J U S T E L     -     Geconsolideerde wetgeving
Einde Eerste woord Laatste woord Wijziging(en) Aanhef
Inhoudstafel 1 gearchiveerde versie
Handtekening Einde Franstalige versie
 
belgiëlex . be     -     Kruispuntbank Wetgeving
Raad van State
ELI - Navigatie systeem via een Europese identificatiecode voor wetgeving
http://www.ejustice.just.fgov.be/eli/besluit/2014/05/06/2014031673/justel

Titel
6 MEI 2014. - Ministerieel besluit houdende uitvoering van bijlagen V, IX en X van het besluit van de Brusselse Hoofdstedelijke Regering van 21 december 2007 tot vaststelling van de eisen op het vlak van de energieprestatie en het binnenklimaat van gebouwen
(NOTA : Raadpleging van vroegere versies vanaf 11-09-2014 en tekstbijwerking tot 18-01-2017)

Bron : BRUSSELS HOOFDSTEDELIJK GEWEST
Publicatie : 11-09-2014 nummer :   2014031673 bladzijde : 71498   BEELD
Dossiernummer : 2014-05-06/14
Inwerkingtreding : 01-01-2014

Inhoudstafel Tekst Begin
Art. 1-8, 8bis, 9-10
BIJLAGEN.
Art. N1-N9

Tekst Inhoudstafel Begin
Artikel 1. In de EPB-eenheden Wooneenheden worden de reductiefactoren voor het effect van de voorverwarming van de koud watertoevoer naar douche of bad door middel van warmteterugwinning uit de afloop, in de berekening van de maandelijkse netto energiebehoefte voor warm tapwater en de bepaling van het systeemrendement voor warm tapwater, bepaald volgens de in bijlage 1 van dit besluit gespecificeerde regels.

  Art. 2. De bijkomende regels voor het meten van het lekdebiet bij 50 Pa van de uitwendige schil van een EPB-eenheid Wooneenheid, Kantoren en diensten of Onderwijs worden bepaald in bijlage 2 van dit besluit.

  Art. 3.De rekenmethode voor een systeem genaamd " combilus " in een EPB-eenheid Wooneenheid wordt gedefinieerd in bijlage 3 van dit besluit.
  [1 ...]1
  ----------
  (1)<MB 2016-12-21/27, art. 1, 002; Inwerkingtreding : 01-01-2014>

  Art. 4. De rekenmethode voor de voorkoeling van ventilatielucht met een aarde-lucht warmtewisselaar in een EPB-eenheid Wooneenheid, Kantoren en diensten of Onderwijs wordt gedefinieerd in bijlage 4 van dit besluit.

  Art. 5. In de bepaling van de warmteoverdrachtscoëfficiënt door hygiënische ventilatie in een EPB-eenheid Kantoren en diensten of Onderwijs wordt de reductiefactor voor ventilatie voor de verwarmings- en de koelberekeningen bepaald volgens de in bijlage 5 van dit besluit gespecificeerde regels.

  Art. 6. De hulpvariabele L in de EPB-eenheden Kantoren en diensten of Onderwijs kan door middel van gedetailleerde berekeningen bepaald worden. De specificaties en de erkenningsprocedure van het rekenprogramma voor verlichting wordt hernomen in bijlage 6 van dit besluit. De erkenningaanvraag wordt ingediend met behulp van een door het Instituut ter beschikking gesteld formulier.

  Art. 7. Specificaties voor de testcondities voor het bepalen van COPtest en de bepalingen voor het berekenen van de SPF voor warmtepompen met directe warmtewisseling en warmtepompen die oppervlaktewater als warmtebron gebruiken in de EPB-eenheden Wooneenheden worden bepaald in bijlage 7 van dit besluit.

  Art. 8. Rekenregels voor de bepaling van lineaire en puntwarmtedoorgangscoëfficiënten van bouwknopen worden in bijlage 8 van dit besluit vastgelegd.

  Art. 8bis. [1 In de bepaling van de warmteoverdrachtscoëfficiëntdoor hygiënische ventilatie in een EPB-eenheid Wooneenheid wordt de reductiefactor voor ventilatie voor respectievelijk de verwarmings- en de koelberekeningen en voor de evaluatie van het oververhittingsrisico bepaald volgens de in bijlage 9 van dit besluit gespecificeerde regels.]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij MB 2016-12-21/27, art. 2, 002; Inwerkingtreding : 01-01-2015>
  

  Art. 9. In artikel 2 van het ministerieel besluit van 29 augustus 2011 tot vastlegging van de bepalingen voor het in rekening brengen van de warmteverliezen door ventilatie voortkomend uit het openen van vensters, in de berekening van het oververhittingsrisico in de berekeningsmethode EPW worden de woorden "en is van toepassing op de tem 31 december 2013 ingediende aanvragen " toegevoegd na de woorden "de 1 juli 2011".

  Art. 10. Dit besluit heeft uitwerking met ingang van 1 januari 2014.

  BIJLAGEN.

  Art. N1. Bijlage 1. - Bepaling van de reductiefactoren voor warmteterugwinning uit de doucheafloop
  (Bijlage niet opgenomen om technische redenen, zie B.St. van 11-09-2014, p. 71500-71504)

  Art. N2. Bijlage 2. - Bijkomende specificaties voor de meting van de luchtdichtheid van gebouwen in het kader van de EPB-regelgeving
  (Bijlage niet opgenomen om technische redenen, zie B.St. van 11-09-2014, p. 71510-71525)

  Art. N3. Bijlage 3. - Inrekenen van een combilus in het kader van de EPB-regelgeving
  (Bijlage niet opgenomen om technische redenen, zie B.St. van 11-09-2014, p. 71543-71553)

  Art. N4. Bijlage 4. - Voorkoeling van ventilatielucht met een aarde-lucht warmtewisselaar
  (Bijlage niet opgenomen om technische redenen, zie B.St. van 11-09-2014, p. 71565-71574)

  Art. N5. Bijlage 5. - Bepaling van de reductiefactoren voor ventilatie voor vraaggestuurde systemen in EPB-eenheden Kantoren en diensten of Onderwijs
  (Bijlage niet opgenomen om technische redenen, zie B.St. van 11-09-2014, p. 71584-71586)

  Art. N6. Bijlage 6. - Specificaties en erkenningsprocedure van rekenprogramma's voor de bepaling van de hulpvariabele L in het kader van de EPB-regelgeving
  (Bijlage niet opgenomen om technische redenen, zie B.St. van 11-09-2014, p. 71590-71610)

  Art. N7. Bijlage 7. - Specificaties voor de testcondities voor het bepalen van COPtest en de bepalingen voor het berekenen van de SPF voor warmtepompen met directe warmtewisseling en warmtepompen die oppervklaktewater als warmtebron gebruiken
  (Bijlage niet opgenomen om technische redenen, zie B.St. van 11-09-2014, p. 71630-71633)

  Art. N8. Bijlage 8. - Rekenregels voor de bepaling van lineaire en puntwarmtedoorgangscoëfficiënten van bouwknopen
  (Bijlage niet opgenomen om technische redenen, zie B.St. van 11-09-2014, p. 71638-71656)
  

