J U S T E L     -     Geconsolideerde wetgeving
Einde Eerste woord Laatste woord Wijziging(en) Aanhef
Parlementaire werkzaamheden Inhoudstafel 27 uitvoeringbesluiten 39 gearchiveerde versies
Handtekening Einde Franstalige versie
 
belgiëlex . be     -     Kruispuntbank Wetgeving
Raad van State
ELI - Navigatie systeem via een Europese identificatiecode voor wetgeving
http://www.ejustice.just.fgov.be/eli/decreet/2013/12/13/2013036154/justel

Titel
13 DECEMBER 2013. - Decreet houdende de Vlaamse Codex Fiscaliteit (aangehaald als : Vlaamse Codex Fiscaliteit van 13 december 2013)
(NOTA : articles gewijzigd in de toekomst door DVR 2019-03-29/29, art. 25 en S.; Inwerkingtreding : 01-01-2021)
(NOTA : Raadpleging van vroegere versies vanaf 23-12-2013 en tekstbijwerking tot 02-09-2019)

Bron : VLAAMSE OVERHEID
Publicatie : 23-12-2013 nummer :   2013036154 bladzijde : 101516       PDF :   originele versie    
Dossiernummer : 2013-12-13/06
Inwerkingtreding :
01-01-2013 (Art.2.1.1.0.1-Art.2.6.7.7.1)     (Art.5.0.0.0.1,3°)
01-01-2014 (Art.1.1.0.0.1-Art.1.1.0.0.4)     (Art.3.1.0.0.1-Art.7.0.0.0.1)     (Art.4.2.0.0.1)     (Art.4.2.0.0.10)     (Art.4.2.0.0.2)     (Art.4.2.0.0.3)     (Art.4.2.0.0.4)     (Art.4.2.0.0.5)     (Art.4.2.0.0.6)     (Art.4.2.0.0.7)     (Art.4.2.0.0.8)     (Art.4.2.0.0.9)     (Art.4.3.0.0.1)     (Art.4.3.0.0.2)     (Art.4.3.0.0.3)     (Art.4.3.0.0.4)     (Art.4.3.0.0.5)     (Art.4.3.0.0.6)     (Art.4.3.0.0.7)     (Art.4.4.0.0.1)     (Art.4.4.0.0.2)     (Art.4.5.0.0.1)     (Art.5.0.0.0.2)     (Art.5.0.0.0.3)     (Art.5.0.0.0.4)     (Art.5.0.0.0.5)

Inhoudstafel Tekst Begin
TITEL 1. - Inleidende bepalingen
Hoofdstuk 1. - Algemene bepalingen en definities
Art. 1.1.0.0.1-1.1.0.0.4
TITEL 2. - Belastingheffing
Hoofdstuk 1. - Onroerende voorheffing
Afdeling 1. - Belastbaar voorwerp
Art. 2.1.1.0.1
Afdeling 2. - Belastingplichtigen
Art. 2.1.2.0.1
Afdeling 3. - Belastbare grondslag
Art. 2.1.3.0.1-2.1.3.0.2
Afdeling 4. - Tarieven
Art. 2.1.4.0.1-2.1.4.0.2
Afdeling 5. - Verminderingen
Art. 2.1.5.0.1-2.1.5.0.6
Art. 2.1.5.0.6 TOEKOMSTIG RECHT
Art. 2.1.5.0.7
Afdeling 6. - Vrijstellingen
Art. 2.1.6.0.1
Art. 2.1.6.0.1. TOEKOMSTIG RECHT
Art. 2.1.6.0.2-2.1.6.0.3
Afdeling 7. - Wijze van heffing
Art. 2.1.7.0.1
Hoofdstuk 2. - Verkeersbelasting
Afdeling 1. - Belastbaar voorwerp
Art. 2.2.1.0.1
Afdeling 2. - Belastingplichtigen
Art. 2.2.2.0.1
Afdeling 3. - Belastbare grondslag
Art. 2.2.3.0.1-2.2.3.0.8
Afdeling 4. - Tarieven
Art. 2.2.4.0.1-2.2.4.0.9
Afdeling 5. - Verminderingen
Art. 2.2.5.0.1-2.2.5.0.4
Afdeling 6. - Vrijstellingen
Art. 2.2.6.0.1-2.2.6.0.7
Afdeling 7. - Wijze van heffing
Art. 2.2.7.0.1-2.2.7.0.2
Hoofdstuk 3. - Belasting op de inverkeerstelling
Afdeling 1. - Belastbaar voorwerp
Art. 2.3.1.0.1
Afdeling 2. - Belastingplichtigen
Art. 2.3.2.0.1
Afdeling 3. - Belastbare grondslag
Art. 2.3.3.0.1
Afdeling 4. - Tarieven
Onderafdeling 1. - Bedrag van de belasting voor personenauto's, auto's voor dubbel gebruik en minibussen als vermeld in artikel 1.1.0.0.2, vierde lid, 1°, die worden geacht in het verkeer te zijn gesteld in het Vlaamse Gewest
Art. 2.3.4.1.1-2.3.4.1.10
Onderafdeling 2. - Bedrag van de belasting voor motorfietsen, luchtvoertuigen, boten en andere voertuigen dan de wegvoertuigen, vermeld in artikel 2.3.4.1.1
Art. 2.3.4.2.1-2.3.4.2.2
Afdeling 5. - Verminderingen
Art. 2.3.5.0.1
Afdeling 6. - Vrijstellingen
Art. 2.3.6.0.1-2.3.6.0.3
Afdeling 7. - Wijze van heffing
Art. 2.3.7.0.1
Hoofdstuk 4. - Kilometerheffing]1
Afdeling 1. - Belastbaar voorwerp
Art. 2.4.1.0.1-2.4.1.0.2
Afdeling 2. - Belastingplichtigen
Art. 2.4.2.0.1
Afdeling 3. - Belastbare grondslag
Art. 2.4.3.0.1
Afdeling 4. - Tarieven
Art. 2.4.4.0.1-2.4.4.0.5
Afdeling 5. - Verminderingen
Art. 2.4.5.0.1
Afdeling 6. - Vrijstellingen
Art. 2.4.6.0.1
Afdeling 7. - Wijze van heffing
Art. 2.4.7.0.1-2.4.7.0.2
Hoofdstuk 5. [1 - Heffing ongeschikte en onbewoonbare woningen]1
Afdeling 1. - Belastbaar voorwerp
Art. 2.5.1.0.1
Afdeling 2. - Belastingplichtigen
Art. 2.5.2.0.1
Afdeling 3. - Belastbare grondslag
Art. 2.5.3.0.1
Afdeling 4. - Tarieven
Art. 2.5.4.0.1-2.5.4.0.2
Afdeling 5. - Verminderingen
Art. 2.5.5.0.1
Afdeling 6. - Vrijstellingen
Art. 2.5.6.0.1-2.5.6.0.2
Afdeling 7. - Wijze van heffing
Art. 2.5.7.0.1-2.5.7.0.3
Hoofdstuk 6. - Leegstandsheffing bedrijfsruimten
Afdeling 1. - Belastbaar voorwerp
Art. 2.6.1.0.1
Afdeling 2. - Belastingplichtigen
Art. 2.6.2.0.1
Afdeling 3. - Belastbare grondslag
Art. 2.6.3.0.1
Afdeling 4. - Tarieven
Art. 2.6.4.0.1-2.6.4.0.2
Afdeling 5. - Verminderingen
Art. 2.6.5.0.1
Afdeling 6. - Vrijstellingen
Art. 2.6.6.0.1
Afdeling 7. - Wijze van heffing
Art. 2.6.7.0.1
Onderafdeling 1. - Opschorting door een vernieuwing, al of niet gekoppeld aan de beëindiging van de leegstand
Art. 2.6.7.1.1-2.6.7.1.2
Onderafdeling 2. - Opschorting ingevolge een definitief gesloten brownfieldconvenant
Art. 2.6.7.2.1
Onderafdeling 3. - Opschorting ingevolge een conform verklaard bodemsaneringsproject
Art. 2.6.7.3.1
Onderafdeling 4. - Opschorting voor nieuwe eigenaars
Art. 2.6.7.4.1-2.6.7.4.2
Onderafdeling 5. - Opschorting voor leegstaande maar niet-verwaarloosde bedrijfsruimten
Art. 2.6.7.5.1-2.6.7.5.2
Onderafdeling 6. - Opschorting ingevolge staving van de beëindiging van de vernieuwing en/of de leegstand
Art. 2.6.7.6.1
Onderafdeling 7. - Sancties
Art. 2.6.7.7.1
Hoofdstuk 7. - [1 Erfbelasting]1
Afdeling 1. - [1 Belastbaar voorwerp]1
Art. 2.7.1.0.1-2.7.1.0.10
Afdeling 2. - [1 Belastingplichtigen]1
Art. 2.7.2.0.1
Afdeling 3. [1 Belastbare grondslag]1
Onderafdeling 1. - [1 Algemeen]1
Art. 2.7.3.1.1
Onderafdeling 2. - [1 Actief van de nalatenschap]1
Art. 2.7.3.2.1-2.7.3.2.14
Onderafdeling 3. - [1 Waardering van het actief]1
Art. 2.7.3.3.1-2.7.3.3.7
Onderafdeling 4. - [1 Passief van de nalatenschap]1
Art. 2.7.3.4.1-2.7.3.4.4
Onderafdeling 5. - [1 Aanrekening van het passief op het actief]1
Art. 2.7.3.5.1-2.7.3.5.2
Afdeling 4. - [1 Tarieven]1
Onderafdeling 1. - [1 Algemene bepalingen]1
Art. 2.7.4.1.1-2.7.4.1.5
Onderafdeling 2. - [1 Verlaagde tarieven]1
Art. 2.7.4.2.1-2.7.4.2.4
Afdeling 5. - [1 Verminderingen]1
Art. 2.7.5.0.1-2.7.5.0.5
Afdeling 6. - [1 Vrijstelling]1
Art. 2.7.6.0.1-2.7.6.0.2
Art. 2.7.6.0.2 TOEKOMSTIG RECHT
Art. 2.7.6.0.3
Art. 2.7.6.0.3 TOEKOMSTIG RECHT
Art. 2.7.6.0.4-2.7.6.0.6
Afdeling 7. - [1 Wijze van heffing]1
Art. 2.7.7.0.1-2.7.7.0.3
Hoofdstuk 8. - [1 Schenkbelasting]1
Afdeling 1. - [1 Belastbaar voorwerp]1
Art. 2.8.1.0.1-2.8.1.0.2
Afdeling 2. - [1 Belastingplichtigen]1
Art. 2.8.2.0.1
Afdeling 3. - [1 Belastbare grondslag]1
Art. 2.8.3.0.1-2.8.3.0.5
Afdeling 4. - [1 Tarieven]1
Onderafdeling 1. - [1 Algemeen]1
Art. 2.8.4.1.1-2.8.4.1.2
Onderafdeling 2. - [1 Tijdelijke bepalingen voor schenkingen van percelen grond die volgens de stedenbouwkundige voorschriften bestemd zijn voor woningbouw]1
Art. 2.8.4.2.1-2.8.4.2.3
Onderafdeling 3. [1 - Tarieven voor schenkingen van gebouwen onderworpen aan een energetische renovatie of van gebouwen met conformiteitsattest die verhuurd worden]1
Art. 2.8.4.3.1
Onderafdeling 4. [1 - Tarieven voor schenkingen van een beschermd monument waarvoor een investeringsverplichting geldt]1
Art. 2.8.4.4.1
Afdeling 5. - [1 Verminderingen]1
Art. 2.8.5.0.1
Afdeling 6. - [1 Vrijstellingen]1
Art. 2.8.6.0.1-2.8.6.0.9
Afdeling 7. - [1 Wijze van heffing]1
Art. 2.8.7.0.1-2.8.7.0.3
Hoofdstuk 9. - [1 Verkooprecht]1
Afdeling 1. - [1 Belastbaar voorwerp]1
Art. 2.9.1.0.1-2.9.1.0.7
Afdeling 2. - [1 Belastingplichtigen]1
Art. 2.9.2.0.1
Afdeling 3. - [1 Belastbare grondslag]1
Art. 2.9.3.0.1-2.9.3.0.9
Afdeling 4. - [1 Tarieven]1
Onderafdeling 1. - [1 Algemeen]1
Art. 2.9.4.1.1-2.9.4.1.2
Onderafdeling 2. - [1 Verlaagde tarieven]1
Art. 2.9.4.2.1-2.9.4.2.14
Afdeling 5. - [1 Verminderingen]1
Art. 2.9.5.0.1-2.9.5.0.5
Afdeling 6. - [1 Vrijstellingen]1
Art. 2.9.6.0.1
Art. 2 9.6.0.1.TOEKOMSTIG RECHT
Art. 2.9.6.0.2-2.9.6.0.7
Afdeling 7. - [1 Wijze van heffing]1
Art. 2.9.7.0.1-2.9.7.0.5
Hoofdstuk 10. - [1 Verdeelrecht]1
Afdeling 1. - [1 Belastbaar voorwerp]1
Art. 2.10.1.0.1-2.10.1.0.4
Afdeling 2. [1 Belastingplichtigen]1
Art. 2.10.2.0.1
Afdeling 3. [1 Belastbare grondslag]1
Art. 2.10.3.0.1-2.10.3.0.3
Afdeling 4. - [1 Tarieven]1
Art. 2.10.4.0.1-2.10.4.0.2
Afdeling 5. - [1 Verminderingen]1
Art. 2.10.5.0.1
Afdeling 6. - [1 Vrijstellingen]1
Art. 2.10.6.0.1-2.10.6.0.4
Afdeling 7. - [1 Wijze van heffing]1
Art. 2.10.7.0.1-2.10.7.0.3
Hoofdstuk 11. - [1 Recht op hypotheekvestiging]1
Afdeling 1. [1 Belastbaar voorwerp]1
Afdeling 1. [1 Art. 2.11.1.0.1. Overeenkomstig artikel 1, artikel 19 en artikel 31 van het federale Wetboek van Registratie-, Hypotheek- en Griffierechten wordt het recht op hypotheekvestiging gevestigd naar aanleiding van de registratie of de verplichting tot registratie van akten of geschriften houdende vestiging van een hypotheek op een onroerend goed.]1
Art. 2.11.1.0.2
Afdeling 2. - [1 Belastingplichtigen]1
Art. 2.11.2.0.1
Afdeling 3. - [1 Belastbare grondslag]1
Art. 2.11.3.0.1
Afdeling 4. - [1 Tarieven]1
Art. 2.11.4.0.1-2.11.4.0.4
Afdeling 5. - [1 Verminderingen]1
Art. 2.11.5.0.1
Afdeling 6. - [1 Vrijstellingen]1
Art. 2.11.6.0.1-2.11.6.0.2
Afdeling 7. - [1 Wijze van heffing]1
Art. 2.11.7.0.1-2.11.7.0.3
Hoofdstuk 12. [1 - Belasting op de spelen en weddenschappen]1
Afdeling 1. [1 - Belastbaar voorwerp]1
Art. 2.12.1.0.1
Afdeling 2. [1 - Belastingplichtigen]1
Art. 2.12.2.0.1
Afdeling 3. [1 - Belastbare grondslag]1
Art. 2.12.3.0.1
Afdeling 4. [1 Tarieven]1
Art. 2.12.4.0.1-2.12.4.0.2
Afdeling 5. [1 - Verminderingen]1
Art. 2.12.5.0.1
Afdeling 6. [1 - Vrijstellingen]1
Art. 2.12.6.0.1
Afdeling 7. [1 - Wijze van heffing]1
Art. 2.12.7.0.1
Hoofdstuk 13. [1 - Belasting op de automatische ontspanningstoestellen]1
Afdeling 1. [1 - Belastbaar voorwerp]1
Art. 2.13.1.0.1
Afdeling 2. [1 ]1
Art. 2.13.2.0.1
Afdeling 3. [1 - Belastbare grondslag]1
Art. 2.13.3.0.1-2.13.3.0.2
Afdeling 4. [1 Tarieven]1
Art. 2.13.4.0.1-2.13.4.0.2
Afdeling 5. [1 - Verminderingen]1
Art. 2.13.5.0.1-2.13.5.0.2
Afdeling 6. [1 - Vrijstellingen]1
Art. 2.13.6.0.1
Afdeling 7. [1 Wijze van heffing]1
Art. 2.13.7.0.1-2.13.7.0.2
TITEL 3. - Inning en invordering
Hoofdstuk 1. Inleidende bepalingen, opcentiemen, opdeciem en administratieve onkostenvergoedingen
Art. 3.1.0.0.1-3.1.0.0.8
Hoofdstuk 2. - Inkohiering
Afdeling 1. - Algemeen
Art. 3.2.1.0.1-3.2.1.0.2
Afdeling 2. - Uitvoerbaarverklaring
Art. 3.2.2.0.1
Afdeling 3. - Overledenen en onverdeeldheden
Art. 3.2.3.0.1
Afdeling 4. - Aanslag voor overnemende of verkrijgende vennootschap
Art. 3.2.4.0.1
Afdeling 5. - Berekening en afrondingswijze
Art. 3.2.5.0.1
Hoofdstuk 3. - Aanslagprocedure
Afdeling 1. - [1 Aangifte]1
Art. 3.3.1.0.1-3.3.1.0.8
Art. 3.3.1.0.8 TOEKOMSTIG RECHT
Art. 3.3.1.0.9, 3.3.1.0.9/1, 3.3.1.0.10-3.3.1.0.16
Afdeling 2. - Aanslagjaar en belastbaar tijdperk
Art. 3.3.2.0.1
Afdeling 3. - Aanslagtermijn
Art. 3.3.3.0.1-3.3.3.0.3
Afdeling 4. - Aanslagbiljet
Art. 3.3.4.0.1
Afdeling 5. - Verzending
Art. 3.3.5.0.1-3.3.5.0.2
Hoofdstuk 4. - Betalingen
Afdeling 1. - Algemeen
Art. 3.4.1.0.1
Afdeling 2. - Betaaltermijn
Art. 3.4.2.0.1-3.4.2.0.5
Afdeling 3. - Wijze van betaling
Art. 3.4.3.0.1-3.4.3.0.2
Afdeling 4. - Vermeldingen op het betaalformulier
Art. 3.4.4.0.1
Afdeling 5. - Bewijs van betaling
Art. 3.4.5.0.1
Afdeling 6. - Datum van uitwerking van betaling
Art. 3.4.6.0.1
Afdeling 7. - Wijze van aanrekening van betaling, aanwending en aanzuivering
Art. 3.4.7.0.1-3.4.7.0.7
Afdeling 8. - Betalingsfaciliteiten
Art. 3.4.8.0.1
Hoofdstuk 5. - Bezwaar
Afdeling 1. - Ontvangstmelding
Art. 3.5.1.0.1
Afdeling 2. - Bezwaartermijn
Art. 3.5.2.0.1-3.5.2.0.5
Afdeling 3. - Natuurlijke personen en rechtspersonen die bezwaar kunnen indienen en de wijze waarop ze bezwaar kunnen indienen
Art. 3.5.3.0.1-3.5.3.0.4
Afdeling 4. - Onderzoeksbevoegdheden
Art. 3.5.4.0.1-3.5.4.0.2
Afdeling 5. - Behandeltijd
Art. 3.5.5.0.1
Afdeling 6. - Beslissingswijze voor bezwaar
Art. 3.5.6.0.1
Afdeling 7. - Collectieve beslissing
Art. 3.5.7.0.1
Afdeling 8. - Hoorzitting
Art. 3.5.8.0.1
Afdeling 9. - Kennisgeving
Art. 3.5.9.0.1
Hoofdstuk 6. - Ambtshalve ontheffing
Art. 3.6.0.0.1-3.6.0.0.6
Hoofdstuk 7. - Nietigverklaring
Art. 3.7.0.0.1-3.7.0.0.2
Hoofdstuk 8. - Gerechtelijk beroep
Art. 3.8.0.0.1-3.8.0.0.4
Hoofdstuk 9. - Interesten
Afdeling 1. - Nalatigheidsinteresten
Art. 3.9.1.0.1-3.9.1.0.3
Afdeling 2. - Moratoriuminteresten
Art. 3.9.2.0.1
Hoofdstuk 10. - Invordering
Afdeling 1. - Herinnering
Art. 3.10.1.0.1
Afdeling 2. - Laatste herinnering
Art. 3.10.2.0.1
Afdeling 3. - Vervolging
Onderafdeling 1. - Algemeen
Art. 3.10.3.1.1-3.10.3.1.8
Onderafdeling 2. - Rechtstreekse vervolging
Art. 3.10.3.2.1
Onderafdeling 3. - Onrechtstreekse vervolging
Art. 3.10.3.3.1
Onderafdeling 4. - Vervolgingskosten
Art. 3.10.3.4.1
Onderafdeling 5. - Met vervolging belaste personen
Art. 3.10.3.5.1
Afdeling 4. - Bijzondere gevallen
Onderafdeling 1. - Invordering bij echtgenoten of ex-echtgenoten en bij wettelijk samenwonenden of ex-wettelijksamenwonenden
Art. 3.10.4.1.1-3.10.4.1.2
Onderafdeling 2. - Invordering bij vennootschappen
Art. 3.10.4.2.1-3.10.4.2.2
Onderafdeling 3. - Invordering bij erfgenamen
Art. 3.10.4.3.1
Onderafdeling 4. - Invordering bij andere personen die gehouden zijn tot betaling van de schuld
Art. 3.10.4.4.1-3.10.4.4.6
Onderafdeling 5. - Invordering van het eurovignet bij andere belastingschuldigen dan de eigenaar
Art. 3.10.4.5.1
Onderafdeling 6. - Invordering van betwiste belastingen
Art. 3.10.4.6.1
Afdeling 5. - Zekerheden
Onderafdeling 1. - Waarborg
Art. 3.10.5.1.1-3.10.5.1.3
Onderafdeling 2. - Voorrecht
Art. 3.10.5.2.1-3.10.5.2.3
Onderafdeling 3. - Wettelijke hypotheek
Art. 3.10.5.3.1-3.10.5.3.8
Onderafdeling 4. - [1 Rechten van derden te goeder trouw]1
Art. 3.10.5.4.1
Onderafdeling 5. - [1 Buiten de Europese Economische Ruimte wonende erfgenaam]1
Art. 3.10.5.5.1-3.10.5.5.2
Hoofdstuk 11. - Wederzijdse internationale bijstand
Art. 3.11.0.0.1
Hoofdstuk 12. - Verplichtingen van derden
Afdeling 1. - Notificatieverplichtingen van derden
Art. 3.12.1.0.1-3.12.1.0.21
Afdeling 2. - Verplichtingen van kredietinstellingen of -inrichtingen
Art. 3.12.2.0.1
Afdeling 3. - [1 Andere verplichtingen in het kader van de registratiebelasting]1
Art. 3.12.3.0.1-3.12.3.0.6
Afdeling 4. [1 Verplichtingen in het kader van de burgerlijke vordering]1
Art. 3.12.4.0.1
Hoofdstuk 13. - Onderzoek en controle
Afdeling 1. - Administratieve controle
Onderafdeling 1. - Algemeen
Art. 3.13.1.1.1-3.13.1.1.5
Onderafdeling 2. - Plichten van de belastingplichtige
Art. 3.13.1.2.1-3.13.1.2.9
Onderafdeling 3. - Plichten van derden
Art. 3.13.1.3.1-3.13.1.3.7
Onderafdeling 4. - Plichten van openbare instellingen
Art. 3.13.1.4.1-3.13.1.4.2
Afdeling 2. - Controle ter plaatse
Art. 3.13.2.0.1-3.13.2.0.5
Hoofdstuk 14. - Verjaring
Afdeling 1. - Termijn
Art. 3.14.1.0.1-3.14.1.0.2
Afdeling 2. - Stuiting
Art. 3.14.2.0.1
Afdeling 3. - Schorsing
Art. 3.14.3.0.1-3.14.3.0.3
Hoofdstuk 15. - Strafrechtelijke vervolging
Afdeling 1. - Algemene bepalingen
Art. 3.15.1.0.1-3.15.1.0.2
Afdeling 2. - Opsporing van inbreuken
Art. 3.15.2.0.1
Afdeling 3. - Strafrechtelijke sancties
Art. 3.15.3.0.1-3.15.3.0.13
Hoofdstuk 16. - [1 Administratieve sancties]1
Art. 3.16.0.0.1-3.16.0.0.5
Hoofdstuk 17. - [1 Bewijsmiddelen]1
Art. 3.17.0.0.1-3.17.0.0.12
Hoofdstuk 18. - Belastingverhogingen en administratieve geldboetes
Art. 3.18.0.0.1-3.18.0.0.15, 3.18.0.0.15/1, 3.18.0.0.15/2, 3.18.0.0.16-3.18.0.0.17
Hoofdstuk 19. - Beroepsgeheim
Art. 3.19.0.0.1-3.19.0.0.2
Hoofdstuk 20. - [1 Te verstrekken inlichtingen]1
Art. 3.20.0.0.1
Hoofdstuk 21. - [1 Voorafgaande attesten]1
Art. 3.21.0.0.1
Hoofdstuk 22. [1 - Voorafgaande beslissingen over de materies en bepalingen vervat in deze codex]1
Art. 3.22.0.0.1-3.22.0.0.2
TITEL 4. - Wijzigingsbepalingen
Hoofdstuk 1. - Wijzigingen van het wetboek van 23 november 1965 van de met inkomstenbelastingen gelijkgestelde belastingen
Art. 4.1.0.0.1
Hoofdstuk 2. - Wijzigingen van het decreet van 22 december 1995 houdende bepalingen tot begeleiding van de begroting 1996
Art. 4.2.0.0.1-4.2.0.0.10
Hoofdstuk 3. - Wijzigingen van het decreet van 19 april 1995 houdende maatregelen ter bestrijding en voorkoming van leegstand en verwaarlozing van bedrijfsruimten
Art. 4.3.0.0.1-4.3.0.0.7
Hoofdstuk 4. - Wijzigingen van de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening van 15 mei 2009
Art. 4.4.0.0.1-2.6.18
Hoofdstuk 5. - Wijzigingen van andere decreten
Art. 4.5.0.0.1
Hoofdstuk 6. - Kruisverwijzingen
Art. 4.6.0.0.1-4.6.0.0.2
TITEL 5. - Opheffingsbepalingen en overgangsmaatregelen
Art. 5.0.0.0.1-5.1.0.0.15
TITEL 6. - Citeertitel
Art. 6.0.0.0.1
TITEL 7. - Inwerkingtredingsbepalingen
Art. 7.0.0.0.1
BIJLAGE.
Art. N1-N2

Tekst Inhoudstafel Begin
TITEL 1. - Inleidende bepalingen

  Hoofdstuk 1. - Algemene bepalingen en definities

  Artikel 1.1.0.0.1. Deze codex regelt een gewestaangelegenheid.

  Art. 1.1.0.0.2.[1 In deze codex wordt verstaan onder :
   1° belastingen en toebehoren : de belastingen in hoofdsom waarop deze codex van toepassing is, in voorkomend geval met inbegrip van de opcentiemen of de opdeciem, nalatigheidsinteresten, administratieve geldboetes, belastingverhogingen en kosten van vervolging of tenuitvoerlegging, rechtsplegingsvergoedingen, gerechtskosten en betekeningskosten;
  [11 1° /1 belasting op de automatische ontspanningstoestellen: de belasting die geheven wordt overeenkomstig de bijzondere wet van 16 januari 1989 betreffende de financiering van de gemeenschappen en de gewesten en conform de bepalingen van titel 2, hoofdstuk 13, van deze codex;]11
  [11 1° /2 belasting op de spelen en weddenschappen: de belasting die geheven wordt overeenkomstig de bijzondere wet van 16 januari 1989 betreffende de financiering van de gemeenschappen en de gewesten en conform de bepalingen van titel 2, hoofdstuk 12, van deze codex;]11
   2° belasting op de inverkeerstelling : de belasting die geheven wordt overeenkomstig de bijzondere wet van 16 januari 1989 betreffende de financiering van de gemeenschappen en de gewesten en conform de bepalingen van titel 2, hoofdstuk 3, van deze codex;
   3° belastingplichtige : iedere natuurlijke persoon of rechtspersoon in wiens hoofde een belasting wordt geheven;
   4° belastingschuldige : iedere natuurlijke persoon of rechtspersoon die met toepassing van deze codex of het gemeen recht gehouden is tot de betaling van een belasting;
   5° bevoegd personeelslid : het personeelslid van de Vlaamse administratie dat wordt aangewezen conform de besluiten van de Vlaamse Regering, en dat belast is met de uitvoering van de bepalingen van deze codex;
  [2 5° /1 decreet Kilometerheffing : decreet van 3 juli 2015 tot invoering van de kilometerheffing en de stopzetting van de heffing van het eurovignet en tot wijziging van de Vlaamse Codex Fiscaliteit in dat verband;]2
   6° decreet van 19 april 1995 : het decreet van 19 april 1995 houdende maatregelen ter bestrijding en voorkoming van leegstand en verwaarlozing van bedrijfsruimten;
   7° decreet van 22 december 1995 : het decreet van 22 december 1995 houdende bepalingen tot begeleiding van de begroting 1996;
  [2 7° /1 dienstverlener : elke door een tolheffende instantie, vermeld in artikel 4, tweede lid, 2°, van het decreet Kilometerheffing op haar tolgebied, vermeld in artikel 5, § 2, derde lid, 1°, van het decreet Kilometerheffing toegelaten juridische entiteit die een dienst aanbiedt van facturatie aan gebruikers, inning en afdracht aan de gewesten van de kilometerheffing op basis van gegevens die geregistreerd zijn door een elektronische registratievoorziening;
   7° /2 dienstverleningsovereenkomst : de overeenkomst tussen de houder van een voertuig en een dienstverlener naar zijn keuze, die voorafgaand aan het gebruik van enige weg voor dat voertuig moet worden gesloten;
   7° /3 elektronische registratievoorziening : de elektronische boordapparatuur bestemd voor de plaatsbepaling van het voertuig waarin de boordapparatuur is geplaatst, die, al dan niet met behulp van elektronische apparatuur op afstand, data uitwisselt om te komen tot de registratie van afgelegde kilometers, alsook tot de berekening van de kilometerheffing op die geregistreerde afstand;]2
   8° [10 entiteit van de Vlaamse administratie: een intern of extern verzelfstandigd agentschap of een departement;]10
   9° erfbelasting : verzamelterm voor het successierecht en het recht van overgang;
   10° [2 eurovignet : de belasting die tot en met de inwerkingtreding van het decreet van 3 juli 2015 tot invoering van de kilometerheffing en de stopzetting van de heffing van het eurovignet en tot wijziging van de Vlaamse Codex Fiscaliteit van 13 december 2013 in dat verband geheven werd overeenkomstig de bijzondere wet van 16 januari 1989 betreffende de financiering van de gemeenschappen en de gewesten en conform de toenmalige bepalingen van titel 2, hoofdstuk 4, van deze codex;]2
  [6 10° /1 heffing ongeschikte en onbewoonbare woningen: de belasting die geheven wordt conform de bepalingen van titel 2, hoofdstuk 5, van deze codex;]6
   11° kadastraal inkomen : het inkomen, vastgesteld overeenkomstig titel IX van het federale WIB 92 en geïndexeerd overeenkomstig artikel 518 van het federale WIB 92;
  [2 11° /1 kilometerheffing : de belasting die geheven wordt conform de bepalingen van titel 2, hoofdstuk 4, van deze codex;]2
   12° kinderen : de afstammelingen van de belastingplichtige en die van zijn echtgenoot of van de wettelijk samenwonende, alsook de kinderen die hij volledig of hoofdzakelijk ten laste heeft;
   13° leegstandsheffing bedrijfsruimten : de belasting die geheven wordt conform de bepalingen van titel 2, hoofdstuk 6, van deze codex;
   14° onroerende voorheffing : de belasting die geheven wordt overeenkomstig de bijzondere wet van 16 januari 1989 betreffende de financiering van de gemeenschappen en de gewesten en conform de bepalingen van titel 2, hoofdstuk 1, van deze codex;
   15° recht op hypotheekvestiging : de belasting die onder de benaming `registratierecht op de vestiging van een hypotheek op een in België gelegen onroerend goed' geheven wordt overeenkomstig de bijzondere wet van 16 januari 1989 betreffende de financiering van de gemeenschappen en de gewesten en conform de bepalingen van titel 2, hoofdstuk 11, van deze codex;
   16° recht van overgang : de belasting die onder de benaming `het recht van overgang bij overlijden van niet-rijksinwoners' wordt geheven overeenkomstig de bijzondere wet van 16 januari 1989 betreffende de financiering van de gemeenschappen en de gewesten en conform de bepalingen van titel 2, hoofdstuk 7, van deze codex;
   17° registratiebelasting : verzamelterm voor de schenkbelasting, het verkooprecht, het verdeelrecht en het recht op hypotheekvestiging;
   18° rijksinwoner : de natuurlijke persoon die naargelang het geval op het ogenblik van zijn overlijden of op het ogenblik van de schenking binnen het Rijk zijn domicilie of de zetel van zijn vermogen heeft gevestigd of de rechtspersoon die op het ogenblik van de schenking binnen het Rijk zijn zetel van werkelijke leiding heeft gevestigd;
  [8 18° /1 schatter-expert: natuurlijk persoon die beroepsmatig schattingen en waarderingen van onroerende goederen uitvoert en daarvoor beschikt over de beroepskwalificatie, vermeld in artikel 3.3.1.0.9/1, § 2, 2° ;]8
   19° schenkbelasting : de belasting die onder de benaming `registratierecht op de schenkingen onder de levenden van roerende of onroerende goederen' geheven wordt overeenkomstig de bijzondere wet van 16 januari 1989 betreffende de financiering van de gemeenschappen en de gewesten en conform de bepalingen van titel 2, hoofdstuk 8, van deze codex;
   20° successierecht : de belasting die onder de benaming `het successierecht van rijksinwoners' wordt geheven overeenkomstig de bijzondere wet van 16 januari 1989 betreffende de financiering van de gemeenschappen en de gewesten en conform de bepalingen van titel 2, hoofdstuk 7, van deze codex;
   21° vennootschappen : een vennootschap, vereniging, inrichting of instelling die regelmatig is opgericht, rechtspersoonlijkheid bezit en een onderneming exploiteert of zich bezighoudt met verrichtingen van winstgevende aard. Lichamen met rechtspersoonlijkheid die naar Belgisch recht zijn opgericht en die voor de toepassing van de inkomstenbelastingen worden geacht geen rechtspersoonlijkheid te bezitten, worden niet als vennootschappen aangemerkt;
   22° verdeelrecht : de belasting die onder de benaming `registratierecht op de gedeeltelijke of gehele verdelingen van in België gelegen onroerende goederen, de afstanden onder bezwarende titel, onder mede-eigenaars, van onverdeelde delen in soortgelijke goederen, en de omzettingen overeenkomstig artikel 745quater en artikel 745quinquies van het Burgerlijk Wetboek, zelfs indien er geen onverdeeldheid is' geheven wordt overeenkomstig de bijzondere wet van 16 januari 1989 betreffende de financiering van de gemeenschappen en de gewesten en conform de bepalingen van titel 2, hoofdstuk 10, van deze codex;
   23° verkeersbelasting : de belastingen die geheven worden overeenkomstig de bijzondere wet van 16 januari 1989 betreffende de financiering van de gemeenschappen en de gewesten en conform de bepalingen van titel 2, hoofdstuk 2, van deze codex;
   24° verkooprecht : de belasting die onder de benaming `registratierecht op de overdrachten onder bezwarende titel van in België gelegen onroerende goederen met uitsluiting van de overdrachten die het gevolg zijn van een inbreng in een vennootschap behalve voor zover het een inbreng betreft door een natuurlijke persoon van een woning in een Belgische vennootschap' geheven wordt overeenkomstig de bijzondere wet van 16 januari 1989 betreffende de financiering van de gemeenschappen en de gewesten en conform de bepalingen van titel 2, hoofdstuk 9, van deze codex;
   25° [6 ...]6;
   26° WIB 92 : het Wetboek van Inkomstenbelastingen 1992;
   27° Wetboek van Registratie-, Hypotheek- en Griffierechten : het wetboek van 30 november 1939 der registratie-, hypotheek- en griffierechten;
   28° Wetboek van Successierechten : het wetboek van 31 maart 1936 der Successierechten.
   In titel 2, hoofdstuk 1, wordt verstaan onder :
   1° gehandicapte persoon : de als gehandicapt aangemerkte personen, vermeld in artikel 135, eerste lid, 1°, van het federale WIB 92;
   2° gehandicapt kind : [12 een kind met een specifieke ondersteuningsbehoefte als vermeld in artikel 3, § 1, 39°, van het decreet van 27 april 2018 tot regeling van de toelagen in het kader van het gezinsbeleid]12;
   3° grensarbeider : de persoon die in de grensstreek van een buurland werkt en die volgens het bevolkingsregister op 1 januari van het aanslagjaar zijn woonplaats heeft in de grensstreek van België, waarnaar hij gewoonlijk dagelijks of ten minste eenmaal per week terugkeert.
   In titel 2, hoofdstuk 2, wordt verstaan onder :
   1° stoom- of motorvoertuigen : de motorvoertuigen, omschreven in de reglementering voor de inschrijving van motorvoertuigen en de aanhangwagens, de stoom- of motorvaartuigen en -boten en, in het algemeen, alle stoom- of motorvervoermiddelen tot voortbeweging, alsook de aanhangwagens en opleggers ervan;
   2° lichte vrachtauto : in afwijking van punt 1°, elke auto, opgevat en gebouwd voor het vervoer van zaken waarvan [8 het maximaal toegestane totaalgewicht]8 niet meer bedraagt dan 3500 kg en die :
   a) bestaat uit een volledig van de laadruimte afgesloten enkele cabine die ten hoogste twee plaatsen bevat, die van de bestuurder niet inbegrepen, en een open laadbak;
   b) bestaat uit een volledig van de laadruimte afgesloten dubbele cabine die ten hoogste zes plaatsen bevat, die van de bestuurder niet inbegrepen, en een open laadbak;
   c) gelijktijdig bestaat uit een passagiersruimte die ten hoogste twee plaatsen bevat, die van de bestuurder niet inbegrepen, en een daarvan afgesloten laadruimte waarvan de afstand tussen elk punt van de scheidingswand achter de zitplaatsen en de binnenkant van de achterzijde van de laadruimte, gemeten in de langsrichting van het voertuig, op een hoogte van 20 cm boven de vloer, altijd minstens 50 % bedraagt van de lengte van de wielbasis. De laadruimte moet bovendien over haar hele oppervlakte bestaan uit een vaste of duurzaam bevestigde, horizontale laadvloer zonder verankeringsplaatsen voor extra banken, zetels of veiligheidsgordels, die deel uitmaakt van het koetswerk;
   d) gelijktijdig bestaat uit een passagiersruimte die ten hoogste zes plaatsen bevat, die van de bestuurder niet inbegrepen, en een daarvan volledig afgesloten laadruimte waarvan de afstand tussen elk punt van de scheidingswand achter de laatste rij zitplaatsen en de binnenkant van de achterzijde van de laadruimte, gemeten in de langsrichting van het voertuig, op een hoogte van 20 cm boven de vloer, altijd minstens 50 % bedraagt van de lengte van de wielbasis. De laadruimte moet bovendien over haar hele oppervlakte bestaan uit een vaste of duurzaam bevestigde, horizontale laadvloer zonder verankeringsplaatsen voor extra banken, zetels of veiligheidsgordels, die deel uitmaakt van het koetswerk.
   Als het voertuig, aangewezen als lichte vrachtauto in de reglementering, vermeld in punt 1°, niet beantwoordt aan een van de voertuigtypes, vermeld in punt a) tot en met d), wordt het, afhankelijk van zijn constructie, beschouwd als een personenauto, een auto voor dubbel gebruik of een minibus;
   3° beroepsmatig gebruik : het gebruik van een voertuig voor de rechtstreekse uitoefening van werkzaamheden tegen betaling of met winstoogmerk;
   4° persoonlijk gebruik : elk ander gebruik dan beroepsmatig gebruik;
   5° gewone verblijfplaats : de plaats waar iemand gewoonlijk verblijft, dat wil zeggen gedurende ten minste 185 dagen per kalenderjaar wegens persoonlijke en beroepsmatige bindingen of, voor personen zonder beroepsmatige bindingen, wegens persoonlijke bindingen waaruit nauwe banden blijken tussen hemzelf en de plaats waar hij woont.
   De gewone verblijfplaats van iemand die zijn beroepsmatige bindingen op een andere plaats heeft dan zijn persoonlijke bindingen en daardoor afwisselend verblijft op verschillende plaatsen in twee of meer staten, wordt evenwel geacht zich op dezelfde plaats te bevinden als zijn persoonlijke bindingen, op voorwaarde dat hij op geregelde tijden terugkeert naar die plaats. Die laatste voorwaarde vervalt als de betrokkene in een staat verblijft voor een opdracht van een bepaalde duur. Het feit dat college wordt gelopen of een school wordt bezocht, houdt niet in dat de gewone verblijfplaats wordt verplaatst.
  [4 6° euronorm: de maximumdrempel voor de concentratie van bepaalde vervuilende stoffen in de uitlaatgassen van motorvoertuigen, bepaald in opeenvolgende Europese richtlijnen en verordeningen;
   7° wegvoertuigen: de personenauto's, auto's voor dubbel gebruik en minibussen zoals die voertuigen zijn omschreven in de reglementering van de inschrijving van de motorvoertuigen en de aanhangwagens en zoals ze worden verstaan in de zin van de laatste zin van punt 2°, voor zover die voertuigen voorzien zijn van of voorzien moeten zijn van een andere nummerplaat dan een in het kader van de bedoelde regeling uitgereikte proefrittenplaat, handelaarsplaat of tijdelijke plaat die geen internationale kentekenplaat is;]4
  [7 8° vennootschap: in afwijking van het eerste lid, 21°, een vennootschap als vermeld in de wet van 7 mei 1999 houdende het Wetboek van Vennootschappen.]7
   In titel 2, hoofdstuk 3, wordt verstaan onder :
   1° wegvoertuigen : de personenauto's, auto's voor dubbel gebruik, minibussen en motorfietsen, zoals die voertuigen zijn omschreven in de reglementering van de inschrijving van de motorvoertuigen en de aanhangwagens en zoals ze worden verstaan in de zin van de laatste zin van punt 2° van het vorige lid, voor zover die voertuigen voorzien zijn van of voorzien moeten zijn van een andere nummerplaat dan een in het kader van de bedoelde regeling uitgereikte proefrittenplaat, handelaarsplaat of tijdelijke plaat die geen internationale kentekenplaat is;
   2° luchtvaartuigen : de vliegtuigen, watervliegtuigen, helikopters, zweefvliegtuigen, luchtballons of bestuurbare luchtschepen en andere luchtvaartuigen, zwaarder of lichter dan lucht, met of zonder motor, als ze ingeschreven zijn of moeten zijn;
   3° boten : de jachten en pleziervaartuigen die langer zijn dan 7,5 meter, als daarvoor een vlaggenbrief afgeleverd is of afgeleverd moet zijn;
  [5 4° euronorm: de maximumdrempel voor de concentratie van bepaalde vervuilende stoffen in de uitlaatgassen van motorvoertuigen, bepaald in opeenvolgende Europese richtlijnen en verordeningen;]5
  [7 5° vennootschap: in afwijking van het eerste lid, 21°, een vennootschap als vermeld in de wet van 7 mei 1999 houdende het Wetboek van Vennootschappen.]7
   [2 In titel 2, hoofdstuk 4, wordt verstaan onder :
   1° EURO-emissieklasse : de klasse gedefinieerd op basis van de emissiegrenswaarden, vermeld in bijlage 0 van richtlijn 1999/62/EG van het Europees Parlement en de Raad van 17 juni 1999 betreffende het in rekening brengen van het gebruik van bepaalde infrastructuurvoorzieningen aan zware vrachtvoertuigen;
   2° gegarandeerde betaalmiddel : het betaalmiddel waarmee de dienstverlener, vermeld in artikel 1.1.0.0.2, eerste lid, 7° /1, de kilometerheffing en, in voorkomend geval, de aan de houder van het voertuig gefactureerde inningskosten op het eerste verzoek kan innen, zonder verdere toelating van de houder van het voertuig en zonder dat die de betaling die met het betaalmiddel is verricht, kan annuleren;
   3° kilometer : elke kilometer, afgerond op het hogere of lagere duizendste, naargelang het cijfer van de tienduizendsten al of niet vijf bereikt;
   4° niet-geconcedeerde weg : de weg of het gedeelte van de weg waarvan het beheer niet in concessie is gegeven;
   5° Viapass : het publiekrechtelijk vormgegeven interregionaal samenwerkingsverband in de vorm van een gemeenschappelijke instelling als vermeld in artikel 92bis, § 1, van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 tot hervorming der instellingen, vermeld in artikel 18 van het samenwerkingsakkoord van 31 januari 2014 tussen het Vlaamse Gewest, het Waalse Gewest en het Brussels Hoofdstedelijk Gewest betreffende de invoering van de kilometerheffing op het grondgebied van de drie gewesten en tot oprichting van een publiekrechtelijk vormgegeven Interregionaal Samenwerkingsverband Viapass onder de vorm van een gemeenschappelijke instelling zoals bedoeld in artikel 92bis, § 1, van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 tot hervorming der instellingen;
   6° voertuig : een motorvoertuig of een samenstel van voertuigen, bedoeld of gebruikt, al dan niet uitsluitend, voor het vervoer over de weg van goederen, waarvan het maximaal toegestane totaalgewicht meer dan 3,5 ton bedraagt;
   7° weg : de landwegen en de aanhorigheden ervan.]2
   In titel 2, hoofdstuk 7 en hoofdstuk 8, wordt verstaan onder :
   1° beurswaarde : de slotkoers van een financieel instrument, zoals die als koersinformatie beschikbaar is in de gespecialiseerde pers of in gespecialiseerde elektronisch raadpleegbare bronnen;
  [8 1° /1 bouwgrond: een perceel grond dat stedenbouwkundig bestemd is tot woningbouw of een onroerend goed dat ermee wordt gelijkgesteld. Het geheel of het gedeelte van een gebouw dat, pas na de uitvoering van andere werken dan normale herstellings- of onderhoudswerken, kan dienen tot huisvesting van een gezin of een persoon, met in voorkomend geval de aanhorigheden die tegelijk met het gebouw worden verkregen, wordt met een bouwgrond gelijkgesteld;]8
   2° gehandicapt kind : [12 een kind met een specifieke ondersteuningsbehoefte als vermeld in artikel 3, § 1, 39°, van het decreet van 27 april 2018 tot regeling van de toelagen in het kader van het gezinsbeleid]12;
   3° gehandicapte persoon : de als gehandicapt aangemerkte personen, vermeld in artikel 135, eerste lid, 1°, van het federale WIB 92;
   4° partner :
   a) de persoon die op dag van het openvallen van de nalatenschap met de erflater of op de dag van de schenking met de schenker gehuwd is;
   b) de persoon die op de dag van het openvallen van de nalatenschap met de erflater of op de dag van de schenking met de schenker wettelijk samenwoont, overeenkomstig de bepalingen van boek III, titel Vbis, van het Burgerlijk Wetboek;
   c) de personen die op de dag van het openvallen van de nalatenschap of op de dag van de schenking ten minste één jaar ononderbroken met de erflater of de schenker samenwonen en met de erflater of de schenker een gemeenschappelijke huishouding voeren. Artikel 2.7.4.1.1, § 2, derde lid, artikel 2.7.4.2.2 en artikel 2.8.6.0.3 zijn echter alleen van toepassing voor de personen die op de dag van het openvallen van de nalatenschap of op de dag van de schenking ten minste drie jaar ononderbroken met de erflater of de schenker samenwonen en met de erflater of de schenker een gemeenschappelijke huishouding voeren. Deze voorwaarden worden geacht ook vervuld te zijn als het samenwonen en het voeren van een gemeenschappelijke huishouding met de erflater of de schenker, aansluitend op de bedoelde periode van één of drie jaar tot op de dag van het overlijden, ingevolge overmacht onmogelijk is geworden. Een inschrijving in het bevolkingsregister houdt een weerlegbaar vermoeden in van ononderbroken samenwoning en van het voeren van een gemeenschappelijke huishouding;
   5° verkrijging in rechte lijn :
   a) een verkrijging tussen personen die de ene van de andere afstammen, overeenkomstig artikel 736 van het Burgerlijk Wetboek, of tussen personen die ingevolge volle adoptie overeenkomstig artikel 356-1 van het Burgerlijk Wetboek een statuut met dezelfde rechten en verplichtingen hebben;
   b) een verkrijging tussen een persoon en het kind van zijn partner, ongeacht of de verkrijging plaatsvindt voor of na het overlijden van de partner. Als de verkrijging plaatsvindt na het overlijden van de partner, moet die laatste zijn hoedanigheid van partner ten aanzien van de eerst vermelde persoon nog hebben op de datum van zijn overlijden;
   c) een verkrijging tussen personen tussen wie een relatie van zorgouder en zorgkind bestaat of heeft bestaan. Er is sprake van een zorgrelatie als iemand vóór de leeftijd van eenentwintig jaar gedurende drie achtereenvolgende jaren bij een andere persoon heeft ingewoond en gedurende die tijd hoofdzakelijk van die andere persoon, of van de andere persoon en zijn partner samen, de hulp en verzorging heeft gekregen die kinderen normaal van hun ouders krijgen. De inschrijving van het zorgkind in het bevolkings- of het vreemdelingenregister op het adres van de zorgouder geldt als weerlegbaar vermoeden van inwoning bij de zorgouder;
   d) [3 een verkrijging door een persoon die met de overledene of de schenker een verwantschapsband had of heeft die voortkomt uit gewone adoptie, maar uitsluitend als daarvoor de nodige bewijsstukken worden aangebracht en als :
   1) het adoptiekind een kind is van de partner van de adoptant;
   2) het adoptiekind op het ogenblik van de adoptie onder de voogdij was van de openbare onderstand of van een Openbaar Centrum voor Maatschappelijk Welzijn of van een vergelijkbare instelling binnen de Europese Economische Ruimte, of wees was van een voor het vaderland gestorven vader of moeder;
   3) het adoptiekind, vóór de leeftijd van eenentwintig jaar, gedurende drie achtereenvolgende jaren hoofdzakelijk van de adoptant, of van de adoptant en zijn partner samen, de hulp en verzorging heeft gekregen die kinderen normaal van hun ouders krijgen;
   4) het kind geadopteerd is door een persoon van wie al de afstammelingen voor het vaderland gestorven zijn;]3
   e) een verkrijging tussen ex-partners als er gemeenschappelijke afstammelingen zijn.
   De definitie van kinderen, vermeld in het eerste lid, 12°, en de definitie van vennootschappen, vermeld in het eerste lid, 21°, gelden niet voor de toepassing van hoofdstuk 7 en hoofdstuk 8 van titel 2.
   In titel 2, hoofdstuk 7, wordt verstaan onder :
   1° aanvullende rechten : de erfbelasting, geheven omdat de voorwaarden voor een verlaagd tarief, een vermindering of een vrijstelling niet vervuld zijn, of wegens de toepassing van artikel 3.3.1.0.6, artikel 3.17.0.0.2, of van artikel 2.7.7.0.1 in geval van een onjuiste of onvolledige aangifte of een aangifte die niet binnen de termijn is ingediend;
   2° gezinswoning : de gezamenlijke hoofdverblijfplaats van de erflater en zijn langstlevende partner. Een uittreksel uit het bevolkingsregister houdt een weerlegbaar vermoeden in van de samenwoning. Als aan de samenwoning een einde is gekomen door een feitelijke scheiding van de partners, door een geval van overmacht dat tot op het ogenblik van het overlijden heeft voortgeduurd, of door de verplaatsing van de hoofdverblijfplaats van een van de partners of van beide partners naar een rust- en verzorgingsinstelling of een assistentiewoning, wordt de laatste gezamenlijke hoofdverblijfplaats van de erflater en zijn langstlevende partner als gezinswoning aangemerkt. [3 De aanhorigheden, vermeld in het twaalfde lid, 2°, worden in voorkomend geval geacht deel uit te maken van de gezinswoning.]3
   In titel 2, hoofdstuk 8 tot en met 11, wordt verstaan onder :
   1° registratie : de formaliteit, bepaald overeenkomstig artikel 1 van het federale Wetboek van Registratie-, Hypotheek- en Griffierechten;
   2° aanvullende rechten : de registratiebelasting, berekend en geheven ter aanvulling van de registratiebelasting die is berekend en geheven op zicht van de ter registratie aangeboden akte of het ter registratie aangeboden geschrift of wegens de toepassing van artikel 3.17.0.0.2.
   In titel 2, hoofdstuk 8 tot en met 11, worden lichamelijke roerende voorwerpen, aangewend tot de dienst en de exploitatie van onroerende goederen, niet beschouwd als onroerende goederen.
   In titel 2, hoofdstuk 8, wordt de schenkbelasting, vermeld in het eerste lid, 19°, ook voor de volgende schenkingen geacht gelokaliseerd te zijn in het Vlaamse Gewest :
   1° de schenking van roerende of onroerende goederen gedaan door een rijksinwoner-rechtspersoon als de schenker-rijksinwoner op het ogenblik van de schenking zijn zetel van werkelijke leiding in het Vlaamse Gewest had gevestigd of, als de zetel van werkelijke leiding van de schenker-rijksinwoner in de periode van vijf jaar voor de schenking in meer dan één gewest gevestigd was, als de schenker-rijksinwoner in de periode van vijf jaar voor de schenking zijn zetel van werkelijke leiding het langst in het Vlaamse Gewest had gevestigd;
   2° de schenking door een niet-rijksinwoner-rechtspersoon van een in het in het Vlaamse Gewest gelegen onroerend goed;
   3° de schenking van roerende goederen door een niet-rijksinwoner natuurlijke persoon of een rechtspersoon aan een rijksinwoner als de begiftigde-rijksinwoner op het ogenblik van de schenking zijn fiscale woonplaats of zetel van werkelijke leiding in het Vlaamse Gewest had gevestigd of, als de fiscale woonplaats of zetel van werkelijke leiding van de begiftigde-rijksinwoner in de periode van vijf jaar voor de schenking in meer dan één gewest gevestigd was, als de begiftigde-rijksinwoner in de periode van vijf jaar voor de schenking zijn fiscale woonplaats of zetel van werkelijke leiding het langst in het Vlaamse Gewest had gevestigd;
   4° de schenking van roerende goederen door een niet-rijksinwoner natuurlijke persoon of een rechtspersoon aan een niet-rijksinwoner natuurlijke persoon of een rechtspersoon als de schenking ter registratie wordt aangeboden in het Vlaamse Gewest.
   In titel 2, hoofdstuk 9, wordt in afwijking van het eerste lid verstaan onder :
   1° gehandicapt kind : [12 een kind met een specifieke ondersteuningsbehoefte als vermeld in artikel 3, § 1, 39°, van het decreet van 27 april 2018 tot regeling van de toelagen in het kader van het gezinsbeleid]12;
   2° aanhorigheid : elk gebouwd of ongebouwd onroerend goed dat volgens de aard, de ligging, de oppervlakte en de waarde ervan een normale bijhorigheid vormt, al naargelang het geval, hetzij van het huis of de verdieping of het gedeelte van verdieping, hetzij van een op te richten woning;
   3° kinderen ten laste : de kinderen die deel uitmaken van het feitelijke gezin van de verkrijger op de datum van de akte van verkrijging en die, gedurende het kalenderjaar dat aan die datum voorafgaat, persoonlijk geen bestaansmiddelen hebben genoten waarvan het nettobedrag hoger is dan de nettobedragen, vermeld in artikel 136 en artikel 141 van het federale WIB 92;
   4° kadastraal inkomen : het inkomen, vastgesteld overeenkomstig titel IX van het federale WIB 92;
   5° [9 ...]9
  6° woning : het huis of het geheel of het gedeelte van een verdieping van een gebouw dat hetzij dadelijk, hetzij na normale herstellings- of onderhoudswerken [9 hoofdzakelijk dient of zal dienen tot huisvesting van één gezin of een persoon]9, met in voorkomend geval de aanhorigheden die tegelijk met het huis, het geheel of het gedeelte van een verdieping worden verkregen;]1
  [3 7° bouwgrond : een perceel grond dat stedenbouwkundig bestemd is tot woningbouw of een onroerend goed dat ermee wordt gelijkgesteld. Het geheel of het gedeelte van een gebouw dat, pas na de uitvoering van andere werken dan normale herstellings- of onderhoudswerken, kan dienen tot huisvesting van een gezin of een persoon, met in voorkomend geval de aanhorigheden die tegelijk met het gebouw worden verkregen, wordt met een bouwgrond gelijkgesteld.]3
  [9 8° kernsteden: de gemeenten Aalst, Antwerpen, Boom, Brugge, Dendermonde, Genk, Gent, Hasselt, Kortrijk, Leuven, Mechelen, Oostende, Roeselare, Sint-Niklaas, Turnhout en Vilvoorde;]9
  [9 9° gemeenten van de Vlaamse Rand rond Brussel: de gemeenten Affligem, Asse, Beersel, Bertem, Bever, Dilbeek, Drogenbos, Galmaarden, Gooik, Grimbergen, Halle, Herne, Hoeilaart, Huldenberg, Kampenhout, Kapelle-op-den-Bos, Kortenberg, Kraainem, Lennik, Liedekerke, Linkebeek, Londerzeel, Machelen, Meise, Merchtem, Opwijk, Overijse, Pepingen, Roosdaal, Sint-Genesius-Rode, Sint-Pieters-Leeuw, Steenokkerzeel, Ternat, Tervuren Vilvoorde, Wemmel, Wezembeek-Oppem, Zaventem en Zemst.]9
  [11 In titel 2, hoofdstuk 12 en hoofdstuk 13, en in titel 3, wordt verstaan onder Kansspelwet van 7 mei 1999: de wet van 7 mei 1999 op de kansspelen, de weddenschappen, de kansspelinrichtingen en de bescherming van de spelers.
   In titel 2, hoofdstuk 13, en in titel 3, wordt, overeenkomstig artikel 76 van het federale Wetboek van 23 november 1965 van de met Inkomstenbelastingen Gelijkgestelde Belastingen, verstaan onder automatisch ontspanningstoestel: een toestel dat dient tot ontspanning en een mechanisch, elektrisch of elektronisch onderdeel bevat om het op gang te brengen, te laten werken of te bedienen, en dat gestart wordt door de inbreng van een geldstuk, van een penning of van een ander middel dat daarvoor in de plaats komt.]11
  ----------
  (1)<DVR 2014-12-19/97, art. 2, 006; Inwerkingtreding : 01-01-2015>
  (2)<DVR 2015-07-03/17, art. 11, 008; Inwerkingtreding : 01-04-2016 (zie BVR 2015-07-17/15, art. 4, 1°)>
  (3)<DVR 2015-07-17/22, art. 2, 009; Inwerkingtreding : 14-08-2015>
  (4)<DVR 2015-12-18/23, art. 105, 011; Inwerkingtreding : 01-01-2016>
  (5)<DVR 2015-12-18/23, art. 116, 011; Inwerkingtreding : 01-01-2016>
  (6)<DVR 2016-12-23/05, art. 19, 015; Inwerkingtreding : 01-01-2017>
  (7)<DVR 2017-06-16/10, art. 1, 023; Inwerkingtreding : 01-07-2017>
  (8)<DVR 2017-12-08/05, art. 8, 024; Inwerkingtreding : 24-12-2017>
  (9)<DVR 2018-05-18/01, art. 2, 030; Inwerkingtreding : 01-06-2018>
  (10)<DVR 2018-12-07/05, art. IV.240, 035; Inwerkingtreding : 01-01-2019>
  (11)<DVR 2018-12-07/09, art. 2, 036; Inwerkingtreding : 01-01-2019>
  (12)<DVR 2018-12-21/02, art. 2, 037; Inwerkingtreding : 01-01-2019>

  Art. 1.1.0.0.3. De begrippen, gehanteerd in titel 2, hoofdstuk 5, van deze codex, worden geïnterpreteerd in overeenstemming met de bepalingen van hoofdstuk VIII, afdeling 2, van het decreet van 22 december 1995.
  De begrippen, gehanteerd in titel 2, hoofdstuk 6, van deze codex, worden geïnterpreteerd in overeenstemming met de bepalingen van het decreet van 19 april 1995.

  Art. 1.1.0.0.4. De Vlaamse Regering kan eenieder die onderhevig is aan de bepalingen van deze codex de verplichting opleggen om documenten en formulieren te gebruiken waarvan ze de inhoud en het gebruik bepaalt.

  TITEL 2. - Belastingheffing

  Hoofdstuk 1. - Onroerende voorheffing

  Afdeling 1. - Belastbaar voorwerp

  Art. 2.1.1.0.1. Overeenkomstig artikel 249 van het federale WIB 92 wordt de belasting geheven op inkomsten uit onroerende goederen, gelegen in het Vlaamse Gewest.

  Afdeling 2. - Belastingplichtigen

  Art. 2.1.2.0.1. De belastingplichtige is degene die op 1 januari van het aanslagjaar de eigenaar, bezitter, erfpachter, opstalhouder of vruchtgebruiker is van de belastbare goederen.

  Afdeling 3. - Belastbare grondslag

  Art. 2.1.3.0.1. De onroerende voorheffing wordt vastgesteld op basis van het kadastraal inkomen van de belastbare goederen dat op 1 januari van het aanslagjaar bekend is.

  Art. 2.1.3.0.2. Voor de vaststelling van de belastbare grondslag wordt geen rekening gehouden met de vermindering overeenkomstig artikel 15 van het federale WIB 92.

  Afdeling 4. - Tarieven

  Art. 2.1.4.0.1.§ 1. Het tarief van de onroerende voorheffing bedraagt [2 3,97]2 %.
  § 2. [1 In afwijking van paragraaf 1 bedraagt het tarief [2 2,54]2 % voor :
   1° de eigendommen die als sociale woningen worden verhuurd en toebehoren aan Openbare Centra voor Maatschappelijk Welzijn of aan door haar opgerichte verenigingen waarvan slechts één of meer Openbare Centra voor Maatschappelijk Welzijn deel uitmaken;
   2° de eigendommen die als sociale woningen worden verhuurd en toebehoren aan gemeenten;
   3° de eigendommen die als sociale woningen worden verhuurd en toebehoren aan de Vlaamse Maatschappij voor Sociaal Wonen of aan de erkende sociale huisvestingsmaatschappijen, vermeld in artikel 40 van het decreet van 15 juli 1997 houdende de Vlaamse Wooncode;
   4° de eigendommen die als sociale woningen worden verhuurd en toebehoren aan het Vlaams Woningfonds;
   5° de eigendommen die als sociale woningen worden verhuurd en toebehoren aan een erkend sociaal verhuurkantoor;
   6° [3 ...]3
   7° de eigendommen die toebehoren aan rechtspersonen, erkend overeenkomstig artikel 7, tweede lid, van het decreet van 7 mei 2004 tot oprichting van het intern verzelfstandigd agentschap met rechtspersoonlijkheid Vlaams Agentschap voor Personen met een Handicap en die gebruikt worden voor wooninfrastructuur voor personen met een handicap, vermeld in artikel 2, 2°, van hetzelfde decreet, die een duidelijk vastgestelde behoefte aan zorg en ondersteuning hebben. De Vlaamse Regering bepaalt de wijze waarop de behoefte aan zorg en ondersteuning wordt vastgesteld.
   Het verlaagde tarief, vermeld in het eerste lid, is ook van toepassing op gelijkaardige onroerende goederen van gelijkaardige rechtspersonen die opgericht zijn volgens en onderworpen zijn aan de wetgeving van een staat van de Europese Economische Ruimte, en die bovendien hun statutaire zetel, hun hoofdbestuur of hun hoofdvestiging binnen de Europese Economische Ruimte hebben.
   [3 ...]3
   Het verlaagde tarief, vermeld in het eerste lid, 7°, wordt toegekend vanaf het aanslagjaar waarin uiterlijk op 31 maart aan de bevoegde entiteit van de Vlaamse administratie gemeld wordt dat een rechtspersoon erkend is overeenkomstig artikel 7, tweede lid, van het decreet van 7 mei 2004 tot oprichting van het intern verzelfstandigd agentschap met rechtspersoonlijkheid Vlaams Agentschap voor Personen met een Handicap. De toekenning geldt tot het einde van de erkenning. Elke beëindiging van een erkenning moet uiterlijk op 31 maart van het jaar dat volgt op de beëindiging aan de bevoegde entiteit van de Vlaamse administratie gemeld worden.]1
  [3 § 2/1. In afwijking van paragraaf 1 bedraagt het tarief 2,4 % voor de eigendommen die door een erkend sociaal verhuurkantoor worden gehuurd met toepassing van en conform de voorwaarden, vermeld in artikel 2 en 3 van het besluit van de Vlaamse Regering van 20 juli 2012 houdende bepaling van de erkennings- en subsidievoorwaarden van sociale verhuurkantoren.
   Het verlaagde tarief, vermeld in het eerste lid, wordt toegekend vanaf het aanslagjaar waarin uiterlijk op 31 maart aan de bevoegde entiteit van de Vlaamse administratie gemeld wordt dat de eigendom op 1 januari van het aanslagjaar gehuurd wordt door een erkend sociaal verhuurkantoor. De toekenning geldt tot het einde van de huurovereenkomst. Elke vroegtijdige beëindiging van de huurovereenkomst wordt uiterlijk op 31 maart van het jaar dat volgt op de beëindiging aan de bevoegde entiteit van de Vlaamse administratie gemeld.]3
  § 3. [2 n afwijking van paragraaf 1 bedraagt het tarief voor materieel en outillage als vermeld in artikel 471, § 3, van het federale WIB 92, 3,97% vermenigvuldigd met de coëfficiënt, vermeld in het tweede lid. De toepassing van de coëfficiënt mag geen aanleiding geven tot een hoger tarief dan het tarief dat van toepassing is in het vorige aanslagjaar, met uitzondering van het aanslagjaar waarin dit decreet in werking treedt waarbij de toepassing van de coëfficiënt geen aanleiding mag geven tot een hoger tarief dan 3,97%.]2
  [4 De coëfficiënt wordt verkregen door het gemiddelde van de maandelijkse indexcijfers van het jaar 1996 te delen door het gemiddelde van de maandelijkse indexcijfers van het jaar dat voorafgaat aan het jaar van de inkomsten. Daarbij worden de volgende afrondingen toegepast :
   1° het gemiddelde van de maandelijkse indexcijfers wordt afgerond op het hogere of lagere honderdste naargelang het cijfer van de duizendsten al of niet vijf bereikt;
   2° de coëfficiënt wordt afgerond op het hogere of lagere tienduizendste naargelang het cijfer van de honderdduizendsten al of niet vijf bereikt;
   3° na de toepassing van de coëfficiënt wordt het verkregen tariefbedrag afgerond op het hogere of lagere honderdste naargelang het cijfer van de duizendsten al of niet vijf bereikt.]4
  ----------
  (1)<DVR 2013-12-20/08, art. 3, 002; Inwerkingtreding : 01-01-2014>
  (2)<DVR 2016-11-18/05, art. 30, 018; Inwerkingtreding : 01-01-2017>
  (3)<DVR 2018-06-22/18, art. 5, 028; Inwerkingtreding : 01-01-2018>
  (4)<DVR 2018-07-06/20, art. 19, 032; Inwerkingtreding : 01-01-2018>

  Art. 2.1.4.0.2.[1 § 1. Overeenkomstig artikel 464/1, 1°, van het Wetboek van de Inkomstenbelastingen 1992, zijn de provincies, gemeenten en de agglomeraties gemachtigd om opcentiemen op de onroerende voorheffing te heffen.
   § 2. Voor iedere gemeente van het Vlaamse Gewest mag het tarief, vermeld in artikel 2.1.4.0.1, op zichzelf de opbrengst van de gemeentelijke opcentiemen van het aanslagjaar waarin dit artikel in werking treedt niet verhogen ten opzichte van het vorige aanslagjaar.
   Als een gemeente de opbrengst van haar deel in die onroerende voorheffing evenwel wil wijzigen, geeft ze dat expliciet aan in haar beslissing en vermeldt ze afzonderlijk :
   1° het aantal opcentiemen dat nodig is om, op haar niveau, dezelfde opbrengst te verkrijgen als in het aanslagjaar voorafgaand aan het aanslagjaar waarin dit artikel in werking treedt;
   2° het aantal opcentiemen dat voor het aanslagjaar waarin dit artikel in werking treedt daadwerkelijk wordt geheven.
   § 3. Voor iedere provincie van het Vlaamse Gewest mogen de provinciale opcentiemen niet meer bedragen dan :
   1° voor de provincie Antwerpen : 145,33 opcentiemen;
   2° voor de provincie Limburg : 214,52 opcentiemen;
   3° voor de provincie Oost-Vlaanderen : 148,47 opcentiemen;
   4° voor de provincie Vlaams-Brabant : 171,75 opcentiemen;
   5° voor de provincie West-Vlaanderen : 186,22 opcentiemen.]1
  ----------
  (1)<DVR 2016-11-18/05, art. 31, 018; Inwerkingtreding : 01-01-2017>

  Afdeling 5. - Verminderingen

  Art. 2.1.5.0.1.§ 1. Er wordt een vermindering verleend van :
  1° 25 % van de onroerende voorheffing voor de woning waar de belastingplichtige volgens het bevolkingsregister op 1 januari van het aanslagjaar zijn hoofdverblijfplaats heeft, als het kadastraal inkomen van zijn gezamenlijke, in het Vlaamse Gewest gelegen, onroerende goederen niet meer bedraagt dan 745 euro;
  2° de onroerende voorheffing berekend volgens de volgende tabel voor de kinderen die in aanmerking komen voor een [4 gezinsbijslag]4, voor de woning die op 1 januari van het aanslagjaar wordt betrokken door een gezin met ten minste twee kinderen die daar volgens het bevolkingsregister hun woonplaats hebben en die in aanmerking komen voor [4 gezinsbijslag]4. Daarbij wordt een gehandicapt kind voor twee gerekend.
  [3

  
''aantal kinderen dat in aanmerking komt totaalbedrag van de vermindering in euro
2 8,58
3 13,58
4 19,01
5 24,92
6 31,25
7 38,06
8 45,35
9 53,07
10 61,30

]3
  Eenheden boven het tiende geven recht op een verhoging van de vermindering met [3 8,58 euro]3. De totale bedragen, vermeld in de tabel, en het bedrag van de voormelde verhoging van de vermindering met [3 8,58 euro]3 worden jaarlijks aangepast aan het indexcijfer van de consumptieprijzen van het Rijk. Die aanpassing gebeurt op basis van een coëfficiënt die verkregen wordt door het gemiddelde van de maandelijkse indexcijfers van het jaar dat voorafgaat aan het jaar van de inkomsten, te delen door het gemiddelde van de maandelijkse indexcijfers van het jaar 1996. Na de toepassing van de coëfficiënt worden de bedragen afgerond door weglating van de centgedeelten na de tweede decimaal;
  3° de onroerende voorheffing per gehandicapte persoon, met uitsluiting van de gehandicapte kinderen, vermeld in punt 2°, voor de woning waar de gehandicapte persoon volgens het bevolkingsregister op 1 januari van het aanslagjaar zijn woonplaats heeft. Deze vermindering wordt berekend alsof het een gehandicapt kind betreft.
  § 2. Er wordt een vermindering verleend van :
  1° 20 % van de onroerende voorheffing gedurende tien jaar voor woningen waarvoor de aanvraag van een stedenbouwkundige vergunning is ingediend vóór 1 januari 2013 en die op 1 januari van het aanslagjaar een E-peil hebben van ten hoogste E60;
  2° 20 % van de onroerende voorheffing gedurende tien jaar voor andere gebouwde onroerende goederen dan woningen waarvoor de aanvraag van een stedenbouwkundige vergunning is ingediend vóór 1 januari 2013 en die op 1 januari van het aanslagjaar een E-peil hebben van ten hoogste E70;
  3° 40 % van de onroerende voorheffing gedurende tien jaar voor gebouwde onroerende goederen waarvoor de aanvraag van een stedenbouwkundige vergunning is ingediend vóór 1 januari 2013 en die op 1 januari van het aanslagjaar een E-peil hebben van ten hoogste E40;
  4° [1 [5 50% van de onroerende voorheffing gedurende vijf jaar voor gebouwde onroerende goederen waarvoor de aanvraag van een stedenbouwkundige vergunning na 31 december 2012 is ingediend en die op 1 januari van het aanslagjaar ten hoogste een E-peil hebben volgens de onderstaande tabel:
  

  
datum aanvraag stedenbouwkundige vergunning E-peil nieuwbouw E-peil ingrijpende energetische renovatie
vanaf 1 januari 2013 tot en met 31 december 2013 E50 /
vanaf 1 januari 2014 tot en met 31 december 2015 E40 /
vanaf 1 januari 2016 tot en met 30 september 2016 E30 /
vanaf 1 oktober 2016 tot en met 31 december 2019 E30 E90
vanaf 1 januari 2020 E30 /

]5]1
  5° [1 100 % van de onroerende voorheffing gedurende vijf jaar voor gebouwde onroerende goederen waarvoor de aanvraag van een stedenbouwkundige vergunning is ingediend na 31 december 2012 en die op 1 januari van het aanslagjaar ten hoogste een E-peil hebben volgens de volgende tabel:
  

  
[1 datum aanvraag stedenbouwkundigevergunningE-peil nieuwbouwE-peil ingrijpende energetische renovatie
datum aanvraag stedenbouwkundige vergunningE-peil nieuwbouwE-peil ingrijpendeenergetische renovatie
vanaf 1 januari 2013 tot en met 31 december 2014E30/
Vanaf 1 januari 2015 tot en met 31 december 2015E30/
Vanaf 1 januari 2016 tot en met 30 september 2016E20/
vanaf 1 oktober 2016E20E60]1
(1)<DVR 2016-12-23/02, art. 41, 016; Inwerkingtreding : 01-01-2017>

.]1
  Het E-peil, vermeld in het eerste lid, is het peil van primair energieverbruik, zoals berekend ter uitvoering van titel XI van het Energiedecreet van 8 mei 2009.
  De grens van het E-peil waaraan het gebouwde onroerend goed moet voldoen voor de vermindering, wordt vastgesteld rekening houdend met het ogenblik waarop de volledige aanvraag van een stedenbouwkundige vergunning is ingediend.
  De termijn van tien jaar, vermeld in het eerste lid, 1° tot en met 3°, neemt een aanvang in het jaar dat volgt op het jaar waarin het E-peil dat recht geeft op een vermindering, voor de eerste keer is bepaald voor het gebouwde onroerend goed in kwestie. Die termijn kan op zijn vroegst een aanvang nemen vanaf het aanslagjaar 2009.
  De termijn van vijf jaar, vermeld in het eerste lid, 4° en 5°, neemt een aanvang in het jaar dat volgt op het jaar waarin het E-peil dat recht geeft op een vermindering, voor de eerste keer is bepaald voor het gebouwde onroerend goed in kwestie. Die termijn kan op zijn vroegst een aanvang nemen vanaf het aanslagjaar 2014.
  [1 Alleen de gebouwde onroerende goederen waarvoor het vereiste E-peil voor het gebouw als geheel is bepaald, komen in aanmerking voor de verminderingen, vermeld in het eerste lid. [2 De verminderingen worden alleen toegekend als het gaat om renovatie of nieuwbouw als vermeld in artikel 1.1.1, § 2, 50° en 110°, van het Energiebesluit van 19 november 2010.]2]1
  Bij de overdracht van een onroerend goed waarvoor een vermindering als vermeld in het eerste lid, is verleend, wordt de vermindering vanaf het aanslagjaar dat volgt op het jaar van de overdracht, verder toegekend aan de verkrijger van het goed, voor de nog resterende aanslagjaren in de periode van tien jaar of vijf jaar.

----------
  (1)<DVR 2015-12-18/23, art. 98, 011; Inwerkingtreding : 01-01-2016>
  (2)<DVR 2016-12-23/02, art. 41, 016; Inwerkingtreding : 01-01-2017>
  (3)<DVR 2016-11-18/05, art. 32, 018; Inwerkingtreding : 01-01-2017>
  (4)<DVR 2018-12-21/02, art. 3, 037; Inwerkingtreding : 01-01-2019>
  (5)<DVR 2019-04-05/16, art. 2, 039; Inwerkingtreding : 04-05-2019>

  Art. 2.1.5.0.2.§ 1. Op aanvraag van de belastingschuldige wordt :
  1° de vermindering van de onroerende voorheffing, vermeld in artikel 2.1.5.0.1, § 1, 1°, op 50 % gebracht voor een tijdperk van vijf jaar dat aanvangt met het eerste jaar waarvoor de onroerende voorheffing is verschuldigd, als het een woning betreft die de belastingplichtige heeft laten bouwen of nieuw gebouwd heeft aangekocht;
  2° een vermindering van 20 % van de onroerende voorheffing verleend voor de woning die wordt betrokken door een oorlogsverminkte die het voordeel geniet van artikel 13 van de samengeordende wetten op de vergoedingspensioenen, gecoördineerd op 5 oktober 1948;
  3° een kwijtschelding of proportionele vermindering van de onroerende voorheffing verleend als het belastbaar inkomen overeenkomstig artikel 15 van het federale WIB 92 kan worden verminderd;
  4° de vermindering van de onroerende voorheffing, vermeld in artikel 2.1.5.0.1, § 1, 2°, verleend voor de kinderen van grensarbeiders die ingevolge de regelgeving in het land waar de grensarbeiders zijn tewerkgesteld, van ieder stelsel van [2 gezinsbijslag]2 zijn uitgesloten, als ze volgens de Belgische regelgeving inzake [2 gezinsbijslag]2 in aanmerking zouden komen voor [2 gezinsbijslag]2.
  § 2. Voor onroerende goederen die langer dan twaalf maanden niet in gebruik zijn genomen, rekening houdend met het vorige aanslagjaar, kan de kwijtschelding of proportionele vermindering van de onroerende voorheffing, vermeld in paragraaf 1, eerste lid, 3°, alleen worden verleend voor :
  1° een niet-gemeubileerd gebouwd onroerend goed, opgenomen in een onteigeningsplan;
  2° een niet-gemeubileerd gebouwd onroerend goed in renovatie of verbouwing met sociaal of cultureel doel, uitgevoerd door een sociale woonorganisatie of in opdracht van een overheid;
  3° een onroerend goed waarvan door toedoen van een ramp, overmacht, een lopende gerechtelijke of administratieve procedure of onderzoek of een niet-afgehandelde procedure van erfenis de belastingplichtige zijn zakelijke rechten niet kan uitoefenen.
  De kwijtschelding of proportionele vermindering voor het geval, vermeld in het eerste lid, 2°, kan worden verleend voor een periode van maximaal vijf jaar.
  [1 ...]1.
  ----------
  (1)<DVR 2016-12-23/05, art. 20, 015; Inwerkingtreding : 09-01-2017>
  (2)<DVR 2018-12-21/02, art. 4, 037; Inwerkingtreding : 01-01-2019>

  Art. 2.1.5.0.3. De verminderingen, vermeld in artikel 2.1.5.0.1, § 1, 1° tot en met 3°, artikel 2.1.5.0.1, § 2, eerste lid, 1° tot en met 5°, en artikel 2.1.5.0.2, § 1, 1° en 2°, worden beoordeeld naar de toestand op 1 januari van het jaar waarnaar het aanslagjaar van de onroerende voorheffing wordt genoemd. Die verminderingen kunnen worden samengevoegd, met uitzondering van de vermindering, vermeld in artikel 2.1.5.0.1, § 2, eerste lid, 3°, die niet samengevoegd kan worden met de verminderingen, vermeld in artikel 2.1.5.0.1, § 2, eerste lid, 1° en 2°.

  Art. 2.1.5.0.4. De verminderingen, vermeld in artikel 2.1.5.0.1, § 1, 2° en 3°, en artikel 2.1.5.0.2, § 1, 2°, zijn van de huur aftrekbaar, niettegenstaande elk beding dat strijdig is daarmee. De verminderingen zijn niet van toepassing op het gedeelte van de woning of van het onroerend goed dat wordt bewoond door personen die geen deel uitmaken van hetzelfde gezin of die niet tot het gezin van de betrokken oorlogsverminkte of van het gehandicapt kind of de gehandicapte persoon behoren.

  Art. 2.1.5.0.5. Als de grens van 745 euro, vermeld in artikel 2.1.5.0.1, § 1, 1°, wordt overschreden, blijft de vermindering van 25 % ingevolge die bepaling niettemin behouden voor de belastingplichtige die ze genoten heeft voor het aanslagjaar 1979, zolang :
  1° de belastingplichtige zijn woning volledig blijft betrekken;
  2° het overschrijden van de grens van 745 euro uitsluitend het gevolg is van de algemene perequatie van de kadastrale inkomens die van toepassing is met ingang van het aanslagjaar 1980;
  3° het kadastraal inkomen van zijn gezamenlijke, in het Vlaamse Gewest gelegen, onroerende goederen niet meer bedraagt dan 992 euro.

