J U S T E L     -     Geconsolideerde wetgeving
Einde Eerste woord Laatste woord Wijziging(en) Aanhef
Parlementaire werkzaamheden Inhoudstafel 13 uitvoeringbesluiten 2 gearchiveerde versies
Einde Franstalige versie
 
belgiëlex . be     -     Kruispuntbank Wetgeving
Raad van State
ELI - Navigatie systeem via een Europese identificatiecode voor wetgeving
http://www.ejustice.just.fgov.be/eli/ordonnantie/2008/07/03/2008031362/justel

Titel
3 JULI 2008. - Ordonnantie betreffende de bouwplaatsen op de openbare weg
(NOTA : Raadpleging van vroegere versies vanaf 06-08-2008 en tekstbijwerking tot 08-02-2013) Zie wijziging(en)

Bron : BRUSSELS HOOFDSTEDELIJK GEWEST
Publicatie : 06-08-2008 nummer :   2008031362 bladzijde : 41083   BEELD
Dossiernummer : 2008-07-03/43
Inwerkingtreding : 02-02-2012 (Art.3-Art.7)    ***    01-11-2013 (Art.91,§1,3°)    ***    07-04-2014 (Art.91,§2)    ***    01-11-2013 (Art.91,§2)    ***    01-11-2013 (Art.91,§1,4°)    ***    01-11-2013 (Art.91,§3)    ***    01-11-2013 (Art.91,§1,5°)    ***    onbepaald (Art.91,§2)    ***    02-02-2012 (Art.91,§2)    ***    01-11-2013 (Art.91,§1,1°)    ***    01-11-2013 (Art.91,§1,2°)    ***    onbepaald (ART. (94))

Inhoudstafel Tekst Begin
BOEK I. - Algemeen.
TITEL 1. - Algemene bepalingen.
Art. 1-2
TITEL 2. - De Coördinatiecommissie van de Bouwplaatsen.
Art. 3-7
TITEL 3. - Gegevens.
Art. 8-9
TITEL 4. - De vertegenwoordiging.
Art. 10
BOEK II. - Verplichtingen voorafgaand aan de uitvoering van een bouwplaats.
TITEL 1. - Verplichting om zich bekend te maken.
Art. 11-12
TITEL 2. - Planning van de bouwplaatsen.
Art. 13-14
TITEL 3. - Coördinatie van bouwplaatsen.
HOOFDSTUK 1. - Algemeen.
Art. 15-16
HOOFDSTUK 2. - Coördinatieprocedure.
Sectie 1. - Coördinatieattest.
Art. 17-18
Sectie 2. - Vervolg van de procedure in het kader van een niet-gemengde bouwplaats.
Subsectie 1. - Aanstelling van de leidende-verzoeker.
Art. 19
Subsectie 2. - Uitwerking van het gemeenschappelijke aanvraagdossier voor de uitvoeringsvergunning.
Art. 20-21
Sectie 3. - Vervolg van de procedure in het kader van een gemengde bouwplaats.
Subsectie 1. - Aanstelling van de leidende verzoeker en de coördinerende verzoeker.
Art. 22-23
Subsectie 2. - Uitwerking van het gemeenschappelijke aanvraagdossier voor de uitvoeringsvergunning.
Art. 24-26
HOOFDSTUK 3. - In gebreke blijven van een verzoeker.
Art. 27-28
HOOFDSTUK 4. - Vervalling en verlenging van de coördinatie.
Art. 29-30
TITEL 4. - Uitvoeringsvergunning, rectificatiebericht en bouwplaatsakkoord.
HOOFDSTUK 1. - Algemeen.
Art. 31-33
HOOFDSTUK 2. - Uitvoeringsvergunning.
Sectie 1. - Vergunningsprocedure.
Subsectie 1. - Indiening van de aanvraag.
Art. 34-36
Subsectie 2. - Advies van de Commissie.
Art. 37-39
Subsectie 3. - Beslissing van de beheerder.
Art. 40-41
Sectie 2. - Inhoud van de vergunning.
Art. 42-43
Sectie 3. - In gebreke blijven van een verzoeker.
Subsectie 1. - In gebreke blijven in het kader van een niet-gecoördineerde bouwplaats.
Art. 44
Subsectie 2. - In gebreke blijven in het kader van een gecoördineerde bouwplaats.
Art. 45-46
HOOFDSTUK 3. - Rectificatiebericht.
Art. 47-50
HOOFDSTUK 4. - Bouwplaatsakkoord.
Art. 51-52
BOEK III. - Uitvoering van de bouwplaats.
TITEL 1. - Algemeen.
Art. 53-54
TITEL 2. - Bouwplaatsverplichtingen.
HOOFDSTUK 1. - Vóór het begin van de bouwplaats.
Art. 55-58
HOOFDSTUK 2. - Van het begin tot het einde van de bouwplaats.
Art. 59-62
HOOFDSTUK 3. - Van het einde tot de afsluiting van de bouwplaats.
Art. 63-66
HOOFDSTUK 4. - Van de afsluiting tot de voltooiing van de bouwplaats.
Art. 67-70
TITEL 3. - In gebreke blijven van een verzoeker in het kader van de uitvoering van een bouwplaats.
Art. 71-72
TITEL 4. - Maatregelen van ambtswege.
Art. 73-74
BOEK IV. - Verzoening.
TITEL 1. - Algemeen.
Art. 75-76
TITEL 2. - De verzoeningsprocedure.
Art. 77-79
BOEK V. - Beroep.
Art. 80-82
BOEK VI. - Sancties.
TITEL 1. - Opsporing en vaststelling van overtredingen.
Art. 83
TITEL 2. - Overtredingen en administratieve boetes.
Art. 84-86
BOEK VII. - Afsluitende bepalingen.
Art. 87-94

Tekst Inhoudstafel Begin
BOEK I. - Algemeen.

  TITEL 1. - Algemene bepalingen.

  Artikel 1. Grondwettelijke machtiging.
  Deze ordonnantie regelt een aangelegenheid als bedoeld in artikel 39 van de Grondwet.

  Art. 2. Definities. Voor de toepassing van deze ordonnantie verstaat men onder :
  1° bouwplaats : ieder geďsoleerd werk of elk geheel van werken onder, op of boven de openbare weg;
  2° gecoördineerde bouwplaats : in het geval waarbij een bouwplaats meerdere verzoekers heeft, de indeling van verschillende administratieve en technische taken van de bouwplaats, met als doel om er één geheel van te maken;
  3° gemengde bouwplaats : de gecoördineerde bouwplaats die zowel de werken aan installaties als de werken aan andere voorwerpen dan installaties omvat, waarbij de verzoekers op basis van het voorwerp van hun werken, in twee categorieën zijn onderverdeeld;
  4° niet-gemengde bouwplaats : de gecoördineerde bouwplaats die of betrekking heeft op installaties of op andere voorwerpen dan installaties;
  5° terrein : de oppervlakte van de openbare weg, voorgesteld door een convexe polygoon, die niet meer beschikbaar is voor het verkeer wegens de directe of indirecte behoeftes van de uitvoering van de bouwplaats, en hierbij inbegrepen de los- en laadzones voor materialen en bouwplaatsmaterialen en de parkeerplaatsen voor toestellen en voertuigen voor de bouwplaats; wanneer de bouwplaats wordt uitgevoerd onder of boven de openbare weg, is het terrein de oppervlakte van deze orthogonaal op de oppervlakte van de openbare weg geprojecteerde convexe polygoon;
  6° beheerder : het Brussels Hoofdstedelijk Gewest wanneer de openbare weg, die het voorwerp is van de bouwplaats, een regionale weg is of de gemeente wanneer de openbare weg, die het voorwerp is van de bouwplaats, een gemeentelijke weg is;
  7° regering : de Brusselse Hoofdstedelijke Regering;
  8° verzoeker : iedere persoon die het voornemen heeft een bouwplaats uit te voeren, uitvoert of heeft uitgevoerd, of voor wiens rekening een bouwplaats wordt uitgevoerd;
  9° gecoördineerde verzoekers : verzoekers die een positief antwoord op een coördinatieattest hebben gegeven en dientengevolge deelnemen aan een coördinatieprocedure;
  10° installaties :
  a) de kabels, wachtleidingen, bovengrondse kabels of kabelkanalen, hierbij inbegrepen de verwante uitrustingen en bouwwerken ervan;
  b) de basisstations, steunen, antennes en telefoon- en semafoonantennesites, in de betekenis van de wet van 13 juni 2005 betreffende de elektronische communicatie;
  11° integriteit van de openbare weg : de staat van de openbare weg, beschouwd vanuit het standpunt van zijn materiële behoud;
  12° dag : de werkdag, dit wil zeggen iedere dag, behalve zaterdagen, zondagen en wettelijke feestdagen;
  13° uitvoeringsperiode : de periode van het jaar tijdens welke de bouwplaats wordt uitgevoerd, bepaald in uur, dag, week, halve maand, maand of trimester;
  14° planning van de bouwplaatsen : de opstelling en aankondiging van de projecten van bouwplaatsen die een verzoeker van plan is ten minste tijdens het volgende jaar uit te voeren;
  15° omwonende : iedere persoon die, voor private of professionele doeleinden, een gebouw of een gedeelte van een gebouw bezet langs het gedeelte van de openbare weg die het voorwerp is van de bouwplaats;
  16° uitvoeringsdienst : de verzoekers van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest, van een Brusselse gemeente, van Beliris, van het Vlaams Gewest, van de Maatschappij voor Intercommunaal Vervoer van Brussel, van de naamloze vennootschap naar publiek recht Citeo, van de naamloze vennootschap naar publiek recht Infrabel, van de Haven van Brussel en van Leefmilieu Brussel-BIM;
  17° leefbaarheid van de openbare weg : de staat van de openbare weg, beschouwd vanuit het standpunt van zijn geschiktheid om een gemakkelijke en veilige verplaatsing van de weggebruikers net als een gemakkelijke en veilige toegang van de omwonenden tot hun gebouw te verzekeren;
  18° openbare weg : de openbare weg, samengesteld uit iedere plaats of iedere weg bestemd voor openbaar verkeer, met welke verplaatsingsmodus dan ook, net als de aanhorigheden en de boven- en ondergrondse ruimtes ervan;
  19° weggebruiker : elke natuurlijke persoon die, met welk vervoermiddel ook en om welke reden dan ook, rijdt op de openbare weg die het voorwerp uitmaakt van een bouwplaats.

  TITEL 2. - De Coördinatiecommissie van de Bouwplaatsen.

  Art. 3. Algemeen. Er wordt een Coördinatiecommissie van de Bouwplaatsen opgericht, hierna genoemd de Commissie.

  Art. 4. Taken. § 1. De Commissie heeft als taak om :
  1° de lijst op te stellen van de uitvoeringsdiensten en van de personen, alsook van hun vertegenwoordigers of afgevaardigden die zich bekendmaken in overeenstemming met artikel 11 en om de lijst ter beschikking te stellen van deze uitvoeringsdiensten en van deze personen alsook van de beheerders;
  2° advies te geven over de vergunningsaanvragen voor de uitvoering van een bouwplaats of over aanvragen en voorstellen tot rectificatiebericht;
  3° toe te zien op de actualisering van de gegevensbank bedoeld in artikel 8 en op de codering van de gegevens, met dien verstande dat de Commissie niet aansprakelijk gesteld kan worden voor de codering uitgevoerd door de uitvoeringsdiensten en de personen die voorkomen op de in het 1° bedoelde lijst en door de beheerders onder hun eigen verantwoordelijkheid of voor gelijk welke fout in de meegedeelde gegevens;
  4° de verzoening te organiseren zoals bedoeld in artikelen 75 en volgende, door tussenkomst van het Verzoeningscomité;
  5° op initiatief of vraag van ofwel de regering ofwel een gemeente van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest, opmerkingen te formuleren, suggesties te doen of algemene richtlijnen voor te stellen met betrekking tot iedere vraag over de bouwplaatsen;
  6° een jaarverslag op te stellen van haar werkzaamheden.
  § 2. De regering bepaalt de door de Commissie te respecteren vertrouwelijkheidsregels bij de uitvoering van haar taken.

  Art. 5. Samenstelling.
  § 1. De leden van de Commissie worden benoemd door de regering. Ze is samengesteld uit :
  1° vier leden die het Gewest vertegenwoordigen en die worden voorgesteld door de minister belast met openbare werken;
  2° een lid dat het Gewest vertegenwoordigt en dat wordt voorgesteld door de minister belast met mobiliteit;
  3° een lid dat de Maatschappij voor Intercommunaal Vervoer van Brussel vertegenwoordigt en dat wordt voorgesteld door de minister belast met mobiliteit;
  4° zes leden die de gemeenten van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest vertegenwoordigen;
  5° een lid dat het Gewest vertegenwoordigt en dat wordt voorgesteld door de minister belast met ruimtelijke ordening;
  6° een lid dat het Gewest vertegenwoordigt en dat wordt voorgesteld door de minister belast met milieu;
  7° een lid dat het Gewest vertegenwoordigt en dat wordt voorgesteld door de minister belast met het toezicht op de gemeenten;
  8° zes leden die de politiezones van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest vertegenwoordigen; iedere politieraad stelt een lid voor, wat niet betekent dat bij het uitblijven van een voorstel de Commissie haar taken niet kan uitvoeren;
  9° twee leden die de Raad van Netwerkbeheerders van Brussel vertegenwoordigen, met uitzondering van de Maatschappij voor Intercommunaal Vervoer van Brussel en die door die Raad worden voorgesteld.
  § 2. De Commissieleden die het Gewest vertegenwoordigen, worden aangesteld bij iedere volledige vernieuwing van het Brussels Hoofdstedelijk Parlement en, uiterlijk, op de eerste januari na de installatie ervan.
  De Commissieleden die de gemeenten vertegenwoordigen, worden aangesteld bij iedere volledige vernieuwing van de gemeenteraden en, uiterlijk, op de eerste januari na de installatie ervan.
  De Commissieleden die de politiezones vertegenwoordigen, worden aangesteld bij iedere volledige vernieuwing van de politieraden en, uiterlijk, op de eerste februari na de installatie ervan.
  § 3. De regering stelt de voorzitter van de Commissie aan uit de in § 1, 1°, bedoelde leden, op voorstel van de minister belast met openbare werken.

