J U S T E L     -     Geconsolideerde wetgeving
Einde Eerste woord Laatste woord Aanhef
Verslag aan de Koning Inhoudstafel
Handtekening Einde Franstalige versie
 
belgiëlex . be     -     Kruispuntbank Wetgeving
Raad van State
ELI - Navigatie systeem via een Europese identificatiecode voor wetgeving
http://www.ejustice.just.fgov.be/eli/besluit/2014/03/26/2014024148/justel

Titel
26 MAART 2014. - Koninklijk besluit betreffende de algemene voorwaarden die gelden voor de uitoefening van alle niet-conventionele praktijken

Bron :
VOLKSGEZONDHEID, VEILIGHEID VAN DE VOEDSELKETEN EN LEEFMILIEU
Publicatie : 12-05-2014 nummer :   2014024148 bladzijde : 38304       PDF :   originele versie    
Dossiernummer : 2014-03-26/32
Inwerkingtreding : 22-05-2014

Inhoudstafel Tekst Begin
HOOFDSTUK I. - Algemene bepalingen
Art. 1-4
HOOFDSTUK II. - Algemene voorwaarden voor de uitoefening van alle niet-conventionele praktijken
Afdeling 1. - Beroepsverzekering en minimale dekking
Art. 5
Afdeling 2. - Registratiesysteem
Art. 6-7
Afdeling 3. - Regeling inzake bekendmaking
Art. 8-9
Afdeling 4. - Lijst van niet toegestane handelingen voor beoefenaars die geen arts zijn.
Art. 10-11

Tekst Inhoudstafel Begin
HOOFDSTUK I. - Algemene bepalingen

  Artikel 1. Dit besluit is van toepassing op de registratie van de beoefenaars van de niet-conventionele praktijken bedoeld in artikel 2, § 1, van de wet van 29 april 1999.

  Art. 2. Voor de toepassing van dit besluit wordt verstaan onder:
  1° de wet van 29 april 1999: de wet van 29 april 1999 betreffende de niet-conventionele praktijken inzake de geneeskunde, de artsenijbereidkunde, de kinesitherapie, de verpleegkunde en de paramedische beroepen;
  2° het koninklijk besluit nr. 78 : het koninklijk besluit nr. 78 van 10 november 1967 betreffende de uitoefening van de gezondheidszorgberoepenen;
  3° de Minister: de Minister die de Volksgezondheid onder zijn bevoegdheid heeft;
  4° bestuur: de bevoegde administratie die instaat voor de behandeling van de dossiers die worden ingediend conform dit besluit;
  5° beoefenaar: een beoefenaar van een niet-conventionele praktijk bedoeld in de wet van 29 april 1999;
  6° de bevoegde kamer: de kamer bedoeld in artikel 2, § 3, van de wet van 29 april 1999 naargelang de van toepassing zijnde niet-conventionele praktijk;
  7° de geneeskundige commissie: de geneeskundige commissie bedoeld in artikel 36 van het koninklijk besluit nr. 78 van 10 november 1967 betreffende de uitoefening van de gezondheidszorgberoepen.

  Art. 3. § 1. De uitoefening van de niet-conventionele praktijken wordt onderworpen aan de naleving van de voorwaarden bepaald in artikel 7 van het koninklijk besluit nr. 78.
  § 2. De artikelen 36 en 37 van het koninklijk besluit nr. 78 zijn van toepassing in het kader van dit besluit.

  Art. 4. Voor elke geregistreerde beoefenaar worden zijn identificatiegegevens, gegevens in verband met zijn registratie en bepaalde aspecten van zijn beroepsactiviteit bijgehouden in de federale databank van de beoefenaars van de gezondheidszorgberoepen overeenkomstig artikel 35quaterdecies van het koninklijk besluit nr. 78.

  HOOFDSTUK II. - Algemene voorwaarden voor de uitoefening van alle niet-conventionele praktijken

  Afdeling 1. - Beroepsverzekering en minimale dekking

  Art. 5. De beoefenaars van de niet-conventionele praktijken moeten verzekerd zijn tegen de eventuele schade die aan patiënten wordt veroorzaakt.

  Afdeling 2. - Registratiesysteem

  Art. 6. De personen die de registratie als beoefenaar van een niet-conventionele praktijk wensen te verkrijgen, dienen, overeenkomstig de onderstaande bepalingen, hun aanvraag tot registratie bij de Minister in, door middel van een formulier dat door het bestuur wordt bezorgd.
  Bij de aanvraag worden de bewijsstukken gevoegd waaruit blijkt dat voldaan is aan de registratiecriteria voor de registratie van de niet-conventionele praktijk die de persoon wenst te verkrijgen.

