J U S T E L     -     Geconsolideerde wetgeving
Einde Eerste woord Laatste woord Wijziging(en) Aanhef
Parlementaire werkzaamheden Inhoudstafel 50 uitvoeringbesluiten 22 gearchiveerde versies
Handtekening Einde Franstalige versie
 
belgiėlex . be     -     Kruispuntbank Wetgeving
Raad van State Kamer van volksvertegenwoordigers Senaat
ELI - Navigatie systeem via een Europese identificatiecode voor wetgeving
http://www.ejustice.just.fgov.be/eli/wet/2014/04/25/2014003194/justel

Titel
25 APRIL 2014. - Wet op het statuut van en het toezicht op kredietinstellingen [en beursvennootschappen]. (Aangehaald als : Bankwet) (Opschrift gewijzigd door W 2016-10-25/05, art. 2, 009; Inwerkingtreding : 01-12-2016)
(NOTA : Raadpleging van vroegere versies vanaf 07-05-2014 en tekstbijwerking tot 06-05-2020) Zie wijziging(en)

Bron : FINANCIEN.JUSTITIE
Publicatie : 07-05-2014 nummer :   2014003194 bladzijde : 36794       PDF :   originele versie    geconsolideerde versie
Dossiernummer : 2014-04-25/08
Inwerkingtreding : 07-05-2014

Deze tekst heeft de volgende teksten gewijzigd :2014003194        1993003235       

Inhoudstafel Tekst Begin
BOEK I. - TOEPASSINGSGEBIED - DEFINITIES - ALGEMENE BEPALINGEN
TITEL I. - Toepassingsgebied
Art. 1-2
TITEL II. - Definities
Art. 3-4
TITEL III. - Gereserveerde namen
HOOFDSTUK I. - Benaming van de kredietinstellingen
Art. 5
HOOFDSTUK II. - Kredietinstellingen die covered bonds mogen uitgeven
Art. 6
BOEK II. - KREDIETINSTELLINGEN NAAR BELGISCH RECHT
TITEL I. - Toegang tot het bedrijf
HOOFDSTUK I. - Vergunning
Afdeling I. - Vergunningsplicht
Art. 7
Afdeling II. - Procedure
Art. 8-14
HOOFDSTUK II. - Vergunningsvoorwaarden
Afdeling I. - Algemene bepalingen
Art. 15
Afdeling II. - Vennootschapsvorm
Art. 16
Afdeling III. - Aanvangskapitaal
Art. 17
Afdeling IV. - Aandeelhouders of vennoten
Art. 18
Afdeling V. - Leiding
Art. 19-20
Afdeling VI. - Organisatie
Onderafdeling I. - Algemene beginselen
Art. 21-22
Onderafdeling II. - Vennootschapsorganen
Art. 23-24, 24bis, 25-26
Onderafdeling III. - Oprichting van comités binnen het wettelijk bestuursorgaan
Art. 27-34
Onderafdeling IV. - Operationele onafhankelijke controlefuncties
Art. 35-40
Onderafdeling V. [1 - Specifieke organisatie voor het verlenen van beleggingsdiensten, de verkoop van gestructureerde deposito's en het verstrekken van advies aan cliėnten in verband met dergelijke producten]1
Art. 41-42, 42/1, 42/2
Afdeling VII. - Hoofdbestuur
Art. 43
Afdeling VIII. - Depositobescherming
Art. 44
TITEL II. - Bedrijfsuitoefeningsvoorwaarden
HOOFDSTUK I. - Algemene bepalingen
Art. 45
HOOFDSTUK II. - Wijzigingen in de kapitaalstructuur
Art. 46-54
HOOFDSTUK III. - Algemene werkingsvoorwaarden
Afdeling I. - Minimum eigen vermogen
Art. 55
Afdeling II. - Leiding en leiders
Onderafdeling I. - Toezicht en beoordeling door het wettelijk bestuursorgaan
Art. 56-58
Onderafdeling II. - Door het directiecomité te nemen maatregelen
Art. 59
Onderafdeling III. - Benoemingen, ontslagen en uitoefening van externe functies
Art. 60-62
Afdeling III. - Risicobeheer
Onderafdeling I. - Behandeling van risico's
Art. 63
Onderafdeling II. - Beheer van risico's in verband met het verrichten van beleggingsdiensten
Art. 64-65, 65/1, 65/2, 65/3
Afdeling IV. - Uitbesteding
Art. 66
Afdeling V. - Het beloningsbeleid en de tenuitvoerlegging ervan
Onderafdeling I. - Beginselen
Art. 67-70
Onderafdeling II. - Kredietinstellingen die uitzonderlijke overheidssteun hebben verkregen
Art. 71
Afdeling VI. - Verrichtingen die beperkt of verboden zijn en betalingen die nietig kunnen worden verklaard
Onderafdeling I. [1 - Verrichtingen met entiteiten van de groep, met leiders en met verbonden personen]1
Art. 72, 72/1, 73
Onderafdeling II. - Gebruik van gelden en waarden
Art. 74
Afdeling VII. - Mededeling van informatie over de situatie van de kredietinstelling
Art. 75
Afdeling VIII. [1 - Transparantie met betrekking tot het betrokkenheidsbeleid]1
Art. 75/1, 75/2
HOOFDSTUK IV. - Bijzondere verrichtingen
Afdeling I. - Wijzigingen in het programma van werkzaamheden
Art. 76
Afdeling II. - Strategische beslissingen, beleggingsbeslissingen en fusies van en overdrachten tussen kredietinstellingen
Art. 77-78
Afdeling III. - Bepalingen over de uitgifte van Belgische covered bonds
Art. 79-84
Afdeling IV. - Opening of verwerving van dochterondernemingen in het buitenland
Art. 85
Afdeling V. - Uitoefening van werkzaamheden in het buitenland
Onderafdeling I. - Opening van bijkantoren in het buitenland
Art. 86-88, 88/1, 89
Onderafdeling II. - Vrij verrichten van bankdiensten in het buitenland
Art. 90-91
Onderafdeling III. - Uitoefening van bankwerkzaamheden door gespecialiseerde dochterondernemingen van kredietinstellingen in een andere lidstaat
Art. 92
Onderafdeling IV. - Uitoefening van werkzaamheden in een deelnemende lidstaat
Art. 93
HOOFDSTUK V. - Reglementaire normen en verplichtingen
Afdeling I. - Prospectief beheer van eigen vermogen en liquiditeit
Art. 94
Afdeling II. - Globaal vereiste van een tier 1-kernkapitaalbuffer
Art. 95-96
Afdeling III. - Macroprudentieel of systeemrisico
Art. 97
Afdeling IV. - Reglementeringsbevoegdheid van de Bank
Art. 98
Afdeling V. - Maatregelen strekkende tot wedersamenstelling van het tier 1-kernkapitaal
Onderafdeling I. - Beperkingen op uitkeringen die betrekking hebben op een van de tier 1-kernkapitaalbestanddelen
Art. 99-103
Onderafdeling II. - Kapitaalconserveringsplan
Art. 104-105
HOOFDSTUK VI. - Periodieke informatieverstrekking en boekhoudregels
Art. 106-107
HOOFDSTUK VII. - Herstelplannen
Afdeling I. - Opmaak van herstelplannen
Art. 108-113
Afdeling II. - Beoordeling van herstelplannen
Art. 114-116
HOOFDSTUK VIII. - Structuur van de activiteiten
Afdeling I. - Toepassingsgebied en definities
Art. 117-118
Afdeling II. - Verbod van handelsactiviteiten voor eigen rekening
Art. 119-127
Afdeling III. - Betrekkingen met handelsentiteiten
Art. 128-131
Afdeling IV. - Diverse bepalingen
Art. 132-133
TITEL III. - Toezicht op de kredietinstellingen
HOOFDSTUK I. - Toezicht door de toezichthouder en de FSMA
Art. 134-136, 136/1, 136/2, 137-140
HOOFDSTUK II. - Procedure van prudentieel toezicht
Afdeling I. - Programma voor prudentieel toezicht
Art. 141
Afdeling II. - Procedure van prudentiėle toetsing en evaluatie
Art. 142-143
Afdeling III. - Onderzoek van de interne benaderingen en methodes
Art. 144-147
Afdeling IV. - Stresstests
Art. 148
Afdeling V. - Prudentiėle maatregelen
Art. 149-153
Afdeling VI. - Kredietinstellingen met soortgelijke risicoprofielen
Art. 154
HOOFDSTUK III. - Toezicht op in een andere lidstaat uitgeoefende werkzaamheden
Afdeling I. - Definities
Art. 155
Afdeling II. - Toezicht op de werkzaamheden
Art. 156
Afdeling III. - Uitzonderingsmaatregelen
Art. 157
Afdeling IV. - Samenwerking
Art. 158
Afdeling V. - Significante bijkantoren
Art. 159-161
Afdeling VI. - Controle ter plaatse
Art. 162
Afdeling VII. - Situaties waarin een Belgische kredietinstelling een bijkantoor heeft gevestigd in een deelnemende lidstaat
Art. 163
HOOFDSTUK IV. - Groepstoezicht
Afdeling I. - Definities
Art. 164
Afdeling II. - Geconsolideerd toezicht op kredietinstellingen
Onderafdeling I. - Toepassingsgebied
Art. 165-170
Onderafdeling II. - Maatregelen om het geconsolideerde toezicht te vergemakkelijken
Art. 171-182
Onderafdeling III. - Andere toepassingsgevallen
Art. 183, 183/1, 184
Afdeling III. - Aanvullend conglomeraatstoezicht
Onderafdeling I. - Toepassingsgebied
Art. 185-195
Onderafdeling II. - Maatregelen om het aanvullende conglomeraatstoezicht te vergemakkelijken
Art. 196-201
Onderafdeling III. - Andere toepassingsgevallen
Art. 202
Afdeling IV. - Gemeenschappelijke bepalingen
Onderafdeling I. - Beginselen
Art. 203-204
Onderafdeling II. - Moederondernemingen, in het bijzonder financiėle holdings en gemengde financiėle holdings
Art. 205-212
Onderafdeling III. - Maatregelen om het groepstoezicht te vergemakkelijken
Art. 213-218
Onderafdeling IV. - Moederondernemingen uit derde landen
Art. 219
HOOFDSTUK V. - Revisoraal toezicht
Art. 220-225, 225/1
TITEL IV. - Afwikkelingsplannen
HOOFDSTUK I. - Opmaak van afwikkelingsplannen
Art. 226-229
HOOFDSTUK II. - Beoordeling van afwikkelingsplannen
Afdeling I. - Beoordeling van afwikkelbaarheid van kredietinstellingen
Art. 230
Afdeling II. - Vermindering of opheffing van belemmeringen voor de afwikkelbaarheid van de kredietinstellingen
Art. 231-232
TITEL V. - Intrekking van de vergunning
Art. 233
TITEL VI. - Herstelmaatregelen
HOOFDSTUK I. - Dwingende maatregelen
Art. 234
HOOFDSTUK II. - Uitvoering van het herstelplan
Art. 235
HOOFDSTUK III. - Uitzonderlijke herstelmaatregelen
Art. 236-238
TITEL VII. - Federaties van kredietinstellingen
Art. 239-241
TITEL VIII. - Afwikkeling van kredietinstellingen
HOOFDSTUK I. - Definities
Art. 242
HOOFDSTUK II. - Doelstellingen, voorwaarden en algemene beginselen van de afwikkeling
Afdeling I. - Doelstellingen van de afwikkeling
Art. 243
Afdeling II. - Voorwaarden voor het initiėren van een afwikkelingsprocedure
Art. 244
Afdeling III. - Algemene beginselen inzake afwikkeling
Art. 245
HOOFDSTUK III. - Waardering
Art. 246-249
HOOFDSTUK IV. - Afschrijving of omzetting van kapitaalinstrumenten
Art. 250-254
HOOFDSTUK V. - Afwikkelingsinstrumenten
Afdeling I. - Beginselen
Art. 255
Afdeling II. - Instrument van verkoop van de onderneming
Art. 256-259
Afdeling III. - Instrument van de overbruggingsinstelling
Art. 260-264
Afdeling IV. - Instrument van afsplitsing van activa
Art. 265-267
Afdeling IV/1. [1 - Instrument van interne versterking]1
Onderafdeling 1. [1 - Doel en toepassingsgebied]1
Art. 267/1, 267/2
Onderafdeling 2. [1 - Minimumvereiste inzake eigen vermogen en in aanmerking komende schulden]1
Art. 267/3, 267/4, 267/5
Onderafdeling 3. [1 - Tenuitvoerlegging van het instrument van interne versterking]1
Art. 267/6, 267/7, 267/8, 267/9, 267/10, 267/11, 267/12, 267/13, 267/14, 267/15
Afdeling V. - Gemeenschappelijke bepalingen betreffende de afwikkelingsinstrumenten
Art. 268-273, 273/1, 274-275
HOOFDSTUK VI. - Afwikkelingsbevoegdheden
Afdeling I. - Algemene bevoegdheden
Art. 276
Afdeling II. - Aanvullende bevoegdheden
Art. 277-278
Afdeling III. - Bevoegdheid om het verstrekken van diensten en faciliteiten op te leggen
Art. 279
Afdeling IV. - Bevoegdheid om bepaalde verplichtingen op te schorten, de tegenstelbaarheid van zekerheidsrechten te beperken en beėindigingsrechten op te schorten
Art. 280
Afdeling V. - Uitoefening van de afwikkelingsbevoegdheden
Art. 281
Afdeling VI. - [1 Bevoegdheid met betrekking tot activa, rechten, verbintenissen, aandelen en andere eigendomsinstrumenten die zich in derde landen bevinden]1
Art. 281/1
HOOFDSTUK VI/1. - [1 Bevoegdheid tot handhaving van door andere lidstaten genomen maatregelen]1
Art. 281/2
HOOFDSTUK VII. - Vrijwaringsmaatregelen
Afdeling I. - [1 Bescherming van de aandeelhouders en de schuldeisers bij gedeeltelijke overdracht en bij toepassing van het instrument van interne versterking]1
Art. 282-284
Afdeling II. - Bescherming voor zekerheidsregelingen
Art. 285
Afdeling III. - Bescherming voor gestructureerde financierings- contracten, financiėle zekerheden en verrekeningsovereenkomsten
Art. 286
Afdeling IV. - Uitsluiting van bepaalde contractuele rechten
Art. 287
Afdeling V. - Bescherming van betalings- en afwikkelingssystemen, centrale tegenpartijen en centrale banken
Art. 288
Afdeling VI. - Bescherming van werknemers
Art. 289-290
HOOFDSTUK VIII. - Procedurele vereisten [1 en uitwerking van afwikkelingsmaatregelen]1
Art. 291, 291/1, 292-295, 295/1
HOOFDSTUK IX. - Gerechtelijke controle
Afdeling I. - Geldigverklaring
Art. 296-304
Afdeling II. - Beroep
Art. 305-310
HOOFDSTUK X. - Afwikkeling van grensoverschrijdende groepen
Art. 311
BOEK III. - KREDIETINSTELLINGEN NAAR BUITENLANDS RECHT
TITEL I. - Bijkantoren en werkzaamheden in het kader van het vrij verrichten van diensten in Belgiė van kredietinstellingen die onder een andere lidstaat ressorteren
HOOFDSTUK I. - Toegang tot het bedrijf in Belgiė
Art. 312-314
HOOFDSTUK II. - Bedrijfsuitoefening
Art. 315-316
HOOFDSTUK III. - Periodieke informatieverstrekking en boekhoudregels
Art. 317-318
HOOFDSTUK IV. - Toezicht op de bijkantoren
Afdeling I. - De toezichthouder in zijn hoedanigheid van autoriteit van de lidstaat van ontvangst
Art. 319-321
Afdeling II. - Significante bijkantoren
Art. 322-323
Afdeling III. - Controle ter plaatse
Art. 324-326
HOOFDSTUK V. - Uitzonderingsmaatregelen
Art. 327-330
HOOFDSTUK VI. - Situaties waarin de werkzaamheden in Belgiė worden uitgeoefend door een instelling die onder een deelnemende lidstaat ressorteert
Art. 331
HOOFDSTUK VII. - Gespecialiseerde dochterondernemingen van kredietinstellingen die onder een andere lidstaat ressorteren
Art. 332
TITEL II. - Bijkantoren in Belgiė van kredietinstellingen van derde landen
HOOFDSTUK I. - Toegang tot het bedrijf in Belgiė
Art. 333
Art. 333 TOEKOMSTIG RECHT
Art. 334
HOOFDSTUK II. - Bedrijfsuitoefening
Art. 335-336
HOOFDSTUK III. - Toezicht
Art. 337, 337/1, 338-339
HOOFDSTUK IV. - Intrekking, uitzonderingsmaatregelen, sancties
Art. 340
TITEL III. - Vertegenwoordingskantoren
Art. 341-344
BOEK IV. - DWANGSOMMEN EN ANDERE DWANGMAATREGELEN
Art. 345-346, 346/1
BOEK V. - SANCTIES
TITEL I. - Administratieve boetes
Art. 347
TITEL II. - Strafrechtelijke sancties
Art. 348-352
BOEK VI. - REGELS VAN HET INTERNATIONAAL PRIVAATRECHT INZAKE SANERINGSMAATREGELEN EN LIQUIDATIEPROCEDURES
TITEL I. - Saneringsmaatregelen
HOOFDSTUK I. - Bevoegdheidsregeling en erkenning van buitenlandse maatregelen
Art. 353-354, 354/1
HOOFDSTUK II. - Overleg en informatie
Art. 355-357
HOOFDSTUK III. - Bijkantoren van kredietinstellingen die ressorteren onder derde landen
Art. 358
TITEL II. - Liquidatieprocedures
HOOFDSTUK I. - Bevoegdheidsregeling en erkenning van buitenlandse maatregelen
Art. 359-360
HOOFDSTUK II. - Procedures ten aanzien van de kredietinstellingen naar Belgisch recht
Afdeling I. - Overleg en informatie-uitwisseling
Art. 361-364
Afdeling II. - Procedure-elementen - Toepasselijk recht
Art. 365-366
Afdeling III. - Intrekking van de vergunning
Art. 367
TITEL III. - Regels die zowel voor de saneringsmaatregelen als voor de liquidatieprocedures gelden
HOOFDSTUK I. - Vrijwillige vereffening of vereffening ingevolge een gerechtelijke ontbinding
Art. 368
HOOFDSTUK II. - Uitzonderingen op of nuanceringen van de toepassing van het Belgische recht als procedurerecht
Art. 369-374
HOOFDSTUK III. - Saneringscommissarissen en liquidateurs
Afdeling I. - Erkenning van buitenlandse maatregelen en procedures
Art. 375-376
Afdeling II. - Belgische saneringscommissarissen en liquidateurs
Art. 377
TITEL IV. [1 Aanvullende bepaling ]1
Art. 377./1
BOEK VII. - MATERIEELRECHTELIJKE ASPECTEN
Art. 378-379, 379/1
BOEK VIII. [1 - BELEGGERS- EN DEPOSITO- BESCHERMINGSREGELINGEN]1
TITEL I. [1 - Depositobeschermingsregeling]1
Art. 380-381, 381/1, 382-384, 384/1
Titel II. - [1 Beleggersbeschermingsregeling"]1
Art. 384/2, 384/3, 384/4, 384/5, 384/6
BOEK IX. - SLOT-, WIJZIGINGS-,
TITEL I. - Slotbepalingen en diverse bepalingen
Art. 385-389, 389/1
TITEL II. - Wijzigingsbepalingen
Art. 390-405
TITEL III. - Overgangsbepalingen
Art. 406-419, 419/1, 419/2, 419/3, 420, 420/1, 420/2
TITEL IV. - Opheffingsbepaling
Art. 421
BOEK X. - INWERKINGTREDING
Art. 422
BOEK XI. [1 - HERSTEL EN AFWIKKELING VAN GROEPEN]1
TITEL I. [1 - Definities]1
Art. 423
TITEL II. [1 - Toepassingsgebied]1
Art. 424
TITEL III. [1 - Groepsherstelplannen]1
HOOFDSTUK I. [1 - Opmaak van groepsherstelplannen]1
Art. 425-429
HOOFDSTUK II. [1 - Beoordeling van groepsherstelplannen]1
Afdeling I. [1 - Beoordeling van groepsherstelplannen opgesteld door een Belgische EER-moederonderneming]1
Art. 430-435
Afdeling II. [1 - Beoordeling van groepsherstelplannen opgesteld door een EER-moederonderneming in een andere lidstaat]1
Art. 436
Afdeling III. [1 - Gemeenschappelijke bepalingen]1
Art. 437-438
TITEL III/1. - [1 Financiėle steun binnen een groep]1
Art. 438/1, 438/2, 438/3, 438/4, 438/5, 438/6, 438/7, 438/8, 438/9, 438/10, 438/11, 438/12
TITEL III/2. - [1 Coördinatie van herstelmaatregelen met betrekking tot groepen]1
Art. 438/13, 438/14, 438/15, 438/16, 438/17
TITEL IV. [1 - Groepsafwikkelingsplannen]1
HOOFDSTUK I. [1 - Opmaak van groepsafwikkelingsplannen]1
Afdeling I. [1 - Afwikkelingsplannen van Belgische groepen]1
Art. 439-445
Afdeling II. [1 - Afwikkelingsplannen van buitenlandse groepen]1
Art. 446-447
HOOFDSTUK II. [1 - Beoordeling van groepsafwikkelingsplannen]1
Afdeling I. [1 - Beoordeling van de afwikkelbaarheid van groepen]1
Art. 448
Afdeling II. [1 - Vermindering of opheffing van belemmeringen voor de afwikkelbaarheid van Belgische groepen]1
Art. 449-450
Afdeling III. [1 - Vermindering of opheffing van belemmeringen voor de afwikkelbaarheid van buitenlandse groepen]1
Art. 451
Afdeling IV. [1 - Gemeenschappelijke bepaling]1
Art. 452
TITEL V. [1 - Afwikkeling van groepen]1
HOOFDSTUK I. [1 - Toepassingsgebied]1
Art. 453
HOOFDSTUK II. [1 - Doelstellingen, voorwaarden en algemene beginselen van de afwikkeling]1
Afdeling I. [1 - Voorwaarden voor het initiėren van een afwikkelingsprocedure]1
Art. 454
Afdeling II. [1 - Algemene beginselen inzake afwikkeling]1
Art. 455-456
HOOFDSTUK III. [1 - Afschrijving of omzetting van kapitaalinstrumenten]1
Art. 457-458
HOOFDSTUK IV. [1 - Afwikkelingsinstrumenten]1
Afdeling I. [1 - Minimumvereiste inzake eigen vermogen en in aanmerking komende passiva]1
Art. 459-462
Afdeling II. [1 - Tenuitvoerlegging van het instrument van interne versterking]1
Art. 463
HOOFDSTUK V. [1 - Procedurele vereisten]1
Art. 464
HOOFDSTUK VI. [1 - Afwikkeling van grensoverschrijdende groepen]1
Afdeling I. [1 - Algemene beginselen]1
Art. 465, 465/1, 466-467
Afdeling II. [1 - Afwikkelingscolleges]1
Art. 468-470
Afdeling III. [1 - Informatie-uitwisseling]1
Art. 471
Afdeling IV. [1 - Procedurele vereisten voor grensoverschrijdende groepsafwikkeling]1
Onderafdeling I. [1 - Groepsafwikkeling waarbij een Belgische dochteronderneming van een Belgische EER-moederonderneming is betrokken]1
Art. 472
Onderafdeling II. [1 - Groepsafwikkeling waarbij een Belgische dochteronderneming van een EER-moederonderneming in een andere lidstaat is betrokken]1
Art. 473
Onderafdeling III. [1 - Groepsafwikkeling waarbij een buitenlandse dochteronderneming van een Belgische EER-moederonderneming is betrokken]1
Art. 474
Onderafdeling IV. [1 - Groepsafwikkeling waarbij een buitenlandse dochteronderneming van een EER-moederonderneming in een andere lidstaat is betrokken]1
Art. 475
Onderafdeling V. [1 - Groepsafwikkeling waarbij een Belgische EER-moederonderneming is betrokken]1
Art. 476
Onderafdeling VI. [1 - Groepsafwikkeling waarbij een EER-moederonderneming in een andere lidstaat is betrokken]1
Art. 477
HOOFDSTUK VII. [1 - Betrekkingen met derde landen]1
Art. 478-480
Art. 481. [1 De afwikkelingsautoriteit kan, indien nodig ter behartiging van het algemeen belang, afwikkelingsmaatregelen nemen ten aanzien van een Belgische moederonderneming als de betrokken autoriteit van een derde land van oordeel is dat een kredietinstelling die in dat derde land gevestigd is, aan de voorwaarden voor afwikkeling uit hoofde van de wetgeving van dat derde land voldoet.
Art. 482-485
Boek XII. - [1 Beursvennootschappen]1
Titel I. - [1 Definities - Algemene bepalingen]1
HOOFDSTUK I. - [1 Definities]1
Art. 486
HOOFDSTUK II. - [1 Algemene bepalingen]1
Art. 487-490
Titel II. - [1 Beursvennootschappen naar Belgisch recht]1
HOOFDSTUK I. - [1 Toegang tot het bedrijf]1
Afdeling I. - [1 Vergunning]1
Onderafdeling I. - [1 Vergunningsplicht]1
Art. 491
Onderafdeling II. - [1 Procedure]1
Art. 492-496
Afdeling II. - [1 Vergunningsvoorwaarden]1
Onderafdeling I. - [1 Algemene bepalingen]1
Art. 497
Onderafdeling II. - [1 Vennootschapsvorm]1
Art. 498
Onderafdeling III. - [1 Aanvangskapitaal]1
Art. 499
Onderafdeling IV. - [1 Aandeelhouders of vennoten]1
Art. 500
Onderafdeling V. - [1 Leiding]1
Art. 501
Onderafdeling VI. - [1 Organisatie]1
Art. 502-510, 510/1, 510/2
Onderafdeling VII. - [1 Hoofdbestuur]1
Art. 511
Onderafdeling VIII. - [1 Beleggersbescherming]1
Art. 512
HOOFDSTUK II. - [1 Bedrijfsuitoefeningsvoorwaarden]1
Afdeling I. - [1 Algemene bepalingen]1
Art. 513
Afdeling II. - [1 Wijzigingen in de kapitaalstructuur]1
Art. 514-518
Afdeling III. - [1 Algemene werkingsvoorwaarden]1
Onderafdeling I. - [1 Minimum eigen vermogen]1
Art. 519
Onderafdeling II. - [1 Leiding en leiders]1
Art. 520-525
Onderafdeling III. - [1 Risicobeheer]1
Art. 526-529, 529/1
Onderafdeling IV. - [1 Uitbesteding]1
Art. 530
Onderafdeling V. - [1 Het beloningsbeleid en de tenuitvoerlegging ervan]1
Art. 531
Onderafdeling VI. - [1 Verrichtingen die beperkt of verboden zijn, betalingen die nietig kunnen worden verklaard en aanhouden van tegoeden van cliėnten]1
Art. 532-537
Onderafdeling VII. - [1 Mededeling van informatie over de situatie van de beursvennootschap]1
Art. 538
Onderafdeling VIII. [1 - Transparantie met betrekking tot het betrokkenheidsbeleid]1
Art. 538/1
Afdeling IV. - [1 Wijzigingen in het programma van werkzaamheden en bijzondere verrichtingen]1
Onderafdeling I. - [1 Wijzigingen in het programma van werkzaamheden]1
Art. 539-540
Onderafdeling II. - [1 Strategische beslissingen, beleggingsbeslissingen en fusies van en overdrachten tussen beursvennootschappen]1
Art. 541-542
Onderafdeling III. - [1 Opening of verwerving van dochterondernemingen in het buitenland]1
Art. 543
Onderafdeling IV. - [1 Uitoefening van werkzaamheden in het buitenland]1
Art. 544-550
Afdeling V. - [1 Reglementaire normen en verplichtingen]1
Onderafdeling I. - [1 Prospectief beheer van eigen vermogen en liquiditeit]1
Art. 551
Onderafdeling II. - [1 Globaal vereiste van een tier 1-kernkapitaalbuffer]1
Art. 552
Onderafdeling III. - [1 Macroprudentieel of systeemrisico]1
Art. 553
Onderafdeling IV. - [1 Reglementeringsbevoegdheid van de Bank]1
Art. 554
Onderafdeling V. - [1 Maatregelen strekkende tot wedersamenstelling van het tier 1-kernkapitaal]1
Art. 555
Afdeling VI. - [1 Periodieke informatieverstrekking en boekhoudregels]1
Art. 556
Afdeling VII. - [1 Herstelplannen]1
Art. 557
HOOFDSTUK III. - [1 Toezicht op de beursven-nootschappen]1
Afdeling I. - [1 Toezicht door de Bank en de FSMA]1
Art. 558-559
Afdeling II. - [1 Procedure van prudentieel toezicht]1
Onderafdeling I. - [1 Programma voor prudentieel toezicht]1
Art. 560
Onderafdeling II. - [1 Procedure van prudentiėle toetsing en evaluatie]1
Art. 561-562
Onderafdeling III. - [1 Onderzoek van de interne benaderingen en methodes]1
Art. 563
Onderafdeling IV. - [1 Stresstests]1
Art. 564
Onderafdeling V. - [1 Prudentiėle maatregelen]1
Art. 565
Onderafdeling VI. - [1 Beursvennootschappen met soortgelijke risicoprofielen]1
Art. 566
Afdeling III. - [1 Toezicht op in een andere lidstaat uitgeoefende werkzaamheden]1
Onderafdeling I. - [1 Definities]1
Art. 567
Onderafdeling II. - [1 Toezicht op de werkzaamheden]1
Art. 568
Onderafdeling III. - [1 Uitzonderingsmaatregelen]1
Art. 569
Onderafdeling IV. - [1 Samenwerking]1
Art. 570
Onderafdeling V. - [1 Significante bijkantoren]1
Art. 571
Onderafdeling VI. - [1 Controle ter plaatse]1
Art. 572
Afdeling IV. - [1 Groepstoezicht]1
Onderafdeling I. - [1 Geconsolideerd toezicht op de beursvennootschappen]1
Art. 573-576
Onderafdeling II. [1 Aanvullend conglomeraatstoezicht]1
Art. 577
Afdeling V. - [1 Revisoraal toezicht]1
Art. 578-580
HOOFDSTUK IV. - [1 Afwikkelingsplannen]1
Art. 581
HOOFDSTUK V. - [1 Intrekking van de vergunning]1
Art. 582
HOOFDSTUK VI. - [1 Herstelmaatregelen]1
Afdeling I. - [1 Dwingende maatregelen]1
Art. 583
Afdeling II. - [1 Uitvoering van het herstelplan]1
Art. 584
Afdeling III. - [1 Uitzonderlijke herstelmaatregelen]1
Art. 585-587
HOOFDSTUK VII. - [1 Afwikkeling van beursvennootschappen]1
Art. 588
Titel III. - [1 Beursvennootschappen naar buitenlands recht]1
HOOFDSTUK I. - [1 Inleidende bepaling]1
Art. 589
HOOFDSTUK II. - [1 Bijkantoren en werkzaamheden in het kader van het vrij verrichten van diensten in Belgiė van buitenlandse beursvennootschappen die onder het recht van een andere lidstaat ressorteren]1
Afdeling I. - [1 Toegang tot het bedrijf in Belgiė]1
Art. 590-591
Afdeling II. - [1 Bedrijfsuitoefening]1
Art. 592
Afdeling III. - [1 Periodieke informatieverstrekking en boekhoudregels]1
Art. 593
Afdeling IV. - [1 Toezicht op de bijkantoren]1
Onderafdeling I. - [1 De Bank in haar hoedanigheid van autoriteit van de lidstaat van ontvangst]1
Art. 594-596
Onderafdeling II. - [1 Significante bijkantoren]1
Art. 597
Onderafdeling III. - [1 Controle ter plaatse]1
Art. 598, 598/1
Afdeling V. - [1 Uitzonderingsmaatregelen]1
Art. 599-600
Afdeling VI. - [1 Bijkantoren en dienstverleningsactiviteiten in Belgiė van buitenlandse beursvennootschappen die niet onder Richtlijn 2014/65/EU vallen]1
Art. 601
HOOFDSTUK III. - [1 Bijkantoren in Belgiė van buitenlandse beursvennootschappen van derde landen]1
Art. 602
Afdeling I. - [1 Toegang tot het bedrijf in Belgiė]1
Art. 603
Afdeling II. - [1 Bedrijfsuitoefening]1
Art. 604-605
Afdeling III. - [1 Toezicht]1
Art. 606
Afdeling IV. - [1 Intrekking, uitzonderingsmaatregelen, sancties]1
Art. 607
Titel IV. - [1 Dwangsommen en andere dwangmaatregelen]1
Art. 608
Titel V. - [1 Sancties]1
HOOFDSTUK I. - [1 Administratieve boetes]1
Art. 609
HOOFDSTUK II. - [1 Strafrechtelijke sancties]1
Art. 610
Titel VI. - [1 Regels van het internationaal privaatrecht inzake saneringsmaatregelen en liquidatieprocedures]1
Art. 611
Titel VII. - [1 Materieelrechtelijke aspecten van liquidatieprocedures]1
Art. 612
Titel VIII. - [1 Beleggersbeschermingsregeling]1
Art. 613-617
Titel IX. - [1 Wijzigingsbepaling]1
Art. 618
Titel X. - [1 Overgangsbepalingen]1
Art. 619-622
BIJLAGEN.
Art. N1-N6.Bijlage 6

Tekst Inhoudstafel Begin
BOEK I. - TOEPASSINGSGEBIED - DEFINITIES - ALGEMENE BEPALINGEN

  TITEL I. - Toepassingsgebied

  Artikel 1.§ 1. De artikelen 242, 15° tot 19° en 296 tot 310, 378 en 379 van deze wet regelen een aangelegenheid als bedoeld in artikel 77 van de Grondwet.
  De overige bepalingen van deze wet, met inbegrip van de Bijlagen ervan, regelen een aangelegenheid als bedoeld in artikel 78 van de Grondwet.
  § 2. [1 Om het spaarderspubliek, de beleggers en de soliditeit en de goede werking van het financiėle stelsel te beschermen, regelt deze wet de vestiging en de werkzaamheden van, alsook het toezicht op in Belgiė werkzame kredietinstellingen en beleggingsondernemingen die de hoedanigheid hebben van beursvennootschap, en hun eventuele afwikkeling.
   Hiertoe bepaalt zij de toezichtsopdracht van de Nationale Bank van Belgiė, in haar hoedanigheid van nationale bevoegde autoriteit, met name in het kader van het Gemeenschappelijk Toezichtsmechanisme.
   De Boeken I tot XI en de Bijlagen I tot VI van deze wet zorgen voor de gedeeltelijke omzetting, die beperkt blijft tot de kredietinstellingen,
   -van Richtlijn 2013/36/EU;
   - van Richtlijn 2011/89/EU van het Europees Parlement en de Raad van 16 november 2011 houdende wijziging van de Richtlijnen 98/78/EG, 2002/87/EG, 2006/48/EG en 2009/138/EG betreffende het aanvullende toezicht op financiėle entiteiten in een financieel conglomeraat ("FICOD I"-richtlijn), hierna "FICOD I-richtlijn" genoemd;
   - van Richtlijn 2014/59/EU van het Europees Parlement en de Raad van 15 mei 2014 betreffende de totstandbrenging van een kader voor het herstel en de afwikkeling van kredietinstellingen en beleggingsondernemingen en tot wijziging van Richtlijn 82/891/EEG van de Raad en de Richtlijnen 2001/24/EG, 2002/47/EG, 2004/25/EG, 2005/56/EG, 2007/36/EG, 2011/35/EU, 2012/30/EU en 2013/36/EU en de Verordeningen (EU) nr. 1093/2010 en (EU) nr. 648/2012 van het Europees Parlement en de Raad, hierna "Richtlijn 2014/59/EU" genoemd;
   - van Richtlijn 2014/65/EU;
   - van Richtlijn 2014/49/EU van het Europees Parlement en de Raad van 16 april 2014 inzake de depositogarantiestelsels, hierna "Richtlijn 2014/49/EU" genoemd; evenals
   - van Richtlijn 97/9/EG van het Europees Parlement en de Raad van 3 maart 1997 inzake de beleggerscompensatiestelsels, hierna "Richtlijn 97/9/EG" genoemd.
   De Boeken I, XI en XII en de Bijlagen I, II en IV tot VI van deze wet zorgen voor de omzetting, die beperkt blijft tot de beleggingsondernemingen die de hoedanigheid hebben van beursvennootschap,
   - van Richtlijn 2013/36/EU;
   - van de FICOD I-richtlijn;
   - van Richtlijn 2014/59/EU;
   - van Richtlijn 2014/65/EU; evenals
   - van Richtlijn 97/9/EG]1.
  § 3. [1 Onder "kredietinstelling" wordt verstaan een Belgische of buitenlandse onderneming waarvan de werkzaamheden bestaan in het van het publiek in ontvangst nemen van gelddeposito's of van andere terugbetaalbare gelden en het verlenen van kredieten voor eigen rekening.
   Onder "beursvennootschap" wordt verstaan een beleggingsonderneming naar Belgisch of buitenlands recht waarvan de werkzaamheden met name bestaan in het verrichten
   a) [2 van beleggingsdiensten die bestaan in:
   - het handelen voor eigen rekening;
   - het overnemen van financiėle instrumenten en/of plaatsen van financiėle instrumenten met plaatsingsgarantie;
   - het plaatsen van financiėle instrumenten zonder plaatsingsgarantie;
   - het uitbaten van multilaterale handelsfaciliteiten; of
   - het uitbaten van georganiseerde handelsfaciliteiten; en/of]2
   b) nevendiensten die bestaan in :
   - [2 bewaring en beheer van financiėle instrumenten voor rekening van cliėnten, met inbegrip van bewaarnemingsdiensten en daarmee samenhangende diensten zoals contanten- en/of zekerhedenbeheer en met uitzondering van het centraal aanhouden van effectenrekeningen op het hoogste niveau;]2
   - het verstrekken van kredieten of leningen aan een belegger om deze in staat te stellen een transactie in één of meer financiėle instrumenten te verrichten, bij welke transactie de onderneming die het krediet of de lening verstrekt, betrokken is;
   - valutawisseldiensten voor zover deze samenhangen met het verrichten van beleggingsdiensten; of
   - diensten in verband met het overnemen van financiėle instrumenten]1.
  ----------
  (1)<W 2016-10-25/05, art. 3, 009; Inwerkingtreding : 01-12-2016>
  (2)<W 2017-11-21/08, art. 152, 014; Inwerkingtreding : 03-01-2018>

  Art. 2.Voor de toepassing van deze wet worden niet als kredietinstellingen beschouwd :
  1° de Nationale Bank van Belgiė, de Europese Centrale Bank en de naamloze vennootschap van publiek recht bpost;
  2° de ondernemingen die kapitalisatieverrichtingen uitvoeren [1 die geregeld zijn bij de wet van 13 maart 2016 op het statuut van en het toezicht op de verzekerings- of herverzekeringsondernemingen.]1
  ----------
  (1)<W 2016-03-13/07, art. 732, 006; Inwerkingtreding : 23-03-2016; zie ook art. 756>

  TITEL II. - Definities

  Art. 3.Voor de toepassing van deze wet en haar uitvoeringsbesluiten en -reglementen wordt verstaan onder :
  1° de Nationale Bank van Belgiė : de instelling bedoeld in de wet van 22 februari 1998 tot vaststelling van het organiek statuut van de Nationale Bank van Belgiė, hierna "de Bank" genoemd;
  2° GTM-verordening : Verordening (EU) nr. 1024/2013 van de Raad van 15 oktober 2013 waarbij aan de Europese Centrale Bank specifieke taken worden opgedragen betreffende het beleid op het gebied van het prudentieel toezicht op kredietinstellingen;
  3° Gemeenschappelijk Toezichtsmechanisme : het toezichtsmechanisme ingesteld bij de GTM-verordening;
  4° [7 de toezichthouder : de Bank of de Europese Centrale Bank, volgens de bevoegdheidsverdeling vastgelegd door of krachtens de GTM-verordening, voor wat betreft het toezicht op de kredietinstellingen; de Bank voor wat betreft het toezicht op de beursvennootschappen]7;
  5° deelnemende lidstaat : een lidstaat die de euro als munt heeft of een lidstaat die niet de euro als munt heeft maar die een nauwe samenwerking is aangegaan in de zin van artikel 7 van de GTM-verordening;
  6° niet-deelnemende lidstaat : een lidstaat die niet de euro als munt heeft en die geen nauwe samenwerking is aangegaan in de zin van artikel 7 van de GTM-verordening;
  7° Richtlijn 2013/36/EU : de richtlijn van het Europees Parlement en de Raad van 26 juni 2013 betreffende toegang tot het bedrijf van kredietinstellingen en het prudentieel toezicht op kredietinstellingen en beleggingsondernemingen, tot wijziging van Richtlijn 2002/87/EG en tot intrekking van de Richtlijnen 2006/48/EG en 2006/49/EG;
  8° Verordening nr. 575/2013 : Verordening (EU) nr. 575/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 26 juni 2013 betreffende prudentiėle vereisten voor kredietinstellingen en beleggingsondernemingen en tot wijziging van Verordening (EU) nr. 648/2012;
  [7 8° /1 Richtlijn 2014/65/EU : de richtlijn van het Europees Parlement en de Raad van 15 mei 2014 betreffende markten voor financiėle instrumenten en tot wijziging van Richtlijn 2002/92/EG en Richtlijn 2011/61/EU;]7
  [7 8° /2 Verordening nr. 600/2014 : Verordening (EU) nr. 600/2014 van het Europees Parlement en de Raad van 15 mei 2014 betreffende markten in financiėle instrumenten en tot wijziging van Verordening (EU) nr. 648/2012;]7
  [9 8° /3 Verordening 2017/565: Gedelegeerde Verordening (EU) 2017/565 van de Commissie van 25 april 2016 houdende aanvulling van Richtlijn 2014/65/EU van het Europees Parlement en de Raad wat betreft de door beleggingsondernemingen in acht te nemen organisatorische eisen en voorwaarden voor de bedrijfsuitoefening en wat betreft de definitie van begrippen voor de toepassing van genoemde richtlijn;]9
  [8 8° /4. Verordening nr. 537/2014: de Verordening (EU) Nr. 537/2014 van het Europees Parlement en de Raad van 16 april 2014 betreffende specifieke eisen voor de wettelijke controles van financiėle overzichten van organisaties van openbaar belang en tot intrekking van Besluit 2005/909/EG van de Commissie;]8
  [10 8° /5 Verordening nr. 648/2012 : Verordening (EU) nr. 648/2012 van het Europees Parlement en de Raad van 4 juli 2012 betreffende otc-derivaten, centrale tegenpartijen en transactieregisters;]10
  [12 8° /6 Verordening 2015/2365: Verordening (EU) 2015/2365 van het Europees Parlement en de Raad van 25 november 2015 betreffende de transparantie van effectenfinancieringstransacties en van hergebruik en tot wijziging van Verordening (EU) nr. 648/2012;]12
  [13 8° /7 Verordening nr. 2017/2402: Verordening (EU) 2017/2402 van het Europees Parlement en de Raad van 12 december 2017 tot vaststelling van een algemeen kader voor securitisatie en tot instelling van een specifiek kader voor eenvoudige, transparante en gestandaardiseerde securitisatie, en tot wijziging van de Richtlijnen 2009/65/EG, 2009/138/EG en 2011/61/EU en de Verordeningen (EG) nr. 1060/2009 en (EU) nr. 648/2012;]13
  9° lidstaat : een staat die partij is bij de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte (EER);
  10° bevoegde autoriteit : een overheidsinstantie of een instelling die met toepassing van Richtlijn 2013/36/EU [7 of Richtlijn 2014/65/EU]7 officieel erkend is door het nationaal recht van een lidstaat en die op grond van dat nationaal recht gemachtigd is toezicht uit te oefenen op kredietinstellingen en beleggingsondernemingen in het kader van het toezichtstelsel van die staat, evenals, in voorkomend geval, de Europese Centrale Bank, uit hoofde van haar bevoegdheden in het kader van het Gemeenschappelijk Toezichtsmechanisme;
  [1 10° /1 Verordening nr. 806/2014 : Verordening (EU) nr. 806/2014 van het Europees Parlement en de Raad van 15 juli 2014 tot vaststelling van eenvormige regels en een eenvormige procedure voor de afwikkeling van kredietinstellingen en bepaalde beleggingsondernemingen in het kader van een gemeenschappelijk afwikkelingsmechanisme en een gemeenschappelijk afwikkelingsfonds en tot wijziging van Verordening (EU) nr. 1093/2010;]1
  [1 10° /2 gemeenschappelijke afwikkelingsraad : de raad opgericht bij artikel 42 van Verordening nr. 806/2014;]1
  11° derde land : een staat die geen partij is bij de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte;
  12° autoriteit van een derde land : een autoriteit die belast is met het toezicht op [7 de kredietinstellingen of de beleggingsondernemingen]7 in een derde land;
  13° consoliderende toezichthouder : de bevoegde autoriteit die belast is met het toezicht op geconsolideerde basis op EER-moederkredietinstellingen en op kredietinstellingen die onder de controle staan van een financiėle EER-moederholding of van een gemengde financiėle EER-moederholding;
  14° Verordening nr. 1093/2010 : Verordening nr. 1093/2010 van het Europees Parlement en de Raad van 24 november 2010 tot oprichting van een Europese toezichthoudende autoriteit (Europese Bankautoriteit), tot wijziging van Besluit nr. 716/2009/EG en tot intrekking van Besluit 2009/78/EG van de Commissie;
  15° Europese Bankautoriteit : de Europese Bankautoriteit opgericht bij Verordening nr. 1093/2010, hierna ook de "EBA" genoemd;
  16° Verordening nr. 1092/2010 : Verordening (EU) nr. 1092/2010 van het Europees Parlement en de Raad van 24 november 2010 betreffende macroprudentieel toezicht van de Europese Unie op het financiėle stelsel en tot oprichting van een Europees Comité voor systeemrisico's;
  17° ESRB : het Europees Comité voor Systeemrisico's opgericht bij Verordening (EU) nr. 1092/2010;
  18° stabiliteit van het financiėle stelsel : situatie waarin de kans op discontinuļteit of verstoring van de werking van het financiėle stelsel gering is of, indien zich dergelijke verstoringen zouden voordoen, waarin de gevolgen voor de economie beperkt zouden zijn;
  19° Europese Autoriteit voor Effecten en Markten : de Europese Autoriteit voor Effecten en Markten opgericht bij Verordening nr. 1095/2010 van het Europees Parlement en de Raad van 24 november 2010 tot oprichting van een Europese toezichthoudende autoriteit (Europese Autoriteit voor effecten en markten), tot wijziging van Besluit nr. 716/2009/EG en tot intrekking van Besluit 2009/77/EG van de Commissie;
  20° wet van 2 augustus 2002 : de wet van 2 augustus 2002 betreffende het toezicht op de financiėle sector en de financiėle diensten;
  [9 20° /1 wet van 21 november 2017 : de wet van 21 november 2017 over de infrastructuren voor de markten voor financiėle instrumenten en houdende omzetting van Richtlijn 2014/65/EU;]9
  [13 20° /2 wet van 11 maart 2018: de wet van 11 maart 2018 betreffende het statuut van en het toezicht op de betalingsinstellingen en de instellingen voor elektronisch geld, de toegang tot het bedrijf van betalingsdienstaanbieder en tot de activiteit van uitgifte van elektronisch geld, en de toegang tot betalingssystemen;]13
  21° de Autoriteit voor Financiėle Diensten en Markten : de instelling bedoeld in artikel 44 van de wet van 2 augustus 2002, hierna "de FSMA" genoemd;
  22° [5 Garantiefonds, het Garantiefonds voor financiėle diensten opgericht bij artikel 3 van het koninklijk besluit van 14 november 2008 tot uitvoering van de crisismaatregelen voorzien in de wet van 22 februari 1998 tot vaststelling van het organiek statuut van de Nationale Bank van Belgiė, voor wat betreft de oprichting van het Garantiefonds voor financiėle diensten;]5
  23° wet van 22 februari 1998 : de wet van 22 februari 1998 tot vaststelling van het organiek statuut van de Nationale Bank van Belgiė;
  24° wet van 6 april 1995 : de wet van 6 april 1995 inzake het statuut van en het toezicht op de beleggingsondernemingen;
  [7 24° /1 wet van 25 oktober 2016 : de wet van 25 oktober 2016 betreffende de toegang tot het beleggingsdienstenbedrijf en betreffende het statuut van en het toezicht op de vennootschappen voor vermogensbeheer en beleggingsadvies;]7
  25° financiėle instrumenten : de instrumenten bedoeld in artikel 2, eerste lid, 1° van de wet van 2 augustus 2002;
  [7 25° /1 verbonden agent : een verbonden agent in de zin van artikel 2, 25° van de wet van 25 oktober 2016;]7
  26° [4 de begrippen controle, deelneming, deelnemingsverhouding, moederonderneming, dochteronderneming, consortium en verbonden onderneming: de omschrijving die hiervan wordt gegeven in de uitvoeringsbesluiten van artikel 106, § 1, van deze wet;]4
  27° nauwe banden :
  a) een situatie waarin een deelnemingsverhouding bestaat of
  b) een situatie waarin ondernemingen verbonden ondernemingen zijn of
  c) een band van dezelfde aard als bedoeld in bovenstaande litterae a) en b) tussen een natuurlijke persoon en een rechtspersoon;
  [1 27° /1 verbonden personen : echtgenoten, partners die volgens hun nationaal recht als gelijkwaardig met een echtgenoot of echtgenote worden aangemerkt en bloedverwanten in de eerste graad;]1
  28° gekwalificeerde deelneming : het recht-streeks of onrechtstreeks bezit van ten minste 10 pct. van het kapitaal van een vennootschap of van de stemrechten die zijn verbonden aan de door deze vennootschap uitgegeven effecten, dan wel elke andere mogelijkheid om een invloed van betekenis uit te oefenen op het beleid van de vennootschap waarin wordt deelgenomen; de stemrechten worden berekend conform de bepalingen van de wet van 2 mei 2007 op de openbaarmaking van belangrijke deelnemingen, alsook conform de bepalingen van haar uitvoeringsbesluiten; er wordt geen rekening gehouden met stemrechten of aandelen die worden gehouden als gevolg van het vast overnemen van financiėle instrumenten en/of het plaatsen van financiėle instrumenten met plaatsingsgarantie, tenzij die rechten worden uitgeoefend of anderszins worden gebruikt om inspraak uit te oefenen in het bestuur van de uitgevende instelling, en mits ze binnen één jaar na hun verwerving worden overgedragen;
  29° systeemrelevante kredietinstelling : een [2 instelling]2 als bedoeld in artikel 12 van Bijlage IV bij deze wet;
  30° significante kredietinstelling : een kredietinstelling die voldoet aan een van de volgende voorwaarden :
  a) een systeemrelevante kredietinstelling;
  b) een kredietinstelling met een balanstotaal van meer dan 3 miljard euro.
  De toezichthouder kan beslissen dat een kredietinstelling die voldoet aan de voorwaarde bedoeld in de bepaling onder b) niet als significante kredietinstelling kan worden aangemerkt wegens haar omvang, haar interne organisatie en de aard, de omvang, de complexiteit en het grensoverschrijdende karakter van haar werkzaamheden;
  31° [4 verzekeringsonderneming: een onderneming als bedoeld in artikel 5, eerste lid, 1°, van de wet van 13 maart 2016 op het statuut van en het toezicht op de verzekerings- of herverzekeringsondernemingen;]4
  32° [4 herverzekeringsonderneming: een onderneming als bedoeld in artikel 5, eerste lid, 2°, van de wet van 13 maart 2016 op het statuut van en het toezicht op de verzekerings- of herverzekeringsondernemingen;]4
  33° [7 beleggingsonderneming : een beleggings-onderneming in de zin van artikel 3, § 1 van de wet van 25 oktober 2016]7;
  34° collectieve beleggingsonderneming : een collectieve beleggingsonderneming in de zin van artikel 3, 1° van de wet van 3 augustus 2012 betreffende de instellingen voor collectieve belegging die voldoen aan de voorwaarden van Richtlijn 2009/65/EG en de instellingen voor belegging in schuldvorderingen;
  35° beheervennootschap van instellingen voor collectieve belegging : een beheervennootschap van instellingen voor collectieve belegging in de zin van artikel 3, 12° van de wet van 3 augustus 2012 betreffende de instellingen voor collectieve belegging die voldoen aan de voorwaarden van Richtlijn 2009/65/EG en de instellingen voor belegging in schuldvorderingen;
  36° alternatieve instellingen voor collectieve belegging of "AICB's" : instellingen voor collectieve belegging, met inbegrip van hun beleggingscompartimenten,
  a) die bij een aantal beleggers kapitaal aantrekken om het te beleggen overeenkomstig een welomschreven beleggingsbeleid, in het belang van deze beleggers; en
  b) die niet voldoen aan de voorwaarden van Richtlijn 2009/65/EG van het Europees Parlement en de Raad van 13 juli 2009 tot coördinatie van de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen betreffende bepaalde instellingen voor collectieve belegging in effecten (icbe's);
  37° beheerder van alternatieve instellingen voor collectieve belegging : een beheerder van alternatieve instellingen voor collectieve belegging in de zin van artikel 3, 13° van de wet van 19 april 2014 betreffende alternatieve instellingen voor collectieve belegging en hun beheerders, hierna ook "AICB-beheerder" genoemd;
  38° [7 financiėle holding : een financiėle instelling waarvan de dochterondernemingen uitsluitend of hoofdzakelijk één of meer kredietinstellingen, beursvennootschappen of financiėle instellingen zijn, waarbij ten minste een van die dochterondernemingen een kredietinstelling of een beursvennootschap is, en die geen gemengde financiėle holding is]7;
  39° gemengde financiėle holding : een moederonderneming die geen gereglementeerde onderneming is en die aan het hoofd staat van een financieel conglomeraat;
  40° gemengde holding : een moederonderneming die geen kredietinstelling, financiėle holding of gemengde financiėle holding is en die onder haar dochterondernemingen ten minste één kredietinstelling telt;
  41° [7 financiėle instelling : een onderneming die geen kredietinstelling of beursvennootschap is en waarvan de hoofdbedrijvigheid bestaat in het verwerven van deelnemingen of het verrichten van een of meer van de werkzaamheden bedoeld in de punten 2 tot 12 en 15 van de lijst in artikel 4]7;
  42° gereglementeerde onderneming : een kredietinstelling, een verzekeringsonderneming, een herverzekeringsonderneming, een beleggingsonderneming, een beheervennootschap van instellingen voor collectieve belegging of een beheerder van alternatieve instellingen voor collectieve belegging;
  43° [4 verzekeringsholding: een verzekeringsholding in de zin van artikel 338, 5°, van de wet van 13 maart 2016 op het statuut van en het toezicht op de verzekerings- of herverzekeringsondernemingen;]4
  44° [4 gemengde verzekeringsholding: een gemengde verzekeringsholding in de zin van artikel 338, 6°, van de wet van 13 maart 2016 op het statuut van en het toezicht op de verzekerings- of herverzekeringsondernemingen;]4
  45° uitvoerend lid van het wettelijk bestuursorgaan : een lid van het wettelijk bestuursorgaan dat deelneemt aan de effectieve leiding van de instelling; onder meer de volgende personen zijn uitvoerende leden : het lid van het wettelijk bestuursorgaan dat lid is van het directiecomité of aan wie het dagelijks bestuur is opgedragen in de zin van artikel 525 van het Wetboek van Vennootschappen;
  46° [7 kritieke functies : de werkzaamheden, diensten of verrichtingen van een kredietinstelling of een beursvennootschap waarvan het waarschijnlijk is dat de onderbreking tot een verstoring leidt, in Belgiė of in een of meer andere lidstaten, van diensten die essentieel zijn voor de reėle economie, of de financiėle stabiliteit verstoort, wegens de omvang, het marktaandeel, de verwevenheid met entiteiten binnen en buiten de groep, de complexiteit of de grensoverschrijdende werkzaamheden van de kredietinstelling of de beursvennootschap of de groep waarvan zij deel uitmaakt, met bijzondere aandacht voor de vervangbaarheid van die werkzaamheden, diensten of verrichtingen]7;
  47° onafhankelijke controlefuncties : de interneauditfunctie, de compliancefunctie of de risicobeheerfunctie als bedoeld in artikel 35;
  48° reglementaire eigenvermogensvereisten : de eigenvermogensvereisten die vastgesteld zijn in artikel 92 van Verordening nr. 575/2013;
  49° tier 1-kernkapitaal, aanvullend-tier 1-kapitaal en tier 2-kapitaal : de reglementaire eigenvermogensbestanddelen die respectievelijk zijn vastgesteld in Deel 2, Titel I, Hoofdstukken 2, 3 en 4 van Verordening nr. 575/2013;
  [3 49/1° Richtlijn 2014/59/EU : de richtlijn van het Europees Parlement en de Raad van 15 mei 2014 betreffende de totstandbrenging van een kader voor het herstel en de afwikkeling van kredietinstellingen en beleggingsondernemingen en tot wijziging van Richtlijn 82/891/EEG van de Raad en de Richtlijnen 2001/24/EG, 2002/47/EG, 2004/25/EG, 2005/56/EG, 2007/36/EG, 2011/35/EU, 2012/30/EU en 2013/36/EU en de Verordeningen (EU) nr. 1093/2010 en (EU) nr. 648/2012, van het Europees Parlement en de Raad;]3
  50° [7 herstelplan : een plan dat door een kredietinstelling of een beursvennootschap wordt opgesteld overeenkomstig artikel 108 of artikel 557, voor zover dit artikel 108 van toepassing verklaart op de in artikel 499, § 2 bedoelde beursvennootschappen]7;
  [3 50/1° groepsherstelplan : een plan dat is opgesteld overeenkomstig artikel 425 of een plan bedoeld in artikel 7 van Richtlijn 2014/59/EU dat is opgesteld door een EER-moederonderneming;]3
  51° [7 afwikkelingsplan : een plan dat door de afwikkelingsautoriteit wordt opgesteld voor een kredietinstelling of een beursvennootschap overeenkomstig artikel 226 of artikel 581, voor zover dit artikel 226 van toepassing verklaart op de in artikel 499, § 2 bedoelde beursvennootschappen]7;
  [3 51/1° groepsafwikkelingsplan : een plan dat overeenkomstig artikel 439 wordt opgesteld of een plan in de zin van artikel 12 van Richtlijn 2014/59/EU dat wordt opgesteld door een buitenlandse afwikkelingsautoriteit;]3
  52° [1 afwikkelingsautoriteit : de Bank of de gemeenschappelijke afwikkelingsraad, volgens de bevoegdheidsverdeling vastgelegd door of krachtens Verordening (EU) nr. 806/2014 van het Europees Parlement en de Raad van 15 juli 2014 tot vaststelling van eenvormige regels en een eenvormige procedure voor de afwikkeling van kredietinstellingen en bepaalde beleggingsondernemingen in het kader van een gemeenschappelijk afwikkelingsmechanisme en een gemeenschappelijk afwikkelingsfonds en tot wijziging van Verordening (EU) nr. 1093/2010;]1
  [3 52/1° buitenlandse afwikkelingsautoriteit : een overheidsinstantie of een instelling die met toepassing van artikel 3 van Richtlijn 2014/59/EU officieel erkend is door het nationaal recht van een andere lidstaat en gemachtigd om afwikkelingsinstrumenten toe te passen en de afwikkelingsbevoegdheden uit te oefenen, evenals, in voorkomend geval, de gemeenschappelijke afwikkelingsraad, volgens de bevoegdheidsverdeling vastgelegd door of krachtens Verordening nr. 806/2014;]3
  [3 52/2° afwikkelingsautoriteit van een derde land : een autoriteit die in een derde land verantwoordelijk is voor de toepassing van instrumenten of de uitoefening van bevoegdheden die vergelijkbaar zijn met de afwikkelingsinstrumenten en afwikkelingsbevoegdheden bedoeld in deze wet;]3
  53° [3 afwikkelbaarheid : de mogelijkheid voor een afwikkelingsautoriteit om een kredietinstelling, [7 een beursvennootschap,]7 een groep als bedoeld in artikel 423, 12° of een entiteit als bedoeld in artikel 424 af te wikkelen;]3
  54° afwikkelingsinstrument : het instrument van verkoop van de onderneming, het instrument van de overbruggingsinstelling of het instrument van afsplitsing van activa, naargelang het geval;
  55° afwikkeling : de toepassing van een afwikkelingsinstrument om een of meer van de in artikel 243 bepaalde doelstellingen te verwezenlijken;
  [6 55/1° Afwikkelingsfonds : het fonds voor de afwikkeling als bedoeld in artikel 2 van de wet van 28 december 2011 op het Afwikkelingsfonds;]6
  56° saneringsmaatregelen : de maatregelen die bestemd zijn om de financiėle positie van een kredietinstelling [7 of een beursvennootschap]7 in stand te houden of te herstellen en van dien aard zijn dat zij de bestaande rechten van derden kunnen aantasten. Voor de in Boek II bedoelde kredietinstellingen [7 en voor de in Boek XII, Titel II bedoelde beursvennootschappen]7 bestaan deze maatregelen in :
  a) de afwikkelingsinstrumenten en de desbetreffende afwikkelingsbevoegdheden als bedoeld in Boek II, Titel VIII;
  b) de in artikel 236, § 1, 1° bedoelde aanstelling van een speciaal commissaris;
  c) de schorsing of het verbod tot uitoefening van alle of een deel van de werkzaamheden, als bedoeld in artikel 236, § 1, 4° ;
  57° saneringsautoriteiten : de administratieve of rechterlijke autoriteiten die bevoegd zijn op het vlak van saneringsmaatregelen. Voor de in Boek II bedoelde kredietinstellingen [7 en voor de in Boek XII, Titel II bedoelde beursvennootschappen]7 zijn dit de afwikkelingsautoriteit en de toezichthouder wat hun respectieve bevoegdheid inzake saneringsmaatregelen betreft;
  58° saneringscommissaris : elke persoon of elk orgaan aangesteld door een saneringsautoriteit om saneringsmaatregelen te beheren;
  59° liquidatieprocedure : een collectieve procedure die door administratieve of rechterlijke autoriteiten wordt ingeleid en gecontroleerd teneinde de activa van een kredietinstelling [7 of een beursvennootschap]7 onder toezicht van deze autoriteiten te gelde te maken. Voor de in Boek II bedoelde kredietinstellingen [7 en voor de in Boek XII, Titel II bedoelde beursvennootschappen]7 stemt een dergelijke procedure overeen met een faillissement als geregeld bij [13 Boek XX van het Wetboek van economisch recht]13;
  60° vereffening : de tegeldemaking van de activa van een kredietinstelling [7 of een beursvennootschap]7 volgens een liquidatieprocedure;
  61° liquidatieautoriteiten : de administratieve of rechterlijke autoriteiten die bevoegd zijn op het vlak van liquidatieprocedures. Voor de in Boek II bedoelde kredietinstellingen [7 en voor de in Boek XII, Titel II bedoelde beursvennootschappen]7 is dit [13 de insolventierechtbank]13 wat haar bevoegdheid op het gebied van faillissementen betreft;
  62° liquidateur : elke persoon of elk orgaan, waaronder de curator, aangesteld door een liquidatieautoriteit om liquidatieprocedures te beheren;
  63° strategische beslissing : een beslissing die een zeker belang heeft en daardoor een globalere impact kan hebben op de instelling, in de mate dat zij gevolgen heeft voor verschillende functies van de [7 instelling]7, en die betrekking heeft op elke investering, desinvestering, deelneming of strategische samenwerkingsrelatie van de instelling, met name een beslissing tot aankoop of oprichting van een andere instelling, tot oprichting van een joint venture, tot vestiging in een andere staat, tot het sluiten van een samenwerkingsovereenkomst, tot het inbrengen of het kopen van een bedrijfstak, tot het aangaan van een fusie of een splitsing. Bij reglement vastgesteld met toepassing van artikel 12bis, § 2 van de wet van 22 februari 1998 kan de toezichthouder nader bepalen welke beslissingen als strategisch moeten worden beschouwd in de zin van deze bepaling, met name rekening houdend met het risicoprofiel en de aard van de werkzaamheden van de instellingen. Hij maakt deze nadere bepalingen openbaar;
  64° bijkantoor : een bedrijfszetel die een deel zonder rechtspersoonlijkheid vormt en rechtstreeks, geheel of gedeeltelijk, handelingen verricht die specifiek zijn voor de werkzaamheden van een kredietinstelling [7 of voor de toegelaten werkzaamheden van een beursvennootschap]7; verschillende bedrijfszetels in eenzelfde staat van een instelling [7 of een vennootschap]7 met maatschappelijke zetel in een andere staat worden beschouwd als één enkel bijkantoor;
  65° significant bijkantoor : een bijkantoor dat overeenkomstig artikel 51, lid 1 van Richtlijn 2013/36/EU in een lidstaat als significant wordt aangemerkt;
  66° [9 systematische internaliseerder: een kredietinstelling of beursvennootschap die de activiteit als omschreven in artikel 3, 29°, van de wet van 21 november 2017 uitoefent;]9
  67° uitzonderlijke overheidssteun : elke staatssteun in de zin van artikel 107, lid 1 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, die aan een kredietinstelling [7 of een beursvennootschap]7 wordt verstrekt om de levensvatbaarheid, liquiditeit of solvabiliteit van deze kredietinstelling [7 of deze beursvennootschap]7 te vrijwaren of te herstellen;
  68° gewaarborgde deposito's : de deposito's [5 , waaronder de op naam gestelde kasbonnen en de gedematerialiseerde en op nominatieve rekeningen geregistreerde kasbonnen,]5 die gedekt zijn door de Belgische depositobeschermingsregeling bedoeld in artikel 380, ten belope van het niveau van dekking bepaald in artikel 382;
  69° in aanmerking komende deposito's : de deposito's [5 , waaronder de op naam gestelde kasbon-nen en de gedematerialiseerde en op nominatieve rekeningen geregistreerde kasbonnen,]5 die niet op grond van de toepasselijke Europese richtlijn omwille van hun aard of de hoedanigheid van de deposant zijn uitgesloten van terugbetaling door een depositogarantiestelsel;
  70° werkdag : een dag die noch een zaterdag, noch een zondag, en noch een wettelijke feestdag is;
  [7 71° beleggingsdiensten en -activiteiten : de diensten en activiteiten bedoeld in artikel 2, 1° van de wet van 25 oktober 2016;]7
  [7 72° nevendiensten : de nevendiensten als omschreven in artikel 2, 2° van de wet van 25 oktober 2016;]7
  [7 73° handelen voor eigen rekening : met eigen kapitaal handelen in één of meer financiėle instrumenten, hetgeen resulteert in het uitvoeren van transacties;]7
  [7 74° multilaterale handelsfaciliteit (Multilateral trading facility - MTF) : een door een beursvennootschap, een kredietinstelling of een marktonderneming geėxploiteerd multilateraal systeem dat verschillende koop- en verkoopintenties van derden met betrekking tot financiėle instrumenten - binnen dit systeem en volgens niet-discretionaire regels - samenbrengt op zodanige wijze dat er een overeenkomst uit voortvloeit [9 overeenkomstig het bepaalde in Hoofdstuk II van Titel II van de wet van 21 november 2017]9;]7
  [9 74° /1 georganiseerde handelsfaciliteit (organised trading facility - OTF): een multilateraal systeem, anders dan een gereglementeerde markt of een MTF, waarin meerdere koop- en verkoopintenties van derden met betrekking tot obligaties, gestructureerde financiėle producten, emissierechten en derivaten op zodanige wijze met elkaar kunnen interageren dat er een overeenkomst uit voortvloeit overeenkomstig de bepalingen van Hoofdstuk II van Titel II van de wet van 21 november 2017;]9
  [7 75° derde bemiddelaar : een bemiddelaar als bedoeld in artikel 65/1, waarbij een kredietinstelling of een beursvennootschap tegoeden van cliėnten deponeert;]7
  [7 76° financieel instrument : een financieel instrument als bedoeld in artikel 2, eerste lid, 1° van de wet van 2 augustus 2002;]7
  [9 77° gereglementeerde markt: een gereglementeerde markt in de zin van artikel 3, 7°, van de wet van 21 november 2017;";
   78° algoritmische handel: de algoritmische handel in de zin van artikel 2, 59°, van de wet van 25 oktober 2016;
   79° directe elektronische toegang: de directe elektronische toegang in de zin van artikel 2, 61°, van de wet van 25 oktober 2016;
   80° gestructureerde deposito: een deposito in de zin van artikel 2, 62°, van de wet van 25 oktober 2016]9.
  [11 81° financiėle contracten : de volgende contracten en overeenkomsten :
   a) effectencontracten, met inbegrip van :
   1° contracten voor de aankoop, verkoop of lening van een effect of een groep of index van effecten;
   2° opties op een effect of een groep of index van effecten;
   3° retrocessie- of omgekeerde retrocessietransacties met betrekking tot een dergelijk effect of een dergelijke groep of index;
   b) grondstoffencontracten, met inbegrip van :
   1° contracten voor de aankoop, verkoop of lening van een grondstof of een groep of index van grondstoffen voor de levering ervan in de toekomst;
   2° opties op een grondstof of een groep of index van grondstoffen;
   3° retrocessie- of omgekeerde retrocessietransacties met betrekking tot een dergelijke grondstof, groep of index;
   c) future- en termijncontracten, met inbegrip van contracten (die geen grondstoffencontracten zijn) voor de aankoop, verkoop of overdracht van een grondstof of eigendom van enigerlei andere aard, dienst, recht of belang tegen een vastgestelde prijs op een tijdstip in de toekomst;
   d) swapovereenkomsten, met inbegrip van
   1° swaps en opties met betrekking tot rentetarieven, spot- of andere overeenkomsten met betrekking tot wisselkoersen, valuta's, een aandelenindex of aandelen, een schuldindex of schuld, grondstoffenindexen of grondstoffen, weer, emissies of inflatie;
   2° totale opbrengsten-, kredietspreidings- of kredietswaps;
   3° overeenkomsten of transacties die vergelijkbaar zijn met een in 1° of 2° bedoelde overeenkomst die herhaaldelijk op de swaps- of derivatenmarkten wordt verhandeld;
   e) interbancaire leningsovereenkomsten indien de leningstermijn ten hoogste drie maanden bedraagt;
   f) raamovereenkomsten met betrekking tot de onder a) tot en met e) bedoelde contracten of overeenkomsten;]11
  [13 82° insolventierechtbank: de insolventierechtbank als bedoeld in artikel I.22, 4°, van het Wetboek van economisch recht.]13
  ----------
  (1)<W 2015-12-18/17, art. 2, 004; Inwerkingtreding : 08-01-2016>
  (2)<W 2015-12-18/17, art. 3, 004; Inwerkingtreding : 08-01-2016>
  (3)<KB 2015-12-26/07, art. 2, 005; Inwerkingtreding : 01-01-2016>
  (4)<W 2016-03-13/07, art. 733, 006; Inwerkingtreding : 23-03-2016; zie ook art. 756>
  (5)<W 2016-04-22/02, art. 3, 007; Inwerkingtreding : 12-05-2016>
  (6)<W 2016-06-27/09, art. 4, 008; Inwerkingtreding : 16-07-2016>
  (7)<W 2016-10-25/05, art. 4, 009; Inwerkingtreding : 01-12-2016>
  (8)<W 2016-12-07/02, art. 132, 010; Inwerkingtreding : 31-12-2016>
  (9)<W 2017-11-21/08, art. 153, 014; Inwerkingtreding : 03-01-2018>
  (10)<W 2017-12-05/04, art. 29, 015; Inwerkingtreding : 28-12-2017>
  (11)<W 2017-12-05/04, art. 62, 015; Inwerkingtreding : 28-12-2017>
  (12)<W 2018-07-30/10, art. 89, 017; Inwerkingtreding : 20-08-2018>
  (13)<W 2019-05-02/25, art. 25, 019; Inwerkingtreding : 31-05-2019>

  Art. 4.De volgende werkzaamheden komen in aanmerking voor wederzijdse erkenning zoals geregeld bij de artikelen 86, 90 en 92 en Boek III, Titel I :
  1) In ontvangst nemen van deposito's of andere terugbetaalbare gelden;
  2) Verstrekken van leningen, inclusief consumentenkrediet, hypothecair krediet, factoring met of zonder verhaal en financiering van handelstransacties (inclusief forfaitering);
  3) Leasing;
  4) Betalingsdiensten [2 in de zin van artikel 2, 1°, van de wet van 11 maart 2018 [3 ...]3]2;
  5) Uitgifte en beheer van andere betaalmiddelen (bijvoorbeeld reischeques en kredietbrieven), voor zover deze werkzaamheid niet valt onder punt 4);
  6) Verlenen van garanties en stellen van borgtochten;
  7) Transacties voor eigen rekening van de instelling of voor rekening van cliėnten met betrekking tot :
  a) geldmarktinstrumenten (cheques, wissels, depositobewijzen, enz.)
  b) valuta's
  c) financiėle futures en opties
  d) swaps en soortgelijke financieringsinstrumenten
  e) effecten;
  8) Deelnemingen aan effectenemissies en dienstverrichtingen in verband daarmee;
  9) Advisering aan ondernemingen inzake kapitaalstructuur, bedrijfsstrategie en daarmee samenhangende aangelegenheden, alsmede advisering en dienstverrichtingen op het gebied van fusie en overname van ondernemingen;
  10) Bemiddeling op de interbankenmarkten;
  11) Vermogensbeheer of -advisering;
  12) Bewaarneming en beheer van effecten;
  13) Commerciėle inlichtingen;
  14) Verhuur van safes;
  15) Uitgifte van elektronisch geld.
  Wanneer in het eerste lid wordt verwezen naar de financiėle instrumenten, vallen [1 de diensten en activiteiten vermeld in artikel 2, 1° en 2° van de wet van 25 oktober 2016]1 onder de regeling voor wederzijdse erkenning van deze wet.
  ----------
  (1)<W 2016-10-25/05, art. 5, 009; Inwerkingtreding : 01-12-2016>
  (2)<W 2018-03-11/07, art. 245, 016; Inwerkingtreding : 26-03-2018>
  (3)<W 2019-05-02/25, art. 26, 019; Inwerkingtreding : 31-05-2019>

  TITEL III. - Gereserveerde namen

  HOOFDSTUK I. - Benaming van de kredietinstellingen

  Art. 5.In Belgiė mogen alleen de volgende instellingen publiekelijk gebruik maken van de termen "kredietinstelling", "bank", "bancair", "spaarbank", "spaarkas" of "effectenbank" of meer in het algemeen van de termen die verwijzen naar het statuut van kredietinstelling, inzonderheid in hun naam, in de opgave van hun doel, in hun effecten, waarden, stukken of reclame :
  1° de in Belgiė gevestigde kredietinstellingen;
  2° de in Belgiė overeenkomstig artikel 313 werkzame kredietinstellingen die onder een andere lidstaat ressorteren;
  3° de vertegenwoordigingskantoren als bedoeld in artikel 341;
  4° de kredietinstellingen die onder een derde land ressorteren en die, zonder in Belgiė te zijn gevestigd, aldaar beleggingsdiensten leveren [1 op grond van de wet van 25 oktober 2016 en haar uitvoeringsbesluiten]1.
  Evenwel,
  1° geldt het eerste lid, wat de termen "bank" en "bancair" betreft, niet voor de Nationale Bank van Belgiė, de Europese Centrale Bank en de bankinstellingen naar internationaal publiek recht waarbij een of meer lidstaten zijn aangesloten;
  2° geldt het eerste lid, wat de termen "kredietinstelling", "bank", "spaarbank", "spaarkas" en "effectenbank" betreft, niet voor kredietinstellingen die onder een buitenlands recht ressorteren en die in Belgiė geen bankverrichtingen mogen uitvoeren en die openbaar beleggingsinstrumenten aanbieden of die verzoeken om belegginginstrumenten toe te laten tot de verhandeling op een gereglementeerde markt in de zin van [2 de wet van 11 juli 2018]2 op de openbare aanbieding van beleggingsinstrumenten en de toelating van beleggingsinstrumenten tot de verhandeling op een gereglementeerde markt, voor wat de voornoemde openbare aanbiedingen of verzoeken tot toelating van beleggingsinstrumenten betreft;
  3° mogen de financiėle holdings evenzeer gebruik maken van de term "bank" in de uitdrukking "bankholding" of in soortgelijke uitdrukkingen, en mogen ook de gemengde financiėle holdings van de term "bank" gebruik maken in de uitdrukking "bankverzekeringsholding" of in soortgelijke uitdrukkingen.
  Bij gevaar voor verwarring kan de Bank van kredietinstellingen die onder een buitenlands recht ressorteren en die gerechtigd zijn om in Belgiė de in het eerste lid bedoelde termen te gebruiken, eisen dat er aan hun naam een verklarende vermelding wordt toegevoegd.
  ----------
  (1)<W 2016-10-25/05, art. 6, 009; Inwerkingtreding : 01-12-2016>
  (2)<W 2018-07-11/06, art. 87, 020; Inwerkingtreding : 21-07-2019>

  HOOFDSTUK II. - Kredietinstellingen die covered bonds mogen uitgeven

  Art. 6. § 1. De termen "Belgische covered bond" en "covered bond belge" mogen enkel worden gebruikt voor effecten die uitgegeven zijn overeenkomstig de bepalingen van Boek II, Titel II, Hoofdstuk 4, Afdeling 3.
  § 2. De termen "Belgische pandbrief" en "lettre de gage belge" mogen enkel worden gebruikt voor effecten die voldoen aan de voorwaarden die vastgesteld zijn op grond van artikel 2, § 1 van Bijlage III.

  BOEK II. - KREDIETINSTELLINGEN NAAR BELGISCH RECHT

  TITEL I. - Toegang tot het bedrijf

  HOOFDSTUK I. - Vergunning

  Afdeling I. - Vergunningsplicht

  Art. 7. Iedere kredietinstelling naar Belgisch recht die haar werkzaamheden in Belgiė wenst uit te oefenen, moet, vooraleer deze aan te vatten een vergunning verkrijgen, ongeacht waar elders zij haar werkzaamheden uitoefent.

  Afdeling II. - Procedure

  Art. 8. Bij de vergunningsaanvraag die aan de Bank wordt voorgelegd, wordt een administratief dossier gevoegd dat beantwoordt aan de door de toezichthouder gestelde voorwaarden en waarin met name het programma van werkzaamheden is opgenomen, in het bijzonder de aard en de omvang van de voorgenomen verrichtingen alsook de organisatiestructuur van de instelling en de nauwe banden die zij heeft met andere personen. De aanvragers moeten alle inlichtingen verstrekken die nodig zijn om hun aanvraag te kunnen beoordelen.
  Bij het bepalen van de in het eerste lid bedoelde voorwaarden houdt de toezichthouder rekening met de voorwaarden die de FSMA stelt aangaande de organisatie en de procedures waarop zij overeenkomstig artikel 45, § 1, eerste lid, 3°, en § 2 van de wet van 2 augustus 2002 toezicht houdt.

  Art. 9.De aanvrager stelt de Bank tevens in kennis van de identiteit van de natuurlijke of rechtspersonen die, alleen of in onderling overleg handelend, rechtstreeks of onrechtstreeks, een al dan niet stemrechtverlenende gekwalificeerde deelneming bezitten in het kapitaal van de kredietinstelling. De kennisgeving moet vermelden welke kapitaalfracties en hoeveel stemrechten deze personen bezitten. [1 ...]1.
  [1 Bij gebreke van gekwalificeerde deelnemingen heeft de in het eerste lid bedoelde kennisgeving betrekking op de identiteit van de twintig grootste aandeelhouders en hun kapitaalfractie.]1
  ----------
  (1)<W 2016-03-13/07, art. 734, 006; Inwerkingtreding : 23-03-2016>

  Art. 10. De Bank raadpleegt de FSMA vooraleer te beslissen over een vergunningsaanvraag die uitgaat van een instelling die hetzij de dochteronderneming is van een vennootschap voor vermogensbeheer en beleggingsadvies, van een AICB-beheerder of van een beheervennootschap van instellingen voor collectieve belegging naar Belgisch recht, hetzij de dochteronderneming van de moederonderneming van een vennootschap voor vermogensbeheer en beleggingsadvies, van een AICB-beheerder of van een beheervennootschap van instellingen voor collectieve belegging naar Belgisch recht, hetzij onder de controle staat van dezelfde natuurlijke of rechtspersonen als deze die de controle hebben over een vennootschap voor vermogensbeheer en beleggingsadvies, een AICB-beheerder of een beheervennootschap van instellingen voor collectieve belegging naar Belgisch recht.
  Wanneer de vergunningsaanvraag uitgaat van een instelling die hetzij de dochteronderneming is van een andere kredietinstelling, van een verzekeringsonderneming, een herverzekerings-onderneming, een beleggingsonderneming, een AICB-beheerder of een beheervennootschap van instellingen voor collectieve belegging, met vergunning of toelating overeenkomstig het recht van een andere lidstaat, hetzij de dochteronderneming van de moederonderneming van een andere kredietinstelling, van een verzekeringsonderneming, een herverzekerings-onderneming, een beleggingsonderneming, een AICB-beheerder of een beheervennootschap van instellingen voor collectieve belegging, met vergunning of toelating overeenkomstig het recht van een andere lidstaat, hetzij onder de controle staat van dezelfde natuurlijke of rechtspersonen als deze die de controle hebben over een andere kredietinstelling, een verzekeringsonderneming, een herverzekeringsonderneming, een beleggingsonderneming, een AICB-beheerder of een beheervennootschap van instellingen voor collectieve belegging, met vergunning of toelating overeenkomstig het recht van een andere lidstaat, raadpleegt de Bank, vooraleer te beslissen over de aanvraag, de bevoegde autoriteiten die in deze andere lidstaten bevoegd zijn voor het toezicht op de kredietinstellingen, verzekeringsondernemingen, herverzekerings-ondernemingen, beleggingsondernemingen, AICB-beheerders of beheervennootschappen van instellingen voor collectieve belegging.
  De Bank raadpleegt eveneens vooraf de autoriteiten bedoeld in het eerste of tweede lid voor het beoordelen van de geschiktheid van de aandeelhouders en de leiding overeenkomstig de artikelen 18 en 19, wanneer deze aandeelhouder een onderneming is als bedoeld in het eerste of tweede lid en de bij de leiding van de kredietinstelling betrokken persoon eveneens betrokken is bij de leiding van een van de in het eerste of tweede lid bedoelde ondernemingen. Deze autoriteiten delen elkaar alle informatie mee die relevant is voor het beoordelen van de geschiktheid van de in dit lid bedoelde aandeelhouders en bij de leiding betrokken personen.

  Art. 11.§ 1. Op advies van de FSMA beslist de toezichthouder over de vergunningsaanvraag, voor wat betreft :
  1° het passend karakter van de organisatie van de kredietinstelling, met name van haar integriteitsbeleid, [2 als bedoeld met name in de artikelen 21 tot 42, 64, 65/2 en 65/3]2, vanuit het oogpunt van de naleving van de regels bedoeld in artikel 45, § 1, eerste lid, 3°, en § 2 van de wet van 2 augustus 2002;
  2° de professionele betrouwbaarheid van de personen die lid zijn van het wettelijk bestuursorgaan van de kredietinstelling, van het directiecomité of, bij ontstentenis van een directiecomité, van de personen die belast zijn met de effectieve leiding, evenals van de personen die verantwoordelijk zijn voor de onafhankelijke controlefuncties, indien zij voor het eerst voor een dergelijke functie worden voorgedragen bij een onderneming die met toepassing van de GTM-verordening of van artikel 36/2 van de wet van 22 februari 1998 onder het toezicht staat van de toezichthouder.
  De FSMA verstrekt haar advies over voornoemde aangelegenheden binnen een termijn van veertien dagen te rekenen vanaf de ontvangst door de Bank van het dossier bedoeld in artikel 8 en uiterlijk binnen een maand na ontvangst van de adviesaanvraag. Afwezigheid van advies binnen deze termijn geldt als positief advies. Vóór het verstrijken van de termijn van een maand kan de FSMA de Bank er evenwel van in kennis stellen dat zij haar advies uiterlijk binnen 15 dagen na het verstrijken van deze termijn zal verstrekken.
  § 2. [1 Indien de Bank geen rekening houdt met het advies van de FSMA over de in paragraaf 1, eerste lid bedoelde aangelegenheden, wordt dat met de redenen voor de afwijking vermeld in haar beslissing om de vergunning te weigeren of in de ontwerpbeslissing die zij met toepassing van de GTM-verordening aan de Europese Centrale Bank meedeelt. Het voornoemde advies van de FSMA over punt 1° van paragraaf 1, eerste lid wordt gevoegd bij de kennisgeving van de beslissing tot weigering van de Bank of bij haar ontwerpbeslissing over de vergunningsaanvraag, alsook bij de eindbeslissing van de Europese Centrale Bank.]1
  ----------
  (1)<KB 2014-04-25/08, art. 390, 002; Inwerkingtreding : 04-11-2014>
  (2)<W 2017-11-21/08, art. 154, 014; Inwerkingtreding : 03-01-2018>

  Art. 12.[1 De toezichthouder spreekt zich uit over de vergunningsaanvraag binnen zes maanden na indiening van een volledig dossier en uiterlijk binnen twaalf maanden na ontvangst van de aanvraag.
   Indien de Bank oordeelt dat de voorwaarden [2 van Hoofdstuk II]2 vervuld zijn, deelt zij een ontwerpbeslissing mee aan de aanvrager en aan de Europese Centrale Bank, zodat deze laatste zich binnen de in het eerste lid bedoelde termijnen kan uitspreken met toepassing van de GTM-verordening. De Bank kan, gelet op de noodzaak van een gezond en voorzichtig beleid, in haar ontwerpbeslissing bepalen dat de vergunning voor de uitoefening van bepaalde van de voorgenomen werkzaamheden onderworpen is aan voorwaarden.
   Indien de Bank oordeelt dat de voorwaarden [2 van Hoofdstuk II]2 niet vervuld zijn, weigert zij de vergunning.
   De Bank brengt haar beslissing tot weigering van de vergunning of de eindbeslissing van de Europese Centrale Bank binnen vijftien dagen ter kennis met een aangetekende brief of een brief met ontvangstbewijs, met inachtneming van de termijnen bedoeld in het eerste lid.]1
  ----------
  (1)<KB 2014-04-25/08, art. 391, 002; Inwerkingtreding : 04-11-2014>
  (2)<W 2017-11-21/08, art. 155, 014; Inwerkingtreding : 03-01-2018>

  Art. 13.Wanneer een kredietinstelling een vergunning verkrijgt, stelt de Bank de gegevens bedoeld in artikel 8 en de eventuele wijzigingen daarin ter beschikking van de FSMA, om haar toe te laten de bevoegdheden bedoeld in artikel 45, § 1, 3° en § 2 van de wet van 2 augustus 2002 uit te oefenen.

  Art. 14. De toezichthouders stellen een lijst op van de kredietinstellingen waaraan krachtens dit Boek een vergunning is verleend. Die lijst alsook de bijlage bedoeld in het tweede lid en alle daarin aangebrachte wijzigingen, worden op hun website bekendgemaakt en ter kennis gebracht van de Europese Bankautoriteit.
  Een bijlage bij deze lijst vermeldt de financiėle holdings en de gemengde financiėle holdings bedoeld in artikel 218. Deze bijlage en alle daarin aangebrachte wijzigingen worden op de website van de toezichthouders bekendgemaakt en overgemaakt overeenkomstig artikel 218, tweede lid.

  HOOFDSTUK II. - Vergunningsvoorwaarden

  Afdeling I. - Algemene bepalingen

  Art. 15.[1 Behalve met de voorwaarden van dit Hoofdstuk houdt de toezichthouder ook rekening met het vermogen van de aanvragende instelling om te voldoen aan de in Titel II bedoelde bedrijfsuitoefeningsvoorwaarden en om haar ontwikkelingsdoelstellingen te verwezenlijken:
   1° op een wijze die een gezond, doeltreffend en voorzichtig beleid van de instelling garandeert;
   2° onder de voorwaarden die nodig zijn voor de goede werking van het bank- en financiėle stelsel en voor de veiligheid van de deposanten; alsook
   3° op een wijze die adequaat rekening houdt met de belangen van haar cliėnten en de integriteit van de markt, wanneer de instelling beleggingsdiensten en/of -activiteiten alsmede nevendiensten verleent of verricht.]1
  ----------
  (1)<W 2017-11-21/08, art. 156, 014; Inwerkingtreding : 03-01-2018>

  Afdeling II. - Vennootschapsvorm

  Art. 16. Iedere kredietinstelling naar Belgisch recht moet worden opgericht in de rechtsvorm van een handelsvennootschap, met uitzondering van de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid die is opgericht door één enkele persoon.

  Afdeling III. - Aanvangskapitaal

  Art. 17. Om een vergunning te kunnen verkrijgen is een kapitaal vereist van ten minste 6 200 000 euro.
  Het kapitaal moet volgestort zijn ten belope van het in het eerste lid bepaalde minimumbedrag.
  Voor bestaande vennootschappen die een vergunning aanvragen, worden de uitgiftepremies, de reserves en het overgedragen resultaat, met uitzondering van de herwaarderingsmeerwaarden, gelijkgesteld met kapitaal. Op zich moet het kapitaal evenwel ten minste 2 500 000 euro bedragen en voor dit bedrag zijn gestort.

  Afdeling IV. - Aandeelhouders of vennoten

  Art. 18. De vergunning wordt geweigerd wanneer de toezichthouder niet overtuigd is van de geschiktheid van de in artikel 9 bedoelde natuurlijke of rechtspersonen om een gezond en voorzichtig beleid van de kredietinstelling te garanderen.
  De beoordeling van de geschiktheid om een gezond en voorzichtig beleid van de kredietinstelling te garanderen, gebeurt aan de hand van de volgende criteria :
  a) de betrouwbaarheid van de in artikel 9 bedoelde natuurlijke of rechtspersonen;
  b) de professionele betrouwbaarheid en deskundigheid van elke in artikel 19 bedoelde persoon die het bedrijf van de kredietinstelling feitelijk gaat leiden;
  c) de financiėle soliditeit van de in artikel 9 bedoelde natuurlijke of rechtspersonen, met name in het licht van de aard van de uitgeoefende en voorgenomen werkzaamheden binnen de kredietinstelling;
  d) of de kredietinstelling zal kunnen voldoen en blijven voldoen aan de prudentiėle voorschriften op grond van deze wet en haar uitvoeringsreglementen evenals van Verordening nr. 575/2013, met name of de groep waarvan zij deel gaat uitmaken zo gestructureerd is dat effectief toezicht en effectieve uitwisseling van informatie tussen de bevoegde autoriteiten mogelijk zijn, en dat de verdeling van de verantwoordelijkheden tussen de bevoegde autoriteiten kan worden bepaald;
  e) of er gegronde redenen zijn om te vermoeden dat in hoofde van de in artikel 9 bedoelde natuurlijke of rechtspersonen geld wordt of werd witgewassen of terrorisme wordt of werd gefinancierd dan wel dat gepoogd wordt of werd geld wit te wassen of terrorisme te financieren, of dat hun hoedanigheid van aandeelhouder van de kredietinstelling het risico daarop zou kunnen vergroten.

  Afdeling V. - Leiding

  Art. 19. § 1. De leden van het wettelijk bestuursorgaan van de kredietinstelling, de personen belast met de effectieve leiding evenals de verantwoordelijken voor de onafhankelijke controlefuncties, zijn uitsluitend natuurlijke personen.
  De in het eerste lid bedoelde personen moeten permanent over de voor de uitoefening van hun functie vereiste professionele betrouwbaarheid en passende deskundigheid beschikken.
  § 2. De effectieve leiding van de kredietinstelling moet worden toevertrouwd aan ten minste twee natuurlijke personen.

