J U S T E L     -     Geconsolideerde wetgeving
Einde Eerste woord Laatste woord Wijziging(en) Aanhef
Verslag aan de Koning Inhoudstafel 2 uitvoeringbesluiten 1 gearchiveerde versie
Handtekening Einde Franstalige versie
 
belgiëlex . be     -     Kruispuntbank Wetgeving
Raad van State
ELI - Navigatie systeem via een Europese identificatiecode voor wetgeving
http://www.ejustice.just.fgov.be/eli/besluit/2015/06/28/2015003213/justel

Titel
28 JUNI 2015. - Koninklijk besluit betreffende de belasting van energieproducten en elektriciteit
(NOTA : Raadpleging van vroegere versies vanaf 23-07-2015 en tekstbijwerking tot 12-09-2016)

Bron : FINANCIEN
Publicatie : 23-07-2015 nummer :   2015003213 bladzijde : 47165   BEELD
Dossiernummer : 2015-06-28/06
Inwerkingtreding : 02-08-2015

Inhoudstafel Tekst Begin
HOOFDSTUK I. - Algemene bepalingen
Art. 1-2
HOOFDSTUK II. - Belastingentrepot
Afdeling 1. - Erkenning in de hoedanigheid van erkend entrepothouder
Art. 3-6
Afdeling 2. - Voorhanden hebben van energieproducten
Art. 7
Afdeling 3. - Voorraadadministratie
Art. 8-9
Afdeling 4. - Opneming
Art. 10-12
HOOFDSTUK III. - Industriële en commerciële doeleinden
Art. 13
HOOFDSTUK IV. - Registratie
Art. 14
HOOFDSTUK V. - Handelaar
Art. 15-16
HOOFDSTUK VI. - Distributeur van aardgas of elektriciteit
Art. 17-18
HOOFDSTUK VII. - Herbewerking
Art. 19
HOOFDSTUK VIII. - Damprecuperatie
Art. 20-23
HOOFDSTUK IX. - Denaturanten en merkstoffen
Afdeling 1. - Denaturanten
Art. 24
Afdeling 2. - Merkstoffen
Art. 25
Afdeling 3. - Methodes voor het denatureren en voor het toevoegen van merkstoffen
Art. 26-30
HOOFDSTUK X. - Vrijstellingen
Art. 31-48
HOOFDSTUK XI. - Tankstations
Art. 49-52
HOOFDSTUK XII. - Diverse controlemaatregelen
Art. 53-58
HOOFDSTUK XIII. - Slotbepalingen
Art. 59-60
BIJLAGEN.
Art. N

Tekst Inhoudstafel Begin
HOOFDSTUK I. - Algemene bepalingen

  Artikel 1. Dit besluit voorziet in de gedeeltelijke omzetting van Richtlijn 95/60/EG van de Raad van 27 november 1995 betreffende het merken van gasolie en kerosine voor fiscale doeleinden en van Uitvoeringsbesluit 2011/544/EU van de Commissie van 16 september 2011 tot vaststelling van een gemeenschappelijke merkstof voor gasolie en kerosine voor fiscale doeleinden.

  Art. 2. In dit besluit wordt verstaan onder :
  1° wet : de programmawet van 27 december 2004;
  2° controleur : de eerstaanwezend inspecteur van de controle der accijnzen of der douane en accijnzen aangeduid door de administrateur-generaal;
  3° belastingentrepot : het belastingentrepot zoals bedoeld in artikel 5, § 1, 9°, van de wet van 22 december 2009 betreffende de algemene regeling inzake accijnzen;
  4° administrateur-generaal : de administrateur-generaal van de Algemene administratie van de Douane en Accijnzen;
  5° ambtenaren : de ambtenaren van de Algemene administratie van de Douane en Accijnzen;
  6° directeur : de gewestelijk directeur der douane en accijnzen;
  7° ontvanger : de ambtenaar belast met het beheer van het hulpkantoor aangeduid door de administrateur-generaal;
  8° hulpkantoor : het hulpkantoor beoogd door het ministerieel besluit van 26 maart 2007 houdende de oprichting van de hulpkantoren van het enig kantoor der douane en accijnzen en de bepaling van de bevoegdheden van het enig kantoor der douane en accijnzen en van zijn hulpkantoren.

  HOOFDSTUK II. - Belastingentrepot

  Afdeling 1. - Erkenning in de hoedanigheid van erkend entrepothouder

  Art. 3. Is gehouden zich, voorafgaandelijk aan het opstarten van zijn activiteiten, te laten erkennen in de hoedanigheid van erkend entrepothouder iedere persoon die :
  1° de in artikel 418, § 1, van de wet vermelde energieproducten produceert;
  2° de in artikel 418, § 1, van de wet vermelde energieproducten verwerkt. Onverminderd de bepalingen van artikel 14 wordt niet als "verwerkt" beschouwd het gebruik van de energieproducten als dusdanig;
  3° de in artikel 418, § 1 van de wet vermelde energieproducten onder de schorsingsregeling voorhanden heeft, ontvangt of verzendt.
  Dit artikel is niet van toepassing op aardgas, kolen, cokes en bruinkool.

  Art. 4. § 1. De persoon bedoeld in artikel 3, 3°, die de in artikel 418, § 1, van de wet vermelde energieproducten onder de schorsingsregeling voorhanden heeft, ontvangt of verzendt dient aan de volgende voorwaarden te voldoen :
  1° het beroep van handelaar in energieproducten uitoefenen en over een gemiddelde voorraad beschikken die, op jaarbasis berekend, groter is dan :
  a) benzine : 500 000 liter;
  b) kerosine : 500 000 liter;
  c) gasolie : 500 000 liter;
  d) zware stookolie : 1 000 000 kg;
  e) vloeibaar petroleumgas : 250 000 kg;
  f) andere energieproducten : 500 000 liter.
  Het betrokken bedrijf dient echter niet over deze gemiddelde voorraad te beschikken indien ten minste 80 % van de voorhanden zijnde producten worden verzonden naar een andere lidstaat of worden uitgevoerd onder de schorsingsregeling,
  of
  2° een opslagbedrijf inzake energieproducten vermeld in artikel 418, § 1, van de wet uitbaten en over een opslagcapaciteit van meer dan 10 000 m3 beschikken.
  § 2. De persoon die voldoet aan de voorwaarde inzake gemiddelde voorraad die is gesteld voor één van de categorieën energieproducten vermeld in § 1, 1°, is vrijgesteld van de verplichting te voldoen aan de voorwaarde inzake gemiddelde voorraad die voor de andere betrokken categorieën energieproducten is gesteld.
  § 3. De handelaar in zware stookolie die jaarlijks een hoeveelheid van meer dan 1 000 000 kg van dit product verkoopt, evenals de handelaar in vloeibaar petroleumgas die jaarlijks een hoeveelheid van meer dan 250 000 kg van deze producten verkoopt, wordt vrijgesteld van het voorhanden hebben van een fysieke voorraad.
  § 4. De trader is vrijgesteld van het voorhanden hebben van een fysieke voorraad.
  Onder "trader" wordt verstaan de handelaar die energieproducten dewelke onder de schorsingsregeling voorhanden zijn, koopt en opnieuw verkoopt zonder tot de uitslag tot verbruik ervan over te gaan.
  § 5. Een bunkermaatschappij kan in de hoedanigheid van erkend entrepothouder erkend worden. De controlebepalingen met betrekking tot deze erkenning worden vastgelegd door de minister bevoegd voor Financiën.

  Art. 5. § 1. De persoon, andere dan die bedoeld in artikel 3, die energieproducten ontvangt, voorhanden heeft en aanwendt uitsluitend voor eigen verbruik kan niet worden erkend in de hoedanigheid van erkend entrepothouder.
  § 2. Tankstations kunnen niet worden erkend als belastingentrepot.

  Art. 6. Onverminderd de bepalingen van het ministerieel besluit van 18 maart 2010 betreffende de algemene regeling inzake accijnzen dient iedere persoon die in de hoedanigheid van erkend entrepothouder erkend wenst te worden tot staving van zijn aanvraag de volgende stukken voor te leggen :
  1° een gedetailleerde beschrijving van de eventueel toegepaste productie- of verwerkingsprocessen;
  2° een plan met legende waarop alle gebouwen, productie- en verwerkingseenheden, opslagtanks, los- en laadinstallaties, pomphuizen, leidingen van en naar de opslagtanks, leidingen die in of uit het bedrijf gaan, de andere in- of uitgangen en de automatische injectiesystemen voorkomen;
  3° een afzonderlijke lijst waarop elke opslagtank is aangetekend, met vermelding van het nummer en de opslagcapaciteit ervan;
  4° een praktische omschrijving van de toegepaste bedrijfsboekhouding betreffende de productie en de verwerking, de voorraden, de inslag en de uitslag van de energieproducten;
  5° een afschrift van het getuigschrift van inschrijving afgeleverd door de Federale Overheidsdienst Economie, K.M.O., Middenstand en Energie overeenkomstig artikel 4 van het ministerieel besluit van 27 december 1978 betreffende de inschrijving van de personen die optreden in de bevoorradingsketen van het land en van de verbruikers in aardolie en aardolieproducten;
  6° een getuigschrift van de Federale Overheidsdienst Economie, K.M.O., Middenstand en Energie waarin wordt bevestigd dat aan deze de inlichtingen werden verstrekt opgelegd door het ministerieel besluit van 17 april 1989 tot regeling van de wijze waarop de Minister van Economische Zaken van de opslagcapaciteit voor aardolie en aardolieproducten dient te worden ingelicht.
  Deze bepalingen zijn niet van toepassing op de handelaar en op de trader, bedoeld in artikel 4, §§ 3 en 4. De stukken vermeld in 5° en 6° zijn enkel vereist voor aardolie en aardolieproducten.

  Afdeling 2. - Voorhanden hebben van energieproducten

  Art. 7. § 1. Het voorhanden hebben van energieproducten in een belastingentrepot dient te geschieden in opslagtanks die onderworpen zijn aan de eerste ijk en de herijk overeenkomstig de bepalingen van het koninklijk besluit van 3 november 1993 betreffende de landtanks.
  Er moeten afzonderlijke opslagtanks worden voorzien met betrekking tot de soort, de kwaliteit alsmede tot het eventueel denatureren of merken van de energieproducten.
  § 2. De geproduceerde hoeveelheden energieproducten moeten in vooraf aangewezen opslagtanks worden opgeslagen.
  § 3. Door de erkend entrepothouder moet een lijst worden opgesteld van de opslagtanks waarin de producten zich onder de schorsingsregeling bevinden. Deze lijst wordt ter beschikking gehouden van de controleur.
  § 4. Met het oog op een rationeel gebruik van de opslagtanks kan de minister bevoegd voor Financiën, onder de voorwaarden die hij bepaalt, toestaan dat energieproducten die zich onder een douaneregeling bevinden samen in dezelfde opslagtank worden opgeslagen met energieproducten van dezelfde soort en kwaliteit die voorhanden zijn in een belastingentrepot.

  Afdeling 3. - Voorraadadministratie

  Art. 8. Iedere erkend entrepothouder moet de boekhouding van de voorraden en de bewegingen van de energieproducten bedoeld in artikel 19 van de wet van 22 december 2009 betreffende de algemene regeling inzake accijnzen, houden, onder de vorm van een magazijnregister 592.
  Er moet een afzonderlijk magazijnregister 592 worden gehouden met betrekking tot de soort, de kwaliteit alsmede tot het eventueel denatureren of merken van de energieproducten.
  Het model en de instructies betreffende het houden van dit register zijn opgenomen in bijlage I.

  Art. 9. § 1. Indien een erkend entrepothouder energieproducten levert dient hij in een specifieke kolom van zijn voorraadadministratie de hoeveelheden te vermelden die aan een verlaagd tarief inzake accijnzen of met vrijstelling van accijnzen werden geleverd, onder verwijzing naar het nummer van de overgelegde vergunning, aangevuld met het nummer van de gebruiksplaats.
  § 2. De geleverde hoeveelheden worden tot verbruik uitgeslagen aan de overeenstemmende verlaagde tarieven inzake accijnzen.

  Afdeling 4. - Opneming

  Art. 10. Ten minste eenmaal per jaar wordt een boekhoudkundige controle en een opneming gecombineerd uitgevoerd, onder de leiding van de controleur.

  Art. 11. § 1. Onverminderd de toepassing van artikel 19bis van het ministerieel besluit van 18 maart 2010 betreffende de algemene regeling inzake accijnzen, resulteren de te vertonen hoeveelheden uit de balans tussen enerzijds de aangenomen hoeveelheden bij de laatste opneming, verhoogd met de sindsdien geproduceerde hoeveelheden en met de sindsdien onder de schorsingsregeling ontvangen hoeveelheden en anderzijds de hoeveelheden die met een geoorloofde bestemming werden uitgeslagen.
  § 2. De geproduceerde, verwerkte, ontvangen en uitgeslagen hoeveelheden worden vastgesteld door een boekhoudkundige controle. De voorraden maken het voorwerp uit van een fysieke verificatie.
  § 3. In het geval van gemeenschappelijke opslag bedoeld in artikel 7, § 4 wordt ieder tekort of teveel dat in dergelijke tank wordt vastgesteld, beschouwd als betrekking hebbend op het energieproduct dat onder de douaneregeling is geplaatst. Indien meerdere tanks worden gebruikt voor gemeenschappelijke opslag wordt het verschil per tank beschouwd, voor zover de tanks niet met elkaar verbonden zijn.

  Art. 12. Na iedere opneming stellen de ambtenaren een proces-verbaal van opneming op, dat door hen alsmede door de erkend entrepothouder of zijn afgevaardigde wordt ondertekend.