  Art. 2.1.5.0.6.[1 [3 Voor de onbebouwde onroerende goederen in het Vlaams Ecologisch Netwerk, vermeld in artikel 17 van het decreet van 21 oktober 1997 betreffende het natuurbehoud en het natuurlijk milieu, wordt aan de belastingplichtige een belastingkrediet toegekend dat gelijk is aan 2,5% van het kadastraal inkomen.]3
   Het belastingkrediet, vermeld in het eerste lid, kan nooit meer bedragen dan de onroerende voorheffing, na toepassing van vrijstellingen en verminderingen.
   Het belastingkrediet, vermeld in het eerste lid, komt volledig ten laste van het Vlaamse Gewest.
   Het belastingkrediet, vermeld in het eerste lid, geldt vanaf de inwerkingtreding van het definitief vastgestelde plan, vermeld in artikel 21, § 9, van het decreet van 21 oktober 1997 betreffende het natuurbehoud en het natuurlijk milieu, of van [2 het gewestelijk ruimtelijk uitvoeringsplan, vermeld in artikel 2.2.11 van de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening]2 .]1
  ----------
  (1)<DVR 2016-11-18/05, art. 33, 018; Inwerkingtreding : 01-01-2017>
  (2)<DVR 2016-07-01/23, art. 52, 019; Inwerkingtreding : 01-05-2017>
  (3)<DVR 2018-12-21/02, art. 5, 037; Inwerkingtreding : 07-01-2019>

  Art. 2.1.5.0.6 TOEKOMSTIG RECHT.
  <Opgeheven bij DVR 2017-12-22/57, art. 8, 031; Inwerkingtreding : 09-06-2020>

  Art. 2.1.5.0.7.[1 Aan de belastingplichtige rechtspersoon wordt een belastingkrediet toegekend dat gelijk is aan :
   1° 2,5 % van het kadastraal inkomen als het tarief, vermeld in artikel 2.1.4.0.1, § 1, van toepassing is;
   2° [2 1,6 % van het kadastraal inkomen als het tarief, vermeld in artikel 2.1.4.0.1, § 2 of § 2/1, van toepassing is;]2
   3° 2,5 % van het kadastraal inkomen vermenigvuldigd met de coëfficiënt, vermeld in artikel 2.1.4.0.1, § 3, tweede lid, als het tarief, vermeld in artikel 2.1.4.0.1, § 3, van toepassing is.
   Het belastingkrediet, vermeld in het eerste lid, kan nooit meer bedragen dan de onroerende voorheffing, na toepassing van vrijstellingen en verminderingen.
   Het belastingkrediet, vermeld in het eerste lid, komt volledig ten laste van het Vlaamse Gewest.]1
  ----------
  (1)<DVR 2016-11-18/05, art. 34, 018; Inwerkingtreding : 01-01-2017>
  (2)<DVR 2018-06-22/18, art. 6, 028; Inwerkingtreding : 01-01-2018>

  Afdeling 6. - Vrijstellingen

  Art. 2.1.6.0.1.Op aanvraag van de belastingschuldige wordt een vrijstelling van de onroerende voorheffing verleend voor het kadastraal inkomen van :
  1° de onroerende goederen of delen ervan, gelegen in het Vlaamse Gewest die een belastingplichtige of een bewoner zonder winstoogmerk heeft bestemd voor het openbaar uitoefenen van een eredienst of van de vrijzinnige morele dienstverlening, voor onderwijs, voor het vestigen van hospitalen, klinieken, dispensaria, rusthuizen, vakantiehuizen voor [2 ...]2 gepensioneerden, of van andere soortgelijke weldadigheidsinstellingen;
  2° de onroerende goederen die een vreemde staat heeft bestemd voor de huisvesting van zijn diplomatieke of consulaire zendingen of van culturele instellingen die zich niet met verrichtingen van winstgevende aard bezighouden, op voorwaarde van wederkerigheid;
  3° de onroerende goederen die de aard van nationale domeingoederen hebben, op zichzelf niets opbrengen en voor een openbare dienst of voor een dienst van algemeen nut worden gebruikt;
  4° de nieuwe onroerende goederen, vermeld in artikel 471, § 3, van het federale WIB 92, waarvoor overeenkomstig artikel 472, § 2, van het federale WIB 92 een kadastraal inkomen wordt vastgesteld vanaf 1 januari 2008;
  5° de nieuwe onroerende goederen, vermeld in artikel 471, § 3, van het federale WIB 92, die overeenkomstig artikel 472, § 2, van het federale WIB 92 na 1 januari 1998 en voor 1 januari 2008 aanleiding hebben gegeven tot een verhoogd kadastraal inkomen in vergelijking met het kadastraal inkomen per 1 januari 1998;
  6° de nieuwe onroerende goederen, vermeld in artikel 471, § 3, van het federale WIB 92, waarvoor voor de eerste keer, overeenkomstig artikel 472, § 2, van het federale WIB 92, een kadastraal inkomen is vastgesteld na 1 januari 1998 en voor 1 januari 2008;
  7° de onroerende goederen die onder de toepassing van het Bosdecreet van 13 juni 1990 vallen en die met toepassing van artikel 16 van het voormelde decreet als milieubeschermend bos zijn erkend, of die met toepassing van artikel 22 van het voormelde decreet als bosreservaat zijn erkend of aangewezen, of die erkend zijn voor de productie van bosbouwkundig teeltmateriaal als vermeld in artikel 42 van het voormelde decreet;
  8° [5 de als monument beschermde onroerende goederen of delen ervan die de Vlaamse Regering in erfpacht heeft gegeven of in volle eigendom heeft afgestaan aan een vereniging of stichting die is opgericht overeenkomstig de wet van 27 juni 1921 betreffende de verenigingen zonder winstoogmerk, de stichtingen en de Europese politieke partijen en stichtingen, en waarvan de hoofddoelstelling erin bestaat een of meer beschermde onroerende goederen waarvan ze eigenaar of erfpachter is, in stand te houden, te beheren en te ontsluiten;]5
  [1 9° de onroerende goederen, vermeld in artikel 471, § 3, van het federale WIB 92 voor het gedeelte dat overeenstemt met het kadastraal inkomen van de nieuwe onroerende goederen waarvoor overeenkomstig artikel 472, § 2, van het federale WIB 92 een kadastraal inkomen wordt vastgesteld vanaf 1 januari 2014 en voor 1 januari [3 2020]3. Die vrijstelling kan cumulatief worden genoten met de vrijstellingen, vermeld in punt 4° tot en met punt 6°.]1
  [6 10° de onbebouwde onroerende goederen waarvoor een natuurbeheerplan als vermeld in artikel 16ter, § 1, 4°, van het decreet van 21 oktober 1997 betreffende het natuurbehoud en het natuurlijk milieu, is goedgekeurd conform de bepalingen en uitvoeringsbepalingen van het voormelde decreet.]6
  De vrijstelling, vermeld in het eerste lid, 3°, is van de drie voorwaarden, vermeld in het eerste lid, 3°, samen afhankelijk. [4 Bij de beoordeling van de voorwaarde dat de goederen op zichzelf niets mogen opbrengen wordt geen rekening gehouden met het feit dat deze onroerende goederen worden gebruikt voor het installeren van hernieuwbare energietechnologieën zoals vermeld in het Energiedecreet van 8 mei 2009, zelfs indien de belastingschuldige daarvoor een vergoeding krijgt van een derde partij.]4
  De vrijstelling, vermeld in het eerste lid, 5°, wordt verleend voor het gedeelte dat het kadastraal inkomen, vastgesteld op 1 januari 1998, overschrijdt.
  De vrijstellingen, vermeld in het eerste lid, 1° tot en met 3°, worden ook verleend als het onroerend goed in kwestie het voorwerp uitmaakt van een financiering door middel van financiële leasing of huurkoop met uitgestelde eigendomsoverdracht voor de duur van de overeenkomst. Onder die overeenkomsten worden zowel de leasingovereenkomsten, vermeld in artikel 44, § 3, 2°, b), van het Wetboek van de belasting over de toegevoegde waarde, als de leasingovereenkomsten, vermeld in de uitvoeringsbesluiten van het Wetboek van Vennootschappen, begrepen.
  [1 In afwijking van het eerste lid, 4° en 9°, wordt de vrijstelling verleend, hetzij voor nieuwe onroerende goederen waarvoor voor de eerste keer een kadastraal inkomen is vastgesteld, hetzij voor het gedeelte dat het kadastraal inkomen, vastgesteld op 1 januari 1998, overschrijdt voor nieuwe onroerende goederen die na 1 januari 1998 aanleiding hebben gegeven tot een verhoogd kadastraal inkomen in vergelijking met het kadastraal inkomen per 1 januari 1998, voor de belastingplichtige die behoort tot een doelgroep waarvoor de Vlaamse Regering, met toepassing van artikel 7.7.1, § 2, van het Energiedecreet van 8 mei 2009, een ontwerp van energiebeleidsovereenkomst heeft voorgelegd aan het Vlaams Parlement, en de belastingplichtige die overeenkomst niet heeft ondertekend of niet naleeft.]1
  [1 De nieuwe onroerende goederen die geplaatst worden in industriële, nijverheids- of handelsgebouwen die met toepassing van de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening van 15 mei 2009 in overtreding zijn inzake de bouwvergunning, komen niet in aanmerking voor de toepassing van het eerste lid, 4°, 5° en 9°.]1
  ----------
  (1)<DVR 2013-12-20/20, art. 2, 003; Inwerkingtreding : 01-01-2014>
  (2)<DVR 2016-07-15/16, art. 2, 013; Inwerkingtreding : 01-01-2016>
  (3)<DVR 2016-12-23/02, art. 42,1°, 016; Inwerkingtreding : 01-01-2017>
  (4)<DVR 2016-12-23/02, art. 42,2°, 016; Inwerkingtreding : 01-01-2017>
  (5)<DVR 2018-06-29/09, art. 2, 027; Inwerkingtreding : 01-01-2015>
  (6)<DVR 2017-12-22/57, art. 9, 2°, 031; Inwerkingtreding : 09-06-2018>

  Art. 2.1.6.0.1. TOEKOMSTIG RECHT.


   Op aanvraag van de belastingschuldige wordt een vrijstelling van de onroerende voorheffing verleend voor het kadastraal inkomen van :
  1° de onroerende goederen of delen ervan, gelegen in het Vlaamse Gewest die een belastingplichtige of een bewoner zonder winstoogmerk heeft bestemd voor het openbaar uitoefenen van een eredienst of van de vrijzinnige morele dienstverlening, voor onderwijs, voor het vestigen van hospitalen, klinieken, dispensaria, rusthuizen, vakantiehuizen voor [2 ...]2 gepensioneerden, of van andere soortgelijke weldadigheidsinstellingen;
  2° de onroerende goederen die een vreemde staat heeft bestemd voor de huisvesting van zijn diplomatieke of consulaire zendingen of van culturele instellingen die zich niet met verrichtingen van winstgevende aard bezighouden, op voorwaarde van wederkerigheid;
  3° de onroerende goederen die de aard van nationale domeingoederen hebben, op zichzelf niets opbrengen en voor een openbare dienst of voor een dienst van algemeen nut worden gebruikt;
  4° de nieuwe onroerende goederen, vermeld in artikel 471, § 3, van het federale WIB 92, waarvoor overeenkomstig artikel 472, § 2, van het federale WIB 92 een kadastraal inkomen wordt vastgesteld vanaf 1 januari 2008;
  5° de nieuwe onroerende goederen, vermeld in artikel 471, § 3, van het federale WIB 92, die overeenkomstig artikel 472, § 2, van het federale WIB 92 na 1 januari 1998 en voor 1 januari 2008 aanleiding hebben gegeven tot een verhoogd kadastraal inkomen in vergelijking met het kadastraal inkomen per 1 januari 1998;
  6° de nieuwe onroerende goederen, vermeld in artikel 471, § 3, van het federale WIB 92, waarvoor voor de eerste keer, overeenkomstig artikel 472, § 2, van het federale WIB 92, een kadastraal inkomen is vastgesteld na 1 januari 1998 en voor 1 januari 2008;
  7° de onroerende goederen die onder de toepassing van het Bosdecreet van 13 juni 1990 vallen en [7 ...]7 die erkend zijn voor de productie van bosbouwkundig teeltmateriaal als vermeld in artikel 42 van het voormelde decreet;
  8° [5 de als monument beschermde onroerende goederen of delen ervan die de Vlaamse Regering in erfpacht heeft gegeven of in volle eigendom heeft afgestaan aan een vereniging of stichting die is opgericht overeenkomstig de wet van 27 juni 1921 betreffende de verenigingen zonder winstoogmerk, de stichtingen en de Europese politieke partijen en stichtingen, en waarvan de hoofddoelstelling erin bestaat een of meer beschermde onroerende goederen waarvan ze eigenaar of erfpachter is, in stand te houden, te beheren en te ontsluiten;]5
  [1 9° de onroerende goederen, vermeld in artikel 471, § 3, van het federale WIB 92 voor het gedeelte dat overeenstemt met het kadastraal inkomen van de nieuwe onroerende goederen waarvoor overeenkomstig artikel 472, § 2, van het federale WIB 92 een kadastraal inkomen wordt vastgesteld vanaf 1 januari 2014 en voor 1 januari [3 2020]3. Die vrijstelling kan cumulatief worden genoten met de vrijstellingen, vermeld in punt 4° tot en met punt 6°.]1
  [6 10° de onbebouwde onroerende goederen waarvoor een natuurbeheerplan als vermeld in artikel 16ter, § 1, 4°, van het decreet van 21 oktober 1997 betreffende het natuurbehoud en het natuurlijk milieu, is goedgekeurd conform de bepalingen en uitvoeringsbepalingen van het voormelde decreet.]6
  De vrijstelling, vermeld in het eerste lid, 3°, is van de drie voorwaarden, vermeld in het eerste lid, 3°, samen afhankelijk. [4 Bij de beoordeling van de voorwaarde dat de goederen op zichzelf niets mogen opbrengen wordt geen rekening gehouden met het feit dat deze onroerende goederen worden gebruikt voor het installeren van hernieuwbare energietechnologieën zoals vermeld in het Energiedecreet van 8 mei 2009, zelfs indien de belastingschuldige daarvoor een vergoeding krijgt van een derde partij.]4
  De vrijstelling, vermeld in het eerste lid, 5°, wordt verleend voor het gedeelte dat het kadastraal inkomen, vastgesteld op 1 januari 1998, overschrijdt.
  De vrijstellingen, vermeld in het eerste lid, 1° tot en met 3°, worden ook verleend als het onroerend goed in kwestie het voorwerp uitmaakt van een financiering door middel van financiële leasing of huurkoop met uitgestelde eigendomsoverdracht voor de duur van de overeenkomst. Onder die overeenkomsten worden zowel de leasingovereenkomsten, vermeld in artikel 44, § 3, 2°, b), van het Wetboek van de belasting over de toegevoegde waarde, als de leasingovereenkomsten, vermeld in de uitvoeringsbesluiten van het Wetboek van Vennootschappen, begrepen.
  [1 In afwijking van het eerste lid, 4° en 9°, wordt de vrijstelling verleend, hetzij voor nieuwe onroerende goederen waarvoor voor de eerste keer een kadastraal inkomen is vastgesteld, hetzij voor het gedeelte dat het kadastraal inkomen, vastgesteld op 1 januari 1998, overschrijdt voor nieuwe onroerende goederen die na 1 januari 1998 aanleiding hebben gegeven tot een verhoogd kadastraal inkomen in vergelijking met het kadastraal inkomen per 1 januari 1998, voor de belastingplichtige die behoort tot een doelgroep waarvoor de Vlaamse Regering, met toepassing van artikel 7.7.1, § 2, van het Energiedecreet van 8 mei 2009, een ontwerp van energiebeleidsovereenkomst heeft voorgelegd aan het Vlaams Parlement, en de belastingplichtige die overeenkomst niet heeft ondertekend of niet naleeft.]1
  [1 De nieuwe onroerende goederen die geplaatst worden in industriële, nijverheids- of handelsgebouwen die met toepassing van de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening van 15 mei 2009 in overtreding zijn inzake de bouwvergunning, komen niet in aanmerking voor de toepassing van het eerste lid, 4°, 5° en 9°.]1
  

----------
  (1)<DVR 2013-12-20/20, art. 2, 003; Inwerkingtreding : 01-01-2014>
  (2)<DVR 2016-07-15/16, art. 2, 013; Inwerkingtreding : 01-01-2016>
  (3)<DVR 2016-12-23/02, art. 42,1°, 016; Inwerkingtreding : 01-01-2017>
  (4)<DVR 2016-12-23/02, art. 42,2°, 016; Inwerkingtreding : 01-01-2017>
  (5)<DVR 2018-06-29/09, art. 2, 027; Inwerkingtreding : 01-01-2015>
  (6)<DVR 2017-12-22/57, art. 9, 2°, 031; Inwerkingtreding : 09-06-2018>
  (7)<DVR 2017-12-22/57, art. 9,1°, 031; Inwerkingtreding : 09-06-2020>
  

  Art. 2.1.6.0.2.[1 Op aanvraag van de belastingschuldige wordt ook een vrijstelling van de onroerende voorheffing verleend voor het kadastraal inkomen van:
   1° de onroerende goederen die zijn gebruikt om een kleinhandelsactiviteit uit te oefenen, die in een winkelarm gebied liggen en die op grond van een geldige omgevingsvergunning verbouwd worden tot een of meerdere woningen;
   2° de onroerende goederen waarvan minstens de benedenverdieping wordt gebruikt om een kleinhandelsactiviteit uit te oefenen, die in een kernwinkelgebied liggen en waarvan een of meer verdiepingen boven de kleinhandelsactiviteit op grond van een geldige omgevingsvergunning verbouwd worden tot een of meer woningen;
   3° de onroerende goederen waar sloopwerkzaamheden, gevolgd door vervangbouw, worden uitgevoerd en die voorafgaand aan de omgevingsvergunning of meldingsakte opgenomen zijn in een van de volgende inventarissen:
   a) de inventaris van ongeschikte of onbewoonbare woningen, vermeld in artikel 26, § 1, van het decreet van 22 december 1995;
   b) de inventaris van leegstaande of verwaarloosde bedrijfsruimten, vermeld in artikel 3, § 1, van het decreet van 19 april 1995.
   In het eerste lid wordt verstaan onder:
   1° kernwinkelgebied: een kernwinkelgebied als vermeld in artikel 2, 3°, van het decreet van 15 juli 2016 betreffende het integraal handelsvestigingsbeleid;
   2° kleinhandelsactiviteit: de categorieën van kleinhandelsactiviteit, vermeld in artikel 3 van het voormelde decreet;
   3° winkelarm gebied: een winkelarm gebied als vermeld in artikel 2, 8°, van het voormelde decreet.
   De vrijstellingen, vermeld in het eerste lid, worden verleend voor een periode van vijf jaar.
   De vrijstellingen, vermeld in het eerste lid, 1° en 2°, worden verleend vanaf het aanslagjaar dat volgt op het jaar van de effectieve bewoning die blijkt uit de inschrijving in het bevolkings- of vreemdelingenregister binnen vijf jaar na de voorlopige oplevering van de ombouwwerken.
   De vrijstelling, vermeld in het eerste lid, 2°, wordt verleend voor het gedeelte dat is bestemd voor huisvesting.
   De vrijstelling, vermeld in het eerste lid, 3°, wordt verleend vanaf het aanslagjaar dat volgt op het jaar dat het onroerend goed niet meer voorkomt in de inventaris en wordt in voorkomend geval beperkt tot het gedeelte van het bedrag van de belasting dat, inclusief de provinciale en gemeentelijke opcentiemen, per woning niet hoger is dan 1000 euro of per bedrijfsruimte niet hoger is dan 4000 euro.
   De vrijstellingen, vermeld in het eerste lid, zijn overdraagbaar op de rechtsopvolger.
   De Vlaamse Regering kan de nadere regels voor de aanvraag van de vrijstellingen bepalen.]1
  ----------
  (1)<DVR 2018-06-22/18, art. 7, 028; Inwerkingtreding : 01-01-2018>

  Art. 2.1.6.0.3. [1 Aan de belastingschuldige wordt een automatische vrijstelling van onroerende voorheffing verleend voor het kadastraal inkomen van :
   1° de onroerende goederen of delen ervan, gelegen in het Vlaamse Gewest, die gebruikt worden door landelijk georganiseerde jeugdverenigingen die gesubsidieerd worden overeenkomstig het decreet van 20 januari 2012 houdende een vernieuwd jeugd- en kinderrechtenbeleid en hun lokale afdelingen of door lokale jeugdwerkinitiatieven waarvan het gemeentebestuur bevestigt dat ze beantwoorden aan de definitie zoals bepaald in artikel 9, § 3, tweede lid, van hetzelfde decreet;
   2° de onroerende goederen of delen ervan, gelegen in het Vlaamse Gewest, gebruikt als sociaal-toeristisch verblijf, die het label jeugdtoerisme hebben overeenkomstig artikel 9 van het besluit van de Vlaamse Regering van 28 mei 2004 betreffende de erkenning en de financiële ondersteuning van verblijven in het kader van `Toerisme voor Allen'.]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij DVR 2016-07-15/16, art. 3, 013; Inwerkingtreding : 01-01-2016>
  

  Afdeling 7. - Wijze van heffing

  Art. 2.1.7.0.1. De belasting wordt geheven in overeenstemming met de bepalingen van artikel 3.3.2.0.1, eerste lid, 1°, en tweede lid, 1°.

  Hoofdstuk 2. - Verkeersbelasting

  Afdeling 1. - Belastbaar voorwerp

  Art. 2.2.1.0.1. Overeenkomstig artikel 3 van het federale Wetboek van 23 november 1965 van de met inkomstenbelastingen gelijkgestelde belastingen, wordt er een belasting geheven op de stoom- of motorvoertuigen dienende hetzij tot het vervoer van personen, hetzij tot het vervoer van goederen of van om het even welke voorwerpen over de wegen.

  Afdeling 2. - Belastingplichtigen

  Art. 2.2.2.0.1.§ 1. De belastingplichtige is degene die een of meer van de voertuigen, vermeld in artikel 2.2.1.0.1, aanwendt voor eigen gebruik of ze exploiteert, hetzij als ze zijn eigendom of persoonlijk bezit zijn, hetzij als hij er bestendig of gewoonlijk over beschikt door huur of andere overeenkomst.
  § 2. De belasting ontstaat ten aanzien van de natuurlijke persoon of rechtspersoon die vermeld is of vermeld moet zijn op het inschrijvingsbewijs zolang een voertuig op naam van die persoon is ingeschreven of ingeschreven moet zijn in het repertorium van het Directoraat-generaal Mobiliteit en Verkeersveiligheid. De bedoelde voertuigen zijn de personenauto's, de auto's voor dubbel gebruik, de trage auto's voor dubbel gebruik, de minibussen, de ziekenauto's, de motorfietsen, de motorfietsen-driewielers, de motorfietsen-vierwielers, de lichte vrachtauto's, de trage lichte vrachtauto's, de bootaanhangwagens, de kampeeraanhangwagens, de kampeerauto's, [1 de lijkwagens,]1 de aanhangwagens en opleggers met [2 een maximaal toegestane totaalgewicht]2 tot 3500 kg.
  Deze paragraaf is niet van toepassing op :
  1° de voertuigen van alle aard die niet worden bedoeld in het eerste lid;
  2° de voertuigen van alle aard die niet onderworpen zijn aan de reglementering voor de inschrijving van de motorvoertuigen en de aanhangwagens.
  ----------
  (1)<DVR 2014-12-19/61, art. 9, 005; Inwerkingtreding : 01-01-2014>
  (2)<DVR 2017-12-08/05, art. 9, 024; Inwerkingtreding : 24-12-2017>

  Afdeling 3. - Belastbare grondslag

  Art. 2.2.3.0.1.De belasting wordt, naargelang van het geval, vastgesteld op basis van het vermogen van de motor, van zijn cilinderinhoud of van [1 het maximaal toegestane totaalgewicht]1 van het voertuig, vastgesteld door de bevoegde overheid, tenzij anders is bepaald in deze codex.
  ----------
  (1)<DVR 2017-12-08/05, art. 10, 024; Inwerkingtreding : 24-12-2017>

  Art. 2.2.3.0.2. § 1. Het belastbaar vermogen van de motor van de voertuigen (pk) wordt berekend volgens de volgende formule : pk = k * d2 * c * n.
  § 2. De parameters, vermeld in paragraaf 1, worden gedefinieerd als volgt :
  1° d = de cilinderboring, in meter;
  2° c = de zuigerslag, in meter;
  3° n = het aantal cilinders;
  4° k = een coëfficiënt in functie van de cilinderboring, vermeld in de volgende tabel :
  

  
cilinderboring in millimeter tot en met coëfficiënt
69 6000
70 5887
71 5777
72 5672
73 5570
74 5471
75 5376
76 5284
77 5194
78 5108
79 5024
80 4943
81 4864
82 4788
83 4714
84 4642
85 4572
86 4504
87 4438
88 4373
89 4310
90 en meer 4250

Voor de voertuigen waarvan de motor met zware olie wordt aangedreven en die uitsluitend worden gebruikt voor het bezoldigd vervoer van personen krachtens een machtiging uitgereikt voor de exploitatie van autocardiensten, ter uitvoering van de besluitwet van 30 december 1946 betreffende het bezoldigd vervoer van personen over de weg met autobussen en met autocars, wordt de coëfficiënt k vastgesteld als volgt :
  1° cilinderboring tot en met 89 : 3400;
  2° cilinderboring 90 en meer : 3500.
  Cilinderboring en zuigerslag worden uitgedrukt in millimeter. Gedeelten van een millimeter worden voor een millimeter aangerekend of weggelaten, naargelang ze al dan niet de halve millimeter overschrijden.
  § 3. Het belastbaar vermogen van de motor van de voertuigen (pk) mag echter niet hoger zijn dan het belastbaar vermogen dat wordt berekend volgens de volgende formule : pk = 4 * Cy + Gew / 4.
  § 4. De parameters, vermeld in paragraaf 3, worden gedefinieerd als volgt :
  1° Cy = de cilinderinhoud van de motor, in liter;
  2° Gew = het gewicht van het rijklare voertuig, in honderden kilogram.
  Gedeelten van een deciliter worden voor een deciliter aangerekend of weggelaten, naargelang ze al dan niet de halve deciliter overschrijden.
  Gedeelten van honderd kilogram worden voor honderd kilogram aangerekend of weggelaten, naargelang ze al dan niet de vijftig kilogram overschrijden.

  Art. 2.2.3.0.3. § 1. In afwijking van de bepalingen van artikel 2.2.3.0.2 wordt het belastbaar vermogen van de motor van de voertuigen (pk) die uitgerust zijn met motoren met draaiende zuigers, berekend volgens de volgende formule : pk = 4 * V + Gew / 4.
  § 2. De parameters, vermeld in paragraaf 1, worden gedefinieerd als volgt :
  1° V = het nuttige volume van de verbrandingskamers, in liter;
  2° Gew = het gewicht van het rijklare voertuig, in honderden kilogram.
  Het nuttige volume van de verbrandingskamers is gelijk aan de gemiddelde cilinderinhoud van motoren met heen- en weergaande zuigers, waarvan de werkelijke motorkracht volgens de normen die aangenomen zijn door de automobielconstructeurs, overeenstemt met die van motoren met draaiende zuigers.
  Gedeelten van honderd kilogram worden voor honderd kilogram aangerekend of weggelaten, naargelang ze al dan niet de vijftig kilogram overschrijden.

  Art. 2.2.3.0.4. In afwijking van de bepalingen van artikel 2.2.3.0.2 wordt het belastbaar vermogen van de motor van de voertuigen (pk) die uitgerust zijn met elektromotoren, berekend volgens de volgende formule : pk = 0,0012 * n * e * i.
  De parameters, vermeld in het eerste lid, worden gedefinieerd als volgt :
  1° n = het aantal elementen;
  2° e = de gemiddelde elektromotorische kracht aan de klemmen van een element bij gewone regeling, in volt;
  3° i = de gemiddelde sterkte van de stroom bij dezelfde regeling, in ampère.

  Art. 2.2.3.0.5. Het belastbaar vermogen van de motor van personenauto's, auto's voor dubbel gebruik en minibussen die niet zijn uitgerust met elektromotoren en die vanaf 1 januari 1972 in de belasting moeten worden aangegeven, wordt uitsluitend berekend volgens de formules, vermeld in artikel 2.2.3.0.2, § 3, en artikel 2.2.3.0.3, § 1, waarin de parameter Gew / 4 wordt vervangen door een coëfficiënt in functie van de cilinderinhoud van de motor of van het nuttige volume van de verbrandingskamers, vermeld in de volgende tabel :
  

  
cilinderinhoud of nuttig volume
  van de verbrandingskamers, in liter
coëfficiënt
tot en met 0,9 1,50
1 tot met 1,2 1,75
1,3 tot en met 1,5 2,00
1,6 en 1,7 2,25
1,8 en 1,9 2,50
2 en 2,1 2,75
2,2 en 2,3 3,00
2,4 tot en met 2,6 3,25
2,7 tot en met 3,3 3,50
3,4 tot en met 3,9 3,75
4 tot en met 4,9 4,00
5 tot met 5,9 4,50
6 en meer 5,00

Art. 2.2.3.0.6. De opname en de controle van de elementen die nodig zijn voor de vaststelling van het belastbaar vermogen en het belastbaar gewicht, gebeuren door middel van aanduidingen op facturen, in catalogussen, beschrijvende handleidingen, weegbons of in andere bewijskrachtige documenten.
  Zo nodig gaat de bevoegde entiteit van de Vlaamse administratie over tot het wegen van het voertuig of tot een grondig onderzoek ervan.

  Art. 2.2.3.0.7. De plaats, de datum en het uur van de weging of van het volledige onderzoek van het voertuig worden ten minste vijf dagen vooraf meegedeeld aan de betrokkenen, die ertoe gehouden zijn het voertuig in bedrijfsvaardige toestand aan te bieden.

  Art. 2.2.3.0.8. Breuken van fiscale paardenkracht worden naar boven of naar beneden afgerond, naargelang ze al dan niet de helft overschrijden.
  Breuken van deciliter van de cilinderinhoud worden naar boven of naar beneden afgerond, naargelang ze al dan niet de halve deciliter overschrijden.

  Afdeling 4. - Tarieven

  Art. 2.2.4.0.1.§ 1. De belasting wordt, ofwel per periode van twaalf opeenvolgende maanden, ofwel per kalenderjaar, berekend op de wijze die in de hierna volgende paragrafen wordt vermeld.
  § 2. Voor de personenauto's, de auto's voor dubbel gebruik en de minibussen wordt de belasting berekend, op basis van fiscale paardenkracht (pk), volgens de volgende tabel :
  

  
aantal pk totaalbedrag van de belasting in euro
4 en minder 69,72
5 87,24
6 126,12
7 164,76
8 203,76
9 242,64
10 281,16
11 364,92
12 448,56
13 532,08
14 615,84
15 699,48
16 916,20
17 1133,16
18 1350,00
19 1566,36
20 1783,20
meer dan 20 1783,20 verhoogd met 97,20 per pk boven 20


  [3 § 2/1. Voor de personenauto's, de auto's voor dubbel gebruik en de minibussen die na 31 december 2015 worden ingeschreven in het repertorium van het Directoraat-generaal Mobiliteit en Verkeersveiligheid wordt de belasting berekend, op basis van de tabel, vermeld in paragraaf 2, met in achtneming van volgende elementen:
   1° in functie van de CO2-uitstoot van het voertuig, gemeten tijdens de homologatie ervan volgens de geldende Europese regelgeving, wordt het tarief
   a) vermeerderd met 0,30% voor iedere gram CO2-uitstoot per kilometer boven 122 gram en niet hoger dan 500 gram;
   b) verminderd met 0,30% voor iedere gram CO2-uitstoot per kilometer onder 122 gram, maar hoger dan 24 gram;
   2° in functie van de euronorm en de brandstofsoort van het voertuig en desgevallend de aanwezigheid van een roetfilter wordt het tarief met een percentage vermeerderd of verminderd overeenkomstig de volgende tabel:
  

  
EuronormBenzine en andere brandstoffenDiesel
euro 030 %50 %
euro 110 %40 %
euro 25 %35 %
euro 30 %30 %
[1 euro 3 + roetfilter/+25 %]1
euro 4- 12,5 %25 %
euro 4 + roetfilter/17,5 %
euro 5 of EEV- 15 %17,5 %
euro 6- 15 %15 %
(1)<DVR 2017-06-16/10, art. 2, 023; Inwerkingtreding : 01-07-2017>

In afwijking van artikel 2.2.4.0.2, § 2, bedraagt de belasting, berekend overeenkomstig het eerste lid, minimum 40 euro.
   Deze paragraaf is alleen van toepassing op wegvoertuigen van natuurlijke personen en andere rechtspersonen dan vennootschappen, autonome overheidsbedrijven en verenigingen zonder winstgevend doel, met leasingactiviteiten.]3
  § 3. [1 Voor de motorvoertuigen, bestemd voor het vervoer van goederen waarvan [5 het maximaal toegestane totaalgewicht]5 3 500 kilogram niet overschrijdt, de lijkwagens, de alleenrijdende landbouwtractoren en de alleenrijdende trekkers, andere dan die, vermeld in paragraaf 6, bedraagt de belasting 19,32 euro per [5 500 kg maximaal toegestane totaalgewicht]5.]1
  [4 § 3/1. Voor de motorvoertuigen, bestemd voor het vervoer van goederen, de lijkwagens, de alleenrijdende landbouwtractoren en de alleenrijdende trekkers, als het andere voertuigen zijn dan de voertuigen, vermeld in paragraaf 6, die na 30 juni 2017 worden ingeschreven in het repertorium van het Directoraat-generaal Mobiliteit en Verkeersveiligheid en waarvan de maximaal toegelaten massa maximum 2500 kilogram bedraagt, bedraagt de belasting 19,32 euro per 500 kg maximaal toegelaten massa, met inachtneming van volgende elementen:
   1° in functie van de CO2-uitstoot van het voertuig, gemeten tijdens de homologatie ervan volgens de geldende Europese regelgeving, wordt het tarief
   a) vermeerderd met 0,30% voor iedere gram CO2-uitstoot per kilometer boven 122 gram en niet hoger dan 500 gram;
   b) verminderd met 0,30% voor iedere gram CO2-uitstoot per kilometer onder 122 gram, maar hoger dan 24 gram;
   2° in functie van de euronorm en de brandstofsoort van het voertuig en, in voorkomend geval, de aanwezigheid van een roetfilter wordt het tarief met een percentage vermeerderd of verminderd conform de volgende tabel:
  

  
euronorm benzine en andere brandstoffen diesel
euro 0 +30% +50%
euro 1 +10% +40%
euro 2 +5% +35%
euro 3 0% +30%
euro 3 met roetfilter / +25%
euro 4 -12,5% +25%
euro 4 met roetfilter / +17,5%
euro 5 of EEV -15% +17,5%
euro 6 -15% +15%

In afwijking van artikel 2.2.4.0.2, § 2, bedraagt de belasting, berekend overeenkomstig het eerste lid, minimum 40 euro.
   Deze paragraaf is alleen van toepassing op voertuigen van natuurlijke personen en van andere rechtspersonen dan vennootschappen, autonome overheidsbedrijven en verenigingen zonder winstgevend doel, met leasingactiviteiten.]4
  [4 § 3/2. Voor de motorvoertuigen, bestemd voor het vervoer van goederen, de lijkwagens, de alleenrijdende landbouwtractoren en de alleenrijdende trekkers, als het andere voertuigen zijn dan de voertuigen, vermeld in paragraaf 6, die na 30 juni 2017 worden ingeschreven in het repertorium van het Directoraat-generaal Mobiliteit en Verkeersveiligheid en waarvan de maximaal toegelaten massa hoger is dan 2500 kilogram en 3500 kilogram niet overschrijdt, bedraagt de belasting 19,32 euro per 500 kg maximaal toegelaten massa.
   In functie van de euronorm van het voertuig en, in voorkomend geval, de aanwezigheid van een roetfilter wordt het tarief, vermeld in het eerste lid, met een percentage vermeerderd of verminderd conform de volgende tabel:
  

  
euronorm percentage
euro 0 + 35%
euro 1 + 25%
euro 2 + 20%
euro 3 + 15%
euro 3 met roetfilter + 10%
euro 4 + 10%
euro 4 met roetfilter + 2,5%
euro 5 of EEV + 2,5%
euro 6 0%

In afwijking van artikel 2.2.4.0.2, § 2, bedraagt de belasting, berekend overeenkomstig het eerste lid, minimum 40 euro.
   Deze paragraaf is alleen van toepassing op voertuigen van natuurlijke personen en van andere rechtspersonen dan vennootschappen, autonome overheidsbedrijven en verenigingen zonder winstgevend doel, met leasingactiviteiten.]4
  § 4. Voor de motorfietsen bedraagt de belasting 49,44 euro.
  § 5 Voor de autobussen en de autocars bedraagt de belasting 4,44 euro per fiscale paardenkracht als het belastbaar vermogen 10 fiscale paardenkracht niet te boven gaat, met een minimum van 69,94 euro.
  Als het belastbaar vermogen 10 fiscale paardenkracht te boven gaat, wordt de belasting voor de autobussen en de autocars berekend, op basis van fiscale paardenkracht (pk), volgens de volgende tabel :
  

  
aantal pk totaalbedrag van de belasting in euro
11 51,48
12 59,04
13 67,08
14 75,60
15 84,60
16 94,08
17 104,04
18 114,48
19 125,40
20 136,80
21 148,68
22 161,04
23 173,88
24 187,20
25 201,00
26 215,28
27 230,04
28 245,28
29 261,00
30 277,20
31 293,88
32 311,04
33 328,68
34 346,80
35 365,40
36 384,48
37 404,04
38 424,08
39 444,60
40 465,60
41 487,08
42 509,04
43 531,48
44 549,12
meer dan 44 549,12, verhoogd met 12,48 per pk boven 44


  § 6. [2 Voor de motorvoertuigen of de samengestelde voertuigen, bestemd voor het vervoer van goederen, waarvan het maximaal toegestane totaalgewicht 3,5 ton overschrijdt, maar minder bedraagt dan 12 ton, bedraagt de belasting 0 euro.
   Voor de motorvoertuigen of de samengestelde voertuigen, bestemd voor het vervoer van goederen, waarvan het maximaal toegestane totaalgewicht 12 ton of meer bedraagt, wordt de belasting, afhankelijk van het aantal assen van het voertuig en de aard van de ophanging, berekend volgens de volgende bepalingen en tabellen :
   1° voor de alleenrijdende motorvoertuigen is het in aanmerking te nemen maximaal toegestane totaalgewicht (MTT) voor de toepassing van onderstaande tabel het eigen maximaal toegestane totaalgewicht van het motorvoertuig;
  
   MOTORVOERTUIGEN
  

  
aantal assen en MTT (in ton) tarief (in euro/jaar)
Gelijk aan of meer danminder danluchtvering of als gelijkwaardig erkende vering (*) van de aangedreven as(sen) andere ophangsystemen van de aangedreven as(sen)
2 assen
12 13 0 31
13 14 31 86
14 15 86 121
15  121 274
3 assen
15 17 31 54
17 19 54 111
19 21 111 144
21 23 144 222
23 25 222 345
25  222 345
4 assen
23 25 144 146
25 27 146 228
27 29 228 362
29 31 362 537
31  362 537
(*) Als gelijkwaardig erkende vering volgens de definitie in bijlage II bij richtlijn 96/53/EG van de Raad van 25 juli 1996 houdende vaststelling, voor bepaalde aan het verkeer binnen de Gemeenschap deelnemende wegvoertuigen, van de in het nationale en internationale verkeer maximaal toegestane afmetingen, en van de in het internationale verkeer toegestane gewichten (PB L 235 van 17.9.1996, blz. 59).

2° voor de samengestelde voertuigen is het in aanmerking te nemen maximaal toegestane totaalgewicht (MTT) voor de toepassing van onderstaande tabel de som van het eigen maximaal toegestane totaalgewicht van de voertuigen die deel uitmaken van het samenstel.
  
   COMBINATIES (GELEDE VOERTUIGEN EN SAMENSTELLEN)
  

  
aantal assen en MTT (in ton) tarief (in euro/jaar)
Gelijk aan of meer danminder danluchtvering of als gelijkwaardig erkende vering (*) van de aangedreven as(sen) andere ophangsystemen van de aangedreven as(sen)
2 + 1 assen
12 14 0 0
14 16 0 0
16 18 0 14
18 20 14 32
20 22 32 75
22 23 75 97
23 25 97 175
25  175 307
2 + 2 assen
23 25 30 70
25 26 70 115
26 28 115 169
28 29 169 204
29 31 204 335
31 33 335 465
33 36 465 706
36  465 706
2 + 3 assen
36 38 370 515
38  515 700
3 + 2 assen
36 38 327 454
38 40 454 628
40  628 929
3 + 3 assen
36 38 186 225
38 40 225 336
40  336 535
(*) Als gelijkwaardig erkende vering volgens de definitie in bijlage II bij richtlijn 96/53/EG van de Raad van 25 juli 1996 houdende vaststelling, voor bepaalde aan het verkeer binnen de Gemeenschap deelnemende wegvoertuigen, van de in het nationale en internationale verkeer maximaal toegestane afmetingen, en van de in het internationale verkeer toegestane gewichten (PB L 235 van 17.9.1996, blz. 59).

De bedragen, vermeld in de tabellen in het tweede lid, omvatten reeds de opdeciem, vermeld in artikel 2.2.4.0.5, § 2, eerste lid.]2
  § 7. De aanhangwagens en de opleggers zijn onderworpen aan een belasting van respectievelijk 32,64 euro of 67,80 euro, naargelang [5 het maximaal toegestane totaalgewicht]5 niet hoger is dan 500 kg, of 501 kg bereikt zonder 3500 kg te overschrijden.
  In afwijking van het eerste lid zijn de aanhangwagens en opleggers waarvan de maximaal toegelaten massa 750 kg niet overschrijdt en die uitsluitend getrokken worden door een personenauto, een auto voor dubbel gebruik, een minibus, een ziekenauto, een motorfiets, een lichte vrachtauto, een kampeerwagen, een autobus of een autocar, vrijgesteld van de belasting. [1 Die vrijstelling geldt alleen als de belastingplichtige een natuurlijke persoon is of een andere rechtspersoon dan een vennootschap, autonoom overheidsbedrijf en vereniging zonder winstgevend doel, met leasingactiviteiten.]1
  § 8. Voor de kampeerwagens wordt de belasting berekend volgens de volgende tabel :
  

  
[1 MTT]1 in kgtotaalbedrag van de belasting in euro
vantot en met 
0150084
15013500120
35017999132
800010.999168
11.000> 11.000264
(1)<DVR 2017-12-08/05, art. 11, 024; Inwerkingtreding : 24-12-2017>

Deze bepaling is alleen van toepassing op natuurlijke personen [1 en andere rechtspersonen dan vennootschappen, autonome overheidsbedrijven en verenigingen zonder winstgevend doel, met leasingactiviteiten]1.
  De kampeerwagens vallen buiten de toepassing van artikel 2.2.6.0.1, § 1, eerste lid, 13°, en artikel 2.2.6.0.1, § 2, 2°.
  ----------
  (1)<DVR 2014-12-19/61, art. 10, 005; Inwerkingtreding : 01-01-2014>
  (2)<DVR 2015-07-03/17, art. 12, 008; Inwerkingtreding : 01-04-2016 (zie BVR 2015-07-17/15, art. 4, 1°)>
  (3)<DVR 2015-12-18/23, art. 106, 011; Inwerkingtreding : 01-01-2016>
  (4)<DVR 2017-06-16/10, art. 3, 023; Inwerkingtreding : 01-07-2017>
  (5)<DVR 2017-12-08/05, art. 11, 024; Inwerkingtreding : 24-12-2017>

  Art. 2.2.4.0.2.§ 1. In afwijking van artikel 2.2.4.0.1 bedraagt de belasting 31,61 euro voor :
  1° [2 de voertuigen die bij het ontstaan van de belastingplicht sedert meer dan dertig jaar in het verkeer zijn gebracht;]2
  [2 "1/1° de voertuigen die voldoen aan een van de volgende voorwaarden:
   a) in aanslagjaar 2017 sedert meer dan vijfentwintig jaar in het verkeer zijn gebracht;
   b) in aanslagjaar 2018 sedert meer dan zesentwintig jaar in het verkeer zijn gebracht;
   c) in aanslagjaar 2019 sedert meer dan zevenentwintig jaar in het verkeer zijn gebracht;
   d) in aanslagjaar 2020 sedert meer dan achtentwintig jaar in het verkeer zijn gebracht;
   e) in aanslagjaar 2021 sedert meer dan negenentwintig jaar in het verkeer zijn gebracht;]2
  2° de kampeeraanhangwagens en de aanhangwagens die speciaal zijn ontworpen voor het vervoer van één boot;
  3° [2 ...]2
  Artikel 2.2.6.0.3, eerste lid, artikel 2.2.6.0.4, artikel 3.3.2.0.1 en artikel 3.4.7.0.3 zijn niet van toepassing op de belasting, vermeld in het eerste lid.
  § 2. Als de belastingplichtige belasting voor een voertuig is verschuldigd, mag de belasting voor dat voertuig niet minder dan 31,61 euro bedragen.
  [1 Deze paragraaf is niet van toepassing op de voertuigen, vermeld in artikel 2.2.4.0.1, § 6.]1
  ----------
  (1)<DVR 2015-12-18/23, art. 127, 011; Inwerkingtreding : 01-04-2016>
  (2)<DVR 2017-06-16/10, art. 4, 023; Inwerkingtreding : 01-07-2017>

  Art. 2.2.4.0.3.[1 De belasting, vastgesteld volgens artikel 2.2.4.0.1, § 2 [2 , § 3 voor zover het voertuigen betreft van natuurlijke personen en van andere rechtspersonen dan vennootschappen, autonome overheidsbedrijven en verenigingen zonder winstgevend doel, met leasingactiviteiten, § 3/1, eerste lid, § 3/2, eerste lid,]2 en § 4, de minimumbelastingen, vermeld in artikel 2.2.4.0.1, § 2/1, tweede lid, [2 , artikel 2.2.4.0.1, § 3/1, tweede lid, artikel 2.2.4.0.1, § 3/2, derde lid,]2 en artikel 2.2.4.0.1, § 5, de belastingen, vermeld in artikel 2.2.4.0.1, § 7, alsook de belasting, vermeld in artikel 2.2.4.0.2, § 1, en de minimumbelasting, vermeld in artikel 2.2.4.0.2, § 2, alsook het bedrag, vermeld in artikel 2.2.5.0.4, zijn gekoppeld aan de schommelingen van het algemeen indexcijfer van de consumptieprijzen van het Rijk. De belastingbedragen worden aangepast op 1 juli van elk jaar op grond van de schommelingen van het algemeen indexcijfer van de consumptieprijzen van het Rijk, vastgesteld tussen de maand mei van het vorige jaar en de maand mei van het lopende jaar. De belastingbedragen, vermeld in artikel 2.2.4.0.1, met uitzondering van paragraaf 2/1, [2 , § 3 voor zover het voertuigen betreft van natuurlijke personen en van andere rechtspersonen dan vennootschappen, autonome overheidsbedrijven en verenigingen zonder winstgevend doel, met leasingactiviteiten, § 3/1 en § 3/2,]2 en artikel 2.2.4.0.2, zijn de bedragen die van toepassing waren op 1 juli 2013. Voor de toepassing van de indexatie zijn de bedragen, vermeld in artikel 2.2.4.0.1, § 2/1, tweede lid, en artikel 2.2.5.0.4, de bedragen die gelden alsof ze van toepassing waren op 1 juli 2015.]1 [2 Voor de toepassing van de indexatie zijn de bedragen, vermeld in artikel 2.2.4.0.1, § 3, voor zover het voertuigen betreft van natuurlijke personen en van andere rechtspersonen dan vennootschappen, autonome overheidsbedrijven en verenigingen zonder winstgevend doel, met leasingactiviteiten, § 3/1, eerste en tweede lid, en § 3/2, eerste en derde lid, de bedragen die gelden alsof ze van toepassing waren op 1 juli 2017.]2
  De aangepaste belastingbedragen, vermeld in het eerste lid, kunnen met maximaal 0,11 euro worden verlaagd om een veelvoud van twaalf te vormen.
  ----------
  (1)<DVR 2015-12-18/23, art. 107, 011; Inwerkingtreding : 01-01-2016>
  (2)<DVR 2017-06-16/10, art. 5, 023; Inwerkingtreding : 01-07-2017>

  Art. 2.2.4.0.4. De personenauto's, de auto's voor dubbel gebruik en de minibussen, met inbegrip van de lichte vrachtauto's, vermeld in artikel 1.1.0.0.2, derde lid, 2°, laatste zin, waarvan de motor, zelfs gedeeltelijk of tijdelijk, gedreven wordt met vloeibaar petroleumgas of andere vloeibare koolwaterstofgassen, zijn onderworpen aan een aanvullende verkeersbelasting van 89,16 euro, 148,68 euro of 208,20 euro, naargelang het belastbaar vermogen niet hoger is dan 7 pk, 8 pk bereikt zonder 13 pk te overschrijden of meer bedraagt dan 13 pk.
  De aanvullende verkeersbelasting, vermeld in het eerste lid, wordt geregeld volgens de bepalingen die van toepassing zijn op de verkeersbelasting, met uitzondering van de bepalingen van artikel 2.2.4.0.2, § 2, artikel 2.2.4.0.3, artikel 2.2.4.0.5, § 2, artikel 2.2.5.0.2 en artikel 2.2.6.0.1, § 1, eerste lid, 3°, 4°, 5°, 7°, 8°, 9° en 11°.
  Als de belastingplichtige, met toepassing van het eerste en het tweede lid, aanvullende verkeersbelasting verschuldigd is voor een voertuig, mag de belasting voor dat voertuig niet minder bedragen dan 23,16 euro.

  Art. 2.2.4.0.5. § 1. Overeenkomstig artikel 42 van het federale Wetboek van 23 november 1965 van de met inkomstenbelastingen gelijkgestelde belastingen, zijn de provincies, de agglomeraties en de gemeenten niet gemachtigd tot het heffen van opcentiemen op de verkeersbelasting of enigerlei belasting op de voertuigen, vermeld in artikel 2.2.1.0.1, behoudens wat betreft de vaartuigen, de bootjes, de bromfietsen en de motorfietsen respectievelijk bedoeld in artikel 2.2.6.0.1, § 1, eerste lid, 6° en 10° .
  § 2. In afwijking van paragraaf 1 wordt voor de gemeenten een opdeciem geheven op de verkeersbelasting die het Vlaamse Gewest op autovoertuigen heft.
  Als de gemeente deel uitmaakt van een agglomeratie van gemeenten, wordt 20 % van de opbrengst van die opdeciem toegekend aan de agglomeratie van gemeenten.
  § 3. In afwijking van paragraaf 2 wordt de opdeciem niet toegepast op de belasting op :
  1° voertuigen die uitsluitend gebruikt worden voor bezoldigd vervoer van personen krachtens een machtiging uitgereikt voor de exploitatie van autocardiensten, ter uitvoering van de besluitwet van 30 december 1946 betreffende het bezoldigd vervoer van personen over de weg met autobussen en met autocars;
  2° voertuigen waarvoor de belasting verminderd is met toepassing van artikel 2.2.5.0.2.

  Art. 2.2.4.0.6.[1 Als de euronorm van het [2 voertuig]2 niet bekend is, wordt die parameter voor de toepassing van artikel 2.2.4.0.1, § 2/1, eerste lid, 2°, [2 artikel 2.2.4.0.1, § 3/1 en § 3/2,]2 bepaald aan de hand van de datum van de eerste inschrijving van het [2 voertuig]2, vermeld in de volgende tabel:
  

  
Datum van de eerste inschrijving van het wegvoertuig in het binnenland of in het buitenland Euronorm
tot en met 31 december 1993 euro 0
vanaf 1 januari 1994 tot en met 31 december 1996 euro 1
vanaf 1 januari 1997 tot en met 31 december 2000 euro 2
vanaf 1 januari 2001 tot en met 31 december 2005 euro 3
vanaf 1 januari 2006 tot en met 31 december 2010 euro 4
vanaf 1 januari 2011 tot en met 31 augustus 2015 euro 5
vanaf 1 september 2015 euro 6

]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij DVR 2015-12-18/23, art. 108, 011; Inwerkingtreding : 01-01-2016>
  (2)<DVR 2017-06-16/10, art. 6, 023; Inwerkingtreding : 01-07-2017>

  Art. 2.2.4.0.7.[1 Als de CO2-uitstoot van het [2 voertuig]2 niet bekend is, wordt die parameter voor de toepassing van artikel 2.2.4.0.1, § 2/1, eerste lid, 1°, [2 artikel 2.2.4.0.1, § 3/2,]2 bepaald aan de hand van de brandstofsoort, de cilinderinhoud en de euronorm, vermeld in de volgende tabel:
  

  
Brandstofsoort Cilinderinhoud in cc Euronorm
  6 5 4 3 2 1 0
 CO2-emissies in g/km
Benzine en andere branstoffen, met uitzondering van aardgas en diesel minder dan 1 400 117 125 140 150 164 173 175
 1 400 tot en met 2 000 150 159 172 185 200 211 213
 meer dan 2 000 228 238 247 259 279 295 297
Diesel minder dan 1 400 98 103 120 116 125 132 133
 1 400 tot en met 2 000 117 125 144 151 163 173 174
 meer dan 2 000 159 169 201 199 214 226 228
Aardgas minder dan 1 400 94 100 112 120 131 139 140
 1 400 tot en met 2 000 120 127 138 148 160 169 171
 meer dan 2 000 182 190 198 207 223 236 238

]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij DVR 2015-12-18/23, art. 109, 011; Inwerkingtreding : 01-01-2016>
  (2)<DVR 2017-06-16/10, art. 7, 023; Inwerkingtreding : 01-07-2017>

  Art. 2.2.4.0.8.[1 De aanwezigheid van een roetfilter als vermeld in artikel 2.2.4.0.1, § 2/1, eerste lid, 2°, [2 artikel 2.2.4.0.1, § 3/1 en § 3/2,]2 wordt vastgesteld op basis van de PM-gegevens of op basis van de gegevens over de premie voor de aankoop en installatie van emissieverminderende voorzieningen in [2 voertuigen]2 met een dieselmotor. Onder PM wordt verstaan: de uitstoot van deeltjes, gemeten tijdens de homologatie van het [2 voertuig]2 volgens de geldende Europese regelgeving.
   Een roetfilter als vermeld in artikel 2.2.4.0.1, § 2/1, eerste lid, 2°, [2 artikel 2.2.4.0.1, § 3/1 en § 3/2,]2 is een halfopen of een gesloten roetfilter.
   Een gesloten roetfilter wordt geacht aanwezig te zijn bij [2 voertuigen]2 van euronorm 3 en 4 met een uitstoot kleiner dan of gelijk aan 10 mg/km PM. Als in de waarden de combinatie van 0 mg/km PM en 0 g/km CO2 voorkomt, wordt er geacht geen gesloten roetfilter aanwezig te zijn.
   Een halfopen roetfilter wordt geacht aanwezig te zijn bij [2 voertuigen]2 als de premie-aanvraag voor de aankoop en installatie van de roetfilter door de Vlaamse overheid is goedgekeurd.]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij DVR 2015-12-18/23, art. 110, 011; Inwerkingtreding : 01-01-2016>
  (2)<DVR 2017-06-16/10, art. 8, 023; Inwerkingtreding : 01-07-2017>

  Art. 2.2.4.0.9. [1 De belasting voor de personenauto's, de auto's voor dubbel gebruik en de minibussen, vermeld in artikel 2.2.4.0.1, § 2/1, wordt berekend op basis van de bepalingen van dit hoofdstuk zoals deze van toepassing waren vóór 1 januari 2016, meer bepaald wat betreft de tarieven, vermeld in deze afdeling, de verminderingen, vermeld in afdeling 5, en de vrijstellingen, vermeld in afdeling 6.
   Op straffe van verval wordt aan de volgende voorwaarden voldaan:
   1° het wegvoertuig werd vóór 31 oktober 2015 besteld;
   2° het wegvoertuig wordt na 31 december 2015 voor de eerste keer ingeschreven in het repertorium van het Directoraat-generaal Mobiliteit en Verkeersveiligheid;
   3° een kopie van de bestelbon wordt aan de bevoegde entiteit van de Vlaamse administratie bezorgd vóór 15 januari 2016, samen met een formulier, afgeleverd door deze entiteit, dat wordt ondertekend door de betrokken belastingplichtige, en dat minstens de volgende gegevens bevat:
   a) hetzij het identificatienummer uit het Rijksregister van de natuurlijke personen, hetzij het ondernemingsnummer dat bekend is bij de Kruispuntbank van Ondernemingen, hetzij het identificatienummer, vermeld in artikel 8 van de wet van 15 januari 1990 houdende oprichting en organisatie van een Kruispuntbank van de sociale zekerheid, van de persoon op wiens naam het voertuig ingeschreven werd of zal ingeschreven worden in het repertorium van het Directoraat-generaal Mobiliteit en Verkeersveiligheid;
   b) de voornamen, de achternaam en het domicilieadres van de natuurlijke persoon of de naam, de rechtsvorm en het adres van de maatschappelijke zetel van de rechtspersoon op wiens naam het voertuig ingeschreven werd of zal ingeschreven worden in het repertorium van het Directoraat-generaal Mobiliteit en Verkeersveiligheid.]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij DVR 2015-12-18/23, art. 111, 011; Inwerkingtreding : 01-01-2016>
  

  Afdeling 5. - Verminderingen

  Art. 2.2.5.0.1. De belasting wordt verminderd met 25 % voor elk voertuig dat uitsluitend wordt gebruikt voor het bezoldigd vervoer van personen krachtens een machtiging uitgereikt voor de exploitatie van autocardiensten, ter uitvoering van de besluitwet van 30 december 1946 betreffende het bezoldigd vervoer van personen over de weg met autobussen en met autocars, dat bij het ontstaan van de belastingplicht sedert ten minste vijf jaar in het verkeer is gebracht. De datum waarop het voertuig voor het eerst in het verkeer is gebracht, is die welke op het inschrijvingsbewijs van het voertuig is vermeld.
  De vermindering, vermeld in het eerste lid, wordt ook verleend voor aanhangwagens die uitsluitend worden getrokken door voertuigen als vermeld in het eerste lid.

  Art. 2.2.5.0.2.
  <Opgeheven bij DVR 2018-06-22/18, art. 8, 028; Inwerkingtreding : 01-01-2018>

  Art. 2.2.5.0.3. De belasting wordt met 10 % verminderd als ze is verschuldigd krachtens een regelmatige aangifte, ingediend door een belastingplichtige die op 1 januari van het aanslagjaar, en dit tot minstens 30 juni drie of meer motorvoertuigen aangeeft die zijn geïnvesteerd in een handels- of nijverheidsbedrijf en die uitsluitend worden gebruikt voor het bezoldigd vervoer van personen krachtens een machtiging uitgereikt voor de exploitatie van autocardiensten, ter uitvoering van de besluitwet van 30 december 1946 betreffende het bezoldigd vervoer van personen over de weg met autobussen en met autocars.
  De vermindering van 10 % is niet van toepassing op de belasting, verminderd met toepassing van artikel 2.2.5.0.2.

  Art. 2.2.5.0.4.[1 Voor de voertuigen waarvan de motor, ook al is het maar gedeeltelijk of tijdelijk, aangedreven wordt met vloeibaar petroleumgas of andere vloeibare koolwaterstofgassen, wordt de belasting verminderd met 100 euro, in voorkomend geval beperkt tot het bedrag van de belasting als berekend overeenkomstig artikel 2.2.4.0.1 tot en met 2.2.4.0.3, maar zonder toepassing van de minimumbelastingen, vermeld in artikel 2.2.4.0.1, § 2/1, tweede lid, en § 5, en in artikel 2.2.4.0.2, § 2.
   Dit artikel is alleen van toepassing op wegvoertuigen [2 , de lichte vrachtauto's, vermeld in artikel 1.1.0.0.2, derde lid, 2°, laatste zin, lijkwagens, en alleenrijdende trekkers, als het andere voertuigen zijn dan de voertuigen, vermeld in artikel 2.2.4.0.1, § 6,]2 van natuurlijke personen en andere rechtspersonen dan vennootschappen, autonome overheidsbedrijven en verenigingen zonder winstgevend doel, met leasingactiviteiten.]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij DVR 2015-12-18/23, art. 112, 011; Inwerkingtreding : 01-01-2016>
  (2)<DVR 2017-06-16/10, art. 9, 023; Inwerkingtreding : 01-07-2017>

  Afdeling 6. - Vrijstellingen

  Art. 2.2.6.0.1.§ 1. Met uitzondering van de motorvoertuigen en van de samengestelde voertuigen gebruikt voor het vervoer van goederen over de weg met [1 het maximaal toegestane totaalgewicht]1 van minstens twaalf ton, wordt er een vrijstelling van de belasting verleend voor :
  1° de voertuigen die uitsluitend gebruikt worden voor een openbare dienst van de staat, de gemeenschappen, de gewesten, de provincies, de agglomeraties, de federaties van gemeenten of de gemeenten;
  2° de voertuigen die uitsluitend gebruikt worden voor gemeenschappelijk vervoer van personen krachtens :
  a) een machtiging uitgereikt voor de exploitatie van openbare autobusdiensten of van bijzondere autobusdiensten, ter uitvoering van de besluitwet van 30 december 1946 betreffende het bezoldigd vervoer van personen over de weg met autobussen en met autocars;
  b) een machtiging afgeleverd ter uitvoering van het decreet van 20 april 2001 betreffende de organisatie van het personenvervoer over de weg;
  c) een concessie van de openbare machten;
  3° de ziekenauto's die uitsluitend worden gebruikt voor het vervoer van gewonden en zieken;
  4° de personenauto's die als persoonlijk vervoermiddel worden gebruikt door grootoorlogsinvaliden of door personen met een handicap;
  5° de voertuigen die uitsluitend op proef worden gebruikt door de fabrikanten of handelaars of door hun bedienden;
  6° de vaartuigen en bootjes;
  7° de eigenlijke tractoren, de voertuigen-werktuigmachines die speciaal zijn ontworpen voor de landbouw, en de aanhangwagens, als die voertuigen uitsluitend worden gebruikt om landbouwarbeid te verrichten, zelfs als ze het personeel, de voorwerpen of de producten vervoeren die daarvoor onmisbaar zijn en om de vruchten van de uitvoering van die arbeid te vervoeren naar om het even welke plaats van de onderneming van de landbouwer voor de rekening van wie de werken zijn uitgevoerd. Voor zover hij er eigenaar van is of er het bestendige of gewoonlijke gebruik van heeft, mag de landbouwer die voertuigen, met vrijstelling van belasting, ook gebruiken voor het vervoer van vee, waren of goederen, die voortkomen van zijn landbouwbedrijf of ervoor zijn bestemd, alsook van brandhout, bestemd voor eigen verbruik. Dat geldt ook als die voertuigen toebehoren aan een van de leden van een groep landbouwers die, zij het tijdelijk, in gemeenschap werken, en als er vee, waren of goederen mee worden vervoerd die voortkomen van het bedrijf van een van hen of die ervoor zijn bestemd;
  8° [2 ...]2
  9° [2 ...]2
  10° de bromfietsen en de motorfietsen voorzien van een motor met een cilinderinhoud van maximaal 250 kubieke centimeter;
  11° de autovoertuigen die uitsluitend aangewend worden voor een taxidienst of voor verhuring met bestuurder;
  12° de autovoertuigen die gebruikt worden door een Belgische verblijfhouder en ter beschikking zijn gesteld van hem door zijn werkgever die in het buitenland gevestigd is, en die in het buitenland zijn ingeschreven;
  13° de motorvoertuigen en de samengestelde voertuigen die uitsluitend bestemd zijn voor het goederenvervoer over de weg, die slechts af en toe op de openbare weg in België rijden en die worden gebruikt door natuurlijke personen of rechtspersonen die het goederenvervoer niet als hoofdactiviteit hebben, als het vervoer met die voertuigen niet leidt tot concurrentievervalsing;
  14° de voertuigen die ingezet worden door vervoerders die gesubsidieerd zijn door de Vlaamse Regering en die uitsluitend gebruikt worden voor het vervoer van personen met een handicap of met een ernstig beperkte mobiliteit.
  De vrijstelling, vermeld in het eerste lid, 4°, is beperkt tot één personenauto per begunstigde en is afhankelijk van de voorlegging aan het bevoegde personeelslid van :
  1° een getuigschrift, uitgereikt door de overheid die het invaliditeitspensioen heeft toegekend, met de vermelding dat de betrokkene de hoedanigheid van grootoorlogsinvalide heeft en een invaliditeitspensioen van ten minste 60 % geniet;
  2° een invaliditeitsattest, uitgereikt door de FOD Sociale Zekerheid, met de vermelding dat de betrokkene recht heeft op vrijstelling van de verkeersbelasting, of dat hij is getroffen door volledige blindheid of volledige verlamming van de bovenste ledematen, of dat die ledematen geamputeerd zijn, of dat hij is aangetast door een blijvende invaliditeit die rechtstreeks toe te schrijven is aan de onderste ledematen en ten minste 50 % bedraagt.
  De volgende voertuigen komen in aanmerking voor de toepassing van de vrijstelling, vermeld in het eerste lid, 11° :
  1° de autovoertuigen die uitsluitend worden gebruikt voor taxidiensten onder de voorwaarden, vermeld in het decreet van 20 april 2001 betreffende de organisatie van het personenvervoer over de weg, en die ingericht zijn krachtens een vergunning die regelmatig afgeleverd is ter uitvoering van het voormelde decreet;
  2° de autovoertuigen die, naar constructie en uitrusting, geschikt zijn voor het vervoer van ten hoogste negen personen, de bestuurder inbegrepen, en die, met uitsluiting van elk ander gebruik, met bestuurder worden verhuurd om personen te vervoeren, op voorwaarde dat de duur van elke verhuring niet meer dan één dag bedraagt en dat de verhuring op het voertuig en niet op elk van de plaatsen slaat;
  3° de autovoertuigen die tegelijk worden gebruikt voor taxidiensten als vermeld in 1°, en voor verhuring met bestuurder als vermeld in 2°.
  § 2. Wat betreft de motorvoertuigen en de samengestelde voertuigen gebruikt voor het vervoer van goederen over de weg met [1 het maximaal toegestane totaalgewicht]1 van minstens twaalf ton, wordt er een vrijstelling van de belasting verleend voor :
  1° de motorvoertuigen en de samengestelde voertuigen die uitsluitend bestemd zijn voor de landsverdediging, voor de diensten van de burgerbescherming en de rampeninterventie, voor de brandweerdiensten en andere hulpdiensten, voor de diensten die verantwoordelijk zijn voor handhaving van de openbare orde en voor de diensten voor onderhoud en beheer van de wegen en die als zodanig geïdentificeerd zijn;
  2° de motorvoertuigen en de samengestelde voertuigen die slechts af en toe op de openbare weg in België rijden en die worden gebruikt door natuurlijke personen of rechtspersonen die het goederenvervoer niet als hoofdactiviteit hebben, als het vervoer met die voertuigen niet leidt tot concurrentievervalsing.
  § 3. De vrijstellingen, vermeld in paragraaf 1, eerste lid, 13°, en paragraaf 2, 2°, kunnen alleen worden verleend als ze worden aangevraagd voor het begin van het belastbare tijdperk.
  [2 Aan het begrip `af en toe', vermeld in paragraaf 1, eerste lid, 13°, en paragraaf 2, 2°, is voldaan in al de volgende gevallen:
   1° als het voertuig in kwestie door de aard ervan maar af en toe gebruikmaakt van de openbare weg. De Vlaamse Regering bepaalt welke voertuigen hieronder vallen;
   2° als het voertuig in kwestie maximaal vijfhonderd kilometer per kalenderjaar aflegt op de wegen of de wegsegmenten, vermeld in bijlage 2, die bij dit decreet is gevoegd, zoals geregistreerd door de elektronische registratievoorziening, vermeld in artikel 3.3.1.0.13;
   3° als het voertuig in kwestie dat niet beschikt over een elektronische registratievoorziening als vermeld in artikel 3.3.1.0.13 maximaal dertig dagen op de openbare weg wordt gebruikt.]2
  De vrijstelling [2 , vermeld in het tweede lid, 3°,]2 kan worden bewezen door een rittenblad bij te houden dat moet worden aangevraagd bij de bevoegde entiteit van de Vlaamse administratie. Het rittenblad moet zich op elk moment aan boord van het voertuig bevinden.
  De geldigheidsduur van een rittenblad is maximaal twaalf opeenvolgende maanden vanaf de aanvangsdatum van het rittenblad. Als het belastbare tijdperk minder dan twaalf maanden bedraagt, wordt de geldigheidsduur van het rittenblad overeenkomstig ingekort.
  De belastingplichtige die zijn aangifte of inschrijving stopzet en vervolgens opnieuw aangifte doet voor hetzelfde voertuig binnen een periode van twaalf maanden na de aanvangsdatum van het laatste geldige rittenblad, kan geen nieuw rittenblad aanvragen. De belastingplichtige die een rittenblad aanvraagt dat wordt geweigerd wegens laattijdige aanvraag, kan geen nieuw rittenblad aanvragen voor de periode van twaalf maanden die volgt op het begin van het lopende belastbare tijdperk waarvoor de aanvraag van een rittenblad werd geweigerd.
  ----------
  (1)<DVR 2017-12-08/05, art. 12, 024; Inwerkingtreding : 24-12-2017>
  (2)<DVR 2018-06-22/18, art. 9, 028; Inwerkingtreding : 01-01-2018>

  Art. 2.2.6.0.2. Er wordt een gehele of gedeeltelijke vrijstelling van de aanvullende verkeersbelasting verleend aan :
  1° de niet-verblijfhouders als, in de staat waar ze verblijf houden, geen soortgelijke belasting bestaat of als de Belgische verblijfhouders daarvan vrijgesteld zijn, en naargelang van die vrijstelling;
  2° de internationale organisaties, hun vertegenwoordigers, ambtenaren en leden, voor zover ze vrijgesteld zijn van de verkeersbelasting op de autovoertuigen, ingevolge de voorrechten en immuniteiten die aan hen toegestaan zijn overeenkomstig het internationale recht.

  Art. 2.2.6.0.3. Als de voorwaarden tot vrijstelling in de loop van een aanslagjaar niet meer vervuld zijn, is de belasting verschuldigd in verhouding tot de niet-verstreken maanden.
  Dit artikel is niet van toepassing op de voertuigen, vermeld in artikel 2.2.2.0.1, § 2, tweede lid.

  Art. 2.2.6.0.4.De belasting, betaald voor vrachtauto's, tractors, aanhangwagens en opleggers, wordt terugbetaald als die voertuigen afstanden afleggen in het kader van gecombineerd vervoer als vermeld in artikel 1 van Richtlijn nr. 92/106/EEG van de Raad van 7 december 1992 houdende vaststelling van gemeenschappelijke voorschriften voor bepaalde vormen van gecombineerd vervoer van goederen tussen Lid-Staten.
  [1 De terugbetaling (T), vermeld in het eerste lid, wordt op forfaitaire wijze berekend volgens de volgende formule: T = t * n/[2 100]2, waarbij:
   1° t = het bedrag van de verschuldigde verkeersbelasting voor het voertuig;
   2° n = het aantal overslagverrichtingen tijdens de belastbare periode waarbij de vrachtwagen, de aanhangwagen, de oplegger met of zonder trekker, de wissellaadbak of de container van 20 voet en meer overschakelt van vervoer per spoor, via zeetraject of via de binnenwateren naar vervoer over de weg of omgekeerd. De parameter n mag niet meer dan [2 100]2 bedragen.
   In het tweede lid wordt verstaan onder:
   1° overslagverrichting: het verplaatsen van intermodale transporteenheden van de ene vervoersmodus, namelijk per spoor, via zeetraject of via de binnenwateren, naar de andere vervoersmodus, namelijk vervoer over de weg, of omgekeerd, waarbij de verplaatsing plaatsvindt tussen minstens twee staten van de Europese Economische Ruimte en [2 ...]2;
   2° wissellaadbak: een vrachtvervoereenheid die aan de afmetingen van wegvoertuigen is aangepast en die voorzien is van inrichtingen voor goederenoverslag tussen verschillende vervoerswijzen, zoals van weg naar spoor.
   De minimumbelasting, vermeld in artikel 2.2.4.0.2, § 2, is niet van toepassing.
   De Vlaamse Regering bepaalt de wijze van de aanvraag van de terugbetaling, vermeld in het eerste lid.]1
  ----------
  (1)<DVR 2016-12-23/16, art. 2, 017; Inwerkingtreding : 01-01-2016>
  (2)<DVR 2017-12-22/08, art. 96, 026; Inwerkingtreding : 01-01-2016>

  Art. 2.2.6.0.5. § 1. Er wordt een vrijstelling van de belasting verleend voor de personenauto's, de auto's voor dubbel gebruik, de minibussen, met inbegrip van de aanhangwagens van die voertuigen, en de motorfietsen die tijdelijk in België worden ingevoerd door een natuurlijke persoon die zijn gewone verblijfplaats in een andere staat van de Europese Economische Ruimte heeft, en die op het Belgische grondgebied voor persoonlijk of voor beroepsmatig gebruik van de invoerder worden aangewend.
  De vrijstelling, vermeld in het eerste lid, wordt ook verleend aan de natuurlijke personen met gewone verblijfplaats in een land dat geen deel uitmaakt van de Europese Economische Ruimte, als in dat land dezelfde vrijstelling wordt toegekend aan de Belgische verblijfhouders.
  § 2. De vrijstelling, vermeld in paragraaf 1, wordt verleend voor een al dan niet ononderbroken duur van niet meer dan zes maanden per tijdvak van twaalf maanden.
  In afwijking van het eerste lid wordt :
  1° de duur van de vrijstelling op zeven maanden vastgesteld per tijdvak van twaalf maanden bij beroepsmatig gebruik van het voertuig door een tussenpersoon in handel, industrie of ambacht;
  2° de duur van de vrijstelling niet in de tijd beperkt als het voertuig door de invoerder wordt gebruikt voor de weg die hij in België regelmatig aflegt om zich uitsluitend van zijn verblijfplaats naar de arbeidsplaats van de onderneming in België en terug te begeven;
  3° de vrijstelling verleend voor de werkelijke duur van de studies als het voertuig wordt gebruikt door een student die in België verblijft, met als enig doel er te studeren.
  § 3. De tijdelijk ingevoerde voertuigen moeten zijn verkregen of moeten zijn ingevoerd met toepassing van de algemene belastingregeling voor de binnenlandse markt van een andere staat en mogen niet wegens de uitvoer in aanmerking komen voor ontheffing of teruggave van omzetbelastingen, accijnzen of andere verbruiksbelastingen.
  De voertuigen, verkregen of ingevoerd in een andere staat, met vrijstelling van alle belastingen in het kader van de voorrechten, verleend aan de diplomatieke zendingen en consulaire posten en aan hun leden, aan de internationale instellingen en aan hun leden, en aan de krijgsmachten van de staten die toegetreden zijn tot het Noord-Atlantisch Verdrag, andere dan de Belgische krijgsmacht, en aan hun leden, worden geacht te hebben voldaan aan de algemene belastingregeling voor de binnenlandse markt van die staat.
  § 4. De tijdelijk ingevoerde voertuigen mogen in België niet worden overgedragen, noch verhuurd, noch uitgeleend. Bij tijdelijke invoer voor persoonlijk gebruik, met uitsluiting van het gebruik, vermeld in paragraaf 2, tweede lid, 2° en 3°, en als ze toebehoren aan een verhuuronderneming met maatschappelijke zetel in het buitenland, kunnen ze aan een niet-verblijfhouder worden wederverhuurd met het oog op de wederuitvoer, als ze zich in België bevinden ingevolge de uitvoering van een huurovereenkomst die hier te lande is verstreken. De voertuigen mogen ook naar de staat van de plaats van oorspronkelijke huur worden teruggebracht door een personeelslid van de verhuuronderneming, zelfs als dat personeelslid zijn gewone verblijfplaats in België heeft.
  § 5. Als de tijdelijke invoer plaatsvindt voor beroepsmatig gebruik en voor het gebruik, vermeld in paragraaf 2, tweede lid, 2° en 3°, moet de voorwaarde, vermeld in paragraaf 3, vervuld zijn in de staat waarin de gebruiker zijn gewone verblijfplaats heeft. Die voorwaarde wordt geacht te zijn vervuld als de voertuigen voorzien zijn van een gewone nummerplaat van die staat, met uitzondering van alle tijdelijke nummerplaten.
  Voor voertuigen die ingeschreven zijn in een staat waar de afgifte van nummerplaten niet verbonden is aan de inachtneming van de algemene belastingregeling voor de buitenlandse markt, moeten de gebruikers, met alle door het gemeen recht toegelaten bewijsmiddelen, met uitzondering van de eed, bewijzen dat ze de verbruiksbelastingen hebben betaald.
  De voertuigen die voor dezelfde doeleinden worden ingevoerd, mogen bovendien niet worden gebruikt voor vervoer van personen tegen betaling of ander materieel voordeel, of voor om het even welk vervoer van goederen, al dan niet tegen betaling.

  Art. 2.2.6.0.6.[1 Op voertuigen die uitsluitend aangedreven worden door een elektrische motor of waterstof wordt geen belasting geheven.
   Dit artikel is alleen van toepassing op wegvoertuigen [2 , de lichte vrachtauto's, de lijkwagens, en de alleenrijdende trekkers, als het andere voertuigen zijn dan de voertuigen, vermeld in artikel 2.2.4.0.1, § 6,]2 van natuurlijke personen en andere rechtspersonen dan vennootschappen, autonome overheidsbedrijven en verenigingen zonder winstgevend doel, met leasingactiviteiten.]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij DVR 2015-12-18/23, art. 113, 011; Inwerkingtreding : 01-01-2016>
  (2)<DVR 2017-06-16/10, art. 10, 023; Inwerkingtreding : 01-07-2017>

  Art. 2.2.6.0.7.[1 Er wordt tot en met 31 december 2020 geen belasting geheven op:
   1° voertuigen waarvan de motor, ook al is het maar gedeeltelijk of tijdelijk, aangedreven wordt met aardgas;
   2° plug-in hybride voertuigen met een maximale CO2-uitstoot van 50 gram per kilometer.
   Een plug-in hybride voertuig is een voertuig dat aangedreven wordt door een elektrische motor en een verbrandingsmotor waarvoor de energie geleverd wordt aan de elektrische motor door batterijen die volledig opgeladen kunnen worden via een aansluiting aan een externe energiebron buiten het voertuig.
   [2 Het eerste lid, 1°, is alleen van toepassing op de volgende voertuigen van natuurlijke personen en andere rechtspersonen dan vennootschappen, autonome overheidsbedrijven en verenigingen zonder winstgevend doel, met leasingactiviteiten:
   1° de wegvoertuigen die vóór 1 juli 2017 worden ingeschreven in het repertorium van het Directoraat-generaal Mobiliteit en Verkeersveiligheid;
   2° de wegvoertuigen die na 30 juni 2017 worden ingeschreven in het repertorium van het Directoraat-generaal Mobiliteit en Verkeersveiligheid en waarvan het belastbaar vermogen 11 fiscale paardenkracht niet te boven gaat;
   3° de lichte vrachtauto's, de lijkwagens, en de alleenrijdende trekkers, als het andere voertuigen zijn dan de voertuigen, vermeld in artikel 2.2.4.0.1, § 6.]2]1
  [2 Het eerste lid, 2°, is alleen van toepassing op de wegvoertuigen, de lichte vrachtauto's, de lijkwagens, en de alleenrijdende trekkers als het andere voertuigen zijn dan de voertuigen vermeld in artikel 2.2.4.0.1, § 6, van natuurlijke personen en andere rechtspersonen dan vennootschappen, autonome overheidsbedrijven en verenigingen zonder winstgevend doel, met leasingactiviteiten.]2
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij DVR 2015-12-18/23, art. 114, 011; Inwerkingtreding : 01-01-2016>
  (2)<DVR 2017-06-16/10, art. 11, 023; Inwerkingtreding : 01-07-2017>

  Afdeling 7. - Wijze van heffing

  Art. 2.2.7.0.1. De belasting wordt geheven in overeenstemming met de bepalingen van artikel 3.3.2.0.1, eerste lid, 2° en 3°, en tweede lid, 2° en 3°.

  Art. 2.2.7.0.2. § 1. Met toepassing van artikel 2.2.7.0.1 is de belasting verschuldigd voor het aantal maanden dat begrepen is tussen de eerste dag van de maand waarin het voertuig in de loop van een kalenderjaar in gebruik is genomen op de openbare weg en 31 december van hetzelfde jaar, voor de voertuigen, vermeld in artikel 2.2.2.0.1, § 2, tweede lid.
  Het verschuldigde bedrag is gelijk aan een twaalfde van de jaarlijkse belasting, vermenigvuldigd met het aantal maanden, vermeld in het eerste lid.
  § 2. In afwijking van paragraaf 1 en artikel 3.3.1.0.1, eerste lid, is geen enkele belasting verschuldigd voor de maand december als het gebruik na 15 december begint.
  § 3. Als het gebruik in de loop van het aanslagjaar ophoudt, is de belasting die betaald moet worden, het bedrag dat verschuldigd is voor de verstreken maanden.
  Dat bedrag mag niet lager zijn dan het minimum, vermeld in artikel 2.2.4.0.2, § 2.
  § 4. Als het voertuig wordt gewijzigd, is de belasting die betaald moet worden, het bedrag dat verschuldigd is voor de verstreken maanden.

  Hoofdstuk 3. - Belasting op de inverkeerstelling

  Afdeling 1. - Belastbaar voorwerp

  Art. 2.3.1.0.1. Overeenkomstig artikel 94 van het federale Wetboek van 23 november 1965 van de met inkomstenbelastingen gelijkgestelde belastingen, wordt er een belasting geheven op de wegvoertuigen, de luchtvaartuigen en de boten, als ze op de openbare weg in het verkeer worden gesteld of worden gebruikt in België.

  Afdeling 2. - Belastingplichtigen

  Art. 2.3.2.0.1.§ 1. De belastingplichtige is degene die vermeld is, naargelang het geval, op het inschrijvingsbewijs of op de vlaggenbrief op het ogenblik van de eerste inverkeerstelling op de openbare weg van het wegvoertuig of op het ogenblik van een eerste gebruik van een luchtvaartuig of van een boot door de vermelde natuurlijke persoon of rechtspersoon.
  De wegvoertuigen worden geacht in het verkeer te zijn gesteld als ze ingeschreven zijn of moeten zijn in het repertorium van het Directoraat-generaal Mobiliteit en Verkeersveiligheid.
  De luchtvaartuigen worden geacht in België te zijn gebruikt als ze ingeschreven zijn of moeten zijn door het Directoraat-generaal Luchtvaart.
  De boten worden geacht in België te zijn gebruikt als daarvoor een vlaggenbrief is uitgereikt of moet zijn uitgereikt door de Federale Overheidsdienst Mobiliteit.
  § 2. In afwijking van paragraaf 1 is de belasting niet verschuldigd voor een wegvoertuig of een luchtvaartuig dat wordt ingeschreven, of voor een boot waarvoor een vlaggenbrief wordt uitgereikt naar aanleiding van een overdracht tussen echtgenoten [1 of wettelijke samenwonenden]1 of een overdracht tussen uit de echt gescheiden personen ingevolge de echtscheiding [1 of ex-wettelijk samenwonenden door de beëindiging van de wettelijke samenwoning]1, op voorwaarde dat de overdrager voor hetzelfde wegvoertuig, hetzelfde luchtvaartuig of dezelfde boot de belasting al heeft betaald.
  ----------
  (1)<DVR 2018-12-21/02, art. 6, 037; Inwerkingtreding : 07-01-2019>

  Afdeling 3. - Belastbare grondslag

  Art. 2.3.3.0.1. § 1. Voor de wegvoertuigen wordt de belasting vastgesteld op basis van het vermogen van de motor, uitgedrukt in fiscale paardenkracht of in kilowatt.
  § 2. In afwijking van paragraaf 1 wordt de belasting op de wegvoertuigen, vermeld in artikel 2.3.4.1.1, vastgesteld op basis van milieukenmerken.
  De milieukenmerken van het wegvoertuig worden uitgedrukt in functie van de CO2-uitstoot en de milieuklasse euronorm 0, 1, 2, 3, 4, 5 of 6. De aanwezigheid van een roetfilter wordt ook in rekening gebracht.
  Euronormen zijn de maximumdrempels voor de concentratie van bepaalde vervuilende stoffen in de uitlaatgassen van autovoertuigen, bepaald in opeenvolgende Europese richtlijnen en verordeningen.

