J U S T E L     -     Geconsolideerde wetgeving
Einde Eerste woord Laatste woord Wijziging(en) Aanhef
Verslag aan de Koning Inhoudstafel 4 uitvoeringbesluiten 2 gearchiveerde versies
Handtekening Einde Franstalige versie
 
belgiëlex . be     -     Kruispuntbank Wetgeving
Raad van State
ELI - Navigatie systeem via een Europese identificatiecode voor wetgeving
http://www.ejustice.just.fgov.be/eli/besluit/2011/07/11/2011014189/justel

Titel
11 JULI 2011. - Koninklijk besluit betreffende de veiligheidsinrichtingen aan overwegen op de spoorwegen
(NOTA : Raadpleging van vroegere versies vanaf 20-07-2011 en tekstbijwerking tot 01-12-2017)

Bron : MOBILITEIT EN VERVOER
Publicatie : 20-07-2011 nummer :   2011014189 bladzijde : 42876   BEELD
Dossiernummer : 2011-07-11/01
Inwerkingtreding : 30-07-2011

Inhoudstafel Tekst Begin
HOOFDSTUK 1. - Definities
Art. 1
HOOFDSTUK 2. - Toepassingsgebied
Art. 2
HOOFDSTUK 3. - Veiligheidsinrichtingen
Afdeling 1. - Overwegen met actieve signalisatie
Art. 3-5
Afdeling 2. - Overwegen met passieve signalisatie
Art. 6, 6/1
Afdeling 3. - Privé-overwegen
Art. 7-8
Afdeling 4. - Algemene schikkingen en afwijkingen
Art. 9-10
HOOFDSTUK 4. - Signalisatieprocedure
Art. 11-13
HOOFDSTUK 5. - Controles
Art. 14
HOOFDSTUK 6. - Opheffings- en overgangsbepalingen
Art. 15-16
HOOFDSTUK 7. - Slotbepalingen
Art. 17-18

Tekst Inhoudstafel Begin
HOOFDSTUK 1. - Definities

  Artikel 1.Voor de toepassing van de bepalingen van dit besluit wordt verstaan onder :
  1° "openbare overweg" : de gelijkgrondse, gehele of gedeeltelijke kruising van een openbare weg door een of meer buiten de rijbaan aangelegde sporen;
  2° "spoorwegbeheerder" : de privaatrechtelijke of publiekrechtelijke rechtspersoon of natuurlijke persoon die door of krachtens de wet is belast met het beheer en het onderhoud of de vernieuwing van de spoorweginfrastructuur op de lijn of de aansluiting waar zich een overweg bevindt, of bij ontstentenis van die rechtspersoon of natuurlijke persoon, de eigenaar van de spoorweg of van de aansluiting waar de overweg zich bevindt;
  3° "privé-overweg" : de gelijkgrondse, gehele of gedeeltelijke kruising van een openbare weg of privé-weg door een of meer buiten de rijbaan aangelegde sporen, en die in het belang van particulieren werd gecreëerd;
  [1 3° /1 "vergrendelingsmechanisme": een mechanisme dat waarborgt dat, door middel van een slot of een gelijkwaardig alternatief, onbevoegden de overweg niet kunnen gebruiken;]1
  4° "overweg met actieve signalisatie" : een overweg waarvan de signalisatie de gebruikers van deze overweg verwittigt van het naderen en/of van de doortocht van een trein;
  5° "overweg met passieve signalisatie" : een overweg waarvan de signalisatie de gebruikers van deze overweg niet verwittigt van het naderen noch van de doortocht van een trein;
  [1 5° /1 "systeem met afsluiting": of een systeem met volledige afsluiting, of een systeem met gedeeltelijke afsluiting, en/of een bijkomend afsluitsysteem voor voetgangers en fietsers, zoals beschreven hieronder;]1
  6° "systeem met volledige afsluiting" : een systeem dat zich aan weerszijden van het spoor of de sporen bevindt en dat de openbare weg of de privé-weg volledig afsluit;
  7° "systeem met gedeeltelijke afsluiting" : een systeem dat zich aan weerszijden van het spoor of de sporen bevindt en dat de openbare weg of de privé-weg gedeeltelijk afsluit;
  8° "bijkomend afsluitsysteem voor voetgangers en fietsers" : een systeem dat zich aan een zijde van het spoor of de sporen bevindt en dat een voetpad of fietspad of beide samen volledig afsluit;
  9° "obstakeldetectiesysteem" : een systeem dat toelaat te detecteren dat geen enkel obstakel zich bevindt aan de binnenkant van een overweg die door een systeem met volledige afsluiting wordt beschermd;
  10° "veiligheidsinrichting" : ieder element bedoeld om het risico op een botsing of een ongeval op een overweg te voorkomen en waarvan de toepassing is opgelegd door wettelijke of reglementaire bepalingen of bepalingen met individuele strekking, met inbegrip van de signalisatie;
  11° "verkeerslicht dat de overgang verbiedt" : het verkeersknipperlicht zoals bepaald in artikel 64.2 van de wegcode;
  12° "verkeerslicht dat de overgang toestaat" : het verkeersknipperlicht zoals bepaald in artikel 64.3 van de wegcode;
  13° "verkeersbord" : het verkeersbord zoals bepaald in de artikelen 65 en volgende van de wegcode;
  14° "aanwijzingsbord" : het verkeersbord van categorie F zoals bedoeld in artikel 71 van de wegcode;
  15° "Minister" : de minister die het spoorvervoer onder zijn bevoegdheid heeft;
  16° "wegcode" : het koninklijk besluit van 1 december 1975 houdende algemeen reglement op de politie van het wegverkeer en van het gebruik van de openbare weg;
  17° "administratie" : de Federale Overheidsdienst Mobiliteit en Vervoer.
  ----------
  (1)<KB 2017-11-21/05, art. 1, 003; Inwerkingtreding : 11-12-2017>