  Art. 6. Organisatie en werking.
  § 1. De leden bedoeld in artikel 5, § 1, 1° tot 4°, zijn stemgerechtigd.
  De leden bedoeld in artikel 5, § 1, 5° tot 9°, hebben een raadgevende stem.
  § 2. Het advies bedoeld in artikel 4, § 1, 2°, wordt gegeven bij volstrekte meerderheid van de aanwezige leden die stemgerechtigd zijn. In geval van pariteit, is de stem van de voorzitter doorslaggevend.
  De opmerkingen, suggesties of voorstellen bedoeld in artikel 4, § 1, 5°, zijn de weergave van alle tijdens de werken uitgedrukte meningen.
  § 3. De regering bepaalt de organisatie- en werkingsregels van de Commissie, hierbij inbegrepen de regels met betrekking tot :
  1° de uitwerking van het huishoudelijk reglement van de Commissie;
  2° de tijdelijke aanstelling en de eventuele bezoldiging van onafhankelijke experts;
  3° de bezoldiging van de Commissieleden.

  Art. 7. Permanent secretariaat.
  § 1. De Commissie wordt bijgestaan door een Permanent Secretariaat van ambtenaren van het Bestuur Uitrusting en Vervoer van het ministerie van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest, waarvan het kader door de regering wordt vastgelegd.
  § 2. Vallen onder de taken van het Permanent Secretariaat :
  1° de voorbereiding van de dossiers die worden voorgelegd aan het advies van de Commissie en het Verzoeningscomité, met toepassing van de artikelen 33 en 75;
  2° de uitwerking van de agenda van de Commissie en van het Verzoeningscomité en de bijeenroeping van de leden ervan;
  3° de opstelling van de notulen van de vergaderingen van de Commissie en van het Verzoeningscomité;
  4° het bijhouden en ter beschikking stellen van een register met de notulen bedoeld in 3° voor de beheerders en verzoekers;
  5° de externe vertegenwoordiging van de Commissie;
  6° de voorbereiding van het jaarrapport van de Commissie.

  TITEL 3. - Gegevens.

  Art. 8. Gegevensbank.
  § 1. De regering richt een gegevensbank op met een verzameling van alle soorten gecodeerde, ontvangen, uitgewisselde of bewaarde gegevens in het kader van de procedures of formaliteiten bedoeld in deze ordonnantie. Deze gegevensbank wordt online door de regering op Irisnet geplaatst.
  De regering bepaalt de inhoud, de modaliteiten van de actualisering en de technische eigenschappen van deze gegevensbank.
  § 2. Behalve in geval van overmacht gebruiken zowel de beheerders als de uitvoeringsdiensten en de personen op de in artikel 4, § 1, 1°, bedoelde lijst de gegevensbank volgens de modaliteiten en voorwaarden en binnen de door de regering bepaalde grenzen en, indien nodig, door middel van een overeenkomst die dit gebruik zal regelen, en dit met het oog op de uitvoering van deze ordonnantie. In dit verband is er, behoudens in geval van overmacht, slechts in één geldige manier van verzending en ontvangst van documenten voorzien in het raam van de procedures of formaliteiten bedoeld in deze ordonnantie, namelijk elektronisch.
  De regering bepaalt de te gebruiken elektronische hulpmiddelen.
  Zonder afbreuk te doen aan de ordonnantie van 30 maart 1995 betreffende de openbaarheid van bestuur, bepaalt de regering de grenzen en de voorwaarden van de raadpleging van de gegevensbank.
  § 3. De regering kan op ieder moment beslissen dat alle partijen die de gegevensbank moeten gebruiken, zich schikken naar de wet van 9 juli 2001 die bepaalde regels met betrekking tot het juridische kader voor de elektronische handtekeningen en de certificatiediensten vastlegt.

  Art. 9. Bijdrage. § 1. De terbeschikkingstelling van de in artikel 8, § 1, bedoelde gegevensbank geeft recht op de inning, ten voordele van het Gewest, van een variabele jaarlijkse bijdrage, ten laste van de personen op de in artikel 4, § 1, 1°, bedoelde lijst, met uitzondering van de gemeentelijke beheerders en de uitvoeringsdiensten van de gemeentebesturen, de Staat, het Vlaams Gewest, de MIVB, de NV naar publiek recht Infrabel, de NV naar publiek recht Citeo, de Haven van Brussel, en Leefmilieu Brussel-BIM.
  § 2. De bijdrage dient om de jaarlijkse kosten te dekken voor :
  1° het onderhoud;
  2° kleine aanpassingen;
  3° het technische beheer;
  4° de bijstand;
  5° de beveiliging.
  De regering bepaalt het bedrag van de bijdrage en de modaliteiten ervan. Ze bepaalt tevens de betalingsmethode en termijn.

  TITEL 4. - De vertegenwoordiging.

  Art. 10. Vertegenwoordiging.
  § 1. De gewestelijke beheerder en de gewestelijke uitvoeringsdiensten mogen worden vertegenwoordigd door de personeelsleden en ambtenaren die zij aanstellen, om de taken die hen toekomen, uit te voeren, met toepassing van deze ordonnantie. De vertegenwoordigers van de gewestelijke beheerder mogen geen personeelsleden noch ambtenaren zijn van de uitvoeringsdiensten.
  § 2. Het mandaat van de vertegenwoordiger of van de afgevaardigde en de draagwijdte ervan worden gespecificeerd in een geschrift dat wordt overgemaakt aan de Commissie. De regering kan het model bepalen van het mandaat.

  BOEK II. - Verplichtingen voorafgaand aan de uitvoering van een bouwplaats.

  TITEL 1. - Verplichting om zich bekend te maken.

  Art. 11. Toepassingsveld.
  § 1. Moeten zich bekendmaken bij de Commissie :
  1° de uitvoeringsdiensten van de gewestelijke en gemeentelijke besturen en hun vertegenwoordigers;
  2° de personen die een gebruiksrecht van de openbare weg genieten met toepassing van een wets- of verordeningsbepaling alsook hun vertegenwoordigers of afgevaardigden.
  § 2. De regering kan andere categorieën van personen onderwerpen aan de in § 1 bedoelde verplichting voor zover zij gewoonlijk gebruik maken van de openbare weg.
  Daartoe publiceert ze een bericht in het Belgisch Staatsblad.
  Binnen een termijn van dertig dagen, die ingaat op de dag van die bekendmaking, kunnen alle betrokkenen hun opmerkingen te kennen geven.
  Binnen dertig dagen na het verstrijken van de in het vorige lid bedoelde termijn, stelt de regering definitief de categorieën van personen vast en deelt ze de wijze mee waarop de opmerkingen in aanmerking genomen werden.

  Art. 12. Gevolg. Behoudens dringende noodzakelijkheid, naar behoren gemotiveerd in het coördinatieattest, in de aanvraag van uitvoeringsvergunning of in de verklaring van opstarting van bouwplaats, kunnen de uitvoeringsdiensten en personen bedoeld in artikel 11 geen coördinatieattest versturen, een uitvoeringsvergunning aanvragen of een bouwplaats uitvoeren vóór het verstrijken van een termijn van dertig dagen vanaf het ogenblik dat zij zichzelf alsook hun vertegenwoordiger of afgevaardigde hebben bekendgemaakt.

  TITEL 2. - Planning van de bouwplaatsen.

  Art. 13. Principe. Behoudens dringende noodzakelijkheid, naar behoren gemotiveerd in het coördinatieattest, in de aanvraag van uitvoeringsvergunning of in de verklaring van opstarting van bouwplaats, stellen de uitvoeringsdiensten en de personen die voorkomen op de in artikel 4, § 1, 1°, bedoelde lijst, de planning op van hun bouwplaatsen v..r het verzenden van het coördinatieattest, het indienen van de vergunningsaanvraag of de uitvoering van hun bouwplaatsen.
  De lijst van de bouwplaatsen waarvoor er, uit hoofde van hun geringe omvang, geen planning vereist is, wordt opgesteld door de regering.

  Art. 14. Planningsprocedure.
  Ten minste één keer per semester en uiterlijk op 30 juni en 31 december van ten minste ieder jaar bezorgen de uitvoeringsdiensten en de personen die voorkomen op de in artikel 4, § 1, 1°, bedoelde lijst, de geactualiseerde planning van hun bouwplaatsen voor het komende jaar aan de uitvoeringsdiensten en de personen die voorkomen op dezelfde lijst en aan de Commissie en de beheerders.
  De regering bepaalt het model van het planningsdocument.

  TITEL 3. - Coördinatie van bouwplaatsen.

  HOOFDSTUK 1. - Algemeen.

  Art. 15. Principe. Behoudens dringende noodzakelijkheid, naar behoren gemotiveerd in het coördinatieattest, in de aanvraag van uitvoeringsvergunning of in de verklaring van opstarting van bouwplaats, coördineren de uitvoeringsdiensten en de personen die voorkomen op de in artikel 4, § 1, 1°, bedoelde lijst, hun bouwplaatsen v..r het indienen van de uitvoeringsvergunningsaanvraag of de uitvoering van hun bouwplaatsen.
  De lijst van de bouwplaatsen waarvoor er, uit hoofde van hun geringe omvang, geen coördinatie vereist is, wordt opgesteld door de regering.

  Art. 16. Verbod om een bouwplaats uit te voeren gedurende drie jaar.
  Behoudens dringende noodzakelijkheid, naar behoren gemotiveerd in het coördinatieattest, in de aanvraag van uitvoeringsvergunning van de bouwplaats of in de verklaring van opstarting van de bouwplaats, mogen de uitvoeringsdiensten en de personen die voorkomen op de in artikel 4, § 1, 1°, bedoelde lijst, gedurende een termijn van drie jaar beginnend op de in artikel 66, § 1, vastgestelde datum van afsluiting van de bouwplaats, geen bouwplaats uitvoeren onder, op of boven van het gedeelte van de openbare weg waaronder, waarop of waarboven een gecoördineerde bouwplaats werd uitgevoerd.

  HOOFDSTUK 2. - Coördinatieprocedure.

  Sectie 1. - Coördinatieattest.

  Art. 17. Procedure. § 1. Wanneer hij een bouwplaats wenst uit te voeren bedoeld in artikel 15, stuurt de uitvoeringsdienst of de persoon die voorkomt op de in artikel 4, § 1, 1°, bedoelde lijst, hierna de appellerende verzoeker genoemd, een coördinatieattest naar de andere uitvoeringsdiensten en naar de personen op diezelfde lijst, hierna de geappelleerde verzoekers genoemd.
  De geappelleerde verzoekers die onder, op, boven of in de buurt van het in het coördinatieattest bedoelde gedeelte van de openbare weg een bouwplaats wensen uit te voeren, brengen de appellerende verzoeker daarvan op de hoogte binnen tien dagen volgend op de ontvangst ervan.
  § 2. Wanneer de bouwplaats werd gepland en de appellerende verzoeker het coördinatieattest verstuurt binnen een termijn van minder dan zestig dagen vanaf de overmaking van de planning, kan iedere geappelleerde verzoeker zich verzetten tegen het coördinatieattest. Het verzet wordt binnen de in § 1 bedoelde termijn van tien dagen overgemaakt aan de appellerende verzoeker, de andere geappelleerde verzoekers en de beheerder.
  Bij verzet kan de appellerende verzoeker geen nieuw coordinatieattest versturen vóór er zestig dagen verstreken zijn vanaf de dag waarop de planning werd overgemaakt.
  § 3. De regering bepaalt het model van het coördinatieattest.

  Art. 18. Herinnering.
  Als een geappelleerde verzoeker binnen de in artikel 17, § 1 beoogde termijn van tien dagen niet antwoordt, verstuurt de appellerende verzoeker hem een herinnering uiterlijk de dag volgend op het verstrijken van deze termijn. Gebeurt dit niet, dan wordt de coördinatieprocedure geacht niet begonnen te zijn.
  De geappelleerde verzoeker antwoordt binnen vijf dagen na de verzending van de herinnering. Bij afwezigheid van antwoord binnen deze termijn, wordt de geappelleerde verzoeker geacht niet aan de coördinatie te willen deelnemen.
  De regering bepaalt het model van de nieuwe aanvraag en van het antwoord op de herinnering.

  Sectie 2. - Vervolg van de procedure in het kader van een niet-gemengde bouwplaats.

  Subsectie 1. - Aanstelling van de leidende-verzoeker.