  HOOFDSTUK III. - Industriële en commerciële doeleinden

  Art. 13.Betreffende de industriële en commerciële doeleinden zoals bepaald in artikel 420, § 4 van de wet :
  1° wordt onder "stationaire motoren" verstaan, de vaste motoren voor het aandrijven van generatoren, compressoren, pompen, centrifuges en dergelijke, ook indien deze gemonteerd zijn op voertuigen, voor zover de motor niet verbonden is met het aandrijfmechanisme van het voertuig en over een afzonderlijk brandstofreservoir beschikt.
  2° wordt onder "installaties en machines die worden gebruikt in de bouw, de weg- en waterbouw en voor openbare werken" verstaan, schrapers, laadschoppen, heimachines, wegwalsen, egaliseermachines, bulldozers, graafmachines, hijstoestellen, grasmaaimachines en dergelijk, ingedeeld onder hoofdstuk 84 van bijlage I van Verordening (EEG) nr. 2658/87 van de Raad met betrekking tot de tarief- en statistieknomenclatuur en het gemeenschappelijk douanetarief;
  3° a) wordt onder "voertuigen bestemd om buiten de openbare weg te worden gebruikt" verstaan de voertuigen die niet bij de Dienst voor Inschrijving van de Voertuigen (DIV) zijn ingeschreven en derhalve niet over een kentekenplaat beschikken;
  b) wordt onder "voertuigen waarvoor geen vergunning is verleend voor overwegend gebruik op de openbare weg" verstaan :
  i) de voertuigen die niet voldoen aan de voorwaarden vastgesteld voor het afleveren door de Dienst voor Inschrijving van de Voertuigen (DIV) van een vergunning voor overwegend gebruik op de openbare weg. De voertuigen waarvoor wel een vergunning is verleend voor overwegend gebruik op de openbare weg zijn de voertuigen ingeschreven bij de Dienst voor Inschrijving van de Voertuigen (DIV), voorzien van een kentekenplaat en een bewijs van inschrijving, beschikkend over een gelijkvormigheidsattest afgeleverd op basis van een proces-verbaal van goedkeuring van de FOD Mobiliteit en Vervoer en onderworpen aan een periodieke technische controle; of
  ii) [1 ...]1.
  ----------
  (1)<KB 2016-08-16/09, art. 1, 002; Inwerkingtreding : 12-12-2016>

  HOOFDSTUK IV. - Registratie

  Art. 14.§ 1. Is gehouden, overeenkomstig [1 artikelen 425 en 432, § 3]1 van de wet, over een registratie energieproducten en elektriciteit te beschikken :
  1° iedere distributeur van aardgas of elektriciteit;
  2° iedere netbeheerder van aardgas en elektriciteit;
  3° iedere producent en handelaar in kolen, cokes of bruinkool of zijn fiscaal vertegenwoordiger;
  4° iedere handelaar in energieproducten met uitzondering van aardgas, kolen, cokes en bruinkool die niet de hoedanigheid van erkend entrepothouder bezit en dit, onafhankelijk van het feit dat hij eventueel de hoedanigheid van geregistreerde geadresseerde of tijdelijk geregistreerde geadresseerde bezit;
  5° iedere houder van een tankstation, zoals bepaald in artikel 46;
  Onder "houder van een tankstation" verstaat men de eigenaar van de energieproducten die zijn opgeslagen in het tankstation;
  6° [2 iedere rechtspersoon die voor zijn zakelijk gebruik van een vrijstelling inzake accijnzen wenst te genieten;]2
  7° [3 iedere rechtspersoon die voor zijn zakelijk gebruik wenst te genieten van de toepassing van een verlaagd tarief inzake accijnzen.]3
  § 2. De registratie wordt uitgevoerd door het verlenen van een vergunning energieproducten en elektriciteit.
  § 3. De vergunning energieproducten en elektriciteit bedoeld in § 2, wordt ingedeeld in verschillende types, gedefinieerd als volgt :
  1° "distributeur van aardgas" of "distributeur van elektriciteit", volgens het product;
  2° "aardgasnetbeheerder" of "elektriciteitsnetbeheerder", volgens het product;
  3° "producent en handelaar in kolen, cokes en bruinkool of zijn fiscaal vertegenwoordiger";
  4° "handelaar";
  5° "pomphouder";
  6° "eindgebruiker" overeenkomstig de artikelen 28 tot en met 45.
  § 4. De vergunning energieproducten en elektriciteit dient te worden aangevraagd bij :
  1° de directeur van het gebied waarin de aanvrager is gevestigd voor zover zijn gebruiksplaatsen, vestigingsplaatsen, verdeelpunten, de plaatsen van de productie of de plaats van de maatschappelijke zetel binnen hetzelfde gebied zijn gelegen;
  2° de administrateur-generaal in de andere situaties dan deze bedoeld in 1°.
  Zij dient te worden aangevraagd ten laatste 10 werkdagen vóór de aanvang van iedere activiteit, door middel van het formulier opgenomen in bijlage II. De administrateur-generaal stelt de verklarende nota op betreffende dit formulier.
  § 5. Bij de aanvraag tot het bekomen van een vergunning energieproducten en elektriciteit van de volgende types moet worden bijgevoegd :
  1° voor "distributeur van aardgas" of "distributeur van elektriciteit" : een kopie van de akte van zekerheidstelling vereist door artikel 2 van het koninklijk besluit van 2 februari 2006 houdende diverse bepalingen betreffende de controle van energieproducten en elektriciteit inzake accijnzen;
  2° voor "producent en handelaar in kolen, cokes en bruinkool of zijn fiscaal vertegenwoordiger" : wanneer de producent, invoerder of eventueel zijn fiscaal vertegenwoordiger overeenkomstig artikel 425 van de wet, in de plaats treedt van de bedrijven die aan de kleinhandelaar leveren, de lijst van deze leveranciers en een attest van hen waarmee ze zich akkoord verklaren met deze substitutie;
  3° [4 voor "iedere rechtspersoon bedoeld in § 1, 7° :
   a) een kopie van de "energiebeleidsovereenkomst", "accord de branche" of gelijkaardige overeenkomst afgeleverd door het Gewest;
   b) indien de aanvraag wordt ingediend door een divisie van het bedrijf : de elementen die aantonen dat de divisie "op eigen kracht kan functioneren" in de zin van artikel 420, § 5, 6de lid van de wet.]4
  De in aanmerking te nemen waarden en bedrag zijn deze van het laatste definitief afgesloten boekjaar uitgestrekt over een periode van minimum één jaar. Een berekeningsnota dient eventueel bij de aanvraag te worden gevoegd.
  Voor bedrijven die nog geen 12 maanden activiteit hebben of waarvan het eerste boekjaar nog niet definitief afgesloten is, kunnen deze elementen geëxtrapoleerd worden, hetzij uit de beschikbare boekhoudkundige geschriften, hetzij uit om het even welk document dat werd opgesteld voor financiële of andere redenen.
  § 6. Het model van de vergunning is opgenomen in bijlage III.
  De titularis van de vergunning moet de autoriteit die deze heeft afgeleverd onmiddellijk in kennis stellen van ieder element dat kan aanleiding geven tot een wijziging of de intrekking ervan.
  Een vergunning wordt geweigerd, ingetrokken of gewijzigd onder de voorwaarden bepaald in de artikelen 22, 23 en 24 van de wet van 22 december 2009 betreffende de algemene regeling inzake accijnzen.
  § 7. [5 De titularis van de vergunning energieproducten en elektriciteit dient onmiddellijk aan de autoriteit die deze heeft afgeleverd, elke wijziging mee te delen die door het Gewest wordt aangebracht aan zijn "energiebeleidsovereenkomst", "accord de branche" of gelijkaardige overeenkomst, evenals de schorsing of intrekking van de bedoelde overeenkomsten.]5
  § 8. [6 ...]6.
  § 9. Met uitzondering van de netbeheerder voor aardgas en elektriciteit en van de kleinhandelaar in kolen, cokes of bruinkool, dient de titularis van een vergunning energieproducten en elektriciteit een boekhouding van de voorraden en de bewegingen van de producten waarvoor de vergunning werd afgeleverd, te houden.
  ----------
  (1)<KB 2016-08-16/09, art. 2, 002; Inwerkingtreding : 12-09-2016>
  (2)<KB 2016-08-16/09, art. 5, 002; Inwerkingtreding : 12-09-2016>
  (3)<KB 2016-08-16/09, art. 3, 002; Inwerkingtreding : 12-09-2016>
  (4)<KB 2016-08-16/09, art. 4, 002; Inwerkingtreding : 12-09-2016>
  (5)<KB 2016-08-16/09, art. 5, 002; Inwerkingtreding : 12-09-2016>
  (6)<KB 2016-08-16/09, art. 6, 002; Inwerkingtreding : 12-09-2016>

  HOOFDSTUK V. - Handelaar

  Art. 15. § 1. De handelaar in energieproducten die niet de hoedanigheid van erkend entrepothouder bezit en bedoeld wordt in artikel 14, § 1, 4° kan slechts het volgende betrekken :
  1° benzine;
  2° kerosine of gasolie, aan het tarief vastgesteld voor gebruik als motorbrandstof zoals bepaald in artikel 419, d) i), e) i) en f) i) van de wet;
  3° kerosine of gasolie, aan het hoogste tarief dat overeenstemt met het gebruik als verwarmingsbrandstof zoals bepaald in artikel 419, d) iii), e) iii) en f) iii) van de wet;
  4° zware stookolie, aan het hoogste tarief zoals bepaald in artikel 419, g) van de wet;
  5° vloeibaar petroleumgas, aan het hoogste tarief dat overeenstemt met het gebruik als verwarmingsbrandstof zoals bepaald in artikel 419, h) iii) van de wet;
  6° de energieproducten opgenomen in artikel 415 van de wet en waarvoor geen tarief is vastgesteld in artikel 419 van de wet.
  § 2. De erkend entrepothouder mag slechts tot levering van de in § 1 bedoelde energieproducten overgaan op overlegging van de vergunning energieproducten en elektriciteit die werd afgeleverd aan de handelaar.

  Art. 16. § 1. De handelaar in energieproducten die niet de hoedanigheid van erkend entrepothouder bezit en bedoeld wordt in artikel 13, § 1, d) mag slechts producten leveren aan het tarief waaraan hij ze heeft betrokken.
  § 2. In afwijking van § 1, mag de handelaar producten leveren :
  1° met vrijstelling van de accijnzen bij toepassing van artikel 429, § 2, i) van de wet, op overlegging door zijn klant van de vergunning energieproducten en elektriciteit die aan deze laatste werd afgeleverd;
  2° aan een verlaagd tarief inzake accijnzen, op overlegging door zijn klant van de vergunning energieproducten en elektriciteit die aan deze laatste werd afgeleverd.
  Indien de energieproducten worden ingevoerd en tot verbruik worden aangegeven met vrijstelling van accijnzen of aan een verlaagd tarief inzake accijnzen dient de bedoelde vergunning overgelegd te worden op het kantoor van invoer.
  § 3. De leverancier die energieproducten (met uitsluiting van aardgas) levert en niet over de hoedanigheid van erkend entrepothouder beschikt, mag, middels het overleggen door zijn klant van de vergunning energieproducten en elektriciteit, aan deze laatste producten leveren met vrijstelling van accijnzen of aan het verlaagde tarief inzake accijnzen en bij de erkend entrepothouder die hem heeft bevoorraad het verschil inzake accijnzen recupereren dat uit deze levering voortvloeit.
  Het verschil inzake accijnzen wordt bekomen door het bedrag inzake accijnzen met vrijstelling of aan het verlaagde tarief dat overeenstemt met de "productcode" vermeld in de vergunning energieproducten en elektriciteit in mindering te brengen van het bedrag inzake accijnzen :
  1° voor kerosine en gasolie aan het hoogste tarief dat overeenstemt met het gebruik als verwarmingsbrandstof zoals respectievelijk bepaald in artikel 419, letters d), e) en f) van de wet;
  2° voor zware stookolie, aan het hoogste tarief zoals bepaald in artikel 419, letter g) van de wet;
  3° voor vloeibaar petroleumgas, aan het hoogste tarief dat overeenstemt met het gebruik als verwarmingsbrandstof zoals bepaald in artikel 419, letter h) van de wet.
  De recuperatie van de accijnzen is onderworpen aan het overhandigen aan de betrokken erkend entrepothouder van het origineel van het attest (conform bijlage V) afgeleverd door de controleur van het gebied van de leverancier. Het bedrag inzake accijnzen dat op dit attest is vermeld, wordt in mindering gebracht van het bedrag inzake accijnzen dat door de erkend entrepothouder is verschuldigd ingevolge latere uitslagen tot verbruik van energieproducten.
  Het verwerven van dit attest is onderworpen aan het respecteren van volgende voorwaarden :
  1° om de twee maanden dient de leverancier een aanvraag tot terugbetaling (conform bijlage IV) in te dienen bij de controleur van zijn gebied;
  2° de aanvraag dient vergezeld te gaan van een lijst die per type van het geleverde product het volgende vermeldt :
  a) de hoeveelheid;
  b) het hoogste tarief inzake accijnzen bedoeld in artikel 16, § 3 (zoals vermeld op de inkomende facturen) en het daarmee gepaard gaande bedrag inzake accijnzen;
  c) het tarief inzake accijnzen dat overeenstemt met het reële gebruik van het product (zoals vermeld op de uitgaande facturen) en het daarmee gepaard gaande bedrag inzake accijnzen;
  d) het nummer van de vergunning energieproducten en elektriciteit die werd afgeleverd aan de eindgebruiker;
  e) de "productcode", zoals opgenomen in de vergunning energieproducten en elektriciteit die werd afgeleverd aan de eindgebruiker;
  f) het verschil tussen de bedragen bedoeld onder b) en c).

  HOOFDSTUK VI. - Distributeur van aardgas of elektriciteit

  Art. 17. De leverancier van aardgas of elektriciteit mag slechts leveringen met vrijstelling van accijns of het verlaagde tarief inzake accijnzen verrichten aan personen die een vergunning energieproducten en elektriciteit heeft verkregen. Deze vergunning dient hem te worden overgelegd.

  Art. 18. Indien de leverancier leveringen verricht van aardgas of elektriciteit, dient hij in een specifieke kolom van zijn voorraadadministratie de hoeveelheden te vermelden die met vrijstelling van accijnzen of aan een verlaagd tarief inzake accijnzen werden geleverd, onder verwijzing naar het nummer van de overgelegde vergunning, aangevuld met het nummer van de gebruiksplaats.
  De geleverde hoeveelheden worden tot verbruik uitgeslagen aan de overeenstemmende verlaagde tarieven inzake accijnzen.