  HOOFDSTUK 2. - Toepassingsgebied

  Art. 2.§ 1. Zijn onderworpen aan de bepalingen van dit besluit, de overwegen gelegen op :
  1° de spoorwegen die onder de bevoegdheid vallen van de spoorweginfrastructuurbeheerder bedoeld in [2 de wet van 30 augustus 2013 houdende de Spoorcodex]2;
  2° de buiten dienst gestelde lijnen die eigendom zijn van de [1 NMBS of Infrabel]1 en die met het oog op hun toeristische exploitatie aan derden zijn vergund;
  3° de private spoorwegen en private aansluitingen, bestemd voor het goederenvervoer;
  4° de spoorwegen en aansluitingen die uitsluitend zijn voorbehouden voor militair gebruik.
  § 2. Dit besluit is niet van toepassing op :
  1° metro, tram en andere systemen van stadsvervoer en regionaal spoorvervoer door middel van light rail en andere spoorgebonden modi, voor zover deze geen gebruik maken van het spoorwegnet;
  2° oversteekplaatsen van sporen in de stations en aan onbewaakte stopplaatsen;
  3° spoorwegen met een spoorbreedte van minder dan één meter.
  ----------
  (1)<KB 2013-12-11/03, art. 58, 002; Inwerkingtreding : 01-01-2014 of op een latere door de Koning te bepalen datum, maar ten laatste op 1 april 2014>
  (2)<KB 2017-11-21/05, art. 2, 003; Inwerkingtreding : 11-12-2017>

  HOOFDSTUK 3. - Veiligheidsinrichtingen

  Afdeling 1. - Overwegen met actieve signalisatie

  Art. 3.De overwegen met actieve signalisatie zijn aan weerszijden en rechts van de overweg uitgerust met de volgende veiligheidsinrichtingen :
  1° het verkeersbord A 45 of A 47;
  2° [1 a) het verkeerslicht dat de overgang verbiedt en/of b) de verkeerslichten zoals bedoeld in de artikels 61 tot 64.1 van de Wegcode.]1
  ----------
  (1)<KB 2017-11-21/05, art. 3, 003; Inwerkingtreding : 11-12-2017>