  Art. N9.[1 Bijlage 9 : Bepaling van de reductiefactoren voor ventilatie (voor vraaggestuurde systemen) in residentiële gebouwen (EPW)
   freduc,vent,heat,seci, freduc,vent,cool,seci en freduc,vent,overh,seci
   1 Definities en conventies
   Vraaggestuurd ventilatiesysteem : ventilatiesysteem met een automatische (vraag)sturing die minstens met volgende elementen is uitgerust:
   - een detectie van de ventilatiebehoefte;
   - een regeling van het ventilatiedebiet in functie van die behoefte.
   Droge ruimten: ruimten waarvoor eisen met betrekking tot de toevoer van buitenlucht gelden, zoals een woonkamer, slaapkamer, studeerkamer, hobbykamer en gelijkaardige ruimten.
   Natte ruimten: ruimten waarvoor eisen met betrekking tot de afvoer van lucht naar buiten gelden, zoals een keuken, badkamer, wasplaats, toilet en gelijkaardige ruimten.
   Toevoerdebiet: mechanisch toevoerdebiet (voor systemen B en D) of capaciteit, voor een drukverschil van 2 Pa, van regelbare toevoeropeningen (systemen A en C).
   Afvoerdebiet: mechanisch afvoerdebiet (voor systemen C en D) of capaciteit, voor een drukverschil van 2 Pa, van regelbare afvoeropeningen (systemen A en B).
   CO2-concentratie: in deze tekst wordt de CO2-concentratie uitgedrukt als een absolute waarde (in ppm). Er wordt een conventionele CO2-concentratie (350 ppm) in de buitenlucht verondersteld. Als het vraaggestuurd ventilatiesysteem tevens is uitgerust met een detector die de CO2-concentratie van de buitenlucht meet ([CO2]out), dan mag hiermee rekening worden gehouden door de CO2-concentraties die vermeld worden in de onderstaande eisen ([CO2]) te corrigeren zoals volgt:
   [CO2]corr = [CO2] - 350 + [CO2]out (ppm)
   Nominale positie: zie definitie in bijlage B van bijlage EPW.
   Winterperiode: periode van het jaar begrepen tussen 1 november en 30 april, of periode van het jaar waarin de buitentemperatuur lager is dan 15° C, zoals gemeten door een buitentemperatuurvoeler.
   2 Algemeen principe
   De invloed van een vraaggestuurd ventilatiesysteem op de energieprestatie, wordt uitgedrukt aan de hand van de reductiefactoren voor ventilatie, freduc,vent,heat,seci, freduc,vent,cool,seci en freduc,vent,overh,seci
   In deze tekst wordt de bepalingsmethode voor deze reductiefactoren in de berekeningen voor residentiële gebouwen beschreven.
   De reductiefactor voor ventilatie van energiesector i, is gelijk aan de reductiefactor voor ventilatie van de ventilatiezone z waarvan energiesector i deel uitmaakt, voor de verwarmingsberekeningen, voor de koelberekeningen en voor de evaluatie van het oververhittingsrisico:
   freduc,vent,heat,seci = freduc,vent,heat,zonez
   freduc,vent,cool,seci = freduc,vent,cool,zonez
   freduc,vent,overh,seci = freduc,vent,overh,zonez
   Met:
  

  
freduc,vent,heat,zonez un facteur de réduction pour la ventilation dans la zone de ventilation z pour les calculs de chauffage (-) ; freduc,vent,heat,zonez een reductiefactor voor ventilatie in ventilatiezone z voor de verwarmingsberekeningen (-);
freduc,vent,cool,zonez un facteur de réduction pour la ventilation dans la zone de ventilation z pour les calculs de refroidissement (-) ; freduc,vent,cool,zonez een reductiefactor voor ventilatie in ventilatiezone z voor de koelberekeningen (-);
freduc,vent,overh,zonez un facteur de réduction pour la ventilation dans la zone de ventilation z pour l'indicateur du risque de surchauffe (-). freduc,vent,overh,zonez een reductiefactor voor ventilatie in ventilatiezone z voor de evaluatie van het oververhittingsrisico (-).

2.1 Reductiefactor voor de verwarmingsberekeningen
   De waarde bij ontstentenis voor freduc,vent,heat,zonez is 1.
   Het is mogelijk om voor een ventilatiezone z een lagere waarde voor de reductiefactor voor ventilatie te bekomen dan de waarde bij ontstentenis, dankzij een vraaggestuurd ventilatiesysteem dat aan specifieke eisen voldoet. De bepaling van de reductiefactor gebeurt zoals beschreven in hoofdstuk 3.
   2.2 Reductiefactor voor de koelberekeningen en de evaluatie van het oververhittingsrisico
   Als het ventilatiesysteem is uitgerust met een automatisch systeem dat in functie van een meting via één of meerdere temperatuursensoren, de vraagsturing volledig deactiveert en het ventilatiesysteem in nominale positie laat functioneren, dan is :
   freduc,vent,cool,zonez = freduc,vent,overh,zonez = 1
   Neem in alle andere gevallen :
   freduc,vent,cool,zonez = freduc,vent,overh,zonez = freduc,vent,heat,zonez
   3 Bepaling van de reductiefactor freduc,vent,heat,zonez
   3.1 Principe
   Om voor de reductiefactor lagere waarden dan de waarde bij ontstentenis te bekomen, moet het vraaggestuurd ventilatiesysteem voldoen aan de algemene eisen, beschreven in paragraaf 3.2, en aan de specifieke eisen, die in functie van het systeemtype beschreven worden in hoofdstukken 3.3 en 3.4.
   Als aan deze algemene en specifieke eisen niet wordt voldaan in de betreffende ventilatiezone, wordt teruggevallen op de waarde bij ontstentenis. In het andere geval wordt freduc,vent,heat,zonez bepaald volgens de Tabel 1 of Tabel 2, in functie van het type systeem.
   Als een (innovatief) vraaggestuurd ventilatiesysteem niet binnen een categorie van Tabel 1 of Tabel 2 valt, kan de reductiefactor voor ventilatie ffreduc,vent,heat,zonez worden bepaald via de principes van gelijkwaardigheid.
   3.2 Algemene eisen
   3.2.1 Automatische werking en manuele interventie
   Het vraaggestuurd ventilatiesysteem moet automatisch functioneren en zonder tussenkomst van de gebruiker voldoen aan de algemene eisen en aan de specifieke eisen van het corresponderende systeem, die hieronder worden beschreven.
   Het systeem moet eveneens uitgerust zijn met een mogelijkheid tot manuele interventie die de gebruiker toelaat om het systeem gedurende een bepaalde tijd in nominale stand te laten functioneren. Bijkomende mogelijkheden tot manuele interventie zijn eveneens toegelaten. Na elke manuele interventie door de gebruiker, moet het systeem automatisch terugkeren naar de vraaggestuurde werking en dit binnen een periode van maximaal 12 uur.
   3.2.2 Minimaal debiet
   Tijdens de automatische werking moet het toevoerdebiet van elke droge ruimte dat door de vraagsturing wordt geregeld, groter zijn dan of gelijk zijn aan 10 % van het minimaal geëiste toevoerdebiet voor de betreffende ruimte. Het afvoerdebiet van elke natte ruimte dat door de vraagsturing wordt geregeld, moet groter zijn dan of gelijk zijn aan 10 % van het minimaal geëiste afvoerdebiet voor de betreffende ruimte. Deze minimale debieten kunnen eventueel gerealiseerd worden door afwisselend te functioneren op een nuldebiet en op een debiet dat hoger is dan 10 % van het minimaal geëiste debiet. Het gemiddelde debiet over 15 minuten moet echter wel steeds aan deze eis voldoen.
   3.2.3 Mechanische ventilatie (systemen B, C en D)
   Onafhankelijk van het type vraaggestuurd ventilatiesysteem, moeten alle mechanische toe- en afvoeren geregeld worden door de vraagsturing. Indien er geen specifieke bijkomende eisen voor het betreffende systeem zijn, kan deze regeling lokaal, per zone of centraal gebeuren.
   3.2.4 Onzekerheid op de meting door de detectoren
   De detectoren die gebruikt worden voor het vaststellen van de behoefte mogen maximaal de volgende onzekerheid hebben bij het meten van de betreffende parameter:
   - Voor detectoren voor CO2-concentratie: +/- 40 ppm + 5 % van de waarde, tussen 300 en 1200 ppm (bijvoorbeeld voor een eis van 950 ppm, ligt het tolerantie-interval tussen 862 ppm en 1038 ppm);
   - Voor detectoren voor relatieve vochtigheid: +/- 5 procentpunten van de relatieve vochtigheid, tussen 10 % en 90 % (bijvoorbeeld voor een eis van 35 % relatieve vochtigheid, ligt het tolerantie-interval tussen 30 % en 40 % relatieve vochtigheid).
   3.2.5 Stavingstukken
   Om een betere factor freduc,vent,heat,zonez te kunnen verklaren, moet de conformiteit met de algemene en specifieke eisen worden aangetoond aan de hand van één of meerdere stavingstukken waarin het werkingsprincipe van het systeem en de eigenschappen van elk element van detectie en regeling, zoals het in realiteit geïnstalleerd is (producteigenschappen en/of eigenschappen van het geïnstalleerde systeem) wordt beschreven.
   3.3 Systemen A, B, C en D met regeling op de toevoer in functie van de behoefte in de droge ruimten en/of een regeling op de afvoer in functie van de behoefte in de natte ruimten
   Tabel 1- freduc,vent,heat,zone z voor ventilatiesystemen A, B, C et D met een regeling op de toevoer in functie van de behoefte in de droge ruimten en/of een regeling op de afvoer in functie van de behoefte in de natte ruimten
  

