J U S T E L     -     Geconsolideerde wetgeving
Einde Eerste woord Laatste woord Aanhef
Inhoudstafel
Einde Franstalige versie
 
belgiëlex . be     -     Kruispuntbank Wetgeving
Raad van State
ELI - Navigatie systeem via een Europese identificatiecode voor wetgeving
http://www.ejustice.just.fgov.be/eli/besluit/2012/12/13/2012011493/justel

Titel
13 DECEMBER 2012. - Koninklijk besluit betreffende de vergoeding voor openbare uitlening en tot intrekking van het koninklijk besluit van 25 april 2004 betreffende de vergoedingsrechten voor openbare uitlening van de auteurs, vertolkende of uitvoerende kunstenaars, producenten van fonogrammen en producenten van eerste vastleggingen van films

Bron :
ECONOMIE, KMO, MIDDENSTAND EN ENERGIE
Publicatie : 27-12-2012 nummer :   2012011493 bladzijde : 87935       PDF :   originele versie    
Dossiernummer : 2012-12-13/15
Inwerkingtreding : 01-01-2004

Deze tekst wijzigt de volgende tekst :2004011205       

Inhoudstafel Tekst Begin
Art. 1-17

Tekst Inhoudstafel Begin
Artikel 1. Het huidige koninklijk besluit zet de bepalingen om van artikel 5 van de Europese Richtlijn 92/100/EEG van de Raad van 19 november 1992 betreffende het verhuurrecht, het uitleenrecht en bepaalde naburige rechten op het gebied van intellectuele eigendom, dat vervangen werd door het artikel 6 van Richtlijn 2006/115/EG van het Europees Parlement en de Raad van 12 december 2006 betreffende het verhuurrecht, het uitleenrecht en bepaalde naburige rechten op het gebied van intellectuele eigendom.

  Art. 2. In de zin van dit besluit moet worden verstaan onder :
  1° De wet : de wet van 30 juni 1994 betreffende het auteursrecht en de naburige rechten;
  2° De vergoeding voor openbare uitlening : de vergoedingsrechten die bedoeld worden in artikel 62 van de wet van 30 juni 1994 betreffende het auteursrecht en de naburige rechten;
  3° De uitleeninstellingen : de uitleeninstellingen bedoeld in de artikelen 23 en 47 van de wet van 30 juni 1994 betreffende het auteursrecht en de naburige rechten;
  4° De verenigingen van uitleeninstellingen : de feitelijke of juridische verenigingen van verschillende uitleeninstellingen die de administratieve bevoegdheid hebben om deze instellingen in rechte te verbinden en ze te vertegenwoordigen voor de toepassing van dit besluit;
  5° De publieke overheden;
  a) de Staat, de gemeenschappen, de gewesten, de provincies, de gemeenten, alsmede de verenigingen gevormd door een of meerdere van deze;
  b) de organismen van openbaar nut, de publiekrechtelijke verenigingen, de openbare centra voor maatschappelijk welzijn, de besturen die belast zijn met het beheer van de temporaliën van de erkende erediensten en de instellingen die belast zijn met het beheer van de materiële en financiële belangen van de erkende niet-confessionele levensbeschouwelijke gemeenschappen, de gewestelijke ontwikkelingsmaatschappijen, de polders en wateringen, de ruilverkavelingscomités;
  c) de rechtspersonen die opgericht zijn met het specifieke doel te voorzien in behoeften van algemeen belang die niet van industriële of commerciële aard zijn, en rechtspersoonlijkheid hebben, en waarvan ofwel de werkzaamheden in hoofdzaak gefinancierd worden door de overheden of instellingen vermeld in 5° van dit artikel, ofwel het beheer onderworpen is aan toezicht van die overheden of instellingen, ofwel de leden van directie, van de raad van bestuur of van de raad van toezicht voor meer dan de helft door die overheden of instellingen zijn aangewezen;
  6° De wetenschappelijke instellingen : de erkende instellingen die in uitvoering van artikel 2753, tweede lid, van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 zijn opgenomen in de lijst van de bijlage IIIquater van het koninklijk besluit in uitvoering van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992;
  7° De uitlening : de uitlening bedoeld in de artikelen 23 en 47 van de wet van 30 juni 1994 betreffende het auteursrecht en de naburige rechten;
  8° De beheersvennootschap : de vennootschap die krachtens artikel 63, tweede lid, van de wet van 30 juni 1994 betreffende het auteursrecht en de naburige rechten, belast is met de inning en de verdeling van de vergoedingen voor openbare uitlening;
  9° De referentieperiode : de jaarlijkse periode waarop de vergoeding voor openbare uitlening betrekking heeft. Deze periode komt overeen met een kalenderjaar;
  10° De collectie : het geheel van de werken en/of prestaties die door een uitleeninstelling bijgehouden worden;
  11° De dag : de dag die noch een zaterdag, noch een zondag, noch een wettelijke feestdag is. Indien een termijn verstrijkt op een zaterdag, een zondag of een wettelijke feestdag, wordt deze verlengd tot de eerstvolgende werkdag;
  12° De Minister : de minister bevoegd voor het auteursrecht.