  Afdeling 4. - Tarieven

  Onderafdeling 1. - Bedrag van de belasting voor personenauto's, auto's voor dubbel gebruik en minibussen als vermeld in artikel 1.1.0.0.2, vierde lid, 1°, die worden geacht in het verkeer te zijn gesteld in het Vlaamse Gewest

  Art. 2.3.4.1.1.De belasting op de personenauto's, auto's voor dubbel gebruik en de minibussen, vermeld in artikel 1.1.0.0.2, vierde lid, 1°, die worden geacht in het verkeer te zijn gesteld in het Vlaamse Gewest, met uitzondering van de voertuigen die worden geacht in het verkeer te zijn gesteld door vennootschappen, autonome overheidsbedrijven en verenigingen zonder winstgevend doel, met leasingactiviteiten, wordt berekend op de wijze, vermeld in artikel 2.3.4.1.2 tot en met 2.3.4.1.7 [1 artikel 2.3.6.0.2 en 2.3.6.0.3]1.
  ----------
  (1)<DVR 2015-12-18/23, art. 125, 011; Inwerkingtreding : 01-01-2016>

  Art. 2.3.4.1.2.[1 De belasting wordt berekend volgens de volgende formule:
   BIV= ((CO2 * f + x) /246)6 * 4500 + c) * LC.]1
  De parameters, vermeld in het eerste lid, worden gedefinieerd als volgt :
  1° CO2 = de CO2-uitstoot van het wegvoertuig, gemeten tijdens de homologatie ervan volgens de geldende Europese regelgeving;
  2° f = 0,88 voor wegvoertuigen die aangedreven worden door lpg;
  f = 0,93 voor wegvoertuigen die aangedreven worden door aardgas;
  f = 0,744 voor wegvoertuigen die aangedreven worden door zowel aardgas als benzine, als ze als benzinewagen gehomologeerd zijn;
  f = 1 voor andere wegvoertuigen;
  3° x = CO2-correctie in functie van de technologische evolutie; x is gelijk aan 0 g CO2/km en wordt jaarlijks verhoogd met 4,5 g CO2/km vanaf het jaar 2013;
  4° c = constante (luchtcomponent) in functie van de euronorm en de brandstofsoort van het wegvoertuig, vermeld in de volgende tabel :
  

  
[1 BrandstofsoortEuronormBedrag in euro
Dieseleuro 02.863,15
 euro 1840,00
 euro 2622,57
 euro 3493,36
 euro 3 + roetfilter467,06
 euro 4467,06
 euro 4 + roetfilter459,35
 euro 5 of EEV459,35
 euro 6454,07
Benzine, en andere brandstoffeneuro 01138,78
 euro 1509,28
 euro 2152,29
 euro 395,53
 euro 422,93
 euro 5 of EEV20,61
 euro 620,61]1
(1)<DVR 2015-12-18/23, art. 117, 2°, 011; Inwerkingtreding : 01-01-2016>


  5° LC = leeftijdscorrectie in functie van de ouderdom van het wegvoertuig, vermeld in de volgende tabel :
  

  
ouderdom van het wegvoertuig op basis van de datum van de eerste inschrijving ervan, in het binnenland of in het buitenland, vermeld op het inschrijvingsbewijs waarde LC in %
minder dan 12 volle maanden 100
van 12 volle maanden tot en met 23 volle maanden 90
van 24 volle maanden tot en met 35 volle maanden 80
van 36 volle maanden tot en met 47 volle maanden 70
van 48 volle maanden tot en met 59 volle maanden 60
van 60 volle maanden tot en met 71 volle maanden 50
van 72 volle maanden tot en met 83 volle maanden 40
van 84 volle maanden tot en met 95 volle maanden 30
van 96 volle maanden tot en met 107 volle maanden 20
meer dan 107 volle maanden 10


  ----------
  (1)<DVR 2015-12-18/23, art. 117, 1°, 011; Inwerkingtreding : 01-01-2016>

  Art. 2.3.4.1.3.De belasting bedraagt nooit minder dan [1 41,99 euro]1 en nooit meer dan [1 10.497,70 euro]1. [2 In afwijking van artikel 2.3.4.1.2 bedraagt de belasting 41,99 euro voor de wegvoertuigen die een eerste keer in het verkeer zijn gesteld 30 jaar geleden of eerder en voor de wegvoertuigen die voldoen aan een van de volgende voorwaarden:
   1° in aanslagjaar 2017 sedert meer dan vijfentwintig jaar in het verkeer zijn gebracht;
   2° in aanslagjaar 2018 sedert meer dan zesentwintig jaar in het verkeer zijn gebracht;
   3° in aanslagjaar 2019 sedert meer dan zevenentwintig jaar in het verkeer zijn gebracht;
   4° in aanslagjaar 2020 sedert meer dan achtentwintig jaar in het verkeer zijn gebracht;
   5° in aanslagjaar 2021 sedert meer dan negenentwintig jaar in het verkeer zijn gebracht.]2
  ----------
  (1)<DVR 2015-12-18/23, art. 118, 011; Inwerkingtreding : 01-01-2016>
  (2)<DVR 2017-06-16/10, art. 12, 023; Inwerkingtreding : 01-07-2017>

  Art. 2.3.4.1.4.De bedragen, vermeld in artikel 2.3.4.1.2, tweede lid, 4°, en de bedragen, vermeld in artikel 2.3.4.1.3, zijn gekoppeld aan de schommelingen van het algemeen indexcijfer van de consumptieprijzen van het Rijk. De bedragen worden aangepast op 1 juli van elk jaar op grond van de schommelingen van het algemeen indexcijfer van de consumptieprijzen van het Rijk, vastgesteld tussen de maand mei van het vorige jaar en de maand mei van het lopende jaar. De bedragen, vermeld in artikel 2.3.4.1.2 en artikel 2.3.4.1.3, zijn de bedragen die van toepassing waren op [1 1 juli 2015]1.
  ----------
  (1)<DVR 2015-12-18/23, art. 119, 011; Inwerkingtreding : 01-01-2016>

  Art. 2.3.4.1.5. Als de euronorm van het wegvoertuig niet bekend is, wordt die parameter bepaald aan de hand van de datum van de eerste inschrijving van het wegvoertuig, vermeld in de volgende tabel :
  

  
datum van de eerste inschrijving van het wegvoertuig in het binnenland of in het buitenland euronorm
tot en met 31 december 1993 euro 0
vanaf 1 januari 1994 tot en met 31 december 1996 euro 1
vanaf 1 januari 1997 tot en met 31 december 2000 euro 2
vanaf 1 januari 2001 tot en met 31 december 2005 euro 3
vanaf 1 januari 2006 tot en met 31 december 2010 euro 4
vanaf 1 januari 2011 tot en met 31 augustus 2015 euro 5
vanaf 1 september 2015 euro 6

Art. 2.3.4.1.6. Als de CO2-uitstoot van het wegvoertuig niet bekend is, wordt die parameter bepaald aan de hand van de brandstofsoort, de cilinderinhoud en de euronorm, vermeld in de volgende tabel :
  

  
brandstofsoortcilinderinhoud in ccEuronorm
  6543210
  CO2-emissies in g/km
[1 benzine en andere brandstoffen, met uitzondering van diesel en aardgas]1minder dan 1400117125140150164173175
 1400 tot en met 2000150159172185200211213
 meer dan 2000228238247259279295297
dieselminder dan 140098103120116125132133
 1400 tot en met 2000117125144151163173174
 meer dan 2000159169201199214226228
aardgasminder dan 140094100112120131139140
 1400 tot en met 2000120127138148160169171
 meer dan 2000182190198207223236238
(1)<DVR 2015-12-18/23, art. 120, 011; Inwerkingtreding : 01-01-2016>

Art. 2.3.4.1.7. De aanwezigheid van een roetfilter als vermeld in artikel 2.3.4.1.2, tweede lid, wordt vastgesteld op basis van de PM-gegevens of op basis van de gegevens over de premie voor de aankoop en installatie van emissieverminderende voorzieningen in wegvoertuigen met een dieselmotor. Onder PM wordt verstaan : de uitstoot van deeltjes, gemeten tijdens de homologatie van het wegvoertuig volgens de geldende Europese regelgeving.
  Een roetfilter als vermeld in artikel 2.3.4.1.2, tweede lid, is een halfopen of een gesloten roetfilter.
  Een gesloten roetfilter wordt geacht aanwezig te zijn bij wegvoertuigen van euronorm 3 en 4 met een uitstoot kleiner dan of gelijk aan 10 mg/km PM. Als in de waarden de combinatie van 0 mg/km PM en 0 g/km CO2 voorkomt, wordt er geacht geen gesloten roetfilter aanwezig te zijn.
  Een halfopen roetfilter wordt geacht aanwezig te zijn bij wegvoertuigen als de premieaanvraag voor de aankoop en installatie van de roetfilter door de Vlaamse overheid is goedgekeurd.

  Art. 2.3.4.1.8.
  <Opgeheven bij DVR 2018-06-22/18, art. 10, 028; Inwerkingtreding : 03-08-2018>

  Art. 2.3.4.1.9.
  <Opgeheven bij DVR 2018-06-22/18, art. 10, 028; Inwerkingtreding : 03-08-2018>

  Art. 2.3.4.1.10.
  <Opgeheven bij DVR 2018-06-22/18, art. 10, 028; Inwerkingtreding : 03-08-2018>

  Onderafdeling 2. - Bedrag van de belasting voor motorfietsen, luchtvoertuigen, boten en andere voertuigen dan de wegvoertuigen, vermeld in artikel 2.3.4.1.1

  Art. 2.3.4.2.1.§ 1. De belasting op andere voertuigen dan de voertuigen, vermeld in artikel 2.3.4.1.1, wordt berekend op de wijze die hierna wordt vermeld :
  1° voor de personenauto's, auto's voor dubbel gebruik, minibussen en motorfietsen wordt de belasting berekend op basis van de volgende tabel :
  

  
aantal pk aantal kW totaalbedrag van de belasting in euro
8 en minder 70 en minder 61,50
9 tot en met 10 71 tot en met 85 123
11 86 tot en met 100 495
12 tot en met 14 101 tot en met 110 867
15 111 tot en met 120 1239
16 tot en met 17 121 tot en met 155 2478
meer dan 17 meer dan 155 4957

Als het vermogen van eenzelfde motor, uitgedrukt in fiscale paardenkracht (pk) en in kilowatt (kW), aanleiding geeft tot de heffing van een verschillend belastingbedrag, is de belasting voor het hoogste bedrag verschuldigd;
  2° de belasting bedraagt 619 euro voor ultralichte motorluchtvaartuigen en 2478 euro voor alle andere luchtvaartuigen;
  3° de belasting bedraagt 2478 euro voor boten.
  § 2. [2 ...]2
  Voor de wegvoertuigen waarvan de motor, ook al is het maar gedeeltelijk of tijdelijk, aangedreven wordt met vloeibaar petroleumgas of andere vloeibare [2 koolwaterstofgassen]2, wordt de belasting, berekend conform paragraaf 1, 1°, verminderd met 298 euro, in voorkomend geval beperkt tot het bedrag van de belasting.
  Als de verbrandingsmotor van een wegvoertuig wordt aangedreven door verschillende brandstofsoorten en het voertuig daardoor in aanmerking komt voor een combinatie van de vermindering voor benzine en lpg, wordt de toe te kennen vermindering beperkt tot het hoogste bedrag dat voor dat aanslagjaar voor een bepaalde soort van brandstof van toepassing is.
  De wegvoertuigen waaraan het Europese homologatieattest 98/69B of 1999/102B of 1999/96B is toegekend, worden geacht te beantwoorden aan de emissienorm "euro 4".
  § 3. De belasting, berekend conform paragraaf 1, 1°, en paragraaf 2, wordt verminderd tot het percentage van de belasting voor de wegvoertuigen, vermeld in de volgende tabel, naargelang de voertuigen al ingeschreven zijn geweest in het binnenland of in het buitenland voor ze definitief ingevoerd werden :
  

  
Termijn Percentage
van 1 jaar tot 2 jaar 90
van 2 jaar tot 3 jaar 80
van 3 jaar tot 4 jaar 70
van 4 jaar tot 5 jaar 60
van 5 jaar tot 6 jaar 55
van 6 jaar tot 7 jaar 50
van 7 jaar tot 8 jaar 45
van 8 jaar tot 9 jaar 40
van 9 jaar tot 10 jaar 35
van 10 jaar tot 11 jaar 30
van 11 jaar tot 12 jaar 25
van 12 jaar tot 13 jaar 20
van 13 jaar tot 14 jaar 15
van 14 jaar tot 15 jaar 10


  In afwijking van het eerste lid bedraagt de belasting voor de voertuigen die vijftien jaar en meer ingeschreven geweest zijn 61,50 euro.
  Na toepassing van het eerste lid mag de belasting voor een voertuig niet minder dan 61,50 euro bedragen.
  De belasting, berekend conform paragraaf 1, 2° en 3°, wordt verminderd tot het percentage van de belasting voor de luchtvaartuigen en boten, vermeld in de volgende tabel, naargelang de luchtvaartuigen en boten al normaal ingeschreven geweest zijn of voorzien geweest zijn van een vlaggenbrief in het binnenland of in het buitenland voor ze definitief ingevoerd werden :
  

  
Termijn Percentage
van 1 jaar tot 2 jaar 90
van 2 jaar tot 3 jaar 80
van 3 jaar tot 4 jaar 70
van 4 jaar tot 5 jaar 60
van 5 jaar tot 6 jaar 50
van 6 jaar tot 7 jaar 40
van 7 jaar tot 8 jaar 30
van 8 jaar tot 9 jaar 20
van 9 jaar tot 10 jaar 10

[1
  In afwijking van het vierde lid bedraagt de belasting 61,50 euro voor :
   1° de luchtvaartuigen en boten die tien jaar of ouder zijn;
   2° de zelfbouwvliegtuigen, met uitzondering van de zelfbouwvliegtuigen die worden geacht in het verkeer te zijn gesteld door vennootschappen, autonome overheidsbedrijven en verenigingen zonder winstgevend doel, met leasingactiviteiten;
   3° de paramotoren, met uitzondering van de paramotoren die worden geacht in het verkeer te zijn gesteld door vennootschappen, autonome overheidsbedrijven en verenigingen zonder winstgevend doel, met leasingactiviteiten.]1
  ----------
  (1)<DVR 2015-07-17/22, art. 4, 009; Inwerkingtreding : 01-01-2015>
  (2)<DVR 2018-06-22/18, art. 11, 028; Inwerkingtreding : 01-01-2018>

  Art. 2.3.4.2.2. Overeenkomstig artikel 107 van het federale Wetboek van 23 november 1965 van de met inkomstenbelastingen gelijkgestelde belastingen, zijn de gemeenschappen, de gewesten, de provincies, de agglomeraties en de gemeenten niet gemachtigd om opcentiemen te heffen op de belasting op de inverkeerstelling.

  Afdeling 5. - Verminderingen

  Art. 2.3.5.0.1.[1 Voor voertuigen waarvan het belastbaar vermogen 11 fiscale paardenkracht te boven gaat en waarvan de motor, ook al is het maar gedeeltelijk of tijdelijk, aangedreven wordt met aardgas, wordt de belasting verminderd met vierduizend euro, in voorkomend geval beperkt tot het bedrag van de belasting als berekend overeenkomstig artikel 2.3.4.1.2 tot en met 2.3.4.1.4, maar zonder toepassing van de minimumbelasting, vermeld in artikel 2.3.4.1.3.
   Dit artikel is alleen van toepassing op de wegvoertuigen, vermeld in artikel 2.3.4.1.1.
   De vermindering, vermeld in het eerste lid, wordt toegekend tot en met 31 december 2020.]1
  ----------
  (1)<DVR 2017-06-16/10, art. 13, 023; Inwerkingtreding : 01-07-2017>

  Afdeling 6. - Vrijstellingen

  Art. 2.3.6.0.1.§ 1. Er wordt een vrijstelling van de belasting verleend voor :
  1° de luchtvaartuigen en de boten die uitsluitend gebruikt worden voor een openbare dienst van de staat, de gemeenschappen, de gewesten, de provincies, de agglomeraties, de federaties van gemeenten of de gemeenten;
  2° de voertuigen die uitsluitend gebruikt worden voor het vervoer van zieke of gewonde personen en, als het wegvoertuigen betreft, die ingeschreven zijn als ziekenauto's;
  3° de voertuigen die als persoonlijk vervoermiddel gebruikt worden door :
  a) de militaire of burgerlijke grootoorlogsinvaliden die een invaliditeitspensioen van ten minste 60 % genieten;
  b) de personen die volledig blind zijn, volledig verlamd zijn aan de bovenste ledematen of van wie de bovenste ledematen geamputeerd zijn, en de personen die aangetast zijn door een blijvende invaliditeit die rechtstreeks toe te schrijven is aan de onderste ledematen en ten minste 50 % bedraagt.
  De vrijstelling, vermeld in het eerste lid, 3°, is beperkt tot één personenauto per begunstigde en is afhankelijk van de voorlegging aan het bevoegde personeelslid van :
  1° een getuigschrift, uitgereikt door de overheid die het invaliditeitspensioen heeft toegekend, met de vermelding dat de betrokkene de hoedanigheid van grootoorlogsinvalide heeft en een invaliditeitspensioen van ten minste 60 % geniet;
  2° een invaliditeitsattest, uitgereikt door de FOD Sociale Zekerheid, met de vermelding dat de betrokkene recht heeft op vrijstelling van de verkeersbelasting, of dat hij is getroffen door volledige blindheid of volledige verlamming van de bovenste ledematen, of dat die ledematen geamputeerd zijn, of dat hij is aangetast door een blijvende invaliditeit die rechtstreeks toe te schrijven is aan de onderste ledematen en ten minste 50 % bedraagt.
  § 2. Er wordt ook een vrijstelling van de belasting verleend voor de wegvoertuigen, luchtvaartuigen en boten die binnen zes maanden na de inschrijving conform artikel 2.3.2.0.1, § 1, tweede en derde lid, of na de uitreiking van een vlaggenbrief conform artikel 2.3.2.0.1, § 1, vierde lid, worden overgebracht naar een andere staat van de Europese Economische Ruimte en daar onder een definitieve regeling worden ingeschreven of van een vlaggenbrief worden voorzien.
  De vrijstelling, vermeld in het eerste lid, is afhankelijk van de voorlegging van de volgende documenten :
  1° naargelang het geval, het bewijs van de afvoering van het wegvoertuig in het repertorium van het Directoraat-generaal Mobiliteit en Verkeersveiligheid, van de doorhaling van het luchtvaartuig in het Belgisch luchtvaartuigregister of van het terugzenden van de vlaggenbrief aan de autoriteit die hem heeft afgeleverd;
  2° het bewijs van de inschrijving van het wegvoertuig of het luchtvaartuig, of van de aflevering van een vlaggenbrief of een gelijkwaardig document, volgens een definitieve regeling, in de betrokken staat van de Europese Economische Ruimte.
  Als een wegvoertuig in een andere staat van de Europese Economische Ruimte door een beroepshandelaar uit de automobielsector geleverd wordt, kan het document, vermeld in het tweede lid, 2°, geldig worden vervangen door een afschrift van de factuur die de overdracht bekrachtigt, en het bewijs van betaling van die factuur.
  [1 § 3. Er wordt een vrijstelling van de belasting verleend voor de op afstand bestuurde luchtvaartuigsystemen.
   In het eerste lid wordt verstaan onder op afstand bestuurde luchtvaartuigsystemen, afgekort als `RPAS': luchtvaartuigsystemen als vermeld in artikel 1, eerste lid, 5°, van het koninklijk besluit van 10 april 2016 met betrekking tot het gebruik van op afstand bestuurde luchtvaartuigen in het Belgisch luchtruim.]1
  ----------
  (1)<DVR 2016-12-23/05, art. 22, 015; Inwerkingtreding : 01-01-2016>

  Art. 2.3.6.0.2.[1 Op voertuigen die uitsluitend aangedreven worden door een elektrische motor of waterstof wordt geen belasting geheven.
   [2 Dit artikel is alleen van toepassing op wegvoertuigen van natuurlijke personen en andere rechtspersonen dan vennootschappen, autonome overheidsbedrijven en verenigingen zonder winstgevend doel, met leasingactiviteiten.]2]1
  ----------
  (1)<DVR 2015-12-18/23, art. 122, 011; Inwerkingtreding : 01-01-2016>
  (2)<DVR 2018-12-21/04, art. 6, 038; Inwerkingtreding : 01-01-2019>

  Art. 2.3.6.0.3.[1 Er wordt tot en met 31 december 2020 geen belasting geheven op:
   1° voertuigen [2 waarvan het belastbaar vermogen 11 fiscale paardenkracht niet te boven gaat en]2 waarvan de motor, ook al is het maar gedeeltelijk of tijdelijk, aangedreven wordt met aardgas;
   2° plug-in hybride voertuigen met een maximale CO2-uitstoot van 50 gram per kilometer.
   Een plug-in hybride voertuig is een voertuig dat aangedreven wordt door een elektrische motor en een verbrandingsmotor waarvoor de energie geleverd wordt aan de elektrische motor door batterijen die volledig opgeladen kunnen worden via een aansluiting aan een externe energiebron buiten het voertuig.
   Dit artikel is alleen van toepassing op de wegvoertuigen, vermeld in artikel 2.3.4.1.1.]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij DVR 2015-12-18/23, art. 123, 011; Inwerkingtreding : 01-01-2016>
  (2)<DVR 2017-06-16/10, art. 14, 023; Inwerkingtreding : 01-07-2017>

  Afdeling 7. - Wijze van heffing

  Art. 2.3.7.0.1. De belasting wordt geheven in overeenstemming met de bepalingen van artikel 3.3.2.0.1, eerste lid, 4°.

  Hoofdstuk 4. - Kilometerheffing]1
  ----------
  (1)<DVR 2015-07-03/17, art. 13, 008; Inwerkingtreding : 01-04-2016 (zie BVR 2015-07-17/15, art. 4, 1°)>

  Afdeling 1. - Belastbaar voorwerp

  Art. 2.4.1.0.1. [1 Er wordt een kilometerheffing geheven op het gebruik dat een voertuig maakt van een niet-geconcedeerde weg.]1
  ----------
  (1)<DVR 2015-07-03/17, art. 14, 008; Inwerkingtreding : 01-04-2016 (zie BVR 2015-07-17/15, art. 4, 1°)>

  Art. 2.4.1.0.2.
  <Opgeheven bij DVR 2015-07-03/17, art. 15, 008; Inwerkingtreding : 01-04-2016 (zie BVR 2015-07-17/15, art. 4, 1°)>

Afdeling 2. - Belastingplichtigen

  Art. 2.4.2.0.1. [1 § 1. De belastingplichtige is degene die houder is van het voertuig. De houder van het voertuig is degene, hetzij :
   1° op naam van wie het kenteken van het voertuig is ingeschreven bij de overheid die belast is met de inschrijving van de voertuigen;
   2° op naam van wie het kenteken van het voertuig is ingeschreven bij het buitenlands geldende equivalent van de overheid die belast is met de inschrijving van de voertuigen;
   3° die het voertuig, waarvoor geen kenteken is ingeschreven bij de overheid die belast is met de inschrijving van de voertuigen of zijn equivalent in het buitenland, feitelijk ter beschikking heeft.
   Voor de toepassing van het eerste lid wordt, in geval van een samenstel van voertuigen, het kenteken van het motorvoertuig bedoeld.
   § 2. In afwijking van paragraaf 1, eerste lid, kan de houder van het voertuig, als het voertuig door de houder ervan bestendig of gewoonlijk ter beschikking is gesteld van een derde door verhuur, leasing of een andere overeenkomst, die derde na hun gezamenlijk akkoord, aanwijzen als de houder van het voertuig. De initiële houder van het voertuig blijft solidair aansprakelijk voor de goede uitvoering van de verplichtingen van de vermelde derde.
   De Vlaamse Regering kan de voorwaarden, beperkingen en nadere regels van deze mogelijkheid bepalen.]1
  ----------
  (1)<DVR 2015-07-03/17, art. 16, 008; Inwerkingtreding : 01-04-2016 (zie BVR 2015-07-17/15, art. 4, 1°)>

  Afdeling 3. - Belastbare grondslag

  Art. 2.4.3.0.1. [1 De heffing wordt vastgesteld op basis van het aantal kilometers die door een voertuig worden afgelegd en die geregistreerd worden conform artikel 3.3.1.0.13.]1
  ----------
  (1)<DVR 2015-07-03/17, art. 17, 008; Inwerkingtreding : 01-04-2016 (zie BVR 2015-07-17/15, art. 4, 1°)>

  Afdeling 4. - Tarieven

  Art. 2.4.4.0.1. [1 De heffing wordt vastgesteld met behulp van de volgende berekeningsformule :
   Σ Tz x Kz,
   z
   waarbij :
   1° Tz = het tarief, vermeld in artikel 2.4.4.0.2, dat van toepassing is in een bepaalde tariefzone voor kilometers afgelegd in een welbepaalde rijrichting, op een welbepaald moment, uitgedrukt in eurocent/kilometer en dat rekening houdt met de kost van onderhoud van de infrastructuur en met de externe kosten;
   2° Kz = het aantal aan te rekenen kilometers, vermeld in artikel 2.4.4.0.3, dat afgelegd wordt in elk van de tariefzones;
   3° z = de onderscheiden tariefzones, vermeld in artikel 1.1.0.0.2, vijfde lid, 5°.
   Gezien het tarief Tz kan variëren in de tijd en naargelang de rijrichting, zal Kz afzonderlijk worden berekend voor elke waarde van Tz die tijdens het gebruik van het betreffende wegsegment voorkomt.
   Voor de toepassing van deze afdeling wordt verstaan onder tariefzone : een begrensd wegsegment met een vast begin- en eindpunt waarop bij gebruik in een welbepaalde rijrichting op elk moment een eenduidig bepaald en afstandsgerelateerd tarief Tz van toepassing is.]1
  ----------
  (1)<DVR 2015-07-03/17, art. 18, 008; Inwerkingtreding : 01-04-2016 (zie BVR 2015-07-17/15, art. 4, 1°)>

  Art. 2.4.4.0.2.[1 De hoogte van het tarief Tz, vermeld in artikel 2.4.4.0.1, 1°, uitgedrukt in eurocent wordt als volgt bepaald :
   Tz = F x (Bt + a X A + b X G + c X En + d X Et + e X Ep + f X Ex),
   waarbij :
   1° F = factor, die 1 is voor de wegen of wegsegmenten, vermeld in punt 3°, die limitatief opgesomd zijn in bijlage 2, en 0 voor alle andere wegen of wegsegmenten;
   2° Bt = basistarief van de heffing, met waarde 11,3 eurocent;
   3° A = variatie in functie van wegtype W met een tarief dat hoger is dan nul eurocent, gedifferentieerd volgens de volgende tabel :
  

  
wegtype (W) A
autosnelwegen en autosnelwegenringen 0
overige gewestwegen met een tarief hoger dan nul eurocent 0
gemeentewegen met een tarief hoger dan nul eurocent 0

De wegen of wegsegmenten die onder een van de wegtypes, vermeld in de bovenstaande tabel, vallen, worden limitatief opgesomd in bijlage 2;
   4° G = variatie in functie van gewichtsklasse van het voertuig, gedifferentieerd volgens de volgende tabel :
  

  
maximaal toegestane totaalgewicht G
maximaal toegestane totaalgewicht hoger dan 3,5 ton enlager dan 12 ton - 5,0
maximaal toegestane totaalgewicht hoger dan of gelijk aan 12 ton en niet hoger dan of gelijk aan 32 ton 0
maximaal toegestane totaalgewicht hoger dan 32 ton 0,4

5° En = variatie in functie van de hoogte van de EURO-emissieklasse, vermeld in artikel 1.1.0.0.2, vijfde lid, 1;
   6° Et = variatie in functie van de tijd;
   7° Ep = variatie in functie van de plaats;
   8° Ex = toeslag in functie van de door het voertuig veroorzaakte externe kosten, in functie van de hoogte van de EURO-emissieklasse, gedifferentieerd volgens de volgende tabel :
  

  
EURO-emissieklasse Ex
EURO 5 of EEV of hoger 1,1
EURO 4 3.2
EURO 3 6,3
overige EURO-emissieklassen 8,3

Vanaf 1 januari 2018 wordt volgende tabel toegepast :
  

  
EURO-emissieklasse Ex
EURO 6 of hoger 1,1
EURO 5 of EEV 2,1
EURO 4 3.2
EURO 3 6,3
overige EURO-emissieklassen 8,3

9° a, b, c, d, e, en f = factoren die een invloed uitoefenen op het gewicht van respectievelijk A, G, En, Et, Ep en Ex, waarbij a = 1, b = 1, c = 0, d = 0, e = 0, en f = 1.
   De Vlaamse Regering wordt ertoe gemachtigd om de wegenlijst in bijlage 2, vermeld in het eerste lid, 1°, aan te passen aan :
   1° naamswijzigingen van de erin opgenomen wegen;
   2° wijzigingen van de categorisering van de erin opgenomen wegen.
   [3 Het tarief Tz, vermeld in het eerste lid, wordt]3 met ingang van 1 juli 2017 op 1 juli van elk jaar geïndexeerd met behulp van de coëfficiënt die wordt verkregen door het algemene indexcijfer van de consumptieprijzen van het Rijk, [3 voor de maand maart van het lopende jaar]3 te delen door het algemene indexcijfer van de consumptieprijzen van het Rijk voor de maand mei van het jaar 2016. Daarbij worden de volgende afrondingen toegepast :
   1° de coëfficiënt wordt afgerond op het hogere of lagere tienduizendste naargelang het cijfer van de honderdduizendsten al of niet vijf bereikt;
   2° na de toepassing van de coëfficiënt wordt het verkregen bedrag afgerond op [2 het hogere of lagere tiende van een eurocent naargelang het cijfer van het honderdste van de eurocent al dan niet vijf bereikt]2.
   Als de factor F, vermeld in het eerste lid, 1°, gelijk is aan 1, mag het tarief nooit lager zijn dan nul eurocent.]1

[2 Voor de toepassing van dit artikel worden de voertuigen die uitsluitend aangedreven worden door een elektrische motor of waterstof, beschouwd als behorend tot de EURO-emissieklasse 6.]2
  ----------
  (1)<DVR 2015-07-03/17, art. 19, 008; Inwerkingtreding : 01-04-2016 (zie BVR 2015-07-17/15, art. 4, 1°)>
  (2)<DVR 2016-12-23/05, art. 23, 015; Inwerkingtreding : 01-04-2016>
  (3)<DVR 2017-06-30/02, art. 3, 022; Inwerkingtreding : 01-07-2017>

  Art. 2.4.4.0.3. [1 Het aantal aan te rekenen kilometers Kz, vermeld in artikel 2.4.4.0.1, eerste lid, 2°, wordt bepaald volgens de volgende formule :
   Kz = KM x (100% - C)
   waarbij :
   1° KM = het aantal geregistreerde kilometers in de betreffende tariefzone waar op dat ogenblik een tarief Tz van toepassing is, gedurende een bepaalde kalenderdag;
   2° C = een correctiefactor ter compensatie van eventueel onnauwkeurige registratie, met waarde 1,5%.]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij DVR 2015-07-03/17, art. 20, 008; Inwerkingtreding : 01-04-2016 (zie BVR 2015-07-17/15, art. 4, 1°)>

  Art. 2.4.4.0.4. [1 Op de kilometerheffing mogen geen opcentiemen worden geheven.]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij DVR 2015-07-03/17, art. 21, 008; Inwerkingtreding : 01-04-2016 (zie BVR 2015-07-17/15, art. 4, 1°)>

  Art. 2.4.4.0.5. [1 In dit artikel wordt verstaan onder de niet voor de weg bestemde mobiele machines: de voertuigen, vermeld in artikel 1, 1°, van het koninklijk besluit van 5 december 2004 houdende vaststelling van productnormen voor inwendige verbrandingsmotoren in niet voor de weg bestemde mobiele machines.
   Als de EURO-emissieklasse van het voertuig niet bekend is, wordt die parameter voor de toepassing van artikel 2.4.4.0.2, eerste lid, 8°, bepaald overeenkomstig de volgende bepalingen:
   1° voor de niet voor de weg bestemde mobiele machines:
   a) als de emissienorm, uitgedrukt in `Fase' of in `Tier', is vermeld op de boorddocumenten van het voertuig, conform de volgende tabel:
  

  
emissienorm op boorddocumenten emissienorm op boorddocumenten EURO-emissieklasse voor de kilometerheffing
Fase I  Euro I
Fase II  Euro II
Fase IIIa Tier 3 Euro III
Fase IIIb Tier 4i Euro V
Fase IV Tier 4 Euro VI

b) als er geen emissienorm, uitgedrukt in `Fase' of in `Tier', is vermeld op de boorddocumenten van het voertuig, conform de volgende tabel:
  

  
datum van eerste inschrijving van het voertuig in het binnen- of buitenland EURO-emissieklasse voor de kilometerheffing
vanaf 1 januari 1999 tot en met 31 december 2001 Euro I
vanaf 1 januari 2002 tot en met 31 december 2005 Euro II
vanaf 1 januari 2006 tot en met 31 december 2010 Euro III
vanaf 1 januari 2011 tot en met 31 december 2013 Euro V
vanaf 1 januari 2014 Euro VI

2° voor vrachtwagens en andere voertuigen dan de voertuigen, vermeld in punt 1°, als er geen emissienorm is vermeld op de boorddocumenten van het voertuig:
  

  
datum van eerste inschrijving van het voertuig in het binnen- of buitenland EURO-emissieklasse voor de kilometerheffing
vanaf 1 oktober 1993 tot en met 30 september 1996 Euro I
vanaf 1 oktober 1996 tot en met 30 september 2001 Euro II
vanaf 1 oktober 2001 tot en met 30 september 2006 Euro III
vanaf 1 oktober 2006 tot en met 30 september 2009 Euro IV
vanaf 1 oktober 2009 tot en met 31 december 2013 Euro V
vanaf 1 januari 2014 Euro VI

.]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij DVR 2016-12-23/05, art. 24, 015; Inwerkingtreding : 01-04-2016>
  

  Afdeling 5. - Verminderingen

  Art. 2.4.5.0.1. [1 Voorbehouden voor toekomstig gebruik.]1
  ----------
  (1)<DVR 2015-07-03/17, art. 22, 008; Inwerkingtreding : 01-04-2016 (zie BVR 2015-07-17/15, art. 4, 1°)>

  Afdeling 6. - Vrijstellingen

  Art. 2.4.6.0.1. [1 § 1. Er wordt in een vrijstelling van de heffing voorzien voor de voertuigen die :
   1° in het Waalse Gewest of het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest overeenkomstig de aldaar geldende bepalingen zijn vrijgesteld van de heffing;
   2° uitsluitend gebruikt worden voor en door defensie, bescherming burgerbevolking, brandweer en politie en als zodanig uiterlijk herkenbaar zijn;
   3° speciaal en uitsluitend voor medische doeleinden zijn uitgerust en als zodanig uiterlijk herkenbaar zijn;
   4° de aard hebben van een landbouw-, tuinbouw- of bosbouwvoertuig, die slechts in beperkte mate worden gebruikt op de openbare weg in België en die uitsluitend worden gebruikt voor landbouw, tuinbouw, visteelt en bosbouwwerkzaamheden.
   § 2. De vrijstellingen, vermeld in paragraaf 1, 2° tot en met 4°, kunnen alleen worden toegekend als ze worden aangevraagd voor het begin van het belastbare tijdperk en zullen pas uitwerking hebben vanaf het belastbare tijdperk dat volgt op de toekenning van de vrijstelling.
   § 3. Als het adres, vermeld in de persoonsgegevens van de houder van het voertuig op het kentekenbewijs van het voertuig, zoals vastgesteld krachtens de wetgeving betreffende de inschrijving van voertuigen, gelegen is op het grondgebied van het Vlaamse Gewest, vraagt de houder van een voertuig als vermeld in paragraaf 1, 2° tot en met 4°, de betreffende vrijstelling aan bij de bevoegde entiteit van de Vlaamse administratie.
   Als het voertuig niet beschikt over een kentekenbewijs als vermeld in het eerste lid, vraagt de houder van een voertuig als vermeld in paragraaf 1, 2° tot en met 4°, van wie het domicilie of de maatschappelijke zetel gelegen is op het grondgebied van het Vlaamse Gewest, de betreffende vrijstelling aan bij de bevoegde entiteit van de Vlaamse administratie.
   De houder van een voertuig als vermeld in paragraaf 1, 2° tot en met 4°, dat niet in België moet zijn ingeschreven, dient de betreffende vrijstelling aan te vragen bij Viapass.
   § 4. De vrijstellingen vermeld in paragraaf 1 blijven gelden tot niet langer aan de voorwaarden van dit artikel is voldaan.
   § 5. De bevoegde entiteit van de Vlaamse administratie maakt onmiddellijk aan Viapass de voertuigen kenbaar die van een vrijstelling genieten ingevolge dit artikel.]1

----------
  (1)<DVR 2015-07-03/17, art. 23, 008; Inwerkingtreding : 01-04-2016 (zie BVR 2015-07-17/15, art. 4, 1°)>

  Afdeling 7. - Wijze van heffing

  Art. 2.4.7.0.1.[1 De heffing wordt geheven in overeenstemming met artikel 3.3.2.0.1, eerste lid, 10°, en tweede lid, 6°.]1
  ----------
  (1)<DVR 2015-07-03/17, art. 24, 008; Inwerkingtreding : 01-04-2016 (zie BVR 2015-07-17/15, art. 4, 1°)>

  Art. 2.4.7.0.2.
  <Opgeheven bij DVR 2015-07-03/17, art. 25, 008; Inwerkingtreding : 01-04-2016 (zie BVR 2015-07-17/15, art. 4, 1°)>{

  Hoofdstuk 5. [1 - Heffing ongeschikte en onbewoonbare woningen]1
  ----------
  (1)<DVR 2016-12-23/05, art. 25, 015; Inwerkingtreding : 01-01-2017>

  Afdeling 1. - Belastbaar voorwerp

  Art. 2.5.1.0.1.[1 § 1. De gemeenten zijn gemachtigd tot het heffen van een gemeentelijke heffing op ongeschikte en/of onbewoonbare woningen die opgenomen zijn in de inventaris, rekening houdend met het minimale voorschrift dat de minimumaanslag bedraagt:
   a) 500 euro voor een kamer als vermeld in artikel 2, § 1, eerste lid, 10° bis, van de Vlaamse Wooncode;
   b) 990 euro voor elke andere woning dan deze, vermeld in a).
   § 2. De gemeente geeft vóór 31 maart van het aanslagjaar aan de bevoegde entiteit van de Vlaamse administratie kennis over de heffing, vermeld in paragraaf 1, aan de hand van een voor eensluidend verklaard afschrift van het gemeenteraadsbesluit.
   § 3. Er wordt een gewestelijke heffing ongeschikte en onbewoonbare woningen geheven op ongeschikte en onbewoonbare woningen die opgenomen zijn in de inventaris. Als de gemeente een eigen heffingsreglement heeft dat minstens één van de minima voorziet vermeld in paragraaf 1, dan wordt in die gemeente de gewestelijke heffing ongeschikte en onbewoonbare woningen niet geheven.]1
  ----------
  (1)<DVR 2016-12-23/05, art. 26, 015; Inwerkingtreding : 01-01-2017>

  Afdeling 2. - Belastingplichtigen

  Art. 2.5.2.0.1.De belastingplichtige van de heffing is degene die de houder is van een van de volgende zakelijke rechten met betrekking tot [1 ...]1 een woning op het ogenblik dat elke opeenvolgende periode van twaalf maanden na de opname in de inventaris verstreken is :
  1° de volle eigendom;
  2° het recht van opstal of van erfpacht;
  3° het vruchtgebruik.
  Als een van de zakelijke rechten, vermeld in het eerste lid, in onverdeeldheid toebehoort aan meer dan één persoon, geldt de onverdeeldheid als belastingplichtige.
  Bij ontstentenis van de kennisgeving, vermeld in [1 artikel 29]1 van het decreet van 22 december 1995, aan de inventarisbeheerder en aan de bevoegde entiteit van de Vlaamse administratie, wordt de overdrager van het zakelijk recht, in afwijking van het eerste lid, als belastingplichtige beschouwd voor de eerstvolgende heffing die na de overdracht van het zakelijk recht ontstaat.
  ----------
  (1)<DVR 2016-12-23/05, art. 27, 015; Inwerkingtreding : 01-01-2017>

  Afdeling 3. - Belastbare grondslag

  Art. 2.5.3.0.1.De heffing wordt vastgesteld op basis van het kadastraal inkomen van [1 ...]1 de woning.
  ----------
  (1)<DVR 2016-12-23/05, art. 28, 015; Inwerkingtreding : 01-01-2017>

  Afdeling 4. - Tarieven

  Art. 2.5.4.0.1.De heffing wordt berekend volgens de volgende formule : KI * (P + 1).
  De parameters, vermeld in het eerste lid, worden gedefinieerd als volgt :
  1° KI = het kadastraal inkomen, vermeld in artikel 2.5.3.0.1, dat niet minder bedraagt dan 990 euro. Als zich verschillende gebouwen of woningen op een kadastraal perceel bevinden, staat KI voor het kadastraal inkomen van de grond en de opstanden van het hele perceel, vermenigvuldigd met een breuk waarin de teller gelijk is aan de oppervlakte van [1 ...]1 de geïnventariseerde woning, en de noemer gelijk is aan de totale oppervlakte van de gebouwen of de woningen die zich op het kadastraal perceel bevinden, en bedraagt het KI niet minder dan 990 euro;
  2° P = het aantal periodes van twaalf maanden dat het gebouw of de woning zonder onderbreking is opgenomen op de desbetreffende lijst in de inventaris, en dat niet meer bedraagt dan vier.
  [1 ...]1.
  ----------
  (1)<DVR 2016-12-23/05, art. 29, 015; Inwerkingtreding : 01-01-2017>

  Art. 2.5.4.0.2.[1 Met toepassing van artikel 464/1, 2°, van het federale WIB 92 mogen de provincies, de agglomeraties en de gemeenten opcentiemen heffen op de [2 heffing ongeschikte en onbewoonbare woningen]2.]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij DVR 2014-12-19/61, art. 11, 005; Inwerkingtreding : 01-01-2014>
  (2)<DVR 2016-12-23/05, art. 30, 015; Inwerkingtreding : 01-01-2017>

  Afdeling 5. - Verminderingen

  Art. 2.5.5.0.1. Voorbehouden voor toekomstig gebruik.

  Afdeling 6. - Vrijstellingen

  Art. 2.5.6.0.1.De houder van een zakelijk recht wordt vrijgesteld van de heffing als hij [1 ...]1 de woning volledig en uitsluitend gebruikt als zijn hoofdverblijfplaats en als hij niet over een andere woning beschikt.
  ----------
  (1)<DVR 2016-12-23/05, art. 28, 015; Inwerkingtreding : 01-01-2017>

  Art. 2.5.6.0.2.§ 1. De houder van een zakelijk recht wordt vrijgesteld van de heffing op :
  1° [2 ...]2 de woningen die binnen de grenzen liggen van een door de bevoegde overheid goedgekeurd onteigeningsplan of waarvoor geen stedenbouwkundige vergunning meer wordt afgeleverd omdat een onteigeningsplan wordt voorbereid;
  2° [1 ...]1
  3° [2 ...]2 de woningen die getroffen zijn door een ramp die zich heeft voorgedaan onafhankelijk van de wil van de belastingplichtige, gedurende een periode van twee jaar die volgt op de datum van de ramp;
  4° [2 ...]2 de woningen waarvoor het sociaal beheersrecht conform artikel 90, § 2 en § 3, van het decreet van 15 juli 1997 houdende de Vlaamse Wooncode, ingesteld is;
  5° de woningen waarvoor een renovatiecontract als vermeld in artikel 18, § 2, van het decreet van 15 juli 1997 houdende de Vlaamse Wooncode, gesloten is.
  Onder een ramp als vermeld in het eerste lid, 3°, wordt verstaan elke gebeurtenis die uiterlijk waarneembare schade veroorzaakt aan [2 ...]2 de woning, waardoor het gebruik of de bewoning van [2 ...]2 de woning geheel of ten dele onmogelijk wordt.
  § 2. Er wordt een vrijstelling van de heffing wegens overmacht verleend aan de houder van het zakelijk recht die aantoont dat de woning [3 ...]3 opgenomen blijft in de inventaris om redenen die onafhankelijk zijn van zijn wil. Die vrijstelling wordt verleend voor een termijn van één jaar, maar wordt jaarlijks verlengd als de overmacht aanhoudt.
  De Vlaamse Regering kan nadere regels vaststellen om de gevallen van overmacht te beoordelen en om de aanvang van de termijn van de vrijstelling te bepalen.
  ----------
  (1)<DVR 2015-07-17/22, art. 5, 009; Inwerkingtreding : 01-01-2016>
  (2)<DVR 2016-12-23/05, art. 31, 015; Inwerkingtreding : 01-01-2017>
  (3)<DVR 2016-12-23/05, art. 32, 015; Inwerkingtreding : 01-01-2017>

  Afdeling 7. - Wijze van heffing

  Art. 2.5.7.0.1.De heffing is verschuldigd als [1 ...]1 de woning gedurende twaalf opeenvolgende maanden is opgenomen in de inventaris.
  Zolang [1 ...]1 de woning niet is geschrapt uit de inventaris, blijft de heffing verschuldigd bij het verstrijken van elke opeenvolgende periode van twaalf maanden, conform artikel 2.5.4.0.1 en artikel 3.3.2.0.1, eerste lid, 6°, en tweede lid, 5°.
  ----------
  (1)<DVR 2016-12-23/05, art. 28, 015; Inwerkingtreding : 01-01-2017>

  Art. 2.5.7.0.2.Aan de verkrijger van een zakelijk recht als vermeld in artikel 2.5.2.0.1, wordt een opschorting van de heffing verleend gedurende een periode van twee jaar die volgt op de volledige overdracht van het gebouw of de woning, op voorwaarde dat in de loop van de voormelde periode geen nieuwe overdracht plaatsvindt, en zich een van de twee volgende gevallen voordoet :
  1° [1 ...]1 de woning wordt in de loop van de voormelde periode geschrapt uit de inventaris;
  2° bij het verstrijken van de voormelde periode loopt een periode van vrijstelling op grond van artikel 2.5.6.0.1 of 2.5.6.0.2, of loopt een periode van opschorting op grond van artikel 2.5.7.0.3, en die opschorting wordt achteraf niet ongedaan gemaakt.
  De opschorting, vermeld in het eerste lid, geldt niet voor de volgende overdrachten :
  1° de overdracht aan vennootschappen die door de overdrager rechtstreeks of onrechtstreeks in rechten of in feiten gecontroleerd worden;
  2° de overdracht die het gevolg is van een fusie, splitsing of een andere overgang onder algemene titel ;
  3° de overdracht aan bloed- en aanverwanten tot en met de derde graad, tenzij in geval van overdracht bij erfopvolging of testament.
  ----------
  (1)<DVR 2016-12-23/05, art. 28, 015; Inwerkingtreding : 01-01-2017>

  Art. 2.5.7.0.3.Er wordt een opschorting van de heffing verleend zodra de belastingplichtige een stedenbouwkundige vergunning, een schriftelijke bevestiging van de volledig bevonden aanvraag voor een stedenbouwkundige vergunning, opgemaakt door de gemeentelijke stedenbouwkundige ambtenaar, of een gedetailleerd renovatieschema voorlegt waaruit blijkt dat hij de nodige renovatiewerken gaat uitvoeren. Als de belastingplichtige tijdens de termijn van vier maanden na de kennisgeving van [1 het besluit tot ongeschikt- of onbewoonbaarverklaring, vermeld in artikel 27 van het decreet van 22 december 1995,]1 een stedenbouwkundige vergunning, een schriftelijke bevestiging van de volledig bevonden aanvraag voor een stedenbouwkundige vergunning, opgemaakt door de gemeentelijke stedenbouwkundige ambtenaar, of een gedetailleerd renovatieschema voorlegt en dat document dateert van voor [1 het besluit tot ongeschikt- of onbewoonbaarverklaring]1, op basis waarvan de inventarisatie van [1 ...]1 de woning gebeurt, dan gaat de opschorting in op de datum van de inventarisatie in plaats van op de datum waarop de stedenbouwkundige vergunning, de schriftelijke bevestiging van de volledig bevonden aanvraag voor een stedenbouwkundige vergunning, opgemaakt door de gemeentelijke stedenbouwkundige ambtenaar, of het gedetailleerde renovatieschema voorgelegd wordt.
  Het gedetailleerde renovatieschema moet de volgende stukken bevatten :
  1° een tekening of schets van [1 ...]1 de woning met aanduiding van de geplande werken;
  2° een volledige opsomming en korte beschrijving van alle geplande werken;
  3° een raming van de kosten van de geplande werken door middel van een van de volgende stukken :
  a) een offerte voor de levering en plaatsing van materialen door een aannemer;
  b) een offerte voor de levering van materialen als de werken in eigen beheer worden uitgevoerd;
  c) een combinatie van beide offertes;
  4° een fotoreportage van de [1 delen van de woning]1 die gerenoveerd worden.
  Voor de toepassing van de bepalingen van hoofdstuk VIII, afdeling 2, van het decreet van 22 december 1995 wordt sloop die gevolgd wordt door vervangingsbouw, gelijkgesteld met renovatiewerkzaamheden.
  De opschorting geldt voor de heffingen die verschuldigd zijn op de inventarisatiedata die in de periode van opschorting vallen.
  De periode van opschorting eindigt op het moment dat de renovatiewerkzaamheden beëindigd zijn. Ze kan niet langer duren dan vier jaar, tenzij de renovatiewerkzaamheden betrekking hebben op drie of meer gebouwen of woningen, of dermate omvangrijk zijn dat ze niet kunnen worden voltooid in vier jaar, in welke gevallen de maximale periode vijf jaar bedraagt.
  De opschorting wordt ongedaan gemaakt als de renovatiewerken die opgenomen zijn in de stedenbouwkundige vergunning of in het gedetailleerde renovatieschema, op het einde van de periode van opschorting niet beëindigd zijn, tenzij op dat ogenblik een periode van vrijstelling loopt met toepassing van artikel 2.5.6.0.1 of 2.5.6.0.2. De opschorting wordt ook ongedaan gemaakt als de aanvraag van een stedenbouwkundige vergunning geweigerd wordt. De opgeschorte heffingen zijn in die gevallen alsnog verschuldigd.
  Als de renovatiewerkzaamheden worden uitgevoerd door een sociale woonorganisatie, de gemeente of het Openbaar Centrum voor Maatschappelijk Welzijn, dan kan de termijn van vier of vijf jaar door de Vlaamse Regering worden verlengd op grond van een verslag over de voorbereiding of de vordering van de werkzaamheden.
  ----------
  (1)<DVR 2016-12-23/05, art. 33, 015; Inwerkingtreding : 01-01-2017>

  Hoofdstuk 6. - Leegstandsheffing bedrijfsruimten

  Afdeling 1. - Belastbaar voorwerp

  Art. 2.6.1.0.1. Er wordt een leegstandsheffing geheven op de bedrijfsruimten die opgenomen zijn in de inventaris.

  Afdeling 2. - Belastingplichtigen

  Art. 2.6.2.0.1. De belastingplichtige is degene die op 1 januari van het aanslagjaar eigenaar is van de bedrijfsgebouwen die onderworpen zijn aan de heffing.

  Afdeling 3. - Belastbare grondslag

  Art. 2.6.3.0.1. De heffing wordt vastgesteld op basis van het kadastraal inkomen van de gronden dat op 1 januari van het aanslagjaar bekend is, inclusief opstanden, van het perceel dat de leegstaande en/of verwaarloosde bedrijfsruimte uitmaakt, alsook voor de niet-landbouwbedrijven op basis van het kadastraal inkomen van alle aangrenzende percelen die één geheel ermee vormen en die behoren tot dezelfde eigenaar.

  Afdeling 4. - Tarieven

  Art. 2.6.4.0.1.De heffing wordt berekend volgens de volgende tabel, waarbij [1 de Algemene Administratie van de Patrimoniumdocumentatie]1 inkomen wordt verdeeld in schijven, die elk worden onderworpen aan een specifiek heffingspercentage :
  

  
schijf van het kadastraal inkomen in euro percentage van toepassing op het overeenstemmende gedeelte totaalbedrag van de heffing op het voorgaande gedeelte in euro
tot en met 12.350 150 /
van 12.351 tot en met 37.150 125 18.525
van 37.151 tot en met 74.350 100 49.525
vanaf 74.351 75 123.875

De heffing bedraagt nooit minder dan 3.700 euro.
  Voor de niet-landbouwbedrijven komt het bedrag van de heffing minstens overeen met een tarief van 2,47 euro/m2 oppervlakte van het grondvlak van het terrein, vastgelegd door de diensten van [1 de Algemene Administratie van de Patrimoniumdocumentatie]1. Zo niet geldt de laatste heffing als minimumtarief.
  ----------
  (1)<DVR 2014-12-19/61, art. 12, 005; Inwerkingtreding : 01-01-2015>

  Art. 2.6.4.0.2. [1 Met toepassing van artikel 464/1, 2°, van het federale WIB 92 mogen de provincies, de agglomeraties en de gemeenten opcentiemen heffen op de leegstandsheffing bedrijfsruimten.]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij DVR 2014-12-19/61, art. 13, 005; Inwerkingtreding : 01-01-2014>

  Afdeling 5. - Verminderingen

  Art. 2.6.5.0.1. Voorbehouden voor toekomstig gebruik.

  Afdeling 6. - Vrijstellingen

  Art. 2.6.6.0.1. Voorbehouden voor toekomstig gebruik.

  Afdeling 7. - Wijze van heffing

  Art. 2.6.7.0.1. De heffing is verschuldigd vanaf het kalenderjaar dat volgt op de derde opeenvolgende registratie in de inventaris voor geheel of gedeeltelijk leegstaande en/of verwaarloosde bedrijfsruimten.

  Onderafdeling 1. - Opschorting door een vernieuwing, al of niet gekoppeld aan de beëindiging van de leegstand

  Art. 2.6.7.1.1. Er wordt een opschorting van de heffing verleend voor de bedrijfsruimten waarvoor uiterlijk op 31 december van het kalenderjaar dat voorafgaat aan het aanslagjaar, een vernieuwingsvoorstel wordt ingediend, voor zover wordt voldaan aan de voorwaarden voor indiening en aanvaarding van dat voorstel, bepaald met toepassing van het vierde lid.
  De opschorting blijft beperkt tot een termijn van twee jaar vanaf de betekening van het vernieuwingsvoorstel aan het departement. Tijdens die periode moet ook de eventuele leegstand zijn beëindigd.
  Het departement kan eenmalig een verlenging van de opschortingstermijn toestaan met hoogstens twee jaar als :
  1° de aanvraag tot subsidiëring met toepassing van artikel 42, § 1, van het decreet van 19 april 1995 wegens budgettaire redenen niet kan worden ingewilligd;
  2° de aanvaarde vernieuwing dermate buitengewone werkzaamheden omvat dat ze niet kan worden voltooid binnen de opschortingstermijn, vermeld in het tweede lid;
  3° de aanvaarde vernieuwing vanwege economische, ruimtelijke, juridische of (milieu)technische redenen dermate complex is dat ze niet kan worden voltooid binnen de opschortingstermijn, vermeld in het tweede lid.
  De Vlaamse Regering bepaalt de regels voor de indiening en aanvaarding van het vernieuwingsvoorstel.

  Art. 2.6.7.1.2. In de inventaris worden de datum van de indiening van het aanvaarde vernieuwingsvoorstel en de opschortingstermijn vermeld.

  Onderafdeling 2. - Opschorting ingevolge een definitief gesloten brownfieldconvenant

  Art. 2.6.7.2.1. Er kan een opschorting van de heffing worden verleend op verzoek van de eigenaar(s) voor de bedrijfsruimten die het voorwerp uitmaken van een brownfieldconvenant, definitief gesloten conform hoofdstuk III van het decreet van 30 maart 2007 betreffende de Brownfieldconvenanten, voor zover de eigenaar actor is bij het brownfieldconvenant.
  De opschorting kan worden toegekend voor een termijn die loopt vanaf de datum van de aanvraag van de opschorting tot aan de beëindiging van het brownfieldconvenant, met toepassing van artikel 10, § 3, van het decreet van 30 maart 2007 betreffende de Brownfieldconvenanten. Op het einde van die periode moet de verwaarlozing en/of de leegstand zijn beëindigd.
  De opschorting wordt verleend voor de bedrijfsruimten waarvoor uiterlijk op 31 december van het kalenderjaar dat voorafgaat aan het aanslagjaar, een aanvraag tot opschorting met toepassing van het eerste en het tweede lid wordt ingediend die leidt tot een aanvaarding van het verzoek tot opschorting.
  De Vlaamse Regering bepaalt de regels voor de indiening en aanvaarding van het verzoek tot opschorting.

  Onderafdeling 3. - Opschorting ingevolge een conform verklaard bodemsaneringsproject

  Art. 2.6.7.3.1. Er kan een opschorting van de heffing worden verleend op verzoek van de eigenaar(s) voor de bedrijfsruimten die het voorwerp uitmaken van een door de OVAM conform verklaard bodemsaneringsproject, met toepassing van titel III, hoofdstuk V, van het decreet van 27 oktober 2006 betreffende de bodemsanering en de bodembescherming.
  De opschorting kan worden toegekend voor een termijn die loopt vanaf de datum van de aanvraag van de opschorting tot aan de datum van de eindverklaring van de OVAM, vermeld in artikel 68 van het decreet van 27 oktober 2006 betreffende de bodemsanering en de bodembescherming, met een maximumtermijn van vijf jaar vanaf de conformverklaring van het bodemsaneringsproject. Op het einde van die periode moet de verwaarlozing en/of de leegstand zijn beëindigd.
  De opschorting wordt verleend voor de bedrijfsruimten waarvoor uiterlijk op 31 december van het kalenderjaar dat voorafgaat aan het aanslagjaar, een aanvraag tot opschorting met toepassing van het eerste en het tweede lid wordt ingediend die leidt tot een aanvaarding van het verzoek tot opschorting.
  De Vlaamse Regering bepaalt de regels voor de indiening en aanvaarding van het verzoek tot opschorting.

  Onderafdeling 4. - Opschorting voor nieuwe eigenaars

  Art. 2.6.7.4.1. Nieuwe eigenaars van een geregistreerde bedrijfsruimte krijgen een opschorting van de heffing gedurende twee jaar vanaf de datum van het verlijden van de authentieke akte van overdracht. Als er verschillende eigenaars voor dezelfde bedrijfsruimte zijn, en minstens één ervan een nieuwe eigenaar is, gelet op de overdracht aan hem door erfopvolging of testament, krijgen ze een opschorting van de heffing gedurende twee jaar vanaf de datum van eigendomsoverdracht door erfopvolging of testament.
  De volgende rechtspersonen of natuurlijke personen worden niet beschouwd als nieuwe eigenaar :
  1° de vennootschappen waarin de vroegere eigenaars van de bedrijfsruimte rechtstreeks of onrechtstreeks participeren voor meer dan 10 % van het aandeelhouderschap;
  2° bloed- en aanverwanten tot en met de derde graad, tenzij in geval van overdracht door erfopvolging of testament.

  Art. 2.6.7.4.2. In de inventaris worden de datum van het verlijden van de authentieke akte en de opschortingstermijn vermeld.

  Onderafdeling 5. - Opschorting voor leegstaande maar niet-verwaarloosde bedrijfsruimten

  Art. 2.6.7.5.1. Er kan een opschorting van de heffing worden verleend op verzoek van de eigenaars voor de bedrijfsruimten die ten gevolge van bedrijfseconomische omstandigheden geheel of gedeeltelijk leegstaan, maar die in een goede staat worden gehouden zodat ze onmiddellijk opnieuw in gebruik genomen kunnen worden.
  De opschorting blijft beperkt tot een termijn van een jaar. Tijdens die periode moet de leegstand zijn beëindigd.
  De opschorting wordt verleend voor de bedrijfsruimten waarvoor uiterlijk op 31 december van het kalenderjaar dat voorafgaat aan het aanslagjaar, een aanvraag tot opschorting met toepassing van het eerste en het tweede lid wordt ingediend die leidt tot een aanvaarding van het verzoek tot opschorting.
  De Vlaamse Regering bepaalt de regels voor de indiening en aanvaarding van het verzoek tot opschorting.

  Art. 2.6.7.5.2. In de inventaris worden de datum van de indiening van de aanvaarde opschortingsaanvraag en de opschortingstermijn vermeld.

  Onderafdeling 6. - Opschorting ingevolge staving van de beëindiging van de vernieuwing en/of de leegstand

  Art. 2.6.7.6.1. Als de eigenaar tijdens de toegestane opschortingstermijn een aanvraag tot schrapping uit de inventaris heeft ingediend conform artikel 12 van het decreet van 19 april 1995, krijgt hij een opschorting van de heffing gedurende de termijn dat zijn aanvraag, conform artikel 13 van het decreet van 19 april 1995, onderzocht wordt. Als de aanvraag tot schrapping geweigerd wordt, heeft die beslissing rechtsgevolgen vanaf de datum van de kennisgeving, vermeld in artikel 12 van het voormelde decreet.

  Onderafdeling 7. - Sancties

  Art. 2.6.7.7.1.Als de opschortingen, verleend met toepassing van artikel 2.6.7.1.1, 2.6.7.2.1, 2.6.7.3.1, 2.6.7.4.1 en 2.6.7.5.1, bij het verstrijken van de toegestane opschortingstermijnen niet resulteren in een beëindiging van de verwaarlozing en/of de leegstand, is de opgeschorte heffing alsnog verschuldigd voor die termijnen, vermeerderd met de interesten.
  Als de eigenaar, aan wie een opschorting is verleend met toepassing van artikel 2.6.7.1.1, 2.6.7.2.1, 2.6.7.3.1, 2.6.7.4.1 of 2.6.7.5.1, overgaat tot overdracht van de aan de heffing onderworpen bedrijfsruimte, is de opgeschorte heffing, vermeerderd met de interesten, alsnog verschuldigd voor de termijn waarvoor de opschorting is verkregen, tot de datum van de authentieke akte van overdracht.
  [1 In afwijking van het tweede lid, blijft de opschorting van de heffing behouden als de eigenaar, aan wie een opschorting is verleend met toepassing van artikel 2.6.7.2.1, overgaat tot overdracht van de aan de heffing onderworpen bedrijfsruimte aan een actor bij het brownfieldconvenant.]1
  Als de eigenaar, aan wie een opschorting is verleend met toepassing van artikel 2.6.7.6.1, overgaat tot overdracht van de aan de heffing onderworpen bedrijfsruimte, is de opgeschorte heffing, vermeerderd met de interesten, alsnog verschuldigd vanaf de datum van de kennisgeving, vermeld in artikel 12 van het decreet van 19 april 1995.
  ----------
  (1)<DVR 2018-07-06/20, art. 20, 032; Inwerkingtreding : 21-07-2012>

  Hoofdstuk 7. - [1 Erfbelasting]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij DVR 2014-12-19/97, art. 3, 006; Inwerkingtreding : 01-01-2015>

  Afdeling 1. - [1 Belastbaar voorwerp]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij DVR 2014-12-19/97, art. 4, 006; Inwerkingtreding : 01-01-2015>

  Art. 2.7.1.0.1. [1 Overeenkomstig artikel 3, 4°, van de bijzondere wet van 16 januari 1989 betreffende de financiering van de gemeenschappen en de gewesten wordt het successierecht en het recht van overgang gevestigd op de goederen die overgaan ingevolge het overlijden.]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij DVR 2014-12-19/97, art. 5, 006; Inwerkingtreding : 01-01-2015>

  Art. 2.7.1.0.2.[1 De erfbelasting is verschuldigd ongeacht of de verkrijging gebeurt ingevolge wettelijke devolutie, uiterste wilsbeschikking of contractuele erfstelling.]1
  [2 Naast het geval, vermeld in het eerste lid, is de erfbelasting ook verschuldigd op een verkrijging van vruchtgebruik met toepassing van artikel 858bis [3 ...]3 van het Burgerlijk Wetboek, tenzij de langstlevende echtgenoot of wettelijk samenwonende aan het vruchtgebruik heeft verzaakt [3 conform paragraaf 6]3 van het voormelde artikel.]2
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij DVR 2014-12-19/97, art. 6, 006; Inwerkingtreding : 01-01-2015>
  (2)<DVR 2018-07-06/03, art. 2, 033; Inwerkingtreding : 01-09-2018>
  (3)<DVR 2018-12-21/02, art. 7, 037; Inwerkingtreding : 07-01-2019>

  Art. 2.7.1.0.3.[1 Worden met het oog op de heffing van het successierecht als legaten beschouwd :
   1° alle schulden die uitsluitend bij uiterste wil erkend zijn;
   2° alle schuldbekentenissen van sommen die voorkomen als een contract onder bezwarende titel, maar die een bevoordeling inhouden en die niet aan de schenkbelasting of het registratierecht op de schenkingen zijn onderworpen;
   3° alle schenkingen van roerende goederen die de erflater heeft gedaan onder de opschortende voorwaarde of termijn die vervuld wordt ingevolge het overlijden van de schenker.]1
  [2 Het eerste lid, 3°, is niet van toepassing bij de realisatie van een beding van terugval die de erflater heeft bedongen in het voordeel van een derde voor een vruchtgebruik dat de erflater zich heeft voorbehouden.]2
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij DVR 2014-12-19/97, art. 7, 006; Inwerkingtreding : 01-01-2015>
  (2)<DVR 2018-07-06/03, art. 3, 033; Inwerkingtreding : 01-09-2018>

  Art. 2.7.1.0.4.[1 De langstlevende echtgenoot die ingevolge een huwelijksovereenkomst die niet aan de regels voor de schenkingen is onderworpen, [2 ...]2 meer dan de helft van de gemeenschap toegekend krijgt, wordt voor de heffing van de erfbelasting gelijkgesteld met de langstlevende echtgenoot die, als niet wordt afgeweken van de gelijke verdeling van de gemeenschap, het deel van de andere echtgenoot krachtens een schenking onder de levenden of een uiterste wilsbeschikking geheel of gedeeltelijk verkrijgt.]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij DVR 2014-12-19/97, art. 8, 006; Inwerkingtreding : 01-01-2015>
  (2)<DVR 2015-07-03/03, art. 24, 007; Inwerkingtreding : 01-07-2015>

  Art. 2.7.1.0.5. [1 § 1. De goederen waarvan de bevoegde entiteit van de Vlaamse administratie het bewijs levert dat de erflater er kosteloos over beschikte gedurende de drie jaar vóór zijn overlijden, worden geacht deel uit te maken van zijn nalatenschap, tenzij de bevoordeling onderworpen is aan de schenkbelasting of het registratierecht op de schenkingen onder de levenden. De erfgenamen of legatarissen hebben een verhaalsrecht ten aanzien van de begiftigde voor de successierechten die op die goederen voldaan zijn.
   Als door de bevoegde entiteit van de Vlaamse administratie of door de erfgenamen en legatarissen bewezen wordt dat de bevoordeling toekwam aan een bepaalde persoon, wordt die als legataris van de geschonken zaak beschouwd.
   Voor de toepassing van deze paragraaf wordt een bevoordeling waarvoor een vrijstelling van de schenkbelasting is toegepast, gelijkgesteld met een bevoordeling die aan de schenkbelasting of aan het registratierecht op de schenkingen onder de levenden is onderworpen.
   § 2. De termijn van drie jaar, vermeld in paragraaf 1, wordt evenwel op zeven jaar gebracht als het gaat om aandelen en activa als vermeld in artikel 2.8.6.0.3.
   De termijn van zeven jaar, vermeld in het eerste lid, wordt teruggebracht tot drie jaar als de kosteloze beschikking dagtekent van voor 1 januari 2012.]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij DVR 2014-12-19/97, art. 9, 006; Inwerkingtreding : 01-01-2015>

  Art. 2.7.1.0.6.[1 § 1. [2 De sommen, renten of waarden die kosteloos aan een persoon kunnen toekomen bij het overlijden van de erflater, ingevolge een contract dat een door de erflater of door een derde in het voordeel van die persoon gemaakt beding bevat, worden geacht als legaat te zijn verkregen door die persoon.
   Ook de sommen, renten of waarden die kosteloos aan een persoon zijn toegekomen, binnen drie jaar vóór het overlijden van de erflater, ingevolge een contract dat een door de erflater in het voordeel van die persoon gemaakt beding bevat, worden geacht als legaat te zijn verkregen door die persoon.
   Als de erflater een contract had afgesloten op grond waarvan er pas een uitkering kan gebeuren na het overlijden van de erflater, worden de sommen, renten of waarden geacht kosteloos te worden verkregen, en geacht als legaat te zijn verkregen, naar gelang van het geval:
   1° door de persoon die het levensverzekeringscontract afkoopt na het overlijden van de erflater, op het tijdstip van de afkoop;
   2° door de persoon die de sommen, renten of waarden effectief verkrijgt na het overlijden van de erflater, op het tijdstip dat er een uitkering gebeurt.
   Wanneer een overledene gehuwd was onder een stelsel van gemeenschap, gelden de bepalingen van het eerste, het tweede en het derde lid ook voor de sommen, renten of waarden die kosteloos aan de langstlevende echtgenoot toekomen ingevolge een levensverzekeringscontract of een contract met vestiging van rente dat door die langstlevende echtgenoot is gesloten]2.
   § 2. Dit artikel is van toepassing op de sommen of waarden die kosteloos aan een persoon kunnen toekomen bij het overlijden van degene die een levensverzekering aan order of aan toonder is aangegaan.
   De persoon, vermeld in dit artikel, wordt vermoed kosteloos te ontvangen, behoudens tegenbewijs. [2 Dit tegenbewijs kan niet worden geleverd door aan te tonen dat het contract werd geschonken aan deze persoon.]2
   Dit artikel is niet van toepassing op :
   1° de sommen, renten of waarden die verkregen zijn ingevolge een beding dat aan de schenkbelasting of het registratierecht op de schenkingen onder de levenden is onderworpen;
   2° de renten en kapitalen die gevestigd zijn ter uitvoering van een wettelijke verplichting;
   3° de renten en kapitalen die door tussenkomst van de werkgever van de erflater gevestigd zijn in het voordeel van de langstlevende echtgenoot van de erflater of zijn kinderen die de leeftijd van eenentwintig jaar niet hebben bereikt, tot uitvoering van hetzij een groepsverzekeringscontract, onderschreven ingevolge een bindend reglement van de onderneming dat beantwoordt aan de voorwaarden, gesteld door de reglementering betreffende de controle van dergelijke contracten, hetzij het bindend reglement van een voorzorgsfonds, opgericht in het voordeel van het personeel van de onderneming;
   4° de sommen, renten of waarden die bij het overlijden van de erflater worden verkregen ingevolge een contract dat een door een derde in het voordeel van de verkrijger gemaakt beding bevat, als er bewezen wordt dat die derde kosteloos in het voordeel van de verkrijger heeft bedongen.]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij DVR 2014-12-19/97, art. 10, 006; Inwerkingtreding : 01-01-2015>
  (2)<DVR 2016-12-23/05, art. 34, 015; Inwerkingtreding : 01-01-2017>

  Art. 2.7.1.0.7. [1 De roerende en onroerende goederen die wat betreft het vruchtgebruik door de erflater en wat betreft de blote eigendom door een derde onder bezwarende titel zijn verkregen, worden, voor de heffing van de erfbelasting, geacht in volle eigendom in zijn nalatenschap aanwezig te zijn en als legaat door die derde te zijn verkregen. Hetzelfde geldt voor effecten aan toonder of op naam en voor geldbeleggingen die voor het vruchtgebruik ingeschreven zijn op naam van de erflater en voor de blote eigendom op naam van een derde.
   Het eerste lid is niet van toepassing :
   1° als wordt bewezen dat de verkrijging geen bedekte bevoordeling van de derde is;
   2° als de erflater langer heeft geleefd dan de derde of als de derde niet behoort tot de personen, vermeld in artikel 2.7.3.4.4, eerste, tweede en derde lid.]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij DVR 2014-12-19/97, art. 11, 006; Inwerkingtreding : 01-01-2015>

  Art. 2.7.1.0.8. [1 Als aan de erflater bij een verdeling of bij een met verdeling gelijkgestelde akte een vruchtgebruik, een rente of elk ander recht toebedeeld is dat vervalt ingevolge zijn overlijden, wordt de verrichting voor de heffing van de erfbelasting gelijkgesteld met een legaat in het voordeel van de deelgenoten van de erflater, de verkrijgers van de blote eigendom of de personen die belast zijn met het levenslange recht, in de mate waarin die deelgenoten, verkrijgers of personen boven hun deel in de onverdeeldheid goederen in eigendom hebben verkregen.
   Het eerste lid is niet van toepassing als :
   1° wordt bewezen dat de verrichting geen bedekte bevoordeling is van de verscheidene deelgenoten in de onverdeeldheid;
   2° de erflater langer heeft geleefd dan de deelgenoot in de onverdeeldheid, de verkrijger van de blote eigendom of de persoon die belast is met het levenslange recht, of als de voormelde personen niet behoren tot de personen, vermeld in artikel 2.7.3.4.4, eerste, tweede en derde lid.]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij DVR 2014-12-19/97, art. 12, 006; Inwerkingtreding : 01-01-2015>

  Art. 2.7.1.0.9. [1 Als de roerende of onroerende goederen door de erflater onder bezwarende titel zijn verkocht of afgestaan, worden ze voor de heffing van de erfbelasting geacht deel uit te maken van zijn nalatenschap en als legaat te zijn verkregen door de verkrijger of door de overnemer als de erflater zich volgens de overeenkomst ofwel een vruchtgebruik heeft voorbehouden op de afgestane goederen of op andere goederen, ofwel de afstand van om het even welk ander levenslange recht in zijn voordeel heeft bedongen.
   Het eerste lid is niet van toepassing als :
   1° wordt bewezen dat de verkoop of de afstand geen bedekte bevoordeling is van de verkrijger of van de overnemer;
   2° de erflater langer heeft geleefd dan de verkrijger of de overnemer, of als de verkrijger of de overnemer niet behoort tot de personen, vermeld in artikel 2.7.3.4.4, eerste, tweede en derde lid.]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij DVR 2014-12-19/97, art. 13, 006; Inwerkingtreding : 01-01-2015>

  Art. 2.7.1.0.10. [1 De in een testament of andere beschikking die uitwerking heeft bij het overlijden van de beschikker, door de erflater aan zijn erfgenaam, legataris of begiftigde opgelegde verbintenis om aan een met naam aangeduide derde een kapitaal of een rente te geven die in natura in de nalatenschap niet bestaat en in geld of in vervangbare zaken betaalbaar is, wordt voor de heffing van het successierecht als legaat beschouwd.
   De aan een erfgenaam, legataris of begiftigde opgelegde verbintenis om ten bate van een ander iets te doen en in het bijzonder de last, opgelegd aan de erfgenamen, legatarissen of begiftigden, om de rechten en kosten die verbonden zijn aan een aan een andere persoon gedaan legaat, te dragen, worden niet beschouwd als legaat.]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij DVR 2014-12-19/97, art. 14, 006; Inwerkingtreding : 01-01-2015>

  Afdeling 2. - [1 Belastingplichtigen]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij DVR 2014-12-19/97, art. 15, 006; Inwerkingtreding : 01-01-2015>

  Art. 2.7.2.0.1.[1 De belastingplichtige is degene die erfgenaam, legataris of begiftigde is [2 of, in voorkomend geval, de onbeheerde nalatenschap]2.]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij DVR 2014-12-19/97, art. 16, 006; Inwerkingtreding : 01-01-2015>
  (2)<DVR 2017-12-08/05, art. 13, 024; Inwerkingtreding : 24-12-2017>

  Afdeling 3. [1 Belastbare grondslag]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij DVR 2014-12-19/97, art. 17, 006; Inwerkingtreding : 01-01-2015>

  Onderafdeling 1. - [1 Algemeen]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij DVR 2014-12-19/97, art. 18, 006; Inwerkingtreding : 01-01-2015>

  Art. 2.7.3.1.1.[1 Het successierecht wordt gevestigd op de waarde van alles wat uit de nalatenschap van een rijksinwoner wordt verkregen overeenkomstig afdeling 1 van dit hoofdstuk.
   Het recht van overgang wordt gevestigd op de waarde van de onroerende goederen die in België liggen en verkregen werden overeenkomstig afdeling 1 van dit hoofdstuk uit de nalatenschap van iemand die geen rijksinwoner is.]1
  ----------
  (1)<DVR 2018-07-06/03, art. 4, 033; Inwerkingtreding : 01-09-2018>

  Onderafdeling 2. - [1 Actief van de nalatenschap]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij DVR 2014-12-19/97, art. 20, 006; Inwerkingtreding : 01-01-2015>

  Art. 2.7.3.2.1. [1 Het successierecht wordt vastgesteld op basis van de belastbare waarde van alle goederen die toebehoren aan de erflater, waar ze zich ook bevinden, na aftrek van de schulden, vermeld in onderafdeling 4, en met behoud van de toepassing van artikel 2.7.3.2.7 en artikel 2.7.5.0.4.]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij DVR 2014-12-19/97, art. 21, 006; Inwerkingtreding : 01-01-2015>

  Art. 2.7.3.2.2.[1 Het recht van overgang wordt vastgesteld op basis van de belastbare waarde van alle onroerende goederen die overeenkomstig artikel 5, § 2, 4°, tweede streepje, van de bijzondere wet van 16 januari 1989 betreffende de financiering van de Gemeenschappen en de Gewesten in het Vlaamse Gewest te lokaliseren zijn, en die aan de erflater toebehoren, na aftrek van de schulden, [2 vermeld in artikel 2.7.3.4.1, tweede lid]2.]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij DVR 2014-12-19/97, art. 22, 006; Inwerkingtreding : 01-01-2015>
  (2)<DVR 2015-07-17/22, art. 6, 009; Inwerkingtreding : 14-08-2015>

  Art. 2.7.3.2.3. [1 Als een erfgenaam, legataris of begiftigde het vruchtgebruik of de blote eigendom verkrijgt van een goed waarvan de volle eigendom van de nalatenschap afhangt, of als hij een door de erflater gevestigde periodieke rente of pensioen ontvangt, wordt de belastbare grondslag bepaald overeenkomstig de regels, vermeld in artikel 2.7.3.3.2 en artikel 2.7.3.3.3.
   Als de erflater de rente of prestatie voor een onbepaalde tijd ten voordele van een rechtspersoon vestigt, bedraagt de belastbare grondslag twintig keer het jaarlijkse bedrag.
   Als die rente of prestatie voor een bepaalde tijd is gevestigd, is de belastbare grondslag gelijk aan de gekapitaliseerde waarde op de dag van het overlijden van de jaarlijkse rente of prestatie tegen een rentevoet van 4%, waarbij die waarde niet meer mag bedragen dan twintig keer het jaarlijkse bedrag van de rente of prestatie.
   Dezelfde regels zijn van toepassing als het gaat om een vruchtgebruik, gevestigd ten voordele van een rechtspersoon, met dien verstande dat voor de grondslag van de raming de jaarlijkse opbrengst van de goederen bepaald wordt overeenkomstig artikel 2.7.3.3.2, eerste lid, 6°.
   Als de lijfrente, de levenslange prestatie of het vruchtgebruik gezamenlijk of achtereenvolgens ten voordele van twee of meer natuurlijke personen wordt gevestigd met een beding van aanwas, wordt de belastbare grondslag voor de heffing van de opvorderbare belasting op het ogenblik van de aanwas bepaald volgens de leeftijd die de genieter op dat ogenblik heeft.]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij DVR 2014-12-19/97, art. 23, 006; Inwerkingtreding : 01-01-2015>

  Art. 2.7.3.2.4.[1 Met behoud van de toepassing van artikel 2.7.3.2.1 bestaat er voor de heffing van de erfbelasting, alsook van de belastingverhogingen, tot bewijs van het tegendeel, een wettelijk vermoeden van eigendom in de volgende gevallen :
   1° voor onroerende goederen : als ze voor de onroerende voorheffing zijn ingekohierd op naam van de erflater en die daarvoor een betaling heeft gedaan;
   2° voor hypothecaire renten en schuldvorderingen : als ze op naam van de erflater in [2 de registers van de hypothecaire openbaarmaking of in de registers van het Belgisch Scheepsregister]2 zijn ingeschreven;
   3° voor de schuldvorderingen op de Belgische Staat : als ze op naam van de erflater in het Grootboek van de Staatsschuld zijn opgenomen;
   4° voor obligaties, aandelen of andere schuldvorderingen op provincies, gemeenten, openbare instellingen en stichtingen van openbaar nut van het Rijk : als ze op naam van de erflater in hun registers en rekeningen ingeschreven zijn.]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij DVR 2014-12-19/97, art. 24, 006; Inwerkingtreding : 01-01-2015>
  (2)<DVR 2018-12-21/02, art. 8, 037; Inwerkingtreding : 07-01-2019>

  Art. 2.7.3.2.5. [1 Voor de heffing van de erfbelasting, alsook van de belastingverhoging wegens het gebrek aan aangifte of het verzuim bepaalde goederen aan te geven, is het bestaan van een roerend of onroerend goed, tot bewijs van het tegendeel, voldoende vastgesteld bij de akten van eigendom die ten bate van de erflater of op zijn verzoek zijn verleden.
   Voor de roerende goederen, vermeld in artikel 2279 van het Burgerlijk Wetboek, bestaat het wettelijk vermoeden, vermeld in het eerste lid, alleen op voorwaarde dat de akten niet sinds meer dan drie jaar vóór het overlijden bestaan. Als dat wel het geval is, kan het bestaan van die akten door de bevoegde entiteit van de Vlaamse administratie alleen ingeroepen worden als een element van vermoeden als vermeld in artikel 3.17.0.0.1.]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij DVR 2014-12-19/97, art. 25, 006; Inwerkingtreding : 01-01-2015>

  Art. 2.7.3.2.6. [1 Voor de heffing van het successierecht wordt het volgende, behoudens tegenbewijs, geacht aan de erflater voor een gelijk deel per hoofd toe te behoren :
   1° de effecten, sommen, waarden of om het even welke voorwerpen die gedeponeerd zijn in een brandkast die door de erflater en door een of meer andere personen samen of solidair wordt gehuurd of als gehuurd wordt beschouwd met toepassing van artikel 3.13.1.3.7;
   2° de gehouden zaken en de verschuldigde sommen, vermeld in artikel 99 van het federale Wetboek van Successierechten.
   Het volgende wordt, behoudens tegenbewijs, geacht in het geheel toe te behoren aan de erflater :
   1° de effecten, sommen, waarden of om het even welke voorwerpen die zich bevinden in een brandkast die door de erflater alleen wordt gehuurd of als gehuurd wordt beschouwd met toepassing van artikel 3.13.1.3.7;
   2° de effecten, sommen, waarden of om het even welke voorwerpen die in een gesloten koffer, omslag of colli op naam van de erflater alleen gedeponeerd zijn bij de natuurlijke personen of rechtspersonen.]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij DVR 2014-12-19/97, art. 26, 006; Inwerkingtreding : 01-01-2015>

  Art. 2.7.3.2.7.[1 Voor de inning van het successierecht in rechte nederdalende lijn of tussen echtgenoten met gemeenschappelijke kinderen of afstammelingen worden de terugnemingen en vergoedingen die verbonden zijn hetzij aan de gemeenschap die heeft bestaan tussen de erflater en een echtgenoot, met wie de erflater bij het overlijden levende kinderen of afstammelingen heeft, hetzij aan de gemeenschap die tussen de verwanten in de opgaande lijn van de erflater heeft bestaan, niet in aanmerking genomen.
   [2 ...]2]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij DVR 2014-12-19/97, art. 27, 006; Inwerkingtreding : 01-01-2015>
  (2)<DVR 2018-07-06/03, art. 5, 033; Inwerkingtreding : 01-09-2018>

  Art. 2.7.3.2.8.[1 [2 § 1.]2 Als de erflater gehuwd was onder een stelsel van gemeenschap van goederen, worden de sommen, renten of waarden, vermeld in artikel 2.7.1.0.6, die aan de echtgenoot als legaat toevallen voor het volledige bedrag ervan, als legaat belast als ze zijn verkregen als tegenwaarde voor de eigen goederen van de erflater. Ze worden slechts voor de helft belast in alle andere gevallen. Het recht is niet verschuldigd als er bewezen wordt dat de sommen, renten of waarden verkregen zijn als tegenwaarde voor eigen goederen van de echtgenoot. De omstandigheid dat het beding wederkerig is, ontneemt de aard van bevoordeling niet daaraan.
   De verkrijging wordt vermoed kosteloos te zijn ontvangen, behoudens tegenbewijs.]1
  [2 § 2. In het geval van een levensverzekeringscontract wordt de belastbare grondslag van de sommen, renten of waarden, die aan de persoon, vermeld in artikel 2.7.1.0.6, kunnen toekomen, verminderd met het bedrag dat als belastbare grondslag heeft gediend voor de heffing van de schenkbelasting indien het contract door de erflater aan die persoon werd geschonken.]2
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij DVR 2014-12-19/97, art. 28, 006; Inwerkingtreding : 01-01-2015>
  (2)<DVR 2016-12-23/05, art. 35, 015; Inwerkingtreding : 09-01-2017>

  Art. 2.7.3.2.9.[1 Als er schenkingen onder de levenden als vermeld in artikel 3.3.1.0.8, § 1, eerste lid, 12°, bestaan, wordt de basis waarop de schenkbelasting is geheven of zou moeten worden geheven, gevoegd bij de erfgoederen van de belanghebbenden om de progressieve erfbelasting die op die erfgoederen van toepassing is, te bepalen.
   Het eerste lid is niet van toepassing op :
   1° schenkingen onder de levenden van percelen grond die volgens de stedenbouwkundige voorschriften bestemd zijn voor woningbouw en waarop de schenkbelasting, vermeld in artikel 2.8.4.2.1, tabel I, is geheven;
   2° schenkingen onder de levenden van roerende goederen waarop de schenkbelasting, vermeld in artikel 2.8.4.1.1, § 2, is geheven;
   3° schenkingen onder de levenden van ondernemingen waarop voor 1 januari 2012 het recht, vermeld in artikel 140bis van het Wetboek van Registratie-, Hypotheek-, en Griffierechten, is geheven of waarvoor vanaf 1 januari 2012 de vrijstelling, vermeld in artikel 2.8.6.0.3, is toegepast.]1
  [2 4° schenkingen onder de levenden van onbebouwde onroerende goederen waarop de vrijstelling, vermeld in artikel 2.8.6.0.8, is toegepast.]2
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij DVR 2014-12-19/97, art. 29, 006; Inwerkingtreding : 01-01-2015>
  (2)<DVR 2017-12-22/57, art. 10, 031; Inwerkingtreding : 09-06-2018>

  Art. 2.7.3.2.10. [1 Als de verkrijger binnen zes maanden na het overlijden van de erflater sterft, wordt voor de berekening van de erfbelasting op de nalatenschap van die laatste geen rekening gehouden met hetgeen de verkrijger in vruchtgebruik als levenslange of periodieke rente of als pensioen heeft verkregen.]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij DVR 2014-12-19/97, art. 30, 006; Inwerkingtreding : 01-01-2015>

  Art. 2.7.3.2.11. [1 Als in de gevallen, vermeld in artikel 2.7.1.0.7, 2.7.1.0.8 en 2.7.1.0.9, niet bewezen wordt dat de verrichting geen bedekte bevoordeling is, maar kan worden bewezen dat de erflater werkelijk het levenslange recht genoten heeft, wordt op de belastbare grondslag op de dag van het openvallen van de nalatenschap een evenredige vermindering toegepast, conform artikel 2.7.3.3.4 en artikel 2.7.3.3.5. Daarbij wordt rekening gehouden met de waarde van het bedoelde levenslange recht dat wordt gekapitaliseerd tegen 4%, volgens het werkelijke aantal volle jaren dat de erflater het recht genoten heeft. Als het gaat om een vruchtgebruik of een ander zakelijk levenslang recht, wordt de waarde van het in aanmerking te nemen jaarlijkse inkomen forfaitair vastgesteld op 4% van de waarde van de volle eigendom van het goed op de dag van het contract.]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij DVR 2014-12-19/97, art. 31, 006; Inwerkingtreding : 01-01-2015>