  Art. 20.§ 1. De functie van lid van het wettelijk bestuursorgaan, persoon belast met de effectieve leiding of verantwoordelijke voor een onafhankelijke controlefunctie mag niet worden uitgeoefend door personen die werden veroordeeld :
  1° tot een straf voor een misdrijf als bedoeld in het koninklijk besluit nr. 22 van 24 oktober 1934 betreffende het rechterlijk verbod aan bepaalde veroordeelden en gefailleerden om bepaalde ambten, beroepen of werkzaamheden uit te oefenen;
  2° tot een straf wegens overtreding van :
  a) artikel 348 van deze wet;
  b) de artikelen 42 tot 45 van het koninklijk besluit nr. 185 van 9 juli 1935 op de bankcontrole en het uitgifteregime voor titels en effecten of artikel 104 van de wet van 22 maart 1993 op het statuut van en het toezicht op de kredietinstellingen;
  c) de artikelen 31 tot 35 van de bepalingen betreffende de controle op de private spaarkassen, gecoördineerd op 23 juni 1967;
  d) de artikelen 13 tot 16 van de wet van 10 juni 1964 op het openbaar aantrekken van spaargelden;
  e) de artikelen 100 tot 112ter van Titel V van Boek I van het Wetboek van Koophandel of de artikelen 75, 76, 78, 150, 175, 176, 213 en 214 van de wet van 4 december 1990 op de financiėle transacties en de financiėle markten;
  f) artikel 4 van het koninklijk besluit nr. 41 van 15 december 1934 tot bescherming van het gespaard vermogen door reglementering van de verkoop op afbetaling van premie-effecten;
  g) de artikelen 18 tot 23 van het koninklijk besluit nr. 43 van 15 december 1934 betreffende de controle op de kapitalisatieondernemingen;
  h) de artikelen 200 tot 209 van de wetten op de handelsvennootschappen, gecoördineerd op 30 november 1935;
  i) de artikelen 67 tot 72 van het koninklijk besluit nr. 225 van 7 januari 1936 tot reglementering van de hypothecaire leningen en tot inrichting van de controle op de ondernemingen van hypothecaire leningen, artikel 34 van de wet van 4 augustus 1992 op het hypothecair krediet of de artikelen XV.87, 3°, XV.90, 18° en 19°, XV.91, XV.126 en XV.126/1 van Boek XV van het Wetboek van Economisch Recht;
  j) de artikelen 4 en 5 van het koninklijk besluit nr. 71 van 30 november 1939 betreffende het leuren met roerende waarden en demarchage met roerende waarden en goederen of eetwaren;
  k) artikel 31 van het koninklijk besluit nr. 72 van 30 november 1939 tot regeling van de beurzen voor de termijnhandel in goederen en waren, van het beroep van de makelaars en tussenpersonen die zich met deze termijnhandel inlaten en van het regime van de exceptie van spel;
  l) artikel 29 van de wet van 9 juli 1957 tot regeling van de verkoop op afbetaling en van zijn financiering, artikel 101 van de wet van 12 juni 1991 op het consumentenkrediet of de artikelen XV.87, 2°, XV.90, 1° tot 16°, XV.91, XV.126 en XV.126/1 van Boek XV van het Wetboek van Economisch Recht;
  m) artikel 11 van het koninklijk besluit nr. 64 van 10 november 1967 tot regeling van het statuut van de portefeuillemaatschappijen;
  n) [1 de artikelen 83 en 87 van de wet van 9 juli 1975 betreffende de controle der verzekeringsondernemingen;]1
  o) de artikelen 11, 15, § 4 en 18 van de wet van 2 maart 1989 op de openbaarmaking van belangrijke deelnemingen in ter beurze genoteerde vennootschappen en tot reglementering van de openbare overnameaanbiedingen;
  p) artikel 139 van de wet van 25 juni 1992 op de landverzekeringsovereenkomst;
  q) artikel 15 van de wet van 27 maart 1995 betreffende de verzekerings- en herverzekeringsbemiddeling en de distributie van verzekeringen;
  r) de artikelen 148 en 149 van de wet van 6 april 1995 inzake het statuut van en het toezicht op de beleggingsondernemingen;
  [2 r/1) artikel 107 van de wet van 25 oktober 2016;]2
  s) de artikelen 345 tot 349, 387 tot 389, 433, 434, 647 tot 653, 773, 788, 872, 873, 946 en 948 van het Wetboek van Vennootschappen;
  t) de artikelen 38 tot 43 van de wet van 2 augustus 2002;
  u) artikel 25 van de wet van 22 april 2003 betreffende de openbare aanbiedingen van effecten;
  v) de artikelen 286 tot 292 van de wet van 3 augustus 2012 betreffende bepaalde vormen van collectief beheer van beleggingsportefeuilles, voor wat betreft de instellingen voor collectieve belegging die voldoen aan de voorwaarden van Richtlijn 2009/65/EG en de instellingen voor belegging in schuldvorderingen;
  w) artikel 14 van de wet van 14 december 2005 houdende afschaffing van effecten aan toonder;
  x) de artikelen 151 tot 153 van de wet van 27 oktober 2006 betreffende het toezicht op de instellingen voor bedrijfspensioenvoorziening;
  y) artikel 69 van de wet van 16 juni 2006 op de openbare aanbieding van beleggingsinstrumenten en de toelating van beleggingsinstrumenten tot de verhandeling op een gereglementeerde markt;
  z) artikel 21 van de wet van 22 maart 2006 betreffende de bemiddeling in bank- en beleggingsdiensten en de distributie van financiėle instrumenten;
  z/1) artikel 38 van de wet van 1 april 2007 op de openbare overnamebiedingen;
  z/2) artikel 26 van de wet van 2 mei 2007 op de openbaarmaking van belangrijke deelnemingen in emittenten waarvan aandelen zijn toegelaten tot de verhandeling op een gereglementeerde markt en houdende diverse bepalingen;
  z/3) artikel 75 van de wet van 16 februari 2009 op het herverzekeringsbedrijf;
  z/4) de artikelen 368 tot 375 van de wet van 19 april 2014 betreffende de alternatieve instellingen voor collectieve belegging en hun beheerders;
  [1 z/5) artikel 605 van de wet van 13 maart 2016 op het statuut van en het toezicht op de verzekerings- of herverzekeringsondernemingen;]1
  [5 z/6) artikel 51 van de wet van 21 december 2009 op het statuut van de betalingsinstellingen en van de instellingen voor elektronisch geld, de toegang tot het bedrijf van betalingsdienstaanbieder en tot de activiteit van uitgifte van elektronisch geld en de toegang tot betalingssystemen;]5
  [5 z/7) de artikelen 304 tot en met 308 van de wet van 4 april 2014 betreffende de verzekeringen;]5
  [5 z/8) artikel 231 van de wet van 11 maart 2018 op het statuut van en het toezicht op de betalingsinstellingen en de instellingen voor elektronisch geld, de toegang tot het bedrijf van betalingsdienstaanbieder en tot de activiteit van uitgifte van elektronisch geld, en de toegang tot betalingssystemen;]5
  [6 z/9) artikel 33 van de wet van 11 juli 2018 op de aanbieding van beleggingsinstrumenten aan het publiek en de toelating van beleggingsinstrumenten tot de verhandeling op een gereglementeerde markt;]6
  3° [3 [4 ...]4]3
  4° door een buitenlandse [3 ...]3 rechtbank [3 ...]3 voor soortgelijke misdrijven [3 ...]3 als die bedoeld in [3 1° en 2°]3.
  De Koning kan de bepalingen van deze paragraaf aanpassen om ze in overeenstemming te brengen met de wetten die de erin opgesomde teksten wijzigen.
  § 2. De in paragraaf 1 bedoelde verbodsbepalingen gelden voor een termijn
  a) van twintig jaar ingeval de gevangenisstraf meer dan twaalf maanden bedraagt;
  b) van tien jaar voor de overige gevangenisstraffen of geldboetes, alsook in geval van een veroordeling met uitstel.
  ----------
  (1)<W 2016-03-13/07, art. 735, 006; Inwerkingtreding : 23-03-2016; zie ook art. 756>
  (2)<W 2016-10-25/05, art. 7, 009; Inwerkingtreding : 01-12-2016>
  (3)<W 2017-07-31/10, art. 34, 012; Inwerkingtreding : 21-08-2017>
  (4)<W 2017-09-18/06, art. 185, 013; Inwerkingtreding : 16-10-2017>
  (5)<W 2018-07-30/10, art. 90, 017; Inwerkingtreding : 20-08-2018>
  (6)<W 2019-05-02/25, art. 27, 019; Inwerkingtreding : 31-05-2019>

  Afdeling VI. - Organisatie

  Onderafdeling I. - Algemene beginselen

  Art. 21.§ 1. Iedere kredietinstelling beschikt over een solide en passende regeling voor de bedrijfsorganisatie, waaronder toezichtsmaatregelen, om een doeltreffend en voorzichtig beleid van de instelling te garanderen, die met name berust op :
  1° een passende beleidsstructuur die op het hoogste niveau gebaseerd is op een duidelijk onderscheid tussen, enerzijds, de effectieve leiding van de instelling en, anderzijds, het toezicht op die leidingen die binnen de instelling voorziet in een passende functiescheiding en in een duidelijk omschreven, transparante en coherente regeling voor de toewijzing van verantwoordelijkheden;
  2° een passende administratieve en boekhoudkundige organisatie en interne controle, waaronder met name een controlesysteeem dat een redelijke mate van zekerheid verschaft over de betrouwbaarheid van het financiėleverslaggevingsproces;
  3° doeltreffende procedures voor de identificatie, de meting, het beheer en de opvolging van en de interne verslaggeving over de risico's die de instelling kan lopen, met inbegrip van de voorkoming van belangenconflicten;
  4° een passende onafhankelijke interneauditfunctie, risicobeheerfunctie en compliancefunctie;
  5° een passend integriteitsbeleid;
  6° een beloningsbeleid dat een gezond en doeltreffend risicobeheer garandeert en dat voorkomt dat de mate waarin er risico's worden genomen, het door de instelling vastgestelde tolerantieniveau te boven gaat;
  7° [1 controle- en beveiligingsmechanismen op informaticagebied die afgestemd zijn op de werkzaamheden van de instelling en die voldoende deugdelijk zijn om de beveiliging en authenticatie van de middelen voor de informatieoverdracht te garanderen, het risico op datacorruptie en ongeoorloofde toegang tot een minimum te beperken en te voorkomen dat informatie uitlekt door de vertrouwelijkheid van de gegevens te allen tijde te bewaren;]1
  8° een passend intern waarschuwingssysteem dat met name voorziet in een specifieke onafhankelijke en autonome melding van inbreuken op de normen en de gedragscodes van de instelling;
  9° de invoering van passende maatregelen op het vlak van de bedrijfscontinuļteit om te garanderen dat de kritieke functies kunnen worden behouden of zo spoedig mogelijk kunnen worden hersteld, en, onverminderd de bijzondere vereisten voor beleggingsdiensten en -activiteiten, dat de normale dienstverlening en activiteit binnen een redelijke tijdspanne kan worden hervat.
  [1 § 1/1. Wanneer de kredietinstelling beleggingsdiensten en/of -activiteiten alsmede nevendiensten verleent of verricht, alsook wanneer zij gestructureerde deposito's verkoopt of advies verstrekt aan cliėnten in verband met dergelijke producten, behartigt de kredietinstelling de belangen van haar cliėnten en bevordert zij de integriteit van de markt. Paragraaf 1 is hiertoe van toepassing.]1
  § 2. De in paragraaf 1 bedoelde organisatieregeling is uitputtend uitgewerkt en is passend voor de aard, schaal en complexiteit van de risico's die inherent zijn aan het bedrijfsmodel en aan de werkzaamheden van de instelling.
  § 3. Iedere kredietinstelling stelt een governancememorandum op dat voor de betrokken instelling en, in voorkomend geval, de groep of subgroep waarvan zij de uiteindelijke moederonderneming is, [1 de volledige interne organisatieregeling bevat als bedoeld in paragraaf 1 en, in voorkomend geval, in de artikelen 41 tot 42/2]1.
  Indien de kredietinstelling deel uitmaakt van een groep die onder het toezicht staat van de toezichthouder, kan het memorandum dat op het niveau van de kredietinstelling wordt opgesteld, deel uitmaken van het memorandum van die groep.
  § 4. In de Onderafdelingen II tot V, in de artikelen 67 tot 70 en in de Bijlagen I en II wordt bepaald welke de reikwijdte is van de in de paragrafen 1 en 2 bedoelde algemene verplichtingen in specifieke domeinen.
  ----------
  (1)<W 2017-11-21/08, art. 157, 014; Inwerkingtreding : 03-01-2018>

  Art. 22. Indien de kredietinstelling nauwe banden heeft met andere natuurlijke of rechtspersonen, of indien de kredietinstelling deel uitmaakt van een groep, mogen die banden of de juridische structuur van de groep geen belemmering vormen voor een individueel of geconsolideerd prudentieel toezicht op de instelling.
  Indien de kredietinstelling nauwe banden heeft met een natuurlijke of rechtspersoon die onder een derde land ressorteert, mogen de voor die persoon geldende wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen of hun tenuitvoerlegging, geen belemmering vormen voor een individueel of geconsolideerd prudentieel toezicht op de instelling.

  Onderafdeling II. - Vennootschapsorganen

  Art. 23.Het wettelijk bestuursorgaan draagt de algemene verantwoordelijkheid voor de kredietinstelling.
  Hiertoe bepaalt en controleert het wettelijk bestuursorgaan met name
  1° de strategie en de doelstellingen van de instelling;
  2° het risicobeleid, met inbegrip van de in artikel 57 bedoelde risicotolerantie;
  [1 3° de organisatie van de instelling voor het verlenen of verrichten van beleggingsdiensten en -activiteiten en nevendiensten, de verkoop van gestructureerde deposito's en het verstrekken van advies aan cliėnten in verband met dergelijke producten, met inbegrip van de organisatieregeling bedoeld in artikel 41, § 1, 1° tot 3°, evenals de vereiste kennis, vaardigheden en ervaring van het personeel, de middelen, procedures en regelingen voor het verlenen van die diensten en het verrichten van die activiteiten door de instelling.]1
  [2 4° het in artikel 21, § 1, 5°, bedoelde integriteitsbeleid.]2
  Het wettelijk bestuursorgaan keurt het in artikel 21, § 3 bedoelde governancememorandum van de kredietinstelling goed.
  ----------
  (1)<W 2017-11-21/08, art. 158, 014; Inwerkingtreding : 03-01-2018>
  (2)<W 2017-12-05/04, art. 30, 015; Inwerkingtreding : 28-12-2017>

  Art. 24.§ 1. [2 Iedere kredietinstelling die is opgericht als naamloze vennootschap richt een directiecomité op dat de bevoegdheden heeft van de directieraad zoals bepaald in artikel [3 7:110]3 van het Wetboek van vennootschappen en verenigingen, [3 onverminderd de bepalingen van deze wet,]3 en dat uitsluitend is samengesteld uit leden van de raad van bestuur.]2
  § 2. De meerderheid van de bestuurders van de raad van bestuur zijn geen lid van het directiecomité.
  § 3. [1 De functie van voorzitter van de raad van bestuur wordt uitgeoefend door een persoon die geen lid is van het directiecomité.]1
  § 4. Het dagelijks bestuur als bedoeld in artikel 525 van het Wetboek van Vennootschappen mag niet worden opgedragen aan een niet-uitvoerend lid van de raad van bestuur.
  ----------
  (1)<W 2015-12-18/17, art. 4, 004; Inwerkingtreding : 08-01-2016>
  (2)<W 2019-03-23/06, art. 20, 018; Inwerkingtreding : 01-05-2019>
  (3)<W 2020-04-28/06, art. 228, 023; Inwerkingtreding : 06-05-2020>

  Art. 24bis. [1 § 1. Wanneer een lid van het directiecomité een rechtstreeks of onrechtstreeks belang van vermogensrechtelijke aard heeft dat strijdig is met het belang van de kredietinstelling naar aanleiding van een beslissing of een verrichting die tot de bevoegdheid behoort van het directiecomité, moet het betrokken lid dit mededelen aan de andere leden vóór het directiecomité een besluit neemt. Zijn verklaring en toelichting over de aard van dit strijdig belang worden opgenomen in de notulen van de vergadering van het directiecomité dat de beslissing moet nemen. Het directiecomité mag deze beslissing niet delegeren.
   Het directiecomité omschrijft in de notulen de aard van de in het eerste lid bedoelde beslissing of verrichting en de vermogensrechtelijke gevolgen ervan voor de kredietinstelling en verantwoordt het genomen besluit, en bezorgt een kopie van deze notulen aan de raad van bestuur tijdens zijn volgende vergadering. In het jaarverslag als bedoeld in artikel 3:5 van het Wetboek van vennootschappen en verenigingen wordt dit deel van de notulen in zijn geheel opgenomen.
   De notulen van de vergadering van het directiecomité worden aan de commissaris meegedeeld. In het in artikel 3:74 van het Wetboek van vennootschappen en verenigingen bedoelde verslag beoordeelt de commissaris, in een afzonderlijke sectie, de vermogensrechtelijke gevolgen voor de kredietinstelling van de besluiten van het directiecomité, zoals door hem omschreven, waarvoor een strijdig belang als bedoeld in het eerste lid bestaat.
   Het lid met een belangenconflict als bedoeld in het eerste lid mag niet deelnemen aan de beraadslagingen van het directiecomité over deze verrichtingen of beslissingen, noch aan de stemming in dat verband. Wanneer alle leden een belangenconflict hebben, wordt de beslissing of de verrichting aan de raad van bestuur voorgelegd; ingeval de raad van bestuur de beslissing of de verrichting goedkeurt, kan het directiecomité ze uitvoeren.
   § 2. Onverminderd het recht voor de in de artikelen 2:44 en 2:46 van het Wetboek van vennootschappen en verenigingen genoemde personen om de nietigheid of de opschorting van het besluit van het directiecomité te vorderen, kan de kredietinstelling de nietigheid vorderen van besluiten of verrichtingen die hebben plaatsgevonden met overtreding van de in dit artikel bepaalde regels, indien de wederpartij bij die beslissingen of verrichtingen van die overtreding op de hoogte was of had moeten zijn.
   § 3. Paragraaf 1 is niet van toepassing wanneer de beslissingen of verrichtingen die tot de bevoegdheid behoren van het directiecomité, betrekking hebben op beslissingen of verrichtingen die tot stand zijn gekomen tussen vennootschappen, waaronder de kredietinstelling, waarvan de ene rechtstreeks of onrechtstreeks ten minste 95 % bezit van de stemmen verbonden aan het geheel van de door de andere uitgegeven effecten, dan wel tussen vennootschappen, waaronder de kredietinstelling, waarvan ten minste 95 % van de stemmen verbonden aan het geheel van de door elk van hen uitgegeven effecten in het bezit zijn van een andere vennootschap.
   Bovendien is paragraaf 1 niet van toepassing wanneer de beslissingen van het directiecomité betrekking hebben op gebruikelijke verrichtingen die plaatshebben onder de voorwaarden en tegen de zekerheden die op de markt gewoonlijk gelden voor soortgelijke verrichtingen.]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij W 2019-03-23/06, art. 21, 018; Inwerkingtreding : 01-05-2019>
  

  Art. 25.§ 1. De statuten van de kredietinstellingen die anders dan als naamloze vennootschap zijn opgericht, voorzien in de oprichting, binnen het wettelijk bestuursorgaan, van een orgaan dat uitsluitend is samengesteld uit leden van het wettelijk bestuursorgaan, "directiecomité" genaamd, waaraan alle bestuursbevoegdheden van het wettelijk bestuursorgaan worden overgedragen, met uitsluiting van de vaststelling van het algemeen beleid en van de handelingen die bij het Wetboek van Vennootschappen of bij deze wet zijn voorbehouden aan het wettelijk bestuursorgaan.
  § 2. De meerderheid van de leden van het wettelijk bestuursorgaan zijn geen lid van het in paragraaf 1 bedoelde directiecomité.
  § 3. [1 De functie van voorzitter van het wettelijk bestuursorgaan wordt uitgeoefend door een persoon die geen lid is van het directiecomité.]1
  § 4. Wanneer het Wetboek van Vennootschappen voor de betrokken vennootschapsvorm in een dagelijks bestuur voorziet, mag dat niet worden opgedragen aan een niet-uitvoerend lid van het wettelijk bestuursorgaan.
  ----------
  (1)<W 2015-12-18/17, art. 5, 004; Inwerkingtreding : 08-01-2016>

  Art. 26.De toezichthouder kan op grond van de omvang en het risicoprofiel van een kredietinstelling toestaan dat geheel of gedeeltelijk wordt afgeweken van de verplichtingen van de artikelen 24 en 25.
  De afwijking kan met name betrekking hebben op :
  1° de verplichting om een directiecomité op te richten, onverminderd de naleving van artikel 19, § 2;
  2° de samenstelling van het directiecomité, door toe te staan dat personen die geen lid zijn van het wettelijk bestuursorgaan, lid zijn van het directiecomité; in dit geval zijn de artikelen 19, 20 en 60 evenals 14 tot 18 van Bijlage II op hen van toepassing;
  3° het combineren van de functies van [1 lid van het directiecomité]1 en voorzitter van het wettelijk bestuursorgaan.
  ----------
  (1)<W 2015-12-18/17, art. 6, 004; Inwerkingtreding : 08-01-2016>

  Onderafdeling III. - Oprichting van comités binnen het wettelijk bestuursorgaan

  Art. 27.Onverminderd de taken van het wettelijk bestuursorgaan richten de kredietinstellingen binnen dit orgaan de volgende comités op :
  1° een auditcomité;
  2° een risicocomité;
  3° een remuneratiecomité;
  4° een benoemingscomité,
  die uitsluitend zijn samengesteld uit leden van het wettelijk bestuursorgaan die er geen uitvoerend lid van zijn en waarvan minstens één lid onafhankelijk is in de zin van artikel 526ter van het Wetboek van Vennootschappen; een lid mag niet [1 in meer dan drie van de voornoemde comités zetelen]1.
  [1 De meerderheid van de leden van het auditcomité is onafhankelijk in de zin van artikel 526ter van het Wetboek van Vennootschappen. De voorzitter van het auditcomité wordt benoemd door de leden van het comité.]1
  ----------
  (1)<W 2016-12-07/02, art. 133, 010; Inwerkingtreding : 31-12-2016>

  Art. 28.§ 1. Naast de vereisten van artikel 27 beschikken de leden van het auditcomité over een collectieve deskundigheid op het gebied van de werkzaamheden van de betrokken kredietinstelling en op het gebied van boekhouding en audit en minstens één lid van het auditcomité beschikt over deskundigheid op het gebied van boekhouding en/of audit.
  § 2. [1 Het auditcomité heeft minstens de in artikel 526bis, § 4 van het Wetboek van Vennootschappen opgenomen taken.]1
  Het auditcomité brengt bij het wettelijk bestuursorgaan geregeld verslag uit over de uitoefening van zijn taken, en ten minste wanneer het wettelijk bestuursorgaan de in artikel 106 bedoelde jaarrekening en geconsolideerde jaarrekening en de periodieke staten opstelt die de kredietinstelling respectievelijk aan het einde van het boekjaar en aan het einde van het eerste halfjaar overmaakt.
  De Bank kan, bij reglement vastgesteld overeenkomstig artikel 12bis, § 2 van de wet van 22 februari 1998, [1 de in deze paragraaf bedoelde elementen]1 op technische punten preciseren en aanvullen.
  § 3. [1 De erkend commissaris is belast met de in artikel 526bis, § 6, leden 1 tot 3 van het Wetboek van Vennootschappen opgenomen opdrachten.]1
  ----------
  (1)<W 2016-12-07/02, art. 134, 010; Inwerkingtreding : 31-12-2016>

  Art. 29. § 1. De leden van het risicocomité bezitten individueel de nodige kennis, deskundigheid, ervaring en vaardigheden om de strategie en de risicotolerantie van de instelling te begrijpen en te bevatten.
  § 2. Het risicocomité verstrekt advies aan het wettelijk bestuursorgaan over de huidige en toekomstige risicotolerantie en risicostrategie. Het staat het wettelijk bestuursorgaan bij in de uitoefening van het toezicht op de tenuitvoerlegging van deze strategie door het directiecomité.
  Het risicocomité waakt erover dat de prijzen van de activa en passiva en van de categorieėn van producten die niet in de balans zijn opgenomen en die aan de cliėnten worden aangeboden, rekening houden met de risico's die de instelling loopt, gelet op haar bedrijfsmodel en haar strategie inzake risico's, met name de risico's, inzonderheid reputatierisico's, die kunnen voortvloeien uit de types van producten die aan de cliėnten worden aangeboden. Wanneer dit niet het geval is, legt het een actieplan voor aan het wettelijk bestuursorgaan.
  § 3. Onverminderd de in artikel 57, § 3 bedoelde informatie bepaalt het risicocomité de aard, omvang, vorm en frequentie van de informatie over de risico's die aan hem moet worden overgemaakt. Het heeft rechtstreeks toegang tot de risicobeheerfunctie van de instelling en tot het advies van externe deskundigen.
  § 4. Ter bevordering van gezonde beloningspraktijken en een gezond beloningsbeleid, onderzoekt het risicocomité, onverminderd de taken van het remuneratiecomité, of de prikkels die uitgaan van het beloningssysteem op passende wijze rekening houden met de risicobeheersing, de eigenvermogensbehoeften en de liquiditeitspositie van de instelling, evenals met de waarschijnlijkheid en de spreiding in de tijd van de winst.

  Art. 30. § 1. Het remuneratiecomité is zodanig samengesteld dat het een gedegen en onafhankelijk oordeel kan geven over het beloningsbeleid en de beloningspraktijken en de prikkels die daarvan uitgaan voor de risicobeheersing, de eigenvermogensbehoeften en de liquiditeitspositie.
  § 2. Het remuneratiecomité verstrekt een advies over het beloningsbeleid dat door het wettelijk bestuursorgaan moet worden vastgesteld en over elke wijziging die erin wordt aangebracht.
  § 3. Het remuneratiecomité is belast met het voorbereiden van beslissingen over beloning, met name beslissingen die gevolgen hebben voor de risico's en het risicobeheer van de betrokken kredietinstelling en waarover het wettelijk bestuursorgaan zich moet uitspreken. Bij de voorbereiding van dergelijke beslissingen houdt het remuneratiecomité rekening met de langetermijnbelangen van aandeelhouders, investeerders en andere belanghebbenden van de kredietinstelling, alsook met het algemeen belang.
  Het eerste lid is eveneens van toepassing op beslissingen over de beloning van de personen die verantwoordelijk zijn voor de onafhankelijke controlefuncties. Bovendien oefent het remuneratiecomité rechtstreeks toezicht uit op de beloning van de verantwoordelijken voor de onafhankelijke controlefuncties.

  Art. 31. § 1. Het benoemingscomité is zodanig samengesteld dat het een gedegen en onafhankelijk oordeel kan geven over de samenstelling en de werking van de bestuurs- en beleidsorganen van de instelling, in het bijzonder over de individuele en collectieve deskundigheid van hun leden, en over hun integriteit, reputatie, onafhankelijkheid van geest en beschikbaarheid.
  § 2. Het benoemingscomité is belast met :
  1° het aanwijzen en aanbevelen, voor goedkeuring door de algemene vergadering, of, in voorkomend geval, door het wettelijk bestuursorgaan, van kandidaten voor het invullen van vacatures in het wettelijk bestuursorgaan, het nagaan hoe de kennis, vaardigheden, diversiteit en ervaring in het wettelijk bestuursorgaan zijn verdeeld, en het opstellen van een beschrijving van de taken en bekwaamheden die voor een bepaalde benoeming zijn vereist, alsmede het beoordelen hoeveel tijd er aan de functie moet worden besteed.
  Verder stelt het benoemingscomité een streefcijfer vast voor de vertegenwoordiging van het ondervertegenwoordigde geslacht in het wettelijk bestuursorgaan en stippelt het een beleid uit om het aantal vertegenwoordigers van dit geslacht in het wettelijk bestuursorgaan te vergroten en op die manier het streefcijfer te halen. Het streefcijfer, de beleidslijn en de tenuitvoerlegging ervan worden bekendgemaakt overeenkomstig artikel 435, lid 2, onder c) van Verordening nr. 575/2013;
  2° het periodiek, en minimaal jaarlijks, evalueren van de structuur, omvang, samenstelling en prestaties van het wettelijk bestuursorgaan en het formuleren van aanbevelingen aan het wettelijk bestuursorgaan met betrekking tot eventuele wijzigingen;
  3° het periodiek, en minimaal jaarlijks, beoordelen van de kennis, vaardigheden, ervaring, mate van betrokkenheid, met name de regelmatige aanwezigheid, van de individuele leden van het wettelijk bestuursorgaan en van het wettelijk bestuursorgaan als geheel, en daar verslag over uitbrengen aan dit orgaan;
  4° het periodiek toetsen van het beleid van het wettelijk bestuursorgaan voor de selectie en benoeming van de uitvoerende leden ervan, en het formuleren van aanbevelingen aan het wettelijk bestuursorgaan.
  Bij de uitoefening van zijn bevoegdheden ziet het benoemingscomité erop toe dat één persoon of een kleine groep van personen de besluitvorming van het wettelijk bestuursorgaan niet domineren op een wijze die de belangen van de instelling in haar geheel schade berokkent.
  Het benoemingscomité kan gebruik maken van alle vormen van hulpmiddelen die het geschikt acht voor de uitvoering van zijn opdracht, zoals het inwinnen van extern advies, en ontvangt hiertoe toereikende financiėle middelen.

  Art. 32. De artikelen 27, 28 en 30 doen geen afbreuk aan de bepalingen van het Wetboek van Vennootschappen over het auditcomité en het remuneratiecomité in genoteerde vennootschappen in de zin van artikel 4 van dit Wetboek.

  Art. 33.§ 1. Kredietinstellingen die niet significant zijn, zijn vrijgesteld van de verplichting om binnen hun wettelijk bestuursorgaan de twee comités als bedoeld in de artikelen 30 en 31 op te richten. Kredietinstellingen die met toepassing van artikel 3, 30°, b), niet significant zijn, kunnen bovendien bepalen dat één enkel comité instaat voor de taken van de comités bedoeld in de artikelen 28 en 29.
  § 2. De toezichthouder kan toestaan dat een kredietinstelling die een dochteronderneming of een kleindochteronderneming is van een gemengde financiėle holding, van een verzekeringsholding, van een financiėle holding, van een andere kredietinstelling, van een verzekeringsonderneming, van een herverzekeringsonderneming, van een beleggingsonderneming [1 , van een beheervennootschap van instellingen voor collectieve belegging of van een beheervennootschap van alternatieve instellingen voor collectieve belegging]1, geheel of gedeeltelijk afwijkt van de bepalingen van deze Onderafdeling en kan specifieke voorwaarden vastleggen voor het verlenen van deze afwijkingen, voor zover er binnen de betrokken groepen of subgroepen één of meer comités zijn opgericht in de zin van de artikelen 28 tot 31, die bevoegd zijn voor de kredietinstelling en voldoen aan de vereisten van deze wet.
  [2 Ongeacht de voorwaarden bepaald door de toezichthouder in toepassing van het eerste lid, maakt de erkend commissaris jaarlijks de in artikel 11 van verordening nr. 537/2014 bedoelde aanvullende verklaring over aan de bestemmelingen voorzien in artikel 225/1.
   Wanneer de voorwaarden bepaald door de toezichthouder in toepassing van het eerste lid aanleiding geven tot de oprichting van een auditcomité, zijn de in artikel 16, lid 5, van verordening nr. 537/2014 bedoelde modaliteiten van het voorstel van benoeming van een erkend commissaris van toepassing.
   De in artikel 28, § 3, opgenomen opdrachten van de erkend commissaris blijven van toepassing, maar worden uitgeoefend ten aanzien van het wettelijk bestuursorgaan wanneer de voorwaarden bepaald door de toezichthouder geen oprichting van een auditcomité opleggen.]2
  ----------
  (1)<W 2016-10-25/05, art. 8, 009; Inwerkingtreding : 01-12-2016>
  (2)<W 2016-12-07/02, art. 135, 010; Inwerkingtreding : 31-12-2016>

  Art. 34. Indien er met toepassing van artikel 33, § 1 geen comités worden opgericht als bedoeld in de artikelen 30 en 31, moeten de aan die comités toegewezen taken worden uitgevoerd door het wettelijk bestuursorgaan als geheel. Wanneer de voorzitter van het wettelijk bestuursorgaan ingevolge een met toepassing van artikel 26 toegestane afwijking, een uitvoerend lid is, neemt hij het voorzitterschap van het wettelijk bestuursorgaan niet waar als dit optreedt in de hoedanigheid van één van de in artikel 27 bedoelde comités.

  Onderafdeling IV. - Operationele onafhankelijke controlefuncties

  Art. 35.§ 1. Iedere kredietinstelling neemt de nodige maatregelen om blijvend te beschikken over de volgende passende onafhankelijke controlefuncties :
  a) compliance;
  b) risicobeheer;
  c) interne audit,
  die worden uitgeoefend door personen die onafhankelijk zijn van de bedrijfseenheden van de instelling en over de nodige bevoegdheden beschikken om hun functie naar behoren te kunnen uitoefenen. De beloning van deze personen wordt vastgesteld volgens de verwezenlijking van de doelstellingen waar hun functie op gericht is, onafhankelijk van de resultaten van de werkzaamheden waarop toezicht wordt gehouden.
  § 2. Bij zijn beoordeling van het passende karakter van de in paragraaf 1 bedoelde functies houdt de toezichthouder rekening met de bepalingen van artikel 21, § 2.

  Art. 36.§ 1. Iedere kredietinstelling beschikt over een compliancefunctie om de naleving door de instelling, de leden van haar wettelijk bestuursorgaan, haar effectieve leiding, werknemers, gevolmachtigden en verbonden agenten te verzekeren van de wettelijke en reglementaire regels inzake integriteit en gedrag die van toepassing zijn op de bankactiviteit.
  Het eerste lid doet geen afbreuk aan de bepalingen van artikel 87bis van de wet van 2 augustus 2002.
  § 2. De personen die belast zijn met de compliancefunctie brengen minstens eenmaal per jaar verslag uit aan het wettelijk bestuursorgaan.
  [1 Het wettelijk bestuursorgaan bezorgt aan de toezichthouder jaarlijks een verslag over de beoordeling van de compliancefunctie die hij met toepassing van artikel 56, § 3, verricht.]1
  ----------
  (1)<W 2017-12-05/04, art. 31, 015; Inwerkingtreding : 28-12-2017>

  Art. 37. § 1. Iedere kredietinstelling beschikt over een passende risicobeheerfunctie die onafhankelijk is van de operationele functies en die voldoende gezag, status en middelen heeft en rechtstreeks toegang heeft tot het wettelijk bestuursorgaan.
  § 2. De personen die belast zijn met de risicobeheerfunctie zorgen ervoor dat alle significante risico's worden gedetecteerd en gemeten en naar behoren worden gemeld. Zij zijn actief betrokken bij de uitstippeling van de risicostrategie van de instelling en bij alle beleidsbeslissingen die een significante invloed hebben op de risico's en is in staat een volledig beeld te geven van het hele scala van risico's die de instelling loopt.
  § 3. Het hoofd van de risicobeheerfunctie is een lid van het directiecomité waarvoor de risicobeheerfunctie de enige functie is waarvoor hij individueel verantwoordelijk is. Indien de kredietinstelling niet significant is in de zin van artikel 3, 30°, kan de toezichthouder toestaan dat een lid van het hoger kaderpersoneel binnen de instelling deze functie vervult, mits er in hoofde van deze persoon geen belangenconflict bestaat.
  In afwijking van het eerste lid, eerste zin, kan de toezichthouder, met het oog op de versterking van de autonomie en de onafhankelijkheid van de risicobeheerfunctie en de compliancefunctie als bedoeld in artikel 36, toestaan dat het lid van het directiecomité dat verantwoordelijk is voor de risicobeheerfunctie, ook verantwoordelijk is voor de compliancefunctie, op voorwaarde dat de twee betrokken functies los van elkaar worden uitgeoefend.

  Art. 38. De verantwoordelijken voor de risicobeheerfunctie en de compliancefunctie kunnen onafhankelijk van het directiecomité rechtstreeks rapporteren, in voorkomend geval via het risicocomité, aan het wettelijk bestuursorgaan, en het over hun bezorgdheid inlichten en in voorkomend geval waarschuwen indien specifieke risico-ontwikkelingen een negatieve invloed op de instelling hebben of zouden kunnen hebben, met name haar reputatie zouden kunnen schaden.
  Het eerste lid doet geen afbreuk aan de verantwoordelijkheden van het wettelijk bestuursorgaan krachtens deze wet en Verordening nr. 575/2013.

  Art. 39. § 1. Iedere kredietinstelling waarborgt in een auditcharter ten minste dat de interneauditfunctie onafhankelijk is en dat haar taken betrekking hebben op alle werkzaamheden en entiteiten van de instelling, ook in geval van uitbesteding.
  § 2. De interneauditfunctie bezorgt aan het wettelijk bestuursorgaan en het directiecomité een onafhankelijke beoordeling van de kwaliteit en de doeltreffendheid van de interne controle, het risicobeheer en de governanceregeling van de kredietinstelling.
  § 3. De interneauditfunctie rapporteert rechtstreeks aan het wettelijk bestuursorgaan, in voorkomend geval via het auditcomité, en licht het directiecomité in.

  Art. 40.[1 Onverminderd het bepaalde bij de artikelen 19 tot 21 en 35 tot 39, kan de Bank, bij reglement vastgesteld met toepassing van artikel 12bis, § 2, van de wet van 22 februari 1998, nader bepalen wat moet worden verstaan onder een passende beleidsstructuur, een passende interne controle, een passende onafhankelijke interne auditfunctie, een passende onafhankelijke risicobeheerfunctie en, op advies van de FSMA, een passende onafhankelijke compliancefunctie, en nadere regels opstellen conform de Europese regelgeving, met name regels waarin de minimumvoorwaarden worden vastgesteld die moeten worden vervuld wat betreft het in artikel 19, § 1, tweede lid bedoelde vereiste om over passende deskundigheid te beschikken, met inbegrip van de modaliteiten met betrekking tot de procedure voor de beoordeling van dat vereiste.]1
  ----------
  (1)<W 2017-12-05/04, art. 32, 015; Inwerkingtreding : 28-12-2017>

  Onderafdeling V. [1 - Specifieke organisatie voor het verlenen van beleggingsdiensten, de verkoop van gestructureerde deposito's en het verstrekken van advies aan cliėnten in verband met dergelijke producten]1
  ----------
  (1)<W 2017-11-21/08, art. 159, 014; Inwerkingtreding : 03-01-2018>

  Art. 41.§ 1. [1 Iedere kredietinstelling legt de in artikel 21 bedoelde beleidslijnen en procedures vast om de naleving van de wettelijke en reglementaire voorschriften inzake beleggingsdiensten en -activiteiten door de instelling, de leden van haar wettelijk bestuursorgaan, haar effectieve leiding, werknemers, gevolmachtigden en verbonden agenten op adequate wijze te verzekeren.
   Deze beleidslijnen en procedures omvatten met name:
   1° onverminderd de artikelen 67 tot 70, een vergoedingsbeleid voor de personen die bij de dienstverlening aan cliėnten betrokken zijn, dat verantwoord ondernemerschap en een billijke behandeling van cliėnten aanmoedigt en belangenconflicten in de betrekkingen met de cliėnten voorkomt;
   2° een beleid op het gebied van diensten, activiteiten, producten en operaties die worden aangeboden of verstrekt, in overeenstemming met de in artikelen 23, tweede lid, 2° en 57, § 1, bedoelde risicotolerantieniveau van de instelling en de kenmerken en behoeften van de cliėnten van de instelling waaraan deze worden aangeboden of verstrekt, in voorkomend geval, met inbegrip van de uitvoering van passende stresstests;
   3° passende regels voor de rechtstreekse en onrechtstreekse persoonlijke verrichtingen in financiėle instrumenten die worden uitgevoerd door de in het eerste lid bedoelde personen.]1
  § 2. Op advies van de FSMA en de Bank [1 kan de Koning de in paragraaf 1 bedoelde regels en verplichtingen bepalen]1. Deze regels en verplichtingen kunnen inzonderheid betrekking hebben op :
  - de relevante personen op wie deze regels en verplichtingen van toepassing zijn;
  - de persoonlijke verrichtingen die in strijd worden geacht met de wet;
  - de modaliteiten waaronder de relevante personen hun persoonlijke verrichtingen dienen mee te delen aan de kredietinstelling;
  - de wijze waarop de kredietinstellingen gegevens over de persoonlijke verrichtingen dienen te bewaren.
  ----------
  (1)<W 2017-11-21/08, art. 160, 014; Inwerkingtreding : 03-01-2018>

  Art. 42.§ 1. Iedere kredietinstelling neemt passende organisatorische en administratieve maatregelen om te voorkomen dat belangenconflicten inzake beleggingsdiensten en -activiteiten tussen de instelling, haar bestuurders, effectieve leiding, werknemers en gevolmachtigden en verbonden agenten, of een met haar verbonden onderneming, enerzijds, en haar cliėnteel anderzijds, of tussen haar cliėnten onderling, de belangen van deze laatsten zouden schaden.
  § 2. Op advies van de FSMA en de Bank [1 kan de Koning de nadere regels en verplichtingen ter zake bepalen]1. Deze regels en verplichtingen kunnen inzonderheid betrekking hebben op de organisatorische regels die in acht moeten worden genomen om belangenconflicten te vermijden en wanneer de kredietinstelling onderzoek op beleggingsgebied produceert en verspreidt.
  ----------
  (1)<W 2017-11-21/08, art. 161, 014; Inwerkingtreding : 03-01-2018>

  Art. 42/1. [1 Iedere instelling die beleggingsdiensten en/of -activiteiten alsmede nevendiensten verleent of verricht, duidt een persoon aan die over voldoende vaardigheden en gezag beschikt en verantwoordelijk is voor de naleving door de instelling van haar verplichtingen met betrekking tot de vrijwaring van de financiėle instrumenten van cliėnten overeenkomstig de artikelen 65 en 65/1 en de reglementaire bepalingen die ter uitvoering van deze artikelen zijn vastgesteld. In voorkomend geval kan deze persoon andere verantwoordelijkheden hebben, voor zover deze geen afbreuk doen aan de uitoefening van de in dit artikel bedoelde verantwoordelijkheid.]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij W 2017-11-21/08, art. 162, 014; Inwerkingtreding : 03-01-2018>
  

  Art. 42/2. [1 De artikelen 41, 42, 64, eerste lid en 65/2 zijn van toepassing op de kredietinstellingen die gestructureerde deposito's verkopen of advies verstrekken aan cliėnten in verband met dergelijke producten.]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij W 2017-11-21/08, art. 163, 014; Inwerkingtreding : 03-01-2018>
  

  Afdeling VII. - Hoofdbestuur

  Art. 43. Het hoofdbestuur van een kredietinstelling moet in Belgiė zijn gevestigd.

  Afdeling VIII. - Depositobescherming

  Art. 44.Iedere kredietinstelling moet aansluiten bij een collectieve depositobeschermingsregeling overeenkomstig artikel 380 van deze wet.
  [1 Kredietinstellingen die beleggingsdiensten en/of -activiteiten verrichten, moeten zich bovendien aansluiten bij een collectieve beleggers-beschermingsregeling overeenkomstig artikel 384/2 van deze wet.]1
  ----------
  (1)<W 2016-10-25/05, art. 9, 009; Inwerkingtreding : 01-12-2016>

  TITEL II. - Bedrijfsuitoefeningsvoorwaarden

  HOOFDSTUK I. - Algemene bepalingen

  Art. 45. Iedere kredietinstelling moet blijvend voldoen aan de door of krachtens de artikelen 15 tot 44 van deze wet vastgelegde voorwaarden.

  HOOFDSTUK II. - Wijzigingen in de kapitaalstructuur

  Art. 46.Onverminderd [1 de artikelen 9 en 18]1 en onverminderd de wet van 2 mei 2007 op de openbaarmaking van belangrijke deelnemingen, moet iedere alleen of in onderling overleg handelende natuurlijke of rechtspersoon die besloten heeft om, rechtstreeks of onrechtstreeks, een gekwalificeerde deelneming in een kredietinstelling naar Belgisch recht te verwerven of te vergroten, waardoor het percentage van de gehouden stemrechten of aandelen in het kapitaal de drempel van 20 %, 30 % of 50 % zou bereiken of overschrijden, dan wel de kredietinstelling zijn dochteronderneming zou worden, de Bank daarvan vooraf schriftelijk kennis geven met vermelding van de omvang van de beoogde deelneming en de in het tweede lid bedoelde relevante informatie.
  De Bank publiceert op haar website een lijst met de voor de beoordeling vereiste relevante informatie die in verhouding staat tot en is afgestemd op de aard van de kandidaat-verwerver en de voorgenomen verwerving en die haar samen met de in het eerste lid bedoelde kennisgeving moet worden verstrekt.
  ----------
  (1)<W 2015-12-18/17, art. 7, 004; Inwerkingtreding : 08-01-2016>

  Art. 47.[1 De Bank zendt de kandidaat-verwerver snel en in elk geval binnen twee werkdagen na ontvangst van de kennisgeving en van alle in artikel 46 bedoelde informatie, alsook na de eventuele ontvangst, op een later tijdstip, van de in het derde lid bedoelde informatie, een schriftelijke ontvangstbevestiging. Zij vermeldt daarin de datum waarop de beoordelingsperiode afloopt. De Bank licht tegelijkertijd de Europese Centrale Bank in.
   De beoordelingsperiode waarover de Europese Centrale Bank beschikt om de in paragraaf 3 bedoelde beslissing te nemen, bedraagt ten hoogste zestig werkdagen te rekenen vanaf de datum van de ontvangstbevestiging van de kennisgeving en van alle documenten die vereist zijn conform de in artikel 46, tweede lid bedoelde lijst.
   De Bank kan, uit eigen beweging of wanneer de Europese Centrale Bank daarom verzoekt, tijdens de beoordelingsperiode, doch niet na de vijftigste werkdag daarvan, aanvullende informatie opvragen die noodzakelijk is om de beoordeling af te ronden. Dit verzoek wordt schriftelijk gedaan en vermeldt welke aanvullende informatie nodig is. De Bank deelt aan de Europese Centrale Bank onmiddellijk de aldus ontvangen aanvullende informatie mee.
   De beoordelingsperiode wordt onderbroken vanaf de datum van het verzoek van de Bank om informatie tot de ontvangst van een antwoord daarop van de kandidaat-verwerver. De onderbreking duurt ten hoogste twintig werkdagen. Hoewel het de Bank na het verstrijken van de uiterste datum vastgelegd conform het vorige lid, vrij staat om ter vervollediging of verduidelijking bijkomende verzoeken om informatie te formuleren, in voorkomend geval op verzoek van de Europese Centrale Bank, hebben deze verzoeken geen onderbreking van de beoordelingsperiode tot gevolg.
   De Bank kan de in het vierde lid bedoelde onderbreking verlengen tot ten hoogste dertig werkdagen :
   a) indien de kandidaat-verwerver buiten de Europese Economische Ruimte is gevestigd of aan een niet-communautaire reglementering onderworpen is; of
   b) indien de kandidaat-verwerver een natuurlijke of rechtspersoon is die niet aan toezicht onderworpen is ingevolge Richtlijn 2013/36/EU, Richtlijn 2009/65/EG van het Europees Parlement en de Raad van 13 juli 2009 tot coördinatie van de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen betreffende bepaalde instellingen voor collectieve belegging in effecten (icbe's), Richtlijn 2011/61/EU van het Europees Parlement en de Raad van 8 juni 2011 inzake beheerders van alternatieve beleggingsinstellingen en tot wijziging van de Richtlijnen 2003/41/EG en 2009/65/EG en van de Verordeningen (EG) nr. 1060/2009 en (EU) nr. 1095/2010, Richtlijn 2009/138/EG van het Europees Parlement en de Raad van 25 november 2009 betreffende de toegang tot en uitoefening van het verzekerings- en het herverzekeringsbedrijf (Solvabiliteit II)[2 of Richtlijn 2014/65/EU.]2]1
  ----------
  (1)<KB 2014-04-25/08, art. 392, 002; Inwerkingtreding : 04-11-2014>
  (2)<W 2016-10-25/05, art. 10, 009; Inwerkingtreding : 01-12-2016>

  Art. 48.[1 Bij de beoordeling van de in artikel 46 bedoelde kennisgeving en informatie, en van de in artikel 47 bedoelde aanvullende informatie, toetst de Bank, met het oog op een gezond en voorzichtig beleid van de kredietinstelling die het doelwit is van de voorgenomen verwerving en rekening houdend met de vermoedelijke invloed van de kandidaat-verwerver op de kredietinstelling, de geschiktheid van de kandidaat-verwerver en de financiėle soliditeit van de voorgenomen verwerving aan alle in artikel 18, tweede lid bedoelde criteria.
   In de loop van de beoordelingsperiode bedoeld in artikel 47 en uiterlijk 15 werkdagen vóór het einde van die periode, richt de Bank aan de Europese Centrale Bank een ontwerp van gemotiveerde beslissing om zich al dan niet te verzetten tegen de voorgenomen verwerving. Het verzet mag enkel berusten op gegronde redenen om aan te nemen, op grond van de criteria van artikel 18, tweede lid, dat de kandidaat-verwerver niet geschikt is om een gezond en voorzichtig beleid van de kredietinstelling te waarborgen, of op het feit dat de informatie die de kandidaat-verwerver heeft verstrekt onvolledig is.
   Indien de Europese Centrale Bank naar aanleiding van het voorstel van de Bank besluit zich te verzetten tegen de voorgenomen verwerving, stelt zij de kandidaat-verwerver daarvan schriftelijk in kennis binnen twee werkdagen en zonder de beoordelingsperiode te overschrijden. Op verzoek van de kandidaat-verwerver kan een passende motivering van het besluit voor het publiek toegankelijk worden gemaakt.
   Indien de Europese Centrale Bank zich binnen de beoordelingsperiode niet heeft verzet tegen de voorgenomen verwerving, wordt deze geacht te zijn goedgekeurd.
   De Europese Centrale Bank mag voor de voltooiing van de voorgenomen verwerving een maximumtermijn vaststellen en deze termijn in voorkomend geval verlengen.]1
  ----------
  (1)<KB 2014-04-25/08, art. 393, 002; Inwerkingtreding : 04-11-2014>

  Art. 49.[1 Voor het verrichten van de in artikel 48 bedoelde beoordeling werkt de Bank in nauw overleg samen met iedere andere betrokken bevoegde autoriteit of, al naargelang het geval, in overleg met de FSMA, indien de kandidaat-verwerver een van de volgende personen of instellingen is :
   a) een kredietinstelling, een verzekeringsonderneming, een herverzekeringsonderneming, een beleggingsonderneming, een AICB-beheerder of een beheervennootschap van instellingen voor collectieve belegging waaraan een vergunning is verleend volgens het recht van een andere lidstaat, of, al naargelang het geval, door de FSMA;
   b) de moederonderneming van een van de in de bepaling onder a) bedoelde ondernemingen;
   c) een natuurlijke of rechtspersoon die de controle heeft over een van de in de bepaling onder a) bedoelde ondernemingen.
   Hiertoe wisselt de Bank met deze autoriteiten zo spoedig mogelijk alle informatie uit die relevant of van essentieel belang is voor de beoordeling. In dit verband verstrekt zij op verzoek alle relevante informatie en uit eigen beweging alle essentiėle informatie. In de in het eerste lid bedoelde gevallen vermeldt de Bank in haar ontwerpbesluit steeds de eventuele standpunten of bedenkingen van de bevoegde autoriteit die verantwoordelijk is voor de kandidaat-verwerver of, al naargelang het geval, van de FSMA. Deze standpunten of bedenkingen worden ook vermeld in het besluit van de Europese Centrale Bank.]1
  ----------
  (1)<KB 2014-04-25/08, art. 394, 002; Inwerkingtreding : 04-11-2014>

  Art. 50. Iedere natuurlijke of rechtspersoon die heeft besloten om niet langer een rechtstreekse of onrechtstreekse gekwalificeerde deelneming in een kredietinstelling te bezitten, stelt de Bank daarvan vooraf schriftelijk in kennis met vermelding van het bedrag van de voorgenomen deelneming. Een dergelijke persoon stelt de Bank evenzo in kennis van zijn beslissing om de omvang van zijn gekwalificeerde deelneming zodanig te verkleinen dat het percentage van de door hem gehouden stemrechten of aandelen in het kapitaal onder de drempel van 20 %, 30 % of 50 % daalt of dat de kredietinstelling ophoudt zijn dochteronderneming te zijn.

  Art. 51.Indien de bij de artikelen 46 of 50 voorgeschreven voorafgaande kennisgevingen niet worden verricht of indien een deelneming wordt verworven of vergroot ondanks het in artikel 48 bedoelde verzet, kan de voorzitter van de [1 ondernemingsrechtbank]1 van het rechtsgebied waar de kredietinstelling haar zetel heeft, uitspraak doende als in kort geding, de in artikel 516, §§ 1 en 4 van het Wetboek van Vennootschappen bedoelde maatregelen nemen.
  De procedure wordt ingeleid bij dagvaarding door de Bank.
  Artikel 516, § 3 van het Wetboek van Vennootschappen is van toepassing.
  ----------
  (1)<W 2018-04-15/14, art. 252, 021; Inwerkingtreding : 01-11-2018>

  Art. 52.Onverminderd [1 de artikelen 9 en 18]1 en onverminderd de wet van 2 mei 2007 op de openbaarmaking van belangrijke deelnemingen, moet iedere alleen of in onderling overleg handelende natuurlijke of rechtspersoon die, rechtstreeks of onrechtstreeks, een deelneming heeft verworven in een kredietinstelling naar Belgisch recht, dan wel zijn deelneming in een kredietinstelling naar Belgisch recht rechtstreeks of onrechtstreeks heeft vergroot, waardoor het percentage van de gehouden stemrechten of aandelen in het kapitaal de drempel van 5 % van de stemrechten of het kapitaal bereikt of overschrijdt zonder dat hij aldus een gekwalificeerde deelneming verkrijgt, de Bank daarvan schriftelijk kennis geven binnen een termijn van tien werkdagen na de verwerving of de vergroting van de deelneming.
  Iedere alleen of in onderling overleg handelende natuurlijke of rechtspersoon die niet langer een rechtstreekse of onrechtstreekse deelneming bezit van meer dan 5 % van de stemrechten of het kapitaal in een kredietinstelling, die geen gekwalificeerde deelneming was, dient binnen een termijn van tien werkdagen eenzelfde kennisgeving te verrichten.
  De kennisgevingen bedoeld in het eerste en tweede lid vermelden de exacte identiteit van de verwerver of verwervers, het aantal verworven of vervreemde aandelen en het percentage van de stemrechten en van het kapitaal van de kredietinstelling die na de verwerving of vervreemding worden gehouden, alsook de vereiste informatie als opgegeven in de lijst die de Bank [1 conform artikel 46, tweede lid,]1 op haar website publiceert.
  ----------
  (1)<W 2015-12-18/17, art. 8, 004; Inwerkingtreding : 08-01-2016>

  Art. 53.[1 Zodra zij daarvan kennis hebben, stellen de kredietinstellingen de Bank in kennis van de verwervingen of vervreemdingen van hun aandelen die een stijging boven of daling onder een van de drempels bedoeld in artikel 46 tot gevolg hebben.
   Tevens delen zij aan de Bank onmiddellijk alle informatie mee waarvan zij kennis hebben en die een invloed kan hebben op de situatie van hun aandeelhouders of vennoten ten aanzien van de in artikel 18, tweede lid bedoelde beoordelingscriteria. Deze informatieverplichting geldt eveneens voor de in artikel 9 bedoelde personen. De Bank deelt deze informatie mee aan de Europese Centrale Bank.
   Onder dezelfde voorwaarden delen zij de Bank ten minste eens per jaar de identiteit mee van de alleen of in onderling overleg handelende aandeelhouders of vennoten die rechtstreeks of onrechtstreeks een gekwalificeerde deelneming bezitten in hun kapitaal, alsook welke kapitaalfractie en hoeveel stemrechten zij aldus bezitten. Zij delen de Bank evenzo mee voor hoeveel aandelen en voor hoeveel hieraan verbonden stemrechten zij een kennisgeving van verwerving of vervreemding hebben ontvangen overeenkomstig artikel 515 van het Wetboek van Vennootschappen, ingeval een dergelijke kennisgeving aan de Bank niet statutair is voorgeschreven.]1
  ----------
  (1)<KB 2014-04-25/08, art. 395, 002; Inwerkingtreding : 04-11-2014>

  Art. 54.[1 Indien de toezichthouder grond heeft om aan te nemen dat de invloed van een natuurlijke of rechtspersoon die rechtstreeks of onrechtstreeks een gekwalificeerde deelneming bezit in een kredietinstelling, een gezond en voorzichtig beleid van deze kredietinstelling kan belemmeren, kan hij, onverminderd de andere bij deze wet bepaalde maatregelen :
   1° de uitoefening schorsen van de stemrechten verbonden aan de aandelen die in het bezit zijn van de betrokken aandeelhouder of vennoot; hij kan, op verzoek van elke belanghebbende, toestaan dat de door hem bevolen maatregelen worden opgeheven; zijn beslissing wordt op de meest geschikte wijze ter kennis gebracht van de betrokken aandeelhouder of vennoot; zijn beslissing is uitvoerbaar zodra zij ter kennis is gebracht; de toezichthouder kan zijn beslissing openbaar maken;
   2° de betrokken aandeelhouder of vennoot aanmanen om, binnen de termijn die hij bepaalt, de aandeelhoudersrechten in zijn bezit over te dragen.
   Als zij binnen de vastgestelde termijn niet worden overgedragen, kan de toezichthouder bevelen de aandeelhoudersrechten te sekwestreren bij de instelling of de persoon die hij bepaalt. Het sekwester brengt dit ter kennis van de kredietinstelling die het register van de aandelen op naam dienovereenkomstig wijzigt en de uitoefening van de hieraan verbonden rechten enkel aanvaardt vanwege het sekwester. Het sekwester handelt in het belang van een gezond en voorzichtig beleid van de kredietinstelling en in het belang van de houder van de gesekwestreerde aandeelhoudersrechten. Het oefent alle rechten uit die aan de aandelen zijn verbonden. De bedragen die het sekwester als dividend of anderszins int, worden slechts aan de voornoemde houder overgemaakt indien hij gevolg heeft gegeven aan de in het eerste lid, 2° bedoelde aanmaning.
   Om in te schrijven op kapitaalverhogingen of andere al dan niet stemrechtverlenende effecten, om te kiezen voor dividenduitkering in aandelen van de vennootschap, om in te gaan op openbare overname- of ruilaanbiedingen en om nog niet volgestorte aandelen vol te storten, is de instemming van de voornoemde houder vereist. De aandeelhoudersrechten die zijn verworven in het kader van dergelijke verrichtingen worden van rechtswege toegevoegd aan het voornoemde sekwester. [2 ...]2
   [2 De vergoeding van het sekwester wordt vastgesteld door de toezichthouder en betaald door de voornoemde houder.]2 Het sekwester kan deze vergoeding aftrekken van de bedragen die hem worden gestort in zijn hoedanigheid van sekwester of die hem worden gestort door de voornoemde houder in het vooruitzicht of na uitvoering van de hierboven bedoelde verrichtingen.
   Indien na afloop van de overeenkomstig het eerste lid, 2°, eerste zin, vastgestelde termijn, stemrechten werden uitgeoefend door de oorspronkelijke houder of door een andere persoon, buiten het sekwester, die optreedt voor rekening van deze houder, niettegenstaande een schorsing van hun uitoefening overeenkomstig het eerste lid, 1°, kan de [3 ondernemingsrechtbank]3 van het rechtsgebied waar de vennootschap haar zetel heeft, op verzoek van de toezichthouder, alle of een deel van de beslissingen van de algemene vergadering nietig verklaren wanneer het aanwezigheids- of meerderheidsquorum dat is vereist voor de genoemde beslissingen, buiten de onwettig uitgeoefende stemrechten niet zou zijn bereikt.]1
  ----------
  (1)<KB 2014-04-25/08, art. 396, 002; Inwerkingtreding : 04-11-2014>
  (2)<W 2015-12-18/17, art. 9, 004; Inwerkingtreding : 08-01-2016>
  (3)<W 2018-04-15/14, art. 252, 021; Inwerkingtreding : 01-11-2018>

  HOOFDSTUK III. - Algemene werkingsvoorwaarden

  Afdeling I. - Minimum eigen vermogen

  Art. 55.[1 Onverminderd de artikelen 77 en 78 van Verordening nr. 575/2013 mag het eigen vermogen van kredietinstellingen niet dalen onder het bedrag van het overeenkomstig artikel 17, eerste en derde lid vastgestelde minimumkapitaal.]1
  ----------
  (1)<W 2016-10-25/05, art. 11, 009; Inwerkingtreding : 01-12-2016>

  Afdeling II. - Leiding en leiders

  Onderafdeling I. - Toezicht en beoordeling door het wettelijk bestuursorgaan

  Art. 56.§ 1. Het wettelijk bestuursorgaan beoordeelt periodiek en minstens eenmaal per jaar de doeltreffendheid van de in artikel 21 bedoelde organisatieregeling van de instelling [1 , met inbegrip van de specifieke organisatieregeling bedoeld in Onderafdeling V van Afdeling VI van Hoofdstuk II van Titel I [2 en in de artikelen 64 tot 66]2,]1 en de overeenstemming ervan met de wettelijke en reglementaire bepalingen. Het ziet erop toe dat het directiecomité de nodige maatregelen neemt om eventuele tekortkomingen aan te pakken.
  [2 Aldus monitort en beoordeelt het wettelijk bestuursorgaan periodiek de adequaatheid en de implementatie van de strategische doelstellingen van de instelling bij het verlenen en verrichten van beleggingsdiensten en -activiteiten en nevendiensten, de verkoop van gestructureerde deposito's en het verstrekken van advies in verband met dergelijke producten, en de adequaatheid van de beleidsregels voor het verlenen van diensten aan cliėnten, en onderneemt het passende stappen om eventuele tekortkomingen aan te pakken.
   De leden van het wettelijk bestuursorgaan hebben passende toegang tot alle informatie en documenten die nodig zijn om de opdrachten uit te voeren waarmee ze belast zijn met toepassing van de bepalingen van deze wet, haar uitvoeringsbesluiten en de rechtstreeks toepasbare Europese regelgeving.]2
  § 2. Het wettelijk bestuursorgaan oefent effectief toezicht uit op het directiecomité en is verantwoordelijk voor het toezicht op de beslissingen die door het directiecomité en door de effectieve leiding van de instelling worden genomen.
  § 3. Het wettelijk bestuursorgaan beoordeelt in het bijzonder de goede werking van de in artikel 35 bedoelde onafhankelijke controlefuncties.
  [2 Het ziet er ook op toe dat de instelling voldoende personele en financiėle middelen wijdt aan de permanente opleiding van de leden van het wettelijk bestuursorgaan.]2
  § 4. In het jaarlijks verslag van het wettelijk bestuursorgaan wordt de individuele en collectieve deskundigheid van de leden van de in de artikelen 27 tot 31 bedoelde comités gerechtvaardigd.
  § 5. Het wettelijk bestuursorgaan legt de algemene beginselen van het beloningsbeleid vast en beoordeelt deze regelmatig, en minstens eenmaal per jaar, en is verantwoordelijk voor het toezicht op de tenuitvoerlegging ervan. Voor die beoordeling kan het een beroep doen op de onafhankelijke controlefuncties.
  § 6. Het wettelijk bestuursorgaan waakt erover dat het in artikel 21, § 3, bedoelde governancememorandum geactualiseerd wordt en dat het geactualiseerde governancememorandum aan de toezichthouder wordt overgemaakt.
  ----------
  (1)<W 2015-12-18/17, art. 10, 004; Inwerkingtreding : 08-01-2016>
  (2)<W 2017-11-21/08, art. 164, 014; Inwerkingtreding : 03-01-2018>

  Art. 57. § 1. In het kader van zijn taken als bedoeld in artikel 23 stelt het wettelijk bestuursorgaan de risicotolerantie van de kredietinstelling vast voor al haar werkzaamheden.
  In dit verband hecht het wettelijk bestuursorgaan zijn goedkeuring aan en gaat het regelmatig over tot de toetsing van de strategieėn en beleidslijnen voor het aangaan, beheren, opvolgen en beperken van de risico's waaraan de kredietinstelling is blootgesteld of blootgesteld kan zijn, met inbegrip van de risico's die voortvloeien uit de macro-economische context waarin de kredietinstelling actief is en die verband houden met de stand van de conjunctuurcyclus.
  De risicotolerantie van de instelling voor alle betrokken werkzaamheden wordt meegedeeld aan de toezichthouder, die op de hoogte wordt gehouden van de wijzigingen op dit vlak.
  § 2. Het wettelijk bestuursorgaan wijdt een groot deel van zijn activiteiten aan het toezicht op het beheer van alle significante risico's, in het bijzonder die welke onder Verordening nr. 575/2013 vallen, aan de waardering van de activa en het gebruik van externe ratings en interne modellen die met deze risico's verband houden, en waakt erover dat voldoende middelen worden toegewezen aan deze aspecten.
  § 3. Het directiecomité en de personen die belast zijn met de effectieve leiding, delen aan het wettelijk bestuursorgaan passende informatie mee over alle significante risico's en over alle beleidslijnen inzake beheer en beheersing van de significante risico's van de instelling en de wijzigingen daarin.
  § 4. Bij het vastleggen van zijn risicobeheerbeleid legt het wettelijk bestuursorgaan de criteria vast die bepalen of het krediet- en wederpartijrisico dat voortvloeit uit verrichtingen, als belangrijk moet worden beschouwd, waardoor vereist is dat uitdrukkelijk kennis wordt gegeven van deze verrichtingen en van belangrijke beslissingen in dit verband, binnen een termijn die het wettelijk bestuursorgaan in staat stelt zich er in voorkomend geval tegen te verzetten.
  § 5. Het wettelijk bestuursorgaan hecht zijn goedkeuring aan het liquiditeitsherstelplan als bedoeld in artikel 8, § 8 van Bijlage I bij deze wet en waakt erover dat de interne beleidslijnen en de procedures van de instelling dienovereenkomstig worden aangepast.

  Art. 58. § 1. Het wettelijk bestuursorgaan ziet toe op de integriteit van de boekhoud- en financiėleverslaggevingssystemen, met inbegrip van de regelingen voor de operationele en financiėle controle. Het beoordeelt de werking van de interne controle minstens eenmaal per jaar en waakt erover dat deze controle een redelijke mate van zekerheid verschaft over de betrouwbaarheid van het financiėleverslaggevingsproces, zodat de jaarrekening en de financiėle informatie in overeenstemming is met de geldende boekhoudreglementering.
  § 2. Het wettelijk bestuursorgaan houdt toezicht op de procedure voor het bekendmaken en het meedelen van gegevens die door of krachtens deze wet of Verordening nr. 575/2013 is vereist.

  Onderafdeling II. - Door het directiecomité te nemen maatregelen

  Art. 59.§ 1. Onverminderd de bevoegdheden van het wettelijk bestuursorgaan neemt het directiecomité onder toezicht van het wettelijk bestuursorgaan de nodige maatregelen voor de naleving en de tenuitvoerlegging van het bepaalde bij artikel 21 [1 , met inbegrip van de specifieke organisatieregeling bedoeld in Onderafdeling V van Afdeling VI van Hoofdstuk II ]1 [3 van Titel I, en in de artikelen 64 tot 66]3.
  § 2. Het directiecomité rapporteert minstens eenmaal per jaar aan het wettelijk bestuursorgaan, de erkend commissaris en de toezichthouder, over de beoordeling van de doeltreffendheid van de in artikel 21 bedoelde organisatieregeling [1 , met inbegrip van de specifieke organisatieregeling bedoeld in Onderafdeling V van Afdeling VI van Hoofdstuk II van Titel I [2 en in de artikelen 64 tot 66]2,]1 en over de maatregelen die in voorkomend geval worden genomen om eventuele tekortkomingen aan te pakken. Het verslag rechtvaardigt waarom deze maatregelen voldoen aan de wettelijke en reglementaire bepalingen.
  § 3. Onverminderd zijn andere taken, ziet het directiecomité er in het bijzonder op toe dat het beloningsbeleid dat door het wettelijk bestuursorgaan wordt vastgelegd, correct ten uitvoer wordt gelegd.
  § 4. Het directiecomité neemt ook de nodige maatregelen om ervoor te zorgen dat de kredietinstelling de risico's bedoeld in de artikelen 1 tot 9 van Bijlage I bij deze wet beheerst.
  ----------
  (1)<W 2015-12-18/17, art. 11, 004; Inwerkingtreding : 08-01-2016>
  (2)<W 2017-11-21/08, art. 165, 014; Inwerkingtreding : 03-01-2018>
  (3)<W 2019-05-02/25, art. 28, 019; Inwerkingtreding : 31-05-2019>

  Onderafdeling III. - Benoemingen, ontslagen en uitoefening van externe functies

  Art. 60.§ 1. De kredietinstellingen brengen de toezichthouder voorafgaandelijk op de hoogte van het voorstel tot benoeming van de leden van het wettelijk bestuursorgaan en van de leden van het directiecomité of, bij ontstentenis van een directiecomité, van de personen belast met de effectieve leiding, evenals van de verantwoordelijken voor de onafhankelijke controlefuncties.
  In het kader van de krachtens het eerste lid vereiste informatieverstrekking delen de kredietinstellingen aan de toezichthouder alle documenten en informatie mee die hem toelaten te beoordelen of de personen waarvan de benoeming wordt voorgesteld, overeenkomstig artikel 19 over de voor de uitoefening van hun functie vereiste professionele betrouwbaarheid en passende deskundigheid beschikken.
  Het eerste lid is eveneens van toepassing op het voorstel tot hernieuwing van de benoeming van de in het eerste lid bedoelde personen, evenals op de niet-hernieuwing van hun benoeming, hun afzetting of hun ontslag.
  § 2. De benoeming van de in paragraaf 1 bedoelde personen wordt voorafgaandelijk ter goedkeuring voorgelegd aan de toezichthouder.
  Wanneer het de benoeming betreft van een persoon die voor het eerst voor een functie als bedoeld in paragraaf 1 wordt voorgedragen bij een onderneming die met toepassing van artikel 36/2 van de wet van 22 februari 1998 of van de GTM-verordening onder het toezicht staat van de toezichthouder, raadpleegt de Bank eerst de FSMA.
  De FSMA deelt haar advies mee aan de Bank binnen een termijn van een week na ontvangst van het verzoek om advies.
  § 3. De kredietinstellingen informeren de toezichthouder over de eventuele taakverdeling tussen de leden van het wettelijk bestuursorgaan, tussen de leden van het directiecomité of, bij ontstentenis van een directiecomité, tussen de personen belast met de effectieve leiding.
  Belangrijke wijzigingen in de taakverdeling als bedoeld in het eerste lid, geven aanleiding tot de toepassing van de paragrafen 1 en 2.
  [1 § 4. Naast het bepaalde bij paragraaf 1 brengen kredietinstellingen en de in paragraaf 1 bedoelde personen de toezichthouder onverwijld op de hoogte van elk feit of element dat een wijziging inhoudt van de bij de benoeming verstrekte informatie en een invloed kan hebben op de voor de uitoefening van de betrokken functie vereiste professionele betrouwbaarheid of passende deskundigheid.
   Overeenkomstig de artikelen 45, 134 en 135, kan de toezichthouder, wanneer hij in het kader van de uitvoering van zijn toezichtsopdracht op de hoogte is van een dergelijk feit of element, dat al dan niet met toepassing van het eerste lid is verkregen, de naleving van de in artikel 19, § 1, tweede lid bedoelde vereisten herbeoordelen.]1
  ----------
  (1)<W 2017-12-05/04, art. 33, 015; Inwerkingtreding : 28-12-2017>

  Art. 61. De personen die verantwoordelijk zijn voor de in artikel 35 bedoelde onafhankelijke controlefuncties kunnen niet zonder voorafgaande goedkeuring van het wettelijk bestuursorgaan uit hun functie worden verwijderd.
  De kredietinstelling stelt de toezichthouder voorafgaandelijk in kennis hiervan.

  Art. 62.§ 1. De leden van het wettelijk bestuursorgaan en, bij ontstentenis van een directiecomité, de personen belast met de effectieve leiding, besteden de nodige tijd aan de uitoefening van hun functies in de instelling.
  § 2. Onverminderd paragraaf 1 en artikel 21 mogen de leden van de organen van de kredietinstelling en alle personen die, onder welke benaming of in welke hoedanigheid ook, deelnemen aan het bestuur of het beleid van de instelling, al dan niet ter vertegenwoordiging van de kredietinstelling, op de voorwaarden en binnen de grenzen vastgesteld in dit artikel, mandaten als bestuurder of zaakvoerder waarnemen in dan wel deelnemen aan het bestuur of het beleid van een handelsvennootschap of een vennootschap met handelsvorm, een onderneming met een andere Belgische of buitenlandse rechtsvorm of een Belgische of buitenlandse openbare instelling met industriėle, commerciėle of financiėle werkzaamheden.
  § 3. De externe functies bedoeld in paragraaf 2 worden beheerst door de interne regels die de kredietinstelling moet invoeren en doen naleven teneinde :
  1° te vermijden dat personen die deelnemen aan de effectieve leiding van de kredietinstelling, door de uitoefening van die functies niet langer voldoende beschikbaar zouden zijn om de effectieve leiding waar te nemen;
  2° te voorkomen dat bij de kredietinstelling belangenconflicten zouden optreden alsook risico's die gepaard gaan met de uitoefening van die functies, onder andere op het vlak van transacties van ingewijden;
  3° te zorgen voor een passende openbaarmaking van die functies.
  De Bank bepaalt, bij reglement vastgesteld overeenkomstig van artikel 12bis, § 2 van de wet van 22 februari 1998, hoe die verplichtingen ten uitvoer worden gelegd.
  § 4. De mandatarissen van een vennootschap die worden benoemd op voordracht van de kredietinstelling, moeten leden van het directiecomité van de kredietinstelling zijn, dan wel personen die door het directiecomité zijn aangewezen.
  § 5. De leden van het wettelijk bestuursorgaan die geen lid zijn van het directiecomité van de kredietinstelling, mogen geen mandaat uitoefenen in een vennootschap waarin de instelling een deelneming bezit, tenzij zij niet deelnemen aan het dagelijks bestuur van die vennootschap. Wanneer de kredietinstelling significant is in de zin van artikel 3, 30° zijn de in paragraaf 2 bedoelde [1 externe functies, voor zover ze worden uitgeoefend in andere handels-vennootschappen dan de kredietinstelling en]1, onverminderd de paragrafen 1 en 3, bovendien beperkt, tenzij het mandaat in de kredietinstelling wordt uitgeoefend ter vertegenwoordiging van een lidstaat, tot het volgend aantal mandaten :
  - hetzij drie mandaten die geen deelname aan het dagelijks bestuur mogen impliceren; of
  - een mandaat dat een deelname aan het dagelijks bestuur impliceert en een mandaat dat geen deelname aan het dagelijks bestuur mag impliceren.
  § 6. [1 De leden van het directiecomité, of, bij ontstentenis van een directiecomité, de personen die deelnemen aan de effectieve leiding van de kredietinstelling, mogen geen mandaat uitoefenen dat een deelname aan het dagelijks bestuur inhoudt, tenzij in een vennootschap als bedoeld in artikel 89, lid 1 van Verordening nr. 575/2013, waarmee de kredietinstelling nauwe banden heeft, in een instelling voor collectieve belegging die geregeld is bij statuten in de zin van de wet van 3 augustus 2012 betreffende de instellingen voor collectieve belegging die voldoen aan de voorwaarden van [2 Richtlijn 2009/65/EG en de instellingen voor belegging in schuldvorderingen of in een instelling voor collectieve belegging die geregeld is bij statuten in de zin van de wet van 19 april 2014 betreffende de alternatieve instellingen voor collectieve belegging en hun beheerders, of]2 in een burgerlijke patrimoniumvennootschap waarin zij of met hen verbonden personen een significant belang bezitten. Wanneer de kredietinstelling significant is in de zin van artikel 3, 30° zijn de in paragraaf 2 bedoelde externe functies, voor zover ze worden uitgeoefend in andere handelsvennootschappen dan de kredietinstelling en onverminderd de paragrafen 1 en 3, bovendien beperkt tot twee mandaten die geen deelname aan het dagelijks bestuur mogen impliceren, tenzij het mandaat in de kredietinstelling wordt uitgeoefend ter vertegenwoordiging van een lidstaat.]1
  § 7. In individuele gevallen kan de toezichthouder een afwijking toestaan voor het maximum aantal mandaten waarin voorzien is in de [1 paragraaf 5, tweede zin, en paragraaf 6, tweede zin]1, door toe te staan dat een bijkomend mandaat wordt uitgeoefend dat geen deelname aan het dagelijks bestuur impliceert. De toezichthouder stelt de Europese Bankautoriteit regelmatig op de hoogte van het gebruik dat hij van deze afwijkingsbevoegdheid maakt.
  § 8. De kredietinstellingen brengen de functies die door de in paragraaf 2 bedoelde personen buiten de kredietinstelling worden uitgeoefend, zonder uitstel ter kennis van de toezichthouder, ten behoeve van het toezicht op de naleving van de bepalingen van dit artikel.
  § 9. Voor de toepassing van paragraaf 5, tweede zin, en paragraaf 6, tweede zin, wordt de uitoefening van verschillende mandaten, die al dan niet een deelname aan het dagelijks bestuur impliceren, in ondernemingen die deel uitmaken van de groep waartoe de kredietinstelling behoort of van [1 een andere groep]1, als één enkel mandaat beschouwd.
  Voor de toepassing van dit artikel wordt onder "groep" een geheel van ondernemingen verstaan dat gevormd wordt door een moederonderneming, haar dochterondernemingen, de ondernemingen waarin de moederonderneming of haar dochterondernemingen rechtstreeks of onrechtstreeks een deelneming aanhouden in de zin van artikel 3, 26° van deze wet, alsook de ondernemingen waarmee een consortium wordt gevormd en de ondernemingen die door deze laatste ondernemingen worden gecontroleerd of waarin deze laatste ondernemingen een deelneming aanhouden in de zin van artikel 3, 26° van deze wet.
  [1 Voor de toepassing van dit artikel kan de toezichthouder aan de hand van de statuten nagaan of externe functies al dan niet worden uitgeoefend in handelsvennootschappen, in het bijzonder wat externe functies in patrimoniumvennootschappen betreft.]1
  ----------
  (1)<W 2015-12-18/17, art. 12, 004; Inwerkingtreding : 08-01-2016>
  (2)<W 2016-10-25/05, art. 12, 009; Inwerkingtreding : 01-12-2016>

  Afdeling III. - Risicobeheer

  Onderafdeling I. - Behandeling van risico's

  Art. 63. Iedere kredietinstelling zorgt ervoor dat haar risico's worden beheerst met inachtneming van het bepaalde in Bijlage I bij deze wet.

  Onderafdeling II. - Beheer van risico's in verband met het verrichten van beleggingsdiensten

  Art. 64.[1 Iedere kredietinstelling houdt de gegevens bij over alle door haar verleende of verrichte beleggingsdiensten en -activiteiten en over alle door haar uitgevoerde transacties om de toezichthouder en de FSMA in staat te stellen elk van hun kant, na te gaan of de instelling voldoet aan de bepalingen van deze wet of de ter uitvoering ervan genomen bepalingen, aan Verordening nr. 600/2014 en Verordening 2017/565, evenals aan de wettelijke en reglementaire bepalingen waarvoor de FSMA moet toezien op de naleving ervan, en inzonderheid of de instelling haar verplichtingen tegenover haar cliėnteel of potentieel cliėnteel en betreffende de integriteit van de markt nakomt.
   Het bijhouden van gegevens omvat het opnemen van telefoongesprekken of elektronische communicatie die ten minste met in het kader van handel voor eigen rekening gesloten transacties en het verstrekken van diensten betreffende het ontvangen, doorgeven en uitvoeren van cliėntenorders verband houden.
   Daartoe neemt iedere kredietinstelling alle redelijke maatregelen voor de opname van de voornoemde gesprekken en elektronische communicatie die tot stand zijn gekomen met, verstuurd zijn vanaf of ontvangen zijn door apparatuur die door de kredietinstelling ter beschikking van een werknemer of onderaannemer is gesteld of waarvan het gebruik door haar is toegestaan.
   Cliėnten kunnen hun orders langs andere kanalen plaatsen; deze mededelingen moeten evenwel gebeuren door gebruikmaking van duurzame dragers, zoals brieven, faxen, e-mails, of documentatie betreffende orders die tijdens bijeenkomsten door de betrokken cliėnten zijn geplaatst. In het bijzonder kan de inhoud van rechtstreekse gesprekken met een cliėnt worden geregistreerd door middel van notulen of een notitie. Aldus geplaatste orders worden gelijkgesteld met telefonisch ontvangen orders.
   Iedere kredietinstelling neemt alle redelijke maatregelen om te voorkomen dat een werknemer of onderaannemer de voornoemde telefoongesprekken en elektronische communicatie tot stand brengt, verstuurt of ontvangt op privéapparatuur waarvan de instelling geen gegevens kan opnemen of kopiėren.
   De in dit artikel bedoelde opnames worden vijf jaar bewaard en, indien de toezichthouder daarom verzoekt, tot maximaal zeven jaar.]1
  ----------
  (1)<W 2017-11-21/08, art. 166, 014; Inwerkingtreding : 03-01-2018>

  Art. 65.[1 § 1. Een kredietinstelling mag op om het even welke wijze gebruik maken van financiėle instrumenten die aan een cliėnt toebehoren mits deze hier vooraf zijn uitdrukkelijke toestemming voor heeft verleend. De financiėle instrumenten van de cliėnt mogen uitsluitend worden gebruikt onder de voorwaarden waarmee de cliėnt instemt.]1
  [1 § 2. De Koning kan, na advies van de Bank en de FSMA, de voorwaarden en regels vaststellen waaraan de door cliėnten bij kredietinstellingen verrichte deponeringen van financiėle instrumenten moeten voldoen, evenals de voorwaarden en regels voor de handelingen die de kredietinstellingen mogen verrichten met betrekking tot deze financiėle instrumenten, met name wat de in paragraaf 1 bedoelde instemming betreft. De Koning kan meer bepaald de nadere regels vaststellen voor het verlenen van de in paragraaf 1 bedoelde instemming. Daarnaast kan de Koning tevens regels uitwerken voor de organisatie, de bescherming van en informatieverstrekking aan de cliėnten wat de inontvangstneming van deze financiėle instrumenten door de kredietinstellingen en hun deponering bij andere bemiddelaars betreft.]1
  [1 § 3.]1 Wanneer een kredietinstelling financiėle instrumenten aanhoudt die aan haar cliėnteel toebehoren, neemt zij passende maatregelen om de rechten van haar cliėnteel te vrijwaren in geval van haar insolventie. [1 Zij neemt ook passende maatregelen om ervoor te zorgen dat de paragrafen 1 en 2 worden nageleefd]1.
  ----------
  (1)<W 2016-10-25/05, art. 13, 009; Inwerkingtreding : 01-12-2016>

  Art. 65/1.[1 § 1. De kredietinstellingen moeten alle gegevens en rekeningen bijhouden die noodzakelijk zijn om hen op elk ogenblik in staat te stellen de tegoeden die voor een cliėnt worden aangehouden onmiddellijk te onderscheiden van de tegoeden die voor andere cliėnten worden aangehouden, en van hun eigen tegoeden.
   Deze gegevens en rekeningen moeten op zodanige wijze worden bijgehouden dat zij steeds accuraat zijn en inzonderheid de voor cliėnten aangehouden financiėle instrumenten en gelden weerspiegelen.
   De kredietinstellingen moeten op gezette tijden nagaan of hun interne rekeningen en gegevens overeenstemmen met die van eventuele derde bemiddelaars die deze tegoeden aanhouden.
   § 2. De Koning kan, na advies van de Bank, de voorwaarden en nadere regels vaststellen voor de in paragraaf 1 bedoelde vereisten, alsook, meer algemeen, vereisten aangaande de boekhoudkundige organisatie en de boekhoudregels voor het deponeren van financiėle instrumenten bij kredietinstellingen.]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij W 2016-10-25/05, art. 14, 009; Inwerkingtreding : 01-12-2016>

  Art. 65/2. [1 § 1. Iedere kredietinstelling die financiėle instrumenten ontwikkelt voor verkoop aan cliėnten zorgt voor het onderhoud, de exploitatie en de toetsing van een proces voor de goedkeuring van elk financieel instrument en significante aanpassingen van bestaande financiėle instrumenten vóór het in de handel wordt gebracht of onder cliėnten in omloop wordt gebracht.
   In het kader van dit goedkeuringsproces wordt een geļdentificeerde doelgroep van eindcliėnten binnen de relevante categorie van cliėnten voor elk financieel instrument gespecificeerd en wordt gewaarborgd dat alle desbetreffende risico's voor een dergelijke doelgroep geėvalueerd zijn en dat de geplande distributiestrategie is afgestemd op die doelgroep.
   § 2. Iedere kredietinstelling die financiėle instrumenten aanbiedt of aanbeveelt die zij niet zelf ontwikkelt, treft de nodige regelingen om van de ontwikkelaars ervan alle nuttige informatie over die financiėle instrumenten en over de procedure voor de goedkeuring ervan te verkrijgen, en om de kenmerken van de doelgroep van die financiėle instrumenten te identificeren en te begrijpen.
   De in dit artikel bedoelde processen en regelingen doen geen afbreuk aan de wet van 2 augustus 2002 en aan Verordening nr. 600/2014, met inbegrip van de gedragsregels bedoeld in artikel 2, 46°, van de wet van 25 oktober 2016.
   § 3. De Koning kan, na advies van de Bank en de FSMA, de regels vaststellen voor de uitvoering van de in dit artikel bedoelde organisatorische regels, met name om te voldoen aan de bepalingen van de artikelen 9 en 10 van Gedelegeerde Richtlijn (EU) 2017/593 van de Commissie van 7 april 2016 tot aanvulling van Richtlijn 2014/65/EU van het Europees Parlement en de Raad met betrekking tot het vrijwaren van financiėle instrumenten en geldmiddelen die aan cliėnten toebehoren, productgovernanceverplichtingen en de regels die van toepassing zijn op het betalen of het ontvangen van provisies, commissies en geldelijke of niet-geldelijke tegemoetkomingen.]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij W 2017-11-21/08, art. 167, 014; Inwerkingtreding : 03-01-2018>
  

  Art. 65/3. [1 De Koning kan, na advies van de FSMA en de Bank, de specifieke organisatorische vereisten vastleggen die van toepassing zijn op de kredietinstellingen die in het kader van hun beleggingsactiviteiten en/of -diensten:
   1° zich bezighouden met algoritmische handel, ook ter uitvoering van een market-makingstrategie;
   2° directe elektronische toegang tot een handelsplatform aanbieden; en/of
   3° optreden als clearinglid als omschreven in artikel 2, punt 14, van Verordening (EU) nr. 648/2012 van het Europees Parlement en de Raad van 4 juli 2012 betreffende otc-derivaten, centrale tegenpartijen en transactieregisters.
   Het toezicht op de naleving van de verplichtingen die zijn vastgesteld op grond van het eerste lid, 1°, behoort tot de bevoegdheid van de FSMA, onverminderd de prerogatieven van de toezichthouder in geval van niet-naleving van de verplichtingen van artikel 21.
   Voor de uitoefening van die bevoegdheid beschikt de FSMA over de prerogatieven bedoeld in de artikelen 34, 35, §§ 1 en 2, 36, 36bis en 37 van de wet van 2 augustus 2002.]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij W 2017-11-21/08, art. 168, 014; Inwerkingtreding : 03-01-2018>
  

  Afdeling IV. - Uitbesteding

  Art. 66. Wanneer een kredietinstelling operationele taken die van kritiek belang zijn voor een continue en bevredigende dienstverlening, met name inzake beleggingsdiensten en -activiteiten, aan derden uitbesteedt, neemt zij passende maatregelen om het hiermee gepaard gaande operationeel risico te beperken.
  De in het eerste lid bedoelde uitbesteding mag geen wezenlijke afbreuk doen aan het passende karakter van de internecontroleprocedures van de instelling of aan het vermogen van de toezichthouder om na te gaan of de instelling haar wettelijke en reglementaire verplichtingen nakomt.
  De Bank publiceert op advies van de FSMA, een beleidsverklaring waarin zij het door haar gevoerde beleid inzake uitbestedingen van diensten van beheer van vermogen van niet-professionele cliėnten uiteenzet.

  Afdeling V. - Het beloningsbeleid en de tenuitvoerlegging ervan

  Onderafdeling I. - Beginselen

  Art. 67.Het beloningsbeleid dat conform artikel 56, § 5 [1 en artikel 41, § 1, 1°,]1 wordt vastgelegd, strookt met de bedrijfsstrategie, de doelstellingen, de waarden en de langetermijnbelangen van de instelling, en omvat maatregelen om belangenconflicten te vermijden. Bij de opstelling en de toepassing van hun beloningsbeleid nemen de instellingen de beginselen van Bijlage II in acht op een wijze en in een mate die aansluit bij de omvang en de interne organisatie van de instelling en bij de aard, reikwijdte en complexiteit van haar werkzaamheden.
  Behalve op de leden van het wettelijk bestuursorgaan heeft het beloningsbeleid betrekking op de categorieėn van personeelsleden wier beroepsactiviteiten een significante invloed hebben op het risicoprofiel van de instelling, met inbegrip van de hoge leiding en de personen die risiconemende functies of onafhankelijke controlefuncties uitoefenen, en medewerkers van wie de totale beloning hen op hetzelfde beloningsniveau plaatst als die van de hogere leiding of personen die een risiconemende functie uitoefenen.
  ----------
  (1)<W 2017-11-21/08, art. 169, 014; Inwerkingtreding : 03-01-2018>

  Art. 68. Het beloningsbeleid heeft betrekking op alle beloningen, met inbegrip van variabele beloningen en uitkeringen uit hoofde van discretionair pensioen, van de in artikel 67, tweede lid bedoelde personen en maakt overeenkomstig de voorschriften van Bijlage II, een duidelijk onderscheid om de criteria te bepalen ter vastlegging van :
  - de vaste basisbeloning, die in de eerste plaats de relevante beroepservaring en organisatorische verantwoordelijkheden dient te weerspiegelen, zoals uiteengezet in de functieomschrijving die deel uitmaakt van de arbeidsvoorwaarden, en
  - de variabele beloning, die afhankelijk is van prestatiecriteria, die een duurzaam en aan de risico's aangepast rendement dient te weerspiegelen, alsook extra prestaties die geleverd worden naast de prestaties die beschreven zijn in de functieomschrijving die deel uitmaakt van de arbeidsvoorwaarden.

  Art. 69. Bijlage II van deze wet legt de criteria, regels en verplichtingen vast waaraan het beloningsbeleid van de kredietinstellingen en de tenuitvoerlegging ervan moeten voldoen, in het bijzonder de voorwaarden voor de vaststelling en de betaling van de variabele beloning.

  Art. 70. De beloningspraktijken met betrekking tot de in artikel 67, tweede lid bedoelde personen strookt met het door de instelling vastgestelde beloningsbeleid en voldoet aan de verplichtingen van Bijlage II. Deze beloningspraktijken worden regelmatig beoordeeld om na te gaan of de bepalingen van Bijlage II te allen tijde worden nageleefd, rekening houdend met de ontwikkeling van de situatie van de instelling.

  Onderafdeling II. - Kredietinstellingen die uitzonderlijke overheidssteun hebben verkregen

  Art. 71. De kredietinstellingen die uitzonderlijke overheidssteun hebben verkregen, passen hun beloningsbeleid en beloningspraktijken aan conform de vereisten van Bijlage II.

  Afdeling VI. - Verrichtingen die beperkt of verboden zijn en betalingen die nietig kunnen worden verklaard

  Onderafdeling I. [1 - Verrichtingen met entiteiten van de groep, met leiders en met verbonden personen]1
  ----------
  (1)<W 2019-05-02/25, art. 29, 019; Inwerkingtreding : 31-05-2019>

  Art. 72.[1 § 1. Kredietinstellingen mogen rechtstreeks of onrechtstreeks overeenkomsten sluiten of verrichtingen uitvoeren, met name leningen, kredieten of borgstellingen, op welke wijze of in welke vorm ook, met name de uitvoering ervan op rekening-courant, met:
   1° de leden van hun wettelijk bestuursorgaan en de leden van hun directiecomité of, bij ontstentenis van een directiecomité, de personen belast met de effectieve leiding, evenals de effectieve leiders van hun bijkantoren;
   2° de in artikel 9, eerste lid bedoelde personen evenals de leden van hun verschillende organen en de personen die deelnemen aan hun effectieve leiding;
   3° de ondernemingen of instellingen waarover de kredietinstelling of haar moederonderneming controle uitoefent;
   4° de ondernemingen of instellingen waarin de in 1° bedoelde personen een gekwalificeerde deelneming bezitten of een functie zoals bedoeld in 1° uitoefenen;
   5° de personen die verbonden zijn met de in 1° bedoelde personen,
   onder de marktvoorwaarden of, in voorkomend geval, op basis van de onderzoeksprocedures en onder de voorwaarden, ten belope van de bedragen en met de waarborgen die gelden voor hun cliėnteel.
   Van de in het eerste lid bedoelde leningen, kredieten of borgstellingen, gesloten op welke wijze of in welke vorm ook, moet uitdrukkelijk kennis worden gegeven binnen een termijn die het wettelijk bestuursorgaan in staat stelt zich ertegen te verzetten. Ongeacht het orgaan dat moet beslissen, mogen de leden die een rechtstreeks of onrechtstreeks persoonlijk of functioneel belang hebben, niet deelnemen aan de beraadslagingen van het wettelijk bestuursorgaan over deze verrichtingen, noch aan de stemming in dat verband. Deze leningen, kredieten en borgstellingen, gesloten op welke wijze of in welke vorm ook, met uitzondering van deze die gesloten zijn met ondernemingen of instellingen waarover de kredietinstelling of haar moederonderneming controle uitoefent, worden ook ter kennis gebracht van de toezichthouder volgens de frequentie en de regels die hij bepaalt.
   Wanneer deze verrichtingen niet worden gesloten tegen de normale marktvoorwaarden of tegen de voorwaarden die voor hun cliėnteel gelden, kan de toezichthouder eisen dat de overeengekomen voorwaarden worden aangepast op de datum waarop deze verrichtingen uitwerking hadden. Zo niet zijn de leden van het wettelijk bestuursorgaan die de beslissing hebben genomen, tegenover de instelling hoofdelijk aansprakelijk voor het verschil.
   De in het tweede lid bedoelde kennisgevingen aan het wettelijk bestuursorgaan en de toezichthouder dienen niet plaats te vinden wanneer het geheel van leningen, kredieten of borgstellingen, gesloten op welke wijze of in welke vorm ook, met een bepaalde persoon, onderneming of instelling niet meer bedraagt dan 100.000 euro.
   De in het tweede lid bedoelde kennisgevingen aan het wettelijk bestuursorgaan van leningen, kredieten of borgstellingen, gesloten op welke wijze of in welke vorm ook, aan ondernemingen of instellingen waarover de kredietinstelling of haar moederonderneming controle uitoefent dienen evenmin plaats te vinden indien deze leningen, kredieten of borgstellingen, gesloten op welke wijze of in welke vorm ook, vallen binnen de limieten van een kaderovereenkomst die het voorwerp heeft uitgemaakt van een in het tweede lid bedoelde kennisgeving.
   § 2. De in § 1 vervatte regeling doet geen afbreuk aan de regels die in dit verband op basis van het Wetboek van Vennootschappen gelden.]1
  ----------
  (1)<W 2019-05-02/25, art. 30, 019; Inwerkingtreding : 31-05-2019>

  Art. 72/1. [1 In afwijking van de bepalingen van het Wetboek van Vennootschappen en niettegenstaande artikel 72, mogen rechtstreeks of onrechtstreeks geen leningen, kredieten of borgstellingen, gesloten op welke wijze of in welke vorm ook, worden verleend aan personen om hen in staat te stellen rechtstreeks of onrechtstreeks in te schrijven op aandelen of andere effecten die recht geven op dividenden van de kredietinstelling of van een vennootschap waarmee er een nauwe band bestaat of die het recht verlenen om dergelijke effecten te verwerven, of om dergelijke aandelen of andere effecten te verwerven.]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij W 2019-05-02/25, art. 31, 019; Inwerkingtreding : 31-05-2019>
  

  Art. 73.In geval van faillissement van een kredietinstelling zijn, met betrekking tot de boedel, alle betalingen nietig en zonder gevolg die deze instelling, hetzij in contanten, hetzij anderszins, heeft gedaan aan de leden van haar wettelijk bestuursorgaan in de vorm van tantičmes of andere winstdeelnemingen, tijdens de twee jaren die het tijdstip voorafgaan dat door [1 de insolventierechtbank]1 is vastgesteld als het ogenblik waarop zij haar betalingen heeft gestaakt.
  Het eerste lid is niet van toepassing wanneer [1 de insolventierechtbank]1 erkent dat geen enkele door deze personen begane kennelijk grove fout tot het faillissement heeft bijgedragen.
  ----------
  (1)<W 2019-05-02/25, art. 32, 019; Inwerkingtreding : 31-05-2019>

  Onderafdeling II. - Gebruik van gelden en waarden

  Art. 74. Kredietinstellingen mogen de gelden en waarden waarover zij beschikken, niet aanwenden om de publieke opinie rechtstreeks of onrechtstreeks ten eigen bate te beļnvloeden.
  Dit verbod geldt niet voor openlijk gevoerde handelsreclame.

  Afdeling VII. - Mededeling van informatie over de situatie van de kredietinstelling

  Art. 75. § 1. Onverminderd de verplichtingen die in voorkomend geval gelden voor genoteerde vennootschappen, bepaalt de toezichthouder, in voorkomend geval bij reglement vastgesteld met toepassing van artikel 12bis, § 2 van de wet van 22 februari 1998, welke minimuminformatie de kredietinstellingen publiek moeten maken over hun solvabiliteit, liquiditeit, risicoconcentratie en andere risicoposities, over hun beleid inzake eigenvermogensbehoeften, onder verwijzing naar de vereisten bedoeld in artikel 94 tot 98 en 149 tot 152. Hij bepaalt tevens de minimale frequentie en de wijze van bekendmaking van die informatie.
  De kredietinstellingen publiceren op hun website de relevante informatie van het governancememorandum als bedoeld in artikel 21, § 3 en artikel 56, § 6. Deze informatie omvat minstens de aandeelhoudersstructuur en de structuur van het toezicht op de instelling of de structuur van de groep waartoe zij behoort, de beleidsorganen, de organisatiestructuur, met inbegrip van de onafhankelijke operationele controlefuncties, evenals de doelstellingen en de bedrijfswaarden van de instelling, de krachtlijnen van haar beleid inzake risicobeheer, voorkoming van belangenconflicten, integriteit en continuļteit van de werkzaamheden, evenals de informatie over haar beloningsbeleid en -praktijken, overeenkomstig Verordening nr. 575/2013.
  Bovendien vermelden de kredietinstellingen in hun jaarverslag het rendement van hun activa, dat zij berekenen door hun nettowinst te delen door hun balanstotaal.
  § 2. De kredietinstellingen voorzien in de noodzakelijke regels en procedures om te voldoen aan de informatieverplichtingen bedoeld in paragraaf 1. Zij evalueren het passend karakter van hun publiciteitsmaatregelen, daarin begrepen de controle van de gepubliceerde gegevens alsook de frequentie van de informatieverschaffing.
  § 3. De kredietinstellingen voorzien in de noodzakelijke regels en procedures teneinde te evalueren of de informatie die zij publiceren over hun organisatie, hun financiėle positie en hun risicostaat aan de marktdeelnemers een volledig inzicht in hun risicoprofiel verschaft.
  § 4. In bijzondere gevallen kan de toezichthouder binnen de perken van de Europese wetgeving afwijkingen toestaan van de bepalingen die door of krachtens dit artikel zijn vastgelegd.

