J U S T E L     -     Geconsolideerde wetgeving
Einde Eerste woord Laatste woord Aanhef
Verslag aan de Koning Inhoudstafel 3 uitvoeringbesluiten
Handtekening Einde Franstalige versie
 
belgiëlex . be     -     Kruispuntbank Wetgeving
Raad van State
ELI - Navigatie systeem via een Europese identificatiecode voor wetgeving
http://www.ejustice.just.fgov.be/eli/besluit/2015/11/12/2015011473/justel

Titel
12 NOVEMBER 2015. - Koninklijk besluit tot uitvoering van de wet van 24 april 2014 betreffende de organisatie van de vertegenwoordiging van de zelfstandigen en de K.M.O.'s

Bron :
ECONOMIE, KMO, MIDDENSTAND EN ENERGIE
Publicatie : 04-12-2015 nummer :   2015011473 bladzijde : 72146   BEELD
Dossiernummer : 2015-11-12/13
Inwerkingtreding : 01-01-2016

Inhoudstafel Tekst Begin
TITEL 1. - De erkenning van de beroeps- en interprofessionele organisaties
HOOFDSTUK 1. - De erkenningscriteria
Art. 1-4
HOOFDSTUK 2. - De erkenningsprocedure
Art. 5-9
TITEL 2. - De Hoge Raad voor de Zelfstandigen en de Kleine en Middelgrote Ondernemingen
HOOFDSTUK 1. - Aanduiding van de vertegenwoordigers van de erkende organisaties
Art. 10-14
HOOFDSTUK 2. - Samenstelling van de organen en commissies
Afdeling 1. - Algemene vergadering
Art. 15
Afdeling 2. - Bureau
Art. 16
Afdeling 3. - Sectorcommissies
Art. 17-19
Afdeling 4. - Vaste commissies
Art. 20-21
HOOFDSTUK 3. - Hernieuwing
Art. 22-23
HOOFDSTUK 4. - Verkiezingsprocedures
Art. 24-27
HOOFDSTUK 5. - Werking
Afdeling 1. - Algemene bepalingen
Art. 28-37
Afdeling 2. - Stemprocedures
Art. 38-40
Afdeling 3. - Bureau
Art. 41-43
HOOFDSTUK 6. - Beheer en controle
Art. 44-45
TITEL 3. - Slotbepalingen
Art. 46-48

Tekst Inhoudstafel Begin
TITEL 1. - De erkenning van de beroeps- en interprofessionele organisaties

  HOOFDSTUK 1. - De erkenningscriteria

  Artikel 1. De criteria bedoeld in artikel 3, 5° van de wet van 24 april 2014 betreffende de organisatie van de vertegenwoordiging van de zelfstandigen en de K.M.O.'s, hierna "de wet" genoemd, waaraan een beroepsorganisatie moet beantwoorden om erkend te worden, zijn:
  1° behalve in het geval van de tot een welbepaalde plaats beperkte beroepen die als zodanig erkend zijn door de minister, heeft de beroepsorganisatie leden in ten minste vijf zones in de zin van artikel 4, 6°, van de wet;
  2° de leden die rechtstreeks bij de beroepsorganisatie aansluiten betalen minstens 25 euro lidgeld per jaar. Deze bijdrage mag niet worden ontvangen door een instelling belast met een wettelijke opdracht in het kader van het sociaal statuut der zelfstandigen. Zij mag niet worden samengevoegd met enig ander bedrag dat het lid wegens andere prestaties verschuldigd zou zijn;
  3° de beroepsorganisatie beschikt zelf of via een andere organisatie over een administratieve structuur die geschikt is om alle opdrachten overeenkomstig artikel 3, 1°, van de wet uit te voeren;
  4° ofwel streeft de beroepsorganisatie op de datum van indiening van de erkenningsaanvraag sinds minstens een jaar actief het doel na geformuleerd in artikel 3, 1°, van de wet, ofwel is ze ontstaan uit de samenvoeging van beroepsorganisaties waarvan minstens één voldoet aan deze voorwaarde;
  5° ofwel bezit de beroepsorganisatie op de datum van indiening van de erkenningsaanvraag sinds minstens een jaar rechtspersoonlijkheid, ofwel is ze ontstaan uit de samenvoeging van beroepsorganisaties waarvan minstens één voldoet aan deze voorwaarde;
  6° ofwel verspreidt de beroepsorganisatie zelf of via een daartoe gemachtigde tussenpersoon sinds minstens een jaar een periodieke publicatie onder haar leden die minstens vier nummers per jaar telt en waarbij elk nummer meerdere onderwerpen met betrekking tot het beroep dat of de beroepen die ze vertegenwoordigt behandelt, ofwel is ze ontstaan uit de samenvoeging van beroepsorganisaties waarvan minstens één aan deze voorwaarde voldoet.

  Art. 2. De criteria bedoeld in artikel 4, 7°, van de wet waaraan een interprofessionele organisatie moet beantwoorden om erkend te worden, zijn:
  1° de leden die rechtstreeks bij de interprofessionele organisatie aansluiten betalen minstens 75 euro lidgeld per jaar. Deze bijdrage mag niet worden ontvangen door een instelling belast met een wettelijke opdracht in het kader van het sociaal statuut der zelfstandigen. Zij mag niet worden samengevoegd met enig ander bedrag dat het lid wegens andere prestaties verschuldigd zou zijn;
  2° de interprofessionele organisatie beschikt zelf of via een andere organisatie over een administratieve structuur die geschikt is om alle opdrachten overeenkomstig artikel 4, 1°, van de wet uit te voeren. Indien de organisatie beschikt over een zetel of bijkantoor in ten minste vijf zones in de zin van artikel 4, 6°, van de wet, wordt ze geacht daadwerkelijke actief te zijn. Het is niet vereist dat de zetel of het bijkantoor uitsluitend toebehoort aan de interprofessionele organisatie of een regionale of lokale afdeling van de interprofessionele organisatie;
  3° ofwel streeft de interprofessionele organisatie op de datum van indiening van de erkenningsaanvraag sinds minstens een jaar actief het doel na geformuleerd in artikel 4, 1°, van de wet, ofwel is ze ontstaan uit de samenvoeging van interprofessionele organisaties waarvan minstens één voldoet aan deze voorwaarde;
  4° ofwel bezit de interprofessionele organisatie op de datum van indiening van de erkenningsaanvraag sinds minstens een jaar rechtspersoonlijkheid, ofwel is ze ontstaan uit de samenvoeging van interprofessionele organisaties waarvan minstens één voldoet aan deze voorwaarde;
  5° ofwel verspreidt de interprofessionele organisatie zelf of via een daartoe gemachtigde tussenpersoon sinds minstens een jaar een periodieke publicatie onder haar leden die minstens twintig nummers per jaar telt en waarbij elk nummer meerdere onderwerpen behandelt, ofwel is ze ontstaan uit de samenvoeging van interprofessionele organisaties waarvan minstens één aan deze voorwaarde voldoet. Omwille van hun specifieke karakter, kan de minister deze periodiciteit verminderen ten gunste van de interprofessionele organisaties die uitsluitend de vrije en intellectuele beroepen vertegenwoordigen die erom zouden verzoeken.

