J U S T E L     -     Geconsolideerde wetgeving
Einde Eerste woord Laatste woord Aanhef
Parlementaire werkzaamheden Inhoudstafel 2 uitvoeringbesluiten
Handtekening Einde Franstalige versie
 
belgiëlex . be     -     Kruispuntbank Wetgeving
Raad van State Kamer van volksvertegenwoordigers Senaat
ELI - Navigatie systeem via een Europese identificatiecode voor wetgeving
http://www.ejustice.just.fgov.be/eli/wet/2013/07/17/2013011345/justel

Titel
17 JULI 2013. - Wet houdende invoeging van Boek III " Vrijheid van vestiging, dienstverlening en algemene verplichtingen van de ondernemingen ", in het Wetboek van economisch recht en houdende invoeging van de definities eigen aan boek III en van de rechtshandhavingsbepalingen eigen aan boek III, in boeken I en XV van het Wetboek van economisch recht

Bron :
ECONOMIE, KMO, MIDDENSTAND EN ENERGIE
Publicatie : 14-08-2013 nummer :   2013011345 bladzijde : 54348       PDF :   originele versie    
Dossiernummer : 2013-07-17/32
Inwerkingtreding : 09-05-2014

Inhoudstafel Tekst Begin
HOOFDSTUK 1. - Algemene bepaling.
Art. 1
HOOFDSTUK 2. - Het Wetboek van economisch recht.
Art. 2-7
HOOFDSTUK 3. - Opheffingsbepalingen.
Art. 8-11
HOOFDSTUK 4. - Bevoegdheidstoewijzing.
Art. 12-14
HOOFDSTUK 5. - Inwerkingtreding.
Art. 15

Tekst Inhoudstafel Begin
HOOFDSTUK 1. - Algemene bepaling.

  Artikel 1. Deze wet regelt een aangelegenheid als bedoeld in artikel 78 van de Grondwet.

  HOOFDSTUK 2. - Het Wetboek van economisch recht.

  Art. 2. In boek I, titel 2, van het Wetboek van economisch recht, wordt een hoofdstuk 1 ingevoegd, luidende :
  " Hoofdstuk 1. Definities eigen aan boek III.
  Art. I.2. Voor de toepassing van boek III gelden de volgende definities :
  1° Kruispuntbank van Ondernemingen : register, opgericht binnen de FOD Economie, K.M.O., Middenstand en Energie, die belast is met de opdrachten bedoeld in artikel III.15;
  2° bevoegde autoriteit : elke autoriteit of instantie die een toezichthoudende of regelgevende rol vervult ten aanzien van dienstenactiviteiten; met name de administratieve autoriteiten, met inbegrip van de rechtbanken die in die hoedanigheid optreden, de beroepsorden of andere professionele organen die in het kader van hun juridische autonomie de toegang tot de dienstenactiviteiten of de uitoefening ervan collectief regelen;
  3° dienstverrichter : iedere natuurlijke persoon onderdaan van een lidstaat of rechtspersoon in de zin van artikel 54 van het VWEU, gevestigd in een lidstaat die een dienst aanbiedt of verricht;
  4° vergunningstelsel : elke procedure die voor een dienstverrichter of voor een afnemer de verplichting inhoudt bij een bevoegde autoriteit stappen te ondernemen ter verkrijging van een formele of stilzwijgende beslissing over de toegang tot of de uitoefening van een dienstenactiviteit;
  5° dienst : elke economische activiteit, anders dan in loondienst, die gewoonlijk tegen vergoeding geschiedt, bedoeld in artikel 57 van het VWEU;
  6° vestiging : de daadwerkelijke uitoefening van een economische activiteit, zoals bedoeld in artikel 49 van het VWEU, door de dienstverrichter voor onbepaalde tijd en vanuit een duurzame infrastructuur van waaruit daadwerkelijk diensten worden verricht;
  7° afnemer : iedere natuurlijke persoon die onderdaan is van een lidstaat of die rechten heeft die hem door communautaire besluiten zijn verleend, of iedere rechtspersoon in de zin van artikel 54 van het VWEU die in een lidstaat is gevestigd en, al dan niet voor beroepsdoeleinden, van een dienst gebruik maakt of wil maken;
  8° gereglementeerd beroep : een beroepswerkzaamheid of een geheel van beroepswerkzaamheden waartoe de toegang of waarvan de uitoefening of één van de wijzen van uitoefening krachtens wettelijke of bestuursrechtelijke bepalingen direct of indirect afhankelijk wordt gesteld van het bezit van bepaalde beroepskwalificaties; met name het voeren van een beroepstitel die door wettelijke of bestuursrechtelijke bepalingen beperkt is tot personen die een specifieke beroepskwalificatie bezitten, geldt als een wijze van uitoefening;
  9° ambachtsonderneming : de onderneming opgericht door een private persoon die over een vestigingseenheid beschikt in België en er gewoonlijk, krachtens een overeenkomst tot verstrekking van diensten, hoofdzakelijk materiële prestaties levert, voor zover daarmee geen leveringen van waren dan wel slechts toevallige leveringen van waren gepaard gaan en aldus vermoed wordt de hoedanigheid van " ambachtsman " te hebben;
  10° handelsonderneming : elke persoon, die over een vestigingseenheid beschikt in België en er daden van koophandel uitoefent, zoals beschreven in het Wetboek van Koophandel en die aldus wordt vermoed de hoedanigheid van " handelaar " te hebben;
  11° niet-handelsonderneming naar privaat recht : elke onderneming van privaat recht, bedoeld in artikel III.16, § 1, 1°, 3°, 4° of 5°, die een vestigingseenheid in België heeft maar die niet de hoedanigheid van handels- of ambachtsonderneming heeft.
  12° vereiste : elke verplichting, verbodsbepaling, voorwaarde of beperking uit hoofde van de wet, het reglement of administratieve bepalingen of voortvloeiend uit de rechtspraak, de administratieve praktijk, de regels van beroepsorden of de collectieve regels van beroepsverenigingen of andere beroepsorganisaties, die deze in het kader van de hun toegekende juridische bevoegdheden hebben vastgesteld;
  13° ondernemingsloket : de instelling die erkend is in uitvoering van boek III, titel 2, hoofdstuk 3 en belast is met taken van openbare dienst of van algemeen belang bedoeld in deze titel 2;
  14° handelsregister : deelverzameling van de Kruispuntbank van Ondernemingen die de gegevens omvat van de in de Kruispuntbank van Ondernemingen geregistreerde handels- en ambachtsondernemingen;
  15° rechtspersonenregister : deelverzameling van de Kruispuntbank van Ondernemingen omvattende de gegevens van de in de Kruispuntbank van Ondernemingen geregistreerde rechtspersonen;
  16° vestigingseenheid : een plaats die men geografisch gezien kan identificeren door een adres, waar ten minste een activiteit van de onderneming wordt uitgeoefend of van waaruit de activiteit wordt uitgeoefend;
  Art. I.3. Voor de toepassing van boek III, titel 1, gelden de volgende definities :
  1° dwingende redenen van algemeen belang : redenen zoals in het bijzonder de openbare orde, de openbare veiligheid, de staatsveiligheid, de volksgezondheid, de handhaving van het financiële evenwicht van het sociale zekerheidsstelsel, de bescherming van consumenten, afnemers van diensten en werknemers, de eerlijkheid van handelstransacties, de fraudebestrijding, de bescherming van het milieu en het stedelijke milieu, dierenwelzijn, de intellectuele eigendom, het behoud van het nationaal historisch en artistiek erfgoed en doelstellingen van het sociaal beleid en het cultuurbeleid;
  2° beroepsaansprakelijkheidsverzekering : een door de dienstverrichter afgesloten verzekering ter dekking, jegens afnemers en, in voorkomend geval, derden, van zijn eventuele aansprakelijkheid in het geval van schade voortvloeiend uit de verrichting van de dienst;
  3° arbeidsrecht : alle wettelijke, reglementaire of conventionele bepalingen betreffende de arbeids- en tewerkstellingsvoorwaarden met inbegrip van het welzijn van werknemers bij de uitvoering van hun werk en de daarmee gepaard gaande organisatorische structuren, alsook de controles en de sancties die daarop betrekking hebben en ook de relaties tussen de sociale partners, zoals het recht om collectieve arbeidsovereenkomsten te onderhandelen en deze te sluiten en toe te passen en het recht om te staken en vakbondsacties te voeren;
  4° lidstaat van vestiging : de lidstaat op wiens grondgebied de betrokken dienstverrichter is gevestigd;
  5° recht van sociale zekerheid : alle wets-, verordenings- en sectorale bepalingen betreffende de inning van de bijdragen en de organisatie en toekenning van de sociale uitkeringen waarop de sociaal verzekerden recht hebben en die tot doel hebben een al dan niet beroepsgebonden inkomen toe te kennen, te vervangen of aan te vullen, om ze te vrijwaren tegen de gevolgen van de sociale risico's die gedekt worden in de reglementeringen betreffende de verzekeringsplicht voor werknemers en zelfstandigen, geneeskundige verzorging en uitkeringen, arbeidsongevallen en beroepsziekten, pensioenen, gezinsbijslag, werkloosheid, jaarlijkse vakantie, tegemoetkomingen voor personen met een handicap;
  6° federale coördinator : de natuurlijke persoon benoemd binnen de FOD Economie, om in het kader van de administratieve samenwerking, bepaald in de artikelen XV.35 tot XV.48, het aanspreekpunt te zijn tussen de Europese Commissie en de bevoegde autoriteiten bedoeld in artikel I.2, 2°.
  Art. I.4. Voor de toepassing van boek III, titel 2 gelden de volgende definities :
  1° onderneming : elke entiteit die zich dient in te schrijven in de Kruispuntbank van Ondernemingen krachtens artikel III.16;
  2° dienst : openbare dienst, instelling, natuurlijke persoon of rechtspersoon, aan wie taken van openbare dienst of van algemeen belang zijn toevertrouwd in uitvoering van boek III, titel 2;
  3° beheersdienst : de dienst binnen de Federale Overheidsdienst Economie, K.M.O., Middenstand en Energie belast met het beheer van de Kruispuntbank van Ondernemingen;
  4° de minister : de minister bevoegd voor Middenstand.
  Art. I.5. Voor de toepassing van boek III, titel 3, hoofdstuk 2, gelden de volgende definities :
  1° onderneming :
  a) de natuurlijke personen die koopman zijn;
  b) de handelsvennootschappen, de vennootschappen die de rechtsvorm van een handelsvennootschap hebben aangenomen, met uitzondering van de administratieve openbare instellingen bedoeld in artikel 2 van de wet van 22 mei 2003 houdende organisatie van de begroting en van de comptabiliteit van de Federale Staat, en de Europese economische samenwerkingsverbanden;
  c) de openbare instellingen die een statutaire opdracht vervullen van commerciële, financiële of industriële aard;
  d) de instellingen, niet bedoeld in het b) en het c), al dan niet met eigen rechtspersoonlijkheid die, met of zonder winstoogmerk, een commercieel, financieel of industrieel bedrijf uitoefenen en waarop dit hoofdstuk, per soort van instellingen, van toepassing wordt verklaard door een koninklijk besluit.
  Voor natuurlijke personen zonder woonplaats in België, voor ondernemingen naar buitenlands recht zoals bedoeld in het b), het c) en het d) van het eerste lid, en voor de Europese economische samenwerkingsverbanden waarvan de zetel in een andere Staat is gevestigd, zijn de bepalingen van dit hoofdstuk alleen van toepassing op hun in België gevestigde bijkantoren en centra van werkzaamheden met dien verstande dat hun gezamenlijke bijkantoren en centra van werkzaamheden in België als één onderneming worden beschouwd. De boeken, rekeningen en verantwoordingsstukken betreffende die bijkantoren en centra worden in België bewaard.
  In de besluiten waarbij de bepalingen van dit hoofdstuk van toepassing worden verklaard op ondernemingen bedoeld in het d) van het eerste lid, worden de verplichtingen die voor de betrokken ondernemingen voortvloeien uit de besluiten ter uitvoering van boek III, titel 3, aangepast aan wat vereist wordt door de bijzondere aard van de werkzaamheid of door het wettelijk statuut van de betrokken ondernemingen. "

  Art. 3. In boek I, titel 2, van het Wetboek van economisch recht, wordt een hoofdstuk 12 ingevoegd, luidende :
  " Hoofdstuk 12. Definities eigen aan boek XV :
  Art. I.20. Voor de toepassing van boek XV gelden de volgende definities :
  1° persoonsgegevens : informatie over een geïdentificeerde of identificeerbare natuurlijke persoon in overeenstemming met de definitie van artikel 1, § 1, van de wet van 8 december 1992 tot bescherming van de persoonlijke levenssfeer ten opzichte van de verwerking van persoonsgegevens;
  2° verantwoordelijke voor de verwerking : de natuurlijke persoon of de rechtspersoon, de feitelijke vereniging of het openbaar bestuur die alleen of samen met anderen het doel en de middelen voor de verwerking van persoonsgegevens bepaalt;
  3° verwerking : elke bewerking of elk geheel van bewerkingen met betrekking tot persoonsgegevens, al dan niet uitgevoerd met behulp van geautomatiseerde procedés, zoals het verzamelen, vastleggen, ordenen, bewaren, bijwerken, wijzigen, opvragen, raadplegen, gebruiken, verstrekken door middel van doorzending, verspreiden of op enigerlei andere wijze ter beschikking stellen, samenbrengen, met elkaar in verband brengen, alsmede het afschermen, uitwissen of vernietigen van persoonsgegevens;
  4° federale coördinator : de natuurlijke persoon benoemd binnen de Federale Overheidsdienst Economie, om in het kader van de administratieve samenwerking, bepaald in de artikelen XV.35 tot XV.48, het aanspreekpunt te zijn tussen de Europese Commissie en de bevoegde Belgische autoriteiten;
  5° waarschuwingscoördinator : de natuurlijke persoon of personen die op federaal niveau is of zijn aangewezen om de andere lidstaten en de Europese Commissie in kennis te stellen van ernstige specifieke handelingen of omstandigheden met betrekking tot een dienstenactiviteit, die ernstige schade aan de gezondheid of veiligheid van personen of aan het milieu kunnen veroorzaken. "

