J U S T E L     -     Geconsolideerde wetgeving
Einde Eerste woord Laatste woord Wijziging(en) Aanhef
Parlementaire werkzaamheden Inhoudstafel 43 uitvoeringbesluiten 11 gearchiveerde versies
Erratum Handtekening Einde Franstalige versie
 
belgiëlex . be     -     Kruispuntbank Wetgeving
Raad van State Kamer van volksvertegenwoordigers Senaat
ELI - Navigatie systeem via een Europese identificatiecode voor wetgeving
http://www.ejustice.just.fgov.be/eli/wet/2013/08/30/2013014641/justel

Titel
30 AUGUSTUS 2013. - Wet houdende de Spoorcodex
(NOTA : Raadpleging van vroegere versies vanaf 20-12-2013 en tekstbijwerking tot 06-02-2019)

Bron : MOBILITEIT EN VERVOER
Publicatie : 20-12-2013 nummer :   2013014641 bladzijde : 100882   BEELD
Dossiernummer : 2013-08-30/57
Inwerkingtreding : 01-01-2014

Inhoudstafel Tekst Begin
TITEL 1. - Algemene bepalingen
HOOFDSTUK 1. - Algemeen
Art. 1
HOOFDSTUK 2. - Toepassingsgebied
Art. 2
HOOFDSTUK 3. - Definities
Art. 3
TITEL 2. [1 - Principes van organisatie en beheer]1
HOOFDSTUK 1. [1 - Gescheiden rekeningen]1
Art. 4
HOOFDSTUK 2. [1 - Onafhankelijkheid van de infrastructuurbeheerder]1
Art. 4/1, 4/2, 4/2/1
HOOFDSTUK 3. [1 - Beheer van spoorwegondernemingen volgens commerciële beginselen]1
Art. 4/3
TITEL 3. - Gebruik van de spoorweginfrastructuur
HOOFDSTUK 1. - Toegang tot de spoorweginfrastructuur
Afdeling 1. - Toegangs- en doorvoerrecht
Art. 5-8
Afdeling 2. - Diensten die aan de spoorwegondernemingen moeten worden geleverd
Art. 9
Art. 9 TOEKOMSTIG RECHT
Art. 9/1
Afdeling 3. - Vergunningen
Art. 10
HOOFDSTUK 2. - Vergunning van spoorwegonderneming
Afdeling 1. - Principes
Art. 11-12
Afdeling 2. - Voorwaarden voor de afgifte van de vergunning
Art. 13
Afdeling 3. - Geldigheid van de vergunning
Art. 14
Afdeling 4. - Intrekking en schorsing van de vergunning
Art. 15-18
Afdeling 5. - Jaarlijkse retributie voor een vergunning
Art. 19
HOOFDSTUK 2/1. [1 - Bedrijfsplannen]1
Art. 19/1, 19/2
HOOFDSTUK 2/2. [1 - Ontwikkelingsplan voor de spoorweginfrastructuur]1
Art. 19/3
HOOFDSTUK 3. - De betrekkingen tussen de spoorweginfrastructuur- beheerder en de spoorwegondernemingen
Afdeling 1. - Netverklaring
Art. 20-22
Afdeling 2. - Overeenkomsten
Art. 23-24
Afdeling 3. - Verstoringen, ongevallen en incidenten
Art. 25
Afdeling 3/1. [1 - Toegang tot traffic control en tot seinposten]1
Art. 25/1
Afdeling 4. - Vertrouwelijkheid
Art. 26
Afdeling 5. [1 - Planning van de onderhouds- of vernieuwingswerkzaamheden]1
Art. 26/1
Afdeling 6. [1 - Samenwerkingsovereenkomst]1
Art. 26/2
Afdeling 7. [1 - Coördinatiemechanisme]1
Art. 26/3
HOOFDSTUK 4. - Toewijzing van de spoorweginfrastructuurcapaciteit
Afdeling 1. - Algemeenheden
Art. 27, 27/1
Afdeling 2. - Beginselen van de toewijzing van de spoorweginfrastructuurcapaciteit
Art. 28-31
Afdeling 3. - Toewijzingsprocedures
Onderafdeling 1. - Aanvragen
Art. 32-37
Onderafdeling 2. - Programmerings- en coördinatieprocedures
Art. 38-44
Onderafdeling 3. - Samenwerking met andere spoorweginfrastructuurbeheerders
Art. 45
HOOFDSTUK 5. - Retributies voor het gebruik van de infrastructuur
Afdeling 1. - Algemeenheden
Art. 46-47, 47/1, 48, 48/1
Afdeling 2. - [1 Heffingsbeginselen]1 van het gebruik van de spoorweginfrastructuur
Art. 49-52, 52/1, 53, 53/1, 54-55
Afdeling 3. - Uitzonderingen op de [1 heffingsbeginselen]1
Art. 56-60
Afdeling 4. [1 - Samenwerking met andere spoorweginfrastructuurbeheerders]1
Art. 60/1
HOOFDSTUK 6. - Toezichthoudende orgaan
Afdeling 1. - Aanwijzing
Art. 61
Afdeling 2. - Opdrachten
Art. 62
Afdeling 3. - Bevoegdheden
Art. 63-66
Afdeling 3/1. [1 - Samenwerking met andere organen, overleg en aanvraag van informatie]1
Art. 66/1, 66/2, 66/3, 66/4
Afdeling 4. - Inkomsten
Art. 67
TITEL 4. - Exploitatieveiligheid van de spoorweginfrastructuur
HOOFDSTUK 1. - Veiligheidsvoorschriften
Art. 68-71
HOOFDSTUK 2. - Veiligheidsinstantie
Afdeling 1. - Aanwijzing
Art. 72-73
Afdeling 2. - Taken
Art. 74-77
Afdeling 3. - Jaarverslag
Art. 78
Afdeling 4. - Vergoeding voor prestaties
Art. 79-88, 88/1, 88/2
HOOFDSTUK 3. - Veiligheidsbeheersystemen
Art. 89-94, 94/1
HOOFDSTUK 4. - Veiligheidsvergunning en veiligheidscertificaat
Afdeling 1. - Veiligheidsvergunning van de spoorweginfrastructuurbeheerder
Art. 95-98
Afdeling 2. - Veiligheidscertificaat van spoorwegondernemingen
Art. 99-104
HOOFDSTUK 5. - Onderhoud van voertuigen
Art. 105-109
HOOFDSTUK 6. - Onderzoeken naar spoorwegongevallen en -incidenten
Afdeling 1. - Aanwijzing van een onderzoeksorgaan
Art. 110
Afdeling 2. - Taken
Art. 111-112
Afdeling 2/1. [1 - Vergoeding voor prestaties]1
Art. 112/1
Afdeling 3. - Bevoegdheden
Art. 113-114
Afdeling 4. - Onderzoek
Art. 115-119
Afdeling 5. - Conclusies en verslagen
Art. 120-122
Afdeling 6. - Europees overleg
Art. 123-124
TITEL 5. - Certificering van treinbestuurders en ander treinpersoneel dat voor de veiligheid cruciale taken verricht
HOOFDSTUK 1. - Certificering van treinbestuurders
Afdeling 1. - Europees model voor de certificering
Art. 125
Afdeling 2. - Vergunning van treinbestuurder
Art. 126-132
Afdeling 3. - Bevoegdheidsbewijs
Art. 133-140
Afdeling 4. - Toezicht op treinbestuurders door spoorwegondernemingen en de spoorweginfrastructuurbeheerder
Art. 141
Afdeling 5. - Taken en beslissingen van de veiligheidsinstantie
Art. 142
Afdeling 6. - Opleiding en examinering van de treinbestuurders
Art. 143-149
HOOFDSTUK 2. - Begeleiders van reizigerstreinen
Art. 150-151, 151/1
HOOFDSTUK 3. - Bescherming van de persoonlijke levenssfeer
Art. 152
TITEL 6. - Interoperabiliteit van het spoorwegsysteem in de Europese unie
HOOFDSTUK 1. - Essentiële eisen
Art. 153
HOOFDSTUK 2. - Technische specificaties inzake interoperabiliteit
Afdeling 1. - Inhoud
Art. 154-156
Afdeling 2. - Uitbreiding van het toepassingsgebied van de TSI's
Art. 157-158
Afdeling 3. - Afwijkingen
Art. 159
HOOFDSTUK 3. - Interoperabiliteitsonderdelen
Afdeling 1. - Het op de markt brengen
Art. 160-161
Afdeling 2. - Conformiteit of geschiktheid voor gebruik
Art. 162
Afdeling 3. - Procedure voor de " EG "-verklaring van conformiteit of geschiktheid voor gebruik
Art. 163-164
Afdeling 4. - Beperkingen of verbod op het gebruik van interoperabiliteitsonderdelen
Onderafdeling 1. - Niet-naleving van de procedure voor de " EG "-verklaring van conformiteit of geschiktheid voor gebruik
Art. 165
Onderafdeling 2. - Het niet voldoen van interoperabiliteitsonderdelen aan de essentiële eisen
Art. 166-167
HOOFDSTUK 4. - Subsystemen
Afdeling 1. - Procedure voor de indienststelling
Art. 168-169
Afdeling 2. - Conformiteit met de TSI's en de nationale voorschriften
Art. 170-171
Afdeling 3. - Procedure voor de opstelling van de " EG "-keuringsverklaring
Onderafdeling 1. - " EG "-keuringsverklaring
Art. 172
Onderafdeling 2. - Tussentijdse " EG "-keuringsverklaring
Art. 173
Onderafdeling 3. - Keuringsverklaring voor de veiligheidsvoorschriften
Art. 174
Onderafdeling 4. - Tussentijdse keuringsverklaring voor de veiligheidsvoorschriften
Art. 175
Afdeling 4. - Beperking van de indienststelling van een subsysteem van structurele aard
Art. 176
Afdeling 5. [1 - Indienststelling van bestaande subsystemen na een vernieuwing of een verbetering]1
Onderafdeling 1.
Art. 177
Onderafdeling 2.
Art. 178-179
HOOFDSTUK 5. - Voertuigen
Afdeling 1. - Toelating tot indienststelling
Art. 180, 180/1, 181-188
Afdeling 2. - Indienststelling van voertuigen conform de TSI's
Onderafdeling 1. - Eerste toelating tot indienststelling
Art. 189-191
Onderafdeling 2. - Aanvullende toelatingen voor de indienststelling
Art. 192-194
Afdeling 3. - Indienststelling van niet-TSI-conforme voertuigen
Onderafdeling 1. - Eerste toelating tot indienststelling
Art. 195-196
Onderafdeling 2. - Aanvullende toelatingen tot indienststelling
Art. 197-198
Afdeling 4. - Toelatingen per voertuigtype
Art. 199
Afdeling 5. - Classificatie van de nationale voorschriften
Art. 200
HOOFDSTUK 6. - Aangemelde en aangewezen instanties
Afdeling 1. - Aangemelde instanties
Art. 201-204
Afdeling 2. - Aangewezen instanties
Art. 205-208
HOOFDSTUK 7. - Voertuigen- en infrastructuurregisters
Afdeling 1. - Nummeringssysteem voor voertuigen
Art. 209
Afdeling 2. - Nationaal voertuigenregister
Art. 210
Afdeling 3. - Infrastructuurregister
Art. 211-212
TITEL 7. - Controle en inspectie van de spoorwegen
HOOFDSTUK 1. - Controle en inspectie van de spoorwegen
Art. 213
HOOFDSTUK 2. - Bestuurlijke boetes
Afdeling 1. [1 - Principes]1
Art. 214-216
Afdeling 2. [1 - Inbreuken]1
Art. 216/1, 216/2, 216/3, 216/4
HOOFDSTUK 3. - Strafbepalingen
Art. 217-218
HOOFDSTUK 4. - Controle door de veiligheidsinstantie betreffende de certificering bedoeld in titel 5
Art. 219-221
TITEL 7/1. - [1 Rechterlijke toetsing]1
Art. 221/1, 221/2, 221/3, 221/4, 221/5
TITEL 8. - Opheffings-, overgangs- en slotbepalingen
HOOFDSTUK 1. - Opheffingsbepalingen
Art. 222
HOOFDSTUK 2. - Overgangsbepalingen
Art. 223-225, 225/1
HOOFDSTUK 3. - Slotbepalingen
Art. 226-227
BIJLAGEN.
Art. N1-N7, N7/1, N8-N27

Tekst Inhoudstafel Begin
TITEL 1. - Algemene bepalingen

  HOOFDSTUK 1. - Algemeen

  Artikel 1.Deze Spoorcodex regelt een aangelegenheid als bedoeld in artikel 78 van de Grondwet, met uitzondering van titel 7/1 die een aangelegenheid als bedoeld in artikel 77 van de Grondwet regelt.
  [1 Deze Spoorcodex voorziet in de gedeeltelijke omzetting van :
   1° Richtlijn 2004/49/EG van het Europees Parlement en de Raad van 29 april 2004 inzake de veiligheid op de communautaire spoorwegen en tot wijziging van Richtlijn 95/18/EG van de Raad betreffende de verlening van vergunningen aan spoorwegondernemingen, en van Richtlijn 2001/14/EG van de Raad inzake de toewijzing van spoorweginfrastructuurcapaciteit en de heffing van rechten voor het gebruik van spoorweginfrastructuur alsmede inzake veiligheidscertificering;
   2° Richtlijn 2007/59/EG van het Europees Parlement en de Raad van 23 oktober 2007 inzake de certificering van machinisten die locomotieven en treinen op het spoorwegsysteem van de Gemeenschap besturen;
   3° Richtlijn 2008/57/EG van het Europees Parlement en de Raad van 17 juni 2008 betreffende de interoperabiliteit van het spoorwegsysteem in de Gemeenschap;
   4° Richtlijn 2012/34/EU van het Europees Parlement en de Raad van 21 november 2012 tot instelling van één Europese spoorwegruimte;]1
  [2 5° Richtlijn 2016/882 van de Commissie van 1 juni 2016 tot wijziging van Richtlijn 2007/59/EG van het Europees Parlement en de Raad betreffende de taalvereisten.]2
  ----------
  (1)<W 2015-06-15/03, art. 3, 007; Inwerkingtreding : 23-07-2015>
  (2)<W 2017-11-23/15, art. 3, 011; Inwerkingtreding : 21-12-2017>

  HOOFDSTUK 2. - Toepassingsgebied

  Art. 2.[1 § 1. De artikelen 4 tot 4/3, 5, 9, 19/1 tot 19/3, 47, § 1, en 62, § 3, 5° zijn niet van toepassing op spoorwegondernemingen die enkel stads-, voorstads- of regionale spoorvervoersdiensten exploiteren op lokale en regionale op zichzelf staande netten voor vervoersdiensten op spoorweginfrastructuur of op netten die slechts voor de exploitatie van spoorvervoersdiensten in de stad of de voorstad zijn bestemd.
   Onverminderd de eerste alinea, zijn artikelen 4/1 en 4/3 van toepassing indien een dergelijke spoorwegonderneming onder de directe of indirecte zeggenschap staat van een onderneming of een andere entiteit die andere spoorvervoersdiensten dan stads-, voorstads- en regionale diensten verricht of integreert. Artikel 4 is ook van toepassing op een dergelijke spoorwegonderneming met betrekking tot de relatie tussen de spoorwegonderneming en de onderneming of entiteit die daarover directe of indirecte zeggenschap heeft.
   De artikelen 7, 1° en 11° tot 19° zijn niet van toepassing op :
   a) ondernemingen die uitsluitend spoorvervoersdiensten voor reizigers op een lokale op zichzelf staande spoorweginfrastructuur exploiteren;
   b) ondernemingen die uitsluitend spoorvervoersdiensten voor passagiers in de stad of de voorstad exploiteren;
   c) ondernemingen die uitsluitend goederenvervoersdiensten exploiteren op spoorweginfrastructuur in particulier bezit die uitsluitend door de eigenaar voor diens goederenvervoer gebruikt wordt.
   De artikelen 4/2, 9, 19/3 en 20 tot 67 zijn niet van toepassing op :
   a) lokale, op zichzelf staande netten voor vervoersdiensten voor reizigers op spoorweginfrastructuur;
   b) spoornetten die alleen bestemd zijn voor de exploitatie van spoorvervoersdiensten voor reizigers in de stad of de voorstad;
   c) spoorweginfrastructuren in particulier bezit die uitsluitend door de eigenaar voor diens goederenvervoer gebruikt worden.
   Artikel 19/2 is niet van toepassing op :
   a) lokale, op zichzelf staande netten voor vervoersdiensten voor reizigers op spoorweginfrastructuur;
   b) spoornetten die alleen bestemd zijn voor de exploitatie van spoorvervoersdiensten voor reizigers in de stad of de voorstad;
   c) spoorweginfrastructuur in particulier bezit die uitsluitend door de eigenaar voor diens goederenvervoer gebruikt wordt.
   De lijst van infrastructuren bedoeld in het vijfde lid wordt bekend gemaakt aan de Europese Commissie als zijnde infrastructuren die geen strategisch belang hebben voor de werking van de spoorwegmarkt.
   § 2. Onder voorbehoud van § 1, is deze Codex niet van toepassing op :
   1° spoorweginfrastructuren in particuliere eigendom en enkel op deze infrastructuren gebruikte voertuigen die uitsluitend door hun eigenaar voor eigen goederenvervoer worden gebruikt;
   2° spoorwegnetten die functioneel gescheiden zijn van de rest van het spoorwegsysteem en uitsluitend bestemd zijn voor de exploitatie van lokale, stedelijke of voorstedelijke diensten voor reizigers- en goederenvervoer;
   3° spoorwegen met een patrimoniaal, museum- en toeristisch karakter die over hun eigen spoorwegnetten beschikken, met inbegrip van de werkplaatsen, de voertuigen en het personeel waarvan de activiteiten beperkt zijn tot deze netten en lijnen;
   4° met uitzondering van de artikelen 74, 12° en 82, op metro- en tramsystemen en andere systemen voor stadsvervoer en regionaal spoorwegvervoer door middel van light rail of andere spoorgebonden modi, voor zover die systemen geen gebruik maken van het Belgische spoorwegnet.
   § 3. Titel 5 is niet van toepassing op treinbestuurders die uitsluitend tewerkgesteld zijn op baanvakken die tijdelijk gesloten zijn voor het normale verkeer, ten behoeve van het onderhoud, de vernieuwing of de herinrichting van het spoorwegsysteem.]1
  ----------
  (1)<W 2015-06-15/03, art. 4, 007; Inwerkingtreding : 23-07-2015>

  HOOFDSTUK 3. - Definities

  Art. 3.Voor de toepassing van deze Codex wordt verstaan onder :
  1° " Ongeval " : ongewenste of onbedoelde plotse gebeurtenis of reeks gebeurtenissen met schadelijke gevolgen; ongevallen worden in de volgende categorieën onderverdeeld : botsingen, ontsporingen, ongevallen op spoorwegovergangen, persoonlijke ongevallen veroorzaakt door rollend materieel in beweging, branden en andere ongevallen;
  2° " Ernstig ongeval " : botsing of ontsporing van treinen waarbij ten minste één persoon omkomt of vijf of meer personen ernstig gewond raken of grote schade aan het rollend materieel, de infrastructuur of het milieu veroorzaakt, dan wel een soortgelijk ongeval dat duidelijk consequenties heeft voor de regelgeving op het gebied van de veiligheid op het spoor of het veiligheidsbeheer; onder " grote schade " wordt schade verstaan waarvan de totale kosten onmiddellijk door de onderzoekende instantie op ten minste 2 miljoen euro kunnen worden geraamd;
  3° [2 "Kaderovereenkomst" : een publiek- dan wel privaatrechtelijke bindende algemene overeenkomst die de rechten en plichten vastlegt van een kandidaat en van de spoorweginfrastructuurbeheerder met betrekking tot de toe te wijzen infrastructuurcapaciteit en de te heffen rechten voor een periode die langer is dan de geldigheidsduur van één dienstregelingstijdvak;]2
  [2 3/1° "Grensoverschrijdende overeenkomst" : iedere overeenkomst tussen twee of meer lidstaten of tussen lidstaten en derde landen die ertoe strekt het verrichten van grensoverschrijdende spoorwegdiensten te vergemakkelijken;]2
  4° " Bestuur " : het bestuur belast met het spoorwegvervoer;
  5° " Bureau " : het Europees Spoorwegbureau opgericht bij Verordening (EG) nr. 881/2004 van het Europees Parlement en de Raad van 29 april 2004;
  6° " Veiligheidsvergunning " : de vergunning die door de veiligheidsinstantie aan een spoorweginfrastructuurbeheerder wordt verleend;
  [2 6/1° "Levensvatbaar alternatief" : toegang tot een andere dienstvoorziening die economisch gezien aanvaardbaar is voor de spoorwegonderneming en deze laatste in staat stelt om de betrokken goederen- of reizigersvervoersdienst te exploiteren;]2
  7° " Bevoegdheidsbewijs " : het geharmoniseerde aanvullende bevoegdheidsbewijs waarin de infrastructuur en het rollend materieel worden genoemd waar of waarmee de treinbestuurder mag rijden;
  8° [6 ...]6
  9° " Veiligheidsinstantie " : de overheid belast met de taken inzake veiligheid en interoperabiliteit op het spoor;
  [2 9/1° "Vergunningverlenende autoriteit" : de instantie die in een lidstaat verantwoordelijk is voor het verlenen van vergunningen aan spoorwegondernemingen;]2
  10° " Ander treinpersoneel dat voor de exploitatieveiligheid cruciale taken verricht " : treinpersoneel dat geen treinbestuurder is, maar dat bijdraagt tot het waarborgen van de veiligheid van de trein, de passagiers en de vervoerde goederen. In het kader van deze Codex en zijn uitvoeringsbesluiten wordt dit personeel aangeduid met het woord " begeleiders van reizigerstreinen ". Dit personeel omvat niet het personeel van Securail;
  [2 10/1° "Redelijke winst" : een rendementsvergoeding op basis van eigen vermogen, waarbij rekening wordt gehouden met het risico, waaronder het risico aan inkomstenzijde of het ontbreken daarvan, waaraan de exploitant van de dienstvoorziening is blootgesteld, en die in de lijn ligt van de gemiddelde opbrengst voor de betrokken sector in de afgelopen jaren;]2
  11° [2 "Kandidaat" : elke spoorwegonderneming of een internationaal samenwerkingsverband van spoorwegondernemingen of andere natuurlijke of rechtspersonen of entiteiten, zoals de bevoegde overheidsinstanties in de zin van Verordening (EG) nr. 1370/2007 en verladers, expediteurs en exploitanten van gecombineerd vervoer, die om redenen van openbare dienst of om commerciële redenen belang hebben bij de verwerving van infrastructuurcapaciteit;]2
  12° " Spoorweginfrastructuurcapaciteit " : het vermogen om voor een bepaalde periode de voor een spoorweginfrastructuurelement gevraagde treinpaden te plannen;
  13° " Specifiek geval " : elk deel van het spoorwegsysteem waarvoor om geografische of topografische redenen of omwille van het stadsmilieu en de samenhang van het bestaande systeem, bijzondere tijdelijke of definitieve bepalingen in de TSI's moeten worden opgenomen. Dergelijke gevallen zijn bijvoorbeeld spoorweglijnen en -[4 netten]4 die niet verbonden zijn met het [5 net]5 in de rest van de Europese Unie, het profiel, de spoorwijdte of de spoorafstand, alsmede voertuigen die bestemd zijn voor strikt lokaal, regionaal of historisch gebruik en voertuigen met een plaats van vertrek of bestemming in derde landen;
  14° " Oorzaken " : de handelingen, verzuimen, gebeurtenissen of omstandigheden, of een combinatie daarvan, die tot het ongeval of het incident hebben geleid;
  15° " Opleidingscentrum " : een entiteit die door de veiligheidsinstantie is erkend voor het geven van opleidingscursussen;
  16° " Veiligheidscertificaat " : het document dat door de veiligheidsinstantie wordt verleend met als doel te gelden als bewijs dat de spoorwegonderneming een veiligheidsbeheersysteem tot stand heeft gebracht en kan voldoen aan de eisen die zijn vastgelegd in de TSI's en andere toepasselijke Europese wetgeving en in veiligheidsvoorschriften teneinde risico's te beheersen en op een veilige manier vervoerdiensten op het [5 net]5 te kunnen aanbieden;
  17° [6 ...]6
  18° " Treinbestuurder " : een persoon die in staat en gemachtigd is tot het zelfstandig, verantwoordelijk en veilig besturen van treinen, daaronder begrepen locomotieven, rangeerlocomotieven, werktreinen, onderhoudsspoorwagens, hulptreinen of treinen voor het vervoer van reizigers of goederen;
  19° " Interoperabiliteitsonderdeel " : elke basiscomponent, groep componenten, deel van een samenstel of volledig samenstel van materieel, deel uitmakend of bestemd om deel uit te maken van een subsysteem, en waarvan de interoperabiliteit van het spoorwegsysteem rechtstreeks of onrechtstreeks afhankelijk is. Het begrip " onderdeel " bevat materiële en ook immateriële zaken, zoals programmatuur;
  20° [2 "Coördinatie" : de procedure die door de spoorweginfrastructuurbeheerder en de kandidaten wordt gevolgd om een oplossing te vinden in geval van concurrerende aanvragen om spoorweginfrastructuurcapaciteit te reserveren;]2
  21° " Houder " : de persoon of entiteit die eigenaar is van het voertuig of het recht heeft het te gebruiken, die dat voertuig exploiteert als vervoermiddel en die als zodanig is ingeschreven in het Nationaal Voertuigenregister (NVR);
  22° " Netverklaring " : de verklaring waarin op gedetailleerde wijze de beschrijving van het [5 net]5, de algemene verkeersregels, de termijnen, de procedures en criteria betreffende de regelingen voor de heffing van gebruiksrechten en de toewijzing van spoorweginfrastructuurcapaciteit zijn vastgelegd; dit document bevat verder alle andere gegevens die nodig zijn om de aanvragen voor spoorweginfrastructuurcapaciteit in te dienen;
  23° " Onderzoek " : een procedure die erop gericht is ongevallen en incidenten te voorkomen en die bestaat uit de verzameling en analyse van informatie, het trekken van conclusies, met inbegrip van het bepalen van de oorzaken en, in voorkomend geval, het formuleren van veiligheidsaanbevelingen;
  24° " Hoofdonderzoeker " : de persoon die is belast met de organisatie en de uitvoering van en het toezicht op een onderzoek;
  25° " Aanbestedende dienst " : elke openbare of privaatrechtelijke entiteit die opdracht geeft voor het ontwerp en/of de bouw, de vernieuwing of de verbetering van een subsysteem. Deze entiteit kan ofwel een spoorwegonderneming, een infrastructuurbeheerder of een houder zijn, ofwel een concessionaris die belast is met de uitvoering van een project;
  26° " Met het onderhoud belaste entiteit " : een entiteit die belast is met het onderhoud van een voertuig en als zodanig ingeschreven is in het Nationaal Voertuigenregister;
  27° " Spoorwegonderneming " : iedere publiek- of privaatrechtelijke onderneming die in het bezit is van een vergunning overeenkomstig de toepasselijke Europese regelgeving en waarvan de voornaamste activiteit bestaat in het verlenen van spoorwegvervoerdiensten voor goederen en/of voor reizigers, waarbij die onderneming voor de tractie moet zorgen; hiertoe behoren ook ondernemingen die uitsluitend tractie leveren;
  28° " Essentiële eisen " : het geheel van de in bijlage 16 omschreven voorwaarden waaraan het spoorwegsysteem, de subsystemen en de interoperabiliteitsonderdelen, met inbegrip van de interfaces, moeten voldoen;
  [2 28/1° "Exploitant van een dienstvoorziening" : iedere publieke of privaatrechtelijke entiteit die verantwoordelijk is voor het beheer van een of meer dienstvoorzieningen of voor het verrichten van een of meer diensten voor spoorwegondernemingen als bedoeld in bijlage 1, punten 2, 3 en 4;]2
  29° [7 "infrastructuurbeheerder": een instantie of onderneming die verantwoordelijk is voor de exploitatie, het onderhoud en de vernieuwing van spoorweginfrastructuur op een net, en voor de deelname aan de ontwikkeling ervan overeenkomstig de door de Spoorcodex voorgeschreven regels, en, in voorkomend geval, door de wet van 21 maart 1991 betreffende de hervorming van sommige economische overheidsbedrijven in het kader van het algemeen beleid inzake ontwikkeling en financiering van de spoorweginfrastructuur;]7
  30° " Dienstregeling " : de gegevens over alle geprogrammeerde bewegingen van treinen en rollend materieel die gedurende de periode dat de dienstregeling geldt op de betreffende spoorweginfrastructuur zullen worden uitgevoerd;
  31° " Incident " : elk voorval, ander dan een ongeval of een ernstig ongeval dat verband houdt met de exploitatie van treinen en dat de exploitatieveiligheid aantast;
  32° [2 "Spoorweginfrastructuur" : het geheel van de elementen bedoeld in bijlage 23;]2
  33° " Overbelaste infrastructuur " : het gedeelte van de spoorweginfrastructuur waarvoor gedurende bepaalde tijdvakken, zelfs na coördinatie van de verschillende capaciteitsaanvragen, niet volledig aan de infrastructuurcapaciteitaanvraag kan worden voldaan;
  [2 33/1° "Dienstvoorziening" : de installatie, inclusief terrein, gebouw en uitrusting, die in haar geheel of gedeeltelijk speciaal is ingericht voor het verrichten van een of meer diensten als bedoeld in bijlage 1, punten 2, 3 en 4;]2
  34° " Interoperabiliteit " : de geschiktheid van een spoorwegsysteem voor een veilig en ononderbroken treinverkeer waarbij de voor de betrokken lijnen vereiste prestaties worden verricht. Deze geschiktheid hangt af van het geheel van wettelijke, technische en operationele voorwaarden die moeten vervuld worden om aan de essentiële eisen te voldoen;
  [2 34/1° "Alternatief traject" : een ander traject tussen hetzelfde vertrekpunt en aankomstpunt voor zover beide trajecten onderling inwisselbaar zijn voor het exploiteren van de betrokken goederen- of reizigersvervoersdienst door de spoorwegonderneming;]2
  35° [2 "Vergunning" : een door een vergunningverlenende autoriteit aan een onderneming verleende vergunning waarbij wordt erkend dat zij in staat is als spoorwegonderneming spoorvervoersdiensten te verrichten. De vergunning kan worden beperkt tot het verrichten van bepaalde categorieën vervoersdiensten;]2
  36° " Vergunning van treinbestuurder " : de vergunning afgegeven aan een treinbestuurder door de veiligheidsinstantie die attesteert dat de treinbestuurder voldoet aan de minimumvoorwaarden voor wat betreft medische eisen, psychologische eisen, basisscholing en algemene vakbekwaamheid;
  37° " Gemeenschappelijke veiligheidsmethoden (GVM) " : de methoden die worden ontwikkeld om te beschrijven hoe de veiligheidsniveaus, het bereiken van de veiligheidsdoelen en de conformiteit met andere veiligheidsvoorschriften worden beoordeeld;
  38° " Minister " : de minister die bevoegd is voor de regulering van het spoorwegvervoer;
  39° [6 ...]6
  40° " Indienststelling " : alle handelingen door middel waarvan een subsysteem of een voertuig in zijn nominale werkingstoestand wordt gebracht;
  41° " Geharmoniseerde norm " : elke Europese norm die is opgesteld door één van de Europese normalisatie-instellingen die vermeld worden in bijlage I bij Richtlijn 98/34/EG van het Europees Parlement en de Raad van 22 juni 1998 betreffende een informatieprocedure op het gebied van normen en technische voorschriften en regels betreffende de diensten van de informatiemaatschappij, en die alleen of samen met andere normen een oplossing vormt voor het probleem van de naleving van een wetgevingsbepaling;
  42° " Gemeenschappelijke veiligheidsdoelen (GVD) " : de veiligheidsniveaus die ten minste moeten worden gehaald door de verschillende onderdelen van het spoorwegsysteem (zoals het conventionele spoorwegsysteem, het hogesnelheidsspoorwegsysteem, lange spoorwegtunnels of lijnen die uitsluitend voor goederenvervoer worden gebruikt) en door het systeem als geheel in de vorm van criteria voor risicoacceptatie;
  43° " Toezichthoudende orgaan " : de overheid bevoegd voor de economische regulering van het spoorwegvervoer;
  44° " Onderzoeksorgaan " : het orgaan belast met het uitvoeren van onderzoeken naar ongevallen en incidenten;
  45° " Aangewezen instanties " : de instanties die belast zijn met het onderzoek ten behoeve van de keuringsprocedure van de subsystemen aan de hand van de nationale technische voorschriften bij afwezigheid van TSI's of ingeval van afwijking ervan;
  46° [2 "Aangemelde instanties" : de instanties die belast zijn met de beoordeling van de overeenstemming of de geschiktheid voor het gebruik van de interoperabiliteitsonderdelen of met het onderzoek ten behoeve van de "EG"-keuringsprocedure van de subsystemen;]2
  47° " Fundamentele parameter " : elke reglementaire, technische of operationele voorwaarde die essentieel is voor de interoperabiliteit en die nader bepaald wordt door de relevante TSI's;
  48° " Belanghebbende partij " : de spoorwegonderneming die een aanvraag voor spoorweginfrastructuurcapaciteit heeft ingediend, evenals de andere partijen die bemerkingen willen maken over de weerslag die de dienstregeling zou kunnen hebben op de mogelijkheid tot het verlenen van spoorwegdiensten tijdens de geldigheidsperiode van de dienstregeling;
  49° " Treinpersoneel " : het personeel samengesteld uit, enerzijds, treinbestuurders en, anderzijds, ander treinpersoneel dat voor de veiligheid cruciale taken verricht;
  50° " Capaciteitsvergrotingsplan " : een maatregel of een reeks van maatregelen met een tijdschema voor de uitvoering daarvan die wordt voorgesteld om de capaciteitsbeperkingen te verminderen die ertoe leiden dat een infrastructuurgedeelte tot " overbelaste spoorweginfrastructuur " wordt verklaard;
  51° " Project in een vergevorderd stadium van ontwikkeling " : elk project waarvan de planning/aanlegfase zodanig is gevorderd dat een wijziging van de technische specificaties onaanvaardbaar zou zijn voor de betrokken lidstaat. Dit beletsel kan van juridische, contractuele, economische, financiële of sociale aard zijn of verband houden met milieuredenen en moet voldoende gemotiveerd worden;
  52° " Verbetering " : belangrijke werkzaamheden waarbij een subsysteem of een deel van een subsysteem wordt gewijzigd en die een verbetering van de algemene prestaties van het subsysteem tot gevolg hebben;
  53° " Nationaal voertuigenregister (NVR) " : het register van voertuigen waarmee het is toegestaan om te rijden op het Belgische [3 spoorwegnet]3;
  54° " Nationale technische voorschriften " : de veiligheidsvoorschriften bedoeld in artikel 171 van deze Spoorcodex;
  55° " Veiligheidsvoorschriften " : alle voorschriften die eisen betreffende de veiligheid op het spoor bevatten die van toepassing zijn op het Belgische [5 net]5 van welke instantie de regelgeving ook uitgaat;
  56° " Nationale veiligheidsvoorschriften " : alle voorschriften die eisen betreffende de veiligheid op het spoor bevatten die opgelegd worden aan het Belgische [5 net]5 en die van toepassing zijn op meer dan één spoorwegonderneming, ongeacht welke instantie ze uitvaardigt;
  57° " Vernieuwing van de spoorweginfrastructuur " : belangrijke vervangingswerkzaamheden waarbij een subsysteem of deel van een subsysteem wordt gewijzigd en die geen wijziging van de algemene prestaties van het subsysteem tot gevolg hebben;
  58° " Toewijzing " : de toewijzing van spoorweginfrastructuurcapaciteit door de spoorweginfrastructuurbeheerder;
  59° [2 "Net" : de gehele spoorweginfrastructuur die beheerd wordt door een infrastructuurbeheerder;]2
  60° " Serie " : een aantal identieke voertuigen van hetzelfde type-ontwerp;
  61° [2 "Internationaal goederenvervoer" : vervoersdiensten waarbij de trein ten minste één grens van een lidstaat overschrijdt; de trein kan worden samengesteld en/of gesplitst en de verschillende delen ervan kunnen een verschillende herkomst en bestemming hebben, zolang alle wagons ten minste één grens overschrijden;]2
  [2 61/1° "Groot onderhoud" : werkzaamheden die niet als vast onderdeel van de gewone dagelijkse verrichtingen worden uitgevoerd en waarvoor het voertuig buiten dienst moet worden gesteld;]2
  62° [2 "Internationale reizigersvervoerdienst" : een reizigersvervoerdienst in het kader waarvan de trein ten minste één grens van een lidstaat overschrijdt en die in hoofdzaak bedoeld is om reizigers tussen stations in verschillende lidstaten te vervoeren; de trein kan worden samengesteld en/of gesplitst en de samenstellende delen kunnen een verschillende herkomst en bestemming hebben, op voorwaarde dat alle rijtuigen ten minste één grens overschrijden;]2
  63° " Spoorwegvervoerdienst " : elk nationaal of internationaal vervoer van reizigers of van goederen of elk nationaal of internationaal gecombineerd vervoer van goederen;
  [2 63/1° "Regionale diensten" : vervoersdiensten die als hoofddoel hebben te beantwoorden aan de vervoerbehoeften van een regio, met inbegrip van een grensoverschrijdende regio;]2
  [2 63/2° "Stads- en voorstadsvervoersdiensten" : vervoersdiensten die als hoofddoel hebben te beantwoorden aan de behoeften van een stedelijk centrum of een agglomeratie, met inbegrip van een grensoverschrijdende agglomeratie, en aan de behoeften aan vervoer tussen dat centrum of die agglomeratie en de omliggende gebieden;]2
  64° " Treinpad " : de spoorweginfrastructuurcapaciteit die nodig is om een trein in een bepaald tijdvak tussen twee plaatsen te laten rijden;
  65° " Subsystemen " : het resultaat van de onderverdeling van het spoorwegsysteem zoals omschreven in bijlage 15 waarvoor essentiële eisen moeten worden gedefinieerd. Deze subsystemen zijn van structurele of functionele aard;
  66° " Europese specificatie " : een gemeenschappelijke technische specificatie, een Europese technische goedkeuring of een nationale norm waarin een Europese norm is omgezet, zoals gedefinieerd in artikel 67bis van het koninklijk besluit van 10 januari 1996 betreffende de overheidsopdrachten voor aanneming van werken, leveringen en diensten in de sectoren van water, energie, vervoer en postdiensten;
  67° " Technische specificatie interoperabiliteit (TSI) " : de specificaties die voor elk subsysteem of gedeelte van een subsysteem gelden, ten einde aan de essentiële eisen te voldoen en de interoperabiliteit van het spoorwegsysteem te verzekeren;
  68° " Vervanging in het kader van een onderhoud " : vervanging van onderdelen door onderdelen met een identieke functie en identieke prestaties in het kader van preventief onderhoud of herstelwerkzaamheden;
  69° " Veiligheidsbeheersysteem " : de organisatie en de regelingen die door de spoorweginfrastructuurbeheerder of een spoorwegonderneming tot stand zijn gebracht om hun activiteiten veilig te laten verlopen;
  70° " Spoorwegsysteem " : het systeem van de spoorweginfrastructuur, bestaande uit de lijnen en vaste installaties van het [3 spoorwegnet]3 en het rollend materieel, ongeacht categorie of herkomst, dat gebruik maakt van deze infrastructuur;
  71° " Trans-Europese spoorwegsysteem " : de in bijlage 14 beschreven trans-Europese conventionele spoorwegsystemen en trans-Europese hogesnelheidsspoorwegsystemen;
  [2 71/1° "Transit" : de doortocht op het grondgebied van de Unie zonder goederen te laden of te lossen en/of zonder reizigers op het grondgebied van de Unie te laten in- of uitstappen;]2
  72° " Voertuigtype " : een voertuigtype dat beantwoordt aan de fundamentele ontwerpkenmerken van het voertuig aangegeven in een enkele verklaring van " EG " -typeonderzoek zoals omschreven in module B van bijlage II van het besluit nr. 768/2008/EG van het Europees Parlement en de Raad van 9 juli 2008 betreffende een gemeenschappelijk kader voor het verhandelen van producten en tot intrekking van besluit 93/465/EEG van de Raad;
  73° " Voertuig " : een spoorvoertuig dat op eigen wielen voortbeweegt op spoorlijnen, met of zonder tractie. Een voertuig bestaat uit één of meer structurele en functionele subsystemen of onderdelen van dergelijke subsystemen;
  [1 74° [2 "remisestation" : station dat specifiek bestemd is voor het tijdelijk parkeren van spoorwegvoertuigen tussen twee ritten;]2
   75° [2 " Beschikking 2009/561/EG" : beschikking van de Commissie van 22 juli 2009 tot wijziging van Beschikking 2006/679/EG met betrekking tot de toepassing van de technische specificatie inzake interoperabiliteit voor het subsysteem besturing en seingeving van het conventionele trans-Europese spoorwegsysteem;]2 ]1
  [2 76° "Beschikking 2008/386/EG" : beschikking van de Commissie van 23 april 2008 tot wijziging van bijlage A bij Beschikking 2006/679/EG betreffende de technische specificaties van het subsysteem besturing en seingeving van het conventionele trans-Europese spoorwegsysteem;]2
  [2 77° "Beschikking 2006/860/EG" : beschikking van de Commissie van 7 november 2006 betreffende de technische specificaties inzake interoperabiliteit van het subsysteem besturing en seingeving van het trans-Europees hogesnelheidsspoorwegsysteem en tot wijziging van bijlage A bij Beschikking 2006/679/EG betreffende de technische specificaties inzake interoperabiliteit van het subsysteem besturing en seingeving van het conventionele trans-Europese spoorwegsysteem;]2
  [6 78° " Hulponderneming " : een onderaannemer die belast is met de uitvoering van een opdracht die hem in het kader van zijn veiligheidsbeheersysteem door een spoorwegonderneming of een infrastructuurbeheerder toegekend wordt en die beschouwd wordt als hebbende een impact op de veiligheid van het Belgische spoorwegnetwerk;]6
  [7 79° "ontwikkeling van de spoorweginfrastructuur": de spoornetplanning, de financiële planning en de investeringsplanning alsmede de aanleg en verbetering van de infrastructuur;
   80° "onderhoud van de spoorweginfrastructuur": de werkzaamheden om de staat en de capaciteit van de bestaande infrastructuur te handhaven;
   81° "belangenconflict": een toestand waarin een personeelslid door zichzelf of door een tussenpersoon een persoonlijk voordeel heeft dat de onpartijdige en objectieve uitoefening van zijn ambt kan beïnvloeden of een gewettigde argwaan van zulke invloed kan wekken.]7
  ----------
  (1)<KB 2013-12-21/55, art. 2, 005; Inwerkingtreding : 01-01-2014>
  (2)<W 2015-06-15/03, art. 5, 007; Inwerkingtreding : 23-07-2015>
  (3)<W 2015-06-15/03, art. 83,2°, 007; Inwerkingtreding : 23-07-2015>
  (4)<W 2015-06-15/03, art. 83,3°, 007; Inwerkingtreding : 23-07-2015>
  (5)<W 2015-06-15/03, art. 83,1°, 007; Inwerkingtreding : 23-07-2015>
  (6)<W 2017-11-23/15, art. 4, 011; Inwerkingtreding : 21-12-2017>
  (7)<W 2019-01-11/08, art. 3, 012; Inwerkingtreding : 16-02-2019>

  TITEL 2. [1 - Principes van organisatie en beheer]1
  ----------
  (1)<W 2015-06-15/03, art. 6, 007; Inwerkingtreding : 23-07-2015>

  HOOFDSTUK 1. [1 - Gescheiden rekeningen]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij W 2015-06-15/03, art. 7, 007; Inwerkingtreding : 23-07-2015>

  Art. 4.§ 1. Ondernemingen, die zowel spoorwegvervoerdiensten als activiteiten met betrekking tot beheer van spoorweginfrastructuur verrichten, houden in hun interne boekhouding afzonderlijke rekeningen aan, enerzijds, voor de activiteit met betrekking tot het verlenen van spoorwegvervoerdiensten en, anderzijds, voor het beheer van spoorweginfrastructuur. De toelichting bij hun jaarrekening bevat afzonderlijke balansen, resultatenrekeningen en kasstroomoverzichten voor de activiteiten met betrekking tot de levering van spoorwegvervoerdiensten enerzijds, en voor de activiteiten betreffende het beheer van de spoorweginfrastructuur anderzijds.
  Overheidsmiddelen die hetzij voor het verrichten van spoorwegvervoerdiensten, hetzij voor het beheer van spoorweginfrastructuur worden verstrekt, mogen niet worden overgedragen naar de andere activiteit.
  [1 ...]1
  § 2. [1 Spoorwegondernemingen houden in hun interne boekhouding afzonderlijke rekeningen aan met betrekking tot, enerzijds, de activiteit van goederenvervoer per spoor en, anderzijds, de activiteiten met betrekking tot de verlening van reizigersvervoerdiensten per spoor. De toelichting bij hun jaarrekening bevat een afzonderlijke balans, resultatenrekening en kasstroomoverzicht met betrekking tot de activiteit van goederenvervoer per spoor en met betrekking tot de reizigersvervoerdiensten per spoor.
   Openbare financiële middelen voor activiteiten die betrekking hebben op het verrichten van vervoersdiensten in het kader van openbare dienst, moeten in overeenstemming met artikel 7 van de [2 Verordening]2 1370/2007 afzonderlijk in de desbetreffende rekeningen worden opgevoerd en mogen niet worden overgedragen naar activiteiten met betrekking tot andere vervoersdiensten of enige andere bedrijfsactiviteit.]1
  [1 § 3. De wijze waarop de boekhoudingen van de verschillende activiteiten, bedoeld in de §§ 1 en 2, worden gevoerd, moet het mogelijk maken om toe te zien op het verbod op de overdracht van openbare financiële middelen van het ene activiteitengebied naar het andere en op de aanwending van inkomsten uit de retributies voor het gebruik van de infrastructuur en overschotten uit andere commerciële activiteiten.]1
  ----------
  (1)<W 2015-06-15/03, art. 8, 007; Inwerkingtreding : 23-07-2015>
  (2)<W 2017-11-23/15, art. 5, 011; Inwerkingtreding : 21-12-2017>

  HOOFDSTUK 2. [1 - Onafhankelijkheid van de infrastructuurbeheerder]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij W 2015-06-15/03, art. 9, 007; Inwerkingtreding : 23-07-2015>

  Art. 4/1. [1 De infrastructuurbeheerder is verantwoordelijk voor zijn eigen beheer, bestuur en interne controle en neemt hierbij deze Codex en zijn uitvoeringsbesluiten in acht.]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij W 2015-06-15/03, art. 10, 007; Inwerkingtreding : 23-07-2015>

  Art. 4/2. [1 § 1. De essentiële taken, met het oog op het garanderen van een eerlijke en niet-discriminerende toegang tot de infrastructuur, worden toevertrouwd aan instanties of ondernemingen die zelf geen spoorvervoersdiensten verlenen.
   De essentiële functies zijn :
   1° de besluitvorming inzake treinpadtoewijzing, waaronder zowel de omschrijving als de beoordeling van de beschikbaarheid en de capaciteitstoewijzing voor afzonderlijke treinpaden, en
   2° de besluitvorming inzake de heffing voor het gebruik van de infrastructuur, met inbegrip van de vaststelling en het innen van de rechten.
   § 2. Indien de infrastructuurbeheerder in juridisch of organisatorisch opzicht of wat de besluitvorming betreft, niet onafhankelijk is van spoorwegondernemingen, worden de in titel 3, hoofdstukken 4 en 5 bedoelde taken verricht door respectievelijk een heffingsinstantie en een toewijzingsinstantie die in juridisch en organisatorisch opzicht en wat de besluitvorming betreft van iedere spoorwegonderneming onafhankelijk is.
   § 3. Wanneer zij betrekking hebben op essentiële functies van de infrastructuurbeheerder, worden de bepalingen van titel 3, hoofdstukken 4 en 5 geacht van toepassing te zijn op de heffingsinstantie of de toewijzingsinstantie voor wat hun respectievelijke bevoegdheden betreft.]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij W 2015-06-15/03, art. 11, 007; Inwerkingtreding : 23-07-2015>

  Art. 4/2/1. [1 § 1. De leden van de raad van bestuur van de infrastructuurbeheerder, de leden van het directiecomité, de personen verantwoordelijk voor het nemen van beslissingen over de essentiële functies, verkeersbeheer en onderhoudsplanning handelen op niet-discriminerende wijze en hun onpartijdigheid mag door geen enkel belangenconflict worden aangetast. Hiervoor stellen ze bij hun indiensttreding een verklaring van afwezigheid van belangenconflicten op dat zij bezorgen aan het toezichthoudende orgaan en waarvan het model in bijlage 28 is opgenomen.
   Eenzelfde persoon kan niet gelijktijdig:
   1° lid zijn van de raad van bestuur en/of lid van het directiecomité van een infrastructuurbeheerder en lid van de raad van bestuur en/of van het directiecomité van een spoorwegonderneming;
   2° verantwoordelijk zijn voor het nemen van beslissingen over de essentiële functies, verkeersbeheer en onderhoudsplanning en lid van de raad van bestuur en/of van het directiecomité van een spoorwegonderneming.
   § 2. Mits er geen belangenconflicten ontstaan en de vertrouwelijkheid van commercieel gevoelige informatie wordt gewaarborgd, kan de infrastructuurbeheerder:
   1° functies uitbesteden aan een andere entiteit, op voorwaarde dat deze laatste geen spoorwegonderneming is, geen zeggenschap heeft over een spoorwegonderneming, of niet onder zeggenschap van een spoorwegonderneming staat;
   2° de uitvoering van de werkzaamheden en de daarmee verband houdende taken inzake ontwikkeling, onderhoud en vernieuwing van de spoorweginfrastructuur uitbesteden aan spoorwegondernemingen of ondernemingen die zeggenschap over de spoorwegonderneming uitoefenen, of onder zeggenschap van de spoorwegonderneming staan.
   De infrastructuurbeheerder behoudt de toezichtsbevoegdheid op en draagt de verantwoordelijkheid voor de uitoefening van de in artikel 3, 29°, omschreven functies en neemt de verantwoordelijkheid hiervoor op zich conform artikel 94.
   De functies van de infrastructuurbeheerder kunnen worden uitgeoefend door verschillende infrastructuurbeheerders wanneer zij de artikelen 4/1 tot 4/2/1 naleven en de volledige verantwoordelijkheid op zich nemen voor de uitoefening van de betrokken functies.
   § 3. De infrastructuurbeheerder mag inkomsten uit het beheer van het infrastructuurnet, waaronder overheidsmiddelen, alleen gebruiken voor het financieren van zijn eigen bedrijf, met inbegrip van het afbetalen van leningen. De infrastructuurbeheerder mag deze inkomsten ook gebruiken om dividenden uit te keren aan de eigenaars van de onderneming, waaronder eventuele particuliere aandeelhouders.
   De infrastructuurbeheerder verstrekt noch direct noch indirect leningen aan de spoorwegondernemingen.
   De spoorwegondernemingen verstrekken noch direct noch indirect leningen aan infrastructuurbeheerder.]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij W 2019-01-11/08, art. 4, 012; Inwerkingtreding : 16-02-2019>
  

  HOOFDSTUK 3. [1 - Beheer van spoorwegondernemingen volgens commerciële beginselen]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij W 2015-06-15/03, art. 12, 007; Inwerkingtreding : 23-07-2015>

  Art. 4/3. [1 De spoorwegondernemingen worden beheerd volgens de principes die van toepassing zijn op commerciële ondernemingen, welke ook hun eigenaar is. Deze regel is ook van toepassing op hun openbare dienstverplichtingen en op de openbare dienstcontracten die zij afsluiten met de bevoegde overheidsinstanties.
   Mits naleving van deze Codex en zijn uitvoeringsbesluiten, zijn de spoorwegondernemingen in het bijzonder vrij om :
   a) hun interne organisatie vast te stellen, onverminderd de artikelen 4/2, 26, 27 en 46;
   b) toezicht te houden op de levering en de marketing van de diensten, en de tarieven ervan vast te stellen;
   c) besluiten betreffende het personeel, de activa en de eigen aankopen te nemen;
   d) hun marktaandeel uit te breiden, nieuwe technologieën en nieuwe diensten te ontwikkelen en nieuwe managementtechnieken in te voeren;
   e) nieuwe activiteiten te ontplooien op aan de spoorwegsector aanverwante terreinen.
   De aandeelhouders van spoorwegondernemingen die eigendom zijn van of gecontroleerd worden door de staat, kunnen eisen dat hun voorafgaande goedkeuring wordt gevraagd voor belangrijke bedrijfsbeheersbeslissingen, op een gelijke wijze als aandeelhouders van privaatrechtelijke naamloze vennootschappen krachtens het vennootschapsrecht. De bepalingen van dit artikel zijn van toepassing onverminderd de bevoegdheden van toeziende organen krachtens het vennootschapsrecht met betrekking tot de benoeming van leden van de raad van bestuur.]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij W 2015-06-15/03, art. 13, 007; Inwerkingtreding : 23-07-2015>

  TITEL 3. - Gebruik van de spoorweginfrastructuur

  HOOFDSTUK 1. - Toegang tot de spoorweginfrastructuur

  Afdeling 1. - Toegangs- en doorvoerrecht

  Art. 5.[2 § 1.]2 [1 Hebben toegang tot de spoorweginfrastructuur onder eerlijke, niet-discriminerende en transparante voorwaarden :
   1° de Nationale Maatschappij der Belgische Spoorwegen voor de exploitatie van al haar vervoersactiviteiten. Dit recht omvat de toegang tot infrastructuur die zee- en binnenhavens verbindt, en andere in bijlage 1, punt 2, bedoelde dienstvoorzieningen, alsmede tot infrastructuur die meer dan één eindgebruiker bedient of kan bedienen;
   2° elke spoorwegonderneming die gevestigd is in een lidstaat van de Europese Unie voor de exploitatie van elk type van goederenvervoerdiensten. Dit recht omvat de toegang tot infrastructuur die zee- en binnenhavens verbindt, en andere in bijlage 1, punt 2, bedoelde dienstvoorzieningen, alsmede tot infrastructuur die meer dan één eindgebruiker bedient of kan bedienen;
   3° elke spoorwegonderneming die gevestigd is in een lidstaat van de Europese Unie, voor de exploitatie van [2 ...]2 reizigersvervoerdiensten. Dit recht omvat de toegang tot infrastructuur die de in bijlage 1, punt 2, bedoelde dienstvoorzieningen verbindt;
   4° elke toeristische onderneming die ritten verricht voor toeristische doeleinden met historisch materieel en daartoe erkend is.]1
  [2 § 2. Wanneer overeenkomstig artikel 62, § 3, eerste lid, 5°, het toezichthoudende orgaan beslist dat de uitoefening van het toegangsrecht bedoeld in artikel 5, 3°, een weerslag zou kunnen hebben op het economisch evenwicht van een openbare dienstcontract, brengt hij onmiddellijk de minister op de hoogte, die enkel in dat geval kan voorstellen om, bij koninklijk besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad, een beslissing aan te nemen om dat toegangsrecht te beperken. Daartoe wordt voormeld koninklijk besluit ter kennis gebracht van de infrastructuurbeheerder uiterlijk twee maanden nadat de beslissing van het toezichthoudende orgaan werd meegedeeld aan de minister.]2
  ----------
  (1)<W 2015-06-15/03, art. 14, 007; Inwerkingtreding : 23-07-2015>
  (2)<W 2019-01-11/08, art. 5, 012; Inwerkingtreding : 01-01-2019>

  Art. 6.
  <Opgeheven bij W 2019-01-11/08, art. 6, 012; Inwerkingtreding : 01-01-2019>

  Art. 7.Elke spoorwegonderneming die spoorwegvervoerdiensten wil verrichten en toegang wil hebben tot de spoorweginfrastructuur moet in het bezit zijn van :
  1° een vergunning die bestemd is voor het type diensten dat ze aanbiedt, afgeleverd door de bevoegde overheid van een lidstaat van de Europese Unie;
  2° een spoorwegveiligheidscertificaat;
  3° beschikbare spoorweginfrastructuurcapaciteiten toegekend door de spoorweginfrastructuurbeheerder;
  [1 4° een dekking van de burgerlijke aansprakelijkheid voor een minimumbedrag dat de Koning bepaalt.]1
  ----------
  (1)<W 2017-11-23/15, art. 6, 011; Inwerkingtreding : 21-12-2017>

  Art. 8.De spoorweginfrastructuurbeheerder verplaatst zich vrij op zijn [1 net]1, met het oog op het onderhoud, het beheer, de vernieuwing en de uitbreiding van de spoorweginfrastructuur, met naleving van de veiligheidsmaatregelen die aan elke gebruiker van de spoorweginfrastructuur worden opgelegd.
  De spoorweginfrastructuurbeheerder stelt de spoorweginfrastructuur ter beschikking van de aangemelde en aangewezen instanties alsook van de spoorwegondernemingen, teneinde tests te verrichten in overeenstemming met de bepalingen van titel 6 en mits naleving van de veiligheidsvoorschriften.
  Voor het verrichten van testen bedoeld in het tweede lid, moet de kandidaat een testretributie betalen aan de infrastructuurbeheerder die betrekking heeft op de voertuigen waarmee de testen worden verricht en die de kosten van de infrastructuurbeheerder dekt. De Koning bepaalt de wijze van berekening en de betalingswijzen van deze testretributie.
  ----------
  (1)<W 2015-06-15/03, art. 83,1°, 007; Inwerkingtreding : 23-07-2015>

  Afdeling 2. - Diensten die aan de spoorwegondernemingen moeten worden geleverd

  Art. 9.[1 § 1. De infrastructuurbeheerder verleent alle spoorwegondernemingen op een niet-discriminerende wijze het in bijlage 1, punt 1, vastgestelde minimumtoegangspakket.
   § 2. Exploitanten van dienstvoorzieningen verlenen alle spoorwegondernemingen op een niet-discriminerende wijze toegang, inclusief toegang via het spoor, tot de in bijlage 1, punt 2, bedoelde dienstvoorzieningen en tot de in deze voorzieningen geleverde diensten.
   § 3. Ter waarborging van een volledig transparante en niet- discriminerende toegang tot de in bijlage 1, punt 2, a), b), c), d), g) en i), bedoelde dienstvoorzieningen, en van de dienstverlening in deze voorzieningen ingeval de exploitant van de dienstvoorzieningen onder de directe of indirecte zeggenschap staat van een instantie of een onderneming die ook actief is en een machtspositie heeft op nationale markten voor spoorvervoersdiensten waarvoor de voorziening wordt gebruikt, zijn de exploitanten van deze dienstvoorzieningen op zodanige wijze georganiseerd, dat zij organisatorisch en wat de besluitvorming betreft, onafhankelijk zijn van deze instantie of onderneming. Deze onafhankelijkheid betekent niet dat voor dienstvoorzieningen een afzonderlijke rechtspersoon moet worden opgericht; er kan aan worden voldaan door binnen één rechtspersoon verschillende afdelingen op te richten.
   Voor alle dienstvoorzieningen bedoeld in bijlage 1, punt 2, voeren de exploitant en deze instantie of onderneming gescheiden rekeningen, daaronder begrepen afzonderlijke balansen, resultatenrekeningen en kasstroomoverzichten.
   Indien de dienstvoorzieningen door een infrastructuurbeheerder worden geëxploiteerd of de exploitant ervan onder de directe of indirecte zeggenschap staat van een infrastructuurbeheerder, wordt de in dit lid bedoelde onafhankelijkheid geacht te zijn voldaan indien aan de in artikel 4/2 genoemde vereisten wordt voldaan.
   § 4. De verzoeken van de spoorwegondernemingen om toegang tot, en levering van diensten in de bijlage 1, punt 2, van bedoelde dienstvoorziening worden beantwoord binnen een redelijke termijn die door het toezichthoudende orgaan wordt vastgesteld. Deze verzoeken mogen slechts worden afgewezen, wanneer er levensvatbare alternatieven zijn die hen in staat stellen, de betrokken goederen- of reizigersvervoersdienst op hetzelfde traject of op alternatieve trajecten onder economisch aanvaardbare voorwaarden te exploiteren. Dit houdt voor de exploitant van de dienstvoorzieningen niet de verplichting in om te investeren in middelen of voorzieningen teneinde aan alle verzoeken van spoorwegondernemingen tegemoet te kunnen komen.
   Bij verzoeken van spoorwegondernemingen om toegang tot, en dienstverlening in, een dienstvoorziening die wordt beheerd door een exploitant van de in lid 3 bedoelde dienstvoorziening, motiveert de exploitant eventuele weigeringsbesluiten schriftelijk en geeft hij aan welke levensvatbare alternatieven er zijn in andere voorzieningen.
   § 5. Wanneer een exploitant van de in bijlage 1, punt 2, bedoelde dienstvoorziening een conflict vaststelt tussen verschillende verzoeken, tracht hij die verzoeken met elkaar te verzoenen voor zover dat mogelijk is. Wanneer geen levensvatbaar alternatief beschikbaar is en het op basis van een aangetoonde behoefte onmogelijk is aan alle verzoeken om capaciteit voor de betrokken voorziening tegemoet te komen, kan de verzoeker een klacht indienen bij het toezichthoudende orgaan die zich over de zaak buigt en, voor zover nodig, maatregelen neemt om ervoor te zorgen dat een passend deel van de capaciteit wordt gegund aan de betrokken verzoeker.
   § 6. Wanneer de in bijlage 1, punt 2, bedoelde dienstvoorziening gedurende tenminste twee opeenvolgende jaren niet is gebruikt, en spoorwegondernemingen ten aanzien van de exploitant van die dienstvoorziening hun belangstelling hebben laten blijken voor toegang tot de voorziening, op basis van aangetoonde behoeften, biedt de eigenaar de exploitatie van de voorziening geheel of gedeeltelijk aan voor leasing, of verhuring als spoordienstvoorziening, tenzij de exploitant van die dienstvoorzieningen aantoont dat de voorziening vanwege een lopend reconversieproces niet door een spoorwegonderneming kan worden gebruikt.
   § 7. Indien de exploitant van de dienstvoorzieningen voorziet in een van de in bijlage 1, punt 3, bedoelde, aanvullende diensten", biedt hij deze op verzoek op niet-discriminerende wijze aan een spoorwegonderneming aan.
   § 8. De spoorwegondernemingen mogen de infrastructuurbeheerder of andere exploitanten van de dienstvoorziening om een bijkomende reeks in bijlage 1, punt 4, bedoelde "ondersteunende diensten" verzoeken. De exploitant van een dienstvoorziening is niet verplicht deze diensten te verlenen. Wanneer de exploitant van de dienstvoorziening besluit een of meer diensten van deze reeks aan anderen aan te bieden, verstrekt hij deze op verzoek en op niet-discriminerende wijze aan spoorwegondernemingen.
   § 9. De Koning kan maatregelen nemen waarin de te volgen procedure en de na te leven criteria worden bepaald voor de toegang tot de diensten die geleverd worden door de dienstvoorzieningen bedoeld in bijlage 1, punten 2 tot 4.]1
  ----------
  (1)<W 2015-06-15/03, art. 15, 007; Inwerkingtreding : 23-07-2015>

  Art. 9 TOEKOMSTIG RECHT.