  Afdeling VIII. [1 - Transparantie met betrekking tot het betrokkenheidsbeleid]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij W 2020-04-28/06, art. 20, 023; Inwerkingtreding : 16-05-2020>
  

  Art. 75/1. [1 § 1. Voor de toepassing van deze afdeling wordt verstaan onder:
   1° "institutionele beleggers": verzekerings- of herverzekeringsondernemingen die respectievelijk werkzaamheden verrichten op het gebied van levensverzekering of levensverzekeringsverplichtingen dekken in de zin van artikel 15, 17°, van de wet van 13 maart 2016 op het statuut van en het toezicht op de verzekerings- of herverzekeringsondernemingen, of instellingen voor bedrijfspensioenvoorziening als bedoeld in artikel 2, eerste lid, 1°, van de wet van 27 oktober 2006 betreffende het toezicht op de instellingen voor bedrijfspensioenvoorziening;
   2° "betrokkenheidsactiviteiten": activiteiten die met name diensten omvatten die verband houden met beleggingen in aandelen van op een gereglementeerde markt genoteerde vennootschappen en/of de uitoefening van rechten die uit het bezit van dergelijke aandelen voortvloeien.
   § 2. Kredietinstellingen die voor rekening van institutionele beleggers in op een gereglementeerde markt genoteerde aandelen beleggen, voldoen aan de vereisten van paragraaf 3 of maken bekend waarom zij hebben besloten een of meer van die vereisten niet ten uitvoer te leggen.
   § 3. De in paragraaf 2 bedoelde kredietinstellingen ontwikkelen een betrokkenheidsbeleid dat zij op hun website gratis openbaar maken en waarin zij het volgende beschrijven:
   - hoe zij het betrokkenheidsbeleid van de institutionele beleggers voor rekening van wie zij beleggen, in hun beleggingsstrategie integreren en hoe zij feitelijke en potentiėle belangenconflicten beheersen, met name in verband met het betrokkenheidsbeleid van deze laatsten en in situaties waarin zij zelf belangrijke zakenrelaties hebben met de vennootschappen waarin is belegd; en/of
   - hoe zij toezicht uitoefenen op de vennootschappen waarin is belegd, met name ten aanzien van de strategie, de financiėle en niet-financiėle prestaties en risico's, de kapitaalstructuur, maatschappelijke en ecologische effecten en corporate governance, interageren met de vennootschappen waarin is belegd, stemrechten en andere aan aandelen verbonden rechten uitoefenen, samenwerken met andere aandeelhouders, communiceren met relevante belanghebbenden van de vennootschappen waarin is belegd, en feitelijke en potentiėle belangenconflicten in verband met hun betrokkenheid beheersen.
   Kredietinstellingen maken jaarlijks openbaar hoe hun betrokkenheidsbeleid is uitgevoerd, met onder meer een algemene beschrijving van hun stemgedrag, een toelichting bij de belangrijkste stemmingen en het gebruik van de diensten van volmachtadviseurs. In voorkomend geval maken zij openbaar hoe zij hebben gestemd op de algemene vergaderingen van vennootschappen waarvan zij aandelen bezitten. Stemmingen die wegens het onderwerp van de stemming of de grootte van het belang in de vennootschappen waarin is belegd onbetekenend zijn, mogen uit deze openbaarmaking worden weggelaten.
   § 4. De bepalingen van artikel 27, § 4, van de wet van 2 augustus 2002, de ter uitvoering ervan genomen besluiten en reglementen en de overeenkomstige gedelegeerde handelingen die zijn vastgesteld overeenkomstig richtlijn 2014/65/EU, zijn eveneens van toepassing op betrokkenheidsactiviteiten die hetzij namens cliėnten die institutionele beleggers zijn, hetzij in eigen naam voor rekening van dergelijke cliėnten worden verricht door de kredietinstellingen.]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij W 2020-04-28/06, art. 21, 023; Inwerkingtreding : 16-05-2020>
  

  Art. 75/2. [1 § 1. De in artikel 75/1, § 2, bedoelde kredietinstellingen maken aan de institutionele beleggers waarmee zij regelingen zijn aangegaan als bedoeld in artikel 101/2, § 2, van de wet van 13 maart 2016 op het statuut van en het toezicht op de verzekerings- of herverzekeringsondernemingen of in artikel 95, § 3, tweede lid, van de wet van 27 oktober 2006 betreffende het toezicht op de instellingen voor bedrijfspensioenvoorziening, jaarlijks bekend hoe hun beleggingsstrategie en de uitvoering daarvan in overeenstemming zijn met deze regelingen en bijdragen aan de middellange- tot langetermijnprestaties van de activa van de betrokken institutionele beleggers. Die bekendmaking omvat ook rapportage over de voornaamste materiėle middellange- tot langetermijnrisico's die aan de beleggingen zijn verbonden, de samenstelling, de omloopsnelheid en de aan de omloopsnelheid van de portefeuille verbonden kosten, het gebruik van volmachtadviseurs voor de uitoefening, in voorkomend geval, van de betrokkenheidsactiviteiten en hun beleid inzake effectenleningen en hoe dat in voorkomend geval wordt toegepast ten behoeve van de betrokkenheidsactiviteiten, met name tijdens de algemene vergadering van de vennootschappen waarin is belegd. Ten slotte bevat die bekendmaking ook informatie over of en zo ja, hoe kredietinstellingen beleggingsbeslissingen nemen op basis van een beoordeling van de middellange- tot langetermijnprestaties, waaronder de niet-financiėle prestaties, van de vennootschap waarin is belegd, en over of en zo ja, welke belangenconflicten er in verband met betrokkenheidsactiviteiten zijn ontstaan en hoe daarmee is omgegaan.
   § 2. De in paragraaf 1 bedoelde informatie wordt samen met de periodieke mededelingen als bedoeld in artikel 27ter, § 7, van de wet van 2 augustus 2002 openbaar gemaakt.
   Indien de ingevolge paragraaf 1 bekendgemaakte informatie reeds voor het publiek beschikbaar is, hoeft de kredietinstelling die informatie niet rechtstreeks aan de institutionele belegger te verstrekken.]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij W 2020-04-28/06, art. 22, 023; Inwerkingtreding : 16-05-2020>
  

  HOOFDSTUK IV. - Bijzondere verrichtingen

  Afdeling I. - Wijzigingen in het programma van werkzaamheden

  Art. 76. Elke wijziging in de werkzaamheden van de instelling moet voorafgaandelijk, vóór de tenuitvoerlegging ervan, worden meegedeeld aan de toezichthouder.

  Afdeling II. - Strategische beslissingen, beleggingsbeslissingen en fusies van en overdrachten tussen kredietinstellingen

  Art. 77. Voor de volgende beslissingen is de voorafgaande toestemming van de toezichthouder vereist :
  1° strategische beslissingen van een kredietinstelling;
  2° beslissingen om kapitaalvertegenwoordigende effecten te verwerven van een onderneming waarvan de werkzaamheden niet zijn opgenomen in artikel 4, voor een bedrag van minstens 250 000 000 euro of een bedrag van 5 % van het eigen vermogen van de kredietinstelling;
  3° fusies van kredietinstellingen of van dergelijke instellingen en andere in de financiėle sector bedrijvige instellingen, evenals splitsingen van kredietinstellingen;
  4° wanneer tussen kredietinstellingen of tussen dergelijke instellingen en andere in de financiėle sector bedrijvige instellingen, het bedrijf of het net integraal of gedeeltelijk wordt overgedragen.
  De toezichthouder moet beslissen binnen twee maanden na ontvangst van een volledig dossier van het project. Hij mag zijn toestemming enkel weigeren om redenen die verband houden met het vermogen van de instelling om te voldoen aan de bepalingen die door of krachtens deze wet zijn vastgelegd of die verband houden met een gezond en voorzichtig beleid van de instelling of indien de beslissing de stabiliteit van het financiėle stelsel ernstig zou kunnen aantasten. Als hij niet binnen de voornoemde termijn optreedt, dan wordt de toestemming geacht te zijn verkregen.

  Art. 78.Iedere gehele of gedeeltelijke overdracht tussen kredietinstellingen of tussen dergelijke instellingen en andere in de financiėle sector bedrijvige instellingen, van rechten en verplichtingen die voortkomen uit verrichtingen van de betrokken instellingen of ondernemingen, waarvoor toestemming is verleend overeenkomstig artikel 77, is aan derden tegenstelbaar [1 zodra die toestemming is bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad]1.
  Het is niet mogelijk om de overdrachten [1 waarvoor toestemming is verleend overeenkomstig]1 artikel 77, nietig of niet-tegenwerpbaar te verklaren krachtens artikel 1167 van het Burgerlijk Wetboek of [2 de artikelen XX.111, XX.112 of XX.114 van het Wetboek van economisch recht]2.
  ----------
  (1)<W 2017-07-31/11, art. 26, 011; Inwerkingtreding : 11-08-2017>
  (2)<W 2019-05-02/25, art. 33, 019; Inwerkingtreding : 31-05-2019>

  Afdeling III. - Bepalingen over de uitgifte van Belgische covered bonds

  Art. 79. Belgische covered bonds mogen enkel worden uitgegeven door kredietinstellingen en mits de toezichthouder hiervoor voorafgaandelijk zijn toestemming heeft gegeven.
  De voorafgaande toestemming van de toezichthouder heeft enerzijds betrekking op de organisatorische capaciteit van de instelling om Belgische covered bonds uit te geven en op te volgen, en anderzijds op de mate waarin voor een bepaalde uitgifte of een bepaald uitgifteprogramma wordt voldaan aan de door of op grond van deze Afdeling en Bijlage III vastgestelde bepalingen.

  Art. 80. § 1. Om van de toezichthouder de toestemming te verkrijgen met betrekking tot haar organisatorische capaciteit om Belgische covered bonds uit te geven en op te volgen, moet de kredietinstelling die van plan is Belgische covered bonds uit te geven, voorafgaandelijk een dossier voorleggen aan de toezichthouder met informatie over de wijze waarop zij de voorgenomen verrichtingen zal omkaderen. Deze informatie heeft minstens betrekking op :
  1° een beschrijving van de financiėle positie van de instelling en met name van haar kredietvooruitzichten, waaruit blijkt dat zij voldoende solvabel is om de belangen van andere schuldeisers dan houders van Belgische covered bonds te vrijwaren;
  2° een beschrijving van de langetermijnstrategie van de instelling, met bijzondere aandacht voor de liquiditeit van de instelling en voor de plaats die de Belgische covered bonds in die strategie innemen;
  3° een beschrijving van de taken en verantwoordelijkheden binnen de instelling met betrekking tot de uitgifte van Belgische covered bonds;
  4° een beschrijving van het risicobeheerbeleid dat de instelling met betrekking tot de Belgische covered bonds voert, met bijzondere aandacht voor het renterisico, het wisselkoersrisico, het krediet- en wederpartijrisico, het liquiditeitsrisico en het operationeel risico;
  5° een beschrijving van de betrokkenheid van de interne audit bij de procedure voor de uitgifte van Belgische covered bonds, met inbegrip van de frequentie van de controle en de toepasselijke controleprocedures;
  6° een beschrijving van de besluitvormings- en rapporteringsprocedures met betrekking tot de uitgifte van Belgische covered bonds;
  7° een beschrijving van de informaticasystemen die nodig zijn voor de uitgifte van Belgische covered bonds.
  De in het eerste lid bedoelde algemene toestemming met betrekking tot de capaciteit om Belgische covered bonds uit te geven, wordt enkel verleend als de toezichthouder ervan overtuigd is dat :
  a) de uitgevende instelling over een administratieve en boekhoudkundige organisatie beschikt die haar in staat stelt te voldoen aan de door of op grond van deze Afdeling en Bijlage III vastgestelde bepalingen, en inzonderheid de dekkingswaarden af te scheiden; en
  b) dat haar financiėle positie, inzonderheid haar solvabiliteit, voldoende is om de belangen van andere schuldeisers dan houders van covered bonds te vrijwaren.
  Vooraleer hij zijn toestemming verleent als bedoeld in paragraaf 1, vraagt de toezichthouder van de erkend commissaris een verslag over de organisatorische capaciteit van de kredietinstelling met betrekking tot haar verplichtingen die voortvloeien uit deze Afdeling en uit Bijlage III bij deze wet.
  De toezichthouder spreekt zich uit over een aanvraag binnen drie maanden na indiening van een volledig dossier en uiterlijk binnen vijf maanden na ontvangst van de aanvraag.
  De beslissing van de toezichthouder wordt binnen tien dagen met een aangetekende brief of een brief met ontvangstbewijs ter kennis gebracht van de kredietinstelling.
  § 2. Om de toestemming te verkrijgen van de toezichthouder voor een bepaalde uitgifte of een bepaald uitgifteprogramma, moet de kredietinstelling die van plan is Belgische covered bonds uit te geven, voorafgaandelijk een dossier voorleggen aan de toezichthouder met informatie over de voorgenomen verrichting. De toezichthouder bepaalt welke informatie verstrekt moet worden bij de indiening van de aanvraag. Deze informatie heeft minstens betrekking op :
  1° de impact van de uitgifte of van het programma op de liquiditeitspositie van de instelling;
  2° de kwaliteit van de dekkingswaarden, in het bijzonder met betrekking tot de aard van de schuldenaars van deze activa en van de zakelijke of persoonlijke zekerheden, waarborgen of voorrechten waardoor ze gedekt zijn, de diversificatie van deze activa en hun vervaldata;
  3° de mate waarin de vervaldata van de Belgische covered bonds overeenstemmen met die van de dekkingswaarden;
  4° de elementen op basis waarvan kan worden aangetoond dat nog steeds voldaan is aan de voorwaarden van paragraaf 1, tweede lid.
  De toezichthouder bevestigt de ontvangst van het dossier bedoeld in het eerste lid en binnen vijftien dagen na die ontvangst laat hij de instelling weten dat het dossier volledig is en onderzocht kan worden, of dat hij aanvullende informatie nodig heeft.
  § 3. De specifieke toestemming om Belgische covered bonds uit te geven of om een uitgifteprogramma voor Belgische covered bonds te lanceren, wordt maar verleend als de toezichthouder ervan overtuigd is dat de volgende voorwaarden vervuld zijn :
  1° de instelling beschikt over de algemene toestemming bedoeld in paragraaf 1;
  2° de dekkingswaarden zijn :
  a) hypothecaire schuldvorderingen;
  b) schuldvorderingen op of gewaarborgd of verzekerd door (i) centrale, regionale of lokale overheden van lidstaten van de OESO of (ii) centrale banken van die staten of (iii) publieke entiteiten van die staten of (iv) multilaterale ontwikkelingsbanken of internationale organisaties;
  c) deelbewijzen uitgegeven door effectiseringsinstellingen die risicoposities effectiseren op activa die hoofdzakelijk zijn samengesteld uit de elementen bedoeld in a) en/of b);
  d) schuldvorderingen op kredietinstellingen, met inbegrip van de bedragen die bij deze kredietinstellingen of door de uitgevende kredietinstelling worden aangehouden; en/of
  e) posities die voortvloeien uit een of meer dekkingsinstrumenten die met een of meer dekkingswaarden of met de betrokken Belgische covered bonds zijn verbonden, en de uit hoofde van dergelijke posities betaalde bedragen.

  Art. 81. De Koning bepaalt bij een in Ministerraad overlegd koninklijk besluit :
  1° de minimumvoorwaarden waaraan de dekkingswaarden moeten voldoen, in het bijzonder voor wat betreft :
  a) het toepasselijke recht, de aard van de schuldenaar en de plaats waar hij zich bevindt;
  b) de waarderingscriteria waaronder, in voorkomend geval, het gedeelte van het krediet dat gedekt moet zijn door een hypotheek, de vereiste rang van de hypotheek, de voorwaarden met betrekking tot de waardering van het voorwerp van de hypotheek, de voorwaarden met betrekking tot de ligging van het voorwerp van de hypotheek;
  2° de voorwaarden waaraan de activa bedoeld in artikel 80, § 3, 2°, a), b) en c) moeten voldoen en inzonderheid de minimumverhouding;
  3° voor elk betrokken bijzonder vermogen, de vereisten inzake de overeenstemming tussen de vervaldata van de dekkingswaarden en die van de door de kredietinstelling uitgegeven Belgische covered bonds;
  4° de beperkingen tot een of meer categorieėn van dekkingswaarden waaraan een uitgifte van Belgische covered bonds moet voldoen en, in voorkomend geval, de na te leven verhouding tussen de verschillende categorieėn van dekkingswaarden;
  5° de maatregelen die door de uitgevende instelling moeten worden genomen om de wisselkoers- en renterisico's te dekken die aan de uitgifte van Belgische covered bonds zijn verbonden; en
  6° de bevoegdheden en criteria waarop de toezichthouder zich kan baseren om voor elke uitgevende kredietinstelling te bepalen wat het maximumpercentage aan Belgische covered bonds is dat zij mag uitgeven ten opzichte van haar balanstotaal.

  Art. 82. § 1. De toezichthouder spreekt zich uit over een aanvraag voor de uitgifte van Belgische covered bonds binnen twee maanden na indiening van een volledig dossier en uiterlijk binnen drie maanden na ontvangst van de aanvraag.
  § 2. De beslissing van de toezichthouder wordt binnen tien dagen met een aangetekende brief of met een brief met ontvangstbewijs ter kennis gebracht van de kredietinstelling.
  § 3. De toezichthouder stelt twee lijsten op :
  1° een lijst van de kredietinstellingen die overeenkomstig artikel 80, § 1, de toestemming hebben verkregen om Belgische covered bonds uit te geven;
  2° een lijst die per instelling de uitgegeven effecten en de uitgifteprogramma's vermeldt waarvoor een bijzondere toestemming als bedoeld in artikel 80, § 2, werd verleend. Deze lijst is nog verder onderverdeeld naargelang de Belgische covered bonds al dan niet Belgische pandbrieven zijn.
  Deze lijsten worden op de website van de toezichthouder gepubliceerd.

  Art. 83. De lijsten bedoeld in artikel 82, § 3 en de wijzigingen die erin worden aangebracht, worden door de toezichthouder meegedeeld aan de Europese Commissie, met het oog op de toepassing van artikel 52, § 4, van Richtlijn 2009/65/EG van het Europees Parlement en de Raad van 13 juli 2009 tot coördinatie van de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen betreffende bepaalde instellingen voor collectieve belegging in effecten, zoals gewijzigd.

  Art. 84. Bijlage III bij deze wet bevat met name de samenstelling en het juridisch stelsel van de dekkingswaarden, de rechten van de houders van covered bonds, de voorwaarden voor de uitgifte van die effecten en de verplichtingen die gelden voor emittenten van covered bonds.

  Afdeling IV. - Opening of verwerving van dochterondernemingen in het buitenland

  Art. 85. Iedere kredietinstelling die voornemens is om rechtstreeks of via de tussenkomst van een financiėle holding of van een gemengde financiėle holding in het buitenland een dochteronderneming te verwerven of op te richten die een werkzaamheid als bedoeld in artikel 4 uitoefent, stelt de toezichthouder daarvan in kennis. Bij deze kennisgeving wordt informatie gevoegd over de werkzaamheden, de organisatie, de aandeelhoudersstructuur en de leiding van de betrokken onderneming.

  Afdeling V. - Uitoefening van werkzaamheden in het buitenland

  Onderafdeling I. - Opening van bijkantoren in het buitenland

  Art. 86.Iedere kredietinstelling die op het grondgebied van een andere lidstaat een bijkantoor wenst te openen om er alle of een deel van de in artikel 4 opgesomde werkzaamheden te verrichten die haar in Belgiė zijn toegestaan, stelt de toezichthouder daarvan in kennis.
  Bij deze kennisgeving wordt een programma van werkzaamheden gevoegd waarin met name de aard van de voorgenomen werkzaamheden, gegevens over de organisatiestructuur van het bijkantoor, de domiciliėring van de correspondentie in de betrokken lidstaat en de naam van de effectieve leiders van het bijkantoor en, in voorkomend geval, van de verantwoordelijken voor de onafhankelijke controlefuncties van het bijkantoor worden vermeld.
  De effectieve leiders van het bijkantoor en de verantwoordelijken voor de onafhankelijke controlefuncties van het bijkantoor moeten permanent over de voor de uitoefening van hun functie vereiste professionele betrouwbaarheid en passende deskundigheid beschikken. De artikelen 60 en 61 zijn van overeenkomstige toepassing op de benoeming van de effectieve leiders van het bijkantoor en, in voorkomend geval, van de verantwoordelijken voor de onafhankelijke controlefuncties van het bijkantoor.
  De toezichthouder kan zich verzetten tegen de uitvoering van het project bij beslissing die is ingegeven door de nadelige gevolgen van de opening van een bijkantoor op de organisatie, de financiėle positie of het toezicht van de kredietinstelling.
  De beslissing van de toezichthouder moet [1 uiterlijk drie maanden na ontvangst van het volledige dossier]1 met alle in het tweede lid bedoelde gegevens, met een aangetekende brief of een brief met ontvangstbewijs ter kennis worden gebracht van de kredietinstelling. Indien de toezichthouder zijn beslissing niet binnen deze termijn ter kennis heeft gebracht, wordt hij geacht geen bezwaar te maken tegen het project van de instelling.
  De toezichthouder geeft de Europese Commissie en de Europese Bankautoriteit, volgens de frequentie die de laatstgenoemden bepalen, kennis van het aantal en de motivering van de krachtens het vierde lid genomen definitieve beslissingen tot verzet tegen de geplande opening van een bijkantoor in een lidstaat of tegen wijzigingen in de in het tweede lid bedoelde gegevens.
  Dit artikel geldt, met uitzondering van het zesde lid, voor de opening van bijkantoren in een derde land.
  ----------
  (1)<W 2016-10-25/05, art. 16, 009; Inwerkingtreding : 01-12-2016>

  Art. 87. Wanneer het vestigingsland van het bijkantoor een lidstaat is, deelt de toezichthouder, indien hij zich niet heeft verzet tegen de uitvoering van het project overeenkomstig artikel 86, vierde of vijfde lid, aan de bevoegde autoriteit van de betrokken staat, binnen drie maanden na ontvangst van alle door artikel 86, tweede lid vereiste gegevens, de overeenkomstig deze bepalingen ontvangen gegevens mee, alsook het peil en de samenstelling van het eigen vermogen van de kredietinstelling, de som van de eigenvermogensvereisten die haar zijn opgelegd krachtens artikel 92 van Verordening nr. 575/2013, de identiteit van haar leiders en de regels voor eventuele tegemoetkoming, ten gunste van de spaarders bij het bijkantoor, van de voor de kredietinstelling geldende depositobeschermingsregeling.
  De Bank brengt de FSMA binnen dezelfde termijn op de hoogte van deze kennisgeving, voor zover de werkzaamheden in het buitenland betrekking hebben op het verrichten van beleggingsdiensten.

  Art. 88. Wanneer het vestigingsland van het bijkantoor geen lidstaat is, kan de toezichthouder in overleg met de betrokken autoriteit van een derde land, regels vaststellen voor de opening van en het toezicht op het bijkantoor alsook voor de wenselijke informatie-uitwisseling, in voorkomend geval met naleving van het bepaalde in Hoofdstuk IV/1, afdeling 4 van de wet van 22 februari 1998.

  Art. 88/1.[1 Indien de kredietinstelling een beroep wenst te doen op verbonden agenten die op het grondgebied van een andere lidstaat zijn gevestigd, om in die lidstaat beleggingsdiensten en/of -activiteiten alsmede nevendiensten te verrichten, stelt zij de toezichthouder daarvan in kennis en verstrekt zij hem een programma van werkzaamheden, de domiciliėring van de correspondentie in de betrokken lidstaat, de identiteitsgegevens van de verbonden agenten waarop zij van plan is een beroep te doen, evenals een beschrijving van het beoogde gebruik van die verbonden agenten en van de organisatiestructuur, waarbij wordt aangegeven hoe de verbonden agenten hierin passen, met opgave van de rapportagelijnen en de namen van de personen die rechtstreeks verantwoordelijk zijn voor de verbonden agenten.
   Artikel 86, vierde en vijfde lid, is van toepassing.
   Tenzij de toezichthouder zich verzet tegen de uitvoering van het project, deelt hij alle in het eerste lid bedoelde gegevens mee aan de bevoegde autoriteit van de betrokken lidstaat binnen drie maanden na ontvangst van het volledige dossier met de in het eerste lid bedoelde gegevens. De bepalingen van Titel I van Boek III van deze wet die betrekking hebben op de bijkantoren, zijn op de verbonden agenten van toepassing.]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij W 2016-10-25/05, art. 17, 009; Inwerkingtreding : 03-01-2017>

  Art. 89.Iedere kredietinstelling die in het buitenland een bijkantoor heeft geopend, stelt de toezichthouder en de bevoegde autoriteiten van de staat van ontvangst ten minste één maand op voorhand in kennis van alle wijzigingen in de conform artikel 86, tweede lid verstrekte gegevens.
  Artikel 86, vierde en vijfde lid, is in voorkomend geval van toepassing, alsook artikel 87, naar gelang van de wijzigingen in de in artikel 86, tweede lid bedoelde gegevens of in de geldende depositobeschermingsregeling.
  [1 Het eerste lid is van overeenkomstige toepassing voor wat betreft de wijzigingen in de gegevens bedoeld in artikel 88/1, eerste lid.]1
  ----------
  (1)<W 2016-10-25/05, art. 18, 009; Inwerkingtreding : 03-01-2017>

  Onderafdeling II. - Vrij verrichten van bankdiensten in het buitenland

  Art. 90.[2 § 1.]2 Iedere kredietinstelling die voornemens is op het grondgebied van een andere lidstaat, zonder er een bijkantoor te vestigen, alle of een deel van de in artikel 4 opgesomde werkzaamheden te verrichten die haar in Belgiė zijn toegestaan, stelt de toezichthouder hiervan in kennis en geeft op welke werkzaamheden zij wenst uit te oefenen en op welke wijze zij de uitoefening van deze werkzaamheden zal omkaderen.
  De toezichthouder kan zich verzetten tegen de uitvoering van het project bij beslissing die is ingegeven door de nadelige gevolgen van de grensoverschrijdende dienstverlening op de organisatie, de financiėle positie of het toezicht van de kredietinstelling.
  De beslissing van de toezichthouder moet uiterlijk binnen een maand na ontvangst van het volledige dossier met alle in het eerste lid bedoelde gegevens, met een aangetekende brief of een brief met ontvangstbewijs ter kennis worden gebracht van de kredietinstelling. Indien de toezichthouder zijn beslissing niet binnen deze termijn ter kennis heeft gebracht, wordt hij geacht geen bezwaar te maken tegen het project van de instelling.
  [2 § 2. Indien de kredietinstelling van plan is een beroep te doen op in Belgiė gevestigde verbonden agenten om op het grondgebied van een andere lidstaat beleggingsdiensten en/of -activiteiten alsmede nevendiensten te verrichten, deelt zij de identiteitsgegevens van deze agenten mee aan de Bank.
   De Bank deelt deze gegevens uiterlijk een maand na ontvangst ervan mee aan de bevoegde autoriteit van de lidstaat van ontvangst.]2
  [2 § 3.]2 [1 Dit artikel is van toepassing op de uitoefening van werkzaamheden in een derde land.]1
  ----------
  (1)<W 2015-12-18/17, art. 14, 004; Inwerkingtreding : 08-01-2016>
  (2)<W 2016-10-25/05, art. 19, 009; Inwerkingtreding : 03-01-2017>

  Art. 91. Indien hij zich niet heeft verzet tegen de uitvoering van het project overeenkomstig artikel 90, deelt de toezichthouder aan de bevoegde autoriteit van de betrokken staat van ontvangst onverwijld de in dit artikel bedoelde kennisgeving mee.
  Binnen dezelfde termijn doet de Bank tevens mededeling van de betrokken informatie aan de FSMA, voor zover de werkzaamheden in het buitenland betrekking hebben op het verrichten van beleggingsdiensten.

  Onderafdeling III. - Uitoefening van bankwerkzaamheden door gespecialiseerde dochterondernemingen van kredietinstellingen in een andere lidstaat

  Art. 92. Financiėle instellingen naar Belgisch recht die, rechtstreeks of onrechtstreeks, een dochteronderneming zijn van een of meer kredietinstellingen naar Belgisch recht en ertoe gerechtigd zijn in Belgiė geregeld de werkzaamheden uit te oefenen zoals opgesomd in punt 2 en volgende van de lijst in artikel 4, mogen voor de uitoefening van deze werkzaamheden bijkantoren vestigen in andere lidstaten volgens de bij de artikelen 86, 87 en 89 bepaalde regels of er hun bedrijf uitoefenen zonder vestiging van een bijkantoor volgens de bij de artikelen 90 en 91 bepaalde regels, indien zij aan de volgende voorwaarden voldoen :
  1° aan de kredietinstelling(en) die moeder-onderneming(en) is (zijn) van deze financiėle instellingen is overeenkomstig dit Boek een vergunning verleend als kredietinstelling;
  2° de financiėle instellingen oefenen de voornoemde werkzaamheden daadwerkelijk uit op het Belgische grondgebied;
  3° de kredietinstelling(en) die de moeder-onderneming(en) is (zijn) van deze financiėle instellingen bezit(ten) ten minste 90 pct. van de aan de aandelen van deze financiėle instellingen verbonden stemrechten;
  4° de moederondernemingen moeten de toezichthouder aantonen dat het beleid van de financiėle instellingen gezond en voorzichtig is;
  5° de moederondernemingen moeten zich volgens de door de toezichthouder goedgekeurde regels hoofdelijk borg stellen voor de verplichtingen van de financiėle instellingen;
  6° de financiėle instellingen worden opgenomen in het toezicht op geconsolideerde basis op de moederinstellingen, overeenkomstig Titel III, Hoofdstuk IV, Afdeling II van dit Boek, inzonderheid wat de geldende vereisten betreft voor het eigen vermogen, het toezicht op de grote risico's en de beperking van het aandelenbezit, als bepaald in Verordening nr. 575/2013.
  Vooraleer de in de artikelen 86 of 90 bedoelde beslissing te nemen, gaat de toezichthouder na of deze voorwaarden zijn vervuld. Daartoe voegt hij een attest bij de bij de artikelen 87 of 90 voorgeschreven mededeling. In afwijking van deze bepalingen deelt de toezichthouder mee welk het eigenvermogenspeil van de betrokken financiėle instelling is, alsook het bedrag van de geconsolideerde solvabiliteitscoėfficiėnt van de kredietinstelling(en) waarvan de financiėle instelling een dochteronderneming is.
  Indien de in dit artikel bedoelde financiėle instelling niet langer aan de hierin gestelde voorwaarden voldoet, meldt de toezichthouder dit onmiddellijk aan de bevoegde autoriteiten van de lidstaat of de lidstaten waar deze financiėle instelling bedrijvig is via een bijkantoor of een vorm van dienstverrichting.
  De in deze Afdeling bedoelde financiėle instellingen worden vermeld in een bijlage bij de lijst van de kredietinstellingen als bedoeld in artikel 14.

  Onderafdeling IV. - Uitoefening van werkzaamheden in een deelnemende lidstaat

  Art. 93. Voor wat betreft de aangelegenheden die aan de Europese Centrale Bank zijn toevertrouwd met toepassing van artikel 4 van de GTM-verordening, zijn de bepalingen met betrekking tot de procedures tussen de bevoegde autoriteiten en de desbetreffende bevoegdheden niet van toepassing ingeval de kredietinstelling of haar gespecialiseerde dochteronderneming als bedoeld in artikel 92 voornemens is op het grondgebied van een andere deelnemende lidstaat een bijkantoor te vestigen of werkzaamheden uit te oefenen in het kader van het vrij verrichten van diensten.

  HOOFDSTUK V. - Reglementaire normen en verplichtingen

  Afdeling I. - Prospectief beheer van eigen vermogen en liquiditeit

  Art. 94. § 1. Elke kredietinstelling moet over een voor haar werkzaamheden en voorgenomen werkzaamheden passend beleid inzake eigenvermogens- en liquiditeitsbehoeften beschikken.
  § 2. Daartoe legt het wettelijk bestuursorgaan een beleid vast voor het prospectieve beheer van de eigenvermogensvereisten en van de liquiditeit van de kredietinstelling, dat de huidige en toekomstige eigenvermogens- en liquiditeitsbehoeften van de instelling identificeert en bepaalt.
  Dit beleid houdt rekening met de aard, de omvang en de kenmerken van de werkzaamheden of voorgenomen werkzaamheden van de instelling, met de daaraan verbonden risico's en met het risicobeheerbeleid van de instelling.
  § 3. Het in paragraaf 1 bedoelde beleid wordt uitgevoerd door het directiecomité, onder toezicht van het wettelijk bestuursorgaan. Het wordt regelmatig geėvalueerd door het wettelijk bestuursorgaan, dat het zo nodig actualiseert.
  De toezichthouder kan de frequentie en de modaliteiten van deze evaluatie nader bepalen, in voorkomend geval bij reglement vastgesteld met toepassing van artikel 12bis, § 2 van de wet van 22 februari 1998.

  Afdeling II. - Globaal vereiste van een tier 1-kernkapitaalbuffer

  Art. 95.Onverminderd de naleving van het reglementair eigenvermogensvereiste bepaald in artikel 92 van Verordening nr. 575/2013 of het vereiste bepaald door of krachtens de artikelen 98, 149 en 150, moet een kredietinstelling voldoen aan het globaal vereiste van een tier 1-kernkapitaalbuffer, zoals dit vereiste bepaald is in artikel 96. Een moederkredietinstelling voldoet bovendien aan dit vereiste op basis van haar geconsolideerde positie, volgens de modaliteiten bepaald in [1 Deel 1, Titel 2, Hoofdstuk 2 van Verordening nr. 575/2013]1.
  Een financiėle holding naar Belgisch recht of een gemengde financiėle holding naar Belgisch recht, die een kredietinstelling bezit, voldoet op geconsolideerde basis aan de voorschriften van het eerste lid, volgens de modaliteiten bepaald in [1 Deel 1, Titel 2, Hoofdstuk 2 van Verordening nr. 575/2013]1.
  ----------
  (1)<W 2015-12-18/17, art. 15, 004; Inwerkingtreding : 08-01-2016>

  Art. 96.§ 1. Onverminderd de in de paragrafen 3 tot 6 bepaalde modaliteiten is het globaal vereiste van een tier 1-kernkapitaalbuffer gelijk aan de som van de volgende vereisten van een tier 1-kernkapitaalbuffer :
  1° de in artikel 1 van Bijlage IV bedoelde tier 1-kernkapitaalconserveringsbuffer;
  2° de kredietinstellingsspecifieke contracyclische tier 1-kernkapitaalbuffer als bedoeld in de artikelen 3 tot 10 van Bijlage IV;
  3° de tier 1-kernkapitaalbuffer voor mondiaal systeemrelevante [1 instellingen]1 (MSI's) of voor binnenlandse systeemrelevante [1 instellingen]1 (BSI's), als bedoeld in de artikelen 11 tot 15 van Bijlage IV;
  4° de tier 1-kernkapitaalbuffer voor systeem- of macroprudentiėle risico's, als bedoeld in de artikelen 16 tot 22 van Bijlage IV.
  § 2. De in paragraaf 1 bedoelde vereisten worden verduidelijkt in Bijlage IV van deze wet.
  § 3. [2 Een moederkredietinstelling, een financiėle moederholding naar Belgisch recht of een gemengde financiėle moederholding naar Belgisch recht, op geconsolideerde basis, die tegelijkertijd onderworpen is aan een vereiste om een tier 1-kernkapitaalbuffer voor mondiaal systeemrelevante instellingen (MSI's) aan te houden en aan een vereiste om een tier 1-kernkapitaalbuffer voor binnenlandse systeemrelevante instellingen (BSI's) aan te houden overeenkomstig de artikelen 13 en 14 van Bijlage IV, moet enkel voldoen aan het hoogste vereiste.]2
  § 4. [3 Een moederkredietinstelling, een financiėle moederholding naar Belgisch recht of een gemengde financiėle moederholding naar Belgisch recht, op geconsolideerde basis, die tegelijkertijd onderworpen is aan het in paragraaf 3 bedoelde vereiste en aan een vereiste om een tier 1-kernkapitaalbuffer voor systeem- of macro-prudentiėle risico's aan te houden overeenkomstig de artikelen 16 tot 22 van Bijlage IV, moet enkel voldoen aan het hoogste vereiste.]3
  § 5. Een kredietinstelling, een financiėle moederholding naar Belgisch recht of een gemengde financiėle moederholding naar Belgisch recht, op individuele of gesubconsolideerde basis, die tegelijkertijd onderworpen is aan een [4 vereiste om een tier 1-kernkapitaalbuffer voor binnenlandse systeemrelevante instellingen (BSI's) aan te houden]4, overeenkomstig artikel 14 van Bijlage IV, en aan een vereiste om een tier 1-kernkapitaalbuffer voor systeem- of macroprudentiėle risico's aan te houden, overeenkomstig de artikelen 16 tot 22 van Bijlage IV, moet enkel voldoen aan het hoogste vereiste.
  Wanneer het voormeld vereiste om een tier 1-kernkapitaalbuffer voor systeem- of macroprudentiėle risico's aan te houden evenwel enkel de in Belgiė gelegen risicoblootstellingen van de kredietinstelling dekt, wordt dit vereiste toegevoegd aan het vereiste om een tier 1-kernkapitaalbuffer voor binnenlandse systeemrelevante kredietinstellingen (BSI's) aan te houden.
  § 6. [5 Wanneer een kredietinstelling, een financiėle moederholding naar Belgisch recht of een gemengde financiėle moederholding naar Belgisch recht deel uitmaakt van een groep of een subgroep waartoe een mondiaal systeemrelevante instelling (MSI) of een binnenlandse systeemrelevante instelling (BSI) behoort, mag het in paragraaf 1 bedoeld globaal vereiste om een tier 1-kernkapitaalbuffer voor deze instelling aan te houden niet lager zijn dan de som van :
   - de vereisten om een tier 1-kernkapitaalconserveringsbuffer aan te houden, als bedoeld in artikel 1 van Bijlage IV;
   - de vereisten om een instellingspecifieke contracyclische tier 1-kernkapitaalbuffer aan te houden, als bedoeld in de artikelen 3 tot 10 van Bijlage IV;
   - het bedrag dat voortvloeit uit de vereisten om een tier 1-kernkapitaalbuffer voor binnenlandse systeemrelevante instellingen (BSI's) aan te houden, als bepaald in artikel 14 van Bijlage IV, en de vereisten om een tier 1-kernkapitaalbuffer voor systeem- of macro-prudentiėle risico's aan te houden, als bedoeld in de artikelen 16 tot 22 van Bijlage IV, volgens de modaliteiten bepaald in paragraaf 5, die op individuele basis en, in voorkomend geval, op gesubconsolideerde basis van toepassing zijn.]5
  ----------
  (1)<W 2015-12-18/17, art. 16, 004; Inwerkingtreding : 08-01-2016>
  (2)<W 2015-12-18/17, art. 17, 004; Inwerkingtreding : 08-01-2016>
  (3)<W 2015-12-18/17, art. 18, 004; Inwerkingtreding : 08-01-2016>
  (4)<W 2015-12-18/17, art. 19, 004; Inwerkingtreding : 08-01-2016>
  (5)<W 2015-12-18/17, art. 20, 004; Inwerkingtreding : 08-01-2016>

  Afdeling III. - Macroprudentieel of systeemrisico

  Art. 97. De Bank is de nationale autoriteit die belast is met de toepassing van artikel 458 van Verordening nr. 575/2013.
  Naast de voorwaarden gesteld in artikel 458 van Verordening nr. 575/2013, moeten de reglementen van de Bank die met toepassing van het genoemde artikel 458 worden aangenomen, bij een in Ministerraad overlegd koninklijk besluit worden goedgekeurd.

  Afdeling IV. - Reglementeringsbevoegdheid van de Bank

  Art. 98. Onverminderd de bepalingen van Verordening nr. 575/2013, bepaalt de Bank bij reglement vastgesteld met toepassing van artikel 12bis, § 2 van de wet van 22 februari 1998 :
  a) de normen inzake solvabiliteit, liquiditeit en risicoconcentratie en andere begrenzingsnormen die door alle kredietinstellingen of per categorie van kredietinstellingen moeten worden nageleefd, wanneer deze normen niet bepaald zijn in Verordening nr. 575/2013;
  b) de toepassingsmodaliteiten van de normen inzake solvabiliteit, liquiditeit en risicoconcentratie bepaald in Verordening nr. 575/2013, met inbegrip van de toepassingsmodaliteiten van de verschillende opties die door deze Verordening worden geboden aan de lidstaten en aan de Bank als bevoegde autoriteit, rekening houdend met de richtsnoeren die worden bepaald door de Europese Bankautoriteit in verband met de genoemde Verordening en de technische reguleringsnormen die door de Europese Commissie worden vastgesteld met toepassing van die Verordening;
  c) de waarderingsregels die gelden voor de waardering van de activa, de passiva en de posten die niet in de balans zijn opgenomen voor de controle van de naleving van de normen inzake solvabiliteit, liquiditeit of risicoconcentratie.
  De in dit artikel bedoelde normen kunnen zowel van kwantitatieve als van kwalitatieve aard zijn.

  Afdeling V. - Maatregelen strekkende tot wedersamenstelling van het tier 1-kernkapitaal

  Onderafdeling I. - Beperkingen op uitkeringen die betrekking hebben op een van de tier 1-kernkapitaalbestanddelen

  Art. 99. Een kredietinstelling mag slechts uitkeringen doen die betrekking hebben op een van de tier 1-kernkapitaalbestanddelen indien zij voldoet aan het globaal vereiste van een tier 1-kernkapitaalbuffer als bedoeld in artikel 96.
  Bovendien mogen deze uitkeringen niet tot gevolg hebben dat het tier 1-kernkapitaal daalt tot een niveau dat niet langer voldoet aan het voormeld globaal vereiste van een tier 1-kernkapitaalbuffer.

  Art. 100. In afwijking van artikel 99, eerste lid, kan een kredietinstelling die niet voldoet aan het globaal vereiste van een tier 1-kernkapitaalbuffer niettemin een uitkering met betrekking tot tier 1-kernkapitaalbestanddelen verrichten indien zij voldoet aan de in de artikelen 101 tot 103 bepaalde voorwaarden. Te dien einde berekent de kredietinstelling vooraf het maximaal uitkeerbare bedrag of "MUB" en deelt zij dit bedrag mee aan de toezichthouder.
  De berekeningsmodaliteiten van het MUB die in acht moeten worden genomen door de instelling worden bepaald in artikel 1 van Bijlage V bij deze wet.

  Art. 101. § 1. Een kredietinstelling als bedoeld in artikel 100 mag de volgende handelingen slechts verrichten ten belope van het MUB :
  a) een uitkering verrichten als bezoldiging of een betaling verrichten als terugbetaling of wederinkoop van tier 1-kernkapitaalbestanddelen;
  b) betalingen verrichten die verband houden met aanvullend-tier 1-kapitaalbestanddelen;
  c) zich verbinden tot de betaling van variabele beloningen of uitkeringen uit hoofde van discretionair pensioen.
  § 2. Bovendien mag een kredietinstelling als bedoeld in artikel 100 slechts een variabele beloning of uitkeringen uit hoofde van discretionair pensioen betalen ten belope van het MUB, zelfs indien de betalingsverplichting werd aangegaan op een moment dat de instelling voldeed aan het globaal vereiste van een tier 1-kernkapitaalbuffer.
  § 3. Wanneer zij voornemens is een van de in paragrafen 1 en 2 bedoelde handelingen te verrichten, brengt de instelling haar voornemen ter kennis van de toezichthouder en verstrekt zij de in artikel 2 van Bijlage V vermelde informatie, met een rechtvaardiging voor de inachtneming van de niet-overschrijding van het MUB.

  Art. 102. De kredietinstellingen passen regelingen toe die ervoor zorgen dat het bedrag van de uitkeerbare winst en, in voorkomend geval, het MUB, nauwkeurig worden berekend. Zij zijn in staat de nauwkeurigheid van deze berekening aan te tonen aan de toezichthouder indien hij hierom verzoekt.

  Art. 103.De door deze Onderafdeling opgelegde beperkingen zijn slechts van toepassing in zoverre de opschorting van de betalingen die eruit zou voortvloeien niet de voorwaarden voor de opening van een liquidatieprocedure tot gevolg heeft met toepassing van de bepalingen [1 van Boek XX van het Wetboek van economisch recht]1.
  ----------
  (1)<W 2019-05-02/25, art. 34, 019; Inwerkingtreding : 31-05-2019>

  Onderafdeling II. - Kapitaalconserveringsplan

  Art. 104. Wanneer een kredietinstelling niet voldoet aan het in artikel 96 bedoeld globaal vereiste van een tier 1-kernkapitaalbuffer, informeert zij de toezichthouder hiervan en stelt zij een kapitaalconserveringsplan op dat strekt tot verhoging van het eigen vermogen of, in voorkomend geval, dat maatregelen bevat die de verlaging van het globaal vereiste van een tier 1-kernkapitaalbuffer van de instelling tot gevolg hebben, door de verlaging van haar risicoprofiel.
  De instelling legt dit plan uiterlijk vijf werkdagen na de vaststelling dat zij niet aan het voormeld vereiste voldeed, ter goedkeuring voor aan de toezichthouder. De toezichthouder kan een langere termijn vastleggen, die ten hoogste tien werkdagen mag bedragen, op basis van de bijzondere situatie van een kredietinstelling, rekening houdend met de omvang en de complexiteit van haar werkzaamheden.

  Art. 105. § 1. De toezichthouder keurt het kapitaalconserveringsplan goed indien hij van oordeel is dat de uitvoering ervan de instelling redelijkerwijze zou moeten toelaten, binnen de termijn die hij gepast acht, daadwerkelijk te voldoen aan het globaal vereiste van een tier 1-kernkapitaalbuffer.
  § 2. Indien hij van oordeel is dat de uitvoering van het plan niet redelijkerwijze kan voldoen aan het globaal vereiste van een tier 1-kernkapitaalbuffer binnen voormelde termijn, kan de toezichthouder
  - eisen dat de betrokken instelling tot een verhoging van haar eigen vermogen overgaat tot het niveau dat hij noodzakelijk acht, binnen de termijn en volgens de modaliteiten die hij bepaalt; en/of
  - striktere beperkingen opleggen aan de uitkeringen dan deze die zijn bepaald met toepassing van artikel 101.

  HOOFDSTUK VI. - Periodieke informatieverstrekking en boekhoudregels

  Art. 106. § 1. De kredietinstellingen leggen hun jaarrekening neer bij de Bank.
  De Koning bepaalt, op advies van de Bank :
  1° volgens welke regels de kredietinstellingen hun boekhouding voeren, inventarisramingen verrichten en hun jaarrekening opmaken;
  2° de regels die door de kredietinstellingen moeten worden nageleefd voor het opmaken, controleren en openbaar maken van hun geconsolideerde jaarrekening, alsook voor het opmaken en openbaar maken van het jaar- en controleverslag over deze geconsolideerde jaarrekening.
  De Bank kan, bij reglement vastgesteld met toepassing van artikel 12bis, § 2 van de wet van 22 februari 1998, de toepassingsmodaliteiten vastleggen van de regels bepaald in de in het tweede lid bedoelde koninklijke besluiten.
  § 2. De kredietinstellingen leggen aan de toezichthouder periodiek een gedetailleerde financiėle staat voor. Die staat wordt opgemaakt overeenkomstig de regels die zijn vastgesteld door de toezichthouder, die ook de rapporteringsfrequentie bepaalt. Bovendien kan de toezichthouder voorschrijven dat hem geregeld andere cijfergegevens of uitleg worden verstrekt om te kunnen nagaan of de voorschriften van deze wet, van de uitvoeringsbesluiten en -reglementen ervan of van Verordening nr. 575/2013 zijn nageleefd.
  Het directiecomité verklaart aan de toezichthouder dat de voornoemde periodieke staten die de instelling hem aan het einde van het eerste halfjaar en aan het einde van het boekjaar overmaakt, in overeenstemming zijn met de boekhouding en de inventarissen. Daartoe moeten de periodieke staten
  - volledig zijn; zij bevatten alle gegevens uit de boekhouding en de inventarissen op basis waarvan zij worden opgesteld, en
  - juist zijn; zij stemmen exact overeen met de gegevens uit de boekhouding en de inventarissen op basis waarvan de periodieke staten worden opgesteld.
  Het directiecomité bevestigt het nodige te hebben gedaan opdat de voornoemde staten opgemaakt zijn volgens de richtlijnen van de toezichthouder en met toepassing van de boekings- en waarderingsregels voor de opstelling van de jaarrekening, of, voor de periodieke rapporteringsstaten die geen betrekking hebben op het einde van het boekjaar, met toepassing van de boekings- en waarderingsregels voor de opstelling van de jaarrekening met betrekking tot het laatste boekjaar.
  § 3. De leden van het wettelijk bestuursorgaan zijn zowel jegens de vennootschap als jegens derden, hoofdelijk aansprakelijk voor alle schade die het gevolg is van de overtreding van de ter uitvoering van paragraaf 1, tweede lid genomen bepalingen.
  Wat de overtredingen betreft waaraan zij geen deel hebben gehad, worden de leden van het wettelijk bestuursorgaan slechts van de in het eerste lid bedoelde aansprakelijkheid ontheven indien hen geen schuld kan worden verweten en zij die overtredingen hebben aangeklaagd, naargelang het geval, op de eerste algemene vergadering of de eerstkomende zitting van het wettelijk bestuursorgaan nadat zij er kennis van hebben gekregen.
  § 4. Voor bepaalde categorieėn van kredietinstellingen of in bijzondere gevallen kan de toezichthouder afwijkingen toestaan van de in paragraaf 1, tweede lid en paragraaf 2, eerste lid bedoelde regels.
  § 5. De in dit artikel bedoelde besluiten en reglementen worden genomen na raadpleging van de kredietinstellingen via hun representatieve beroepsverenigingen.

  Art. 107. De Bank publiceert periodiek en ten minste viermaal per jaar een totaalstaat voor de kredietinstellingen volgens de regels die zij vaststelt na raadpleging van de kredietinstellingen via hun representatieve beroepsverenigingen.

  HOOFDSTUK VII. - Herstelplannen

  Afdeling I. - Opmaak van herstelplannen

  Art. 108.[1 § 1. De kredietinstelling waarvoor geen groepsherstelplan wordt opgesteld, stelt een herstelplan op met maatregelen die door de instelling kunnen worden uitgevoerd voor het herstel van haar financiėle positie na een aanzienlijke verslechtering ervan, en actualiseert dit plan. [2 Het herstelplan vermeldt ook de mogelijke maatregelen die de kredietinstelling moet nemen als aan de voorwaarden bedoeld in artikel 234, § 1, voor het opleggen van herstelmaatregelen is voldaan.]2
   De kredietinstelling deelt het herstelplan mee aan de toezichthouder.
   § 2. Kredietinstellingen waarvoor een groepsherstelplan wordt opgesteld, dienen een herstelplan op individuele basis op te stellen indien de bevoegde autoriteiten daartoe besloten hebben overeenkomstig artikel 435, § 1 of § 3, artikel 436, § 3 of in de zin van artikel 8, lid 2 of lid 4 van Richtlijn 2014/59/EU.]1
  ----------
  (1)<KB 2015-12-26/07, art. 3, 005; Inwerkingtreding : 01-01-2016>
  (2)<W 2019-05-02/25, art. 35, 019; Inwerkingtreding : 31-05-2019>

  Art. 109. Het herstelplan houdt rekening met verschillende scenario's van ernstige macro-economische of financiėle crisis, waaronder systeembrede gebeurtenissen, crises die specifiek zijn aan de kredietinstelling, en, in voorkomend geval, crises waarbij entiteiten van de groep waarvan de kredietinstelling deel uitmaakt, betrokken zijn.
  Het herstelplan houdt geen rekening met enige uitzonderlijke overheidssteun maar bevat in voorkomend geval een analyse van hoe en wanneer de kredietinstelling een beroep zou kunnen doen op de faciliteiten van centrale banken. Het plan bepaalt welke activa van de kredietinstelling daarvoor als zekerheid in aanmerking kunnen komen.

  Art. 110. § 1. Het herstelplan bevat een raamwerk van kwalitatieve en kwantitatieve indicatoren van een potentiėle verslechtering van de financiėle positie van de kredietinstelling, met aanduiding van de momenten waarop de instelling onderzoekt of in het plan opgenomen corrigerende maatregelen ten uitvoer moeten worden gelegd.
  Te dien einde bepaalt het herstelplan passende procedures voor de periodieke monitoring van de in het eerste lid bedoelde indicatoren alsook voor het onderzoek van de in overweging te nemen corrigerende maatregelen, met inbegrip van de eventueel te volgen escalatieprocedure.
  § 2. De in paragraaf 1 bedoelde indicatoren omvatten een progressieve schaal van drempelwaarden voor de proportie van bezwaarde activa van de kredietinstelling, die door de toezichthouder wordt vastgesteld overeenkomstig het tweede lid. Het herstelplan vermeldt de corrigerende maatregelen die moeten worden overwogen bij overschrijding van elk van de drempels.
  Teneinde te zorgen voor een toereikend voorwerp voor de uitoefening van het voorrecht bedoeld in artikel 389 en terzelfder tijd de toegang van de kredietinstelling tot haar bronnen van financiering te vrijwaren, bepaalt de toezichthouder voor iedere kredietinstelling een progressieve schaal van drempelwaarden voor de proportie van haar bezwaarde activa, volgens de definities van de technische uitvoeringsnorm bedoeld in artikel 100, tweede alinea, van Verordening nr. 575/2013.
  Bij de vaststelling van de schaal bedoeld in het tweede lid houdt de toezichthouder rekening met het niveau van de in artikel 389 bedoelde deposito's van de kredietinstelling, met de aard van haar werkzaamheden en met de structuur van haar balans.
  Bij reglement vastgesteld met toepassing van artikel 12bis, § 2 van de wet van 22 februari 1998 en goedgekeurd bij een in Ministerraad overlegd koninklijk besluit, stelt de Bank de minimum- en maximumdrempels vast waartussen de schalen bedoeld in het tweede lid zich moeten situeren, rekening houdend met de internationale ontwikkelingen in deze materie en de benchmarks die zich daarbij aftekenen.
  § 3. De kredietinstelling kan, wanneer haar wettelijk bestuursorgaan zulks in het licht van de omstandigheden aangewezen acht :
  1° maatregelen nemen in het kader van haar herstelplan ook als de betrokken indicator niet is gehaald;
  2° geen maatregelen nemen in het kader van haar herstelplan ook als de betrokken indicator wel is gehaald.
  De kredietinstelling stelt de toezichthouder onverwijld in kennis van elke beslissing om een maatregel te nemen in het kader van de uitvoering van haar herstelplan, en van elke beslissing om dit niet te doen ondanks het feit dat de betrokken indicator is gehaald.
  § 4. Onverminderd de andere bevoegdheden die deze wet hem toekent, kan de toezichthouder de kredietinstelling opdragen om een of meer in haar herstelplan opgenomen corrigerende maatregelen te nemen indien de instelling nalaat om uit eigen initiatief passende maatregelen te nemen.

  Art. 111.De kredietinstelling actualiseert het herstelplan ten minste eenmaal per jaar en in ieder geval na elke wijziging in haar juridische of organisatiestructuur, haar werkzaamheden of haar financiėle positie die een significante invloed kan hebben op het plan of wijziging ervan vergt.
  De toezichthouder kan van de kredietinstelling eisen dat zij haar herstelplan vaker actualiseert. [1 De toezichthouder eist in elk geval een actualisering van het herstelplan indien de hypotheses die in het herstelplan zijn beschreven anders zijn dan de omstandigheden die aanleiding hebben gegeven tot het nemen van maatregelen bedoeld in artikel 234, § 2.]1
  ----------
  (1)<W 2016-06-27/09, art. 5, 008; Inwerkingtreding : 16-07-2016>

  Art. 112.Bij reglement vastgesteld met toepassing van artikel 12bis, § 2 van de wet van 22 februari 1998 [1 kan de Bank de nadere regels bepalen inzake :]1
  1° de minimuminhoud van het herstelplan;
  2° de informatie die door de kredietinstellingen aan de toezichthouder moet worden meegedeeld, en de frequentie waarmee dit dient te gebeuren.
  [2 De toezichthouder kan de kredietinstellingen verplichten om gedetailleerde gegevens bij te houden aangaande financiėle contracten waarbij zij partij zijn.]2
  ----------
  (1)<W 2015-12-18/17, art. 21, 004; Inwerkingtreding : 08-01-2016>
  (2)<W 2016-06-27/09, art. 6, 008; Inwerkingtreding : 16-07-2016>

  Art. 113.[1 § 1. De toezichthouder kan de volgende instellingen vrijstellen van de verplichtingen krachtens deze Afdeling :
   1° de instellingen die lid zijn van een institutioneel beschermingsstelsel, waaronder wordt verstaan een door bepaalde kredietinstellingen op vrijwillige basis ingestelde onderlinge waarborgregeling;
   2° de kredietinstellingen bedoeld in artikel 239, § 1.
   § 2. Wanneer de toezichthouder een vrijstelling verleent met toepassing van paragraaf 1, past hij de in deze Afdeling bepaalde vereisten toe op basis van de algemene situatie van respectievelijk het institutioneel beschermingsstelsel en de vrijgestelde leden ervan, of de centrale instelling en de bij deze instelling aangesloten kredietinstellingen als bedoeld in artikel 239.
   § 3. De instellingen die krachtens artikel 6, leden 4 en 5, onder b), van de GTM-verordening onder het rechtstreeks toezicht van de Europese Centrale Bank staan of de instellingen waarvan de werkzaamheden een belangrijk deel van het Belgische financiėle stelsel uitmaken, kunnen niet worden vrijgesteld uit hoofde van paragraaf 1. Voor de toepassing van deze paragraaf worden de werkzaamheden van een instelling geacht een belangrijk deel van het Belgische financiėle stelsel uit te maken indien voldaan is aan een van de volgende voorwaarden :
   1° de totale waarde van haar activa is groter dan 30.000.000.000 EUR; of
   2° de verhouding tussen haar totale activa en het bruto binnenlands product is groter dan 20 %.
   § 4. De toezichthouder kan een kredietinstelling toestaan af te wijken van de verplichtingen van deze Afdeling inzake de inhoud van het herstelplan, de frequentie van actualisering van het plan of de informatieverstrekking door de kredietinstelling alsmede van de termijn bepaald in artikel 114, § 2, of in artikel 416, voor zover een dergelijke afwijking verantwoord is in het licht van de impact die het in gebreke blijven en de vereffening van de kredietinstelling in het kader van een vereffeningsprocedure kunnen hebben op de financiėle markten, op andere kredietinstellingen, op de financieringvoorwaarden en op de economie in het algemeen. Hierbij houdt de toezichthouder in het bijzonder rekening met de aard van de werkzaamheden van de kredietinstelling, haar aandeelhoudersstructuur, rechtsvorm, risicoprofiel, omvang en juridisch statuut, verwevenheid met andere kredietinstellingen of het financiėle stelsel in het algemeen, de perimeter en complexiteit van haar werkzaamheden en de eventuele uitoefening van beleggingsdiensten- of activiteiten.
   De toezichthouder kan een afwijking toegekend met toepassing van het eerste lid te allen tijde weer intrekken. Hij beoordeelt de noodzaak en de opportuniteit van het behoud van de toegekende afwijkingen ten minste eenmaal per jaar en na een wijziging in de juridische of organisatiestructuur, de werkzaamheden of de financiėle positie van de betrokken kredietinstelling.
   § 5. De met toepassing van paragraaf 4 toegekende afwijkingen mogen in geen geval betrekking hebben op de verplichtingen inzake de progressieve schaal van drempelwaarden voor de proportie van bezwaarde activa, als bedoeld in artikel 110, § 2, tweede en derde lid.]1
  [2 § 6. De toezichthouder stelt de EBA in kennis van de wijze waarop hij de bepalingen van dit artikel heeft toegepast.]2
  ----------
  (1)<W 2015-12-18/17, art. 22, 004; Inwerkingtreding : 08-01-2016>
  (2)<W 2018-03-11/07, art. 247, 016; Inwerkingtreding : 26-03-2018>

  Afdeling II. - Beoordeling van herstelplannen

  Art. 114. § 1. Het herstelplan wordt door het wettelijk bestuursorgaan van de kredietinstelling onderzocht en goedgekeurd alvorens het aan de toezichthouder wordt voorgelegd.
  § 2. De kredietinstelling legt haar eerste herstelplan aan de toezichthouder voor binnen zes maanden vanaf de datum van haar vergunning.
  Onder voorbehoud van wat in het derde lid is bepaald, legt de kredietinstelling aan de toezichthouder een geactualiseerd plan voor binnen twee maanden volgend op het feit dat aanleiding heeft gegeven tot het ontstaan van de verplichting tot actualisering van het plan, met dien verstande dat de toezichthouder deze termijn kan verlengen tot maximum zes maanden.
  Indien het feit dat aanleiding heeft gegeven tot de verplichting tot actualisering van het plan, een wijziging is in de financiėle positie van de kredietinstelling die het plan aanmerkelijk kan beļnvloeden, stelt de kredietinstelling de toezichthouder hiervan onverwijld in kennis en legt zij een geactualiseerd plan voor binnen de termijn die haar door de toezichthouder wordt meegedeeld.
  § 3. De toezichthouder bezorgt het herstelplan en elk geactualiseerd plan aan de afwikkelingsautoriteit.
  De afwikkelingsautoriteit kan binnen dertig dagen na ontvangst van het plan aanbevelingen richten aan de toezichthouder over de maatregelen bepaald in het plan die de afwikkelbaarheid van de kredietinstelling negatief kunnen beļnvloeden.

  Art. 115. § 1. Binnen zes maanden na ontvangst van het herstelplan, onderzoekt de toezichthouder dit plan en beoordeelt hij of het voldoet aan de vereisten bepaald door of krachtens de artikelen 108 tot 113.
  Hierbij evalueert de toezichthouder inzonderheid of het herstelplan toelaat redelijkerwijze te verwachten dat :
  1° de uitvoering van de in het plan opgenomen maatregelen van aard is om de levensvatbaarheid en de financiėle positie van de kredietinstelling of de groep waarvan zij deel uitmaakt, in stand te houden of te herstellen, rekening houdend met de voorbereidende maatregelen die de instelling heeft getroffen of voornemens is te treffen;
  2° het plan en de verschillende opties die daarin zijn opgenomen, snel en doeltreffend kunnen worden uitgevoerd in situaties van financiėle stress, waarbij in de mate van het mogelijke significante negatieve gevolgen voor het financiėle stelsel worden vermeden, mede in scenario's van gelijktijdige uitvoering van herstelplannen van andere instellingen.
  Bij zijn evaluatie van het herstelplan besteedt de toezichthouder bijzondere aandacht aan de toereikendheid van de kapitaal- en financieringsstructuur van de instelling in verhouding tot de graad van complexiteit van haar organisatiestructuur en tot haar risicoprofiel.
  § 2. Indien de toezichthouder oordeelt dat het herstelplan wezenlijke tekortkomingen vertoont of dat er significante belemmeringen zijn voor de tenuitvoerlegging ervan, stelt hij de kredietinstelling daarvan in kennis en, nadat hij haar de gelegenheid heeft gegeven om haar standpunt te formuleren, nodigt hij haar uit om binnen twee maanden een herzien plan in te dienen waarin de tekortkomingen of belemmeringen zijn verholpen. De toezichthouder kan voornoemde termijn van twee maanden met maximum één maand verlengen.
  § 3. Indien de toezichthouder oordeelt dat de door hem geļdentificeerde tekortkomingen of belemmeringen niet naar behoren zijn verholpen in het overeenkomstig paragraaf 2 herziene plan, kan hij de kredietinstelling gelasten om binnen dertig dagen vanaf de kennisgeving van deze bevinding aan de instelling, specifieke wijzigingen in het herstelplan aan te brengen.

  Art. 116. § 1. Indien de kredietinstelling binnen de gestelde termijn geen gevolg geeft aan de uitnodiging bedoeld in artikel 115, § 2, of indien de toezichthouder oordeelt dat het herziene herstelplan dat werd ingediend overeenkomstig artikel 115, § 2, de door hem geļdentificeerde tekortkomingen of belemmeringen niet verhelpt en het onmogelijk is om deze naar behoren te verhelpen middels een aanmaning overeenkomstig artikel 115, § 3, stelt de toezichthouder de kredietinstelling daarvan in kennis en vereist hij dat zij binnen dertig dagen bepaalt welke wijzigingen zij in haar werkzaamheden kan aanbrengen om deze tekortkomingen of belemmeringen te verhelpen.
  § 2. Indien de toezichthouder oordeelt dat de wijzigingen voorgesteld door de kredietinstelling met toepassing van paragraaf 1, de door hem geļdentificeerde tekortkomingen of belemmeringen niet verhelpen, kan hij, onverminderd andere maatregelen bepaald door of krachtens deze wet, de kredietinstelling gelasten elke maatregel te treffen die hij noodzakelijk en evenredig acht om een einde te maken aan deze tekortkomingen of belemmeringen.
  De toezichthouder kan de kredietinstelling inzonderheid gelasten om :
  1° haar risicoprofiel, met inbegrip van het liquiditeitsrisico, te verminderen;
  2° snelle herkapitalisatiemaatregelen mogelijk te maken;
  3° haar strategie en haar structuur te herzien;
  4° wijzigingen in haar financieringsstrategie aan te brengen om de robuustheid van haar kernactiviteiten en haar kritieke functies te vergroten;
  5° wijzigingen in haar governancestructuur aan te brengen.
  De beslissing van de toezichthouder wordt schriftelijk ter kennis gebracht van de kredietinstelling.

  HOOFDSTUK VIII. - Structuur van de activiteiten

  Afdeling I. - Toepassingsgebied en definities

  Art. 117. Dit Hoofdstuk is van toepassing op kredietinstellingen naar Belgisch recht die deposito's aantrekken of schuldinstrumenten uitgeven die gedekt zijn door de Belgische depositobeschermingsregeling bedoeld in artikel 380.

  Art. 118. § 1. Voor de toepassing van dit Hoofdstuk en van de besluiten en reglementen vastgesteld ter uitvoering ervan, dient te worden verstaan onder :
  1° handel voor eigen rekening : de handel in financiėle instrumenten met gebruik van eigen kapitaal, in het kader van de handelsportefeuille zoals bepaald in artikel 4, lid 1, 86) van Verordening nr. 575/2013;
  2° op geconsolideerde basis : op basis van de geconsolideerde toestand van de groep of subgroep gevormd door een kredietinstelling en haar Belgische en buitenlandse dochterondernemingen;
  3° consolidatieperimeter : de groep of subgroep gevormd door een kredietinstelling en haar Belgische en buitenlandse dochterondernemingen;
  4° handelsentiteit : elke onderneming verbonden met een kredietinstelling, buiten haar consolidatieperimeter, waarvan de handelsactiviteiten voor eigen rekening de drempels overschrijden die bepaald zijn in een reglement vastgesteld door de Bank met toepassing van artikel 12bis, § 2 van de wet van 22 februari 1998.
  § 2. Voor de aangelegenheden die onder dit Hoofdstuk vallen, wordt over elk koninklijk besluit bedoeld in artikel 12bis, § 2, derde lid van de wet van 22 februari 1998 beraadslaagd in de Ministerraad.

  Afdeling II. - Verbod van handelsactiviteiten voor eigen rekening

  Art. 119. Vanaf 1 januari 2015 mag geen enkele kredietinstelling handelsactiviteiten voor eigen rekening uitoefenen, noch rechtstreeks noch via Belgische of buitenlandse dochterondernemingen.

  Art. 120.Voor de toepassing van dit Hoofdstuk worden met handelsactiviteiten voor eigen rekening gelijkgesteld de verrichtingen en verbintenissen voor eigen rekening, zonder toereikende zekerheden, aangegaan met :
  a) [1 AICB's die in aanzienlijke mate met hefboomfinanciering werken zoals bedoeld in artikel 111 van Gedelegeerde Verordening (EU) nr. 231/2013 van de Commissie van 19 december 2012 tot aanvulling van Richtlijn 2011/61/EU van het Europees Parlement en de Raad ten aanzien van vrijstellingen, algemene voorwaarden voor de bedrijfsuitoefening, bewaarders, hefboomfinanciering, transparantie en toezicht]1 of soortgelijke beleggingsvehikels die beantwoorden aan de karakteristieken bepaald in een reglement van de FSMA; of
  b) instellingen voor collectieve belegging met beleggingen in of blootstelling aan één of meer instellingen of vehikels als bedoeld in punt a) boven een drempel bepaald in een reglement vastgesteld door de Bank met toepassing van artikel 12bis, § 2 van de wet van 22 februari 1998.
  ----------
  (1)<W 2016-10-25/05, art. 20, 009; Inwerkingtreding : 01-12-2016>

  Art. 121.§ 1. Onder voorbehoud van artikel 123, geldt het verbod bepaald in artikel 119 niet voor verrichtingen in financiėle instrumenten die een onderdeel vormen van de volgende activiteiten, voor zover die verrichtingen voldoen aan de voorwaarden bepaald in paragraaf 2 :
  1° het verlenen aan cliėnten van beleggingsdiensten en nevendiensten, zoals bepaald [1 in artikel 2, 1°, 2 en 4 tot 8, en 2° van de wet van 25 oktober 2016]1, die erop gericht zijn om te voldoen aan de financierings-, indekkings- of beleggingsbehoeften van de cliėnten;
  2° de activiteiten van marketmaking die bestaan in de regelmatige en doorlopende aanwezigheid, op een gereglementeerde markt of in een multilaterale handelsfaciliteit waarvan hij lid is, van een marktdeelnemer die vaste bied- en laatkoersen aanbiedt voor financiėle instrumenten, met een verbintenis van zijn kant om tegen deze prijzen als tegenpartij op te treden voor minimumhoeveelheden, teneinde liquiditeit te scheppen in de betrokken markt, voor zover deze marktdeelnemer door de marktonderneming of de beleggingsonderneming die de betrokken markt of de multilaterale handelsfaciliteit exploiteert, wordt geattesteerd als marketmaker;
  3° de activiteiten tot indekkings van de eigen risico's van de kredietinstelling of van haar dochterondernemingen, met inbegrip van de risico's verbonden aan de activiteiten bedoeld in 1°, 2°, 4° en 5° ;
  4° het gezond en voorzichtig beheer van de liquide middelen van de kredietinstelling en haar dochterondernemingen;
  5° de aan- en verkoop van financiėle instrumenten verworven met het oogmerk om op duurzame wijze te worden aangehouden.
  § 2. Om vrijgesteld te zijn van het verbod bepaald in artikel 119 moeten de verrichtingen in financiėle instrumenten bedoeld in paragraaf 1 aan de volgende voorwaarden voldoen :
  1° zij moeten worden uitgevoerd binnen de risicolimieten en met inachtneming van de omkaderingsmaatregelen bepaald met toepassing van artikel 122;
  2° wat de verrichtingen in het kader van de activiteiten bedoeld in paragraaf 1, 1° tot 3°, betreft, moet de kredietinstelling aantonen dat zij voor haar noodzakelijk zijn om haar intermediėrende rol voor haar cliėnten te kunnen vervullen;
  3° wat de verrichtingen in het kader van de activiteiten bedoeld in paragraaf 1, 4° en 5°, betreft, moet de kredietinstelling aantonen dat zij noodzakelijk zijn met het oog op een gezond en voorzichtig beheer van de betrokken liquiditeiten of investeringen.
  ----------
  (1)<W 2016-10-25/05, art. 21, 009; Inwerkingtreding : 01-12-2016>

  Art. 122. Bij reglement vastgesteld met toepassing van artikel 12bis, § 2 van de wet van 22 februari 1998 bepaalt de Bank de risicolimieten en de maatregelen voor de omkadering van de verrichtingen in financiėle instrumenten bedoeld in artikel 121, § 1.
  Het reglement bedoeld in het eerste lid bepaalt eveneens :
  1° de regels inzake governance en risicobeheer voor elke categorie van verrichtingen bedoeld in artikel 121, § 1;
  2° de specifieke internecontroleprocedures die de kredietinstellingen moeten invoeren om de naleving van de voorwaarden en limieten bepaald door of krachtens de artikelen 121 tot 124 te verzekeren;
  3° de specifieke periodieke rapporteringsverplichtingen van de kredietinstellingen die de toezichthouder in staat stellen om de naleving van voornoemde voorwaarden en limieten te controleren.

  Art. 123. § 1. De verrichtingen in financiėle instrumenten bedoeld in artikel 121, § 1, die niet binnen de risicolimieten blijven die zijn vastgelegd met toepassing van de artikelen 121 en 122, worden beschouwd als verboden handelsactiviteiten voor eigen rekening wanneer de marktrisico's verbonden aan die verrichtingen op individuele basis of op geconsolideerde basis de drempel vastgesteld overeenkomstig paragraaf 2 overschrijden.
  § 2. De drempel bedoeld in paragraaf 1 wordt vastgesteld als de ratio tussen de eigenvermogensvereisten voor marktrisico's verbonden aan de verrichtingen bedoeld in paragraaf 1 en het totaal van het reglementair eigen vermogen van de kredietinstelling, op individuele of geconsolideerde basis, naargelang het geval.
  De ratio bedoeld in het eerste lid mag niet hoger zijn dan één percent. Bij een in Ministerraad overlegd besluit kan de Koning deze limiet aanpassen volgens de evolutie van de noden van de reėle economie.
  Met inachtneming van de maximumratio bedoeld in het tweede lid bepaalt de toezichthouder de drempel bedoeld in paragraaf 1 voor iedere kredietinstelling afzonderlijk, rekening houdend inzonderheid met de werkzaamheden en het risicoprofiel van de kredietinstelling en met de impact van de drempel op de mogelijkheid voor de kredietinstelling om haar ondersteunende rol voor de reėle economie te spelen.
  § 3. Bij reglement vastgesteld met toepassing van artikel 12bis, § 2 van de wet van 22 februari 1998, bepaalt de Bank de nadere regels voor de berekening van de ratio bedoeld in paragraaf 2.
  Dit reglement kan, onder de voorwaarden die het bepaalt :
  1° de eigenvermogensvereisten die voortvloeien uit overdrachten binnen de groep die erop gericht zijn om het risicobeheer te centraliseren op het niveau van de kredietinstelling, uitsluiten van de berekening van voornoemde ratio;
  2° toestaan dat de toezichthouder aan de kredietinstelling een termijn verleent om haar toestand te regulariseren in uitzonderlijke omstandigheden die deels aan haar controle ontsnappen.

  Art. 124. In afwijking van artikel 119 kan de toezichthouder een kredietinstelling toestaan om, onder de voorwaarden die hij bepaalt, het uitdovend beheer verder te zetten van portefeuilles van financiėle instrumenten die op deze manier worden beheerd sedert een datum vóór 1 januari 2014.

  Art. 125. De kredietinstelling draagt de bewijslast om aan de toezichthouder aan te tonen dat haar werkzaamheden of die van haar dochterondernemingen, naargelang het geval, voldoen aan de voorwaarden en limieten bepaald door of krachtens de artikelen 121 tot 124.

  Art. 126.§ 1. Binnen dertig dagen vanaf de vaststelling dat de drempel bedoeld in artikel 123 is overschreden, legt de kredietinstelling aan de toezichthouder een plan ter goedkeuring voor met een gedetailleerde beschrijving van hoe zij haar handelsactiviteiten of die van haar dochterondernemingen zal verminderen, stopzetten of overdragen met het oog op de naleving van de bepalingen van dit Hoofdstuk.
  § 2. Te dien einde mogen de handelsactiviteiten voor eigen rekening van de kredietinstelling of haar dochterondernemingen geheel of gedeeltelijk worden overgedragen aan één of meer verbonden ondernemingen buiten de consolidatieperimeter van de kredietinstelling.
  Wanneer aldus handelsactiviteiten voor eigen rekening aan een verbonden onderneming naar Belgisch recht worden overgedragen, dient deze een vergunning als beursvennootschap te hebben verkregen [1 overeenkomstig de wet van 25 oktober 2016]1.
  ----------
  (1)<W 2016-10-25/05, art. 22, 009; Inwerkingtreding : 01-12-2016>

  Art. 127. § 1. Indien een kredietinstelling nalaat een plan als bedoeld in artikel 126, § 1 voor te leggen, of indien de toezichthouder van oordeel is dat dit plan er niet voor zorgt dat de bepalingen van dit Hoofdstuk op duurzame wijze worden nageleefd, kan de toezichthouder de kredietinstelling gelasten om de corrigerende maatregelen te nemen die hij noodzakelijk acht, met inbegrip van de stopzetting of de overdracht van de betrokken handelsactiviteiten voor eigen rekening.
  § 2. Bij zijn beoordeling van het plan bedoeld in artikel 126, § 1, houdt de toezichthouder rekening met de gevolgen van dit plan voor de stabiliteit van het financiėle stelsel en voor de werking van de reėle economie.
  § 3. In geval van overdracht van handelsactiviteiten voor eigen rekening aan een onderneming die verbonden is met de kredietinstelling, kan de toezichthouder zijn goedkeuring van het plan bedoeld in artikel 126, § 1 onderwerpen aan voorwaarden die erop gericht zijn om de risico's verbonden aan de uitoefening van die activiteiten door deze onderneming af te schermen.
  § 4. Zodra de toezichthouder het plan bedoeld in artikel 126, § 1, heeft goedgekeurd, brengt hij zijn beslissing ter kennis van de betrokken kredietinstelling en maakt hij die bekend op zijn website.

  Afdeling III. - Betrekkingen met handelsentiteiten

  Art. 128. Elke handelsentiteit naar Belgisch recht moet zich voegen naar de prudentiėle vereisten die op haar van toepassing zijn op individuele basis en, in voorkomend geval, op basis van de geconsolideerde toestand van de groep of de subgroep gevormd door de entiteit en haar Belgische en buitenlandse dochterondernemingen, zonder dat zij een vrijstelling of afwijking kan genieten ingevolge haar opname in de geconsolideerde toestand van een grotere groep die één of meer kredietinstellingen omvat.

  Art. 129. § 1. Voor de toepassing van de reglementaire eigenvermogensvereisten en limieten voor grote risicoblootstellingen, worden de blootstellingen van kredietinstellingen aan verbonden handelsentiteiten behandeld als blootstellingen aan derden.
  De blootstellingen bedoeld in het eerste lid kunnen noch volledig noch gedeeltelijk worden vrijgesteld van de limieten voor grote risicoblootstellingen krachtens artikel 400, lid 2, onder c) of f) van Verordening nr. 575/ 2013.
  § 2. Bij reglement vastgesteld met toepassing van artikel 12bis, § 2 van de wet van 22 februari 1998 kan de Bank de blootstellingen bedoeld in paragraaf 1 onderwerpen aan een groterisicoblootstellingslimiet van minder dan 25 percent overeenkomstig artikel 395, lid 6 van Verordening nr. 575/2003 en eisen dat zij het voorwerp uitmaken van een toereikende kredietbescherming.

  Art. 130. Een kredietinstelling mag slechts rechtstreeks of onrechtstreeks gekwalificeerde deelnemingen in handelsentiteiten verwerven of aanhouden op voorwaarde dat het bedrag van deze deelnemingen in mindering wordt gebracht op het bedrag van de tier 1-kernkapitaalbestanddelen en dat de toezichthouder hiervoor vooraf zijn toestemming heeft gegeven.

  Art. 131. § 1. De leden van het directiecomité of, bij gebrek aan een dergelijk comité, de personen belast met het effectieve leiding van een kredietinstelling, mogen binnen een handelsentiteit geen enkel mandaat noch enige uitvoerende functie uitoefenen.
  § 2. Onverminderd artikel 524 van het Wetboek van vennootschappen, telt de raad van bestuur van een handelsentiteit naar Belgisch recht ten minste één onafhankelijke bestuurder in de zin van artikel 526ter van hetzelfde Wetboek.
  Ten minste de helft van de niet-uitvoerende leden van de raad van bestuur van een handelsentiteit naar Belgisch recht oefenen geen enkel mandaat noch enige uitvoerende functie uit binnen een onderneming verbonden met een handelsentiteit.

  Afdeling IV. - Diverse bepalingen

  Art. 132. De bepalingen van dit Hoofdstuk gelden onverminderd de andere maatregelen die door de toezichthouder of de afwikkelingsautoriteit kunnen worden opgelegd met toepassing van deze wet.

  Art. 133. De Koning kan, bij een in Ministerraad overlegd besluit, genomen op advies van de Bank, alle nuttige maatregelen treffen voor de omzetting van de bepalingen die voortvloeien uit internationale verdragen of internationale akten genomen krachtens dergelijke verdragen, voor de aangelegenheden die door de bepalingen van dit Hoofdstuk worden geregeld.
  De in de eerste lid aan de Koning verleende machten verstrijken op 31 december 2015.
  De besluiten genomen krachtens dit artikel kunnen de van kracht zijnde wettelijke bepalingen wijzigen, aanvullen, vervangen of opheffen.
  Deze besluiten worden van rechtswege opgeheven indien zij niet bij wet worden bekrachtigd binnen twaalf maanden volgend op hun bekendmaking in het Belgisch Staatsblad.

  TITEL III. - Toezicht op de kredietinstellingen

  HOOFDSTUK I. - Toezicht door de toezichthouder en de FSMA

  Art. 134.§ 1. Overeenkomstig de bevoegdheidsverdeling waarin de GTM-verordening voorziet, waakt de toezichthouder erover dat elke kredietinstelling werkt overeenkomstig de bepalingen van deze wet, haar uitvoeringsbesluiten en -reglementen en de rechtstreeks toepasbare Europese verordeningen, onverminderd de bevoegdheden toegekend aan de FSMA op grond van artikel 45, § 1, eerste lid, 3°, en § 2 van de wet van 2 augustus 2002 [1 , ook voor wat betreft de vereisten die op grond van artikel 65/3, eerste lid, 1°, zijn vastgesteld]1.
  [2 § 1/1. Bovendien ziet de Bank toe op de naleving door de kredietinstellingen van artikel 145 van de wet van 11 maart 2018.]2
  § 2. De toezichthouder neemt bij de uitoefening van zijn algemene taken naar behoren de gevolgen in overweging die zijn besluiten, met name in noodsituaties, kunnen hebben voor de stabiliteit van het financiėle stelsel van alle andere betrokken lidstaten, uitgaande van de op het betrokken tijdstip beschikbare informatie.
  ----------
  (1)<W 2017-11-21/08, art. 170, 014; Inwerkingtreding : 03-01-2018>
  (2)<W 2019-05-02/25, art. 36, 019; Inwerkingtreding : 31-05-2019>

  Art. 135.Met het oog op zijn opdracht kan de toezichthouder zich alle inlichtingen doen verstrekken over de organisatie, de werking, de positie en de verrichtingen van de kredietinstellingen [1 , evenals alle opnames van telefoongesprekken of elektronische communicatie of andere overzichten van dataverkeer die in het bezit zijn van de kredietinstelling]1.
  Hij kan ter plaatse inspecties verrichten en ter plaatse kennis nemen en een kopie maken van elk gegeven in bezit van de instelling,
  1° om na te gaan of de wettelijke en reglementaire bepalingen en de bepalingen van de rechtstreeks toepasbare Europese verordeningen die betrekking hebben op het statuut van de kredietinstellingen, zijn nageleefd en of de boekhouding en jaarrekening, alsmede de hem door de instelling voorgelegde staten en inlichtingen, juist en waarheidsgetrouw zijn;
  2° om het passende karakter te toetsen van de beleidsstructuren, de administratieve en boekhoudkundige organisatie, de interne controle en het beleid van de instelling inzake het prospectieve beheer van de eigenvermogensbehoeften en de liquiditeit van de instelling;
  3° om zich ervan te vergewissen dat het beleid van de instelling gezond en voorzichtig is en dat haar positie of haar verrichtingen haar liquiditeit, rendabiliteit of solvabiliteit niet in gevaar kunnen brengen.
  De in het eerste en tweede lid bedoelde prerogatieven omvatten ook de toegang tot de agenda's en de notulen van de vergaderingen van de verschillende organen van de instelling en van hun interne comités, evenals tot de bijbehorende documenten en tot de resultaten van de interne en/of externe beoordeling van de werking van de genoemde organen.
  ----------
  (1)<W 2016-10-25/05, art. 23, 009; Inwerkingtreding : 01-12-2016>

  Art. 136.[1 In het kader van het toezicht en met name van de inspecties]1 zijn de personeelsleden van de toezichthouder gemachtigd om van de leiders en de werknemers van de kredietinstelling alle inlichtingen en uitleg te verkrijgen die zij nodig achten voor de uivoering van hun opdrachten en kunnen zij te dien einde gesprekken eisen met leiders of personeelsleden van de instelling die zij aanduiden.
  ----------
  (1)<W 2016-10-25/05, art. 24, 009; Inwerkingtreding : 01-12-2016>

  Art. 136/1.[1 Onverminderd artikel 66, tweede lid kan de toezichthouder in geval van uitbesteding ook zijn inspectieprerogatieven uitoefenen als bedoeld in artikel 135, tweede lid, bij de ondernemingen waarop de kredietinstellingen een beroep doen in hun hoedanigheid van dienstverleners (uitbesteding - outsourcing), om na te gaan of de voorwaarden waaronder die diensten worden verricht, geen afbreuk kunnen doen aan de naleving door de kredietinstellingen van hun wettelijke en reglementaire verplichtingen. De in de artikelen 136 en 140 bedoelde prerogatieven kunnen, naar analogie, ook worden uitgeoefend ten aanzien van die dienstverleners.
   De bevoegde autoriteiten van een andere lidstaat waarvan de kredietinstellingen die onder hun toezichtsbevoegdheid vallen, een beroep doen op in Belgiė gevestigde dienstverlenende ondernemingen (uitbesteding - outsourcing), mogen ten aanzien van die dienstverleners de in het eerste lid bedoelde prerogatieven uitoefenen, in voorkomend geval met inschakeling van personen die zij daartoe machtigen. Wanneer zij daarom verzoeken kan de toezichthouder zijn prerogatieven namens die autoriteiten uitoefenen.]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij W 2016-10-25/05, art. 25, 009; Inwerkingtreding : 01-12-2016>

  Art. 136/2. [1 De inspectieverslagen en meer in het algemeen alle documenten die uitgaan van de toezichthouder, waarvan hij aangeeft dat ze vertrouwelijk zijn, mogen niet openbaar worden gemaakt door de kredietinstellingen zonder uitdrukkelijke toestemming van de toezichthouder.
   De niet-naleving van deze verplichting wordt bestraft met de straffen waarin voorzien is in artikel 458 van het Strafwetboek.]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij W 2017-11-21/08, art. 171, 014; Inwerkingtreding : 03-01-2018>
  

  Art. 137. De kredietinstellingen dienen de FSMA en de toezichthouder onverwijld in te lichten wanneer zij de diensten van systematische interne afhandeling in de zin van artikel 3, 66° aanvatten of stopzetten.

  Art. 138.Zonder afbreuk te doen aan de bevoegdheden die aan de Europese Centrale Bank zijn toegewezen krachtens de GTM-verordening, sluiten de Bank en de FSMA een overeenkomst met het oog op een efficiėnt en gecoördineerd toezicht op de kredietinstellingen. Zij maken deze overeenkomst bekend op hun respectieve websites.
  Deze overeenkomst bepaalt de modaliteiten van de samenwerking tussen de Bank en de FSMA in alle gevallen waar de wet voorziet in een advies, raadpleging, informatie of ander contact tussen de twee instellingen of waar overleg tussen beide instellingen noodzakelijk is om een eenvormige toepassing van de wetgeving te verzekeren.
  [1 De samenwerking tussen de Bank en de FSMA houdt met name de mogelijkheid in voor de Bank om het advies van de FSMA te vragen in het kader van de beoordeling van de naleving van de door of krachtens deze wet opgelegde vereisten die krachtens artikel 45, § 1, eerste lid, 3° en § 2, van de wet van 2 augustus 2002 tot de bevoegdheid van de FSMA behoren, met name met betrekking tot de passende inaanmerkingneming door de instelling van de belangen van haar cliėnten en de integriteit van de markt en met betrekking tot het verlenen door de instelling aan haar cliėnten van directe elektronisch toegang tot een handelsplatform.]1
  ----------
  (1)<W 2017-11-21/08, art. 172, 014; Inwerkingtreding : 03-01-2018>

  Art. 139. Relaties tussen een kredietinstelling en een bepaalde cliėnt behoren niet tot de bevoegdheid van de toezichthouder tenzij het toezicht op de instelling dit vergt.

  Art. 140.De toezichthouder kan bij de bijkantoren van kredietinstellingen naar Belgisch recht die in een andere lidstaat zijn gevestigd, na voorafgaande kennisgeving aan de bevoegde autoriteiten van die staat, de in artikel 135, tweede lid bedoelde inspecties verrichten, alsook alle inspecties met als doel ter plaatse gegevens te verzamelen of te toetsen over de leiding en het beleid van het bijkantoor, alsook alle gegevens die het toezicht op de kredietinstelling kunnen vergemakkelijken, inzonderheid op het vlak van de liquiditeit, solvabiliteit, [1 deposito- en beleggersbescherming]1, beperking van grote risico's, administratieve en boekhoudkundige organisatie en interne controle.
  Met hetzelfde doel en na kennisgeving aan de in het eerste lid bedoelde autoriteiten, kan hij een deskundige die hij aanstelt, gelasten met alle nuttige controles en onderzoeken. De bezoldiging en de kosten van deze deskundige worden door de instelling gedragen.
  Evenzo kan hij deze autoriteiten verzoeken bepaalde van de in het eerste lid bedoelde controles en onderzoeken te verrichten.
  ----------
  (1)<W 2016-10-25/05, art. 26, 009; Inwerkingtreding : 01-12-2016>

  HOOFDSTUK II. - Procedure van prudentieel toezicht

  Afdeling I. - Programma voor prudentieel toezicht

  Art. 141.§ 1. Naargelang van de resultaten van de procedure van toetsing en evaluatie van de kredietinstellingen die met toepassing van artikel 142 wordt uitgevoerd, stelt de toezichthouder jaarlijks zijn toezichtsprogramma op. Dit toezichtsprogramma bepaalt :
  1° de wijze waarop de toezichthouder voornemens is zijn taken uit te voeren en zijn middelen toe te wijzen;
  2° welke kredietinstellingen aan verscherpt toezicht zullen worden onderworpen en welke maatregelen hiervoor zullen worden genomen overeenkomstig paragraaf 3;
  3° het programma voor de controles ter plaatse, ook voor de bijkantoren en dochterondernemingen van de instellingen die in een andere lidstaat zijn gevestigd, respectievelijk overeenkomstig artikel 140 en/of 162, 183, § 2 en 214;
  § 2. Het toezichtsprogramma wordt opgesteld voor de kredietinstellingen waarvoor de in artikel 142 bedoelde toetsings- en evaluatieprocedure, of de resultaten van de stresstests bedoeld in de artikelen 143, § 1, 1° [1 en 7°, ]1 en 148, duiden op significante risico's voor hun financiėle soliditeit of op inbreuken op de bepalingen van deze wet, haar uitvoeringsbesluiten of -reglementen of de rechtstreeks toepasbare Europese verordeningen.
  Het toezichtsprogramma geldt ook voor mondiaal systeemrelevante kredietinstellingen (MSI's) of binnenlandse systeemrelevante kredietinstellingen (BSI's) als bedoeld in artikel 12 van Bijlage IV.
  De toezichthouder kan te allen tijde in zijn toezichtsprogramma ook alle andere kredietinstellingen opnemen waarvoor hij het noodzakelijk acht de naleving door die instelling van deze wet, haar uitvoeringsbesluiten en -reglementen en de rechtstreeks toepasbare Europese verordeningen, specifiek op te volgen.
  § 3. De maatregelen bedoeld in paragraaf 1, 2° kunnen met name het volgende inhouden
  1° het aantal of de frequentie van de inspecties ter plaatse bij een kredietinstelling verhogen;
  2° thematische inspecties verrichten voor specifieke risico's;
  3° aanvullende of frequentere rapportering eisen;
  4° aanvullende of frequentere toetsingen verrichten van de operationele, strategische of ontwikkelingsplannen van een kredietinstelling;
  5° zijn permanente aanwezigheid bij een kredietinstelling opleggen.
  § 4. Wanneer de omstandigheden zulks vereisen, past de toezichthouder de inhoud van zijn toezichtsprogramma als bedoeld in paragraaf 1 aan.
  ----------
  (1)<W 2016-10-25/05, art. 27, 009; Inwerkingtreding : 01-12-2016>

  Afdeling II. - Procedure van prudentiėle toetsing en evaluatie

  Art. 142. Aan de hand van de criteria van artikel 143 gaat de toezichthouder na of de bepalingen van deze wet, van haar uitvoeringsbesluiten en -reglementen en van Verordening nr. 575/2013 zijn nageleefd. Hij evalueert de risico's waaraan de kredietinstelling blootgesteld is of zou kunnen zijn, de risico's die in voorkomend geval aan het licht zijn gekomen tijdens stresstests die met toepassing van artikel 148 zijn uitgevoerd, het passende karakter, in het licht van de genoemde risico's, van het prospectieve beheer van het eigen vermogen en van de liquiditeit, als bedoeld in artikel 94, en de risico's die deze instelling inhoudt voor het financiėle stelsel.
  De toezichthouder stelt de frequentie en de reikwijdte van die evaluatie vast, rekening houdend met de omvang en de systeemrelevantie van de betrokken instelling, evenals met de aard, de omvang en de complexiteit van haar werkzaamheden. Voor de instellingen die met toepassing van artikel 141 onder zijn toezichtsprogramma vallen, wordt de evaluatie minstens eenmaal per jaar geactualiseerd.
  De toezichthouder brengt de Europese Bankautoriteit onverwijld op de hoogte van de resultaten van de in het eerste lid bedoelde evaluatie, indien uit die evaluatie blijkt dat een kredietinstelling een systeemrisico kan opleveren, met toepassing van de criteria bedoeld in artikel 23 van Verordening nr. 1093/2010.

  Art. 143. § 1. De toetsing en de evaluatie die met toepassing van artikel 142 door de toezichthouder worden verricht, hebben niet alleen tot doel na te gaan of de krediet- en marktrisico's en de operationele risico's als bedoeld in de artikelen 5 tot 7 van Bijlage I worden beheerst, maar hebben met name ook betrekking op de volgende aspecten :
  1° de resultaten van de stresstests die overeenkomstig artikel 177 van Verordening nr. 575/2013 zijn uitgevoerd door de kredietinstelling die de interneratingbenadering toepast;
  2° de blootstelling aan en de beheersing door de instelling van het concentratierisico, met inbegrip van de naleving van de vereisten die vastgelegd zijn in artikel 3 van Bijlage I, in Deel 4 van Verordening nr. 575/2013 en in de reglementen die door de Bank zijn vastgesteld met toepassing van artikel 98;
  3° de degelijkheid, het passende karakter en de wijze van toepassing van de beleidslijnen en procedures die door de instelling worden gevolgd met het oog op de beheersing van het restrisico dat verbonden is aan het gebruik van erkende kredietrisicomatigingstechnieken;
  4° de mate waarin het eigen vermogen dat de kredietinstelling aanhoudt met betrekking tot de activa die zij geėffectiseerd heeft, toereikend is in het licht van het economische belang van de transactie, met inbegrip van de mate waarin er sprake is van risico-overdracht.
  De toezichthouder gaat na of de betrokken instelling, door stilzwijgende steun te verlenen, een deel behoudt van het risico dat verbonden is aan de actiefbestanddelen die het voorwerp uitmaken van een effectiseringsverrichting. Indien blijkt dat een instelling meer dan eens stilzwijgende steun heeft verleend, kan de toezichthouder de maatregelen nemen die hij nodig acht, rekening houdend met het feit dat de kans in dit geval groter is dat de instelling ook in de toekomst dergelijke steun zal verlenen in het kader van een effectiseringsverrichting;
  5° de blootstelling aan en de meting en de beheersing van het liquiditeitsrisico door de instelling, met inbegrip van :
  - het opstellen van analyses op grond van andere scenario's dan deze waarin voorzien is door Verordening nr. 575/2013 en door de reglementen die door de Bank zijn vastgesteld met toepassing van artikel 98;
  - het beheer van de factoren die het liquiditeitsrisico kunnen matigen (met name de omvang, samenstelling en kwaliteit van de liquiditeitsbuffers);
  - de invoering van doeltreffende noodplannen.
  De toezichthouder onderwerpt het globale liquiditeitsrisicobeheer van de instelling regelmatig aan een grondige evaluatie en ziet erop toe dat de interne methodes voor de evaluatie van het liquiditeitsrisico solide zijn. De toezichthouder houdt daarbij rekening met de rol die de instelling op de financiėle markten speelt en met de impact die zijn beslissingen kunnen hebben op de stabiliteit van het financiėle stelsel in de andere betrokken lidstaten;
  6° de impact van de diversificatie-effecten van de risico's en/of risicoblootstellingen en de wijze waarop die effecten in het risico-evaluatiesysteem worden verwerkt;
  7° de resultaten van de stresstests die zijn uitgevoerd door de instelling die een intern model gebruikt voor de berekening van de eigenvermogensvereisten voor het marktrisico, overeenkomstig Deel 3, Titel IV, Hoofdstuk 5 van Verordening nr. 575/2013, en de reglementen die door de Bank zijn vastgesteld met toepassing van artikel 5, § 5 van Bijlage I;
  8° de geografische locatie van de blootstellingen van de instelling;
  9° het bedrijfsmodel van de instelling;
  10° de beoordeling van het systeemrisico, overeenkomstig de criteria bedoeld in artikel 23 van Verordening nr. 1093/2010;
  11° het passende en voorzichtige karakter van de evaluatieregels die door de kredietinstelling worden gebruikt. De waardeverminderingen die overeenkomstig artikel 105 van Verordening nr. 575/2013 worden doorgevoerd, moeten de instelling in staat stellen haar posities in normale marktomstandigheden op korte tijd te verkopen of af te dekken zonder dat zij significante verliezen lijdt;
  12° de blootstelling van de instelling aan het renterisico dat verbonden is aan haar werkzaamheden buiten de handelsportefeuille. Onverminderd artikel 149 moeten in elk geval maatregelen worden getroffen door de toezichthouder indien blijkt dat een plotselinge en onverwachte verandering in de rentetarieven de economische waarde van een instelling met meer dan 20 % van haar eigen vermogen zou kunnen doen afnemen;
  13° de blootstelling van de instelling aan het risico van hefboomwerking, zoals weergegeven door indicatoren van buitensporige hefboomwerking, in het bijzonder de overeenkomstig artikel 429 van Verordening nr. 575/2013 vastgestelde hefboomratio;
  Bij zijn beoordeling van de adequaatheid van de hefboomratio van de instelling en van het passende karakter van de voorschriften, strategieėn, procedures en mechanismen die met het oog op de beheersing van het hefboomrisico worden toegepast, houdt de toezichthouder rekening met het bedrijfsmodel van de betrokken instelling;
  14° de organisatieregeling van de kredietinstelling als bedoeld in artikel 21 en het vermogen van de leden van het wettelijk bestuursorgaan en van het directiecomité om hun taken te vervullen.
  § 2. De toezichthouder kan de kwantitatieve en kwalitatieve criteria vaststellen waarop hij zich baseert voor de beoordeling van de omvang van de risico's en van het passende karakter van hun behandeling door de kredietinstellingen, in voorkomend geval bij reglement vastgesteld met toepassing van artikel 12bis, § 2 van de wet van 22 februari 1998.

  Afdeling III. - Onderzoek van de interne benaderingen en methodes

  Art. 144. § 1. De toezichthouder onderzoekt regelmatig en minstens om de drie jaar, of de interne benaderingen voor de berekening van de reglementaire eigenvermogensvereisten voldoen aan Verordening nr. 575/2013 en aan de reglementen die met toepassing van de artikelen 1, § 6 en 5, § 5 van Bijlage I zijn vastgesteld. Hij onderzoekt ook of de kredietinstellingen die de toestemming hebben verkregen om deze benaderingen te gebruiken, voldoen aan de voorwaarden voor dit gebruik die voorafgaandelijk werden vastgesteld door de toezichthouder. Hij houdt in het bijzonder rekening met veranderingen in de werkzaamheden van de instelling en met de toepassing van deze benaderingen op nieuwe producten.
  § 2. De toezichthouder toetst en evalueert met name of de instellingen die interne benaderingen gebruiken als bedoeld in paragraaf 1, gebruik maken van goed ontwikkelde technieken en praktijken die geactualiseerd worden.