  Art. 2.7.3.2.12.[1 § 1. Op hetgeen een gehandicapte persoon of een gehandicapt kind verkrijgt, wordt een abattement toegepast voor de som die verkregen is door toepassing van de volgende formule :
   1° (3000 euro) x (cijfer, aangeduid in artikel 2.7.3.3.2, eerste lid, 5°, volgens de leeftijd van de verkrijger) als de verkrijging onderworpen is aan het tarief, vermeld in tabel I van artikel 2.7.4.1.1;
   2° (1000 euro) x (cijfer, aangeduid in artikel 2.7.3.3.2, eerste lid, 5°, volgens de leeftijd van de verkrijger) als de verkrijging onderworpen is aan het tarief, vermeld in tabel II van artikel 2.7.4.1.1.
   § 2. Als een gehandicapte persoon of een gehandicapt kind als vermeld in paragraaf 1, onderworpen is aan het tarief, vermeld in tabel I van artikel 2.7.4.1.1, wordt het bedrag van het abattement [2 eerst toegerekend op zijn overeenkomstig artikel 2.7.4.1.1, § 2, derde lid, of artikel 2.7.6.0.6 niet vrijgestelde gedeelte van het netto onroerend aandeel, vervolgens op zijn overeenkomstig artikel 2.7.6.0.6 niet vrijgestelde gedeelte van het netto roerend aandeel]2 en bij uitputting van dat aandeel tot slot op de belastbare grondslag waarop het verlaagde tarief voor familiale ondernemingen en vennootschappen, met toepassing van artikel 2.7.4.2.2, wordt berekend.
   Als een gehandicapte persoon of een gehandicapt kind als vermeld in paragraaf 1, samen met personen op wie het tarief `tussen anderen' van toepassing is, onderworpen is aan het tarief, vermeld in tabel II van artikel 2.7.4.1.1, wordt, in afwijking van artikel 2.7.4.1.1, de belasting voor de gehandicapte persoon of het gehandicapte kind berekend alsof hij als enige voor de nettoverkrijging van de nalatenschap in aanmerking komt. Voor de andere verkrijgers wordt conform artikel 2.7.4.1.1 de belasting berekend alsof de gehandicapte persoon of het gehandicapte kind die hoedanigheid niet heeft.]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij DVR 2014-12-19/97, art. 32, 006; Inwerkingtreding : 01-01-2015>
  (2)<DVR 2018-07-06/03, art. 6, 033; Inwerkingtreding : 01-09-2018>

  Art. 2.7.3.2.13. [1 In geval van legaat van een geldsom of van legaat van een periodieke rente of pensioen wordt het bedrag van de gelegateerde geldsom of het kapitaal waarop het successierecht naar rato van de bedoelde rente of het pensioen wordt geheven, voor de berekening van de rechten afgetrokken van de nettoverkrijging van de erfgenaam, legataris of begiftigde die het legaat van de geldsom, de rente of het pensioen moet uitbetalen.]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij DVR 2014-12-19/97, art. 33, 006; Inwerkingtreding : 01-01-2015>

  Art. 2.7.3.2.14. [1 Voor de inning van het successierecht worden andere schuldvorderingen dan de schuldvorderingen, vermeld in artikel 2.7.3.2.7, die voortkomen uit de toepassing van een beding in een huwelijksovereenkomst dat door de erflater en zijn partner is overeengekomen en dat betrekking heeft op de vereffening van hun huwelijksvermogensstelsel, niet in aanmerking genomen.]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij DVR 2017-12-08/05, art. 14, 024; Inwerkingtreding : 24-12-2017>
  

  Onderafdeling 3. - [1 Waardering van het actief]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij DVR 2014-12-19/97, art. 34, 006; Inwerkingtreding : 01-01-2015>

  Art. 2.7.3.3.1. [1 De belastbare waarde van de goederen die het actief van de nalatenschap van een rijksinwoner uitmaken en van de onroerende goederen die onderworpen zijn aan het recht van overgang, is de door de aangevers te schatten verkoopwaarde op de dag van het overlijden.
   In afwijking van het eerste lid wordt voor de waardering van de goederen waarvan de erflater schijnbaar eigenaar was, geen rekening gehouden met de waardevermindering die zou kunnen voortspruiten uit de wederroepelijkheid van de titel van verkrijging van de erflater.]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij DVR 2014-12-19/97, art. 35, 006; Inwerkingtreding : 01-01-2015>

  Art. 2.7.3.3.2. [1 In afwijking van artikel 2.7.3.3.1 wordt de belastbare waarde van de goederen die tot de nalatenschap behoren, als volgt vastgesteld :
   1° voor de onroerende goederen die in het buitenland liggen, waarvan de verkoopwaarde niet blijkt uit akten en bescheiden : twintig of dertig keer de jaarlijkse opbrengst van de goederen of de prijs van de lopende huurcelen, zonder aftrek van de aan de huurder of aan de pachter opgelegde lasten, naargelang het gaat om bebouwde eigendommen of onbebouwde eigendommen. De belastbare waarde mag in geen geval lager zijn dan de waarde die tot grondslag gediend heeft voor de heffing van de belasting in het buitenland;
   2° voor het kapitaal en de interesten die vervallen zijn of die verkregen zijn van de schuldvorderingen : het nominale bedrag van dat kapitaal en van die interesten. In geval van onvermogen van de schuldenaar of van het bestaan van elke andere oorzaak van waardevermindering mogen de aangevers de schuldvordering op haar verkoopwaarde schatten;
   3° voor financiële instrumenten die toegelaten zijn tot verhandeling op Belgische of buitenlandse gereglementeerde markten als vermeld in artikel 2, eerste lid, 5° en 6°, van de wet van 2 augustus 2002 betreffende het toezicht op de financiële sector en de financiële diensten en voor Belgische of buitenlandse multilaterale handelsfaciliteiten als vermeld in artikel 2, eerste lid, 4°, van de voormelde wet : volgens de beurswaarden ervan;
   4° voor de altijddurende of voor een onbepaalde tijd gevestigde erfpachten, grondrenten en andere prestaties, alsook voor de al dan niet gehypothekeerde altijddurende renten : twintig keer de rente of de jaarlijkse prestatie. In geval van onvermogen van de schuldenaar of bij een andere oorzaak van waardevermindering mogen de aangevers de rente of prestatie op haar verkoopwaarde schatten;
   5° voor de op het hoofd van een derde gevestigde lijfrenten en andere levenslange uitkeringen : door de vermenigvuldiging van het jaarlijkse bedrag van de uitkering met de leeftijdscoëfficiënt uit de onderstaande tabel :
  
  

  
Leeftijdscoëfficiënt leeftijd van degene op het hoofd van wie de rente gevestigd is, in jaar
18 ≤ 20
17 > 20-30
16 > 30-40
14 > 40-50
13 > 50-55
11 > 55-60
9,5 > 60-65
8 > 65-70
6 > 70-75
4 > 75-80
2 > 80

6° voor het op het hoofd van een derde gevestigde vruchtgebruik : de jaarlijkse opbrengst van de goederen, berekend tegen 4% van de waarde van de volle eigendom, te vermenigvuldigen met het cijfer, vermeld in punt 5° ;
   7° voor de voor een beperkte tijd gevestigde renten of prestaties : de som die door de kapitalisatie van de renten of prestaties tegen 4% op de datum van het overlijden wordt vertegenwoordigd, onder voorbehoud dat het bedrag van de kapitalisatie, al naargelang het geval, de belastbare waarde, zoals die in punt 4° en punt 5° wordt bepaald, niet te boven gaat. Dezelfde regel is van toepassing als het gaat over een voor een beperkte tijd gevestigd vruchtgebruik, waarbij de opbrengst van de goederen, vermeld in punt 6°, als grondslag van de kapitalisatie wordt genomen;
   8° voor de blote eigendom : de waarde van de volle eigendom, onder aftrek van de waarde van het vruchtgebruik, berekend conform dit artikel en artikel 2.7.3.3.3. Er vindt geen aftrek plaats als het vruchtgebruik met toepassing van artikel 2.7.3.2.10 vrij is van erfbelasting.
   Voor de toepassing van het eerste lid, 3°, kunnen de aangevers kiezen uit de beurswaarde op de datum van het overlijden, de beurswaarde op de datum van één maand na het overlijden of de beurswaarde op de datum van twee maanden na het overlijden. Als er op een van die data geen notering is, geldt de beurswaarde op de eerstvolgende dag waarop er opnieuw een notering wordt vastgesteld. Als er op de gekozen datum voor bepaalde van de aan te geven waarden wel en voor andere geen notering is, moeten laatstbedoelde waarden worden aangegeven volgens de beurswaarden op de eerstvolgende dag waarop er wel een notering is. De aangevers mogen slechts een van de voormelde data kiezen, die zal gelden voor al de nagelaten waarden. De aangevers geven hun keuze aan in de aangifte, waarin ze ook de door hen geraadpleegde bron voor de opgegeven beurswaarden vermelden.]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij DVR 2014-12-19/97, art. 36, 006; Inwerkingtreding : 01-01-2015>

  Art. 2.7.3.3.3. [1 Het recht van gebruik en het recht van bewoning, alsook het recht op vruchten, inkomsten of opbrengsten worden voor de toepassing van artikel 2.7.3.3.2 en van artikel 2.7.3.2.3 met vruchtgebruik gelijkgesteld.
   Als de lijfrente, de levenslange prestatie of het vruchtgebruik op het hoofd van twee of meer personen is gevestigd, is de in aanmerking te nemen leeftijd die van de jongste persoon.]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij DVR 2014-12-19/97, art. 37, 006; Inwerkingtreding : 01-01-2015>

  Art. 2.7.3.3.4. [1 De belastbare waarde (X) van de goederen die het voorwerp uitmaken van de verrichting, vermeld in artikel 2.7.1.0.8, wordt als volgt bepaald :
   X = a x b c
   De parameters, vermeld in het eerste lid, worden als volgt gedefinieerd :
   1° a = het bedrag van de bedekte bevoordeling op de dag van de verrichting;
   2° b = de waarde van de goederen die op de dag van het overlijden in eigendom toebedeeld zijn aan de deelgenoten;
   3° c = de waarde van de goederen die op de dag van de verrichting in eigendom toebedeeld zijn.]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij DVR 2014-12-19/97, art. 38, 006; Inwerkingtreding : 01-01-2015>

  Art. 2.7.3.3.5. [1 De belastbare waarde (X) van de goederen die het voorwerp uitmaken van een verkoop of afstand als vermeld in artikel 2.7.1.0.9, wordt, als de erflater daarenboven de overlating van een goed in eigendom in zijn voordeel heeft bedongen, als volgt bepaald :
   X = a x b c
   De parameters, vermeld in het eerste lid, worden als volgt gedefinieerd :
   1° a = het bedrag van de bedekte bevoordeling op de dag van de verkoop of de afstand;
   2° b = de waarde van de door de erflater verkochte of afgestane goederen op de dag van het overlijden;
   3° c = de waarde van de door de erflater verkochte of afgestane goederen op de dag van de verkoop of de afstand.]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij DVR 2014-12-19/97, art. 39, 006; Inwerkingtreding : 01-01-2015>

  Art. 2.7.3.3.6. [1 De zekere schuldvorderingen waarvan het bedrag op het ogenblik van het overlijden onbepaald is, worden in de aangifte voor de waarde ervan opgenomen, behoudens regularisatie bij de definitieve bepaling van het bedrag ervan.]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij DVR 2014-12-19/97, art. 40, 006; Inwerkingtreding : 01-01-2015>

  Art. 2.7.3.3.7. [1 In de gevallen, vermeld in artikel 3.3.1.0.6, eerste lid, moet de waarde van de goederen op de dag van het vonnis, van de dading of van de gebeurtenis die het uitgangspunt vormt van de termijn voor de indiening van de aangifte, vermeld in artikel 3.3.1.0.6, vierde lid, als belastbare waarde worden aangegeven.]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij DVR 2014-12-19/97, art. 41, 006; Inwerkingtreding : 01-01-2015>

  Onderafdeling 4. - [1 Passief van de nalatenschap]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij DVR 2014-12-19/97, art. 42, 006; Inwerkingtreding : 01-01-2015>

  Art. 2.7.3.4.1.[1 Als passief van de nalatenschap van een rijksinwoner wordt alleen het volgende aanvaard :
   1° [2 de schulden van de erflater die op de dag van zijn overlijden bestaan. Andere schulden dan de schulden, vermeld in artikel 2.7.3.2.7, die voortkomen uit de toepassing van een beding in een huwelijksovereenkomst dat door de erflater en zijn partner is overeengekomen en dat betrekking heeft op de vereffening van hun huwelijksvermogensstelsel worden niet beschouwd als schulden van de erflater die op de dag van zijn overlijden bestaan;]2
   2° de begrafeniskosten.
   Als passief van de nalatenschap van een erflater die geen rijksinwoner is, maar die zijn domicilie of de zetel van zijn vermogen binnen de Europees Economische Ruimte had, worden alleen de schulden aanvaard waarvan de aangevers het bewijs leveren dat ze specifiek zijn aangegaan om de onroerende goederen te verwerven of te behouden.
   De regels voor de waardering van de goederen die het actief van de nalatenschap samenstellen, vermeld in artikel 2.7.3.3.1 tot en met artikel 2.7.3.3.7, zijn van toepassing op de waardering van het passief van de nalatenschap.]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij DVR 2014-12-19/97, art. 43, 006; Inwerkingtreding : 01-01-2015>
  (2)<DVR 2017-12-08/05, art. 15, 024; Inwerkingtreding : 24-12-2017>

  Art. 2.7.3.4.2.[1 De schulden van de erflater die op de dag van het overlijden bestaan, worden forfaitair bepaald op 1500 euro.
   In afwijking van het eerste lid wordt het forfait voor de schulden van de gemeenschap bepaald op 3000 euro als de erflater gehuwd was onder een stelsel van gemeenschap. Hiervan kan de helft in het passief van de nalatenschap worden opgenomen.
   Het forfait, vermeld in het eerste lid, en het forfait, vermeld in het tweede lid, kunnen niet gecombineerd, noch gecumuleerd worden.
   De schulden die specifiek zijn aangegaan om onroerende goederen te verwerven of te behouden, zijn uitgesloten uit het forfaitaire bedrag, vermeld in het eerste en tweede lid.
   Het bedrag van de begrafeniskosten wordt forfaitair bepaald op 6000 euro. Deze bepaling geldt niet als de erflater een uitvaartverzekering heeft afgesloten.
   De bedragen, vermeld in het eerste, tweede en vijfde lid, zijn gekoppeld aan de schommelingen van het algemene indexcijfer van de consumptieprijzen van het Rijk. De bedragen worden jaarlijks op 1 januari aangepast op basis van een coëfficiënt die verkregen wordt door het gemiddelde van de maandelijkse indexcijfers van het jaar dat voorafgaat aan het jaar, te delen door het gemiddelde van de indexcijfers van het jaar 2014. [2 Het gemiddelde van de maandelijkse indexcijfers wordt afgerond op het hogere of lagere honderdste naargelang het cijfer van de duizendsten al of niet vijf bereikt, en de coëfficiënt wordt afgerond op het hogere of lagere tienduizendste naargelang het cijfer van de honderdduizendsten al of niet vijf bereikt.]2 Na de toepassing van die coëfficiënt worden de bedragen afgerond op de cent.
   De aangevers kunnen, in afwijking van het eerste, tweede en vijfde lid, ervoor kiezen om de werkelijke schulden of werkelijke begrafeniskosten te bewijzen met een verklaring in de aangifte van nalatenschap.]1
  ----------
  (1)<DVR 2015-07-17/22, art. 7, 009; Inwerkingtreding : 14-08-2015>
  (2)<DVR 2016-12-23/05, art. 36, 015; Inwerkingtreding : 09-01-2017>

  Art. 2.7.3.4.3. [1 De schulden en schuldbekentenissen, vermeld in artikel 2.7.1.0.3, worden niet aanvaard als passief van de nalatenschap.]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij DVR 2014-12-19/97, art. 45, 006; Inwerkingtreding : 01-01-2015>

  Art. 2.7.3.4.4. [1 De schulden die aangegaan zijn door de erflater in het voordeel van een van zijn erfgenamen, legatarissen of begiftigden of van tussenpersonen, worden niet aanvaard als passief van de nalatenschap.
   Het eerste lid is van toepassing op de schulden die door de erflater aangegaan zijn :
   1° in het voordeel van erfgenamen die hij bij uiterste wilsbeschikking of bij contractuele beschikking uit zijn nalatenschap heeft gesloten;
   2° in het voordeel van erfgenamen, legatarissen of begiftigden die de nalatenschap ofwel de uiterste wilsbeschikking of de contractuele beschikking die in hun voordeel was gemaakt, hebben verworpen.
   De personen, vermeld in artikel 911, laatste lid, en artikel 1100 van het Burgerlijk Wetboek, worden als tussenpersonen beschouwd.
   De schulden, vermeld in het eerste lid, worden wel aanvaard als passief van de nalatenschap :
   1° als het bewijs van de echtheid ervan door de aangevers wordt aangevoerd;
   2° als ze de verkrijging, de verbetering, het behoud of het opnieuw verkrijgen van een goed dat op de dag van het overlijden van de erflater tot zijn boedel behoorde, tot onmiddellijke en rechtstreekse oorzaak hebben.]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij DVR 2014-12-19/97, art. 46, 006; Inwerkingtreding : 01-01-2015>

  Onderafdeling 5. - [1 Aanrekening van het passief op het actief]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij DVR 2014-12-19/97, art. 47, 006; Inwerkingtreding : 01-01-2015>

  Art. 2.7.3.5.1. [1 De nettoverkrijging wordt bepaald door het aandeel dat de erfgenaam, legataris of begiftigde in de belastbare waarde van de goederen verkrijgt, te verminderen met het passief dat op die goederen moet worden aangerekend, volgens de regels, vermeld in artikel 2.7.3.5.2.]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij DVR 2014-12-19/97, art. 48, 006; Inwerkingtreding : 01-01-2015>

  Art. 2.7.3.5.2.[1 Voor de toepassing van artikel 2.7.4.1.1 worden niet-specifieke schulden en begrafeniskosten eerst aangerekend op de goederen, vermeld in artikel 2.7.4.2.2, vervolgens op de roerende goederen en ten slotte op de onroerende goederen.
   De schulden, waarvan wordt bewezen dat ze specifiek werden aangegaan om bepaalde goederen te verwerven of te behouden, worden aangerekend op de desbetreffende categorie van goederen [2 , vermeld in artikel 2.7.4.1.1, § 2, artikel 2.7.4.2.2, § 1, en artikel 2.7.6.0.5]2. Wanneer een bepaalde categorie van goederen ontoereikend is voor de volledige aanrekening van een specifieke schuld, wordt het overblijvende gedeelte van de schuld aangerekend zoals een niet-specifieke schuld.
   Als de langstlevende partner een deel verkrijgt in de gezinswoning, wordt zijn aandeel in de schulden van de nalatenschap, die specifiek zijn aangegaan om de gezinswoning te verwerven of te behouden, eerst aangerekend op de waarde van zijn deel in de gezinswoning. Wanneer zijn deel in de gezinswoning ontoereikend is voor de aanrekening van de volledige schuld, wordt het overblijvende gedeelte aangerekend zoals een specifiek onroerende schuld. Alle andere schulden van de langstlevende partner volgen, naargelang het geval, de toerekening voorzien in het eerste lid of het tweede lid, en worden pas in laatste instantie aangerekend op de waarde van zijn deel in de gezinswoning.]1
  ----------
  (1)<DVR 2015-07-17/22, art. 8, 009; Inwerkingtreding : 14-08-2015>
  (2)<DVR 2017-12-22/57, art. 11, 031; Inwerkingtreding : 09-06-2018>

  Afdeling 4. - [1 Tarieven]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij DVR 2014-12-19/97, art. 50, 006; Inwerkingtreding : 01-01-2015>

  Onderafdeling 1. - [1 Algemene bepalingen]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij DVR 2014-12-19/97, art. 51, 006; Inwerkingtreding : 01-01-2015>

  Art. 2.7.4.1.1.[1 [2 § 1. De erfbelasting wordt berekend volgens het tarief, vermeld in de volgende tabellen:
  
  

  
TABEL I. Tarief voor een verkrijging in rechte lijn en tussen partners
A schijf in euro tarief, toepasselijk op het overeenstemmende gedeelte in kolom A, in % totaalbedrag van de belasting op de voorgaande gedeelten, in euro
vanaf tot en met   
0,01 50.000 3  
50.000,01 250.000 9 1500
250.000,01  27 19.500


  

  
TABEL II. Tarief voor een andere verkrijging dan de verkrijgingen, vermeld in tabel I
A schijf in euro tarief, toepasselijk op het overeenstemmende gedeelte in kolom A, in % totaalbedrag van de belasting op de voorgaande gedeelten, in euro
vanaf tot en met tussen broers en zussen tussen anderen tussen broers en zussen tussen anderen
0,01 35.000 25 25   
35.000,01 75.000 30 45 8750 8750
75.000,01  55 55 20.750 26.750

]2
  § 2. Tabel I, vermeld in paragraaf 1, bevat het tarief voor een verkrijging in rechte lijn en tussen partners.
   Dit tarief wordt per rechtverkrijgende toegepast op de nettoverkrijging in de onroerende goederen enerzijds en op de nettoverkrijging in de roerende goederen anderzijds, volgens de overeenstemmende gedeelten in kolom A.
   In afwijking van het tweede lid wordt het tarief van de erfbelasting voor de onroerende goederen tussen partners alleen toegepast op de nettoverkrijging van de rechtverkrijgende partner in de andere goederen dan de woning die de gezinswoning was van de erflater en zijn partner op het ogenblik van het overlijden. Die afwijking geldt evenwel niet als de partner die een deel verkrijgt in die gezinswoning, een bloedverwant in de rechte lijn van de erflater is of een rechtverkrijgende is die voor de toepassing van het tarief met een rechtverkrijgende in de rechte lijn wordt gelijkgesteld.
   § 3. Tabel II, vermeld in paragraaf 1, bevat het tarief voor een verkrijging tussen andere personen dan personen in rechte lijn en tussen partners. Dit tarief wordt voor broers en zussen toegepast op het overeenstemmende gedeelte van de nettoverkrijging van elk van de rechtverkrijgenden, zoals bepaald in kolom A. Voor alle anderen wordt dit tarief toegepast op het overeenstemmende gedeelte van de som van de nettoverkrijgingen door de rechtverkrijgenden van deze groep.]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij DVR 2014-12-19/97, art. 52, 006; Inwerkingtreding : 01-01-2015>
  (2)<DVR 2018-07-06/03, art. 7, 033; Inwerkingtreding : 01-09-2018>

  Art. 2.7.4.1.2. [1 Als er onzekerheid bestaat over de devolutie van de nalatenschap of de graad van bloedverwantschap van een erfgenaam, legataris of begiftigde, wordt de hoogste erfbelasting geheven.]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij DVR 2014-12-19/97, art. 53, 006; Inwerkingtreding : 01-01-2015>

  Art. 2.7.4.1.3. [1 Als een persoon in verschillende hoedanigheden tot de nalatenschap van de erflater komt, wordt de erfbelasting op alles wat hij verkrijgt, berekend volgens het voor die persoon voordeligste tarief, vermeld in artikel 2.7.4.1.1.]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij DVR 2014-12-19/97, art. 54, 006; Inwerkingtreding : 01-01-2015>

  Art. 2.7.4.1.4. [1 Als een met fideï-commis bezwaard goed op de verwachter overgaat, alsook in geval van aanwas of terugval van eigendom, vruchtgebruik of van elk tijdelijk of levenslang recht, is de erfbelasting bij overlijden verschuldigd volgens de graad van verwantschap tussen de erflater en de verwachter of andere verkrijger.
   In de gevallen, vermeld in het eerste lid, blijven de rechten die geheven zijn ten laste van de bezwaarde of van de ingestelde in eerste rang, verworven voor de overheid in het voordeel waarvan ze geïnd zijn, tenzij de substitutie, de aanwas of de terugval binnen een jaar na het overlijden van de beschikker plaatsvinden. In dat geval worden de eerste geheven rechten op de eisbaar geworden rechten aangerekend, zonder dat er aanleiding tot teruggave kan zijn en behoudens toepassing van artikel 2.7.3.2.10]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij DVR 2014-12-19/97, art. 55, 006; Inwerkingtreding : 01-01-2015>

  Art. 2.7.4.1.5. [1 Het toe te passen tarief is het tarief dat van kracht is op de dag van het overlijden.]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij DVR 2014-12-19/97, art. 56, 006; Inwerkingtreding : 01-01-2015>

  Onderafdeling 2. - [1 Verlaagde tarieven]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij DVR 2014-12-19/97, art. 57, 006; Inwerkingtreding : 01-01-2015>

  Art. 2.7.4.2.1. [1 In afwijking van artikel 2.7.4.1.1 bedraagt het tarief van de erfbelasting 8,5 % voor de legaten aan :
   1° het Vlaamse Gewest en de Vlaamse Gemeenschap;
   2° de Vlaamse, de Franse en de Gemeenschappelijke Gemeenschapscommissie;
   3° de Franse en de Duitstalige Gemeenschap en aan het Waalse en het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest;
   4° een staat in de Europese Economische Ruimte;
   5° de provincies en gemeenten in het Vlaamse Gewest;
   6° de openbare instellingen van de publiekrechtelijke rechtspersonen, vermeld in punt 1° tot en met 5° ;
   7° erkende sociale huisvestingsmaatschappijen als vermeld in artikel 40 van de Vlaamse Wooncode van 15 juli 1997;
   8° de coöperatieve vennootschap Vlaams Woningfonds van de grote gezinnen;
   9° dienstverlenende en opdrachthoudende verenigingen als vermeld in artikel 12, § 2, 2° en 3°, van het decreet van 6 juli 2001 houdende de intergemeentelijke samenwerking;
   10° verenigingen zonder winstoogmerk, ziekenfondsen en landsbonden van ziekenfondsen, beroepsverenigingen, internationale verenigingen zonder winstoogmerk, private stichtingen en stichtingen van openbaar nut;
   11° openbare centra voor maatschappelijk welzijn.
   Het verlaagde tarief, vermeld in het eerste lid, is ook van toepassing op gelijksoortige rechtspersonen die opgericht zijn volgens en onderworpen zijn aan de wetgeving van een andere staat van de Europese Economische Ruimte, en die bovendien hun statutaire zetel, hun hoofdbestuur of hun hoofdvestiging binnen de Europese Economische Ruimte hebben.]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij DVR 2014-12-19/97, art. 58, 006; Inwerkingtreding : 01-01-2015>

  Art. 2.7.4.2.2.[1 § 1. In afwijking van artikel 2.7.4.1.1 wordt het tarief van de erfbelasting verlaagd tot 3% voor een verkrijging in rechte lijn en tussen partners en tot 7% voor een verkrijging tussen andere personen voor :
   1° de nettoverkrijging van de volle eigendom, de blote eigendom of het vruchtgebruik van de activa die door de erflater of zijn partner beroepsmatig zijn geïnvesteerd in een familiale onderneming. Het verlaagde tarief is niet van toepassing op de verkrijging van onroerende goederen die hoofdzakelijk tot bewoning worden aangewend of zijn bestemd;
   2° de nettoverkrijging van de volle eigendom, het vruchtgebruik of de blote eigendom van aandelen van een familiale vennootschap met zetel van werkelijke leiding in een van de staten van de Europese Economische Ruimte, [3 op voorwaarde dat de aandelen van de vennootschap die op het ogenblik van het overlijden in volle eigendom toebehoren aan de erflater en zijn familie ten minste 50% van de stemrechten in die vennootschap vertegenwoordigen]3.
  [3 In afwijking van het eerste lid vertegenwoordigen de aandelen van de vennootschap die op het ogenblik van het overlijden in volle eigendom toebehoren aan de erflater en zijn familie minstens 30% van de stemrechten in die vennootschap, als hij en zijn familie aan een van de volgende voorwaarden voldoen:
   1° samen met één andere aandeelhouder en zijn familie volle eigenaar zijn van de aandelen van de vennootschap die minstens 70% van de stemrechten in die vennootschap vertegenwoordigen;
   2° samen met twee andere aandeelhouders en hun familie volle eigenaar zijn van de aandelen van de vennootschap die minstens 90% van de stemrechten in die vennootschap vertegenwoordigen.]3
   Voor de toepassing van het tweede lid komen de aandelen die toebehoren aan rechtspersonen, niet in aanmerking om te worden samengeteld met de aandelen die toebehoren aan de erflater.
   § 2. Voor de toepassing van dit artikel, artikel 2.7.4.2.3 en artikel 2.7.4.2.4 wordt verstaan onder :
   1° familiale onderneming : een nijverheids-, handels-, ambachts- of landbouwbedrijf of een vrij beroep dat door de erflater of zijn partner, al dan niet samen met anderen, persoonlijk wordt geëxploiteerd en uitgeoefend;
   2° familiale vennootschap : een vennootschap die de uitoefening van een nijverheids-, handels-, ambachts- of landbouwactiviteit, of van een vrij beroep tot [3 voorwerp]3 heeft en uitoefent.
   Als de vennootschap aan het voorgaande niet beantwoordt, maar minstens 30 % van de aandelen houdt van minstens één directe dochtervennootschap die aan die voorwaarde beantwoordt en die haar zetel van werkelijke leiding heeft in een van de staten van de Europese Economische Ruimte, wordt ze ook beschouwd als een familiale vennootschap.
   Vennootschappen die geen reële economische activiteit hebben, worden uitgesloten van het verlaagde tarief, vermeld in paragraaf 1. Een vennootschap wordt geacht geen reële economische activiteit te hebben als uit de balansposten van ofwel de goedgekeurde jaarrekening in geval van een vennootschap als vermeld in paragraaf 2, 2°, eerste lid, ofwel de goedgekeurde geconsolideerde jaarrekening in geval van een vennootschap als vermeld in paragraaf 2, 2°, tweede lid, van minstens een van de drie boekjaren voorafgaand aan de datum van overlijden van de erflater cumulatief blijkt :
   a) dat de bezoldigingen, sociale lasten en pensioenen een percentage gelijk of lager dan 1,50 % uitmaken van de totale activa;
   b) de terreinen en gebouwen meer dan 50 % uitmaken van het totale actief. De verkrijger kan het tegenbewijs daarvan leveren.
   Voor de toepassing van de hiervoor vermelde omschrijving moet worden begrepen onder :
   a) bezoldigingen, sociale lasten en pensioenen : de waarde, opgenomen onder de gelijknamige post van de resultatenrekening van de jaarrekening of onder een soortgelijke post van de geconsolideerde jaarrekening. Als een vennootschap geen jaarrekening volgens het standaardmodel naar Belgisch recht hoeft neer te leggen, wordt de waarde die opgenomen is onder de post waaruit alle kosten blijken die naar hun aard als kosten kunnen worden beschouwd voor de tewerkstelling van personeel in dienstverband;
   b) terreinen en gebouwen : de waarde, opgenomen onder de gelijknamige balanspost van de jaarrekening of van de geconsolideerde jaarrekening, of onder een soortgelijke post van de jaarrekening of van de geconsolideerde jaarrekening. Als een vennootschap geen jaarrekening volgens het standaardmodel naar Belgisch recht hoeft neer te leggen, wordt een soortgelijke post bedoeld die opgenomen is onder de post materiële vaste activa;
   c) totaal actief : de waarde, opgenomen onder de balanspost totaal van de activa van de jaarrekening of onder een soortgelijke post van de jaarrekening of van de geconsolideerde jaarrekening;
   3° aandelen :
   a) elk deelbewijs met stemrecht dat een deel van het maatschappelijk kapitaal vertegenwoordigt;
   b) de certificaten van aandelen, uitgereikt door rechtspersonen met een zetel in een van de staten van de Europese Economische Ruimte, ter vertegen-woordiging van aandelen van familiale vennootschappen die aan de gestelde voorwaarden voldoen en waarvan de rechtspersoon de verplichting heeft om de dividenden en andere vermogensvoordelen onmiddellijk en uiterlijk binnen een maand door te storten aan de certificaathouder;
   4° [2 familie van de erflater of de aandeelhouder als vermeld in paragraaf 1, eerste lid, 2° :
   a) de partner van de erflater of aandeelhouder, waarbij het begrip partner voor de aandeelhouder op een gelijkaardige wijze moet worden geïnterpreteerd als dat het geval is voor de erflater;
   b) de verwanten in rechte lijn van de erflater of aandeelhouder, alsook hun partners, waarbij het begrip partner op een gelijkaardige wijze moet worden geïnterpreteerd als dat het geval is voor de erflater;
   c) de zijverwanten van de erflater of aandeelhouder tot en met de tweede graad en hun partners, waarbij het begrip partner op een gelijkaardige wijze moet worden geïnterpreteerd als dat het geval is voor de erflater;
   d) de kinderen van broers en zussen van de erflater of aandeelhouder.]2
   § 3. Als een vennootschap met toepassing van paragraaf 2, 2°, tweede lid, als een familiale vennootschap wordt beschouwd, wordt de toepassing van het verlaagde tarief beperkt tot de waarden van de aandelen van de vennootschap in de dochtervennootschappen die de uitoefening van een nijverheids-, handels-, ambachts- of landbouwactiviteit, of van een vrij beroep tot [3 voorwerp]3 hebben en die hun zetel van werkelijke leiding in een van de staten van de Europese Economische Ruimte hebben.]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij DVR 2014-12-19/97, art. 59, 006; Inwerkingtreding : 01-01-2015>
  (2)<DVR 2015-07-17/22, art. 9, 009; Inwerkingtreding : 14-08-2015>
  (3)<DVR 2018-12-21/02, art. 9, 037; Inwerkingtreding : 01-05-2019>

  Art. 2.7.4.2.3.[1 § 1. Het verlaagde tarief, vermeld in artikel 2.7.4.2.2, § 1, eerste lid, 1°, wordt alleen behouden als de volgende voorwaarden cumulatief zijn vervuld :
   1° als een activiteit van de familiale onderneming zonder onderbreking wordt voortgezet gedurende drie jaar vanaf de datum van het overlijden van de erflater;
   2° als de onroerende goederen die met toepassing van het verlaagde tarief zijn overgedragen, niet hoofdzakelijk tot bewoning aangewend of bestemd worden gedurende een periode van drie jaar vanaf de datum van het overlijden van de erflater.
   § 2. Het verlaagde tarief, vermeld in artikel 2.7.4.2.2, § 1, eerste lid, 2°, wordt alleen behouden als de volgende voorwaarden cumulatief zijn vervuld :
   1° de familiale vennootschap blijft gedurende drie jaar vanaf de datum van het overlijden van de erflater voldoen aan de voorwaarden, vermeld in artikel 2.7.4.2.2, § 2, 2° ;
   2° een activiteit van de familiale vennootschap wordt zonder onderbreking voortgezet gedurende drie jaar vanaf de datum van het overlijden van de erflater en voor elk van de drie jaar wordt een jaarrekening of geconsolideerde jaarrekening opgemaakt en in voorkomend geval gepubliceerd overeenkomstig de vigerende boekhoudwetgeving van de lidstaat waar de maatschappelijke zetel gevestigd is op het ogenblik van het overlijden, die ook aangewend is ter verantwoording van de aangifte in de inkomstenbelasting.
   Ondernemingen of vennootschappen waarvan de maatschappelijke zetel buiten het Vlaamse Gewest, maar binnen België ligt, moeten een jaarrekening of geconsolideerde jaarrekening opmaken en in voorkomend geval publiceren overeenkomstig de vigerende boekhoudwetgeving in België op het ogenblik van het overlijden;
   3° [2 naargelang het geval:
   a) wanneer de familiale vennootschap een naamloze vennootschap, een Europese vennootschap of een Europese coöperatieve vennootschap is, dan wel een vennootschap met een andere rechtsvorm waarvoor het Belgische of buitenlandse recht dat haar beheerst, voorziet in een vergelijkbaar begrip: het kapitaal daalt niet door uitkeringen of terugbetalingen gedurende drie jaar vanaf de datum van het overlijden van de erflater;
   b) wanneer de familiale vennootschap een vennootschapsvorm heeft waarvoor het Belgische of buitenlandse recht dat de vennootschap beheerst, niet voorziet in het begrip kapitaal of een vergelijkbaar begrip: het eigen vermogen daalt niet gedurende drie jaar vanaf de datum van het overlijden van de erflater door uitkeringen of terugbetalingen tot onder het bedrag van de tot op de datum van het overlijden verrichte inbrengen, zoals dat blijkt uit de jaarrekening.]2
   4° de zetel van de werkelijke leiding van de vennootschap wordt niet overgebracht naar een staat die geen deel uitmaakt van de Europese Economische Ruimte gedurende drie jaar vanaf de datum van het overlijden van de erflater.]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij DVR 2014-12-19/97, art. 60, 006; Inwerkingtreding : 01-01-2015>
  (2)<DVR 2018-12-21/02, art. 10, 037; Inwerkingtreding : 01-05-2019>

  Art. 2.7.4.2.4. [1 § 1. Na verloop van een termijn van drie jaar vanaf de datum van het overlijden van de erflater controleren de bevoegde personeelsleden of de voorwaarden, gesteld voor het behoud van het verlaagde tarief, vervuld zijn.
   Bij niet-vervulling van de voorwaarden, vermeld in het eerste lid, wordt de erfbelasting geacht verschuldigd te zijn, berekend tegen het tarief, vermeld in artikel 2.7.4.1.1, zonder toepassing van het verlaagde tarief.
   Bij niet-vervulling van de voorwaarde, vermeld in artikel 2.7.4.2.3, § 2, 3°, is de erfbelasting evenredig verschuldigd tegen het tarief, vermeld in artikel 2.7.4.1.1, zonder toepassing van het verlaagde tarief.
   § 2. Als aanvullende rechten verschuldigd zijn doordat de voorwaarden, gesteld tot behoud van het verlaagde tarief, niet langer vervuld zijn, kunnen de verkrijgers dat melden bij de bevoegde entiteit van de Vlaamse administratie.
   Bij niet-vervulling van de voorwaarden, vermeld in het eerste lid, wordt de erfbelasting geacht verschuldigd te zijn, berekend tegen het tarief, vermeld in artikel 2.7.4.1.1, zonder toepassing van het verlaagde tarief.
   Bij niet-vervulling van de voorwaarden, vermeld in artikel 2.7.4.2.3, § 2, 3°, is de erfbelasting evenredig verschuldigd tegen het tarief, vermeld in artikel 2.7.4.1.1, zonder toepassing van het verlaagd tarief.]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij DVR 2014-12-19/97, art. 61, 006; Inwerkingtreding : 01-01-2015>

  Afdeling 5. - [1 Verminderingen]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij DVR 2014-12-19/97, art. 62, 006; Inwerkingtreding : 01-01-2015>

  Art. 2.7.5.0.1.[1 1. De erfbelasting, verschuldigd uit hoofde van een verkrijging in de rechte lijn of tussen partners wordt verminderd met 500 euro, vermenigvuldigd met [1 - (nettoverkrijging / 50.000)], als de nettoverkrijging van roerende en onroerende goederen samen niet meer bedraagt dan 50.000 euro.
   Voor de bepaling van de nettoverkrijging, vermeld in het eerste lid, wordt geen rekening gehouden met het aandeel dat de partner verkrijgt in de gezinswoning dat ingevolge de toepassing van artikel 2.7.4.1.1, § 2, derde lid, niet onderworpen is aan erfbelasting.
  [2 De erfbelasting, verschuldigd uit hoofde van een verkrijging door een broer of zus, wordt verminderd met een bedrag gelijk aan hetzij:
   1° 2.000 euro, vermenigvuldigd met (nettoverkrijging/20.000 euro), wanneer de nettoverkrijging kleiner is dan of gelijk is aan 18.750 euro;
   2° 2.500 euro, vermenigvuldigd met [1-(nettoverkrijging/75.000 euro)], wanneer de nettoverkrijging groter is dan 18.750 euro en niet meer bedraagt dan 75.000 euro.
   Voor de erfbelasting verschuldigd door andere personen dan erfgenamen in de rechte lijn, de partners of broers en zussen, wordt eenzelfde vermindering toegepast als berekend overeenkomstig het derde lid waarbij onder de nettoverkrijging moet begrepen worden: de som van de nettoverkrijgingen.]2
   Voor de bepaling van de nettoverkrijging, vermeld in het eerste tot en met het vierde lid, wordt geen rekening gehouden met het abattement, vermeld in artikel 2.7.3.2.12. Het bedrag van de vermindering kan in voorkomend geval niet meer bedragen dan de erfbelasting, verschuldigd na de toekenning van het abattement, vermeld in artikel 2.7.3.2.12.
   § 2. Als voor dezelfde nalatenschap zowel de vermindering, vermeld in paragraaf 1, als de vermindering, vermeld in artikel 2.7.5.0.3, genoten kan worden, wordt de vermindering, vermeld in paragraaf 1, eerst toegepast.]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij DVR 2014-12-19/97, art. 63, 006; Inwerkingtreding : 01-01-2015>
  (2)<DVR 2018-07-06/03, art. 8, 033; Inwerkingtreding : 01-09-2018>

  Art. 2.7.5.0.2. [1 De door een kind van de erflater verschuldigde erfbelasting wordt verminderd met 75 euro voor elk vol jaar dat nog moet verlopen tot het kind de leeftijd van eenentwintig jaar bereikt.
   De door de langstlevende partner verschuldigde erfbelasting wordt verminderd met de helft van de verminderingen die de gemeenschappelijke kinderen overeenkomstig het eerste lid genieten.
   De gemeenschappelijke kinderen, vermeld in het tweede lid, zijn de kinderen die deel uitmaken van de rechte lijn, vermeld in artikel 1.1.0.0.2, zesde lid, 5°, a) en b).
   § 2. Als voor dezelfde nalatenschap zowel de vermindering, vermeld in paragraaf 1, als de vermindering, vermeld in artikel 2.7.5.0.3, genoten kan worden, wordt de vermindering, vermeld in paragraaf 1, eerst toegepast.]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij DVR 2014-12-19/97, art. 64, 006; Inwerkingtreding : 01-01-2015>

  Art. 2.7.5.0.3. [1 Als de goederen die belast zijn met de erfbelasting, binnen een jaar na het overlijden van de erflater het voorwerp uitmaken van een of meer andere overdrachten bij overlijden, wordt de wegens die overdrachten verschuldigde erfbelasting met de helft verminderd. De vermindering mag voor elk van die overdrachten nooit hoger zijn dan de erfbelasting, geheven op de overdracht die er onmiddellijk aan voorafgaat.
   Als voor dezelfde nalatenschap zowel de vermindering, vermeld in het eerste lid, als de vermindering, vermeld in artikel 2.7.5.0.4, genoten kan worden, wordt de vermindering, vermeld in het eerste lid, eerst toegepast.]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij DVR 2014-12-19/97, art. 65, 006; Inwerkingtreding : 01-01-2015>

  Art. 2.7.5.0.4. [1 Als het actief van de nalatenschap van een rijksinwoner onroerende goederen bevat die in het buitenland liggen en die in dat land aanleiding geven tot het heffen van een erfbelasting, wordt het verschuldigde successierecht, in de mate waarin het de belastbare waarde van die goederen treft, verminderd met het bedrag van de in dat land geheven belasting, omgerekend in euro, op de datum van de betaling van die belasting.
   De vermindering, vermeld in het eerste lid, wordt alleen toegekend als aan het bevoegde personeelslid een behoorlijk gedateerd betalingsbewijs van een in het buitenland betaalde erfbelasting wordt voorgelegd, samen met een door de bevoegde overheden eensluidend verklaard afschrift van de aangifte die ze hebben ontvangen en de berekening van de belasting die ze hebben vastgesteld.
   Als voor dezelfde nalatenschap zowel de vermindering, vermeld in het eerste lid, als het abattement, vermeld in artikel 2.7.3.2.12, genoten kan worden, wordt de vermindering, vermeld in het eerste lid, eerst toegepast.]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij DVR 2014-12-19/97, art. 66, 006; Inwerkingtreding : 01-01-2015>

  Art. 2.7.5.0.5. [1 Het verkooprecht en het verdeelrecht dat geheven wordt bij de registratie van de akte van verkoop of van afstand, en, in voorkomend geval, het overschrijvingsrecht, of een soortgelijke belasting die geheven wordt in een staat van de Europese Economische Ruimte, worden afgetrokken van de erfbelasting als de voormelde belastingen opeisbaar zijn krachtens artikel 2.7.1.0.9 en artikel 2.7.3.3.5, eventueel gecombineerd met artikel 2.7.3.2.11.]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij DVR 2014-12-19/97, art. 67, 006; Inwerkingtreding : 01-01-2015>

  Afdeling 6. - [1 Vrijstelling]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij DVR 2014-12-19/97, art. 68, 006; Inwerkingtreding : 01-01-2015>

  Art. 2.7.6.0.1. [1 § 1. De waarde van de maatschappelijke rechten, vermeld in paragraaf 2, die door de erflater of door zijn echtgenoot ten minste vijf jaar vóór het openvallen van de nalatenschap en uiterlijk in het jaar 2005 zijn verworven en die gedurende de vermelde termijn ingeschreven waren op naam van de erflater of van zijn echtgenoot, of de waarde van hetgeen verkregen wordt als terugbetaling van diezelfde maatschappelijke rechten, wordt vrijgesteld van het successierecht. Als de erflater op het moment van de inschrijving niet heeft geopteerd voor de kapitalisatie van het inkomen dat periodiek toegekend is aan het maatschappelijk recht, wordt het bedrag dat voor de vrijstelling in aanmerking komt, toch berekend alsof voor kapitalisatie gekozen is.
   De vrijstelling, vermeld in het eerste lid, heeft alleen betrekking op de waarde van de maatschappelijke rechten die op datum van de terugbetaling ervan minstens drie jaar volgestort zijn. De mogelijkheid tot vrijstelling vervalt in geval van terugbetaling aan, of vervreemding door de inschrijver van de vermelde maatschappelijke rechten.
   De vrijstelling, vermeld in het eerste lid, is gelijk aan het kleinste van de volgende bedragen :
   1° de beurswaarde van de maatschappelijke rechten waarvoor een attest als vermeld in paragraaf 4 gevraagd wordt, verhoogd met het gekapitaliseerde bedrag van de periodieke netto inkomsten (na belasting) toegewezen aan de rechten die voor de vrijstelling in aanmerking komen met betrekking tot de periode waarvoor de Vlaamse Regering de emitterende beleggingsvennootschap met vast kapitaal erkende;
   2° het bedrag van de volstorting van de maatschappelijke rechten waarvoor een attest als vermeld in paragraaf 4 gevraagd wordt, verhoogd met het gekapitaliseerde bedrag van de periodieke netto inkomsten (na belasting) toegewezen aan de rechten die voor de vrijstelling in aanmerking komen met betrekking tot de periode waarvoor de Vlaamse Regering de emitterende beleggingsvennootschap met vast kapitaal erkende.
   Het gekapitaliseerd bedrag, vermeld in het eerste lid, bevat enkel de inkomsten toegekend aan de maatschappelijke rechten waarvoor, gelet op artikel 7 en 8 van het besluit van de Vlaamse Regering van 3 mei 1995 tot regeling van de vrijstelling inzake successierechten verbonden aan de maatschappelijke rechten in vennootschappen opgericht in het kader van de realisatie en/of financiering van investeringsprogramma's van serviceflats, aangetoond is dat de overledene of zijn echtgenoot er houder van was.
   Als slechts een gedeelte van de beurswaarde of van het bedrag van de volstorting van de maatschappelijke rechten voor effectieve vrijstelling in aanmerking komt, zal bovendien het gekapitaliseerd bedrag van de periodieke netto inkomsten slechts in dezelfde verhouding worden bijgeteld.
   Het gekapitaliseerd bedrag is gelijk aan de effectief uitgekeerde dividenden tijdens de periode, vermeld in het eerste lid.
   § 2. Onder maatschappelijke rechten wordt verstaan de maatschappelijke rechten in een vennootschap die door de Vlaamse Regering is erkend in het kader van de financiering en de realisatie van serviceflatgebouwen als vermeld in artikel 88, § 5, van het Woonzorgdecreet van 13 maart 2009, of woningcomplexen met dienstverlening als vermeld in artikel 88, § 1 en § 2, van het Woonzorgdecreet van 13 maart 2009.
   § 3. Om erkend te worden door de Vlaamse Regering moet de vennootschap, vermeld in paragraaf 2, minstens voldoen aan de volgende voorwaarden :
   1° haar maatschappelijke zetel gevestigd hebben in de Europese Economische Ruimte;
   2° opgericht zijn na 1 januari 1995;
   3° vanaf het ogenblik van de uitgifte van de maatschappelijke rechten, vermeld in paragraaf 2, en minstens tot 27 november 2012, uitsluitend de financiering en realisatie van projecten voor de oprichting van serviceflatgebouwen tot doel hebben gehad;
   4° vanaf 27 november 2012 :
   a) voor het Vlaamse Gewest uitsluitend de financiering en realisatie van projecten voor de oprichting van serviceflatgebouwen als vermeld in artikel 88, § 5, van het Woonzorgdecreet van 13 maart 2009, of de financiering en realisatie van projecten inzake onroerende goederen voor voorzieningen in het kader van het Woonzorgdecreet van 13 maart 2009, of de financiering en realisatie van projecten inzake onroerende goederen voor personen met een handicap tot doel hebben;
   b) voor de Europese Economische Ruimte, uitgezonderd het Vlaamse Gewest, uitsluitend de financiering en realisatie van soortgelijke projecten inzake onroerende goederen tot doel hebben;
   5° de gelden, die zijn ingezameld ingevolge de uitgifte van de maatschappelijke rechten, vermeld in paragraaf 2, integraal besteden of besteed hebben aan projecten binnen de Europese Economische Ruimte.
   § 4. Op verzoek van de houder van maatschappelijke rechten of van zijn rechtverkrijgenden, wordt een attest uitgereikt voor het verkrijgen van de vrijstelling van het successierecht. Dit attest wordt, in de vorm vastgesteld door de Vlaamse Regering, door de betrokken financiële instelling slechts uitgereikt voor maatschappelijke rechten waarop, op de datum van het openvallen van de nalatenschap wegens het overlijden van de houder van de rechten of zijn echtgenoot, minstens vijf jaar vóór het overlijden van de houder ingeschreven werd en die reeds drie jaar volgestort werden.
   Met inschrijving wordt gelijkgesteld de verwerving op een andere wijze uiterlijk in het jaar 2005, van maatschappelijke rechten in een door de Vlaamse Regering erkende beleggingsvennootschap met vast kapitaal of een gereglementeerde vastgoedvennootschap als vermeld in artikel 2, 1°, van de wet van 12 mei 2014 betreffende de gereglementeerde vastgoedvennootschappen. Dit houdt tevens in dat een verwerving na het jaar 2005, met uitzondering van verkrijging onder echtgenoten en erfgenamen in de eerste graad waarbij geen vrijstelling van de erfbelasting verworven werd, nooit aanleiding kan geven tot vrijstelling van de erfbelasting.
   Het attest vermeldt de bedragen, vermeld in paragraaf 1, derde lid, met betrekking tot het geheel van de maatschappelijke rechten die voor een hele of gedeeltelijke vrijstelling in aanmerking komen.
   Bij uitreiking van een tweede attest wordt bovendien melding gemaakt van het vorige attest en van de datum waarop het werd afgegeven.
   § 5. Als de erkenning, vermeld in paragraaf 3, ingetrokken wordt, brengt dat niet het vervallen van de vrijstellingsmogelijkheid mee ten aanzien van de waarde van de maatschappelijke rechten waarop ingeschreven is, in de mate dat die volgestort zijn voor de intrekking van de erkenning. De vrijstelling wordt in dat geval beperkt tot de waarde, bepaald met toepassing van paragraaf 1, op de datum van de intrekking van de vrijstelling.]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij DVR 2014-12-19/97, art. 69, 006; Inwerkingtreding : 01-01-2015>

  Art. 2.7.6.0.2.[1 De waarde van de onbebouwde onroerende goederen in het Vlaams Ecologisch Netwerk, vermeld in het artikel 17 tot en met het artikel 26bis van het decreet van 21 oktober 1997 betreffende het natuurbehoud en het natuurlijk milieu, wordt van de erfbelasting vrijgesteld.
   De vrijstelling geldt vanaf de inwerkingtreding van het definitief vastgestelde plan, vermeld in artikel 21, § 9, van hetzelfde decreet, of van [2 het gewestelijk ruimtelijk uitvoeringsplan, vermeld in artikel 2.2.11 van de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening]2 .]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij DVR 2014-12-19/97, art. 70, 006; Inwerkingtreding : 01-01-2015>
  (2)<DVR 2016-07-01/23, art. 53, 019; Inwerkingtreding : 01-05-2017>

  Art. 2.7.6.0.2 TOEKOMSTIG RECHT.
  <Opgeheven bij DVR 2017-12-22/57, art. 12, 031; Inwerkingtreding : 09-06-2020>

  Art. 2.7.6.0.3. [1 De waarde van de onroerende goederen die te beschouwen zijn als bos als vermeld in artikel 3 van het bosdecreet van 13 juni 1990 wordt van de erfbelasting vrijgesteld. De vrijstelling geldt zowel voor de grond- als voor de opstandswaarde.
   De vrijstelling wordt alleen toegepast als voor het bos een door het bosbeheer goedgekeurd beheersplan is opgemaakt overeenkomstig de bepalingen en uitvoeringsbepalingen van het Bosdecreet van 13 juni 1990, dat ook voldoet aan de door de Vlaamse Regering vast te stellen criteria als vermeld in artikel 41, tweede lid, van hetzelfde decreet.]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij DVR 2014-12-19/97, art. 71, 006; Inwerkingtreding : 01-01-2015>

  Art. 2.7.6.0.3 TOEKOMSTIG RECHT.
  <Opgeheven bij DVR 2017-12-22/57, art. 13, 031; Inwerkingtreding : 09-06-2020>

  Art. 2.7.6.0.4. [1 De waarde van de zaken die ascendenten verkrijgen uit de nalatenschap van de erflater, wordt vrijgesteld van de erfbelasting als de volgende voorwaarden cumulatief zijn vervuld :
   1° de zaken zijn door die ascendenten onder de levenden aan de erflater geschonken voor zijn overlijden;
   2° de zaken bevinden zich nog in natura in de nalatenschap of er is, als ze zijn vervreemd, nog een schuldvordering in de nalatenschap aanwezig;
   3° de erflater is zonder nakomelingen gestorven.]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij DVR 2014-12-19/97, art. 72, 006; Inwerkingtreding : 01-01-2015>

  Art. 2.7.6.0.5. [1 § 1. De waarde van de nettoverkrijging in de onbebouwde onroerende goederen waarvoor een natuurbeheerplan type twee, drie of vier als vermeld in artikel 16ter, § 1, 2°, 3° en 4°, van het decreet van 21 oktober 1997 betreffende het natuurbehoud en het natuurlijk milieu, is goedgekeurd conform artikel 16octies van het voormelde decreet, wordt op de datum van het openvallen van de nalatenschap, zowel voor de grond- als voor de opstandswaarde, als volgt van de erfbelasting vrijgesteld:
   1° ten belope van 50% in geval van een natuurbeheerplan type twee;
   2° ten belope van 75% in geval van een natuurbeheerplan type drie;
   3° ten belope van 100% in geval van een natuurbeheerplan type vier.
   § 2. De vrijstelling, vermeld in paragraaf 1, is ook van toepassing als er nog geen natuurbeheerplan is afgesloten, en als de erflater een intentieovereenkomst met het Agentschap voor Natuur en Bos heeft afgesloten of als de erfgenaam, legataris of begiftigde de intentie heeft om op het onroerend goed een natuurbeheerplan type twee, drie of vier als vermeld in artikel 16ter, § 1, 2°, 3° en 4°, van het decreet van 21 oktober 1997 betreffende het natuurbehoud en het natuurlijk milieu, tot stand te brengen.
   De vrijstelling, vermeld in het eerste lid, wordt aan de erfgenaam, legataris of begiftigde verleend als de erfgenaam, legataris of begiftigde binnen een termijn van zes maanden na het openvallen van de nalatenschap een overeenkomst heeft gesloten met het Agentschap voor Natuur en Bos, waaruit de intentie blijkt om een natuurbeheerplan voor het onroerend goed te laten goedkeuren. In voorkomend geval dient deze overeenkomst gezamenlijk te zijn afgesloten met alle andere houders van zakelijke rechten op het desbetreffende goed.]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij DVR 2017-12-22/57, art. 14, 031; Inwerkingtreding : 09-06-2018>
  

  Art. 2.7.6.0.6.[1 § 1. Voor de toepassing van het tarief, vermeld in artikel 2.7.4.1.1, § 1, in rechte nederdalende lijn, en voor zover de andere ouder van het betrokken kind reeds vooroverleden is, wordt de eerste schijf van 75.000 euro in de nettoverkrijging van het rechtverkrijgende kind onder de 21 jaar van de roerende goederen vrijgesteld van het successierecht.
   In afwijking van artikel 2.7.4.1.1, § 2, tweede lid, en voor zover de andere ouder van het betrokken kind reeds vooroverleden is, wordt het tarief van de erfbelasting voor de onroerende goederen in rechte lijn niet toegepast op de nettoverkrijging van het rechtverkrijgende kind onder de 21 jaar in de woning die op het ogenblik van het overlijden van de langstlevende ouder de woning was waar de erflater gedomicilieerd was op het moment van overlijden.
   § 2. Voor de toepassing van het tarief, vermeld in artikel 2.7.4.1.1, § 1, tussen partners wordt de eerste schijf van 50.000 euro in de nettoverkrijging van de rechtverkrijgende partner van de roerende goederen vrijgesteld van het successierecht. [2 Die vrijstelling geldt niet als de rechtverkrijgende partner een bloedverwant in de rechte lijn van de erflater is of een rechtverkrijgende is die voor de toepassing van het tarief met een rechtverkrijgende in de rechte lijn wordt gelijkgesteld.]2]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij DVR 2018-07-06/03, art. 9, 033; Inwerkingtreding : 01-09-2018>
  (2)<DVR 2018-12-21/04, art. 7, 038; Inwerkingtreding : 01-09-2018>

  Afdeling 7. - [1 Wijze van heffing]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij DVR 2014-12-19/97, art. 73, 006; Inwerkingtreding : 01-01-2015>

  Art. 2.7.7.0.1. [1 De erfbelasting wordt gevestigd op zicht van de aangifte, vermeld in artikel 3.3.1.0.5 en 3.3.1.0.6, of ambtshalve als de aangifte niet is ingediend binnen de termijn, vermeld in artikel 3.3.1.0.5 en artikel 3.3.1.0.6, of bij onjuistheid of onvolledigheid van de aangifte.]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij DVR 2014-12-19/97, art. 74, 006; Inwerkingtreding : 01-01-2015>

  Art. 2.7.7.0.2. [1 In geval van achtereenvolgende overgangen door overlijden van een goed dat onder opschortende voorwaarde is verkregen, of van een goed dat in bezit is van een derde, maar door de nalatenschap is teruggeëist, is de erfbelasting verschuldigd overeenkomstig de voorwaarden, vermeld in artikel 2.7.3.3.7, artikel 3.3.1.0.5, § 2, en artikel 3.3.1.0.6, alleen wegens de laatste overgang.
   Als de achtereenvolgende overgangen een goed tot voorwerp hebben dat betwist in het bezit van de erflater is of dat aan hem toebehoort onder ontbindende voorwaarde, is de belasting onmiddellijk opvorderbaar bij elk overlijden.]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij DVR 2014-12-19/97, art. 75, 006; Inwerkingtreding : 01-01-2015>

  Art. 2.7.7.0.3.
  <Opgeheven bij DVR 2017-12-08/05, art. 16, 024; Inwerkingtreding : 24-12-2017>

  Hoofdstuk 8. - [1 Schenkbelasting]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij DVR 2014-12-19/97, art. 77, 006; Inwerkingtreding : 01-01-2015>

  Afdeling 1. - [1 Belastbaar voorwerp]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij DVR 2014-12-19/97, art. 78, 006; Inwerkingtreding : 01-01-2015>

  Art. 2.8.1.0.1. [1 Overeenkomstig artikel 1, artikel 19 en artikel 31 van het federale Wetboek van Registratie-, Hypotheek- en Griffierechten wordt de schenkbelasting gevestigd naar aanleiding van de registratie of de verplichting tot registratie van akten of geschriften die tot bewijs strekken van een schenking onder de levenden.]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij DVR 2014-12-19/97, art. 79, 006; Inwerkingtreding : 01-01-2015>

  Art. 2.8.1.0.2. [1 § 1. Vonnissen en arresten die tot bewijs strekken van een schenking onder de levenden van eigendom of vruchtgebruik van onroerende goederen in België die nog niet aan de schenkbelasting onderworpen zijn, geven aanleiding tot de heffing van de schenkbelasting waaraan de schenking onderworpen zou zijn als ze in een schenkingsakte zou zijn vastgesteld.
   Dat geldt ook als de rechterlijke beslissing die tot bewijs van de overeenkomst strekt, de ontbinding of herroeping ervan uitspreekt of vaststelt voor om het even welke reden, tenzij uit de beslissing blijkt dat ten hoogste één jaar na de overeenkomst een eis tot ontbinding of herroeping, zelfs bij een onbevoegde rechter, is ingesteld.
   § 2. Exequaturs van scheidsrechterlijke uitspraken en in het buitenland gewezen rechterlijke beslissingen worden, voor de toepassing van dit hoofdstuk, als een geheel met de desbetreffende akte beschouwd. Als de desbetreffende akte tot bewijs strekt van een schenking van eigendom of vruchtgebruik van onroerende goederen die in het Vlaamse Gewest te lokaliseren zijn en die niet aan de schenkbelasting onderworpen zijn, geeft ze aanleiding tot de heffing van de schenkbelasting waaraan de schenking onderworpen zou zijn als ze in een schenkingsakte zou zijn vastgesteld.
   Dat geldt ook als de scheidsrechterlijke uitspraak of in het buitenland gewezen rechterlijke beslissing die tot bewijs van de overeenkomst strekt, de ontbinding of herroeping ervan uitspreekt of vaststelt voor om het even welke reden, tenzij uit de beslissing blijkt dat ten hoogste één jaar na de overeenkomst een eis tot ontbinding of herroeping, zelfs bij een onbevoegde rechter, is ingesteld.
   De schenkbelasting is ook van toepassing in geval van aanbieding ter registratie van een in het buitenland gewezen rechterlijke beslissing die van rechtswege in België uitvoerbaar is.]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij DVR 2014-12-19/97, art. 80, 006; Inwerkingtreding : 01-01-2015>

  Afdeling 2. - [1 Belastingplichtigen]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij DVR 2014-12-19/97, art. 81, 006; Inwerkingtreding : 01-01-2015>

  Art. 2.8.2.0.1. [1 De belastingplichtige is de begiftigde.
   Bij een inbreng om niet is de belastingplichtige de begunstigde rechtspersoon.]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij DVR 2014-12-19/97, art. 82, 006; Inwerkingtreding : 01-01-2015>

  Afdeling 3. - [1 Belastbare grondslag]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij DVR 2014-12-19/97, art. 83, 006; Inwerkingtreding : 01-01-2015>

  Art. 2.8.3.0.1.[1 § 1. Voor de schenkingen onder de levenden van roerende en onroerende goederen wordt een schenkbelasting geheven op het aandeel van elke begiftigde, op basis van de verkoopwaarde van de geschonken goederen, zonder aftrek van lasten.
   § 2. In afwijking van paragraaf 1 wordt de belastbare grondslag als volgt vastgesteld :
   1° voor de schenking van financiële instrumenten die toegelaten zijn tot verhandeling op Belgische of buitenlandse gereglementeerde markten als vermeld in artikel 2, eerste lid, 5° en 6°, van de wet van 2 augustus 2002 betreffende het toezicht op de financiële sector en de financiële diensten en voor Belgische of buitenlandse multilaterale handelsfaciliteiten als vermeld in artikel 2, eerste lid, 4°, van de voormelde wet, volgens de beurswaarden ervan op datum van de eerste dag van de maand waarin de schenking plaatsvindt. Als er op die datum geen notering is, geldt de beurswaarde op de eerstvolgende dag waarop er opnieuw een notering wordt vastgesteld. Als er op de datum van de eerste dag van de maand waarin de schenking plaatsvindt voor bepaalde van de geschonken waarden wel en voor andere geen notering is, wordt de belastbare grondslag van die laatste waarden vastgesteld volgens de beurswaarden op de eerstvolgende dag waarop er wel een notering is;
   2° voor de schenking van het vruchtgebruik of de blote eigendom van een onroerend goed, zoals in artikel 2.9.3.0.4 tot en met artikel 2.9.3.0.7 is bepaald;
   3° voor de schenking van het op het leven van de begiftigde of een derde gevestigde vruchtgebruik van roerende goederen, volgens de volgende formule :
   belastbare grondslag = a x b, waarbij :
   a) a = de jaarlijkse opbrengst van de goederen, forfaitair vastgesteld op 4% van de waarde van de volle eigendom van de goederen;
   b) b = de leeftijdscoëfficiënt, vermeld in de tabel van artikel 2.9.3.0.4, § 1, naargelang de leeftijd van de persoon op het hoofd van wie het vruchtgebruik is gevestigd op de datum van de schenking;
   4° voor de schenking van het voor een bepaalde tijd gevestigd vruchtgebruik van roerende goederen, door het bedrag van de jaarlijkse opbrengst tegen 4% te kapitaliseren over de duur van het vruchtgebruik, bepaald in de schenkingsakte. De jaarlijkse opbrengst van de roerende goederen wordt forfaitair vastgesteld op 4% van de waarde van de volle eigendom van die goederen. Het aldus verkregen bedrag van de belastbare grondslag mag evenwel niet meer bedragen dan hetzij de waarde, berekend volgens punt 3°, als het vruchtgebruik gevestigd is ten voordele van een natuurlijke persoon, hetzij twintig keer de opbrengst, als het vruchtgebruik gevestigd is ten voordele van een rechtspersoon;
   5° voor de schenking van de blote eigendom van roerende goederen waarvan het vruchtgebruik door de schenker is voorbehouden, op basis van de verkoopwaarde van de volle eigendom van de goederen;
   6° voor de schenking van de blote eigendom van roerende goederen waarvan het vruchtgebruik door de schenker niet is voorbehouden, op basis van de verkoopwaarde van de volle eigendom van de goederen, verminderd met de waarde van het vruchtgebruik, berekend volgens punt 3° of punt 4° ;
   7° voor schenkingen van een lijfrente of een levenslang pensioen, op basis van het jaarlijkse bedrag van de uitkering, vermenigvuldigd met de leeftijdscoëfficiënt, vermeld in de tabel van artikel 2.9.3.0.4, § 1, die op de begiftigde moet worden toegepast;
   8° voor schenkingen van een altijddurende rente, op basis van het jaarlijkse bedrag van de rente, vermenigvuldigd met twintig.
   § 3. [2 Voor de toepassing van paragraaf 1]2 wordt de last die bestaat uit een som, een rente of een pensioen, onder kosteloze titel bedongen ten voordele van een derde die aanvaardt, in hoofde van die derde als schenking belast en wordt de last van het aandeel van de hoofdbegiftigde afgetrokken. In de mate dat de schenking betrekking heeft op onroerende goederen, wordt de last in hoofde van de derde als schenking belast volgens de tarieven, vermeld in artikel 2.8.4.1.1, § 1.]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij DVR 2014-12-19/97, art. 84, 006; Inwerkingtreding : 01-01-2015>
  (2)<DVR 2016-12-23/05, art. 37, 015; Inwerkingtreding : 09-01-2017>

  Art. 2.8.3.0.2. [1 De schenkbelasting, verschuldigd op akten waarbij eigendom of vruchtgebruik van een handelszaak overgedragen wordt, wordt geheven op basis van de belastbare grondslagen, vermeld in deze afdeling.
   De schulden die al dan niet met de handelszaak in verband staan en die door de nieuwe eigenaar of vruchtgebruiker ten laste genomen worden, worden als lasten van de overeenkomst beschouwd.]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij DVR 2014-12-19/97, art. 85, 006; Inwerkingtreding : 01-01-2015>

  Art. 2.8.3.0.3.[1 § 1. Als er eerdere schenkingen van onroerende goederen bestaan tussen dezelfde partijen, die vastgesteld zijn door akten die dateren van minder dan drie jaar vóór de datum van de nieuwe schenking van onroerende goederen [3 ...]3 wordt de belastbare grondslag van die eerdere schenkingen gevoegd bij de belastbare grondslag van de nieuwe schenking om de toepasselijke schenkbelasting op de nieuwe schenking te bepalen.
  [2 [4 Het eerste lid is niet van toepassing op:
   1° de onroerende goederen die deel uitmaken van een vrijgestelde schenking van activa als vermeld in artikel 2.8.6.0.3, § 1, 1° ;
   2° de onbebouwde onroerende goederen waarop de vrijstelling, vermeld in artikel 2.8.6.0.8, is toegepast.]4]2
   § 2. Als in dezelfde akte of in een andere akte van dezelfde datum naast de grond die volgens de stedenbouwkundige voorschriften bestemd is voor woningbouw, nog andere onroerende goederen worden geschonken, wordt voor de toepassing van paragraaf 1 de schenking van de bouwgrond geacht vóór de schenking van de andere goederen geregistreerd te zijn of verplicht registreerbaar te zijn geworden.
   § 3. In geval van een aan een opschortende voorwaarde onderworpen schenking wordt voor de toepassing van paragraaf 1 en paragraaf 2 de datum van de vervulling van de voorwaarde in de plaats gesteld van de datum van de akte.]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij DVR 2014-12-19/97, art. 86, 006; Inwerkingtreding : 01-01-2015>
  (2)<DVR 2016-12-23/05, art. 38, 015; Inwerkingtreding : 09-01-2017>
  (3)<DVR 2017-12-08/05, art. 17, 024; Inwerkingtreding : 24-12-2017>
  (4)<DVR 2017-12-22/57, art. 15, 031; Inwerkingtreding : 09-06-2018>

  Art. 2.8.3.0.4. [1 Op hetgeen aan een gehandicapte persoon of een gehandicapt kind geschonken wordt, wordt een abattement toegepast aan de voet van de belastbare grondslag, voor de som die verkregen is door toepassing van de volgende formule :
   1° (3000 euro) x (cijfer, aangeduid in artikel 2.7.3.3.2, eerste lid, 5°, volgens de leeftijd van de verkrijger) als de schenking onderworpen is aan het tarief voor verkrijgingen in de rechte lijn en tussen partners, vermeld in artikel 2.8.4.1.1, § 1, of artikel 2.8.4.2.1;
   2° (1000 euro) x (cijfer, aangeduid in artikel 2.7.3.3.2, eerste lid, 5°, volgens de leeftijd van de verkrijger) als de schenking onderworpen is aan het tarief voor verkrijgingen tussen alle andere personen, vermeld in artikel 2.8.4.1.1, § 1, of artikel 2.8.4.2.1.
   Het abattement, vermeld in het eerste lid, wordt slechts toegepast als tussen de schenker en de begiftigde nog geen schenkingen zijn voorgekomen waarbij van deze vermindering van belastbare grondslag werd genoten.]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij DVR 2015-07-03/03, art. 25, 007; Inwerkingtreding : 01-07-2015>

  Art. 2.8.3.0.5. [1 Een akte die een door de wet toegelaten erfovereenkomst vaststelt, strekt voor de toepassing van de schenkbelasting niet tot bewijs van een schenking die in die overeenkomst wordt vermeld en die niet aan de formaliteit van de registratie is onderworpen, en waarvan de partijen in of onderaan de akte bevestigen dat die heeft plaatsgevonden vóór de datum waarop die overeenkomst gesloten werd.
   In afwijking van het eerste lid kunnen de partijen of een van hen in een uitdrukkelijke fiscale verklaring in of onderaan de akte te kennen geven dat de vermelding van een dergelijke schenking wel tot bewijs strekt voor de toepassing van de schenkbelasting.]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij DVR 2018-07-06/03, art. 10, 033; Inwerkingtreding : 01-09-2018>
  

  Afdeling 4. - [1 Tarieven]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij DVR 2014-12-19/97, art. 87, 006; Inwerkingtreding : 01-01-2015>

  Onderafdeling 1. - [1 Algemeen]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij DVR 2014-12-19/97, art. 88, 006; Inwerkingtreding : 01-01-2015>

  Art. 2.8.4.1.1.[1 § 1. [2 De schenkbelasting voor de schenkingen van onroerende goederen wordt berekend volgens het tarief, vermeld in de onderstaande tabellen :
   TABEL I
  
  

  
verkrijging in rechte lijn en tussen partners
gedeelte van de schenking
A
   schijf in euro
tarief, toepasselijk op het overeenstemmende gedeelte in kolom A, in % totaalbedrag van de belasting over de voorgaan- de gedeelten, in euro
Vanaf tot en met  
0,01 150.000 3-
150.000,01 250.000 9 4500
250.000,01 450.000 18 13.500
450.000,01 27 49.500

TABEL II
  
  

  
tarief tussen alle andere personen
gedeelte van de schenking
A schijf in euro tarief, toepasselijk op het overeenstemmende gedeelte in kolom A, in % totaalbedrag van de belasting over de voorgaan- de gedeelten, in euro
Vanaf tot en met  
0,01 150.000 10 -
150.000,01 250.000 20 15.000
250.000,01 450.000 30 35.000
450.000,01 40 95.000

]2
  § 2. Het tarief van de schenkbelasting voor de schenkingen van roerende goederen bedraagt :
   1° 3% voor [3 een verkrijging]3 in de rechte lijn en tussen partners;
   2° 7% voor [3 een verkrijging door]3 alle andere personen.
   Dat tarief is niet van toepassing op de schenkingen onder de levenden van roerende goederen die met legaten worden gelijkgesteld met toepassing van artikel 2.7.1.0.3, 3°.
   § 3. In afwijking van paragraaf 1 en 2 bedraagt het tarief van de schenkbelasting 5,5 % voor schenkingen [4 , inclusief inbrengen om niet,]4 aan :
   1° het Vlaamse Gewest en de Vlaamse Gemeenschap;
   2° de Vlaamse, de Franse en de Gemeenschappelijke Gemeenschapscommissie;
   3° de Franse en de Duitstalige Gemeenschap en aan het Waalse en het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest;
   4° een staat van de Europese Economische Ruimte;
   5° provincies en gemeenten in het Vlaamse Gewest;
   6° de openbare instellingen van de publiekrechtelijke rechtspersonen, vermeld in de punt 1° tot en met 5° ;
   7° erkende sociale huisvestingsmaatschappijen als vermeld in artikel 40 van de Vlaamse Wooncode;
   8° de coöperatieve vennootschap Vlaams Woningfonds van de grote gezinnen;
   9° dienstverlenende en opdrachthoudende verenigingen als vermeld in artikel 12, § 2, 2° en 3°, van het decreet van 6 juli 2001 houdende de intergemeentelijke samenwerking;
   10° verenigingen zonder winstoogmerk, ziekenfondsen en landsbonden van ziekenfondsen, beroepsverenigingen, internationale verenigingen zonder winstoogmerk, private stichtingen en stichtingen van openbaar nut;
   11° openbare centra voor maatschappelijk welzijn.
   In afwijking van het eerste lid wordt de schenkbelasting, vermeld in paragraaf 1 en 2, gebracht op 100 euro voor de schenkingen, inclusief inbrengen om niet, gedaan aan rechtspersonen als vermeld in het eerste lid, 10°, als de schenker zelf een rechtspersoon als vermeld in het eerste lid, 10°, is.
   Het tarief, vermeld in het eerste en tweede lid, is ook van toepassing op gelijksoortige rechtspersonen die opgericht zijn volgens en onderworpen zijn aan de wetgeving van een andere staat van de Europese Economische Ruimte, en die bovendien hun statutaire zetel, hun hoofdbestuur of hun hoofdvestiging binnen de Europese Economische Ruimte hebben.]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij DVR 2014-12-19/97, art. 89, 006; Inwerkingtreding : 01-01-2015>
  (2)<DVR 2015-07-03/03, art. 26, 007; Inwerkingtreding : 01-07-2015>
  (3)<DVR 2015-07-17/22, art. 10, 009; Inwerkingtreding : 14-08-2015>
  (4)<DVR 2018-12-21/02, art. 11, 037; Inwerkingtreding : 01-05-2019>

  Art. 2.8.4.1.2. [1 Als een akte of geschrift, overeengekomen tussen dezelfde partijen, verschillende van elkaar afhankelijke of noodzakelijk uit elkaar voortvloeiende regelingen bevat waaronder een schenking die onderworpen is aan de schenkbelasting, wordt de belasting geheven die van toepassing is op de regeling die aanleiding geeft tot de heffing van de hoogste belasting, vastgesteld met toepassing van hoofdstuk 8 tot en met hoofdstuk 11.
   Als een akte of geschrift, overeengekomen tussen dezelfde partijen, verschillende van elkaar onafhankelijke of niet noodzakelijk uit elkaar voortvloeiende regelingen bevat waaronder een schenking die onderworpen is aan de schenkbelasting, wordt op elke regeling al naargelang het geval de belasting, vermeld in hoofdstuk 8 tot en met hoofdstuk 11, geheven.]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij DVR 2014-12-19/97, art. 90, 006; Inwerkingtreding : 01-01-2015>

  Onderafdeling 2. - [1 Tijdelijke bepalingen voor schenkingen van percelen grond die volgens de stedenbouwkundige voorschriften bestemd zijn voor woningbouw]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij DVR 2014-12-19/97, art. 91, 006; Inwerkingtreding : 01-01-2015>

  Art. 2.8.4.2.1. [1 In afwijking van artikel 2.8.4.1.1, § 1, wordt de schenkbelasting voor schenkingen van een perceel grond in het Vlaamse Gewest dat volgens de stedenbouwkundige voorschriften bestemd is voor woningbouw, waarvan de akte verleden wordt in de periode van 1 januari 2012 tot en met 31 december 2019, berekend volgens het tarief, vermeld in de onderstaande tabellen :
  
  

  
TABEL I
  [1 verkrijging in rechte lijn en tussen partners]1 gedeelte van de schenking
A Schijf in eurotarief, toepasselijk op het overeenstemmende gedeelte in kolom A, in %totaalbedrag van de belasting op de voorgaande gedeelten, in euro
Vanaftot en met
  
  
0,0112.5001-
12.500,0125.0002125
25.000,0150.0003375
50.000,01100.00051.125
100.000,01150.00083.625
150.000,01200.000147.625
200.000,01250.0001814.625
250.000,01500.0002423.625
500.000,01 3083.625
(1)<DVR 2015-07-17/22, art. 11, 009; Inwerkingtreding : 14-08-2015>


  

  
TABEL II
   tarief tussen broers en zussen gedeelte van de schenking
A Schijf in euro tarief, toepasselijk op het overeenstemmende gedeelte in kolom A, in % totaalbedrag van de belasting op de voorgaande gedeelten, in euro
Vanaf tot en met
  
0,01 150.000 10-
150.000,01 175.000 50 15.000
175.000,01 65 27.500


  

  
TABEL III
   tarief tussen ooms, tantes, neven en nichten gedeelte van de schenking
A Schijf in euro tarief, toepasselijk op het overeenstemmende gedeelte in kolom A, in % totaalbedrag van de belasting op de voorgaande gedeelten, in euro
Vanaf tot en met
  
0,01 150.000 10 -
150.000,01 175.000 55 15.000
175.000,01  70 28.750


  

  
TABEL IV tarief tussen alle andere personen gedeelte van de schenking
A Schijf in euro tarief, toepasselijk op het overeenstemmende gedeelte in kolom A, in % totaalbedrag van de belasting op de voorgaande gedeelten, in euro
Vanaf tot en met
  
0,01 150.000 10-
150.000,01 175.000 65 15.000
175.000,01 80 31.250

]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij DVR 2014-12-19/97, art. 92, 006; Inwerkingtreding : 01-01-2015>

  Art. 2.8.4.2.2. [1 De schenkbelasting, vermeld in artikel 2.8.4.2.1, is niet van toepassing op schenkingen die zijn gedaan onder een opschortende voorwaarde die vervuld wordt na het verstrijken van de periode, bepaald in hetzelfde artikel, of die zijn gedaan onder een tijdsbepaling die verder reikt dan de periode, bepaald in het voormelde artikel.]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij DVR 2014-12-19/97, art. 93, 006; Inwerkingtreding : 01-01-2015>

  Art. 2.8.4.2.3. [1 De schenkbelasting, vermeld in artikel 2.8.4.2.1, wordt alleen toegepast als in de akte van schenking uitdrukkelijk wordt verklaard dat :
   1° het perceel grond volgens de stedenbouwkundige voorschriften bestemd is voor woningbouw;
   2° de begiftigden, of een van hen, zich ertoe verbinden om binnen vijf jaar vanaf de datum van de akte hun hoofdverblijfplaats te vestigen op het adres van het verkregen goed.
   Als een onjuiste verklaring wordt afgelegd over de bestemming van de grond, vermeld in het eerste lid, 1°, zijn aanvullende rechten verschuldigd.
   Bij niet-nakoming van de aangegane verbintenis, vermeld in het eerste lid, 2°, zijn de begiftigden die de verbintenis zijn aangegaan en niet zijn nagekomen, elk gehouden tot betaling van de aanvullende rechten over hun eigen aandeel in de schenking. De aanvullende rechten zijn niet verschuldigd als de niet-nakoming van de aangegane verbintenis het gevolg is van overmacht.]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij DVR 2014-12-19/97, art. 94, 006; Inwerkingtreding : 01-01-2015>

  Onderafdeling 3. [1 - Tarieven voor schenkingen van gebouwen onderworpen aan een energetische renovatie of van gebouwen met conformiteitsattest die verhuurd worden]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij DVR 2015-07-03/03, art. 27, 007; Inwerkingtreding : 01-07-2015>

  Art. 2.8.4.3.1.[1 § 1. In afwijking van artikel 2.8.4.1.1, § 1, wordt de schenkbelasting voor schenkingen van onroerende goederen gelegen in het Vlaamse Gewest [2 en gedaan met ingang van 1 juli 2015,]2 berekend volgens het tarief, vermeld in de onderstaande tabellen, op voorwaarde dat :
   1° [3 de begiftigden, een van hen of de schenker die zich het vruchtgebruik heeft voorbehouden, binnen vijf jaar vanaf de datum van de akte van schenking renovatiewerken laten uitvoeren aan het geschonken onroerend goed voor een totaalbedrag van minstens 10.000 euro, exclusief de belasting over de toegevoegde waarde, zoals blijkt uit facturen die uitgereikt zijn door aannemers van werken;]3
   2° de aannemer, vermeld in punt 1°, attesteert dat de facturen voor de renovatiewerken, vermeld in punt 1°, betrekking hebben op werken vermeld in de artikelen 6.4.1/1, 6.4.1/1/1, 6.4.1/1/2 of 6.4.1/5, § 1, van het Energiebesluit van 19 november 2010.
   TABEL I
  
  

  
verkrijging in rechte lijn en tussen partners
gedeelte van de schenking
A schijf in euro tarief, toepasselijk op het overeenstemmende gedeelte in kolom A, in % totaalbedrag van de belasting over de voorgaan- de gedeelten, in euro
Vanaf tot en met  
0,01 150.000 3 -
150.000,01 250.000 6 4500
250.000,01 450.000 12 10.500
450.000,0118 34.500

TABEL II
  
  

  
verkrijging tussen alle andere personen
gedeelte van de schenking
A schijf in euro tarief, toepasselijk op het overeenstemmende gedeelte in kolom A, in % totaalbedrag van de belasting over de voorgaan- de gedeelten, in euro
Vanaf tot en met  
0,01 150.000 9 -
150.000,01 250.000 17 13.500
250.000,01 450.000 24 30.500
450.000,01 31 78.500

