J U S T E L     -     Geconsolideerde wetgeving
Einde Eerste woord Laatste woord Aanhef
Verslag aan de Koning Inhoudstafel
Einde Franstalige versie
 
belgiëlex . be     -     Kruispuntbank Wetgeving
Raad van State
ELI - Navigatie systeem via een Europese identificatiecode voor wetgeving
http://www.ejustice.just.fgov.be/eli/besluit/2008/11/07/2008014330/justel

Titel
7 NOVEMBER 2008. - Koninklijk besluit houdende regeling van bepaalde aspecten van de arbeidsvoorwaarden voor mobiele werknemers die interoperabele grensoverschrijdende diensten in de spoorwegsector verrichten.

Bron :
MOBILITEIT EN VERVOER
Publicatie : 10-11-2008 nummer :   2008014330 bladzijde : 58978       PDF :   originele versie    
Dossiernummer : 2008-11-07/30
Inwerkingtreding : 20-11-2008

Inhoudstafel Tekst Begin
Art. 1-10
BIJLAGE.
Art. N

Tekst Inhoudstafel Begin
Artikel 1. Dit besluit strekt tot omzetting van richtlijn 2005/47/EG van de Raad van 18 juli 2005 betreffende de overeenkomst tussen de Gemeenschap van Europese Spoorwegen (CER) en de Europese Federatie van Vervoerswerknemers (ETF) inzake bepaalde aspecten van de arbeidsvoorwaarden voor mobiele werknemers die interoperabele grensoverschrijdende diensten in de spoorwegsector verrichten.

  Art. 2. Voor de toepassing van dit besluit wordt verstaan onder :
  1° " interoperabele grensoverschrijdende diensten " : grensoverschrijdende diensten waarvoor de spoorwegondernemingen in het bezit dienen te zijn van ten minste twee veiligheidscertificaten als bedoeld door de instrumenten van omzetting van richtlijn 2004/49/EG van het Europees Parlement en de Raad van 29 april 2004 inzake de veiligheid op de communautaire spoorwegen en tot wijziging van Richtlijn 95/18/EG van de Raad betreffende de verlening van vergunningen aan spoorwegondernemingen, en van Richtlijn 2001/14/EG van de Raad inzake de toewijzing van spoorweginfrastructuurcapaciteit en de heffing van rechten voor het gebruik van spoorweginfrastructuur alsmede inzake veiligheidscertificering of bij ontbreken daarvan door de instrumenten van omzetting van richtlijn 2001/14/EG van het Europees Parlement en de Raad van 26 februari 2001 inzake de toewijzing van spoorweginfrastructuurcapaciteit en de heffing van rechten voor het gebruik van spoorweginfrastructuur alsmede inzake veiligheidscertificering;
  2° " mobiele werknemer die interoperabele grensoverschrijdende diensten verricht " : iedere werknemer die als lid van een treinbemanning per werkdag gedurende meer dan één uur voor interoperabele grensoverschrijdende diensten wordt ingezet;
  3° " arbeidstijd " : de tijd waarin de werknemer werkzaam is, ter beschikking van de werkgever staat en zijn werkzaamheden of functie uitoefent, overeenkomstig de wet;
  4° " rusttijd " : de tijd die geen arbeidstijd is;
  5° " nachttijd " : iedere periode van zeven uren tussen twintig uur en zes uur ten minste met inbegrip van de tijd tussen middernacht en vijf uur;
  6° " nachtdienst " : elke dienst waarbij gedurende ten minste drie uur binnen de nachttijd wordt gewerkt;
  7° " rusttijd buitenshuis " : dagelijkse rusttijd die niet kan worden doorgebracht op de normale verblijfplaats van de mobiele werknemer;
  8° " machinist " : iedere werknemer die belast is met het besturen van een locomotief;
  9° " rijtijd " : de duur van de ingeroosterde activiteit waarbij de machinist verantwoordelijk is voor het besturen van een locomotief, met uitsluiting van de tijd die voorzien is voor het in- en uitschakelen van de machines. Ingeroosterde onderbrekingen waarin de machinist verantwoordelijk blijft voor de locomotief, vallen wel onder de rijtijd.

  Art. 3. Dit besluit is van toepassing op mobiel spoorwegpersoneel dat wordt ingezet voor interoperabele grensoverschrijdende diensten van spoorwegondernemingen.