  Art. 3. De termijn bepaald in artikel 23, § 2, van de wet waarna de uitlening van geluidswerken en audiovisuele werken pas kan plaatsvinden, wordt verkort tot twee maanden na de eerste verspreiding van het werk onder het publiek.
  De termijn waarin artikel 47, § 2, van de wet voorziet, waarna de uitlening van fonogrammen en eerste vastleggingen van films pas kan geschieden, wordt verkort tot twee maanden na de eerste verspreiding van het werk onder het publiek.

  Art. 4. § 1. Het jaarlijks bedrag exclusief B.T.W. van de vergoeding voor openbare uitlening door uitleeninstellingen omvat :
  1° een forfaitair bedrag dat wordt bepaald afhankelijk van de grootte van de collectie van de uitleeninstelling zoals deze werd vastgesteld op de begindatum van de refetentieperiode, en;
  2° een bedrag dat wordt bepaald afhankelijk van het aantal uitleningen per uitleeninstelling, per referentieperiode.
  § 2. Om het forfaitaire bedrag te bepalen bedoeld in paragraaf 1, 1°, wordt de omvang van de collectie op de begindatum van de referentieperiode verminderd met :
  1° het aantal werken en/of prestaties die niet door de instelling ter beschikking worden gesteld zodat de uitlening ervan niet mogelijk is, en;
  2° het aantal werken en/of prestaties die door de instelling ter beschikking worden gesteld, zodat de uitlening ervan mogelijk is, en die tot het publieke domein behoren.
  Het aantal werken en/of prestaties bedoeld in het eerste lid, 1°, wordt enkel aangegeven als dit aantal als dusdanig is geïdentificeerd in een geautomatiseerd gegevensregistratiesysteem waar het aantal werken en/of prestaties die niet door de instelling ter beschikking worden gesteld zodat de uitlening ervan niet mogelijk is, en dat gecentraliseerd is op het niveau van de bevoegde publieke overheden of de verenigingen van uitleeninstellingen. Bij gebrek aan dergelijke identificatie van het aantal werken en/of prestaties, bedoeld in het eerste lid, 1°, wordt dat aantal forfaitair geraamd op 5 procent van de collectie.
  Het aantal werken en/of prestaties, bedoeld in het eerste lid, 2°, wordt forfaitair geraamd op 5 procent van de collectie.
  § 3. Het bedrag, bedoeld in § 1, 1°, wordt voor elke referentieperiode van 1 januari 2004 tot 31 december 2012 als volgt vastgesteld :
  

  
CollectieJaarlijkse verschuldigd bedrag
1 t.e.m. 12.500300 EUR
12.501 t.e.m. 25.000750 EUR
25.001 t.e.m. 50.0001.500 EUR
50.001 t.e.m. 100.0002.200 EUR
100.001 t.e.m. 200.0003.000 EUR
200.001 en meer3.600 EUR

Het in § 1, 1°, bedoelde bedrag wordt voor elke referentieperiode van 1 januari 2013 tot 31 december 2017 als volgt vastgesteld :
  

  
Referentiejaar
Collectie20132014201520162017
1 t.e.m. 12.500345 EUR390 EUR434 EUR479 EUR524 EUR
12.501 t.e.m. 25.000862 EUR974 EUR1.086 EUR1.198 EUR1.310 EUR
25.001 t.e.m. 50.0001.724 EUR1.948 EUR2.172 EUR2.396 EUR2.620 EUR
50.001 t.e.m. 100.0002.529 EUR2.857 EUR3.186 EUR3.514 EUR3.843 EUR
100.001 t.e.m. 200.0003.448 EUR3.896 EUR4.344 EUR4.792 EUR5.240 EUR
200.001 en meer4.138 EUR4.675 EUR5.213 EUR5.751 EUR6.288 EUR

Vanaf de referentieperiode 2018 en voor volgende, zijn de bedragen per categorie van collectie dezelfde als deze van het referentiejaar 2017.
  § 4. Het bedrag, bedoeld in § 1, 2°, wordt als volgt vastgesteld :
  1° het totale aantal uitleningen wordt verminderd met 5 percent om de uitleningen van werken en/of prestaties die tot het publieke domein behoren forfaitair in rekening te brengen;
  2° het aantal uitleningen vastgesteld na de in 1° bedoelde forfaitaire vermindering wordt voor elke referentieperiode van 1 januari 2004 tot 31 december 2012, vermenigvuldigd met 0,0168 EUR.
  Voor elke referentieperiode van 1 januari 2013 tot 31 december 2017, wordt het aantal uitleningen vastgesteld na de in eerste lid, 1° bedoelde forfaitaire vermindering vermenigvuldigd met :
  