   [1 § 1. De infrastructuurbeheerder verleent alle spoorwegondernemingen op een niet-discriminerende wijze het in bijlage 1, punt 1, vastgestelde minimumtoegangspakket.
   § 2. Exploitanten van dienstvoorzieningen verlenen alle spoorwegondernemingen op een niet-discriminerende wijze toegang, inclusief toegang via het spoor, tot de in bijlage 1, punt 2, bedoelde dienstvoorzieningen en tot de in deze voorzieningen geleverde diensten.
   § 3. Ter waarborging van een volledig transparante en niet- discriminerende toegang tot de in bijlage 1, punt 2, a), b), c), d), g) en i), bedoelde dienstvoorzieningen, en van de dienstverlening in deze voorzieningen ingeval de exploitant van de dienstvoorzieningen onder de directe of indirecte zeggenschap staat van een instantie of een onderneming die ook actief is en een machtspositie heeft op nationale markten voor spoorvervoersdiensten waarvoor de voorziening wordt gebruikt, zijn de exploitanten van deze dienstvoorzieningen op zodanige wijze georganiseerd, dat zij organisatorisch en wat de besluitvorming betreft, onafhankelijk zijn van deze instantie of onderneming. Deze onafhankelijkheid betekent niet dat voor dienstvoorzieningen een afzonderlijke rechtspersoon moet worden opgericht; er kan aan worden voldaan door binnen één rechtspersoon verschillende afdelingen op te richten.
   Voor alle dienstvoorzieningen bedoeld in bijlage 1, punt 2, voeren de exploitant en deze instantie of onderneming gescheiden rekeningen, daaronder begrepen afzonderlijke balansen, resultatenrekeningen en kasstroomoverzichten.
   Indien de dienstvoorzieningen door een infrastructuurbeheerder worden geëxploiteerd of de exploitant ervan onder de directe of indirecte zeggenschap staat van een infrastructuurbeheerder, wordt de in dit lid bedoelde onafhankelijkheid geacht te zijn voldaan indien aan de in artikel 4/2 genoemde vereisten wordt voldaan.
   § 4. De verzoeken van de spoorwegondernemingen om toegang tot, en levering van diensten in de bijlage 1, punt 2, van bedoelde dienstvoorziening worden beantwoord binnen een redelijke termijn die door het toezichthoudende orgaan wordt vastgesteld. Deze verzoeken mogen slechts worden afgewezen, wanneer er levensvatbare alternatieven zijn die hen in staat stellen, de betrokken goederen- of reizigersvervoersdienst op hetzelfde traject of op alternatieve trajecten onder economisch aanvaardbare voorwaarden te exploiteren. Dit houdt voor de exploitant van de dienstvoorzieningen niet de verplichting in om te investeren in middelen of voorzieningen teneinde aan alle verzoeken van spoorwegondernemingen tegemoet te kunnen komen.
   Bij verzoeken van spoorwegondernemingen om toegang tot, en dienstverlening in, een dienstvoorziening die wordt beheerd door een exploitant van de in lid 3 bedoelde dienstvoorziening, motiveert de exploitant eventuele weigeringsbesluiten schriftelijk en geeft hij aan welke levensvatbare alternatieven er zijn in andere voorzieningen.
   § 5. Wanneer een exploitant van de in bijlage 1, punt 2, bedoelde dienstvoorziening een conflict vaststelt tussen verschillende verzoeken, tracht hij die verzoeken met elkaar te verzoenen voor zover dat mogelijk is. Wanneer geen levensvatbaar alternatief beschikbaar is en het op basis van een aangetoonde behoefte onmogelijk is aan alle verzoeken om capaciteit voor de betrokken voorziening tegemoet te komen, kan de verzoeker een klacht indienen bij het toezichthoudende orgaan die zich over de zaak buigt en, voor zover nodig, maatregelen neemt om ervoor te zorgen dat een passend deel van de capaciteit wordt gegund aan de betrokken verzoeker.
   § 6. Wanneer de in bijlage 1, punt 2, bedoelde dienstvoorziening gedurende tenminste twee opeenvolgende jaren niet is gebruikt, en spoorwegondernemingen ten aanzien van de exploitant van die dienstvoorziening hun belangstelling hebben laten blijken voor toegang tot de voorziening, op basis van aangetoonde behoeften, biedt de eigenaar de exploitatie van de voorziening geheel of gedeeltelijk aan voor leasing, of verhuring als spoordienstvoorziening, tenzij de exploitant van die dienstvoorzieningen aantoont dat de voorziening vanwege een lopend reconversieproces niet door een spoorwegonderneming kan worden gebruikt.
   § 7. Indien de exploitant van de dienstvoorzieningen voorziet in een van de in bijlage 1, punt 3, bedoelde, aanvullende diensten", biedt hij deze op verzoek op niet-discriminerende wijze aan een spoorwegonderneming aan.
   § 8. De spoorwegondernemingen mogen de infrastructuurbeheerder of andere exploitanten van de dienstvoorziening om een bijkomende reeks in bijlage 1, punt 4, bedoelde "ondersteunende diensten" verzoeken. De exploitant van een dienstvoorziening is niet verplicht deze diensten te verlenen. Wanneer de exploitant van de dienstvoorziening besluit een of meer diensten van deze reeks aan anderen aan te bieden, verstrekt hij deze op verzoek en op niet-discriminerende wijze aan spoorwegondernemingen.
   § 9. De Koning kan maatregelen nemen waarin de te volgen procedure en de na te leven criteria worden bepaald voor de toegang tot de diensten die geleverd worden door de dienstvoorzieningen bedoeld in bijlage 1, punten 2 tot 4.]1
  [2 § 10. Het toezichthoudende orgaan wordt zonder verwijl geïnformeerd wanneer een aanvraag van toegang tot de dienstvoorzieningen of tot voorzieningen die verband houden met het spoorvervoer in het kader van een coördinatieprocedure niet kan ingewilligd worden door de exploitant van een dienstvoorziening bedoeld in bijlage 1, punt 2 zoals bepaald door de uitvoeringsverordening (EU) 2017/2177 van de Commissie van 22 november 2017 betreffende de toegang tot dienstvoorzieningen en spoorgebonden diensten.]2
  

----------
  (1)<W 2015-06-15/03, art. 15, 007; Inwerkingtreding : 23-07-2015>
  (2)<W 2019-01-11/08, art. 7, 012; Inwerkingtreding : 01-06-2019>
  

  Art. 9/1.
  <Opgeheven bij W 2015-06-15/03, art. 16, 007; Inwerkingtreding : 23-07-2015>

  Afdeling 3. - Vergunningen

  Art. 10.Onverminderd andersluidende bepalingen worden de vergunningen met betrekking tot de [2 plaatsing van nutsvoorzieningen]2 en tot de bouw van kunstwerken boven en onder de spoorweg afgegeven door de spoorweginfrastructuurbeheerder. Hij maakt een inventaris op en houdt deze bij.
  De [2 nutsvoorzieningen]2 die een potentieel gevaar voor de bevolking of voor het milieu kunnen inhouden worden duidelijk aangegeven en gelokaliseerd ten opzichte van het [1 spoorwegnet]1.
  ----------
  (1)<W 2015-06-15/03, art. 83,2°, 007; Inwerkingtreding : 23-07-2015>
  (2)<W 2017-11-23/15, art. 7, 011; Inwerkingtreding : 21-12-2017>

  HOOFDSTUK 2. - Vergunning van spoorwegonderneming

  Afdeling 1. - Principes

  Art. 11.[1 Elke onderneming die een exploitatiezetel in België heeft, heeft het recht een vergunning aan te vragen die haar toelaat om als spoorwegonderneming erkend te worden.
   De Koning wijst bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad de instantie aan die verantwoordelijk is voor het verlenen van vergunningen.
   De instantie verantwoordelijk voor het verlenen van vergunningen, verricht zelf geen spoorwegvervoersdiensten en is onafhankelijk van elke onderneming of entiteit die deze diensten verricht.]1
  ----------
  (1)<W 2015-06-15/03, art. 17, 007; Inwerkingtreding : 23-07-2015>

  Art. 12. De vergunning is onoverdraagbaar en beschrijft de typediensten waarvoor ze geldig is. Ze is op het gehele grondgebied van de Europese Unie geldig.

  Afdeling 2. - Voorwaarden voor de afgifte van de vergunning

  Art. 13.§ 1. [1 Om een vergunning te verkrijgen, levert de vergunningaanvrager vóór het begin van zijn activiteiten het bewijs ten aanzien van de vergunningverlenende instantie dat hij te allen tijde kan voldoen aan de door de Koning bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad vastgestelde voorwaarden inzake de financiële draagkracht, beroepsbekwaamheid, dekking van de burgerlijke aansprakelijkheid en eerbaarheid.
   Een onderneming die aan de voorwaarden van het eerste lid voldoet, is gerechtigd een vergunning te ontvangen.]1
  § 2. Om aan § 1 te voldoen moet elke onderneming die een vergunning aanvraagt alle nuttige inlichtingen verstrekken.
  § 3. De Koning bepaalt de nadere regels voor het indienen van een aanvraag en voor de afgifte van de vergunning. [1 De Koning kan het model van de vergunning bepalen.]1
  § 4. De Koning bepaalt de minimumbedragen voor de dekking van de burgerlijke aansprakelijkheid.
  ----------
  (1)<W 2015-06-15/03, art. 18, 007; Inwerkingtreding : 23-07-2015>

  Afdeling 3. - Geldigheid van de vergunning

  Art. 14. De vergunning blijft geldig zolang de onderneming de voorwaarden, gesteld in artikel 13, naleeft.
  De vergunning wordt aan een nieuw onderzoek onderworpen :
  1° met regelmatige door de Koning bepaalde tussenpozen, ten minste om de vijf jaar;
  2° indien de spoorwegonderneming plant om haar activiteiten ingrijpend te wijzigen of uit te breiden,
  3° bij ernstige twijfel over de naleving door de spoorwegonderneming van de eisen opgesomd in artikel 13.
  De Koning bepaalt bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad de nadere regels van dit nieuwe onderzoek.

  Afdeling 4. - Intrekking en schorsing van de vergunning

  Art. 15. De faillissementsuitspraak brengt van rechtswege de intrekking van de vergunning met zich mee.

  Art. 16.Wanneer [1 de vergunningverlenende autoriteit]1 vaststelt dat er een ernstige twijfel bestaat over de naleving van de voorwaarden bepaald in dit hoofdstuk of in zijn uitvoeringsbesluiten door een spoorwegonderneming aan dewelke een vergunning werd afgegeven door de overheid van een andere lidstaat, [1 licht zij]1 dadelijk die overheid in.
  ----------
  (1)<W 2015-06-15/03, art. 19, 007; Inwerkingtreding : 23-07-2015>

  Art. 17.[1 De Koning bepaalt bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad de gevallen en de nadere regels voor het schorsen en het intrekken van vergunningen, het indienen van de nieuwe aanvragen, het afleveren van een tijdelijke vergunning.
   Bijzondere bepalingen betreffende het schorsen of intrekken van de vergunning kunnen in de vergunning zelf worden opgenomen.]1
  ----------
  (1)<W 2015-06-15/03, art. 20, 007; Inwerkingtreding : 23-07-2015>

  Art. 18.Alle beslissingen inzake vergunningen worden meegedeeld aan [1 het Bureau]1.
  ----------
  (1)<W 2015-06-15/03, art. 21, 007; Inwerkingtreding : 23-07-2015>

  Afdeling 5. - Jaarlijkse retributie voor een vergunning

  Art. 19. § 1. De houder van een vergunning van spoorwegonderneming dient als deelneming in de kosten voor administratie, controle en toezicht, een jaarlijks geïndexeerde retributie te storten.
  § 2. Deze retributie moet worden betaald bij de afgifte van de vergunning en vervolgens vóór 1 januari van elk jaar.
  § 3. Deze retributie wordt niet teruggestort bij schorsing of intrekking van de vergunning of bij stopzetting van de activiteiten die door de vergunning gedekt worden. Wanneer de vergunning is ingetrokken of geschorst kan de retributie niet langer voor het volgend jaar worden geëist.
  § 4. Bij niet-betaling kan de vergunning worden geschorst.
  § 5. De Koning bepaalt het bedrag, de betalingswijze en het indexeringsmechanisme van de retributie.

  HOOFDSTUK 2/1. [1 - Bedrijfsplannen]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij W 2015-06-15/03, art. 22, 007; Inwerkingtreding : 23-07-2015>

  Art. 19/1. [1 De spoorwegondernemingen stellen hun eigen bedrijfsplannen op, met inbegrip van de investerings- en financieringsplannen. Deze plannen zijn gericht op het bereiken van het financieel evenwicht van de ondernemingen en op andere doelstellingen op het gebied van technisch, commercieel en financieel beheer; daarnaast worden in deze bedrijfsplannen de middelen vermeld om deze doelstellingen te bereiken.]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij W 2015-06-15/03, art. 23, 007; Inwerkingtreding : 23-07-2015>

  Art. 19/2. [1 In het kader van het beleid bedoeld in artikel 19/3, stelt de infrastructuurbeheerder een bedrijfsplan vast dat ook investerings- en financiële programma's bevat. Het plan wordt zodanig opgesteld, dat wordt gewaarborgd dat gebruik, aanbod en ontwikkeling van de infrastructuur optimaal en efficiënt zijn, en tevens een financieel evenwicht wordt bereikt en in de middelen voor de verwezenlijking van deze doelstellingen wordt voorzien. De infrastructuurbeheerder zorgt ervoor dat de bekende kandidaten en, op hun verzoek, potentiële kandidaten, toegang verkrijgen tot de desbetreffende informatie en in de gelegenheid worden gesteld om zich over de inhoud van het bedrijfsplan wat betreft de toegangs- en gebruiksvoorwaarden en de aard en het aanbieden en ontwikkelen van de infrastructuur, uit te spreken voordat het bedrijfsplan door de infrastructuurbeheerder wordt goedgekeurd.]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij W 2015-06-15/03, art. 24, 007; Inwerkingtreding : 23-07-2015>

  HOOFDSTUK 2/2. [1 - Ontwikkelingsplan voor de spoorweginfrastructuur]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij W 2015-06-15/03, art. 25, 007; Inwerkingtreding : 23-07-2015>

  Art. 19/3. [1 De minister legt, na raadpleging van de belanghebbende partijen, aan de Koning een indicatief plan voor over de ontwikkeling van de spoorweginfrastructuur om aan de toekomstige mobiliteitsbehoeften wat betreft onderhoud, vernieuwing en ontwikkeling van de infrastructuur te voldoen, dat is gebaseerd op een duurzame financiering van het spoorwegsysteem. Dit plan wordt aangenomen bij een koninklijk besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad, het bestrijkt een periode van ten minste vijf jaar en is hernieuwbaar.]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij W 2015-06-15/03, art. 26, 007; Inwerkingtreding : 23-07-2015>

  HOOFDSTUK 3. - De betrekkingen tussen de spoorweginfrastructuur- beheerder en de spoorwegondernemingen

  Afdeling 1. - Netverklaring

  Art. 20.De spoorweginfrastructuurbeheerder stelt de netverklaring op en zorgt voor de bekendmaking ervan, na raadpleging van het toezichthoudende orgaan, de kandidaten en de spoorwegondernemingen die het [1 net]1 gebruiken.
  ----------
  (1)<W 2015-06-15/03, art. 83,1°, 007; Inwerkingtreding : 23-07-2015>

  Art. 21.[1 De netverklaring beschrijft de aard van de voor spoorwegondernemingen beschikbare infrastructuur, en bevat informatie over de voorwaarden voor toegang tot de betreffende spoorweginfrastructuur. De netverklaring bevat ook informatie over de voorwaarden voor toegang tot dienstvoorzieningen die zijn aangesloten op het net van de infrastructuurbeheerder en voor de dienstverlening in die voorzieningen [2 ...]2 of een verwijzing naar een internetsite waarop deze informatie kosteloos in elektronische vorm wordt aangehouden. De inhoud van de netverklaring is opgenomen in bijlage 2.
   De netverklaring wordt bijgehouden en in voorkomend geval aangepast.]1
  ----------
  (1)<W 2015-06-15/03, art. 27, 007; Inwerkingtreding : 23-07-2015>
  (2)<W 2017-11-23/15, art. 8, 011; Inwerkingtreding : 21-12-2017>

  Art. 22.De netverklaring wordt bekendgemaakt uiterlijk vier maanden vóór de uiterste datum die de spoorweginfrastructuurbeheerder vastlegt voor het indienen van aanvragen voor spoorweginfrastructuurcapaciteit. Haar bekendmaking wordt aangekondigd door een bericht in het Belgisch Staatsblad.
  Zij kan elektronisch worden geraadpleegd of worden verkregen bij de spoorweginfrastructuurbeheerder tegen betaling van een [1 vergoeding]1 die hij vaststelt. Deze retributie is niet hoger dan de kosten van zijn bekendmaking.
  ----------
  (1)<W 2015-06-15/03, art. 28, 007; Inwerkingtreding : 23-07-2015>

  Afdeling 2. - Overeenkomsten

  Art. 23.Elk gebruik van de spoorweginfrastructuur door [4 een spoorwegonderneming]4 wordt voorafgegaan door het afsluiten van een overeenkomst tussen de spoorweginfrastructuurbeheerder en de spoorwegonderneming die spoorwegvervoerdiensten verricht en waarin de respectieve rechten en verplichtingen van elke partij worden vastgelegd. De bepalingen van deze overeenkomst zijn niet-discriminerend, transparant en in overeenstemming met de geldende wettelijke en reglementaire bepalingen.
  Deze overeenkomst bepaalt onder meer de nadere regels van de tenuitvoerlegging van de veiligheidsvoorschriften.
  Deze overeenkomst bevat eveneens een prestatieregeling die [3 heffingsregelingen]3 voor het gebruik van de infrastructuur toepast om de spoorwegonderneming en de spoorweginfrastructuurbeheerder ertoe aan te zetten om tekortkomingen zo gering mogelijk te houden en de prestaties van het [2 spoorwegnet]2 te verbeteren.
  [1 De grondbeginselen van de prestatieregeling bedoeld in bijlage 24, punt 2, gelden voor het gehele net.]1
  [1 Deze regeling is voor het gehele net van toepassing en kan boetes inhouden voor handelingen die de exploitatie van het net verstoren, compensaties voor ondernemingen die onder verstoringen te lijden hebben, en premies ter beloning van prestaties die de ramingen overtreffen die gebaseerd zijn op de prestatieregeling.]1
  [1 Overeenkomstig bijlage 24, punt 2 bepaalt de infrastructuurbeheerder de grondbeginselen van de prestatieregeling in akkoord met de kandidaten.]1
  De partijen kunnen het toezichthoudende orgaan om advies vragen over de verenigbaarheid van deze overeenkomst met de bepalingen van deze Spoorcodex en zijn uitvoeringsbesluiten.
  [1 In afwijking van artikel 46, tweede lid, bepaalt de infrastructuurbeheerder de regels voor de berekening en betalingswijze van de retributies die voortvloeien uit de toepassing van de prestatieregeling. Hij past deze regels toe ten laatste vanaf 1 januari 2017.
   De prestatieregeling vastgesteld door het koninklijk besluit van 6 juli 2011 tot wijziging van het koninklijk besluit van 9 december 2004 betreffende de verdeling van de spoorweginfrastructuurcapaciteiten en de retributie voor het gebruik van de spoorweginfrastructuur is van toepassing tot aan de datum waarop de prestatieregeling vastgesteld overeenkomstig het zevende lid van toepassing wordt. Tot aan dezelfde datum bepaalt de Koning bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad de regels voor de berekening en betalingswijze van de heffingen die voortvloeien uit de toepassing van de prestatieregeling.]1
  ----------
  (1)<W 2015-06-15/03, art. 29, 007; Inwerkingtreding : 16-06-2015>
  (2)<W 2015-06-15/03, art. 83,2°, 007; Inwerkingtreding : 23-07-2015>
  (3)<W 2015-06-15/03, art. 83,5°, 007; Inwerkingtreding : 23-07-2015>
  (4)<W 2017-11-23/15, art. 9, 011; Inwerkingtreding : 21-12-2017>

  Art. 24.§ 1. De spoorweginfrastructuurbeheerder en de kandidaat kunnen een kaderovereenkomst sluiten die hun rechten en verplichtingen vaststelt met betrekking tot de toe te wijzen infrastructuurcapaciteit en de [2 heffing]2 voor een periode die langer is dan de geldigheidsduur van één dienstregelingstijdvak.
  In deze kaderovereenkomst worden de kenmerken opgenomen van de infrastructuurcapaciteit die door de kandidaat wordt aangevraagd en de infrastructuurcapaciteiten aangeboden voor een termijn van meer dan één dienstregelingsperiode. De kaderovereenkomst behelst geen gedetailleerde beschrijving van een treinpad, maar is zo opgesteld dat aan de gewettigde commerciële behoeften van de [1 kandidaat]1 wordt tegemoet gekomen.
  De kaderovereenkomst mag geen belemmering vormen voor het gebruik van de infrastructuur door andere kandidaten of diensten.
  Een kaderovereenkomst kan gewijzigd worden om een beter gebruik van de spoorweginfrastructuur mogelijk te maken.
  De kaderovereenkomst kan maatregelen bevatten die gedragingen sanctioneren die tot gevolg hebben dat de overeenkomst wordt gewijzigd of beëindigd.
  Mits eerbiediging van de vertrouwelijkheid worden de algemene bepalingen van elke kaderovereenkomst openbaar gemaakt aan alle partijen die in aanmerking komen voor het gebruiken van dezelfde capaciteiten.
  De kaderovereenkomst heeft in beginsel een looptijd van vijf jaar, en kan worden verlengd met periodes die gelijk zijn aan haar oorspronkelijke looptijd. De spoorweginfrastructuurbeheerder kan in bijzondere gevallen met een kortere of langere looptijd instemmen. Een looptijd van meer dan vijf jaar wordt gerechtvaardigd door het bestaan van commerciële overeenkomsten, specifieke investeringen of risico's.
  [1 ...]1
  De partijen kunnen het toezichthoudende orgaan om advies vragen over de verenigbaarheid van de beoogde overeenkomst met de bepalingen van deze Spoorcodex en zijn uitvoeringsbesluiten.
  De spoorweginfrastructuurbeheerder werkt het model van de kaderovereenkomst uit dat [1 integraal]1 deel uitmaakt van de netverklaring.
  [1 Het model van de kaderovereenkomst wordt voorafgaandelijk voor advies voorgelegd aan het toezichthoudende orgaan.]1
  § 2. In afwijking van artikel 24, § 1, zevende lid, kan voor diensten waarbij gebruik wordt gemaakt van infrastructuur die overeenkomstig artikel 38, tweede lid, is aangewezen en die een door de [1 kandidaat]1 naar behoren gemotiveerde aanzienlijke en langdurige investering vereist, de looptijd van de kaderovereenkomst vijftien jaar bedragen. Een looptijd van meer dan vijftien jaar is alleen in uitzonderingsgevallen mogelijk, met name bij aanzienlijke en langdurige investeringen, wanneer deze het voorwerp uitmaken van contractuele verplichtingen waaronder een meerjarenplan voor de afschrijving van deze investeringen.
  De [1 kandidaat]1 kan in dit geval om een gedetailleerde omschrijving van de capaciteitskenmerken verzoeken, meer bepaald de frequentie, het volume en de kwaliteit van treinpaden die hem voor de looptijd van de kaderovereenkomst ter beschikking worden gesteld. De spoorweginfrastructuurbeheerder kan de gereserveerde capaciteit verlagen indien deze voor een periode van ten minste één maand minder is gebruikt dan de drempelwaarde bedoeld [3 in artikel 43]3.
  Een eerste kaderovereenkomst kan voor een periode van vijf jaar worden opgesteld, die met vijf jaar verlengd kan worden, op basis van de capaciteitskenmerken die worden gebruikt door [1 kandidaten]1 die vóór 1 januari 2010 diensten exploiteren, ten einde rekening te houden met specifieke investeringen of met het bestaan van commerciële overeenkomsten. Het toezichthoudende orgaan is belast met het verlenen van toestemming voor de inwerkingtreding van een dergelijke overeenkomst.
  [1 § 3. De Koning kan voor de toepassing van dit artikel de procedure en de na te leven criteria vaststellen.]1
  ----------
  (1)<W 2015-06-15/03, art. 30, 007; Inwerkingtreding : 23-07-2015>
  (2)<W 2015-06-15/03, art. 83,12°, 007; Inwerkingtreding : 23-07-2015>
  (3)<W 2017-11-23/15, art. 10, 011; Inwerkingtreding : 21-12-2017>

  Afdeling 3. - Verstoringen, ongevallen en incidenten

  Art. 25.Bij verstoring van het spoorwegverkeer door een technisch defect, een ongeval of een ernstig incident, neemt de spoorweginfrastructuurbeheerder de nodige maatregelen om de normale toestand te herstellen.
  Zonder afbreuk te doen aan artikel 93 en hoofdstuk 6 van titel 4 stelt hij een interventieplan op dat een lijst bevat van de verschillende te waarschuwen betrokken instanties in geval van ongeval of bestendige verstoringen van het verkeer.
  [1 In geval van een verstoring met mogelijke gevolgen voor het grensoverschrijdend verkeer, doet de infrastructuurbeheerder alle relevante informatie daaromtrent toekomen aan de infrastructuurbeheerders van wie het net en het verkeer hinder zouden kunnen ondervinden als gevolg van die verstoring. De infrastructuurbeheerders in kwestie werken met elkaar samen om het grensoverschrijdend verkeer weer te normaliseren.]1
  ----------
  (1)<W 2019-01-11/08, art. 8, 012; Inwerkingtreding : 16-02-2019>

   Afdeling 3/1. [1 - Toegang tot traffic control en tot seinposten]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij KB 2013-12-21/56, art. 1, 006; Inwerkingtreding : 01-01-2014>

  Art. 25/1. [1 § 1. De spoorwegondernemingen hebben toegang tot de "traffic control".
   De spoorwegondernemingen hebben bovendien toegang tot de seinposten van de infrastructuurbeheerder, zijnde Brugge, Gent, Brussel, Antwerpen, Hasselt, Luik, Namen, Charleroi, Bergen en Libramont, om aan de infrastructuurbeheerder een prioriteitsvolgorde voor te stellen aangaande hun eigen treinen in geval van verstoring, voor zover door dit voorstel op geen enkele manier deelgenomen wordt aan de uitoefening van de essentiële functies met betrekking tot de verdeling van infrastructuurcapaciteiten.
   Wanneer een spoorwegonderneming wenst toegang te hebben tot andere seinposten dan deze bedoeld in het voorgaande lid, wordt de toegang verleend na een onderzoek over de fysieke haalbaarheid die geval per geval door de infrastructuurbeheerder wordt uitgevoerd.
   § 2. Teneinde de bevoegdheden bedoeld in paragraaf 1 uit te oefenen :
   1° mag elke spoorwegonderneming beschikken over een vertegenwoordiger bij " traffic control " en over een vertegenwoordiger bij elke seinpost bedoeld in § 1;
   2° vervullen de vertegenwoordigers van de spoorwegondernemingen de vereisten die zijn vastgesteld door bijlage 3 van het koninklijk besluit van 9 juli 2013 tot vaststelling van de vereisten van toepassing op het veiligheidspersoneel voor de "veiligheidsfuncties van seingever en operator", of de "veiligheidsfunctie onderstationschef, specialiteit reiziger, - toezicht en bediening van de perrons en uitwijkbundels" of de "veiligheidsfunctie bediende belast met het beheer van de administratieve taken met betrekking tot het rangeren, bedienen van installaties, samenstellen en verzenden van treinen".
   De infrastructuurbeheerder bepaalt de praktische regels voor toegang tot de twee typen installaties, bedoeld in § 1, en maakt deze bekend op zijn beveiligde internetsite.]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij KB 2013-12-21/56, art. 2, 006; Inwerkingtreding : 01-01-2014>

  Afdeling 4. - Vertrouwelijkheid

  Art. 26. De infrastructuurbeheerder eerbiedigt de vertrouwelijkheid uit commercieel oogpunt van de hem door de kandidaten verstrekte gegevens.

  Afdeling 5. [1 - Planning van de onderhouds- of vernieuwingswerkzaamheden]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij W 2019-01-11/08, art. 9, 012; Inwerkingtreding : 16-02-2019>
  

  Art. 26/1. [1 Voor de langetermijnplanning van een groot onderhoud en/of een grote vernieuwing van de spoorweginfrastructuur en/of een verbetering van de spoorweginfrastructuur, raadpleegt de infrastructuurbeheerder de kandidaten en houdt hij zo veel mogelijk rekening met de geuite bekommernissen.
   Onderhoudswerken worden door de infrastructuurbeheerder op niet-discriminerende wijze gepland.]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij W 2019-01-11/08, art. 10, 012; Inwerkingtreding : 16-02-2019>
  

  Afdeling 6. [1 - Samenwerkingsovereenkomst]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij W 2019-01-11/08, art. 11, 012; Inwerkingtreding : 16-02-2019>
  

  Art. 26/2. [1 Onverminderd het artikel 156ter van de wet van 21 maart 1991 betreffende de hervorming van sommige economische overheidsbedrijven, kan de infrastructuurbeheerder op niet-discriminerende wijze samenwerkingsovereenkomsten sluiten met een of meerdere spoorwegondernemingen, en dit met het oog op het bekomen van voordelen voor klanten zoals een vermindering van kosten of een verbetering van de prestatie op het deel van het netwerk als bedoeld in het akkoord.
   Het toezichthoudende orgaan wordt voorafgaandelijk aan het sluiten van dergelijke akkoorden, geïnformeerd.]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij W 2019-01-11/08, art. 12, 012; Inwerkingtreding : 16-02-2019>
  

  Afdeling 7. [1 - Coördinatiemechanisme]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij W 2019-01-11/08, art. 13, 012; Inwerkingtreding : 16-02-2019>
  

  Art. 26/3. [1 De infrastructuurbeheerder voert een passend coördinatiemechanisme in ter waarborging van de coördinatie tussen de kandidaten, de FOD Mobiliteit en Vervoer en, wanneer het nodig blijkt, de andere belanghebbenden van de sector. Het toezichthoudende orgaan neemt deel als waarnemer. De coördinatie heeft onder andere betrekking op:
   1° de behoeften van de kandidaten inzake het onderhoud en de ontwikkeling van de infrastructuurcapaciteit;
   2° de inhoud van de gebruikersgerichte prestatiedoelstellingen in de beheersovereenkomsten als bedoeld in artikel 47 en van de prikkels als bedoeld in artikel 47, paragraaf 2, en de toepassing daarvan;
   3° de inhoud en toepassing van de netverklaring;
   4° intermodaliteits- en interoperabiliteitsaspecten;
   5° andere aspecten van de voorwaarden voor toegang, het gebruik van de infrastructuur en de kwaliteit van de dienstverlening van de infrastructuurbeheerder.
   In voorkomend geval stelt de infrastructuurbeheerder in overleg met de belanghebbende partijen richtsnoeren voor coördinatie op en maakt die bekend. De coördinatie vindt ten minste eenmaal per jaar plaats en de infrastructuurbeheerder publiceert op zijn website een overzicht van de krachtens dit artikel ondernomen activiteiten.
   In het kader van de coördinatie voorzien door dit artikel, plaatst de infrastructuurbeheerder de punten die gevraagd zijn door alle partijen, bedoeld in het eerste lid, op de agenda.
   De coördinatie voorzien door dit artikel bestaat, onverminderd de rechten van de kandidaten om beroep in te stellen bij toezichthoudende orgaan en de bevoegdheden van dit orgaan.
   § 2. De infrastructuurbeheerder neemt deel aan en werkt mee met het Europees netwerk van infrastructuurbeheerders overeenkomstig artikel 7septies van de richtlijn 2012/34/EU van het Europees Parlement en de Raad van 21 november 2012 tot instelling van één Europese spoorwegruimte.]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij W 2019-01-11/08, art. 14, 012; Inwerkingtreding : 16-02-2019>
  

  HOOFDSTUK 4. - Toewijzing van de spoorweginfrastructuurcapaciteit

  Afdeling 1. - Algemeenheden

  Art. 27. De spoorweginfrastructuurbeheerder stelt de specifieke toewijzingsregels voor de spoorweginfrastructuurcapaciteit op, op basis van de bepalingen van dit hoofdstuk, en maakt ze in de netverklaring bekend.
  De spoorweginfrastructuurbeheerder kan het advies van het toezichthoudende orgaan inwinnen over de verenigbaarheid van deze specifieke toewijzingsregels met de bepalingen van deze Spoorcodex en zijn uitvoeringsbesluiten.
  In afwijking van het eerste lid, kan de Koning nadere toewijzingsregels bepalen met betrekking tot de voertuigen die uitsluitend bestemd zijn voor patrimoniale, historische of toeristische doeleinden.

  Art. 27/1. [1 De aanvragen voor infrastructuurcapaciteit kunnen worden ingediend door kandidaten. Om deze infrastructuurcapaciteit te gebruiken, wijzen kandidaten, die geen spoorwegondernemingen zijn, een spoorwegonderneming aan die overeenkomstig artikel 23 een overeenkomst sluit met de infrastructuurbeheerder. Dit laat het recht van kandidaten om uit hoofde van artikel 32, overeenkomsten met de infrastructuurbeheerders te sluiten, onverlet.]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij W 2015-06-15/03, art. 31, 007; Inwerkingtreding : 23-07-2015>

  Afdeling 2. - Beginselen van de toewijzing van de spoorweginfrastructuurcapaciteit

  Art. 28. De spoorweginfrastructuurbeheerder wijst de beschikbare capaciteiten op een werkzame en optimale manier toe, zowel voor de nationale als voor de internationale spoorwegdiensten, op een billijke en niet-discriminerende basis.
  De spoorweginfrastructuurbeheerder is voortdurend in staat om aan elke belanghebbende partij de nog beschikbare capaciteit mee te delen.

  Art. 29. De beschikbare spoorweginfrastructuurcapaciteit die aan een kandidaat is toegewezen, mag niet aan een andere kandidaat of aan een andere dienst worden overgedragen.
  Het gebruik van capaciteit door een spoorwegonderneming die de activiteiten uitoefent van een kandidaat die zelf geen spoorwegonderneming is, wordt niet als een overdracht beschouwd.
  Elke handel in infrastructuurcapaciteit is verboden en heeft uitsluiting van capaciteitstoewijzing voor de geldende dienstregeling tot gevolg.

  Art. 30. § 1. Het recht om een bepaalde capaciteit van de spoorweginfrastructuur te gebruiken onder de vorm van treinpaden, wordt aan een kandidaat toegewezen voor een maximale periode die overeenstemt met één enkele geldigheidsperiode van de dienstregeling.
  § 2. De spoorweginfrastructuurbeheerder en de kandidaat kunnen evenwel een kaderovereenkomst overeenkomstig artikel 24, § 1, sluiten, voor het capaciteitsgebruik op de betrokken spoorweginfrastructuur voor een periode langer dan één enkele geldigheidsperiode van de dienstregeling.
  § 3. De spoorweginfrastructuurbeheerder kan van de kandidaat verlangen dat hij de administratieve kosten betaalt die verbonden zijn aan de behandeling van zijn aanvraag, ongeacht of hem al dan niet een treinpad wordt toegewezen.

  Art. 31.[1 Wanneer een kandidaat voornemens is infrastructuurcapaciteit aan te vragen met het oog op het exploiteren van een reizigersvervoersdienst, stelt hij de infrastructuurbeheerder en het toezichthoudende orgaan daarvan minstens achttien maanden voor de inwerkingtreding van de dienstregeling waarop de capaciteitsaanvraag betrekking heeft, in kennis.
   Opdat het toezichthoudende orgaan in staat is de mogelijke economische weerslag op de openbare dienstcontracten te beoordelen, zorgt het toezichthoudende orgaan ervoor dat de minister die een in een openbare dienstcontract omschreven reizigersvervoerdienst per spoor heeft gegund en elke spoorwegonderneming die het openbare dienstcontract uitvoert op het traject van deze reizigersvervoerdienst, uiterlijk binnen tien dagen op de hoogte worden gebracht.]1
  ----------
  (1)<W 2019-01-11/08, art. 15, 012; Inwerkingtreding : 01-01-2019>

  Afdeling 3. - Toewijzingsprocedures

  Onderafdeling 1. - Aanvragen

  Art. 32.De aanvragen voor spoorweginfrastructuurcapaciteit worden ingediend :
  1° [1 hetzij door de kandidaten,]1
  2° hetzij door de toewijzende instantie voor spoorweginfrastructuurcapaciteit van een andere lidstaat van de Europese Unie voor het traject op Belgisch grondgebied.
  Zij worden tot de Belgische spoorweginfrastructuurbeheerder gericht wanneer het vertrek van de dienst op Belgisch grondgebied is gelegen.
  ----------
  (1)<W 2015-06-15/03, art. 33, 007; Inwerkingtreding : 23-07-2015>

  Art. 33.§ 1. De aanvragen voor geregelde diensten worden ingediend en behandeld met naleving van het tijdschema opgenomen [2 in bijlage VII van de richtlijn 2012/34/EU met betrekking tot de openstelling van de markt voor het binnenlands passagiersvervoer per spoor en het beheer van de spoorweginfrastructuur]2 en volgens de nadere regels vermeld in de netverklaring.
  § 2. De aanvragen die passen in een kaderovereenkomst worden volgens die overeenkomst behandeld.
  § 3. De aanvragen die na de einddatum voor de indiening van de capaciteitsaanvragen werden ingediend, kunnen slechts worden toegekend uit de beschikbare capaciteit van het [1 net]1 na toewijzing van de treinpaden of uit de gereserveerde capaciteit.
  § 4. De aanvragen voor treinpaden die werden ingediend na de bekendmaking van de dienstregeling maar die betrekking hebben op deze dienstregeling, kunnen slechts worden toegekend voor de nog overblijvende duur van de lopende dienstregeling en uit de beschikbare capaciteit van het [1 net]1 na toewijzing van de treinpaden of uit de gereserveerde capaciteit.
  ----------
  (1)<W 2015-06-15/03, art. 83,1°, 007; Inwerkingtreding : 23-07-2015>
  (2)<W 2019-01-11/08, art. 16, 012; Inwerkingtreding : 16-02-2019>

  Art. 34.[1 Onverminderd artikel 45, werkt de infrastructuurbeheerder samen met de infrastructuurbeheerders van andere lidstaten van de Europese Unie opdat de aanvragen die op meer dan één net betrekking hebben, waaronder op het Belgische net, kunnen ingediend worden bij één loket, dat ofwel een door de infrastructuurbeheerders opgerichte gezamenlijke instantie is ofwel één enkele infrastructuurbeheerder van het betrokken treinpad. Deze laatste handelt voor rekening van de kandidaat bij het zoeken van capaciteit bij andere betrokken infrastructuurbeheerders.
   Het eerste lid is van toepassing onverminderd de Verordening (EU) nr. 913/2010 van het Europees Parlement en de Raad van 22 september 2010 inzake het Europese spoorwegnet voor concurrerend goederenvervoer.
   Voor het overleg over de ontwerpdienstregeling begint, komen de verschillende infrastructuurbeheerders overeen welke internationale treinpaden in de dienstregeling worden opgenomen. Slechts indien absoluut noodzakelijk, worden wijzigingen aangebracht.]1
  ----------
  (1)<W 2015-06-15/03, art. 34, 007; Inwerkingtreding : 23-07-2015>

  Art. 35.Vanaf de einddatum voor het indienen van de aanvragen, beschikt de spoorweginfrastructuurbeheerder over vier maanden om een ontwerp-dienstregeling op te stellen.
  Dit ontwerp wordt opgesteld rekening houdend met de voorlopige internationale treinpaden die werden opgemaakt in de volgens de procedure bedoeld in artikel 34 georganiseerde samenwerking; de spoorweginfrastructuurbeheerder vergewist zich ervan dat die treinpaden in de loop van de procedure zoveel mogelijk worden behouden.
  [1 Wanneer de ontwerp-dienstregeling is opgesteld, raadpleegt de spoorweginfrastructuurbeheerder de betrokken partijen en geeft hij hen één maand om hun opmerkingen voor te leggen. Tot de belanghebbende partijen behoren al deze die infrastructuurcapaciteit hebben aangevraagd, en ook andere partijen die in de gelegenheid wensen te worden gesteld opmerkingen te maken over de invloed die de dienstregeling kan hebben op hun mogelijkheden om gedurende het dienstregelingstijdvak spoorwegdiensten te verrichten. De infrastructuurbeheerder neemt gepaste maatregelen om met de gemaakte bezwaren rekening te houden.]1
  De dienstregeling treedt uiterlijk twaalf maanden na de einddatum voor indiening van de aanvragen in werking.
  ----------
  (1)<W 2015-06-15/03, art. 35, 007; Inwerkingtreding : 23-07-2015>

  Art. 36. Op punctuele aanvragen voor treinpaden antwoordt de spoorweginfrastructuurbeheerder ten laatste binnen een termijn van vijf werkdagen. In geval van aanvragen bedoeld in artikel 33, §§ 3 en 4, antwoordt de spoorweginfrastructuurbeheerder binnen een termijn van ten hoogste één maand. De spoorweginfrastructuurbeheerder licht de kandidaten in over de niet-gebruikte en beschikbare capaciteit die zij zouden willen gebruiken.

  Art. 37.Het geprogrammeerde onderhoud van de spoorweginfrastructuur neemt de vorm aan van een capaciteitsaanvraag die werd ingediend als reservering tijdens de voorbereiding van de dienstregeling. De spoorweginfrastructuurbeheerder houdt rekening met zijn invloed op de capaciteitsaanvragen van de kandidaten.
  [1 De infrastructuurbeheerder stelt de belanghebbende partijen zo spoedig mogelijk in kennis van de niet-beschikbaarheid van infrastructuurcapaciteit als gevolg van niet-geplande onderhoudswerkzaamheden.]1
  [2 Het toezichthoudende orgaan kan de infrastructuurbeheerder opdragen deze informatie ter beschikking te stellen.]2
  ----------
  (1)<W 2015-06-15/03, art. 36, 007; Inwerkingtreding : 23-07-2015>
  (2)<W 2019-01-11/08, art. 17, 012; Inwerkingtreding : 16-02-2019>

  Onderafdeling 2. - Programmerings- en coördinatieprocedures

  Art. 38. De infrastructuurcapaciteit wordt beschikbaar geacht voor alle types van diensten die beantwoorden aan de karakteristieken nodig om het betreffende treinpad te kunnen gebruiken.
  De spoorweginfrastructuurbeheerder kan echter bepaalde specifieke spoorweginfrastructuren aanwijzen voor bepaalde types van spoorwegdiensten wanneer er vervangende reiswegen voorhanden zijn. Dit wordt in de netverklaring vermeld. Deze aanwijzing verhindert niet dat deze spoorweginfrastructuren voor andere types van spoorwegdiensten worden gebruikt, wanneer capaciteit beschikbaar is en het rollend materieel de vereiste technische karakteristieken bezit om de betreffende spoorweginfrastructuur te gebruiken.
  Deze aanduiding gebeurt na raadpleging van de betrokken partijen en na overleg met het bestuur.

  Art. 39.De spoorweginfrastructuurbeheerder spant zich in om aan alle aanvragen om spoorweginfrastructuurcapaciteit te voldoen; hij houdt rekening met de moeilijkheden waaraan de kandidaten het hoofd moeten bieden, zoals de economische weerslag op hun activiteiten en leeft de specifieke regels bedoeld in deze Spoorcodex na inzake concurrerende aanvragen, overbelasting, punctuele aanvragen, specificiteit van de spoorweginfrastructuur en onderhoudsaanvragen.
  [1 De infrastructuurbeheerder kan binnen de programmerings- en coördinatieprocedure prioriteit verlenen aan specifieke diensten, doch enkel in de gevallen bedoeld in de artikelen 38, 41 en 43.]1
  ----------
  (1)<W 2015-06-15/03, art. 37, 007; Inwerkingtreding : 23-07-2015>

  Art. 40.[1 § 1. Wanneer de infrastructuurbeheerder tijdens de programmeringsprocedure op met elkaar concurrerende aanvragen stuit, tracht hij door coördinatie van deze aanvragen de meest geschikte oplossing uit te werken, die tegemoet komt aan alle vereisten.
   § 2. Wanneer zich een situatie voordoet, waarin coördinatie vereist is, heeft de infrastructuurbeheerder het recht, binnen redelijke grenzen een van de oorspronkelijk aangevraagde infrastructuurcapaciteit afwijkende capaciteit voor te stellen.
   § 3. De infrastructuurbeheerder tracht door overleg met de betrokken kandidaten eventuele conflicten op te lossen. Zulk een overleg wordt gebaseerd op de bekendmaking van volgende informatie binnen een redelijke termijn, kosteloos en schriftelijk of elektronisch :
   a) de door alle andere kandidaten op dezelfde trajecten aangevraagde treinpaden;
   b) de op voorlopige basis aan alle andere kandidaten op dezelfde trajecten toegewezen treinpaden;
   c) de overeenkomstig paragraaf 2 voorgestelde alternatieve treinpaden op de betrokken trajecten;
   d) de volledige en gedetailleerde informatie over de bij de toewijzingsprocedure gehanteerde criteria.
   Deze informatie wordt verstrekt zonder de identiteit van andere kandidaten mede te delen, tenzij de betrokken kandidaten daarmee hebben ingestemd.
   De beginselen die de coördinatieprocedure leiden worden in de netverklaring vastgelegd. Zij weerspiegelen in het bijzonder de moeilijkheid om internationale treinpaden aan te leggen en de weerslag die elke wijziging bij andere spoorweginfrastructuurbeheerders kan veroorzaken.]1
  ----------
  (1)<W 2015-06-15/03, art. 38, 007; Inwerkingtreding : 23-07-2015>

  Art. 41.§ 1. Indien het na coördinatie van de aangevraagde treinpaden en na overleg met de kandidaten niet mogelijk is gebleken de aanvragen voor spoorweginfrastructuurcapaciteit [1 tot tevredenheid]1 van alle betrokkenen af te handelen of indien de spoorweginfrastructuur naar verwachting in de nabije toekomst met dezelfde schaarste zal te kampen hebben, verklaart de spoorweginfrastructuurbeheerder het betrokken spoorweginfrastructuurelement onverwijld tot " overbelaste infrastructuur ".
  § 2. De spoorweginfrastructuurbeheerder verricht binnen de zes maanden na de verklaring tot overbelasting een capaciteitsanalyse, tenzij al een ontwerp van vergrotingsplan overeenkomstig § 3 werd goedgekeurd.
  De capaciteitsanalyse stelt de beperkingen van de spoorweginfrastructuurcapaciteit en de redenen van deze overbelasting vast, waardoor niet op gepaste wijze aan de capaciteitsaanvragen kan worden voldaan en stelt methoden en maatregelen voor om te kunnen voldoen aan bijkomende aanvragen die zouden kunnen genomen worden op korte of middellange termijn om daaraan te verhelpen.
  De Koning bepaalt de inhoud van de analyse.
  § 3. Binnen zes maanden na de opmaak van de capaciteitsanalyse legt de spoorweginfrastructuurbeheerder een ontwerp van capaciteitsvergrotingsplan voor, na raadpleging van de gebruikers van de betrokken overbelaste spoorweginfrastructuur. Het ontwerp vermeldt de redenen voor de overbelasting, de vermoedelijke ontwikkeling van het verkeer, de beperkingen die wegen op de ontwikkeling van de spoorweginfrastructuur, de mogelijke oplossingen en hun kostprijs. Aan de hand van een kosten-batenanalyse van de mogelijke maatregelen wordt bepaald welke maatregelen zullen worden genomen om de capaciteit te vergroten, alsmede het tijdschema voor hun uitvoering.
  Het ontwerp wordt binnen drie maanden goedgekeurd bij een koninklijk besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad.
  § 4. [1 ...]1
  ----------
  (1)<W 2015-06-15/03, art. 39, 007; Inwerkingtreding : 23-07-2015>

  Art. 42. § 1. De spoorweginfrastructuurbeheerder heft niet langer de retributie bedoeld in artikel 50, § 2, voor de betrokken overbelaste spoorweginfrastructuur, indien :
  1° hij geen capaciteitsvergrotingsplan voorlegt binnen de termijn gesteld bij artikel 41, § 3, of
  2° hij het actieplan niet uitvoert dat is vastgelegd in het capaciteitsvergrotingsplan binnen de drie maanden volgend op de goedkeuring van dit plan.
  § 2. Onder voorbehoud van de goedkeuring door het toezichthoudende orgaan, mag de spoorweginfrastructuurbeheerder deze retributie echter blijven ontvangen indien :
  1° het capaciteitsvergrotingsplan niet kan worden uitgevoerd door omstandigheden onafhankelijk van zijn wil of
  2° de beschikbare mogelijkheden economisch of financieel niet haalbaar zijn.

  Art. 43.Wanneer een spoorweginfrastructuur overbelast verklaard is en de retributies bedoeld in artikel 50, § 2, niet zijn geïnd of onvoldoende resultaten hebben opgeleverd, past de spoorweginfrastructuurbeheerder de door de Koning bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad bepaalde prioriteiten toe afhankelijk van :
  1° openbare dienstverplichtingen;
  2° de noodzakelijke ontwikkeling van goederenvervoerdiensten, in het bijzonder van internationale goederenvervoerdiensten.
  [1 De spoorweginfrastructuurbeheerder legt in de netverklaring vast op welke wijze hij bij het vaststellen van de bij de toewijzingsprocedure te hanteren voorrangsregels rekening zal houden met de vroegere benuttingsgraden van treinpaden.]1
  [1 De spoorweginfrastructuurbeheerder legt op om afstand te doen van een treinpad waarvan het gebruik over een periode van ten minste één maand lager ligt dan een bepaalde drempelwaarde die opgenomen is in de netverklaring, tenzij dit te lage gebruik het gevolg zou zijn van andere dan economische redenen en waarover de betreffende kandidaat geen controle heeft.]1
  ----------
  (1)<W 2015-06-15/03, art. 40, 007; Inwerkingtreding : 23-07-2015>

  Art. 44. Bij hoogdringendheid of ingeval van absolute noodzaak wegens storingen die de spoorweginfrastructuur tijdelijk onbruikbaar maken, kunnen de toegekende treinpaden afgeschaft worden zonder voorafgaande kennisgeving en dit voor de duur nodig om de installatie opnieuw in werking te stellen.
  Indien hij het noodzakelijk acht, kan de spoorweginfrastructuurbeheerder van de spoorwegondernemingen eisen, hem tegen een redelijke vergoeding de middelen ter beschikking te stellen die hij het meest geschikt acht om de normale toestand zo snel mogelijk te herstellen.

  Onderafdeling 3. - Samenwerking met andere spoorweginfrastructuurbeheerders

  Art. 45.[1 § 1. De spoorweginfrastructuurbeheerder werkt samen met de infrastructuurbeheerders van de andere lidstaten van de Europese Unie, om spoorweginfrastructuurcapaciteit die verscheidene netten beslaat, met inbegrip van de kaderovereenkomsten bedoeld in artikel 24, op een efficiënte wijze te ontwerpen en toe te wijzen. In het raam van deze samenwerking ontwerpt de spoorweginfrastructuurbeheerder internationale treinpaden en werkt de noodzakelijke procedures hiervoor uit. Hij beoordeelt ook de behoeften aan internationale treinpaden en, in voorkomend geval, stelt hij de totstandbrenging van die treinpaden voor en organiseert hij deze ter vergemakkelijking van de exploitatie van goederentreinen waarvoor een ad hoc-aanvraag als bedoeld in artikel 36 is ingediend.
   Wanneer de beslissingen van de infrastructuurbeheerder inzake de toewijzing gevolgen hebben voor andere infrastructuurbeheerders, stelt hij zich met hen in verbinding teneinde de toewijzing van alle relevante infrastructuurcapaciteit op een internationaal niveau te coördineren, of deze op dit niveau toe te wijzen, onverminderd de specifieke bepalingen inzake netten voor het goederenvervoer per spoor. De beginselen en criteria voor het toewijzen van capaciteit in het kader van deze samenwerking worden door de infrastructuurbeheerder bekendgemaakt in zijn netverklaring.
   § 2. Wanneer de Belgische spoorweginfrastructuurbeheerder het initiatief neemt voor deze samenwerking, meldt hij dit aan de Europese Commissie en nodigt hij haar als waarnemer uit. Hij maakt deze tevens op gepaste wijze bekend. Hij draagt er ook zorg voor dat het lidmaatschap, de werkwijzen van deze samenwerking en alle gehanteerde criteria voor de beoordeling en de toewijzing van infrastructuurcapaciteit openbaar worden gemaakt.
   De infrastructuurbeheerder stuurt aan het toezichthoudende orgaan de informatie met betrekking tot de opmaak van gemeenschappelijke beginselen en praktijken voor de toewijzing van infrastructuur en van de IT-toewijzingssystemen die noodzakelijk zijn voor de vervulling van zijn taken.]1
  ----------
  (1)<W 2015-06-15/03, art. 41, 007; Inwerkingtreding : 23-07-2015>

  HOOFDSTUK 5. - Retributies voor het gebruik van de infrastructuur

  Afdeling 1. - Algemeenheden

  Art. 46.De Koning bepaalt bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad en na advies van de spoorweginfrastructuurbeheerder, de wijze van berekening en de betalingswijzen van de retributies voor het gebruik van de spoorweginfrastructuur.
  Hij kan na advies van de spoorweginfrastructuurbeheerder eveneens [2 de specifieke heffingsvoorschriften]2 bepalen. Bij ontstentenis hiervan worden die voorschriften door de spoorweginfrastructuurbeheerder vastgesteld.
  [1 De heffingsregeling]1 en de schalen worden in de netverklaring opgenomen.
  In afwijking van het eerste lid, kan de Koning nadere regels bepalen voor de wijze van berekening van de retributies voor het gebruik van de spoorweginfrastructuur met betrekking tot voertuigen die uitsluitend bestemd zijn voor patrimoniale, historische of toeristische doeleinden.
  ----------
  (1)<W 2015-06-15/03, art. 83,6°, 007; Inwerkingtreding : 23-07-2015>
  (2)<W 2015-06-15/03, art. 83,10°, 007; Inwerkingtreding : 23-07-2015>

  Art. 47.[1 § 1. De Koning bepaalt bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad de gepaste maatregelen, met inbegrip van eventuele voorschotten, om ervoor te zorgen dat, onder normale zakelijke omstandigheden en over een redelijk tijdsverloop niet langer dan vijf jaar, uit de winst-en-verliesrekening van de spoorweginfrastructuurbeheerder ten minste een evenwicht blijkt tussen de inkomsten uit de retributies voor het gebruik van de spoorweginfrastructuur, overschotten uit andere commerciële activiteiten, niet-terugvorderbare inkomsten uit particuliere bronnen en overheidsfinanciering, waaronder, in voorkomend geval, begrepen de voorschotten van de Staat, enerzijds, en de spoorweginfrastructuuruitgaven, anderzijds.
   § 2. De spoorweginfrastructuurbeheerder wordt met inachtneming van de eisen inzake veiligheid en de verbetering van de kwaliteit van de spoorweginfrastructuurdienst aangemoedigd om de kosten van de terbeschikkingstelling van spoorweginfrastructuur alsmede de hoogte van retributies voor het gebruik van de spoorweginfrastructuur te verminderen.
   § 3. De uitvoering van § 2 wordt verwezenlijkt via de overeenkomst, gesloten tussen de infrastructuurbeheerder en de Belgische staat, voor een duur van ten minste vijf jaar en die voldoet aan de in bijlage 25 genoemde beginselen en parameters.
   De nadere regels van de in het eerste lid bedoelde overeenkomst en de structuur van de betalingen om de infrastructuurbeheerder te financieren, worden vooraf voor de gehele duur van de overeenkomst overeengekomen.
   De kandidaten, en potentiële kandidaten, indien deze daarom verzoeken, worden vóór de ondertekening van de in het eerste lid bedoelde overeenkomst door de infrastructuurbeheerder geïnformeerd over de inhoud ervan en krijgen de gelegenheid om vóór haar ondertekening hun standpunt daarover kenbaar te maken. De overeenkomst wordt binnen een maand na haar ondertekening bekendgemaakt.
   De infrastructuurbeheerder zorgt ervoor dat het bepaalde in de overeenkomst overeenstemt met het bedrijfsplan bedoeld in hoofdstuk 2/1 van titel 3.]1
  ----------
  (1)<W 2015-06-15/03, art. 42, 007; Inwerkingtreding : 23-07-2015>

  Art. 47/1. [1 De infrastructuurbeheerder legt een register aan en werkt dit bij, van zijn activa en van de door hem beheerde activa gebruikt om de financieringsbehoeften voor vernieuwing of vervanging van deze activa te ramen. Dit register gaat vergezeld van gedetailleerde informatie over de uitgaven voor vernieuwing en verbetering van de infrastructuur.]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij W 2015-06-15/03, art. 43, 007; Inwerkingtreding : 23-07-2015>

  Art. 48. De spoorweginfrastructuurbeheerder stelt een methode voor de aanrekening van de kosten op. Deze methode en haar eventuele aanpassingen aan de beste internationale praktijk zijn onderworpen aan de goedkeuring van het toezichthoudende orgaan uiterlijk vóór het begin van de eerste dienstregeling ingaande na de inwerkingtreding van deze Spoorcodex.

  Art. 48/1. [1 Onderhandelingen tussen de kandidaten en een infrastructuurbeheerder betreffende de hoogte van retributies voor het gebruik van de infrastructuur worden in voorkomend geval slechts toegestaan wanneer zij plaats vinden onder toezicht van het toezichthoudende orgaan. Het toezichthoudende orgaan grijpt onmiddellijk in indien het waarschijnlijk is dat de onderhandelingen in strijd zijn met de bepalingen van deze Codex.]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij W 2015-06-15/03, art. 44, 007; Inwerkingtreding : 23-07-2015>

  Afdeling 2. - [1 Heffingsbeginselen]1 van het gebruik van de spoorweginfrastructuur
  ----------
  (1)<W 2015-06-15/03, art. 83,9°, 007; Inwerkingtreding : 23-07-2015>

  Art. 49.[1 § 1. De spoorweginfrastructuurbeheerder bepaalt en int, op een niet-discriminerende wijze, de retributies voor het gebruik van de spoorweginfrastructuur overeenkomstig deze Codex en zijn uitvoeringsbesluiten. De exploitant van de dienstvoorziening bepaalt en int, op een niet-discriminerende wijze, de vergoeding voor het gebruik van de dienstvoorzieningen overeenkomstig deze Codex en zijn uitvoeringsbesluiten. Zij bestemmen ze om hun ondernemingen van middelen te voorzien.
   § 2. De infrastructuurbeheerder en de exploitant van de dienstvoorziening verstrekken aan het toezichthoudende orgaan alle nodige informatie over de opgelegde retributies en vergoedingen om deze laatste toe te laten zijn taken in het kader van de Codex te verrichten.
   De Koning kan de nadere regels bepalen voor het verstrekken van deze informatie aan het toezichthoudende orgaan.]1
  ----------
  (1)<W 2015-06-15/03, art. 45, 007; Inwerkingtreding : 23-07-2015>

  Art. 50.[1 § 1. De retributies geheven voor het minimumtoegangspakket en voor de toegang via het spoor tot de dienstvoorzieningen, zijn gelijk aan de rechtstreeks aan de spoorwegdienst toewijsbare kosten.
   De Koning kan de regels bepalen voor de berekening van de rechtstreeks aan de spoorwegdienst toewijsbare kosten.
   De infrastructuurbeheerder kan beslissen om zich geleidelijk aan deze regels aan te passen, gedurende een periode van niet langer dan vier jaar na de inwerkingtreding van dit koninklijk besluit.
   § 2. De retributie voor het gebruik van de spoorweginfrastructuur kan een retributie omvatten voor het capaciteitsgebrek van een welbepaald segment van de spoorweginfrastructuur tijdens periodes van overbelasting.
   § 3. De retributie voor het gebruik van de spoorweginfrastructuur kan worden gewijzigd om rekening te houden met de kosten van milieueffecten van de treinexploitatie. Deze wijzigingen worden gedifferentieerd naar gelang de omvang van het veroorzaakte effect. Elke wijziging van de infrastructuurretributies om rekening te houden met de kosten van geluidshinder ondersteunt de uitrusting van goederenwagons met de vanuit economisch oogpunt meest haalbare geluidsarme remtechnologie.
   De Koning kan de nadere regels voor de toepassing van retributies die overeenkomen met de kosten van geluidshinder bepalen.
   De heffing voor milieukosten die resulteert in een verhoging van de totale inkomsten van de infrastructuurbeheerder, wordt echter uitsluitend toegestaan indien deze ook wordt toegepast op het goederenvervoer over de weg in overeenstemming met het recht van de Europese Unie. In voorkomend geval bepaalt de Koning voor welke doeleinden deze bijkomende inkomsten worden gebruikt.
   § 4. Om buitensporige schommelingen te voorkomen, mogen de retributies, bedoeld in §§ 1 tot 3, worden uitgedrukt als gemiddelden, berekend over een voldoende aantal in de bijlage 1, punten 1 en 2, bedoelde spoorwegdiensten en perioden. Niettemin dient de relatieve omvang van de retributies voor het gebruik van de infrastructuur te worden gerelateerd aan de kosten die aan de diensten moeten worden toegeschreven.]1
  ----------
  (1)<W 2015-06-15/03, art. 46, 007; Inwerkingtreding : 23-07-2015>

  Art. 51.[1 De vergoeding voor de toegang op het spoor binnen de in bijlage 1, punt 2, bedoelde dienstvoorzieningen en op de verlening van diensten in deze voorzieningen liggen in geen geval hoger dan de kosten om de diensten te verrichten, vermeerderd met een redelijke winst.
   Indien de aanvullende of ondersteunende diensten bedoeld in bijlage 1, punten 3 en 4, slechts door één leverancier worden aangeboden, zijn de voor dergelijke diensten geheven vergoedingen niet hoger dan de kosten die nodig zijn om de diensten te verrichten vermeerderd met een redelijke winst.]1
  ----------
  (1)<W 2015-06-15/03, art. 47, 007; Inwerkingtreding : 23-07-2015>

  Art. 52. Voor capaciteit die voor spoorweginfrastructuuronderhoud wordt gebruikt, kunnen retributies geïnd worden. Deze retributies mogen niet hoger zijn dan het als gevolg van het onderhoud door de spoorweginfrastructuurbeheerder geleden netto-inkomstenverlies.

  Art. 52/1.[1 De retributies voor het gebruik van de infrastructuur voor het gebruik van de [2 in verordening (EU) 2016/919 van de Commissie]2 gespecificeerde spoorwegcorridors worden gedifferentieerd om een prikkel te geven om treinen uit te rusten met het ETCS dat voldoet aan de versie zoals door de Commissie is vastgesteld bij Beschikking 2008/386 en aan de volgende versies. Deze differentiatie leidt niet tot algemene veranderingen in de inkomsten voor de infrastructuurbeheerder.
   Deze differentiatie van retributies voor het gebruik van infrastructuur is niet van toepassing op de in Beschikking 2009/561/EG gespecifieerde spoorlijnen waarop alleen verkeer is toegestaan met treinen die met het ETCS systeem zijn uitgerust.
   De Koning kan beslissen om deze differentiatie uit te breiden tot spoorweglijnen die niet vermeld zijn [2 in verordening (EU) 2016/919 van de Commissie]2.
   De Koning kan de nadere regels bepalen die dienen gevolgd te worden bij het toepassen van de differentiatie van de retributies voor het gebruik van de infrastructuur.
   Dit artikel is niet van toepassing op treinen die niet met het ETCS systeem zijn uitgerust en die voor regionale reizigersvervoersdiensten worden gebruikt die vóór 1985 voor het eerste in gebruik zijn genomen.]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij W 2015-06-15/03, art. 48, 007; Inwerkingtreding : 23-07-2015>
  (2)<W 2019-01-11/08, art. 18, 012; Inwerkingtreding : 16-02-2019>

  Art. 53.[1 De spoorweginfrastructuurbeheerder en de exploitant van de dienstvoorziening moeten altijd kunnen aantonen dat de retributies voor het gebruik van de spoorweginfrastructuur en de vergoedingen voor de dienstvoorzieningen die daadwerkelijk gefactureerd worden in overeenstemming zijn met de methode, de reglementering en de schalen opgenomen in de netverklaring.
   In het kader van de heffing van milieukosten houdt de infrastructuurbeheerder de nodige informatie bij en garandeert de traceerbaarheid van de oorsprong van deze retributies.]1
  ----------
  (1)<W 2015-06-15/03, art. 49, 007; Inwerkingtreding : 23-07-2015>

  Art. 53/1. [1 De exploitant van de voorziening voor het leveren van de in bijlage 1, punten 2, 3 en 4, bedoelde diensten deelt aan de infrastructuurbeheerder de informatie betreffende hun vergoedingen mee, die in de netverklaring moeten worden opgenomen, of verwijst naar een internetsite waarop deze informatie kosteloos in elektronische vorm wordt aangeboden.]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij W 2015-06-15/03, art. 50, 007; Inwerkingtreding : 23-07-2015>

  Art. 54.[1 De infrastructuurbeheerder kan een passende retributie toepassen voor toegewezen maar niet-gebruikte capaciteit. Die retributie op niet-gebruikte capaciteit dient om een efficiënt capaciteitsgebruik aan te moedigen. Het toepassen van een dergelijk retributie voor kandidaten aan wie een treinpad is toegewezen, is verplicht indien zij regelmatig nalaten de toegewezen paden of delen daarvan te gebruiken. Voor de toepassing van deze retributie maakt de infrastructuurbeheerder in zijn netverklaring de criteria bekend voor het vaststellen van zulke nalatigheid van gebruik. Het toezichthoudende orgaan controleert deze criteria. Deze retributie wordt betaald door hetzij de kandidaat, hetzij de spoorwegonderneming die overeenkomstig artikel 27/1, is aangewezen. De infrastructuurbeheerder is te allen tijde in staat aan iedere belanghebbende mee te delen welke infrastructuurcapaciteit al is toegewezen aan de spoorwegondernemingen die daarvan gebruikmaken.]1
  ----------
  (1)<W 2015-06-15/03, art. 51, 007; Inwerkingtreding : 23-07-2015>

  Art. 55.[1 § 1. De infrastructuurbeheerder kan met betrekking tot kandidaten regels vaststellen om ervoor te zorgen dat aan zijn gewettigde verwachtingen ten aanzien van toekomstige inkomsten en het toekomstige gebruik van de infrastructuur wordt voldaan. Dergelijke regels moeten passend, transparant en niet-discriminerend zijn. Zij worden gespecificeerd in de netverklaring. De regels hebben slechts betrekking op een financiële garantie, die een passend niveau, dat in verhouding staat tot het beoogde bedrijfsactiviteitenniveau van de kandidaat, niet mag overschrijden, en op de mogelijkheid om reglementaire offertes voor infrastructuurcapaciteit in te dienen.
   § 2. De Koning kan criteria bepalen die dienen te worden nageleefd voor de toepassing van dit artikel.]1
  ----------
  (1)<W 2015-06-15/03, art. 52, 007; Inwerkingtreding : 23-07-2015>

  Afdeling 3. - Uitzonderingen op de [1 heffingsbeginselen]1
  ----------
  (1)<W 2015-06-15/03, art. 83,8°, 007; Inwerkingtreding : 23-07-2015>

  Art. 56.[1 § 1. In afwijking van afdeling 2 kan de Koning, zo de markt dit aankan, bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad, besluiten tot extra retributies voor het gebruik van de spoorweginfrastructuur om de volledige dekking van de door de spoorweginfrastructuurbeheerder gemaakte kosten te verkrijgen, op basis van efficiënte, transparante en niet-discriminerende beginselen, waarbij een optimale concurrentiepositie van spoorwegmarktsegmenten wordt gewaarborgd. De heffingsregeling moet productiviteitsstijgingen die de spoorwegondernemingen hebben verwezenlijkt, respecteren.
   Het in het eerste lid bedoelde besluit sluit het gebruik van de spoorweginfrastructuren door marktsegmenten, die op zijn minst de rechtstreeks uit de exploitatie van de spoorwegdiensten voortvloeiende kosten kunnen dekken, niet uit, en ook niet een rendement indien de markt het toelaat.
   Voorafgaand aan het in eerste lid bedoelde besluit maakt de infrastructuurbeheerder een evaluatieverslag op over de relevantie van extra retributies voor bepaalde marktsegmenten, waarbij hij minstens rekening houdt met de in bijlage 24, punt 1, genoemde paren van beoordelingselementen en daaruit de relevante selecteert. De door de infrastructuurbeheerder vastgestelde lijst van marktsegmenten bevat ten minste de drie volgende segmenten : goederenvervoersdiensten, reizigersvervoersdiensten in het kader van een openbare dienstcontract en overige reizigersvervoersdiensten.
   De infrastructuurbeheerder kan de marktsegmenten verder onderverdelen naar goederensoort of reizigerscategorie.
   Ook marktsegmenten waarin spoorwegondernemingen thans niet actief zijn, maar waarin tijdens de geldigheidsperiode van de heffingsregeling diensten kunnen worden verleend, worden vermeld. De infrastructuurbeheerder neemt voor deze marktsegmenten geen extra retributies in de heffingsregeling op.
   De lijst van marktsegmenten wordt bekendgemaakt in de netverklaring en wordt minstens om de vijf jaar herzien. Het toezichthoudende orgaan [2 controleert]2 deze lijst in overeenstemming met artikel 62.
   § 2. Wanneer de essentiële onderdelen van de heffingsregeling, vastgesteld overeenkomstig paragraaf 1, eerste lid, gewijzigd zijn, worden deze wijzigingen bekend gemaakt ten minste drie maanden voor de uiterste termijn voor de bekendmaking van de netverklaring.]1
  ----------
  (1)<W 2015-06-15/03, art. 53, 007; Inwerkingtreding : 23-07-2015>
  (2)<W 2019-01-11/08, art. 19, 012; Inwerkingtreding : 16-02-2019>

  Art. 57. Voor toekomstige specifieke investeringsprojecten of voor projecten waarvan de realisatie niet verder dan 15 maart 1986 teruggaat, kan de Koning bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad de spoorweginfrastructuurbeheerder toestaan hogere retributies, gebaseerd op langetermijnkosten van dergelijke projecten, in te stellen of te handhaven.
  De in het eerste lid bedoelde projecten betreffen de verbetering van de doeltreffendheid en/of kosteneffectiviteit en die anders niet konden of hadden kunnen plaatsvinden.
  De spoorweginfrastructuurbeheerder kan in het geval bedoeld in het eerste lid een bepaling inlassen in zijn overeenkomsten met de spoorwegondernemingen om de risico's verbonden aan nieuwe investeringen te verdelen.