  Art. 19. Aanstellingsprocedure.
  § 1. Bij een niet-gemengde bouwplaats stellen de gecoördineerde verzoekers, op initiatief van de appellerende verzoeker, de leidende verzoeker aan. Wordt geen consensus bereikt, dan geschiedt de aanstelling bij volstrekte meerderheid van de stemmen; bij gelijkheid van stemmen, is de stem van de appellerende verzoeker doorslaggevend.
  De leidende verzoeker wordt aangesteld binnen tien dagen volgend op de ontvangst van het laatste antwoord van een geappelleerde verzoeker op het coördinatieattest of na het verstrijken van de termijn van vijf dagen bedoeld in artikel 18, tweede lid.
  Vindt binnen deze termijn geen aanstelling plaats, dan is de appellerende verzoeker, van rechtswege, leidende verzoeker. Indien hij zich daartegen verzet, dan brengt hij, uiterlijk op de dag na het verstrijken van deze zelfde termijn, de gecoördineerde-verzoekers daarvan op de hoogte.
  Er wordt van uitgegaan dat de gecoördineerde verzoeker die niet deelneemt aan de aanstelling van de leidende verzoeker, afziet van de coördinatieprocedure.
  De regering bepaalt de vorm van de aanstelling van de leidende verzoeker.
  § 2. De appellerende verzoeker maakt meteen na zijn aanstelling de antwoorden op het coördinatieattest aan de leidende verzoeker over.

  Subsectie 2. - Uitwerking van het gemeenschappelijke aanvraagdossier voor de uitvoeringsvergunning.

  Art. 20. Vereenvoudigd dossier.
  De gecoördineerde verzoekers maken aan de leidende verzoeker een vereenvoudigd dossier voor de aanvraag van een uitvoeringsvergunning over, waarin, met behulp van een plan, inzonderheid een beschrijving is opgenomen van de werken en hun terrein.
  Het dossier wordt overgemaakt binnen twintig dagen volgend op de aanstelling van de leidende verzoeker. Er wordt van uitgegaan dat de gecoördineerde verzoeker die geen volledig dossier binnen deze termijn overmaakt, afziet van de coördinatieprocedure.
  De regering bepaalt het model van het vereenvoudigd dossier voor de aanvraag van de uitvoeringsvergunning en preciseert de samenstelling ervan.

  Art. 21. Coördinatiebalans.
  De leidende verzoeker stelt binnen twintig dagen volgend op de ontvangst van het laatste vereenvoudigde dossier of na het verstrijken van de termijn van twintig dagen bedoeld in artikel 20, de coördinatiebalans op. Hij bezorgt binnen deze zelfde termijn een afschrift ervan aan de gecoordineerde verzoekers.
  De coördinatiebalans vat de antwoorden op het coördinatieattest samen, hierbij inbegrepen de eventuele herinneringen, en bevat een coördinatieplan dat de bouwplaatsen van de gecoördineerde verzoekers localiseert.
  De regering bepaalt het model van de coördinatiebalans en preciseert de samenstelling ervan.

  Sectie 3. - Vervolg van de procedure in het kader van een gemengde bouwplaats.

  Subsectie 1. - Aanstelling van de leidende verzoeker en de coördinerende verzoeker.

  Art. 22. Aanstelling van de leidende verzoeker.
  In geval van een gemengde bouwplaats, wordt de leidende verzoeker door de gecoördineerde verzoekers aangesteld met inachtneming van artikel 19.
  De appellerende verzoeker maakt meteen na zijn aanstelling de antwoorden op het coördinatieattest van de gecoördineerde verzoekers uit zijn categorie aan de leidende verzoeker over.

  Art. 23. Aanstelling van de coördinerende verzoeker.
  § 1. De gecoördineerde verzoekers die niet vallen in de categorie van de leidende verzoeker stellen, indien geen consensus wordt bereikt, bij volstrekte meerderheid van stemmen, de coördinerende verzoeker aan binnen de categorie waartoe ze behoren.
  De coördinerende verzoeker wordt aangesteld binnen tien dagen volgend op de aanstelling van de leidende verzoeker.
  Als bij het verstrijken van deze termijn geen aanstelling heeft plaatsgevonden, dan stelt de leidende verzoeker, ten laatste op de dag na het verstrijken van deze zelfde termijn, de coördinerende verzoeker aan. Hij brengt de gecoördineerde verzoekers er tegelijkertijd van op de hoogte. Indien de coördinerende verzoeker zich verzet tegen zijn aanstelling, dan brengt hij uiterlijk op de dag volgend op zijn aanstelling de gecoördineerde verzoekers daarvan op de hoogte.
  Er wordt van uitgegaan dat de gecoördineerde verzoeker die niet deelneemt aan de aanstelling van de coördinerende verzoeker, afziet van de coördinatieprocedure.
  De regering bepaalt de vorm van de aanstelling van de coördinerende verzoeker.
  § 2. De appellerende verzoeker maakt meteen na zijn aanstelling de antwoorden op het coördinatieattest van de gecoördineerde verzoekers uit zijn categorie aan de coördinerende verzoeker over.

  Subsectie 2. - Uitwerking van het gemeenschappelijke aanvraagdossier voor de uitvoeringsvergunning.

  Art. 24. Vereenvoudigd dossier.
  De gecoördineerde verzoekers maken de leidende verzoeker of de coördinerende verzoeker, afhankelijk van de categorie waartoe ze behoren, een vereenvoudigd dossier over voor de aanvraag van de uitvoeringsvergunning, opgesteld in overeenstemming met artikel 20.
  Het dossier wordt binnen twintig dagen volgend op de aanstelling van de leidende verzoeker of de coördinerende verzoeker overgemaakt. Er wordt van uitgegaan dat de gecoördineerde verzoeker die binnen deze termijn geen volledig dossier overmaakt, afziet van de coördinatieprocedure.

  Art. 25. Coördinatiesynthese.
  Zowel de leidende verzoeker als de coördinerende verzoeker stelt, voor de categorie die hem aanbelangt, een coordinatiesynthese op die gebaseerd is op de vereenvoudigde dossiers van de gecoördineerde verzoekers die tot hun categorie behoren, en dit binnen een termijn van twintig dagen volgend op de ontvangst van het laatste vereenvoudigde dossier of na het verstrijken van de termijn van twintig dagen zoals bedoeld in artikel 24.
  Binnen deze termijn maken zij de gecoördineerde verzoekers, die tot hun categorie behoren, een afschrift van hun coördinatiesynthese over. De coördinerende verzoeker maakt binnen deze zelfde termijn zijn coördinatiesynthese over aan de leidende verzoeker.
  De coördinatiesynthese vat de antwoorden op het coördinatieattest, alsook op eventuele herinneringen, samen en bevat een coördinatieplan dat de werken van de gecoördineerde verzoekers localiseert.
  De regering bepaalt het model van de coördinatiesynthese en preciseert de samenstelling ervan.

  Art. 26. Coördinatiebalans.
  Binnen twintig dagen volgend op de ontvangst van de coördinatiesynthese van de coördinerende verzoeker, stelt de leidende verzoeker, op basis van de coördinatiesyntheses, de coördinatiebalans op en bezorgt die, in overeenstemming met artikel 21.

  HOOFDSTUK 3. - In gebreke blijven van een verzoeker.

  Art. 27. In gebreke blijven.
  Wordt geacht in gebreke te blijven :
  1° de gecoördineerde verzoeker die zijn aanstelling als leidende verzoeker weigert, met toepassing van artikel 19, § 1, tweede of derde lid;
  2° de gecoördineerde verzoeker die zijn aanstelling als coordinerende verzoeker weigert, met toepassing van artikel 23, § 1, tweede of derde lid;
  3° de coördinerende verzoeker die de coördinatiesynthese niet overmaakt aan de leidende verzoeker binnen de in artikel 25 bedoelde termijn;
  4° de leidende verzoeker die geen coördinerende verzoeker aanstelt bij het verstrijken van de in artikel 23, § 1 derde lid bedoelde termijn, of die niet de coördinatiesynthese of de coördinatiebalans opstelt binnen de in de artikelen 21, 25 en 26 bedoelde termijnen.

  Art. 28. Gevolgen van in gebreke blijven.
  § 1. Binnen dertig dagen volgend op het in gebreke blijven, maken de gecoördineerde verzoekers de in gebreke blijvende verzoeker een ingebrekestelling over om hem ertoe aan te sporen er een einde aan te stellen. Zij maken een kopie van hun ingebrekestelling over aan de gecoördineerde-verzoekers.
  Bij gebrek aan een ingebrekestelling binnen deze termijn, wordt de coördinatieprocedure beschouwd als niet aangevat.
  § 2. De in gebreke blijvende verzoeker stelt een einde aan zijn in gebreke blijven binnen tien dagen volgend op de ontvangstdatum van de eerste ingebrekestelling.
  Doet hij dit niet, dan wordt de coördinatieprocedure opgeschort, in afwachting van de aanhangigmaking bij het Verzoeningscomité, in overeenstemming met artikel 77, § 1, 2°.
  Wanneer de zaak niet aanhangig wordt gemaakt bij het Verzoeningscomité of bij mislukking van de verzoening, wordt de coördinatieprocedure beschouwd als niet aangevat.
  § 3. De regering bepaalt het model van de ingebrekestelling.

  HOOFDSTUK 4. - Vervalling en verlenging van de coördinatie.

  Art. 29. Vervaltermijn.
  De coördinatie vervalt indien een aanvraag voor uitvoeringsvergunning niet wordt ingediend binnen honderdtwintig dagen volgend op de overmakingsdatum van de coördinatiebalans.

  Art. 30. Verlenging.
  § 1. Op initiatief van de leidende coördinator kan de beheerder de in artikel 29 bedoelde termijn van honderd twintig dagen verlengen voor de duur die hij bepaalt en zonder dat deze langer mag zijn dan honderdtwintig dagen.
  De leidende verzoeker dient, op straffe van verval, de verlengingsaanvraag in ten minste dertig dagen vóór het verstrijken van de termijn van honderdtwintig dagen.
  § 2. De beheerder neemt een beslissing over de verlengingsaanvraag en deelt zijn beslissing mee aan de leidende verzoeker, binnen dertig dagen volgend op de aanvraag.
  De verlenging wordt beschouwd als verworpen indien de beheerder geenbeslissing meedeelt binnen deze termijn.
  De beheerder maakt de Commissie en de gecoördineerde verzoekers, binnen dezezelfde termijn, een afschrift over van zijn beslissing.
  § 3. De regering bepaalt het model van de verlengingsaanvraag en van de verlengingsbeslissing.

  TITEL 4. - Uitvoeringsvergunning, rectificatiebericht en bouwplaatsakkoord.

  HOOFDSTUK 1. - Algemeen.

  Art. 31. Principe. § 1. Behoudens dringende noodzakelijkheid, naar behoren gemotiveerd in de verklaring van opstarting van bouwplaats, mag niemand een bouwplaats uitvoeren zonder uitvoeringsvergunning.
  De lijst van de bouwplaatsen waarvoor er, uit hoofde van hun geringe omvang, geen uitvoeringsvergunning vereist is, wordt opgesteld door de regering.
  § 2. Een uitvoeringsvergunning kan het voorwerp zijn van een rectificatiebericht, vanaf de ontvangst, door de verzoeker, van deze vergunning tot aan de beëindiging van de bouwplaats, wanneer vanaf de afgifte nieuwe en onvoorzienbare omstandigheden van dusdanige aard zijn dat ze de uitvoeringsvoorwaarden van de bouwplaats wijzigen.
  De regering kan de in het vorige lid bedoelde omstandigheden preciseren.
  § 3. De bouwplaatsen vrijgesteld van vergunning wegens de dringende noodzakelijkheid of de geringe omvang ervan kunnen het voorwerp zijn van een bouwplaatsakkoord, vanaf de ontvangst, door de beheerder, van het bericht van opstarting van bouwplaats tot aan de beëindiging ervan.

  Art. 32. Bouwplaats op verschillende openbare wegen.
  § 1. Wanneer de bouwplaats tegelijk gelegen is op een gewestelijke en op een gemeentelijke weg, of op een of meerdere gemeentelijke wegen van verschillende gemeenten, maakt iederebetrokken beheerder aan de andere betrokken beheerders, ter informatie enzonder verwijl, een kopie over van :
  1° zijn beslissingsvoorstel, bedoeld in artikelen 37 en 47;
  2° zijn beslissing, bedoeld in artikelen 41 en 50;
  3° zijn bouwplaatsakkoord bedoeld in artikel 51.
  § 2. De Commissie maakt iedere betrokken beheerder, ter informatie en zonder verwijl, een kopie over van haar advies.

  Art. 33. Advies van de Commissie.
  § 1. Iedere uitvoeringsvergunningsaanvraag of iedere aanvraag of voorstel tot rectificatiebericht is onderworpen aan het advies van de Commissie indien de bouwplaats, helemaal of gedeeltelijk, is gelegen op een gewestelijke weg of op een gemeentelijke weg met een duidelijk belang voor het verkeer op het grondgebied van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest.
  De regering stelt de in het eerste lid bedoelde gemeentelijke wegenlijst op na het inwinnen van het advies van de gemeenten.
  Het advies van de gemeenten wordt beschouwd als gunstig in geval van stilzwijgen op de vervaldag van een termijn van zestig dagen vanaf de ontvangst van de adviesaanvraag.
  § 2. De regering mag de lijst opstellen met de bouwplaatsen bedoeld in § 1 die, uit hoofde van hun geringe omvang, vrijgesteld zijn van het advies van de Commissie.

  HOOFDSTUK 2. - Uitvoeringsvergunning.

  Sectie 1. - Vergunningsprocedure.

  Subsectie 1. - Indiening van de aanvraag.