  Art. 4. § 1. In afwijking van artikel 38 ter van de wet van 16 maart 1971, hebben de werknemers per tijdvak van 24 uur recht op een minimumperiode van dagelijkse rust die wordt bepaald overeenkomstig § 2 en § 3.
  § 2. De minimumduur van de dagelijkse rust bedraagt veertien opeenvolgende uren wanneer deze thuis wordt opgenomen.
  Deze rusttijd kan eenmaal per tijdvak van zeven dagen worden verkort tot ten minste negen opeenvolgende uren. In dat geval wordt het verschil tussen de rusttijd van veertien uur en de verkorte rusttijd toegevoegd aan de eerstvolgende rusttijd thuis.
  Er mag geen verkorte dagelijkse rusttijd overeenkomstig het tweede lid worden vastgelegd tussen twee dagelijkse rusttijden buitenshuis.
  § 3. De dagelijkse rusttijd buitenshuis omvat ten minste acht aaneengesloten uren.
  Een buitenshuis doorgebrachte dagelijkse rusttijd wordt gevolgd door een dagelijkse rusttijd thuis. De spoorwegonderneming-werkgever zorgt voor het comfort van het verblijf van het mobiel personeel in rust buitenshuis.

  Art. 5. § 1. Overeenkomstig artikel 38 quater van de arbeidswet van 16 maart 1971, mogen de werknemers niet zonder onderbreking werken gedurende meer dan zes uren.
  § 2. Wanneer de arbeidsduur van een machinist tussen zes en acht uur bedraagt, is een pauze van tenminste dertig minuten gedurende de werkdag verzekerd.
  Wanneer de arbeidsduur van een machinist meer dan acht uur bedraagt, is gedurende de werkdag van een pauze van tenminste vijfenveertig minuten verzekerd.
  Het moment waarop de pauze kan worden genoten en de duur ervan dienen te volstaan om de werknemer daadwerkelijk te laten uitrusten. In geval van treinvertragingen kunnen de pauzes tijdens de betreffende werkdag worden aangepast.
  Een deel van de pauze zou moeten worden toegekend tussen het derde en het zesde werkuur.
  § 3. Het overige treinpersoneel geniet een pauze van ten minste dertig minuten, indien de arbeidstijd meer dan zes uur bedraagt.

  Art. 6. Onverminderd de bepalingen van de artikelen 11 tot 17 van de arbeidswet van 16 maart 1971, heeft iedere mobiele werknemer die interoperabele grensoverschrijdende diensten verricht, in elk tijdvak van zeven dagen een wekelijkse rusttijd van ten minste vierentwintig ononderbroken uren, vermeerderd met de veertien uren dagelijkse rusttijd.
  Behalve de overige in de regelgeving betreffende de arbeidstijd toegekende rusttijden, hebben de mobiele werknemers, wat betreft de wekelijkse rusttijden, per jaar honderd en vier rusttijden van vierentwintig uur, waarin de tweeënvijftig wekelijkse rusttijden van vierentwintig uur begrepen zijn.
  Hieronder vallen ook twaalf dubbele rusttijden van achtenveertig uur vermeerderd met de dagelijkse rusttijd van veertien uren, die worden toegekend in de tijdruimte van vrijdag 20 uur tot maandag 6 uur en twaalf dubbele rusttijden van achtenveertig uur vermeerderd met de dagelijkse rusttijd van veertien uren, zonder de garantie dat deze op een zaterdag of een zondag vallen.

  Art. 7. De rijtijd, zoals gedefinieerd in artikel 2, bedraagt maximaal negen uur indien de dienst overdag wordt uitgevoerd, en acht uur indien de dienst gedurende de nacht, tussen twee dagelijkse rusttijden, wordt uitgevoerd.
  De maximumrijtijd per tijdvak van twee weken bedraagt 80 uren.

  Art. 8. De spoorwegonderneming - werkgever houdt, met het oog op het toezicht op de naleving van dit besluit, een diensttabel bij met daarop vermeld de dagelijkse arbeidsuren en rusttijden van het mobiele personeel. Hij houdt gegevens over het aantal daadwerkelijke arbeidsuren in de onderneming ter beschikking. Hij bewaart de diensttabel gedurende één jaar.

  Art. 9. Overtreding van de artikelen 4, 6, 7 en 8 wordt bestraft overeenkomstig de artikelen 2, 2bis en 3 van de wet van 18 februari 1969 betreffende de maatregelen ter uitvoering van de internationale verdragen en akten inzake vervoer over zee, over de weg, de spoorweg of de waterweg.
  Overtreding van artikel 5 wordt bestraft overeenkomstig de artikelen 53 tot 59 van de arbeidswet van 16 maart 1971.

  Art. 10. De Minister bevoegd voor Mobiliteit en de minister bevoegd voor Werk zijn, ieder wat hem betreft, belast met de uitvoering van dit besluit.

  BIJLAGE.

  Art. N. Concordantietabel.