  Art. 3. § 1. Het ledenbestand, bedoeld in artikel 3, 2°, en artikel 4, 2°, van de wet, van respectievelijk de beroeps- of interprofessionele organisatie wordt gevormd door:
  1° de leden die zich rechtstreeks bij die organisatie aansluiten en een lidmaatschapsbijdrage betalen overeenkomstig artikel 1, 2°, of artikel 2, 1° ;
  2° de leden van de bij die organisatie aangesloten beroepsorganisaties indien die aangesloten beroepsorganisaties beantwoorden aan volgende voorwaarden:
  a) voldoen aan de criteria bepaald in artikel 3, 1°, 2° en 4° van de wet;
  b) hun leden betalen een lidgeld:
  i) van minstens 25 euro indien de beroepsorganisatie is aangesloten bij een of meerdere beroepsorganisaties, of
  ii) van minstens 75 euro indien de beroepsorganisatie is aangesloten bij een of meerdere interprofessionele organisaties of bij meerdere beroeps- of interprofessionele organisaties waarvan er minstens één een interprofessionele organisatie is;
  c) een samenwerkingsrelatie, die schriftelijk is vastgelegd, hebben met de organisatie waarbij ze zijn aangesloten voor het realiseren van de doelstelling zoals geformuleerd in artikel 3, 1°, of artikel 4, 1°, van de wet;
  d) hun leden individueel over deze samenwerking informeren;
  e) een bijdrage in financiële of andere vorm leveren aan de organisatie waarbij ze zijn aangesloten;
  f) vertegenwoordigd zijn in de organen van de organisatie waarbij ze zijn aangesloten.
  § 2. Het aantal leden, bedoeld in artikel 18 van de wet, van een interprofessionele organisatie is de som van de leden bedoeld in artikel 3, § 1, 1°, die zelfstandige of kmo, zijn en de leden, bedoeld in artikel 3, § 1, 2°, van de aangesloten beroepsorganisaties die niet rechtstreeks aangesloten zijn bij de eerstgenoemde organisatie en die zelfstandige of kmo zijn.
  § 3. Indien een beroepsorganisatie aangesloten is bij meerdere interprofessionele organisaties kunnen haar leden slechts eenmaal meetellen als leden van een interprofessionele organisatie.
  In dat geval deelt de aangesloten organisatie in haar aanvraag tot erkenning voor elke interprofessionele organisatie waarbij ze is aangesloten, het aantal van haar leden, uitgedrukt in het aantal personen, mee dat moet meegeteld worden voor de berekening van het totaal aantal leden van deze interprofessionele organisatie.
  Indien het in deze paragraaf vermelde aantal niet wordt meegedeeld bij de aanvraag of binnen de door de Federale Overheidsdienst Economie, K.M.O., Middenstand en Energie aangegeven termijn, wordt er met de leden van de beroepsorganisatie geen rekening gehouden in hoofde van de interprofessionele organisaties.
  Indien een deel van het ledenaantal of het gehele ledenaantal van de beroepsorganisatie wordt toebedeeld aan een interprofessionele organisatie die niet wordt erkend voor de volgende zittijd, dan kan de organisatie dit aantal toebedelen aan de andere interprofessionele organisaties waarbij ze is aangesloten. Indien ze de toebedeling niet meedeelt binnen de door de Federale Overheidsdienst Economie, K.M.O., Middenstand en Energie aangegeven termijn, wordt er met deze leden geen rekening gehouden in hoofde van de interprofessionele organisaties.

  Art. 4. § 1. Om aan te tonen dat zij beantwoordt aan de op haar van toepassing zijnde erkenningscriteria bezorgt de beroeps- of interprofessionele organisatie de Federale Overheidsdienst Economie, K.M.O., Middenstand en Energie volgende bewijsmiddelen:
  1° de statuten van de organisatie, alsook de wijzigingen aan deze statuten;
  2° een overzicht van de administratieve structuur van de organisatie, met inbegrip van het organogram met daarin vermeld de functies en de namen van de personen die die functies vervullen, het aantal personeelsleden en een overzicht van de zetel en bijkantoren;
  3° de periodieke publicatie bedoeld in artikel 1, 6°, of artikel 2, 5°, van het voorgaande jaar;
  4° een elektronische ledenlijst, in een door de Federale Overheidsdienst Economie, K.M.O., Middenstand en Energie bepaald formaat, die de leden bedoeld in artikel 3, § 1, 1°, omvat, alsook een elektronische ledenlijst, in een door de Federale Overheidsdienst Economie, K.M.O., Middenstand en Energie bepaald formaat, die de leden bedoeld in artikel 3, § 1, 2°, omvat. De laatstgenoemde ledenlijst geeft voor elk lid aan van welke aangesloten organisatie het lid is.
  De ledenlijsten vermelden voor elk lid:
  a) de naam of de benaming;
  b) de voornaam indien het een natuurlijke persoon betreft;
  c) het adres;
  d) in het geval de inschrijving in de KBO verplicht is, het ondernemingsnummer;
  e) de aanduiding K.M.O. indien het een zelfstandige of kmo betreft.
  De ledenlijsten vermelden het tijdstip waarop ze zijn vastgesteld. Dit tijdstip valt ten vroegste twaalf maanden voor de indiening van de erkenningsaanvraag en ten laatste op de dag van de indiening van de aanvraag.
  De aanvraag vermeldt het aantal leden dat het ledenbestand bedoeld in artikel 3, 2°, of artikel 4, 2°, van de wet vormt.
  5° een overzicht van de lidmaatschapstarieven dat de organisatie in haar externe communicatie gebruikt, of bij gebreke hieraan een ander document waaruit de lidmaatschapsbijdragen blijken;
  6° een overzicht van de activiteiten van de organisatie van een van de twee jaar voorafgaand aan de datum van indiening van de erkenningsaanvraag;
  7° naast een lijst van de aangesloten beroepsorganisaties, voor deze organisaties, het bewijsmiddel bepaald in 5°. Dit bewijsmiddel moet door de organisatie niet worden voorgelegd indien de aangesloten beroepsorganisatie dit zelf reeds heeft overgemaakt in het kader van een erkenningsaanvraag voor dezelfde zittijd.
  § 2. Indien de bewijsmiddelen bedoeld in paragraaf 1 niet volstaan om te beoordelen of een beroeps- of interprofessionele organisatie aan de op haar van toepassing zijnde erkenningscriteria beantwoordt, bezorgt deze organisatie de door de Federale Overheidsdienst Economie, K.M.O., Middenstand en Energie gevraagde bijkomende bewijsmiddelen aan deze Overheidsdienst.
  De in het eerste lid bedoelde bijkomende bewijsmiddelen zijn de volgende:
  1° documenten van de organisatie waaruit de doelstellingen en de standpunten van de organisatie blijken;
  2° bankafschriften of boekhoudkundige documenten waaruit de betaling van het lidgeld door de leden blijkt;
  3° voor de aangesloten beroepsorganisaties:
  a) de statuten alsook de wijzigingen aan de statuten, indien de organisatie over statuten beschikt;
  b) het bewijsmiddel bepaald in 1° ;
  c) het bewijsmiddel bepaald in 2° ;
  d) een samenwerkingsovereenkomst of een ander geschreven document waaruit de samenwerkingsrelatie blijkt;
  e) lidmaatschapsinformatie waaruit blijkt dat de leden geïnformeerd zijn over de samenwerking;
  f) documenten die aantonen dat aan de voorwaarde van artikel 3, 2°, e) wordt voldaan;
  g) documenten die aantonen dat aan de voorwaarde van artikel 3, 2°, f) wordt voldaan.