  Art. 7. § 1. Bij ontvangst van de aanvraag, stuurt het bestuur aan de aanvrager een bevestiging dat zijn aanvraag tot registratie ontvangen werd.
  § 2. De administratie maakt vervolgens de aanvragen tot registratie die volledig zijn bevonden over aan de bevoegde kamer, teneinde advies te verlenen.
  De onvolledige aanvragen maken het voorwerp uit van een brief van de administratie, gericht aan de aanvrager, waarin hem wordt medegedeeld dat zijn aanvraag onvolledig is en die verduidelijkt welk document ontbreekt.
  § 3. De bevoegde kamer brengt een advies uit na controle op juistheid van de aanvraag, dit wil zeggen na de ontvankelijkheid van de aanvraag te hebben gecontroleerd evenals na de grond van de aanvraag te hebben beoordeeld (met name de kwalificatievereisten en de gevolgde opleidingen). Ze doet uitspraak op stukken.
  § 4. In geval van gunstig advies, stelt de administratie een attest van registratie op, dat ter ondertekening wordt voorgelegd aan de Minister of aan zijn gemachtigde. De Minister heeft het recht anders te beslissen.
  De administratie zendt vervolgens de aanvrager het ondertekende attest van registratie toe, waarbij wordt vermeld op welke datum de registratie is ingegaan.
  § 5. In geval de bevoegde kamer geen gunstig advies uitbrengt, krijgt de betrokkene de gelegenheid zijn standpunt voor de kamer uiteen te zetten. Daartoe wordt hij bij aangetekend schrijven opgeroepen. Hij kan zich door een advocaat laten bijstaan of vertegenwoordigen. In haar advies beantwoordt de kamer de middelen van de betrokkene.
  In geval van ongunstig advies van de bevoegde kamer, stuurt de bevoegde kamer zijn met redenen omkleed advies naar de Minister en per aangetekende brief naar de belanghebbende binnen zestig dagen na de vergadering waarin het advies werd verleend.
  De belanghebbende kan, binnen een termijn van dertig dagen na ontvangst van het ongunstig advies, aan de Minister een nota laten geworden met zijn met redenen omklede opmerkingen over het advies.
  De Minister neemt een beslissing op basis van het advies van de kamer en, in voorkomend geval, de door de belanghebbende gestuurde nota.
  § 6. In geval van negatieve beslissing van de Minister betreffende de aanvraag tot registratie, stuurt de administratie, per aangetekende brief, aan de belanghebbende een brief waarin hem de negatieve beslissing wordt bekendgemaakt.
  § 7. De beoefenaar die niet langer de registratie die hem overeenkomstig dit besluit is verleend, wenst te genieten, brengt de Minister hiervan schriftelijk op de hoogte. In dat geval trekt de Minister de registratie in.

  Afdeling 3. - Regeling inzake bekendmaking

  Art. 8. De beoefenaars die ook arts zijn, mogen hun titel zoals deze is geregistreerd ter kennis brengen van het publiek overeenkomstig de code van geneeskundige plichtenleer, opgesteld door de Nationale Raad van de Orde van geneesheren en conform de wet betreffende de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen gecoördineerd op 14 juli 1994.