  
Referentiejaar
20132014201520162017
0,0193 EUR0,0219 EUR0,0244 EUR0,0269 EUR0,0294 EUR

Vanaf de referentieperiode 2018 en voor volgende, wordt het aantal uitleningen vastgesteld na de in eerste lid, 1°, bedoelde forfaitaire vermindering vermenigvuldigd met 0,0294 EUR.
  § 5. Het jaarlijkse bedrag van de vergoeding voor openbare uitlening verschuldigd door de uitleeninstellingen is het resultaat van de som van de bedragen bedoeld in § 1, 1° en 2°, die worden berekend overeenkomstig §§ 2 tot 4.
  § 6. De publieke overheden en de verenigingen van uitleeninstellingen kunnen de betaling van de vergoedingen voor openbare uitlening geheel of gedeeltelijk op zich nemen in plaats van de uitleeninstellingen die onder de bevoegdheid van die overheden vallen of die lid zijn van die verenigingen.
  Voor zover dat :
  1. een publieke overheid of een vereniging van uitleeninstellingen de betaling van het bedrag bedoeld in § 1, 1°, centraliseert voor rekening van de uitleeninstellingen die zij vertegenwoordigt en;
  2. de betreffende gemeenschap binnen de voorziene termijn de in artikel 7, § 2, bedoelde aangifte verricht,
  wordt het verschuldige bedrag krachtens § 1, 1°, voor de vertegenwoordigde uitleeninstellingen, verminderd tot 2,5 procent.
  Voor zover dat een publieke overheid of een vereniging van uitleeninstellingen :
  1. de betaling van het bedrag bedoeld in § 1, 2°, centraliseert voor rekening van de uitleeninstellingen die zij vertegenwoordigt en;
  2. binnen de voorziene termijn de in artikel 7, § 1, bedoelde aangifte voor rekening van deze instellingen verricht,
  wordt het verschuldigde bedrag krachtens § 1, 2°, voor de vertegenwoordigde uitleeninstellingen verminderd met 2,5 procent.
  Voor zover dat :
  1. een publieke overheid of een vereniging van uitleeninstellingen :
  a) de betaling van het bedrag bedoeld in § 1, 1° en 2°, centraliseert voor rekening van de uitleeninstellingen die zij vertegenwoordigt;
  b) binnen de voorziene termijn de in artikel 7, § 1, bedoelde aangifte voor rekening van deze instellingen, verricht, en;
  2. de betreffende gemeenschap binnen de voorziene termijn de in artikel 7, § 2, bedoelde aangifte verricht,
  wordt het verschuldigde bedrag krachten § 1, 1° en 2°, voor de vertegenwoordigde uitleeninstellingen verminderd met 5 procent.
  § 7. De federale staat kan de betaling van de vergoedingen voor openbare uitlening geheel of gedeeltelijk op zich nemen in plaats van de uitleeninstellingen die onder zijn bevoegdheid vallen.
  Voor zover de federale staat :
  1. de betaling van het bedrag bedoeld in § 1, 1°, centralissert voor rekening van alle uitleeninstellingen die onder zijn bevoegdheid vallen, en;
  2. binnen de voorziene termijn de in artikel 7, § 3, bedoelde aangifte voor rekening van alle instellingen verricht,
  wordt het verschuldigde bedrag krachtens § 1, 1°, voor de betrokken uitleeninstellingen verminderd met 2,5 procent.
  Voor zover de federale staat :
  1. de betaling van het bedrag bedoeld in § 1, 2°, centraliseert voor rekening van alle uitleeninstellingen die onder zijn bevoegdheid valle, en;
  2. binnen de voorziene termijn de in artikel 7, § 1, bedoelde aangifte voor rekening van elle instellingen verricht die onder zijn bevoegdheid vallen,
  wordt het verschuldigde bedrag krachtens § 1, 2°, voor de betrokken uitleeninstellingen verminderd met 2,5 procent.
  Voor zover de federale staat :
  1. de betaling van het bedrag bedoeld in § 1, 1° en 2°, centraliseert voor rekening van alle uitleeninstellingen die onder zijn bevoegdheid vallen, en;
  2. binnen de voorziene termijn de in artikel 7, §§ 1 en 3 bedoelde aangifte voor rekening van alle instellingen verricht die onder zijn bevoegdheid vallen, wordt het verschuldigde bedrag krachtens § 1, 1° en 2°, voor de betrokken uitleeninstellingen verminderd met 5 procent.
  § 8. In afwijking van de voorgaande paragrafen wordt het jaarlijks te betalen bedrag van de vergoeding voor openbare uitlening voor een gemeenschap forfaitair bepaald op 8.000 EUR voor elke referentieperiode van 1 januari 2004 tot 31 december 2012 wanneer de uitleenactiviteit van de uitleeninstellingen die onder de bevoegdheid van die gemeenschap vallen 1 procent van het globaal jaarvolume van uitleningen van alle uitleeninstellingen op het Belgisch grondgebied samen niet overschrijdt.
  Voor elk referentieperiode van 1 januari 2013 tot 31 december 2017, wordt dit bedrag als volgt vastgesteld :
  