  Art. 145. § 1. Wanneer de toezichthouder vaststelt dat de interne benadering die door een kredietinstelling wordt gebruikt, wezenlijke tekortkomingen vertoont in het vatten van de risico's, eist hij dat de instelling de passende maatregelen neemt om deze situatie te verhelpen en de gevolgen ervan te beperken, en legt hij in voorkomend geval een verhoging van de vermenigvuldigingscoėfficiėnten op, of van de specifieke eigenvermogensvereisten met toepassing van artikel 149.
  § 2. Indien een groot aantal overschrijdingen, in de zin van artikel 366 van Verordening nr. 575/2013, erop wijst dat een intern model voor het marktrisico onvoldoende accuraat is, kan de toezichthouder de toestemming om dit interne model te gebruiken intrekken of concrete maatregelen opleggen om ervoor te zorgen dat dit model zo spoedig mogelijk wordt verbeterd.
  § 3. Wanneer hij vaststelt dat een kredietinstelling die de toestemming heeft verkregen om een interne benadering te gebruiken voor de berekening van de reglementaire eigenvermogensvereisten, niet langer voldoet aan de voorwaarden voor het gebruik van deze benadering, eist de toezichthouder dat de instelling een plan voorlegt om opnieuw te voldoen aan de voorwaarden, met een tijdschema, of dat de instelling aantoont dat het effect van de niet-naleving van de voorwaarden te verwaarlozen is, gelet op Verordening nr. 575/2013.
  De toezichthouder eist dat het plan om opnieuw te voldoen aan de voorwaarden wordt gewijzigd indien hij van oordeel is dat de uitvoering ervan niet kan leiden tot de naleving van de voorwaarden of indien hij van oordeel is dat de termijn om opnieuw te voldoen aan de voorwaarden die door de kredietinstelling wordt voorgesteld, inadequaat of irrealistisch is. Indien de toezichthouder van oordeel is dat de instelling niet zal kunnen voldoen aan de voorwaarden voor het gebruik van de interne benadering binnen de termijn die hij passend acht, trekt hij de toestemming om de genoemde interne benadering te gebruiken in of beperkt hij dit gebruik tot de domeinen waarvoor wel voldaan is aan de voorwaarden of eraan voldaan kan worden binnen een termijn die de toezichthouder passend acht.

  Art. 146. Niettegenstaande artikel 145, indien de toezichthouder vaststelt dat de niet-conformiteit van de interne benadering als gevolg kan hebben dat de kredietinstelling niet langer voldoet aan de reglementaire eigenvermogensvereisten, legt hij overeenkomstig artikel 234, § 2, 1° een bijkomend eigenvermogensvereiste op om deze situatie te verhelpen binnen de termijn die hij bepaalt.

  Art. 147. § 1. De kredietinstellingen die de toestemming hebben verkregen om interne benaderingen te gebruiken voor de berekening van het risicovolume of van de eigenvermogensvereisten, met uitzondering van het operationeel risico, delen jaarlijks, of op verzoek van de toezichthouder, de resultaten mee van de berekeningen betreffende hun interne benaderingen voor hun in de benchmarkportefeuilles opgenomen blootstellingen of posities. Bij deze gegevens voegen zij uitleg over de gebruikte methodes.
  § 2. Voor de in paragraaf 1 bedoelde mededeling maken de kredietinstellingen gebruik van het door de Europese Bankautoriteit opgestelde model, behalve voor de mededeling van de resultaten van de berekeningen voor specifieke portefeuilles die de toezichthouder in voorkomend geval kan vragen, die apart worden meegedeeld.
  § 3. De toezichthouder voert een vergelijkende analyse uit van de kwaliteit van de interne benaderingen die hem minstens eenmaal per jaar worden meegedeeld. Hij eist corrigerende maatregelen indien hij vaststelt dat de interne benadering die door een kredietinstelling wordt gebruikt, significant afwijkt van de andere benaderingen waarvan gebruik wordt gemaakt in de sector en indien hij aantoont dat deze benadering tot onderwaardering leidt van de eigenvermogensvereisten voor de betrokken instelling, die niet toegeschreven kan worden aan verschillen in de onderliggende risico's waaraan deze instelling is blootgesteld.

  Afdeling IV. - Stresstests

  Art. 148.Indien hij van oordeel is dat de stresstests die overeenkomstig artikel 23 van Verordening nr. 1093/2010 worden uitgevoerd, onvoldoende resultaten opleveren, onderwerpt de toezichthouder de kredietinstellingen aan specifieke prudentiėle stresstests, rekening houdend met de bijzondere kenmerken van de [1 bank- en financiėle sector]1 in Belgiė, om de in artikel 142 bedoelde toetsings- en evaluatieprocedure te vergemakkelijken.
  ----------
  (1)<W 2016-10-25/05, art. 28, 009; Inwerkingtreding : 01-12-2016>

  Afdeling V. - Prudentiėle maatregelen

  Art. 149. Op grond van de resultaten van de toetsing en evaluatie die overeenkomstig artikel 142 worden verricht, kan de toezichthouder aan een kredietinstelling een specifiek eigenvermogensvereiste opleggen bovenop de eigenvermogensvereisten die opgelegd zijn door of krachtens Verordening nr. 575/2013, de reglementen die met toepassing van artikel 98 zijn vastgesteld, en artikel 95, om rekening te houden met de risico's waaraan die instelling blootgesteld is of kan zijn. De toezichthouder bepaalt hoe de betrokken instelling aan dit specifiek eigenvermogensvereiste moet voldoen.
  De toezichthouder houdt daarbij rekening met het volgende :
  a) de kwantitatieve en kwalitatieve aspecten van het beleid voor het prospectieve beheer van de eigenvermogensbehoeften van de kredietinstelling, als bedoeld in artikel 94, § 2;
  b) alle voorschriften, procedures en mechanismen die de instelling heeft vastgesteld overeenkomstig artikel 21;
  c) de resultaten van het onderzoek van de in Afdeling III bedoelde interne benaderingen en interne methodes en van de prudentiėle stresstests die met toepassing van artikel 148 zijn uitgevoerd;
  d) de risico's die de instelling inhoudt voor de stabiliteit van het financiėle stelsel in Belgiė en in de andere lidstaten.

  Art. 150. Het in artikel 149 bedoeld specifiek eigenvermogensvereiste kan ook worden opgelegd in de volgende gevallen :
  1° de instelling houdt risico's in die niet of slechts gedeeltelijk gedekt zijn door de eigenvermogensvereisten die zijn vastgesteld overeenkomstig de bepalingen van Verordening nr. 575/2013, van de met toepassing van artikel 98 vastgestelde reglementen en van artikel 95;
  2° de resultaten van de stresstests die met toepassing van artikel 377, lid 5 van Verordening nr. 575/2013 zijn uitgevoerd, geven aan dat het eigenvermogensvereiste voor de correlatiehandelsportefeuille, als bedoeld in artikel 338 van deze Verordening, significant onvoldoende is;
  3° op grond van de in artikel 142 bedoelde toetsings- en evaluatieprocedure is de toezichthouder van oordeel dat de minimumeigenvermogensvereisten die zijn vastgesteld krachtens Verordening nr. 575/2013, de met toepassing van artikel 98 vastgestelde reglementen, en artikel 95, of die door de instelling zelf zijn vastgesteld met toepassing van artikel 94, waarschijnlijk de werkelijke risico's die de instelling loopt, onderschatten.

  Art. 151. Wanneer hij van oordeel is dat het liquiditeitsrisico waaraan een kredietinstelling blootgesteld is of kan zijn, dit rechtvaardigt, kan de toezichthouder aan die instelling specifieke liquiditeitsnormen opleggen bovenop de liquiditeitsnormen die zijn vastgesteld in Verordening nr. 575/2013 en in de met toepassing van artikel 98 vastgestelde reglementen. De toezichthouder houdt daarbij rekening met het volgende :
  1° het bedrijfsmodel van de instelling;
  2° het resultaat van de in artikel 142 bedoelde toetsings- en evaluatieprocedure, met name wanneer de toezichthouder besluit dat de minimumliquiditeitsvereisten die zijn vastgesteld in Verordening nr. 575/2013 en in de met toepassing van artikel 98 vastgestelde reglementen, of die door de instelling zelf zijn vastgesteld met toepassing van artikel 94, de werkelijke risico's die de instelling loopt of waarvan gevreesd kan worden dat ze zich zullen voordoen, onderschatten;
  3° de organisatieregeling en de maatregelen die de instelling heeft ingevoerd om te garanderen dat de risico's worden beheerst, in het bijzonder het liquiditeitsrisico bedoeld in artikel 8 van Bijlage I;
  4° het bestaan van een systemisch liquiditeitsrisico voor het financiėle stelsel in Belgiė of in andere lidstaten.

  Art. 152. De toezichthouder kan beslissen om voor de maatregelen die overeenkomstig de artikelen 149 en 151 worden opgelegd, een termijn vast te leggen. De toepassing van deze bepalingen doet geen afbreuk aan de toepassing van andere bepalingen van deze wet, met name artikel 234.

  Art. 153. De toezichthouder informeert de Europese Bankautoriteit over :
  1° de werking van zijn toetsings- en evaluatieprocedure als bedoeld in artikel 142;
  2° de methode die gebruikt wordt om ervoor te zorgen dat de beslissingen die met toepassing van de artikelen 143 tot 151, en 234 worden genomen, gebaseerd zijn op de toetsings- en evaluatieprocedure die overeenkomstig artikel 142 wordt verricht.

  Afdeling VI. - Kredietinstellingen met soortgelijke risicoprofielen

  Art. 154. Indien de toezichthouder op grond van de in artikel 142 bedoelde toetsings- en evaluatieprocedure vaststelt dat kredietinstellingen die vergelijkbare risicoprofielen hebben doordat hun bedrijfsmodellen of de geografische locatie van hun risicoblootstellingen vergelijkbaar zijn, aan vergelijkbare risico's zijn of kunnen zijn blootgesteld of vergelijkbare risico's voor het financiėle stelsel vormen, kan hij aan de betrokken instellingen op een vergelijkbare of identieke wijze de in de artikelen 75, 149 tot 151 en 234 bedoelde maatregelen opleggen of doen opleggen.
  De in het eerste lid bedoelde kredietinstellingen kunnen met name geļdentificeerd worden aan de hand van de criteria bedoeld in artikel 23 van Verordening nr. 1093/2010.
  Wanneer de toezichthouder gebruik maakt van de in het eerste lid bepaalde mogelijkheid, stelt hij de Europese Bankautoriteit daarvan in kennis.

  HOOFDSTUK III. - Toezicht op in een andere lidstaat uitgeoefende werkzaamheden

  Afdeling I. - Definities

  Art. 155. Voor de toepassing van dit Hoofdstuk wordt verstaan onder :
  1° lidstaat van herkomst : de lidstaat waarin aan een kredietinstelling een vergunning is verleend, in casu Belgiė;
  2° lidstaat van ontvangst : de lidstaat waarin een Belgische kredietinstelling een bijkantoor heeft of diensten verricht;
  3° de toezichthouder : de toezichthouder in zijn hoedanigheid van bevoegde autoriteit van de lidstaat van herkomst.

  Afdeling II. - Toezicht op de werkzaamheden

  Art. 156. § 1. Het toezicht dat wordt uitgeoefend door de toezichthouder overeenkomstig Titel III, Hoofdstuk I heeft eveneens betrekking op de werkzaamheden die de kredietinstellingen uitoefenen via de vestiging van een bijkantoor of het vrij verrichten van diensten in een andere lidstaat.
  Het toezicht bedoeld in het eerste lid laat het toezicht op geconsolideerde basis onverlet.
  § 2. De toezichthouder neemt bij de uitoefening van zijn taak naar behoren de gevolgen in overweging die zijn beslissingen, met name in noodsituaties, kunnen hebben voor de stabiliteit van het financiėle stelsel van alle andere betrokken lidstaten, uitgaande van de op het betrokken tijdstip beschikbare informatie.

  Afdeling III. - Uitzonderingsmaatregelen

  Art. 157.§ 1. [1 Wanneer de bevoegde autoriteiten van een andere lidstaat waar een Belgische kredietinstelling een bijkantoor heeft gevestigd of werkzaamheden uitoefent als bedoeld in artikel 4, in het kader van het vrij verrichten van diensten, de toezichthouder ervan in kennis stellen dat de Belgische wettelijke bepalingen vastgesteld met toepassing van Richtlijn 2013/36/EU of Verordening nr. 575/2013, niet worden nageleefd of er een wezenlijk risico bestaat van niet-naleving, treft de toezichthouder zo spoedig mogelijk alle passende maatregelen, met name deze bedoeld in de artikelen 234 tot 236, of doet hij deze maatregelen treffen, om ervoor te zorgen dat deze onregelmatige situatie wordt verholpen.
   De toezichthouder deelt deze maatregelen onverwijld mee aan de bevoegde autoriteit van de lidstaat van ontvangst.]1
  § 2. Indien de toezichthouder de vergunning intrekt van de kredietinstelling die werkzaamheden uitoefent in een andere lidstaat via de vestiging van een bijkantoor of het vrij verrichten van diensten, stelt hij de bevoegde autoriteit van de lidstaat van ontvangst daarvan onverwijld in kennis.
  § 3. Indien de bevoegde autoriteit van de lidstaat van ontvangst in een noodsituatie bewarende maatregelen heeft getroffen in afwachting dat de toezichthouder passende maatregelen of saneringsmaatregelen neemt, kan deze laatste een maatregel waartegen hij bezwaar maakt, voorleggen aan de Europese Bankautoriteit overeenkomstig artikel 19 van Verordening nr. 1093/2010 en haar om bijstand verzoeken.
  ----------
  (1)<KB 2014-04-25/08, art. 397, 002; Inwerkingtreding : onbepaald, treedt in werking op de datum van inwerkingtreding van de artikelen 40, 41, 43, 49, 50 en 51 van Richtlijn 2013/36/EU overeenkomstig artikel 151 van die richtlijn>

  Afdeling IV. - Samenwerking

  Art. 158.[1 § 1. Teneinde toezicht te houden op de werkzaamheden van kredietinstellingen die in andere lidstaten worden uitgeoefend via een bijkantoor, werkt de toezichthouder nauw samen met de bevoegde autoriteit van de lidstaat van ontvangst. De toezichthouder verstrekt de bevoegde autoriteit van de lidstaat van ontvangst alle gegevens betreffende het bestuur en de eigendom van de betrokken kredietinstellingen die het toezicht op deze kredietinstellingen en het onderzoek van de voorwaarden voor het verlenen van een vergunning aan die kredietinstellingen kunnen vergemakkelijken, alsmede alle gegevens die de monitoring van deze kredietinstellingen, met name op het gebied van liquiditeit, solvabiliteit, depositogarantie, beperking van grote risico's, andere factoren die van invloed kunnen zijn op het door hen gevormde systeemrisico, administratieve en boekhoudkundige organisatie en internecontrolemechanismen, kunnen vergemakkelijken.
   § 2. De toezichthouder verstrekt aan de bevoegde autoriteit van de lidstaat van ontvangst onmiddellijk alle inlichtingen en bevindingen met betrekking tot het liquiditeitstoezicht dat overeenkomstig de artikelen 412 tot 414 van Verordening nr. 575/2013, de artikelen 149, 151, 234, § 2 en artikel 8 van Bijlage I bij deze wet, wordt uitgeoefend op de werkzaamheden die een Belgische kredietinstelling via haar bijkantoren verricht, voor zover die inlichtingen en bevindingen relevant zijn voor de bescherming van de deposanten of beleggers in de betrokken lidstaat van ontvangst.
   § 3. De toezichthouder stelt de bevoegde autoriteit van de lidstaat van ontvangst onmiddellijk in kennis indien er zich een liquiditeitsspanning voordoet of indien redelijkerwijze mag worden verwacht dat er zich een liquiditeitsspanning zal voordoen. Bij deze kennisgeving worden ook nadere bijzonderheden verstrekt over de planning en uitvoering van een herstelplan en over alle in dat verband genomen prudentiėle toezichtsmaatregelen.
   § 4. Op verzoek van de bevoegde autoriteit van de lidstaat van ontvangst deelt de toezichthouder mee en legt hij uit hoe met de door de bevoegde autoriteit van de lidstaat van ontvangst meegedeelde inlichtingen en bevindingen rekening werd gehouden.
   Indien de toezichthouder het niet eens is met de maatregelen die door een bevoegde autoriteit van de lidstaat van ontvangst moeten worden getroffen om verdere inbreuken te voorkomen teneinde de belangen van deposanten, beleggers en andere personen voor wie diensten worden verricht te beschermen of de stabiliteit van het financiėle stelsel te vrijwaren, kan hij de zaak aan de Europese Bankautoriteit voorleggen overeenkomstig artikel 19 van Verordening nr. 1093/2010.
   § 5. De toezichthouder kan eveneens situaties waarin een verzoek om samenwerking, met name een verzoek om uitwisseling van informatie, is afgewezen of niet binnen een redelijke termijn is gehonoreerd, aan de Europese Bankautoriteit voorleggen overeenkomstig artikel 19 van Verordening nr. 1093/2010.]1
  ----------
  (1)<KB 2014-04-25/08, art. 398, 002; Inwerkingtreding : onbepaald, treedt in werking op de datum van inwerkingtreding van de artikelen 40, 41, 43, 49, 50 en 51 van Richtlijn 2013/36/EU overeenkomstig artikel 151 van die richtlijn>

  Afdeling V. - Significante bijkantoren

  Art. 159. Indien de bevoegde autoriteit van de lidstaat van ontvangst de toezichthouder verzoekt om een bijkantoor van een kredietinstelling naar Belgisch recht in een andere lidstaat als significant aan te merken in de zin van artikel 51 van Richtlijn 2013/36/EU, stelt de toezichthouder alles in het werk om samen met de bevoegde autoriteit van de lidstaat van ontvangst en met de consoliderende toezichthouder, indien de toezichthouder zelf deze hoedanigheid niet heeft, tot een gezamenlijk besluit te komen over het aanmerken van het bijkantoor als significant.
  De gezamenlijke besluiten, als bedoeld in het eerste lid, worden op schrift gesteld met volledige opgaaf van redenen en worden aan de betrokken bevoegde autoriteiten van de lidstaten van ontvangst toegezonden.
  Indien binnen twee maanden na ontvangst van een verzoek als bedoeld in het eerste lid, geen gezamenlijk besluit wordt genomen, dient de toezichthouder het besluit van de bevoegde autoriteit van de lidstaat van ontvangst dat binnen een bijkomende termijn van twee maanden wordt genomen aangaande het al dan niet significant karakter van het bijkantoor, als definitief te erkennen en toe te passen.

  Art. 160. § 1. De toezichthouder zendt de bevoegde autoriteiten van de lidstaten van ontvangst waar een significant bijkantoor is gevestigd, de in artikel 180, § 2, tweede lid, 3° en 4° bedoelde informatie toe en voert de in artikel 172, § 1 bedoelde taken uit in samenwerking met die bevoegde autoriteiten .
  § 2. Indien de toezichthouder kennis krijgt van een noodsituatie in de zin van artikel 36/14, § 1, 1°, tweede lid van de wet van 22 februari 1998, waarschuwt hij onverwijld de in datzelfde artikel bedoelde autoriteiten.
  § 3. De toezichthouder deelt aan de bevoegde autoriteiten van de lidstaten waar significante bijkantoren zijn gevestigd, de resultaten mee van de in artikel 142 en, in voorkomend geval, in artikel 174, § 2 bedoelde risicobeoordelingen van instellingen met dergelijke bijkantoren. Hij deelt ook de besluiten uit hoofde van de artikelen 146, 149, 150, 151 en 234 mee, voor zover die beoordelingen en besluiten voor die bijkantoren relevant zijn.
  § 4. Indien dit relevant is voor de liquiditeitsrisico's in de valuta van de betrokken lidstaat, raadpleegt de toezichthouder de bevoegde autoriteiten van de lidstaten waar significante bijkantoren zijn gevestigd over de krachtens artikel 57, § 5 vereiste operationele maatregelen.

  Art. 161.§ 1. Indien er geen college van bevoegde autoriteiten in de zin van artikel 178 werd opgericht, richt de toezichthouder voor een kredietinstelling met significante bijkantoren in andere lidstaten een door hem voorgezeten college van bevoegde autoriteiten op, [1 om de samenwerking uit hoofde van de artikelen 158 en 160 te vergemakkelijken]1. Na raadpleging van de betrokken bevoegde autoriteiten van de lidstaten van ontvangst stelt de toezichthouder de regeling voor de oprichting en werking van het college schriftelijk vast. De toezichthouder beslist welke bevoegde autoriteiten van de lidstaten van ontvangst aan een vergadering of activiteit van het college deelnemen.
  § 2. Bij zijn beslissing aangaande de deelname aan het college houdt de toezichthouder rekening met de relevantie van de te plannen of te coördineren toezichtsactiviteit voor de betrokken bevoegde autoriteiten en in het bijzonder met de gevolgen die deze beslissing kan hebben voor de stabiliteit van het financiėle stelsel in de betrokken lidstaten [1 als bedoeld in de artikelen 134, § 2 en 156, § 2 alsook met de in artikel 160 bedoelde verplichtingen]1.
  § 3. De toezichthouder informeert alle leden van het college vooraf volledig over het beleggen van vergaderingen, de voornaamste agendapunten en de in overweging te nemen activiteiten. Hij informeert alle leden van het college tevens volledig en tijdig over de tijdens deze vergaderingen genomen maatregelen of over de acties ondernomen ter uitvoering ervan.
  ----------
  (1)<KB 2014-04-25/08, art. 399, 002; Inwerkingtreding : onbepaald, treedt in werking op de datum van inwerkingtreding van de artikelen 40, 41, 43, 49, 50 en 51 van Richtlijn 2013/36/EU overeenkomstig artikel 151 van die richtlijn>

  Afdeling VI. - Controle ter plaatse

  Art. 162. § 1. De toezichthouder kan bij kredietinstellingen die in een andere lidstaat hun werkzaamheden uitoefenen via een bijkantoor, na voorafgaande kennisgeving aan de bevoegde autoriteit van de lidstaat van ontvangst, in voorkomend geval met inschakeling van een deskundige die hij aanstelt, ter plaatse de in artikel 158 bedoelde informatie controleren en dergelijke bijkantoren inspecteren.
  § 2. De toezichthouder kan voor de inspectie van de bijkantoren ook gebruik maken van een van de andere in artikel 214 bedoelde procedures.
  § 3. Bij de opstelling van zijn programma voor prudentieel toezicht als bedoeld in artikel 141 houdt de toezichthouder naar behoren rekening met de informatie en bevindingen die hij heeft verkregen van de bevoegde autoriteit van de lidstaat van ontvangst, en let hij ook op de stabiliteit van het financiėle stelsel van de lidstaten waar bijkantoren van de betrokken kredietinstelling gevestigd zijn.
  § 4. De controles ter plaatse en inspecties van bijkantoren door de toezichthouder geschieden overeenkomstig het recht van de lidstaat waar de controle of inspectie plaatsvindt.

  Afdeling VII. - Situaties waarin een Belgische kredietinstelling een bijkantoor heeft gevestigd in een deelnemende lidstaat

  Art. 163. Voor de taken die zijn toevertrouwd aan de Europese Centrale Bank met toepassing van artikel 4 van de GTM-verordening, in de gevallen waar zij de toezichthouder is van een kredietinstelling die één of meerdere bijkantoren gevestigd heeft op het grondgebied van één of meerdere deelnemende lidstaten, zijn de bepalingen aangaande samenwerking en informatie-uitwisseling tussen de bevoegde autoriteiten niet van toepassing wanneer de Europese Centrale Bank de enige betrokken bevoegde autoriteit is.

  HOOFDSTUK IV. - Groepstoezicht

  Afdeling I. - Definities

  Art. 164.§ 1. Onverminderd de definities die opgenomen zijn in artikel 3 van deze wet, worden voor de toepassing van dit Hoofdstuk en van de uitvoeringsbesluiten en -reglementen ervan verstaan onder :
  1° financiėle instelling : worden met financiėle instellingen gelijkgesteld, de instellingen voor postcheque- en girodiensten, de AICB-beheerders, de beheervennootschappen van instellingen voor collectieve belegging, de vereffeningsinstellingen bedoeld in artikel 36/1, 14° van de wet van 22 februari 1998 en de instellingen waarvan het bedrijf bestaat uit het gehele of gedeeltelijke operationele beheer van diensten die verstrekt worden door dergelijke vereffeningsinstellingen;
  2° financieel conglomeraat : een groep of subgroep waarvan ten minste één van de dochterondernemingen een gereglementeerde onderneming is en die aan de volgende voorwaarden voldoet :
  a) wanneer een gereglementeerde onderneming aan het hoofd van de groep of subgroep staat :
  i) is deze onderneming een moederonderneming van een onderneming in de financiėle sector, een onderneming die houder is van een deelneming in een onderneming in de financiėle sector, dan wel een onderneming die met een onderneming in de financiėle sector verbonden is onder de vorm van een consortium;
  ii) is ten minste één van de entiteiten in de groep of subgroep een onderneming uit de verzekeringssector en is ten minste één van de entiteiten in de groep een onderneming uit de banksector of de beleggingsdienstensector, en
  iii) zijn de geconsolideerde en/of geaggregeerde activiteiten van de tot de groep of subgroep behorende entiteiten uit de verzekeringssector en van de entiteiten uit de banksector en de beleggingsdienstensector significant in de zin van artikel 186, § 3 van deze wet; of
  b) wanneer aan het hoofd van de groep of subgroep geen gereglementeerde onderneming staat :
  i) vinden de activiteiten van de groep of subgroep in hoofdzaak plaats in de financiėle sector in de zin van artikel 186, § 2;
  ii) is ten minste één van de entiteiten in de groep of subgroep een onderneming uit de verzekeringssector en ten minste één van de entiteiten in de groep of subgroep is een onderneming uit de banksector of de beleggingsdienstensector, en
  iii) zijn de geconsolideerde en/of geaggregeerde activiteiten van de tot de groep of subgroep behorende entiteiten uit de verzekeringssector en van de entiteiten uit de banksector en de beleggingsdienstensectorsignificant in de zin van artikel 186, § 3;
  3° de financiėle sector : de sector die bestaat uit een of meer van de volgende ondernemingen :
  a) een gereglementeerde onderneming die een kredietinstelling is, een financiėle instelling, een onderneming die nevendiensten verricht; deze ondernemingen behoren tot eenzelfde financiėle sector, die de "banksector" wordt genoemd;
  b) een gereglementeerde onderneming die een verzekerings- of herverzekeringsonderneming is, een verzekeringsholding; deze ondernemingen behoren tot eenzelfde financiėle sector, die de "verzekeringssector" wordt genoemd;
  c) [2 een gereglementeerde onderneming die een beleggingsonderneming is, een onderneming die nevendiensten verricht in de zin van artikel 2, 2° van de wet van 25 oktober 2016, een financiėle instelling in de zin van artikel 2, 30° van de wet van 25 oktober 2016; deze ondernemingen behoren tot eenzelfde financiėle sector, die de "beleggingsdienstensector" wordt genoemd]2;
  4° onderneming die nevendiensten verricht : een onderneming waarvan de hoofdactiviteit bestaat in het bezitten of het beheren van onroerend goed, het beheren van gegevensverwerkingsdiensten of een andere soortgelijke activiteit die ten opzichte van de hoofdactiviteit van een of meer kredietinstellingen het karakter van een ondersteunende activiteit heeft.
  § 2. [2 Onverminderd artikel 3 van deze wet en paragraaf 1 van dit artikel worden voor de toepassing van het geconsolideerde toezicht zoals opgenomen in de Afdelingen II en IV van dit Hoofdstuk en de uitvoeringsbesluiten en -reglementen ervan verstaan onder :
   1° moederkredietinstelling in een lidstaat : een kredietinstelling die een kredietinstelling, een beursvennootschap of een financiėle instelling als dochteronderneming heeft of die een deelneming heeft in een kredietinstelling, beursvennootschap of financiėle instelling en zelf geen dochteronderneming is van een andere kredietinstelling of een beursvennootschap waaraan in dezelfde lidstaat een vergunning is verleend, of van een in dezelfde lidstaat opgerichte financiėle holding of gemengde financiėle holding;
   2° Belgische moederkredietinstelling : een kredietinstelling naar Belgisch recht die een kredietinstelling, een beursvennootschap of een financiėle instelling als dochteronderneming heeft of die een deelneming heeft in een dergelijke kredietinstelling, beursvennootschap of financiėle instelling en zelf geen dochterneming is van een andere kredietinstelling of een andere beursvennootschap met zetel in Belgiė, of van een financiėle holding of gemengde financiėle holding met zetel in Belgiė;
   3° EER-moederkredietinstelling : een moeder-kredietinstelling die geen dochteronderneming is van een andere kredietinstelling of een beursvennootschap waaraan in een van de lidstaten een vergunning is verleend, of van een in een van de lidstaten opgerichte financiėle holding of gemengde financiėle holding;
   4° Belgische EER-moederkredietinstelling : een moederkredietinstelling naar Belgisch recht die geen dochteronderneming is van een andere kredietinstelling of een beursvennootschap waaraan in een van de lidstaten een vergunning is verleend, of van een in een van de lidstaten opgerichte financiėle holding of gemengde financiėle holding;
   5° financiėle moederholding in een lidstaat : een financiėle holding die zelf geen dochteronderneming is van een kredietinstelling of beursvennootschap waaraan in dezelfde lidstaat een vergunning is verleend, of van een in dezelfde lidstaat opgerichte financiėle holding of gemengde financiėle holding;
   6° financiėle EER-moederholding : een financiėle moederholding die geen dochteronderneming is van een kredietinstelling of beursvennootschap waaraan in een van de lidstaten een vergunning is verleend, of van een in een van de lidstaten opgerichte financiėle holding of gemengde financiėle holding;
   7° Belgische financiėle EER-moederholding : een financiėle moederholding naar Belgisch recht die geen dochteronderneming is van een kredietinstelling of beursvennootschap waaraan in een van de lidstaten een vergunning is verleend, of van een in een van de lidstaten opgerichte financiėle holding of gemengde financiėle holding;
   8° gemengde financiėle moederholding in een lidstaat : een gemengde financiėle holding die zelf geen dochteronderneming is van een kredietinstelling of beursvennootschap waaraan in dezelfde lidstaat een vergunning is verleend, of van een in dezelfde lidstaat opgerichte financiėle holding of gemengde financiėle holding;
   9° gemengde financiėle EER-moederholding : een gemengde financiėle moederholding die geen dochteronderneming is van een kredietinstelling of beursvennootschap waaraan in een van de lidstaten een vergunning is verleend, of van een in een van de lidstaten opgerichte financiėle holding of gemengde financiėle holding;
   10° Belgische gemengde financiėle EER-moederholding : een gemengde financiėle moederholding naar Belgisch recht die geen dochteronderneming is van een kredietinstelling of beursvennootschap waaraan in een van de lidstaten een vergunning is verleend, of van een in een van de lidstaten opgerichte financiėle holding of gemengde financiėle holding;
   11° EER-moederinstelling : een moederonderneming die een kredietinstelling of beursvennootschap in een lidstaat is en die geen dochteronderneming is van een andere kredietinstelling of beursvennootschap waaraan in een van de lidstaten een vergunning is verleend, of van een in een van de lidstaten opgerichte financiėle holding of gemengde financiėle holding.]2
  § 3. Onverminderd artikel 3 van deze wet en paragraaf 1 van deze bepaling, worden voor de toepassing van het aanvullende conglomeraatstoezicht zoals opgenomen in de Afdelingen III en IV van dit Hoofdstuk en de uitvoeringsbesluiten en -reglementen ervan verstaan onder :
  1° bevoegde autoriteiten : de nationale autoriteiten van de lidstaten die krachtens wettelijke of bestuursrechtelijke bepalingen gemachtigd zijn om toezicht uit te oefenen op gereglementeerde ondernemingen, hetzij op individuele, hetzij op groepswijde basis;
  2° relevante bevoegde autoriteiten :
  a) de bevoegde autoriteiten die verantwoordelijk zijn voor het sectorale geconsolideerde toezicht op gereglementeerde ondernemingen die deel uitmaken van een financieel conglomeraat, en met name op de moederonderneming die aan het hoofd van een sector staat;
  b) de coördinator, indien deze niet behoort tot de onder a) bedoelde autoriteiten;
  c) andere betrokken bevoegde autoriteiten, die, naar het oordeel van de onder a) en onder b) bedoelde autoriteiten, relevant zijn.
  Tot de inwerkingtreding van overeenkomstig artikel 21bis, lid 1, onder b) van Richtlijn 2002/87/EG vast te stellen technische reguleringsnormen, wordt in het in punt c), bedoelde oordeel in het bijzonder rekening gehouden met het marktaandeel dat de gereglementeerde ondernemingen van het financieel conglomeraat in andere lidstaten hebben, inzonderheid indien dit meer dan 5 % bedraagt, en met het belang van iedere in een andere lidstaat gevestigde gereglementeerde onderneming in het financieel conglomeraat.
  3° coördinator : de bevoegde autoriteit die belast is met het uitoefenen van het aanvullende conglomeraatstoezicht;
  4° het Europees Comité voor Financiėle Conglomeraten : het Comité ingesteld bij artikel 21 van Richtlijn 2002/87/EG;
  5° Gemengd Comité : het comité bedoeld in artikel 54 van respectievelijk Verordening nr. 1093/2010, Verordening (EU) nr. 1094/2010 van het Europees Parlement en de Raad van 24 november 2010 tot oprichting van een Europese toezichthoudende autoriteit (Europese Autoriteit voor verzekeringen en bedrijfspensioenen), tot wijziging van Besluit nr. 716/2009/EG en tot intrekking van Besluit 2009/77/EG van de Commissie, en Verordening (EU) nr. 1095/2010 van het Europees Parlement en de Raad van 24 november 2010 tot oprichting van een Europese toezichthoudende autoriteit (Europese Autoriteit voor effecten en markten), tot wijziging van Besluit nr. 716/2009/EG en tot intrekking van Besluit 2009/77/EG van de Commissie;
  6° een groep : het geheel van ondernemingen dat gevormd wordt door een moederonderneming, haar dochterondernemingen, de ondernemingen waarin de moederonderneming of haar dochterondernemingen rechtstreeks of onrechtstreeks een deelneming aanhouden, alsook de ondernemingen waarmee een consortium wordt gevormd en de ondernemingen die door deze laatste ondernemingen worden gecontroleerd of waarin deze laatste ondernemingen een deelneming aanhouden;
  7° sectorale regelgeving : deze wet [1 , de wet van 13 maart 2016 op het statuut van en het toezicht op de verzekerings- of herverzekeringsondernemingen,]1 [2 de wet van 25 oktober 2016, de wet van 19 april 2014 betreffende alternatieve instellingen voor collectieve belegging en hun beheerders,]2 [1 ...]1 de wet van 3 augustus 2012 betreffende bepaalde vormen van collectief beheer van beleggingsportefeuilles, evenals de uitvoeringsbesluiten en -reglementen van deze wetten, met uitsluiting van de bepalingen inzake het aanvullende conglomeraatstoezicht op gereglementeerde ondernemingen in een financieel conglomeraat; de vergelijkbare nationale regelgevingen en toezichtspraktijken in andere landen;
  8° Richtlijn 2002/87/EG : Richtlijn 2002/87/EG van het Europees Parlement en de Raad van 16 december 2002 betreffende het aanvullende toezicht op kredietinstellingen, verzekeringsondernemingen en beleggingsondernemingen in een financieel conglomeraat en tot wijziging van de Richtlijnen 73/239/EEG, 79/267/EEG, 92/49/EEG, 92/96/EEG, 93/6/EEG en 93/22/EEG van de Raad en van de Richtlijnen 98/78/EG en 2000/12/EG van het Europees Parlement en de Raad;
  9° intragroepsverrichtingen : verrichtingen die rechtstreeks of onrechtstreeks worden uitgevoerd, al dan niet tegen betaling, tussen gereglementeerde ondernemingen en andere ondernemingen in een financieel conglomeraat of met die ondernemingen door nauwe banden verbonden natuurlijke personen of rechtspersonen, en die al dan niet betrekking hebben op de uitvoering van een contractuele verplichting;
  10° risicoconcentratie : het geheel van de posities ingenomen door ondernemingen in een financieel conglomeraat, die potentieel tot verlies aanleiding kunnen geven en die groot genoeg zijn om de financiėle positie in het algemeen en de solvabiliteit in het bijzonder van de gereglementeerde ondernemingen in het financieel conglomeraat in gevaar te brengen, en die voortvloeien uit tegenpartij- /kredietrisico, beleggingsrisico, verzekeringsrisico, marktrisico's, eventuele andere belangrijke risico's, of een combinatie of wisselwerking van deze risico's.
  ----------
  (1)<W 2016-03-13/07, art. 737, 006; Inwerkingtreding : 23-03-2016; zie ook art. 756>
  (2)<W 2016-10-25/05, art. 29, 009; Inwerkingtreding : 01-12-2016>

  Afdeling II. - Geconsolideerd toezicht op kredietinstellingen

  Onderafdeling I. - Toepassingsgebied

  Art. 165. In de mate en op de wijze bepaald door Afdelingen II en IV van dit Hoofdstuk en de uitvoeringsbesluiten en -reglementen ervan, zijn kredietinstellingen naar Belgisch recht :
  1° die moederonderneming zijn, onderworpen aan een toezicht op basis van hun geconsolideerde positie;
  2° met als moederonderneming een financiėle moederholding in een lidstaat of een gemengde financiėle moederholding in een lidstaat, onderworpen aan een toezicht op basis van de geconsolideerde positie van de financiėle moederholding of de gemengde financiėle moederholding.

  Art. 166.Onverminderd de artikelen 167 tot 169, worden de niveaus van het geconsolideerde toezicht, hun verhouding met het toezicht op individuele kredietinstellingen, het voorwerp en de reikwijdte van het geconsolideerde toezicht vastgelegd in Deel 1, Titel II, Hoofdstuk 2 van Verordening nr. 575/2013 [1 ...]1.
  ----------
  (1)<W 2016-10-25/05, art. 30, 009; Inwerkingtreding : 01-12-2016>

  Art. 167.§ 1. Belgische moederkredietinstellingen voldoen op geconsolideerde basis aan de in artikel 94 neergelegde verplichtingen in de mate en op de wijze als bepaald in Deel 1, Titel II, Hoofdstuk 2, Afdelingen 2 en 3 van Verordening nr. 575/2013.
  § 2. Kredietinstellingen naar Belgisch recht die onder de controle staan van een financiėle moederholding of een gemengde financiėle moederholding in een lidstaat, voldoen in de mate en op de wijze als bepaald in Deel 1, Titel II, Hoofdstuk 2, Afdelingen 2 en 3 van Verordening nr. 575/2013 aan de in artikel 94 neergelegde verplichtingen op basis van de geconsolideerde situatie van de betrokken financiėle moederholding of gemengde financiėle moederholding.
  In afwijking van het eerste lid, als meerdere kredietinstellingen met zetel in de Europese Economische Ruimte onder de controle staan van een financiėle moederholding of gemengde financiėle moederholding in een lidstaat, is het eerste lid van toepassing op de kredietinstelling naar Belgisch recht, voor zover de toezichthouder, met toepassing van artikel 171, bevoegd is voor het geconsolideerde toezicht.
  § 3. Kredietinstellingen naar Belgisch recht die een dochteronderneming zijn, passen de vereisten van artikel 94 toe op gesubconsolideerde basis als deze kredietinstellingen zelf, of hun moederonderneming, als deze een financiėle holding of een gemengde financiėle moederholding in een lidstaat is, [1 een kredietinstelling, een beursvennootschap of een financiėle instelling]1 als dochteronderneming in een derde land hebben of een deelneming in een dergelijke onderneming hebben.
  ----------
  (1)<W 2016-10-25/05, art. 31, 009; Inwerkingtreding : 01-12-2016>

  Art. 168.§ 1. Belgische moederkredietinstellingen en kredietinstellingen naar Belgisch recht die onder de controle staan van een financiėle moederholding of een gemengde financiėle moederholding in een lidstaat, dienen op geconsolideerde of gesubconsolideerde basis aan de artikelen 21, 27 tot 42, 56 tot 59 en 63 tot 71 te voldoen, zodat hun bij deze bepalingen vereiste regelingen, procedures en mechanismen samenhang vertonen en goed geļntegreerd zijn, de invloed van de in de geconsolideerde positie opgenomen ondernemingen op andere ondernemingen kan beoordeeld worden en alle gegevens en informatie die voor het toezicht van belang zijn, kunnen worden verkregen. Zij passen die regelingen, procedures en mechanismen eveneens toe in hun niet onder deze wet vallende dochterondernemingen. Ook deze regelingen, processen en mechanismen zijn samenhangend en goed geļntegreerd, en ook deze dochterondernemingen moeten de voor het toezicht relevante gegevens en informatie kunnen verstrekken.
  § 2. De verplichtingen die voor dochterondernemingen uit derde landen voortvloeien uit de in paragraaf 1 genoemde artikelen, zijn niet van toepassing indien de Belgische EER-moederkredietinstelling of de kredietinstellingen naar Belgisch recht die onder de controle staan van een financiėle EER-moederholding of van een gemengde financiėle EER-moederholding aan de toezichthouder kunnen aantonen dat de toepassing ervan onrechtmatig is volgens de wetten van dat land.
  § 3. Kredietinstellingen naar Belgisch recht die moederondernemingen zijn publiceren jaarlijks een beschrijving van hun juridische structuur en van hun regeling voor de bedrijfsorganisatie die van toepassing is op [1 geconsolideerd niveau]1, met inbegrip van de inlichtingen bedoeld in artikel 18 en in paragraaf 1 van dit artikel, hetzij door volledige vermelding, hetzij door verwijzing naar reeds gepubliceerde gelijkwaardige informatie.
  ----------
  (1)<W 2016-10-25/05, art. 32, 009; Inwerkingtreding : 01-12-2016>

  Art. 169. De toezichthouder past op de kredietinstellingen naar Belgisch recht de in het artikel 106, § 1 en § 2, eerste lid bedoelde vereisten betreffende periodieke informatieverstrekking en boekhoudregels, de in de artikelen 142 tot 148 bedoelde toetsings- en evaluatieprocedure en de in de artikelen 149 tot 152 en 234 tot 236 bedoelde toezichtsmaatregelen toe, in overeenstemming met de in Deel 1, Titel II, Hoofdstuk II van Verordening nr. 575/2013 vastgestelde mate van toepassing van de vereisten van genoemde Verordening en de in de artikelen 167 en 168 vastgestelde mate en wijze van toepassing van de vereisten inzake het proces voor de interne beoordeling van de kapitaaltoereikendheid en de regelingen, processen en mechanismen van kredietinstellingen.

  Art. 170.§ 1. Onverminderd de toepassing van artikel 49 van Verordening nr. 575/2013, is elke bepaling van deze Afdeling die van toepassing is op basis van de geconsolideerde positie van de financiėle holding naar Belgisch recht ook van toepassing op het niveau van een gemengde financiėle holding naar Belgisch recht voor zover :
  1° de banksector de belangrijkste sector is binnen het financieel conglomeraat;
  2° minstens één van de dochterondernemingen een kredietinstelling is;
  3° de toezichthouder zowel het geconsolideerde toezicht als het aanvullende conglomeraatstoezicht uitoefent.
  Voor de toepassing van het eerste lid wordt de omvang van de banksector gemeten overeenkomstig artikel 186, § 3.
  [1 ...]1
  [1 Voor de toepassing van deze paragraaf verkrijgt de toezichthouder in zijn hoedanigheid van consoliderende toezichthouder het akkoord van de betrokken bevoegde autoriteiten die belast zijn met het toezicht op de dochterondernemingen en van de groepstoezichthouder in de verzekeringssector.]1
  [1 ...]1
  [1 § 1/1. Onverminderd de toepassing van paragraaf 2, indien een kredietinstelling naar Belgisch recht die aan het hoofd staat van een financieel conglomeraat of een gemengde financiėle holding naar Belgisch recht onderworpen is aan gelijkwaardige bepalingen van dit Hoofdstuk die enerzijds betrekking hebben op het geconsolideerde toezicht, anderzijds op het aanvullende conglomeraatstoezicht, en met name als deze bepalingen betrekking hebben op risicogebaseerd toezicht, kan de toezichthouder besluiten op deze kredietinstelling of gemengde financiėle holding alleen de relevante bepalingen die betrekking hebben op het aanvullende conglomeraatstoezicht toe te passen.]1
  § 2. Wanneer een kredietinstelling deel uitmaakt van een financieel conglomeraat waarin de banksector de belangrijkste sector is en waarover de toezichthouder zowel het geconsolideerde toezicht als het aanvullende conglomeraatstoezicht uitoefent, kan deze beslissen, na overleg met de betrokken bevoegde autoriteiten, dat de volgende maatregelen van toepassing zijn :
  1° wat betreft de verplichtingen en bevoegdheden inzake risicogebaseerd toezicht, zoals neergelegd in de artikelen 167 tot 169, of onderdelen daarvan, zal bij wijze van afwijking de groep zoals gedefinieerd in artikel 164, § 3 [1 en die het financieel conglomeraat vormt,]1 in aanmerking worden genomen als relevante reikwijdte voor het geconsolideerde toezicht;
  2° voor de naleving van de artikelen 191 tot 194 worden de groepsrisico's die voortvloeien uit intragroepsverrichtingen en risicoconcentratie binnen het financieel conglomeraat, als een bijkomende risicocategorie behandeld voor de toepassing van Bijlage I. Deze risico's worden voldoende specifiek behandeld, met inachtneming van de richtlijnen of standaarden die de Europese toezichthoudende autoriteiten uitvaardigen en van de kwantitatieve of kwalitatieve maatregelen waarnaar verwezen wordt in de eerstgenoemde artikelen;
  3° voor de naleving van artikel 195 kunnen de bedoelde stresstests op het niveau van het financieel conglomeraat worden geļntegreerd in de stresstests die vereist zijn op basis van artikel 148.
  § 3. De praktische modaliteiten voor de toepassing van paragraaf 2 worden schriftelijk vastgelegd in een coördinatieregeling. [1 ...]1 met de relevante bevoegde autoriteiten in de zin van artikel 164, § 3 binnen het college in de samenstelling die vereist is op basis van artikel 199.
  [1 § 4. In zijn hoedanigheid van consoliderende toezichthouder stelt de toezichthouder de EBA en de Europese Autoriteit voor Verzekeringen en Bedrijfspensioenen in kennis van het krachtens paragraaf 1, derde lid verkregen akkoord, het krachtens paragraaf 1/1 genomen besluit en de krachtens § 3, getroffen coördinatieregeling.]1
  ----------
  (1)<W 2016-03-13/07, art. 738, 006; Inwerkingtreding : 23-03-2016>

  Onderafdeling II. - Maatregelen om het geconsolideerde toezicht te vergemakkelijken

  Art. 171.§ 1. Het toezicht op geconsolideerde basis van een kredietinstelling naar Belgisch recht, als bedoeld in artikel 165, wordt uitgeoefend als volgt :
  1° indien zij een Belgische moederkredietinstelling of een Belgische EER-moederkredietinstelling is, door de toezichthouder;
  2° indien haar moederonderneming een Belgische financiėle moederholding of Belgische gemengde financiėle moederholding of een Belgische financiėle EER-moederholding of Belgische gemengde financiėle EER-moederholding is, door de toezichthouder, onverminderd de punten [2 3° tot en met 7°]2 ;
  3° [2 indien haar moederonderneming een financiėle moederholding in een lidstaat of een gemengde financiėle moederholding in een lidstaat of een financiėle EER-moederholding of gemengde financiėle EER-moederholding is, met in de lidstaat van haar maatschappelijke zetel een dochteronderneming die een kredietinstelling of een beursvennootschap is, door de bevoegde autoriteit van die lidstaat]2;
  4° [2 indien meerdere financiėle holdings of gemengde financiėle holdings, met hoofdkantoor in diverse lidstaten, moederonderneming zijn van kredietinstellingen of beursvennootschappen in diverse lidstaten waaronder een kredietinstelling naar Belgisch recht, en zich in elk van deze andere lidstaten een kredietinstelling of beursvennootschap bevindt, door de bevoegde autoriteit van de kredietinstelling of beursvennootschap met het hoogste balanstotaal]2;
  5° [2 indien meerdere kredietinstellingen of beursvennootschappen in diverse lidstaten, waaronder een kredietinstelling naar Belgisch recht, dezelfde financiėle holding of gemengde financiėle holding als moederonderneming hebben en aan geen van deze kredietinstellingen of beursvennootschappen een vergunning is verleend in de lidstaat waar de financiėle holding of gemengde financiėle holding is opgericht, door de voor de kredietinstelling of beursvennootschap met het hoogste balanstotaal bevoegde autoriteit. In geval van een kredietinstelling zal deze voor de toepassing van deze wet beschouwd worden als de kredietinstelling die gecontroleerd wordt door een financiėle EER-moederholding of gemengde financiėle EER-moederholding;]2
  [2 6° indien haar moederonderneming een EER-moederinstelling is, door de bevoegde autoriteit van de lidstaat waar de EER-moederinstelling haar maatschappelijke zetel heeft;]2
  [2 7° indien haar moederonderneming een financiėle moederholding in een lidstaat of een gemengde financiėle moederholding in een lidstaat of een financiėle EER-moederholding of gemengde financiėle EER-moederholding is, met in de lidstaat van haar maatschappelijke zetel geen dochteronderneming die een kredietinstelling of beursvennootschap is, door de toezichthouder.]2
  § 2. In bijzondere gevallen mogen de toezichthouder en de betrokken bevoegde autoriteiten onderling overeenkomen af te zien van de toepassing van de criteria bepaald in paragraaf 1, [2 3° tot en met 7°]2, als de toepassing ervan, gelet op de betrokken kredietinstellingen en op het relatieve belang van de werkzaamheden ervan in de verschillende lidstaten, ongepast zou zijn met het oog op een efficiėnte organisatie van het toezicht op geconsolideerde basis. Zij mogen een andere bevoegde autoriteit aanwijzen die op geconsolideerde basis toezicht zal houden.
  In dergelijke gevallen bieden de bevoegde autoriteiten, waaronder de toezichthouder, alvorens een besluit te nemen, de betrokken financiėle holdings of gemengde financiėle holdings dan wel de kredietinstelling met het hoogste balanstotaal, al naargelang het geval, de gelegenheid haar mening ten aanzien van dit besluit kenbaar te maken.
  Voor de toepassing van het eerste lid sluit de toezichthouder met de betrokken bevoegde autoriteiten overeenkomsten, in voorkomend geval overeenkomstig het bepaalde bij de artikelen 36/14, § 1, 3°, en 36/16, § 2 van de wet van 22 februari 1998.
  [1 Onverminderd artikel 212, wanneer de toezichthouder op grond van artikel 111, lid 5, van Richtlijn 2013/36/EU werd of is aangewezen als consoliderende toezichthouder voor het uitoefenen van het geconsolideerd toezicht op een kredietinstelling die onder het recht van een andere lidstaat ressorteert en waarvan de moederonderneming een financiėle holding of gemengde financiėle holding naar Belgisch recht is, [2 zonder dat een kredietinstelling of beursvennootschap naar Belgisch recht aanwezig is in het geconsolideerde geheel, zijn de bepalingen die gelden voor de kredietinstellingen als bedoeld in artikel 165, 2°, van overeenkomstige toepassing]2.]1
  Indien de toezichthouder belast wordt met het geconsolideerde toezicht brengt hij de Europese Commissie, de EBA en de betrokken financiėle holdings, gemengde financiėle holdings of de kredietinstelling met het hoogste balanstotaal van de groep hiervan op de hoogte.
  ----------
  (1)<W 2016-03-13/07, art. 739, 006; Inwerkingtreding : 23-03-2016>
  (2)<W 2016-10-25/05, art. 33, 009; Inwerkingtreding : 01-12-2016>

  Art. 172. § 1. Onverminderd de andere bevoegdheden en taken die hem zijn toegewezen door of krachtens deze wet en door Verordening nr. 575/2013, neemt de toezichthouder, in zijn hoedanigheid van consoliderende toezichthouder, de volgende taken op zich :
  1° de coördinatie van de vergaring en verspreiding van informatie die relevant of essentieel is in het kader van zijn toezicht, in normale bedrijfsomstandigheden en in noodsituaties;
  2° de planning en coördinatie, in samenwerking met de betrokken bevoegde autoriteiten, van de toezichtsactiviteiten in normale bedrijfsomstandigheden, waaronder de in deze Afdeling en Afdeling IV van dit Hoofdstuk bedoelde activiteiten, voor zover deze activiteiten, wat Afdeling IV betreft, betrekking hebben op het geconsolideerde toezicht;
  3° de planning en coördinatie van de toezichtsactiviteiten, in samenwerking met de betrokken bevoegde autoriteiten en zo nodig met de centrale banken van het Europees stelsel van centrale banken, bij de voorbereiding op en in noodsituaties, met inbegrip van ongunstige ontwikkelingen in kredietinstellingen en op de financiėle markten, indien mogelijk met gebruikmaking van bestaande communicatiekanalen voor de facilitering van crisisbeheersing. De voornoemde planning en coördinatie omvat ook buitengewone maatregelen, gezamenlijke evaluaties, de uitvoering van rampenplannen en de communicatie met het publiek.
  § 2. Indien een betrokken bevoegde autoriteit onvoldoende samenwerkt met de toezichthouder, in zijn hoedanigheid van consoliderende toezichthouder, om de in paragraaf 1 bedoelde taken uit te voeren, mag deze laatste de zaak aan de EBA voorleggen en om haar bijstand verzoeken krachtens artikel 19 van Verordening nr. 1093/2010.

  Art. 173. Indien een bevoegde autoriteit van een andere lidstaat, in haar hoedanigheid van consoliderende toezichthouder, nalaat de in artikel 112 van Richtlijn 2013/36/EU bedoelde taken uit te voeren, mag de toezichthouder de zaak aan de EBA voorleggen en om haar bijstand verzoeken krachtens artikel 19 van Verordening nr. 1093/2010.

  Art. 174.§ 1. In zijn hoedanigheid van consoliderende toezichthouder stelt de toezichthouder alles in het werk om samen met de bevoegde autoriteiten [1 voor het toezicht op dochterondernemingen van een EER-moederinstelling]1 of een financiėle EER-moederholding of gemengde financiėle EER-moederholding, tot een gezamenlijk besluit te komen over :
  1° de toepassing van de artikelen 94 en 142, om uit te maken of [1 het geconsolideerde eigen vermogen op geconsolideerd niveau]1 toereikend is voor haar financiėle situatie en risicoprofiel en hoeveel eigen vermogen noodzakelijk is voor de toepassing van de artikelen 149 en 150, [1 voor elke entiteit binnen het geconsolideerd geheel]1 en op geconsolideerde basis.
  2° de maatregelen voor het aanpakken van belangrijke aangelegenheden en materiėle bevindingen in verband met het liquiditeitstoezicht, met inbegrip van die welke verband houden met de passendheid van de organisatie en de behandeling van risico's, als vereist overeenkomstig artikel 8 van Bijlage I en met de behoefte aan instellingsspecifieke liquiditeitsvereisten overeenkomstig artikel 151 van deze wet.
  § 2. De gezamenlijke besluiten als bedoeld in paragraaf 1 worden genomen :
  1° voor de toepassing van paragraaf 1, 1°, binnen vier maanden nadat de toezichthouder in zijn hoedanigheid van consoliderende toezichthouder bij de betrokken bevoegde autoriteiten een verslag heeft ingediend met [1 de risicobeoordeling op geconsolideerde basis]1, overeenkomstig de artikelen 94, 142, 149 en 150.
  2° Voor de toepassing van paragraaf 1, 2°, binnen een maand nadat de toezichthouder in zijn hoedanigheid van consoliderende toezichthouder overeenkomstig artikel 151 en artikel 8 van Bijlage I bij de betrokken bevoegde autoriteiten een verslag heeft ingediend met de beoordeling van het liquiditeitsrisicoprofiel [1 op geconsolideerde basis]1.
  In de gezamenlijke besluiten worden naar behoren de risicobeoordelingen in aanmerking genomen die de betrokken bevoegde autoriteiten overeenkomstig de artikelen 73 en 97 van Richtlijn 2013/36/EU hebben verricht met betrekking tot dochterondernemingen.
  Bij verschil van mening raadpleegt de toezichthouder, in zijn hoedanigheid van consoliderende toezichthouder, op verzoek van een betrokken bevoegde autoriteit of op eigen initiatief de EBA. In dat geval houdt hij rekening met het advies van de EBA en wanneer duidelijk wordt afgeweken van dit advies, legt hij uit waarom.
  De gezamenlijke besluiten worden op schrift gesteld met volledige opgaaf van redenen. In zijn hoedanigheid van consoliderende toezichthouder doet de toezichthouder dit document aan de EER-moederkredietinstelling, de financiėle EER-moederholding of de gemengde financiėle EER-moederholding toekomen.
  § 3. Als de toezichthouder, in zijn hoedanigheid van consoliderende toezichthouder, en de betrokken bevoegde autoriteiten niet binnen de in paragraaf 2 bedoelde termijnen tot een gezamenlijk besluit komen, is het volgende van toepassing :
  1° wat betreft het geconsolideerde niveau, wordt het besluit over de toepassing van de artikelen bedoeld in de punten 1° en 2° van paragraaf 1 door de toezichthouder in zijn hoedanigheid van consoliderende toezichthouder genomen nadat hij de door de betrokken bevoegde autoriteiten verrichte risicobeoordeling van de dochterondernemingen naar behoren in overweging heeft genomen. Indien een van deze betrokken bevoegde autoriteiten binnen één van de in paragraaf 2 bedoelde termijnen de zaak overeenkomstig artikel 19 van Verordening nr. 1093/2010 aan de EBA heeft voorgelegd, stelt de toezichthouder, in zijn hoedanigheid van consoliderende toezichthouder, zijn besluit uit in afwachting van een eventueel door de EBA genomen besluit. Hij neemt zijn besluit in overeenstemming met het besluit van de EBA.
  2° wat betreft het individueel of gesubconsolideerd niveau, formuleert de toezichthouder in zijn hoedanigheid van consoliderende toezichthouder zijn standpunten en voorbehouden alvorens de betrokken bevoegde autoriteiten die belast zijn met het toezicht op de dochterondernemingen van de EER-moederkredietinstelling, de financiėle EER-moederholding of de gemengde financiėle EER-moederholding hun besluit nemen over de toepassing van de artikelen bedoeld in de punten 1° en 2° van paragraaf 1 voor die niveaus. In zijn hoedanigheid van consoliderende toezichthouder kan de toezichthouder tot aan het einde van de in paragraaf 2 bedoelde termijnen en zolang er geen gezamenlijk besluit is genomen, de zaak overeenkomstig artikel 19 van Verordening nr. 1093/2010 aan de EBA voorleggen.
  In zijn hoedanigheid van consoliderende toezichthouder voegt de toezichthouder besluiten genomen op individueel of gesubconsolideerd niveau toe aan het besluit op geconsolideerd niveau en doet het volledige document toekomen aan alle betrokken bevoegde autoriteiten en aan de EER-moederkredietinstelling, de financiėle EER-moederholding of de gemengde financiėle EER-moederholding.
  § 4. Onverminderd artikel 176, 2°, kunnen de besluiten betreffende de toepassing van de artikelen 149 tot 151 in uitzonderlijke gevallen worden geactualiseerd indien een betrokken bevoegde autoriteit die belast is met [1 het toezicht op een dochteronderneming van een EER-moederinstelling]1, een financiėle EER-moederholding of een gemengde financiėle EER-moederholding, daartoe een schriftelijk verzoek, met volledige opgaaf van redenen, richt aan de toezichthouder in zijn hoedanigheid van consoliderende toezichthouder.
  De actualisering kan op bilaterale basis verricht worden tussen de toezichthouder, in zijn hoedanigheid van consoliderende toezichthouder, en de betrokken bevoegde autoriteit.
  ----------
  (1)<W 2016-10-25/05, art. 34, 009; Inwerkingtreding : 01-12-2016>

  Art. 175. § 1. In zijn hoedanigheid van bevoegde autoriteit voor het toezicht op een kredietinstelling naar Belgisch recht die een dochteronderneming is van een EER-moederkredietinstelling, een financiėle EER-moederholding of een gemengde financiėle EER-moederholding, stelt de toezichthouder alles in het werk om samen met de consoliderende toezichthouder tot een gezamenlijk besluit te komen over de toepassingen en maatregelen bedoeld in artikel 174, § 1.
  De toezichthouder maakt voor de dochteronderneming als bedoeld in het eerste lid zijn krachtens de artikelen 94 en 142 opgestelde risicobeoordeling over aan de consoliderende toezichthouder.
  Bij verschil van mening kan hij de consoliderende toezichthouder verzoeken om de EBA te raadplegen.
  § 2. Bij ontstentenis van een gezamenlijk besluit als bedoeld in paragraaf 1, is het volgende van toepassing :
  1° in zijn hoedanigheid als bedoeld in paragraaf 1, neemt de toezichthouder het besluit over de toepassing van de bepalingen vermeld in artikel 174, § 1 op individuele of gesubconsolideerde basis voor de dochterondernemingen waarvoor hij de bevoegde autoriteit is. Hij neemt daarbij naar behoren de door de consoliderende toezichthouder geuite standpunten en voorbehouden in overweging en stelt zijn besluit uit indien de consoliderende toezichthouder of een andere bevoegde autoriteit de zaak overeenkomstig artikel 19 van Verordening nr. 1093/2010 aan de EBA heeft voorgelegd. In dat geval neemt hij zijn besluit in overeenstemming met het besluit van de EBA.
  2° In zijn hoedanigheid als bedoeld in paragraaf 1, maakt de toezichthouder aan de consoliderende toezichthouder zijn standpunten en voorbehouden over betreffende het besluit dat deze consoliderende toezichthouder zal nemen over de toepassing van de bepalingen bedoeld in artikel 174, § 1 voor het geconsolideerde niveau. De toezichthouder kan tot aan het einde van de in artikel 174, § 2 bedoelde termijnen en zolang geen gezamenlijk besluit is genomen, de zaak overeenkomstig artikel 19 van Verordening nr. 1093/2010 aan de EBA voorleggen.
  § 3. Onverminderd artikel 176, 2°, kan de toezichthouder, in zijn hoedanigheid als bedoeld in paragraaf 1, in uitzonderlijke gevallen vragen dat de besluiten over de toepassing van de artikelen 149 tot 151 worden geactualiseerd. Hij richt daartoe een schriftelijk verzoek, met volledige opgaaf van redenen, aan de consoliderende toezichthouder.
  De actualisering kan op bilaterale basis verricht worden tussen de toezichthouder en de consoliderende toezichthouder.

  Art. 176. De gezamenlijke besluiten en de besluiten genomen bij ontstentenis van een gezamenlijk besluit, als bedoeld in de artikelen 174 en 175 :
  1° worden door de toezichthouder erkend als definitief en in voorkomend geval toegepast binnen Belgiė;
  2° worden jaarlijks geactualiseerd.

  Art. 177. Om een doeltreffend toezicht te faciliteren en tot stand te brengen, sluit de toezichthouder, in zijn hoedanigheid van consoliderende toezichthouder, met de betrokken bevoegde autoriteiten de nodige schriftelijke coördinatie- en samenwerkingsovereenkomsten. Daarin kan zijn geregeld dat de toezichthouder in zijn hoedanigheid van consoliderende toezichthouder extra taken krijgt, en kunnen de procedures voor de besluitvorming en voor de samenwerking met de betrokken bevoegde autoriteiten zijn vastgelegd.

  Art. 178.§ 1. In zijn hoedanigheid van consoliderende toezichthouder richt de toezichthouder colleges van bevoegde autoriteiten op om het toezicht op de dochterondernemingen en meer in het bijzonder de uitoefening van de in de artikelen 172 tot 176 van deze wet en in artikel 114 van Richtlijn 2013/36/EU bedoelde taken te vergemakkelijken, en zorgt hij indien nodig voor een passende coördinatie en samenwerking met de bevoegde autoriteiten van derde landen.
  De EBA wordt voor de toepassing van deze bepaling beschouwd als bevoegde autoriteit.
  Binnen de colleges van bevoegde autoriteiten verricht de toezichthouder in zijn hoedanigheid van consoliderende toezichthouder, samen met de betrokken bevoegde autoriteiten de volgende taken :
  1° zij wisselen onderling en, overeenkomstig artikel 21 van Verordening nr. 1093/2010, met de EBA informatie uit;
  2° zij komen in voorkomend geval tot overeenstemming over een toewijzing van taken en overdracht van verantwoordelijkheden op basis van vrijwilligheid;
  3° zij stellen op basis van een overeenkomstig artikel 97 van Richtlijn 2013/36/EU verrichte risicobeoordeling van de groep programma's voor prudentieel toezicht vast als bedoeld in artikel 99 van Richtlijn 2013/36/EU;
  4° zij vergroten de efficiėntie van het toezicht door onnodige duplicatie van toezichtvereisten te vermijden, hetgeen zich onder meer kan voordoen bij de informatieverzoeken als bedoeld in artikel 114 en artikel 117, lid 3 van Richtlijn 2013/36/EU;
  5° zij passen de prudentiėle vereisten van Richtlijn 2013/36/EU en van Verordening nr. 575/2013 consequent toe op alle entiteiten in een groep van kredietinstellingen;
  6° zij houden bij de toepassing van artikel 172, § 1, 3° van deze wet rekening met het werk van andere fora die eventueel op dit gebied zijn opgericht.
  § 2. De toezichthouder, in zijn hoedanigheid van consoliderende toezichthouder, en de betrokken bevoegde autoriteiten die deelnemen aan de colleges van bevoegde autoriteiten en de EBA, werken nauw samen. De oprichting en werking van colleges doen geen afbreuk aan de rechten en plichten van de bevoegde autoriteiten in het kader van Richtlijn 2013/36/EU [1 , van Verordening nr. 575/2013 en van Richtlijn 2014/65/EU]1.
  § 3. Na overleg met de betrokken bevoegde autoriteiten stelt de toezichthouder in zijn hoedanigheid van consoliderende toezichthouder in de in artikel 177 bedoelde schriftelijke overeenkomsten de regeling voor de oprichting en werking van de colleges vast.
  § 4. In zijn hoedanigheid van consoliderende toezichthouder kan de toezichthouder de volgende autoriteiten uitnodigingen tot deelname aan een door hem opgericht college :
  1° autoriteiten die bevoegd zijn voor het toezicht [1 op dochterondernemingen]1 van een moederkredietinstelling naar Belgisch recht of een financiėle EER-moederholding of een gemengde financiėle EER-moederholding die betrokken zijn bij het door hem uitgeoefende geconsolideerde toezicht;
  2° de bevoegde autoriteiten van een lidstaat van ontvangst waar significante bijkantoren zijn gevestigd in de zin van artikel 51 van Richtlijn 2013/36/EU;
  3° in voorkomend geval, centrale banken van het Europees stelsel van centrale banken;
  4° de autoriteiten van derde landen, voor zover voldaan is aan de vereisten, met name inzake gelijkwaardigheid, die voortvloeien uit de beroepsgeheimregeling waarin voorzien is in Richtlijn 2013/36/EU.
  § 5. In zijn hoedanigheid van consoliderende toezichthouder zit de toezichthouder de vergaderingen van het college voor en beslist hij welke bevoegde autoriteiten deelnemen aan een vergadering of activiteit van het college. Hij informeert alle leden van het college vooraf volledig over het beleggen van vergaderingen, de voornaamste agendapunten en de in overweging te nemen activiteiten. Hij informeert alle leden van het college tevens tijdig over de tijdens deze vergaderingen genomen maatregelen of over de acties ondernomen ter uitvoering ervan.
  § 6. Bij zijn beslissing houdt de toezichthouder, in zijn hoedanigheid van consoliderende toezichthouder met toepassing van paragraaf 5, rekening met de relevantie van de te plannen of te coördineren toezichtsactiviteit voor die autoriteiten, en in het bijzonder met de gevolgen die deze beslissing kan hebben voor de stabiliteit van het financiėle stelsel in de betrokken lidstaten, als bedoeld in artikel 134, § 2, alsook met de in artikel 160 bedoelde verplichtingen.
  § 7. In zijn hoedanigheid van consoliderende toezichthouder stelt de toezichthouder de EBA in kennis van de activiteiten van het college van bevoegde autoriteiten, met inbegrip van de activiteiten in noodsituaties, en deelt deze autoriteit alle informatie mee die voor de convergentie van het toezicht van relevant is.
  § 8. Bij verschil van mening tussen de toezichthouder, in zijn hoedanigheid van consoliderende toezichthouder, en de betrokken bevoegde autoriteiten over de werking van de colleges van bevoegde autoriteiten, mag hij de zaak aan de EBA voorleggen en om haar bijstand verzoeken overeenkomstig artikel 19 van Verordening nr. 1093/2010.
  ----------
  (1)<W 2016-10-25/05, art. 35, 009; Inwerkingtreding : 01-12-2016>

  Art. 179.In zijn hoedanigheid van bevoegde autoriteit van [1 dochterondernemingen naar Belgisch recht van een EER-moederinstelling]1, een financiėle EER-moederholding of een gemengde financiėle EER-moederholding, neemt de toezichthouder deel aan de colleges van bevoegde autoriteiten die opgericht zijn door de consoliderende toezichthouder.
  Bij verschil van mening tussen de toezichthouder, in zijn hoedanigheid bedoeld in het eerste lid, en de consoliderende toezichthouder of andere betrokken bevoegde autoriteiten, over de werking van de colleges van toezichthouders, mag hij de zaak aan de EBA voorleggen en om haar bijstand verzoeken overeenkomstig artikel 19 van Verordening nr. 1093/2010.
  ----------
  (1)<W 2016-10-25/05, art. 36, 009; Inwerkingtreding : 01-12-2016>

  Art. 180.§ 1. [1 De toezichthouder werkt voor de uitoefening van het toezicht op geconsolideerde basis nauw samen met de bevoegde autoriteiten die een vergunning hebben verleend aan de entiteiten die in het geconsolideerde toezicht zijn opgenomen. Hij kan aan deze bevoegde autoriteiten vertrouwelijke informatie meedelen of vragen, wanneer ze van essentieel belang of relevant is voor de uitoefening van de toezichtstaken waarmee hij of deze bevoegde autoriteiten krachtens Richtlijn 2013/36/EU, Verordening nr. 575/2013 en Richtlijn 2014/65/EU zijn belast. Daartoe verstrekken zij elkaar op verzoek alle relevante informatie en delen elkaar uit eigen beweging alle essentiėle informatie mee.]1.
  In zijn hoedanigheid van consoliderende toezichthouder verstrekt de toezichthouder aan de bevoegde autoriteiten voor het toezicht op dochterondernemingen van EER-moederinstellingen, van financiėle EER-moederholdings of gemengde financiėle EER-moederholdings, alle relevante informatie. Bij het bepalen van de hoeveelheid toe te zenden informatie wordt rekening gehouden met het belang van deze dochterondernemingen in het financiėle stelsel in die lidstaten.
  § 2. De in paragraaf 1 bedoelde informatie wordt als essentieel beschouwd als die de beoordeling van de financiėle soliditeit van een kredietinstelling [1 , een beursvennootschap]1 of een financiėle instelling wezenlijk zou kunnen beļnvloeden.
  Voor de toepassing van paragraaf 1 dient als essentiėle informatie te worden beschouwd, informatie over :
  1° de juridische structuur en de regeling voor de bedrijfsorganisatie van de groep, met inbegrip van de beleidsstructuur, overeenkomstig de artikelen 22 en 168, § 1, die gelden voor alle gereglementeerde entiteiten, niet-gereglementeerde entiteiten, niet-gereglementeerde dochterondernemingen, significante bijkantoren die tot de groep behoren en moederondernemingen, en over de autoriteiten die bevoegd zijn voor de gereglementeerde entiteiten in de groep;
  2° de procedures voor de verzameling van informatie bij de [1 entiteiten die deel uitmaken van het geconsolideerd geheel]1, alsmede voor de toetsing van deze informatie;
  3° ongunstige ontwikkelingen bij [1 entiteiten die deel uitmaken van het geconsolideerd geheel]1, die ernstige nadelige gevolgen kunnen hebben voor de kredietinstellingen [1 en beursvennootschappen]1 in de groep;
  4° belangrijke sancties en buitengewone maatregelen die de bevoegde autoriteiten in overeenstemming met Richtlijn 2013/36/EU hebben getroffen, met inbegrip van het opleggen van een specifiek eigenvermogensvereiste of van restricties aan de toepassing van de geavanceerde meetbenadering voor de berekening van de eigenvermogensvereisten krachtens artikel 312, lid 2, van Verordening nr. 575/2013.
  § 3. Voor de toepassing van deze bepaling treedt de toezichthouder in zijn hoedanigheid van bevoegde autoriteit voor het toezicht op kredietinstellingen naar Belgisch recht die dochterondernemingen zijn van een EER-moederkredietinstelling, een financiėle EER-moederholding of een gemengde financiėle EER-moederholding, waar mogelijk in contact met de consoliderende toezichthouder als hij informatie nodig heeft over de toepassing van benaderingen en methodieken als beschreven in Richtlijn 2013/36/EU en in Verordening nr. 575/2013, en deze informatie eventueel al beschikbaar is voor de consoliderende toezichthouder.
  § 4. De toezichthouder kan de volgende situaties aan de EBA voorleggen :
  1° een bevoegde autoriteit heeft essentiėle informatie niet verstrekt;
  2° een verzoek om samenwerking, met name om uitwisseling van relevante informatie, is afgewezen of niet binnen een redelijke termijn gehonoreerd.
  ----------
  (1)<W 2016-10-25/05, art. 37, 009; Inwerkingtreding : 01-12-2016>

  Art. 181.De toezichthouder raadpleegt de andere bevoegde autoriteiten die betrokken zijn bij het geconsolideerde toezicht, alvorens een beslissing te nemen over :
  1° wijzigingen in de aandeelhoudersstructuur of de organisatie- of bestuursstructuur van kredietinstellingen in een groep, die overeenkomstig de bepalingen van Richtlijn 2013/36/EU een goedkeuring of machtiging door de bevoegde autoriteiten vereisen;
  2° belangrijke sancties en buitengewone maatregelen die de bevoegde autoriteiten in overeenstemming met Richtlijn 2013/36/EU hebben getroffen, met inbegrip van het opleggen van een specifiek eigenvermogensvereiste of van restricties aan de toepassing van de geavanceerde meetbenadering voor de berekening van de eigenvermogensvereisten krachtens artikel 312, lid 2 van Verordening nr. 575/2013.
  De toezichthouder mag evenwel besluiten andere bevoegde autoriteiten niet te raadplegen in noodsituaties of als zijn besluiten daardoor hun doel kunnen missen. In dergelijke gevallen brengt hij de andere bevoegde autoriteiten daarvan onverwijld op de hoogte na het nemen van zijn besluit.
  In afwijking van het tweede lid moet de toezichthouder in zijn hoedanigheid van bevoegde autoriteit voor het toezicht op [1 dochterondernemingen naar Belgisch recht van een EER-moederinstelling]1, een financiėle EER-moederholding of een gemengde financiėle EER-moederholding, steeds de consoliderende toezichthouder raadplegen als hij een beslissing als bedoeld in het eerste lid, 2° overweegt te nemen.
  ----------
  (1)<W 2016-10-25/05, art. 38, 009; Inwerkingtreding : 01-12-2016>

  Art. 182.Indien een kredietinstelling, [1 een beursvennootschap,]1 een financiėle holding, een gemengde financiėle holding of een gemengde holding naar Belgisch recht moederonderneming is van één of meer ondernemingen die verzekeringsondernemingen zijn of van andere ondernemingen die beleggingsdiensten verrichten waarvoor een vergunningstelsel geldt, werkt de toezichthouder nauw samen met de autoriteiten die van overheidswege belast zijn met het toezicht op de verzekeringsondernemingen of andere ondernemingen die beleggingsdiensten verrichten. Onverminderd hun respectieve bevoegdheden kan de toezichthouder alle inlichtingen vragen of verstrekken aan deze autoriteiten waardoor de vervulling van hun respectieve taken kan worden vergemakkelijkt en toezicht op de activiteit en de financiėle positie van alle aan hun toezicht onderworpen ondernemingen kan worden uitgeoefend.
  ----------
  (1)<W 2016-10-25/05, art. 39, 009; Inwerkingtreding : 01-12-2016>

  Onderafdeling III. - Andere toepassingsgevallen

  Art. 183. § 1. Indien een gemengde holding één of meer dochterondernemingen heeft die kredietinstellingen naar Belgisch recht zijn, kan de toezichthouder de gegevens en inlichtingen vragen die hij dienstig acht voor zijn toezicht op vennootschappelijke en geconsolideerde basis op deze kredietinstellingen, hetzij rechtstreeks van de gemengde holding, hetzij door toedoen van de genoemde dochterondernemingen. In dit laatste geval blijft de gemengde holding samen met de rapporterende kredietinstelling verantwoordelijk voor de juistheid en stipte mededeling van de verstrekte informatie.
  Indien de in het eerste lid bedoelde gemengde holding een onderneming naar Belgisch recht is, beschikt deze over een passende administratieve en boekhoudkundige organisatie en interne controle, teneinde de juistheid en conformiteit met de geldende regels te waarborgen van de te verstrekken gegevens en inlichtingen.
  § 2. De toezichthouder kan de met toepassing van paragraaf 1 verstrekte gegevens en inlichtingen ter plaatse controleren.
  Indien de gemengde holding of een van haar dochterondernemingen in een andere lidstaat is gevestigd dan Belgiė, geschiedt de controle ter plaatse van de informatie in overeenstemming met de procedure die vervat is in artikel 214. Indien die gemengde holding of een van de dochterondernemingen daarvan een verzekeringsonderneming is, kan ook de procedure van artikel 182 worden gevolgd.
  Wanneer de gemengde holding of een van haar dochterondernemingen hun zetel buiten de Europese Economische Ruimte hebben, worden de modaliteiten voor de uitvoering van het bepaalde bij paragraaf 1 vastgelegd in overeenkomsten tussen de toezichthouder en de betrokken buitenlandse bevoegde autoriteiten, in voorkomend geval overeenkomstig artikel 36/16, § 2 van de wet van 22 februari 1998.
  § 3. De toezichthouder kan de met toepassing van paragraaf 1 verstrekte gegevens en inlichtingen laten verifiėren op hun juistheid en volledigheid :
  1° wanneer de rapporterende onderneming een vennootschap naar Belgisch recht is, door de erkende commissaris van deze onderneming;
  2° wanneer de rapporterende onderneming haar zetel buiten Belgiė heeft, door de erkende commissaris van de kredietinstelling naar Belgisch recht die een dochteronderneming van de gemengde holding is.
  Wat de gegevens en inlichtingen betreft die uitgaan van gemengde holdings en hun dochterondernemingen, is voor de erkende commissarissen het recht bedoeld in artikel 211 op overeenkomstige wijze van toepassing.
  § 4. De in paragraaf 1 bedoelde gegevens en inlichtingen moeten de toezichthouder inzonderheid in staat stellen de volgende aspecten te beoordelen : de soliditeit van de kredietinstellingen naar Belgisch recht, de invloed van de gemengde holding op het beleid van deze kredietinstellingen, en de transacties tussen de kredietinstellingen met de gemengde holding en haar dochterondernemingen, onverminderd het bepaalde in Deel 4 van Verordening nr. 575/2013.
  § 5. De in paragraaf 1 bedoelde kredietinstellingen beschikken over passende risicobeheerprocessen en internecontrolemechanismen, met inbegrip van gedegen rapporterings- en boekhoudkundige systemen, met het oog op een passende herkenning, meting, bewaking en controle van transacties met hun gemengde moederholding en haar dochterondernemingen. Zij moeten tevens, naast de transacties bedoeld in artikel 394 van Verordening nr. 575/2013, alle andere belangrijke transacties met deze entiteiten rapporteren. Deze procedures en belangrijke transacties worden door de toezichthouder gecontroleerd.
  § 6. Indien de aard en de omvang van de in paragraaf 5 bedoelde transacties een bedreiging vormen voor de financiėle positie van de betrokken kredietinstelling naar Belgisch recht, neemt de toezichthouder passende maatregelen. Hij past daarbij de beginselen onderliggend aan de artikelen 205 tot 207 omtrent de verenigbaarheid met het algemeen geldende vennootschapsrecht op overeenkomstige wijze toe. Onverminderd eventuele andere maatregelen kan hij eisen dat deze verrichtingen worden stopgezet.

  Art. 183/1. [1 Een kredietinstelling naar Belgisch recht die een consortium vormt met een of meer andere ondernemingen, valt onder een geconsolideerd toezicht dat geldt voor alle ondernemingen van het consortium en hun dochterondernemingen. De bepalingen die gelden voor de kredietinstellingen als bedoeld in artikel 165, 2°, zijn van toepassing.]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij W 2016-03-13/07, art. 740, 006; Inwerkingtreding : 23-03-2016>
  

  Art. 184. De bepalingen op het vlak van samenwerking en informatie-uitwisseling tussen de bevoegde autoriteiten van de verschillende lidstaten voor de toepassing van het geconsolideerde toezicht op basis van deze wet en van Verordening nr. 575/2013 zijn niet van toepassing wanneer de Europese Centrale Bank krachtens de GTM-verordening de enige betrokken bevoegde autoriteit is.

  Afdeling III. - Aanvullend conglomeraatstoezicht

  Onderafdeling I. - Toepassingsgebied

  Art. 185. In de mate en op de wijze bepaald in de Afdelingen III en IV van dit Hoofdstuk en de uitvoeringsbesluiten en -reglementen ervan zijn kredietinstellingen naar Belgisch recht
  1° die aan het hoofd staan van een financieel conglomeraat; of
  2° met als moederonderneming een gemengde financiėle holding met zetel in een lidstaat
  onderworpen aan een aanvullend conglomeraatstoezicht.
  Indien meerdere gereglementeerde ondernemingen dochteronderneming zijn van de in het eerste lid, 2° bedoelde gemengde financiėle holding, is het aanvullende conglomeraatstoezicht alleen van toepassing op de kredietinstelling naar Belgisch recht voor zover de toezichthouder, met toepassing van artikel 196, bevoegd is voor het aanvullende conglomeraatstoezicht.

  Art. 186. § 1. Voor het bepalen of een groep een financieel conglomeraat is in de zin van artikel 164 § 1, 2°, zijn de in de hierna volgende paragrafen bepaalde drempels van toepassing.
  § 2. De activiteiten van een groep worden geacht in hoofdzaak in de financiėle sector plaats te vinden in de zin van artikel 164 § 1, 2°, punt b) i), indien de verhouding tussen het gezamenlijke balanstotaal van de tot de financiėle sector behorende ondernemingen in de groep, en het gezamenlijke balanstotaal van alle tot de groep behorende ondernemingen groter is dan 40 %.
  § 3. De activiteiten van de tot een groep behorende ondernemingen uit eenzelfde financiėle sector worden geacht significant te zijn in de zin van artikel 164, § 1, 2°, punt a) iii) of punt b) iii), indien,
  1° hetzij het gemiddelde van de volgende twee verhoudingen groter is dan 10 % : de verhouding tussen het gezamenlijke balanstotaal van alle ondernemingen in de groep die behoren tot diezelfde financiėle sector en het gezamenlijke balanstotaal van alle tot de groep behorende ondernemingen uit de financiėle sector, en de verhouding tussen de gezamenlijke solvabiliteitsvereisten van alle ondernemingen in de groep die behoren tot diezelfde financiėle sector en de gezamenlijke solvabiliteitsvereisten van alle tot de groep behorende ondernemingen uit de financiėle sector;
  2° hetzij het gezamenlijke balanstotaal van de ondernemingen die behoren tot de kleinste financiėle sector in de groep groter is dan 6 miljard euro;
  Voor de toepassing van het eerste lid :
  1° worden de banksector en de beleggingsdienstensector samengenomen en beschouwd als behorende tot eenzelfde financiėle sector;
  2° wordt onder de kleinste financiėle sector in een financieel conglomeraat verstaan, de financiėle sector met het kleinste gemiddelde en onder de belangrijkste financiėle sector in een financieel conglomeraat, de sector met het grootste gemiddelde.
  § 4. De relevante bevoegde autoriteiten kunnen bij onderlinge overeenkomst besluiten een groep niet als een financieel conglomeraat aan te merken of kunnen ook besluiten de bepalingen van de artikelen 7, 8, 9 en 9bis van Richtlijn 2002/87/EG niet toe te passen, indien zij oordelen dat het onder de werkingssfeer van het aanvullende conglomeraatstoezicht brengen van de groep of de toepassing van die bepalingen in het licht van de doeleinden van het aanvullende conglomeraatstoezicht onnodig, dan wel ongepast of misleidend is, in de hierna volgende gevallen :
  1° indien de groep de in paragraaf 3, eerste lid, punt 2° bedoelde drempel bereikt, maar het in paragraaf 3, eerste lid, 1° bedoelde gemiddelde onder de 10 % blijft;
  2° indien de groep het in paragraaf 3, eerste lid, 1° bedoelde gemiddelde bereikt, maar de kleinste sector onder het in paragraaf3, eerste lid, 2° bedoelde bedrag van 6 miljard EUR blijft.
  Besluiten genomen met toepassing van het eerste lid worden aan de andere bevoegde autoriteiten meegedeeld, en deze worden, behoudens buitengewone omstandigheden, door de bevoegde autoriteiten openbaar gemaakt.
  § 5. Voor de toepassing van de paragrafen 2 tot 4 kunnen de relevante bevoegde autoriteiten gezamenlijk beslissen om :
  1° voor de berekening van de drempels een onderneming buiten beschouwing te laten, om dezelfde reden als zij met toepassing van artikel 190, § 2, tweede lid, kunnen worden weggelaten voor de berekening van de aanvullende solvabiliteitsvereisten, tenzij de entiteit van een lidstaat naar een derde land verhuisd is en er aanwijzingen zijn dat de entiteit haar locatie veranderd heeft om zich aan regulering te onttrekken;
  2° een groep die niet meer voldoet aan de drempels van paragrafen 2 tot 4, maar die er gedurende drie vorige opeenvolgende jaren aan voldaan heeft, als een financieel conglomeraat aan te merken teneinde een plotse verandering van toezichtsregime te voorkomen, dan wel anders te beslissen of een eerder genomen beslissing te herzien omwille van blijvende significante wijzigingen in de structuur van de groep;
  3° één of meer deelnemingen in de kleinste sector buiten beschouwing laten indien deze deelnemingen bepalend zijn voor de identificatie van een groep als financieel conglomeraat en samengenomen van te verwaarlozen belang zijn gelet op de doelstellingen van het aanvullende conglomeraatstoezicht.
  Indien een groep overeenkomstig de paragrafen 2 tot 4 als financieel conglomeraat wordt aangemerkt, worden de in het eerste lid van deze paragraaf bedoelde beslissingen genomen op basis van een voorstel van de toezichthouder indien deze coördinator is.
  § 6. Voor de toepassing van paragraaf 2 en paragraaf 3, eerste lid, 1° kunnen de relevante bevoegde autoriteiten in uitzonderlijke gevallen bij onderlinge overeenkomst het gezamenlijke balanstotaal als parameter vervangen door, of aanvullen met, één of meer van de hierna volgende andere parameters, indien zij van oordeel zijn dat deze andere parameters in het licht van de doelstellingen van het aanvullende conglomeraatstoezicht een betere weergave zijn van het bedrijf van de groep; deze andere parameters zijn : de inkomensstructuur, activiteiten buiten balanstelling van de groep en totaal beheerd vermogen. De toezichthouder bepaalt in zijn hoedanigheid van coördinator hoe deze parameters dienen te worden berekend.
  § 7. Indien een aan aanvullend conglomeraatstoezicht onderworpen financieel conglomeraat niet meer voldoet aan een of meerdere van de in de paragrafen 2 tot 4 bepaalde drempels, worden de drempels gedurende de drie volgende jaren als volgt vervangen : 40 % wordt 35 %, 10 % wordt 8 % en 6 miljard EUR wordt 5 miljard EUR, om plotse regimeverschuivingen te voorkomen.
  In afwijking van het eerste lid kan de toezichthouder, in zijn hoedanigheid van coördinator, na instemming van de andere relevante bevoegde autoriteiten, beslissen deze lagere drempels niet of niet meer toe te passen in de voornoemde periode van drie jaar, rekening houdend met de doelstellingen van het aanvullende conglomeraatstoezicht.
  § 8. De in dit artikel bedoelde berekeningen inzake het gezamenlijke balanstotaal worden gemaakt op basis van het geaggregeerde balanstotaal van de tot de groep behorende ondernemingen, uitgaande van hun meest recente jaarrekening, volgens de voorschriften bepaald door de toezichthouder, indien deze coördinator is. Ondernemingen waarin de groep deelnemingen heeft, worden in aanmerking genomen voor het bedrag van hun balanstotaal dat overeenkomt met het geaggregeerde proportionele aandeel van de groep. Indien voor een bepaalde groep of delen van de groep geconsolideerde jaarrekeningen worden opgesteld, worden deze gebruikt voor de berekeningen.
  De in dit artikel bedoelde solvabiliteitsvereisten worden berekend volgens de bepalingen van de sectorale regelgeving die op de betreffende gereglementeerde ondernemingen van toepassing is.
  § 9. De bevoegde autoriteiten herbeoordelen op jaarbasis de ontheffingen op de toepassing van het aanvullende conglomeraatstoezicht en evalueren de kwantitatieve indicatoren waarin dit artikel voorziet, alsmede de risicobeoordelingen van financiėle groepen.

  Art. 187. § 1. De toezichthouder gaat na of kredietinstellingen die overeenkomstig het Belgisch recht een bedrijfsvergunning hebben verkregen, deel uitmaken van een financieel conglomeraat. Daartoe werkt de toezichthouder nauw samen met de bevoegde autoriteiten van andere tot die groep behorende gereglementeerde ondernemingen die overeenkomstig het Europees recht een bedrijfsvergunning hebben verkregen. Indien de toezichthouder van oordeel is dat de betrokken groep een financieel conglomeraat is en niet reeds aan aanvullend conglomeraatstoezicht onderworpen is, dan deelt hij dit mee aan de andere betrokken bevoegde autoriteiten en aan het Gemengd Comité.
  § 2. In zijn hoedanigheid van coördinator stelt de toezichthouder de moederonderneming van de groep, of bij ontstentenis van een moederonderneming, de gereglementeerde onderneming met het grootste balanstotaal in de belangrijkste financiėle sector in de groep, in kennis van de identificatie van de groep als een financieel conglomeraat, alsmede van zijn aanwijzing als coördinator. Hij informeert hierover eveneens de bevoegde autoriteiten van andere tot de groep behorende gereglementeerde ondernemingen die overeenkomstig het Europees recht een bedrijfsvergunning hebben verkregen, de bevoegde autoriteiten van het land waar de gemengde financiėle holding haar hoofdkantoor heeft, het Gemengd Comité, alsook, zo hij dit noodzakelijk acht in het licht van de doelstellingen van het aanvullende conglomeraatstoezicht, de autoriteiten van derde landen.

  Art. 188. De in artikel 185 bedoelde kredietinstellingen voldoen aan de vereisten van de artikelen 191 tot 195 op het niveau van het financieel conglomeraat. Deze reikwijdte van het aanvullende conglomeraatstoezicht stemt overeen met alle ondernemingen, hetzij gereglementeerd, hetzij ongereglementeerd, die deel uitmaken van de groep als gedefinieerd in artikel 164, § 3, vertrekkende vanuit de kredietinstelling aan het hoofd van het financieel conglomeraat dan wel vanuit de gemengde financiėle holding met zetel in de Europese Economische Ruimte.

  Art. 189. Wanneer een financieel conglomeraat zelf deel uitmaakt van een ander financieel conglomeraat dat aan een aanvullend conglomeraatstoezicht is onderworpen, kan de toezichthouder, in zijn hoedanigheid van coördinator, de in artikel 185 bedoelde kredietinstellingen die deel uitmaken van de subgroep geheel of gedeeltelijk vrijstellen van het aanvullende conglomeraatstoezicht indien de doelstellingen ervan in voldoende mate bereikt worden door het aanvullende conglomeraatstoezicht met betrekking tot het ander financieel conglomeraat.

  Art. 190. § 1. Onverminderd de toepassing van artikel 49 van Verordening nr. 575/2013, zijn de in artikel 185 bedoelde kredietinstellingen onderworpen aan een aanvullend solvabiliteitstoezicht op het niveau van de groep. Het aanvullende toezicht slaat op :
  1° de naleving van de vereiste dat er steeds eigen vermogen beschikbaar is op het niveau van het financieel conglomeraat dat minstens gelijk is aan de solvabiliteitsvereisten; het eigen vermogen en de solvabiliteitsvereisten op het niveau van het financieel conglomeraat worden berekend volgens een van de methoden bepaald in Bijlage VI;
  2° het passend karakter van de beheersprocedures en de internecontroleprocedures met betrekking tot de solvabiliteitspositie van de groep, overeenkomstig het bepaalde in artikel 194;
  3° het passend karakter van de strategieėn inzake eigen vermogen.
  De in het eerste lid bedoelde voorschriften worden gecontroleerd door de toezichthouder, in zijn hoedanigheid van coördinator, overeenkomstig Onderafdeling II. Hij zorgt ervoor dat de in het eerste lid bedoelde berekening ten minste eenmaal per jaar wordt uitgevoerd. De resultaten van de berekening en de voor de berekening benodigde gegevens worden aan hem voorgelegd door de kredietinstelling, door de gemengde financiėle holding of door een tot het financieel conglomeraat behorende gereglementeerde onderneming die de toezichthouder na overleg met de andere relevante bevoegde autoriteiten en met het financieel conglomeraat heeft aangewezen.
  § 2. In afwijking van de reikwijdte van het aanvullende conglomeraatstoezicht bepaald in artikel 188 worden voor de toepassing van paragraaf 1, eerste lid, 1° alle ondernemingen in de groep die tot de financiėle sector behoren, in het aanvullende solvabiliteitstoezicht opgenomen.
  In afwijking van het eerste lid kan de toezichthouder in zijn hoedanigheid van coördinator besluiten in onderstaande gevallen een bepaalde onderneming buiten de reikwijdte van het aanvullend solvabiliteitstoezicht van paragraaf 1, eerste lid, 1° te laten :
  1° indien de onderneming gevestigd is in een derde land waar er juridische belemmeringen bestaan voor het doorgeven van de benodigde informatie, onverminderd de sectorale regelgeving die betrekking heeft op de voor de bevoegde autoriteiten geldende verplichting om de vergunning te weigeren indien de doeltreffende uitoefening van hun toezichthoudende taken wordt belemmerd;
  2° indien de onderneming in het licht van de doeleinden van het aanvullend conglomeraatstoezicht op gereglementeerde ondernemingen in een financieel conglomeraat van te verwaarlozen betekenis is;
  3° indien het in aanmerking nemen van de onderneming in het licht van de doeleinden van het aanvullend conglomeraatstoezicht ongepast of misleidend zou zijn.
  Indien in het onder het tweede lid, 2° bedoelde geval het voornemen zou bestaan om verscheidene ondernemingen niet bij de berekening in aanmerking te nemen, moeten deze toch in aanmerking worden genomen indien zij gezamenlijk van niet te verwaarlozen betekenis zijn.
  In het onder het tweede lid, 3° bedoelde geval worden, behoudens in spoedeisende gevallen, de andere relevante bevoegde autoriteiten door de toezichthouder in zijn hoedanigheid van coördinator geraadpleegd voordat hij een besluit neemt.

  Art. 191. § 1. De kredietinstellingen bedoeld in artikel 185 zijn onderworpen aan een aanvullend toezicht op de risicoconcentratie.
  Het aanvullende toezicht slaat op :
  1° de identificatie en de rapportering van significante risicoconcentraties;
  2° het passend karakter van de beheersprocedures en de internecontroleprocedures met betrekking tot de risicoconcentratie van de groep, overeenkomstig het bepaalde in artikel 194.
  Bij het toezicht wordt inzonderheid aandacht besteed aan de volgende aspecten : het zogenaamde besmettingsrisico in de groep, de aanwezigheid van belangenconflicten, de omzeiling van de sectorale regelgeving, alsook het niveau en de omvang van de risicoconcentratie.
  § 2. Voor de toepassing van paragraaf 1, tweede lid, 1°, stelt de toezichthouder, in zijn hoedanigheid van coördinator, in overleg met de andere relevante bevoegde autoriteiten en na raadpleging van het financieel conglomeraat, de drempels vast voor het identificeren en het rapporteren van elke significante risicoconcentratie binnen het financieel conglomeraat. Hij legt de drempels vast op basis van een of beide van volgende parameters : het reglementaire eigen vermogen en de technische voorzieningen.
  Indien geen drempels zijn vastgesteld, worden risicoconcentraties geacht significant te zijn indien deze groter zijn dan 10 % van de solvabiliteitsvereiste van het betrokken financieel conglomeraat.
  § 3. Onverminderd het bepaalde in paragraaf 1 kan de toezichthouder, in zijn hoedanigheid van coördinator, begrenzingsnormen of andere evenwaardige toezichtsmaatregelen opleggen ter beheersing van de risicoconcentratie op het niveau van een financieel conglomeraat. Teneinde omzeiling van de sectorale regelgeving inzake risicoconcentratie tegen te gaan, kan hij ook beslissen, overeenkomstig artikel 170, de sectorale bepalingen ter zake naar analogie toe te passen op het niveau van het financieel conglomeraat. Hij raadpleegt voorafgaandelijk de andere relevante bevoegde autoriteiten.