  Art. 9. De beoefenaars die geen arts zijn, mogen hun titel zoals deze is geregistreerd ter kennis brengen van het publiek overeenkomstig de volgende regels :
  De verstrekte informatie is waarheidsgetrouw, objectief, relevant, verifieerbaar, discreet en duidelijk. Zij mag in geen geval misleiden. Zij mag niet vergelijkend zijn.
  Resultaten van onderzoeken en behandelingen mogen niet voor publicitaire doeleinden worden aangewend.
  Publiciteit mag het algemeen belang inzake de volksgezondheid niet schaden.
  Zij mag niet aanzetten tot overbodige onderzoeken of behandelingen. Ronselen van patiënten is niet toegelaten. De campagnes voor preventie en vroegdetectie zijn wetenschappelijk onderbouwd en vereisen de voorafgaande toelating van de bevoegde ordinale instantie.
  Bij het voeren van publiciteit eerbiedigen de beoefenaars de regels van het medisch beroepsgeheim.
  De verwoording en vormgeving van de publiciteit evenals de hierbij gebruikte methoden en technieken - inclusief internetsites, naamborden, briefhoofden en vermeldingen in gidsen - beantwoorden aan de bepalingen van deze afdeling.
  Beoefenaars verzetten zich daadwerkelijk, via de geneeskundige commissie, tegen elke door derden gevoerde publiciteit, betreffende hun niet-conventionele praktijk, die de bepalingen van deze afdeling niet naleeft.
  Beoefenaars mogen hun medewerking verlenen aan de media met het oog op het verstrekken van informatie betreffende hun niet-conventionele praktijk die belangrijk en nuttig kan zijn voor het publiek.
  Hierbij worden de bepalingen van deze afdeling nageleefd.
  De beoefenaar licht ten gepaste tijde de geneeskundige commissie waarbij hij ingeschreven is in over zijn medewerking met de media.
  Wanneer patiënten door de media betrokken worden bij het informeren van het publiek mogen beoefenaars alleen meewerken voor zover de persoonlijke levenssfeer en de waardigheid van deze patiënten geëerbiedigd worden. In die omstandigheden vergewissen de beoefenaars er zich van dat de patiënten volledig geďnformeerd werden en vrij toestemden tot medewerking.

  Afdeling 4. - Lijst van niet toegestane handelingen voor beoefenaars die geen arts zijn.

  Art. 10. Met uitzondering van de bevoegdheden en handelingen toegestaan aan de verschillende gezondheidszorgbeoefenaars krachtens het koninklijk besluit nr. 78 en onverminderd de specifieke voorwaarden van de niet-conventionele praktijk waaraan de beoefenaar onderworpen is, zijn de volgende handelingen niet toegelaten voor beoefenaars die geen arts zijn:
  1° chirurgische ingrepen;
  2° injectie van geneesmiddelen;
  3° farmacologische sedatie van een patiënt.

  Art. 11. De minister bevoegd voor Volksgezondheid is belast met de uitvoering van dit besluit.

Handtekening Tekst Inhoudstafel Begin
   Gegeven te Brussel, 26 maart 2014.
FILIP
Van Koningswege :
De Minister van Volksgezondheid,
Mevr. L. ONKELINX

Aanhef Tekst Inhoudstafel Begin
   FILIP, Koning der Belgen,
   Aan allen die nu zijn en hierna wezen zullen, Onze Groet.
   Gelet op de wet van 29 april 1999 betreffende de niet-conventionele praktijken inzake de geneeskunde, de artsenijbereidkunde, de kinesitherapie, de verpleegkunde en de paramedische beroepen, de artikelen 3, § 1, 8, § 4 en 10, § 2;
   Gelet op de adviezen van de Paritaire Commissie, gegeven op 27 september 2012, 13 november 2012, 22 november 2012, 29 november 2012 en 24 oktober 2013;
   Gelet op het advies van de Inspecteur van Financiën, gegeven op 27 november 2013;
   Gelet op de akkoordbevinding van de Minister voor Begroting, gegeven op 17 december 2013;
   Gezien de impactanalyse van de regelgeving, uitgevoerd overeenkomstig artikelen 6 en 7 van de wet van 15 december 2013 houdende diverse bepalingen inzake administratieve vereenvoudiging;
   Gelet op advies 54.869/2 van de Raad van State, gegeven op 22 januari 2014, met toepassing van artikel 84, § 1, eerste lid, 1°, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;
   Op de voordracht van de Minister van Volksgezondheid en op het advies van de in Raad vergaderde Ministers,
   Hebben Wij besloten en besluiten Wij :