Het verschil tussen de schenkbelasting, berekend overeenkomstig de tabellen van artikel 2.8.4.1.1, § 1, en de schenkbelasting, berekend overeenkomstig de tabellen van het eerste lid, wordt teruggegeven overeenkomstig de bepalingen van artikel 3.6.0.0.6, § 1/1. Het abattement toegepast overeenkomstig artikel 2.8.3.0.4 en de vermindering verleend overeenkomstig artikel 2.8.5.0.1 blijft in dat geval behouden.
   § 2. In afwijking van artikel 2.8.4.1.1, § 1, wordt de schenkbelasting voor schenkingen van onroerende goederen gelegen in het Vlaamse Gewest [2 en gedaan met ingang van 1 juli 2015,]2 berekend volgens het tarief, vermeld in paragraaf 1, op voorwaarde dat de begiftigden of een van hen, binnen een termijn van drie jaar vanaf de datum van de akte van schenking het conformiteitsattest, vermeld in titel III, hoofdstuk II, van het decreet van 15 juli 1997 houdende de Vlaamse Wooncode, en een geregistreerde huurovereenkomst voor het geschonken goed met een minimumduur van negen jaar, beiden daterend van na de datum van de akte van schenking, voorlegt. [3 Noch de schenker, noch de begiftigden of een van hen mogen in de geregistreerde huurovereenkomst als huurder optreden.]3
   Het verschil tussen de schenkbelasting, berekend overeenkomstig de tabellen van artikel 2.8.4.1.1, § 1, en de schenkbelasting, berekend overeenkomstig het eerste lid, wordt teruggegeven overeenkomstig de bepalingen van artikel 3.6.0.0.6, § 1/2. Het abattement toegepast overeenkomstig artikel 2.8.3.0.4 en de vermindering verleend overeenkomstig artikel 2.8.5.0.1 blijft in dat geval behouden.
   Het teruggegeven bedrag, vermeld in het tweede lid, wordt teruggevorderd als de begiftigden geen effectieve verhuring van negen jaar kunnen aantonen. De begiftigden moeten de voortijdige beëindiging van de geregistreerde huurovereenkomst melden bij de bevoegde entiteit van de Vlaamse administratie [3 binnen een termijn van vier maanden vanaf de beëindiging]3. Om de terugvordering te vermijden, moeten de begiftigden bovendien binnen een termijn van zes maanden na deze beëindiging een nieuwe geregistreerde huurovereenkomst, alsmede een conformiteitsattest, voor het geschonken goed voorleggen.
   Bij niet-nakoming van de verbintenissen, vermeld in het derde lid, zijn de begiftigden elk gehouden tot betaling van de teruggegeven schenkbelasting over hun eigen aandeel in de schenking. De teruggegeven schenkbelasting is niet verschuldigd als de niet-nakoming van de aangegane verbintenis het gevolg is van overmacht.
   § 3. In afwijking van artikel 2.8.4.1.1, § 3, bedraagt het tarief van de schenkbelasting 3% voor een schenking van een onroerend goed gelegen in het Vlaamse Gewest als de begiftigde voldoet aan de voorwaarden, vermeld in het eerste lid van hetzij paragraaf 1, hetzij paragraaf 2.
   Het verschil tussen de schenkbelasting, berekend overeenkomstig het artikel 2.8.4.1.1, § 3, en de schenkbelasting, berekend overeenkomstig het eerste lid, wordt teruggegeven overeenkomstig de bepalingen van artikel 3.6.0.0.6, § 1/1, of § 1/2.
   § 4. Als in dezelfde akte of in een andere akte van dezelfde datum naast het goed waarvoor de teruggave overeenkomstig paragraaf 1 of paragraaf 2 wordt gevraagd, nog andere onroerende goederen werden geschonken, wordt de schenking van het goed waarop de teruggave betrekking heeft, geacht vóór de schenking van de andere goederen geregistreerd te zijn of verplicht registreerbaar te zijn geworden.
   § 5. In geval van een aan een opschortende voorwaarde onderworpen schenking wordt voor de toepassing van dit artikel de datum van de vervulling van de voorwaarde in de plaats gesteld van de datum van de akte.]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij DVR 2015-07-03/03, art. 28, 007; Inwerkingtreding : 01-07-2015>
  (2)<DVR 2015-12-18/23, art. 96, 011; Inwerkingtreding : 01-07-2015>
  (3)<DVR 2017-12-08/05, art. 18, 024; Inwerkingtreding : 24-12-2017>

  Onderafdeling 4. [1 - Tarieven voor schenkingen van een beschermd monument waarvoor een investeringsverplichting geldt]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij DVR 2017-04-21/06, art. 5, 020; Inwerkingtreding : 14-05-2017>
  

  Art. 2.8.4.4.1.[1 § 1. In afwijking van artikel 2.8.4.1.1, § 1, wordt de schenkbelasting voor schenkingen van de geheelheid eigendom van onroerende goederen in het Vlaamse Gewest berekend volgens het tarief, vermeld in de tabellen, vermeld in artikel 2.8.4.3.1, § 1, eerste lid, op voorwaarde dat:
   1° binnen vijf jaar vanaf de datum van de schenkingsakte het bedrag dat overeenstemt met het verschil tussen de schenkbelasting, geheven conform artikel 2.8.4.1.1, § 1, en de schenkbelasting, verschuldigd bij gebrek aan toepassing van hetzelfde artikel, geïnvesteerd wordt in beheersmaatregelen, werkzaamheden of diensten die noodzakelijk zijn voor het behoud of de herwaardering van de erfgoedkenmerken en -elementen van het beschermde monument, vermeld in artikel 2.1, 16°, van het Onroerenderfgoeddecreet van 12 juli 2013. De voormelde beheersmaatregelen, werkzaamheden of diensten dienen opgenomen te zijn in een goedgekeurd beheersplan als vermeld in punt 2°, dat geldig is bij de aanvang van de voormelde beheersmaatregelen, werkzaamheden of diensten;
   2° voor het beschermde monument, vermeld in artikel 2.1, 16°, van het Onroerenderfgoeddecreet van 12 juli 2013, een beheersplan is opgemaakt conform hoofdstuk 8 van het Onroerenderfgoeddecreet van 12 juli 2013 en hoofdstuk 8 van het Onroerenderfgoedbesluit van 16 mei 2014. Het beheersplan is goedgekeurd door het agentschap, vermeld in artikel 2.1, 2°, van het Onroerenderfgoeddecreet van 12 juli 2013.
   Het verschil tussen de schenkbelasting, berekend conform de tabellen van artikel 2.8.4.1.1, § 1, en de schenkbelasting, berekend conform de tabellen, vermeld in het eerste lid, wordt teruggegeven conform artikel 3.6.0.0.6, § 1/3. Het abattement, toegepast conform artikel 2.8.3.0.4, en de vermindering, verleend conform artikel 2.8.5.0.1, blijven in dat geval behouden.
   § 2. Het bedrag, vermeld in paragraaf 1, eerste lid, 1°, is exclusief btw.
   § 3. In afwijking van artikel 2.8.4.1.1, § 3, bedraagt het tarief van de schenkbelasting 3% voor een schenking van een onroerend goed in het Vlaamse Gewest als de begiftigde voldoet aan de voorwaarden, vermeld in paragraaf 1, eerste lid.
   Het verschil tussen de schenkbelasting, berekend conform artikel 2.8.4.1.1, § 3, en de schenkbelasting, berekend conform het eerste lid, wordt teruggegeven conform de bepalingen van artikel 3.6.0.0.6, § 1/3.
   § 4. Als in dezelfde akte of in een andere akte van dezelfde datum naast het goed waarvoor de teruggave, vermeld in paragraaf 1, wordt gevraagd, nog andere onroerende goederen zijn geschonken, wordt de schenking van het goed waarop de teruggave betrekking heeft, geacht vóór de schenking van de andere goederen geregistreerd te zijn of verplicht registreerbaar te zijn geworden.
   § 5. Bij een schenking die onderworpen is aan een opschortende voorwaarde, wordt voor de toepassing van dit artikel de datum van de vervulling van de voorwaarde in de plaats gesteld van de datum van de akte.
   § 6. Het voordeel van de toepassing van paragraaf 1 of 3 kan niet gecombineerd worden met de premies, vermeld in artikel 10.2.1 van het Onroerenderfgoeddecreet van 12 juli 2013 [3 , noch met de belastingvermindering van de personenbelasting, vermeld in artikel 14536 van het Wetboek van de Inkomstenbelastingen 1992, als de voormelde premies of de belastingvermindering]3 betrekking hebben op dezelfde beheersmaatregelen, werkzaamheden of diensten als de beheersmaatregelen, de werkzaamheden of de diensten, vermeld in paragraaf 1, eerste lid, 1°.]1
  [2 § 7. Voor de toepassing van dit artikel moet voldaan zijn aan de verplichtingen van artikel 3.12.3.0.1, § 1, 5°, en § 3, vijfde lid.]2
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij DVR 2017-04-21/06, art. 6, 020; Inwerkingtreding : 14-05-2017>
  (2)<DVR 2017-12-08/05, art. 19, 024; Inwerkingtreding : 24-12-2017>
  (3)<DVR 2018-07-06/20, art. 11, 032; Inwerkingtreding : 31-08-2018>

  Afdeling 5. - [1 Verminderingen]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij DVR 2014-12-19/97, art. 95, 006; Inwerkingtreding : 01-01-2015>

  Art. 2.8.5.0.1.[1 § 1. Als de belastingplichtige op het tijdstip waarop de schenkbelasting opvorderbaar is, minstens drie kinderen in leven heeft die de leeftijd van eenentwintig jaar niet hebben bereikt, wordt de met toepassing van artikel 2.8.4.1.1, § 1, vastgestelde schenkbelasting verminderd met 2% voor elk van die kinderen van de begiftigde, zonder dat de vermindering meer dan 62 euro per kind mag bedragen.
   Die vermindering wordt ten gunste van de begiftigde partner gebracht op 4% per kind dat de leeftijd van eenentwintig jaar niet heeft bereikt, zonder dat de vermindering meer dan 124 euro per kind mag bedragen.
   Voor de toepassing van deze paragraaf wordt een kind dat verwekt is op het ogenblik van de schenking, als het levensvatbaar geboren wordt, gelijkgesteld met een geboren kind.
   § 2. Het voordeel van de verminderingen, vermeld in paragraaf 1, wordt alleen toegestaan als voldaan is aan de verplichtingen, vermeld in artikel 3.12.3.0.1, § 1 en § 4, eerste lid.
   [2 ...]2
   De belastingplichtige die over het aantal kinderen een onjuiste verklaring heeft afgelegd, is aanvullende rechten verschuldigd.]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij DVR 2014-12-19/97, art. 96, 006; Inwerkingtreding : 01-01-2015>
  (2)<DVR 2015-07-17/22, art. 12, 009; Inwerkingtreding : 14-08-2015>

  Afdeling 6. - [1 Vrijstellingen]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij DVR 2014-12-19/97, art. 97, 006; Inwerkingtreding : 01-01-2015>

  Art. 2.8.6.0.1.[1 Er wordt een vrijstelling van de schenkbelasting verleend voor :
   1° de overeenkomsten houdende schenking van vruchtgebruik aan de blote eigenaar, als de schenkbelasting of de erfbelasting of een soortgelijk recht door de blote eigenaar of door een vorige blote eigenaar, zijn rechtsvoorganger, op de waarde van de volle eigendom is voldaan;
   2° de overeenkomsten houdende schenking van onroerende goederen die in het buitenland liggen;
   3° op voorwaarde van wederkerigheid, de akten houdende schenking aan vreemde staten van onroerende goederen die bestemd zijn tot vestiging van hun diplomatieke of consulaire vertegenwoordiging in België, of voor de woning van het hoofd van de standplaats;
   4° de akten houdende schenking van onroerende goederen als vermeld in artikel 2.8.4.1.1, § 1, voor zover die schenking plaatsvindt met het oog op de realisatie van een brownfieldproject dat het voorwerp uitmaakt of zal uitmaken van een bownfieldconvenant als vermeld in het decreet van 30 maart 2007 betreffende de Brownfieldconvenanten.
   De vrijstelling, vermeld in het eerste lid, 4°, wordt alleen verleend als bij de aan de formaliteit van de registratie onderworpen akte of verklaring over de overeenkomst een attest is gevoegd waarin wordt bevestigd dat de schenking plaatsvindt met het oog op de realisatie van een brownfieldproject dat het voorwerp uitmaakt of zal uitmaken van een brownfieldconvenant, en dat de onroerende goederen waarvoor de vrijstelling wordt gevraagd, deel uitmaken van dat brownfieldproject. De Vlaamse Regering bepaalt de nadere regels voor de vormgeving van dat attest.
   Als de overeenkomst, vermeld in het eerste lid, 4°, ook andere onroerende goederen omvat dan de onroerende goederen, vermeld in het tweede lid, moet de verkoopwaarde van elk van de onderscheiden categorieën van onroerende goederen worden opgegeven in een aanvullende verklaring als vermeld in artikel 3.13.1.2.1, eerste lid.
   [2 De schenkbelasting is alsnog verschuldigd door de verkrijger van de onroerende goederen, vermeld in het eerste lid, 4°, als de Vlaamse Regering beslist tot stopzetting van de onderhandelingen als vermeld in artikel 8, § 3, vierde lid, van het decreet van 30 maart 2007 betreffende de Brownfieldconvenanten, of als het brownfieldproject niet tijdig wordt gestart of gerealiseerd conform de voorwaarden, vermeld in het brownfieldconvenant.]2 De schenkbelasting wordt opeisbaar vanaf de kennisgeving aan het bevoegde personeelslid van het niet langer vervuld zijn van de voorwaarden voor het behoud van de vrijstelling. De Vlaamse Regering bepaalt de nadere regels voor die kennisgeving.]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij DVR 2014-12-19/97, art. 98, 006; Inwerkingtreding : 01-01-2015>
  (2)<DVR 2016-12-23/05, art. 39, 015; Inwerkingtreding : 09-01-2017>

  Art. 2.8.6.0.2. [1 Er wordt een vrijstelling van de schenkbelasting verleend voor vonnissen en arresten houdende vernietiging, ontbinding of herroeping van een schenking van onroerende goederen die in België liggen.
   Als de vernietiging, ontbinding of herroeping, vermeld in het eerste lid, uitgesproken is ten voordele van een andere persoon dan een van de partijen bij de overeenkomst, haar erfgenamen of legatarissen, wordt al naargelang het geval de belasting, vermeld in hoofdstuk 8 tot en met hoofdstuk 11, geheven die verschuldigd geweest zou zijn als de vernietiging, de ontbinding of de herroeping het voorwerp van een minnelijke akte had uitgemaakt.]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij DVR 2014-12-19/97, art. 99, 006; Inwerkingtreding : 01-01-2015>

  Art. 2.8.6.0.3.[1 § 1. In afwijking van artikel 2.8.4.1.1 wordt van [2 de schenkbelasting]2 vrijgesteld :
   1° de schenking van de volle eigendom, de blote eigendom of het vruchtgebruik van de activa die door de schenker of zijn partner beroepsmatig zijn geïnvesteerd in een familiale onderneming. Die vrijstelling is niet van toepassing op de overdrachten van onroerende goederen die hoofdzakelijk tot bewoning worden aangewend of zijn bestemd;
   2° de schenking van de volle eigendom, de blote eigendom of het vruchtgebruik van aandelen van een familiale vennootschap met zetel van werkelijke leiding in een van de staten van de Europese Economische Ruimte, [3 op voorwaarde dat de aandelen van de vennootschap die op het ogenblik van de schenking onder de levenden in volle eigendom toebehoren aan de schenker en zijn familie, ten minste 50% van de stemrechten in die vennootschap vertegenwoordigen]3.
   [3 In afwijking van het eerste lid vertegenwoordigen de aandelen van de vennootschap die op het ogenblik van de schenking in volle eigendom toebehoren aan de schenker en zijn familie, minstens 30% van de stemrechten in die vennootschap, als hij en zijn familie aan een van de volgende voorwaarden voldoen:
   1° samen met één andere aandeelhouder en zijn familie volle eigenaar zijn van de aandelen van de vennootschap die minstens 70% van de stemrechten in die vennootschap vertegenwoordigen;
   2° samen met twee andere aandeelhouders en hun familie volle eigenaar zijn van de aandelen van de vennootschap die minstens 90% van de stemrechten in die vennootschap vertegenwoordigen.]3
   Voor de toepassing van het tweede lid komen de aandelen die toebehoren aan rechtspersonen, niet in aanmerking om te worden samengeteld met de aandelen die toebehoren aan de schenker.
   § 2. Voor de toepassing van dit artikel en artikel 2.8.6.0.4 tot en met artikel 2.8.6.0.7 wordt verstaan onder :
   1° familiale onderneming : een nijverheids-, handels-, ambachts- of landbouwbedrijf of een vrij beroep dat door de schenker of zijn partner, al dan niet samen met anderen, persoonlijk wordt geëxploiteerd en uitgeoefend;
   2° familiale vennootschap : een vennootschap die de uitoefening van een nijverheids-, handels-, ambachts- of landbouwactiviteit, of van een vrij beroep tot [3 voorwerp]3 heeft en uitoefent.
   Als de vennootschap aan het voorgaande niet beantwoordt, maar minstens 30 % van de aandelen houdt van minstens één directe dochtervennootschap die aan die voorwaarde beantwoordt en die haar zetel van werkelijke leiding heeft in een van de staten van de Europese Economische Ruimte, wordt ze ook beschouwd als een familiale vennootschap.
   Vennootschappen die geen reële economische activiteit hebben, worden uitgesloten van de vrijstelling, vermeld in paragraaf 1. Een vennootschap wordt geacht geen reële economische activiteit te hebben als uit de balansposten van ofwel de goedgekeurde jaarrekening in geval van een vennootschap als vermeld in paragraaf 2, punt 2°, eerste lid, ofwel de goedgekeurde geconsolideerde jaarrekening in geval van een vennootschap als vermeld in paragraaf 2, punt 2°, tweede lid, van minstens een van de drie boekjaren die voorafgaan aan de datum van de authentieke akte van schenking, cumulatief blijkt dat :
   a) de bezoldigingen, sociale lasten en pensioenen een percentage uitmaken dat gelijk is aan of lager is dan 1,50 % van de totale activa;
   b) de terreinen en gebouwen meer dan 50 % uitmaken van het totale actief. De begiftigde kan het tegenbewijs daarvan leveren.
   Voor de toepassing van de hiervoor vermelde omschrijving moet worden begrepen onder :
   a) bezoldigingen, sociale lasten en pensioenen : de waarde, opgenomen onder de gelijknamige post van de resultatenrekening van de jaarrekening of onder een soortgelijke post van de geconsolideerde jaarrekening. Als een vennootschap geen jaarrekening volgens het standaardmodel naar Belgisch recht hoeft neer te leggen, is het de waarde die opgenomen is onder de post waaruit alle kosten blijken die naar hun aard als kosten kunnen worden beschouwd voor de tewerkstelling van personeel in dienstverband;
   b) terreinen en gebouwen : de waarde, opgenomen onder de gelijknamige balanspost van de jaarrekening of van de geconsolideerde jaarrekening of onder een soortgelijke post van de jaarrekening of van de geconsolideerde jaarrekening. Als een vennootschap geen jaarrekening volgens het standaardmodel naar Belgisch recht hoeft neer te leggen, wordt een soortgelijke post bedoeld die opgenomen is onder de post materiële vaste activa;
   c) totaal actief : de waarde, opgenomen onder de balanspost totaal van de activa van de jaarrekening of onder een soortgelijke post van de jaarrekening of van de geconsolideerde jaarrekening;
   3° aandelen :
   a) elk deelbewijs met stemrecht dat een deel van het maatschappelijk kapitaal vertegenwoordigt;
   b) de certificaten van aandelen, uitgereikt door rechtspersonen met een zetel in een van de staten van de Europese Economische Ruimte, ter vertegenwoordiging van aandelen van familiale vennootschappen die aan de gestelde voorwaarden voldoen en waarvan de rechtspersoon de verplichting heeft om de dividenden en andere vermogensvoordelen onmiddellijk en uiterlijk binnen een maand door te storten aan de certificaathouder;
   4° [2 familie van de schenker of de aandeelhouder als vermeld in paragraaf 1, eerste lid, 2° :
   a) de partner van de schenker of aandeelhouder, waarbij het begrip partner voor de aandeelhouder op een gelijkaardige wijze moet worden geïnterpreteerd als dat het geval is voor de schenker;
   b) de verwanten in rechte lijn van de schenker of aandeelhouder, alsook hun partners, waarbij het begrip partner op een gelijkaardige wijze moet worden geïnterpreteerd als dat het geval is voor de schenker;
   c) de zijverwanten van de schenker of aandeelhouder tot en met de tweede graad en hun partners, waarbij het begrip partner op een gelijkaardige wijze moet worden geïnterpreteerd als dat het geval is voor de schenker;
   d) de kinderen van broers en zussen van de schenker of aandeelhouder.]2
   § 3. Als een vennootschap met toepassing van paragraaf 2, 2°, tweede lid, als een familiale vennootschap wordt beschouwd, wordt de vrijstelling beperkt tot de waarden van de aandelen van de vennootschap in de dochtervennootschappen die de uitoefening van een nijverheids-, handels-, ambachts- of landbouwactiviteit, of van een vrij beroep tot [3 voorwerp]3 hebben en die hun zetel van werkelijke leiding in een van de staten van de Europese Economische Ruimte hebben.]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij DVR 2014-12-19/97, art. 100, 006; Inwerkingtreding : 01-01-2015>
  (2)<DVR 2015-07-17/22, art. 13, 009; Inwerkingtreding : 14-08-2015>
  (3)<DVR 2018-12-21/02, art. 12, 037; Inwerkingtreding : 01-05-2019>

  Art. 2.8.6.0.4.[1 De vrijstelling, vermeld in artikel 2.8.6.0.3, is alleen toepasselijk als de volgende voorwaarden cumulatief zijn vervuld :
   1° de schenking van de activa of aandelen van de familiale onderneming of vennootschap wordt vastgesteld bij authentieke akte;
   2° aan de verplichtingen, vermeld [2 in artikel 3.12.3.0.1, § 1, 4°, en § 5,]2 is voldaan.]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij DVR 2014-12-19/97, art. 101, 006; Inwerkingtreding : 01-01-2015>
  (2)<DVR 2015-07-17/22, art. 14, 009; Inwerkingtreding : 14-08-2015>

  Art. 2.8.6.0.5. [1 Voor de toepassing van artikel 2.8.6.0.3 en artikel 2.8.6.0.6., § 1, 2°, moet de aanwending of de bestemming van een onroerend goed worden nagegaan per kadastraal perceel of per gedeelte van een kadastraal perceel als dat gedeelte ofwel een afzonderlijke huisvesting is, ofwel een afdeling van de productie of van de werkzaamheden is die, of een onderdeel daarvan dat, afzonderlijk kan werken, ofwel een eenheid is die van de andere goederen of delen die het perceel vormen, kan worden afgezonderd.]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij DVR 2014-12-19/97, art. 102, 006; Inwerkingtreding : 01-01-2015>

  Art. 2.8.6.0.6.[1 § 1. De vrijstelling, vermeld in artikel 2.8.6.0.3, § 1, eerste lid, 1°, wordt behouden als de volgende voorwaarden cumulatief zijn vervuld :
   1° als een activiteit van de familiale onderneming zonder onderbreking wordt voortgezet gedurende drie jaar vanaf de datum van de authentieke akte van schenking;
   2° als de onroerende goederen die met toepassing van de vrijstelling zijn overgedragen, niet hoofdzakelijk tot bewoning aangewend of bestemd worden gedurende een periode van drie jaar vanaf de datum van de authentieke akte van schenking.
   § 2. De vrijstelling, vermeld in artikel 2.8.6.0.3, § 1, eerste lid, 2°, wordt alleen behouden als de volgende voorwaarden cumulatief zijn vervuld :
   1° de familiale vennootschap blijft gedurende drie jaar vanaf de datum van de authentieke akte van schenking voldoen aan de voorwaarden, vermeld in artikel 2.8.6.0.3, § 2, 2° ;
   2° een activiteit van de familiale vennootschap wordt zonder onderbreking voortgezet gedurende drie jaar vanaf de datum van de authentieke akte van schenking en voor elk van de drie jaar wordt een jaarrekening of geconsolideerde jaarrekening opgemaakt die in voorkomend geval wordt gepubliceerd overeenkomstig de vigerende boekhoudwetgeving van de lidstaat waar de maatschappelijke zetel gevestigd is op het ogenblik van de datum van de authentieke akte van schenking, die ook aangewend is ter verantwoording van de aangifte in de inkomstenbelasting.
   Ondernemingen of vennootschappen waarvan de maatschappelijke zetel buiten het Vlaamse Gewest maar binnen België ligt, moeten een jaarrekening of geconsolideerde jaarrekening opmaken en in voorkomend geval publiceren overeenkomstig de vigerende boekhoudwetgeving in België op de datum van de authentieke akte van schenking;
   3° [2 naargelang het geval:
   a) wanneer de familiale vennootschap een naamloze vennootschap, een Europese vennootschap of een Europese coöperatieve vennootschap is, dan wel een vennootschap met een andere rechtsvorm waarvoor het Belgische of buitenlandse recht dat haar beheerst, voorziet in een vergelijkbaar begrip: het kapitaal daalt niet door uitkeringen of terugbetalingen gedurende drie jaar vanaf de datum van de authentieke akte van schenking;
   b) wanneer de familiale vennootschap een vennootschapsvorm heeft waarvoor het Belgische of buitenlandse recht dat de vennootschap beheerst, niet voorziet in het begrip kapitaal of een vergelijkbaar begrip: het eigen vermogen daalt niet gedurende drie jaar vanaf de datum van de authentieke akte van schenking door uitkeringen of terugbetalingen tot onder het bedrag van de tot op de datum van de authentieke akte van schenking verrichte inbrengen, zoals dat blijkt uit de jaarrekening.]2
   4° de zetel van de werkelijke leiding van de vennootschap wordt niet overgebracht naar een staat die geen lid is van de Europese Economische Ruimte gedurende drie jaar vanaf de datum van de authentieke akte van schenking.]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij DVR 2014-12-19/97, art. 103, 006; Inwerkingtreding : 01-01-2015>
  (2)<DVR 2018-12-21/02, art. 13, 037; Inwerkingtreding : 01-05-2019>

  Art. 2.8.6.0.7. [1 § 1. Na verloop van een termijn van drie jaar na de datum van de authentieke akte van schenking controleert het bevoegde personeelslid of de voorwaarden, gesteld voor het behoud van de vrijstelling, vervuld zijn.
   Bij niet-vervulling van de voorwaarden, vermeld in het eerste lid, wordt de schenkbelasting geacht verschuldigd te zijn, berekend tegen het tarief, vermeld in artikel 2.8.4.1.1, zonder toepassing van de vrijstelling.
   Bij niet-vervulling van de voorwaarde, vermeld in artikel 2.8.6.0.6, § 2, 3°, is de schenkbelasting evenredig verschuldigd tegen het tarief, vermeld in artikel 2.8.4.1.1, zonder toepassing van de vrijstelling.
   § 2. Als de schenkbelasting verschuldigd is doordat de voorwaarden, gesteld tot behoud van de vrijstelling, niet langer vervuld zijn, kunnen de begiftigden dat melden bij de bevoegde entiteit van de Vlaamse administratie.
   Bij niet-vervulling van de voorwaarden, vermeld in het eerste lid, wordt de schenkbelasting geacht verschuldigd te zijn, berekend tegen het tarief, vermeld in artikel 2.8.4.1.1, zonder toepassing van de vrijstelling.
   Bij niet-vervulling van de voorwaarde, vermeld in artikel 2.8.6.0.6, § 2, 3°, is de schenkbelasting evenredig verschuldigd tegen het tarief, vermeld in artikel 2.8.4.1.1, zonder toepassing van de vrijstelling.]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij DVR 2014-12-19/97, art. 104, 006; Inwerkingtreding : 01-01-2015>

  Art. 2.8.6.0.8.[1 § 1. De waarde van de onbebouwde onroerende goederen waarvoor een natuurbeheerplan type twee, drie of vier als vermeld in artikel 16ter, § 1, 2°, 3° en 4°, van het decreet van 21 oktober 1997 betreffende het natuurbehoud en het natuurlijk milieu, is goedgekeurd conform artikel 16octies van het voormelde decreet, wordt, zowel voor de grond- als voor de opstandswaarde, als volgt van de schenkbelasting vrijgesteld:
   1° ten belope van 75% voor een natuurbeheerplan type twee;
   2° ten belope van 100% voor een natuurbeheerplan type drie en vier.
   § 2. De vrijstelling, vermeld in paragraaf 1, is ook van toepassing als er nog geen natuurbeheerplan is afgesloten, als het onroerend goed wordt geschonken met het oog op het tot stand brengen van een natuurbeheerplan type twee, drie of vier als vermeld in artikel 16ter, § 1, 2°, 3° en 4°, van het decreet van 21 oktober 1997 betreffende het natuurbehoud en het natuurlijk milieu.
   De vrijstelling, vermeld in het eerste lid, wordt verleend op voorwaarde dat uiterlijk bij de aanbieding ter registratie van de authentieke schenkingsakte een overeenkomst is gesloten met het Agentschap voor Natuur en Bos waaruit de intentie blijkt om een natuurbeheerplan voor het onroerend goed te laten goedkeuren.
   § 3. Voor de toepassing van dit artikel moet voldaan zijn aan de verplichtingen van artikel 3.12.3.0.1, § 1, 4°, en § 5, [2 vierde en vijfde lid]2.]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij DVR 2017-12-22/57, art. 16, 031; Inwerkingtreding : 09-06-2018>
  (2)<DVR 2018-12-21/02, art. 14, 037; Inwerkingtreding : 09-06-2018>

  Art. 2.8.6.0.9.[1 Als de waarde van de goederen die belast is met de erfbelasting, of een deel van deze goederen, binnen het jaar na het overlijden van de erflater, door een verkrijger van wie de verkrijging belast werd aan het tarief voor een verkrijging in de rechte lijn en tussen partners, bij notariële akte wordt geschonken aan een of meer van zijn afstammelingen of aan een of meer personen die voor de toepassing van de schenkbelasting met afstammelingen worden gelijkgesteld, wordt de schenking vrijgesteld van de schenkbelasting in de mate dat de waarde van de geschonken goederen de brutowaarde van de met erfbelasting belaste goederen niet te boven gaat.
   In voorkomend geval wordt het bedrag van de vrijstelling, vermeld in het eerste lid, beperkt met toepassing van de volgende formule: X = a x b/c, waarbij de parameters als volgt worden gedefinieerd:
   1° a = het bedrag van de schenkbelasting zonder de toepassing van de vrijstelling;
   2° b = het gedeelte van de schenking dat overeenstemt met de met erfbelasting belaste brutowaarde;
   3° c = de totale belastbare grondslag van de schenking.
   Het bedrag van de vrijstelling, vermeld in het eerste lid, kan nooit hoger zijn dan het bedrag van de erfbelasting dat geheven werd op de overdracht aan de schenker. Als de schenker meer dan één schenking doet zoals vermeld in het eerste lid, wordt het maximumbedrag van de vrijstelling beoordeeld voor alle schenkingen samen.
   In voorkomend geval wordt het bedrag van de erfbelasting, vermeld in het derde lid, beperkt met toepassing van de volgende formule: X = a x b/c, waarbij de parameters als volgt worden gedefinieerd:
   1° a = het bedrag van de erfbelasting berekend in hoofde van de schenker [2 ...]2;
   2° b = het gedeelte van de schenking dat overeenstemt met de met erfbelasting belaste brutowaarde;
   3° c = de brutowaarde van de met erfbelasting belaste goederen [2 ...]2
   Het bedrag van de erfbelasting, vermeld in het derde lid, dat geheven werd op de overdracht aan de schenker is het bedrag dat op regelmatige wijze in hoofde van deze persoon werd geheven op zicht van de aangifte die werd ingediend bij toepassing van artikel 3.3.1.0.5.
   Voor schenkingen onderworpen aan het tarief, vermeld in artikel 2.8.4.1.1, § 1, of artikel 2.8.4.2.1, kan de vrijstelling niet verleend worden in de mate deze schenking een onroerend goed tot voorwerp heeft dat geen deel uitmaakte van de verkrijging bij het overlijden, vermeld in het eerste lid.
   Voor de toepassing van de vrijstelling, vermeld in het eerste lid, is vereist dat:
   1° de nalatenschap van de erflater waaruit de waarde van de geschonken goederen werd verkregen fiscaal gelokaliseerd is in het Vlaamse Gewest;
   2° het overlijden heeft plaatsgevonden na 31 augustus 2018;
   3° de erfbelasting die werd geheven op de overdracht, is betaald;
   4° de schenking noch aan een opschortende voorwaarde, noch aan een opschortende termijn is onderworpen;
   5° de vrijstelling wordt gevraagd overeenkomstig artikel 3.12.3.0.1, § 1, 3° en 4°.
   Voor de toepassing van dit artikel moet onder brutowaarde worden begrepen: de belastbare waarde van de betrokken goederen voor de heffing van de erfbelasting, vóór enige aftrek van passief.]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij DVR 2018-07-06/03, art. 11, 033; Inwerkingtreding : 01-09-2018>
  (2)<DVR 2018-12-21/02, art. 15, 037; Inwerkingtreding : 07-01-2019>

  Afdeling 7. - [1 Wijze van heffing]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij DVR 2014-12-19/97, art. 105, 006; Inwerkingtreding : 01-01-2015>

  Art. 2.8.7.0.1. [1 De schenkbelasting wordt geheven in overeenstemming met de bepalingen van artikel 3.3.2.0.1, 9°, en artikel 3.3.3.0.1, § 4/2.]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij DVR 2014-12-19/97, art. 106, 006; Inwerkingtreding : 01-01-2015>

  Art. 2.8.7.0.2. [1 § 1. De belastingplicht, de belastbare grondslag, het tarief, de vrijstellingen en de verminderingen worden bepaald door het ogenblik waarop de rechtshandeling is gesteld.
   In afwijking van het eerste lid worden, als er geen verplichting tot registratie geldt, de belastingplicht, de belastbare grondslag en het tarief bepaald door het ogenblik waarop de akte of het geschrift ter registratie wordt aangeboden.
   § 2. Op een rechtshandeling die onderworpen is aan een opschortende voorwaarde, wordt de schenkbelasting alleen geheven als de voorwaarde vervuld is. In voorkomend geval wordt gehandeld als volgt :
   1° het toepasbare tarief waarmee voor de heffing rekening moet worden gehouden, is het tarief dat van kracht is op de datum waarop de schenkbelasting opvorderbaar geweest zou zijn als de handeling onvoorwaardelijk was;
   2° de belastbare grondslag waarmee voor de heffing rekening moet worden gehouden, is de belastbare grondslag op de datum van de vervulling van de voorwaarde.
   Voor de toepassing van het eerste lid wordt de door een rechtspersoon verrichte rechtshandeling die aan machtiging, goedkeuring of bekrachtiging van een overheid onderworpen is, gelijkgesteld met een aan een opschortende voorwaarde onderworpen rechtshandeling.]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij DVR 2014-12-19/97, art. 107, 006; Inwerkingtreding : 01-01-2015>

  Art. 2.8.7.0.3. [1 In geval van een handelszaak wordt de schenkbelasting vastgesteld volgens de aard van elk goed dat er deel van uitmaakt.]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij DVR 2014-12-19/97, art. 108, 006; Inwerkingtreding : 01-01-2015>

  Hoofdstuk 9. - [1 Verkooprecht]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij DVR 2014-12-19/97, art. 109, 006; Inwerkingtreding : 01-01-2015>

  Afdeling 1. - [1 Belastbaar voorwerp]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij DVR 2014-12-19/97, art. 110, 006; Inwerkingtreding : 01-01-2015>

  Art. 2.9.1.0.1. [1 Overeenkomstig artikel 1, artikel 19 en artikel 31 van het federale Wetboek van Registratie-, Hypotheek- en Griffierechten wordt het verkooprecht gevestigd naar aanleiding van de registratie of de verplichting tot registratie van akten of geschriften die als titel gelden van een overeenkomst houdende overdracht onder bezwarende titel van eigendom of vruchtgebruik van onroerende goederen, met uitsluiting van de inbrengen, vermeld in artikel 115bis van het federale Wetboek van Registratie-, Hypotheek- en Griffierechten.]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij DVR 2014-12-19/97, art. 111, 006; Inwerkingtreding : 01-01-2015>

  Art. 2.9.1.0.2. [1 Voor de toepassing van dit hoofdstuk worden de volgende overeenkomsten gelijkgesteld met een overeenkomst houdende overdracht onder bezwarende titel van eigendom van onroerende goederen :
   1° een overdragende overeenkomst onder bezwarende titel, waarbij de eigendom wordt verkregen van, hetzij hout op stam onder beding van het te vellen, hetzij gebouwen onder beding van ze te slopen, als de eigendom van de grond nadien wordt verkregen voor het hout helemaal geveld is of de gebouwen helemaal gesloopt zijn;
   2° een overeenkomst onder de levenden onder bezwarende titel, waarbij de eigendom wordt verkregen van hetzij hout op stam, hetzij gebouwen, als die bewuste overdracht ten voordele van de eigenaar van de grond wordt toegestaan.
   Het eerste lid is niet van toepassing als bewezen wordt dat de belasting over de toegevoegde waarde is voldaan voor de levering van de goederen die in de overeenkomst begrepen zijn.]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij DVR 2014-12-19/97, art. 112, 006; Inwerkingtreding : 01-01-2015>

  Art. 2.9.1.0.3. [1 Met behoud van de toepassing van artikel 2.9.1.0.1, wordt, behoudens vestiging van de belasting, vermeld in hoofdstuk 10 en 11, het verkooprecht gevestigd op een inbreng van onroerende goederen als vermeld in artikel 115bis van het federale Wetboek van Registratie-, Hypotheek- en Griffierechten in een Belgische vennootschap naarmate die inbreng anders vergoed wordt dan bij toekenning van maatschappelijke rechten.
   Als een inbreng als vermeld in het eerste lid meteen onroerende goederen als vermeld in artikel 115bis van het federale Wetboek van Registratie-, Hypotheek- en Griffierechten en goederen van een andere aard omvat, worden, niettegenstaande elk strijdig beding, de maatschappelijke rechten en de andere lasten die de vergoeding van de vermelde inbreng uitmaken, geacht evenredig verdeeld te zijn tussen de waarde die aan de onroerende goederen is toegekend en de waarde die aan de andere goederen is toegekend, bij de overeenkomst. De te vervallen huurprijzen van de huurcontracten waarvan de rechten worden ingebracht, worden evenwel geacht alleen op de laatstvermelde rechten betrekking te hebben.
   Het eerste en het tweede lid zijn niet van toepassing op de inbreng van de universaliteit van de goederen of van een bedrijfstak, vermeld in artikel 117, § 1 en § 2, van het federale Wetboek van Registratie-, Hypotheek- en Griffierechten.
   Dit artikel is ook van toepassing op de oprichting van nieuwe vennootschappen, als vermeld in artikel 118 van het federale Wetboek van Registratie-, Hypotheek- en Griffierechten.]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij DVR 2014-12-19/97, art. 113, 006; Inwerkingtreding : 01-01-2015>

  Art. 2.9.1.0.4.[1 [3 Het verkooprecht wordt ook gevestigd op de verkrijging, op welke wijze ook, anders dan bij inbreng in een vennootschap, door een of meer vennoten van onroerende goederen die in België liggen en die voortkomen van een vennootschap onder firma, van een commanditaire vennootschap, van een besloten vennootschap of van een coöperatieve vennootschap.]3
   De verkrijging zal evenwel belast worden volgens haar gemeenrechtelijke aard als het gaat om :
   1° onroerende goederen die in de vennootschap zijn ingebracht, als ze verkregen zijn door de persoon die de inbreng gedaan heeft;
   2° onroerende goederen die door de vennootschap met betaling van het verkooprecht verkregen zijn, als het vaststaat dat de vennoot die eigenaar van die onroerende goederen wordt, deel uitmaakte van de vennootschap toen [2 laatstgenoemde]2 de goederen verkreeg.
   [3 In geval van verkrijging van maatschappelijke onroerende goederen door al de vennoten door een gehele of gedeeltelijke vereffening conform boek 2, titel 8, hoofdstuk 1, afdeling 2, van het Wetboek van Vennootschappen en Verenigingen, is, naargelang van het geval, de registratiebelasting die met toepassing van het eerste of het tweede lid is gevestigd, van toepassing op de latere toebedeling van de goederen aan een of meer vennoten.]3]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij DVR 2014-12-19/97, art. 114, 006; Inwerkingtreding : 01-01-2015>
  (2)<DVR 2015-07-17/22, art. 15, 009; Inwerkingtreding : 14-08-2015>
  (3)<DVR 2018-12-21/02, art. 16, 037; Inwerkingtreding : 01-05-2019>

  Art. 2.9.1.0.5.[1 [2 Het verkooprecht wordt ook gevestigd op de verkrijging, op welke wijze ook, door een of meer vennoten van onroerende goederen die in België liggen en die voortkomen van een naamloze vennootschap, van een Europese vennootschap of van een Europese coöperatieve vennootschap.]2
   Het eerste lid is niet van toepassing bij een verkrijging bij wijze van inbreng in een vennootschap.]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij DVR 2014-12-19/97, art. 115, 006; Inwerkingtreding : 01-01-2015>
  (2)<DVR 2018-12-21/02, art. 17, 037; Inwerkingtreding : 01-05-2019>

  Art. 2.9.1.0.6. [1 § 1. Vonnissen en arresten die tot bewijs strekken van een overeenkomst waarop de bepalingen van deze afdeling van toepassing zijn, maar die nog niet aan het verkooprecht onderworpen is, geven aanleiding tot de heffing van het verkooprecht.
   Het eerste lid is ook van toepassing als de rechterlijke beslissing die tot bewijs van de overeenkomst strekt, de ontbinding of herroeping ervan uitspreekt of vaststelt voor om het even welke reden, tenzij uit de beslissing blijkt dat ten hoogste één jaar na de overeenkomst een eis tot ontbinding of herroeping, zelfs bij een onbevoegde rechter, is ingesteld.
   § 2. Exequaturs van scheidsrechterlijke uitspraken en in het buitenland gewezen rechterlijke beslissingen worden, voor de toepassing van dit hoofdstuk, als een geheel met de desbetreffende akte beschouwd. Als de desbetreffende akte tot bewijs strekt van een overeenkomst houdende overdracht onder bezwarende titel van eigendom of vruchtgebruik van in het Vlaamse Gewest te lokaliseren onroerende goederen en niet aan het verkooprecht onderworpen is, geeft ze aanleiding tot de heffing van het verkooprecht.
   Dat geldt ook als de scheidsrechterlijke uitspraak of in het buitenland gewezen rechterlijke beslissing die tot bewijs van de overeenkomst strekt, de ontbinding of herroeping ervan uitspreekt of vaststelt voor om het even welke reden, tenzij uit de beslissing blijkt dat ten hoogste één jaar na de overeenkomst een eis tot ontbinding of herroeping, zelfs bij een onbevoegde rechter, is ingesteld.
   Het verkooprecht is ook van toepassing in geval van aanbieding ter registratie van een in het buitenland gewezen rechterlijke beslissing die van rechtswege in België uitvoerbaar is.]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij DVR 2014-12-19/97, art. 116, 006; Inwerkingtreding : 01-01-2015>

  Art. 2.9.1.0.7. [1 In afwijking van artikel 2.10.1.0.1 wordt in geval van toebedeling bij verdeling of van afstand van onverdeelde delen aan een derde die bij overeenkomst een onverdeeld deel heeft verkregen van goederen die toebehoren aan een of meer personen, het verkooprecht geheven op de delen waarvan de derde ten gevolge van de overeenkomst eigenaar wordt, met toepassing van artikel 2.9.3.0.1 en artikel 2.9.3.0.4 tot en met artikel 2.9.3.0.7.
   Het eerste lid is van toepassing als de toebedeling van goederen of de afstand van onverdeelde delen gedaan wordt aan de erfgenamen of legatarissen van de overleden derde verkrijger.
   Het eerste lid is niet van toepassing als de derde, aan wie de toebedeling of de afstand gedaan wordt, met anderen het geheel van een of meer goederen heeft verkregen.]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij DVR 2014-12-19/97, art. 117, 006; Inwerkingtreding : 01-01-2015>

  Afdeling 2. - [1 Belastingplichtigen]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij DVR 2014-12-19/97, art. 118, 006; Inwerkingtreding : 01-01-2015>

  Art. 2.9.2.0.1. [1 De belastingplichtige is de verkrijger van het zakelijk recht.
   Bij een ruilovereenkomst is de belastingplichtige de verkrijger van het onroerend goed waarvan de overeengekomen waarde als heffingsgrondslag heeft gediend overeenkomstig artikel 2.9.7.0.2.
   Voor de belasting, vermeld in artikel 2.9.4.2.9, is de belastingplichtige de persoon die als eerste met naam wordt vermeld in de akte die of het geschrift dat ter registratie wordt aangeboden.]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij DVR 2014-12-19/97, art. 119, 006; Inwerkingtreding : 01-01-2015>

  Afdeling 3. - [1 Belastbare grondslag]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij DVR 2014-12-19/97, art. 120, 006; Inwerkingtreding : 01-01-2015>

  Art. 2.9.3.0.1. [1 § 1. Het verkooprecht wordt vastgesteld op basis van het bedrag van de overeengekomen prijs en lasten of het bedrag van de overeengekomen tegenprestatie ten laste van de verkrijger.
   In afwijking van het eerste lid wordt het verkooprecht voor overeenkomsten tot inbreng van onroerende goederen in vennootschappen vastgesteld op basis van het bedrag van de waarde van de als vergoeding voor de inbreng toegekende maatschappelijke rechten, verhoogd met de lasten die door de vennootschap gedragen worden.
   § 2. De belastbare grondslag mag in geen geval lager zijn dan de verkoopwaarde van de overgedragen onroerende goederen.]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij DVR 2014-12-19/97, art. 121, 006; Inwerkingtreding : 01-01-2015>

  Art. 2.9.3.0.2.
  <Opgeheven bij DVR 2018-05-18/01, art. 3, 030; Inwerkingtreding : 01-06-2018>

  Art. 2.9.3.0.3.
  <Opgeheven bij DVR 2018-05-18/01, art. 3, 030; Inwerkingtreding : 01-06-2018>

  Art. 2.9.3.0.4. [1 § 1. Als bij een overeenkomst als vermeld in artikel 2.9.3.0.1, een levenslang vruchtgebruik op een onroerend goed wordt gevestigd, wordt de verkoopwaarde (vkw), vermeld in artikel 2.9.3.0.1, § 2, berekend volgens de volgende formule :
   vkw = a x b.
   De parameters, vermeld in het eerste lid, worden als volgt gedefinieerd :
   1° a = de jaarlijkse bruto-opbrengst of, bij gebrek daaraan, de brutohuurwaarde van het goed;
   2° b = de leeftijdscoëfficiënt, vermeld in de onderstaande tabel, naargelang de leeftijd van de persoon op het hoofd van wie het vruchtgebruik is gevestigd op de dag van de akte :
  
  

  
leeftijdscoëfficiënt leeftijd van degene op het hoofd van wie de rente gevestigd is, in jaar
18 ≤ 20
17 > 20-30
16 > 30-40
14 > 40-50
13 > 50-55
11 > 55-60
9,5 > 60-65
8 > 65-70
6 > 70-75
4 > 75-80
2 > 80

§ 2. Als bij een overeenkomst als vermeld in artikel 2.9.3.0.1, een vruchtgebruik voor beperkte tijd op een onroerend goed wordt gevestigd, wordt de verkoopwaarde, vermeld in artikel 2.9.3.0.1, § 2, berekend door de jaarlijkse opbrengst tegen 4% te kapitaliseren, rekening houdend met de bij de overeenkomst gestelde duur van het vruchtgebruik.
   De verkoopwaarde, verkregen in het eerste lid, mag niet hoger zijn dan een van de volgende bedragen :
   1° de waarde, vermeld in paragraaf 1, als het gaat om een ten voordele van een natuurlijke persoon gevestigd vruchtgebruik;
   2° het bedrag van twintig keer de opbrengst van het onroerend goed, als het gaat om een ten voordele van een rechtspersoon gevestigd vruchtgebruik.
   § 3. In geen geval mag de verkoopwaarde van het vruchtgebruik meer bedragen dan vier vijfde van de verkoopwaarde van de volle eigendom van het onroerend goed.]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij DVR 2014-12-19/97, art. 124, 006; Inwerkingtreding : 01-01-2015>

  Art. 2.9.3.0.5. [1 Als bij een overeenkomst als vermeld in artikel 2.9.3.0.1, de blote eigendom wordt overgedragen met voorbehoud van het vruchtgebruik, mag de verkoopwaarde, vermeld in artikel 2.9.3.0.1, § 2, niet lager zijn dan de verkoopwaarde van de volle eigendom.]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij DVR 2014-12-19/97, art. 125, 006; Inwerkingtreding : 01-01-2015>

  Art. 2.9.3.0.6. [1 Als bij een overeenkomst als vermeld in artikel 2.9.3.0.1, de blote eigendom wordt overgedragen zonder dat het vruchtgebruik door de vervreemder is voorbehouden, mag de verkoopwaarde, vermeld in artikel 2.9.3.0.1, § 2, niet lager zijn dan de verkoopwaarde van de volle eigendom, na aftrek van de waarde van het vruchtgebruik, berekend volgens artikel 2.9.3.0.4.]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij DVR 2014-12-19/97, art. 126, 006; Inwerkingtreding : 01-01-2015>

  Art. 2.9.3.0.7. [1 Als bij een overeenkomst als vermeld in artikel 2.9.3.0.1, een vruchtgebruik op een onroerend goed op het hoofd van twee of meer personen wordt gevestigd, met recht van aanwas of van terugvalling, wordt voor de toepassing van artikel 2.9.3.0.4 en artikel 2.9.3.0.6 rekening gehouden met de leeftijd van de jongste persoon.]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij DVR 2014-12-19/97, art. 127, 006; Inwerkingtreding : 01-01-2015>

  Art. 2.9.3.0.8. [1 Het verkooprecht, verschuldigd op akten waarbij eigendom of vruchtgebruik van een handelszaak overgedragen wordt, wordt vastgesteld op basis van de in deze afdeling vastgestelde grondslagen.
   De schulden die al dan niet met de handelszaak in verband staan en die door de nieuwe eigenaar of vruchtgebruiker ten laste genomen worden, worden als lasten van de overeenkomst beschouwd.]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij DVR 2014-12-19/97, art. 128, 006; Inwerkingtreding : 01-01-2015>

  Art. 2.9.3.0.9. [1 In geval van een openbare verkoop van onroerende goederen, in verschillende loten, wordt het verkooprecht geheven op het samengevoegde bedrag van de aan hetzelfde tarief onderworpen loten.]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij DVR 2014-12-19/97, art. 129, 006; Inwerkingtreding : 01-01-2015>

  Afdeling 4. - [1 Tarieven]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij DVR 2014-12-19/97, art. 130, 006; Inwerkingtreding : 01-01-2015>

  Onderafdeling 1. - [1 Algemeen]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij DVR 2014-12-19/97, art. 131, 006; Inwerkingtreding : 01-01-2015>

  Art. 2.9.4.1.1. [1 Het verkooprecht bedraagt 10 %.]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij DVR 2014-12-19/97, art. 132, 006; Inwerkingtreding : 01-01-2015>

  Art. 2.9.4.1.2. [1 Als een akte of geschrift, overeengekomen tussen dezelfde partijen, verschillende van elkaar afhankelijke of noodzakelijk uit elkaar voortvloeiende regelingen bevat waaronder een verkoopovereenkomst die onderworpen is aan het verkooprecht, wordt de belasting geheven die van toepassing is op de regeling die aanleiding geeft tot de heffing van de hoogste belasting, vastgesteld met toepassing van hoofdstuk 8 tot en met hoofdstuk 11.
   Als een akte of geschrift, overeengekomen tussen dezelfde partijen, verschillende van elkaar onafhankelijke of niet noodzakelijk uit elkaar voortvloeiende regelingen bevat waaronder een verkoopovereenkomst die onderworpen is aan het verkooprecht, wordt op elke regeling al naargelang het geval de belasting, vermeld in hoofdstuk 8 tot en met hoofdstuk 11, geheven.]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij DVR 2014-12-19/97, art. 133, 006; Inwerkingtreding : 01-01-2015>

  Onderafdeling 2. - [1 Verlaagde tarieven]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij DVR 2014-12-19/97, art. 134, 006; Inwerkingtreding : 01-01-2015>

  Art. 2.9.4.2.1.
  <Opgeheven bij DVR 2018-05-18/01, art. 3, 030; Inwerkingtreding : 01-06-2018>

  Art. 2.9.4.2.2.
  <Opgeheven bij DVR 2018-05-18/01, art. 3, 030; Inwerkingtreding : 01-06-2018>

  Art. 2.9.4.2.3. [1 In afwijking van artikel 2.9.4.1.1 bedraagt het verkooprecht 1,50 % voor verkoopovereenkomsten van woningen die gesloten zijn door de Vlaamse Maatschappij voor Sociaal Wonen of door de erkende sociale huisvestingsmaatschappijen, vermeld in artikel 40 van het decreet van 15 juli 1997 houdende de Vlaamse Wooncode, en voor kopers die voldoen aan de voorwaarden, vermeld in artikel 3 van het besluit van de Vlaamse Regering van 29 september 2006 betreffende de voorwaarden voor de overdracht van onroerende goederen door de Vlaamse Maatschappij voor Sociaal Wonen en de sociale huisvestingmaatschappijen ter uitvoering van de Vlaamse Wooncode.
   Als na de aankoop blijkt dat de kopers niet meer voldoen aan de voorwaarden, vermeld in artikel 3 van het besluit van de Vlaamse Regering van 29 september 2006 betreffende de voorwaarden voor de overdracht van onroerende goederen door de Vlaamse Maatschappij voor Sociaal Wonen en de sociale huisvestingmaatschappijen ter uitvoering van de Vlaamse Wooncode, of aan de voorwaarden tot behoud of bewoning, opgelegd door de Vlaamse Maatschappij voor Sociaal Wonen of door de erkende sociale huisvestingsmaatschappijen, vermeld in artikel 40 van het decreet van 15 juli 1997 houdende de Vlaamse Wooncode, zijn ze het verkooprecht, vermeld in artikel 2.9.4.1.1, verschuldigd na aftrek van de reeds geheven belasting.
   Het verlaagde tarief, vermeld in het eerste lid, is ook van toepassing op gelijksoortige rechtspersonen die opgericht zijn volgens en onderworpen zijn aan de wetgeving van een staat van de Europese Economische Ruimte, en die bovendien hun statutaire zetel, hun hoofdbestuur of hun hoofdvestiging binnen de Europese Economische Ruimte hebben.]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij DVR 2014-12-19/97, art. 137, 006; Inwerkingtreding : 01-01-2015>

  Art. 2.9.4.2.4.[1 § 1. In afwijking van artikel 2.9.4.1.1 wordt het tarief van het verkooprecht verlaagd tot 4% voor overeenkomsten houdende [2 overdrachten ten bezwarende titel, uit de hand en bij authentieke akte, met uitsluiting van de inbrengen, vermeld in artikel 115bis van het federale Wetboek van Registratie-, Hypotheek- en Griffierechten]2, waarbij de verkrijger een persoon is die zijn beroep maakt van het kopen en verkopen van onroerende goederen.
   § 2. Voor de toepassing van het verlaagde tarief, vermeld in paragraaf 1, moeten de volgende voorwaarden vervuld zijn :
   1° de verkrijger ondertekent een beroepsverklaring en dient die in;
   2° de verkrijger stelt op eigen kosten zekerheid met toepassing van artikel 3.10.5.1.3, eerste lid;
   3° de verkrijger heeft de erkenning verkregen van een in België gevestigde vertegenwoordiger die met toepassing van artikel 3.10.4.4.5 met hem instaat voor de nakoming van zijn fiscale verplichtingen als hij :
   a) een natuurlijke persoon is en zijn wettelijke verblijfplaats buiten de Europese Economische Ruimte heeft;
   b) een rechtspersoon is zonder vestiging in België waarvan de maatschappelijke zetel gevestigd is buiten de Europese Economische Ruimte.
   § 3. De akte die de verklaring, vermeld in artikel 3.12.3.0.1, § 1, niet bevat of waarbij de verklaring, vermeld in artikel 3.12.3.0.1, § 3, derde lid, niet gevoegd is, wordt tegen het tarief, vermeld in artikel 2.9.4.1.1, geregistreerd zonder enige mogelijkheid tot teruggave.
   Een andere beroepspersoon dan de persoon, vermeld in paragraaf 2, 3°, kan de erkenning verkrijgen van een in België gevestigde vertegenwoordiger die medeaansprakelijk is en hoofdelijk met hem instaat voor de nakoming van zijn fiscale verplichtingen.
   § 4. Als de persoon die een beroepsverklaring heeft ondertekend, bij het verstrijken van een termijn van vijf jaar na die verklaring, geen drie wederverkopen kan aantonen waardoor blijkt dat hij het aangegeven beroep werkelijk uitoefent, is hij op al zijn aankopen het verkooprecht, vermeld in artikel 2.9.4.1.1, verschuldigd na aftrek van de reeds geheven belasting.]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij DVR 2014-12-19/97, art. 138, 006; Inwerkingtreding : 01-01-2015>
  (2)<DVR 2015-07-17/22, art. 18, 009; Inwerkingtreding : 14-08-2015>

  Art. 2.9.4.2.5.[1 § 1. Als de verkrijger, vermeld in artikel 2.9.4.2.4, § 1, of zijn rechthebbenden het verkregen onroerend goed niet vervreemd hebben door een wederverkoop of elke andere overdracht onder bezwarende titel, vastgesteld bij een authentieke akte die uiterlijk verleden is op 31 december van het achtste jaar na de datum van de koopakte, is het tarief, vermeld in artikel 2.9.4.1.1, dat van kracht is op het ogenblik van de aankoop, verschuldigd na aftrek van de reeds geheven belasting.
   Het verkooprecht wordt geheven op de belastbare grondslag, vermeld in artikel 2.9.3.0.1, op het moment van de aankoop.
   Als slechts een deel van tegen een enige prijs aangekochte onroerende goederen wordt vervreemd, wordt de belastbare waarde van het niet-vervreemde gedeelte bepaald naar verhouding van de [2 omvang]2.
   Een wederverkoop aan een beroepspersoon met toepassing van artikel 2.9.4.2.4 en een inbreng in een vennootschap worden niet beschouwd als een wederverkoop als vermeld in het eerste lid. [2 Een overdracht onder bezwarende titel die aan het verdeelrecht is onderworpen, wordt niet beschouwd als een overdracht onder bezwarende titel als vermeld in het eerste lid.]2
   § 2. De verkrijger mag de betaling aanbieden van de belasting, vermeld in paragraaf 1, eerste lid, vóór het verstrijken van de termijn, vermeld in paragraaf 1, eerste lid. Hij moet daarvoor een verklaring indienen [2 bij de bevoegde entiteit van de Vlaamse administratie]2. Die verklaring vermeldt de samenstelling en de waarde van de goederen waarvoor hij de belasting wil betalen.]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij DVR 2014-12-19/97, art. 139, 006; Inwerkingtreding : 01-01-2015>
  (2)<DVR 2015-07-17/22, art. 19, 009; Inwerkingtreding : 14-08-2015>

  Art. 2.9.4.2.6. [1 Bij overlijden van de vertegenwoordiger van een beroepspersoon als vermeld in artikel 2.9.4.2.4, § 2, 3°, bij de intrekking van zijn erkenning of als hij onbekwaam wordt verklaard om als vertegenwoordiger op te treden, moet binnen een termijn van zes maanden in zijn vervanging voorzien worden.
   Als de voorschriften, vermeld in het eerste lid en in artikel 3.10.5.1.3, tweede lid, niet voldaan zijn, is de belasting, vermeld in artikel 2.9.4.2.5, verschuldigd voor de niet-wederverkochte goederen.]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij DVR 2014-12-19/97, art. 140, 006; Inwerkingtreding : 01-01-2015>

  Art. 2.9.4.2.7. [1 In afwijking van artikel 2.9.4.1.1 bedraagt het verkooprecht 6% voor een koopovereenkomst ter verwezenlijking van haar maatschappelijk doel :
   1° door een maatschappij die erkend is door de Vlaamse Maatschappij voor Sociaal Wonen, op voorwaarde van bewijs van haar erkenning;
   2° door het Vlaams Woningfonds.
   Het verlaagde tarief, vermeld in het eerste lid, is ook van toepassing op gelijksoortige rechtspersonen die opgericht zijn volgens en onderworpen zijn aan de wetgeving van een staat van de Europese Economische Ruimte, en die bovendien hun statutaire zetel, hun hoofdbestuur of hun hoofdvestiging binnen de Europese Economische Ruimte hebben.]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij DVR 2014-12-19/97, art. 141, 006; Inwerkingtreding : 01-01-2015>

  Art. 2.9.4.2.8.[1 § 1. In afwijking van artikel 2.9.4.1.1 wordt het tarief van het verkooprecht verlaagd tot 6% voor de ruilovereenkomsten van ongebouwde landgoederen [2 waarvan de oppervlakte van elk van de kavels niet meer bedraagt dan vijf hectare,]2 op voorwaarde dat het waardeverschil tussen elk van de kavels of de opleg een vierde van de verkoopwaarde van de minste kavel niet te boven gaat.
   Voor de toepassing van het tarief, vermeld in het eerste lid, moet voldaan zijn aan de verplichtingen van artikel 3.12.3.0.1, § 1 en § 3, tweede lid.
   § 2. Voor elke te laag bevonden opleg of elk te laag bevonden waardeverschil, zijn aanvullende rechten verschuldigd.
   Hetzelfde geldt voor elke overschatting van de kavels die een vermindering van het verkooprecht tot gevolg heeft.]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij DVR 2014-12-19/97, art. 142, 006; Inwerkingtreding : 01-01-2015>
  (2)<DVR 2018-06-22/18, art. 12, 028; Inwerkingtreding : 01-01-2018>

  Art. 2.9.4.2.9. [1 § 1. Een overeenkomst als vermeld in artikel 2.9.1.0.1, wordt onderworpen aan een tarief van 10 euro als ze niet bij authentieke akte is vastgesteld, en als binnen de termijnen, overeenkomstig artikel 32 of artikel 33 van het federale Wetboek van Registratie-, Hypotheek- en Griffierechten, samen met de ter registratie aangeboden akte of het ter registratie aangeboden geschrift een schriftelijk vastgestelde overeenkomst ter registratie wordt aangeboden waarin alle partijen verklaren de eerste overeenkomst in der minne te hebben ontbonden of vernietigd of waarin ze verklaren dat een in de eerste overeenkomst uitdrukkelijk bedongen ontbindende voorwaarde al is vervuld.
   Het tarief, vermeld in het eerste lid, geldt niet voor de inbrengen door een natuurlijke persoon van een woning in een Belgische vennootschap, noch voor overeenkomsten die onderworpen zijn aan het tarief, vermeld in artikel 2.9.4.2.4, § 1.
   § 2. De schriftelijk vastgestelde overeenkomst waarin alle partijen verklaren een overeenkomst, zoals omschreven in artikel 2.9.1.0.1, te hebben ontbonden of vernietigd of waarin ze verklaren dat een in die overeenkomst uitdrukkelijk bedongen ontbindende voorwaarde is vervuld, wordt geregistreerd tegen het tarief van 10 euro op voorwaarde dat die ontbonden of vernietigde overeenkomst :
   1° niet bij authentieke akte is vastgesteld;
   2° dateert van minder dan één jaar vóór de dagtekening van de ter registratie aangeboden overeenkomst.]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij DVR 2014-12-19/97, art. 143, 006; Inwerkingtreding : 01-01-2015>

  Art. 2.9.4.2.10.[1 § 1. Het tarief, vermeld in artikel 2.9.4.1.1 [2 ...]2, wordt gehalveerd voor verkrijgingen onder bezwarende titel bij authentieke akte van de geheelheid eigendom van een beschermd monument als vermeld in artikel 2.1, 16°, van het Onroerenderfgoeddecreet van 12 juli 2013, met uitzondering van ruilovereenkomsten die onder de toepassing vallen van artikel 2.9.7.0.2.
   § 2. Voor de toepassing van het verlaagde tarief, vermeld in paragraaf 1, moeten de volgende voorwaarden vervuld zijn:
   1° de verkrijgers verbinden zich ertoe dat minstens het bedrag dat overeenkomt met het verschil tussen het verkooprecht, geheven met toepassing van paragraaf 1, en het verkooprecht, verschuldigd bij gebrek aan toepassing van hetzelfde artikel, binnen vijf jaar vanaf de datum van de authentieke akte van verkrijging geïnvesteerd wordt in beheersmaatregelen, werkzaamheden of diensten die noodzakelijk zijn voor het behoud of de herwaardering van erfgoedkenmerken en -elementen van het beschermde monument, vermeld in artikel 2.1, 16°, van het Onroerenderfgoeddecreet van 12 juli 2013. De voormelde beheersmaatregelen, werkzaamheden of diensten dienen opgenomen te zijn in een goedgekeurd beheersplan als vermeld in punt 2°, dat geldig is bij de aanvang van de voormelde beheersmaatregelen, werkzaamheden of diensten;
   2° voor het beschermde monument, vermeld in artikel 2.1, 16°, van het Onroerenderfgoeddecreet van 12 juli 2013, is er een goedgekeurd beheersplan of zal een beheersplan opgemaakt worden conform hoofdstuk 8 van het Onroerenderfgoeddecreet van 12 juli 2013 en hoofdstuk 8 van het Onroerenderfgoedbesluit van 16 mei 2014. Het beheersplan is goedgekeurd of zal worden goedgekeurd door het agentschap, vermeld in artikel 2.1, 2°, van het Onroerenderfgoeddecreet van 12 juli 2013;
   3° de verkrijgers voldoen aan de verplichting, vermeld in artikel 3.12.3.0.1, § 1 en § 3, vijfde lid.
   § 3. Het bedrag, vermeld in paragraaf 2, 1°, is exclusief btw.
   § 4. Het voordeel van de toepassing van de tariefvermindering uit dit artikel kan niet gecombineerd worden met de toepassing van [2 ...]2 de vermindering, vermeld in artikel 2.9.5.0.1, noch met de ontheffing, vermeld in artikel 3.6.0.0.6, § 3.
   Het voordeel van de toepassing van de tariefvermindering uit dit artikel kan niet gecombineerd worden met de premies, vermeld in artikel 10.2.1 van het Onroerenderfgoeddecreet van 12 juli 2013, [3 noch met de belastingvermindering van de personenbelasting, vermeld in artikel 14536 van het Wetboek van de Inkomstenbelastingen 1992, als de voormelde premies of de belastingvermindering]3 betrekking hebben op dezelfde beheersmaatregelen, werkzaamheden of diensten als de beheersmaatregelen, de werkzaamheden of de diensten, vermeld in paragraaf 2, 1°.
   § 5. Bij een rechtshandeling als vermeld in paragraaf 1 die onderworpen is aan een opschortende voorwaarde, wordt voor de toepassing van dit artikel de datum van de vervulling van de voorwaarde in de plaats gesteld van de datum van de akte.]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij DVR 2017-04-21/06, art. 7, 020; Inwerkingtreding : 14-05-2017>
  (2)<DVR 2018-05-18/01, art. 4, 030; Inwerkingtreding : 01-06-2018>
  (3)<DVR 2018-07-06/20, art. 12, 032; Inwerkingtreding : 31-08-2018>

  Art. 2.9.4.2.11.[1 § 1. In afwijking van artikel 2.9.4.1.1 bedraagt het verkooprecht 7 % voor overeenkomsten houdende zuivere aankoop, waarbij door een of meer natuurlijke personen samen en gelijktijdig de geheelheid volle eigendom van een woning wordt verkregen om er hun hoofdverblijfplaats te vestigen.
   § 2. Om het verlaagde tarief, vermeld in paragraaf 1, te kunnen toepassen, moeten alle volgende voorwaarden vervuld zijn:
   1° de verkrijger is op de datum van de authentieke aankoopakte niet voor de geheelheid volle eigenaar van een andere woning of bouwgrond. [2 Als er verschillende verkrijgers zijn]2, zijn ze op de vermelde datum niet samen voor de geheelheid volle eigenaar van een andere woning of bouwgrond;
   2° de verkrijger verbindt zich ertoe zijn inschrijving in het bevolkingsregister of het vreemdelingenregister te nemen op het adres van de aangekochte woning binnen twee jaar na de datum van de authentieke aankoopakte;
   3° de verplichting, vermeld in artikel 3.12.3.0.1, § 1, is nageleefd.
   [2 De koper die de voorwaarde, vermeld in het eerste lid, 2°, niet is nagekomen, is aanvullende rechten verschuldigd.]2
   § 3. In afwijking van paragraaf 2, 1°, wordt geen rekening gehouden met de woning of de bouwgrond als:
   1° de verkrijger zich ertoe verbindt om dit onroerend goed uiterlijk één jaar na de datum van de authentieke akte volledig en ten bezwarende titel te vervreemden en aantoont dat er een causaal verband bestaat tussen die vervreemding en de verkrijging tegen het verlaagd tarief, vermeld in paragraaf 1, en als de verkrijger voldoet aan de verplichting, vermeld in artikel 3.12.3.0.1, § 3, eerste lid;
   2° het onroerend goed uiterlijk een jaar na de datum van de authentieke akte van verkrijging, al dan niet gedwongen, wordt onteigend en als de verkrijger voldoet aan de verplichting, vermeld in artikel 3.12.3.0.1, § 3, tweede lid.
  [2 De koper die de voorwaarden, vermeld in het eerste lid, 1° of 2°, niet is nagekomen, is aanvullende rechten verschuldigd.]2
   § 4. In geval van een overdracht, die aan een opschortende voorwaarde is onderworpen [2 die nog niet is vervuld op datum van de authentieke akte]2, wordt voor de toepassing van dit artikel de datum van vervulling van de voorwaarde in de plaats gesteld van de datum van de authentieke akte.]1
  [2 § 5. Het tarief, vermeld in paragraaf 1, kan niet worden toegepast als voor de overdracht van het gebouw of gedeelten van het gebouw de vrijstelling, vermeld in artikel 2.9.6.0.1, eerste lid, 4°, is genoten.]2
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij DVR 2018-05-18/01, art. 5, 030; Inwerkingtreding : 01-06-2018>
  (2)<DVR 2018-12-21/02, art. 18, 037; Inwerkingtreding : 01-06-2018>

  Art. 2.9.4.2.12.[1 § 1. Het verlaagde tarief, vermeld in artikel 2.9.4.2.11, wordt verminderd tot 6 % als aan al de volgende voorwaarden is voldaan:
   1° de verkrijger verbindt zich ertoe aan de aangekochte woning een ingrijpende energetische renovatie uit te voeren als vermeld in artikel 1.1.1, § 2, 50°, van het Energiebesluit van 19 november 2010;
   2° de verkrijger moet binnen een termijn van vijf jaar vanaf de datum van de authentieke aankoopakte een energieprestatiecertificaat bouw als vermeld in artikel 9.2.11 van het Energiebesluit van 19 november 2010, bekomen waaruit blijkt dat de renovatiewerken die aan de aangekochte woning uitgevoerd zijn, betrekking hebben op werken als vermeld in punt 1° ;
   3° de verkrijger is op de datum van de authentieke aankoopakte niet voor de geheelheid volle eigenaar van een andere woning of bouwgrond. [2 Als er verschillende verkrijgers zijn]2, zijn ze op de vermelde datum niet samen voor de geheelheid volle eigenaar van een andere woning of bouwgrond;
   4° de verkrijger verbindt zich ertoe zijn inschrijving in het bevolkingsregister of het vreemdelingenregister te nemen op het adres van de aangekochte woning binnen vijf jaar na de datum van de authentieke aankoopakte;
   5° de verplichting, vermeld in artikel 3.12.3.0.1, § 1, is nageleefd.
   De [2 koper]2 die de voorwaarden, vermeld in het eerste lid, 1°, 2° en 4°, niet is nagekomen, is aanvullende rechten verschuldigd.
   § 2. In afwijking van paragraaf 1, 3°, wordt geen rekening gehouden met de woning of de bouwgrond als:
   1° de verkrijger zich ertoe verbindt om dit onroerend goed uiterlijk één jaar na de datum van de authentieke akte volledig en ten bezwarende titel te vervreemden en aantoont dat er een causaal verband bestaat tussen die vervreemding en de verkrijging tegen het verlaagd tarief, vermeld in paragraaf 1, en als de verkrijger voldoet aan de verplichting, vermeld in artikel 3.12.3.0.1, § 3, eerste lid;
   2° het onroerend goed uiterlijk een jaar na de datum van de authentieke akte van verkrijging, al dan niet gedwongen, wordt onteigend en als de verkrijger voldoet aan de verplichting, vermeld in artikel 3.12.3.0.1, § 3, tweede lid.
  [2 De koper die de voorwaarden, vermeld in het eerste lid, 1° of 2°, niet is nagekomen, is aanvullende rechten verschuldigd.]2
   § 3. In geval van een overdracht, die aan een opschortende voorwaarde is onderworpen [2 die nog niet is vervuld op datum van de authentieke akte]2, wordt voor de toepassing van dit artikel de datum van vervulling van de voorwaarde in de plaats gesteld van de datum van de akte.]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij DVR 2018-05-18/01, art. 6, 030; Inwerkingtreding : 01-06-2018>
  (2)<DVR 2018-12-21/02, art. 19, 037; Inwerkingtreding : 01-06-2018>

  Art. 2.9.4.2.13.[1 § 1. In afwijking van artikel 2.9.4.1.1 bedraagt het verkooprecht 7 % voor overeenkomsten houdende zuivere aankoop, waarbij door een of meer natuurlijke personen samen en gelijktijdig de geheelheid volle eigendom van een woning wordt verkregen als aan de volgende voorwaarden is voldaan:
   1° de verkrijger verbindt zich ertoe om binnen een termijn van drie jaar vanaf de datum van de authentieke akte een huurovereenkomst met een minimumduur van 9 jaar voor het aangekochte goed af te sluiten met een erkend sociaal verhuurkantoor met toepassing van en in overeenstemming met de voorwaarden, vermeld in artikel 2 en 3 van het besluit van de Vlaamse Regering van 20 juli 2012 houdende bepaling van de erkennings- en subsidievoorwaarden van sociale verhuurkantoren;
   2° de verkrijger verbindt zich ertoe om binnen een termijn van drie jaar en zes maanden een kopie van de geregistreerde huurovereenkomst, vermeld in punt 1°, in te dienen bij de bevoegde entiteit van de Vlaamse administratie;
   3° de verplichting, vermeld in artikel 3.12.3.0.1, § 1, is nageleefd.
   De [2 koper]2 die de voorwaarden, vermeld in het eerste lid, 1° en 2°, niet is nagekomen, is aanvullende rechten verschuldigd.
   § 2. In geval van een overdracht, die aan een opschortende voorwaarde is onderworpen [2 die nog niet is vervuld op datum van de authentieke akte]2, wordt voor de toepassing van dit artikel de datum van vervulling van de voorwaarde in de plaats gesteld van de datum van de authentieke akte.]1
  [2 § 3. Het tarief, vermeld in paragraaf 1, kan niet worden toegepast als voor de overdracht van het gebouw, of gedeelten van het gebouw de vrijstelling, vermeld in artikel 2.9.6.0.1, eerste lid, 4°, is genoten.
   § 4. De verkrijgers melden de voortijdige beëindiging van de geregistreerde huurovereenkomst bij de bevoegde entiteit van de Vlaamse administratie binnen vier maanden vanaf de beëindiging. Bij een beëindiging hetzij in onderling overleg tussen het erkend sociaal verhuurkantoor en de verkrijgers, hetzij door toedoen van de verkrijgers, zijn er aanvullende rechten verschuldigd.]2
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij DVR 2018-05-18/01, art. 7, 030; Inwerkingtreding : 01-06-2018>
  (2)<DVR 2018-12-21/02, art. 20, 037; Inwerkingtreding : 01-06-2018>

  Art. 2.9.4.2.14.[1 § 1. Het verlaagde tarief, vermeld in artikel 2.9.4.2.11, wordt verminderd tot 1 % wanneer deze verkrijging naast de voorwaarden, vermeld in artikel 2.9.4.2.11, § 2, eerste lid, ook voldoet aan de voorwaarden, vermeld in artikel 2.9.4.2.10.
   § 2. Voor de toepassing van het verlaagde tarief, vermeld in paragraaf 1, is het bedrag, vermeld in artikel 2.9.4.2.10, § 2, 1°, en in afwijking daarvan, minstens gelijk aan 6 % van de belastbare grondslag, ongeacht de eventuele toepassing van paragraaf 7.
   De verkrijgers dienen voor de toepassing van het tarief, vermeld in paragraaf 1, en in afwijking van artikel 2.9.4.2.10, § 2, 3°, te voldoen aan de verplichting, vermeld in artikel 3.12.3.0.1, § 1 en § 5, tiende lid.
   § 3. Het bedrag, vermeld in paragraaf 2, eerste lid, is exclusief btw.
   § 4. Het verbod, vermeld in artikel 2.9.4.2.10, § 4, eerste lid, geldt niet voor de verkrijgingen, vermeld in paragraaf 1.
   Het voordeel van de toepassing van de tariefvermindering, vermeld in paragraaf 1, kan niet gecombineerd worden met de premies, vermeld in artikel 10.2.1 van het Onroerenderfgoeddecreet van 12 juli 2013, [2 noch met de vermindering van de personenbelasting, vermeld in artikel 14536 van het Wetboek van de Inkomstenbelastingen 1992, als de voormelde premies of de belastingvermindering]2 betrekking hebben op dezelfde beheersmaatregelen, werkzaamheden of diensten als de beheersmaatregelen, de werkzaamheden of de diensten, vermeld in artikel 2.9.4.2.10, § 2, 1°.
   § 5. In afwijking van de voorwaarde, vermeld in artikel 2.9.4.2.11, § 2, eerste lid, 1°, wordt er geen rekening gehouden met de woning of de bouwgrond als:
   1° de verkrijger zich ertoe verbindt om dit onroerend goed uiterlijk één jaar na de datum van de authentieke akte volledig en ten bezwarende titel te vervreemden en aantoont dat er een causaal verband bestaat tussen die vervreemding en de verkrijging tegen het verlaagd tarief, vermeld in paragraaf 1, en als de verkrijger voldoet aan de verplichting, vermeld in artikel 3.12.3.0.1, § 3, eerste lid;
   2° het onroerend goed uiterlijk een jaar na de datum van de authentieke akte van verkrijging, al dan niet gedwongen, wordt onteigend en als de verkrijger voldoet aan de verplichting, vermeld in artikel 3.12.3.0.1, § 3, tweede lid.
  [3 De koper die de voorwaarden, vermeld in het eerste lid, 1° of 2°, niet is nagekomen, is aanvullende rechten verschuldigd.]3
   § 6. In geval van een overdracht, die aan een opschortende voorwaarde is onderworpen [3 die nog niet is vervuld op datum van de authentieke akte]3, wordt voor de toepassing van dit artikel de datum van de vervulling van de voorwaarde in de plaats gesteld van de datum van de authentieke akte.
   § 7. De [3 koper]3 die de voorwaarden, vermeld in artikel 2.9.4.2.11, § 2, 1° en 2°, niet is nagekomen, is aanvullende rechten verschuldigd.]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij DVR 2018-05-18/01, art. 8, 030; Inwerkingtreding : 01-06-2018>
  (2)<DVR 2018-07-06/20, art. 13, 032; Inwerkingtreding : 01-06-2018>
  (3)<DVR 2018-12-21/02, art. 21, 037; Inwerkingtreding : 01-06-2018>

  Afdeling 5. - [1 Verminderingen]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij DVR 2014-12-19/97, art. 144, 006; Inwerkingtreding : 01-01-2015>

  Art. 2.9.5.0.1.[1 In geval van zuivere aankoop van een tot bewoning aangewend of bestemd onroerend goed door een natuurlijke persoon om er zijn hoofdverblijfplaats te vestigen, wordt zijn wettelijk aandeel in de belastingen die met toepassing van [3 artikel 2.9.4.1.1, artikel 2.9.4.2.11, artikel 2.9.4.2.12, artikel 2.9.4.2.13 of artikel 2.9.4.2.14]3 verschuldigd waren op de aankoop van de woning die hem voorheen tot hoofdverblijfplaats heeft gediend of van de bouwgrond waarop die woning is opgericht, in mindering gebracht van zijn wettelijk aandeel in de belastingen, verschuldigd op de nieuwe aankoop, [2 op voorwaarde dat de authentieke akte van de nieuwe aankoop is verleden binnen twee jaar na de datum van het verlijden van de authentieke akte die aanleiding heeft gegeven of geeft tot een van de volgende handelingen :]2
   1° de heffing van het verkooprecht op de zuivere wederverkoop van de woning die hem voorheen tot hoofdverblijfplaats heeft gediend, of de heffing van het verdeelrecht op de verdeling van die woning waarbij de natuurlijke persoon al zijn rechten erin heeft afgestaan;
   2° de vrijstelling van het verkooprecht met toepassing van artikel 2.9.6.0.1, eerste lid, 4°, voor de zuivere wederverkoop van de woning die hem voorheen tot hoofdverblijfplaats heeft gediend, of de vrijstelling van het verdeelrecht met toepassing van artikel 2.10.6.0.1, eerste lid, 1°, voor de verdeling van die woning, waarbij de natuurlijke persoon al zijn rechten erin heeft afgestaan.
  [2 Als de authentieke akte van vervreemding geen aanleiding geeft tot een van de voormelde handelingen omdat de vervreemding onderworpen is aan een niet-vervulde opschortende voorwaarde, wordt de termijn van twee jaar gerekend vanaf de datum van de registratie van de authentieke akte of het geschrift dat aanleiding heeft gegeven of geeft tot een van de handelingen, vermeld in 1° of 2°.]2
   De registratiebelasting, betaald voor de verkrijging van een onroerend goed dat niet in het Vlaamse Gewest ligt, alsook de aanvullende rechten die om om het even welke reden op een aankoop zijn geheven, zijn van de vermindering, overeenkomstig de bepalingen van dit artikel, uitgesloten.
   De vermindering overeenkomstig de bepalingen van dit artikel levert in geen geval grond voor een teruggave op.
   Als een verrichting als vermeld in het eerste lid, is voorafgegaan door een of meer van dergelijke verrichtingen of door een of meer verrichtingen als vermeld in artikel 3.6.0.0.6, § 3, eerste lid, worden, in voorkomend geval, de bij die voorgaande verrichtingen ingevolge de toepassing van het derde of het vijfde lid van dit artikel nog niet in mindering gebrachte belastingen of de ingevolge de toepassing van artikel 3.6.0.0.6, § 3, derde of vijfde lid, nog niet teruggegeven belastingen, gevoegd bij het wettelijk aandeel van de natuurlijke persoon in de conform artikel 2.9.4.1.1, artikel 2.9.4.2.1 of artikel 3.6.0.0.6, § 6, eerste lid, 2°, verschuldigde belastingen op de voorlaatste aankoop, om het bedrag van de vermindering bij de laatste aankoop te bepalen.
   [3 Het in mindering te brengen bedrag, verkregen met toepassing van het eerste of het vierde lid, kan nooit meer bedragen dan 12.500 euro. Dit bedrag is gekoppeld aan de schommelingen van het algemene indexcijfer van de consumptieprijzen van het Rijk. De bedragen worden jaarlijks op 1 januari aangepast op basis van een coëfficiënt die verkregen wordt door het gemiddelde van de maandelijkse indexcijfers van het jaar dat voorafgaat aan het jaar, te delen door het gemiddelde van de indexcijfers van het jaar 2017. Het gemiddelde van de maandelijkse indexcijfers wordt afgerond op het hogere of lagere honderdste naargelang het cijfer van de duizendsten al of niet vijf bereikt, en de coëfficiënt wordt afgerond op het hogere of lagere tienduizendste naargelang het cijfer van de honderdduizendsten al of niet vijf bereikt. Na de toepassing van die coëfficiënt worden de bedragen afgerond op de lagere vijfhonderd euro. Het toepasbare geïndexeerde maximumbedrag is het bedrag voor het jaar waarin de authentieke akte van de nieuwe aankoop wordt verleden. Het maximale in mindering te brengen bedrag wordt bepaald in verhouding tot de fractie die de natuurlijke persoon verkrijgt [4 in het nieuw aangekochte onroerend goed]4.]3]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij DVR 2014-12-19/97, art. 145, 006; Inwerkingtreding : 01-01-2015>
  (2)<DVR 2015-07-17/22, art. 20, 009; Inwerkingtreding : 14-08-2015>
  (3)<DVR 2018-05-18/01, art. 9, 030; Inwerkingtreding : 01-06-2018>
  (4)<DVR 2018-12-21/02, art. 22 , 037; Inwerkingtreding : 01-06-2018>