  HOOFDSTUK VII. - Herbewerking

  Art. 19. § 1. Mogen aan een herbewerking, zoals bedoeld in artikel 428, § 1 van de wet, worden onderworpen :
  1° ieder energieproduct dat accidenteel is vermengd met andere energieproducten of met andere stoffen;
  2° ieder energieproduct dat is vermengd met modder, water of andere residuen voortvloeiend uit de opslag ervan in de opslagtanks van een belastingentrepot of in de opslagtanks van een tankstation.
  De denaturering van een energieproduct of de toevoeging van een merkstof aan een energieproduct kan niet als accidenteel vermengd worden beschouwd.
  § 2. De herbewerking van energieproducten die nog niet tot verbruik werden uitgeslagen is onderworpen aan het opstellen van een verpompingsorder met vermelding van de soort, de kwaliteit en de hoeveelheid van de te herbewerken producten. Dit verpompingsorder is onderworpen aan het voorafgaandelijke akkoord van de controleur waarvan het belastingentrepot afhangt.
  § 3. De herbewerking van energieproducten die reeds tot verbruik werden uitgeslagen is onderworpen aan de voorafgaandelijke machtiging van de controleur aangeduid voor het betrokken belastingentrepot waarbinnen deze herbewerking wordt verricht, volgens een procedure bepaald door de administrateur-generaal.
  § 4. De terugbetaling van de accijnzen met betrekking tot de hoeveelheden die overeenstemmen met de opnieuw ingeslagen energieproducten in het belastingentrepot, geschiedt door een overeenstemmende vermindering, van het bedrag aan accijnzen verschuldigd op de volgende vervaldag van de kredietrekening van de aanvrager of bij de volgende betaling.

  HOOFDSTUK VIII. - Damprecuperatie

  Art. 20. § 1. In de zin van artikel 428, § 2 van de wet wordt verstaan onder :
  1° benzinedampen : een gasvormige, uit benzine vervluchtigde verbinding;
  2° dampterugwinningseenheid : een installatie voor de terugwinning van benzine uit damp, met inbegrip van eventuele buffertanksystemen van een terminal;
  3° terminal : iedere installatie die voor de opslag en het laden van benzine in tankwagens, tankwagons of schepen wordt gebruikt, met inbegrip van de opslaginstallaties op het terrein van de installaties voor de terugwinning van benzine;
  4° opslaginstallatie : iedere vaste tank die op een terminal voor de opslag van benzine wordt gebruikt.
  § 2. Teneinde de dubbele belasting te vermijden op de benzines die worden verkregen bij de terugwinning van benzinedampen in een dampterugwinningseenheid, onder de voorwaarden bepaald in artikel 428, § 2 van de wet, wordt een terugbetalingsprocedure voorzien.

  Art. 21. § 1. De aanvraag tot terugbetaling moet worden ingediend door de persoon die de benzines die de dampen hebben voortgebracht waarvoor de terugbetaling van de accijnzen wordt gevraagd, tot verbruik heeft uitgeslagen.
  § 2. De aanvraag tot terugbetaling bedoeld in § 1 moet maandelijks worden ingediend en dit binnen een termijn van drie maanden te rekenen vanaf het verstrijken van de maand waarin de benzines in het verbruik werden gesteld. Ze moet worden gericht aan de directeur van het gebied waarin het belastingentrepot is gevestigd en dient de volgende elementen te bevatten :
  1° de naam en het adres van de aanvrager;
  2° de refertes van de aangifte die aanleiding heeft gegeven tot de inning van de accijnzen waarvan de terugbetaling wordt gevraagd, alsmede de benaming en het adres van het hulpkantoor waar de aangifte ten verbruik werd ingediend;
  3° per tankstation uitgerust met een dampterugwinningseenheid, de soort en de hoeveelheid van de geleverde benzines;
  4° het tarief inzake accijnzen, per soort en hoeveelheid benzine, alsmede de week van de uitslag tot verbruik;
  5° het bedrag van de betaalde accijnzen voor de leveringen aan benzinestations uitgerust met een dampterugwinningseenheid;
  6° de benaming, het adres en het nummer van de machtiging van het of de belastingentrepot(s) van waaruit de tot verbruik uitgeslagen benzines werden geleverd aan tankstations uitgerust met een dampterugwinningseenheid;
  7° de benaming, het adres en het nummer van de machtiging van het belastingentrepot waarin de benzinedampen werden binnengebracht;
  8° de lijst van de tankstations uitgerust met een dampterugwinningseenheid die bevoorraad werden door elk van de belastingentrepots bedoeld in 6°.

  Art. 22. De terugbetaling van de accijnzen met betrekking tot de hoeveelheid benzine die overeenstemt met de gerecupereerde damp die wederingeslagen werd in het belastingentrepot, geschiedt door een overeenstemmende vermindering, van het bedrag aan accijnzen verschuldigd op de volgende vervaldag van de kredietrekening van de aanvrager of bij de volgende betaling.

  Art. 23. Indien de benzinedampen worden gebruikt voor de aandrijving van turbines die alternatoren in werking stellen voor de productie van elektriciteit moeten de lokalen waar deze dampen worden opgeslagen als belastingentrepot worden erkend. In dat geval wordt het gebruik van de teruggewonnen dampen belast volgens het tarief vastgesteld voor de brandstof.

  HOOFDSTUK IX. - Denaturanten en merkstoffen

  Afdeling 1. - Denaturanten

  Art. 24. § 1. Benzine die bestemd is om te worden gebruikt voor andere doeleinden dan als motorbrandstof of als verwarmingsbrandstof moet worden gedenatureerd door toevoeging, per 1 000 liter bij 15 ° C, van één van de volgende stoffen in de vermelde hoeveelheid :
  1° 2 liter dichloorethaan;
  2° 1,5 liter trichloorethyleen of tetrachloorethaan;
  3° 1,3 liter perchloorethyleen;
  4° 1,2 liter koolstoftetrachloride;
  5° 4 liter dichloorether;
  6° 1 kg dammargom, vioolhars of erythriethars.
  § 2. Door middel van het respecteren van de controlebepalingen vastgelegd door de administrateur-generaal, kan ontheffing van de verplichting tot toevoeging van de denaturanten verleend worden.

  Afdeling 2. - Merkstoffen

  Art. 25. § 1. Aan kerosine en aan gasolie bestemd om te worden gebruikt :
  1° als motorbrandstof voor industriële en commerciële doeleinden;
  2° als verwarmingsbrandstof;
  3° in de gevallen van vrijstelling vermeld in artikel 429, §§ 1 en 2 van de wet;
  4° als motorbrandstof voor de vaart op niet-communautaire wateren,
  moet minimum 6 gram en maximum 9 gram van de merkstof "Solvent Yellow 124" zoals die omschreven is in de "Colour Index International" per 1 000 liter energieproduct bij 15 ° C en, wat gasolie betreft, een hoeveelheid rode merkstof die voldoende moet zijn om aan het product een goed merkbare en blijvende rode kleur te geven, worden toegevoegd.
  Onder "Colour Index International" moet worden verstaan, de index gepubliceerd door de "Society of Dyers and Colourists" te Bradford - West Yorkshire in Groot-Brittannië.
  § 2. In afwijking van het bepaalde in § 1 moet aan kerosine die, overeenkomstig artikel 429, § 1, f) van de wet met vrijstelling van de accijnzen wordt gebruikt als reactiemotorbrandstof voor de luchtvaart, geen Solvent Yellow 124 worden toegevoegd, voorzover de kerosine voldoet aan de volgende specificaties :
  1° een zwavelgehalte van ten hoogste 0,3 %;
  2° een soortelijke massa bij 16 ° C van ten minste 0,775 en ten hoogste 0,845;
  3° een vlampunt van ten minste 38 ° C;
  4° een stollingspunt van ten hoogste - 47 ° C.
  § 3. Aan zware stookolie bestemd om gebruikt te worden in scheepsmotoren, die een volgens de methode ASTM D 976 berekende cetaanindex heeft van ten minste 35 en een viscositeit, uitgedrukt in 10-6 m2 s-1, berekend volgens de methode ASTM D 445 van ten hoogste 14 bij 40 ° C, moet minimum 6 gram en maximum 9 gram merkstof "Solvent Yellow 124" bedoeld in § 1 worden toegevoegd per 1.000 kilogram en, indien het energieproduct een volgens de methode ASTM D 1.500 bepaalde natuurlijke kleur vertoont van 5,0 of minder, een voldoende hoeveelheid rode merkstof om aan het product een goed merkbare en blijvende rode kleur te geven.
  § 4. Door middel van het respecteren van de controlebepalingen vastgelegd door de administrateur-generaal kan ontheffing van de verplichting tot toevoeging van de merkstoffen verleend worden.
  § 5. Het is verboden aan de kerosine, gasolie of zware stookolie bedoeld in de §§ 1 en 3, enig product toe te voegen dat bestemd is om de merkstoffen minder opspoorbaar of onopspoorbaar te maken. Het is verboden om op het even welke wijze merkstoffen uit de betrokken energieproducten te verwijderen.
  § 6. De bepalingen van de §§ 1 tot en met 5 zijn, in geval van hetzelfde gebruik, eveneens van toepassing op de energieproducten en andere gelijkwaardige koolwaterstoffen.

  Afdeling 3. - Methodes voor het denatureren en voor het toevoegen van merkstoffen

  Art. 26. § 1. Onder voorbehoud van de bepalingen van de §§ 3 en 4 moet het denatureren van energieproducten of het toevoegen van merkstoffen aan dergelijke producten geschieden in een belastingentrepot uiterlijk bij de uitslag van de energieproducten uit dat entrepot.
  § 2. De toevoegingen van de denaturanten of van merkstoffen moeten manueel geschieden in een binnen het belastingentrepot gevestigde vaste tank die voorafgaandelijk werd geïdentificeerd.
  In uitzonderlijke gevallen en voor zover de noodwendigheden van de dienst het toelaten, kan de directeur of een door hem aangewezen ambtenaar, toestaan dat de toevoeging, onder ambtelijk toezicht, manueel geschiedt in het vervoermiddel.
  Voor de toevoeging van merkstoffen aan de energieproducten bedoeld in artikel 25, §§ 1 en 3 mag evenwel een automatisch injectiesysteem worden gebruikt.
  In de zin van dit besluit wordt onder "automatisch injectiesysteem" verstaan, ieder injectiesysteem dat, als het in werking is, het onmogelijk maakt dat, door de leiding waarop het is gemonteerd, energieproducten lopen indien er geen merkstoffen worden geïnjecteerd of indien er onvoldoende worden geïnjecteerd.
  § 3. Indien de benzine bedoeld in artikel 24, § 1 :
  1° wordt binnengebracht, hetzij onder de schorsingsregeling ter bestemming van een geregistreerde geadresseerde of van een tijdelijk geregistreerde geadresseerde, hetzij buiten de schorsingsregeling, moet het denatureren ervan, onder ambtelijk toezicht, geschieden voorafgaandelijk aan het inreiken van de aangifte van de uitslag tot verbruik;
  2° wordt ingevoerd, kan het denatureren ervan geschieden op het kantoor van invoer;
  3° tenzij de denaturering reeds op de voorgeschreven wijze werd verricht in het buitenland.
  § 4. Indien de energieproducten bedoeld in artikel 25, §§ 1 en 3 :
  1° worden binnengebracht, hetzij onder de schorsingsregeling ter bestemming van een geregistreerde geadresseerde of een tijdelijk geregistreerde geadresseerde hetzij buiten de schorsingsregeling, moet het toevoegen van de merkstoffen, onder ambtelijk toezicht, geschieden voorafgaandelijk aan het inreiken van de aangifte van de uitslag tot verbruik;
  2° worden ingevoerd, kan het toevoegen van de merkstoffen geschieden op het kantoor van invoer;
  3° tenzij de toevoeging reeds op de voorgeschreven wijze werd verricht in het buitenland.

  Art. 27. Een automatisch injectiesysteem mag enkel worden geïnstalleerd in een raffinaderij of in een opslagplaats erkend als belastingentrepot.

  Art. 28. § 1. Voorafgaand aan de installatie van een automatisch injectiesysteem in een raffinaderij, stelt de erkend entrepothouder een gedetailleerde beschrijving op van de gehele werking van dat systeem en bezorgt die, samen met een plan en een kopie van het besturingssysteem ervan, aan de controleur.
  Het op een andere wijze dan via het automatisch injectiesysteem toevoegen van merkers aan energieproducten moet eveneens in de beschrijving van het systeem worden opgenomen.
  § 2. De erkend entrepothouder ontwikkelt een intern controlesysteem dat elke manipulatie van het automatische injectiesysteem (besturingssysteem en technisch gedeelte) uitsluit. Wijzigingen aan het intern controlesysteem moeten gedurende drie jaar in het systeem zelf worden bijgehouden.
  De controleur heeft toegang tot het intern controlesysteem.
  Dit intern controlesysteem :
  1° beperkt de toegang tot de raffinaderij en registreert alle personen die toegang hebben tot haar bedrijfssite;
  2° beperkt het aantal personen met toegang tot het systeem dat het automatisch injectiesysteem stuurt en identificeert die personen duidelijk;
  3° identificeert de personen duidelijk die wijzigingen mogen aanbrengen aan het automatisch injectiesysteem (bevattende speciale controlemaatregelen in geval van alarm, gekoppeld aan het automatisch stilvallen van de vloeistofstroom in geval van het uitvallen van de injectiepomp) en die analyserapporten over de werking van het systeem opstellen en die rapporten gedurende ten minste drie jaar archiveren;
  4° voorziet in het houden van een balans tussen de hoeveelheid gemerkte energieproducten en de hoeveelheid gebruikte merker;
  5° voorziet, in het kader van een door de controleur goedgekeurd controleplan, in het op regelmatige tijdstippen nemen van monsters van de gemerkte energieproducten en van de merkstoffen, het analyseren van die monsters en het archiveren van de analyseresultaten ervan gedurende drie jaar.
  De erkend entrepothouder bezorgt de controleur een handleiding die duidelijk de precieze werking van het automatische injectiesysteem beschrijft en die tevens aanduidt welke parameters er mogen worden gewijzigd zonder dat die aanpassing de correcte werking van het systeem verhindert. De handleiding beschrijft hoe die parameters kunnen worden opgevraagd in het besturingssysteem.
  § 3. De controleur verifieert het systeem. Hij stelt de voorwaarden vast voor het gebruik van dat systeem door de erkend entrepothouder.
  § 4. Alle wijzigingen aan het automatisch injectiesysteem en/of aan de wijze van toevoegen van merkers moeten vooraf schriftelijk worden medegedeeld aan de controleur, die de voorwaarden voor het gebruik van het systeem kan wijzigen.