  Art. 4. In hetzelfde Wetboek wordt een boek III ingevoegd, luidende :
  " Boek III. Vrijheid van vestiging, dienstverlening en algemene verplichtingen van de ondernemingen.
  Titel 1. Vrijheid van vestiging en van dienstverlening.
  Hoofdstuk 1. Toepassingsgebied.
  Art. III.1. § 1. Deze titel voert gedeeltelijk de bepalingen uit van de Richtlijn 2006/123/EG van het Europees Parlement en de Raad van 12 december 2006 betreffende diensten op de interne markt.
  § 2. Deze titel is van toepassing op diensten, onverminderd de bevoegdheden van de gemeenschappen en de gewesten, met uitzondering van :
  1° de diensten van algemeen belang van niet-economische aard, met inbegrip van de sociale diensten die niet onder 11° vallen;
  2° de financiële diensten;
  3° de elektronische communicatiediensten en netwerken, evenals de middelen en diensten, met betrekking tot aangelegenheden die door de wet van 13 juni 2005 betreffende de elektronische communicatie beheerd worden;
  4° de diensten op het gebied van vervoer met inbegrip van de havendiensten die onder de werkingssfeer van titel VI van het VWEU vallen;
  5° de diensten van notarissen die bij een officieel overheidsbesluit zijn benoemd;
  6° de diensten van gerechtsdeurwaarders die bij een officieel overheidsbesluit zijn benoemd;
  7° de diensten van uitzendkantoren;
  8° de diensten van de gezondheidszorg, al dan niet verleend door gezondheidszorgfaciliteiten en ongeacht de wijze waarop zij zijn georganiseerd en worden gefinancierd en ongeacht of zij openbaar of particulier van aard zijn;
  9° de gokactiviteiten die erin bestaan dat een financiële waarde wordt ingezet bij kansspelen, met inbegrip van loterijen, gokken in casino's en weddenschappen;
  10° de werkzaamheden ter uitoefening van het openbaar gezag zoals bepaald in artikel 51 van het VWEU;
  11° zonder afbreuk te doen aan hun kwalificatie als diensten van algemeen belang van niet-economische aard bedoeld in 1° of de kwalificatie als diensten van algemeen belang van economische aard, sociale diensten betreffende sociale huisvesting, kinderzorg en bijstand aan gezinnen en personen die permanent of tijdelijk in nood verkeren, die worden rechtstreeks of onrechtstreeks verleend door de Federale Staat;
  12° de diensten van private veiligheid.
  § 2. Deze titel is niet van toepassing op :
  1° het domein van de fiscaliteit;
  2° het arbeidsrecht;
  3° het sociaal zekerheidsrecht.
  § 3. Indien de bepalingen van deze titel strijdig zijn met wetgevende of reglementaire bepalingen ter omzetting van Gemeenschapsrecht die betrekking hebben op de specifieke aspecten van de toegang tot of de uitoefening van een dienstactiviteit in specifieke sectoren of voor specifieke beroepen, dan hebben deze laatste bepalingen voorrang.
  Dit betreft met name :
  1° de wet van 5 maart 2002 tot omzetting van de Richtlijn 96/71/EG van het Europees Parlement en de Raad van 16 december 1996 betreffende de terbeschikkingstelling van werknemers met het oog op het verrichten van diensten, en tot invoering van een vereenvoudigd stelsel betreffende het bijhouden van sociale documenten door ondernemingen die in België werknemers ter beschikking stellen;
  2° de wet van 30 maart 1995 betreffende de elektronische communicatienetwerken en -diensten en de uitoefening van omroepactiviteiten in het tweetalige gebied Brussel-Hoofdstad, voor zover zij de Richtlijn 89/552/EEG van de Raad van 3 oktober 1989 betreffende de coördinatie van bepaalde wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen in de lidstaten inzake de uitoefening van televisieomroepactiviteiten omzet;
  3° de wet van 12 februari 2008 tot instelling van een nieuw algemeen kader voor de erkenning van EG-beroepskwalificaties.
  § 4. Deze titel heeft geen betrekking op de regels van het internationaal privaatrecht, in het bijzonder de regels betreffende de bepaling van het op contractuele en niet-contractuele verbintenissen toepasselijke recht, met inbegrip van de regels die waarborgen dat voor de consumenten de bescherming geldt die hen wordt geboden door de regels inzake consumentenbescherming die zijn neergelegd in de consumentenwetgeving die in hun lidstaat van kracht is.
  § 5. Deze titel, en meer bepaald de bepalingen met betrekking tot de controle op de regels inzake de bescherming van persoonsgegevens, worden uitgevoerd en zijn van toepassing onverminderd de regels zoals bepaald in Richtlijn 95/46/EG, in Richtlijn 2002/58/EG, in de wet van 8 december 1992 tot bescherming van de persoonlijke levenssfeer ten opzichte van de verwerking van persoonsgegevens, en onverminderd de voorziene regels inzake bescherming van persoonsgegevens, in de wet van 13 juni 2005 betreffende de elektronische communicatie en in de wet van 24 augustus 2005 tot omzetting van verschillende bepalingen van de Richtlijn financiële diensten op afstand en van de Richtlijn privacy en elektronische communicatie.
  Hoofdstuk 2. Vrijheid van vestiging.
  Afdeling 1. Vergunningsstelsels.
  Art. III.2. Indien voor de toegang tot en de uitoefening van een dienstenactiviteit een vergunning vereist is, moet deze vergunning aan de volgende voorwaarden voldoen :
  1° het vergunningstelsel heeft geen discriminerende werking jegens de betrokken dienstverrichter;
  2° de behoefte aan een vergunningstelsel is gerechtvaardigd om een dwingende reden van algemeen belang;
  3° het nagestreefde doel kan niet door een minder beperkende maatregel worden bereikt, met name omdat een controle achteraf te laat zou komen om werkelijk doeltreffend te zijn.
  Het eerste lid is niet van toepassing op vergunningstelsels die rechtstreeks of onrechtstreeks door het gemeenschapsrecht zijn geregeld, onder anderen, de vergunningstelsels die de toegang tot of de uitoefening van een gereglementeerd beroep afhankelijk stellen van het bezit van bepaalde professionele kwalificaties en specifieke bepalingen die vereisen dat een bepaalde activiteit wordt voorbehouden aan een bepaald beroep.
  Art. III.3. Vergunningstelsels die in overeenstemming met artikel III.2 worden ingericht moeten gebaseerd zijn op criteria die beletten dat de bevoegde autoriteiten hun beoordelingsbevoegdheid op willekeurige wijze uitoefenen.
  Deze criteria zijn :
  1° niet discriminerend;
  2° gerechtvaardigd om een dwingende reden van algemeen belang;
  3° evenredig met die reden van algemeen belang;
  4° duidelijk en ondubbelzinnig;
  5° objectief;
  6° vooraf openbaar bekendgemaakt;
  7° transparant en toegankelijk.
  Art. III.4. De vergunningsprocedures en formaliteiten moeten gemakkelijk toegankelijk zijn en de lasten die zij voor de aanvragers kunnen voortbrengen moeten redelijk zijn en evenredig met de kosten van de vergunningsprocedures.
  Art. III.5. De vergunningsvoorwaarden voor een nieuwe vestiging mogen gelijkwaardige, of gezien hun doel in wezen vergelijkbare, eisen en controles waaraan de dienstverrichter al in België of een andere lidstaat onderworpen is, niet overlappen. De federale coördinator en de dienstverrichter staan de bevoegde autoriteit bij door over deze eisen de nodige informatie te verstrekken.
  Art. III.6. Wanneer een dienstverrichter zich in België vestigt, mag geen beroepsaansprakelijkheidsverzekering of waarborg geëist worden indien de dienstverrichter in een andere lidstaat waar hij een vestiging heeft, al gedekt is door een waarborg die gelijkwaardig is of die, met betrekking tot het doel en de dekking die hij biedt wat het verzekerde risico, de verzekerde som, de maximale waarborg en de mogelijke uitzonderingen van de dekking betreft, in wezen vergelijkbaar is.
  Indien de waarborg slechts ten dele gelijkwaardig is, zal voor de nog niet gedekte elementen een aanvullende waarborg geëist worden.
  Wanneer een beroepsaansprakelijkheids-verzekering of een andere vorm van waarborg opgelegd wordt aan een dienstverrichter gevestigd in België, worden attesten betreffende de dekking, afgegeven door een in een andere lidstaat gevestigde kredietinstelling of verzekeraar, als bewijsmiddel toegelaten.
  Art. III.7. Een vergunning bedoeld in artikel III.2 biedt de dienstverrichter op het gehele Belgische grondgebied het recht op toegang tot of uitoefening van de dienstenactiviteit, mede door de oprichting van agentschappen, dochterondernemingen, kantoren of bijkantoren.
  Het eerste lid is niet van toepassing :
  1° wanneer een vergunning eigen aan elke vestiging of een beperking van de vergunning tot een specifiek deel van het nationale grondgebied is gerechtvaardigd door dwingende redenen van algemeen belang;
  2° op vergunningen die zijn afgeleverd door de overheden van de gewesten, de gemeenschappen, de provincies en de gemeenten.
  Art. III.8. De ontvangst van elke vergunningsaanvraag wordt binnen tien werkdagen bevestigd.
  De ontvangstbevestiging bevat :
  1° de datum waarop de aanvraag is ontvangen;
  2° de termijn waarbinnen de beslissing moet genomen worden;
  3° de beschikbare rechtsmiddelen, de bevoegde instanties die er kennis van nemen alsook de te respecteren termijnen en formaliteiten;
  4° indien van toepassing, de vermelding dat bij het uitblijven van een beslissing binnen de voorziene termijn, de vergunning geacht wordt te zijn verleend.
  Wanneer een aanvraag onvolledig is, wordt de aanvrager binnen een termijn van tien werkdagen geïnformeerd over de noodzaak tot het verstrekken van aanvullende stukken, de termijn waarover hij beschikt om dit te doen alsook de gevolgen hiervan voor de in het tweede lid bedoelde termijn.
  Wanneer een aanvraag wordt geweigerd omdat deze niet aan de vereiste procedures of formaliteiten voldoet, wordt de betrokkene hiervan zo snel mogelijk in kennis gesteld.
  Art. III.9. De bevoegde autoriteit verleent de vergunning nadat een passend onderzoek heeft vastgesteld dat aan de vergunningsvoorwaarden is voldaan.
  Indien door de reglementering geen termijn wordt voorgeschreven binnen welke een beslissing over de vergunningsaanvraag moet worden genomen, zal deze worden genomen ten laatste dertig werkdagen te rekenen vanaf de datum van de ontvangstbevestiging of, als het dossier onvolledig is, vanaf het tijdstip waarop de aanvrager de bijkomende documenten heeft ingediend.
  Indien gerechtvaardigd door de complexiteit van het dossier, mag de termijn eenmaal voor een beperkte duur worden verlengd. De verlenging en de duur ervan worden vóór het verstrijken van de oorspronkelijke termijn ter kennis van de aanvrager gebracht.
  Onverminderd de bijzondere wettelijke of reglementaire regimes gerechtvaardigd door een dwingende reden van algemeen belang, wordt de vergunning geacht te zijn verleend bij het uitblijven van een antwoord binnen de door de wet of de verordening bepaalde termijn.
  Art. III.10. § 1. De aan een dienstverrichter verleende vergunning heeft een onbeperkte geldigheidsduur, uitgezonderd in de volgende gevallen :
  1° de vergunning maakt het voorwerp uit van een systeem van automatische verlenging;
  2° de vergunning is alleen afhankelijk van de voortdurende vervulling van de voorwaarden;
  3° het aantal beschikbare vergunningen is beperkt omwille van een dwingende reden van algemeen belang;
  4° een beperkte duur is gerechtvaardigd door een dwingende reden van algemeen belang.
  § 2. Paragraaf 1 geldt onverminderd de mogelijkheid om een vergunning in te trekken wanneer niet meer aan de vergunningsvoorwaarden wordt voldaan.
  § 3. Paragraaf 1 is niet van toepassing op de maximale termijn waarbinnen de dienstverrichter na ontvangst van de vergunning daadwerkelijk met zijn activiteit moet beginnen.
  Art. III.11. Wanneer het aantal beschikbare vergunningen voor een activiteit beperkt is door schaarste van de beschikbare natuurlijke hulpbronnen of de bruikbare technische mogelijkheden, wordt een selectie gemaakt uit de gegadigden volgens een selectieprocedure die alle waarborgen voor onpartijdigheid en transparantie biedt, met name een toereikende bekendmaking van de opening, uitvoering en afsluiting van de procedure.
  In de in het eerste lid bedoelde gevallen wordt de vergunning voor een passende beperkte duur verleend en wordt zij niet automatisch verlengd; evenmin wordt enig ander voordeel toegekend aan de dienstverrichter wiens vergunning zojuist is verlopen of aan personen die een bijzondere band met die dienstverrichter hebben.
  De regels voor de selectieprocedure kunnen rekening houden met overwegingen die betrekking hebben op de volksgezondheid, met doelstellingen van sociaal beleid, de gezondheid en de veiligheid van werknemers of zelfstandigen, de bescherming van het milieu, het behoud van het cultureel erfgoed en andere dwingende redenen van algemeen belang.
  Afdeling 2. Andere vereisten.
  Art. III.12. § 1. De toegang tot of de uitoefening van een dienstenactiviteit in België mag niet afhankelijk gemaakt worden van de volgende vereisten :
  1° discriminerende vereisten die rechtstreeks of onrechtstreeks verband houden met de nationaliteit of, voor vennootschappen, met de plaats van de statutaire zetel, waaronder met name :
  a) nationaliteitsvereisten voor de dienstverrichter, zijn personeel, de aandeelhouders of de leden van het toezichthoudend of het bestuursorgaan van de dienstverrichter;
  b) de vereiste dat de dienstverrichter, zijn personeel, de aandeelhouders of de leden van het toezichthoudend of het bestuursorgaan hun verblijfplaats hebben op Belgisch grondgebied;
  2° een verbod op het hebben van een vestiging in meer dan een lidstaat of op inschrijving in registers of bij beroepsorden of -verenigingen in meer dan een lidstaat;
  3° beperkingen van de vrijheid van de dienstverrichter om tussen een hoofd- of een nevenvestiging te kiezen, met name de verplichting dat de hoofdvestiging van de dienstverrichter zich op hun grondgebied moet bevinden, of beperkingen van de vrijheid om voor vestiging als agentschap, bijkantoor of dochteronderneming te kiezen;
  4° wederkerigheidsvoorwaarden ten aanzien van de lidstaat waar de dienstverrichter al een vestiging heeft, behalve in het geval dat dergelijke voorwaarden in een communautair instrument op energiegebied zijn vastgelegd;
  5° de toepassing per geval van economische criteria, waarbij de verlening van de vergunning afhankelijk wordt gesteld van het bewijs dat er een economische behoefte of marktvraag bestaat, van een beoordeling van de mogelijke of actuele economische gevolgen van de activiteit of van een beoordeling van de geschiktheid van de activiteit in relatie tot de door de bevoegde autoriteit vastgestelde doelen van economische planning;
  6° de rechtstreekse of onrechtstreekse betrokkenheid van concurrerende marktdeelnemers, ook binnen raadgevende organen, bij de verlening van vergunningen of bij andere besluiten van de bevoegde autoriteiten, met uitzondering van beroepsorden en van beroepsverenigingen of andere organisaties die in de hoedanigheid van bevoegde autoriteit optreden; dit verbod heeft geen betrekking op de raadpleging van organisaties zoals kamers van koophandel of sociale partners over andere aangelegenheden dan individuele vergunningsaanvragen, noch op een raadpleging van het grote publiek;
  7° een verplichting tot het stellen van of deelnemen in een financiële waarborg of het afsluiten van een verzekering bij een op Belgisch grondgebied gevestigde dienstverrichter of instelling. Dit belet niet dat een verzekering of financiële garanties als zodanig kunnen verlangd worden noch dat eisen inzake de deelname in een collectief waarborgfonds worden gesteld, bijvoorbeeld voor leden van een beroepsorde of -organisatie.
  8° een verplichting al gedurende een bepaalde periode ingeschreven te staan in de registers die in België worden bijgehouden of de activiteit vooraf al gedurende bepaalde tijd in België hebben uitgeoefend.
  § 2. Het in paragraaf 1, 5° vervatte verbod heeft geen betrekking op planningsvereisten waarmee geen economische doelen worden nagestreefd, maar die voortkomen uit dwingende redenen van algemeen belang.
  Hoofdstuk 3. Vrijheid van dienstverlening.
  Art. III.13. § 1. De toegang tot of de uitoefening van een dienstenactiviteit mag niet afhankelijk worden gemaakt van de naleving van eisen die :
  1° discriminerend zijn en die rechtstreeks of onrechtstreeks verband houden met de nationaliteit of, voor vennootschappen, met de plaats van de statutaire zetel;
  2° niet gerechtvaardigd zijn om redenen van openbare orde, openbare veiligheid, de volksgezondheid of de bescherming van het milieu;
  3° die niet van aard zijn om het nagestreefde doel te verwezenlijken en die verder gaan dan wat nodig is om dit doel te bereiken.
  § 2. Het vrij verrichten van diensten door een in een andere lidstaat gevestigde dienstverrichter mag niet beperkt worden door één van de volgende vereisten :
  a) een verplichting voor de dienstverrichter een vestiging in België te hebben;
  b) een verplichting voor de dienstverrichter bij de Belgische bevoegde autoriteit een vergunning te verkrijgen of zich in te schrijven in een register of bij een beroepsorde of -vereniging in België, behalve in de in deze titel of door het gemeenschapsrecht geregelde gevallen;
  c) een verbod voor de dienstverrichter in België een bepaalde vorm of soort infrastructuur, met inbegrip van een kantoor of kabinet, op te zetten om de betrokken diensten te verrichten;
  d) de toepassing van een specifieke contractuele regeling tussen de dienstverrichter en de afnemer die het verrichten van diensten door zelfstandigen verhindert of beperkt;
  e) een verplichting voor de dienstverrichter om specifiek voor de uitoefening van een dienstenactiviteit een door de Belgische bevoegde autoriteit afgegeven identiteitsdocument te bezitten;
  f) vereisten, andere dan die welke noodzakelijk zijn voor de gezondheid en veiligheid op het werk, die betrekking hebben op het gebruik van uitrusting en materiaal die een integrerend deel van de dienstverrichting vormen;
  g) beperkingen van het vrij verrichten van diensten bedoeld in artikel III.80.
  Art. III.14. Artikel III.13 is niet van toepassing :
  1° op diensten van algemeen economisch belang;
  2° op de aangelegenheden die vallen onder de wet van 5 maart 2002 tot omzetting van de Richtlijn 96/71 EG van het Europees Parlement en de Raad van 16 december 1996 betreffende de terbeschikkingstelling van werknemers met het oog op het verrichten van diensten, en tot invoering van een vereenvoudigd stelsel betreffende het bijhouden van sociale documenten door ondernemingen die in België werknemers ter beschikking stellen, en volgens de regels die de wet van 5 maart 2002 bepaalt;
  3° op de aangelegenheden die vallen onder deel II, Boek III, Titel Ibis, hoofdstuk I van het Gerechtelijk Wetboek;
  4° op activiteiten van gerechtelijke invordering van schulden;
  5° op de aangelegenheden die vallen onder de wet van 12 februari 2008 tot instelling van een nieuw algemeen kader voor de erkenning van EG-beroepskwalificaties en specifieke bepalingen die vereisen dat een activiteit voorbehouden wordt aan een bepaald beroep;
  6° op de aangelegenheden die vallen onder de Verordening (EEG) nr. 1408/71 van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 14 juni 1971 betreffende de toepassing van de sociale zekerheidsregelingen op werknemers en zelfstandigen, alsmede op hun gezinsleden, die zich binnen de Gemeenschap verplaatsen;
  7° op de aangelegenheden die vallen onder de artikelen 40 tot 47 van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen en de artikelen 43 tot 57 van het koninklijk besluit van 8 oktober 1981 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen;
  8° voor wat betreft onderdanen van derde landen die zich in het kader van een dienstverrichting naar België begeven, op de mogelijkheid voor de bevoegde autoriteiten om onderdanen van derde landen op wie de regeling inzake wederzijdse erkenning van artikel 21 van de Overeenkomst ter uitvoering van het op 14 juni 1985 te Schengen gesloten akkoord betreffende de geleidelijke afschaffing van de controles aan de gemeenschappelijke grenzen niet van toepassing is, te verplichten in het bezit te zijn van een visum of een verblijfsvergunning, of de mogelijkheid voor de bevoegde autoriteiten om onderdanen van derde landen te verplichten zich bij of na hun binnenkomst bij hen te melden;
  9° met betrekking tot de overbrenging van afvalstoffen op de aangelegenheden die vallen onder de Verordening (EEG) nr. 259/93 van de Raad van 1 februari 1993 betreffende toezicht en controle op de overbrenging van afvalstoffen binnen, naar en uit de Europese Gemeenschap;
  10° inzake het auteursrecht en de naburige rechten, de rechten op topografieën van halfgeleiderproducten, de sui generis rechten op databanken, de rechten van industriële eigendom;
  11° op handelingen waarvoor de wet de tussenkomst van een notaris voorschrijft;
  12° op de aangelegenheden die vallen onder het koninklijk besluit van 21 april 2007 tot omzetting van de bepalingen van de Richtlijn 2006/43/EG van het Europees Parlement en de Raad van 17 mei 2006 betreffende de wettelijke controles van jaarrekeningen en geconsolideerde jaarrekeningen, tot wijziging van de Richtlijnen 78/660/EEG en 83/349/EEG van de Raad, en houdende intrekking van Richtlijn 84/253/EEG van de Raad;
  13° op de aangelegenheden die vallen onder de artikelen 132, 133 en 134 van het Wetboek van Vennootschappen;
  14° op de inschrijving van voertuigen die in een andere lidstaat zijn geleased.
  Titel 2. Kruispuntbank van Ondernemingen en erkende ondernemingsloketten.
  Hoofdstuk 1. Kruispuntbank van Ondernemingen.
  Afdeling 1. Oprichting van de Kruispuntbank van Ondernemingen.
  Art. III.15. Er wordt een register opgericht, genaamd " Kruispuntbank van Ondernemingen ".
  Dit register en de daarmee gepaard gaande invoering van een uniek ondernemingsnummer heeft tot doel door de realisatie van het principe van de unieke gegevensinzameling de administratieve verplichtingen opgelegd aan ondernemingen te vereenvoudigen en de werking van de overheidsdiensten efficiënter te organiseren.
  De Kruispuntbank van Ondernemingen is belast met het opnemen, het bewaren, het beheren en het ter beschikking stellen van de gegevens die betrekking hebben op de identificatie van de ondernemingen en hun gemandateerden overeenkomstig de bepalingen van deze titel en de wettelijke of reglementaire bepalingen die de oorspronkelijke verzameling van de in artikel III.18 vermelde gegevens toelaten door de overheden, administraties en diensten aangewezen krachtens artikel III.19.
  De Kruispuntbank van Ondernemingen beoogt ook de optimalisering van het overdragen en het verspreiden van de gegevens betreffende de ondernemingen.
  Te dien einde kan ze met name :
  1° linken creëren naar sites en databases van de overheden, administraties en diensten;
  2° linken tot stand brengen naar internetsites die informatie bevatten betreffende de identificatie van ondernemingen en hun mandatarissen, met inbegrip van linken naar internetsites van ondernemingen, die in de Kruispuntbank van Ondernemingen ingeschreven zijn.
  De Koning bepaalt, bij een besluit vastgesteld na overleg in de ministerraad, de modaliteiten waarbinnen de Kruispuntbank van Ondernemingen ter beschikking wordt gesteld in het kader van de versterking van de strijd tegen fraude, overeenkomstig de bepalingen van deze titel en de wettelijke of reglementaire bepalingen die de oorspronkelijke verzameling van de in artikel III.18 bedoelde gegevens toelaten door de overheden, administraties en diensten aangewezen krachtens artikel III.19.
  Art. III.16. § 1. In de Kruispuntbank van Ondernemingen worden gegevens opgenomen betreffende :
  1° de rechtspersonen naar Belgisch recht;
  2° de vestigingen, instanties en diensten naar Belgisch recht die opdrachten van algemeen nut of verbonden met de openbare orde uitvoeren en over een financiële en boekhoudkundige autonomie beschikken, onderscheiden van deze van de rechtspersoon naar Belgisch publiek recht waarvan ze afhankelijk zijn;
  3° de rechtspersonen naar buitenlands of internationaal recht die in België beschikken over een zetel of die zich dienen te registreren in uitvoering van een door de Belgische wetgeving opgelegde verplichting;
  4° iedere natuurlijke persoon, die in België als onafhankelijke entiteit :
  a) een economische en beroepsmatige activiteit gewoonlijk, hoofdzakelijk of aanvullend uitoefent;
  b) of die zich dient te registreren in uitvoering van een door de Belgische wetgeving opgelegde verplichting anders dan deze beoogd door deze titel;
  5° de verenigingen zonder rechtspersoonlijkheid die zich dienen te registreren in uitvoering van een door de Belgische wetgeving opgelegde verplichting anders dan deze beoogd door deze titel;
  6° de vestigingseenheden van de bovenvermelde ondernemingen.
  § 2. Voor de toepassing van paragraaf 1, oefent onder andere gewoonlijk een economische en beroepsmatige activiteit uit, iedere onderneming die in België :
  1° hetzij als werkgever aan de sociale zekerheid is onderworpen;
  2° hetzij aan de belasting over de toegevoegde waarde is onderworpen.
  § 3. Voor de inschrijving in de Kruispuntbank van Ondernemingen van de personen en verenigingen bedoeld in paragraaf 1, 1°, 3°, 4° en 5°, worden de nadere regels door de Koning bepaald.
  Afdeling 2. Inschrijving in de Kruispuntbank van Ondernemingen.
  Art. III.17. Iedere onderneming of vestigingseenheid bedoeld in artikel III.16, wordt in de Kruispuntbank van Ondernemingen ingeschreven en verkrijgt op het ogenblik van de inschrijving een ondernemings- of vestigingseenheidsnummer. Dit nummer vormt hun uniek identificatienummer.
  Art. III.18. § 1. De inschrijving die gebeurt krachtens artikel III.17 omvat de volgende gegevens :
  1° de naam, de benaming of de firmanaam;
  2° de nauwkeurige aanduiding van de onderscheiden adressen, in voorkomend geval, van de maatschappelijke zetel van de onderneming en van de verschillende vestigingseenheden in België;
  3° de rechtsvorm;
  4° de rechtstoestand;
  5° de oprichtings- en stopzettingsdatum van de onderneming of de vestigingseenheid;
  6° de identificatiegegevens van de oprichters, mandatarissen en lasthebbers van de onderneming;
  7° de door de onderneming uitgeoefende economische activiteiten;
  8° de overige basisidentificatiegegevens, die moeten verstrekt worden op het ogenblik van de oprichting van de rechtspersoon of in toepassing van Hoofdstuk 2;
  9° de aanduiding van de toelatingen, vergunningen en erkenningen waarover de onderneming beschikt of de hoedanigheden waaronder deze gekend is bij de verschillende overheden, administraties en diensten en, in voorkomend geval, de opvolging van de aanvragen in dit verband;
  10° in voorkomend geval, de verwijzing naar de website van de onderneming, haar telefoonnummer, haar faxnummer en haar e-mailadres;
  11° de gegevens betreffende de bankrekening(en) van de onderneming.
  § 2. De Koning kan, na advies van het in artikel III.44 bedoelde Toezichtcomité en bij een besluit vastgesteld na overleg in de ministerraad, de in paragraaf 1 opgesomde gegevens aanvullen met andere gegevens vereist voor de identificatie van ondernemingen of van gemeenschappelijk belang voor meerdere overheidsdiensten.
  § 3. Iedere wijziging die wordt aangebracht aan de in paragrafen 1 en 2 bedoelde gegevens, moet onverwijld in de Kruispuntbank van Ondernemingen worden opgenomen met aanduiding van de datum waarop zij in werking treedt en van de er voor verantwoordelijke dienst.
  § 4. Deze gegevens worden bewaard gedurende dertig jaar te rekenen van de dag van het verlies van de rechtspersoonlijkheid voor de rechtspersonen, of van de definitieve stopzetting van de activiteit voor de andere bij artikel III.16 bedoelde houders van een inschrijving.
  Art. III.19. De Koning wijst, bij een besluit vastgesteld na overleg in de ministerraad, de overheden, administraties en diensten aan die, betreffende de categorieën van ondernemingen die Hij aanduidt en volgens de functionele verdeling die Hij vastlegt, belast zijn met de eenmalige inzameling en het actualiseren van de gegevens bedoeld in artikel III.18.
  Bij het uitoefenen van deze taak zijn de overheden, administraties en diensten onderworpen aan de wettelijke en reglementaire bepalingen die de oorspronkelijke verzameling van de in artikel III.18 bedoelde gegevens toelaten.
  Art. III.20. Voor de uitvoering van hun opdrachten zoals omschreven in deze titel en zijn uitvoeringsbesluiten, hebben de Kruispuntbank van Ondernemingen en de overheden, administraties en diensten bedoeld bij artikel III.19, eerste lid :
  1° toegang tot de informatie bedoeld in artikel 3, eerste lid, 1° tot 9°, en tweede lid van de wet van 8 augustus 1983 tot regeling van een Rijksregister van natuurlijke personen;
  2° het recht om het identificatienummer van het Rijksregister te gebruiken.
  Art. III.21. De Koning stelt, bij een besluit vastgesteld na overleg in de ministerraad, de modaliteiten en de aard van de inschrijvingen en de wijzigingen vast, die rechtstreeks op een elektronisch beveiligde wijze door de ondernemingen, bedoeld in artikel III.16, mogen worden meegedeeld aan de Kruispuntbank van Ondernemingen.
  Afdeling 3. Toekenning en gebruik van het ondernemings- en vestigingseenheidsnummer.
  Art. III.22. Het ondernemingsnummer en het vestigingseenheidsnummer toegekend op het ogenblik van de inschrijving in de Kruispuntbank van Ondernemingen worden onmiddellijk na de toekenning medegedeeld aan de onderneming door de krachtens artikel III.19, eerste lid, aangewezen overheden, administraties en diensten.
  De Koning bepaalt de toekenningregels, de wijze van afleveren en de samenstelling van het ondernemings- en vestigingseenheidsnummer.
  Art. III.23. Het gebruik van het ondernemingsnummer is verplicht in de betrekkingen die de ondernemingen hebben met de administratieve en rechterlijke overheden, evenals in de betrekkingen die deze laatste onderling hebben.
  De krachtens artikel III.19, eerste lid, aangewezen overheden, administraties en diensten nemen, teneinde de unieke gegevensinzameling mogelijk te maken, de nodige maatregelen opdat het ondernemings- en vestigingseenheidsnummer een sleutel vormt die toegang geeft tot zowel de gegevens die opgenomen zijn in de Kruispuntbank van Ondernemingen, als tot de gegevens die zijn opgenomen in de door hen beheerde repertoria en geautomatiseerde bestanden, onverminderd de wettelijke en reglementaire bepalingen die de toegang tot deze gegevens regelen.
  Art. III.24. Wat de handels- en ambachtsondernemingen betreft, doet het toegekende ondernemingsnummer respectievelijk dienst als handelsregisternummer of als inschrijvingsnummer als ambachtsman.
  Art. III.25. Alle akten, facturen, aankondigingen, bekendmakingen, brieven, orders en andere stukken uitgaande van handels- en ambachtsondernemingen dienen steeds het ondernemingsnummer te vermelden.
  Deze documenten moeten eveneens de domiciliëring en het nummer vermelden van ten minste één rekening waarvan de onderneming houdster is bij een in België gevestigde kredietinstelling die geen gemeentelijke spaarkas is en waarop de wet van 22 maart 1993 op het statuut van en het toezicht op de kredietinstellingen van toepassing is.
  De voor de uitoefening van een handels- of ambachtswerkzaamheid gebruikte gebouwen en marktkramen, evenals de vervoermiddelen, die hoofdzakelijk worden gebruikt in het kader van de uitoefening van een ambulante handel, of, in het geval van werkgevers, in het kader van een activiteit van burgerlijke of utiliteitsbouw of een activiteit van reinigen van het interieur van gebouwen, dragen op zichtbare wijze het ondernemingsnummer.
  De Koning kan, bij een besluit vastgesteld na overleg in de ministerraad, de in het kader van het derde lid vermelde activiteiten waarvoor de gebruikte vervoermiddelen op zichtbare wijze het ondernemingsnummer dragen, wijzigen.
  Art. III.26. § 1. Elk op verzoek van een handels- of ambachtsonderneming betekend deurwaardersexploot vermeldt steeds het ondernemingsnummer.
  Bij gebreke aan vermelding van het ondernemingsnummer op het deurwaardersexploot, verleent de rechtbank uitstel aan de handels- of ambachtsonderneming om haar inschrijving in de Kruispuntbank van Ondernemingen op de datum van het inleiden van de vordering te bewijzen.
  Indien de handels- of ambachtsonderneming haar inschrijving in deze hoedanigheid in de Kruispuntbank van Ondernemingen op de datum van het inleiden van haar vordering niet bewijst binnen de door de rechtbank gestelde termijn of indien blijkt dat de onderneming niet ingeschreven is in de Kruispuntbank van Ondernemingen, verklaart de rechtbank van ambtswege de vordering van de handels- of ambachtsonderneming onontvankelijk.