  Art. 2.9.5.0.2. [1 Aan de vermindering, vermeld in artikel 2.9.5.0.1, zijn de volgende voorwaarden verbonden :
   1° aan de verplichting, vermeld in artikel 3.12.3.0.1, § 1, is voldaan en de verklaringen, vermeld in artikel 3.12.3.0.1, § 4, tweede of vierde lid, zijn gedaan;
   2° de natuurlijke persoon heeft op een ogenblik in de periode van achttien maanden die voorafgaan aan de verkoop of verdeling, zijn hoofdverblijfplaats gehad in de verkochte of verdeelde woning;
   3° de natuurlijke persoon verbindt zich ertoe om zijn hoofdverblijfplaats te vestigen op de plaats van het nieuw aangekochte goed :
   a) als het een woning betreft, binnen twee jaar na een van de volgende data :
   1) de datum van de registratie van de akte of het geschrift dat tot de heffing van het verkooprecht op de aankoop aanleiding geeft, als die akte of dat geschrift binnen de termijn die daarvoor bepaald is, ter registratie wordt aangeboden;
   2) de uiterste datum voor tijdige aanbieding ter registratie, als de akte die of het geschrift dat tot de heffing van het verkooprecht op de aankoop aanleiding geeft, wordt aangeboden na het verstrijken van de termijn die daarvoor bepaald is;
   b) als het een bouwgrond betreft, binnen vijf jaar na dezelfde datum.
   Als een van de voorwaarden, vermeld in het eerste lid, niet is vervuld, wordt de akte over de nieuwe aankoop die of het geschrift over de nieuwe aankoop dat aanleiding geeft tot de heffing van het verkooprecht, geregistreerd zonder de toepassing van artikel 2.9.5.0.1.]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij DVR 2014-12-19/97, art. 146, 006; Inwerkingtreding : 01-01-2015>

  Art. 2.9.5.0.3. [1 In geval van onjuistheid van de vermeldingen, voorgeschreven bij artikel 2.9.5.0.2, eerste lid, 2°, is de natuurlijke persoon gehouden tot betaling van de aanvullende rechten.
   In geval van niet-naleving van de verbintenis tot het vestigen van de hoofd-verblijfplaats, voorgeschreven bij artikel 2.9.5.0.2, eerste lid, 3°, is de natuurlijke persoon gehouden tot betaling van de aanvullende rechten.]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij DVR 2014-12-19/97, art. 147, 006; Inwerkingtreding : 01-01-2015>

  Art. 2.9.5.0.4. [1 Voor de toepassing van artikel 2.9.5.0.1 tot en met artikel 2.9.5.0.3 en voor de toepassing van artikel 3.6.0.0.6, § 3, wordt met een verrichting als vermeld in artikel 2.9.5.0.1, eerste lid, of in artikel 3.6.0.0.6, § 3, eerste lid, gelijkgesteld een combinatie van twee van dergelijke verrichtingen waarbij de voorlaatste aankoop van de heffing van het verkooprecht is vrijgesteld met toepassing van artikel 2.9.6.0.1, eerste lid, 4°.
   Bij de vermindering of de teruggave wordt, al naargelang het geval, rekening gehouden met het wettelijk aandeel van de natuurlijke persoon in de registratiebelasting, verschuldigd op de aankoop die voorafgaat aan die welke is gedaan met toepassing van de vrijstelling, vermeld in artikel 2.9.6.0.1, eerste lid, 4°, en artikel 2.10.6.0.1, eerste lid, 1°.
   Naast de voorwaarden, vermeld in artikel 2.9.5.0.2, eerste lid, 2° en 3°, of vermeld in artikel 3.6.0.0.6, § 3, zesde lid, 3°, die in het kader van een gelijkgestelde verrichting als vermeld in het eerste lid, de tweede verrichting in de combinatie betreffen, moet de natuurlijke persoon bovendien voor de eerste verrichting in de combinatie vermelden :
   1° als de eerste verrichting in de combinatie een verrichting is als vermeld in artikel 2.9.5.0.1, eerste lid :
   a) dat hij op een ogenblik in de periode van achttien maanden voorafgaand aan de verkoop of verdeling ervan zijn hoofdverblijfplaats heeft gehad in de eerste woning in de gelijkgestelde verrichting;
   b) dat hij zijn hoofdverblijfplaats had gevestigd op de plaats van de woning, aangekocht met toepassing van de vrijstelling van het verkooprecht binnen twee jaar na een van de volgende data :
   1) de datum van de registratie van de akte die of het geschrift dat tot de toepassing van de vrijstelling van de heffing van het verkooprecht op de aankoop van die woning aanleiding heeft gegeven, als die akte of dat geschrift binnen de termijn die daarvoor bepaald is, ter registratie wordt aangeboden;
   2) de uiterste datum voor tijdige aanbieding ter registratie, als de akte die of het geschrift dat tot de toepassing van de vrijstelling van de heffing van het verkooprecht op de aankoop aanleiding heeft gegeven, is aangeboden na het verstrijken van de termijn die daarvoor bepaald is;
   2° als de eerste verrichting in de combinatie een verrichting is als vermeld in artikel 3.6.0.0.6, § 3, eerste lid :
   a) dat hij op een ogenblik in de periode van achttien maanden voorafgaand aan de aankoop van de woning met toepassing van de vrijstelling van het verkooprecht zijn hoofdverblijfplaats heeft gehad in de eerste woning in de gelijkgestelde verrichting;
   b) dat hij zijn hoofdverblijfplaats had gevestigd op de plaats van de woning, aangekocht met toepassing van de vrijstelling van het verkooprecht binnen twee jaar na een van de volgende data :
   1) de datum van de registratie van de akte die of het geschrift dat tot de vrijstelling van de heffing van het verkooprecht op de aankoop ervan aanleiding heeft gegeven, als die akte of dat geschrift binnen de termijn die daarvoor is bepaald, ter registratie is aangeboden;
   2) de uiterste datum voor tijdige aanbieding ter registratie, als de akte die of het geschrift dat tot de vrijstelling van de heffing van het verkooprecht op de aankoop ervan aanleiding heeft gegeven, is aangeboden na het verstrijken van de termijn die daarvoor bepaald is.]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij DVR 2014-12-19/97, art. 148, 006; Inwerkingtreding : 01-01-2015>

  Art. 2.9.5.0.5.[1 Als er voor alle verkrijgers toepassing wordt gemaakt van het verlaagde tarief, vermeld in artikel 2.9.4.2.11 of 2.9.4.2.12, en als de totale belastbare grondslag van [2 de verkrijging]2 niet hoger is dan 200.000 euro, wordt er een rechtenvermindering toegestaan van respectievelijk 5600 euro of 4800 euro op het totaal van de op de aankoop berekende rechten. Als het verschuldigde verkooprecht lager is dan, naargelang het geval, hetzij 5600 euro, hetzij 4800 euro, dan wordt de rechtenvermindering verlaagd tot het bedrag van dit verkooprecht.
   Als er slechts voor sommige verkrijgers toepassing wordt gemaakt van het verlaagde tarief, vermeld in artikel 2.9.4.2.11 of 2.9.4.2.12, en als de totale belastbare grondslag van [2 de verkrijging]2 niet hoger is dan 200.000 euro, wordt de rechtenvermindering van 5600 euro of 4800 euro herleid tot het breukdeel van deze bedragen dat overeenstemt met het aandeel van de betrokken verkrijgers in de totale aankoop. Als het door deze verkrijgers verschuldigde verkooprecht lager is dan het overeenkomstig breukdeel van, naar gelang het geval, hetzij 5600 euro, hetzij 4800 euro, dan wordt de rechtenvermindering verlaagd tot het bedrag van het wettelijk aandeel van deze verkrijgers in het totale verschuldigde verkooprecht.
   Voor de onroerende goederen gelegen op het grondgebied van de kernsteden en de gemeenten van de Vlaamse Rand rond Brussel zoals bepaald in artikel 1.1.0.0.2, twaalfde lid, 8° en 9°, wordt de rechtenvermindering, vermeld in het eerste lid, toegestaan als de belastbare grondslag van de [2 de verkrijging]2 niet hoger is dan 220.000 euro.]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij DVR 2018-05-18/01, art. 10, 030; Inwerkingtreding : 01-06-2018>
  (2)<DVR 2018-12-21/02, art. 23, 037; Inwerkingtreding : 01-06-2018>

  Afdeling 6. - [1 Vrijstellingen]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij DVR 2014-12-19/97, art. 149, 006; Inwerkingtreding : 01-01-2015>

  Art. 2.9.6.0.1.[1 Er wordt een vrijstelling van het verkooprecht verleend voor :
   1° de aanwijzing van lastgever, op voorwaarde dat :
   a) de mogelijkheid om een lastgever aan te wijzen in de akte van toewijzing of koop voorbehouden is;
   b) de aanwijzing bij authentieke akte uiterlijk plaatsvindt op de vijfde werkdag na de dag van de toewijzing of van de overeenkomst;
   2° de toewijzingen naar aanleiding van rouwkoop van onroerende goederen, op voorwaarde dat ze geen aanleiding geven tot de heffing van [3 een hogere registratiebelasting dan de registratiebelasting die]3 geheven is op de vorige toewijzing;
   3° de overeenkomsten tot overdracht van het vruchtgebruik op de blote eigenaar, als de evenredige registratiebelasting, de erfbelasting of een soortgelijk recht door de blote eigenaar of door een vorige blote eigenaar, zijn rechtsvoorganger, op de waarde van de volle eigendom is voldaan;
   4° andere overdrachten onder bezwarende titel dan die welke aan de belasting, overeenkomstig artikel 115bis het federale Wetboek van Registratie-, Hypotheek- en Griffierechten onderworpen zijn, van gebouwen, gedeelten van gebouwen en het bijbehorende terrein, overeenkomstig artikel 1, § 9, van het Wetboek van de Belasting over de Toegevoegde Waarde, alsook de vestigingen, overdrachten of wederoverdrachten van de zakelijke rechten, overeenkomstig artikel 9, tweede lid, 2°, van het Wetboek van de Belasting over de Toegevoegde Waarde met betrekking tot gebouwen, gedeelten van gebouwen en het bijhorende terrein, overeenkomstig artikel 1, § 9, van het Wetboek van de Belasting over de Toegevoegde Waarde, op voorwaarde dat de belasting over de toegevoegde waarde opeisbaar is op de levering van die goederen of de vestiging, de overdracht of wederoverdracht van die rechten;
   5° de contracten van onroerende financieringshuur, overeenkomstig artikel 44, § 3, 2°, b, van het Wetboek van de Belasting over de Toegevoegde Waarde;
   6° [5 ...]5
   7° [5 de teruggave van de onroerende goederen aan de leden van een economisch samenwerkingsverband of van een Europees economisch samenwerkingsverband die de goederen hebben ingebracht door de ontbinding van het samenwerkingsverband of de uittreding van de leden.]5
   Als aan de voorwaarden, vermeld in het eerste lid, 1°, niet is voldaan, wordt de aanwijzing van lastgever voor de toepassing van dit hoofdstuk als een wederverkoop beschouwd.
   In afwijking van hetgeen vermeld is in het eerste lid, 1°, a) en b), moet om de vrijstelling van het verkooprecht te genieten :
   1° bij toewijzingen die wettelijk gedaan zijn onder de opschortende voorwaarde van ontstentenis van opbod, de aanwijzing van lastgever gedaan worden vóór de notaris die toewijzing gedaan heeft, of hem betekend worden uiterlijk op de vijfde werkdag nadat de wettelijke termijn voor opbod verstrijkt;
   2° bij toewijzingen ten gevolge van een hoger bod op de vrijwillige vervreemding van onroerende goederen, de aanwijzing van lastgever gedaan worden vóór de notaris die toewijzing heeft gedaan, of hem betekend worden uiterlijk op de vijfde werkdag na de dag van de toewijzing.
   In de gevallen, vermeld in het derde lid, wordt de aanwijzing ingeschreven of vermeld onderaan op het proces-verbaal van toewijzing zonder dat ze aan het bevoegde personeelslid betekend moet worden.
   Als de toewijzingen, vermeld in het eerste lid, 2°, wel aanleiding geven tot de heffing van een hoger verkooprecht dan het verkooprecht dat geheven is op de vorige toewijzing, wordt de vrijstelling beperkt tot het verkooprecht dat geheven is op de vorige toewijzing.
   Het eerste lid, 2°, is ook van toepassing op de toewijzingen naar aanleiding van prijsverhoging in de gevallen waarin het voorbehoud van prijsverhoging geen opschortende voorwaarde uitmaakt.
   Om de vrijstelling, vermeld in het eerste lid, 4°, te verkrijgen, moet voldaan zijn aan de verplichtingen, vermeld in [2 artikel 3.12.3.0.1, § 1, 4°, en § 5, vierde lid]2.
   Als onroerende goederen verkregen worden in andere omstandigheden dan de omstandigheden, vermeld in het eerste lid, 7°, is voor de verkrijging, vermeld in het eerste lid, 7°, hoe ze ook gebeurt, het verkooprecht verschuldigd.]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij DVR 2014-12-19/97, art. 150, 006; Inwerkingtreding : 01-01-2015>
  (2)<DVR 2015-07-17/22, art. 21, 009; Inwerkingtreding : 14-08-2015>
  (3)<DVR 2016-12-23/05, art. 41, 015; Inwerkingtreding : 09-01-2017>
  (4)<DVR 2018-06-22/18, art. 13, 028; Inwerkingtreding : 01-01-2020>
  (5)<DVR 2018-12-21/02, art. 24, 037; Inwerkingtreding : 01-05-2019>

  Art. 2_9.6.0.1.TOEKOMSTIG_RECHT.


   [1 Er wordt een vrijstelling van het verkooprecht verleend voor :
   1° de aanwijzing van lastgever, op voorwaarde dat :
   a) de mogelijkheid om een lastgever aan te wijzen in de akte van toewijzing of koop voorbehouden is;
   b) de aanwijzing bij authentieke akte uiterlijk plaatsvindt op de vijfde werkdag na de dag van de toewijzing of van de overeenkomst;
   2° de toewijzingen naar aanleiding van rouwkoop van onroerende goederen, op voorwaarde dat ze geen aanleiding geven tot de heffing van [3 een hogere registratiebelasting dan de registratiebelasting die]3 geheven is op de vorige toewijzing;
   3° de overeenkomsten tot overdracht van het vruchtgebruik op de blote eigenaar, als de evenredige registratiebelasting, de erfbelasting of een soortgelijk recht door de blote eigenaar of door een vorige blote eigenaar, zijn rechtsvoorganger, op de waarde van de volle eigendom is voldaan;
   4° andere overdrachten onder bezwarende titel dan die welke aan de belasting, overeenkomstig artikel 115bis het federale Wetboek van Registratie-, Hypotheek- en Griffierechten onderworpen zijn, van gebouwen, gedeelten van gebouwen en het bijbehorende terrein, overeenkomstig artikel 1, § 9, van het Wetboek van de Belasting over de Toegevoegde Waarde, alsook de vestigingen, overdrachten of wederoverdrachten van de zakelijke rechten, overeenkomstig artikel 9, tweede lid, 2°, van het Wetboek van de Belasting over de Toegevoegde Waarde met betrekking tot gebouwen, gedeelten van gebouwen en het bijhorende terrein, overeenkomstig artikel 1, § 9, van het Wetboek van de Belasting over de Toegevoegde Waarde, op voorwaarde dat de belasting over de toegevoegde waarde opeisbaar is op de levering van die goederen of de vestiging, de overdracht of wederoverdracht van die rechten;
   5° de contracten van onroerende financieringshuur, overeenkomstig artikel 44, § 3, 2°, b, van het Wetboek van de Belasting over de Toegevoegde Waarde;
   6° [5 ...]5
   7° [4 ...]4
   Als aan de voorwaarden, vermeld in het eerste lid, 1°, niet is voldaan, wordt de aanwijzing van lastgever voor de toepassing van dit hoofdstuk als een wederverkoop beschouwd.
   In afwijking van hetgeen vermeld is in het eerste lid, 1°, a) en b), moet om de vrijstelling van het verkooprecht te genieten :
   1° bij toewijzingen die wettelijk gedaan zijn onder de opschortende voorwaarde van ontstentenis van opbod, de aanwijzing van lastgever gedaan worden vóór de notaris die toewijzing gedaan heeft, of hem betekend worden uiterlijk op de vijfde werkdag nadat de wettelijke termijn voor opbod verstrijkt;
   2° bij toewijzingen ten gevolge van een hoger bod op de vrijwillige vervreemding van onroerende goederen, de aanwijzing van lastgever gedaan worden vóór de notaris die toewijzing heeft gedaan, of hem betekend worden uiterlijk op de vijfde werkdag na de dag van de toewijzing.
   In de gevallen, vermeld in het derde lid, wordt de aanwijzing ingeschreven of vermeld onderaan op het proces-verbaal van toewijzing zonder dat ze aan het bevoegde personeelslid betekend moet worden.
   Als de toewijzingen, vermeld in het eerste lid, 2°, wel aanleiding geven tot de heffing van een hoger verkooprecht dan het verkooprecht dat geheven is op de vorige toewijzing, wordt de vrijstelling beperkt tot het verkooprecht dat geheven is op de vorige toewijzing.
   Het eerste lid, 2°, is ook van toepassing op de toewijzingen naar aanleiding van prijsverhoging in de gevallen waarin het voorbehoud van prijsverhoging geen opschortende voorwaarde uitmaakt.
   Om de vrijstelling, vermeld in het eerste lid, 4°, te verkrijgen, moet voldaan zijn aan de verplichtingen, vermeld in [2 artikel 3.12.3.0.1, § 1, 4°, en § 5, vierde lid]2.
   Als onroerende goederen verkregen worden in andere omstandigheden dan de omstandigheden, vermeld in het eerste lid, 7°, is voor de verkrijging, vermeld in het eerste lid, 7°, hoe ze ook gebeurt, het verkooprecht verschuldigd.]1
  

----------
  (1)<Ingevoegd bij DVR 2014-12-19/97, art. 150, 006; Inwerkingtreding : 01-01-2015>
  (2)<DVR 2015-07-17/22, art. 21, 009; Inwerkingtreding : 14-08-2015>
  (3)<DVR 2016-12-23/05, art. 41, 015; Inwerkingtreding : 09-01-2017>
  (4)<DVR 2018-06-22/18, art. 13, 028; Inwerkingtreding : 01-01-2020>
  (5)<DVR 2018-12-21/02, art. 24, 037; Inwerkingtreding : 01-05-2019>
  

  Art. 2.9.6.0.2.[1 Er wordt een vrijstelling van het verkooprecht verleend voor :
   1° de akten die in der minne verleden zijn in naam van of ten voordele van de federale staat, de gemeenschappen, de gewesten, de gemeenschapscommissies, de openbare instellingen van de federale staat, de gemeenschappen of de gewesten;
   2° de akten in der minne die betrekking hebben op onroerende goederen die uitsluitend bestemd zijn voor onderwijs, verleden op naam van of ten voordele van de inrichtende machten van het gemeenschapsonderwijs of het gesubsidieerd onderwijs, alsook op naam van of ten voordele van verenigingen zonder winstoogmerk voor patrimoniaal beheer die tot uitsluitend doel hebben onroerende goederen ter beschikking te stellen voor onderwijs dat door de voormelde inrichtende machten wordt verstrekt;
   3° [4 ...]4
   4° [4 ...]4
   5° [4 ...]4
   6° de akten die verleden zijn in naam van of ten voordele van de Vlaamse Maatschappij voor Sociaal Wonen;
   7° de akten die verleden zijn in naam van of ten voordele van de Nationale Maatschappij der Belgische Spoorwegen;
   8° [4 de akten houdende oprichting, wijziging, verlenging of ontbinding van:
   a) de Vlaamse Maatschappij voor Watervoorziening;
   b) de verenigingen of intercommunales, vermeld in de wet van 22 december 1986 betreffende de intercommunales en het decreet van 6 juli 2001 houdende de intergemeentelijke samenwerking;
   c) de Vlaamse Vervoermaatschappij - De Lijn;
   d) de Federale Participatie- en Investeringsmaatschappij en de gewestelijke investeringsmaatschappijen;]4
   9° de akten die, bij toepassing van de organieke wet van 8 juli 1976 betreffende de openbare centra voor maatschappelijk welzijn of het decreet van 19 december 2008 betreffende de organisatie van de openbare centra voor maatschappelijk welzijn, de overgave vaststellen van goederen aan [2 ...]2 openbare centra voor maatschappelijk welzijn ofwel de overgave van goederen aan [2 ...]2 op grond van voornoemde wet [3 of decreet]3 opgerichte verenigingen [2 ...]2.
   Het eerste lid, 1° tot en met 7°, is alleen van toepassing op de akten waarvan de kosten wettelijk ten laste van vermelde entiteiten vallen.
   Om de vrijstelling, vermeld in het eerste lid, te verkrijgen, moet voldaan zijn aan de verplichtingen, vermeld in artikel 3.12.3.0.1, § 1, 4°.]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij DVR 2014-12-19/97, art. 151, 006; Inwerkingtreding : 01-01-2015>
  (2)<DVR 2016-12-23/05, art. 42, 015; Inwerkingtreding : 09-01-2017>
  (3)<DVR 2017-12-08/05, art. 20, 024; Inwerkingtreding : 24-12-2017>
  (4)<DVR 2018-06-22/18, art. 14, 028; Inwerkingtreding : 01-01-2018>

  Art. 2.9.6.0.3.[1 Er wordt een vrijstelling van het verkooprecht verleend voor:
   1° de overdrachten in der minne van onroerende goederen ten algemenen nutte, aan de federale staat, de gemeenschappen, de gewesten, de gemeenschapscommissies, de provincies, de gemeenten, de openbare instellingen en aan alle andere tot onteigening gerechtigde organen of personen;
   2° de akten voor de wederafstand na onteigening ten algemenen nutte in de gevallen waarin die bij de wet of het decreet toegelaten is;
   3° de akten houdende verkrijging door vreemde staten van onroerende goederen die bestemd zijn tot vestiging van hun diplomatieke of consulaire vertegenwoordiging in België, of voor de woning van het hoofd van de standplaats;
   4° de overeenkomsten tot overdracht van onroerende goederen, vermeld in artikel 2.9.3.0.1, als de overdracht plaatsvindt met het oog op de realisatie van een brownfieldproject dat het voorwerp uitmaakt of zal uitmaken van een brownfieldconvenant als vermeld in het decreet van 30 maart 2007 betreffende de Brownfieldconvenanten;
   5° de akten, vonnissen en arresten voor de ruil, de ruilverkaveling of de herverkaveling, of voor het vestigen van een erfdienstbaarheid, ter uitvoering van een wet of een decreet.
   De vrijstelling, vermeld in het eerste lid, 3°, is ondergeschikt aan de voorwaarde dat wederkerigheid aan de Belgische Staat toegekend wordt.
   De vrijstelling, vermeld in het eerste lid, 4°, wordt alleen verleend als bij de aan de formaliteit van de registratie onderworpen akte of verklaring over de overeenkomst een attest is gevoegd waarin wordt bevestigd dat de overdracht plaatsvindt met het oog op de realisatie van een brownfieldproject dat het voorwerp uitmaakt of zal uitmaken van een brownfieldconvenant, en dat de onroerende goederen waarvoor de vrijstelling wordt gevraagd, deel uitmaken van dat brownfieldproject. De Vlaamse Regering bepaalt de nadere regels voor de vormgeving van dat attest.
   Als de overeenkomst, vermeld in het eerste lid, 4°, ook andere onroerende goederen omvat dan de onroerende goederen, vermeld in het eerste lid, en als de overdracht gedaan wordt voor een gezamenlijke prijs, wordt de verkoopwaarde van elk van de onderscheiden categorieën van onroerende goederen opgegeven in een aanvullende verklaring als vermeld in artikel 3.13.1.2.1.
   Het verkooprecht is alsnog verschuldigd door de verkrijger van de onroerende goederen, vermeld in het eerste lid, 4°, als de Vlaamse Regering beslist tot stopzetting van de onderhandelingen als vermeld in artikel 8, § 3, eerste lid, van het decreet van 30 maart 2007 betreffende de Brownfieldconvenanten, of als het brownfieldproject niet tijdig wordt gestart of gerealiseerd conform de voorwaarden, vermeld in het brownfieldconvenant. Het verkooprecht wordt opeisbaar vanaf de kennisgeving aan het bevoegde personeelslid dat de voorwaarden voor het behoud van de vrijstelling niet langer vervuld zijn. De Vlaamse Regering bepaalt de nadere regels voor die kennisgeving.]1
  ----------
  (1)<DVR 2018-06-22/18, art. 15, 028; Inwerkingtreding : 01-01-2018>

  Art. 2.9.6.0.4.[1 Er wordt een vrijstelling van het verkooprecht verleend voor de ruilovereenkomsten van onbebouwde landeigendommen [2 waarvan de oppervlakte van elk van de kavels niet meer bedraagt dan vijf hectare]2, op voorwaarde dat er tussen elk van de kavels geen waardeverschil of opleg is.]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij DVR 2014-12-19/97, art. 153, 006; Inwerkingtreding : 01-01-2015>
  (2)<DVR 2018-06-22/18, art. 16, 028; Inwerkingtreding : 01-01-2018>

  Art. 2.9.6.0.5.[1 In afwijking van artikel 2.9.1.0.3 wordt een vrijstelling van het verkooprecht verleend voor :
   1° de omvorming van een vennootschap met rechtspersoonlijkheid in een vennootschap van een verschillende soort en de omzetting van een vereniging zonder winstoogmerk in een [2 coöperatieve vennootschap erkend als sociale onderneming]2. Dit punt is ook van toepassing als de omvorming plaatsvindt via een vereffening, gevolgd door de oprichting van een nieuwe vennootschap, als in die oprichting voorzien wordt in de akte van invereffeningstelling en als ze binnen vijftien dagen na de akte plaatsvindt;
   2° de overbrenging van de zetel van de werkelijke leiding of van de statutaire zetel van een vennootschap, als die overbrenging gebeurt uit het grondgebied van een staat van de Europese Economische Ruimte of als het een overbrenging naar België betreft van de zetel van de werkelijke leiding van een vennootschap waarvan de statutaire zetel zich al op het grondgebied van de vermelde gemeenschap bevindt. Dit punt is alleen van toepassing als het vaststaat dat de vennootschap behoort tot de soort van vennootschappen die onderworpen zijn aan een belasting op het bijeenbrengen van kapitaal in het land dat in aanmerking komt voor het voordeel van de vrijstelling.
   In alle gevallen, vermeld in het eerste lid, wordt het verkooprecht geheven op de vermeerdering van het statutaire kapitaal van de vennootschap, zonder nieuwe inbreng, of op de inbrengen van nieuwe goederen die gedaan worden ter gelegenheid van de omvorming, de wijziging van het voorwerp of de overbrenging van de zetel.]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij DVR 2014-12-19/97, art. 154, 006; Inwerkingtreding : 01-01-2015>
  (2)<DVR 2018-12-21/02, art. 25, 037; Inwerkingtreding : 01-05-2019>

  Art. 2.9.6.0.6. [1 Er wordt een vrijstelling van het verkooprecht verleend voor vonnissen en arresten houdende vernietiging, ontbinding of herroeping van een overeenkomst als vermeld in artikel 2.9.1.0.1, waarbij eigendom of vruchtgebruik wordt overgedragen van onroerende goederen die in België liggen.
   Als de vernietiging, ontbinding of herroeping, vermeld in het eerste lid, uitgesproken is ten voordele van een andere persoon dan een van de partijen bij de overeenkomst, haar erfgenamen of legatarissen worden, al naargelang het geval, de rechten, vermeld in hoofdstuk 8 tot en met 11, geheven die verschuldigd geweest zouden zijn als de vernietiging, de ontbinding of de herroeping het voorwerp van een minnelijke akte had uitgemaakt.]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij DVR 2014-12-19/97, art. 155, 006; Inwerkingtreding : 01-01-2015>

  Art. 2.9.6.0.7. [1 § 1. De waarde van de onbebouwde onroerende goederen waarvoor een natuurbeheerplan type vier als vermeld in artikel 16ter, § 1, 4°, van het decreet van 21 oktober 1997 betreffende het natuurbehoud en het natuurlijk milieu, is goedgekeurd conform artikel 16octies van het voormelde decreet, wordt volledig van het verkooprecht vrijgesteld. De vrijstelling geldt zowel voor de grond- als voor de opstandswaarde.
   § 2. De vrijstelling, vermeld in paragraaf 1, is ook van toepassing als nog geen natuurbeheerplan is gesloten, als het onroerend goed wordt gekocht met het oog op het tot stand brengen van een natuurbeheerplan type vier als vermeld in artikel 16ter, § 1, 4°, van het decreet van 21 oktober 1997 betreffende het natuurbehoud en het natuurlijk milieu.
   De vrijstelling, vermeld in het eerste lid, wordt verleend op voorwaarde dat uiterlijk bij de aanbieding ter registratie van de authentieke koopakte een overeenkomst is gesloten met het Agentschap voor Natuur en Bos waaruit de intentie blijkt om een natuurbeheerplan voor het onroerend goed te laten goedkeuren.
   § 3. Voor de toepassing van dit artikel moet voldaan zijn aan de verplichtingen van artikel 3.12.3.0.1, § 1, 4°, en § 5, achtste en negende lid.]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij DVR 2017-12-22/57, art. 17, 031; Inwerkingtreding : 09-06-2018>
  

  Afdeling 7. - [1 Wijze van heffing]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij DVR 2014-12-19/97, art. 156, 006; Inwerkingtreding : 01-01-2015>

  Art. 2.9.7.0.1. [1 Het verkooprecht wordt geheven in overeenstemming met de bepalingen van artikel 3.3.2.0.1, 9°, en artikel 3.3.3.0.1, § 4/2.]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij DVR 2014-12-19/97, art. 157, 006; Inwerkingtreding : 01-01-2015>

  Art. 2.9.7.0.2.[1 Voor ruilovereenkomsten wordt het verkooprecht gevestigd op basis van het bedrag van de overeengekomen waarde van het onroerend goed waarop de ruilovereenkomst betrekking heeft, dat aanleiding geeft tot heffing van het hoogste recht.
   Bij ruilovereenkomsten van onbebouwde landeigendommen, waarbij er ongelijkheid van kavels is en [2 waarbij de oppervlakte van elk van de kavels niet meer bedraagt dan vijf hectare]2, wordt in afwijking van het eerste lid het verkooprecht geheven op het waardeverschil of de opleg als die opleg groter is dan dat verschil.]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij DVR 2014-12-19/97, art. 158, 006; Inwerkingtreding : 01-01-2015>
  (2)<DVR 2018-06-22/18, art. 17, 028; Inwerkingtreding : 01-01-2018>

  Art. 2.9.7.0.3. [1 § 1. De belastingplicht, de belastbare grondslag, het tarief, de vrijstellingen en de verminderingen worden bepaald door het ogenblik waarop de rechtshandeling is gesteld.
   In afwijking van het eerste lid worden, als er geen verplichting tot registratie geldt, de belastingplicht, de belastbare grondslag en het tarief bepaald door het ogenblik waarop de akte of het geschrift ter registratie wordt aangeboden.
   § 2. Op een rechtshandeling die onderworpen is aan een opschortende voorwaarde, wordt het verkooprecht alleen geheven als de voorwaarde is vervuld. In voorkomend geval wordt gehandeld als volgt :
   1° het toepasbare tarief waarmee voor de heffing rekening moet worden gehouden, is het tarief dat van kracht is op de datum waarop het verkooprecht verworven geweest zou zijn als de handeling onvoorwaardelijk was geweest;
   2° de belastbare grondslag waarmee voor de heffing rekening moet worden gehouden, is de belastbare grondslag op de datum van de vervulling van de voorwaarde.
   De rechtshandeling die door een rechtspersoon wordt verricht en die aan machtiging, goedkeuring of bekrachtiging van een overheid onderworpen is, wordt voor de toepassing van het eerste lid gelijkgesteld met een rechtshandeling die aan een opschortende voorwaarde onderworpen is.]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij DVR 2014-12-19/97, art. 159, 006; Inwerkingtreding : 01-01-2015>

  Art. 2.9.7.0.4. [1 In geval van een handelszaak wordt het verkooprecht vastgesteld volgens de aard van elk goed dat er deel van uitmaakt.]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij DVR 2014-12-19/97, art. 160, 006; Inwerkingtreding : 01-01-2015>

  Art. 2.9.7.0.5.[1 Voor de toepassing van artikel 115bis van het federale Wetboek van Registratie-, Hypotheek- en Griffierechten [2 , en titel 2, hoofdstuk 9 van deze Codex]2 moet de aanwending of de bestemming van een onroerend goed worden nagegaan per kadastraal perceel of per gedeelte van kadastraal perceel als dat gedeelte ofwel een afzonderlijke huisvesting is, ofwel een afdeling van de productie of van de werkzaamheden die, of een onderdeel daarvan dat, afzonderlijk kan werken, ofwel een eenheid die van de andere goederen of delen die het perceel vormen, kan worden afgezonderd.]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij DVR 2014-12-19/97, art. 161, 006; Inwerkingtreding : 01-01-2015>
  (2)<DVR 2018-05-18/01, art. 11, 030; Inwerkingtreding : 01-06-2018>

  Hoofdstuk 10. - [1 Verdeelrecht]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij DVR 2014-12-19/97, art. 162, 006; Inwerkingtreding : 01-01-2015>

  Afdeling 1. - [1 Belastbaar voorwerp]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij DVR 2014-12-19/97, art. 163, 006; Inwerkingtreding : 01-01-2015>

  Art. 2.10.1.0.1. [1 Overeenkomstig artikel 1, artikel 19 en artikel 31 van het federale Wetboek van Registratie-, Hypotheek- en Griffierechten wordt het verdeelrecht gevestigd naar aanleiding van de registratie of de verplichting tot registratie van akten of geschriften die als titel gelden van een overeenkomst houdende :
   1° gedeeltelijke of gehele verdelingen van onroerende goederen;
   2° afstanden onder bezwarende titel, onder mede-eigenaars, van onverdeelde delen in onroerende goederen;
   3° omzetting als vermeld in artikel 745quater en artikel 745quinquies van het Burgerlijk Wetboek, zelfs als er geen onverdeeldheid is.]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij DVR 2014-12-19/97, art. 164, 006; Inwerkingtreding : 01-01-2015>

  Art. 2.10.1.0.2. [1 § 1. Vonnissen en arresten die tot bewijs strekken van een overeenkomst waarop de bepalingen van deze afdeling van toepassing zijn, maar die nog niet aan het verdeelrecht onderworpen is, geven aanleiding tot de heffing van het verdeelrecht.
   Dat geldt ook als de rechterlijke beslissing die tot bewijs van de overeenkomst strekt, de ontbinding of herroeping ervan uitspreekt of vaststelt voor om het even welke reden, tenzij uit de beslissing blijkt dat ten hoogste één jaar na de overeenkomst een eis tot ontbinding of herroeping, zelfs bij een onbevoegde rechter, is ingesteld.
   § 2. Exequaturs van scheidsrechterlijke uitspraken en in het buitenland gewezen rechterlijke beslissingen worden, voor de toepassing van dit hoofdstuk, als een geheel met de desbetreffende akte beschouwd. Als de desbetreffende akte tot bewijs strekt van een overeenkomst als vermeld in artikel 2.10.1.0.1, houdende aanwijzing onder bezwarende titel van eigendom of vruchtgebruik van onroerende goederen die in het Vlaamse Gewest te lokaliseren zijn, die niet aan het verdeelrecht onderworpen is, geeft ze aanleiding tot de heffing van het verdeelrecht en eventueel tot de boete waaraan de overeenkomst onderworpen zou zijn als ze in een akte houdende verdeling zou zijn vastgesteld.
   Dat geldt ook als de scheidsrechterlijke uitspraak of in het buitenland gewezen rechterlijke beslissing die tot bewijs van de overeenkomst strekt, de ontbinding of herroeping ervan uitspreekt of vaststelt voor om het even welke reden, tenzij uit de beslissing blijkt dat ten hoogste één jaar na de overeenkomst een eis tot ontbinding of herroeping, zelfs bij een onbevoegde rechter, is ingesteld.
   Het verdeelrecht is ook van toepassing in geval van aanbieding ter registratie van een in het buitenland gewezen rechterlijke beslissing die van rechtswege in België uitvoerbaar is.]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij DVR 2014-12-19/97, art. 165, 006; Inwerkingtreding : 01-01-2015>

  Art. 2.10.1.0.3. [1 Met behoud van de toepassing van artikel 2.10.1.0.1 wordt, behoudens vestiging van de belasting, vermeld in hoofdstukken 9 en 11, het verdeelrecht gevestigd op een inbreng van onroerende goederen als vermeld in artikel 115bis van het federale Wetboek van Registratie-, Hypotheek- en Griffierechten in een Belgische vennootschap naarmate die inbreng anders vergoed wordt dan bij de toekenning van maatschappelijke rechten.
   Als een inbreng als vermeld in het eerste lid meteen onroerende goederen als vermeld in artikel 115bis van het federale Wetboek van Registratie-, Hypotheek- en Griffierechten, en goederen van een andere aard omvat, worden, niettegenstaande elk strijdig beding, de maatschappelijke rechten en de andere lasten, die de vergoeding van de bedoelde inbreng uitmaken, geacht evenredig verdeeld te zijn tussen de waarde die aan de onroerende goederen is toegekend en die welke aan de andere goederen is toegekend, bij de overeenkomst. De te vervallen huurprijzen van de huurcontracten waarvan de rechten worden ingebracht, worden evenwel geacht alleen op de laatstvermelde rechten betrekking te hebben.
   Het eerste en het tweede lid zijn niet van toepassing op de inbreng van de universaliteit van de goederen of van een bedrijfstak overeenkomstig artikel 117, § 1 en § 2, van het federale Wetboek van Registratie-, Hypotheek- en Griffierechten.
   Dit artikel is ook van toepassing op de oprichting van nieuwe vennootschappen, als vermeld in artikel 118 van het federale Wetboek van Registratie-, Hypotheek- en Griffierechten.]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij DVR 2014-12-19/97, art. 166, 006; Inwerkingtreding : 01-01-2015>

  Art. 2.10.1.0.4. [1 De bepalingen van dit hoofdstuk zijn niet van toepassing op de uitvoering van een beding van terugval of van aanwas.]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij DVR 2014-12-19/97, art. 167, 006; Inwerkingtreding : 01-01-2015>

  Afdeling 2. [1 Belastingplichtigen]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij DVR 2014-12-19/97, art. 168, 006; Inwerkingtreding : 01-01-2015>

  Art. 2.10.2.0.1. [1 De belastingplichtige is de verkrijger van het zakelijk recht.]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij DVR 2014-12-19/97, art. 169, 006; Inwerkingtreding : 01-01-2015>

  Afdeling 3. [1 Belastbare grondslag]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij DVR 2014-12-19/97, art. 170, 006; Inwerkingtreding : 01-01-2015>

  Art. 2.10.3.0.1. [1 § 1. Het verdeelrecht wordt vastgesteld op basis van de overeengekomen waarde van de goederen, zoals ze blijkt uit de bepalingen van de akte, zonder dat de belastbare grondslag lager dan de verkoopwaarde mag zijn.
   In voorkomend geval wordt de verkoopwaarde van het vruchtgebruik of van de blote eigendom overeenkomstig artikel 2.9.3.0.1 tot en met artikel 2.9.3.0.7 vastgesteld.
   § 2. Voor de goederen waarvan de akte de onverdeeldheid doet ophouden onder al de mede-eigenaars, wordt de belasting geheven op de waarde van die goederen.
   Voor de goederen waarvan de akte de onverdeeldheid niet doet ophouden onder al de mede-eigenaars, wordt de belasting geheven op de waarde van de afgestane delen.]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij DVR 2014-12-19/97, art. 171, 006; Inwerkingtreding : 01-01-2015>

  Art. 2.10.3.0.2.
  <Opgeheven bij DVR 2017-12-08/05, art. 21, 024; Inwerkingtreding : 24-12-2017>

  Art. 2.10.3.0.3. [1 De rechten die verschuldigd zijn op akten waarbij eigendom of vruchtgebruik van een handelszaak aangewezen wordt, worden geheven op de bij dit hoofdstuk vastgestelde belastbare grondslagen.
   De schulden die al dan niet met de handelszaak in verband staan en die door de nieuwe eigenaar of vruchtgebruiker ten laste genomen worden, worden als lasten van de overeenkomst beschouwd.]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij DVR 2014-12-19/97, art. 173, 006; Inwerkingtreding : 01-01-2015>

  Afdeling 4. - [1 Tarieven]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij DVR 2014-12-19/97, art. 174, 006; Inwerkingtreding : 01-01-2015>

  Art. 2.10.4.0.1.[1 Het verdeelrecht bedraagt 2,5 %.
   [3 Het recht wordt op 1% gebracht als de verdeling of de afstand, vermeld in artikel 2.10.1.0.1, 1° of 2° :
   1° tussen ex-echtgenoten plaatsvindt na of uitwerking heeft door de echtscheiding;
   2° tussen ex-wettelijke samenwonenden plaatsvindt binnen een termijn van drie jaar die volgt op de beëindiging van de wettelijke samenwoning conform artikel 1476, § 2, van het Burgerlijk Wetboek en op voorwaarde dat de personen op de dag van deze beëindiging ten minste een jaar ononderbroken met elkaar wettelijk samenwoonden.]3
   Het verlaagde tarief, vermeld in het tweede lid, is ook van toepassing als de verdeling of de afstand wordt gedaan volgens de wetgeving van een andere lidstaat van de Europese Economische Ruimte als de verdeling of de afstand plaatsvindt onder omstandigheden en voorwaarden die vergelijkbaar zijn met de omstandigheden en voorwaarden, vermeld in het tweede lid.
   [2 ...]2 ]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij DVR 2014-12-19/97, art. 175, 006; Inwerkingtreding : 01-01-2015>
  (2)<DVR 2015-07-17/22, art. 23, 009; Inwerkingtreding : 14-08-2015>
  (3)<DVR 2015-12-18/23, art. 95, 011; Inwerkingtreding : 01-01-2016>

  Art. 2.10.4.0.2. [1 Als een akte of geschrift, overeengekomen tussen dezelfde partijen, verschillende van elkaar afhankelijke of noodzakelijk uit elkaar voortvloeiende regelingen bevat waaronder een rechtshandeling als vermeld in artikel 2.10.1.0.1, die onderworpen is aan het verdeelrecht, wordt de belasting geheven die van toepassing is op de regeling die aanleiding geeft tot de heffing van de hoogste belasting, vastgesteld met toepassing van hoofdstuk 8 tot en met hoofdstuk 11.
   Als een akte of geschrift, overeengekomen tussen dezelfde partijen, verschillende van elkaar onafhankelijke of niet noodzakelijk uit elkaar voortvloeiende regelingen bevat waaronder een rechtshandeling als vermeld in artikel 2.10.1.0.1, die onderworpen is aan het verdeelrecht, wordt op elke regeling al naargelang het geval de belasting, vermeld in hoofdstuk 8 tot en met hoofdstuk 11, geheven.]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij DVR 2014-12-19/97, art. 176, 006; Inwerkingtreding : 01-01-2015>

  Afdeling 5. - [1 Verminderingen]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij DVR 2014-12-19/97, art. 177, 006; Inwerkingtreding : 01-01-2015>

  Art. 2.10.5.0.1. [1 Voorbehouden voor toekomstig gebruik]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij DVR 2014-12-19/97, art. 178, 006; Inwerkingtreding : 01-01-2015>

  Afdeling 6. - [1 Vrijstellingen]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij DVR 2014-12-19/97, art. 179, 006; Inwerkingtreding : 01-01-2015>

  Art. 2.10.6.0.1.[1 Er wordt een vrijstelling van het verdeelrecht verleend voor :
   1° de overeenkomsten tot overdracht van het vruchtgebruik op de blote eigenaar, als de evenredige registratiebelasting, de erfbelasting of een soortgelijk recht door de blote eigenaar of door een vorige blote eigenaar, zijn rechtsvoorganger, op de waarde van de volle eigendom is voldaan;
   2° de overeenkomsten, vermeld in artikel 2.10.1.0.1, andere dan die welke aan de belasting, overeenkomstig artikel 115bis van het federale Wetboek van Registratie-, Hypotheek- en Griffierechten onderworpen zijn, van gebouwen, gedeelten van gebouwen en het bijhorende terrein, vermeld in artikel 1, § 9, van het federale Wetboek van de Belasting over de Toegevoegde Waarde, alsook de vestigingen, overdrachten of wederoverdrachten van de zakelijke rechten, vermeld in artikel 9, tweede lid, 2°, van het Wetboek van de Belasting over de Toegevoegde Waarde met betrekking tot gebouwen, gedeelten van gebouwen en het bijhorende terrein, vermeld in artikel 1, § 9, van het Wetboek van de Belasting over de Toegevoegde Waarde, op voorwaarde dat de belasting over de toegevoegde waarde opeisbaar is op de levering van die goederen of de vestiging, de overdracht of wederoverdracht van die rechten.
  [2 3° de akten die met toepassing van de organieke wet van 8 juli 1976 betreffende de openbare centra voor maatschappelijk welzijn of het decreet van 19 december 2008 betreffende de organisatie van de openbare centra voor maatschappelijk welzijn, verrichtingen vaststellen als vermeld in artikel 2.10.1.0.1, hetzij ten bate van openbare centra voor maatschappelijk welzijn hetzij ten bate van op grond van de voormelde wet opgerichte verenigingen, alsook akten houdende verrichtingen als vermeld in artikel 2.10.1.0.1, na ontbinding of splitsing van een voormelde vereniging.]2
   Om de vrijstelling, vermeld in het eerste lid, 2°, te verkrijgen, moet voldaan zijn aan de verplichtingen, vermeld in artikel 3.12.3.0.1, § 1, 4°, en § 5, vierde lid.]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij DVR 2014-12-19/97, art. 180, 006; Inwerkingtreding : 01-01-2015>
  (2)<DVR 2016-12-23/05, art. 44, 015; Inwerkingtreding : 09-01-2017>

  Art. 2.10.6.0.2.
  <Opgeheven bij DVR 2018-06-22/18, art. 18, 028; Inwerkingtreding : 01-01-2018>

  Art. 2.10.6.0.3.[1 Er wordt een vrijstelling van het verdeelrecht verleend voor de overeenkomsten tot overdracht van onroerende goederen als vermeld in artikel 2.10.1.0.1, voor zover de overdracht plaatsvindt met het oog op de realisatie van een brownfieldproject dat het voorwerp uitmaakt of zal uitmaken van een brownfieldconvenant als vermeld in het decreet van 30 maart 2007 betreffende de Brownfieldconvenanten.
   De vrijstelling, vermeld in het eerste lid, wordt alleen verleend als bij de aan de formaliteit van de registratie onderworpen akte of verklaring betreffende de overeenkomst een attest is gevoegd waarin wordt bevestigd dat de overdracht plaatsvindt met het oog op de realisatie van een brownfieldproject dat het voorwerp uitmaakt of zal uitmaken van een brownfieldconvenant, en dat de onroerende goederen waarvoor de vrijstelling wordt gevraagd, deel uitmaken van dat brownfieldproject. De Vlaamse Regering bepaalt de nadere regels voor de vormgeving van dat attest.
   Als de overeenkomst, vermeld in het eerste lid, ook andere onroerende goederen omvat dan de onroerende goederen, vermeld in het eerste lid, en de overdracht gebeurt voor een gezamenlijke prijs, moet de verkoopwaarde van elk van de onderscheiden categorieën van onroerende goederen worden opgegeven in een aanvullende verklaring als vermeld in artikel 3.13.1.2.1.
   [2 Het verdeelrecht is alsnog verschuldigd door de verkrijger van de onroerende goederen, vermeld in het eerste lid, als de Vlaamse Regering beslist tot stopzetting van de onderhandelingen als vermeld in artikel 8, § 3, vierde lid, van het decreet van 30 maart 2007 betreffende de Brownfieldconvenanten, of als het brownfieldproject niet tijdig wordt gestart of gerealiseerd conform de voorwaarden, vermeld in het brownfieldconvenant.]2 Het verdeelrecht wordt opeisbaar vanaf de kennisgeving aan het bevoegde personeelslid van het niet langer vervuld zijn van de voorwaarden voor het behoud van de vrijstelling. De Vlaamse Regering bepaalt de nadere regels voor die kennisgeving.]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij DVR 2014-12-19/97, art. 182, 006; Inwerkingtreding : 01-01-2015>
  (2)<DVR 2016-12-23/05, art. 45, 015; Inwerkingtreding : 09-01-2017>

  Art. 2.10.6.0.4. [1 Er wordt een vrijstelling van het verdeelrecht verleend voor vonnissen en arresten houdende vernietiging, ontbinding of herroeping van een overeenkomst als vermeld in artikel 2.10.1.0.1, waarbij eigendom of vruchtgebruik van in België gelegen onroerende goederen wordt overgedragen.
   Als de vernietiging, ontbinding of herroeping, vermeld in het eerste lid, uitgesproken is ten voordele van een andere persoon dan een van de partijen bij de overeenkomst, haar erfgenamen of legatarissen, worden al naargelang het geval de belastingen, vermeld in hoofdstukken 8 tot en met 11, geheven die verschuldigd geweest zouden zijn als de vernietiging, de ontbinding of de herroeping het voorwerp van een minnelijke akte had uitgemaakt.]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij DVR 2014-12-19/97, art. 183, 006; Inwerkingtreding : 01-01-2015>

  Afdeling 7. - [1 Wijze van heffing]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij DVR 2014-12-19/97, art. 184, 006; Inwerkingtreding : 01-01-2015>

  Art. 2.10.7.0.1. [1 Het verdeelrecht wordt geheven in overeenstemming met de bepalingen van artikel 3.3.2.0.1, 9°, en artikel 3.3.3.0.1, § 4/2.]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij DVR 2014-12-19/97, art. 185, 006; Inwerkingtreding : 01-01-2015>

  Art. 2.10.7.0.2. [1 § 1. De belastingplicht, de belastbare grondslag, het tarief, de vrijstellingen en de verminderingen worden bepaald door het ogenblik waarop de rechtshandeling is gesteld.
   In afwijking van het eerste lid worden, als er geen verplichting tot registratie geldt, de belastingplicht, de belastbare grondslag en het tarief bepaald door het ogenblik waarop de akte of het geschrift ter registratie wordt aangeboden.
   § 2. Op een rechtshandeling die onderworpen is aan een opschortende voorwaarde, wordt het verdeelrecht alleen geheven als de voorwaarde is vervuld. In voorkomend geval wordt gehandeld als volgt :
   1° het toepasbare tarief waarmee voor de heffing rekening moet worden gehouden, is het tarief dat van kracht is op de datum waarop het verdeelrecht verworven geweest zou zijn als de handeling onvoorwaardelijk was geweest;
   2° de belastbare grondslag waarmee voor de heffing rekening moet worden gehouden, is de belastbare grondslag op de datum van de vervulling van de voorwaarde.
   De rechtshandeling die door een rechtspersoon verricht wordt en die aan machtiging, goedkeuring of bekrachtiging van een overheid onderworpen is, wordt voor de toepassing van het eerste lid gelijkgesteld met een aan een opschortende voorwaarde onderworpen rechtshandeling.]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij DVR 2014-12-19/97, art. 186, 006; Inwerkingtreding : 01-01-2015>

  Art. 2.10.7.0.3. [1 In geval van een handelszaak wordt het verdeelrecht vastgesteld volgens de aard van elk goed dat er deel van uitmaakt.]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij DVR 2014-12-19/97, art. 187, 006; Inwerkingtreding : 01-01-2015>

  Hoofdstuk 11. - [1 Recht op hypotheekvestiging]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij DVR 2014-12-19/97, art. 188, 006; Inwerkingtreding : 01-01-2015>

  Afdeling 1. [1 Belastbaar voorwerp]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij DVR 2014-12-19/97, art. 189, 006; Inwerkingtreding : 01-01-2015>

  Afdeling 1. [1 Art. 2.11.1.0.1. Overeenkomstig artikel 1, artikel 19 en artikel 31 van het federale Wetboek van Registratie-, Hypotheek- en Griffierechten wordt het recht op hypotheekvestiging gevestigd naar aanleiding van de registratie of de verplichting tot registratie van akten of geschriften houdende vestiging van een hypotheek op een onroerend goed.]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij DVR 2014-12-19/97, art. 190, 006; Inwerkingtreding : 01-01-2015>

  Art. 2.11.1.0.2. [1 Met behoud van de toepassing van artikel 2.11.1.0.1 wordt, behoudens vestiging van de belasting, vermeld in hoofdstukken 9 en 10, het recht op hypotheekvestiging gevestigd op een inbreng van onroerende goederen als vermeld in artikel 115bis van het federale Wetboek van Registratie-, Hypotheek- en Griffierechten in een Belgische vennootschap als die inbreng anders vergoed wordt dan bij de toekenning van maatschappelijke rechten en als die inbreng aanleiding geeft tot de nieuwe inschrijving.
   Als een inbreng als vermeld in het eerste lid meteen onroerende goederen als vermeld in artikel 115bis van het federale Wetboek van Registratie-, Hypotheek- en Griffierechten, en goederen van een andere aard omvat, worden, niettegenstaande elk strijdig beding, de maatschappelijke rechten en de andere lasten die de vergoeding van de vermelde inbreng uitmaken, geacht evenredig verdeeld te zijn tussen de waarde die aan de onroerende goederen is toegekend, en die welke aan de andere goederen is toegekend, bij de overeenkomst. De te vervallen huurprijzen van de huurcontracten waarvan de rechten worden ingebracht, worden evenwel geacht alleen op de laatstvermelde rechten betrekking te hebben.
   Het eerste en het tweede lid zijn niet van toepassing op de inbreng van de universaliteit van de goederen of van een bedrijfstak overeenkomstig artikel 117, § 1 en § 2, van het federale Wetboek van Registratie-, Hypotheek- en Griffierechten.
   Dit artikel is ook van toepassing op de oprichting van nieuwe vennootschappen, als vermeld in artikel 118 van het federale Wetboek van Registratie-, Hypotheek- en Griffierechten.]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij DVR 2014-12-19/97, art. 191, 006; Inwerkingtreding : 01-01-2015>

  Afdeling 2. - [1 Belastingplichtigen]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij DVR 2014-12-19/97, art. 192, 006; Inwerkingtreding : 01-01-2015>

  Art. 2.11.2.0.1. [1 De belastingplichtige is de hypotheeksteller.]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij DVR 2014-12-19/97, art. 193, 006; Inwerkingtreding : 01-01-2015>

  Afdeling 3. - [1 Belastbare grondslag]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij DVR 2014-12-19/97, art. 194, 006; Inwerkingtreding : 01-01-2015>

  Art. 2.11.3.0.1. [1 Het recht op hypotheekvestiging wordt vastgesteld op basis van het bedrag van de sommen die door de hypotheek gewaarborgd zijn, met uitsluiting van de interesten of rentetermijnen van drie jaar, die gewaarborgd zijn door artikel 87 van de Hypotheekwet van 16 december 1851.]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij DVR 2014-12-19/97, art. 195, 006; Inwerkingtreding : 01-01-2015>

  Afdeling 4. - [1 Tarieven]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij DVR 2014-12-19/97, art. 196, 006; Inwerkingtreding : 01-01-2015>

  Art. 2.11.4.0.1. [1 Het recht op hypotheekvestiging bedraagt 1 %.]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij DVR 2014-12-19/97, art. 197, 006; Inwerkingtreding : 01-01-2015>

  Art. 2.11.4.0.2. [1 De belasting, vermeld in artikel 2.11.4.0.1, is van toepassing, zelfs als de hypotheek gevestigd is tot zekerheid van een toekomstige schuld, van een voorwaardelijke of eventuele schuld of van een verbintenis om iets te doen.]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij DVR 2014-12-19/97, art. 198, 006; Inwerkingtreding : 01-01-2015>

  Art. 2.11.4.0.3.[1 De vestiging van een hypotheek op een onroerend goed tot zekerheid van een schuld die gewaarborgd is door een hypotheek op een schip dat niet naar zijn aard voor het zeevervoer bestemd is, door de verpanding van een handelszaak of door een landbouwvoorrecht [2 , die aan het recht, vermeld in artikel 88 van het federale Wetboek van Registratie-, Hypotheek- en Griffierechten, zijn onderworpen,]2, wordt onderworpen aan een verlaagd tarief van 0,50 %.]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij DVR 2014-12-19/97, art. 199, 006; Inwerkingtreding : 01-01-2015>
  (2)<DVR 2018-12-21/02, art. 26, 037; Inwerkingtreding : 07-01-2019>

  Art. 2.11.4.0.4. [1 Als een akte, overeengekomen tussen dezelfde partijen, verschillende van elkaar afhankelijke of noodzakelijk uit elkaar voortvloeiende regelingen bevat waaronder een vestiging van een hypotheek op een onroerend goed dat onderworpen is aan het recht op hypotheekvestiging, wordt de belasting geheven die van toepassing is op de regeling die aanleiding geeft tot de heffing van de hoogste belasting, vastgesteld met toepassing van hoofdstuk 8 tot en met hoofdstuk 11.
   Als een akte, overeengekomen tussen dezelfde partijen, verschillende van elkaar onafhankelijke of niet noodzakelijk uit elkaar voortvloeiende regelingen bevat waaronder een vestiging van een hypotheek op een onroerend goed dat onderworpen is aan het recht op hypotheekvestiging, wordt op elke regeling al naargelang het geval de belasting, vermeld in hoofdstuk 8 tot en met 11, geheven.]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij DVR 2014-12-19/97, art. 200, 006; Inwerkingtreding : 01-01-2015>

  Afdeling 5. - [1 Verminderingen]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij DVR 2014-12-19/97, art. 201, 006; Inwerkingtreding : 01-01-2015>

  Art. 2.11.5.0.1. [1 Voorbehouden voor toekomstig gebruik.]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij DVR 2014-12-19/97, art. 202, 006; Inwerkingtreding : 01-01-2015>

  Afdeling 6. - [1 Vrijstellingen]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij DVR 2014-12-19/97, art. 203, 006; Inwerkingtreding : 01-01-2015>

  Art. 2.11.6.0.1.[1 Er wordt een vrijstelling van het recht op hypotheekvestiging verleend voor elke vestiging van een hypotheek die na de heffing van de belasting, vermeld in artikel 2.11.3.0.1 [2 of in artikel 87 van het federale Wetboek van Registratie-, Hypotheek- en Griffierechten]2, wordt toegestaan tot zekerheid van dezelfde schuldvordering voor hetzelfde gewaarborgde bedrag.]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij DVR 2014-12-19/97, art. 204, 006; Inwerkingtreding : 01-01-2015>
  (2)<DVR 2018-12-21/02, art. 27, 037; Inwerkingtreding : 07-01-2019>

  Art. 2.11.6.0.2. [1 Er wordt een vrijstelling van het recht op hypotheekvestiging verleend voor de gewaarborgde verbintenis die voortvloeit uit een overeenkomst waarop een registratiebelasting van minstens 1% is geheven.]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij DVR 2014-12-19/97, art. 205, 006; Inwerkingtreding : 01-01-2015>

  Afdeling 7. - [1 Wijze van heffing]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij DVR 2014-12-19/97, art. 206, 006; Inwerkingtreding : 01-01-2015>

  Art. 2.11.7.0.1. [1 Het recht op hypotheekvestiging wordt geheven in overeenstemming met de bepalingen van artikel 3.3.2.0.1, 9°, en artikel 3.3.3.0.1, § 4/2.]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij DVR 2014-12-19/97, art. 207, 006; Inwerkingtreding : 01-01-2015>

  Art. 2.11.7.0.2. [1 § 1. De belastingplicht, de belastbare grondslag, het tarief, de vrijstellingen en de verminderingen worden bepaald door het ogenblik waarop de rechtshandeling is gesteld.
   In afwijking van het eerste lid worden, als er geen verplichting tot registratie geldt, de belastingplicht, de belastbare grondslag en het tarief bepaald door het ogenblik waarop de akte of het geschrift ter registratie wordt aangeboden.
   § 2. Op een rechtshandeling, onderworpen aan een opschortende voorwaarde, wordt het recht op hypotheekvestiging alleen geheven als de voorwaarde is vervuld. In voorkomend geval wordt gehandeld als volgt :
   1° het toepasbare tarief waarmee voor de heffing rekening moet worden gehouden, is het tarief dat van kracht is op de datum waarop het recht op hypotheekvestiging verworven geweest zou zijn als de handeling onvoorwaardelijk was geweest;
   2° de belastbare grondslag waarmee voor de heffing rekening moet worden gehouden, is de belastbare grondslag op de datum van de vervulling van de voorwaarde.
   De rechtshandeling die door een rechtspersoon verricht is en die aan machtiging, goedkeuring of bekrachtiging van een overheid onderworpen is, wordt voor de toepassing van het eerste lid gelijkgesteld met een aan een opschortende voorwaarde onderworpen rechtshandeling]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij DVR 2014-12-19/97, art. 208, 006; Inwerkingtreding : 01-01-2015>

  Art. 2.11.7.0.3. [1 In geval van een handelszaak wordt het recht van hypotheekvestiging vastgesteld volgens de aard van elk goed dat er deel van uitmaakt.]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij DVR 2014-12-19/97, art. 209, 006; Inwerkingtreding : 01-01-2015>

  Hoofdstuk 12. [1 - Belasting op de spelen en weddenschappen]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij DVR 2018-12-07/09, art. 3, 036; Inwerkingtreding : 01-01-2019>
  

  Afdeling 1. [1 - Belastbaar voorwerp]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij DVR 2018-12-07/09, art. 4, 036; Inwerkingtreding : 01-01-2019>
  

  Art. 2.12.1.0.1. [1 Overeenkomstig artikel 3, eerste lid, 1°, van de bijzondere wet van 16 januari 1989 betreffende de financiering van de gemeenschappen en de gewesten wordt er een belasting geheven op de spelen en weddenschappen.]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij DVR 2018-12-07/09, art. 5, 036; Inwerkingtreding : 01-01-2019>
  

  Afdeling 2. [1 - Belastingplichtigen]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij DVR 2018-12-07/09, art. 6, 036; Inwerkingtreding : 01-01-2019>
  

  Art. 2.12.2.0.1. [1 De belastingplichtige is degene die, zelfs toevallig, enige inzet of enig inleggeld aanneemt in het kader van spelen en weddenschappen, hetzij voor eigen rekening, hetzij als tussenpersoon.
   In afwijking van het eerste lid zijn de belastingplichtigen diegenen die het lokaal of het materieel ter beschikking stellen van personen die aan spelen of weddenschappen doen als er, in private kringen of in andere lokalen of via informatiemaatschappij-instrumenten als vermeld in artikel 2, 10°, van de Kansspelwet van 7 mei 1999, aan spelen of aan weddenschappen wordt gedaan op een wijze dat niemand in het bijzonder belast is om inzetten of inleggelden aan te nemen, hetzij voor eigen rekening, hetzij als tussenpersoon.]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij DVR 2018-12-07/09, art. 7, 036; Inwerkingtreding : 01-01-2019>
  

  Afdeling 3. [1 - Belastbare grondslag]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij DVR 2018-12-07/09, art. 8, 036; Inwerkingtreding : 01-01-2019>
  

  Art. 2.12.3.0.1. [1 § 1. De belasting op de spelen en weddenschappen wordt geheven op de opbrengst van de spelen en de weddenschappen, met inbegrip van deze die ingezet worden via informatiemaatschappij-instrumenten als vermeld in artikel 2, 10°, van de Kansspelwet van 7 mei 1999.
   In het eerste lid wordt verstaan onder opbrengst: het bedrag van de sommen of inleggelden die worden ingezet bij de spelen en weddenschappen in kwestie, verminderd met de winsten die voor die spelen en weddenschappen werkelijk verdeeld zijn. Dat geldt ook voor sommen of inleggelden die worden ingezet in private kringen.
   In afwijking van het tweede lid wordt voor de casinospelen de opbrengst gevormd per kansspelinrichting door het verschil tussen het bedrag van de incasso's die vastgesteld worden op het einde van de partijen en het samengevoegde bedrag van de aanvangsvoorschotten en de bijkomende voorschotten, verminderd met de afnemingen tijdens de partijen. Voor de met casinospelen gelijkgestelde automatische ontspanningstoestellen wordt de opbrengst gevormd per kansspelinrichting door het verschil van de sommen die per toestel worden ingezet, verminderd met de winsten die voor dat toestel werkelijk verdeeld zijn.
   De opbrengst, vermeld in het derde lid, wordt dagelijks vastgesteld. Het eventuele verlies dat voor een dag wordt vastgesteld, wordt in mindering gebracht van de opbrengst van de volgende dagen.
   Voor de toepassing van het eerste lid worden de sommen of inleggelden geacht ingezet te zijn in het Vlaamse Gewest als de spelen of weddenschappen worden ontvangen via een server die in het Vlaamse Gewest gevestigd is of uitgebaat wordt.
   § 2. In afwijking van paragraaf 1, eerste lid, wordt de belasting geheven op:
   1° het bedrag van de sommen of inleggelden die ingezet worden bij spelen of weddenschappen in geval van mediaspelen als vermeld in artikel 2, 9°, van de Kansspelwet van 7 mei 1999, met uitzondering van mediaspelen via informatiemaatschappij-instrumenten als vermeld in artikel 2, 10°, van voormelde wet;
   2° het vermoedelijke bedrag van de sommen of inleggelden die ingezet worden bij spelen of weddenschappen in het geval van een ambtshalve aanslag als vermeld in artikel 2.12.7.0.1.]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij DVR 2018-12-07/09, art. 9, 036; Inwerkingtreding : 01-01-2019>
  

  Afdeling 4. [1 Tarieven]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij DVR 2018-12-07/09, art. 10, 036; Inwerkingtreding : 01-01-2019>
  

  Art. 2.12.4.0.1. [1 § 1. Het tarief van de belasting bedraagt 15%.
   § 2. In afwijking van paragraaf 1 bedraagt het tarief:
   1° 11% als de sommen of inleggelden worden ingezet via informatiemaatschappij-instrumenten als vermeld in artikel 2, 10°, van de Kansspelwet van 7 mei 1999;
   2° het percentage in de volgende tabel dat overeenstemt met de schijf van de opbrengst als het gaat om casinospelen:
  

  
A. schijf in euro tarief toepasselijk op het overeenstemmende gedeelte in kolom A, in % totaalbedrag van de belasting op het voorgaande gedeelte, in euro
vanaf tot en met   
0,01 865.000 33  
865.000,01  44 285.450

3° het percentage in de volgende tabel dat overeenstemt met de schijf van de opbrengst voor de met casinospelen gelijkgestelde automatische ontspanningstoestellen, vermeld in artikel 2.13.6.0.1, 2° :
  

  
A. schijf in euro tarief toepasselijk op het overeenstemmende gedeelte in kolom A, in % totaalbedrag van de belasting op de voorgaande gedeelten, in euro
vanaf tot en met   
0,01 1.200.000 20  
1.200.000,01 2.450.000 25 240.000
2.450.000,01 3.700.000 30 552.500
3.700.000,01 6.150.000 35 927.500
6.150.000,01 8.650.000 40 1.785.000
8.650.000,01 12.350.000 45 2.785.000
12.350.001,01  50 4.450.000

De schijven, vermeld in het eerste lid, 2° en 3°, worden toegepast op de opbrengst voor het kalenderjaar.]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij DVR 2018-12-07/09, art. 11, 036; Inwerkingtreding : 01-01-2019>
  

  Art. 2.12.4.0.2. [1 De provincies en de gemeenten zijn niet gemachtigd tot het heffen van opcentiemen op de belasting op de spelen en de weddenschappen, vermeld in artikel 2.12.1.0.1, of van welke belasting dan ook op de spelen en weddenschappen die onderhevig zijn aan de belasting, vermeld in dit hoofdstuk.
   In afwijking van het eerste lid kunnen de provincies en de gemeenten een belasting heffen op de agentschappen voor weddenschappen op paardenwedrennen. De provinciale en gemeentelijke belasting mag per agentschap niet hoger zijn dan respectievelijk 37,5 en 62 euro per maand bedrijvigheid of per gedeelte daarvan.]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij DVR 2018-12-07/09, art. 12, 036; Inwerkingtreding : 01-01-2019>
  

  Afdeling 5. [1 - Verminderingen]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij DVR 2018-12-07/09, art. 13, 036; Inwerkingtreding : 01-01-2019>
  

  Art. 2.12.5.0.1. [1 Voorbehouden voor toekomstig gebruik.]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij DVR 2018-12-07/09, art. 14, 036; Inwerkingtreding : 01-01-2019>
  

  Afdeling 6. [1 - Vrijstellingen]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij DVR 2018-12-07/09, art. 15, 036; Inwerkingtreding : 01-01-2019>
  

  Art. 2.12.6.0.1. [1 Er wordt een vrijstelling van de belasting verleend voor:
   1° de toegelaten loterijen;
   2° de volksvermakelijkheden, waarbij alleen inschrijvings- of deelnemingsrechten worden geheven, die verdeeld worden in de vorm van prijzen waarvan de waarde niet meer bedraagt dan het tienvoudige van de inzet per deelnemer of die besteed worden aan de normale organisatiekosten, als het totale bedrag van die rechten per dag en per persoon niet meer bedraagt dan 50 euro;
   3° de duivenprijskampen waarbij uitsluitend ingezet wordt door de eigenaars van de ingeschreven duiven;
   4° de vogelzangwedstrijden;
   5° de wedstrijden die uitsluitend worden georganiseerd voor musea of voor de instellingen, vermeld in artikel 14533, § 1, 1° en 2°, van het Wetboek van de Inkomstenbelastingen 1992;
   6° de sportbeoefening.
   De vrijstellingen, vermeld in het eerste lid, 2° tot en met 6°, zijn niet van toepassing op sommen of inleggelden ingezet voor de betrokken spelen of weddenschappen via informatiemaatschappij-instrumenten als vermeld in artikel 2, 10°, van de Kansspelwet van 7 mei 1999.]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij DVR 2018-12-07/09, art. 16, 036; Inwerkingtreding : 01-01-2019>
  

  Afdeling 7. [1 - Wijze van heffing]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij DVR 2018-12-07/09, art. 17, 036; Inwerkingtreding : 01-01-2019>
  

  Art. 2.12.7.0.1. [1 De belasting op de spelen en weddenschappen wordt gevestigd op zicht van de aangifte, vermeld in artikel 3.3.1.0.15, of ambtshalve als de aangifte niet is ingediend binnen de termijn, vermeld in artikel 3.3.1.0.15, of bij onjuistheid of onvolledigheid van de aangifte, en conform artikel 3.3.2.0.1, eerste lid, 11°, en tweede lid, 7°, en artikel 3.3.3.0.1, § 2.]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij DVR 2018-12-07/09, art. 18, 036; Inwerkingtreding : 01-01-2019>
  

  Hoofdstuk 13. [1 - Belasting op de automatische ontspanningstoestellen]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij DVR 2018-12-07/09, art. 19, 036; Inwerkingtreding : 01-01-2019>
  

  Afdeling 1. [1 - Belastbaar voorwerp]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij DVR 2018-12-07/09, art. 20, 036; Inwerkingtreding : 01-01-2019>
  

  Art. 2.13.1.0.1. [1 Overeenkomstig artikel 3, eerste lid, 2°, van de bijzondere wet van 16 januari 1989 betreffende de financiering van de gemeenschappen en de gewesten en artikel 76 van het federale Wetboek van 23 november 1965 van de met Inkomstenbelastingen Gelijkgestelde Belastingen wordt een belasting geheven op de automatische ontspanningstoestellen, die opgesteld worden op de openbare weg, in de voor het publiek toegankelijke plaatsen of in private kringen, ongeacht of de toegang tot die kringen al dan niet onderworpen is aan bepaalde formaliteiten.]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij DVR 2018-12-07/09, art. 21, 036; Inwerkingtreding : 01-01-2019>
  

  Afdeling 2. [1 ]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij DVR 2018-12-07/09, art. 22, 036; Inwerkingtreding : 01-01-2019>
  

  Art. 2.13.2.0.1. [1 De belastingplichtige is de eigenaar van het automatische ontspanningstoestel.]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij DVR 2018-12-07/09, art. 23, 036; Inwerkingtreding : 01-01-2019>
  

  Afdeling 3. [1 - Belastbare grondslag]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij DVR 2018-12-07/09, art. 24, 036; Inwerkingtreding : 01-01-2019>
  

  Art. 2.13.3.0.1. [1 § 1. De automatische ontspanningstoestellen zijn volgens hun type ingedeeld in vijf categorieën, respectievelijk aangeduid door de letters A, B, C, D en E.
   § 2. De volgende automatische ontspanningstoestellen worden respectievelijk gerangschikt in de volgende categorieën:
   1° de categorie A:
   a) de elektrische biljarten met veranderlijke inzet, gewoonlijk "Bingo" genaamd, waarvan het spel erin bestaat verscheidene ballen of kogels in de op het horizontale vlak van het toestel gemaakte gaten te plaatsen met het doel, naargelang van het type van toestel, op het paneel van het verticale vlak verschillende cijfers of tekens op een horizontale, verticale of diagonale lijn of in een bepaalde zone te belichten;
   b) de elektrische biljarten met veranderlijke inzet, gewoonlijk "One-ball" genaamd, waarvan het spel erin bestaat op het horizontale vlak van het toestel een bal of kogel te plaatsen in een van de gaten die hetzelfde cijfer draagt als het cijfer dat op het paneel van het verticale vlak verlicht is;
   c) de automatische ontspanningstoestellen, inclusief de toestellen, vermeld in punt 3° tot en met 5°, die aan de speler of gebruiker toelaten, zelfs toevallig, tenminste het bedrag van de gedane inzet in geld of in de vorm van penningen terug te winnen of prijzen te winnen, in natura of in de vorm van premiebons, met een handelswaarde van ten minste 6,20 euro;
   d) de kansspelen op virtuele weddenschappen;
   2° de categorie B: de automatische ontspanningstoestellen, vermeld in punt 1°, c), die eigendom zijn van foorreizigers en in het Vlaamse Gewest maximaal tien weken aaneensluitend op eenzelfde plaats zijn opgesteld in mobiele installaties op foren, jaarmarkten, handelsforen, wijkkermissen en feestelijkheden;
   3° de categorie C:
   a) de automatische kranen met grijp- of duwarm;
   b) de elektrische biljarten met vaste inzet, gewoonlijk "Pin-Ball", "Flipper" of "Flip-Tronic" genaamd, waarvan het spel erin bestaat ballen of kogels te lanceren die, door hun aanraking met sommige hinderpalen, die zich op het horizontale vlak van het toestel bevinden, op het paneel van het verticale vlak het resultaat van het spel zichtbaar maken in de vorm van punten, tekens of afbeeldingen;
   c) de automatische kegelspelen, die normaal verplaatsbaar zijn en gewoonlijk het gebruik van ballen of kogels vereisen;
   d) de automatische ontspanningstoestellen die simultaan films of beelden projecteren en klank verspreiden;
   4° de categorie D:
   a) de automatische platenspelers, gewoonlijk "Juke-Box" genaamd, die uitsluitend muziek verspreiden, zelfs als ze op afstand in werking worden gesteld;
   b) de automatische kegelspelen, die normaal verplaatsbaar zijn en gewoonlijk het gebruik van schijven vereisen;
   c) de automatische schietapparaten;
   d) de elektrische golf-, hockey-, tennis- en voetbalspelen, het elektrisch balspel van het model "Spinner" en de elektrische toestellen van het model "Base-ball", "Basket-ball", "Drop-ball", "Skee-ball", "Skee-fun", "All-Star Bowler" en "Ten Strike";
   e) iedere elektrische biljart die deel uitmaakt van het competitiespel dat normaal op foren en kermissen wordt georganiseerd en gewoonlijk "Bumper" wordt genoemd;
   5° de categorie E:
   a) alle automatische ontspanningstoestellen die bij de bevoegde overheid zijn aangegeven ter uitvoering van artikel 3.12.4.0.1 en die niet in een van de categorieën A tot en met D zijn gerangschikt;
   b) de automatische ontspanningstoestellen met een verminderde inzet.
   Wanneer technische, economische of sociale omstandigheden het vereisen, kan de categorie waarin een type toestel moet worden gerangschikt, vastgesteld of gewijzigd worden door de Vlaamse Regering, na raadpleging van de betrokken beroepsverenigingen. Voor de rangschikking van een toestel wordt rekening gehouden met zijn rendabiliteit, de aard van het aangeboden spel en de menigvuldigheid van de inzet.]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij DVR 2018-12-07/09, art. 25, 036; Inwerkingtreding : 01-01-2019>
  

  Art. 2.13.3.0.2. [1 Elke combinatie van toestellen waarop gelijktijdig verschillende inzetten kunnen worden gedaan, die ieder recht geven op een afzonderlijk spel, bevat zoveel belastbare toestellen als er afzonderlijke spelen mogelijk zijn die gelijktijdig kunnen plaatsvinden.
   Als de combinatie, vermeld in het eerste lid, de aard vertoont van een competitiespel, wordt het aantal belastbare toestellen evenwel beperkt tot het aantal tekens, nummers, figuren of andere voorwerpen die in het spel kunnen worden betrokken.]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij DVR 2018-12-07/09, art. 26, 036; Inwerkingtreding : 01-01-2019>
  

  Afdeling 4. [1 Tarieven]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij DVR 2018-12-07/09, art. 27, 036; Inwerkingtreding : 01-01-2019>
  

  Art. 2.13.4.0.1. [1 De belasting wordt berekend volgens het tarief per kalenderjaar, vermeld in de volgende tabel:
  

  
categorie van het toestel tarief in euro
A 4.000
B 1.290
C 0
D 0
E 150

De tarieven, vermeld in het eerste lid, worden met ingang van 1 januari 2020 jaarlijks geïndexeerd met behulp van de coëfficiënt die wordt verkregen door het algemene indexcijfer van de consumptieprijzen van het Rijk, voor de maand november van het vorige jaar te delen door het algemene indexcijfer van de consumptieprijzen van het Rijk voor de maand november van het jaar 2018. Daarbij worden de volgende afrondingen toegepast:
   1° de coëfficiënt wordt afgerond op het hogere of lagere tienduizendste naargelang het cijfer van de honderdduizendsten al of niet vijf bereikt;
   2° na de toepassing van de coëfficiënt wordt het verkregen bedrag afgerond op de hogere of lagere eurocent naargelang het cijfer van het tiende van de eurocent al dan niet vijf bereikt.]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij DVR 2018-12-07/09, art. 28, 036; Inwerkingtreding : 01-01-2019>
  

  Art. 2.13.4.0.2. [1 De provincies en de gemeenten zijn niet gemachtigd tot het heffen van opcentiemen op belasting op de automatische ontspanningstoestellen of van welke belasting dan ook op de automatische ontspanningstoestellen die onderhevig zijn aan de belasting, vermeld in dit hoofdstuk.]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij DVR 2018-12-07/09, art. 29, 036; Inwerkingtreding : 01-01-2019>
  

  Afdeling 5. [1 - Verminderingen]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij DVR 2018-12-07/09, art. 30, 036; Inwerkingtreding : 01-01-2019>
  

  Art. 2.13.5.0.1. [1 In afwijking van artikel 2.13.4.0.1, eerste lid, is drie vierde, de helft of een vierde van het jaarbedrag verschuldigd als de opstelling van het automatische ontspanningstoestel respectievelijk gebeurt in de loop van het tweede, het derde of het vierde kwartaal.]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij DVR 2018-12-07/09, art. 31, 036; Inwerkingtreding : 01-01-2019>
  

  Art. 2.13.5.0.2. [1 De belasting op de automatische ontspanningstoestellen, vermeld in artikel 2.13.3.0.1, § 2, die eigendom zijn van foorreizigers, wordt verminderd tot 10% als ze in het Vlaamse Gewest maximaal tien weken aaneensluitend op eenzelfde plaats zijn opgesteld in mobiele installaties op foren, jaarmarkten, handelsforen, wijkkermissen en feestelijkheden.]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij DVR 2018-12-07/09, art. 32, 036; Inwerkingtreding : 01-01-2019>
  

  Afdeling 6. [1 - Vrijstellingen]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij DVR 2018-12-07/09, art. 33, 036; Inwerkingtreding : 01-01-2019>
  

  Art. 2.13.6.0.1. [1 Er wordt een vrijstelling van de belasting verleend voor de automatische ontspanningstoestellen:
   1° die in de lokalen die daarvoor bestemd zijn, uitsluitend ter beschikking staan van de jeugdbewegingen, van bewoners van rust- en verzorgingsinstellingen of van in ziekenhuizen opgenomen personen;
   2° die zich bevinden in een kansspelinrichting van klasse I als vermeld in artikel 6 van de Kansspelwet van 7 mei 1999, en onderworpen worden aan de belasting, vermeld in artikel 2.12.4.0.1, § 2, 3°.]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij DVR 2018-12-07/09, art. 34, 036; Inwerkingtreding : 01-01-2019>
  

  Afdeling 7. [1 Wijze van heffing]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij DVR 2018-12-07/09, art. 35, 036; Inwerkingtreding : 01-01-2019>
  

  Art. 2.13.7.0.1. [1 De belasting wordt gevestigd op zicht van de aangifte, vermeld in artikel 3.3.1.0.16, of ambtshalve als de aangifte niet is ingediend binnen de termijn, vermeld in artikel 3.3.1.0.16, of bij onjuistheid of onvolledigheid van de aangifte, en conform de bepalingen van artikel 3.3.2.0.1, eerste lid, 12°, en tweede lid, 8°, en artikel 3.3.3.0.1, § 2.]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij DVR 2018-12-07/09, art. 36, 036; Inwerkingtreding : 01-01-2019>
  

  Art. 2.13.7.0.2. [1 Met uitzondering van afdeling 5 en afdeling 6, is dit hoofdstuk niet van toepassing op de automatische ontspanningstoestellen waarvan de exploitatie is verboden krachtens artikel 4, 7 en 8 van de Kansspelwet van 7 mei 1999.]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij DVR 2018-12-07/09, art. 37, 036; Inwerkingtreding : 01-01-2019>
  

  TITEL 3. - Inning en invordering

  Hoofdstuk 1. Inleidende bepalingen, opcentiemen, opdeciem en administratieve onkostenvergoedingen

  Art. 3.1.0.0.1.[1 De bepalingen van titel 3 zijn, behalve bij afwijkende bijzondere bepalingen, van toepassing op alle belastingen, vermeld in titel 2, alsook op het eurovignet.]1
  [2 In afwijking van het eerste lid, zijn de volgende bepalingen van deze titel niet van toepassing op de kilometerheffing:
   - hoofdstuk 2;
   - hoofdstuk 3, met uitzondering van artikel 3.3.1.0.11, 3.3.1.0.13, 3.3.2.0.1, eerste lid, 10°, en tweede lid, 6°, en 3.3.3.0.1, § 2, tweede lid;
   - hoofdstuk 4;
   - hoofdstuk 5 met uitzondering van artikel 3.5.3.0.2;
   - hoofdstuk 6;
   - hoofdstuk 7;
   - hoofdstuk 10, met uitzondering van artikel 3.10.3.1.1, § 2, tweede lid, en artikel 3.10.4.5.1, tweede en derde lid;
   - hoofdstuk 12.
   [3 ...]3.]2
  De Vlaamse Regering kan :
  1° de wijze regelen waarop men moet handelen voor de aangiften, de opmaak en de kennisgeving van de kohieren, de betalingen, de bewijzen van betaling en de inning en invordering van de verschuldigde bedragen;
  2° het tarief van de vervolgingskosten regelen.
  Als een vordering voor het gerecht, zelfs gedeeltelijk, maatregelen tot voorwerp heeft die ertoe strekken de invordering te verwezenlijken of te waarborgen van de belastingen en toebehoren, hebben de cassatietermijn alsook de voorziening in cassatie schorsende kracht.
  ----------
  (1)<DVR 2015-12-18/23, art. 102, 011; Inwerkingtreding : 01-04-2016>
  (2)<DVR 2016-03-25/05, art. 2, 012; Inwerkingtreding : 01-04-2016>
  (3)<DVR 2018-12-21/02, art. 28, 037; Inwerkingtreding : 07-01-2019>

  Art. 3.1.0.0.2. § 1. Aan de belastingschuldigen wordt door de bevoegde entiteit van de Vlaamse administratie een fiscaal identificatienummer toegekend, namelijk een van de volgende nummers :
  1° het identificatienummer uit het Rijksregister van de natuurlijke personen;
  2° het ondernemingsnummer dat bekend is bij de Kruispuntbank van Ondernemingen;
  3° een automatisch gegenereerd nummer voor alle overige belastingschuldigen voor wie geen bekend nummer als vermeld in 1° of 2°, bestaat.
  § 2. Het fiscale identificatienummer mag worden gebruikt in de bestanden en repertoria van de bevoegde entiteit van de Vlaamse administratie. Het gebruik ervan is alleen geoorloofd met het doel om te identificeren.
  § 3. Naast de toepassing, vermeld in paragraaf 2, mag het fiscale identificatienummer van de natuurlijke personen alleen gebruikt worden als identificatiemiddel in de volgende externe betrekkingen die nodig zijn voor de uitvoering van deze codex en van andere regelgeving ter uitvoering ervan waarmee de bevoegde entiteit van de Vlaamse administratie is belast :
  1° betrekkingen met de houder van het nummer of met zijn wettelijke vertegenwoordigers;
  2° betrekkingen met de erfgenamen, algemene legatarissen of begiftigden als de houder van het nummer overleden is;
  3° betrekkingen met de lasthebbers aan wie de houder van het nummer een algemene lastgeving inzake belastingen heeft verleend, op voorwaarde dat de houder van het nummer zijn schriftelijke toestemming geeft aan de lasthebber;
  4° betrekkingen met de openbare overheden of de instellingen, gemachtigd krachtens artikel 8 van de wet van 8 augustus 1983 tot regeling van een Rijksregister van de natuurlijke personen;
  5° betrekkingen met de natuurlijke personen of rechtspersonen en de feitelijke verenigingen die ertoe gehouden zijn informatie te verstrekken over de houder van het identificatienummer, in het kader van de verplichtingen die hun zijn opgelegd door deze codex of ingevolge de uitvoering ervan;
  6° betrekkingen met de bestuursdiensten van de staat, de besturen van de gemeenschappen, de gewesten, de provincies, de agglomeraties, de federaties van gemeenten en de gemeenten, alsook met de vennootschappen, verenigingen, instellingen of inrichtingen naar publiek recht die met het oog op het verstrekken van bepaalde voordelen inkomstengetuigschriften aanvragen over de fiscale toestand van de houder van het nummer.
  De personen, instellingen en verenigingen, vermeld in het eerste lid, mogen alleen over het nummer beschikken voor de uitvoering van de vermelde verplichtingen.
  De schriftelijke toestemming, vermeld in het eerste lid, 3°, kan op ieder ogenblik worden ingetrokken. De intrekking ervan heeft alleen uitwerking voor de toekomst.
  § 4. Als de bevoegde entiteit van de Vlaamse administratie aan een derde de uitvoering toevertrouwt van werken die nodig zijn om taken te vervullen waarmee ze is belast, is die entiteit gemachtigd, uitsluitend voor de uitvoering van die werken :
  1° aan die derde de informatiegegevens, vermeld in artikel 3, eerste en tweede lid, van de wet van 8 augustus 1983 tot regeling van een Rijksregister van de natuurlijke personen, mee te delen die noodzakelijk zijn voor de uitvoering van die werken;
  2° het fiscale identificatienummer alleen als identificatiemiddel te gebruiken.
  De derden, vermeld in het eerste lid, mogen alleen over de beoogde informatiegegevens en over het fiscale identificatienummer beschikken gedurende de tijd die nodig is voor de uitvoering van die werken, en ze mogen het fiscale identificatienummer uitsluitend voor dat doel gebruiken.
  § 5. De volgende personen, instanties en verenigingen onderworpen aan de verplichting om het fiscale identificatienummer van de natuurlijke personen te vermelden :
  1° de openbare overheden en instellingen, vermeld in paragraaf 3, eerste lid, 4°, in hun betrekkingen met de bevoegde entiteit van de Vlaamse administratie telkens als ze ertoe gehouden zijn inlichtingen te verstrekken over de houder van dat identificatienummer;
  2° de natuurlijke personen of rechtspersonen en de feitelijke verenigingen die zich bevinden in de toestand, vermeld in paragraaf 3, eerste lid, 5°, en die verplicht zijn gebruik te maken van het identificatienummer van de natuurlijke personen met toepassing van de koninklijke besluiten van 5 december 1986 tot regeling in de sociale sector van het gebruik van het identificatienummer van het Rijksregister van de natuurlijke personen.