Verslag aan de Koning Tekst Inhoudstafel Begin
   VERSLAG AAN DE KONING
   Sire,
   Dit koninklijk besluit heeft tot doel de algemene voorwaarden vast te leggen die gelden voor de uitoefening van alle niet-conventionele praktijken in uitvoering van artikel 3, § 1 van de wet van 29 april 1999 betreffende de niet-conventionele praktijken inzake de geneeskunde, de artsenijbereidkunde, de kinesitherapie, de verpleegkunde en de paramedische beroepen.
   Met het oog op deze reglementering heeft de paritaire commissie in dit kader, adviezen uitgebracht betreffende de beroepsverzekering en de minimale dekking, de aansluiting bij een beroepsvereniging, een registratiesysteem, een regeling inzake bekendmaking en een lijst met niet-toegelaten handelingen voor de beoefenaars van een niet-conventionele praktijk die geen arts zijn.
   In dit verslag wordt aangegeven op welk punt het koninklijk besluit afwijkt van het advies van de paritaire commissie.
   1. Registratieprocedure.
   De voorgestelde procedure bepaalt hoe de betrokkenen hun aanvraag tot registratie kunnen indienen en hoe deze zal behandeld worden.
   Het voorstel van de paritaire commissie van 24 oktober 2013 dat de kamer een beroepsprocedure moet instellen werd niet weerhouden in dit besluit.
   Door een beroep te laten behandelen door dezelfde leden als zij die het advies in eerste instantie hebben uitgebracht wordt de onpartijdigheid immers niet gerespecteerd. Bovendien hebben de betrokkenen steeds de mogelijkheid een beroep in te dienen bij de Raad van State.
   De aanbevelingen van de paritaire commissie betreffende de buitenlandse diploma's werden niet hernomen in dit besluit aangezien dit reeds geregeld wordt op basis van de Richtlijn 2005/36/EG van het Europees Parlement en de Raad van 7 september 2005 betreffende de erkenning van de beroepskwalificaties.
   Verder werden een aantal artikelen van het koninklijk besluit nr. 78 van toepassing verklaard op alle niet-conventionele praktijken bedoeld in de wet van 29 april 1999 teneinde een gelijke behandeling van alle beoefenaars te verzekeren.
   Dit laat toe dat de geneeskundige commissies bevoegd zijn om te oordelen over de fysieke en psychische bekwaamheid van de beoefenaars van alle niet-conventionele praktijken.
   Bovendien maakt dit het mogelijk dat de gegevens met betrekking tot hun registratie opgenomen worden in de federale databank van gezondheidszorgbeoefenaars.
   2. Aansluiting bij een beroepsvereniging van niet-conventionele praktijken.
   Het advies van de paritaire commissie van 13 november 2012 betreffende de aansluiting bij een beroepsvereniging van niet-conventionele praktijken wordt niet hernomen in dit besluit.
   In overeenstemming met de Grondwet en volgens de aanbevelingen van de paritaire commissie mag de aansluiting bij een vereniging niet verplicht worden.
   Het voorstel om een nieuwe unitaire organisatie, bestaande uit twee taalkamers, op te richten wordt echter niet gevolgd. Er bestaat hiervoor immers geen wettelijke basis.
   Bovendien behoren de meeste van de voorgestelde taken, zoals aan de beoefenaars informatie verspreiden over het betreffende beroep, de aansluiting bij een beroepsorganisatie controleren, het wetenschappelijk onderzoek bevorderen, de bijscholing controleren en de opleiding controleren zonder afbreuk te doen aan de voorrechten van de Gemeenschappen, reeds toe aan andere instanties.
   Eventueel zal dit het voorwerp uitmaken van latere wetgeving.
   3. Niet toegestane handelingen.
   Overeenkomstig het advies van de paritaire commissie van 24 oktober 2013 wordt een lijst met een aantal handelingen vastgelegd die verboden worden voor alle beoefenaars van een niet-conventionele praktijk die geen arts zijn.
   Een uitzondering wordt voorzien voor de gezondheidszorgbeoefenaars, zoals tandartsen, verpleegkundigen en vroedvrouwen, om geen afbreuk te doen aan de bevoegdheden die hen zijn toegekend krachtens het koninklijk besluit nr. 78.
   Deze lijst geldt eveneens onverminderd de specifieke voorwaarden van de niet-conventionele praktijk waaraan de beoefenaar onderworpen is.
   Immers, conform artikel 3, § 3 van de wet van 29 april 1999 kan tevens per niet-conventionele praktijk een lijst met toegestane en/of niet-toegestane handelingen bepaald worden.
   4. Bekendmaking.
   De regels betreffende bekendmaking gelden voor alle beoefenaars van een niet-conventionele praktijk, maar maken een onderscheid tussen beoefenaars die arts zijn en beoefenaars die geen arts zijn.
   Beoefenaars die ook arts zijn dienen de code van geneeskundige plichtenleer te volgen.
   De regels inzake bekendmaking voor beoefenaars die geen arts zijn, zijn gebaseerd op deze code van geneeskundige plichtenleer, maar worden expliciet vermeld in dit besluit zodat deze, los van de code, aangepast kunnen worden indien nodig.
   Het oprichten van een Orde voor elk van de niet-conventionele praktijken is momenteel niet mogelijk en zal eventueel het voorwerp uitmaken van latere wetgeving.
   Tot slot is het ook mogelijk voor elke niet-conventionele praktijk afzonderlijk regels inzake bekendmaking vast te stellen op basis van artikel 3, § 3, van de wet van 29 april 1999.
   Ik heb de eer te zijn,
   Sire,
   van uwe Majesteit,
   de zeer eerbiedige
   en zeer getrouwe dienaar,
   De Minister van Volksgezondheid,
   Mevr. L. ONKELINX
   