  HOOFDSTUK 2. - De erkenningsprocedure

  Art. 5. De organisatie die wenst erkend te worden dient haar aanvraag in door middel van een formulier vastgesteld door de minister bevoegd voor Middenstand en beschikbaar gesteld op de website van de Federale Overheidsdienst Economie, K.M.O., Middenstand en Energie.
  Bij hun aanvraag tot erkenning delen de beroepsorganisaties de gegevens mee van de vertegenwoordigers die zij wensen aan te duiden bij de Hoge Raad.
  Deze aanvraag, vergezeld van de bewijsmiddelen beschreven in artikel 4, § 1, wordt gericht aan de bevoegde administratie waarvan het adres in het formulier staat. De aanvraag wordt bezorgd ofwel via aangetekend schrijven, ofwel tegen ontvangstbevestiging via elektronische weg of afgifte.

  Art. 6. Tijdens het hernieuwingsjaar, bedoeld in artikel 7, § 3, van de wet, worden de erkenningsaanvragen van de beroeps- en interprofessionele organisaties ingediend tijdens de inschrijvingsperiode die loopt van 1 januari tot en met 1 maart.
  Wanneer de minister van oordeel is dat de organisatie in kwestie niet beantwoordt aan alle erkenningscriteria, deelt hij haar bij aangetekend schrijven zijn bezwaren mee voor 15 juni. Het antwoord van de organisatie wordt binnen de vijfenveertig dagen aan de minister overgemaakt op één van de wijzen voorzien in artikel 5, derde lid. De minister neemt uiterlijk op 15 september een beslissing.
  Deze beslissing wordt per aangetekend schrijven meegedeeld aan de verzoekende organisatie, alsook meegedeeld aan het secretariaat van de Hoge Raad.

  Art. 7. Overeenkomstig artikel 7, § 1, eerste lid, van de wet kan elke beroepsorganisatie buiten het hernieuwingsjaar van de Hoge Raad op elk ogenblik een erkenningsaanvraag indienen.
  Indien de minister oordeelt dat de organisatie niet beantwoordt aan alle erkenningscriteria op het ogenblik van de aanvraag deelt hij zijn bezwaren aangetekend mee en neemt hij slechts een beslissing na verloop van een termijn van een maand vanaf de mededeling van deze informatie.
  Deze beslissing wordt per aangetekend schrijven meegedeeld aan de verzoekende organisatie, alsook meegedeeld aan het secretariaat van de Hoge Raad.

  Art. 8. Bij zijn beslissing tot erkenning van een beroepsorganisatie duidt de minister het beroep aan dat door de organisatie vertegenwoordigd wordt en de sectorcommissie waarvan zij deel zal uitmaken.
  Voor de erkende interprofessionele organisaties deelt de minister het aantal vertegenwoordigers mee die de organisatie mag aanduiden. De interprofessionele organisaties delen uiterlijk op 25 oktober de gegevens mee van de vertegenwoordigers die zij wensen aan te duiden bij de Hoge Raad.

  Art. 9. De minister kan de erkenning van een organisatie intrekken indien deze:
  1° één jaar na haar erkenning nog geen vertegenwoordigers heeft aangeduid of nagelaten heeft de vertegenwoordigers die overleden zijn of ontslag hebben genomen te vervangen;
  2° niet meer voldoet aan de op haar van toepassing zijnde erkenningscriteria.
  De organisaties waarvan de erkenning werd ingetrokken verliezen het recht om zich tijdens de lopende zittijd te laten vertegenwoordigen in de Hoge Raad. Indien de erkenning van een interprofessionele organisatie wordt ingetrokken, wordt overgegaan tot een nieuwe verdeling van de mandaten van de interprofessionele afdeling van de algemene vergadering.

  TITEL 2. - De Hoge Raad voor de Zelfstandigen en de Kleine en Middelgrote Ondernemingen

  HOOFDSTUK 1. - Aanduiding van de vertegenwoordigers van de erkende organisaties

  Art. 10. De vertegenwoordigers van een erkende organisatie maken geen deel uit van de wetgevende vergaderingen.
  De vertegenwoordigers van een erkende beroepsorganisatie zijn :
  1° leden van de organisatie die het beroep vertegenwoordigd door de organisatie uitoefenen of,
  2° personen die werken voor de organisatie.

  Art. 11. Eenzelfde vertegenwoordiger kan slechts één erkende organisatie vertegenwoordigen.

  Art. 12. In geval van overlijden of ontslag van een vertegenwoordiger of in geval van de intrekking van zijn mandaat door de organisatie die hem heeft aangeduid, is het aan die organisatie om een nieuwe vertegenwoordiger aan te duiden.

  Art. 13. Tijdens het hernieuwingsjaar kunnen de beroepsorganisaties hun vertegenwoordigers vanaf 15 september niet meer wijzigen en de interprofessionele organisaties vanaf 1 november en dit totdat de vergadering voorzien in artikel 23, § 1, heeft plaatsgevonden.
  In geval van verkiezingen in een orgaan of een commissie buiten het hernieuwingsjaar kunnen de organisaties hun vertegenwoordigers in dat orgaan of die commissie niet wijzigen vanaf het ogenblik van de verzending van de uitnodiging voor de vergadering tijdens dewelke de verkiezing zal plaatsvinden totdat die vergadering heeft plaatsgevonden.

  Art. 14. Een vertegenwoordiger wiens mandaat ingetrokken wordt door zijn organisatie en de vertegenwoordigers van een organisatie waarvan de erkenning wordt ingetrokken overeenkomstig artikel 9 verliezen van rechtswege alle mandaten en functies die zij bekleden in de organen en de commissies van de Hoge Raad.