  Art. 34. Dossier van uitvoeringsvergunningsaanvraag.
  § 1. De regering bepaalt de vereiste voorwaarden opdat het dossier van uitvoeringsvergunningsaanvraag als volledig kan worden beschouwd.
  Maken in elk geval deel uit van het aanvraagdossier :
  1° wanneer de aanvraag betrekking heeft op een geplande bouwplaats, de planning waarin ze is opgenomen;
  2° wanneer de aanvraag betrekking heeft op een gecoördineerde bouwplaats, alle documenten die ermee verband houden.
  § 2. Indien de aanvrager, in zijn aanvraag, de dringende noodzakelijkheid aanvoert om zich te onttrekken aan de in de artikelen 12, 13, 15 of 16 opgesomde verplichtingen en indien de beheerder vaststelt dat deze niet gegrond is, is de aanvraag onontvankelijk.

  Art. 35. Indiening van de aanvraag.
  De aanvrager dient zijn uitvoeringsvergunningsaanvraag in door zijn dossier, in overeenstemming met de door de regering bepaalde vorm, over te maken aan de beheerder.
  De aanvrager kan zijn uitvoeringsvergunningsaanvraag ook indienen door zijn dossier in handen van de beheerder af te geven, in welk geval deze hem zonder verwijl een attest van indiening aflevert.
  In het kader van een gecoördineerde bouwplaats wordt de aanvraag ingediend door de leidende verzoeker, die de gecoördineerde verzoekers de datum meedeelt waarop de aanvraag werd ingediend.

  Art. 36. Ontvangstbewijs van het dossier.
  § 1. Indien het dossier van de uitvoeringsvergunningsaanvraag volledig is, dan levert de beheerder een ontvangstbewijs af aan de aanvrager, binnen twintig dagen volgend op de ontvangst of indiening van het dossier.
  § 2. Indien het dossier van de uitvoeringsvergunningsaanvraag niet volledig is, dan maakt de beheerder de aanvrager, binnen twintig dagen na ontvangst of indiening van het dossier, een uitnodiging over, waarin hij hem vraagt om hem de ontbrekende inlichtingen of documenten mee te delen.
  De aanvrager bezorgt de beheerder de ontbrekende inlichtingen of documenten, binnen twintig dagen na ontvangst van de uitnodiging, in welk geval de beheerder de aanvrager het ontvangstbewijs overmaakt.
  § 3. In het geval van een gecoördineerde bouwplaats vraagt de leidende verzoeker de desbetreffende gecoördineerde verzoeker, binnen vijf dagen volgend op de ontvangst van de uitnodiging, om hem, geheel of gedeeltelijk, zijn eigen ontbrekende inlichtingen of documenten over te maken.
  Verstuurt de gecoördineerde verzoeker zijn eigen inlichtingen of ontbrekende documenten niet binnen tien dagen volgend op de aanvraag, dan wordt hij geacht, voor het ge deelte dat hem betreft, af te zien van de uitvoeringsvergunningsaanvraag.
  De leidende-verzoeker deelt aan de gecoördineerde-verzoekers de datum mee waarop de ontbrekende inlichtingen of documenten werden meegedeeld.
  § 4. Indien het ontvangstbewijs niet wordt afgegeven of het onvolledige karakter niet wordt meegedeeld, dan worden de proceduretermijnen bedoeld in de artikelen 37 en 41 berekend vanaf de eenentwintigste dag na de ontvangst, naar gelang van het geval, van de aanvraag of van de ontbrekende documenten en inlichtingen.
  § 5. De regering bepaalt het model van het ontvangstbewijs van het volledige dossier, net als van de uitnodiging om de ontbrekende inlichtingen of documenten mee te delen en van de mededeling hiervan.

  Subsectie 2. - Advies van de Commissie.

  Art. 37. Aanhangigmaking bij de Commissie.
  Indien de aanvraag een in artikel 33 bedoelde bouwplaats betreft, dan maakt de beheerder, om advies, het dossier, alsook een beslissingsvoorstel over aan de Commissie, binnen twintig dagen volgend op het ontvangstbewijs.
  De regering bepaalt het model van de adviesaanvraag en van het beslissingsvoorstel van de beheerder.

  Art. 38. Hoorzitting, aanvullende informatie en advies.
  § 1. De Commissie :
  1° kan, op eigen initiatief, de aanvrager, de beheerder alsook iedere expert horen;
  2° hoort, op hun verzoek, de aanvrager en de beheerder;
  wanneer een partij vraagt om gehoord te worden, dan wordt de andere partij uitgenodigd om te verschijnen;
  3° kan de aanvrager en de beheerder vragen om haar bijkomende informatie te verschaffen, binnen de termijn die zij vaststelt, zonder dat in geval van een gecoördineerde bouwplaats, deze termijn korter mag zijn dan vijftien dagen;
  4° kan het advies vragen van iedere andere bij de bouwplaats betrokken persoon dan de aanvrager, de eventuele gecoördineerde verzoekers en de beheerder.
  5° nodigt, in geval van grote werken, de betrokken gemeente(en) uit indien deze niet in de Commissie vertegenwoordigd is (zijn).
  § 2. In het geval van een gecoördineerde bouwplaats, vraagt de leidende verzoeker de desbetreffende gecoördineerde verzoeker, binnen vijf dagen volgend op de ontvangst van de uitnodiging, om hem, geheel of gedeeltelijk, zijn bijkomende informatie over te maken.
  Verstuurt de gecoördineerde verzoeker zijn bijkomende informatie niet binnen tien dagen volgend op de aanvraag, dan wordt hij geacht, voor het gedeelte dat hem betreft, af te zien van de uitvoeringsvergunningsaanvraag.
  De leidende verzoeker deelt de gecoördineerde verzoekers de datum mee waarop de bijkomende informatie werd ingediend.
  § 3. De regering bepaalt het model van de aanvraag om de bijkomende informatie mee te delen en van de meedeling hiervan, evenals van de uitnodiging voor een hoorzitting.

  Art. 39. Overmaking van het advies.
  § 1. De Commissie maakt haar advies over aan de beheerder, binnen twintig dagen volgend op de ontvangst van het dossier en van het voorstel van de beheerder.
  Wanneer, met toepassing van artikel 38, een hoorzitting heeft plaatsgevonden of bijkomende informatie of een advies werd gevraagd, dan wordt die termijn van twintig dagen met vijf dagen verlengd, vanaf de hoorzitting of vanaf de ontvangst van de bijkomende informatie of het advies.
  § 2. Wordt er geen advies uitgebracht binnen de in § 1 bedoelde termijnen, dan wordt het geacht gunstig te zijn en wordt de in artikel 41, § 1, 2°, bedoelde termijn berekend vanaf de dag volgend op het verstrijken van de termijn voor het overmaken van het advies.
  § 3. De regering bepaalt het model van het advies waarbij de eventuele bijkomende informatie en het advies worden gevoegd.

  Subsectie 3. - Beslissing van de beheerder.

  Art. 40. Hoorzitting, bijkomende informatie en advies.
  § 1. De beheerder :
  1° kan, op eigen initiatief, de aanvrager horen, behalve wanneer een hoorzitting reeds heeft plaatsgevonden voor de Commissie;
  2° hoort de aanvrager wanneer deze daarom vraagt, behalve wanneer een hoorzitting reeds heeft plaatsgevonden voor de Commissie;
  3° kan de aanvrager vragen om hem, behalve wanneer zij reeds aan de Commissie is overgemaakt, binnen de termijn die hij vaststelt, bijkomende informatie te verschaffen, zonder dat, in geval van een gecoördineerde bouwplaats, deze termijn korter mag zijn dan vijftien dagen;
  4° kan, behalve wanneer het reeds aan de Commissie is overgemaakt, het advies vragen van iedere andere bij de bouwplaats betrokken persoon dan de aanvrager, de eventuele gecoördineerde verzoekers en de Commissie.
  § 2. In het geval van een gecoördineerde bouwplaats, vraagt de leidende verzoeker, binnen vijf dagen volgend op uitnodiging, de desbetreffende gecoördineerde verzoeker om hem zijn bijkomende informatie volledig of gedeeltelijk over te maken.
  Verstuurt de gecoördineerde verzoeker zijn bijkomende informatie niet binnen tien dagen na de aanvraag, dan wordt hij geacht, voor het gedeelte dat hem betreft, af te zien van de uitvoeringsvergunningsaanvraag.
  De leidende verzoeker deelt de gecoördineerde verzoekers de datum mee waarop de bijkomende informatie werd ingediend.
  § 3. De regering bepaalt het model van de aanvraag om de bijkomende informatie mee te delen en van de mededeling hiervan, evenals van de uitnodiging voor een hoorzitting.

  Art. 41. Kennisgeving van de beslissing.
  § 1. De beheerder deelt zijn beslissing mee aan :
  1° de aanvrager, indien de aanvraag niet werd voorgelegd om advies van de Commissie, binnen dertig dagen volgend op het verstrekken van het ontvangstbewijs;
  2° de aanvrager en de Commissie gelijktijdig, indien de aanvraag werd voorgelegd om advies van de Commissie, binnen twintig dagen na ontvangst van het advies.
  Wanneer, met toepassing van artikel 40, een hoorzitting heeft plaatsgevonden, of bijkomende informatie of een advies werd gevraagd, dan worden de in het eerste lid bedoelde termijnen verlengd met vijf dagen vanaf de hoorzitting of de ontvangst van de bijkomende informatie of het advies.
  Binnen dezelfde termijn, maakt de beheerder een kopie van de beslissing over aan de gecoördineerde verzoekers.
  § 2. Wanneer de aanvrager in zijn aanvraag om uitvoeringsvergunning, de dringendheid inroept zoals bedoeld in artikelen 12, 13, 15 of 16 en wanneer de beheerder deze, in het ontvangstbewijs, gegrond verklaart, worden de termij nen voor onderzoek en afgifte van de uitvoeringsvergunning met de helft ingekort.
  Indien het resultaat van de halvering van een termijn decimalen bevat, worden deze afgerond naar de hogere eenheid.
  § 3. De afwezigheid van de mededeling van de beslissing van de beheerder binnen de in § 1, bedoelde termijn komt overeen met een weigering van de uitvoeringsvergunning.
  § 4. De beheerder motiveert zijn beslissing ten opzichte van het advies van de Commissie
  In voorkomend geval worden de beslissing van de beheerder die een aanvraag tot verlenging van de coördinatie aanvaardt, het advies van de Commissie, alle bijkomende informatie en elk advies bij de beslissing gevoegd.
  § 5. Zonder afbreuk te doen aan het in artikel 80 bedoelde beroep bij de regering, kan de aanvrager de beslissing van de beheerder, zelfs indien zij stilzwijgend is, aanhangig maken bij het Verzoeningscomité, met inachtneming van artikel 77, § 1, 1°.
  § 6. De regering bepaalt het model van de uitvoeringsvergunning en de vorm van de mededeling ervan.

  Sectie 2. - Inhoud van de vergunning.

  Art. 42. Algemene verplichte en facultatieve voorschriften.
  § 1. De uitvoeringsvergunning bevat volgende verplichte voorschriften :
  1° de ligging van de bouwplaats;
  2° het terrein van de bouwplaats;
  3° de duur en de periode van de uitvoering van de bouwplaats.
  § 2. De uitvoeringsvergunning kan volgende facultatieve voorschriften bevatten :
  1° de aanvangsdatum van de bouwplaats;
  2° in geval van een gemengde bouwplaats, de uitvoeringsduur- en periode van de werken in verband met de installaties en van die met een ander voorwerp;
  3° elk ander voorschrift naast degene bedoeld in artikelen 59 en 62, § 1;
  4° de beslissing van de beheerder om artikel 62, § 2, toe te passen.

  Art. 43. Specifieke voorschriften voor de installaties.
  § 1. Indien de uitvoeringsvergunning een bouwplaats betreft waarop nieuwe installaties worden geplaatst of bestaande installaties worden vernieuwd, dan kan deze vergunning volgende elementen bevatten met inachtneming van het principe van de evenredigheid en om de integriteit en leefbaarheid van de openbare weg te bewaren :
  1° de aanduiding van de plaats op de openbare weg waar de installaties moeten worden geplaatst;
  2° de aanduiding van het maximale aantal toegestane installaties die op een bepaalde plaats op de openbare weg mogen worden geplaatst;
  3° de verplichting van de verzoeker om de niet meer in gebruik zijnde installaties weg te nemen;
  4° de voorschriften met betrekking tot het ontwerp en de uitvoering van de bouwplaats, net als tot de plaatsing van de installaties, en dit om de latere ingrepen op de openbare weg tot een minimum te beperken.
  § 2. In het kader van een bouwplaats waarbij een nieuwe openbare weg wordt aangelegd of waarbij een gedeelte van de bestaande openbare weg volledig vernieuwd wordt, kan de beheerder met inachtneming van het principe van de evenredigheid en om de integriteit en de leefbaarheid ervan te verzekeren, de verzoekers de verplichting opleggen kunstwerken op te trekken bestemd om gedeeld te worden en er hun installaties te plaatsen.

  Sectie 3. - In gebreke blijven van een verzoeker.

  Subsectie 1. - In gebreke blijven in het kader van een niet-gecoördineerde bouwplaats.

  Art. 44. In gebreke blijven en gevolgen.
  In het kader van een niet-gecoördineerde bouwplaats, wordt de uitvoeringsvergunningsaanvraag beschouwd als niet ingediend indien de aanvrager volgende elementen niet overmaakt :
  1° de ontbrekende inlichtingen of documenten, binnen de in artikel 36, § 2 vastgestelde termijn;
  2° de bijkomende informatie, binnen de in de artikelen 38, § 1, en 40, § 1 vastgestelde termijnen.

