J U S T E L     -     Geconsolideerde wetgeving
Einde Eerste woord Laatste woord Aanhef
Inhoudstafel
Handtekening Einde Franstalige versie
 
belgiëlex . be     -     Kruispuntbank Wetgeving
Raad van State
ELI - Navigatie systeem via een Europese identificatiecode voor wetgeving
http://www.ejustice.just.fgov.be/eli/besluit/2014/03/20/2014031298/justel

Titel
20 MAART 2014. - Besluit van de Brusselse Hoofdstedelijke Regering betreffende de toekenning van premies voor de uitvoering van bodemonderzoeken en behandelingswerken van weesverontreiniging

Bron :
BRUSSELS HOOFDSTEDELIJK GEWEST
Publicatie : 02-05-2014 nummer :   2014031298 bladzijde : 35931   BEELD
Dossiernummer : 2014-03-20/23
Inwerkingtreding : 12-05-2014

Inhoudstafel Tekst Begin
HOOFDSTUK I. - Definities
Art. 1
HOOFDSTUK II. - Hoedanigheid van de aanvrager, de bodemonderzoeken en de behandelingswerken
Art. 2
Afdeling 1. - Hoedanigheid van de aanvrager
Art. 3
Afdeling 2. - Hoedanigheid van de bodemonderzoeken
Art. 4
Afdeling 3. - Hoedanigheid van de behandelingswerken
Art. 5
HOOFDSTUK III. - Inhoud van de premie
Art. 6-8
HOOFDSTUK IV. - Aanvraag en toekenning van de premie
Art. 9-13
HOOFDSTUK V. - Terugbetaling
Art. 14
HOOFDSTUK VI. - Overgangs- en opheffingsbepalingen
Art. 15-16
HOOFDSTUK VII. - Uitvoeringsbepaling
Art. 17