  Art. 4. Diezelfde overwegen kunnen met de volgende veiligheidsinrichtingen uitgerust worden :
  1° a) het systeem met volledige afsluiting uitgerust met een obstakeldetectiesysteem of b) het systeem met gedeeltelijke afsluiting;
  2° een of meerdere bijkomende afsluitsystemen voor voetgangers en fietsers;
  3° een of meerdere geluidsseinen. De Minister kan beslissen om de geluidssterkte van deze geluidsseinen te verminderen of om vrijstelling te verlenen van de werking ervan tijdens de tijdspannes die hij bepaalt;
  4° een of meerdere bijkomende verkeersborden A 45 of A 47;
  5° een of meerdere bijkomende verkeerslichten die de overgang verbieden;
  6° voor elk verkeerslicht dat de overgang verbiedt, een verkeerslicht dat de overgang toestaat.

  Art. 5. De andere verkeerslichten dan deze gedefinieerd in artikel 1, 11° en 12° zijn gesynchroniseerd met het spoorwegverkeer.

  Afdeling 2. - Overwegen met passieve signalisatie

  Art. 6.[1 Overwegen met passieve signalisatie zijn aan weerszijden en rechts van de overweg uitgerust ofwel met het verkeersbord A 45 ofwel met het verkeersbord A 47.]1
  ----------
  (1)<KB 2017-11-21/05, art. 4, 003; Inwerkingtreding : 11-12-2017>

  Art. 6/1. [1 Dezelfde overwegen kunnen met een of meerdere bijkomende verkeersborden A 45 of A 47 uitgerust worden.]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij KB 2017-11-21/05, art. 5, 003; Inwerkingtreding : 11-12-2017>
  

  Afdeling 3. - Privé-overwegen

  Art. 7.§ 1. Iedere privé-overweg wordt aan weerszijden en rechts van de privé-overweg aangekondigd met een aanwijzingsbord met de vermelding " privé-overweg ".
  § 2. De privé-overwegen zijn uitgerust :
  1° ofwel met een signalisatie zoals bedoeld in afdeling 1 die kan worden vervolledigd met een systeem dat de overweg geheel afsluit;
  2° ofwel met een signalisatie zoals bedoeld in afdeling 2 die kan worden vervolledigd met een systeem dat de overweg geheel afsluit.
  [1 § 3. Wanneer een privé-overweg is uitgerust met een systeem dat de overweg geheel afsluit, moet het systeem worden gesloten en vergrendeld door middel van een vergrendelingsmechanisme na elke overschrijding, door de particulier voor wie de privé-overweg nodig is.]1
  ----------
  (1)<KB 2017-11-21/05, art. 6, 003; Inwerkingtreding : 11-12-2017>

  Art. 8. De privé-overwegen met actieve of passieve signalisatie kunnen op afstand worden gesignaleerd :
  1° ofwel met een verkeersbord A 41 indien de privé-overweg is uitgerust met een systeem dat de overweg geheel of gedeeltelijk afsluit;
  2° ofwel met een verkeersbord A 43 indien de privé-overweg niet is uitgerust met een systeem dat de overweg geheel of gedeeltelijk afsluit.

  Afdeling 4. - Algemene schikkingen en afwijkingen

  Art. 9.[1 § 1. De gebruikers van de openbare weg of van de privé-weg nemen de in dit besluit beschreven signalisatie in acht zodra zij regelmatig naar de vorm en voldoende zichtbaar is.
   § 2. Het personeel van de spoorwegbeheerder mag aan de gebruikers van de openbare- of van de privé-weg een verbod opleggen om een overweg te overschrijden, aan de hand van een verkeersbord C3 en/of C19.
   § 3. In het bijzonder, ingeval van storing van de actieve signalisatie, respecteren de gebruikers van de openbare- of van de privé-weg de bevelen van het personeel van de spoorwegbeheerder, die ertoe strekken gevaarlijke situaties, exploitatieongevallen of ongevallen waarbij zijzelf of anderen betrokken zijn te voorkomen.
   Het personeel van de spoorwegbeheerder maakt hierbij gebruik van een verkeersbord C3 en/of C19 naargelang het geval.]1
  ----------
  (1)<KB 2017-11-21/05, art. 7, 003; Inwerkingtreding : 11-12-2017>

  Art. 10. De overwegen aangelegd in de zee- of rivierhavens en in de industriezones moeten niet met veiligheidsinrichtingen worden uitgerust.
  Evenwel, rekening houdende met de plaatsgesteldheid en de gevaren die ze met zich meebrengt, kan de Minister de plaatsing van veiligheidsinrichtingen opleggen.

