgenomen onder 22, opgeheven bij de wet van 19 april 2014, wordt hersteld als volgt:
  "22 pensionering: de effectieve ingang van het rustpensioen met betrekking tot de beroepsactiviteit die aanleiding gaf tot de opbouw van de prestaties."
  2 het artikel wordt aangevuld met de bepaling onder 27, luidende:
  "27 wettelijke pensioenleeftijd: de pensioenleeftijd volgens artikel 2, 1, van het koninklijk besluit van 23 december 1996 tot uitvoering van de artikelen 15, 16 en 17 van de wet van 26 juli 1996 tot modernisering van de sociale zekerheid en tot vrijwaring van de leefbaarheid van de wettelijke pensioenen."

  Art. 11. In de Franstalige versie van artikel 6, 1, tweede lid, van dezelfde wet, laatstelijk gewijzigd bij de wet van 15 mei 2014, wordt het woord "retraite" vervangen door de woorden "mise la retraite".

  Art. 12. In artikel 24 van dezelfde wet, laatstelijk gewijzigd bij de wet van 18 december 2015, worden de volgende wijzigingen aangebracht:
  1 in paragraaf 1 wordt het woord "pensionering" vervangen door de woorden "pensionering, of wanneer prestaties verschuldigd zijn overeenkomstig artikel 27, 1, zesde lid of artikelen 63/2 en 63/3," en de woorden "de pensioenleeftijd" vervangen door "de datum waarop de prestaties verschuldigd zijn";
  2 in paragraaf 2, eerste lid, wordt het woord "pensionering" vervangen door de woorden "pensionering of wanneer prestaties verschuldigd zijn overeenkomstig artikel 27, 1, zesde lid of artikelen 63/2 en 63/3" en de woorden "de pensioenleeftijd" vervangen door "de datum waarop de prestaties verschuldigd zijn";
  3 in paragraaf 2, tweede lid, wordt het woord "pensionering" vervangen door de woorden "pensionering of wanneer prestaties verschuldigd zijn overeenkomstig artikel 27, 1, zesde lid of artikelen 63/2 en 63/3".

  Art. 13. In artikel 26 van dezelfde wet, wordt paragraaf 3, vervangen door de wet van 15 mei 2014, vervangen als volgt:
  " 3. Bij de pensionering of wanneer er andere prestaties verschuldigd zijn, licht de pensioeninstelling of de inrichter zelf, indien deze laatste daar om vraagt, de begunstigde of zijn rechthebbenden in over de prestaties die verschuldigd zijn, over de mogelijke uitbetalingswijzen, met inbegrip van het recht op omzetting in een rente voorzien in artikel 28, 1, en over de noodzakelijke gegevens voor de uitbetaling."

  Art. 14. In de Franstalige versie van artikel 27, 3, van dezelfde wet, ingevoegd bij de wet van 22 december 2003, wordt het woord "retraite" vervangen door de woorden "mise la retraite".

  Onderafdeling 3. - Wijzigingen van titel 4 van de wet van 15 mei 2014 houdende diverse bepalingen

  Art. 15. Artikel 35 van de wet van 15 mei 2014 houdende diverse bepalingen wordt aangevuld met de bepalingen onder 18 en 19, luidende:
  "18 pensionering: de effectieve ingang van het rustpensioen met betrekking tot de beroepsactiviteit die aanleiding gaf tot de opbouw van de prestaties.
  19 wettelijke pensioenleeftijd: de pensioenleeftijd volgens artikel 3 van het koninklijk besluit van 30 januari 1997 betreffende het pensioenstelsel der zelfstandigen met toepassing van de artikelen 15 en 27 van de wet van 26 juli 1996 tot modernisering van de sociale zekerheid en tot vrijwaring van de leefbaarheid van de wettelijke pensioenstelsels en van artikel 3, 1, 4, van de wet van 26 juli 1996 strekkende tot realisatie van de budgettaire voorwaarden tot deelname van Belgi aan de Europese Economische en Monetaire Unie."