  Art. 58.Om discriminatie te voorkomen, wordt ervoor gezorgd dat de gemiddelde en de marginale retributies geheven door de spoorweginfrastructuurbeheerder voor gelijkwaardig gebruik van zijn infrastructuur vergelijkbaar zijn en dat voor vergelijkbare diensten in hetzelfde marktsegment dezelfde retributies worden geheven.
  De spoorweginfrastructuurbeheerder toont in zijn netverklaring aan dat [1 de heffingsregeling]1 aan deze voorschriften voldoet in de mate waarin hij dat kan zonder vertrouwelijke commerciële gegevens vrij te geven.
  ----------
  (1)<W 2015-06-15/03, art. 83,7°, 007; Inwerkingtreding : 23-07-2015>

  Art. 59.§ 1. Onverminderd artikel 50, § 1, dient elke door de spoorweginfrastructuurbeheerder aan een spoorwegonderneming toegekende korting op de retributies voor een dienst, ongeacht dewelke, te voldoen aan de criteria van dit artikel.
  § 2. Met uitzondering van § 3 blijven kortingen beperkt tot de werkelijke besparing op de administratieve kosten voor de spoorweginfrastructuurbeheerder. Bij het vaststellen van het bedrag van de korting mag geen rekening worden gehouden met kostenbesparingen die al in de geheven retributies zijn verrekend.
  § 3. De spoorweginfrastructuurbeheerder kan, voor bepaalde verkeersstromen, regelingen invoeren die voor alle gebruikers van de spoorweginfrastructuur beschikbaar zijn en waarbij tijdelijke kortingen worden toegekend om de ontwikkeling van nieuwe spoorwegdiensten te bevorderen of kortingen waarmee het gebruik van sterk onderbenutte lijnen wordt gestimuleerd.
  § 4. Kortingen mogen uitsluitend betrekking hebben op retributies die voor een welbepaald spoorweginfrastructuursegment worden geheven.
  § 5. Voor soortgelijke diensten gelden soortgelijke kortingsregelingen. [1 De kortingsregelingen worden jegens alle spoorwegondernemingen op niet-discriminerende wijze toegepast.]1
  ----------
  (1)<W 2015-06-15/03, art. 54, 007; Inwerkingtreding : 23-07-2015>

  Art. 60.§ 1. De Koning kan bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad een in de tijd beperkte compensatieregeling treffen [2 inzake]2 [1 retributies voor het gebruik van de]1 voor spoorweginfrastructuurgebruik binnen de grenzen bepaald in § 2. Het koninklijk besluit bevat de methode en de berekening voor de compensatie.
  § 2. Dit stelsel kan betrekking hebben op de kosten in verband met milieu, ongevallen en infrastructuur waarvan is aangetoond dat zij in concurrerende vervoersmodi niet worden aangerekend voor zover deze kosten de overeenkomstige kosten van het spoorwegverkeer overschrijden.
  § 3. Indien een operator die een compensatie ontvangt, een exclusief recht heeft, gaat de compensatie gepaard met vergelijkbare voordelen voor de andere gebruikers.
  ----------
  (1)<W 2015-06-15/03, art. 55, 007; Inwerkingtreding : 23-07-2015>
  (2)<W 2017-11-23/15, art. 11, 011; Inwerkingtreding : 21-12-2017>

  Afdeling 4. [1 - Samenwerking met andere spoorweginfrastructuurbeheerders]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij W 2015-06-15/03, art. 56, 007; Inwerkingtreding : 23-07-2015>

  Art. 60/1. [1 De infrastructuurbeheerder werkt samen met en onderhandelt met de infrastructuurbeheerders van de andere lidstaten van de Europese Unie om de invoering van efficiënte heffingsregelingen mogelijk te maken alsook om de heffing te coördineren of om retributies te heffen voor de exploitatie van treindiensten die over meer spoorwegnetten binnen de Unie worden verricht. De infrastructuurbeheerder spant zich in het bijzonder in voor het waarborgen van een optimale concurrentiepositie van internationale spoorvervoersdiensten en voor het verzekeren van een efficiënt gebruik van de spoorwegnetten. Hiertoe ontwikkelt hij passende procedures, met inachtneming van de bepalingen van de Richtlijn 2012/34/EU van het Europees Parlement en de Raad van 21 november 2012 tot instelling van één Europese spoorwegruimte.
   De infrastructuurbeheerder werkt samen met de infrastructuurbeheerders van andere lidstaten van de Europese Unie opdat de in artikel 56 bedoelde extra retributies en de in artikel 23 bedoelde prestatieregelingen op efficiënte wijze kunnen worden toegepast op verkeer dat gebruik maakt van meerdere spoorwegnetten binnen de Unie.]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij W 2015-06-15/03, art. 57, 007; Inwerkingtreding : 23-07-2015>

  HOOFDSTUK 6. - Toezichthoudende orgaan

  Afdeling 1. - Aanwijzing

  Art. 61. De Koning wijst, bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad, het toezichthoudende orgaan aan.

  Afdeling 2. - Opdrachten

  Art. 62.§ 1. Benevens de door de wet verleende opdrachten vervult het toezichthoudende orgaan de in dit artikel beschreven opdrachten.
  § 2. Teneinde zijn raadgevende opdracht te vervullen, doet het toezichthoudende orgaan het volgende :
  1° het geeft gemotiveerd advies en doet voorstellen;
  2° het voert, op eigen initiatief of op vraag van de minister, onderzoeken en studies uit met betrekking tot de spoorwegmarkt;
  3° het verstrekt de minister de nodige inlichtingen om de regels op te stellen inzake de vergunningen, de [6 heffing]6 en de toewijzing van de infrastructuurcapaciteit;
  4° het werkt samen met de toezichthoudende organen van de andere lidstaten van de Europese Unie, teneinde de besluitvormingsbeginselen in het geheel van de Unie te coördineren;
  [1 5° het geeft, voorafgaandelijk aan de sluiting of de wijziging van de vervoersovereenkomst bedoeld in artikel 8 van de wet van 30 augustus 2013 betreffende de hervorming van de Belgische spoorwegen, met redenen omkleed advies over zijn inhoud.]1
  § 3. Teneinde zijn controleopdracht te vervullen, doet het toezichthoudende orgaan het volgende :
  1° [5 het controleert de overeenstemming van de voorlopige en de definitieve versie van de netverklaring met deze Spoorcodex en zijn uitvoeringsbesluiten;]5
  2° het waakt erover dat de retributies in overeenstemming zijn met de bepalingen van deze Spoorcodex, van zijn uitvoeringsbesluiten en de netverklaring en op een niet-discriminerende wijze worden toegepast;
  3° het waakt erover dat de toewijzing van de infrastructuurcapaciteit overeenstemt met de bepalingen van deze wet, van haar uitvoeringsbesluiten en van de netverklaring;
  4° zonder afbreuk te doen aan de wet op de bescherming van de economische mededinging gecoördineerd op 15 september 2006, houdt het toezicht op de mededinging op de markt voor spoorwegvervoerdiensten, met inbegrip van de markt van het vrachtvervoer;
  5° [8 het bepaalt of de uitoefening van het toegangsrecht bedoeld in artikel 5, 3°, het economisch evenwicht van een openbare dienstcontract in gevaar zou brengen wanneer dit recht op toegang uitgeoefend wordt op dezelfde route als die van het betrokken openbare dienstcontract of op een alternatieve route. In voorkomend geval kan de minister het toegangsrecht bedoeld in artikel 5, 3°, beperken overeenkomstig artikel 5, § 2.
   Om te bepalen of het economisch evenwicht van een openbare dienstcontract in gevaar komt, wordt door het betrokken toezichthoudende orgaan een objectieve economische analyse verricht en een besluit genomen op basis van criteria die hij vooraf bepaalt. Het formuleert zijn oordeel nadat binnen één maand vanaf de ontvangst van de informatie over de geplande passagiersvervoersdienst daartoe een verzoek is ingediend door een van de volgende instanties:
   a) de minister;
   b) de infrastructuurbeheerder;
   c) de spoorwegonderneming die het openbare dienstcontract uitvoert.
   Het toezichthoudende orgaan motiveert haar besluit en vermeldt de voorwaarden waaronder binnen één maand na de kennisgeving daarvan om een herziening van het besluit kan worden verzocht door één van de volgende instanties:
   a) de minister;
   b) de infrastructuurbeheerder;
   c) de spoorwegonderneming die het openbare dienstcontract uitvoert;
   d) de spoorwegonderneming die toegang wenst.
   Wanneer het toezichthoudende orgaan besluit dat het economisch evenwicht van een openbare dienstcontract door de geplande passagiersvervoersdienst in gevaar zou komen, vermeldt het de mogelijke aanpassingen die kunnen aan deze dienst dienen worden aangebracht opdat dit recht zou kunnen worden uitgeoefend;]8
  6° het controleert de naleving van artikel 4
  [2 7° het stelt op verzoek van de minister bevoegd voor Overheidsbedrijven een jaarlijkse audit op over de uitvoering van de vervoersovereenkomst bedoeld in artikel 8 van de wet van 30 augustus 2013 betreffende de hervorming van de Belgische spoorwegen;
   8° het stelt in opdracht van de minister bevoegd voor de regulering van het spoorvervoer een jaarlijkse audit op over de uitvoering van de door de infrastructuurbeheerder aangewende registratiemethode van de storingen, bedoeld in artikel 31/2 van het koninklijk besluit van 9 december 2004 betreffende de verdeling van de spoorweginfrastructuurcapaciteiten en de retributie voor het gebruik van de spoorweginfrastructuur;
   9° [5 het controleert de toegang tot de diensten en hun heffingen overeenkomstig artikel 9;]5
   10° [5 het controleert of de uitoefening van de eeuwigdurende erfdienstbaarheid bedoeld in artikel 156quater, § 1, van de wet van 21 maart 1991 betreffende de hervorming van sommige economische overheidsbedrijven, het recht van toegang bedoeld in artikel 9 van de Spoorcodex niet in het gedrang brengt;]5 ]2
  [9 11° het controleert of de samenwerkingsovereenkomsten gesloten conform artikel 26/2 niet-discriminerend zijn en het houdt toezicht op de uitvoering van deze overeenkomsten.]9
  [10 Onverminderd de bevoegdheden van de nationale mededingingsautoriteiten om de concurrentie op de markt voor spoorwegdiensten te garanderen, heeft het toezichthoudende orgaan de bevoegdheid toezicht te houden op de concurrentiesituatie op de markt voor spoorwegdiensten, en in het bijzonder op eigen initiatief te controleren of een kandidaat niet op onrechtvaardige, discriminerende of benadeelde wijze wordt behandeld wat betreft de elementen opgesomd in paragraaf 5, eerste lid, 1° tot 9°. Het gaat met name na of de netverklaringen discriminerende bepalingen bevatten en of deze verklaringen beslissingsbevoegdheden voor de infrastructuurbeheerder scheppen die kunnen worden gebruikt om kandidaten te discrimineren.]10
  § 4. [3 Teneinde zijn opdracht inzake het administratief afhandelen van geschillen te vervullen, neemt het toezichthoudende orgaan een beslissing :
   1° binnen de tien werkdagen, inzake de geschillen over de toewijzing van de spoorweginfrastructuurcapaciteit, op verzoek van de spoorweginfrastructuurbeheerder of van een kandidaat en dit zonder afbreuk te doen aan de bestaande beroepsmogelijkheden;
   2° binnen de dertig werkdagen, over de uitvoering van de vervoersovereenkomst bedoeld in artikel 8 van de wet van 30 augustus 2013 betreffende de hervorming van de Belgische spoorwegen op verzoek van de infrastructuurbeheerder of de spoorweg-onderneming;
  [5 3° binnen tien werkdagen, de geschillen in verband met de prestatieregeling, onverminderd de bestaande beroepsprocedures, op vraag van de infrastructuurbeheerder of van een spoorwegonderneming.]5
   De Koning bepaalt de nadere regels voor deze geschillenbehandeling.]3 [5 Deze nadere regels worden bovendien opgenomen in de netverklaring.]5
  § 5. [5 Teneinde zijn opdracht inzake de behandeling van klachten te vervullen, kunnen bij het toezichthoudende orgaan schriftelijke klachten worden ingediend bij aangetekende zending door elke kandidaat, met name om beroep in te stellen tegen beslissingen van de infrastructuurbeheerder of, in voorkomend geval, de spoorwegonderneming of de exploitant van een dienstvoorziening wanneer hij denkt het slachtoffer te zijn van een oneerlijke behandeling, van een discriminatie of van elk ander nadeel met betrekking tot :
   1° de voorlopige en de definitieve versies van de netverklaring of de criteria die erin zijn opgenomen;
   2° de toewijzingsprocedure voor infrastructuurcapaciteit en haar resultaten en de verplichtingen die daaruit voortvloeien;
   3° de heffingsregeling, met inbegrip van de prestatieregeling bedoeld in artikel 23, derde lid, de hoogte of de structuur van retributies voor het gebruik van de spoorweginfrastructuur en de verplichtingen die daaruit voortvloeien;
   4° de [7 in de artikelen 5, 6, 7, 8 en 9]7 opgenomen bepalingen inzake toegang tot de spoorweginfrastructuur;
   5° de in artikel 9 opgenomen bepalingen inzake toegang tot de dienstvoorzieningen;
   6° de uitoefening van de eeuwigdurende erfdienstbaarheid bedoeld in artikel 156quater, § 1, van de wet van 21 maart 1991 betreffende de hervorming van sommige economische overheidsbedrijven;
  [11 7° verkeersbeheer;
   8° vernieuwingsplanning en gepland of niet-gepland onderhoud;
   9° naleving van de voorschriften bedoeld in de artikelen 4/2/1, 26/1 en 26/2.]11
   Het administratief beroep schorst de aangevochten beslissing niet, behoudens andersluidende, gemotiveerde beslissing van het toezichthoudende orgaan op verzoek van de klagende partij.]5
  § 6. Het toezichthoudende orgaan beslist over de betwistingen die eraan worden voorgelegd door de spoorweginfrastructuurbeheerder over de toekenning van het aantal minuten vertraging in het raam van de prestatieregeling, bedoeld in artikel 23, vijfde lid.
  ----------
  (1)<KB 2013-12-21/54, art. 1, 004; Inwerkingtreding : 01-01-2014>
  (2)<KB 2013-12-21/54, art. 2, 004; Inwerkingtreding : 01-01-2014>
  (3)<KB 2013-12-21/54, art. 3, 004; Inwerkingtreding : 01-01-2014>
  (5)<W 2015-06-15/03, art. 58, 007; Inwerkingtreding : 23-07-2015>
  (6)<W 2015-06-15/03, art. 83,12°, 007; Inwerkingtreding : 23-07-2015>
  (7)<W 2017-11-23/15, art. 12, 011; Inwerkingtreding : 21-12-2017>
  (8)<W 2019-01-11/08, art. 20, 012; Inwerkingtreding : 01-01-2019>
  (9)<W 2019-01-11/08, art. 21, 012; Inwerkingtreding : 16-02-2019>
  (10)<W 2019-01-11/08, art. 22, 012; Inwerkingtreding : 16-02-2019>
  (11)<W 2019-01-11/08, art. 23, 012; Inwerkingtreding : 16-02-2019>

  Afdeling 3. - Bevoegdheden

  Art. 63.§ 1. In uitvoering van zijn raadgevende opdracht, geeft het toezichthoudende orgaan advies.
  § 2. In uitvoering van zijn opdracht inzake de administratieve afhandeling van geschillen neemt het toezichthoudende orgaan met redenen omklede individuele beslissingen.
  [2 In geval er een beroep wordt ingesteld tegen de weigering capaciteit te verlenen of tegen de voorwaarden van een capaciteitsaanbod, beslist het toezichthoudende orgaan ofwel dat er geen reden is om de beslissing van de infrastructuurbeheerder te wijzigen, ofwel dat de betwiste beslissing overeenkomstig haar beslissing wordt gewijzigd.]2
  § 3. [1 In uitvoering van zijn opdrachten inzake controle en administratief beroep, neemt het toezichthoudende orgaan elke maatregel die nodig is, met inbegrip van bewarende maatregelen en bestuurlijke boetes, om een einde te stellen aan de inbreuken op de netverklaring, de toewijzing van de capaciteit, de heffingen voor het gebruik van infrastructuur en de bepalingen inzake toegang [3 ...]3, en onder meer inzake toegang tot dienstvoorzieningen overeenkomstig artikel 9.
  [2 ...]2]1
  [2 § 4. [3 Het toezichthoudende orgaan heeft de bevoegdheid om audits uit te voeren of externe audits te laten uitvoeren bij de infrastructuurbeheerder, exploitanten van dienstvoorzieningen en, zo nodig, spoorwegondernemingen om de naleving van de in artikel 4 voorgeschreven boekhoudkundige scheiding en de naleving van de bepalingen met betrekking tot de financiële transparantie uitgewerkt in artikel 4/2/1, § 3, te controleren.]3 In dit verband kan het toezichthoudende orgaan om alle relevante informatie verzoeken. Het toezichthoudende orgaan heeft in het bijzonder de bevoegdheid om de infrastructuurbeheerder, exploitanten van dienstvoorzieningen en alle ondernemingen of andere entiteiten die verschillende typen spoorvervoer of infrastructuurbeheer uitvoeren of integreren als bedoeld in artikel 4, § 1, en in artikel 9, te verzoeken om alle in bijlage 26 genoemde boekhoudkundige informatie of een gedeelte daarvan te verstrekken, in voldoende mate gedetailleerd, overeenkomstig hetgeen als noodzakelijk en evenredig wordt geacht.
   Onverminderd de bevoegdheden van de autoriteiten die bevoegd zijn voor gevallen van staatssteun, mag het toezichthoudende orgaan aan de hand van de boekhouding ook conclusies trekken inzake gevallen van staatssteun, en deelt zij die gevallen mee aan deze autoriteiten.]2
  ----------
  (1)<W 2015-06-15/03, art. 59, 007; Inwerkingtreding : 23-07-2015>
  (2)<W 2017-11-23/15, art. 13, 011; Inwerkingtreding : 21-12-2017>
  (3)<W 2019-01-11/08, art. 24, 012; Inwerkingtreding : 16-02-2019>

  Art. 64.Het toezichthoudende orgaan kan in de gevallen bedoeld in artikel 63, § 3, een bestuurlijke boete opleggen. De boete mag per kalenderdag niet lager zijn dan 12.500 euro en niet hoger dan 100.000 euro, noch in totaal hoger zijn dan 2 miljoen euro of 3 procent van de omzet die de gedaagde persoon heeft gerealiseerd in het afgesloten boekjaar, indien dit laatste bedrag hoger is.
  De boete kan worden berekend op grond van een dagelijks bedrag.
  [1 ...]1
  [1 De boete wordt door de administratie van de belasting over de toegevoegde waarde, de registratie en de domeinen gestort aan de Schatkist.
   Elk jaar op 1 januari, worden deze bedragen aangepast aan de gezondheidsindex volgens de volgende formule : het basisbedrag, vermenigvuldigd met de nieuwe index en gedeeld door de oorspronkelijke index.
   De nieuwe index is de gezondheidsindex van de maand november van het jaar voorafgaand aan het jaar waarin de bedragen overeenkomstig het vierde lid worden aangepast. De oorspronkelijke index is de gezondheidsindex van november 2013. Het bekomen resultaat wordt afgerond naar de hogere euro indien het deel in decimalen groter of gelijk is aan vijftig cent. De afronding gebeurt naar de lagere euro indien dit deel kleiner is dan vijftig cent.
   De verjaringstermijn voor invordering van de bestuurlijke boete wordt vastgesteld op drie jaar vanaf de dag waarop de feiten gepleegd zijn. De bevoegdheid tot invordering van de bestuurlijke boete verjaart na twee jaar vanaf de laatste dag waarop de overtreder diende te betalen.
   Indien de overtreder de bestuurlijke boete te laat betaalt, wordt het bedrag van rechtswege verhoogd met de wettelijke rentevoet, met een minimum van vijf procent van het bedrag van de bestuurlijke boete.]1
  ----------
  (1)<W 2015-06-15/03, art. 60, 007; Inwerkingtreding : 23-07-2015>

  Art. 65.[1 Het toezichthoudende orgaan beslist in de gevallen bedoeld in artikel 63, § 3, na de betrokken partijen te hebben gehoord, binnen zes weken na ontvangst van alle relevante inlichtingen. Het toezichthoudende orgaan neemt klachten in behandeling en vraagt relevante informatie op en treedt in overleg met alle betrokken partijen binnen een maand vanaf de ontvangst van de klacht. De Koning bepaalt de nadere regels voor de procedure in de gevallen bedoeld in artikel 63, § 3.]1
  Bij zijn beslissingen houdt hij onder meer rekening met :
  1° de naleving van de van toepassing zijnde wetten en reglementeringen;
  2° het gelijkheidsbeginsel inzake toegang tot de spoorwegcapaciteit;
  3° de noodzaak om de integriteit van het Belgische [2 spoorwegnet]2 en de interoperabiliteit met de spoorwegdiensten van de andere Staten te behouden;
  4° de aard van de aanvraag ten overstaan van de beschikbare middelen om eraan te voldoen.
  Hij kan elk nuttig onderzoek doen of laten uitvoeren en zo nodig deskundigen aanwijzen en getuigen horen.
  Het toezichthoudende orgaan deelt zijn beslissingen aan de partijen mee en maakt ze bekend binnen 15 dagen na de uitspraak. Deze beslissingen zijn bindend voor alle betrokken partijen.
  Zij worden op papier en in elektronische vorm bekendgemaakt.
  ----------
  (1)<W 2015-06-15/03, art. 61, 007; Inwerkingtreding : 23-07-2015>
  (2)<W 2015-06-15/03, art. 83,2°, 007; Inwerkingtreding : 23-07-2015>

  Art. 66. De leden van het toezichthoudende orgaan zijn, op straffe van de toepassing van artikel 458 van het Strafwetboek, gebonden aan het beroepsgeheim met betrekking tot feiten, daden en inlichtingen waarvan ze uit hoofde van hun functie kennis nemen, behalve voor wat de door de wet voorziene uitzonderingen betreft.

  Afdeling 3/1. [1 - Samenwerking met andere organen, overleg en aanvraag van informatie]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij W 2015-06-15/03, art. 62, 007; Inwerkingtreding : 23-07-2015>

  Art. 66/1. [1 Het toezichthoudende orgaan werkt nauw samen met de veiligheidsinstantie en met de vergunningverlenende autoriteit.
   Deze organen ontwikkelen een gemeenschappelijk kader voor samenwerking en informatie-uitwisseling dat erop is gericht nadelige effecten voor de concurrentie of de veiligheid in de spoorwegsector te voorkomen. Dit kader voorziet onder meer in een mechanisme voor het verstrekken van aanbevelingen door het toezichthoudende orgaan aan de veiligheidsinstantie en aan de vergunningverlenende autoriteit over kwesties die de concurrentie op de spoorwegmarkt voor spoorwegdiensten kunnen verstoren, evenals in een mechanisme voor het verstrekken van aanbevelingen door de veiligheidsinstantie aan het toezichthoudende orgaan en de instantie die verantwoordelijk is voor het verlenen van vergunningen over kwesties die van invloed kunnen zijn op de veiligheid. Onverminderd de onafhankelijkheid van elk van de instanties in de uitoefening van hun respectieve bevoegdheden bestuderen de betreffende instanties deze aanbevelingen alvorens besluiten te nemen. Indien de desbetreffende instantie besluit van deze aanbevelingen af te wijken, vermeldt zij de redenen daarvoor in haar besluiten.]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij W 2015-06-15/03, art. 63, 007; Inwerkingtreding : 23-07-2015>

  Art. 66/2. [1 Het toezichthoudende orgaan raadpleegt regelmatig en ten minste om de twee jaar de vertegenwoordigers van de gebruikers van spoorvervoersdiensten voor goederen en reizigers, teneinde rekening te houden met hun standpunten ten aanzien van de spoorwegmarkt.]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij W 2015-06-15/03, art. 64, 007; Inwerkingtreding : 23-07-2015>

  Art. 66/3. [1 § 1. Het toezichthoudende orgaan is bevoegd om nuttige informatie op te vragen bij de infrastructuurbeheerder, de kandidaten en elke andere belanghebbende partij.
   Deze informatie wordt verstrekt binnen een redelijke, door het toezichthoudende orgaan vastgestelde termijn van ten hoogste een maand, tenzij het toezichthoudende orgaan in uitzonderlijke gevallen instemt met en toestemming verleent voor een verlenging met ten hoogste twee weken.
   De aan het toezichthoudende orgaan te verstrekken informatie omvat alle gegevens waarom het toezichthoudende orgaan verzoekt in het kader van haar functies als beroepsinstantie en toezichthoudster op de mededinging op de markten voor spoorwegdiensten. Dit omvat gegevens die nodig is voor statistische en marktwaarnemingsdoeleinden.
   § 2. Het feit dat de infrastructuurbeheerder, de kandidaten of elke andere belanghebbende partij, geen gevolg geven aan het verzoek om informatie van het toezichthoudende orgaan, binnen de door deze laatste bepaalde termijn, is een inbreuk die bestraft kan worden met een bestuurlijke boete op forfaitaire basis of per dag.
   De boete mag per kalenderdag niet lager zijn dan 1.000 euro en niet hoger dan 2.000 euro, noch in totaal hoger zijn dan 60.000 euro.
   De boete wordt door de administratie van de belasting, de registratie en de domeinen over de toegevoegde waarde gestort aan de Schatkist.
   Elk jaar op 1 januari, worden deze bedragen aangepast aan de gezondheidsindex volgens de volgende formule : het basisbedrag, vermenigvuldigd met de nieuwe index en gedeeld door de oorspronkelijke index.
   De nieuwe index is de gezondheidsindex van de maand november van het jaar voorafgaand aan het jaar waarin de bedragen overeenkomstig het vierde lid worden aangepast. De oorspronkelijke index is de gezondheidsindex van november 2013. Het bekomen resultaat wordt afgerond naar de hogere euro indien het deel in decimalen groter of gelijk is aan vijftig cent. De afronding gebeurt naar de lagere euro indien dit deel kleiner is dan vijftig cent.
   De verjaringstermijn voor invordering van de bestuurlijke boete wordt vastgesteld op drie jaar vanaf de dag waarop de feiten gepleegd zijn. De bevoegdheid tot invordering van de bestuurlijke boete verjaart na twee jaar vanaf de laatste dag waarop de overtreder diende te betalen.
   Indien de overtreder de bestuurlijke boete te laat betaalt, wordt het bedrag van rechtswege verhoogd met de wettelijke rentevoet, met een minimum van vijf procent van het bedrag van de bestuurlijke boete.]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij W 2015-06-15/03, art. 65, 007; Inwerkingtreding : 23-07-2015>

  Art. 66/4.[1 § 1. Het toezichthoudende orgaan wisselt met toezichthoudende organen van andere lidstaten van de Europese Unie informatie uit over zijn werk en zijn besluitvormingsbeginselen en -praktijk en wisselt, in het bijzonder, informatie uit over de hoofdpunten van zijn procedures en over de problemen met de interpretatie van omgezet spoorwegrecht van de Unie. Het werkt samen met toezichthoudende organen van andere lidstaten van de Europese Unie met als doel de besluitvorming te coördineren. Daartoe neemt hij deel aan en werkt hij samen in een net dat de toezichthoudende organen van lidstaten verenigt.
   § 2. Het toezichthoudende orgaan werkt nauw samen met de toezichthoudende organen van andere lidstaten, onder meer door middel van werkafspraken, om elkaar wederzijdse bijstand te verlenen bij de taken inzake markttoezicht, klachtenbehandeling en onderzoeken.
  [2 § 2/1. Indien voor aangelegenheden met betrekking tot een internationale dienst besluiten nodig zijn van het toezichthoudende orgaan en van een toezichthoudend orgaan van een andere lidstaat, werken de desbetreffende organen samen bij de voorbereiding van hun respectieve besluiten.]2
   § 3. Bij een klacht of een onderzoek uit eigen beweging inzake toegang of heffing betreffende een internationaal treinpad, alsmede in het kader van het toezicht op de concurrentie op de markt voor internationale spoorvervoersdiensten, raadpleegt het toezichthoudende orgaan de toezichthoudende organen van alle andere lidstaten waardoor het internationale treinpad loopt en, in voorkomend geval, de Europese Commissie, en verzoekt hij hen om de nodige informatie alvorens een beslissing te nemen.
   § 4. Indien hij geraadpleegd wordt door een toezichthoudend orgaan van een andere lidstaat, verstrekt hij alle informatie die hij zelf krachtens deze Codex mag vragen. Deze informatie mag alleen worden gebruikt voor de behandeling van de klacht of het onderzoek bedoeld in paragraaf 3.
   § 5. Wanneer het toezichthoudende orgaan een klacht ontvangt of uit eigen beweging een onderzoek voert, deelt hij de relevante informatie mee aan het bevoegde toezichthoudende orgaan, zodat deze laatste maatregelen kan treffen ten aanzien van de betrokken partijen.
   § 6. Elke vertegenwoordiger van infrastructuurbeheerders betrokken overeenkomstig artikel 45 verstrekt onverwijld alle informatie die voor de behandeling van de klacht of het onderzoek als bedoeld in paragraaf 3 worden gevraagd door het toezichthoudende orgaan van de lidstaat waar de betrokken vertegenwoordiger is gevestigd. Het toezichthoudende orgaan heeft het recht om de informatie betreffende het betrokken internationale treinpad mee te delen aan de in paragraaf 3 bedoelde toezichthoudende organen.
   § 7. Op verzoek van een toezichthoudend orgaan kan de Europese Commissie deelnemen aan de in de paragrafen 2 tot en met 6 genoemde werkzaamheden teneinde de in die paragrafen omschreven samenwerking tussen de toezichthoudende organen te vergemakkelijken.
   § 8. Het toezichthoudende orgaan ontwikkelt samen met andere toezichthoudende organen gemeenschappelijke beginselen en praktijken voor de besluitvorming waarvoor zij krachtens deze wet bevoegd zijn. [2 Dergelijke gemeenschappelijke beginselen en praktijken omvatten regelingen voor de beslechting van geschillen die zich voordoen in het kader van paragraaf 2/1.]2
   § 9. Het toezichthoudende orgaan beoordeelt de beslissingen en praktijken in het kader van de in artikelen 60/1 en 45, bedoelde samenwerking tussen de infrastructuurbeheerders die de bepalingen van deze Codex ten uitvoer leggen of, in het algemeen, het internationale spoorvervoer vergemakkelijken.]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij W 2015-06-15/03, art. 66, 007; Inwerkingtreding : 23-07-2015>
  (2)<W 2019-01-11/08, art. 25, 012; Inwerkingtreding : 16-02-2019>

  Afdeling 4. - Inkomsten

  Art. 67. § 1. Om alle werkings- en personeelskosten van het toezichthoudende orgaan te dekken, betalen de houders van een veiligheidscertificaat deel B zoals bedoeld in artikel 99 en de houder van de veiligheidsvergunning als bedoeld in artikel 95 een retributie aan de Federale Overheidsdienst Mobiliteit en Vervoer.
  Elk kwartaal moet een kwart van het jaarbedrag betaald worden.
  De totale retributie wordt verdeeld tussen de houders van een veiligheidscertificaat deel B en de houder van de veiligheidsvergunning.
  Het aandeel van de houder van de veiligheidsvergunning bedraagt dertig procent van het totale bedrag.
  Het aandeel van de houders van een veiligheidscertificaat deel B bedraagt zeventig procent van het totale bedrag. Dit aandeel wordt verdeeld onder de houders in verhouding tot het aantal treinkilometers dat zij gepresteerd hebben tijdens het kwartaal dat afgesloten werd drie maanden voor het kwartaal waarop de retributie betrekking heeft. De treinkilometers gepresteerd door elke houder worden, onmiddellijk na afsluiting van elk kwartaal, door de houder van de veiligheidsvergunning meegedeeld aan de Federale Overheidsdienst Mobiliteit en Vervoer.
  § 2. De Koning stelt, bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad, het bedrag van de retributie bedoeld in § 1 vast, alsook de nadere regels voor de toerekening en storting van die retributie.

  TITEL 4. - Exploitatieveiligheid van de spoorweginfrastructuur

  HOOFDSTUK 1. - Veiligheidsvoorschriften

  Art. 68.§ 1. Het nationale regelgevende kader van de veiligheidsvoorschriften wordt gevormd door de volgende veiligheidsvoorschriften :
  1° [2 ...]2
  2° de regels betreffende de vereisten voor de veiligheidsbeheersystemen die van toepassing zijn op de veiligheidsvergunning van de spoorweginfrastructuurbeheerder en de veiligheidscertificering van spoorwegondernemingen;
  3° de regels betreffende het veiligheidspersoneel, het rollend materieel en de spoorweginfrastructuur;
  4° de regels betreffende de onderzoeken naar ongevallen en incidenten;
  5° de regels betreffende de exploitatie van de spoorweginfrastructuur;
  6° de vereisten betreffende het verkeer van voertuigen met een patrimoniaal karakter;
  7° de interne veiligheidsvoorschriften.
  § 2. [2 ...]2
  De Koning bepaalt de regels betreffende de vereisten van toepassing op veiligheidsbeheersystemen, de veiligheidsvergunning van de infrastructuurbeheerder en de veiligheidscertificering van de spoorwegondernemingen.
  De Koning bepaalt de vereisten die van toepassing zijn op het veiligheidspersoneel, het rollend materieel en de spoorweginfrastructuur.
  De Koning bepaalt de regels betreffende onderzoeken naar ongevallen en incidenten.
  De Koning bepaalt de toe te passen vereisten voor het verkeer van voertuigen met een patrimoniaal karakter op het [1 net]1.
  § 3. In afwezigheid van TSI of ter aanvulling van de TSI's, stelt de spoorweginfrastructuurbeheerder de veiligheidsvoorschriften vast betreffende de exploitatie van de spoorweginfrastructuur. Deze voorschriften en hun wijzigingen zijn onderworpen aan het eensluidend advies van de veiligheidsinstantie, volgens een door de Koning te bepalen procedure.
  § 4. De spoorweginfrastructuurbeheerder en elke spoorwegonderneming stellen hun interne veiligheidsvoorschriften vast in het kader van hun veiligheidsbeheersysteem.
  § 5. De Koning bepaalt de wijze van bekendmaking voor het geheel van de regelgeving zoals bedoeld in §§ 1 tot 3.
  ----------
  (1)<W 2015-06-15/03, art. 83,1°, 007; Inwerkingtreding : 23-07-2015>
  (2)<W 2017-11-23/15, art. 14, 011; Inwerkingtreding : 21-12-2017>

  Art. 69.§ 1. Na de vaststelling van de gemeenschappelijke veiligheidsdoelen kunnen de Koning en de spoorweginfrastructuurbeheerder, overeenkomstig artikel 68, §§ 1 tot 3, een nieuw nationaal veiligheidsvoorschrift aannemen dat gebaseerd is op een hoger veiligheidsniveau dan dat van de gemeenschappelijke veiligheidsdoelen of dat een weerslag zou kunnen hebben op de activiteiten van spoorwegondernemingen op het Belgische [1 net]1, met naleving van de voorwaarden die beschreven worden in de volgende paragrafen.
  § 2. De veiligheidsinstantie raadpleegt de spoorwegondernemingen en/of de houders en/of de spoorweginfrastructuurbeheerder en/of de fabrikanten, volgens de inhoud van de nationale veiligheidsvoorschriften als bedoeld in § 1.
  § 3. De veiligheidsinstantie legt de Europese Commissie het ontwerp van nationale veiligheidsvoorschrift voor ter onderzoek, met opgave van de redenen voor de invoering ervan.
  Indien de Commissie laat weten dat zij over de verenigbaarheid van het ontwerp van nationale veiligheidsvoorschrift met de gemeenschappelijke veiligheidsmethoden of met het bereiken van ten minste het gemeenschappelijk veiligheidsdoel ernstige twijfels heeft of dat zij van mening is dat het een willekeurige discriminatie of een verkapte beperking van de spoorwegactiviteiten tussen de lidstaten inhoudt, wordt de aanneming, de inwerkingtreding of de toepassing van het voorschrift opgeschort totdat de Commissie een besluit neemt of totdat een termijn van zes maanden, te rekenen vanaf de kennisgeving, verstreken is.
  § 4. De veiligheidsinstantie deelt aan de Europese Commissie de op basis van artikel 68, §§ 1 tot 3, vastgestelde of gewijzigde nationale veiligheidsvoorschriften mee, tenzij de voorschriften uitsluitend verband houden met de uitvoering van TSI's. Deze kennisgeving omvat informatie betreffende de hoofdinhoud van de voorschriften met verwijzing naar de wetteksten, de vorm van de voorschriften en de instantie die ze heeft bekendgemaakt.
  ----------
  (1)<W 2015-06-15/03, art. 83,1°, 007; Inwerkingtreding : 23-07-2015>

  Art. 70.§ 1. In geval van uiterste hoogdringendheid of gevaar voor de veiligheid van de spoorweginfrastructuur of het gebruik ervan, neemt de spoorweginfrastructuurbeheerder urgentiemaatregelen die kunnen afwijken van de veiligheidsvoorschriften. Hij deelt ze onmiddellijk en uiterlijk de volgende werkdag mee aan de veiligheidsinstantie. Deze maatregelen zijn onmiddellijk van toepassing. De spoorweginfrastructuurbeheerder deelt deze urgentiemaatregelen onmiddellijk mee aan alle spoorwegondernemingen die op het [2 net]2 rijden. Deze maatregelen zijn ten hoogste drie maanden geldig, behoudens een andersluidende beslissing van de veiligheidsinstantie.
  § 2. Wanneer de spoorweginfrastructuurbeheerder vaststelt dat het gebruikte materieel de veiligheid van het spoorwegverkeer in gevaar brengt, neemt hij de nodige maatregelen met inbegrip van het verbieden van hun verkeer.
  § 3. Wanneer de spoorweginfrastructuurbeheerder vaststelt dat het veiligheidspersoneel de veiligheid van het spoorwegverkeer in gevaar brengt, neemt hij de nodige maatregelen met inbegrip van de preventieve schorsing van de veiligheidsfuncties.
  De praktische modaliteiten verbonden aan de preventieve schorsing van de veiligheidsfuncties worden bepaald door de Koning.
  § 4. Wanneer de spoorweginfrastructuurbeheerder de maatregelen neemt bedoeld in §§ 2 en 3, brengt hij onmiddellijk, en uiterlijk de volgende werkdag, de veiligheidsinstantie op de hoogte.
  § 5. Teneinde de vaststellingen bedoeld in §§ 2 en 3 te doen, kan de spoorweginfrastructuurbeheerder :
  1° de identiteit en de documenten die de certificering van het veiligheidspersoneel attesteren, controleren;
  2° de staat van het rollend materieel controleren en dit betreden.
  De Koning bepaalt het model van legitimatiekaart die voorgelegd wordt bij deze controles.
  § 6. De veiligheidsinstantie kan bij een met redenen omklede beslissing, opleggen aan de spoorweginfrastructuurbeheerder dat hij de toekomstige gevolgen van de maatregel, genomen overeenkomstig § 2, opheft of dat hij deze maatregel [1 aanpast]1, indien zij meent dat deze niet aangepast en/of duidelijk buiten verhouding is.
  ----------
  (1)<W 2015-06-15/03, art. 67, 007; Inwerkingtreding : 23-07-2015>
  (2)<W 2015-06-15/03, art. 83,1°, 007; Inwerkingtreding : 23-07-2015>

  Art. 71. De Koning en, in voorkomend geval, de spoorweginfrastructuurbeheerder zorgt voor de aanpassing van de nationale veiligheidsvoorschriften die vastgesteld werden op grond van artikel 68, §§ 1 tot 3, aan de GVD en de GVM naarmate ze worden aangenomen.

  HOOFDSTUK 2. - Veiligheidsinstantie

  Afdeling 1. - Aanwijzing

  Art. 72. De Koning wijst, bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad, de veiligheidsinstantie aan.

  Art. 73.§ 1. Teneinde de veiligheidsinstantie in staat te stellen de taken, verantwoordelijkheden en verplichtingen op zich te nemen die het door de bepalingen van deze Spoorcodex worden opgelegd, kunnen statutaire personeelsleden van [1 HR Rail]1 met hun instemming worden overgeplaatst naar de veiligheidsinstantie volgens de nadere regels bepaald bij een koninklijk besluit, vastgesteld na overleg in de Ministerraad.
  Deze overplaatsingen zijn geen nieuwe benoemingen. De betrokken personeelsleden behouden onder andere hun administratieve en geldelijke anciënniteit, hun laatste signalement of evaluatie en hun titel en graad, of krijgen een gelijkwaardige titel en graad toegekend.
  De administratieve en geldelijke toestand, alsook het pensioenstelsel van de personeelsleden afkomstig van [1 HR Rail]1, kunnen op geen enkel ogenblik minder gunstig zijn dan de toestand die zij zouden gekend hebben indien zij personeelsleden van [1 HR Rail]1 zouden zijn gebleven.
  Onder geldelijke toestand wordt verstaan, al wat in de ruime zin op de bezoldiging betrekking heeft, onder andere de wedde, het vakantiegeld, de toelagen, de vergoedingen, de premies en de sociale voordelen van alle aard.
  Ieder overgeplaatst personeelslid kan op elk ogenblik, met inachtneming van een opzeggingstermijn van drie maanden, verzoeken een einde te maken aan zijn overplaatsing en opnieuw te worden opgenomen in de personeelsformatie van [1 HR Rail]1.
  § 2. In afwijking van § 1 heeft de leiding van de veiligheidsinstantie geen enkele band meer met [1 HR Rail]1 en kan niet meer genieten van de rechten en voordelen toegekend aan de statutaire personeelsleden van [1 HR Rail]1 krachtens de leden 1 tot 4 van § 1.
  De Koning bepaalt, bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad, de inhoud van het begrip " leiding " van de veiligheidsinstantie bedoeld in deze paragraaf.
  ----------
  (1)<KB 2013-12-11/02, art. 73, 003; Inwerkingtreding : 01-04-2014>

  Afdeling 2. - Taken

  Art. 74.§ 1. De taken van de veiligheidsinstantie zijn de volgende :
  1° de toelating tot ingebruikname van de subsystemen van structurele aard die samen het spoorwegsysteem vormen en het controleren of deze subsystemen worden geëxploiteerd en onderhouden overeenkomstig de essentiële eisen die erop betrekking hebben;
  2° de controle van de overeenstemming van de interoperabiliteitsonderdelen met de essentiële eisen;
  3° de toelating tot ingebruikname van voertuigen;
  4° de afgifte, vernieuwing, wijziging en intrekking van de veiligheidscertificaten en veiligheidsvergunningen die zijn toegekend overeenkomstig hoofdstuk 4 met inbegrip van de controle van de voorwaarden en eisen die daarin zijn vervat en de overeenstemming van de activiteiten van de spoorweginfrastructuurbeheerder en de spoorwegondernemingen met de eisen die voor het bekomen van vergunning of certificaat worden gesteld;
  5° de aflevering van een eensluidend advies aangaande de andere nationale veiligheidsvoorschriften zoals bedoeld in artikel 68, § 3;
  6° de controle op de naleving van de veiligheidsvoorschriften;
  7° het bijwerken en aanpassen van het nationaal voertuigenregister, ervoor zorgend dat de voertuigen terdege ingeschreven zijn in het nationaal voertuigenregister en dat de daarin vervatte informatie juist is en bijgewerkt wordt;
  8° het nazien van de conformiteit van de verleende opleidingsdiensten met de veiligheidseisen bepaald in de TSI's of in de door de Koning vastgestelde voorschriften;
  9° de taken betreffende de certificering van de treinbestuurders bedoeld door de voorschriften genomen overeenkomstig artikel 68, § 1, 3° ;
  10° de taken betreffende de certificering van de treinbestuurders bedoeld in titel 5;
  11° de certificering van treinbegeleiders;
  12° de controle van de doeltreffendheid van het remsysteem van rollend spoormaterieel als bedoeld in hoofdstuk II van het koninklijk besluit van 15 september 1976 houdende reglement op de politie van personenvervoer per tram, premetro, metro, autobus en autocar;
  13° het opleggen van bestuurlijke boetes;
  14° de controle, de bevordering en, in voorkomend geval, de handhaving en de ontwikkeling van het regelgevend kader voor veiligheid, inclusief het stelsel van nationale veiligheidsvoorschriften en de regels inzake het vervoer van gevaarlijke goederen per spoor;
  15° de handhaving van de bepalingen betreffende de arbeidsvoorwaarden voor mobiele werknemers die interoperabele grensoverschrijdende diensten in de spoorwegsector verrichten.
  § 2. [1 ...]1
  ----------
  (1)<W 2017-11-23/15, art. 15, 011; Inwerkingtreding : 21-12-2017>

  Art. 75. De veiligheidsinstantie kan, in uitvoering van haar taken bedoeld in artikel 74, al de noodzakelijke maatregelen nemen, met inbegrip van het verbod voor materieel of veiligheidspersoneel om te rijden en zij kan de noodzakelijke inspecties en onderzoeken verrichten die nodig zijn om haar taken te vervullen.

  Art. 76.[1 § 1. De veiligheidsinstantie kan een bestuurlijke boete opleggen in geval van een inbreuk voorzien in de artikels 214 en 215 volgens de procedure bedoeld in dit artikel.
   § 2. Ingeval een personeelslid van de veiligheidsinstantie een inbreuk vaststelt, bedoeld in artikel 213, § 1, maakt hij een gedateerd verslag op dat minstens vermeldt :
   1° de naam van de vermoedelijke overtreder;
   2° de inbreuk;
   3° de beschrijving van de feiten die de inbreuk uitmaken.
   Het verslag wordt onmiddellijk bezorgd aan de directeur van de veiligheidsinstantie.
   Een afschrift van het verslag wordt uiterlijk bij de kennisgeving van het voornemen tot het opleggen van een bestuurlijke boete bedoeld in paragraaf 3 aan de vermoedelijke overtreder toegezonden.
   § 3. De veiligheidsinstantie brengt de vermoedelijke overtreder binnen twee maanden na de dagtekening van het verslag op de hoogte van zijn intentie om een bestuurlijke boete op te leggen.
   De kennisgeving gebeurt bij aangetekende zending en vermeldt, op straffe van nietigheid, het in overweging genomen bedrag van bestuurlijke boete alsook de naam van de vermoedelijke overtreder.
   De kennisgeving heeft enkel betrekking op feiten die minder dan vijf jaar voor het versturen van de aangetekende zending begaan zijn.
   § 4. De veiligheidsinstantie nodigt de vermoedelijke dader uit om binnen dertig dagen volgend op de kennisgeving bedoeld in paragraaf 3 schriftelijk zijn verweer mee te delen.
   Als de zetel zich niet in België bevindt, wordt deze termijn verlengd met vijftien dagen.
   De veiligheidsinstantie brengt eveneens de vermoedelijke overtreder op de hoogte van het feit dat :
   1° hij, op verzoek, de documenten kan raadplegen die aan de basis liggen van het voornemen om een bestuurlijke boete op te leggen en hij er kopies van kan bekomen;
   2° hij mondeling zijn schriftelijk verweer kan toelichten;
   3° hij zich kan laten bijstaan of laten vertegenwoordigen door een raadsman en getuigen kan oproepen.
   Als hij zijn verweer mondeling wil toelichten, dient de vermoedelijke overtreder een schriftelijke aanvraag in bij de veiligheidsinstantie binnen dertig dagen na ontvangst van de kennisgeving bedoeld in paragraaf 3.
   Als de vermoedelijke overtreder vindt dat hij te weinig tijd heeft om zich te verdedigen, kan hij binnen de dertig dagen na de ontvangst van de kennisgeving bedoeld in paragraaf 3 een met redenen omkleed verzoek richten aan de veiligheidsinstantie die hierover beslist binnen vijftien dagen na ontvangst van het verzoek.
   Als de veiligheidsinstantie geen beslissing neemt, wordt het verzoek geacht ingewilligd te zijn.
   § 5. Als de veiligheidsinstantie beslist om een bestuurlijke boete op te leggen, wordt het bedrag ervan afgestemd op de ernst van de inbreuk en de mate waarin deze aan de overtreder wordt verweten.
   Zij houdt bovendien rekening met de frequentie en de omstandigheden waarin de vermoedelijke overtreder de inbreuk heeft gepleegd.
   De paragrafen 5, eerste lid, en 6 zijn van toepassing in het geval van het in artikel 221/3 bedoelde beroep.
   § 6. Als op het ogenblik van de beslissing tot het opleggen van een bestuurlijke boete, de feiten geen inbreuk meer vormen in de zin van de artikelen 214 en 215, wordt geen bestuurlijke boete opgelegd.
   § 7. Het recht van de veiligheidsinstantie om een bestuurlijke boete op te leggen, vervalt twee jaar na de datum van het verslag bedoeld in paragraaf 2.
   Deze termijn wordt geschorst in geval van verlenging van de termijn van verweer van de vermoedelijke overtreder in toepassing van paragraaf 4, vijfde lid.
   § 8. Een bestuurlijke boete kan niet worden opgelegd :
   1° als de strafrechter reeds een straf heeft opgelegd voor dezelfde feiten;
   2° als de feiten reeds aanleiding hebben gegeven tot een vrijspraak, een eenvoudige schuldverklaring, een opschorting van de gerechtelijke uitspraak tot veroordeling of in geval van een dading zoals bedoeld onder artikel 216bis van het Wetboek van Strafvordering.
   § 9. Als de overtreder strafrechtelijk wordt vervolgd voor feiten die onlosmakelijk verbonden zijn met het feit waarvoor de veiligheidsinstantie een bestuurlijke boete wenst op te leggen, zijn de termijnen bedoeld in dit artikel geschorst tot het ogenblik waarop de strafrechter een uitspraak heeft gedaan.]1
  ----------
  (1)<W 2017-11-23/15, art. 16, 011; Inwerkingtreding : 21-12-2017>

  Art. 77.De veiligheidsinstantie verricht haar taken op een open, niet-discriminerende en transparante wijze. Zij geeft in het bijzonder alle partijen de gelegenheid te worden gehoord en zij motiveert haar besluiten.
  Zij antwoordt snel op de verzoeken en vragen om inlichtingen en neemt al haar besluiten binnen de vier maanden nadat alle gevraagde inlichtingen werden verstrekt. De Koning kan in bijzondere gevallen deze termijn inkorten.
  De in artikel 74 bedoelde taken mogen niet worden overgedragen of uitbesteed aan een spoorweginfrastructuurbeheerder, een spoorwegonderneming of een aanbestedende dienst.
  Zij kan voor de uitvoering van de in artikel 74, 1° tot 8°, 14° en 15° bedoelde taken te allen tijde de technische bijstand vorderen van de spoorweginfrastructuurbeheerder, de spoorwegondernemingen of andere door de veiligheidsinstantie gekozen gekwalificeerde instanties.
  Indien het voor de uitvoering van de in artikel 74, 1°, 2°, 4°, 6° en 14° bedoelde taken noodzakelijk blijkt, gelasten de leden van de veiligheidsinstantie of de door haar gemandateerde personen de spoorweginfrastructuurbeheerder met het nemen van geschikte maatregelen om de veiligheid van het spoorwegverkeer te garanderen in functie van de te realiseren werkzaamheden. Deze maatregelen kunnen het verbod inhouden van spoorwegverkeer naar één of meerdere sporen.
  De veiligheidsinstantie en de infrastructuurbeheerder sluiten een protocol met betrekking tot de maatregelen bedoeld in het vijfde lid.
  De veiligheidsinstantie werkt samen met de veiligheidsinstanties van de andere lidstaten. De samenwerking heeft in het bijzonder tot doel het vergemakkelijken en coördineren van de veiligheidscertificering van spoorwegondernemingen die internationale treinpaden toegewezen hebben gekregen volgens de procedure voorzien in artikel 34.
  [1 De veiligheidsinstantie organiseert minstens één keer per jaar een veiligheidsoverleg dat alle, bij spoorveiligheid, betrokken en belanghebbende partijen samenbrengt, en onder andere, de spoorwegondernemingen en de infrastructuurbeheerders, de fabrikanten en het onderzoeksorgaan.]1
  ----------
  (1)<W 2017-11-23/15, art. 17, 011; Inwerkingtreding : 21-12-2017>

  Afdeling 3. - Jaarverslag

  Art. 78.Elk jaar publiceert de veiligheidsinstantie een verslag over haar activiteiten van het vorige jaar en zij zendt het uiterlijk 30 september toe aan het Bureau. Het verslag bevat informatie over :
  a) de evolutie van de veiligheid op het spoor, met inbegrip van een inventaris van de in bijlage 4 beschreven gemeenschappelijke veiligheidsindicatoren;
  b) belangrijke wijzigingen in de wetgeving en de reglementering betreffende de veiligheid op de spoorwegen;
  c) de ontwikkeling van de veiligheidscertificering en de veiligheidsvergunning;
  d) de resultaten van het bij de spoorweginfrastructuurbeheerder en de spoorwegondernemingen uitgeoefende toezicht en de eruit getrokken conclusies, met name op basis van de verslagen bedoeld in [1 artikel 92]1;
  e) de afwijkingen waartoe overeenkomstig artikel 109 werd besloten;
  f) de toepassing van gemeenschappelijke veiligheidsmethodes bij de analyse en evaluatie van risico's.
  [1 ...]1
  ----------
  (1)<W 2017-11-23/15, art. 18, 011; Inwerkingtreding : 21-12-2017>

  Afdeling 4. - Vergoeding voor prestaties

  Art. 79.[1 § 1. Deze afdeling bepaalt de retributies die verschuldigd zijn als vergoeding voor de prestaties die door de veiligheidsinstantie in toepassing van deze Codex uitgevoerd worden om zijn werkingskosten te dekken.
   Deze retributies worden gestort in het fonds betreffende de werking van de veiligheidsinstantie van de spoorwegen opgericht bij artikel 5 van de programmawet van 23 december 2009.
   § 2. Elk jaar op 1 januari, worden de retributies bedoeld in de artikelen 80 tot 88/1 aangepast aan de gezondheidsindex volgens de volgende formule : het basisbedrag zoals vastgesteld in deze artikelen, vermenigvuldigd met de nieuwe index en gedeeld door de oorspronkelijke index.
   De nieuwe index is de gezondheidsindex van de maand november van het jaar voorafgaand aan het jaar waarin de bedragen overeenkomstig het eerste lid worden aangepast.
   De oorspronkelijke index is de gezondheidsindex van november 2009.
   Het verkregen resultaat wordt afgerond :
   1° naar de hogere euro indien het deel in decimalen groter of gelijk is aan vijftig cent;
   2° naar de lagere euro indien het deel in decimalen kleiner is dan vijftig cent.
   Het vierde lid is niet van toepassing op de retributie bedoeld in artikel 85.
   Het geïndexeerde bedrag dat wordt toegepast, is het geldende bedrag op de dag waarop de termijnen die door of overeenkomstig deze Codex voor de uitvoering van de gevraagde prestatie werden vastgelegd, beginnen te lopen.
   § 3. De retributies worden betaald aan de veiligheidsinstantie ten laatste dertig dagen volgend op de datum van verzending van de factuur en volgens de instructies die in die factuur zijn opgenomen.
   § 4. De retributies bedoeld in de artikelen 81, 83, 84 en 86 tot 88/1 worden voorafgaand van de uitvoering van de gevraagde prestatie of van het onderzoek van het dossier betaald.
   In deze gevallen, en op voorwaarde dat de aanvraag alle nodige elementen bevat, wordt het dossier als volledig beschouwd en beginnen de termijnen die door of overeenkomstig deze Codex voor de uitvoering van de gevraagde prestatie of voor het onderzoek van het betrokken dossier werden vastgelegd, te lopen op de dag van ontvangst van de betaling.
   In afwijking van het eerste en het tweede lid, wanneer een vergunning van treinbestuurder wordt aangevraagd door een entiteit die handelt in naam en voor rekening van een kandidaat treinbestuurder overeenkomstig artikel 128, betaalt deze entiteit de retributie bedoeld in artikel 81 nadat de veiligheidsinstantie zijn aanvraag heeft onderzocht.
   § 5. Er is geen terugbetaling van de retributie indien de situatie die eraan aanleiding gaf verdwijnt of verandert, ongeacht of ze te wijten is aan de retributieplichtige of aan de veiligheidsinstantie.
   In afwijking van het eerste lid, betaalt de veiligheidsinstantie de retributie bedoeld in de artikelen 81, 83, 84 of 86 tot 88/1 terug wanneer de aanvrager zijn aanvraag intrekt vooraleer de veiligheidsinstantie gestart is met het onderzoek gestart.]1
  ----------
  (1)<W 2017-11-23/15, art. 19, 011; Inwerkingtreding : 21-12-2017>

  Art. 80.[1 § 1. De aanvrager van de toelating tot indienststelling van de subsystemen bedoeld in artikel 74, § 1, 1°, en de aanvrager van de toelating tot indienststelling van voertuigen bedoeld in artikel 74, § 1, 3°, betalen een retributie van 375 euro per aangevatte halve dag voor het onderzoek van het dossier.
   § 2. Ingeval beslist wordt tot aflevering van de toelating, is de aanvrager een retributie verschuldigd van 750 euro.
   § 3. In geval van niet-betaling van de in paragrafen 1 en 2 bedoelde retributies, kan de veiligheidsinstantie de toelating na ingebrekestelling intrekken.]1
  ----------
  (1)<W 2017-11-23/15, art. 20, 011; Inwerkingtreding : 21-12-2017>

  Art. 81.[1 De aanvrager van een vergunning van treinbestuurder in toepassing van titel 5, hoofdstuk 1, afdeling 2, betaalt een retributie vastgesteld als volgt :
   1° 100 euro voor de initiële afgifte of de vernieuwing;
   2° 40 euro voor de afgifte van duplicaten.]1
  ----------
  (1)<W 2017-11-23/15, art. 21, 011; Inwerkingtreding : 21-12-2017>

  Art. 82.[1 De spoorweginfrastructuurbeheerder en de spoorwegondernemingen betalen voor de kosten in verband met de taken betreffende de certificering van treinbestuurders en treinbegeleiders als bedoeld respectievelijk in artikel 74, § 1°, 9° en 11°, een jaarlijkse retributie.
   De retributie is vastgesteld op 20 euro per personeelslid dat een vergunning of een attest heeft op 1 januari van het lopende jaar.
   In geval van niet-betaling, kan de veiligheidsinstantie de geldigheid van de vergunning of het attest van de betrokken personeelsleden opschorten.]1
  ----------
  (1)<W 2017-11-23/15, art. 22, 011; Inwerkingtreding : 21-12-2017>

  Art. 83.[1 De personen of instellingen die een aanvraag tot erkenning voor de opleiding en examinering van de treinbestuurders indienen overeenkomstig titel 5, hoofdstuk 1, afdeling 6, betalen voor het onderzoek van hun dossier een retributie vastgesteld als volgt :
   1° 2.000 euro voor de spoorwegondernemingen die hun eigen personeel opleiden;
   2° 2.500 euro voor de spoorwegondernemingen die hun eigen personeel en derden opleiden;
   3° 2.500 euro voor de andere ondernemingen of instellingen;
   4° 50 euro voor de initiële afgifte of de bijwerking, van de erkenning als examinator door de veiligheidsinstantie zelf.
   De retributies bedoeld in het eerste lid gelden ook voor het verzoek tot herziening of vernieuwing van de erkenning.]1
  ----------
  (1)<W 2017-11-23/15, art. 23, 011; Inwerkingtreding : 21-12-2017>

  Art. 84.[1 De personen of instellingen die een erkenningsaanvraag indienen om met het medisch onderzoek en het bedrijfspsychologisch onderzoek belast te worden, overeenkomstig artikel 127, vierde en vijfde lid, betalen voor het onderzoek van hun dossier een retributie vastgesteld als volgt :
   1° 2.000 euro voor een persoon;
   2° 2.500 euro voor een instelling.
   De retributies bedoeld in het eerste lid gelden ook voor het verzoek tot herziening of vernieuwing van de erkenning.]1
  ----------
  (1)<W 2017-11-23/15, art. 24, 011; Inwerkingtreding : 21-12-2017>

  Art. 85.[1 De houder van een voertuig dat op 1 januari van het lopende jaar voorkomt in het nationaal voertuigenregister betaalt een jaarlijkse retributie van 2 euro voor dat voertuig.
   In geval van niet-betaling, kan de veiligheidsinstantie het voertuig uit het register schrappen.]1
  ----------
  (1)<W 2017-11-23/15, art. 25, 011; Inwerkingtreding : 21-12-2017>

  Art. 86.[1 De aanvrager van een controle van de doeltreffendheid van het remsysteem van rollend spoormaterieel als bedoeld in artikel 74, § 1, 12°, betaalt een retributie van 280 euro voor deze controle.]1
  ----------
  (1)<W 2017-11-23/15, art. 26, 011; Inwerkingtreding : 21-12-2017>

  Art. 87.[1 De aanvrager van een controle zoals bedoeld in artikel 107, tweede lid, betaalt een retributie van 2.000 euro voor deze controle.]1
  ----------
  (1)<W 2017-11-23/15, art. 27, 011; Inwerkingtreding : 21-12-2017>

  Art. 88.[1 De aanvrager van een veiligheidscertificaat deel A of deel B bedoeld in artikel 99 betaalt voor het onderzoek van het dossier met betrekking tot de oorspronkelijke aanvraag, de herziening of vernieuwing een retributie vastgesteld als volgt :
   1° 5.000 euro voor de aanvrager van een veiligheidscertificaat deel A;
   2° 2.000 euro voor de aanvrager van een veiligheidscertificaat deel B die jaarlijks minder dan 200 miljoen reizigers-kilometers presteert;
   3° 10.000 euro voor de aanvrager van een veiligheidscertificaat deel B die jaarlijks 200 miljoen reizigers-kilometers of meer presteert;
   4° 2.000 euro voor de aanvrager van een veiligheidscertificaat deel B die jaarlijks minder dan 500 miljoen ton-kilometers goederenvervoer presteert;
   5° 10.000 euro voor de aanvrager van een veiligheidscertificaat deel B die jaarlijks 500 miljoen ton-kilometers of meer goederenvervoer presteert.
   Voor de aanvrager van een veiligheidscertificaat deel B die zowel reizigers als goederen vervoert, worden de bedragen bedoeld in het eerste lid, 2° tot 5°, opgeteld.]1
  ----------
  (1)<W 2017-11-23/15, art. 28, 011; Inwerkingtreding : 21-12-2017>

  Art. 88/1. [1 De aanvrager van de veiligheidsvergunning bedoeld in artikel 95 betaalt een retributie van 25.000 euro voor het onderzoek van het dossier.
   De retributie geldt ook voor het verzoek tot herziening of vernieuwing.]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij W 2017-11-23/15, art. 29, 011; Inwerkingtreding : 21-12-2017>
  

  Art. 88/2. [1 § 1. De houder van een veiligheidsvergunning en de houders van een veiligheidscertificaat deel B die gebruik maken van het netwerk betalen een jaarlijkse retributie, naar rato van een kwart van het jaarlijkse bedrag per kwartaal.
   De Koning bepaalt het bedrag van de retributie bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad.
   § 2. De retributie wordt verdeeld over de houder van een veiligheidsvergunning en de houders van een veiligheidscertificaat deel B als volgt :
   1° dertig procent van het totale bedrag ten laste van de houder van een veiligheidsvergunning;
   2° zeventig procent van het totale bedrag ten laste van de houders van een veiligheidscertificaat deel B.
   Het aandeel bedoeld in het eerste lid, 2°, wordt verdeeld over de houders in verhouding tot het aantal trein-kilometers dat zij gepresteerd hebben tijdens het kwartaal dat afgesloten werd drie maanden voor het kwartaal waarop de retributie betrekking heeft.
   Onmiddellijk na afsluiting van elk kwartaal, worden de trein-kilometers, gepresteerd door elke houder van een veiligheidscertificaat deel B, aan de veiligheidsinstantie meegedeeld door de houder van de veiligheidsvergunning.
   § 3. In geval van niet-betaling kan de veiligheidsinstantie de geldigheid van de veiligheidsvergunning of het veiligheidscertificaat opschorten.]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij W 2017-11-23/15, art. 30, 011; Inwerkingtreding : 21-12-2017>
  

  HOOFDSTUK 3. - Veiligheidsbeheersystemen

  Art. 89. De spoorweginfrastructuurbeheerder en de spoorwegondernemingen zetten hun veiligheidsbeheersysteem op met eerbiediging van de gemeenschappelijke veiligheidsdoelen, de veiligheidsvoorschriften bedoeld in artikel 68, de in de TSI vastgelegde veiligheidseisen en de relevante elementen van de gemeenschappelijke veiligheidsmethoden.

  Art. 90. Het veiligheidsbeheersysteem voldoet aan de veiligheidsvoorschriften bedoeld in artikel 68 en aan de in de TSI vastgelegde veiligheidseisen en bevat de in bijlage 5 beschreven elementen, aangepast volgens de aard, het belang en andere kenmerken van de uitgeoefende activiteit. Het systeem waarborgt de beheersing van alle risico's die de activiteiten van de spoorweginfrastructuurbeheerder of van de spoorwegonderneming met zich brengen, met inbegrip van het verstrekken van onderhoud en materieel en het inzetten van aannemers. Onverminderd de nationale en internationale wetgeving inzake aansprakelijkheid, houdt het veiligheidsbeheersysteem naargelang het geval en binnen de grenzen van het redelijke ook rekening met de risico's die voortvloeien uit de activiteiten van andere partijen.