  HOOFDSTUK 2. - Samenstelling van de organen en commissies

  Afdeling 1. - Algemene vergadering

  Art. 15. § 1. Buiten de twee voorzitters telt de algemene vergadering 60 werkende leden die de professionele en interprofessionele afdelingen vormen.
  Die 60 leden zijn als volgt verdeeld:
  1° in de professionele afdeling: de voorzitters en ondervoorzitters van de 15 sectorcommissies;
  2° in de interprofessionele afdeling:
  a) 6 vertegenwoordigers aangeduid door de erkende interprofessionele organisaties die uitsluitend de vrije en intellectuele beroepen vertegenwoordigen;
  b) 24 vertegenwoordigers aangeduid door de andere erkende interprofessionele organisaties.
  § 2. Voor elk werkend lid wordt op dezelfde wijze een plaatsvervangend lid aangeduid.
  De plaatsvervangende leden kunnen deelnemen aan alle debatten in de algemene vergadering. Zij hebben enkel stemrecht indien het werkend lid dat zij vervangen afwezig is.

  Afdeling 2. - Bureau

  Art. 16. Onder de twee ondervoorzitters en zes andere leden van het bureau zijn er vertegenwoordigers van enerzijds de vrije en intellectuele beroepen en anderzijds de andere beroepen, van zowel de professionele als de interprofessionele afdeling.

  Afdeling 3. - Sectorcommissies

  Art. 17. § 1. De erkende beroepsorganisaties zijn onderverdeeld in vijftien sectorcommissies met volgende activiteitsdomeinen:
  1° Sectorcommissie 1: Voeding;
  2° Sectorcommissie 2: Textiel en leder;
  3° Sectorcommissie 3: Metaal en hout;
  4° Sectorcommissie 4: Bouw;
  5° Sectorcommissie 5: Land- en tuinbouw-gebonden activiteiten;
  6° Sectorcommissie 6: Ambulante handel;
  7° Sectorcommissie 7: Horeca, toerisme en ontspanning;
  8° Sectorcommissie 8: Transport en voertuigen;
  9° Sectorcommissie 9: Technologie;
  10° Sectorcommissie 10: Personenzorg;
  11° Sectorcommissie 11 : Diverse activiteiten;
  12° Sectorcommissie 12: Juridische en economische beroepen;
  13° Sectorcommissie 13: Medische en para-medische beroepen;
  14° Sectorcommissie 14: Technische beroepen;
  15° Sectorcommissie 15: Andere vrije en intellectuele beroepen.
  De minister kan deze onderverdeling wijzigen.
  § 2. De sectorcommissies bedoeld in § 1, 12° tot 15°, zijn samengesteld uit de erkende beroepsorganisaties die uitsluitend de vrije en intellectuele beroepen vertegenwoordigen. De sectorcommissies bedoeld in § 1, 1° tot 11°, zijn samengesteld uit de erkende beroepsorganisaties die de andere beroepen vertegenwoordigen.

  Art. 18. Elke erkende beroepsorganisatie beschikt over twee vertegenwoordigers in de sectorcommissie waarvan zij deel uitmaakt.

  Art. 19. § 1. Elke sectorcommissie verkiest uit haar midden een voorzitter, een ondervoorzitter en hun plaatsvervangers volgens de procedure bepaald in hoofdstuk 4.
  § 2. De voorzitter en ondervoorzitter die door middel van deze verkiezingen aangeduid worden, vertegenwoordigen verschillende beroepen.

  Afdeling 4. - Vaste commissies

  Art. 20. De werkende en plaatsvervangende leden van de algemene vergadering zetelen in maximum twee vaste commissies van hun keuze opgericht overeenkomstig artikel 13, § 1, 2°, b), van de wet.

  Art. 21. Voor iedere vaste commissie duidt het bureau onder zijn leden een voorzitter en een ondervoorzitter aan.

  HOOFDSTUK 3. - Hernieuwing

  Art. 22. In de tweede helft van de maand oktober van het hernieuwingsjaar vergadert elke sectorcommissie in haar nieuwe samenstelling na een oproep door de minister om haar voorzitter, ondervoorzitter en hun plaatsvervangers te verkiezen.
  Deze vergadering wordt voorgezeten door de secretaris-generaal van de Hoge Raad of door zijn afgevaardigde.

  Art. 23. § 1. Tijdens het hernieuwingsjaar vergaderen de leden van de nieuwe zittijd van de algemene vergadering tussen 15 november en 15 december, na een oproep door de minister, om de acht leden van het bureau te verkiezen en hun advies te geven over de voorstellen van de minister over het voorzitterschap van de Hoge Raad.
  § 2. De algemene vergadering, samengeroepen door de minister, houdt haar eerste vergadering na haar hernieuwing in de loop van de maand januari. Tijdens deze vergadering gaat de minister over tot de installatie van het voorzitterschap en van het bureau.
  § 3. De vergaderingen waarvan sprake in de paragrafen 1 en 2 worden voorgezeten door de secretaris-generaal van de Hoge Raad of zijn afgevaardigde.
  § 4. De minister kan de data die vermeld worden in de paragrafen 1 en 2 wijzigen.

  HOOFDSTUK 4. - Verkiezingsprocedures

  Art. 24. De verkiezingen om de functies in de organen en commissies in te vullen verlopen volgens de procedure die in hoofdstuk 4 wordt voorgeschreven.

  Art. 25. Voor een geldig verloop van de verkiezingen beoogd in hoofdstuk 4 moet de helft van de leden van de betrokken organen of commissies aanwezig zijn.
  De volmachten geldig verstrekt overeenkomstig artikel 26 worden meegeteld om het aanwezigheidsquorum te bepalen.

  Art. 26. Elk lid beschikt over één stem.
  De leden van de organen en commissies die over stemrecht beschikken en die niet aanwezig kunnen zijn op de vergadering tijdens dewelke verkiezingen plaatsvinden kunnen een volmacht geven aan een ander lid van de vergadering.
  Per aanwezig lid is slechts één volmacht toegestaan.

  Art. 27. § 1. De kandidaat die minstens de helft plus een van de geldige stemmen, zonder rekening te houden met de blanco stemmen en de onthoudingen, behaalt, is verkozen. Indien de helft plus een van de geldige stemmen een decimaal getal oplevert, wordt het afgerond naar de lagere eenheid die dan aanzien wordt als dit minimum.
  Indien geen enkele kandidaat het in het eerste lid bedoelde minimum behaalt, volgt een tweede stemronde waarbij de kandidaat met de meeste geldige stemmen, zonder rekening te houden met de blanco stemmen en de onthoudingen, verkozen is.
  Bij staking van stemmen tijdens de tweede ronde is de oudste van de kandidaten verkozen.
  § 2. Indien het aantal kandidaten overeenstemt met het aantal te begeven functies kan de vergadering bij consensus beslissen om over één globaal voorstel ter invulling van de verschillende te begeven functies te stemmen.
  Indien dat voorstel het minimum, zoals bepaald in paragraaf 1, eerste lid, behaalt, zijn de verschillende kandidaten verkozen.
  Indien dat voorstel dat minimum niet behaalt of indien er geen consensus is om over één globaal voorstel te stemmen, wordt voor elke functie een afzonderlijke verkiezing georganiseerd overeenkomstig paragraaf 1.
  § 3. De stemming is geheim.