  RICHTLIJN                                    ONTWERP-KB
  Art. 1                                       Art. 1
  Art. 2                                       -
  Art. 3                                       -
  Art. 4                                       Art. 9
  Art. 5                                       -
  Art. 6                                       -
  Art. 7                                       -
  OVEREENKOMST
  Clausule 1
  Lid 1                                        Art. 3
  Lid 2                                        -
  Lid 3                                        -
  Lid 4                                        -
  Clausule 2                                   Art. 2
  1)                                           1°
  2)                                           2°
  3)                                           3°
  4)                                           4°
  5)                                           5°
  6)                                           6°
  7)                                           7°
  8)                                           8°
  9)                                           9°
  Clausule 3
  Lid 1                                        Art. 4, # 1 en 2, eerste lid
  Lid 2                                        Art. 4, # 2, tweede lid
  Lid 3                                        Art. 4, # 2, derde lid
  Clausule 4
  Lid 1                                        Art. 4, # 1 en # 3, eerste lid
  Lid 2                                        Art. 4, # 3, tweede lid
  Lid 3                                        Art. 4, # 3, tweede lid
  Clausule 5
  Lid 1 of                                     Art. 5, # 2, eerste lid
  Lid 1 of                                     Art. 5, # 2, tweede lid
  Lid 2                                        Art. 5, # 2, derde lid
  Lid 3                                        Art. 5, # 2, derde lid
  Lid 4                                        Art. 5, # 2, vierde lid
  Lid 5                                        -
  Lid 6                                        Art. 5, # 3
  Clausule 6
  Lid 1                                        Art. 6, eerste lid
  Lid 2                                        Art. 6, tweede lid
  Lid 3, eerste streepje                       Art. 6, derde lid
  Lid 3, tweede streepje                       Art. 6, derde lid
  Clausule 7
  Lid 1                                        Art. 7, eerste lid
  Lid 2                                        Art. 7, tweede lid
  Clausule 8                                   Art. 8
  Clausule 9                                   -
  Clausule 10                                  -
  Clausule 11                                  -
  Clausule 12                                  -


  Gegeven te Mumbai, 7 november 2008.
  ALBERT
  Van Koningswege :
  De Eerste Minister,
  Y. LETERME
  De Minister van werk,
  Mevr. J. MILQUET
  De Staatssecretaris voor Mobiliteit,
  E. SCHOUPPE.

Aanhef Tekst Inhoudstafel Begin
   ALBERT II, Koning der Belgen,
   Aan allen die nu zijn en hierna wezen zullen, Onze Groet.
   Gelet op de wet van 18 februari 1969 betreffende de maatregelen ter uitvoering van de internationale verdragen en akten inzake vervoer over zee, over de weg, de spoorweg of de waterweg, artikel 1, eerste lid;
   Gelet op de arbeidswet van 16 maart 1971, artikel 38 quater;
   Gelet op de adviesaanvraag die op 29 mei 2008 bij de Nationale Arbeidsraad is ingediend, met toepassing van artikel 47 van de arbeidswet van 16 maart 1971;
   Overwegende dat geen advies is verstrekt binnen de gestelde termijn;
   Gelet op de betrokkenheid van de gewestregeringen;
   Gelet op het advies van de inspecteur van Financiën, gegeven op 28 maart 2007;
   Gelet op het advies nr.43.691/4 van de Raad van State, gegeven op 12 november 2007, met toepassing van artikel 84, § 1, eerste lid, 1°, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State;
   Op de voordracht de Eerste Minister, van de Minister van Werk en van de Staatssecretaris voor Mobiliteit en op het advies van de in Raad vergaderde Ministers,
   Hebben Wij besloten en besluiten Wij :