  Art. 91.Het veiligheidsbeheersysteem van de spoorweginfrastructuurbeheerder houdt rekening met de weerslag van de activiteiten van de verschillende spoorwegondernemingen op het [1 net]1 en bevat bepalingen die alle spoorwegondernemingen in staat stellen te handelen overeenkomstig de TSI, de veiligheidsvoorschriften en de in hun veiligheidscertificaat bepaalde voorwaarden. Het heeft bovendien tot doel de noodprocedures van de spoorweginfrastructuurbeheerder te coördineren met alle spoorwegondernemingen die zijn infrastructuur gebruiken.
  ----------
  (1)<W 2015-06-15/03, art. 83,1°, 007; Inwerkingtreding : 23-07-2015>

  Art. 92.[1 § 1. De spoorweginfrastructuurbeheerder en alle spoorwegondernemingen dienen elk jaar voor 30 juni bij de veiligheidsinstantie een verslag in over de veiligheid tijdens het vorige kalenderjaar. Het veiligheidsverslag bevat :
   1° inlichtingen over de wijze waarop de spoorweginfrastructuurbeheerder of de spoorwegonderneming zijn eigen veiligheidsdoelen verwezenlijkt en de resultaten van de veiligheidsplannen;
   2° de ontwikkeling van nationale veiligheidsindicatoren en van de in bijlage 4 gedefinieerde gemeenschappelijke veiligheidsindicatoren, voor zover deze voor de rapporterende organisatie van belang is;
   3° de resultaten van de interne veiligheidsaudits;
   4° opmerkingen over functionele tekortkomingen en gebreken in de spoorwegactiviteiten en in het infrastructuurbeheer, die voor de veiligheidsinstantie van belang kunnen zijn.
   De Koning bepaalt de regels die van toepassing zijn op het veiligheidsverslag en kan voor dit veiligheidsverslag bijkomende inhoudelijke elementen voorschrijven.
   De veiligheidsinstantie publiceert een model van veiligheidsverslag op haar internetsite.
   § 2. De spoorwegondernemingen sturen een kopie van het verslag bedoeld in paragraaf 1 door naar de infrastructuurbeheerder.
   De infrastructuurbeheerder mag de gegevens die opgenomen zijn in het veiligheidsverslag enkel gebruiken in uitvoering van artikel 91.
   De infrastructuurbeheerder is gebonden door het beroepsgeheim en mag de gegevens opgenomen in het veiligheidsverslag niet meedelen aan derden.
   De inbreuken op het derde lid worden bestraft met de straffen bepaald in artikel 458 van het Strafwetboek.]1
  ----------
  (1)<W 2017-11-23/15, art. 31, 011; Inwerkingtreding : 21-12-2017>

  Art. 93.§ 1. Ingeval van een ernstig ongeval stelt de spoorweginfrastructuurbeheerder onmiddellijk het onderzoeksorgaan, de minister, de veiligheidsinstantie en gerechtelijke instanties op de hoogte.
  [3 De spoorweginfrastructuurbeheerder dient eveneens, via het oproepnummer 101/112, de politiediensten onmiddellijk in te lichten over ieder ongeval en ernstig ongeval.]3
  Daarnaast verzenden de spoorweginfrastructuurbeheerder, de spoorwegonderneming en, in voorkomend geval, de veiligheidsinstantie, aan het onderzoeksorgaan onmiddellijk de informatie over het zich voordoen van een voorval beschreven in bijlage 7.
  De wijze waarop de informatie, bedoeld [3 in het eerste en derde lid]3, aan het onderzoeksorgaan wordt meegedeeld, wordt door haar bepaald en wordt bekendgemaakt.
  § 2. De spoorweginfrastructuurbeheerder stuurt dagelijks aan het onderzoeksorgaan, op door deze laatste bepaalde wijze, het relaas van alle gebeurtenissen die, op het eerste gezicht, een ongeval of ongevallen of een incident of incidenten met betrekking of met een weerslag op de exploitatieveiligheid uitmaken en die zich de voorbije vierentwintig uur op het [2 spoorwegnet]2 voordeden.
  § 3. Elk exploitatieongeval en -incident of met een weerslag op de exploitatie wordt gerangschikt overeenkomstig de criteria bepaald door de Koning en maakt het voorwerp uit van een verslag waarvan door de spoorweginfrastructuurbeheerder en/of, in voorkomend geval, de spoorwegonderneming een kopie bezorgd wordt aan het onderzoeksorgaan, binnen de drie werkdagen en volgens de door dit orgaan bepaalde modaliteiten. De verbeteringen, herzieningen en/of aanvullende inlichtingen die niet beschikbaar zijn binnen de drie dagen moeten, zodra deze beschikbaar zijn, aan het onderzoeksorgaan worden overgemaakt, volgens de door dit orgaan bepaalde modaliteiten.
  De spoorweginfrastructuurbeheerder en de spoorwegonderneming volgen voor de opmaak van hun verslag, de criteria bepaald door de Koning.
  § 4. De spoorweginfrastructuurbeheerder en/of, in voorkomend geval, de spoorwegonderneming maken zo vlug mogelijk en, in de mate van het mogelijke, uiterlijk binnen de 10 maanden na de datum waarop het voorval zich heeft voorgedaan, aan het onderzoeksorgaan hun volledig verslag van het onderzoek aangaande de voorvallen beschreven in bijlage 7 over. De spoorweginfrastructuurbeheerder en/of, in voorkomend geval, de spoorwegonderneming maken, op vraag van het onderzoeksorgaan, de verslagen van het onderzoek over met betrekking tot andere voorvallen.
  § 5. [1 ...]1
  ----------
  (1)<W 2015-06-15/03, art. 68, 007; Inwerkingtreding : 23-07-2015>
  (2)<W 2015-06-15/03, art. 83,2°, 007; Inwerkingtreding : 23-07-2015>
  (3)<W 2016-04-21/06, art. 83, 009; Inwerkingtreding : 09-05-2016 (overgangsbepalingen art. 92 en 93)>

  Art. 94. Onverminderd de burgerlijke aansprakelijkheid volgens de wettelijke voorschriften, wordt elke spoorweginfrastructuurbeheerder en spoorwegonderneming verantwoordelijk gesteld voor zijn deel van het systeem en zijn veilige werking, met inbegrip van de levering van materiaal en het uitbesteden van diensten ten opzichte van gebruikers, afnemers, de betrokken werknemers en derden.
  Dit laat echter de verantwoordelijkheid van elke fabrikant, elke leverancier van onderhoudsdiensten, houder, dienstverlener en aankoopeenheid onverlet om rollend materieel, installaties, toebehoren en materialen te leveren, alsmede diensten te verrichten die voldoen aan de voorgeschreven eisen en gebruiksvoorwaarden, zodat zij door de spoorwegondernemingen en/of spoorweginfrastructuurbeheerder bij de exploitatie veilig kunnen worden ingezet.

  Art. 94/1. [1 § 1. Om een beroep te kunnen doen op een hulponderneming heeft de spoorwegonderneming of de infrastructuurbeheerder een geldig veiligheidscertificaat of een geldige veiligheidsvergunning.
   § 2. De spoorwegonderneming of de infrastructuurbeheerder kent het statuut van hulponderneming toe aan de onderaannemer waarop zij een beroep kunnen doen.
   De spoorwegonderneming of de infrastructuurbeheerder informeert de veiligheidsinstantie en het toezichthoudende orgaan over het toekennen of het ontnemen van de hoedanigheid van hulponderneming.
   Behalve de naam of de sociale benaming van de hulponderneming meldt de spoorwegonderneming, of de infrastructuurbeheerder aan de veiligheidsinstantie ook :
   1° de datum van toekenning van het statuut van hulponderneming;
   2° in voorkomend geval, de veiligheidsfuncties die door de hulponderneming worden uitgeoefend;
   3° in voorkomend geval, de afbakening van de spoorweginfrastructuur die gedekt is door het statuut van hulponderneming;
   4° in voorkomend geval, de lijst met lokale protocollen die gekend moeten zijn door de hulponderneming.
   In geval van wijziging van de informatie bedoeld onder het derde lid, brengen de spoorwegonderneming of de infrastructuurbeheerder de veiligheidsinstantie onmiddellijk op de hoogte.
   § 3. De toekenning van het statuut van hulponderneming bedoeld in paragraaf 2 ontslaat de spoorwegonderneming of de infrastructuurbeheerder niet van haar of zijn verantwoordelijkheid en van de verplichtingen inzake veiligheid en overdracht van capaciteit overeenkomstig artikel 29.
   Het beroep doen op een hulponderneming mag niet ingaan tegen de toepassing van de mededingingsregels of mag de spoorwegmarkten niet ontwrichten overeenkomstig artikel 62, § 3.
   § 4. De spoorwegonderneming of de infrastructuurbeheerder die een beroep doet op een hulponderneming sluit met haar een akkoord dat :
   1° de spoorwegonderneming of de infrastructuurbeheerder duidelijk identificeert als verantwoordelijke voor de veilige exploitatie van de trein;
   2° de inhoud en de modaliteiten van overdracht van alle informatie met betrekking tot de veiligheid tussen alle contracterende partijen bevat.
   § 5. De spoorwegonderneming of de infrastructuurbeheerder die een beroep doet op een hulponderneming controleert de risico's van de activiteiten en blijft verantwoordelijk voor het coördineren en het beheren van de veilige exploitatie van treinen.
   Deze bepaling is van toepassing ook als de spoorwegonderneming of de infrastructuurbeheerder tegelijkertijd de materiële en de menselijke middelen die nodig zijn voor de exploitatie in onderaanneming geeft.
   De bewijslast van het risicobeheer weegt in alle gevallen op de spoorwegonderneming of de infrastructuurbeheerder die een beroep doet op een hulponderneming.
   § 6. De spoorwegonderneming of de infrastructuurbeheerder beheert de risico's die verbonden zijn aan het gebruik van hulpondernemingen in zijn veiligheidsbeheersysteem, voorziet een proces dat haar of hem in staat stelt te garanderen dat de materiële en de menselijke hulpmiddelen die nodig zijn voor de exploitatie die hij in onderaanneming geeft aan een hulponderneming de wettelijke en reglementaire vereisten die van toepassing zijn, naleven.
   § 7. Als een spoorwegonderneming of een infrastructuurbeheerder een beroep doet op een spoorwegonderneming als hulponderneming, kunnen zij, om te beslissen over de uitgebreidheid van de analyse, rekening houden met de omstandigheid dat de spoorwegonderneming al dan niet een geldig veiligheidscertificaat heeft.
   § 8. De spoorwegonderneming of de infrastructuurbeheerder die een beroep doet op een hulponderneming integreert de certificering van het veiligheidspersoneel van de hulponderneming in haar veiligheidscertificaat, met inbegrip van de aflevering van het aanvullend bevoegdheidsbewijs bedoeld in titel 5, hoofdstuk 1, afdeling 3.]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij W 2017-11-23/15, art. 32, 011; Inwerkingtreding : 21-12-2017>
  

  HOOFDSTUK 4. - Veiligheidsvergunning en veiligheidscertificaat

  Afdeling 1. - Veiligheidsvergunning van de spoorweginfrastructuurbeheerder

  Art. 95. § 1. Om de spoorweginfrastructuur te kunnen beheren en exploiteren, moet de spoorweginfrastructuurbeheerder beschikken over een veiligheidsvergunning, afgeleverd door de veiligheidsinstantie.
  § 2. De veiligheidsvergunning omvat :
  a) de bevestiging dat het veiligheidsbeheersysteem van de spoorweginfrastructuurbeheerder zoals beschreven in artikel 91 en bijlage 5, is aanvaard;
  b) de bevestiging dat de voorzieningen die de spoorweginfrastructuurbeheerder heeft getroffen om te voldoen aan de specifieke vereisten van een veilig ontwerp, een veilig onderhoud en een veilige exploitatie van de spoorweginfrastructuur, met inbegrip van, indien nodig, het onderhoud en de exploitatie van het verkeersregelings- en seinsysteem, zijn goedgekeurd.

  Art. 96. De veiligheidsvergunning is vijf jaar geldig en kan op verzoek van de spoorweginfrastructuurbeheerder worden vernieuwd. Zij wordt geheel of gedeeltelijk bijgewerkt wanneer de infrastructuur, het seinsysteem, de energievoorziening of de beginselen die van toepassing zijn op de exploitatie en het onderhoud ervan, ingrijpend veranderen. De houder van de veiligheidsvergunning stelt de veiligheidsinstantie onverwijld van die ingrijpende wijzigingen in kennis.
  De veiligheidsinstantie kan eisen dat de veiligheidsvergunning wordt herbekeken indien de voorschriften zoals bedoeld in artikel 68, §§ 1 en 2 ingrijpend veranderen.
  Wanneer een vergunde spoorweginfrastructuurbeheerder niet langer aan de voorwaarden voor het bekomen van de veiligheidsvergunning voldoet, kan de vergunning worden ingetrokken.

  Art. 97. De veiligheidsinstantie deelt aan het Bureau binnen de maand de afgifte, de vernieuwing, de wijziging of de intrekking van de veiligheidsvergunning mee. De kennisgeving vermeldt de naam en het adres van de spoorweginfrastructuurbeheerder, de afgiftedatum, de werkingssfeer en de geldigheidsduur van de veiligheidsvergunningen en, in geval van intrekking, de redenen daarvoor.

  Art. 98.De Koning bepaalt, bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad, de wijze waarop de veiligheidsvergunning wordt aangevraagd, afgeleverd, bijgewerkt, verlengd [1 , vernieuwd, geschorst]1 en ingetrokken.
  ----------
  (1)<W 2017-11-23/15, art. 33, 011; Inwerkingtreding : 21-12-2017>

  Afdeling 2. - Veiligheidscertificaat van spoorwegondernemingen

  Art. 99.§ 1. Om toegang te krijgen tot de spoorweginfrastructuur moet een spoorwegonderneming onder meer beschikken over een veiligheidscertificaat overeenkomstig deze afdeling. Het veiligheidscertificaat is het bewijs dat de spoorwegonderneming haar veiligheidsbeheersysteem heeft tot stand gebracht en in staat is te voldoen aan de eisen die in de TSI, in andere relevante Europese bepalingen en in de veiligheidsvoorschriften zijn vastgelegd teneinde de risico's te beheersen en het [2 net]2 veilig te gebruiken. Het veiligheidscertificaat kan voor het gehele Belgische [1 spoorwegnet]1 of enkel een welbepaald deel hiervan gelden.
  § 2. Het veiligheidscertificaat omvat twee delen :
  a) een certificering die bevestigt dat het veiligheidsbeheersysteem van de spoorwegonderneming is goedgekeurd;
  b) een certificering die bevestigt dat de voorzieningen die de spoorwegonderneming heeft getroffen om te voldoen aan de specifieke eisen die noodzakelijk zijn om veilig op het betrokken [2 net]2 haar diensten te kunnen verlenen, zijn aanvaard.
  De eisen kunnen betrekking hebben op de toepassing van de TSI's en de veiligheidsvoorschriften met inbegrip van de regels betreffende de exploitatie van het [2 net]2, de aanvaarding van de documenten houdende vaststelling van de certificering van het personeel, met inbegrip van de vergunningen en de bevoegdheidsbewijzen van de treinbestuurders, en de toelating tot ingebruikname van door spoorwegondernemingen gebruikte voertuigen. [3 De certificering is gebaseerd op de documentatie die door de spoorwegonderneming werd verstrekt overeenkomstig bijlage 27.]3
  ----------
  (1)<W 2015-06-15/03, art. 83,2°, 007; Inwerkingtreding : 23-07-2015>
  (2)<W 2015-06-15/03, art. 83,1°, 007; Inwerkingtreding : 23-07-2015>
  (3)<W 2017-11-23/15, art. 34, 011; Inwerkingtreding : 21-12-2017>

  Art. 100. De certificering die de veiligheidsinstantie overeenkomstig artikel 99, § 2, a) verleent aan de in België gevestigde spoorwegonderneming vermeldt het type en de draagwijdte van de spoorwegactiviteiten die ze bevat. De overeenkomstig artikel 99, § 2, a) verleende certificering is geldig in de hele Europese Unie voor evenwaardige spoorwegvervoersactiviteiten.

  Art. 101.De in België of in een andere lidstaat van de Europese Unie gevestigde spoorwegonderneming die voornemens is spoorwegvervoerdiensten te exploiteren op het Belgische [1 net]1 moet van de veiligheidsinstantie de in artikel 99, § 2, b) bedoelde vereiste aanvullende nationale certificering hebben ontvangen.
  De overeenkomstig artikel 99, § 2, b) toegekende certificering vermeldt de lijnen van het [1 net]1 waarvoor zij geldt.
  ----------
  (1)<W 2015-06-15/03, art. 83,1°, 007; Inwerkingtreding : 23-07-2015>

  Art. 102. Het veiligheidscertificaat is drie jaar geldig en kan worden vernieuwd. Het wordt geheel of gedeeltelijk bijgewerkt bij elke substantiële wijziging van het type of de draagwijdte van de activiteiten.
  De houder van het veiligheidscertificaat geeft de veiligheidsinstantie onverwijld kennis van alle belangrijke wijzigingen in de voorwaarden van het betrokken gedeelte van het veiligheidscertificaat. Voorts licht hij de veiligheidsinstantie in over het inzetten van nieuwe categorieën personeel of van nieuwe soorten rollend materieel.
  De veiligheidsinstantie kan eisen dat het betrokken gedeelte van het veiligheidscertificaat wordt herzien wanneer de voorschriften zoals bedoeld in artikel 68, §§ 1 tot 3, ingrijpend zijn gewijzigd.
  Wanneer de houder van een veiligheidscertificaat niet langer aan de eisen voldoet, wordt deel a) en/of b) van het certificaat ingetrokken. Wanneer deel b) wordt ingetrokken, moet de veiligheidsinstantie die deel a) van het certificaat heeft afgeleverd onverwijld op de hoogte worden gebracht.
  Wanneer blijkt dat de houder van het veiligheidscertificaat gedurende het jaar dat volgt op de afgifte, er niet het bedoelde gebruik van heeft gemaakt, wordt het certificaat ingetrokken.

  Art. 103.De Koning bepaalt, bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad, de nadere regels voor de aanvraag, het onderzoek, de afgifte, de vernieuwing [1 , de verlenging, de schorsing]1 en de intrekking van het veiligheidscertificaat.
  ----------
  (1)<W 2017-11-23/15, art. 35, 011; Inwerkingtreding : 21-12-2017>

  Art. 104. De veiligheidsinstantie deelt aan het Bureau binnen de maand de afgifte, de vernieuwing, de wijziging of de intrekking van de in artikel 99 bedoelde veiligheidscertificaten mee. De kennisgeving vermeldt de naam en het adres van de spoorwegondernemingen, de afgiftedatum, de werkingssfeer en de geldigheidsduur van het veiligheidscertificaat en, in geval van intrekking, de redenen voor die beslissing.

  HOOFDSTUK 5. - Onderhoud van voertuigen

  Art. 105.Elk voertuig krijgt, voordat het in dienst wordt gesteld of op het [1 net]1 wordt gebruikt, door de houder een met het onderhoud belaste entiteit toegewezen. Die entiteit wordt in het NVR ingeschreven.
  Onder meer een spoorwegonderneming, een spoorweginfrastructuurbeheerder of een houder kunnen een met het onderhoud belaste entiteit zijn.
  ----------
  (1)<W 2015-06-15/03, art. 83,1°, 007; Inwerkingtreding : 23-07-2015>

  Art. 106. Los van de verantwoordelijkheid van de spoorwegondernemingen en de spoorweginfrastructuurbeheerder voor de veilige werking van een trein, zoals bedoeld in artikel 94, zorgt de met het onderhoud belaste entiteit er door middel van een onderhoudssysteem voor dat de voertuigen waarvan zij met het onderhoud belast is, in een veilige staat van werking zijn.
  Te dien einde zorgt de met het onderhoud belaste entiteit ervoor dat de voertuigen worden onderhouden in overeenstemming met :
  1° het onderhoudsdossier van elk voertuig en;
  2° de geldende voorschriften met inbegrip van de onderhoudsregels en de bepalingen met betrekking tot de TSI's.
  Het onderhoud wordt uitgevoerd door de met het onderhoud belaste entiteit of wordt door haar uitbesteed.

  Art. 107. Voor wat goederenwagons betreft, wordt elke met het onderhoud belaste entiteit gecertificeerd door een organisatie die werd geaccrediteerd conform de procedure voorzien in het koninklijk besluit van 31 januari 2006 tot oprichting van het BELAC accreditatiesysteem van instellingen voor de conformiteitsbeoordeling.
  In afwijking van het eerste lid, wordt de naleving van de voorschriften vastgesteld in de Verordening (EU) nr. 445/2011 van de Commissie van 10 mei 2011 betreffende een systeem voor de certificering van met het onderhoud van goederenwagons belaste entiteiten en tot wijziging van Verordening (EG) nr. 653/2007, gecontroleerd door de veiligheidsinstantie in overeenstemming met de procedures bedoeld in titel 4, hoofdstuk 4, indien de met het onderhoud belaste entiteit een spoorwegonderneming of een spoorweginfrastructuurbeheerder is. De naleving van deze voorschriften wordt bevestigd in het kader van de veiligheidsvergunning voor de spoorweginfrastructuurbeheerder en in het kader van het veiligheidscertificaat voor de spoorwegonderneming.

  Art. 108. De overeenkomstig de Richtlijn 2004/49/EG van het Europees parlement en de Raad van 29 april 2004 inzake de veiligheid op de communautaire spoorwegen en tot wijziging van Richtlijn 95/18/EG van de Raad betreffende de verlening van vergunningen aan spoorwegondernemingen, en van Richtlijn 2001/14/EG van de Raad inzake de toewijzing van spoorweginfrastructuurcapaciteit en de heffing van rechten voor het gebruik van spoorweginfrastructuur alsmede inzake veiligheidscertificering (spoorwegveiligheidsrichtlijn) door andere lidstaten afgegeven certificaten zijn geldig op het Belgisch grondgebied.

  Art. 109.In de volgende gevallen kan de Koning bepalen dat aan de hand van alternatieve maatregelen mag worden voldaan aan de verplichting om de met het onderhoud belaste entiteit aan te wijzen en te certificeren :
  1° voertuigen die in een derde land geregistreerd zijn en die worden onderhouden overeenkomstig de wetgeving van dat land;
  2° voertuigen die gebruikt worden op [2 netten]2 of spoorweglijnen waarvan de spoorbreedte verschilt van die van het algemene [1 spoorwegnet]1 binnen de Unie en waarvoor aan de in artikel 106, eerste lid, 2° vermelde voorschriften wordt voldaan door middel van internationale overeenkomsten met derde landen;
  3° in artikel 2 bedoelde voertuigen evenals bijzonder transport of militair materieel waarvoor de nationale veiligheidsinstantie vóór de indienststelling een ad hoc-vergunning moet afleveren. In dit geval worden de afwijkingen toegestaan voor periodes van maximaal vijf jaar.
  Deze andere vereisten worden uitgevoerd middels door de veiligheidsinstantie toe te kennen afwijkingen :
  1° op het moment van de registratie van voertuigen, wat de aanwijzing van de met het onderhoud belaste entiteit betreft;
  2° op het moment van de afgifte van de veiligheidsvergunning en van de veiligheidscertificaten aan de spoorwegondernemingen en de spoorweginfrastructuurbeheerders, voor wat de aanwijzing of de certificering van de met het onderhoud belaste entiteit betreft.
  De in het tweede lid bedoelde afwijkingen worden kenbaar gemaakt en gerechtvaardigd in het jaarlijkse veiligheidsverslag, bedoeld in artikel 78.
  ----------
  (1)<W 2015-06-15/03, art. 83,2°, 007; Inwerkingtreding : 23-07-2015>
  (2)<W 2015-06-15/03, art. 83,3°, 007; Inwerkingtreding : 23-07-2015>

  HOOFDSTUK 6. - Onderzoeken naar spoorwegongevallen en -incidenten

  Afdeling 1. - Aanwijzing van een onderzoeksorgaan

  Art. 110. De Koning wijst, bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad, het onderzoeksorgaan aan.
  Het onderzoeksorgaan bestaat uit ten minste één onderzoeker die bekwaam is om de functie van hoofdonderzoeker te vervullen bij een ongeval, een ernstig ongeval of een incident. Voorts is het functioneel onafhankelijk van de veiligheidsinstantie, van elk orgaan voor spoorwegregelgeving of elke andere instantie waarvan de belangen in strijd zouden kunnen zijn met de onderzoeksopdracht.
  De leden van het onderzoeksorgaan zijn onderworpen aan het beroepsgeheim wat betreft de verkregen informatie bij de uitoefening van hun opdrachten bedoeld in afdeling 2; elke schending van het beroepsgeheim wordt bestraft met de straffen bepaald in artikel 458 van het Strafwetboek.
  De Koning bepaalt, bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad, de samenstelling van het onderzoeksorgaan en de uitvoeringsregels van de aan het onderzoeksorgaan toevertrouwde opdrachten.

  Afdeling 2. - Taken

  Art. 111.§ 1. Het onderzoeksorgaan :
  1° stelt een onderzoek in na elk ernstig ongeval dat zich op het spoorwegsysteem heeft voorgedaan;
  2° naast het onderzoeken van ernstige ongevallen kan het onderzoeksorgaan ook onderzoeken voeren naar ongevallen en incidenten die, onder licht verschillende omstandigheden, hadden kunnen leiden tot ernstige ongevallen, met inbegrip van technische gebreken in de subsystemen van structurele aard of in de interoperabiliteitsonderdelen van het hogesnelheids- of conventionele spoorwegsysteem. In voorkomend geval houdt zij rekening met de criteria bepaald door de Koning;
  3° [1 kan onderzoeken voeren naar andere dan in de punten 1° en 2° bedoelde exploitatieongevallen en -incidenten en naar ongevallen en incidenten met een weerslag op de exploitatie volgens de door de Koning bepaalde criteria en regels;]1
  4° richt een gegevensbank op met betrekking tot alle exploitatieongevallen en -incidenten, waartoe de veiligheidsinstantie toegang heeft, en werkt deze bij;
  5° legt bestuurlijke boetes op.
  § 2. De Koning bepaalt het model van de legitimatiekaart die vertoond wordt bij de uitoefening van de taken bedoeld in § 1.
  ----------
  (1)<W 2017-11-23/15, art. 36, 011; Inwerkingtreding : 21-12-2017>

  Art. 112.§ 1. Het onderzoeksorgaan kan een bestuurlijke boete opleggen aan een spoorwegonderneming en aan de spoorweginfrastructuurbeheerder in geval van een inbreuk als bedoeld in artikel 214, eerste lid, 30° [1 en in artikel 215]1.
  § 2. Indien het onderzoeksorgaan gebruik wil maken van de in § 1 bedoelde bevoegdheid, stelt de hoofdonderzoeker een rapport op.
  Het rapport is gedagtekend en vermeldt minstens :
  1° de naam van de vermoedelijke overtreder;
  2° de inbreuk.
  Een afschrift van het rapport wordt uiterlijk bij de kennisgeving van het voornemen tot het opleggen van een bestuurlijke boete aan de vermoedelijke overtreder toegezonden.
  § 3. De hoofdonderzoeker brengt de vermoedelijke overtreder binnen vijf dagen na de dagtekening van het rapport op de hoogte van het voornemen om een bestuurlijke boete op te leggen.
  De hoofdonderzoeker kan deze termijn verlengen indien hij de vermoedelijke overtreder een termijn toestaat om een einde te maken aan de inbreuk.
  De kennisgeving geschiedt bij aangetekende zending of op de door de Koning bepaalde wijze en vermeldt op straffe van nietigheid het overwogen bedrag van de op te leggen bestuurlijke boete, alsook de naam van de vermoedelijke overtreder.
  Deze kennisgeving kan slechts handelen over feiten die niet langer dan één jaar voor de verzending van de aangetekende zending begaan zouden zijn.
  § 4. De vermoedelijke overtreder wordt uitgenodigd om binnen een termijn van vijftien dagen die volgt op de kennisgeving van dit bericht schriftelijk zijn verweer mee te delen. Indien de vermoedelijke overtreder geen zetel in België heeft, wordt deze termijn met vijf dagen verlengd.
  Tevens wordt de vermoedelijke overtreder erop gewezen dat hij :
  1° op verzoek de documenten waarop het voornemen tot het opleggen van een bestuurlijke boete berust, kan inzien en er kopieën van kan krijgen;
  2° mondeling zijn schriftelijk verweer kan toelichten. De vermoedelijke overtreder richt daartoe aan de hoofdonderzoeker een schriftelijke aanvraag binnen tien dagen na de ontvangst van de kennisgeving.
  De vermoedelijke overtreder kan zich laten bijstaan of vertegenwoordigen door een advocaat en kan getuigen oproepen.
  Indien de vermoedelijke overtreder van oordeel is dat hij te weinig tijd heeft om zich te verdedigen, richt hij een met redenen omkleed verzoek aan de hoofdonderzoeker die binnen vijf dagen hierover beslist. Indien de hoofdonderzoeker binnen dertig dagen hierover geen beslissing neemt, wordt het verzoek geacht ingewilligd te zijn. De in § 6 bedoelde termijn wordt geschorst voor de duur van de verlenging van de termijn bedoeld in dit lid.
  § 5. De hoofdonderzoeker stelt zich loyaal en onpartijdig op bij het verzamelen en meedelen van de bewijzen à charge en de bewijzen à décharge.
  § 6. Wanneer een bestuurlijke boete wordt opgelegd, is het bedrag van deze boete aangepast aan de ernst van de inbreuk en aan de mate waarin deze te wijten is aan de overtreder. Bovendien wordt rekening gehouden met de frequentie van de inbreuk en de omstandigheden waarin de vermoedelijke overtreder de inbreuk begaan heeft.
  Wanneer op het ogenblik van de beslissing waarbij een bestuurlijke boete wordt opgelegd, de feiten geen inbreuk meer zijn volgens de artikelen 214 en 215, wordt de bestuurlijke boete niet opgelegd.
  De eerste twee leden van deze paragraaf zijn van toepassing in het geval van het beroep bedoeld in artikel 221/3.
  § 7. Het onderzoeksorgaan heeft tot twee jaar na het verzenden van de kennisgeving bedoeld in § 3, het recht om een bestuurlijke boete op te leggen.
  [2 § 8. Er kan geen bestuurlijke boete worden opgelegd indien :
   1° door de strafrechter voor dezelfde feiten al eerder een straf werd opgelegd;
   2° de feiten hebben eerder al geleid tot een vrijspraak, een eenvoudige schuldigverklaring, een opschorting van de uitspraak van de veroordeling of een minnelijke schikking bedoeld in artikel 216bis van het Wetboek van Strafvordering.
   § 9. Indien de overtreder strafrechtelijk vervolgd wordt voor feiten die onlosmakelijk samenhangen met het feit waarvoor het onderzoeksorgaan een bestuurlijke boete wil opleggen, worden de in dit artikel vermelde termijnen geschorst tot de strafrechter uitspraak heeft gedaan.]2
  ----------
  (1)<W 2015-06-15/03, art. 69, 007; Inwerkingtreding : 23-07-2015>
  (2)<W 2017-11-23/15, art. 37, 011; Inwerkingtreding : 21-12-2017>

  Afdeling 2/1. [1 - Vergoeding voor prestaties]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij W 2017-11-23/15, art. 38, 011; Inwerkingtreding : 21-12-2017>
  

  Art. 112/1. [1 § 1. De houder van een veiligheidsvergunning en de houders van een veiligheidscertificaat deel B die gebruik maken van het netwerk zijn, met het oog op de dekking van de kosten van het onderzoeksorgaan voor het onderzoek van ongevallen en van het algemeen veiligheidsniveau, een jaarlijkse retributie verschuldigd.
   § 2. De Koning bepaalt het bedrag bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad.
   Per kwartaal is één vierde van het jaarbedrag verschuldigd.
   § 3. De retributie wordt omgeslagen over de houder van een veiligheidsvergunning en de houders van een veiligheidscertificaat deel B.
   Het aandeel van de houder van een veiligheidsvergunning is dertig procent van het totale bedrag.
   Het aandeel van de houders van een veiligheidscertificaat deel B is zeventig procent van het totale bedrag.
   Het aandeel van de houders van een veiligheidscertificaat deel B wordt verdeeld over de houders in verhouding tot het aantal trein-kilometers dat zij gepresteerd hebben tijdens het kwartaal dat afgesloten werd drie maanden voor het kwartaal waarop de retributie betrekking heeft. Onmiddellijk na afsluiting van elk kwartaal worden de trein-kilometers, gepresteerd door elke houder van een veiligheidscertificaat deel B, door de houder van de veiligheidsvergunning aan het onderzoeksorgaan meegedeeld dat deze informatie daarna doorstuurt naar de Federale Overheidsdienst Mobiliteit en Vervoer .
   § 4. De houder van de veiligheidsvergunning en de houders van een veiligheidscertificaat deel B betalen de in artikel 112/1 bedoelde retributie aan het onderzoeksorgaan bij het begin van het kwartaal, ten laatste dertig dagen volgend op de datum van de factuur en volgens de instructies die in die factuur zijn opgenomen.
   § 5. In geval van niet-betaling geeft het onderzoeksorgaan hiervan kennis aan de veiligheidsinstantie, die de geldigheid van de veiligheidsvergunning of het veiligheidscertificaat kan opschorten.]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij W 2017-11-23/15, art. 39, 011; Inwerkingtreding : 21-12-2017>
  

  Afdeling 3. - Bevoegdheden

  Art. 113. Zonder afbreuk te doen aan de bevoegdheden van de politiediensten en de gerechtelijke overheden en, in voorkomend geval, in samenwerking met de gerechtelijke instanties, krijgt het onderzoeksorgaan zo snel mogelijk :
  a) toegang tot de locatie waar het ongeval of incident heeft plaatsgevonden, tot het betrokken rollend materieel, tot de betreffende infrastructuur en verkeersregelings- en seingevingsinstallaties;
  b) het recht om onmiddellijk bewijsmateriaal te laten inventariseren en wrakstukken, infrastructuurinstallaties of -onderdelen onder toezicht te laten verwijderen, met het oog op onderzoek of analyse;
  c) toegang tot recorders van verbale boodschappen, de geregistreerde gegevens van de boordapparatuur en de registratie van de werking van het seingevings- en verkeersregelingssysteem waarvan zij de inhoud mogen gebruiken;
  d) toegang tot de resultaten van het onderzoek van de lichamen van de slachtoffers;
  e) toegang tot de resultaten van de onderzoeken onder het treinpersoneel en ander spoorwegpersoneel dat bij het ongeval of incident betrokken is;
  f) de mogelijkheid het betrokken spoorwegpersoneel en andere getuigen te ondervragen en het recht om kopieën te verkrijgen van de verklaringen die deze personen bij andere instanties hebben afgelegd;
  g) toegang tot alle terzake dienende informatie of gegevens die in het bezit zijn van de NMBS-Holding, de spoorweginfrastructuurbeheerder, de betrokken spoorwegondernemingen en de veiligheidsinstantie.

  Art. 114. Het onderzoeksorgaan wisselt meningen en ervaringen uit met onderzoeksorganen van de andere lidstaten van de Europese Unie met het oog op de ontwikkeling van gemeenschappelijke onderzoeksmethoden en beginselen voor de opvolging van de veiligheidsaanbevelingen en de aanpassing aan de vooruitgang op technisch en wetenschappelijk gebied.

  Afdeling 4. - Onderzoek

  Art. 115. Wanneer een ongeval of een incident vlakbij een grensinstallatie van België heeft plaatsgevonden of als niet kan worden vastgesteld in welke lidstaat van de Europese Unie het ongeval of incident heeft plaatsgevonden en dat dit in België zou kunnen zijn, overlegt het onderzoeksorgaan samen met zijn tegenhangers om het orgaan te bepalen dat het onderzoek gaat verrichten of nemen zij gezamenlijk deze taak op zich. Als het Belgische onderzoeksorgaan aangeduid wordt, laat het de andere betrokken organen aan het onderzoek deelnemen en geeft het hen toegang tot alle resultaten van dit onderzoek.
  Onderzoeksorganen van een andere lidstaat van de Europese Unie worden uitgenodigd om deel te nemen aan een onderzoek telkens wanneer een in deze lidstaat gevestigde spoorwegonderneming met een vergunning van deze lidstaat bij het ongeval of incident betrokken is.

  Art. 116. Het onderzoek wordt op een dusdanige wijze gevoerd dat alle partijen kunnen worden gehoord. In voorkomend geval worden de resultaten samengelegd met de andere onderzoeksorganen. De spoorweginfrastructuurbeheerder, de betrokken spoorwegondernemingen, de veiligheidsinstantie, de slachtoffers en hun naaste familie, de eigenaars van beschadigde goederen, de fabrikanten, de hulpdiensten en de vertegenwoordigers van het personeel betrokken bij het ernstig ongeval, ongeval of incident, en de gebruikers worden geregeld op de hoogte gebracht van de voortgang van het onderzoek en, in de mate van het mogelijke, krijgen ze de kans om hun mening te geven in het kader van het onderzoek en de gegevens uit de ontwerpverslagen te becommentariëren. Er mogen evenwel geen elementen van het eventuele lopende opsporings- en gerechtelijk onderzoek worden vrijgegeven zonder toestemming van de gerechtelijke overheden.
  Wanneer uit de door het onderzoeksorgaan verzamelde aanwijzingen blijkt dat de oorzaak van het ongeval of van het incident zoals bedoeld in artikel 111, een inbreuk is, waarschuwt het onderzoeksorgaan onmiddellijk de politiediensten en gerechtelijke overheden.

  Art. 117. Voor elk ongeval of incident bedoeld in artikel 111, treft het verantwoordelijke onderzoeksorgaan de gewenste maatregelen. Het wendt met name de operationele en technische vaardigheden aan die nodig zijn om het onderzoek te voeren. Deze vaardigheden kunnen van binnen of buiten het orgaan worden aangetrokken al naargelang van de aard van het te onderzoeken ongeval of incident.

  Art. 118. Het onderzoeksorgaan rondt zijn onderzoek op de plaats van het ongeval zo snel mogelijk af zodat de spoorweginfrastructuurbeheerder de infrastructuur zo snel mogelijk kan herstellen en openstellen voor de spoorwegvervoerdiensten.

  Art. 119. Het onderzoek wordt onafhankelijk van opsporings- en gerechtelijke onderzoeken gevoerd en kan in geen geval betrekking hebben op het vaststellen van fout of aansprakelijkheid. De gerechtelijke overheden spannen zich in om het mogelijk te maken dat het onderzoeksorgaan zijn taken kan uitvoeren.

  Afdeling 5. - Conclusies en verslagen

  Art. 120. Van elk onderzoek van een ongeval of incident bedoeld in artikel 111 wordt een verslag opgesteld dat naar zijn vorm is afgestemd op het type en de ernst van het ongeval of incident en het belang van de onderzoeksbevindingen; zijn inhoud is in bijlage 6 vastgesteld. Dit verslag beschrijft duidelijk het onderzoeksdoel en bevat, waar nodig, veiligheidsaanbevelingen.
  Het onderzoeksorgaan maakt het eindverslag zo spoedig mogelijk openbaar, doch gewoonlijk niet later dan twaalf maanden na de datum waarop het voorval heeft plaatsgevonden. In het verslag wordt de in bijlage 6 beschreven verslagleggingsstructuur zo nauwgezet mogelijk gevolgd. Het verslag, met inbegrip van de veiligheidsaanbevelingen, wordt aan de in artikel 116 bedoelde partijen verzonden alsmede aan de betrokken instanties en partijen in de andere lidstaten van de Europese Unie.

  Art. 121. Uiterlijk op 30 september van elk jaar maakt het onderzoeksorgaan een jaarverslag op waarin verantwoording wordt afgelegd over de onderzoeken die het voorafgaande jaar zijn verricht, de veiligheidsaanbevelingen die zijn gedaan en de maatregelen die zijn genomen naar aanleiding van eerdere aanbevelingen.

  Art. 122. § 1. De door het onderzoeksorgaan opgestelde aanbevelingen worden gericht aan de veiligheidsinstantie en, indien de aard van de aanbeveling dit noodzaakt, aan andere Belgische overheidsinstanties of aan andere lidstaten. De aanbevelingen houden in geen geval een vermoeden van fout of aansprakelijkheid in.
  § 2. De veiligheidsinstantie en de andere instanties of organen tot welke aanbevelingen zijn gericht, laten het onderzoeksorgaan ten minste eenmaal per jaar en uiterlijk tegen 30 juni weten welke maatregelen zij naar aanleiding van de aanbevelingen hebben genomen of gepland.

  Afdeling 6. - Europees overleg

  Art. 123. Binnen één week nadat besloten werd een onderzoek in te stellen, brengt het onderzoeksorgaan het Bureau daarvan op de hoogte. Hierbij worden de datum, de tijd en de plaats van het ongeval of het incident aangegeven, alsook het type van ongeval of incident en de gevolgen ervan in termen van doden, gewonden en materiële schade.

  Art. 124. Het onderzoeksorgaan zendt aan het Bureau een exemplaar van het eindverslag bedoeld in artikel 120 en van het jaarverslag bedoeld in artikel 121.

  TITEL 5. - Certificering van treinbestuurders en ander treinpersoneel dat voor de veiligheid cruciale taken verricht

  HOOFDSTUK 1. - Certificering van treinbestuurders

  Afdeling 1. - Europees model voor de certificering

  Art. 125. Iedere treinbestuurder dient geschikt te zijn en de kwalificaties te bezitten die vereist zijn voor het besturen van een trein en in het bezit te zijn van een vergunning en één of meer bevoegdheidsbewijzen.
  De bevoegdheidsbewijzen mogen vervat zijn in één enkel document.

  Afdeling 2. - Vergunning van treinbestuurder

  Art. 126. De vergunning is eigendom van de houder ervan en wordt afgegeven door de veiligheidsinstantie.
  De vergunning is geldig voor het hele grondgebied van de Europese Unie.
  Elke vergunning van treinbestuurder vermeldt de persoonsgegevens van de treinbestuurder, de uitgever alsmede haar geldigheidsduur, die tien jaar bedraagt, te rekenen vanaf haar afgifte, onder voorbehoud van artikel 129.

  Art. 127. Een vergunning van treinbestuurder mag enkel worden afgegeven aan personen die de volle leeftijd van twintig jaar hebben bereikt.
  In afwijking van het eerste lid, mag een vergunning van treinbestuurder worden afgegeven aan personen die de volle leeftijd van achttien jaar hebben bereikt, maar de geldigheid van een dergelijke vergunning blijft beperkt tot het Belgisch grondgebied.
  De kandidaat-treinbestuurder heeft met succes een schoolopleiding op het niveau van het lager en secundair onderwijs van ten minste negen jaar doorlopen en met succes een basisopleiding afgesloten die gelijkwaardig is aan niveau 3, zoals bedoeld in bijlage 2 van de aanbeveling van het Europees Parlement en de Raad van 23 april 2008 tot vaststelling van een Europees kwalificatiekader voor een leven lang leren.
  De kandidaat-treinbestuurder bewijst zijn lichamelijke geschiktheid door met goed gevolg een medisch onderzoek te ondergaan. De Koning bepaalt de criteria voor de erkenning van personen of instellingen belast met het medisch onderzoek en de nadere regels met betrekking tot dat medisch onderzoek. Deze regels moeten ten minste voldoen aan de in bijlage 8, 1.1, 1.2, 1.3 en 2.1 bepaalde criteria.
  De kandidaat-treinbestuurder bewijst zijn bedrijfspsychologische geschiktheid door met goed gevolg een bedrijfspsychologisch onderzoek te ondergaan. De Koning bepaalt de criteria voor de erkenning van personen of instellingen belast met het bedrijfspsychologisch onderzoek en de nadere regels met betrekking tot dat onderzoek. Deze regels moeten ten minste voldoen aan de in bijlage 8, 2.2 bepaalde criteria.
  De Koning bepaalt de regels voor de aanvraag en de afgifte van een erkenning van personen of instellingen bedoeld in het vierde en het vijfde lid van dit artikel alsmede de regels voor de vernieuwing, aanpassing, intrekking of schorsing van de erkenning.
  De kandidaat-treinbestuurder bewijst zijn algemene vakbekwaamheid door te slagen voor een examen. De Koning bepaalt de nadere regels met betrekking tot dit examen dat handelt over de algemene materies zoals beschreven in bijlage 10. De Koning bepaalt de algemene vakkennis.

  Art. 128. Iedere aanvraag van een vergunning van treinbestuurder wordt ingediend bij de veiligheidsinstantie door de kandidaat-treinbestuurder of door een entiteit die in naam en voor rekening van de kandidaat- treinbestuurder optreedt.
  De veiligheidsinstantie geeft de vergunning van treinbestuurder zo spoedig mogelijk en uiterlijk een maand na ontvangst van alle benodigde stukken af.
  Een vergunning van treinbestuurder wordt in één enkel exemplaar afgegeven en mag niet worden gedupliceerd. Enkel de veiligheidsinstantie is bevoegd om een vergunning van treinbestuurder te dupliceren, in geval om een duplicaat wordt gevraagd.
  De Koning bepaalt de te volgen procedure voor de afgifte van een nieuwe vergunning van treinbestuurder, de bijwerking van de in de vergunning van treinbestuurder vermelde gegevens, de verlenging, de vernieuwing of het bekomen van een duplicaat.

  Art. 129. Opdat een vergunning van treinbestuurder geldig zou blijven, volgt de houder ervan een permanente opleiding bedoeld in bijlage 5, 2.1. e) en onderwerpt hij zich, overeenkomstig bijlage 8, 3.1. tot de leeftijd van 55 jaar ten minste om de drie jaar en nadien jaarlijks, aan periodieke onderzoeken en/of keuringen die betrekking hebben op de vereisten vermeld in artikel 127, vierde lid. Hij onderwerpt zich, overeenkomstig de bijlage 8, 3.3, ook om de tien jaar aan onderzoeken en/of keuringen die betrekking hebben op de vereisten vermeld in artikel 127, vijfde lid. De Koning kan de te volgen procedure voor deze periodieke onderzoeken en/of keuringen bepalen. De Koning kan ook de frequentie ervan verhogen.
  Deze onderzoeken en/of keuringen alsook de onderzoeken, bedoeld in artikel 127, vierde en vijfde lid, worden uitgevoerd door of onder toezicht van een persoon of een instelling erkend door de veiligheidsinstantie overeenkomstig artikel 142, 9°.
  Bij vernieuwing van een vergunning van treinbestuurder gaat de veiligheidsinstantie in het in artikel 132, § 1, 1° bedoelde register na of de treinbestuurder zich heeft onderworpen aan de in het eerste lid bedoelde onderzoeken en/of keuringen en of hij de in het eerste lid bedoelde opleiding heeft gevolgd.
  Indien de betrokkene een periodieke controle overslaat of die controle een negatief resultaat oplevert, is de procedure van artikel 141 van toepassing.

  Art. 130. Wanneer een treinbestuurder niet langer voor een spoorwegonderneming of de spoorweginfrastructuurbeheerder werkt, dan stelt die of deze de veiligheidsinstantie daarvan onmiddellijk in kennis.
  De vergunning van treinbestuurder blijft geldig zolang wordt voldaan aan de onderzoeken en/of keuringen bedoeld in artikel 129, eerste lid.

  Art. 131. De vergunning van treinbestuurder wordt, ofwel geschorst, ofwel ingetrokken in de gevallen bedoeld in artikel 141, § 1, en in artikel 221, § 4, 1° en 2°.

  Art. 132.§ 1. De veiligheidsinstantie :
  1° [1 houdt een register bij van alle afgegeven, bijgewerkte, vernieuwde, gewijzigde, vervallen, geschorste, ingetrokken of als verloren, gestolen of vernietigd opgegeven vergunningen van treinbestuurder. Dit register bevat voor iedere vergunning de in bijlage 7/1 voorgeschreven gegevens. Deze gegevens zijn beschikbaar door middel van het nationaal nummer dat aan elke bestuurder is toegewezen. Dit register wordt regelmatig bijgewerkt;]1
  2° verstrekt, op met redenen omkleed verzoek, inlichtingen over de status van dergelijke vergunningen aan de bevoegde autoriteiten van de andere lidstaten, aan het Bureau of aan iedere werkgever van treinbestuurders, inbegrepen, voor de toepassing van artikel 147, de vorige werkgever van de treinbestuurder.
  § 2. Elke treinbestuurder heeft toegang tot zijn gegevens die in het register van de veiligheidsinstantie zijn opgeslagen en op verzoek wordt hem een afschrift van die gegevens verstrekt.
  § 3. De veiligheidsinstantie werkt met het Bureau samen om de interoperabiliteit van het in § 1 bedoelde register te verzekeren.
  § 4. De veiligheidsinstantie zorgt ervoor dat het door haar krachtens § 1 aangelegde register enkel gebruikt wordt voor de volgende doelstellingen :
  1° het bijhouden van de feitelijke en juridische gegevens inzake afgifte, bijwerking, vernieuwing, verlenging, wijziging, verval, schorsing, intrekking, verlies, diefstal en vernietiging van alle vergunningen van treinbestuurder;
  2° het bijhouden van de door de Koning bepaalde persoonsgegevens die noodzakelijk zijn om te voldoen aan de onder 1° vermelde doelstelling.
  Wanneer de veiligheidsinstantie optreedt overeenkomstig de bepalingen van dit artikel dient zij alle bepalingen van de wet van 8 december 1992 tot bescherming van de persoonlijke levenssfeer ten opzichte van de verwerking van persoonsgegevens na te leven, behalve indien deze Spoorcodex hiervan afwijkt.
  § 5. De Koning bepaalt de regels die nodig zijn om het risico op beschadiging van de inhoud van het register bedoeld in dit artikel te vermijden.
  ----------
  (1)<W 2017-11-23/15, art. 40, 011; Inwerkingtreding : 21-12-2017>

  Afdeling 3. - Bevoegdheidsbewijs

  Art. 133. Iedere spoorwegonderneming en de spoorweginfrastructuurbeheerder staan altijd in voor het opleidings- en kwaliteitsniveau van hun personeel dat met de veiligheid verband houdende taken verricht, zoals bedoeld in artikel 90 en bijlage 5.

  Art. 134. Het bevoegdheidsbewijs wordt afgegeven door de spoorwegonderneming of door de spoorweginfrastructuurbeheerder die de treinbestuurder in dienst heeft of contracteert.
  Het bevoegdheidsbewijs is eigendom van de onderneming of de spoorweginfrastructuurbeheerder. De treinbestuurders kunnen echter een eensluidend verklaard afschrift verkrijgen.
  Het bevoegdheidsbewijs is enkel geldig voor de infrastructuur en het rollend materieel die daarin worden vermeld.
  Ieder bevoegdheidsbewijs vermeldt de infrastructuur waarop de treinbestuurder mag rijden.
  Ieder bevoegdheidsbewijs vermeldt het rollend materieel waarmee de treinbestuurder mag rijden.
  Het bevoegdheidsbewijs laat het besturen toe van een trein in één of meer van de volgende categorieën :
  1° categorie A : rangeerlocomotieven, werktreinen, onderhoudsspoorwagens en alle andere locomotieven die gebruikt worden voor het rangeren;
  2° categorie B : vervoer van personen en/of goederen.
  Een bevoegdheidsbewijs kan een machtiging voor alle categorieën bevatten, die alle Europese codes voor de verschillende types van voormelde categorieën A en B, omvat.
  In afwijking van artikel 125, kan een spoorwegonderneming een treinbestuurder vrijstellen van de verplichting in het bezit te zijn van een geldig bevoegdheidsbewijs voor de betrokken infrastructuur, voor zover een andere treinbestuurder die wel in het bezit is van een dergelijk bevoegdheidsbewijs en die beschikt over de taalkennis die nodig is om met de vrijgestelde treinbestuurder te communiceren, tijdens het besturen naast de vrijgestelde treinbestuurder zit, en enkel in de volgende uitzonderlijke gevallen :
  1° wanneer de spoorweginfrastructuurbeheerder vaststelt dat verstoringen van de spoordienst de omleiding van treinen of het onderhoud van de sporen noodzakelijk maken;
  2° voor uitzonderlijke eenmalige diensten waarvoor historische treinen worden gebruikt;
  3° voor uitzonderlijke eenmalige goederenvervoerdiensten, indien de spoorweginfrastructuurbeheerder hiermee instemt;
  4° voor het afleveren of demonstreren van een nieuwe trein of locomotief;
  5° voor het opleiden en examineren van treinbestuurders.
  De spoorweginfrastructuurbeheerder of de veiligheidsinstantie kunnen de beslissing om gebruik te maken van deze mogelijkheid niet opleggen.
  De spoorweginfrastructuurbeheerder wordt voorafgaand op de hoogte gesteld telkens een beroep wordt gedaan op een bijkomende treinbestuurder zoals hierboven beschreven.

  Art. 135. Een bevoegdheidsbewijs kan enkel worden verleend aan de houder van een vergunning van treinbestuurder.
  De houder van een bevoegdheidsbewijs houdt zich aan de taalvoorwaarden die door de spoorweginfrastructuurbeheerder in functie van de lokalisatie van de infrastructuur waarvoor het bevoegdheidsbewijs wordt aangevraagd, zijn vastgesteld. De Koning bepaalt de wijze waarop de houder van het bevoegdheidsbewijs dient te voldoen aan de taalvoorwaarden, met dien verstande dat ten minste moet worden voldaan aan de kennis bedoeld in bijlage 12, 8.
  De kandidaat-treinbestuurder heeft met succes een examen afgelegd dat betrekking heeft op zijn vakkennis en vakbekwaamheid betreffende de infrastructuur waarvoor het bevoegdheidsbewijs wordt aangevraagd, alsmede op zijn taalkennis.
  De kandidaat-treinbestuurder heeft met succes een examen afgelegd dat betrekking heeft op zijn vakkennis en vakbekwaamheid betreffende de voertuigen waarvoor het bevoegdheidsbewijs wordt aangevraagd.
  De Koning bepaalt de materies waarvan de kennis beoordeeld wordt door middel van de examens bedoeld in het derde en vierde lid van dit artikel. Deze materies behoren ten minste tot de in bijlage 11 en 12 bedoelde materies.
  De Koning bepaalt de specifieke vakkennis bedoeld in het derde en vierde lid van dit artikel.
  De spoorwegonderneming of spoorweginfrastructuurbeheerder verstrekt aan de kandidaat-treinbestuurder een opleiding betreffende haar of zijn veiligheidsbeheersysteem.

  Art. 136.In overeenstemming met deze Spoorcodex en zijn uitvoeringsbesluiten en als onderdeel van het veiligheidsbeheersysteem, stellen elke spoorwegonderneming en de spoorweginfrastructuurbeheerder de voor afgifte of bijwerking van het bevoegdheidsbewijs te volgen eigen procedures op, alsook de beroepsprocedures die treinbestuurders in de mogelijkheid stellen om een herziening van een beslissing betreffende de afgifte, de bijwerking, de schorsing dan wel de intrekking van een bevoegdheidsbewijs te verzoeken.
  [1 Ingeval van onenigheid tussen de partijen bij een arbeidsverhouding kunnen zij de zaak aanhangig maken bij de Arbeidsrechtbank. ]1
  De spoorwegondernemingen of de spoorweginfrastructuurbeheerder werken het bevoegdheidsbewijs onmiddellijk bij of vervangen het afschrift onmiddellijk, telkens wanneer de houder van het bevoegdheidsbewijs zijn afschrift heeft verloren of aanvullende machtigingen met betrekking tot het rollend materieel of de infrastructuur heeft verkregen.
  ----------
  (1)<W 2017-11-23/15, art. 41, 011; Inwerkingtreding : 21-12-2017>

  Art. 137. Opdat een bevoegdheidsbewijs geldig zou blijven, onderwerpt de houder zich aan periodieke examens die betrekking hebben op de in artikel 135, tweede, derde en vierde lid, genoemde eisen. De frequentie van deze examens wordt bepaald door de spoorwegonderneming of de spoorweginfrastructuurbeheerder die de treinbestuurder in dienst heeft of contracteert, in functie van haar of zijn veiligheidsbeheersysteem en met inachtneming van de minimale periodiciteiten die in bijlage 13 zijn vastgesteld.
  Bij elk van deze periodieke examens verklaart de instantie belast met de afgifte van het bevoegdheidsbewijs, door een vermelding op dit bevoegdheidsbewijs en in het in artikel 140, § 1, 1°, bedoelde register, dat de treinbestuurder aan de in het eerste lid bedoelde eisen voldoet.
  Indien een periodiek examen wordt overgeslagen of een negatief resultaat oplevert, nemen de spoorwegondernemingen of de spoorweginfrastructuurbeheerder onmiddellijk de nodige maatregelen.

  Art. 138. Een bevoegdheidsbewijs verliest zijn geldigheid wanneer de houder niet langer in dienst is als treinbestuurder. De treinbestuurder ontvangt echter wel een eensluidend verklaard afschrift van het bevoegdheidsbewijs en van alle documenten waaruit zijn opleiding, zijn kwalificaties, zijn ervaring en zijn vakbekwaamheden blijken.
  Bij het vervolgens afgeven van een nieuw bevoegdheidsbewijs aan een treinbestuurder, houdt de spoorwegonderneming of de spoorweginfrastructuurbeheerder die de betrokken treinbestuurder zou aanwerven rekening met al deze documenten.

  Art. 139. Het bevoegdheidsbewijs wordt, ofwel geschorst, ofwel ingetrokken :
  1° in de gevallen vermeld in artikel 141 en in artikel 221, § 4, 3° ;
  2° ingeval van schorsing of intrekking van de vergunning van treinbestuurder, voor welk motief dan ook.

  Art. 140.§ 1. Elke spoorwegonderneming en de spoorweginfrastructuurbeheerder :
  1° [1 houden een register bij, of zorgen dat een register wordt bijgehouden, van alle afgegeven, bijgewerkte, vernieuwde, gewijzigd, vervallen, geschorste, ingetrokken of als verloren, gestolen of vernietigd opgegeven bevoegdheidsbewijzen. Dit register bevat voor ieder bevoegdheidsbewijs de in bijlage 7/1 voorgeschreven gegevens, alsook de gegevens betreffende de periodieke controles vermeld in artikel 137. Dit register wort regelmatig bijgewerkt;]1
  2° werken met de veiligheidsinstantie samen om met haar gegevens uit te wisselen en haar toegang te verlenen tot alle nodige informatie;
  3° verstrekken, op verzoek van de bevoegde autoriteiten van de andere lidstaten, inlichtingen betreffende de inhoud van de bevoegdheidsbewijzen, indien dit nodig is als gevolg van hun transnationale activiteiten.
  § 2. Elke treinbestuurder heeft toegang tot zijn gegevens die in het register van de spoorwegondernemingen of van de spoorweginfrastructuurbeheerder zijn opgeslagen en op verzoek wordt hem een afschrift van die gegevens verstrekt.
  § 3. De veiligheidsinstantie werkt samen met het Bureau om de interoperabiliteit van het in § 1 bedoelde register te verzekeren.
  § 4. De spoorweginfrastructuurbeheerder en de spoorwegondernemingen zorgen ervoor dat het door hen krachtens § 1 aangelegde register enkel gebruikt wordt voor de volgende doelstellingen :
  1° het bijhouden van de feitelijke en juridische gegevens inzake afgifte, bijwerking, verlenging, vernieuwing, wijziging, verval, schorsing, intrekking, verlies, diefstal en vernietiging van alle bevoegdheidsbewijzen of afschriften van bevoegdheidsbewijzen;
  2° het bijhouden van de door de Koning bepaalde persoonsgegevens die noodzakelijk zijn om te voldoen aan de onder 1° vermelde doelstelling.
  Wanneer de spoorweginfrastructuurbeheerder en de spoorwegondernemingen optreden overeenkomstig de bepalingen van dit artikel, dienen zij alle bepalingen van de wet van 8 december 1992 tot bescherming van de persoonlijke levenssfeer ten opzichte van de verwerking van persoonsgegevens na te leven, behalve indien deze Spoorcodex hiervan afwijkt.
  § 5. De Koning bepaalt de regels die nodig zijn om het risico op beschadiging van de inhoud van het register bedoeld in dit artikel te vermijden.
  ----------
  (1)<W 2017-11-23/15, art. 42, 011; Inwerkingtreding : 21-12-2017>

  Afdeling 4. - Toezicht op treinbestuurders door spoorwegondernemingen en de spoorweginfrastructuurbeheerder

  Art. 141. § 1. De spoorwegondernemingen en de spoorweginfrastructuurbeheerder zijn verplicht erop toe te zien en na te zien dat de vergunningen en bevoegdheidsbewijzen van de treinbestuurders die zij in dienst hebben of contracteren, geldig zijn.
  Zij voeren een systeem in voor het toezicht op hun treinbestuurders. Indien de resultaten van dit toezicht aanleiding geven tot twijfel over de bekwaamheid van een treinbestuurder om zijn werk uit te voeren en over het behoud van zijn vergunning of bevoegdheidsbewijs, dan nemen de spoorwegondernemingen of de spoorweginfrastructuurbeheerder onmiddellijk de nodige maatregelen.
  § 2. Indien een treinbestuurder meent dat zijn gezondheidstoestand aanleiding geeft tot twijfels over zijn arbeidsgeschiktheid, dan stelt hij, naargelang het geval, de spoorwegonderneming of de spoorweginfrastructuurbeheerder daar onmiddellijk van in kennis.
  Zodra de spoorwegonderneming of de spoorweginfrastructuurbeheerder constateert, of er door een arts van in kennis wordt gesteld, dat de gezondheid van een treinbestuurder zodanig is verslechterd dat er aanleiding is te twijfelen aan zijn arbeidsgeschiktheid, dan neemt zij of hij onmiddellijk de nodige maatregelen, met inbegrip van een onderzoek zoals voorzien in bijlage 8, 3.1. en, zo nodig, de intrekking van het bevoegdheidsbewijs alsook de bijwerking van het in artikel 140, § 1, 1° bedoelde register. Daarnaast waarborgt hij dat de treinbestuurder tijdens de dienst op geen enkel moment onder invloed verkeert van welke stof dan ook, die zijn concentratievermogen, waakzaamheid of gedrag zou kunnen beïnvloeden. Van elk geval van arbeidsongeschiktheid die langer duurt dan drie maanden, wordt de veiligheidsinstantie onmiddellijk in kennis gesteld.
  De Koning kan nadere regels met betrekking tot het in het tweede lid van deze paragraaf bedoelde keuring bepalen.

  Afdeling 5. - Taken en beslissingen van de veiligheidsinstantie

  Art. 142.§ 1. Onverminderd artikel 74, 9°, vervult de veiligheidsinstantie de volgende taken op een transparante en niet-discriminerende wijze :
  1° afgeven en bijwerken van vergunningen en het verstrekken van duplicaten, overeenkomstig de artikelen 126 en 128;
  2° zich verzekeren van de organisatie van de periodieke onderzoeken en/of keuringen, overeenkomstig artikel 129;
  3° schorsen en intrekken van vergunningen, en toezenden aan de uitgever van het betrokken bevoegdheidsbewijs, van met redenen omklede verzoeken tot schorsing van bevoegdheidsbewijzen, overeenkomstig artikel 221;
  4° erkennen van personen of instellingen overeenkomstig de artikelen 145, 146 en 149;
  5° ervoor zorgen dat een register van erkende personen en instellingen wordt bekendgemaakt en dat dit register wordt bijgewerkt, overeenkomstig artikel 143 en artikel 149;
  6° bijhouden en bijwerken van een register van vergunningen overeenkomstig de artikelen 129 en 132, § 1, 1° ;
  7° toezien op het in artikel 219 bedoelde certificeringsproces voor treinbestuurders;
  8° uitvoeren van inspecties als bedoeld in artikel 221;
  9° erkennen van personen of instellingen belast met het medisch onderzoek en het bedrijfspsychologisch onderzoek, zoals bedoeld in artikel 127, vierde en vijfde lid.
  § 2. De veiligheidsinstantie reageert snel op verzoeken om informatie en doet zo nodig zelf onmiddellijk een verzoek om aanvullende informatie in het kader van de behandeling van de aanvragen van vergunningen.
  § 3. [1 In geval van meningsverschil aangaande een beslissing van de veiligheidsinstantie betreffende een aanvraag in titel 5 kan de treinbestuurder of zijn werkgever een herziening van de beslissing vragen.
   Op straffe van onontvankelijkheid dient hij de aanvraag tot herziening, naar behoren gemotiveerd, in bij de veiligheidsinstantie per aangetekende zending binnen een termijn van een maand volgend op de kennisgeving van de beslissing.
   Na deze termijn is de beslissing definitief.
   De veiligheidsinstantie neemt een beslissing binnen twee maanden na ontvangst van de aanvraag tot herziening.]1
  ----------
  (1)<W 2017-11-23/15, art. 43, 011; Inwerkingtreding : 21-12-2017>

  Afdeling 6. - Opleiding en examinering van de treinbestuurders

  Art. 143. De opleiders of opleidingscentra worden erkend door de veiligheidsinstantie voor de taken vermeld in de artikelen 145, eerste lid, en 146, eerste en tweede lid.
  De erkenning verplicht de opleiders of opleidingscentra ertoe op billijke en niet-discriminerende wijze toegang te verlenen tot de opleidingen telkens deze opleidingen noodzakelijk zijn om te voldoen aan de verkrijgingsvoorwaarden van het veiligheidscertificaat of, desgevallend, van de veiligheidsvergunning.
  De erkenning verplicht de opleiders of opleidingscentra ertoe kwalitatieve opleidingsdiensten ter beschikking te stellen van de spoorwegondernemingen en van de spoorweginfrastructuurbeheerder met dien verstande dat een redelijke en niet-discriminerende prijs wordt toegepast. De prijs dient in verhouding te staan tot de kosten van de dienstverlening en mag een winstmarge bevatten.
  De erkenning geschiedt op basis van de beoordeling van het dossier en berust op criteria van onafhankelijkheid, bekwaamheid en onpartijdigheid. In gevallen waarin de gezochte specifieke bekwaamheid uiterst zeldzaam is, is echter een uitzondering op deze regel toegestaan nadat de Europese Commissie een positief advies heeft verleend.
  Het criterium van onafhankelijkheid is niet van toepassing op opleidingstaken met betrekking tot :
  1° algemene vakkennis, bedoeld in bijlage 10;
  2° taalkennis, bedoeld in bijlage 12, 8;
  3° vakkennis met betrekking tot het rollend materieel, bedoeld in bijlage 11;
  4° vakkennis betreffende de infrastructuur, bedoeld in bijlage 12, 1 tot 7.
  De veiligheidsinstantie zorgt ervoor dat het register van personen of instellingen die op grond van dit artikel werden erkend, wordt gepubliceerd en bijgewerkt. De Koning bepaalt de nadere regels van bekendmaking en bijwerking van dit register.
  De Koning bepaalt, bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad, de nadere regels voor de organisatie en de minimuminhoud van de opleiding bedoeld in dit artikel, alsook de nadere regels voor de afgifte van de documenten die bewijskracht hebben met betrekking tot de opleiding die werd gevolgd door de treinbestuurders en kandidaat-treinbestuurders.
  De Koning bepaalt, bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad, de voorwaarden waaraan de opleiders en opleidingscentra moeten voldoen om te worden erkend, alsmede de erkenningsprocedure en de procedure voor aanpassing, vernieuwing, schorsing en intrekking van de erkenning.