  Art. 16. In artikel 39 van dezelfde wet wordt paragraaf 2 vervangen als volgt:
  " 2. Bij de pensionering of wanneer er andere uitkeringen verschuldigd zijn, licht de pensioeninstelling of de inrichter zelf, indien deze laatste daar om vraagt, de begunstigde of zijn rechthebbenden in over de uitkeringen die verschuldigd zijn, over de mogelijke uitbetalingswijzen en over de noodzakelijke gegevens voor de uitbetaling."

  Afdeling 2. - Uitbetaling van de prestaties

  Onderafdeling 1. - Wijzigingsbepalingen aan de programmawet (I) van 24 december 2002, aan de wet van 28 april 2003 betreffende de aanvullende pensioenen en het belastingstelsel van die pensioenen en van sommige aanvullende voordelen inzake sociale zekerheid, en aan titel 4 van de wet van 15 mei 2014 houdende diverse bepalingen

  Art. 17. In artikel 49 van de programmawet (I) van 24 december 2002, laatstelijk gewijzigd bij de wet van 15 mei 2014, worden volgende wijzigingen aangebracht:
  1 paragraaf 1 wordt vervangen als volgt:
  " 1. Onverminderd de bepalingen van de tweede paragraaf en het recht op overdracht van reserves bedoeld in artikel 51 worden de aanvullende pensioenprestatie, de verworven reserves of de reserves die voortvloeien uit de overdracht van de reserves zoals bedoeld in artikel 51 vereffend bij de pensionering van de aangeslotene. De prestaties worden berekend op de datum van de pensionering van de aangeslotene en uitbetaald ten laatste binnen de dertig dagen die volgen op de communicatie van de voor de uitbetaling noodzakelijke gegevens aan de pensioeninstelling door de aangeslotene.
  De pensioenovereenkomst blijft van kracht tot aan de pensionering.
  Ten laatste negentig dagen vr de pensionering van de aangeslotene, licht deze laatste de pensioeninstelling schriftelijk in over zijn pensionering.
  Vanaf 1 januari 2017, neemt de vzw Sigedis, opgericht overeenkomstig artikel 12 van het koninklijk besluit van 12 juni 2006 tot uitvoering van Titel III, hoofdstuk II van de wet van 23 december 2005 betreffende het generatiepact de verplichting over om de pensioeninstelling te informeren over de pensionering van de aangeslotene. De Koning kan de inhoud en de modaliteiten van deze mededeling bepalen.
  In afwijking van het eerste lid, indien de pensionering later is dan de datum waarop de aangeslotene de wettelijke pensioenleeftijd van kracht bereikt of de datum waarop hij voldoet aan de voorwaarden om zijn vervroegd rustpensioen als zelfstandige te verkrijgen, mogen de aanvullende pensioenprestatie en de reserves bedoeld in het eerste lid, op verzoek van de aangeslotene, uitbetaald worden vanaf n van deze data op voorwaarde dat de pensioenovereenkomst dit uitdrukkelijk voorziet."
  2 Paragraaf 2 wordt aangevuld met een derde lid luidende:
  "In geval van voorschotten op prestaties, inpandgevingen van pensioenrechten of van toewijzing van de afkoopwaarde aan de wedersamenstelling van een hypothecair krediet, kunnen deze geen termijn voorzien korter dan het bereiken van de wettelijke pensioenleeftijd."