Verslag aan de Koning Tekst Inhoudstafel Begin
   VERSLAG AAN DE KONING
   Sire,
   Dit ontwerp van koninklijk besluit beoogt de omzetting van richtlijn 2005/47/EG van de Raad van 18 juli 2005 betreffende de overeenkomst tussen de Gemeenschap van Europese Spoorwegen (CER) en de Europese Federatie van Vervoerwerknemers (ETF) inzake bepaalde aspecten van de arbeidsvoorwaarden voor mobiele werknemers die interoperabele grensoverschrijdende diensten in de spoorwegsector verrichten.
   Zoals in artikel 1 van de richtlijn wordt bepaald, is het doel van de richtlijn, de uitvoering van de op 27 januari 2004 tussen de CER en de ETF gesloten overeenkomst inzake bepaalde aspecten van de arbeidsvoorwaarden voor mobiele werknemers die interoperabele grensoverschrijdende diensten verrichten.
   Voorlegging aan de Nationale Arbeidsraad
   Die overeenkomst kan volgens artikel 5 van de richtlijn worden uitgevoerd door wettelijke en bestuursrechtelijke maatregelen, na raadpleging van de sociale partners.
   Die raadpleging kon, bij gemis van een paritair comité dat de ondernemingen van de spoorwegsector groepeert, alleen tot stand worden gebracht door een voorlegging van het ontwerp aan de Nationale Arbeidsraad.
   Die voorlegging aan de Nationale Arbeidsraad was overigens ook nodig om te voldoen aan artikel 47 van de arbeidswet van 16 maart 1971 in verband met artikel 5 van het ontwerp, dat wordt aangenomen ter uitvoering van artikel 38 ter van de arbeidswet.
   De Minister van Werk heeft de Nationale Arbeidsraad op 29 mei 2008 om advies over het ontwerp verzocht.
   De Nationale Arbeidsraad heeft echter geen advies gegeven binnen de wettelijk bepaalde termijn.
   Habilitatie door de wet van 18 februari 1969
   De bepalingen van het ontwerp andere dan artikel 5, die afwijken van de arbeidswet of er los van staan, worden aangenomen ter uitvoering van de wet van 18 februari 1969 betreffende de maatregelen ter uitvoering van de internationale verdragen en akten inzake vervoer over zee, over de weg, de spoorweg of de waterweg.
   Artikel 1, eerste lid, van die wet machtigt de Koning om, bij in Ministerraad overlegd besluit, alle vereiste maatregelen te treffen ter uitvoering van de verplichtingen die voortvloeien uit de internationale verdragen en uit de krachtens deze genomen internationale akten, welke maatregelen de opheffing en de wijziging van wetsbepalingen kunnen inhouden.
   Zoals het advies van de Raad van State leert, mogen bepalingen die op grond van deze machtiging worden aangenomen, niet verder gaan dan wat strikt door de richtlijn wordt vereist.
   Strekking van de richtlijn
   De richtlijn en de bepalingen van de overeenkomst die ze uitvoert, beogen het tot stand brengen van minimumeisen op het gebied van bescherming van bepaalde werknemers.
   In de aanhef, considerans 16, luidt het dat de richtlijn en de overeenkomst minimumnormen vaststellen en dat de lidstaten en/of de sociale partners de mogelijkheid moeten hebben, gunstiger bepalingen te handhaven of in te voeren.
   Artikel 2, lid 2 van de richtlijn bepaalt dat de uitvoering van de richtlijn in geen geval een rechtvaardiging mag vormen voor een verlaging van het algemene beschermingsniveau van de werknemers op de onder deze richtlijn vallende gebieden.
   De richtlijn herneemt hiermee clausule 9 van de overeenkomst, volgens welke de tenuitvoerlegging van de overeenkomst in geen geval een reden kan vormen voor het verlagen van het algemene beschermingsniveau van mobiele werknemers die interoperabele grensoverschrijdende diensten verrichten.
   Op deze drie plaatsen wordt verwezen naar het beschermingsniveau dat reeds van toepassing is in de lidstaat die de richtlijn moet uitvoeren.
   Beschermingsniveau
   Het beschermingsniveau dat thans in België van toepassing is, wordt in het algemeen bepaald door de arbeidswet en wat in het bijzonder de treinbestuurders betreft, door de regels die werden goedgekeurd bij het koninklijk besluit van 21 januari 2004 houdende goedkeuring van de normen en voorschriften inzake de veiligheid van de spoorweginfrastructuur en haar gebruik.
   Die regels gelden krachtens artikel 18 van het koninklijk besluit van 16 januari 2007 houdende veiligheidsvereisten en -procedures van toepassing op de spoorweginfrastructuurbeheerder en de spoorwegondernemingen, bij wijze van overgangsmaatregel, als bestek voor het veiligheidspersoneel bedoeld in artikel 12 van genoemd koninklijk besluit.
   In de overeenkomst die door de richtlijn wordt uitgevoerd, worden concepten gehanteerd en regelingen getroffen die vreemd zijn aan de arbeidswet en aan de normen en voorschriften die gelden als bestek voor het veiligheidspersoneel.