  Subsectie 2. - In gebreke blijven in het kader van een gecoördineerde bouwplaats.

  Art. 45. In gebreke blijven.
  In het kader van een gecoördineerde bouwplaats, blijft de leidende verzoeker in gebreke wanneer :
  1° hij de ontbrekende documenten of inlichtingen niet overmaakt binnen de in artikel 36, § 2 vastgestelde termijn;
  2° hij de bijkomende informatie niet overmaakt binnen de in artikelen 38, § 1, en 40, § 1 vastgestelde termijnen.

  Art. 46. Gevolg van het in gebreke blijven.
  § 1. Binnen tien dagen volgend op de datum van het in gebreke blijven, maken de gecoördineerde verzoekers de in gebreke blijvende leidende verzoeker een ingebrekestelling over om hem ertoe aan te sporen zijn in gebreke blijven te verhelpen. Zij maken een kopie van hun ingebrekestelling aan de andere gecoördineerde verzoekers over.
  Bij gebrek aan iedere ingebrekestelling binnen deze termijn, wordt de uitvoeringsvergunningsaanvraag beschouwd als niet ingediend.
  § 2. De in gebreke blijvende leidende verzoeker verhelpt aan zijn in gebreke blijven binnen tien dagen volgend op de ontvangstdatum van de eerste ingebrekestelling.
  Doet hij dit niet, dan wordt de procedure voor de afgifte van de uitvoeringsvergunning opgeschort, in afwachting van de aanhangigmaking bij het Verzoeningscomité, in overeenstemming met artikel 77, § 1, 2°.
  Wordt de zaak niet aanhangig gemaakt bij het Verzoeningscomité of in geval van mislukking van de verzoening, wordt de uitvoeringsvergunningsaanvraag beschouwd als niet ingediend.
  § 3. De regering bepaalt het model van de ingebrekestelling.

  HOOFDSTUK 3. - Rectificatiebericht.

  Art. 47. Indiening van het verzoek of voorstel tot rectificatiebericht.
  § 1. Een rectificatieberichtaanvraag kan bij de wegbeheerder worden ingediend door de verzoeker die houder is van de uitvoeringsvergunning of wanneer de uitvoeringsvergunningsaanvraag werd voorgelegd om advies van de Commissie, door de voorzitter van deze laatste.
  De desbetreffende beheerder kan, op eigen initiatief, een voorstel tot rectificatiebericht doen.
  § 2. De beheerder maakt, zonder verwijl, de verzoeker en, in voorkomend geval, de gecoördineerde verzoekers, het afschrift over van de aanvraag tot rectificatiebericht van de voorzitter van de Commissie of van zijn voorstel tot rectificatiebericht.
  § 3. De regering bepaalt het model van de aanvraag en het voorstel tot rectificatiebericht.

  Art. 48. Aanhangigmaking bij en advies van de Commissie.
  § 1. Wanneer de aanvraag van de verzoeker of het voorstel van de beheerder betrekking heeft op een in artikel 33 bedoelde bouwplaats, maakt de beheerder ze of het, om advies, over aan de Commissie.
  De Commissie brengt haar advies uit volgens artikelen 38 en 39. De aan de Commissie toegekende termijn om haar advies uit te brengen wordt niettemin beperkt tot vijftien dagen te tellen vanaf de overmaking van de aanvraag of het voorstel tot rectificatiebericht.
  § 2. De verzoeker die de aanvraag tot rectificatiebericht heeft ingediend, wordt geacht er afstand van te hebben gedaan wanneer hij de Commissie de in artikel 38 bedoelde bijkomende informatie niet overmaakt.
  § 3. De regering bepaalt het model van de rectificatieberichtaanvraag en van het rectificatiebericht.

  Art. 49. Hoorzitting, bijkomende informatie en advies.
  De beheerder kan artikel 40 toepassen.
  De persoon die een aanvraag tot rectificatiebericht heeft ingediend, wordt geacht er afstand van te hebben gedaan wanneer hij de beheerder de in artikel 40 bedoelde bijkomende informatie niet overmaakt.

  Art. 50. Kennisgeving van de beslissing.
  § 1. De beheerder deelt zijn beslissing mee volgens artikel 41, waarbij de aan de beheerder toegekende termijn niettemin wordt beperkt tot vijftien dagen vanaf :
  1° indien de aanvraag of zijn voorstel niet wordt voorgelegd om advies van de Commissie, de ontvangst van de aanvraag of de overmaking van zijn voorstel;
  2° indien de aanvraag wordt voorgelegd om advies van de Commissie, de overmaking ervan.
  § 2. Het uitblijven van de kennisgeving van de beslissing binnen de in § 1 bedoelde termijn, komt overeen met de weigering van het rectificatiebericht.
  § 3. Zonder afbreuk te doen aan het in artikel 80 bedoelde beroep bij de regering, kan de aanvrager de beslissing van de beheerder, mocht zij stilzwijgend zijn, aanhangig maken bij het Verzoeningscomité, met in achtneming van artikel 77, § 1, 1°.
  § 4. De regering bepaalt het model van het rectificatiebericht en de vorm van de kennisgeving ervan.

  HOOFDSTUK 4. - Bouwplaatsakkoord.

  Art. 51. Kennisgeving.
  § 1. De beheerder kan de verzoeker een bouwplaatsakkoord meedelen wanneer :
  1° de bouwplaats niet onderworpen is aan een uitvoeringsvergunning;
  2° hij vaststelt, na inzage van het bericht van opstarting van de bouwplaats, dat de dringende noodzakelijkheid die door de verzoeker wordt aangevoerd met toepassing van de artikelen 12, 13, 15, 16 of 31, § 1, gegrond is.
  Wanneer het gaat over een in artikel 33 bedoelde bouwplaats, maakt de beheerder aan de Commissie tegelijkertijd een afschrift van het bouwplaatsakkoord over.
  De verzoeker schikt zich naar het bouwplaatsakkoord vanaf de ontvangst ervan.
  § 2. De regering bepaalt het model van het bouwplaatsakkoord en van de kennisgeving ervan.

  Art. 52. Inhoud. Het bouwplaatsakkoord kan de volgende voorschriften bevatten :
  1° aanvullende voorschriften op die bedoeld in artikelen 59 en 62, § 1;
  2° een datum waarop de openbare weg in goede staat moet zijn hersteld;
  3° voor zover het bouwplaatsakkoord is afgegeven vóór het begin van de bouwplaats, de aanvangsdatum van de bouwplaats, haar uitvoeringsperiode of de beslissing van de beheerder om artikel 62, § 2 toe te passen.

  BOEK III. - Uitvoering van de bouwplaats.

  TITEL 1. - Algemeen.

  Art. 53. Verplichtingen van de gecoördineerde verzoekers.
  § 1. In het geval van een gecoördineerde bouwplaats, voert de leidende verzoeker, in naam en voor rekening van de gecoördineerde verzoekers, de in de artikelen 54, § 1, 56, 57, 58, 59, § 2, 60, 63, 66, § 3, en 67 verplichtingen uit.
  § 2. In het geval van een gemengde bouwplaats, voeren de leidende verzoeker en de coördinerende verzoeker, in naam en voor rekening van de gecoördineerde verzoekers die tot hun categorie behoren, de in artikel 61 bedoelde verplichting uit.
  § 3. In geval van een gecoördineerde bouwplaats, zijn de uitvoeringsdiensten en de personen die voorkomen op de in artikel 4, § 1, 1° bedoelde lijst hoofdelijk aansprakelijk voor de uitvoering van de in de artikelen 59, § 1, 62, 64, 65, 68, 69, 72, 73 en 74 bedoelde verplichtingen.

  Art. 54. Bouwplaats op verschillende openbare wegen.
  § 1. Wanneer de bouwplaats zich tegelijk op een gewestelijke en een gemeentelijke weg of op een of meerdere gemeentelijke wegen van verschillende gemeenten bevindt, maakt de verzoeker, ter informatie en zonder verwijl, de desbetreffende beheerders een kopie over van :
  1° zijn verklaring van opstarting van bouwplaats bedoeld in artikel 58;
  2° zijn verklaring van afsluiting van bouwplaats bedoeld in artikel 66, § 3.
  § 2. Iedere beheerder maakt de andere bij de bouwplaats betrokken beheerders, ter informatie en zonder verwijl, een kopie over van :
  1° zijn bevelen bedoeld in de artikelen 58, 59, § 2, 64, 68 en 72;
  2° zijn beslissing om de in de artikelen 58, § 3, 65, 69 en 72 bedoelde maatregelen van ambtswege toe te passen.

  TITEL 2. - Bouwplaatsverplichtingen.

  HOOFDSTUK 1. - Vóór het begin van de bouwplaats.

  Art. 55. Bankwaarborg.
  § 1. De verzoeker stelt een bankwaarborg per bouwplaats op basis van de oppervlakte van het terrein. Het bewijs dat de waarborg gesteld werd, wordt overgemaakt aan de beheerder vóór het opstarten van de bouwplaats of, in geval van dringende noodzakelijkheid, naar behoren gemotiveerd, in het bericht van opstarting van de bouwplaats, binnen tien dagen vanaf de dag van verzending van dat bericht.
  In afwijking van het eerste lid kunnen de personen die voorkomen op de in artikel 4, § 1, 1° bedoelde lijst een meerjarenwaarborg stellen ten gunste van alle beheerders die alle bouwplaatsen dekt die zij uitvoeren op heel het grondgebied van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest, gedurende een welbepaalde periode.
  De bankwaarborg wordt uitgegeven door een erkende kredietinstelling ofwel bij de Commissie voor het Bank- en Financiewezen ofwel bij een overheid van een lidstaat van de Europese Unie die gemachtigd is om de kredietinstellingen te controleren.
  De regering bepaalt het bedrag van de bankwaarborg, met inachtneming van het evenredigheidsbeginsel. Zij bepaalt ook de vorm en de voorschriften inzake het stellen, de vrijmaking en de afhouding van de bankwaarborg, alsook, voor degene bedoeld in het tweede lid, de wijze waarop bewezen dient te worden dat ze gesteld en aangepast werd.
  § 2. De bankwaarborg is bedoeld om de dekking te garanderen van de verschuldigde bedragen met toepassing van de artikelen 9, 62, § 2, 74, 86 en van artikel 87 voor de personen die voorkomen op de in artikel 4, § 1, 1° bedoelde lijst. De bedragen die op de vervaldag nog niet werden betaald, worden ambtshalve door de beheerder ingehouden op de bankwaarborg; er is daarvoor geen andere formaliteit vereist dan de verzoeker daarvan, overeenkomstig de door de regering bepaalde modaliteiten, op de hoogte te stellen.
  § 3. De uitvoeringsdiensten zijn vrijgesteld van de verplichting een bankwaarborg te stellen.
  De regering stelt de lijst met bouwplaatsen van geringe omvang op die vrijgesteld zijn van de verplichting een bankwaarborg te stellen.

  Art. 56. Informatie aan weggebruikers en omwonenden.
  § 1. Behoudens dringende noodzakelijkheid, naar behoren gemotiveerd in het bericht van opstarting van de bouwplaats, informeert de verzoeker, ten minste drie dagen vóór het opstarten van de bouwplaats en gedurende heel de duur ervan, de omwonenden en weggebruikers over de aard van de bouwplaats, de duur ervan en de invloed op de leefbaarheid van de openbare weg. Hij deelt ze eveneens zijn gegevens en die van de onderneming belast met de uitvoering van de bouwplaats mee.
  De regering bepaalt de vorm en de modaliteiten van deze informatie.
  § 2. De uitvoeringsvergunning of het bouwplaatsakkoord kan elk ander aanvullend voorschift dan deze bedoeld in § 1 bevatten.

  Art. 57. Oorspronkelijke plaatsbeschrijving.
  § 1. Behoudens dringende noodzakelijkheid, naar behoren gemotiveerd in het bericht van opstarting van de bouwplaats, nodigt de verzoeker de beheerder, vóór het opstarten van de bouwplaats, uit om de oorspronkelijke plaatsbeschrijving van het terrein van de bouwplaats en van zijn onmiddellijke omgeving op te stellen, hetgeen geschiedt ten vroegste vijf dagen na de uitnodiging.
  Indien er na twintig dagen volgend op de uitnodiging geen oorspronkelijke plaatsbeschrijving werd opgesteld en dit te wijten is aan de beheerder, stelt de verzoeker deze plaatsbeschrijving op, die dan geacht wordt tegensprekelijk te zijn. Hij maakt, zonder verwijl, een kopie ervan over aan de beheerder.
  § 2. Bij afwezigheid van de oorspronkelijke plaatsbeschrijving, worden het terrein van de bouwplaats en zijn onmiddellijke omgeving geacht in goede staat te verkeren op het ogenblik waarop de bouwplaats aanvangt.
  § 3. De kosten voor de oorspronkelijke plaatsbeschrijving zijn ten laste van de verzoeker.
  § 4. De regering bepaalt het model van de oorspronkelijke plaatsbeschrijving en van de uitnodiging.