Tekst Inhoudstafel Begin
HOOFDSTUK I. - Definities

  Artikel 1. In de zin van dit besluit wordt verstaan onder :
  1° bodemordonnantie : de ordonnantie van 5 maart 2009 betreffende het beheer en de sanering van verontreinigde bodems (Belgisch Staatsblad van 10 maart 2009);
  2° bodemverontreiniging : een verontreiniging van de bodem zoals gedefinieerd in artikel 3, 2°, van de bodemordonnantie;
  3° bodemonderzoek : een verkennend bodemonderzoek, een gedetailleerd onderzoek, een risico-onderzoek, een risicobeheersvoorstel, een saneringsvoorstel, een beperkt saneringsvoorstel of een eindbeoordeling in de zin van de bodemordonnantie;
  4° risicobeheer : het risicobeheer zoals gedefinieerd in artikel 3, 21°, van de bodemordonnantie;
  5° sanering : de sanering zoals gedefinieerd in artikel 3, 22°, van de bodemordonnantie;
  6° behandelingswerken van bodemveront-reiniging : de uitvoering van risicobeheers-maatregelen zoals gedefinieerd in de artikelen 37 en volgende van de bodemordonnantie of de uitvoering van saneringswerken zoals gedefinieerd in de artikelen 45 en volgende van de bodemordonnantie of de uitvoering van beperkte saneringswerken zoals gedefinieerd in de artikelen 62 en volgende van de bodemordonnantie;
  7° verkennend bodemonderzoek : een verkennend bodemonderzoek zoals gedefinieerd in de artikelen 14 en volgende van de bodemordonnantie en in het besluit van 8 juli 2010 tot vaststelling van de type-inhoud van het verkennend bodemonderzoek en het gedetailleerd bodemonderzoek en van hun algemene uitvoeringsmodaliteiten;
  8° gedetailleerd onderzoek : een gedetailleerd onderzoek zoals gedefinieerd in de artikelen 25 en volgende van de bodemordonnantie en in het besluit van 8 juli 2010 tot vaststelling van de type-inhoud van het verkennend bodemonderzoek en het gedetailleerd bodemonderzoek en van hun algemene uitvoeringsmodaliteiten;
  9° risico-onderzoek : een risico-onderzoek zoals gedefinieerd in de artikelen 29 en volgende van de bodemordonnantie;
  10° risicobeheersvoorstel : een risicobeheers-voorstel zoals gedefinieerd in de artikelen 33 en volgende van de bodemordonnantie en in het besluit van 8 juli 2010 tot vaststelling van de type-inhoud van het risicobeheersvoorstel, van het saneringsvoorstel en van het beperkt saneringsvoorstel;
  11° saneringsvoorstel : een saneringsvoorstel zoals gedefinieerd in de artikelen 41 en volgende van de bodemordonnantie en in het besluit van 8 juli 2010 tot vaststelling van de type-inhoud van het risicobeheersvoorstel, van het saneringsvoorstel en van het beperkt saneringsvoorstel;
  12° beperkt saneringsvoorstel : een beperkt saneringsvoorstel zoals gedefinieerd in de artikelen 62 en volgende van de bodemordonnantie en in het besluit van 8 juli 2010 tot vaststelling van de type-inhoud van het risicobeheersvoorstel, van het saneringsvoorstel en van het beperkt saneringsvoorstel;
  13° risicoactiviteit : een ingedeelde inrichting zoals gedefinieerd in artikel 3, 3°, van de bodemordonnantie en in het besluit van 17 december 2009 tot vaststelling van de lijst van de risicoactiviteiten;
  14° exploitant : een exploitant zoals gedefinieerd in artikel 3, 4°, van de bodemordonnantie;
  15° houder van zakelijke rechten : een houder van een of meerdere soorten zakelijk recht zoals gedefinieerd in artikel 3, 29°, van de bodemordonnantie;
  16° Instituut : het Brussels Instituut voor Milieubeheer;
  17° inventaris van de bodemtoestand : register van de bij het Instituut beschikbare gegevens over bodemverontreiniging zoals gedefinieerd in artikel 5 van de bodemordonnantie;
  18° eenmalige verontreiniging : een eenmalige verontreiniging zoals gedefinieerd in artikel 3, 16°, van de bodemordonnantie;
  10° gemengde verontreiniging : een gemengde verontreiniging zoals gedefinieerd in artikel 3, 17°, van de bodemordonnantie;
  20° weesverontreiniging : een weesverontreiniging zoals gedefinieerd in artikel 3, 18°, van de bodemordonnantie;
  21° afsluiting van het dossier : een administratieve akte die door het Instituut wordt opgesteld en waarin wordt verklaard dat is voldaan aan de verplichtingen die uit de bodemordonnantie voortvloeien;
  22° bodemverontreinigingsdeskundige : een bodemverontreinigingsdeskundige zoals gedefinieerd in artikel 3, 30°, van de bodemordonnantie;
  23° bodemsaneringsaannemer : een bodem-saneringsaannemer zoals gedefinieerd in artikel 3, 31°, van de bodemordonnantie;
  24° RVOHR : de Ruimte voor Versterkte Ontwikkeling van Huisvesting en Renovatie zoals gedefinieerd in de richtinggevende bepalingen van het Gewestelijk Ontwikkelingsplan (GewOP) en in de wijzigingsbesluiten van de Brusselse Hoofdstedelijke Regering.

  HOOFDSTUK II. - Hoedanigheid van de aanvrager, de bodemonderzoeken en de behandelingswerken

  Art. 2. Een premie voor de uitvoering van een bodemonderzoek of van behandelingswerken van bodemverontreiniging in het kader van het beheer en de sanering van verontreinigde bodems kan worden toegekend voor een terrein dat in het Brussels Hoofdstedelijk Gewest is gelegen, indien aan de in dit besluit gedefinieerde voorwaarden wordt voldaan.

  Afdeling 1. - Hoedanigheid van de aanvrager

  Art. 3. De aanvrager van de premie moet voldoen aan de volgende cumulatieve voorwaarden :
  - natuurlijke persoon of rechtspersoon zijn;
  - persoon zijn aan wie de factuur van het uitgevoerde bodemonderzoek of de uitgevoerde behandelingswerken van bodemverontreiniging is gericht.
  Indien de aanvrager een onderneming is, moet deze beantwoorden aan de definitie van een micro-, kleine of middelgrote onderneming zoals beschreven in bijlage I van de Verordening (EG) nr. 800/2008 van de Commissie van 6 augustus 2008 waarbij bepaalde categorieën steun op grond van de artikelen 87 en 88 van het Verdrag met de gemeenschappelijke markt verenigbaar worden verklaard.