   Daardoor zijn de bepalingen van de overeenkomst niet altijd goed te vergelijken met die van de arbeidswet en van het bestek, en is het soms niet duidelijk of die bepalingen afbreuk doen dan wel iets toevoegen aan het beschermingsniveau dat door de arbeidswet en de als bestek geldende bepalingen reeds geboden wordt.
   Voor zover in België thans gunstigere regels voor de bescherming van de werknemers gelden dan die waarin de richtlijn voorziet, en met name op het gebied van arbeidstijd, rijtijd, verloven en recuperatietijd, mag de toepassing van dit ontwerp in geen geval leiden tot een verlaging van het niveau van die bescherming.
   Dit ontwerp mag met andere woorden niet worden toegepast op een manier die afbreuk doen aan de verworven rechten van de werknemers.
   In het ontwerp dat de instemming kreeg van de Ministerraad van 30 maart 2007 en vervolgens van de gewestregeringen en waarover de Raad van State advies uitbracht, waren om die reden alleen die bepalingen van de overeenkomst overgenomen waarvan de steller meende dat zij het bestaande beschermingsniveau verhoogden.
   Wijzigingen in het ontwerp
   Het advies van de Raad van State en het daaropvolgende overleg met de Federale Overheidsdienst Tewerkstelling, Arbeid en Sociaal Overleg hebben geleid tot een aantal formele wijzigingen van het ontwerp, onder meer tot de opname van bedingen die aanvankelijk niet waren overgenomen.
   In voorkomend geval werd ook de verhouding van de opgenomen bepalingen tot de arbeidswet uitdrukkelijk aangegeven.
   Deze wijzigingen hebben het ontwerp niet inhoudelijk veranderd, maar het wel verduidelijkt. De veranderingen zijn de consistentie en de verstaanbaarheid van het ontwerp ten goede gekomen.
   Artikelsgewijze bespreking
   Aanhef
   In overeenstemming met het advies van de Raad van State, wordt verwezen naar de arbeidswet, omwille van artikel 5 van het ontwerp, dat geldt als uitvoering van die wet. Ook wordt verwezen naar het advies van de Nationale Arbeidsraad.
   Artikel 2
   Dit artikel neemt alle definities van clausule 2 over. De definitie van " bestek ", die voorkwam in het oorspronkelijke ontwerp, werd weggelaten omdat de term in het dispositief niet wordt gehanteerd.
   Artikel 3
   Het artikel vervangt artikel 3 van het oorspronkelijke ontwerp, dat beoogde aan te geven hoe de andere bepalingen van het ontwerp zich verhielden tot de arbeidswet en tot het bestek van het veiligheidspersoneel. Het werd voor zijn onduidelijkheid door de Raad van State bekritiseerd en het kon worden weggelaten nu die verhouding toegelicht wordt in dit verslag en waar nodig aangegeven is in de bepalingen zelf.
   In zijn voorliggende versie neemt artikel 3 clausule 1 van de overeenkomst over. Aldus wordt geëxpliciteerd dat de bepalingen van het ontwerp betrekking hebben op personeel dat wordt ingezet door spoorwegondernemingen.
   Artikel 4
   Dit artikel groepeert de clausules 3 en 4 van de overeenkomst, die beide betrekking hebben op de dagelijkse rusttijd.
   Paragraaf 1 is een bepaling die geldt als inleiding voor § 2 en § 3. Beoogd wordt, duidelijk te stellen dat, ook al wordt hier evenals in artikel 38 ter van de arbeidswet voorzien in een minimum aan dagelijkse rust, die dagelijkse minimumrust hier afwijkt van het uniform door de arbeidswet vastgestelde minimum van 11 uur.
   Paragraaf 2 neemt clausule 3 over, met dien verstande dat de minimumrust op veertien uur werd bepaald.
   Paragraaf 3 neemt clausule 4 over.
   Artikel 5
   Dit artikel regelt de pauzes. Overeenkomstig artikel 38 quater, § 2 van de arbeidswet kunnen de duur en de nadere regelen voor toekenning van de pauze worden vastgesteld door de Koning.
   Op grond van die habilitatie wordt in dit artikel clausule 5 van de overeenkomst overgenomen, met uitzondering van haar vierde lid, dat uit het oorspronkelijke ontwerp geschrapt werd omdat het geen positieve verplichting oplegt en met uitzondering van haar vijfde lid, dat niet pertinent is, omdat België niet het stelsel van de tweede bestuurder kent.
   Deze regeling van de pauzes is de enige die wordt aangenomen ter uitvoering van de arbeidswet, reden waarom dit artikel wordt ingeleid met een uitdrukkelijke verwijzing naar die wet. Een gevolg van de aanneming ter uitvoering van de arbeidswet is, dat overtreding van deze regeling strafbaar is met de straffen van de arbeidswet, zoals in artikel 9 wordt verduidelijkt.
   Artikel 6
   Dit artikel neemt clausule 6 over die betrekking heeft op diverse periodieke rusttijden.