  Art. 18. In artikel 27 van de wet van 28 april 2003 betreffende de aanvullende pensioenen en het belastingstelsel van die pensioenen en van sommige aanvullende voordelen inzake sociale zekerheid, laatstelijk gewijzigd bij de wet van 15 mei 2014, worden de volgende wijzigingen aangebracht:
  1 paragraaf 1 wordt vervangen als volgt:
  " 1. Onverminderd de bepalingen van de tweede paragraaf en het recht op overdracht van de reserves bedoeld in artikel 32 worden de aanvullende pensioenprestatie, de verworven reserves, de reserves die voortvloeien uit de overdracht van de reserves zoals bedoeld in artikel 32, 1, 1, 2, 3 b), of de reserves die voortvloeien uit de toepassing van artikel 33 vereffend bij de pensionering van de aangeslotene. De prestaties worden berekend op de datum van de pensionering van de aangeslotene en uitbetaald ten laatste binnen de dertig dagen die volgen op de communicatie van de voor de uitbetaling noodzakelijke gegevens aan de pensioeninstelling door de aangeslotene.
  De pensioentoezegging blijft van kracht tot aan de pensionering, tenzij ze opgeheven wordt.
  Ten laatste negentig dagen vr de pensionering van de aangeslotene, licht de inrichter de pensioeninstelling schriftelijk in over de pensionering van deze laatste.
  Als de aangeslotene uitgetreden is, licht deze de pensioeninstelling ten laatste negentig dagen vr zijn pensionering schriftelijk in over zijn pensionering.
  Vanaf 1 januari 2017, neemt de vzw Sigedis, opgericht overeenkomstig artikel 12 van het koninklijk besluit van 12 juni 2006 tot uitvoering van Titel III, Hoofdstuk II, van de wet van 23 december 2005 betreffende het generatiepact, de verplichting over om de pensioeninstelling te informeren over de pensionering van de aangeslotene. De Koning kan de inhoud en de modaliteiten van deze mededeling bepalen."
  In afwijking van het eerste lid, indien de pensionering later is dan de datum waarop de aangeslotene de wettelijke pensioenleeftijd van kracht bereikt of de datum waarop hij voldoet aan de voorwaarden om zijn vervroegd rustpensioen als werknemer te verkrijgen, mogen de prestatie en de reserves bedoeld in het eerste lid, op verzoek van de aangeslotene, uitbetaald worden vanaf n van deze data op voorwaarde dat het pensioenreglement of de pensioenovereenkomst dit uitdrukkelijk voorziet."
  2 paragraaf 2 wordt aangevuld met een derde lid luidende:
  "In geval van voorschotten op prestaties, inpandgevingen van pensioenrechten of van toewijzing van de afkoopwaarde aan de wedersamenstelling van een hypothecair krediet, kunnen deze geen termijn voorzien korter dan het bereiken van de wettelijke pensioenleeftijd."
  3 het artikel wordt aangevuld met een paragraaf 4, luidende:
  " 4. Bepalingen die als doel en/of als gevolg hebben dat zij:
  - De gevolgen van een uittreding of de pensionering voor de wettelijke pensioenleeftijd op de omvang van de aanvullende pensioenprestatie opheffen of beperken;
  - Bijkomende voordelen toekennen omwille van de uittreding of de pensionering;
  En die aldus leiden tot een verhoging van de verworven reserves en/of verworven prestaties of tot elk ander bijkomend voordeel omwille van de pensionering of de uittreding zijn absoluut nietig."