  HOOFDSTUK 4. - Signalisatieprocedure

  Art. 11. § 1. De Minister bepaalt de veiligheidsinrichtingen van een openbare of privé-overweg overeenkomstig hoofdstuk 3 en hij bepaalt de termijn binnen dewelke de veiligheidsinrichtingen moeten worden geplaatst.
  § 2. De Minister kan technische normen aannemen met betrekking tot de veiligheidsinrichtingen.

  Art. 12. § 1. De dossiers waarin de aanleg, de wijziging of de afschaffing van een veiligheidsinrichting met betrekking tot een openbare of privéoverweg wordt voorgesteld, worden door de betrokken spoorwegbeheerder bij de Minister ingediend.
  § 2. Dit dossier bevat alle informatie, met inbegrip van een schets van de plaatsgesteldheid, die nodig is voor de analyse van het voorstel en voor de beslissing door de Minister.

  Art. 13. § 1. De spoorwegbeheerder brengt de beheerder van de openbare weg of de privé-weg op de hoogte van iedere wijziging van de veiligheidsinrichtingen van een bestaande openbare of privé-overweg en dit vóór de uitvoering van deze wijziging.
  § 2. De spoorwegbeheerder die plant voor zijn rekening werken uit te voeren of te laten uitvoeren die tijdelijk het verkeer op de openbare of privé-overweg zullen hinderen, brengt hiervan de beheerder van de openbare weg en/of de particulieren, op wiens vraag de privé-overweg werd gecreëerd, ten minste vijf weken vóór de voorziene datum van de hinder op de hoogte. Hij deelt ook de voorziene duur van de hinder mee.

  HOOFDSTUK 5. - Controles

  Art. 14.§ 1. [1 De administratie en de spoorwegbeheerder voeren gezamenlijk periodieke controles uit van alle overwegen. Deze controle houdt een visuele verificatie in van de conformiteit van de veiligheidsinrichtingen aan de bepalingen van dit besluit en zijn uitvoeringsbesluiten en geeft aanleiding tot het opstellen van een schriftelijk verslag.]1
  § 2. Naast deze gezamenlijke periodieke controles, kan de administratie, op elk moment, overgaan tot het uitvoeren van een visuele controle van de veiligheidsinrichtingen van een overweg. Deze controle geeft aanleiding tot het opstellen van een schriftelijk verslag. De administratie informeert de spoorwegbeheerder over de vaststellingen en bepaalt de termijn binnen dewelke de gepaste maatregelen moeten genomen zijn.
  ----------
  (1)<KB 2017-11-21/05, art. 8, 003; Inwerkingtreding : 11-12-2017>

  HOOFDSTUK 6. - Opheffings- en overgangsbepalingen

  Art. 15. Het koninklijk besluit van 2 augustus 1977 betreffende de veiligheidsinrichtingen en de signalisatie van overwegen wordt opgeheven.

  Art. 16. De ministeriële besluiten aangenomen krachtens artikel 21 van het koninklijk besluit van 2 augustus 1977 betreffende de veiligheidsinrichtingen en de signalisatie van overwegen worden van rechtswege opgeheven tien jaar na de inwerkingtreding van dit besluit.

  HOOFDSTUK 7. - Slotbepalingen

  Art. 17. Het vervangen, de wijziging of de afschaffing van een veiligheidsinrichting van een openbare of privé-overweg is van rechtswege volledig onderworpen aan de bepalingen van dit besluit.

  Art. 18. De Minister bevoegd voor het Wegverkeer en de Minister bevoegd voor Spoorvervoer zijn, ieder wat hem betreft, belast met de uitvoering van dit besluit.
  
