J U S T E L     -     Geconsolideerde wetgeving
Einde Eerste woord Laatste woord Wijziging(en) Aanhef
Parlementaire werkzaamheden Inhoudstafel 20 uitvoeringbesluiten 5 gearchiveerde versies
Handtekening Einde Franstalige versie
 
belgiëlex . be     -     Kruispuntbank Wetgeving
Raad van State
ELI - Navigatie systeem via een Europese identificatiecode voor wetgeving
http://www.ejustice.just.fgov.be/eli/ordonnantie/2013/05/02/2013031357/justel

Titel
2 MEI 2013. - Ordonnantie houdende het Brussels Wetboek van Lucht, Klimaat en Energiebeheersing
(NOTA : Raadpleging van vroegere versies vanaf 21-05-2013 en tekstbijwerking tot 14-12-2017) Zie wijziging(en)

Bron : BRUSSELS HOOFDSTEDELIJK GEWEST
Publicatie : 21-05-2013 nummer :   2013031357 bladzijde : 28357   BEELD
Dossiernummer : 2013-05-02/09
Inwerkingtreding : onbepaald    ***    31-05-2013

Inhoudstafel Tekst Begin
BOEK 1. - ALGEMENE BEPALINGEN
TITEL 1. - Algemeenheden
Art. 1.1.1-1.1.2
TITEL 2. - Doelstellingen
Art. 1.2.1
TITEL 3. - Definities
Art. 1.3.1
TITEL 4. - Gewestelijk lucht-klimaat-energieplan
HOOFDSTUK 1. - Inhoud en draagwijdte van het plan
Art. 1.4.1-1.4.3
HOOFDSTUK 2. - Procedure voor de opstelling van het plan
Afdeling 1. - Milieu-evaluatie
Art. 1.4.4-1.4.8
Afdeling 2. - Openbaar onderzoek en adviezen
Art. 1.4.9-1.4.10
Afdeling 3. - Goedkeuring van het plan
Art. 1.4.11-1.4.14
HOOFDSTUK 3. - Opvolging en wijziging van het plan
Art. 1.4.15
TITEL 5. - Gewestelijk lucht-klimaat-energierapport
Art. 1.5.1
TITEL 6. - Toegang tot de informatie
Art. 1.6.1
BIJLAGEN aan het boek 1
Art. N1.1-N1.2
BOEK 2. - SECTORALE MAATREGELEN
TITEL 1. - Algemeenheden
Art. 2.1.1
TITEL 2. - Bepalingen betreffende de gebouwen
HOOFDSTUK 1. - Energieprestatie van de gebouwen
Afdeling 1. - Toepassingsgebied
Art. 2.2.1
Afdeling 2. - Berekeningsmethodes
Art. 2.2.2
Afdeling 3. - EPB-eisen van toepassing op de nieuwe EPB-eenheden en op de zwaar of eenvoudig gerenoveerde EPB-eenheden
Onderafdeling 1. - Principes
Art. 2.2.3-2.2.4
Onderafdeling 2. - De aanvraag
Art. 2.2.5-2.2.7
Onderafdeling 3. - De uitvoering van de werken voor nieuwe en gerenoveerde EPB-eenheden
Art. 2.2.8-2.2.11
Afdeling 4. - Certificering
Onderafdeling 1. - Inhoud en geldigheid van het EPB-certificaat
Art. 2.2.12
Onderafdeling 2. - Opstelling van het EPB-certificaat en van het EBP-certificaat openbaar gebouw
Art. 2.2.13
Onderafdeling 3. - Bekendmaking en informatie
Art. 2.2.14
Afdeling 5. - EPB-eisen van de technische installaties
Art. 2.2.15-2.2.17
Afdeling 6. - Bewaring en verwerking van de gegevens
Art. 2.2.18
HOOFDSTUK 2. - Evaluatie van de energie- en milieuprestatie van de gebouwen
Art. 2.2.19
HOOFDSTUK 3. - Energieaudits
Art. 2.2.20
HOOFDSTUK 4. - Plan voor lokale actie voor het gebruik van energie
Art. 2.2.21-2.2.25
HOOFDSTUK 5. - Begeleiding van de gezinnen op het vlak van energie en ecoconstructie
Art. 2.2.26
TITEL 3. - Bepalingen betreffende het vervoer
HOOFDSTUK 1. - Vervoerplannen
Afdeling 1. - Algemeenheden
Art. 2.3.1-2.3.3
Afdeling 2. - Het schoolvervoerplan
Art. 2.3.4-2.3.20
Afdeling 3. - Het bedrijfsvervoerplan
Art. 2.3.21-2.3.29
Afdeling 4. - Het activiteitenvervoerplan
Onderafdeling 1. - Algemeenheden
Art. 2.3.30-2.3.33
Onderafdeling 2. - Activiteiten met duizend tot zesduizend deelnemers per dag
Art. 2.3.34-2.3.36
Onderafdeling 3. - Activiteiten met meer dan zesduizend deelnemers per dag
Art. 2.3.37-2.3.45
Afdeling 5. - De toekenning van financiële of materiële steun
Art. 2.3.46-2.3.49
HOOFDSTUK 2. - Verbetering van de milieuprestatie van de voertuigen
Art. 2.3.50
HOOFDSTUK 3. - Parkings buiten de openbare weg
Afdeling 1. - Algemeenheden
Art. 2.3.51
Afdeling 2. - Toepassingsgebied
Art. 2.3.52
Afdeling 3. - Aantal toegestane parkeerplaatsen
Art. 2.3.53-2.3.54
Afdeling 4. - Milieubelasting
Art. 2.3.55-2.3.62
TITEL 4. - Bepalingen betreffende het voorbeeldgedrag van de overheden
HOOFDSTUK 1. - Energie- en milieucriteria van toepassing op de vastgoedinvesteringen
Art. 2.4.1-2.4.3
HOOFDSTUK 2. - Openbare verlichting
Art. 2.4.4
HOOFDSTUK 3. - Voorbeeldgedrag van de overheden inzake vervoer
Art. 2.4.5-2.4.8
HOOFDSTUK 4. - Duurzame aankopen
Art. 2.4.9
TITEL 5. - Bepalingen betreffende de professionals [1 en de ondernemingen]1
HOOFDSTUK 1. - Erkenning en certificering van de professionals
Art. 2.5.1-2.5.6
HOOFDSTUK 2. [1 - Verplichte energieaudit voor de grote ondernemingen]1
Art. 2.5.7
TITEL 6. - Overtredingen en sancties
HOOFDSTUK 1. - Administratieve boeten
Art. 2.6.1-2.6.4
HOOFDSTUK 2. - Strafrechtelijke sancties
Art. 2.6.5-2.6.6
BIJLAGEN aan het boek 2
Art. N2.1-N2.4
BOEK 3. - SPECIFIEKE BEPALINGEN VOOR LUCHT EN KLIMAAT
TITEL 1. - Algemeenheden
Art. 3.1.1
TITEL 2. - Specifieke bepalingen voor de luchtkwaliteit en de emissie van luchtverontreinigende stoffen
HOOFDSTUK 1. - Opdrachten van het Instituut
Art. 3.2.1
HOOFDSTUK 2. - Indeling in zones
Art. 3.2.2
HOOFDSTUK 3. - Beoordeling van de luchtkwaliteit
Afdeling 1. - Identificatie van de verontreinigende stoffen die het voorwerp van een evaluatie vormen
Art. 3.2.3-3.2.6
Afdeling 2. - Beoordelingsregels
Art. 3.2.7
HOODSTUK 4. - Beheer van de luchtkwaliteit en van de emissie van luchtverontreinigende stoffen
Art. 3.2.8-3.2.10
HOODSTUK 5. - Actieplan op korte termijn
Art. 3.2.11
HOOFDSTUK 6. - Grensoverschrijdende luchtverontreiniging
Art. 3.2.12
HOOFDSTUK 7. - Informatie van de bevolking
Art. 3.2.13-3.2.15
HOOFDSTUK 8. - Lage-emissiezones
Art. 3.2.16-3.2.27
TITEL 3. - Specifieke bepalingen inzake emissie van broeikasgassen
HOOFDSTUK 1. - Systeem van handel in broeikasgasemissierechten
Afdeling 1. - Vergunning voor broeikasgasemissies
Art. 3.3.1-3.3.3
Afdeling 2. - Uitreiking, overdracht, geldigheid en vernietiging van de emissierechten
Art. 3.3.4-3.3.7
Afdeling 3. - Nieuwkomers en wijzigingen van de capaciteit, het activiteitsniveau of de exploitatie
Art. 3.3.8-3.3.13
Afdeling 4. - Toezicht, aangifte en verificatie van de emissies en inlevering van de emissierechten
Art. 3.3.14-3.3.15
Afdeling 5. - Rapporten
Art. 3.3.16
HOOFDSTUK 2. - Investeringen, gebruik van de koolstofeenheden en van de projectmechanismen
Art. 3.3.17-3.3.20
HOOFDSTUK 3. - Toegang tot de informatie
Art. 3.3.21
TITEL 4. - Overtredingen en sancties
HOOFDSTUK 1. - Administratieve boetes
Art. 3.4.1, 3.4.1/1, 3.4.2
HOOFDSTUK 2. - Strafrechtelijke sancties
Art. 3.4.3
BIJLAGEN aan het boek 3
Art. N3.1-N3.7
BOEK 4. - SLOTBEPALINGEN
TITEL 1. - Wijzigingsbepalingen
HOOFDSTUK 1. - Wijzigingen van de ordonnantie van 5 juni 1997 betreffende de milieuvergunningen
Art. 4.1.1
HOOFDSTUK 2. - Wijzigingen van de ordonnantie van 25 maart 1999 betreffende de opsporing, de vaststelling, de vervolging en de bestraffing van misdrijven inzake leefmilieu
Art. 4.1.2
HOOFDSTUK 3. - Wijzigingen van de ordonnantie van 18 maart 2004 betreffende de milieueffectenbeoordeling van bepaalde plannen en programma's
Art. 4.1.3
HOOFDSTUK 4. - Wijziging van de ordonnantie van 12 december 1991 houdende oprichting van de begrotingsfondsen
Art. 4.1.4
HOOFDSTUK 5. - Wijziging van het BWRO
Art. 4.1.5
TITEL 2. - Opheffingsbepalingen
Art. 4.2.1-4.2.4
TITEL 3. - Overgangsbepalingen
Art. 4.3.1
TITEL 4. - Inwerkingtreding
Art. 4
TITEL 5. - Algemene coördinatie
Art. 4.5.1

Tekst Inhoudstafel Begin
BOEK 1. - ALGEMENE BEPALINGEN

  TITEL 1. - Algemeenheden

  Artikel 1.1.1. Onderhavig Wetboek regelt een materie als bedoeld in artikel 39 van de Grondwet.

  Art. 1.1.2. Onderhavig Wetboek zet de volgende richtlijnen om in het Brussels Hoofdstedelijk Gewest :
  1° gedeeltelijk, Richtlijn 2001/81/EG van het Europees Parlement en de Raad van 23 oktober 2001 inzake nationale emissieplafonds voor bepaalde luchtverontreinigende stoffen;
  2° Richtlijn 2010/31/EU van het Europees Parlement en de Raad van 19 mei 2010 betreffende de energieprestatie van gebouwen;
  3° Richtlijn 2003/87/EG van het Europees Parlement en de Raad van 13 oktober 2003 tot vaststelling van een regeling voor de handel in broeikasgasemissierechten binnen de Gemeenschap en tot wijziging van Richtlijn 96/61/EG van de Raad, Richtlijn 2004/101/EG van het Europees Parlement en de Raad van 27 oktober 2004 houdende wijziging van Richtlijn 2003/87/EG, met betrekking tot de projectgebonden mechanismen van het Protocol van Kyoto, en Richtlijn 2009/29/EG van het Europees Parlement en de Raad van 23 april 2009 tot wijziging van Richtlijn 2003/87/EG teneinde de regeling voor de handel in broeikasgasemissierechten van de Gemeenschap te verbeteren en uit te breiden;
  4° Richtlijn 2004/107/EG van het Europees Parlement en de Raad van 15 december 2004 betreffende arseen, cadmium, kwik, nikkel en polycyclische aromatische koolwaterstoffen in de lucht;
  5° gedeeltelijk, Richtlijn 2012/27/EU van het Europees Parlement en de Raad van 25 oktober 2012 betreffende energie-efficiëntie, tot wijziging van Richtlijnen 2009/125/EG en 2010/30/EU en houdende intrekking van de Richtlijnen 2004/8/EG en 2006/32/EG;
  6° Richtlijn 2008/50/EG van het Europees Parlement en de Raad van 21 mei 2008 betreffende de luchtkwaliteit en schonere lucht voor Europa;
  7° gedeeltelijk, Richtlijn 2009/28/EG van het Europees Parlement en de Raad van 23 april 2009 ter bevordering van het gebruik van energie uit hernieuwbare bronnen;
  8° gedeeltelijk, Richtlijn 2008/99/EG van het Europees Parlement en de Raad van 19 november 2008 inzake de bescherming van het milieu door middel van het strafrecht.

  TITEL 2. - Doelstellingen

  Art. 1.2.1. Onderhavig Wetboek streeft de volgende doelstellingen na :
  1° een geïntegreerd gewestelijk lucht-, klimaat- en energiebeleid;
  2° de minimalisering van de primaire energiebehoeften en vooral de vermindering van de afhankelijkheid van niet hernieuwbare energiebronnen;
  3° het gebruik van energie uit hernieuwbare bronnen;
  4° de bevordering van het rationele energieverbruik;
  5° de verbetering van de energieprestatie en van het binnenklimaat van de gebouwen;
  6° de vermindering van de impact op het milieu voortvloeiend uit de mobiliteitsbehoeften;
  7° de evaluatie en verbetering van de luchtkwaliteit en van de binnenlucht om de schadelijke gevolgen voor de gezondheid en het leefmilieu te voorkomen en te verminderen;
  8° de vermindering van de emissies van luchtverontreinigende stoffen die precursoren zijn van eutrofiërende, verzurende en troposferische ozon, van broeikasgassen, van persistente organische verontreinigende stoffen en van verontreinigende stoffen die de stratosferische ozonlaag aantasten;
  9° het voorbeeldgedrag van de overheden inzake energieprestatie van de gebouwen, transport en rationeel energieverbruik.
  De maatregelen die door of krachtens onderhavig Wetboek genomen worden om de doelstellingen verkondigd in het eerste lid te halen houden rekening met de verschillende implicaties op sociaal en economisch vlak, alsook met de diverse aspecten van duurzaam bouwen.

  TITEL 3. - Definities

  Art. 1.3.1. In de zin van onderhavig Wetboek dient men te verstaan onder :
  1° " Gewest " : het Brussels Hoofdstedelijk Gewest;
  2° " Regering " : de Brusselse Hoofdstedelijke Regering;
  3° " Het Instituut " : het Brussels Instituut voor Milieubeheer opgericht door het koninklijk besluit van 8 maart 1989;
  4° " Overheid " : een rechtspersoon die, om welke reden ook, een gebouw betrekt op het grondgebied van het Gewest of er activiteiten uitoefent en die tot één van de volgende categorieën behoort :
  a) de federale, gewestelijke en gemeenschapsoverheden, de lokale plaatselijke besturen en de instellingen van openbaar nut;
  b) elke instelling niet beoogd in punt a) :
  - opgericht met het specifieke doel te voorzien in behoeften van algemeen belang die niet van industriële of commerciële aard zijn en
  - waarvan de activiteit grotendeels wordt gefinancierd door de overheden beoogd in punten a) en b), of waarvan het beheer onderworpen is aan een controle door deze laatste, en
  - waarvan het bestuurs-, leidinggevend of toezichthoudend orgaan samengesteld is uit leden waarvan meer dan de helft aangesteld wordt door de overheden beoogd in punten a) en b);
  c) de verenigingen gevormd door één of meer overheden beoogd in punten a) en b);
  d) de Europese en internationale instellingen;
  5° " Plaatselijke besturen " : de gemeenten, de autonome gemeentelijke regieën, de OCMW's en verenigingen van OCMW's, de intercommunales waarvan het ambtsgebied het grondgebied van het Gewest niet overschrijdt;
  6° " Gewestelijke overheden " : het Gewest en de instellingen van openbaar nut en overheidsbedrijven opgericht of gecontroleerd door het Gewest of waarmee het Gewest een beheersovereenkomst heeft gesloten;
  7° " BWRO " : Brussels Wetboek van Ruimtelijke Ordening, vastgelegd bij besluit van de Brusselse Hoofdstedelijke Regering van 9 april 2004;
  8° " Biomassa " : de biologisch afbreekbare fractie van producten, afvalstoffen en residuen van de landbouw (inclusief plantaardige en dierlijke stoffen), de bosbouw en aanverwante bedrijfstakken, de visvangst en de aquacultuur inbegrepen, alsmede de afbreekbare fractie van industrieel en huishoudelijk afval;
  9° " Energie uit hernieuwbare bronnen " : energie uit hernieuwbare niet fossiele bronnen, namelijk : wind-, zonne-, aerothermische, geothermische, hydrothermische energie en energie uit de oceanen, waterkracht, biomassa, stortgas, gas van rioolzuiveringsinstallaties en biogassen;
  10° " Primaire energie " : energie uit hernieuwbare of niet hernieuwbare bronnen die geen omzettings- of verwerkingsproces ondergaan heeft;
  11° " Energie-efficiëntie " : de verhouding tussen de verkregen prestatie, dienst, goederen of energie, en de energietoevoer hiervoor;
  12° " Milieucollege " : college bedoeld in artikel 79 van de ordonnantie van 5 juni 1997 betreffende de milieuvergunningen.

  TITEL 4. - Gewestelijk lucht-klimaat-energieplan

  HOOFDSTUK 1. - Inhoud en draagwijdte van het plan

  Art. 1.4.1. Het gewestelijk Lucht-Klimaat-Energieplan, hierna " het plan " genoemd, legt de richtsnoeren alsook de maatregelen vast die moeten worden genomen om ten minste de doelstellingen vastgelegd in onderhavig Wetboek te bereiken, overeenkomstig het beleid van de Europese Unie en het internationaal recht inzake lucht, klimaat en energie.
  Het is samengesteld uit de volgende delen :
  1° een deel dat betrekking heeft op de stand van zaken in het Brussels Hoofdstedelijk Gewest;
  2° een deel dat handelt over de te bereiken doelstellingen over een periode van tien jaar en de indicatieve doelstellingen op lange termijn;
  3° een deel dat de maatregelen opsomt die over een periode van vijf jaar moeten worden ingevoerd om deze doelstellingen te bereiken.
  De minimuminformatie vervat in het plan is opgenomen in bijlage 1.1.

  Art. 1.4.2. De plannen, de programma's en de politieke beleidsdocumenten uitgewerkt door het Gewest of door de gewestelijke overheden of plaatselijke besturen voor wat huisvesting, mobiliteit of onderzoek en innovatie betreft, alsook de plannen en programma's beoogd in het BWRO sluiten aan bij de doelstellingen die het gewestelijk Lucht-Klimaat-Energieplan nastreeft. Hetzelfde geldt voor de beheersovereenkomsten en andere overeenkomsten die het Gewest met de gewestelijke overheden heeft gesloten. Het gewestelijk Lucht-Klimaat-Energieplan sluit aan op de doelstellingen van het Gewestelijk Plan voor Duurzame Ontwikkeling.

  Art. 1.4.3. Het plan wordt om de vijf jaar opgemaakt. Het blijft van toepassing zolang het niet wordt vervangen.

  HOOFDSTUK 2. - Procedure voor de opstelling van het plan

  Afdeling 1. - Milieu-evaluatie

  Art. 1.4.4. Het plan wordt onderworpen aan een milieu-evaluatie overeenkomstig de bepalingen van onderhavig Wetboek of de bepalingen genomen in uitvoering van dat Wetboek.

  Art. 1.4.5. In samenwerking met de gewestelijke besturen bevoegd inzake mobiliteit, huisvesting, economie en ruimtelijke ordening werkt het Instituut een voorstel van voorontwerp van plan uit alsook een voorstel van bestek betreffende het milieu-effectenrapport bedoeld in artikel 1.4.6.
  Het legt het voorstel van voorontwerp van plan en bestek betreffende het milieu-effectenrapport ter goedkeuring voor aan de Regering.

  Art. 1.4.6. Het voorontwerp van plan, zoals goedgekeurd door de Regering, vormt het voorwerp van een milieu-effectenrapport dat de vermoedelijk zichtbare gevolgen voor het milieu van de invoering van het plan alsook de redelijke alternatieve oplossingen identificeert, beschrijft en evalueert, rekening houdend met de doelstellingen en het geografisch toepassingsgebied van het plan. Het omvat minstens de informatie opgenomen in bijlage 1.2.
  Zodra de Regering het voorstel van voorontwerp van plan en bestek heeft goedgekeurd, wordt dit verslag binnen een termijn van zes maanden opgesteld.
  Het wordt ter goedkeuring voorgelegd aan de Regering. Zij stelt de lijst op van de overheden voor wie de uitvoering van het plan gevolgen kan hebben en wier advies zal worden gevraagd overeenkomstig artikel 1.4.10. De Regering kan het voorontwerp van plan wijzigen in functie van de inhoud van het milieu-effectenrapport.

  Art. 1.4.7. De Regering bezorgt het ontwerp van plan aan het Instituut met het oog op het openbaar onderzoek. Het ontwerp van plan wordt ook aan het Parlement ter informatie bezorgd.

  Art. 1.4.8. Ingeval de uitvoering van het plan merkbare gevolgen voor het milieu van een ander Gewest of een andere Lidstaat kan hebben, of wanneer een Gewest of een Lidstaat daarom verzoekt, bezorgt de Regering aan dit Gewest of aan deze Staat een kopie van het ontwerpplan en van het milieu-effectenrapport binnen een termijn van maximum dertig dagen, samen met een voorstel dat de samenwerkingsmodaliteiten vastlegt.

  Afdeling 2. - Openbaar onderzoek en adviezen

  Art. 1.4.9. § 1. Het Instituut onderwerpt het ontwerpplan en het bijhorende milieu-effectenrapport aan een openbaar onderzoek.
  Het openbaar onderzoek wordt door middel van aanplakkingen aangekondigd in elk van de gemeenten van het Gewest, door middel van een bericht in het Belgisch Staatsblad en in ten minste drie Franstalige kranten en drie Nederlandstalige kranten die in het Gewest worden verspreid, alsook door middel van een mededeling verspreid over radio en televisie. De bekendmaking vermeldt de begin- en einddata van het openbaar onderzoek. Naast de voornoemde bekendmakingsmaatregelen wordt het openbaar onderzoek ook aangekondigd op de site van het Instituut.
  § 2. Nadat die bekendmakingen zijn geschied, worden het ontwerpplan en het milieueffectenrapport gedurende minstens zestig dagen op het gemeentehuis van elke gemeente van het Gewest ter beschikking van het publiek gesteld alsook via de website van de gemeente. Minstens de helft van de termijn van zestig dagen valt buiten de schoolvakanties.
  Het ontwerpplan en het milieu-effectenrapport worden bovendien op de website van het Instituut gepubliceerd.
  § 3. De bezwaren en opmerkingen, waarvan de indieners een kopie naar het College van burgemeester en schepenen van de betrokken gemeenten mogen opsturen, worden tot het Instituut gericht binnen de onderzoekstermijn, hetzij via de post, hetzij elektronisch.

  Art. 1.4.10. Samen met het openbaar onderzoek legt het Instituut het ontwerpplan en het milieu-effectenrapport om advies voor aan de volgende instanties :
  1° de Raad voor het Leefmilieu van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest, de Raad van Gebruikers van Elektriciteit en Gas, de Adviesraad voor Huisvesting, de Gewestelijke Mobiliteitscommissie, de Gewestelijke Ontwikkelingscommissie, de Economische en Sociale Raad voor het Brussels Hoofdstedelijk Gewest en de Vereniging van de Stad en de Gemeenten van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest;
  2° de overheden bedoeld in artikel 1.4.6, derde lid.
  De adviezen worden gericht tot het Instituut via de post of langs elektronische weg. Indien ze niet voor het verstrijken van de termijn van het openbaar onderzoek worden bezorgd, wordt er geen rekening mee gehouden.

  Afdeling 3. - Goedkeuring van het plan

  Art. 1.4.11. Het Instituut vervolledigt, wijzigt of verduidelijkt het ontwerpplan om rekening te houden met de adviezen en opmerkingen die binnen de termijn van het openbaar onderzoek werden uitgebracht overeenkomstig de bepalingen van afdeling 2.
  Het Instituut stelt ook een ontwerp van milieuverklaring op dat de wijze samenvat waarop deze adviezen en opmerkingen en het milieu-effectenrapport reeds in aanmerking zijn genomen in het ontwerpplan alsook de redenen voor de keuze van het aldus opgestelde ontwerpplan, rekening houdend met de overige redelijke oplossingen die werden overwogen.

  Art. 1.4.12. Het vervolledigde, gewijzigde of verduidelijkte ontwerpplan, het milieu-effectenrapport en het ontwerp van milieuverklaring worden binnen negentig dagen na de sluiting van het openbaar onderzoek aan de Regering overgemaakt.

  Art. 1.4.13. De Regering legt het plan in zijn definitieve vorm vast uiterlijk twaalf maanden na de goedkeuringsdatum van het voorstel van voorontwerp van plan.
  Het besluit van de Regering waarbij het plan wordt goedgekeurd, wordt bij uittreksel bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad.
  De Regering bezorgt het plan, het milieu-effectenrapport en de milieuverklaring over aan het Brussels Hoofdstedelijk Parlement.

  Art. 1.4.14. Het Instituut publiceert de eindversie van het plan, het effectenrapport en de milieuverklaring op zijn website.

  HOOFDSTUK 3. - Opvolging en wijziging van het plan

  Art. 1.4.15. In overleg met de regionale besturen bedoeld in artikel 1.4.5, eerste lid, evalueert het Instituut de uitvoering van het plan, meer bepaald om de onvoorziene negatieve gevolgen te identificeren en, in voorkomend geval, een wijzigingsprocedure aan te vangen. Het Instituut publiceert jaarlijks een synthese van de prestatie-indicatoren van de tenuitvoerlegging.
  Elke substantiële wijziging van het plan wordt onderworpen aan de goedkeurings- en bekendmakingsregels waarin voorzien in hoofdstuk 2.
  In afwijking van het vorige lid, wordt elke wijziging van het plan voortvloeiend uit verplichtingen afgeleid van de Europese regelgeving of internationale instrumenten die nog niet waren verschenen op het tijdstip dat de Regering het voorstel van voorontwerp van plan heeft goedgekeurd, slechts aan de bepalingen van hoofdstuk 2 onderworpen wanneer de uitvoering van die verplichtingen vóór het verstrijken van de termijn van vijf jaar waarin het plan van toepassing is verplicht moet worden aangevangen.
  In deze hypothese, wijzigt de Regering zelf het plan op voorstel van het Instituut en maakt het gewijzigde plan eraan over opdat het Instituut het overeenkomstig artikel 1.4.14. zou kunnen bekendmaken.

  TITEL 5. - Gewestelijk lucht-klimaat-energierapport

  Art. 1.5.1. Het Instituut wordt belast met de opstelling van het gewestelijk lucht-klimaat-energierapport dat de vooruitgang in de uitvoering van het gewestelijk Lucht-Klimaat-Energieplan evalueert.
  Het Instituut legt het ontwerp van gewestelijk rapport om advies voor aan de overheden bedoeld in artikel 1.4.6, derde lid. Indien zij hun advies niet binnen 45 dagen na het verzoek meedelen, wordt dit verwaarloosd.
  Het gewestelijk lucht-klimaat-energierapport wordt bezorgd aan de Regering uiterlijk vier jaar na de goedkeuring van het plan.
  De Regering maakt dit rapport over aan het Brussels Hoofdstedelijk Parlement en aan de Raad voor het Leefmilieu van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest, aan de Adviesraad voor Huisvesting, aan de Gewestelijke Mobiliteitscommissie, aan de Gewestelijke Ontwikkelingscommissie en aan de Economische en Sociale Raad voor het Brussels Hoofdstedelijk Gewest.
  Het gewestelijk lucht-klimaat-energierapport wordt op de internetsite van het Instituut gepubliceerd.

  TITEL 6. - Toegang tot de informatie

  Art. 1.6.1. Op vraag van het Instituut, delen de overheden, binnen de kortst mogelijke termijnen, de informatie mee die noodzakelijk geacht wordt voor de follow-up van de uitvoering van het gewestelijk Lucht-Klimaat-Energieplan en voor de naleving van de Europese en internationale verplichtingen die het Gewest inzake rapportering dient na te leven.

  BIJLAGEN aan het boek 1

  Art. N1.1. BIJLAGE 1.1 - Structuur en minimuminhoud van het lucht-klimaat-energieplan
  I. Het gewestelijk lucht-klimaat-energieplan, hierna " het plan " genoemd, steunt op de volgende kernelementen :
  1) De stand van zaken inzake lucht, klimaat en energie in de Brusselse context en de verwachte evolutie bij ongewijzigd beleid.
  2) De belangrijkste sociaaleconomische en milieu-eigenschappen van het Brussels Gewest die de stand van zaken vermeld in punt 1 bepalen.
  3) De doelstellingen die op korte, middellange en lange termijn worden nagestreefd op het vlak van :
  - beheersing van het energieverbruik;
  - verbetering van de energie-efficiëntie van de gebouwen;
  - verhoging van de energieproductie uit hernieuwbare bronnen en het gebruik van dat type energie;
  - vermindering van de impact op het milieu van de mobiliteitsbehoeften;
  - daling van de uitstoot van luchtverontreinigende stoffen;
  - verbetering van de luchtkwaliteit;
  - daling van de emissies van broeikasgassen.
  4) De richtsnoeren die aan de basis van het plan liggen.
  5) De omstandige beschrijving van de voorgestelde maatregelen om de in het plan beoogde doelstellingen te bereiken.
  6) De planning van de te ondernemen acties en de identificatie van de betrokken actoren.
  7) De raming van de middelen die nodig zijn voor de uitvoering van het plan.
  II. Het plan wordt overkoepelend opgesteld en wijst uitdrukkelijk op de verbanden tussen het energieverbruik en de mobiliteitsbehoeften, de uitstoot van luchtverontreinigende stoffen, de luchtkwaliteit en de klimaatveranderingen.
  Het omvat minstens de volgende elementen :
  1) Een beknopte beschrijving van de huidige situatie en van de evolutie van het verbruik van producten, exploitatie van installaties, energieproductie en -verbruik in het Brussels Hoofdstedelijk Gewest, alsook de volgende elementen :
  a) De evaluatie van de maatregelen met het oog op de vermindering van het energieverbruik, de bevordering van energie uit hernieuwbare bronnen en de toegankelijkheid van de energie voor iedereen.
  b) De evaluatie van de milieumaatregelen op het vlak van transport.
  c) De gegevens betreffende het transport die relevant zijn in termen van luchtvervuiling.
  d) De evaluatie van de emissies voortvloeiend uit de energie- en mobiliteitsbehoeften.
  2) De maatregelen tot vermindering van het verbruik van producten, de exploitatie van installaties, de energieproductie en -verbruik.
  In dat kader omvat het plan, in overeenstemming met de geldende Europese Richtlijnen, het volgende :
  a) Op het vlak van de energieprestatie van de gebouwen :
  i) tussentijdse doelstellingen om de energieprestatie van de nieuwe gebouwen te verbeteren;
  ii) een gedetailleerde beschrijving van de toepassing, in de praktijk, van de definitie van de " zero energie "-verbruikgebouwen die een numerieke indicator van het primaire energieverbruik uitgedrukt in kwh/m2 omvat;
  iii) de maatregelen ter bevordering van de " zero energie "-verbruikgebouwen, met inbegrip van het gebruik van energie uit hernieuwbare bronnen.
  b) Op het vlak van de energie-efficiëntie :
  i) de maatregelen die de vooropgestelde energie-efficiëntie dienen te verbeteren om de gewestelijke doelstelling op het vlak van energiebesparing te halen;
  ii) de maatregelen die gevolg geven aan de verplichtingen voorzien in onderhavig Wetboek op het vlak van het voorbeeldgedrag van de overheden en het verstrekken van informatie en advies aan de eindafnemers.
  3) De maatregelen die energie uit hernieuwbare bronnen en het gebruik van dat type energie op het grondgebied van het Gewest bevorderen en in dat kader :
  a) De informatie betreffende het aandeel van de energie uit hernieuwbare bronnen in het voorziene eindenergieverbruik, met name het bruto-eindverbruik van energie voor elektriciteit, vervoer, verwarming en koeling in 2020, rekening houdend met het effect van beleidsmaatregelen inzake energie-efficiëntie.
  b) De sectorale doelstellingen voor 2020 en de geraamde evolutie van het aandeel van de energie uit hernieuwbare bronnen voor elektriciteit, verwarming, koeling en transport.
  4) De maatregelen tot vermindering van de emissies van luchtverontreinigende stoffen en broeikasgassen voortvloeiend uit de mobiliteitsbehoeften.
  5) De maatregelen voor toezicht op en beheer van de luchtkwaliteit; overeenkomstig de Europese normen, vermeldt het plan op dat vlak volgende gegevens :
  a) De plaatsen waar de luchtkwaliteitsnormen eventueel overschreden worden, per zone en meetstation (kaart, geografische coördinaten).
  b) De volgende algemene informatie :
  - Soort gebied (stad, industriezone of landelijk gebied).
  - Raming van de omvang van het verontreinigde gebied (km2) en van de bevolking die aan de verontreiniging is blootgesteld.
  - Relevante klimatologische gegevens.
  Relevante topografische gegevens.
  - Voldoende gegevens over de beschermingsbehoeften in het betrokken gebied.
  c) De aard en de beoordeling van de verontreiniging : in de voorgaande jaren waargenomen concentraties (vóór de tenuitvoerlegging van de maatregelen ter verbetering), sedert de start van het project gemeten concentraties alsook de technieken die voor de beoordeling worden gebruikt.
  d) De bronnen van de verontreiniging : de lijst van de belangrijkste emissiebronnen die verantwoordelijk zijn voor de verontreiniging (kaart), de totale emissie van deze bronnen (ton/jaar), en informatie over de verontreiniging vanuit andere gebieden.
  e) De analyse van de situatie : bijzonderheden over de factoren die verantwoordelijk zijn voor de overschrijding (bv. vervoer, ook grensoverschrijdend; vorming van secundaire verontreinigende stoffen in de atmosfeer), en mogelijke maatregelen ter verbetering van de luchtkwaliteit.
  f) Bijzonderheden over de verbeteringsmaatregelen of -projecten alvorens het ontwerp van plan wordt opgesteld : de plaatselijke, gewestelijke, nationale en internationale maatregelen en de waargenomen gevolgen van deze maatregelen.
  g) Bijzonderheden over goedgekeurde maatregelen of projecten ter beperking van de verontreiniging alvorens het ontwerp van plan wordt opgesteld : opsomming en beschrijving van alle maatregelen die zijn opgenomen in het project, tijdschema voor de uitvoering en raming van de verwachte verbetering van de luchtkwaliteit en van de tijd die nodig is om die doelstellingen te realiseren.
  h) Bijzonderheden over de maatregelen of projecten die voor de lange termijn worden gepland of overwogen.
  i) De lijst van publicaties, documenten, werkzaamheden, enz. ter aanvulling van de in deze bijlage vereiste informatie.
  6) Een beschrijving van de problematiek van de klimaatveranderingen en van de maatregelen om zich aan die klimaatveranderingen aan te passen.
  7) De mechanismen om de emissierechten van broeikasgassen te financieren, te volgen en te beheren.
  8) De mechanismen om de ontwikkelingslanden financieel en technologisch te ondersteunen om de klimaatveranderingen te bestrijden en zich aan die situatie aan te passen.
  9) De punten waarover overleg zal worden gepleegd met de overige entiteiten om de doelstellingen uiteengezet in punt 1 te bereiken.
  10) De voorwaarden voor de actieve bekendmaking van de informatie over lucht, klimaat en energie, met inbegrip van de gegevens ingezameld met toepassing van de verordening (EG) 2008/1099 van 22 oktober 2008 betreffende energiestatistieken.

  Art. N1.2. BIJLAGE 1.2 - Minimuminhoud van het milieu-effectenrapport bedoeld in artikel 1.4.6
  Het milieu-effectenrapport dient de volgende informatie te verstrekken :
  1) De beschrijving van de verwachte gevolgen voor het milieu in geval van ongewijzigd beleid.
  2) De doelstellingen inzake milieubescherming vastgelegd op internationaal, communautair of gewestelijk niveau die relevant zijn voor het plan en de wijze waarop die doelstellingen en de zorg voor het milieu in acht zijn genomen tijdens de opstellen ervan.
  3) De samenvatting van de doelstellingen die het plan nastreeft, de voorgestelde maatregelen om die doelstellingen te bereiken en de relevante verbanden met de overige plannen en programma's.
  4) Wat de door het plan voorgestelde maatregelen betreft, een beschrijving van :
  a) de geschiktheid van die maatregelen voor de doelstellingen die het plan nastreeft;
  b) de mogelijke positieve en negatieve gevolgen voortvloeiend uit de toepassing van de maatregelen op korte, middellange en lange termijn;
  c) de voorgenomen maatregelen om de aanzienlijke negatieve effecten op het milieu van de geplande maatregelen te voorkomen, te beperken of teniet te doen;
  d) de milieukenmerken van gebieden waarvoor de gevolgen aanzienlijk kunnen zijn.
  5) Een overzicht van de redenen voor de selectie van de overwogen oplossingen en een beschrijving van de wijze waarop de beoordeling is uitgevoerd.
  6) Een beschrijving van de voorgenomen monitoringsmaatregelen.
  7) Een niet-technische samenvatting van de in de bovenstaande punten verstrekte informatie.