  Art. 58. Bericht van opstarting van de bouwplaats.
  § 1. Behoudens naar behoren gemotiveerde dringende noodzakelijkheid, bezorgt de verzoeker ten laatste vijf dagen voor het opstarten van de bouwplaats, een bericht van opstarting van de bouwplaats aan de beheerder en aan de eventuele gecoördineerde verzoekers. In het bericht van opstarting, wordt de datum van het opstarten van de bouwplaats meegedeeld die, in voorkomend geval, overeenkomt met deze vermeld in de uitvoeringsvergunning of in een rectificatiebericht.
  Wanneer het een bouwplaats betreft bedoeld in artikel 33, dient de verzoeker tegelijkertijd een kopie van het bericht van opstarting aan de Commissie over te maken.
  § 2. Indien, vóór het opstarten van de bouwplaats, een aanvraag of een voorstel voor rectificatiebericht met betrekking tot de datum van opstarting werd ingediend, mag de bouwplaats pas worden gestart wanneer over deze aanvraag of voorstel is beslist.
  § 3. In geval van dringende noodzakelijkheid, wordt de verklaring van opstarting van de bouwplaats aan de beheerder overgemaakt uiterlijk de eerste dag volgend op de datum waarop de werken aanvangen.
  Als de beheerder, na inzage van het bericht van opstarting, vaststelt dat het verzoek om dringende uitvoering niet gegrond is, geeft hij aan de verzoeker het bevel :
  1° de bouwplaats stil te leggen en, indien redenen dit rechtvaardigen, binnen de termijn die hij vaststelt, het terrein van de bouwplaats en zijn onmiddellijke omgeving in oorspronkelijke staat te herstellen; gebeurt dit niet, dan kan de beheerder ambtshalve voorzien in de uitvoering van de nodige werken ten laste, op kosten en voor risico van de verzoeker;
  2° zich te schikken naar § 1, eerste lid, en, in voorkomend geval, naar de artikelen 12, 13, 15, 16, 31, § 1, of 57.
  Wanneer het een in artikel 33 bedoelde bouwplaats betreft, maakt de beheerder een kopie van zijn bevel over aan de Commissie.
  De beheerder maakt een kopie van zijn bevel over aan de eventuele gecoördineerde verzoekers.
  § 4. De regering bepaalt het model van het bericht van opstarting van de bouwplaats en van het bevel van de beheerder.

  HOOFDSTUK 2. - Van het begin tot het einde van de bouwplaats.

  Art. 59. Beheer van de bouwplaats.
  § 1. Van het begin tot aan het einde van de bouwplaats, beheert de verzoeker de bouwplaats om de integriteit en de leefbaarheid van de openbare weg te vrijwaren.
  Te dien einde, moet de verzoeker :
  1° het terrein van de bouwplaats afsluiten met afsluitingen;
  2° de aanhorigheden van de openbare weg gelegen op het terrein van de bouwplaats en in de onmiddellijke omgeving beschermen;
  3° het terrein van de bouwplaats en de onmiddellijke omgeving in goede staat houden wat betreft orde en netheid;
  4° signalisatie aanbrengen op zijn terrein en in de omgeving;
  5° verlichting aanbrengen op zijn terrein en in de onmiddellijke omgeving;
  6° indien nodig, de bouwplaats in fases uitvoeren;
  7° het verkeer van de bouwplaatsvoertuigen over vastgestelde routes regelen;
  8° langs het terrein van de bouwplaats, de verplaatsing van zwakke weggebruikers over de openbare weg verzekeren door middel van speciale wandelgangen;
  9° langs het terrein van de bouwplaats en de onmiddellijke omgeving, het verkeer verzekeren van voertuigen die een openbare dienst verzekeren;
  10° de toegang tot de naburige gebouwen verzekeren;
  11° zorgen voor de toegang tot de ingangen van metrostations, haltes van het openbaar vervoer, taxistandplaatsen, zones voor het laden en lossen van goederen en plaatsen en installaties voor personen met beperkte mobiliteit;
  12° geen enkel materiaal, materieel, toestel of voertuig van de bouwplaats buiten zijn terrein plaatsen.
  De regering kan de hierboven genoemde voorschriften preciseren en elk ander voorschrift opstellen om de leefbaarheid en de integriteit van de openbare weg te verzekeren.
  § 2. In de loop van de werken en voor zover de integriteit of de leefbaarheid van de weg dit vereist, mag de beheerder, mits gegronde motivering, de verzoeker bevelen de werken stil te leggen en deze, in voorkomend geval, te hervatten op de door hem bepaalde datum.

  Art. 60. Tonen van documenten op de bouwplaats.
  Op de bouwplaats toont de verzoeker op het eerste verzoek van de in artikel 83, § 1 bedoelde officieren of agenten, het afschrift van de uitvoeringsvergunning, van ieder rectificatiebericht of van het bouwplaatsakkoord alsook van het bericht van opstarting van een bouwplaats.

  Art. 61. Tussentijdse plaatsbeschrijving.
  § 1. De leidende verzoeker of coördinerende verzoeker, afhankelijk van het voorwerp waarop het eerste gedeelte van de gemengde bouwplaats betrekking heeft, nodigt, bij het einde van het eerste gedeelte, de coördinerende verzoeker of de leidende verzoeker uit om de tussentijdse plaatsbeschrijving op te stellen, hetgeen geschiedt ten vroegste vijf dagen na de uitnodiging.
  Indien er binnen twintig dagen volgend op de uitnodiging geen tussentijdse plaatsbeschrijving werd opgesteld en dit te wijten is aan de uitgenodigde verzoeker, stelt de andere verzoeker eenzijdig deze plaatsbeschrijving op, die tegensprekelijk is. Hij maakt, zonder verwijl, een kopie ervan over aan de andere verzoeker.
  § 2. De kosten voor de tussentijdse plaatsbeschrijving zijn ten laste van de verzoeker die verantwoordelijk is voor het eerste gedeelte van de bouwplaats, tenzij anders werd overeengekomen.
  § 3. De regering bepaalt het model van de tussentijdse plaatsbeschrijving en van de uitnodiging.

  Art. 62. Herstel. § 1. Aan het einde van de bouwplaats :
  1° herstelt de verzoeker het terrein van de bouwplaats en de onmiddellijke omgeving in hun oorspronkelijke staat zoals vermeld in de oorspronkelijke plaatsbeschrijving en in overeenstemming met alle andere voorschriften van de uitvoeringsvergunning, ieder rectificatiebericht of het bouwplaatsakkoord;
  2° verwijdert hij alles wat te maken heeft met de bouwplaats, met inbegrip van de afsluitingen.
  De regering kan de hierboven genoemde voorschriften preciseren en elk ander voorschrift opstellen om de leefbaarheid en de integriteit van de openbare weg te verzekeren.
  § 2. In afwijking van § 1, 1°, kan de beheerder beslissen, indien dit bepaald is in een uitvoeringsvergunning of een bouwplaatsakkoord, om zelf in de oorspronkelijke staat te herstellen, op eigen kosten of, met in achtneming van het principe van de evenredigheid, op kosten van de verzoeker.
  De regering bepaalt het model van de beslissing van de beheerder.

  HOOFDSTUK 3. - Van het einde tot de afsluiting van de bouwplaats.

  Art. 63. Afsluitende plaatsbeschrijving.
  § 1. Binnen tien dagen volgend op het einde van de bouwplaats, nodigt de verzoeker de beheerder uit om de afsluitende plaatsbeschrijving op te stellen, hetgeen geschiedt ten vroegste vijf dagen na de uitnodiging.
  Indien er binnen twintig dagen na de uitnodiging geen afsluitende plaatsbeschrijving werd opgesteld en dit te wijten is aan de beheerder, worden het terrein van de bouwplaats en de onmiddellijkeomgeving beschouwd als hersteld in de oorspronkelijke staat en als zijnde in over een stemming met alle andere voorschriften van de uitvoeringsvergunning, van ieder rectificatiebericht of van het bouwplaatsakkoord.
  § 2. Indien de verzoeker in gebreke blijft wat betreft het opstellen van een afsluitende plaatsbeschrijving in overeenstemming met § 1, stelt de beheerder eenzijdig deze plaatsbeschrijving op, die tegensprekelijk is. Hij maakt, zonder verwijl, een kopie ervan over aan de verzoeker.
  § 3. De kosten voor de afsluitende plaatsbeschrijving zijn ten laste van de verzoeker.
  § 4. De regering bepaalt het model van de afsluitende plaatsbeschrijving en van de uitnodiging.

  Art. 64. Bijkomende werken.
  § 1. Indien uit de afsluitende plaatsbeschrijving voortvloeit dat het terrein van de bouwplaats en de onmiddellijke omgeving niet in de oorspronkelijke staat werden hersteld of niet in overeenstemming zijn met alle andere voorschriften van de uitvoeringsvergunning, van ieder rectificatiebericht of van het bouwplaatsakkoord, geeft de beheerder de verzoeker de opdracht om bijkomende werken uit te voeren binnen de termijn die hij vaststelt.
  Indien door de beheerder geen opdracht gegeven wordt binnen twintig dagen volgend op de afsluitende plaatsbeschrijving, worden het terrein van de bouwplaats en zijn onmiddellijke omgeving geacht in de oorspronkelijke staat hersteld te zijn en in overeenstemming te zijn met alle andere voorschriften van de uitvoeringsvergunning, van ieder rectificatiebericht of van het bouwplaatsakkoord.
  § 2. Bij het einde van de bijkomende werken, wordt een afsluitende plaatsbeschrijving opgesteld met inachtneming van artikel 63.
  § 3. De regering bepaalt het model van de opdracht voor het uitvoeren van bijkomende werken.

  Art. 65. Maatregelen van ambtswege.
  Indien de bijkomende werken niet werden uitgevoerd in overeenstemming met de opdracht van de beheerder, kan hij van ambtswege voorzien in de uitvoering van de werken ten laste, op kosten en voor risico van de verzoeker.

  Art. 66. Afsluiting van een bouwplaats.
  § 1. De afsluiting van de bouwplaats vindt plaats :
  1° ofwel op de datum van de afsluitende plaatsbeschrijving bedoeld in de artikelen 63 en 64, § 2;
  2° ofwel op de vervaldatum van de aan de beheerder toegekende termijn om de afsluitende plaatsbeschrijving uit te voeren bedoeld in de artikelen 63 en 64, § 2;
  3° ofwel, met toepassing van artikel 65, op de datum waarop de bijkomende werken eindigen.
  § 2. De afsluitingsdatum van de bouwplaats, is het begin van een garantieperiode van drie jaar, waarin de verzoeker gehouden is tot de uitvoering van alle herstellings-, heropbouw-, bagger- en andere werken die noodzakelijk zijn ten gevolge van verzakkingen, verschuivingen, afkalvingen, dichtslibbingen, breuken, beschadigingen van om het even welke aard die verband houden met de bouwplaats en die het terrein van de bouwplaats en de onmiddellijke omgeving ervan treffen.
  § 3. Uiterlijk de twintigste dag volgend op de afsluitende plaatsbeschrijving, maakt de verzoeker de beheerder een verklaring van afsluiting van de bouwplaats over. De verklaring vermeldt de afsluitingsdatum van de bouwplaats.
  Wanneer het gaat om een in artikel 33 bedoelde bouwplaats, maakt de verzoeker tegelijkertijd een kopie van de verklaring van afsluiting van de bouwplaats over aan de Commissie.
  De regering bepaalt de samenstelling en het model van de verklaring van afsluiting van de bouwplaats.

  HOOFDSTUK 4. - Van de afsluiting tot de voltooiing van de bouwplaats.

  Art. 67. Vaststelling van beschadigingen.
  § 1. Uiterlijk dertig dagen volgend op de ontdekking van beschadigingen en voor zover ze geschiedt binnen de garantietermijn van drie jaar, roept de beheerder de verzoeker op om een vaststelling van de beschadigingen op te stellen wat, behoudens behoorlijk gemotiveerde dringendheid, geschiedt ten vroegste vijf dagen volgend op de oproeping.
  Bij afwezigheid van de naar behoren opgeroepen verzoeker, stelt de beheerder alleen de vaststelling op, die tegensprekelijk is. Hij maakt, zonder verwijl, een kopie over aan de verzoeker.
  § 2. Indien de beheerder nalaat om de vaststelling van beschadigingen uit te voeren met inachtneming van § 1, worden het terrein van de bouwplaats en de onmiddellijke omgeving verondersteld niet getroffen te zijn door een beschadiging.
  § 3. De kosten voor de vaststelling van beschadigingen zijn ten laste van de verzoeker.
  § 4. De regering bepaalt het model van de vaststelling van beschadigingen en van de oproeping.

  Art. 68. Herstellingswerken.
  § 1. Wanneer uit de vaststelling van beschadigingen, blijkt dat het terrein van de bouwplaats en de onmiddellijke omgeving zijn getroffen door beschadigingen, geeft de beheerder de verzoeker de opdracht om de herstellingswerken op zijn kosten uit te voeren binnen de termijn die hij vaststelt.
  Met uitzondering van de artikelen 13 en 15, zijn deze werken onderworpen aan de naleving van alle beschikkingen van deze ordonnantie.
  Indien de beheerder geen enkele opdracht geeft binnen twintig dagen volgend op de vaststelling van de beschadigingen, worden het terrein van de bouwplaats en de onmiddellijke omgeving verondersteld niet getroffen te zijn door een beschadiging.
  § 2. Bij het einde van de herstellingswerken, wordt een afsluitende plaatsbeschrijving opgesteld met inachtneming van artikel 63.
  § 3. De regering bepaalt het model van de opdracht om de herstellingswerken uit te voeren.