  Art. 144. De opleiding van treinbestuurders omvat een deel dat betrekking heeft op de vergunning van treinbestuurder, dat handelt over de algemene vakkennis, en een deel dat betrekking heeft op het bevoegdheidsbewijs, dat handelt over de specifieke vakkennis.
  De kandidaat-treinbestuurders hebben op billijke en niet-discriminerende wijze toegang tot de opleiding die nodig is om te voldoen aan de verwervingsvoorwaarden van de vergunning en het bevoegdheidsbewijs.

  Art. 145. De opleidingstaken die betrekking hebben op de algemene vakkennis bedoeld in artikel 127, zevende lid, worden verricht door opleiders of opleidingscentra die erkend zijn overeenkomstig artikel 143.
  Wat de vergunning van treinbestuurder betreft, blijft het algemene stelsel voor de erkenning van beroepskwalificaties zoals bepaald bij de Richtlijn 2005/36/EG van het Europees Parlement en de Raad van 7 september 2005 betreffende de erkenning van beroepskwalificaties van toepassing op de erkenning van de beroepskwalificaties van treinbestuurders die onderdaan van een lidstaat zijn en hun opleidingsbewijs in een derde land hebben behaald.

  Art. 146. De opleidingstaken die betrekking hebben op de taalkennis bedoeld in artikel 135, derde lid, en op de vakbekwaamheid met betrekking tot rollend materiaal bedoeld in artikel 135, vierde lid, worden verricht door opleiders of opleidingscentra die erkend zijn overeenkomstig artikel 143.
  De opleidingstaken die betrekking hebben op de kennis van infrastructuur bedoeld in artikel 135, derde lid, met inbegrip van kennis van spoorlijnen, exploitatievoorschriften en -procedures, worden verricht door opleiders of opleidingscentra die erkend zijn overeenkomstig artikel 143.
  Er wordt een permanent opleidingssysteem gerealiseerd om te zorgen dat het personeel ter zake deskundig blijft, overeenkomstig bijlage 5, 2.1, e).

  Art. 147. In het geval dat een treinbestuurder van een spoorwegonderneming of een spoorweginfrastructuurbeheerder vrijwillig vertrekt naar een andere spoorwegonderneming of spoorweginfrastructuurbeheerder, betaalt die andere spoorwegonderneming of spoorweginfrastructuurbeheerder een vergoeding aan de voormalige werkgever om de door deze gedane investeringen voor de opleiding van de betrokken treinbestuurder te compenseren.
  De in het eerste lid bedoelde vergoeding wordt vastgesteld op redelijke basis, met inachtneming van :
  1° het tijdsverloop tussen het einde van de opleiding en de aanwerving van de treinbestuurder;
  2° het onmiddellijk nut van de opleiding voor de nieuwe werkgever.

  Art. 148. De Koning bepaalt de methode van de opleiding bedoeld in deze afdeling, in overeenstemming met de in bijlage 9 vermelde criteria.
  De Koning bepaalt de gedetailleerde doelstellingen van de opleiding bedoeld in deze afdeling, in overeenstemming met de in bijlage 10 vermelde criteria voor de vergunning van treinbestuurder en de in bijlagen 11 en 12 vermelde criteria voor het bevoegdheidsbewijs.

  Art. 149.De examinatoren of examencentra worden erkend door de veiligheidsinstantie.
  In afwijking van het eerste lid, kan de veiligheidsinstantie opleidingscentra belasten met de erkenning van hun eigen examinatoren, op voorwaarde dat zij voldoen aan de bekwaamheidseisen bepaald in deze Spoorcodex en haar uitvoeringsbesluiten.
  De erkenning geschiedt op basis van de beoordeling van het dossier en berust op criteria van onafhankelijkheid, bekwaamheid en onpartijdigheid. In gevallen waarin de gezochte specifieke bekwaamheid uiterst zeldzaam is, is echter een uitzondering op deze regel toegestaan nadat de Europese Commissie een positief advies heeft verleend.
  De veiligheidsinstantie zorgt ervoor dat het register van personen of instellingen die op grond van dit artikel werden erkend, wordt gepubliceerd en bijgewerkt. De Koning bepaalt de nadere regels van bekendmaking, bijwerking en kennisname van dit register en van het verkrijgen van een afschrift van de erin opgeslagen gegevens. Met oog op de bijwerking van dit register informeert het opleidingscentrum onmiddellijk de veiligheidsinstantie over elke wijziging van de gegevens met betrekking tot de door hun erkende examinatoren.
  Voor het deel dat betrekking heeft op de vergunning van treinbestuurder wordt de inhoud van de examens voor het behalen van de vereiste vakbekwaamheden vastgesteld en worden de examinatoren aangewezen door de veiligheidsinstantie bij de vaststelling van de procedure die wordt gevolgd voor het verkrijgen van de vergunning overeenkomstig artikel 128, eerste lid.
  Voor het deel dat betrekking heeft op het bevoegdheidsbewijs wordt de inhoud van de examens voor het behalen van de vereiste vakbekwaamheden vastgesteld en worden de examinatoren aangewezen door de spoorwegonderneming of de spoorweginfrastructuurbeheerder bij de vaststelling van de procedure die wordt gevolgd voor het verkrijgen van het bevoegdheidsbewijs overeenkomst artikel 136.
  De in het vijfde en zesde lid bedoelde examens worden zodanig georganiseerd dat belangenconflicten worden vermeden.
  Wat de in het zesde lid bedoelde examens betreft, mag de erkende examinator of het erkend opleidingscentrum deel uitmaken van de spoorwegonderneming of van de spoorweginfrastructuurbeheerder die het bevoegdheidsbewijs afgeeft.
  De Koning bepaalt, bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad, de nadere regels voor de organisatie en de minimuminhoud van de examens bedoeld in dit artikel, alsook de nadere regels voor de afgifte van de documenten die bewijskracht hebben met betrekking tot de examens die werden afgelegd door de treinbestuurders en kandidaat-treinbestuurders.
  De Koning bepaalt, bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad, de voorwaarden waaraan de examinatoren moeten voldoen om te worden erkend, alsmede de erkenningsprocedure en de procedure voor aanpassing, vernieuwing, schorsing en intrekking van de erkenning.
  Ter afsluiting van de opleiding wordt een theorie- en praktijkexamen georganiseerd. De rijvaardigheid wordt beoordeeld aan de hand van een rijproef op het [1 net]1. Ook kan van simulators gebruik worden gemaakt om na te gaan of de treinbestuurder onder bijzonder moeilijke omstandigheden goed presteert en de exploitatievoorschriften juist toepast.
  ----------
  (1)<W 2015-06-15/03, art. 83,1°, 007; Inwerkingtreding : 23-07-2015>

  HOOFDSTUK 2. - Begeleiders van reizigerstreinen

  Art. 150.§ 1. Begeleiders van reizigerstreinen dienen een opleiding te volgen die vervolgens door een examen wordt afgesloten. Indien het examen met goed gevolg wordt afgesloten, levert [1 het opleidingscentrum]1 een [1 brevet van professionele geschiktheid]1 af.
  De opleiders of de [1 opleidingscentra]1 belast met het verlenen van opleidingsdiensten aan begeleiders van reizigerstreinen, worden erkend door de veiligheidsinstantie.
  De erkenning verplicht de opleiders of [1 opleidingscentra]1 ertoe op billijke en niet-discriminerende wijze toegang te verlenen tot de opleidingen voor begeleiders van reizigerstreinen, telkens deze opleidingen noodzakelijk zijn om te voldoen aan de voorwaarden voor het verkrijgen van het veiligheidscertificaat of, desgevallend, van de veiligheidsvergunning.
  De erkenning verplicht de opleiders of [1 opleidingscentra]1 ertoe kwalitatieve opleidingsdiensten ter beschikking te stellen van de spoorwegondernemingen tegen een redelijke en niet-discriminerende prijs. De prijs dient in verhouding te staan tot de kosten van de dienstverlening en mag een winstmarge bevatten.
  De erkenning berust op criteria van onafhankelijkheid, bekwaamheid en onpartijdigheid.
  De veiligheidsinstantie zorgt ervoor dat het register van personen en instellingen die op grond [1 van dit hoofdstuk]1 werden erkend, wordt gepubliceerd en bijgewerkt.
  § 2. Het attest van begeleider van reizigerstreinen is eigendom van de houder ervan en wordt afgegeven door de veiligheidsinstantie.
  Een attest van begeleider van reizigerstreinen mag enkel worden afgegeven aan personen die de volle leeftijd van achttien jaar hebben bereikt.
  § 3. De in andere lidstaten van de Europese Economische Ruimte gevestigde begeleiders van reizigerstreinen die in België hun diensten willen verlenen, delen dit mee door middel van een voorafgaande schriftelijke verklaring zoals voorzien in artikel 9, § 2, van de wet van 12 februari 2008 tot instelling van een nieuw algemeen kader voor de erkenning van EG-beroepskwalificaties, zonder toevoeging weliswaar van de gegevens betreffende verzekeringsdekking of soortgelijke individuele of collectieve vormen van bescherming inzake beroepsaansprakelijkheid. Wel dienen de in artikel 9, § 2, van voormelde wet bedoelde documenten aan die verklaring te worden toegevoegd. De veiligheidsinstantie past de procedure bedoeld in artikel 9, § 4, van dezelfde wet systematisch toe. Hiertoe gaat de veiligheidsinstantie onder meer na of de attesten met betrekking tot de taalkennis van de kandidaten werden opgemaakt in overeenstemming met de voorschriften van de TSI exploitatie die de vereiste taalniveaus voor de veiligheidstaken vaststellen.
  ----------
  (1)<W 2017-11-23/15, art. 44, 011; Inwerkingtreding : 21-12-2017>

  Art. 151.Inzake certificering van begeleiders van reizigerstreinen, bepaalt de Koning :
  1° bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad, de nadere regels voor de organisatie en de minimuminhoud van de opleiding en de examens, zoals bedoeld in artikel 150, § 1, alsook de nadere regels voor de afgifte van de documenten die bewijskracht hebben met betrekking tot de opleiding die wordt gevolgd en de examens die worden afgelegd door begeleiders van reizigerstreinen;
  2° bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad, de voorwaarden waaraan de opleiders en [1 opleidingscentra]1 die opleidingsdiensten verstrekken aan begeleiders van reizigerstreinen, moeten voldoen om te worden erkend, overeenkomstig artikel 150, § 1, derde lid, alsmede de erkenningsprocedure;
  3° de vereisten waaraan het [1 brevet van professionele geschiktheid]1 bedoeld in artikel 150, § 1, eerste lid, moet voldoen, alsook de psychologische en medische voorwaarden en de [1 vereiste professionele geschiktheid]1 waaraan de houder dient te voldoen opdat het hem wordt afgeleverd;
  4° de nadere regels voor de afgifte, vernieuwing, herziening, schorsing en intrekking van het [1 brevet van professionele geschiktheid]1 bedoeld in artikel 150, § 1, eerste lid;
  5° de criteria voor de erkenning van personen of instellingen belast met het medisch onderzoek en de nadere regels met betrekking tot dat medisch onderzoek;
  6° de criteria voor de erkenning van personen of instellingen belast met het bedrijfspsychologisch onderzoek en de nadere regels met betrekking tot dat onderzoek.
  ----------
  (1)<W 2017-11-23/15, art. 45, 011; Inwerkingtreding : 21-12-2017>

  Art. 151/1. [1 Uiterlijk op 31 december 2017, en in afwijking van de artikelen 150 en 151, voeren de spoorwegondernemingen voor de certificering van begeleiders van reizigerstreinen eigen processen in.
   Zij nemen deze processen op in hun veiligheidsbeheerssysteem.
   Deze processen :
   1° zijn in overeenstemming met het Besluit nr. 2012/757 van de Commissie van 14 november 2012 betreffende de technische specificaties inzake interoperabiliteit van het subsysteem Exploitatie en verkeersleiding van het spoorwegsysteem in de Europese Unie en tot wijziging van Beschikking 2007/756/EG en aan andere toepasselijke Europese regels;
   2° verzekeren een veiligheidsniveau dat minstens gelijkwaardig is aan het veiligheidsniveau dat verzekerd wordt door de bepalingen die door de Koning op grond van de artikelen 68, § 2, derde lid, en 151 genomen zijn.
   De attesten van begeleider van reizigerstreinen bedoeld in artikel 150, § 2, die afgeleverd zijn door de veiligheidsinstantie, vervallen op het ogenblik waarop de spoorwegonderneming de processen, bedoeld in het eerste lid, heeft ingevoerd of uiterlijk op 31 december 2017.]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij W 2017-11-23/15, art. 46, 011; Inwerkingtreding : 21-12-2017>
  

  HOOFDSTUK 3. - Bescherming van de persoonlijke levenssfeer

  Art. 152. Alvorens gebruik te maken van één of meerdere van de machtigingen waarin deze titel voorziet, vraagt de Koning het advies van de Commissie voor de bescherming van de persoonlijke levenssfeer.
  In afwijking van artikel 29, § 2, van de wet van 8 december 1992 tot bescherming van de persoonlijke levenssfeer ten opzichte van de verwerking van persoonsgegevens, brengt de Commissie voor de bescherming van de persoonlijke levenssfeer haar advies uit binnen dertig dagen nadat alle daartoe noodzakelijke gegevens aan de Commissie zijn meegedeeld.

  TITEL 6. - Interoperabiliteit van het spoorwegsysteem in de Europese unie

  HOOFDSTUK 1. - Essentiële eisen

  Art. 153. Het spoorwegsysteem, de subsystemen, de interoperabiliteitsonderdelen, inclusief de interfaces, voldoen aan de erop van toepassing zijnde essentiële eisen.
  De veiligheidsinstantie mag het in artikel 29 van de Richtlijn 2008/57/EG bedoelde comité raadplegen als blijkt dat een TSI, na aanneming ervan, niet geheel voldoet aan de essentiële eisen.

  HOOFDSTUK 2. - Technische specificaties inzake interoperabiliteit

  Afdeling 1. - Inhoud

  Art. 154. Elk subsysteem maakt het voorwerp uit van één of, indien nodig, meerdere TSI's.
  Eén TSI kan meerdere subsystemen bestrijken.

  Art. 155. De subsystemen zijn conform de TSI's die van toepassing zijn op het moment van hun indienststelling, verbetering of vernieuwing.
  Deze conformiteit blijft tijdens het gebruik van elk subsysteem ononderbroken gehandhaafd.

  Art. 156. Voor zover technisch verwezenlijkbaar en onverminderd de naleving van de veiligheidsvoorschriften, wordt het gebruik van de infrastructuur voor het verkeer van niet door de TSI's bestreken voertuigen niet verhinderd.

  Afdeling 2. - Uitbreiding van het toepassingsgebied van de TSI's

  Art. 157.Zolang het toepassingsgebied van de TSI's niet is uitgebreid tot het gehele [1 spoorwegnet]1, wordt de toelating tot indienststelling van subsystemen op het gedeelte van het [2 net]2 dat nog niet onder het toepassingsgebied van de TSI's valt, verleend conform de veiligheidsvoorschriften of, desgevallend, conform artikel 171.
  De toelating tot indienststelling van voertuigen die bestemd zijn om slechts occasioneel gebruikt te worden op het gedeelte van het [2 net]2 dat nog niet onder het toepassingsgebied van de TSI's valt, wordt verleend voor dit deel van het [2 net]2, conform de veiligheidsvoorschriften of desgevallend conform artikel 171 en hoofdstuk 5.
  ----------
  (1)<W 2015-06-15/03, art. 83,2°, 007; Inwerkingtreding : 23-07-2015>
  (2)<W 2015-06-15/03, art. 83,1°, 007; Inwerkingtreding : 23-07-2015>

  Art. 158. De veiligheidsinstantie kan, op verzoek van een aanbestedende dienst of een constructeur, op het ogenblik van de publicatie van nieuwe of herziene TSI's, beslissen dat die TSI's niet moeten worden toegepast op projecten die zich in een vergevorderd stadium van ontwikkeling bevinden of waarvoor op dat moment een contract in uitvoering is.

  Afdeling 3. - Afwijkingen

  Art. 159.§ 1. Bij gebrek aan relevante specifieke gevallen en op verzoek van een aanbestedende dienst, een constructeur of hun lasthebber in de Europese Unie, kan de veiligheidsinstantie in de volgende gevallen beslissen om één of meer TSI's niet toe te passen :
  1° voor een project voor een nieuw subsysteem, de vernieuwing of de verbetering van een bestaand subsysteem, of elk element van het spoorwegsysteem, dat zich op het moment van de publicatie van de betrokken TSI's in een vergevorderd stadium van ontwikkeling bevindt of waarvoor op dat moment een contract in uitvoering is;
  2° voor een project voor de vernieuwing of de verbetering van een bestaand subsysteem, wanneer het profiel, de breedte of tussenafstand van het spoor, of de elektrische spanning die in deze TSI's zijn bepaald, niet verenigbaar zijn met die van het bestaande subsysteem;
  3° voor een project betreffende de vernieuwing, de uitbreiding of de verbetering van een bestaand subsysteem, wanneer de toepassing van deze TSI's de economische levensvatbaarheid van het project en/of de samenhang van het Belgische spoorwegsysteem in gevaar brengt;
  4° wanneer het, na een ongeval of een natuurramp, omwille van de noodzakelijke snelle herstelling van het [1 net]1 economisch of technisch niet mogelijk is de overeenkomstige TSI's geheel of gedeeltelijk toe te passen;
  5° voor voertuigen met een plaats van herkomst of bestemming in een derde land met een andere spoorbreedte dan die van het [1 hoofdspoorwegnet]1 binnen de Europese Unie.
  § 2. De aanbestedende dienst, de constructeur of hun lasthebber in de Europese Unie dient de aanvraag tot afwijking in bij de veiligheidsinstantie, vergezeld van een dossier dat de in punt b) van bijlage 22 bedoelde elementen bevat en dat de aanvraag tot afwijking rechtvaardigt.
  § 3. In het in § 1, 1° bedoelde geval stelt de veiligheidsinstantie de Europese Commissie binnen het jaar na de inwerkingtreding van elke TSI in kennis van een lijst van projecten die op Belgisch grondgebied worden uitgevoerd en die zich in een vergevorderd stadium van ontwikkeling bevinden.
  § 4. In alle in § 1 bedoelde gevallen, stelt de veiligheidsinstantie de Europese Commissie vooraf in kennis van haar voornemen af te wijken en maakt zij haar een dossier over met de aanvraag tot afwijking en de in bijlage 22 bedoelde documenten.
  § 5. In de gevallen bedoeld in § 1, 1° en 4° mag de veiligheidsinstantie, in afwachting dat de Europese Commissie haar kennis geeft van de resultaten van haar analyse van de conformiteit van het dossier met de aanvraag tot afwijking, de in dat dossier vermelde alternatieve bepalingen toepassen.
  § 6. Indien binnen de door de Richtlijn 2008/57/EG voorgeschreven termijnen door de Europese Commissie geen beslissing wordt genomen over de aanvaarding van de aanvraag tot afwijking in de gevallen bedoeld in het eerste lid, 1°, 2°, 3° en 5°, wordt de aanvraag geacht te zijn aanvaard.
  In afwachting van de beslissing van de Europese Commissie in de gevallen bedoeld in § 1, 5°, kunnen de in het dossier met de aanvraag tot afwijking vermelde alternatieve bepalingen worden toegepast.
  ----------
  (1)<W 2015-06-15/03, art. 83,1°, 007; Inwerkingtreding : 23-07-2015>

  HOOFDSTUK 3. - Interoperabiliteitsonderdelen

  Afdeling 1. - Het op de markt brengen

  Art. 160. De interoperabiliteitsonderdelen mogen enkel op de markt worden gebracht indien zij :
  1° de spoorweginteroperabiliteit mogelijk maken door te voldoen aan de essentiële eisen;
  2° binnen hun toepassingsgebied en overeenkomstig hun bestemming gebruikt worden en naar behoren geïnstalleerd en onderhouden worden.
  Het eerste lid vormt geen belemmering om deze onderdelen voor andere toepassingen op de markt te brengen.

  Art. 161. Het is de veiligheidsinstantie niet toegestaan om het op de markt brengen van interoperabiliteitsonderdelen met het oog op het gebruik daarvan in het spoorwegsysteem, te verbieden, te beperken of te belemmeren op grond van de wet wanneer deze onderdelen aan de bepalingen van deze Spoorcodex voldoen.

  Afdeling 2. - Conformiteit of geschiktheid voor gebruik

  Art. 162. De interoperabiliteitsonderdelen worden beschouwd als conform de essentiële eisen wanneer zij voorzien zijn van de " EG " -verklaring van conformiteit of geschiktheid voor gebruik.
  Voor elk interoperabiliteitsonderdeel dient de procedure te worden gevolgd voor de beoordeling van de conformiteit en de geschiktheid voor gebruik zoals vastgesteld in de betrokken TSI, en dient het desbetreffende certificaat te zijn afgegeven.
  De " EG "-verklaring van conformiteit of geschiktheid voor gebruik van de interoperabiliteitsonderdelen voldoet aan de in bijlage 17 bedoelde criteria.
  Een interoperabiliteitsonderdeel voldoet aan de essentiële eisen indien het voldoet aan de voorwaarden die zijn vastgesteld in de corresponderende TSI's of aan de Europese specificaties die zijn ontwikkeld om aan die voorwaarden te voldoen.
  In afwijking van het tweede lid mogen reserveonderdelen voor subsystemen die al in dienst zijn gesteld op het moment van de inwerkingtreding van de TSI in deze subsystemen worden aangebracht, zonder dat zij aan de procedure voor de beoordeling van de conformiteit en de geschiktheid voor gebruik worden onderworpen.

  Afdeling 3. - Procedure voor de " EG "-verklaring van conformiteit of geschiktheid voor gebruik

  Art. 163. Voor het opstellen van de " EG "-verklaring van conformiteit of geschiktheid voor gebruik van een interoperabiliteitsonderdeel, past een fabrikant of diens in de Europese Unie gevestigde gemachtigde de desbetreffende TSI's toe.
  Telkens de corresponderende TSI het voorschrijft, wordt de beoordeling van de conformiteit of de geschiktheid voor gebruik van een interoperabiliteitsonderdeel uitgevoerd door de aangemelde instantie waarbij de fabrikant of diens in de Europese Unie gevestigde gemachtigde daartoe een aanvraag heeft ingediend.
  Wanneer op interoperabiliteitsonderdelen regelgevingen van toepassing zijn die andere Europese Richtlijnen betreffende andere aspecten omzetten, geeft de " EG "-verklaring van conformiteit of geschiktheid voor gebruik aan dat de betrokken interoperabiliteitsonderdelen eveneens aan de eisen van die andere regelgevingen voldoen.

  Art. 164. Wanneer noch de fabrikant, noch diens gemachtigde de in artikel 163, eerste en derde lid genoemde verplichtingen heeft vervuld, gaan deze verplichtingen over op eenieder die het interoperabiliteitsonderdeel op de markt brengt.
  Wat deze Spoorcodex betreft, gelden dezelfde verplichtingen, voor degene die interoperabiliteitsonderdelen van diverse herkomst of delen daarvan assembleert dan wel voor eigen gebruik vervaardigt.

  Afdeling 4. - Beperkingen of verbod op het gebruik van interoperabiliteitsonderdelen

  Onderafdeling 1. - Niet-naleving van de procedure voor de " EG "-verklaring van conformiteit of geschiktheid voor gebruik

  Art. 165. Wanneer de veiligheidsinstantie vaststelt dat de " EG "-verklaring van conformiteit of geschiktheid voor gebruik ten onrechte is opgesteld, stelt zij de fabrikant of diens in de Europese Unie gevestigde gemachtigde, voor zover nodig, in gebreke om het interoperabiliteitsonderdeel in overeenstemming te brengen en een einde te stellen aan de inbreuk overeenkomstig de door de Koning vast te stellen nadere regels.
  Indien de niet-naleving blijft voortduren, neemt de veiligheidsinstantie alle gepaste maatregelen om het op de markt brengen van het betrokken interoperabiliteitsonderdeel te beperken of te verbieden of het uit de handel te laten nemen volgens de in artikel 166 bedoelde procedure.
  Het eerste en het tweede lid zijn van toepassing onder voorbehoud van de bepalingen van artikel 166.

  Onderafdeling 2. - Het niet voldoen van interoperabiliteitsonderdelen aan de essentiële eisen

  Art. 166. Wanneer de veiligheidsinstantie vaststelt dat een interoperabiliteitsonderdeel dat voorzien is van de " EG "-verklaring van conformiteit of geschiktheid voor gebruik en op de markt werd gebracht, de naleving van de essentiële eisen in gevaar dreigt te brengen indien het conform zijn bestemming wordt gebruikt, neemt zij alle gepaste maatregelen om het toepassingsgebied van dat onderdeel te beperken, het gebruik ervan te verbieden of het uit de handel te nemen overeenkomstig de door de Koning vast te stellen nadere regels.
  De veiligheidsinstantie stelt de Europese Commissie onmiddellijk in kennis van de genomen maatregelen en geeft de redenen van haar beslissing aan, met name of het gebrek aan conformiteit het gevolg is van ofwel het niet voldoen aan de essentiële eisen, ofwel van een gebrekkige toepassing van de Europese specificaties voor zover de toepassing van deze specificaties wordt aangehaald, ofwel van de ontoereikendheid van de Europese specificaties.

  Art. 167. Wanneer de veiligheidsinstantie vaststelt dat een interoperabiliteitsonderdeel dat voorzien is van de " EG "-verklaring van conformiteit of geschiktheid voor gebruik niet conform blijkt te zijn, beperkt zij het toepassingsgebied van dat onderdeel, neemt het uit de handel en verbiedt het gebruik ervan, of neemt gepaste maatregelen ten aanzien van degene die de verklaring heeft opgesteld, overeenkomstig de door de Koning vast te stellen nadere regels.
  Zij stelt de Europese Commissie en de veiligheidsinstanties van de andere lidstaten van de Europese Unie daarvan in kennis.

  HOOFDSTUK 4. - Subsystemen

  Afdeling 1. - Procedure voor de indienststelling

  Art. 168.§ 1. Met toepassing van artikel 74, 1°, en onverminderd de bepalingen van hoofdstuk 5, geeft de veiligheidsinstantie [1 toelating tot]1 de indienststelling van de in België ingeplante of uitgebate subsystemen van structurele aard die deel uitmaken van het spoorwegsysteem.
  § 2. De subsystemen van structurele aard mogen enkel in dienst worden gesteld indien zij zodanig zijn ontworpen, geconstrueerd en geïnstalleerd dat zij voldoen aan de erop van toepassing zijnde essentiële eisen, indien zij in het spoorwegsysteem zijn opgenomen.
  § 3. De veiligheidsinstantie gaat in het bijzonder na :
  1° de technische compatibiliteit van deze subsystemen met het systeem waarin ze worden opgenomen;
  2° de veilige integratie van deze subsystemen in overeenstemming met de verordening nr. 352/2009 van de Commissie van 24 april 2009 betreffende de vaststelling van een gemeenschappelijke veiligheidsmethode voor risico-evaluatie en-beoordeling als bedoeld in artikel 6, lid 3, onder a), van de Richtlijn 2004/49/EG van het Europees Parlement en de Raad en met artikel 94.
  § 4. Alvorens deze subsystemen in dienst worden gesteld, gaat de veiligheidsinstantie na of zij voldoen aan de van toepassing zijnde TSI's inzake uitbating en onderhoud.
  § 5. De subsystemen van structurele aard zijn onderworpen :
  1° aan de " EG "-keuringsprocedure, aan de hand van de van toepassing zijnde TSI's;
  2° alsook aan de keuringsprocedure van de veiligheidsvoorschriften, aan de hand van deze veiligheidsvoorschriften.
  § 6. Na de indienststelling van deze subsystemen verloopt de controle :
  1° voor de infrastructuur, in het kader van de toekenning van en het toezicht op de veiligheidsvergunningen, overeenkomstig artikel 95;
  2° voor de voertuigen, in het kader van de toekenning van en het toezicht op de veiligheidscertificaten, overeenkomstig artikel 99.
  § 7. De beoordelings- en keuringsprocedures zijn deze die zijn omschreven in de desbetreffende structurele en functionele TSI's.
  [2 § 8. De Koning bepaalt de nadere regels van indiening van de aanvraag, de procedure en de voorwaarden voor het verkrijgen van de toelating tot indienststelling van de subsystemen.]2
  ----------
  (1)<W 2015-06-15/03, art. 70, 007; Inwerkingtreding : 23-07-2015>
  (2)<W 2017-11-23/15, art. 47, 011; Inwerkingtreding : 21-12-2017>

  Art. 169. Onder voorbehoud van de bepalingen van artikel 168, kan de veiligheidsinstantie, op grond van deze Spoorcodex, de constructie, indienststelling en exploitatie van subsystemen van structurele aard die deel uitmaken van het spoorwegsysteem en die aan de essentiële eisen voldoen, niet verbieden, beperken of belemmeren.
  De veiligheidsinstantie mag geen controles eisen die reeds zijn uitgevoerd :
  1° in het kader van de procedure die tot de " EG "-keuringsverklaring heeft geleid en waarvan de bestanddelen in bijlage 18 worden vermeld;
  2° in andere lidstaten van de Europese Unie, voor of na 19 juli 2008, en die er toe strekken na te gaan of voldaan wordt aan gelijke eisen onder gelijke exploitatievoorwaarden.

  Afdeling 2. - Conformiteit met de TSI's en de nationale voorschriften

  Art. 170. De subsystemen van structurele aard die deel uitmaken van het spoorwegsysteem en voorzien zijn van de " EG "-keuringsverklaring worden als interoperabel en conform de essentiële eisen beschouwd.
  De verificatie van de interoperabiliteit, met inachtneming van de essentiële eisen, van een subsysteem van structurele aard dat deel uitmaakt van het spoorwegsysteem, geschiedt aan de hand van de TSI's, indien deze bestaan.
  De " EG "-keuringsverklaring van de subsystemen voldoet aan de in bijlage 18 vermelde criteria.

  Art. 171. § 1. De veiligheidsinstantie stelt voor elk subsysteem een lijst van veiligheidsvoorschriften op die gebruikt wordt voor de naleving van de essentiële eisen, wanneer er geen relevante TSI's bestaan, of er op grond van artikel 159 kennis is gegeven van een afwijking, of het in specifieke gevallen nodig is veiligheidsvoorschriften na te leven die nog niet in de desbetreffende TSI's zijn opgenomen.
  In deze gevallen wordt elk subsysteem van structurele aard onderworpen aan de keuringsprocedure zoals bedoeld in bijlage 19, punt 3.
  § 2. De veiligheidsinstantie brengt de lijst met de veiligheidsvoorschriften voor elk subsysteem alsmede de aangewezen instanties die belast zijn met de keuringsprocedure van deze veiligheidsvoorschriften met toepassing van artikel 174, ter kennis aan de Europese Commissie.
  Deze lijst wordt ter kennis gebracht :
  1° hetzij telkens wanneer een wijziging wordt aangebracht aan de lijst van technische regels die bij toepassing van artikel 17, § 3, van Richtlijn 2008/57/EG ter kennis werd gebracht;
  2° hetzij na de aanmelding van de afwijking;
  3° hetzij na de publicatie van de betrokken TSI.
  § 3. De veiligheidsinstantie brengt de voorschriften en beperkingen die van strikt plaatselijke aard zijn, niet ter kennis van de Europese Commissie maar vermeldt deze in het in artikel 211 bedoelde infrastructuurregister.
  § 4. De veiligheidsinstantie ziet erop toe dat bindende veiligheidsvoorschriften worden gepubliceerd en worden meegedeeld aan de infrastructuurbeheerder, aan alle spoorwegondernemingen en aan alle aanvragers van toelatingen tot indienststelling, en dit in een heldere en voor alle betrokkenen begrijpbare taal.

  Afdeling 3. - Procedure voor de opstelling van de " EG "-keuringsverklaring

  Onderafdeling 1. - " EG "-keuringsverklaring

  Art. 172. § 1. Voor de opstelling van de " EG "-keuringsverklaring doet de aanbestedende dienst, de constructeur of hun in de Europese Unie gevestigde gemachtigde, een beroep op een aangemelde instantie en laat haar de in bijlage 19 bedoelde " EG "-keuringsprocedure inleiden.
  § 2. De taak van de met de " EG "-keuring van een subsysteem belaste aangemelde instantie begint in het ontwerpstadium en bestrijkt de gehele bouwperiode tot het stadium van de oplevering vóór de indienststelling van het subsysteem.
  Tot die taak behoort ook de keuring van de interfaces van het betrokken subsysteem met het systeem waarvan het deel uitmaakt, op grond van de informatie in de desbetreffende TSI en in de registers bedoeld in de artikelen 210, § 4, 3°, en 211.
  § 3. De aangemelde instantie is verantwoordelijk voor de samenstelling van het technisch dossier en voor het opstellen van het " EG "-keuringscertificaat dat de " EG "-keuringsverklaring, opgemaakt door de aanvrager, moet vergezellen.
  Dit technisch dossier moet alle nodige documenten betreffende de kenmerken van het subsysteem bevatten, alsmede in voorkomend geval alle stukken waaruit de conformiteit van de interoperabiliteitsonderdelen blijkt.
  Ook moet het alle gegevens inzake de gebruiksvoorwaarden en -beperkingen, alsmede inzake de voorschriften voor instandhouding, permanent of periodiek toezicht, afregeling en onderhoud bevatten.
  § 4. Voor zover toegestaan door de desbetreffende TSI, kan de aangemelde instantie verklaringen van conformiteit afgeven die betrekking hebben op bepaalde onderdelen van de subsystemen of op een serie van subsystemen.

  Onderafdeling 2. - Tussentijdse " EG "-keuringsverklaring

  Art. 173. Op grond van de door de aangemelde instantie afgegeven bevestigingen van tussentijdse controle kunnen de aanbestedende dienst, de constructeur of hun lasthebber in de Europese Unie, tussentijdse " EG "-keuringsverklaringen opstellen over bepaalde stadia van de keuringsprocedure of bepaalde delen van het subsysteem in overeenstemming met de in bijlage 19 bedoelde procedure.

  Onderafdeling 3. - Keuringsverklaring voor de veiligheidsvoorschriften

  Art. 174. § 1. Bij toepassing van artikel 157 en artikel 171 kiest de aanbestedende dienst, de constructeur of hun in de Europese Unie gevestigde gemachtigde, voor het opstellen van een keuringsverklaring voor de veiligheidsvoorschriften, een aangewezen instantie uit en laat haar de keuringsprocedure voor de veiligheidsvoorschriften uitvoeren.
  De keuringsverklaring stemt overeen met de in bijlage 18, punt 2, vermelde criteria.
  § 2. De taak van de aangewezen instantie belast met de keuring van een subsysteem aan de hand van de veiligheidsvoorschriften begint in het ontwerpstadium en bestrijkt de gehele bouwperiode tot het stadium van de oplevering vóór de indienststelling van het subsysteem.
  Tot die taak behoort ook de keuring van de interfaces van het betrokken subsysteem ten opzichte van het systeem waarvan het deel uitmaakt.
  § 3. De aangewezen instantie is verantwoordelijk voor de samenstelling van het technisch dossier dat de keuringsverklaring voor de veiligheidsvoorschriften moet vergezellen.
  Dit technisch dossier bevat alle nodige elementen inzake de gebruiksvoorwaarden en -beperkingen, de voorschriften voor de instandhouding, permanent of periodiek toezicht, afregeling en onderhoud.

  Onderafdeling 4. - Tussentijdse keuringsverklaring voor de veiligheidsvoorschriften

  Art. 175. Tussentijdse keuringsverklaringen voor de veiligheidsvoorschriften kunnen door de aanbestedende dienst, de constructeur of hun lasthebber in de Europese Unie op grond van de door de aangewezen instantie afgegeven tussentijdse keuringsverklaringen, voor bepaalde stadia van de keuringsprocedure voor de veiligheidsvoorschriften worden opgesteld.

  Afdeling 4. - Beperking van de indienststelling van een subsysteem van structurele aard

  Art. 176. Indien de veiligheidsinstantie constateert dat een subsysteem van structurele aard dat voorzien is van de " EG "-keuringsverklaring, vergezeld van het technisch dossier, niet geheel aan de bepalingen van deze Spoorcodex en meer bepaald aan de essentiële eisen voldoet, kan zij verzoeken dat aanvullende keuringen worden verricht.
  De veiligheidsinstantie stelt de Europese Commissie onmiddellijk op de hoogte van de gevraagde aanvullende keuringen, die ze motiveert, en verduidelijkt of de aanvullende keuring haar grondslag vindt, ofwel in het niet voldoen aan de essentiële eisen of aan een TSI, ofwel in een gebrekkige toepassing van een TSI, ofwel in de ontoereikendheid van een TSI.

  Afdeling 5. [1 - Indienststelling van bestaande subsystemen na een vernieuwing of een verbetering]1
  ----------
  (1)<W 2017-11-23/15, art. 48, 011; Inwerkingtreding : 21-12-2017>

  Onderafdeling 1.
  <Opgeheven bij W 2017-11-23/15, art. 49, 011; Inwerkingtreding : 21-12-2017>

  Art. 177.
  <Opgeheven bij W 2017-11-23/15, art. 49, 011; Inwerkingtreding : 21-12-2017>

  Onderafdeling 2.
  <Opgeheven bij W 2017-11-23/15, art. 50, 011; Inwerkingtreding : 21-12-2017>

  Art. 178.[1 § 1. In geval van vernieuwing of verbetering dient de aanbestedende dienst, de constructeur of hun lasthebber in de Europese Unie een conceptdossier in bij de veiligheidsinstantie waarin het project beschreven wordt.
   De Koning bepaalt de procedure en de nadere regels van indiening van het conceptdossier bedoeld in het eerste lid.
   § 2. Na het dossier te hebben bestudeerd, beslist de veiligheidsinstantie, mede in het licht van de uitvoeringsstrategie vermeld in de van toepassing zijnde TSI, of de omvang van de werkzaamheden het rechtvaardigt dat een nieuwe toelating tot indienststelling in de zin van deze Spoorcodex wordt vereist.
   Een nieuwe toelating tot indienststelling is steeds vereist wanneer de voorgenomen werkzaamheden negatieve gevolgen kunnen hebben voor het algemeen veiligheidsniveau van het betrokken subsysteem.
   § 3. De veiligheidsinstantie neemt een beslissing uiterlijk vier maanden na de indiening van het volledige conceptdossier.
   Als zij beslist dat een nieuwe toelating nodig is, vermeldt zij in haar beslissing in welke mate de TSI's op het project moeten worden toegepast.
   Als een nieuwe toelating nodig is, dient de aanbestedende dienst, de constructeur of hun lasthebber in de Europese Unie een aanvraag in volgens de nadere regels bepaald door de Koning overeenkomstig artikel 168, § 8.
   § 4. Wanneer de TSI niet volledig wordt toegepast, stelt de veiligheidsinstantie de Europese Commissie in kennis van de redenen, de technische kenmerken die van toepassing zijn in plaats van de TSI, en de instanties die, wat voormelde kenmerken betreft, belast zijn met de keuringsprocedure bedoeld in artikel 174.]1
  ----------
  (1)<W 2017-11-23/15, art. 51, 011; Inwerkingtreding : 21-12-2017>

  Art. 179.
  <Opgeheven bij W 2017-11-23/15, art. 50, 011; Inwerkingtreding : 21-12-2017>

  HOOFDSTUK 5. - Voertuigen

  Afdeling 1. - Toelating tot indienststelling

  Art. 180.Behoudens andersluidende bepalingen in onderhavig hoofdstuk, wordt de indienststelling van een voertuig toegestaan door de veiligheidsinstantie alvorens dat voertuig op het [1 net]1 mag worden gebruikt.
  Elke door een lidstaat verleende toelating tot indienststelling is in België geldig, onverminderd het bepaalde in de artikelen 193 en 197.
  De toelatingen tot indienststelling die overeenkomstig de bepalingen van deze afdeling worden verleend, doen geen afbreuk aan andere voorwaarden die krachtens titel 4 moeten worden nageleefd door de spoorwegondernemingen en de spoorweginfrastructuurbeheerder wat de exploitatie van dergelijke voertuigen op het [1 net]1 betreft.
  De Koning bepaalt de nadere regels voor het indienen van de aanvraag, de procedure en de verwervingsvoorwaarden voor de indienststelling van de voertuigen.
  ----------
  (1)<W 2015-06-15/03, art. 83,1°, 007; Inwerkingtreding : 23-07-2015>

  Art. 180/1. [1 § 1. In geval van vernieuwing of verbetering dient de aanbestedende dienst, de constructeur of hun lasthebber in de Europese Unie een conceptdossier in bij de veiligheidsinstantie waarin het project beschreven wordt volgens de door de Koning te bepalen nadere regels.
   De Koning bepaalt de procedure en de nadere regels van indiening van het conceptdossier bedoeld in het eerste lid.
   § 2. Na het dossier te hebben bestudeerd, beslist de veiligheidsinstantie, mede in het licht van de uitvoeringsstrategie vermeld in de van toepassing zijnde TSI, of de omvang van de werkzaamheden het rechtvaardigt dat een nieuwe toelating tot indienststelling in de zin van deze Spoorcodex wordt vereist.
   Een nieuwe toelating tot indienststelling is steeds vereist wanneer de voorgenomen werkzaamheden negatieve gevolgen kunnen hebben voor het algemeen veiligheidsniveau van het betrokken voertuig.
   § 3. De veiligheidsinstantie neemt een beslissing uiterlijk vier maanden na de indiening van het volledige conceptdossier.
   Als zij beslist dat een nieuwe toelating nodig is, vermeldt zij in haar beslissing in welke mate de TSI's op het project moeten worden toegepast.
   Als een nieuwe toelating nodig is, dient de aanbestedende dienst, de constructeur of hun lasthebber in de Europese Unie een aanvraag in volgens de nadere regels bepaald door de Koning overeenkomstig artikel 180, vierde lid.]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij W 2017-11-23/15, art. 52, 011; Inwerkingtreding : 21-12-2017>
  

  Art. 181. Een TSI-conform voertuig wordt toegelaten overeenkomstig de artikelen 189 tot 194.
  Een niet-TSI-conform voertuig wordt toegelaten overeenkomstig de artikelen 195 tot 198.
  Een voertuig dat conform is met een toegelaten type wordt toegelaten overeenkomstig artikel 199.

  Art. 182. De veiligheidsinstantie neemt een beslissing over alle aanvragen om een toelating tot indienststelling van een voertuig, overeenkomstig de artikelen 190, 193, 196 en 197.

  Art. 183. De beslissing om de indienststelling van een voertuig toe te laten mag gebruiksvoorwaarden en andere beperkingen bevatten.

  Art. 184. De aanvrager kan binnen een termijn van één maand na ontvangst van de beslissing tot weigering van de indienststelling van een voertuig, wegens behoorlijk gerechtvaardigde redenen, de veiligheidsinstantie verzoeken om haar beslissing tot weigering van de indienststelling van een voertuig te herzien.
  De veiligheidsinstantie beschikt over een termijn van twee maanden vanaf de ontvangst van het verzoek tot herziening om haar beslissing te bevestigen of ongedaan te maken.

  Art. 185.Indien binnen de door de artikelen 194 en 198 voorgeschreven termijn geen beslissing werd genomen door de veiligheidsinstantie, wordt de indienststelling van het voertuig beschouwd als toegelaten na een periode van drie maanden na afloop van deze termijnen.
  In dat geval geldt de toelating tot indienststelling van het voertuig alleen voor het Belgische [1 net]1.
  In het geval dat een voertuig stilzwijgend zou zijn toegelaten in een andere lidstaat van de Europese Unie, als gevolg van de toepassing van een bepaling soortgelijk aan de in het eerste lid vervatte bepaling, is dergelijke toelating tot indienststelling niet geldig in België.
  ----------
  (1)<W 2015-06-15/03, art. 83,1°, 007; Inwerkingtreding : 23-07-2015>

  Art. 186. De intrekking door de veiligheidsinstantie van de toelating tot indienststelling die zij zelf heeft verleend of van een toelating die de aanvrager werd verleend op grond van artikel 185, geschiedt door middel van de procedure tot herziening van de veiligheidscertificaten en de veiligheidsvergunningen overeenkomstig hoofdstuk 4 van titel 4.

  Art. 187. De veiligheidsinstantie mag toelatingen voor de indienststelling voor een serie voertuigen verlenen.
  De veiligheidsinstantie brengt de aanvragers, door middel van een publicatie op haar website, op de hoogte van de te volgen praktische regels.

  Art. 188. In afwijking van de artikelen 189 tot 198, blijven de toelatingen tot indienststelling die zijn afgegeven vóór 19 juli 2008, met inbegrip van de toelatingen die in het kader van de internationale overeenkomsten, in het bijzonder de RIC (Regolamento Internazionale Carrozze) en de RIV (Regolamento Internazionale Veicoli), zijn verleend, geldig overeenkomstig de voorwaarden waaronder ze zijn verleend.

  Afdeling 2. - Indienststelling van voertuigen conform de TSI's

  Onderafdeling 1. - Eerste toelating tot indienststelling

  Art. 189. Deze onderafdeling is van toepassing op voertuigen die voldoen aan alle relevante TSI's die op het ogenblik van indienststelling van kracht zijn, op voorwaarde dat een aanzienlijk aantal van de essentiële eisen voor een groot deel in deze TSI's zijn opgenomen en dat de relevante TSI inzake rollend materieel in werking is getreden en van toepassing is.

  Art. 190. Wanneer voor alle subsystemen van structurele aard betreffende het betrokken voertuig een toelating is afgegeven overeenkomstig de bepalingen van hoofdstuk 4, wordt de eerste toelating tot indienststelling door de veiligheidsinstantie afgegeven zonder verdere controles.

  Art. 191.Wanneer het betrokken voertuig is voorzien van alle " EG "-keuringsverklaringen overeenkomstig artikel 172, beperkt de controle van de veiligheidsinstantie wat de toelating tot indienststelling van het voertuig betreft, zich tot wat volgt :
  1° de technische verenigbaarheid tussen de betrokken subsystemen van het voertuig en de veilige integratie ervan overeenkomstig de procedure bedoeld in de betrokken structurele en functionele TSI's;
  2° de technische verenigbaarheid tussen het voertuig en het betrokken [1 net]1;
  3° de veiligheidsvoorschriften die van toepassing zijn op de openstaande punten;
  4° de veiligheidsvoorschriften die van toepassing zijn op de specifieke gevallen die in de relevante TSI's naar behoren zijn omschreven.
  ----------
  (1)<W 2015-06-15/03, art. 83,1°, 007; Inwerkingtreding : 23-07-2015>

  Onderafdeling 2. - Aanvullende toelatingen voor de indienststelling

  Art. 192.Voertuigen die volledig in overeenstemming zijn met TSI's die alle aspecten van de relevante subsystemen zonder specifieke gevallen en openstaande punten die strikt verband houden met de technische verenigbaarheid tussen voertuig en [2 net]2 bestrijken, behoeven geen aanvullende toelating voor indienststelling zolang zij rijden op TSI-conforme [1 netten]1 of onder de in de bijbehorende TSI gespecificeerde voorwaarden.
  ----------
  (1)<W 2015-06-15/03, art. 83,3°, 007; Inwerkingtreding : 23-07-2015>
  (2)<W 2015-06-15/03, art. 83,1°, 007; Inwerkingtreding : 23-07-2015>

  Art. 193.§ 1. De veiligheidsinstantie beslist of aanvullende toelatingen tot indienststelling vereist zijn voor een voertuig dat is voorzien van een eerste toelating tot indienststelling, in toepassing van artikel 190 of overeenkomstig de principes vervat in artikel 22 van de Richtlijn 2008/57/EG, voor zover het geen voertuig betreft zoals bedoeld in artikel 192.
  § 2. Om te voldoen aan de aanvraag voor aanvullende toelatingen, legt de aanvrager de veiligheidsinstantie een dossier voor betreffende het voertuig of het voertuigtype en het beoogde gebruik ervan op het [1 net]1.
  § 3. Het dossier bevat de volgende gegevens :
  1° de stukken die bewijzen dat in een andere lidstaat van de Unie een toelating tot indienststelling van het voertuig is afgegeven overeenkomstig artikel 22 van de Richtlijn 2008/57/EG;
  2° een exemplaar van het technisch dossier bedoeld in bijlage 19 met inbegrip, wat betreft de voertuigen die zijn uitgerust met gegevensrecorders, van de gegevens betreffende de procedure voor het verzamelen van gegevens opdat deze gegevens zouden kunnen worden gelezen en geëvalueerd, voor zover deze gegevens niet zijn geharmoniseerd door de corresponderende TSI's;
  3° de registers betreffende de voorgeschiedenis van de staat van dienst van het voertuig, van zijn onderhoud, en, desgevallend, de na de afgifte van de toelating aangebrachte technische aanpassingen;
  4° de technische en operationele kenmerken waaruit blijkt dat het voertuig verenigbaar is met de infrastructuur en de vaste installaties en met de andere [1 netwerkvereisten]1.
  § 4. De controle die de veiligheidsinstantie in het kader van de aanvraag voor een aanvullende toelating verricht, is beperkt tot de volgende criteria :
  1° de technische verenigbaarheid tussen het voertuig en het [1 net]1, met inbegrip van de veiligheidsvoorschriften die van toepassing zijn op openstaande punten en die nodig zijn om deze verenigbaarheid te waarborgen;
  2° de veiligheidsvoorschriften die van toepassing zijn op de specifieke gevallen die in de betrokken TSI's zijn omschreven.
  § 5. Teneinde de in § 4 bedoelde criteria na te gaan, kan de veiligheidsinstantie verzoeken dat aanvullende informatie wordt verstrekt, dat risicoanalyses worden uitgevoerd overeenkomstig artikelen 89 en 90 van hoofdstuk 3 van titel 4 of dat testen op het [1 net]1 worden verricht.
  In afwijking van het eerste lid en na goedkeuring van het in artikel 200 bedoelde referentiedocument, kan deze controle alleen worden verricht op basis van de in categorieën B of C van dit document opgenomen nationale voorschriften.
  § 6. De veiligheidsinstantie bepaalt, na raadpleging van de aanvrager, de draagwijdte en de inhoud van de gevraagde aanvullende informatie, risicoanalyses en testen.
  Teneinde de gevraagde aanvullende testen te laten plaatsvinden, zoals bedoeld in het eerste lid, doet de spoorweginfrastructuurbeheerder, in overleg met de aanvrager, al het mogelijke om ervoor te zorgen dat deze testen plaatsvinden binnen de drie maanden na zijn verzoek.
  Desgevallend treft de veiligheidsinstantie maatregelen om te waarborgen dat de testen plaatsvinden.
  ----------
  (1)<W 2015-06-15/03, art. 83,1°, 007; Inwerkingtreding : 23-07-2015>
  

  Art. 194.De veiligheidsinstantie neemt de beslissing betreffende de aanvullende toelating tot indienststelling ten laatste :
  1° twee maanden na de indiening van het in artikel 193, [1 §§ 2 en 3]1, bedoelde dossier;
  2° desgevallend, één maand na het verstrekken van aanvullende informatie zoals bedoeld in artikel 193, § 5;
  3° desgevallend, één maand na het verstrekken van de resultaten van de testen die op verzoek van de veiligheidsinstantie werden uitgevoerd overeenkomstig artikel 193, § 6.
  ----------
  (1)<W 2017-11-23/15, art. 53, 011; Inwerkingtreding : 21-12-2017>

  Afdeling 3. - Indienststelling van niet-TSI-conforme voertuigen

  Onderafdeling 1. - Eerste toelating tot indienststelling

  Art. 195. Deze onderafdeling is van toepassing op voertuigen die niet voldoen aan alle relevante TSI's die op het ogenblik van hun indienststelling van kracht zijn, met inbegrip van voertuigen waarvoor afwijkingen gelden, of wanneer een belangrijk gedeelte van de essentiële eisen niet is opgenomen in één of meer TSI's.

  Art. 196.De veiligheidsinstantie verleent de eerste toelating tot indienststelling als volgt :
  1° desgevallend na het vervullen van de " EG "-keuringsprocedure wat de technische aspecten die onder de TSI vallen, betreft;
  2° na het vervullen van de keuringsprocedure voor de veiligheidsvoorschriften wat de andere technische aspecten betreft.
  De eerste toelating tot indienststelling is alleen geldig op het Belgische [1 spoorwegnet]1.
  ----------
  (1)<W 2015-06-15/03, art. 83,2°, 007; Inwerkingtreding : 23-07-2015>

  Onderafdeling 2. - Aanvullende toelatingen tot indienststelling

  Art. 197.§ 1. De veiligheidsinstantie beslist of aanvullende toelatingen tot indienststelling zijn vereist voor een voertuig waarvoor in een andere lidstaat van de Unie overeenkomstig artikel 21, § 12 van de Richtlijn 2008/57/EG of overeenkomstig artikel 24 van de Richtlijn 2008/57/EG, een toelating tot indienststelling werd verleend.
  § 2. Teneinde te voldoen aan de in dit artikel bedoelde aanvraag voor aanvullende toelatingen, legt de aanvrager de veiligheidsinstantie een technisch dossier voor betreffende het voertuig of het voertuigtype met vermelding van het beoogde gebruik ervan op het [1 net]1.
  § 3. Het dossier bevat de volgende gegevens :
  1° de bewijsstukken dat in een andere lidstaat een toelating tot indienststelling is afgegeven en documenten betreffende de gevolgde procedure om aan te tonen dat het voertuig voldoet aan de geldende veiligheidseisen, met inbegrip van, desgevallend, informatie over de afwijkingen waarvan het heeft genoten of die conform artikel 159 werden verleend, of overeenkomstig de principes vervat in artikel 9 van de Richtlijn 2008/57/EG;
  2° de technische gegevens, het onderhoudsprogramma en de operationele kenmerken, met inbegrip van, wat de voertuigen die zijn uitgerust met gegevensrecorders betreft, informatie over de procedure voor het verzamelen van gegevens opdat deze gegevens zouden kunnen worden gelezen en geëvalueerd zoals bedoeld in artikel 113, punt c.
  3° de registers betreffende de voorgeschiedenis van de dienst van het voertuig, van zijn onderhoud en, desgevallend, de na de afgifte van de toelating aangebrachte technische aanpassingen;
  4° de technische en operationele kenmerken waaruit blijkt dat het voertuig verenigbaar is met de infrastructuur, de vaste installaties en de andere [1 netvereisten]1.
  § 4. De veiligheidsinstantie mag de in § 3, 1° en 2° bedoelde gegevens niet in twijfel trekken, behalve wanneer zij het bestaan van een belangrijk veiligheidsrisico kan aantonen, onverminderd artikel 169.
  Met name kan de veiligheidsinstantie zich na de goedkeuring van het in artikel 200 bedoelde referentiedocument niet meer beroepen op een in dat document opgenomen nationaal voorschrift van categorie A.
  § 5. Teneinde de conformiteit van de in § 3, 3° en 4°, bedoelde elementen te controleren aan de hand van de veiligheidsvoorschriften, kan de veiligheidsinstantie verzoeken dat aanvullende informatie wordt verstrekt, risicoanalyses worden verricht en testen op het [1 net]1 worden uitgevoerd.
  In afwijking van het bepaalde in het eerste lid kan deze controle alleen worden verricht op basis van de in de categorieën B of C van dit document opgenomen nationale voorschriften, en dit na goedkeuring van het in artikel 200 bedoelde referentiedocument.
  § 6. De veiligheidsinstantie legt, in overleg met de aanvrager, de reikwijdte en de inhoud van de gevraagde aanvullende informatie, risicoanalyses en testen vast.
  Op verzoek van de veiligheidsinstantie en teneinde de gevraagde aanvullende testen te laten plaatsvinden, doet de infrastructuurbeheerder, in overeenstemming met de aanvrager, al het mogelijke om ervoor te zorgen dat deze testen plaatsvinden binnen de drie maanden na het verzoek van laatstgenoemde.
  Indien nodig treft de veiligheidsinstantie maatregelen om te waarborgen dat de tests plaatsvinden.
  ----------
  (1)<W 2015-06-15/03, art. 83,1°, 007; Inwerkingtreding : 23-07-2015>

  Art. 198.De veiligheidsinstantie neemt de beslissing betreffende de aanvullende toelating tot indienststelling ten laatste :
  1° vier maanden na de indiening van het in artikel 197, [1 §§ 2 en 3]1, bedoelde dossier;
  2° desgevallend, twee maanden na het verstrekken van aanvullende informatie of de risicoanalyses bedoeld in artikel 197, § 5;
  3° desgevallend, twee maanden na het verstrekken van de resultaten van de testen die op verzoek van de veiligheidsinstantie werden uitgevoerd overeenkomstig artikel 197, § 6.
  ----------
  (1)<W 2017-11-23/15, art. 54, 011; Inwerkingtreding : 21-12-2017>

  Afdeling 4. - Toelatingen per voertuigtype

  Art. 199.§ 1. De veiligheidsinstantie kan toelatingen per voertuigtype verlenen.
  § 2. Een toelating voor een voertuig heeft ook betrekking op het corresponderende voertuigtype.
  § 3. Het voertuig dat overeenstemt met een voertuigtype waarvoor reeds een toelating voor het Belgische [1 net]1 werd afgegeven, wordt op dat [1 net]1 toegelaten op basis van een door de aanvrager voorgelegde verklaring van conformiteit met dit voertuigtype, zonder verdere controles.
  § 4. In afwijking van § 3, beslist de veiligheidsinstantie of de afgegeven toelatingen per voertuigtype geldig blijven of moeten worden vernieuwd, indien de relevante bepalingen van de TSI's en nationale voorschriften op grond waarvan voor een voertuigtype een toelating is afgegeven, zijn gewijzigd.
  In geval van vernieuwing van een toelating per voertuigtype, beperkt de controle door de veiligheidsinstantie zich tot de gewijzigde regels.
  De vernieuwing van een toelating per voertuigtype heeft geen invloed op de toelatingen van voertuigen die op grond van een eerder toegelaten type werden afgegeven.
  § 5. De verklaring van conformiteit met het type wordt opgesteld in overeenstemming met :
  1° voor TSI-conforme voertuigen, de keuringsprocedures van de relevante TSI's;
  2° voor niet TSI-conforme voertuigen, de keuringsprocedures zoals omschreven in module D of in module E van het besluit nr. 768/2008/EG van het Europees Parlement en de Raad van 9 juli 2008 betreffende een gemeenschappelijk kader voor het verhandelen van producten en tot intrekking van besluit 93/465/EEG van de Raad.
  § 6. De aanvrager kan tegelijkertijd een typetoelating in andere lidstaten van de Europese Unie aanvragen.
  In voorkomend geval, kan de veiligheidsinstantie samenwerken met de veiligheidsinstanties van de andere lidstaten van de Europese Unie teneinde de procedure te vereenvoudigen en de administratieve inspanningen tot een minimum te beperken.
  § 7. Overeenkomstig artikel 26, § 7 van de Richtlijn 2008/57/EG, worden toelatingen per type geregistreerd in het in artikel 34 van de Richtlijn 2008/57/EG bedoelde Europese register van toegelaten voertuigtypes.
  In dit register worden de lidstaten van de Europese Unie vermeld waar een voertuigtype is toegelaten.
  ----------
  (1)<W 2015-06-15/03, art. 83,1°, 007; Inwerkingtreding : 23-07-2015>

  Afdeling 5. - Classificatie van de nationale voorschriften

  Art. 200. Met het oog op een vlotter verloop van de toelatingsprocedure voor de indienststelling van voertuigen zoals bedoeld in de artikelen 193 en 197, classificeert de veiligheidsinstantie de nationale voorschriften betreffende de in bijlage 20, punt 1 bedoelde parameters, overeenkomstig bijlage 20, punt 2.
  Het referentiedocument bedoeld in artikel 27 van de Richtlijn 2008/57/EG, bevat alle door de lidstaten toegepaste nationale voorschriften voor de indienststelling van voertuigen.
  De veiligheidsinstantie draagt bij tot het opstellen van het referentiedocument waarvan sprake in het tweede lid van dit artikel.

  HOOFDSTUK 6. - Aangemelde en aangewezen instanties

  Afdeling 1. - Aangemelde instanties

  Art. 201.[1 De instanties belast met de uitvoering van de procedure voor de beoordeling van de conformiteit of de geschiktheid voor gebruik bedoeld in de artikelen 162 tot 165 alsook van de keuringsprocedure bedoeld in artikel 172, die erkend willen worden als aangemelde instantie, voldoen aan de criteria van bijlage 21.]1
  ----------
  (1)<W 2017-11-23/15, art. 55, 011; Inwerkingtreding : 21-12-2017>

  Art. 202.[1 Om te kunnen worden erkend met het oog op hun aanmelding, moeten de betrokken instanties bewijzen dat zij geaccrediteerd zijn overeenkomstig de bepalingen van de Verordening (EG) Nr. 765/2008 van het Europees parlement en de Raad van 9 juli 2008 tot vaststelling van de eisen inzake accreditatie en markttoezicht betreffende het verhandelen van producten en tot intrekking van Verordening (EEG) nr. 339/93.
   De erkenning vermeld hun respectievelijke bevoegdheidsgebieden.
   De Koning bepaalt de nadere regels voor het indienen van een erkenningsdossier, de procedure voor de toekenning van de erkenning en de regels inzake controle, schorsing en intrekking van de erkenning.]1
  ----------
  (1)<W 2017-11-23/15, art. 56, 011; Inwerkingtreding : 21-12-2017>

  Art. 203.De Koning bepaalt welke entiteit de Europese Commissie en de andere lidstaten van de Europese Unie in kennis stelt van de instanties die [1 ...]1 werden erkend, onder vermelding van hun bevoegdheidsgebieden en hun voorafgaandelijk bij de Commissie bekomen identificatienummer.
  De entiteit bedoeld in het eerste lid, brengt tevens de Europese Commissie en de andere lidstaten van de Europese Unie onverwijld op de hoogte van de intrekking van de vergunning toegekend aan een instantie die niet langer voldoet aan de in bijlage 21 bedoelde criteria.
  ----------
  (1)<W 2017-11-23/15, art. 57, 011; Inwerkingtreding : 21-12-2017>

  Art. 204.Als blijkt dat een instantie die door een andere lidstaat van de Europese Unie werd aangemeld, niet langer voldoet [2 aan de criteria van bijlage 21]2, stelt [1 het bestuur]1 de Europese Commissie daarvan op de hoogte.
  ----------
  (1)<W 2015-06-15/03, art. 71, 007; Inwerkingtreding : 23-07-2015>
  (2)<W 2017-11-23/15, art. 58, 011; Inwerkingtreding : 21-12-2017>

  Afdeling 2. - Aangewezen instanties

  Art. 205.[1 De instanties die belast zijn met de uitvoering van de keuringsprocedure van conformiteit met de veiligheidsvoorschriften, bij afwezigheid van TSI's, wanneer de TSI's niet op het volledige netwerk van toepassing zijn, wanneer een afwijking werd aangemeld of wanneer in een specifiek geval de toepassing van de nationale voorschriften overeenkomstig artikel 174 noodzakelijk is, worden aangewezen volgens de door criteria bepaald door de Koning.
   De Koning bepaalt ook de nadere regels voor het indienen van de aanwijzingsaanvraag, de procedure voor de toekenning en de regels inzake controle, schorsing en intrekking van de aanwijzing.
   De aanwijzing vermeldt hun respectievelijke bevoegdheidsgebieden.]1
  ----------
  (1)<W 2017-11-23/15, art. 59, 011; Inwerkingtreding : 21-12-2017>

  Art. 206.
  <Opgeheven bij W 2017-11-23/15, art. 60, 011; Inwerkingtreding : 21-12-2017>

  Art. 207. Om te kunnen worden aangewezen moeten de betrokken instanties bewijzen dat zij voldoen aan de door de Koning vastgestelde criteria.

  Art. 208. De veiligheidsinstantie maakt een lijst met de aangewezen instanties bekend door middel van een publicatie op haar website.