  BOEK 2. - SECTORALE MAATREGELEN

  TITEL 1. - Algemeenheden

  Art. 2.1.1.In de zin van onderhavig boek, verstaat men onder :
  1° " Energieprestatie van een gebouw (EPB) " : de hoeveelheid energie die effectief wordt verbruikt of nodig geacht wordt om te voldoen aan de verschillende behoeften bij een standaard gebruik van het gebouw, met onder andere verwarming, warm water, koelsysteem, ventilatie en verlichting. Deze hoeveelheid wordt uitgedrukt in één of meer cijfermatige indicatoren die door berekening worden verkregen, rekening houdend met de isolatie, de technische kenmerken van de installaties, het ontwerp van het gebouw en met de ligging ervan, rekening houdend met de klimaatparameters, de blootstelling aan de zon en de aanwezigheid van aanpalende structuren, eigen energieproductie en andere factoren, zoals het binnenklimaat, die de energievraag beïnvloeden;
  2° " EPB-eenheid " : een verzameling van [1 lokalen in eenzelfde beschermd volume, ontworpen of gewijzigd om afzonderlijk gebruikt te worden]1 en dat beantwoordt aan de definitie van een bestemming vastgelegd door de Regering;
  3° " Nieuw " : kwalificatie gegeven aan een EPB-eenheid die het voorwerp vormt van bouwwerkzaamheden waarvoor een stedenbouwkundige vergunning vereist is;
  4° " Zwaar gerenoveerd " : wanneer een stedenbouwkundige vergunning aangevraagd wordt, kwalificatie gegeven aan een EPB-eenheid die het voorwerp vormt van werkzaamheden die de energieprestatie beïnvloeden en die op meer dan 50 % van de warmteverliesoppervlakte slaan, en werkzaamheden in verband met de technische installaties ervan, kunnen deze criteria nader bepaald worden door de Regering;
  5° " Eenvoudig gerenoveerd " : kwalificatie gegeven aan een EPB-eenheid onderworpen aan een stedenbouwkundige vergunning die het voorwerp vormt van werkzaamheden met warmteverliesoppervlakte van de EPB-eenheid waarbij de werkzaamheden niet onder de criteria voor de kwalificatie van zwaar gerenoveerd vallen;
  6° " EPB-eisen " : alle voorwaarden waaraan een EPB-eenheid en/of een technische installatie moet voldoen op het vlak van energieprestatie, thermische isolatie, binnenklimaat en ventilatie;
  7° " Kostenoptimaal niveau " : het energieprestatieniveau dat gedurende de geraamde economische levensduur de laagste kosten met zich meebrengt, die worden bepaald aan de hand van de energiegerelateerde investeringskosten en, desgevallend de onderhouds- en bedrijfskosten (met inbegrip van energiekosten en -besparingen, de categorie van het desbetreffende gebouw, de opbrengst van de energieproductie) en verwijderingskosten. Het kostenoptimaal niveau ligt binnen het scala van prestatieniveaus waarvoor de berekende kosten-batenanalyse over de geraamde economische levensduur van een gebouw positief is;
  8° " Zero energieverbruik " : geen of zeer laag energieverbruik, verkregen dankzij een hoge energie-efficiëntie en die in zeer aanzienlijke mate dient te worden geleverd uit hernieuwbare bronnen, met name de energie die ter plaatse of dichtbij uit hernieuwbare bronnen wordt geproduceerd;
  9° " EPB-aangifte " : het document dat de getroffen maatregelen beschrijft met het oog op de naleving van de EPB-eisen en dat door berekening bepaalt of die eisen nageleefd zijn;
  10° " Aangever " : natuurlijke of rechtspersoon die ertoe gehouden is de EPB-eisen na te leven en in wiens naam en voor wiens rekening de bouwwerkzaamheden of de renovatie worden uitgevoerd;
  11° " EPB-certificaat " : document dat de indicatoren voor de energieprestatie van een EPB-eenheid in numerieke, alfabetische en grafische vorm weergeeft;
  12° " EPB-certificaat openbaar gebouw " : document dat de indicatoren voor de energieprestatie van alle EPB-eenheden die door een overheid worden gebruikt in eenzelfde gebouw, in numerieke, alfabetische en grafische vorm weergeeft, en daarbij rekening houdt met het reële jaarlijkse verbruik;
  13° " Aanvraag " : een aanvraag om stedenbouwkundige vergunning bedoeld in artikel 98 van het Brussels Wetboek van Ruimtelijke Ordening;
  14° " Aanvrager " : natuurlijke of rechtspersoon, openbaar of privé, die een aanvraag indient;
  15° " EPB-adviseur " : natuurlijke of rechtspersoon erkend om het EPB-voorstel, de kennisgeving van het begin van de werkzaamheden en de EPB-aangifte op te maken;
  16° " Certificateur " : natuurlijke of rechtspersoon die erkend is om de EPB-certificaten en of EPB-certificaten openbaar gebouw uit te reiken;
  17° " Technicus " : erkende natuurlijke persoon belast met het onderhoud van technische installaties;
  18° " Controleur " : erkende natuurlijke persoon, onafhankelijk van de persoon die de EPB-eisen van toepassing op technische installaties moet naleven, belast met de controle van technische installaties;
  19° " Kwaliteitswarmtekrachtkoppeling " : de gelijktijdige omzetting van primaire brandstoffen in mechanische of elektrische en thermische energie waarbij voldaan wordt aan de criteria vastgelegd conform artikel 16 van de ordonnantie van 19 juli 2001 betreffende de organisatie van de elektriciteitsmarkt in het Brussels Hoofdstedelijk Gewest;
  20° " Klimaatregelingssysteem " : een combinatie van alle noodzakelijke componenten om een vorm van luchtbehandeling te verzekeren in een gebouw, waardoor de temperatuur wordt gecontroleerd of kan worden verlaagd, eventueel in combinatie met een regeling van de verluchting, de vochtigheid en/of de zuiverheid van de lucht;
  21° " Verwarmingssysteem " : combinatie van de noodzakelijke componenten om de lucht van een gebouw en/of het sanitaire warme water te verwarmen, met inbegrip van de warmtegenerator(en), de verdeel-, opslag- en emissiecircuits en de regelsystemen;
  22° " Ketel " : warmtegenerator bestaande uit een brander en een ketellichaam, bedoeld om de door verbranding vrijgekomen warmte af te geven aan een vloeistof;
  23° " Technische installatie " :
  a) ventilatiesystemen;
  b) klimaatregelingssystemen;
  c) verwarmingssystemen;
  d) verlichtingssystemen;
  e) vaste systemen voor het vervoeren van personen of lasten van de ene verdieping naar de andere in het gebouw;
  f) een combinatie van die installaties;
  24° " Nuttig thermisch vermogen " (uitgedrukt in kilowatt) : het maximale vermogen dat door de constructeur wordt opgegeven en gewaarborgd in continu bedrijf, met inachtneming van het door de constructeur opgegeven nuttige rendement overeenkomstig de normen die terzake vastgelegd zijn;
  25° " Warmtepomp " : een inrichting of installatie die bij lage temperatuur warmte opneemt uit de lucht, het water of de aarde en deze afgeeft aan het gebouw;
  26° " Beschermd volume " : het geheel van de lokalen waarin doorlopend of met tussenpozen energie wordt verbruikt om het binnenklimaat te regelen en het comfort van de gebruikers te verzekeren;
  27° " Warmteverliesoppervlakte " : de som van alle wanden die het beschermd volume scheiden van het buitenklimaat, van de grond en van een aanpalende ruimte die niet tot het beschermd volume behoort;
  28° " PLAGE " : Plan voor lokale actie voor het gebruik van energie;
  29° " Energiekadaster " : vergelijkende jaarlijkse inventaris van de energie-efficiëntie van de gebouwen;
  30° " Energieboekhouding " : periodieke staat van het energieverbruik, per energievector en per gebouw, volgens een frequentie die door de Regering moet worden bepaald;
  31° " PLAGE-coördinator " : natuurlijke persoon die de organen bedoeld in artikel 2.2.22 onder hun personeel aanstellen, en die belast is met de coördinatie en de uitvoering van het PLAGE;
  32° " PLAGE-revisor " : natuurlijke persoon, onafhankelijk van de instellingen bedoeld in artikel 2.2.22, belast met de controle van de informatie die wordt verstrekt door die instellingen in het kader van de uitvoering van het PLAGE;
  33° " Motorvoertuig " : elk voertuig dat is uitgerust met een motor en bestemd is om op eigen kracht te rijden, zoals gedefinieerd door het koninklijk besluit van 1 september 1975 houdende algemeen reglement op de politie van het wegverkeer;
  34° " MIVB " : de Maatschappij voor Intercommunaal Vervoer van Brussel, publiekrechtelijke vereniging opgericht krachtens de ordonnantie van 22 november 1990 betreffende de organisatie van het openbaar vervoer in het Brussels Hoofdstedelijk Gewest;
  35° " Taxidiensten " : de diensten die het bezoldigde vervoer van personen met bestuurder verzekeren in de zin van de ordonnantie van 27 april 1995 betreffende de taxidiensten en de diensten voor het verhuren van voertuigen met chauffeur;
  36° " Diensten voor het verhuren van voertuigen met chauffeur " : alle diensten van bezoldigd vervoer van personen door middel van autovoertuigen die geen taxidiensten zijn en die voldoen aan de voorwaarden vastgelegd in de ordonnantie van 27 april 1995 betreffende de taxidiensten en de diensten voor het verhuren van voertuigen met chauffeur;
  37° " Autodeeldienst " : een voor het publiek toegankelijke dienst voor het systematische en beurtelingse door vooraf bepaalde personen gebruik van één of meerdere auto's tegen betaling via een vereniging voor autodelen, met uitzondering van het gebruik van voertuigen bestemd voor gewone verhuur of huurkoop;
  38° " Toeristische busdiensten " : de diensten van geregeld vervoer en de bijzondere vormen van geregeld vervoer per autobus of autocar die geheel of gedeeltelijk verzekerd worden in het Brussels Hoofdstedelijk Gewest, zoals bedoeld in de Besluitwet van 30 december 1946 betreffende het bezoldigd vervoer van personen over de weg met autobussen en met autocars, en die door de keuze van het traject en de stopplaatsen of door het aanbieden van aanvullende diensten in hoofdzaak gericht zijn op reizigers die bezienswaardigheden van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest wensen te bezichtigen of er informatie over wensen te verkrijgen;
  39° " Installateur HE " : persoon belast met het plaatsen van systemen voor het gebruik van energie geproduceerd op basis van hernieuwbare energiebronnen zoals verwarmingsketels en kachels op biomassa, fotovoltaïsche of thermische systemen op zonne-energie, ondiepe geothermische systemen, windmolens of warmtepompen.
  ----------
  (1)<ORD 2015-12-18/51, art. 3, 004; Inwerkingtreding : 23-01-2016>

  TITEL 2. - Bepalingen betreffende de gebouwen

  HOOFDSTUK 1. - Energieprestatie van de gebouwen

  Afdeling 1. - Toepassingsgebied

  Art. 2.2.1.Onderhavig hoofdstuk is van toepassing op alle EPB-eenheden van een gebouw waarin energie wordt gebruikt om het binnenklimaat te regelen, met uitzondering van :
  1° de lokalen gebruikt als erkende plaatsen voor erediensten en zedenleer;
  2° [1 de landbouwlokalen, de lokalen met industriële of artisanale activiteiten of bestemd voor opslag, bewaring, wanneer deze lage energiebehoeften hebben, zoals gedefinieerd door de Regering;]1
  [1 3°]1 de rouwcentra;
  [1 4°]1 de alleenstaande gebouwen met een oppervlakte van minder dan 50 m2 tenzij ze een EPB-eenheid bevatten die als wooneenheid wordt bestemd;
  [1 5°]1 de voorlopige constructies vergund voor een gebruiksduur van twee jaar of minder;
  [1 6°]1 de residentiële gebouwen die worden gebruikt of bestemd zijn om voor minder dan vier maanden per jaar buiten de winterperiode te worden gebruikt.
  ----------
  (1)<ORD 2015-12-18/51, art. 4, 004; Inwerkingtreding : 23-01-2016>

  Afdeling 2. - Berekeningsmethodes

  Art. 2.2.2. § 1. De Regering legt de berekeningsmethodes vast voor de energieprestatie van de EPB-eenheden op basis van de elementen vermeld in bijlage 2.1.
  § 2. De Regering kan bepalen dat EPB-eenheden die gebruik maken van concepten of bouwtechnologieën die niet in aanmerking worden genomen door de methodes die de Regering krachtens paragraaf één heeft vastgelegd, een alternatieve berekeningsmethode mogen toepassen. De Regering bepaalt de principes die aan de basis liggen van de alternatieve berekeningsmethodes en de categorieën van EPB-eenheden die ze kunnen genieten.
  § 3. De Regering bepaalt alle Richtlijnen en criteria die nodig zijn voor het berekenen van de energieprestatie van de EPB-eenheden en van de naleving van de EPB-eisen.

  Afdeling 3. - EPB-eisen van toepassing op de nieuwe EPB-eenheden en op de zwaar of eenvoudig gerenoveerde EPB-eenheden

  Onderafdeling 1. - Principes

  Art. 2.2.3. § 1. De Regering bepaalt de EPB-eisen waaraan de nieuwe EPB-eenheden alsook de zwaar en eenvoudig gerenoveerde EPB-eenheden moeten voldoen. Deze vereisten beantwoorden minstens aan het kostenoptimaal niveau, dat wordt vastgesteld op basis van de geraamde economische levensduur van de EPB-eenheid of één van de elementen ervan.
  § 2. Bij het bepalen van de EPB-eisen, mag de Regering een onderscheid maken tussen verschillende categorieën van EPB-eenheden, rekening houdend met de bestemming, de uitgevoerde werken en de omvang.
  De EPB-eisen mogen voor de volledige gerenoveerde EPB-eenheid worden vastgelegd of enkel voor de gerenoveerde systemen of onderdelen.
  De EPB-eisen worden ten laatste om de vijf jaar herzien en, in voorkomend geval, aangepast aan de technische vooruitgang.
  De EPB-eisen op het vlak van energieprestatie worden uitgedrukt in kWh/m2 per jaar.
  De EPB-eisen beoogd in § 1 mogen ook slaan op de inrichtingen die het beheer van de energiebehoefte van de EPB-eenheid verbeteren.
  § 3. Vanaf 1 januari 2021, beantwoorden de nieuwe EPB-eenheden aan de EPB-eisen " zero energieverbruik ".

  Art. 2.2.4. § 1. De nieuwe en gerenoveerde EPB-eenheden kunnen vooraf een volledige of gedeeltelijke afwijking van de EPB-eisen bekomen wanneer de gedeeltelijke of volledige naleving van die eisen technisch, functioneel of economisch niet haalbaar is.
  § 2. De verzoeken tot afwijking bedoeld in § 1 worden ingediend bij de overheid waaraan de kennisgeving van het begin van de werkzaamheden bedoeld in artikel 2.2.8 wordt bezorgd en dit vóór het indienen van de kennisgeving van het begin van de werkzaamheden.
  De Regering bepaalt de procedure voor het onderzoek van de aanvragen tot het bekomen van een afwijking en bepaalt de criteria en drempels voor het toekennen van die afwijking.
  De afwijkingen worden toegekend door het Instituut of de vergunningverlenende overheid. Ze kunnen het voorwerp uitmaken van hoger beroep bij het Milieucollege behalve als de uitreikende overheid de Regering is. De modaliteiten van het hoger beroep worden vastgelegd door de Regering.
  § 3. De toekenning van een afwijking van een EPB-eis ontheft de aanvrager niet van de andere verplichtingen die onderhavig Wetboek oplegt.
  § 4. Voor de goederen die krachtens het BWRO beschermd zijn of ingeschreven staan op de bewaarlijst en die het voorwerp uitmaken van renovatie, mag de uitreikende overheid gedeeltelijk of volledig afwijken van de eisen voorzien in artikel 2.2.3 binnen het kader van de toekenning van de vergunning, in het geval dat het volledig naleven van die eisen het behoud van het beschermde erfgoed op het spel zet. De toekenning van de afwijking wordt via elektronische weg meegedeeld aan het Instituut.

  Onderafdeling 2. - De aanvraag

  Art. 2.2.5. § 1. Bij elke aanvraag om een stedenbouwkundige vergunning met betrekking tot een nieuwe, zwaar gerenoveerde of eenvoudig gerenoveerde EPB-eenheid, moet een EPB-voorstel worden gevoegd. Desgevallend voegt de aanvrager de afwijking die hij krachtens artikel 2.2.4. heeft verkregen toe aan zijn voorstel.
  § 2. Het EPB-voorstel wordt opgemaakt door :
  1° de EPB-adviseur voor de nieuwe of zwaar gerenoveerde EPB-eenheden;
  2° de architect of de EPB-adviseur als hij door de aangever aangewezen wordt, voor de eenvoudig gerenoveerde EPB-eenheden;
  3° de aangever voor de eenvoudig gerenoveerde EPB-eenheden waarvan de aanvraag vrijgesteld is van de tussenkomst van een architect.
  § 3. In afwijking van de vorige paragraaf, maakt de EPB-adviseur het EPB-voorstel voor de eenvoudig gerenoveerde EPB-eenheid op ingeval een eenvoudig gerenoveerde EPB-eenheid zich in hetzelfde gebouw bevindt als een nieuwe of zwaar gerenoveerde EPB-eenheid en in dezelfde aanvraag is inbegrepen.
  § 4. Op vraag van de EPB-adviseur of van de architect, verstrekt het Instituut een advies over de keuze van de kwalificatie van de bestemming en de aard van de werken die aan de EPB-eenheid gegeven worden.
  § 5. Indien uit het EPB-voorstel blijkt dat de aanvraag onderworpen is aan de EPB-eisen, informeert de vergunningverlenende overheid het Instituut over de aard van de werken in de aanvraag.

  Art. 2.2.6. Het EPB-voorstel bevat de onderverdeling van het project bedoeld in de aanvraag in nieuwe, zwaar of eenvoudig gerenoveerde EPB-eenheden alsook de elementen gekoppeld aan de energie en aan het binnenklimaat die een impact hebben op de stedenbouwkundige voorschriften alsook de rechtvaardiging van de gedeeltelijke of volledige uitsluiting van het project uit het toepassingsgebied van onderhavig hoofdstuk.
  De Regering preciseert de inhoud van het EPB-voorstel. Ze kan de inhoud van het EPB-voorstel aanpassen volgens het belang van de werken, de omvang en de bestemming van de EPB-eenheid.

  Art. 2.2.7. § 1. Wanneer het project waarvoor een aanvraag is ingediend uit één of meer nieuwe EPB-eenheden bestaat of samengesteld is uit één of meerdere zwaar gerenoveerde EPB-eenheden die samen meer dan 5.000 m2 bestrijken, verricht de EPB-adviseur een technische, milieu- en economische haalbaarheidsstudie die betrekking heeft op de mogelijkheden voor de installatie van thermische zonne-energie, fotovoltaïsche zonne-energie en warmtekrachtkoppeling of andere door de Regering bepaalde alternatieve systemen die een besparing van primaire energie mogelijk maken.
  De Regering bepaalt de bijdrage van de systemen die gebruik maken van hernieuwbare energiebronnen in de totale energie-behoefte van de EPB-eenheden bedoeld in het vorig lid.
  De EPB-adviseur maakt de haalbaarheidsstudie over aan de aanvrager vooraleer de aanvraag wordt ingediend.
  § 2. Wanneer het project waarvoor er een aanvraag wordt ingediend uit één of meerdere nieuwe EPB-eenheden bestaat die samen meer dan 10.000 m2 bestrijken, of samengesteld is uit één of meerdere zwaar gerenoveerde EPB-eenheden die samen meer dan 10.000 m2 bestrijken, wordt er een geïntegreerde haalbaarheidsstudie opgesteld die betrekking heeft op de mogelijkheid om de EPB-eisen voor " zero energieverbruik " te halen. Deze paragraaf is van toepassing tot de EPB-eisen bedoeld in artikel 2.2.3., § 2, derde lid worden herzien.
  De aanvrager bezorgt de geïntegreerde haalbaarheidsstudie samen met de plannen aan het Instituut vooraleer hij de aanvraag indient.
  § 3. De Regering definieert de inhoud van de haalbaarheidsstudie en van de geïntegreerde haalbaarheidsstudie en kan de draagwijdte ervan beperken in functie van kosten-batencriteria en de kenmerken van de nieuwe of zwaar gerenoveerde EPB-eenheid.
  In afwijking van § 1, kan het Instituut een algemene haalbaarheidsstudie verrichten waarvan het de resultaten aan de aanvrager bezorgt.
  § 4. Het Instituut beschikt over een termijn van vijfenveertig dagen te rekenen vanaf de ontvangst van de geïntegreerde haalbaarheidsstudie en van de plannen om zijn eventuele aanbevelingen aan de aanvrager te bezorgen.
  De eventuele aanbevelingen van het Instituut worden bij de vergunning gevoegd.

  Onderafdeling 3. - De uitvoering van de werken voor nieuwe en gerenoveerde EPB-eenheden

  Art. 2.2.8. § 1. Uiterlijk acht dagen voor het begin van de werkzaamheden, verstuurt de aangever de kennisgeving van het begin van de werkzaamheden naar het Instituut voor de nieuwe of zwaar gerenoveerde EPB-eenheden of naar de vergunningverlenende overheid voor de eenvoudig gerenoveerde EPB-eenheden met vergunning. Deze verzending dient met een aangetekende brief, langs elektronische weg of via drager te gebeuren.
  § 2. De kennisgeving van het begin van de werkzaamheden vermeldt de datum van het begin van de werkzaamheden en, desgevallend, de melding dat de berekeningen inzake de naleving van de EPB-eisen werden verricht en beschikbaar zijn.
  De Regering kan de vorm en de inhoud van de kennisgeving van het begin van de werkzaamheden nader bepalen.
  § 3. Deze kennisgeving van het begin van de werkzaamheden wordt opgesteld door :
  1° de EPB-adviseur voor de nieuwe of zwaar gerenoveerde EPB-eenheden;
  2° de architect of de EPB-adviseur als hij door de aangever aangewezen wordt, voor de eenvoudig gerenoveerde EPB-eenheden;
  3° de aangever voor de eenvoudig gerenoveerde EPB-eenheden waarvan de aanvraag vrijgesteld is van de tussenkomst van een architect.

  Art. 2.2.9. § 1. Uiterlijk op het tijdstip waarop het EPB-voorstel voor de nieuwe en zwaar gerenoveerde EPB-eenheden wordt opgesteld, wijst de aangever een EPB-adviseur aan.
  § 2. De aangever verwittigt het Instituut, voor de nieuwe of zwaar gerenoveerde EPB-eenheden, of de vergunningverlenende overheid, voor de eenvoudig gerenoveerde EPB-eenheden met vergunning, van elke verandering van aangever, EPB-adviseur of architect wanneer die verandering vóór het indienen van de EPB-aangifte plaatsvindt.
  § 3. De EPB-adviseur heeft vrij toegang tot de werf.
  § 4. De aangever verstrekt de EPB-adviseur elk document en alle nodige informatie voor de follow-up van het project en de opstelling van de EPB-aangifte. Vanaf de aanvang van zijn opdracht wordt de EPB-adviseur schriftelijk ingelicht over alle wijzigingen die aan het project worden aangebracht.

  Art. 2.2.10. § 1. De aangever informeert de EPB-adviseur of de architect over alle gegevens die hij nodig heeft voor de berekening van de energieprestatie en de follow-up van de EPB-eisen, op basis waarvan deze laatste een berekening maakt die hij aan de aangever bezorgt vóór het begin van de werf.
  Voor nieuwe of zwaar gerenoveerde EPB-eenheden, houden de EPB-adviseur en de architect de gegevens die nodig zijn voor de berekening ter beschikking van het Instituut of, voor de eenvoudig gerenoveerde EPB-eenheden, van de vergunningverlenende overheid.
  § 2. Zodra de werkzaamheden aanvangen en de EPB-adviseur of de architect tijdens de uitvoering van het project vaststelt dat dit afwijkt van de EPB-eisen zoals berekend vóór het begin van de werkzaamheden, maakt hij een nieuwe berekening en verwittigt hij de aangever.
  § 3. De EPB-adviseur of de architect evalueert en neemt op de plaats van de werkzaamheden akte van de maatregelen die getroffen worden om aan de EPB-eisen te voldoen en die nodig zijn voor het opstellen van de EPB-aangifte. Hij berekent of de EPB-eisen van de nieuwe of gerenoveerde EPB-eenheden, zoals ze gerealiseerd werden, nageleefd worden.
  § 4. Zodra de werkzaamheden voltooid zijn, wordt een EPB-aangifte die overeenstemt met de werkelijkheid opgesteld door :
  1° de EPB-adviseur voor nieuwe of zwaar gerenoveerde EPB-eenheden;
  2° de architect of de EPB-adviseur indien hij werd aangesteld door de aangever, voor eenvoudig gerenoveerde EPB-eenheden;
  3° de aangever, voor eenvoudig gerenoveerde EPB-eenheden, waarvoor de aanvraag is vrijgesteld van de tussenkomst van een architect.
  De EPB-adviseur of architect verzendt naar de aangever de eindberekening van de EPB-eisen en de EPB-aangifte die ze op basis van alle voor de berekening noodzakelijke gegevens en vaststellingen opstellen.
  § 5. De EPB-adviseur, de architect of de aangever, in geval van een eenvoudig gerenoveerde EPB-eenheid die vrijgesteld is van de tussenkomst van een architect, bewaart de gegevens en vaststellingen die nodig zijn voor de berekening, de technische rechtvaardigingen en de rekenbestanden gedurende een termijn van vijf jaar, te rekenen vanaf de verzending van de EPB-aangifte.
  Op vraag van het Instituut of de vergunningverlenende overheid, zal de EPB-adviseur, de architect of de aangever in geval van een eenvoudig gerenoveerde EPB-eenheid die vrijgesteld is van de tussenkomst van een architect, een exemplaar van die documenten ter beschikking stellen.
  § 6. De Regering kan de toepassingsmodaliteiten van de vorige paragrafen nader bepalen.

  Art. 2.2.11. § 1. De EPB-aangifte wordt door de aangever per aangetekend schrijven, langs elektronische weg of via een drager, bezorgd aan het Instituut uiterlijk zes maanden na het einde van de werkzaamheden en, in voorkomend geval, uiterlijk twee maanden na de voorlopige oplevering van de werken wanneer het gaat om nieuwe of zwaar gerenoveerde EPB-eenheden of aan de vergunningverlenende overheid voor eenvoudig gerenoveerde EPB-eenheden. In voorkomend geval voegt de aangever de afwijking bedoeld in artikel 2.2.4, §§ 1 en 2 bij de EPB-aangifte.
  § 2. De EPB-adviseur of de architect die de EPB-aangifte overeenkomstig artikel 2.2.10 heeft opgemaakt, bezorgt, binnen dezelfde termijn, het rekenbestand in elektronische vorm respectievelijk aan het Instituut of aan de vergunningverlenende overheid.
  § 3. De koper of de huurder van een EPB-eenheid waarvoor een EPB-voorstel bij de aanvraag werd gevoegd, verwerft de hoedanigheid van aangever en dient de EPB-aangifte in wanneer de volgende drie voorwaarden vervuld zijn :
  1° de verkoop- of huurovereenkomst bepaalt dat de koper of de huurder de aangever is;
  2° bij de verkoopakte is een tussentijds verslag gevoegd, opgesteld door de EPB-adviseur of de architect en ondertekend door de verkoper of verhuurder en de koper of huurder. Het tussentijds verslag vermeldt alle maatregelen die zijn uitgevoerd of moeten worden uitgevoerd om te voldoen aan de EPB-eisen, alsook de berekening van de naleving van de EPB-eisen. Het tussentijds verslag vermeldt eveneens de persoon die belast is met de uitvoering van de verschillende maatregelen;
  3° bij het einde van de werkzaamheden, stelt de verkoper of verhuurder de nodige informatie betreffende de werkzaamheden die hij heeft uitgevoerd of die voor zijn rekening werden uitgevoerd, ter beschikking van de koper of huurder met het oog op het opstellen van de EPB-aangifte.
  § 4. De Regering bepaalt de inhoud en de vorm van de EPB-aangifte.
  § 5. De installaties of constructies vermeld in de EPB-aangifte mogen slechts worden gewijzigd of vervangen in de mate dat die wijzigingen of vervangingen geen nadelige gevolgen hebben voor de berekening van de naleving van de EPB-eisen, zoals vermeld in de EPB-aangifte.

  Afdeling 4. - Certificering

  Onderafdeling 1. - Inhoud en geldigheid van het EPB-certificaat

  Art. 2.2.12. § 1. Het EPB-certificaat bevat referentiewaarden op basis waarvan de belanghebbenden de energieprestatie van de EPB-eenheid kunnen bekijken en deze kunnen vergelijken met die van andere EPB-eenheden. Het EPB-certificaat geeft ook aanbevelingen voor de rendabele verbetering van de energieprestatie van de EPB-eenheid. De energieprestatie van een EPB-eenheid wordt uitgedrukt door een indicator voor het energieverbruik in kWh/m2 per jaar en een indicator voor de CO2-uitstoot in kg/m2 per jaar.
  § 2. De geldigheidsduur van het EPB-certificaat bedraagt tien jaar.
  § 3. De Regering preciseert de vorm en de inhoud van het EPB-certificaat.
  § 4. De Regering bepaalt de voorwaarden waarin het EPB-certificaat wordt herroepen of bijgewerkt.

  Onderafdeling 2. - Opstelling van het EPB-certificaat en van het EBP-certificaat openbaar gebouw

  Art. 2.2.13. § 1. Na de bouwwerken voor een nieuwe EPB-eenheid stelt het Instituut een EPB-certificaat op uitgaand van de EPB-aangifte en bezorgt dit aan de aangever binnen een termijn van twee maanden vanaf de ontvangst van de EPB-aangifte met de rekenbestanden zoals bedoeld in artikel 2.2.11, bij het Instituut.
  § 2. Om te voldoen aan de verplichtingen bedoeld in artikel 2.2.14, § 1 en met betrekking tot de verkoop van EPB-eenheden, met inbegrip van de gedeeltelijke verkoop, de verhuring, de overdracht van huur, de sluiting van een onroerende leasingovereenkomst, de overdracht van een zakelijk recht of de vestiging onder levenden van een zakelijk recht, met uitzondering van erfdienstbaarheden, hypotheekvestiging, huwelijkscontracten en de wijzigingen ervan, beschikt de houder of de overdrager van de rechten op het goed over een geldig EPB-certificaat. Indien hij hier in toepassing van § 1 niet over beschikt, laat hij er een opstellen door een erkende certificateur.
  Indien de transactie bedoeld in het vorige lid betrekking heeft op een nieuwe EPB-eenheid en plaatsvindt vooraleer het in § 1 bedoelde EPB-certificaat beschikbaar is, wordt een door de EPB-adviseur, bedoeld in artikel 2.2.11, § 3, opgesteld tussentijds verslag toereikend geacht. In dat geval, wordt het tussentijds verslag uitgereikt overeenkomstig de bepalingen van § 1.
  § 3. Om haar verplichting bedoeld in artikel 2.2.14, § 2, na te komen, beschikt de overheid over een geldig EPB-certificaat openbaar gebouw dat door een erkende certificateur werd opgesteld.
  De Regering kan de vorm, de inhoud, de voorwaarden tot herroeping of bijwerking en de periodiciteit van het EPB-certificaat openbaar gebouw bepalen.
  Voor de toepassing van deze paragraaf, bepaalt de Regering wat onder de definitie van overheid valt en mag die uitbreiden buiten wat bedoeld wordt onder artikel 1.3.1, 4°.
  § 4. Voor gelijkaardige EPB-eenheden van eenzelfde gebouw of van gehelen van gelijkaardige EPB-eenheden ontworpen voor apart gebruik, kan het certificaat worden opgesteld door een erkende certificateur op basis van de evaluatie van een andere representatieve EPB-eenheid die gelegen is in hetzelfde gebouw of in hetzelfde geheel dat over dezelfde energiekenmerken beschikt.

  Onderafdeling 3. - Bekendmaking en informatie

  Art. 2.2.14. § 1. Elke persoon die voor eigen rekening of als tussenpersoon wil overgaan tot een vastgoedtransactie met betrekking tot een EPB-eenheid bedoeld in artikel 2.2.13, § 2 :
  1° duidt in de bekendmaking hiervan ondubbelzinnig de energieprestatie van het goed aan;
  2° bezorgt op elk verzoek gratis een kopie van het EPB-certificaat of van het tussentijds verslag bedoeld in artikel 2.2.13, § 2;
  3° verzekert er zich van dat de informatie over het EPB-certificaat voorkomt in de akte van de vastgoedtransactie.
  § 2. Wanneer de totale oppervlakte van de EPB-eenheden die door overheden worden betrokken in eenzelfde gebouw meer dan 250 m2 bestrijkt, wordt het EPB-certificaat openbaar gebouw uitgehangen op een voor het publiek zichtbare plaats.
  § 3. De Regering kan de uitvoeringsmodaliteiten van de vorige paragrafen nader bepalen, meer bepaald de inhoud van de informatie betreffende het EPB-certificaat opgenomen in de akte van de vastgoedtransactie.

  Afdeling 5. - EPB-eisen van de technische installaties

  Art. 2.2.15. De Regering bepaalt de EPB-eisen waaraan de technische installaties moeten voldoen tijdens hun installatie, hun gebruik of hun vervanging of modernisering.
  Wanneer ze EPB-eisen vastlegt, kan de Regering een onderscheid maken volgens de categorie, de ouderdom en de omvang van de uitrusting.

  Art. 2.2.16. § 1. Een volledige of gedeeltelijke afwijking van de EPB-eisen kan worden toegekend voor technische installaties wanneer de gedeeltelijke of volledige naleving van die eisen technisch, functioneel of economisch niet haalbaar is.
  § 2. De verzoeken tot afwijking worden ingediend bij het Instituut vóór het onderhoud of de controle bedoeld in artikel 2.2.17.
  De Regering bepaalt de procedure voor het onderzoek van de aanvragen tot het bekomen van een afwijking en bepaalt de criteria en drempels voor de toekenning ervan.
  De afwijkingen worden toegekend door het Instituut. Ze kunnen het voorwerp uitmaken van beroep bij het Milieucollege. De modaliteiten van dat beroep worden bepaald door de Regering.
  § 3. De toekenning van een afwijking van een EPB-eis ontheft de aanvrager niet van de andere verplichtingen die zijn opgelegd door onderhavige ordonnantie.

  Art. 2.2.17. § 1. De verwarmingssystemen en de klimaatregelingssystemen worden onderhouden door technici.
  Het onderhoud van een verwarmingssysteem omvat met name een evaluatie van het rendement van de verwarmingsketel.
  De verwarmingssystemen uitgerust met een ketel met een nuttig nominaal thermisch vermogen gelijk aan of hoger dan 100 kW en die werken op niet-hernieuwbare brandstoffen, worden minstens om de twee jaar onderhouden. Die termijn kan tot vier jaar worden verlengd voor de gasketels.
  § 2. De toegankelijke delen van de verwarmingssystemen met ketels met een nuttig nominaal thermisch vermogen van meer dan 20 kW en de klimaatregelingssystemen met een nuttig nominaal thermisch vermogen van meer dan 12 kW worden periodiek gecontroleerd door controleurs.
  § 3. De periodieke controle behelst een evaluatie van het rendement van de ketel of van de klimaatregeling en van zijn afmetingen in verhouding tot de behoeften van de EPB-eenheid op het vlak van verwarming of afkoeling.
  De evaluatie van de afmeting wordt niet herhaald zolang er intussen geen wijziging werd aangebracht aan de verwarmings- of klimaatregelingssystemen van de EPB-eenheid of aan de eisen inzake verwarming en afkoeling van de EPB-eenheid die erop van toepassing zijn.
  De controleur verstrekt gepaste adviezen aan de gebruikers over de eventuele verbetering of vervanging van het verwarmings- of klimaatregelingssysteem en over de overige oplossingen die kunnen worden overwogen, vooral op het vlak van hernieuwbare energie.
  § 4. De Regering bepaalt de uitvoeringsmodaliteiten van de vorige paragrafen en kan ook het onderhoud of de controle van andere technische installaties opleggen alsook de frequentie en de inhoud van het onderhoud en de controle opleggen in functie van het type en het nuttig nominaal thermisch vermogen van de ketel of de installatie. Wanneer ze de frequentie vastlegt, houdt de Regering rekening met de kost van de controle van de technische installatie en met de waarde van de geraamde energiebesparingen die uit het onderhoud of de controle kunnen voortvloeien.
  De Regering kan de onderhouds- of controlefrequentie, naar gelang van het geval, verminderen of verlichten wanneer er een elektronisch controlesysteem aanwezig is.

  Afdeling 6. - Bewaring en verwerking van de gegevens

  Art. 2.2.18. Het Instituut bewaart en kan de gegevens voortkomend uit de aangifte, de certificering, het onderhoud en de controle die respectievelijk worden bedoeld in artikelen 2.2.11, 2.2.13 en 2.2.17, alsook de gegevens over de erkende personen elektronisch verwerken.

  HOOFDSTUK 2. - Evaluatie van de energie- en milieuprestatie van de gebouwen

  Art. 2.2.19. § 1. De Regering erkent of voert een evaluatiesysteem in van de milieu- en energieprestatie van de gebouwen dat meer bepaald rekening houdt met de volgende aspecten :
  1° de behoeften aan primaire energie, de energiebronnen en de uitstoot van kooldioxide gekoppeld aan het gebruik van het gebouw;
  2° het verbruik van niet-hernieuwbare bronnen voor de bouw, de renovatie of het beheer van het gebouw en de impact van dat verbruik op het milieu;
  3° de emissies van luchtverontreinigende stoffen betreffende het gebruik van het gebouw en hun onmiddellijke impact op de directe omgeving;
  4° de levenskwaliteit dat het gebouw aan zijn bewoners biedt.
  § 2. Op basis van het evaluatiesysteem bedoeld in § 1, kan de Regering certificerings- en labelingsmechanismen invoeren voor de evaluatie van de energie- en milieuprestatie van gebouwen.
  Die mechanismen beantwoorden aan de volgende principes :
  a) het certificeringsmechanisme onderscheidt zich van het labelingsmechanisme omdat het een groter aantal uit te voeren maatregelen en een strengere bewijsregeling die steunt op de controle van deze bewijzen door een onafhankelijk organisme omvat;
  b) het gebruik van één van deze mechanismen gebeurt op vrijwillige basis;
  c) de certificering of het toekennen van een label kunnen verplicht worden gemaakt voor de gebouwen die voor een bepaald type van bestemming voorbehouden zijn of voor de gebouwen die door de overheid worden betrokken of daartoe bestemd zijn, alsook voor de gebouwen die het voorwerp uitmaken van werkzaamheden waarvan een overheid bouwmeester is, volgens modaliteiten die door de Regering moeten worden vastgelegd.
  § 3. Om het evaluatiesysteem bedoeld in § 1 en de certificerings- en labelingsmechanismen vermeld in § 2 in te voeren, kan de Regering deelnemen in een vereniging zonder winstoogmerk die hoofdzakelijk de volgende activiteiten zal uitoefenen :
  1. de certificering en de labeling van gebouwen organiseren, en zorgen voor het toezicht op de actoren die eraan deelnemen;
  2. de evaluatie-instrumenten voor de energie- en milieuprestatie van gebouwen beheren en actualiseren en, desgevallend, bijkomende instrumenten ontwikkelen;
  3. opleidingen organiseren met betrekking tot de certificerings- en labelingssystemen en deze systemen promoten.

  HOOFDSTUK 3. - Energieaudits

  Art. 2.2.20. De Regering voert efficiënte en kwaliteitsvolle energieauditsystemen in.
  De methodologie van de energieaudits en hun verplicht of facultatief karakter kunnen variëren volgens de bestemming of de oppervlakte van de gebouwen.
  Deze audits worden uitgevoerd door erkende auditoren overeenkomstig de bepalingen van titel 5 van dit boek.

  HOOFDSTUK 4. - Plan voor lokale actie voor het gebruik van energie

  Art. 2.2.21. Het PLAGE heeft tot doel een coherent geheel van acties te ondernemen om het energieverbruik van een geheel van gebouwen te beheersen en een becijferde doelstelling tot vermindering van het energieverbruik in die gebouwen te bereiken.

  Art. 2.2.22. Het volgende orgaan is ertoe gehouden een PLAGE in te voeren :
  - elke onderneming die eigenaar is en/of gebouwen betrekt die gelegen zijn op het grondgebied van het Gewest en samen een totale oppervlakte van meer dan 100.000 m2 innemen;
  - elke vereniging bedoeld in de wet van 27 juni 1921 op de verenigingen zonder winstoogmerk en de stichtingen die eigenaar is en/of gebouwen betrekt die gelegen zijn op het grondgebied van het Gewest en samen een totale oppervlakte van meer dan 100.000 m2 innemen.
  De Regering kan het toepassingsgebied van deze paragraaf uitbreiden.
  In afwijking van het eerste lid, heeft elk orgaan dat onderworpen is aan de regeling voor de handel in broeikasgasemissierechten bedoeld in boek 3, titel 3, hoofdstuk 1 niet de verplichting een PLAGE in te voeren.