  § 2. Indien de handels- of ambachtsonderneming wel in deze hoedanigheid is ingeschreven in de Kruispuntbank van Ondernemingen, maar haar hoofdvordering, tegenvordering of vordering tot tussenkomst, ingediend bij verzoekschrift, bij conclusie of deurwaardersexploot, gebaseerd is op een activiteit waarvoor de onderneming op de datum van de inleiding van die vordering niet is ingeschreven of die niet valt onder het maatschappelijk doel waarvoor de onderneming op deze datum is ingeschreven, is de vordering van die onderneming onontvankelijk. De onontvankelijkheid is evenwel gedekt, indien ze niet voor elke andere exceptie of verweermiddel wordt ingeroepen.
  Art. III.27. De akten van rechtspleging, die krachtens artikel III.26 onontvankelijk worden verklaard, stuiten de verjaring, alsmede de op straffe van nietigheid bepaalde rechtsplegingtermijnen.
  Art. III.28. De Koning kan, bij een besluit vastgesteld na overleg in de ministerraad, de verplichtingen bedoeld in de artikelen III.25 en III.26, uitbreiden tot andere categorieën van ondernemingen die in de Kruispuntbank van Ondernemingen zijn opgenomen.
  Afdeling 4. Toegang en gebruik van de gegevens opgenomen in de Kruispuntbank van Ondernemingen.
  Art. III.29. § 1. De toegang tot de volgende gegevens, vermeld in de Kruispuntbank van Ondernemingen, kan, zonder voorafgaande machtiging van het Toezichtcomité, worden verleend aan de overheden, besturen, diensten of andere instanties, voor zover die gegevens noodzakelijk zijn voor de uitvoering van hun wettelijke of reglementaire opdrachten :
  1° de ondernemingsnummers en nummers van vestigingseenheidsnummers, toegekend door de Kruispuntbank van Ondernemingen;
  2° de naam van de onderneming en van haar vestigingseenheden;
  3° de juridische vorm van de onderneming;
  4° de rechtstoestand van de onderneming;
  5° het adres van de onderneming en van haar vestigingseenheden;
  6° de economische activiteiten van de onderneming en van haar vestigingseenheden;
  7° de hoedanigheden volgens welke een onderneming ingeschreven is in de Kruispuntbank van Ondernemingen en, in voorkomend geval, de opvolging van de aanvragen in dit verband;
  8° de naam en voornaam van de oprichters en van de personen die binnen de onderneming een functie uitoefenen onderworpen aan bekendmaking;
  9° de erkenningen, toelatingen of vergunningen waarover de onderneming beschikt, voor zover ze onderworpen zijn aan de bepalingen van verplichte bekendmaking of belang hebben voor derden en, in voorkomend geval, de opvolging van de aanvragen in dit verband;
  10° de verwijzing naar de website van de onderneming, haar telefoonnummers, faxnummers alsook haar e-mailadres;
  11° alle gegevens onderworpen aan bepalingen inzake bekendmaking met toepassing van :
  a) het Wetboek van Vennootschappen;
  b) de wet van 27 juni 1921 betreffende de verenigingen zonder winstoogmerk, de internationale verenigingen zonder winstoogmerk en de stichtingen;
  c) de wet van 12 juli 1989 houdende verscheidene maatregelen tot toepassing van de Verordening (EEG) nr. 2137/85 van de Raad van 25 juli 1985 tot instelling van Europese economische samenwerkingsverbanden;
  d) de wet van 17 juli 1997 betreffende het gerechtelijk akkoord;
  e) de wet van 31 januari 2009 betreffende de continuïteit van de ondernemingen;
  f) de faillissementswet van 8 augustus 1997;
  g) de wet van 27 oktober 2006 betreffende het toezicht op de instellingen voor bedrijfspensioenvoorzieningen;
  12° de gegevens die moeten worden meegedeeld door de handels- en ambachtsondernemingen in uitvoering van het artikel III.53, met uitzondering van het Rijksregisternummer of het identificatienummer bij de Kruispuntbank van de Sociale Zekerheid;
  13° de gegevens betreffende de bankrekening(en).
  § 2. De Koning bepaalt de modaliteiten voor deze toegang bij een besluit vastgelegd na overleg in de ministerraad en na advies van het Toezichtcomité bedoeld in de artikelen III.44.
  Art. III.30. § 1. De toegang tot de andere gegevens dan die opgesomd in het artikel III.29 vermeld in de Kruispuntbank van Ondernemingen, kan worden verleend, middels een voorafgaande machtiging van het Toezichtcomité aan de overheden, besturen, diensten of andere instanties, voor zover die gegevens noodzakelijk zijn voor de uitvoering van hun wettelijke of reglementaire opdrachten.
  § 2. Vooraleer zijn machtiging te verlenen, controleert het Toezichtcomité of de gevraagde toegang overeenstemt met deze titel en zijn uitvoeringsbesluiten.
  § 3. De Koning bepaalt de voorwaarden voor die toegang bij een besluit vastgesteld na overleg in de ministerraad en na advies van het Toezichtcomité bedoeld in artikel III.44.
  § 4. De Koning bepaalt, bij een besluit vastgesteld na overleg in de ministerraad en na advies van het Toezichtcomité, de gevallen waarin, bij afwijking van het eerste lid, geen machtiging van het Toezichtcomité vereist is.
  § 5. De uitwisselingen tussen overheidsdiensten, op basis van het ondernemings- of vestigingseenheidsnummer, van andere gegevens dan deze opgenomen in de Kruispuntbank van Ondernemingen moeten vooraf gemeld worden aan het Toezichtcomité, dat deze registreert in een kadaster, dat door iedereen geraadpleegd kan worden.
  De Koning bepaalt, na advies van het Toezichtcomité, de modaliteiten met betrekking tot de oprichting en raadpleging van het kadaster, alsook de modaliteiten voor de communicatie aan het Toezichtcomité.
  Art. III.31. Alle natuurlijke personen, rechtspersonen of entiteiten hebben toegang, via het internet, tot gegevens bedoeld in het artikel III.29, § 1, ingeschreven in de Kruispuntbank van Ondernemingen.
  Er wordt minstens voorzien in een vrij toegankelijke website waarop deze gegevens in een leesbaar formaat terug te vinden zijn.
  De Koning bepaalt de gegevens die aldus toegankelijk zijn evenals de voorwaarden voor het raadplegen ervan.
  Art. III.32. Iedere onderneming heeft recht op mededeling van de hem betreffende gegevens die opgenomen zijn in de Kruispuntbank van Ondernemingen. Indien blijkt dat de medegedeelde gegevens overeenkomstig de ter zake geldende wetgeving onnauwkeurig, onvolledig of onjuist zijn, kan de houder van een inschrijving in de Kruispuntbank van Ondernemingen de verbetering van deze gegevens vragen op de wijze en binnen de termijnen vastgesteld door de Koning.
  Art. III.33. Zonder afbreuk te doen aan de bepalingen van de artikelen III.29 en III.30, stelt de Koning, na advies van het Toezichtcomité, de gegevens van de Kruispuntbank van Ondernemingen vast die het voorwerp kunnen uitmaken van een commercieel of niet-commercieel hergebruik alsook de modaliteiten inzake hun terbeschikkingstelling.
  Enkel de beheersdienst mag deze basisgegevens aan ondernemingen verstrekken.
  Art. III.34. § 1. Onverminderd artikel III.33 kan eenieder bij een ondernemingsloket inzage nemen van de gegevens van het handelsregister betreffende een bepaalde handels- of ambachtsonderneming en zich volledige of gedeeltelijke afschriften dan wel uittreksels van het register doen afgeven op de wijze bepaald door de Koning.
  § 2. De afschriften of uittreksels van het handelsregister worden op uitdrukkelijk verzoek eensluidend verklaard.
  § 3. De afschriften of uittreksels vermelden niet de inhoud van rechterlijke beslissingen die betrekking hebben op :
  1° een faillissement en één van de veroordelingen bepaald in de artikelen 486, 489bis en 489ter van het Strafwetboek, in geval van rehabilitatie;
  2° een gerechtelijk akkoord na uitvoering of een procedure van gerechtelijke reorganisatie na uitvoering;
  3° onbekwaam verklaring of benoeming van een gerechtelijk raadsman, wanneer een vonnis van opheffing is gewezen;
  4° de veroordelingen bedoeld in de artikelen XV.76, XV.77, 1° tot 6°, XV.78 en XV.79.
  Art. III.35. De gegevens vermeld op de uittreksels van de Kruispuntbank van Ondernemingen hebben bewijskracht tot bewijs van het tegendeel.
  Afdeling 5. Realisatie van het principe van de unieke gegevensinzameling.
  Art. III.36. Overheden, administraties en diensten die gemachtigd zijn de gegevens van de Kruispuntbank van Ondernemingen te raadplegen mogen deze gegevens niet meer opnieuw rechtstreeks opvragen bij de ondernemingen bedoeld in artikel III.16 of bij de lasthebbers van deze laatste.
  Art. III.37. Eens een gegeven is medegedeeld aan en opgenomen in de Kruispuntbank van Ondernemingen kunnen de diensten die gemachtigd zijn deze gegevens te raadplegen, het niet rechtstreeks meedelen ervan niet langer ten laste leggen aan betrokkene.
  Afdeling 6. Inschrijving, wijziging of doorhaling van de onjuiste of ontbrekende gegevens.
  Art. III.38. § 1. Elke belanghebbende kan bij de beheersdienst de rechtzetting van een onjuist gegeven of de inschrijving van een ontbrekend gegeven in de Kruispuntbank van Ondernemingen aanvragen. Hij deelt ter ondersteuning van dit verzoek alle rechtvaardigende stukken mee.
  De onderneming die de formaliteiten niet heeft vervuld waartoe ze gehouden is door of krachtens een wet, een decreet of een ordonnantie, kan zich niet rechtstreeks tot de beheersdienst wenden voor de rechtzetting of de inschrijving bedoeld in het eerste lid.
  § 2. Alle diensten die beschikken over een toegang tot de gegevens van de Kruispuntbank van Ondernemingen zijn ertoe gehouden, zodra ze een onjuist of ontbrekend gegeven vaststellen in de Kruispuntbank van Ondernemingen, de beheersdienst hiervan op de hoogte te brengen.
  Ze delen ter ondersteuning van die informatie alle rechtvaardigende stukken mee.
  § 3. De politieambtenaren van de lokale of federale politie en de ambtenaren gemandateerd door een dienst, een overheid of een bestuur zijn ertoe gehouden, bij de opstelling van een onderzoeksverslag of een proces-verbaal, dat een onjuist of ontbrekend gegeven in de Kruispuntbank van Ondernemingen vaststelt; hiervan een afschrift mee te delen aan de beheersdienst van de Kruispuntbank van Ondernemingen.
  Art. III.39. Wanneer de beheersdienst vaststelt dat het onjuiste of ontbrekende gegeven het gevolg is van een vergissing of een weglating van de dienst die dit gegeven invoert, deelt hij aan deze laatste de aanvraag tot aanpassing mee. De dienst voert, na verificatie, de eventuele aanpassing uit binnen een termijn van dertig dagen, te rekenen vanaf de ontvangst van de aanvraag.
  Art. III.40. § 1. Wanneer het onjuiste of ontbrekende gegeven het gevolg is van het niet vervullen door een onderneming van de formaliteiten waartoe ze gehouden is door of krachtens een wet, een decreet of een ordonnantie, verzoekt de beheersdienst de onderneming, door middel van een schrijven, om over te gaan tot de inschrijving, de wijziging of de doorhaling van haar gegevens bij de dienst die door de beheersdienst werd aangewezen in de brief.
  De onderneming beschikt over een periode van dertig dagen na het versturen van het schrijven om bij de erin aangewezen dienst over te gaan tot de gevraagde inschrijving, de wijziging of doorhaling.
  § 2. Indien de onderneming de formaliteiten niet vervult tijdens de toegekende termijn, gaat de beheersdienst over tot de doorhaling van ambtswege van de onjuiste gegevens. Die doorhaling gebeurt op basis van een vonnis of arrest, een onderzoeksverslag of een proces-verbaal opgemaakt door een politieambtenaar van de lokale of federale politie, of door een ambtenaar gemandateerd door een dienst, een overheid of een bestuur, die de onjuistheid van het gegeven vaststelt.
  § 3. Wanneer de beheersdienst in de Kruispuntbank van Ondernemingen een gegeven doorhaalt dat in de bijlagen van het Belgisch Staatsblad moet worden bekendgemaakt, wordt de doorhaling op verzoek van de beheersdienst gratis in de bijlagen van het Belgisch Staatsblad bekendgemaakt.
  § 4. De procedure van ambtshalve doorhaling van gegevens stelt de onderneming geenszins vrij van het vervullen van de wettelijke formaliteiten waartoe zij gehouden is.
  De beheersdienst kan geen verantwoordelijkheid dragen voor schade veroorzaakt aan derden wegens het niet vervullen door de onderneming van de wettelijke formaliteiten waartoe deze laatste gehouden is.
  § 5. Teneinde de kwaliteit van de gegevens van de Kruispuntbank van Ondernemingen te waarborgen en te verbeteren, kan de Koning bij een besluit vastgesteld na overleg in de ministerraad, de voorwaarden en modaliteiten van ambtshalve inschrijving en wijziging bepalen.
  Art. III.41. § 1. Wanneer het onjuiste gegeven het gevolg is van het feit dat de onderneming van adres veranderd is zonder de wettelijke voorschriften te eerbiedigen, verstuurt de beheersdienst de brief, bedoeld in artikel III.40, § 1, eerste lid, naar het adres van één van de vestigingseenheden, wanneer dit verschillend is van de zetel. Bij gebrek hieraan, wordt de brief verstuurd naar het adres van de woonplaats van een mandataris.
  De procedure beschreven in artikel III.40 wordt toegepast.
  § 2. Indien het onmogelijk blijkt om de onderneming te contacteren zoals voorzien in paragraaf 1, gaat de beheersdienst over tot de ambtshalve doorhaling van het onjuiste adres ingeschreven in de Kruispuntbank van Ondernemingen, tenzij het hier gaat over het adres van een onderneming natuurlijke persoon. Die doorhaling gebeurt op basis van een vonnis of arrest, een onderzoeksverslag of een proces-verbaal opgemaakt door een politieambtenaar van de lokale of federale politie of door een ambtenaar gemandateerd door een dienst, een overheid of een bestuur, die het onjuiste karakter van het gegeven vaststelt.
  Wanneer het door de beheersdienst in de Kruispuntbank van Ondernemingen doorgehaalde gegeven in de bijlagen van het Belgisch Staatsblad moet worden bekendgemaakt, wordt de doorhaling op verzoek van de beheersdienst gratis in de bijlagen van het Belgisch Staatsblad bekendgemaakt.
  § 3. De procedure van ambtshalve doorhaling van gegevens stelt de onderneming geenszins vrij van het vervullen van de wettelijke formaliteiten waartoe zij gehouden is.
  De beheersdienst kan geen verantwoordelijkheid dragen voor schade veroorzaakt aan derden wegens het niet vervullen door de onderneming van de wettelijke formaliteiten waartoe deze laatste gehouden is.
  Art. III.42. § 1. In afwijking van de procedure voorzien in artikel III.39 kan de beheersdienst van de Kruispuntbank van Ondernemingen zonder aanrekening van de kosten overgaan tot :
  1° de ambtshalve doorhaling van de activiteiten, hoedanigheden, toelatingen en vestigingseenheden van ondernemingen natuurlijke personen waarvan de oprichter reeds minstens zes maanden overleden is volgens de gegevens afkomstig van het rijksregister van de natuurlijke personen;
  2° de ambtshalve doorhaling van de activiteiten, hoedanigheden, toelatingen en vestigingseenheden van ondernemingen rechtspersonen waarvan de afsluiting van de vereffening minstens drie maanden geleden werd uitgesproken;
  3° de ambtshalve doorhaling van de activiteiten, hoedanigheden, toelatingen en vestigingseenheden van ondernemingen rechtspersonen ten minste drie maanden na de beslissing tot sluiting van de verrichtingen van het faillissement in toepassing van de faillissementswet van 8 augustus 1997;
  4° de ambtshalve doorhaling van de vennootschappen zoals bedoeld in artikel 2 van het Wetboek van vennootschappen die, volgens de gegevens van de Nationale Bank van België, voor ten minste drie opeenvolgende boekjaren, niet hebben voldaan aan de verplichting tot neerlegging van hun jaarrekeningen overeenkomstig de artikelen 98 en 100 van het Wetboek van vennootschappen. Deze doorhaling is niet van toepassing op de vennootschappen bedoeld in artikel 97 van het Wetboek van vennootschappen. De beheersdienst van de Kruispuntbank van Ondernemingen gaat over tot de intrekking van de doorhaling na de neerlegging bij de Nationale Bank van België van de niet neergelegde jaarrekeningen;
  5° de ambtshalve doorhaling van de vennootschappen zoals bedoeld in artikel 2 van het Wetboek van vennootschappen die niet vallen onder het 4°, en die aan de volgende cumulatieve criteria beantwoorden :
  a) sedert minimum drie jaar, niet beschikken over actieve hoedanigheden, activiteiten of vestigingseenheden, ingeschreven in de Kruispuntbank van Ondernemingen;
  b) ingeschreven zijn in de Kruispuntbank van Ondernemingen met een actieve status;
  c) niet beschikken over lopende toelatings- of hoedanigheidsaanvragen, ingeschreven in de Kruispuntbank van Ondernemingen;
  d) sinds 7 jaar, geen enkele wijziging aangaande de ingeschreven gegevens in de Kruispuntbank van Ondernemingen hebben uitgevoerd;
  e) sinds 7 jaar, geen enkele andere publicatie dan die van de jaarrekeningen, in de Bijlagen van het Belgisch Staatsblad of in het Belgisch Staatsblad hebben uitgevoerd.
  Voor de toepassing van het eerste lid, 5°, vormen de actieve commerciële hoedanigheden, activiteiten of vestigingseenheden waarvan de begindata voor 1 juli 2003 vallen, geen nuttig criterium.
  De beheersdienst van de Kruispuntbank van Ondernemingen gaat over tot de intrekking van de doorhaling wanneer aan één van de criteria bedoeld in het eerste lid, 5°, a) tot e), niet meer voldaan is.
  De beheersdienst van de Kruispuntbank van Ondernemingen gaat ook over tot de intrekking van de doorhaling in het geval er een manifeste vergissing wordt vastgesteld door een overheid of dienst.
  § 2. De doorhalingen, alsook de intrekkingen bedoeld in paragraaf 1, eerste lid, 4° en 5°, en derde en vierde lid, worden gratis gepubliceerd in de Bijlagen van het Belgisch Staatsblad en dit op initiatief van de beheersdienst van de Kruispuntbank van Ondernemingen.
  § 3. Om de gegevenskwaliteit in de Kruispuntbank van Ondernemingen te garanderen en te verbeteren, kan de Koning, bij een besluit, vastgesteld na overleg in de Ministerraad, de gevallen beoogd in paragraaf 1 uitbreiden of wijzigen.
  Afdeling 7. Bijzondere bepalingen omtrent de werking van de Kruispuntbank van Ondernemingen.
  Art. III.43. Er wordt bij de Federale Overheidsdienst Economie, K.M.O., Middenstand en Energie een strategisch comité van de Kruispuntbank van Ondernemingen opgericht.
  De Koning bepaalt, bij een besluit vastgesteld na overleg in de ministerraad, zijn opdrachten, zijn samenstelling en zijn werkingsmodaliteiten.
  Art. III.44. Binnen de Commissie voor de bescherming van de persoonlijke levenssfeer wordt een sectoraal comité voor de Kruispuntbank van Ondernemingen, " Toezichtcomité " genaamd opgericht, dat belast is met de afgifte van de machtiging bedoeld in artikel III.30, tweede lid.
  Het Toezichtcomité verstrekt tevens de adviezen bedoeld in de artikelen III.18, § 2, III.30, derde lid, en III.33, binnen dertig dagen na de aanhangigmaking door de beheersdienst. Bij ontstentenis van advies binnen de voorgeschreven termijn, wordt het advies geacht het voorstel te volgen dat de beheersdienst in de adviesaanvraag had geformuleerd.
  Het Toezichtcomité is samengesteld uit drie leden van de Commissie voor de bescherming van de persoonlijke levenssfeer, van wie de voorzitter of een ander, door de Commissie in die hoedanigheid aangewezen lid, dat het Toezichtcomité voorzit, alsmede uit drie externe leden aangewezen door de Kamer van volksvertegenwoordigers overeenkomstig de door de Koning, bij een besluit vastgesteld na overleg in de ministerraad, bepaalde voorwaarden en nadere regels. Bij staking van stemmen beslist de stem van de voorzitter.
  De werkingsregels van het Toezichtcomité worden, zonder afbreuk te doen aan deze titel, bepaald in of krachtens de wet. Die regels bekrachtigen het recht van de voorzitter van het Toezichtcomité om een aan dat comité voorgelegd dossier voor de Commissie voor de bescherming van de persoonlijke levenssfeer zelf te brengen en de beslissing van het comité zo nodig te herzien.
  Art. III.45. De personen die bij het uitoefenen van hun functies tussenkomen in het opnemen, het bewaren, het beheren en het ter inzage stellen van de gegevens bedoeld in artikel III.18, zijn gehouden aan het beroepsgeheim.
  Zij nemen alle nodige voorzorgsmaatregelen om de veiligheid van de opgenomen gegevens te verzekeren en met name te beletten dat deze gegevens vervormd of beschadigd worden, of meegedeeld worden aan personen die geen machtiging hebben om er kennis van te nemen.
  Zij waken over de rechtmatigheid van de mededeling van de gegevens.
  Art. III.46. De Koning wijst, bij een besluit vastgesteld na overleg in de ministerraad, de personen aan die in oorlogstijd, in omstandigheden daarmee gelijkgesteld krachtens artikel 7 van de wet van 12 mei 1927 op de militaire opeisingen of tijdens de bezetting van het grondgebied door de vijand, belast worden met de vernietiging van de gegevensbanken van de Kruispuntbank van Ondernemingen.
  De Koning stelt de voorwaarden en de modaliteiten van deze vernietiging vast.
  Art. III.47. De kosten voor de werking en het gebruik van de Kruispuntbank van Ondernemingen worden gedragen door een krediet ingeschreven op de begroting van de Federale Overheidsdienst Economie, K.M.O., Middenstand en Energie.
  De Koning kan een vergoeding vaststellen voor het gebruik van de Kruispuntbank van Ondernemingen door diensten die geen opdrachten uitvoeren voor de federale overheid. In voorkomend geval bepaalt Hij per categorie van gebruikers en voorwerp van de aanvraag, het bedrag van de vergoeding
  Behalve in het geval bedoeld in het eerste lid, kan de bijzondere verwerking van gegevens uit de Kruispuntbank van Ondernemingen aanleiding geven tot het innen van een vergoeding. Het bedrag van die vergoeding wordt bepaald in onderling overleg tussen de beheersdienst en de overheid, administratie of de dienst aan wie deze gegevens worden meegedeeld en in een overeenkomst vastgelegd.
  Art. III.48. § 1. Onverminderd artikel III.47, wordt bij de Federale Overheidsdienst Economie, K.M.O., Middenstand en Energie een " Begrotingsfonds Kruispuntbank van Ondernemingen " opgericht, hierna " het Fonds " genoemd.
  Dit Fonds vormt een organiek begrotingsfonds in de zin van artikel 45 van de gecoördineerde wetten van 17 juli 1991 op de Rijkscomptabiliteit.
  § 2. Het Fonds dient voor ontwikkeling van de Kruispuntbank van Ondernemingen, alsook voor de verbetering en optimalisatie van haar werking en haar gebruik.
  § 3. De inkomsten die aan het Fonds worden toegewezen, alsook de uitgaven die ten laste ervan kunnen gebeuren, worden voor genoemd Fonds opgenomen in de tabel die bij de organieke wet van 27 december 1990 houdende oprichting van begrotingsfondsen is gevoegd.
  § 4. Het Fonds wordt beheerd volgens de modaliteiten vastgelegd door de minister bevoegd voor Economie.
  Hoofdstuk 2. Inschrijving van handels-, ambachtsondernemingen en niet-handelsondernemingen naar privaat recht.
  Afdeling 1. Verplichting tot inschrijving.
  Art. III.49. § 1. Alle handels-, ambachtsondernemingen en niet-handelsondernemingen naar privaat recht zijn verplicht om zich respectievelijk met de handels-, ambachtshoedanigheid of hoedanigheid van niet-handelsonderneming naar privaat recht te laten inschrijven in de Kruispuntbank van Ondernemingen bij een ondernemingsloket van hun keuze en dit vóór de aanvang van hun activiteiten.
  Deze verplichting is zowel van toepassing op het ogenblik van de oprichting van de onderneming als bij de opening van een nieuwe vestigingseenheid.
  § 2. De inschrijving in de Kruispuntbank van Ondernemingen met de handels- of ambachtshoedanigheid vormt, behoudens tegenbewijs, een vermoeden van de hoedanigheid van koopman of ambachtsman, naargelang de aard van de inschrijving.
  § 3. In afwijking van paragraaf 1, behoeven de vennoten onder firma en de werkende vennoten, ofschoon zij handelaars zijn, niet afzonderlijk in de Kruispuntbank van Ondernemingen te worden ingeschreven.
  § 4. In afwijking van paragraaf 1 zijn niet gehouden zich in te schrijven in de hoedanigheid van niet-handelsonderneming naar privaat recht :
  a) de natuurlijke personen die enkel in de Kruispuntbank van Ondernemingen ingeschreven zijn met als enige hoedanigheid deze van werkgever van huispersoneel;
  b) de beroepsverenigingen;
  c) de verenigingen van mede-eigenaars;
  d) de representatieve werknemersorganisaties;
  e) de ondernemingen naar buitenlands of internationaal recht, die geen activiteit uitoefenen in België, maar die zich dienen te laten inschrijven in uitvoering van een verplichting opgelegd door de Belgische wetgeving;
  f) de btw-eenheden;
  g) de verenigingen zonder rechtspersoonlijkheid;
  h) de verenigingen zonder winstoogmerk;
  i) de inrichtende machten van het gesubsidieerde onderwijs.
  Art. III.50. § 1. De Koning stelt het bedrag vast van het inschrijvingsrecht voor de Kruispuntbank van Ondernemingen als handels-, ambachtsonderneming of niet-handelsonderneming naar privaat recht.
  Hij kan hierbij een onderscheid maken op basis van de juridische aard van de onderneming.
  De aldus vastgestelde bedragen kunnen op 1 januari worden aangepast aan de procentuele verandering van het gemiddelde indexcijfer van de consumptieprijzen indien het geïndexeerde bedrag minstens 0,5 euro hoger is dan het van toepassing zijnde bedrag. Het bedrag van de verhoging wordt naar beneden toe afgerond op een veelvoud van 0,5 euro.
  Afdeling 2. Verplichting tot wijziging.
  Art. III.51. § 1. Niettegenstaande de bepalingen van paragraaf 2, moeten de handels-, ambachtsondernemingen en niet-handelsondernemingen naar privaat recht die voornemens zijn een andere activiteit uit te oefenen dan deze waarvoor zij werden ingeschreven, vooraf om een wijziging van hun inschrijving in de Kruispuntbank van Ondernemingen verzoeken. Deze verplichting geldt op dezelfde wijze voor de handels-, ambachtsondernemingen en niet-handelsondernemingen naar privaat recht die voornemens zijn in België een nieuwe vestigingseenheid op te richten.
  Wanneer de uitoefening van een nieuwe activiteit voortvloeit uit een overdracht van de bedrijvigheid van een onderneming, om niet of onder bezwarende titel, onder levenden of ingevolge overlijden, dan moeten deze ondernemingen, in afwijking van paragraaf 1, binnen een termijn van één maand na de overdracht of de aanvaarding van de nalatenschap tot wijziging overgaan.
  § 2. Binnen een termijn van één maand vanaf de verandering in hun toestand moeten de handels-, ambachtsondernemingen en niet-handelsondernemingen naar privaat recht verzoeken om een wijziging van hun inschrijving in de Kruispuntbank van Ondernemingen indien één van de vermeldingen van de inschrijving, door de Koning bepaald overeenkomstig artikel III.53, niet meer overeenstemt met de werkelijke toestand.
  Afdeling 3. Verplichting tot doorhaling.
  Art. III.52. In geval van beëindiging van de activiteiten of sluiting van één van de vestigingseenheden, moet de handels-, ambachtsonderneming of niet-handelsonderneming naar privaat recht of haar rechtsopvolgers, binnen één maand na de beëindiging van de activiteiten, om de doorhaling van de inschrijving verzoeken.
  Wanneer de in het eerste lid vermelde beëindiging voortvloeit uit een overdracht van de bedrijvigheid van een onderneming, om niet of onder bezwarende titel, onder levenden of ingevolge overlijden, dan moet de doorhaling gebeuren binnen een termijn van één maand na de overdracht of de aanvaarding van de nalatenschap.
  Afdeling 4. Gemeenschappelijke bepalingen aan de inschrijving, wijziging of doorhaling.
  Art. III.53. Het verzoek tot inschrijving, wijziging of doorhaling moet gebeuren door de handelsambachtsonderneming of niet-handelsonderneming naar privaat recht, dit wil zeggen door de inschrijvingsplichtige natuurlijke personen respectievelijk de daartoe bevoegde vertegenwoordigers van de inschrijvingsplichtige onderneming.
  Het verzoek geschiedt op de door de Koning vastgestelde wijze.
  De Koning bepaalt de vermeldingen die het verzoek tot inschrijving, wijziging of doorhaling moet bevatten.
  Art. III.54. De ondernemingsloketten moeten onverwijld de inschrijving, wijziging of doorhaling doen, die hun worden gevraagd.
  Art. III.55. De ondernemingsloketten dienen elk verzoek tot inschrijving, wijziging of doorhaling te weigeren en de redenen voor die weigering te rechtvaardigen :
  1° indien zij vaststellen dat het verzoek afkomstig is van iemand die daartoe niet verplicht of bevoegd is;
  2° bij verzuim van één van de stukken of vermeldingen die het verzoek dient te bevatten overeenkomstig artikel III.53 en de uitvoeringsbesluiten ervan;
  3° indien niet voldaan is aan de door deze titel en zijn uitvoeringsbesluiten, of krachtens andere wetten, opgelegde voorafgaandelijke inschrijvingsvoorwaarden, waarvan de controle is toevertrouwd aan deze loketten.
  Art. III.56. De weigering van de inschrijving, wijziging of doorhaling in de Kruispuntbank van Ondernemingen wordt geacht definitief te zijn, tenzij de aanvrager een nieuwe aanvraag indient die wel voldoet aan de gestelde voorwaarden, of een beroep indient tegen de beslissing van het ondernemingsloket bij de Vestigingsraad binnen de 30 werkdagen volgend op de datum van weigering van inschrijving.
  Art. III.57. Een ondernemingsloket verstrekt de onderneming, op de wijze door de Koning bepaald, op haar verzoek een volledig uittreksel van de inschrijving in de Kruispuntbank van Ondernemingen met vermelding van de datum van afgifte van het uittreksel.
  Het eerste uittreksel betreffende een inschrijving, een wijziging of een doorhaling wordt aan de onderneming gratis verstrekt.
  Hoofdstuk 3. Inrichting van de ondernemingsloketten.
  Afdeling 1. Instelling en taken van de ondernemingsloketten.
  Art. III.58. Niemand mag zonder de voorafgaandelijke en schriftelijke erkenning van de minister de activiteit van ondernemingsloket uitoefenen.
  Art. III.59. § 1. Onverminderd de taken die hen opgedragen worden door of in uitvoering van dit boek of andere wetten, hebben de ondernemingsloketten als taak :
  1° via hun infrastructuur, de dienstverrichters toe te laten :
  a) alle procedures en formaliteiten te laten afwikkelen die nodig zijn voor de toegang tot hun dienstenactiviteiten zoals bedoeld in artikelen 1 en 2 van de Dienstenrichtlijn, in het bijzonder alle voor vergunningen nodige verklaringen, kennisgevingen en aanvragen bij de bevoegde instanties, met inbegrip van de aanvragen tot inschrijving in een register, op een rol, in een databank, of bij een beroepsorde of beroepsvereniging;
  b) alle vergunningsaanvragen te laten afwikkelen die nodig zijn voor de uitoefening van hun dienstenactiviteiten, zoals bedoeld in de Dienstenrichtlijn;
  2° de handels- en ambachtsondernemingen en de niet-handelsondernemingen naar privaat recht in die hoedanigheden inschrijven in de Kruispuntbank van Ondernemingen;
  3° in de door de Koning bepaalde gevallen nagaan of de handels- en ambachtsondernemingen en de niet-handelsondernemingen naar privaat recht voldoen aan de krachtens bijzondere wetten en reglementen opgelegde voorwaarden om ingeschreven te worden;
  4° de toegang tot de in 2° bedoelde inschrijvingen waarborgen, volgens de door de Koning bepaalde nadere regels en voorwaarden;
  5° het bewaren van de archieven met betrekking tot de in 2° en 3° bedoelde voorwaarden en inschrijvingen, volgens de door de Koning bepaalde nadere regels;
  6° het verrichten van administratieve formaliteiten, in uitvoering van dit boek of andere wetten, of krachtens deze wetten, volgens de door de Koning vastgestelde nadere regels;
  7° er voor zorgen dat de dienstverrichters en de afnemers, voor wat betreft de dienstenactiviteiten bedoeld in paragraaf 1, 1°, a) en b), informatie krijgen over :
  a) de eisen die gelden voor de dienstverrichters, in het bijzonder de eisen inzake de procedures en formaliteiten die afgewikkeld moeten worden om toegang te krijgen tot dienstenactiviteiten en deze uit te oefenen;
  b) de adresgegevens van de bevoegde instanties, waaronder die welke bevoegd zijn op het gebied van de uitoefening van dienstenactiviteiten, zodat rechtstreeks contact met hen kan worden opgenomen;
  c) de middelen en voorwaarden om toegang te krijgen tot openbare registers en databanken met gegevens over dienstverrichters en diensten;
  d) de rechtsmiddelen die normaal voorhanden zijn bij geschillen tussen de bevoegde instanties en de dienstverrichter of de afnemer, tussen een dienstverrichter en een afnemer of tussen dienstverrichters onderling;
  e) de adresgegevens van de verenigingen of organisaties, anders dan de bevoegde instanties, waarvan dienstverrichters of de afnemers praktische bijstand kunnen krijgen;
  8° het ontvangen voor rekening van de Schatkist van de inschrijvings- en registratierechten, retributies en kosten voor publicatie, met betrekking tot de in dit artikel bedoelde taken, volgens de door de Koning vastgestelde nadere regels en voorwaarden;