  Art. 29. § 1. Een automatisch injectiesysteem mag enkel geïnstalleerd worden in een opslagplaats, erkend als belastingentrepot, van :
  1° niet-gemerkte energieproducten;
  2° gemerkte en niet-gemerkte energieproducten. De toepassing van dit systeem is enkel toegestaan voor het merken van niet-gemerkte energieproducten.
  § 2. Voorafgaand aan de installatie van een automatisch injectiesysteem in een opslagplaats bezorgt de erkend entrepothouder aan de controleur een gedetailleerde beschrijving van de gehele werking van het systeem, samen met een plan en een kopie van het besturingssysteem ervan.
  Het op een andere wijze dan via het automatisch injectiesysteem toevoegen van merkers aan energieproducten moet in de beschrijving van het systeem zijn opgenomen.
  § 3. Het automatisch injectiesysteem wordt gestuurd door een uitsluitend hiervoor bestemd Programmeerbaar Logisch Controlesysteem (Programmable Logic Controller - PLC), dat onafhankelijk werkt van de bestaande automatiseringsprogramma's voor het laden van de transportmiddelen. Indien het automatisch injectiesysteem niet gestuurd wordt door middel van een uitsluitend hiervoor bestemde PLC, mag er op geen enkele manier enige interactie mogelijk zijn tussen het gedeelte van de PLC dat het automatisch injectiesysteem stuurt en de andere functies die door de PLC worden uitgevoerd.
  Het elektronisch besturingscircuit kan niet worden gemanipuleerd waardoor er geen injectie of een onvoldoende injectie van merkstoffen mogelijk is.
  § 4. De PLC registreert het aantal alarmen, de aard, het tijdstip en de precieze plaats van het alarm en de identiteit van de persoon die het heeft uitgezet of eraan heeft verholpen. Deze gegevens worden onmiddellijk opgeslagen en gedurende ten minste drie jaar bewaard.
  § 5. Het aantal keer dat het automatisch injectiesysteem na het uitvallen of na het verhelpen van een storing terug in werking mag worden gesteld zonder tussenkomst van de controleur, wordt in overeenstemming met deze laatste vastgelegd.
  Indien het systeem binnen een tijdspanne van 24 uur meer dan drie maal een storing ondervindt, wordt het automatisch buiten dienst gesteld en het kan pas terug worden opgestart na goedkeuring van de controleur.
  § 6. De erkend entrepothouder van een opslagplaats bezorgt de controleur een handleiding die duidelijk de precieze werking van het automatisch injectiesysteem beschrijft en die tevens aanduidt welke parameters er mogen worden gewijzigd zonder dat die aanpassing een correcte werking van het systeem verhindert. De handleiding beschrijft hoe die parameters kunnen worden opgevraagd in het besturingssysteem.
  § 7. De tanks voor de opslag van merkstoffen, de opslagtanks van de te merken producten, de pompcircuits en de injectieapparaten die deel uitmaken van het automatisch injectiesysteem voldoen ten minste aan de volgende voorwaarden :
  1° Tanks voor de opslag van merkstoffen
  a) zijn uitgerust met een verzegeling op de aanvulleiding;
  b) zijn zodanig verzegeld dat zonder tussenkomst van de controleur op geen enkele manier in de tanks enig product kan worden toegevoegd;
  c) zijn uitgerust met een alarm voor het detecteren van een minimumniveau in de tank met merkstoffen;
  d) zijn voldoende groot zodat het aantal bevoorradingen per jaar kan worden beperkt.
  2° Tanks voor de opslag van energieproducten zijn verbonden met de boekhouding van de voorraden en de bewegingen.
  3° Pompcircuits
  a) het elektrisch en elektronisch circuit dat de injectiepompen en de pompen van de te merken energieproducten stuurt moet verzegeld zijn;
  b) de pompen voor het verpompen van de te merken energieproducten en de injectiepompen zijn elk aangesloten op een eigen elektrisch circuit, dat moet uitvallen bij een storing van het injectiecircuit. Indien voornoemde pompen niet op een eigen elektrisch circuit zijn aangesloten, moet worden voorzien in een klep die onmiddellijk na het injectiepunt op de leiding van het te merken product is geplaatst en die automatisch sluit bij een storing van het injectiecircuit.
  4° Injectieapparaten
  Het injectieapparaat is :
  a) voorzien van een totaalteller die niet kan worden teruggedraaid;
  b) voorzien van verschillende alarmen die afgaan bij :
  i) de injectie van een te hoge hoeveelheid merkstof;
  ii) de injectie van een te lage hoeveelheid merkstof;
  iii) het falen van het apparaat;
  iv) abnormale veranderingen in het debiet van de stroom van het te merken energieproduct en van de toe te voegen merker of wanneer de druk in de injectieleiding lager is dan die in de leiding van het te merken energieproduct. Vóór de ingebruikname wordt getest of de alarmen afgaan bij het injecteren van helemaal geen, van een te lage of van een te hoge hoeveelheid merkstof.
  § 8. De aanvoerleidingen tussen de tank voor de opslag van merkstoffen en het injectiepunt moeten zichtbaar zijn. De controleur kan uitzonderingsgewijs toestaan dat de leidingen niet zichtbaar zijn wanneer zij onder het wegdek of de spoorbedding lopen naar de laadkade.
  § 9. Tussen de tank voor de opslag van merkstoffen en het injectiepunt mogen geen koppelingsstukken worden gebruikt, tenzij ze verzegeld worden. Alle koppelingstukken na het injectiepunt, de afsluitkraantjes en het ontluchtingssysteem moeten zichtbaar zijn en worden verzegeld tot de plaats waar de teller is geplaatst die de hoeveelheid geleverd eindproduct meet.
  § 10. De controleur verifieert het systeem. Hij stelt de voorwaarden vast waaraan de erkend entrepothouder moet voldoen voor het gebruik ervan.
  § 11. Alle wijzigingen aan het automatisch injectiesysteem en/of aan de wijze van toevoegen van merkers moeten vooraf schriftelijk worden medegedeeld aan de controleur, die de voorwaarden voor het gebruik van het systeem kan wijzigen.
  § 12. De controleur stelt in twee exemplaren een proces-verbaal van de door de ambtenaren aangebrachte verzegeling op. Een exemplaar wordt door de controleur bewaard en het andere wordt afgegeven aan de erkend entrepothouder om te worden bewaard bij de gebruiksvoorwaarden van het systeem.
  § 13. De leidingen tussen de tank voor de opslag van merkstoffen en het injectiepunt en tussen het injectiepunt en de tank voor het te merken product moeten steeds gevuld zijn. De controleur kan uitzonderingsgewijs toestaan dat tijdens onderhoudswerken, het reinigen van de leidingen of bij een productiewijziging de leidingen niet gevuld zijn.
  § 14. De correcte werking van het automatisch injectiesysteem, inclusief de sturing van de alarmen moet bij het in gebruik nemen, en nadien jaarlijks door de installateur of een onafhankelijk expert, in het bijzijn van de controleur, worden geattesteerd. Bij deze controle worden op ieder laadpunt waar merkstoffen worden geïnjecteerd door de erkend entrepothouder, in aanwezigheid van de installateur of een onafhankelijk expert, onder het toezicht van de controleur stalen van de energieproducten genomen. Afhankelijk van de resultaten van de staalneming zal het systeem waar nodig bijgesteld worden. Na iedere aanpassing moeten nieuwe stalen worden genomen. Indien de erkend entrepothouder het automatisch injectiesysteem zelf heeft geïnstalleerd moet de correcte werking van het automatisch injectiesysteem door een onafhankelijk expert worden geattesteerd.
  In het geval van herstelling van het automatisch injectiesysteem of indien er tussentijds aan het systeem wijzigingen werden aangebracht zijn de bepalingen van het eerste en het tweede lid van toepassing.

  Art. 30. § 1. Elke levering van gemerkt energieproduct moet minstens 1 000 liter omvatten.
  Bij het laden in een raffinaderij of belastingentrepot dat uitgerust is met een automatisch injectiesysteem wordt op de laadbon de hoeveelheid merkstof vermeld. De gegevens van de laadbon worden in het systeem gedurende ten minste drie jaar bewaard.
  § 2. De toestemming tot het gebruik van een automatisch injectiesysteem wordt, onverminderd het opleggen van sancties, door de controleur ingetrokken wanneer de voorwaarden voor het gebruik van het automatisch injectiesysteem niet worden nageleefd of wanneer bij het gebruik ervan onregelmatigheden of overtredingen worden vastgesteld.

  HOOFDSTUK X. - Vrijstellingen

  Art. 31. Onverminderd de bijzondere bepalingen vermeld in de artikelen 32 tot en met 48 moet iedere persoon die een economische activiteit uitoefent en die wenst te genieten van één van de vrijstellingen van accijnzen vermeld in artikel 429 van de wet, voorafgaandelijk een aanvraag tot het bekomen van een vergunning indienen, met vermelding van het gebruik dat zal worden gemaakt van de energieproducten of van de elektriciteit.
  Deze aanvraag moet vergezeld gaan van een dossier dat aantoont dat die persoon zich bevindt in een situatie die toelaat om te genieten van een van deze vrijstellingen.

  Art. 32. § 1. De gedenatureerde benzine die, overeenkomstig artikel 429, § 1, a) van de wet, wordt aangewend voor andere doeleinden dan voor motorbrandstof of voor verwarmingsbrandstof, geniet automatisch van de vrijstelling bij de uitslag uit het belastingentrepot.
  § 2. Onverminderd de bepalingen van artikel 3, 2° moet iedere persoon die een economische activiteit uitoefent en die, overeenkomstig artikel 429, § 1, a) van de wet, andere energieproducten dan gedenatureerde benzine wenst te gebruiken voor andere doeleinden dan voor motorbrandstof of voor verwarmingsbrandstof over een vergunning energieproducten en elektriciteit "eindgebruiker" beschikken.

  Art. 33. Iedere persoon die een economische activiteit uitoefent en die, overeenkomstig artikel 429, § 1, b) van de wet, energieproducten met een duaal gebruik wenst te gebruiken of, overeenkomstig artikel 429, § 1, c) van de wet, elektriciteit wenst te gebruiken die voornamelijk wordt gebruikt voor chemische reductie en elektrolytische en metallurgische procédés, moet beschikken over een vergunning energieproducten en elektriciteit "eindgebruiker".
  In het geval van gebruik van energieproducten of van elektriciteit voor een metallurgisch procédé moet de in artikel 31 bedoelde aanvraag een beschrijving van het procédé bevatten, alsmede de vermelding van de klassering van de verkregen producten met verwijzing naar, hetzij de DI codes van de NACE nomenclatuur, hetzij naar de Prodcom codes.

  Art. 34. Iedere persoon die een economische activiteit uitoefent en die, overeenkomstig artikel 429, § 1, d) van de wet, energieproducten of elektriciteit wenst te gebruiken voor mineralogische procédés, moet beschikken over een vergunning energieproducten en elektriciteit "eindgebruiker".
  De in artikel 31 bedoelde aanvraag moet een beschrijving van het mineralogische procédé bevatten, alsmede de vermelding van de klassering van de verkregen producten met verwijzing naar de DI codes van de NACE nomenclatuur.

  Art. 35. Iedere persoon die een economische activiteit uitoefent en die, overeenkomstig artikel 429, § 1, e) van de wet, energieproducten of elektriciteit wenst te gebruiken voor de productie van elektriciteit of elektriciteit die wordt gebruikt tot instandhouding van het vermogen elektriciteit te produceren, moet beschikken over een vergunning energieproducten en elektriciteit "eindgebruiker".

  Art. 36. De reactiemotorbrandstof die, overeenkomstig artikel 429, § 1, f) van de wet, wordt geleverd voor het gebruik als motorbrandstof of als verwarmingsbrandstof voor de luchtvaart, geniet automatisch van de vrijstelling bij de uitslag uit het belastingentrepot, voorzover de erkend entrepothouder onmiddellijk overgaat tot de bevoorrading van de luchtvaartuigen.
  De erkend entrepothouder houdt een lijst van de hoeveelheid geleverde producten, per duidelijk geïdentificeerd luchtvaartuig. Iedere levering moet worden bevestigd door de luchtvaartmaatschappij, door de boordcommandant of door de eigenaar van het luchtvaartuig.

  Art. 37. De energieproducten die, overeenkomstig artikel 429, § 1, g) van de wet, worden geleverd voor gebruik als motorbrandstof of als verwarmingsbrandstof voor de vaart op communautaire wateren, genieten automatisch van de vrijstelling bij de uitslag uit het belastingentrepot, waarbij de bevoorrader derhalve verplichtend de hoedanigheid van erkend entrepothouder moet bezitten.
  De erkend entrepothouder houdt een lijst van de hoeveelheid geleverde producten, per duidelijk geïdentificeerd vaartuig. Iedere levering moet worden bevestigd door de kapitein van het vaartuig.
  De vrijstelling voor de aan boord van de vaartuigen opgewekte elektriciteit is aan geen enkele formaliteit onderworpen.
  In de zin van dit besluit wordt onder "vaart op communautaire wateren" verstaan, iedere verplaatsing van een vaartuig tussen twee punten van het douanegebied van de Gemeenschap, zonder aan te leggen in een derde land.

  Art. 38. Iedere persoon die een economische activiteit uitoefent en die, overeenkomstig artikel 429, § 2, a) van de wet, belastbare producten wenst te gebruiken bij proefprojecten, moet over een specifieke vergunning beschikken, afgeleverd door de administrateur-generaal, die hem kan opleggen om erkend te worden in de hoedanigheid van erkend entrepothouder.

  Art. 39. Iedere gebruiker die, overeenkomstig artikel 429, § 2, b) of d) van de wet, elektriciteit produceert voor zijn eigen gebruik, moet over een specifieke vergunning beschikken, afgeleverd door de administrateur-generaal.
  Worden beschouwd als milieuvriendelijk, de installaties voor warmtekrachtkoppeling met een hoog rendement die een besparing aan primaire energie verzekeren van minstens 10 % in vergelijking met de referentiegegevens van de afzonderlijke productie van warmte en elektriciteit.