  
 freduc,vent,heat,zonez  freduc,vent,heat,zonez
Type de détectiondans les espaces secs Type de régulation de l'alimentation dans les espaces secs Détection locale dans les espaces humides avecrégulation de l'évacuationAutre ou aucune détection dans les espaces humides Type detectiein de droge ruimten Type regeling van de toevoer in de droge ruimten Lokale detectie in de natte ruimten met regeling van de afvoer Andere of geen detectie in de natte ruimten
  Régulation locale Niet-lokale regeling    Lokale regeling Niet-lokale regeling  
CO2 - locale :un capteur ou plus dans chaque espace sec Locale 0,35 0,38 0,42 CO2 - lokaal:één of meerdere sensoren in elke droge ruimte Lokaal 0,35 0,38 0,42
 2 zones (jour/nuit) ou plus 0,41 0,45 0,49  2 (dag/nacht) of meer zones 0,41 0,45 0,49
 Centrale 0,51 0,56 0,61  Centraal 0,51 0,56 0,61
CO2 - locale partielle :un capteur ou plus dans chaque chambre à coucher centrale 0,60 0,65 0,70 CO2 - semi-lokaal:één of meerdere sensoren in elke slaapkamer Centraal 0,60 0,65 0,70
CO2 - locale partielle :un capteur ou plus dans le séjour principal et un capteur ou plus dans la chambre à coucher principale 2 zones (jour/nuit) ou plus 0,43 0,48 0,53 CO2 - semi-lokaal:één of meerdere sensoren in de belangrijkste leefruimte en één of meerdere sensoren in de belangrijkste slaapkamer 2 (dag/nacht) of meer zones 0,43 0,48 0,53
 Centrale 0,75 0,81 0,87  Centraal 0,75 0,81 0,87
CO2 - centrale : un capteur ou plus dans le(s) conduit(s) d'évacuation Centrale 0,81 0,87 0,93 CO2 - centraal: één of meerdere sensoren in het afvoerkanaal of de afvoerkanalen Centraal 0,81 0,87 0,93
Présence - locale :un capteur ou plus dans chaque espace sec Locale 0,54 0,60 0,64 Aanwezigheid - lokaal:één of meerdere sensoren in elke droge ruimte Lokaal 0,54 0,60 0,64
 2 zones (jour/nuit) ou plus 0,63 0,67 0,72  2 (dag/nacht) of meer zones 0,63 0,67 0,72
 Centrale 0,76 0,82 0,88  Centraal 0,76 0,82 0,88
Présence - locale partielle :un capteur ou plus dans chaque chambre à coucher Centrale 0,87 0,93 1,00 Aanwezigheid - semi-lokaal:één of meerdere sensoren in elke slaapkamer Centraal 0,87 0,93 1,00
Présence - locale partielle :un capteur ou plus dans le séjour principal et un capteur ou plus dans la chambre à coucher principale 2 zones (jour/nuit) ou plus 0,66 0,72 0,78 Aanwezigheid - semi-lokaal:één of meerdere sensoren in de belangrijkste leefruimte en één of meerdere sensoren in de belangrijkste slaapkamer 2 (dag/nacht) of meer zones 0,66 0,72 0,78
 Centrale 0,87 0,93 1,00  Centraal 0,87 0,93 1,00
Autre ou aucune détection dans les espaces secs Aucune, locale, par zone, ou centrale 0,90 0,95 1,00Andere of geen detectie in de droge ruimten Geen, lokaal, per zone of centraal 0,90 0,95 1,00