  

Handtekening Tekst Inhoudstafel Begin
   Gegeven te Brussel, 11 juli 2011.
ALBERT
Van Koningswege :
De Eerste Minister,
Y. LETERME
De Staatssecretaris voor Mobiliteit,
E. SCHOUPPE

Aanhef Tekst Inhoudstafel Begin
   ALBERT II, Koning der Belgen,
   Aan allen die nu zijn en hierna wezen zullen, Onze Groet.
   Gelet op de wet van 12 april 1835 betreffende het tolgeld en de reglementen van de spoorwegpolitie, artikel 2, geïnterpreteerd door de wet van 11 maart 1866;
   Gelet op de wet van 23 juli 1926 betreffende NMBS Holding en haar verbonden vennootschappen, artikel 17, vervangen door de wet van 1 augustus 1960 en gewijzigd door het koninklijk besluit van 18 oktober 2004;
   Gelet op de wet betreffende de politie over het wegverkeer gecoördineerd op 16 maart 1968, artikel 1, eerste lid;
   Gelet op het koninklijk besluit van 2 augustus 1977 betreffende de veiligheidsinrichtingen en de signalisatie van overwegen, gewijzigd bij koninklijk besluit van 20 december 2007;
   Gelet op de omstandigheid dat de gewestregeringen bij het ontwerp van dit besluit betrokken zijn;
   Gelet op het advies nr. 49.725/4 van de Raad van State, gegeven op 14 juni 2011, met toepassing van artikel 84, § 1, eerste lid, 1°, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;
   Op de voordracht van de Eerste Minister en de Staatssecretaris voor Mobiliteit,
   Hebben Wij besloten en besluiten Wij :

Wijziging(en) Tekst Inhoudstafel Begin
BEELD
  • KONINKLIJK BESLUIT VAN 21-11-2017 GEPUBL. OP 01-12-2017
    (GEWIJZIGDE ART. : 1; 2; 3; 6; 6/1; 7; 9; 14)
  • BEELD
  • KONINKLIJK BESLUIT VAN 11-12-2013 GEPUBL. OP 16-12-2013
    (GEWIJZIGD ART. : 2)