  HOOFDSTUK 7. - Voertuigen- en infrastructuurregisters

  Afdeling 1. - Nummeringssysteem voor voertuigen

  Art. 209.Een Europees voertuignummer (EVN) wordt toegekend aan elk voertuig dat in het Europees spoorwegsysteem wordt in dienst gesteld, op het ogenblik van de eerste toelating tot indienststelling.
  De aanvrager van de eerste toelating tot indienststelling is verantwoordelijk voor het aanbrengen op het voertuig van het door de veiligheidsinstantie daaraan toegekende EVN, overeenkomstig de bepalingen van bijlage P van de TSI betreffende exploitatie en verkeersleiding.
  Een voertuig krijgt slechts één EVN toegekend, tenzij de TSI betreffende exploitatie en verkeersleiding een andersluidende bepaling bevat.
  In afwijking van het eerste lid, is het toegestaan een ander codificatiesysteem te gebruiken voor voertuigen die duidelijk geïdentificeerd zijn, indien deze voertuigen worden geëxploiteerd of bestemd zijn om te worden geëxploiteerd vanuit of naar derde landen waar de spoorbreedte verschilt van die van het [1 hoofdspoorwegnet]1 binnen de Europese Unie.
  ----------
  (1)<W 2015-06-15/03, art. 83,1°, 007; Inwerkingtreding : 23-07-2015>

  Afdeling 2. - Nationaal voertuigenregister

  Art. 210.§ 1. Er wordt een nationaal voertuigenregister van in België toegelaten voertuigen opgesteld.
  § 2. Het register wordt bijgewerkt door de veiligheidsinstantie. Ze neemt in het register, met betrekking tot de gegevens die het Belgische [1 net]1 betreffen, de aanpassingen over die door een andere lidstaat van de Europese Unie werden aangebracht.
  Zolang de nationale voertuigenregisters van de lidstaten niet met elkaar zijn verbonden, werkt de veiligheidsinstantie het register bij door met betrekking tot de hem betreffende gegevens de aanpassingen over te nemen die een andere lidstaat in zijn eigen register heeft aangebracht.
  § 3. Het register is toegankelijk voor de veiligheidsinstanties van de andere lidstaten van de Europese Unie, het onderzoeksorgaan, het toezichthoudende orgaan, het Bureau, de spoorwegondernemingen, de spoorweginfrastructuurbeheerder, alsook voor de personen en instanties die belast zijn met het registreren van voertuigen of die in het register zijn opgenomen [2 overeenkomstig de toegangsrechten bedoeld in punt 3.3. van de bijlage van de Beschikking 2007/756/EG van de Commissie van 9 november 2007 tot vaststelling van de gemeenschappelijke specificatie van het nationaal voertuigregister als bedoeld in de artikelen 14, leden 4 en 5, van de Richtlijnen 96/48/EG en 2001/16/EG]2.
  Wanneer de veiligheidsinstantie optreedt krachtens de bepalingen van dit artikel, dan leeft zij de bepalingen van de wet van 8 december 1992 tot bescherming van de persoonlijke levenssfeer ten opzichte van de verwerking van persoonsgegevens na.
  § 4. Het register is in overeenstemming met de door [2 de Europese Commissie]2 opgestelde gemeenschappelijke specificaties en bevat ten minste de volgende gegevens :
  1° het EVN;
  2° de referenties van de " EG "-keuringsverklaring en van de entiteit die deze verklaring heeft afgegeven;
  3° de referenties van het Europees register van toegelaten voertuigtypes zoals bedoeld in artikel 34 van de Richtlijn 2008/57/EG;
  4° de gegevens van de eigenaar en de houder van het voertuig;
  5° de eventuele beperkingen betreffende het gebruik van het voertuig;
  6° de met het onderhoud belaste entiteit.
  § 5. [2 De registratiehouder informeert onmiddellijk de veiligheidsinstantie, door middel van de formulieren die ter beschikking gesteld worden op haar internetsite van elke eventuele wijziging met betrekking tot de gegevens die in het nationaal voertuigenregister zijn ingevoerd, de vernietiging van een voertuig of zijn vraag tot definitieve verwijdering van de registratie van een voertuig uit het register.
   Bij gebrek aan informatie of indien gegevens onvolledig zijn of ontbreken, schorst de veiligheidsinstantie de registratie.
   Zij stelt de registratiehouder hiervan in kennis en nodigt deze uit de situatie te regulariseren.
   Bij gebrek aan regularisatie binnen de zes maanden na de datum van kennisgeving verwijdert de veiligheidsinstantie definitief de registratie.
   Een voertuig waarvan de registratie is geschorst of afgeschaft, mag niet worden ingezet op het spoorwegnet.
   Om opnieuw te mogen rijden moet een voertuig, waarvan de registratie verwijderd werd, het onderwerp uitmaken van een nieuwe aanvraag tot toelating overeenkomstig titel 6 hoofdstuk 5.]2
  § 6. In het geval van voertuigen die voor het eerst in een derde land in dienst zijn gesteld en waarvoor [2 de veiligheidsinstantie]2 een toelating voor indienststelling op zijn grondgebied heeft afgegeven, zorgt [2 de veiligheidsinstantie]2 ervoor dat de in § 4, 4° tot 6°, bedoelde gegevens via het nationaal voertuigenregister kunnen worden opgevraagd. De in § 4, 6° bedoelde gegevens kunnen worden vervangen door relevante veiligheidsgegevens met betrekking tot het onderhoudsschema.
  ----------
  (1)<W 2015-06-15/03, art. 83,1°, 007; Inwerkingtreding : 23-07-2015>
  (2)<W 2017-11-23/15, art. 61, 011; Inwerkingtreding : 21-12-2017>

  Afdeling 3. - Infrastructuurregister

  Art. 211.[1 De infrastructuurbeheerder publiceert een infrastructuurregister en houdt dit bij in overeenstemming met de gemeenschappelijke bepalingen bedoeld in artikel 212.
   De veiligheidsinstantie controleert dat het register gepubliceerd en bijgehouden wordt.]1
  ----------
  (1)<W 2017-11-23/15, art. 62, 011; Inwerkingtreding : 21-12-2017>

  Art. 212. In dit register worden voor elk betrokken subsysteem of deel daarvan de belangrijkste kenmerken aangegeven, zoals de fundamentele parameters, en in hoeverre deze overeenstemmen met de kenmerken die voorgeschreven zijn in de desbetreffende TSI's. Te dien einde schikt de spoorweginfrastructuurbeheerder zich naar elke TSI die nauwkeurig vermeldt welke informatie het infrastructuurregister moet bevatten.
  Hij leeft de door het Bureau opgestelde gemeenschappelijke specificaties na, wat de presentatie, het formaat, de bijwerkingscyclus en de gebruikswijze van het register betreft, waarbij rekening wordt gehouden met een passende overgangsperiode voor de infrastructuur die vóór 19 juli 2008 in dienst werd gesteld.

  TITEL 7. - Controle en inspectie van de spoorwegen

  HOOFDSTUK 1. - Controle en inspectie van de spoorwegen

  Art. 213.§ 1. De Koning wijst de personeelsleden van het Bestuur en de veiligheidsinstantie aan die belast zijn met het toezicht op de naleving van deze Spoorcodex en zijn uitvoeringsbesluiten.
  Zij kunnen :
  1° zich op elk moment, en zonder voorafgaande verwittiging, vrije toegang verschaffen tot al het rollend materieel of materieel bestemd om te rijden op de infrastructuur;
  2° alle vaststellingen doen, informatie inzamelen, verklaringen opnemen, zich documenten, stukken, boeken en voorwerpen doen vertonen en deze in beslag nemen welke nodig zijn bij het toezicht of nodig zijn om aan de inbreuk een einde te maken.
  Zij maken van hun toezichtrechten alleen gebruik voor zover dat redelijkerwijs nuttig wordt geacht voor de vervulling van hun toezichtopdrachten.
  Zij kunnen voor de uitvoering van hun opdrachten een beroep doen op de openbare macht.
  § 2. Ze hebben het recht op toegang :
  1° in de woning van de ondernemingsleiders, bestuurders, zaakvoerders, directeurs en andere personeelsleden van de betrokken onderneming alsook in de woning en de lokalen die gebruikt worden voor professionele doeleinden van natuurlijke en rechtspersonen, intern of extern, belast met het commercieel, boekhoudkundig, administratief, fiscaal en financieel beheer van die onderneming;
  2° in de hoofd- of de exploitatiezetel van de betrokken onderneming.
  Toegang tot de in het eerste lid bedoelde plaatsen kan slechts onder de volgende voorwaarden :
  1° ze hebben de voorafgaande en schriftelijke toestemming gekregen van de bewoner;
  2° ze werden ertoe voorafgaandelijk en schriftelijk gemachtigd door de onderzoeksrechter. In dat geval kunnen ze de woning en de bewoonde lokalen slechts betreden tussen 8 en 18 uur.
  § 3. De in § 1 bedoelde personeelsleden zijn onderworpen aan het beroepsgeheim wat betreft de verkregen informatie bij de uitoefening van hun toezichtopdrachten.
  [1 § 4. De in § 1 bedoelde personeelsleden vertonen bij de uitoefening van hun opdrachten hun legitimatiekaart waarvan de Koning het model bepaalt.]1
  ----------
  (1)<W 2017-11-23/15, art. 63, 011; Inwerkingtreding : 21-12-2017>

  HOOFDSTUK 2. - Bestuurlijke boetes

  Afdeling 1. [1 - Principes]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij W 2017-11-23/15, art. 64, 011; Inwerkingtreding : 21-12-2017>
  

  Art. 214.[1 § 1. De inbreuken bedoeld in dit hoofdstuk kunnen met een bestuurlijke boete worden bestraft.
   De inbreuken kunnen wegens onachtzaamheid of gebrek aan voorzorg werden begaan.
   § 2. Er zijn inbreuken van drie graden :
   1° De inbreuken van de eerste graad betreffen de feiten en gedragingen die geen impact hebben op de veiligheid van personen en die de werking van de veiligheidsinstantie of het onderzoeksorgaan niet ernstig belemmeren;
   2° De inbreuken van de tweede graad betreffen de feiten en gedragingen, die een directe of indirecte impact hebben op de veiligheid van personen, of die de werking van de veiligheidsinstantie of het onderzoeksorgaan ernstig belemmeren;
   3° De inbreuken van de derde graad betreffen de feiten en gedragingen die van die aard zijn dat ze een ongeval of een ernstig ongeval kunnen veroorzaken.
   De in het eerste lid, 1°, vermelde inbreuken kunnen met een bestuurlijke boete van 100 tot 1.000 euro worden bestraft.
   De in het eerste lid, 2°, vermelde inbreuken kunnen met een bestuurlijke boete van 500 tot 2.000 euro worden bestraft.
   De in het eerste lid, 3°, vermelde inbreuken kunnen met een bestuurlijke boete van 1.000 tot 8.000 euro worden bestraft.]1
  ----------
  (1)<W 2017-11-23/15, art. 65, 011; Inwerkingtreding : 21-12-2017>

  Art. 215.[1 § 1. In geval van verzachtende omstandigheden, kan de bestuurlijke boete verminderd worden zonder lager te zijn dan :
   1° 50 euro voor de inbreuken van de eerste graad;
   2° 250 euro voor de inbreuken van de tweede graad;
   3° 500 euro voor de inbreuken van de derde graad.
   § 2. Bij samenloop van verscheidene inbreuken worden alle bestuurlijke boetes gecumuleerd, zonder dat ze evenwel het dubbele van het maximum van de zwaarste bestuurlijke boete te boven mogen gaan.
   § 3. De maximumbedragen van de boetes worden verdubbeld indien de overtreder een bestuurlijke boete bedoeld door of krachtens dit hoofdstuk wordt opgelegd in de twee jaar :
   1° nadat een beslissing tot het opleggen van een bestuurlijke boete definitief is geworden; of
   2° nadat het arrest inzake het beroep tegen een beslissing tot het opleggen van een bestuurlijke boete in kracht van gewijsde is gegaan.
   § 4. De opdecimes bedoeld in artikel 1, eerste lid, van de wet van 5 maart 1952 betreffende de opdecimes op de strafrechtelijke geldboeten, zijn eveneens van toepassing op de bestuurlijke boetes bedoeld in dit hoofdstuk.
   § 5. De veiligheidsinstantie en het onderzoeksorgaan kunnen in hun beslissing tot het opleggen van een bestuurlijke boete bepalen dat indien de overtreder binnen een termijn van een jaar geen inbreuk meer begaat, de bestuurlijke boete vervalt.]1
  ----------
  (1)<W 2017-11-23/15, art. 66, 011; Inwerkingtreding : 21-12-2017>

  Art. 216.[1 De overtreder betaalt de bestuurlijke boete binnen een maand nadat de beslissing tot het opleggen van een bestuurlijke boete definitief is geworden of het arrest inzake het beroep tegen deze beslissing in kracht van gewijsde is gegaan.
   De bestuurlijke boete komt toe aan de Schatkist.
   De overtreder stort het bedrag aan de Administratie van het kadaster, registratie en domeinen.
   Indien de overtreder de bestuurlijke boete te laat betaalt, wordt het bedrag van rechtswege verhoogd met de wettelijke rentevoet, met een minimum van vijf procent van het bedrag van de bestuurlijke boete.
   Het recht tot invordering van de bestuurlijke boete verjaart twee jaar na de laatste dag waarop de overtreder diende te betalen.
   Deze termijn wordt geschorst in het geval bedoeld in artikel 215, § 5.]1
  ----------
  (1)<W 2017-11-23/15, art. 67, 011; Inwerkingtreding : 21-12-2017>

  Afdeling 2. [1 - Inbreuken]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij W 2017-11-23/15, art. 68, 011; Inwerkingtreding : 21-12-2017>
  

  Art. 216/1. [1 § 1. Inbreuken van de eerste graad zijn :
   1° het niet tijdig indienen van het verslag bedoeld in artikel 92;
   2° het feit dat de spoorwegonderneming of de spoorweginfrastructuurbeheerder verzuimt de veiligheidsinstantie in te lichten dat een treinbestuurder niet langer werkt, overeenkomstig artikel 130, eerste lid;
   3° het feit dat de spoorwegonderneming of de spoorweginfrastructuurbeheerder geen opleiding betreffende haar of zijn veiligheidsbeheersysteem verschaft, overeenkomstig artikel 135, zevende lid, en bijlage II, N, van de Verordening (EU) nr. 1158/2010 van de Commissie van 9 december 2010 betreffende een gemeenschappelijke veiligheidsmethode ter beoordeling van de conformiteit met de vereisten voor de verkrijging van veiligheidscertificaten voor spoorwegen;
   4° het niet binnen de toegestane tijd antwoorden op een auditrapport, inspectieverslag of toezichtsverslag met betrekking tot de in artikel 68 bedoelde veiligheidsvoorschriften of de veiligheidsvoorschriften betreffende het vervoer van gevaarlijke goederen per spoor, of met betrekking tot een veiligheidsvergunning of een veiligheidscertificaat;
   5° het niet betalen van de retributies bedoeld in titel 4, hoofdstuk 2, afdeling 4, en hoofdstuk 6, afdeling 2/1;
   6° het niet publiceren of bijwerken van het infrastructuurregister bedoeld in artikel 211;
   7° het niet uitvoeren van de onafhankelijke evaluatie zoals bedoeld in artikel 220, § 1, eerste en tweede lid, of het niet op de hoogte brengen van de veiligheidsinstantie van de resultaten overeenkomstig artikel 220, § 2.
   § 2. Onverminderd artikel 214, § 2, tweede lid :
   1° worden de inbreuken bedoeld in paragraaf 1, 1° tot 4°, bestraft met een bestuurlijke boete van 500 tot 1.000 euro;
   2° worden de inbreuken bedoeld in paragraaf 1, 5° tot 7°, bestraft met een bestuurlijke boete van 100 tot 500 euro;
   3° wordt de boete bedoeld in paragraaf 1, 2° toegepast per betrokken treinbestuurder.]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij W 2017-11-23/15, art. 69, 011; Inwerkingtreding : 21-12-2017>
  

  Art. 216/2. [1 § 1. Inbreuken van de tweede graad zijn :
   1° het niet meedelen door de spoorweginfrastructuurbeheerder aan de veiligheidsinstantie dat hij urgentiemaatregelen neemt die kunnen afwijken van de veiligheidsvoorschriften, overeenkomstig artikel 70, § 1;
   2° het niet meedelen door de spoorweginfrastructuurbeheerder aan alle spoorwegondernemingen die op het netwerk rijden, van de genomen urgentiemaatregelen, overeenkomstig artikel 70, § 1;
   3° het niet bieden van de in artikel 77, vierde lid, bedoelde technische bijstand;
   4° het niet nakomen van de in artikel 93 vermelde verplichtingen;
   5° het niet nakomen van de in artikel 94/1 vermelde verplichtingen;
   6° het niet of niet tijdig in kennis stellen door de spoorweginfrastructuurbeheerder van substantiële wijzigingen bedoeld in artikel 96, eerste lid;
   7° het niet of niet tijdig in kennis stellen door de houder van een veiligheidscertificaat van de informatie bedoeld in artikel 102, tweede lid;
   8° het niet bijhouden door de spoorwegonderneming of de spoorweginfrastructuurbeheerder van een register van de bevoegdheidsbewijzen, overeenkomstig artikel 140, § 1, 1° ;
   9° het niet samenwerken van de spoorwegonderneming of de spoorweginfrastructuurbeheerder met de veiligheidsinstantie, overeenkomstig artikel 140, § 1, 2° ;
   10° het niet naleven door de houder van de verplichting om een met het onderhoud belaste entiteit aan elk voertuig toe te wijzen en die entiteit in het NVR in te schrijven of aan te passen, overeenkomstig artikel 105;
   11° het niet of niet tijdig meedelen door de registratiehouder aan de veiligheidsinstantie van de informatie bedoeld in artikel 210, § 5.
   § 2. Onverminderd artikel 214, § 2, derde lid, worden de inbreuken bedoeld in paragraaf 1 bestraft met een bestuurlijke boete van 1.000 tot 2.000 euro.]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij W 2017-11-23/15, art. 70, 011; Inwerkingtreding : 21-12-2017>
  

  Art. 216/3. [1 § 1. Inbreuken van de derde graad zijn :
   1° het niet vaststellen door de spoorweginfrastructuurbeheerder van de veiligheidsvoorschriften betreffende de exploitatie van de spoorweginfrastructuur overeenkomstig artikel 68, § 3;
   2° het niet vaststellen door de spoorweginfrastructuurbeheerder en de spoorwegondernemingen, elk wat hen betreft, van hun interne veiligheidsvoorschriften in het kader van hun veiligheidsbeheersysteem overeenkomstig artikel 68, § 4;
   3° het niet vaststellen en het niet bijhouden door de spoorweginfrastructuurbeheerder en de spoorwegondernemingen van hun veiligheidsbeheersysteem met eerbiediging van de gemeenschappelijke veiligheidsdoelen, de veiligheidsvoorschriften bedoeld in artikel 68, de in de TSI vastgelegde veiligheidseisen en de relevante elementen van de gemeenschappelijke veiligheidsmethoden overeenkomstig artikel 89;
   4° het niet indienen van het verslag bedoeld in artikel 92 of het onvolledig indienen van dit verslag;
   5° het niet nakomen van de verplichtingen aangaande de geldigheid van de vergunning van de treinbestuurder en van de bevoegdheidsbewijzen van de treinbestuurders bedoeld in artikel 141, § 1;
   6° het niet intrekken of schorsen van de vergunning van treinbestuurder door de spoorweginfrastructuurbeheerder of door de spoorwegonderneming in de gevallen bedoeld in artikel 139;
   7° het niet verifiëren dat de begeleider over een in artikel 150, § 1, eerste lid, bedoeld attest beschikt alvorens hem toe te staan om de in hetzelfde artikel bedoelde cruciale taken te verrichten;
   8° het niet binnen de toegestane tijd invoeren van maatregelen tot verbetering, naar aanleiding van een auditrapport, een inspectieverslag of een toezichtverslag met betrekking tot de in artikel 68 bedoelde veiligheidsvoorschriften of de veiligheidsvoorschriften betreffende het vervoer van gevaarlijke goederen per spoor, of met betrekking tot een veiligheidsvergunning of een veiligheidscertificaat;
   9° het meer dan twee keer per jaar overschrijden van ofwel de waarden "onmiddellijke tussenkomst" van de veiligheidstoleranties van het spoor, overeenkomstig de basisparameters veiligheid in de TSI Infrastructuur, ofwel de veiligheidsprocedures omschreven in de TSI Besturing en Seingeving niet eerbiedigen;
   10° het door een spoorweginfrastructuurgebruiker stellen of niet stellen van een handeling, die een situatie doet ontstaan die van die aard is dat het een ongeval kan veroorzaken;
   11° het niet nakomen door de spoorwegonderneming of de spoorweginfrastructuurbeheerder van de maatregelen bedoeld in artikel 75;
   12° het niet opstellen en het niet bijhouden van een veiligheidsbeheersysteem door de spoorweginfrastructuurbeheerder en de spoorwegondernemingen overeenkomstig artikelen 89 tot 91;
   13° het niet respecteren door de met het onderhoud belaste entiteit van de in de artikelen 106 tot 109 voorgeschreven regels betreffende de certificering;
   14° alle belemmeringen bij de uitoefening van de in artikel 113 vermelde bevoegdheden van het onderzoeksorgaan;
   15° het niet invoeren van een permanent opleidingssysteem door de spoorweginfrastructuurbeheerder en de spoorwegondernemingen overeenkomstig artikel 146, derde lid;
   16° de indienststelling van een voertuig voordat het overeenkomstig artikel 180 is toegestaan;
   17° het door een spoorweginfrastructuurgebruiker stellen of niet stellen van een handeling, die een situatie doet ontstaan die van die aard is dat een ernstig ongeval veroorzaakt kan worden.
   § 2. Onverminderd artikel 214, § 2, vierde lid, worden :
   1° de inbreuken bedoeld in paragraaf 1, 1° tot 10°, bestraft met een bestuurlijke boete van 2.000 tot 4.000 euro;
   2° de inbreuken bedoeld in paragraaf 1, 11° tot 16°, bestraft met een bestuurlijke boete van 4.000 tot 8.000 euro.]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij W 2017-11-23/15, art. 71, 011; Inwerkingtreding : 21-12-2017>
  

  Art. 216/4. [1 De Koning kan bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad de inbreuken en de boeten vaststellen van de ter uitvoering van deze Codex genomen besluiten die met een bestuurlijke boete kunnen bestraft worden en het bedrag bepalen volgens de graad van ernst.]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij W 2017-11-23/15, art. 72, 011; Inwerkingtreding : 21-12-2017>
  

  HOOFDSTUK 3. - Strafbepalingen

  Art. 217.§ 1. Op voordracht van de minister kan de Koning de hoedanigheid van officier van gerechtelijke politie toekennen aan de personeelsleden van het Bestuur en van de veiligheidsinstantie en aan de leden van het toezichthoudende orgaan die belast zijn met de vaststelling bij proces-verbaal van de strafinbreuken bedoeld in artikel 218.
  § 2. In het kader van de uitvoering van hun opdrachten, kunnen de officieren bedoeld in § 1 :
  1° zich op elk moment vrije toegang verschaffen tot al het rollend materieel of materieel bestemd om te rijden op de infrastructuur;
  2° alle vaststellingen doen, informatie inzamelen, verklaringen opnemen, zich documenten, stukken, boeken en voorwerpen doen vertonen en deze in beslag nemen welke nodig zijn bij de opsporing of vaststelling of nodig zijn om aan de inbreuk een einde te maken.
  § 3. Zij kunnen huiszoekingen tussen 8 en 18 uur verrichten, na machtiging van de onderzoeksrechter van de plaats van de huiszoeking :
  1° in de woning van de ondernemingsleiders, bestuurders, zaakvoerders, directeurs en andere personeelsleden van de betrokken onderneming alsook in de woning en de lokalen die gebruikt worden voor professionele doeleinden van natuurlijke en rechtspersonen, intern of extern, belast met het commercieel, boekhoudkundig, administratief, fiscaal en financieel beheer van die onderneming;
  2° in de hoofd- of de exploitatiezetel van de betrokken onderneming.
  § 4. De processen-verbaal van de in § 1 bedoelde officieren worden verzonden aan de procureur des Konings van de plaats van [1 de inbreuk]1.
  § 5. De in § 1 bedoelde officieren kunnen voor de uitvoering van hun opdrachten een beroep doen op de openbare macht.
  § 6. Onder voorbehoud van de bijzondere wetten die de geheimhouding van de verklaringen garanderen, zijn de openbare besturen gehouden hun bijstand te verlenen aan de officieren van gerechtelijke politie in de uitoefening van hun [1 opdrachten]1.
  [2 § 7. De in paragraaf 1 bedoelde personeelsleden vertonen bij de uitoefening van hun opdrachten hun legitimatiekaart waarvan de Koning het model bepaalt.]2
  ----------
  (1)<W 2015-06-15/03, art. 73, 007; Inwerkingtreding : 23-07-2015>
  (2)<W 2017-11-23/15, art. 73, 011; Inwerkingtreding : 21-12-2017>

  Art. 218.Met uitzondering van de inbreuken met betrekking tot de netverklaring, de toewijzing van de capaciteit, [1 de heffing voor het gebruik van de infrastructuur]1 en van de bepalingen inzake toegang en onverminderd artikel 110, derde lid, worden de inbreuken op deze Spoorcodex en zijn uitvoeringsbesluiten genomen op grond van deze Spoorcodex, het niet naleven van de beslissingen van de minister, de veiligheidsinstantie en het toezichthoudende orgaan, behoudens de beslissingen van dit laatste orgaan inzake het geven van een bestuurlijke boete, alsook het hinderen van vaststellingen en onderzoeken door deze instanties, zijn inbreuken die bestraft worden met een gevangenisstraf van acht dagen tot één jaar en een boete van zesentwintig tot 1.500 euro of met een van deze straffen, onverminderd de eventuele schadevergoeding en interesten.
  De bepalingen van boek I van het Strafwetboek, zijn op deze inbreuken van toepassing.
  Het eerste lid is niet van toepassing op de spoorwegonderneming, de infrastructuurbeheerder en de houder, die een inbreuk begaan die bestaft wordt met een bestuurlijke boete zoals bepaald in artikel 214 of in artikel 215.
  ----------
  (1)<W 2015-06-15/03, art. 83,11°, 007; Inwerkingtreding : 23-07-2015>

  HOOFDSTUK 4. - Controle door de veiligheidsinstantie betreffende de certificering bedoeld in titel 5

  Art. 219. De veiligheidsinstantie ziet erop toe dat er in het kader van een kwaliteitsnormeringssysteem voortdurend controle is op alle activiteiten in verband met de opleiding, de beoordeling van vakbekwaamheid en het bijwerken van vergunningen van treinbestuurders en bevoegdheidsbewijzen. Deze verplichting geldt niet voor activiteiten die reeds gedekt zijn door de veiligheidsbeheersystemen die overeenkomstig titel 4, hoofdstuk 3 zijn ingesteld door de spoorwegondernemingen en de spoorweginfrastructuurbeheerder.

  Art. 220.[1 § 1. Elke opleider of elk opleidingscentrum, erkend door de veiligheidsinstantie voor de taken bedoeld in de artikelen 145, eerste lid, en 146, eerste en tweede lid, laat ten minste elke vijf jaar, en voor de eerste keer uiterlijk op 31 december 2018, een onafhankelijke evaluatie uitvoeren van de procedures voor de verwerving en beoordeling van vakkennis en vakbekwaamheden.
   Elke spoorwegonderneming en elke infrastructuurbeheerder laten ten minste elke vijf jaar, en voor de eerste keer uiterlijk op 31 december 2018, een onafhankelijke evaluatie uitvoeren van het systeem voor afgifte van bevoegdheidsbewijzen zoals bedoeld in artikel 134.
   De veiligheidsinstantie laat ten minste elke vijf jaar en voor de eerste keer uiterlijk op 31 december 2018 een onafhankelijke evaluatie uitvoeren van het systeem van afgifte van vergunningen van treinbestuurders.
   De evaluatie wordt uitgevoerd door gekwalificeerde personen die niet zelf bij de activiteiten in kwestie betrokken zijn.
   Het eerste en tweede lid zijn niet van toepassing op activiteiten die reeds gedekt zijn door de veiligheidsbeheerssystemen die de spoorwegondernemingen en de infrastructuurbeheerder instellen in overeenstemming met titel 4, hoofdstuk 3.
   § 2. Elke opleider of elk opleidingscentrum, elke spoorwegonderneming of elke infrastructuurbeheerder die een onafhankelijke evaluatie heeft laten uitvoeren, brengt de veiligheidsinstantie op de hoogte van de resultaten binnen twee weken na ontvangst ervan.
   De veiligheidsinstantie brengt de minister op de hoogte van de resultaten van de verschillende evaluaties.
   § 3. Indien nodig, neemt de minister gepaste maatregelen om eventuele tekortkomingen die bij de onafhankelijke evaluatie aan het licht zijn gekomen recht te zetten.]1
  ----------
  (1)<W 2017-11-23/15, art. 74, 011; Inwerkingtreding : 21-12-2017>

  Art. 221.§ 1. De veiligheidsinstantie kan te allen tijde de maatregelen nemen die nodig zijn om aan boord van treinen die op het Belgische [1 net]1 rijden, te controleren of de treinbestuurders in het bezit zijn van de overeenkomstig deze Spoorcodex afgegeven documenten.
  § 2. Los van de in § 1 bedoelde controle kan de veiligheidsinstantie in het geval van een tijdens het werk begane onachtzaamheid, controleren of de betrokken treinbestuurder voldoet aan de in artikel 135, derde en vierde lid, neergelegde eisen.
  § 3. De veiligheidsinstantie kan overgaan tot een onderzoek naar de naleving van deze Spoorcodex en haar uitvoeringsbesluiten door treinbestuurders, spoorwegondernemingen, de spoorweginfrastructuurbeheerder, examinatoren en opleidingscentra.
  § 4. Indien de veiligheidsinstantie van oordeel is dat een treinbestuurder niet langer aan één of meer gestelde eisen voldoet, neemt zij de volgende maatregelen :
  1° indien het een door de veiligheidsinstantie afgegeven vergunning van treinbestuurders betreft, schorst de veiligheidsinstantie de vergunning van treinbestuurders. De schorsing is voorlopig of definitief, al naar gelang van de grootte van het risico voor de spoorwegveiligheid.
  Zij deelt onmiddellijk haar met redenen omklede beslissing mee aan de betrokkene en zijn werkgever. Voorts deelt zij mee welke procedure gevolgd moet worden om opnieuw de vergunning te verkrijgen;
  2° indien het een door een bevoegde autoriteit in een andere lidstaat afgegeven vergunning betreft, kan de veiligheidsinstantie zich tot deze autoriteit wenden met een met redenen omkleed verzoek, hetzij om een aanvullende controle, hetzij tot schorsing van de vergunning van treinbestuurders. De veiligheidsinstantie stelt de Europese Commissie en de andere bevoegde autoriteiten van haar gemotiveerd verzoek in kennis. In afwachting van de kennisgeving van de beslissing van de betrokken autoriteit van afgifte, mag de veiligheidsinstantie een treinbestuurder verbieden om op het Belgische [1 net]1 actief te zijn.
  Indien de veiligheidsinstantie op haar beurt een met redenen omkleed verzoek met betrekking tot een vergunning van treinbestuurders die zij heeft afgegeven, ontvangt, behandelt zij dit verzoek binnen de vier weken en deelt zij haar beslissing mee aan de verzoekende instantie. Ook in dit geval stelt de veiligheidsinstantie de Europese Commissie en andere bevoegde autoriteiten van haar beslissing in kennis;
  3° indien het een bevoegdheidsbewijs betreft, wendt de veiligheidsinstantie zich tot de instantie van afgifte met een verzoek, hetzij om een aanvullende controle, hetzij tot schorsing van het bevoegdheidsbewijs. De instantie van afgifte neemt passende maatregelen en brengt binnen vier weken verslag uit aan de veiligheidsinstantie. In afwachting van het verslag van de instantie van afgifte mag de veiligheidsinstantie een treinbestuurder verbieden om op het Belgische [1 net]1 actief te zijn. Zij stelt de Europese Commissie en de andere bevoegde autoriteiten daarvan in kennis.
  De veiligheidsinstantie neemt een beslissing over het handhaven van haar eventueel verbod om op het Belgische [1 net]1 actief te zijn, binnen de tien dagen na ontvangst van het in het eerste lid, 3°, bedoelde verslag.
  Onverminderd artikel 70, § 2 en volgende, van deze Spoorcodex, onderneemt de veiligheidsinstantie, wanneer zij van oordeel is dat een bepaalde treinbestuurder een ernstige bedreiging vormt voor de veiligheid op het spoor, onmiddellijk de nodige maatregelen, bijvoorbeeld door de spoorweginfrastructuurbeheerder te verzoeken de trein tot stilstand te brengen en door de treinbestuurder zo lang als nodig te verbieden op het Belgische [1 net]1 actief te zijn. Zij stelt de Europese Commissie en de andere bevoegde autoriteiten daarvan in kennis.
  De veiligheidsinstantie betekent onmiddellijk haar gemotiveerde beslissing aan de belanghebbende en aan zijn werkgever, onder vermelding, in voorkomend geval, van de voorwaarden en de procedure voor het terugkrijgen van het bevoegdheidsbewijs, onverminderd het recht van verhaal waarin artikel 142, § 3 voorziet.
  In al deze gevallen werkt de veiligheidsinstantie het in artikel 132 bedoelde register bij.
  § 5. Als de veiligheidsinstantie de mening is toegedaan dat een besluit genomen door een bevoegde autoriteit van een andere lidstaat in het kader van § 4 niet aan de relevante criteria voldoet, dan wordt de kwestie voorgelegd aan de Europese Commissie. De veiligheidsinstantie kan het aan de treinbestuurder krachtens § 4 opgelegde verbod om op het Belgische grondgebied treinen te besturen, handhaven tot de Europese Commissie haar advies uitbrengt.
  ----------
  (1)<W 2015-06-15/03, art. 83,1°, 007; Inwerkingtreding : 23-07-2015>

  TITEL 7/1. - [1 Rechterlijke toetsing]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij W 2013-08-30/53, art. 2, 002; Inwerkingtreding : 01-01-2014>

  Art. 221/1.[1 Tegen de beslissingen van het toezichthoudende orgaan die werden genomen in toepassing van de artikelen 63, §§ 2 en 3, en 64, kan een beroep worden ingediend bij het [2 Marktenhof]2 zetelend zoals in kort geding, door elke persoon die een belang aantoont.
   De grond van de zaak wordt voorgelegd aan het [2 Marktenhof]2, dat uitspraak doet met volle rechtsmacht. ]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij W 2013-08-30/53, art. 3, 002; Inwerkingtreding : 01-01-2014>
  (2)<W 2016-12-25/14, art. 163, 010; Inwerkingtreding : 09-01-2017>

  Art. 221/2.[1 Op straffe van onontvankelijkheid, die door het [2 Marktenhof]2 van rechtswege kan worden uitgesproken, wordt het in het artikel 221/1 bedoelde beroep ingesteld binnen een termijn van een maand vanaf de kennisgeving van de beslissing of, voor de belanghebbende personen aan wie de beslissing niet diende te worden betekend, binnen een termijn van een maand vanaf de bekendmaking, van de bedoelde beslissing in het Belgisch Staatsblad.
   Het Gerechtelijk Wetboek is van toepassing wat de procedure betreft, behalve indien de bepalingen van deze Spoorcodex ervan afwijken.
   Behalve ingeval het beroep gericht is tegen een beslissing van het toezichthoudende orgaan die op grond van artikelen 63, § 3, en 64 een administratieve boete oplegt, heeft het beroep geen schorsende werking, maar het hof kan, ambtshalve of volgend op een behoorlijk gemotiveerd verzoek van een of andere partij in de inleidende dagvaarding, de schorsing van de bestreden beslissing bevelen.
   Het hof doet uitspraak over het verzoek tot schorsing, uiterlijk binnen de tien dagen die volgen op de inleiding van de zaak, behoudens uitzonderlijke, door het hof gemotiveerde, omstandigheden die verband houden met de eerbiediging van de rechten van verdediging.
   Uiterlijk op de dag van de inleiding van de zaak, deelt het toezichthoudende orgaan aan de eiser en aan het hof een kopie mee van het administratief dossier.]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij W 2013-08-30/53, art. 4, 002; Inwerkingtreding : 01-01-2014>
  (2)<W 2016-12-25/14, art. 164, 010; Inwerkingtreding : 09-01-2017>

  Art. 221/3.[1 Tegen de beslissingen van de veiligheidsinstantie die werden genomen in toepassing van de artikelen 74, 75, 77 en 142, kan een beroep worden ingediend bij het [2 Marktenhof]2 zetelend zoals in kort geding, door elke persoon die een belang aantoont.
   Tegen de beslissingen van het onderzoeksorgaan die werden genomen in toepassing van artikel 112, kan een beroep worden ingediend bij het [2 Marktenhof]2 zetelend zoals in kort geding, door elke persoon die een belang aantoont.
   De grond van de zaak wordt voorgelegd aan het [2 Marktenhof]2, dat uitspraak doet met volle rechtsmacht.]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij W 2013-08-30/53, art. 5, 002; Inwerkingtreding : 01-01-2014>
  (2)<W 2016-12-25/14, art. 165, 010; Inwerkingtreding : 09-01-2017>

  Art. 221/4.[1 Op straffe van onontvankelijkheid, die door het hof van rechtswege kan worden uitgesproken, wordt het in het artikel 221/3 bedoelde beroep ingesteld binnen een termijn van een maand vanaf de kennisgeving van de beslissing of, voor de belanghebbende personen aan wie de beslissing niet diende te worden betekend, binnen een termijn van een maand vanaf het zich voordoen van het feit dat hun belang om tussen te komen aantoont.
   Het Gerechtelijk Wetboek is van toepassing wat de procedure betreft, behalve indien de bepalingen van deze Spoorcodex ervan afwijken.
   Het beroep heeft geen schorsende werking, maar het hof kan, ambtshalve of volgend op een behoorlijk gemotiveerd verzoek van een of andere partij in de inleidende dagvaarding, de schorsing van de bestreden beslissing bevelen.
   Het hof doet uitspraak over het verzoek tot schorsing, uiterlijk binnen de tien dagen die volgen op de inleiding van de zaak, behoudens uitzonderlijke, door het hof gemotiveerde, omstandigheden die verband houden met de eerbiediging van de rechten van verdediging.
   Uiterlijk op de dag [2 bij het neerleggen van zijn eerste conclusies]2, deelt de veiligheidsinstantie aan de eiser en aan het hof een kopie mee van het administratief dossier.
   In afwijking van het derde lid, heeft het beroep tegen een beslissing bedoeld in artikel 74, § 1, 13°, en in artikel 111, § 1, 5°, een schorsende werking]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij W 2013-08-30/53, art. 6, 002; Inwerkingtreding : 01-01-2014>
  (2)<W 2017-11-23/15, art. 75, 011; Inwerkingtreding : 21-12-2017>

  Art. 221/5.[1 Wanneer met toepassing van artikel 221/3 bij het [2 Marktenhof]2 een beroep werd aanhangig gemaakt tot herziening van een beslissing van de veiligheidsinstantie waarbij deze haar weigering bevestigt om de indienststelling van een voertuig toe te laten, dan beslist dat hof, ambtshalve of op vraag van de partijen, binnen de tien dagen die volgen op de indiening van de zaak, of het al dan niet een advies aan het Bureau vraagt.]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij W 2013-08-30/53, art. 7, 002; Inwerkingtreding : 01-01-2014>
  (2)<W 2016-12-25/14, art. 166, 010; Inwerkingtreding : 09-01-2017>

  TITEL 8. - Opheffings-, overgangs- en slotbepalingen

  HOOFDSTUK 1. - Opheffingsbepalingen

  Art. 222. Worden opgeheven :
  1° de wet van 4 december 2006 betreffende het gebruik van de spoorweginfrastructuur, laatst gewijzigd bij de wet van 2 december 2011;
  2° de wet van 19 december 2006 betreffende de exploitatieveiligheid van de spoorwegen, laatst gewijzigd bij de wet van 28 december 2011;
  3° de wet van 26 januari 2010 betreffende de interoperabiliteit van het spoorwegsysteem in de Europese Gemeenschap, gewijzigd bij het koninklijk besluit van 13 november 2011 en bij de wet van 2 december 2011.

  HOOFDSTUK 2. - Overgangsbepalingen

  Art. 223.De procedures die hangende zijn voor [1 de Belgische Mededingingsautoriteit]1, met inbegrip van alle beroepsmiddelen die ingeleid zouden kunnen worden tegen deze beslissingen, zullen voortgezet en afgesloten worden overeenkomstig de toepasselijke regels geldend vóór 2 februari 2007.
  ----------
  (1)<W 2015-06-15/03, art. 74, 007; Inwerkingtreding : 23-07-2015>

  Art. 224. De bepalingen van titel II, hoofdstuk V, van de wet van 19 december 2006 betreffende de exploitatieveiligheid van de spoorwegen, hoofdstuk voorafgaand aan titel II, hoofdstuk V, van dezelfde wet, ingevoerd bij de wet van 26 januari 2010 tot wijziging van de wet van 4 december 2006 betreffende het gebruik van de spoorweginfrastructuur en van de wet van 19 december 2006 betreffende de exploitatieveiligheid van de spoorwegen, voornamelijk wat de certificering van het veiligheidspersoneel en het onderhoud van de voertuigen betreft, blijven van toepassing tot het in fazen van toepassing worden van de bepalingen van titel 5 van deze Spoorcodex. Deze bepalingen zullen van toepassing worden als volgt :
  1° De vergunningen en bevoegdheidsbewijzen overeenkomstig de bepalingen van titel 5 van deze Spoorcodex, worden afgegeven aan de treinbestuurders die grensoverschrijdende diensten, cabotagediensten of goederendiensten in een andere lidstaat verrichten, of die in ten minste twee lidstaten van de Europese Unie werkzaam zijn, onder voorbehoud van de bepalingen van artikel 225, eerste en tweede lid.
  Alle treinbestuurders die de bovengenoemde diensten verrichten, met inbegrip van diegenen die nog geen vergunning of bevoegdheidsbewijs overeenkomstig titel 5 van deze Spoorcodex hebben gekregen, worden onderworpen aan de periodieke controles bedoeld in de artikelen 129 en 137;
  2° ten laatste twee jaar na het aanleggen van de registers bedoeld in de artikelen 132 en 140, worden alle nieuwe bevoegdheidsbewijzen en vergunningen afgeleverd overeenkomstig titel 5 onder voorbehoud van artikel 225, eerste en tweede lid;
  3° ten laatste zeven jaar na het aanleggen van de registers bedoeld in de artikelen 132 en 140, zijn alle treinbestuurders in het bezit van vergunningen en bevoegdheidsbewijzen in overeenstemming met deze Spoorcodex. De instanties belast met de aflevering nemen alle vakbekwaamheden die door elke treinbestuurder al waren verworven, in aanmerking, zodanig dat dit vereiste geen enkele onnodige administratieve of financiële last met zich brengt.
  De eerder verleende vergunningen van treinbestuurder worden zoveel mogelijk gewaarborgd. De instanties belast met de aflevering kunnen niettemin beslissen dat voor een treinbestuurder of voor een groep treinbestuurders, volgens het geval, examens en/of een bijkomende opleiding nodig zijn voor het afleveren van vergunningen en/of bevoegdheidsbewijzen op grond van deze Spoorcodex.

  Art. 225. Treinbestuurders die overeenkomstig de bepalingen die van toepassing waren vóór het van toepassing worden van artikel 224, 1° of 2° vergund waren om treinen te besturen, mogen op grond van hun rechten hun beroepsbezigheden verderzetten voor een duur van ten hoogste zeven jaar na het aanleggen van de registers bedoeld in de artikelen 132 en 140.
  De certificering van leerlingen-treinbestuurders die vóór het van toepassing worden van artikel 224, 1° of 2°, gestart zijn met een toegelaten onderwijs- en opleidingsprogramma of met een toegelaten opleiding, wordt verricht overeenkomstig de bepalingen die bestonden vóór het in werking treden van de wet van 26 januari 2010 tot wijziging van de wet van 4 december 2006 betreffende het gebruik van de spoorweginfrastructuur en van de wet van 19 december 2006 betreffende de exploitatieveiligheid van de spoorwegen, voornamelijk wat de certificering van het veiligheidspersoneel en het onderhoud van de voertuigen betreft.
  De veiligheidsinstantie, de spoorwegondernemingen en de spoorweginfrastructuurbeheerder zorgen ervoor dat de periodieke controles die beantwoorden aan die bedoeld in de artikelen 129 en 137 geleidelijk aan toegepast worden op treinbestuurders die nog geen overeenkomstig de Richtlijn 2007/59/EG afgeleverde vergunningen en bevoegdheidsbewijzen bezitten.

  Art. 225/1.[1 Treinbestuurders die vóór 1 januari 2016 hun vergunning hebben behaald overeenkomstig deze Codex worden geacht aan de eisen van de bijlagen 8, punt 1.2, 10 en 12, punt 8 te voldoen, zoals deze van kracht waren na de inwerkingtreding van het koninklijk besluit van 20 oktober 2015 tot wijziging van de Spoorcodex.
   Treinbestuurders die na 1 januari 2016 en vóór de inwerkingtreding van de wet van 23 november 2017 tot wijziging van de wet van 30 augustus 2013 houdende de Spoorcodex hun vergunning hebben behaald overeenkomstig deze Codex, worden geacht aan de eisen van de bijlage 12, punt 8 te voldoen, zoals deze van kracht is sinds de inwerkingtreding van de wet van 23 november 2017 tot wijziging van de wet van 30 augustus 2013 houdende de Spoorcodex.]1
  ----------
  (1)<W 2017-11-23/15, art. 76, 011; Inwerkingtreding : 21-12-2017>

  HOOFDSTUK 3. - Slotbepalingen

  Art. 226. De Koning kan de bepalingen van deze Spoorcodex coördineren met de bepalingen die daarin uitdrukkelijk of stilzwijgend wijzigingen hebben aangebracht tot aan het tijdstip van de coördinatie.
  Daartoe kan Hij :
  1° de volgorde en de nummering van de te coördineren bepalingen veranderen en, in het algemeen, de teksten naar de vorm wijzigen;
  2° de verwijzingen die voorkomen in de te coördineren bepalingen, veranderen om deze in overeenstemming te brengen met de nieuwe nummering;
  3° zonder afbreuk te doen aan de beginselen die in de te coördineren bepalingen vervat zijn, de redactie ervan wijzigen om ze onderling te doen overeenstemmen en eenheid in de terminologie te brengen.
  De coördinatie zal het volgende opschrift dragen : " Spoorcodex ".
  Ze treedt in werking op de dag van de bekrachtiging ervan bij de wet.

  Art. 227.De Koning bepaalt de datum van inwerkingtreding van deze Spoorcodex.
  
   (NOTA : Inwerkingtreding vastgesteld op 01-01-2014 door KB 2013-12-08/14, art. 1, 1°)

  BIJLAGEN.

  Art. N1. Bijlage 1. - Aan de spoorwegondernemingen te verlenen diensten
  1. Het minimumtoegangspakket omvat :
  a) behandeling van aanvragen voor spoorweginfrastructuurcapaciteit;
  b) het recht gebruik te maken van de toegewezen capaciteit;
  c) gebruik van de spoorweginfrastructuur, inclusief de aansluitingen en wissels op het net;
  d) treinbeheer met inbegrip van seinen, regeling, treindienstleiding en de overdracht en levering van informatie over treinbewegingen;
  e) in voorkomend geval het gebruik van elektrische voedingsinstallaties ten behoeve van de tractie;
  f) alle andere informatie die nodig is om de dienst waarvoor capaciteit aangevraagd is, tot stand te brengen of te exploiteren.
  2. Er wordt toegang verleend, met inbegrip van toegang via het spoor, tot de hiernavolgende dienstvoorzieningen, indien deze bestaan, en tot de diensten verleend in die voorzieningen :
  a) passagiersstations, de gebouwen en andere voorzieningen daarvan, met inbegrip van de weergave van reisinformatie en passende locaties voor diensten in verband met kaartverkoop;
  b) vrachtterminals;
  c) rangeerstations en vormingsstations, met inbegrip van rangeervoorzieningen;
  d) remisestations;
  e) onderhoudsvoorzieningen, met uitzondering van dienstvoorzieningen voor groot onderhoud welke uitsluitend zijn bestemd voor hogesnelheidstreinen of andere typen rollend materieel waarvoor specifieke voorzieningen nodig zijn;
  f) andere technische voorzieningen, met inbegrip van schoonmaak- en wasvoorzieningen;
  g) met de spooractiviteiten verbonden zeehaven- en binnen haven voorzieningen;
  h) hulp- en ondersteuningsvoorzieningen;
  i) tankinstallaties en levering van brandstof in deze voorzieningen, waarbij de [1 retributies]1 voor het gebruik van de tankinstallaties op de factuur afzonderlijk van de heffingen voor de levering van brandstof tot uitdrukking komen.
  3. De aanvullende diensten kunnen omvatten :
  a) tractiestroom, waarvan de prijs op de factuur afzonderlijk van de vergoeding voor het gebruik van de elektrische voedingsinstallatie wordt vermeld, onverminderd de toepassing van de Richtlijn 2009/72/EG;
  b) voorverwarmen van passagierstreinen;
  c) speciaal opgestelde overeenkomsten voor :
  - de controle op het vervoer van gevaarlijke stoffen;
  - ondersteuning bij het laten rijden van speciale treinen.
  4. Ondersteunende diensten kunnen omvatten :
  a) toegang tot het telecommunicatienet;
  b) levering van aanvullende informatie;
  c) technische keuring van het rollende materieel;
  d) diensten in verband met kaartverkoop in passagiersstations;
  e) [2 diensten voor groot onderhoud die worden verleend in onderhoudsvoorzieningen welke zijn bestemd voor hogesnelheidstreinen of andere typen rollend materieel waarvoor specifieke voorzieningen nodig zijn]2.
  Gezien om gevoegd te worden bij de wet van 30 augustus 2013 houdende de Spoorcodex.
  ----------
  (1)<W 2015-06-15/03, art. 75, 007; Inwerkingtreding : 23-07-2015>
  (2)<W 2017-11-23/15, art. 77, 011; Inwerkingtreding : 21-12-2017>

  Art. N2.[1 Bijlage 2. - INHOUD VAN DE NETVERKLARING
   De in artikel 21 bedoelde netverklaring bevat de volgende informatie :
   1. Een hoofdstuk waarin de aard van de voor spoorwegondernemingen beschikbare infrastructuur en de voor toegang tot de spoorweginfrastructuur geldende voorwaarden worden beschreven. De informatie in dit deel dient jaarlijks in overeenstemming te worden gebracht met of te verwijzen naar de overeenkomstig artikel 211 te publiceren infrastructuurregisters.
   2. Een hoofdstuk waarin de heffingsbeginselen en de tarieven opgenomen zijn. Dit zal de nodige details over de heffingsregeling bevatten, alsmede voldoende informatie over gebruiksrechten en alle andere relevante informatie in verband met de toegang tot de in bijlage 1 genoemde diensten die door één leverancier worden verschaft. De voor de toepassing van artikel 23 en 49 tot 60/1 gebruikte methode, voorschriften en, indien van toepassing, schalen voor de bepaling van de kosten en heffingen worden nader omschreven. Voorts bevat dit gedeelte informatie over de reeds vastgestelde of de in de loop van de vijf volgende jaren verwachte wijzigingen van de gebruiksrechten, indien deze informatie beschikbaar is.
   3. Een hoofdstuk over de criteria en voorschriften voor capaciteitstoewijzing. Dit bevat de algemene kenmerken van de infrastructuurcapaciteit die voor spoorwegondernemingen beschikbaar is, en alle beperkingen met betrekking tot het gebruik daarvan, met inbegrip van vermoedelijke beperkingen in verband met onderhoud. In dit gedeelte worden tevens de procedures en termijnen met betrekking tot de capaciteitstoewijzing gepreciseerd. Verder zijn daarin specifieke criteria vervat die bij de capaciteitstoewijzing worden gehanteerd, zoals :
   a) de procedures volgens welke [2 kandidaten]2 bij de infrastructuurbeheerder capaciteit kunnen aanvragen;
   b) de bepalingen waaraan [2 kandidaten]2 moeten voldoen;
   c) de termijnen voor de aanvraag- en toewijzingsprocedures en de procedure die moet worden gevolgd om informatie te vragen over die termijnen, alsmede de procedure voor het programmeren van geplande en niet-geplande onderhoudswerkzaamheden;
   d) de beginselen met betrekking tot de coördinatieprocedure en de in dat kader beschikbare procedure voor de beslechting van geschillen;
   e) de procedures en criteria ingeval de beschikbare capaciteit overbelast is;
   f) bijzonderheden over de beperkingen inzake het gebruik van infrastructuur;
   g) de regels voor het eventueel in aanmerking nemen van vroegere capaciteitsbenuttingsniveaus om de prioriteiten tijdens de toewijzingsprocedure vast te stellen.
   In dit hoofdstuk wordt een nauwkeurige omschrijving gegeven van de maatregelen ter waarborging van een adequate behandeling van goederenvervoersdiensten, internationale diensten en aanvragen volgens de ad-hoc procedure. Het bevat een standaardformulier om capaciteit aan te vragen. De infrastructuurbeheerder publiceert eveneens gedetailleerde informatie over de toewijzingsprocedure voor internationale treinpaden.
   4. Een hoofdstuk over de informatie in verband met de aanvraag van de in artikel 13 van deze Richtlijn bedoelde vergunning en de overeenkomstig Richtlijn 2004/49/EG afgegeven spoorwegveiligheidscertificaten, of het adres van een website waar die informatie kosteloos in elektronische vorm beschikbaar is.
   5. Een hoofdstuk met informatie over de geschillenbeslechtings- en beroepsprocedures in verband met de toegang tot de spoorweginfrastructuur en -diensten en de in artikel 23 bedoelde prestatieregeling.
   6. Een hoofdstuk met informatie over de toegang tot en de tarieven voor de in bijlage 1 bedoelde voorzieningen. De exploitanten van voorzieningen die niet onder de infrastructuurbeheerder ressorteren, stellen de infrastructuurbeheerder in kennis van de informatie over de tarieven voor de toegang tot de voorziening en de aangeboden diensten en van de informatie inzake de technische toegangsvoorwaarden die in de netverklaring moet worden opgenomen, of van het adres van een website waar die informatie kosteloos in elektronische vorm beschikbaar is.
   7. Een modelovereenkomst voor de sluiting van kaderovereenkomsten tussen een infrastructuurbeheerder en een [2 kandidaat]2 overeenkomstig artikel 24.]1
  ----------
  (1)<W 2015-06-15/03, art. 84, 007; Inwerkingtreding : 23-07-2015>
  (2)<W 2017-11-23/15, art. 78, 011; Inwerkingtreding : 21-12-2017>

  Art. N3.
  <Opgeheven bij W 2019-01-11/08, art. 26, 012; Inwerkingtreding : 16-02-2019>

  Art. N4.[1 BIJLAGE 4 - GEMEENSCHAPPELIJKE VEILIGHEIDSINDICATOREN
   De gemeenschappelijke veiligheidsindicatoren worden jaarlijks gemeld door de veiligheidsinstanties, zoals gedefinieerd in artikel 3, 9°.
   Indicatoren met betrekking tot de in artikel 2, paragraaf 2, onder 2° en 4°, bedoelde activiteiten worden apart genoemd, als zij worden ingediend.
   Als er na de indiening van het verslag nieuwe feiten of fouten aan het licht komen, worden de indicatoren voor een specifiek jaar bij de eerste passende gelegenheid en uiterlijk in het volgende jaarverslag door de veiligheidsinstantie gewijzigd of verbeterd.
   In het aanhangsel aan deze bijlage zijn gemeenschappelijke definities voor CSI's en methoden voor de berekening van de economische gevolgen van ongevallen vastgesteld.
   1. Indicatoren met betrekking tot ongevallen
   1.1. Het totale en relatieve (ten opzichte van het aantal afgelegde treinkilometers) aantal significante ongevallen en uitsplitsing naar de volgende soorten ongevallen :
   - botsing tussen een trein en een spoorvoertuig
   - botsing van een trein met een obstakel binnen het vrijeruimteprofiel;
   - ontsporing van een trein;
   - ongevallen op een overweg, inclusief ongeval met voetgangers op een overweg, en een verdere uitsplitsing naar de vijf soorten overwegen gedefinieerd in punt 6.2;
   - ongevallen met personen waarbij rollend materieel in rijdende toestand betrokken is, met uitzondering van zelfmoorden en zelfmoordpogingen;
   - brand in rollend materieel;
   - andere.
   Ieder significant ongeval wordt gemeld onder het type van het primaire ongeval, ook al zijn de gevolgen van het secundaire ongeval ernstiger, (bijv. brand na een ontsporing).
   1.2. Het totale en relatieve (ten opzichte van het aantal afgelegde treinkilometers) aantal personen dat per soort ongeval zwaargewond is geraakt of is omgekomen, met onderverdeling in de volgende categorieën :
   - reizigers (ook in verhouding tot het totale aantal reizigerskilometers en reizigerstreinkilometers);
   - werknemer of contractant;
   - gebruiker van overwegen;
   - indringer;
   - andere, persoon op het perron;
   - persoon niet op het perron.
   2. Indicatoren met betrekking tot gevaarlijke goederen
   Het totale en relatieve (ten opzichte van het aantal afgelegde treinkilometers) aantal ongevallen in verband met het vervoer van gevaarlijke goederen, met onderverdeling in de volgende categorieën :
   - ongevallen waarbij ten minste één spoorvoertuig is betrokken dat gevaarlijke goederen vervoert, zoals gedefinieerd in het aanhangsel;
   - het aantal dergelijke ongevallen waarbij gevaarlijke goederen vrijkomen.
   3. Indicatoren met betrekking tot zelfmoorden
   Het totale en relatieve (ten opzichte van het aantal afgelegde treinkilometers) aantal zelfmoorden en zelfmoordpogingen.
   4. Indicatoren met betrekking tot voorlopers van ongevallen
   Het totale en relatieve (ten opzichte van het aantal afgelegde treinkilometers) aantal voorlopers van ongevallen en uitsplitsing naar de volgende soorten voorlopers :
   - gebroken rail;
   - knik of andere afwijking in het spoor;
   - foutieve seingeving;
   - ongeoorloofd voorbijrijden van een stoptonend sein waarbij een gevaarpunt wordt overschreden;
   - ongeoorloofd voorbijrijden van een stoptonend sein waarbij een gevaarpunt niet wordt overschreden;
   - gebroken wiel van operationeel rollend materieel;
   - gebroken as van operationeel rollend materieel.
   Alle voorlopers moeten worden gemeld, ongeacht of ze wel of niet een ongeval tot gevolg hadden. Een voorloper die een significant ongeval tot gevolg had, wordt ook gemeld onder de indicatoren met betrekking tot voorlopers van ongevallen; een voorloper die geen significant ongeval tot gevolg had, wordt alleen gemeld onder de indicatoren met betrekking tot voorlopers van ongevallen.
   5. Indicatoren met betrekking tot de economische impact van ongevallen
   Totaal in euro en relatief (ten opzichte van het aantal afgelegde treinkilometers) :
   - aantal doden en ernstig gewonden, vermenigvuldigd met de waarde van het voorkomen van een dodelijk ongeval (Value of Preventing a Casualty, "VPC");
   - kosten van de milieuschade;
   - kosten van de materiële schade aan rollend materieel of infrastructuur;
   - kosten van vertragingen als gevolg van ongevallen.
   De veiligheidsinstanties moeten de economische gevolgen van significante ongevallen melden.
   De VPC is de waarde die de samenleving toekent aan het voorkomen van een dodelijk ongeval of ongeval met ernstig gewonden en vormt als zodanig geen referentie voor schadevergoeding tussen bij ongevallen betrokken partijen.
   6. Indicatoren met betrekking tot de technische veiligheid van de infrastructuur en het gebruik daarvan
   6.1. Het percentage sporen met treinbeveiligingssysteem (Train Protection Systems, TPS's) en het percentage treinkilometers waarbij TPS aan boord worden gebruikt, voor zover deze systemen zorgen voor :
   - waarschuwing,
   - waarschuwing en automatische stop,
   - waarschuwing, automatische stop en plaatselijke controle op de snelheid,
   - waarschuwing, automatische stop en permanente controle op de snelheid.
   6.2. Het aantal overwegen (totaal, per kilometer lijn en per kilometer spoor) uitgesplitst naar de volgende vijf soorten overwegen :
   a) overweg met passieve signalisatie
   b) overweg met actieve signalisatie :
   i) manueel,
   ii) automatisch met waarschuwing voor weggebruikers;
   iii) automatisch met bescherming voor weggebruikers;
   iv) bescherming zijde spoor.
   AANHANGSEL
   Gemeenschappelijke definities voor CSI's en methoden voor de berekening van de economische gevolgen van ongevallen.
   1. Indicatoren met betrekking tot ongevallen
   1.1. "Significant ongeval" : ongeval met ten minste één bewegend spoorvoertuig waarbij ten minste één persoon om het leven is gekomen of zwaargewond is geraakt of dat schade van betekenis aan het materieel, de rails, andere installaties of het milieu dan wel een ernstige ontregeling van het verkeer heeft veroorzaakt met uitzondering van ongevallen in werkplaatsen, magazijnen en opslagruimtes.
   1.2. "Schade van betekenis aan het materieel, de rails, andere installaties of het milieu" : schade voor een bedrag van 150 000 EUR of meer.
   1.3. "Ernstige ontregeling van het verkeer" : de treindiensten op een hoofdspoorlijn worden gedurende zes uur of langer onderbroken.
   1.4. "Trein" : één of meer spoorvoertuigen getrokken door één of meer locomotieven of motorrijtuigen, of één motorrijtuig alleen, die onder een bepaald nummer of een specifieke benaming van een vast beginpunt naar een vast eindpunt rijdt/rijden met inbegrip van een losse locomotief, m.a.w. een locomotief die alleen rijdt.
   1.5 "Botsing tussen een trein en een spoorvoertuig" : een frontale botsing, een kopstaartbotsing of een zijdelingse botsing tussen een deel van een trein en een deel van een andere trein of een ander spoorvoertuig of rangerend rollend materieel;
   1.6 "Botsing tussen een trein en een obstakel binnen het vrijeruimteprofiel" : een botsing tussen een deel van een trein en vaste of tijdelijk aanwezige objecten op of in de nabijheid van het spoor (behalve door voertuigen of gebruikers op overwegen verloren voorwerpen), met inbegrip van botsingen met bovenleidingen;
   1.7. "Ontsporingen van een trein" : alle gevallen waarin ten minste één wiel van een trein uit de rails loopt.
   1.8. "Ongeval op overwegen" : elk ongeval op een overweg waarbij ten minste één spoorvoertuig en één of meer overstekende voertuigen, andere overstekende gebruikers zoals voetgangers of andere tijdelijk op of nabij het spoor aanwezige voorwerpen, ingeval zij door een overstekend voertuig of een overstekende gebruiker verloren zijn.
   1.9. "Ongevallen met personen waarbij rollend materieel in rijdende toestand betrokken is" : ongevallen van één of meer personen die door een spoorvoertuig of een daaraan vastzittend of daarvan losgeraakt voorwerp zijn geraakt; dit omvat personen die van spoorvoertuigen vallen, of door losse voorwerpen worden geraakt wanneer zij aan boord van spoorvoertuigen reizen.
   1.10. "Brand in rollend materieel" : brand en explosies die zich tijdens de rit tussen het station van vertrek en de eindbestemming voordoen in spoorvoertuigen (met inbegrip van de lading), ook wanneer de voertuigen stilstaan in het station van vertrek, de eindbestemming of aan tussenliggende haltes, alsmede tijdens rangeeractiviteiten.
   1.11. "Overige ongevallen" : elk ander ongeval dan een botsing, behalve de reeds genoemde (treinbotsingen, ontsporingen van treinen, ongevallen op spoorwegovergangen, door rollend materieel in rijdende toestand veroorzaakte persoonlijke ongevallen en brand in rollend materieel).
   1.12. "Reiziger" : elke persoon, met uitzondering van treinpersoneel, die een reis per spoor maakt, met inbegrip van een reiziger die aan of van boord van een bewegende tracht te gaan, uitsluitend voor ongevallenstatistieken.
   1.13. "Werknemer of contractant" : elke persoon van wie het werk verband houdt met een spoorweg en die aan het werk is ten tijde van het ongeval inclusief het personeel van contractanten, zelfstandige contractanten, treinpersoneel en personen die met rollend materieel en infrastructuurinstallaties werken.
   1.14. "Gebruiker van een overweg" : elke persoon die te voet of met een vervoermiddel gebruik maakt van een overweg om de sporen over te steken.
   1.15. "Indringer" : elke persoon die zich op spoorwegterreinen bevindt terwijl dat verboden is, met uitzondering van gebruikers van een overwegen.
   1.16. "Andere persoon op een perron" : elke zich op een spoorwegperron bevindende persoon die niet onder de definitie van "reiziger", "werknemer of contractant", "gebruiker van een overweg", "andere persoon niet op een perron" of "indringer" valt.
   1.17 "Andere persoon niet op een perron" : elke zich niet op een spoorwegperron bevindende persoon die niet onder de definitie van "reiziger", "werknemer of contractant", "gebruiker van een overweg", "andere persoon op een perron" of "indringer" valt;
   1.18. "Dood (dodelijk slachtoffer)" : elke persoon die bij een ongeval om het leven is gekomen of binnen dertig dagen daarna aan de gevolgen ervan overlijdt, met uitzondering van personen die zelfmoord hebben gepleegd.
   1.19. "Zwaargewond (zwaargewonde persoon)" : elke persoon die bij een ongeval gewond is geraakt en langer dan vierentwintig uren in het ziekenhuis werd opgenomen ten gevolge van het ongeval, met uitzondering van personen die een poging tot zelfmoord hebben ondernomen.
   2. Indicatoren met betrekking tot gevaarlijke goederen
   2.1. "Ongeval bij het vervoer van gevaarlijke goederen" : ongeval of incident dat moet worden gemeld overeenkomstig de RID/ADR-voorschriften, punt 1.8.5.
   2.2. "Gevaarlijke goederen" : stoffen en artikelen waarvan het vervoer bij het RID is verboden, of alleen onder daarin vermelde voorwaarden is toegestaan.
   3. Indicatoren met betrekking tot zelfmoorden
   3.1. "Zelfmoord" : daad van opzettelijke zelfverwonding die de dood tot gevolg heeft, zoals door de bevoegde nationale instantie geregistreerd en gekwalificeerd.
   3.2 "Poging tot zelfmoord" : daad van opzettelijke zelfverwonding met ernstig letsel tot gevolg.
   4. Indicatoren met betrekking tot de voorlopers van ongevallen
   4.1. "Gebroken rails" : rails die in twee of meer stukken zijn gebroken of rails waarvan een stuk metaal is afgebroken, waardoor een gat van meer dan 50 mm lengte en meer dan 10 mm diepte in het loopvlak van het spoor is ontstaan.
   4.2. "Knik of andere afwijking in het spoor" : elke storing die verband houdt met de continuïteit en de geometrie van het spoor, waardoor het spoor buiten bedrijf moet worden gesteld of de toegestane snelheid onmiddellijk moet worden beperkt.
   4.3. "Foutieve seingeving" : technische storingen van het seinsysteem (van de infrastructuur of van het rollend materieel), die tot gevolg hebben dat de seininformatie minder restrictief is dan vereist.
   4.4. "Ongeoorloofd voorbijrijden van een stoptonend sein waarbij een gevaarpunt wordt overschreden" : iedere keer dat een deel van een trein verder rijdt dan toegestaan en het gevaarpunt overschrijdt.
   4.5."Ongeoorloofd voorbijrijden van een stoptonend sein waarbij een gevaarpunt niet wordt overschreden" : iedere keer dat een deel van een trein verder rijdt dan toegestaan maar het gevaarpunt niet overschrijdt.
   Onder "verder rijden dan toegestaan", zoals vermeld in de bovenstaande punten 4.4 en 4.5, wordt verstaan dat de trein verder rijdt dan :
   - een naast het spoor gelegen sein of seinpaal met gekleurde lichten op een gevaarpunt, of een STOP-teken in gevallen waarin geen automatisch beveiligingssysteem voor treinen (TPS) operationeel is,
   - het einde van een veiligheidsgerelateerd toegestaan eindpunt van een TPS,
   - een in de voorschriften vastgesteld punt dat mondeling of schriftelijk is meegedeeld,
   - stopborden (behalve spoorbuffers) of handsignalen.
   Gevallen waarin voertuigen zonder aangekoppelde tractie-eenheid of onbeheerde treinen voorbij een stoptonend sein rijden, worden niet meegeteld. Gevallen waarbij het sein om welke reden dan ook niet tijdig op onveilig is gezet om de machinist in staat te stellen de trein voor het sein te stoppen, worden niet meegeteld.
   De veiligheidsinstanties mogen afzonderlijk verslag uitbrengen over de bovenvermelde vier aanwijzingen van niet- toegestane verplaatsing en moeten ten minste een geaggregeerde indicator meedelen met gegevens over aanwijzingen voor de vier gevallen samen.
   4.6. "Gebroken wiel van rollend materieel in dienst" : een breuk die gevolgen heeft voor het wiel en een risico op een ongeval (ontsporing of botsing) doet ontstaan.
   4.7."Gebroken as van rollend materieel in dienst" : een breuk die gevolgen heeft voor de as en een risico op een ongeval (ontsporing of botsing) doet ontstaan.
   5. Gemeenschappelijke methoden voor de berekening van de economische impact van ongevallen
   5.1. De waarde van het voorkomen van een dodelijk ongeval of een ongeval met ernstig gewonden (VPC) bestaat uit :
   1) de waarde van de veiligheid op zich : waarden ten aanzien van de bereidheid te betalen (Willingness to Pay, WTP), gebaseerd op "stated preference"-onderzoeken die zijn uitgevoerd in de lidstaat waarvoor zij worden toegepast;
   2) directe en indirecte economische kosten : kosten die worden geraamd in de lidstaat en die bestaan uit :
   - medische kosten en kosten voor revalidatie;
   - proceskosten, kosten voor politie, particuliere ongevalsonderzoeken, nooddiensten en -administratieve kosten van de verzekering;
   - productieverlies : waarde voor de samenleving van goederen en diensten die door de persoon hadden kunnen worden geproduceerd als het ongeval niet had plaatsgevonden.
   Bij de berekeningen van de kosten die slachtoffers veroorzaken worden doden en ernstig gewonden afzonderlijk beoordeeld (verschillende VPC voor doden en ernstig gewonden).
   5.2. Gemeenschappelijke principes om de waarde van de veiligheid op zich en directe/indirecte economische kosten te ramen :
   Voor de waarde van de veiligheid op zich wordt de beoordeling of de beschikbare ramingen al dan niet passend zijn, op de volgende overwegingen gebaseerd :
   - de ramingen moeten samenhangen met een systeem voor de raming van de vermindering van het mortaliteitsrisico in de transportsector en een WTP-benadering, naargelang van de "stated preference"-methoden;
   - de steekproef van respondenten die voor de waarden wordt gebruikt, moet representatief zijn voor de betrokken bevolking. De steekproef moet met name de verdeling naar leeftijd, inkomen en andere relevante sociaaleconomische/demografische kenmerken van de bevolking weerspiegelen;
   - methode voor het verkrijgen van de WTP-waarden : het enquêteontwerp moet zodanig zijn dat de vragen voor de respondenten duidelijk en zinvol zijn.
   Directe en indirecte economische kosten moeten worden geraamd op basis van de werkelijke door de samenleving gedragen kosten.
   5.3. Definities
   5.3.1."kosten van de milieuschade" : kosten die door de spoorwegondernemingen/infrastructuurbeheerders moeten worden gedragen, geraamd op basis van hun ervaring, om het beschadigde gebied terug te brengen in de staat van vóór het spoorwegongeval.
   5.3.2. "kosten van de materiële schade aan rollend materieel en infrastructuur" : de kosten van nieuw rollend materieel of nieuwe infrastructuur, met dezelfde functies en technische parameters als het materieel of de infrastructuur die onherstelbaar zijn beschadigd en de kosten voor het herstel van rollend materieel of de infrastructuur die kunnen worden hersteld geraamd door de spoorwegondernemingen en infrastructuurbeheerders op basis van hun ervaring waaronder ook de kosten in verband met de huur van rollend materieel als gevolg van de niet-beschikbaarheid van beschadigde voertuigen.
   5.3.3. "kosten van vertragingen als gevolg van ongevallen" : de geldwaarde van vertragingen die gebruikers van spoorwegvervoer (reizigers en vrachtklanten) ondervinden als gevolg van ongevallen, berekend volgens het onderstaande model :
   VT = geldwaarde van reistijdbesparingen
   Waarde van tijd voor een treinreiziger (een uur)
   VTP = [VT van voor het werk reizende reizigers] * [gemiddeld percentage voor het werk reizende reizigers per jaar] + [VT van niet voor het werk reizende reizigers] * [gemiddeld percentage niet voor het werk reizende reizigers]
   VTp wordt gemeten in EUR per reiziger per uur
   Een "voor het werk reizende reiziger" is een reiziger die reist in verband met zijn beroepsactiviteiten, met uitzondering van woon-werkverkeer.
   Waarde van tijd voor een goederentrein (een uur) :
   VTF = [VT van goederentreinen] * [(ton-km)/(trein-km)]
   VTF wordt gemeten in EUR per ton goederen per uur
   Gemiddeld aantal ton goederen dat in één jaar per trein wordt vervoerd = (ton-km)/(trein-km)
   CM = kosten van één (1) minuut vertraging van een trein
   REIZIGERSTREIN
   CMP = K1 *(VTP /60)*[(reizigers-km)/(trein-km)
   Gemiddeld aantal reizigers dat in één jaar per trein wordt vervoerd = (reizigers-km)/(trein-km)
   GOEDERENTREIN
   CMF = K 2 * (VTF /60)
   De factoren K 1 en K 2 liggen tussen de waarde van tijd en de waarde van vertraging, zoals geraamd door middel van de " stated preference "-onderzoeken, om rekening te houden met het feit dat de als gevolg van vertragingen verloren tijd als aanzienlijk negatiever wordt ervaren dan normale reistijd.
   Kosten van vertragingen als gevolg van een ongeval = CMP * (minuten vertraging van reizigerstreinen) + CMF *(minuten vertraging van goederentreinen).
   Reikwijdte van het model.
   De kosten van vertragingen moeten voor significante ongevallen worden berekend, op de volgende wijze :
   - werkelijke vertragingen op de spoorlijnen waar de ongevallen hebben plaatsgevonden, gemeten op het eindstation;
   - werkelijke vertragingen of, indien dat niet mogelijk is, geraamde vertragingen op de andere getroffen lijnen.
   6. Indicatoren met betrekking tot de technische veiligheid van de infrastructuur en de invoering daarvan
   6.1. "beveiligingssysteem voor treinen (TPS)" : een systeem dat ertoe bijdraagt dat seinen en snelheidsbeperkingen worden nageleefd.
   6.2 "Boordsystemen" : systemen die de treinbestuurder helpen om seinen langs het spoor en in de cabine na te leven en dus zorgt voor bescherming aan gevaarpunten en handhaving van snelheidsbeperkingen. Boord-TPS worden als volgt beschreven :
   a) Waarschuwing, automatische waarschuwing aan de bestuurder;
   b) Waarschuwing en automatische stop, automatische waarschuwing aan de bestuurder en automatische stop bij het voorbijrijden van een stoptonend sein;
   c) Waarschuwing en automatische stop en plaatselijke controle op de snelheid, waarbij bescherming wordt geboden aan gevaarpunten; onder "plaatselijke controle op de snelheid" : wordt verstaan dat op bepaalde plaatsen (snelheidsvallen), bij het naderen van een sein, controle wordt gehouden op de snelheid;
   d) Waarschuwing en automatische stop en permanente controle op de snelheid, waarbij bescherming wordt geboden aan gevaarpunten en permanent controle wordt gehouden op de naleving van de snelheidsbeperkingen op de lijn; onder "permanente controle op de snelheid" wordt verstaan dat de toegestane maximumsnelheid op alle delen van de lijn permanent wordt aangegeven en gehandhaafd.
   Type (d) komt overeen met een automatisch beveiligingssysteem voor treinen (ATP).
   6.3. "Overweg" : gelijkvloerse kruising tussen een spoorweg en een weg of doorgang, erkend door de infrastructuurbeheerder, en toegankelijk voor openbare of particuliere gebruikers. Doorgangen tussen perrons in een station vallen hier niet onder, evenmin als doorgangen over sporen die uitsluitend bestemd zijn voor gebruik door werknemers.
   6.4. "Weg" : met het oog op opstellen van statistieken over spoorwegongevallen, openbare of particuliere weg, straat of snelweg, met inbegrip van aangrenzende voet- en fietspaden
   6.5 "Doorgang" : elke route, behalve wegen, voor de doorgang van personen, dieren, voertuigen of machines.
   6.6. "Overweg met passieve signalisatie" : een overweg zonder enige vorm van waarschuwings- of beschermingssysteem dat wordt geactiveerd wanneer het onveilig is voor de weggebruiker om de overgang over te steken.
   6.7. "Overweg met actieve signalisatie" : een spoorwegovergang waar de overstekende gebruikers worden beschermd tegen of gewaarschuwd voor de naderende trein door de activering van inrichtingen wanneer het voor de gebruiker onveilig is de spoorwegovergang over te steken.
   - Bescherming door gebruikmaking van fysieke inrichtingen :
   -halve of dubbele slagbomen;
   -hekken.
   - Waarschuwing bij het gebruik van vaste apparatuur bij spoorwegovergangen :
   -Visuele apparatuur : lichten;
   -auditieve apparatuur : bellen, hoorns, claxons, etc.;
   Overwegen met actieve signalisatieoverweg worden als volgt gedefinieerd :
   a) manueel : een overweg waar de bescherming of waarschuwing voor de weggebruikers manueel wordt geactiveerd door een spoorwegwerknemer;
   b) automatisch, met waarschuwing voor de weggebruikers : een overweg waar een waarschuwing voor de weggebruikers wordt geactiveerd bij een naderende trein;
   c) automatisch, met bescherming voor de weggebruikers : een overweg waar een vorm van bescherming voor de weggebruikers wordt geactiveerd bij een naderende trein. Dit omvat ook overwegen met zowel beschermings- als waarschuwingssystemen voor de weggebruikers;
   d) bescherming zijde spoor : een overweg waar een signaal of ander treinbeschermingssysteem dat de trein laat doorrijden als de overweg volledig is afgeschermd voor de gebruikers en niet meer wordt overschreden.
   7. Definities van de meeteenheden
   7.1. "Trein-km" : meeteenheid die de verplaatsing van een trein over een afstand van één kilometer weergeeft. Deze afstand is de daadwerkelijk gereden afstand, indien beschikbaar; zo niet wordt de standaardnetafstand tussen de plaats van oorsprong en de plaats van bestemming gebruikt. Alleen de afstand op het grondgebied van het rapporterende land wordt in aanmerking genomen.
   7.2. "Reizigers-km" : meeteenheid voor het vervoer van een reiziger per spoor over een afstand van één kilometer. Alleen de afstand op het grondgebied van het rapporterende land wordt in aanmerking genomen.
   7.3. "Kilometer lijn" : de lengte, gemeten in kilometer, van het spoorwegnet van een lidstaat, waarvan het toepassingsgebied in artikel 2 is vastgesteld. Voor meersporige spoorlijnen wordt alleen de afstand tussen begin- en eindpunt geteld.
   7.4. "Kilometer spoor" : de lengte, gemeten in kilometer, van het spoorwegnet van lidstaten, waarvan het toepassingsgebied in artikel 2 is vastgesteld. Elk spoor van een meersporige spoorlijn wordt geteld.]1
  ----------
  (1)<KB 2015-10-20/01, art. 2, 008; Inwerkingtreding : 08-11-2015>