  
Referentiejaar
20132014201520162017
9.000 EUR10.000 EUR11.000 EUR12.000 EUR13.000 EUR

Teneinde, vanaf de referentieperiode 2018 en voor de volgende referentieperiodes, wordt dit bedrag bepaald op 13.000 EUR.
  De in deze paragraaf bepaalde bedragen kunnen alleen gecentraliseerd worden betaald door de betreffende gemeenschap, zonder dat hierop een vermindering, op welke grondslag ook, kan toegekend worden.
  § 9. Het bedrag van de vergoeding voor openbare uitlening kan door de uitleeninstellingen geheel of gedeeltelijk worden verhaald op de leners.

  Art. 5. Wordt van de verplichting tot betaling van de vergoeding voor openbare uitlening vrijgesteld, de uitlening van werken en prestaties door :
  1° de onderwijsinstellingen die door de publieke overheden daartoe officieel zijn erkend op opgericht;
  2° de wettenschappelijke onderzoeksinstellingen, die door de publieke overheden daartoe officieel zijn erkend of opgericht;
  3° de zorginstellingen die door de publieke overheden daartoe officieel zijn erkend of opgericht;
  4° de officieel erkende instellingen die zijn opgericht ten behoeve van blinden, slechtzienden, doven en slechthorenden.

  Art. 6. De vergoeding voor openbare uitlening is verschuldigd op jaarbasis voor elke referentieperiode.

  Art. 7. § 1. Onverminderd artikel 15, deelt elke uitleeninstelling haar aangifte aan de beheersvennootschap mee binnen een termijn van tweehondertwintig dagen te rekenen vanaf de eerste dag die volgt op de refentieperiode.
  Deze aangifte heeft betrekking op de verlopen referentieperiode.
  Zij omvat de volgende inlichtingen :
  1° de inlichtingen die het mogelijk maken de uitleeninstelling te identificeren;
  2° het aantal vestigingen waarvoor zij een verklaring meedeelt, evenals hun gegevens;
  3° het aantal uitleningen per uitleeninstelling vastgesteld overeenkomstig artikel 4;
  4° de identiteit en de contactgegevens van de contactpersoon die voor de beheersvennootschap is aangesteld.
  § 2. Het volume van de collecties vastgesteld overeenkomstig artikel 4, wordt door elke gemeenschap aangegeven, voor de uitleeninstellingen die onder haar bevoegdheid vallen, binnen een termijn van tweehonderdtwintig dagen te rekenen vanaf de eerste dag die volgt op de referentieperiode.
  De aangifte identificeert op geïndividualiseerde basis de collectie voor elke uitleeninstelling die onder de respectieve bevoegdheid van elke gemeenschap valt.
  § 3. Het volume van de collecties vastgesteld overeenkomstig artikel 4 wordt door de uitleeninstellingen aangegeven die onder de bevoegdheid van de federale staat vallen, binnen een termijn van tweehonderd twintig dagen te rekenen vanaf de eerste dag die volgt op de referentieperiode.
  § 4. De minister kan de vorm en de inhoud van de in §§ 1 en 2 bedoelde aangiftes bepalen.

  Art. 8. De beheersvennootschap stelt de uitleeninstellingen in kennis van het bedrag van de vergoeding voor openbare uitlening.
  De kennisgeving vermeldt minstens de volgende inlichtingen :
  1° de referentieperiode;
  2° het bedrag van de vergoeding die voor openbare uitlening verschuldig is per uitleeninstelling en de berekening ervan.

  Art. 9. De publieke overheden en de verenigingen van uitleeninstellingen kunnen beslissen de verplichtingen bepaald in artikel 7, § 1, te vervullen in plaats van de uitleeninstellingen.
  Wanneer de publieke overheden en/of de verenigingen van uitleeninstellingen gebruik maken van deze mogelijkheid, betalen zij aan de beheersvennootschap, hetzij het bedrag, bepaald in artikel 4, § 1, 2°, hetzij het totale bedrag van de vergoeding voor openbare uitlening bepaald in artikel 4, § 1, 1° en 2°, verschuldigd voor het geheel van die uitleeninstellingen.
  In dat geval, doet de beheersvennootschap de kennisgeving, bepaald in artikel 8, aan de publieke overheden en aan de verenigingen van uitleeninstellingen voor wat die uitleeninstellingen betreft.