  Afdeling 2. - Hoedanigheid van de bodemonderzoeken

  Art. 4. § 1. Het bodemonderzoek dat het voorwerp van de premieaanvraag uitmaakt, moet voldoen aan de volgende cumulatieve voorwaarden :
  - uitgevoerd zijn in overeenstemming met de bodemordonnantie;
  - gelijkvormig verklaard zijn door het Instituut of gelijkvormig geacht zijn;
  - gedeeltelijk of geheel betrekking hebben op een weesverontreiniging.
  § 3. Indien een verkennend bodemonderzoek aantoont dat er geen bodemverontreiniging is, kan een premie worden toegekend voor het voornoemde onderzoek.
  Indien een verkennend bodemonderzoek een of meerdere verontreinigingen aan het licht brengt, maar niet kan bepalen of het al dan niet om weesverontreinigingen gaat, kan voor dit verkennend bodemonderzoek slechts een premie worden toegekend wanneer het weeskarakter van ten minste een van de verontreinigingen wordt vastgesteld, desgevallend door een gedetailleerd onderzoek.

  Afdeling 3. - Hoedanigheid van de behandelingswerken

  Art. 5. § 1. De behandelingswerken van bodemverontreiniging die het voorwerp van de premieaanvraag uitmaken, moet voldoen aan de volgende cumulatieve voorwaarden :
  - betrekking hebben op de behandeling van een weesverontreiniging, en dat door de uitvoering van risicobeheersmaatregelen zoals gedefinieerd in de artikelen 37 en volgende van de bodemordonnantie of de uitvoering van saneringswerken zoals gedefinieerd in de artikelen 45 en volgende van de bodemordonnantie of de uitvoering van beperkte saneringswerken zoals gedefinieerd in de artikelen 62 en volgende van de bodemordonnantie;
  - uitgevoerd zijn in overeenstemming met de bodemordonnantie;
  - het voorwerp hebben uitgemaakt van een eindbeoordeling die het Instituut ertoe heeft gebracht kennis te geven van een slotverklaring waarin wordt bevestigd dat aan de verplichting inzake de behandeling van de bodemverontreiniging is voldaan, eventueel onder voorwaarde van follow-upmaatregelen, in overeenstemming met de bodemordonnantie;

  HOOFDSTUK III. - Inhoud van de premie

  Art. 6. Het bedrag van de premie verschilt naargelang de volgende twee stelsels :
  - Stelsel 1 is van toepassing voor bodemonderzoeken en behandelingswerken van bodemverontreiniging die ten laste van een natuurlijke persoon worden uitgevoerd.
  - Stelsel 2 is van toepassing voor bodemonderzoeken en behandelingswerken van bodemverontreiniging die ten laste van een rechtspersoon, eventueel vertegenwoordigd door een natuurlijke persoon, worden uitgevoerd.