  Art. 2.2.23.§ 1. Binnen twaalf maanden na de inwerkingtreding van dit hoofdstuk en bij elke verandering van PLAGE-coördinator, bezorgt het orgaan aan het Instituut de gegevens van de PLAGE-coördinator die het heeft aangewezen en de documenten waaruit blijkt dat de PLAGE-coördinator de opleiding bedoeld in het tweede lid heeft gevolgd.
  De PLAGE-coördinator volgt een specifieke, door het Instituut erkende opleiding over de implicaties van het PLAGE.
  § 2. In het kader van het PLAGE, moet het orgaan onder de controle van de PLAGE-coördinator twee actiefasen doorvoeren.
  De eerste fase behelst de volgende acties :
  - de opstelling van het energiekadaster van de gebouwen [1 van een door de Regering vastgelegde minimale oppervlakte,]1 waarvan het orgaan eigenaar of betrekker is;
  - [1 ...]1 de invoering van een energieboekhouding voor deze gebouwen;
  - de uitwerking van een actieprogramma met het oog op een daling van het energieverbruik.
  De tweede fase bestaat in de uitvoering van het actieprogramma.
  De eerste fase wordt uitgevoerd binnen een termijn van 18 maanden te rekenen vanaf de aanwijzing van de PLAGE-coördinator. De tweede fase wordt uitgevoerd binnen 36 maanden te rekenen vanaf de kennisgeving van het Instituut bedoeld in § 3, derde lid.
  § 3. Het orgaan legt het ontwerp van actieprogramma voor aan de PLAGE-revisor die de geloofwaardigheid en de relevantie ervan evalueert en, indien nodig, aanbevelingen doet.
  Het orgaan bezorgt het actieprogramma aan het Instituut samen met het verslag van de PLAGE-revisor.
  Gelet op het actieprogramma en het verslag van de PLAGE-revisor, bepaalt het Instituut de becijferde doelstelling van de te bereiken vermindering van het energieverbruik na afloop van de uitvoering van het actieprogramma en deelt dit mee aan het orgaan.
  § 4. Op het einde van de tweede fase, maakt het orgaan een verslag op waarin wordt nagegaan of de becijferde doelstelling beoogd in § 3 nageleefd is en legt dit ter onderzoek voor aan de PLAGE-revisor die de daarin vermelde gegevens en informatie nagaat.
  Indien deze doelstelling niet is nageleefd, beoordeelt de revisor de relevantie en de waarachtigheid van de bijzondere omstandigheden die het orgaan eventueel heeft ingeroepen om deze tekortkoming te rechtvaardigen.
  Het orgaan deelt zijn verslag alsook het verslag van de PLAGE-revisor mee aan het Instituut.
  § 5. Op verzoek van het Instituut, bezorgt het orgaan alle bijkomende informatie inzake de uitvoering van het PLAGE.
  § 6. De PLAGE-revisor wordt erkend overeenkomstig de procedure beschreven in titel 5 van dit boek.
  § 7. De Regering bepaalt hoe het PLAGE dient te worden opgesteld en uitgevoerd. Zo legt zij de lijst van maatregelen vast die in het actieprogramma bedoeld in onderhavig artikel kunnen voorkomen. Ze bepaalt ook de kwaliteitscriteria waaraan de verslagen van de PLAGE-revisor moeten voldoen en de inhoud en de modaliteiten van de opleiding tot PLAGE-coördinator.
  ----------
  (1)<ORD 2015-12-18/51, art. 5, 004; Inwerkingtreding : 23-01-2016>

  Art. 2.2.24. Zodra de uitvoering van het PLAGE is voltooid, voert het organisme een nieuw plan uit overeenkomstig artikel 2.2.23.
  In afwijking van artikel 2.2.23, § 2, wordt de eerste fase van de volgende PLAGE's uitgevoerd binnen een termijn van twaalf maanden te rekenen vanaf de mededeling van het verslag bedoeld in artikel 2.2.23, § 4.

  Art. 2.2.25. Overeenkomstig de ordonnantie van 29 april 2004 betreffende de milieuovereenkomsten, kan het orgaan de verplichtingen die uit dit hoofdstuk voorvloeien vervullen door middel van een milieuovereenkomst.

  HOOFDSTUK 5. - Begeleiding van de gezinnen op het vlak van energie en ecoconstructie

  Art. 2.2.26. De Regering organiseert een begeleidingsdienst om de gezinnen te helpen op het vlak van :
  - rationeel energiegebruik;
  - energie-efficiëntie van de gebouwen en installaties;
  - energie uit hernieuwbare bronnen;
  - technische keuzes en materiaalkeuze;
  - toegang tot financiële stimuli.
  Deze dienst berust op de volgende principes :
  1° ) de gepersonaliseerde begeleiding van de gezinnen wordt verzekerd door lokale structuren aangewezen door de Regering;
  2° ) in het kader van die begeleidingsdienst, wordt het Instituut belast met de volgende opdrachten :
  - het publiek informeren over het bestaan en de modaliteiten van deze begeleidingsdienst;
  - de rol van expertise- en opleidingscentrum vervullen;
  - de lokale structuren bedoeld in punt 1° ) bijstaan bij het vervullen van hun opdrachten en hun acties coördineren;
  - de samenwerking organiseren tussen de verschillende betrokkenen van de renovatiesector.
  De Regering kan de principes vermeld in punten 1° ) tot 2° ) nader toelichten en aanvullen.

  TITEL 3. - Bepalingen betreffende het vervoer

  HOOFDSTUK 1. - Vervoerplannen

  Afdeling 1. - Algemeenheden

  Art. 2.3.1. Voor de toepassing van dit hoofdstuk, verstaat men onder :
  1° " Bestuur " : de door de Regering aangestelde administratieve dienst van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest belast met Mobiliteit en Openbare Werken;
  2° " Vervoerplan " : de studie, implementatie, beoordeling en update van acties die bedoeld zijn om een duurzaam beheer van de verplaatsingen te promoten die gelinkt zijn aan " verkeersgeneratoren " zoals scholen, bedrijven, winkels en recreatiecentra. Het plan beoogt de rationalisering van de gemotoriseerde verplaatsingen, de modale overstap met het oog op de verbetering van de mobiliteit en de vermindering van de milieuoverlast dat deze laatste met zich meebrengt;
  3° " Audit " : het beoordelingsproces met betrekking tot de stappen ondernomen door het bedrijf, de school, de sitebeheerder en de sitegebruiker betreffende het vervoerplan, om :
  - de conformiteit ervan met onderhavig Wetboek na te gaan;
  - het te verbeteren door de efficiëntie ervan te verhogen om een dynamiek te creëren die bijdraagt tot de doelstellingen van mobiliteit, leefmilieu en luchtkwaliteit.
  De audit waarborgt een uitvoerige aanpak door een bezoek aan de site;
  4° " Site " : de plaats waarop een vervoerplan betrekking heeft, zijnde :
  a) ofwel een gebouw en zijn aanhorigheden;
  b) ofwel een zone waar meerdere gebouwen staan en die over meerdere ingangen beschikt die via het meest directe voetgangerstraject op minder dan vijfhonderd meter van elkaar verwijderd zijn;
  c) ofwel de openbare ruimte;
  5° " Toegankelijkheidsplan van de site " : het document waarin alle nodige inlichtingen beknopt worden samengevat om zich met alle beschikbare vervoermiddelen (trein, bus, tram, metro, auto, taxi, fiets, te voet), inclusief het parkeeraanbod voor auto's en fietsen, naar een bepaalde plaats te begeven en dat als doel heeft de multimodale verplaatsingen aan te sporen;
  6° " Schoolpubliek " : de leerlingen, de ouders van leerlingen, de leerkrachten, de personeelsleden van de school en alle overige personen die zich regelmatig van of naar de school verplaatsen;
  7° " Bedrijf " : elke publiek- of privaatrechtelijke rechtspersoon die werknemers tewerkstelt;
  8° " Contactpersoon " : de natuurlijke persoon die in het kader van het bedrijfsvervoerplan door het bedrijf, de sitebeheerder of de sitegebruiker wordt aangesteld als gesprekspartner met het Bestuur en/of het Instituut in het kader van de bedrijfsvervoerplannen of activiteiten;
  9° " Werknemers " : het personeel van het bedrijf dat onder zijn gezag staat; worden niet beschouwd als deel uitmakend van dit personeel, de bezoldigde werknemers die onder het gezag staan van een andere persoon dan het bedrijf of de zelfstandigen die werken uitvoeren voor en diensten of goederen leveren aan het bedrijf;
  10° " Formulier " : document van het Bestuur en/of het Instituut dat betrekking heeft op de diagnose en de bestaande en toekomstige maatregelen rond mobiliteit;
  11° " Activiteit " : elke culturele, commerciële of sportactiviteit, tijdelijk, occasioneel, periodiek of permanent, betalend of gratis, op een site;
  12° " Sitebeheerder " : de natuurlijke of rechtspersoon die, als eigenaar of in een andere hoedanigheid, verantwoordelijk is voor het beheer van de site waar een activiteit of door hem of door de gebruiker van de site wordt uitgeoefend; indien de activiteit in de openbare ruimte plaatsvindt, dan wordt de beheerder ervan niet beschouwd als sitebeheerder;
  13° " Deelnemers " : de natuurlijke personen die aan de activiteit deelnemen of de bezoekers die de site van de activiteit betreden, met uitzondering van de personeelsleden van de sitebeheerder en van de sitegebruiker en hun uitvoerders van werken, hun dienstverleners en hun leveranciers van goederen;
  14° " Sitegebruiker " : de natuurlijke of rechtspersoon aan wie de sitebeheerder het gebruik van de site toevertrouwt, in de zin van artikel 2.3.1, 4°, a) of b), om er een activiteit uit te oefenen, of de persoon die een activiteit uitoefent in de openbare ruimte.

  Art. 2.3.2. § 1. Onverminderd hun specifieke opdrachten bij elk soort plan, hebben het Bestuur en het Instituut als algemene opdracht om :
  1° een school, een bedrijf, een sitebeheerder of een sitegebruiker de methodologische hulpmiddelen aan te reiken voor de opmaak van een vervoerplan;
  2° een antwoord te geven op elke vraag met betrekking tot de vervoerplannen die wordt gesteld door een school, een bedrijf, een sitebeheerder of een sitegebruiker.
  § 2. Bij de uitoefening van hun algemene en specifieke opdrachten en op ieder moment kunnen het Bestuur en het Instituut, in overleg met de school, het bedrijf, de sitebeheerder of de sitegebruiker, een audit verrichten van elke site die onderworpen is aan de onderhavige ordonnantie, hetzij op eigen initiatief, hetzij op verzoek.
  § 3. Het Bestuur en het Instituut kunnen aan de scholen, bedrijven, sitebeheerders en sitegebruikers die een vervoerplan opstellen en uitvoeren een mobiliteitsprijs uitreiken.
  § 4. De stappen die het Bestuur en het Instituut ondernemen, blijven verenigbaar en vormen een aanvulling op de voorschriften van de milieuvergunningen.

  Art. 2.3.3. De Regering bepaalt de modaliteiten van de samenwerking tussen het Bestuur en het Instituut alsook de termijnen en alle andere modaliteiten van de procedures.
  De Regering bepaalt ook de inhoud, het model en de vorm van verzending aan het Bestuur en/of het Instituut van de documenten, hierna " formulieren " en " vervoerplan " genoemd, die de scholen, de bedrijven, de sitebeheerders en de sitegebruikers op straffe van nietigheid dienen te gebruiken.

  Afdeling 2. - Het schoolvervoerplan

  Art. 2.3.4. Deze afdeling is van toepassing op de kleuter-, basis- en secundaire scholen, voor alle netten en alle onderwijstypes.
  Afdeling 4 van dit hoofdstuk betreffende de activiteitenvervoerplannen is niet van toepassing op deze scholen wanneer zij buitenschoolse activiteiten in hun lokalen of in de omgeving ervan organiseren.

  Art. 2.3.5. § 1. De scholen maken een prediagnose waarbij de bepalingen van het onderhavige hoofdstuk worden nageleefd.
  De prediagnose heeft met name tot doel :
  1° de schooldirectie te sensibiliseren voor de mobiliteit, de verkeersveiligheid en de leefkwaliteit in de schoolomgeving;
  2° de schooldirectie aan te zetten om een schoolvervoerplan op te maken.
  § 2. De prediagnose bevat :
  1° het overzicht van de gegevens van de schoolinstelling, met name het aantal leerlingen en leerkrachten, de lesroosters;
  2° de beschrijving van de bereikbaarheid van de school voor de verschillende vervoerswijzen;
  3° de analyse van de verplaatsingen van de leerlingen tussen hun woonplaats en de school en van de schoolverplaatsingen in het algemeen;
  4° de beschrijving van de ondernomen acties rond verkeersveiligheid en duurzame mobiliteit binnen de schoolinstelling;
  5° de analyse van de mogelijke verbeteringen inzake verkeersveiligheid en mobiliteit.

  Art. 2.3.6. De schooldirectie stelt de prediagnose op aan de hand van een formulier dat zij invult.
  Het Bestuur voorziet in een administratieve begeleiding voor alle scholen en een informatiepunt waar alle schooldirecties terecht kunnen om relevante informatie te vinden. Dit informatiepunt zal opgestart worden op 1 september van het schooljaar bepaald door de Regering.
  De schooldirectie stuurt dit formulier naar het Bestuur uiterlijk op 31 december van het jaar bepaald door de Regering.

  Art. 2.3.7. De schooldirectie actualiseert om de drie jaar de prediagnose aan de hand van het in artikel 2.3.6 bedoelde formulier, tenzij de school een schoolvervoerplan opstelt. Zij stuurt dit formulier naar het Bestuur.

  Art. 2.3.8. § 1. De school die overeenkomstig artikel 2.3.6 een prediagnose heeft opgesteld en verzonden naar het Bestuur kan, indien zij dit wenst, een schoolvervoerplan opstellen waarbij de bepalingen van het onderhavige hoofdstuk worden nageleefd.
  § 2. Meerdere scholen die op een zelfde site gevestigd zijn, kunnen een gemeenschappelijk schoolvervoerplan opstellen.

  Art. 2.3.9. Het schoolvervoerplan heeft met name tot doel :
  1° het schoolpubliek te sensibiliseren voor veiligheid en duurzame mobiliteit;
  2° de verkeersveiligheid en de leefkwaliteit op de weg naar school en in de schoolomgeving te verbeteren;
  3° de verplaatsingsgewoontes van het schoolpubliek te veranderen met het oog op een rationeel gebruik van de auto en een vermindering van het aantal auto's in de omgeving van de school door andere vervoerswijzen te promoten.

  Art. 2.3.10. De schooldirectie schrijft zich bij het Bestuur in door het een door haar ingevuld formulier te bezorgen.
  In overleg met de schooldirectie, stelt het Bestuur een tijdsschema op waarin de toepassingstermijnen van de artikelen 2.3.12, § 1, 2.3.14, § 1, 2.3.15, § 1, 2.3.17 en 2.3.18 zijn bepaald en stuurt deze naar de schooldirectie.

  Art. 2.3.11. § 1. De prediagnose, bedoeld in artikel 2.3.6, maakt integraal deel uit van de diagnose.
  § 2. De diagnose bevat :
  1° een kaart met aanduiding van de woonplaats van de leerlingen;
  2° de beschrijving van de werking en de analyse van de omgeving van de schoolinstelling;
  3° het bereikbaarheidsprofiel van de school;
  4° de analyse van de vervoerswijzen van het schoolpubliek in al haar verschillende componenten;
  5° de beschrijving van het verkeer op de wegen in de omgeving van de schoolinstelling en van de problemen voor de verschillende gebruikers;
  6° de analyse van de in de voorafgaande punten bedoelde inlichtingen.
  De Regering kan beslissen om de gevraagde informatie in de diagnose uit te breiden.

  Art. 2.3.12. § 1. Mits naleving van artikel 2.3.11, stelt de schooldirectie de diagnose op aan de hand van een formulier dat zij invult.
  De schooldirectie stuurt dit formulier naar het Bestuur binnen de termijn bepaald in het in artikel 2.3.10, tweede lid bedoelde tijdsschema.
  § 2. Indien het Bestuur oordeelt dat de diagnose onvolledig is, dan vraagt het aan de schooldirectie om deze aan te vullen.
  De schooldirectie stuurt de aanvulling op de diagnose naar het Bestuur.
  § 3. Indien de schooldirectie de diagnose of de aanvulling niet binnen de voorgeschreven termijn opstuurt, dan wordt beschouwd dat de school zich gedurende drie jaar niet meer wil aansluiten bij de plannen.

  Art. 2.3.13. De schooldirectie maakt een actieplan op uitgaand van de diagnose.
  Dat plan bepaalt de volgende acties :
  1° informatie en communicatie over de doelstellingen en de acties van het plan ten behoeve van het schoolpubliek, de buurtbewoners, de gemeente en de politiezone;
  2° opvoeding en sensibilisering van het schoolpubliek inzake verkeersveiligheid, duurzame mobiliteit en een beter leefkader in de schoolomgeving;
  3° organisatie van de verplaatsingen van het schoolpubliek met het oog op een rationeel gebruik van de auto;
  4° voorstellen tot verbetering van de inrichtingen en uitrustingen van de weg en van het openbaar vervoer in de schoolomgeving;
  5° de specifieke en operationele acties om een vervuilingspiek aan te pakken en de toepassing van de dringende maatregelen te garanderen om luchtvervuilingspieken te voorkomen.

  Art. 2.3.14. § 1. De schooldirectie stelt op basis van de diagnose, het actieplan op aan de hand van een formulier dat zij invult.
  Ze stuurt dit formulier naar het Bestuur binnen de termijn bepaald in het in artikel 2.3.10, tweede lid bedoelde tijdsschema.
  § 2. Indien het Bestuur oordeelt dat het actieplan onvolledig is, dan vraagt het aan de schooldirectie om het aan te vullen.
  De schooldirectie stuurt de aanvulling op het actieplan naar het Bestuur.
  § 3. Indien de schooldirectie het oorspronkelijke of aangevulde actieplan niet binnen de voorgeschreven termijn opstuurt, dan wordt beschouwd dat de school zich gedurende drie jaar niet meer wil aansluiten bij de schoolvervoerplannen.
  § 4. Samen met het actieplan kan de schooldirectie een aanvraag voor een principeakkoord voor de toekenning van de in artikel 2.3.47 bedoelde steun indienen.

  Art. 2.3.15. § 1. De schooldirectie implementeert de acties van het plan binnen de termijn bepaald in het in artikel 2.3.10, tweede lid bedoelde tijdsschema.
  § 2. Het Bestuur stelt de betrokken wegbeheerder en maatschappij van openbaar vervoer voor om de voorstellen bedoeld in artikel 2.3.13, tweede lid, 4° te onderzoeken.
  § 3. Het Bestuur deelt aan de schooldirectie de beslissing mee van de Regering met betrekking tot de toekenning of weigering van de steun met toepassing van artikel 2.3.48.

  Art. 2.3.16. Het schoolbestuur gaat over tot de beoordeling van het actieplan om lessen te trekken uit de door de school ondernomen stappen om de acties, de planning van de operaties en de toekomstige beslissingen te verbeteren.
  Daartoe analyseert de beoordeling de relevantie en de efficiëntie van de genomen maatregelen alsook de weerslag ervan op de gedragswijziging van het schoolpubliek.

  Art. 2.3.17. § 1. Op basis van de in artikel 2.3.16 bedoelde beoordeling, actualiseert de schooldirectie het actieplan volgens de termijn die vastgelegd is in het tijdsschema bedoeld in artikel 2.3.10, tweede lid.
  De schooldirectie stuurt het geactualiseerde plan naar het Bestuur.
  Indien de schooldirectie het geactualiseerde plan niet binnen de voorschreven termijn opstuurt, dan wordt beschouwd dat de school zich gedurende drie jaar niet meer wil aansluiten bij de schoolvervoerplannen.
  § 2. Samen met het geactualiseerde actieplan kan de schooldirectie een aanvraag voor een principeakkoord voor de toekenning van de in artikel 2.3.46 bedoelde steun indienen.
  Het Bestuur deelt aan de schooldirectie de beslissing van de Regering mee met betrekking tot de toekenning of weigering van de steun met toepassing van artikel 2.3.48.

  Art. 2.3.18. Na afloop van een periode vastgelegd door de Regering en bepaald in het in artikel 2.3.10, tweede lid bedoelde tijdsschema, vervalt het schoolvervoerplan ambtshalve en van rechtswege.
  De school kan, indien zij dit wenst, een nieuw schoolvervoerplan opstellen. In dit geval, zijn de artikelen 2.3.8 tot 2.3.17 van toepassing.

  Art. 2.3.19. De school wordt als in gebreke blijvend beschouwd indien zij binnen de voorgeschreven termijn de prediagnose, met toepassing van artikel 2.3.6, niet naar het Bestuur stuurt.

  Art. 2.3.20. Het Bestuur stuurt, per aangetekend schrijven, een verwittiging naar de school en bepaalt een termijn zodat deze een eind kan stellen aan het vastgestelde in gebreke blijven.
  Indien de school binnen de voorgeschreven termijn geen gevolg geeft aan de in het eerste lid bedoelde verwittiging, dan kan zij geen beroep doen op steun in toepassing van artikel 2.3.46.

  Afdeling 3. - Het bedrijfsvervoerplan

  Art. 2.3.21. Het bedrijfsvervoerplan heeft tot doel een langetermijnstrategie te creëren binnen de bedrijven door een reeks concrete maatregelen geleidelijk in te voeren om een juist evenwicht te garanderen tussen het algemene mobiliteitsbelang, de kwaliteit van het leefmilieu waaronder de luchtkwaliteit en de sociaal-economische belangen van de bedrijven. Het bedrijf zal doelstellingen bepalen voor een verdeling van de vervoerswijzen.
  Het plan wil de verplaatsingsgewoontes van de werknemers en de bezoekers van het bedrijf veranderen ten gunste van vervoerswijzen die aansluiten bij een duurzaam mobiliteitsbeheer en die milieuvriendelijk zijn.

  Art. 2.3.22. § 1. Deze afdeling is van toepassing op het bedrijf dat meer dan honderd werknemers op een zelfde site tewerkstelt.
  § 2. Het gemiddeld aantal tewerkgestelde werknemers waarmee rekening moet worden gehouden voor de toepassing van deze afdeling wordt op dezelfde wijze berekend als die welke wordt gebruikt voor het verzamelen van de gegevens betreffende het woon-werkverkeer van de werknemers door de federale overheid.
  § 3. Indien op eenzelfde site meerdere bedrijven gevestigd zijn die elk meer dan honderd werknemers tewerkstellen, dan kunnen zij een gemeenschappelijk vervoerplan opstellen.
  § 4. Indien in eenzelfde gebouw meerdere bedrijven gevestigd zijn die elk minder dan honderd werknemers, maar samen meer dan honderd werknemers tewerkstellen, dan kunnen zij een gemeenschappelijk vervoerplan opstellen.

  Art. 2.3.23. § 1. Het bedrijf maakt een diagnose die het volgende omvat :
  1° de inventaris en de analyse van de verplaatsingen van de werknemers, zowel hun woon-werkverplaatsingen als hun beroepsverplaatsingen en van de goederen die door de werking van het bedrijf gegenereerd worden, alsook een schatting van het aantal bezoekers;
  2° het aantal bezoldigde werknemers die onder het gezag staan van een andere persoon dan het bedrijf of van zelfstandigen die werken uitvoeren voor en diensten of goederen leveren aan het bedrijf, voor zover zij meer dan tien dagen per maand op de site aanwezig zijn;
  3° de gegevens met aanduiding van de gemeente waar de werknemers bedoeld in punt 1° wonen, alsook hun vervoermiddel;
  4° de werkroosters van de in punt 1° bedoelde werknemers;
  5° de analyse van het wagenpark van het bedrijf : dienstwagens, bedrijfswagens, bestelwagens, vrachtwagens en al dan niet gemotoriseerde tweewielers;
  6° de analyse van het parkeeraanbod in en in de omgeving van het bedrijf;
  7° de analyse van de bereikbaarheid van het bedrijf met het openbaar vervoer, te voet, per fiets en met de wagen;
  8° de beschrijving van de reeds door het bedrijf ondernomen acties om de mobiliteit en de bereikbaarheid van het bedrijf te verbeteren;
  9° de lijst van bedrijven op eenzelfde of nabijgelegen site, waarmee een gemeenschappelijk vervoerplan of gemeenschappelijke acties voordelen zouden kunnen opleveren;
  10° de analyse van de in de voorgaande punten bedoelde inlichtingen.
  De Regering kan beslissen om de gevraagde informatie in de diagnose uit te breiden indien dit nodig zou zijn voor de uitvoering van het actieplan.
  § 2. Het bedrijf stelt deze diagnose op aan de hand van een formulier dat het invult en verstuurt naar het Instituut.
  Wanneer het Instituut oordeelt dat de diagnose onvolledig is, vraagt het aan het bedrijf om ze aan te vullen.
  Het bedrijf verstuurt de bijkomende informatie naar het Instituut binnen een door de Regering vastgelegde termijn.
  De volledige diagnose wordt dan door het Instituut bezorgd aan het Bestuur.

  Art. 2.3.24. § 1. Op basis van de diagnose bedoeld in artikel 2.3.23, maakt het bedrijf een actieplan op.
  Het actieplan bevat de volgende verplichte acties :
  1° de doelstellingen inzake de verdeling van de vervoerswijzen die overeenstemmen met een raming van de impact van het bedrijfsactieplan op het gewijzigde gedrag van de werknemers voor hun verplaatsingen;
  2° de aanstelling van een contactpersoon binnen het bedrijf, van wie de identiteit aan de werknemers wordt bekendgemaakt;
  3° de informatie en communicatie over het volledige bedrijfsvervoerplan aan de werknemers en hun vakbondsafgevaardigden;
  4° de terbeschikkingstelling van een bereikbaarheidsplan van de site aan de werknemers en bezoekers van het bedrijf;
  5° de terbeschikkingstelling van een fietsenstalling aan de werknemers van het bedrijf; de Regering kan de kenmerken van de fietsenstalling bepalen;
  6° de specifieke en operationele acties om een vervuilingspiek aan te pakken en de toepassing van de dringende maatregelen te garanderen om luchtvervuilingspieken te voorkomen;
  7° andere acties die overeenstemmen met alle middelen die het bedrijf wil inzetten om de in artikel 2.3.21 bedoelde doelstellingen te bereiken.
  De Regering kan andere verplichte acties bepalen die tegemoetkomen aan de in artikel 2.3.21 bedoelde doelstellingen.
  § 2. Het bedrijf stelt het actieplan op aan de hand van een formulier dat het invult. Het ingevulde formulier wordt aan het Instituut bezorgd binnen de door de Regering voorgeschreven termijn. Op basis van dit formulier, beslist het Instituut om een audit uit te voeren.

  Art. 2.3.25. § 1. De contactpersoon stuurt het bedrijfsvervoerplan naar het Instituut.
  § 2. Indien het Instituut oordeelt dat het bedrijfsvervoerplan onvolledig is, dan wordt aan de contactpersoon gevraagd om het te laten aanvullen door het bedrijf.
  De contactpersoon stuurt de aanvulling op het bedrijfsvervoerplan naar het Instituut.
  Het Instituut stuurt het aangevulde plan naar het Bestuur.

  Art. 2.3.26. Het bedrijf implementeert op zijn minst de verplichte acties bedoeld in artikel 2.3.24.

  Art. 2.3.27. Het bedrijf actualiseert zijn vervoerplan met inachtneming van artikelen 2.3.23 tot 2.3.26.

  Art. 2.3.28. Een bedrijf wordt als in gebreke blijvend beschouwd indien het binnen de voorgeschreven termijn :
  1° het formulier en/of zijn oorspronkelijke of aangevulde vervoerplan niet naar het Instituut opstuurt, met toepassing van artikel 2.3.25;
  2° de verplichte acties van zijn vervoerplan niet implementeert, met toepassing van artikel 2.3.26;
  3° de update van zijn vervoerplan niet naar het Instituut opstuurt, met toepassing van artikel 2.3.27.

  Art. 2.3.29. Het Instituut stuurt, per aangetekend schrijven, een verwittiging naar het bedrijf en bepaalt een termijn zodat het een eind kan stellen aan de vastgestelde tekortkoming.

  Afdeling 4. - Het activiteitenvervoerplan

  Onderafdeling 1. - Algemeenheden

  Art. 2.3.30. Het activiteitenvervoerplan heeft met name tot doel :
  1° de mobiliteit, het leefmilieu, de luchtkwaliteit en de leefkwaliteit, zowel op de weg naar de site waar de activiteit plaatsvindt als rondom de site en in de omgeving ervan, te verbeteren om de impact van de activiteit hierop te verminderen;
  2° de verplaatsingsgewoontes van de deelnemers te veranderen met het oog op meer verplaatsingen te voet, met de fiets of het openbaar vervoer, een rationeel gebruik van de auto en een vermindering van het aantal auto's in de omgeving van de site waar de activiteit plaatsvindt door andere vervoerswijzen te promoten.

  Art. 2.3.31. Onderhavige afdeling geldt voor de activiteiten waaraan, op een zelfde site, meer dan duizend mensen per dag deelnemen.

  Art. 2.3.32. § 1. Aan de hand van een formulier dat ze invullen, maken elke sitebeheerder en sitegebruiker :
  1° zichzelf en hun contactpersoon bekend aan het Bestuur;
  2° kenbaar aan het Bestuur welke soort activiteit ze organiseren alsook het geschatte aantal mensen dat aan hun activiteiten zal deelnemen.
  § 2. De contactpersoon van de sitebeheerder en deze van de sitegebruiker versturen het formulier bepaald in § 1 naar het Bestuur.

  Art. 2.3.33. § 1. Aan de hand van een formulier dat zij invullen, informeren de sitebeheerder en de sitegebruiker het Bestuur over de verplaatsing van de activiteit op het grondgebied van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest of erbuiten en bezorgen het hun nieuw adres.
  De contactpersoon van de sitebeheerder en deze van de sitegebruiker versturen dit formulier naar het Bestuur.
  § 2. Indien de activiteit georganiseerd op het grondgebied van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest er verplaatst wordt, dan moet er hiervoor een nieuw activiteitenvervoerplan worden opgesteld.

  Onderafdeling 2. - Activiteiten met duizend tot zesduizend deelnemers per dag

  Art. 2.3.34. § 1. Voor de sites met een capaciteit van duizend tot zesduizend deelnemers per dag, kan de sitebeheerder de volgende acties uitvoeren :
  1° de opmaak van een bereikbaarheidsplan van de site dat aan de sitegebruiker wordt overhandigd;
  2° de terbeschikkingstelling van een fietsenstalling aan de sitegebruiker; de Regering kan de kenmerken van de fietsenstalling bepalen.
  De uitvoering van deze acties is voor rekening van de sitegebruiker indien de activiteit in de openbare ruimte plaatsvindt.
  § 2. De Regering kan andere acties bepalen die noodzakelijk zijn om de doelstellingen in artikel 2.3.30 te behalen.

  Art. 2.3.35. § 1. Voor de activiteiten met duizend tot zesduizend deelnemers per dag, kan de sitegebruiker de volgende acties uitvoeren :
  1° de verspreiding van het bereikbaarheidsplan van de site, bedoeld in artikel 2.3.34, § 1, 1°, op de website van de activiteit, aangepast aan het type van activiteit en de herkomst van de betrokken bezoekers;
  2° de terbeschikkingstelling van de fietsenstalling, bedoeld in artikel 2.3.34, § 1, 2°, aan de deelnemers;
  3° de vermelding van de dichtsbijgelegen haltes van openbaar vervoer en van de fietsenstalling op de toegangskaarten in voorverkoop en op de affiches.
  § 2. De Regering kan andere acties bepalen die noodzakelijk zijn om de doelstellingen in artikel 2.3.30 te behalen.

  Art. 2.3.36. De sitebeheerder en de sitegebruiker kunnen een aanvraag voor een principeakkoord voor de toekenning van de in artikel 2.3.46 bedoelde steun bij het Bestuur indienen.
  Het Bestuur deelt aan de sitebeheerder en de sitegebruiker de beslissing van de Regering mee over de toekenning of weigering van de steun met toepassing van artikel 2.3.48.

  Onderafdeling 3. - Activiteiten met meer dan zesduizend deelnemers per dag

  Art. 2.3.37. § 1. Indien de activiteit in de openbare ruimte plaatsvindt, dan zijn de bepalingen van de onderhavige onderafdeling enkel van toepassing op de sitegebruiker.
  § 2. Wanneer de activiteit betrekking heeft op een site met meer dan zesduizend betalende deelnemers per dag en onderworpen is aan een milieuvergunning, dan zijn de bepalingen van afdeling 3 van toepassing op de sitebeheerder, ook wat de specifieke bepalingen van artikelen 2.3.38 en 2.3.39 met betrekking tot de opmaak van de diagnose en het actieplan betreft.
  § 3. De Regering bepaalt de toepassingsmodaliteiten van deze onderafdeling, en meer bepaald de categorieën van activiteiten die meer dan zesduizend deelnemers per dag samenbrengen en waarvoor artikel 2.3.38, § 1, punt 3° en § 2, punt 4° en artikel 2.3.39, § 1, punt 2°, laatste streepje van toepassing zijn.

  Art. 2.3.38. § 1. Aan de hand van een formulier dat hij invult, stelt de sitebeheerder een diagnose op die het volgende bevat :
  1° de analyse van de bereikbaarheid van de site voor de verschillende vervoerswijzen van de deelnemers en van de parkeercapaciteit;
  2° de beschrijving van de reeds ondernomen acties om de verplaatsingen van de deelnemers te organiseren;
  3° een evaluatie van de behoeften op het vlak van het aanbod aan openbaar vervoer.
  De Regering kan beslissen om de gevraagde informatie in de diagnose uit te breiden.
  § 2. Aan de hand van een formulier dat hij invult, stelt de sitegebruiker een diagnose op die het volgende bevat :
  1° de analyse van de vermoedelijke of geschatte vervoerswijzen van de deelnemers op de weg naar de site waar de activiteit plaatsvindt;
  2° de analyse van het vermoedelijke aantal goederen dat nodig is voor de activiteit en van de vervoerswijzen ervan op de weg naar de site waar de activiteit plaatsvindt;
  3° de beschrijving van de reeds ondernomen acties om de verplaatsingen van de deelnemers te organiseren;
  4° een evaluatie van de behoeften op het vlak van het aanbod aan openbaar vervoer.

  Art. 2.3.39. § 1. Aan de hand van een formulier dat zij invullen, stellen de sitebeheerder en de sitegebruiker een actieplan op dat het volgende bevat :
  1° de acties bepaald in de artikelen 2.3.34 en 2.3.35;
  2° alsook de volgende verplichte maatregelen :
  - sensibiliserings- en aansporingsmaatregelen bestemd voor de deelnemers om andere vervoerswijzen dan de privéwagen te gebruiken;
  - specifieke maatregelen voor personen met beperkte mobiliteit;
  - signalisatiemaatregelen met betrekking tot de zachte vervoerswijzen, bestemd voor voetgangers en fietsers, evenals signalisatiemaatregelen met betrekking tot eventuele omleidingen veroorzaakt door de activiteit;
  - informatie-uitwisseling tussen de buurtbewoners en de sitebeheerder en/of sitegebruiker.
  3° andere acties die overeenstemmen met het geheel van de middelen die de sitebeheerder en de sitegebruiker ter beschikking stellen om de doelstellingen vermeld in artikel 2.3.30 te bereiken.
  § 2. De sitebeheerder stelt het actieplan op met betrekking tot de acties bedoeld in § 1, 2° en in artikel 2.3.34.
  § 3. De sitegebruiker stelt het actieplan op met betrekking tot de acties bedoeld in § 1, 2° en in artikel 2.3.35.
  § 4. De regels voor de tenlasteneming van de eventuele meerkost voor de MIVB van een betalende activiteit met meer dan zesduizend deelnemers per dag en welke door de regering wordt bepaald, worden vastgesteld in het kader van de beheersovereenkomst van de MIVB.

  Art. 2.3.40. § 1. De contactpersoon van de sitebeheerder en die van de sitegebruiker sturen het activiteitenvervoerplan naar het Bestuur.
  § 2. Samen met het activiteitenvervoerplan kunnen de sitebeheerder en de sitegebruiker een aanvraag voor een principeakkoord voor de toekenning van de in artikel 2.3.46 bedoelde steun indienen alsook het advies bedoeld in artikel 2.3.41, § 1 vragen.
  § 3. Indien het Bestuur oordeelt dat het activiteitenvervoerplan onvolledig is, vraagt het de contactpersoon van de sitebeheerder en deze van de sitegebruiker om het te laten aanvullen.
  De contactpersoon van de sitebeheerder en die van de sitegebruiker sturen de aanvulling op het activiteitenvervoerplan naar het Bestuur.

  Art. 2.3.41. § 1. Indien het Bestuur het opportuun acht of indien de sitebeheerder of de sitegebruiker hierom vraagt, kan het het advies van het Instituut, de betrokken politiezone(s), de betrokken gemeente(n) of de betrokken maatschappij(en) van openbaar vervoer vragen over het oorspronkelijke of aangevulde activiteitenvervoerplan.
  De personen bedoeld in het eerste lid sturen hun advies naar het Bestuur.
  § 2. Het Bestuur stuurt zijn advies, gebaseerd op het advies bedoeld in § 1, naar de contactpersoon van de sitebeheerder en deze van de sitegebruiker.

  Art. 2.3.42. De contactpersoon van de sitebeheerder en deze van de sitegebruiker sturen het op basis van het advies van het Bestuur gewijzigde activiteitenvervoerplan naar het Bestuur.

  Art. 2.3.43. De sitebeheerder en de sitegebruiker implementeren op zijn minst de verplichte acties van het activiteitenvervoerplan.
  Het Bestuur deelt aan de contactpersoon van de sitebeheerder en deze van de sitegebruiker, de beslissing van de Regering mee over de toekenning of weigering van de steun met toepassing van artikel 2.3.46.

  Art. 2.3.44. De sitebeheerder en de sitegebruiker actualiseren hun vervoerplan met inachtneming van de artikelen 2.3.37 tot 2.3.43.

  Art. 2.3.45. De sitebeheerder of de sitegebruiker wordt als in gebreke blijvend beschouwd indien hij binnen de voorgeschreven termijn :
  1° zichzelf en zijn contactpersoon niet bekendmaakt aan het Bestuur, met toepassing van artikel 2.3.32, § 1, 1° ;
  2° het Bestuur niet op de hoogte stelt van de verplaatsing van zijn activiteit en zijn nieuwe adres niet meedeelt, met toepassing van artikel 2.3.33, § 1;
  3° zijn met toepassing van artikel 2.3.40 oorspronkelijke of aangevulde of met toepassing van artikel 2.3.42 gewijzigde activiteitenvervoerplan niet naar het Bestuur stuurt;
  4° de acties niet implementeert, met toepassing van de artikelen 2.3.34, 2.3.35, 2.3.39 en 2.3.43;
  5° de update van zijn activiteitenvervoerplan niet naar het Bestuur stuurt, met toepassing van artikel 2.3.44.
  Het Bestuur stuurt een verwittiging, bij aangetekend schrijven, aan de overtreder en bepaalt een termijn zodat deze een einde kan stellen aan het vastgestelde in gebreke blijven.

  Afdeling 5. - De toekenning van financiële of materiële steun

  Art. 2.3.46. § 1. Overeenkomstig de bepalingen van onderhavige afdeling, kan de Regering financiële of materiële steun toekennen om de opmaak en de implementatie van een vervoerplan aan te moedigen. Deze steun wordt vastgelegd binnen de beschikbare budgetten.
  § 2. Kunnen deze steun genieten :
  1° de in afdeling 2 van onderhavig hoofdstuk bedoelde scholen;
  2° de personen die een in afdeling 4 van onderhavig hoofdstuk bedoelde activiteit organiseren indien deze zonder winstoogmerk gebeurt.
  § 3. De Regering bepaalt de toekenningscriteria, de aard en het bedrag van de steun.

  Art. 2.3.47. § 1. De aanvraag voor een principeakkoord voor de toekenning van de in de artikelen 2.3.14, § 4, 2.3.17, § 2, 2.3.36 en 2.3.40, § 2 bedoelde steun is ontvankelijk indien :
  1° de school het in artikel 2.3.10, tweede lid bedoelde tijdsschema heeft nageleefd, en dat de toepassingstermijnen van de artikelen 2.3.12, § 1, 2.3.14, § 1, 2.3.15, § 1 en 2.3.18 bepaalt;
  2° de sitebeheerder of de sitegebruiker niet valt onder een van de in artikel 2.3.45 bedoelde gevallen van tekortkoming.
  De Regering kan andere ontvankelijkheidsvoorwaarden voor de aanvraag bepalen dan deze die in het eerste lid worden bedoeld.
  § 2. De Regering bepaalt de samenstelling van het aanvraagdossier voor een principeakkoord voor de toekenning van de steun.