  Art. 40. Iedere persoon die een economische activiteit uitoefent en die, overeenkomstig artikel 429, § 2, c) van de wet, energieproducten of elektriciteit wenst te gebruiken voor warmtekrachtkoppeling, moet over een specifieke vergunning beschikken, afgeleverd door de administrateur-generaal.
  De in artikel 31 bedoelde aanvraag moet een beschrijving van het productieproces bevatten.

  Art. 41. Iedere persoon die een economische activiteit uitoefent en die, overeenkomstig artikel 429, § 2, e) van de wet, motorbrandstoffen wenst te gebruiken bij de vervaardiging, de ontwikkeling, het testen en het onderhoud van luchtvaartuigen of van schepen, moet beschikken over een vergunning energieproducten en elektriciteit "eindgebruiker".

  Art. 42. Iedere persoon die een economische activiteit uitoefent en die, overeenkomstig artikel 429, § 2, f) van de wet, gasolie, kerosine of elektriciteit wenst te gebruiken voor het vervoer van personen en goederen per spoor, moet beschikken over een vergunning energieproducten en elektriciteit "eindgebruiker".

  Art. 43. De gasolie, kerosine en zware stookolie die, overeenkomstig artikel 429, § 2, g) van de wet, worden geleverd om te worden gebruikt als motorbrandstof of als verwarmingsbrandstof voor de vaart op binnenwateren, genieten automatisch van de vrijstelling bij de uitslag uit het belastingentrepot, waarbij de bevoorrader derhalve verplichtend de hoedanigheid van erkend entrepothouder moet bezitten.
  De erkend entrepothouder houdt een lijst van de hoeveelheid geleverde producten, per duidelijk geïdentificeerd vaartuig. Iedere levering moet worden bevestigd door de kapitein van het vaartuig.
  De vrijstelling voor de aan boord van de vaartuigen opgewekte elektriciteit is aan geen enkele formaliteit onderworpen.

  Art. 44. Iedere persoon die een economische activiteit uitoefent en die, overeenkomstig artikel 429, § 2, h) van de wet, gasolie, kerosine of zware stookolie wenst te gebruiken bij baggerwerken in bevaarbare waterlopen en in havens, moet beschikken over een vergunning energieproducten en elektriciteit "eindgebruiker".

  Art. 45. Iedere persoon die een economische activiteit uitoefent en die, overeenkomstig artikel 429, § 2, i) van de wet, gasolie, kerosine, zware stookolie, LPG, aardgas, elektriciteit, kolen, cokes of bruinkool uitsluitend wenst te gebruiken voor landbouw, tuinbouw, visteelt of bosbouwwerkzaamheden, moet beschikken over een vergunning energieproducten en elektriciteit "eindgebruiker".

  Art. 46.
  <Ingetrokken bij KB 2016-08-16/09, art. 8, 002; Inwerkingtreding : 28-06-2015>

  Art. 47. Aardgas en LPG die, overeenkomstig artikel 429, § 2, l) van de wet, worden geleverd als motorbrandstof genieten automatisch van de vrijstelling indien ze worden geleverd aan een persoon die een economische activiteit uitoefent en die beschikt over een vergunning energieproducten en elektriciteit "eindgebruiker" of "pomphouder".

  Art. 48. In de gevallen van vrijstelling waar een vergunning geëist wordt door dit hoofdstuk, mag de leverancier van energieproducten en elektriciteit slechts leveringen verrichten, met vrijstelling van accijnzen, aan een persoon die de vergunning heeft verkregen. Deze vergunning dient hem te worden overgelegd.
  Indien de energieproducten worden ingevoerd en tot verbruik worden aangegeven met vrijstelling van accijnzen dient de vergunning overgelegd te worden op het kantoor van invoer.

  HOOFDSTUK XI. - Tankstations

  Art. 49. Onder tankstation wordt verstaan, iedere privé of voor het publiek beschikbare installatie waar motorbrandstof vanuit vaste opslagtanks wordt overgeheveld in brandstofreservoirs van motorvoertuigen.
  Van deze definitie zijn uitgesloten de installaties die dienen voor de exclusieve bevoorrading van de motorvoertuigen die uitsluitend worden gebruikt door de enige exploitant van deze installaties.

  Art. 50. § 1. De tankstations mogen gemerkte kerosine die bestemd is om te worden gebruikt als verwarmingsbrandstof en gemerkte gasolie die bestemd is om te worden gebruikt als motorbrandstof voor industriële en commerciële doeleinden verkopen.
  § 2. De tankstations betrekken de gemerkte kerosine die bestemd is om te worden gebruikt als verwarmingsbrandstof en de gemerkte gasolie die bestemd is om te worden gebruikt als motorbrandstof voor industriële en commerciële doeleinden aan het hoogste tarief inzake accijnzen dat betrekking heeft op het respectievelijke gebruik.
  Het betrekken van gemerkte kerosine aan het accijnstarief dat is vastgesteld voor een andere bestemming is hen niet toegestaan; hetzelfde geldt voor gemerkte gasolie.

  Art. 51. § 1. De verkoop door tankstations van gemerkte kerosine en gemerkte gasolie is onderworpen aan de volgende voorwaarden :
  1° de pomp die het energieproduct levert, moet duidelijk gescheiden worden opgesteld van de groepen van andere pompen;
  2° in de onmiddellijke omgeving van de pomp moet goed zichtbaar een bord worden opgesteld volgens het model en met vermelding van de tekst opgenomen in bijlage VI. De tekst moet zijn opgesteld in de taal of de talen van het gewest.
  Het bord moet vervaardigd zijn uit metaal of uit een onbuigzame en duurzame kunststof. De achtergrond moet wit zijn. De gebruikte letters moeten volledig zwart en onuitwisbaar zijn, met een hoogte van 20 mm voor de grote letters, 10 mm voor de middelgrote letters en 8 mm voor de kleine letters.
  3° de mogelijkheden tot betaling van de verschuldigde bedragen voor de hoeveelheden energieproduct die door de betrokken pomp werden geleverd, moeten dusdanig worden opgesteld dat het noodzakelijk is dat men zich tot bij de uitbater of tot bij de aangestelde pomphouder van deze pomp moet begeven;
  4° de werking van deze pomp mag in geen geval toelaten dat men zich kan bevoorraden bij afwezigheid van de uitbater of van de aangestelde van het tankstation.
  § 2. Door middel van het respecteren van de controlebepalingen vastgelegd door de administrateur-generaal kan de verkoop van gemerkte gasolie, in tankstations die niet voldoen aan de voorwaarden vastgesteld in § 1, worden toegestaan.
  § 3. De pomp waarvan de opstelling niet beantwoordt aan de voorschriften van § 1 of van § 2 wordt door de houder van het tankstation gesloten en verzegeld door de ambtenaren.

  Art. 52. § 1. Iedere uitbater van een tankstation moet ter plaatse een plan bewaren van zijn reservoirs en opslagtanks, met vermelding van hun opslagcapaciteit en de soort van het energieproduct waarvoor ze zijn bestemd, alsmede van de pompen, de tellers en andere meet- en laadinrichtingen.
  Hij moet eveneens een voorraadregister houden van de aan de pomp verkochte energieproducten. De administrateur-generaal bepaalt de vorm en de gegevens van dit register.
  § 2. In het geval dat tankstations geautomatiseerd en eventueel zonder de aanwezigheid van personeel worden uitgebaat, kan de administrateur-generaal toestaan dat het plan en het voorraadregister op een andere plaats worden bewaard, voor zover dat het niveau van de voorraden energieproducten die aanwezig zijn in de opslagtanks vanop afstand kan gemeten worden door een centraal beheerspunt.

  HOOFDSTUK XII. - Diverse controlemaatregelen

  Art. 53. § 1. De land-, tuin- en bosbouwtractoren die worden gebruikt in de vrijstellingsgevallen bedoeld in artikel 429, § 2, i) van de wet mogen ook worden gebruikt voor werkzaamheden waarvoor geen recht op vrijstelling bestaat en mogen worden aangedreven met gasolie die is vrijgesteld van accijnzen onder de volgende voorwaarden :
  1° indien het werkzaamheden betreft bedoeld bij artikel 420, § 4, c) van de wet dient de gebruiker de accijnzen verband houdende met het verschil tussen de vrijstellingsgevallen en het gebruik voor industriële en commerciële doeleinden te voldoen op de wijze zoals bepaald in artikel 11 van het ministerieel besluit van 18 maart 2010 betreffende de algemene regeling voor accijnzen.
  De aangifte ten verbruik moet worden opgesteld door de gebruiker van de energieproducten en door hem worden ingediend uiterlijk de 10de van de maand volgend op het kwartaal van hun verbruik;
  2° indien het werkzaamheden betreft waardoor de accijnzen bedoeld in artikel 419 van de wet voor gebruik als motorbrandstof verschuldigd zijn dient de titularis van de nummerplaat van de betrokken land-, tuin- of bosbouwtractor de accijnzen verband houdende met het verschil tussen de vrijstellingsgevallen en het gebruik als motorbrandstof te voldoen op de wijze zoals bepaald in artikel 11 van het ministerieel besluit van 18 maart 2010 betreffende de algemene regeling voor accijnzen.
  De aangifte ten verbruik moet worden opgesteld door de titularis van de nummerplaat van de betrokken land-, tuin- of bosbouwtractor en door hem worden ingediend uiterlijk de 10de van de maand volgend op het kwartaal van hun verbruik;
  3° het gebruik van een land-, tuin- of bosbouwtractor in de situatie bedoeld in 2° is daarenboven onderworpen aan de volgende bijkomende voorwaarden :
  a) de land-, tuin- of bosbouwtractor moet overwegend worden gebruikt voor activiteiten die vallen binnen het toepassingsgebied van artikel 429, § 2, i) van de wet;
  b) de gebruiker van de land-, tuin- of bosbouwtractor moet zich laten registreren overeenkomstig de modaliteiten vastgesteld in artikel 14;
  c) het gebruik van de land-, tuin- of bosbouwtractor voor andere activiteiten dan diegene bedoeld bij artikel 429, § 2, i) van de wet moet voorafgaand geregistreerd worden door middel van een formulier waarvan de vorm en inhoud worden bepaald door de minister bevoegd voor Financiën. Dit formulier dient te allen tijde aanwezig te zijn in de land-, tuin- of bosbouwtractor bij gebruik voor andere activiteiten dan diegene bedoeld bij artikel 429, § 2, i) van de wet. Een kopie van het voornoemd formulier dient op het ogenblik van het indienen van de aangifte ten verbruik worden toegezonden door de aangever aan de controle der douane en/of accijnzen van zijn gebied;
  d) het gebruik van de land-, tuin- of bosbouwtractor door andere personen dan de titularis van de nummerplaat of zijn personeel moet worden geregistreerd door middel van een formulier waarvan de vorm en inhoud worden bepaald door de minister bevoegd voor Financiën;
  e) de land-, tuin- of bosbouwtractor moet voorzien zijn van een urenteller die de werkingsduur van het voertuig registreert.
  § 2. De administrateur-generaal stelt de verklarende nota op met betrekking tot de procedure bedoeld in § 1, 2°, van dit artikel.

  Art. 54. De vloeibare motorbrandstoffen die hier te lande voorhanden zijn, verkocht of gebruikt worden :
  1° voor de aandrijving van explosie- of verbrandingsmotoren van voertuigen die op de openbare weg rijden, andere dan deze bedoeld in artikel 420, § 4, van de wet, of dan deze gebruikt voor de doeleinden bedoeld in artikel 429, § 2, i), van dezelfde wet en dan deze bedoeld in artikel 53, § 1, 2° van dit besluit en
  2° voor de aandrijving van explosie- of verbrandingsmotoren van particuliere pleziervaartuigen bedoeld in artikel 429, § 1, g) en in artikel 429, § 2, g), van de wet, voor de vaart op binnenwateren of communautaire wateren,
  mogen geen denaturanten noch merkstoffen bevatten.

  Art. 55. De ambtenaren mogen kosteloos monsters nemen van energieproducten, ongeacht de plaats waar deze producten voorhanden worden gehouden, met inbegrip van motorvoertuigen, vaartuigen en luchtvaartuigen.

  Art. 56. § 1. De erkend entrepothouder moet alle materiaal en gereedschappen die nodig zijn voor de meetverrichtingen, de monsterneming en andere controlemaatregelen ter beschikking stellen van de ambtenaren.
  Bovendien moet hij de nodige veiligheidskledij, met inbegrip van veiligheidsschoenen, veiligheidsbril en veiligheidshelm ter beschikking stellen van de ambtenaren.
  § 2. De erkend entrepothouder moet een afschrift van de algemene veiligheidsvoorschriften die van toepassing zijn in zijn bedrijf ter kennis brengen van de ambtenaren.
  De ambtenaren zijn verplicht deze veiligheidsvoorschriften na te leven.

  Art. 57. De netbeheerders delen aan de administrateur-generaal de lijst mee van de distributeurs die hun netten gebruiken. Iedere wijziging aan deze lijst moet onmiddellijk ter kennis worden gebracht van deze ambtenaar.

  Art. 58. § 1. De administrateur-generaal deelt aan de Europese Commissie, volgens de modaliteiten die deze laatste bepaalt, de lijst mee van de belastingniveaus die worden toegepast op de producten vermeld in artikel 419 van de wet.
  § 2. Ten laatste op 31 december van ieder jaar, wordt de lijst van de indirecte belastingen (met uitzondering van de btw en van de accijnzen zoals bepaald in artikel 414, § 1, van de wet) die gedurende het afgelopen jaar werden geheven bij de uitslag tot verbruik van de producten vermeld in artikel 419 van de wet, voor de producten die hen betreffen meegedeeld aan de administrateur-generaal door :
  1° De Belgische Petroleum Federatie;
  2° Koninklijk Verbond van Belgische Gasvaklieden;
  3° Federatie van de Belgische Elektriciteit- en Gasbedrijven.

  HOOFDSTUK XIII. - Slotbepalingen

  Art. 59. Worden opgeheven :
  1° het koninklijk besluit van 3 juli 2005 houdende maatregelen voor de toepassing van bepaalde verlaagde tarieven inzake accijnzen;
  2° het ministerieel besluit van 27 oktober 2005 betreffende de belasting van energieproducten en elektriciteit;
  3° het koninklijk besluit van 19 mei 2014 inzake accijnzen betreffende controlemaatregelen voor brandstoffen.