  • Verslag aan de Koning Tekst Inhoudstafel Begin
       VERSLAG AAN DE KONING
       Sire,
       Ik heb de eer uwe Majesteit een ontwerp van koninklijk besluit ter ondertekening voor te leggen dat tot doel heeft het koninklijk besluit van 2 augustus 1977 betreffende de veiligheidsinrichtingen en de signalisatie van overwegen op te heffen en nieuwe reglementaire bepalingen in deze materie aan te nemen.
       1. Algemeenheden
       Deze bepalingen vervolledigen het kader van de strijd tegen ongevallen aan overwegen.
       Ze beogen de verbetering van de signalisatie aan overwegen en de vermindering van bepaalde administratieve belemmeringen bij de aanleg, het beheer en de afschaffing van privé-overwegen.
       Wat de verbetering van de signalisatie betreft, is gebleken dat de categorisering van overwegen (van 1 tot 5) niet de diversiteit van de ondervonden situaties weergaf en weinig praktisch belang had bij de sensibilisering van de openbare weggebruikers en bij het openbaar preventiebeleid tegen ongevallen, gevoerd door de Staat en door de NV van publiek recht Infrabel (hierna te noemen " Infrabel ").
       Terwijl de Minister een ruime appreciatiemarge behoudt, hergroepeert het voorgestelde koninklijk besluit de overwegen in twee voor de openbare weggebruiker belangrijke categorieën : diegene voorzien van een actieve signalisatie tegenover diegene voorzien van een passieve signalisatie.
       Wat betreft de privé-overwegen, kenden verouderde bepalingen aan de Minister de mogelijkheid toe om de aanleg van privé-overwegen te vergunnen en de signalisatie en de gebruiksvoorwaarden ervan te bepalen.
       Die bepalingen lieten vroeger de Minister toe de aanleg te vergunnen van een overwegeninfrastructuur op het openbaar en staatsdomein waarvan de spoorwegen deel uitmaken, en dit voor privé-doeleinden.
       Door de toekenning aan Infrabel van een taak van openbare dienst die tot voorwerp heeft " de verwerving, de bouw, de vernieuwing, het onderhoud en het beheer van de spoorweginfrastructuur ", heeft de wet van 21 maart 1991 (artikel 199, 1°) betreffende de hervorming van sommige economische overheidsbedrijven die bepalingen definitief verouderd gemaakt.
       Sindsdien komt het aan Infrabel toe, in voorkomend geval, de aanleg te vergunnen van een overweg die dient voor het gebruik door particulieren voor zover dit het algemeen belang van het spoorwegverkeer niet in het gedrang brengt.
       Het komt dus aan de Koning toe om zijn reglementering in die zin te wijzigen. Voor het overige blijft het reglementair kader op de politie van het weg- en spoorverkeer behouden ten aanzien van de overwegen die op die sporen zijn aangelegd op vraag van particulieren, maar die over het algemeen toegankelijk zijn voor het publiek.
       2. Toelichtingen bij de bepalingen
       Het eerste hoofdstuk betreffende de definities behoeft geen toelichting.
       Het tweede hoofdstuk bepaalt het toepassingsgebied van de bepalingen, hetwelk zich niet beperkt tot het verkeer dat de spoorweginfrastructuur van Infrabel kruist.
       Het derde hoofdstuk bepaalt het normatief signalisatiekader dat in essentie de bepalingen van de wegcode (koninklijk besluit van 1 december 1975) vervolledigt.
       De privé-overwegen maken het voorwerp uit van minder strikte maatregelen die gerechtvaardigd worden door het beperkte verkeer op die toegangswegen en door de noodzaak om aan particulieren geen disproportionele lasten op te leggen ten opzichte van de legitieme veiligheidsdoelstellingen.
       Omwille van de hoofdzakelijke bestemming voor goederenvervoer van die delen van de spoorwegen en de beperkte snelheid van het treinverkeer daarop, maken de maritieme en rivierhavens alsook de industriezones eveneens het voorwerp uit van een specifieke behandeling.
       Het vierde hoofdstuk behandelt de signalisatieprocedure.
       Het vijfde hoofdstuk bepaalt de periodieke controlemodaliteiten van de bepaalde veiligheidsinrichtingen.
       Het zesde hoofdstuk stelt de slotbepalingen vast.
       De uitdrukkelijke opheffing van bestaande regelingen die onverenigbaar zijn met nieuwe bepalingen, is vereist, niet alleen om de samenhang van het toepasselijke recht te verzekeren, maar ook om de rechtszekerheid te waarborgen. Immers, zonder uitdrukkelijke opheffing zal de lezer nooit met zekerheid weten welke bestemming hij aan de bestaande bepalingen dient voor te behouden, en zal hijzelf genoodzaakt zijn de stilzwijgende opheffing af te leiden van de bestaande regelingen die hem onverenigbaar lijken met de nieuwe bepalingen (Beginselen van de wetgevingstechniek - Handleiding voor het opstellen van wetgevende en reglementaire teksten, www.raadvst-consetat.be, aanbeveling nr. 134).
       Artikel 16 maakt toepassing van die aanbeveling.
       Er is een overgangsperiode van tien jaar voorzien om meer dan 2000 overwegen aan te passen in de zin van de nieuwe reglementering.
       Tijdens die overgangsperiode behouden de ministeriële besluiten aangenomen krachtens artikel 21 van het koninklijk besluit van 2 augustus 1977 dus hun uitwerking. De vervanging, de wijziging of de afschaffing van een veiligheidsinrichting is onmiddellijk onderworpen aan de nieuwe reglementering krachtens artikel 17.
       Wij hebben de eer te zijn,
       Sire,
       van Uwe Majesteit,
       de zeer eerbiedige
       en zeer getrouwe dienaars,
       De Eerste Minister,
       Y. LETERME
       De Staatssecretaris voor Mobiliteit,
       E. SCHOUPPE
       