  9° de rechtspersonen en natuurlijke personen die een inschrijving vragen in de Kruispuntbank van ondernemingen de volgende informatie meegeven :
  a) elke natuurlijke persoon die in België een zelfstandige beroepsactiviteit uitoefent uit hoofde waarvan hij dient te zijn aangesloten bij een sociale verzekeringskas voor zelfstandigen, dient zich aan te sluiten uiterlijk op de dag van de aanvang van de zelfstandige activiteit;
  b) in geval van niet-naleving van deze verplichting, wordt een administratieve geldboete opgelegd krachtens artikel 17bis van het koninklijk besluit nr. 38 van 27 juli 1967 houdende inrichting van het sociaal statuut der zelfstandigen;
  c) hierbij zijn de rechtspersonen hoofdelijk aansprakelijk voor de betaling van de administratieve geldboete opgelegd aan hun vennoten of mandatarissen;
  d) de zelfstandige die een zelfstandige activiteit uitoefent waarvoor hij niet ingeschreven is in de Kruispuntbank van ondernemingen, overeenkomstig de artikelen III.17, III.49 of III.51, kan hiervoor bestraft worden krachtens de artikelen III.40, XV.77, 1°, 2°, 3° en 6° of XV.78, alsook krachtens artikel 17bis van het koninklijk besluit nr. 38 van 27 juli 1967 houdende inrichting van het sociaal statuut der zelfstandigen.
  Het ondernemingsloket reageert binnen de vijf werkdagen, te rekenen vanaf het moment waarop de informatie beschikbaar is, op elk verzoek om de in het eerste lid bedoelde informatie. Wanneer het verzoek onjuist, onvolledig of ongegrond is, stelt het de aanvrager daarvan onverwijld in kennis.
  § 2. Bijkomend kan het ondernemingsloket aan ondernemingen adviserende en begeleidende diensten verlenen met uitzondering van de diensten die bij wet exclusief voorbehouden zijn voor bepaalde vrije, dienstverlenende en intellectuele beroepen uit de economische sector.
  § 3. Het ondernemingsloket is eenvoudig, van op afstand en met elektronische middelen bereikbaar, om alle procedures en formaliteiten betreffende de toegang tot en de uitoefening van een dienstenactiviteit bedoeld in paragraaf 1, 1° a) en b) te kunnen afwikkelen, met uitzondering van de inspectie van de plaats waar de dienst wordt verricht, van de door de dienstverrichter gebruikte uitrusting, en van de fysieke controle van de geschiktheid of de persoonlijke integriteit van de dienstverrichter of van zijn verantwoordelijke personeelsleden, wanneer die integraal deel uitmaken van een procedure of formaliteit.
  Art. III.60. § 1. De ondernemingsloketten dienen de inschrijvingsdossiers van handels- en ambachtsondernemingen, waarvoor ze in uitvoering van artikel III.59, 2°, niet gemachtigd zijn zelf te beslissen omtrent de inschrijving, voorafgaandelijk voor te leggen aan de hiertoe aangewezen dienst van de Federale Overheidsdienst Economie, K.M.O., Middenstand en Energie.
  § 2. Deze dienst onderzoekt of, enerzijds voor inschrijving in het handelsregister en anderzijds voor de toegang tot de gewenste beroepsactiviteit, de vereiste voorwaarden zijn vervuld. Zodra alle documenten die toelaten het dossier van de handels- of ambachtsonderneming te onderzoeken, aangekomen zijn, brengt hij de onderneming en het ondernemingsloket op de hoogte van de volledigheid van het dossier. Hij verleent een schriftelijk en gemotiveerd advies binnen een termijn van vijftien dagen volgend op de betekening van de volledigheid van het dossier.
  § 3. Bij gebreke aan een schriftelijk en gemotiveerd advies binnen een termijn van vijftien dagen volgend op de betekening van de volledige verklaring van het dossier wordt het advies geacht positief te zijn.
  Afdeling 2. Erkenningsvoorwaarden voor de ondernemingsloketten.
  Art. III.61. § 1. Een organisatie mag onder de volgende voorwaarden als ondernemingsloket erkend worden :
  1° zij neemt de vorm aan van een vereniging zonder winstoogmerk, overeenkomstig de wet van 27 juni 1921 betreffende de verenigingen zonder winstoogmerk, de internationale verenigingen zonder winstoogmerk en de stichtingen;
  2° haar leden behoren ten minste tot één van de volgende organisaties :
  a) representatieve werkgevers- of zelfstandigenorganisaties, die vertegenwoordigd zijn in of erkend zijn door de Hoge Raad voor de Zelfstandigen en de Kleine en Middelgrote Ondernemingen, de Centrale Raad voor het Bedrijfsleven, de Sociaal-Economische Raad van Vlaanderen, de " Conseil économique et social de la Région wallonne ", de Economische en Sociale Raad voor het Brussels Hoofdstedelijk Gewest of een paritair comité opgericht in toepassing van de wet van 5 december 1968 betreffende de collectieve arbeidsovereenkomsten en de paritaire comités;
  b) sociaal verzekeringsfondsen voor zelfstandigen, erkend in uitvoering van het koninklijk besluit nr. 38 van 27 juli 1967 houdende inrichting van het sociaal statuut der zelfstandigen;
  c) sociale secretariaten voor werkgevers, erkend in uitvoering van het koninklijk besluit van 28 november 1969 tot uitvoering van de wet van 27 juni 1969 tot herziening van de besluitwet van 28 december 1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders;
  d) kamers erkend door de Federatie der Kamers voor handel en nijverheid van België;
  e) samenwerkingsverbanden tussen verschillende van de hierboven vermelde organisaties;
  3° haar statuten vermelden als doel de uitvoering van de taken van ondernemingsloket in de zin van dit boek;
  4° zij beschikt volgens de door de Koning vastgestelde nadere regels en het door de minister opgestelde lastenboek, over :
  a) bekwame medewerkers;
  b) interne beheersprocedures;
  c) ontvangstvoorzieningen, kantoren en materieel en archiefruimte;
  d) een eigen boekhouding;
  e) informatica-uitrusting, met inbegrip van beveiligings- en controlemechanismen;
  5° zij verkeert niet in staat van vereffening, noch is ze onderwerp van een procedure tot vereffening of tot staking van haar werkzaamheden;
  6° zij is in orde met de verplichtingen inzake de betaling van sociale zekerheidsbijdragen en met haar verplichtingen inzake de betaling van belastingen en taksen in overeenstemming met de Belgische wet;
  7° zij beschikt over een voldoende eigen private financiële en economische draagkracht om haar taken, omschreven in dit boek en haar uitvoeringsbesluiten, uit te voeren;
  8° zij heeft haar beroepsaansprakelijkheid laten verzekeren.
  § 2. De Koning kan, bij besluit vastgesteld na overleg in de ministerraad, nadere regels bepalen voor het vaststellen van het minimum aantal vestigingseenheden en de vestigingsplaats van de ondernemingsloketten, rekening houdende met een voldoende spreiding en de behoeften.
  § 3. In afwijking van de bepalingen van paragraaf 1, blijven de erkenningen van de ondernemingsloketten verleend op 9 september 2008, behouden tot 31 december 2014, onder de voorwaarden zoals die van toepassing waren op de dag van de erkenning.
  Art. III.62. § 1. De aanvraag tot erkenning wordt ingediend bij de minister door middel van een aangetekende brief of tegen ontvangstbewijs.
  § 2. De aanvraag moet vergezeld zijn van een bedrijfsplan en van alle documenten vereist door de erkenningsvoorwaarden.
  In het bedrijfsplan dient duidelijk te worden aangegeven op welke manier de activiteit als ondernemingsloket zal gefinancierd worden, hoe zal voorzien worden in de vereiste beroepsbekwaamheid en welke geografische zone het ondernemingsloket wil bestrijken. Deze voorwaarden zijn eveneens vereist voor elke vestigingseenheid van het loket.
  § 3. De openbare instellingen kunnen als gemachtigde optreden in naam van hun cliënten bij een ondernemingsloket.
  § 4. De minister kan overgaan tot de erkenning van een ondernemingsloket georganiseerd door een vereniging zonder winstoogmerk, hoofdzakelijk of uitsluitend gefinancierd met openbare middelen en die informatie-, begeleidings- of adviesactiviteiten uitoefent voor ondernemingsoprichters als blijkt dat in een zone die door de Europese of regionale overheid geografisch bepaald wordt als een zone die in aanmerking moet komen voor positieve discriminatie, geen actief ondernemingsloket bestaat.
  Bij de toepassing van het voorafgaande lid zijn de erkenningsvoorwaarden voorzien in artikel III.61, § 1, 2° en § 2, niet van toepassing.
  Art. III.63. De Koning richt een adviescomité op. Dit comité heeft de volgende taken :
  1° de minister adviseren inzake de erkenning als ondernemingsloket en de intrekking en schorsing van die erkenning, het bepalen van het aantal vestigingseenheden en de vestigingsplaatsen;
  2° op vraag van de minister, een gemeenschap of een gewest, advies uitbrengen over alle aangelegenheden met betrekking tot de werking en de controle van de ondernemingsloketten.
  De Koning bepaalt bij een besluit, vastgesteld na overleg in de ministerraad, de nadere regels inzake samenstelling en werking van het comité en de erkenningsprocedure van de ondernemingsloketten.
  Art. III.64. De erkenning wordt toegekend of geweigerd door de minister binnen een termijn van drie maanden na de betekening van de volledigheid van de erkenningsaanvraag. Deze beslissing wordt de aanvrager betekend per aangetekende zending.
  Art. III.65. De aanvrager heeft de mogelijkheid om een nieuwe aanvraag in te dienen indien de redenen voor de weigering niet langer bestaan.
  Art. III.66. De erkenning geldt voor een periode van vijf jaar en is hernieuwbaar.
  De minister maakt de lijst van de erkende ondernemingsloketten en van hun vestigingseenheden bekend op de website van de Federale Overheidsdienst Economie, K.M.O., Middenstand en Energie en ook jaarlijks vóór 31 maart in het Belgisch Staatsblad.
  Art. III.67. De aanvraag om de erkenning van het ondernemingsloket te vernieuwen wordt zes maanden voor het verstrijken van de periode waarvoor de vorige erkenning verleend werd, gericht aan de minister.
  Het ondernemingsloket blijft erkend tot de minister zich uitgesproken heeft over de aanvraag tot vernieuwing.
  Art. III.68. Elke wijziging van de gegevens verstrekt op het ogenblik van de erkenningsaanvraag moet binnen de maand worden meegedeeld aan de minister. Deze mededeling omschrijft en motiveert de wijziging.
  Art. III.69. De minister kan, overeenkomstig de nadere regels vastgesteld door de Koning, ambtshalve beslissen de erkenning te schorsen of in te trekken wanneer de bepalingen van deze titel, zijn uitvoeringsbesluiten of de erkenningsvoorwaarden niet gerespecteerd worden.
  Afdeling 3. Verplichtingen van de ondernemingsloketten.
  Art. III.70. De ondernemingsloketten moeten de continuïteit van de uitvoering van de taken voorzien in artikel III.59 in de tijd verzekeren.
  De Koning kan de nadere regels vastleggen voor de door de ondernemingsloketten te leveren waarborgen om de continuïteit van de dienstverlening in de tijd te verzekeren.
  Art. III.71. De Koning bepaalt, bij een besluit vastgesteld na overleg in de ministerraad, de kwaliteitsnormen waaraan de dienstverlening van de ondernemingsloketten moeten beantwoorden, de minimale openingstijden en de bijzondere regels betreffende het beheer, de boekhouding en de jaarrekeningen van de ondernemingsloketten.
  Art. III.72. De ondernemingsloketten moeten aan de overheden, de administraties en de diensten, met inbegrip van de parketten, de griffies van de hoven en van alle rechtscolleges, de leden van de rechterlijke machten de daartoe gemachtigde ambtenaren van de ministeries, alsook de besturen van de gemeenschappen, de gewesten, de provincies, de agglomeraties en de federaties van gemeenten en de gemeenten, en andere instellingen of organisaties aangeduid door de Koning, wanneer zij daartoe door hen wordt aangezocht, onverwijld en kosteloos, op de wijze door de Koning bepaald, alle in hun bezit zijnde inlichtingen verstrekken, inzage verlenen van alle in hun bezit zijnde documenten en stukken en deze instanties bovendien de afschriften of uittreksels te verstrekken, welke zij nodig achten.
  Afdeling 4. Vergoeding van de ondernemingsloketten.
  Art. III.73. § 1. De Koning kan bij een besluit, vastgesteld na overleg in de ministerraad :
  1° het percentage vaststellen dat de ondernemingsloketten inhouden van de ontvangen inschrijvings-, registratie- en publicatierechten, en retributies, als vergoeding voor hun opdracht met toepassing van de artikelen III.50 en III.59, 8° ;
  2° de in 1° bedoelde vergoeding aanpassen, volgens door Hem vastgestelde nadere regels, om de kwaliteit van de dienstverlening te stimuleren;
  3° de bedragen vastleggen die de ondernemingsloketten ontvangen voor formaliteiten waarvoor zij de beslissingsbevoegdheid hebben toegewezen gekregen van een federale administratie, zoals bedoeld in artikel III.59, 6°.
  § 2. De ondernemingsloketten kunnen voor de bijkomende diensten aan ondernemingen, bedoeld in artikel III.59, § 2, een prijs vaststellen per verrichting of forfaitair op jaarbasis.
  Titel 3. Algemene verplichtingen van de ondernemingen.
  Hoofdstuk 1. Informatie, transparantie en niet-discriminatie.
  Afdeling 1. Informatie- en transparantieverplichtingen.
  Art. III.74. § 1. Onverminderd bijzondere wettelijke en reglementaire voorschriften, stelt elke onderneming op een der wijzen vermeld in artikel III.75, de volgende gegevens ter beschikking :
  1° haar naam of haar maatschappelijke benaming;
  2° haar rechtsvorm;
  3° het geografisch adres waar de onderneming is gevestigd;
  4° haar adresgegevens, met inbegrip van haar eventueel e-mailadres, die een snel contact en een rechtstreekse en effectieve communicatie met haar mogelijk maken;
  5° het ondernemingsnummer;
  6° haar maatschappelijke zetel;
  7° wanneer voor de activiteit een vergunningstelsel geldt, een vergunnings- of aangifteplicht, in overeenstemming met artikel 17 van de wet van 8 december 1992 tot bescherming van de persoonlijke levenssfeer ten opzichte van de verwerking van persoonsgegevens, de adresgegevens van de bevoegde autoriteit of het ondernemingsloket;
  8° wat betreft de gereglementeerde beroepen :
  a) de handelsvereniging of beroepsorganisatie waarbij de onderneming is ingeschreven;
  b) de beroepstitel en de lidstaat waar die is verleend;
  9° de algemene voorwaarden en de bepalingen die de onderneming in voorkomend geval hanteert alsmede de talen waarin deze algemene voorwaarden en bepalingen kunnen worden geraadpleegd;
  10° het eventuele bestaan van door de onderneming gehanteerde contractbepalingen betreffende het op de overeenkomst toepasselijke recht of betreffende de bevoegde rechter;
  11° het eventuele bestaan van een niet bij wet voorgeschreven garantie na verkoop;
  12° de prijs van de dienst wanneer de onderneming de prijs van een bepaalde soort dienst vooraf heeft vastgesteld;
  13° de belangrijkste kenmerken van de ondernemingsactiviteit;
  14° de in artikel III.6 bedoelde verzekering of waarborgen, met name de adresgegevens van de verzekeraar of de borg en de geografische dekking.
  § 2. Wanneer de ondernemingen in een informatiedocument hun ondernemingsactiviteiten in detail beschrijven, nemen zij hierin informatie op over hun multidisciplinaire activiteiten en partnerschappen die rechtstreeks verband houden met de betrokken ondernemingsactiviteiten en over de maatregelen genomen ter voorkoming van belangenconflicten.
  Art. III.75. Op initiatief van de onderneming worden de gegevens bedoeld in artikel III.74 :
  1° verstrekt aan de afnemer; of
  2° voor de afnemer gemakkelijk toegankelijk gemaakt op de plaats waar de ondernemingsactiviteit wordt verricht of de overeenkomst wordt gesloten; of
  3° voor de afnemer gemakkelijk toegankelijk gemaakt op een door de onderneming meegedeeld elektronisch adres; of
  4° opgenomen in elk door de onderneming verstrekt informatiedocument waarin haar activiteiten in detail worden beschreven.
  Art. III.76. Op verzoek van de afnemer, verstrekt de onderneming de volgende aanvullende informatie :
  1° wanneer de onderneming de prijs van een bepaald soort goed of dienst niet vooraf heeft vastgesteld, de prijs van het goed of de dienst of, indien de precieze prijs niet kan worden gegeven, de manier waarop de prijs wordt berekend, zodat de afnemer de prijs kan controleren, of een voldoende gedetailleerde kostenraming;
  2° voor gereglementeerde beroepen, een verwijzing naar de geldende beroepsregels en de wijze waarop hierin inzage kan worden verkregen;
  3° informatie over haar multidisciplinaire activiteiten en partnerschappen die rechtstreeks verband houden met het betrokken goed of de betrokken dienst, en over de maatregelen genomen ter voorkoming van belangenconflicten;
  4° de gedragscodes die op de onderneming van toepassing zijn alsmede het adres waar zij elektronisch kunnen worden geraadpleegd en de beschikbare talen waarin deze codes kunnen worden geraadpleegd;
  5° de vorige versies, die van toepassing waren op het ogenblik van de ondertekening van de overeenkomst, met de van toepassing zijnde begin- en einddatum, van de gegevens bedoeld in artikel III.74, 9°.
  Art. III.77. De informatie bedoeld in de artikelen III.74 en III.76 worden helder, ondubbelzinnig en tijdig voor de sluiting van enige overeenkomst of, indien er geen schriftelijke overeenkomst is, voor de levering van de goederen of verrichting van de dienst, meegedeeld of beschikbaar gesteld.
  Art. III.78. Elke onderneming heeft de plicht aan te tonen dat aan de eisen voorzien in de artikelen III.74 tot III.77 is voldaan en dat de verstrekte informatie juist is.
  Art. III.79. De bepalingen van deze afdeling doen geen afbreuk aan de bijkomende informatieverplichtingen die van toepassing zijn op ondernemingen die in België hun vestiging hebben.
  Afdeling 2. Niet-discriminatie van de afnemers.
  Art. III.80. Afnemers worden niet onderworpen aan vereisten die het gebruik van een dienst van een in een andere lidstaat gevestigde onderneming beperken. De volgende vereisten worden met name bedoeld :
  1° een verplichting bij hun bevoegde autoriteiten een vergunning te verkrijgen of een verklaring af te leggen;
  2° discriminerende beperkingen op het verkrijgen van financiële bijstand vanwege het feit dat de onderneming in een andere lidstaat is gevestigd of vanwege de plaats waar de dienst wordt verricht.
  Het eerste lid is niet van toepassing op de vergunningstelsels die ook van toepassing zijn op het gebruik van een dienst die door een in België gevestigde onderneming wordt verricht.
  Art. III.81. De afnemers worden niet onderworpen aan discriminerende vereisten op grond van nationaliteit of woonplaats.
  De algemene voorwaarden voor toegang tot een dienst, die door de onderneming voor het publiek toegankelijk worden gemaakt, bevatten geen discriminerende bepalingen in verband met de nationaliteit of verblijfplaats van de afnemer, zonder evenwel de mogelijkheid uit te sluiten om verschillende voorwaarden voor toegang te stellen wanneer die verschillen rechtstreeks door objectieve criteria worden gerechtvaardigd.
  Hoofdstuk 2. Boekhouding van de ondernemingen.
  Art. III.82. Elke onderneming voert een voor de aard en de omvang van haar bedrijf passende boekhouding en neemt de bijzondere wetsvoorschriften betreffende dat bedrijf in acht.
  Art. III.83. De boekhouding van rechtspersonen omvat al hun verrichtingen, bezittingen, en rechten van welke aard ook, en hun vorderingen, schulden en verplichtingen van welke aard ook. De boekhouding van de natuurlijke personen die koopman zijn, omvat dezelfde gegevens betreffende hun ondernemingsactiviteit; de eigen middelen aan deze ondernemingsactiviteit verstrekt, worden afzonderlijk vermeld.
  Indien een onderneming onderscheiden ondernemingsactiviteiten uitoefent, wordt voor elk van die activiteiten een afzonderlijk systeem van rekeningen aangelegd.
  Wanneer het bedrijf van een onderneming ook werkzaamheden omvat die zij als zaakvoerder of deelgenoot in een tijdelijke handelsvereniging of in een handelsvereniging bij wijze van deelneming verricht, wordt haar boekhouding derwijze aangepast dat ze naar het voorschrift van het eerste lid volledig is, zowel wat betreft de betrekkingen met derden als wat betreft de rekening en verantwoording die door de deelgenoten onderling of door zaakvoerder en deelgenoten aan elkaar moet worden gedaan.
  Art. III.84. Elke boekhouding wordt door middel van een stelsel van boeken en rekeningen gevoerd met inachtneming van de gebruikelijke regels van het dubbel boekhouden.
  Alle verrichtingen worden zonder uitstel, getrouw, volledig en naar tijdsorde ingeschreven in een ongesplitst dagboek of in een hulpdagboek, al dan niet gesplitst in bijzondere hulpdagboeken. Ze worden methodisch ingeschreven in of overgebracht naar de rekeningen waarop ze betrekking hebben.
  Voor gezamenlijke mutaties die in de loop van de periode in het ongesplitste hulpdagboek of in de bijzondere hulpdagboeken zijn geregistreerd, wordt ten minste eens in de maand een samenvattende boeking verricht in een centraal boek. Die recapitulatie geschiedt ten minste eens in de drie maanden voor de in artikel III.85 bedoelde ondernemingen die hun boekhouding voeren overeenkomstig de voorschriften van de artikelen III.83 en III.84.
  De in het vorige lid bedoelde samenvattende boeking omvat, hetzij het totaal van de boekingen in de gezamenlijke hulpdagboeken, uitgesplitst volgens de betrokken hoofdrekeningen die in het rekeningenstelsel van de onderneming voorkomen, hetzij het totaal van de boekingen in elk van de hulpdagboeken, wanneer de onderneming een boekhouding voert waarbij de aantekening tegelijk in de hulpdagboeken en op de betrokken rekeningen geschiedt.
  De rekeningen worden ondergebracht in een voor het bedrijf van de onderneming passend rekeningenstelsel ingericht naar de eisen van de bedrijfsuitoefening van de onderneming. Dit rekeningenstelsel wordt zowel in de zetel als in de belangrijke boekhoudingafdelingen voortdurend ter beschikking gehouden van belanghebbenden.
  De Koning bepaalt de minimumindeling van een algemeen rekeningenstelsel. Hij stelt vast wat de rekeningen van dat stelsel moeten bevatten en hoe ze moeten worden gebruikt.
  Art. III.85. De natuurlijke personen die koopman zijn, de vennootschappen onder firma en de gewone commanditaire vennootschappen waarvan de omzet over het laatste boekjaar, exclusief de belasting over de toegevoegde waarde, een door de Koning bepaald bedrag niet overschrijdt, behoeven geen boekhouding te voeren volgens de voorschriften van de artikelen III.83 en III.84, indien zij alle verrichtingen zonder uitstel, getrouw, volledig en naar tijdsorde inschrijven in ten minste drie dagboeken zodanig ingericht dat in bijzonderheden kunnen worden gevolgd :
  1° in het eerste, de mutaties in de liquide middelen in contanten of op rekening, met omschrijving van de verrichtingen en afzonderlijke vermelding van onttrekkingen van gelden anders dan ten behoeve van hun bedrijf, alsmede de dagelijkse saldi in contanten;
  2° in het tweede, de inkoop- en invoerverrichtingen en de ontvangen diensten met vermelding van het bedrag en van de wijze en de dag van betaling;
  3° in het derde, de verkoop- en uitvoerverrichtingen en de geleverde diensten met vermelding van het bedrag en van de wijze en de dag van inning alsmede de onttrekkingen in natura anders dan ten behoeve van hun bedrijf.
  Van de onttrekkingen bedoeld in het eerste lid, 1° en 3°, kunnen dagelijks de totale bedragen worden ingeschreven.
  Het bedrag, de wijze en de dag van betaling of van inning behoeven niet te worden vermeld in de dagboeken bedoeld in het eerste lid, 2° en 3°, indien deze gegevens voorkomen op de inkoopfacturen of op het dubbel van de verkoopfacturen dan wel op de volledige staten die in de vorm van een rekening leveranciers of rekening klanten worden bijgehouden.
  Art. III.86. Elke boeking geschiedt aan de hand van een gedagtekend verantwoordingsstuk, waarnaar zij moet verwijzen.
  Voor verrichtingen van verkoop en dienstverlening in het klein waarvoor geen factuur vereist is, kan de boeking geschieden door middel van een dagelijkse, gezamenlijke inschrijving.
  De Koning stelt nadere regels betreffende de stukken ter verantwoording van de dagelijkse, gezamenlijke inschrijvingen, bedoeld in het tweede lid.
  De verantwoordingsstukken worden methodisch opgeborgen en zeven jaar bewaard, in origineel of in afschrift. Stukken die niet strekken tot bewijs jegens derden, worden drie jaar bewaard.
  Art. III.87. § 1. De boeken worden per blad genummerd; ze vormen elk in hun soort een doorlopende reeks; ze dragen de vermelding van hun soort, hun plaats in de reeks en de naam, de firmanaam of de bijzondere naam van de onderneming.
  § 2. De boeken worden op zodanige wijze gehouden dat de materiële continuïteit ervan, evenals de regelmatigheid en de onveranderlijkheid van de boekingen zijn verzekerd.
  De Koning stelt nadere regels voor het houden en bewaren van de boeken. Hij kan de werkwijze voorgeschreven in artikel III.84, derde en vierde lid, vervangen of toestaan dat ze, onder de voorwaarden die Hij bepaalt, wordt vervangen door een andere die de materiële continuïteit van de boeken evenals de regelmatigheid en de onveranderlijkheid van de boekingen waarborgt.
  Art. III.88. De boeken worden naar tijdsorde bijgehouden, zonder enig wit vak of enige weglating. In geval van correctie moet het oorspronkelijk geschrevene leesbaar blijven.
  De ondernemingen moeten hun boeken bewaren gedurende zeven jaar, te rekenen van de eerste januari van het jaar dat op de afsluiting volgt.
  Art. III.89. § 1. Elke onderneming verricht, omzichtig en te goeder trouw, ten minste eens per jaar de nodige opnemingen, verificaties, onderzoekingen en waarderingen om op een door haar gekozen datum de inventaris op te maken van al haar bezittingen, en rechten van welke aard ook, en van haar vorderingen, schulden en verplichtingen van welke aard ook, die betrekking hebben op haar bedrijf, en van de eigen middelen daaraan verstrekt. De inventarisstukken worden ingeschreven in een boek. De stukken die wegens hun omvang bezwaarlijk kunnen worden overgeschreven, worden in dat boek samengevat en erbij gevoegd.
  § 2. De inventaris wordt ingericht overeenkomstig het rekeningenstelsel van de onderneming.
  De Koning kan maatstaven voor de waardering van de inventaris bepalen.
  Deze paragraaf geldt niet voor de in artikel III.85 bedoelde ondernemingen.
  Art. III.90. § 1. Nadat de rekeningen in overeenstemming zijn gebracht met de gegevens van de inventaris, worden ze samengevat en beschreven in een staat, zijnde de jaarrekening.
  § 2. De ondernemingen die niet zijn onderworpen aan het Wetboek van Vennootschappen en de uitvoeringsbesluiten ervan moeten zich gedragen naar de bepalingen daarvan wat de vorm, de inhoud, de controle en de neerlegging van de jaarrekening en het jaarverslag betreft.
  De inhoud en de omvang van hun verplichtingen worden bepaald op basis van dezelfde criteria inzake personeelsbestand, jaaromzet en balanstotaal als degene die gelden voor de ondernemingen onderworpen aan het Wetboek van Vennootschappen.
  De jaarrekening van de openbare instellingen bedoeld in artikel I.5, 1°, c, moet worden neergelegd binnen zeven maanden na de afsluitingsdatum van het boekjaar, ook al werd de procedure van toezicht en goedkeuring waaraan zij in voorkomend geval is onderworpen nog niet beëindigd. In dergelijk geval maakt de neergelegde jaarrekening van dit feit uitdrukkelijk melding.
  Deze paragraaf is niet van toepassing op :
  1° de natuurlijke personen die koopman zijn en die bedoeld worden in artikel III.85;
  2° de ondernemingen bedoeld in artikel I.5, 1°, d), waarop dit hoofdstuk 2 niet van toepassing is verklaard;
  3° de ondernemingen bedoeld in artikel III.95, § 1;
  4° de verzekerings- en herverzekerings-ondernemingen;
  5° de door buitenlandse ondernemingen die niet zijn onderworpen aan het Wetboek van Vennootschappen in België gevestigde bijkantoren en centra van werkzaamheden, wanneer die bijkantoren en centra van werkzaamheden geen eigen opbrengsten hebben door verkoop van goederen of dienstverlening aan derden of door geleverde goederen of verleende diensten aan de buitenlandse onderneming waarvan zij afhangen en waarvan de werkingskosten volledig door de laatstgenoemde worden gedragen;
  6° de natuurlijke personen die koopman zijn, wat de neerlegging van de jaarrekening en het jaarverslag betreft.
  Art. III.91. § 1. De openbare instellingen naar Belgisch recht die een statutaire opdracht vervullen van commerciële, financiële of industriële aard, met uitzondering van de ondernemingen die bedoeld zijn in artikel III.95, § 1, moeten zich gedragen naar de bepalingen van het Wetboek van Vennootschappen en de uitvoeringsbesluiten ervan voor wat de vorm, de inhoud, de controle en de neerlegging van een geconsolideerde jaarrekening en geconsolideerd jaarverslag betreft.
  De inhoud en de omvang van hun verplichtingen wordt bepaald op basis van dezelfde criteria inzake personeelsbestand, jaaromzet en balanstotaal als degene die gelden voor de ondernemingen onderworpen aan het Wetboek van Vennootschappen.
  De Koning kan het toepassingsgebied van de in het tweede lid bedoelde bepalingen uitbreiden tot andere in artikel I.5,1°, bedoelde ondernemingen.
  § 2. De Koning kan de door Hem op grond van artikelen III.84, zesde lid, III.89, § 2, III.90 en III.91, § 1, gestelde regels aanpassen, aanvullen of er geheel of gedeeltelijk vrijstelling van verlenen naargelang van de omvang van de onderneming alsmede de bedrijfstakken en de economische sectoren waarin zij werkzaam is.
  Art. III.92. De koninklijke besluiten ter uitvoering van dit hoofdstuk worden genomen na overleg in de ministerraad.
  De besluiten ter uitvoering van artikel III.84, zesde lid, artikel III.89, § 2 en artikelen III.90 en III.91 worden genomen na advies van de Centrale Raad voor het Bedrijfsleven.
  De besluiten ter uitvoering van artikel I.5, 1°, en de wijzigingsbesluiten worden genomen na advies van de organisaties die de betrokken ondernemingen vertegenwoordigen.
  Art. III.93. De Koning stelt een Commissie voor Boekhoudkundige Normen in; deze heeft tot taak :
  1° de Regering en het Parlement op hun verzoek of uit eigen beweging van advies te dienen;
  2° door middel van adviezen en aanbevelingen bij te dragen tot de ontwikkeling van de leer van het boekhouden en de beginselen te bepalen van een regelmatige boekhouding.
  De werkingskosten van de Commissie voor boekhoudkundige normen worden gedragen door de in artikel I.5, 1°, bedoelde ondernemingen die hun jaarrekening of hun geconsolideerde jaarrekening openbaar moeten maken door neerlegging bij de Nationale Bank van België. De Koning bepaalt het bedrag van deze bijdrage, die echter niet hoger mag zijn dan 3,72 euro geïndexeerd volgens dezelfde regels als deze die werden vastgesteld voor de indexering van de wedden en lonen in de overheidsdiensten. De Nationale Bank van België int deze bijdrage samen met de kosten voor de openbaarmaking van de jaarrekening of geconsolideerde jaarrekening en maakt haar over aan de Commissie.
  Art. III.94. De minister of zijn afgevaardigde kan in bijzondere gevallen, na een met redenen omkleed advies van de in artikel III.93 vermelde Commissie voor Boekhoudkundige Normen, toestaan dat wordt afgeweken van de regels vastgesteld op grond van artikel III.84, zesde lid, artikel III.89, § 2, artikel III.90 en artikel III.91. Deze bevoegdheid wordt op dezelfde wijze door de minister bevoegd voor Middenstand of zijn afgevaardigde uitgeoefend ten aanzien van de vennootschappen en andere ondernemingen die als klein kunnen worden beschouwd in de zin van het Wetboek van Vennootschappen. De Commissie voor Boekhoudkundige Normen wordt in kennis gesteld van het besluit van de minister of zijn afgevaardigde.
  Art. III.95. § 1. Artikel III.85 en de artikelen III.90 tot III.94, alsook de besluiten genomen ter uitvoering van artikel III.84, zesde lid, en artikel III.89, § 2, zijn niet van toepassing op de Nationale Bank van België, de Deposito- en Consignatiekas, de kredietinstellingen die vallen onder de wet van 22 maart 1993 op het statuut van en het toezicht op de kredietinstellingen en de beleggingsondernemingen die vallen onder de wet van 6 april 1995 inzake de secundaire markten, het statuut van en het toezicht op de beleggingsondernemingen, de bemiddelaars en beleggingsadviseurs.
  § 2. Artikel III.85 en artikel III.90, § 2, tweede lid, zijn niet van toepassing op de verzekeringsondernemingen en ondernemingen van hypothecair krediet en kapitalisatie.
  De artikelen III.84, zesde lid, III.89, § 2, III.90, § 2, eerste lid, III.91, § 2, en III.94 zijn niet van toepassing op de verzekeringsondernemingen die door de Koning zijn toegelaten op grond van de wetgeving betreffende de controle op de verzekeringsondernemingen. "