  Art. 60. De minister bevoegd voor Financiën is belast met de uitvoering van dit besluit.

  BIJLAGEN.

  Art. N. Bijlage I tot VI
  (Bijlagen niet opgenomen om technische redenen, zie B.St. van 23-07-2015, p. 47205-47224)

Handtekening Tekst Inhoudstafel Begin
   Gegeven te Brussel, 28 juni 2015.
FILIP
Van Koningswege :
De Minister van Financiën,
J. VAN OVERTVELDT

Aanhef Tekst Inhoudstafel Begin
   FILIP, Koning der Belgen,
   Aan allen die nu zijn en hierna wezen zullen, Onze Groet.
   Gelet op de programmawet van 27 december 2004, artikel 420, § 4, 425, 428, 431, derde en vierde zin, 432, §§ 1 en 2 en 433, gewijzigd bij de wet van 21 december 2013 houdende diverse fiscale en financiële bepalingen (1);
   Gelet op de wet van 22 december 2009 betreffende de algemene regeling inzake accijnzen, artikel 18, gewijzigd bij de wet van 21 december 2013 houdende diverse fiscale en financiële bepalingen (1);
   Gelet op het koninklijk besluit van 3 juli 2005 houdende maatregelen voor de toepassing van bepaalde verlaagde tarieven inzake accijnzen;
   Gelet op het ministerieel besluit van 27 oktober 2005 betreffende de belasting van energieproducten en elektriciteit;
   Gelet op het koninklijk besluit van 19 mei 2014 inzake accijnzen betreffende controlemaatregelen voor brandstoffen;
   Gelet op het voorstel van de Douaneraad van de Belgisch-Luxemburgse Economische Unie;
   Gelet op het overleg van het Comité van Ministers van 12 mei 2015;
   Gelet op het advies van de Inspecteur van Financiën, gegeven op 9 februari 2015;
   Gelet op de akkoordbevinding van de Minister van Begroting, d.d. 16 februari 2015;
   Gelet op advies nr. 56.588 van de Raad van State, gegeven op 26 augustus 2014 met toepassing van artikel 84, § 1, eerste lid, 2°, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;
   Op de voordracht van Onze Minister van Financiën,
   Hebben Wij besloten en besluiten Wij :

Wijziging(en) Tekst Inhoudstafel Begin
BEELD
  • KONINKLIJK BESLUIT VAN 16-08-2016 GEPUBL. OP 12-09-2016
    (GEWIJZIGDE ART. : 13; 14; 46)

  • Verslag aan de Koning Tekst Inhoudstafel Begin
       VERSLAG AAN DE KONING
       Sire,
       Het ontwerp van besluit dat wij de eer hebben aan de handtekening van Uwe Majesteit voor te leggen strekt er toe de bepalingen opgenomen in de artikelen 420, § 4, 425, 428, 431, derde en vierde zin, 432 en 433 van de programmawet van 27 december 2004, zoals gewijzigd door de wet van 21 december 2013 houdende diverse fiscale en financiële bepalingen (1), tot uitvoering te brengen.
       De hiervoor vernoemde artikelen werden aangepast naar aanleiding van de adviezen nr. 52.856/3 van 14 maart 2013, nr. 56.588 van 26 augustus 2014, en nr. 56.933/3 van 20 januari 2015 van de Raad van State.
       Commentaar op de artikelen
       Artikel 1
       Aangezien artikelen 2 tot 11 gedeeltelijk betrekking hebben op de artikelen 15, 16 en 20 van Richtlijn 2008/118/EG van de Raad van 16 december 2008 `houdende een algemene regeling inzake accijns en houdende intrekking van Richtlijn 92/12/EEG', wordt in artikel 1 verwezen naar de betrokken richtlijn.
       Eveneens wordt in artikel 1 melding gemaakt van Richtlijn 95/60/EG van de Raad van 27 november 1995 `betreffende het merken van gasolie en kerosine voor fiscale doeleinden' en van Uitvoeringbesluit 2011/544/EU van de Commissie van 16 september 2011 `tot vaststelling van een gemeenschappelijke merkstof voor gasolie en kerosine voor fiscale doeleinden. Artikel 24 wordt genomen tot gedeeltelijke uitvoering van de hiervoor genoemde instrumenten.
       Artikel 2
       Artikel 2 bevat definities.
       Artikelen 3 tot en met 6
       Artikelen 3 tot en met 6 betreffen de bepalingen en voorwaarden met betrekking tot de erkenning in de hoedanigheid van erkend entrepothouder.
       Deze bepalingen zijn niet gewijzigd ten opzichte van de bepalingen opgenomen in het ministerieel besluit van 27 oktober 2005 betreffende de belasting van energieproducten en elektriciteit, opgeheven bij dit besluit.
       Artikel 7
       Artikel 7 legt de voorwaarden vast met betrekking tot het voorhanden hebben van energieproducten in een belastingentrepot.
       Deze bepalingen zijn niet gewijzigd ten opzichte van de bepalingen opgenomen in het ministerieel besluit van 27 oktober 2005 betreffende de belasting van energieproducten en elektriciteit, opgeheven bij dit besluit.
       Artikelen 8 tot en met 9
       Deze artikelen bevatten de bepalingen met betrekking tot de voorraadadministratie die moet gehouden worden door de erkend entrepothouder.
       Deze bepalingen zijn niet gewijzigd ten opzichte van de bepalingen opgenomen in het ministerieel besluit van 27 oktober 2005 betreffende de belasting van energieproducten en elektriciteit, en in het koninklijk besluit van 3 juli 2005 houdende maatregelen voor de toepassing van bepaalde verlaagde tarieven inzake accijnzen, beide opgeheven bij dit besluit.
       Artikelen 10 tot en met 12
       Deze artikelen betreffen de bepalingen omtrent de opneming.
       Deze bepalingen zijn niet gewijzigd ten opzichte van de bepalingen opgenomen in het ministerieel besluit van 27 oktober 2005 betreffende de belasting van energieproducten en elektriciteit, opgeheven bij dit besluit.
       Artikel 13
       Artikel 13 definieert de " industriële en commerciële doeleinden " opgenomen in artikel 420, § 4 van de programmawet van 27 december 2004.
       Deze bepalingen zijn enkel gewijzigd ten opzichte van de bepalingen opgenomen in het ministerieel besluit van 27 oktober 2005 betreffende de belasting van energieproducten en elektriciteit, opgeheven bij dit besluit, op het vlak van:
       1° de mogelijkheid om, onder de voorwaarden bepaald door de directeur-generaal de brandstof die wordt gebruikt voor het aandrijven van werktuigen, door de aandrijfmotor van het voertuig op het ogenblik dat het in stilstand is, te onderwerpen aan het tarief vastgesteld voor industrieel en commercieel gebruik;
       2° onder "voertuigen waarvoor geen vergunning is verleend voor overwegend gebruik op de openbare weg" wordt nu ook verstaan: de voertuigen die in hoofdzaak worden gebruikt buiten de openbare weg en die slechts ten bijkomstige titel gebruik maken van de openbare weg.
       Artikel 14
       Artikel 14 heeft betrekking op de registratie van personen die energieproducten en elektriciteit verhandelen, die van een vrijstelling of verlaagd tarief inzake accijnzen wensen te genieten, of die netbeheerder zijn van aardgas en elektriciteit.
       Verder worden in artikel 14 de voorwaarden opgenomen om deze registratie te verkrijgen en de modaliteiten van deze registratie.
       Er werd toegevoegd dat een vergunning, naast ingetrokken of gewijzigd, eveneens kan geweigerd worden.
       Tenslotte worden de modellen van het aanvraagformulier en de vergunning bepaald.
       Verder zijn deze bepalingen niet gewijzigd ten opzichte van de bepalingen opgenomen in het ministerieel besluit van 27 oktober 2005 betreffende de belasting van energieproducten en elektriciteit en ook niet ten opzichte van de bepalingen opgenomen in het koninklijk besluit van 3 juli 2005 houdende maatregelen voor de toepassing van bepaalde verlaagde tarieven inzake accijnzen, beide opgeheven bij dit besluit.
       Artikelen 15 en 16
       Artikel 15 stelt de bepalingen vast met betrekking tot de handelaar in energieproducten die niet de hoedanigheid van erkend entrepothouder bezit.
       Deze bepalingen zijn niet gewijzigd ten opzichte van de bepalingen opgenomen in het ministerieel besluit van 27 oktober 2005 betreffende de belasting van energieproducten en elektriciteit en ook niet ten opzichte van de bepalingen opgenomen in het koninklijk besluit van 3 juli 2005 houdende maatregelen voor de toepassing van bepaalde verlaagde tarieven inzake accijnzen, beide opgeheven bij dit besluit.
       Artikelen 17 en 18
       Deze artikelen stellen de modaliteiten vast waaronder de leverancier van aardgas of elektriciteit leveringen mag verrichten met vrijstelling van accijns of aan het verlaagde tarief inzake accijnzen.
       Deze bepalingen zijn niet gewijzigd ten opzichte van de bepalingen opgenomen in het koninklijk besluit van 3 juli 2005 houdende maatregelen voor de toepassing van bepaalde verlaagde tarieven inzake accijnzen, opgeheven bij dit besluit.
       Artikel 19
       Hierin worden de voorwaarden vastgesteld waaraan moet voldaan zijn om tot herbewerking over te gaan.
       Deze bepalingen, met uitzondering van de wijze van terugbetaling van de accijnzen, zijn niet gewijzigd ten opzichte van de bepalingen opgenomen in het ministerieel besluit van 27 oktober 2005 betreffende de belasting van energieproducten en elektriciteit.
       Er wordt nu duidelijk gespecifieerd dat de terugbetaling van de accijnzen gebeurt aan de hand van een overeenstemmende vermindering, van het bedrag aan accijnzen verschuldigd op de volgende vervaldag van de kredietrekening van de aanvrager of bij de volgende betaling, en dit in overeenstemming met de terugbetaling voor damprecuperatie.
       Artikelen 20 tot en met 23
       Artikelen 20 tot en met 23 regelen de te volgen formaliteiten met betrekking tot damprecuperatie.
       Er wordt een termijn ingevoerd waarbinnen de aanvraag tot terugbetaling moet ingediend worden, te weten, drie maanden te rekenen vanaf het verstrijken van de maand waarin de benzines in het verbruik werden gesteld.
       Verder zijn de formaliteiten niet gewijzigd ten opzichte van de bepalingen opgenomen in het ministerieel besluit van 27 oktober 2005 betreffende de belasting van energieproducten en elektriciteit.
       Artikel 24
       Artikel 24 betreft bepalingen met betrekking tot te gebruiken denaturanten.
       Deze bepalingen zijn niet gewijzigd ten opzichte van de bepalingen opgenomen in het ministerieel besluit van 27 oktober 2005 betreffende de belasting van energieproducten en elektriciteit.
       Artikel 25
       Artikel 25 betreft bepalingen met betrekking tot te gebruiken merkstoffen.
       Het betreft onder andere de bepalingen genomen ter gedeeltelijke omzetting van Richtlijn 95/60/EG van de Raad van 27 november 1995 betreffende het merken van gasolie en kerosine voor fiscale doeleinden en van Uitvoeringsbesluit 2011/544/EU van de Commissie van 16 september 2011 tot vaststelling van een gemeenschappelijke merkstof voor gasolie en kerosine voor fiscale doeleinden.
       Deze bepalingen zijn niet gewijzigd ten opzichte van de bepalingen opgenomen in het ministerieel besluit van 27 oktober 2005 betreffende de belasting van energieproducten en elektriciteit.
       Artikelen 26 tot en met 30
       Deze artikelen betreffen de te gebruiken methodes voor het denatureren en voor het toevoegen van merkstoffen.
       Deze bepalingen zijn niet gewijzigd ten opzichte van de bepalingen opgenomen in het ministerieel besluit van 27 oktober 2005 betreffende de belasting van energieproducten en elektriciteit.
       Artikelen 31 tot en met 49
       Deze artikelen bevatten de bepalingen met betrekking tot het verkrijgen van de vrijstellingen van accijnzen vermeld in artikel 429 van de wet.
       Deze bepalingen zijn niet gewijzigd ten opzichte van de bepalingen opgenomen in het ministerieel besluit van 27 oktober 2005 betreffende de belasting van energieproducten en elektriciteit.
       Artikelen 49 tot en met 52
       Deze artikelen bevatten de bepalingen met betrekking tot tankstations: de definitie, de te verkopen producten, de voorwaarden waaronder deze producten mogen verkocht worden.
       Deze bepalingen zijn niet gewijzigd ten opzichte van de bepalingen opgenomen in het ministerieel besluit van 27 oktober 2005 betreffende de belasting van energieproducten en elektriciteit.
       Artikel 53
       Dit artikel bevat de bepalingen met betrekking tot de land-, tuin- en bosbouwtractoren die worden gebruikt voor werkzaamheden waarvoor geen recht op vrijstelling bestaat en de voorwaarden waaronder deze tractoren toch aangedreven mogen worden met gasolie die is vrijgesteld van accijnzen.
       Deze bepalingen zijn niet gewijzigd ten opzichte van de overeenkomstige bepalingen opgenomen in het ministerieel besluit van 27 oktober 2005 betreffende de belasting van energieproducten en elektriciteit en de overeenkomstige bepalingen opgenomen in het koninklijk besluit van 19 mei 2014 inzake accijnzen betreffende controlemaatregelen voor brandstoffen.
       Artikelen 54 tot en met 58
       Deze artikelen bevatten diverse controlebepalingen.
       Deze bepalingen zijn niet gewijzigd ten opzichte van de bepalingen opgenomen in het ministerieel besluit van 27 oktober 2005 betreffende de belasting van energieproducten en elektriciteit.
       Artikelen 59 en 60
       Deze artikelen bevatten de slotbepalingen.
       Ik heb de eer te zijn,
       Sire,
       Van Uwe Majesteit,
       de zeer eerbiedige en zeer getrouwe dienaar,
       De Minister van Financiën,
       J. VAN OVERTVELDT
       