       ADVIES 49.725/4 VAN 14 JUNI 2011 VAN DE AFDELING WETGEVING VAN DE RAAD VAN STATE
       De Raad van State, afdeling Wetgeving, vierde kamer, op 19 mei 2011 door de Staatssecretaris voor Mobiliteit, toegevoegd aan de Eerste Minister, verzocht hem, binnen een termijn van dertig dagen, van advies te dienen over een ontwerp van koninklijk besluit " betreffende de veiligheidsinrichtingen aan overwegen op de spoorwegen ", heeft het volgende advies gegeven :
       Rekening houdend met het tijdstip waarop dit advies gegeven wordt, vestigt de Raad van State de aandacht op het feit dat, wegens het ontslag van de regering, de bevoegdheid van deze laatste beperkt is tot het afhandelen van de lopende zaken. Dit advies wordt evenwel gegeven zonder dat wordt nagegaan of dit ontwerp in die beperkte bevoegdheid kan worden ingepast, aangezien de afdeling Wetgeving geen kennis heeft van het geheel van de feitelijke gegevens welke de regering in aanmerking kan nemen als ze te oordelen heeft of het vaststellen of het wijzigen van een verordening noodzakelijk is.
       Aangezien de adviesaanvraag ingediend is op basis van artikel 84, § 1, eerste lid, 1°, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State, zoals het is vervangen bij de wet van 2 april 2003, beperkt de afdeling Wetgeving overeenkomstig artikel 84, § 3, van de voornoemde gecoördineerde wetten haar onderzoek tot de rechtsgrond van het ontwerp, de bevoegdheid van de steller van de handeling en de te vervullen voorafgaande vormvereisten.
       Wat deze drie punten betreft, geeft dit ontwerp aanleiding tot de volgende opmerkingen.
       Voorafgaande vormvereisten
       Overeenkomstig artikel 6, § 4, 3°, van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 tot hervorming der instellingen dienen de drie gewestregeringen te worden betrokken bij het uitwerken van het ontwerp.
       In het dossier dat bij de adviesaanvraag is gevoegd, bevinden zich echter slechts de afschriften van de brieven die aan de verschillende gewestregeringen zijn toegezonden, gedagtekend, net zoals de adviesaanvraag, 19 mei 2011.
       De steller van het ontwerp dient er derhalve op toe te zien dat dit voorafgaande vormvereiste volledig wordt vervuld.
       Bijzondere opmerkingen
       Aanhef
       Eerste lid
       Teneinde de rechtsgrond van het ontwerp duidelijker kenbaar te maken, dient het eerste lid van de aanhef als volgt te luiden :
       " Gelet op de wet van 12 april 1835 betreffende het tolgeld en de reglementen van de spoorwegpolitie, artikel 2, geïnterpreteerd door de wet 11 maart 1866; ".
       Tweede lid
       Teneinde de wijzigingen in aanmerking te nemen en te vermelden die zijn aangebracht in het opschrift en in artikel 17 van de wet van 23 juli 1926 tot oprichting van de Nationale Maatschappij der Belgische Spoorwegen, dient het tweede lid van de aanhef als volgt te luiden :
       " Gelet op de wet van 23 juli 1926 betreffende NMBS Holding en haar verbonden vennootschappen, artikel 17, vervangen bij de wet van 1 augustus 1960 en gewijzigd bij het koninklijk besluit van 18 oktober 2004; ".
       Derde lid
       In het derde lid van de aanhef dient meer bepaald verwezen te worden naar artikel 1, eerste lid, van de wet betreffende de politie over het wegverkeer, gecoördineerd op 16 maart 1968.
       Dispositief
       Artikel 13
       Artikel 6, § 1, X, 1° en 2°bis, van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 tot hervorming der instellingen draagt aan de gewesten de bevoegdheden op over de wegen en over het juridisch stelsel van de landwegen, met uitzondering van de spoorwegen beheerd door de Nationale Maatschappij der Belgische Spoorwegen.
       In zoverre de derde paragraaf van artikel 13 de verhoudingen inzake de overwegen beoogt te regelen tussen de spoorweginfrastructuurbeheerders en de beheerders van de wegen, dient deze te worden weggelaten.
       Artikelen 16 en 17
       Artikel 16 van het ontwerp luidt als volgt :
       " Art. 16. De ministeriële besluiten aangenomen krachtens artikel 21 van het koninklijk besluit van 2 augustus 1977 betreffende de veiligheidsinrichtingen en de signalisatie van overwegen worden van rechtswege opgeheven tien jaar na de inwerkingtreding van dit besluit. "
       Het is de afdeling Wetgeving niet duidelijk waartoe deze bepaling dient, die bovendien rechtsonzekerheid kan doen ontstaan. Men doet er derhalve beter aan ze weg te laten.
       Hetzelfde geldt voor artikel 17 van het ontwerp.
       Nieuw artikel
       (Uitvoeringsbepaling)
       Het dispositief van het ontwerp dient te worden aangevuld met een nieuw artikel dat de voor het vervoer per spoor bevoegde minister belast met de uitvoering ervan. (1)
       Bijlagen
       1. Artikel 1, 14°, van het ontwerp verwijst naar een aanwijzingsbord " privé-overweg ", bedoeld in punt 1.2 van bijlage I. Daarentegen worden noch punt 1.1 van dezelfde bijlage I, noch de bijlagen II, III en IV van het ontwerp op enige wijze vermeld in het dispositief van het ontwerp.
       Bij gebrek aan een uitdrukkelijke band met de bepalingen van het ontwerp dienen de voornoemde bijlagen en het voornoemde deel van een bijlage te worden weggelaten.
       Indien de steller het ontwerp zou aanvullen teneinde de technische regels te behouden die in deze bijlagen en in dit deel van een bijlage worden opgesomd (2), zou hij bovendien de kennisgevingsprocedure moeten in gang zetten die is bepaald bij artikel 8 van Richtlijn 1998/34/EG van het Europees Parlement en de Raad van 22 juni 1998 betreffende een informatieprocedure op het gebied van normen en technische voorschriften, en zou hij in de aanhef van het ontwerp moeten verwijzen naar de vervulling van dit voorafgaande vormvereiste.
       2. Gelet op de voorgaande opmerking dient de steller van het ontwerp onder de bijlage de formule " Gezien om te worden gevoegd bij het besluit van.... " te vermelden, met opgaaf van dezelfde datum en dezelfde ondertekeningen als die van het besluit waarbij de bijlage is gevoegd (3).
       Slotopmerking
       De artikelen van het ontwerp dienen niet in paragrafen te worden onderverdeeld indien deze elk slechts een enkel lid bevatten (4).
       