  Art. 5. In boek XV, titel 1, hoofdstuk 4, van hetzelfde Wetboek wordt een afdeling 2 ingevoegd, luidende :
  Afdeling 2. Coördinatie en opvolging van de acties in het kader van titel 1 van boek III.
  Onderafdeling 1. Toepassingsgebied.
  Art. XV.35. Deze afdeling is van toepassing op de dienstenactiviteiten vermeld in artikel III.1.
  Deze afdeling, en meer bepaald de bepalingen met betrekking tot de controle op de regels inzake de bescherming van persoonsgegevens, worden uitgevoerd en zijn van toepassing onverminderd de regels zoals bepaald in Richtlijn 95/46/EG, in Richtlijn 2002/58/EG, in de wet van 8 december 1992 tot bescherming van de persoonlijke levenssfeer ten opzichte van de verwerking van persoonsgegevens, en van de voorziene regels inzake bescherming van persoonsgegevens, van de wet van 13 juni 2005 betreffende de elektronische communicatie en van de wet van 24 augustus 2005 tot omzetting van verschillende bepalingen van de Richtlijn financiële diensten op afstand en van de Richtlijn privacy en elektronische communicatie.
  Onderafdeling 2. Principes.
  Art. XV.36. § 1. De bevoegde Belgische autoriteit verstrekt, binnen de grenzen van haar bevoegdheden, aan de bevoegde autoriteit van een andere lidstaat die een met redenen omkleed verzoek doet, iedere relevante informatie waarover ze beschikt in verband met een dienstverrichter en/of zijn diensten.
  Ze verstrekt de gevraagde informatie met name betreffende de vestiging en de wettelijkheid van de verrichte diensten.
  § 2. De bevoegde Belgische autoriteit voert, binnen de grenzen van haar bevoegdheden, de verificaties, inspecties en onderzoeken uit die haar door de bevoegde autoriteit van een andere lidstaat via een met redenen omkleed verzoek aangevraagd worden betreffende een dienstverrichter of zijn diensten.
  Ze kan zelf bepalen wat in ieder individueel geval de meest geschikte maatregelen zijn om aan het verzoek van een bevoegde autoriteit van een andere lidstaat te voldoen.
  Art. XV.37. § 1. De bevoegde Belgische autoriteit verstrekt binnen de grenzen van haar bevoegdheid aan de bevoegde autoriteit van een andere lidstaat die een met redenen omkleed verzoek doet de definitieve beslissingen betreffende de tuchtrechtelijke of administratieve sancties van professionele aard in overeenstemming met de regels bepaald door de bijzondere wetgevingen of reglementeringen voor een zulke verstrekking.
  Ze verstrekt ook binnen de grenzen van haar bevoegdheden en in overeenstemming met Boek II, Titel VII, Hoofdstuk I, van het Wetboek van strafvordering informatie over definitieve strafrechtelijke sancties van professionele aard evenals elk definitief vonnis betreffende de insolventie in de zin van bijlage A van de EG-Verordening 1346/2000, of het bedrieglijk faillissement waarin sprake is van frauduleuze praktijken van een dienstverrichter.
  In de mededeling worden de overtreden wettelijke of reglementaire bepalingen vermeld.
  § 2. Deze mededeling geschiedt met naleving van de bepalingen tot bescherming van de persoonsgegevens en de rechten van de personen aan wie een sanctie is opgelegd of die veroordeeld zijn, met inbegrip van deze opgelegd door een beroepsorde.
  § 3. De bevoegde Belgische autoriteit die zulke informatie meedeelt, stelt de dienstverrichter daarvan in kennis.
  Art. XV.38. De in uitvoering van de artikelen XV.36 en XV.37 gevraagde informatie of de resultaten van de verificaties, inspecties of onderzoeken worden zo snel mogelijk verstrekt via het elektronische systeem voor de uitwisseling van informatie.
  Art. XV.39. De bevoegde Belgische autoriteit die om wettelijke of praktische redenen geen gevolg kan geven aan een verzoek om informatie, verificaties, inspecties of onderzoeken, brengt de bevoegde autoriteit van de andere lidstaat daarvan zo snel mogelijk op de hoogte en vermeldt de redenen die zich tegen deze aanvraag verzetten. Indien na kennisgeving van deze weigering, deze laatste zich niet bij het standpunt van de bevoegde Belgische autoriteit kan neerleggen en geen enkele oplossing kan gevonden worden, wordt dit ter informatie meegedeeld aan de federale coördinator.
  Art. XV.40. De bevoegde autoriteit van een andere lidstaat kan toegang verkrijgen tot de registers die toegankelijk zijn voor de bevoegde Belgische autoriteiten en op dezelfde voorwaarden.
  Art. XV.41. § 1. De bevoegde Belgische autoriteit die wenst dat een autoriteit van een andere lidstaat haar informatie verstrekt of verificaties, inspecties of onderzoeken voert betreffende een dienstverrichter of zijn diensten, stuurt haar een met redenen omkleed verzoek via het elektronische systeem voor de uitwisseling van informatie.
  § 2. Indien de bevoegde autoriteit van de andere lidstaat niet aan de aanvraag voldoet en geen enkele oplossing kan gevonden worden, brengt de bevoegde Belgische autoriteit de federale coördinator daarvan op de hoogte.
  Art. XV.42. De uitgewisselde informatie kan alleen gebruikt worden voor de aangelegenheden waarvoor ze gevraagd werd.
  Art. XV.43. § 1. De bevoegde Belgische autoriteit oefent controle uit ten opzichte van dienstverrichters die in België zijn gevestigd, met inbegrip van de diensten die in een andere lidstaat zijn verricht of die in een andere lidstaat schade hebben veroorzaakt.
  § 2. Deze verplichting geldt niet voor :
  1° de controle van de naleving van specifieke eisen die opgelegd worden door de lidstaat waar de dienst geleverd wordt, ongeacht de plaats van vestiging van de dienstverrichter;
  2° de uitoefening van controles op het grondgebied van de lidstaat waar de dienst verricht wordt.
  Deze controles worden in overeenstemming met artikel XV.41 op verzoek van de bevoegde Belgische autoriteit verricht door de lidstaat waar de dienstverrichter tijdelijk actief is.
  Art. XV.44. Een bevoegde Belgische autoriteit kan alleen, betreffende een dienstverrichter die niet in België is gevestigd, op eigen initiatief verificaties, inspecties en onderzoeken in België verrichten, mits deze niet discriminatoir zijn, ze niet plaatsvinden omdat de dienstverrichter in een andere lidstaat gevestigd is en ze evenredig zijn.
  Art. XV.45. § 1. Wanneer de bevoegde Belgische autoriteit kennis neemt van een gedraging, ernstige en specifieke handelingen of omstandigheden met betrekking tot een dienstverrichter of een dienstenactiviteit, die ernstige schade aan de gezondheid of veiligheid van personen of aan het milieu kunnen veroorzaken, stelt ze via een waarschuwingscoördinator via het elektronische systeem voor de uitwisseling van informatie de lidstaten en de Europese Commissie hiervan onverwijld in kennis, evenals de federale coördinator.
  § 2. Wanneer een waarschuwing gewijzigd moet worden of niet meer gerechtvaardigd is, stelt de bevoegde Belgische autoriteit de Europese Commissie en de lidstaten hiervan in kennis via het elektronische systeem voor de uitwisseling van informatie evenals de federale coördinator.
  § 3. De hierboven beschreven procedure geldt onverminderd gerechtelijke procedures.
  Art. XV.46. § 1. In afwijking van artikel III.13 en alleen in uitzonderlijke omstandigheden kan de bevoegde minister of zijn gemachtigde, ten aanzien van een in een andere lidstaat gevestigde dienstverrichter, maatregelen nemen betreffende de veiligheid van diensten, en dit overeenkomstig de voorwaarden en procedures die van toepassing zijn voor het nemen van soortgelijke maatregelen ten opzichte van dienstverrichters die hun vestiging in België hebben. Deze maatregelen kunnen alleen worden genomen wanneer de in artikel XV.47 bedoelde procedure van wederzijdse bijstand in acht genomen is, en aan volgende voorwaarden is voldaan :
  1° de bepalingen overeenkomstig welke de maatregelen worden genomen, vallen niet onder een communautaire harmonisatiemaatregel op het gebied van de veiligheid van diensten;
  2° de maatregelen bieden de afnemer meer bescherming dan de maatregelen die de lidstaat van vestiging overeenkomstig zijn nationale bepalingen zou nemen;
  3° de lidstaat van vestiging heeft geen maatregelen genomen of heeft maatregelen genomen die ontoereikend zijn in vergelijking met de in artikel XV.44. bedoelde maatregelen;
  4° de maatregelen zijn evenredig.
  § 2. Paragraaf 1 doet geen afbreuk aan bepalingen van het Gemeenschapsrecht of op het Gemeenschapsrecht berustende bepalingen die het vrije verkeer van diensten waarborgen of afwijkingen daarop toestaan.
  Art. XV.47. § 1. De bevoegde Belgische autoriteit, die in toepassing van artikel XV.46, § 1, voornemens is maatregelen te nemen om de veiligheid van diensten die in België worden verricht te waarborgen, stuurt via het elektronische systeem voor de uitwisseling van informatie een aanvraag om maatregelen te nemen aan de lidstaat van vestiging, met verstrekking van alle relevante informatie over de betrokken dienst en de omstandigheden ter zake.
  § 2. In voorkomend geval stelt de bevoegde Belgische autoriteit, na ontvangst van het antwoord van de lidstaat van vestiging of bij gebrek van antwoord binnen een redelijke termijn, de Europese Commissie en de lidstaat van vestiging via het elektronische systeem voor de uitwisseling van informatie in kennis van zijn voornemen om maatregelen te nemen, evenals de federale coördinator.
  De mededeling vermeldt :
  1° de redenen waarom de door de lidstaat van vestiging genomen of beoogde maatregelen naar het oordeel van de bevoegde autoriteit ongepast zijn;
  2° de reden waarom de door hem beoogde maatregelen naar zijn oordeel aan de in artikel XV.46, § 1 bedoelde voorwaarden voldoen.
  § 3. De maatregelen kunnen niet eerder dan vijftien werkdagen na het sturen van een kennisgeving, conform paragraaf 2, aan de lidstaat van vestiging en aan de Europese Commissie genomen worden.
  § 4. In spoedeisende gevallen kan de bevoegde Belgische autoriteit van de paragrafen 1, 2 en 3 afwijken. In dit geval worden de Europese Commissie en de lidstaat van vestiging van de genomen maatregelen in kennis gesteld, met opgave van de redenen waarom er volgens de autoriteit sprake is van een spoedeisend karakter.
  § 5. De hierboven beschreven procedure geldt onverminderd gerechtelijke procedures.
  Art. XV.48. Dit hoofdstuk geldt onverminderd de samenwerking inzake informatie in toepassing van de Richtlijn 96/71/EG van het Europees Parlement en de Raad van 16 december 1996 betreffende de terbeschikkingstelling van werknemers met het oog op het verrichten van diensten.
  Onderafdeling 3. Bescherming van persoonsgegevens.
  Art. XV.49. Het doel van de gegevensuitwisseling beoogd in onderafdeling 2 is de goede administratieve samenwerking tussen lidstaten, controle van dienstverrichters en van hun diensten alsook de toepassing van de reglementeringen betreffende de dienstenactiviteiten.
  Art. XV.50. § 1. Voor de uitwisseling van persoonsgegevens is elke bevoegde Belgische autoriteit een verantwoordelijke voor de verwerking.
  § 2. De verantwoordelijke voor de verwerking verstrekt aan de betrokken persoon onmiddellijk vanaf de gegevensregistratie of indien mededeling van gegevens aan een bevoegde autoriteit van een andere lidstaat beoogd wordt, ten laatste op het moment van de eerste mededeling van gegevens, de volgende gegevens, tenzij de persoon terzake reeds geïnformeerd is :
  1° de naam en het adres van de verantwoordelijke voor de verwerking en, desgevallend, van zijn vertegenwoordiger;
  2° het doel van de verwerking;
  3° andere bijkomende informatie, met name :
  a) de categorieën van de betrokken gegevens;
  b) de ontvangers of de categorieën ontvangers;
  c) het bestaan van een recht van inzage en verbetering van de hem betreffende gegevens.
  § 3. De verantwoordelijke voor de verwerking of desgevallend zijn vertegenwoordiger moet :
  1° er nauwlettend over waken dat de gegevens worden bijgewerkt, dat de onjuiste, onvolledige of niet terzake dienende gegevens worden verbeterd of verwijderd;
  2° ervoor zorgen dat voor de personen die onder zijn gezag handelen, de toegang tot de gegevens en de verwerkingsmogelijkheden beperkt blijven tot hetgeen deze personen nodig hebben voor de uitoefening van hun taken;
  3° alle personen die onder zijn gezag handelen, kennis geven van de bepalingen van dit boek alsmede van alle relevante voorschriften inzake de bescherming van de persoonlijke levenssfeer die bij het verwerken van persoonsgegevens gelden.
  Art. XV.51. § 1. De persoonsgegevens dienen :
  1° eerlijk en rechtmatig te worden verwerkt;
  2° ingezameld te worden voor het doel beoogd in artikel XV.49 en niet verder te worden verwerkt worden op een manier die onverenigbaar is met dit doel;
  3° toereikend, ter zake dienend en niet overmatig te zijn ten aanzien van het doel beoogd in artikel XV.49;
  4° nauwkeurig te zijn en zo nodig te worden bijgewerkt.
  § 2. Het is aan de verantwoordelijke van de verwerking om de naleving van paragraaf 1 te verzekeren.
  Art. XV.52. De verwerkte gegevens zijn :
  1° persoonlijke gegevens die noodzakelijk zijn voor de identificatie van de dienstverrichter;
  2° de gegevens met betrekking tot de tuchtstraffen van een dienstverrichter;
  3° de gegevens met betrekking tot de administratieve sancties van een dienstverrichter;
  4° de gegevens met betrekking tot de strafsancties van een dienstverrichter;
  5° de gegevens van elk definitief vonnis inzake de insolvabiliteit in de zin van bijlage A van de Verordening EG 1346/2000 of het bedrieglijk faillissement van een dienstverrichter.
  Art. XV.53. De bevoegde Belgische autoriteiten hebben als enige toegang tot de persoonsgegevens bedoeld in artikel XV.52.
  Zij zijn onderworpen aan de naleving van het vertrouwelijkheidsprincipe en onderworpen aan het beroepsgeheim.
  Art. XV.54. § 1. De persoonsgegevens bedoeld in artikel XV.52 worden enkel aan de bevoegde autoriteiten van de andere lidstaten meegedeeld.
  § 2. Als blijkt dat onjuiste persoonsgegevens werden doorgegeven of dat persoonsgegevens onrechtmatig werden doorgegeven, wordt de ontvanger hier onmiddellijk van in kennis gebracht.
  Onnauwkeurige of onrechtmatig overgemaakte persoonsgegevens dienen onverwijld verbeterd, uitgewist of geblokkeerd te worden in overeenstemming met artikel 4, § 1, 4°, van de wet van 8 december 1992 tot bescherming van de persoonlijke levenssfeer ten opzichte van de verwerking van persoonsgegevens.
  Art. XV.55. § 1. De persoonsgegevens verwerkt door de bevoegde Belgische autoriteit worden bewaard :
  1° zolang als nodig om de doelstellingen bedoeld in artikel XV.49 te verwezenlijken;
  2° hoogstens zo lang als de bijzondere wetgevingen van de bevoegde Belgische overheden voorzien.
  De persoonsgegevens uitgewisseld tussen de bevoegde autoriteiten van de lidstaten worden verwijderd door de bevoegde Belgische autoriteit die de gegevens ontvangt, zes maanden na de officiële beëindiging van een informatie-uitwisseling.
  § 2. De persoonlijke gegevens en de informatie-uitwisseling kunnen langer worden bewaard voor statistische doeleinden op voorwaarde dat alle persoonsgegevens anoniem worden gemaakt.
  Art. XV.56. Elke bevoegde Belgische autoriteit neemt maatregelen om de veiligheid te verzekeren :
  1° aan de ingang van de ruimten waar zich de apparatuur voor de gegevensverwerking bevindt;
  2° van het geheugen van de computers die de gegevens verwerken;
  3° van de dragers waarop de gegevens zijn opgeslagen;
  4° van de invoering van de gegevens;
  5° van de beschikbaarheid van de gegevens verwerkingen;
  6° van de gegevensmededeling;
  7° van de toegang tot de gegevensverwerkingen;
  8° van de archiveringsmethoden;
  9° wat de keuze betreft van de standaardtechnieken die gebruikt worden voor het beveiligen en het meedelen van gegevens.
  Art. XV.57. In overeenstemming met de artikelen 10 en 12 van de wet van 8 december 1992 tot bescherming van de persoonlijke levenssfeer ten opzichte van de verwerking van persoonsgegevens, beschikken de betrokkenen over de volgende rechten :
  1° de betrokkene die zijn identiteit bewijst, heeft het recht om vanwege de verantwoordelijke voor de verwerking te verkrijgen :
  a) kennis van het al dan niet bestaan van verwerkingen van hem betreffende gegevens alsmede ten minste informatie over de doeleinden van deze verwerkingen, van de categorieën gegevens waarop deze verwerkingen betrekking hebben en van de categorieën ontvangers aan wie de gegevens worden verstrekt;
  b) verstrekking in begrijpelijke vorm van de gegevens zelf die worden verwerkt, alsmede alle beschikbare informatie over de oorsprong van die gegevens;
  c) kennis van de mogelijkheid om de in de artikelen 12 en 14 van de wet van 8 december 1992 tot bescherming van de persoonlijke levenssfeer ten opzichte van de verwerking van persoonsgegevens, bedoelde beroepen in te stellen.
  Daartoe richt de betrokkene een gedagtekend en ondertekend verzoek aan de verantwoordelijke voor de verwerking.
  De inlichtingen worden onverwijld en ten laatste binnen vijfenveertig dagen na ontvangst van het verzoek meegedeeld;
  2° eenieder is gerechtigd alle onjuiste persoonsgegevens die op hem betrekking hebben kosteloos te doen verbeteren;
  3° eenieder is tevens gerechtigd kosteloos de verwijdering van of het verbod op de aanwending van alle hem betreffende persoonsgegevens te bekomen die gelet op het doel van de verwerking, onvolledig of niet ter zake dienend zijn, of waarvan de registratie, de mededeling of de bewaring verboden zijn, of die na verloop van de toegestane duur zijn bewaard;
  Om de in 2° en 3° bedoelde rechten uit te oefenen, dient de belanghebbende een gedagtekend en ondertekend verzoek in bij de verantwoordelijke voor de verwerking.
  De verantwoordelijke voor de verwerking deelt binnen de maand die volgt op de indiening van het verzoek de verbeteringen of verwijderingen van gegevens mee aan de betrokkene.