       
       ADVIES 56.588/1/V VAN 26 augustus 2014 AFDELING WETGEVING VAN DE RAAD VAN STATE, OVER EEN ONTWERP VAN KONINKLIJK BESLUIT "BETREFFENDE DE BELASTING VAN ENERGIEPRODUCTEN EN ELEKTRICITEIT" Ingevoegd bij rechtzetting B.St. 13-08-2015,p . 51595)
       
       Op 18 juli 2014 is de Raad van State, afdeling Wetgeving, door de Minister van Financiën verzocht binnen een termijn van dertig dagen, van rechtswege verlengd tot 2 september 2014 (*), een advies te verstrekken over een ontwerp van koninklijk besluit "betreffende de belasting van energieproducten en elektriciteit".
       Het ontwerp is door de eerste vakantiekamer onderzocht op 19 augustus 2014.
       De kamer was samengesteld uit Jo BAERT, kamervoorzitter, voorzitter, Geert VAN HAEGENDOREN, kamervoorzitter, Jan SMETS, staatsraad, Marc RIGAUX, assessor, en Greet VERBERCKMOES, griffier.
       Het verslag is uitgebracht door Tim CORTHAUT, auditeur.
       De overeenstemming tussen de Franse en de Nederlandse tekst van het advies is nagezien onder toezicht van Jan SMETS, staatsraad.
       Het advies, waarvan de tekst hierna volgt, is gegeven op 26 augustus 2014.
       1. Met toepassing van artikel 84, § 3, eerste lid, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973, heeft de afdeling Wetgeving zich toegespitst op het onderzoek van de bevoegdheid van de steller van de handeling, van de rechtsgrond, alsmede van de vraag of aan de te vervullen vormvereisten is voldaan.
       Voorafgaande opmerking
       2. Rekening houdend met het tijdstip waarop dit advies gegeven wordt, vestigt de Raad van State de aandacht op het feit dat, wegens het ontslag van de regering, de bevoegdheid van deze laatste beperkt is tot het afhandelen van de lopende zaken. Dit advies wordt evenwel gegeven zonder dat wordt nagegaan of dit ontwerp in die beperkte bevoegdheid kan worden ingepast, aangezien de afdeling Wetgeving geen kennis heeft van het geheel van de feitelijke gegevens welke de regering in aanmerking kan nemen als ze te oordelen heeft of het vaststellen of het wijzigen van verordeningen noodzakelijk is.
       Strekking en rechtsgrond van het ontwerp
       3. Bij de wet van 21 december 2013 "houdende diverse fiscale en financiële bepalingen" werd een reeks aanpassingen doorgevoerd in het wetgevende kader betreffende de accijnsbelasting op energieproducten, in het bijzonder in hoofdstuk XVIII van de programmawet van 27 december 2004. Het voorliggende ontwerpbesluit strekt ertoe de uitvoeringsbepalingen van dat kader, die nu verspreid zijn over het koninklijk besluit van 3 juli 2005 "houdende maatregelen voor de toepassing van bepaalde verlaagde tarieven inzake accijnzen", het ministerieel besluit van 27 oktober 2005 "betreffende de belasting van energieproducten en elektriciteit" en het koninklijk besluit van 19 mei 2014 "inzake accijnzen betreffende controlemaatregelen voor brandstoffen", te consolideren in een nieuw koninklijk besluit dat in de plaats komt van die drie besluiten.
       Bovendien wordt met het ontwerpbesluit beoogd een oplossing te bieden voor het probleem, dat het Hof van Cassatie intussen reeds bij herhaling heeft vastgesteld (1), dat het ministerieel besluit van 27 oktober 2005 zonder voldoende motivering van de dringende noodzakelijkheid werd genomen zonder voorafgaand advies van de Raad van State, afdeling Wetgeving, zodat het met toepassing van artikel 159 van de Grondwet buiten toepassing werd gelaten.
       4.1. In de aanhef van het ontworpen besluit wordt rechtsgrond ervoor gezocht in de artikelen 420, 425, 428, 431, 432, 433 en 438 van de programmawet van 27 december 2004, zoals gewijzigd bij de wet van 21 december 2013 "houdende diverse fiscale en financiële bepalingen", en in artikel 18 van de wet van 22 december 2009 "betreffende de algemene regeling inzake accijnzen", eveneens zoals gewijzigd bij dezelfde wet van 21 december 2013.
       4.2. Op vraag van de auditeur-verslaggever heeft de gemachtigde een tabel voorgelegd waarin onder andere een meer gedetailleerd overzicht van de rechtsgrond van de voorliggende bepalingen is opgenomen. Het is van die tabel dat wordt uitgegaan bij het hierna volgende onderzoek van de rechtsgrond.
       4.2.1. Voor de artikelen 2 tot 11 van het ontwerp wordt een beroep gedaan op artikel 18 van de wet van 22 december 2009. Bij artikel 18, derde lid, van die wet wordt aan de Koning de bevoegdheid gedelegeerd om te bepalen welke personen zich moeten laten erkennen in de hoedanigheid van erkend entrepothouder, evenals om de voorwaarden vast te stellen waaraan zij onderworpen zijn.
       4.2.1.1. De artikelen 2 tot 5 van het ontwerp vinden effectief rechtsgrond in de genoemde bepaling.
       4.2.1.2. De vraag rijst of de artikelen 6 tot 8 van het ontwerp niet veeleer betrekking hebben op de uitoefening van de activiteit als entrepothouder dan op de erkenning ervan. De gemachtigde suggereerde om die artikelen veeleer als toezichtsmaatregelen te beschouwen in de zin van artikel 432, § 2, van de programmawet van 27 december 2004. Hiermee kan worden ingestemd.
       4.2.1.3. Ook de artikelen 9 tot 11 van het ontwerp hebben betrekking op de controle van de entrepothouder, zodat ook voor die artikelen rechtsgrond moet worden gezocht in artikel 432, § 2, van de programmawet van 27 december 2004. De gemachtigde stemt hier mee in.
       4.2.2. Voor artikel 12 van het ontwerp wijst de gemachtigde terecht artikel 420, § 4, van de programmawet van 27 december 2004 aan als rechtsgrond. Krachtens het derde lid van die bepaling kan de Koning inderdaad omschrijven wat wordt verstaan onder de termen "stationaire motoren", "installaties en machines die worden gebruikt in de bouw, de weg- en waterbouw en voor openbare werken" en "voertuigen waarvoor geen vergunning is verleend voor overwegend gebruik op de openbare weg".
       4.2.3. Voor de verschillende paragrafen van artikel 13 van het ontwerp roept de gemachtigde artikel 425, eerste lid, van de programmawet van 27 december 2004 als rechtsgrond in.
       Artikel 425, eerste lid, van de programmawet van 27 december 2004 bevat evenwel slechts een bijzondere regeling voor de accijnzen bij de levering van kolen, cokes en bruinkool, waarin onder meer gewag wordt gemaakt van een registratie. Die bepaling kan bijgevolg in ieder geval niet als rechtsgrond worden aangevoerd voor het opleggen van een vergunning (lees: "registratie") voor de personen opgesomd in artikel 13, § 1, van het ontwerp, met uitzondering van de personen bedoeld in artikel 13, § 1, c), waarop artikel 425, eerste lid, van de programmawet van 27 december 2004 wel betrekking heeft.
       Met betrekking tot die andere personen kan echter wel rechtsgrond worden gevonden in artikel 432, § 3, eerste en tweede lid, van de programmawet van 27 december 2004. Er dient evenwel te worden opgemerkt dat ook in de laatstgenoemde bepalingen gewag wordt gemaakt van een "registratie", en niet van een "vergunning".
       In de mate sommige bepalingen van artikel 13 van het ontwerp ook verband houden met het toezicht, lijkt ook artikel 425, laatste lid (voor de handelaren in kolen, cokes en bruinkool), en artikel 432, § 2, van de programmawet van 27 december 2004 (voor de anderen) relevant.
       4.2.4. De gemachtigde wijst artikel 432, § 2, van de programmawet van 27 december 2004 aan als rechtsgrond voor de artikelen 14 en 15 van het ontwerp. Die bepaling heeft betrekking op het toezicht op "belastingentrepots en iedere inrichting waar energieproducten en (lees: of) elektriciteit worden voortgebracht, verwerkt, voorhanden gehouden of doorverkocht".
       Artikel 14, § 1, van het ontwerp is evenwel geen maatregel van toezicht, maar een bepaling waarin wordt geregeld hoe een erin bedoelde handelaar in energieproducten zijn activiteiten moet uitoefenen. Artikel 14, § 2, van het ontwerp kan hooguit worden aangemerkt als een bepaling die betrekking heeft op de manier om toezicht uit te oefenen op die uitoefening. Hetzelfde geldt voor artikel 15, §§ 1 en 2, van het ontwerp. De erin vervatte bepalingen hebben betrekking op de eigenlijke activiteiten van de handelaars in kwestie. Wel kan het systeem van attesten bedoeld in artikel 15, § 3, van het ontwerp worden beschouwd als een mechanisme van toezicht.
       De gemachtigde verduidelijkte in verband met de artikelen 14, § 1, en 15, §§ 1 en 2, van het ontwerp het volgende:
       "Door deze bepalingen wordt de handelaar de mogelijkheid geboden om, in bepaalde gevallen, met vrijstelling van accijnzen of aan een verlaagd tarief inzake accijnzen te leveren aan eindgebruikers.
       Deze bijkomende voorwaarden worden opgelegd teneinde de juiste heffing te verzekeren en zodat gecontroleerd kan worden dat laag-belaste of vrijgestelde energieproducten de juiste fiscale bestemming krijgen.
       Artikel 432, § 1 PW 27/12/2004 kan aangevoerd worden als rechtsgrond."
       Er moet echter worden opgemerkt dat artikel 15, § 2, eerste lid, van het ontwerp in twee hypotheses voorziet, één waarbij een vrijstelling van accijnzen geldt en één waarbij het verlaagde tarief geldt. Voor die laatste hypothese lijkt artikel 432, § 1, van de programmawet van 27 december 2004 inderdaad rechtsgrond te bieden. Voor de vrijstelling lijkt evenwel veeleer een beroep te moeten worden gedaan op artikel 431, derde zin, van de programmawet van 27 december 2004.
       4.2.5. De rechtsgrond voor de artikelen 16 en 17 van het ontwerp wordt terecht gezocht in artikel 424, § 3, van de programmawet van 27 december 2004. Die bepaling is voldoende ruim geformuleerd om de in die artikelen geregelde aspecten van de accijnzen op aardgas en elektriciteit te kunnen regelen.
       4.2.6. De rechtsgrond voor artikel 18 van het ontwerp wordt terecht gezocht in artikel 428, § 1, van de programmawet van 27 december 2004. De in die bepaling vervatte delegatie heeft inderdaad betrekking op de voorwaarden van terugbetaling van reeds betaalde accijnzen bij bewerking van verontreinigde of bij toeval vermengde energieproducten.
       4.2.7. De rechtsgrond voor de artikelen 19 tot 22 van het ontwerp is volgens de gemachtigde te vinden in artikel 428, § 2, van de programmawet van 27 december 2004. Enkel het laatste lid van die bepaling bevat evenwel een delegatie aan de Koning, waarvan de omvang is beperkt tot het nader bepalen van wat moet worden verstaan onder "benzinedampen" en "dampterugwinningseenheid".
       4.2.7.1. Bij artikel 19, § 1, eerste en tweede streepje, van het ontwerp wordt effectief uitvoering gegeven aan de genoemde rechtsgrond. De daaropvolgende definities van "terminal" en "opslaginstallatie" zijn dan weer nodig om de term "dampterugwinningseenheid" te definiëren, zodat ook voor die definities in artikel 428, § 2, van de programmawet van 27 december 2004 rechtsgrond voorhanden is.
       4.2.7.2. De artikelen 19, § 2, en 20 tot 22 van het ontwerp hebben evenwel geen uitstaans met het nader bepalen van wat moet worden verstaan onder "benzinedampen" en "dampterugwinningseenheid", maar omvatten een reeks nadere regels voor de terugbetaling van de accijnzen voor bepaalde benzinedampen bedoeld in artikel 428, § 2, van de programmawet van 27 december 2004. Het is niet die laatste bepaling die rechtsgrond biedt aan de genoemde artikelen van het ontwerp, maar wel artikel 431, laatste zin, van de programmawet van 27 december 2004, naar luid waarvan de Koning de te volgen procedure vaststelt om dubbele belasting te vermijden op de benzines die worden verkregen bij de terugwinning van benzinedampen in een dampterugwinningseenheid, onder de voorwaarden bepaald in artikel 428, § 2, van die wet. De gemachtigde is het hiermee eens.
       4.2.8. De gemachtigde voert artikel 431 van de programmawet van 27 december 2004 aan als rechtsgrond voor de artikelen 24 tot 29 van het ontwerp. Dat lijkt terecht, althans indien de regels met betrekking tot de automatische injectiesystemen als een onderdeel van de verplichting om herkenningsmiddelen of denatureringsmiddelen toe te voegen, kunnen worden beschouwd.
       4.2.9. Volgens de gemachtigde kan de rechtsgrond voor de artikelen 30 tot 47 van het ontwerp telkens worden gevonden in artikel 432, § 1, van de programmawet van 27 december 2004, waarbij de Koning wordt gemachtigd tot het nemen van "enigerlei maatregel om de heffing en de invordering van de accijnzen vastgesteld bij artikel 419 te verzekeren".
       Hoewel dit een erg ruime delegatie is, waarvan de grondwettigheid in het licht van artikel 170, § 1, van de Grondwet zou kunnen worden betwist, heeft ze enkel betrekking op de heffing en de invordering van de accijnzen vastgesteld bij artikel 419 van de programmawet van 27 december 2004, en derhalve niet op de toekenning van vrijstellingen met toepassing van artikel 429 van die wet, wat het geval is met de artikelen 30 tot 47 van het ontwerp.
       De rechtsgrond voor de laatstgenoemde artikelen lijkt echter wel te kunnen worden gevonden in artikel 431, derde zin, van de programmawet van 27 december 2004, waarbij de Koning wordt gemachtigd om "de toe te passen modaliteiten en de formaliteiten die moeten worden vervuld om de vrijstellingen bedoeld in artikel 429 te verkrijgen", te bepalen. De gemachtigde stemt hiermee in.
       4.2.10. De rechtsgrond voor de artikelen 48 tot 51 van het ontwerp zou volgens de gemachtigde te vinden zijn in artikel 432, § 2, van de programmawet van 27 december 2004. Ook dat dient te worden genuanceerd.
       4.2.10.1. In advies 52.856/3 (2) merkte de Raad van State op dat er geen rechtsgrond was voor de definitie van tankstation. Dat is verholpen door artikel 432, § 3, tweede lid, van de programmawet van 27 december 2004, vervangen bij de wet van 21 december 2013. Bij die bepaling wordt de Koning gemachtigd om te bepalen wat onder de in het eerste lid vermelde categorieën, waaronder "iedere houder van een tankstation", moet worden begrepen, zodat ze rechtsgrond kan bieden voor artikel 48 van het ontwerp. De gemachtigde stemt hiermee in.
       4.2.10.2. De artikelen 49 en 50, § 1, van het ontwerp lijken opnieuw veeleer betrekking te hebben op de bedrijfsvoering dan op het toezicht op de tankstations. Hier rijst bijgevolg hetzelfde rechtsgrondprobleem als bij de artikelen 14 en 15 van het ontwerp.
       De gemachtigde verklaarde evenwel het volgende:
       "Door deze bepalingen wordt de pomphouder de mogelijkheid geboden om bv. rode gasolie aan te bieden aan landbouwers die hiervan gebruik maken om hun landbouwtractoren aan te drijven.
       Deze bijkomende voorwaarden worden opgelegd teneinde de juiste heffing te verzekeren en zodat gecontroleerd kan worden dat laag-belaste energieproducten de juiste fiscale bestemming krijgen.
       Artikel 432, § 1 PW 27/12/2004 kan aangevoerd worden als rechtsgrond."
       In de mate het inderdaad niet gaat om vrijstellingen, maar om laagbelaste energieproducten, kan hiermee worden ingestemd, zonder dat er - in tegenstelling tot wat hoger werd uiteengezet met betrekking tot de artikelen 14 en 15 van het ontwerp - bijkomend een beroep moet worden gedaan op artikel 431, derde zin, van de programmawet van 27 december 2004.
       4.2.10.3. Artikel 50, §§ 2 en 3, en artikel 51 van het ontwerp zouden eventueel wel als accessorium van het toezicht kunnen worden beschouwd, en derhalve rechtsgrond kunnen vinden in artikel 432, § 2, van de programmawet van 27 december 2004.
       4.2.11. De gemachtigde is het ermee eens dat de rechtsgrond voor artikel 52 van het ontwerp niet alleen geboden wordt door artikel 432, § 1, van de programmawet van 27 december 2004, maar ook door artikel 431, derde zin, van die wet.
       4.2.12. De rechtsgrond voor artikel 53 van het ontwerp wordt terecht gezocht in artikel 433 van de programmawet van 27 december 2004.
       4.2.13. Voor de artikelen 54 en 55 van het ontwerp wordt terecht rechtsgrond gezocht in artikel 432, § 2, van de programmawet van 27 december 2004, naar luid waarvan de Koning gemachtigd is om het toezicht te regelen van belastingsentrepots en van iedere inrichting waar energieproducten en elektriciteit worden voortgebracht, verwerkt, voorhanden gehouden of doorverkocht.
       4.2.14. De rechtsgrond voor artikel 56 van het ontwerp hangt af van de doelstelling van de erin bedoelde lijst. Indien die moet worden bezorgd aan de Europese Commissie, zou het om een accessorium kunnen gaan van de "modaliteiten" bedoeld in artikel 432, § 4, van de programmawet van 27 december 2004. Anders kan de maatregel worden aangemerkt als een interne vorm van toezicht, tot het nemen waarvan artikel 432, § 2, van de programmawet van 27 december 2004 rechtsgrond biedt. De gemachtigde verduidelijkte dat het om een interne maatregel gaat, zodat die laatste bepaling de correcte rechtsgrond is.
       4.2.15. Voor artikel 57 van het ontwerp is de rechtsgrond in elk geval wel artikel 432, § 4, van de programmawet van 27 december 2004.
       4.3. In de aanhef van het ontworpen besluit wordt ook artikel 6 van het koninklijk besluit van 3 juli 2005 `houdende maatregelen voor de toepassing van bepaalde verlaagde tarieven inzake accijnzen' als rechtsgrond vermeld. Dat is uiteraard onmogelijk. Niet enkel kan een besluit in beginsel geen rechtsgrond vinden in een instrument van gelijke rang, maar ook moet worden opgemerkt dat artikel 58, a), van het ontwerp ertoe strekt dat koninklijk besluit in zijn geheel op te heffen, zodat het uiteraard niet als rechtsgrond voor enige bepaling uit het ontworpen besluit kan dienen.
       4.4. De rechtsgrond voor het ontworpen besluit wordt derhalve gevonden in artikel 18 van de wet van 22 december 2009 `betreffende de algemene regeling inzake accijnzen' en in de artikelen 420, § 4, 425, 428, 431, derde en vierde zin, 432, en 433 van de programmawet van 27 december 2004.
       Algemene opmerking
       5. Het ontwerp bevat een aantal delegaties van reglementaire bevoegdheid aan de administrateur-generaal van de Algemene Administratie van de Douane en Accijnzen (artikelen 3, § 3, laatste zin, en § 5, tweede zin, 6, § 4, 12, c), laatste streepje (3), en 52, § 1, 3°, en 4° ). In dit verband dient te worden opgemerkt dat de toekenning van regelgevende bevoegdheid aan een ambtenaar, die geen politieke verantwoordelijkheid draagt ten opzichte van een democratisch verkozen vergadering, in principe ontoelaatbaar is, omdat afbreuk wordt gedaan aan het beginsel van de eenheid van verordenende macht en aan het beginsel van de politieke verantwoordelijkheid van de ministers. De genoemde delegaties dienen derhalve te worden vervangen door delegaties aan de minister bevoegd voor Financiën.
       6. In de artikelen 13, § 3, tweede lid, en 52, § 2, van het ontwerp wordt gewag gemaakt van een "verklarende nota" van de administrateur-generaal van de Algemene Administratie van de Douane en Accijnzen betreffende respectievelijk het formulier waarmee de vergunning "energieproducten en elektriciteit" moet worden aangevraagd en betreffende de in artikel 52, § 1 (4), b), bedoelde procedure. De gemachtigde verklaarde dat het gaat om een praktisch informatief instrument dat geen normatieve draagwijdte heeft. Zo opgevat, rijst er geen bezwaar tegen de genoemde bepalingen.
       Bijzondere opmerkingen
       Aanhef
       7. De aanhef dient te worden aangepast in het licht van wat hoger is opgemerkt over de rechtsgrond voor het ontworpen besluit.
       8. In het derde lid van de aanhef dient de vermelding ", inzonderheid artikel 6" te worden geschrapt.
       9. Aan de aanhef dienen twee leden te worden toegevoegd (die het vierde en het vijfde lid worden) waarin gewag wordt gemaakt van het koninklijk besluit van 19 mei 2014 en van het ministerieel besluit van 27 oktober 2005, waarvan de opheffing wordt beoogd bij artikel 58, b) en c) (5), van het ontwerp.
       Dispositief
       Nieuw in te voegen artikel 1
       10. De gemachtigde verklaarde dat de artikelen 2 tot 11 van het ontwerp de omzetting vormen van artikel 15 van Richtlijn 2008/118/EG (6)(7) en, in het geval van artikel 2 van het ontwerp, ook van artikel 20 van Richtlijn 2003/96/EG (8). Bovendien worden met artikel 24 van het ontwerp de artikelen 1 tot 4 van Richtlijn 95/60/EG (9) omgezet en, in het geval van artikel 24, § 1, van het ontwerp, ook uitvoeringbesluit 2011/544/EU (10). Bijgevolg moet in het ontwerp een nieuw artikel 1 worden opgenomen waarin wordt aangegeven dat het ontworpen besluit strekt tot gedeeltelijke omzetting van die instrumenten. Bovendien moet het ontwerp bijgevolg ook worden meegedeeld aan de Europese Commissie (11).
       Artikel 8
       11. In de Franse tekst van artikel 8 van het ontwerp moet de indeling in paragrafen worden gecorrigeerd.
       Artikel 13
       12. In artikel 13 van het ontwerp dient telkens, conform de rechtsgrond biedende bepalingen (zie opmerking 4.2.3), gewag te worden gemaakt van een "registratie", en niet van een "vergunning".
       Artikel 52
       13. In artikel 52, § 2, van het ontwerp wordt verwezen naar "de procedure bedoeld in § 2, b) van dit artikel", wat doelloos is. De gemachtigde verduidelijkte evenwel dat het om " § 1, b)," van dit artikel gaat. Artikel 52, § 2, van het ontwerp moet in die zin worden aangepast.
       Artikel 53
       14. Artikel 53 van het ontwerp is niet ingedeeld in paragrafen, zodat in de Nederlandse tekst ervan de aanduiding " § 1" moet worden weggelaten.
       Artikel 58
       15. In de Nederlandse tekst van artikel 58 van het ontwerp is de vermelding "c)" (12) weggevallen, wat dient te worden verholpen.
       Artikel 59
       16. Luidens artikel 59 van het ontwerp treedt het te nemen besluit in werking de dag waarop het in het Belgisch Staatsblad is bekendgemaakt. Tenzij er een specifieke reden bestaat om af te wijken van de gangbare termijn van inwerkingtreding van besluiten, bepaald bij artikel 6, eerste lid, van de wet van 31 mei 1961 `betreffende het gebruik der talen in wetgevingszaken, het opmaken, bekendmaken en inwerkingtreden van wetten en verordeningen', dient te worden afgezien van de onmiddellijke inwerkingtreding, teneinde eenieder een redelijke termijn te geven om kennis te nemen van de nieuwe regels. Artikel 59 dient dan uit het ontwerp te worden weggelaten.
       Artikel 60
       17. Artikel 60 van het ontwerp dient als volgt te worden geredigeerd:
       "De minister bevoegd voor Financiën is belast met de uitvoering van dit besluit."
       Slotopmerking
       18. Het bij het ontwerp gevoegde verslag aan de Koning biedt bijzonder weinig meerwaarde ten aanzien van de informatie die reeds in de aanhef is vermeld. Het verdient aanbeveling dit verslag meer uit te werken. Zo zou erin onder meer een overzicht van de rechtsgrond van de onderscheiden bepalingen van het ontwerp, hun oorsprong in de thans geldende besluiten en van de omgezette richtlijnbepalingen kunnen worden opgenomen, op basis van de door de gemachtigde bezorgde overzichtstabel.
       De griffier,
       G. Verberckmoes.
       De voorzitter,
       J. Baert.
       