  Art. 2.3.48. De Regering deelt aan de begunstigde haar beslissing mee tot toekenning of weigering van de steun en stuurt een kopie van haar kennisgeving naar het Bestuur.
  Het Bestuur verleent de steun aan de begunstigde.

  Art. 2.3.49. § 1. De Regering kan de teruggave van de steun eisen indien binnen de voorgeschreven termijn :
  1° de school het actieplan, overeenkomstig artikel 2.3.15, niet implementeert of de steun gebruikt voor andere doeleinden dan deze waarvoor hij werd toegekend;
  2° de sitebeheerder of sitegebruiker de verplichte acties van zijn actieplan, overeenkomstig artikelen 2.3.34, 2.3.35 en 2.3.43 niet implementeert of de steun gebruikt voor andere doeleinden dan deze waarvoor hij werd toegekend.
  De Regering kan andere voorwaarden voor de teruggave van de steun bepalen dan deze vermeld in het eerste lid.
  § 2. Indien de teruggave van de steun niet binnen de door de Regering bepaalde termijn wordt uitgevoerd, dan wordt de overtreder bestraft met een administratieve boete die gelijk is aan maximum het dubbele van het bedrag van de in artikel 2.3.46, § 3 bedoelde steun.

  HOOFDSTUK 2. - Verbetering van de milieuprestatie van de voertuigen

  Art. 2.3.50. § 1. De Regering definieert milieuprestatie-eisen die van toepassing zijn voor de aan te kopen of te leasen voertuigen van natuurlijke of rechtspersonen die op het grondgebied van het Gewest één of meer van de volgende activiteiten uitoefenen :
  1° een taxidienst;
  2° een dienst voor het verhuren van voertuigen met of zonder chauffeur of voor autodelen;
  3° een toeristische busdienst.
  § 2. De Regering kan premies toekennen om de aankoop van voertuigen die beantwoorden aan de milieudoelstellingen gedefinieerd krachtens § 1 aan te moedigen.

  HOOFDSTUK 3. - Parkings buiten de openbare weg

  Afdeling 1. - Algemeenheden

  Art. 2.3.51. Met het oog op de toepassing van dit hoofdstuk, verstaat men onder :
  1° " Aanvraag " : een aanvraag om milieuvergunning in de zin van de ordonnantie van 5 juni 1997 betreffende de milieuvergunningen, een aanvraag om milieucertificaat in de zin van artikel 8 van dezelfde ordonnantie of een aanvraag tot verlenging van een milieuvergunning in de zin van artikel 62 van dezelfde ordonnantie;
  2° " Aanvrager " : elke publieke of privépersoon die een aanvraag indient;
  3° " Parkeerplaats " : een plaats buiten de openbare weg voor het stationeren van een autovoertuig op twee tot vier wielen en waarvan de toegang voorbehouden is aan sommige gebruikers, in tegenstelling tot de openbare parking;
  4° " Overtollige parkeerplaats " : een parkeerplaats zoals gedefinieerd in punt 3° die het aantal toegestane plaatsen, zoals bepaald krachtens de artikelen 2.3.53 en 2.3.54, met inbegrip van § 4 van artikel 2.3.54 overschrijdt;
  5° " Woning " : geheel van lokalen bestemd voor bewoning, die samen een wooneenheid vormen;
  6° " Parking " : elke ingedeelde inrichting in de zin van de ordonnantie van 5 juni 1997 betreffende de milieuvergunningen die parkeerplaatsen of overtollige parkeerplaatsen behelst in de zin van punten 3° en 4° van onderhavig artikel;
  7° " Openbare parking " : elke parking die, gratis of tegen betaling, toegankelijk is voor het publiek en die voldoet aan de voorwaarden van de ordonnantie van 22 januari 2009 houdende de organisatie van het parkeerbeleid en de oprichting van het Brussels Hoofdstedelijk Parkeeragentschap, of als dusdanig erkend is in de milieuvergunning waaraan ze onderworpen is, met inbegrip van die welke aan het Gewest of elke andere publiekrechtelijke rechtspersoon toebehoren, met inbegrip van de transitparkings;
  8° " Milieuvergunning " of " milieucertificaat " : de vergunning of het certificaat uitgereikt met toepassing van de ordonnantie van 5 juni 1997 betreffende de milieuvergunningen;
  9° " Vloeroppervlakte " : som van de overdekte vloeren met een vrije hoogte van minstens 2,20 meter in alle lokalen, met uitsluiting van de lokalen gelegen onder het terreinniveau die voor parkeerplaatsen, kelders, technische voorzieningen en opslagplaatsen bestemd zijn;
  10° " Dienstvoertuig " : voertuig bestemd voor leveringen of diensten of een ander voertuig nodig voor de technische activiteiten van een onderneming, met uitsluiting van dienstwagens met chauffeur en van de ter beschikking van het personeel gestelde wagens, zoals de bedrijfswagens.

  Afdeling 2. - Toepassingsgebied

  Art. 2.3.52. § 1. De bepalingen van dit hoofdstuk zijn van toepassing op de aan te leggen parkings in het Brussels Hoofdstedelijk Gewest, evenals op de bestaande parkings die minstens drie overtollige plaatsen tellen in de zin van de artikel 2.3.51, 4°.
  § 2. Het aantal toegestane parkeerplaatsen in een parking wordt bepaald volgens de regels waarin voorzien in de artikelen 2.3.53 en 2.3.54 rekening houdend met :
  - enerzijds, de bereikbaarheidszone gedefinieerd in artikel 2.3.53 waarin het gebouw of deel van het gebouw gelegen is dat de inrichting moet bedienen waarvoor een milieuvergunning, een milieucertificaat of een verlenging van milieuvergunning wordt aangevraagd;
  - en anderzijds, de vloeroppervlakte van dat gebouw of deel van gebouw.
  § 3. Die bepalingen zijn echter niet van toepassing :
  1° op de parkeerplaatsen bestemd voor een woonfunctie;
  2° op de parkeerplaatsen die fungeren als publieke parking;
  3° op de parkeerplaatsen die exclusief bestemd zijn voor ambachts-, nijverheids-, logistieke, opslagactiviteiten of voor activiteiten voor de vervaardiging van materiële diensten, voor handelszaken, voor groothandel, voor grote speciaalzaken, voor voorzieningen van collectief belang of van openbare dienst en voor hotelinrichtingen. Al deze begrippen moeten worden verstaan in de zin van het Gewestelijk Bestemmingsplan;
  4° op de parkeerplaatsen die exclusief bestemd zijn voor taxidiensten zoals gedefinieerd onder artikel 2, 1° van de ordonnantie van 27 april 1995 betreffende de taxidiensten, voor de diensten voor het verhuren van voertuigen met chauffeur of voor een autodeeldienst. In voorkomend geval, zal de aanvrager, in zijn aanvraag, het aantal parkeerplaatsen vermelden die voor deze functies gebruikt moeten worden.
  De Regering kan een begeleidingsdienst aanstellen voor aanvragers die al hun parkeerplaatsen of een deel daarvan wensen te herbestemmen als parkeerplaatsen bestemd voor een woonfunctie, openbare parking in de zin van artikel 2.3.51, 7° of andere bestemmingen dan parkeerplaatsen voor voertuigen.
  Om de vergunningsaanvrager te garanderen dat hij zich slechts tot één instantie moet richten tijdens de aanvraagprocedure van de milieuvergunning, zal het Instituut de contactinstantie voor de aanvrager zijn voor alles wat die milieuvergunning betreft (van de aanvraag van de vergunning tot de aflevering ervan). Deze opdracht zal worden uitgevoerd met de steun van het Parkeeragentschap voor wat de aspecten betreft die betrekking hebben op de terbeschikkingstelling van parkeerplaatsen als " openbare parking ".
  Na de aflevering van de vergunning zal het Parkeeragentschap de taak hebben om voor de milieuvergunningshouder de instantie te worden voor wat de aspecten betreft die betrekking hebben op de terbeschikkingstelling van parkeerplaatsen als " openbare parkings " (eventuele bijstand, controle van de naleving van de voorwaarden verbonden aan de toekenning van het label " openbaar gebouw ", bijwerking van het kadaster, eventuele exploitatie van plaatsen enz.).
  Op verzoek van de milieuvergunningshouder zal het Parkeeragentschap het beheer van de overtollige parkeerplaatsen in de zin van artikel 2.3.51,4° met een herbestemming als openbare parking in de zin van artikel 2.3.51, 7° op zich kunnen nemen.

  Afdeling 3. - Aantal toegestane parkeerplaatsen

  Art. 2.3.53. § 1. Met het oog op de toepassing van de bepalingen van onderhavig hoofdstuk, wordt het gewestelijk grondgebied opgedeeld in drie zones op grond van de bereikbaarheid met het openbaar vervoer :
  1° zone A, met een zeer goede bediening door het openbaar vervoer;
  2° zone B, met een goede bediening door het openbaar vervoer;
  3° zone C, met een matige bediening door het openbaar vervoer.
  § 2. Zone A omvat de terreinen grenzend aan de wegen of delen van wegen gelegen :
  1° op een wandelafstand van minder dan 500 meter van een IC/IR-spoorwegstation waar, op weekdagen, beide richtingen samengeteld, minstens tien reizigerstreinen per uur stoppen, tijdens minstens een volledig uur en dit twee keer per dag;
  2° op een wandelafstand van minder dan 400 meter :
  - van een metrostation waar, op weekdagen, beide richtingen samengeteld, minstens vijfendertig metrostellen per uur stoppen, tijdens minstens een volledig uur en dit twee keer per dag;
  - of van een premetrostation, vanaf het Zuidstation tot en met het Noordstation, waar, op weekdagen, beide richtingen samengeteld, minstens vijfendertig tramstellen per uur stoppen, tijdens minstens een volledig uur en dit twee keer per dag.
  § 3. Zone B omvat de terreinen grenzend aan de wegen of delen van wegen gelegen :
  1° op een wandelafstand van minder dan 400 meter :
  - van een spoorwegstation of -halte die niet bedoeld is in § 2 en waar, op weekdagen, beide richtingen samengeteld, minstens zes reizigerstreinen per uur stoppen, tijdens minstens een volledig uur en dit twee keer per dag;
  - of van een metrostation dat niet wordt bedoeld in § 2;
  - of van een premetrostation dat niet wordt bedoeld in § 2;
  - of van een tramhalte voor zover deze op weekdagen bediend wordt, beide richtingen samengeteld, door minstens vijftien tramstellen per uur, tijdens minstens een volledig uur en dit twee keer per dag;
  2° op een wandelafstand tussen 500 meter en 800 meter van een spoorwegstation dat wordt bedoeld in § 2, 1° ;
  3° op een wandelafstand tussen 400 meter en 700 meter van een metro- of een premetrostation dat wordt bedoeld in § 2, 2°.
  § 4. Zone C omvat de terreinen grenzend aan de wegen of delen van wegen die niet vallen onder de zones bepaald in § 2 en § 3.
  § 5. De volgende regels zijn van toepassing op de bereikbaarheidszones bedoeld in § 1 tot 4 :
  1° de afstanden worden berekend vanaf de as van de weg;
  2° in het bijzondere geval van een ingesloten terrein geldt de regeling van het terrein dat dit ingesloten terrein de voornaamste voetgangerstoegang verschaft tot de openbare weg;
  3° de afstanden worden berekend vanaf de as van de weg die het dichtst ligt bij elke toegang tot een spoorweghalte of -station, tot een metro-, premetro- of tramstation zoals bedoeld in § 2 en § 3;
  § 6. In het geval van gebouwen met meerdere ingangen die uitgeven op verschillende wegen, wordt de regeling van de meest restrictieve zone toegepast.
  § 7. De Regering maakt en publiceert om de twee jaar een kaart die door het Ministerie van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest wordt bijgewerkt.

  Art. 2.3.54. § 1. Onverminderd § 4 van onderhavig artikel, laat een milieucertificaat, een milieuvergunning of een verlenging van milieuvergunning maximum het volgend aantal parkeerplaatsen bij gebouwen of delen van gebouwen toe :
  1° voor de gebouwen gelegen in zone A : 2 parkeerplaatsen voor de eerste schijf van 250 m2 vloeroppervlakte plus 1 parkeerplaats per bijkomende schijf van 200 m2 vloeroppervlakte;
  2° voor de gebouwen gelegen in zone B : 1 parkeerplaats per schijf van 100 m2 vloeroppervlakte;
  3° voor de gebouwen gelegen in zone C : 1 parkeerplaats per schijf van 60 m2 vloeroppervlakte.
  § 2. Het aantal toegestane parkeerplaatsen dat overeenkomstig de vorige paragraaf wordt bepaald, wordt naar de hogere eenheid afgerond.
  § 3. Het aantal toegestane parkeerplaatsen wordt bepaald rekening houdend met het gebied waarin het gebouw of deel van het gebouw zich bevindt op het ogenblik dat de vergunningsaanvraag wordt ingediend. De wijziging van de gebieden in de loop van de daaropvolgende jaren doet geen afbreuk aan de geldigheid van de lopende milieuvergunning.
  § 4. In afwijking van §§ 1 tot 3 van onderhavig artikel, mag de bevoegde overheid, op verzoek van de aanvrager, een milieucertificaat of een milieuvergunning of een verlenging van milieuvergunning uitreiken die een hoger aantal parkeerplaatsen toestaat dan dat wat voortvloeit uit de toepassing van §§ 1 en 3. In dat geval, worden de parkeerplaatsen niet beschouwd als overtollige parkeerplaatsen.
  Deze afwijking mag slechts worden verleend als ze afdoende gerechtvaardigd is door de noodzaak om over bijkomende plaatsen te beschikken voor de dienstvoertuigen, de bezoekers of de klanten, door de economische of sociale noodwendigheden eigen aan de beoogde activiteit in het gebouw of deel van het gebouw dat door de parking bediend wordt of door zijn beperkte bereikbaarheid gelet op de algemene kenmerken van de zone, gedefinieerd in toepassing van artikel 2.3.53 van onderhavig Wetboek, waarin dat gebouw of deel van gebouw gelegen is.
  Indien die afwijking verband houdt met een overschrijding van meer dan tien bijkomende plaatsen ten opzichte van het aantal dat voortvloeit uit de toepassing van § 1 tot § 3, voegt de aanvrager die om een dergelijke afwijking verzoekt, bij zijn aanvraag van milieucertificaat of -vergunning een raming van de impact van de gevraagde overschrijding op het milieu.
  Deze beoordeling wordt onafhankelijk opgemaakt door een daartoe geregistreerde of erkende persoon, in overeenstemming met titel 5.
  De houders van de erkenning die vereist is om een effectenbeoordeling uit te voeren, worden geacht erkend of geregistreerd te zijn met toepassing van deze bepaling.
  De kosten van de effectenbeoordeling vallen ten laste van de aanvrager.

  Afdeling 4. - Milieubelasting

  Art. 2.3.55. § 1. Er bestaat een jaarlijkse belasting, " milieubelasting " genoemd, verschuldigd door de houders van de milieuvergunningen die, bij een aanvraag tot verlenging krachtens artikel 62 van de verordening van 5 juni 1997 betreffende de milieuvergunningen of van een nieuwe vergunning voor een bestaande installatie die voordien toegestaan was overeenkomstig artikel 13ter, § 2 of § 3 van dezelfde ordonnantie, ervoor gekozen hebben één of meer overtollige parkeerplaatsen te behouden, alsook door de personen die dergelijke plaatsen zonder vergunning of in strijd met de voorwaarden van hun milieuvergunning behouden of ingericht hebben.
  § 2. Deze belasting is verschuldigd op 1 januari van het jaar volgend op het ogenblik van de beslissing tot verlenging of vernieuwing van de milieuvergunning waarbij de schuldenaar heeft gekozen voor de toepassing van artikel 13ter, § 2 of § 3, van de ordonnantie van 5 juni 1997 betreffende de milieuvergunningen.
  De belasting is ook verschuldigd op 1 januari van het jaar volgend op de verjaardag van de verlenging of de uitreiking van een nieuwe milieuvergunning die aanleiding gaf tot de belasting die in het vorige lid vermeld wordt.

  Art. 2.3.56. De schuldenaars van de milieubelasting zijn de houders van een milieuvergunning bedoeld in artikel 2.3.54, § 1, 1° en 2°, en vanaf 1 januari 2022 die bedoeld in artikel 2.3.54, § 1, 3°. Die houders zijn zowel de natuurlijke als de privaat- of publiekrechtelijke rechtspersonen die de milieuvergunning voor zichzelf gevraagd en verkregen hebben als de overnemers van dergelijke vergunning, voor zover de overname conform artikel 63, § 1, 6°, van de ordonnantie van 5 juni 1997 betreffende de milieuvergunningen gebeurd is.
  Indien meerdere personen samen houder zijn van een milieuvergunning, zal de milieubelasting hoofdelijk en ondeelbaar aan elk van hen opgelegd worden.
  Het basisbedrag van de milieubelasting is vastgesteld op :
  a) 450 euro voor de houders van een milieuvergunning bedoeld in artikel 2.3.54, § 1, 1° ;
  b) 350 euro voor de houders van een milieuvergunning bedoeld in artikel 2.3.54, § 1, 2° ;
  c) 250 euro voor de houders van een milieuvergunning bedoeld in artikel 2.3.54, § 1, 3°.
  Die basisbedragen worden jaarlijks, op 1 januari, aangepast aan het indexcijfer der consumptieprijzen van het Koninkrijk van de maand december van het voorafgaande jaar.
  De milieubelasting voor het eerste volledige jaar waarin één of meer overtollige parkeerplaatsen behouden worden, is gelijk aan het basisbedrag vermenigvuldigd met het aantal overtollige parkeerplaatsen.
  Voor de volgende jaren, wordt het basisbedrag jaarlijks met 10 % vermeerderd tijdens de geldigheidsduur van de milieuvergunning waarin de parkeerplaatsen worden toegestaan. Die verhoging wordt van jaar tot jaar gecumuleerd en dat gedurende een periode van 15 jaar. De milieubelasting voor deze jaren is gelijk aan het vermeerderde basisbedrag vermenigvuldigd met het aantal overtollige parkeerplaatsen.

  Art. 2.3.57. De milieubelasting wordt jaarlijks geïnd via een kohier dat op basis van de gegevens van het Instituut opgesteld en uitvoerbaar verklaard wordt.
  Deze door het Instituut geleverde gegevens worden ook bezorgd aan het Parkeeragentschap en aan het Ministerie van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest.
  Het Ministerie van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest stuurt elk jaar een aanslagbiljet naar de schuldenaars met vermelding van de indieningstermijn voor de vordering bedoeld in artikel 2.3.60 en de mogelijkheid om een vraag bedoeld in artikel 2.3.61, § 2 in te dienen.

  Art. 2.3.58. § 1. De schuldenaar van de milieubelasting die beslist om de overtollige parkeerplaatsen niet langer te behouden of hun aantal te verminderen overeenkomstig artikel 13ter, § 1, van de ordonnantie van 5 juni 1997 betreffende de milieuvergunningen, deelt dit mee conform artikel 7bis van de vermelde ordonnantie.
  Het Instituut is gemachtigd om na te gaan of de kennisgeving juist is door bezoeken aan het gebouw of deel van het betrokken gebouw af te leggen.
  § 2. De ingekohierde milieubelasting voor het jaar waarin de kennisgeving bedoeld in § 1 plaatsgevonden heeft, wordt ontheven volgens het aantal nog te verstrijken dagen tussen de kennisgeving en de volgende inkohiering en het aantal geschrapte overtollige parkeerplaatsen.

  Art. 2.3.59. § 1. De milieubelasting wordt ook ingekohierd ten laste van hij die parkeerplaatsen behouden of ingericht heeft in overtreding van de voorwaarden van zijn vergunning of zonder vergunning. In dat geval, wordt het bedrag ervan verdubbeld.
  De milieubelasting wordt ingekohierd voor het jaar waarin de inbreuk vastgesteld wordt door de bevoegde dienst die toeziet op de naleving van de milieuvergunningen alsook voor de vijf verstreken jaren sedert de inwerkingtreding van de taks waarvoor die dienst over bewijselementen beschikt die aantonen dat de onwettige parkeerplaatsen bestonden. De betaling van de milieubelasting door de overtreder geeft hem niet het recht om de onwettige plaatsen te behouden.
  Indien die plaatsen behouden worden of een nieuwe inbreuk tijdens een daaropvolgend jaar gepleegd wordt, wordt het bedrag van de milieubelasting verdrievoudigd.
  § 2. De bevoegde dienst die toeziet op de naleving van de milieuvergunningen verricht de nodige onderzoeken om overtreders van de bepalingen van onderhavig hoofdstuk op te sporen.
  De schuldenaars dienen de ambtenaren die daartoe gemandateerd zijn door de Regering toegang te verschaffen tot de gebouwen of delen van gebouwen waarin zich een parking bevindt. Die ambtenaren zijn gemachtigd om processen-verbaal op te maken en aan de schuldenaars mondelinge of schriftelijke uitleg te vragen zonder dat die laatste verplicht kunnen worden om zich te verplaatsen. De Regering regelt de toepassingsregels van onderhavige paragraaf.

  Art. 2.3.60. De schuldenaar die een element van de milieubelasting betwist, beschikt over een termijn van zes maanden te rekenen vanaf de derde werkdag na de verzending van het aanslagbiljet om een vordering tegen het Gewest, in de persoon van de Minister-President, in te dienen voor de fiscale kamer van de Rechtbank van eerste aanleg te Brussel in de vormen waarin voorzien door artikel 1385decies van het Gerechtelijk Wetboek.

  Art. 2.3.61. § 1. Onverminderd de vordering bedoeld in artikel 2.3.60, wijst de Regering één of meer ambtenaren aan die door het Instituut bijgestaan worden om de problemen of de fouten op te lossen die zich bij de berekening of de inning van de milieubelasting kunnen voordoen en door de schuldenaars opgeworpen worden.
  De aangewezen ambtenaar kan dadingen met de schuldenaars sluiten, op voorwaarde dat ze geen vrijstelling of matiging van de belasting inhouden, en de aanslagen rechtzetten die via een herinkohiering gevestigd zijn.
  Hij kan in dit kader ook kwijtscheldingen of verminderingen van verwijlinteresten toekennen wanneer de schuldenaar te goeder trouw is en in de problemen geraakt is.
  Hij dient binnen een termijn van twee maanden te rekenen vanaf de voorlegging van de vraag te antwoorden op de vragen van de schuldenaars. Als hij niet antwoordt, wordt dit aanzien als een verwerping van de vraag.
  De Regering legt de nadere uitvoeringsregels van onderhavig artikel vast.
  § 2. De schuldenaar kan een schriftelijke vraag tot de in § 1 aangewezen ambtenaar richten zolang de in artikel 2.3.60 bedoelde vordering niet ingediend is en uiterlijk tot zes maanden vanaf de derde werkdag na de versturing van het aanslagbiljet. Deze vraag schorst de indieningstermijn van de in artikel 2.3.60 bedoelde vordering niet.

  Art. 2.3.62. De artikelen 10, 12, 14, eerste lid, 15, 16, 17, 18, 19, 20, 24, 25, 26, 27, 28 van de ordonnantie van 21 december 2012 tot vaststelling van de fiscale procedure in het Brussels Hoofdstedelijk Gewest zijn van toepassing op de milieubelasting.

  TITEL 4. - Bepalingen betreffende het voorbeeldgedrag van de overheden

  HOOFDSTUK 1. - Energie- en milieucriteria van toepassing op de vastgoedinvesteringen

  Art. 2.4.1.[2 § 1. De gewestelijke overheden kopen alleen gebouwen met een hoge energieprestatie, voor zover dit in overeenstemming is met de kosteneffectiviteit, de economische haalbaarheid, de duurzaamheid in een breder verband, de technische geschiktheid, alsmede met de aanwezigheid van voldoende concurrentie, overeenkomstig bijlage 2.2.]2
  [2 § 2.]2 Bij het sluiten van elke overeenkomst waarbij het betrekken van een gebouw wordt toegestaan [1 ...]1 door de plaatselijke overheden, vormt de kost voor het betrekken van het gebouw een essentieel onderdeel van het contract.
  De kost voor het betrekken van een gebouw bestaat uit de som van het huurbedrag of de terugbetaling van de hypothecaire lening voor het gebouw en het bedrag van de lasten voortvloeiend uit het energieverbruik gekoppeld aan het gebruik van dat gebouw.
  De Regering bepaalt de berekeningsregels voor deze kost.
  ----------
  (1)<ORD 2015-12-18/51, art. 6, 004; Inwerkingtreding : 23-01-2016>
  (2)<ORD 2015-12-18/51, art. 7, 004; Inwerkingtreding : 23-01-2016>

  Art. 2.4.2. § 1. De Regering neemt de nodige maatregelen opdat de nieuwe gebouwen alsook de bestaande gebouwen die zwaar gerenoveerd worden en die worden gebruikt of bestemd zijn om door de overheden te worden gebruikt een voorbeeldrol zouden spelen op het vlak van energie- en milieuprestatie.
  Hiertoe legt zij, voor de in het vorig lid bedoelde gebouwen, strengere EPB-eisen op dan die welke krachtens artikel 2.2.3 van onderhavig Wetboek van toepassing zijn voor de overige gebouwen, en kan zij bovendien de mogelijkheden voor energie uit hernieuwbare bronnen in overweging nemen.
  § 2. Zodra het beoordelingssysteem van de energie- en milieukwaliteit van de gebouwen bedoeld in artikel 2.2.19 van onderhavig Wetboek ingevoerd is, zal de Regering de energie- en milieuvereisten van de nieuwe gebouwen of van de gebouwen die zwaar gerenoveerd worden of door overheden gebruikt zullen worden op basis van dat beoordelingssysteem bepalen.
  § 3. Wanneer de persoon voor wiens rekening de werken worden uitgevoerd een openbaar bestuur is, beantwoorden de nieuwe EPB-eenheden vanaf 1 januari 2019 aan de EPB-eisen van " zero energieverbruik ".

  Art. 2.4.3. De overheden die aan de volgende voorwaarden beantwoorden, moeten een PLAGE uitvoeren overeenkomstig de artikelen 2.2.21 tot 2.2.25 :
  a) ze zijn eigenaar en/of betrekken gebouwen die gelegen zijn op het grondgebied van het Gewest en;
  b) ofwel vertegenwoordigen die gebouwen samen een totale oppervlakte van 50.000 m2, ofwel zijn ze het bezit van en/of worden ze betrokken door een federale, gewestelijke of gemeenschapsinstantie.
  Een van de acties in het kader van het PLAGE die de Regering aan de overheden kan opleggen is het treffen van maatregelen die specifiek de verbetering van de energieprestatie van hun gebouwen beogen en meer bepaald een renovatiepercentage.

  HOOFDSTUK 2. - Openbare verlichting

  Art. 2.4.4. § 1. Onder voorbehoud van artikel 24bis van de ordonnantie van 19 juli 2001 betreffende de organisatie van de elektriciteitsmarkt in het Brussels Hoofdstedelijk Gewest, bevorderen de overheden belast met opdrachten inzake openbare verlichting op het grondgebied van het Gewest de productie-installaties die gebruik maken van hernieuwbare energiebronnen of kwaliteitswarmtekrachtkoppeling voor de voeding van de openbareverlichtingsinstallaties.
  De Regering kan eisen op het vlak van energie-efficiëntie en groene elektriciteit vastleggen voor de nieuwe openbare verlichtingsinstallaties en voor de vernieuwing van die installaties, naargelang hun bestemming en/of gebruik.
  § 2. Onder voorbehoud van artikel 24bis van de ordonnantie van 19 juli 2001 betreffende de organisatie van de elektriciteitsmarkt in het Brussels Hoofdstedelijk Gewest, zijn de overheden belast met opdrachten inzake openbare verlichting op het grondgebied van het Gewest ertoe gehouden om elke dertig maanden een verbeteringsprogramma inzake de energieprestatie van de openbare verlichting te bezorgen dat de volgende gegevens bevat :
  - het energiekadaster van de verlichting beheerd door het openbaar bestuur of het orgaan;
  - een voorstelling van de evolutie van het verbruik over de laatste vijf jaren;
  - het investeringsprogramma;
  - een voorstelling van de overwogen technologische en beheerskeuzes;
  - de bevoorradingsbronnen;
  - het verwachte verbruik voor de komende vijf jaren.

  HOOFDSTUK 3. - Voorbeeldgedrag van de overheden inzake vervoer

  Art. 2.4.5. § 1. De Regering bepaalt, bij besluit, milieuprestatie-eisen voor de voertuigen die door de gewestelijke en lokale overheden worden gekocht of geleased om een einde te stellen aan de ingebruikname van voertuigen die met een dieselmotor zijn uitgerust.
  Dat besluit kan verschillende eisen opleggen naargelang :
  1° het gebruik van de voertuigen;
  2° de voertuigen al dan niet speciaal ontworpen werden voor de uitvoering van een openbare dienstopdracht waarmee het openbaar bestuur wordt belast;
  3° de aankoopdatum van de voertuigen of de aanvang van de leasing.
  § 2. De gewestelijke en lokale overheden maken een jaarlijks verslag op over de aard en de samenstelling van hun wagenpark en bezorgen dat aan het Instituut en het Parlement.
  § 3. De Regering kan alle of een deel van de verplichte acties die moeten worden gevoerd in het kader van het bedrijfsvervoerplan bedoeld in artikel 2.3.21 van toepassing maken op de gewestelijke en lokale overheden die minder dan 100 werknemers op eenzelfde site tewerkstellen. Het gebruik van het voertuigenpark, en meer bepaald de progressieve vermindering van het aantal afgelegde kilometer, zal worden opgenomen in het vervoerplan.

  Art. 2.4.6.In afwijking van artikel 2.4.5, legt de Regering specifieke milieudoelstellingen en milieuvereisten vast voor de voertuigen voor openbaar personenvervoer die door de MIVB worden gekocht of geleased. Deze doelstellingen en vereisten worden vastgelegd in het algemene bestek en in het beheercontract van de MIVB. In een jaarverslag, dat aan het Parlement wordt bezorgd, worden eveneens een stand van zaken en een jaarlijkse evaluatie van de naleving van de doelstellingen voorgesteld.
  De Regering legt ook specifieke milieudoelstellingen en milieuvereisten vast voor het Agentschap Net Brussel en de Dienst voor Brandbestrijding en Dringende Medische Hulp, om een einde te stellen aan de ingebruikname van voertuigen die met een dieselmotor zijn uitgerust. De milieudoelstellingen zullen rekening houden met het rechtsbeginsel van de continuïteit van de openbare dienst.
  [1 Alle voertuigen bedoeld in het eerste lid en die vanaf 1 januari 2017 in dienst worden gesteld, zullen uitgerust zijn met minstens een elektrische motor die direct en substantieel bijdraagt tot de aandrijving van het voertuig.]1
  [1 De motoren van de voertuigen bedoeld in het eerste lid die in dienst worden gesteld vanaf 1 januari 2030 zullen geen lokale en rechtstreekse uitstoot meer mogen produceren die vervuilend is of broeikasgas of fijn stof bevat, tenzij die uitstoot verwaarloosbaar is.]1
  ----------
  (1)<ORD 2016-12-08/25, art. 2, 005; Inwerkingtreding : 01-01-2017>

  Art. 2.4.7. De Regering kan de te bereiken doelstellingen bepalen voor het aandeel energie uit hernieuwbare bronnen die wordt gebruikt door de voertuigen die de gewestelijke en lokale overheden voor eender welk doel bezitten en die worden ingezet op het grondgebied van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest.
  De gewestelijke en lokale overheden bezorgen een jaarlijks verslag aan de Regering en het Parlement over het aandeel energie uit hernieuwbare bronnen die door hun wagenpark wordt gebruikt, volgens het model vastgelegd door de Regering.

  Art. 2.4.8. In afwijking van artikel 2.4.7, kan de Regering specifieke milieudoelstellingen opleggen inzake het aandeel energie uit hernieuwbare bronnen die wordt gebruikt door de voertuigen die de MIVB voor eender welk doel bezit. Deze doelstellingen worden vastgelegd in het algemeen bestek van de MIVB.
  De Regering kan ook specifieke milieudoelstellingen opleggen voor het aandeel energie uit hernieuwbare bronnen die wordt gebruikt door de voertuigen van het Agentschap Net Brussel en de Dienst voor Brandbestrijding en Dringende Medische Hulp die special ontworpen zijn voor het uitvoeren van hun overheidsopdrachten.

  HOOFDSTUK 4. - Duurzame aankopen

  Art. 2.4.9. Onverminderd artikel 2.4.5, zien de gewestelijke overheden en plaatselijke besturen erop toe dat zij in hun bestellingen milieu- en energiecriteria opnemen.
  Die criteria beogen inzonderheid :
  - voorrang te verlenen aan producten en diensten met een hoge energieprestatie;
  - het gebruik van natuurlijke bronnen te verminderen;
  - de negatieve impact op het milieu te voorkomen.
  De Regering kan een lijst opmaken van de leveringen en diensten waarvoor milieuclausules doorslaggevend zijn.
  Bovendien kan zij een referentiesysteem voor duurzame aankopen invoeren dat de criteria vermeld in het tweede lid van dit artikel nader toelicht en aanvult. Desgevallend zal dat referentiesysteem verplicht worden voor de bestellingen die de gewestelijke overheden en plaatselijke besturen doen.

  TITEL 5. - Bepalingen betreffende de professionals [1 en de ondernemingen]1
  ----------
  (1)<ORD 2015-12-18/51, art. 8, 004; Inwerkingtreding : 23-01-2016>

  HOOFDSTUK 1. - Erkenning en certificering van de professionals

  Art. 2.5.1.§ 1. De Regering onderwerpt de volgende personen aan de toekenning van een erkenning :
  1° de EPB-adviseur bedoeld in artikel 2.1.1, 15° ;
  2° de certificateur bedoeld in artikel 2.1.1, 16° ;
  3° de technicus bedoeld in artikel 2.1.1, 17° ;
  4° de controleur bedoeld in artikel 2.1.1, 18° ;
  5° de auditor bedoeld in artikel 2.2.20 [1 en artikel 2.5.7]1;
  6° de PLAGE-revisor bedoeld in artikel 2.1.1, 32° ;
  7° de technicus belast met de oplevering van de installaties bedoeld in artikel 2.1.1, 39°.
  De Regering kan nog andere professionals onderwerpen aan de toekenning van een erkenning in uitvoering van de artikelen 2.2.17 en 2.2.19.
  § 2. De Regering onderwerpt de publiekrechtelijke of privaatrechtelijke natuurlijke of rechtspersonen, die voor de effectenbeoordeling bedoeld in artikel 2.3.54, § 4 aangesteld kunnen worden, aan een erkenning of registratie.
  De Regering bepaalt de procedure en de voorwaarden van de erkenning of de registratie.
  ----------
  (1)<ORD 2015-12-18/51, art. 9, 004; Inwerkingtreding : 23-01-2016>

  Art. 2.5.2. § 1. De Regering bepaalt de verplichtingen van de personen die over een erkenning moeten beschikken. Deze verplichtingen hebben meer bepaald betrekking op de kennisgeving van bepaalde gegevens aan het Instituut.
  De Regering kan een specifieke door het Instituut erkende opleiding opleggen aan de persoon die over een erkenning moet beschikken.
  § 2. Het Instituut verleent, schorst of trekt de erkenning van de in § 1 bedoelde personen in.
  De Regering legt de procedure en voorwaarden vast voor de toekenning, schorsing en intrekking van de erkenning, evenals de procedure en voorwaarden voor de toekenning, schorsing en intrekking van de erkenning van de opleiding bedoeld in het tweede lid van § 1.

  Art. 2.5.3. Elke natuurlijke of rechtspersoon die een erkenningsaanvraag bedoeld in onderhavige ordonnantie indient, moet een dossierrecht betalen waarvan de opbrengst rechtstreeks en volledig doorgestort wordt aan het Fonds inzake Energiebeleid bedoeld in artikel 2, 16° van de ordonnantie van 12 december 1991 houdende oprichting van begrotingsfondsen.
  Het dossierrecht bedoeld in het eerste lid is verschuldigd op de datum waarop de natuurlijke of rechtspersoon de erkenningsaanvraag indient.
  Het bedrag van het dossierrecht bedoeld in het eerste lid is vastgelegd op 250 euro voor een erkenningsaanvraag.

  Art. 2.5.4. De Regering kan beslissen om de organen inzake kwaliteitscontrole te gelasten de kwaliteit van de activiteiten van de personen die krachtens artikel 2.5.1 aan erkenning onderworpen zijn na te gaan en de modaliteiten voor hun aanwijzing en opdrachten nader te bepalen.
  Om de nodige verificaties te verrichten, hebben die organen toegang tot de werf en tot de gebouwen. Wanneer het om bewoonde lokalen gaat, geldt die toegang tussen 8 en 20 uur, middels de schriftelijke en voorafgaande instemming van de eigenaar of de gebruiker van de werf en de gebouwen. Bij weigering, kan het orgaan het bezoek enkel verrichten middels de voorafgaande toestemming van de vrederechter die bevoegd is naargelang de ligging van het pand in kwestie.

  Art. 2.5.5.De Regering organiseert de wijze waarop beroep kan worden ingesteld tegen de beslissingen tot toekenning, weigering, schorsing of intrekking van de erkenning of tegen de afwezigheid van beslissing binnen de voorziene termijn rekening houdend met de volgende elementen :
  1) het beroep is mogelijk bij het Milieucollege;
  2) het beroep dient binnen dertig dagen na ontvangst van de beslissing aan het Milieucollege te worden gericht per ter post aangetekend schrijven;
  3) de beslissing van het Milieucollege wordt aan de indiener bekendgemaakt binnen zestig dagen na de postdatum van de aangetekende brief waarbij beroep werd ingesteld;
  4) wanneer er binnen deze termijn geen beslissing wordt bekendgemaakt, wordt de aangevochten beslissing, zij het stilzwijgend, als bevestigd beschouwd;
  5) de indiener of zijn raadsman, alsook de overheidsdienst die de beslissing heeft genomen waartegen beroep werd aangetekend, worden op hun verzoek gehoord door het Milieucollege. Wanneer de partijen gehoord worden, wordt de termijn bedoeld in punt 3) verlengd tot vijfenzeventig dagen;
  [1 5)/1 de termijn voor kennisgeving van de beslissing van het Milieucollege wordt verlengd met vijfenveertig dagen wanneer het beroep wordt ingediend via de post in de periode van 15 juni tot 15 augustus;]1
  6) de beslissing van het Milieucollege vervangt de beslissing die bij hem aanhangig is gemaakt.
  ----------
  (1)<ORD 2014-05-08/54, art. 149, 002; Inwerkingtreding : 01-01-2015; zie ook ORD 2014-05-08/54, art. 159>

  Art. 2.5.6. § 1. De Regering voert een certificeringssysteem in voor installateurs HE voor kleine installaties.
  § 2. Het certificeringssysteem is op de volgende principes gebaseerd :
  1° Er bestaan verschillende categorieën certificeringen. Die categorieën hebben ten minste betrekking op installateurs van ketels en kachels op biomassa, fotovoltaïsche zonne- of thermische systemen, bovengrondse geothermische systemen en kleine warmtepompen.
  2° De certificering is ondergeschikt aan het volgen van een opleiding en het slagen voor een examen erkend door een orgaan dat aangesteld is door de Regering.
  3° De certificering wordt afgeleverd voor een bepaalde duur en kan hernieuwd worden.
  § 3. In uitvoering van § 1 en in overeenstemming met § 2, treft de Regering een besluit over met name :
  1° de procedure en de voorwaarden voor de toekenning, schorsing, intrekking en hernieuwing van de certificering;
  2° de procedure en de voorwaarden voor de toekenning, de schorsing en de intrekking van de erkenning van de opleiding en het examen zoals bedoeld in § 2, 2°.
  § 4. De Regering kan beslissen om een kwaliteitscontroleorgaan te belasten met het controleren van de kwaliteit van de activiteiten van de installateurs HE en kan de modaliteiten voor de aanstelling alsook de opdrachten bepalen.
  § 5. In het kader van het certificeringssysteem bedoeld in § 1, kan de Regering deelnemen in een vereniging zonder winstoogmerk die hoofdzakelijk zal instaan voor de volgende opdrachten :
  1° de toekenning, hernieuwing, schorsing en intrekking van de certificering;
  2° de toekenning, schorsing en intrekking van de erkenning van de opleiding en het examen zoals bedoeld in § 2, 2° ;
  3° een kwaliteitscontrole van het werk dat verricht werd door de installateurs HE.
  § 6. De certificaten afgeleverd door een andere lidstaat van de Europese Unie of een ermee gelijkgestelde Staat of een ander Gewest in overeenstemming met de criteria vastgelegd in Richtlijn 2009/28/EG, zijn erkend als zijnde gelijkwaardig met de certificaten die krachtens deze bepaling worden afgeleverd.