  Art. 192. § 1. De kredietinstellingen bedoeld in artikel 185 zijn onderworpen aan een aanvullend toezicht op de intragroepsverrichtingen.
  Het aanvullende toezicht slaat op :
  1° de identificatie en de rapportering van significante intragroepsverrichtingen;
  2° het passend karakter van de beheersprocedures en de internecontroleprocedures m.b.t. intragroepsverrichtingen, overeenkomstig het bepaalde in artikel 194.
  Bij het toezicht wordt inzonderheid aandacht besteed aan volgende aspecten : het zogenaamde besmettingsrisico in de groep, de aanwezigheid van belangenconflicten, de omzeiling van de sectorale regelgeving, alsook het niveau en de omvang van de intragroepsverrichtingen.
  § 2. Voor de toepassing van paragraaf 1, tweede lid, 1° stelt de toezichthouder, in zijn hoedanigheid van coördinator, in overleg met de andere relevante bevoegde autoriteiten en na raadpleging het financieel conglomeraat, passende drempels vast voor het identificeren en het rapporteren van significante intragroepsverrichtingen. Hij legt de drempels vast op basis van een of beide van volgende parameters : het reglementaire eigen vermogen en de technische voorzieningen.
  Indien geen drempels zijn vastgesteld, worden intragroepsverrichtingen geacht significant te zijn indien deze groter zijn dan 5 % van de solvabiliteitsvereiste van het betrokken financieel conglomeraat.
  § 3. Onverminderd het bepaalde in § 1 kan de toezichthouder, in zijn hoedanigheid van coördinator, begrenzingsnormen of andere evenwaardige toezichtsmaatregelen opleggen ter verwezenlijking van de doelstellingen van het aanvullende conglomeraatstoezicht inzake intragroepsverrichtingen. Teneinde omzeiling van de sectorale regelgeving inzake intragroepsverrichtingen tegen te gaan, kan hij ook beslissen, overeenkomstig artikel 170, de sectorale bepalingen ter zake naar analogie toe te passen op het niveau van het financieel conglomeraat. Hij raadpleegt voorafgaandelijk de andere relevante bevoegde autoriteiten.

  Art. 193. § 1. Voor het in de artikelen 190 tot 192 geregelde aanvullende conglomeraatstoezicht worden aan de toezichthouder, in zijn hoedanigheid van coördinator, volgens de modaliteiten die deze bepaalt en minstens tweemaal per jaar, de volgende staten voorgelegd :
  1° een boekhoudstaat die betrekking heeft op de financiėle positie van het financieel conglomeraat en die minstens bestaat uit de balans en de resultatenrekening;
  2° een staat waaruit de naleving blijkt van de normen bepaald bij of in uitvoering van artikel 190, § 1, eerste lid, 1°, artikel 191, § 3, en artikel 192, § 3, en een staat met opgave van de significante risicoconcentraties en significante intragroepsverrichtingen bedoeld in artikel 191, § 1, tweede lid, 1°, en artikel 192, § 1, tweede lid, 1°.
  Te dien einde bepaalt de toezichthouder, in zijn hoedanigheid van coördinator, in overleg met de andere relevante bevoegde autoriteiten, de categorieėn verrichtingen, risico's en posities die voor de opvolging van de risicoconcentratie en de significante intragroepsverrichtingen moeten worden gerapporteerd; hij kan daarbij rekening houden met de specifieke groeps- en risicobeheerstructuur van het betrokken financieel conglomeraat.
  § 2. De in paragraaf 1 bedoelde staten worden gerapporteerd door de kredietinstelling, door de gemengde financiėle holding of door een tot het financieel conglomeraat behorende gereglementeerde onderneming, die de toezichthouder na overleg met de andere relevante bevoegde autoriteiten en met het financieel conglomeraat heeft aangewezen.

  Art. 194.§ 1. De kredietinstellingen bedoeld in artikel 185 zorgen ervoor dat het financieel conglomeraat beschikt over passende risicobeheer- en internecontroleprocedures en over een passende administratieve en boekhoudkundige organisatie.
  Inzonderheid dienen deze risicobeheer- en internecontroleprocedures aanwezig te zijn op geconsolideerd en gesubconsolideerd niveau bij de in artikel 185 bedoelde moederondernemingen, ongeacht of het om de kredietinstelling gaat of om de gemengde financiėle holding aan het hoofd van het financieel conglomeraat, en bij alle gereglementeerde ondernemingen die deel uitmaken van het financieel conglomeraat, zodat de risicobeheer- en internecontroleprocedures samenhang vertonen en goed geļntegreerd zijn, de invloed van de tot de groep behorende ondernemingen op de gereglementeerde ondernemingen kan beoordeeld worden en alle gegevens en informatie die voor het aanvullende conglomeraatstoezicht van belang zijn, kunnen worden verkregen. Deze moederondernemingen passen die risicobeheer- en internecontroleprocedures eveneens toe in hun niet-gereglementeerde dochterondernemingen. Ook deze risicobeheer- en internecontroleprocedures zijn samenhangend en goed geļntegreerd, en ook deze dochterondernemingen moeten de voor het toezicht relevante gegevens en informatie kunnen verstrekken.
  § 2. De risicobeheerprocedures omvatten :
  1° een passend bestuur en beheer, met goedkeuring en periodieke evaluatie van de strategie en het beleid door de bevoegde organen, met betrekking tot alle belangrijke risico's die op het niveau van het financieel conglomeraat zijn aangegaan;
  2° een passend solvabiliteitsbeleid, dat met name de toekomstige gevolgen anticipeert voor de groep van de gevolgde bedrijfsstrategie op het risicoprofiel van de groep en de solvabiliteitsvereisten bedoeld in artikel 190;
  3° passende procedures die waarborgen dat de risicobeheer- en opvolgingssystemen voldoende zijn geļntegreerd in de organisatie van de groep en dat de in de ondernemingen van de groep gehanteerde systemen met elkaar in overeenstemming zijn, zodat op het niveau van het financieel conglomeraat de risico's correct worden geļdentificeerd, opgevolgd en beheerst;
  4° [1 regelmatig geactualiseerde regelingen om bij te dragen tot de verwezenlijking en, in voorkomend geval, de ontwikkeling van passende herstel- en afwikkelingsmechanismen en -plannen.]1
  § 3. De internecontroleprocedures omvatten :
  1° passende procedures voor het opvolgen van de solvabiliteit op het niveau van de groep, zodat alle belangrijke risico's correct worden geļdentificeerd en opgevolgd en het eigen vermogen voldoende is in het licht van de gelopen risico's;
  2° het passend karakter van de procedures en systemen voor de identificatie, meting, opvolging en beheersing van de intragroepsverrichtingen en risicoconcentraties.
  § 4. De kredietinstellingen beschikken over een passende boekhoudkundige en administratieve organisatie die de juistheid en conformiteit met de geldende regels waarborgt van de voor het aanvullende conglomeraatstoezicht verstrekte gegevens en inlichtingen en de opstelling van de jaarrekeningen.
  De kredietinstellingen zorgen voor een transparante groepsstructuur. De kredietinstelling, de gemengde financiėle holding of een tot het financieel conglomeraat behorende gereglementeerde onderneming die de toezichthouder, in zijn hoedanigheid van coördinator, na overleg met de andere relevante bevoegde autoriteiten en met het financieel conglomeraat heeft aangewezen, doen daartoe het volgende :
  1° zij delen aan de toezichthouder regelmatig bijzonderheden mee omtrent hun juridische structuur, hun regeling voor de bedrijfsorganisatie en hun beleidsstructuur, die gelden voor alle gereglementeerde ondernemingen, niet-gereglementeerde dochterondernemingen en significante bijkantoren;
  2° zij maken op het niveau van het financieel conglomeraat jaarlijks een beschrijving van de juridische structuur, van de regeling voor de bedrijfsorganisatie en van de beleidsstructuur voor het publiek openbaar en zorgen ervoor dat alle gereglementeerde ondernemingen deze informatie ook openbaar maken, hetzij door volledige vermelding, hetzij door verwijzing naar gelijkwaardige informatie.
  ----------
  (1)<W 2016-03-13/07, art. 741, 006; Inwerkingtreding : 23-03-2016>

  Art. 195. In zijn hoedanigheid van coördinator beoordeelt de toezichthouder minstens jaarlijks de noodzaak van stresstests op het niveau van het financieel conglomeraat. Hij stemt zijn beoordeling af op de stresstest die worden georganiseerd voor de grootste financiėle sector vertegenwoordigd in het financieel conglomeraat en overlegt met de andere relevante bevoegde autoriteiten.
  Voor het toepassen van deze stresstests houdt de toezichthouder rekening met parameters die specifieke risico's verbonden aan financiėle conglomeraten kunnen identificeren.
  De toezichthouder deelt de resultaten van de stresstests mee aan het Gemengd Comité.

  Onderafdeling II. - Maatregelen om het aanvullende conglomeraatstoezicht te vergemakkelijken

  Art. 196.§ 1. Teneinde een passend aanvullend conglomeraatstoezicht te verzekeren, wordt uit de bevoegde autoriteiten van de betrokken lidstaten, met inbegrip van die van de lidstaat waar de gemengde financiėle holding haar hoofdkantoor heeft, één enkele coördinator aangewezen die verantwoordelijk is voor de coördinatie en de uitoefening van het aanvullende conglomeraatstoezicht.
  § 2. Het aanvullende conglomeraatstoezicht op de in artikel 185, eerste lid bedoelde kredietinstellingen wordt als volgt uitgeoefend :
  1° door de toezichthouder in het in artikel 185, eerste lid, 1° bedoelde geval;
  2° indien aan het hoofd van het financieel conglomeraat een Belgische gemengde financiėle holding staat, door de toezichthouder, onverminderd de punten 3° tot 7° ;
  3° indien naast een Belgische kredietinstelling ten minste één andere Belgische gereglementeerde onderneming eenzelfde Belgische gemengde financiėle holding aan het hoofd van het financieel conglomeraat hebben, door de bevoegde autoriteit belast met het prudentiėle toezicht op de Belgische gereglementeerde onderneming met het grootste balanstotaal;
  4° indien de gemengde financiėle holding aan het hoofd van het financieel conglomeraat haar zetel in een andere lidstaat dan Belgiė heeft en in deze lidstaat een dochteronderneming heeft die een gereglementeerde onderneming is, door de bevoegde autoriteit van dat land;
  5° indien de gemengde financiėle holding aan het hoofd van het financieel conglomeraat haar zetel in een andere lidstaat dan Belgiė heeft en in deze lidstaat ten minste twee dochterondernemingen heeft die een gereglementeerde onderneming zijn, met elk een verschillende bevoegde autoriteit, door de bevoegde autoriteit van de gereglementeerde onderneming in de belangrijkste financiėle sector;
  6° indien meerdere gemengde financiėle holdings, met zetel in verschillende lidstaten, aan het hoofd staan van het financieel conglomeraat, en er in elk van deze lidstaten een gereglementeerde onderneming is, door de bevoegde autoriteit van de gereglementeerde onderneming met het hoogste balanstotaal indien de activiteiten van deze ondernemingen plaatsvinden in dezelfde financiėle sector, of door de bevoegde autoriteit van de gereglementeerde onderneming in de belangrijkste financiėle sector;
  7° indien ten minste twee gereglementeerde ondernemingen met zetel in een lidstaat dezelfde gemengde financiėle holding als moederonderneming hebben en aan geen van deze ondernemingen een vergunning is verleend in het land waar de gemengde financiėle holding haar zetel heeft, door de bevoegde autoriteit van de gereglementeerde onderneming met het hoogste balanstotaal in de belangrijkste financiėle sector.
  § 3. De toezichthouder en de andere relevante bevoegde autoriteiten kunnen in bijzondere gevallen in gemeen overleg overeenkomen om van de [1 paragraaf 2]1 bepaalde bevoegdheidsregeling af te wijken, indien de toepassing ervan, gelet op de structuur van het financieel conglomeraat en het relatieve belang van het bedrijf van de groep in de verschillende lidstaten, niet passend zou zijn, en een andere bevoegde autoriteit belasten met het aanvullende conglomeraatstoezicht. Zij consulteren het financieel conglomeraat alvorens hierover een beslissing te nemen.
  [1 Wanneer de toezichthouder op grond van artikel 11, lid 3, van Richtlijn 2002/87/EG is aangewezen als coördinator voor het uitoefenen van het aanvullende conglomeraatstoezicht op een kredietinstelling die onder het recht van een andere lidstaat ressorteert en waarvan de moederonderneming een gemengde financiėle holding naar Belgisch recht is, zonder dat een kredietinstelling naar Belgisch recht of een andere gereglementeerde onderneming naar Belgisch recht die op individuele basis aan het toezicht van de toezichthouder is onderworpen, aanwezig is in de groep die het financieel conglomeraat vormt, zijn de bepalingen die gelden voor de kredietinstellingen als bedoeld in artikel 185, eerste lid, 2°, van overeenkomstige toepassing op de voornoemde holding, behoudens afwijkende regelingen in de overeenkomst tussen de bevoegde autoriteiten als bedoeld in artikel 11, lid 3, van Richtlijn 2002/87/EG.]1
  ----------
  (1)<W 2016-03-13/07, art. 743, 006; Inwerkingtreding : 23-03-2016>

  Art. 197. § 1. De taken van de toezichthouder, in zijn hoedanigheid van coördinator, omvatten :
  1° het coördineren van de vergaring en de verspreiding van relevante en essentiėle informatie, in normale omstandigheden en in noodsituaties, met inbegrip van de verspreiding van informatie die van belang is voor het toezicht door een bevoegde autoriteit krachtens de sectorale regelgeving;
  2° het toezicht op, inclusief de evaluatie van, de financiėle positie van het financieel conglomeraat;
  3° het toezicht op de naleving van de bepalingen van de artikelen 190 tot 192 inzake solvabiliteit, risicoconcentratie en intragroepsverrichtingen, en op de naleving van de rapporteringsverplichtingen bedoeld in artikel 193;
  4° het toezicht op, inclusief de evaluatie van, de structuur, de organisatie en de internecontroleprocedures van het financieel conglomeraat, als bedoeld in artikel 194;
  5° het plannen en coördineren van toezichtsactiviteiten, in normale omstandigheden en in noodsituaties, in samenwerking met de andere relevante bevoegde autoriteiten;
  6° het nemen van maatregelen en sancties ten aanzien van de gemengde financiėle holding;
  7° andere taken, maatregelen en beslissingen die hem zijn toegewezen door of krachtens de bepalingen van deze Afdeling en Afdeling IV van dit Hoofdstuk, voor zover deze bepalingen, wat betreft Afdeling IV, betrekking hebben op het aanvullende conglomeraatstoezicht, en van Richtlijn 2002/87/EG.
  § 2. De relevante bevoegde autoriteiten, in voorkomend geval in overleg met andere bevoegde autoriteiten, kunnen overeenkomen de toezichthouder, in zijn hoedanigheid van coördinator, andere toezichtstaken toe te vertrouwen, buiten de in paragraaf 1 bedoelde taken.
  § 3. Wanneer de toezichthouder optreedt als bevoegde autoriteit, zonder coördinator te zijn, werkt hij, onverminderd de bepalingen van Afdeling IV van dit Hoofdstuk voor zover deze betrekking hebben op het aanvullende conglomeraatstoezicht, samen met de andere bevoegde autoriteiten en met de coördinator, met het oog op de uitvoering van de in artikel 11 van Richtlijn 2002/87/EG bedoelde taken.

  Art. 198. § 1. Onverminderd de samenwerkingsovereenkomsten en coördinatieregelingen bedoeld in de overige bepalingen van deze Afdeling, sluit de toezichthouder, als coördinator, met andere bevoegde autoriteiten de overeenkomsten die noodzakelijk zijn voor de verwezenlijking van het aanvullende conglomeraatstoezicht als bepaald bij deze Afdeling en Afdeling IV van dit Hoofdstuk. Deze overeenkomsten regelen waar nodig de modaliteiten van uitoefening van dit toezicht, met inbegrip van de modaliteiten van samenwerking en informatie-uitwisseling onder bevoegde autoriteiten. Zij kunnen inzonderheid de procedures regelen van de besluitvorming tussen de relevante bevoegde autoriteiten.
  § 2. Onverminderd de delegatie van specifieke toezichtsbevoegdheden en -verantwoordelijkheden overeenkomstig de sectorale regelgeving, doet de aanwijzing van de toezichthouder als coördinator geen afbreuk aan de in de sectorale regelgeving bepaalde taken en verantwoordelijkheden van de betrokken bevoegde autoriteiten.

  Art. 199. § 1. In zijn hoedanigheid van coördinator richt de toezichthouder voor het aanvullende conglomeraatstoezicht een college op om vorm te geven aan de uit hoofde van deze Afdeling en Afdeling IV van dit Hoofdstuk vereiste samenwerking en de uitoefening van de taken als coördinator en, onder voorbehoud van vertrouwelijkheidsvereisten en van de wetgeving van de Unie, de passende coördinatie en samenwerking met de relevante toezichthoudende autoriteiten van derde landen.
  § 2. Wanneer relevante bevoegde autoriteiten reeds deelnemen aan een college opgericht krachtens artikel 116 van Richtlijn 2013/36/EU of artikel 248, lid 2, van Richtlijn 2009/138/EG, dan zal het college op het niveau van het financieel conglomeraat functioneren binnen het college opgericht voor de belangrijkste financiėle sector. De banksector en de beleggingsdienstensector worden voor dit doeleinde samen beschouwd.
  De regels voor de in paragraaf 1 bedoelde coördinatie worden apart opgenomen in de schriftelijke coördinatieregeling die wordt ingesteld voor het sectorale college. In zijn hoedanigheid van coördinator beslist de toezichthouder, als voorzitter van dit sectorale college, welke andere bevoegde autoriteiten aan een vergadering of een activiteit van dat college deelnemen.

  Art. 200. § 1. De toezichthouder en de andere bevoegde autoriteiten werken nauw samen met elkaar.
  Zij wisselen onderling de vertrouwelijke informatie uit die dienstig is voor de uitoefening van het toezicht krachtens de sectorale regelgeving en van het aanvullende conglomeraatstoezicht.
  § 2. Onverminderd hun verantwoordelijkheden als omschreven in de sectorale regelgeving, verstrekken de in paragraaf 1, eerste lid bedoelde autoriteiten elkaar, ongeacht of zij in dezelfde lidstaat zijn gevestigd, alle informatie die essentieel of relevant is voor de uitoefening van de toezichthoudende taken krachtens de sectorale regelgeving en Richtlijn 2002/87/EG. In dit verband delen zij desgevraagd alle relevante informatie mee en verstrekken zij uit eigen beweging alle essentiėle informatie.
  Deze samenwerking betreft ten minste de vergaring en uitwisseling van informatie met betrekking tot de volgende aspecten :
  1° het in kaart brengen van de juridische structuur, de regeling voor de bedrijfsorganisatie en de beleidsstructuur van de groep, die gelden voor alle gereglementeerde ondernemingen, niet-gereglementeerde dochterondernemingen en significante bijkantoren in de zin van artikel 51 van Richtlijn 2013/36/EU die tot het financieel conglomeraat behoren, de houders van gekwalificeerde deelnemingen op het niveau van de uiteindelijke moederonderneming, alsmede van de bevoegde autoriteiten voor de gereglementeerde ondernemingen in de groep;
  2° de door het financieel conglomeraat gevolgde strategie;
  3° de financiėle positie van het financieel conglomeraat, in het bijzonder de toereikendheid van het eigen vermogen, de intragroepsverrichtingen, de risicoconcentratie en de winstgevendheid;
  4° de belangrijkste aandeelhouders en de leiding van het financieel conglomeraat;
  5° de organisatie en de risicobeheer- en internecontroleprocedures op het niveau van het financieel conglomeraat;
  6° de procedures voor de vergaring van informatie bij de ondernemingen in een financieel conglomeraat en de verificatie van deze informatie;
  7° ongunstige ontwikkelingen bij gereglementeerde ondernemingen of bij andere ondernemingen van het financieel conglomeraat die ernstige nadelige gevolgen voor de gereglementeerde ondernemingen kunnen hebben;
  8° belangrijke sancties en buitengewone maatregelen die de bevoegde autoriteiten in overeenstemming met de sectorale regelgeving of Richtlijn 2002/87/EG hebben getroffen.
  De toezichthouder kan tevens informatie uitwisselen met het 'ESRB wat betreft de uitoefening van het toezicht op Belgische kredietinstellingen die deel uitmaken van een financieel conglomeraat.
  § 3. Onverminderd zijn verantwoordelijkheden als omschreven in de sectorale regelgeving, pleegt de toezichthouder, voordat hij een besluit neemt in verband met de hierna vermelde aangelegenheden, overleg indien dat besluit van belang is voor de toezichthoudende taken van andere bevoegde autoriteiten :
  1° wijzigingen in de aandeelhoudersstructuur of de organisatie- of bestuursstructuur van gereglementeerde ondernemingen in een financieel conglomeraat, die goedkeuring of machtiging door de bevoegde autoriteiten vereisen;
  2° voorgenomen belangrijke sancties of buitengewone maatregelen.
  De toezichthouder kan besluiten geen overleg te plegen in spoedeisende gevallen of indien dat overleg de doeltreffendheid van zijn besluiten in gevaar kan brengen. In dat geval stelt de toezichthouder de andere bevoegde autoriteiten daar onverwijld van in kennis.

  Art. 201. Wanneer voor de toepassing van artikel 213 wat betreft het aanvullende conglomeraatstoezicht de gevraagde informatie in uitvoering van de sectorale regelgeving reeds gerapporteerd is aan een andere bevoegde autoriteit, richt de toezichthouder, in zijn bevoegdheid van coördinator, zich in de mate van het mogelijke tot die autoriteit voor het verkrijgen van die informatie.

  Onderafdeling III. - Andere toepassingsgevallen

  Art. 202. Indien in andere dan de in de artikel 185 bedoelde gevallen een onderneming een deelneming of een andere kapitaalbinding heeft met één of meer andere ondernemingen, of, buiten een deelneming of andere kapitaalbinding, op dergelijke ondernemingen invloed van betekenis uitoefent, en een van de voormelde ondernemingen een kredietinstelling naar Belgisch recht is, kan de toezichthouder, in zijn hoedanigheid van relevante bevoegde autoriteit, samen met de andere relevante bevoegde autoriteiten van landen, in gemeenschappelijk overleg beslissen een aanvullend conglomeraatstoezicht uit te oefenen op de gereglementeerde ondernemingen in de groep. De relevante bevoegde autoriteiten bepalen gezamenlijk de modaliteiten van dit aanvullende conglomeraatstoezicht, en meer in het bijzonder welke artikelen van deze Afdeling en Afdeling IV van dit Hoofdstuk betreffende het aanvullende conglomeraatstoezicht van toepassing zijn. Zij nemen hun beslissing met inachtneming van de doelstellingen van het aanvullende conglomeraatstoezicht als bepaald in deze Afdeling en houden daarbij rekening met de internationale beginselen inzake aanvullend conglomeraatstoezicht.
  De bevoegde autoriteit belast met het aanvullende conglomeraatstoezicht op de groep wordt aangeduid met overeenkomstige toepassing van het bepaalde in artikel 196. Indien het financieel conglomeraat een groep is zonder moederonderneming aan het hoofd van de groep, of in de andere dan de voormelde gevallen, wordt het aanvullende conglomeraatstoezicht uitgeoefend door de bevoegde autoriteit die belast is met het toezicht op de gereglementeerde onderneming met het hoogste balanstotaal in de belangrijkste financiėle sector.
  Voor de toepassing van het bepaalde in het eerste lid is vereist dat wordt voldaan aan de voorwaarden van artikel 164, § 1, 2°, a), ii) en iii) of b), ii) en iii).
  Indien met toepassing van het eerste lid beslist wordt tot aanvullend conglomeraatstoezicht, is het bepaalde bij artikel 187, § 2 op overeenkomstige wijze van toepassing.

  Afdeling IV. - Gemeenschappelijke bepalingen

  Onderafdeling I. - Beginselen

  Art. 203. § 1. De toezichthouder kan, in voorkomend geval bij reglement vastgesteld met toepassing van artikel 12bis, § 2 van de wet van 22 februari 1998, de praktische modaliteiten van het geconsolideerde toezicht, zoals opgenomen in Afdeling II van dit Hoofdstuk en in deze Afdeling, of van het aanvullende conglomeraatstoezicht, zoals opgenomen in Afdeling III van dit Hoofdstuken in deze Afdeling nader bepalen.
  § 2. Met het oog op een zo efficiėnt mogelijk geconsolideerd toezicht en aanvullend conglomeraatstoezicht, kan de toezichthouder individuele afwijkingen toestaan op de bepalingen van, naargelang het geval, Afdeling II en III van dit Hoofdstuk en deze Afdeling en op de in voorkomend geval met toepassing van artikel 12bis, § 2 van de wet van 22 februari 1998 genomen reglementen voor zover deze in lijn blijven met de ter zake relevante bepalingen van Richtlijn 2013/36/EU en Richtlijn 2002/87/EG. In dat geval stelt hij de Europese Commissie en, wat betreft het geconsolideerde toezicht ook de EBA, daarvan in kennis.

  Art. 204. Het geconsolideerde toezicht en het aanvullende conglomeraatstoezicht hebben niet tot gevolg dat op een financiėle holding of een gemengde financiėle holding en op elke andere in de reikwijdte van deze toezichten opgenomen ondernemingen individueel toezicht wordt uitgeoefend.
  Het geconsolideerde toezicht en het aanvullende conglomeraatstoezicht doen niettemin geen afbreuk aan het individuele toezicht van elke gereglementeerde onderneming die binnen de reikwijdte van het geconsolideerde toezicht of het aanvullende conglomeraatstoezicht valt. Er kan evenwel rekening worden gehouden met de implicaties van het geconsolideerde toezicht of het aanvullende conglomeraatstoezicht bij de bepaling van de inhoud en de modaliteiten van het individueel toezicht op kredietinstellingen.

  Onderafdeling II. - Moederondernemingen, in het bijzonder financiėle holdings en gemengde financiėle holdings

  Art. 205. § 1. Wanneer de toezichthouder krachtens artikel 171 of artikel 196 het geconsolideerde toezicht respectievelijk het aanvullende conglomeraatstoezicht uitoefent op een kredietinstelling bedoeld in artikel 165 en artikel 185, dan zijn de moederondernemingen naar Belgisch recht bedoeld in de voornoemde artikelen verantwoordelijk voor de naleving van de verplichtingen met betrekking tot het geconsolideerde toezicht of het aanvullende conglomeraatstoezicht.
  Bij de uitoefening van de coördinatie en het toezicht waarmee zij belast zijn als hoofd van het geconsolideerde geheel dan wel het financieel conglomeraat, vaardigen de in het eerste lid bedoelde moederondernemingen richtlijnen uit aan de ondernemingen die deel uitmaken van het geconsolideerde geheel dan wel het financieel conglomeraat met het oog op het naleven van de verplichtingen die voortvloeien uit het geconsolideerde toezicht of het aanvullende conglomeraatstoezicht en op het verzekeren van de stabiliteit van het geconsolideerde geheel of het financieel conglomeraat. Deze richtlijnen mogen niet in strijd zijn met het Wetboek van Vennootschappen en zijn uitvoeringsbesluiten en mogen geen afbreuk doen aan het toezicht op individuele basis op kredietinstellingen die deel uitmaken van het geconsolideerde geheel of het financieel conglomeraat.
  § 2. Wanneer de toezichthouder krachtens artikel 171 of artikel 196 het geconsolideerde toezicht of het aanvullende conglomeraatstoezicht uitoefent op een kredietinstelling naar Belgisch recht met als moederonderneming een financiėle holding of gemengde financiėle holding met zetel buiten Belgiė, is deze kredietinstelling samen met haar moederonderneming verantwoordelijk voor de naleving van de verplichtingen van het geconsolideerde toezicht of het aanvullende conglomeraatstoezicht.
  De kredietinstelling dient van de bedoelde moederonderneming de medewerking te verkrijgen voor het opzetten van een passende beleidsstructuur die ertoe bijdraagt dat het geconsolideerde toezicht of het aanvullende conglomeraatstoezicht zo efficiėnt mogelijk kan worden uitgeoefend en waakt erover dat de invloed van de moederonderneming niet in strijd is met het Wetboek van Vennootschappen en zijn uitvoeringsbesluiten en geen afbreuk doet aan het toezicht op individuele basis dat van toepassing is op de kredietinstelling of het geconsolideerde toezicht of het aanvullende conglomeraatstoezicht.
  § 3. In het krachtens artikel 21 vereiste internal governancememorandum dient, wat betreft het geconsolideerde niveau dan wel het niveau van het financieel conglomeraat, te worden uitgewerkt hoe voldaan wordt aan de beginselen vervat in de paragrafen 1 en 2.
  § 4. In de gevallen bedoeld in paragraaf 1 verstrekken de betrokken verantwoordelijke moederondernemingen de krachtens artikel 106, § 1 en § 2 eerste lid en artikel 193 van deze wet vereiste rapportering, evenals, op verzoek van de toezichthouder, alle bijkomende inlichtingen die nuttig zijn voor het uitoefenen van het geconsolideerde toezicht of het aanvullende conglomeraatstoezicht. Artikel 106, § 3 is van overeenkomstige toepassing.
  § 5. Wanneer de toezichthouder krachtens artikel 171 of artikel 196 het geconsolideerde toezicht of het aanvullende conglomeraatstoezicht uitoefent in andere gevallen dan deze bedoeld in de paragrafen 1 en 2, kan hij per geval nader bepalen hoe de beginselen van de paragrafen 1 tot 4 van overeenkomstige toepassing zijn.
  § 6. Voor de toepassing van de paragrafen 1, 2 en 5 raadpleegt de toezichthouder waar nodig de andere bevoegde autoriteiten.

  Art. 206. § 1. Wanneer een andere bevoegde autoriteit dan de toezichthouder het geconsolideerde toezicht of het aanvullende conglomeraatstoezicht uitoefent over een kredietinstelling naar Belgisch recht, dient deze kredietinstelling na te gaan of de invloed van haar moederonderneming niet in strijd is met het Wetboek van Vennootschappen en zijn uitvoeringsbesluiten en geen afbreuk doet aan het toezicht op individuele basis waaraan deze kredietinstelling is onderworpen.

  Art. 207. Wanneer een bevoegde autoriteit van een andere lidstaat het geconsolideerde toezicht of het aanvullende conglomeraatstoezicht uitoefent over een kredietinstelling die dochteronderneming is van een financiėle holding of gemengde financiėle holding naar Belgisch recht, gaat de toezichthouder na, wanneer hij daartoe het verzoek krijgt van die bevoegde autoriteit, hoe hij medewerking kan verlenen voor het toepassen van de maatregelen die zouden bestaan in de lidstaat van die bevoegde autoriteit met het oog op het betrekken van financiėle holdings en gemengde financiėle holdings in het geconsolideerde toezicht of aanvullende conglomeraatstoezicht.

  Art. 208. § 1. Het directiecomité, in voorkomend geval de effectieve leiding, van de moederondernemingen bedoeld in artikel 165 en artikel 185 naar Belgisch recht, die betrokken zijn in het geconsolideerde toezicht of het aanvullende conglomeraatstoezicht uitgeoefend door de toezichthouder, verklaart dat de rapporteringen bedoeld in artikel 205, § 4 in overeenstemming zijn met de boekhouding en de inventarissen. Daartoe is vereist dat de staten volledig zijn, wat wil zeggen dat ze alle gegevens bevatten uit de boekhouding en de inventarissen op basis waarvan deze staten worden opgesteld, en juist zijn, wat wil zeggen dat ze de gegevens correct weergeven uit de boekhouding en de inventarissen op basis waarvan deze staten worden opgesteld. Het directiecomité, in voorkomend geval de effectieve leiding, bevestigt het nodige gedaan te hebben opdat de voornoemde staten volgens de geldende regels opgemaakt zijn, en opgesteld zijn met toepassing van de boekings- en waarderingsregels voor de opstelling van de geconsolideerde jaarrekening, of, voor de rapporteringsstaten die geen betrekking hebben op het einde van het boekjaar, met toepassing van de boekings- en waarderingsregels voor de opstelling van de geconsolideerde jaarrekening met betrekking tot het laatste boekjaar.
  § 2. Artikel 59, § 2 is van overeenkomstige toepassing op het directiecomité, in voorkomend geval de effectieve leiding, van de moederondernemingen bedoeld in paragraaf 1 wat betreft de maatregelen zoals opgenomen in :
  1° artikel 21 wat betreft het geconsolideerde geheel;
  2° artikel 194 wat betreft het financieel conglomeraat.

  Art. 209. Het bepaalde bij artikel 225 van deze wet betreffende de opdracht van erkend commissaris bij een kredietinstelling op individuele basis is van overeenkomstige toepassing met betrekking tot kredietinstellingen bedoeld in artikel 165, 1° of artikel 185, eerste lid, 1° voor het geconsolideerde toezicht en het aanvullende conglomeraatstoezicht waaraan deze kredietinstellingen zijn onderworpen.

  Art. 210.§ 1. De opdracht van commissaris als bedoeld in het Wetboek van Vennootschappen wordt :
  1° in een financiėle holding of gemengde financiėle holding naar Belgisch recht als bedoeld in artikel 165, 2°, die betrokken is in het geconsolideerde toezicht uitgeoefend door de toezichthouder, toevertrouwd aan een of meer revisoren of een of meer revisorenvennootschappen, die, overeenkomstig artikel 223 van deze wet, door de Bank erkend zijn voor de opdracht van commissaris bij een kredietinstelling. De artikelen 220, 221, 222, derde lid, 223, 224 en 225, tweede tot vijfde lid van deze wet zijn van overeenkomstige toepassing.
  2° in een gemengde financiėle holding naar Belgisch recht bedoeld in artikel 185, eerste lid, 2°, die betrokken is in het aanvullende conglomeraatstoezicht uitgeoefend door de toezichthouder, toevertrouwd aan een of meer revisoren of revisorenvennootschappen die door de Bank erkend zijn overeenkomstig, [1 naargelang het geval, de artikelen 222 en 578 van deze wet, voor zover dat laatste artikel 222 van toepassing verklaart op de beursvennootschappen, of artikel 327 van de wet van 13 maart 2016 op het statuut van en het toezicht op de verzekerings- of herverzekeringsondernemingen.]1 Het college van revisoren of de revisorenvennootschappen, aangesteld bij een gemengde financiėle holding, moeten zo zijn samengesteld dat zij, hetzij individueel, hetzij tezamen, erkend zijn in elk van de financiėle sectoren waarin het financieel conglomeraat een significante activiteit heeft. De Bank kan met verwijzing naar de drempels bedoeld in artikel 186 bepalen wat onder betekenisvolle activiteit moet worden verstaan. De bepalingen van de sectorale regelgeving inzake revisoraal toezicht zijn van overeenkomstige toepassing.
  § 2. De commissarissen aangesteld bij de in paragraaf 1 bedoelde holdings verlenen hun medewerking aan naargelang het geval, het geconsolideerde toezicht of het aanvullende conglomeraatstoezicht waarmee de toezichthouder is belast, op hun eigen en uitsluitende verantwoordelijkheid en overeenkomstig deze paragraaf, volgens de regels van het vak en de richtlijnen van de toezichthouder. Daartoe :
  1° beoordelen zij het passend karakter van de internecontrolemaatregelen als bedoeld in de artikelen 21, § 1, 2° tot 9°, 41 en 66, voor het geconsolideerde toezicht of het passend karakter van de risicobeheerprocedures, de internecontroleprocedures en de administratieve en boekhoudkundige organisatie als bedoeld in artikel 194 voor het aanvullende conglomeraatstoezicht. Zij delen hun bevindingen ter zake mee aan de toezichthouder;
  2° brengen zij verslag uit bij de toezichthouder over :
  a) de resultaten van het beperkt nazicht van de staten die de financiėle holding of gemengde financiėle holding voor haar geconsolideerde positie, of van de in artikel 193 bedoelde staten die de gemengde financiėle holding aan het einde van het eerste halfjaar aan de toezichthouder bezorgt, waarin bevestigd wordt dat zij geen kennis hebben van feiten waaruit zou blijken dat deze staten per einde halfjaar niet in alle materieel belangrijke opzichten volgens de geldende richtlijnen van de toezichthouder werden opgesteld. Bovendien bevestigen zij dat deze staten per einde halfjaar, voor wat de boekhoudkundige gegevens betreft in alle materieel belangrijke opzichten in overeenstemming zijn met de boekhouding en de inventarissen, inzake volledigheid, wat wil zeggen dat ze alle gegevens bevatten uit de boekhouding en de inventarissen op basis waarvan deze staten worden opgesteld, en juistheid, wat wil zeggen dat ze de gegevens correct weergeven uit de boekhouding en de inventarissen op basis waarvan deze staten worden opgesteld; en bevestigen zij geen kennis te hebben van feiten waaruit zou blijken dat deze staten per einde halfjaar niet zijn opgesteld met toepassing van de boekings- en waarderingsregels voor de opstelling van de geconsolideerde jaarrekening met betrekking tot het laatste boekjaar; de toezichthouder kan de hier bedoelde staten nader bepalen;
  b) de resultaten van de controle van de staten die de financiėle holding of gemengde financiėle holding voor haar geconsolideerde positie of van de in artikel 193 bedoelde staten die de gemengde financiėle holding aan het einde van het boekjaar aan de toezichthouder bezorgt, waarin bevestigd wordt dat deze staten in alle materieel belangrijke opzichten werden opgesteld volgens de geldende richtlijnen van de toezichthouder. Bovendien bevestigen zij dat deze staten per einde van het boekjaar, voor wat de boekhoudkundige gegevens betreft in alle materieel belangrijke opzichten in overeenstemming zijn met de boekhouding en de inventarissen, inzake volledigheid, wat wil zeggen dat ze alle gegevens bevatten uit de boekhouding en de inventarissen op basis waarvan deze staten worden opgesteld, en juistheid, wat wil zeggen dat ze de gegevens correct weergeven uit de boekhouding en de inventarissen op basis waarvan deze staten worden opgesteld; en bevestigen zij dat deze staten per einde van het boekjaar werden opgesteld met toepassing van de boekings- en waarderingsregels voor de opstelling van de geconsolideerde jaarrekening; de toezichthouder kan de hier bedoelde staten nader bepalen.
  3° brengen zij bij de toezichthouder op zijn verzoek een bijzonder verslag uit over :
  a) wat betreft het geconsolideerde toezicht : de organisatie, de werkzaamheden en de financiėle structuur van het geconsolideerde geheel;
  b) wat betreft het aanvullende conglomeraatstoezicht : de in de punten 1° en 2° van deze paragraaf en de in de artikelen 190 tot 192 bedoelde aspecten.
  De kosten voor de opstelling van deze verslagen worden door de financiėle holding of de gemengde financiėle holding, door de kredietinstelling naar Belgisch recht of door beide samen gedragen;
  4° brengen zij, in het kader van hun opdracht bij de financiėle holding of gemengde financiėle holding, of een revisorale opdracht bij een met de financiėle holding of gemengde financiėle holding verbonden onderneming, op eigen initiatief verslag uit bij de toezichthouder zodra zij kennis krijgen van :
  a) beslissingen, feiten of ontwikkelingen die de in 3° bedoelde aspecten op betekenisvolle wijze beļnvloeden of kunnen beļnvloeden;
  b) beslissingen of feiten met betrekking tot de financiėle holding of gemengde financiėle holding die kunnen wijzen op een overtreding van het Wetboek van Vennootschappen, de statuten of deze wet;
  c) andere beslissingen of feiten die kunnen leiden tot een weigering van de certificering van de geconsolideerde jaarrekening of tot het formuleren van voorbehoud.
  § 3. Wanneer de moederonderneming een financiėle holding of gemengde financiėle holding bedoeld in artikel 165, 2° of artikel 185, eerste lid, 2° is, met zetel in een andere lidstaat, die betrokken is, respectievelijk in het geconsolideerde toezicht of het aanvullende conglomeraatstoezicht uitgeoefend door de toezichthouder, wordt de opdracht bepaald bij paragraaf 2 op overeenkomstige wijze uitgeoefend door de commissaris die met een vergelijkbare taak bij deze holding is aangesteld. Bij afwezigheid van een dergelijke commissaris wordt bedoelde opdracht uitgeoefend door de commissaris die is aangesteld bij :
  a) de kredietinstelling naar Belgisch recht die een dochteronderneming is van de bedoelde financiėle holding of gemengde financiėle holding voor het geconsolideerde toezicht, of
  b) een gereglementeerde onderneming naar Belgisch recht die onder toezicht van de toezichthouder staat en dochteronderneming is van de bedoelde gemengde financiėle holding voor het aanvullende conglomeraatstoezicht.
  ----------
  (1)<W 2016-10-25/05, art. 41, 009; Inwerkingtreding : 01-12-2016>

  Art. 211. De commissarissen aangesteld bij kredietinstellingen, financiėle holdings of een gemengde financiėle holdings naar Belgisch recht overeenkomstig artikel 209 en 210, hebben voor de uitoefening van hun opdracht als bepaald bij deze artikelen, toegang tot en inzage in alle documenten en stukken die uitgaan zowel van de in de geconsolideerde positie of in het financieel conglomeraat opgenomen dochterondernemingen, als van de in artikel 213 § 1, tweede lid bedoelde ondernemingen.
  Het bepaalde bij artikel 35 van de wet van 22 februari 1998 is van toepassing wat de informatie betreft waarvan zij kennis hebben genomen in uitvoering van het eerste lid.

  Art. 212.Onverminderd het beginsel vervat in artikel 204, eerste lid en wanneer het geconsolideerde toezicht of het aanvullende conglomeraatstoezicht uitgeoefend wordt door de toezichthouder, zijn de volgende artikelen van deze wet op overeenkomstige wijze van toepassing op de financiėle holding of gemengde financiėle holding naar Belgisch recht : de artikelen 18, 19, 20, 24, § 1, met dien verstande dat minstens drie leden van het directiecomité lid zijn van het wettelijk bestuursorgaan, en §§ 3 en 4, [3 24bis,]3 25 en 26, 46 tot 54, 60, 61 en [1 62, §§ 1 tot 4, § 5, eerste zin, en §§ 6 tot 9,]1 en 71, [2 77,]2 234, § 1 en 236, § 1, 1° tot 5°, en wat betreft het geconsolideerde toezicht ook artikel 168, § 3.
  ----------
  (1)<W 2015-12-18/17, art. 23, 004; Inwerkingtreding : 08-01-2016>
  (2)<W 2016-10-25/05, art. 42, 009; Inwerkingtreding : 01-12-2016>
  (3)<W 2020-04-28/06, art. 229, 023; Inwerkingtreding : 06-05-2020>

  Onderafdeling III. - Maatregelen om het groepstoezicht te vergemakkelijken

  Art. 213. § 1. Onverminderd de toepasselijke periodieke rapportering, dient de toezichthouder toegang te krijgen, door de betrokken kredietinstellingen, financiėle holdings en gemengde financiėle holdings, hun dochterondernemingen en alle andere in het geconsolideerde geheel of in het financieel conglomeraat opgenomen ondernemingen, hetzij direct hetzij indirect te benaderen, tot alle inlichtingen die nuttig zijn, naargelang het geval, voor het door hem uitgeoefende geconsolideerde toezicht of aanvullende conglomeraatstoezicht.
  De overeenkomstig artikel 19 van Verordening nr. 575/2013 buiten de consolidatie gelaten dochterondernemingen, of de overeenkomstig artikel 190, § 2 buiten het aanvullende conglomeraatstoezicht gelaten ondernemingen, moeten de toezichthouder, in zijn hoedanigheid van consoliderende toezichthouder of van coördinator, alle gegevens en inlichtingen verstrekken die deze dienstig acht voor zijn geconsolideerde toezicht of zijn aanvullende conglomeraatstoezicht.
  Ondernemingen die uitsluitend of samen met andere ondernemingen de controle hebben over een kredietinstelling naar Belgisch recht, en de dochterondernemingen van deze ondernemingen moeten, indien die ondernemingen niet vallen onder het toepassingsgebied van het geconsolideerde toezicht of het aanvullende conglomeraatstoezicht, de toezichthouder en de andere bevoegde autoriteiten alle gegevens en inlichtingen verstrekken die nuttig zijn voor het toezicht op deze kredietinstelling.
  § 2. De toezichthouder kan eisen dat de inlichtingen bedoeld in paragraaf 1 omtrent ondernemingen met zetel in een andere lidstaat dan Belgiė hem worden meegedeeld door de naar Belgisch recht opgerichte kredietinstelling, financiėle holding of gemengde financiėle holding, of dat inlichtingen omtrent ondernemingen met zetel in een derde land hem worden meegedeeld door een kredietinstelling, financiėle holding of gemengde financiėle holding met zetel in een lidstaat.
  § 3. Indien een kredietinstelling naar Belgisch recht buiten het geconsolideerde geheel of buiten het financieel conglomeraat wordt gelaten door een andere bevoegde autoriteit die optreedt als consoliderende toezichthouder of coördinator, kan de toezichthouder eisen dat de moederonderneming aan het hoofd van het geconsolideerde geheel of het financieel conglomeraat hem de gegevens en inlichtingen moet bezorgen die hij dienstig acht voor zijn toezicht op die kredietinstelling.

  Art. 214. § 1. De toezichthouder kan de naleving van de verplichtingen bepaald bij de Afdelingen II en III van dit Hoofdstuk en deze Afdeling, en de juistheid en volledigheid van de verstrekte gegevens en inlichtingen ter plaatse nagaan in de in artikel 213, § 1 bedoelde ondernemingen, en wat betreft het geconsolideerde toezicht ook in de ondernemingen als bedoeld in artikel 182, de gemengde holding en haar dochterondernemingen en de ondernemingen die nevendiensten verrichten. Hij kan op kosten van deze ondernemingen commissarissen of door hem daartoe erkende buitenlandse deskundigen hiermee belasten.
  § 2. Wanneer de in paragraaf 1 bedoelde ondernemingen hun zetel in een andere lidstaat hebben, verzoekt de toezichthouder de bevoegde autoriteit van die lidstaat om deze controle uit te voeren. De toezichthouder verricht deze controle zelf als hij daarvoor de toestemming krijgt van de bevoegde autoriteit van die lidstaat. Wanneer deze laatste de controle zelf wenst te doen, of een erkend revisor of een deskundige daartoe aanstelt, kan de toezichthouder niettemin aan de controle deelnemen indien hij dat wenst.
  § 3. Wanneer de in paragraaf 1 bedoelde ondernemingen hun zetel in een derde land hebben, worden de modaliteiten van de verificatie ter plaatse, geregeld in samenwerkingsovereenkomsten die de toezichthouder met de betrokken buitenlandse autoriteiten heeft gesloten of die de Europese Commissie met de betrokken buitenlandse autoriteiten heeft gesloten, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 48 van Richtlijn 2013/36/EU.

  Art. 215. Zonder dat zij beperkingen van privaatrechtelijke aard kunnen tegenwerpen, met name betreffende geheimhoudingsverbintenissen of de aard van hun banden, delen de volgende ondernemingen elkaar de gegevens en inlichtingen mee die nodig zijn :
  1° voor het geconsolideerde toezicht : de in het geconsolideerde toezicht opgenomen ondernemingen, alsook de overeenkomstig artikel 19 van Verordening nr. 575/2013 buiten de consolidatie gelaten dochterondernemingen van kredietinstellingen, financiėle holdings of gemengde financiėle holdings, en de gemengde holdings en hun dochterondernemingen;
  2° voor het aanvullende conglomeraatstoezicht : de in het aanvullende conglomeraatstoezicht opgenomen ondernemingen, alsook de overeenkomstig artikel 190, § 2, tweede lid buiten het aanvullende conglomeraatstoezicht gelaten ondernemingen die tot een financieel conglomeraat behoren.

  Art. 216. § 1. Indien een moederonderneming en een of meer kredietinstellingen die dochterondernemingen daarvan zijn, in verschillende lidstaten zijn gelegen, wisselen de toezichthouder en de andere bevoegde autoriteiten onderling alle dienstige inlichtingen uit die voor het geconsolideerde toezicht of het aanvullende conglomeraatstoezicht nodig zijn of die dat toezicht kunnen vergemakkelijken.
  Het inwinnen, uitwisselen of bezitten van informatie door de toezichthouder en de bevoegde autoriteiten met het oog op het faciliteren van het geconsolideerde toezicht, of het aanvullende conglomeraatstoezicht met betrekking tot de ondernemingen genoemd in artikel 214, betekent geenszins dat de toezichthouder een afzonderlijk toezicht uitoefent op deze ondernemingen.
  § 2. Indien de toezichthouder in het geval van een moederonderneming naar Belgisch recht niet zelf op grond van artikel 171 of artikel 196 het geconsolideerde toezicht of het aanvullende conglomeraatstoezicht uitoefent, mogen de met dit toezicht belaste bevoegde autoriteiten hem vragen om bij de moederonderneming de inlichtingen op te vragen die voor dat toezicht dienstig zijn, en om die inlichtingen aan hen door te geven.
  § 3. Indien de toezichthouder op grond van artikel 171 of artikel 196 het geconsolideerde toezicht of het aanvullende conglomeraatstoezicht uitoefent en de moederonderneming haar zetel in een andere lidstaat dan Belgiė heeft, kan de toezichthouder aan de bevoegde autoriteit van die lidstaat vragen om bij die moederonderneming alle inlichtingen op te vragen die voor dat toezicht dienstig zijn, en om die inlichtingen aan hem door te geven.
  § 4. Wanneer de toezichthouder voor het toezicht op individuele basis op een kredietinstelling informatie wenst te verkrijgen die reeds gerapporteerd is aan een andere bevoegde autoriteit die optreedt als consoliderend toezichthouder of coördinator, zal hij zich in de mate van het mogelijke tot die autoriteit richten voor het verkrijgen van die informatie.
  § 5. Indien de toezichthouder in zijn hoedanigheid van consoliderend toezichthouder of coördinator informatie nodig heeft die al aan een andere bevoegde autoriteit is verstrekt, treedt hij zo mogelijk met deze autoriteit in contact zodat de andere bij het toezicht betrokken autoriteiten niet tweemaal worden geļnformeerd.

  Art. 217. § 1. De kredietinstellingen, de financiėle holdings en gemengde financiėle holdings en hun dochterondernemingen en de gemengde holdings en hun dochterondernemingen, opgericht naar Belgisch recht, verstrekken een andere toezichtsautoriteit de gegevens en inlichtingen die deze dienstig acht voor het geconsolideerde toezicht of het aanvullende conglomeraatstoezicht waarmee deze is belast, hetzij direct, hetzij indirect.
  Wanneer het om een bevoegde autoriteit gaat, is het eerste lid van toepassing in het kader van haar toezicht als bepaald conform de Europese wetgeving.
  Wanneer deze autoriteit ressorteert onder een derde land en de verplichting tot informatieverstrekking voortvloeit uit samenwerkingsovereenkomsten die de toezichthouder met de betrokken buitenlandse autoriteit heeft gesloten, is het eerste lid van overeenkomstige toepassing.
  § 2. Toezichtsautoriteiten zijn in het kader van hun geconsolideerd toezicht of aanvullend conglomeraatstoezicht gerechtigd om ter plaatse in de in artikel 213, § 1 bedoelde ondernemingen, met zetel in Belgiė, de gegevens en inlichtingen te toetsen die zij hebben ontvangen, of kunnen erkende commissarissen of door hen erkende deskundigen hiermee belasten, onder de volgende voorwaarden :
  1° wanneer het om een bevoegde autoriteit gaat, is de regeling van artikel 214, § 2 van overeenkomstige toepassing;
  2° wanneer deze autoriteit ressorteert onder een derde land, is de regeling van artikel 214, § 3 van overeenkomstige toepassing.

  Art. 218. In zijn hoedanigheid van consoliderende toezichthouder of coördinator stelt de toezichthouder lijsten op van respectievelijk de financiėle holdings en gemengde financiėle holdings die betrokken zijn in het door hem uitgeoefende geconsolideerde toezicht, en van de gemengde financiėle holdings die betrokken zijn bij het door hem uitgeoefende aanvullende conglomeraatstoezicht.
  Hij maakt deze lijsten over aan de bevoegde autoriteiten van de andere lidstaten, aan de EBA voor het geconsolideerde toezicht en aan de EBA en de Europese Autoriteit voor Verzekeringen en Bedrijfspensioenen voor het aanvullende conglomeraatstoezicht, en aan de Europese Commissie.

  Onderafdeling IV. - Moederondernemingen uit derde landen

  Art. 219.§ 1. Kredietinstellingen naar Belgisch recht met als moederonderneming
  - een moederkredietinstelling, financiėle holding of gemengde financiėle holding, of
  - een gereglementeerde onderneming aan het hoofd van een financieel conglomeraat of een gemengde financiėle holding,
  met zetel in een derde land, die niet reeds onderworpen zijn aan of opgenomen zijn in de reikwijdte van het geconsolideerde toezicht, overeenkomstig Afdeling II van dit Hoofdstuk en deze Afdeling of het aanvullende conglomeraatstoezicht, overeenkomstig Afdeling III van dit Hoofdstuk en deze Afdeling, uitgeoefend door de toezichthouder of een andere bevoegde autoriteit, worden, naargelang het geval, aan een geconsolideerd toezicht of een aanvullend conglomeraatstoezicht onderworpen volgens de bepalingen van dit artikel.
  § 2. De toezichthouder verifieert of de in paragraaf 1 bedoelde kredietinstellingen onderworpen zijn aan een door een autoriteit van een derde land uitgeoefend toezicht dat gelijkwaardig is met :
  1° het geconsolideerde toezicht uit hoofde van de bepalingen van Afdeling II van dit Hoofdstuk en deze Afdeling, of
  2° het aanvullende conglomeraatstoezicht uit hoofde van de bepalingen van Afdeling III van dit Hoofdstuk en deze Afdeling.
  Hij doet dit op eigen initiatief dan wel op verzoek van de in paragraaf 1 bedoelde moederondernemingen of van de kredietinstelling naar Belgisch recht.
  Alvorens een beslissing te nemen raadpleegt de toezichthouder de andere betrokken bevoegde autoriteiten over de al dan niet gelijkwaardigheid van het bedoelde toezicht en, voor wat betreft het geconsolideerde toezicht, ook de EBA.
  Aangaande deze gelijkwaardigheid houdt de toezichthouder rekening met :
  1° de richtsnoeren die het Europees Comité voor het Bankwezen uitbrengt voor het geconsolideerde toezicht overeenkomstig Richtlijn 2013/36/EU en Verordening nr. 575/2013;
  2° de richtsnoeren opgesteld door het Gemengd Comité overeenkomstig de artikelen 16 en 56 van Verordening nr. 1093/2010, Verordening nr. 1094/2010 of Verordening nr. 1095/2010, over het aanvullende conglomeraatstoezicht, overeenkomstig Richtlijn 2002/87/EG.
  § 3. Indien met overeenkomstige toepassing van het bepaalde in artikel 111 van Richtlijn 2013/36/EU of artikel 10 van Richtlijn 2002/87/EG een andere bevoegde autoriteit dan de toezichthouder consoliderend toezichthouder of coördinator zou zijn, geschiedt de verificatie en raadpleging door deze andere bevoegde autoriteit en kan de toezichthouder zijn bevindingen en zienswijze over de in paragraaf 1 bedoelde gelijkwaardigheid aan deze andere bevoegde autoriteit meedelen.
  Wanneer, wat betreft het aanvullende conglomeraatstoezicht, de toezichthouder van mening verschilt over een door een andere bevoegde autoriteit uit hoofde van het eerste lid genomen besluit, is artikel 19, naargelang het geval, van Verordening nr. 1093/2010, van Verordening nr. 1094/2010 of van Verordening nr. 1095/2010 van toepassing.
  § 4. Indien de procedure in paragrafen 2 en 3 leidt tot de vaststelling dat er geen gelijkwaardigheid is, worden de betrokken kredietinstellingen naar Belgisch recht onderworpen aan een geconsolideerd toezicht of aanvullend conglomeraatstoezicht, met overeenkomstige toepassing van de bepalingen van paragraaf 2, eerste lid, door de toezichthouder indien hij de bevoegde autoriteit is die zou belast zijn met het geconsolideerde toezicht of het aanvullende conglomeraatstoezicht met overeenkomstige toepassing van de bepalingen van, respectievelijk, artikel 171 of artikel 196.
  In afwijking van het eerste lid kan de toezichthouder, na overleg met de andere betrokken bevoegde autoriteiten, ook beslissen een andere passende toezichtsmethode toe te passen die de doelstellingen achter de bepalingen bedoeld in paragraaf 2, eerste lid dient te verwezenlijken.
  De toezichthouder kan meer bepaald eisen dat de kredietinstellingen naar Belgisch recht en de eventuele andere gereglementeerde ondernemingen opgericht naar het recht van een lidstaat, worden ondergebracht in een groep met aan het hoofd een financiėle holding of gemengde financiėle holding opgericht naar het recht van een lidstaat, en de bepalingen van :
  1° Afdeling II van dit Hoofdstuk en deze Afdeling toepassen op basis van de geconsolideerde positie van deze financiėle holding of gemengde financiėle holding,
  2° Afdeling III van dit Hoofdstuk en deze Afdeling toepassen op het niveau van het financieel conglomeraat met aan het hoofd deze gemengde financiėle holding.
  In dat geval stelt de toezichthouder de overige betrokken bevoegde autoriteiten, de Europese Commissie en, wat betreft het geconsolideerde toezicht, ook de EBA, in kennis van elke beslissing genomen met toepassing van het tweede en het derde lid.
  Voor de toepassing van het eerste tot het vierde lid sluit de toezichthouder de nodige overeenkomsten [1 met de relevante bevoegde autoriteiten]1.
  ----------
  (1)<W 2016-03-13/07, art. 747, 006; Inwerkingtreding : 23-03-2016>

  HOOFDSTUK V. - Revisoraal toezicht

  Art. 220. De opdracht van commissaris als bedoeld in het Wetboek van Vennootschappen mag in kredietinstellingen naar Belgisch recht enkel worden toevertrouwd aan een of meer revisoren of een of meer revisorenvennootschappen die daartoe zijn erkend door de Bank overeenkomstig artikel 222.
  In kredietinstellingen die met toepassing van het voornoemde Wetboek geen commissaris moeten hebben, stelt de algemene vergadering van de vennoten een of meer erkende revisoren of een of meer revisorenvennootschappen aan als bedoeld in het eerste lid. Zij nemen de taak waar van commissaris en dragen die titel. De voorschriften van het Wetboek van Vennootschappen met betrekking tot de commissarissen-revisoren van naamloze vennootschappen zijn van toepassing op de aanstelling en de opdracht van commissaris in deze instellingen. Voor de toepassing van het Wetboek van Vennootschappen met betrekking tot wat voorafgaat, vervangt de algemene vergadering van vennoten de algemene vergadering van aandeelhouders in vennootschappen waar de wet die niet instelt.
  Kredietinstellingen mogen plaatsvervangende commissarissen aanstellen, die in geval van langdurige verhindering van de commissaris diens taak waarnemen. De voorschriften van dit artikel en van artikel 221 zijn van toepassing op deze plaatsvervangers.
  De overeenkomstig dit artikel aangestelde erkende commissarissen certificeren de geconsolideerde jaarrekening van de kredietinstelling.

  Art. 221. Erkende revisorenvennootschappen doen, overeenkomstig artikel 6 van de wet van 22 juli 1953 houdende oprichting van een Instituut van Bedrijfsrevisor en tot organisatie van het publiek toezicht op het beroep van bedrijfsrevisor, voor de uitoefening van de opdracht van commissaris als bedoeld in artikel 220, een beroep op een erkende revisor die zij aanduiden. De voorschriften van deze wet en haar uitvoeringsbesluiten, die de aanstelling, de opdracht, de verplichtingen en verbodsbepalingen voor commissarissen alsmede de voor hen geldende, andere dan strafrechtelijke sancties regelen, gelden zowel voor de revisorenvennootschappen als voor de erkende revisoren die hen vertegenwoordigen.
  Een erkende revisorenvennootschap mag een plaatsvervangend vertegenwoordiger aanstellen onder haar leden die voldoen aan de aanstellingsvoorwaarden.

  Art. 222.De Bank legt bij reglement vastgesteld met toepassing van artikel 12bis, § 2 van de wet van 22 februari 1998 het reglement vast voor de erkenning van revisoren en revisorenvennootschappen.
  Het erkenningsreglement wordt uitgevaardigd na raadpleging van de erkende revisoren via hun representatieve beroepsvereniging.
  [1 Het College van toezicht op de bedrijfsrevisoren dat opgericht is bij artikel 32 van de wet van 7 december 2016 tot organisatie van het beroep van en het publiek toezicht op de bedrijfsrevisoren, brengt de Bank op de hoogte telkens als een procedure wordt ingeleid of een maatregel en/of sanctie wordt genomen door dit College tegen een erkende revisor of een erkende revisorenvennootschap wegens een tekortkoming in de uitoefening van zijn of haar opdracht, met opgave van de motivering, en telkens als een verslag wordt opgesteld met toepassing van artikel 56, § 1 van de voornoemde wet van 7 december 2016. Het College brengt de Bank ook op de hoogte van alle soortgelijke procedures, maatregelen en/of sancties die in het buitenland worden opgelegd aan een erkende revisor of een erkende revisorenvennootschap en waarvan het College kennis heeft.]1
  ----------
  (1)<W 2018-03-11/07, art. 246, 016; Inwerkingtreding : 26-03-2018>

  Art. 223.Voor de aanstelling van erkende commissarissen en plaatsvervangende erkende commissarissen bij kredietinstellingen is de voorafgaande instemming vereist van de toezichthouder. Deze instemming moet worden gevraagd door het vennootschapsorgaan dat de aanstelling voorstelt. Bij aanstelling van een erkende revisorenvennootschap slaat deze instemming zowel op de vennootschap als op haar vertegenwoordiger.
  Deze instemming is ook vereist voor de hernieuwing van een opdracht.
  Wanneer de aanstelling van de commissaris krachtens de wet geschiedt door de voorzitter van de [1 ondernemingsrechtbank]1 of het hof van beroep, kiest hij uit een lijst van erkende revisoren waaraan de toezichthouder zijn goedkeuring heeft gehecht.
  ----------
  (1)<W 2018-04-15/14, art. 252, 021; Inwerkingtreding : 01-11-2018>

  Art. 224. De toezichthouder kan zijn instemming overeenkomstig artikel 223 met een erkende commissaris, plaatsvervangend erkende commissaris, een erkende revisorenvennootschap of vertegenwoordiger of plaatsvervangende vertegenwoordiger van een dergelijke vennootschap, steeds herroepen bij beslissing die is gemotiveerd door redenen die verband houden met hun statuut of hun opdracht als erkende revisor of erkende revisorenvennootschap, zoals bepaald door of krachtens deze wet. Met deze herroeping eindigt de opdracht van commissaris.
  Vooraleer een erkende commissaris ontslag neemt, worden de toezichthouder en de kredietinstelling hiervan vooraf in kennis gesteld, met opgave van de motivering.
  Het erkenningsreglement regelt de procedure.
  Bij afwezigheid van een plaatsvervangende erkende commissaris of een plaatsvervangende vertegenwoordiger van een erkende revisorenvennootschap, zorgt de kredietinstelling of de erkende revisorenvennootschap, met inachtneming van artikel 223, binnen twee maanden voor zijn vervanging.
  Het voorstel om een erkende commissaris in een kredietinstelling van zijn opdracht te ontslaan, zoals geregeld bij de artikelen 135 en 136 van het Wetboek van Vennootschappen, wordt ter advies voorgelegd aan de toezichthouder. Dit advies wordt meegedeeld aan de algemene vergadering.

  Art. 225.De erkende commissarissen verlenen hun medewerking aan het toezicht van de toezichthouder, op hun eigen en uitsluitende verantwoordelijkheid en overeenkomstig dit artikel, volgens de regels van het vak en de richtlijnen van de toezichthouder. Daartoe :
  1° beoordelen zij de internecontrolemaatregelen die de kredietinstellingen hebben getroffen als bedoeld in artikel 21, § 1, 2°, en met toepassing van de artikelen 21, § 1, 9°, 42 en 66, en delen zij hun bevindingen ter zake mee aan de toezichthouder;
  2° brengen zij verslag uit bij de toezichthouder over :
  a) de resultaten van het beperkt nazicht van de periodieke staten die de kredietinstellingen aan het einde van het eerste halfjaar aan de toezichthouder bezorgen, waarin bevestigd wordt dat zij geen kennis hebben van feiten waaruit zou blijken dat de periodieke staten per einde halfjaar niet in alle materieel belangrijke opzichten volgens de geldende richtlijnen van de toezichthouder werden opgesteld. Bovendien bevestigen zij dat de periodieke staten per einde halfjaar, voor wat de boekhoudkundige gegevens betreft in alle materieel belangrijke opzichten in overeenstemming zijn met de boekhouding en de inventarissen, inzake volledigheid, wat wil zeggen dat ze alle gegevens bevatten uit de boekhouding en de inventarissen op basis waarvan de periodieke staten worden opgesteld, en juistheid, wat wil zeggen dat ze de gegevens correct weergeven uit de boekhouding en de inventarissen op basis waarvan de periodieke staten worden opgesteld; en bevestigen zij geen kennis te hebben van feiten waaruit zou blijken dat de periodieke staten per einde halfjaar niet zijn opgesteld met toepassing van de boekings- en waarderingsregels voor de opstelling van de jaarrekening met betrekking tot het laatste boekjaar; de toezichthouder kan de hier bedoelde periodieke staten nader bepalen;
  b) de resultaten van de controle van de periodieke staten die de kredietinstellingen aan het einde van het boekjaar aan de toezichthouder bezorgen, waarin bevestigd wordt dat de periodieke staten in alle materieel belangrijke opzichten werden opgesteld volgens de geldende richtlijnen van de toezichthouder. Bovendien bevestigen zij dat de periodieke staten per einde van het boekjaar, voor wat de boekhoudkundige gegevens betreft in alle materieel belangrijke opzichten in overeenstemming zijn met de boekhouding en de inventarissen, inzake volledigheid, wat wil zeggen dat ze alle gegevens bevatten uit de boekhouding en de inventarissen op basis waarvan de periodieke staten worden opgesteld, en juistheid, wat wil zeggen dat ze de gegevens correct weergeven uit de boekhouding en de inventarissen op basis waarvan de periodieke staten worden opgesteld; en bevestigen zij dat de periodieke staten per einde van het boekjaar werden opgesteld met toepassing van de boekings- en waarderingsregels voor de opstelling van de jaarrekening; de toezichthouder kan de hier bedoelde periodieke staten nader bepalen;
  3° brengen zij bij de toezichthouder op zijn verzoek een bijzonder verslag uit over de organisatie, de werkzaamheden en de financiėle structuur van de kredietinstelling; de kosten voor de opstelling van dit verslag worden door de kredietinstelling gedragen;
  4° brengen zij, in het kader van hun opdracht bij de kredietinstelling of een revisorale opdracht bij een met de kredietinstelling verbonden onderneming, op eigen initiatief verslag uit bij de toezichthouder, zodra zij kennis krijgen van :
  a) beslissingen, feiten of ontwikkelingen die de positie van de kredietinstelling financieel of op het vlak van haar administratieve en boekhoudkundige organisatie of van haar interne controle, op betekenisvolle wijze kunnen beļnvloeden;
  b) beslissingen of feiten die kunnen wijzen op een overtreding van het Wetboek van Vennootschappen, de statuten, deze wet en de ter uitvoering ervan genomen besluiten en reglementen;
  c) andere beslissingen of feiten die kunnen leiden tot een weigering van de certificering van de jaarrekening of tot het formuleren van voorbehoud;
  5° brengen zij de toezichthouder minstens eens per jaar verslag uit over de deugdelijkheid van de maatregelen die de kredietinstelling heeft getroffen ter vrijwaring van de tegoeden van de cliėnten [1 met toepassing van de artikelen 65 en 65/1]1 en van de op grond van deze bepalingen door de Koning genomen uitvoeringsmaatregelen.
  Volgens de modaliteiten bepaald in artikel 138 stelt de Bank de informatie bedoeld in de bepalingen onder 5° van het eerste lid ter beschikking van de FSMA, om haar toe te laten de bevoegdheden bedoeld in artikel 45, § 1, 3° en § 2 van de wet van 2 augustus 2002 uit te oefenen.
  Tegen erkende commissarissen die te goeder trouw informatie hebben verstrekt als bedoeld in het eerste lid, 4°, kunnen geen burgerrechtelijke, strafrechtelijke of tuchtrechtelijke vorderingen worden ingesteld, noch professionele sancties worden uitgesproken.
  [2 De erkende commissarissen delen aan de kredietinstellingen de verslagen mee die zij aan de toezichthouder richten overeenkomstig het eerste lid, 3°. De in dit artikel bedoelde verslagen die aan de kredietinstelling werden meegedeeld, mogen door deze laatste slechts aan derden worden meegedeeld mits de toezichthouder hiervoor voorafgaandelijk zijn toestemming heeft gegeven en onder de door hem vastgestelde voorwaarden. Mededelingen die in strijd met dit lid worden verricht, wordt bestraft met de straffen waarin voorzien is in artikel 458 van het Strafwetboek De erkend commissarissen bezorgen de toezichthouder een kopie van de mededelingen die zij aan de kredietinstelling richten en die betrekking hebben op zaken die van belang kunnen zijn voor het toezicht dat hij uitoefent.]2
  De erkende commissarissen en de erkende revisorenvennootschappen mogen bij de buitenlandse bijkantoren van de instelling waarop zij toezicht houden, het toezicht uitoefenen en de onderzoeken verrichten die bij hun opdracht horen.
  Zij kunnen door de toezichthouder, in voorkomend geval op verzoek van de Europese Centrale Bank in haar hoedanigheid van monetaire autoriteit, worden gelast te bevestigen dat de gegevens die deze kredietinstellingen aan deze autoriteiten moeten verstrekken, volledig, juist en conform de geldende regels zijn opgesteld.
  ----------
  (1)<W 2016-10-25/05, art. 43, 009; Inwerkingtreding : 01-12-2016>
  (2)<W 2017-11-21/08, art. 173, 014; Inwerkingtreding : 03-01-2018>

  Art. 225/1.[1 De erkend commissaris maakt jaarlijks aan het auditcomité, enerzijds, indien dergelijk comité is opgericht, en aan het wettelijk bestuursorgaan, anderzijds, de in artikel 11 van verordening nr. 537/2014 bedoelde aanvullende verklaring over. Deze verklaring heeft met name betrekking op belangrijke zaken die bij de uitoefening van zijn wettelijke controle van de jaarrekening aan het licht zijn gekomen, en meer bepaald de ernstige tekortkomingen in de interne controle met betrekking tot de financiėle verslaggeving. Deze aanvullende verklaring wordt overgemaakt uiterlijk op de datum van de indiening van het in artikel 220, in de artikelen 144 en 148 van het Wetboek van Vennootschappen en in artikel 10 van verordening nr. 537/2014 bedoelde controleverslag.
   Op verzoek van de toezichthouder, maakt het auditcomité of, in voorkomend geval, het wettelijk bestuursorgaan, de in het eerste lid bedoelde aanvullende verklaring over.]1
  ----------
  (1)<W 2016-12-07/02, art. 136, 010; Inwerkingtreding : 31-12-2016>

  TITEL IV. - Afwikkelingsplannen

  HOOFDSTUK I. - Opmaak van afwikkelingsplannen

  Art. 226.§ 1. [1 Na overleg met de toezichthouder stelt de afwikkelingsautoriteit een afwikkelingsplan op voor elke kredietinstelling die geen deel uitmaakt van een groep waarvoor een groepsherstelplan wordt opgesteld.]1
  § 2. De afwikkelingsautoriteit kan van de kredietinstelling eisen dat zij assistentie verleent bij het opstellen en actualiseren van het afwikkelingsplan, en dat zij haar alle daarvoor noodzakelijke informatie verstrekt. [2 De afwikkelingsautoriteit kan de kredietinstelling in het bijzonder verplichten om gedetailleerde gegevens bij te houden aangaande financiėle contracten waarbij zij partij is. Indien alle of een deel van deze informatie reeds beschikbaar is bij de toezichthouder, maakt deze die informatie over aan de afwikkelingsautoriteit.]2
  § 3. De afwikkelingsautoriteit deelt een samenvatting van de sleutelelementen van het afwikkelingsplan mee aan de kredietinstelling.
  [2 § 4. De afwikkelingsautoriteit schort de opmaak van het afwikkelingsplan op zolang de maatregelen tot vermindering of opheffing van belemmeringen voor de afwikkelbaarheid niet zijn vastgesteld overeenkomstig artikel 231 en 232.
   § 5. De afwikkelingsautoriteit maakt het afwikkelingsplan en eventuele wijzigingen daarvan over aan de toezichthouder.]2
  ----------
  (1)<KB 2015-12-26/07, art. 4, 005; Inwerkingtreding : 01-01-2016>
  (2)<W 2016-06-27/09, art. 7, 008; Inwerkingtreding : 16-07-2016>

  Art. 227.§ 1. Het afwikkelingsplan bepaalt de maatregelen die door de afwikkelingsautoriteit ten aanzien van de kredietinstelling kunnen worden genomen indien de voorwaarden bepaald in artikel 244, § 1, voor deze instelling zijn vervuld, inzonderheid teneinde de continuļteit van haar kritieke functies te waarborgen, te vermijden dat de stabiliteit van het Belgische en het internationale financiėle stelsel wordt aangetast en de gewaarborgde deposito's te beschermen.
  In het afwikkelingsplan wordt rekening gehouden met verschillende scenario's, waaronder de mogelijkheid dat het in gebreke blijven van de kredietinstelling idiosyncratisch is dan wel zich voordoet in een context van algemene financiėle instabiliteit of systeembrede gebeurtenissen.
  Het afwikkelingsplan houdt geen rekening met enige uitzonderlijke overheidssteun, [1 onverminderd de interventies van het Afwikkelingsfonds,]1 en evenmin met enige noodfinanciering door centrale banken of enig beroep op andere faciliteiten voor liquiditeitsverstrekking door centrale banken onder voorwaarden inzake zekerheden, duur of interest die afwijken van standaardvoorwaarden. Het plan bevat niettemin een analyse van hoe en wanneer de kredietinstelling een beroep zou kunnen doen op de faciliteiten van centrale banken, en geeft aan welke activa daarvoor als zekerheid in aanmerking kunnen komen.
  § 2. Bij een in Ministerraad overlegd besluit, genomen op advies van de afwikkelingsautoriteit, kan de Koning het volgende nader bepalen :
  1° de minimuminhoud van het afwikkelingsplan; en
  2° de informatie die door de kredietinstellingen aan de afwikkelingsautoriteit moet worden meegedeeld, en de frequentie waarmee dit dient te gebeuren.
  ----------
  (1)<W 2016-06-27/09, art. 8, 008; Inwerkingtreding : 16-07-2016>

  Art. 228.De afwikkelingsautoriteit actualiseert het afwikkelingsplan ten minste eenmaal per jaar en in ieder geval na elke wijziging in de juridische of organisatiestructuur van de kredietinstelling, haar werkzaamheden of haar financiėle positie, die een significante invloed kan hebben op het plan of wijziging ervan vergt.
  [1 Met het oog op de toepassing van het eerste lid brengen de kredietinstellingen en de toezichthouder de afwikkelingsautoriteit onverwijld op de hoogte van alle veranderingen die een actualisering of een herziening van het afwikkelingsplan nodig maken.]1
  
  ----------
  (1)<W 2017-12-05/04, art. 63, 015; Inwerkingtreding : 28-12-2017>

  Art. 229.[1 § 1. De afwikkelingsautoriteit kan de kredietinstellingen bedoeld in artikel 239, § 1, vrijstellen van de verplichtingen van dit Hoofdstuk.
   § 2. Wanneer de afwikkelingsautoriteit een vrijstelling verleent met toepassing van paragraaf 1, past zij de in dit Hoofdstuk bepaalde vereisten toe op basis van de algemene situatie van de centrale instelling en de bij deze instelling aangesloten kredietinstellingen als bedoeld in artikel 239.
   § 3. De instellingen die krachtens artikel 6, leden 4 en 5, onder b), van de GTM-verordening onder het rechtstreeks toezicht van de Europese Centrale Bank staan of waarvan de werkzaamheden een belangrijk deel van het Belgische financiėle stelsel uitmaken, kunnen niet worden vrijgesteld uit hoofde van paragraaf 1. Voor de toepassing van deze paragraaf worden de werkzaamheden van een instelling geacht een belangrijk deel van het Belgische financiėle stelsel uit te maken indien voldaan is aan een van de volgende voorwaarden :
   1° de totale waarde van haar activa is groter dan 30.000.000.000 EUR; of
   2° de verhouding tussen haar totale activa en het bruto binnenlands product is groter dan 20 %.
   § 4. De afwikkelingsautoriteit kan afwijken van de verplichtingen krachtens dit Hoofdstuk inzake de inhoud van het afwikkelingsplan, de frequentie van actualisering van het plan of de informatieverstrekking door de kredietinstelling, voor zover een dergelijke afwijking verantwoord is in het licht van de impact die het in gebreke blijven en de vereffening van de kredietinstelling in het kader van een vereffeningsprocedure kunnen hebben op de financiėle markten, op andere kredietinstellingen, op de financieringsvoorwaarden en op de economie in het algemeen. Hierbij houdt de [2 afwikkelingsautoriteit]2 in het bijzonder rekening met de aard van de werkzaamheden van de kredietinstelling, haar aandeelhoudersstructuur, rechtsvorm, risicoprofiel, omvang en juridisch statuut, verwevenheid met andere kredietinstellingen of het financiėle stelsel in het algemeen, de perimeter en complexiteit van haar werkzaamheden en de eventuele uitoefening van beleggingsdiensten- of activiteiten.]1
  [3 § 5. De afwikkelingsautoriteit stelt de EBA in kennis van de wijze waarop zij de bepalingen van dit artikel heeft toegepast.]3
  ----------
  (1)<W 2015-12-18/17, art. 25, 004; Inwerkingtreding : 08-01-2016>
  (2)<W 2017-12-05/04, art. 64, 015; Inwerkingtreding : 28-12-2017>
  (3)<W 2018-03-11/07, art. 248, 016; Inwerkingtreding : 26-03-2018>

  HOOFDSTUK II. - Beoordeling van afwikkelingsplannen

  Afdeling I. - Beoordeling van afwikkelbaarheid van kredietinstellingen

  Art. 230.Bij de opstelling en actualisering van het afwikkelingsplan beoordeelt de afwikkelingsautoriteit, na overleg met de toezichthouder, de afwikkelbaarheid van de kredietinstelling.
  De kredietinstelling wordt geacht afwikkelbaar te zijn indien de afwikkelingsautoriteit op geloofwaardige wijze hetzij de kredietinstelling in vereffening kan stellen, hetzij haar kan afwikkelen door toepassing van een of meer afwikkelingsinstrumenten en -bevoegdheden, waarbij in de mate van het mogelijke significante nadelige gevolgen voor de financiėle stelsels van Belgiė of andere lidstaten worden vermeden, mede in geval van algemene financiėle instabiliteit of systeembrede gebeurtenissen, en met als doelstelling om de continuļteit van de kritieke functies van de kredietinstelling te waarborgen.
  Bij een in Ministerraad overlegd besluit, genomen op advies van de afwikkelingsautoriteit, kan de Koning de elementen nader bepalen die de afwikkelingsautoriteit dient te onderzoeken om de afwikkelbaarheid van een kredietinstelling overeenkomstig dit artikel te beoordelen.
  Bij de beoordeling van de afwikkelbaarheid van een kredietinstelling gaat de afwikkelingsautoriteit niet uit van enige uitzonderlijke overheidssteun, [1 onverminderd de interventies van het Afwikkelingsfonds,]1 noch van enige noodfinanciering door centrale banken of enig beroep op andere faciliteiten voor liquiditeitsverstrekking door centrale banken onder voorwaarden inzake zekerheden, duur of interest die afwijken van standaardvoorwaarden.
  ----------
  (1)<W 2016-06-27/09, art. 9, 008; Inwerkingtreding : 16-07-2016>

  Afdeling II. - Vermindering of opheffing van belemmeringen voor de afwikkelbaarheid van de kredietinstellingen

  Art. 231.Indien na beoordeling van de afwikkelbaarheid van een kredietinstelling overeenkomstig artikel 230, de afwikkelingsautoriteit, na overleg met de toezichthouder, oordeelt dat er belangrijke belemmeringen bestaan voor de afwikkelbaarheid van de kredietinstelling, stelt zij de betrokken kredietinstelling [1 , de afwikkelingsautoriteiten in de jurisdicties waar significante bijkantoren gevestigd zijn]1 en de toezichthouder daarvan schriftelijk in kennis, met beschrijving van de vastgestelde belemmeringen. [2 De afwikkelingsautoriteit stelt bovendien de EBA tijdig in kennis hiervan.]2
  Binnen vier maanden na de datum van ontvangst van de in het eerste lid bedoelde kennisgeving, stelt de kredietinstelling aan de afwikkelingsautoriteit maatregelen voor om de vastgestelde belemmeringen te verminderen of op te heffen.
  ----------
  (1)<W 2016-06-27/09, art. 10, 008; Inwerkingtreding : 16-07-2016>
  (2)<W 2019-05-02/25, art. 37, 019; Inwerkingtreding : 31-05-2019>

  Art. 232.Indien de afwikkelingsautoriteit, na overleg met de toezichthouder, oordeelt dat de maatregelen voorgesteld door de kredietinstelling overeenkomstig artikel 231, tweede lid, de voor de afwikkelbaarheid van de kredietinstelling vastgestelde belemmeringen niet opheffen of deze onvoldoende verminderen, eist zij van de kredietinstelling dat zij andere maatregelen neemt. [1 Bij het vaststellen van die andere maatregelen toont de afwikkelingsautoriteit aan waarom de door de kredietinstelling voorgestelde maatregelen de belemmeringen voor de afwikkelbaarheid niet zouden kunnen wegnemen en waarom de andere maatregelen voor het wegnemen van de belemmeringen evenredig zijn. De afwikkelingsautoriteit houdt rekening met de bedreiging welke van die belemmeringen voor de afwikkelbaarheid uitgaat voor de financiėle stabiliteit, en met de gevolgen van de maatregelen voor de bedrijfsactiviteiten van de kredietinstelling, haar stabiliteit en haar vermogen om een bijdrage te leveren aan de economie. Na raadpleging van de toezichthouder en van de Bank in haar hoedanigheid van macroprudentiėle autoriteit, houdt de afwikkelingsautoriteit daarenboven rekening met het potentiėle effect van die maatregelen op de betreffende kredietinstelling, op de interne markt voor financiėle diensten en op de financiėle stabiliteit in andere lidstaten en in de Unie als geheel.]1
  De afwikkelingsautoriteit kan inzonderheid van de kredietinstelling eisen dat zij :
  1° akkoorden van financiėle steunverlening binnen de groep aanpast, het ontbreken van dergelijke akkoorden evalueert, of dienstverleningsovereenkomsten sluit, binnen de groep of met derden, om de uitoefening of de levering van een of meer kritieke functies te waarborgen;
  2° het maximumbedrag van haar individuele en totale risicoblootstellingen beperkt;
  3° op ad-hoc of regelmatige basis bijkomende informatie meedeelt die relevant is voor de afwikkeling;
  4° bepaalde activa overdraagt;
  5° bepaalde bestaande of voorgenomen activiteiten beperkt, opschort of staakt;
  6° de ontwikkeling van bepaalde activiteiten of de verkoop van bepaalde producten vermindert of stopzet;
  7° haar juridische of operationele structuren of deze van een of meer entiteiten waarover zij rechtstreeks of onrechtstreeks controle heeft, wijzigt om de complexiteit ervan te verminderen en ervoor te zorgen dat kritieke functies juridisch en operationeel van de andere functies kunnen worden afgesplitst door toepassing van de afwikkelingsinstrumenten;
  8° zorgt voor de oprichting van een financiėle holding die de controle neemt over de betrokken kredietinstelling of, in geval deze een dochteronderneming is van een gemengde financiėle holding, ervoor zorgt dat deze laatste een afzonderlijke financiėle holding opricht om de controle over de kredietinstelling uit te oefenen, indien dit noodzakelijk is om haar afwikkeling te vergemakkelijken en te vermijden dat de toepassing van de afwikkelingsinstrumenten en de uitoefening van de afwikkelingsbevoegdheden een negatieve weerslag hebben op het niet-financiėle gedeelte van de groep;
  9° de voorwaarden heronderhandelt van de door haar uitgegeven aanvullend-tier 1-instrumenten of aanvullend-tier 2-instrumenten om ervoor te zorgen dat een beslissing van de afwikkelingsautoriteit om deze instrumenten af te schrijven of om te zetten, uitvoerbaar is volgens het op deze instrumenten toepasselijke recht;
  10° in aanmerking komende schulden in de zin van artikel 242, 10°, uitgeeft, rekening houdend, in voorkomend geval, met het minimumniveau vastgesteld met toepassing van artikel 255, § 2, tweede lid.
  [1 De beslissing van de afwikkelingsautoriteit wordt afdoende gemotiveerd, in het bijzonder wat betreft de toepassing van de in het eerste lid bedoelde vereiste van evenredigheid, en schriftelijk ter kennis gebracht van de kredietinstelling. Deze dient binnen een maand een plan in voor de uitvoering van die beslissing.]1
  ----------
  (1)<W 2016-06-27/09, art. 11, 008; Inwerkingtreding : 16-07-2016>

  TITEL V. - Intrekking van de vergunning

  Art. 233.Bij beslissing die met een aangetekende brief of een brief met ontvangstbewijs ter kennis wordt gebracht, trekt de [1 Europese Centrale Bank]1 de vergunning in van kredietinstellingen die hun werkzaamheden niet binnen twaalf maanden na het verlenen van de vergunning hebben aangevat, die uitdrukkelijk afstand doen van hun vergunning, die failliet zijn verklaard of die hun werkzaamheden sedert meer dan 6 maanden hebben stopgezet.
  De beslissing tot intrekking en de redenen daarvoor worden door de [1 Europese Centrale Bank]1 ter kennis gebracht van de Europese Bankautoriteit.
  ----------
  (1)<KB 2014-04-25/08, art. 400, 002; Inwerkingtreding : 04-11-2014>

  TITEL VI. - Herstelmaatregelen

  HOOFDSTUK I. - Dwingende maatregelen

  Art. 234.§ 1. Wanneer de toezichthouder vaststelt dat een kredietinstelling niet werkt overeenkomstig de bepalingen van deze wet, haar uitvoeringsbesluiten en -reglementen [3 , Verordening nr. 575/2013, Verordening nr. 600/2014 of Verordening 2017/565]3 of over gegevens beschikt waaruit blijkt dat het gevaar bestaat dat deze instelling in de komende 12 maanden niet meer zal werken overeenkomstig deze bepalingen, stelt hij de termijn vast waarbinnen deze toestand moet worden verholpen.
  § 2. Zolang de kredietinstelling de in paragraaf 1 bedoelde toestand niet heeft verholpen, kan de toezichthouder te allen tijde :
  1° eigenvermogensvereisten opleggen die strenger zijn of een aanvulling vormen op deze waarin voorzien is door of krachtens artikel 92 van Verordening nr. 575/2013 of van de reglementen die met toepassing van artikel 98 zijn vastgesteld;
  2° de toepassing opleggen van bijzondere regels inzake waardering of waardeaanpassing in het kader van de eigenvermogensvereisten die opgelegd zijn door of krachtens artikel 92 van Verordening nr. 575/2013 of de reglementen die met toepassing van artikel 98 zijn vastgesteld;
  3° de gehele of gedeeltelijke reservering van uitkeerbare winst opleggen;
  4° alle dividenduitkeringen of betalingen, met name van interesten, aan aandeelhouders of houders van aanvullend-tier 1-kapitaalinstrumenten, beperken of verbieden, voor zover de schorsing van de betalingen die daaruit zou voortvloeien, niet leidt tot de opening van een liquidatieprocedure met toepassing van de bepalingen [4 van Boek XX van het Wetboek van economisch recht]4;
  5° eisen dat de variabele beloning beperkt wordt tot een percentage van de winst;
  6° specifieke liquiditeitsnormen opleggen die dwingender zijn dan deze waarin voorzien is door of krachtens Verordening nr. 575/2013 of de reglementen die met toepassing van artikel 98 zijn vastgesteld, waaronder beperkingen ten aanzien van mismatches tussen activa en passiva van de instelling;
  7° eisen dat de instelling het risico dat verbonden is aan bepaalde werkzaamheden of producten of aan haar organisatie, beperkt, in voorkomend geval door de integrale of gedeeltelijke overdracht op te leggen van haar bedrijf of haar net;
  8° normen opleggen inzake risicoconcentratie of ter beperking van de blootstellingen die dwingender zijn dan deze waarin voorzien is door of krachtens Verordening nr. 575/2013 of de reglementen die met toepassing van artikel 98 zijn vastgesteld;
  9° een aanvullende rapporteringsverplichting opleggen of een frequentere rapportering opleggen dan waarin voorzien is door of krachtens artikel 106, met name voor de rapportering over risico's, eigen vermogen of liquiditeitsposities;
  10° volledigere en frequentere openbaarmakingen eisen dan deze waarin voorzien is door of krachtens artikel 75 of Verordening nr. 575/2013;
  [1 11° de maatregelen gelasten als bedoeld in artikel 116, § 2, tweede lid, 3° en 5° ;
   12° eisen dat de instelling een plan opstelt voor het voeren van onderhandelingen met schuldeisers over de herstructurering van de schulden, in voorkomend geval overeenkomstig het herstelplan.]1
  § 3. Wanneer de toezichthouder van oordeel is dat de maatregelen die de instelling binnen de met toepassing van paragraaf 1 vastgestelde termijn heeft genomen om de vastgestelde toestand te verhelpen, bevredigend zijn, heft hij volgens de modaliteiten die hij bepaalt, alle of een deel van de maatregelen op waartoe hij met toepassing van paragraaf 2 heeft besloten.
  § 4. De toezichthouder stelt de Europese Bankautoriteit in kennis van de methode die gebruikt wordt ter staving van de vaststelling dat er een gevaar bestaat dat een instelling in de komende 12 maanden niet meer werkt overeenkomstig de in paragraaf 1 bedoelde bepalingen.
  [1 § 5. De toezichthouder stelt de afwikkelingsautoriteit onverwijld in kennis zodra zij vaststelt dat voor een kredietinstelling aan de in paragraaf 1 bedoelde voorwaarden is voldaan.]1
  ----------
  (1)<W 2016-06-27/09, art. 12, 008; Inwerkingtreding : 16-07-2016>
  (2)<W 2016-10-25/05, art. 44, 009; Inwerkingtreding : 01-12-2016>
  (3)<W 2017-11-21/08, art. 174, 014; Inwerkingtreding : 03-01-2018>
  (4)<W 2019-05-02/25, art. 38, 019; Inwerkingtreding : 31-05-2019>

  HOOFDSTUK II. - Uitvoering van het herstelplan

  Art. 235. Zolang de instelling de toestand bedoeld in artikel 234, § 1 niet heeft verholpen, en onverminderd de maatregelen bedoeld in paragraaf 2 van dit artikel, kan de toezichthouder te allen tijde en volgens de modaliteiten die hij bepaalt, eisen dat de instelling het herstelpan bedoeld in artikel 108 geheel of gedeeltelijk uitvoert.