Opmerking: deze tabel kan worden toegepast voor elk van de ventilatiesystemen A, B, C en D. Het is echter mogelijk dat het niet aanbevolen of pertinent is om bepaalde types vraagsturing toe te passen in combinatie met bepaalde ventilatiesystemen.
   3.3.1 Bijkomende eisen voor systemen met detectie van de behoefte in de natte ruimten
   3.3.1.1 Systemen met enkel detectie van de behoefte in de natte ruimten
   Alle systemen die behoren tot de categorie " Andere of geen detectie in de droge ruimten " (de laatste rij in Tabel 1) moeten bovendien voldoen aan de volgende eis.
   De afvoerdebieten die door de vraagsturing worden geregeld, moeten aan minstens één van de volgende eisen voldoen:
   - Het totale afvoerdebiet moet permanent groter zijn dan of gelijk zijn aan 35 % van de som van de minimaal geëiste afvoerdebieten. Rekening houdend met de eis van § 3.2.3, moet ook het totale mechanische toevoerdebiet (systemen B en D) permanent groter zijn dan of gelijk zijn aan 35 % van de som van de minimaal geëiste afvoerdebieten.
   - Het afvoerdebiet moet in elke natte ruimte permanent groter zijn dan of gelijk zijn aan 30 % van het minimaal geëiste afvoerdebiet van de ruimte. Rekening houdend met de eis van § 3.2.3, moet ook het totale mechanische toevoerdebiet (systemen B en D) permanent groter zijn dan of gelijk zijn aan 30 % van de som van de minimaal geëiste afvoerdebieten.
   3.3.1.2 Systemen met lokale detectie in de natte ruimten en regeling van de afvoer in de natte ruimten
   Elke ruimte waarin zich een toilet bevindt, moet minstens uitgerust zijn met één van de volgende concepten om aanwezigheid vast te stellen:
   o aanwezigheidsdetectie in de ruimte zelf;
   o detectie van VOC in de ruimte zelf of in een afvoerkanaal dat enkel de ruimte bedient;
   o koppeling met de lichtschakelaar van de ruimte, op voorwaarde dat er geen rechtstreekse daglichttoetreding in de ruimte is.
   Elke natte ruimte moet minstens uitgerust zijn met een detectie van de relatieve vochtigheid, tenzij het om een ruimte gaat die enkel als toilet dient. In de keuken kan hiervan afgeweken worden en volstaat een detectie van de CO2-concentratie. De betreffende detectoren moeten zich bevinden in de ruimte zelf of in een afvoerkanaal dat enkel de ruimte bedient.
   De regeling van de afvoer in de natte ruimten mag naar keuze lokaal of centraal gebeuren, zoals hieronder nader beschreven.
   3.3.1.2.1 Lokale regeling van de afvoer in elke natte ruimte
   De afvoerdebieten van de natte ruimten moeten onafhankelijk van elkaar worden geregeld. Op het ogenblik dat aanwezigheid wordt vastgesteld in een ruimte met één van de hierboven vermelde concepten om aanwezigheid vast te stellen, moet het afvoerdebiet groter zijn dan of gelijk zijn aan het minimaal geëiste afvoerdebiet en dit gedurende minimaal de nalooptijd uit opmerking 3 van artikel 4.3.1.3 uit de norm NBN D 50-001. Het afvoerdebiet mag hoogstens 40 % van het minimaal geëiste afvoerdebiet bedragen als geen aanwezigheid wordt vastgesteld.
   In elke ruimte met detectie van de relatieve vochtigheid, moet het afvoerdebiet groter zijn dan of gelijk zijn aan het minimaal geëiste afvoerdebiet als de relatieve vochtigheid die voor de ruimte wordt gedetecteerd hoger is dan 70 % tijdens de winterperiode. Het afvoerdebiet mag hoogstens 40 % van het minimaal geëiste afvoerdebiet bedragen als de relatieve vochtigheid die voor de ruimte wordt gedetecteerd lager is dan 35 %.
   In keukens met detectie van de CO2-concentratie, moet het afvoerdebiet groter zijn dan of gelijk zijn aan het minimaal geëiste afvoerdebiet als de CO2-concentratie hoger is dan 950 ppm. Het afvoerdebiet mag hoogstens 40 % van het minimaal geëiste afvoerdebiet bedragen als de CO2-concentratie lager is dan 550 ppm.
   3.3.1.2.2 Centrale regeling van de afvoer
   Voor elke natte ruimte moet het afvoerdebiet centraal worden geregeld.
   De afvoerdebieten moeten worden geregeld op basis van de behoefte die wordt gedetecteerd in alle natte ruimten.
   Het totale afvoerdebiet moet groter zijn dan of gelijk zijn aan de som van de minimaal geëiste afvoerdebieten als minstens één van de volgende voorwaarden is vervuld:
   - aanwezigheid wordt vastgesteld in één of meerdere ruimten met één van de hierboven vermelde concepten om aanwezigheid vast te stellen;
   - de relatieve vochtigheid is hoger dan 70 % tijdens de winterperiode in één of meerdere ruimten met detectie van de relatieve vochtigheid;
   - de CO2-concentratie is hoger dan 950 ppm in één of meerdere keukens met detectie van de CO2-concentratie.
   Het totale afvoerdebiet mag hoogstens 40 % van de som van de minimaal geëiste afvoerdebieten bedragen als elk van de volgende voorwaarden is vervuld:
   - in geen enkele ruimte met één van de hierboven vermelde concepten om aanwezigheid vast te stellen, wordt aanwezigheid vastgesteld;
   - de relatieve vochtigheid is in alle ruimten met detectie van de relatieve vochtigheid, lager dan 35 %;
   - de CO2-concentratie is in alle keukens met detectie van de CO2-concentratie, lager dan 550 ppm.
   3.3.1.3 Andere systemen
   Volgende systemen vallen onder de categorie " Andere of geen detectie in de natte ruimten ":
   - alle andere systemen om de behoefte in natte ruimten vast te stellen (in het bijzonder systemen met centrale detectie van de relatieve vochtigheid in het gemeenschappelijk afvoerkanaal);
   - systemen die niet voldoen aan de eisen uit paragraaf § 3.3.1.2;
   - systemen zonder detectie van de behoefte in de natte ruimten.
   Opmerking: zie ook § 3.3.2.1.
   3.3.2 Bijkomende eisen voor systemen met detectie van de behoefte in de droge ruimten (detectie van de CO2-concentratie of aanwezigheidsdetectie)
   3.3.2.1 Systemen met enkel detectie van de behoefte in de droge ruimten
   Alle systemen die behoren tot de categorie " Andere of geen detectie in de natte ruimten " (de laatste kolom in Tabel 1) moeten bovendien voldoen aan de volgende eis.
   De toevoerdebieten die door de vraagsturing worden geregeld, moeten aan minstens één van de volgende eisen voldoen.
   - Het totale toevoerdebiet moet permanent groter zijn dan of gelijk zijn aan 35 % van de som van de minimaal geëiste toevoerdebieten. Rekening houdend met de eis van § 3.2.3, moet ook het totale mechanische afvoerdebiet (systemen C en D) permanent groter zijn dan of gelijk zijn aan 35 % van het totale geëiste toevoerdebiet.
   - Het toevoerdebiet moet in elke droge ruimte permanent groter zijn dan of gelijk zijn aan 30 % van het minimaal geëiste toevoerdebiet van de ruimte. Rekening houdend met de eis van § 3.2.3, moet ook het totale mechanische afvoerdebiet (systemen C en D) permanent groter zijn dan of gelijk zijn aan 30 % van het totale geëiste toevoerdebiet.
   3.3.2.2 Systemen met lokale detectie in elke droge ruimte
   Alle droge ruimten moeten uitgerust zijn met hetzelfde type detector:
   o of detector voor de CO2-concentratie in de ruimte zelf;
   o of aanwezigheidsdetector in de ruimte zelf.
   3.3.2.2.1 Lokale regeling van de toevoer in elke droge ruimte
   De toevoerdebieten van de droge ruimten moeten onafhankelijk van elkaar worden geregeld.
   In elke droge ruimte moet het toevoerdebiet worden geregeld op basis van de behoefte die wordt gedetecteerd in de ruimte. Het toevoerdebiet moet groter zijn dan of gelijk zijn aan het minimaal geëiste toevoerdebiet als de CO2-concentratie hoger is dan 950 ppm of als er aanwezigheid wordt vastgesteld in de droge ruimte. Het toevoerdebiet mag hoogstens 40 % van het minimaal geëiste toevoerdebiet bedragen als de CO2-concentratie lager is dan 550 ppm of wanneer geen aanwezigheid wordt vastgesteld in de droge ruimte.
   Opmerking: voor systemen A en C betekent dit dat de natuurlijke toevoeropeningen automatisch moeten worden geregeld, bijvoorbeeld aan de hand van gemotoriseerde kleppen. Voor systemen B en D betekent dit dat de mechanische toevoer in elke ruimte automatisch moet worden geregeld, bijvoorbeeld aan de hand van gemotoriseerde kleppen of via verschillende ventilatoren voor elke ruimte.
   3.3.2.2.2 Regeling van de toevoer in twee (dag/nacht) of meer zones
   De toevoerdebieten van alle droge ruimten moeten in minstens twee verschillende zones worden geregeld. In minstens één van de zones, de dagzone, mag zich geen enkele slaapkamer bevinden. In minstens één van de zones, de nachtzone, moeten zich alle slaapkamers bevinden. Bijkomende zones zijn toegestaan.
   In elke zone moeten de toevoerdebieten worden geregeld op basis van de hoogste behoefte die wordt gedetecteerd in alle droge ruimten van die zone.
   Het totale toevoerdebiet moet groter zijn dan of gelijk zijn aan de som van de minimaal geëiste toevoerdebieten als de CO2-concentratie hoger is dan 950 ppm of als er aanwezigheid wordt vastgesteld in één of meerdere droge ruimten van de zone. Het totale toevoerdebiet mag hoogstens 40 % van de som van de minimaal geëiste toevoerdebieten bedragen als de CO2-concentratie lager is dan 550 ppm of wanneer geen aanwezigheid wordt vastgesteld in alle droge ruimten van de zone.