  Art. N5. Bijlage 5. - Veiligheidsbeheersysteem
  1. Eisen inzake het veiligheidsbeheersysteem
  Alle essentiële onderdelen van het veiligheidsbeheersysteem moeten worden gedocumenteerd. Het systeem beschrijft in het bijzonder hoe de verantwoordelijkheden binnen de organisatie van de infrastructuurbeheerder of de spoorwegonderneming zijn verdeeld. Het geeft aan hoe het beheer op verschillende niveaus wordt gecontroleerd, hoe het personeel en de vertegenwoordigers ervan op alle niveaus bij het beheer worden betrokken en hoe het veiligheidsbeheersysteem voortdurend wordt verbeterd.
  2. Elementen van het veiligheidsbeheersysteem.
  2.1. De basiselementen van het veiligheidsbeheersysteem zijn :
  a) een veiligheidsbeleid dat door het hoofd van de organisatie is goedgekeurd en aan het personeel is meegedeeld;
  b) kwalitatieve en kwantitatieve doelen van de organisatie voor de handhaving en vergroting van de veiligheid en plannen en procedures om die doelen te verwezenlijken;
  c) procedures om te voldoen aan bestaande, nieuwe en gewijzigde technische en operationele normen en andere bindende voorwaarden zoals vastgelegd :
  - in de TSI, of
  - in de in artikel 68 en bijlage 5 bedoelde nationale voorschriften, of
  - in andere toepasselijke voorschriften, of
  - in besluiten van een autoriteit, alsmede procedures om ervoor te zorgen dat gedurende de gehele levenscyclus van installaties en tijdens alle activiteiten de normen en andere bindende voorwaarden worden geëerbiedigd;
  d) procedures en methoden om risico's te beoordelen en te beheersen wanneer er voor de infrastructuur of de activiteiten nieuwe risico's ontstaan door een verandering in de bedrijfsomstandigheden of door nieuw materiaal;
  e) programma's voor de opleiding van personeel en systemen om ervoor te zorgen dat het personeel terzake kundig blijft en de taken dienovereenkomstig worden uitgevoerd;
  f) regelingen voor een voldoende informatievoorziening binnen de organisatie en, waar nodig, voor een voldoende uitwisseling van informatie tussen organisaties die op dezelfde infrastructuur opereren;
  g) procedures voor de wijze waarop, alsmede de vorm waarin informatie over veiligheid wordt gedocumenteerd, en de procedure voor configuratiecontrole van vitale informatie op veiligheidsgebied;
  h) procedures om ervoor te zorgen dat ongevallen, incidenten, bijna-ongelukken en andere gevaarlijke voorvallen worden gemeld, onderzocht en geanalyseerd en dat de nodige preventieve maatregelen worden getroffen;
  i) plannen voor actie, alarmering en voorlichting in noodgevallen, die samen met de bevoegde overheidsinstanties worden vastgesteld;
  j) voorzieningen voor periodieke interne controles met betrekking tot het veiligheidsbeheersysteem.
  2.2. De andere elementen van het veiligheidsbeheersysteem zijn :
  De interne regels, in aanvulling op de nationale veiligheidsregels en bedoeld in artikel 68, § 4, waarvan sommige deel uitmaken van de basiselementen van het veiligheidsbeheersysteem. De voorschriften hebben zowel betrekking op de basiselementen bedoeld in punt 2.1 als op de veiligheidsinstructies, bestemd voor het personeel.
  Gezien om gevoegd te worden bij de wet van 30 augustus 2013 houdende de Spoorcodex.

  Art. N6. Bijlage 6. - Kernpunten van het verslag betreffende het onderzoek naar ongevallen en incidenten
  (1) SAMENVATTING
  De samenvatting bevat een korte beschrijving van het voorval, wanneer en waar het plaatsvond en wat de gevolgen waren. Vermeld moeten worden de directe oorzaken, de factoren die mede tot het voorval hebben geleid, en de onderliggende oorzaken die tijdens het onderzoek zijn vastgesteld. De belangrijkste aanbevelingen worden genoemd en er wordt informatie verstrekt over degenen tot wie de aanbevelingen zijn gericht.
  (2) FEITEN MET BETREKKING TOT HET VOORVAL
  1. Het voorval :
  - datum, exacte tijd en plaats van het voorval;
  - beschrijving van de gebeurtenissen en de plaats van het ongeval, met inbegrip van het optreden van de reddings- en noodhulpdiensten;
  - het besluit een onderzoek in te stellen, de samenstelling van het onderzoeksteam en het onderzoek zelf.
  2. De situatie tijdens het voorval :
  - betrokken personeel en aannemers en andere partijen en getuigen;
  - de treinen en de samenstelling ervan, inclusief het registratienummer van het betrokken rollend materieel;
  - de beschrijving van de infrastructuur en het seingevingssysteem - spoortypen, schakelaars, koppelingen, seinen, treinbeveiliging;
  - de communicatiemiddelen;
  - de werkzaamheden op of in de omgeving van de plaats van het voorval;
  - de inwerkingstelling van het spoorwegnoodplan en de gebeurtenissen die daarop volgden;
  - de inwerkingstelling van het noodplan van de publieke reddingsdiensten, de politie en de medische diensten en de gebeurtenissen die daarop volgden.
  3. Doden, gewonden en materiële schade :
  - reizigers en derden, personeel, met inbegrip van de aannemers;
  - vracht, bagage en andere eigendommen;
  - rollend materieel, infrastructuur en het milieu.
  4. Externe omstandigheden :
  - weersomstandigheden en geografische referenties.
  (3) RAPPORTAGE VAN DE ONDERZOEKEN
  1. Samenvatting van getuigenissen (volgens de regels voor de bescherming van de persoonlijke identiteit) :
  - werknemers bij de spoorwegen, met inbegrip van de aannemers;
  - andere getuigen.
  2. Het veiligheidsbeheersysteem :
  - de kaderorganisatie en de wijze waarop bevelen worden gegeven en uitgevoerd;
  - eisen betreffende het personeel en de wijze waarop de naleving daarvan wordt gewaarborgd;
  - reguliere procedures voor interne controles en de uitkomsten ervan;
  - interface tussen de verschillende actoren op de infrastructuur.
  3. Wet- en regelgeving :
  - toepasselijke communautaire en nationale wet- en regelgeving;
  - andere voorschriften zoals exploitatievoorschriften, lokale instructies. personeelseisen, onderhoudsvoorschriften en toepasselijke normen.
  4. Werking van rollend materieel en technische installaties :
  - seingevings- en besturingssysteem, met inbegrip van opname op automatische datarecorders;
  - infrastructuur;
  - communicatieapparatuur;
  - rollend materieel, met inbegrip van een verslag van de automatische gegevensregistratie
  5. Documentatie over het operationele systeem :
  - maatregelen van het personeel met betrekking tot verkeersregeling en seingeving;
  - uitwisseling van mondelinge boodschappen betreffende het voorval, met inbegrip van documentatie afkomstig van opnamen;
  - maatregelen ter bescherming van de plaats van het voorval.
  6. Interface mens-machine-organisatie :
  - arbeidstijd van het betrokken personeel;
  - medische en persoonlijke omstandigheden die van invloed waren op het voorval, met inbegrip van fysieke of psychologische spanning;
  - ontwerp van installaties die van invloed zijn op de interface mens-machine.
  7. Eerdere soortgelijke voorvallen.
  (4) ANALYSE EN CONCLUSIES
  1. Eindverslag van de reeks gebeurtenissen :
  - conclusie met betrekking tot de toedracht, op basis van de feiten die in het kader van punt (3) zijn vastgesteld.
  2. Discussie :
  - analyse van de in het kader van punt (3) vastgestelde feiten, met als doel conclusies te trekken aangaande de oorzaken van het voorval en het optreden van de reddingsdiensten.
  3. Conclusies :
  - directe en indirecte oorzaken van het voorval, met inbegrip van de factoren die mede tot het voorval hebben geleid en die verband houden met acties die door betrokken personen zijn ondernomen of de staat van onderhoud van het rollend materieel en de technische installaties;
  - fundamentele oorzaken die verband houden met vaardigheden, procedures en onderhoud;
  - fundamentele oorzaken die verband houden met de voorwaarden van het regelgevingskader en de toepassing van het veiligheidsbeheersysteem.
  4. Aanvullende waarnemingen :
  - gebreken en tekortkomingen die tijdens het onderzoek zijn vastgesteld, maar die niet van belang zijn voor de conclusies inzake de oorzaken.
  (5) GENOMEN MAATREGELEN
  - Rapportage van de maatregelen die naar aanleiding van het voorval reeds genomen of vastgesteld zijn.
  (6) AANBEVELINGEN
  Gezien om gevoegd te worden bij de wet van 30 augustus 2013 houdende de Spoorcodex.

  Art. N7. Bijlage 7. - Voorvallen die door de spoorwegondernemingen, de spoorweginfrastructuurbeheerder en, in voorkomend geval, de veiligheidsinstantie overeenkomstig artikel 93, § 1, moeten worden gemeld
  1. ernstige ongevallen;
  2. ongevallen of incidenten die, onder enigszins andere omstandigheden, tot ernstige ongevallen hadden kunnen leiden, met inbegrip van technische gebreken in de subsystemen van structurele aard of in de interoperabele onderdelen van het hogesnelheids- of conventionele spoorwegsysteem;
  3. een lek of een risico op een lek van gevaarlijke goederen waarbij de omgeving moet worden geëvacueerd en het interventieplan op gemeentelijk, provinciaal of federaal niveau wordt afgekondigd;
  4. elk voorval waarbij de verwachte onderbrekingsduur van de spoorwegvervoerdiensten op een lijn minstens twee uur bedraagt.
  Gezien om gevoegd te worden bij de wet van 30 augustus 2013 houdende de Spoorcodex.

  Art. N7/1. [1 Bijlage 7/1. - Communautair model voor de vergunning en het geharmoniseerd aanvullend bevoegdheidsbewijs.
   In de nationale registers opgenomen minimumgegevens :
   a) Gegevens in verband met de vergunning :
   Alle gegevens die op de vergunning staan vermeld, tezamen met de gegevens in verband met de controle op de naleving van de eisen van artikelen 127, 129 en 137.
   b) Gegevens in verband met het bevoegdheidsbewijs :
   Alle gegevens die op het bevoegdheidsbewijs staan vermeld, tezamen met de gegevens in verband met de controle op de naleving van de eisen van artikelen 135, 129 en 137.]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij W 2017-11-23/15, art. 80, 011; Inwerkingtreding : 21-12-2017>
  

  Art. N8.Bijlage 8. - Medische eisen
  1. Algemene vereisten
  1.1. De treinbestuurders mogen niet lijden aan een medische aandoening en geen medicatie, drugs of stoffen innemen die zouden kunnen leiden tot :
  - plotseling bewustzijnsverlies;
  - vermindering van de waakzaamheid of het concentratievermogen;
  - plotselinge ongeschiktheid;
  - verlies van het evenwichts- of coördinatievermogen;
  - aanzienlijk verlies van de beweeglijkheid.
  1.2. Gezichtsvermogen
  Het gezichtsvermogen dient aan de volgende eisen te voldoen :
  - een gezichtsscherpte veraf, met of zonder hulpmiddelen : 1,0 met minimaal 0,5 voor het minst goede oog;
  - maxima voor corrigerende lenzen : verziendheid : + 5/bijziendheid : - 8. In uitzonderlijke gevallen zijn afwijkingen toegestaan na advies van een oogarts. Het besluit hierover wordt genomen door de arts;
  - een voldoende gezichtsscherpte dichtbij en intermediair, met of zonder hulpmiddelen;
  - contactlenzen en een bril zijn toegestaan indien deze periodiek door een specialist worden gecontroleerd;
  - normale kleurwaarneming, vast te stellen aan de hand van een erkende test zoals Ishihara, zo nodig aangevuld met een andere erkende test;
  - gezichtsveld : volledig;
  - [1 gezichtsvermogen voor beide ogen : doeltreffend;]1
  - binoculair gezichtsvermogen : doeltreffend;
  - herkenning van kleursignalen : de test is gebaseerd op herkenning van enkelvoudige kleuren en niet op relatieve verschillen;
  - contrastwaarneming : goed;
  - afwezigheid van progressieve oogziekten;
  - oogimplantaten, keratotomieën en keratectomieën zijn uitsluitend toegestaan indien zij jaarlijks of met een door de arts vast te stellen frequentie worden gecontroleerd;
  - ongevoeligheid voor verblinding;
  - getinte en fotochromatische contactlenzen zijn niet toegestaan. Lenzen met UV-coating zijn wel toegestaan.
  1.3. Eisen betreffende het gehoor- en spraakvermogen
  Aan de hand van een audiogram dient te blijken dat het gehoorvermogen voldoende is, dat wil zeggen :
  - het gehoorvermogen dient het mogelijk te maken een telefoongesprek te voeren en de waarschuwingssignalen en radioberichten te horen.
  De volgende richtwaarden gelden :
  - het gehoorverlies mag niet hoger zijn dan 40 dB bij 500 en 1 000 Hz;
  - het gehoorverlies mag niet hoger zijn dan 45 dB bij 2 000 Hz voor het oor met de minst goede geleiding van het geluid via de lucht;
  - geen afwijking van de gehoorgang;
  - geen chronische spraakmoeilijkheden (gezien de noodzaak van een luide en duidelijke berichtenuitwisseling);
  - in bijzondere gevallen is het gebruik van gehoorapparaten toegestaan.
  1.4. Zwangerschap
  Bij een lage tolerantie of een pathologische aandoening dient zwangerschap te worden beschouwd als een tijdelijke grond voor schorsing van treinbestuurders. De wettelijke voorschriften ter bescherming van zwangere treinbestuurders moeten worden toegepast.
  2. Minimumomvang van de keuring vóór de aanstelling
  2.1. Medische keuring :
  - algemeen medisch onderzoek;
  - test van de zintuigen (gezichtsvermogen, gehoor, kleurwaarneming);
  - onderzoek van bloed of urine, onder meer op suikerziekte, voor zover noodzakelijk om de lichamelijke geschiktheid van de kandidaat te beoordelen;
  - elektrocardiogram (ECG) in rust;
  - onderzoek naar het gebruik van psychotrope stoffen zoals illegale verdovende middelen of psychotrope medicatie, alsmede naar alcoholmisbruik, waardoor twijfel kan ontstaan over de geschiktheid de betrokken functie uit te oefenen;
  - cognitieve eigenschappen : aandacht en concentratie, geheugen, waarnemingsvermogen, redeneringsvermogen;
  - communicatie;
  - psychomotorische eigenschappen : reactievermogen, bewegingscoördinatie.
  2.2. Bedrijfspsychologische onderzoeken
  Het doel van de bedrijfspsychologische onderzoeken is te helpen bij de werving en het beheer van personeel. Wat betreft de omvang van de psychologische beoordeling : het onderzoek moet nagaan of de kandidaat-treinbestuurder vanuit bedrijfspsychologisch oogpunt geen aandoeningen heeft, in het bijzonder op het gebied van operationele vaardigheden of enige relevante persoonlijkheidsfactor, welke de veilige uitoefening van de taken in de weg kunnen staan.
  3. Periodieke controles na de aanstelling
  3.1. Frequentie van medische onderzoeken
  Medische onderzoeken (lichamelijke geschiktheid) gebeuren tot de leeftijd van 55 jaar, ten minste om de drie jaar, daarna jaarlijks.
  De frequentie van deze controles moet door de overeenkomstig artikel 142, 9°, erkende persoon of instelling worden verhoogd als dit op grond van de gezondheidstoestand van de betrokkene noodzakelijk is.
  Met inachtneming van artikel 137, eerste lid, vindt er een passende medische keuring plaats indien er reden is om aan te nemen dat een houder van een vergunning of bevoegdheidsbewijs niet langer voldoet aan de in in punt 1 van deze bijlage, genoemde medische eisen.
  De lichamelijke geschiktheid wordt regelmatig en na elk arbeidsongeval en ook bij werkonderbrekingen ten gevolge van een ongeval met personen gecontroleerd. De overeenkomstig artikel 142, 9°, erkende persoon of instelling kan besluiten een aanvullende medische controle te verrichten, in het bijzonder na een ziekteverlof van minstens dertig dagen of meer. De werkgever moet de overeenkomstig artikel 142, 9°, erkende persoon of instelling vragen de lichamelijke geschiktheid van de treinbestuurder te controleren, wanneer hij deze om veiligheidsredenen heeft geschorst.
  3.2. Minimuminhoud van de periodieke medische controle
  Indien de treinbestuurder aan de criteria van de medische controle vóór de aanstelling voldoet, dan dienen de periodieke controles ten minste de volgende onderzoeken te omvatten :
  - algemeen medisch onderzoek;
  - test van de zintuigen (gezichtsvermogen, gehoor, kleurwaarneming);
  - onderzoek van bloed of urine op suikerziekte en andere ziektebeelden die bij het klinisch onderzoek naar voren zijn gekomen;
  - onderzoek naar het gebruik van verdovende middelen wanneer daar klinische aanwijzingen voor zijn.
  Voor treinbestuurders van veertig jaar en ouder is een ECG in rust eveneens noodzakelijk.
  3.3. Frequentie van de bedrijfspsychologische onderzoeken
  Bedrijfspsychologische onderzoeken gebeuren om de tien jaar.
  Wat betreft de omvang van de psychologische beoordeling : het onderzoek moet nagaan of de treinbestuurder vanuit bedrijfspsychologisch oogpunt geen aandoeningen heeft, in het bijzonder op het gebied van operationele vaardigheden of enige relevante persoonlijkheidsfactor, welke de veilige uitoefening van de taken in de weg kunnen staan.
  Gezien om gevoegd te worden bij de wet van 30 augustus 2013 houdende de Spoorcodex.
  ----------
  (1)<KB 2015-10-20/01, art. 3, 008; Inwerkingtreding : 01-01-2016>

  Art. N9. Bijlage 9. - Opleidingsmethode
  De theoretische opleiding (klassikaal onderricht en demonstraties) en de praktijktraining (werkervaring, al dan niet onder toezicht rijden op [1 afgesloten sporen]1 voor opleidingsdoeleinden) moeten met elkaar in evenwicht zijn.
  Opleiding met behulp van computers is toegestaan voor het individueel aanleren van de exploitatievoorschriften, beveiligingssituaties, enz.
  Het gebruik van simulators is niet verplicht, maar kan nuttig zijn voor een doeltreffende opleiding van treinbestuurders; zij zijn vooral nuttig voor het oefenen in ongewone werkomstandigheden of voor voorschriften die minder vaak worden toegepast. Het bijzondere voordeel ligt in het feit dat zij "al doende leren" mogelijk maken met het reageren op gebeurtenissen die anders niet kunnen worden geoefend. In principe moeten simulators van de nieuwste generatie worden gebruikt.
  Wat betreft de verwerving van lijnkennis, verdient het de voorkeur dat de treinbestuurder door een andere treinbestuurder vergezeld wordt op een voldoende aantal reizen [1 op het betrokken traject]1, zowel overdag als s nachts. Het gebruik van video-opnamen van de trajecten zoals die in de stuurpost van de treinbestuurder te zien zijn, kan naast andere methoden als alternatieve training worden gebruikt.
  Gezien om gevoegd te worden bij de wet van 30 augustus 2013 houdende de Spoorcodex.
  ----------
  (1)<W 2017-11-23/15, art. 81, 011; Inwerkingtreding : 21-12-2017>

  Art. N10.[1 BIJLAGE 10 - ALGEMENE VAKKENNIS EN VERGUNNINGSVEREISTEN
   De doelstelling van de "algemene opleiding" is het verwerven van de "algemene" vakkennis over alle relevante aspecten van het beroep van treinbestuurder. In de algemene opleiding ligt de nadruk op de basiskennis en de principes die op alle types rollend materieel en alle infrastructuur van toepassing zijn. Deze opleiding kan zonder praktijkoefeningen worden georganiseerd.
   Kennis over specifieke types rollend materieel of van de veiligheids- en exploitatievoorschriften en -technieken voor specifieke infrastructuur maken geen deel uit van de "algemene" vakkennis. Opleiding over specifieke types rollend materieel of infrastructuur houdt verband met het bevoegdheidsbewijs van de treinbestuurder en is gespecificeerd in de bijlagen 11 en 12.
   De algemene opleiding bestrijkt de hierna in de punten (1) tot en met (7) genoemde onderwerpen. De volgorde daarvan is geen weerspiegeling van een bepaalde prioriteit.
   De in de lijst gebruikte werkwoorden verwijzen naar de aard van de door de leerling te verwerven vaardigheden. Hun betekenis wordt omschreven in de volgende tabel :
  

  
Aard van de bekwaamheid Omschrijving
kennen, beschrijven beschrijft het verwerven van kennis (gegevens, feiten) die nodig is om verbanden te begrijpen
begrijpen, herkennen beschrijft de herkenning en het memoriseren van inhoud, de uitvoering van taken en het oplossen van problemen in een bepaald kader

(1) De taken van een treinbestuurder, de werkomgeving, de rol en verantwoordelijkheid binnen de spoorwegexploitatie, de professionele en persoonlijke eisen waaraan treinbestuurder dienen te voldoen :
   a) kennis van de algemene beginselen van de regelgeving en de toepasselijke regels inzake spoorwegexploitatie en -veiligheid (eisen en procedures voor de certificering van treinbestuurder, gevaarlijke goederen, milieubescherming, brandbescherming enz.);
   b) inzicht in de specifieke eisen en de professionele en persoonlijke vereisten (voornamelijk zelfstandig werken, ploegendiensten over perioden van meer dan 24 uur, individuele bescherming en veiligheid, lezen en bijwerken van documenten enz.);
   c) inzicht in het gedrag dat conform is met de veiligheidskritieke verantwoordelijkheden (geneesmiddelen, alcohol, drugs en andere psychoactieve stoffen, ziekte, stress, vermoeidheid enz);
   d) kennis van de referentie- en exploitatiedocumenten (bv. regelgevings-, route- en treinbestuurdershandboek enz.);
   e) kennis van de verantwoordelijkheden en functies van de betrokken personen;
   f) inzicht in het belang van nauwkeurigheid bij het uitvoeren van taken en in de werkmethoden;
   g) inzicht inzake veiligheid en gezondheid op het werk (bv. gedragsregels op of in de nabijheid van sporen, regels om tractie-eenheden op een veilige manier te betreden of te verlaten, ergonomie, regels inzake de veiligheid van het personeel, persoonlijke beschermingsmiddelen enz.);
   h) kennis van de gedragsregels en -principes (stressbeheer, extreme situaties enz.);
   i) kennis van de beginselen van milieubescherming (duurzaam rijden enz.).
   (2) Spoorwegtechnologieën, met inbegrip van de veiligheidsbeginselen die aan de exploitatievoorschriften ten grondslag liggen :
   a) kennis van de beginselen, voorschriften en regels inzake de veiligheid van de spoorwegexploitatie;
   b) kennis van de verantwoordelijkheden en functies van de betrokken personen.
   (3) Basisbeginselen van de spoorweginfrastructuur :
   a) kennis van de structurele en systeembeginselen en -parameters;
   b) kennis van de algemene kenmerken van sporen, stations, emplacementen;
   c) kennis op het gebied van spoorweginfrastructuur (bruggen, tunnels, wissels enz.);
   d) kennis inzake exploitatiemodi (enkelspoor, dubbelspoor enz.);
   e) kennis op het gebied van sein- en treinbesturingssystemen;
   f) kennis op het gebied van veiligheidsinstallaties (warmloperdetectoren, rookdetectors in tunnels enz.);
   g) kennis op het gebied van stroomvoorziening (bovenleiding, derde rail enz.).
   (4) Basisbeginselen van operationele communicatie :
   a) kennis van het belang van communicatie en de communicatiemiddelen en -procedures;
   b) inzicht in de personen waarmee de treinbestuurder contact moet opnemen en hun rol en verantwoordelijkheden (personeel van de infrastructuurbeheerder, verplichtingen van ander treinpersoneel enz.);
   c) inzicht in de situaties/voorvallen waarin moet worden gecommuniceerd;
   d) inzicht in communicatiemethoden.
   (5) Treinen, de samenstelling daarvan en de technische eisen voor tractievoertuigen, wagons, rijtuigen en ander rollend materieel :
   a) kennis van de algemene types tractie (elektrisch, diesel, stoom enz.) :
   b) de indeling van een voertuig kunnen beschrijven (bogies, wagenkast, stuurcabine, beveiligingssystemen enz.);
   c) kennis van de inhoud en het systeem van de opschriften;
   d) kennis van de documentatie inzake de treinsamenstelling;
   e) inzicht in het remsysteem en de prestatieberekening;
   f) de treinsnelheid kunnen bepalen;
   g) de maximumbelasting en -krachten op de koppeling kunnen bepalen;
   h) de werking en het doel van het treinbeheersysteem kennen.
   (6) Algemene risico's bij de exploitatie van de spoorwegen :
   a) inzicht in de diverse uitgangspunten van de verkeersveiligheid;
   b) kennis van de risico's van de spoorwegexploitatie en van de verschillende methoden om deze te beperken;
   c) kennis van veiligheidsincidenten en weten hoe men zich dient te gedragen/dient te reageren;
   d) kennis van de procedures die bij ongevallen met personen moeten worden gevolgd (bv. evacuatie).
   (7) Basisbeginselen van de fysica :
   a) inzicht in de op de wielen uitgeoefende krachten;
   b) kennis van de factoren die de acceleratie- en remprestaties beïnvloeden (weersomstandigheden, remuitrusting, adhesieproblemen, zandstrooien enz.);
   c) kennis van de beginselen van elektriciteit (circuits, meten van voltage enz.)".]1
  ----------
  (1)<KB 2015-10-20/01, art. 4, 008; Inwerkingtreding : 01-01-2016>

  Art. N11. Bijlage 11. - Vakkennis betreffende het rollend materieel en eisen betreffende het bevoegdheidsbewijs
  Na een specifieke opleiding inzake rollend materieel dient een treinbestuurder in staat te zijn de volgende taken naar behoren te verrichten :
  1. Voorgeschreven testen en controles voor het vertrek
  Een treinbestuurder dient in staat te zijn om :
  - zich de benodigde documentatie en uitrusting te verschaffen;
  - de capaciteit van het tractievoertuig te verifiëren;
  - de op de boorddocumenten van het tractievoertuig vermelde gegevens te verifiëren;
  - zich aan de hand van de voorgeschreven controles en testen ervan te vergewissen dat het tractievoertuig over de noodzakelijke trekkracht beschikt en dat de veiligheidsvoorzieningen functioneren;
  - de aanwezigheid en het functioneren van de voorgeschreven voorzieningen voor bescherming en veiligheid bij het overdragen van een tractievoertuig of bij de aanvang van een rit te controleren;
  - het eventueel voorgeschreven en gebruikelijke preventieve onderhoud te verrichten.
  2. Kennis van het rollend materieel
  Om een tractievoertuig te besturen dient een treinbestuurder vertrouwd te zijn met alle bedieningsknoppen, pedalen en meters die hem ter beschikking staan, in het bijzonder die met betrekking tot :
  - de tractie;
  - het remsysteem;
  - de verkeersveiligheidsvoorzieningen.
  Teneinde onregelmatigheden aan het rollend materieel te detecteren en te lokaliseren en deze te rapporteren en te bepalen welke herstellingen noodzakelijk zijn alsmede, in bepaalde gevallen, zelf in te grijpen, dient hij vertrouwd te zijn met wat volgt :
  - mechanische constructies;
  - vering en koppeling;
  - loopwerk;
  - veiligheidsvoorzieningen;
  - brandstofreservoirs, voeding- en brandstofsysteem, uitlaatsysteem;
  - de in en op het rollend materieel aangebrachte merktekens, met name de gebruikte symbolen voor het vervoer van gevaarlijke stoffen;
  - systemen voor de registratie van ritten;
  - elektrische en pneumatische systemen;
  - stroomafnemers en hoogspanningsinstallaties;
  - communicatiemiddelen (radiosysteem, enz.);
  - de regeling van ritten;
  - de verschillende onderdelen van het rollend materieel, hun functies en de bijzondere voorzieningen van het getrokken materieel, met name het noodremsysteem op basis van het ontluchten van de treinleiding;
  - remsysteem;
  - de voor tractievoertuigen specifieke onderdelen;
  - tractieketen, motoren en transmissie.
  3. Remproef
  Een treinbestuurder dient in staat te zijn om :
  - voor vertrek te verifiëren en te berekenen of [2 het remvermogen]2 van de trein overeenkomt met het voor [2 de lijn]2 voorgeschreven remvermogen, zoals vermeld op de boorddocumenten;
  - de werking van de verschillende onderdelen van het remsysteem van het tractievoertuig en in voorkomend geval van de trein te controleren, vóór het in beweging zetten, bij het eerste vertrek en tijdens de rit.
  4. Bedieningswijze en maximumsnelheid van de trein, afhankelijk van de karakteristieken van de lijn
  Een treinbestuurder dient in staat te zijn om :
  - kennis te nemen van de informatie aan hem vóór elk vertrek verstrekt;
  - de bedieningswijze en de maximumsnelheid van de trein te bepalen op basis van variabele gegevens, bijvoorbeeld snelheidsbeperkingen, weersomstandigheden of wijzigingen aan de seingeving.
  5. Bediening van de trein zonder beschadiging van installaties of rollend materieel
  Een treinbestuurder dient in staat te zijn om :
  - alle aanwezige bedieningsknoppen en pedalen volgens de geldende voorschriften te gebruiken;
  - de trein, rekening houdend met de adhesie- en vermogensbeperkingen in beweging te zetten;
  - de remmen te bedienen voor het afremmen en tot stilstand brengen van de trein met inachtneming van het rollend materieel en de installaties.
  6. Onregelmatigheden
  Een treinbestuurder dient :
  - in staat te zijn om ongebruikelijke gebeurtenissen op te merken met betrekking tot het besturen van de trein;
  - in staat te zijn om de trein te inspecteren en aanwijzingen van onregelmatigheden op te merken en te onderscheiden en ook erop te reageren afhankelijk van de ernst van de zaak en te proberen ze te verhelpen, waarbij altijd voorrang moet worden gegeven aan de veiligheid van personen en het spoorwegverkeer;
  - vertrouwd te zijn met de aanwezige beschermings- en communicatievoorzieningen.
  7. Storingen en exploitatieongevallen, brand en ongevallen met personen
  Een treinbestuurder dient :
  - in staat te zijn om maatregelen te treffen [1 om]1 de trein te beschermen en om assistentie te vragen bij ongevallen met personen in de trein;
  - in staat te zijn om te bepalen of de trein gevaarlijke stoffen vervoert en deze te identificeren aan de hand van de treindocumenten en wagonlijsten;
  - de procedures te kennen om, in geval van nood, een evacuatie van een trein uit te voeren.
  8. Voorwaarden voor de hervatting van de reis na een storing van het rollend materieel
  Na een storing dient een treinbestuurder in staat te zijn om te beoordelen of en in welke omstandigheden de reis met het betrokken materieel kan worden voortgezet, teneinde de infrastructuurbeheerder zo spoedig mogelijk van deze omstandigheden op de hoogte te brengen.
  Treinbestuurders moeten in staat zijn te bepalen of er een deskundig oordeel nodig is alvorens de trein verder kan rijden.
  9. Stilzetten van de trein
  Een treinbestuurder dient in staat te zijn de nodige maatregelen te treffen om te voorkomen dat de trein of een deel daarvan ontijdig in beweging komt, zelfs in de meest ongunstige omstandigheden.
  Bovendien moet een treinbestuurder weten welke maatregelen hij moet nemen om een ontijdig in beweging geraakte trein of een deel daarvan tot stilstand te brengen.
  Gezien om gevoegd te worden bij de wet van 30 augustus 2013 houdende de Spoorcodex.
  ----------
  (1)<W 2015-06-15/03, art. 79, 007; Inwerkingtreding : 23-07-2015>
  (2)<W 2017-11-23/15, art. 82, 011; Inwerkingtreding : 21-12-2017>

  Art. N12. Bijlage 12. - Vakkennis betreffende infrastructuur en eisen betreffende het bevoegdheidsbewijs
  Infrastructuuraspecten
  1. [2 Remproeven
   Een treinbestuurder dient in staat te zijn om voor vertrek te verifiëren en te berekenen of het remvermogen van de trein overeenkomt met het voor de lijn voorgeschreven remvermogen, zoals vermeld op de boorddocumenten.]2
  2. Bedieningswijze en maximumsnelheid van de trein, afhankelijk van de karakteristieken van de lijn
  Een treinbestuurder dient in staat te zijn om :
  - kennis te nemen van de informatie die hem wordt verstrekt, zoals snelheidsbeperkingen of eventueel wijzigingen aan de seingeving;
  - de bedieningswijze en maximumsnelheid van de trein te bepalen, op basis van de kenmerken van de lijn.
  3. Lijnkennis
  Een treinbestuurder dient in staat te zijn te anticiperen en op adequate wijze te reageren wat veiligheid en andere prestaties betreft, zoals punctualiteit en economische aspecten. Daartoe dient hij te beschikken over een gedegen kennis van de [2 lijnen]2 en de installaties op zijn route en ook van de eventueel vastgestelde omleidingsroutes.
  De volgende elementen zijn van belang :
  - de exploitatievoorschriften (spoorverandering, verkeer op enkelspoor, enz.);
  - kennis te nemen van de uit te voeren opdracht en de bijbehorende documenten;
  - de identificatie van de [2 sporen]2 die voor een bepaalde exploitatiewijze kunnen worden gebruikt;
  - de toepasselijke verkeersvoorschriften en de betekenis van het seingevingssysteem;
  - het exploitatieregime;
  - het type van blokstelsel en de bijbehorende voorschriften;
  - de stationsnamen en de positie en herkenning op afstand van de stations en seinposten, zodat het rijgedrag hierop kan worden afgestemd;
  - de signalering van de overgang op andere exploitatie- of [2 elektrische]2 voedingssystemen;
  - de maximale snelheden voor de verschillende categorieën treinen waarop de treinbestuurder rijdt;
  - het topografische profiel;
  - bijzondere remsituaties, zoals op lijnen met steile afdalingen;
  - bijzonderheden met betrekking tot de exploitatie : bijzondere seinen of borden, voorwaarden voor vertrek, enz.
  4. Veiligheidsvoorschriften
  Een treinbestuurder dient in staat te zijn om :
  - de trein pas in beweging te zetten wanneer aan alle reglementaire voorwaarden is voldaan (dienstregeling, vertrekbevel of sein, het eventuele openen van de seinen, enz.);
  - de seinen langs het spoor en in de stuurpost waar te nemen, onmiddellijk foutloos te interpreteren en de voorgeschreven handelingen uit te voeren;
  - veilig te rijden op grond van de specifieke exploitatievoorschriften : opgelegde bijzondere ritinstructies zoals : tijdelijke snelheidsbeperkingen, tegenspoor rijden, toelating om een gesloten sein te passeren in geval van nood, rangeren, rotaties, rijden op werkspoor, enz.;
  - op de volgens de dienstregeling opgenomen of de bijkomende plaatsen te stoppen en zo nodig de bijkomende taken in verband met de dienstverlening aan de reizigers op deze stopplaatsen uit te voeren, met name het openen en sluiten van de deuren.
  5. Besturing van de trein
  Een treinbestuurder dient in staat te zijn om :
  - op elk moment zijn positie op de bereden [2 lijn]2 te kennen;
  - de remmen te gebruiken voor het afremmen en tot stilstand brengen van de trein met inachtneming van het rollend materieel en de installaties;
  - de rijstijl van de trein af te stemmen op de dienstregeling en de eventuele Richtlijnen om energie te besparen, door rekening te houden met de eigenschappen van het tractievoertuig, de trein, [2 de lijn]2 en de omgeving.
  6. Onregelmatigheden
  Een treinbestuurder dient in staat te zijn om :
  - te letten, voor zover de bediening van de trein dit toelaat, op ongebruikelijke gebeurtenissen met betrekking tot de infrastructuur en in de omgeving : seinen, spoor, bovenleiding, spoorwegovergangen, omgeving van het spoor en overig verkeer;
  - de afstand waarmee obstakels zijn overschreden, in te schatten;
  - de infrastructuurbeheerder zo snel mogelijk op de hoogte te stellen van de plaats en de aard van de geconstateerde onregelmatigheden en zich ervan te vergewissen dat zijn gesprekspartner hem goed begrijpt;
  - met inachtneming van de infrastructuur waar nodig de veiligheid van het verkeer en personen te waarborgen of maatregelen te nemen om ze te waarborgen.
  7. Storingen en ongevallen, brand en ongevallen met personen
  Een treinbestuurder dient in staat te zijn om :
  - maatregelen te treffen om de trein te beschermen en om assistentie te vragen bij ongevallen met personen;
  - te bepalen waar de trein bij brand tot stilstand dient te worden gebracht en zo nodig de evacuatie van de reizigers te bevorderen;
  - zo snel mogelijk bruikbare inlichtingen te verschaffen over de brand in het geval dat hij deze niet zelf kan blussen;
  - de infrastructuurbeheerder zo spoedig mogelijk over deze omstandigheden op de hoogte te brengen;
  - te beoordelen, rekening houdend met de staat van de infrastructuur, of en in welke omstandigheden de reis met het betrokken materieel kan worden voortgezet.
  [2 8. Taalexamen
   1. Treinbestuurders die contact met de infrastructuurbeheerder moeten onderhouden over kritieke veiligheidskwesties dienen te beschikken over taalkennis in ten minste een van de talen die door de betrokken infrastructuurbeheerder worden voorgeschreven. Deze taalkennis moet hen in staat stellen actief en doeltreffend te communiceren onder normale omstandigheden, in moeilijke situaties en in noodsituaties. Zij dienen in staat te zijn de in de TSI "Exploitatie en verkeersleiding" opgenomen berichten en communicatiemethodiek toe te passen.
   2. Om te voldoen aan de eisen van het eerste lid dient een bestuurder in staat te zijn om te begrijpen (luisteren en lezen) en te communiceren (spreken en schrijven) op niveau B1 van het gemeenschappelijk Europees referentiekader voor talen (CEFR) van de Raad van Europa.
   3. Op voor grensoverschrijdende operaties aangewezen tracés tussen de grenzen en de dicht bij de grenzen gelegen stations kunnen bestuurders van treinen die worden geëxploiteerd door een spoorwegonderneming, door de infrastructuurbeheerder worden vrijgesteld van de eisen van het tweede lid op voorwaarde dat de volgende procedure wordt toegepast :
   a) de spoorwegonderneming vraagt bij de infrastructuurbeheerder een afwijking aan voor de betrokken bestuurders. Met het oog op een eerlijke en gelijke behandeling van de aanvragers past de infrastructuurbeheerder op elk ingediend verzoek om een afwijking dezelfde beoordelingsprocedure toe, die deel uitmaakt van de netverklaring;
   b) de infrastructuurbeheerder staat een afwijking toe als de spoorwegonderneming kan aantonen dat zij voldoende regelingen heeft getroffen om de communicatie tussen de betrokken bestuurders en het personeel van de infrastructuurbeheerder te verzekeren onder normale omstandigheden, in moeilijke situaties en in noodsituaties, zoals bepaald in het eerste lid;
   c) spoorwegondernemingen en infrastructuurbeheerders zorgen ervoor dat het betrokken personeel op de hoogte is van die regels en regelingen en een passende opleiding krijgt via hun veiligheidsbeheersystemen.]2
  ----------
  (1)<KB 2015-10-20/01, art. 5, 008; Inwerkingtreding : 01-01-2016>
  (2)<W 2017-11-23/15, art. 83, 011; Inwerkingtreding : 21-12-2017>

  Art. N13. Bijlage 13. - Frequentie van de examens
  De minimumfrequentie van de examens is als volgt :
  a. taalkennis (uitsluitend voor anderstaligen) : om de drie jaar of na elke afwezigheid van meer dan één jaar;
  b. kennis van de infrastructuur (met inbegrip van kennis van de reisweg en de exploitatievoorschriften) : om de drie jaar of na elke afwezigheid van meer dan één jaar op de betrokken reisweg;
  c. kennis van rollend materieel : iedere drie jaar.
  Gezien om gevoegd te worden bij de wet van 30 augustus 2013 houdende de Spoorcodex.

  Art. N14. Bijlage 14. - Toepassingsgebied
  1. Het trans-Europese conventionele spoorwegsysteem
  1.1. [3 Net]3
  Het [3 net]3 van het trans-Europese conventionele spoorwegsysteem komt overeen met dat van de conventionele lijnen van het trans-Europese [3 vervoersnet]3 die zijn genoemd in [4 Verordening (EU) nr. 1315/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 11 december 2013 betreffende richtsnoeren van de Unie voor de ontwikkeling van het trans-Europees vervoersnetwerk en tot intrekking van Besluit nr. 661/2010/EU]4.
  Voor de toepassing van deze Spoorcodex wordt dit [3 net]3 onderverdeeld in de volgende categorieën :
  - lijnen voor personenvervoer;
  - lijnen voor gemengd vervoer (personen, goederen);
  - lijnen die speciaal zijn ontworpen of aangelegd voor het goederenvervoer;
  - knooppunten voor het personenvervoer;
  - knooppunten voor het goederenvervoer, met inbegrip van intermodale terminals;
  - de verbindingen tussen bovengenoemde onderdelen.
  Dit [3 net]3 omvat verkeersleidings-, plaatsbepalings- en navigatiesystemen : technische installaties voor gegevensverwerking en telecommunicatie ten behoeve van het langeafstandsreizigersvervoer en het goederenvervoer over dit [3 net]3 om een veilige en soepele exploitatie van het [3 net]3 en een efficiënte verkeersleiding te waarborgen.
  1.2. Voertuigen
  Het trans-Europese conventionele spoorwegsysteem omvat alle voertuigen die geschikt zijn om te rijden op het gehele of op een gedeelte van het trans-Europese conventionele [1 spoorwegnet]1, met inbegrip van :
  - al dan niet elektrische motortreinstellen;
  - al dan niet elektrische tractievoertuigen;
  - reizigersrijtuigen;
  - wagons voor vrachtvervoer, met inbegrip van voertuigen die ontworpen zijn voor het vervoer van vrachtwagens.
  [5 Mobiele uitrusting voor de bouw en het onderhoud van spoorweginfrastructuur kan hieronder vallen.]5
  Elk van deze categorieën kan worden onderverdeeld in :
  - voertuigen voor internationaal gebruik;
  - voertuigen voor nationaal gebruik.
  2. Het trans-Europese hogesnelheidsspoorwegsysteem
  2.1. [3 Net]3
  Het [3 net]3 van het trans-Europese hogesnelheidsspoorwegsysteem valt samen met de hogesnelheidslijnen van het trans-Europese [3 vervoersnet]3 die zijn genoemd in [4 Verordening (EU) nr. 1315/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 11 december 2013 betreffende richtsnoeren van de Unie voor de ontwikkeling van het trans-Europees vervoersnetwerk en tot intrekking van Besluit nr. 661/2010/EU]4.
  Het [3 hogesnelheidsnet]3 omvat :
  - de speciaal aangelegde hogesnelheidslijnen, die zijn uitgerust voor snelheden van gewoonlijk ten minste 250 km/uur;
  - de lijnen die speciaal zijn aangepast voor hoge snelheden en die zijn uitgerust voor snelheden van ongeveer 200 km/uur;
  - de lijnen die speciaal zijn aangepast voor hoge snelheden en die een specifiek karakter hebben omdat de snelheid per geval moet worden afgestemd op topografische belemmeringen, het reliëf of de stedelijke bebouwing. Deze categorie omvat ook de verbindingslijnen tussen hogesnelheids- en conventionele [2 netten]2, de doortochten in stations, de toegangen tot terminals en remises, enz., die tegen conventionele snelheid worden gebruikt door " hogesnelheidsmateriaal ".
  Dit [3 net]3 omvat verkeersleidings-, plaatsbepalings- en navigatiesystemen, technische installaties voor gegevensverwerking en telecommunicatie ten behoeve van het vervoer op deze lijnen, om een veilige en soepele exploitatie van het [3 net]3 en een efficiënte verkeersleiding te waarborgen.
  2.2. Voertuigen
  Het trans-Europese hogesnelheidsspoorwegsysteem bestaat uit voertuigen die zijn ontworpen om te rijden :
  - op speciaal voor hoge snelheid aangelegde lijnen, met een snelheid van ten minste 250 km/uur, waarbij onder geschikte omstandigheden snelheden van meer dan 300 km/uur kunnen worden bereikt;
  - of met een snelheid van ongeveer 200 km/uur op de in punt 2.1 genoemde lijnen, voor zover het prestatieniveau van die lijnen dit mogelijk maakt.
  Voorts wordt door voertuigen die zijn ontworpen om te rijden met een maximumsnelheid van minder dan 200 km/uur en die geschikt zijn om te worden ingezet op het gehele of op een gedeelte van het trans-Europese [3 hogesnelheidsspoorwegnet]3 voor zover het prestatieniveau van dit [3 net]3 dat mogelijk maakt, voldoen aan de eisen voor een veilige werking op dit [3 net]3. Daartoe bevatten de TSI's voor conventionele voertuigen tevens eisen inzake de veilige werking van conventionele voertuigen op [2 hogesnelheidsnetten]2.
  3. Compatibiliteit binnen het spoorwegsysteem
  Voor een kwalitatief hoogwaardig Europees spoorwegvervoer is onder andere een uitstekende compatibiliteit tussen de kenmerken van het [3 net]3 (in de ruime betekenis van het woord, dus met inbegrip van de vaste componenten van alle betrokken subsystemen) en de voertuigen (met inbegrip van de in alle subsystemen opgenomen delen) een randvoorwaarde. Deze compatibiliteit is bepalend voor het niveau van de prestaties, de veiligheid, de kwaliteit van de dienstverlening en voor de kosten daarvan.
  4. Verruiming van het toepassingsgebied
  4.1. Subcategorieën van [2 netten]2 en voertuigen
  Het toepassingsgebied van de TSI's wordt geleidelijk verruimd tot het gehele spoorwegsysteem bedoeld in artikel 8 van de Richtlijn 2008/57/EG. Met het oog op een kosteneffectieve interoperabiliteit worden alle in deze bijlage vermelde categorieën van [2 netten]2 en voertuigen indien nodig verder uitgewerkt in subcategorieën. Zo nodig mogen de functionele en technische specificaties als bedoeld in artikel 5, § 3, van de Richtlijn 2008/57/EG, verschillen naargelang van de subcategorie.
  4.2. Kostenbeheersingsmaatregelen
  Bij het bepalen van de kosten-batenanalyse van de voorgenomen maatregelen, dient onder andere rekening te worden gehouden met de volgende verwachte voordelen :
  - kosten van de voorgestelde maatregel;
  - voordelen die een verruiming van het toepassingsgebied tot bepaalde subcategorieën van [2 netten]2 en voertuigen met zich meebrengt voor de interoperabiliteit;
  - vermindering van de kapitaalkosten en van de lasten ten gevolge van schaalvoordelen en een beter gebruik van voertuigen;
  - daling van de investerings- en de onderhouds-/werkingskosten ten gevolge van toegenomen concurrentie tussen producenten en onderhoudsfirma's;
  - milieuvoordelen, ten gevolge van technische verbeteringen van het spoorwegsysteem;
  - een verbetering van de bedrijfsveiligheid.
  Bovendien worden daarin de verwachte gevolgen voor alle betrokken operatoren en economische subjecten vermeld.
  Gezien om gevoegd te worden bij de wet van 30 augustus 2013 houdende de Spoorcodex.
  ----------
  (1)<W 2015-06-15/03, art. 83,2°, 007; Inwerkingtreding : 23-07-2015>
  (2)<W 2015-06-15/03, art. 83,3°, 007; Inwerkingtreding : 23-07-2015>
  (3)<W 2015-06-15/03, art. 83,1°, 007; Inwerkingtreding : 23-07-2015>
  (4)<W 2017-11-23/15, art. 84, 011; Inwerkingtreding : 21-12-2017>
  (5)<W 2017-11-23/15, art. 85, 011; Inwerkingtreding : 21-12-2017>

  Art. N15.Bijlage 15. - Subsystemen
  1. Lijst van subsystemen
  Voor de toepassing van deze wet wordt het spoorwegsysteem onderverdeeld in subsystemen die overeenkomen met : :
  a) ofwel gebieden van structurele aard :
  - infrastructuur;
  - energie;
  - baanuitrusting voor besturing en seingeving;
  - boorduitrusting voor besturing en seingeving;
  - rollend materieel;
  b) ofwel gebieden van functionele aard :
  - exploitatie en verkeersleiding;
  - onderhoud;
  - telecommunicatietoepassingen voor reizigers en vracht.
  2. Beschrijving van de subsystemen
  Voor elk subsysteem of onderdeel van een subsysteem stelt het Bureau bij de opstelling van het betrokken ontwerp-TSI de lijst op van de interoperabiliteitsonderdelen en -aspecten. Onder voorbehoud van de vaststelling van deze aspecten en interoperabiliteitsonderdelen of van de volgorde waarin de subsystemen aan TSI's worden onderworpen, omvatten de subsystemen :
  2.1. Infrastructuur
  Lopend spoor, wissels, kunstwerken (bruggen, tunnels, enz.), de bij stations behorende infrastructuur (perrons, toegang, voorzieningen voor personen met beperkte mobiliteit, enz.), veiligheids- en beschermingsinstallaties.
  2.2. Energie
  Het elektrificatiesysteem, met inbegrip van de bovenleiding en de baancomponent van het systeem om het stroomverbruik te meten.
  2.3. Baanuitrusting voor besturing en seingeving
  Alle uitrusting op en langs de spoorbaan die nodig is om de veiligheid te waarborgen en voor de besturing en controle van de bewegingen van de op het [1 net]1 toegelaten treinen.
  2.4. Boorduitrusting voor besturing en seingeving
  Alle boorduitrusting die nodig is om de veiligheid te waarborgen en voor de besturing en controle van de bewegingen van de op het [1 net]1 toegelaten treinen.
  2.5. Exploitatie en verkeersleiding
  De procedures en bijbehorende uitrusting die zorgen voor een coherente exploitatie van de verschillende structurele subsystemen, zowel bij normaal functioneren als bij gestoord bedrijf, met inbegrip van de samenstelling en besturing van de treinen, verkeersplanning en verkeersleiding.
  De voor grensoverschrijdende diensten vereiste beroepskwalificaties.
  2.6. Telematicatoepassingen
  Evenals bijlage 14 omvat dit subsysteem twee delen :
  a) de toepassingen ten dienste van de passagiers, met inbegrip van de informatiesystemen voor reizigers vóór en tijdens de reis, reserverings- en betalingssystemen, het bagagebeheer, het beheer van aansluitingen tussen treinen en andere vervoerswijzen;
  b) toepassingen voor het vrachtverkeer, met inbegrip van de informatiesystemen (continu volgen van goederen en treinen), rangeer- en samenstellingssystemen, reserverings-, betalings- en factureringssystemen, het beheer van aansluitingen met andere vervoerswijzen, het opstellen van begeleidende elektronische documenten.
  2.7. Rollend materieel
  De structuur, het besturings- en controlesysteem van de gehele uitrusting van de trein, de stroomafnemers, de tractie-eenheden en transformatoren, boordapparatuur om het stroomverbruik te meten, het remsysteem, koppeling, loopwerk (draaistellen, assen, enz.) en ophanging, deuren, mens/machine-interface (treinbestuurder, ander treinpersoneel dat voor de veiligheid cruciale taken verricht, passagiers, voorzieningen voor personen met beperkte mobiliteit), passieve en actieve beveiliging, voorzieningen voor de gezondheid van passagiers en treinpersoneel.
  2.8. Onderhoud
  De procedures, de betrokken uitrusting, de logistieke onderhoudsinstallaties, de reserves waarmee corrigerende en preventieve onderhoudswerkzaamheden dienen te worden uitgevoerd om de interoperabiliteit van het spoorwegsysteem en de vereiste prestaties te garanderen.
  Gezien om gevoegd te worden bij de wet van 30 augustus 2013 houdende de Spoorcodex.
  ----------
  (1)<W 2015-06-15/03, art. 83,1°, 007; Inwerkingtreding : 23-07-2015>