  HOOFDSTUK 2. [1 - Verplichte energieaudit voor de grote ondernemingen]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij ORD 2015-12-18/51, art. 10, 004; Inwerkingtreding : 23-01-2016>
  

  Art. 2.5.7. [1 § 1. Elke onderneming met minstens 250 personen en/of een jaaromzet van 50 miljoen euro en/of een jaarlijks balanstotaal van meer dan 43 miljoen euro die een exploitatiezetel op het grondgebied van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest heeft, moet tegen uiterlijk 31 december 2016 het voorwerp uitmaken van een energieaudit en daarna min- stens om de vier jaar na de laatste energieaudit.
   Onder " onderneming " wordt " elke entiteit, ongeacht de rechtsvorm ervan, die een economische activiteit uitoefent " verstaan. Elke activiteit waarmee er goederen of diensten op een bepaalde markt aangeboden worden, is een economische activiteit.
   Onder " energieaudit " in de zin van de huidige bepaling wordt " een systematische procedure met als doel toereikende informatie te verzamelen omtrent het huidige energieverbruiksprofiel van een gebouw of groep gebouwen, van een industriële of commerciële activiteit of installatie of van private of publieke diensten, mogelijkheden voor kosteneffectieve energiebesparing te signaleren en te kwantificeren en verslag uit te brengen van de resultaten " verstaan.
   De energieaudits die in het eerste lid worden beoogd, worden op een onafhankelijke en kostenefficiënte manier uitgevoerd door erkende auditeurs in overeenstemming met de bepalingen van hoofdstuk 1 van deze titel. Ze voldoen aan de in bijlage 2.3 vastgelegde minimumcriteria.
   § 2. Zijn vrijgesteld van de bij § 1 bedoelde verplichting :
   - elke onderneming die een door een onafhankelijke organisatie gecertificeerd energie- of milieubeheersysteem implementeert in overeenstemming met de relevante normen, goedgekeurd door het Europees Comité voor Elektrotechnische Normalisatie, het Europees Instituut voor Telecommunicatienormen of de Internationale Organisatie voor Normalisatie en ter beschikking gesteld van het publiek, voor zover dat systeem in een energieaudit voorziet die aan de op bijlage 2.3 gebaseerde minimumcriteria voldoet; onder " energie- of milieubeheersysteem " moet " een reeks van onderling verband houdende of op elkaar inwerkende elementen van een plan waarin een energie-efficiëntiedoelstelling en een strategie om deze doelstelling te verwezenlijken, is vastgelegd " verstaan worden;
   - elke onderneming die er krachtens artikel 2.2.22 toegehouden is om een PLAGE in te voeren;
   - elke onderneming die onderworpen is aan de verplichting om een audit uit te voeren krachtens de wetgeving betreffende de milieuvergunningen.]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij ORD 2015-12-18/51, art. 11, 004; Inwerkingtreding : 23-01-2016>
  

  TITEL 6. - Overtredingen en sancties

  HOOFDSTUK 1. - Administratieve boeten

  Art. 2.6.1. Wanneer uit de EPB-aangifte blijkt dat de EPB-eisen bedoeld in artikel 2.2.3 niet zijn nageleefd, legt het Instituut de aangever tot vijf jaar na de indiening van de EPB-aangifte een administratieve boete op voor een bedrag van :
  - 60 euro per afwijking van 1 W/K op het vlak van de thermische isolatie van de constructie-elementen, zoals bepaald in punt 2.1.1 van bijlage 2.2.;
  - 60 euro per afwijking van 1 m2 op het vlak van niveau K, zoals bepaald in punt 2.1.2 van bijlage 2.2;
  - 4,5 euro per afwijking van 1 kWh/jaar op het vlak van de totale primaire energie zoals bepaald in punt 2.2 van bijlage 2.2;
  - 4 euro per afwijking van 1 m3/u op het vlak van de ventilatievoorzieningen zoals bepaald in punt 2.4 van bijlage 2.2;
  - 0,48 euro per afwijking van 1.000 Kh per m3 op het vlak van het risico op oververhitting zoals bepaald in punt 2.3 van bijlage 2.2;
  - 4,5 euro per afwijking van 1 kWh/jaar op het vlak van de nettobehoefte zoals bepaald in punt 2.5 van bijlage 2.2;
  - 125 tot 25.000 euro naargelang de afwijking tussen de EPB-vereiste inzake luchtdichtheid en de gemeten luchtdichtheid;
  - 125 tot 25.000 euro in functie van het vermogen van de betrokken installaties en van het verschil tussen de EPB-eisen en de vastgestelde situatie voor wat de andere eisen betreft.
  Er wordt slechts een boete opgelegd indien de totale berekende administratieve boete krachtens dit artikel ten minste 125 euro bedraagt.

  Art. 2.6.2. Wanneer het document opgemaakt na afloop van het periodiek onderhoud en de controle bedoeld in artikel 2.2.17 aan het licht brengt dat de EPB-eisen bedoeld in artikel 2.2.15 niet zijn nageleefd, legt het Instituut de persoon die de EPB-vereisten voor de betrokken technische installatie in acht moet nemen een boete op van 125 tot 25.000 euro naargelang het vermogen van de betrokken installaties en van het verschil tussen de EPB-eisen en de vastgestelde situatie.

  Art. 2.6.3. Het orgaan dat de doelstelling van vermindering van het energieverbruik bepaald overeenkomstig artikel 2.2.23, § 3 niet behaalt, loopt een administratieve boete op van 0,06 euro per overtollige kWh per jaar. Op 1 januari van elk jaar, wordt het bedrag van de boete aangepast aan het indexcijfer der consumptieprijzen van het Koninkrijk van de maand december die eraan voorafgaat.

  Art. 2.6.4.Onder voorbehoud van het tweede lid zijn [1 de artikelen 43 tot 54 van het Wetboek van inspectie, preventie, vaststelling en bestraffing van milieumisdrijven en milieuaansprakelijkheid]1 van toepassing op de boeten bedoeld in dit hoofdstuk.
  In afwijking [1 van artikel 45, vijfde lid van dat wetboek]1, worden de ontvangsten doorgestort aan het Fonds inzake Energiebeleid bedoeld in artikel 2, 16° van de ordonnantie van 12 december 1991 houdende oprichting van begrotingsfondsen en [1 in afwijking van artikel 45, zesde lid van dat wetboek]1 de beslissing om een administratieve boete op te leggen wordt niet meegedeeld aan de Procureur des Konings.
  ----------
  (1)<ORD 2015-12-18/51, art. 12, 004; Inwerkingtreding : 23-01-2016>

  HOOFDSTUK 2. - Strafrechtelijke sancties

  Art. 2.6.5.Wordt gestraft [1 met de straf voorzien in artikel 31, § 1, van het Wetboek van inspectie, preventie, vaststelling en bestraffing van milieumisdrijven, en milieuaansprakelijkheid]1, hij die :
  a) als aangever nalaat een EPB-adviseur aan te wijzen overeenkomstig het voorschrift van artikel 2.2.9, § 1;
  b) als aangever nalaat de wijziging mee te delen van de aangever, EPB-adviseur of architect overeenkomstig de voorschriften van artikel 2.2.9, § 2;
  c) als aangever de kennisgeving van het begin van de werkzaamheden niet bezorgt overeenkomstig de voorschriften van artikel 2.2.8;
  d) als architect de verplichtingen waarin artikel 2.2.10 voorziet of die vastgelegd werden door de Regering krachtens artikel 2.2.10 niet nakomt;
  e) als aangever de verplichtingen opgelegd door artikel 2.2.9, § 4 en artikel 2.2.10, § 6 niet nakomt;
  f) als architect of aangever respectievelijk het rekenbestand of de EPB-aangifte niet bezorgt in de vormen en binnen de termijnen waarin voorzien in artikel 2.2.11;
  g) als de persoon die de plicht heeft de verplichting volgens de voorwaarden vastgesteld door de Regering krachtens artikel 2.2.17 niet naleeft;
  h) zijnde onderworpen aan de verplichting opgelegd in artikel 2.2.14, § 1, 1° deze niet naleeft;
  i) zijnde onderworpen aan de verplichting opgelegd in artikel 2.2.14, § 1, 2° deze niet naleeft;
  j) zijnde onderworpen aan de verplichting opgelegd in artikel 2.2.14, § 1, 3° deze niet naleeft;
  k) zijnde onderworpen aan de verplichting opgelegd in artikel 2.2.14, § 2 deze niet naleeft;
  l) als aangever of architect een EPB-aangifte opmaakt die niet beantwoordt aan de werkelijkheid;
  m) zijnde onderworpen aan de erkenning bedoeld in artikel 2.5.1. zonder erkenning werkt;
  n) als aangever de EPB-adviseur of het kwaliteitscontroleorgaan belet zijn recht op vrije toegang tot de werf uit te oefenen overeenkomstig respectievelijk artikelen 2.2.9, § 3 en 2.5.4;
  o) als aanvrager de geïntegreerde haalbaarheidsstudie niet aan het Instituut bezorgt, overeenkomstig artikel 2.2.7, § 2, tweede lid.
  ----------
  (1)<ORD 2014-05-08/54, art. 150, 002; Inwerkingtreding : 01-01-2015; zie ook ORD 2014-05-08/54, art. 159>

  Art. 2.6.6.Wordt gestraft [1 met de straf voorzien in artikel 31, § 1 van het Wetboek van inspectie, preventie, vaststelling en bestraffing van milieumisdrijven, en milieuaansprakelijkheid]1 :
  a) het orgaan dat nalaat een PLAGE-coördinator aan te stellen overeenkomstig artikel 2.2.23, § 1 of de maatregelen genomen krachtens artikel 2.2.23, § 1;
  b) het orgaan dat nalaat het actieprogramma mee te delen overeenkomstig artikel 2.2.23, § 2 of de maatregelen genomen krachtens artikel 2.2.23, § 2;
  c) het orgaan dat nalaat de verslagen van de PLAGE-revisor te bezorgen overeenkomstig artikel 2.2.23, § 4 of de maatregelen genomen krachtens artikel 2.2.23, § 4;
  d) de PLAGE-revisor die een verslag bezorgt dat niet strookt met de kwaliteitscriteria vastgelegd met toepassing van artikel 2.2.23, § 7.
  [2 e) de onderneming die, zijnde onderworpen aan de verplichting opgelegd in artikel 2.5.7, § 1, deze niet nakomt.]2
  ----------
  (1)<ORD 2014-05-08/54, art. 151, 002; Inwerkingtreding : 01-01-2015; zie ook ORD 2014-05-08/54, art. 159>
  (2)<ORD 2015-12-18/51, art. 13, 004; Inwerkingtreding : 23-01-2016>

  BIJLAGEN aan het boek 2

  Art. N2.1. BIJLAGE 2.1 - Algemene kaderrichtsnoeren voor de berekening van de energieprestatie van de gebouwen
  1. De energieprestatie van een gebouw wordt bepaald op basis van de berekende of feitelijke energie die wordt verbruikt om te voldoen aan de verschillende behoeften waarmee het normale gebruik gepaard gaat en geeft aan welke verwarmingsenergie en koelingsenergie (energie om oververhitting te voorkomen) vereist is om de beoogde temperatuur van het gebouw in stand te houden en in de sanitaire warmwaterbehoefte te blijven voorzien.
  2. De energieprestatie van een gebouw wordt op een transparante manier aangegeven en omvat een energieprestatie-indicator en een numerieke indicator van het primaire energieverbruik op basis van primaire energiefactoren per energiedrager, die op hun beurt overeenstemmen met nationale of gewestelijke jaarlijkse gewogen gemiddelden of een specifieke waarde voor productie ter plaatse.
  Bij de berekeningsmethoden van de energieprestatie van de gebouwen wordt zoveel mogelijk rekening gehouden met de Europese normen. Zij dienen te stroken met de desbetreffende wetgeving van de Unie, met inbegrip van Richtlijn 2009/28/EG.
  3. Bij de bepaling van de berekeningsmethode worden ten minste de volgende aspecten in aanmerking genomen :
  a) de volgende feitelijke thermische kenmerken van het gebouw, inclusief scheidingswanden :
  i) warmtecapaciteit;
  ii) isolatie;
  iii) passieve verwarming;
  iv) koelingselementen;
  v) koudebruggen;
  b) verwarmingsinstallatie en warmwatervoorziening, met inbegrip van de isolatiekenmerken;
  c) airconditioningsystemen;
  d) natuurlijke en mechanische ventilatie, wat ook luchtdichtheid kan omvatten;
  e) ingebouwde lichtinstallatie (vooral buiten de woonsector);
  f) ontwerp, plaatsing en plaatsbepaling van het gebouw, met inbegrip van het buitenklimaat;
  g) passieve zonnesystemen en zonnewering;
  h) de omstandigheden betreffende het binnenklimaat, inclusief het kunstmatig binnenklimaat;
  i) interne belasting.
  4. Bij de berekening wordt, indien van toepassing, rekening gehouden met de positieve invloed van de volgende aspecten :
  a) plaatselijke blootstelling aan zonlicht, actieve zonnesystemen en andere verwarmings- en elektriciteitssystemen die gebruik maken van energie uit hernieuwbare bronnen;
  b) elektriciteit geproduceerd door middel van warmtekrachtkoppeling;
  c) stadsverwarmings- en stadskoelingssystemen of blokverwarmings- en blokkoelingssystemen;
  d) natuurlijk licht.
  5. Voor deze berekening, worden de gebouwen op een geschikte wijze onderverdeeld in de volgende categorieën :
  a) eengezinswoningen van verschillende typen;
  b) gemeenschappelijk residentieel;
  c) kantoren;
  d) onderwijsgebouwen;
  e) ziekenhuizen;
  f) hotels en restaurants;
  g) sportvoorzieningen;
  h) groot- en kleinhandelsgebouwen;
  i) andere typen energieverbruikende gebouwen.

  Art. N2.2. [1 Bijlage 2.2. - Eisen inzake energie-efficiëntie voor het aankopen en het huren van gebouwen door de gewestelijke overheden
   Voor zover dit in overeenstemming is met de kosteneffectiviteit, de economische haalbaarheid, de duurzaamheid in een breder verband, de technische geschiktheid, alsmede met de aanwezigheid van voldoende concurrentie, zorgen de gewestelijke overheden ervoor dat er uitsluitend gebouwen aangekocht worden of dat er alleen nieuwe huurovereenkomsten gesloten worden voor gebouwen waarvan de energieprestatie voor- beeldig genoemd kan worden in vergelijking met de gemiddelde energieprestatie van de EPB-eenheden van de categorie " Kantoren " zoals bedoeld in punt 5, c), van de bijlage 2.1 van het huidige wetboek. De Regering bepaalt de minimale energieklasse waartoe een gebouw dient te behoren om aan deze eis te voldoen door zich hiervoor te baseren op de energieklassen die zijn vastgelegd in uitvoering van artikel 2.2.12, § 3 van het huidige wetboek.
   In afwijking van de eerste alinea kunnen de gewestelijke overheden gebouwen aankopen of nieuwe huurovereenkomsten sluiten voor gebouwen die niet aan deze eis voldoen, als :
   a) de aankoop of huur hetzij een eenvoudige of zware renovatie tot doel heeft, waardoor het gebouw een energieprestatie zou kunnen behalen die minstens overeenstemt met de door de Regering opgegeven energieklasse voor een tertiaire eenheid in overeenstemming met de eerste alinea, hetzij een volledige afbraak van het gebouw beoogt;
   b) de gewestelijke overheden het gebouw weer verkopen zonder het voor hun eigen doeleinden te gebruiken;
   c) of de aankoop tot doel heeft om een beschermd gebouw, een op de bewaarlijst ingeschreven gebouw, een gebouw dat deel uitmaakt van een beschermd(e) of op de bewaarlijst ingeschreven site of geheel te vrijwaren, in overeenstemming met de bepalingen van Titel V " Bescherming van het onroerende erfgoed " van het " Brussels Wetboek van Ruimtelijke Ordening (BWRO) ".
   De overeenstemming met het vereiste energieprestatieniveau wordt nagegaan aan de hand van de EPB-certificaten.]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij ORD 2015-12-18/51, art. 14, 004; Inwerkingtreding : 23-01-2016>
  

  Art. N2.3. [1 Bijlage 2.3. - Minimumcriteria voor de energieaudits bedoeld bij artikel 2.5.7, met inbegrip van die welke in het kader van energiebeheersystemen worden uitgevoerd
   De in artikel 2.5.7 bedoelde energieaudits zijn gebaseerd op de volgende richtsnoeren :
   a) zij zijn gebaseerd op actuele, gemeten, traceerbare operationele gegevens betreffende het energieverbruik en (voor elektriciteit) belastings- profielen;
   b) zij omvatten een gedetailleerd overzicht van het energieverbruiksprofiel van gebouwen of groepen van gebouwen, industriële processen of installaties, met inbegrip van vervoer;
   c) zij bouwen, zoveel mogelijk, voort op een analyse van de levenscycluskosten, in plaats van simpele terugverdienperioden, om rekening te houden met langetermijnbesparingen, residuele waarden van langetermijninvesteringen en discontopercentages;
   d) zij zijn proportioneel en voldoende representatief om de vorming van een betrouwbaar beeld van de totale energieprestaties van de gebouwen en de industriële activiteiten of installaties van de onderneming die zich op het grondgebied van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest bevinden en de betrouwbare bepaling van de belangrijkste punten ter verbetering mogelijk te maken.
   Energieaudits maken gedetailleerde en gevalideerde berekeningen voor de voorgestelde maatregelen mogelijk, zodat duidelijke informatie over potentiële besparingen wordt verstrekt.
   De bij energieaudits gebruikte gegevens moeten opgeslagen kunnen worden met het oog op historische analyse en het opvolgen van de prestaties.]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij ORD 2015-12-18/51, art. 14, 004; Inwerkingtreding : 23-01-2016>

  Art. N2.4.(vroeger bijlage 2.2) [1 BIJLAGE 2.4.]1 - Bepaling van de administratieve boetes bedoeld in artikel 2.6.1
  Definities
  Voor de toepassing van deze bijlage, wordt verstaan onder :
  1° schildeel : een constructieonderdeel van het verliesoppervlak met homogene eigenschappen wat de warmtedoorgangscoëfficiënt betreft;
  2° warmtedoorgangscoëfficiënt (of U-waarde) : de warmtedoorgang door een constructieonderdeel per eenheid van oppervlakte, eenheid van tijd en eenheid van temperatuurverschil tussen de omgevingen aan beide zijden van het deel, zoals gedefinieerd in NBN B62-002;
  3° K-peil : het peil van de globale warmte-isolatie zoals gedefinieerd in NBN B62-301;
  4° totale jaarlijks primair energieverbruik (of Ekarakteristiek jaarlijks primair energieverbruik) : het conventioneel bepaalde jaarlijkse energieverbruik van een gebouw, uitgedrukt in primaire energie-equivalenten;
  5° ventilatiedebiet : de hoeveelheid lucht die onder bepaalde omstandigheden per tijdseenheid door een ventilatievoorziening stroomt;
  6° luchtdichtheid : percentage luchtverversing als gevolg van luchtaanvoer en luchtafvoer;
  7° nettobehoefte (of Qnet) : de nettobehoefte aan energie van een EPB-eenheid voor verwarming of koeling, bepaald via conventie.
  Administratieve boetes voor de aangever
  2.1. Afwijking bij niet-conformiteit met de EPB-eisen op het vlak van de thermische isolatie
  2.1.1. Afwijking op het vlak van de thermische isolatie van de bouwelementen
  Indien de in de EPB-aangifte opgegeven warmtedoorgangscoëfficiënt van een schildeel de maximaal toegestane waarde overschrijdt, rekening houdend met eventueel van toepassing zijnde uitzonderingsregels, bedraagt de overeenkomstige afwijking voor dat schildeel, uitgedrukt in W/K :
  (Uaangifte - Ueis) x Aaangifte
  waarin
  Uaangifte de in de EPB-aangifte vermelde waarde van de warmtedoorgangscoëfficiënt van het betreffende schildeel, in W/m2-K;
  Ueis de maximaal toegestane waarde van de warmtedoorgangscoëfficiënt van het betreffende schildeel, in W/m2-K;
  Aaangifte de in de EPB-aangifte vermelde oppervlakte van het betreffende schildeel, uitgedrukt in m2.
  Indien de in de EPB-aangifte opgegeven warmtedoorgangscoëfficiënt van een schildeel de maximaal toegestane waarde niet bereikt, rekening houdend met eventueel van toepassing zijnde uitzonderingsregels, dan bedraagt de overeenkomstige afwijking voor dat schildeel, uitgedrukt in W/K :
  (1/Raangifte - 1/Reis) x Aaangifte
  waarin
  Raangifte de in de EPB-aangifte vermelde waarde van de warmteweerstandscoëfficiënt van het betreffende schildeel, in m2K/W;
  Reis de maximaal toegestane waarde van de warmteweerstandscoëfficiënt van het betreffende schildeel, in m2K/W;
  Aaangifte de in de EPB-aangifte vermelde oppervlakte van het betreffende schildeel, uitgedrukt in m2.
  2.1.2. Afwijking op het vlak van de globale thermische isolatie (K-peil)
  Indien in de EPB-aangifte wordt opgegeven dat niet voldaan is aan één of meerdere eisen i.v.m. het K-peil, dan wordt voor elke overschrijding de overeenkomstige afwijking op het vlak van thermische isolatie, uitgedrukt in m2, als volgt bepaald :
  0.01 (Kaangifte - Keis) AT.aangifte
  waarin
  Kaangifte de in de EPB-aangifte vermelde waarde van het K-peil;
  Keis de maximaal toegestane waarde van het K-peil voor de betreffende bestemming;
  AT.aangifte de in de EPB-aangifte vermelde schiloppervlakte van de betreffende bestemming, in m2.
  2.2. Afwijking bij niet-conformiteit met de EPB-eisen op het vlak van de totale primaire energieverbruik
  Indien in de EPB-aangifte wordt opgegeven dat niet voldaan is aan één of meerdere eisen in verband met het totale energie verbruik, dan wordt de overeenkomstige afwijking, uitgedrukt in kWu/jaar, als volgt bepaald :
  Ejaarlijks primair energieverbruik aangifte - Ejaarlijks primair energieverbruik eis
  waarin
  Ejaarlijks primair
  energieverbruik aangifte de in de EPB-aangifte vermelde waarde van het jaarlijks primair energieverbruik, in kWu/jaar;
  Ejaarlijks primair
  energieverbruik eis maximaal toegestane waarde van het jaarlijks primair energieverbruik van de betreffende bestemming, in kWu/jaar.
  2.3. Afwijking bij niet-conformiteit met de EPB-eisen op het vlak van het risico op oververhitting
  Indien in de EPB-aangifte wordt opgegeven dat niet voldaan is aan één of meerdere eisen in verband met het risico op oververhitting, dan wordt voor elke overschrijding de overeenkomstige afwijking op het vlak van het risico op oververhitting, uitgedrukt in Khm3, als volgt bepaald :
  (Ioververhitting aangifte - Ioververhitting eis) Vaangifte
  waarin
  Ioverhitting aangifte de in de EPB-aangifte vermelde waarde van de indicator voor oververhitting, in Kh;
  Ioververhitting eis de maximaal toegestane waarde van de indicator voor oververhitting, in Kh;
  Vaangifte de in de EPB-aangifte vermelde waarde van het volume van het gebouwdeel waarvoor de evaluatie van het risico op oververhitting gebeurd is, in m3.
  2.4. Afwijking bij niet-conformiteit met de EPB-eisen op het vlak van de ventilatie
  2.4.1. Regelbare toevoeropeningen
  Indien in de EPB-aangifte wordt opgegeven dat het totale ontwerp toevoerdebiet een ruimte kleiner is dan de minimumwaarde zoals die op basis van de EPB-eis voor die ruimte is bepaald in de EPB-aangifte, dan wordt de overeenkomstige afwijking voor de toevoer in die ruimte, uitgedrukt in m3/h, als volgt bepaald :
  Vmin. toevoer aangifte - Vtoevoer aangifte
  Indien in de EPB-aangifte wordt opgegeven dat het totale ontwerp toevoerdebiet in een ruimte groter is dan de geëiste maximumwaarde zoals die op basis van de EPB-eis voor die ruimte is bepaald in de EPB-aangifte, dan wordt de overeenkomstige afwijking voor de toevoer in die ruimte, uitgedrukt in m3/h, als volgt bepaald :
  Vtoevoer aangifte - Vmax. toevoer aangifte
  waarin
  Vmin. toevoer aangifte het opgelegde minimaal ontwerp toevoerdebiet voor die ruimte zoals die op basis van de EPB-eis voor die ruimte is bepaald in de EPB-aangifte, in m3/h;
  Vtoevoer aangifte het in de EPB-aangifte opgegeven totaal ontwerp toevoerdebiet, bepaald zoals hierna beschreven, in m3/h;
  Vmax. toevoer aangifte het opgelegde maximaal ontwerp toevoerdebiet voor die ruimte, zoals die op basis van de EPB-eis voor die ruimte is bepaald in de EPB-aangifte, in m3/h.
  Bij de bepaling van het totale ontwerp toevoerdebiet in een ruimte gelden de volgende regels.
  Er wordt gesommeerd over alle luchttoevoervoorzieningen in die ruimte.
  Als het toevoerdebiet met buitenlucht gerealiseerd moet worden, wordt er echter alleen gesommeerd over de toevoervoorzieningen die buitenlucht binnen brengen.
  Als de karakteristieken van een toevoeropening niet voldoen aan de gestelde eisen, dan wordt het ontwerp toevoerdebiet gelijkgesteld aan nul voor die opening.
  Het debiet van regelbare doorstroomopeningen wordt niet meegerekend.
  Het debiet van een spleet onder een deur, in m3/h, wordt als volgt berekend :
  3600.Aspleet aangifte voor een drukverschil van 2 Pa
  8000.Aspleet aangifte voor een drukverschil van 10 Pa
  waarin
  Aspleet aanglfte de in de EPB-aangifte opgegeven sectie van de deurspleet, in m2.
  Als in een ruimte met residentiële bestemming een verplichte afvoer rechtstreeks naar buiten wordt opgelegd, dan worden voor de bepaling van het toevoerdebiet alleen de doorstroomopeningen (inclusief spleten van binnendeuren) beschouwd.
  2.4.2. Afvoervoorzieningen
  Als in de EPB-aangifte wordt opgegeven dat het totale ontwerpafvoerdebiet in een ruimte kleiner is dan de minimumwaarde zoals die op basis van de EPB-eis voor die ruimte is bepaald in de EPB-aangifte, wordt de overeenkomstige afwijking voor de afvoer in die ruimte, uitgedrukt in m3/h, als volgt bepaald :
  Vafvoer, min aangifte - Vafvoer. aangifte
  waarin
  Vafvoer, min aangifte het opgelegde minimale ontwerp afvoerdebiet voor die ruimte zoals dat op basis van de EPB-eis voor die ruimte is bepaald in de EPB-aangifte, in m3/h;
  Vafvoer. aangifte het in de EPB-aangifte opgegeven totale ontwerp afvoerdebiet in die ruimte, bepaald zoals hierna beschreven, in m3/h.
  Bij de bepaling van het totale ontwerp afvoerdebiet in een ruimte gelden de volgende regels.
  Er wordt gesommeerd over alle luchtafvoervoorzieningen in die ruimte.
  Als er afvoer rechtstreeks naar buiten gerealiseerd moet worden, wordt er echter alleen gesommeerd over de afvoervoorzieningen die de lucht rechtstreeks naar buiten lozen.
  Voor het debiet van regelbare doorstroomopeningen en de daarmee overeenstemmende toevoervoorziening, gelden de volgende regels.
  Als de regelkarakteristieken van een regelbare toevoeropening niet voldoen aan de gestelde eisen, dan wordt het ontwerp toevoerdebiet gelijkgesteld aan nul voor die opening.
  Zoniet dient het minimum genomen te worden van de volgende twee debieten :
  - het in de EPB-aangifte opgegeven nominale debiet van de regelbare afvoeropening
  - het debiet van het bijbehorende afvoerkanaal, berekend aan de hand van de volgende formule :
  3600.Aafvoerkanaal, aangifte
  met
  Aafvoerkanaal, aangifte de in de EPB-aangifte opgegeven sectie van het afvoerkanaal, in m2.
  Het debiet van de regelbare doorstroomopeningen wordt niet meegerekend.
  Het debiet van een spleet onder een deur, in m3/h, wordt als volgt berekend :
  3600.Aspleet aangifte voor een drukverschil van 2 Pa
  8000.Aspleet aangifte voor een drukverschil van 10 Pa
  waarin
  Aspleet aangifte de in de EPB-aangifte opgegeven sectie van de deurspleet, in m2.
  Indien een ruimte met residentiële bestemming een woonkamer, een slaapkamer, een studentenkamer of een speelkamer is, worden voor de bepaling van het afvoerdebiet alleen de doorstroomopeningen (inclusief spleten van binnendeuren) in aanmerking genomen.
  2.5. Verschil als niet wordt voldaan aan de EPB-eisen op het vlak van de netto-behoefte
  Als in de EPB-aangifte wordt aangegeven dat niet is voldaan aan een of meer eisen op het vlak van de netto-behoefte wordt het overeenkomstige verschil, uitgedrukt in kWu/jaar, als volgt berekend :
  (Qnet aangifte - Qnet eis) * Aaangifte
  waarbij
  Qnet aangifte de waarde is, vermeld in de EPB-aangifte voor de netto-verwarmings of -koelingsbehoefte, uitgedrukt in kWu/m2 jaar;
  Qnet eis de toegelaten maximale waarde is van de netto-verwarmings of -koelingsbehoefte, uitgedrukt in kWu/m2 jaar;
  Aaangifte de waarde is, vermeld in de EPB-aangigfte van de oppervlakte van de EPB-eenheid, uitgedrukt in m2.
  ----------
  (1)<ORD 2015-12-18/51, art. 14, 004; Inwerkingtreding : 23-01-2016>

  BOEK 3. - SPECIFIEKE BEPALINGEN VOOR LUCHT EN KLIMAAT

  TITEL 1. - Algemeenheden

  Art. 3.1.1.In de zin van onderhavig boek, verstaat men onder :
  1° " Lucht " : de buitenlucht in de troposfeer, met uitsluiting van de lucht op de werkplek waarop de bepalingen inzake gezondheid en veiligheid op het werk van toepassing zijn en waar het publiek normaal gezien geen toegang heeft;
  2° " IRCEL " : de Intergewestelijke Cel voor Leefmilieu, opgericht door het samenwerkingsakkoord van 18 mei 1994 tussen het Brusselse, Vlaamse en Waalse Gewest inzake het toezicht op emissies in de lucht en op de structurering van de gegevens;
  3° " Verontreinigende stof " : elke stof die direct of indirect in de lucht aanwezig is en die schadelijke gevolgen kan hebben voor de gezondheid van de mens en/of voor het milieu in zijn geheel en die onder meer schadelijk kan zijn voor de biologische hulpbronnen en de ecosystemen, de klimaatveranderingen kan beïnvloeden, de materiële goederen kan aantasten en buitensporige geurhinder kan veroorzaken;
  4° " Binnenvervuiling " : de slechte luchtkwaliteit in gesloten ruimten met uitsluiting van de lucht op de werkplek waarop de bepalingen inzake gezondheid en veiligheid op het werk van toepassing zijn;
  5° " Niveau " : de concentratie van een verontreinigende stof in de lucht of de neerslag daarvan op oppervlakken binnen een bepaalde tijd;
  6° " Beoordeling " : een methode die wordt gebruikt om het niveau van een verontreinigende stof in de omgevingslucht te meten, te berekenen, te voorspellen of te ramen;
  7° " Grenswaarde " : een niveau dat op basis van wetenschappelijke kennis is vastgesteld om schadelijke gevolgen voor de gezondheid van de mens en/of voor het milieu in zijn geheel te voorkomen, te verhinderen of te verminderen binnen een bepaalde termijn en, eenmaal bereikt, niet meer mag worden overschreden;
  8° " Streefwaarde " : een niveau dat is vastgesteld om schadelijke effecten voor de gezondheid van de mens en/of voor het milieu in zijn geheel op lange termijn te vermijden, te verhinderen of te verminderen en dat zoveel mogelijk binnen een gegeven periode moet worden bereikt;
  9° " Alarmdrempel " : niveau waarboven een kortstondige blootstelling risico's voor de menselijke gezondheid van de volledige bevolking inhoudt en de Brusselse Hoofdstedelijke Regering verplicht om dringende maatregelen te nemen;
  10° " Kritiek niveau " : een niveau dat op basis van wetenschappelijke kennis wordt vastgesteld waarboven rechtstreekse schadelijke gevolgen kunnen optreden voor sommige receptoren, zoals bomen, andere planten of natuurlijke ecosystemen, doch niet voor de mens;
  11° " Europese Richtlijnen betreffende de luchtkwaliteit " : Richtlijn 2008/50/EG van het Europees Parlement en de Raad van 21 mei 2008 betreffende de luchtkwaliteit en schonere lucht voor Europa, Richtlijn 2004/107/EG van het Europees Parlement en de Raad van 15 december 2004 betreffende arseen, cadmium, kwik, nikkel en polycyclische aromatische koolwaterstoffen in de lucht en de wijzigingsRichtlijnen;
  12° " Overschrijdingsmarge " : het percentage van de grenswaarde voor luchtkwaliteit waarmee deze onder de door Richtlijn 2008/50/EG vastgelegde voorwaarden kan worden overschreden;
  13° " Informatiedrempel " : een niveau waarboven kortstondige blootstelling een gezondheidsrisico inhoudt voor bijzonder kwetsbare bevolkingsgroepen en voor wie een onmiddellijke en toereikende informatievoorziening noodzakelijk is;
  14° " Langetermijndoelstelling " : een niveau dat op lange termijn zou moeten worden bereikt, behalve waar dit niet door geproportioneerde maatregelen kan worden bereikt, met het doel de menselijke gezondheid en het milieu een doeltreffende bescherming te bieden;
  15° " Zone " : het gehele grondgebied van het Gewest of een door het Gewest met het oog op de beoordeling en het beheer van de luchtkwaliteit afgebakend gedeelte van zijn grondgebied;
  16° " PM10 " : deeltjes die een op grootte selecterende inlaat als omschreven in de referentiemethode voor bemonsteren en meten van PM10 EN 12341 passeren met een efficiencygrens van 50 % bij een aerodynamische diameter van 10 µm;
  17° " PM2,5 " : deeltjes die een op grootte selecterende inlaat als omschreven in de referentiemethode voor bemonsteren en meten van PM2,5 EN 14907 passeren met een efficiencygrens van 50 % bij een aerodynamische diameter van 2,5 µm;
  18° " Nationale streefwaarde inzake vermindering van de blootstelling " : een procentuele vermindering van de gemiddelde blootstelling van de Belgische bevolking die voor het referentiejaar wordt vastgesteld met het doel de schadelijke gevolgen voor de menselijke gezondheid te verminderen en die, waar mogelijk, binnen een bepaalde termijn moet worden bereikt;
  19° " Gemiddelde-blootstellingsindex " : een gemiddeld niveau dat wordt bepaald op basis van metingen verricht door de Gewesten en gecoördineerd door IRCEL op stedelijke-achtergrondlocaties verspreid over het gehele grondgebied van België. Deze index geeft de blootstelling van de bevolking weer; hij wordt gebruikt om de nationale streefwaarde inzake vermindering van de blootstelling alsmede de blootstellingsconcentratieverplichting te berekenen;
  20° " Stikstofoxiden " : de som van het totaal aantal volumedelen (ppbv) van stikstofmonoxide en stikstofdioxide, uitgedrukt in massaconcentratie-eenheden van stikstofdioxide (µg/m3);
  21° " Emissierecht " : overeenkomstig de bepalingen van dit Wetboek overdraagbaar recht om, uitsluitend teneinde aan de eisen van onderhavig Wetboek te voldoen, gedurende een bepaalde periode één ton kooldioxide-equivalent uit te stoten;
  22° " Besluit nr. 2011/278/EG " : Besluit van de Europese Commissie van 27 april 2011 tot vaststelling van een voor de hele Unie geldende overgangsregeling voor de geharmoniseerde kosteloze toewijzing van emissierechten;
  23° " Installatie " : een vaste technische eenheid waarin één of meer van de in bijlage 3.3 vermelde activiteiten alsmede andere daarmee rechtstreeks samenhangende activiteiten plaatsvinden, die technisch in verband staan met de op die plaats ten uitvoer gebrachte activiteiten en die gevolgen kan hebben voor de emissies en de verontreiniging;
  24° " Subinstallatie " : deel van een installatie met product-, warmte- of brandstofbenchmark, zoals bepaald door de Regering conform artikel 3, b), c) en d) van het besluit nr. 2011/278/EU;
  25° " Emissie van broeikasgassen " : uitstoot van broeikasgassen in de atmosfeer door in een installatie aanwezige bronnen;
  26° " Broeikasgassen " : de in bijlage 3.4. genoemde gassen en andere gasvormige bestanddelen van de atmosfeer, zowel natuurlijke als antropogene, die infrarode straling absorberen en weer uitstralen;
  27° " Gespecificeerde broeikasgassen " : broeikasgassen vermeld in bijlage 3.3;
  28° " Vergunning voor broeikasgasemissies " : deel van de milieuvergunning dat de houder ervan uitdrukkelijk toelating geeft tot het uitstoten van de gespecificeerde broeikasgassen op de betreffende installatie, onder de door onderhavig Wetboek vastgestelde voorwaarden en voor een periode die niet langer kan zijn dan de geldigheidsduur van de milieuvergunning;
  29° " Nieuwkomer " : exploitant van :
  a) elke installatie die een vergunning heeft verkregen om voor het eerst na 30 juni 2011 broeikasgassen uit te stoten;
  b) elke bestaande installatie die een aanzienlijke capaciteitsuitbreiding na 30 juni 2011 heeft gekend, alleen voor zover het deze uitbreiding betreft;
  30° " Ton kooldioxide-equivalent " : een metrische ton kooldioxide (CO2) of een hoeveelheid van één van de andere in bijlage 3.4 van onderhavige titel bedoelde broeikasgassen met een gelijkwaardig aardopwarmingsvermogen;
  31° " RVNKV " : Raamverdrag van de Verenigde Naties inzake klimaatveranderingen;
  32° " Kyotoprotocol " : protocol bij het RVNKV, opgsteld in Kyoto op 11 december 1997, en waarmee het Brussels Hoofdstedelijk Gewest heeft ingestemd door de ordonnantie van 19 juli 2001;
  33° " Emissieverminderende eenheid " of " EVE " : eenheid verleend overeenkomstig artikel 6 van het Protocol van Kyoto en de beslissingen goedgekeurd overeenkomstig het RVNKV of het Kyotoprotocol;
  34° " Gecertificeerde emissiereductie " of " GER " : eenheid verleend overeenkomstig artikel 12 van het Kyotoprotocol en de beslissingen goedgekeurd overeenkomstig het RVNKV of het Kyotoprotocol;
  35° " Koolstofeenheid " : eenheid van de toegewezen hoeveelheid in toepassing van de beslissingen goedgekeurd overeenkomstig het RVNKV of zijn protocollen EVE, GER, of elke andere eenheid gecreëerd of erkend in toepassing van het RVNKV of zijn protocollen, overdraagbaar overeenkomstig de bepalingen van de protocollen en van de beslissingen goedgekeurd overeenkomstig het RVNKV of de bepalingen van onderhavig Wetboek;
  36° " Projectmechanisme " : mechanisme voorzien door het RVNKV of zijn protocollen dat voor een deel volgens de RVNKV bestaat in de investering in één of meer projecten om de emissie van broeikasgassen te beperken of te verminderen, een technologietransfer te bewerkstellingen en/of een duurzame ontwikkeling in de ontwikkelingslanden of landen met een overgangseconomie te bevorderen;
  37° " Aanzienlijke capaciteitsuitbreiding " : een beduidende verhoging van de aanvankelijk geïnstalleerde capaciteit van een subinstallatie die de onderstaande gevolgen heeft :
  a) er vinden één of meer identificeerbare fysieke veranderingen plaats met betrekking tot de technische configuratie en de werking van de subinstallatie die verder reiken dan de loutere vervanging van een bestaande productielijn, en
  b) de subinstallatie verkrijgt een capaciteit die ten minste 10 % hoger ligt in vergelijking met de aanvankelijk geïnstalleerde capaciteit vóór de verandering plaatshad, of
  c) de subinstallatie waarop de fysieke veranderingen van toepassing zijn, heeft een beduidend hoger activiteitsniveau dat resulteert in een extra toewijzing van emissierechten van meer dan 50.000 eenheden per jaar, wat overeenstemt met minstens 5 % van het voorlopige jaarlijkse aantal emissierechten dat kosteloos aan deze subinstallatie was toegewezen vóór de verandering;
  38° " Aanzienlijke capaciteitsvermindering " : één of meer identificeerbare fysieke veranderingen die leiden tot een beduidende vermindering van de aanvankelijk geïnstalleerde capaciteit en het activiteitsniveau van een subinstallatie van dezelfde grootteorde als die welke in de definitie van de aanzienlijke capaciteitsuitbreiding in acht wordt genomen;
  39° " Aanzienlijke capaciteitswijziging " : een aanzienlijke capaciteitsuitbreiding of een aanzienlijke capaciteitsvermindering;
  40° " BELAC " : accreditatiesysteem ingevoerd door het koninklijk besluit van 31 januari 2006 tot oprichting van het BELAC accreditatiesysteem van instellingen voor de conformiteitsbeoordeling.
  [1 41° " Lage-emissiezone (low emission zone : LEZ) " : zone zoals bepaald in artikel 2.63 van het koninklijk besluit van 1 december 1975 houdende algemeen reglement op de politie van het wegverkeer en van het gebruik van de openbare weg ;
   42° " Wegcode " : code zoals gedefinieerd in het koninklijk besluit van 1 december 1975 houdende algemeen reglement op de politie van het wegverkeer en van het gebruik van de openbare weg ;
   43° " DIV " : de overheidsdienst belast met de inschrijving van de voertuigen.]1
  ----------
  (1)<ORD 2017-12-07/03, art. 2, 006; Inwerkingtreding : 01-01-2018>

  TITEL 2. - Specifieke bepalingen voor de luchtkwaliteit en de emissie van luchtverontreinigende stoffen

  HOOFDSTUK 1. - Opdrachten van het Instituut

  Art. 3.2.1.§ 1. In het domein van de lucht, heeft het Instituut onder meer de volgende opdrachten :
  1° de luchtkwaliteit beoordelen met behulp van een methode die in overeenstemming is met de eisen van de Europese Richtlijnen betreffende de luchtkwaliteit en die volgens een door de regering bepaalde procedure erkend is;
  2° de nauwkeurigheid van de metingen waarborgen;
  3° de beoordelingsmethoden analyseren;
  4° de eventuele door de Europese Commissie georganiseerde communautaire kwaliteitswaarborgingsprogramma's coördineren op het grondgebied van het Gewest;
  5° samenwerken met de andere Gewesten, de andere lidstaten en de Europese Commissie;
  6° de luchtemissie-inventarissen opmaken.
  § 2. Op het vlak van de binnenvervuiling, heeft het Instituut inzonderheid tot opdracht :
  1° een diagnose op te stellen van de binnenvervuiling op een met redenen omkleed medisch verzoek of op verzoek van de Gewestelijke Huisvestingsinspectiedienst bedoeld in [1 artikel 6]1 van de Brusselse Huisvestingscode en de systematische analyse van de chemische en biologische parameters die op een wetenschappelijk protocol gebaseerd zijn;
  2° een verslag op te maken voor de geneesheer, vergezeld van adviezen voor verbetering ten behoeve van de bewoners;
  3° de statistische raming te maken van de toestand van het milieu in de gediagnosticeerde gebouwen;
  4° zelf aanbevelingen voor te bereiden ten behoeve van de Regering om de hinder verbonden aan de kwaliteit van de buitenlucht en de binnenvervuiling te verminderen door zich inzonderheid te baseren op de evolutie van de wetenschappelijke kennis in de epidemiologische, milieu- en metrologische domeinen en van de blootstellingsgraad van de bevolkingen en vooral van de kwetsbare groepen;
  5° wetenschappelijke adviezen op uitdrukkelijk verzoek van de Regering te verstrekken.
  Deze adviezen en aanbevelingen worden op de site van het Instituut gepubliceerd.
  ----------
  (1)<BESL 2014-05-08/61, art. 1, 003; Inwerkingtreding : 03-07-2014>

  HOOFDSTUK 2. - Indeling in zones

  Art. 3.2.2. Het Brussels Hoofdstedelijk Gewest is een afzonderlijke zone. In voorkomend geval en met een met redenen omklede beslissing, kan de Regering het grondgebied van het Gewest opsplitsen in verschillende zones.
  De beoordeling van de luchtkwaliteit en van het beheer van de luchtkwaliteit wordt in alle zones verricht.