   Raad van State, afdeling Wetgeving
   advies 54.869/2 van 22 januari 2014 over een ontwerp van koninklijk besluit `betreffende de algemene voorwaarden die gelden voor de uitoefening van alle niet-conventionele praktijken'
   Op 20 december 2013 is de Raad van State, afdeling Wetgeving, door de Vice-Eerste Minister en Minister van Volksgezondheid verzocht binnen een termijn van dertig dagen verlengd tot 31 januari 2014 (*) een advies te verstrekken over een ontwerp van koninklijk besluit `betreffende de algemene voorwaarden die gelden voor de uitoefening van alle niet-conventionele praktijken'.
   Het ontwerp is door de tweede kamer onderzocht op 22 januari 2014. De kamer was samengesteld uit Yves KREINS, eerste voorzitter van de Raad van State, Pierre VANDERNOOT en Martine BAGUET, staatsraden, Sébastien VAN DROOGHENBROECK, assessor, en Bernadette VIGNERON, griffier.
   Het verslag is uitgebracht door Xavier DELGRANGE, eerste auditeur-afdelingshoofd.
   De overeenstemming tussen de Franse en de Nederlandse tekst van het advies is nagezien onder toezicht van Pierre VANDERNOOT.
   Het advies, waarvan de tekst hierna volgt, is gegeven op 22 januari 2014.
   Aangezien de adviesaanvraag ingediend is op basis van artikel 84, § 1, eerste lid, 1°, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State, zoals het is vervangen bij de wet van 2 april 2003, beperkt de afdeling Wetgeving overeenkomstig artikel 84, § 3, van de voornoemde gecoördineerde wetten haar onderzoek tot de rechtsgrond van het ontwerp, de bevoegdheid van de steller van de handeling en de te vervullen voorafgaande vormvereisten.
   Wat deze drie punten betreft, geeft het ontwerp aanleiding tot de volgende opmerkingen.
   ONDERZOEK VAN HET ONTWERP
   VOORAFGAANDE VORMVEREISTEN
   1. Uit de wet van 15 december 2013 `houdende diverse bepalingen inzake administratieve vereenvoudiging', die in het Belgisch Staatsblad is bekendgemaakt op 31 december 2013 en die met betrekking tot de regelgevingsimpactanalyse in werking getreden is op 1 januari 20141, vloeit voort dat voor elk ontwerp van koninklijk besluit waarvoor de tussenkomst van de Ministerraad is vereist, in principe een impactanalyse moet worden uitgevoerd betreffende de verschillende punten die vermeld worden in artikel 5 van die wet2. De enige gevallen waarin die verplichting niet geldt, zijn die welke opgesomd worden in artikel 8 van de wet van 15 december 2013.
   Het voorliggende ontwerpbesluit valt onder die verplichting. Het behoort immers niet tot een van de gevallen die worden vrijgesteld of uitgezonderd van de impactanalyse die vastgelegd zijn in artikel 8 van de wet van 15 december 2013.
   Er behoort derhalve op toegezien te worden dat dit vormvereiste naar behoren wordt vervuld3 en in de aanhef wordt vermeld.
   2. Uit het dossier blijkt niet dat de akkoordbevinding van de minister van Begroting voorhanden is.
   Er moet op toegezien worden dat dit vormvereiste volledig wordt vervuld.
   BIJZONDERE OPMERKINGEN
   DISPOSITIEF
   Artikel 7
   In de bepaling onder 5° moet de volgorde van de opeenvolgende verschillende stappen voor de totstandkoming van het ongunstig advies worden herzien, opdat, overeenkomstig het bepaalde van artikel 8, § 2, tweede lid, van de wet van 29 april 1999 `betreffende de niet-conventionele praktijken inzake de geneeskunde, de artsenijbereidkunde, de kinesitherapie, de verpleegkunde en de paramedische beroepen', het ongunstig advies pas wordt gegeven nadat aan de betrokkene de gelegenheid is geboden zijn standpunt toe te lichten en in dat advies wordt ingegaan op de "middelen" die de betrokkene heeft aangevoerd.
   Artikelen 8 en 9