  Art. 19. In artikel 40 van de wet van 15 mei 2014 houdende diverse bepalingen, worden de volgende wijzigingen aangebracht:
  1 paragraaf 1 wordt vervangen als volgt:
  " 1. Onverminderd de bepalingen in 2 en het recht van de bedrijfsleider, wanneer hij ophoudt bedrijfsleider van de inrichter te zijn, om zijn reserves over te dragen naar een pensioeninstelling die de reserves beheert overeenkomstig deze titel, worden de aanvullende pensioenprestatie en de verworven reserves vereffend bij de pensionering van de aangeslotene. De prestaties worden berekend op de datum van de pensionering van de aangeslotene en uitbetaald ten laatste binnen de dertig dagen die volgen op de communicatie van de voor de uitbetaling noodzakelijke gegevens aan de pensioeninstelling door de aangeslotene.
  De pensioentoezegging blijft van kracht tot aan de pensionering, tenzij ze opgeheven wordt.
  Ten laatste negentig dagen vr de pensionering van de aangeslotene, licht deze laatste de pensioeninstelling schriftelijk in over zijn pensionering.
  Vanaf 1 januari 2017, neemt de vzw Sigedis, opgericht overeenkomstig artikel 12 van het koninklijk besluit van 12 juni 2006 tot uitvoering van Titel III, Hoofdstuk II, van de wet van 23 december 2005 betreffende het generatiepact, de verplichting over om de pensioeninstelling te informeren over de pensionering van de aangeslotene. De Koning kan de inhoud en de modaliteiten van deze mededeling bepalen.
  In afwijking van het eerste lid, indien de pensionering later is dan de datum waarop de aangeslotene de wettelijke pensioenleeftijd van kracht bereikt of de datum waarop hij voldoet aan de voorwaarden om zijn vervroegd rustpensioen als zelfstandige te verkrijgen, mogen de prestatie en de reserves bedoeld in het eerste lid, op verzoek van de aangeslotene, uitbetaald worden vanaf n van deze data op voorwaarde dat het pensioenreglement of de pensioenovereenkomst dit uitdrukkelijk voorziet."
  2 paragraaf 2 wordt aangevuld met een derde lid luidende:
  "In het geval van voorschotten op prestaties, inpandgevingen van pensioenrechten of van toewijzing van de afkoopwaarde aan de wedersamenstelling van een hypothecair krediet, kunnen deze geen termijn voorzien korter dan het bereiken van de wettelijke pensioenleeftijd."
  3 het artikel wordt aangevuld met een paragraaf 3, luidende:
  " 3. Bepalingen die als doel en/of als gevolg hebben dat zij:
  - De gevolgen van de pensionering voor de wettelijke pensioenleeftijd op de omvang van de aanvullende pensioenprestatie opheffen of beperken;
  - De gevolgen van het feit dat de bedrijfsleider ophoudt bedrijfsleider van de inrichter te zijn op de omvang van de aanvullende pensioenprestatie opheffen of beperken;
  - Bijkomende voordelen toekennen omwille van de pensionering of het feit dat de bedrijfsleider ophoudt bedrijfsleider van de inrichter te zijn;
  En die aldus leiden tot een verhoging van de verworven reserves en/of verworven prestaties of tot elk ander bijkomend voordeel omwille van de pensionering of omwille van het feit dat de bedrijfsleider ophoudt bedrijfsleider van de inrichter te zijn, zijn absoluut nietig."

  Onderafdeling 2. - Overgangsbepalingen

  Art. 20. In de programmawet (I) van 24 december 2002, wordt een artikel 65/1 ingevoegd, luidende:
  "Art. 65/1. In afwijking van artikel 49, 1, voor de aangeslotenen die de leeftijd van 58 jaar of meer in 2016 bereiken, mogen de aanvullende pensioenprestatie en de verworven reserves eveneens uitbetaald worden vanaf het ogenblik waarop de aangeslotene de leeftijd van 60 jaar bereikt voor zover de pensioenovereenkomst zoals van kracht voor de datum van inwerkingtreding van het huidige artikel het toelaat.
  In afwijking van artikel 49, 1, voor de aangeslotenen die de leeftijd van 57 jaar in 2016 bereiken, mogen de aanvullende pensioenprestatie en de verworven reserves eveneens uitbetaald worden vanaf het ogenblik waarop de aangeslotene de leeftijd van 61 jaar bereikt voor zover de pensioenovereenkomst zoals van kracht voor de datum van inwerkingtreding van het huidige artikel het toelaat.
  In afwijking van artikel 49, 1, voor de aangeslotenen die de leeftijd van 56 jaar in 2016 bereiken, mogen de aanvullende pensioenprestatie en de verworven reserves eveneens uitbetaald worden vanaf het ogenblik waarop de aangeslotene de leeftijd van 62 jaar bereikt voor zover de pensioenovereenkomst zoals van kracht voor de datum van inwerkingtreding van het huidige artikel het toelaat.
  In afwijking van artikel 49, 1, voor de aangeslotenen die de leeftijd van 55 jaar in 2016 bereiken, mogen de aanvullende pensioenprestatie en de verworven reserves eveneens uitbetaald worden vanaf het ogenblik waarop de aangeslotene de leeftijd van 63 jaar bereikt voor zover de pensioenovereenkomst zoals van kracht voor de datum van inwerkingtreding van het huidige artikel het toelaat.".

  Art. 21. In dezelfde wet wordt een artikel 65/2 ingevoegd, luidende:
  "Art. 65/2. De bepalingen van artikel 49, 2, derde lid, zijn van toepassing op voorschotten, inpandgevingen of toewijzingen van de afkoopwaarde aan de wedersamenstelling van een hypothecair krediet, overeengekomen vanaf 1 januari 2016."