  Art. 7. § 1. Het bedrag van de premie wordt vastgelegd op een percentage van de uitvoeringskosten van het bodemonderzoek of de behandelingswerken van bodemverontreiniging.
  Voor de bodemonderzoeken is het bedrag gelijk aan :
  - voor stelsel 1 : 70 %;
  - voor stelsel 2 : 60 %.
  Voor de behandelingswerken van bodemverontreiniging is het bedrag gelijk aan :
  - voor stelsel 1 : 80 %;
  - voor stelsel 2 : 70 %.
  Voor de bodemonderzoeken wordt het steunpercentage vermeerderd met 10 % indien het (de) bij de premieaanvraag betrokken terrein (terreinen) in de RVOHR is (zijn) gelegen.
  Indien de behandelingswerken van bodemverontreiniging (eventueel beperkte) saneringswerken zijn, wordt het steunpercentage vermeerderd met 10 %.
  § 2. Indien de aanvrager van de premie onderworpen is aan de belasting over de toegevoegde waarde, wordt het bedrag van de premie berekend op basis van de gefactureerde kosten exclusief de belasting over de toegevoegde waarde.
  Indien de aanvrager van de premie niet onderworpen is aan de belasting over de toegevoegde waarde, wordt het bedrag van de premie berekend op basis van de gefactureerde kosten inclusief de belasting over de toegevoegde waarde.
  § 3. In het geval dat een bodemonderzoek aantoont dat er geen verontreiniging is, of wanneer een bodemonderzoek uitsluitend betrekking heeft op een of meerdere weesverontreinigingen, wordt het bedrag van de premie berekend op basis van de totale uitvoeringskosten van het bodemonderzoek.
  In het geval dat een bodemonderzoek betrekking heeft op een of meerdere weesverontreinigingen alsook op een of meerdere gemengde verontreinigingen en/of eenmalige verontreinigingen, wordt het bedrag van de premie berekend naar rata van de uitvoeringskosten van het gedeelte van het onderzoek dat uitsluitend betrekking heeft op de weesverontreiniging(en).
  § 4. In het geval dat de behandelingswerken van bodemverontreiniging uitsluitend betrekking hebben op een of meerdere weesverontreinigingen, wordt het bedrag van de premie berekend op basis van de totale uitvoeringskosten van de behandelingswerken van bodemverontreiniging.
  In het geval dat de behandelingswerken van bodemverontreiniging betrekking hebben op een of meerdere weesverontreinigingen alsook op een of meerdere gemengde verontreinigingen en/of eenmalige verontreinigingen, wordt het bedrag van de premie berekend naar rata van de uitvoeringskosten van het gedeelte van de behandelingswerken dat uitsluitend betrekking heeft op de weesverontreiniging(en).

  Art. 8. § 1. Het bedrag van de premie mag een bepaald maximumbedrag niet overschrijden.
  Voor een verkennend bodemonderzoek, een gedetailleerd onderzoek, een risico-onderzoek of een eindbeoordeling is dat bedrag gelijk aan :
  - voor stelsel 1 : € 3.500;
  - voor stelsel 2 : € 3.000.
  Voor een risicobeheersvoorstel, een saneringsvoorstel of een beperkt saneringsvoorstel is dat bedrag gelijk aan :
  - voor stelsel 1 : € 4.000;
  - voor stelsel 2 : € 3.500.
  Voor de behandelingswerken van bodem-verontreiniging is dat bedrag gelijk aan :
  - voor stelsel 1 : € 32.000;
  - voor stelsel 2 : € 28.000.
  § 2. Alle bedragen die in § 1 worden vermeld, worden een keer om de twee jaar, te rekenen vanaf de inwerkingtreding van dit besluit, aangepast op basis van de evolutie van het indexcijfer van de consumptieprijzen. Het vigerende maximumbedrag wordt vermenigvuldigd met een breukgetal waarvan de teller overeenstemt met het indexcijfer van de consumptieprijzen van de maand december van het jaar dat voorafgaat aan het jaar waarin het maximumbedrag wordt aangepast en waarvan de noemer overeenstemt met het indexcijfer van de consumptieprijzen van de maand december van het jaar dat voorafgaat aan het jaar waarin het vigerende maximumbedrag is vastgelegd of, voor de eerste aanpassing van het maximumbedrag, met het indexcijfer van de consumptieprijzen van de maand december van het jaar waarin dit besluit in werking is getreden. Het geïndexeerde maximumbedrag wordt afgerond naar de volgende eenheid en wordt door het Instituut meegedeeld op zijn website.
  § 3. Het bedrag van de premie kan in geen enkel geval leiden tot een totale gecumuleerde steun van meer dan 90 % van de uitvoeringskosten van het bodemonderzoek of de behandelingswerken van bodemverontreiniging.