  HOOFDSTUK 3. - Beoordeling van de luchtkwaliteit

  Afdeling 1. - Identificatie van de verontreinigende stoffen die het voorwerp van een evaluatie vormen

  Art. 3.2.3. De beoordeling van de luchtkwaliteit slaat op de volgende verontreinigende stoffen :
  1° zwaveldioxide;
  2° stikstofdioxide en stikstofoxiden;
  3° PM2,5;
  4° PM10;
  5° lood;
  6° ozon;
  7° benzeen;
  8° koolmonoxide;
  9° polycyclische aromatische koolwaterstoffen;
  10° cadmium;
  11° arseen;
  12° nikkel;
  13° kwik.

  Art. 3.2.4. De Regering kan andere verontreinigende stoffen die niet in het artikel 3.2.3 vermeld zijn aan een soortgelijke controle onderwerpen, rekening houdend met de wetenschappelijke vooruitgang en de volgende criteria :
  1° mogelijkheid, mate en frequentie van de effecten; met betrekking tot de volksgezondheid en het milieu in zijn geheel, moet bijzondere aandacht worden besteed aan de onomkeerbare gevolgen;
  2° algemene aanwezigheid en hoge concentratie van de verontreinigende stof in de lucht;
  3° milieutransformatie of metabolische omzettingen, aangezien dergelijke wijzigingen tot de vorming van chemische stoffen met een grotere toxiciteit kunnen leiden;
  4° persistentie in het milieu, met name indien de verontreinigende stof resistent voor afbraak in het milieu is en kan accumuleren in mensen, het milieu of de voedselketen;
  5° effect van de verontreinigende stof, met name :
  - omvang van de blootgestelde bevolking, levende soorten of ecosystemen;
  - bestaan van bijzonder gevoelige doelgroepen in het betrokken gebied;
  6° mogelijkheid om risicobeoordelingsmethodes te gebruiken;
  7° relevante gevaarcriteria vastgesteld in Richtlijn 67/548/EEG betreffende de aanpassing van de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen inzake de indeling, de verpakking en het kenmerken van gevaarlijke stoffen.

  Art. 3.2.5. § 1. De Regering legt de grenswaarden, de streefwaarden, de langetermijndoelstellingen, de kritieke niveaus alsook de alarm- en informatiedrempels vast voor de verontreinigende stoffen bedoeld in artikel 3.2.3 en, desgevallend, de termijnen binnen welke die niveaus gehaald dienen te worden overeenkomstig de Europese Richtlijnen betreffende de luchtkwaliteit en rekening houdend met de meest recente gegevens van het wetenschappelijk onderzoek in de epidemiologische en milieudomeinen, de meest recente vooruitgang in de metrologie en de mate van blootstelling van de bevolkingsgroepen en met name van de kwetsbare groepen alsook, desgevallend :
  1° van de klimatologische omstandigheden;
  2° van de gevoeligheid van de flora en de fauna en van hun habitat;
  3° van het aan verontreinigende stoffen blootgesteld historisch, cultureel en architecturaal erfgoed;
  4° van de economische en technische haalbaarheid;
  5° van het vervoer over lange afstand van verontreinigende stoffen, waaronder de secundaire verontreinigende stoffen, met inbegrip van ozon.
  § 2. De Regering kan een tijdelijke overschrijdingsmarge vastleggen voor de in § 1 bedoelde grenswaarden overeenkomstig de Europese Richtlijnen betreffende de luchtkwaliteit.
  Deze marge wordt op een door haar vast te stellen wijze verlaagd teneinde de grenswaarde uiterlijk op het einde van de gestelde termijn te bereiken.

  Art. 3.2.6. De Regering kan voor de door haar vastgestelde verontreinigende stoffen een vooralarmdrempel vaststellen die overeenstemt met een niveau dat strenger is dan de alarmdrempel. Bij overschrijding van die vooralarmdrempel, moet aan de bevolking bijkomende informatie worden verstrekt overeenkomstig artikel 3.2.14.

  Afdeling 2. - Beoordelingsregels

  Art. 3.2.7. Voor elke verontreinigende stof, bepaalt de Regering, overeenkomstig de Europese Richtlijnen, criteria en technieken betreffende :
  1° de plaats van de bemonsteringspunten. Er is rekening gehouden met het feit dat de meetstations over het grondgebied van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest worden verspreid volgens de op wetenschappelijke basis vastgestelde representativiteit van de verschillende stedelijke omgevingen;
  2° het minimumaantal bemonsteringspunten;
  3° de referentiemeettechnieken en de bemonsteringstechnieken;
  4° het gebruik van andere technieken voor de beoordeling van de luchtkwaliteit, met name :
  - de ruimtelijke resolutie voor de modellen en de methoden voor objectieve beoordeling;
  - de referentietechnieken voor de modellen;
  5° gegevens kwaliteitsdoelstellingen.

  HOODSTUK 4. - Beheer van de luchtkwaliteit en van de emissie van luchtverontreinigende stoffen

  Art. 3.2.8. Indien de grenswaarde of de streefwaarde van één of meer verontreinigende stoffen, telkens vermeerderd met elke overschrijdingsmarge, wordt overschreden, legt het Instituut een luchtkwaliteitsplan voor het betrokken gebied vast om de overeenstemmende grens- of streefwaarde binnen een zo kort mogelijk termijn te bereiken.
  Dat plan bevat minstens de informatie bedoeld in punt II, 5) van bijlage 1.1 voor de bedoelde verontreinigende stoffen. Het verduidelijkt en vervolledigt, indien nodig, de voorziene maatregelen door het gewestelijk lucht-klimaat-energieplan bedoeld in artikel 1.4.1.

  Art. 3.2.9. § 1. Op basis van het gewestelijk Lucht-Klimaat-Energieplan en de plannen inzake luchtkwaliteit en op advies van het Instituut, legt de Regering de maatregelen vast om de luchtvervuiling structureel te verminderen. Die maatregelen kunnen met name bestaan in :
  1° de beperking en, in sommige gevallen, het verbod van sommige vormen van vervuiling;
  2° de reglementering of het verbod om bepaalde apparaten, inrichtingen of producten te gebruiken die vervuiling kunnen teweegbrengen, met name door emissienormen voor elke vervuilingsbron op te stellen die prioritair wordt beschouwd in het kader van het gewestelijk lucht-klimaat-energieplan;
  3° richtsnoeren inzake ruimtelijke ordening die de emissies van luchtverontreinigende stoffen moeten verminderen en waarmee de gewestelijke en bijzondere bestemmingsplannen rekening moeten houden;
  4° de vaststelling van emissiedrempels van verontreinigende stoffen rekening houdend met de internationale verdragen en Europese Richtlijnen betreffende de emissies van luchtverontreinigende stoffen.
  § 2. De Regering ziet er inzonderheid op toe dat de daartoe getroffen maatregelen :
  1° rekening houden met een geïntegreerde aanpak van de bescherming van de lucht, het klimaat, het water en de bodem;
  2° geen significante negatieve gevolgen hebben voor het milieu in de andere Gewesten en lidstaten van de Europese Unie;
  3° de beste luchtkwaliteit in stand houden die verenigbaar is met een duurzame ontwikkeling.

  Art. 3.2.10. De Regering kan, in overleg met de betrokken actoren, alle nodige maatregelen nemen die geen buitensporige kosten met zich brengen om de blootstelling aan PM2,5 te verminderen teneinde te beantwoorden aan de verplichting inzake concentraties bij een opgegeven blootstelling en met het oog op het halen van de nationale doelstelling inzake vermindering van de blootstelling, zoals vermeld in bijlage 3.1 en dit binnen de in de aangehaalde bijlage voorziene termijnen.

  HOODSTUK 5. - Actieplan op korte termijn

  Art. 3.2.11. Om het hoofd te kunnen bieden aan een dreigende overschrijding of overschrijding van een grenswaarde of alarmdrempel, keurt de Regering een actieplan goed. Dit plan omvat meer bepaald :
  1° de identificatie van de verschillende soorten crisissen, de identificatie van de drempels die één van deze crisissen veroorzaken zodra ze worden overschreden alsook de identificatie van de verschillende autoriteiten die moeten tussenkomen indien elk van hen zich voordoet;
  2° de oprichting van instanties voor crisisbeheer, met name de oprichting van een Crisiscomité;
  3° elke maatregel die op korte termijn moet worden genomen om de gevolgen van hoge niveaus van verontreinigende stoffen voor de gezondheid te verminderen;
  4° elke maatregel die nodig is om zo snel mogelijk de emissies die de hoge niveaus van verontreinigende stoffen veroorzaken te verminderen.
  Deze maatregelen bestaan meer bepaald in :
  1° controlemaatregelen;
  2° maatregelen tot vermindering of stopzetting van de activiteiten die vervuiling veroorzaken, tot vermindering van de uitstoot van vaste en mobiele bronnen, van het autoverkeer, en een alternatief in het openbaar vervoer aan te moedigen;
  3° meer specifieke maatregelen met het oog op de bescherming van de kwetsbare bevolkingscategorieën, meer bepaald de kinderen;
  4° maatregelen om het publiek te informeren.
  Het actieplan op korte termijn zal bekend gemaakt worden op de internetsite van het Instituut.

  HOOFDSTUK 6. - Grensoverschrijdende luchtverontreiniging

  Art. 3.2.12. Wanneer een alarmdrempel, grenswaarde of streefwaarde, verhoogd met elke relevante overschrijdingsmarge, of een langetermijndoelstelling ten gevolge van een aanzienlijke grensoverschrijdende verplaatsing van verontreinigende stoffen of de precursoren daarvan, afkomstig van andere lidstaten van de Europese Unie, wordt overschreden, werkt de Regering samen met de overige Gewesten en de federale Overheid om, indien nodig, gezamenlijke activiteiten met de andere betrokken lidstaten te ontplooien, ten einde in de mate van het mogelijke een einde te maken aan deze overschrijdingen.

  HOOFDSTUK 7. - Informatie van de bevolking

  Art. 3.2.13. § 1. Het Instituut verstrekt voortdurend informatie aan de bevolking alsook aan de adequate instellingen, met name de milieubeschermingsinstellingen, de consumentenorganisaties, de instellingen die de belangen van kwetsbare bevolkingsgroepen verdedigen en de andere betrokken gezondheidsinstellingen. De informatieverstrekking gebeurt aan de hand van gemakkelijk toegankelijke communicatiemiddelen, met name het internet, waar zij zich voortdurend kunnen informeren over de luchtkwaliteit overeenkomstig bijlage 3.2
  § 2. Het Instituut informeert het publiek over de plannen betreffende de luchtkwaliteit en de actieplannen op korte termijn die respectievelijk worden beoogd in artikelen 3.2.8 en 3.2.11
  § 3. Het Instituut stelt de bevolking jaarrapporten ter beschikking voor alle in dit Wetboek behandelde verontreinigende stoffen.
  Deze rapporten bieden een samenvatting van de niveaus waarbij er een overschrijding is van de grenswaarden, streefwaarden, langetermijndoelstellingen, informatie- en alarmdrempels voor de periodes die stroken met deze normatieve waarden. Deze inlichtingen gaan vergezeld van een korte beoordeling van de effecten van deze overschrijdingen. Desgevallend bevatten de rapporten bijkomende informatie en evaluaties aangaande de bescherming van bossen alsook informatie over andere verontreinigende stoffen waarvoor de bepalingen van dit Wetboek in toezicht voorzien, met name de niet gereglementeerde ozonprecursoren.
  § 4. Het Instituut stelt ook informatie over de diverse bronnen van binnenvervuiling ter beschikking.

  Art. 3.2.14. Bij overschrijding van een alarmdrempel of, in voorkomend geval, van een vooralarmdrempel, moet een fase van bijkomende informatie aan de bevolking worden opgestart.
  Gedurende deze fase bestaat de informatie uit :
  1° een persmededeling met :
  - een samenvatting van de analyse van de toestand uitgevoerd door IRCEL naargelang de gegevens betreffende de luchtkwaliteit in het Gewest en de naburige Gewesten en landen, de meteorologische gegevens en weersvoorspellingen en de mogelijke oorzaken van de stijging van het verontreinigingsniveau;
  - raadgevingen aan de bevolking om de verontreiniging en de gevolgen voor de gezondheid te beperken;
  2° de aanpassing van de informatie verstrekt overeenkomstig artikel 3.2.13 : het bericht wordt verschillende keren per dag bijgewerkt en aangevuld met raadgevingen voor de personen uit de gevoelige subgroepen;
  3° de aanplakking van geactualiseerde informatie in de openbare ruimte.

  Art. 3.2.15. Bij overschrijding van één of meer alarmdrempels, wordt het persbericht gepubliceerd in twee Nederlandstalige kranten en in twee Franstalige kranten die in het Gewest worden verspreid en officieel op radio en televisie aangekondigd op een uur met grote luister- en kijkdichtheid. Dat bericht wordt ook gepubliceerd op de internetsite van het Instituut.
  Bovendien kan het Instituut de Regering bijkomende informatiemaatregelen voorstellen.

  HOOFDSTUK 8. - Lage-emissiezones

  Art. 3.2.16.[1 § 1. De Regering bepaalt één of meerdere lage-emissiezones op het grondgebied van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest die permanent van toepassing is (zijn) om de luchtkwaliteit te verbeteren.
   § 2. De beperking van het toegangsrecht van voertuigen tot de lage-emissiezone(s) wordt verbonden aan de emissies van luchtverontreinigende stoffen van het gemotoriseerde voertuig, zoals bepaald door de Regering.
   De Regering kan voorts afwijkingen definiëren op de beperking van het toegangsrecht tot de lage-emissiezone(s) in functie van de aard, het type, het gebruik van het betreffende motorvoertuig, socio-economische criteria, evenals in geval van uitzonderlijke situaties welke beperkt zijn in de tijd.
   De Regering bepaalt de procedure voor de toekenning van de afwijkingen en stelt de statutaire of contractuele ambtenaren aan die deze zullen toekennen.
   Onverminderd de registratie zoals bedoeld in § 3, dienen bepaalde door de Regering te bepalen types van voertuigen geregistreerd te worden om toegang te krijgen tot de LEZ.
   De Regering bepaalt de voorwaarden van de registratie.
   § 3. Elk voertuig dat niet is geregistreerd in het repertorium van de voertuigen zoals vermeld in de artikelen 6 tot en met 9 van het koninklijk besluit van 20 juli 2001 betreffende de inschrijving van voertuigen, moet voorafgaandelijk geregistreerd worden om toegang te verkrijgen tot de lage-emissiezone(s).
   De Regering bepaalt de voorwaarden van de registratie.
   § 4. Het plaatsen van verkeerstekens die de lage-emissiezone(s) aangeven, met name de verkeerstekens F117 en F118, bedoeld in artikel 71.2 van de Wegcode, gebeurt overeenkomstig de bepalingen van de ordonnantie van 3 april 2014 betreffende de aanvullende reglementen op het wegverkeer en de plaatsing en bekostiging van de verkeerstekens.
   § 5. De Regering kan een systeem van tijdelijke toegang tot de lage-emissiezone(s) tegen betaling invoeren.
   De Regering :
   1° legt de modaliteiten van dit systeem vast en legt de procedure voor aanvraag, toekenning en betaling van deze tijdelijke toegang tegen betaling vast ;
   2° bepaalt desgevallend het bedrag van de retributie die voor deze toegang verschuldigd is.]1
  ----------
  (1)<ORD 2017-12-07/03, art. 3, 006; Inwerkingtreding : 01-01-2018>

  Art. 3.2.17. [1 § 1. In het kader van de wetgeving betreffende de lage-emissiezones, worden de gegevens die strikt noodzakelijk en pertinent zijn, verzameld in een databank.
   De door de Regering gemandateerde diensten beheren deze databank overeenkomstig de wet van 8 december 1992 tot bescherming van de persoonlijke levenssfeer ten opzichte van de verwerking van persoonsgegevens.
   Onverminderd de bepalingen van artikel 3.2.19, verloopt de toepassing en de controle van de wetgeving inzake lage-emissiezones, evenals de vaststelling van overtredingen, onder meer door middel van nummerplaatherkenning, met of zonder vaste of mobiele automatische toestellen.
   De ingezamelde gegevens mogen slechts gebruikt worden voor doeleinden die de regelgeving inzake de persoonlijke levenssfeer respecteren.
   § 2. Indien de § 1 bedoelde gegevens, met uitzondering van de gegevens bedoeld in § 3, geen substantiële rol kunnen vervullen teneinde een overtreding te bewijzen, worden ze niet langer dan drie maanden bewaard, tenzij de gegevens nodig zijn in het kader van opvolgingsonderzoek of voor historische, statistische of wetenschappelijke doeleinden waarbij de wetgeving inzake de persoonlijke levenssfeer wordt gerespecteerd.
   Om dit te doen, worden de persoonsgegevens anoniem gemaakt van zodra hun individualisering niet meer noodzakelijk is voor de verwezenlijking van de doeleinden waarvoor ze werden verzameld. De Regering kan de modaliteiten inzake de inhoud en de werking van deze databank bepalen.
   De gegevens zullen meegedeeld kunnen worden aan Leefmilieu Brussel of aan een andere instelling aangeduid door de Regering met het oog op hun latere verwerking voor historische, statistische en wetenschappelijke doeleinden.
   De persoonsgegevens mogen niet langer worden bewaard dan noodzakelijk voor de verwezenlijking van de doeleinden waarvoor ze werden verzameld.
   § 3. De gegevens gelieerd aan de registraties zullen worden bewaard tot drie maanden na het verstrijken van de geldigheidsduur van de betrokken registraties.
   De gegevens verstrekt door de eigenaar of bestuurder van een voertuig met het oog op het bekomen van toegang tot de LEZ mogen worden bewaard tot drie maanden na het verstrijken van de geldigheid van de bekomen toegang.
   § 4. De vaststellingen gebaseerd op materiële bewijzen verstrekt door automatisch werkende toestellen in het bijzijn van een gekwalificeerde agent gelden als bewijs, tot bewijs van het tegendeel, indien het gaat om overtredingen van de artikelen 3.2.16 tot en met 3.2.27, artikel 3.4.1/1 en de uitvoeringsbesluiten ervan.
   § 5. De vaststellingen gebaseerd op materiële bewijzen verstrekt door automatisch werkende toestellen zonder het bijzijn van een gekwalificeerde agent gelden als bewijs, tot bewijs van het tegendeel, indien het gaat om overtredingen van de artikelen 3.2.16 tot en met 3.2.27, artikel 3.4.1/1 en de uitvoeringsbesluiten ervan.
   Indien een overtreding werd vastgesteld door automatisch werkende toestellen zonder het bijzijn van een gekwalificeerde agent, wordt dit vermeld in het proces-verbaal.
   § 6. Met " gekwalificeerde agent " wordt in het kader van dit artikel bedoeld :
   - de ambtenaren die belast zijn met het toezicht op de naleving van de artikelen 3.2.16 tot en met 3.2.27, artikel 3.4.1/1 en de uitvoeringsbesluiten ervan ;
   - de officieren of agenten van de gerechtelijke politie in het kader van de uitoefening van hun bevoegdheden ;
   - de leden van het operationeel kader van de lokale en federale politie in het kader van de uitoefening van hun bevoegdheden.]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij ORD 2017-12-07/03, art. 4, 006; Inwerkingtreding : 01-01-2018>
  

  Art. 3.2.18. [1 § 1. De persoon die de boete waarin voorzien in artikel 3.4.1/1 verschuldigd is, is de bestuurder van het voertuig op het moment van de feiten. Er wordt vermoed, tot bewijs van het tegendeel, dat dit de persoon is op wiens naam het voertuig ingeschreven of geregistreerd is bij de overheid die belast is met de inschrijving van voertuigen of het buitenlandse equivalent hiervan.
   Het bewijs van het tegendeel kan geleverd worden door alle wettelijke bewijsmiddelen, met uitzondering van de eed. Om het vermoeden om te keren, dient voornoemde persoon bovendien de identiteit van de bestuurder op het ogenblik van de feiten mee te delen.
   De persoon op wiens naam het voertuig is ingeschreven of geregistreerd bij de instantie verantwoordelijk voor de inschrijving van voertuigen of haar buitenlandse tegenhanger, blijft hoofdelijk gehouden tot betaling van de boete wegens het gebruik van zijn voertuig in een lage-emissiezone in het geval dat hij niet de bestuurder was en aan één van onderstaande voorwaarden voldaan is :
   1° de bestuurder is op het ogenblik van de feiten onvermogend ;
   2° de bestuurder bevindt zich op het ogenblik van de feiten in één van de situaties zoals bedoeld in artikel 8 van het koninklijk besluit van 15 januari 2014 betreffende de verhoogde verzekeringstegemoetkoming, bedoeld in artikel 37, § 19 van de wet betreffende de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen, gecoördineerd op 14 juli 1994 ;
   3° de betaling van de boete is niet binnen de voorgeschreven termijn uitgevoerd.
   § 2. In het geval van een samenstel van voertuigen, dient er rekening gehouden te worden met de inschrijving van het motorvoertuig.
   § 3. Indien het vermoeden betwist wordt door een rechtspersoon, zijn de natuurlijke personen die de rechtspersoon in rechte vertegenwoordigen verplicht de identiteit van de bestuurder op het ogenblik van de betrokken feiten mee te delen of, indien ze deze niet kennen, de identiteit van de natuurlijke persoon verantwoordelijk voor het voertuig.]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij ORD 2017-12-07/03, art. 5, 006; Inwerkingtreding : 01-01-2018>
  

  Art. 3.2.19. [1 § 1. Onverminderd de bevoegdheden toegekend aan de andere officieren of agenten van gerechtelijke politie en aan de leden van het operationeel kader van de lokale en federale politie, zijn de ambtenaren die belast zijn met het toezicht op de naleving van de artikelen 3.2.16 tot en met 3.2.27, artikel 3.4.1/1 en de uitvoeringsbesluiten ervan, voor wat betreft de voertuigen die zich op de openbare weg bevinden, statutaire of contractuele ambtenaren die aangeduid zijn door de Regering.
   § 2. De ambtenaren vermeld in § 1 hebben slechts de hoedanigheid van agent of officier van de gerechtelijke politie nadat ze de eed hebben afgelegd.
   De formule van de af te leggen eed luidt als volgt : " Ik zweer de verplichtingen van mijn ambt trouw na te komen. ".
   De Regering bepaalt de modaliteiten voor de eedaflegging, de wijze en de aanwervingsvoorwaarden voor de bovenvermelde ambtenaren.
   § 3. De ambtenaren bedoeld in § 1 moeten zich bekendmaken, op vraag, door een legitimatie- of verantwoordingsbewijs voor te leggen dat tenminste de naam, voornaam en foto van de titularis van het bewijs bevat, met de vermelding van de reglementering in uitvoering van welke zij handelen. Zij kunnen zich eveneens kenbaar maken door eventueel een uniform te dragen, waarvan de kenmerken en het verplicht karakter ervan bepaald worden door de Regering.
   § 4. Voor de toepassing van dit hoofdstuk, wordt onder de " in te vorderen bedragen " verstaan : de hierna vermelde schulden, in zoverre ze zeker, vaststaand en opeisbaar zijn :
   1. de kosten ;
   2. de toebehoren ;
   3. de opdeciemen ;
   4. de opcentiemen ;
   5. de gewestelijke taksen ;
   6. de boetes ;
   7. interesten ;
   8. elke andere schuld verschuldigd aan het Gewest.
   § 5. In het kader van de uitoefening van hun taken, zijn de ambtenaren bedoeld in § 1 bevoegd om :
   1° instructies te geven aan de bestuurders en het verkeer te regelen, zoals bepaald in artikel 11 van de wet van 16 maart 1968 betreffende de politie over het wegverkeer, en met name aan de bestuurder het bevel te geven het voertuig tot stilstand te brengen ;
   2° de nodige administratieve gegevens te laten voorleggen, te raadplegen en er een kopie van te nemen, zoals de wettelijk voorgeschreven documenten die de bestuurder van een voertuig in zijn bezit moet hebben en, in ruimere zin, alle documenten die nuttig zijn voor de identificatie van het voertuig, de bestuurder of de persoon op wiens naam het voertuig staat ingeschreven ;
   3° informatie te verzamelen en controles uit te voeren middels het ondervragen van personen en middels het raadplegen van documenten en andere informatiedragers ;
   4° de assistentie van de lokale en de federale politie te vorderen in het kader van controles ;
   5° over te gaan tot vaststellingen door middel van audiovisuele middelen of vaste en mobiele automatische controletoestellen ;
   6° over te gaan tot de onmiddellijke inning van de administratieve boete waarin voorzien in artikel 3.4.1/1 en desgevallend van de in te vorderen bedragen, de andere kosten, toebehoren, interesten, opdeciemen, opcentiemen, taksen of boetes die de gecontroleerde persoon nog verschuldigd zou zijn.
   § 6. In afwijking van artikel 3.2.21, in geval van controle op de openbare weg, betaalt de bestuurder van het voertuig bij overtreding van de wetgeving betreffende de lage-emissiezones, de boetes bedoeld in artikel 3.4.1/1 en de in te vorderen bedragen in handen van de ambtenaar vermeld in § 1.
   Het proces-verbaal met de vaststelling van de overtreding wordt persoonlijk aan de overtreder overhandigd en desgevallend wordt een afschrift opgestuurd naar de persoon op wiens naam het voertuig ingeschreven of geregistreerd staat.
   De Regering kan bij besluit preciezere betalingsmodaliteiten vastleggen.
   In geen geval kan er overgegaan worden tot een onmiddellijke inning als de overtreder jonger is dan 18 jaar.
   § 7. Indien de bedragen vermeld in voorgaande paragraaf niet betaald worden op het ogenblik van de vaststelling van de overtreding, wordt het voertuig aangehaald door de ambtenaar bedoeld in artikel 3.2.19, totdat de verschuldigde bedragen betaald zijn.
   Een door de bevoegde ambtenaar opgesteld proces-verbaal van aanhaling heeft bewijskracht tot bewijs van het tegendeel.
   In het kader van de aanhaling waarvan sprake in het eerste lid, kan de ambtenaar bedoeld in artikel 3.2.19 één of meerdere van de onderstaande maatregelen nemen :
   - de inhouding van de boorddocumenten ;
   - de inhouding van de vrachtbrief ;
   - de plaatsing van een wielklem ;
   - de afvoer van het voertuig in overtreding naar een stalplaats ;
   - het parkeren van het voertuig.
   Het aangehaalde voertuig mag niet verplaatst worden zonder de toelating van de door de Regering aangestelde contractuele of statutaire ambtena(a)r(en).
   De eigenaar van het aangehaalde voertuig mag dit voertuig niet vervreemden zonder toelating van de door de Regering aangestelde contractuele of statutaire ambtena(a)r(en).
   § 8. Het risico en de eventuele kosten die voortvloeien uit de aanhaling zijn ten laste van de personen die de boete verschuldigd zijn zoals bepaald in artikel 3.2.18. De aanhaling wordt opgeheven na de betaling van de verschuldigde bedragen.
   § 9. De onmiddellijke betaling van de verschuldigde sommen dooft de mogelijkheid om de overtreder te beboeten, waarin voorzien door de procedure in artikel 3.2.21, uit. De betaler ontvangt bovendien een bewijs van onmiddellijke betaling.]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij ORD 2017-12-07/03, art. 6, 006; Inwerkingtreding : 01-01-2018>
  

  Art. 3.2.20. [1 § 1. De krachtens artikel 3.2.19, § 1 aangestelde ambtenaren zijn gemachtigd om door alle middelen van recht, getuigenissen en vermoedens inbegrepen, maar met uitzondering van de eed, en door de processen-verbaal die ze opstellen, elke overtreding van de artikelen 3.2.16 tot en met 3.2.27, artikel 3.4.1/1 en de uitvoeringsbesluiten ervan vast te stellen, evenals elk feit dat de verschuldigdheid van de in te vorderen bedragen vaststelt of bijdraagt tot de vaststelling ervan.
   § 2. Elke inlichting, elk stuk, elk proces-verbaal of elke akte door de ambtenaren bedoeld in § 1 verkregen in de uitoefening van hun functie, hetzij rechtstreeks, hetzij door tussenkomst van één van de administratieve diensten, instellingen van publiekrechtelijke aard, vennootschappen van publiek recht, organisaties die van het Gewest afhangen of administratieve diensten van de Staat, met inbegrip van de parketten en de griffies van alle rechtscolleges, van de Gemeenschappen, de Gewesten, de provincies of gemeenten, kan worden ingeroepen voor het onderzoek naar elk feit dat voormelde verschuldigdheid vaststelt of bijdraagt tot de vaststelling daarvan.
   § 3. De bestuursdiensten van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest, evenals de openbare instellingen en organisaties die ervan afhangen, zijn gehouden om, wanneer zij daartoe worden aangezocht door een door de Regering aangeduide ambtenaar, hem alle in hun bezit zijnde inlichtingen te verstrekken, hem zonder verplaatsing, alle akten, stukken, registers en allerhande documenten te verstrekken en om hem alle inlichtingen in te laten winnen of afschriften of uittreksels te laten nemen die hij noodzakelijk acht om de vestiging of de inning te verzekeren van de in § 1 vermelde bedragen.
   Onder " openbare instellingen " of " organisaties " dient te worden verstaan : de instellingen, vennootschappen, verenigingen, inrichtingen en diensten van de administratie welke het Brussels Hoofdstedelijk Gewest medebeheert, waaraan het Brussels Hoofdstedelijk Gewest een waarborg verstrekt, op wier werkzaamheden het Brussels Hoofdstedelijk Gewest toezicht uitoefent of waarvan het leidinggevend personeel aangesteld wordt door de Regering van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest, op haar voordracht of met haar goedkeuring.
   De verplichtingen opgenomen in deze paragraaf gelden ook voor de agglomeratie, de federaties van gemeenten en de gemeenten van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest.]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij ORD 2017-12-07/03, art. 7, 006; Inwerkingtreding : 01-01-2018>
  

  Art. 3.2.21. [1 Wanneer een overtreding van de artikelen 3.2.16 tot en met 3.2.27, artikel 3.4.1/1 en de uitvoeringsbesluiten ervan wordt vastgesteld door een ambtenaar aangesteld krachtens artikel 3.2.19, § 1, stelt deze een proces-verbaal op met bewijskracht tot bewijs van het tegendeel.
   Dit proces-verbaal vermeldt minstens de overtreding en de verschuldigde bedragen, eventueel samengeteld met deze bedoeld in artikel 3.2.20 waarvan hij kennis zou hebben, alsook de elementen die de identificatie moeten mogelijk maken van de persoon op wiens naam het voertuig ingeschreven of geregistreerd staat en, in voorkomend geval, van de bestuurder van het voertuig bij een controle op de openbare weg.
   Het proces-verbaal, vergezeld van een verzoek tot betaling binnen een termijn van twee maanden te tellen vanaf de zevende dag die volgt op de verzending, wordt verstuurd aan de overtreder.
   Desgevallend, bij een controle op de openbare weg, wordt het proces-verbaal persoonlijk aan de overtreder overhandigd en opgestuurd naar de persoon op wiens naam het voertuig ingeschreven of geregistreerd staat, indien dit een andere persoon is.
   De Regering kan de modaliteiten voor de betaling bepalen.]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij ORD 2017-12-07/03, art. 8, 006; Inwerkingtreding : 01-01-2018>
  

  Art. 3.2.22. [1 § .1. In het geval dat de boete waarin voorzien in artikel 3.4.1/1 niet betaald wordt binnen de termijn waarin voorzien in artikel 3.2.21, wordt deze vermeerderd met 20 % van het bedrag van de niet of buiten de termijn betaalde boete.
   Er is van rechtswege interest verschuldigd indien de boete niet binnen de termijn betaald wordt ; deze wordt maandelijks berekend, tegen een tarief dat één twaalfde bedraagt van de wettelijke interest in fiscale zaken, op alle verschuldigde boeten en vermeerderingen. Elke fractie wordt berekend voor één maand. De interest is slechts verschuldigd als deze 2,50 euro bedraagt.
   Bij terugbetaling van de boete, is van rechtswege een interest verschuldigd ; hij wordt maandelijks berekend, tegen een tarief dat één twaalfde bedraagt van de wettelijke interest in fiscale zaken, op het bedrag van de terug te betalen boete. Ieder gedeelte van een maand wordt berekend voor één maand. De interest wordt slechts terugbetaald als deze 2,50 euro bedraagt.
   § 2. In geval van niet-betaling van de boete, zoals vermeerderd krachtens § 1, binnen de termijnen, kan de statutaire of contractuele ambtenaar die door de Regering belast werd met de invordering, een dwangschrift uitvaardigen en overgaan tot de betekening van een dwangbevel en eventueel overgaan tot het leggen van uitvoerend roerend beslag op het voertuig of tot iedere andere uitvoeringsmaatregel. Het uitgevaardigde dwangbevel wordt geviseerd en uitvoerbaar verklaard door de bovengenoemde ambtenaar.
   Het dwangschrift en het dwangbevel kunnen naast de bedragen bedoeld in voorgaand lid ook andere onbetaalde schulden bevatten die betrekking hebben op taksen, boetes, opcentiemen, opdeciemen, interesten, kosten en toebehoren die door de fiscale administratie geïnd worden, en dit voor zover deze schulden zeker, vaststaand en opeisbaar zijn.
   Het risico en de eventuele kosten die voortvloeien uit het beslag zijn ten laste van de persoon die op grond van artikel 3.2.18. de betaling verschuldigd is. Het beslag wordt opgeheven na de betaling van alle bedragen en hieruit voortvloeiende kosten, opgenomen in het dwangbevel.
   Op verzoek van de fiscale administratie kan de politierechtbank de verbeurdverklaring van de nummerplaat van het voertuig uitspreken en bevelen dat deze teruggegeven wordt aan de instantie belast met de inschrijving van voertuigen.
   Het dwangbevel wordt betekend via gerechtsdeurwaardersexploot, bij aangetekende zending per post, of elektronisch aangetekende zending.
   § 3. De betekening vermeld in § 2 heeft de effecten vermelde in artikel 15, § 2 van de ordonnantie van 21 december 2012 tot vaststelling van de fiscale procedure in het Brussels Hoofdstedelijk Gewest.
   § 4. De artikelen 16 en 17 van de ordonnantie van 21 december 2012 tot vaststelling van de fiscale procedure in het Brussels Hoofdstedelijk Gewest zijn van toepassing in de gevallen bedoeld in huidig artikel.
   De uitvoering van het dwangbevel kan slechts worden onderbroken door een gemotiveerd verzet, ingediend door de persoon die de betaling verschuldigd is. Dit verzet is enkel geldig voor daarin uitdrukkelijk betwiste en gemotiveerde vorderingen.
   Dit verzet dient te worden ingeleid bij gemotiveerd verzoekschrift op tegenspraak voor de politierechtbank. Deze vordering dient te worden ingesteld overeenkomstig de artikelen 1034bis tot sexies van het Gerechtelijk Wetboek.
   § 5. Voor de toepassing van §§ 3 en 4, dient de ordonnantie van 21 december 2012 tot instelling van de fiscale procedure in het Brussels Hoofdstedelijk Gewest begrepen te worden als volgt :
   1° onder de begrippen " belasting " en " gewestbelasting " : de krachtens artikel 3.4.1/1 verschuldigde bedragen ;
   2° onder de bewoordingen " de in artikel 15, § 1, bedoelde kennisgeving ", zoals vermeld in artikel 16, § 1, eerste lid : " de betekening vermeld in § 2 van artikel 3.2.22 ;
   3° onder de begrippen " artikel 15 " en " artikel 15, § 1 " vermeld in artikel 17, § 3 : artikel 2.21.
   § 6. Het is aan de door de Regering aangestelde contractuele of statutaire ambtenaren om de moeilijkheden op te lossen die zich zouden kunnen voordoen bij de inning van de boete vóór het inleiden van de vordering. Zij kunnen minnelijke schikkingen treffen met de personen die de betaling verschuldigd zijn, mits deze geen vrijstelling of matiging van de belasting of een vermindering van de boetes bedoeld in § 2, tweede lid inhouden.
   § 7. Onverminderd artikel 1627 van het Gerechtelijk Wetboek, wordt het resultaat van de verkoop van het voertuig in de volgende volgorde verrekend :
   1° op de kosten van alle aard, ook al betreffen deze andere verschuldigde boetes of taksen ;
   2° op de verwijlinteresten ;
   3° op de administratieve boetes ;
   4° op de verschuldigde taksen en de opcentiemen of opdeciemen.
   Het eventuele saldo wordt terugbetaald aan de persoon aan wie het voertuig toebehoorde.]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij ORD 2017-12-07/03, art. 9, 006; Inwerkingtreding : 01-01-2018>
  