  Art. 10. § 1. De uitleeninstellingen, de gemeenschappen of, indien zij gebruik maken van de mogelijkheid, bepaald in artikel 9, eerste lid, de publieke overheden en de verenigingen van uitleeninstellingen verstrekken aan de beheersvennootschap op haar verzoek de gegevens die nodig zijn voor de inning van de vergoeding voor openbare uitlening.
  § 2. De beheersvennootschap doet in het verzoek opgave van :
  1° de rechtsgronden van de aanvraag;
  2° de gevraagde gegevens;
  3° de redenen en het doel van het verzoek;
  4° de termijn binnen welke de gevraagde gegevens moeten worden aangeleverd; deze mag niet minder dan twintig dagen bedragen te rekenen vanaf de ontvangst van het verzoek;
  5° de sancties, bepaald met toepassing van artikel 80, vijfde lid, van de wet, in het geval dat de toegestane termijn niet zou worden gerespecteerd of in het geval dat onvolledigde of kennelijk onjuiste inlichtingen zouden worden gegeven.
  § 3. De gegevens, verkregen als antwoord op een verzoek, mogen niet voor andere doeleinden of om andere redenen worden aangewend dan die omschreven in het verzoek.
  De uitleeninstellingen, de publieke overheden of de verenigingen van uitleeninstellingen, indien deze laatsten gebruik gemaakt hebben van de mogelijkheid bepaald in artikel 9, eerste lid, kunnen op grond van het verzoek om gegevens aan te leveren niet worden verplicht te erkennen dat zij de wet hebben overtreden of daaraan participeerden.
  De termijn, bepaald in artikel 10, § 2, 4°, begint slechts te lopen wanneer het verzoek om inlichtingen aan de bestemmeling werd betekend bij aangetekende zending met ontgangstbewijs.
  De Minister kan de inhoud, het aantal en de frequentie van de verzoeken om gegevens, op zodanige wijze bepalen dat de activiteiten van de ondervraagde entiteiten niet meer dan nodig worden gehinderd.

  Art. 11. § 1. De uitleeninstellingen, de gemeenschappen of, indien zij gebruik maken van de mogelijkheid bepaald in artikel 9, eerste lid, de publieke overheden en de verenigingen van uitleeninstellingen verstrekken aan de beheersvennootschap op haar verzoek de gegevens die nodig zijn voor de verdeling van de vergoeding voor openbare uitlening.
  § 2. De beheersvennootschap doet in het verzoek opgave van :
  1° de rechtsgronden van het verzoek;
  2° de gevraagde gegevens;
  3° de redenen en het doel van het verzoek;
  4° de periode tijdens welke de gegevens moeten worden aangeleverd; deze mag niet meer dan twintig dagen per kalenderjaar bedragen;
  5° de termijn binnen dewelke de gevraagde gegevens moeten worden verstrekt; deze periode kan niet korter zijn dan twintig dagen vanaf de ontvangst van het verzoek.
  § 3. De uitleeninstelling, de gemeenschappen of, de publieke overheden en de verenigingen van uitleeninstellingen indien zij gebruik maken van de mogelijkheid bepaald in artikel 9, eerste lid, kunnen op grond van het verzoek om gegevens aan te leveren niet worden verplicht te erkennen dat zij de wet hebben overtreden of daar aan participeerden.
  De termijn, bepaald in artikel 11, § 2, 5°, begint slechts te lopen wanneer het verzoek om inlichtingen aan de bestemmeling werd betekend bij aangetekende zending met ontvangstbewijs.
  § 4. De gegevens verkregen als antwoord op een verzoek mogen niet voor andere doeleinden of om andere redenen worden aangewend dan voor de verdeling van de vergoeding voor openbare uitlening.
  De Minister kan de inhoud, het aantal en de frequentie van de verzoeken om gegevens, op zodanige wijze bepalen dat de activiteiten van de ondervraagde entiteiten niet meer dan nodig worden gehinderd.

  Art. 12. De artikelen 4, 9, 10, 11 en 15, zijn toepasselijk op een vereniging van uitleeninstellingen op voorwaarde dat de collecties of de uitleningen van deze instellingen minstens 10 procent van de globale collectie of van de globale uitleningen van alle uitleeninstellingen van de gemeenschap waaronder de door de betrokken vereniging vertegenwoordigde instellingen vallen, vertegenwoordigen.
  De artikelen 4, 9, 10, 11 en 15, zijn toepasselijk op een publieke overheid op voorwaarde dat de collecties of de uitleningen van de uitleeninstellingen die onder deze publieke overheid vallen, minstens 10 procent vertegenwoordiden van de globale collectie of van de globale uitleningen van alle uitleeninstellingen van de gemeenschap die bevoegd is voor de uitleeninstellingen die onder de betrokken publieke overheid vallen.
  De uitleeninstellingen die onder de bevoegdheid van de federale staat vallen, worden niet door het eerste en tweede lid beoogd.