  HOOFDSTUK III. - Uitzonderlijke herstelmaatregelen

  Art. 236.§ 1. Wanneer de toezichthouder vaststelt dat een kredietinstelling niet of niet langer voldoet aan de met toepassing van artikel 234, § 2 genomen maatregelen, of dat de toestand na het verstrijken van de met toepassing van artikel 234, § 1 vastgestelde termijn niet is verholpen, kan de toezichthouder, onverminderd de andere bepalingen van deze wet,
  1° een speciaal commissaris aanstellen.
  In dit geval is voor alle handelingen en beslissingen van alle organen van de instelling, inclusief de algemene vergadering, alsook voor die van de personen die instaan voor het beleid, zijn schriftelijke, algemene of bijzondere toestemming vereist; de toezichthouder kan de verrichtingen waarvoor toestemming is vereist, evenwel beperken.
  De speciaal commissaris mag elk voorstel dat hij nuttig acht voorleggen aan alle organen van de instelling, inclusief de algemene vergadering.
  De leden van de bestuurs- en de beleidsorganen en de personen die instaan voor het beleid, die handelingen stellen of beslissingen nemen zonder de vereiste toestemming van de speciaal commissaris, zijn hoofdelijk aansprakelijk voor het nadeel dat hieruit voortvloeit voor de instelling of voor derden.
  Indien de toezichthouder de aanstelling van een speciaal commissaris in het Belgisch Staatsblad heeft bekendgemaakt, met opgave van de handelingen en beslissingen waarvoor zijn toestemming is vereist, zijn alle handelingen en beslissingen zonder deze vereiste toestemming nietig, tenzij de speciaal commissaris die bekrachtigt. Onder dezelfde voorwaarden zijn alle beslissingen van de algemene vergadering zonder de vereiste toestemming van de speciaal commissaris nietig, tenzij hij die bekrachtigt.
  De bezoldiging van de speciaal commissaris wordt vastgesteld door de toezichthouder en gedragen door de instelling.
  De toezichthouder kan een plaatsvervangend commissaris aanstellen;
  2° [2 de vervanging gelasten van alle of een deel van de leden van het wettelijk bestuursorgaan van de instelling binnen een termijn die hij bepaalt en, zo binnen deze termijn geen vervanging geschiedt, in de plaats van de voltallige bestuurs- en beleidsorganen van de instelling een of meer voorlopige bestuurders of zaakvoerders aanstellen die alleen of collegiaal, naargelang van het geval, de bevoegdheden hebben van de vervangen personen. De toezichthouder maakt zijn beslissing bekend in het Belgisch Staatsblad.
   Wanneer de omstandigheden dit rechtvaardigen, kan de toezichthouder een of meer voorlopige bestuurders of zaakvoerders aanstellen zonder vooraf de vervanging te gelasten van alle of een deel van de in het eerste lid bedoelde leiders.
   Mits de toezichthouder hiermee instemt, kan of kunnen de voorlopige bestuurder(s) of zaakvoerder(s) een algemene vergadering bijeenroepen en de agenda ervan vaststellen.
   De toezichthouder kan volgens de modaliteiten die hij bepaalt eisen dat de voorlopige bestuurder(s) of zaakvoerder(s) aan hem verslag uitbrengen over de financiėle positie van de instelling en over de maatregelen die zij in het kader van hun opdracht hebben genomen, evenals over de financiėle positie aan het begin en aan het einde van deze opdracht.
   De bezoldiging van de voorlopige bestuurder(s) of zaakvoerder(s) wordt vastgesteld door de toezichthouder en gedragen door de instelling.
   De toezichthouder kan de voorlopige bestuurder(s) of zaakvoerder(s) te allen tijde vervangen, hetzij ambtshalve, hetzij op verzoek van een meerderheid van aandeelhouders of vennoten, wanneer zij aantonen dat het beleid van de betrokkenen niet langer de nodige waarborgen biedt]2;
  3° de instelling gelasten binnen de door hem vastgestelde termijn een algemene vergadering van aandeelhouders bijeen te roepen waarvan hij de agenda vaststelt;
  4° voor de duur die hij bepaalt, de rechtstreekse of onrechtstreekse uitoefening van het bedrijf van de instelling geheel of ten dele schorsen dan wel verbieden; deze schorsing kan, in de door de toezichthouder bepaalde mate, de volledige of gedeeltelijke schorsing van de uitvoering van de lopende overeenkomsten tot gevolg hebben.
  De leden van de bestuurs- en beleidsorganen en de personen die instaan voor het beleid, die handelingen stellen of beslissingen nemen ondanks de schorsing of het verbod, zijn hoofdelijk aansprakelijk voor het nadeel dat hieruit voortvloeit voor de instelling of voor derden.
  Indien de toezichthouder de schorsing of het verbod in het Belgisch Staatsblad heeft bekendgemaakt, zijn alle hiermee strijdige handelingen en beslissingen nietig;
  5° een kredietinstelling gelasten de aandelen over te dragen die zij bezit, overeenkomstig de artikelen 89 en 90 van Verordening nr. 575/2013; artikel 54, tweede lid, is van toepassing;
  [2 5° /1 de instelling gelasten om een deel of het geheel van haar bedrijf of haar net over te dragen. In dat geval zijn de artikelen 77, lid 1, 4°, en 78 van toepassing als de overdracht plaatsvindt tussen kredietinstellingen of tussen een dergelijke instelling en andere financiėle instellingen [5 of de artikelen 4 en 15 van Verordening 2015/2365]5;]2
  6° de vergunning herroepen. De beslissing tot herroeping en de redenen daarvoor worden door de [1 Europese Centrale Bank]1 ter kennis gebracht van de Europese Bankautoriteit.
  § 2. Niettegenstaande de voorwaarden voor de toepassing van paragraaf 1, kan de toezichthouder in uiterst spoedeisende gevallen [2 of wanneer de ernst van de feiten dit rechtvaardigt]2 de maatregelen als bedoeld in de genoemde paragraaf 1 treffen zonder vooraf een termijn op te leggen.
  § 3. De in paragraaf 1 bedoelde beslissingen van de toezichthouder hebben voor de instelling uitwerking vanaf de datum van hun kennisgeving met een aangetekende brief of een brief met ontvangstbewijs en, voor derden, vanaf de datum van hun bekendmaking overeenkomstig de voorschriften van paragraaf 1.
  § 4. De toezichthouder kan de in dit artikel bedoelde maatregelen ook nemen wanneer een kredietinstelling een vergunning heeft verkregen door middel van valse verklaringen of op enige andere onregelmatige wijze.
  [3 § 4/1. Wanneer de in dit artikel bedoelde maatregelen worden genomen wegens niet-nakoming van de verplichtingen waarin deze wet voorziet ter omzetting van Richtlijn 2014/65/EU, maakt de toezichthouder bekend dat deze maatregelen werden genomen overeenkomstig artikel 71 van de voornoemde richtlijn.]3
  § 5. Wanneer de toezichthouder kennis heeft van het feit dat een kredietinstelling een bijzonder mechanisme heeft ingesteld met als doel of gevolg fiscale fraude door derden te bevorderen, zijn artikel 234, §§ 1 en 2, evenals paragraaf 1, eerste lid, 1°, 2°, 4° en 6° en de paragrafen 2 en 3 van dit artikel van toepassing.
  [4 § 5/1. Artikel 234, § 1, en paragraaf 1, eerste lid, 2°, 3°, 4° en 6° en de paragrafen 2 en 3 van dit artikel zijn van toepassing wanneer de toezichthouder vaststelt dat een kredietinstelling niet werkt overeenkomstig de bepalingen van Titel II van Verordening nr. 648/2012.]4
  § 6. Bij ernstige en stelselmatige overtreding van de regels bedoeld in artikel 45, § 1, eerste lid, 3°, of § 2 van de wet van 2 augustus 2002, kan de [1 Europese Centrale Bank]1 de vergunning herroepen, in voorkomend geval op verzoek van de Bank, ingevolge een verzoek van de FSMA, volgens de procedure en de regels bepaald bij artikel 36bis van diezelfde wet.
  § 7. Paragraaf 1, eerste lid, en paragraaf 3 zijn niet van toepassing bij intrekking van de vergunning van een failliet verklaarde kredietinstelling.
  § 8. De [6 ondernemingsrechtbank]6 spreekt op verzoek van elke belanghebbende de nietigverklaringen uit als bedoeld in paragraaf 1, tweede lid, 1° en 4°.
  De nietigheidsvordering wordt ingesteld tegen de instelling. Indien verantwoord om ernstige redenen kan de eiser in kort geding de voorlopige schorsing vorderen van de gewraakte handelingen of beslissingen. Het schorsingsbevel en het vonnis van nietigverklaring hebben uitwerking ten aanzien van iedereen. Ingeval de geschorste of vernietigde handeling of beslissing werden bekendgemaakt, worden het schorsingsbevel en het vonnis van nietigverklaring bij uittreksel op dezelfde wijze bekendgemaakt.
  Wanneer de nietigheid afbreuk kan doen aan de rechten die een derde te goeder trouw ten aanzien van de instelling heeft verworven, kan de rechtbank verklaren dat die nietigheid geen uitwerking heeft ten aanzien van de betrokken rechten, onverminderd het eventuele recht van de eiser op schadevergoeding.
  De nietigheidsvordering kan niet meer worden ingesteld na afloop van een termijn van zes maanden vanaf de datum waarop de betrokken handelingen of beslissingen kunnen worden tegengeworpen aan wie hun nietigheid inroept, of hem bekend zijn.
  ----------
  (1)<KB 2014-04-25/08, art. 401, 002; Inwerkingtreding : 04-11-2014>
  (2)<W 2016-10-25/05, art. 45, 009; Inwerkingtreding : 01-12-2016>
  (3)<W 2017-11-21/08, art. 175, 014; Inwerkingtreding : 03-01-2018>
  (4)<W 2017-12-05/04, art. 35, 015; Inwerkingtreding : 28-12-2017>
  (5)<W 2018-07-30/10, art. 91, 017; Inwerkingtreding : 20-08-2018>
  (6)<W 2018-04-15/14, art. 252, 021; Inwerkingtreding : 01-11-2018>

  Art. 237.[1 § 1.]1 De Bank stelt de FSMA in kennis van de beslissingen genomen overeenkomstig de artikelen 233 tot 236 en houdt de FSMA op de hoogte van de behandeling van het beroep tegen deze beslissingen.
  Zij brengt hiervan tevens de bevoegde autoriteiten op de hoogte die toezicht houden op de kredietinstellingen van de andere lidstaten waar een kredietinstelling naar Belgisch recht een bijkantoor heeft gevestigd of werkzaamheden verricht als bedoeld in artikel 4 in het kader van het vrij verrichten van diensten.
  [1 § 2. Voorts brengt de toezichthouder de afwikkelingsautoriteit op de hoogte van de maatregelen die met toepassing van de artikelen 234 tot 236 zijn getroffen evenals van de vaststelling dat de in de artikelen 234, § 1, en 236, § 1, bedoelde omstandigheden die aanleiding kunnen geven tot de toepassing van de maatregelen waarin deze bepalingen voorzien, zich hebben voorgedaan.]1
  [2 § 3. De afwikkelingsautoriteit is bevoegd om, op basis van de in paragraaf 2 bedoelde informatie, van de betrokken kredietinstelling te eisen dat zij met potentiėle overnemers contact opneemt om de afwikkeling van de kredietinstelling voor te bereiden, met inachtneming van de voorwaarden bepaald in artikel 257, § 1.]2
  ----------
  (1)<W 2015-12-18/17, art. 26, 004; Inwerkingtreding : 08-01-2016>
  (2)<W 2017-07-31/11, art. 27, 011; Inwerkingtreding : 11-08-2017>

  Art. 238.De kredietinstellingen waarvan de vergunning is ingetrokken of herroepen op grond van de artikelen 233 en 236, blijven onderworpen [1 aan de Europeesrechtelijke bepalingen die rechtstreeks op hen van toepassing zijn, aan de bepalingen van deze wet en de diverse normen genomen ter uitvoering ervan]1 tot de van het publiek ontvangen gelden zijn terugbetaald, tenzij de toezichthouder hen vrijstelt van bepaalde voorschriften.
  Dit artikel is niet van toepassing bij de intrekking van de vergunning van een failliet verklaarde kredietinstelling.
  ----------
  (1)<W 2019-05-02/25, art. 39, 019; Inwerkingtreding : 31-05-2019>

  TITEL VII. - Federaties van kredietinstellingen

  Art. 239.§ 1. In dit artikel worden de kredietinstellingen bedoeld die hun bedrijf uitoefenen in de volgende omstandigheden :
  1° zij zijn vast aangesloten bij een centrale instelling waarvoor de bepalingen van de Titels I tot VI van dit Boek gelden en waarmee zij een federatie vormen op grond van door de [1 Europese Centrale Bank]1 goedgekeurde aansluitingsregels;
  2° de verplichtingen van de aangesloten instellingen en van de centrale instelling vormen hoofdelijke verplichtingen;
  3° voor de verrichtingen en de organisatie van de aangesloten instellingen geldt een uniforme interne reglementering van de federatie;
  4° de centrale instelling oefent rechtstreeks toezicht uit op de aangesloten instellingen en is bevoegd om hen instructies te geven voor hun beleid, hun verrichtingen en hun organisatie.
  § 2. Onverminderd de naleving van de overige bepalingen van dit Boek, van Boek III, Titel III en van Boeken IV, V, VI et VIII, zijn de hierna vermelde bepalingen als volgt van toepassing op de in paragraaf 1 bedoelde kredietinstellingen :
  1° over de vergunning wordt beslist nadat de centrale instelling haar standpunt heeft meegedeeld aan de Bank over de naleving door de instelling van de aansluitingsvoorwaarden en van de in paragraaf 1 van dit artikel bedoelde voorwaarden. De aangesloten instellingen vermelden hun aansluiting in hun statuten, op hun aandelen, effecten, stukken, correspondentie en in hun reclame. De vergunning vervalt bij het stopzetten van de aansluiting overeenkomstig de geldende regels voor de federatie; die brengt dit ten minste een maand vooraf ter kennis van de toezichthouder, die alle nodige maatregelen kan eisen voor de bescherming van de rechten van de schuldeisers. Beslissingen inzake vergunning hoeven niet te worden bekendgemaakt op de lijst van de kredietinstellingen;
  2° het in artikel 17 bedoelde minimumbedrag van het kapitaal is vereist op basis van de gezamenlijke positie van de centrale instelling en haar aangesloten instellingen;
  3° artikel 19 is niet van toepassing op de leiders van de aangesloten instellingen;
  4° artikel 55 is van toepassing op basis van de gezamenlijke positie van de centrale instelling en haar aangesloten instellingen;
  5° artikel 72, § 1 wordt uitgebreid tot alle aangesloten instellingen voor leningen, kredieten en borgstellingen aan bestuurders of zaakvoerders van de centrale instelling; het is niet van toepassing op leningen, kredieten en borgstellingen vanwege de centrale instelling of een andere aangesloten instelling, aan bestuurders van aangesloten instellingen die geen functie van dagelijks bestuur uitoefenen, indien deze leningen, kredieten of borgstellingen voldoen aan de voorwaarden die voor de federatie gelden en die door de [1 Europese Centrale Bank]1 zijn goedgekeurd;
  6° de artikelen 86 tot 92 en artikel 89 van Verordening nr. 575/2013 zijn van toepassing op basis van de gezamenlijke positie van de centrale instelling en haar aangesloten instellingen;
  7° de artikelen 94 tot 107, 149 tot 152 en de krachtens artikel 98 vastgestelde reglementen evenals de artikelen 92, 412 en 413 van Verordening nr. 575/2013 zijn van toepassing op basis van de gezamenlijke positie van de centrale instelling en haar aangesloten instellingen;
  8° onverminderd de naleving van deze bepalingen door de centrale instelling wat haar betreft, zijn paragraaf 2 van artikel 106 en artikel 107, waarbij diverse kennisgevingen en bekendmakingen worden voorgeschreven, van toepassing op basis van de gezamenlijke positie van de centrale instelling en haar aangesloten instellingen;
  9° de centrale instelling staat ervoor in dat de bepalingen van deze Titel en de ter uitvoering ervan genomen bepalingen worden nageleefd door de aangesloten instellingen; zij staat eveneens in voor hun beleid, hun administratieve en boekhoudkundige organisatie en hun interne controle;
  10° Hoofdstuk IV van Titel III van dit Boek is niet van toepassing op de aangesloten instellingen afzonderlijk. De opdrachten en plichten van de bij de centrale instelling werkzame erkende commissarissen slaan op de gezamenlijke positie en werking van de federatie. Deze commissarissen kunnen ter plaatse bij de aangesloten instellingen het toezicht uitoefenen dat zij noodzakelijk achten. Zij brengen verslag uit aan de organen van de centrale instelling. De aangesloten instellingen mogen aan de erkende commissarissen geen leningen, kredieten of borgstellingen toestaan noch hen om het even welke vergoeding of voordelen toekennen;
  11° de bij de centrale instelling werkzame erkende commissarissen hebben op het vlak van de gezamenlijke periodieke staten en de gezamenlijke jaarrekening van de federatie dezelfde plichten als op het vlak van de periodieke staat en de jaarrekening van de centrale instelling;
  12° in afwijking van artikel 142 van het Wetboek van Vennootschappen zijn de aangesloten instellingen met de rechtsvorm van een coöperatieve vennootschap niet verplicht om een of meer commissarissen te benoemen, ongeacht hun omvang. Wanneer zij geen commissaris hebben benoemd, zijn de artikelen 165, 166 en 385 van hetzelfde Wetboek van toepassing. Van de aangesloten instellingen wordt niet vereist dat zij afzonderlijk hun jaarrekening neerleggen zoals vereist door artikel 106, § 1. De vennoten van de aangesloten instellingen en iedere belanghebbende hebben in elk geval het recht om, ter plaatse, kennis te nemen van de laatste jaarrekening van deze instellingen;
  13° in afwijking van artikel 66, tweede lid van het Wetboek van Vennootschappen kunnen de aangesloten instellingen met de rechtsvorm van een coöperatieve vennootschap met beperkte aansprakelijkheid bij bijzondere openbare of particuliere akte worden opgericht. De akten tot wijziging van de statuten kunnen, ongeacht de vorm van de oprichtingsakte, eveneens bij bijzondere openbare of particuliere akte opgesteld worden.
  ----------
  (1)<KB 2014-04-25/08, art. 402, 002; Inwerkingtreding : 04-11-2014>

  Art. 240. De door Crelan nv erkende kredietkassen vormen met haar een federatie van kredietinstellingen in de zin van artikel 239. De raad van bestuur van Crelan nv erkent de kredietkas die voldoet aan de voorwaarden opgenomen in de aansluitingsregels die vastgesteld zijn door de raad van bestuur overeenkomstig artikel 239, § 1, 1°.
  Het directiecomité stelt de uniforme interne reglementering op van de federatie van kredietinstellingen, overeenkomstig artikel 239, § 1, 3°, en oefent, ten aanzien van deze kassen, de in artikel 239, § 1, 4°, bedoelde bevoegdheden uit.

  Art. 241. § 1. De aansluitingsregels van de in artikel 240 bedoelde bankfederatie zullen de nodige bepalingen inhouden tot uitvoering en implementering van artikel 239. Onverminderd de aan de toezichthouder krachtens artikel 239, § 2, 1°, toevertrouwde bevoegdheden, kan de afstand van erkenning of de vrijwillige stopzetting van bankactiviteiten door een erkende vereniging aan geen enkele andere voorwaarde worden onderworpen dan het eerbiedigen van een opzegtermijn die eindigt op 31 december van het jaar dat volgt op het jaar waarin de kennisgeving van de afstand van erkenning of van de stopzetting van krediet en depositoactiviteiten aan de centrale instelling wordt gedaan. De raad van bestuur van Crelan nv kan nochtans, bij een gemotiveerde beslissing, toelaten dat de afstand van erkenning of de vrijwillige stopzetting van krediet en depositoactiviteiten op een vroeger tijdstip uitwerking krijgt.
  § 2. De erkende kredietkassen kunnen tezamen of met derden de controle verwerven over de centrale instelling. Een erkende kredietkas kan de exclusieve of gezamenlijke controle over deze instelling niet verwerven zonder eerst aan de andere erkende kredietkassen te hebben voorgesteld aan deze controle deel te nemen in verhouding tot volgende boekhoudkundige elementen, zoals zij op 31 december van het jaar dat voorafgaat aan de datum van de verwerving, na de verwerking van het resultaat zijn geboekt en zoals zij zijn omschreven door de reglementering op de jaarrekeningen van de kredietinstellingen : de reserves, de herwaarderingsmeerwaarden, de voorzorgsfondsen voor toekomstige risico's en het overgedragen negatieve resultaat.

  TITEL VIII. - Afwikkeling van kredietinstellingen

  HOOFDSTUK I. - Definities

  Art. 242.Voor de toepassing van deze Titel en van de besluiten en reglementen vastgesteld ter uitvoering ervan, dient te worden verstaan onder :
  1° afwikkelingsmaatregel : de beslissing van de afwikkelingsautoriteit [3 om de kapitaalinstrumenten van een kredietinstelling om te zetten of af te schrijven of]3 om een afwikkelingsinstrument toe te passen op een kredietinstelling of om ten aanzien van een dergelijke instelling een afwikkelingsbevoegdheid uit te oefenen;
  2° afwikkelingsbevoegdheid : een bevoegdheid bedoeld [3 in artikel 276, 277, 279, 280, 281, 281/1 of 281/2]3;
  3° instrument van verkoop van de onderneming : het mechanisme dat de afwikkelingsautoriteit toelaat om aandelen of andere eigendoms-instrumenten uitgegeven door een kredietinstelling in afwikkeling, of activa, rechten of verbintenissen van een dergelijke kredietinstelling, te doen overdragen aan een overnemer overeenkomstig artikel 256;
  4° instrument van de overbruggingsinstelling : het mechanisme dat de afwikkelingsautoriteit toelaat om aandelen of andere eigendoms-instrumenten uitgegeven door een kredietinstelling in afwikkeling, of activa, rechten of verbintenissen van een dergelijke kredietinstelling, te doen overdragen aan een overbruggingsinstelling overeenkomstig artikel 260;
  5° instrument van afsplitsing van activa : het mechanisme dat de afwikkelingsautoriteit toelaat om activa, rechten of verbintenissen van een kredietinstelling in afwikkeling te doen overdragen aan een vehikel voor activabeheer overeenkomstig artikel 265;
  [1 5° /1 instrument van interne versterking : het mechanisme voor het verrichten van de uitoefening door de afwikkelingsautoriteit van de bevoegdheden voor het afschrijven of omzetten van de passiva van een kredietinstelling in afwikkeling, overeenkomstig artikel 267/1;
   5° /2 derivaat : een derivaat in de zin van artikel 2, lid 5 van Verordening nr. 648/2012;
   5° /3 Verordening nr. 648/2012 : Verordening (EU) nr. 648/2012 van het Europees Parlement en de Raad van 4 juli 2012 betreffende otc-derivaten, centrale tegenpartijen en transactieregisters;]1
  6° ontvanger : een overnemer, een overbruggingsinstelling of een vehikel voor activabeheer, naargelang het geval;
  7° overnemer : een rechtspersoon die geen overbruggingsinstelling of vehikel voor activabeheer is, aan wie aandelen, andere eigendomsinstrumenten, activa, rechten of verbintenissen van een kredietinstelling in afwikkeling worden overgedragen;
  8° overbruggingsinstelling : een rechtspersoon die geheel of gedeeltelijk wordt aangehouden door een of meer overheden, die wordt gecontroleerd door de afwikkelingsautoriteit, en die is opgericht voor het verwerven van aandelen, andere eigendomsinstrumenten, activa, rechten of verbintenissen van een of meer kredietinstellingen in afwikkeling, met het oog op het voortzetten van alle of een deel van de werkzaamheden en diensten van die instellingen;
  9° vehikel voor activabeheer : een rechtspersoon die geheel of gedeeltelijk wordt aangehouden door een of meer overheden, die wordt gecontroleerd door de afwikkelingsautoriteit, en die is opgericht voor het verwerven van activa, rechten of verbintenissen van een of meer kredietinstellingen in afwikkeling of van een of meer overbruggingsinstellingen;
  10° in aanmerking komende schulden : verbintenissen of passiva van een kredietinstelling die [1 geen tier 1-kernkapitaalinstrumenten, aanvullend-tier 1-instrumenten of aanvullend-tier 2-instrumenten zijn en die]1 tot geen van de volgende categorieėn behoren :
  a) gewaarborgde deposito's;
  b) door zekerheid gedekte verplichtingen, met inbegrip van covered bonds;
  c) verplichtingen die ontstaan door het aanhouden van activa of gelden van cliėnten, voor zover de aanspraken van deze cliėnten worden erkend onder het faillissementsrecht;
  d) verplichtingen die ontstaan ingevolge een fiduciaire relatie tussen de kredietinstelling als fiduciaris en een andere persoon als begunstigde, voor zover de aanspraken van deze begunstigde worden erkend onder het faillissementsrecht of het burgerlijk recht;
  e) verplichtingen jegens niet-verbonden kredietinstellingen of beleggingsondernemingen met een looptijd van minder dan zeven dagen;
  f) verplichtingen met een resterende looptijd van minder dan zeven dagen ten aanzien van systemen of exploitanten van systemen die zijn aangewezen voor de toepassing van Richtlijn 98/26/EG, of ten aanzien van de deelnemers daarin, en die voortvloeien uit de deelneming aan een dergelijk systeem;
  g) verplichtingen ten aanzien van werknemers met betrekking tot hun loon, pensioenuitkeringen of andere vaste vergoedingen, met uitzondering van de niet bij collectieve arbeidsovereenkomst geregelde variabele component van de bezoldiging en van de variabele component van de bezoldiging van personen die risiconemende functies uitoefenen;
  h) verplichtingen ten aanzien van schuldeisers die voortvloeien uit de levering aan de kredietinstelling van informaticadiensten en nutsvoorzieningen, de huur, het onderhoud en het herstel van kantoorruimte of andere goederen of diensten die onontbeerlijk zijn voor de dagelijkse werkzaamheden van de instelling;
  i) schulden ten aanzien van belastingautoriteiten en socialezekerheidsinstanties, voor zover de corresponderende schuldvorderingen voorrang genieten volgens het toepasselijke recht; en
  j) schulden ten aanzien van depositogarantiestelsels voor de betaling van de bijdragen verschuldigd overeenkomstig Richtlijn 2014/49/EU van het Europees Parlement en de Raad van 16 april 2014 inzake depositogarantiestelsels;
  11° door zekerheid gedekte verplichting : een verplichting waarbij het recht van de schuldeiser op betaling of een andere vorm van tenuitvoerlegging wordt gedekt door een recht, een pand, een voorrecht of een zekerheidsregeling, met inbegrip van verplichtingen die voortvloeien uit cessie-retrocessietransacties (repos) en andere zekerheidsovereenkomsten met eigendomsoverdracht;
  12° relevante kapitaalinstrumenten : aanvullend-tier 1-instrumenten en tier 2-instrumenten die voldoen aan de voorwaarden bepaald in artikel 52, lid 1, en artikel 63 van Verordening nr. 575/2013;
  13° groep : de groep gevormd door een kredietinstelling naar Belgisch recht en haar Belgische en buitenlandse dochterondernemingen, die als dusdanig is onderworpen aan een toezicht op geconsolideerde basis.
  14° Richtlijn 98/26/EG : Richtlijn 98/26/EG van het Europees Parlement en de Raad van 19 mei 1998 betreffende het definitieve karakter van de afwikkeling van betalingen en effectentransacties in betalings- en afwikkelingssystemen;
  15° rechtbank : de [4 ondernemingsrechtbank]4 te Brussel.
  16° het hof van beroep : het hof van beroep te Brussel;
  17° [1 beschikkingsbeslissing : de beslissing van de afwikkelingsautoriteit om aandelen, andere eigendomsinstrumenten, activa, rechten of verbintenissen te doen overgaan, de afschrijving of de omzetting van passiva met toepassing van een afwikkelingsinstrument of de beslissing om de bevoegdheden bedoeld in artikel 250 of in artikel 276, § 2, 2°, 3°, 4°, 4° /1, 4° /2, 4° /3, 4° /4 en 5° uit te oefenen;]1
  18° eigenaars : natuurlijke of rechtspersonen die, op de datum van de afwikkelingsmaatregel, eigenaars zijn van de aandelen, andere eigendomsinstrumenten of activa, of houders zijn van vorderingen of andere rechten, die het voorwerp uitmaken van een daad van beschikking bevolen door de afwikkelingsautoriteit in het kader van een afwikkelingsmaatregel;
  19° compensatoir bedrag : de som van de bedragen die de eigenaars van eenzelfde categorie effectief hebben gerecupereerd, of die zij redelijkerwijze kunnen verwachten te recupereren, op hun aandelen, andere eigendomsinstrumenten, activa, vorderingen of andere rechten in het kader van een afwikkelingsprocedure, zoals berekend of geraamd volgens de nadere regels vastgesteld door de Koning, met inbegrip van, naargelang het geval, het deel van de prijs dat de aandeelhouders toekomt krachtens de artikelen 256, § 3, 1°, of 260, § 4, 1°, hun deel van de netto-opbrengst van de vereffening van de kredietinstelling en, in voorkomend geval, het prijssupplement bedoeld in artikel 248, § 2, en de compensatie bedoeld in artikel 284;
  [2 20° beėindigingsrecht : een recht om een contract te beėindigen, een recht om een verplichting te versnellen, voortijdig te beėindigen of te verrekenen, dan wel een soortgelijke bepaling die een verplichting van een partij bij het contract opschort, wijzigt of nietig verklaart of een bepaling die het ontstaan belet van een verplichting uit hoofde van het contract die anders zou zijn ontstaan;
   21° schuldinstrumenten : voor de toepassing van artikel 276, § 2, 4° /3 en 4° /4, obligaties en andere vormen van overdraagbare schuld, instrumenten die een schuld creėren of erkennen en instrumenten die recht geven op het verwerven van schuldinstrumenten.]2
  ----------
  (1)<KB 2015-12-18/19, art. 2, 003; Inwerkingtreding : 01-01-2016>
  (2)<W 2018-03-11/07, art. 249, 016; Inwerkingtreding : 26-03-2018>
  (3)<W 2019-05-02/25, art. 40, 019; Inwerkingtreding : 31-05-2019>
  (4)<W 2018-04-15/14, art. 252, 021; Inwerkingtreding : 01-11-2018>

  HOOFDSTUK II. - Doelstellingen, voorwaarden en algemene beginselen van de afwikkeling

  Afdeling I. - Doelstellingen van de afwikkeling

  Art. 243.§ 1. De afwikkeling is de herstructurering van een in gebreke blijvende kredietinstelling met toepassing van een of meer afwikkelingsinstrumenten, met als doel, naargelang het geval :
  1° de continuļteit van de kritieke functies van de kredietinstelling te waarborgen;
  2° ernstige nadelige gevolgen voor de financiėle stabiliteit te vermijden, inzonderheid door het voorkomen van besmetting, inclusief van de marktinfrastructuren, en daarbij de marktdiscipline te handhaven;
  3° de overheidsmiddelen te beschermen door het beroep op uitzonderlijke overheidssteun zoveel mogelijk te beperken; en
  4° de gewaarborgde deposito's en de gelden en activa van de cliėnten van de kredietinstelling te beschermen.
  [1 Bij het nastreven van deze doelstellingen tracht de afwikkelingsautoriteit de afwikkelingskosten zoveel mogelijk te beperken en waardevernietiging te vermijden, tenzij die noodzakelijk is om de afwikkelingsdoelstellingen te verwezenlijken.]1
  § 2. Onder voorbehoud van de uitzonderingen bepaald in deze wet, staan de in paragraaf 1 bedoelde doelstellingen op gelijke voet en bepaalt de afwikkelingsautoriteit het juiste evenwicht tussen deze doelstellingen volgens de aard en de omstandigheden van elk geval.
  ----------
  (1)<W 2016-06-27/09, art. 13, 008; Inwerkingtreding : 16-07-2016>

  Afdeling II. - Voorwaarden voor het initiėren van een afwikkelingsprocedure

  Art. 244.§ 1. De afwikkelingsautoriteit past een afwikkelingsinstrument enkel toe op een kredietinstelling wanneer zij oordeelt dat aan elk van de volgende voorwaarden is voldaan :
  1° de toezichthouder, na raadpleging van de afwikkelingsautoriteit, of de afwikkelingsautoriteit, na raadpleging van de toezichthouder, heeft vastgesteld dat de kredietinstelling in gebreke blijft of dat dit nakend is;
  2° gezien de timing en andere ter zake doende omstandigheden valt het redelijkerwijze niet te verwachten dat enige andere private of prudentiėle maatregel ten aanzien van de kredietinstelling, inzonderheid maatregelen bedoeld in artikel 232 of de afschrijving of omzetting van kapitaalinstrumenten overeenkomstig Hoofdstuk IV, binnen een redelijk tijdsbestek voorkomt dat de kredietinstelling in gebreke blijft; en
  3° een afwikkelingsmaatregel is noodzakelijk in het algemeen belang.
  Voor de toepassing van 1° dient de toezichthouder op verzoek van de afwikkelingsautoriteit na te gaan of een kredietinstelling in gebreke blijft of dit nakend is.
  § 2. Voor de toepassing van paragraaf 1, 1° wordt een kredietinstelling geacht in gebreke te blijven of wordt dit geacht nakend te zijn indien zij zich in een of meer van de volgende omstandigheden bevindt :
  1° de kredietinstelling maakt op zodanige wijze inbreuk op de vereisten voor het behoud van de vergunning, of er bestaan objectieve aanwijzingen dat zij dit in de nabije toekomst zal doen, dat intrekking van de vergunning door de toezichthouder gerechtvaardigd is, inzonderheid omwille van het feit dat de kredietinstelling verliezen heeft geleden of kan lijden die haar eigen vermogen in aanzienlijke mate aantasten;
  2° het nettoactief van de kredietinstelling is negatief, of er bestaan objectieve aanwijzingen dat dit in de nabije toekomst het geval zal zijn;
  3° de kredietinstelling is niet in staat haar schulden te voldoen wanneer deze opeisbaar worden, of er bestaan objectieve aanwijzingen dat dit in de nabije toekomst het geval zal zijn; of
  4° er is uitzonderlijke overheidssteun aan de kredietinstelling nodig.
  § 3. Voor de toepassing van paragraaf 1, 3° wordt een afwikkelingsmaatregel geacht noodzakelijk te zijn in het algemeen belang indien zij noodzakelijk is om een of meer van de in artikel 243, § 1, vermelde doelstellingen te verwezenlijken en indien deze met een vereffening van de kredietinstelling niet in dezelfde mate zouden worden bereikt.
  § 4. Voor de toepassing van paragraaf 2, 4° wordt, onder de voorwaarden bepaald door de Koning, geen rekening gehouden met steunmaatregelen ten gunste van solvabele kredietinstellingen teneinde een ernstige verstoring van de economie te verhelpen en de financiėle stabiliteit te vrijwaren.
  [1 § 5. Het nemen van herstelmaatregelen als bedoeld in artikel 234 of 236 is geen voorwaarde voor het nemen van een afwikkelingsmaatregel.]1
  ----------
  (1)<W 2016-06-27/09, art. 14, 008; Inwerkingtreding : 16-07-2016>

  Afdeling III. - Algemene beginselen inzake afwikkeling

  Art. 245. § 1. De afwikkelingsautoriteit neemt bij de toepassing van de afwikkelingsinstrumenten en de uitoefening van de afwikkelingsbevoegdheden alle passende maatregelen opdat de afwikkelingsmaatregel in overeenstemming is met de volgende beginselen :
  1° de aandeelhouders van de kredietinstelling staan in eerste lijn om de verliezen te dragen;
  2° de schuldeisers van de kredietinstelling dragen verliezen na de aandeelhouders volgens de rangorde van hun vorderingen in geval van samenloop van schuldeisers, onder voorbehoud van de uitzonderingen bepaald door deze wet;
  3° het wettelijk bestuursorgaan en de leiding van de kredietinstelling worden vervangen, tenzij in de gevallen waarin de afwikkelingsautoriteit oordeelt dat het aanblijven van het volledige bestuursorgaan of de volledige directie of een deel ervan, naargelang de omstandigheden, noodzakelijk is voor het verwezenlijken van de afwikkelingsdoelstellingen;
  4° het wettelijk bestuursorgaan en de directie van de kredietinstelling verstrekken alle vereiste bijstand voor het verwezenlijken van de afwikkelingsdoeleinden;
  5° de oorzaken van en de verantwoordelijkheid voor het in gebreke blijven van de kredietinstelling worden onderzocht;
  6° overeenkomstig de beginselen van eerlijke rechtsbedeling, geven de personen en entiteiten rekenschap voor het in gebreke blijven van de kredietinstelling binnen de grenzen van hun verantwoordelijkheid;
  7° onder voorbehoud van de uitzonderingen bepaald door deze wet, worden schuldeisers van dezelfde categorie van de kredietinstelling op gelijke voet behandeld;
  8° geen enkele schuldeiser lijdt grotere verliezen dan hij zou hebben geleden indien de kredietinstelling zou zijn vereffend volgens een liquidatieprocedure;
  9° de gewaarborgde deposito's worden volledig beschermd; en
  10° de afwikkelingsmaatregel wordt genomen met inachtneming van de vrijwaringsmaatregelen bepaald in Hoofdstuk VII.
  § 2. Het onderzoek bedoeld in paragraaf 1, 5° wordt uitgevoerd door een college van deskundigen aangesteld door de rechtbank op verzoek van de afwikkelingsautoriteit.
  De artikelen 972 tot 976, 978, 984 en 987 tot 991bis van het Gerechtelijk Wetboek zijn van toepassing op het onderzoek, met dien verstande dat :
  1° de afwikkelingsautoriteit en de betrokken kredietinstelling worden geacht de partijen te zijn bij de onderzoeksprocedure; en
  2° de kosten en erelonen van de deskundigen afwikkelingskosten zijn als bedoeld in artikel 272.
  § 3. Bij de toepassing van de afwikkelingsinstrumenten en de uitoefening van de afwikkelingsbevoegdheden waakt de afwikkelingsautoriteit erover de werknemersvertegenwoordigers van de kredietinstelling in te lichten en te raadplegen omtrent de gevolgen voor de tewerkstelling en de arbeidsvoorwaarden.

  HOOFDSTUK III. - Waardering

  Art. 246.§ 1. Vóór het nemen van een afwikkelingsmaatregel of het uitoefenen van de bevoegdheid om relevante kapitaalinstrumenten af te schrijven of om te zetten met toepassing van Hoofdstuk IV, ziet de afwikkelingsautoriteit erop toe dat een faire, voorzichtige en realistische waardering van de activa en passiva van de kredietinstelling wordt verricht door een persoon die onafhankelijk is zowel van enige overheid, met inbegrip van de afwikkelingsautoriteit, als van de kredietinstelling.
  § 2. De waardering heeft tot doel :
  1° gegevens te verzamelen voor de vaststelling of aan de voorwaarden voor het initiėren van een afwikkelingsprocedure of voor de afschrijving of omzetting van kapitaalinstrumenten is voldaan;
  2° indien aan de voorwaarden voor het initiėren van een afwikkelingsprocedure is voldaan, gegevens te verzamelen voor de keuze tussen de passende afwikkelingsmaatregelen;
  3° wanneer wordt overwogen om de bevoegdheid tot afschrijving of omzetting van relevante kapitaalinstrumenten uit te oefenen, de berekeningsbasis te vormen voor de afschrijving die nodig is om verliezen aan te zuiveren, en voor de omvang van de omzetting die nodig is om de kredietinstelling te herkapitaliseren;
  [1 3° /1 wanneer wordt overwogen om het instrument van interne versterking toe te passen, gegevens te verzamelen zodat een beslissing kan worden genomen over het bedrag van de afschrijving of de omzetting van in aanmerking komende schulden;]1
  4° wanneer de toepassing van het instrument van verkoop van de onderneming wordt overwogen, gegevens te verzamelen om uit te maken welke aandelen of andere eigendomsinstrumenten of activa, rechten of verbintenissen moeten worden overgedragen, en om te bepalen wat commerciėle voorwaarden zijn voor de toepassing van artikel 256, § 2;
  5° wanneer de toepassing van het instrument van de overbruggingsinstelling of het instrument van afsplitsing van activa wordt overwogen, gegevens te verzamelen om uit te maken welke aandelen of andere eigendomsinstrumenten of activa, rechten of verbintenissen moeten worden overgedragen, alsook om de waarde te bepalen van elke vergoeding die aan de kredietinstelling of, in voorkomend geval, aan de eigenaars van de aandelen of andere eigendomsinstrumenten dient te worden betaald;
  6° ervoor te zorgen dat met ieder verlies op de activa van de kredietinstelling ten volle rekening wordt gehouden op het ogenblik dat het afwikkelingsinstrument wordt toegepast of op het ogenblik dat de bevoegdheid tot afschrijving of omzetting van de kapitaalinstrumenten wordt uitgeoefend.
  ----------
  (1)<KB 2015-12-18/19, art. 3, 003; Inwerkingtreding : 01-01-2016>

  Art. 247.§ 1. De waardering is gebaseerd op voorzichtige hypothesen, onder meer met betrekking tot wanbetalingspercentages en de ernst van de verliezen. Zij houdt geen rekening met enige toekomstige uitzonderlijke overheidssteun, noch met enige noodfinanciering door centrale banken of enig beroep op andere faciliteiten voor liquiditeitsverstrekking door centrale banken onder voorwaarden inzake zekerheden, duur of interest die afwijken van standaardvoorwaarden.
  [1 Daarnaast wordt bij de waardering in aanmerking genomen dat, indien een afwikkelingsinstrument wordt toegepast :
   1° de afwikkelingsautoriteit en het Afwikkelingsfonds alle redelijke en op rechtmatige wijze gemaakte kosten kunnen terugvorderen van de kredietinstelling in afwikkeling, overeenkomstig artikel 272;
   2° de financieringsregeling voor de afwikkeling kan voorzien in rente of vergoedingen voor elke aan de kredietinstelling in afwikkeling toegekende lening of waarborg, overeenkomstig artikel 6/1 van de wet van 28 december 2011 op het Afwikkelingsfonds.]1
  § 2. De waardering wordt aangevuld met de volgende informatie :
  1° een geactualiseerde balans en een verslag over de financiėle positie van de kredietinstelling;
  2° een analyse van de boekwaarde van de activa;
  3° de lijst van de opeisbare passiva, met inbegrip van passiva buiten balans, met vermelding van de schuldeisers en hun rangorde in geval van samenloop van schuldeisers.
  § 3. Indien nodig wordt, teneinde gegevens te verzamelen om de beslissingen bedoeld in artikel 246, § 2, 4° en 5°, te onderbouwen, de informatie bedoeld in paragraaf 2, 2°, aangevuld met een schatting en een analyse van de marktwaarde van de activa en passiva van de kredietinstelling.
  § 4. Het waarderingsverslag geeft de onderverdeling van de schuldeisers in verschillende categorieėn aan overeenkomstig hun rangorde in geval van samenloop van schuldeisers, en geeft een inschatting van de behandeling die elke categorie van aandeelhouders en schuldeisers naar verwachting zou hebben gekregen indien de kredietinstelling zou zijn vereffend volgens een liquidatieprocedure.
  ----------
  (1)<W 2016-06-27/09, art. 15, 008; Inwerkingtreding : 16-07-2016>

  Art. 248.§ 1. Onder voorbehoud van artikel 296, indien aan alle vereisten bepaald in de artikelen 246 en 247 is voldaan, wordt de waardering geacht definitief te zijn.
  § 2. Indien het wegens spoedeisende omstandigheden onmogelijk is om een waardering te verrichten die voldoet aan alle vereisten bepaald in de artikelen 246 en 247, laat de afwikkelingsautoriteit overgaan tot een voorlopige waardering van de activa en passiva van de kredietinstelling.
  De voorlopige waardering voldoet, voor zover dit, in acht genomen de omstandigheden, redelijkerwijze mogelijk is, aan de vereisten van de artikelen 246 en 247. Zij omvat een buffer voor bijkomende verliezen, waarvan het bedrag wordt gemotiveerd.
  De voorlopige waardering verricht overeenkomstig deze paragraaf volstaat voor de afwikkelingsautoriteit om afwikkelingsmaatregelen te nemen of om de bevoegdheid tot het afschrijven of omzetten van relevante kapitaalinstrumenten uit te oefenen.
  § 3. De voorlopige waardering wordt zo spoedig mogelijk gevolgd door een definitieve waardering die ten volle voldoet aan alle voorwaarden bepaald in de artikelen 246 en 247. Deze waardering wordt los van of samen met de in artikel 283 bedoelde waardering verricht.
  Ingeval uit de definitieve waardering een waarde blijkt die hoger is dan deze volgens de voorlopige waardering, bepaalt de afwikkelingsautoriteit in voorkomend geval het prijssupplement dat de overbruggingsinstelling of het vehikel voor activabeheer aan de kredietinstelling of, naargelang het geval, aan de eigenaars dient te betalen als vergoeding voor de aandelen, andere eigendomsinstrumenten, activa of rechten overgedragen met toepassing van het instrument van de overbruggingsinstelling of het instrument van afsplitsing van activa [1 of oefent zij in voorkomend geval haar bevoegdheid uit om de waarde te verhogen van relevante kapitaalinstrumenten of in aanmerking komende schulden die met toepassing van het instrument van interne versterking zijn afgeschreven]1.
  [2 § 4. De waardering vormt een integraal onderdeel van het besluit om een afwikkelingsmaatregel te nemen of om de bevoegdheid om relevante kapitaalinstrumenten af te schrijven of om te zetten uit te oefenen. De waardering zelf is niet vatbaar voor een afzonderlijk beroep maar kan vatbaar zijn voor een beroep samen met dat besluit, in toepassing van het bepaalde in Hoofdstuk IX van deze Titel.]2
  ----------
  (1)<KB 2015-12-18/19, art. 4, 003; Inwerkingtreding : 01-01-2016>
  (2)<W 2016-06-27/09, art. 16, 008; Inwerkingtreding : 16-07-2016>

  Art. 249. Bij een in Ministerraad overlegd besluit, genomen op advies van de afwikkelingsautoriteit, kan de Koning :
  1° de voorwaarden bepalen volgens dewelke een persoon wordt geacht onafhankelijk te zijn in de zin van artikel 246, § 1;
  2° de methode of methoden bepalen die moeten worden aangewend voor het waarderen van de marktwaarde van de activa en passiva van de kredietinstelling voor de toepassing van artikel 247, § 3; en
  3° de methode of methoden bepalen die moeten worden aangewend voor de berekening van de buffer voor bijkomende verliezen bedoeld in artikel 248, § 2, tweede lid.

  HOOFDSTUK IV. - Afschrijving of omzetting van kapitaalinstrumenten

  Art. 250. § 1. De afwikkelingsautoriteit is bevoegd om de relevante kapitaalinstrumenten af te schrijven of ze om te zetten in aandelen of andere eigendomsinstrumenten van de kredietinstelling overeenkomstig de bepalingen van dit Hoofdstuk.
  Deze bevoegdheid kan worden uitgeoefend hetzij afzonderlijk, hetzij, indien de voorwaarden voor het initiėren van een afwikkelingsprocedure bedoeld in artikel 244, § 1, zijn vervuld, in combinatie met een afwikkelingsmaatregel.
  § 2. De afwikkelingsautoriteit oefent de bevoegdheid bedoeld in paragraaf 1 onverwijld uit van zodra een of meer van de volgende voorwaarden zijn vervuld :
  1° de afwikkelingsautoriteit heeft vastgesteld dat de voorwaarden voor het initiėren van een afwikkelingsprocedure bedoeld in artikel 244, § 1, verenigd zijn, vooraleer enige afwikkelingsmaatregel is genomen;
  2° de afwikkelingsautoriteit stelt vast dat de kredietinstelling of haar groep niet langer levensvatbaar zal zijn tenzij zij die bevoegdheid uitoefent; of
  3° de kredietinstelling vraagt uitzonderlijke overheidssteun aan.
  § 3. Voor de toepassing van paragraaf 2, 3° wordt onder de voorwaarden bepaald door de Koning geen rekening gehouden met steunmaatregelen ten gunste van solvabele kredietinstellingen teneinde een ernstige verstoring van de economie te verhelpen en de financiėle stabiliteit te vrijwaren.

  Art. 251. Voor de toepassing van artikel 250, § 2, 2°, wordt een kredietinstelling of haar groep enkel geacht niet langer levensvatbaar te zijn indien de twee volgende voorwaarden zijn vervuld :
  1° de kredietinstelling of haar groep blijft in gebreke of dit is nakend; en
  2° gezien de timing en andere ter zake doende omstandigheden valt het redelijkerwijze niet te verwachten dat een andere maatregel dan de afschrijving of omzetting van relevante kapitaalinstrumenten, hetzij afzonderlijk, hetzij in combinatie met een afwikkelingsmaatregel of een of meer van de maatregelen bedoeld in Titel VII, binnen een redelijk tijdsbestek voorkomt dat de kredietinstelling of haar groep in gebreke blijft.
  Voor de toepassing van het eerste lid, 1° :
  1° wordt een kredietinstelling geacht in gebreke te blijven of wordt dit geacht nakend te zijn indien zij zich in een van de in artikel 244, § 2, bedoelde omstandigheden bevindt;
  2° wordt een groep geacht in gebreke te blijven of wordt dit geacht nakend te zijn indien hij de geconsolideerde prudentiėle vereisten op zodanige wijze overtreedt, of er objectieve aanwijzingen bestaan dat hij dat in de nabije toekomst zal doen, dat een optreden door de toezichthouder gerechtvaardigd is, inzonderheid omwille van het feit dat de groep verliezen heeft geleden of kan lijden die haar eigen vermogen in aanzienlijke mate aantasten.

  Art. 252. De afwikkelingsautoriteit gaat over tot de afschrijving of omzetting van de relevante kapitaalinstrumenten met inachtneming van hun rangorde in een liquidatieprocedure, in dier voege dat :
  1° de tier 1-kernkapitaalbestanddelen eerst worden verlaagd in verhouding tot de verliezen en tot de volledige omvang ervan; en
  2° de hoofdsom van de relevante kapitaalinstrumenten vervolgens wordt afgeschreven of omgezet in tier 1-kernkapitaalinstrumenten voor zover noodzakelijk en tot de volledige omvang van de relevante kapitaalinstrumenten.

  Art. 253. Bij afschrijving van de hoofdsom van de relevante kapitaalinstrumenten :
  1° is de uitwerking van de verlaging permanent;
  2° blijft tegenover de houder van het relevante kapitaalinstrument geen enkele verplichting bestaan uit hoofde van of in verband met het afgeschreven bedrag, met uitzondering van de reeds vervallen verplichtingen en de aansprakelijkheid die kan voortvloeien uit een rechterlijke toetsing van de rechtmatigheid van de uitoefening van de afschrijvingsbevoegdheid;
  3° wordt aan de houders van relevante kapitaalinstrumenten geen compensatie betaald buiten hetgeen is bepaald in artikel 254.

  Art. 254. § 1. Met het oog op de omzetting van de relevante kapitaalinstrumenten overeenkomstig artikel 252, 2°, kan de afwikkelingsautoriteit van de kredietinstelling eisen dat zij tier 1-kernkapitaalinstrumenten uitgeeft ten behoeve van de houders van de relevante kapitaalinstrumenten.
  § 2. De relevante kapitaalinstrumenten kunnen enkel worden omgezet in tier 1-kernkapitaal-instrumenten indien de volgende voorwaarden zijn vervuld :
  1° deze tier 1-kernkapitaalinstrumenten zijn door de kredietinstelling of door haar moederonderneming uitgegeven met de instemming van de afwikkelingsautoriteit;
  2° deze instrumenten zijn uitgegeven voordat de kredietinstelling enige aandelen of andere eigendomsinstrumenten heeft uitgegeven met het oog op een kapitaalinbreng door de Staat of een overheidsentiteit;
  3° zij worden onverwijld na de uitoefening van de omzettingsbevoegdheid aan de betrokken houders van de relevante kapitaalinstrumenten toegekend en overgedragen;
  4° de omzettingskoers wordt bepaald met inachtneming van de volgende beginselen :
  a) de koers vertegenwoordigt een gepaste schadeloosstelling voor de betrokken houders van de relevante kapitaalinstrumenten; en
  b) de koers toepasselijk op de niet-achtergestelde schulden is hoger dan deze op de achtergestelde schulden.
  § 3. Voor de toepassing van paragraaf 1, kan de afwikkelingsautoriteit van de kredietinstellingen eisen dat zij te allen tijde over de vereiste voorafgaande machtiging beschikken voor de uitgifte van het gepaste aantal tier 1-kernkapitaalinstrumenten.

  HOOFDSTUK V. - Afwikkelingsinstrumenten

  Afdeling I. - Beginselen

  Art. 255.§ 1. De afwikkelingsinstrumenten zijn :
  1° het instrument van verkoop van de onderneming;
  2° het instrument van de overbruggingsinstelling;
  3° het instrument van afsplitsing van activa;
  [1 4° het instrument van interne versterking (bail-in).]1
  § 2. Bij een in Ministerraad overlegd besluit, genomen op advies van de afwikkelingsautoriteit, kan de Koning alle nodige maatregelen nemen om uitvoering te geven aan de dwingende bepalingen van internationale verdragen, of internationale akten genomen krachtens dergelijke verdragen, voor de aanvulling van de afwikkelingsinstrumenten met een instrument van interne versterking (bail-in) dat de afwikkelingsautoriteit toelaat om alle of een deel van de in aanmerking komende schulden van een kredietinstelling af te schrijven of om te zetten in aandelen of andere eigendomsinstrumenten.
  Te dien einde kan dit besluit de kredietinstellingen verplichten om te allen tijde een minimumniveau aan eigen vermogen en in aanmerking komende schulden te handhaven om een geordende afwikkeling mogelijk te maken.
  De in de eerste lid aan de Koning verleende machten verstrijken op 31 december 2015.
  Het besluit genomen krachtens deze paragraaf kan de van kracht zijnde wettelijke bepalingen wijzigen, aanvullen, vervangen of opheffen.
  Dit besluit mag niet in werking treden vóór 1 januari 2016. Het wordt van rechtswege opgeheven indien het niet bij wet wordt bekrachtigd binnen twaalf maanden volgend op de bekendmaking ervan in het Belgisch Staatsblad.
  [2 De afschrijving of omzetting van schulden van een kredietinstelling verricht met toepassing van het instrument van interne versterking, komt de medeschuldenaars en de derden die een persoonlijke of zakelijke zekerheid hebben gesteld, niet ten goede.]2
  § 3. De afwikkelingsautoriteit mag de afwikkelingsinstrumenten zowel afzonderlijk als in combinatie toepassen.
  Zij mag evenwel het instrument van afsplitsing van activa uitsluitend samen met een ander afwikkelingsinstrument toepassen.
  § 4. Indien de in paragraaf 1, 1° of 2° bedoelde afwikkelingsinstrumenten worden gebruikt om slechts een deel van de activa, rechten of verbintenissen van de kredietinstelling over te dragen, wordt de kredietinstelling vereffend volgens een liquidatieprocedure.
  De vereffening geschiedt binnen een redelijke termijn waarbij ermee rekening wordt gehouden dat het eventueel noodzakelijk kan zijn dat de kredietinstelling diensten verleent uit hoofde van artikel 279 om de ontvanger in staat te stellen de overgedragen activiteiten of diensten te verrichten, en met andere redenen die het voortbestaan van de kredietinstelling nodig maken om de afwikkelingsdoelstellingen te verwezenlijken of aan de beginselen bepaald in artikel 245 te voldoen.
  § 5. [3 Bij een in Ministerraad overlegd besluit, genomen op advies van de afwikkelingsautoriteit, of uit eigen beweging na advies van de afwikkelingsautoriteit, kan de Koning buitengewone openbare financiėle steun verlenen door middel van instrumenten voor financiėle stabilisatie om in de afwikkeling van een kredietinstelling te participeren, waaronder door rechtstreeks in te grijpen om de vereffening van deze instelling te voorkomen, teneinde de in artikel 243, § 1 bedoelde afwikkelings-doelstellingen te verwezenlijken.
   De overheidsinstrumenten voor financiėle stabilisatie zijn de volgende :
   1° het instrument voor publieke kapitaalsteun, waarmee een kredietinstelling als bedoeld in het eerste lid geherkapitaliseerd wordt in ruil voor tier 1-kernkapitaalinstrumenten of aanvullende tier 1- of tier 2-instrumenten;
   2° het instrument voor tijdelijke overheidseigendom, waarmee de aandelen van een kredietinstelling als bedoeld in het eerste lid worden overgedragen naar een onderneming die volledig in eigendom van de Staat is of naar een gevolmachtigde van de Koning.]3
  [3 § 6. De overheidsinstrumenten voor financiėle stabilisatie worden als laatste redmiddel gebruikt, teneinde de financiėle stabiliteit te vrijwaren, en enkel nadat de afwikkelingsinstrumenten als bedoeld in paragraaf 1 en paragraaf 2 zijn beoordeeld en zoveel mogelijk zijn benut. Deze beoordeling wordt door de Koning verricht na raadpleging van de afwikkelingsautoriteit. De overheidsinstrumenten voor financiėle stabilisatie kunnen slechts gebruikt worden indien voldaan is aan de volgende voorwaarden :
   1° de afwikkelingsautoriteit heeft vastgesteld dat de in artikel 244, § 1 bedoelde voorwaarden voor het initiėren van een afwikkelingsprocedure vervuld zijn in hoofde van de betrokken kredietinstelling;
   2° na raadpleging van de Bank, in haar hoedanigheid van centrale bank, en van de toezichthouder, stellen de Koning en de afwikkelingsautoriteit vast
   - dat de toepassing van de afwikkelingsinstrumenten niet volstaat om aanzienlijke negatieve gevolgen voor de financiėle stabiliteit te voorkomen; of
   - dat de toepassing van de afwikkelingsinstrumenten niet volstaat om het algemeen belang te beschermen; of
   - enkel voor wat betreft het instrument voor tijdelijke overheidseigendom, dat de toepassing van de afwikkelingsinstrumenten niet volstaat om het algemeen belang te beschermen, indien de instelling eerder al kapitaalsteun heeft gekregen via het instrument voor kapitaalsteun;
   3° de waarde van de instrumenten die met toepassing van het instrument van interne versterking of het instrument van afschrijving of omzetting van kapitaalinstrumenten worden omgezet of afgeschreven, bedraagt meer dan 8 % van de totale passiva, met inbegrip van het eigen vermogen, van de instelling in afwikkeling, gemeten aan de hand van de waardering die met toepassing van de artikelen 246 tot 249 werd verricht; en
   4° de regels van de Europese Unie inzake staatssteun worden nageleefd.
   § 7. De Bank, in haar hoedanigheid van afwikkelingsautoriteit, oefent op verzoek van de Koning alle haar verleende afwikkelingsbevoegdheden uit indien de uitoefening van die bevoegdheden noodzakelijk is voor de tenuitvoerlegging van de overheidsinstrumenten voor financiėle stabilisatie.
   De Koning ziet erop toe dat de ondernemingen die de Staat rechtstreeks of onrechtstreeks bezit met toepassing van een overheidsinstrument voor financiėle stabilisatie, op commerciėle en professionele wijze worden beheerd.
   Zodra de commerciėle en financiėle omstandigheden dat toelaten, worden de deelnemingen die met toepassing van een overheidsinstrument voor financiėle stabilisatie rechtstreeks of onrechtstreeks worden aangehouden door de Staat, overgedragen aan de privésector.]3
  ----------
  (1)<KB 2015-12-18/19, art. 5, 003; Inwerkingtreding : 01-01-2016>
  (2)<W 2015-12-18/17, art. 45, 004; Inwerkingtreding : 08-01-2016>
  (3)<W 2016-06-27/09, art. 17, 008; Inwerkingtreding : 16-07-2016>

  Afdeling II. - Instrument van verkoop van de onderneming

  Art. 256. § 1. Indien de voorwaarden bedoeld in artikel 244, § 1, zijn vervuld, kan de afwikkelingsautoriteit, ten voordele van elke overnemer, elke daad van beschikking bevelen, inzonderheid elke verkoop, overdracht of inbreng, met betrekking tot de aandelen of andere eigendomsinstrumenten uitgegeven door de kredietinstelling of alle of een deel van haar activa, rechten of verbintenissen.
  § 2. De afwikkelingsautoriteit neemt alle redelijke maatregelen om voor de overdracht commerciėle voorwaarden te bedingen die in overeenstemming zijn met de waardering gedaan met toepassing van Hoofdstuk III, rekening houdend met de concrete omstandigheden en met inachtneming van de staatssteunregels van de Europese Unie.
  § 3. Onder voorbehoud van artikel 272, valt elke door de overnemer betaalde vergoeding toe aan :
  1° de eigenaars van de aandelen of andere eigendomsinstrumenten, indien de verkoop van de onderneming is uitgevoerd door overdracht van alle of een deel van hun aandelen of effecten;
  2° de kredietinstelling, indien de verkoop van de onderneming is uitgevoerd door overdracht van alle of een deel van haar activa.

  Art. 257.§ 1. Bij de toepassing van het instrument van verkoop van de onderneming ziet de afwikkelingsautoriteit erop toe dat de verkoopprocedure :
  1° zo transparant mogelijk is, rekening houdend met de omstandigheden en inzonderheid met de noodzaak om de financiėle stabiliteit te vrijwaren;
  2° geen enkele kandidaat-koper bevoordeelt;
  3° vrij is van belangenconflicten;
  4° rekening houdt met de noodzaak van een snelle afwikkelingsmaatregel, met inachtneming van de doelstellingen van de afwikkeling;
  5° beoogt om in de mate van het mogelijke de vergoeding bekomen voor de overgedragen aandelen, andere eigendomsinstrumenten, activa of rechten te maximaliseren, met inachtneming van de doelstellingen van de afwikkeling.
  § 2. De afwikkelingsautoriteit mag van de in paragraaf 1 bedoelde vereisten afwijken wanneer zij besluit dat de naleving daarvan een of meer van de afwikkelingsdoelstellingen in het gedrang zou brengen, en in het bijzonder indien zij van oordeel is dat :
  1° het in gebreke blijven of potentieel in gebreke blijven van de kredietinstelling een wezenlijke bedreiging van de financiėle stabiliteit vormt of een dergelijkebedreiging verergert; en
  2° het waarschijnlijk is dat de naleving van de betreffende vereisten afbreuk zou doen aan de doelmatigheid van het instrument van verkoop van de onderneming voor het wegnemen van de in 1° bedoelde bedreiging of het verwezenlijken van de afwikkelingsdoelstellingen.
  [1 § 3. Elke openbaarmaking van de verkoop van de kredietinstelling die op grond van artikel 17, lid 1 van Verordening (EU) nr. 596/2014 van het Europees Parlement en de Raad van 16 april 2014 betreffende marktmisbruik zou zijn voorgeschreven, mag overeenkomstig artikel 17, lid 4 of 5 van die verordening worden uitgesteld.]1
  ----------
  (1)<W 2016-06-27/09, art. 18, 008; Inwerkingtreding : 16-07-2016>

  Art. 258. De overnemer moet in het bezit zijn van de nodige vergunning voor de uitoefening van de activiteiten en de levering van de diensten die aan hem worden overgedragen. De betrokken autoriteiten, in voorkomend geval de toezichthouder, onderzoeken een dergelijke vergunningsaanvraag tijdig.

  Art. 259. § 1. Indien een overdracht van aandelen of andere eigendomsinstrumenten uitgegeven door de kredietinstelling leidt tot de verwerving van een gekwalificeerde deelneming in de kredietinstelling of tot een verhoging van een dergelijke deelneming waardoor een van de in artikel 46 bepaalde drempels wordt bereikt of overschreden, gaat de toezichthouder zo snel mogelijk over tot de beoordeling bedoeld in artikel 48 teneinde de uitvoering van de afwikkelingsmaatregel niet te vertragen en niet in de weg te staan dat bedoelde maatregel de afwikkelingsdoelstellingen bereikt.
  § 2. Bij een besluit genomen op advies van de afwikkelingsautoriteit, regelt de Koning de rechtsgevolgen van de overdracht van de aandelen of andere eigendomsinstrumenten bedoeld in paragraaf 1 en de uitoefening van de daaraan verbonden rechten tijdens de periode van beoordeling van de overnemer door de toezichthouder alsook de gevolgen van een eventueel verzet van deze overheid tegen de overdracht. Het besluit genomen krachtens deze paragraaf mag afwijken van artikel 51 voor zover toegelaten door de dwingende bepalingen van internationale verdragen of internationale akten genomen krachtens dergelijke verdragen.

  Afdeling III. - Instrument van de overbruggingsinstelling

  Art. 260.§ 1. Indien de voorwaarden bedoeld in artikel 244, § 1, zijn vervuld, kan de afwikkelingsautoriteit, ten voordele van elke overbruggingsinstelling, elke daad van beschikking bevelen, inzonderheid elke verkoop, overdracht of inbreng, met betrekking tot de aandelen of andere eigendomsinstrumenten uitgegeven door de kredietinstelling of alle of een deel van haar activa, rechten of verbintenissen. [2 Elke overbruggingsinstelling functioneert met inachtneming van de staatssteunregels van de Europese Unie en de afwikkelingsautoriteit kan haar dienovereenkomstig operationele beperkingen opleggen.]2
  § 2. De afwikkelingsautoriteit ziet erop toe dat de totale waarde van de aan de overbruggingsinstelling overgedragen verbintenissen niet hoger is dan deze van de rechten en activa overgedragen door de kredietinstelling of afkomstig uit andere bronnen.
  § 3. Onder voorbehoud van artikel 272, valt elke vergoeding betaald door de overbruggingsinstelling toe aan :
  1° de eigenaars van de aandelen of andere eigendomsinstrumenten indien de overdracht aan de overbruggingsinstelling is uitgevoerd door overdracht van alle of een deel van deze aandelen of eigendomsinstrumenten;
  2° de kredietinstelling indien de overdracht is uitgevoerd door overdracht van alle of een deel van haar activa.
  [1 § 4. Het wettelijk bestuursorgaan en de effectieve leiding van de overbruggingsinstelling houden de toegang tot kritieke functies in stand met het oog op de toepassing van het bepaalde in artikel 261, 263 of 264.]1
  ----------
  (1)<W 2016-06-27/09, art. 19, 008; Inwerkingtreding : 16-07-2016>
  (2)<W 2019-05-02/25, art. 41, 019; Inwerkingtreding : 31-05-2019>

  Art. 261. § 1. Na de toepassing van het instrument van de overbruggingsinstelling, kan de afwikkelingsautoriteit bevelen dat alle of een deel van de aandelen of andere eigendomsinstrumenten of activa, rechten of verbintenissen van de overbruggingsinstelling aan een derde worden overgedragen.
  § 2. Wanneer de afwikkelingsautoriteit beslist om de aandelen, andere eigendomsinstrumenten, activa, rechten of verbintenissen van de overbruggingsinstelling te verkopen, worden deze in de markt gezet volgens een open en transparante procedure, zonder een van de kandidaat-kopers te bevoordelen.
  Deze verkoop geschiedt tegen marktvoorwaarden, rekening houdend met de omstandigheden en met inachtneming van de staatssteunregels van de Europese Unie.

  Art. 262. § 1. De afwikkelingsautoriteit verleent haar goedkeuring aan :
  1° de statuten van de overbruggingsinstelling;
  2° de samenstelling van haar wettelijk bestuursorgaan en haar effectieve leiding;
  3° de identiteit, de verantwoordelijkheden en de bezoldiging van de personen belast met haar effectieve leiding; en
  4° haar strategie en risicoprofiel.
  § 2. De overbruggingsinstelling moet in het bezit zijn van de nodige vergunning voor de uitoefening van de activiteiten en de levering van de diensten die aan haar worden overgedragen.
  Niettegenstaande het eerste lid, mag de afwikkelingsautoriteit, voor zover toegelaten door de dwingende bepalingen van internationale verdragen of internationale akten genomen krachtens dergelijke verdragen, de overbruggingsinstelling tijdens een overgangsperiode en onder de door haar bepaalde voorwaarden, ontheffen van de vergunning bedoeld in het eerste lid.
  § 3. De overbruggingsinstelling, de leden van haar wettelijk bestuursorgaan en de leden van haar effectieve leiding zijn niet burgerlijk aansprakelijk voor hun handelen of niet-handelen in het kader van de uitvoering van de opdracht van de overbruggingsinstelling, behalve in geval van bedrog of zware fout.

  Art. 263. § 1. De afwikkelingsautoriteit beslist dat de overbruggingsinstelling niet langer dit statuut heeft, zo spoedig mogelijk zodra een van de volgende situaties zich voordoet :
  1° de overbruggingsinstelling fuseert met een andere entiteit;
  2° de instelling voldoet niet langer aan de criteria bepaald in artikel 242, 8° ;
  3° alle of het wezenlijk deel van de activa, rechten en verbintenissen van de overbruggingsinstelling worden verkocht of overgedragen aan een derde;
  4° de termijn bedoeld artikel 264, § 1, of, in voorkomend geval, artikel 264, § 2, is verstreken;
  5° de activa van de overbruggingsinstelling zijn volledig vereffend en haar verbintenissen zijn volledig voldaan.
  § 2. Wanneer een einde wordt gesteld aan het statuut van overbruggingsinstelling met toepassing van paragraaf 1, 3° of 4°, wordt de overbruggingsinstelling ontbonden en vereffend.
  Na betaling of consignatie van de sommen nodig voor de betaling van de schulden van de overbruggingsinstelling, en onder voorbehoud van artikel 272, vallen alle opbrengsten die voortvloeien uit de vereffening van de overbruggingsinstelling, toe aan haar aandeelhouders.

  Art. 264. § 1. Indien geen van de situaties bedoeld in artikel 263, § 1, 1°, 2°, 3° of 5° zich voordoet, beėindigt de afwikkelingsautoriteit de werkzaamheden van de overbruggingsinstelling zo spoedig mogelijk en uiterlijk aan het einde van een termijn van vierentwintig maanden volgend op de datum waarop de laatste overdracht vanuit een kredietinstelling uit hoofde van het instrument van de overbruggingsinstelling plaatsvond.
  § 2. De afwikkelingsautoriteit kan de termijn bedoeld in paragraaf 1 met een of meer bijkomende termijnen van twaalf maanden verlengen indien deze verlenging :
  1° in de hand werkt dat een van de situaties bedoeld in artikel 263, § 1, 1°, 2°, 3° of 5° zich voordoet; of
  2° noodzakelijk is om de continuļteit van de kritieke functies te verzekeren.
  Elke beslissing van de afwikkelingsautoriteit om de periode bedoeld in paragraaf 1 te verlengen, bevat een gedetailleerde beoordeling van de situatie, inclusief de marktomstandigheden en -vooruitzichten, die de verlenging rechtvaardigt.

  Afdeling IV. - Instrument van afsplitsing van activa

  Art. 265.§ 1. De afwikkelingsautoriteit mag de overdracht van alle of een deel van de activa, rechten of verbintenissen van een kredietinstelling of van een overbruggingsinstelling aan een of meer vehikels voor activabeheer enkel bevelen in een van de volgende gevallen :
  1° de situatie op de specifieke markt voor die activa is van die aard dat een vereffening van die activa in het kader van een liquidatieprocedure een risico meebrengt van nadelige gevolgen voor een of meer financiėle markten;
  2° de overdracht is noodzakelijk om de goede werking van de kredietinstelling of de overbruggingsinstelling te verzekeren; of
  3° de overdracht is noodzakelijk om de opbrengsten van de vereffening te maximaliseren.
  § 2. De afwikkelingsautoriteit bepaalt de waarde van de vergoeding, die in voorkomend geval nominaal of negatief kan zijn, waartegen alle of een deel van de activa, rechten en verbintenissen aan het vehikel voor activabeheer worden overgedragen, overeenkomstig de beginselen bepaald in de artikelen 246 tot 248 en met inachtneming van de staatssteunregels van de Europese Unie.
  [1 § 3. Onverminderd artikel 272, § 1, valt elke door het vehikel voor activabeheer met betrekking tot de rechtstreeks van de kredietinstelling in afwikkeling verworven activa, rechten of verbintenissen betaalde vergoeding, toe aan de kredietinstelling in afwikkeling. Vergoedingen kunnen betaald worden in de vorm van door het vehikel voor activabeheer uitgegeven schuldpapier.
   § 4. Indien het instrument van een overbruggingsinstelling is toegepast, kan een vehikel voor activabeheer, ten vervolge van de toepassing van het instrument van een overbruggingsinstelling, activa, rechten of verbintenissen van de overbruggingsinstelling verwerven.]1
  ----------
  (1)<W 2016-06-27/09, art. 20, 008; Inwerkingtreding : 16-07-2016>

  Art. 266. § 1. De afwikkelingsautoriteit verleent haar goedkeuring aan :
  1° de statuten van het vehikel voor activabeheer;
  2° de samenstelling van zijn wettelijk bestuursorgaan en zijn effectieve leiding;
  3° de identiteit, de verantwoordelijkheden en de bezoldiging van de personen belast met zijn effectieve leiding; en
  4° zijn strategie en risicoprofiel.
  § 2. Het vehikel voor activabeheer, de leden van zijn wettelijk bestuursorgaanen de leden van zijn effectieve leiding zijn niet burgerlijk aansprakelijk voor hun handelen of niet-handelen in het kader van de uitvoering van de opdracht van het vehikel voor activabeheer, behalve in geval van bedrog of zware fout.

  Art. 267. Het vehikel voor activabeheer beheert de overgedragen activa met het doel de waarde ervan te maximaliseren door verkoop of ordelijke vereffening.
  Onder voorbehoud van artikel 272 vallen alle opbrengsten die voortvloeien uit de vereffening van het vehikel voor activabeheer, toe aan de aandeelhouders van dat vehikel.

  Afdeling IV/1. [1 - Instrument van interne versterking]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij KB 2015-12-18/19, art. 6, 003; Inwerkingtreding : 01-01-2016>
  

  Onderafdeling 1. [1 - Doel en toepassingsgebied]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij KB 2015-12-18/19, art. 7, 003; Inwerkingtreding : 01-01-2016>
  

  Art. 267/1. [1 § 1. Indien de voorwaarden van artikel 244, § 1 zijn vervuld, kan de afwikkelingsautoriteit alle of een deel van de in aanmerking komende schulden van een kredietinstelling afschrijven of omzetten in aandelen of andere eigendomsinstrumenten, om een van de volgende doelstellingen te verwezenlijken :
   1° de herkapitalisatie van een kredietinstelling die voldoet aan de voorwaarden voor het initiėren van een afwikkelingsprocedure, om ervoor te zorgen dat zij weer aan de vergunningsvoorwaarden voldoet en de werkzaamheden kan blijven uitoefenen waarvoor zij een vergunning heeft verkregen, alsook om voldoende marktvertrouwen te handhaven;
   2° de afschrijving van schuldinstrumenten of de omzetting ervan in aandelen of andere eigendomsinstrumenten, wanneer ze worden overgedragen :
   a) aan een overbruggingsinstelling, teneinde kapitaal aan die overbruggingsinstelling te verschaffen; of
   b) met toepassing van het instrument van verkoop van de onderneming of van het instrument van afsplitsing van activa.
   § 2. Het instrument van interne versterking kan slechts ter verwezenlijking van de in paragraaf 1, 1° bedoelde doelstellingen worden toegepast indien redelijkerwijze te verwachten valt dat de toepassing van dat instrument, in combinatie met andere relevante maatregelen, waaronder maatregelen die overeenkomstig het bij artikel 267/11 voorgeschreven bedrijfssaneringsplan zijn genomen, niet alleen tot de verwezenlijking van de relevante afwikkelingsdoelstellingen leidt, maar ook de financiėle soliditeit en de levensvatbaarheid op lange termijn van de betrokken kredietinstelling herstelt.
   Indien de voorwaarden van het vorige lid niet vervuld zijn, kunnen alle in artikel 255, § 1, 1°, 2° en 3° bedoelde afwikkelingsinstrumenten evenals het in paragraaf 1, 2° van dit artikel bedoelde instrument van interne versterking in voorkomend geval worden toegepast.
   § 3. De in aanmerking komende schulden kunnen worden afgeschreven of in aandelen of andere eigendomsinstrumenten worden omgezet ongeacht de rechtsvorm van de kredietinstelling. Indien nodig kan de afwikkelingsautoriteit beslissen de rechtsvorm van de kredietinstelling voorafgaandelijk te wijzigen. Deze beslissing heeft van rechtswege de wijziging van de rechtsvorm van de kredietinstelling tot gevolg.]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij KB 2015-12-18/19, art. 8, 003; Inwerkingtreding : 01-01-2016>
  

  Art. 267/2.[1 § 1. De afwikkelingsautoriteit zorgt ervoor dat alle activa die aangewend worden ter dekking van door zekerheid gedekte verplichtingen onaangeroerd en gescheiden blijven en op toereikende wijze gefinancierd worden.
   De in artikel 242, 10° vermelde uitsluitingen beletten niet om, in voorkomend geval, het deel van een door een zekerheid of anderszins gedekte verplichting dat de waarde van de activa die het voorwerp uitmaken van de dekking, het pandrecht of de zakelijke zekerheid, overschrijden, af te schrijven of om te zetten. Hetzelfde geldt voor het deel van een deposito dat het niveau van de in artikel 382 of in een soortgelijke regeling bepaalde dekking overschrijdt.
   § 2. Wanneer het instrument van interne versterking wordt toegepast, mogen in uitzonderlijke omstandigheden bepaalde in aanmerking komende schulden bovendien geheel of gedeeltelijk van de toepassing van de afschrijvings- of omzettingsmaatregelen worden uitgesloten, inzonderheid indien :
   1° niet binnen een redelijke termijn tot afschrijving of omzetting kan worden overgegaan;
   2° het strikt noodzakelijk is en evenredig is aan het doel om de continuļteit van kritieke functies en kernbedrijfsonderdelen van een kredietinstelling in afwikkeling te garanderen;
   3° het strikt noodzakelijk is en evenredig is aan het doel om te voorkomen dat een wijdverbreide besmetting ontstaat, met name in verband met in aanmerking komende deposito's van natuurlijke personen en kleine en middelgrote ondernemingen, die de werking van de financiėle markten ernstig zou verstoren op een wijze die de nationale economie, die van een andere lidstaat of die van de gehele Unie ernstig kan ontwrichten;
   4° de toepassing van het instrument van interne versterking op deze in aanmerking komende schulden een zodanige waardevernietiging tot gevolg zou hebben dat het door andere schuldeisers geleden verlies groter zou zijn dan wanneer deze verplichtingen van de toepassing van de maatregel van interne versterking waren uitgesloten.
   Indien een in aanmerking komende schuld of een categorie van in aanmerking komende schulden geheel of gedeeltelijk worden uitgesloten van de interne versterking, mag het niveau van waardevermindering of omzetting dat op de andere in aanmerking komende schulden wordt toegepast, worden verhoogd om met die uitsluitingen rekening te houden, met inachtneming van het in artikel 245, § 1, 8° vervatte beginsel.
   § 3. De afwikkelingsautoriteit stelt de Europese Commissie in kennis van de ontwerpbeslissingen die zij met toepassing van § 2 wil nemen.
   Wanneer een bijdrage van [2 het Afwikkelingsfonds]2 wordt overwogen, stelt de afwikkelingsautoriteit haar beslissing uit in afwachting van het besluit dat de Europese Commissie overeenkomstig artikel 44, § 12 van Richtlijn 2014/59/EU zal nemen. Bij haar beslissing houdt zij rekening met de eventuele voorwaarden waaraan voldaan moet zijn opdat de Europese Commissie haar goedkeuring verleent.]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij KB 2015-12-18/19, art. 9, 003; Inwerkingtreding : 01-01-2016>
  (2)<W 2016-06-27/09, art. 21, 008; Inwerkingtreding : 16-07-2016>

  Onderafdeling 2. [1 - Minimumvereiste inzake eigen vermogen en in aanmerking komende schulden]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij KB 2015-12-18/19, art. 10, 003; Inwerkingtreding : 01-01-2016>
  

  Art. 267/3. [1 § 1. De kredietinstellingen voldoen te allen tijde aan een minimumvereiste inzake eigen vermogen en in aanmerking komende schulden. Het minimumvereiste is een bedrag aan eigen vermogen en in aanmerking komende schuld, uitgedrukt als percentage van de totale passiva en het eigen vermogen van de kredietinstelling.
   Voor de toepassing van het eerste lid maken de uit derivaten voortvloeiende verplichtingen deel uit van de totale passiva, aangezien de salderingsrechten van de tegenpartijen volledig worden erkend.
   § 2. In aanmerking komende schulden mogen maar in het in § 1 bedoelde bedrag aan eigen vermogen en in aanmerking komende schulden worden opgenomen indien zij aan de volgende voorwaarden voldoen :
   1° het instrument is uitgegeven en volgestort;
   2° het gaat niet om een schuld aan de kredietinstelling zelf of om een schuld die door de kredietinstelling gedekt wordt met een zekerheid of gegarandeerd wordt;
   3° de aankoop van het instrument wordt niet direct noch indirect door de kredietinstelling gefinancierd;
   4° de schuld heeft een resterende looptijd van ten minste een jaar;
   5° de schuld vloeit niet voort uit een derivaat;
   6° de schuld vloeit niet voort uit een deposito dat bevoorrecht is krachtens artikel 389.
   Voor de toepassing van punt 4° wordt de vervaldatum van een schuld die aan de schuldeiser een recht op vroegtijdige terugbetaling verleent, geacht de eerste datum te zijn waarop dat recht kan worden uitgeoefend.
   § 3. Indien een in aanmerking komende schuld onderworpen is aan de wetgeving van een derde land, kan de afwikkelingsautoriteit verlangen dat de kredietinstelling aantoont dat elke beslissing van de afwikkelingsautoriteit tot afschrijving of omzetting van die schuld geldig en afdwingbaar is krachtens het recht van dat derde land, met name rekening houdend met de voorwaarden van het contract betreffende die verplichting en met internationale overeenkomsten inzake de erkenning van afwikkelingsprocedures. Indien volgens de afwikkelingsautoriteit niet voldoende is aangetoond dat elke beslissing volgens het recht van dat derde land geldig en afdwingbaar is, wordt de in aanmerking komende schuld niet in aanmerking genomen voor het minimumvereiste inzake eigen vermogen en in aanmerking komende schulden als bepaald in § 1.
   § 4. Het minimumvereiste inzake eigen vermogen en in aanmerking komende schulden van elke kredietinstelling wordt na raadpleging van de bevoegde autoriteit op individuele basis vastgesteld door de afwikkelingsautoriteit, en dit ten minste op basis van de volgende criteria :
   1° door de toepassing van afwikkelingsinstrumenten, in voorkomend geval met inbegrip van het instrument van interne versterking, kan aan de afwikkelingsdoelstellingen worden voldaan;
   2° de kredietinstelling beschikt over voldoende in aanmerking komende schulden om te garanderen dat, indien het instrument van interne versterking zou worden toegepast, de verliezen kunnen worden opgevangen en de tier 1-kernkapitaalratio van de kredietinstelling wederom op een peil kan worden gebracht dat noodzakelijk is om haar in staat te stellen aan de vergunningsvoorwaarden te blijven voldoen en de werkzaamheden te blijven uitoefenen waarvoor zij een vergunning heeft verkregen, alsook om voldoende marktvertrouwen in de kredietinstelling te handhaven;
   3° indien het afwikkelingsplan ermee rekening houdt dat bepaalde categorieėn van in aanmerking komende schulden kunnen worden uitgesloten van de interne versterking krachtens artikel 267/2, § 2, of volledig aan een koper kunnen worden overgedragen bij een gedeeltelijke overdracht, heeft de kredietinstelling voldoende andere in aanmerking komende schulden om de verliezen op te vangen en haar tier 1-kernkapitaalratio wederom op een peil te brengen dat noodzakelijk is om haar in staat te stellen aan de vergunningsvoorwaarden te blijven voldoen en de werkzaamheden te blijven uitoefenen waarvoor zij een vergunning heeft verkregen;
   4° de omvang, het bedrijfsmodel, het financieringsmodel en het risicoprofiel van de kredietinstelling;
   5° de mate waarin de depositobeschermings-regeling overeenkomstig artikel 348/1 aan de financiering van de afwikkeling zou kunnen bijdragen;
   6° de mate waarin het in gebreke blijven van de kredietinstelling nadelige gevolgen voor de financiėle stabiliteit zou hebben, met name via besmetting als gevolg van haar verwevenheid met andere kredietinstellingen of met de rest van het financiėle stelsel.]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij KB 2015-12-18/19, art. 11, 003; Inwerkingtreding : 01-01-2016>
  

  Art. 267/4. [1 § 1. De met toepassing van deze onderafdeling genomen beslissingen kunnen erin voorzien dat op individueel niveau gedeeltelijk is voldaan aan het minimumvereiste inzake eigen vermogen en in aanmerking komende schulden door middel van contractuele instrumenten van interne versterking.
   § 2. Een instrument wordt als een contractueel instrument van interne versterking in de zin van § 1 beschouwd indien de afwikkelingsautoriteit van oordeel is dat de volgende voorwaarden vervuld zijn :
   1° het instrument bevat een contractueel beding dat inhoudt dat, indien een afwikkelingsautoriteit besluit op de instelling het instrument van interne versterking toe te passen, het instrument wordt afgeschreven of omgezet in de vereiste mate vóór andere in aanmerking komende schulden worden afgeschreven of omgezet; en
   2° het instrument onderworpen is aan een bindende achterstellingsovereenkomst, -toezegging of -bepaling uit hoofde waarvan het instrument bij een liquidatieprocedure achtergesteld is aan andere in aanmerking komende schulden en niet kan worden terugbetaald totdat andere op dat ogenblik uitstaande, in aanmerking komende schulden zijn afgewikkeld.]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij KB 2015-12-18/19, art. 12, 003; Inwerkingtreding : 01-01-2016>
  

  Art. 267/5. [1 § 1. In overleg met de bevoegde autoriteit verlangt de afwikkelingsautoriteit dat en verifieert zij of de kredietinstellingen voldoen aan het in artikel 276/3 bedoelde minimumvereiste inzake eigen vermogen en in aanmerking komende schulden en, in voorkomend geval, aan het in artikel 267/4 bedoelde vereiste, en neemt zij alle beslissingen overeenkomstig dit artikel, parallel met het opstellen en het actualiseren van de afwikkelingsplannen.
   § 2. In overleg met de bevoegde autoriteit stelt de afwikkelingsautoriteit de EBA in kennis van het minimumvereiste inzake eigen vermogen en in aanmerking komende schulden en, in voorkomend geval, van het in artikel 267/4 bedoelde vereiste, die voor elke onder haar bevoegdheid vallende kredietinstelling zijn vastgesteld.]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij KB 2015-12-18/19, art. 13, 003; Inwerkingtreding : 01-01-2016>
  

  Onderafdeling 3. [1 - Tenuitvoerlegging van het instrument van interne versterking]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij KB 2015-12-18/19, art. 14, 003; Inwerkingtreding : 01-01-2016>
  

  Art. 267/6.[1 § 1. Wanneer zij het instrument van interne versterking toepast, raamt de afwikkelingsautoriteit op basis van een waardering die aan de artikelen 246 tot 248 voldoet, het totaal van :
   1° indien van toepassing, het bedrag waarvoor de in aanmerking komende schulden moeten worden afgeschreven om ervoor te zorgen dat de nettowaarde van de activa van de kredietinstelling in afwikkeling gelijk is aan nul; en
   2° in voorkomend geval, het bedrag waarvoor de in aanmerking komende schulden in aandelen of andere kapitaalinstrumenten moeten worden omgezet om de tier 1-kernkapitaalratio van de kredietinstelling in afwikkeling te herstellen of om een overbruggingsinstelling in staat te stellen eraan te voldoen.
   § 2. Bij de in § 1 bedoelde raming wordt rekening gehouden met de inbreng van kapitaal door [2 het Afwikkelingsfonds]2. Het in § 1 bedoelde totaal moet het mogelijk maken voldoende marktvertrouwen in de kredietinstelling in afwikkeling of de overbruggingsinstelling te handhaven en moet haar in staat stellen gedurende ten minste een jaar aan de vergunningsvoorwaarden te blijven voldoen en de werkzaamheden te blijven uitoefenen waarvoor zij een vergunning heeft verkregen.
   Indien de afwikkelingsautoriteit voornemens is gebruik te maken van het instrument van afsplitsing van activa als bedoeld in artikel 265, houdt het bedrag waarmee de in aanmerking komende schulden moeten worden verminderd voor zover nodig rekening met een prudente raming van de kapitaalbehoeften van het vehikel voor activabeheer.
   § 3. Indien de relevante kapitaalinstrumenten overeenkomstig de artikelen 250 tot 254 zijn afgeschreven en het instrument van interne versterking overeenkomstig artikel 267/1, § 1 is toegepast en als gebleken is dat het niveau van de afschrijvingen op basis van de voorlopige waardering krachtens artikel 248, § 2 hoger is dan de vereisten wanneer dit niveau wordt vergeleken met dat van de definitieve waardering krachtens artikel 248, § 3, worden regelingen getroffen om de schuldeisers en vervolgens de aandeelhouders voor zover dat nodig is terug te betalen.
   § 4. De afwikkelingsautoriteit stelt regelingen vast en houdt deze in stand om ervoor te zorgen dat de beoordeling en de waardering gebaseerd zijn op informatie over de activa en passiva van de kredietinstelling in afwikkeling die zo actueel en zo uitvoerig is als redelijkerwijs mogelijk is.]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij KB 2015-12-18/19, art. 15, 003; Inwerkingtreding : 01-01-2016>
  (2)<W 2016-06-27/09, art. 22, 008; Inwerkingtreding : 16-07-2016>

  Art. 267/7. [1 § 1. Wanneer de afwikkelings-autoriteit het instrument van interne versterking toepast of kapitaalinstrumenten afschrijft of omzet, treft zij ten aanzien van de aandeelhouders en houders van andere eigendomsinstrumenten een of beide van de volgende maatregelen :
   1° het intrekken van bestaande aandelen of andere eigendomsinstrumenten, of de overdracht ervan op schuldeisers waarop het instrument van interne versterking is toegepast;
   2° mits de nettowaarde van de kredietinstelling in afwikkeling volgens de waardering krachtens de artikelen 246 tot 248 positief is, het doen verwateren van bestaande aandelenpakketten en andere eigendomsinstrumenten als gevolg van de omzetting in aandelen of andere eigendomsinstrumenten van :
   a) relevante kapitaalinstrumenten die door de kredietinstelling zijn uitgegeven op grond van de in artikel 250, § 1 bedoelde bevoegdheid; of
   b) in aanmerking komende schulden die door de kredietinstelling in afwikkeling zijn uitgegeven op grond van de in artikel 276, § 2, 4° /2 vermelde bevoegdheid.
   Voor de toepassing van punt 2° hanteert de afwikkelingsautoriteit een omzettingskoers die bestaande aandelenpakketten of andere eigendomsinstrumenten sterk verwatert.
   § 2. De in § 1 bedoelde maatregelen worden ook genomen ten aanzien van aandeelhouders en houders van andere eigendomsinstrumenten wier aandelen of andere eigendomsinstrumenten in de volgende omstandigheden werden uitgegeven of aan hen werden toegekend :
   1° naar aanleiding van de omzetting van schuldinstrumenten in aandelen of andere eigendomsinstrumenten overeenkomstig de contractuele voorwaarden waaraan deze schuldinstrumenten onderworpen zijn, bij een gebeurtenis die voorafging aan of zich tezelfdertijd voordeed als de beoordeling door de afwikkelingsautoriteit waarbij deze heeft vastgesteld dat de kredietinstelling voldeed aan de voorwaarden voor het initiėren van een afwikkelingsprocedure;
   2° naar aanleiding van de omzetting van relevante kapitaalinstrumenten in tier 1-kernkapitaalinstrumenten overeenkomstig artikel 250.
   § 3. Wanneer de afwikkelingsautoriteit overweegt welke maatregelen krachtens § 1 moeten worden genomen, houdt zij rekening met :
   1° de waardering krachtens de artikelen 246 tot 248;
   2° het bedrag waarmee de nominale waarde van tier 1-kernkapitaalinstrumenten verminderd moet worden en waarmee relevante kapitaalinstrumenten afgeschreven of omgezet moeten worden; en
   3° het met toepassing van artikel 267/6 vastgestelde totaal.
   § 4. indien de toepassing van het instrument van interne versterking of de omzetting van kapitaal leidt tot de verwerving van een gekwalificeerde deelneming in de kredietinstelling of tot een verhoging van een dergelijke deelneming waardoor een van de in artikel 46 bepaalde drempels wordt bereikt of overschreden, verricht de toezichthouder de in artikel 48 bedoelde beoordeling zo snel mogelijk, teneinde de uitvoering van de afwikkelingsmaatregel niet te vertragen en niet te verhinderen dat met deze maatregel de doelstellingen van de afwikkeling worden verwezenlijkt.
   § 5. Bij een besluit genomen op advies van de afwikkelingsautoriteit regelt de Koning de rechtsgevolgen van de toepassing van het instrument van interne versterking en van de omzetting van kapitaal als bedoeld in paragraaf 1 en de uitoefening van de rechten verbonden aan de toegewezen aandelen of andere eigendomsinstrumenten tijdens de periode van beoordeling van de overnemer door de toezichthouder, alsook de gevolgen van een eventueel verzet door de toezichthouder. Het besluit dat krachtens deze paragraaf wordt genomen, mag afwijken van artikel 51 voor zover toegelaten door de dwingende bepalingen van internationale verdragen of internationale akten genomen krachtens dergelijke verdragen.]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij KB 2015-12-18/19, art. 16, 003; Inwerkingtreding : 01-01-2016>
  

  Art. 267/8. [1 § 1. Wanneer de afwikkelingsautoriteit het instrument van interne versterking toepast, oefent zij de afschrijvings- en omzettingsbevoegdheden uit onder voorbehoud van de uitsluitingen bedoeld in artikel 242, 10° en in artikel 267/2, § 2, met inachtneming van de volgende vereisten :
   1° tier 1-kernkapitaalinstrumenten worden verlaagd overeenkomstig artikel 252, 1° ;
   2° indien de verlaging overeenkomstig punt 1° hierboven minder dan de som van de in artikel 267/7, § 3, 2° en 3° vermelde bedragen is, verlaagt de afwikkelingsautoriteit de hoofdsom van de aanvullend-tier 1-instrumenten;
   3° indien de verlaging overeenkomstig de punten 1° en 2° hierboven minder dan de som van de in artikel 267/7, § 3, 2° en 3° vermelde bedragen is, verlaagt de afwikkelingsautoriteit de hoofdsom van de tier 2-instrumenten;
   4° indien de vermindering overeenkomstig de punten 1°, 2° en 3° hierboven minder dan de som van de in artikel 267/7, § 3, 2° en 3° vermelde bedragen is, verlaagt de afwikkelingsautoriteit, met inachtneming van de rangorde van vorderingen die in een liquidatieprocedure wordt toegepast, de hoofdsom van de achtergestelde vorderingen die geen aanvullend-tier 1-instrumenten of tier 2-instrumenten zijn;
   5° indien de vermindering overeenkomstig de punten 1° tot 4° hierboven minder dan de som van de in artikel 267/7, § 3, 2° en 3° vermelde bedragen is, verlaagt de afwikkelingsautoriteit de hoofdsom van, of het uitstaande verschuldigde bedrag met betrekking tot, de rest van de in aanmerking komende schulden, met inachtneming van de rangorde van vorderingen die in een liquidatieprocedure wordt toegepast.
   § 2. Wanneer de afwikkelingsautoriteit de afschrijvings- of omzettingsbevoegdheden uitoefent, verdeelt zij de verliezen die vertegenwoordigd worden door de som van de in artikel 267/7, § 3, 2° en 3° vermelde bedragen over elke categorie van kapitaal en in aanmerking komende schulden naargelang van hun rang in de rangorde van vorderingen die in een liquidatieprocedure wordt toegepast, en binnen elke categorie naar evenredigheid van de nominale waarde van die instrumenten en schulden of van het uitstaande verschuldigde bedrag met betrekking tot die instrumenten en schulden, onverminderd een andere verdeling van de verliezen over in aanmerking komende schulden van dezelfde rang, met toepassing van artikel 267/2, § 2.
   § 3. Een afschrijvings- of omzettingsmaatregel als vermeld in § 1 wordt in voorkomend geval onder dezelfde voorwaarden toegepast op de restwaarde van een in § 1, 2° tot 4° vermeld instrument waarop reeds een afschrijving werd toegepast op grond van contractuele bepalingen.
   § 4. Onverminderd de in de artikelen 242, 10° en 267/2, § 2 bedoelde uitsluitingen mag de afwikkelingsautoriteit een verplichting niet afschrijven of omzetten terwijl andere verplichtingen die aan die verplichting zijn achtergesteld, grotendeels niet worden omgezet of afgeschreven.]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij KB 2015-12-18/19, art. 17, 003; Inwerkingtreding : 01-01-2016>
  

  Art. 267/9. [1 § 1. De afwikkelingsautoriteit oefent de afschrijvings- en omzettingsbevoegdheden met betrekking tot een verplichting die uit derivaten voortvloeit uit wanneer de derivatenposities gesloten zijn. Bij de opening van de afwikkelingsprocedure kan de afwikkelingsautoriteit de derivatencontracten opzeggen of de derivatenposities sluiten.
   Indien een uit derivaten voortvloeiende verplichting van de toepassing van de maatregel van interne versterking met toepassing van artikel 267/2, § 2, is uitgesloten, is de afwikkelingsautoriteit niet verplicht de voornoemde derivatencontracten te beėindigen of de derivatenposities te sluiten.
   In het kader van de waardering krachtens de artikelen 246 tot 248 houdt de afwikkelingsautoriteit of de onafhankelijke persoon rekening met de bestaande verrekeningsovereenkomsten en bepaalt zij de respectieve verplichtingen van de partijen op nettobasis overeenkomstig de bepalingen van deze overeenkomsten.
   § 2. De afwikkelingsautoriteit bepaalt de waarde van uit derivaten voortvloeiende verplichtingen op basis van het volgende :
   1° passende methodes voor het bepalen van de waarde van de categorieėn van derivaten, met inbegrip van de transacties die aan salderingsovereenkomsten zijn onderworpen;
   2° beginselen voor het bepalen van het tijdstip waarop de waarde van een derivatenpositie moet worden vastgelegd; en
   3° passende methodologieėn voor het vergelijken van de waardevernietiging die het gevolg zou zijn van het afsluiten van de derivatenposities en de interne versterking voor derivaten, met het bedrag van de verliezen die door deze derivaten zouden worden gedragen in geval van interne versterking.]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij KB 2015-12-18/19, art. 18, 003; Inwerkingtreding : 01-01-2016>
  

  Art. 267/10. [1 Bij het uitoefenen van de omzettingsbevoegdheid als bedoeld in artikel 250, § 2 en in artikel 276, § 2, 4° /2, mag de afwikkelingsautoriteit verschillende omzettingskoersen op verschillende categorieėn van kapitaalinstrumenten en verplichtingen toepassen. Bij de bepaling van deze omzettingskoersen wordt rekening gehouden met de rangorde van de categorieėn van passiva die in een liquidatieprocedure wordt toegepast.
   De omzettingskoers biedt de getroffen schuldeiser een passende vergoeding voor het als gevolg van de uitoefening van de afschrijvings- en omzettingsbevoegdheden geleden verlies.]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij KB 2015-12-18/19, art. 19, 003; Inwerkingtreding : 01-01-2016>
  

  Art. 267/11. [1 § 1. Binnen een maand na de toepassing van het instrument van interne versterking op een kredietinstelling om de doelstellingen vermeld in artikel 267/1, § 1, 1° te verwezenlijken, moet het wettelijk bestuursorgaan van de kredietinstelling of de met toepassing van artikel 281, § 2 aangestelde persoon of personen voor de betrokken kredietinstelling een bedrijfssaneringsplan opstellen en ter goedkeuring aan de afwikkelingsautoriteit voorleggen.
   § 2. In buitengewone omstandigheden en indien dit nodig is voor het verwezenlijken van de afwikkelingsdoelstellingen, of indien het bedrijfssaneringsplan in het kader van de toepassing van de regels van de Europese Unie inzake staatssteun moet worden ingediend, kan de afwikkelingsautoriteit de in § 1 vermelde termijn van een maand verlengen met ten hoogste een maand.
   § 3. In het bedrijfssaneringsplan worden overeenkomstig de doelstellingen en de richtsnoeren van de afwikkelingsautoriteit maatregelen vastgelegd die erop gericht zijn de levensvatbaarheid op lange termijn van de kredietinstelling of een deel van haar werkzaamheden binnen een redelijk tijdsbestek te herstellen. Het bevat ten minste de volgende elementen :
   1° een gedetailleerde diagnose van de factoren en problemen waardoor de kredietinstelling in gebrek blijft of waarschijnlijk in gebreke zal blijven, en de omstandigheden die ten grondslag liggen aan de moeilijkheden waarmee de kredietinstelling te kampen heeft;
   2° een beschrijving van de te nemen maatregelen die gericht zijn op het herstellen van de levensvaatbaarheid op lange termijn van de kredietinstelling;
   3° een tijdschema voor de tenuitvoerlegging van die maatregelen.
   In het bedrijfssaneringsplan wordt onder meer rekening gehouden met de actuele stand van en toekomstige vooruitzichten voor de financiėle markten, op basis van optimistische en pessimistische hypothesen, zoals een combinatie van situaties op grond waarvan de belangrijkste zwakke punten van de kredietinstelling kunnen worden vastgesteld. De hypothesen worden vergeleken met passende sectorbrede benchmarks.
   Dit plan moet in voorkomend geval verenigbaar zijn met het herstructureringsplan dat in het kader van de toepassing van de regels van de Europese Unie inzake staatssteun wordt opgesteld.
   § 4. Maatregelen gericht op het herstel van de levensvatbaarheid op lange termijn als bedoeld in paragraaf 3 zijn onder meer :
   1° de reorganisatie van de werkzaamheden van de kredietinstelling;
   2° wijzigingen in de operationele systemen en de infrastructuur in de kredietinstelling;
   3° het staken van verliesgevende activiteiten;
   4° de herstructurering van bestaande activiteiten die winstgevend kunnen worden gemaakt;
   5° de verkoop van activa of van bedrijfsonderdelen.]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij KB 2015-12-18/19, art. 20, 003; Inwerkingtreding : 01-01-2016>
  

  Art. 267/12. [1 § 1. Binnen een maand te rekenen vanaf de datum van voorlegging van het in artikel 267/11 vermelde bedrijfssaneringsplan beoordeelt de afwikkelingsautoriteit de geschiktheid van dat plan om de levensvatbaarheid op lange termijn van de betrokken kredietinstelling te herstellen. Deze beoordeling wordt in overleg met de bevoegde autoriteit verricht.
   Indien de afwikkelingsautoriteit en de bevoegde autoriteit van oordeel zijn dat die doelstelling kan worden verwezenlijkt met de uitvoering van het plan, keurt de afwikkelingsautoriteit het plan goed.
   § 2. Indien de afwikkelingsautoriteit van oordeel is dat de in § 1 bedoelde doelstelling niet kan worden verwezenlijkt met de uitvoering van het plan, stelt zij in overleg met de bevoegde autoriteit het wettelijk bestuursorgaan van de kredietinstelling of de overeenkomstig artikel 281, § 2 aangestelde persoon of personen in kennis van de door haar vastgestelde tekortkomingen en eist zij dat het plan zodanig wordt gewijzigd dat deze tekortkomingen worden verholpen.
   § 3. Binnen twee weken te rekenen vanaf de datum van ontvangst van de in § 2 bedoelde kennisgeving legt het wettelijk bestuursorgaan van de kredietinstelling of de overeenkomstig artikel 281, § 2 aangestelde persoon of personen aan de afwikkelingsautoriteit een gewijzigd plan ter goedkeuring voor. De afwikkelingsautoriteit beoordeelt het gewijzigde plan en laat het wettelijk bestuursorgaan van de kredietinstelling of de overeenkomstig artikel 281, § 2 aangestelde persoon of personen binnen een week weten of zij van oordeel is dat de vastgestelde tekortkomingen verholpen zijn of dat verdere wijzigingen zijn vereist.
   § 4. Het wettelijk bestuursorgaan van de kredietinstelling of de overeenkomstig artikel 281, § 2 aangestelde persoon of personen voeren het saneringsplan zoals goedgekeurd door de afwikkelingsautoriteit en de bevoegde autoriteit uit en leggen ten minste om de zes maanden een verslag voor aan de afwikkelingsautoriteit over de gemaakte vorderingen bij de uitvoering van het plan.
   § 5. Het wettelijk bestuursorgaan van de kredietinstelling of de overeenkomstig artikel 281, § 2 aangestelde persoon of personen herzien het plan indien dat naar het inzicht van de afwikkelingsautoriteit, met de instemming van de bevoegde autoriteit, nodig is om de in artikel 267/11, § 3 bedoelde doelstelling te verwezenlijken, en leggen elke wijziging van dit plan ter goedkeuring voor aan de afwikkelingsautoriteit.]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij KB 2015-12-18/19, art. 21, 003; Inwerkingtreding : 01-01-2016>
  

  Art. 267/13. [1 § 1. Wanneer de afwikkelingsautoriteit de hoofdsom of het uitstaande verschuldigde bedrag van een verplichting met gebruikmaking van de in artikel 267, § 2, 4° /1 bedoelde bevoegdheid tot nul verlaagt, worden die verplichting en eventuele verplichtingen of vorderingen die daaruit voortvloeien en die niet vorderbaar waren op het moment waarop de maatregel ten uitvoer werd gelegd, als tenietgegaan beschouwd in hoofdsom en in rente en kunnen zij niet worden ingebracht in het kader van eventuele latere procedures met betrekking tot de kredietinstelling in afwikkeling of een eventuele opvolgende entiteit bij een latere liquidatie.
   § 2. Indien de afwikkelingsautoriteit de hoofdsom of het uitstaande verschuldigde bedrag van een verplichting met gebruikmaking van de in artikel 276, § 2, 4° /1 bedoelde bevoegdheid gedeeltelijk verlaagt :
   1° wordt de verplichting als tenietgedaan beschouwd ten belope van het verminderde bedrag;
   2° blijft het instrument of de overeenkomst waarop de oorspronkelijke verplichting is gebaseerd, van toepassing op het resterende bedrag van de hoofdsom of het uitstaande verschuldigde bedrag van de verplichting, behoudens een eventuele wijziging van het verschuldigde rentebedrag om rekening te houden met de verlaging van het bedrag van de hoofdsom, en een eventuele verdere wijziging van de voorwaarden die de afwikkelingsautoriteit zou kunnen aanbrengen met toepassing van artikel 276, § 2, 4° /4.]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij KB 2015-12-18/19, art. 22, 003; Inwerkingtreding : 01-01-2016>
  

  Art. 267/14. [1 De omzetting van in aanmerking komende schulden of van aanvullend-tier 1- of -tier 2-instrumenten van een kredietinstelling in aandelen of andere eigendomsinstrumenten heeft van rechtswege uitwerking overeenkomstig artikel 275, niettegenstaande enige wettelijke of contractuele bepaling of enig andersluidend beding in haar statuten of in haar oprichtingsakte, met inbegrip van enig voorkeurrecht voor aandeelhouders of enig beding dat inhoudt dat aandeelhouders toestemming moeten verlenen voor een kapitaalverhoging.]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij KB 2015-12-18/19, art. 23, 003; Inwerkingtreding : 01-01-2016>
  

  Art. 267/15. [1 § 1. Indien een in aanmerking komende schuld die onderworpen is aan de wetgeving van een derde land geen deposito als vermeld in artikel 389, § 2 vormt, moeten de kredietinstellingen ervoor zorgen dat in de overeenkomst een bepaling wordt opgenomen die inhoudt dat de schuldeiser erkent dat de verplichting mag worden omgezet of dat de waarde ervan mag worden verminderd, en erin toestemt gebonden te zijn door elke verlaging van de hoofdsom of van het uitstaande verschuldigde bedrag, elke omzetting of intrekking die door de uitoefening van deze bevoegdheden door de afwikkelingsautoriteit wordt teweeggebracht.
   De afwikkelingsautoriteit kan verlangen dat de betrokken kredietinstellingen haar een juridisch advies verstrekken over de afdwingbaarheid en de doeltreffendheid van een dergelijke clausule.
   § 2. § 1 is niet van toepassing indien de afwikkelingsautoriteit van oordeel is dat de verplichtingen of instrumenten onderworpen kunnen zijn aan haar afschrijvings- of omzettingsbevoegdheden krachtens de wetgeving van een derde land of een met dat derde land gesloten bindende overeenkomst.
   Het ontbreken van de in § 1 bedoelde bepaling in de overeenkomst belet niet dat de afwikkelingsautoriteit haar prerogatieven uitoefent.]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij KB 2015-12-18/19, art. 24, 003; Inwerkingtreding : 01-01-2016>
  

  Afdeling V. - Gemeenschappelijke bepalingen betreffende de afwikkelingsinstrumenten

  Art. 268. § 1. Een overdracht bevolen met toepassing van het instrument van verkoop van de onderneming, het instrument van de overbruggingsinstelling of het instrument van afsplitsing van activa is niet onderworpen aan :
  1° de goedkeuring van het wettelijk bestuursorgaan of de algemene vergadering van de aandeelhouders van de kredietinstelling of van een derde die geen ontvanger is, niettegenstaande elke strijdige wettelijke, statutaire of contractuele bepaling;
  2° de inachtneming van enige procedurele vereisten van vennootschaps- of effectenrecht andere dan deze die voorvloeien uit dwingende bepalingen van internationale verdragen of internationale akten genomen krachtens dergelijke verdragen.
  § 2. De afwikkelingsautoriteit stelt de minister van Financiėn in kennis van elke beschikkingsbeslissing die zij van plan is te nemen. De minister kan zich hiertegen verzetten gedurende een termijn van achtenveertig uur indien hij oordeelt dat de beoogde handeling een rechtstreeks fiscaal effect of systemische gevolgen heeft.