  Art. 3.2.23. [1 § 1. De persoon aan wie een administratieve boete opgelegd werd op basis van de artikelen 3.2.16 tot en met 3.2.27, artikel 3.4.1/1 en de uitvoeringsbesluiten ervan, of desgevallend de persoon die hoofdelijk gehouden is tot betaling, kan een schriftelijke bezwaar indienen tegen het bedrag van de boete bij de door de Regering aangestelde contractuele of statutaire ambtenaar.
   De persoon wiens verzoek tot afwijking op basis van artikel 3.2.16, § 2 geweigerd werd, kan een schriftelijk bezwaar indienen tegen deze weigering bij de door de Regering aangestelde contractuele of statutaire ambtenaar. In het geval dat geen antwoord of beslissing verkregen werd binnen een termijn van 62 dagen, te rekenen vanaf de zevende dag volgend op de ontvangst van het verzoek door de voormelde ambtenaar, wordt het ontbreken van enige reactie gelijkgesteld aan een stilzwijgende weigering van de afwijking.
   § 2. De bezwaren moeten gemotiveerd zijn en, op straffe van verval, ingediend worden binnen een termijn van 30 dagen te rekenen vanaf de zevende dag volgend op :
   1° het versturen van het betalingsverzoek bedoeld in artikel 3.2.21 ;
   2° de vaststelling van de overtreding in geval van een controle op de openbare weg ;
   3° de beslissing van weigering tot afwijking bedoeld in artikel 3.2.16, § 2.
   Er kan met terugwerkende kracht een afwijking vastgesteld worden die werd aangevraagd vóór of tijdens een overgangsperiode, in het geval deze laattijdig aanvaard zou zijn, om de betaling van de boete te doen uitdoven.
   § 3. Aan de personen die de bezwaren ingediend hebben, wordt een ontvangstbewijs afgeleverd, dat de datum van ontvangst van het administratief beroep vermeldt.
   § 4. Indien de persoon die het bezwaar indient of zijn raadsman hierom heeft verzocht, wordt hij gehoord. Daartoe wordt hij uitgenodigd om zich te melden binnen de aangegeven termijn.
   § 5. Zolang er geen beslissing genomen is, kan de persoon die het bezwaar ingediend heeft zijn oorspronkelijke bezwaar aanvullen met nieuwe, schriftelijk opgemaakte grieven, zelfs indien voorgelegd buiten de in § 2 voorziene termijnen.
   § 6. De ambtenaar bedoeld in § 1 doet als administratieve overheid een uitspraak over de grieven geformuleerd door de bezwaarindiener. Als hij de middelen van de bezwaarindiener ongegrond acht, deelt hij hem dit in een gemotiveerde beslissing mee.
   § 7. Het indienen van een administratief bezwaarschrift schorst de betalingstermijn van de boete niet, doch er mag geen enkele maatregel voor gedwongen invordering ten uitvoer gebracht worden vooraleer er een onherroepelijke beslissing is genomen.
   § 8. De beslissing met betrekking tot een bezwaarschrift is onherroepelijk bij ontstentenis van het inleiden van een vordering bij de politierechtbank uiterlijk binnen een termijn van drie maanden vanaf de kennisgeving ervan.
   De beslissing wordt definitief en uitvoerbaar na het verstrijken van de gerechtelijke beroepstermijnen en wordt betekend per aangetekende zending per post of elektronisch aangetekende zending.]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij ORD 2017-12-07/03, art. 10, 006; Inwerkingtreding : 01-01-2018>
  

  Art. 3.2.24. [1 § 1. De in artikel 3.4.1/1 bedoelde invordering van de boete, de interesten en de vermeerderingen verjaart na vijf jaar, te rekenen vanaf de dag waarop deze vastgelegd werd.
   De invordering van de in het kader van de boete te veel ontvangen bedragen, verjaart binnen de vijf jaar, te rekenen vanaf het moment van de betaling van het niet-verschuldigde bedrag.
   Indien de gegevens kunnen bijdragen aan het bewijs van een overtreding, zijn de verjaringstermijnen voor de invordering van de administratieve boete, zoals bepaald in dit artikel, van toepassing.
   § 2. Elke rechtsvordering betreffende de vestiging of de invordering van de boete en de vermeerderingen, ingesteld door het Gewest, door de schuldenaar van de boete of door enige andere persoon, schorst de verjaring. De schorsing vangt aan op het ogenblik van de inleidende akte en wordt beëindigd als de gerechtelijke beslissing in kracht van gewijsde is getreden.]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij ORD 2017-12-07/03, art. 11, 006; Inwerkingtreding : 01-01-2018>
  

  Art. 3.2.25. [1 Elk bedrag dat aan iemand terugbetaald of betaald dient te worden, hetzij in het kader van de bevoegdheden van de gewestelijke administratie, hetzij in het kader van de regelgeving betreffende de niet-verschuldigde betaling, kan, naar keuze van de bevoegde ambtenaar en zonder formaliteit, gebruikt worden voor de betaling van de schulden van deze persoon bij het Brussels Hoofdstedelijk Gewest in het kader van de bevoegdheden van de gewestelijke administratie.
   Voorgaand lid blijft van toepassing bij beslag, overdracht, samenloop of insolventieprocedure. ".
   Voor de toepassing van dit artikel, wordt verstaan onder " schulden " : de zekere, vaststaande en opeisbare schulden die geen schulden voor gewestbelastingen uitmaken waarvoor de federale administratie nog de dienst verzekert.]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij ORD 2017-12-07/03, art. 12, 006; Inwerkingtreding : 01-01-2018>
  

  Art. 3.2.26. [1 Titel II van de ordonnantie van 21 december 2012 tot vaststelling van de fiscale procedure in het Brussels Hoofdstedelijk Gewest is van toepassing op de artikelen 3.2.16 tot en met 3.2.27, artikel 3.4.1/1 en de uitvoeringsbesluiten ervan.]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij ORD 2017-12-07/03, art. 13, 006; Inwerkingtreding : 01-01-2018>
  

  Art. 3.2.27. [1 De Regering kan voorzien in steunmaatregelen in het kader van de uitvoering van de lage-emissie zone(s).]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij ORD 2017-12-07/03, art. 14, 006; Inwerkingtreding : 01-01-2018>
  

  TITEL 3. - Specifieke bepalingen inzake emissie van broeikasgassen

  HOOFDSTUK 1. - Systeem van handel in broeikasgasemissierechten

  Afdeling 1. - Vergunning voor broeikasgasemissies

  Art. 3.3.1. § 1. Geen enkele exploitant mag een in bijlage 3.3 genoemde activiteiten uitoefenen die emissies van gespecificeerde broeikasgassen veroorzaakt zonder vergunning voor broeikasgasemissies.
  § 2. De vergunningsaanvraag voor broeikasgasemissies en de toewijzing van die vergunning verlopen volgens de procedures waarin voorzien door de ordonnantie van 5 juni 1997 betreffende de milieuvergunningen waaraan de exploitant uit hoofde van zijn activiteiten onderworpen is.
  § 3. Naast de vereiste informatie krachtens de bepalingen van het besluit van de Brusselse Hoofdstedelijke Regering van 28 mei 2009 tot vaststelling van de samenstelling van het dossier voor de aanvraag om een milieuattest, -aangifte en -vergunning, omvat elke vergunningsaanvraag voor broeikasgasemissies, de volgende elementen :
  1° een beschrijving van de installatie en haar activiteiten, met inbegrip van de gebruikte technologie;
  2° een beschrijving van de grondstoffen en hulpstoffen waarvan het gebruik waarschijnlijk emissies van de gespecificeerde broeikasgassen zal veroorzaken;
  3° een beschrijving van de emissiebronnen van de gespecificeerde broeikasgassen van de installatie;
  4° een beschrijving van de technische en administratieve maatregelen die voorzien zijn om de emissies te bewaken en te rapporteren, in overeenstemming met de door de Europese Commissie en de Regering vastgelegde regels;
  5° een niet-technische samenvatting van de informatie bedoeld in de punten 1° tot 4° ;
  6° alle door het Instituut opgevraagde informatie die nodig is om de emissierechten te berekenen.
  De Regering preciseert de inhoud en de vorm van de vereiste documenten en de vorm waarin ze worden verstrekt.

  Art. 3.3.2. § 1. Een vergunning voor broeikasgasemissies kan betrekking hebben op één of meer installaties die op dezelfde plaats door dezelfde exploitant worden geëxploiteerd.
  Naast de voorschriften van artikel 56 van de ordonnantie van 5 juni 1997 betreffende de milieuvergunningen, bevat het besluit dat toelaat om broeikasgassen uit te stoten minstens de volgende elementen :
  1° een beschrijving van de activiteiten en de emissies vanuit de betrokken installaties;
  2° de bewakingsvoorschriften, met vermelding van de bewakingsmethode en -frequentie;
  3° de rapportagevoorschriften;
  4° de verplichting om binnen vier maanden na het einde van elk kalenderjaar een hoeveelheid emissierechten conform de bepalingen van onderhavige titel in te leveren die gelijk is aan de totale emissies van de installatie tijdens het voorbije kalenderjaar, zoals nagezien overeenkomstig artikel 3.3.15 en bijlage 3.7.
  § 2. Wanneer in de installaties activiteiten worden uitgeoefend zoals opgenomen in bijlage I bij het besluit van 13 november 2008 van de Brusselse Hoofdstedelijke Regering houdende de verplichting tot periodieke kennisgeving van milieugegevens voor bepaalde ingedeelde industriële installaties, worden de voorwaarden en procedure voor de afgifte van een vergunning voor broeikasgasemissies door het Instituut in overeenstemming gebracht met die waarin dat besluit voorziet. De in de artikelen 3.3.1, 3.3.2 en 3.3.11 gestelde eisen mogen aan de door het genoemde besluit gestelde procedures worden toegevoegd.

  Art. 3.3.3. Het Instituut heronderzoekt de vergunning voor broeikasgasemissies om de vijf jaar en brengt er de nodige wijzigingen in aan.

  Afdeling 2. - Uitreiking, overdracht, geldigheid en vernietiging van de emissierechten

  Art. 3.3.4. § 1. Elke persoon kan emissierechten bezitten. Ze mogen worden overgedragen tussen :
  1° personen binnen de Europese Unie;
  2° personen binnen de Europese Unie en personen in derde landen waar deze emissierechten erkend worden zonder andere beperkingen dan de bij of krachtens dit Wetboek gestelde beperkingen.
  § 2. De emissierechten die worden verleend door een bevoegde autoriteit van een andere lidstaat van de Europese Unie of van een ander Gewest worden erkend voor de naleving van de verplichtingen waaraan de exploitanten moeten voldoen krachtens artikel 3.3.6.

  Art. 3.3.5. Uiterlijk op 28 februari reikt het Instituut de emissierechten die kosteloos worden toegekend voor het betrokken jaar uit aan de installaties die op het grondgebied van het Gewest gelegen zijn in overeenstemming met de regels vermeld in bijlage 3.6, behalve bij stopzetting van activiteit.
  De exploitanten kunnen bovendien emissierechten verwerven via veilingplatformen.

  Art. 3.3.6. § 1. Uiterlijk op 30 april van elk jaar levert elke exploitant van een installatie een hoeveelheid emissierechten in die gelijk is aan de totale emissies van die installaties gedurende het afgelopen kalenderjaar, geverifieerd volgens artikel 3.3.15 van deze titel. Deze emissierechten worden daarna geannuleerd.
  § 2. De emissierechten kunnen op elk ogenblik worden geannuleerd op verzoek van de persoon die ze bezit.

  Art. 3.3.7. De emissierechten die vanaf 1 januari 2013 worden uitgereikt, zijn geldig voor de emissies tijdens periodes van acht jaar te rekenen vanaf 1 januari 2013.
  Bij de aanvang van elke periode bedoeld in het vorig lid annuleert het Instituut de emissierechten die niet meer geldig zijn en niet overeenkomstig artikel 3.3.6 zijn ingeleverd en geannuleerd.
  Het Instituut verleent personen emissierechten voor de lopende periode ter vervanging van emissierechten die zij bezaten en welke krachtens het vorig lid geannuleerd zijn.

  Afdeling 3. - Nieuwkomers en wijzigingen van de capaciteit, het activiteitsniveau of de exploitatie

  Art. 3.3.8. § 1. Op verzoek van een nieuwkomer of wanneer een installatie haar capaciteit aanzienlijk heeft uitgebreid na 30 juni 2011, bepaalt het Instituut, op basis van de regels vastgelegd door de Regering overeenkomstig het besluit nr. 2011/278/EU, de voorlopige totale jaarlijkse hoeveelheid emissierechten die kosteloos moet worden toegekend aan de betrokken installatie zodra zij of zodra de uitbreiding normaal wordt geëxploiteerd.
  § 2. De aanvragen worden naar het Instituut verstuurd en op dezelfde wijze onderzocht als de vergunningsaanvragen voor broeikasgasemissies.

  Art. 3.3.9. § 1. Wanneer een installatie haar capaciteit na 30 juni 2011 aanzienlijk heeft verminderd, bepaalt het Instituut de hoeveelheid emissierechten die zullen worden afgetrokken van het aantal emissierechten dat kosteloos moet worden toegekend om rekening te houden met deze vermindering overeenkomstig de regels vastgelegd door de Regering conform het besluit nr. 2011/278/EU. De geïnstalleerde capaciteit van de subinstallatie na een aanzienlijke capaciteitsvermindering wordt beschouwd als de oorspronkelijk geïnstalleerde capaciteit van de subinstallatie voor de evaluatie van de latere aanzienlijke capaciteitswijzigingen.
  § 2. De toewijzing aan deze installatie wordt dienovereenkomstig aangepast vanaf het jaar volgend op dat waarin de capaciteitsvermindering heeft plaatsgevonden of vanaf het jaar 2013 indien de aanzienlijke capaciteitsvermindering vóór 1 januari 2013 heeft plaatsgevonden.

  Art. 3.3.10. Ongeacht de verplichtingen opgelegd door artikel 7bis van de ordonnantie van 5 juni 1997 betreffende de milieuvergunningen, informeert de exploitant het Instituut, uiterlijk op 31 december van elk jaar, over alle voorgenomen of effectieve wijzigingen in de aard of de werking van de installatie of elke aanzienlijke capaciteitsuitbreiding of -vermindering waarvoor een aanpassing van de vergunning voor broeikasgasemissies vereist kan zijn. Zo nodig past het Instituut de vergunning aan overeenkomstig artikel 64 van de ordonnantie van 5 juni 1997 betreffende de milieuvergunningen. Bij een verandering in de identiteit van de exploitant van de installatie past het Instituut de vergunning aan door de naam en het adres van de nieuwe exploitant erin te vermelden.

  Art. 3.3.11. § 1. Wanneer een installatie haar activiteiten heeft stopgezet, worden geen emissierechten aan die installatie uitgereikt vanaf het jaar dat op de stopzetting van de activiteit volgt.
  § 2. Een installatie wordt geacht haar activiteiten te hebben stopgezet als aan een van de volgende voorwaarden is voldaan :
  1° de vergunning voor broeikasgasemissie, de milieuvergunning of een andere relevante exploitatievergunning is verlopen;
  2° de onder het vorig punt bedoelde vergunningen zijn ingetrokken;
  3° de werking van de installatie is technisch onmogelijk;
  4° de installatie is niet in bedrijf, maar was dit wel in het verleden en het is technisch onmogelijk om ze opnieuw op te starten;
  5° de installatie is niet in bedrijf, maar was dit wel in het verleden en de exploitant kan niet aantonen dat de installatie binnen zes maanden na de stopzetting van de activiteiten zal worden heropgestart. Deze termijn kan worden verlengd tot ten hoogste achttien maanden indien de exploitant kan aantonen dat de installatie niet binnen zes maanden kan worden heropgestart als gevolg van uitzonderlijke en onvoorziene omstandigheden, die aan de controle ontsnappen en die ook met de grootste voorzichtigheid niet konden worden vermeden zoals, met name omstandigheden zoals natuurrampen, oorlog, oorlogsdreiging, terroristische daden, revolutie, opstanden, sabotage of vandalisme.
  In het geval bedoeld in punt 5°, wordt de uitreiking van emissierechten aan de installaties opgeschort zolang niet wordt aangetoond dat ze hun activiteiten zullen hervatten.
  § 3. § 2, 5° is niet van toepassing op de installaties die op reserve of stand-by worden gehouden en de installaties die worden geëxploiteerd in een seizoensregeling als aan alle volgende voorwaarden is voldaan :
  1° de exploitant beschikt over een vergunning voor broeikasgasemissie en alle andere relevante vergunningen;
  2° het is technisch mogelijk om de activiteiten te hervatten zonder materiële wijzigingen aan te brengen aan de installatie;
  3° de installatie wordt regelmatig onderhouden.

  Art. 3.3.12. De toewijzing van emissierechten aan een installatie die haar activiteiten gedeeltelijk stopzet wordt aangepast vanaf het jaar volgend op dat waarin de activiteiten gedeeltelijk werden stopgezet, of vanaf 2013 indien de gedeeltelijke stopzetting plaatsvond vóór 1 januari 2013, overeenkomstig de regels vermeld in bijlage 3.5.

  Art. 3.3.13. In de gevallen bedoeld in de vorige artikelen en in geval van wijziging van het activiteiten- of exploitatieniveau van een installatie die een weerslag heeft op de toekenning van emissierechten, deelt het Instituut alle nuttige informatie mee aan de Europese Commissie, met inbegrip van de gereviseerde voorlopige totale jaarlijkse hoeveelheid kosteloos verleende emissierechten aan de betrokken installatie, vooraleer het de definitieve totale jaarlijkse hoeveelheid bepaalt die kosteloos zal worden toegekend.
  Indien de Europese Commissie deze voorlopige totale jaarlijkse hoeveelheid kosteloos verleende emissierechten niet verwerpt, bepaalt het Instituut de definitieve jaarlijkse hoeveelheid emissierechten die kosteloos worden toegekend.

  Afdeling 4. - Toezicht, aangifte en verificatie van de emissies en inlevering van de emissierechten

  Art. 3.3.14. De exploitanten bewaken de hoeveelheid broeikasgassen die hun installatie uitstoot overeenkomstig de regels vastgelegd door de Europese Commissie.
  Het Instituut zorgt ervoor dat deze regels bekendgemaakt worden.
  De exploitanten werken de controleprogramma's die opgenomen zijn in hun vergunning voor broeikasgasemissie bij en leggen elk bijgewerkt controleprogramma ter goedkeuring voor aan het Instituut.

  Art. 3.3.15. § 1. Uiterlijk op 28 februari van elk kalenderjaar, geeft de exploitant van een installatie de emissies die door zijn installatie in de loop van het voorbije kalenderjaar werden geproduceerd, overeenkomstig de voorschriften van artikel 63, § 1, 7°, van de ordonnantie van 5 juni 1997 betreffende de milieuvergunningen en de regels vastgelegd door de Europese Commissie, aan bij het Instituut.
  § 2. De exploitant van een installatie laat zijn verslag door een keuringsinstelling nazien en voegt bij zijn in § 1 bedoelde verslag een keurings- en gelijkvormigheidsattest.
  Wanneer het verslag van een exploitant, na verificatie overeenkomstig de criteria vastgelegd in bijlage 3.7, niet tegen 31 maart van elk jaar bevredigend werd erkend voor wat de emissies tijdens het vorige jaar betreft, mag de exploitant geen emissierechten meer overdragen totdat een verslag van die exploitant als bevredigend is nagezien. Dit verbod heeft ingang vanaf de kennisgeving ervan aan de exploitant.
  § 3. De keuringsinstelling moet worden geaccrediteerd door BELAC of door een accreditatiesysteem dat als zijnde equivalent aan dat van BELAC wordt beschouwd.

  Afdeling 5. - Rapporten

  Art. 3.3.16. Elk jaar brengt het Instituut een verslag uit op over het beheer van de emissierechten. Dat rapport besteedt vooral aandacht aan de maatregelen die werden genomen met het oog op de toewijzing van de emissierechten, het gebruik van de veilingontvangsten, de toepassing van de uitvoeringsmaatregelen betreffende het toezicht op en de aangifte van de emissierechten, de verificatie en de registratie alsook de aangelegenheden die verband houden met de naleving van de wettelijke ETS-bepalingen.

  HOOFDSTUK 2. - Investeringen, gebruik van de koolstofeenheden en van de projectmechanismen

  Art. 3.3.17. De Regering kan elk type van investering doen binnen de grenzen van de beschikbare budgettaire kredieten teneinde :
  1° koolstofeenheden te verkrijgen;
  2° het klimaatbeleid dat de ontwikkelingslanden hebben uitgewerkt, te ondersteunen;
  3° bij te dragen tot projecten van energieproductie uit hernieuwbare bronnen die buiten het grondgebied van het Gewest worden uitgevoerd.
  In toepassing van het eerste lid, kunnen de financieringen verleend krachtens punt 2° bestaan uit giften toegekend door de Regering.
  De investeringen bedoeld in punt 2° vullen deze aan die bedoeld zijn in punt 1°, alsook de samenwerkingsinvesteringen gedaan in het kader van de externe betrekkingen van het Gewest.
  Elke investering gedaan krachtens onderhavig artikel moet minstens beantwoorden aan de volgende voorwaarden :
  1) de gewestelijke acties voor vermindering van de emissies aanvullen;
  2) de milieu- en sociaaleconomische criteria voor duurzame ontwikkeling naleven.
  De Regering kan die voorwaarden nader bepalen of aanvullen.

  Art. 3.3.18. § 1. De koolstofeenheden verkregen door het Gewest door gebruik te maken van de projectmechanismen mogen gebruikt worden om de verbintenissen inzake de beperking van broeikasgasemissies van het Gewest na te komen.
  § 2. Het Gewest moet deze projectmechanismen aanwenden in de voorwaarden vermeld in het artikel 3.3.17, derde lid.
  § 3. De Regering bepaalt de wijze van beheer en gebruik van de koolstofeenheden die via de projectmechanismen zijn verkregen.
  § 4. De koolstofeenheden worden op de rekening geplaatst die op naam van het Instituut is geopend in het nationale register voor broeikasgassen.

  Art. 3.3.19. De Regering bepaalt de modaliteiten en de gebruiksprocedure van de koolstofeenheden voor de exploitanten overeenkomstig de besluiten van de Europese Commissie genomen in uitvoering van de Richtlijn 2003/87/EG.

  Art. 3.3.20. § 1. De projectmechanismen worden bestudeerd en uitgevoerd in samenwerking met het beleid voor externe betrekkingen.
  De Regering duidt het of de organen aan die worden belast met de uitvoering van de projectmechanismen in haar naam. Ze blijft verantwoordelijk voor de nakoming van de verplichtingen die haar worden opgelegd krachtens het RVNKV en zijn protocollen.
  § 2. De Regering kan rechtspersonen machtigen tot deelname aan projectmechanismen. Zij stelt de keuzecriteria en de procedures voor de goedkeuring van die projectmechanismen op.
  § 3. De Regering zorgt ervoor dat de deelname aan projectmechanismen verenigbaar is met de relevante richtsnoeren, modaliteiten en procedures die overeenkomstig het RVNKV of zijn protocollen zijn aanvaard.

  HOOFDSTUK 3. - Toegang tot de informatie

  Art. 3.3.21. De beslissingen in verband met de toewijzing van emissierechten, de informatie met betrekking tot de projectmechanismen waaraan de Regering deelneemt of waarvoor zij openbare of privé-entiteiten de toelating geeft eraan deel te nemen alsook de krachtens de vergunning voor broeikasgasemissies vereiste emissieverslagen welke in het bezit zijn van het Instituut, worden voor het publiek beschikbaar gesteld, behoudens de in de ordonnantie van 18 maart 2004 inzake de toegang tot milieu-informatie in het Brussels Hoofdstedelijk Gewest vastgestelde beperkingen.

  TITEL 4. - Overtredingen en sancties

  HOOFDSTUK 1. - Administratieve boetes

  Art. 3.4.1.Voor elke ton kooldioxide-equivalent die een installatie uitstoot en waarvoor de exploitant geen emissierechten heeft ingeleverd, bedraagt de boete, ten laste van de exploitant, 100 euro.
  Dat bedrag wordt op 1 januari van elk jaar aangepast aan het [1 Europese]1 indexcijfer der consumptieprijzen [1 ...]1 van de maand december die eraan voorafgaat.
  De betaling van de boete op de overtollige emissies ontheft de exploitant niet van de verplichting, bij de inlevering van de emissierechten die overeenstemmen met het volgende kalenderjaar, een hoeveelheid emissierechten in te leveren die gelijk is aan deze overtollige emissies.
  ----------
  (1)<ORD 2015-12-18/51, art. 15, 004; Inwerkingtreding : 23-01-2016>

  Art. 3.4.1/1. [1 § 1. Een administratieve boete wordt opgelegd voor elke inbreuk op de artikelen 3.2.16 tot en met 3.2.27 en de uitvoeringsbesluiten ervan.
   Na afloop van de overgangsperiode, bedraagt de boete 350 euro.
   § 2. Gedoogperiode
   In afwijking van § 1, mag de Regering gedoogperiodes inlassen. Tijdens deze ononderbroken periodes, wordt er geen administratieve boete opgelegd voor elke inbreuk begaan met hetzelfde voertuig.
   Het instellen van een beroep schorst deze gedoogperiode niet.
   § 3. Overgangsperiode
   De Regering kan, in afwijking van § 1, voorzien in overgangsperiodes voor de toepassing. Tijdens deze ononderbroken periodes aan het begin van elke nieuwe fase van de lage-emissiezone, wordt voor geen enkele begane overtreding een administratieve boete opgelegd.
   Er worden nog steeds controles uitgevoerd tijdens deze periodes, maar de bestuurders en/of eigenaars van de voertuigen in overtreding krijgen een verwittiging in plaats van een boete.
   § 4. De personen die betaling verschuldigd zijn, zijn gehouden om, mondeling of schriftelijk, op verzoek van de op basis van de wetgeving betreffende de lage-emissiezones in het Brussels Hoofdstedelijk Gewest betrokken ambtenaren, alle inlichtingen te verstrekken die aan hen gevraagd worden, om de precieze inning te controleren van de bedragen vermeld in § 1, te hunner laste of ten laste van derden. Elke weigering tot het verstrekken van inlichtingen en elke onjuiste of onvolledige mededeling van inlichtingen leidt tot een administratieve boete van 25 euro.
   Deze inlichtingen dienen verstrekt te worden binnen de maand na het verzoek om inlichtingen of onmiddellijk in het geval van een controle op de openbare weg. Het niet-naleven van deze verplichting leidt tot een administratieve boete van 25 euro.
   Elke onjuiste of onvolledig informatie verstrekt tijdens een registratie met betrekking tot de lage-emissiezone(s) geeft desgevallend aanleiding tot een administratieve boete van 25 euro.
   § 5. In afwijking van artikel 3.4.2, zijn de modaliteiten voor de boete- en de beroepsprocedures deze die bepaald worden in de artikelen 3.2.16 tot en met 3.2.27 en in dit artikel.
   § 6. Het niet-naleven van de verplichting tot registratie voor de toegang tot de lage-emissiezone(s) leidt tot een administratieve boete van 150 euro buiten de overgangsperiodes.]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij ORD 2017-12-07/03, art. 15, 006; Inwerkingtreding : 01-01-2018>
  

  Art. 3.4.2.Onder voorbehoud van het tweede lid, zijn de procedureregels voor het opleggen van boetes en het instellen van beroep die welke zijn vastgelegd door [1 de artikelen 43 tot en met 54 van het Wetboek van inspectie, preventie, vaststelling en bestraffing van milieumisdrijven, en milieuaansprakelijkheid]1.
  In afwijking van artikel [1 45, vijfde lid, van het Wetboek voor de inspectie, de preventie, de bestraffing van misdrijven en voor de milieuaansprakelijkheid]1, worden de ontvangsten gestort in het Klimaatfonds bedoeld in artikel 4.1.4 van onderhavig Wetboek en de beslissing om een administratieve boete op te leggen wordt niet aan de Procureur des Konings meegedeeld.
  ----------
  (1)<ORD 2014-05-08/54, art. 152, 002; Inwerkingtreding : 01-01-2015; zie ook ORD 2014-05-08/54, art. 159>

  HOOFDSTUK 2. - Strafrechtelijke sancties

  Art. 3.4.3.§ 1. Wordt [1 met de straf voorzien in artikel 31, § 1, van het Wetboek van inspectie, preventie, vaststelling en bestraffing van milieumisdrijven, en milieuaansprakelijkheid]1, gestraft :
  1° hij die inbreuk pleegt op de reglementeringen of het gebruiksverbod van toestellen, installaties, producten die verontreiniging kunnen veroorzaken die de Regering op grond van [2 artikel 3.2.9]2 heeft genomen;
  2° hij die inbreuk pleegt op de uitstootnormen, de beperkings- of verbodsmaatregelen voor sommige vormen van verontreiniging die de Regering op grond van [2 artikel 3.2.9]2 heeft genomen;
  3° hij die inbreuk pleegt op de maatregelen die de Regering op grond van [2 artikel 3.2.10]2 heeft genomen;
  4° hij die inbreuk pleegt op de maatregelen die vervat zijn in het actieplan dat de Regering op grond van [2 artikel 3.2.11]2 heeft vastgelegd;
  § 2. [1 ...]1
  ----------
  (1)<ORD 2014-05-08/54, art. 153, 002; Inwerkingtreding : 01-01-2015; zie ook ORD 2014-05-08/54, art. 159>
  (2)<ORD 2015-12-18/51, art. 16, 004; Inwerkingtreding : 23-01-2016>

  BIJLAGEN aan het boek 3

  Art. N3.1. BIJLAGE 3.1 - Nationale streefwaarde inzake vermindering van de blootstelling en blootstellingsconcentratieverplichting voor de PM2,5
  A. Gemiddelde blootstellingsindex
  De gemiddelde blootstellingsindex (GBI), uitgedrukt in µg/m3, wordt bepaald op basis van metingen op karakteristieke plaatsen van stedelijke achtergrondvervuiling verspreid over het gehele grondgebied van het Gewest. Hij wordt uitgedrukt als de over drie opeenvolgende kalenderjaren berekende jaargemiddelden van de concentraties die gemiddeld op alle bemonsteringspunten zijn gemeten. De eerste referentie-GBI is de gemiddelde concentratie over de jaren 2009, 2010 en 2011.
  De GBI voor 2020 is de gemiddelde concentratie over drie opeenvolgende jaren die gemiddeld op al deze bemonsteringspunten is gemeten voor de jaren 2018, 2019 en 2020. De GBI wordt gebruikt om na te gaan of de nationale streefwaarde inzake vermindering van de blootstelling is gehaald.
  De GBI voor 2015 is de gemiddelde concentratie over drie opeenvolgende jaren die gemiddeld op al deze bemonsteringspunten is gemeten voor de jaren 2013, 2014 en 2015. De GBI wordt gebruikt om na te gaan of aan de blootstellingsconcentratieverplichting is voldaan.
  B. Nationale streefwaarde inzake vermindering en blootstellingsconcentratieverplichting voor de PM2,5
  

  
Streefwaarde inzake vermindering van de blootstelling ten aanzien van de GBI van 2010Jaar waarin de streefwaarde inzake vermindering van de blootstelling zou moeten worden bereikt
Aanvankelijke concentratie in µg/m3Verminderingsdoelstelling in percentage 2020
< 8,5 = 8,50 %
> 8,5 - < 1310 %
= 13 - < 1815 %
= 18 - < 2220 %
> 22Alle geschikte maatregelen om 18 µg/m3 te bereiken

Wanneer de GBI, uitgedrukt in µg/m3,in het referentiejaar lager is dan of gelijk is aan 8,5 µg/m3, is de blootstellingsvermindering gelijk aan nul. De blootstellingsvermindering bedraagt eveneens nul in de gevallen waarin de GBI op elk tijdstip tijdens de periode van 2010 tot en met 2020 het niveau van 8,5 µg/m3 bereikt en op of onder dat niveau wordt gehandhaafd.
  C. Blootstellingsconcentratieverplichting
  Blootstellingsconcentratie- Jaar waarin de verplichting
  Verplichting moet worden nageleefd
  20 µg/m3 2015

  Art. N3.2. BIJLAGE 3.2 - Informatie aan het publiek
  1. Het Instituut stelt stelselmatig recente gegevens over de omgevingsconcentraties van de bij deze ordonnantie gereguleerde verontreinigende stoffen ter beschikking van de bevolking.
  2. Ze omvatten ten minste gegevens over alle overschrijdingen van de luchtkwaliteitsdoelstellingen, met inbegrip van grenswaarden, streefwaarden, alarmdrempels, informatiedrempels of langetermijndoelstellingen met betrekking tot de gereguleerde verontreinigende stof. Voorts verstrekken zij een korte beoordeling in het licht van de luchtkwaliteitsdoelstellingen en adequate gegevens over de gevolgen voor de gezondheid of, in voorkomend geval, voor de vegetatie.
  3. De gegevens over de omgevingsconcentraties van zwaveldioxide, stikstofdioxide, zwevende deeltjes (ten minste PM10), ozon en koolmonoxide dienen ten minste één keer per dag en, indien mogelijk, van uur tot uur te worden bijgewerkt. De gegevens over de omgevingsconcentraties van lood en benzeen, die als een gemiddelde waarde voor de afgelopen twaalf maanden worden uitgedrukt, worden driemaandelijks en, indien mogelijk, maandelijks bijgewerkt.
  4. Het Instituut licht de bevolking tijdig in over daadwerkelijke of voorspelde overschrijdingen van de alarmdrempels en de informatiedrempels. In dat verband worden ten minste de volgende gegevens verstrekt :
  a) gegevens over de waargenomen overschrijding(en) :
  - plaats of gebied van overschrijding;
  - soort drempel die is overschreden (informatiedrempel of alarmdrempel);
  - tijdstip van aanvang en duur van de overschrijding;
  - hoogste uurgemiddelde en hoogste acht-uurgemiddelde concentratie in geval van ozon;
  b) prognoses voor de volgende middag of dag(en) :
  - geografisch gebied van de verwachte overschrijding van de informatie- en/of alarmdrempel;
  - de verwachte veranderingen in de verontreiniging (verbetering, stabilisatie of verslechtering), samen met de redenen die deze veranderingen verklaren;
  c) gegevens over de betrokken bevolkingsgroep, mogelijke gevolgen voor de gezondheid en aanbevolen gedrag :
  - mededelingen over de risicogroepen binnen de bevolking;
  - beschrijving van de te verwachten symptomen;
  - aanbevelingen voor de door de betrokken bevolkingsgroep te nemen voorzorgsmaatregelen;
  - verwijzingen naar de vindplaats van nadere gegevens;
  d) gegevens over preventieve acties ter vermindering van de verontreiniging en/of de blootstelling daaraan : vermelding van de belangrijkste bronsectoren van de verontreiniging; aanbevelingen voor maatregelen om de uitstoot te verminderen;
  e) in geval van voorziene overschrijdingen, neemt de Regering maatregelen om te garanderen dat die inlichtingen in de mate van het mogelijke worden verstrekt.

  Art. N3.3. BIJLAGE 3.3 - Categorieën van activiteiten bedoeld in artikel 3.3.1
  Installaties of delen van installaties die voor onderzoek, ontwikkeling en het testen van nieuwe producten en processen worden gebruikt en installaties die uitsluitend biomassa gebruiken, vallen niet onder onderhavig Wetboek.
  De hieronder genoemde drempelwaarden hebben doorgaans betrekking op de productiecapaciteit of op het vermogen. Wanneer in dezelfde installatie verscheidene onder dezelfde categorie vallende activiteiten worden uitgevoerd, worden de vermogens van de activiteiten bij elkaar opgeteld.
  Wanneer het totale nominaal thermisch ingangsvermogen van een installatie wordt berekend om te beslissen of ze in de Gemeenschapsregeling zal worden opgenomen, worden het nominaal thermisch ingangsvermogen van alle technische eenheden die deel uitmaken van de installatie en waarin brandstoffen worden verbrand, bij elkaar opgeteld. Deze eenheden kunnen onder andere alle soorten stookketels, branders, turbines, verwarmingstoestellen, ovens, verbranders, gloeiovens, draaiovens, droogovens, drogers, motoren, brandstofcellen, chemische looping-verbrandingseenheden, fakkels en thermische of katalytische naverbranders omvatten. Eenheden met een nominaal thermisch ingangsvermogen van minder dan 3 MW en eenheden die uitsluitend biomassa gebruiken, worden bij deze berekening buiten beschouwing gelaten. Tot " eenheden die uitsluitend biomassa gebruiken " behoren ook eenheden waarin alleen bij het opstarten of uitschakelen fossiele brandstoffen worden gebruikt.
  Wanneer een eenheid wordt gebruikt voor een activiteit waarvoor de drempel niet is uitgedrukt als het totale nominaal thermisch ingangsvermogen, bepaalt de drempel die voor deze activiteit wordt gebruikt of ze in de Gemeenschapsregeling zal worden opgenomen.
  Wanneer de installatie de capaciteitsdrempel van één van de in deze bijlage vermelde activiteiten overschrijdt, worden alle eenheden waarin brandstoffen worden verbrand, met uitzondering van eenheden voor de verbranding van gevaarlijke afvalstoffen of van huishoudelijk afval, opgenomen in de vergunning voor broeikasgasemissie.
  