  Art. 13. De beheersvennootschap maakt elk jaar een verslag op van de inning en de verdeling van de vergoedingen voor openbare uitlening door de beheersvennotschap en door de beheersvennootschappen die zij vertegenwoordigt. De Minister kan de vorm en de inhoud van dit verslag bepalen.
  Dit verslag wordt uiterlijk op 30 juni van elk jaar voorgelegd aan de Minister en de gemeenschappen, en betreft de inningen en verdelingen verricht tijdens het voorgaande kalenderjaar.

  Art. 14. Het koninklijk besluit van 25 april 2004 betreffende de vergoedingsrechten voor openbare uitlening van de auteurs, vertolkende of uitvoerende kunstenaars, producenten van fonogrammen en producenten van eerste vastleggingen van films wordt ingetrokken.

  Art. 15. Dit besluit heeft uitwerking met ingang van 1 januari 2004.
  § 1. In afwijking van de artikelen 4, § 6, en 7 tot 9, en onverminderd de reeds betaalde bedragen voor de referentieperiodes van 1 januari 2004 tot 31 december 2012 :
  1. gebeuren de aangiftes die voorzien zijn in artikel 7 voor elke referentieperiode van 1 januari 2004 tot 31 december 2012 centraal door elke gemeenschap voor het geheel van de uitleeninstellingen die onder hun respectievelijk bevoegdheid vallen, en dit overeenkomstig § 2;
  2. indien de betalingen voor elke referentieperiode van 1 januari 2004 tot 31 december 2012 niet centraal gebeuren door een gemeenschap voor het geheel van de uitleeningstellingen die onder haar bevoegdheid vallen, gebeuren deze betalingen voor het geheel van de uitleeninstellingen die onder de bevoegdheid van de bettrefende gemeenschap vallen volgens een gecoördineerde betalingsprocedure die opgericht is door deze gemeenschap met de andere publieke overheden en de verenigingen van uitleeninstellingen.
  Een spreiding van de betalingen over 3 jaar kan voorzien worden. Deze spreiding kan met andere publieke overheden gecoördineerd worden.
  § 2. Voor elke referentieperiode tussen 1 januari 2004 en 31 december 2009 moeten de betreffende gemeenschappen, voor rekening van de uitleeninstellingen die onder hun bevoegdheid vallen, bij aangetekende zending met ontvangstbewijs, een gecentralisserde aangifte aan de beheersvennootschap zenden, zowel op het stuk van de collecties als van de uitleningen, binnen een termijn van tweehonderdtwintig dagen te rekenen vanaf de publicatie van dit besluit in het Belgisch Staatsblad.
  Voor elke referentieperiode tussen 1 januari 2010 en 31 december 2011 moeten de betreffende gemeenschappen, voor rekening van de uitleeninstellingen die onder hun bevoegdheid vallen, bij aangetekende zending met ontvangstbewijs, een gecentraliseerde aangifte aan de beheersvennootschap zenden, zowel op het stuk van de collecties als van de uitleningen, binnen een termijn van tachtig dagen te rekenen vanaf de publicatie van dit besluit in het Belgisch Staatsblad.
  Voor de referentieperiode tussen 1 januari en 31 december 2012 moeten de betreffende gemeenschappen, voor rekening van de uitleeninstellingen die onder hun bevoegdheid vallen, bij aangetekende zending met ontvangstbewijs een gecentraliseerde aangifte aan de beheersvennootschap zenden, zowel op het stuk van de collecties als van de uitleningen, binnen een termijn van tweehonderdtwintig dagen te rekenen vanaf de eerste dag die volgt op die referentieperiode.
  § 3. De door de betreffende gemeenschappen te betalen vergoedingen, vastgesteld met toepassing van dit besluit wat de collecties en uitleningen betreft, worden omwille van de gecentraliseerde aangifte en betaling door die gemeenschappen, forfaitair verminderd met 5 procent voor de betreffende periodes, onverminderd artikel 4, § 6.

  Art. 16. Twee jaar na de bekendmaking van dit besluit in het Belgisch Staatsblad , en vervolgens om de vier jaar, publiceert de Minister een verslag in het Belgisch Staatsblad over de toepassing van dit besluit.

  Art. 17. De minister bevoegd voor het auteursrecht, is belast met de uitvoering van dit besluit.
  