   Opmerking : voor systemen A en C betekent dit dat alle automatisch geregelde natuurlijke toevoeropeningen, bijvoorbeeld gemotoriseerde toevoeropeningen, van de zone tegelijk worden geregeld. Voor systemen B en D betekent dit dat de mechanische toevoer in elke zone automatisch moet worden geregeld, bijvoorbeeld aan de hand van een gemotoriseerde klep per zone.
   3.3.2.2.3 Centrale regeling van de toevoer
   Voor elke droge ruimte moet het toevoerdebiet centraal worden geregeld.
   De toevoerdebieten moeten geregeld worden op basis van de hoogste behoefte die wordt gedetecteerd in alle droge ruimten.
   Het totale toevoerdebiet moet groter zijn dan of gelijk zijn aan de som van de minimaal geëiste toevoerdebieten als de CO2-concentratie hoger is dan 950 ppm of als er aanwezigheid wordt vastgesteld in één of meerdere ruimten. Het totale toevoerdebiet mag hoogstens 40 % van de som van de minimaal geëiste toevoerdebieten bedragen als de CO2-concentratie lager is dan 550 ppm of wanneer geen aanwezigheid wordt vastgesteld in alle ruimten van de zone.
   Opmerking: voor systemen A en C betekent dit dat alle automatisch geregelde natuurlijke toevoeropeningen, bijvoorbeeld gemotoriseerde toevoeropeningen, van de ventilatiezone z tegelijk moeten worden geregeld. Voor systemen B en D betekent dit dat de mechanische toevoer van de ventilatiezone automatisch moet worden geregeld, bijvoorbeeld aan de hand van een ventilator met debietsregeling.
   3.3.2.3 Systemen met semi-lokale detectie in elke slaapkamer
   Alle slaapkamers moeten uitgerust zijn met hetzelfde type detector:
   o of detector voor de CO2-concentratie in de ruimte zelf;
   o of aanwezigheidsdetector in de ruimte zelf.
   3.3.2.3.1 Centrale regeling van de toevoer
   Voor elke droge ruimte moet het toevoerdebiet centraal worden geregeld.
   De toevoerdebieten moeten worden geregeld op basis van de hoogste behoefte die wordt gedetecteerd in alle slaapkamers. Het totale toevoerdebiet moet groter zijn dan of gelijk zijn aan de som van de minimaal geëiste toevoerdebieten als de CO2-concentratie hoger is dan 950 ppm of als er aanwezigheid wordt vastgesteld in één of meerdere slaapkamers. Het totale toevoerdebiet mag hoogstens 40 % van de som van de minimaal geëiste toevoerdebieten bedragen als de CO2-concentratie lager is dan 550 ppm of wanneer geen aanwezigheid wordt vastgesteld in alle slaapkamers.
   Het totale toevoerdebiet moet permanent groter zijn dan of gelijk zijn aan 30 % van de som van de minimaal geëiste toevoerdebieten van alle droge ruimten.
   Opmerking: voor systemen A en C betekent dit dat alle automatisch geregelde natuurlijke toevoeropeningen, bijvoorbeeld gemotoriseerde toevoeropeningen, van de ventilatiezone z tegelijk moeten worden geregeld. Voor systemen B en D betekent dit dat de mechanische toevoer van de ventilatiezone automatisch moet worden geregeld, bijvoorbeeld aan de hand van een ventilator met debietsregeling.
   3.3.2.4 Systemen met semi-lokale detectie in de belangrijkste leefruimte en in de belangrijkste slaapkamer
   De belangrijkste leefruimte en de belangrijkste slaapkamer moeten uitgerust zijn met hetzelfde type detector:
   o of detector voor de CO2-concentratie in de ruimte zelf;
   o of aanwezigheidsdetector in de ruimte zelf.
   3.3.2.4.1 Regeling van de toevoer in twee (dag/nacht) of meer zones
   De toevoerdebieten van alle droge ruimten moeten in minstens twee verschillende zones worden geregeld. In minstens één van de zones, de dagzone, mag zich geen enkele slaapkamer bevinden. Die dagzone moet ook de belangrijkste leefruimte bevatten. In minstens één van de zones, de nachtzone, moeten zich alle slaapkamers bevinden. Bijkomende zones zijn toegelaten op voorwaarde dat in elke zone één of meerdere ruimten zijn uitgerust met hetzelfde type detector als in de belangrijkste leefruimte en de belangrijkste slaapkamer.
   In elke zone moeten de toevoerdebieten worden geregeld op basis van de hoogste behoefte die wordt gedetecteerd in de droge ruimten van die zone, die zijn uitgerust met een detector.
   Het totale toevoerdebiet moet groter zijn dan of gelijk zijn aan de som van de minimaal geëiste toevoerdebieten als de CO2-concentratie hoger is dan 950 ppm of als er aanwezigheid wordt vastgesteld in één of meerdere droge ruimten van de zone, die zijn uitgerust met een detector. Het totale toevoerdebiet mag hoogstens 40 % van de som van de minimaal geëiste toevoerdebieten bedragen als de CO2-concentratie lager is dan 550 ppm of wanneer geen aanwezigheid wordt vastgesteld in alle droge ruimten van de zone, die zijn uitgerust met een detector.
   In elke zone waarin droge ruimten aanwezig zijn die niet zijn uitgerust met een detector, moeten de toevoerdebieten permanent groter zijn dan of gelijk zijn aan 30 % van de minimaal geëiste toevoerdebieten.
   Opmerking: voor systemen A en C betekent dit dat alle automatisch geregelde natuurlijke toevoeropeningen, bijvoorbeeld gemotoriseerde toevoeropeningen, van de zone tegelijk moeten worden geregeld. Voor systemen B en D betekent dit dat de mechanische toevoer in elke zone automatisch moet worden geregeld, bijvoorbeeld aan de hand van gemotoriseerde kleppen per zone.
   3.3.2.4.2 Centrale regeling van de toevoer
   Voor elke droge ruimte moet het toevoerdebiet centraal worden geregeld.
   De toevoerdebieten moeten worden geregeld op basis van de hoogste behoefte die wordt gedetecteerd in de droge ruimten die zijn uitgerust met een detector.
   Het totale toevoerdebiet moet groter zijn dan of gelijk zijn aan de som van de minimaal geëiste toevoerdebieten als de CO2-concentratie hoger is dan 950 ppm of als er aanwezigheid wordt vastgesteld in één of meerdere droge ruimten die zijn uitgerust met een detector.
   Het totale toevoerdebiet mag hoogstens 40 % van de som van de minimaal geëiste toevoerdebieten bedragen als de CO2-concentratie lager is dan 550 ppm of wanneer geen aanwezigheid wordt vastgesteld in alle droge ruimten die zijn uitgerust met een detector.
   De toevoerdebieten moeten permanent groter zijn dan of gelijk zijn aan 30 % van de minimaal geëiste toevoerdebieten in alle droge ruimten.
   Opmerking: voor systemen A en C betekent dit dat alle automatisch geregelde natuurlijke toevoeropeningen, bijvoorbeeld gemotoriseerde toevoeropeningen, van de ventilatiezone z tegelijk moeten worden geregeld. Voor systemen B en D betekent dit dat de mechanische toevoer van de ventilatiezone automatisch moet worden geregeld, bijvoorbeeld aan de hand van een ventilator met debietsregeling.
   3.3.2.5 Systemen met centrale detectie in het afvoerkanaal of de afvoerkanalen
   Elk afvoerkanaal of in voorkomend geval het gemeenschappelijk afvoerkanaal moet uitgerust zijn met minstens een detector voor de CO2-concentratie. In dit geval is aanwezigheidsdetectie niet toegelaten.
   De toevoerdebieten moeten worden geregeld op basis van de hoogste behoefte die wordt gedetecteerd in de afvoerkanalen (of in het gemeenschappelijk afvoerkanaal).
   Het totale toevoerdebiet moet groter zijn dan of gelijk zijn aan de som van de minimaal geëiste toevoerdebieten als de CO2-concentratie hoger is dan 650 ppm. Het totale toevoerdebiet mag hoogstens 50 % van de som van de minimaal geëiste toevoerdebieten bedragen als de CO2-concentratie lager is dan 450 ppm.
   3.3.2.6 Andere systemen
   Volgende systemen vallen onder de categorie " Andere of geen detectie in de droge ruimten ":
   - alle andere systemen om de behoefte in de droge ruimten vast te stellen (in het bijzonder systemen met andere types van detector, zoals detectoren voor VOC);
   - systemen die niet voldoen aan de eisen uit paragraaf § 3.3.2.2 tot 3.3.2.5;
   - systemen zonder detectie van de behoefte in de droge ruimten.
   Opmerking: zie ook § 3.3.1.1.
   3.3.3 Bijkomende eisen voor systemen met detectie van de behoefte in de natte ruimten en detectie van de behoefte in de droge ruimten
   Voor alle systemen die detectie van de behoefte in natte ruimten combineren met de detectie van de behoefte in droge ruimten, geldt:
   - De afvoerdebieten worden prioritair bepaald op basis van de eisen in § 3.3.1;
   - De toevoerdebieten worden prioritair bepaald op basis van de eisen in § 3.3.2;
   - Het totale toevoerdebiet en het totale afvoerdebiet moeten daarnaast permanent aangepast zijn aan het hoogste van de twee, na toepassing van de bovenstaande regels.
   3.4 Ventilatiesystemen C met een regeling op de afvoer in functie van de behoefte in de droge ruimten
   In het geval van een ventilatiesysteem C is het ook mogelijk om de afvoer te regelen op basis van de behoefte die wordt gedetecteerd in de droge ruimten.
   Het is eveneens mogelijk om bijkomende mechanische afvoeropeningen te plaatsen in bepaalde droge ruimten (in allemaal of enkel in alle slaapkamers).
   Bij elk van deze systemen worden enkel de afvoeren geregeld door de vraagsturing. De toevoeren worden niet geregeld.
   Een regeling van de afvoer van de natte ruimten op basis van de behoefte in die natte ruimten, kan gecombineerd worden met deze systemen.
   Tabel 2 - freduc,vent,heat,zone z voor ventilatiesystemen C met een regeling op de afvoer in functie van de behoefte in de droge ruimten en eventueel in functie van de behoefte in de natte ruimten
  