  HOOFDSTUK 5. - Werking

  Afdeling 1. - Algemene bepalingen

  Art. 28. De Hoge Raad zetelt in het Brussels Hoofdstedelijk Gewest.

  Art. 29. Het secretariaat van de Hoge Raad stelt jaarlijks een verslag op over de activiteiten van de Hoge Raad.

  Art. 30. Buiten de eerste vergadering die volgt op hun hernieuwing vergaderen de organen en commissies na een oproep door hun voorzitter.
  Op vraag van de minister, het bureau, of minstens een vijfde van hun leden zijn de voorzitters gehouden hun orgaan of commissie binnen de vijftien dagen samen te roepen.

  Art. 31. De respectieve voorzitters van de organen en commissies openen de vergaderingen en sluiten ze af. Zij leiden de debatten en waken over het goed verloop van de vergaderingen.

  Art. 32. § 1. In geval de voorzitter verhinderd is of zijn functie vacant is, wordt de algemene vergadering en het bureau voorgezeten door de andere voorzitter.
  Bij afwezigheid van de twee voorzitters worden de algemene vergadering en het bureau voorgezeten door de oudste ondervoorzitter. Bij afwezigheid van deze laatste wordt de algemene vergadering voorgezeten door de andere ondervoorzitter en bij zijn afwezigheid door de bijzitters van het bureau naargelang hun leeftijd beginnend met de oudste. Bij afwezigheid van de bijzitters wordt de algemene vergadering voorgezeten door de secretaris-generaal.
  § 2. In geval de voorzitter verhinderd is of dat de functie vacant is wordt de sectorcommissie voorgezeten door de ondervoorzitter.
  Bij afwezigheid van de voorzitter en de ondervoorzitter wordt het voorzitterschap van de sectorcommissie waargenomen door hun vervangers volgens hun rangorde en bij hun afwezigheid door de secretaris-generaal.
  § 3. In geval de voorzitter verhinderd is of de functie vacant is wordt de vaste commissie voorgezeten door de ondervoorzitter of bij diens afwezigheid door de secretaris-generaal.
  § 4. Diegene die het voorzitterschap waarneemt heeft alle prerogatieven van de voorzitter.

  Art. 33. De vergaderingen van de organen en commissies zijn besloten vergaderingen.
  De secretaris-generaal en de adjunct-secretaris-generaal alsook de door hen afgevaardigde personeelsleden van het secretariaat kunnen deelnemen aan de vergaderingen van de organen en commissies. De erkende organisaties kunnen experten afvaardigen naar de commissies waarin zij met stemrecht vertegenwoordigd zijn. Andere personen kunnen slechts deelnemen aan de vergaderingen na akkoord van de voorzitter van de vergadering.

  Art. 34. De secretaris-generaal of in zijn afwezigheid de adjunct-secretaris-generaal, of het door hun afgevaardigde personeelslid, is verslaggever bij de vergaderingen van de organen en commissies.

  Art. 35. De algemene vergadering of het bureau kunnen de adviezen publiek maken tenzij de minister of de Voorzitter van één van de betrokken wetgevende Kamers een vertrouwelijke behandeling van zijn adviesvraag vraagt.

  Art. 36. Wanneer een functie van voorzitter van de Hoge Raad vacant is, wordt de algemene vergadering uitgenodigd om binnen de twee maanden een advies uit te brengen over de voorstellen van de minister inzake dat voorzitterschap.

  Art. 37. De functies binnen de organen en commissies van de Hoge Raad van een lid dat ontslag heeft genomen, overleden is of van wie het mandaat is ingetrokken door de organisatie die hem heeft aangeduid, worden ingevuld overeenkomstig de regels voor de samenstelling in hoofdstuk 2 en de verkiezingsprocedures in hoofdstuk 4.

  Afdeling 2. - Stemprocedures

  Art. 38. De organen van de Hoge Raad kunnen slechts geldig delibereren wanneer de helft van de leden aanwezig is.
  Na een tweede oproep delibereren de organen geldig ongeacht het aantal aanwezige leden.

  Art. 39. De beslissingen worden genomen bij handopsteking of bij naamafroeping, tenzij er anders over wordt beslist.

  Art. 40. § 1. Elk lid beschikt over één stem.
  § 2. De beslissingen worden bij consensus genomen.
  Indien er geen consensus bestaat wordt het voorstel weerhouden dat het minimum zoals bepaald in artikel 27, § 1, eerste lid behaalt.
  Bij staking van stemmen is de stem van de voorzitter beslissend.
  § 3. Indien de beslissing betrekking heeft op de aanwijzing, voordracht of benoeming van personen in andere functies dan deze bedoeld in artikel 24, en er geen consensus inzake de beslissing bestaat, geldt de procedure zoals voorzien in artikel 27, § 1, eerste en tweede lid. Bij staking van stemmen tijdens de tweede ronde is de stem van de voorzitter beslissend.
  Indien het aantal kandidaten overeenstemt met het aantal te begeven functies, geldt de procedure zoals voorzien in artikel 27, § 2, eerste en tweede lid. Indien het voorstel het in artikel 27, § 2, tweede lid bedoelde minimum niet behaalt of indien er geen consensus is om over één globaal voorstel te stemmen, wordt voor elke functie een afzonderlijke verkiezing georganiseerd overeenkomstig het eerste lid.

  Afdeling 3. - Bureau

  Art. 41. Het bureau bereidt de zaken voor die moeten worden voorgelegd aan de algemene vergadering en waakt over de uitvoering van de beslissingen van de algemene vergadering.

  Art. 42. In dringende gevallen, waarbij de dringendheid wordt gemotiveerd, kan het bureau beslissingen nemen die normaal behoren tot de bevoegdheid van de algemene vergadering, op voorwaarde dat deze tijdens de volgende algemene vergadering worden meegedeeld.

  Art. 43. In dringende gevallen, waarbij de dringendheid wordt gemotiveerd, kan de voorzitter in overleg met de secretaris-generaal beslissen dat de leden van het bureau digitaal worden geraadpleegd.

  HOOFDSTUK 6. - Beheer en controle

  Art. 44. De Hoge Raad mag alleen de onroerende goederen die hij voor het vervullen van zijn opdracht nodig heeft in eigendom of anderszins bezitten.