  Art. 69. Maatregelen van ambtswege.
  Indien de herstellingswerken niet uitgevoerd werden in overeenstemming met de opdracht van de beheerder, kan hij van ambtswege voorzien in de uitvoering van de werken ten laste, op kosten en voor risico van de verzoeker.

  Art. 70. Voltooiing van de bouwplaats.
  § 1. De voltooiing van de bouwplaats vindt plaats op de laatste dag van de in artikel 66, § 2 bedoelde garantieperiode van drie jaar.
  § 2. De voltooiing van de bouwplaats leidt tot het vrijgeven van de voor de behoeften van de bouwplaats aangegane bankwaarborg.

  TITEL 3. - In gebreke blijven van een verzoeker in het kader van de uitvoering van een bouwplaats.

  Art. 71. In gebreke blijven.
  De verzoeker blijft in gebreke wanneer :
  1° hij, op welke wijze ook, de in artikelen 59 en 62, § 1 bedoelde voorschriften of elk ander voorschrift bedoeld in een uitvoeringsvergunning, een rectificatiebericht of een bouwplaatsakkoord negeert;
  2° hij, zonder gewettigde reden, de uitvoering van de bouwplaats gedurende langer dan tien dagen onderbreekt.

  Art. 72. Bevel en sanctie.
  § 1. De beheerder geeft aan de verzoeker het bevel om zijn tekortkoming te beëindigen.
  Indien de verzoeker geen gehoor geeft aan het bevel van de beheerder binnen vijf dagen volgend op de ontvangst ervan, kan de beheerder, ten laste, op kosten en voor risico van de verzoeker, uitvoeren :
  1° in het in artikel 71, 1° bedoelde geval, de werken om de bouwplaats in overeenstemming te brengen met de in artikelen 59 en 62, § 1 bedoelde voorschriften of met deze in de uitvoeringsvergunning, het rectificatiebericht of het bouwplaatsakkoord;
  2° in het in artikel 71, 2° bedoeld geval, de werken om het terrein van de bouwplaats en de onmiddellijke omgeving weer in de oorspronkelijke staat te herstellen.
  § 2. De regering bepaalt het model van het bevel van de beheerder.

  TITEL 4. - Maatregelen van ambtswege.

  Art. 73. Gevolgen. § 1. De beslissing van de beheerder om zich te beroepen op maatregelen van ambtswege, met toepassing van de artikelen 58, § 3, 65, 69 en 72, wordt meegedeeld aan de verzoeker bij aangetekende zending of tegen ontvangstbewijs.
  Te tellen vanaf de ontvangst van deze beslissing, kan de verzoeker niet langer, behoudens tegengestelde beslissing van de beheerder, optreden in de uitvoering van de met deze maatregelen bedoelde bouwplaats noch zich beroepen op de hem afgeleverde bouwplaatsvergunning, rectificatiebericht of bouwplaatsakkoord.
  § 2. Wanneer het gaat over een in artikel 33 bedoelde bouwplaats, maakt de beheerder tegelijkertijd een kopie van zijn beslissing om zich te beroepen op maatregelen van ambtswege over aan de Commissie.
  § 3. De regering bepaalt het model van de beslissing van de beheerder om zich te beroepen op maatregelen van ambtswege.

  Art. 74. Terugbetaling.
  Onverminderd artikel 55, § 2, bepaalt de regering de termijn en de modaliteiten voor de terugbetaling, door de verzoeker, van de kosten voortvloeiend uit de toepassing van de maatregelen van ambtswege.

  BOEK IV. - Verzoening.

  TITEL 1. - Algemeen.

  Art. 75. Verzoeningscomité.
  § 1. Er wordt, binnen de Commissie, een Verzoeningscomité ingesteld, hierna genoemd het Comité.
  § 2. Het Comité heeft als taak om, door middel van verzoening, een minnelijke schikking te zoeken in de in artikelen 28, § 2, 41, § 5, 46, § 2 en 50, § 3 bedoelde gevallen.

  Art. 76. Samenstelling, werking en organisatie.
  § 1. Het Comité bestaat uit de Voorzitter van de Commissie, bijgestaan door drie bijzitters die hij aanstelt, op iedere verzoeningsaanvraag, de eerste uit de leden van de Commissie die het Gewest vertegenwoordigt, de tweede uit de leden die de gemeenten van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest vertegenwoordigen en de derde uit de leden die de Raad van Netwerkbeheerders in Brussel vertegenwoordigen.
  § 2. De regering bepaalt de modaliteiten van de werking en de organisatie van het Comité.

  TITEL 2. - De verzoeningsprocedure.

  Art. 77. Aanhangigmaking bij het Comité.
  § 1. Er wordt bij het Comité een verzoeningsaanvraag aanhangig gemaakt :
  1° in de in artikelen 41, § 5, en 50, § 3 bedoelde gevallen, door de verzoeker, binnen tien dagen volgend op de ontvangst van de beslissing of, bij gebrek aan die beslissing, binnen tien dagen volgend op de vervaldag van de termijn binnen welke zij had moeten worden meegedeeld;
  2° in de in artikelen 28, § 2 en 46, § 2 bedoelde gevallen, door de gecoördineerde verzoeker, binnen tien dagen volgend op de vervaldatum van de in deze artikelen bedoelde termijn van tien dagen.
  § 2. De regering bepaalt de modaliteiten voor de verzending van de verzoeningsaanvraag en bepaalt het model van de aanvraag.

  Art. 78. Onderzoek van de verzoeningsaanvraag.
  Na de partijen te hebben opgeroepen om gehoord te worden, houdt het Comité zitting, binnen tien dagen volgend op de ontvangst van de aanvraag.
  Het Comité kan zich alle inlichtingen en documenten die het nodig acht voor het onderzoek van de verzoeningsaanvraag laten overmaken en alle getuigen horen.
  Het Comité is verplicht tot geheimhouding; de informatie die het verzamelt of de vaststellingen die het doet, mogen niet worden doorgegeven aan derden buiten de verzoeningsaanvraag.

  Art. 79. Conclusies van de verzoening.
  § 1. In geval van verzoening, stelt het Comite een proces-verbaal van overeenkomst op, dat door de partijen en de Voorzitter wordt ondertekend.
  Wanneer de verzoening leidt tot het afgeven van de uitvoeringsvergunning of van het rectificatiebericht, dan wordt het proces-verbaal van overeenkomst gemotiveerd en bevat het de in de artikelen 42 en 43 bedoelde vermeldingen.
  § 2. Bij gebrek aan verzoening, brengt de Commissie, in de in de artikelen 41, § 5 en 50, § 3 bedoelde gevallen, een met redenen omkleed advies uit, dat ze meedeelt aan de partijen, binnen vijf dagen volgend op de in artikel 78 bedoelde zitting.
  Het advies herhaalt de argumenten van de partijen.
  § 3. De regering bepaalt de vorm van het proces-verbaal van overeenkomst en van het advies.

  BOEK V. - Beroep.

  Art. 80. Instelling van het beroep.
  § 1. De verzoeker kan bij de regering beroep instellen binnen twintig dagen volgend op de ontvangst van de beslissing met uitspraak over de uitvoeringsvergunning of het rectificatiebericht of volgend op het verstrijken van de termijnen om een uitspraak te doen.
  Wanneer een verzoeningsaanvraag mislukt, wordt het beroep ingesteld binnen twintig dagen volgend op de ontvangstdatum van het advies van het Comité.
  § 2. Het beroep wordt bij een ter post aangetekende zending verstuurd naar de regering die er een afschrift van overmaakt aan de beheerder en de Commissie, binnen tien dagen volgend op de ontvangst. Wanneer een verzoeningsaanvraag mislukt, dan wordt het in artikel 79, § 2 bedoelde bericht bij het beroep gevoegd.

  Art. 81. Hoorzitting met de partijen.
  De regering of de door haar afgevaardigde persoon hoort, op hun verzoek, de eisende partij of haar raadsman, de beheerder of zijn afgevaardigde.
  Indien een partij vraagt om gehoord te worden, worden de andere partijen opgeroepen om te verschijnen.

  Art. 82. Beslissing van de regering.
  De beslissing van de regering of van de door haar afgevaardigde persoon wordt meegedeeld aan de partijen binnen zestig dagen volgend op de ontvangst van het beroep. Wanneer de partijen zijn gehoord, wordt de termijn verlengd met vijftien dagen.
  Bij gebrek aan mededeling van de beslissing binnen deze termijn, wordt de oorspronkelijke beslissing van de beheerder, ook stilzwijgend, beschouwd als bevestigd.
  Indien de regering of de door haar afgevaardigde persoon de uitvoeringsvergunning afgeeft, bevat deze beslissing, in voorkomend geval, de in artikelen 42 en 43 bedoelde vermeldingen.

  BOEK VI. - Sancties.

  TITEL 1. - Opsporing en vaststelling van overtredingen.

  Art. 83. Toezicht. § 1. De regering stelt de gewestelijke ambtenaren en beambten aan en het college van burgemeester en schepenen stelt de gemeentelijke ambtenaren en beambten aan die bevoegd zijn om toezicht te houden op de uitvoering van onderhavige ordonnantie.
  De in het eerste lid bedoelde beambten en ambtenaren hebben de bevoegdheid van agenten of officieren van de gerechtelijke politie en moeten de eed afleggen, in overstemming met de geldende wetten en regels.
  § 2. Zonder afbreuk te doen aan de plichten van de officieren van de gerechtelijke politie, mogen de in § 1 bedoelde ambtenaren en beambten, in de uitoefening van hun taak :
  1° op ieder uur van de dag en de nacht, het terrein betreden, op voorwaarde dat dat geen woonplaats is in de betekenis van artikel 15 van de Grondwet;
  2° de politiediensten oproepen om hen bij te staan;
  3° zich laten vergezellen door experts;
  4° overgaan tot ieder onderzoek, iedere controle, iedere ondervraging en alle informatie verzamelen en meer in het bijzonder :
  a) iedere persoon ondervragen;
  b) ieder document of ieder stuk opsporen, raadplegen of opvragen zonder verplaatsing;
  c) foto's of andere kopieën nemen van de gevraagde documenten, of ze meenemen tegen ontvangstbewijs.
  § 3. In het geval van een overtreding op deze ordonnantie, mogen de in § 1 bedoelde ambtenaren en beambten :
  1° een verwittiging geven aan de overtreder en een termijn vastleggen, bedoeld om hem de tijd te geven de vastgestelde overtreding te beëindigen; indien de verwittiging mondeling wordt gegeven, moeten zij deze, binnen vijf dagen, bevestigen bij aangetekende zending of tegen ontvangstbewijs;
  2° een rechtsgeldig proces-verbaal opstellen tot het tegendeel is bewezen; dit proces-verbaal wordt aan de overtreder overgemaakt, op straffe van nietigheid, bij aangetekende zending of tegen ontvangstbewijs en dit binnen tien dagen volgend op de dag waarop het werd opgesteld of op de vervaldag van de in 1° bedoelde termijn.
  § 4. De ambtenaar of beambte bezorgt een afschrift van zijn in § 3, 1° bedoelde verwittiging en van zijn in § 3, 2° bedoeld proces-verbaal aan de beheerder en de Commissie.
  § 5. De regering bepaalt het model van verwittiging bedoeld in § 3, 1°, en van het proces-verbaal bedoeld in § 3, 2°.

  TITEL 2. - Overtredingen en administratieve boetes.

  Art. 84. Overtredingen en sancties.
  § 1. Is beboetbaar met een administratieve boete van 250 EUR tot 25.000 EUR, eenieder die :
  1° een bouwplaats opstart, zonder uitvoeringsvergunning;
  2° op welke wijze ook, de bevelen van de beheerder bedoeld in de artikelen 58, § 3, 59, § 2, 64, 68 en 72 negeert;
  § 2. Is beboetbaar met een administratieve boete van 250 EUR tot 25.000 EUR, de uitvoeringsdienst of de persoon die voorkomt op de in artikel 4, § 1, 1° bedoelde lijst en die, tijdens de in artikel 16 bedoelde verbodsperiode van drie jaar, een bouwplaats opstart onder, op of boven het gedeelte van de openbare weg waaronder, waarop of waarboven een gecoördineerde bouwplaats werd uitgevoerd.
  § 3. Is beboetbaar met een administratieve boete van 187,50 EUR tot 18.750 EUR, eenieder die :
  1° een bouwplaats vrijgesteld van uitvoeringsvergunning opstart, zonder de beheerder het bericht van opstarting van bouwplaats te hebben overgemaakt in overeenstemming met artikel 58, §§ 1 of 3;
  2° een bouwplaats vrijgesteld van uitvoeringsvergunning opstart, zonder de in artikel 58, § 1 bedoelde termijn van vijf dagen te hebben nageleefd;
  3° op welke wijze ook, de voorschriften bedoeld in de artikelen 59, § 1 en 62, § 1, of elk ander voorschrift in een uitvoeringsvergunning, een rectificatiebericht of een bouwplaatsakkoord negeert.
  § 4. Is beboetbaar met een administratieve boete van 125 EUR tot 12.500 EUR, eenieder die :
  1° een bouwplaats opstart, zonder de weggebruikers en omwonenden op de hoogte te hebben gebracht in overeenstemming met artikel 56;
  2° een bouwplaats gedekt door een uitvoeringsvergunning opstart, zonder de beheerder het bericht van opstarting van bouwplaats te hebben bezorgd in overeenstemming met artikel 58, §§ 1 of 3.
  § 5. Is beboetbaar met een administratieve boete van 125 EUR tot 12.500 EUR, de uitvoeringsdienst of de persoon die dient voor te komen op de in artikel 4, § 1, 1° bedoelde lijst en die een bouwplaats aanvangt, zonder zijn vertegenwoordiger of zijn afgevaardigde aan de Commissie te hebben bekendgemaakt in overeenstemming met artikel 11.
  § 6. Is beboetbaar met een administratieve boete van 62,50 EUR tot 6.250 EUR, eenieder die :
  1° een bouwplaats uitvoert, zonder de kopie van de uitvoeringsvergunning, ieder rectificatiebericht of het bouwplaatsakkoord alsook het bericht van opstarting van de bouwplaats te kunnen voorleggen in overeenstemming met artikel 60;
  2° de beheerder geen verklaring van afsluiting van bouwplaats bezorgt in overeenstemming met artikel 66, § 3.
  § 7. Is beboetbaar met een administratieve boete, eenieder die een bouwplaats opstart, zonder een bankwaarborg te zijn aangegaan in overeenstemming met artikel 55; het bedrag is gelijk aan het dubbele van het bedrag van de bankwaarborg.
  § 8. In geval van een combinatie van meerdere in §§ 1 tot 6 bedoelde overtredingen, worden de bedragen van de administratieve boetes samengeteld, zonder dat ze echter het bedrag van 50.000 EUR mogen overschrijden.
  § 9. Indien een nieuwe overtreding wordt vastgesteld binnen vijf jaar vanaf een vorige definitieve administratieve veroordeling voor een identieke overtreding, worden de in §§ 1 tot 6 bedoelde bedragen van de administratieve boetes verdubbeld.
  In geval van een combinatie van meerdere in §§ 1 tot 6 bedoelde en herhaaldelijke overtredingen, worden de bedragen van de administratieve boetes samengeteld, zonder dat ze echter het bedrag van 100.000 EUR mogen overschrijden.
  § 10. De regering kan de in dit artikel bedoelde bedragen aanpassen rekening houdend met de evolutie van het indexcijfer van comsumptieprijzen.