  
 freduc,vent,heat,zonez  freduc,vent,heat,zonez
Type de détection dans les espaces secs Type de régulation de l'évacuation Détection locale dans les espaces humides avecrégulation de l'évacuation Autre ou aucune détection dans les espaces humides Type detectiein de droge ruimten Type regeling van de afvoer Lokale detectie in de natte ruimten met regeling van de afvoer Andere of geen detectie in de natte ruimten
  Régulation locale Niet-lokale regeling    Lokale regeling Niet-lokale regeling  
CO2 - Locale :Un capteur ou plus dans chaque espace sec Locale, dans tous les espaces secs 0,43 0,47 0,51 CO2 - lokaal:één of meerdere sensoren in elke droge ruimte Lokaal, in alle droge ruimten 0,43 0,47 0,51
CO2 - Locale partielle :Un capteur ou plus dans chaque chambre à coucher Locale, dans toutes les chambres à coucher 0,50 0,55 0,59 CO2 - semi-lokaal:één of meerdere sensoren in elke slaapkamer Lokaal, in alle slaapkamers 0,50 0,55 0,59
CO2 - Locale partielle :Un capteur ou plus dans le conduit d'évacuation commun de toutes les chambres à coucher 1 zone, dans toutes les chambres à coucher 0,61 0,66 0,71 CO2 - semi-lokaal:één of meerdere sensoren in het gemeenschappelijk afvoerkanaal van alle slaapkamers 1 zone, in alle slaapkamers 0,61 0,66 0,71
CO2 - Locale partielle :Un capteur ou plus dans le séjour principal et un capteur ou plus dans la chambre à coucher principale 2 zones (jour/nuit) ou plus, dans les espaces secs ;Ou centrale, dans les espaces secs ou dans les espaces humides 0,79 0,85 0,91 CO2 - semi-lokaal:één of meerdere sensoren in de belangrijkste leefruimte en één of meerdere sensoren in de belangrijkste slaapkamer 2 (dag/nacht) of meer zones, in de droge ruimtenOf centraal, in de droge of de natte ruimten 0,79 0,85 0,91
CO2 - Centrale : un capteur ou plus dans le(s) conduit(s) d'évacuation Centrale, dans les espaces secs ou dans les espaces humides 0,81 0,87 0,93CO2 - Centraal: één of meerdere sensoren in het afvoerkanaal of de afvoerkanalen Centraal, in de droge of de natte ruimten 0,81 0,87 0,93
Autre ou aucune détection dans les espaces secs aucune, locale, par zone ou centrale 0,90 0,95 1Andere of geen detectie in de droge ruimten Geen, lokaal, per zone of centraal 0,90 0,95 1