  Art. 22. In de wet van 28 april 2003 betreffende de aanvullende pensioenen en het belastingstelsel van die pensioenen en van sommige aanvullende voordelen inzake sociale zekerheid, wordt een artikel 63/2 ingevoegd, luidende:
  "Art. 63/2. In afwijking van artikel 27, 1, voor de aangeslotenen die de leeftijd van 58 jaar of meer in 2016 bereiken, mogen de aanvullende pensioenprestatie en de verworven reserves eveneens uitbetaald worden vanaf het ogenblik waarop de aangeslotene de leeftijd van 60 jaar bereikt voor zover het pensioenreglement of de pensioenovereenkomst zoals van kracht voor de datum van inwerkingtreding van het huidige artikel het toelaat.
  In afwijking van artikel 27, 1, voor de aangeslotenen die de leeftijd van 57 jaar in 2016 bereiken, mogen de aanvullende pensioenprestatie en de verworven reserves eveneens uitbetaald worden vanaf het ogenblik waarop de aangeslotene de leeftijd van 61 jaar bereikt voor zover het pensioenreglement of de pensioenovereenkomst zoals van kracht voor de datum van inwerkingtreding van het huidige artikel het toelaat.
  In afwijking van artikel 27, 1, voor de aangeslotenen die de leeftijd van 56 jaar in 2016 bereiken, mogen de aanvullende pensioenprestatie en de verworven reserves eveneens uitbetaald worden vanaf het ogenblik waarop de aangeslotene de leeftijd van 62 jaar bereikt voor zover het pensioenreglement of de pensioenovereenkomst zoals van kracht voor de datum van inwerkingtreding van het huidige artikel het toelaat.
  In afwijking van artikel 27, 1, voor de aangeslotenen die de leeftijd van 55 jaar in 2016 bereiken, mogen de aanvullende pensioenprestatie en de verworven reserves eveneens uitbetaald worden vanaf het ogenblik waarop de aangeslotene de leeftijd van 63 jaar bereikt voor zover het pensioenreglement of de pensioenovereenkomst zoals van kracht voor de datum van inwerkingtreding van huidig artikel het toelaat.".

  Art. 23. In dezelfde wet wordt een artikel 63/3 ingevoegd, luidende:
  "Art. 63/3. In afwijking van artikel 27, 1, voor de aangeslotenen ontslagen ten vroegste op de leeftijd van 55 jaar met het oog op de aanvang van een stelsel van werkloosheid met bedrijfstoeslag in het kader van een herstructureringsplan opgemaakt en gecommuniceerd aan de regionale en federale minister van werk voor 1 oktober 2015, mogen de aanvullende pensioenprestatie en de verworven reserves eveneens uitbetaald worden vanaf het ogenblik waarop de aangeslotene de leeftijd van 60 jaar bereikt voor zover het pensioenreglement zoals van kracht voor de datum van inwerkingtreding van dit artikel het toelaat.
  Voor de toepassing van dit artikel, wordt onder herstructureringsplan begrepen, het herstructureringsplan bedoeld in artikel 17, 2, 3 van het koninklijk besluit van 3 mei 2007 tot regeling van het stelsel van werkloosheid met bedrijfstoeslag van een onderneming in moeilijkheden of in herstructurering,".

  Art. 24. In dezelfde wet wordt een artikel 63/4 ingevoegd, luidende:
  "Art. 63/4. De bepalingen van artikel 27, 2, derde lid, zijn van toepassing op voorschotten, inpandgevingen of toewijzingen van de afkoopwaarde aan de wedersamenstelling van een hypothecair krediet, overeengekomen vanaf 1 januari 2016."