  Art. 6. In boek XV, titel 2, hoofdstuk 2, van hetzelfde Wetboek wordt een afdeling 1 ingevoegd, luidende :
  " Afdeling 1. Bestuurlijke sancties in het kader van boek III.
  Art. XV.63. De Federale Overheidsdienst Economie, K.M.O., Middenstand en Energie wordt belast met de controle en het toezicht op de ondernemingsloketten.
  Art. XV.64. § 1. De met de controle op de ondernemingsloketten belaste dienst ziet toe op de goede uitvoering door de ondernemingsloketten van de hun in uitvoering van dit wetboek of andere wetten toegewezen taken.
  § 2. Indien wordt vastgesteld dat niet alle voorwaarden in acht werden genomen door het ondernemingsloket, vraagt hij de beheersdienst de inschrijving of wijziging te schrappen met toepassing van artikel III.38.
  § 3. Hij kan, overeenkomstig artikel XV.65, een sanctie voorstellen ten laste van een ondernemingsloket dat niet alle vereiste voorwaarden en voorschriften in acht heeft genomen.
  Art. XV.65. § 1. Indien bij een controle blijkt dat een ondernemingsloket zijn opdrachten niet correct vervult, de verplichtingen bedoeld in de artikelen III.70 tot 72 niet naleeft, of de uitoefening van de taken bedoeld in de artikelen XV.3, XV.63 en XV.64 belemmert, kan de dienst belast met de controle :
  1° bij aangetekende zending aan het ondernemingsloket een waarschuwing laten geworden op de wijze zoals bepaald in het artikel XV.31;
  2° wanneer, binnen de vastgestelde termijn, geen gevolg gegeven wordt aan de waarschuwing bedoeld onder 1°, een bestuurlijke geldboete opleggen ten belope van minimaal 100 euro tot maximaal het drievoudige van de in het afgelopen kalenderjaar door het betreffende ondernemingsloket in toepassing van artikel III.73 ontvangen vergoedingen,
  3° bij herhaling of bij de overtreding van verschillende van de onder paragraaf 1 bedoelde bepalingen, de schorsing of de intrekking van de erkenning van het betreffende ondernemingsloket voorstellen aan de minister die de Middenstand onder zijn bevoegdheid heeft.
  § 2. Vooraleer de in paragraaf 1, 2°, bedoelde bestuurlijke geldboete op te leggen, of de in paragraaf 1, 3°, bedoelde schorsing of intrekking van de erkenning voor te stellen, geeft de met de controle belaste dienst aan het ondernemingsloket de mogelijkheid gehoord te worden. De dienst richt daartoe bij aangetekende zending een oproep met vermelding van de aangeklaagde feiten, de overtreden bepalingen, de raadplegingsmodaliteiten van het dossier en de datum van de hoorzitting die slechts ten vroegste vijftien dagen na de verzending van de oproep kan vastgelegd worden.
  § 3. De onder paragraaf 1, 1° en 2°, bedoelde verwittigingen en sancties kunnen, binnen de zestig dagen volgend op hun bekendmaking, het voorwerp uitmaken van een beroep, bij aangetekende zending gericht aan de minister. De minister of de daartoe gemachtigde ambtenaren horen de belanghebbenden en spreken zich uit binnen de zestig dagen die volgen op de indiening van het beroep. De beslissingen worden bij aangetekende zending bekendgemaakt. Het beroep werkt opschortend.