3.4.1 Bijkomende eisen voor systemen met detectie van de behoefte in de natte ruimten
   Zie § 3.3.1
   3.4.2 Bijkomende eisen voor systemen met detectie van de behoefte in de droge ruimten
   3.4.2.1 Systemen met enkel detectie van de behoefte in de droge ruimten
   Alle systemen die behoren tot de categorie " Andere of geen detectie in de natte ruimten " (de laatste kolom in Tabel 2) moeten bovendien voldoen aan de volgende eis.
   Het totale afvoerdebiet van de natte ruimten moet permanent groter zijn dan of gelijk zijn aan 40 % van de som van de geëiste afvoerdebieten in de natte ruimten.
   3.4.2.2 Systemen met lokale detectie in elke droge ruimte
   Elke droge ruimte moet uitgerust zijn met minstens een detector voor de CO2-concentratie in de ruimte zelf of, in voorkomend geval, in het afvoerkanaal van de ruimte.
   3.4.2.2.1 Lokale regeling van de afvoer in alle droge ruimten (met bijkomende afvoeren)
   Alle droge ruimten moeten uitgerust zijn met een bijkomende mechanische afvoer. De afvoerdebieten van alle droge ruimten moeten onafhankelijk van elkaar worden geregeld.
   In elke droge ruimte moet het afvoerdebiet worden geregeld op basis van de behoefte die wordt gedetecteerd in de ruimte. Het afvoerdebiet moet groter zijn dan of gelijk zijn aan 30 mü/h als de CO2-concentratie hoger is dan 950 ppm. Het afvoerdebiet mag hoogstens 5 mü/h bedragen als de CO2-concentratie lager is dan 550 ppm.
   3.4.2.3 Systemen met semi-lokale detectie in elke slaapkamer (met bijkomende afvoeren)
   Alle slaapkamers moeten uitgerust zijn met een bijkomende mechanische afvoer.
   Elke slaapkamer moet uitgerust zijn met minstens een detector voor de CO2-concentratie in de ruimte zelf of in het afvoerkanaal van de ruimte.
   3.4.2.3.1 Lokale regeling van de afvoer in elke slaapkamer
   De afvoerdebieten van alle slaapkamers moeten onafhankelijk van elkaar worden geregeld.
   In elke slaapkamer moet het afvoerdebiet worden geregeld op basis van de behoefte die wordt gedetecteerd in de slaapkamer. Het afvoerdebiet moet groter zijn dan of gelijk zijn aan 30 mü/h als de CO2-concentratie hoger is dan 950 ppm. Het afvoerdebiet mag hoogstens 5 mü/h bedragen als de CO2-concentratie lager is dan 550 ppm.
   3.4.2.4 Systemen met semi-lokale detectie in het gemeenschappelijk afvoerkanaal van alle slaapkamers (met bijkomende afvoeren)
   Alle slaapkamers moeten uitgerust zijn met een bijkomende mechanische afvoer.
   Het gemeenschappelijk afvoerkanaal dat enkel alle slaapkamers bedient, moet uitgerust zijn met minstens een detector voor de CO2-concentratie.
   3.4.2.4.1 Regeling van de afvoer in één zone voor alle slaapkamers
   De afvoerdebieten van alle slaapkamers moeten geregeld worden in één zone die minstens alle slaapkamers bevat.
   In deze zone moeten de afvoerdebieten van alle slaapkamers worden geregeld op basis van de hoogste behoefte die wordt gedetecteerd in het gemeenschappelijk afvoerkanaal van de slaapkamers.
   In elke slaapkamer van de zone moet het afvoerdebiet groter zijn dan of gelijk zijn aan 30 mü/h als de CO2-concentratie hoger is dan 650 ppm. In elke slaapkamer van de zone mag het afvoerdebiet hoogstens 5 mü/h bedragen als de CO2-concentratie lager is dan 450 ppm.
   3.4.2.5 Systemen met semi-lokale detectie in de belangrijkste leefruimte en in de belangrijkste slaapkamer
   De belangrijkste leefruimte en de belangrijkste slaapkamer moeten elk uitgerust zijn met minstens een detector voor de CO2-concentratie in de ruimte zelf of, in voorkomend geval, in het afvoerkanaal van de ruimte.
   3.4.2.5.1 Regeling van de afvoer van de droge ruimten in twee (dag/nacht) of meer zones (met bijkomende afvoeren)
   Alle droge ruimten moeten uitgerust zijn met een bijkomende mechanische afvoer.
   De afvoerdebieten van alle droge ruimten moeten in minstens twee verschillende zones worden geregeld. In minstens één van de zones, de dagzone, mag zich geen enkele slaapkamer bevinden. Die dagzone moet ook de belangrijkste leefruimte bevatten. In minstens één van de zones, de nachtzone, moeten zich alle slaapkamers bevinden. Bijkomende zones zijn toegelaten op voorwaarde dat in elke zone minstens één of meerdere ruimten zijn uitgerust met hetzelfde type detector als in de belangrijkste leefruimte en de belangrijkste slaapkamer.
   In elke zone moeten de afvoerdebieten van de droge ruimten worden geregeld op basis van de hoogste behoefte die wordt gedetecteerd in de droge ruimten van die zone, die zijn uitgerust met een detector.
   In elke droge ruimte van de zone moet het afvoerdebiet groter zijn dan of gelijk zijn aan 30 mü/h als de CO2-concentratie hoger is dan 950 ppm in één of meerdere droge ruimten van de zone, die zijn uitgerust met een detector. In elke droge ruimte van de zone mag het afvoerdebiet hoogstens 5 mü/h bedragen als de CO2-concentratie lager is dan 550 ppm in alle droge ruimten van de zone, die zijn uitgerust met een detector.
   3.4.2.5.2 Centrale regeling van de afvoer van de droge ruimten of de natte ruimten
   Als alle droge ruimten zijn uitgerust met een bijkomende mechanische afvoer, moeten de debieten van deze afvoeren centraal geregeld worden, op basis van de hoogste behoefte die wordt gedetecteerd in de droge ruimten die zijn uitgerust met een detector.
   In elke droge ruimte moet het afvoerdebiet groter zijn dan of gelijk zijn aan 30 mü/h als de CO2-concentratie hoger is dan 950 ppm in één of meerdere droge ruimten die zijn uitgerust met een detector. In elke droge ruimte mag het afvoerdebiet hoogstens 5 mü/h bedragen als de CO2-concentratie lager is dan 550 ppm in alle droge ruimten die zijn uitgerust met een detector.
   Als één of meerdere droge ruimten niet zijn uitgerust met een bijkomende mechanische afvoer, moeten de afvoerdebieten van de natte ruimten centraal geregeld worden, op basis van de hoogste behoefte die wordt gedetecteerd in de droge ruimten die zijn uitgerust met een detector.
   In elke natte ruimte moet het afvoerdebiet groter zijn dan of gelijk zijn aan het minimaal geëiste afvoerdebiet als de CO2-concentratie hoger is dan 950 ppm in één of meerdere droge ruimten die zijn uitgerust met een detector. In elke natte ruimte mag het afvoerdebiet hoogstens 40 % van het minimaal geëiste afvoerdebiet bedragen als de CO2-concentratie lager is dan 550 ppm in alle droge ruimten die zijn uitgerust met een detector.
   3.4.2.6 Systemen met centrale detectie in het gemeenschappelijk afvoerkanaal
   Het gemeenschappelijk afvoerkanaal van de ventilatiezone z moet uitgerust zijn met minstens een detector voor de CO2-concentratie.
   3.4.2.6.1 Centrale regeling van de afvoer van de droge ruimten of de natte ruimten
   Als alle droge ruimten zijn uitgerust met een bijkomende mechanische afvoer, moeten de debieten van deze afvoeren centraal geregeld worden, op basis van de behoefte die wordt gedetecteerd in het gemeenschappelijk afvoerkanaal. In elke droge ruimte moet het afvoerdebiet groter zijn dan of gelijk zijn aan 30 mü/h als de CO2-concentratie hoger is dan 650 ppm. In elke droge ruimte mag het afvoerdebiet hoogstens 5 mü/h bedragen als de CO2-concentratie lager is dan 450 ppm.
   Als één of meerdere droge ruimten niet zijn uitgerust met een bijkomende mechanische afvoer, moeten de afvoerdebieten van de natte ruimten centraal geregeld worden, op basis van de behoefte die wordt gedetecteerd in het gemeenschappelijk afvoerkanaal. In elke natte ruimte moet het afvoerdebiet groter zijn dan of gelijk zijn aan het minimaal geëiste afvoerdebiet als de CO2-concentratie hoger is dan 650 ppm. In elke natte ruimte mag het afvoerdebiet hoogstens 50 % van het minimaal geëiste afvoerdebiet bedragen als de CO2-concentratie lager is dan 450 ppm.
   3.4.3 Bijkomende eisen voor systemen met detectie van de behoefte in de natte ruimten en detectie van de behoefte in de droge ruimten
   Voor alle systemen die detectie van de behoefte in natte ruimten combineren met de detectie van de behoefte in droge ruimten, geldt:
   - De afvoerdebieten van de natte ruimten worden bepaald op basis van de eisen in § 3.4.1;
   - De afvoerdebieten van de droge en/of natte ruimten worden bepaald op basis van de eisen in § 3.4.2;
   Indien de twee methodes tot een verschillend resultaat leiden, zijn de hoogste afvoerdebieten van toepassing.
  ]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij MB 2016-12-21/27, art. 4, 002; Inwerkingtreding : 01-01-2015>
  