  Art. 25. In dezelfde wet, wordt een artikel 63/5 ingevoegd, luidende:
  "Art. 63/5. Artikel 27, 4 is niet van toepassing op de aangeslotenen die ten laatste op 31 december 2016 de leeftijd van 55 jaar bereiken.
  Indien de pensioentoezegging bepalingen bevat zoals bedoeld in artikel 27, 4, kan het pensioenreglement of de pensioenovereenkomst bepalen welke aangeslotenen van deze bepalingen genieten. Indien deze bepalingen toelaten aan de aangeslotenen om te genieten van de pensioenprestaties voor de pensioenleeftijd zonder rekening te houden met een actualisering of rekening houdend met een voordelige actualisering, bij ontstentenis van andersluidende bepalingen in het pensioenreglement of de pensioenovereenkomst, maakt het voordeel voortvloeiend uit de toepassing van deze bepalingen geen deel uit van de verworven prestaties van de aangeslotene zoals bepaald in artikel 3, 1, 12.
  De inwerkingtreding van artikel 27, 4, kan in geen enkel geval leiden tot een vermindering van de verworven reserves die op de inwerkingtredingsdatum ervan bestonden."

  Art. 26. In de wet van 15 mei 2014 houdende diverse bepalingen, wordt een artikel 55/1 ingevoegd, luidende:
  "Art. 55/1. In afwijking van artikel 40, 1, voor de aangeslotenen die de leeftijd van 58 jaar of meer in 2016 bereiken, mogen de aanvullende pensioenprestatie en de verworven reserves eveneens uitbetaald worden vanaf het ogenblik waarop de aangeslotene de leeftijd van 60 jaar bereikt voor zover het pensioenreglement of de pensioenovereenkomst zoals van kracht voor de datum van inwerkingtreding van het huidige artikel het toelaat.
  In afwijking van artikel 40, 1, voor de aangeslotenen die de leeftijd van 57 jaar in 2016 bereiken, mogen de aanvullende pensioenprestatie en de verworven reserves eveneens uitbetaald worden vanaf het ogenblik waarop de aangeslotene de leeftijd van 61 jaar bereikt voor zover het pensioenreglement of de pensioenovereenkomst zoals van kracht voor de datum van inwerkingtreding van het huidige artikel het toelaat.
  In afwijking van artikel 40, 1, voor de aangeslotenen die de leeftijd van 56 jaar in 2016 bereiken, mogen de aanvullende pensioenprestatie en de verworven reserves eveneens uitbetaald worden vanaf het ogenblik waarop de aangeslotene de leeftijd van 62 jaar bereikt voor zover het pensioenreglement of de pensioenovereenkomst zoals van kracht voor de datum van inwerkingtreding van het huidige artikel het toelaat.
  In afwijking van artikel 40, 1, voor de aangeslotenen die de leeftijd van 55 jaar in 2016 bereiken, mogen de aanvullende pensioenprestatie en de verworven reserves eveneens uitbetaald worden vanaf het ogenblik waarop de aangeslotene de leeftijd van 63 jaar bereikt voor zover het pensioenreglement of de pensioenovereenkomst zoals van kracht voor de datum van inwerkingtreding van het huidige artikel het toelaat.

  Art. 27. In dezelfde wet wordt een artikel 55/2 ingevoegd, luidende:
  "Art. 55/2. De bepalingen van artikel 40, 2, derde lid, zijn van toepassing op voorschotten, inpandgevingen of toewijzingen van de afkoopwaarde aan de wedersamenstelling van een hypothecair krediet, overeengekomen vanaf 1 januari 2016."

  Art. 28. In dezelfde wet, wordt een artikel 55/3 ingevoegd, luidende:
  "Art. 55/3. Artikel 40, 3, is niet van toepassing op de aangeslotenen die ten laatste op 31 december 2016 de leeftijd van 55 jaar bereiken.
  De inwerkingtreding van deze paragraaf kan in geen enkel geval leiden tot een vermindering van de verworven reserves die op de inwerkingtredingsdatum ervan bestonden."

  Afdeling 3. - Activiteit uitgeoefend door een gepensioneerde

  Onderafdeling 1. - Wijzigingsbepaling

  Art. 29. In artikel 13 van de wet van 28 april 2003 betreffende de aanvullende pensioenen en het belastingstelsel van die pensioenen en van sommige aanvullende voordelen inzake sociale zekerheid, laatstelijk gewijzigd bij de wet van 15 mei 2014, wordt, na het huidige derde lid en voor het huidige vierde lid dat het vijfde lid wordt, een vierde lid ingevoegd, luidende:
  "De werknemer die gepensioneerd is, een beroepsactiviteit uitoefent, geniet niet van de pensioentoezegging noch van de solidariteitstoezegging verbonden aan de pensioentoezegging."