  Art. 3.1.0.0.3.[1 § 1.]1 De gegevens en de documenten die de bevoegde entiteit van de Vlaamse administratie heeft ontvangen, opgesteld of verzonden in het kader van de toepassing van de bepalingen van deze codex, met inbegrip van de door de belastingplichtigen ingediende aangiften, alsook de daarbij gevoegde documenten en bewijsstukken, en die fotografisch, optisch, elektronisch of volgens elke andere informatica- of telegeleidingstechniek worden geregistreerd, bewaard of weergegeven, alsook de weergave ervan op een leesbare drager, hebben bewijskracht voor de toepassing van de bepalingen van deze codex.
  [1 § 2. De bevoegde entiteit van de Vlaamse administratie kan persoonsgegevens verwerken als dat noodzakelijk is voor de vervulling van een taak van algemeen belang, meer bepaald om de juiste heffing en inning van alle belastingen, vermeld in deze codex, te kunnen verzekeren.]1
  ----------
  (1)<DVR 2018-06-08/04, art. 55, 029; Inwerkingtreding : 25-05-2018>

  Art. 3.1.0.0.4.§ 1. Als er met toepassing van de bepalingen van deze codex opcentiemen of een opdeciem worden geheven, worden die, samen met de belasting zelf, geïnd door de bevoegde entiteit van de Vlaamse administratie.
  § 2. Als de provincies, de agglomeraties en de gemeenten ertoe besluiten opcentiemen te heffen met toepassing van de bepalingen van deze codex, stellen de provincieraad, respectievelijk de agglomeratieraad of de gemeenteraad daarvan uiterlijk op 31 januari van het aanslagjaar de opcentiemen voor het aanslagjaar in kwestie vast en delen ze die opcentiemen uiterlijk op 1 maart van hetzelfde jaar per aangetekende brief mee aan de bevoegde entiteit van de Vlaamse administratie.
  [1 Als de provincie-, agglomeratie- of gemeenteraad de opcentiemen op de onroerende voorheffing niet heeft vastgesteld of als een van de data of beide data, vermeld in het eerste lid, werden overschreden, zal de onroerende voorheffing worden gevestigd met toepassing van de opcentiemen die voor de provincie, gemeente of agglomeratie in kwestie van toepassing waren voor het voorafgaande aanslagjaar.]1
  [2 Voor de toepassing van het tweede lid wordt uitgegaan van de naleving van de verplichtingen, vermeld in artikel 2.1.4.0.2, § 2 en § 3.]2
  § 3. De bevoegde entiteit van de Vlaamse administratie stort aan de provincies, de agglomeraties en de gemeenten de ontvangsten die ze voor hun rekening verwezenlijkt hebben, door in de maand die volgt op de maand van de ontvangsten, verminderd met de ontheffingen van betaalde vorderingen die doorgevoerd zijn tijdens de maand van de inning van die ontvangsten.
  Als de ontheffingen van betaalde vorderingen die in de loop van een maand zijn doorgevoerd ten laste van respectievelijk een provincie, een agglomeratie of een gemeente, meer bedragen dan de ontvangsten die door de bevoegde entiteit van de Vlaamse administratie gedurende diezelfde maand voor rekening van die overheid zijn geïnd, vormt dat excedent voor de genoemde entiteit van de Vlaamse administratie een schuldvordering die terugvorderbaar is bij respectievelijk de provincie, de agglomeratie of de gemeente.
  De schuldvordering, vermeld in het tweede lid, wordt ingevorderd door ambtshalve inhouding op de toekenning van de ontvangsten van de maand die volgt op die van de verrekening van de ontheffingen. Als het bedrag van de ontvangsten dat toegekend wordt gedurende de maand die volgt op die van de verrekening van de ontheffing ontoereikend is om het bedrag van de schuldvordering dat overblijft te vrijwaren, wordt dat saldo van de schuldvordering ingevorderd door ambtshalve inhouding op de toekenning van de ontvangsten van de daaropvolgende maand. Die verrekening wordt herhaald tot de schuldvordering is aangezuiverd.
  § 4. De ontvangsten, vermeld in paragraaf 3, kunnen naast de opcentiemen en de opdeciem ook de bedragen, vermeld in artikel 3.1.0.0.5, bevatten. Ontvangsten die voortkomen uit interesten, boetes of bij de belastingschuldige gerecupereerde invorderingskosten, worden evenwel nooit doorgestort en komen het Vlaamse Gewest toe.
  § 5. In afwijking van paragraaf 3 geldt voor de onroerende voorheffing de volgende regeling :
  1° de Vlaamse Regering wordt ertoe gemachtigd voorschotten toe te staan aan de gemeenten, de agglomeraties en de provincies in het kader van de inning van de opcentiemen op de onroerende voorheffing;
  2° de voorschotten, vermeld in punt 1°, worden berekend op 95 % van het bedrag van de jaarontvangsten inzake opcentiemen op de onroerende voorheffing die geraamd zijn in hun respectieve goedgekeurde begrotingen, dat de gemeente respectievelijk de agglomeratie of de provincie uiterlijk op 15 mei van het aanslagjaar in kwestie aan de bevoegde entiteit van de Vlaamse administratie heeft opgegeven. Bij ontstentenis van een mededeling op de vervaldag wordt de berekening van de voorschotten gebaseerd op de jaarontvangsten inzake opcentiemen op de onroerende voorheffing die de bevoegde entiteit van de Vlaamse administratie per gemeente, agglomeratie en provincie voor het aanslagjaar in kwestie geraamd heeft;
  3° als de conform paragraaf 2 meegedeelde opcentiemen wijzigen ten opzichte van het voorgaande aanslagjaar, zal de bevoegde entiteit van de Vlaamse administratie de geraamde jaarontvangsten aanpassen en meedelen op het ogenblik dat het saldo, vermeld in punt 5°, aan de gemeenten, agglomeraties of provincies wordt meegedeeld;
  4° de voorschotten, vermeld in punt 1°, worden vanaf het tweede semester van het begrotingsjaar in zes maandelijkse gelijke schijven uitbetaald met valuta op de vijfde bankwerkdag van iedere maand;
  5° het saldo van alle verworven opcentiemen op de laatste dag van de maand mei van het jaar dat volgt op het aanslagjaar in kwestie, verminderd met de voorschotten die al uitbetaald zijn voor het aanslagjaar in kwestie en verminderd met de bedragen van betaalde vorderingen die voor het aanslagjaar in kwestie en eventueel voor voorgaande aanslagjaren in ontheffing gezet zijn, wordt uiterlijk gestort op de laatste bankwerkdag van de maand juli van het jaar dat volgt op het aanslagjaar in kwestie;
  6° opcentiemen die worden verworven na de laatste dag van de maand mei van het jaar dat volgt op het aanslagjaar in kwestie, worden na vermindering met de nog niet verrekende bedragen van betaalde vorderingen die in ontheffing gezet zijn, doorgestort uiterlijk op de laatste bankwerkdag van de maand die volgt op de maand van de verwerving;
  7° als wordt vastgesteld dat het saldo, vermeld in 5° negatief is, wordt het voorschot van het eerstvolgende aanslagjaar, vermeld in 2° en 4°, verminderd met dat negatieve saldo. In voorkomend geval worden de verworven opcentiemen van het eerstvolgende aanslagjaar ook verminderd met hetzelfde negatieve saldo;
  8° zowel de orderekeningen als de financiële rekening waarop de opcentiemen op de onroerende voorheffing voor rekening van de gemeenten, de agglomeraties en de provincies vooraf worden betaald, mogen een negatief saldo vertonen voor het bedrag van de gecumuleerde voorschotten.
  § 6. Na afloop van elk kalenderjaar stuurt de bevoegde entiteit van de Vlaamse administratie naar elke provincie, agglomeratie en gemeente die opcentiemen heft, een lijst met vermelding van de totale opbrengst van de opcentiemen die, op basis van de inningen, aan respectievelijk de provincie, de agglomeratie of de gemeente toekomen.
  ----------
  (1)<DVR 2017-06-30/11, art. 2, 021; Inwerkingtreding : 01-01-2016>
  (2)<DVR 2017-06-30/11, art. 3, 021; Inwerkingtreding : 01-01-2017>

  Art. 3.1.0.0.5.De Vlaamse Regering bepaalt welk percentage van de leegstandsheffing bedrijfsruimten die elk jaar geïnd wordt, en van de [1 heffing ongeschikte en onbewoonbare woningen]1 die elk jaar geïnd wordt, met uitzondering van de gemeentelijke opcentiemen, de interesten en de administratieve geldboetes, aan de gemeenten wordt doorgestort als vergoeding voor de administratiekosten die ze in het kader van die belastingen moeten maken.
  ----------
  (1)<DVR 2016-12-23/05, art. 46, 015; Inwerkingtreding : 01-01-2017>

  Art. 3.1.0.0.6.[1 De provincies en de gemeenten die met toepassing van artikel 2.1.4.0.2 opcentiemen op de onroerende voorheffing heffen, en die met toepassing van artikel 2.1.4.0.1, § 2, eerste lid, 5° en 7°, en § 2/1, artikel 2.1.5.0.1, § 2, artikel 2.1.6.0.2 en artikel 2.2.6.0.1, § 2, 2°, die opbrengsten derven, worden daarvoor volledig vergoed door het Vlaamse Gewest. De compensatie voor artikel 2.2.6.0.1, § 2, 2°, geldt enkel voor voertuigen die voor het eerst worden vrijgesteld vanaf aanslagjaar 2019.]1
  ----------
  (1)<DVR 2018-06-22/18, art. 19, 028; Inwerkingtreding : 01-01-2018>

  Art. 3.1.0.0.7. [1 Het aanvaarden onder voorrecht van boedelbeschrijving van een nalatenschap ontheft de erfgenamen niet van de in deze codex voorgeschreven verplichtingen inzake de erfbelasting.
   De beheerder die voor de vereffening van de nalatenschap aangesteld is overeenkomstig artikel 803bis, artikel 804 en artikel 810bis van het Burgerlijk Wetboek, is ook tot die verplichtingen gehouden.]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij DVR 2014-12-19/97, art. 210, 006; Inwerkingtreding : 01-01-2015>

  Art. 3.1.0.0.8. [1 Wat de invordering en de vervolging inzake de erfbelasting betreft, kunnen elke kennisgeving en betekening aan het adres van de woonplaats, vermeld in artikel 3.3.1.0.8, § 1, eerste lid, 7°, gedaan worden.]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij DVR 2014-12-19/97, art. 211, 006; Inwerkingtreding : 01-01-2015>

  Hoofdstuk 2. - Inkohiering

  Afdeling 1. - Algemeen

  Art. 3.2.1.0.1. § 1. De belastingen worden opgenomen in kohieren.
  De kohieren bevatten ten minste de volgende elementen :
  1° de identiteit van de belastingplichtige;
  2° de aanduiding van de belasting;
  3° het bedrag van de belasting, alsook het aanslagjaar waarop de belasting betrekking heeft;
  4° het nummer van het kohierartikel ;
  5° de datum van uitvoerbaarverklaring.
  § 2. De opschorting van de belasting belet de inkohiering van de belasting niet.
  § 3. De geautomatiseerde bestanden van de kohieren hebben dezelfde bewijskracht als de originelen als die bestanden door de bevoegde entiteit van de Vlaamse administratie of onder haar controle zijn aangemaakt.

  Art. 3.2.1.0.2.[1 Aanslagen inzake de onroerende voorheffing die betrekking hebben op onroerende goederen die samen een kadastraal inkomen hebben van minder dan 15 euro, worden niet in een kohier opgenomen.
   Een aanslag heeft betrekking op de onroerende goederen die gelegen zijn in eenzelfde gemeente en waarvan de zakelijke rechten van een belastingplichtige of groep van belastingplichtigen voor elk van die onroerende goederen identiek zijn. ]1
  ----------
  (1)<DVR 2016-07-08/06, art. 28, 014; Inwerkingtreding : 01-01-2016>

  Afdeling 2. - Uitvoerbaarverklaring

  Art. 3.2.2.0.1.Van de belastingschuldigen mag alleen een som worden gevorderd krachtens een uitvoerbaar verklaard kohier dat de inningstitel vormt. Dat geldt zowel voor de belastingen zelf, als voor de eventuele administratieve geldboeten en belastingverhogingen, als voor de eventuele opcentiemen of de opdeciem voor de provincies, de agglomeraties en de gemeenten.
  De kohieren worden opgemaakt en uitvoerbaar verklaard door het bevoegde personeelslid.
  [2 ...]2
  [1 De boetes die worden opgelegd ingevolge overtredingen van de regelgeving inzake de kilometerheffing kunnen door de bevoegde entiteit van de Vlaamse administratie worden geïnd zonder toepassing van het eerste lid.]1
  ----------
  (1)<DVR 2015-07-03/17, art. 26, 008; Inwerkingtreding : 01-04-2016 (zie BVR 2015-07-17/15, art. 4, 1°)>
  (2)<DVR 2018-12-21/02, art. 29, 037; Inwerkingtreding : 07-01-2019>

  Afdeling 3. - Overledenen en onverdeeldheden

  Art. 3.2.3.0.1. De Vlaamse Regering kan de regels bepalen voor de inkohiering ten laste van overledenen en onverdeeldheden.

  Afdeling 4. - Aanslag voor overnemende of verkrijgende vennootschap

  Art. 3.2.4.0.1. Als een vennootschap wordt overgenomen of gesplitst in het kader van een fusie, een aan een fusie gelijkgestelde verrichting of een splitsing als vermeld in artikel 671 tot en met 677 van het Wetboek van Vennootschappen, of een soortgelijke vennootschapsrechtelijke verrichting onder buitenlands recht, kan de aanslag die betrekking heeft op belastbare feiten die dateren van vóór de vermelde verrichting, binnen de termijnen, bepaald in dit hoofdstuk, gevestigd worden op naam van de overnemende vennootschap of de verkrijgende vennootschappen, zelfs op een tijdstip waarop de overgenomen of gesplitste vennootschap als rechtspersoon niet langer bestaat.

  Afdeling 5. - Berekening en afrondingswijze

  Art. 3.2.5.0.1. De Vlaamse Regering bepaalt de regels voor de berekening van de belastingen en de wijze waarop ze afgerond worden.

  Hoofdstuk 3. - Aanslagprocedure

  Afdeling 1. - [1 Aangifte]1
  ----------
  (1)<DVR 2014-12-19/97, art. 212, 006; Inwerkingtreding : 01-01-2015>

  Art. 3.3.1.0.1.De belastingplichtige moet vóór de ingebruikname van het voertuig, vermeld in artikel 2.2.2.0.1, § 2, tweede lid, een aangifte onderschrijven die alle gegevens bevat die nodig zijn om de belasting te berekenen en voor het toezicht erop.
  Bij gebrek aan andersluidende kennisgeving is de aangifte die ingediend is voor een jaar, geldig voor de volgende jaren.
  Zolang er geen aangifte is gedaan van de verandering betreffende het houden van het voertuig, is de vroegere houder aansprakelijk voor de belasting, behalve in geval van verhaal op de verkrijger.
  [1 De aangifteplicht voorzien in dit artikel geldt niet voor de voertuigen vermeld in artikel 2.2.4.0.1, § 6, eerste lid.]1
  ----------
  (1)<DVR 2015-12-18/23, art. 126, 011; Inwerkingtreding : 01-04-2016>

  Art. 3.3.1.0.2. Voor de toepassing van titel 2, hoofdstuk 2 en 3, kan behalve in geval van wettige redenen de belastingplichtige die zijn voertuig niet inschrijft bij het Directoraat-generaal Mobiliteit en Verkeersveiligheid, die niet tijdig inlichtingen verstrekt conform artikel 3.13.1.2.3, die geen aangifte doet of die op de aangifte onjuiste gegevens over het voertuig vermeldt, door het bevoegde personeelslid van ambtswege aangeslagen worden, behoudens zijn recht om bezwaar in te dienen.
  Als de belastingplichtige de gevraagde belastbare elementen niet verstrekt, wordt de ambtshalve aanslag forfaitair vastgesteld op 1.250 euro per aanslagjaar.
  In afwijking van artikel 2.2.2.0.1, § 2, eerste lid, artikel 2.2.7.0.2, § 3 en § 4, en artikel 3.4.7.0.3 kan bij een ambtshalve gevestigde aanslag voor het desbetreffende aanslagjaar geen terugbetaling meer gedaan worden op basis van een afwijkende aangifte, een inschrijving bij het Directoraat-generaal Mobiliteit en Verkeersveiligheid of een kennisgeving van belastbare elementen door de belastingplichtige met betrekking tot hetzelfde voertuig. De afwijkende aangifte, de inschrijving bij het Directoraat-generaal Mobiliteit en Verkeersveiligheid of de kennisgeving van belastbare elementen door de belastingplichtige heeft pas uitwerking vanaf het volgende aanslagjaar.
  Bij gebrek aan andersluidende kennisgeving is de aangifte die voor een jaar is ingediend, of de gevestigde ambtshalve aanslag geldig voor de volgende jaren.

  Art. 3.3.1.0.3.
  <Opgeheven bij DVR 2018-12-21/02, art. 30, 037; Inwerkingtreding : 07-01-2019>

  Art. 3.3.1.0.4. Met toepassing van titel 2, hoofdstuk 2 en 4, wordt bij schrapping of wissing uit het repertorium van het Directoraat-generaal Mobiliteit en Verkeersveiligheid van een trekkend voertuig of van een alleen rijdend voertuig als vermeld in artikel 2.2.2.0.1, § 2, tweede lid, 1°, en artikel 2.4.1.0.1, door het bevoegde personeelslid ambtshalve overgegaan tot de stopzetting van de aangifte, vermeld in artikel 3.3.1.0.2 en 3.3.1.0.3.

  Art. 3.3.1.0.5.[1 § 1. De aangifte van nalatenschap moet bij elke verkrijging overeenkomstig titel 2, hoofdstuk 7, door de volgende personen ingediend worden bij de bevoegde entiteit van de Vlaamse administratie :
   1° bij overlijden of bij afwezigheid van een rijksinwoner : door de erfgenamen, de algemene legatarissen en begiftigden;
   2° in geval van overlijden of bij afwezigheid van een persoon die geen rijksinwoner is : door de erfgenamen, legatarissen of begiftigden van onroerende goederen die overeenkomstig artikel 5, § 2, 4°, tweede streepje, van de bijzondere wet van 16 januari 1989 betreffende de financiering van de Gemeenschappen en de Gewesten in het Vlaamse Gewest te lokaliseren zijn.
   In afwijking van het eerste lid, 1°, zijn, in geval van stilzitten van de erfgenamen, algemene legatarissen en begiftigden, de legatarissen en begiftigden onder algemene titel of de bijzondere legatarissen en begiftigden ertoe gehouden, op verzoek van het bevoegde personeelslid, de aangifte in te dienen voor datgene wat hen betreft, binnen een termijn van een maand vanaf de derde werkdag die volgt op de verzendingsdatum van het verzoek.
   [2 ...]2
   § 2. De termijn voor de indiening van de aangifte, vermeld in paragraaf 1, eerste en derde lid, is vier maanden vanaf de datum van het overlijden, als zich dat in het rijk heeft voorgedaan. De termijn bedraagt vijf maanden als het overlijden in een ander land binnen de Europese Economische Ruimte plaatsvond, en zes maanden als de persoon overleden is buiten de Europese Economische Ruimte.
   In geval van gerechtelijke verklaring van overlijden beginnen de termijnen, vermeld in het eerste lid, pas te lopen zodra het vonnis in kracht van gewijsde is gegaan.]1
  [2 In afwijking van het eerste lid is de termijn voor de indiening van de aangifte, vermeld in paragraaf 1, eerste lid, ingeval van verval van de nalatenschap aan de Staat overeenkomstig artikel 768 van het Burgerlijk Wetboek, vier maanden vanaf de inbezitstelling, vermeld in artikel 770 van hetzelfde wetboek.]2
  [3 In afwijking van het eerste lid is de termijn voor de indiening van de aangifte, vermeld in paragraaf 1, eerste lid, in geval van een onbeheerde nalatenschap als vermeld in artikel 811 van het Burgerlijk Wetboek, vier maanden vanaf de aanstelling van de curator, vermeld in artikel 813 van het Burgerlijk Wetboek.]3
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij DVR 2014-12-19/97, art. 213, 006; Inwerkingtreding : 01-01-2015>
  (2)<DVR 2015-07-17/22, art. 24, 009; Inwerkingtreding : 14-08-2015>
  (3)<DVR 2016-12-23/05, art. 47, 015; Inwerkingtreding : 09-01-2017>

  Art. 3.3.1.0.6.[1 In de volgende gevallen moet binnen dezelfde termijnen als vermeld in artikel 3.3.1.0.5, § 2, een nieuwe aangifte ingediend worden bij de bevoegde entiteit van de Vlaamse administratie :
   1° in geval van een legaat, gemaakt aan een rechtspersoon, dat aan een machtiging of goedkeuring onderworpen is, op het moment dat die machtiging of goedkeuring voorkomt, als op dat moment de belasting nog niet betaald is;
   2° als, na het openvallen van de nalatenschap, de actieve samenstelling ervan vermeerderd wordt op een van de volgende wijzen;
   a) door het intreden van een voorwaarde of van elk ander voorval;
   b) door de erkenning van het eigendomsrecht van de erflater op goederen, in bezit van een derde;
   c) door de oplossing van een geschil, tenzij de vermeerdering van het belastbare actief het gevolg is van een ontbinding die haar oorzaak vindt in de niet-uitvoering van de voorwaarden van een contract door de erfgenamen, legatarissen of begiftigden;
   3° als er een verandering in de devolutie van de nalatenschap ontstaat;
   4° in geval van aanwas of van terugval van eigendom, vruchtgebruik of van ieder ander tijdelijk of levenslang recht dat voortkomt van een beschikking, genomen door de overledene met betrekking tot zijn overlijden;
   5° in geval van fideï-commis, als de met de last van teruggave bezwaarde goederen naar de verwachter overgaan;
  [3 6° in het geval van artikel 2.7.1.0.6, § 1, derde lid, als, naar gelang van het geval, het levensverzekeringscontract wordt afgekocht of er op grond van het contract een uitkering gebeurt.]3
   In de gevallen, vermeld in het eerste lid, 1° tot en met 4°, moet de aangifte ingediend worden door de personen, vermeld in artikel 3.3.1.0.5, tenzij slechts bepaalde erfgenamen, legatarissen of begiftigden uit de gebeurtenis voordeel trekken, in welk geval alleen die tot aangifte zijn verplicht.
   In het geval, vermeld in het eerste lid, 1°, begint de aangiftetermijn vanaf de datum van de machtiging of de goedkeuring.
   In de gevallen, vermeld in het eerste lid, 2° tot en met 4°, begint de aangiftetermijn op een van de volgende data :
   1° vanaf de datum van het vonnis, niettegenstaande verzet of beroep, of van de dading als het gaat om een betwist recht;
   2° vanaf de gebeurtenis in alle andere gevallen.
   In het geval, vermeld in het eerste lid, 5°, moet de aangifte ingediend worden door :
   1° de verwachter alleen als de overdracht plaatsvindt ten gevolge van het overlijden van de bezwaarde erfgenaam;
   2° door de verwachter en de bezwaarde als de goederen op de verwachter overgaan tijdens het leven van de bezwaarde.
   In het geval, [2 vermeld in het eerste lid, 5°]2, begint de aangiftetermijn vanaf de datum van de devolutie, teweeggebracht door het overlijden van de bezwaarde of op een andere wijze. Als de devolutie krachtens een contract bij vervroeging plaatsvindt, worden datum en plaats van het contract met datum en plaats van het overlijden gelijkgesteld.]1
  [3 In het geval vermeld in het eerste lid, 6°, moet de aangifte worden ingediend, naar gelang van het geval, door de persoon die het levensverzekeringscontract afkoopt of door de persoon die de uitkering op grond van het contract verkrijgt.]3
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij DVR 2014-12-19/97, art. 214, 006; Inwerkingtreding : 01-01-2015>
  (2)<DVR 2015-07-17/22, art. 25, 009; Inwerkingtreding : 14-08-2015>
  (3)<DVR 2016-12-23/05, art. 48, 015; Inwerkingtreding : 01-01-2017>

  Art. 3.3.1.0.7. [1 Met behoud van de toepassing van artikel 3.18.0.0.6, § 2, kan de aangiftetermijn, vermeld in artikel 3.3.1.0.5, § 2, en 3.3.1.0.6, door het bevoegde personeelslid worden verlengd.
   De aangifte, ingediend binnen de termijn, vermeld in artikel 3.3.1.0.5, § 2, en 3.3.1.0.6, of binnen de met toepassing van het eerste lid verlengde termijn, kan worden gewijzigd zolang die termijn niet verstreken is, tenzij de belanghebbenden in de aangifte uitdrukkelijk afstand hebben gedaan van dat recht.]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij DVR 2014-12-19/97, art. 215, 006; Inwerkingtreding : 01-01-2015>

  Art. 3.3.1.0.8.[1 § 1. De aangifte van nalatenschap vermeldt :
   1° de identificatie van de erflater : de voornamen, de achternaam, het rijksregisternummer of het identificatienummer, vermeld in artikel 8 van de wet van 15 januari 1990 houdende oprichting en organisatie van een Kruispuntbank van de sociale zekerheid, het beroep, het domicilie, de plaats en de datum van geboorte van de erflater en, in voorkomend geval, van de echtgenoot of de wettelijk samenwonende; de plaats en de datum van het overlijden van de erflater;
   2° de identificatie van de aangevers : de voornamen, de achternaam, het rijksregisternummer of het identificatienummer, vermeld in artikel 8 van de wet van 15 januari 1990 houdende oprichting en organisatie van een Kruispuntbank van de sociale zekerheid, het domicilie, de plaats en datum van geboorte van de aangevers;
   3° de voornamen, de achternaam, het rijksregisternummer of het identificatienummer, vermeld in artikel 8 van de wet van 15 januari 1990 houdende oprichting en organisatie van een Kruispuntbank van de sociale zekerheid, het domicilie, de plaats en de datum van geboorte van de personen die de hoedanigheid hebben van erfgenamen, legatarissen en begiftigden;
   4° de graad van verwantschap tussen de erflater en zijn erfgenamen, legatarissen en begiftigden, wat door ieder van hen wordt verkregen, en de titel op basis waarvan ze tot de nalatenschap komen;
   5° de voornamen, de achternaam, het domicilie, de geboorteplaats en -datum van de kinderen, beoogd in artikel 2.7.5.0.2, § 1;
   6° in voorkomend geval, de aanduiding van de erfgenamen die uitgesloten zijn krachtens uiterste wilsbeschikkingen of contractuele beschikkingen;
   7° de keuze van een woonplaats in België;
   8° de nauwkeurige aanduiding en raming van elk goed afzonderlijk dat deel uitmaakt van het belastbare actief, alsook de vermelding van de kadastrale afdeling, het kadastraal perceel en de ligging als het een onroerend goed betreft. [3 Als de erfgenamen, algemene legatarissen en begiftigden en iedereen die ertoe gehouden is een aangifte van nalatenschap in te dienen met toepassing van artikel 3.3.1.0.9/1, een schatter-expert aanstellen om een schatting te maken van het geheel of een deel van de onroerende goederen die zich in België bevinden en die voor hun verkoopwaarde moeten of kunnen worden aangegeven, wordt het deskundige schattingsverslag bij de aangifte van nalatenschap gevoegd]3;
   9° voor alle polissen die op de dag van het overlijden van kracht waren met betrekking tot lichamelijke roerende goederen : de naam of de firma en het domicilie van de verzekeraar, de datum van de polis en het nummer ervan, alsook de verzekerde goederen en de verzekerde waarde als de door de erflater nagelaten lichamelijk roerende goederen verzekerd waren tegen brand, diefstal of een ander risico. Er moet ook uitdrukkelijk bevestigd worden dat, voor zover de aangevers weten, de goederen niet het voorwerp van andere polissen uitmaakten. Als de goederen in kwestie niet verzekerd waren op de dag van het overlijden, moet dat uitdrukkelijk in de aangifte bevestigd worden;
   10° behoudens als toepassing wordt gemaakt van artikel 2.7.3.4.2, eerste lid, de aanduiding van iedere schuld die in mindering van het belastbare actief toegelaten kan worden, met opgave van de voornamen, de achternaam en het domicilie van de schuldeiser, van de oorzaak van de schuld en van de datum van de akte, als er een bestaat. Als de afwijking, vermeld in artikel 2.7.4.1.1, § 2, derde lid, van toepassing is, moet bij de schulden die specifiek zijn aangegaan om de gezinswoning te verwerven of te behouden, uitdrukkelijk worden vermeld dat ze met dat doel zijn aangegaan;
   11° het actief en het passief van de gemeenschap in geval van toepassing van artikel 3.3.1.0.5, § 1, derde lid;
   12° de begunstigde persoon, alsook de datum van de akten of aangiften, en de grondslag waarop het registratierecht is of moet worden geheven als de erflater ten bate van zijn erfgenamen, legatarissen of begiftigden schenkingen heeft gedaan die vastgesteld zijn door akten, die dagtekenen van minder dan drie jaar vóór de datum van het overlijden en die vóór dezelfde datum tot de formaliteit van de registratie aangeboden zijn of verplicht registreerbaar geworden zijn. Ongeacht de datum van de akte geldt deze regel ook als de schenking gedaan is onder een opschortende voorwaarde die vervuld is ingevolge het overlijden van de schenker of minder dan drie jaar vóór dat overlijden;
   13° als de erflater het vruchtgebruik van goederen gehad heeft of met fideï-commis bezwaarde goederen verkregen heeft : welke die goederen zijn, met aanduiding van de personen die tot het genot van de volle eigendom zijn gekomen of voordeel getrokken hebben uit het fideï-commis ten gevolge van het overlijden van de erflater;
   14° met aanduiding van de betrokken persoon of de betrokken goederen, de vraag tot toepassing van :
   a) het abattement, vermeld in artikel 2.7.3.2.12;
   b) het verlaagde tarief, vermeld in artikel 2.7.4.2.2. In voorkomend geval moet bij de aangifte de volgende informatie gevoegd worden :
   1) de benaming en het ondernemingsnummer van de familiale onderneming of familiale vennootschap waarvoor het voordeel gevraagd wordt;
   2) de voornaam en de achternaam van de medeaandeelhouders van de erflater en hun graad van verwantschap met de erflater;
   3) hetzij de activa van de familiale onderneming met een duidelijke omschrijving en verwijzing naar de boekhouding en, als het onroerende goederen betreft, de vermelding of ze al dan niet hoofdzakelijk voor bewoning worden aangewend of zijn bestemd, hetzij het aantal aandelen en de precieze aard van alle aandelen van een familiale vennootschap met enerzijds de vermelding van het aantal aandelen dat in het bezit was van de erflater en van andere bij naam te noemen medeaandeelhouders, [7 alsook met het percentage van de stemrechten dat zij vertegenwoordigen,]7 en anderzijds de aard van het zakelijk recht dat de erflater en andere bij naam te noemen personen bezitten;
   4) kopieën van de goedgekeurde jaarrekeningen van de drie boekjaren die voorafgaan aan het overlijden van de erflater, opgemaakt overeenkomstig de vigerende boekhoudwetgeving van de plaats waar de maatschappelijke zetel gevestigd is als de maatschappelijke zetel van de onderneming of vennootschap niet in België ligt;
   5) kopieën van het rechtsgeldige aandelenregister of, bij gebrek daaraan, de door alle aandeelhouders ondertekende notulen van de laatste algemene vergadering die voorafgaat aan het overlijden van de erflater, waaruit op ondubbelzinnige wijze de participaties blijken, vermeld in artikel 2.7.4.2.2, § 1, eerste lid, 2°, of tweede lid;
   6) een kopie van de laatste voor het overlijden door de erflater ingediende fiscale aangifte voor de personenbelasting wat familiale ondernemingen betreft;
   7) een kopie van de gecoördineerde statuten, zoals van toepassing op de dag van het overlijden;
   c) de vermindering, vermeld in artikel 2.7.5.0.3;
   d) de vermindering, vermeld in artikel 2.7.5.0.4;
   e) de aftrek, vermeld in artikel 2.7.5.0.5;
   f) de vrijstelling, vermeld in artikel 2.7.6.0.1, waarbij tevens de maatschappelijke rechten moeten worden vermeld in de aangifte van de nalatenschap die deel uitmaken van de nalatenschap van de inschrijver, of belastbaar zijn overeenkomstig artikel 2.7.1.0.4. In voorkomend geval moet bij de aangifte ook het attest, vermeld in artikel 2.7.6.0.1, § 4, worden gevoegd;
   g) de vrijstelling, vermeld in artikel 2.7.6.0.2;
   h) de vrijstelling, vermeld in artikel 2.7.6.0.3. In voorkomend geval moeten de verzoekers in de aangifte verklaren dat ze kennis hebben van het bepaalde in artikel 13bis van het Bosdecreet van 13 juni 1990 en dat voldaan is aan de voorwaarden van artikel 2.7.6.0.3, tweede lid;
   i) de vrijstelling, vermeld in artikel 2.7.6.0.4;
  [2 j) de vrijstelling, vermeld in artikel 2.7.4.1.1, § 2, derde lid.]2
  [4 k) de vrijstelling, vermeld in artikel 2.7.6.0.5. In voorkomend geval moeten de verzoekers in de aangifte verklaren dat ze kennis hebben van het bepaalde in artikel 16septiesdecies, eerste lid, 1°, en het tweede tot en met het vierde lid van het decreet van 21 oktober 1997 betreffende het natuurbehoud en het natuurlijk milieu. In voorkomend geval wordt hetzij een afschrift van de beslissing tot goedkeuring van het natuurbeheerplan, vermeld in artikel 16octies, § 1, eerste lid, 5°, van het decreet van 21 oktober 1997 betreffende het natuurbehoud en het natuurlijk milieu, hetzij een afschrift van de overeenkomst, vermeld in artikel 2.7.6.0.5, § 2, tweede lid, gevoegd bij de aangifte.]4
  [5 15° in voorkomend geval de erfovereenkomst, vermeld in artikel 1100/7 van het Burgerlijk Wetboek. In dat geval wordt een kopie van die notariële erfovereenkomst bij de aangifte gevoegd;
   16° [6 in voorkomend geval de verkrijgingen van vruchtgebruik met toepassing van artikel 858bis van het Burgerlijk Wetboek. In dat geval wordt een kopie van de akte van schenking bij de aangifte gevoegd. In geval van verzaking aan het vruchtgebruik op een ander tijdstip wordt het stuk gevoegd waaruit die verzaking blijkt.]6
   17° in voorkomend geval welke schenkingen, levensverzekeringen en legaten aan inbreng of inkorting zijn onderworpen en in bevestigend geval op welke wijze de inbreng of inkorting gebeurt.]5
   Als het successierecht verschuldigd is, bevat de aangifte bovendien de uitdrukkelijke vermelding van het adres en de datum en duur van de vestiging van de verschillende fiscale woonplaatsen die de erflater of de afwezige gehad heeft in de periode van vijf jaar voorafgaand aan zijn overlijden of aan het tijdstip waarop het laatste bericht van de afwezige werd ontvangen.
   De aangifte van de nalatenschap wordt door de aangevers ondertekend.
   § 2. In afwijking van paragraaf 1, eerste lid, 8°, mogen elk van volgende groepen van goederen het voorwerp uitmaken van een globale aangifte en globale raming :
   1° andere onroerende goederen dan de onroerende goederen door bestemming, vermeld in punt 2° tot en met punt 8° hieronder, die een enig bedrijf of een enkel domeingeheel uitmaken;
   2° wat betreft de voorwerpen die tot een landbouwbedrijf dienen :
   a) elke soort van dieren;
   b) het landbouwgereedschap;
   c) de bezaaiingen en andere vruchten te velde;
   d) de zaden, de waren, het stro en de meststoffen;
   3° wat betreft de voorwerpen die tot een nijverheidsbedrijf dienen :
   a) de werktuigen;
   b) de vervaardigde of bereide koopwaren en de grondstoffen;
   4° wat betreft de voorwerpen die tot een handelsbedrijf of ambachtsbedrijf dienen :
   a) het materieel en de bedrijfstoestellen;
   b) de koopwaren;
   5° de materiële roerende goederen, dienstig voor of aangewend in het kader van een vrij beroep;
   6° de kledingstukken, de juwelen, de boeken en alle andere voorwerpen tot persoonlijk gebruik van de erflater;
   7° de stoffering, het vaatwerk, het keukengereedschap en andere voorwerpen van gelijke aard;
   8° de verzamelingen van schilderijen, porselein, wapens en andere voorwerpen;
   9° de wijn en andere waren.
   Het eerste lid geldt niet voor kunstwerken als een of meer van die werken als betaling van de erfbelasting wordt aangeboden met toepassing van artikel 3.4.3.0.2.]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij DVR 2014-12-19/97, art. 216, 006; Inwerkingtreding : 01-01-2015>
  (2)<DVR 2015-07-17/22, art. 26, 009; Inwerkingtreding : 14-08-2015>
  (3)<DVR 2017-12-08/05, art. 22, 024; Inwerkingtreding : 24-12-2017>
  (4)<DVR 2017-12-22/57, art. 18, 3°, 031; Inwerkingtreding : 09-06-2018>
  (5)<DVR 2018-07-06/03, art. 12, 033; Inwerkingtreding : 01-09-2018>
  (6)<DVR 2018-12-21/02, art. 31,2°, 037; Inwerkingtreding : 07-01-2019>
  (7)<DVR 2018-12-21/02, art. 31,1°, 037; Inwerkingtreding : 01-05-2019>

  Art. 3.3.1.0.8 TOEKOMSTIG RECHT.


   [1 § 1. De aangifte van nalatenschap vermeldt :
   1° de identificatie van de erflater : de voornamen, de achternaam, het rijksregisternummer of het identificatienummer, vermeld in artikel 8 van de wet van 15 januari 1990 houdende oprichting en organisatie van een Kruispuntbank van de sociale zekerheid, het beroep, het domicilie, de plaats en de datum van geboorte van de erflater en, in voorkomend geval, van de echtgenoot of de wettelijk samenwonende; de plaats en de datum van het overlijden van de erflater;
   2° de identificatie van de aangevers : de voornamen, de achternaam, het rijksregisternummer of het identificatienummer, vermeld in artikel 8 van de wet van 15 januari 1990 houdende oprichting en organisatie van een Kruispuntbank van de sociale zekerheid, het domicilie, de plaats en datum van geboorte van de aangevers;
   3° de voornamen, de achternaam, het rijksregisternummer of het identificatienummer, vermeld in artikel 8 van de wet van 15 januari 1990 houdende oprichting en organisatie van een Kruispuntbank van de sociale zekerheid, het domicilie, de plaats en de datum van geboorte van de personen die de hoedanigheid hebben van erfgenamen, legatarissen en begiftigden;
   4° de graad van verwantschap tussen de erflater en zijn erfgenamen, legatarissen en begiftigden, wat door ieder van hen wordt verkregen, en de titel op basis waarvan ze tot de nalatenschap komen;
   5° de voornamen, de achternaam, het domicilie, de geboorteplaats en -datum van de kinderen, beoogd in artikel 2.7.5.0.2, § 1;
   6° in voorkomend geval, de aanduiding van de erfgenamen die uitgesloten zijn krachtens uiterste wilsbeschikkingen of contractuele beschikkingen;
   7° de keuze van een woonplaats in België;
   8° de nauwkeurige aanduiding en raming van elk goed afzonderlijk dat deel uitmaakt van het belastbare actief, alsook de vermelding van de kadastrale afdeling, het kadastraal perceel en de ligging als het een onroerend goed betreft. [3 Als de erfgenamen, algemene legatarissen en begiftigden en iedereen die ertoe gehouden is een aangifte van nalatenschap in te dienen met toepassing van artikel 3.3.1.0.9/1, een schatter-expert aanstellen om een schatting te maken van het geheel of een deel van de onroerende goederen die zich in België bevinden en die voor hun verkoopwaarde moeten of kunnen worden aangegeven, wordt het deskundige schattingsverslag bij de aangifte van nalatenschap gevoegd]3;
   9° voor alle polissen die op de dag van het overlijden van kracht waren met betrekking tot lichamelijke roerende goederen : de naam of de firma en het domicilie van de verzekeraar, de datum van de polis en het nummer ervan, alsook de verzekerde goederen en de verzekerde waarde als de door de erflater nagelaten lichamelijk roerende goederen verzekerd waren tegen brand, diefstal of een ander risico. Er moet ook uitdrukkelijk bevestigd worden dat, voor zover de aangevers weten, de goederen niet het voorwerp van andere polissen uitmaakten. Als de goederen in kwestie niet verzekerd waren op de dag van het overlijden, moet dat uitdrukkelijk in de aangifte bevestigd worden;
   10° behoudens als toepassing wordt gemaakt van artikel 2.7.3.4.2, eerste lid, de aanduiding van iedere schuld die in mindering van het belastbare actief toegelaten kan worden, met opgave van de voornamen, de achternaam en het domicilie van de schuldeiser, van de oorzaak van de schuld en van de datum van de akte, als er een bestaat. Als de afwijking, vermeld in artikel 2.7.4.1.1, § 2, derde lid, van toepassing is, moet bij de schulden die specifiek zijn aangegaan om de gezinswoning te verwerven of te behouden, uitdrukkelijk worden vermeld dat ze met dat doel zijn aangegaan;
   11° het actief en het passief van de gemeenschap in geval van toepassing van artikel 3.3.1.0.5, § 1, derde lid;
   12° de begunstigde persoon, alsook de datum van de akten of aangiften, en de grondslag waarop het registratierecht is of moet worden geheven als de erflater ten bate van zijn erfgenamen, legatarissen of begiftigden schenkingen heeft gedaan die vastgesteld zijn door akten, die dagtekenen van minder dan drie jaar vóór de datum van het overlijden en die vóór dezelfde datum tot de formaliteit van de registratie aangeboden zijn of verplicht registreerbaar geworden zijn. Ongeacht de datum van de akte geldt deze regel ook als de schenking gedaan is onder een opschortende voorwaarde die vervuld is ingevolge het overlijden van de schenker of minder dan drie jaar vóór dat overlijden;
   13° als de erflater het vruchtgebruik van goederen gehad heeft of met fideï-commis bezwaarde goederen verkregen heeft : welke die goederen zijn, met aanduiding van de personen die tot het genot van de volle eigendom zijn gekomen of voordeel getrokken hebben uit het fideï-commis ten gevolge van het overlijden van de erflater;
   14° met aanduiding van de betrokken persoon of de betrokken goederen, de vraag tot toepassing van :
   a) het abattement, vermeld in artikel 2.7.3.2.12;
   b) het verlaagde tarief, vermeld in artikel 2.7.4.2.2. In voorkomend geval moet bij de aangifte de volgende informatie gevoegd worden :
   1) de benaming en het ondernemingsnummer van de familiale onderneming of familiale vennootschap waarvoor het voordeel gevraagd wordt;
   2) de voornaam en de achternaam van de medeaandeelhouders van de erflater en hun graad van verwantschap met de erflater;
   3) hetzij de activa van de familiale onderneming met een duidelijke omschrijving en verwijzing naar de boekhouding en, als het onroerende goederen betreft, de vermelding of ze al dan niet hoofdzakelijk voor bewoning worden aangewend of zijn bestemd, hetzij het aantal aandelen en de precieze aard van alle aandelen van een familiale vennootschap met enerzijds de vermelding van het aantal aandelen dat in het bezit was van de erflater en van andere bij naam te noemen medeaandeelhouders, [6 alsook met het percentage van de stemrechten dat zij vertegenwoordigen,]6 en anderzijds de aard van het zakelijk recht dat de erflater en andere bij naam te noemen personen bezitten;
   4) kopieën van de goedgekeurde jaarrekeningen van de drie boekjaren die voorafgaan aan het overlijden van de erflater, opgemaakt overeenkomstig de vigerende boekhoudwetgeving van de plaats waar de maatschappelijke zetel gevestigd is als de maatschappelijke zetel van de onderneming of vennootschap niet in België ligt;
   5) kopieën van het rechtsgeldige aandelenregister of, bij gebrek daaraan, de door alle aandeelhouders ondertekende notulen van de laatste algemene vergadering die voorafgaat aan het overlijden van de erflater, waaruit op ondubbelzinnige wijze de participaties blijken, vermeld in artikel 2.7.4.2.2, § 1, eerste lid, 2°, of tweede lid;
   6) een kopie van de laatste voor het overlijden door de erflater ingediende fiscale aangifte voor de personenbelasting wat familiale ondernemingen betreft;
   7) een kopie van de gecoördineerde statuten, zoals van toepassing op de dag van het overlijden;
   c) de vermindering, vermeld in artikel 2.7.5.0.3;
   d) de vermindering, vermeld in artikel 2.7.5.0.4;
   e) de aftrek, vermeld in artikel 2.7.5.0.5;
   f) de vrijstelling, vermeld in artikel 2.7.6.0.1, waarbij tevens de maatschappelijke rechten moeten worden vermeld in de aangifte van de nalatenschap die deel uitmaken van de nalatenschap van de inschrijver, of belastbaar zijn overeenkomstig artikel 2.7.1.0.4. In voorkomend geval moet bij de aangifte ook het attest, vermeld in artikel 2.7.6.0.1, § 4, worden gevoegd;
   g) [5 ...]5
   h) [5 ...]5
   i) de vrijstelling, vermeld in artikel 2.7.6.0.4;
  [2 j) de vrijstelling, vermeld in artikel 2.7.4.1.1, § 2, derde lid.]2
  [4 k) de vrijstelling, vermeld in artikel 2.7.6.0.5. In voorkomend geval moeten de verzoekers in de aangifte verklaren dat ze kennis hebben van het bepaalde in artikel 16septiesdecies, eerste lid, 1°, en het tweede tot en met het vierde lid van het decreet van 21 oktober 1997 betreffende het natuurbehoud en het natuurlijk milieu. In voorkomend geval wordt hetzij een afschrift van de beslissing tot goedkeuring van het natuurbeheerplan, vermeld in artikel 16octies, § 1, eerste lid, 5°, van het decreet van 21 oktober 1997 betreffende het natuurbehoud en het natuurlijk milieu, hetzij een afschrift van de overeenkomst, vermeld in artikel 2.7.6.0.5, § 2, tweede lid, gevoegd bij de aangifte.]4
   Als het successierecht verschuldigd is, bevat de aangifte bovendien de uitdrukkelijke vermelding van het adres en de datum en duur van de vestiging van de verschillende fiscale woonplaatsen die de erflater of de afwezige gehad heeft in de periode van vijf jaar voorafgaand aan zijn overlijden of aan het tijdstip waarop het laatste bericht van de afwezige werd ontvangen.
   De aangifte van de nalatenschap wordt door de aangevers ondertekend.
   § 2. In afwijking van paragraaf 1, eerste lid, 8°, mogen elk van volgende groepen van goederen het voorwerp uitmaken van een globale aangifte en globale raming :
   1° andere onroerende goederen dan de onroerende goederen door bestemming, vermeld in punt 2° tot en met punt 8° hieronder, die een enig bedrijf of een enkel domeingeheel uitmaken;
   2° wat betreft de voorwerpen die tot een landbouwbedrijf dienen :
   a) elke soort van dieren;
   b) het landbouwgereedschap;
   c) de bezaaiingen en andere vruchten te velde;
   d) de zaden, de waren, het stro en de meststoffen;
   3° wat betreft de voorwerpen die tot een nijverheidsbedrijf dienen :
   a) de werktuigen;
   b) de vervaardigde of bereide koopwaren en de grondstoffen;
   4° wat betreft de voorwerpen die tot een handelsbedrijf of ambachtsbedrijf dienen :
   a) het materieel en de bedrijfstoestellen;
   b) de koopwaren;
   5° de materiële roerende goederen, dienstig voor of aangewend in het kader van een vrij beroep;
   6° de kledingstukken, de juwelen, de boeken en alle andere voorwerpen tot persoonlijk gebruik van de erflater;
   7° de stoffering, het vaatwerk, het keukengereedschap en andere voorwerpen van gelijke aard;
   8° de verzamelingen van schilderijen, porselein, wapens en andere voorwerpen;
   9° de wijn en andere waren.
   Het eerste lid geldt niet voor kunstwerken als een of meer van die werken als betaling van de erfbelasting wordt aangeboden met toepassing van artikel 3.4.3.0.2.]1
  

----------
  (1)<Ingevoegd bij DVR 2014-12-19/97, art. 216, 006; Inwerkingtreding : 01-01-2015>
  (2)<DVR 2015-07-17/22, art. 26, 009; Inwerkingtreding : 14-08-2015>
  (3)<DVR 2017-12-08/05, art. 22, 024; Inwerkingtreding : 24-12-2017>
  (4)<DVR 2017-12-22/57, art. 18, 3°, 031; Inwerkingtreding : 09-06-2018>
  (5)<DVR 2017-12-22/57, art. 18,1°,2°, 031; Inwerkingtreding : 09-06-2020>
  (6)<DVR 2018-12-21/02, art. 31,1°, 037; Inwerkingtreding : 01-05-2019>

  Art. 3.3.1.0.9 [1 De erfgenamen, algemene legatarissen en begiftigden en al wie gehouden is tot het indienen van een aangifte van nalatenschap, kunnen vóór de aangifte en uiterlijk vóór het verstrijken van de aangiftetermijn, vermeld in artikel 3.3.1.0.5, § 2, en 3.3.1.0.6, aan de bevoegde entiteit van de Vlaamse administratie een schatting vragen van het geheel of een deel van de onroerende goederen die zich in België bevinden en die voor hun verkoopwaarde moeten of kunnen worden aangegeven. De aanvragers kunnen bij hun aanvraag en bij het eventuele plaatsbezoek, vermeld in het derde lid, elementen aandragen die nuttig zijn voor die schatting.
   De bevoegde entiteit van de Vlaamse administratie bevestigt de ontvangst van de aanvraag binnen vijftien kalenderdagen.
   Als de bevoegde entiteit van de Vlaamse administratie een plaatsbezoek noodzakelijk acht, worden de aanvragers ingelicht over de datum en het uur waarop dat plaatsbezoek zal plaatsvinden.
   Het gemotiveerde resultaat van de schatting wordt schriftelijk ter kennis gebracht van de aanvragers. De schatting is bindend voor de bevoegde entiteit van de Vlaamse administratie en zal bijgevolg gebruikt worden voor de berekening van de erfbelasting.]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij DVR 2014-12-19/97, art. 217, 006; Inwerkingtreding : 01-04-2019>

  Art. 3.3.1.0.9/1. [1 § 1. De erfgenamen, algemene legatarissen en begiftigden en iedereen die ertoe gehouden is een aangifte van nalatenschap in te dienen, kunnen een schatter-expert aanstellen om een schatting te maken van het geheel of een deel van de onroerende goederen die zich in België bevinden en die voor hun verkoopwaarde moeten of kunnen worden aangegeven.
   De schatting is alleen bindend voor de bevoegde entiteit van de Vlaamse administratie als:
   1° de schatter-expert op het moment van de schatting is opgenomen op de lijst van aan te stellen erkende schatters-experten, vermeld in paragraaf 2, na naleving van de voorwaarden daarvoor;
   2° de schatting deugdelijk wordt gemotiveerd in een deskundig schattingsverslag dat voldoet aan de voorwaarden, vermeld in paragraaf 3;
   3° het deskundige schattingsverslag wordt gevoegd bij de aangifte van nalatenschap, vermeld in artikel 3.3.1.0.5, binnen de termijnen, bepaald in dat artikel.
   Na de ontvangst van de schriftelijke aanvraag bevestigt de schatter-expert schriftelijk dat hij de aanvraag heeft ontvangen en meldt hij of hij de opdracht al dan niet aanvaardt. Hij werkt zijn opdracht af binnen een termijn die wordt bepaald in onderling overleg met de opdrachtgever, zonder dat daaraan rechten ontleend kunnen worden voor de verlenging van de aangiftetermijn, vermeld in artikel 3.3.1.0.5.
   § 2. De schatter-expert die opgenomen wil worden op een lijst van aan te stellen schatters-experten als vermeld in paragraaf 1, dient daarvoor een aanvraag in door een modelovereenkomst te ondertekenen die de bevoegde entiteit van de Vlaamse administratie ter beschikking stelt, waarbij de nodige bewijsstukken zijn gevoegd die aantonen dat:
   1° de aanvrager beroepsmatig schattingen en waarderingen van onroerende goederen uitvoert;
   2° de aanvrager over de beroepskwalificatie daarvoor beschikt door de opleiding die hij gevolgd heeft, en door permanente bijscholing.
   Om te voldoen aan het eerste lid, 2°, bezorgt hij een afschrift van relevante diploma's, getuigschriften of attesten.
   Het bevoegde personeelslid beoordeelt binnen een termijn van dertig werkdagen of aan de voorwaarden, vermeld in het eerste lid, is voldaan. Als dat het geval is, kent het bevoegde personeelslid aan de schatter-expert een uniek identificatienummer toe en voegt hij de schatter-expert toe aan de lijst.
   Als aan de voorwaarden, vermeld in het eerste lid, niet is voldaan, deelt het bevoegde personeelslid de beslissing van weigering tot opname op de lijst en de redenen daarvoor mee aan de aanvrager. Tegen die beslissing kan de aanvrager, op straffe van verval, binnen een maand na de weigering tot opname een gemotiveerd schriftelijk beroep instellen bij de bevoegde entiteit van de Vlaamse administratie. Het beroep wordt onderzocht door een besluitvormingsorgaan dat is samengesteld uit het afdelingshoofd van de afdeling van de bevoegde entiteit van de Vlaamse administratie, bevoegd voor de taxatie van de erf- en registratiebelastingen, en het afdelingshoofd van de afdeling Vastgoedtransacties. Ze beslissen over het beroep bij consensus en brengen de aanvrager schriftelijk op de hoogte van de gemotiveerde beslissing over het beroep.
   Als er geen beslissing wordt genomen over de aanvraag binnen de dertig werkdagen na de ontvangst van de aanvraag en de bijbehorende bewijsstukken, vermeld in het tweede lid, of van het beroep tegen de weigering tot opname, wordt de aanvrager voor een periode van maximaal zes maanden opgenomen op de lijst. Als binnen die periode een beslissing wordt genomen over de aanvraag, geldt die beslissing vanaf het ogenblik van de kennisgeving ervan. Als dan nog geen beslissing is genomen, vervalt de tijdelijke opname en moet een nieuwe aanvraag worden ingediend.
   Personeelsleden van de bevoegde entiteit van de Vlaamse administratie kunnen niet optreden als schatter-expert.
   De bevoegde entiteit van de Vlaamse administratie publiceert de lijst, vermeld in het eerste lid, minstens maandelijks op haar publiek toegankelijke website als er schatters-experten toegevoegd of geschrapt worden. Op de lijst worden de voor- en achternaam van de schatter-expert opgenomen, het KBO-nummer waaronder zijn beroepsactiviteit is geregistreerd, het adres van de plaats van vestiging en, in voorkomend geval, de commerciële benaming waaronder de activiteiten worden uitgevoerd, de datum van opname op de lijst en de eventuele periodes van tijdelijke schorsing.
   § 3. Het schattingsverslag wordt opgebouwd als een uitgebreid deskundig rapport en bestaat uit:
   1° een inleidend gedeelte, dat de volgende elementen omvat:
   a) de datum waarop het schattingsverslag is opgemaakt of het laatst is gewijzigd;
   b) de identificatie van de schatter-expert, namelijk voor- en achternaam, beroepstitel en het door de bevoegde entiteit van de Vlaamse administratie toegekende identificatienummer voor schatters-experten;
   c) de identificatie van de opdrachtgever, namelijk voor- en achternaam of benaming, rijksregister- of ondernemingsnummer, adres en, in voorkomend geval, de wettelijke vertegenwoordiger van de opdrachtgevende overheidsinstantie;
   d) het doel van de schatting, namelijk de volgende vermelding: "Dit schattingsverslag is opgemaakt met naleving van het kwaliteitscharter van de Vlaamse Belastingdienst voor schatters-experten en dient als waardering bij de aangifte van nalatenschap.";
   e) de referentiedatum van de schatting, namelijk de datum van overlijden van de erflater;
   f) de datum van het plaatsbezoek;
   g) de identificatie van het te schatten goed, namelijk:
   1) het postnummer en de gemeente, het dorp of gehucht, de straat en eventueel het huisnummer, en eventueel de CRAB-gegevens van het onroerend goed;
   2) de kadastrale gegevens, namelijk de kadastrale afdeling, de sectie, het perceelnummer en het partitienummer, de kadastrale oppervlakte, het kadastraal inkomen en, in voorkomend geval, de kadastrale detailidentificatie van een privatieve eigendom;
   3) de eigendomstoestand van het onroerend goed, met een beschrijving van de rechten van elke houder van een zakelijk recht, alsook van zijn aandeel in de volledige eigendomssituatie. Voor onroerende goederen in mede-eigendom worden de aandelen in het hele onroerend goed meegedeeld;
   2° de beschrijving van het te schatten goed, die de volgende elementen omvat, in voorkomend geval toegevoegd als bijlage:
   a) een algemene beschrijving, namelijk:
   1) de ligging in de straat en de ruimere omgeving, de toestand en uitrusting van de straat, de openbare nutsvoorzieningen;
   2) de voorzieningen in een ruimere omgeving, zoals scholen, zorgvoorzieningen, administratieve gebouwen en ontspanningsmogelijkheden;
   3) de bereikbaarheid met openbaar of privévervoer;
   4) zowel voor het terrein als de gebouwen: de bestemming en de aanwending;
   5) alleen voor het terrein: de volledige grondoppervlakte, de vorm, de breedte aan de straat, de rooilijnbreedte, de relatieve hoogteligging ten opzichte van de straat of omgeving, de oriëntatie en de bodemoccupatie;
   6) alleen voor de gebouwen: de bouwwijze, het aantal verdiepingen en bijgebouwen, de gevelbreedte, de plaatsing op het terrein, de bebouwde oppervlakte, de nuttige oppervlakte en de algemene toestand op het vlak van onderhoud, afwerking en comfort;
   b) een bijzondere beschrijving van de gebouwen, namelijk:
   1) het bouwjaar, de constructiewijze, de kwaliteit van de constructie en de gebruikte materialen voor gevels, vloeren, muren, plafonds, daken en schrijnwerk, en de algemene staat van onderhoud;
   2) de indeling en, volgens de indeling van de gebouwen, de afwerking, de uitrusting en voorzieningen op het vlak van comfort;
   c) de stedenbouwkundige ligging en voorschriften, de toestand op het vlak van onroerend erfgoed, van voorkooprecht en van de watertoets;
   d) de gegevens over de zakelijke rechten en de overeenkomstige datum en wijze van verwerving. Als het onroerend goed verhuurd is, wordt het type contract, de duurtijd ervan en de overeengekomen huurprijs weergegeven;
   e) de liggingsplannen en per verdieping schetsen van de indeling, waarbij een foto van de voorgevel is gevoegd, en, in voorkomend geval, bijkomende foto's als die noodzakelijk zijn om de waarde van het onroerend goed te bepalen en om de situatie op de datum van het plaatsbezoek vast te leggen;
   3° de beschrijving van de gebruikte vergelijkingspunten, vermeld in punt 4°, die telkens de volgende elementen omvat:
   a) algemene gegevens over de ligging en de kadastrale gegevens van het vergelijkingspunt, namelijk:
   1) het postnummer en de gemeente, het dorp of gehucht, de straat en, in voorkomend geval, het huisnummer;
   2) de kadastrale gegevens van het vergelijkingspunt, namelijk de kadastrale afdeling, de sectie, het perceelnummer, het partitienummer, de kadastrale oppervlakte, het kadastraal inkomen en, in voorkomend geval, de kadastrale detailidentificatie van een privé-eigendom;
   3) in voorkomend geval het bouwjaar van het vergelijkingspunt;
   b) de gegevens van de overdracht die aan de basis liggen van de opname als vergelijkingspunt: de aard en datum van de overdracht, en de belastbare grondslag ervan;
   c) bijzondere gegevens over de ligging, bestemming en eventuele bebouwing;
   4° de analyse die leidt tot de geschatte waarde. De analyse wordt in principe uitgevoerd aan de hand van een afweging ten opzichte van vergelijkingspunten. Uitzonderlijk en voor specifieke eigendommen waarvoor geen vergelijkingspunten beschikbaar zijn, geeft de schatter-expert weer hoe de waarde dan wel wordt bepaald. De schatter-expert motiveert die afwijking in zijn verslag;
   5° het besluit, dat de hoofdkenmerken van de analyse herneemt, de referentiedatum voor de waardebepaling en als finale conclusie de geschatte waarde;
   6° de eedformule "Ik zweer dat ik mijn opdracht in eer en geweten getrouw heb vervuld", de dagtekening en de ondertekening.
   § 4. De bevoegde entiteit van de Vlaamse administratie organiseert het toezicht en de controle op de naleving van de bepalingen, vermeld in paragraaf 1 tot en met 3. Daarbij kan informatie uitgewisseld worden met beroepsverenigingen waarbij de schatter-expert is aangesloten.
   Bij vastgestelde inbreuken kan het bevoegde personeelslid beslissen tot schrapping van de schatter-expert van de lijst van schatters-experten. Die beslissing tot schrapping en de redenen daarvoor worden aan de schatter-expert meegedeeld. Tegen die beslissing kan de aanvrager, op straffe van verval, binnen een maand na de beslissing gemotiveerd schriftelijk beroep instellen bij de bevoegde entiteit van de Vlaamse administratie.
   Het beroep wordt onderzocht door een besluitvormingsorgaan dat is samengesteld uit het afdelingshoofd van de afdeling van de bevoegde entiteit van de Vlaamse administratie, bevoegd voor de taxatie van de erf- en registratiebelastingen, en het afdelingshoofd van de afdeling Vastgoedtransacties. Ze beslissen binnen de dertig werkdagen over het beroep bij consensus en brengen de aanvrager schriftelijk op de hoogte van de gemotiveerde beslissing over het beroep. Een gebrek aan consensus staat gelijk aan het uitblijven van een beslissing.
   Als er geen beslissing wordt genomen over het beroep binnen de dertig werkdagen na de ontvangst van het beroep, vermeld in het tweede lid, wordt de aanvrager voor een periode van maximaal zes maanden terug opgenomen op de lijst. Als binnen die periode een beslissing wordt genomen over het beroep, geldt die beslissing vanaf het ogenblik van de kennisgeving ervan. Als dan nog geen beslissing is genomen, blijft de aanvrager opgenomen op de lijst.]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij DVR 2017-12-08/05, art. 23, 024; Inwerkingtreding : 24-12-2017>

  Art. 3.3.1.0.10. [1 Als de laatste dag van een termijn als vermeld in deze afdeling, op een zaterdag, zondag of op een wettelijke of decretale feestdag valt, wordt de termijn verlengd tot de eerstvolgende werkdag die volgt op het verstrijken van de termijn.]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij DVR 2014-12-19/97, art. 218, 006; Inwerkingtreding : 01-01-2015>

  Art. 3.3.1.0.11. [1 § 1. Tenzij het voertuig is vrijgesteld van de kilometerheffing, moet de houder van een voertuig als vermeld in artikel 1.1.0.0.2, vijfde lid, 6°, voorafgaand aan het gebruik van elke weg, voor dat voertuig met een dienstverlener naar keuze een dienstverleningsovereenkomst sluiten.
   De houder van een voertuig die de dienstverlener verzoekt om een dienstverleningsovereenkomst te sluiten, moet aan de dienstverlener alle voertuigdocumenten voorleggen die nodig zijn om het kenteken van het voertuig in kwestie, het maximaal toegestane totaalgewicht en de EURO-emissieklasse vast te stellen.
   Bij gebreke aan afdoend bewijs van het maximaal toegestane totaalgewicht van het voertuig, wordt het voertuig geacht een maximaal toegestaan totaalgewicht van hoger dan 32 ton te hebben.
   Bij gebreke aan afdoend bewijs van de EURO-emissieklasse van het voertuig, wordt het voertuig geacht te behoren tot de categorie `overige EURO-emissieklassen', vermeld in de tabellen, opgenomen in artikel 2.4.4.0.2, eerste lid, 5° en 7°.
   De vermoedens, vermeld in het derde en vierde lid, worden toegepast tot die met afdoend bewijs worden weerlegd. Dat bewijs heeft evenwel geen invloed op de heffingen die verschuldigd zijn voor kilometers die zijn afgelegd vóór de verificatie van de gegevens uit het voorgelegde bewijsstuk door de dienstverlener.
   § 2. De dienstverlener kan de uitvoering van de dienstverleningsovereenkomst alleen schorsen in die gevallen waarin de houder van het voertuig of, in voorkomend geval, de bestuurder :
   1° niet voldoet aan zijn betalingsverplichtingen jegens de dienstverlener, zoals die in de dienstverleningsovereenkomst zijn bepaald;
   2° in voorkomend geval, geen of een ontoereikend gegarandeerd betaalmiddel ter beschikking heeft gesteld;
   3° gebruikmaakt van de elektronische registratievoorziening op een wijze die strijdig is met de gebruiksaanwijzing die door de dienstverlener ter beschikking is gesteld;
   4° nalaat een defect aan de elektronische registratievoorziening te melden;
   5° de instructies van de dienstverlener niet opvolgt met het oog op de vervanging of de herstelling van de defecte elektronische registratievoorziening.
   De dienstverlener brengt de houder van het voertuig en de bevoegde entiteit van de Vlaamse administratie onmiddellijk op de hoogte van de schorsing van de uitvoering van de dienstverleningsovereenkomst.]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij DVR 2015-07-03/17, art. 27, 008; Inwerkingtreding : 01-04-2016 (zie BVR 2015-07-17/15, art. 4, 1°)>

  Art. 3.3.1.0.13. [1 § 1. De registratie van afgelegde kilometers, die nodig is voor de berekening van de kilometerheffing, wordt gedaan met behulp van een elektronische registratievoorziening.
   § 2. Tenzij het voertuig is vrijgesteld van de kilometerheffing, moet de houder van het voertuig voorafgaand aan het gebruik van elke weg ervoor zorgen dat het voertuig is uitgerust met de elektronische registratievoorziening die aan hem ter beschikking gesteld is.
   Als de bestuurder niet de houder van het voertuig is, rust op hem dezelfde verplichting als vermeld in het eerste lid.
   § 3. De bestuurder ziet er tijdens elk gebruik van een weg op toe dat de elektronische registratievoorziening, volgens de gegevens die de mens-machine-interface aangeeft, de afstand die het voertuig aflegt registreert.
   In het eerste lid wordt verstaan onder mens-machine-interface : ieder onderdeel van de elektronische registratievoorziening waarmee de elektronische registratievoorziening en de gebruiker ervan met elkaar communiceren, met inbegrip van, in voorkomend geval, de toetsen en het beeldscherm.
   § 4. De houder van het voertuig stelt zich onmiddellijk in verbinding met de dienstverlener in de volgende gevallen :
   1° als de elektronische registratievoorziening signaleert dat het voertuig niet meer voldoet aan de bij deze codex of de uitvoeringsbesluiten ervan bepaalde vereisten;
   2° als elk signaal door de elektronische registratievoorziening ontbreekt;
   3° als hij het signaal ontvangt dat het ter beschikking gestelde gegarandeerde betaalmiddel ontoereikend is geworden.
   Als de bestuurder niet de houder van het voertuig is, rust op hem dezelfde verplichting als vermeld in het eerste lid.
   De dienstverlener geeft, waar nodig, instructies aan de bestuurder van het voertuig, waarbij die laatste ertoe gehouden is die instructies na te leven.
   Voor de toepassing van dit artikel wordt verstaan onder elektronische registratievoorziening : de elektronische boordapparatuur bestemd voor de plaatsbepaling van het voertuig waarin de boordapparatuur is geplaatst, die, al dan niet met behulp van elektronische apparatuur op afstand, data uitwisselt om te komen tot de registratie van afgelegde kilometers, alsook tot de berekening van de kilometerheffing op die geregistreerde afstand.
   De Vlaamse Regering bepaalt de instructies, vermeld in het derde lid.]1{
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij DVR 2015-07-03/17, art. 28, 008; Inwerkingtreding : 01-04-2016 (zie BVR 2015-07-17/15, art. 4, 1°)>

  Art. 3.3.1.0.14. [1 De belastingplichtige dient uiterlijk de voorlaatste werkdag voor het begin van de verrichtingen voor spelen en weddenschappen bij de bevoegde entiteit van de Vlaamse administratie een voorafgaande aangifte in. Als de spelen of de weddenschappen een voortdurend karakter hebben, geldt de aangifte tot de intrekking ervan.
   De voorafgaande aangifte, vermeld in het eerste lid, vermeldt:
   1° hetzij het identificatienummer uit het Rijksregister van de natuurlijke personen, hetzij het ondernemingsnummer dat bekend is bij de Kruispuntbank van Ondernemingen, hetzij het identificatienummer, vermeld in artikel 8 van de wet van 15 januari 1990 houdende oprichting en organisatie van een Kruispuntbank van de sociale zekerheid, van de belastingplichtige;
   2° de klasse van de kansspelinrichting, vermeld in artikel 6 van de Kansspelwet van 7 mei 1999, en het type en het nummer van de vergunning, toegekend door de Kansspelcommissie;
   3° de naam van de plaats en het adres waar de spelen of de weddenschappen worden georganiseerd;
   4° de aard van de spelen of de weddenschappen;
   5° de periode waarin de spelen of de weddenschappen worden georganiseerd.
   De aangifteplicht die is bepaald in dit artikel geldt niet voor de van belasting vrijgestelde spelen en weddenschappen, vermeld in artikel 2.12.6.0.1.]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij DVR 2018-12-07/09, art. 38, 036; Inwerkingtreding : 01-01-2019>
  

  Art. 3.3.1.0.15. [1 Voor de toepassing van titel 2, hoofdstuk 12, dient de belastingplichtige de eerste werkdag van de maand bij de bevoegde entiteit van de Vlaamse administratie een aangifte in voor de verrichtingen die gerealiseerd zijn in de vorige maand.
   De aangifte, vermeld in het eerste lid, vermeldt:
   1° hetzij het identificatienummer uit het Rijksregister van de natuurlijke personen, hetzij het ondernemingsnummer dat bekend is bij de Kruispuntbank van Ondernemingen, hetzij het identificatienummer, vermeld in artikel 8 van de wet van 15 januari 1990 houdende oprichting en organisatie van een Kruispuntbank van de sociale zekerheid, van de belastingplichtige;
   2° de klasse van de kansspelinrichting, vermeld in artikel 6 van de Kansspelwet van 7 mei 1999, en het type en het nummer van de vergunning, toegekend door de Kansspelcommissie;
   3° het belastbare bedrag van de verrichtingen volgens de aard van de verrichting, vermeld in artikel 2.12.3.0.1;
   4° de datum of periode van de verrichtingen;
   5° een samenvattende maandelijkse staat van de inzetten ter verificatie van het belastbare bedrag.
   De aangifteplicht die is bepaald in dit artikel geldt niet voor de van belasting vrijgestelde spelen en weddenschappen, vermeld in artikel 2.12.6.0.1.]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij DVR 2018-12-07/09, art. 39, 036; Inwerkingtreding : 01-01-2019>
  

  Art. 3.3.1.0.16. [1 De belastingplichtige dient uiterlijk de voorlaatste werkdag voor de opstelling van het automatische ontspanningstoestel, vermeld in artikel 2.13.1.0.1, een aangifte in bij de bevoegde entiteit van de Vlaamse administratie.
   De aangifte, vermeld in het eerste lid, vermeldt:
   1° hetzij het identificatienummer uit het Rijksregister van de natuurlijke personen, hetzij het ondernemingsnummer dat bekend is bij de Kruispuntbank van Ondernemingen, hetzij het identificatienummer, vermeld in artikel 8 van de wet van 15 januari 1990 houdende oprichting en organisatie van een Kruispuntbank van de sociale zekerheid, van de belastingplichtige;
   2° voor elke plaats van opstelling:
   a) de naam en het adres;
   b) de voornamen en de achternaam van de natuurlijke persoon of de naam van de rechtspersoon van de uitbater, vermeld in artikel 3.10.4.4.6;
   c) de klasse van de kansspelinrichting, vermeld in artikel 6 van de Kansspelwet van 7 mei 1999, en het type en het nummer van de vergunning, toegekend door de Kansspelcommissie;
   d) het aantal toestellen per categorie als vermeld in artikel 2.13.3.0.1, dat wordt opgesteld;
   e) de periode van de opstelling per categorie als vermeld in artikel 2.13.3.0.1.
   De belastingplichtige geeft elke wijziging van de elementen van de aangifte, vermeld in het tweede lid, 2°, aan uiterlijk de voorlaatste werkdag voor hij de wijzigingen in de opstelling doorvoert. In afwijking daarvan wordt een wijziging van punt 2°, d) en e), alleen doorgegeven als daardoor het bedrag van de belasting, vermeld in artikel 2.13.4.0.1, eerste lid, toeneemt.
   Bij gebrek aan andersluidende kennisgeving is de aangifte die ingediend is voor een jaar, geldig voor de volgende jaren.
   De aangifteplicht die is bepaald in dit artikel geldt niet voor de opstelling van automatische ontspanningstoestellen, vermeld in artikel 2.13.3.0.1, § 2, eerste lid, 3° en 4°.]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij DVR 2018-12-07/09, art. 40, 036; Inwerkingtreding : 01-01-2019>
  

  Afdeling 2. - Aanslagjaar en belastbaar tijdperk

  Art. 3.3.2.0.1.[3 Het aanslagjaar is voor :
  1° de onroerende voorheffing het kalenderjaar waarvan de inkomsten de grondslag voor de belasting vormen;
  2° de verkeersbelasting voor de voertuigen, vermeld in artikel 2.2.2.0.1, § 2, eerste lid, elk tijdperk van twaalf achtereenvolgende maanden. Het aanslagjaar is het jaar waarin dat tijdperk een aanvang neemt;
  3° de verkeersbelasting voor de voertuigen, vermeld in artikel 2.2.2.0.1, § 2, tweede lid, de eerste keer het tijdperk dat gelijk is aan het aantal maanden dat begrepen is tussen de eerste dag van de maand waarin het voertuig in de loop van een burgerlijk jaar in gebruik is genomen op de openbare weg, en 31 december van hetzelfde jaar. Vervolgens wordt het aanslagjaar gevormd door een tijdperk van twaalf maanden dat aanvangt op 1 januari van elk volgend kalenderjaar, en het is het jaar waarin de voormelde tijdperken een aanvang nemen;
  4° de belasting op de inverkeerstelling het jaar waarin de belasting verschuldigd is. Het begint op de eerste dag van de maand waarin de belasting verschuldigd is;
  5° [7 ...]7
  6° de [5 heffing ongeschikte en onbewoonbare woningen]5 het jaar waarin de belasting verschuldigd is met toepassing van [1 artikel 2.5.7.0.1]1;
  7° de leegstandsheffing bedrijfsruimten het kalenderjaar dat volgt op elke derde opeenvolgende registratie in de inventaris, waarin de belasting kan worden ingevoerd;
  [2 8° de erfbelasting : het jaar waarin het overlijden plaatsvindt of, in geval van een gebeurtenis als vermeld in artikel 3.3.1.0.6, het jaar waarin de nieuwe aangiftetermijn start;
   9° de registratiebelasting :
   a) als er een registratieverplichting bestaat overeenkomstig het federale Wetboek van Registratie-, Hypotheek- en Griffierechten :
   1) het jaar waarin de akte die of het geschrift dat aanleiding geeft tot de heffing van de registratiebelasting, binnen de ervoor bepaalde termijn, overeenkomstig het federale Wetboek van Registratie-, Hypotheek- en Griffierechten, ter registratie wordt aangeboden;
   2) het jaar waarin de termijn, vermeld in punt 1), verstrijkt bij gebrek aan aanbieding ter registratie binnen die termijn;
   b) als er geen registratieverplichting bestaat overeenkomstig het federale Wetboek van Registratie-, Hypotheek- en Griffierechten : het jaar waarin de akte of het geschrift ter registratie wordt aangeboden;]2
  [3 10° de kilometerheffing het kalenderjaar waarin de belasting verschuldigd is. Het begint op de kalenderdag waarop de kilometers worden afgelegd op de niet-geconcedeerde weg.]3
  [6 11° de belasting op de spelen en weddenschappen: het jaar waarin de spelen en de weddenschappen die aanleiding geven tot de belasting plaatsvinden;
   12° de belasting op de automatische ontspanningstoestellen: het jaar waarin een automatisch ontspanningstoestel is opgesteld.]6
  Het belastbare tijdperk is voor :
  1° de toepassing van de onroerende voorheffing gelijk aan het aanslagjaar;
  2° de verkeersbelasting voor de voertuigen, vermeld in artikel 2.2.2.0.1, § 2, eerste lid, gelijk aan elke periode van twaalf achtereenvolgende maanden, waarvan de eerste ingaat de eerste dag van de maand waarin het voertuig in het repertorium van het Directoraat-generaal Mobiliteit en Verkeersveiligheid is ingeschreven of moet worden ingeschreven;
  3° de verkeersbelasting voor de voertuigen, vermeld in artikel 2.2.2.0.1, § 2, tweede lid, voor de eerste keer gelijk aan het aantal maanden dat begrepen is tussen de eerste dag van de maand waarin het voertuig in de loop van een burgerlijk jaar in gebruik is genomen op de openbare weg, en 31 december van hetzelfde jaar. Vervolgens is het gelijk aan elke periode van twaalf maanden die aanvangt op 1 januari van elk volgend kalenderjaar;
  4° [7 ...]7
  5° de [5 heffing ongeschikte en onbewoonbare woningen]5 gelijk aan de opeenvolgende periodes van twaalf maanden die volgen op de inventarisatiedatum, vermeld in [5 artikel 24, 6°]5, van het decreet van 22 december 1995;
  [3 6° de kilometerheffing gelijk aan de kalenderdag waarop de kilometers worden afgelegd op de niet-geconcedeerde weg.]3
  [6 7° de belasting op de spelen en weddenschappen gelijk aan het aanslagjaar;
   8° de belasting op de automatische ontspanningstoestellen gelijk aan het aanslagjaar.]6
  ----------
  (1)<DVR 2014-12-19/61, art. 14, 005; Inwerkingtreding : 01-01-2014>
  (2)<DVR 2014-12-19/97, art. 219 en 220, 006; Inwerkingtreding : 01-01-2015>
  (3)<DVR 2015-07-03/17, art. 29, 008; Inwerkingtreding : 01-04-2016 (zie BVR 2015-07-17/15, art. 4, 1°)>
  (4)<DVR 2016-12-23/05, art. 46, 015; Inwerkingtreding : 01-01-2017>
  (5)<DVR 2016-12-23/05, art. 49, 015; Inwerkingtreding : 01-01-2017>
  (6)<DVR 2018-12-07/09, art. 41, 036; Inwerkingtreding : 01-01-2019>
  (7)<DVR 2018-12-21/02, art. 32, 037; Inwerkingtreding : 07-01-2019>

  Afdeling 3. - Aanslagtermijn

  Art. 3.3.3.0.1.§ 1. Voor de onroerende voorheffing mag de belasting of de aanvullende belasting worden geheven gedurende vijf jaar vanaf 1 januari van het aanslagjaar waarvoor de belasting is verschuldigd.
  Die termijn wordt met vier jaar verlengd in geval van inbreuk op de bepalingen van deze codex of van ter uitvoering ervan genomen besluiten, gedaan met bedrieglijk opzet of met het oogmerk te schaden.
  § 2. Voor de verkeersbelasting, de belasting op de inverkeerstelling [5 , de belasting op de spelen en weddenschappen en de belasting op de automatische ontspanningstoestellen]5 kan de belasting of de aanvullende belasting worden geheven gedurende vijf jaar vanaf de eerste dag van het aanslagjaar waarvoor ze verschuldigd is.
  [3 Voor de kilometerheffing kan de belasting worden geheven gedurende vijf jaar vanaf de kalenderdag waarop de kilometers worden afgelegd op de niet-geconcedeerde weg.]3
  § 3. Voor de leegstandsheffing bedrijfsruimten moet de belasting geheven worden vóór 31 december van het aanslagjaar.
  § 4. Voor de [4 heffing ongeschikte en onbewoonbare woningen]4 kan de belasting worden geheven vanaf het ogenblik waarop de periode van twaalf maanden, vermeld in artikel 2.5.7.0.1, eerste lid, verstreken is, tot uiterlijk de laatste dag van het kwartaal dat daarop volgt.
  In het geval, vermeld in artikel 2.5.7.0.1, tweede lid, kan de belasting worden geheven tot uiterlijk de laatste dag van het kwartaal dat volgt op het verstrijken van de nieuwe periode van twaalf maanden.
  [4 ...]4.
  [1 § 4/1. De erfbelasting mag worden geheven gedurende vijf jaar vanaf de dag waarop de aangiftetermijn, vermeld in artikel 3.3.1.0.5, § 2, of artikel 3.3.1.0.6, start.
   In afwijking van het eerste lid kunnen de aanvullende rechten die verschuldigd zijn wegens het niet-naleven van voorwaarden die gelden tot behoud van vrijstellingen of verminderingen van grondslagen of tarieven, worden geheven gedurende vijf jaar vanaf de dag waarop de vordering voor het Vlaamse Gewest is ontstaan.
   De termijnen uit het eerste en het tweede lid worden met vier jaar verlengd in geval van inbreuk op de bepalingen van deze codex of van ter uitvoering ervan genomen besluiten, gedaan met bedrieglijk opzet of met het oogmerk om te schaden.
   § 4/2. De registratiebelasting mag worden geheven gedurende vijf jaar vanaf de dag van de registratie van de akte die of het geschrift dat aanleiding geeft tot de heffing van de registratiebelasting.
   Bij gebrek aan registratie mag de registratiebelasting worden geheven gedurende vijf jaar vanaf de dag waarop de termijn voor de aanbieding ter registratie, overeenkomstig het federale Wetboek van Registratie-, Hypotheek- en Griffierechten, verstrijkt.
   In afwijking van het eerste lid kunnen de aanvullende rechten die verschuldigd zijn wegens het niet-naleven van voorwaarden die gelden tot behoud van vrijstellingen of verminderingen van grondslagen of tarieven, worden geheven gedurende vijf jaar vanaf de dag waarop de vordering voor het Vlaamse Gewest is ontstaan.
   De termijnen uit het eerste, tweede en derde lid worden met vier jaar verlengd in geval van inbreuk op de bepalingen van deze codex of van ter uitvoering ervan genomen besluiten, gedaan met bedrieglijk opzet of met het oogmerk om te schaden.]1
  § 5. Als de belastingschuldige binnen de termijn of datum, [2 vermeld in paragraaf 1 tot en met 4/2]2, conform artikel 3.5.2.0.1, 3.5.2.0.2, 3.5.2.0.4 en 3.5.3.0.1 tot en met 3.5.3.0.3, een bezwaarschrift heeft ingediend, wordt die termijn of datum verlengd met een tijdperk dat gelijk is aan de tijd die is verlopen tussen de datum waarop het bezwaarschrift is ingediend en de datum van de beslissing van het bevoegde personeelslid, zonder dat die verlenging meer dan zes maanden mag bedragen.
  § 6. Met behoud van de toepassing van de bepalingen, vermeld in artikel 3.18.0.0.3, zijn de aanslagtermijnen, vermeld in dit artikel , ook van toepassing op de belastingverhogingen en de administratieve geldboetes.
  ----------
  (1)<DVR 2014-12-19/97, art. 221, 006; Inwerkingtreding : 01-01-2015>
  (2)<DVR 2014-12-19/97, art. 222, 006; Inwerkingtreding : 01-01-2015>
  (3)<DVR 2015-07-03/17, art. 30, 008; Inwerkingtreding : 01-04-2016 (zie BVR 2015-07-17/15, art. 4, 1°)>
  (4)<DVR 2016-12-23/05, art. 50, 015; Inwerkingtreding : 01-01-2017>
  (5)<DVR 2018-12-07/09, art. 42, 036; Inwerkingtreding : 01-01-2019>

  Art. 3.3.3.0.2. De belasting en de opcentiemen mogen worden geheven, zelfs nadat de termijn, vermeld in artikel 3.3.3.0.1, § 1, is verstreken, als bewijskrachtige gegevens uitwijzen dat de belastingplichtige nagelaten heeft aangifte te doen met toepassing van artikel 473 van het federale WIB 92.
  In het geval, vermeld in het eerste lid, moeten de belasting en de opcentiemen worden geheven binnen twaalf maanden vanaf de datum waarop de inbreuk, vermeld in het eerste lid, is vastgesteld.