  Art. 269.§ 1. Bij toepassing van het instrument van verkoop van de onderneming, het instrument van de overbruggingsinstelling of het instrument van afsplitsing van activa, mag de afwikkelingsautoriteit de overdrachtsbevoegdheid meerdere malen uitoefenen om aanvullende overdrachten van aandelen of andere eigendomsinstrumenten, activa, rechten of verbintenissen aan de ontvanger te verrichten.
  § 2. Onder de voorwaarden bepaald door de Koning op advies van de afwikkelingsautoriteit, kan de afwikkelingsautoriteit de aandelen, andere eigendomsinstrumenten, activa, rechten of verbintenissen die aan een ontvanger werden overgedragen met toepassing van een van de afwikkelingsinstrumenten bedoeld in paragraaf 1, opnieuw aan de kredietinstelling of aan hun oorspronkelijke eigenaars, naargelang het geval, doen overdragen.
  [1 § 3. Bij toepassing van de afwikkelingsinstrumenten bedoeld in paragraaf 1, en onverminderd het bepaalde in Hoofdstuk VII van deze Titel, hebben aandeelhouders of schuldeisers van de kredietinstelling in afwikkeling en andere derden wier activa, rechten of verbintenissen niet zijn overgedragen, geen rechten op of met betrekking tot de overdragen activa, rechten of verbintenissen.]1
  ----------
  (1)<W 2016-06-27/09, art. 23, 008; Inwerkingtreding : 16-07-2016>

  Art. 270. Onverminderd artikel 278 en de bepalingen van Hoofdstuk VII en niettegenstaande elke strijdige contractuele bepaling, kunnen de overdrachten bevolen door de afwikkelingsautoriteit en bekrachtigd door de rechtbank overeenkomstig artikel 302 geen wijziging tot gevolg hebben van de bepalingen van overeenkomsten met betrekking tot de overgedragen activiteiten, of een einde stellen aan dergelijke overeenkomsten, noch aan enige partij het recht geven om deze eenzijdig te beėindigen, de uitvoering ervan op te schorten, over te gaan tot schuldvergelijking van de daaruit voortvloeiende vorderingen en schulden of ontbindende voorwaarden of verval van de termijnbepaling in te roepen.

  Art. 271. De ontvanger wordt geacht de voortzetting te zijn van de kredietinstelling en mag alle rechten blijven uitoefenen die door de kredietinstelling werden uitgeoefend met betrekking tot de overgedragen activa, rechten of verbintenissen, inclusief de rechten van lidmaatschap van en toegang tot betalings-, clearing- en afwikkelingssystemen, tot gereglementeerde markten en tot beleggerscompensatiestelsels en depositogarantiestelsels.
  De toegang tot de in het eerste lid bedoelde systemen en markten mag de ontvanger niet worden geweigerd omdat hij niet over een rating van een kredietratingbureau beschikt, of omdat die rating niet overeenstemt met de ratingniveaus die zijn vereist om toegang tot de betreffende systemen en markten te krijgen.
  Indien de ontvanger niet voldoet aan de lidmaatschaps- of deelnemingscriteria van een betalings-, clearing- of afwikkelingssysteem, een gereglementeerde markt of een depositogarantiestelsel, bepaalt de afwikkelingsautoriteit de overgangsperiode tijdens dewelke hij de rechten bedoeld in het eerste lid kan uitoefenen. Deze periode mag niet langer zijn dan 24 maanden doch kan door de afwikkelingsautoriteit worden verlengd op verzoek van de ontvanger.

  Art. 272.§ 1. [1 De afwikkelingsautoriteit en het Afwikkelingsfonds kunnen redelijke uitgaven die zij rechtmatig hebben gedaan bij het gebruik van de afwikkelingsinstrumenten, bij de uitoefening van afwikkelingsbevoegdheden, bij de interventies van het Afwikkelingsfonds of bij het gebruik van overheidsinstrumenten voor financiėle stabilisatie, verhalen op een of meer van de volgende wijzen :]1
  1° van de kredietinstelling in afwikkeling;
  2° door het bedrag af te houden op de vergoedingen die een ontvanger aan de kredietinstelling of, in voorkomend geval, aan de eigenaars van aandelen of andere eigendomsinstrumenten betaalt;
  3° door het bedrag af te houden op de opbrengsten die voortvloeien uit de beėindiging van de activiteiten van de overbruggingsinstelling of van het vehikel voor activabeheer.
  § 2. [1 De vorderingen van de afwikkelingsautoriteit en het Afwikkelingsfonds ten aanzien van de kredietinstelling voor kosten die zij hebben opgelopen in het kader van de procedure voor de afwikkeling van een kredietinstelling, zijn bevoorrecht op alle roerende goederen van deze kredietinstelling.]1
  Het in het eerste lid bedoelde voorrecht neemt rang onmiddellijk na het voorrecht bepaald in artikel 19, 1° van de hypotheekwet van 16 december 1851.
  ----------
  (1)<W 2016-06-27/09, art. 24, 008; Inwerkingtreding : 16-07-2016>

  Art. 273.§ 1. Elke kredietinstelling die is onderworpen aan de toepassing van een afwikkelingsinstrument of waarvoor de afwikkelingsautoriteit oordeelt dat is voldaan aan de voorwaarden voor het initiėren van een afwikkelingsprocedure bedoeld in artikel 244, § 1, kan enkel failliet worden verklaard op verzoek of met toestemming van de afwikkelingsautoriteit.
  § 2. De griffie van [1 de bevoegde insolventierechtbank]1 stelt de afwikkelingsautoriteit onverwijld in kennis van elke aanvraag tot opening van een faillissementsprocedure met betrekking tot een kredietinstelling.
  Over een dergelijke aanvraag kan enkel worden beslist indien de afwikkelingsautoriteit overeenkomstig het eerste lid in kennis werd gesteld en indien, binnen een termijn van zeven dagen na deze kennisgeving, de afwikkelingsautoriteit [1 de bevoegde insolventierechtbank]1 niet heeft gemeld dat zij een afwikkelingsinstrument toepast op de betreffende kredietinstelling of oordeelt dat de kredietinstelling voldoet aan de voorwaarden voor het initiėren van een afwikkelingsprocedure.
  ----------
  (1)<W 2019-05-02/25, art. 42, 019; Inwerkingtreding : 31-05-2019>

  Art. 273/1. [1 Onverminderd een krachtens artikel 280, § 1, 2° opgelegde maatregel, kan de afwikkelingsautoriteit de rechtbank waarbij de zaak aanhangig is gemaakt verzoeken om gedurende een in het licht van de nagestreefde doelstellingen passende termijn opschorting te verlenen van een gerechtelijke maatregel of procedure waarbij een kredietinstelling in afwikkeling partij is of wordt, indien zulks voor de doeltreffende toepassing van de afwikkelingsinstrumenten en -bevoegdheden noodzakelijk is.]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij W 2018-03-11/07, art. 250, 016; Inwerkingtreding : 26-03-2018>
  

  Art. 274.De daden van beschikking bevolen door de afwikkelingsautoriteit in het kader van een afwikkelingsmaatregel kunnen niet op grond van [1 de artikelen XX.111, XX.112 of XX.114 van het Wetboek van economisch recht]1 of artikel 1167 van het Burgerlijk Wetboek niet-tegenstelbaar worden verklaard aan de schuldeisers.
  ----------
  (1)<W 2019-05-02/25, art. 43, 019; Inwerkingtreding : 31-05-2019>

  Art. 275.
  <Opgeheven bij W 2019-05-02/25, art. 44, 019; Inwerkingtreding : 31-05-2019>

  HOOFDSTUK VI. - Afwikkelingsbevoegdheden

  Afdeling I. - Algemene bevoegdheden

  Art. 276.§ 1. De afwikkelingsautoriteit kan van een kredietinstelling, indien nodig door inspecties ter plaatse, eisen dat zij alle informatie overlegt die de afwikkelingsautoriteit nodig heeft om te beslissen over een afwikkelingsmaatregel of om haar bevoegdheid tot afschrijving of omzetting van kapitaalinstrumenten uit te oefenen.
  § 2. Zodra de afwikkelingsautoriteit besluit dat een kredietinstelling voldoet aan de voorwaarden voor het initiėren van een afwikkelingsprocedure bedoeld in artikel 244, § 1, heeft zij de volgende afwikkelingsbevoegdheden die zij, met inachtneming van artikel 255, § 3, tweede lid, afzonderlijk of in combinatie met elkaar kan uitoefenen :
  1° de bevoegdheid om de controle over de kredietinstelling over te nemen en alle rechten en bevoegdheden van de algemene vergadering van aandeelhouders en van het wettelijk bestuursorgaan van de kredietinstelling uit te oefenen, overeenkomstig artikel 281;
  2° de bevoegdheid om de overdracht te bevelen van door de kredietinstelling uitgegeven aandelen of andere eigendomsinstrumenten aan een overnemer of een overbruggingsinstelling, met diens toestemming, overeenkomstig artikel 256 of 260;
  3° de bevoegdheid om de overdracht te bevelen van alle of een deel van de rechten, activa en verbintenissen van de kredietinstelling aan een ontvanger, met diens toestemming, overeenkomstig artikel 256, 260 of 265;
  4° de bevoegdheid om de overdracht te bevelen van alle of een deel van de aandelen, andere eigendomsinstrumenten, activa, rechten of verbintenissen van de overbruggingsinstelling aan een derde, overeenkomstig artikel 261;
  [1 4° /1 de bevoegdheid om de hoofdsom of het uitstaande verschuldigde bedrag met betrekking tot in aanmerking komende schulden van een kredietinstelling (tot nul) te verlagen;
   4° /2 de bevoegdheid om de in aanmerking komende schulden van een kredietinstelling om te zetten in aandelen of andere eigendomsinstrumenten van die kredietinstelling, haar moederonderneming of een overbruggingsinstelling;
   4° /3 de bevoegdheid om door een kredietinstelling uitgegeven schuldinstrumenten in te trekken, tenzij het gaat om door zekerheid gedekte verplichtingen als bedoeld in artikel 242, 10°, b);
   4° /4 de bevoegdheid om de looptijd van de schuldinstrumenten en andere in aanmerking komende schulden van een kredietinstelling te wijzigen of het bedrag van de in het kader van deze schuldinstrumenten en in aanmerking komende schulden verschuldigde rente of de datum waarop de rente moet worden betaald te wijzigen, met inbegrip van een tijdelijke opschorting van betaling, tenzij het gaat om door zekerheid gedekte verplichtingen als bedoeld in artikel 242, 10°, b);
   4° /5 de bevoegdheid om [2 financiėle contracten of]2 derivatencontracten overeenkomstig artikel 267/9 te vereffenen of te beėindigen;]1
  5° de bevoegdheid om de nominale waarde van de aandelen of andere eigendomsinstrumenten van een kredietinstelling te verminderen of tot nul te herleiden en deze aandelen of andere eigendomsinstrumenten te vernietigen;
  6° de bevoegdheid om een kredietinstelling of haar moederonderneming te verplichten tot uitgifte van nieuwe aandelen, andere eigendomsinstrumenten of andere kapitaalinstrumenten, met inbegrip van preferente aandelen en voorwaardelijk converteerbare instrumenten, overeenkomstig de artikelen 232, tweede lid, 10° en 254, § 1;
  7° de bevoegdheid om de leden van het wettelijk bestuursorgaan en van de effectieve leiding van de kredietinstelling uit hun functies te ontheffen of te vervangen; en
  8° [1 de bevoegdheid om de toezichthouder opdracht te geven de verwerver van een gekwalificeerde deelneming in de kredietinstelling tijdig en in overeenstemming met artikel 259, § 1 en artikel 267/7, § 4 te beoordelen, in voorkomend geval in afwijking van de in de artikelen 47 en 48 vastgestelde termijnen.]1
  ----------
  (1)<KB 2015-12-18/19, art. 26, 003; Inwerkingtreding : 01-01-2016>
  (2)<W 2017-12-05/04, art. 66, 015; Inwerkingtreding : 28-12-2017>

  Afdeling II. - Aanvullende bevoegdheden

  Art. 277. Met inachtneming van de beperkingen bepaald in Hoofdstuk VII, beschikt de afwikkelingsautoriteit, in het kader van de uitoefening van de afwikkelingsbevoegdheden, over de bevoegdheid om :
  1° maatregelen te nemen om overgedragen aandelen, andere eigendomsinstrumenten, activa, rechten of verbintenissen vrij te maken van rechten of zekerheden;
  2° rechten op te heffen van aandeelhouders of derden om aandelen of andere eigendomsinstrumenten uitgegeven door de kredietinstelling te verwerven;
  3° de bevoegde overheid op te dragen om de toelating tot de verhandeling op een gereglementeerde markt of de officiėle notering van financiėle instrumenten uitgegeven door een kredietinstelling op te schorten;
  4° maatregelen te nemen opdat de ontvanger wordt behandeld als de kredietinstelling voor de uitoefening van haar rechten en verplichtingen, met inbegrip van rechten of verplichtingen verbonden aan de deelneming in een marktinfrastructuur;
  5° de kredietinstelling of de ontvanger te verplichten de andere partij informatie en bijstand te verstrekken;
  6° de bedingen van een overeenkomst waarbij de kredietinstelling partij is, te annuleren of te wijzigen;
  7° alle nodige en nuttige maatregelen te nemen om de continuļteit van de door de kredietinstelling aangegane overeenkomsten te verzekeren overeenkomstig artikel 270, en om de ontvanger toe te laten de rechten en verplichtingen uit hoofde van de overeenkomsten en financiėle instrumenten verbonden aan de activiteiten die hem werden overgedragen, volledig uit te oefenen; en
  8° te bevelen dat de ontvanger de kredietinstelling vervangt als partij bij de overeenkomsten en financiėle instrumenten verbonden aan de activiteiten die hem werden overgedragen, en in elke gerechtelijke procedure betreffende enige overgedragen activa of passiva, overeenkomsten of rechten of verbintenissen.

  Art. 278. De bevoegdheden bedoeld in artikel 277 doen geen afbreuk :
  1° aan het recht van een werknemer van de kredietinstelling om zijn arbeidscontract te beėindigen;
  2° onder voorbehoud van artikel 280, § 1, aan het recht van een partij bij een overeenkomst om rechten op grond van de overeenkomst uit te oefenen, met inbegrip van het recht tot beėindiging, wegens een handeling of nalatigheid van de kredietinstelling vóór de overdracht of van de ontvanger na de overdracht.

  Afdeling III. - Bevoegdheid om het verstrekken van diensten en faciliteiten op te leggen

  Art. 279.§ 1. Onder voorbehoud van de beperkingen bepaald in Hoofdstuk VII, mag de afwikkelingsautoriteit, in het kader van de uitoefening van de afwikkelingsbevoegdheden, de kredietinstelling of een enige entiteit van haar groep ertoe verplichten om aan de ontvanger alle diensten en operationele faciliteiten, met uitzondering van elke vorm van financiėle bijstand, te verstrekken die nodig zijn om hem in staat te stellen de aan hem overgedragen activiteiten effectief uit te oefenen.
  [1 De afwikkelingsautoriteit is bevoegd om de nakoming af te dwingen van de verplichtingen die met toepassing van artikel 65, lid 1 van Richtlijn 2014/59/EU door afwikkelingsautoriteiten in andere lidstaten zijn opgelegd aan in Belgiė gevestigde groepsentiteiten.]1
  § 2. Indien de diensten en faciliteiten bedoeld in paragraaf 1 in het kader van een overeenkomst aan de kredietinstelling werden verstrekt onmiddellijk voordat de afwikkelingsmaatregel is genomen, verstrekt de kredietinstelling deze diensten en faciliteiten onder dezelfde voorwaarden en voor de duur van die overeenkomst. Bij gebrek daaraan verstrekt zij deze onder redelijke voorwaarden.
  § 3. De afwikkelingsautoriteit kan de minimumlijst van diensten en operationele faciliteiten nader bepalen die nodig zijn om de ontvanger in staat te stellen de aan hem overgedragen activiteiten uit te oefenen.
  ----------
  (1)<W 2018-03-11/07, art. 251, 016; Inwerkingtreding : 26-03-2018>

  Afdeling IV. - Bevoegdheid om bepaalde verplichtingen op te schorten, de tegenstelbaarheid van zekerheidsrechten te beperken en beėindigingsrechten op te schorten

  Art. 280.§ 1. Onder voorbehoud van de beperkingen bepaald in Hoofdstuk VII, kan de afwikkelingsautoriteit, in het kader van de uitoefening van de afwikkelingsbevoegdheden :
  1° elke betalings- of leveringsverplichting ingevolge een overeenkomst waarbij de kredietinstelling partij is, opschorten vanaf de bekendmaking vereist door artikel 295, 1° tot middernacht op de werkdag volgend op die bekendmaking, met dien verstande dat de betalings- of leveringsverplichtingen van de tegenpartijen van de kredietinstelling ingevolge dezelfde overeenkomst voor dezelfde periode worden opgeschort;
  2° het recht van schuldeisers van de kredietinstelling tot uitwinning van hun zekerheden te beperken voor de duur bepaald in 1° ;
  3° de beėindigingsrechten van een partij bij een overeenkomst met de kredietinstelling of, onder de voorwaarden bepaald door de Koning, met een dochteronderneming van de kredietinstelling, opschorten voor de duur bepaald in 1° [1 , voor zover de essentiėle verplichtingen uit hoofde van de overeenkomst, inzonderheid de betalings- en leveringsverplichtingen en de zekerheidsstelling, verder worden nageleefd]1.
  § 2. Opschortingen uit hoofde van paragraaf 1, 1° zijn niet van toepassing op :
  1° gewaarborgde deposito's;
  2° betalings- of leveringsverplichtingen aan systemen of exploitanten van systemen die zijn aangewezen voor de toepassing van Richtlijn 98/26/EG, aan centrale tegenpartijen en aan centrale banken;
  3° in aanmerking komende vorderingen voor de toepassing van Richtlijn 97/9/EG van het Europees Parlement en de Raad van 3 maart 1997 inzake de beleggerscompensatiestelsels.
  § 3. De bevoegdheid bedoeld in paragraaf 1, 2°, kan niet worden uitgeoefend met betrekking tot een zekerheidsrecht van de entiteiten bedoeld in paragraaf 2, 2°, bij wijze van margestorting of zekerheid door de kredietinstelling.
  § 4. Opschortingen uit hoofde van paragraaf 1, 3°, zijn niet van toepassing ten aanzien van de entiteiten bedoeld in paragraaf 2, 2°.
  [2 § 5. In geval van opschorting uit hoofde van paragraaf 1, 3° kan een beėindigingsrecht worden uitgeoefend voor het einde van de termijn bepaald in paragraaf 1, 1° indien de afwikkelingsautoriteit een bericht heeft bekendgemaakt dat de onder de overeenkomst vallende rechten en verplichtingen niet aan een andere entiteit worden overgedragen, of dat deze, bij toepassing van het instrument van interne versterking op grond van artikel 267/1, § 1, 1°, niet aan afschrijving of omzetting onderworpen zijn.
   § 6. Indien de afwikkelingsautoriteit de bevoegdheid bedoeld in paragraaf 1, 3° uitoefent en geen bericht heeft bekendgemaakt als bedoeld in paragraaf 5, mogen de beėindigingsrechten na afloop van de termijn bedoeld in paragraaf 1, 1° als volgt worden uitgeoefend :
   1° indien de onder de overeenkomst vallende rechten en verplichtingen aan een andere entiteit zijn overgedragen, mag een tegenpartij die beėindigingsrechten alleen uitoefenen indien zich aan de zijde van de ontvanger een afdwingingsgrond blijft voordoen of zich later voordoet;
   2° indien de onder de overeenkomst vallende rechten en verplichtingen bij de kredietinstelling in afwikkeling blijven en de afwikkelingsautoriteit ten aanzien van deze instelling niet overeenkomstig artikel 267/1, § 1, 1° het instrument van interne versterking op dat contract heeft toegepast, kan een tegenpartij bij het verstrijken van de opschorting beėindigingsrechten uitoefenen volgens de voorwaarden van die overeenkomst.]2
  ----------
  (1)<W 2015-12-18/17, art. 27, 004; Inwerkingtreding : 08-01-2016>
  (2)<W 2016-06-27/09, art. 25, 008; Inwerkingtreding : 16-07-2016>

  Afdeling V. - Uitoefening van de afwikkelingsbevoegdheden

  Art. 281. § 1. Teneinde een of meer afwikkelingsmaatregelen te nemen, kan de afwikkelingsautoriteit controle uitoefenen over de kredietinstelling die haar toelaat :
  1° te beschikken over alle bevoegdheden van de algemene vergadering van de aandeelhouders, het wettelijk bestuursorgaan en de directie van de kredietinstelling; en
  2° de activa en het patrimonium van de kredietinstelling te beheren en vervreemden.
  § 2. De afwikkelingsautoriteit kan de in paragraaf 1 bedoelde controle rechtstreeks uitoefenen dan wel onrechtstreeks door tussenkomst van een of meer door haar aangewezen personen.
  Aldus kan de afwikkelingsautoriteit bij de kredietinstelling een bijzondere bestuurder benoemen, die beschikt over alle bevoegdheden van de algemene vergadering van de aandeelhouders, het wettelijk bestuursorgaan en de directie, en deze bevoegdheden uitoefent onder het toezicht van de afwikkelingsautoriteit en binnen de grenzen die zij bepaalt.
  De opdracht van de bijzondere bestuurder bestaat erin om de afwikkelingsmaatregelen te nemen die nodig zijn voor de verwezenlijking van de afwikkelingsdoelstellingen bepaald in artikel 243, en om de beslissingen van de afwikkelingsautoriteit uit te voeren.
  De duur van het mandaat van de bijzondere bestuurder mag twaalf maanden niet te boven gaan maar mag uitzonderlijk worden verlengd door de afwikkelingsautoriteit. Deze kan de bijzondere bestuurder te allen tijde ontslaan.
  § 3. De afwikkelingsautoriteit kan de afwikkelingsmaatregelen nemen hetzij via een bestuursmaatregel, hetzij door uitoefening van de controle over de kredietinstelling overeenkomstig paragraaf 1. Zij kiest de methode van geval tot geval, rekening houdend met de afwikkelingsdoelstellingen en algemene afwikkelingsbeginselen, de specifieke omstandigheden van de betrokken kredietinstelling en de noodzaak om een doeltreffende afwikkeling van grensoverschrijdende groepen te vergemakkelijken.

  Afdeling VI. - [1 Bevoegdheid met betrekking tot activa, rechten, verbintenissen, aandelen en andere eigendomsinstrumenten die zich in derde landen bevinden]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij W 2016-10-25/05, art. 46, 009; Inwerkingtreding : 01-12-2016>

  Art. 281/1. [1 § 1. Wanneer bij een afwikkelingsmaatregel actie wordt ondernomen ten aanzien van activa die zich in een derde land bevinden of ten aanzien van aandelen, andere eigendomsinstrumenten, rechten of verbintenissen die onder het recht van een derde land vallen, kan de afwikkelingsautoriteit verlangen dat :
  1° de curator of andere persoon die zeggenschap over de kredietinstelling in afwikkeling uitoefent en de ontvanger verplicht zijn alle noodzakelijke stappen te nemen om ervoor te zorgen dat de overdracht, de afschrijving, de omzetting of de maatregel van kracht wordt;
  2° de curator of andere persoon die zeggenschap over de kredietinstelling in afwikkeling uitoefent, verplicht is de aandelen, andere eigendomsinstrumenten, activa of rechten te houden of de verbintenissen namens de ontvanger te voldoen totdat de overdracht, de afschrijving, de omzetting of de maatregel van kracht wordt;
  3° de redelijke uitgaven die de ontvanger bij het uitvoeren van een overeenkomstig 1° en 2° vereiste maatregel rechtmatig heeft gemaakt, op een van de manieren als bedoeld in artikel 272 worden vergoed.
  § 2. Wanneer de afwikkelingsautoriteit vaststelt dat het, ondanks alle noodzakelijke, door de curator of andere persoon genomen maatregelen als bedoeld in paragraaf 1, 1° uiterst twijfelachtig is of de overdracht, de omzetting of de maatregel met betrekking tot bepaalde activa in een derde land of bepaalde aandelen, andere eigendomsinstrumenten, rechten of verbintenissen die onder het recht van een derde land vallen, van kracht wordt, gaat de afwikkelingsautoriteit niet over tot de overdracht, de afschrijving, de omzetting of de maatregel in kwestie. Indien de afwikkelingsautoriteit reeds opdracht tot de overdracht, de afschrijving, de omzetting of de maatregel heeft gegeven, is deze opdracht met betrekking tot de desbetreffende activa, aandelen, eigendomsinstrumenten of verbintenissen nietig.]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij W 2016-10-25/05, art. 46, 009; Inwerkingtreding : 01-12-2016>

  HOOFDSTUK VI/1. - [1 Bevoegdheid tot handhaving van door andere lidstaten genomen maatregelen]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij W 2016-10-25/05, art. 47, 009; Inwerkingtreding : 01-12-2016>

  Art. 281/2. [1 § 1. Wanneer een overdracht van aandelen, andere eigendomsinstrumenten of activa, rechten of verbintenissen uitgevoerd met toepassing van Richtlijn 2014/59/EU door de afwikkelingsautoriteit van een andere lidstaat, activa omvat die zich in Belgiė bevinden, dan wel rechten of verbintenissen naar Belgisch recht, heeft deze overdracht uitwerking in Belgiė of krachtens het Belgische recht.
  § 2. De afwikkelingsautoriteit verleent aan de afwikkelingsautoriteit van een andere lidstaat bedoeld in paragraaf 1 die de overdracht heeft uitgevoerd of voornemens is uit te voeren, alle redelijke bijstand om te waarborgen dat de aandelen of andere eigendomsinstrumenten of activa, rechten of verbintenissen overeenkomstig alle toepasselijke vereisten aan de ontvanger worden overgedragen.
  § 3. De aandeelhouders, schuldeisers en derden die door de in paragraaf 1 bedoelde overdracht van aandelen, andere eigendomsinstrumenten, activa, rechten of verbintenissen worden getroffen, zijn niet gerechtigd de overdracht te verhinderen, te betwisten of te vernietigen, zelfs indien in een dergelijk recht voorzien is door het op de aandelen, andere eigendomsinstrumenten, rechten of verbintenissen toepasselijk recht, onverminderd het bepaalde in Hoofdstuk IX.
  § 4. Wanneer de afwikkelingsautoriteit van een andere lidstaat afschrijvings- of omzettingsbevoegdheden uitoefent, onder meer met betrekking tot kapitaalinstrumenten in overeenstemming met artikel 59 van Richtlijn 2014/59/EU, en de in aanmerking komende schulden of relevante kapitaalinstrumenten van de instelling in afwikkeling instrumenten of verbintenissen omvatten die vallen onder het Belgische recht of verbintenissen die verschuldigd zijn aan in Belgiė gevestigde schuldeisers, wordt de hoofdsom van deze verbintenissen of instrumenten verlaagd of worden deze verbintenissen of instrumenten omgezet op grond van de uitoefening van de afschrijvings- of omzettingsbevoegdheden door de afwikkelingsautoriteit van de andere lidstaat.
  § 5. De schuldeisers die getroffen worden door de in paragraaf 4 bedoelde uitoefening van afschrijvings- of omzettingsbevoegdheden, zijn niet gerechtigd om de verlaging van de hoofdsom van het instrument of de verbintenissen dan wel, al naar gelang het geval, de omzetting ervan te betwisten, onverminderd het bepaalde in Hoofdstuk IX.
  § 6. In geval van overdracht van aandelen, andere eigendomsinstrumenten of activa, van rechten of verbintenissen die activa omvatten die zich in een andere lidstaat bevinden of van rechten of verbintenissen die onder het recht van een andere lidstaat vallen, of in geval van uitoefening van afschrijvings- of omzettingsbevoegdheden, met name ten aanzien van aanvullende kapitaalinstrumenten met toepassing van artikel 250, en wanneer de in aanmerking komende schulden of relevante kapitaalinstrumenten van de instelling onderworpen zijn aan een afwikkelingsprocedure die instrumenten of verbintenissen omvat die vallen onder het recht van een andere lidstaat of verbintenissen omvat jegens schuldeisers die gevestigd zijn in een andere lidstaat, wordt het volgende bepaald door het Belgisch recht :
  1° het recht voor aandeelhouders, schuldeisers en derden om door het instellen van een beroep op grond van artikel 305 de hierboven bedoelde overdracht van aandelen, andere eigendomsinstrumenten, activa, rechten of verbintenissen te betwisten;
  2° het recht voor schuldeisers om door het instellen van een beroep op grond van artikel 305 de verlaging van de hoofdsom of de omzetting van een instrument of verbintenis als bedoeld in paragraaf 4 te betwisten;
  3° de in Hoofdstuk VII bedoelde waarborgen voor de hierboven bedoelde gedeeltelijke overdrachten van activa, rechten of verbintenissen.]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij W 2016-10-25/05, art. 47, 009; Inwerkingtreding : 01-12-2016>

  HOOFDSTUK VII. - Vrijwaringsmaatregelen

  Afdeling I. - [1 Bescherming van de aandeelhouders en de schuldeisers bij gedeeltelijke overdracht en bij toepassing van het instrument van interne versterking]1
  ----------
  (1)<KB 2015-12-18/19, art. 27, 003; Inwerkingtreding : 01-01-2016>

  Art. 282.[1 § 1.]1 Indien de afwikkelingsmaatregel slechts een gedeeltelijke overdracht van de activa, rechten en verbintenissen van de kredietinstelling meebrengt, ontvangen de aandeelhouders en de schuldeisers van wie de vorderingen niet zijn overgedragen, ter voldoening van hun effecten of vorderingen ten minste evenveel als het bedrag dat zij zouden hebben ontvangen mocht de kredietinstelling onmiddellijk vóór de overdracht volgens een liquidatieprocedure zijn vereffend.
  [1 § 2. Wanneer de afwikkelingsautoriteit het instrument van interne versterking toepast, mogen de aandeelhouders en de schuldeisers waarvan de effecten of de vorderingen afgeschreven of in aandelen of andere eigendomsinstrumenten zijn omgezet, geen grotere verliezen lijden dan zij zouden hebben geleden indien de kredietinstelling onmiddellijk vóór de beslissing van de afwikkelingsautoriteit om het instrument van interne versterking toe te passen, in het kader van een liquidatieprocedure was vereffend.]1
  ----------
  (1)<KB 2015-12-18/19, art. 28, 003; Inwerkingtreding : 01-01-2016>

  Art. 283.§ 1. Om te beoordelen of de aandeelhouders en de schuldeisers beter zouden zijn behandeld indien de kredietinstelling zou zijn vereffend in het kader van een liquidatieprocedure, laat de afwikkelingsautoriteit een waardering uitvoeren door een onafhankelijk expert na de uitoefening van de betrokken afwikkelingsmaatregel. Deze waardering staat los van de waardering bedoeld in Hoofdstuk III.
  § 2. [1 Bij de waardering bedoeld in paragraaf 1 wordt het volgende bepaald :
   1° de behandeling die aandeelhouders en schuldeisers, of de desbetreffende depositogarantiestelsels, zouden hebben genoten, mocht op het moment dat het in artikel 293 bedoelde besluit werd genomen een liquidatieprocedure zijn geopend ten aanzien van de kredietinstelling in afwikkeling waarop de afwikkelingsmaatregelen betrekking hadden;
   2° de daadwerkelijke behandeling die aandeelhouders en schuldeisers hebben genoten bij de afwikkeling van de kredietinstelling in afwikkeling; en
   3° of er sprake is van een verschil tussen de onder 1° bedoelde behandeling en de onder 2° bedoelde behandeling.]1
  [1 § 3. Bij de waardering wordt :
   1° aangenomen dat tegen de kredietinstelling in afwikkeling waarop de afwikkelingsmaatregelen betrekking hadden, op het moment dat het in artikel 293 bedoelde besluit werd genomen, een liquidatieprocedure zou zijn geopend;
   2° aangenomen dat de afwikkelingsmaatregelen niet hadden plaatsgevonden;
   3° geen rekening gehouden met de toekenning van uitzonderlijke overheidssteun aan de kredietinstelling in afwikkeling.]1
  ----------
  (1)<W 2018-03-11/07, art. 252, 016; Inwerkingtreding : 26-03-2018>

  Art. 284.Indien uit de waardering verricht overeenkomstig artikel 283 blijkt dat een aandeelhouder of een schuldeiser bedoeld in artikel 282 of het Garantiefonds grotere verliezen heeft geleden dan deze die zij zouden hebben geleden bij een vereffening, heeft hij recht op betaling van het verschil door de afwikkelingsautoriteit, ten laste van [1 het Afwikkelingsfonds]1. De nadere regels voor deze betaling worden vastgesteld door de Koning, bij een in Ministerraad overlegd besluit.
  ----------
  (1)<W 2016-06-27/09, art. 26, 008; Inwerkingtreding : 16-07-2016>

  Afdeling II. - Bescherming voor zekerheidsregelingen

  Art. 285. § 1. De afwikkelingsautoriteit kan niet de overdracht bevelen van :
  1° activa waardoor een verplichting is gedekt, tenzij die verplichting en het voordeel van de zekerheid ook worden overgedragen;
  2° een door zekerheid gedekte verplichting, tenzij het voordeel van de zekerheid ook wordt overgedragen;
  3° het voordeel van de zekerheid, tenzij de door zekerheid gedekte verplichting ook wordt overgedragen.
  § 2. De afwikkelingsautoriteit kan geen wijziging of beėindiging van een zekerheidsovereenkomst bevelen indien deze wijziging of beėindiging tot gevolg heeft dat de verplichting niet langer wordt gedekt.
  Voor de toepassing van het eerste lid dient onder "zekerheidsovereenkomst" te worden verstaan, elke overeenkomst op grond waarvan een persoon bij wijze van zekerheid een actueel of voorwaardelijk belang heeft in de over te dragen activa of rechten, ongeacht of dat belang door specifieke activa of rechten, dan wel door een pand op een handelszaak of een andere vlottende zekerheid of soortgelijke regeling is gedekt.
  § 3. De in de voorgaande paragrafen bedoelde bescherming is niet van toepassing op de overdracht, wijziging of beėindiging van de activa, rechten en passiva verbonden aan gewaarborgde deposito's.

  Afdeling III. - Bescherming voor gestructureerde financierings- contracten, financiėle zekerheden en verrekeningsovereenkomsten

  Art. 286.§ 1. De afwikkelingsautoriteit kan niet de gedeeltelijke overdracht, de wijziging of beėindiging bevelen van :
  1° activa, rechten en verbintenissen die een gestructureerde financieringsregeling of een onderdeel ervan vormen waarbij de kredietinstelling partij is, met inbegrip van covered bonds en effectisering;
  2° rechten en verbintenissen uit een overeenkomst tot eigendomsoverdracht ten titel van zekerheid, met inbegrip van een cessie-retrocessieverrichting (repo);
  3° rechten en verbintenissen uit een overeenkomst tot schuldvernieuwing of tot bilaterale of multilaterale schuldvergelijking, met inbegrip van een nettingovereenkomst of een overeenkomst tot schuldvergelijking bij vroegtijdige beėindiging (close-out netting).
  § 2. De in paragraaf 1 bedoelde bescherming is niet van toepassing op de overdracht, wijziging of beėindiging van de activa, rechten en verbintenissen verbonden aan gewaarborgde deposito's.
  § 3. [1 De bepalingen van Titel VIII hebben voorrang op de bepalingen van de wet van 15 december 2004 betreffende financiėle zekerheden en houdende diverse fiscale bepalingen inzake zakelijke zekerheids-overeenkomsten en leningen met betrekking tot financiėle instrumenten.]1
  ----------
  (1)<W 2015-12-18/17, art. 28, 004; Inwerkingtreding : 08-01-2016>

  Afdeling IV. - Uitsluiting van bepaalde contractuele rechten

  Art. 287.[1 § 1. Voor zover de essentiėle verplichtingen die uit de overeenkomst voortvloeien, inzonderheid de betalings- en leveringsverplichtingen en de zekerheidsstelling, verder worden nageleefd, en onverminderd paragraaf 2, mag de toepassing van de afwikkelingsinstrumenten, de uitoefening van de afwikkelingsbevoegdheden, of het nemen van maatregelen als bedoeld in de artikelen 116, § 2, 232, tweede lid, 234, 235, 236 en 250 in verband met een kredietinstelling, zelfs krachtens een door die kredietinstelling gesloten overeenkomst,
   1° niet beschouwd worden als een wanprestatie in de zin van de voornoemde wet van 15 december 2004 of als een insolventie-procedure in de zin van de wet van 28 april 1999 houdende omzetting van Richtlijn 98/26/EG van 19 mei 1998 betreffende het definitieve karakter van de afwikkeling van betalingen en effectentransacties in betalings- en afwikkelingssystemen;
   2° niet toelaten verval van termijnbepaling in te roepen, noch enig recht van beėindiging, opschorting of verrekening uit te oefenen, noch enige zakelijke zekerheid op de activa van de kredietinstelling te gelde te maken.
   De in de eerste lid bedoelde beperkingen zijn ook van toepassing op overeenkomsten gesloten door dochterondernemingen van de kredietinstelling, die verplichtingen bevatten die door de kredietinstelling of door een entiteit van dezelfde groep als de kredietinstelling, worden gewaarborgd of anderszins ondersteund, en op overeenkomsten gesloten door een entiteit van de groep die "cross default"-clausules bevatten.
   § 2. Een opschorting of een beperking uit hoofde van artikel 280, § 1 maakt voor de toepassing van paragraaf 1 van dit artikel geen wanprestatie uit, in het bijzonder in de zin van de voornoemde wet van 15 december 2004.
   § 3. De bepalingen van dit artikel worden beschouwd als bepalingen van bijzonder dwingend recht in de zin van artikel 9 van Verordening (EG) nr. 593/2008 van het Europees Parlement en de Raad.]1
  ----------
  (1)<W 2015-12-18/17, art. 29, 004; Inwerkingtreding : 08-01-2016>

  Afdeling V. - Bescherming van betalings- en afwikkelingssystemen, centrale tegenpartijen en centrale banken

  Art. 288. § 1. De afwikkelingsautoriteit ziet erop toe dat de uitoefening van de afwikkelingsbevoegdheden geen afbreuk doet aan de werking en de reglementering van de betalings- en afwikkelingssystemen.
  In het bijzonder mogen overdrachten, annuleringen of wijzigingen opgelegd door de afwikkelingsautoriteit niet tot gevolg mogen hebben dat :
  1° een overboekingsopdracht wordt herroepen in strijd met artikel 4 van de wet van 28 april 1999 tot omzetting van richtlijn 98/26/EG van 19 mei 1998 betreffende het definitieve karakter van de afwikkeling van betalingen en effectentransacties in betalings- en afwikkelingssystemen;
  2° overboekingsopdrachten en verrekeningen overeenkomstig de artikelen 3 en 4 van dezelfde wet worden gewijzigd of niet-tegenstelbaar gemaakt;
  3° het gebruik van gelden, effecten of kredietfaciliteiten overeenkomstig artikel 3 van dezelfde wet wordt verhinderd;
  4° de zekerheden gesteld overeenkomstig artikel 8 van dezelfde wet worden aangetast.
  § 2. De afwikkelingsautoriteit kan de volgende maatregelen niet opleggen ten aanzien van betalings- en afwikkelingssystemen of hun exploitanten, centrale tegenpartijen of centrale banken :
  1° de opschorting van een door een kredietinstelling uit te voeren betalings- of leveringsverplichting;
  2° de opschorting of beperking van het recht tot uitwinning van zakelijke zekerheden die zij hebben op activa van een kredietinstelling; of
  3° de opschorting van enig recht dat zij hebben om een overeenkomst gesloten met de kredietinstelling of met een dochteronderneming daarvan te beėindigen.

  Afdeling VI. - Bescherming van werknemers

  Art. 289. De uitoefening van een afwikkelingsbevoegdheid doet geen afbreuk aan het recht van een werknemer van de kredietinstelling om de arbeidsovereenkomst die hem met deze instelling verbindt, te beėindigen.

  Art. 290. Voor de toepassing van de collectieve arbeidsovereenkomst nr. 32bis gesloten op 7 juni 1985 in de Nationale Arbeidsraad, betreffende het behoud van de rechten van de werknemers bij wijziging van werkgever ingevolge de overgang van ondernemingen krachtens overeenkomst en tot regeling van de rechten van de werknemers die overgenomen worden bij overname van activa na faillissement, worden de afwikkelingsmaatregelen beschouwd als handelingen gesteld door de kredietinstelling zelf.

  HOOFDSTUK VIII. - Procedurele vereisten [1 en uitwerking van afwikkelingsmaatregelen]1
  ----------
  (1)<W 2019-05-02/25, art. 45, 019; Inwerkingtreding : 31-05-2019>

  Art. 291. Het wettelijk bestuursorgaan van een kredietinstelling is ertoe gehouden aan de toezichthouder en de afwikkelingsautoriteit te melden indien hij van oordeel is dat de kredietinstelling in gebreke blijft of dit nakend is in de zin van artikel 244, § 2.

  Art. 291/1. [1 Wanneer de afwikkelingsautoriteit vaststelt dat de voorwaarden van artikel 244, § 1, niet vervuld zijn, kan zij op grond van de financiėle situatie van de kredietinstelling, in afwijking van artikel XX.100 van het Wetboek van economisch recht, de zaak uit eigen beweging bij dagvaarding aanhangig maken bij de insolventierechtbank.]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij W 2019-05-02/25, art. 46, 019; Inwerkingtreding : 31-05-2019>
  

  Art. 292.[3 Indien de toezichthouder of de afwikkelingsautoriteit vaststelt voor een kredietinstelling dat aan de voorwaarden bedoeld in artikel 244, § 1, 1° en 2°, is voldaan, stelt hij of zij de volgende autoriteiten hiervan onverwijld in kennis:]3
  1° [3 de afwikkelingsautoriteit of de toezichthouder, al naargelang het geval;]3
  2° de bevoegde autoriteit [2 en de afwikkelingsautoriteit]2 van elk bijkantoor van de kredietinstelling;
  3° het Garantiefonds [2 indien zulks noodzakelijk is voor het vervullen van de functies van het Garantiefonds]2;
  [2 3° /1 het Afwikkelingsfonds indien zulks noodzakelijk is voor het vervullen van de functies van het Afwikkelingsfonds;]2
  4° in voorkomend geval, de afwikkelingsautoriteit op groepsniveau;
  5° de minister van Financiėn;
  6° indien de kredietinstelling onderworpen is aan toezicht op geconsolideerde basis, de consoliderende toezichthouder; en
  7° het ESRB;
  [1 8° de Europese Commissie, de Europese Centrale Bank, de Europese Autoriteit voor Effecten en Markten, de Europese Autoriteit voor Verzekeringen en Bedrijfspensioenen en de Europese Bankautoriteit;
   9° indien de instelling in afwikkeling een instelling is in de zin van artikel 2, onder b) van Richtlijn 98/26/EG, de exploitanten van de systemen waaraan zijn deelnemen.]1
  ----------
  (1)<W 2016-06-27/09, art. 27, 008; Inwerkingtreding : 16-07-2016>
  (2)<W 2017-12-05/04, art. 67, 015; Inwerkingtreding : 28-12-2017>
  (3)<W 2019-05-02/25, art. 47, 019; Inwerkingtreding : 31-05-2019>

  Art. 293.De beslissing van de afwikkelingsautoriteit die bepaalt dat voor een kredietinstelling aan de voorwaarden bedoeld in artikel 244, § 1, is voldaan, vermeldt de redenen voor dit besluit [1 evenals de maatregel die de afwikkelingsautoriteit voornemens is te treffen, met inbegrip van, in voorkomend geval, de benoeming van een bijzondere bestuurder]1 .
  ----------
  (1)<W 2016-06-27/09, art. 28, 008; Inwerkingtreding : 16-07-2016>

  Art. 294.§ 1. De afwikkelingsautoriteit stelt de kredietinstelling en de instanties bedoeld in artikel 292 onverwijld in kennis van elke voor haar getroffen afwikkelingsmaatregel. [1 Deze kennisgeving bevat een kopie van elke maatregel of van elk instrument door middel waarvan de betrokken bevoegdheden worden uitgeoefend en geeft de datum aan vanaf wanneer elke afwikkelingsmaatregel van kracht is.]1
  ----------
  (1)<W 2016-06-27/09, art. 29, 008; Inwerkingtreding : 16-07-2016>

  Art. 295.Elke afwikkelingsmaatregel wordt onverwijld bekendgemaakt, in voorkomend geval na het verkrijgen van het vonnis bedoeld in artikel 301, § 5 :
  1° op de website van de afwikkelingsautoriteit;
  2° op de website van de kredietinstelling;
  3° [1 wanneer de aandelen of andere eigendoms- of schuldinstrumenten van de kredietinstelling tot de handel op een gereglementeerde markt zijn toegelaten, op de website van de FSMA; en]1
  4° bij uittreksel, met vermelding van de overgedragen activiteiten en de effectieve datum van overdracht, in de Bijlagen bij het Belgisch Staatsblad, volgens de nadere regels bepaald door de Koning.
  [2 Indien de aandelen of andere eigendoms- of schuldinstrumenten van de kredietinstelling niet voor verhandeling op een gereglementeerde markt zijn toegelaten, zorgt de afwikkelingsautoriteit ervoor dat de documenten die als bewijsstuk van de afwikkelingsmaatregel dienen, worden toegezonden aan de aandeelhouders en schuldeisers van de kredietinstelling in afwikkeling die bekend zijn ingevolge de registers of de gegevensbanken van de kredietinstelling in afwikkeling die ter beschikking staan van de afwikkelingsautoriteit.]2
  ----------
  (1)<W 2015-12-18/17, art. 30, 004; Inwerkingtreding : 08-01-2016>
  (2)<W 2016-06-27/09, art. 30, 008; Inwerkingtreding : 16-07-2016>

  Art. 295/1. [1 § 1. De afwikkelingsmaatregelen en beschikkingsbeslissingen van de afwikkelingsautoriteit hebben van rechtswege uitwerking en zijn van toepassing op de kredietinstelling in afwikkeling evenals op de getroffen schuldeisers en aandeelhouders op de datum vastgesteld door de afwikkelingsautoriteit, en zijn tegenstelbaar aan derden onder de voorwaarden bepaald in artikel 76 van het Wetboek van Vennootschappen.
   Deze maatregelen en beslissingen hebben uitwerking niettegenstaande elke andersluidende bepaling van in het bijzonder, doch niet uitsluitend, het Wetboek van Vennootschappen.
   Deze rechtsuitwerking heeft eveneens betrekking op de accessoires van de overgedragen vorderingen en de zakelijke of persoonlijke zekerheden als waarborg daarvan.
   § 2. De beschikkingsbeslissingen van de afwikkelingsautoriteit gelden als akte van eigendomsoverdracht van de aandelen, andere eigendomsinstrumenten, activa, rechten of verbintenissen die het voorwerp uitmaken van de beschikkingsbeslissing, evenwel onder voorbehoud van de vereiste toelatingen van overheden en alle andere opschortende voorwaarden waaraan de beschikkingsbeslissing is onderworpen.
   § 3. De afwikkelingsautoriteit ziet erop toe dat in het Belgisch Staatsblad een bericht wordt bekendgemaakt waarin wordt bevestigd dat de opschortende voorwaarden bedoeld in de voorgaande paragraaf zijn vervuld.]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij W 2019-05-02/25, art. 48, 019; Inwerkingtreding : 31-05-2019>
  

  HOOFDSTUK IX. - Gerechtelijke controle

  Afdeling I. - Geldigverklaring

  Art. 296. Elke beschikkingsbeslissing is onderworpen aan voorafgaande controle door de rechtbank overeenkomstig deze Afdeling.

  Art. 297. § 1. De afwikkelingsautoriteit dient ter griffie van de rechtbank een verzoekschrift in teneinde te doen vaststellen dat de beschikkingsbeslissing in overeenstemming is met de wet en dat, in voorkomend geval, de compensatoire bedragen billijk voorkomen, inzonderheid gelet op de criteria bepaald in Hoofdstuk III en in artikel 301, § 4.
  § 2. Op straffe van nietigheid bevat het verzoekschrift :
  1° de identiteit van de betrokken kredietinstelling;
  2° de identiteit van de ontvanger;
  3° de verantwoording van de beschikkingsbeslissing in het licht van de doelstellingen en voorwaarden bepaald in de artikelen 243 en 244;
  4° de prijs die met de ontvanger is overeengekomen voor de aandelen, andere eigendomsinstrumenten, activa, rechten of verbintenissen die het voorwerp uitmaken van de beschikkingsbeslissing, en, in voorkomend geval, de mechanismen voor prijsherziening of -aanpassing;
  5° de compensatoire bedragen, de elementen op grond waarvan deze werden vastgesteld of geraamd, inzonderheid in het licht van de definitieve of voorlopige waardering overeenkomstig Hoofdstuk II, en de verdeelsleutels onder de eigenaars;
  6° in voorkomend geval, de vereiste toelatingen van overheden en alle andere opschortende voorwaarden waaraan de beschikkingsbeslissing is onderworpen;
  7° de opgave van dag, maand en jaar;
  8° de handtekening van de persoon die de afwikkelingsautoriteit vertegenwoordigt, of van haar raadsman.
  Bij het verzoekschrift wordt een kopie van de beschikkingsbeslissing gevoegd.
  § 3. De bepalingen van Titel Vbis van Boek II van Deel IV van het Gerechtelijk Wetboek, met inbegrip van de artikelen 1034bis tot 1034sexies, zijn niet van toepassing op het verzoekschrift bedoeld in paragraaf 1.

  Art. 298. De procedure die is ingeleid met het verzoekschrift bedoeld in artikel 297, sluit alle andere gelijktijdige of toekomstige beroepen of rechtsvorderingen tegen de beschikkingsbeslissing uit, met uitzondering van de vordering bedoeld in artikel 305. Ingevolge de indiening van het verzoekschrift vervalt elke andere procedure gericht tegen de beschikkingsbeslissing, die voorheen zou zijn ingeleid en nog hangende zou zijn voor een andere gerechtelijke of administratieve jurisdictie.

  Art. 299. § 1. Binnen vierentwintig uur na de indiening van het verzoekschrift bedoeld in artikel 297, bepaalt de voorzitter van de rechtbank, bij beschikking, dag en uur van de in artikel 301 bedoelde rechtszitting, die moet plaatsvinden binnen drie werkdagen na de indiening van het verzoekschrift. In deze beschikking worden alle in artikel 297, § 2, bepaalde vermeldingen opgenomen.
  § 2. De beschikking bedoeld in paragraaf 1 wordt door de griffie per gerechtsbrief ter kennis gebracht aan de afwikkelingsautoriteit, van de betrokken kredietinstelling en van de ontvanger.
  Zij wordt terzelfder tijd bij uittreksel bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad. Deze bekendmaking geldt, in voorkomend geval, als kennisgeving aan de andere eigenaars dan de kredietinstelling.
  De beschikking wordt door de betrokken kredietinstelling binnen vierentwintig uur na de kennisgeving bedoeld in het eerste lid, op haar website gepubliceerd.

  Art. 300. De in artikel 299, § 2, bedoelde personen kunnen ter griffie kosteloos inzage nemen van het in artikel 297 bedoelde verzoekschrift en zijn bijlagen, tot het in artikel 301, § 5, bedoelde vonnis wordt uitgesproken.

  Art. 301. § 1. Tijdens de zitting die door de voorzitter van de rechtbank is vastgesteld, en tijdens eventuele latere zittingen die de rechtbank nuttig acht, hoort de rechtbank de afwikkelingsautoriteit, de kredietinstelling en de ontvanger.
  De rechtbank kan, op verzoek van een van de partijen bedoeld in artikel 299, § 2, of ambtshalve, beslissen dat de zittingen of bepaalde zittingen worden gehouden in raadkamer, in afwijking van artikel 757, § 1 van het Gerechtelijk Wetboek.
  § 2. In afwijking van de bepalingen van Hoofdstuk II van Titel III van Boek II van Deel IV van het Gerechtelijk Wetboek, mag geen enkele andere persoon dan deze bedoeld in paragraaf 1, eerste lid optreden in de procedure.
  § 3. Na de partijen te hebben gehoord, gaat de rechtbank na of de beschikkingsbeslissing in overeenstemming is met de wet en of, in voorkomend geval, de compensatoire bedragen billijk voorkomen.
  § 4. De rechtbank houdt rekening met de daadwerkelijke situatie van de kredietinstelling op het ogenblik dat de beschikkingsbeslissing is genomen, inzonderheid met de financiėle positie zoals die was of zou zijn geweest indien de uitzonderlijke overheidssteun of de dringende liquiditeitsvoorschotten door de centrale banken die zij rechtstreeks of onrechtstreeks heeft genoten, niet zouden zijn verleend.
  § 5. De rechtbank spreekt zich uit in een en hetzelfde vonnis dat wordt gewezen binnen drie werkdagen na het sluiten van de debatten.

  Art. 302. Het vonnis waarbij de rechtbank vaststelt dat de beschikkingsbeslissing in overeenstemming is met de wet en, in voorkomend geval, de compensatoire bedragen billijk voorkomen, geldt als akte van eigendomsoverdracht van de aandelen, andere eigendomsinstrumenten, activa, rechten of verbintenissen die het voorwerp uitmaken van de beschikkingsbeslissing, evenwel onder voorbehoud van de opschortende voorwaarden bedoeld in artikel 297, § 2, 6°.

  Art. 303. Tegen het vonnis bedoeld in artikel 301, § 5, is geen beroep, verzet of derdenverzet mogelijk.
  Het vonnis wordt bij gerechtsbrief ter kennis gebracht aan de afwikkelingsautoriteit, de kredietinstelling en de ontvanger, en wordt terzelfder tijd bij uittreksel bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad.
  Binnen vierentwintig uur vanaf de kennisgeving bedoeld in het eerste lid, publiceert de betrokken kredietinstelling het vonnis op haar website.

  Art. 304. De afwikkelingsautoriteit ziet erop toe dat in het Belgisch Staatsblad een bericht wordt bekendgemaakt waarin wordt bevestigd dat de opschortende voorwaarden bedoeld in artikel 297, § 2, 6° zijn vervuld.

  Afdeling II. - Beroep

  Art. 305. Tegen elke beschikkingsbeslissing of afwikkelingsmaatregel kan beroep worden ingesteld bij het hof van beroep overeenkomstig de bepalingen van deze Afdeling.

  Art. 306. § 1. Het verzoek wordt, op straffe van verval, ingediend binnen een termijn van twee maanden te rekenen :
  1° hetzij vanaf de bekendmaking bij uittreksel in het Belgisch Staatsblad van het vonnis bedoeld in artikel 301, § 5, voor de maatregelen onderworpen aan de voorafgaande controle van de rechtbank;
  2° hetzij vanaf de bekendmaking van het uittreksel bedoeld in artikel 295, 4°, in de bijlagen bij het Belgisch Staatsblad, voor de andere maatregelen.
  § 2. Het indienen van het verzoek heeft geen invloed op het uitvoerend karakter van de maatregel bedoeld in artikel 305. Het hof van beroep kan enkel beslissen om de gevolgen van die maatregel op te schorten indien de verzoeker aantoont dat deze opschorting in het algemeen belang is.

  Art. 307. Het verzoek heeft betrekking op de conformiteit van de maatregel bedoeld in artikel 305 met de wet en, in voorkomend geval, op de toereikendheid van het compensatoir bedrag van de categorie van de betrokken eigenaars en van de sleutels voor de verdeling onder hen.
  Indien het verzoek betrekking heeft op de toereikendheid van een compensatoir bedrag, baseert het hof van beroep zich op de waarderingen overeenkomstig Hoofdstuk III en artikel 283, en past het artikel 301, § 4, toe.

  Art. 308. Het arrest van het hof van beroep heeft geen invloed op de geldigheid van de maatregel bedoeld in artikel 305, met inbegrip van de eigendomsoverdracht van de aandelen, andere eigendomsinstrumenten, activa, rechten of verbintenissen die het voorwerp uitmaken van de beschikkingsbeslissing.

  Art. 309. Het verzoekschrift wordt voor het overige geregeld door het Gerechtelijk Wetboek.

  Art. 310. Alle geschillen die uit de maatregelen bedoeld in artikel 305 of de aansprakelijkheid bedoeld in artikel 12ter, § 3 van de wet van 22 februari 1998 kunnen ontstaan, vallen onder de uitsluitende bevoegdheid van de Belgische rechtbanken.

  HOOFDSTUK X. - Afwikkeling van grensoverschrijdende groepen

  Art. 311. Bij een in Ministerraad overlegd besluit, genomen op advies van de afwikkelingsautoriteit, kan de Koning alle nuttige maatregelen nemen tot regeling van :
  1° de toepassing van de bepalingen van deze Titel op de kredietinstellingen die deel uitmaken van grensoverschrijdende groepen;
  2° de uitvoering in Belgiė van preventie-, herstel- en afwikkelingsmaatregelen genomen door de bevoegde autoriteiten van andere lidstaten of derde landen;
  3° de toepassing van afwikkelingsmaatregelen op goederen die zich buiten Belgiė bevinden, en op overeenkomsten en financiėle instrumenten beheerst door buitenlands recht;
  4° de betreffende uitwisselingen met de bevoegde autoriteiten van andere lidstaten en derde landen.
  De in de eerste lid aan de Koning verleende machten verstrijken op 31 december 2015.
  De besluiten genomen krachtens dit artikel kunnen de van kracht zijnde wettelijke bepalingen wijzigen, aanvullen, vervangen of opheffen.
  Deze besluiten worden van rechtswege opgeheven indien zij niet bij wet worden bekrachtigd binnen twaalf maanden volgend op hun bekendmaking in het Belgisch Staatsblad.

  BOEK III. - KREDIETINSTELLINGEN NAAR BUITENLANDS RECHT

  TITEL I. - Bijkantoren en werkzaamheden in het kader van het vrij verrichten van diensten in Belgiė van kredietinstellingen die onder een andere lidstaat ressorteren

  HOOFDSTUK I. - Toegang tot het bedrijf in Belgiė

  Art. 312.§ 1. De kredietinstellingen die onder een andere lidstaat ressorteren en die op grond van hun nationaal recht werkzaamheden in hun staat van herkomst mogen verrichten die voorkomen op de lijst van artikel 4, mogen deze werkzaamheden aanvatten via de vestiging van een bijkantoor zodra de toezichthouder hen met een aangetekende brief of een brief met ontvangstbewijs in kennis heeft gesteld van hun registratie als bijkantoor van een kredietinstelling van een lidstaat.
  Deze kennisgeving geschiedt uiterlijk twee maanden nadat de bevoegde autoriteit van de lidstaat van herkomst van de instelling het op grond van de Europeesrechtelijke regels ter zake vereiste informatiedossier heeft meegedeeld. Indien de instelling binnen de vastgestelde termijn geen kennisgeving ontvangt, mag zij het bijkantoor desalniettemin openen en de voornoemde werkzaamheden aanvatten, mits zij de toezichthouder hiervan in kennis stelt.
  § 2. [3 De Bank]3 stelt de lijst op van de overeenkomstig paragraaf 1 geregistreerde bijkantoren. Die lijst en alle daarin aangebrachte wijzigingen worden op [4 haar]4 website bekendgemaakt.
  § 3. [2 De Bank brengt de FSMA op de hoogte van de elementen in het informatiedossier die relevant zijn voor het toezicht op de naleving van de gedragsregels bedoeld in artikel 2, 46°, van de wet van 25 oktober 2016.]2
  § 4. De kredietinstelling dient aan de toezichthouder elke wijziging mee te delen die zij van plan is aan te brengen in de informatie die opgenomen is in het informatiedossier bedoeld in paragraaf 1, tweede lid, en dit minstens één maand voor het aanbrengen van deze wijziging.
  [1 § 5. Wanneer een kredietinstelling die onder het recht van een andere lidstaat ressorteert, een beroep wenst te doen op in Belgiė gevestigde verbonden agenten om er beleggingsdiensten en/of -activiteiten alsmede nevendiensten te verrichten, zijn de paragrafen 1, 2 en 4 van overeenkomstige toepassing. [3 Voor de toepassing van de artikelen 315, 316, 317, 320, 321, 326 en 329 worden deze verbonden agenten gelijkgesteld met een bijkantoor van de kredietinstelling, met dien verstande dat wanneer de kredietinstelling in Belgiė een bijkantoor heeft, de in Belgiė gevestigde verbonden agenten waarop zij een beroep wenst te doen, gelijkgesteld worden aan dit bijkantoor voor de toepassing van artikel 326]3.
  [2 De Bank brengt de FSMA op de hoogte van de elementen die relevant zijn voor het toezicht op de naleving van de gedragsregels bedoeld in artikel 2, 46°, van de wet van 25 oktober 2016 en van de regels met betrekking tot verbonden agenten.]2]1
  ----------
  (1)<W 2016-10-25/05, art. 48, 009; Inwerkingtreding : 03-01-2017>
  (2)<W 2017-11-21/08, art. 176, 014; Inwerkingtreding : 03-01-2018>
  (3)<W 2018-07-30/10, art. 92, 017; Inwerkingtreding : 20-08-2018>
  (4)<W 2019-05-02/25, art. 49, 019; Inwerkingtreding : 31-05-2019>

  Art. 313.§ 1. De kredietinstellingen die onder een andere lidstaat ressorteren en die op grond van hun nationaal recht in hun staat van herkomst werkzaamheden mogen verrichten die voorkomen op de lijst van artikel 4, mogen deze werkzaamheden in Belgiė aanvatten in het kader van het vrij verrichten van diensten zodra de toezichthouder de betrokken instellingen ervan in kennis heeft gesteld dat hij de mededeling van de bevoegde autoriteit van de lidstaat van herkomst van deze instellingen heeft ontvangen, met opgave van de in de lijst van artikel 4 bedoelde werkzaamheden die deze instellingen in Belgiė wensen uit te oefenen.
  Binnen drie werkdagen na ontvangst van de mededeling stelt de toezichthouder de betrokken instelling hiervan in kennis. Bij gebrek aan kennisgeving binnen deze termijn mag de instelling de voorgenomen werkzaamheden aanvatten, na de toezichthouder hiervan op de hoogte te hebben gebracht.
  § 2. [2 De Bank]2 maakt op [3 haar]3 website de lijst bekend van [2 de in dit artikel bedoelde instellingen]2, alsook de daarin aangebrachte wijzigingen.
  [1 § 3. Wanneer een kredietinstelling die onder het recht van een andere lidstaat ressorteert, in Belgiė beleggingsdiensten of -activiteiten alsmede nevendiensten wil verrichten met inschakeling van in die andere lidstaat gevestigde verbonden agenten, is paragraaf 1 van overeenkomstige toepassing.
   De Bank maakt op haar website de identiteitsgegevens bekend van de verbonden agenten waarop de kredietinstelling van plan is een beroep te doen.]1
  ----------
  (1)<W 2016-10-25/05, art. 49, 009; Inwerkingtreding : 03-01-2017>
  (2)<W 2018-07-30/10, art. 93, 017; Inwerkingtreding : 20-08-2018>
  (3)<W 2019-05-02/25, art. 50, 019; Inwerkingtreding : 31-05-2019>

  Art. 314. De in de artikelen 312 en 313 bedoelde kredietinstellingen moeten bij de uitoefening van hun bedrijf in Belgiė, naast hun naam, hun staat van herkomst vermelden en in het geval bedoeld in artikel 313, hun maatschappelijke zetel.

  HOOFDSTUK II. - Bedrijfsuitoefening

  Art. 315.§ 1. De bepalingen van deze Titel doen geen afbreuk aan de naleving, bij de uitoefening van de werkzaamheden die voorkomen in de lijst van artikel 4, van de wettelijke en reglementaire bepalingen die in Belgiė van toepassing zijn op de kredietinstellingen en hun verrichtingen, om redenen van algemeen belang.
  De Bank deelt aan de in artikel 312 bedoelde kredietinstellingen mee welke bepalingen naar haar weten van algemeen belang zijn. Zij wint hiervoor het advies in van de FSMA.
  De bepalingen van deze Titel doen evenmin afbreuk aan de naleving van de wettelijke en reglementaire bepalingen die in Belgiė van toepassing zijn op andere werkzaamheden dan deze vermeld in de lijst van artikel 4.
  § 2. [2 Artikel 64 is van toepassing op de in artikel 312 bedoelde bijkantoren.]2
  ----------
  (1)<KB 2014-04-25/08, art. 404, 1°, 002; Inwerkingtreding : onbepaald, treedt in werking op de datum van inwerkingtreding van de artikelen 40, 41, 43, 49, 50 en 51 van Richtlijn 2013/36/EU overeenkomstig artikel 151 van die richtlijn>
  (2)<W 2017-11-21/08, art. 177, 014; Inwerkingtreding : 03-01-2018>

  Art. 316. De leiders van de in artikel 312 bedoelde bijkantoren lichten minstens jaarlijks de Bank en de erkende revisor of revisorenvennootschap in over de naleving van artikel 315 en over de genomen passende maatregelen.

  HOOFDSTUK III. - Periodieke informatieverstrekking en boekhoudregels

  Art. 317. De in artikel 312 bedoelde kredietinstellingen bezorgen de toezichthouder, in de vorm en volgens de frequentie die hij bepaalt, periodieke verslagen over de verrichtingen in Belgiė, die hun aldaar gevestigde bijkantoren uitvoeren. Het bepaalde bij artikel 106, § 2 is van overeenkomstige toepassing.
  Deze verslagen mogen enkel worden gebruikt voor statistische doeleinden of om de toezichthouder toe te laten zijn toezichtstaken als bedoeld in deze Titel, uit te voeren.
  De toezichthouder kan in het bijzonder informatie verlangen van de kredietinstellingen bedoeld in het eerste lid om te kunnen beoordelen of hun in Belgiė gevestigd bijkantoor significant is in de zin van artikel 322.

  Art. 318. De Koning bepaalt, na advies van de Bank, volgens welke regels de in artikel 312 bedoelde bijkantoren :
  1° hun boekhouding voeren en inventarisramingen verrichten;
  2° hun jaarrekening opmaken;
  3° de jaarlijkse boekhoudkundige gegevens in verband met hun verrichtingen openbaar maken.

  HOOFDSTUK IV. - Toezicht op de bijkantoren

  Afdeling I. - De toezichthouder in zijn hoedanigheid van autoriteit van de lidstaat van ontvangst

  Art. 319.De in artikel 312 bedoelde bijkantoren staan onder het toezicht van de toezichthouder voor wat betreft de naleving van de artikelen 315, 317 en 318, voor zover de in deze bepalingen voorkomende aspecten onder de bevoegdheid vallen van de toezichthouder. [1 De artikelen 134 tot 136, 136/2 en 139 zijn van overeenkomstige toepassing.]1
  ----------
  (1)<W 2017-11-21/08, art. 178, 014; Inwerkingtreding : 03-01-2018>

  Art. 320. Teneinde toezicht te houden op de werkzaamheden van de instellingen die onder een andere lidstaat ressorteren en die in Belgiė of in andere lidstaten werkzaam zijn, met name via een bijkantoor, werkt de toezichthouder nauw samen met de bevoegde autoriteiten van de andere betrokken lidstaten.
  Daartoe verstrekt de toezichthouder, voor zover hij daarover beschikt, alle gegevens betreffende het bestuur en de eigendom van de betrokken instellingen die het toezicht op die instellingen en het onderzoek van de voorwaarden voor het verlenen van een vergunning aan die instellingen kunnen vergemakkelijken, alsmede alle gegevens die de monitoring van deze instellingen, met name op het gebied van liquiditeit, solvabiliteit, depositogarantie, beperking van grote risico's, andere factoren die van invloed kunnen zijn op het door de instelling gevormde systeemrisico, administratieve en boekhoudkundige organisatie en internecontrolemechanismen kunnen vergemakkelijken.

  Art. 321. In zijn hoedanigheid van bevoegde autoriteit van de lidstaat van ontvangst, kan de toezichthouder de bevoegde autoriteit van de lidstaat van herkomst vragen dat zij hem meedeelt en uitlegt hoe rekening werd gehouden met de inlichtingen en bevindingen die met toepassing van artikel 320 werden meegedeeld.
  Indien de toezichthouder na de mededeling van de inlichtingen en bevindingen van oordeel blijft dat de bevoegde autoriteit van de lidstaat van herkomst geen passende maatregelen heeft genomen, kan hij, na de Europese Bankautoriteit en de bevoegde autoriteit van de lidstaat van herkomst te hebben ingelicht, en zonder afbreuk te doen aan de mogelijkheid voor deze laatste om de zaak voor te leggen aan de Europese Bankautoriteit met toepassing van artikel 19 van Verordening nr. 1093/2010, passende maatregelen treffen om verdere inbreuken te voorkomen om de belangen van deposanten, beleggers en andere personen voor wie diensten worden verricht, te beschermen of de stabiliteit van het financiėle stelsel te vrijwaren.

  Afdeling II. - Significante bijkantoren

  Art. 322. § 1. De toezichthouder kan ofwel aan de consoliderende toezichthouder, ofwel aan de bevoegde autoriteit van de lidstaat van herkomst vragen om een in Belgiė gelegen bijkantoor als significant aan te merken in de zin van artikel 51 van Richtlijn 2013/36/EU.
  Het verzoek vermeldt de redenen waarom het bijkantoor als significant moet worden aangemerkt, en met name :
  a) of het marktaandeel in deposito's van het bijkantoor in Belgiė meer dan 2 % bedraagt;
  b) wat de vermoedelijke gevolgen van een opschorting of beėindiging van de werkzaamheden van de instelling voor de liquiditeit van het systeem en de betalings-, clearing- en afwikkelingssystemen in Belgiė zullen zijn;
  c) de omvang en het belang van het bijkantoor, wat het aantal cliėnten betreft, binnen het Belgische bank- of financiėle stelsel.
  § 2. Indien binnen twee maanden na ontvangst van een verzoek als bedoeld in paragraaf 1 geen gezamenlijk besluit wordt genomen, beslist de toezichthouder binnen een bijkomende termijn van twee maanden zelf of het in Belgiė gelegen bijkantoor significant is. Bij deze beslissing houdt de toezichthouder rekening met de standpunten en voorbehouden van de consoliderende toezichthouder of van de bevoegde autoriteit van de lidstaat van herkomst.
  Het in het eerste lid bedoelde besluit wordt op schrift gesteld met volledige opgaaf van redenen en wordt aan de betrokken bevoegde autoriteiten toegezonden.

  Art. 323. Indien de bevoegde autoriteit van de lidstaat van herkomst de toezichthouder, in zijn hoedanigheid van bevoegde autoriteit van de lidstaat van ontvangst, niet heeft geraadpleegd over de operationele maatregelen met betrekking tot liquiditeitsherstelplannen, of indien de toezichthouder na deze raadpleging van oordeel blijft dat de vereiste operationele maatregelen niet adequaat zijn, kan de toezichthouder de zaak voorleggen aan de Europese Bankautoriteit en haar overeenkomstig artikel 19 van Verordening nr. 1093/2010 om bijstand verzoeken.

  Afdeling III. - Controle ter plaatse

  Art. 324. Na de toezichthouder daarvan in kennis te hebben gesteld, kan de bevoegde autoriteit van de lidstaat van herkomst in voorkomend geval met inschakeling van door haar daartoe gemachtigde personen controles en inspecties ter plaatse uitvoeren bij de bijkantoren bedoeld in artikel 312, met het oog op het verzamelen of controleren van inlichtingen betreffende het bestuur en de leiding van het bijkantoor, alsook alle inlichtingen die het toezicht op de kredietinstelling, met name op het gebied van liquiditeit, solvabiliteit, depositogarantie, beperking van grote risico's, administratieve en boekhoudkundige organisatie en internecontrolemechanismen, kunnen vergemakkelijken.
  De toezichthouder mag op verzoek van de bevoegde autoriteit van de lidstaat van herkomst van de kredietinstelling, als een vorm van bijstand aan deze autoriteit, bij deze bijkantoren inspecties verrichten, die zowel op de in het eerste lid als op de in artikel 319 bedoelde aspecten kunnen slaan. De kosten voor deze inspecties en controles worden gedragen door de autoriteit die daarom verzoekt.

  Art. 325.[1 Na raadpleging van de bevoegde autoriteit van de lidstaat van herkomst kan de toezichthouder, geval per geval, controles en inspecties ter plaatse uitvoeren met betrekking tot de werkzaamheden van de in artikel 312 bedoelde bijkantoren en, voor toezichtsdoeleinden, van de bijkantoren informatie verlangen over hun werkzaamheden, indien hij dit om redenen van stabiliteit van het Belgische financiėle stelsel relevant acht. Na deze controles en inspecties stelt de toezichthouder de bevoegde autoriteit van de lidstaat van herkomst in kennis van de verkregen informatie en de bevindingen die relevant zijn voor de beoordeling van de risico's van de instelling of voor de stabiliteit van het Belgische financiėle stelsel.]1
  ----------
  (1)<KB 2014-04-25/08, art. 403, 002; Inwerkingtreding : onbepaald, treedt in werking op de datum van inwerkingtreding van de artikelen 40, 41, 43, 49, 50 en 51 van Richtlijn 2013/36/EU overeenkomstig artikel 151 van die richtlijn>

  Art. 326. § 1. De leiders van de in artikel 312 bedoelde bijkantoren stellen voor een hernieuwbare termijn van drie jaar een of meer door de Bank erkende revisoren of erkende revisorenvennootschappen aan.
  De artikelen 223 en 224, eerste tot vierde lid, zijn van toepassing op deze revisoren en vennootschappen. Vooraleer een erkende revisor of een erkende revisorenvennootschap van zijn of haar opdracht te ontslaan, moet het advies van de toezichthouder worden ingewonnen.
  § 2. De overeenkomstig paragraaf 1 aangestelde erkende revisoren of revisorenvennootschappen verlenen hun medewerking aan het toezicht van de toezichthouder, op hun eigen en uitsluitende verantwoordelijkheid en overeenkomstig deze paragraaf, volgens de regels van het vak en de richtlijnen van de toezichthouder. Daartoe :
  1° beoordelen zij de internecontrolemaatregelen die de bijkantoren hebben getroffen tot naleving van de wetten, besluiten en reglementen die op grond van artikel 315 van toepassing zijn op de bijkantoren, en delen zij hun bevindingen mee aan de toezichthouder;
  2° brengen zij verslag uit bij de toezichthouder over :
  a) de resultaten van het beperkt nazicht van de periodieke staten die de in artikel 312 bedoelde bijkantoren aan het einde van het eerste halfjaar aan de toezichthouder bezorgen waarin bevestigd wordt dat zij geen kennis hebben van feiten waaruit zou blijken dat de periodieke staten per einde halfjaar niet in alle materieel belangrijke opzichten volgens de geldende richtlijnen van de toezichthouder werden opgesteld. Bovendien bevestigen zij dat de periodieke staten per einde halfjaar, voor wat de boekhoudkundige gegevens betreft in alle materieel belangrijke opzichten in overeenstemming zijn met de boekhouding en de inventarissen, inzake volledigheid, wat wil zeggen dat ze alle gegevens bevatten uit de boekhouding en de inventarissen op basis waarvan de periodieke staten worden opgesteld, en juistheid, wat wil zeggen dat ze exact overeenstemmen met de gegevens uit de boekhouding en de inventarissen op basis waarvan de periodieke staten worden opgesteld; en bevestigen zij geen kennis te hebben van feiten waaruit zou blijken dat de periodieke staten per einde halfjaar niet zijn opgesteld met toepassing van de boekings- en waarderingsregels voor de opstelling van de jaarrekening met betrekking tot het laatste boekjaar; de toezichthouder kan de hier bedoelde periodieke staten nader bepalen;
  b) de resultaten van de controle van de periodieke staten die de in artikel 312 bedoelde bijkantoren aan het einde van het boekjaar aan de toezichthouder bezorgen waarin bevestigd wordt dat de periodieke staten in alle materieel belangrijke opzichten werden opgesteld volgens de geldende richtlijnen van de toezichthouder. Bovendien bevestigen zij dat de periodieke staten per einde van het boekjaar, voor wat de boekhoudkundige gegevens betreft in alle materieel belangrijke opzichten in overeenstemming zijn met de boekhouding en de inventarissen, inzake volledigheid, wat wil zeggen dat ze alle gegevens bevatten uit de boekhouding en de inventarissen op basis waarvan de periodieke staten worden opgesteld, en juistheid, wat wil zeggen dat ze de gegevens correct weergeven uit de boekhouding en de inventarissen op basis waarvan de periodieke staten worden opgesteld; en bevestigen zij dat de periodieke staten per einde van het boekjaar werden opgesteld met toepassing van de boekings- en waarderingsregels voor de opstelling van de jaarrekening; de toezichthouder kan de hier bedoelde periodieke staten nader bepalen.
  Zij kunnen door de toezichthouder, al dan niet op verzoek van de Europese Centrale Bank in haar hoedanigheid van monetaire autoriteit, worden gelast de gegevens te bevestigen die de bijkantoren aan deze autoriteiten moeten verstrekken, met name met toepassing van artikel 317;
  3° brengen zij bij de toezichthouder, op zijn verzoek, bijzonder verslag uit over de organisatie, de werkzaamheden en de financiėle structuur van de bijkantoren met betrekking tot de aangelegenheden waarvoor de toezichthouder bevoegd is;
  4° brengen zij op eigen initiatief verslag uit bij de toezichthouder, inzake aspecten waarvoor hij bevoegd is alsook in het kader van de samenwerking met de bevoegde autoriteit van de lidstaat van herkomst, zodra zij kennis krijgen van :
  a) beslissingen, feiten of ontwikkelingen die de positie van het bijkantoor financieel of op het vlak van zijn administratieve en boekhoudkundige organisatie of van zijn interne controle, op betekenisvolle wijze kunnen beļnvloeden;
  b) beslissingen of feiten die kunnen wijzen op een overtreding van de voorschriften van deze wet en de ter uitvoering ervan genomen besluiten en reglementen of andere wetten en reglementen die op hun bedrijf in Belgiė van toepassing zijn, voor zover de in deze voorschriften bedoelde aangelegenheden tot de bevoegdheid van de toezichthouder behoren;
  5° brengen zij bij de Bank, op haar verzoek, verslag uit, wanneer een andere Belgische overheid haar ter kennis brengt dat een wetgeving van algemeen belang die voor het bijkantoor geldt, werd overtreden.
  Tegen erkende revisoren die te goeder trouw informatie hebben verstrekt als bedoeld in het eerste lid, 4°, kunnen geen burgerrechtelijke, strafrechtelijke of tuchtrechtelijke vorderingen worden ingesteld, noch professionele sancties worden uitgesproken.
  Zij delen aan de leiders van het bijkantoor de verslagen mee die zij aan de toezichthouder richten overeenkomstig het eerste lid, 3°. Voor deze mededeling geldt de geheimhoudingsplicht als geregeld bij artikel 35 van de wet van 22 februari 1998. Zij bezorgen de toezichthouder een kopie van de mededelingen die zij aan deze leiders richten en die betrekking hebben op aspecten waarvoor de toezichthouder toezichtsbevoegdheid heeft.
  In bijkantoren waar een ondernemingsraad is opgericht met toepassing van de wet van 20 september 1948 houdende organisatie van het bedrijfsleven, oefenen de erkende revisoren en revisorenvennootschappen de in artikel 15bis van deze wet bedoelde opdrachten uit.
  Artikel 15quater, tweede lid, eerste en derde zin, en derde lid, van dezelfde wet zijn van toepassing.
  Op verzoek en op kosten van de bevoegde autoriteit van de lidstaat van herkomst van het bijkantoor, mogen zij als een vorm van bijstand en na voorafgaande kennisgeving aan de toezichthouder in dit bijkantoor toezicht uitoefenen op de in de artikelen 319 en 320, tweede lid bedoelde aspecten.
  § 3. De erkende revisoren of erkende revisorenvennootschappen certificeren de krachtens artikel 318, 3° openbaar gemaakte jaarlijkse boekhoudkundige gegevens.

  HOOFDSTUK V. - Uitzonderingsmaatregelen

  Art. 327. § 1. In het kader van de samenwerking bedoeld in artikel 320, eerste lid, deelt de toezichthouder, indien hij er kennis van heeft, eveneens mee aan de bevoegde autoriteit van de lidstaat van herkomst dat de kredietinstelling die een bijkantoor in Belgiė heeft of die aldaar werkzaam is in het kader van het vrij verrichten van diensten, niet voldoet aan de bepalingen van het nationaal recht van de lidstaat van herkomst die de omzetting vormen van Richtlijn 2013/36/EU of Verordening nr. 575/2013, of dreigt er niet langer aan te voldoen.
  § 2. Indien de toezichthouder van oordeel is dat de bevoegde autoriteit van de lidstaat van herkomst geen maatregelen heeft genomen om de onregelmatige situatie of het risico op een onregelmatige situatie, bedoeld in paragraaf 1, af te wenden, kan hij de zaak overeenkomstig artikel 19 van Verordening nr. 1093/2010 aan de Europese Bankautoriteit voorleggen en haar om bijstand verzoeken.

  Art. 328. § 1. Alvorens de in artikel 327 bedoelde procedure toe te passen, kan de toezichthouder in noodsituaties, in afwachting van maatregelen van de bevoegde autoriteiten van de lidstaat van herkomst of van saneringsmaatregelen van de administratieve of gerechtelijke autoriteiten van deze lidstaat, en zonder afbreuk te doen aan de mogelijkheid voor de betrokken autoriteiten om de zaak voor te leggen aan de Europese Bankautoriteit overeenkomstig artikel 19 van Verordening nr. 1093/2010, alle bewarende maatregelen treffen die noodzakelijk zijn om bescherming te bieden tegen financiėle instabiliteit die een ernstige bedreiging van de collectieve belangen van deposanten, beleggers en cliėnten in Belgiė zou vormen.
  Deze maatregelen kunnen bestaan in de maatregelen bedoeld in artikel 236, § 1, 1°, 2°, 4° en §§ 2 en 3.
  § 2. De toezichthouder maakt een einde aan de maatregelen bedoeld in paragraaf 1 zodra deze niet langer verantwoord blijken. Bovendien hebben deze maatregelen niet langer rechtswerking wanneer de saneringsmaatregelen die door de administratieve of rechterlijke autoriteiten van de lidstaat van herkomst zijn vastgesteld, rechtswerking hebben in de lidstaat van herkomst.
  § 3. De Europese Commissie, de Europese Bankautoriteit en de overige betrokken bevoegde autoriteiten worden op de hoogte gebracht van de met toepassing van paragraaf 1 getroffen maatregelen.

  Art. 329.§ 1. Onverminderd artikel 327, wanneer de toezichthouder in voorkomend geval op grond van informatie van de FSMA, duidelijke en aantoonbare redenen heeft om aan te nemen dat een kredietinstelling die in Belgiė door middel van het vrij verrichten van diensten werkzaamheden uitoefent, of een kredietinstelling met een bijkantoor in Belgiė de verplichtingen schendt die voortvloeien uit de [2 met toepassing van Richtlijn 2014/65/EU [3 , Verordening nr. 600/2014 en Verordening 2017/565]3]2 vastgestelde bepalingen, waarbij aan de toezichthouder of de FSMA geen bevoegdheden worden verleend, stelt hij de bevoegde autoriteit van de lidstaat van herkomst van deze bevindingen in kennis.
  Indien de kredietinstelling, in weerwil van de door de lidstaat van herkomst getroffen maatregelen, of omdat deze maatregelen ontoereikend zijn, blijft handelen op een wijze die de belangen van beleggers in Belgiė of de ordelijke werking van de markten kennelijk schaadt, kan de toezichthouder, in voorkomend geval op verzoek van de FSMA, na de bevoegde autoriteit van de lidstaat van herkomst daarvan in kennis te hebben gesteld, maatregelen treffen of doen treffen om de beleggers en de goede werking van de markten te beschermen. Ten aanzien van bijkantoren gaat het, met name, om de in artikel 236, § 1, 1°, 2°, 4° en §§ 2 en 3 van de wet bedoelde maatregelen; ten aanzien van kredietinstellingen die bedrijvig zijn via het verrichten van diensten betreft het, met name, de in artikel 236, § 1, 4° en §§ 2 en 3 bedoelde maatregelen. [2 De Europese Commissie en Europese Autoriteit voor effecten en markten worden onmiddellijk van deze maatregelen in kennis gesteld]2.
  [2 In het in het tweede lid bedoelde geval kan de toezichthouder de zaak voorleggen aan de Europese Autoriteit voor effecten en markten en om haar bijstand verzoeken overeenkomstig artikel 19 van Verordening nr. 1095/2010.]2
  § 2. Onverminderd artikel 327, wanneer de toezichthouder vaststelt dat een kredietinstelling die onder een andere lidstaat ressorteert en in Belgiė werkzaam is via een bijkantoor of via het verrichten van diensten, zich niet conformeert aan de in Belgiė geldende wettelijke en reglementaire bepalingen die tot de bevoegdheidssfeer van de toezichthouder behoren, maant hij de kredietinstelling aan om, binnen de termijn die hij bepaalt, de vastgestelde toestand te verhelpen.
  Wanneer de FSMA vaststelt dat een kredietinstelling die onder een andere lidstaat ressorteert en in Belgiė werkzaam is via een bijkantoor of via het verrichten van diensten, zich niet conformeert aan de in Belgiė geldende wettelijke en reglementaire bepalingen die tot de bevoegdheidssfeer van de FSMA behoren, maant zij de kredietinstelling aan om, binnen de termijn die zij bepaalt, de vastgestelde toestand te verhelpen.
  [2 ...]2.
  § 3. Wanneer de in paragraaf 2 bedoelde overtredingen van een bijkantoor blijven aanhouden, kan de toezichthouder, in voorkomend geval op verzoek van de FSMA, na de bevoegde autoriteit van de lidstaat van herkomst hiervan in kennis te hebben gesteld, passende maatregelen treffen of doen treffen, met name de maatregelen waarin voorzien is in artikel 236, § 1, 1°, 2° en 4°. In dat geval is artikel 236, §§ 2 tot 6 van toepassing.
  Wanneer de in paragraaf 2 bedoelde overtredingen van een kredietinstelling die bedrijvig is via het verrichten van diensten, blijven aanhouden, kan de toezichthouder, in voorkomend geval op verzoek van de FSMA, na de in paragraaf 2 bedoelde bevoegde autoriteit hiervan in kennis te hebben gesteld, deze instelling verbieden om nog nieuwe verrichtingen in Belgiė uit te voeren. Hij kan de geldigheidsduur van dit verbod beperken en het opheffen, in voorkomend geval op basis van artikel 236, § 1, 4° en §§ 2 en 3. Dit lid is eveneens van toepassing in de gevallen bedoeld in artikel 236, § 5.
  [2 Indien de in paragraaf 2, eerste en tweede lid bedoelde overtredingen van een kredietinstelling, in weerwil van deze maatregelen, blijven aanhouden, neemt de toezichthouder, in voorkomend geval op verzoek van de FSMA, na de bevoegde autoriteiten van de lidstaat van herkomst daarvan in kennis te hebben gesteld, de nodige maatregelen om de deposanten, de beleggers en andere cliėnten en de goede werking van de markten te beschermen.]2
  § 4. De toezichthouder deelt aan de Europese Commissie [2 en aan de Europese Autoriteit voor effecten en markten]2, volgens de frequentie die [2 eerstgenoemde]2 bepaalt, mee hoeveel en welke soort maatregelen zijn getroffen overeenkomstig paragraaf 3.
  § 5. De toezichthouder kan, op verzoek van de ter zake bevoegde autoriteit, de paragrafen 2 en 3 toepassen op een in artikel 312 of 313 bedoelde kredietinstelling, wanneer zij in Belgiė handelingen heeft gesteld die strijdig zijn met wettelijke of reglementaire bepalingen die, om redenen van algemeen belang, gelden op andere gebieden dan [1 bedoeld in artikel 317]1.
  § 6. [1 ...]1
  § [1 6]1. (vroeger § 7) De Bank brengt de FSMA op de hoogte van de [1 met toepassing van de paragrafen 2 tot 5]1 genomen maatregelen.
  De FSMA brengt de toezichthouder op de hoogte van de maatregelen die met toepassing van artikel 36 van de wet van 2 augustus 2002 werden genomen ten aanzien van de bijkantoren.
  ----------
  (1)<KB 2014-04-25/08, art. 404, 2°,3° en 4°, 002; Inwerkingtreding : onbepaald, treedt in werking op de datum van inwerkingtreding van de artikelen 40, 41, 43, 49, 50 en 51 van Richtlijn 2013/36/EU overeenkomstig artikel 151 van die richtlijn>
  (2)<W 2016-10-25/05, art. 50, 009; Inwerkingtreding : 01-12-2016>
  (3)<W 2017-11-21/08, art. 179, 014; Inwerkingtreding : 03-01-2018>

  Art. 330. Bij intrekking of herroeping van de vergunning van een kredietinstelling door de bevoegde autoriteit van haar lidstaat van herkomst, beveelt de toezichthouder, na deze autoriteit hiervan in kennis te hebben gesteld, de sluiting van het bijkantoor dat deze instelling in Belgiė heeft gevestigd. Hij kan een voorlopige zaakvoerder aanstellen die waakt over de tegoeden van het bijkantoor in afwachting van een uitspraak omtrent hun bestemming en die gemachtigd is in het belang van de schuldeisers alle bewarende maatregelen te treffen.

  HOOFDSTUK VI. - Situaties waarin de werkzaamheden in Belgiė worden uitgeoefend door een instelling die onder een deelnemende lidstaat ressorteert

  Art. 331. § 1. Voor de aangelegenheden die zijn toevertrouwd aan de Europese Centrale Bank met toepassing van artikel 4 van de GTM-verordening, in de gevallen waar een kredietinstelling die onder een deelnemende lidstaat ressorteert, in Belgiė een bijkantoor wenst te vestigen of werkzaamheden wenst aan te vatten in het kader van het vrij verrichten van diensten, zijn de bepalingen met betrekking tot de procedures tussen bevoegde autoriteiten en de daaraan verbonden bevoegdheden niet van toepassing.
  § 2. Wat betreft het toezicht op een bijkantoor of de werkzaamheden uitgeoefend in Belgiė in het kader van het vrij verrichten van diensten in de gevallen bedoeld in paragraaf 1, zijn de bepalingen inzake samenwerking en informatie-uitwisseling tussen bevoegde autoriteiten, evenals artikel 330, niet van toepassing, wanneer de Europese Centrale Bank de enige betrokken bevoegde autoriteit is.
  § 3. Evenzo, indien de Europese Centrale Bank de bevoegde autoriteit is voor een kredietinstelling die onder een deelnemende lidstaat ressorteert en die een bijkantoor heeft in Belgiė, verricht zij geen evaluatie van dit bijkantoor met het oog op de aanmerking ervan als significant bijkantoor in de zin van artikel 322 van deze wet.

  HOOFDSTUK VII. - Gespecialiseerde dochterondernemingen van kredietinstellingen die onder een andere lidstaat ressorteren

  Art. 332. Financiėle instellingen die onder een andere lidstaat ressorteren en die ten aanzien van kredietinstellingen die onder deze lidstaat ressorteren en naar het oordeel van de bevoegde autoriteiten van die staat, voldoen aan de voorwaarden die overeenstemmen met deze bedoeld in artikel 92, eerste lid, zoals bepaald in het nationaal recht van de betrokken lidstaat, kunnen verzoeken om toepassing van de Hoofdstukken I tot V van deze Titel.