       (*) Deze verlenging vloeit voort uit artikel 84, § 1, eerste lid, 2°, in fine, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973, waarin wordt bepaald dat deze termijn van rechtswege wordt verlengd met vijftien dagen wanneer hij begint te lopen tussen 15 juli en 31 juli of wanneer hij verstrijkt tussen 15 juli en 15 augustus.
       (1) Cass. 19 september 2012, P.12.0394.F, R.C. t. M.C. en Belgische Staat; Cass. 11 december 2013, P. 13.0763.F, Etat Belge/Tuncay Cakir; Cass. 18 december 2013, P. 13.0761.F, Etat Belge/Mohamad Takatar.
       (2) Adv.RvS 52.856/3 van 14 maart 2013 over een ontwerp dat heeft geleid tot het ministerieel besluit van 22 augustus 2013 `betreffende de controlemaatregelen van toepassing op de vloeibare motorbrandstoffen die voorhanden zijn, verkocht of gebruikt worden voor de aandrijving van explosie- of verbrandingsmotoren'.
       (3) De manier van opsommen is in deze bepaling - en op tal van andere plaatsen van het ontwerp - niet correct (zie hierover Beginselen van de wetgevingstechniek - Handleiding voor het opstellen van wetgevende en reglementaire teksten, www.raadvst-consetat.be, aanbevelingen nrs. 58-60).
       (4) Zie opmerking 13.
       (5) Lees 2° en 3° (zie voetnoot 3).
       (6) Richtlijn 2008/118/EG van de Raad van 16 december 2008 `houdende een algemene regeling inzake accijns en houdende intrekking van Richtlijn 92/12/EEG'.
       (7) Daarnaast lijkt het echter ook om artikel 16 van die richtlijn te gaan, aangezien het bij die bepaling is dat een vergunning wordt opgelegd. In artikel 18, derde lid, van de wet van 22 december 2009 `betreffende de algemene regeling inzake accijnzen' wordt de term "erkenning" gehanteerd, maar inhoudelijk komt het neer op de vergunning bedoeld in artikel 16 van Richtlijn 2008/118/EG. De gemachtigde verduidelijkte in dat verband dat de vergunning (artikel 18, tweede lid, van die wet) en de erkenning (artikel 18, derde lid, van die wet) immers samenvallen, zij het dat een erkend depothouder naast algemene voorwaarden ook aan bijzondere voorwaarden per product moet voldoen.
       (8) Richtlijn 2003/96/EG van de Raad van 27 oktober 2003 `tot herstructurering van de communautaire regeling voor de belasting van energieproducten en elektriciteit'.
       (9) Richtlijn 95/60/EG van de Raad van 27 november 1995 `betreffende het merken van gasolie en kerosine voor fiscale doeleinden'.
       (10) Uitvoeringsbesluit 2011/544/EU van de Commissie van 16 september 2011 `tot vaststelling van een gemeenschappelijke merkstof voor gasolie en kerosine voor fiscale doeleinden'.
       (11) Zie artikel 5, lid 2, van Richtlijn 95/60/EG waarbij de notificatie wordt voorgeschreven van alle bepalingen die onder die richtlijn vallen, en artikel 28, lid 4, van Richtlijn 2003/96/EG en artikel 48, lid 2, van Richtlijn 2008/118/EG, waarbij weliswaar slechts de mededeling van de "belangrijke", respectievelijk de "belangrijkste" bepalingen wordt voorgeschreven.
       (12) Lees 3° (zie voetnoot 3).
       
       
       

    Begin Eerste woord Laatste woord Wijziging(en) Aanhef
    Verslag aan de Koning Inhoudstafel 2 uitvoeringbesluiten 1 gearchiveerde versie
    Franstalige versie