   In aanmerking genomen enerzijds dat deze rusttijden verder gaan dan het principe van de zondagsrust dat in de arbeidswet vastgelegd is en anderzijds dat die wet reeds voorziet in de mogelijkheid voor werknemers in de spoorwegsector om op zondag te werken, kan de regeling die hier wordt overgenomen beschouwd worden als een regeling die losstaat van de arbeidswet, wat aangegeven wordt door de regeling in te leiden met " onverminderd de bepalingen van de artikelen 11 tot 17 van de arbeidswet ".
   De regeling heeft overigens ook geen pendant in de regelen die als bestek voor het veiligheidspersoneel gelden.
   Artikel 7
   Dit artikel neemt clausule 7 over, die betrekking heeft op rijtijden. Rijtijd is een concept dat vreemd is aan de arbeidswet.
   Het concept is ook vreemd aan de regelen die als bestek voor het veiligheidspersoneel gelden. Deze hanteren het concept " prestatieduur ", dat verschillend is.
   Artikel 8
   Dit artikel neemt clausule 8 over, met de verplichting voor de spoorwegondernemingen-werkgevers om een diensttabel met de dagelijkse arbeidsuren en rusttijden bij te houden, als instrument ter controle van de naleving van de door het ontwerp opgelegde verplichtingen.
   Artikel 9
   Ter uitvoering van artikel 4 van de richtlijn wordt in dit artikel bepaald, welke sancties van toepassing zijn op overtredingen van de ter uitvoering van deze richtlijn vastgestelde nationale bepalingen.
   Voor de overtreding van artikel 5 is dat het stelsel van de arbeidswet omdat die bepaling ter uitvoering van die wet wordt aangenomen.
   Voor de overtreding van de artikelen 4, 6, 7 en 8 van het ontwerp is dat het stelsel waarin de wet van 18 februari 1969 voorzien heeft, omdat die bepalingen ter uitvoering van die wet worden aangenomen.
   Concordantietabel
   Bij dit verslag werd een tabel gevoegd, die het verband legt tussen de bepalingen die moeten worden omgezet en de bepalingen van het ontwerp. Hiermee wordt gevolg gegeven aan het advies van de Raad van State en aan de aansporing vervat in overweging 20 van de richtlijn.
   Wij hebben de eer te zijn,
   Sire,
   van Uwe Majesteit,
   de zeer eerbiedige
   en zeer getrouwe dienaars,
   De Eerste Minister,
   Y. LETERME
   De Minister van Werk,
   Mevr. J. MILQUET
   De Staatssecretaris voor Mobiliteit,
   E. SCHOUPPE
   Voor de Concordantietabel, zie bijlage van de tekst.
   ADVIES 43.691/4 VAN 6 NOVEMBER 2007 VAN DE AFDELING WETGEVING VAN DE RAAD VAN STATE
   De Raad van State, afdeling wetgeving, vierde kamer, op 12 oktober 2007 door de Minister van Mobiliteit verzocht hem, binnen een termijn van dertig dagen, van advies te dienen over een ontwerp van koninklijk besluit "houdende regeling van bepaalde aspecten van de arbeidsvoorwaarden voor mobiele werknemers die interoperabele grensoverschrijdende diensten in de spoorwegsector verrichten", heeft het volgende advies gegeven :
   Rekening houdend met het tijdstip waarop dit advies gegeven wordt, vestigt de Raad van State de aandacht op het feit dat, wegens het ontslag van de Regering, de bevoegdheid van deze laatste beperkt is tot het afhandelen van de lopende zaken. Dit advies wordt evenwel gegeven zonder dat wordt nagegaan of dit ontwerp in die beperkte bevoegdheid kan worden ingepast, aangezien de afdeling wetgeving geen kennis heeft van het geheel van de feitelijke gegevens welke de Regering in aanmerking kan nemen als zij te oordelen heeft of het vaststellen of wijzigen van een verordening noodzakelijk is (1).
   ( (1) Er dient inzonderheid rekening gehouden te worden met het feit dat in artikel 5, eerste alinea, van Richtlijn 2005/47/EG bepaald wordt dat deze moet worden omgezet vóór 27 juli 2008. )
   Aangezien de adviesaanvraag ingediend is op basis van artikel 84, § 1, eerste lid, 1°, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State, zoals het vervangen is bij de wet van 2 april 2003, beperkt de afdeling wetgeving, overeenkomstig artikel 84, § 3, van de voormelde gecoördineerde wetten, haar onderzoek tot de rechtsgrond van het ontwerp, de bevoegdheid van de steller van de handeling en de te vervullen voorafgaande vormvereisten.
   Wat deze drie punten betreft, geeft het ontwerp aanleiding tot de volgende opmerkingen.
   Algemene opmerkingen
   1. Het onderzochte ontwerp strekt tot de omzetting van Richtlijn 2005/47/EG van de Raad van 18 juli 2005 betreffende de overeenkomst tussen de Gemeenschap van Europese Spoorwegen (CER) en de Europese Federatie van Vervoerswerknemers (ETF) inzake bepaalde aspecten van de arbeidsvoorwaarden voor mobiele werknemers die interoperabele grensoverschrijdende diensten in de spoorwegsector verrichten.