  

Handtekening Tekst Inhoudstafel Begin
   Brussel, 6 mei 2014.
Mevr. E. HUYTEBROECK

Aanhef Tekst Inhoudstafel Begin
   De Minister belast met Energiebeleid,
   Gelet op de Ordonnantie van 7 juni 2007 houdende de energieprestatie en het binnenklimaat van gebouwen, het artikel 5, § 1;
   Gelet op het Besluit van de Brusselse Hoofdstedelijke Regering van 21 december 2007 tot vaststelling van de eisen op het vlak van de energieprestatie en het binnenklimaat van gebouwen, punt 7.8.3, derde lid van bijlage II vervangen door het besluit van de Brusselse Hoofdstedelijke Regering van 5 mei 2011, punt 2 van bijlage V gewijzigd door het Besluit van de Brusselse Hoofdstedelijke Regering van 5 mei 2011, de punten 7.3, 7.8.3, 9.2.2.1, 9.3.1, 9.3.2.1, 9.3.2.2,10.2.3.2, 10.2.3.3, 10.3.3.2, 11.3 en bijlage B.3.1 van bijlage IX en de punten 5.5.2.1, 5.5.2.2, 5.5.3.1.1, 5.5.3.2, 8.6, 9.4.2.3, 2de et 5de leden, 9.4.5.1, eerste lid, derde onderdeel, en tweede lid, en bijlage B.1 van bijlage X, ingevoegd door het besluit van de Brusselse Hoofdstedelijke Regering van 21 februari 2013 houdende wijziging van het Besluit van de Brusselse Hoofdstedelijke Regering van 21 december 2007 tot vaststelling van de eisen op het vlak van de energieprestatie en het binnenklimaat van gebouwen;
   Gelet op het advies van de Raad voor het Leefmilieu van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest, gegeven op 15 januari 2014;
   Gelet op het advies 55.211/3 van de Raad van State, gegeven op 28 maart 2014 met toepassing van artikel 84, § 1, eerste lid, 2°, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;
   Overwegende dat dit besluit de in bijlagen IX en X van het Besluit van de Brusselse Hoofdstedelijke Regering van 21 december 2007 vastgelegde rekenmethodes EPW en EPU verduidelijkt, deze bijlagen van toepassing zijnde vanaf 1 januari 2014;
   Overwegende dat het noodzakelijk is dat deze verduidelijkingen op 1 januari 2014 in werking treden om van toepassing te zijn op hetzelfde ogenblik als de bijlagen IX en X;
   Overwegende dat deze verduidelijkingen de aangever zullen kunnen toestaan de EPB-eis gemakkelijker te bereiken, zijn ze al opgenomen in de versie van de rekensoftware die van toepassing zal zijn vanaf 1 januari 2014,
   Besluit :

Wijziging(en) Tekst Inhoudstafel Begin
BEELD
  • MINISTERIEEL BESLUIT VAN 21-12-2016 GEPUBL. OP 18-01-2017
    (GEWIJZIGDE ART. : 3; 8bis; FN3; N9)

  • Begin Eerste woord Laatste woord Wijziging(en) Aanhef
    Inhoudstafel 1 gearchiveerde versie
    Franstalige versie