  TITEL II. - Bijkantoren in Belgiė van kredietinstellingen van derde landen

  HOOFDSTUK I. - Toegang tot het bedrijf in Belgiė

  Art. 333.§ 1. Alvorens een bijkantoor te openen om hun werkzaamheden in Belgiė uit te oefenen, moeten de kredietinstellingen die onder een derde land ressorteren en waaraan in die hoedanigheid een vergunning werd verleend in dit derde land, een vergunning verkrijgen van de Bank.
  In dit verband zijn de volgende artikelen van toepassing :
  1° de artikelen 8, 9, 12, 13 en 15, met dien verstande dat
  - de Bank uitsluitende bevoegdheid heeft om zich uit te spreken over de vergunningsaanvraag,
  - de verwijzing naar artikel 9 geldt voor de kredietinstelling waaronder het bijkantoor ressorteert,
  - de kredietinstellingen in hun land van herkomst de toestemming moeten hebben verkregen om de werkzaamheden uit te oefenen die in hun programma van werkzaamheden zijn opgenomen;
  2° artikel 14, eerste lid, met dien verstande dat de in deze Titel bedoelde bijkantoren in een bijzondere rubriek van de lijst worden vermeld;
  3° artikel 16, met dien verstande dat artikel 16 van toepassing is op de kredietinstelling waaronder het bijkantoor ressorteert. Er kan evenwel een vergunning worden verleend aan bijkantoren van instellingen met rechtspersoonlijkheid die geen handelsvennootschappen zijn;
  4° artikel 17, eerste en tweede lid, waarbij het aanvangskapitaal wordt vervangen door een dotatie waarvan de Bank, bij reglement vastgesteld met toepassing van artikel 12bis, § 2 van de wet van 22 februari 1998, het bedrag kan bepalen, evenals de bestanddelen en de voorwaarden voor de overeenstemmende activa, met name vanuit het oogpunt van hun locatie in Belgiė;
  5° [3 de artikelen 18 tot 22, 36 en 42/1, met dien verstande dat de verwijzing naar artikel 18 geldt voor de kredietinstelling waaronder het bijkantoor ressorteert en de verwijzing naar de artikelen 19 tot 22, 36 en 42/1 voor het bijkantoor in Belgiė;]3
  6° artikel 44, voor zover de kredietinstelling niet kan aantonen dat de verbintenissen van haar Belgisch bijkantoor minstens in dezelfde mate gedekt zijn door een depositobeschermingsregeling van haar land van herkomst als door de Belgische depositobeschermingsregeling, voor wat betreft de gedekte activa en het vastgestelde dekkingsniveau;
  [1 7° artikel 59, met dien verstande dat de leiders van het bijkantoor als het directiecomité worden beschouwd.]1
  § 2. Onverminderd paragraaf 1 kan aan een bijkantoor van een kredietinstelling die onder een derde land ressorteert slechts een vergunning worden toegekend indien voldaan is aan de volgende voorwaarden :
  1° de kredietinstelling is in haar land van herkomst aan een prudentieel toezicht onderworpen dat gelijkwaardig is aan het prudentieel toezicht dat bij Richtlijn 2013/36/EU en Verordening nr. 575/2013 wordt geregeld;
  2° de Bank heeft met de betrokken autoriteit van een derde land een samenwerkingsovereenkomst ondertekend voor de uitwisseling van informatie om op de werkzaamheden van het Belgische bijkantoor een doeltreffend toezicht te kunnen uitoefenen. De Bank kan afwijken van deze voorwaarde indien zij in een concreet geval van oordeel is dat deze haar kennis van de kredietinstelling en van de groep waartoe zij behoort, niet wezenlijk verbetert wat betreft haar organisatie en de risico's die voortvloeien uit haar werkzaamheden, in het bijzonder de risico's ten aanzien van de schuldeisers van het Belgische bijkantoor, met name haar deposanten;
  [3 3° de wetgeving en de praktijken van de autoriteit van een derde land die de vergunning aan de kredietinstelling heeft verleend in haar derde land van herkomst, zijn in overeenstemming met de Internationale normen ter bestrijding van het witwassen van geld en de financiering van terrorisme en proliferatie van de Financiėle Actiegroep (FAG).]3
  § 3. Zonder afbreuk te doen aan de internationale overeenkomsten die Belgiė binden, kan de Bank een vergunning weigeren aan het bijkantoor van een kredietinstelling die ressorteert onder een derde land dat niet dezelfde toegangsmogelijkheden tot zijn markt biedt aan kredietinstellingen naar Belgisch recht.
  § 4. De Bank kan een vergunning weigeren aan een in deze Titel bedoeld bijkantoor indien zij van oordeel is dat voor de bescherming van de spaarders [2 of de beleggers]2 of voor een gezond en voorzichtig beleid van de instelling of nog voor de stabiliteit van het financiėle stelsel, de oprichting van een vennootschap naar Belgisch recht vereist is. Bij een dergelijke beslissing kan met name rekening worden gehouden met de volgende criteria :
  - het feit dat de kredietinstelling in het derde land, of binnen de groep waartoe zij behoort, de door het bijkantoor voorgenomen werkzaamheden niet effectief uitoefent;
  - het belang van het bijkantoor in verhouding tot de omvang van de kredietinstelling.
  § 5. Alvorens zich uit te spreken over de vergunningsaanvraag van een bijkantoor, raadpleegt de Bank de betrokken autoriteit van het derde land.
  ----------
  (1)<W 2015-12-18/17, art. 31, 004; Inwerkingtreding : 08-01-2016>
  (2)<W 2016-10-25/05, art. 51, 009; Inwerkingtreding : 01-12-2016>
  (3)<W 2017-11-21/08, art. 180, 014; Inwerkingtreding : 03-01-2018>

  Art. 333 TOEKOMSTIG RECHT.


   § 1. Alvorens een bijkantoor te openen om hun werkzaamheden in Belgiė uit te oefenen, moeten de kredietinstellingen die onder een derde land ressorteren en waaraan in die hoedanigheid een vergunning werd verleend in dit derde land, een vergunning verkrijgen van de Bank.
  In dit verband zijn de volgende artikelen van toepassing :
  1° de artikelen 8, 9, 12, 13 en 15, met dien verstande dat
  - de Bank uitsluitende bevoegdheid heeft om zich uit te spreken over de vergunningsaanvraag,
  - de verwijzing naar artikel 9 geldt voor de kredietinstelling waaronder het bijkantoor ressorteert,
  - de kredietinstellingen in hun land van herkomst de toestemming moeten hebben verkregen om de werkzaamheden uit te oefenen die in hun programma van werkzaamheden zijn opgenomen;
  2° artikel 14, eerste lid, met dien verstande dat de in deze Titel bedoelde bijkantoren in een bijzondere rubriek van de lijst worden vermeld;
  3° artikel 16, met dien verstande dat artikel 16 van toepassing is op de kredietinstelling waaronder het bijkantoor ressorteert. Er kan evenwel een vergunning worden verleend aan bijkantoren van instellingen met rechtspersoonlijkheid die geen handelsvennootschappen zijn;
  4° artikel 17, eerste en tweede lid, waarbij het aanvangskapitaal wordt vervangen door een dotatie waarvan de Bank, bij reglement vastgesteld met toepassing van artikel 12bis, § 2 van de wet van 22 februari 1998, het bedrag kan bepalen, evenals de bestanddelen en de voorwaarden voor de overeenstemmende activa, met name vanuit het oogpunt van hun locatie in Belgiė;
  5° [3 de artikelen 18 tot 22, 36 en 42/1, met dien verstande dat de verwijzing naar artikel 18 geldt voor de kredietinstelling waaronder het bijkantoor ressorteert en de verwijzing naar de artikelen 19 tot 22, 36 en 42/1 voor het bijkantoor in Belgiė;]3
  6° artikel 44, voor zover de kredietinstelling niet kan aantonen dat de verbintenissen van haar Belgisch bijkantoor minstens in dezelfde mate gedekt zijn door een depositobeschermingsregeling van haar land van herkomst als door de Belgische depositobeschermingsregeling, voor wat betreft de gedekte activa en het vastgestelde dekkingsniveau;
  [1 7° artikel 59, met dien verstande dat de leiders van het bijkantoor als het directiecomité worden beschouwd.]1
  § 2. Onverminderd paragraaf 1 kan aan een bijkantoor van een kredietinstelling die onder een derde land ressorteert slechts een vergunning worden toegekend indien voldaan is aan de volgende voorwaarden :
  1° de kredietinstelling is in haar land van herkomst aan een prudentieel toezicht onderworpen dat gelijkwaardig is aan het prudentieel toezicht dat bij Richtlijn 2013/36/EU en Verordening nr. 575/2013 wordt geregeld;
  2° de Bank heeft met de betrokken autoriteit van een derde land een samenwerkingsovereenkomst ondertekend voor de uitwisseling van informatie om op de werkzaamheden van het Belgische bijkantoor een doeltreffend toezicht te kunnen uitoefenen. De Bank kan afwijken van deze voorwaarde indien zij in een concreet geval van oordeel is dat deze haar kennis van de kredietinstelling en van de groep waartoe zij behoort, niet wezenlijk verbetert wat betreft haar organisatie en de risico's die voortvloeien uit haar werkzaamheden, in het bijzonder de risico's ten aanzien van de schuldeisers van het Belgische bijkantoor, met name haar deposanten;
  [3 3° de wetgeving en de praktijken van de autoriteit van een derde land die de vergunning aan de kredietinstelling heeft verleend in haar derde land van herkomst, zijn in overeenstemming met de Internationale normen ter bestrijding van het witwassen van geld en de financiering van terrorisme en proliferatie van de Financiėle Actiegroep (FAG).]3
  [4 4° het derde land van herkomst waar de kredietinstelling is gevestigd, heeft met Belgiė een overeenkomst gesloten die voldoet aan de normen van artikel 26 van het modelverdrag van de Organisatie voor Economische Samenwerking en Ontwikkeling (OESO) inzake dubbele belasting naar inkomen en vermogen, die doeltreffende informatie-uitwisseling betreffende fiscale aangelegenheden, inclusief een eventuele multilaterale overeenkomst die voldoet aan het voornoemde artikel 26, waarborgt.]4
  § 3. Zonder afbreuk te doen aan de internationale overeenkomsten die Belgiė binden, kan de Bank een vergunning weigeren aan het bijkantoor van een kredietinstelling die ressorteert onder een derde land dat niet dezelfde toegangsmogelijkheden tot zijn markt biedt aan kredietinstellingen naar Belgisch recht.
  § 4. De Bank kan een vergunning weigeren aan een in deze Titel bedoeld bijkantoor indien zij van oordeel is dat voor de bescherming van de spaarders [2 of de beleggers]2 of voor een gezond en voorzichtig beleid van de instelling of nog voor de stabiliteit van het financiėle stelsel, de oprichting van een vennootschap naar Belgisch recht vereist is. Bij een dergelijke beslissing kan met name rekening worden gehouden met de volgende criteria :
  - het feit dat de kredietinstelling in het derde land, of binnen de groep waartoe zij behoort, de door het bijkantoor voorgenomen werkzaamheden niet effectief uitoefent;
  - het belang van het bijkantoor in verhouding tot de omvang van de kredietinstelling.
  § 5. Alvorens zich uit te spreken over de vergunningsaanvraag van een bijkantoor, raadpleegt de Bank de betrokken autoriteit van het derde land.
  

----------
  (1)<W 2015-12-18/17, art. 31, 004; Inwerkingtreding : 08-01-2016>
  (2)<W 2016-10-25/05, art. 51, 009; Inwerkingtreding : 01-12-2016>
  (3)<W 2017-11-21/08, art. 180, 014; Inwerkingtreding : 03-01-2018>
  (4)<W 2017-11-21/08, art. 180, 014; Inwerkingtreding : 01-07-2019>
  

  Art. 334. De Bank stelt de Europese Commissie, de Europese Bankautoriteit en het Europees Comité voor het Bankwezen in kennis van de met toepassing van deze Titel aan een bijkantoor verleende vergunning.

  HOOFDSTUK II. - Bedrijfsuitoefening

  Art. 335.§ 1. Naast artikel 45, voor wat betreft artikel 333 en de bepalingen die krachtens artikel 333 van toepassing zijn verklaard, zijn de volgende artikelen van toepassing :
  1° artikel 53, met dien verstande dat de Bank uitsluitende bevoegdheid heeft;
  2° [1 artikel 55, eerste lid]1;
  3° [2 de artikelen 60 en 62 voor wat betreft de leiders van bijkantoren en artikel 60 voor wat betreft de compliancefunctie;]2
  [1 3° /1 de artikelen [2 65/3,]2 67 tot 71;]1
  4° de artikelen 72, 76, 77, 3° en 4° en 78, met dien verstande dat voor de toepassing van artikel 72, de leiders van het bijkantoor als leden van het wettelijk bestuursorgaan worden beschouwd;
  5° de artikelen 74, 98, 106 en 107;
  [1 5° /1 Bijlage II;]1
  6° artikel 5 van Bijlage IV.
  § 2. De Koning bepaalt de verplichtingen en regels voor de openbaarmaking van de jaarlijkse boekhoudstaten van de bijkantoren.
  ----------
  (1)<W 2015-12-18/17, art. 32, 004; Inwerkingtreding : 08-01-2016>
  (2)<W 2017-11-21/08, art. 181, 014; Inwerkingtreding : 03-01-2018>

  Art. 336.[1 § 1.]1 De kredietinstelling moet in Belgiė over voor beslag vatbare activa beschikken voor een bedrag dat overeenstemt met het bedrag van de deposito's, als bedoeld in artikel 382, die het bijkantoor heeft ontvangen, tenzij zij aantoont dat zij aan de volgende voorwaarden voldoet :
  1° de wetgeving inzake insolventieprocedures van het derde land garandeert dat de schuldeisers die hun tegoeden bij het Belgische bijkantoor hebben gedeponeerd, dezelfde behandeling krijgen als de schuldeisers die hun tegoeden bij de kredietinstelling in het derde land hebben gedeponeerd;
  2° indien een insolventieprocedure wordt geopend tegen de kredietinstelling in het derde land, kent de wetgeving inzake dergelijke procedures aan de deposanten die hun gelden bij het Belgische bijkantoor hebben gedeponeerd een rangorde toe die een gelijkaardige bescherming biedt als deze waarin artikel 389 van deze wet voorziet.
  [1 § 2. Het Belgische bijkantoor van de kredietinstelling kan slechts financiėle instrumenten van cliėnten in ontvangst nemen indien, bij opening van een insolventieprocedure tegen de kredietinstelling in het derde land, de wetgeving inzake dergelijke procedures het zakelijk eigendomsrecht als bedoeld in artikel 13, tweede lid van het koninklijk besluit nr. 62 van 10 november 1967 betreffende de bewaargeving van vervangbare financiėle instrumenten en de vereffening van transacties op deze instrumenten, gecoördineerd op 27 januari 2004, erkent voor de beleggers die hun financiėle instrumenten bij het Belgische bijkantoor hebben gedeponeerd, of indien deze wetgeving aan de belegger een recht toekent ten gevolge van de bewaargeving van de financiėle instrumenten, dat een zakelijk recht vormt op grond waarvan hij een vordering tot teruggave kan uitoefenen op deze financiėle instrumenten, met uitsluiting van een louter vorderingsrecht.]1
  ----------
  (1)<W 2016-10-25/05, art. 52, 009; Inwerkingtreding : 01-12-2016>

  HOOFDSTUK III. - Toezicht

  Art. 337.De artikelen 134, 135, 136 [1 , 136/1]1 [2 , 136/2]2 en 139 zijn van toepassing.
  ----------
  (1)<W 2016-10-25/05, art. 53, 009; Inwerkingtreding : 01-12-2016>
  (2)<W 2017-11-21/08, art. 182, 014; Inwerkingtreding : 03-01-2018>

  Art. 337/1. [1 De Bank beoordeelt de naleving door de in deze Titel bedoelde bijkantoren van de op hen van toepassing zijnde bepalingen van deze wet en van de ter uitvoering ervan genomen besluiten en reglementen, evenals de risico's waaraan zij blootgesteld zijn of zouden kunnen zijn en de risico's die zij inhouden voor het financiėle stelsel. Op grond van deze beoordeling kan de Bank aan een dergelijk bijkantoor aanvullende vereisten opleggen inzake solvabiliteit, liquiditeit, risicoconcentratie en risicoposities, die bij het bedrag van de in artikel 333, § 1, 4°, bedoelde dotatie worden gevoegd en bij de vereisten die van toepassing zijn krachtens artikel 98, om rekening te houden met de risico's waaraan zij blootgesteld is of zou kunnen zijn. De Bank bepaalt de nadere rgels waarop aan die vereisten moet worden voldaan.
   De Bank kan, in voorkomend geval bij reglement vastgesteld met toepassing van artikel 12bis, § 2, van de wet van 22 februari 1998, bepalen welke criteria en procedures zij toepast voor de voornoemde beoordeling en vereisten.]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij W 2017-07-31/11, art. 28, 011; Inwerkingtreding : 11-08-2017>
  

  Art. 338.De leiding van de in deze Titel bedoelde bijkantoren moet een of meer erkende revisoren of een of meer erkende revisorenvennootschappen aanstellen overeenkomstig artikel 220. Op dezelfde wijze kan zij een plaatsvervanger aanstellen.
  Bij aanstelling van een revisorenvennootschap is artikel 221 van overeenkomstige toepassing.
  De artikelen 223, 224, eerste tot vierde lid, 225, eerste, tweede, derde en zesde lid en [1 326, § 1, tweede lid, § 2, vierde en vijfde lid en § 3]1 zijn van toepassing.
  ----------
  (1)<W 2015-12-18/17, art. 33, 004; Inwerkingtreding : 08-01-2016>

  Art. 339. § 1. De Bank kan op basis van het wederkerigheidsbeginsel met de autoriteiten van derde landen van de kredietinstelling en met de bevoegde autoriteiten van derde landen van de andere bijkantoren van deze instelling die buiten Belgiė zijn gevestigd, overeenkomen welke verplichtingen en verbodsbepalingen voor het bijkantoor in Belgiė gelden, hoe het toezicht wordt opgevat en uitgeoefend en op welke wijze de samenwerking en de informatie-uitwisseling met deze autoriteiten, zoals bedoeld in de artikelen 36/16 en 36/17 van de wet van 22 februari 1998, worden georganiseerd.
  § 2. Om regels en modaliteiten te kunnen vaststellen die beter aansluiten bij de aard en spreiding van de werkzaamheden van de kredietinstelling en haar toezicht, mogen de overeenkomsten, met de goedkeuring van de minister van Financiėn, afwijken van de bepalingen van deze wet.
  Voor zover er een algemeen toezicht bestaat dat voldoet aan de criteria vastgesteld door of krachtens deze wet, mogen deze overeenkomsten vrijstelling verlenen van de toepassing van bepaalde voorschriften van deze wet en van haar uitvoeringsbesluiten en -reglementen.
  De in dit artikel bedoelde overeenkomsten mogen voor de bijkantoren waarop zij betrekking hebben, geen gunstiger regels bevatten dan voor de in Belgiė gevestigde bijkantoren van kredietinstellingen die onder een andere lidstaat ressorteren.

  HOOFDSTUK IV. - Intrekking, uitzonderingsmaatregelen, sancties

  Art. 340. § 1. De artikelen 233, 234, 236 en 238 en de artikelen 345 tot 352 zijn van toepassing, met dien verstande dat de Bank uitsluitende bevoegdheid heeft.
  § 2. Wanneer de Bank vaststelt dat het bijkantoor niet werkt overeenkomstig de bepalingen van deze wet en van haar uitvoeringsbesluiten en -reglementen, of wanneer zij over gegevens beschikt waaruit blijkt dat het gevaar bestaat dat het bijkantoor binnenkort niet meer overeenkomstig deze bepalingen zal werken, kan de bank limieten vastleggen voor de blootstellingen van het bijkantoor ten aanzien van zijn moederonderneming of van de entiteiten van de groep waar de kredietinstelling deel van uitmaakt.
  § 3. De Bank kan de vergunning van een in deze Titel bedoeld bijkantoor ook herroepen indien zij van oordeel is dat voor de bescherming van de spaarders of voor een gezond en voorzichtig beleid van de instelling of nog voor de stabiliteit van het financiėle stelsel, de oprichting van een vennootschap naar Belgisch recht vereist is. De Bank kan hiertoe gebruik maken van de criteria bedoeld in artikel 333, § 4.

  TITEL III. - Vertegenwoordingskantoren

  Art. 341. Iedere kredietinstelling die onder een buitenlandse staat ressorteert en in Belgiė geen bijkantoor heeft gevestigd maar er met naleving van de beperkingen van artikel 342, een vertegenwoordigingskantoor wenst op te richten om er haar werkzaamheden te promoten alsook informatie te vergaren en te verspreiden, moet zich vooraf inschrijven bij de Bank.
  Vooraleer de inschrijving te verrichten raadpleegt de Bank de autoriteiten die belast zijn met het toezicht op de kredietinstellingen in de staat van herkomst.

  Art. 342. Een vertegenwoordigingskantoor mag geen bankbedrijf uitoefenen en inzonderheid niet optreden, om welke reden ook, bij de sluiting of de gewone afwikkeling van financiėle transacties of financiėle diensten behalve wanneer die deel uitmaken van het administratieve beleid van dit kantoor.

  Art. 343. De Bank kan zich alle inlichtingen doen verstrekken, ter plaatse onderzoeken uitvoeren of laten uitvoeren en kennis nemen van de correspondentie en alle stukken in verband met de werkzaamheden van de overeenkomstig artikel 341 ingeschreven vertegenwoordigingskantoren.
  Wanneer de Bank vaststelt dat een vertegenwoordigingskantoor de geldende verplichtingen niet nakomt, kan zij zijn inschrijving herroepen.

  Art. 344. Iedere kredietinstelling naar Belgisch recht die op het grondgebied van een buitenlandse staat een vertegenwoordigingskantoor wenst op te richten, moet de toezichthouder hiervan in kennis stellen. Wanneer de werkzaamheden van dit kantoor, met naleving van de geldende regels in deze staat, de grenzen van de artikelen 342 en 343 mogen overschrijden, zijn de artikelen 86 tot 89 van toepassing. De toezichthouder kan zich alle gegevens doen verstrekken over de organisatie, de werkzaamheden en de positie van het kantoor en kan deze gegevens controleren of laten controleren. Artikel 140 is van toepassing.

  BOEK IV. - DWANGSOMMEN EN ANDERE DWANGMAATREGELEN

  Art. 345.Onverminderd de andere bij deze wet voorgeschreven maatregelen, kan de toezichthouder of de afwikkelingsautoriteit, naargelang het geval, openbaar maken dat een kredietinstelling, financiėle holding, gemengde financiėle holding of gemengde holding naar Belgisch of buitenlands recht die in Belgiė is gevestigd, geen gevolg heeft gegeven aan zijn aanmaningen om zich binnen de termijn die hij bepaalt te conformeren aan de voorschriften van deze wet of van de ter uitvoering ervan genomen besluiten of reglementen of van Verordening nr. 575/2013 [2 , Verordening nr. 600/2014 [3 , Verordening 2017/565 [4 , Titel II van Verordening nr. 648/2012 [5 , de artikelen 5 tot 9 van Verordening nr. 2017/2402 of de artikelen 4 en 15 van Verordening 2015/2365]5]4.]3]2
  In dat geval stelt de toezichthouder of de afwikkelingsautoriteit, naargelang het geval, de Europese Autoriteit voor Effecten en Markten tezelfdertijd in kennis van deze openbaarmaking, indien het een kredietinstelling betreft die één of meer beleggingsdiensten en/of beleggingsactiviteiten in de zin van [1 Richtlijn 2014/65/EU]1 verricht.
  ----------
  (1)<W 2016-10-25/05, art. 54, 009; Inwerkingtreding : 01-12-2016>
  (2)<W 2017-11-21/08, art. 183, 014; Inwerkingtreding : 03-01-2018>
  (3)<W 2017-12-05/04, art. 36, 015; Inwerkingtreding : 28-12-2017>
  (4)<W 2018-07-30/10, art. 94, 017; Inwerkingtreding : 20-08-2018>
  (5)<W 2019-05-02/25, art. 51, 019; Inwerkingtreding : 31-05-2019>

  Art. 346.§ 1. Onverminderd de andere bij deze wet voorgeschreven maatregelen, kan de toezichthouder voor een kredietinstelling, financiėle holding, gemengde financiėle holding of gemengde holding naar Belgisch of buitenlands recht die in Belgiė is gevestigd, een termijn bepalen :
  a) waarbinnen zij zich moet conformeren aan welbepaalde voorschriften van deze wet, van de ter uitvoering ervan genomen besluiten of reglementen [1 , van Verordening nr. 575/2013 [2 , Verordening nr. 600/2014 of Verordening 2017/565]2]1 of;
  b) waarbinnen zij de nodige aanpassingen moet aanbrengen in haar regeling voor de bedrijfsorganisatie of haar beleid inzake eigenvermogensbehoeften en het beheer van haar liquiditeit. Deze aanmaning geldt voor de bijkantoren van kredietinstellingen die onder een andere lidstaat ressorteren enkel voor wat betreft de niet-nakoming van een van de in de artikel 315 bedoelde verplichtingen;
  c) [3 waarbinnen zij zich moet conformeren aan de bepalingen van Titel II van Verordening nr. 648/2012 of aan de artikelen 4 en 15 van Verordening nr. 2015/2365 [4 of aan de artikelen 5 tot 9 van Verordening nr. 2017/2402;]4]3
  [4 d) waarbinnen zij zich moet conformeren aan een vereiste dat door de toezichthouder is opgelegd met toepassing van de bepalingen van deze wet, van een ter uitvoering ervan genomen koninklijk besluit of reglement of van de Verordeningen nr. 648/2012, nr. 575/2013, nr. 600/2014 en 2017/565, van de artikelen 5 tot 9 van Verordening nr. 2017/2402 of van de artikelen 4 en 15 van Verordening 2015/2365;
   e) waarbinnen zij zich moet conformeren aan de vereisten die door de toezichthouder zijn vastgesteld als voorwaarden voor een besluit genomen met toepassing van deze wet, van een ter uitvoering ervan genomen koninklijk besluit of reglement of van de Verordeningen nr. 648/2012, nr. 575/2013, nr. 600/2014 en 2017/565, van de artikelen 5 tot 9 van Verordening nr. 2017/2402 of van de artikelen 4 en 15 van Verordening 2015/2365, met name het verlenen van toestemming of van een afwijking;]4
  [5 f) waarbinnen zij zich moeten conformeren aan welbepaalde voorschriften van de wet van 27 maart 2020 tot machtiging van de Koning om een staatswaarborg te verlenen voor bepaalde kredieten in de strijd tegen de gevolgen van het coronavirus en tot wijziging van de wet van 25 april 2014 op het statuut van en het toezicht op kredietinstellingen en beursvennootschappen en de maatregelen genomen ter uitvoering ervan.]5
  § 2. Indien de onderneming in gebreke blijft bij het verstrijken van de termijn, kan de Bank, in voorkomend geval op verzoek van de Europese Centrale Bank, na de onderneming gehoord of tenminste opgeroepen te hebben, haar een dwangsom opleggen van maximum 2 500 000 euro per overtreding en maximum 50 000 euro per dag vertraging.
  § 3. Bij de vaststelling van het bedrag van de dwangsom wordt met name rekening gehouden met
  a) de ernst van de vastgestelde tekortkomingen en, in voorkomend geval, de potentiėle impact van die tekortkomingen op de stabiliteit van het financiėle stelsel;
  b) de financiėle draagkracht van de betrokken onderneming, zoals die met name blijkt uit haar omzet.
  § 4. De dwangsommen die met toepassing van paragraaf 2 worden opgelegd, worden ingevorderd ten bate van de Schatkist [1 door de Algemene Administratie van de Inning en de Invordering van de Federale Overheidsdienst Financiėn]1.
  [2 § 4/1. Wanneer de in dit artikel bedoelde dwangsommen worden opgelegd wegens niet-nakoming van de verplichtingen die door of krachtens deze wet zijn vastgelegd ter omzetting van Richtlijn 2014/65/EU, maakt de Bank bekend dat deze dwangsommen worden opgelegd overeenkomstig artikel 71 van de voornoemde richtlijn.]2
  § 5. Wanneer de Bank maatregelen die zij overeenkomstig paragraaf 2 oplegt, openbaar maakt, stelt zij de Europese Autoriteit voor Effecten en Markten tezelfdertijd in kennis, indien het een kredietinstelling betreft die één of meer beleggingsdiensten en/of beleggingsactiviteiten in de zin van [1 Richtlijn 2014/65/EU]1 verricht.
  ----------
  (1)<W 2016-10-25/05, art. 55, 009; Inwerkingtreding : 01-12-2016>
  (2)<W 2017-11-21/08, art. 184, 014; Inwerkingtreding : 03-01-2018>
  (3)<W 2018-07-30/10, art. 95, 017; Inwerkingtreding : 20-08-2018>
  (4)<W 2019-05-02/25, art. 52, 019; Inwerkingtreding : 31-05-2019>
  (5)<W 2020-03-27/04, art. 3, 022; Inwerkingtreding : 01-04-2020>

  Art. 346/1.[1 De Bank stelt de Europese Bankautoriteit onverwijld in kennis van de maatregelen die zij overeenkomstig artikel 345 of 346, § 2, toepast evenals van de status van eventueel ingestelde beroepen en het resultaat daarvan. ]1
  [2 De Bank stelt de Europese Autoriteit voor Effecten en Markten eveneens in kennis van de maatregelen die zij overeenkomstig artikel 346, § 2 oplegt in geval van een inbreuk op de artikelen 4 en 15 van Verordening nr. 2015/2365, wanneer die maatregelen niet openbaar worden gemaakt.]2
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij W 2017-12-05/04, art. 68, 015; Inwerkingtreding : 28-12-2017>
  (2)<W 2018-07-30/10, art. 96, 017; Inwerkingtreding : 20-08-2018>

  BOEK V. - SANCTIES

  TITEL I. - Administratieve boetes

  Art. 347.§ 1. [6 Onverminderd andere bij deze wet voorgeschreven maatregelen en onverminderd de bij andere wetten, besluiten of reglementen voorgeschreven maatregelen, kan de Bank, in voorkomend geval op verzoek van de Europese Centrale Bank, indien zij
   a) een inbreuk vaststelt op de bepalingen van deze wet, op de maatregelen genomen in uitvoering ervan;
   b) een inbreuk vaststelt op de bepalingen van Verordening nr. 575/2013, Verordening nr. 600/2014, Verordening 2017/565, op de bepalingen van Titel II van Verordening nr. 648/2012, op de artikelen 4 en 15 van Verordening 2015/2365 of op de artikelen 5 tot 9 van Verordening nr. 2017/2402;
   c) vaststelt dat een vereiste dat door de toezichthouder is opgelegd met toepassing van het bepaalde in a) of b), niet wordt nageleefd;
   d) vaststelt dat vereisten die door de toezichthouder zijn vastgesteld als voorwaarden voor een besluit genomen met toepassing van het bepaalde in a) of b), met name het verlenen van toestemming of van een afwijking, niet worden nageleefd;
  [7 e) een inbreuk vaststelt op de bepalingen van de wet van 27 maart 2020 tot machtiging van de Koning om een staatswaarborg te verlenen voor bepaalde kredieten in de strijd tegen de gevolgen van het coronavirus en tot wijziging van de wet van 25 april 2014 op het statuut van en het toezicht op kredietinstellingen en beursvennootschappen en de maatregelen genomen in uitvoering ervan;]7
   een administratieve geldboete opleggen aan een kredietinstelling, financiėle holding, gemengde financiėle holding of gemengde holding naar Belgisch of buitenlands recht die in Belgiė is gevestigd, aan een of meer leden van het wettelijk bestuursorgaan van deze entiteiten, aan de personen die bij ontstentenis van een directiecomité deelnemen aan hun effectieve leiding, die voor de vastgestelde tekortkoming verantwoordelijk zijn.]6
  § 2. [6 De administratieve geldboete die aan de instelling of aan de in paragraaf 1 bedoelde onderneming wordt opgelegd, voor hetzelfde feit of hetzelfde geheel van feiten, bedraagt minimum 10 000 euro en maximum 10 % van de jaarlijkse netto-omzet van de instelling van het voorbije boekjaar.
   De administratieve geldboete die aan een natuurlijke persoon wordt opgelegd, voor hetzelfde feit of hetzelfde geheel van feiten, bedraagt minimum 5 000 euro en maximum 5 000 000 euro.]6
  [6 § 2/1. In geval van een inbreuk op de artikelen 4 en 15 van Verordening 2015/2365, bedraagt de administratieve geldboete die aan de instelling of aan de in paragraaf 1 bedoelde financiėle holding wordt opgelegd:
   a) in het geval van een natuurlijke persoon: maximum 5 000 000 euro;
   b) in het geval van een rechtspersoon: maximum:
   - 5 000 000 euro in geval van een inbreuk op artikel 4 van Verordening 2015/2365; en
   - 15 000 000 euro in geval van een inbreuk op artikel 15 van Verordening 2015/2365
   of, indien dit hoger is, 10 % van de totale jaaromzet van die instelling van het voorbije boekjaar.
   Wanneer de inbreuk voor de overtreder winst heeft opgeleverd of hem heeft toegelaten verlies te vermijden, mag dit maximum worden verhoogd tot het drievoud van deze winst of dit verlies, onverminderd de punten a) en b), van het eerste lid.
   § 2/2. In geval van een inbreuk op de artikelen 5 tot 9 van Verordening nr. 2017/2402, bedraagt de in paragraaf 2, eerste lid bedoelde administratieve geldboete in het geval van een rechtspersoon maximum 5 000 000 euro of 10 % van de totale jaaromzet van die instelling van het voorbije boekjaar.
   Wanneer de inbreuk voor de overtreder winst heeft opgeleverd of hem heeft toegelaten verlies te vermijden, mag het maximumbedrag van de administratieve geldboete worden verhoogd tot het tweevoud van deze winst of dit verlies, onverminderd paragraaf 2, tweede lid en het eerste lid van deze paragraaf.]6
  § 3. De boetes die met toepassing van paragraaf 1 worden opgelegd door de Bank, worden ingevorderd ten bate van de Schatkist [1 door de Algemene Administratie van de Inning en de Invordering van de Federale Overheidsdienst Financiėn]1.
  § 4. Het bedrag van de boete wordt met name vastgesteld op grond van
  a) de ernst en de duur van de tekortkomingen;
  b) de mate van verantwoordelijkheid van de betrokkene;
  c) de financiėle draagkracht van de betrokkene, zoals die met name blijkt uit de totale omzet van de betrokken rechtspersoon of uit het jaarinkomen van de betrokken natuurlijke persoon;
  d) het voordeel of de winst die deze tekortkomingen eventueel opleveren;
  e) het nadeel dat derden door deze tekortkomingen hebben geleden, voor zover dit kan worden bepaald;
  f) de mate van medewerking van de betrokken natuurlijke of rechtspersoon met de bevoegde autoriteiten;
  g) vroegere tekortkomingen van de betrokkene;
  h) de potentiėle negatieve impact van de tekortkomingen op de stabiliteit van het financiėle stelsel.
  § 5. Wanneer de Bank maatregelen die zij overeenkomstig dit artikel oplegt, openbaar maakt, stelt zij de Europese Autoriteit voor Effecten en Markten tezelfdertijd in kennis, indien het een kredietinstelling betreft die één of meer beleggingsdiensten en/of beleggingsactiviteiten in de zin van [1 Richtlijn 2014/65/EU]1 verricht.
  [5 De Bank stelt de Europese Autoriteit voor Effecten en Markten ook in kennis van haar besluiten over inbreuken op de bepalingen van Verordening nr. 600/2014, de bepalingen die met het oog op de omzetting van Richtlijn 2014/65/EU zijn vastgesteld of de bepalingen die op grond van of in uitvoering van die verordening of van die bepalingen zijn vastgesteld, of over inbreuken op de artikelen 4 en 15 van Verordening nr. 2015/2365, wanneer die besluiten niet openbaar worden gemaakt overeenkomstig het eerste lid van deze paragraaf, met inbegrip van elk tegen deze besluiten ingesteld beroep en de afloop daarvan]5.
  [4 § 6. De Bank stelt de Europese Bankautoriteit onverwijld in kennis van de maatregelen die zij overeenkomstig dit artikel oplegt evenals van de status van eventueel ingestelde beroepen en het resultaat daarvan.]4
  ----------
  (1)<W 2016-10-25/05, art. 56, 009; Inwerkingtreding : 01-12-2016>
  (2)<W 2017-11-21/08, art. 185, 014; Inwerkingtreding : 03-01-2018>
  (3)<W 2017-12-05/04, art. 38, 015; Inwerkingtreding : 28-12-2017>
  (4)<W 2017-12-05/04, art. 69, 015; Inwerkingtreding : 28-12-2017>
  (5)<W 2018-07-30/10, art. 97, 017; Inwerkingtreding : 20-08-2018>
  (6)<W 2019-05-02/25, art. 53, 019; Inwerkingtreding : 31-05-2019>
  (7)<W 2020-03-27/04, art. 4, 022; Inwerkingtreding : 01-04-2020>

  TITEL II. - Strafrechtelijke sancties

  Art. 348.§ 1. Met gevangenisstraf van één maand tot één jaar en met een geldboete van 50 euro tot 10 000 euro of met één van die straffen alleen wordt gestraft :
  1° wie zich niet conformeert aan de artikelen 5 of 6;
  2° wie het bedrijf uitoefent van een kredietinstelling als bedoeld in artikel 7 of Boek III, Titel II, zonder een vergunning te bezitten of wanneer de vergunning is ingetrokken of herroepen;
  3° wie met opzet de kennisgevingen als bedoeld in de artikelen 46 en 50 niet verricht, wie het verzet negeert als bedoeld in artikel 48, tweede lid, of wie de schorsing negeert als bedoeld in artikel 54, eerste lid, 1° ;
  4° de leden van het wettelijk bestuursorgaan en de andere in artikel 62 bedoelde personen die de bepalingen van dit artikel overtreden;
  5° de leden van het wettelijk bestuursorgaan of de personen belast met de effectieve leiding die de artikelen 72, 77, 2° tot 4°, 74, 213, 214 of de artikelen 341 tot 344 of artikel 99 van Verordening nr. 575/2013 overtreden;
  6° de leden van het wettelijk bestuursorgaan of de personen belast met de effectieve leiding van een kredietinstelling die in het buitenland een bijkantoor openen of diensten verstrekken, zonder de kennisgevingen te hebben verricht als bepaald in de artikelen 86 of 90 of die zich niet conformeren aan artikel 89;
  7° de leden van het wettelijk bestuursorgaan of de personen belast met de effectieve leiding van een kredietinstelling die de in de artikelen 106, 203, § 1, of 318 bedoelde besluiten of reglementen overtreden;
  8° de leden van het wettelijk bestuursorgaan of de persionen belast met de effectieve leiding van een kredietinstelling die zich niet conformeren aan artikel 106, § 2, eerste lid, eerste en derde zin, tweede en derde lid;
  9° wie handelingen stelt of verrichtingen uitvoert zonder daartoe de toestemming te hebben verkregen van de speciaal commissaris als bedoeld in artikel 236, § 1, 1° of die indruisen tegen een schorsingsbeslissing overeenkomstig artikel 236, § 1, 4° of zich niet conformeren aan het verbod van artikel 329, § 1, tweede lid, of § 3 of aan de bewarende maatregelen als bedoeld in artikel 329, § 6 of aan het in artikel 330 bedoelde bevel;
  10° wie bewust gelden of waarden aanvaardt waarover wordt beschikt met overtreding van artikel 74;
  11° wie als commissaris, erkende revisor of onafhankelijk deskundige, rekeningen, jaarrekeningen, balansen en resultatenrekeningen of geconsolideerde jaarrekeningen van ondernemingen dan wel periodieke staten of inlichtingen certificeert, goedkeurt of bekrachtigt terwijl niet is voldaan aan de voorschriften van deze wet of van haar uitvoeringsbesluiten en -reglementen of van Verordening nr. 575/2013 en daarvan kennis heeft, of niet heeft gedaan wat hij normaal had moeten doen om zich te vergewissen of aan die bepalingen was voldaan;
  12° wie de onderzoeken en controles verhindert waartoe hij verplicht is in het land of in het buitenland dan wel weigert de gegevens te verstrekken waartoe hij verplicht is op grond van deze wet of wie bewust onjuiste of onvolledige inlichtingen verstrekt;
  14° elke bestuurder en zaakvoerder die zich niet houdt aan de voorschriften van de artikelen 220, tweede lid, en 326, § 1, eerste lid;
  15° de personen die artikel 79 overtreden;
  16° de leden van het wettelijk bestuursorgaan of de personen belast met de effectieve leiding van een kredietinstelling die zich niet voegen naar de aanmaningen van de afwikkelingsautoriteit overeenkomstig de artikelen 226, § 2, 232, tweede lid, 3°, 276, § 1, en 277, 5°, of haar bewust onjuiste of onvolledige informatie verstrekken;
  [2 17° "wie met opzet de bepalingen van de wet van 27 maart 2020 tot machtiging van de Koning om een staatswaarborg te verlenen voor bepaalde kredieten in de strijd tegen de gevolgen van het coronavirus en tot wijziging van de wet van 25 april 2014 op het statuut van en het toezicht op kredietinstellingen en beursvennootschappen of de maatregelen genomen in uitvoering ervan schendt.]2
  § 2. Overtredingen van het verbod van artikel 20 worden gestraft met een gevangenisstraf van drie maanden tot twee jaar en met een geldboete van 1 000 euro tot 10 000 euro.
  § 3. Met gevangenisstraf van acht dagen tot drie maanden en met een geldboete van 50 euro tot 10 000 euro of slechts met één van deze straffen alleen wordt elke bestuurder, zaakvoerder of directeur gestraft die zich niet schikt naar de bepalingen van de artikelen 95 en 99 en van de met toepassing van artikel 98 getroffen reglementen.
  [1 § 4. De financiėle tussenpersonen bedoeld in artikel 2, 9° van de wet van 2 augustus 2002 of diegenen die optreden in naam van een dergelijke tussenpersoon, die financiėle instrumenten van een cliėnt zonder de krachtens artikel 65, § 1, vereiste toestemming op om het even welke wijze gebruiken in hun eigen voordeel of in het voordeel van derden, worden beschouwd als schuldig aan misbruik van vertrouwen en gestraft met de in artikel 491 van het Strafwetboek bepaalde straffen.]1
  ----------
  (1)<W 2016-10-25/05, art. 57, 009; Inwerkingtreding : 01-12-2016>
  (2)<W 2020-03-27/04, art. 5, 022; Inwerkingtreding : 01-04-2020>

  Art. 349. De voorschriften van Boek I van het Strafwetboek, Hoofdstuk VII en artikel 85 niet uitgezonderd, zijn van toepassing op de misdrijven die door deze Titel worden bestraft.

  Art. 350. De kredietinstellingen, de financiėle instellingen en de ondernemingen zijn burgerrechtelijk aansprakelijk voor de geldboetes waartoe de leden van hun wettelijk bestuursorgaan, de personen belast met hun effectieve leiding of lasthebbers met toepassing van de voorschriften van deze Titel worden veroordeeld.

  Art. 351. Ieder opsporingsonderzoek ten gevolge van de overtreding van deze wet of één van de in artikel 20 bedoelde wetgevingen, tegen leden van het wettelijk bestuursorgaan, personen belast met de effectieve leiding, lasthebbers of erkende commissarissen van kredietinstellingen of financiėle instellingen en ieder opsporingsonderzoek ten gevolge van een overtreding van deze wet tegen iedere andere natuurlijke of rechtspersoon, moet ter kennis worden gebracht van de Bank en van de FSMA, ieder voor wat zijn bevoegdheden betreft, door de gerechtelijke of bestuursrechtelijke autoriteit waar dit aanhangig is gemaakt.
  Iedere strafrechtelijke vordering op grond van in het eerste lid bedoelde misdrijven moet ter kennis worden gebracht van de Bank en van de FSMA, ieder voor wat zijn bevoegdheden betreft, door het openbaar ministerie.

  Art. 352.De Bank en de FSMA zijn gerechtigd in elke stand van het geding tussen te komen voor de strafrechter bij wie een door deze wet bestraft misdrijf aanhangig is, zonder dat zij daarom het bestaan van enig nadeel hoeven aan te tonen.
  De tussenkomst geschiedt volgens de regels die gelden voor de burgerlijke partij.
  [1 Hetzelfde geldt voor inbreuken als bedoeld in artikel 1 van het koninklijk besluit nr. 22 van 24 oktober 1934 betreffende het rechterlijk verbod aan bepaalde veroordeelden en gefailleerden om bepaalde ambten, beroepen of werkzaamheden uit te oefenen, die bij een strafrechter aanhangig zijn gemaakt tegen een persoon als bedoeld in artikel 19, § 1, eerste lid.]1
  ----------
  (1)<W 2018-07-30/10, art. 98, 017; Inwerkingtreding : 20-08-2018>

  BOEK VI. - REGELS VAN HET INTERNATIONAAL PRIVAATRECHT INZAKE SANERINGSMAATREGELEN EN LIQUIDATIEPROCEDURES

  TITEL I. - Saneringsmaatregelen

  HOOFDSTUK I. - Bevoegdheidsregeling en erkenning van buitenlandse maatregelen

  Art. 353. Onder voorbehoud van de artikelen 340 en 358 zijn de Belgische saneringsautoriteiten uitsluitend bevoegd om saneringsmaatregelen te treffen ten aanzien van de in Boek II bedoelde kredietinstellingen. Deze saneringsmaatregelen worden ten uitvoer gelegd en hebben rechtswerking conform de Belgische wetgeving, onder voorbehoud van de preciseringen en uitzonderingen die in deze wet zijn vastgesteld. De Belgische saneringsautoriteiten kunnen inzonderheid geen saneringsmaatregelen treffen ten aanzien van een kredietinstelling die onder een andere staat ressorteert, en evenmin ten aanzien van een in Belgiė gevestigd bijkantoor van een dergelijke kredietinstelling.

  Art. 354. De saneringsmaatregelen die door de saneringsautoriteiten van een andere lidstaat zijn getroffen ten aanzien van een kredietinstelling die onder die lidstaat ressorteert, hebben rechtswerking in Belgiė conform de wetgeving van die lidstaat, zodra zij aldaar rechtswerking hebben, en dit onverminderd hun eventuele bekendmaking in Belgiė. Deze saneringsmaatregelen zijn zonder verdere formaliteiten van toepassing in Belgiė.

  Art. 354/1. [1 De afschrijving of omzetting van schulden van een instelling of een entiteit die onder een buitenlands recht ressorteert, verricht met toepassing van een instrument van interne versterking, komt de medeschuldenaars en de derden die een door het Belgisch recht beheerste persoonlijke of zakelijke zekerheid hebben gesteld, niet ten goede.]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij W 2015-12-18/17, art. 46, 004; Inwerkingtreding : 08-01-2016>
  

  HOOFDSTUK II. - Overleg en informatie

  Art. 355. De Belgische saneringsautoriteiten nemen de nodige maatregelen om de bevoegde autoriteiten van de andere lidstaten waar de kredietinstelling een bijkantoor heeft of diensten verricht met toepassing van artikel 90, onverwijld in kennis te stellen van hun beslissing om een saneringsmaatregel te treffen; zij doen dit zo mogelijk vóór de vaststelling van deze maatregel of anders onmiddellijk daarna. Deze kennisgeving waarbij tevens de concrete gevolgen van de saneringsmaatregel worden vermeld, wordt met alle dienstige middelen verricht door de toezichthouder.
  Daartoe houdt de afwikkelingsautoriteit de toezichthouder op de hoogte van de evolutie van de tenuitvoerlegging van saneringsmaatregelen die onder haar bevoegdheid vallen.

  Art. 356. Wanneer de Belgische saneringsautoriteiten het noodzakelijk achten dat in Belgiė een saneringsmaatregel wordt getroffen jegens een kredietinstelling die onder een andere lidstaat ressorteert, zien zij erop toe dat dit onverwijld wordt meegedeeld aan de bevoegde autoriteit van de betrokken lidstaat. Deze mededeling wordt gedaan door de toezichthouder.

  Art. 357. Indien de rechten van derden in een lidstaat waar de betrokken kredietinstelling een bijkantoor heeft of diensten verricht met toepassing van artikel 90, kunnen worden aangetast door de tenuitvoerlegging van een saneringsmaatregel waartoe overeenkomstig artikel 353 is besloten, ziet de toezichthouder of, met betrekking tot de saneringsmaatregelen bedoeld in Boek II, Titel VIII, de afwikkelingsautoriteit, erop toe dat een uittreksel uit deze beslissing wordt bekendgemaakt in het Publicatieblad van de Europese Unie alsook in twee nationale dagbladen van de lidstaten waar aan de rechten van derden kan worden geraakt door de tenuitvoerlegging van deze saneringsmaatregel. Deze bekendmaking beļnvloedt op geen enkele wijze de gevolgen van de saneringsmaatregel, inzonderheid voor de schuldeisers van de betrokken kredietinstelling.
  In het in het eerste lid bedoelde uittreksel worden, ten minste in de officiėle taal of talen van de betrokken lidstaten, de volgende gegevens vermeld :
  1° het onderwerp en de juridische grondslag van de genomen beslissing;
  2° de termijnen om beroep in te stellen, met vermelding van de uiterste datum waarop beroep kan worden ingesteld alsook van de personalia van de autoriteit die bevoegd is voor het beroep.
  Voor derden met woonplaats of gewone verblijfplaats in een andere lidstaat vangt de termijn om beroep in te stellen tegen de vaststelling van een saneringsmaatregel aan zodra de eerste van de in het eerste lid voorgeschreven bekendmakingen in die lidstaat is verricht.

  HOOFDSTUK III. - Bijkantoren van kredietinstellingen die ressorteren onder derde landen

  Art. 358. De Bank stelt de bevoegde autoriteiten van de andere lidstaten waar de kredietinstelling die onder een derde land ressorteert eveneens een bijkantoor heeft, onverwijld en met alle dienstige middelen in kennis van haar beslissing om krachtens artikel 340 een saneringsmaatregel te treffen alsmede van de concrete gevolgen van deze maatregel; zij doet dit zo mogelijk vóór de vaststelling van deze maatregel of anders onmiddellijk daarna. De Bank beijvert zich om haar optreden te coördineren met dat van de saneringsautoriteiten van de kredietinstellingen van de andere lidstaten.

  TITEL II. - Liquidatieprocedures

  HOOFDSTUK I. - Bevoegdheidsregeling en erkenning van buitenlandse maatregelen

  Art. 359.[1 De insolventierechtbank]1 is uitsluitend bevoegd om een in Boek II bedoelde kredietinstelling failliet te verklaren. Dit impliceert dat zij een kredietinstelling die onder een buitenlands recht ressorteert, alsook haar in Belgiė gevestigde bijkantoren, niet failliet kan verklaren.
  ----------
  (1)<W 2019-05-02/25, art. 54, 019; Inwerkingtreding : 31-05-2019>

  Art. 360. Een liquidatieprocedure die is geopend door de liquidatieautoriteiten van een andere lidstaat ten aanzien van een kredietinstelling die onder die lidstaat ressorteert, wordt zonder enige formaliteit erkend in Belgiė en heeft rechtswerking in Belgiė zodra ze rechtswerking heeft in de lidstaat waar ze is geopend.

  HOOFDSTUK II. - Procedures ten aanzien van de kredietinstellingen naar Belgisch recht

  Afdeling I. - Overleg en informatie-uitwisseling

  Art. 361.Onverminderd de artikelen 273 en 378 stelt [1 de insolventierechtbank]1 de toezichthouder onverwijld in kennis van haar beslissing om een instelling failliet te verklaren, alsmede van de concrete gevolgen van het faillissement; zij doet dit zo mogelijk vóór de faillietverklaring of anders onmiddellijk daarna. De toezichthouder deelt deze informatie onverwijld en met alle dienstige middelen mee aan de bevoegde autoriteiten in de andere lidstaten waar de betrokken kredietinstelling een bijkantoor heeft of diensten verricht met toepassing van artikel 90.
  ----------
  (1)<W 2019-05-02/25, art. 55, 019; Inwerkingtreding : 31-05-2019>

  Art. 362.[1 De curator of curatoren die zijn aangesteld overeenkomstig artikel XX.104 van het Wetboek van economisch recht zorgen voor de bekendmaking bedoeld in artikel XX.107 van hetzelfde Wetboek, eveneens via publicatie van het uittreksel in het Publicatieblad van de Europese Unie en in twee nationale dagbladen van de lidstaten waar de kredietinstelling een bijkantoor heeft of diensten verricht met toepassing van artikel 90.]1
  ----------
  (1)<W 2019-05-02/25, art. 56, 019; Inwerkingtreding : 31-05-2019>

  Art. 363.[1 Indien de schuldeisers aan wie een individuele kennisgeving wordt gericht als bedoeld in artikel XX.155 van het Wetboek van economisch recht, hun woonplaats of gewone verblijfplaats in een andere lidstaat hebben, wordt in het rondschrijven, naast de vermelding van de gegevens van het in artikel 362 bedoelde uittreksel, tevens meegedeeld dat de schuldeisers met een voorrecht of een zakelijke zekerheid verplicht zijn aangifte te doen van hun schuldvorderingen en welke de gevolgen zijn van de niet-naleving van de termijnen die zijn vastgelegd in artikel XX.165 van het Wetboek van economisch recht.]1
  Het rondschrijven, dat is opgesteld in de taal van de procedure, draagt het opschrift "Oproep tot indiening van schuldvorderingen - Termijnen" in alle officiėle talen van de Europese Economische Ruimte.
  ----------
  (1)<W 2019-05-02/25, art. 57, 019; Inwerkingtreding : 31-05-2019>

  Art. 364.[1 De curator of curatoren die zijn aangesteld overeenkomstig artikel XX.104 van het Wetboek van economisch recht houden de schuldeisers geregeld op de hoogte van het verloop van de procedure, op de wijze die zij daartoe het meest geschikt achten.]1
  ----------
  (1)<W 2019-05-02/25, art. 58, 019; Inwerkingtreding : 31-05-2019>

  Afdeling II. - Procedure-elementen - Toepasselijk recht

  Art. 365. Het faillissement van de kredietinstellingen bedoeld in Boek II wordt beheerst door het Belgische recht, onder voorbehoud van de preciseringen en uitzonderingen in deze wet.

  Art. 366.§ 1. [1 Schuldeisers met woonplaats of gewone verblijfplaats in een andere lidstaat kunnen aangifte doen van hun schuldvorderingen of hun opmerkingen indienen in een officiėle taal van die lidstaat, mits vermelding van het opschrift "Indiening van een schuldvordering" of "Indiening van opmerkingen betreffende een schuldvordering" in de taal van de procedure in Belgiė. De curatoren kunnen echter eisen dat deze schuldeisers een vertaling van de aangegeven schuldvorderingen of ingediende opmerkingen overleggen. Artikel XX.156 van het Wetboek van economisch recht is van toepassing.]1
  § 2. De schuldvorderingen van schuldeisers met woonplaats of gewone verblijfplaats in een andere lidstaat krijgen dezelfde behandeling en in het bijzonder dezelfde rang als soortgelijke schuldvorderingen die de schuldeisers met woonplaats of gewone verblijfplaats in Belgiė kunnen aangeven. Daartoe worden de schuldvorderingen van soortgelijke schuldeisers als gelijkwaardig beschouwd.
  Het eerste lid geldt ook voor schuldeisers met woonplaats of gewone verblijfplaats in een derde land, voor zover het recht dat in dat land van toepassing is niet in de mogelijkheid voorziet om een insolventieprocedure te openen ten aanzien van de betrokken kredietinstelling en de in Belgiė geopende procedure in dat land effect kan sorteren. Als dit niet het geval is, worden die schuldeisers voor de in Belgiė geopende procedure gelijkgesteld met chirografaire schuldeisers.
  ----------
  (1)<W 2019-05-02/25, art. 59, 019; Inwerkingtreding : 31-05-2019>

  Afdeling III. - Intrekking van de vergunning

  Art. 367.Ingeval een faillissement wordt uitgesproken ten aanzien van een kredietinstelling, trekt de [1 Europese Centrale Bank]1 haar vergunning in. Artikel 237 is van toepassing.
  ----------
  (1)<KB 2014-04-25/08, art. 405, 002; Inwerkingtreding : 04-11-2014>

  TITEL III. - Regels die zowel voor de saneringsmaatregelen als voor de liquidatieprocedures gelden

  HOOFDSTUK I. - Vrijwillige vereffening of vereffening ingevolge een gerechtelijke ontbinding

  Art. 368. Alvorens een voorstel tot ontbinding in de zin van artikel 181 van het Wetboek van Vennootschappen te formuleren voor een in Boek II bedoelde kredietinstelling, raadpleegt het wettelijk bestuursorgaan van de betrokken kredietinstelling de toezichthouder.
  Over een in het Wetboek van Vennootschappen vastgelegde grond tot gerechtelijke ontbinding van een kredietinstelling kan maar een uitspraak worden gedaan na eensluidend advies van de toezichthouder. Om dit advies wordt verzocht volgens de in artikel 378 voorgeschreven procedure.
  De ontbinding van een kredietinstelling en de daaropvolgende vereffening doen geen afbreuk aan de mogelijkheid om een van de in artikel 236, § 1 bedoelde maatregelen te treffen zonder voorafgaandelijk een termijn vast te stellen.

  HOOFDSTUK II. - Uitzonderingen op of nuanceringen van de toepassing van het Belgische recht als procedurerecht

  Art. 369. In afwijking van de artikelen 353 en 365 worden de gevolgen van een saneringsmaatregel of een liquidatieprocedure voor :
  1° arbeidsovereenkomsten en arbeidsbetrekkingen, uitsluitend beheerst door het recht van de lidstaat dat op de arbeidsovereenkomst van toepassing is;
  2° overeenkomsten die recht geven op het genot of de verkrijging van een onroerend goed, uitsluitend beheerst door het recht van de lidstaat waar het onroerend goed gelegen is. Die wetgeving bepaalt of het goed roerend of onroerend is;
  3° de rechten op een onroerend goed, een schip of een luchtvaartuig die onderworpen zijn aan inschrijving in een openbaar register, uitsluitend beheerst door het recht van de lidstaat onder het gezag waarvan het register wordt gehouden;
  4° het uitoefenen van de eigendomsrechten op financiėle instrumenten of van andere rechten op dergelijke instrumenten waarvan het bestaan of de overdracht een inschrijving veronderstelt in een register, op een rekening of in een gecentraliseerd effectendepot bijgehouden of gesitueerd in een lidstaat, uitsluitend beheerst door het recht van de lidstaat waar het register, de rekening of het gecentraliseerde effectendepot waar deze rechten zijn ingeschreven, wordt bijgehouden of is gesitueerd;
  5° de overeenkomsten tot schuldvernieuwing of tot bilaterale of multilaterale schuldvergelijking alsook voor de uitdrukkelijke ontbindende bedingen die hierin zijn opgenomen om de schuldvergelijking mogelijk te maken, uitsluitend beheerst door het recht dat van toepassing is op die overeenkomsten;
  6° de cessie-retrocessieovereenkomsten ("repurchase agreements" of "repo's"), uitsluitend beheerst door het recht dat van toepassing is op die overeenkomsten, onverminderd de bepaling onder 4° van dit artikel;
  7° transacties op een buitenlandse gereglementeerde markt in de zin van artikel 2, 6° van de wet van 2 augustus 2002, uitsluitend beheerst door het recht dat van toepassing is op die transacties, onverminderd de bepaling onder 4° van dit artikel.

  Art. 370. § 1. Het treffen van saneringsmaatregelen of de opening van een faillissementsprocedure raakt niet aan het zakelijk recht van een schuldeiser of van een derde op lichamelijke of onlichamelijke roerende of onroerende goederen - zowel bepaalde goederen als gehelen van onbepaalde goederen met wisselende samenstelling - die toebehoren aan de kredietinstelling en die zich op het tijdstip waarop deze maatregelen worden getroffen of deze procedure wordt geopend op het grondgebied van een andere lidstaat bevinden.
  § 2. Onder rechten in de zin van paragraaf 1 worden met name verstaan :
  1° het recht een goed te gelde te maken of te laten maken en te worden voldaan uit de opbrengst van of de inkomsten uit dat goed, in het bijzonder op grond van pand of hypotheek;
  2° het exclusieve recht een schuldvordering te innen, in het bijzonder door middel van een pandrecht op de schuldvordering of door de cessie van die schuldvordering tot zekerheid;
  3° het recht om het goed terug te eisen en/of de teruggave ervan te verlangen van eenieder die het tegen de wil van de rechthebbende in bezit of in gebruik heeft;
  4° het zakelijke recht om van een goed de vruchten te trekken.
  § 3. Met een zakelijk recht wordt gelijkgesteld, het in een openbaar register ingeschreven recht tot verkrijging van een zakelijk recht in de zin van paragraaf 1, dat aan derden kan worden tegengeworpen.

  Art. 371. § 1. Het treffen van saneringsmaatregelen of de opening van een faillissementsprocedure tegen een kredietinstelling die een goed koopt, laat de op een eigendomsvoorbehoud berustende rechten van de verkoper onverlet wanneer dat goed zich, op het tijdstip waarop de maatregelen worden getroffen of de procedure wordt geopend, bevindt op het grondgebied van een andere lidstaat dan de lidstaat waar de maatregelen worden getroffen of de procedure wordt geopend.
  § 2. Het treffen van saneringsmaatregelen of de opening van een faillissementsprocedure tegen een kredietinstelling die de hoedanigheid van verkoper heeft, nadat de levering van het verkochte goed heeft plaatsgevonden, is geen grond voor ontbinding of opzegging van de verkoop en belet de koper niet de eigendom van het gekochte goed te verkrijgen wanneer dit goed zich, op het tijdstip waarop de maatregelen worden getroffen of de procedure wordt geopend, bevindt op het grondgebied van een andere lidstaat dan de lidstaat waar de maatregelen worden getroffen of de procedure wordt geopend.

  Art. 372. Het treffen van saneringsmaatregelen of de opening van een faillissementsprocedure laat het recht van een schuldeiser op schuldvergelijking van zijn vordering met de vordering van de kredietinstelling onverlet wanneer die schuldvergelijking is toegestaan bij het recht dat op de vordering van de kredietinstelling van toepassing is.

  Art. 373.§ 1. Onverminderd artikel 369 en onder voorbehoud van artikel 374, doen de artikelen 370, § 1, 371 en 372 geen afbreuk aan de toepassing van [1 de artikelen XX.111 tot XX.114 van het Wetboek van economisch recht]1.
  § 2. Artikel 1167 van het Burgerlijk Wetboek en [1 de artikelen XX.111 tot XX.114 van het Wetboek van economisch recht]1 zijn niet van toepassing wanneer diegene die voordeel heeft bij de rechtshandeling bedoeld in de genoemde bepalingen, het bewijs levert dat de rechtshandeling onderworpen is aan het recht van een lidstaat dat niet het Belgische recht is en dat dit recht in casu niet voorziet in de mogelijkheid om die rechtshandeling te bestrijden.
  ----------
  (1)<W 2019-05-02/25, art. 60, 019; Inwerkingtreding : 31-05-2019>

  Art. 374.In afwijking van artikel 236, § 1, 1° en 4° van deze wet en van [1 artikel XX.110 van het Wetboek van economisch recht, en niettegenstaande de artikelen XX.111 tot XX.114 van hetzelfde Wetboek]1, indien de kredietinstelling na het treffen van een saneringsmaatregel of na de opening van een faillissementsprocedure onder bezwarende titel beschikt over een onroerend goed, een schip of een luchtvaartuig dat onderworpen is aan inschrijving in een openbaar register, dan wel over financiėle instrumenten of rechten op dergelijke instrumenten waarvan het bestaan of de overdracht een inschrijving veronderstelt in een register, op een rekening of in een gecentraliseerd effectendepot bijgehouden of gesitueerd in een andere lidstaat, wordt de nietigheid of de niet-tegenwerpbaarheid van deze handeling beoordeeld op grond van het recht van de lidstaat waar dat onroerend goed gelegen is of onder het gezag waarvan dat register, die rekening of dat effectendepot wordt bijgehouden.
  ----------
  (1)<W 2019-05-02/25, art. 61, 019; Inwerkingtreding : 31-05-2019>

  HOOFDSTUK III. - Saneringscommissarissen en liquidateurs

  Afdeling I. - Erkenning van buitenlandse maatregelen en procedures

  Art. 375. De aanstelling van een saneringscommissaris of van een liquidateur door een autoriteit van een andere lidstaat, wordt aangetoond met een voor eensluidend gewaarmerkt afschrift van de beslissing tot aanstelling of van ieder ander door die autoriteit opgesteld attest.
  Hoewel er geen legalisatie of soortgelijke formaliteit wordt gevraagd, dient niettemin een vertaling te worden gemaakt van het in het eerste lid bedoelde document, in de taal of een van de talen van het taalgebied waar de saneringscommissaris of de liquidateur wil optreden.

  Art. 376. § 1. De saneringscommissarissen en de liquidateurs die aangesteld zijn door een autoriteit van een andere lidstaat kunnen in Belgiė alle bevoegdheden uitoefenen die zij gemachtigd zijn uit te oefenen op het grondgebied van die andere lidstaat.
  Hetzelfde geldt voor de personen die zij aanwijzen, overeenkomstig het recht van die lidstaat, om hen bij te staan of te vertegenwoordigen bij de afwikkeling van een saneringsmaatregel of een liquidatieprocedure.
  § 2. Bij de uitoefening van hun bevoegdheden in Belgiė leven de in § 1 bedoelde saneringscommissarissen en liquidateurs de Belgische wetgeving na, meer bepaald wat betreft de wijze waarop goederen te gelde worden gemaakt en het informeren van de werknemers. Deze bevoegdheden mogen niet de aanwending van dwangmiddelen behelzen, noch het recht om uitspraak te doen in gedingen of geschillen.
  § 3. De in paragraaf 1 bedoelde saneringscommissarissen en liquidateurs stellen de Kruispuntbank bedoeld in artikel 3 van de wet van 16 januari 2003 tot oprichting van een Kruispuntbank van Ondernemingen, tot modernisering van het handelsregister, tot oprichting van erkende ondernemingsloketten en houdende diverse bepalingen, in kennis van de saneringsmaatregelen en de liquidatieprocedures waartoe is beslist door een autoriteit van een andere lidstaat, opdat ze worden ingeschreven.

  Afdeling II. - Belgische saneringscommissarissen en liquidateurs

  Art. 377.[1 De curator of curatoren die zijn aangesteld overeenkomstig artikel XX.104 van het Wetboek van economisch recht nemen alle nodige maatregelen om te voldoen aan de inschrijving van een liquidatieprocedure in een openbaar register van een andere lidstaat die krachtens de wetgeving van die lidstaat verplicht gesteld is.]1
  De kosten die voortvloeien uit een inschrijving in een openbaar register van een andere lidstaat worden beschouwd als kosten met betrekking tot de procedure, ongeacht of de inschrijving verplicht is of geschiedt op initiatief van de in het eerste lid bedoelde personen.
  ----------
  (1)<W 2019-05-02/25, art. 62, 019; Inwerkingtreding : 31-05-2019>

  TITEL IV. [1 Aanvullende bepaling ]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij W 2017-12-05/04, art. 70, 015; Inwerkingtreding : 28-12-2017>
  

  Art. 377./1. [1 De artikelen 353 tot 377 zijn mutatis mutandis van toepassing op de entiteiten naar Belgisch recht bedoeld in artikel 424, wanneer ten aanzien van die entiteiten afwikkelingsmaatregelen worden toegepast krachtens Boek XI, Titel V. ]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij W 2017-12-05/04, art. 71, 015; Inwerkingtreding : 28-12-2017>
  

  BOEK VII. - MATERIEELRECHTELIJKE ASPECTEN
  VAN LIQUIDATIEPROCEDURES

  Art. 378.§ 1. Onverminderd artikel 273 en behoudens de gevallen waarin een kredietinstelling het voorwerp uitmaakt van de afwikkelingsmaatregelen waarin voorzien is in Boek II, Titel II, kan de opening van een faillissementsprocedure [1 ...]1 tegen een kredietinstelling enkel worden uitgesproken na eensluidend advies van de toezichthouder.
  § 2. Het verzoek om advies wordt schriftelijk aan de toezichthouder gericht. Bij dit verzoek worden de nodige documenten ter informatie gevoegd.
  De toezichthouder brengt zijn advies uit binnen vijftien dagen na de ontvangst van het verzoek om advies. Ingeval een procedure betrekking heeft op een kredietinstelling waarvan de toezichthouder vermoedt dat er zich belangrijke verwikkelingen kunnen voordoen op het vlak van het systeemrisico of waarvoor een voorafgaande coördinatie met buitenlandse autoriteiten vereist is, beschikt de toezichthouder over een ruimere termijn om zijn advies uit te brengen, met dien verstande dat de totale termijn niet meer dan dertig dagen mag bedragen. Indien de toezichthouder van oordeel is dat hij gebruik moet maken van deze uitzonderlijke termijn, brengt hij dit ter kennis van de rechterlijke instantie die een uitspraak moet doen. De termijn waarover de toezichthouder beschikt om een advies uit te brengen schorst de termijn waarbinnen de rechterlijke instantie uitspraak moet doen. Indien de toezichthouder geen advies verstrekt binnen de vastgestelde termijn, kan [1 de insolventierechtbank]1 uitspraak doen.
  De toezichthouder verstrekt zijn advies schriftelijk. Het wordt door ongeacht welk middel bezorgd aan de griffier, die het doorgeeft aan de voorzitter van [1 de insolventierechtbank]1 en aan de procureur des Konings. Het advies wordt toegevoegd aan het dossier.
  ----------
  (1)<W 2019-05-02/25, art. 63, 019; Inwerkingtreding : 31-05-2019>

  Art. 379.[1 De curator of curatoren bedoeld in artikel XX.122, § 1, van het Wetboek van economisch recht, evenals de personen die als curator zijn toegevoegd met toepassing van hetzelfde artikel XX.122, § 2, worden aangewezen op advies van de toezichthouder.]1
  ----------
  (1)<W 2019-05-02/25, art. 64, 019; Inwerkingtreding : 31-05-2019>

  Art. 379/1.[1 § 1. Onverminderd [2 de artikelen XX.111 tot XX.115 van het Wetboek van economisch recht]2, zijn de op de dag van haar faillietverklaring door een kredietinstelling verrichte betalingen, transacties en handelingen en de op die dag aan dergelijke instelling gedane betalingen geldig indien zij het tijdstip van het vonnis van faillietverklaring voorafgaan of werden verricht zonder van het faillissement van de kredietinstelling af te weten.
   Voor de toepassing van het eerste lid worden de instellingen belast met de verrekening of de vereffening tussen kredietinstellingen van betalingen of van financiėle transacties, met kredietinstellingen gelijkgesteld.
   § 2. De Koning kan de toepassing van dit artikel, voor de transacties en betalingen die Hij bepaalt, uitbreiden tot andere categorieėn van instellingen uit de financiėle sector.]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij W 2015-12-18/17, art. 34, 004; Inwerkingtreding : 08-01-2016>
  (2)<W 2019-05-02/25, art. 65, 019; Inwerkingtreding : 31-05-2019>

  BOEK VIII. [1 - BELEGGERS- EN DEPOSITO- BESCHERMINGSREGELINGEN]1
  ----------
  (1)<W 2016-10-25/05, art. 58, 009; Inwerkingtreding : 01-12-2016>

  TITEL I. [1 - Depositobeschermingsregeling]1
  ----------
  (1)<W 2016-10-25/05, art. 59, 009; Inwerkingtreding : 01-12-2016>

  Art. 380.De in Belgiė gevestigde kredietinstellingen moeten [1 , voor wat betreft de in Belgiė of in een lidstaat aan-gehouden deposito's,]1 deelnemen aan een collectieve depositobeschermingsregeling die zij financieren en die tot doel heeft [1 bepaalde categorieėn van deposanten een schadevergoeding toe te kennen, wanneer het faillissement is uitgesproken of wanneer de toezichthouder de beslissing heeft genomen vermeld in artikel 381, tweede lid]1. [1 De depositogarantieregeling heeft daarnaast de financiering van de afwikkeling van krediet-instellingen overeenkomstig artikel 384/1 tot doel. De afwikkelingsautoriteit stelt na overleg met het Garantiefonds het bedrag vast waarvoor de depositogarantieregeling aansprakelijk is. De financiėle middelen van deze depositogarantieregeling kunnen tevens gebruikt worden ter fi-nanciering van maatregelen voor het veiligstellen van de toegang van deposanten tot gewaarborgde deposito's in het kader van het faillissement van de betrokken kredietinstelling. De Koning stelt de modaliteiten en voorwaarden vast voor het nemen van dergelijke maatregelen.]1
  Het eerste lid geldt niet voor de bijkantoren van kredietinstellingen die ressorteren onder een andere lidstaat. Het geldt evenmin voor de bijkantoren van kredietinstellingen die ressorteren onder een derde land en waarvan de verplichtingen door een depositobeschermingsregeling van deze staat op een ten minste evenwaardige wijze zijn gedekt als in het kader van de overeenstemmende Belgische depositobeschermingsregeling [2 , voor wat betreft de gedekte activa en het vastgestelde dekkingsniveau]2.
  Het Garantiefonds neemt het beheer en de verrichtingen van de depositobeschermingsregeling waar.
  [1 De deposanten bij bijkantoren die zijn gevestigd in Belgiė door kredietinstellingen die onder het recht van een andere lidstaat vallen, worden geļnformeerd en terugbetaald door het Garantiefonds namens en overeenkomstig de instructies van het depositogarantiestelsel van die an-dere lidstaat.]1
  [1 Het Garantiefonds voert ten minste om de drie jaar en indien nodig vaker tests uit op zijn depositobeschermingsregeling. De eerste test vindt uiterlijk op 3 juli 2017 plaats.]1
  ----------
  (1)<W 2016-04-22/02, art. 4, 007; Inwerkingtreding : 12-05-2016>
  (2)<W 2016-10-25/05, art. 60, 009; Inwerkingtreding : 01-12-2016>

  Art. 381.De toezichthouder informeert het Garantiefonds [1 zo spoedig mogelijk]1 ingeval hij problemen op het spoor komt die waarschijnlijk tot de interventie van deze [3 depositobeschermingsregeling]3 zullen leiden.
  Behalve in de gevallen waarin het faillissement is uitgesproken, neemt de toezichthouder de beslissing [1 waarmee wordt vastgesteld dat [2 een in artikel 380 bedoelde kredietinstelling]2, om redenen die rechtstreeks verband houden met haar financiėle positie, momenteel niet in staat blijkt te zijn de deposito's terug te betalen en daartoe ook op afzienbare termijn niet in staat lijkt te zijn]1. Deze vaststelling geschiedt [1 zo spoedig mogelijk en in ieder geval]1 uiterlijk vijf werkdagen nadat voor het eerst is vastgesteld dat een kredietinstelling heeft nagelaten een verschuldigd en betaalbaar deposito terug te betalen.
  [1 Het Garantiefonds zorgt ervoor dat het terugbetaalbare bedrag beschikbaar is binnen een termijn van zeven werkdagen te rekenen vanaf de datum van de in het tweede lid bedoelde beslissing, dan wel de datum van de uitspraak van het faillissement van de kredietinstelling. De Koning kan een langere terugbetalingstermijn toestaan, die niet meer dan drie maanden mag bedragen indien de deposant niet de rechthebbende is van de bedragen op de rekening. De Koning kan tevens de terugbetaling uitstellen wanneer het onzeker is of een persoon gerechtigd is een terugbetaling te ontvangen, wanneer het deposito het onderwerp is van een rechtsgeschil of van beperkende maatregelen van nationale regeringen of internationale organen, wanneer er de afgelopen 24 maanden geen transactie heeft plaatsgevonden met betrekking tot het deposito, wanneer het terug te betalen bedrag geacht wordt deel uit te maken van een tijdelijk hoog saldo of wanneer het terug te betalen bedrag dient te worden uitbetaald door het [3 depositobeschermingsregeling]3 van de lidstaat van herkomst.]1
  [1 De kredietinstelling of, als deze failliet is, de curator deelt te allen tijde en op verzoek van het Garantiefonds alle gegevens mee die het Garantiefonds nodig heeft om de deposito's terug te betalen, met inbegrip van de markeringen krachtens artikel 381/1 en het totale bedrag van de in aanmerking komende deposito's van elke deposant.]1 De Koning kan de nadere regels bepalen voor de uitwisseling van de gegevens tussen de kredietinstelling of curator, enerzijds, en het Garantiefonds, anderzijds.
  Indien er twijfels rijzen over de juistheid van de gegevens die het Garantiefonds met toepassing van het vierde lid heeft ontvangen, kijkt de kredietinstelling of de curator deze op verzoek van het Garantiefonds na en deelt in voorkomend geval de verbeterde gegevens mee aan het Garantiefonds.
  ----------
  (1)<W 2016-04-22/02, art. 5, 007; Inwerkingtreding : 12-05-2016>
  (2)<W 2016-10-25/05, art. 61, 009; Inwerkingtreding : 01-12-2016>
  (3)<W 2017-12-05/04, art. 98, 015; Inwerkingtreding : 28-12-2017>

  Art. 381/1. [1 Kredietinstellingen markeren de in aanmerking komende deposito's zodanig dat die deposito's onmiddellijk te identificeren zijn. De nadere regels voor de markering worden vastgesteld door de Koning.]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij W 2016-04-22/02, art. 6, 007; Inwerkingtreding : 12-05-2016>
  

  Art. 382.[1 De depositobeschermingsregeling ingesteld door het Garantiefonds voorziet, tot een bedrag van maximum 100 000 euro per deposant en per instelling die deelneemt aan deze regeling, in de terugbetaling van de deposito's, ongeacht de munteenheid waarin ze uitgedrukt zijn. De Koning past dit bedrag aan, teneinde het in overeenstemming te brengen met het bedrag dat de Europese Commissie vaststelt om rekening te houden met de inflatie in de Europese Unie.
   In aanvulling op het eerste lid, genieten de volgende deposito's een bescherming van meer dan 100 000 euro gedurende een periode bepaald bij een in Ministerraad overlegd koninklijk besluit, van ten minste drie maanden en ten hoogste twaalf maanden na creditering van het bedrag of vanaf het tijdstip waarop die deposito's wettelijk kunnen worden overgemaakt :
   a) deposito's die het resultaat zijn van onroerendgoedtransacties met betrekking tot particuliere woningen;
   b) deposito's die verband houden met bepaalde levensgebeurtenissen van een deposant en die, de bij een in Ministerraad overlegd koninklijk besluit aangewezen sociale doelen dienen.
   c) deposito's die gebaseerd zijn op de uitbetaling van verzekeringsuitkeringen of vergoedingen voor schade door criminele activiteiten of onterechte veroordeling en die, de bij een in Ministerraad overlegd koninklijk besluit aangewezen doelen dienen.
   De Koning bepaalt bij een in Ministerraad overlegd besluit het bedrag, de modaliteiten en de voorwaarden van toekenning van deze bijkomende bescherming per categorie van deposito's die onder het vorige lid vallen.]1
  ----------
  (1)<W 2016-04-22/02, art. 7, 007; Inwerkingtreding : 12-05-2016>

  Art. 383.De Koning bepaalt welke informatie de kredietinstellingen aan de deposanten moeten verstrekken over de dekking van hun tegoeden ingevolge de voornoemde regeling.
  [1 De aanwending voor reclamedoeleinden van de informatie bedoeld in het eerste lid is beperkt tot de loutere vermelding van het depositogarantiestelsel dat een garantie biedt voor het product waarop de reclame betrekking heeft. De Koning kan de mededeling van aanvullende inlichtingen toestaan.
   De FSMA ziet toe op de naleving van dit artikel en van de ter uitvoering ervan genomen besluiten. Voor de uitoefening van deze toezichtsopdracht beschikt zij over de bevoegdheden bedoeld in de artikelen 34, § 1, 1°, 35, §§ 1 en 2, 36, 36bis en 37 van de wet van 2 augustus 2002.]1
  ----------
  (1)<W 2016-04-22/02, art. 8, 007; Inwerkingtreding : 12-05-2016>

  Art. 384.
  <Opgeheven bij W 2016-04-22/02, art. 9, 007; Inwerkingtreding : 12-05-2016>

  Art. 384/1. [1 § 1. Wanneer de afwikkelingsautoriteit een afwikkelingsmaatregel neemt en voor zover die maatregel garandeert dat de deposanten toegang tot hun deposito's blijven hebben, draagt het Garantiefonds in de volgende gevallen in contanten bij aan de financiering van de afwikkeling :
   1° wanneer het instrument van interne versterking wordt toegepast, voor het bedrag dat bij de gewaarborgde deposito's zou worden afgeschreven om de verliezen van de kredietinstelling overeenkomstig artikel 267/1, § 1, 1° te absorberen, indien de gewaarborgde deposito's binnen het toepassingsgebied van de interne versterking zouden vallen; of
   2° wanneer er één of meer andere afwikkelingsinstrumenten dan de interne versterking worden gebruikt, voor het bedrag aan verliezen dat de verzekerde deposanten zouden hebben geleden, indien zij verliezen hadden geleden die in verhouding staan tot de verliezen van de schuldeisers met een even hoge prioriteit in geval van samenloop van schuldeisers.
   De in het eerste lid bedoelde bijdrage van het Garantiefonds wordt vastgesteld op grond van de in de artikelen 246 tot 248 bedoelde waardering en mag niet groter zijn dan de verliezen die het zou hebben moeten dragen indien de kredietinstelling volgens een liquidatieprocedure was vereffend.
   Indien bij een waardering krachtens artikel 283 wordt vastgesteld dat de bijdrage van het Garantiefonds aan de financiering van de afwikkeling groter was dan de nettoverliezen die het zou hebben geleden in het kader van een vereffening volgens een liquidatieprocedure, heeft het Garantiefonds recht op de betaling van het verschil overeenkomstig artikel 284.
   § 2. Wanneer in aanmerking komende deposito's bij een kredietinstelling in afwikkeling worden overgedragen via het instrument van verkoop van de onderneming of het instrument van de overbruggingsinstelling, hebben de deposanten geen vordering op het Garantiefonds met betrekking tot enigerlei deel van hun deposito's bij de kredietinstelling in afwikkeling die niet zijn overgedragen, indien het bedrag van de overgedragen middelen gelijk is aan of groter is dan het totale in artikel 382 vastgelegde dekkingsniveau.
   § 3. Wanneer de beschikbare financiėle middelen van het Garantiefonds overeenkomstig de paragrafen 1 en 2 worden gebruikt en vervolgens gereduceerd worden tot minder dan twee derde van het door de Koning bepaalde streefbedrag, wordt de normale bijdrage aan de depositogarantiestelsels vastgesteld op een niveau dat het mogelijk maakt het streefbedrag binnen zes jaar te bereiken.
   § 4. Het Garantiefonds mag in geen geval bijdragen aan de financiering van de afwikkeling voor een bedrag per interventie dat groter is dan 50 % van het in paragraaf 3 bedoelde streefniveau.]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij KB 2015-12-18/19, art. 29, 003; Inwerkingtreding : 01-01-2016>

  Titel II. - [1 Beleggersbeschermingsregeling"]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij W 2016-10-25/05, art. 62, 009; Inwerkingtreding : 01-12-2016>

  Art. 384/2. [1 Iedere in Belgiė gevestigde kredietinstelling moet deelnemen aan een collectieve beleggersbeschermingsregeling waaraan zij bijdraagt en die tot doel heeft aan bepaalde categorieėn van beleggers een schadevergoeding toe te kennen wanneer het faillissement van een dergelijke instelling is uitgesproken of wanneer de toezichthouder de in artikel 384/3, tweede lid, bedoelde beslissing heeft genomen ten aanzien van een dergelijke instelling.
  Het eerste lid geldt niet voor de bijkantoren van kredietinstellingen die onder het recht van een andere lidstaat ressorteren. Het geldt evenmin voor de bijkantoren van kredietinstellingen die onder het recht van een derde land ressorteren en waarvan de verbintenissen door een beleggersbeschermingsregeling van die staat minstens op evenwaardige wijze gedekt zijn als in het kader van de in het eerste lid bedoelde regeling, voor wat betreft de gedekte activa en het vastgestelde dekkingsniveau.
  Het Garantiefonds neemt het beheer en de verrichtingen van de beleggersbeschermingsregeling waar.]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij W 2016-10-25/05, art. 62, 009; Inwerkingtreding : 01-12-2016>

  Art. 384/3. [1 De toezichthouder informeert het Garantiefonds zo spoedig mogelijk ingeval hij problemen op het spoor komt die waarschijnlijk tot de interventie van de beleggersbeschermingsregeling zullen leiden.
  Behalve in de gevallen waarin het faillissement is uitgesproken, neemt de toezichthouder de beslissing waarmee wordt vastgesteld dat een in artikel 384/2 bedoelde kredietinstelling, om redenen die rechtstreeks verband houden met haar financiėle positie, niet in staat lijkt te zijn te voldoen aan haar verplichtingen jegens de beleggers tot terugbetaling van de financiėle instrumenten die voor hun rekening worden gehouden of die de kredietinstelling verschuldigd is, en dat de kredietinstelling daartoe ook op afzienbare termijn niet in staat zal zijn. Deze vaststelling geschiedt zo spoedig mogelijk en in elk geval uiterlijk vijf werkdagen nadat voor het eerst is vastgesteld dat de kredietinstelling heeft nagelaten een financieel instrument terug te betalen.
  Het Fonds zorgt voor de in artikel 384/4 bedoelde schadeloosstelling binnen drie maanden nadat de vordering van de belegger in aanmerking is genomen en het bedrag van die vordering is vastgesteld. De toezichthouder kan deze termijn verlengen met ten hoogste drie maanden. Deze verlenging mag enkel worden toegestaan in zeer uitzonderlijke omstandigheden en in specifieke gevallen.
  De kredietinstelling, of, als deze failliet is, de curator, deelt te allen tijde en op verzoek van het Garantiefonds alle gegevens mee die deze laatste nodig heeft om de in artikel 384/4 bedoelde schadevergoeding toe te kennen aan de beleggers. De Koning kan de nadere regels bepalen voor de uitwisseling van de gegevens tussen de kredietinstelling of curator, enerzijds, en het Garantiefonds, anderzijds.
  Indien er twijfels rijzen over de juistheid van de gegevens die het Garantiefonds in uitvoering van het vorige lid heeft ontvangen, kijkt de kredietinstelling of de curator deze op zijn verzoek na en deelt in voorkomend geval de verbeterde gegevens mee aan het Garantiefonds.]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij W 2016-10-25/05, art. 62, 009; Inwerkingtreding : 01-12-2016>

  Art. 384/4. [1 Onverminderd eventuele franchises overeenkomstig het Europese recht, voorziet de door het Garantiefonds ingestelde beleggersbeschermingsregeling, tot een bedrag van maximum 20 000 euro per belegger en per kredietinstelling die aan deze regeling deelneemt, in een schadevergoeding voor niet-terugbetaling van financiėle instrumenten die voor rekening van de beleggers worden gehouden of die de kredietinstelling verschuldigd is, ongeacht de munteenheid waarin de financiėle instrumenten zijn uitgedrukt.]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij W 2016-10-25/05, art. 62, 009; Inwerkingtreding : 01-12-2016>

  Art. 384/5. [1 De Koning bepaalt welke informatie de kredietinstellingen aan de beleggers moeten verstrekken over de dekking van hun tegoeden ingevolge de voornoemde regeling.
  De aanwending voor reclamedoeleinden van de in het eerste lid bedoelde informatie is beperkt tot de loutere vermelding van de beleggersbeschermingsregeling die een garantie biedt voor de financiėle instrumenten waarop de reclame betrekking heeft. De Koning kan toestaan dat aanvullende informatie wordt meegedeeld.
  De FSMA ziet toe op de naleving van dit artikel en de ter uitvoering ervan genomen besluiten. Voor de uitvoering van deze opdracht beschikt zij over de bevoegdheden bedoeld in de artikelen 34, § 1, 1°, 35, §§ 1 en 2, 36, 36bis en 37 van de wet van 2 augustus 2002.]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij W 2016-10-25/05, art. 62, 009; Inwerkingtreding : 01-12-2016>

  Art. 384/6. [1 Het Garantiefonds treft de nodige maatregelen en schikkingen om de bijkantoren van kredietinstellingen die onder het recht van een andere lidstaat ressorteren, in staat te stellen deel te nemen aan de beleggersbeschermingsregeling die het beheert, teneinde, binnen de grenzen van deze regeling, de waarborgen verstrekt door de regeling waaraan de instelling in haar staat deelneemt, aan te vullen.
  Indien het bijkantoor dat de mogelijkheid van het eerste lid heeft benut, zijn verplichtingen ten aanzien van de beleggersbeschermingsregeling niet nakomt, wendt het Garantiefonds zich in samenwerking met de toezichthouder tot de bevoegde autoriteit die de vergunning heeft verleend aan de kredietinstelling waarvan het bijkantoor afhangt. Indien de toestand niet binnen twaalf maanden wordt verholpen, kan het Garantiefonds, op eensluidend advies van deze autoriteit, het bijkantoor uitsluiten na afloop van een opzeggingstermijn van twaalf maanden. De termijnverbintenissen van voor de uitsluiting blijven gedekt door de beschermingsregeling tot ze vervallen. De andere tegoeden die vóór de uitsluiting werden gehouden, blijven nog twaalf maanden gedekt. De beleggers worden door het bijkantoor of, zo niet, door de toezichthouder op de hoogte gebracht van het verval van de dekking.]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij W 2016-10-25/05, art. 62, 009; Inwerkingtreding : 01-12-2016>

  BOEK IX. - SLOT-, WIJZIGINGS-,
  OVERGANGS- EN OPHEFFINGSBEPALINGEN

  TITEL I. - Slotbepalingen en diverse bepalingen

  Art. 385. Voor de toepassing van de artikelen 1 en 5 van deze wet kan de Koning de criteria vastleggen op grond waarvan het openbaar karakter van de in deze bepalingen bedoelde verrichtingen kan worden bepaald.

  Art. 386. Bij een in Ministerraad overlegd besluit, genomen op advies van de afwikkelingsautoriteit, kan de Koning alle nuttige maatregelen nemen om de financieringsregelingen in te richten die nodig zijn voor de effectieve aanwending van de instrumenten en afwikkelingsbevoegdheden door de afwikkelingsautoriteit.

  Art. 387. Bij een in Ministerraad overlegd besluit, genomen op advies van de afwikkelingsautoriteit, kan de Koning de toepassing van alle of een deel van de bepalingen van Boek II, Titel II, Hoofdstuk VII en van de Titels IV en VIII uitbreiden tot financiėle holdings en gemengde financiėle holdings en er de nadere regels van vaststellen.

  Art. 388. De in artikels 386 en 387 aan de Koning verleende machten verstrijken op 31 december 2015.
  De koninklijke besluiten genomen krachtens de artikelen 386 of 387 kunnen de van kracht zijnde wettelijke bepalingen wijzigen, aanvullen, vervangen of opheffen.
  Deze besluiten worden van rechtswege opgeheven indien zij niet bij wet worden bekrachtigd binnen twaalf maanden volgend op hun bekendmaking in het Belgisch Staatsblad.

  Art. 389. § 1. De gewaarborgde deposito's en de vorderingen van het Garantiefonds op een kredietinstelling, in hoofdsom, interesten en bijkomstigheden, zijn bevoorrecht op alle roerende goederen van deze kredietinstelling.
  Het in het eerste lid bedoelde voorrecht neemt rang onmiddellijk na de voorrechten bedoeld in artikel 19, 4° nonies, van de hypotheekwet van 16 december 1851.
  § 2. Voor het deel dat het dekkingsniveau bepaald in artikel 382 overschrijdt, zijn de in aanmerking komende deposito's van natuurlijke personen en van de kleine en middelgrote ondernemingen bevoorrecht op alle roerende goederen van de kredietinstelling.
  Het voorrecht bedoeld in het eerste lid neemt rang onmiddellijk na het voorrecht bedoeld in paragraaf 1.
  Voor de toepassing van het eerste lid zijn kleine en middelgrote ondernemingen de ondernemingen waarvan de jaarlijkse omzet niet hoger is dan 50 miljoen euro.

  Art. 389/1.[1 Wanneer er ten aanzien van een kredietinstelling [2 , een beursvennootschap, een financiėle holding of een gemengde financiėle holding]2 een liquidatieprocedure wordt geopend, kunnen de volgende schuldeisers bij de verdeling gelijktijdig aanspraken doen gelden naar verhouding van hun toegelaten schuldvorderingen, waarbij zij rang nemen na de schuldeisers die houders zijn van zakelijke zekerheden of voorrechten, maar vóór de achtergestelde schuldeisers :
   1° in de eerste plaats, de chirografaire schuldeisers die niet vermeld zijn in 2° ;
   2° in de tweede plaats, de chirografaire schuldeisers die houders zijn van schuldinstrumenten :
   a) [2 die geen verankerde derivaten bevatten en zelf geen derivaten zijn. Schuldinstrumenten met een variabele rente afgeleid van een algemeen gebruikte referentierente en schuldinstrumenten die niet luiden in de nationale valuta van de emittent, mits hoofdsom, terugbetaling en rente in dezelfde valuta zijn uitgedrukt, mogen niet louter op basis van deze kenmerken worden beschouwd als schuldinstrumenten die verankerde derivaten bevatten;]2;
   b) waarvan de oorspronkelijke looptijd niet korter is dan een jaar; en
   c) op voorwaarde dat de regels inzake de uitgifte ervan bepalen dat de schuldvordering een chirografaire schuldvordering is overeenkomstig punt 2°,
   voor de hoofdsommen en interesten die hen verschuldigd zijn uit hoofde van die schuldinstrumenten.]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij W 2017-07-31/11, art. 29, 011; Inwerkingtreding : 11-08-2017>
  (2)<W 2018-07-30/10, art. 102, 017; Inwerkingtreding : 20-08-2018>

  TITEL II. - Wijzigingsbepalingen

  Art. 390. Met ingang van 4 november 2014 wordt artikel 11, § 2 vervangen als volgt :
  " § 2. Indien de Bank geen rekening houdt met het advies van de FSMA over de in paragraaf 1, eerste lid bedoelde aangelegenheden, wordt dat met de redenen voor de afwijking vermeld in haar beslissing om de vergunning te weigeren of in de ontwerpbeslissing die zij met toepassing van de GTM-verordening aan de Europese Centrale Bank meedeelt. Het voornoemde advies van de FSMA over punt 1° van paragraaf 1, eerste lid wordt gevoegd bij de kennisgeving van de beslissing tot weigering van de Bank of bij haar ontwerpbeslissing over de vergunningsaanvraag, alsook bij de eindbeslissing van de Europese Centrale Bank.".

  Art. 391. Met ingang van 4 november 2014 wordt artikel 12 vervangen als volgt :
  "Art. 12. De toezichthouder spreekt zich uit over de vergunningsaanvraag binnen zes maanden na indiening van een volledig dossier en uiterlijk binnen twaalf maanden na ontvangst van de aanvraag.
  Indien de Bank oordeelt dat de voorwaarden van Afdeling II vervuld zijn, deelt zij een ontwerpbeslissing mee aan de aanvrager en aan de Europese Centrale Bank, zodat deze laatste zich binnen de in het eerste lid bedoelde termijnen kan uitspreken met toepassing van de GTM-verordening. De Bank kan, gelet op de noodzaak van een gezond en voorzichtig beleid, in haar ontwerpbeslissing bepalen dat de vergunning voor de uitoefening van bepaalde van de voorgenomen werkzaamheden onderworpen is aan voorwaarden.
  Indien de Bank oordeelt dat de voorwaarden van Afdeling II niet vervuld zijn, weigert zij de vergunning.
  De Bank brengt haar beslissing tot weigering van de vergunning of de eindbeslissing van de Europese Centrale Bank binnen vijftien dagen ter kennis met een aangetekende brief of een brief met ontvangstbewijs, met inachtneming van de termijnen bedoeld in het eerste lid.".

  Art. 392. Met ingang van 4 november 2014 wordt artikel 47 van deze wet vervangen als volgt :
  "Art. 47. De Bank zendt de kandidaat-verwerver snel en in elk geval binnen twee werkdagen na ontvangst van de kennisgeving en van alle in artikel 46 bedoelde informatie, alsook na de eventuele ontvangst, op een later tijdstip, van de in het derde lid bedoelde informatie, een schriftelijke ontvangstbevestiging. Zij vermeldt daarin de datum waarop de beoordelingsperiode afloopt. De Bank licht tegelijkertijd de Europese Centrale Bank in.
  De beoordelingsperiode waarover de Europese Centrale Bank beschikt om de in paragraaf 3 bedoelde beslissing te nemen, bedraagt ten hoogste zestig werkdagen te rekenen vanaf de datum van de ontvangstbevestiging van de kennisgeving en van alle documenten die vereist zijn conform de in artikel 46, tweede lid bedoelde lijst.
  De Bank kan, uit eigen beweging of wanneer de Europese Centrale Bank daarom verzoekt, tijdens de beoordelingsperiode, doch niet na de vijftigste werkdag daarvan, aanvullende informatie opvragen die noodzakelijk is om de beoordeling af te ronden. Dit verzoek wordt schriftelijk gedaan en verme