   Daartoe worden in het ontwerp twee rechtsgronden aangevoerd, enerzijds, de wet van 18 februari 1969 betreffende de maatregelen ter uitvoering van de internationale verdragen en akten inzake vervoer over zee, over de weg, de spoorweg of de waterweg, en anderzijds, de arbeidswet van 16 maart 1971.
   2. Ten einde uitvoering te geven aan de machtiging die aan de Koning wordt verleend bij artikel 1, eerste lid, van de voornoemde wet van 18 februari 1969, voorziet de steller van het ontwerp in bepalingen die hetzij de voornoemde wet van 16 maart 1971 aanvullen, hetzij daarvan afwijken.
   Daartoe moet hij, overeenkomstig artikel 47, eerste lid, van diezelfde wet van 16 maart 1971, op voorhand het advies inwinnen van het bevoegde paritaire comité, of, indien meerdere paritaire comités bevoegd zijn, van de Nationale Arbeidsraad. Er dient op toegezien te worden dat dat vormvereiste wordt vervuld.
   Enkel op die manier wordt voldaan aan artikel 5, eerste alinea, van de voornoemde Richtlijn 2005/47/EG, waarin het volgende wordt bepaald :
   " De lidstaten doen, na raadpleging van de sociale partners, de nodige wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen in werking treden om uiterlijk op 27 juli 2008 aan deze richtlijn te voldoen, of vergewissen zich ervan dat de sociale partners uiterlijk op die datum via overeenkomsten de nodige maatregelen nemen. Zij stellen de Commissie daarvan onverwijld in kennis. "
   3.1. In tegenstelling tot voorgaande ontwerpen waarin, gelet op de veelheid van onderwerpen die daarin behandeld werden, in de aanhef als rechtsgrond tegelijkertijd, enerzijds de voornoemde wet van 18 februari 1969 kon worden aangevoerd, en anderzijds, wat betreft de aspecten van de regeling die niet binnen de werkingssfeer van die wet vielen, ook andere wetgevende bepalingen die aan de Koning de noodzakelijke machtigingen verleenden (2), worden ook in het thans onderzochte ontwerp twee verschillende rechtsgronden aangevoerd die echter enkel op één aangelegenheid betrekking hebben, namelijk die welke in hoofdzaak behandeld wordt in hoofdstuk III van de voornoemde wet van 16 maart 1971. Bij die werkwijze dienen de volgende opmerkingen te worden geformuleerd.
   ( (2) Zie bij wijze van voorbeeld advies 38.472/4, gegeven op 22 juni 2005, over een ontwerp dat aanleiding gegeven heeft tot het koninklijk besluit van 14 juli 2005 houdende uitvoering van de Verordening (EEG) nr. 3821/85 van 20 december 1985 betreffende het controleapparaat in het wegvervoer, advies 42.582/4, gegeven op 27 maart 2007, over een ontwerp dat aanleiding gegeven heeft tot het koninklijk besluit van 9 april 2007 houdende uitvoering van de Verordening (EG) nr. 561/2006 van het Europees Parlement en de Raad van 15 maart 2006 tot harmonisatie van bepaalde voorschriften van sociale aard voor het wegvervoer, tot wijziging van Verordeningen (EEG) nr. 3821/85 en (EG) nr. 2135/98 van de Raad en tot intrekking van Verordening (EEG) nr. 3820/85 van de Raad en advies 42.623/4, gegeven op 23 april 2007, over een ontwerp dat aanleiding gegeven heeft tot het koninklijk besluit van 3 augustus 2007 tot wijziging van het koninklijk besluit van 29 juni 2003 betreffende de opleiding van bestuurders van transporteenheden die andere gevaarlijke goederen dan radioactieve stoffen over de weg vervoeren. )
   3.2. Het aanvoeren, bij wijze van rechtsgrond, van de voornoemde wet van 16 maart 1971, kan worden aanvaard in zoverre een aantal bepalingen van het ontwerp er enkel toe strekken een aantal bepalingen van die wet te vervolledigen, zonder daarvan af te wijken (3).
   ( (3) In dat geval zijn de strafbepalingen van de voornoemde wet van 16 maart 1971 van toepassing in deze aangelegenheid. Zie in dat verband de voornoemde adviezen 38.472/4, 42.582/4 en 42.623/4. )
   In dat opzicht kan noch uit het ontwerp zoals het gesteld is, noch uit de concordantietabel die aan de afdeling wetgeving is bezorgd, worden afgeleid welke bepalingen van het ontwerp de voornoemde wet van 16 maart 1971 enkel maar vervolledigen, in de hierboven aangegeven zin.
   3.3. In zoverre andere bepalingen van het ontwerp tot gevolg zouden hebben dat wordt afgeweken van de wet van 16 maart 1971, kan de steller van het ontwerp, bij ontstentenis van uitdrukkelijke machtigingen daartoe in die wet, in dat geval als rechtsgrond enkel maar artikel 1, eerste lid, van de voornoemde wet van 18 februari 1969 aanvoeren (4). In dat opzicht mag de Koning zich er niet toe bepalen, zoals in het ontworpen besluit, enkel maar autonome bepalingen uit te vaardigen, maar moet Hij, daar waar nodig, verschillende bepalingen van de wet van 16 maart 1971 zelf opheffen of wijzigen, waarbij Hij rekening dient te houden met de beperkingen van de machtiging, Hem verleend bij artikel 1, eerste lid, van de wet van 18 februari 1969.