  Art. N16.Bijlage 16. - Essentiële eisen
  1. Algemene eisen
  1.1. Veiligheid
  1.1.1. Het ontwerp, de bouw of de fabricage, het onderhoud van en het toezicht op voor de veiligheid kritieke inrichtingen en meer bepaald de bij het treinverkeer betrokken onderdelen moeten de veiligheid waarborgen op het niveau dat beantwoordt aan de voor het [4 net]4 gestelde doelstellingen, ook in de nader omschreven situaties met beperkte werking.
  1.1.2. De parameters die van invloed zijn op het contact tussen wiel en rail moeten voldoen aan de criteria inzake rijstabiliteit die noodzakelijk zijn om veilig verkeer bij de toegestane maximumsnelheid te waarborgen. De parameters dienen te garanderen dat het mogelijk is om met de toegestane maximumsnelheid binnen de gegeven remafstand te stoppen.
  1.1.3. De gebruikte onderdelen moeten tijdens hun gebruiksduur bestand zijn tegen de normale of de nader omschreven uitzonderlijke belastingen. De gevolgen van onverwachte storingen voor de veiligheid moeten met behulp van geschikte middelen worden beperkt.
  1.1.4. De vaste installaties en het rollend materieel moeten zodanig zijn ontworpen en de gebruikte materialen moeten zodanig zijn gekozen dat bij brand het ontstaan, de verspreiding en de gevolgen van vuur en rook zoveel mogelijk worden beperkt.
  1.1.5. Inrichtingen die zijn bestemd om door de gebruikers te worden bediend, moeten zodanig zijn ontworpen dat het veilig gebruik van de inrichtingen of de gezondheid en de veiligheid van de gebruikers niet in gevaar wordt gebracht wanneer de inrichtingen worden gebruikt op een wijze die wel voorzienbaar is maar niet in overeenstemming is met de aangegeven methode.
  1.2. Betrouwbaarheid en beschikbaarheid
  Het toezicht op en het onderhoud van de vaste of mobiele elementen die bij het treinverkeer zijn betrokken, moeten zodanig worden georganiseerd, uitgevoerd en gekwantificeerd dat de werking daarvan in te voorziene omstandigheden in stand wordt gehouden.
  1.3. Gezondheid
  1.3.1. De materialen die, bij het beoogde gebruik, de gezondheid van de personen die daartoe toegang hebben, in gevaar kunnen brengen, mogen niet gebruikt worden in de treinen en de spoorweginfrastructuren.
  1.3.2. Deze materialen moeten zodanig worden gekozen, aangewend en gebruikt dat de emissie van rook of schadelijke en gevaarlijke gassen, met name bij brand, wordt beperkt.
  1.4. Bescherming van het milieu
  1.4.1. Bij het ontwerpen van het spoorwegsysteem moeten de gevolgen voor het milieu van de aanleg en exploitatie van dat systeem worden beoordeeld en in aanmerking worden genomen overeenkomstig de geldende Gemeenschapsbepalingen.
  1.4.2. De in de treinen en de infrastructuren gebruikte materialen moeten de emissie van rook of voor het milieu gevaarlijke en schadelijke gassen, met name bij brand, voorkomen.
  1.4.3. Het rollend materieel en de energievoorzieningssystemen moeten zodanig zijn ontworpen en uitgevoerd dat zij uit elektromagnetisch oogpunt compatibel zijn met de installaties, voorzieningen en openbare of particuliere [3 netten]3 waarmee zij kunnen interfereren.
  1.4.4. [1 Het ontwerp en gebruik van het spoorwegsysteem mag geen aanleiding geven tot een ontoelaatbaar niveau van geluidsemissies die door deze veroorzaakt worden :
   - in de nabijheid van de spoorweginfrastructuur, en
   - in de bestuurderscabine.]1
  1.4.5. De exploitatie van het [2 spoorwegnet]2 mag geen trillingsniveau in de bodem veroorzaken dat ontoelaatbaar is met het oog op de activiteiten en het milieu in de nabijheid van de infrastructuur en in normale staat van onderhoud.
  1.5. Technische compatibiliteit
  De technische eigenschappen van de infrastructuren en de vaste installaties moeten onderling en met die van de treinen die op het [2 spoorwegnet]2 rijden compatibel zijn.
  Wanneer het op bepaalde gedeelten van het [4 net]4 moeilijk is om deze technische eigenschappen in acht te nemen, mogen tijdelijke oplossingen, waardoor de compatibiliteit in de toekomst wordt gewaarborgd, ten uitvoer worden [1 gebracht]1.
  1.6 Toegankelijkheid
  1.6.1 De subsystemen " infrastructuur " en " rollend materieel " moeten toegankelijk zijn voor personen met een handicap en personen met beperkte mobiliteit teneinde de toegang op voet van gelijkheid met anderen te waarborgen door te voorkomen dat belemmeringen ontstaan of door deze weg te werken en door het nemen van passende maatregelen. Deze eis omvat het ontwerp, de bouw, de vernieuwing, de verbetering en het onderhoud en de exploitatie van de relevante voor het publiek toegankelijke delen van het subsysteem.
  1.6.2 De subsystemen " exploitatie " en " telematicatoepassingen ten dienste van de reizigers " moeten de nodige functionaliteiten bieden om de toegang voor personen met een handicap en personen met beperkte mobiliteit op voet van gelijkheid met anderen te vergemakkelijken door te voorkomen dat belemmeringen ontstaan of door deze weg te werken en door middel van andere passende maatregelen.
  2. Bijzondere eisen voor elk subsysteem
  2.1. Infrastructuur
  2.1.1. Veiligheid
  Er moeten aangepaste maatregelen worden getroffen om de toegang tot of ongewenste binnendringing in de installaties te voorkomen.
  Er moeten maatregelen worden getroffen om de gevaren voor personen te beperken, met name in stations waar treinen passeren.
  Infrastructuren die voor het publiek toegankelijk zijn, moeten zodanig zijn ontworpen en uitgevoerd dat de gevaren voor de veiligheid van personen beperkt zijn (stabiliteit, brand, toegang, ontruiming, perron enz.).
  Er moeten dienstige maatregelen worden getroffen om rekening te houden met de bijzondere veiligheidsomstandigheden in tunnels en in viaducten met een aanzienlijke lengte.
  2.1.2. Toegankelijkheid
  2.1.2.1 Subsystemen infrastructuur die voor het publiek toegankelijk zijn, moeten overeenkomstig punt 1.6 toegankelijk zijn voor personen met een handicap en personen met beperkte mobiliteit.
  2.2. Energie
  2.2.1. Veiligheid
  De werking van de energievoorzieningsinstallaties mag de veiligheid van treinen of personen (gebruikers, spoorwegpersoneel, aanwonenden en derden) niet in gevaar brengen.
  2.2.2. Bescherming van het milieu
  De werking van de elektrische of thermische energievoorzieningsinstallaties mag geen verstoring van het milieu teweegbrengen die de aangegeven grenzen overschrijdt.
  2.2.3. Technische compatibiliteit
  De elektrische of thermische energievoorzieningssystemen die worden gebruikt, moeten :
  - de treinen in staat stellen de opgegeven prestaties te verrichten;
  - bij elektrische energievoorziening compatibel zijn met de op de treinen gemonteerde stroomafname-inrichtingen.
  2.3. Besturing en seingeving
  2.3.1. Veiligheid
  De besturings- en seingevingsinstallaties en -handelingen die voor het spoorwegsysteem worden gebruikt, moeten treinverkeer mogelijk maken op het veiligheidsniveau dat beantwoordt aan de doelstellingen voor het [4 net]4. De besturings- en seingevingsinstallaties moeten te allen tijde zo functioneren dat treinen die in welbepaalde moeilijke situaties mogen rijden, volkomen veilig kunnen circuleren.
  2.3.2. Technische compatibiliteit
  Nieuwe infrastructuren en nieuw rollend materieel die zijn ontwikkeld of gebouwd na de invoering van compatibele besturings- en seinstelsels moeten aan de toepassing van deze systemen worden aangepast.
  Besturings- en seingevingsinstallaties in de stuurcabine van een trein moeten een normale exploitatie in de opgegeven omstandigheden in het spoorwegsysteem mogelijk maken.
  2.4. Rollend materieel
  2.4.1. Veiligheid
  De constructie van het rollend materieel en van de verbindingen tussen de rijtuigen moet zodanig zijn ontworpen dat de ruimten voor de reizigers en de treinbestuurder bij botsing of ontsporing beschermd zijn.
  De elektrische uitrusting mag de veilige werking van de besturings- en seingevingsinstallaties niet in gevaar brengen.
  De remtechnieken en de uitgeoefende krachten moeten compatibel zijn met het ontwerp van de sporen, de kunstwerken en de seinstelsels.
  Er moeten maatregelen worden getroffen met betrekking tot de toegang tot onder spanning staande onderdelen, teneinde de veiligheid van personen niet in gevaar te brengen.
  Er moeten inrichtingen zijn aangebracht die het mogelijk maken dat de reizigers gevaren melden aan de treinbestuurder en dat het treinpersoneel bij gevaar in contact kan treden met de treinbestuurder.
  De toegangsdeuren moeten van een systeem voor het openen en sluiten daarvan zijn voorzien dat de veiligheid van de reizigers waarborgt.
  Er moet in nooduitgangen en in de aanduiding daarvan zijn voorzien.
  Er moeten passende maatregelen worden getroffen om rekening te houden met de bijzondere veiligheidsomstandigheden in tunnels met een aanzienlijke lengte.
  Een noodverlichtingssysteem van voldoende sterkte en met voldoende eigen voeding is verplicht aan boord van de treinen.
  De treinen moeten zijn voorzien van een geluidsinstallatie waarmee het treinpersoneel berichten [1 kan]1 doorgeven aan de passagiers.
  2.4.2. Betrouwbaarheid en beschikbaarheid
  Het ontwerp van de vitale rij-, tractie-, rem- en besturingsuitrusting moet het mogelijk maken dat de trein in een nader omschreven situatie met beperkte werking de reis voortzet zonder nadelige gevolgen voor de uitrusting die nog functioneert.
  2.4.3. Technische compatibiliteit
  De elektrische uitrusting moet compatibel zijn met de werking van de besturings- en seingevingsinstallaties.
  In het geval van elektrische tractie, moeten de eigenschappen van de stroomafname-inrichtingen het treinverkeer met de verschillende energievoorzieningssystemen van het spoorwegsysteem mogelijk maken.
  De eigenschappen van het rollend materieel moeten het rijden op alle lijnen waarop de exploitatie ervan is gepland, mogelijk maken, rekening houdend met relevante klimatologische omstandigheden.
  2.4.4. Controle
  Treinen moeten worden uitgerust met een registratieapparaat. De met dit apparaat verkregen gegevens en de verwerking ervan moeten worden geharmoniseerd.
  2.4.5. Toegankelijkheid
  2.4.5.1 Subsystemen rollend materieel die voor het publiek toegankelijk zijn, moeten overeenkomstig punt 1.6 toegankelijk zijn voor personen met een handicap en personen met beperkte mobiliteit.
  2.5. Onderhoud
  2.5.1. Gezondheid en veiligheid
  De technische installaties en de methoden die in de centra worden toegepast, moeten een veilig gebruik van het betrokken subsysteem garanderen en mogen geen gevaar vormen voor de gezondheid en de veiligheid.
  2.5.2. Bescherming van het milieu
  De technische installaties en de methoden die in de onderhoudscentra worden toegepast, mogen het toegestane niveau van schadelijke gevolgen voor het omgevingsmilieu niet overschrijden.
  2.5.3. Technische compatibiliteit
  De onderhoudsinstallaties voor het rollend materieel moeten het mogelijk maken op al het materieel de veiligheids-, hygiëne- en comfortbehandelingen te verrichten waarvoor zij zijn ontworpen.
  2.6. Exploitatie en verkeersleiding
  2.6.1. Veiligheid
  Het op elkaar afstemmen van de exploitatievoorschriften van de [3 netten]3 en de kwalificatie van de treinbestuurders, het treinpersoneel en het personeel van de onderhoudscentra moeten een veilige exploitatie waarborgen, rekening houdend met de verschillende eisen van grensoverschrijdende en binnenlandse diensten.
  De periodieke onderhoudsbeurten, de opleiding en de kwalificatie van het onderhoudspersoneel en de onderhoudscentra en het kwaliteitsborgingssysteem dat in de controle- en onderhoudscentra van de betrokken exploitanten is opgezet, moeten een hoog veiligheidsniveau waarborgen.
  2.6.2. Betrouwbaarheid en beschikbaarheid
  De periodieke onderhoudsbeurten, de opleiding en de kwalificatie van het onderhoudspersoneel en de onderhoudscentra en het kwaliteitsborgingssysteem dat door de betrokken exploitanten in de controle- en onderhoudscentra is opgezet, moeten een hoog niveau van betrouwbaarheid en beschikbaarheid van het systeem waarborgen.
  2.6.3. Technische compatibiliteit
  Het op elkaar afstemmen van de exploitatievoorschriften van de [3 netten]3, alsmede de kwalificatie van de treinbestuurders, het treinpersoneel en de verkeersleiding moeten de doeltreffendheid van de exploitatie op het spoorwegsysteem waarborgen, rekening houdend met de verschillende eisen van grensoverschrijdende en binnenlandse diensten.
  2.6.4. Toegankelijkheid
  2.6.4.1 Passende maatregelen moeten worden genomen om ervoor te zorgen dat de toegankelijkheid van personen met een handicap en personen met beperkte mobiliteit in de exploitatievoorschriften wordt gewaarborgd.
  2.7. Telematicatoepassingen voor passagiers en vracht
  2.7.1. Technische compatibiliteit
  De essentiële eisen op het gebied van telematicatoepassingen die een minimumdienstverleningskwaliteit voor de reizigers en de klanten in de goederenvervoersector moeten garanderen, hebben meer bepaald betrekking op de technische compatibiliteit.
  Wat deze toepassingen betreft moet ervoor worden gezorgd dat :
  - de databanken, de programma's en de communicatieprotocollen voor gegevensoverdracht zodanig worden ontwikkeld dat de mogelijkheden voor gegevensuitwisseling tussen verschillende toepassingen en tussen verschillende exploitanten maximaal zijn met uitzondering van vertrouwelijke commerciële gegevens;
  - de gebruikers gemakkelijk toegang hebben tot de informatie.
  2.7.2. Betrouwbaarheid en beschikbaarheid
  De wijze van gebruik, het beheer, de bijwerking en het onderhoud van deze databanken, programma's en communicatieprotocollen voor gegevensoverdracht, moeten de doelmatigheid van deze systemen en de kwaliteit van de dienstverlening waarborgen.
  2.7.3. Gezondheid
  De interfaces tussen deze systemen en de gebruikers moeten voldoen aan minimumvoorschriften op het gebied van ergonomie en bescherming van de gezondheid.
  2.7.4. Veiligheid
  Voor de opslag en doorgifte van gegevens die verband houden met de veiligheid zijn adequate integriteits- en betrouwbaarheidsniveaus vereist.
  2.7.5. Toegankelijkheid
  2.7.5.1 Passende maatregelen moeten worden genomen om ervoor te zorgen dat subsystemen telematicatoepassingen ten dienste van de reizigers de nodige functionaliteiten bieden om de toegang voor personen met een handicap en personen met beperkte mobiliteit te garanderen.
  Gezien om gevoegd te worden bij de wet van 30 augustus 2013 houdende de Spoorcodex.
  ----------
  (1)<W 2015-06-15/03, art. 81, 007; Inwerkingtreding : 23-07-2015>
  (2)<W 2015-06-15/03, art. 83,2°, 007; Inwerkingtreding : 23-07-2015>
  (3)<W 2015-06-15/03, art. 83,3°, 007; Inwerkingtreding : 23-07-2015>
  (4)<W 2015-06-15/03, art. 83,1°, 007; Inwerkingtreding : 23-07-2015>

  Art. N17.Bijlage 17. - " EG "-verklaring van conformiteit en geschiktheid voor gebruik van de interoperabiliteitsonderdelen
  1. Interoperabiliteitsonderdelen
  De EG-verklaring heeft betrekking op de interoperabiliteitsonderdelen van het spoorwegsysteem, als bedoeld in artikel 153. Deze interoperabiliteitsonderdelen kunnen de vorm aannemen van :
  1.1. Onderdelen voor algemeen gebruik
  Dit zijn onderdelen die niet specifiek zijn ontworpen voor het spoorwegsysteem en die in ongewijzigde vorm voor andere toepassingen kunnen worden gebruikt.
  1.2. Onderdelen voor algemeen gebruik met specifieke eigenschappen
  Dit zijn onderdelen die niet specifiek voor het spoorwegsysteem zijn ontworpen, maar die specifieke prestaties moeten leveren bij gebruik in de spoorwegsector.
  1.3. Specifieke onderdelen
  Dit zijn onderdelen die specifiek zijn ontworpen voor spoorwegtoepassingen.
  2. Toepassingsgebied
  De " EG "-verklaring heeft betrekking op :
  - hetzij de beoordeling, door [1 (een) aangemelde instantie(s)]1, van de intrinsieke conformiteit van een op zichzelf beschouwd interoperabiliteitsdeel met de technische specificaties waaraan het moet voldoen;
  - hetzij de beoordeling/waardering, door een aangemelde instantie, van de geschiktheid voor gebruik van een binnen de spoorwegsector beschouwd interoperabiliteitsdeel, met name wanneer dit van belang is voor interfaces, aan de hand van de technische specificaties, in het bijzonder van functionele aard, waarvan de inachtneming moet worden nagegaan.
  Bij de beoordelingsprocedures die door de aangemelde instanties zowel in het ontwerp- als in het productiestadium worden gevolgd, wordt gebruikgemaakt van de in het besluit 93/465/EEG opgenomen modules volgens de voorschriften van de TSI.
  3. Inhoud van de " EG "-verklaring
  De " EG "-verklaring van conformiteit of van geschiktheid voor gebruik, alsmede de bijgevoegde documenten, moeten gedateerd en ondertekend worden.
  Deze verklaring moet worden opgesteld in dezelfde taal als de handleiding en moet de volgende gegevens bevatten :
  - de verwijzingen naar de Richtlijn 2008/57/EG;
  - naam en adres van de fabrikant of diens in de Unie gevestigde gemachtigde (firmanaam en volledig adres en, wanneer het een gemachtigde betreft, ook de firmanaam van de fabrikant);
  - beschrijving van het interoperabiliteitsdeel (merk, type, enz.);
  - omschrijving van de voor de opstelling van de verklaring van conformiteit, respectievelijk geschiktheid voor gebruik, gevolgde procedure (artikel 14);
  - alle relevante beschrijvingen waaraan het interoperabiliteitsdeel beantwoordt en met name de gebruiksvoorwaarden;
  - naam en adres van de aangemelde instantie (instanties) die is (zijn) betrokken bij de voor de beoordeling van de conformiteit, respectievelijk de geschiktheid voor gebruik, gevolgde procedure en datum van het onderzoekcertificaat, in voorkomend geval met vermelding van de geldigheidsduur en van de voorwaarden waaronder het certificaat geldig is;
  - in voorkomend geval, de referentie van de Europese specificaties;
  - de identiteit van de ondertekenaar aan wie de bevoegdheid is verleend om, namens de fabrikant of diens in de Europese Unie gevestigde gemachtigde, verplichtingen aan te gaan.
  Gezien om gevoegd te worden bij de wet van 30 augustus 2013 houdende de Spoorcodex.
  ----------
  (1)<W 2015-06-15/03, art. 82, 007; Inwerkingtreding : 23-07-2015>

  Art. N18.[1 BIJLAGE 18 - EG-KEURINGSVERKLARING VOOR SUBSYSTEMEN
   1. EG-KEURINGSVERKLARING VOOR SUBSYSTEMEN
   De EG-keuringsverklaring voor een subsysteem is een door de "aanvrager" als bedoeld in artikel 172, § 1, opgestelde verklaring waarin hij op eigen verantwoordelijkheid verklaart dat het betrokken subsysteem, dat onderworpen werd aan de toepasselijke keuringsprocedures, voldoet aan de eisen uit de toepasselijke Uniewetgeving voldoet, inclusief eventuele relevante nationale voorschriften.
   De EG-keuringsverklaring en de begeleidende documenten worden gedateerd en ondertekend.
   De EG-keuringsverklaring is gebaseerd op de resultaten van de EG-keuringsprocedure voor subsystemen van bijlage 19. De verklaring wordt opgesteld in dezelfde taal als het technisch dossier bij de EG-keuringsverklaring en bevat minstens de onderstaande elementen :
   a) de verwijzing naar deze richtlijn, de TSI's en de toepasselijke nationale voorschriften;
   b) wanneer er sprake is van een afwijking, gedeeltelijke toepassing van de TSI's in geval van een verbetering of vernieuwing, een overgangsperiode in een TSI of specifiek geval, de verwijzing naar de TSI('s) of delen daarvan waarmee de conformiteit tijdens de EG-keuringsprocedure niet is getoetst en de verwijzing naar de nationale voorschriften die zijn toegepast;
   c) de naam en het adres van de "aanvrager" als bedoeld in artikel 172, § 1, (met vermelding van de firmanaam en het volledige adres; wanneer het om gemachtigde gaat, ook de firmanaam van de aanbestedende dienst of de fabrikant);
   d) een beknopte beschrijving van het subsysteem;
   e) naam/namen, adres(sen) en identificatienummer(s) van de aangemelde instantie(s) die de in artikel 172, § 1, bedoelde EG-keuring heeft/hebben uitgevoerd;
   f) naam/namen, adres(sen) en identificatienummer(s) van de aangemelde instantie(s) die de conformiteit met andere op grond van het verdrag toegepaste verordeningen heeft/hebben beoordeeld;
   g) naam/namen en adres(sen) van de aangemelde instantie(s) die de conformiteit met de in artikel 171, § 1, bedoelde nationale voorschriften heeft/hebben beoordeeld;
   h) naam en adres van de beoordelingsinstantie(s) die de veiligheidsbeoordelingsverslagen heeft (hebben) opgesteld betreffende de toepassing van de CSM inzake risicobeoordeling in de gevallen waarin dat in de richtlijn is vereist;
   i) de referenties van de documenten die zijn opgenomen in het technisch dossier bij de EG-keuringsverklaring;
   j) alle tijdelijke of definitieve toepasselijke voorschriften waaraan de subsystemen dienen te voldoen en met name alle mogelijke exploitatiebeperkingen of -voorwaarden;
   k) de identiteit van de ondertekenaar (de natuurlijke persoon of personen die gemachtigd zijn de verklaring te ondertekenen).
   Wanneer in bijlage 19 naar de tussentijdse keuringsverklaring (TKV) wordt verwezen, is dit deel van toepassing op die verklaring.
   2. EG-KEURINGSVERKLARING VAN SUBSYSTEMEN IN GEVAL VAN WIJZIGINGEN
   Behoudens vervangingen in het kader van onderhoud en onverminderd artikel 178, zijn bij de wijziging van een subsysteem dat onder een EG-keuringsverklaring valt de volgende bepalingen van toepassing.
   2.1. Indien de entiteit die de wijziging invoert, aantoont dat de wijziging geen invloed heeft op de fundamentele ontwerpkenmerken van het subsysteem die relevant zijn voor de naleving van de eisen met betrekking tot de fundamentele parameters :
   a) actualiseert de entiteit die de wijziging aanbrengt de referenties van de documenten in het technisch dossier bij de EG-keuringsverklaring;
   b) moet geen nieuwe EG-keuringsverklaring worden opgesteld.
   2.2. Indien de entiteit die de wijziging invoert, aantoont dat de wijziging een invloed heeft op de fundamentele ontwerpkenmerken van het subsysteem die relevant zijn voor de naleving van de eisen met betrekking tot bepaalde fundamentele parameters :
   a) stelt de entiteit die de wijziging invoert een aanvullende EG-keuringsverklaring op met betrekking tot de desbetreffende fundamentele parameters;
   b) wordt aan de aanvullende EG-keuringsverklaring een lijst toegevoegd met vermelding van de documenten in het oorspronkelijke technisch dossier bij de oorspronkelijke EG-keuringsverklaring die niet langer geldig zijn;
   c) wordt in het technisch dossier bij de EG-keuringsverklaring met bewijsstukken aangetoond dat de gevolgen van de wijzigingen beperkt blijven tot de in punt (a) bedoelde fundamentele parameters;
   d) zijn de bepalingen van deel 1 van deze bijlage mutatis mutandis van toepassing op de aanvullende EG-keuringsverklaring;
   e) blijft de originele EG-keuringsverklaring geldig voor de fundamentele parameters waarop de wijziging geen betrekking heeft.
   3. EG-KEURINGSVERKLARING VAN SUBSYSTEMEN IN GEVAL VAN AANVULLENDE KEURINGEN
   Een EG-keuringsverklaring van een subsysteem mag worden aangevuld wanneer aanvullende keuringen worden uitgevoerd, met name wanneer die aanvullende keuringen noodzakelijk zijn om een aanvullende vergunning tot indienststelling te krijgen. In dit geval heeft de aanvullende verklaring alleen betrekking op de uitgevoerde aanvullende keuringen.]1
  ----------
  (1)<KB 2015-10-20/01, art. 6, 008; Inwerkingtreding : 08-11-2015>

  Art. N19.[1 BIJLAGE 19 - EG-KEURINGSPROCEDURE VOOR SUBSYSTEMEN
   1. ALGEMENE BEGINSELEN
   De EG-keuring is een procedure die door de aanvrager in de zin van artikel 172, § 1, wordt uitgevoerd om aan te tonen dat een subsysteem voldoet aan de eisen van de toepasselijke Unieregelgeving, met inbegrip van eventuele nationale voorschriften die relevant zijn voor een subsysteem, en dat toestemming mag worden verleend om het subsysteem in dienst te stellen.
   2. DOOR EEN AANGEMELDE INSTANTIE AFGEGEVEN KEURINGSCERTIFICAAT
   2.1. Inleiding
   In het kader van deze richtlijn wordt onder keuring aan de hand van TSI's verstaan : de procedure waarbij een aangemelde instantie controleert en certificeert dat het subsysteem voldoet aan de toepasselijke technische specificatie inzake interoperabiliteit (TSI).
   Dit doet geen afbreuk aan de verplichtingen van de aanbestedende dienst of fabrikant (de aanvrager als bedoeld in artikel 172, § 1,) om te voldoen aan de andere op het Verdrag gebaseerde regelgeving, met inbegrip van iedere keuring die de beoordelingsinstanties moeten uitvoeren in toepassing van andere regelgeving.
   2.2. Tussentijdse keuringsverklaring (TKV)
   2.2.1. Beginselen
   Op verzoek van de aanbestedende dienst of fabrikant (de aanvrager als bedoeld in artikel 172, § 1,) kunnen de keuringen plaatsvinden voor delen van een subsysteem of worden beperkt tot bepaalde stadia van de keuringsprocedure. In deze gevallen kunnen de resultaten van de keuring worden gedocumenteerd in een "tussentijdse keuringsverklaring" (TKV) die wordt afgegeven door de aangemelde instantie die daartoe is gekozen door de aanbestedende dienst of fabrikant (de aanvrager als bedoeld in artikel 172, § 1,).
   In de TKV wordt vermeld met welke TSI's de overeenstemming is beoordeeld.
   2.2.2. Onderdelen van het subsysteem
   De aanvrager als bedoeld in artikel 172, § 1, kan een TKV aanvragen voor om het even welk onderdeel waarin hij het subsysteem besluit op te delen. Elk onderdeel wordt gecontroleerd in elk van de in punt 2.2.3 beschreven stadia.
   2.2.3. Stadia van de keuringsprocedure
   Het subsysteem, of bepaalde onderdelen daarvan, wordt gecontroleerd in elk van de volgende stadia :
   a) algemeen ontwerp;
   b) productie : constructie van het subsysteem, met name de uitvoering van civieltechnische werken, de fabricage, de montage van onderdelen en de afregeling van het geheel;
   c) testen van het afgewerkte subsysteem.
   De aanvrager (als bedoeld in artikel 172, § 1,) kan een TKV aanvragen voor het ontwerpstadium (met inbegrip van typetesten) en voor het productiestadium voor het volledige subsysteem of voor om het even welk onderdeel waarin hij heeft besloten het subsysteem op te delen (zie punt 2.2.2).
   2.3. Keuringscertificaat
   2.3.1. De voor de EG-keuring verantwoordelijke aangemelde instanties beoordelen het ontwerp, de productie en het testen van het afgewerkte subsysteem en stellen een keuringscertificaat op ten behoeve van de aanbestedende dienst of de fabrikant (de aanvrager als bedoeld in artikel 172, § 1,), die op zijn beurt een EG-keuringsverklaring opstelt. In het keuringscertificaat wordt vermeld met welke TSI's de overeenstemming van het subsysteem is beoordeeld.
   Wanneer het subsysteem niet is beoordeeld op zijn overeenstemming met alle toepasselijke TSI's (bijv. wegens een afwijking, gedeeltelijke toepassing van de TSI's in geval van een verbetering of vernieuwing, een overgangsperiode in een TSI of specifiek geval), wordt in het keuringscertificaat exact vermeld met welke TSI's of onderdelen daarvan de aangemelde instantie de conformiteit niet heeft beoordeeld tijdens de keuringsprocedure.
   2.3.2. Een voor de keuring van het subsysteem verantwoordelijke aangemelde instantie houdt rekening met reeds afgegeven TKV en dient voorafgaand aan de verlening van haar keuringscertificaat :
   a) na te gaan of de TKV de toepasselijke eisen van de TSI's volledig dekken;
   b) alle aspecten te controleren die niet door de TKV worden gedekt; en
   c) het testen van het afgewerkte subsysteem als geheel te controleren.
   2.3.3. In geval van een wijziging van een subsysteem waarvoor al een keuringscertificaat is afgegeven, voert de aangemelde instantie alleen die onderzoeken en testen uit welke relevant en noodzakelijk zijn, d.w.z. dat de beoordeling alleen betrekking heeft op de delen van het subsysteem die zijn gewijzigd en op de koppelingen tussen deze delen en de ongewijzigde delen van het subsysteem.
   2.3.4. Elke aangemelde instantie die betrokken is bij de keuring van een subsysteem stelt overeenkomstig artikel 172, § 3 een technisch dossier op dat betrekking heeft op het toepassingsgebied van haar activiteiten.
   2.4. Technisch dossier bij de EG-keuringsverklaring
   Het technisch dossier bij de EG-keuringsverklaring wordt opgesteld door de aanvrager (als bedoeld in artikel 172, § 1,) en dient de volgende stukken te bevatten :
   a) de technische kenmerken van het ontwerp, met inbegrip van de voor het betrokken subsysteem relevante algemene en detailplannen zoals die worden uitgevoerd, elektrische en hydraulische schema's, schema's van de besturingscircuits, een voor de uitgevoerde overeenstemmingsbeoordeling voldoende gedetailleerde beschrijving van de geautomatiseerde systemen, handleidingen voor bediening en onderhoud enz.;
   b) een lijst van de in het subsysteem verwerkte interoperabiliteitsonderdelen als bedoeld in artikel 163);
   c) de in artikel 172, § 3, bedoelde technische dossiers, samengesteld door elke aangemelde instantie die betrokken is bij de keuring van het subsysteem, die het volgende bevatten :
   - kopieën van de EG-conformiteitsverklaringen en in voorkomend geval de voor de interoperabiliteitsonderdelen als bedoeld in artikel 163, opgestelde EG-verklaringen van geschiktheid voor gebruik, waar nodig, vergezeld van de berekeningen en een kopie van de verslagen van de testen en onderzoeken die op grond van de gemeenschappelijke technische specificaties door de aangemelde instanties zijn uitgevoerd,
   - de beschikbare TKV die het keuringscertificaat vergezellen, met inbegrip van het resultaat van de door de aangemelde instantie uitgevoerde keuring met betrekking tot de geldigheid van de TKV,
   - het keuringscertificaat, vergezeld van de desbetreffende berekeningen en ondertekend door de met de keuring belaste aangemelde instantie, waarin wordt bevestigd dat het subsysteem in overeenstemming is met de vereisten van de toepasselijke TSI's en met vermelding van een eventueel tijdens de uitvoering van de werkzaamheden gemaakt voorbehoud dat niet is ingetrokken; het keuringscertificaat dient tevens vergezeld te gaan van de inspectie- en auditrapporten die de aangemelde instantie in het kader van haar opdracht heeft opgesteld overeenkomstig de punten 2.5.2 en 2.5.3;
   d) de overeenkomstig andere op het Verdrag gebaseerde regelgeving afgegeven keuringscertificaten;
   e) wanneer op grond van artikel 168, § 3, 2°, een beoordeling vereist is van de veilige integratie, moet het relevante technisch dossier het (de) beoordelingsverslag(en) bevatten betreffende de gemeenschappelijke veiligheidsmethoden (CSM) inzake risicobeoordeling bedoeld in artikel 6, lid 3, van Richtlijn 2004/49/EG.
   2.5. Toezicht door aangemelde instanties
   2.5.1. De aangemelde instantie die met het toezicht op de fabricage belast is, moet permanent toegang hebben tot bouwplaatsen, constructiewerkplaatsen, opslagplaatsen, eventuele locaties voor prefabricage, beproevingsinstallaties en meer in het algemeen alle plaatsen die zij noodzakelijk acht voor de vervulling van haar taak. De aanbestedende dienst of de fabrikant (de aanvrager als bedoeld in artikel 172, § 1,) bezorgt de aangemelde instantie alle documenten die daarbij van nut kunnen zijn en met name de uitvoeringsplannen en de technische documentatie betreffende het subsysteem.
   2.5.2. De aangemelde instantie die belast is met het toezicht op de uitvoering voert periodiek audits uit om na te gaan of de bepalingen van de toepasselijke TSI's worden nageleefd. Bij die gelegenheid stelt zij een auditverslag op ten behoeve van de met de uitvoering belaste bedrijven. Haar aanwezigheid kan in bepaalde stadia van de werkzaamheden vereist zijn.
   2.5.3. Daarnaast kan de aangemelde instantie onaangekondigde bezoeken brengen aan de bouwplaats of constructiewerkplaatsen. Tijdens die bezoeken kan de aangemelde instantie volledige of gedeeltelijke audits uitvoeren. Zij stelt een inspectieverslag op ten behoeve van de met de uitvoering belaste bedrijven en, desgevallend, een auditverslag.
   2.5.4. De aangemelde instantie moet in staat zijn toezicht te houden op een subsysteem waarin een operabiliteitsonderdeel is gemonteerd teneinde, wanneer de desbetreffende TSI dit voorschrijft, te beoordelen of het subsysteem geschikt is voor gebruik in de spoorwegsector.
   2.6. Depot
   Een afschrift van het technisch dossier bij de EG-keuringsverklaring dient door de fabrikant of de aanbestedende dienst (de aanvrager als bedoeld in artikel 172, § 1,) bewaard te worden gedurende de volledige levenscyclus van een subsysteem. Het dossier wordt meegedeeld aan iedere lidstaat die het vraagt.
   De documentatie voor een aanvraag van een vergunning tot indienstelling wordt ingediend bij de nationale veiligheidsinstantie van de lidstaat waarin de vergunning wordt gevraagd. De nationale veiligheidsinstantie kan vragen dat een deel (delen) van de documenten die samen met de vergunning zijn ingediend, worden vertaald in haar eigen taal.
   2.7. Openbaarmaking
   Iedere aangemelde instantie publiceert periodiek pertinente informatie over :
   a) de ingediende aanvragen voor keuringen en TKV;
   b) de aanvragen voor de beoordeling van de conformiteit en geschiktheid voor gebruik van interoperabiliteitsonderdelen;
   c) de afgegeven of geweigerde TKV;
   d) de afgegeven of geweigerde conformiteitsscertificaten en EG-certificaten van geschiktheid voor gebruik;
   e) de afgegeven of geweigerde keuringscertificaten.
   2.8. Taal
   Het dossier en de briefwisseling met betrekking tot de EG-keuringsprocedure moeten worden opgesteld in een officiële taal van de EU-lidstaat waar de aanbestedende dienst of de fabrikanten (de aanvrager als bedoeld in artikel 172, § 1,) is gevestigd of een door de aanbestedende dienst of de fabrikanten (de aanvrager als bedoeld in artikel 172, § 1,) aanvaarde officiële taal van de Unie.
   3. DOOR EEN AANGEWEZEN INSTANTIE AFGEGEVEN KEURINGSCERTIFICAAT
   3.1. Inleiding
   Wanneer nationale voorschriften van toepassing zijn, omvat de keuring een procedure waarbij de overeenkomstig 174, derde lid, aangewezen instantie (de aangewezen instantie) controleert of en certificeert dat het subsysteem voldoet aan de overeenkomstig artikel 171, tweede lid, aangemelde nationale voorschriften voor elke lidstaat die voornemens is toe te staan dat het subsysteem in gebruik wordt genomen.
   3.2. Keuringscertificaat
   De aangewezen instantie stelt het keuringscertificaat op ten behoeve van de aanbestedende dienst of de fabrikanten (de aanvrager als bedoeld in artikel 172, § 1,).
   In dat certificaat wordt exact beschreven aan welke nationale voorschriften de aangewezen instantie de conformiteit van het subsysteem in het kader van de keuringsprocedure heeft getoetst.
   Wanneer nationale voorschriften van toepassing zijn voor subsystemen die deel uitmaken van een voertuig deelt de aangewezen instantie het certificaat op in twee delen : één deel met de referenties van de nationale voorschriften inzake de technische compatibiliteit tussen het voertuig en het betrokken netwerk, en een ander deel met alle overige nationale voorschriften.
   3.3. Technisch dossier
   Het technisch dossier dat opgesteld is door de aangewezen instantie en dat het keuringscertificaat vergezelt, moet - wanneer nationale voorschriften van toepassing zijn - worden opgenomen in het in punt 2.4 bedoelde technisch dossier bij de EG-keuringsverklaring en bevat alle technische gegevens die relevant zijn om te beoordelen of het subsysteem aan die nationale voorschriften voldoet.
   3.4. Taal
   De dossiers en correspondentie met betrekking tot de EG-keuringsprocedure moeten zijn opgesteld in een officiële taal van de EU-lidstaat waarin de aanbestedende dienst of fabrikant (de aanvrager als bedoeld in artikel 172, § 1,) is gevestigd of in een officiële taal van de Unie die door de aanbestedende dienst of fabrikant (de aanvrager als bedoeld in artikel 172, § 1,) wordt aanvaard.
   4. KEURING VAN DELEN VAN SUBSYSTEMEN OVEREENKOMSTIG ARTIKEL 172, § 4
   Indien een EG-keuringsverklaring wordt afgegeven voor bepaalde delen van een subsysteem, is deze bijlage mutatis mutandis van toepassing op die delen van dat subsysteem.]1Art. N20.Bijlage 20. - Te verifiëren parameters voor de indienststelling van niet- TSI-conforme voertuigen en classificatie van de nationale voorschriften
  1. Lijst van parameters
  1.1. Algemene documentatie
  Algemene documentatie (waaronder de beschrijving van een nieuw, vernieuwd of aangepast voertuig en het beoogde gebruik daarvan, het ontwerp, de reparatie, informatie over exploitatie en onderhoud, het technisch dossier enz.).
  1.2. Structuur en mechanische onderdelen
  Mechanische integriteit en interface tussen voertuigen (met inbegrip van buffers en tractieorganen, doorgangen), stevigheid van de voertuigstructuur en toebehoren (bv. stoelen), de laadcapaciteit, de passieve veiligheid (met inbegrip van de botsbestendigheid van de binnen- en buitenzijde).
  1.3. Wisselwerking voertuig-spoor en omgrenzingsprofiel
  Mechanische interfaces met de infrastructuur (met inbegrip van statisch en dynamisch gedrag, spelingen en toleranties, het omgrenzingsprofiel, de tractieorganen enz.).
  1.4. Remsysteem
  Aspecten in verband met het remsysteem (waaronder de antiblokkeerinrichting, remregeling en remprestaties in bedrijf, nood- en stilstandmodus).
  1.5. Passagiergerelateerde aspecten
  Passagiersfaciliteiten en passagiersomgeving (met inbegrip van de passagiersramen en -deuren, eisen voor personen met beperkte mobiliteit enz.).
  1.6. Milieuvoorschriften en aerodynamische effecten
  Impact van het milieu op het voertuig en impact van het voertuig op het milieu (met inbegrip van de aerodynamische aspecten en zowel de interface tussen het voertuig en het baangedeelte van het spoorwegsysteem als de interface met het externe milieu).
  1.7. Tyfoon, merking, functies en eisen inzake software-integriteit
  Tyfoon, merking, functies en eisen inzake software-integriteit, bijvoorbeeld veiligheidsgerelateerde functies die het gedrag van de trein beïnvloeden, met inbegrip van de treinbus.
  1.8. Stroom- en besturingssystemen aan boord
  Aandrijf-, stroom- en besturingssystemen aan boord, plus de interfaces van het voertuig met de infrastructuur voor stroomvoorziening en alle aspecten van elektromagnetische compatibiliteit.
  1.9. Faciliteiten voor het personeel, interfaces en omgeving
  Faciliteiten aan boord, interfaces, arbeidsomstandigheden en omgeving voor het personeel (met inbegrip van de stuurcabine en de bestuurdersinterface).
  1.10. Brandveiligheid en ontruiming
  1.11 Onderhoudsbeurten
  Faciliteiten aan boord en interfaces voor het onderhoud.
  1.12. Besturing en seingeving aan boord
  Alle boorduitrusting die nodig is voor de veiligheid, de besturing en controle van de bewegingen van de treinen die op het [1 net]1 mogen rijden en de effecten daarvan op het baangedeelte van het spoorwegsysteem.
  1.13. Specifieke exploitatievereisten
  Specifieke exploitatievereisten voor voertuigen (met inbegrip van de modi voor gestoord bedrijf, reparatie en wegslepen van het voertuig enz.).
  1.14. Goederengerelateerde aspecten
  Specifieke voorschriften voor goederenvervoer en milieu (met inbegrip van de vereiste specifieke installaties voor gevaarlijke goederen).
  De hierboven vermelde toelichting en de cursief gedrukte voorbeelden worden slechts ter informatie gegeven en vormen geen definities van de parameters.
  2. Classificatie van de voorschriften
  De nationale voorschriften met betrekking tot de in punt 1 genoemde parameters worden ingedeeld in één van de drie hierna omschreven categorieën. Met voorschriften en beperkingen van zuiver lokale aard wordt in dit kader geen rekening gehouden; de verificatie daarvan dient te gebeuren in onderling overleg tussen spoorwegondernemingen en infrastructuurbeheerders.
  Categorie A
  Categorie A omvat :
  - internationale normen;
  - nationale voorschriften welke op het gebied van veiligheid als gelijkwaardig worden beschouwd met de nationale voorschriften van andere lidstaten.
  Categorie B
  Categorie B omvat alle voorschriften die niet onder categorie A of C vallen, of nog niet in een van deze categorieën zijn ingedeeld.
  Categorie C
  Categorie C omvat de voorschriften met betrekking tot de technische kenmerken van de infrastructuur die strikt noodzakelijk zijn om een veilige en interoperabele exploitatie op het betrokken [1 net]1 te kunnen waarborgen.
  Gezien om gevoegd te worden bij de wet van 30 augustus 2013 houdende de Spoorcodex.
  ----------
  (1)<W 2015-06-15/03, art. 83,1°, 007; Inwerkingtreding : 23-07-2015>

  Art. N21. Bijlage 21. - Door de lidstaten in acht te nemen minimumcriteria bij de aanmelding van instanties
  1. De instantie, de directeur daarvan en het met de keuring belaste personeel mogen bij het ontwerp, de fabricage, de constructie, de verkoop of het onderhoud van de interoperabiliteitsonderdelen of subsystemen en bij de exploitatie noch rechtstreeks, noch als gemachtigden optreden. Uitwisseling van technische informatie tussen de fabrikant en de instantie wordt door deze bepaling niet uitgesloten.
  2. De instantie en het personeel dat met de controle is belast, dienen de proeven met de grootste beroepsintegriteit en technische bekwaamheid uit te voeren en dienen vrij te zijn van elke pressie en beïnvloeding, met name van financiële aard, die hun beoordeling of de uitkomst van de controle kan beïnvloeden, inzonderheid door personen of groepen die bij de resultaten van de keuring belang hebben.
  Met name dienen de instantie en het met de keuringen belaste personeel vanuit functioneel oogpunt onafhankelijk te zijn van de overheden die zijn aangewezen voor de afgifte van vergunningen voor indienststelling, van vergunningen en van veiligheidscertificaten bedoeld in deze Spoorcodex, alsmede van de diensten die belast zijn met onderzoek bij ongevallen.
  3. De instantie dient te beschikken over het nodige personeel en de nodige middelen te bezitten om de met de uitvoering van de keuringen verbonden technische en administratieve taken op passende wijze te vervullen; tevens dient de instantie toegang te hebben tot het nodige materiaal voor bijzondere keuringen.
  4. Het personeel dat met de controle is belast, dient :
  - een goede technische en vakopleiding te hebben;
  - voldoende kennis te bezitten van de voorschriften betreffende de controles die het verricht, en voldoende ervaring met deze controles te hebben;
  - de vereiste bekwaamheid te bezitten om op basis van de verrichte controles de nodige verklaringen, processen-verbaal en verslagen op te stellen.
  5. De onafhankelijkheid van het personeel dat met de controle wordt belast, dient te zijn gewaarborgd. De bezoldiging van elke functionaris mag niet afhangen van het aantal controles dat hij verricht, noch van de uitslag van de controles.
  6. De instantie dient een verzekering tegen wettelijke aansprakelijkheid te sluiten, tenzij deze aansprakelijkheid door de staat wordt gedekt of de controles rechtstreeks door de Staat worden verricht.
  7. Het personeel van de instantie is gebonden door het beroepsgeheim ten aanzien van alles wat het verneemt bij de uitoefening van zijn taken in het kader van deze Spoorcodex of van de wettelijke en reglementaire bepalingen die daaraan uitvoering geven (behalve tegenover de ter zake bevoegde overheidsinstanties en instanties voor het onderzoek van ongevallen van de Staat waarin de instantie haar werkzaamheden uitoefent, alsmede tegenover instanties voor het onderzoek van ongevallen die zijn veroorzaakt door een falen van de gecontroleerde interoperabiliteitsonderdelen of subsystemen).
  Gezien om gevoegd te worden bij de wet van 30 augustus 2013 houdende de Spoorcodex.

  Art. N22. Bijlage 22. - Dossier voor een aanvraag tot afwijking
  De aanvraag tot afwijking wordt vergezeld van de volgende documenten :
  a) een brief waarin het voornemen af te wijken formeel aan de Commissie wordt meegedeeld;
  b) als bijlage bij die brief een dossier dat minstens het volgende bevat :
  - een beschrijving van de werken, goederen en diensten waarop de afwijking betrekking heeft, waarbij de belangrijkste datums, de geografische situatie en het functionele en technische domein worden gepreciseerd;
  - een exacte referentie naar de TSI's (of delen ervan) waarvoor een afwijking wordt aangevraagd;
  - een exacte referentie en de bijzonderheden van de alternatieve bepalingen die zullen worden toegepast;
  - voor aanvragen in het kader van artikel 159, § 1, onder 1° : de verantwoording van het feit dat het project zich in een vergevorderd stadium bevindt;
  - de rechtvaardiging van de afwijking, met de belangrijkste technische, economische, commerciële, operationele en/of administratieve redenen;
  - alle andere elementen die de aanvraag tot afwijking rechtvaardigen;
  - een beschrijving van de maatregelen die de lidstaat voornemens is te nemen om de uiteindelijke interoperabiliteit van het project te bevorderen. Als het om een kleine afwijking gaat, is deze beschrijving niet nodig.
  Om de documenten onder de leden van het comité te kunnen verspreiden, moeten ze zowel op papier als in de vorm van elektronische bestanden worden ingediend.
  Gezien om te worden gevoegd bij de wet van 30 augustus 2013 houdende de Spoorcodex.

  Art. N23.[1 Bijlage 23. - LIJST VAN INFRASTRUCTUURELEMENTEN
   De infrastructuur van de spoorwegen omvat de volgende elementen voor zover deze deel uitmaken van de hoofd- en zijlijnen, met uitzondering van die welke gelegen zijn binnen herstelwerkplaatsen en depots of garages voor krachtvoertuigen, alsmede van particuliere spooraansluitingen :
   - terreinen;
   - aardebaan met name ophogingen, afgravingen, drainagewerken, greppels, gemetselde goten, duikers, taludbekledingen en -bepalingen, enz.; passagiers- en goederenperrons, inclusief in passagiersstations en vrachtterminals, laad- en loswegen; bermen en paden; omheiningsmuren, hagen en hekken; brandstroken; wisselverwarmingsinstallaties; wissels, enz.; sneeuwweringen;
   - kunstwerken : bruggen, doorlaten en andere bovengrondse overgangen, tunnels, overwelfde uitgravingen en andere onderdoorgangen; schoormuren en beschermingsgalerijen tegen lawines, vallend gesteente, enz.;
   - [2 overwegen]2, met inbegrip van de inrichtingen ter verzekering van de verkeersveiligheid;
   - bovenbouw, met name : spoorstaven, groefspoorstaven en strijkspoorstaven; dwarsliggers en langsliggers, klein bevestigingsmateriaal, ballastbed, met inbegrip van grint en zand; wissels; draaischijven en rolbruggen (met uitzondering van die welke uitsluitend dienen voor krachtvoertuigen);
   - toegangswegen ten dienste van passagiers en goederen, met inbegrip van toegang over de weg en toegang voor passagiers die te voet arriveren of vertrekken;
   - installaties voor de veiligheid, het seinwezen en de telecommunicatie voor de vrije baan, stations en rangeerstations, met inbegrip van de installaties voor het opwekken, transformeren en distribueren van elektrische stroom ten behoeve van het seinwezen en de telecommunicatie; gebouwen voor voornoemde installaties; railremmen;
   - verlichtingsinstallaties die nodig zijn voor de afwikkeling en de veiligheid van het verkeer;
   - installaties voor het transformeren en overbrengen van elektrische stroom voor tractiedoeleinden : onderstations, voedingskabels tussen de onderstations en de rijdraden, bovenleidingen met portalen, derde rail met steunelementen;
   - dienstgebouwen voor de infrastructuur, met inbegrip van een gedeelte voor installaties voor het innen van vervoersheffingen.]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij W 2015-06-15/03, art. 85, 007; Inwerkingtreding : 23-07-2015>
  (2)<W 2017-11-23/15, art. 86, 011; Inwerkingtreding : 21-12-2017>

  Art. N24. [1 Bijlage 24. - EISEN INZAKE INFRASTRUCTUURKOSTEN EN -HEFFINGEN
   1. De infrastructuurbeheerders nemen bij de opstelling van de lijst van marktsegmenten met het oog op de toepassing van extra heffingen overeenkomstig artikel 56, paragraaf 1, ten minste de volgende paren in aanmerking :
   a) passagiers-/goederenvervoer;
   b) treinen die gevaarlijke goederen vervoeren/andere goederentreinen;
   c) binnenlands/internationaal vervoer;
   d) gecombineerd vervoer/rechtstreekse treinen;
   e) stedelijke of regionale treinen/tussenstedelijke passagiersvervoersdiensten;
   f) bloktreinen/treinen met losse wagons;
   g) reguliere/occasionele treindiensten.
   2. De in artikel 23 bedoelde prestatieregeling is gebaseerd op de volgende beginselen :
   a) teneinde het overeengekomen prestatieniveau te bereiken zonder de economische levensvatbaarheid van een dienst in gevaar te brengen, bepaalt de infrastructuurbeheerder, met akkoord van de kandidaten de belangrijkste parameters van de prestatieregeling en met name de waarde van vertragingen, de betalingsdrempels op grond van de prestatieregeling voor zowel individuele treinritten als alle treinritten van een spoorwegonderneming gedurende een bepaalde periode.
   b) de infrastructuurbeheerder stelt de spoorwegondernemingen tenminste vijf dagen voor de treinrit in kennis van de dienstregeling op basis waarvan de vertragingen worden berekend. In geval van overmacht of late wijzigingen van de dienstregeling mag de infrastructuurbeheerder een kortere termijn voor kennisgeving hanteren.
   c) alle vertragingen worden toegeschreven aan een van de volgende vertragingsklassen en -subklassen :
   1. operationeel of planningsbeheer van de infrastructuurbeheerder :
   1.1. opstelling van de dienstregeling;
   1.2. samenstelling van de trein;
   1.3. fouten in de operationele procedures;
   1.4. verkeerde toepassing van de prioriteitsregels;
   1.5. personeel;
   1.6. andere oorzaken;
   2. infrastructuur die onder de verantwoordelijkheid van de infrastructuurbeheerder valt :
   2.1. seinapparatuur;
   2.2. seinen bij overwegen;
   2.3. telecommunicatie-installaties;
   2.4. energievoorziening;
   2.5. spoor;
   2.6. structuren;
   2.7. personeel;
   2.8. andere oorzaken;
   3. civieltechnische problemen die onder de verantwoordelijkheid van de infrastructuurbeheerder vallen :
   3.1. geplande bouwwerkzaamheden;
   3.2. onregelmatigheden bij de uitvoering van bouwwerkzaamheden;
   3.3. snelheidsbeperkingen vanwege schade aan het spoor;
   3.4. andere oorzaken;
   4. problemen bij andere infrastructuurbeheerders :
   4.1. veroorzaakt door de vorige infrastructuurbeheerder;
   4.2. veroorzaakt door de volgende infrastructuurbeheerder;
   5. commerciële problemen bij de spoorwegondernemingen :
   5.1. langere stop dan voorzien;
   5.2. verzoek van de spoorwegonderneming;
   5.3. laadverrichtingen;
   5.4. laadproblemen;
   5.5. commerciële voorbereiding van de trein;
   5.6. personeel;
   5.7. andere oorzaken;
   6. problemen met het rollend materieel van de spoorwegondernemingen :
   6.1. planning van de materieelomloop of wijziging daarvan;
   6.2. samenstelling van de trein door de spoorwegonderneming;
   6.3. problemen met de rijtuigen (passagiersvervoer);
   6.4. problemen met wagons (goederentreinen);
   6.5. problemen met rijtuigen, locomotieven en motorwagens;
   6.6. personeel;
   6.7. andere oorzaken;
   7. problemen bij andere spoorwegondernemingen :
   7.1. veroorzaakt door de volgende spoorwegonderneming;
   7.2. veroorzaakt door de vorige spoorwegonderneming;
   8. externe oorzaken die noch aan de infrastructuurbeheerder, noch aan de spoorwegonderneming zijn te wijten :
   8.1. staking;
   8.2. administratieve formaliteiten;
   8.3. externe problemen;
   8.4. gevolgen van het weer of natuurlijke oorzaken;
   8.5. vertraging door externe oorzaken op het volgende net;
   8.6. andere oorzaken;
   9. secundaire oorzaken die noch aan de infrastructuurbeheerder, noch aan de spoorwegonderneming zijn te wijten :
   9.1. ernstige incidenten, ongevallen en rampen;
   9.2. spoorbezetting door de vertraging van dezelfde trein;
   9.3. spoorbezetting door de vertraging van een andere trein;
   9.4. omloop;
   9.5. aansluitingen;
   9.6. noodzakelijk verder onderzoek;
   d) de vertragingen moeten zoveel mogelijk worden toegeschreven aan één enkele instantie, rekening houdend met de verantwoordelijkheid voor de oorzaak van de storing en de mogelijkheid de normale toestand te herstellen;
   e) bij de berekening van vergoedingen wordt rekening gehouden met de gemiddelde vertraging van treindiensten met vergelijkbare stiptheidseisen;
   f) de infrastructuurbeheerder stelt de spoorwegondernemingen zo snel mogelijk in kennis van de berekening van de op grond van de prestatieregeling verschuldigde vergoedingen. Dat bedrag omvat alle vertraagde treinen in een periode van maximum één maand;
   g) eenmaal per jaar maakt de infrastructuurbeheerder op basis van de belangrijkste parameters die in de prestatieregeling zijn vastgesteld het gemiddelde jaarlijkse prestatieniveau bekend van de verschillende spoorwegondernemingen.]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij W 2015-06-15/03, art. 86, 007; Inwerkingtreding : 23-07-2015>
  

  Art. N25. [1 Bijlage 25. - BASISBEGINSELEN EN PARAMETERS VOOR BEHEERSOVEREENKOMSTEN TUSSEN BEVOEGDE INSTANTIES EN INFRASTRUCTUURBEHEERDERS
   In de overeenkomst worden de in artikel 47, paragraaf 3, genoemde aspecten vastgesteld, en worden ten minste de volgende elementen behandeld :
   1) de infrastructuur en de voorzieningen waarop de overeenkomst van toepassing is, in overeenstemming met de structuur van bijlage 1. Voorts worden alle aspecten in verband met het beheer van de infrastructuur, waaronder het onderhoud en de vernieuwing van de bestaande infrastructuur, beschreven. In voorkomend geval kan ook de aanleg van nieuwe infrastructuren worden gedekt;
   2) de structuur van de vergoedingen of toegewezen middelen voor de in bijlage 1 opgesomde infrastructuurdiensten, voor onderhoud en vervanging en voor het wegwerken van de bestaande onderhouds- en vervangingsachterstand. In voorkomend geval kan de structuur van de vergoedingen of toegewezen middelen voor nieuwe infrastructuur worden gedekt;
   3) gebruikersgerichte prestatiedoelstellingen in de vorm van indicatoren en kwaliteitscriteria inzake elementen als :
   a) treinprestaties, onder meer wat betreft baanvaksnelheid en betrouwbaarheid, en klanttevredenheid,
   b) netcapaciteit,
   c) beheer van activa,
   d) omvang van de activiteiten,
   e) veiligheidsniveaus, en
   f) milieubescherming;
   4) de omvang van de onderhoudsachterstand en de activa die buiten bedrijf zullen worden gesteld en waardoor financiële middelen vrijkomen;
   5) de in artikel 47, paragraaf 2, bedoelde prikkels;
   6) verslaggevingsverplichtingen voor de infrastructuurbeheerder met opgave van de inhoud en de rapporteringsfrequentie, met inbegrip van de jaarlijks te publiceren informatie;
   7) de overeengekomen duur van de overeenkomst, die wordt afgestemd op de looptijd van het ondernemingsplan van de infrastructuurbeheerder, de concessie of vergunning, naargelang van het geval, en het door de lidstaat ingestelde heffingskader en de heffingsregels;
   8) regels voor de afhandeling van ernstige storingen en noodsituaties, met inbegrip van noodplannen, de vroegtijdige beëindiging van de overeenkomst en tijdige informatie voor de gebruikers;
   9) te nemen herstelmaatregelen wanneer een van de partijen zijn contractuele verplichtingen niet nakomt, of in uitzonderlijke omstandigheden waarin de beschikbaarheid van overheidsfinanciering in het gedrang komt; dit omvat de voorwaarden en procedures voor nieuwe onderhandelingen en de vroegtijdige beëindiging.]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij W 2015-06-15/03, art. 87, 007; Inwerkingtreding : 23-07-2015>
  

  Art. N26. [1 Bijlage 26. - BOEKHOUDKUNDIGE INFORMATIE DIE OP VERZOEK BIJ DE [2 TOEZICHTHOUDENDE ORGAAN]2 MOET WORDEN INGEDIEND
   1. Gescheiden boekhouding :
   a) gescheiden winst-en-verliesrekeningen en balansen voor het goederenvervoer, het passagiersvervoer en de activiteiten op het gebied van het infrastructuurbeheer;
   b) gedetailleerde informatie over individuele bronnen en de besteding van overheidsmiddelen en andere vormen van compensatie op een transparante en gedetailleerde wijze, met inbegrip van een gedetailleerd overzicht van de geldstromen van de onderneming, teneinde te bepalen hoe de overheidsmiddelen en andere vormen van compensatie zijn besteed;
   c) een overzicht van de kosten en individuele winstposten, zodat in overeenstemming met de eisen van de [2 toezichthoudende orgaan]2 kan worden nagegaan of er kruissubsidiëring tussen de verschillende activiteiten heeft plaatsgevonden;
   d) de methode die is gehanteerd om de kosten aan de verschillende activiteiten toe te rekenen;
   e) wanneer de betrokken onderneming deel uitmaakt van een groep, volledige details van betalingen tussen de verschillende onderdelen van de groep.
   2. Toezicht op de spoortoegangsrechten :
   a) een overzicht van de verschillende kostencategorieën, en met name voldoende informatie over de marginale/directe kosten van de verschillende diensten of dienstenpakketten om toezicht op de infrastructuurrechten mogelijk te maken;
   b) voldoende informatie met het oog op het toezicht op de individuele rechten die zijn betaald voor diensten (of dienstenpakketten); indien de [2 toezichthoudende orgaan]2 dat verlangt, wordt informatie opgenomen over de volumes van individuele diensten, prijzen voor individuele diensten en de totale door de interne en externe klanten betaalde inkomsten voor individuele diensten;
   c) een overzicht van de kosten en inkomsten voor individuele diensten (of dienstenpakketten) overeenkomstig de eisen van de [2 toezichthoudende orgaan]2, teneinde te kunnen nagaan of er sprake is van concurrentieverstorende prijszetting (kruissubsidiëring, dumping of woekerwinsten).
   3. Aangeven van de financiële prestaties :
   a) een overzicht van de financiële prestaties;
   b) een uitgavendeclaratie;
   c) een overzicht van de onderhoudsuitgaven;
   d) een overzicht van de operationele uitgaven;
   e) een overzicht van de inkomsten;
   f) begeleidende nota's tot aanvulling van en uitleg bij deze overzichten, indien nodig.]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij W 2015-06-15/03, art. 88, 007; Inwerkingtreding : 23-07-2015>
  (2)<W 2017-11-23/15, art. 87, 011; Inwerkingtreding : 21-12-2017>
  

  Art. N27.[1 Bijlage 27. - Over te leggen documentatie over het netwerkspecifieke deel van het veiligheidscertificaat.
   De volgende documenten moeten bij de veiligheidsinstantie worden ingediend zodat zij het netwerkspecifieke deel van het veiligheidscertificaat kan afgeven :
   1. documentatie van de spoorwegonderneming over de TSI of onderdelen van de TSI en, waar van toepassing, over de nationale veiligheidsvoorschriften en andere voorschriften die gelden voor de activiteiten, het personeel en het rollend materieel van de onderneming, en over de wijze waarop deze voorschriften met behulp van het veiligheidsbeheersysteem worden nageleefd;
   2. documentatie van de spoorwegonderneming over de verschillende categorieën personeel (in dienstverband of onder contract) die de activiteiten in kwestie verrichten, inclusief bewijsstukken waaruit blijkt dat dit personeel voldoet aan technische specificaties inzake interoperabiliteit of de nationale voorschriften en naar behoren zijn gecertificeerd, als nodig, ook door de opleidinginstelling(en) bedoeld in artikel 143;
   3. documentatie van de spoorwegonderneming over de verschillende soorten rollend materieel die voor de activiteiten in kwestie worden gebruikt, inclusief bewijsstukken waaruit blijkt dat zij voldoen aan de TSI of nationale voorschriften en naar behoren zijn gecertificeerd en toegelaten om op het Belgisch spoorwegnet in dienst te worden gesteld.
   Om overlappingen te vermijden en om de massa informatie te beperken, zal alleen een samengevatte documentatie worden voorgelegd betreffende de elementen die conform de TSI zijn en andere bepalingen tot omzetting van richtlijnen 96/48/EG en 2001/16/EG van de Raad van 23 juli 1996, betreffende de interoperabiliteit van het trans-Europees hogesnelheidsspoorwegsysteem, en van het Europees Parlement en de Raad van 19 maart 2001 betreffende de interoperabiliteit van het conventionele trans-Europese spoorwegsysteem, gewijzigd door richtlijn 2004/50/EG van het Europees Parlement en de Raad van 29 april 2004.]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij W 2017-11-23/15, art. 88, 011; Inwerkingtreding : 21-12-2017>
  
  

Handtekening Tekst Inhoudstafel Begin
   Kondigen deze wet af, bevelen dat zij met 's Lands zegel zal worden bekleed en door het Belgisch Staatsblad zal worden bekendgemaakt.
Gegeven te Brussel, 30 augustus 2013.
FILIP
Van Koningswege :
De Minister van Binnenlandse Zaken,
Mevr. J. MILQUET
De Staatssecretaris voor Mobiliteit,
M. WATHELET
Met s Lands Zegel gezegeld :
De Minister van Justitie,
Mevr. A. TURTELBOOM

Aanhef Tekst Inhoudstafel Begin
   FILIP, Koning der Belgen,
   Aan allen die nu zijn en hierna wezen zullen, Onze Groet.
   De Kamers hebben aangenomen en Wij bekrachtigen hetgeen volgt :
Erratum Tekst Begin

BEELD
2015014202
PUBLICATIE :
2015-08-21
bladzijde : 54422

Rechtzetting



Wijziging(en) Tekst Inhoudstafel Begin
BEELD
  • WET VAN 11-01-2019 GEPUBL. OP 06-02-2019
    (GEWIJZIGDE ART. : 3; 4/2/1; 5; 6; 9; 25; 26/1; 26/2; 26/3; 31; 33; 37; 52/1; NL56; 62; 63; 66/4; N3; N28)
  • BEELD
  • WET VAN 23-11-2017 GEPUBL. OP 11-12-2017
    (GEWIJZIGDE ART. : 1; 3; 4; 7; 10; 21; 23; 24; 60; 62; 63; 68; 74; 76; 77; 78; 79; 80; 81; 82; 83; 84; 85; 86; 87; 88; 88/1; 88/2; 92; 94/1; 98; 99; 103; 111; 112; 112/1; 132; 136; 140; 142; 150; 151; 151/1; 168; 177; 178; 179; 180/1; 194; 198; 201; 202; 203; 204; 205; 206; 210; 211; 213; 214-216; 216/1; 216/2; 216/3; 216/4; 217; 220; 221/4; 225/1; N1; N2; N4; N7/1; N9; N11; N12; N14; N23; N26; N27)
  • BEELD
  • WET VAN 25-12-2016 GEPUBL. OP 30-12-2016
    (GEWIJZIGDE ART. : 221/1; 221/2; 221/3; 221/5)
  • BEELD
  • WET VAN 21-04-2016 GEPUBL. OP 29-04-2016
    (GEWIJZIGD ART. : 93)
  • BEELD
  • KONINKLIJK BESLUIT VAN 20-10-2015 GEPUBL. OP 29-10-2015
    (GEWIJZIGDE ART. : N4; N8; N10; N12; N18; N19; 225/1)
  • BEELD
  • WET VAN 15-06-2015 GEPUBL. OP 13-07-2015
    (GEWIJZIGDE ART. : 1; 2; 3; 4; 4/1; 4/2; 4/3; 5,9,9/1; 11; 13; 16; 17; 18; 19/1; 19/2; 19/3; 21; 22; 23; 24; 27/1; 31; 32; 34; 35; 37; 39; 40; 41; 43; 45; 47; 47/1; 48/1; 49; 50; 51; 52/1; 53; 53/1; 54; 55; 56; 59; NL60; 60/1; 62; 63; 64; 65; 66/1; 66/2; 66/3; 66/4; 70; 93; 112; 168; 204; 214; 217; 223; N1; .N3; N4; N8; N11; N12; N16; N17; N2; N23; N24; N25; N26; 3; 8; 10; 20; 23; 33; 65; 68; 69; 70; 86; 87; 91; 93; 99; 101; 105; 109; 149; 157; 159; 180; 185; 191; 192; 193; 196; 197; 205; 209; 210; 221; N4; N14; N15; N16; N19; N20; 23; 46; 58; 62; 46; 218; 159; 193; 197; 209; 199; 24)
    (GEWIJZIGDE ART. : 3; 24; 62; 63; 218; N2)
  • BEELD
  • KONINKLIJK BESLUIT VAN 21-12-2013 GEPUBL. OP 22-01-2014
    (GEWIJZIGD ART. : 25/1)
  • BEELD
  • KONINKLIJK BESLUIT VAN 21-12-2013 GEPUBL. OP 22-01-2014
    (GEWIJZIGDE ART. : 3; 9; 9/1)
  • BEELD
  • KONINKLIJK BESLUIT VAN 21-12-2013 GEPUBL. OP 22-01-2014
    (GEWIJZIGDE ART. : 62; 63)
  • BEELD
  • KONINKLIJK BESLUIT VAN 11-12-2013 GEPUBL. OP 16-12-2013
    (GEWIJZIGD ART. : 73)
  • BEELD
  • WET VAN 30-08-2013 GEPUBL. OP 30-10-2013
    (GEWIJZIGD ART. : 221/1-221/5)

  • Parlementaire werkzaamheden Tekst Inhoudstafel Begin
       Zitting 2012-2013 Kamer van de volksvertegenwoordigers. Stukken. - Wetsontwerp, 53-2855, Nr. 1. - Amendement, 53-2855 - Nr. 2. - Verslag, 53-2855 - Nr. 3. - Tekst aangenomen door de Commissie, 53-2855 - Nr. 4. - Tekst aangenomen in plenaire vergadering en overgezonden aan de Senaat, 53-2855 - Nr. 5. Integraal verslag. - 17 juli 2013. Senaat. Stukken. - Ontwerp geëvoceerd door de Senaat, 5-2210 - Nr. 1. - Verslag, 5-2210 - Nr. 2. - Beslissing om niet te amenderen, 5-2210 Nr. 3. Handelingen van de Senaat. - 18 juli 2013.

    Begin Eerste woord Laatste woord Wijziging(en) Aanhef
    Parlementaire werkzaamheden Inhoudstafel 43 uitvoeringbesluiten 11 gearchiveerde versies
    Erratum Franstalige versie