       De kamer was samengesteld uit :
       de heren :
       P. LIENARDY, kamervoorzitter,
       J. JAUMOTTE, L. DETROUX, staatsraden,
       Mevr. C. GIGOT, griffier.
       Het verslag werd uitgebracht door de heer Y. CHAUFFOUREAUX, auditeur.
       De overeenstemming tusssen de Franse en de Nederlandse tekst werd nagezien onder toezicht van de heer P. LIENARDY.
       
       DE GRIFFIER
       C. GIGOT
       DE VOORZITTER
       P. LIENARD
       ------
       (1) Beginselen van de wetgevingstechniek - Handleiding voor het opstellen van wetgevende en reglementaire teksten, www.raadvst-consetat.be, tabblad "Wetgevingstechniek", aanbeveling 167 en formule F 4-7-1.
       (2) Een andere mogelijkheid zou zijn om de minister te machtigen deze bijkomende regels vast te stellen.
       (3) Beginselen van de wetgevingstechniek - Handleiding voor het opstellen van wetgevende en reglementaire teksten, www.raadvst-consetat.be, tabblad "Wetgevingstechniek", aanbeveling 172 en formule F 4-8-1.
       (4) Ibid., aanbeveling 57.3.

    Begin Eerste woord Laatste woord Wijziging(en) Aanhef
    Verslag aan de Koning Inhoudstafel 4 uitvoeringbesluiten 2 gearchiveerde versies
    Franstalige versie