  Art. 45. § 1. In bestuurs-, financiële en begrotings-aangelegenheden wordt de controle op de handelingen van de Hoge Raad uitgeoefend door een regeringscommissaris, bijgestaan door een plaatsvervanger.
  De regeringscommissaris en zijn vervanger worden benoemd door de Koning, op voorstel van de minister en gekozen tussen de ambtenaren van de Algemene Directie K.M.O.-beleid van de Federale Overheidsdienst Economie, K.M.O., Middenstand en Energie.
  De regeringscommissaris beschikt over een termijn van vijftien werkdagen om bij de minister beroep in te stellen tegen de uitvoering van elke beslissing van de organen van de Hoge Raad inzake bestuurs-, financiële en begrotingsaangelegenheden, die strijdig is met de wetten of het algemeen belang, die de solvabiliteit van de Hoge Raad in gevaar kan brengen of die strijdig is met de goedgekeurde begroting van de Hoge Raad.
  Deze termijn gaat in op de dag waarop de regeringscommissaris in kennis gesteld wordt van het proces-verbaal van de beslissing. Het beroep heeft schorsende kracht.
  Indien de minister de nietigverklaring niet heeft uitgesproken binnen een termijn van vijftien werkdagen, te rekenen van de ontvangst van het beroep, wordt de beslissing definitief.
  De regeringscommissaris beschikt over alle bevoegdheden voor het volbrengen van zijn taak. Hij mag, voor de aan zijn toezicht onderworpen aangelegenheden, de vergaderingen van de organen van de Hoge Raad met raadgevende stem bijwonen. Alle oproepingen voor deze vergaderingen worden hem toegezonden.
  § 2. De minister bevoegd voor Begroting stelt bij de Hoge Raad een afgevaardigde aan die, volgens dezelfde voorwaarden en met dezelfde bevoegdheden, voor zijn rekening en voor de materies die tot zijn bevoegdheid behoren, dezelfde opdracht uitoefent als deze toegewezen aan de regeringscommissaris.
  De afgevaardigde dient zijn beroep in bij de minister bevoegd voor Begroting die, in overleg met de minister, beslist over het gevolg dat hieraan wordt voorbehouden.
  In dat geval kan de minister bevoegd voor Begroting de in paragraaf 1 bedoelde termijn van vijftien werkdagen met tien werkdagen verlengen, ten einde dit overleg tot stand te brengen. Het bureau van de Hoge Raad wordt van deze beslissing op de hoogte gebracht.
  Onder werkdagen wordt begrepen de dagen van maandag tot vrijdag die geen feestdagen zijn.

  TITEL 3. - Slotbepalingen

  Art. 46. Het koninklijk besluit van 10 augustus 2004 tot regeling van de toepassing van de wetten betreffende de organisatie van de Middenstand, gecoördineerd op 28 mei 1979, wordt opgeheven.

  Art. 47. Dit besluit treedt in werking op 1 januari 2016.

  Art. 48. De minister bevoegd voor Middenstand en de minister bevoegd voor Begroting zijn, ieder wat hem betreft, belast met de uitvoering van dit besluit.

Handtekening Tekst Inhoudstafel Begin
   Gegeven te Brussel, 12 november 2015.
FILIP
Van Koningswege :
De Minister van Middenstand, Zelfstandigen, K.M.O.'s, Landbouw en Maatschappelijk Integratie,
W. BORSUS
De Minister van Begroting,
S. WILMES

Aanhef Tekst Inhoudstafel Begin
   FILIP, Koning der Belgen,
   Aan allen die nu zijn en hierna wezen zullen, Onze Groet.
   Gelet op de wet van 24 april 2014 betreffende de organisatie van de vertegenwoordiging van de zelfstandigen en de K.M.O.'s, de artikelen 3, 5°, 4, 7°, 5, 6, 13, § 2, eerste lid, 15, § 1, tweede lid, 15, § 2, 16, § 1, 16, § 2, 17, § 1, 18, § 1, tweede lid, 20, 21, § 2, 22, 28 en 30, § 2;
   Gelet op het koninklijk besluit van 10 augustus 2004 tot regeling van de toepassing van de wetten betreffende de organisatie van de Middenstand, gecoördineerd op 28 mei 1979;
   Gelet op advies 57.784/1/V van de Raad van State, gegeven op 31 juli 2015, met toepassing van artikel 84, § 1, eerste lid, 2°, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;
   Op de voordracht van de Minister van Middenstand, Zelfstandigen, K.M.O.'s, Landbouw, en Maatschappelijk Integratie en van de Minister van Begroting,
   Hebben Wij besloten en besluiten Wij :

Verslag aan de Koning Tekst Inhoudstafel Begin
   VERSLAG AAN DE KONING
   Sire,
   Het ontwerp van koninklijk besluit dat wij de eer hebben aan Uwe Majesteit voor te leggen, vormt het uitvoeringsbesluit van de wet van 24 april 2014 betreffende de organisatie van de vertegenwoordiging van de zelfstandigen en de KMO's.
   In zijn advies van 31 juli 2015 stelt de Raad van State dat in ieder geval, in het licht van de doelstelling van de ontworpen regeling inzake gegevensverwerking (cfr. artikel 4, § 1, 2°, van de wet van 8 december 1992 tot bescherming van de persoonlijke levenssfeer ten opzichte van de verwerking van persoonsgegevens), dient te worden nagegaan of de inzameling van de persoonsgegevens ter zake dienend en niet overmatig is (artikel 4, § 1, 3°, van die wet), met andere woorden of voldaan is aan de evenredigheidsvereiste. Het doel waartoe de elektronische ledenlijst wordt opgevraagd en de nominatieve gegevens worden verzameld en verwerkt is strekt ertoe het bewijs te leveren dat de betrokken beroeps- of interprofessionele organisatie voldoet aan de op haar van toepassing zijnde erkenningscriteria, in het bijzonder het criterium van representativiteit. De Raad van State merkt tevens op: "Teneinde de representativiteit van een organisatie te kunnen beoordelen is het weliswaar van belang het aantal aangesloten leden te kennen maar daarom nog niet de identiteit en het adres ervan."
   De mededeling van de identiteit is echter noodzakelijk om te kunnen controleren of bepaalde leden niet onterecht dubbel worden meegedeeld. Wanneer de identiteit van de leden niet wordt meegedeeld is het onmogelijk om de niet-toegelaten dubbeltellingen eruit te halen. Bovendien zou het niet meedelen van de identiteit van de leden tot gevolg kunnen hebben dat bepaalde interprofessionele organisaties een fictief hoger ledenaantal doorgeven teneinde een grotere vertegenwoordiging te hebben in de interprofessionele afdeling. Indien enkel en alleen het ledenaantal wordt meegedeeld kan niet worden gecontroleerd of het ledenaantal correct is en of dit een juiste weergave is van de werkelijkheid.
   Ook is het noodzakelijk dat het adres van de leden gekend is. Dit om na te gaan of aan artikel 4, 6°, van de wet van 24 april 2014 betreffende de organisatie van de vertegenwoordiging van de zelfstandigen en de K.M.O.'s alsook aan artikel 1, 1°, van het ontwerp van koninklijk besluit is voldaan. Overeenkomstig deze artikelen is het namelijk noodzakelijk dat de organisaties leden hebben in ten minste vijf zones. Onder zone moet worden verstaan, een van de tien provincies of het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest. Indien er geen adres wordt meegedeeld is het niet mogelijk de naleving van dit criterium te controleren. Het adres is bovendien ook noodzakelijk om te controleren of namen die meerdere keren op de ledenlijsten voorkomen al dan niet verschillende personen zijn.
   Tot slot dient ook te worden toegevoegd dat de mededeling van enkel en alleen het aantal aangesloten leden, de identiteit en het adres niet voldoende is. Zo is op basis van de wet van 24 april 2014 betreffende de organisatie van de vertegenwoordiging van de zelfstandigen en de K.M.O.'s bijvoorbeeld ook vereist dat de organisaties een ledenbestand hebben dat hoofdzakelijk uit zelfstandigen en kmo's bestaat. Teneinde dit criterium te kunnen controleren is het noodzakelijk dat de organisaties meedelen of het lid al dan niet een zelfstandige of K.M.O. is.
   Er werd geen voorafgaand advies gevraagd aan de Privacycommissie rekening houdende met het feit dat de voorafgaande analyse vaststelt dat de informatie noodzakelijk is om het doel te bereiken.
   In het kader van de wet van 8 december 1992 tot bescherming van de persoonlijke levenssfeer ten opzichte van de verwerking van persoonsgegevens zal er overeenkomstig artikel 17 van deze wet worden overgegaan tot een voorafgaande aangifte bij de Commissie voor de bescherming van de persoonlijke levenssfeer.
   Wij hebben de eer te zijn,
   Sire,
   Van Uwe Majesteit,
   de zeer eerbiedige en zeer getrouwe dienaars,
   De Minister van Middenstand, Zelfstandigen,
   K.M.O.'s, Landbouw en Maatschappelijke Integratie,
   W. BORSUS
   De Minister van Begroting,
   S. WILMES
   