  Art. 3.3.3.0.3. [1 § 1. Als wordt vastgesteld dat de aangegeven waarde van de aangegeven goederen voor de berekening van de erfbelasting te laag is, wordt de belastingplichtige schriftelijk in kennis gesteld van de intentie van de bevoegde entiteit van de Vlaamse administratie om aanvullende rechten en de belastingverhoging, vermeld in artikel 3.18.0.0.8, eerste lid, te vestigen. Die kennisgeving gebeurt binnen de 2 jaar na het indienen van de aangifte, vermeld in artikel 3.3.1.0.5 en 3.3.1.0.6.
   Als wordt vastgesteld dat de waarde die aangegeven is of de prijs die opgegeven is voor de berekening van de registratiebelasting te laag is, wordt de belastingplichtige schriftelijk in kennis gesteld van de intentie van de bevoegde entiteit van de Vlaamse administratie om aanvullende rechten en de belastingverhoging, vermeld in artikel 3.18.0.0.13, te vestigen. Die kennisgeving gebeurt binnen de 2 jaar vanaf de dag van de registratie van de akte die of het geschrift dat aanleiding geeft tot de heffing van de registratiebelasting.
   § 2. De kennisgevingen, vermeld in paragraaf 1, vermelden de redenen die de intentie van de bevoegde entiteit van de Vlaamse administratie rechtvaardigen.
   § 3. De toepassing van paragraaf 1 heeft geen invloed op de aanslagtermijnen, vermeld in artikel 3.3.3.0.1, § 4/1 en § 4/2.]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij DVR 2018-12-21/02, art. 33, 037; Inwerkingtreding : 07-01-2019>
  

  Afdeling 4. - Aanslagbiljet

  Art. 3.3.4.0.1. Het aanslagbiljet vermeldt :
  1° de verzendingsdatum;
  2° de datum van uitvoerbaarverklaring van het kohier;
  3° het kohierartikel ;
  4° het aanslagjaar;
  5° de grondslag van de belasting;
  6° het te betalen bedrag;
  7° de uiterste betaaldatum;
  8° de termijn waarin de belastingschuldige bezwaar kan indienen, de benaming en het adres van de entiteit van de Vlaamse administratie die bevoegd is om het bezwaar te ontvangen, en de formaliteiten die daarbij moeten worden nageleefd.

  Afdeling 5. - Verzending

  Art. 3.3.5.0.1. De aanslagbiljetten worden in gesloten omslag aan de belastingschuldigen toegezonden.
  Zodra de bevoegde entiteit van de Vlaamse administratie voor een bepaalde belasting het daarvoor vereiste elektronische platform ter beschikking stelt, kunnen de belastingschuldigen er evenwel voor opteren om de aanslagbiljetten voor die belasting te ontvangen door middel van een procedure waarbij informaticatechnieken worden gebruikt. De aanbieding via een dergelijke procedure geldt als rechtsgeldige kennisgeving van het aanslagbiljet.

  Art. 3.3.5.0.2. Als artikel 2.5.7.0.2 of 2.5.7.0.3 van toepassing is, moet het aanslagbiljet om geldig te zijn, verstuurd worden tegen het einde van het kwartaal dat volgt op de einddatum van de periode van opschorting.
  Het eerste lid geldt voor de aanslagbiljetten die vanaf 5 augustus 2004 verstuurd worden.

  Hoofdstuk 4. - Betalingen

  Afdeling 1. - Algemeen

  Art. 3.4.1.0.1. De Vlaamse Regering kan bepalen aan wie de belastingen betaald moeten worden.

  Afdeling 2. - Betaaltermijn

  Art. 3.4.2.0.1.De belasting [2 of de administratieve geldboete, vermeld in artikel 3.18.0.0.1,]2 moet uiterlijk binnen een termijn van twee maanden vanaf de verzendingsdatum, vermeld op het aanslagbiljet [1 ...]1, betaald worden op de rekening van de bevoegde entiteit van de Vlaamse administratie.
  In het geval, vermeld in artikel 3.3.5.0.1, tweede lid, waarbij het aanslagbiljet door middel van een procedure waarbij informaticatechnieken worden gebruikt, aan de [1 belastingschuldige]1 is bezorgd, moet de belasting worden betaald binnen twee maanden na de verzendingsdatum, vermeld op het aanslagbiljet.
  ----------
  (1)<DVR 2014-12-19/61, art. 15, 005; Inwerkingtreding : 01-01-2015>
  (2)<DVR 2016-12-23/05, art. 51, 015; Inwerkingtreding : 09-01-2017>

  Art. 3.4.2.0.2.
  <Opgeheven bij DVR 2018-12-21/02, art. 34, 037; Inwerkingtreding : 07-01-2019>

  Art. 3.4.2.0.3. Het indienen van een bezwaar, een aanvraag tot ambtshalve ontheffing, een vordering in rechte of een verzoek om spreiding van betaling schort de verplichting tot betaling van de belastingen en toebehoren niet op.

  Art. 3.4.2.0.4. In afwijking van artikel 3.4.2.0.1 moeten alle belastingen en toebehoren onverwijld worden betaald als de rechten van het Vlaamse Gewest in het gedrang komen. Als de belastingschuldige betwist dat de rechten van het Vlaamse Gewest in gevaar verkeren, wordt er over de betwisting uitspraak gedaan, zoals in kort geding, door de beslagrechter van de plaats waar de bevoegde entiteit van de Vlaamse administratie die de belasting moet innen, is gevestigd.

  Art. 3.4.2.0.5.[1 In afwijking van artikel 3.4.2.0.1 moet de belastingschuldige de registratiebelasting onmiddellijk na de bezorging van het aanslagbiljet betalen.]1
  [2 Het eerste lid is niet van toepassing op de aanvullende rechten op het verkooprecht, [3 [4 vermeld in artikel 2.9.4.2.3, tweede lid, artikel 2.9.4.2.11, § 2, tweede lid, of § 3, tweede lid, artikel 2.9.4.2.12, § 1, tweede lid, of § 2, tweede lid, artikel 2.9.4.2.13, § 1, tweede lid, artikel 2.9.4.2.14, § 5, tweede lid, of § 7,]4]3 en artikel 2.9.5.0.3, tweede lid, en de daaraan verbonden belastingverhogingen, vermeld in artikel 3.18.0.0.11 en artikel 3.18.0.0.12.]2
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij DVR 2014-12-19/97, art. 223, 006; Inwerkingtreding : 01-01-2015>
  (2)<DVR 2017-12-08/05, art. 24, 024; Inwerkingtreding : 24-12-2017>
  (3)<DVR 2018-05-18/01, art. 12, 030; Inwerkingtreding : 01-06-2018>
  (4)<DVR 2018-12-21/02, art. 35, 037; Inwerkingtreding : 01-06-2018>

  Afdeling 3. - Wijze van betaling

  Art. 3.4.3.0.1. De Vlaamse Regering kan de regels bepalen voor de wijze van betaling van de belastingen.

  Art. 3.4.3.0.2. [1 § 1. Iedere erfgenaam, legataris of begiftigde kan verzoeken de uit hoofde van een nalatenschap invorderbare erfbelasting geheel of ten dele te betalen door de afgifte van kunstwerken waarvan de Vlaamse Regering op eensluidend advies van een bijzondere commissie erkent dat ze tot het roerend cultureel erfgoed van het Vlaamse Gewest behoren of dat ze internationale faam genieten.
   Om ter betaling te kunnen worden aangeboden, moeten de kunstwerken in hun geheel deel uitmaken van de nalatenschap of op de dag van het overlijden in hun geheel toebehoren aan de overledene of aan zijn langstlevende echtgenoot of wettelijk samenwonende of aan de erfgenamen, legatarissen of begiftigden. Het bewijs daarvoor kan worden geleverd door alle wettelijke middelen, met inbegrip van getuigenissen en vermoedens, maar met uitsluiting van de eed.
   De uitzonderlijke betalingswijze, vermeld in het eerste lid, is afhankelijk van de formele aanvaarding van het aanbod door de Vlaamse Regering. Die formele aanvaarding houdt ook in dat de verschuldigde erfbelasting geacht wordt ontvangen te zijn voor de waarde van de aangenomen kunstwerken.
   Als de Vlaamse Regering de betaling in kunstwerken maar verkiest voor een deel van de aangeboden werken, betekent de bevoegde entiteit van de Vlaamse administratie dat aan de aanvragers. De aanvragers hebben vervolgens een maand vanaf de betekening de tijd om aan de bevoegde entiteit van de Vlaamse administratie mee te delen of ze hun aanbod van afgifte intrekken of aanpassen.
   Als de Vlaamse Regering de betaling door middel van kunstwerken weigert, betekent de bevoegde entiteit van de Vlaamse administratie de verwerping van het aanbod van de afgifte aan de aanvragers.
   De ter betaling aangeboden kunstwerken worden, ongeacht of ze deel uitmaken van de nalatenschap, geschat door de bijzondere commissie, vermeld in het eerste lid, en worden geacht te worden aangeboden tegen de waarde die bij de voorafgaande schatting is vastgesteld. Als het kunstwerk deel uitmaakt van de nalatenschap, wordt de waarde die is vastgesteld bij de voorafgaande schatting daarenboven in aanmerking genomen voor de berekening van de erfbelasting. De kosten die verbonden zijn aan de schatting, worden voorgeschoten door de verzoekers. Ze worden door het Vlaamse Gewest gedragen als de Vlaamse Regering de inbetalinggeving geheel of ten dele aanvaardt.
   De erfgenamen, legatarissen of begiftigden dienen de schattingsaanvraag met een aangetekende brief in bij de bijzondere commissie, vermeld in het eerste lid.
   De Vlaamse Regering kan aanvullende regels voor de inbetalinggeving vastleggen.
   § 2. De bijzondere commissie, vermeld in paragraaf 1, eerste lid, heeft tot taak de Vlaamse Regering een bindend advies te geven over :
   1° de vraag of de ter betaling aangeboden kunstwerken tot het roerend cultureel erfgoed van het Vlaamse Gewest behoren of internationaal befaamd zijn;
   2° de ontvankelijkheid van de schattingsaanvraag;
   3° de geldwaarde van de aangeboden kunstwerken.
   De Vlaamse Regering bepaalt de samenstelling, de kennis die over de verschillende disciplines aanwezig moet zijn, de wijze van benoeming van de leden, het voorzitterschap, de organisatie en de werking van de bijzondere commissie, vermeld in paragraaf 1, eerste lid.
   Voor de kennis en de samenstelling, vermeld in het tweede lid, bewaakt de Vlaamse Regering dat er voldoende deskundigheid op het vlak van cultureel erfgoed aanwezig is.]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij DVR 2014-12-19/97, art. 224, 006; Inwerkingtreding : 01-01-2015>

  Afdeling 4. - Vermeldingen op het betaalformulier

  Art. 3.4.4.0.1. De Vlaamse Regering kan de regels bepalen voor de vermeldingen op het betaalformulier.

  Afdeling 5. - Bewijs van betaling

  Art. 3.4.5.0.1. De Vlaamse Regering kan de regels bepalen voor het bewijs van betaling.

  Afdeling 6. - Datum van uitwerking van betaling

  Art. 3.4.6.0.1. De Vlaamse Regering kan de regels bepalen voor de datum waarop de betaling uitwerking heeft.

  Afdeling 7. - Wijze van aanrekening van betaling, aanwending en aanzuivering

  Art. 3.4.7.0.1. § 1. De belastingschuldige die een of meer belastingen en toebehoren te betalen heeft, moet bij elke betaling vermelden wat hij wil vereffenen.
  Als een dergelijke vermelding ontbreekt, worden de betalingen aangerekend naar keuze van het bevoegde personeelslid, met behoud van de toepassing van paragraaf 2. Dat geldt ook als een som wordt aangewend met toepassing van artikel 3.4.7.0.2.
  § 2. Betalingen, teruggaven en moratoriuminteresten worden per afzonderlijke aanslag in de volgende volgorde aangerekend :
  1° op de kosten van alle aard, ook als ze op verschillende aanslagen betrekking hebben;
  2° op de nalatigheidsinteresten;
  3° op de administratieve geldboetes en belastingverhogingen;
  4° op de verschuldigde belasting en de opcentiemen of de opdeciem.

  Art. 3.4.7.0.2.§ 1. De bepalingen van boek III, titel III, hoofdstuk V, afdeling IV, van het Burgerlijk Wetboek zijn inzake de belastingen, vermeld in deze codex, niet van toepassing.
  § 2. Elke som die aan een persoon moet worden teruggegeven of betaald, hetzij in het kader van de toepassing van deze codex, hetzij krachtens de bepalingen van het burgerlijk recht met betrekking tot de onverschuldigde betaling, kan naar keuze en zonder formaliteit door het bevoegde personeelslid worden aangewend ter betaling van de door hem verschuldigde bedragen bij de toepassing van deze codex of ter voldoening van de niet-fiscale schuldvorderingen waarvan de inning en invordering, door of krachtens een bepaling met kracht van wet door de bevoegde entiteit van de Vlaamse administratie worden verzekerd.
  Het eerste lid blijft van toepassing in geval van beslag, overdracht, samenloop of een insolvabiliteitsprocedure.
  § 3. De aanwending met toepassing van paragraaf 2 kan voor betwiste aanslagen verricht worden als bewarende maatregel als vermeld in artikel 3.10.4.6.1.
  [1 § 4. Met behoud van de toepassing van paragraaf 2, eerste lid, kan het bevoegde personeelslid elke som die aan een persoon moet worden teruggegeven inzake de erfbelasting, ook zonder formaliteit aanwenden ter betaling van openstaande bedragen die op grond van een andere oorzaak verschuldigd zijn met betrekking tot dezelfde nalatenschap.]1
  ----------
  (1)<DVR 2014-12-19/97, art. 225, 006; Inwerkingtreding : 01-01-2015>

  Art. 3.4.7.0.3. Als een voertuig in de loop van een aanslagjaar wordt afgevoerd van het repertorium van het Directoraat-generaal Mobiliteit en Verkeersveiligheid of een vrijstelling geniet, wordt de betaalde verkeersbelasting teruggegeven in verhouding tot de niet-verstreken maanden of, in dezelfde mate, aangerekend op de belasting die door de belastingschuldige voor een ander voertuig is verschuldigd.

  Art. 3.4.7.0.4.
  <Opgeheven bij DVR 2018-12-21/02, art. 36, 037; Inwerkingtreding : 01-01-2021>

  Art. 3.4.7.0.5.
  <Opgeheven bij DVR 2018-12-21/02, art. 37, 037; Inwerkingtreding : 07-01-2019>

  Art. 3.4.7.0.6. [1 Inzake de registratiebelasting worden de aanvullende rechten die ingevolge een tekortschatting of om een andere reden betaald zijn, aangerekend op de aanvullende rechten die ingevolge prijsbewimpeling verschuldigd zijn]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij DVR 2014-12-19/97, art. 226, 006; Inwerkingtreding : 01-01-2015>

  Art. 3.4.7.0.7. [1 Als een automatisch ontspanningstoestel in de loop van een aanslagjaar niet meer wordt opgesteld, wordt de betaalde belasting op de automatische ontspanningstoestellen op aanvraag van de belastingplichtige teruggegeven in verhouding tot de nog niet aangevangen kwartalen.
   De aanvraag, vermeld in het eerste lid, wordt ingediend bij het bevoegde personeelslid uiterlijk de laatste dag van het kwartaal waarin het toestel wordt opgesteld.]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij DVR 2018-12-07/09, art. 43, 036; Inwerkingtreding : 01-01-2019>
  

  Afdeling 8. - Betalingsfaciliteiten

  Art. 3.4.8.0.1.§ 1. De belastingschuldige kan verzoeken om spreiding van betaling van de belastingen en toebehoren.
  Het verzoek tot spreiding van betaling, vermeld in het eerste lid, moet worden gemotiveerd en moet bewijskrachtige elementen bevatten met betrekking tot de financiële toestand van de verzoeker.
  Het bevoegde personeelslid kan het verzoek inwilligen.
  § 2. [1 ...]1
  ----------
  (1)<DVR 2018-12-21/02, art. 38, 037; Inwerkingtreding : 07-01-2019>

  Hoofdstuk 5. - Bezwaar

  Afdeling 1. - Ontvangstmelding

  Art. 3.5.1.0.1. Aan de indieners van de bezwaarschriften en de aanvragen tot ambtshalve ontheffing wordt een ontvangstmelding bezorgd die de datum van ontvangst van het administratief beroep vermeldt.

  Afdeling 2. - Bezwaartermijn

  Art. 3.5.2.0.1.De bezwaarschriften moeten worden gemotiveerd en op straffe van verval worden ingediend binnen een termijn van drie maanden na de derde werkdag die volgt op de verzendingsdatum, vermeld op het aanslagbiljet.
  In het geval, vermeld in artikel 3.3.5.0.1, tweede lid, waarbij het aanslagbiljet door middel van een procedure waarbij informaticatechnieken worden gebruikt, aan de [1 belastingschuldige]1 is bezorgd, vangt de termijn aan vanaf de verzendingsdatum, vermeld op het aanslagbiljet.
  [1 Als het bezwaarschrift wordt ingediend met een aangetekende brief, geldt de datum van de poststempel op het verzendingsbewijs als datum van de indiening.]1
  ----------
  (1)<DVR 2014-12-19/61, art. 16, 005; Inwerkingtreding : 01-01-2015>

  Art. 3.5.2.0.2. Zolang er geen beslissing is gevallen, mag de belastingschuldige zijn oorspronkelijke bezwaarschrift aanvullen met nieuwe, schriftelijk geformuleerde bezwaren, zelfs als die buiten de termijn, vermeld in artikel 3.5.2.0.1, worden ingediend.

  Art. 3.5.2.0.3. Als een aanvullende aanslag voor een bepaald aanslagjaar gevestigd wordt met toepassing van artikel 3.3.3.0.1 en de nieuwe aanslag op naam van dezelfde belastingplichtige voor een of meer aanslagjaren een door de aanvullende belasting veroorzaakte overmatige belasting doet ontstaan, kan de belastingschuldige binnen een termijn van drie maanden vanaf de derde werkdag die volgt op de verzendingsdatum, vermeld op het aanslagbiljet dat de aanvullende aanslag omvat, een bezwaarschrift indienen tegen de voormelde overmatige belasting.
  In het geval, vermeld in artikel 3.3.5.0.1, tweede lid, waarbij het aanslagbiljet door middel van een procedure waarbij informaticatechnieken worden gebruikt, aan de belastingplichtige is bezorgd, vangt de termijn aan vanaf de verzendingsdatum, vermeld op het aanslagbiljet dat de aanvullende aanslag omvat.

  Art. 3.5.2.0.4. Vanaf het aanslagjaar 2008 kan de termijn, vermeld in artikel 3.5.2.0.1, niet verstrijken voor 31 maart van het jaar dat volgt op het aanslagjaar, als met het bezwaarschrift de vermindering met toepassing van artikel 2.1.5.0.2, § 1, 3°, wordt ingeroepen.

  Art. 3.5.2.0.5. De termijn, vermeld in artikel 3.5.2.0.1, is voor de leegstandsheffing bedrijfsruimten ook van toepassing in geval van opschorting van de belasting als vermeld in artikel 2.6.7.1.1, 2.6.7.2.1, 2.6.7.3.1, 2.6.7.4.1, 2.6.7.5.1 en 2.6.7.6.1. De persoon op naam van wie de belasting in het kohier is ingeschreven, kan echter alsnog om ontheffing verzoeken op basis van middelen die geen betrekking hebben op de vestiging van de belasting zelf en op basis van feiten die zich hebben afgespeeld gedurende de opschorting van de belasting en waarvan die persoon in het kader van de procedure, vermeld in artikel 3.5.2.0.1, geen kennis kon hebben.
  Het verzoek, vermeld in het eerste lid, moet op straffe van verval bij het bevoegde personeelslid schriftelijk ingediend worden binnen een termijn van drie maanden vanaf de derde werkdag die volgt op de datum waarop de opschorting vervalt.

  Afdeling 3. - Natuurlijke personen en rechtspersonen die bezwaar kunnen indienen en de wijze waarop ze bezwaar kunnen indienen

  Art. 3.5.3.0.1. De belastingschuldige kan tegen het bedrag van de gevestigde aanslag, opcentiemen en de opdeciem, verhogingen en boeten inbegrepen, schriftelijk bezwaar indienen bij de bevoegde personeelsleden.
  De bezwaarindiener voegt bij het bezwaarschrift de nodige bewijskrachtige stukken om zijn bezwaar te staven.

  Art. 3.5.3.0.2. De belastingschuldige die om om het even welke vrijstelling of vermindering verzoekt, kan er alleen het voordeel van verkrijgen of behouden als hij zijn recht op die vrijstelling of vermindering bewijst.
  [1 De belastingschuldige moet het bevoegde personeelslid onmiddellijk op de hoogte brengen als niet langer aan de voorwaarden van de vrijstelling is voldaan.]1
  ----------
  (1)<DVR 2015-07-03/17, art. 31, 008; Inwerkingtreding : 01-04-2016 (zie BVR 2015-07-17/15, art. 4, 1°)>

  Art. 3.5.3.0.3. De bepalingen van artikel 3.5.2.0.1, 3.5.2.0.2 en 3.5.3.0.1 zijn ook van toepassing op aanvragen tot kwijtschelding of vermindering van de onroerende voorheffing in de gevallen, vermeld in artikel 2.1.5.0.1 en 2.1.5.0.2.

  Art. 3.5.3.0.4.Als de belastingschuldige [1 beroep kon aantekenen met toepassing van artikel 28 van het decreet van 22 december 1995]1, of beroep kon aantekenen met toepassing van artikel 7 van het decreet van 19 april 1995, kan hij bij zijn bezwaar tegen de belasting de opname in de inventaris niet meer betwisten.
  ----------
  (1)<DVR 2017-12-08/05, art. 25, 024; Inwerkingtreding : 24-12-2017>

  Afdeling 4. - Onderzoeksbevoegdheden

  Art. 3.5.4.0.1. Om de behandeling van het bezwaarschrift te verzekeren beschikt elk bevoegde personeelslid over de bewijsmiddelen en de bevoegdheden die aan de administratie verleend zijn met toepassing van artikel 3.13.1.1.1, 3.13.1.1.2, 3.13.1.1.3, 3.13.1.2.1 tot en met 3.13.1.2.5, 3.13.1.3.1 tot en met 3.13.1.3.6, 3.13.1.4.1, 3.13.1.4.2, 3.17.0.0.1 en 3.19.0.0.1.
  Bovendien kan hij, in het kader van dat bezwaarschrift, van de kredietinstellingen die onderworpen zijn aan de wet van 22 maart 1993 op het statuut van en het toezicht op de kredietinstellingen, alle inlichtingen vorderen waarvan ze kennis hebben en die nuttig kunnen zijn.

  Art. 3.5.4.0.2. Op verzoek van de bevoegde entiteit van de Vlaamse administratie zal er een protocol over de advisering bij de behandeling van ingediende bezwaren worden gesloten met de andere entiteiten van de Vlaamse administratie die bevoegd zijn voor een van de gegevens die noodzakelijk zijn om de belastingen, vermeld in deze codex, te bepalen.

  Afdeling 5. - Behandeltijd

  Art. 3.5.5.0.1. Voorbehouden voor toekomstig gebruik.

  Afdeling 6. - Beslissingswijze voor bezwaar

  Art. 3.5.6.0.1. Het bevoegde personeelslid doet, als administratieve overheid, uitspraak bij een met redenen omklede beslissing over de bezwaren die aangevoerd worden door de belastingschuldige.
  Het is het personeelslid, vermeld in het eerste lid, niet toegelaten bij zijn beslissing een aanvullende aanslag te vestigen, noch de compensatie te verwezenlijken tussen een rechtmatig bevonden ontheffing en een ontoereikendheid van aanslag die zou zijn vastgesteld.

  Afdeling 7. - Collectieve beslissing

  Art. 3.5.7.0.1. Voorbehouden voor toekomstig gebruik.

  Afdeling 8. - Hoorzitting

  Art. 3.5.8.0.1. Als de bezwaarindiener dat in zijn bezwaarschrift heeft gevraagd, zal hij worden uitgenodigd om gehoord te worden voor de bezwaarbeslissing wordt genomen.

  Afdeling 9. - Kennisgeving

  Art. 3.5.9.0.1. De beslissing wordt schriftelijk meegedeeld en ze vermeldt de wijze waarop ertegen in rechte kan worden getreden. De beslissing is onherroepelijk als geen vordering is ingesteld bij de rechtbank van eerste aanleg binnen de termijn, vermeld in artikel 1385undecies van het Gerechtelijk Wetboek.

  Hoofdstuk 6. - Ambtshalve ontheffing

  Art. 3.6.0.0.1. Het bevoegde personeelslid verleent ambtshalve ontheffing van de overmatige belastingen die voortvloeien uit materiële vergissingen, uit dubbele belasting, alsook van die welke blijken uit afdoende bevonden nieuwe bescheiden of feiten waarvan het laattijdig overleggen of inroepen door de belastingschuldige wordt verantwoord door gewettigde redenen en op voorwaarde dat :
  1° die overmatige belastingen door de administratie zijn vastgesteld of door de belastingschuldige aan de administratie zijn bekendgemaakt binnen vijf jaar vanaf 1 januari van het jaar waarin de belasting is gevestigd;
  2° de aanslag nog niet het voorwerp is geweest van een bezwaarschrift dat aanleiding heeft gegeven tot een definitieve beslissing over de grond.
  Een nieuw rechtsmiddel of een wijziging van jurisprudentie wordt niet beschouwd als nieuw gegeven.
  Het bevoegde personeelslid verleent ook ambtshalve ontheffing van de verminderingen en vrijstellingen met toepassing van artikel 2.1.6.0.2, eerste lid, 1° en 2°, en artikel 2.1.5.0.1, § 1, 1° tot en met 3°, en § 2, eerste lid, 1° tot en met 3°, en artikel 2.1.5.0.2, § 1, 1°, 2° en 4°, als het feit dat aanleiding geeft tot die verminderingen of vrijstellingen, door de administratie is vastgesteld of door de belastingschuldige aan de administratie is bekendgemaakt binnen vijf jaar vanaf 1 januari van het aanslagjaar waartoe de belasting behoort waarop die verminderingen moeten worden verleend.

  Art. 3.6.0.0.2. Het bevoegde personeelslid doet bij met redenen omklede beslissing uitspraak over het verzoek dat ingediend is door de belastingschuldige.

  Art. 3.6.0.0.3. De beslissing wordt schriftelijk meegedeeld en ze vermeldt de wijze waarop ertegen in rechte kan worden getreden. De beslissing is onherroepelijk als geen vordering is ingesteld bij de rechtbank van eerste aanleg binnen de termijn, vermeld in artikel 1385undecies van het Gerechtelijk Wetboek.

  Art. 3.6.0.0.4.[1 Wat de erfbelasting betreft, verleent het bevoegde personeelslid ook ontheffing van de erfbelasting in de volgende gevallen op voorwaarde dat een aangifte is ingediend binnen een termijn van vijf jaar vanaf 1 januari van het jaar waarin het recht tot teruggave is ontstaan, die het hierna vermelde feit aanduidt :
   1° wanneer, na het openvallen van de nalatenschap, de actieve samenstelling ervan verminderd wordt, hetzij door :
   a) het intreden van een voorwaarde of van elk ander voorval;
   b) de oplossing van een geschil ingevolge een in kracht van gewijsde gegaan vonnis of een transactie.
   De ontheffing is niet mogelijk als de vermindering van het actief het gevolg is van een ontbinding ingevolge het niet-uitvoeren door de erfgenamen, legatarissen of begiftigden van de voorwaarden van een contract;
   2° wanneer een verandering in de devolutie van de nalatenschap ontstaat waardoor het aanvankelijk berekende bedrag kan worden verminderd;
   3° wanneer in de gevallen, vermeld in artikel 2.7.4.1.2, de belanghebbende de werkelijke toestand aantoont, waardoor het aanvankelijk berekende bedrag kan worden verminderd.
  [2 4° wanneer aan de voorwaarde van artikel 2.7.6.0.5, § 2, tweede lid, wordt voldaan.]2
   De bepalingen van artikel 3.6.0.0.2 en 3.6.0.0.3 zijn onverminderd van toepassing op dit artikel.]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij DVR 2014-12-19/97, art. 227, 006; Inwerkingtreding : 01-01-2015>
  (2)<DVR 2017-12-22/57, art. 19, 031; Inwerkingtreding : 09-06-2018>

  Art. 3.6.0.0.5. [1 Als de erfbelasting is betaald met kunstwerken ingevolge de toepassing van artikel 3.4.3.0.2, kan de terugbetaling die voortvloeit uit de toepassing van artikel 3.6.0.0.1 of 3.6.0.0.4, alleen in geld gedaan worden.]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij DVR 2014-12-19/97, art. 228, 006; Inwerkingtreding : 01-01-2015>

  Art. 3.6.0.0.6.[1 § 1. Wat de registratiebelasting betreft, verleent het bevoegde personeelslid ook ontheffing van de registratiebelasting in de volgende gevallen op voorwaarde dat een verzoek is ingediend binnen een termijn van vijf jaar vanaf 1 januari van het jaar waarin het recht tot teruggave is ontstaan, dat het hierna vermelde feit aanduidt :
   1° wanneer een akte vals is verklaard of de nietigheid van een overeenkomst is uitgesproken of vastgesteld door een in kracht van gewijsde gegaan vonnis of arrest;
   2° wanneer alle partijen die betrokken zijn bij een overeenkomst waarop het verkooprecht van toepassing is, verklaren deze overeenkomst in der minne te hebben ontbonden of te hebben vernietigd, of verklaren dat een voorwaarde die uitdrukkelijk bedongen is in de overeenkomst, al is vervuld. Die verklaring moet blijken uit een geregistreerde overeenkomst, gedateerd minder dan een jaar na de dagtekening van de eerste overeenkomst.
   De teruggave is niet mogelijk voor het verkooprecht, geheven op een overeenkomst die bij authentieke akte is vastgesteld, noch op een inbreng door een natuurlijke persoon van een woning in een Belgische vennootschap, noch op een overeenkomst die onderworpen is aan het tarief, vermeld in artikel 2.9.4.2.4, § 1;
   3° wanneer een in kracht van gewijsde gegaan vonnis of arrest de ontbinding of de herroeping uitspreekt of vaststelt van een overeenkomst, op voorwaarde dat uit de beslissing blijkt dat ten hoogste één jaar na de overeenkomst het geding, zelfs bij een onbevoegde rechter, is ingeleid;
   4° wanneer de belasting over de toegevoegde waarde opeisbaar wordt overeenkomstig artikel 1, § 10, van het Wetboek van de Belasting over de Toegevoegde Waarde op de verrichting van vervreemding onder bezwarende titel van een onroerend goed of van de vestiging, overdracht en wederoverdracht van een zakelijk recht op een onroerend goed;
   5° wanneer een vonnis of een arrest geheel of gedeeltelijk wordt vernietigd door een andere in kracht van gewijsde gegane rechterlijke beslissing.
  [4 De ontheffing, vermeld in het eerste lid, 2°, wordt toegestaan met voorbehoud van 10 euro op de ontbonden overeenkomst.
   Wat de registratiebelasting betreft, verleent het bevoegde personeelslid ook ontheffing van het bedrag aan registratiebelasting dat te veel is geheven overeenkomstig artikel 2.8.5.0.1, § 1, derde lid, op voorwaarde dat een verzoek is ingediend binnen een termijn van vijf jaar vanaf 1 januari van het jaar waarin het kind geboren is.]4
  [2 § 1/1. Wat de registratiebelasting betreft, verleent het bevoegde personeelslid ook ontheffing van het geheven bedrag dat hoger is dan de schenkbelasting, vermeld in artikel 2.8.4.3.1, hetzij § 1, hetzij § 3, op voorwaarde dat de bewijsstukken, vermeld in artikel 2.8.4.3.1, § 1, worden ingediend uiterlijk zes maanden na het verstrijken van het vijfde jaar na de datum van de akte van schenking.]2
  [3 § 1/2. Wat de registratiebelasting betreft, verleent het bevoegde personeelslid ook ontheffing van het geheven bedrag dat hoger is dan de schenkbelasting, vermeld in artikel 2.8.4.3.1, hetzij § 2, hetzij § 3, op voorwaarde dat de bewijsstukken vermeld in artikel 2.8.4.3.1, § 2, worden ingediend uiterlijk zes maanden na het verstrijken van het derde jaar na de datum van de akte van schenking.]3
  [5 § 1/3. Wat de registratiebelasting betreft, verleent het bevoegde personeelslid ook ontheffing van het geheven bedrag dat hoger is dan de schenkbelasting, vermeld in artikel 2.8.4.4.1, hetzij § 1, hetzij § 3, op voorwaarde dat de begiftigden een verzoek tot teruggave indienen uiterlijk zes maanden na het verstrijken van het vijfde jaar na de datum van de schenkingsakte en een attest verkrijgen waaruit blijkt dat aan de voorwaarden, vermeld in artikel 2.8.4.4.1, hetzij § 1, hetzij § 3, is voldaan. Het voormelde attest wordt door de bevoegde entiteit van de Vlaamse overheid verkregen van het agentschap, vermeld in artikel 2.1, 2°, van het Onroerenderfgoeddecreet van 12 juli 2013.
   Het recht op ontheffing vervalt bij elke vervreemding onder de levenden van het beschermde monument binnen vijf jaar na de datum van de schenkingsakte en voordat de beheersmaatregelen, werkzaamheden of diensten die noodzakelijk zijn voor het behoud of de herwaardering van erfgoedkenmerken en -elementen van het beschermde monument, zijn beëindigd.]5
   § 2. Wat de registratiebelasting betreft, verleent het bevoegde personeelslid ook ontheffing van de registratiebelasting op voorwaarde dat een verzoek is ingediend binnen een termijn van vijf jaar vanaf 1 januari van het jaar waarin het recht tot teruggave is ontstaan, waarin wordt aangetoond dat een onroerend goed dat door de verkoper of zijn rechtsvoorgangers is verkregen bij een akte waarop het verkooprecht met toepassing van artikel 2.9.4.1.1 is voldaan, wordt wederverkocht. De ontheffing ten voordele van de wederverkoper beperkt zich in dat geval tot drie vijfde van het verkooprecht dat geheven is.
  [8 "In afwijking van het eerste lid is de ontheffing beperkt tot drie vijfde van het wettelijk aandeel van de wederverkoper in het verkooprecht dat is betaald bij de verkrijging van het onroerend goed met toepassing van artikel 2.9.4.1.1, als de wederverkoper een onroerend goed wederverkoopt dat hij gedeeltelijk heeft verkregen bij een verdeling of een afstand die gelijkstaat met verdeling. De persoon door wie een deel van het onroerend goed aan de wederverkoper is afgestaan bij een verdeling of een afstand die gelijkstaat met verdeling, kan ook ontheffing vragen van drie vijfde van zijn wettelijk aandeel in het verkooprecht dat is betaald bij de verkrijging van het onroerend goed met toepassing van artikel 2.9.4.1.1.]8
   De wederverkoop, vermeld in het eerste lid, moet bij authentieke akte vastgesteld zijn binnen twee jaar na de datum van de authentieke akte van verkrijging.
   Als de verkrijging of de wederverkoop heeft plaatsgevonden onder een opschortende voorwaarde, wordt de termijn van wederverkoop berekend op basis van de datum waarop die voorwaarde is vervuld.
   De registratiebelasting die betrekking heeft op het gedeelte van de prijs en de lasten van de verkrijging, dat hoger is dan de conform artikel 2.9.3.0.1 bepaalde heffingsgrondslag van de akte van wederverkoop, wordt niet teruggegeven.
   In geval van gedeeltelijke wederverkoop wordt in het verzoek tot teruggave het deel van de aanschaffingsprijs dat betrekking heeft op het wederverkochte gedeelte, nader aangegeven onder controle van de bevoegde entiteit van de Vlaamse administratie.
  [4 § 2/1. [6 Wat de registratiebelasting betreft, verleent het bevoegde personeelslid ook ontheffing van het bedrag aan registratiebelasting dat meer bedraagt dan het verkooprecht, vermeld in [7 artikel 2.9.4.2.11, § 1, artikel 2.9.4.2.12 en artikel 2.9.4.2.14,]7 op voorwaarde dat een verzoek is ingediend binnen een termijn van vijf jaar vanaf 1 januari van het jaar waarin het recht tot teruggave is ontstaan. In het verzoek tot teruggave moet worden aangetoond dat de woning [7 of bouwgrond]7 die de toepassing van het verlaagde tarief van [7 artikel 2.9.4.2.11, § 1, artikel 2.9.4.2.12 en artikel 2.9.4.2.14,]7 heeft verhinderd, uiterlijk een jaar na de datum van de authentieke akte van verkrijging van de andere woning volledig en ten bezwarende titel is vervreemd, en dat er een causaal verband bestaat tussen die vervreemding en de verkrijging. Bovendien moet in het verzoek tot teruggave worden voldaan aan de verplichting, vermeld in artikel 3.12.3.0.1, § 1 en § 3.]6]4
   § 3. Wat de registratiebelasting betreft, verleent het bevoegde personeelslid ook ontheffing van de registratiebelasting op voorwaarde dat een verzoek is ingediend binnen een termijn van vijf jaar vanaf 1 januari van het jaar waarin het recht tot teruggave is ontstaan, waarin wordt aangetoond dat een zuivere verkoop heeft plaatsgevonden door een natuurlijke persoon van een woning in het Vlaamse Gewest, waarin hij op een ogenblik zijn hoofdverblijfplaats heeft gehad in de periode van achttien maanden voorafgaand aan de zuivere aankoop van het onroerend goed dat hij als zijn nieuwe hoofdverblijfplaats aanwendt of bestemt, en, in geval van verdeling van een dergelijke woning, waarbij de natuurlijke persoon al zijn rechten erin heeft afgestaan. De ontheffing wordt verleend voor het wettelijk aandeel in de registratiebelasting die geheven is op de aankoop van het onroerend goed dat de natuurlijke persoon als zijn nieuwe hoofdverblijfplaats aanwendt of bestemt, [4 op voorwaarde dat de authentieke akte van de verkoop of de verdeling is verleden binnen twee jaar, of vijf jaar in geval van de aankoop van een bouwgrond, na de datum van het verlijden van de authentieke akte van de nieuwe aankoop]4.
   De registratiebelasting, betaald voor de verkrijging van een onroerend goed dat niet in het Vlaamse Gewest ligt, alsook de aanvullende rechten die om om het even welke reden op een aankoop zijn geheven, zijn uitgesloten van de teruggave, overeenkomstig de bepalingen van deze paragraaf.
   De teruggave, overeenkomstig de bepalingen van deze paragraaf, kan in geen geval meer bedragen dan het bedrag van het wettelijk aandeel van de natuurlijke persoon in de registratiebelasting die [6 conform artikel 2.9.4.1.1, artikel 2.9.4.2.11, artikel 2.9.4.2.12, artikel 2.9.4.2.13 of artikel 2.9.4.2.14]6 verschuldigd was op de aankoop van de verkochte of verdeelde woning of van de bouwgrond waarop die woning is opgericht.
   Als een verrichting als vermeld in het eerste lid, is voorafgegaan door een of meer van zulke verrichtingen of door een of meer verrichtingen als vermeld in artikel 2.9.5.0.1, eerste lid, wordt, in voorkomend geval, de bij die voorgaande verrichtingen ingevolge de toepassing van het derde of het vijfde lid van deze paragraaf nog niet teruggegeven registratiebelasting of de ingevolge de toepassing van artikel 2.9.5.0.1, derde of vijfde lid, nog niet verrekende registratiebelasting, gevoegd bij het wettelijk aandeel van de natuurlijke persoon in de [6 conform artikel 2.9.4.1.1, artikel 2.9.4.2.11, artikel 2.9.4.2.12, artikel 2.9.4.2.13 of artikel 2.9.4.2.14]6 verschuldigde registratiebelasting op de voorlaatste aankoop, om het teruggeefbare bedrag bij de wederverkoop ervan te bepalen.
   [6 Het terug te geven bedrag, dat verkregen is met toepassing van het eerste of het vierde lid, kan nooit meer bedragen dan 12.500 euro. Dit bedrag is gekoppeld aan de schommelingen van het algemene indexcijfer van de consumptieprijzen van het Rijk. De bedragen worden jaarlijks op 1 januari aangepast op basis van een coëfficiënt die verkregen wordt door het gemiddelde van de maandelijkse indexcijfers van het jaar dat voorafgaat aan het jaar, te delen door het gemiddelde van de indexcijfers van het jaar 2017. Het gemiddelde van de maandelijkse indexcijfers wordt afgerond op het hogere of lagere honderdste naargelang het cijfer van de duizendsten al of niet vijf bereikt, en de coëfficiënt wordt afgerond op het hogere of lagere tienduizendste naargelang het cijfer van de honderdduizendsten al of niet vijf bereikt. Na de toepassing van die coëfficiënt worden de bedragen afgerond op de lagere vijfhonderd euro. Het toepasbare geïndexeerde maximumbedrag is het bedrag voor het jaar waarin het recht op teruggave ontstaat. Het maximale terug te geven bedrag wordt bepaald in verhouding tot de fractie die de natuurlijke persoon verkrijgt in het nieuw aangekochte goed.]6
   Aan de teruggave zijn de volgende voorwaarden verbonden :
   1° het verzoek tot teruggave, ondertekend door de natuurlijke persoon, wordt gedaan in of onderaan op de akte die of het geschrift dat aanleiding geeft tot de heffing van de registratiebelasting op de verkoop of de verdeling [4 of in een afzonderlijk verzoek tot teruggave]4;
   2° de akte of het geschrift, vermeld in punt 1°, bevat :
   a) het bedrag en de datum van betaling van de registratiebelasting, geheven op de aankoop van de verkochte of verdeelde woning of van de bouwgrond waarop die woning is opgericht, en vermeldt het wettelijk aandeel van de natuurlijke persoon in de registratiebelasting, geheven op die aankoop;
   b) het bedrag en de datum van betaling van de registratiebelasting, geheven op de aankoop van de nieuwe hoofdverblijfplaats, en vermeldt het wettelijk aandeel van de natuurlijke persoon in de registratiebelasting, geheven op die aankoop.
   Als de teruggave wordt gevraagd met toepassing van het vierde lid van deze paragraaf, moet de akte of het geschrift, vermeld in punt 1°, bovendien het bedrag en de datum van betaling van de registratiebelasting vermelden, aangebracht op de akten of geschriften die betreffende de in aanmerking te nemen voorafgaande verrichtingen aanleiding hebben gegeven tot het heffen van de registratiebelasting, en bij iedere vermelding het wettelijk aandeel van de natuurlijke persoon in de verrekende of teruggegeven registratiebelasting vermelden;
   3° in de akte of het geschrift, vermeld in punt 1°, of in een ondertekende en voor waar en oprecht verklaarde vermelding onderaan op die akte of dat geschrift, verklaart de natuurlijke persoon uitdrukkelijk :
   a) dat hij op een ogenblik in de periode van achttien maanden voorafgaand aan de aankoop van de woning die hij tot zijn nieuwe hoofdverblijfplaats aanwendt of bestemt, zijn hoofdverblijfplaats heeft gehad in de wederverkochte of verdeelde woning;
   b) dat hij zijn hoofdverblijfplaats op de plaats van het nieuw aangekochte goed heeft gevestigd of zal vestigen :
   1) als het een woning betreft, binnen twee jaar na, ofwel de datum van de registratie van de akte die of het geschrift dat tot de heffing van de registratiebelasting op de aankoop aanleiding geeft, als die akte of dat geschrift binnen de ervoor bepaalde termijn ter registratie wordt aangeboden, ofwel de uiterste datum voor tijdige aanbieding ter registratie, als de akte die of het geschrift dat tot de heffing van de registratiebelasting op de aankoop aanleiding geeft, wordt aangeboden na het verstrijken van de daarvoor bepaalde termijn;
   2) als het een bouwgrond betreft, binnen vijf jaar na dezelfde datum.
   [4 ...]4
   In geval van onjuistheid of niet-nakoming van de vermeldingen, voorgeschreven bij het zesde lid, is de natuurlijke persoon gehouden tot betaling van de onrechtmatig teruggegeven registratiebelasting.
   § 4. Wat betreft de registratiebelasting verleent het bevoegde personeelslid ook ontheffing van de registratiebelasting van zes procent, geheven overeenkomstig artikel 2.9.4.2.7, als een aangekocht goed wordt wederverkocht bij authentieke akte, verleden binnen tien jaar na de datum van de akte van verkrijging, op voorwaarde dat een aangifte wordt ingediend binnen een termijn van vijf jaar vanaf 1 januari van het jaar waarin het recht tot teruggave is ontstaan, die het hierboven vermelde feit aanduidt.
   De bepalingen van paragraaf 2, derde en vierde lid, zijn van toepassing op deze paragraaf.
   § 5. [4 [6 Wat de registratiebelasting betreft, verleent het bevoegde personeelslid ook ontheffing van het geheven bedrag dat hoger is dan het verkooprecht, vermeld in hetzij artikel 2.9.4.2.11, hetzij artikel 2.9.4.2.12, hetzij artikel 2.9.4.2.13, hetzij artikel 2.9.4.2.14, op voorwaarde dat een verklaring, ondertekend door de verkrijger, waarin de bepalingen, vermeld in artikel 3.12.3.0.1, die vereist zijn om het verlaagde tarief te verkrijgen, vermeld in hetzij artikel 2.9.4.2.11, hetzij artikel 2.9.4.2.12, hetzij artikel 2.9.4.2.13, hetzij artikel 2.9.2.14, zijn opgenomen, is ingediend binnen een termijn van vijf jaar vanaf 1 januari van het jaar waarin de belasting opeisbaar is geworden.]6]4
   § 6. [6 ...]6
   § 7. De bepalingen van artikel 3.6.0.0.2 en 3.6.0.0.3 zijn onverminderd van toepassing op dit artikel.]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij DVR 2014-12-19/97, art. 229, 006; Inwerkingtreding : 01-01-2015>
  (2)<DVR 2015-07-03/03, art. 29, 007; Inwerkingtreding : 01-07-2015>
  (3)<DVR 2015-07-03/03, art. 30, 007; Inwerkingtreding : 01-07-2015>
  (4)<DVR 2015-07-17/22, art. 27, 009; Inwerkingtreding : 14-08-2015>
  (5)<DVR 2017-04-21/06, art. 8, 020; Inwerkingtreding : 14-05-2017>
  (6)<DVR 2018-05-18/01, art. 13, 030; Inwerkingtreding : 01-06-2018>
  (7)<DVR 2018-12-21/02, art. 39,2°-39,3°, 037; Inwerkingtreding : 01-06-2018>
  (8)<DVR 2018-12-21/02, art. 39,1°, 037; Inwerkingtreding : 07-01-2019>

  Hoofdstuk 7. - Nietigverklaring

  Art. 3.7.0.0.1. Een aanslag kan door het bevoegde personeelslid nietig verklaard worden omdat hij niet is gevestigd overeenkomstig een wettelijke regel, binnen een termijn van vijf jaar vanaf 1 januari van het jaar waarin de belasting is gevestigd. Die termijn is niet van toepassing als de aanslag nietig is verklaard vanwege een regel over de verjaring.

  Art. 3.7.0.0.2. § 1. Als een aanslag nietig verklaard is omdat hij niet is gevestigd overeenkomstig een wettelijke regel, met uitzondering van een regel over de verjaring, kan de bevoegde entiteit van de Vlaamse administratie, zelfs als de termijn om de aanslag te vestigen al verlopen is, op naam van dezelfde belastingplichtige, op grond van dezelfde belastingelementen of op een gedeelte ervan, een nieuwe aanslag vestigen binnen drie maanden vanaf de datum waarop de beslissing van het bevoegde personeelslid niet meer voor de rechter kan worden gebracht.
  § 2. Als tegen een beslissing van het bevoegde personeelslid een vordering in rechte is ingesteld en de rechter de aanslag geheel of ten dele nietig verklaart, om een andere reden dan verjaring, blijft de zaak gedurende een termijn van zes maanden vanaf de rechterlijke beslissing ingeschreven op de rol. Gedurende die termijn van zes maanden die de termijnen om verzet of hoger beroep aan te tekenen of om een voorziening in cassatie in te dienen schorst, kan de bevoegde entiteit van de Vlaamse administratie een subsidiaire aanslag door middel van conclusies aan het oordeel van de rechter onderwerpen op naam van dezelfde belastingschuldige en op grond van dezelfde belastingelementen als in de initiële aanslag of op grond van een deel van die belastingelementen.
  Als de bevoegde entiteit van de Vlaamse administratie binnen de termijn van zes maanden een subsidiaire aanslag aan de rechter voorlegt, beginnen, in afwijking van het eerste lid, de termijnen om verzet of hoger beroep aan te tekenen of om een voorziening in cassatie in te dienen, te lopen vanaf de betekening van de rechterlijke beslissing over de subsidiaire aanslag.
  De subsidiaire aanslag is alleen invorderbaar of terugbetaalbaar ter uitvoering van de rechterlijke beslissing.
  Als de subsidiaire aanslag gevestigd wordt voor een met toepassing van paragraaf 3 gelijkgestelde belastingplichtige, wordt die aanslag aan de rechter onderworpen door een aan de gelijkgestelde belastingschuldige betekend verzoekschrift met dagvaarding om te verschijnen.
  § 3. De volgende personen worden gelijkgesteld met dezelfde belastingplichtige :
  1° de erfgenamen van de belastingplichtige;
  2° zijn echtgenoot of wettelijk samenwonende en de huwgemeenschap;
  3° de overnemende of de verkrijgende vennootschappen, naargelang het geval.

  Hoofdstuk 8. - Gerechtelijk beroep

  Art. 3.8.0.0.1. De termijnen van verzet, hoger beroep en cassatie, alsook het verzet, het hoger beroep en de voorziening in cassatie schorsen de tenuitvoerlegging van de gerechtelijke beslissing.

  Art. 3.8.0.0.2. Het verzoekschrift houdende voorziening in cassatie en het antwoord op de voorziening mag door een advocaat worden ondertekend en neergelegd.

  Art. 3.8.0.0.3. Inzake de geschillen over de toepassing van deze codex kan het bevoegde personeelslid in naam van het Vlaamse Gewest verschijnen.

  Art. 3.8.0.0.4. [1 De openbare of ministeriële ambtenaren en officieren die, krachtens de bepalingen van deze titel, voor de partijen de registratiebelasting en, in voorkomend geval, de administratieve geldboeten voorgeschoten hebben, kunnen met het oog op de terugbetaling ervan, uitvoerbaar bevel vragen aan de vrederechter van hun kanton.
   Artikel 3.8.0.0.1 is toepasselijk op het tegen dit bevel aangetekend verzet.]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij DVR 2014-12-19/97, art. 230, 006; Inwerkingtreding : 01-01-2015>

  Hoofdstuk 9. - Interesten

  Afdeling 1. - Nalatigheidsinteresten

  Art. 3.9.1.0.1. § 1. Bij wanbetaling binnen de termijnen, vermeld in hoofdstuk 4, afdeling 2, brengen de verschuldigde sommen ten bate van het Vlaamse Gewest, voor de duur van het verwijl, een interest van 7 % op jaarbasis op, berekend per kalendermaand.
  Die interest wordt voor elke aanslag per kalendermaand berekend op de nog verschuldigde som, afgerond op het lagere veelvoud van tien euro, hetzij vanaf de eerste dag van de maand die volgt op de vervaldag, hetzij vanaf de eerste dag van de maand die volgt op de vorige betaling als een som is aangerekend op de hoofdsom van de schuld, tot op de laatste dag van de maand waarin de betaling plaatsvindt.
  De nalatigheidsinterest is niet verschuldigd als hij geen vijf euro per maand bedraagt.
  § 2. Als de kennisgeving van de beslissing, vermeld in artikel 3.5.6.0.1, eerste lid, niet plaatsvindt binnen zes maanden na de datum van de ontvangst van het bezwaarschrift, is de nalatigheidsinterest, vermeld in paragraaf 1, niet verschuldigd voor het betwiste gedeelte van de aanslag gedurende het tijdperk dat begint op de eerste dag van de maand die volgt op de maand waarin de termijn van zes maanden verstrijkt en dat afloopt op het einde van de maand waarin een vordering conform artikel 1385undecies van het Gerechtelijk Wetboek wordt ingesteld en, bij ontstentenis van een dergelijke vordering, op het einde van de maand waarin de voormelde beslissing is meegedeeld.

  Art. 3.9.1.0.2. In bijzondere gevallen mag het bevoegde personeelslid, onder door hem bepaalde voorwaarden, vrijstelling verlenen voor al de nalatigheidsinteresten of voor een deel ervan.

  Art. 3.9.1.0.3. [1 De rechtspersoon die inzake de erfbelasting de schorsing, vermeld in artikel 3.10.3.1.3, verkrijgt, moet nalatigheidsinteresten betalen alsof hij die schorsing niet verkregen had.
   Inzake de erfbelasting, waarvan de invordering is geschorst met toepassing van artikel 3.10.3.1.4, zijn de nalatigheidsinteresten alleen verschuldigd als de erfbelasting niet door de inbetalinggeving wordt voldaan.]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij DVR 2014-12-19/97, art. 231, 006; Inwerkingtreding : 01-01-2015>

  Afdeling 2. - Moratoriuminteresten

  Art. 3.9.2.0.1.Bij terugbetaling van belastingen, nalatigheidsinteresten, belastingverhogingen of administratieve geldboeten wordt moratoriuminterest toegekend tegen een rentevoet van 7 % op jaarbasis, berekend per kalendermaand.
  Die interest wordt [2 voor elke aanslag]2 per kalendermaand berekend op het bedrag van elke betaling, afgerond op het lagere veelvoud van tien euro. De maand waarin de betaling is uitgevoerd, wordt niet meegerekend, maar de maand waarin aan de belastingschuldige het bericht wordt gestuurd dat de terug te betalen som ter beschikking is, wordt voor een hele maand geteld.
  Er wordt geen moratoriuminterest toegekend :
  1° als de moratoriuminterest minder dan vijf euro per maand bedraagt;
  2° als de terugbetaling voortvloeit uit de kwijtschelding of de vermindering van een administratieve geldboete of een belastingverhoging die toegekend is als genademaatregel.
  [1 3° in geval van terugbetaling van erfbelasting, tenzij de terugbetaling plaatsvindt ingevolge een vergissing vanwege de bevoegde entiteit van de Vlaamse administratie;
   4° in geval van terugbetaling van registratiebelasting, tenzij de terugbetaling plaatsvindt ingevolge een vergissing vanwege de bevoegde entiteit van de Vlaamse administratie.]1
  ----------
  (1)<DVR 2014-12-19/97, art. 232, 006; Inwerkingtreding : 01-01-2015>
  (2)<DVR 2017-12-08/05, art. 26, 024; Inwerkingtreding : 24-12-2017>

  Hoofdstuk 10. - Invordering

  Afdeling 1. - Herinnering

  Art. 3.10.1.0.1. Voorbehouden voor toekomstig gebruik.

  Afdeling 2. - Laatste herinnering

  Art. 3.10.2.0.1. Het bevoegde personeelslid moet een herinneringsbrief sturen ten minste één maand voor de gerechtsdeurwaarder een bevel tot betaling opstelt, behalve als de rechten van het Vlaamse Gewest in gevaar zijn.

  Afdeling 3. - Vervolging

  Onderafdeling 1. - Algemeen

  Art. 3.10.3.1.1.§ 1. De belasting die wordt ingekohierd op naam van één natuurlijke persoon of rechtspersoon, kan ten laste van die persoon worden ingevorderd.
  § 2. De onroerende voorheffing die wordt ingekohierd op naam van verschillende natuurlijke personen of rechtspersonen kan, behalve in geval van andersluidende wetsbepalingen, slechts ten laste van elk van hen worden ingevorderd voor het gedeelte dat verband houdt met hun aandeel in het onroerend goed. Het kohier is uitvoerbaar tegen elk van hen in de mate dat de aanslag ten laste van die natuurlijke personen of rechtspersonen kan worden ingevorderd op grond van het gemeen recht of op grond van de bepalingen van deze codex.
  De verkeersbelasting, de belasting op de inverkeerstelling [5 ...]5, [2 de administratieve geldboetes die worden opgelegd ingevolge overtredingen van de regelgeving inzake de kilometerheffing]2 de leegstandsheffing bedrijfsruimten, de [3 heffing ongeschikte en onbewoonbare woningen]3 [4 , de heffing, vermeld in titel II, hoofdstuk VI, afdeling 2, van de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening van 15 mei 2009, de belasting op de spelen en weddenschappen of de belasting op de automatische ontspanningstoestellen,]4 die ingekohierd is op naam van verschillende natuurlijke personen of rechtspersonen, kan, behalve in geval van andersluidende bepalingen in deze codex, ten laste van elk van hen worden ingevorderd. De belastingschuldigen zijn hoofdelijk gehouden tot betaling van de belasting.
  [1 De registratiebelasting, die wordt ingekohierd op naam van verschillende natuurlijke personen of rechtspersonen, kan, behalve in geval van andersluidende wetsbepalingen, alleen ten laste van elk van hen worden ingevorderd voor het gedeelte dat verband houdt met hun aandeel in het goed dat het voorwerp uitmaakt van de overeenkomst. Het kohier is uitvoerbaar tegen elk van hen in de mate dat de aanslag ten laste van die natuurlijke of rechtspersonen kan worden ingevorderd op grond van het gemeen recht of op grond van de bepalingen van deze codex.]1
  § 3. Het kohier is uitvoerbaar tegen de personen die er niet in zijn opgenomen als ze gehouden zijn tot de betaling van de belastingschuld op grond van het gemeen recht of op grond van de bepalingen van deze codex.
  ----------
  (1)<DVR 2014-12-19/97, art. 233, 006; Inwerkingtreding : 01-01-2015>
  (2)<DVR 2016-03-25/05, art. 3, 012; Inwerkingtreding : 01-04-2016>
  (3)<DVR 2016-12-23/05, art. 52, 015; Inwerkingtreding : 01-01-2017>
  (4)<DVR 2018-12-07/09, art. 44, 036; Inwerkingtreding : 01-01-2019>
  (5)<DVR 2018-12-21/02, art. 40, 037; Inwerkingtreding : 07-01-2019>

  Art. 3.10.3.1.2.[1 [2 De met erfstelling bezwaarde erfgenaam die de aangifte in het geval, vermeld in artikel 3.3.1.0.6, eerste lid, 5°, niet indient, is]2 inzake de erfbelasting met de belastingschuldige hoofdelijk gehouden tot de betaling van de belastingen en toebehoren, die door de inbreuk ontdoken werden, en, in voorkomend geval, van de nalatigheidsinteresten en van de administratieve geldboetes en de belastingverhogingen.]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij DVR 2014-12-19/97, art. 234, 006; Inwerkingtreding : 01-01-2015>
  (2)<DVR 2018-12-21/02, art. 41, 037; Inwerkingtreding : 07-01-2019>

  Art. 3.10.3.1.3. [1 Als een legaat ten behoeve van een rechtspersoon met statutaire zetel, hoofdbestuur of hoofdvestiging op het grondgebied van een staat van de Europese Economische Ruimte aan een machtiging of aan een goedkeuring van de overheid onderworpen is, wordt inzake de erfbelasting, op schriftelijk verzoek van de rechtspersoon, de invordering van de belastingen en toebehoren, verschuldigd door die rechtspersoon, geschorst gedurende twee maanden.]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij DVR 2014-12-19/97, art. 235, 006; Inwerkingtreding : 01-01-2015>

  Art. 3.10.3.1.4. [1 Als, overeenkomstig artikel 3.4.3.0.2, kunstwerken ter betaling worden aangeboden, wordt inzake de erfbelasting de invordering van de belastingen en toebehoren waarvan de betaling door middel van die kunstwerken wordt aangeboden, geschorst gedurende twee maanden vanaf de dag waarop het aanbod is geweigerd of vanaf de dag van de slechts gedeeltelijke aanvaarding, hetzij wat de goederen, hetzij wat de waarde betreft.]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij DVR 2014-12-19/97, art. 236, 006; Inwerkingtreding : 01-01-2015>

  Art. 3.10.3.1.5. [1 In geval van toepassing van artikel 2.8.4.2.3, tweede lid, zijn de schenker en de begiftigden hoofdelijk gehouden tot de betaling van de aanvullende rechten.
   In geval van toepassing van artikel 2.8.4.2.3, derde lid, zijn de begiftigden die de verbintenis zijn aangegaan en niet zijn nagekomen, bovendien hoofdelijk gehouden tot de betaling van alle aanvullende rechten over de aandelen van hun medebegiftigden die de verbintenissen niet zijn aangegaan, tenzij er een medebegiftigde rest die wel de verbintenis die door hem is aangegaan, is nagekomen.]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij DVR 2014-12-19/97, art. 237, 006; Inwerkingtreding : 01-01-2015>

  Art. 3.10.3.1.6.
  <Opgeheven bij DVR 2017-12-08/05, art. 27, 024; Inwerkingtreding : 24-12-2017>

  Art. 3.10.3.1.7.
  <Opgeheven bij DVR 2017-12-08/05, art. 27, 024; Inwerkingtreding : 24-12-2017>

  Art. 3.10.3.1.8. [1 Als de verklaring over de uitbating van de geruilde onroerende goederen, vermeld in artikel 3.12.3.0.1, § 3, vierde lid, onjuist wordt bevonden, zijn de partijen hoofdelijk gehouden tot de betaling van de aanvullende rechten.]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij DVR 2014-12-19/97, art. 240, 006; Inwerkingtreding : 01-01-2015>

  Onderafdeling 2. - Rechtstreekse vervolging

  Art. 3.10.3.2.1. Als de belastingen en toebehoren niet voldaan worden, kunnen de bevoegde personeelsleden een dwangschrift uitvaardigen.
  Op basis van dat dwangschrift kan via gerechtsdeurwaardersexploot een dwangbevel betekend worden tot betaling binnen vierentwintig uur, op straffe van tenuitvoerlegging door beslag.
  In het dwangbevel wordt verwezen naar het dwangschrift en het kohieruittreksel die samen met het dwangbevel worden betekend.
  Behalve in geval van andersluidende bepalingen zijn op het dwangbevel de bepalingen van deel V van het Gerechtelijk Wetboek van toepassing.
  Gedeeltelijke betalingen die verricht zijn ingevolge de betekening van een dwangbevel, verhinderen de voortzetting van de vervolgingen niet.
  Binnen een termijn van dertig dagen na de betekening van het dwangbevel kan de belastingschuldige bij gerechtsdeurwaardersexploot een met redenen omkleed verzet aantekenen, houdende dagvaarding van het Vlaamse Gewest, bij de rechtbank van eerste aanleg van de plaats waar de bevoegde entiteit van de Vlaamse administratie die de belasting moet innen, is gevestigd.
  Dat verzet schorst de tenuitvoerlegging van het dwangbevel niet.
  De Vlaamse Regering kan de regels bepalen voor de rechtstreekse vervolging.

  Onderafdeling 3. - Onrechtstreekse vervolging

  Art. 3.10.3.3.1. De Vlaamse Regering kan de regels bepalen voor de onrechtstreekse vervolging.

  Onderafdeling 4. - Vervolgingskosten

  Art. 3.10.3.4.1. De Vlaamse Regering kan de regels bepalen voor de vervolgingskosten.

  Onderafdeling 5. - Met vervolging belaste personen

  Art. 3.10.3.5.1. De Vlaamse Regering kan bepalen welke personen belast zijn met vervolging en welke regels ze moeten naleven.

  Afdeling 4. - Bijzondere gevallen

  Onderafdeling 1. - Invordering bij echtgenoten of ex-echtgenoten en bij wettelijk samenwonenden of ex-wettelijksamenwonenden

  Art. 3.10.4.1.1. Met behoud van de toepassing van artikel 3.10.4.1.2, mag de invordering van een belasting die is ingekohierd op naam van de ene echtgenoot of wettelijk samenwonende, worden vervolgd ten laste van de andere echtgenoot of wettelijk samenwonende op voorwaarde dat aan de andere echtgenoot of wettelijk samenwonende een exemplaar van het aanslagbiljet is toegezonden.
  Door de verzending van het aanslagbiljet begint voor de geadresseerde de termijn voor bezwaar, vermeld in hoofdstuk 5, afdeling 2, te lopen.

  Art. 3.10.4.1.2.§ 1. De belasting mag, ongeacht het aangenomen huwelijksvermogensstelsel of ongeacht de notariële overeenkomst waarin de wettelijke samenwoning is geregeld, op al de eigen en de gemeenschappelijke goederen van beide echtgenoten of op al de eigen en de onverdeelde goederen van beide wettelijk samenwonenden worden verhaald.
  De belasting die verschuldigd is door de ene echtgenoot of wettelijk samenwonende, mag evenwel niet op de eigen goederen van de andere echtgenoot of wettelijk samenwonende worden verhaald als die laatste een van de volgende feiten aantoont :
  1° hij bezat die goederen vóór het huwelijk of vóór het afleggen van de verklaring van wettelijke samenwoning;
  2° de goederen komen voort van een erfenis of van een schenking door een andere persoon dan zijn echtgenoot of wettelijk samenwonende;
  3° hij heeft die goederen verkregen door middel van fondsen die voortkomen van de realisatie van dergelijke goederen;
  4° het gaat om inkomsten die hem krachtens het burgerlijk recht eigen zijn of om goederen die hij met die inkomsten heeft verworven.
  § 2. In afwijking van paragraaf 1 kunnen, in geval van feitelijke scheiding van de echtgenoten of wettelijk samenwonenden, de belastingen die ontstaan zijn meer dan twee jaar na de datum van de feitelijke scheiding, niet meer worden ingevorderd op het inkomen van de andere echtgenoot of wettelijk samenwonende of op de goederen die de andere echtgenoot of wettelijk samenwonende met dat inkomen heeft verworven.
  § 3. Na de ontbinding van het huwelijk of de beëindiging van de wettelijke samenwoning, vermeld in artikel 1476 van het Burgerlijk Wetboek, kunnen de belastingen die ontstaan zijn vóór die ontbinding of beëindiging, worden ingevorderd op de goederen van de beide echtgenoten of wettelijk samenwonenden, op de wijze, vermeld in paragraaf 1 en 2.
  § 4. Paragraaf 1 is niet van toepassing op belastingen die ontstaan zijn vóór het huwelijk en vóór het afleggen van de verklaring van wettelijke samenwoning.
  § 5. Voor de onroerende voorheffing, de leegstandsheffing bedrijfsruimten, de [1 heffing ongeschikte en onbewoonbare woningen]1 en de heffing vermeld in titel II, hoofdstuk VI, afdeling 2, van de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening, die betrekking hebben op een goed in de gemeenschap, is alleen paragraaf 1, eerste lid, van toepassing.
  § 6. Gelet op de hoofdelijkheid overeenkomstig artikel 3.10.3.1.1, § 2, tweede lid, is dit artikel niet van toepassing op de leegstandsheffing bedrijfsruimten, de [1 heffing ongeschikte en onbewoonbare woningen]1 en de heffing vermeld in titel II, hoofdstuk VI, afdeling 2, van de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening, als die belasting ingekohierd is op naam van beide echtgenoten of wettelijk samenwonenden en het belaste goed geen deel uitmaakt van de gemeenschap.
  ----------
  (1)<DVR 2016-12-23/05, art. 52, 015; Inwerkingtreding : 01-01-2017>

  Onderafdeling 2. - Invordering bij vennootschappen

  Art. 3.10.4.2.1. De invordering van de belasting die gevestigd is op naam van de vennoten of leden van de burgerlijke vennootschappen en verenigingen zonder rechtspersoonlijkheid, kan rechtstreeks ten laste van de burgerlijke vennootschap of vereniging worden vervolgd als die belasting proportioneel overeenstemt met het aandeel van de vennoten of leden in de niet-uitgekeerde winst of baten van die vennootschappen of verenigingen.

  Art. 3.10.4.2.2. De invordering van de belasting van een met toepassing van artikel 673 tot en met 675 van het Wetboek van vennootschappen of van een gelijkaardige vennootschapsrechtelijke verrichting onder buitenlands recht gesplitste vennootschap die gevestigd is op naam van de verkrijgende vennootschappen, kan, behalve in geval van afwijkende vermeldingen in de akte die de verrichting vaststelt, worden verricht op naam van iedere verkrijgende vennootschap. Elke verkrijgende vennootschap is hoofdelijk gehouden tot betaling van de belasting.

  Onderafdeling 3. - Invordering bij erfgenamen

  Art. 3.10.4.3.1.[1 De erfgenamen, algemene legatarissen en begiftigden in de nalatenschap van een rijksinwoner zijn, ieder in verhouding tot zijn erfdeel, samen gehouden tot de betaling van het gezamenlijke successierecht, de nalatigheidsinteresten en de kosten van vervolging en tenuitvoerlegging, verschuldigd door de legatarissen en begiftigden onder algemene titel of onder bijzondere titel, behoudens hun verhaal op die legatarissen en begiftigden onder algemene titel of bijzondere titel.
   Het eerste lid is niet van toepassing op het successierecht, de nalatigheidsinteresten en de kosten van vervolging en tenuitvoerlegging, verschuldigd op de nieuwe aangiften, vermeld in artikel 3.3.1.0.6, eerste lid, als ze niet verplicht zijn die aangiften in te dienen.
   Het eerste lid is evenmin van toepassing op het successierecht, de nalatigheidsinteresten en de kosten van vervolging en tenuitvoerlegging, verschuldigd op een verkrijging die overeenkomstig [2 de artikelen 2.7.1.0.5, § 1, tweede lid, en 2.7.1.0.6]2 met een legaat wordt gelijkgesteld.]1
  ----------
  (1)<DVR 2014-12-19/97, art. 241, 006; Inwerkingtreding : 01-01-2015>
  (2)<DVR 2015-12-18/23, art. 94, 011; Inwerkingtreding : 01-01-2016>

  Onderafdeling 4. - Invordering bij andere personen die gehouden zijn tot betaling van de schuld

  Art. 3.10.4.4.1. De administratie of de instelling die belast is met het beheer van een goed van de staat, van een gemeenschap of van een gewest, is verantwoordelijk voor de betaling van de belastingen die op dat goed betrekking hebben.

  Art. 3.10.4.4.2.Zolang een eigendom niet is overgeschreven in de stukken van [1 de Algemene Administratie van de Patrimoniumdocumentatie]1, zijn de vroegere eigenaar of zijn erfgenamen, tenzij ze bewijzen dat de belastbare goederen op een andere eigenaar zijn overgegaan en dat ze de identiteit en het volledige adres van de nieuwe eigenaar laten kennen, aansprakelijk voor de betaling van de onroerende voorheffing, behoudens hun verhaal op de nieuwe eigenaar.
  In geval van overlegging van het bewijsstuk, vermeld in het eerste lid, mag de invordering van de onroerende voorheffing, ingekohierd op naam van de vroegere eigenaar van een onroerend goed dat van titularis is veranderd, krachtens hetzelfde kohier worden voortgezet ten laste van de werkelijke schuldenaar van de belasting. De belastingschuldige ontvangt een nieuw exemplaar van het aanslagbiljet met de vermelding dat het krachtens deze bepaling is uitgereikt.
  ----------
  (1)<DVR 2014-12-19/61, art. 12, 005; Inwerkingtreding : 01-01-2015>

  Art. 3.10.4.4.3. [1 De vertegenwoordigers van de erfgenamen, legatarissen en begiftigden, de curatoren van onbeheerde nalatenschappen, de sekwesters, de testamentuitvoerders en alle anderen die tot opdracht hebben of de last op zich genomen hebben de aangifte in te dienen, zijn tegenover het Vlaamse Gewest gehouden tot de betaling van de erfbelasting, van de nalatigheidsinteresten en de kosten van vervolging en tenuitvoerlegging als ze in gebreke zijn gebleven om aan de verplichtingen inzake de aangifte van de nalatenschap te voldoen.]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij DVR 2014-12-19/97, art. 242, 006; Inwerkingtreding : 01-01-2015>

  Art. 3.10.4.4.4.[1 Voor wat betreft de registratiebelasting kunnen de belasting en de toebehoren eveneens ingevorderd worden ten laste van :
   1° de personen die verplicht zijn tot aanbieding ter registratie overeenkomstig artikel 35, eerste lid, 1°, 4° en 5°, van het federale Wetboek van Registratie-, Hypotheek- en Griffierechten, als de belastbaarheid blijkt uit de akten of geschriften, die door hen ter registratie aangeboden zijn;
   2° elk van de contracterende partijen in geval van :
   a) een onderhandse of in het buitenland verleden akte als vermeld in artikel 19, eerste lid, 2°, van het federale Wetboek van Registratie-, Hypotheek- en Griffierechten;
   b) een overeenkomst in geval van toepassing van artikel 31, eerste lid, 1° en 2°, van het federale Wetboek van Registratie-, Hypotheek- en Griffierechten;
   c) een overeenkomst die het voorwerp uitmaakt van een vonnis of arrest als vermeld in artikel 35, vierde lid, van het federale Wetboek van Registratie-, Hypotheek- en Griffierechten.]1
  [2 De aanvullende rechten inzake de registratiebelasting zijn in de volgende gevallen verschuldigd door elk van de contracterende partijen die aan de overtreding hebben deelgenomen:
   1° in geval van bewimpeling over de prijs en de lasten of de overeengekomen waarde;
   2° als de overeenkomst, vastgesteld in een akte, niet de overeenkomst is die door de partijen is gesloten, of als de akte betreffende een overeenkomst, vermeld in artikel 19, eerste lid, 2° of 5°, van het federale Wetboek van Registratie-, Hypotheek- en Griffierechten, onvolledig of onjuist is, met dien verstande dat ze al de bestanddelen van de overeenkomst niet weergeeft.
   In de gevallen, vermeld in het tweede lid, zijn de partijen die aan de overtreding hebben deelgenomen, hoofdelijk gehouden tot de betaling van de aanvullende rechten.]2
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij DVR 2014-12-19/97, art. 243, 006; Inwerkingtreding : 01-01-2015>
  (2)<DVR 2017-12-08/05, art. 28, 024; Inwerkingtreding : 24-12-2017>

  Art. 3.10.4.4.5. [1 De vertegenwoordiger, vermeld in artikel 2.9.4.2.4, § 2, 3°, is hoofdelijk gehouden tot de fiscale verplichtingen van de verkrijger, vermeld in hetzelfde punt 3°.]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij DVR 2014-12-19/97, art. 244, 006; Inwerkingtreding : 01-01-2015>

  Art. 3.10.4.4.6. [1 Als de belastingplichtige het automatische ontspanningstoestel niet heeft aangegeven, wordt de persoon die als uitbater van lokalen of andere plaatsen als vermeld in artikel 2.13.1.0.1, toelaat om in die lokalen of andere plaatsen het automatisch ontspanningstoestel op te stellen, als belastingschuldige beschouwd voor de belasting en toebehoren.]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij DVR 2018-12-07/09, art. 45, 036; Inwerkingtreding : 01-01-2019>
  

  Onderafdeling 5. - Invordering van het eurovignet bij andere belastingschuldigen dan de eigenaar

  Art. 3.10.4.5.1. In geval van niet-betaling door de eigenaar zijn de ondernemer, de houder of de bestuurder van het voertuig hoofdelijk gehouden tot betaling van het eurovignet, onder voorbehoud van hun verhaal tegen de eigenaar.
  [1 In geval van niet-betaling door de houder van het voertuig, vermeld in artikel 2.4.2.0.1, § 1, is degene die het voertuig feitelijk ter beschikking heeft hoofdelijk gehouden tot betaling van de kilometerheffing, onder voorbehoud van verhaal tegen de houder van het voertuig.
   Voor de toepassing van het tweede lid wordt de bestuurder van het voertuig beschouwd als een persoon die het voertuig ter beschikking heeft.]1
  ----------
  (1)<DVR 2015-07-03/17, art. 33, 008; Inwerkingtreding : 01-04-2016 (zie BVR 2015-07-17/15, art. 4, 1°)>

  Onderafdeling 6. - Invordering van betwiste belastingen

  Art. 3.10.4.6.1.In geval van bezwaar, van een aanvraag tot ontheffing als vermeld in artikel [1 artikel 3.6.0.0.1, artikel 3.6.0.0.4 en artikel 3.6.0.0.6]1 of in geval van een vordering in rechte, kan de gedwongen invordering van de betwiste belastingen en toebehoren opgeschort worden totdat de beroepstermijn tegen de administratieve beslissing verstreken is of de rechterlijke beslissing in kracht van gewijsde is gegaan.
  In geval van bezwaar, van een aanvraag tot ontheffing als vermeld in artikel [1 artikel 3.6.0.0.1, artikel 3.6.0.0.4 en artikel 3.6.0.0.6]1, of in geval van een vordering in rechte kunnen de betwiste belastingen en toebehoren voor het geheel het voorwerp zijn van bewarende beslagen of van alle andere maatregelen die ertoe strekken de invordering te waarborgen.
  ----------
  (1)<DVR 2014-12-19/97, art. 245, 006; Inwerkingtreding : 01-01-2015>

  Afdeling 5. - Zekerheden

  Onderafdeling 1. - Waarborg

  Art. 3.10.5.1.1. § 1. Het bevoegde personeelslid kan een zakelijke zekerheid of een persoonlijke borgstelling eisen van elke natuurlijke persoon of rechtspersoon die onderworpen is aan een van de belastingen, vermeld in titel 2, als de venale waarde van zijn goederen in België die het pand van het Vlaamse Gewest vormen, na aftrek van de schulden en lasten die ze bezwaren, ontoereikend is om het bedrag te dekken dat vermoedelijk voor één jaar verschuldigd zal zijn krachtens deze codex.
  De Vlaamse Regering bepaalt de gegevens die als grondslag dienen voor de bepaling van de bedragen van de zakelijke zekerheid en van de verbintenis van de persoonlijke borg, alsook de voorwaarden en de procedure van vaststelling.
  § 2. Binnen een maand na de kennisgeving van de beslissing, vermeld in paragraaf 1, kan de belastingschuldige een verhaal inleiden voor de beslagrechter van de plaats waar de bevoegde entiteit van de Vlaamse administratie die de belasting moet innen, is gevestigd.
  De rechtspleging verloopt zoals in kort geding.

  Art. 3.10.5.1.2. Het stellen van een zakelijke zekerheid of van een persoonlijke borg als vermeld in artikel 3.10.5.1.1, § 1, moet gebeuren binnen twee maanden na de kennisgeving van de beslissing van het bevoegde personeelslid of na de datum waarop de rechterlijke beslissing in kracht van gewijsde is gegaan.

  Art. 3.10.5.1.3.[1 Wat de registratiebelasting betreft, moeten de personen die hun beroep maken van het kopen en verkopen van onroerende goederen, op eigen kosten zekerheid stellen voor de invordering van de sommen die [2 bij de toepassing van artikel 2.9.4.2.4, § 4, artikel 2.9.4.2.5, artikel 2.9.4.2.6 en artikel 3.18.0.0.11, eerste lid, 8° en 9°]2 vorderbaar kunnen worden om het verlaagde tarief, vermeld in artikel 2.9.4.2.4, § 1, te kunnen genieten.
   Als de zekerheid, vermeld in het eerste lid, ontoereikend wordt, moet de betrokken beroepspersoon, binnen de door het bevoegde personeelslid vastgestelde termijn, een aanvullende zekerheid stellen.
   Het bevoegde personeelslid bepaalt de aard en het bedrag van de zekerheid, vermeld in het eerste lid, of van de aanvullende zekerheid, vermeld in het tweede lid. Die zekerheid moet gesteld worden onder de door het bevoegde personeelslid bepaalde voorwaarden en mag niet minder dan 5000 euro bedragen.]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij DVR 2014-12-19/97, art. 246, 006; Inwerkingtreding : 01-01-2015>
  (2)<DVR 2015-07-17/22, art. 28, 009; Inwerkingtreding : 14-08-2015>

  Onderafdeling 2. - Voorrecht

  Art. 3.10.5.2.1.[1 § 1.]1 Voor de invordering van de belastingen en toebehoren heeft het Vlaamse Gewest een algemeen voorrecht op de inkomsten en op de roerende goederen van alle aard van de belastingschuldige, met uitzondering van schepen en vaartuigen.
  Het voorrecht bezwaart ook de inkomsten en de roerende goederen van de echtgenoot of de wettelijk samenwonende in de mate dat de invordering van de aanslagen kan worden vervolgd op de bewuste inkomsten en goederen.
  [1 § 2. Om de invordering van de belastingen en toebehoren te waarborgen, wordt inzake het successierecht bovendien op al de nagelaten roerende goederen een algemeen voorrecht ten bate van het Vlaamse Gewest gesteld. Dat voorrecht vervalt na achttien maanden vanaf de dag van het overlijden als het bevoegde personeelslid geen gerechtelijke vervolging voor het einde van die periode aangevangen heeft.]1
  --------