  HOOFDSTUK IV. - Aanvraag en toekenning van de premie

  Art. 9. § 1. De premieaanvraag voor de uitvoering van een bodemonderzoek wordt ingediend :
  - nadat het (of de) type(s) verontreiniging (eenmalige, gemengde of weesverontreiniging) is (zijn) vastgesteld of nadat is vastgesteld dat er geen verontreiniging is;
  - nadat het Instituut het bodemonderzoek gelijkvormig heeft verklaard of nadat het bodemonderzoek gelijkvormig is geacht;
  - en nadat de eindfactuur is betaald.
  § 2. De premieaanvraag voor de uitvoering van behandelingswerken van bodemverontreiniging wordt ingediend :
  - nadat het (of de) type(s) verontreiniging (eenmalige, gemengde of weesverontreiniging) is (zijn) vastgesteld;
  - nadat het Instituut kennis heeft gegeven van de slotverklaring waarin wordt bevestigd dat aan de verplichting inzake de behandeling van de bodemverontreiniging is voldaan, eventueel onder voorwaarde van follow-upmaatregelen;
  - en nadat de eindfactuur is betaald.
  § 3. De premieaanvraag voor de uitvoering van een bodemonderzoek of behandelingswerken van bodemverontreiniging moet uiterlijk drie maanden nss de afsluiting van het dossier dat het voorwerp van de premieaanvraag uitmaakt, worden ingediend.
  Na deze termijn zal elke premieaanvraag voor een bodemonderzoek of voor de uitvoering van behandelingswerken van bodemverontreiniging als niet-ontvankelijk worden beoordeeld.
  § 4. In afwijking van § 3, mag de premieaanvraag voor de uitvoering van een bodemonderzoek of behandelingswerken van bodemverontreiniging meer dan drie maanden nss de afsluiting van het dossier dat het voorwerp van de premieaanvraag uitmaakt, worden heringediend, indien de beschikbare budgetten tijdens het jaar zijn uitgeput. In dat geval moet de premieaanvraag worden heringediend in de eerste drie maanden van het volgende jaar, mits naleving van de geldende voorwaarden en onder voorbehoud van de beschikbaarheid van de budgetten voor dat jaar.

  Art. 10. Elke premieaanvraag moet per post of in elektronische vorm bij het Instituut worden ingediend.
  Op straffe van niet-ontvankelijkheid moet de premieaanvraag de volgende documenten bevatten :
  - Een ingevuld, gedateerd en ondertekend aanvraagformulier voor de premie gelijk aan het model op de internetsite van het Instituut
  - een kopie van de identiteitskaart van de aanvrager of, voor rechtspersonen, een kopie van de identiteitskaart van de beheerder of van iedere andere gemachtigde persoon om de rechtspersoon te vertegenwoordigen;
  - een kopie van de factuur betreffende de uitvoering van het bodemonderzoek dat het voorwerp van de premieaanvraag uitmaakt, opgesteld op naam van de aanvrager door een bodemverontreinigingsdeskundige, gedateerd en getekend door deze laatste, of een kopie van de factuur betreffende de uitvoering van de behandelingswerken van bodemverontreiniging die het voorwerp van de premieaanvraag uitmaken, opgesteld op naam van de aanvrager door een bodemsaneringsaannemer, gedateerd en getekend door deze laatste. In het geval dat een bodemonderzoek of behandelingswerken van bodemverontreiniging betrekking heeft of hebben op een of meerdere weesverontreinigingen alsook op een of meerdere gemengde verontreinigingen en/of eenmalige verontreinigingen, moet de door de bodemverontreinigingsdeskundige of de bodemsaneringsaannemer opgestelde factuur duidelijk de kosten vermelden van het gedeelte van het bodemonderzoek of de behandelingswerken van bodemverontreiniging dat uitsluitend betrekking heeft op de weesverontreiniging(en);
  - een betalingsbewijs van de factuur, gedateerd en getekend door de aanvrager van de premie.
  Als de aanvrager een rechtspersoon is, moet de premieaanvraag ook een verklaring op erewoord bevatten, waarin wordt vermeld dat de gevraagde steun het bedrag van de ondersteuning die al in het kader van dit systeem of het systeem van een andere wetgeving werd toegekend, niet mag optrekken tot een bedrag hoger dan het bedrag dat is toegestaan door de de-minimisregels bedoeld in artikel 3 van de Verordening (EU) nr. 1407/2013 van de Commissie van 18 december 2013 betreffende de toepassing van de artikelen 107 en 108 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie op de-minimissteun, en dat voor de voorgeschreven periode van drie opeenvolgende belastingjaren.
  Het premiebedrag wordt door het Instituut aangepast wanneer blijkt dat de begunstigde de grenswaarde vastgelegd door de voornoemde verordening (heeft) bereikt.