  Gegeven te Brussel, 13 december 2012.
  ALBERT
  Van Koningswege :
  De Minister van Economie,
  J. VANDE LANOTTE

Aanhef Tekst Inhoudstafel Begin
   ALBERT II, Koning der Belgen,
   Aan allen die nu zijn en hierna wezen zullen, Onze Groet.
   Gelet op de wet van 30 juni 1994 betreffende het auteursrecht en de naburige rechten, artikel 23, § 2, tweede lid, artikel 47, § 2, tweede lid en artikel 63;
   Gelet op het koninklijk besluit van 25 april 2004 betreffende de vergoedingsrechten voor openbare uitlening van de auteurs, vertolkende of uitvoerende kunstenaars, producenten van fonogrammen en producenten van eerste vastleggingen van films;
   Gelet op het advies van de Vlaamse Gemeenschapscommissie gegeven op 9 augustus 2012;
   Gelet op het advies van de Duitse Gemeenschap gegeven op 5 september 2012;
   Gelet op het advies van " Union des Viles et des Communes " gegeven op 10 september 2012;
   Gelet op het advies van Vereniging van Vlaamse Steden en Gemeenten gegeven op 11 september 2012;
   Gelet op het advies van " Conseil du Livre " gegeven op 13 september 2012;
   Gelet op het advies van " médiathèque de la Communauté française " gegeven op 13 september 2012;
   Gelet op het advies van " Association des Provinces wallonnes " gegeven op 13 september 2012;
   Gelet op het advies van Reprobel gegeven op 13 september 2012;
   Gelet op het advies van " Conseil des Bibliothèques publiques " gegeven op 14 september 2012;
   Gelet op het advies van Vlaamse Vereniging voor bibliotheek, archief & documentatie gegeven op 14 september 2012;
   Gelet op het advies van Bibnet gegeven op 17 september 2012;
   Gelet op het advies van de Franse Gemeenschap gegeven op 19 september 2012;
   Gelet op het advies van " Association professionnelle de bibliothécaires et de bibliothèques " gegeven op 19 september 2012;
   Gelet op het advies van Auvibel gegeven op 19 september 2012;
   Gelet op het advies van de Vlaamse Gemeenschap gegeven op 21 september 2012;
   Gelet op het advies van de Inspecteur van Financiën, gegeven op 10 oktober 2012;
   Gelet op het advies 52.265/2 van de Raad van State, gegeven op 12 november 2012 met toepassing van artikel 84, § 1, eerste lid, 1°, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;
   Overwegende dat ingevolge artikel 2.1.b) van de Richtlijn 2006/115/EG van het Europees Parlement en de Raad van 12 december 2006 betreffende het verhuurrecht, het uitleenrecht en bepaalde naburige rechten op het gebied van intellectuele eigendom, het begrip " uitlening " betrekking heeft op het voor gebruik ter beschikking stellen van beschermde werken of prestaties voor een beperkte tijd en zonder direct of indirect economisch of commercieel voordeel, indien dat plaatsvindt via voor het publiek toegankelijke instellingen;
   Overwegende dat het begrip " uitlening " niet van toepassing is op bepaalde vormen van terbeschikkingstelling van beschermde werken of prestaties, bijvoorbeeld het ter beschikking stellen van fonogrammen of films voor een publieke vertoning of uitzending, het ter beschikking stellen voor een tentoonstelling of het ter beschikking stellen voor raadpleging ter plaatse; dat " uitlening " niet het ter beschikking stellen tussen voor het publiek toegankelijke instellingen onderling omvat (considerans 10 van de Europese Richtlijn 2006/115/EG);
   Overwegende dat een verlenging van de oorspronkelijke duur van de uitlening van het beschermde werk of prestatie door een instelling aan een lener, niet kan worden beschouwd als een nieuwe uitlening;
   Overwegende dat het begrip " uitleeninstelling " in de zin van de artikelen 23 en 47 van de wet van 30 juni 1994, rechtspersonen van publiek recht of privaat recht omvat die in bepaalde gevallen meerdere vestigingen kunnen omvatten;
   Overwegende dat de termijn van twee maanden, voorzien in artikel 3 van dit koninklijk besluit, niet kan beginnen te lopen dan vanaf het moment van de eerste verspreiding aan het publiek van het werk; dat een handeling van mededeling aan het publiek, zoals een voorstelling in een bioscoopzaal, een uitzending via omroep of een online terbeschikkingstelling, de termijn van twee maanden voorzien in dit artikel, niet op gang brengt;
   Overwegende dat volgens het arrest C-271/10 van 30 juni 2011 van het Hof van Justitie van de Europese Unie, hierna het " HvJEU ", het begrip " vergoeding ", bedoeld in artikel 6, § 1, van de Europese Richtlijn 2006/115/EG, enerzijds het aantal beschermde materialen die door de uitleeninstellingen voor uitlening ter beschikking worden gesteld in aanmerking moet nemen, en anderzijds, het aantal leners ingeschreven bij elke uitleeningstelling;