   Deze bepalingen strekken ertoe het optreden van de beoefenaars van niet-conventionele praktijken te regelen wanneer ze publiciteit wensen te maken voor hun beroepspraktijk. Die bepalingen kopiëren, met enkele kleine aanpassingen, de artikelen 12 tot 17 van de code van geneeskundige plichtenleer, opgesteld door de Nationale Raad van de Orde van geneesheren en bekendgemaakt op 29 juni 2012.
   Teneinde elke verwarring te voorkomen inzake de inhoud van de praktijken van de beoefenaars op wie het besluit betrekking heeft, moeten de woorden "medische activiteit" en "medische informatie", gebezigd in het zesde en het zevende lid van het ontworpen artikel 9, niet worden overgenomen, maar moeten ze worden vervangen door een meer gepaste formulering, zoals "niet-conventionele praktijken" en "informatie over hun niet-conventionele praktijken".
   SLOTOPMERKINGEN BETREFFENDE DE RECHTSZEKERHEID
   1. Het ontworpen koninklijk besluit bevat twee hoofdstukken. In het eerste wordt de werkingssfeer van het besluit vastgesteld en het tweede bundelt strikt genomen de algemene voorwaarden voor de uitoefening van alle niet-conventionele praktijken.
   De inhoud van het tweede hoofdstuk wordt in het opschrift ervan ("Gemeenschappelijke voorwaarden voor de registratie van de beoefenaars van de niet-conventionele praktijken") niet correct omschreven. Dat hoofdstuk bevat immers vier afdelingen:
   Afdeling 1: Beroepsverzekering en minimale dekking;
   Afdeling 2: Registratiesysteem;
   Afdeling 3: Regeling inzake bekendmaking;
   Afdeling 4: Lijst van niet-toegestane handelingen voor beoefenaars die geen arts zijn.
   Hoewel een opschrift geen regelgevende kracht heeft, moet de steller van het ontwerp zorgen voor de algemene samenhang van het koninklijk besluit; dat is des te meer het geval daar afdeling 3 bijzonder belangrijke bepalingen bevat inzake de beperking van het recht om publiciteit te voeren en afdeling 4 een lijst bevat van handelingen die niet mogen worden uitgevoerd door beoefenaars die geen arts zijn.
   2. De tekst van het ontwerp is soms onvoldoende leesbaar en zelfs onbegrijpelijk; de redactie van het hele ontwerp moet worden verbeterd. Hiertoe wordt de steller van het ontwerp aangeraden zich te baseren op de redactie van het koninklijk besluit van 18 april 2013 `betreffende de samenstelling, de organisatie en de werking van de Erkenningscommissie voor de beoefenaars van de verpleegkunde, en tot vaststelling van de erkenningsprocedure waarbij de verpleegkundigen ertoe gemachtigd worden een bijzondere beroepstitel te dragen of zich op een bijzondere beroepsbekwaamheid te beroepen, en de registratieprocedure als zorgkundige', en inzonderheid op de redactie van de artikelen 19 tot 22, die betrekking hebben op de procedure voor de erkenning als zorgkundige.
   Zo moeten bijvoorbeeld in de Franse versie de woorden "la Direction générale soumet les dossiers complets ŕ la chambre compétente, qui s'exprime sur pičces la recevabilité ainsi qu'au fondement de la demande" in artikel 7, 2°, van het ontwerp, worden herzien4.
   Ten behoeve van de duidelijkheid van de tekst moeten evenzo in artikel 7, 4°, van het ontwerp, de woorden "van registratie" worden ingevoegd tussen "attest" en "toe".
   De griffier,
   B. VIGNERON
   De eerste voorzitter,
   Y. KREINS
   Nota's
   (*)Bij e-mail van 8 januari 2014.
   1 Artikel 12 van die wet.
   2 Artikel 6, § 1, van de wet van 15 december 2013. Zie, wat de procedure voor de impactanalyse betreft, de artikelen 2 en 3 van het koninklijk besluit van 21 december 2013 `houdende uitvoering van titel 2, hoofdstuk 2 van de wet van 15 december 2013'.
   3 Zie in die zin advies 54.734/2, gegeven op 6 januari 2014.
   4 Zie artikel 30, § 3, van het voornoemde koninklijk besluit van 18 april 2013.

Begin Eerste woord Laatste woord Aanhef
Verslag aan de Koning Inhoudstafel
Franstalige versie