  Art. 11. Indien het premieaanvraagdossier volledig is, stelt het Instituut de aanvrager per post of via elektronische weg in kennis van zijn beslissing betreffende het al dan niet toekennen van de premie binnen een termijn van drie maanden vanaf de ontvangst van de premieaanvraag.
  Indien het premieaanvraagdossier niet volledig is, verzoekt het Instituut de aanvrager om aanvullende informatie binnen een termijn van dertig dagen. De aanvrager beschikt over een termijn van dertig dagen om die aanvullende informatie aan het Instituut te bezorgen. Na de ontvangst van de aanvullende informatie stelt het Instituut de aanvrager per post of via elektronische weg in kennis van zijn beslissing betreffende het al dan niet toekennen van de premie binnen een termijn van drie maanden vanaf de ontvangst van de aanvullende informatie.
  In het geval van toekenning verduidelijkt het Instituut het bedrag van de premie. In het geval van weigering motiveert het Instituut zijn beslissing.

  Art. 12. De premie wordt aan de aanvrager uitbetaald binnen een termijn van drie maanden vanaf de kennisgeving van de toekenning bedoeld in artikel 11.

  Art. 13. De premie wordt toegekend binnen de grenzen van het beschikbare budget.

  HOOFDSTUK V. - Terugbetaling

  Art. 14. Het Instituut kan overgaan tot een controle van de echtheid van de door de aanvragers geleverde informatie tot twaalf maanden na de kennisgeving van de al dan niet toekenning van de premie.
  Indien blijkt dat de informatie fout of onvolledig aan het Instituut werd bezorgd, zal de aanvrager verplicht worden het bedrag van de ontvangen premie terug te betalen, alsook de bijbehorende interesten berekend tegen de vigerende wettelijke rentevoet op de datum van de beslissing tot terugvordering. Deze terugbetaling vindt plaats onverminderd een eventuele rechtsvervolging.
  De begunstigde van een premie in toepassing van dit besluit moet het Instituut in kennis stellen van een eventueel verkregen terugvordering, bij een effectief aansprakelijke voor de verontreiniging in kwestie, van de kosten die gemaakt werden in het kader van de onderzoeken of de behandelingsmaatregelen die het voorwerp van de toegekende premie uitmaken. In dat geval zal het Instituut eisen dat de aanvrager een bepaald bedrag van de toegekende premie terugbetaalt, zodat de som van enerzijds het bedrag van de verkregen terugvordering van de kosten en anderzijds het bedrag van de toegekende premie, de door de aanvrager gedane totaaluitgaven voor de betrokken onderzoeken en behandelingsmaatregelen niet overschrijdt.

  HOOFDSTUK VI. - Overgangs- en opheffingsbepalingen

  Art. 15. De bepalingen van dit besluit zijn van toepassing voor :
  - elke premieaanvraag betreffende een bodemonderzoek dat gelijkvormig is verklaard door het Instituut of dat geacht wordt na 1 oktober 2013 gelijkvormig te zullen zijn, en waarvoor geen premie is toegekend in uitvoering van het besluit van 20 september 2007 betreffende de toekenning van een premie voor de uitvoering van een bodemonderzoek in het kader van het beheer en de sanering van verontreinigde bodems;
  - elke premieaanvraag betreffende behandelingswerken van weesverontreiniging die het voorwerp hebben uitgemaakt van een eindbeoordeling die het Instituut ertoe heeft gebracht na 1 oktober 2013 kennis te geven van een slotverklaring, waarin wordt bevestigd dat aan de verplichting inzake de behandeling van de bodemverontreiniging is voldaan, eventueel onder voorwaarde van follow-upmaatregelen, en die na 1 januari 2013 van start zijn gegaan.