  Art. 7. In boek XV, titel 3, hoofdstuk 2, van hetzelfde Wetboek, wordt een afdeling 1 ingevoegd, luidende :
  " Afdeling 1. De straffen voor de inbreuken op boek III.
  Art. XV.75. Met een sanctie van niveau 2 worden gestraft :
  1° de natuurlijke personen die koopman zijn en de bestuurders, zaakvoerders, directeurs en procuratiehouders van rechtspersonen, die wetens de bepalingen overtreden van de artikelen III.82 en III.83, eerste en derde lid, van de artikelen III.84 tot III.89 of van de ter uitvoering van artikel III.84, zesde lid, van artikel III.87, § 2, van artikel III.89, § 2 en van de artikelen III.90 en III.91 genomen besluiten.
  2° zij die in de hoedanigheid van commissaris, bedrijfsrevisor of onafhankelijk deskundige rekeningen, jaarrekeningen, balansen en resultatenrekeningen of geconsolideerde rekeningen van ondernemingen attesteren of goedkeuren, terwijl niet is voldaan aan de in het eerste lid genoemde bepalingen, en daarvan kennis hebben of niet hebben gedaan wat zij hadden moeten doen om zich te vergewissen of aan die bepalingen is voldaan.
  De personen onder 1° en 2° worden gestraft met een sanctie van niveau 4 als zij met bedrieglijk opzet hebben gehandeld.
  De natuurlijke personen die koopman zijn, op wie artikel III.85 van toepassing is, en de zaakvoerders, directeurs of procuratiehouders van vennootschappen waarop datzelfde artikel van toepassing is, worden wegens overtreding van de bepalingen van de artikelen III.85 en III.89 en van die van de artikelen III.86 tot III.88 en van de besluiten ter uitvoering daarvan, in zover zij betrekking hebben op de boeken waarvan sprake is in de artikelen III.85 en III.89, alleen dan met de in vorige leden gestelde straffen gestraft, wanneer de onderneming failliet is verklaard.
  Art. XV.76. Met een sanctie van niveau 1 worden gestraft, zij die :
  1° de bepalingen overtreden van het artikel III.25;
  2° verzuimen om de in artikel III.52 bepaalde doorhaling te vorderen;
  Art. XV.77. Met een sanctie van niveau 2 worden gestraft, zij die :
  1° gehouden zijn zich in te schrijven met de handelshoedanigheid of niet handelshoedanigheid naar privaat recht in de Kruispuntbank van Ondernemingen en die activiteiten uitoefenen zonder daarvoor de inschrijving gevraagd te hebben van deze hoedanigheid;
  2° met handelshoedanigheid of niet-handelshoedanigheid naar privaat recht ingeschreven zijn, en die activiteiten uitoefenen of een vestigingseenheid uitbaten die niet in de Kruispuntbank van Ondernemingen zijn ingeschreven;
  3° wetens een onjuist verzoek tot inschrijving, wijziging of doorhaling in de Kruispuntbank van Ondernemingen indienen;
  4° de beslissingen of besluiten bedoeld in artikel III.30 overtreden;
  5° het uitoefenen van de rechten zoals bepaald in artikel III.32 verhinderen;
  6° die een wijziging van hun inschrijving van de handelshoedanigheid of niet handelshoedanigheid naar privaat recht niet binnen de bij artikel III.51 gestelde termijn hebben gevraagd;
  7° de bepalingen overtreden van de artikelen III.74 tot III.77 en III.81.
  Art. XV.78. Met een sanctie van niveau 3 worden gestraft, zij die :
  1° een economische activiteit uitoefenen nadat de inschrijving met handelshoedanigheid of met niet-handelsonderneming naar privaat recht hen werd geweigerd of nadat deze werd doorgehaald;
  2° drie dagen na de betekening van een in kracht van gewijsde gegaan vonnis of arrest van veroordeling, de hen verboden economische activiteit verder uitoefenen.
  Het openbaar ministerie doet bovendien het lokaal waarin de activiteit wordt uitgeoefend verzegelen of treft iedere andere gepaste maatregel.
  Art. XV.79. Met een sanctie van niveau 4 worden gestraft, zij die de besluiten genomen ter uitvoering van artikel III.33 overtreden.