   Overwegende dat het criterium van het aantal ingeschreven leners wordt vervangen en verfijnd door het criterium van het aantal uitleningen door de uitleeninstellingen; dat dit criterium een objectiever beeld geeft van het nadeel geleden door de rechthebbenden; dat door dit criterium enerzijds de uitleenactiviteit van deze instellingen beter kan worden beoordeeld, en anderzijds de praktische problemen kunnen worden vermeden, die ontstaan door de toepassing van het criterium van het aantal ingeschreven uitleners (dubbele inschrijving, collectieve gebruikers, enz.);
   Overwegende dat ingevolge dit arrest van het HvJEU het koninklijk besluit van 25 april 2004 betreffende de vergoedingsrechten voor openbare uitlening van de auteurs, vertolkende of uitvoerende kunstenaars, producenten van fonogrammen en producenten van eerste vastleggingen van films, moet worden ingetrokken en vervangen door dit besluit;
   Overwegende dat het begrip " collectie " van de uitleeninstellingen betrekking heeft op het geheel van de werken en/of prestaties die door een uitleeningstelling worden bijgehouden;
   Overwegende dat een collectie kan bestaan uit werken en/of prestaties die tot het publieke domein behoren en beschermde werken en/of prestaties;
   Overwegende dat een collectie ook werken en/of prestaties kan bevatten die niet ter beschikking worden gesteld door de instellingen zodat de uitlening ervan niet mogelijk is en die bijgevolg niet aan de vergoeding voor openbare uitlening onderworpen zijn;
   Overwegende dat bij de bepaling van de tarieven voor de vergoeding voor openbare uitlening alleen rekening mag worden gehouden met de werken en/of de prestaties die onderworpen zijn aan de vergoeding voor openbare uitlening; dat met het oog op administratieve vereenvoudiging en vlotte controle, het volume van de werken en/of prestaties in de collecties die niet aan een vergoeding voor openbare uitlening onderworpen zijn moet worden vastgesteld ofwel op basis van een gecentraliseerd en geautomatiseerd gegevensregistratiesysteem, ofwel op forfaitaire wijze;
   Overwegende dat de vergoeding voor openbaar uitlening is samengesteld uit een forfaitaire vergoeding gebaseerd op de omvang van de collectie die wordt gehouden door een uitleeninstelling en uit een evenredige vergoeding gebaseerd op het aantal uitleningen die door een uitleeninstelling worden uitgevoerd; dat de forfaitaire vergoeding bepaald is voor zes categorieën van omvang van de collectie; dat de progressiviteit van dit forfaitaire bedrag afneemt ten einde de solidariteit tussen de verschillende uitleeninstellingen te versterken en te zorgen voor de betaling van een redelijk bedrag;
   Overwegende dat de tarieven van de vergoedingen voor openbare uitlening in dit koninklijk besluit worden bepaald voor verschillende periodes. De eerste periode betreft het referentiejaar van 1 januari 2004 tot 31 december 2012 teneinde de rechtszekerheid voor derden te garanderen. De tweede periode betreft het referentiejaar van 1 januari 2013 tot 31 december 2017 teneinde de tarieven te herwaarderen. Ten laatste, de derde periode betreft de referentieperiode 2018 en de volgende referentiejaren;
   Overwegende dat het besluit voorziet dat de betalingsverplichting, evenals de daarbijhorende aangifteverplichting, geheel of ten dele kunnen worden ten laste genomen door de publieke overheden of de verenigingen van uitleeninstellingen; dat om de vergoedingsplichtige entiteiten aan te zetten zoveel als mogelijk hun verplichtingen te centraliseren teneinde de efficiënte inning van de vergoedingen maximaal te waarborgen, wordt voorzien in een aantal forfaitaire verminderingen van de te betalen vergoedingen;
   Overwegende dat een forfaitaire bedrag wordt voorzien voor een gemeenschap, wanneer de uitleenactiviteit van de uitleeninstellingen die onder de bevoegdheid vallen van deze gemeenschap 1 percent van het globaal jaarvolume van de openbare uitleningen van alle uitleeninstellingen op het Belgische grondgebied niet overschrijdt;
   Overwegende dat volgens artikel 6, § 1, van de Europese Richtlijn 2006/115/EG, de lidstaten de mogelijkheid hebben om de verdoeding voor openbare uitlening vast te stellen met inachtneming van hun doelstellingen voor bevordering van culturele activiteiten;
   Op de voordracht van de Minister van Economie,
   Hebben Wij besloten en besluiten Wij :

Begin Eerste woord Laatste woord Aanhef
Inhoudstafel
Franstalige versie