   ( (4) In dat geval zijn de strafbepalingen van de wet van 18 februari 1969 van toepassing. Zie, in dat verband, de voornoemde adviezen 38.472/4, 42.582/4 en 42.623/4. )
   3.4. Fundamenteler is dat uit de parlementaire voorbereiding die voorafgegaan is aan de goedkeuring van de voornoemde wet van 18 februari 1969 gebleken is dat de doelstelling die met deze bepaling wordt nagestreefd erin bestaat te vermijden het Parlement "gewoon als een bekrachtiginginstrument te beschouwen" wanneer "de Uitvoerende Macht - zoals de Raad van State in zijn advies opmerkt - overeenkomstig ons staatsbestel, de beschikkingen (dient) uit te voeren waardoor ons land hoe dan ook is gebonden" (5).
   ( (5) Gedr. St., Kamer, B.Z. 1968, nr. 89/2, blz. 4. )
   Aangezien er in dat verband geen enkele nadere uitleg is verstrekt, die op dienstige wijze in een verslag aan de Koning vermeld had kunnen worden, heeft de afdeling wetgeving, inzonderheid in het licht van artikel 2, lid 2, van de voornoemde Richtlijn 2005/47/EG (6), niet kunnen nagaan of het ontwerp, zoals het thans is gesteld, niet verder reikt dan de bevoegdheden die aan de Koning zijn verleend met toepassing van artikel 1, eerste lid, van de wet van 18 februari 1969.
   ( (6) Die bepaling luidt als volgt : "De uitvoering van deze richtlijn mag in geen geval een rechtvaardiging vormen voor een verlaging van het algemene beschermingsniveau van de werknemers op de onder deze richtlijn vallende gebieden. Dit doet geen afbreuk aan de rechten van de lidstaten en/of de sociale partners om in het licht van de ontwikkelingen andersluidende wettelijke, bestuursrechtelijke en contractuele bepalingen aan te nemen dan die welke op het tijdstip van de goedkeuring van deze richtlijn van kracht zijn, mits de hand wordt gehouden aan de minimumeisen van deze richtlijn. " )
   De conclusie is dat de steller van het ontwerp verzocht wordt de aspecten, waaraan hij concrete invulling wenst te geven met de bepalingen van het ontwerp, opnieuw grondig te onderzoeken en in een verslag aan de Koning nadere uitleg te verstrekken wat betreft :
   - de rechtsgrond of rechtsgronden waarop de onderscheiden bepalingen van het ontwerp steunen;
   - de redenen op grond waarvan, ingeval artikel 1, eerste lid, van de wet van 18 februari 1969 als rechtsgrond wordt behouden, kan worden gesteld dat de Koning binnen de hiervoor vermelde perken is gebleven van de Hem verleende machtiging;
   - het beroep op artikel 1, eerste lid, van de wet van 18 februari 1969, voor elke bepaling van het ontwerp die afwijkt van de wet van 16 maart 1971, gelet op de draagwijdte van artikel 2, lid 2, van de voornoemde Richtlijn 2005/47/EG.
   Te dien einde dient bij het verslag aan de Koning eveneens de concordantietabel te worden gevoegd die aan de afdeling wetgeving is bezorgd (7).
   ( (7) Het nut van zulk een concordantietabel wordt nogmaals benadrukt door hetgeen bepaald wordt in de twintigste overweging van de voornoemde Richtlijn 2005/47/EG. )
   4. Nu reeds merkt de afdeling wetgeving op dat het thans onderzochte ontwerp de voornoemde Richtlijn 2005/47/EG niet volledig omzet. Zo worden daarin, bijvoorbeeld, de artikelen 3, 4, eerste alinea, en 7, tweede alinea, van de overeenkomst die bij de richtlijn is gevoegd, niet omgezet.
   5. Gelet op de betrokken aangelegenheid en op de noodzaak om te voldoen aan het vormvereiste waaraan herinnerd wordt in opmerking 2, dient het ontwerp eveneens te worden voorgedragen en medeondertekend door de Minister bevoegd voor Arbeid (8).
   ( (8) Hetzelfde geldt voor de uitvoeringsbepaling die in het ontworpen besluit ontbreekt. )
   6. Gelet op de belangrijkheid van de opmerkingen die hiervoor zijn geformuleerd, is het ontwerpbesluit niet verder onderzocht.
   De kamer was samengesteld uit :
   De heren :
   Ph. Hanse, kamervoorzitter;
   P. Liénardy en J. Jaumotte, staatsraden;
   Mevr. C. Gigot, griffier.
   Het verslag werd opgesteld door de heer A. Lefèbvre, auditeur.
   De overeenstemming tussen de Franse en de Nederlandse tekst werd nagezien onder toezicht van de heer P. Liénardy.
   De griffier, De voorzitter,
   C. Gigot. Ph. Hanse.

Begin Eerste woord Laatste woord Aanhef
Verslag aan de Koning Inhoudstafel
Franstalige versie