  HOOFDSTUK 3. - Opheffingsbepalingen.

  Art. 8. De artikelen 4 tot 24 en 29 tot 49 van de dienstenwet van 26 maart 2010 worden opgeheven.

  Art. 9. De wet van 16 januari 2003 tot oprichting van een Kruispuntbank van Ondernemingen, tot modernisering van het handelsregister, tot oprichting van erkende ondernemingsloketten en houdende diverse bepalingen, laatstelijk gewijzigd bij de wet van 21 januari 2013, wordt opgeheven.

  Art. 10. De artikelen 1, 2, 4, 5, 7, 8 en 9, eerste en tweede lid, van het koninklijk besluit van 22 juni 2009 houdende de nadere regels voor het inschrijven van niet-handelsondernemingen naar privaat recht in de Kruispuntbank van Ondernemingen, worden opgeheven.

  Art. 11. De wet van 17 juli 1975 met betrekking tot de boekhouding van de ondernemingen, laatstelijk gewijzigd bij de wet van 22 maart 2012, wordt opgeheven.

  HOOFDSTUK 4. - Bevoegdheidstoewijzing.

  Art. 12. De bestaande wetten en uitvoeringsbesluiten die verwijzen naar de bepalingen bedoeld in de artikelen 8 tot 11, worden geacht te verwijzen naar de overeenkomstige bepalingen in het Wetboek van economisch recht, zoals ingevoegd bij deze wet.

  Art. 13. De Koning kan de verwijzingen in bestaande wetten en koninklijke besluiten naar de bepalingen bedoeld in de artikelen 8 tot 11 vervangen door verwijzingen naar de ermee overeenstemmende bepalingen in het Wetboek van economisch recht, zoals ingevoegd bij deze wet.

  Art. 14. De Koning kan de bepalingen van het Wetboek van economisch recht, zoals ingevoegd bij deze wet, coördineren met de bepalingen die daarin uitdrukkelijk of stilzwijgend wijzigingen hebben aangebracht tot het tijdstip van de coördinatie.
  Daartoe kan Hij :
  1° de volgorde en de nummering van de te coördineren bepalingen veranderen en in het algemeen de teksten naar de vorm wijzigen;
  2° de verwijzingen die voorkomen in de te coördineren bepalingen met de nieuwe nummering doen overeenstemmen;
  3° zonder afbreuk te doen aan de beginselen die in de te coördineren bepalingen vervat zijn, de redactie ervan wijzigen om ze onderling te doen overeenstemmen en eenheid in de terminologie te brengen.

  HOOFDSTUK 5. - Inwerkingtreding.

  Art. 15.De Koning bepaalt de datum van inwerkingtreding van elke bepaling van deze wet en van elke bepaling ingevoegd door deze wet in het Wetboek van economisch recht.
  (NOTA : Inwerkingtreding vastgesteld op 09-05-2014 door KB 2014-03-26/21, art. 1)
  

Handtekening Tekst Inhoudstafel Begin
   Kondigen deze wet af, bevelen dat zij met 's Lands zegel zal worden bekleed en door het Belgisch Staatsblad zal worden bekendgemaakt.
Gegeven te Brussel, 17 juli 2013.
ALBERT
Van Koningswege :
De Eerste Minister,
E. DI RUPO
De Vice-Eerste Minister en Minister van Economie en Consumenten,
J. VANDE LANOTTE
De Minister van Middenstand,
Mevr. S. LARUELLE
De Minister van Justitie,
Mevr. A. TURTELBOOM
De Minister van Administratieve vereenvoudiging,
O. CHASTEL
De Minister van Financiën,
K. GEENS
Met 's Lands zegel gezegeld :
De Minister van Justitie,
Mevr. A. TURTELBOOM

Aanhef Tekst Inhoudstafel Begin
   ALBERT II, Koning der Belgen,
   Aan allen die nu zijn en hierna wezen zullen, Onze Groet.
   De Kamers hebben aangenomen en Wij bekrachtigen hetgeen volgt :

Parlementaire werkzaamheden Tekst Inhoudstafel Begin
   Stukken van de Kamer van volksvertegenwoordigers : 53-2741 - 2012/2013 : Nr. 1 : Wetsontwerp. Nr. 2 : Amendementen. Nr. 3 : Verslag. Nr. 4 : Tekst aangenomen door de commissie. Nr. 5 : Tekst aangenomen in plenaire vergadering en overgezonden aan de Senaat. Integraal Verslag : 23 mei 2013. Stukken van de Senaat : 5-2105 - 2012/2013 : Nr. 1 : Ontwerp niet geëvoceerd door de Senaat.

Begin Eerste woord Laatste woord Aanhef
Parlementaire werkzaamheden Inhoudstafel 2 uitvoeringbesluiten
Franstalige versie