   RAAD VAN STATE
   afdeling Wetgeving
   Advies 57.784/1/V van 31 juli 2015 over een ontwerp van koninklijk besluit `tot uitvoering van de wet van 24 april 2014 betreffende de organisatie van de vertegenwoordiging van de zelfstandigen en de K.M.O.'s'
   Op 30 juni 2015 is de Raad van State, afdeling Wetgeving, door de Minister van Middenstand, Zelfstandigen, K.M.O.'s, Landbouw en Maatschappelijke Integratie verzocht binnen een termijn van dertig dagen, van rechtswege verlengd tot 14 augustus 2015 (*) een advies te verstrekken over een ontwerp van koninklijk besluit `tot uitvoering van de wet van 24 april 2014 betreffende de organisatie van de vertegenwoordiging van de zelfstandigen en de K.M.O.'s'.
   Het ontwerp is door de eerste vakantiekamer onderzocht op 28 juli 2015. De kamer was samengesteld uit Jan CLEMENT, staatsraad, voorzitter, Kaat LEEUS en Wouter PAS, staatsraden, Jan VELAERS, assessor, en Marleen VERSCHRAEGHEN, toegevoegd griffier.
   Het verslag is uitgebracht door Paul DEPUYDT, eerste auditeur-afdelingshoofd.
   De overeenstemming tussen de Franse en de Nederlandse tekst van het advies is nagezien onder toezicht van Marnix VAN DAMME, kamervoorzitter.
   Het advies, waarvan de tekst hierna volgt, is gegeven op 31 juli 2015.
   1. Met toepassing van artikel 84, § 3, eerste lid, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973, heeft de afdeling Wetgeving zich toegespitst op het onderzoek van de bevoegdheid van de steller van de handeling, van de rechtsgrond, alsmede van de vraag of aan de te vervullen vormvereisten is voldaan.
   STREKKING EN RECHTSGROND VAN HET ONTWERP
   2. Het om advies voorgelegde ontwerp strekt ertoe uitvoering te verlenen aan de wet van 24 april 2014 betreffende de organisatie van de vertegenwoordiging van de zelfstandigen en de K.M.O.'s' waarbij de organisatie en de vertegenwoordiging van de middenstand werd gemoderniseerd.
   Daartoe wordt in titel 1 van het ontwerp voorzien in criteria tot erkenning van de beroeps- en interprofessionele organisaties (artikelen 1 tot 4 van het ontwerp) en in een erkenningsprocedure (artikelen 5 tot 9). Titel 2 handelt over de Hoge Raad voor de Zelfstandigen en de Kleine en Middelgrote Ondernemingen (hierna: de Hoge Raad) en bepaalt de (wijze van) aanduiding van de vertegenwoordigers van de erkende organisaties (artikelen 10 tot 14), de samenstelling van de organen en de commissies, zijnde de algemene vergadering, het bureau, de sectorcommissies en de vaste commissies (artikelen 15 tot 22). Tevens wordt de hernieuwing van de organen en commissies geregeld (artikelen 23 en 24), de verkiezingsprocedures (artikelen 25 tot 28), de werking van de Hoge Raad (artikelen 29 tot 44) evenals het beheer van en de controle (lees: het toezicht) over de Hoge Raad (artikelen 45 en 46).
   Bij artikel 47 van het te nemen besluit wordt het koninklijk besluit van 10 augustus 2004 tot regeling van de toepassing van de wetten betreffende de organisatie van de Middenstand, gecoördineerd op 28 mei 1979', opgeheven.
   Tot slot, beoogt artikel 48 het te nemen besluit in werking te doen treden op 1 januari 2016.
   3.1. In de aanhef van het ontworpen besluit wordt in het algemeen verwezen naar de wet van 24 april 2014 zonder aanduiding van de bepalingen in die wet die het te nemen besluit tot rechtsgrond strekken. Om toelichting gevraagd heeft de gemachtigde een lijst bezorgd waarin voor de ontworpen regeling, artikel per artikel, de ermee overeenstemmende rechtsgrond biedende bepaling in de wet van 24 april 2014 wordt aangeduid. Voor de ontworpen regeling kan in beginsel rechtsgrond worden gevonden in de in die lijst vermelde bepalingen van de wet van 24 april 2014. Die wet bevat talrijke bepalingen waarbij machtiging aan de Koning is verleend onder meer om de criteria te bepalen inzake de representativiteit van de beroepsorganisaties en interprofessionele organisaties, de bewijsmiddelen inzake het voldoen aan de erkenningscriteria, de nadere regels van de erkenningsprocedure, enz. Hij vermag tevens de nadere regels te bepalen inzake verscheidene aspecten van de samenstelling van de Hoge Raad, van de organen ervan en van de commissies (met inbegrip van de verkiezingsprocedures), de werking ervan, evenals de nadere regels voor de uitoefening van het administratieve en financiële toezicht op de Hoge Raad.
   3.2 Voor artikel 21 van het ontwerp dat ertoe strekt te bepalen dat een vaste commissie gewijd is aan de vrije en intellectuele beroepen, is evenwel geen rechtsgrond voorhanden. Immers, artikel 13, § 2, eerste lid, van de wet van 24 april 2014 machtigt de Koning ertoe om het aantal sectorcommissies en de benaming ervan te bepalen doch krachtens het tweede lid van diezelfde bepaling komt het de Hoge Raad toe om het aantal vaste commissies en de benaming ervan, te bepalen.
   De ontworpen bepaling dient dan ook achterwege te worden gelaten.
   ALGEMENE OPMERKING
   4. Sommige bepalingen van het ontwerp hebben betrekking op de verwerking van persoonsgegevens. Zo strekt artikel 4, § 1, 4°, van het ontwerp ertoe te bepalen dat om aan te tonen dat de organisatie beantwoordt aan de op haar van toepassing zijnde erkenningscriteria de betrokken beroeps- of interprofessionele organisatie aan de Federale Overheidsdienst Economie, K.M.O., Middenstand en Energie een elektronische lijst dient te bezorgen van haar aangesloten leden, waaronder rechtstreeks aangesloten leden die natuurlijke personen kunnen zijn (artikel 3, § 1, 1°, van het ontwerp). Die elektronische ledenlijst vermeldt voor elk lid onder meer de naam of de benaming, evenals de voornaam indien het een natuurlijke persoon betreft en het adres ervan (artikel 4, § 1, 4°, van het ontwerp). Bovendien kunnen volgens datzelfde artikel 4, § 1, 4°, de ledenlijsten na kennisgeving door de betrokken FOD van de beschikbaarheid ervan, "worden opgehaald bij deze Overheidsdienst".