  Art. 16. § 1. Het besluit van 20 september 2007 betreffende de toekenning van een premie voor de uitvoering van een bodemonderzoek in het kader van het beheer en de sanering van verontreinigde bodems wordt opgeheven.
  § 2. De bepalingen van het besluit van 20 september 2007 betreffende de toekenning van een premie voor de uitvoering van een bodemonderzoek in het kader van het beheer en de sanering van verontreinigde bodems blijven van toepassing voor elke premieaanvraag die werd ingediend vóór de datum van de inwerkingtreding van dit besluit.

  HOOFDSTUK VII. - Uitvoeringsbepaling

  Art. 17. De minister bevoegd voor Leefmilieu wordt belast met de uitvoering van dit besluit.

Handtekening Tekst Inhoudstafel Begin
   Brussel, 20 maart 2014.
Voor de Brusselse Hoofdstedelijke Regering :
De Minister-Voorzitter van de Brusselse Hoofdstedelijke Regering,
R. VERVOORT
De Minister van de Brusselse Hoofdstedelijke Regering bevoegd voor Leefmilieu,
Mevr. E. HUYTEBROECK

Aanhef Tekst Inhoudstafel Begin
   De Brusselse Hoofdstedelijke Regering,
   Gelet op de ordonnantie van 5 maart 2009 betreffende het beheer en de sanering van verontreinigde bodems en de bijbehorende uitvoeringsbesluiten;
   Gelet op het besluit van de Brusselse Hoofdstedelijke Regering van 20 september 2007 betreffende de toekenning van een premie voor de uitvoering van een bodemonderzoek in het kader van het beheer en de sanering van verontreinigde bodems;
   Gelet op de Verordening (EU) nr. 1407/2013 van de Commissie van 18 december 2013 betreffende de toepassing van de artikelen 107 en 108 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie op de-minimissteun (Pb.L 352 van 24 december 2013);
   Gelet op het koninklijk besluit van 8 maart 1989 tot oprichting van het Brussels Instituut voor Milieubeheer;
   Gelet op het advies van de inspecteur van Financiën, gegeven op 10 juli 2013;
   Gelet op het akkoord van de minister van Begroting, gegeven op 18 juli 2013;
   Gelet op het advies van de Raad voor het Leefmilieu van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest, gegeven op 28 augustus 2013;
   Gelet op het advies van de Economische en Sociale Raad voor het Brussels Hoofdstedelijk Gewest, gegeven op 19 september 2013;
   Gelet op het advies nr. 54.737/1 van de Raad van State, gegeven op 8 januari 2014, met toepassing van artikel 84, § 1, eerste lid, 1°, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State;
   Overwegende dat de Brusselse Hoofdstedelijke Regering op 20 september 2007 haar goedkeuring heeft gehecht aan een besluit betreffende de toekenning van een premie voor de uitvoering van een bodemonderzoek in het kader van het beheer en de sanering van verontreinigde bodems;
   Overwegende dat de ordonnantie van 5 maart 2009 betreffende het beheer en de sanering van verontreinigde bodems op 1 januari 2010 van kracht is geworden;
   Overwegende dat het aangewezen is om het besluit van 20 september 2007 te herzien, zodat alle studies en werken die in de ordonnantie van 5 maart 2009 betreffende het beheer en de sanering van verontreinigde bodems worden toegelicht, ondersteuning kunnen krijgen;
   Overwegende dat de bodemonderzoeken en de behandelingswerken van weesverontreiniging niet te verwaarlozen kosten met zich mee kunnen brengen voor de personen die ze moeten uitvoeren;
   Overwegende dat de uitvoering van bodemonderzoeken en behandelingswerken van bodemverontreiniging, in bepaalde gevallen, ten laste kunnen vallen van personen die niet aansprakelijk kunnen worden gesteld voor de bodemverontreiniging;
   Overwegende dat er reden is om de uitvoering van deze onderzoeken en deze behandelingswerken van bodemverontreiniging financieel te steunen door middel van een gewestelijke premie;
   Op voorstel van de minister van Leefmilieu, Energie en Stadsvernieuwing;
   Na beraadslaging,
   Besluit :

Begin Eerste woord Laatste woord Aanhef
Inhoudstafel
Franstalige versie