  Onderafdeling 2. - Overgangsbepaling

  Art. 30. In dezelfde wet wordt een artikel 63/6 ingevoegd, luidende:
  "Art. 63/6. Artikel 13, vierde lid is niet van toepassing op gepensioneerde personen die bij de inwerkingtreding van voorgenoemd lid krachtens de bepalingen van het pensioenreglement of de pensioenovereenkomst aangesloten zijn bij een pensioentoezegging alsook in voorkomend geval bij de solidariteitstoezegging."

  Art. 31. In de wet van 15 mei 2014 houdende diverse bepalingen wordt een artikel 55/4 ingevoegd, luidende:
  "Art. 55/4. De gepensioneerde personen die op het moment van de inwerkingtreding van dit artikel genieten van een pensioentoezegging die door deze wet wordt geregeld, blijven rechten opbouwen zolang zij bedrijfsleider van de inrichter zijn en in de mate waarin het pensioenreglement of de pensioenovereenkomst het bepaalt."

  HOOFDSTUK 2. - Pensioenleeftijd

  Afdeling 1. - Wijzigingen van de programmawet (I) van 24 december 2002

  Onderafdeling 1. - Wijzigingsbepaling

  Art. 32. In artikel 44, 1, van de programmawet (I) van 24 december 2002, laatstelijk gewijzigd bij de wet van 15 mei 2014, wordt een derde lid ingevoegd, luidende:
  "Voor de pensioenovereenkomsten afgesloten vanaf de datum van inwerkingtreding van dit lid, kan de door de pensioenovereenkomst voorziene pensioenleeftijd niet lager zijn dan de op het ogenblik van de afsluiting in voege zijnde wettelijke pensioenleeftijd."

  Onderafdeling 2. - Overgangsbepaling

  Art. 33. In dezelfde wet wordt een artikel 65/3 ingevoegd, luidende:
  "Art. 65/3. Bij wijziging van de pensioenleeftijd voorzien in een bij de inwerkingtreding van het huidige artikel bestaande pensioenovereenkomst, mag de pensioenleeftijd niet lager zijn dan de op het ogenblik van de wijziging in voege zijnde wettelijke pensioenleeftijd."

  Afdeling 2. - Wijzigingen van de wet van 28 april 2003 betreffende de aanvullende pensioenen en het belastingstelsel van die pensioenen en van sommige aanvullende voordelen inzake sociale zekerheid

  Onderafdeling 1. - Wijzigingsbepaling

  Art. 34. In artikel 5, 2/2 van de wet van 28 april 2003 betreffende de aanvullende pensioenen en het belastingstelsel van die pensioenen en van sommige aanvullende voordelen inzake sociale zekerheid, ingevoegd bij de wet van 15 mei 2014, wordt een lid 2 ingevoegd, luidende:
  "Voor pensioentoezeggingen ingevoerd vanaf de inwerkingtreding van dit lid kan de pensioenleeftijd bepaald in het pensioenreglement of de pensioenovereenkomst niet lager zijn dan de op het ogenblik van de invoering in voege zijnde wettelijke pensioenleeftijd."

  Onderafdeling 2. - Overgangsbepaling

  Art. 35. In dezelfde wet wordt een artikel 63/7 ingevoegd, luidende:
  "Art. 63/7. Bij wijziging van de pensioenleeftijd voorzien in het pensioenreglement of de pensioenovereenkomst van een bij de inwerkingtreding van het huidige artikel bestaande pensioentoezegging, mag de pensioenleeftijd niet lager zijn dan de op het ogenblik van de wijziging in voege zijnde wettelijke pensioenleeftijd."