   Uit het voorgaande blijkt dat de betrokken ledenlijsten dus ook natuurlijke personen kunen omvatten.
   Het recht op eerbiediging van het privé-leven wordt gewaarborgd, niet enkel bij artikel 22 van de Grondwet, maar ook bij onder meer artikel 8 van het Europees Verdrag over de Rechten van de Mens en artikel 17 van het Internationaal Verdrag inzake burgerlijke en politieke rechten. Op grond van die bepalingen heeft eenieder onder meer recht op bescherming tegen immengingen in het recht op eerbiediging van het privé-leven ten gevolge van de verwerking van persoonsgegevens. De verwerking van persoonsgegevens maakt bovendien het voorwerp uit van specifieke regelingen, met name het Europees Verdrag tot bescherming van personen ten opzichte van de geautomatiseerde verwerking van persoonsgegevens', ondertekend te Straatsburg op 28 januari 1981, en de wet van 8 december 1992 tot bescherming van de persoonlijke levenssfeer ten opzichte van de verwerking van persoonsgegevens'. Ook met Richtlijn 95/46/EG van het Europees Parlement en de Raad van 24 oktober 1995 betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens en betreffende het vrije verkeer van die gegevens' moet rekening worden gehouden.
   Aangezien de wet van 8 december 1992 de concretisering inhoudt van de zo-even genoemde internationaal- en supranationaalrechtelijke normen, dient het ontwerp in de eerste plaats te worden getoetst aan deze wet.
   Daargelaten de vraag of het vrijwillige lidmaatschap (of de afwezigheid daarvan) van een beroepsvereniging, ambachtsvereniging, gilde of van een interprofessionele organisatie naar keuze, kan worden beschouwd als een gegeven in de zin van artikel 6 van de wet van 8 december 1992, dient in het licht van de doelstelling van de ontworpen regeling inzake gegevensverwerking (cfr. artikel 4, § 1, 2°, van de wet van 8 december 1992), in ieder geval worden nagegaan of de inzameling van die persoonsgegevens ter zake dienend en niet overmatig is (artikel 4, § 1, 3°, van die wet), met andere woorden of voldaan is aan het evenredigheidsvereiste. De finaliteit waartoe de elektronische ledenlijst wordt opgevraagd en de nominatieve gegevens worden verzameld en verwerkt is er in casu in gelegen dat zij ertoe strekt het bewijs te leveren dat de betrokken beroeps- of interprofessionele organisatie voldoet aan de op haar van toepassing zijnde erkenningscriteria, in het bijzonder het criterium van representativiteit. Teneinde de representativiteit van een organisatie te kunnen beoordelen is het weliswaar van belang het aantal aangesloten leden te kennen maar daarom nog niet de identiteit en het adres ervan. Bij de evenredigheidsbeoordeling van de ontworpen regeling dient rekening te worden gehouden met het advies voor de Commissie voor de bescherming van de persoonlijke levenssfeer dat beter wordt ingewonnen. De persoonsgegevens dienen immers te worden verzameld en verwerkt op een wijze die niet onverenigbaar is met de hiervoor vermelde finaliteit.
   Daarover bevraagd, antwoordde de gemachtigde dat er, vooraleer er zal worden overgegaan tot de verwerking van de ledenlijsten, aangifte zal worden gedaan bij de Commissie voor de bescherming van de persoonlijke levenssfeer op basis van artikel 17 van de wet van 8 december 1992.
   Er dient evenwel te worden vastgesteld dat het verplicht overmaken (en dienvolgens het opvragen, verzamelen en bewaren) van de nominatieve elektronische ledenlijst (d.i. een geautomatiseerde gegevensverwerking) reeds bij het te nemen besluit wordt opgelegd zodat het nodig lijkt de Commissie voor de bescherming van de persoonlijke levenssfeer te raadplegen vooraleer die verplichting wordt opgelegd.
   Het lijkt daarenboven bijzonder verregaand om, zonder enige beperking, te bepalen dat die ledenlijsten na kennisgeving door de betrokken FOD van de beschikbaarheid ervan, "kunnen worden opgehaald bij deze Overheidsdienst".
   BIJZONDERE OPMERKINGEN
   Aanhef
   5. In de aanhef dient bij de vermelding van de wet van 24 april 2014 gepreciseerd te worden welke artikelen van die wet de ontworpen regeling tot rechtsgrond strekken (cfr. de door de gemachtigde overgemaakte lijst).
   Artikel 7
   6. Artikel 7, eerste lid, van het ontwerp parafraseert artikel 7, § 1, eerste lid, van de wet van 24 april 2014 en dient ofwel achterwege te worden gelaten, ofwel aan te vangen met de zinsnede : "Overeenkomstig artikel 7, § 1, eerste lid, van de wet ...".
   Artikel 10
   7. Artikel 10 van het ontwerp bevat een onverenigbaarheid in die zin dat vertegenwoordigers van een erkende organisatie geen deel mogen uitmaken van (onder meer) een "Administratie". Er wordt evenwel in de wet van 24 april 2014, noch in het ontwerp zelf bepaald wat onder "administratie" moet worden verstaan, noch over welke "administratie" het gaat. Omwille van de rechtszekerheid dient daaraan te worden verholpen.
   
   DE VOORZITTER,
   Jan CLEMENT
   DE GRIFFIER,
   Marleen VERSCHRAEGHEN
   
   
   (*) Deze verlenging vloeit uit artikel 84, § 1, eerste lid, 2°, in fine, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973, waarin wordt bepaald dat deze termijn van rechtswege wordt verlengd met vijftien dagen wanneer hij begint te lopen tussen 15 juli en 31 juli of wanneer hij verstrijkt tussen 15 juli en 15 augustus.

Begin Eerste woord Laatste woord Aanhef
Verslag aan de Koning Inhoudstafel 3 uitvoeringbesluiten
Franstalige versie