  
ActiviteitenBroeikasgassen
Verbranden van brandstof in installaties met een totaal nominaal thermisch ingangsvermogen van meer dan 20 MW (met uitzondering van installaties voor het verbranden van gevaarlijke afvalstoffen of huishoudelijk afval)Kooldioxide
Raffineren van aardoliënKooldioxide
Productie van cokesKooldioxide
Roosten of sinteren, met inbegrip van pelletiseren, van ertsen (met inbegrip van zwavelhoudend erts)Kooldioxide
Productie van ruw ijzer of staal (primaire of secundaire smelting) inclusief continugieten, met een capaciteit van meer dan 2,5 ton per uurKooldioxide
Productie of bewerking van ferrometalen (inclusief ferrolegeringen) waarbij verbrandingseenheden met een totaal nominaal thermisch ingangsvermogen van meer dan 20 MW worden gebruikt. De bewerking omvat, onder andere, walserijen, herverhitters, gloeiovens, smederijen, gieterijen, coating en beitseenhedenKooldioxide
Productie van primair aluminiumKooldioxide en perfluorkoolwaterstoffen
Productie van secundair aluminium waarbij verbrandingseenheden met een totaal nominaal thermisch ingangsvermogen van meer dan 20 MW worden gebruiktKooldioxide
Productie of bewerking van non-ferrometalen, met inbegrip van de productie van legeringen, raffinage, gieterijen enz., waarbij verbrandingseenheden met een totaal nominaal thermisch ingangsvermogen (met inbegrip van brandstoffen die als reductoren worden in gezet) van meer dan 20 MW worden gebruiktKooldioxide
Productie van cementklinkers in draaiovens met een productiecapaciteit van meer dan 500 ton per dag of in andere ovens met een productiecapaciteit van meer dan 50 ton per dagKooldioxide
Productie van kalk met inbegrip van het calcineren van dolomiet of magnesiet in draaiovens of in andere ovens met een productiecapaciteit van meer dan 50 ton per dagKooldioxide
Fabricage van glas, met inbegrip van de fabricage van glasvezels, met een smeltcapaciteit van meer dan 20 ton per dagKooldioxide
Fabricage van keramische producten door middel van verhitting, met name dakpannen, bakstenen, vuurvaste stenen, tegels, aardewerk of porselein, met een productiecapaciteit van meer dan 75 ton per dagKooldioxide
Fabricage van isolatiemateriaal uit minerale wol met gebruikmaking van glas, steen of slakken met een smeltcapaciteit van meer dan 20 ton per dagKooldioxide
Drogen of calcineren van gips of het produceren van gipsplaten en andere gipsproducten, waarbij verbrandingseenheden met een totaal nominaal thermisch ingangsvermogen van meer dan 20 MW worden gebruiktKooldioxide
Productie van pulp uit hout of andere vezelhoudende materialenKooldioxide
Productie van papier of karton met een productiecapaciteit van meer dan 20 ton per dagKooldioxide
Productie van roet waarbij organische stoffen zoals olie, teer en kraak- en destillatieresiduen worden verkoold, waarbij verbrandingseenheden met een totaal nominaal thermisch ingangsvermogen van meer dan 20 MW worden gebruiktKooldioxide
Productie van salpeterzuurKooldioxide en distikstofoxide
Productie van adipinezuurKooldioxide en distikstofoxide
Productie van glyoxal en glyoxylzuurKooldioxide en distikstofoxide
Productie van ammoniakKooldioxide
Productie van organische bulkchemicaliën door kraken, reforming, gedeeltelijke of volledige oxidatie of vergelijkbare processen, met een productiecapaciteit van meer dan 100 ton per dagKooldioxide
Productie van waterstof (H2) en synthesegas door reforming of gedeeltelijke oxidatie met een productiecapaciteit van meer dan 25 ton per dagKooldioxide
Productie van natriumcarbonaat (Na2CO3) en natriumbicarbonaat (NaHCO3)Kooldioxide
Afvangen van broeikasgassen van installaties die onder dit Wetboek vallen met het oog op vervoer en geologische opslag op een opslaglocatie waarvoor krachtens Richtlijn 2009/31/EG een vergunning is verleendKooldioxide
Vervoer van broeikasgassen via pijpleidingen met het oog op geologische opslag op een opslaglocatie waarvoor een vergunning is verleendKooldioxide
Geologische opslag van broeikasgassen op een opslaglocatie waarvoor een vergunning is verleendKooldioxide

Art. N3.4. BIJLAGE 3.4 - Broeikasgassen bedoeld in artikel 3.1.1, 26°
  - Kooldioxide (CO2);
  - Methaan (CH4);
  - Distikstofoxide (N2O);
  - Fluorkoolwaterstof (HFC);
  - Perfluorkoolwaterstof (PFC);
  - Zwavelhexafluoride (SF6).

  Art. N3.5. BIJLAGE 3.5 - Aanpassing van de toegewezen emissierechten in geval van gedeeltelijke stopzetting
  1. Indien het activiteitsniveau van de subinstallatie vermindert met 50 % tot 75 % vergeleken met het aanvankelijke activiteitsniveau, dan ontvangt de subinstallatie slechts de helft van de aanvankelijk toegewezen rechten.
  Indien het activiteitsniveau van de subinstallatie vermindert met 75 % tot 90 % vergeleken met het aanvankelijke activiteitsniveau, dan ontvangt de subinstallatie slechts 25 % van de aanvankelijk toegewezen rechten.
  Indien het activiteitsniveau van de subinstallatie vermindert met 90 % of meer vergeleken met het aanvankelijke activiteitsniveau, dan ontvangt de subinstallatie geen kosteloos toegewezen rechten.
  2. Indien het activiteitsniveau van de subinstallatie een niveau bereikt van meer dan 50 % vergeleken met het aanvankelijke activiteitsniveau, dan ontvangt de subinstallatie waarvan de activiteiten gedeeltelijk werden stopgezet, de aanvankelijk toegewezen rechten vanaf het jaar volgend op het kalenderjaar waarin de activiteiten de drempel van 50 % hebben overschreden.
  3. Als het activiteitsniveau van subinstallatie een activiteitsniveau bereikt van meer dan 25 % vergeleken met het aanvankelijke activiteitsniveau, dan ontvangt de installatie waarvan de activiteiten gedeeltelijk werden stilgelegd de helft van de aanvankelijk toegewezen rechten vanaf het jaar volgend op het jaar waarin het activiteitsniveau de drempel van 25 % heeft overschreden.

  Art. N3.6. BIJLAGE 3.6 - Regels betreffende de kosteloze toewijzing van emissierechten
  1. De installaties van de bedrijfstakken en deeltakken die door de Europese Commissie worden geacht blootgesteld te zijn aan een significant CO2-weglekrisico ontvangen een kosteloze hoeveelheid emissierechten die 100 % uitmaakt van de hoeveelheid vastgelegd in het besluit 2011/278/EU.
  2. De installaties van de bedrijfstakken die niet blootgesteld zijn aan een significant CO2-weglekrisico ontvangen in 2013 80 % van de hoeveelheid vastgelegd in het besluit 2011/278/EU. De kosteloze toewijzing van emissierechten vermindert daarna elk jaar in gelijke hoeveelheden om vanaf 2020 30 % te bereiken om de emissierechten in 2027 uiteindelijk volledig te kunnen opheffen.
  3. Aan de elektriciteitsproducenten worden geen kosteloze emissierechten toegekend. Het gaat hier om installaties die, op 1 januari 2005 of later, elektriciteit hebben geproduceerd voor de verkoop aan derden waarin geen enkele activiteit bedoeld in bijlage 3.3 heeft plaatsgehad buiten de verbranding van brandstof.

  Art. N3.7. BIJLAGE 3.7 - Criteria voor de verificaties bedoeld in artikel 3.3.15
  Algemene principes
  1. De emissies van elke activiteit vermeld in bijlage 3.3 worden aan een verificatie onderworpen.
  2. De verificatieprocedure houdt rekening met de aangifte opgemaakt in toepassing van artikel 3.3.15 en de bewaking van de emissies die in de loop van het vorige jaar werd verricht. Hierbij wordt gekeken naar de betrouwbaarheid, de geloofwaardigheid en de nauwkeurigheid van de bewakingssystemen en de gerapporteerde gegevens en naar de informatie over de emissies, in het bijzonder :
  a) de gerapporteerde activiteitsgegevens en daarmee verband houdende metingen en berekeningen;
  b) de keuze en het gebruik van emissiefactoren;
  c) de berekeningen die leiden tot de bepaling van de totale emissies;
  d) indien er metingen zijn gebruikt, de juistheid van de keuze en de wijze van toepassing van de meetmethoden.
  3. De gerapporteerde emissies kunnen alleen worden gevalideerd als betrouwbare en geloofwaardige gegevens en informatie het mogelijk maken de emissies te bepalen met een hoge mate van zekerheid.
  Voor een hoge mate van zekerheid moet de exploitant aantonen dat :
  a) de gerapporteerde gegevens vrij zijn van inconsistenties;
  b) de gegevens zijn verzameld overeenkomstig de toepasselijke wetenschappelijke normen;
  c) de desbetreffende registers van de exploitatiesite volledig en consistent zijn.
  4. De verificateur krijgt toegang tot alle sites en tot alle informatie in verband met het onderwerp van de verificatie.
  5. De verificateur houdt rekening met het feit dat de installatie al dan niet in het kader van EMAS (het communautaire milieubeheer- en milieuauditsysteem) geregistreerd is.
  Methode
  Strategische analyse
  6. De verificatie is gebaseerd op een strategische analyse van alle uitgeoefende activiteiten in de exploitatiesite. Dat houdt in dat de verificateur een overzicht moet hebben van alle activiteiten en hun betekenis voor het emissieniveau.
  Procesanalyse
  7. De verificatie van de overgelegde informatie vindt, zo nodig, plaats op de exploitatiesites. De verificateur neemt steekproeven om de betrouwbaarheid van de gerapporteerde gegevens en informatie vast te stellen.
  Risicoanalyse
  8. De verificateur moet alle emissiebronnen aanwezig in de installatie evalueren met het oog op de betrouwbaarheid van de gegevens die voor elke bron die tot de totale emissies van de exploitatiesite bijdraagt, verstrekt zijn.
  9. Aan de hand van deze analyse identificeert de verificateur uitdrukkelijk de bronnen waarvan het bepalen van de emissies een groot foutenpotentieel vertoont en andere aspecten van de bewakings- en rapportageprocedure die waarschijnlijk zullen bijdragen tot fouten bij de bepaling van de totale emissies. Het betreft hier met name de keuze van de emissiefactoren en de berekeningen die nodig zijn om de emissies van de verschillende emissiebronnen vast te stellen. Bijzondere aandacht wordt besteed aan bronnen met een groot foutenpotentieel en aan de voornoemde aspecten van de bewakingsprocedure.
  10. De verificateur houdt rekening met alle risicobeheersingsmethoden die de exploitant toepast om de mate van onzekerheid zo klein mogelijk te houden.
  Verslag
  De verificateur bereidt een verslag voor over het valideringsproces waarin wordt vermeld of de aangifte verricht in toepassing van artikel 3.3.15, bevredigend is.
  In dit verslag komen alle aspecten aan bod die voor het verrichte werk van belang zijn. De verificateur kan bevestigen dat de aangifte verricht in toepassing van artikel 3.3.15, bevredigend is als, volgens hem, de aangegeven totale emissies niet materieel onjuist zijn.

  BOEK 4. - SLOTBEPALINGEN

  TITEL 1. - Wijzigingsbepalingen

  HOOFDSTUK 1. - Wijzigingen van de ordonnantie van 5 juni 1997 betreffende de milieuvergunningen

  Art. 4.1.1. § 1. In artikel 10 van de ordonnantie van 5 juni 1997 betreffende de milieuvergunningen wordt punt 5° " indien het project onderworpen is aan de bepalingen van de ordonnantie betreffende de energieprestatie en het binnenklimaat van gebouwen, een exemplaar van het EPB-voorstel " opgeheven.
  § 2. In artikel 18, § 2, 3° van dezelfde ordonnantie worden de woorden " en de elementen van het EPB-voorstel " opgeheven.
  § 3. In artikel 37, 4° worden de woorden " en het EPB-voorstel, met inbegrip van de haalbaarheidsstudie, indien die vereist is " opgeheven.
  § 4. Aan dezelfde ordonnantie wordt een artikel 13bis alsook een artikel 13ter toegevoegd die als volgt luiden :
  " Artikel 13bis. Parkeerplaatsen
  Een milieucertificaat of -vergunning voor parkeerplaatsen bij een gebouw of deel van een gebouw mag slechts worden uitgereikt binnen de grens van het aantal plaatsen voortvloeiend uit de toepassing van artikelen 2.3.53 en 2.3.54 van het Brussels Wetboek van Lucht, Klimaat en Energiebeheersing.
  Art. 13ter. § 1. De houder van een lopende milieuvergunning op de dag van de inwerkingtreding van artikelen 2.3.53 en 2.3.54 van het Brussels Wetboek van Lucht, Klimaat en Energiebeheersing die overtollige parkeerplaatsen in de zin van dat Wetboek toestaat kan, te allen tijde, volledig of gedeeltelijk afzien van het behoud van deze overtollige parkeerplaatsen.
  Deze verzaking neemt de vorm aan, hetzij van een volledige of gedeeltelijke afschaffing van die plaatsen, of van een omzetting van alle of een deel van die plaatsen in parkeerplaatsen die exclusief ter beschikking gesteld worden van de buurtbewoners, via verhuur, verkoop of enig ander mechanisme dat hun een exclusief gebruiksrecht verleent, of een combinatie van beide, of van hun herbestemming voor de andere doeleinden beschreven in artikel 2.3.52, § 3, punt 4°, van het Brussels Wetboek van Lucht, Klimaat en Energiebeheersing.
  De gevolgen van die verzaking zijn definitief en onherroepbaar.
  De verzaking wordt betekend overeenkomstig artikel 7bis.
  § 2. Zolang hij niet heeft afgezien van de overtollige parkeerplaatsen, mag de houder van een milieuvergunning bedoeld in § 1 echter de verlenging ervan aanvragen mits behoud van alle toegestane of overtollige parkeerplaatsen op voorwaarde dat hij de belasting bedoeld in artikel 2.3.55 van het Brussels Wetboek van lucht, klimaat en energiebeheersing betaalt.
  § 3. Voor de installaties die gedekt zijn door een milieuvergunning bedoeld in § 1 kan de bevoegde overheid, bij het verstrijken van de vergunning en als de exploitant daarom verzoekt, een nieuwe milieuvergunning uitreiken die betrekking heeft op bestaande en voordien toegekende overtollige plaatsen, mits betaling van de belasting bedoeld in artikel 2.3.55 van het Brussels Wetboek van lucht, klimaat en energiebeheersing. In zover ze betrekking heeft op overtollige plaatsen in de zin van dit Wetboek, kan de Regering de duur van deze vergunning beperken vanaf de uitreiking ervan.
  § 4. De houders van vergunningen bedoeld in §§ 2 en 3 hiervoor mogen, naar aanleiding van hun vraag tot verlenging of aanvraag van een nieuwe milieuvergunning, de bepalingen van artikel 2.3.54, § 4 van het Brussels Wetboek van Lucht, Klimaat en Energiebeheersing inroepen.
  In voorkomend geval zal de persoon die om de verlenging of de nieuwe milieuvergunning verzoekt, in zijn aanvraag, het aantal parkeerplaatsen opgeven dat opnieuw moet worden aangewend voor de functies bepaald in artikel 2.3.52, § 3, punt 3°, van het Brussels Wetboek van Lucht, Klimaat en Energiebeheersing.
  In zover ze op toegestane parkeerplaatsen in toepassing van de voorgaande leden betrekking heeft, is de duur van de nieuwe vergunning niet beperkt in toepassing van § 3 van onderhavig artikel. ".
  § 5. Aan artikel 18, § 2, van dezelfde ordonnantie, zoals gewijzigd door de ordonnantie van 7 juni 2007, wordt het volgende punt toegevoegd :
  " 5° in voorkomend geval, de vermelding van een afwijkingsaanvraag krachtens artikel 2.3.54, § 4 van het Brussels Wetboek van Lucht, Klimaat en energiebeheersing alsook van de redenen die tot staving ervan worden ingeroepen; ".
  Punten 5°, 6° en 7° van deze bepaling worden respectievelijk punten 6°, 7° en 8°.
  § 6. Aan artikel 26, eerste lid van dezelfde ordonnantie, wordt het volgende punt toegevoegd :
  " 7° in voorkomend geval, de gedetailleerde en nauwkeurige beschrijving en beoordeling van de redenen die een afwijking krachtens artikel 2.3.54, § 4 van het Brussels Wetboek van Lucht, Klimaat en Energiebeheersing rechtvaardigen; ".
  Punten 7° en 8° van deze bepaling worden respectievelijk punten 8° en 9°.
  § 7. Artikel 37 van dezelfde ordonnantie wordt als volgt gewijzigd.
  a) Aan het tweede lid wordt de volgende bepaling toegevoegd :
  " 7° in voorkomend geval, de gedetailleerde en nauwkeurige beschrijving en beoordeling van de redenen die een afwijking krachtens artikel 2.3.54, § 4 van het Brussels Wetboek van Lucht, Klimaat en Energiebeheersing rechtvaardigen; ".
  Punten 7° en 8° van deze bepaling worden respectievelijk punten 8° en 9°.
  b) Er wordt een nieuw derde lid toegevoegd dat als volgt luidt : " Conform artikel 2.3.54, § 4, van het Brussels Wetboek voor Lucht, Klimaat en Energiebeheersing en als de aanvraag een afwijking behelst die verband houdt met meer dan tien bijkomende plaatsen, moet het in het vorige lid bedoelde effectenrapport worden opgemaakt door een daartoe erkende persoon. ".
  Het huidige derde lid wordt het vierde lid.
  § 8. Aan artikel 48, § 1, van dezelfde ordonnantie wordt een nieuw tweede lid toegevoegd dat als volgt luidt :
  " Indien de aanvraag een afwijking krachtens artikel 2.3.54, § 4 van het Brussels Wetboek van Lucht, Klimaat en Energiebeheersing behelst, bevat ze ook een effectenrapport opgemaakt door een daartoe erkende of geregistreerde persoon. Conform artikel 2.3.54, § 4, van het Brussels Wetboek voor Lucht, Klimaat en Energiebeheersing en als de aanvraag een afwijking behelst die verband houdt met meer dan tien bijkomende plaatsen, moet het effectenrapport worden opgesteld door een te dien einde geregistreerd of erkend persoon. Dat effectenrapport bevat een gedetailleerde en nauwkeurige beschrijving van de redenen die deze afwijking rechtvaardigen, van haar gevolgen voor het milieu en de mobiliteit en van de maatregelen om ze te vermijden, te verwijderen of te verminderen. ".
  Het huidige tweede lid wordt het derde lid.
  § 9. Artikel 62 van dezelfde ordonnantie wordt als volgt gewijzigd.
  § 3, eerste lid, wordt als volgt aangevuld :
  " 4° in voorkomend geval, een evaluatie opgemaakt door een daartoe erkende of geregistreerde persoon dat een gedetailleerde en nauwkeurige beschrijving bevat van de redenen die een afwijking krachtens artikel 2.3.54, § 4 van het Brussels Wetboek van Lucht, Klimaat en Energiebeheersing rechtvaardigen, van haar gevolgen voor het milieu en de mobiliteit en van de maatregelen om ze te vermijden, te verwijderen of te verminderen. Als de aanvraag een afwijking behelst die verband houdt met meer dan tien bijkomende plaatsen, moet de effectenevaluatie worden opgesteld door een te dien einde geregistreerd of erkend persoon. ".
  De tweede zin van § 6, eerste lid, wordt als volgt aangevuld : " en zich, in voorkomend geval, uitspreken over de rechtvaardiging van het aantal parkeerplaatsen toegestaan in toepassing van artikel 2.3.54, § 4 van het Brussels Wetboek van Lucht, Klimaat en Energiebeheersing in afwijking van artikelen 2.3.53 en 2.3.54, §§ 1 tot 3 van datzelfde Wetboek. ".
  § 6 wordt aangevuld met een nieuw tweede lid dat als volgt luidt : " Onverminderd artikel 13ter, § 2 weigert de bevoegde overheid deels de verlenging voor het gedeelte van de milieuvergunning dat betrekking heeft op overtollige parkeerplaatsen in de zin van het Brussels Wetboek van Lucht, Klimaat en Energiebeheersing. ".
  De tweede zin van § 6, tweede lid (nieuw derde lid) wordt als volgt aangevuld :
  " In zover ze verband houdt met het gedeelte van de milieuvergunning dat betrekking heeft op parkeerplaatsen die de normen vastgelegd in artikelen 2.3.53 en 2.3.54, §§ 1 tot 3 van het Brussels Wetboek van Lucht, Klimaat en Energiebeheersing overschrijden, wordt de vergunning verlengd volgens de voorwaarden die in de verlengingsaanvraag zijn vermeld, onverminderd artikel 13ter, § 2. ".

  HOOFDSTUK 2. - Wijzigingen van de ordonnantie van 25 maart 1999 betreffende de opsporing, de vaststelling, de vervolging en de bestraffing van misdrijven inzake leefmilieu

  Art. 4.1.2. § 1. In artikel 2 van de ordonnantie van 25 maart 1999 betreffende de opsporing, de vaststelling, de vervolging en de bestraffing van misdrijven inzake leefmilieu worden de volgende wijzigingen aangebracht :
  1° punt 4° wordt als volgt vervangen : " 4° het Brussels Wetboek van lucht, klimaat en energiebeheersing ";
  2° punt 19° wordt opgeheven;
  3° punt 20° wordt opgeheven;
  4° punten 21°, 22°, 23°, 24°, 25°, 26°, 27°, 28° en 29° worden respectievelijk punten 19°, 20°, 21°, 22°, 23°, 24°, 25°, 26° en 27°.
  § 2. In artikel 4 van dezelfde ordonnantie worden de woorden " en van hoofdstuk 1 van titel 2 van boek 2 van het Brussels Wetboek van Lucht, Klimaat en Energiebeheersing " toegevoegd na de woorden " de wet van 26 maart 1971 op de bescherming van de grondwateren ".
  § 3. In artikel 32, 1°, van dezelfde ordonnantie worden de woorden " de ordonnantie van 25 maart 1999 betreffende de beoordeling en de verbetering van de luchtkwaliteit " vervangen door de woorden " het Brussels Wetboek van Lucht, Klimaat en Energiebeheersing ".
  § 4. Artikel 32, 13°, van dezelfde ordonnantie wordt vervangen als volgt :
  " 13° in de zin van het Brussels Wetboek van Lucht, Klimaat en Energiebeheersing, hij die :
  a) als aangever nalaat de wijziging te betekenen van de aangever, EPB-adviseur of architect overeenkomstig de voorschriften van artikel 2.2.9 § 2;
  b) als architect de verplichtingen waarin artikel 2.2.10 voorziet of die vastgelegd werden door de Regering krachtens artikel 2.2.10 niet nakomt;
  c) als aangever de verplichtingen opgelegd door artikel 2.2.9, § 4 en artikel 2.2.10, § 6 niet nakomt. ".
  § 5. Artikel 33, 14°, van dezelfde ordonnantie wordt als volgt vervangen :
  " 14° in de zin van het Brussels Wetboek van Lucht, Klimaat en Energiebeheersing, hij die :
  a) als aangever nalaat een EPB-adviseur aan te wijzen overeenkomstig het voorschrift van artikel 2.2.9, § 1;
  b) als aangever de kennisgeving van het begin van de werkzaamheden niet bezorgt overeenkomstig de voorschriften van artikel 2.2.8;
  c) als architect of aangever respectievelijk het rekenbestand of de EPB-aangifte niet bezorgt in de vormen en binnen de termijnen voorzien in artikel 2.2.11;
  d) als de persoon die de verplichtingen volgens de voorwaarden vastgesteld door de Regering krachtens artikel 2.2.17 niet naleeft;
  e) zijnde onderworpen aan de erkenning bedoeld in artikel 2.5.1. zonder erkenning werkt;
  f) zijnde onderworpen aan de verplichting opgelegd in artikel 2.2.14, § 1, 1° deze niet naleeft;
  g) zijnde onderworpen aan de verplichting opgelegd in artikel 2.2.14, § 1, 2° deze niet naleeft;
  h) zijnde onderworpen aan de verplichting opgelegd in artikel 2.2.14, § 1, 3° deze niet naleeft;
  i) zijnde onderworpen aan de verplichting opgelegd in artikel 2.2.14, § 2 deze niet naleeft;
  j) als aangever of architect een EPB-aangifte opmaakt die niet beantwoordt aan de werkelijkheid;
  k) als aangever de EPB-adviseur of het kwaliteitscontroleorganisme ertoe belet zijn recht tot vrije toegang tot de werf uit te oefenen overeenkomstig artikelen 2.2.9, § 3 en 2.5.4;
  l) als aanvrager de geïntegreerde haalbaarheidsstudie niet aan het Instituut bezorgt overeenkomstig artikel 2.2.7, § 2, tweede lid.
  § 6. In artikel 33 van dezelfde ordonnantie wordt een nieuw punt 21° toegevoegd dat luidt als volgt :
  " 21° in de zin van het Brussels Wetboek van Lucht, Klimaat en Energiebeheersing, hij die :
  a) het orgaan dat nalaat een PLAGE-coördinator aan te stellen na afloop van het eerste jaar van de uitvoering van het PLAGE overeenkomstig artikel 2.2.23, § 1 van onderhavig Wetboek of de maatregelen genomen krachtens artikel 2.2.23, § 1;
  b) het orgaan dat nalaat het actieprogramma mee te delen overeenkomstig artikel 2.2.23, § 3 of de maatregelen genomen krachtens artikel 2.2.23, § 2;
  c) het orgaan dat nalaat de verslagen van de PLAGE-revisor over te maken overeenkomstig artikel 2.2.23, § 4 of de maatregelen genomen krachtens artikel 2.2.23, § 4;
  d) de PLAGE-revisor die een verslag overmaakt dat niet strookt met de kwaliteitscriteria vastgelegd in toepassing van artikel 2.2.23, § 7. ".
  § 7. In artikel 33 van dezelfde ordonnantie wordt een nieuw punt 22° toegevoegd dat luidt als volgt :
  " 22° in de zin van het Brussels Wetboek van Lucht, Klimaat en Energiebeheersing, de sitebeheerder of, in het geval bedoeld in artikel 2.3.37, § 1, van dat Wetboek, de sitegebruiker die weigert om de in artikel 2.3.39 van dat wetboek bedoelde overeenkomst op te stellen. ".

  HOOFDSTUK 3. - Wijzigingen van de ordonnantie van 18 maart 2004 betreffende de milieueffectenbeoordeling van bepaalde plannen en programma's

  Art. 4.1.3. In artikel 10, § 2, van de ordonnantie van 18 maart 2004 betreffende de milieueffectenbeoordeling van bepaalde plannen en programma's worden punt 2° en punt 5° met betrekking tot het gewestelijk plan voor toekenning van broeikasgasemissierechten opgeheven.

  HOOFDSTUK 4. - Wijziging van de ordonnantie van 12 december 1991 houdende oprichting van de begrotingsfondsen

  Art. 4.1.4. In artikel 2 van de ordonnantie van 12 december 1991 houdende oprichting van begrotingsfondsen wordt een punt 18° toegevoegd dat luidt als volgt :
  " 18° het Klimaatfonds. ".
  Worden aan dat fonds toegewezen :
  1° de administratieve boetes geïnd krachtens artikel 3.4.2.van het Brussels Wetboek van lucht, klimaat en energiebeheersing;
  2° de opbrengst van de toekenning tegen betaling van de emissierechten die niet kosteloos worden toegewezen;
  3° de opbrengst van de verkoop van koolstofeenheden;
  4° de opbrengst van de milieubelasting bedoeld in artikelen 2.3.55 tot 2.3.62 van het Brussels Wetboek van lucht, klimaat en Energiebeheersing;
  5° de middelen, fondsen of subsidies die hem worden toegewezen krachtens wettelijke bepalingen.
  De middelen van het fonds worden besteed aan :
  1° de maatregelen betreffende de gebouwen, de installaties en de producten die de vermindering van de uitstoot van broeikasgassen beogen, meer bepaald de personeelskosten, de informaticakosten en de expertisekosten;
  2° de maatregelen betreffende het vervoer en de mobiliteit die de vermindering van de uitstoot van broeikasgassen beogen, meer bepaald de personeelskosten, de informaticakosten en de expertisekosten. Het bedrag bestemd voor deze maatregelen komt overeen met 50 % van het jaarlijkse totaalbedrag van de ontvangsten afkomstig uit de opbrengst van de milieubelasting bedoeld in artikel 2.3.55 en volgende van het Brussels Wetboek van Lucht, Klimaat en Energiebeheersing;
  3° de financiering van het klimaatbeleid dat de ontwikkelingslanden hebben uitgestippeld;
  4° de financiering van projecten die koolstofeenheden opleveren in het kader van het gebruik van de projectsmechanismen. ".

  HOOFDSTUK 5. - Wijziging van het BWRO

  Art. 4.1.5. In artikelen 129, § 1, 3° en 143, 4° van het BWRO worden de woorden " met inbegrip van de haalbaarheidsstudie, indien die vereist is " opgeheven.

  TITEL 2. - Opheffingsbepalingen

  Art. 4.2.1. De ordonnantie van 25 maart 1999 betreffende de beoordeling en de verbetering van de luchtkwaliteit wordt opgeheven.

  Art. 4.2.2. De ordonnantie van 7 juni 2007 betreffende de energieprestatie en het binnenklimaat van de gebouwen wordt opgeheven.

  Art. 4.2.3. De ordonnantie van 31 januari 2008 houdende de vaststelling van een regeling voor de handel in broeikasgasemissierechten en met betrekking tot de flexibiliteitsmechanismen van het Protocol van Kyoto wordt opgeheven.

  Art. 4.2.4. De ordonnantie van 14 mei 2009 betreffende de vervoerplannen wordt opgeheven.

  TITEL 3. - Overgangsbepalingen

  Art. 4.3.1.§ 1. Artikel 2.2.3, artikelen 2.2.5 tot 2.2.11 en artikel 2.2.13, § 1 zijn niet van toepassing op de aanvragen ingediend vóór de inwerkingtreding van deze artikelen of afdelingen, zoals zal worden bepaald door de Regering.
  § 2. Artikel 2.2.13, § 2 is van toepassing :
  1° op de overeenkomsten gesloten na de inwerkingtreding van deze bepaling;
  2° op de openbare verkopen waarvan de verkoopvoorwaarden worden bepaald na de inwerkingtreding van deze bepaling en op voorwaarde dat de eerste zitting ten minste veertig dagen na de inwerkingtreding van deze bepaling plaatsvindt.
  § 3. Artikelen 2.3.51 tot 2.3.62 en paragrafen 4 tot 9 van artikel 4.1.1 zijn slechts van toepassing op de aanvragen van milieuvergunning of -certificaat of op de aanvragen tot verlenging van vergunning waarvan de datum van het indieningsattest dat aan de aanvrager uitgereikt werd, na hun inwerkingtreding valt.
  [1 § 4. De artikelen 33 en 34, f) van de ordonnantie van 7 juni 2007 betreffende de energieprestatie en het binnenklimaat van de gebouwen blijven van toepassing zolang de artikelen 20 en 21 van dezelfde ordonnantie van kracht zijn.
   De punten h) en l) van artikel 34 van de voornoemde ordonnantie van 7 juni 2007 blijven van toepassing zolang respectievelijk de artikelen 25 en 26 van dezelfde ordonnantie van kracht zijn.
   De definities in artikel 3 van de voornoemde ordonnantie van 7 juni 2007, evenals de artikelen 4 en 5, blijven van toepassing op bepalingen van dezelfde ordonnantie die nog van kracht zijn.
   § 5. De artikelen 11 tot en met 16, 30, 33 en 34, a), b), c), d), e), j) en m) van de voornoemde ordonnantie van 7 juni 2007 blijven van toepassing voor de aanvragen zoals bedoeld in artikel 3, 15° en ingediend vóór de dag van de inwerkingtreding van artikel 4.2.2 van dit wetboek.
   § 6. De artikelen van de voornoemde ordonnantie van 7 juni 2007, bedoeld in de paragrafen 4 en 5, zijn onderworpen aan het Wetboek van inspectie, preventie, vaststelling en bestraffing van milieumisdrijven, en milieuaansprakelijkheid.
   § 7. De artikelen 2.5.2, 2.5.3, 2.5.4 en 2.5.5. van dit wetboek zijn van toepassing op personen onderworpen aan de toekenning van een erkenning op grond van de bepalingen van de voornoemde ordonnantie van 7 juni 2007 die nog van kracht zijn.]1
  ----------
  (1)<ORD 2015-12-18/51, art. 17, 004; Inwerkingtreding : 23-01-2016>

  TITEL 4. - Inwerkingtreding

  Art. 4.4.1.(vroeger artikel 4.4.2)
  De Regering bepaalt de datum waarop de bepalingen van boek 2 in werking treden. Artikel 4.2.4. treedt in werking samen met de bepaling van boek 2, titel 3. De Regering bepaalt ook de datum van inwerkingtreding van artikelen 4.1.2, § 1, 2°, § 2, § 4, § 5, § 6, en 4.2.2.
  
  (NOTA : Inwerkingtreding van art. 2.3.51 tot en met 2.3.61 en 2.5.1 vastgesteld op 05-02-2014, door BESL 2014-01-16/14, art. 13)
  (NOTA : Inwerkingtreding van art. 2.1.1 tem 2.2.12, 2.2.13, § 1, 2.2.18, 2.5.1 tem 2.5.5, 2.6.1, 2.6.4, 2.6.5, 4.1.2, § 1, 2°, 4.1.2, § 2, 4.1.2, § 4, 4.1.2, § 5 en bijlagen 2.1 en 2.2 vastgesteld op 01-01-2015, door BESL 2014-04-03/35, art. 37, L1)
  (NOTA : Inwerkingtreding van Artikel 4.2.2 vastgesteld op 01-01-2015, , behalve wat de volgende artikelen van de ordonnantie van 7 juni 2007 betreffende de energieprestatie en het binnenklimaat van gebouwen betreft :
  1° artikelen 18, §§ 2 tem 5, 25 en 26;
  2° artikelen 19, 20, 21 en 32,
  door BESL 2014-04-03/35, art. 37, L2)
  (NOTA : Inwerkingtreding van artikel 2.5.6 vastgesteld op 30-05-2014 door BESL 2014-04-24/36, art. 20)
  (NOTA : Inwerkingtreding van art. 2.4.5 en 2.4.7 vastgesteld op 01-08-2014 door BESL 2014-05-15/60, art. 16)
  (NOTA : Inwerkingtreding van art. 2.2.13, § 2 en § 4; 2.2.14, § 1 en § 3 vastgesteld op 01-01-2017 door BESL 2016-10-06/14, art. 50, eerste lid)
  (NOTA : Inwerkingtreding van art. 2.2.13, § 3 en 2.2.14, § 2 vastgesteld op 01-07-2015 door BESL 2016-10-06/14, art. 50, tweede lid)
  (NOTA : Inwerkingtreding van art. 4.2.2 vastgesteld op 01-01-2017 - in wat betreft art. 18, §§ 2 tot en met 5; 25 van ORD 2007-06-07/70 - door BESL 2016-10-06/14, art. 50, derde lid, 1°)
  (NOTA : Inwerkingtreding van art. 4.2.2 vastgesteld op 01-07-2015 - in wat betreft art. 26 van ORD 2007-06-07/70 - door BESL 2016-10-06/14, art. 50, derde lid, 2°)


  TITEL 5. - Algemene coördinatie

  Art. 4.5.1. § 1. De Regering kan de bepalingen coördineren van onderhavig Wetboek met de bepalingen die ze uitdrukkelijk of impliciet zouden hebben gewijzigd.
  § 2. Daartoe kan zij :
  1° de volgorde, de nummering en, meer in het algemeen, de voorstelling van de te coördineren bepalingen wijzigen;
  2° de verwijzingen opgenomen in de te coördineren bepalingen wijzigen teneinde ze overeen te laten stemmen met de nieuwe nummering;
  3° de redactie van de te coördineren bepalingen wijzigen ten einde de overeenstemming ervan te verzekeren en de terminologie ervan eenvormig te maken zonder dat afbreuk kan worden gedaan aan de beginselen ingeschreven in deze bepalingen;
  4° de voorstelling aanpassen van de verwijzingen naar de bepalingen opgenomen in de coördinatie door andere bepalingen die er niet in opgenomen zijn.
  
  

Handtekening Tekst Inhoudstafel Begin
   Kondigen deze ordonnantie af, bevelen dat ze in het Belgisch Staatsblad zal worden bekendgemaakt.
Brussel, 2 mei 2013.
De Minister-President van de Brusselse Hoofdstedelijke Regering, belast met Plaatselijke Besturen, Ruimtelijke Ordening, Monumenten en Landschappen, Openbare Netheid en Ontwikkelingssamenwerking,
Ch. PICQUE
De Minister van de Brusselse Hoofdstedelijke Regering, belast met Financiën, Begroting, Openbaar Ambt en Externe Betrekkingen,
G. VANHENGEL
De Minister van de Brusselse Hoofdstedelijke Regering, belast met Leefmilieu, Energie, Waterbeleid, Stadsvernieuwing, Brandbestrijding en Dringende Medische Hulp en Huisvesting,
Mevr. E. HUYTEBROECK
De Minister van de Brusselse Hoofdstedelijke Regering, belast met Openbare Werken en Vervoer,
Mevr. B. GROUWELS
De Minister van de Brusselse Hoofdstedelijke Regering, belast met Tewerkstelling, Economie en Wetenschappelijk Onderzoek,
Mevr. C. FREMAULT

Aanhef Tekst Inhoudstafel Begin
   Het Brusselse Hoofdstedelijke Parlement heeft aangenomen en Wij, Executieve, bekrachtigen, het geen volgt :

Wijziging(en) Tekst Inhoudstafel Begin
---------------------------------------------------GEWIJZIGD DOOR---------------------------------------------------
BEELD
  • ORDONNANTIE (BRUSSEL) VAN 07-12-2017 GEPUBL. OP 14-12-2017
    (GEWIJZIGDE ART. : 3.1.1; 3.2.16; 3.2.17; 3.2.18; 3.2.19; 3.2.20; 3.2.21; 3.2.22; 3.2.23; 3.2.24; 3.2.25; 3.2.26; 3.2.27; 3.4.1/1)
  • BEELD
  • ORDONNANTIE (BRUSSEL) VAN 08-12-2016 GEPUBL. OP 28-12-2016
    (GEWIJZIGD ART. : 2.4.6)
  • BEELD
  • ORDONNANTIE (BRUSSEL) VAN 18-12-2015 GEPUBL. OP 13-01-2016
    (GEWIJZIGDE ART. : 2.1.1; 2.2.1; 2.2.23; 2.4.1; 2.5.1; 2.5.7; 2.6.4; 2.6.6; N2.2; N2.3; N2.4; 3.4.1; 3.4.3; 4.3.1)
  • BEELD
  • BESLUIT (BRUSSEL) VAN 08-05-2014 GEPUBL. OP 03-07-2014
    (GEWIJZIGD ART. : 3.2.1)
  • BEELD
  • ORDONNANTIE (BRUSSEL) VAN 08-05-2014 GEPUBL. OP 18-06-2014
    (GEWIJZIGDE ART. : 2.5.5; 2.6.5; 2.6.6; 3.4.2; 3.4.3)
  • -------------------------------------INWERKINGTREDING DOOR-------------------------------------
    BEELD
  • BESLUIT (BRUSSEL) VAN 01-06-2017 GEPUBL. OP 09-06-2017
    (BETROKKEN ART. : 2.3.1-2.3.50; 4.2.4)

  • Parlementaire werkzaamheden Tekst Inhoudstafel Begin
        Gewone zitting 2012-2013. Documenten van het Parlement. - Ontwerp van ordonnantie, A-353/1. - Verslag (verwijzing), A-353/2. - Amendementen na verslag, A-353/3. Integraal verslag. - Bespreking en aanneming. Vergadering van vrijdag 19 april 2013.

    Begin Eerste woord Laatste woord Wijziging(en) Aanhef
    Parlementaire werkzaamheden Inhoudstafel 20 uitvoeringbesluiten 5 gearchiveerde versies
    Franstalige versie