  Art. 36. In dezelfde wet wordt een artikel 63/8 ingevoegd, luidende:
  "Art. 63/8. Voor de bij de inwerkingtreding van het huidige artikel bestaande pensioenstelsels, kan de pensioenleeftijd van het pensioenreglement niet lager zijn dan de in voege zijnde wettelijke pensioenleeftijd voor de werknemers die in dienst treden vanaf 1 januari 2019."

  Afdeling 3. - Wijziging van titel 4 van de wet van 15 mei 2014 houdende diverse bepalingen

  Onderafdeling 1. - Wijzigingsbepaling

  Art. 37. In artikel 36, 2 van de wet van 15 mei 2014 houdende diverse bepalingen wordt een tweede lid ingevoegd, luidende:
  "Voor de pensioentoezeggingen ingevoerd vanaf de inwerkingtreding van dit lid, kan de door het pensioenreglement of de pensioenovereenkomst voorziene pensioenleeftijd niet lager zijn dan de op het ogenblik van de invoering in voege zijnde wettelijke pensioenleeftijd."

  Onderafdeling 2. - Overgangsbepaling

  Art. 38. In dezelfde wet wordt een artikel 55/5 ingevoegd, luidende:
  "Art. 55/5. Bij wijziging van de pensioenleeftijd voorzien in het pensioenreglement of de pensioenovereenkomst van een bij de inwerkingtreding van het huidige artikel, bestaande pensioentoezegging, mag de pensioenleeftijd niet lager zijn dan de op het ogenblik van de wijziging in voege zijnde wettelijke pensioenleeftijd."

  Art. 39. In dezelfde wet wordt een artikel 55/6 ingevoegd, luidende:
  "Art. 55/6. Voor de bij de inwerkingtreding van het huidige artikel bestaande pensioenstelsels, kan de pensioenleeftijd van het pensioenreglement niet lager zijn dan de in voege zijnde wettelijke pensioenleeftijd voor de bedrijfsleider waarvan de aansluiting aanvangt vanaf 1 januari 2019.".

  TITEL 4. - Bepaling gemeenschappelijk aan de titels 2 en 3

  Art. 40. De formele aanpassing van de pensioenreglementen en de pensioenovereenkomsten aan de bepalingen van titels 2 en 3 vindt uiterlijk tegen 31 december 2018 plaats.

  TITEL 5. - Inwerkingtreding

  Art. 41. De bepalingen van titel 2, hoofdstuk 2, zijn van toepassing op uittredingen in de zin van artikel 3, 1, 11 van de wet van 28 april 2003 betreffende de aanvullende pensioenen en het belastingstelsel van die pensioenen en van sommige aanvullende voordelen inzake sociale zekerheid die ten vroegste plaatsvinden vanaf 1 januari 2016.

  Art. 42. Deze wet treedt in werking op 1 januari 2016 met uitzondering van artikel 2 4 dat in werking treedt op de dag van de bekendmaking van deze wet in het Belgisch Staatsblad voor wat betreft de verplichting voor de FSMA om ten laatste op 31 december 2015 over te gaan tot de publicatie van de vanaf 1 januari 2016 van toepassing zijnde rentevoet.

Handtekening Tekst Inhoudstafel Begin
   Kondigen deze wet af, bevelen dat zij met 's Lands zegel zal worden bekleed en door het Belgisch Staatsblad zal worden bekendgemaakt.
Gegeven te Brussel, 18 december 2015.
FILIP
Van Koningswege :
De Minister van Pensioenen,
D. BACQUELAINE
De Minister van Zelfstandigen,
W. BORSUS
Met 's Lands zegel gezegeld :
De Minister van Justitie,
K. GEENS

Aanhef Tekst Inhoudstafel Begin
   FILIP, Koning der Belgen,
   Aan allen die nu zijn en hierna wezen zullen, Onze Groet.
   De Kamer van volksvertegenwoordigers heeft aangenomen en Wij bekrachtigen, hetgeen volgt :

Parlementaire werkzaamheden Tekst Inhoudstafel Begin
    Kamer van volksvertegenwoordigers (www.dekamer.be) Stukken : 0090 - 54-1510 Integraal verslag : 17 december 2015.

Begin Eerste woord Laatste woord Aanhef
Parlementaire werkzaamheden Inhoudstafel
Franstalige versie