  Art. 85. Procedure. § 1. Voor de inning van de administratieve boetes, stelt iedere beheerder een afgevaardigde aan die geen van de in artikel 83, § 1 bedoelde beambten of ambtenaren mag zijn.
  § 2. De afgevaardigde beslist, na de overtreder de gelegenheid te hebben gegeven om zijn verdedigingsmiddelen schriftelijk voor te stellen binnen vijftien dagen na ontvangst van de oproeping die hij hem stuurt, of er een administratieve boete moet worden opgelegd aan de overtreder.
  De gemotiveerde beslissing van de afgevaardigde bepaalt het bedrag van de administratieve boete. Ze wordt bij een ter post aangetekende zending, samen met een uitnodiging om de boete te betalen binnen een termijn van een maand vanaf de ontvangst van de beslissing, meegedeeld aan de overtreder. De beheerder maakt een kopie van de beslissing over aan de Commissie.
  De betaling van de boete beëindigt de administratieve actie.
  § 3. De administratieve beslissing die de administratieve boete oplegt, kan niet meer worden genomen vijf jaar na het feit van de overtreding.
  De uitnodiging aan de overtreder om de in § 2, eerste lid bedoelde verdedigingsmiddelen voor te stellen binnen de in dat eerste lid bedoelde termijn, onderbreekt het verloop van de verjaring. Deze daad doet een nieuwe termijn ingaan van gelijke duur, zelfs ten opzichte van de personen die er niet bij zijn betrokken.
  § 4. De overtreder die de beslissing van de afgevaardigde betwist, stelt, op straffe van verval, beroep in door middel van een verzoek bij de burgerlijke rechtbank, binnen een termijn van twee maanden, te tellen vanaf de mededeling van de beslissing. Dit beroep schort de uitvoering van de beslissing op.

  Art. 86. Inning. De administratieve boete dient te worden betaald binnen een termijn van een maand, te tellen vanaf de mededeling van de beslissing van de afgevaardigde of van de in kracht van gewijsde gegane beslissing van de burgerlijke rechtbank.

  BOEK VII. - Afsluitende bepalingen.

  Art. 87. Dossierrechten.
  § 1. De beheerder int een dossierrecht op de openbare weg waarop de bouwplaats is gelegen en ten laste van iedere verzoeker, met uitzondering van de uitvoeringsdiensten, die een uitvoeringsvergunnings- of rectificatieberichtaanvraag of een bericht van opstarting van bouwplaats indient.
  § 2. Het bedrag van het in § 1 bedoelde dossierrecht wordt als volgt bepaald :
  1° 100 EUR voor een uitvoeringsvergunningsaanvraag voor een op voorhand gecoördineerde en aan het advies van de Commissie voorgelegde bouwplaats;
  2° 80 EUR voor een uitvoeringsvergunningsaanvraag voor een op voorhand gecoördineerde en niet-voorgelegde of van het advies van de Commissie vrijgestelde bouwplaats;
  3° 60 EUR voor een niet-voorgelegde of van coördinatie en het advies van de Commisse vrijgestelde uitvoeringsvergunningsaanvraag;
  4° 40 EUR voor een aanvraag van rectificatiebericht;
  5° 20 EUR voor een bericht van opstarting van bouwplaats.
  In geval van een gecoördineerde bouwplaats wordt het bedrag van deze dossierrechten op equivalente wijze verdeeld tussen de gecoördineerde verzoekers, bij de verdeling rekening houdend met de uitvoeringsdiensten.
  § 3. Het dossierrecht is verschuldigd op de datum van indiening van de uitvoeringsvergunningsaanvraag of van het rectificatiebericht of van het bericht van opstarting van bouwplaats. De verzoeker voegt bij zijn aanvraag of bij zijn bericht van opstarting van de bouwplaats, het betalingsbewijs van dit dossierrecht, dat er een wezenlijk deel van uitmaakt. Het dossierecht is niet terugvorderbaar indien de bouwplaats niet wordt uitgevoerd.
  In afwijking van het eerste lid, worden de dossierrechten verschuldigd door de personen die voorkomen op de in artikel 4, § 1, 1° bedoelde lijst, voor hun gecoördineerde bouw plaatsen, samengebracht gedurende een periode van zes maanden. Hun globaal bedrag is verschuldigd op uiterlijk 30 juni en 31 december.
  § 4. Het in § 2 bedoelde bedrag voor de dossierrechten wordt jaarlijks herzien, op basis van het indexcijfer van de consumptieprijzen, volgens onderstaande formule :

  
basisbedrag x nieuwe index
---------------------------
oorspronkelijke index


  waarbij het basisbedrag het in § 2 vermelde bedrag is, de nieuwe index, de index van de maand voorafgaand aan de verjaardag van de inwerkingtreding van dit artikel is, de oorspronkelijke index, de index van de maand voorafgaand aan de datum van de inwerkingtreding van dit artikel is.

  Art. 88.Bevelschrift.
  § 1. Een bevelschrift wordt uitgevaardigd, ofwel door de gewestelijke ontvanger van de dienst belastingen en ontvangsten van het bestuur van financiën en begroting van het ministerie van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest, ofwel door de gemeentelijke ontvanger, in geval van :
  1° niet-betaling van de in artikel 9 verschuldigde bedragen, de in artikel 84 bedoelde administratieve boetes en de in artikel 87 bedoelde dossierrechten;
  2° niet-terugbetaling van de in artikel 62, § 2 bedoelde kosten voor de herstelling in goede staat van de openbare weg en van de uitgaven voortvloeiend uit de toepassing van de in artikel 74 bedoelde procedurele maatregelen.
  Het bevelschrift wordt meegedeeld aan de overtreder bij een ter post aangetekende zending.
  § 2. [2 De ambtenaar die overeenkomstig § 1 door de regering wordt aangewezen moet het uitgevaardigde dwangbevel ook viseren en uitvoerbaar verklaren.]2
  
  TOEKOMSTIG RECHT
  
  Art. 88. [1 Bevelschrift.
   § 1. - Een bevelschrift wordt uitgevaardigd door de ambtenaar die daartoe door de Regering wordt aangewezen of door de gemeentelijke ontvanger in geval van :
   1° niet-betaling van de in artikel 9 verschuldigde bedragen, de in artikel 84 bedoelde administratieve boetes en de in artikel 87 bedoelde dossierrechten;
   2° niet-terugbetaling van de in artikel 62, § 2, bedoelde kosten voor de herstelling in goede staat van de openbare weg en van de uitgaven voortvloeiend uit de toepassing van de in artikel 74 bedoelde procedurele maatregelen.
   Het bevelschrift wordt bij een aangetekende postzending of elektronische aangetekende zending ter kennis gebracht.
   § 2. [2 De ambtenaar die overeenkomstig § 1 door de regering wordt aangewezen moet het uitgevaardigde dwangbevel ook viseren en uitvoerbaar verklaren.]2

  ----------
  (1)<ORD 2011-07-20/26, art. 5, 002; Inwerkingtreding : op het moment van de oprichting van de fiscale administratie binnen het Ministerie van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest ; zie BESL 2011-10-20/05, art. 1>
  (2)<ORD 2012-12-21/59, art. 65, 003; Inwerkingtreding : 01-01-2013>

  Art. 89. Gebruiksrecht.
  Zonder afbreuk te doen aan de toepassing van de bepalingen van deze ordonnantie, mogen gebruik maken van de openbare weg :
  1° de Belgische Staat, voor de uitvoering, door middel van een samenwerkingsakkoord, van bepaalde initiatieven om de internationale rol en de hoofdstedelijke functie van Brussel te bevorderen, met betrekking tot de openbare weg;
  2° het Vlaamse Gewest, voor het beheer, door middel van een samenwerkingsakkoord, van de wegen die de grenzen van een Gewest overschrijden;
  3° het Brussels Hoofdstedelijk Gewest, voor de aanleg van fietspaden en -routes op gemeentelijke wegen;
  4° de gemeenten voor de rioleringen van gewestelijke wegen;
  5° Vivaqua, voor de rioleringen;
  6° de naamloze vennootschap naar openbaar recht Infrabel, voor het beheer van de spoorweginfrastructuur, met betrekking tot de openbare weg;
  7° de Haven van Brussel, voor de uitbating van haventerreinen, met betrekking tot de openbare weg;
  8° Leefmilieu Brussel-BIM, voor het beheer van groene ruimtes, natuurgebieden en semi-natuurgebieden, met betrekking tot de openbare weg.
  De regering kan de lijst van rechtspersonen bedoeld in het eerste lid vervolledigen, voor zover het gaat over rechtspersonen die een openbare dienst verlenen die te vergelijken is met die welke vermeld zijn in het eerste lid.

  Art. 90. Begrotingsfonds.
  Het in artikel 9 verschuldigde bedrag van de in artikel 84 verschuldigde boetes en van de in artikel 87 bedoelde dossierrechten, geďnd door het Gewest, wordt toegewezen aan het " fonds voor uitrusting en verplaatsingen ", opgericht bij de ordonnantie van 12 december 1991 houdende oprichting van Begrotingsfondsen en gewijzigd bij artikel 29 van de ordonnantie van 5 maart 1998 betreffende de coördinatie en de organisatie van de werken op de openbare weg in het Brussels Hoofdstedelijk Gewest.

  Art. 91. Opheffings- en wijzigingsbepalingen.
  § 1. Voor zover ze betrekking hebben op de bouwplaatsen, worden volgende bepalingen ingetrokken :
  1° de artikelen 98, § 1, en 103, § 1, van de wet van 21 maart 1991 betreffende de hervorming van sommige economische overheidsbedrijven;
  2° artikel 10, § 1, tweede tot vijfde lid, van de wet van 6 februari 1987 betreffende de radiodistributie- en de teledistributienetten en betreffende de handelspubliciteit op radio en televisie;
  3° artikel 16, 3°, van de wet van 12 april 1965 betreffende het vervoer van gasachtige producten en andere door middel van leidingen;
  4° het enige artikel, vierde en vijfde lid, van de wet van 17 januari 1938 tot regeling van het gebruik door de openbare besturen, de verenigingen van gemeenten en de concessiehouders van openbare diensten of van diensten van openbaar nut, van de openbare domeinen van den Staat, van de provinciën en van de gemeenten, voor het aanleggen en het onderhouden van leidingen en inzonderheid van gas- en waterleidingen;
  5° de artikelen 13, vierde lid, en 21, 4°, van de wet van 10 maart 1925 op de elektriciteitsvoorziening.
  § 2. De ordonnantie van 5 maart 1998 betreffende de coördinatie en de organisatie van de werken op de openbare weg in het Brussels Hoofdstedelijk Gewest wordt ingetrokken.
  § 3. Artikel 2, 3°, 8e streepje van ordonnantie van 12 december 1991 houdende oprichting van begrotingsfondsen wordt als volgt vervangen : " voor de werkingskosten van de Coördinatiecommissie van de Bouwplaatsen en de exploitatiekosten van de informaticawerktuigen voor de programmatie, coördinatie, vergunning en uitvoering van de bouwplaatsen op de openbare weg ".

  Art. 92. Overgangsbepalingen.
  § 1. De Commissie voor de Coördinatie van de Werken, opgericht door artikel 7 van de ordonnantie van 5 maart 1998 betreffende de coördinatie en de organisatie van de werken op de openbare weg in het Brussels Hoofdstedelijk Gewest, blijft in functie tot de aanstelling van de in artikel 3 bedoelde Commissie.
  § 2. De afgevaardigden van de verzoekers die zich, in overeenstemming met artikel 4 van het besluit van 16 juli 1998 betreffende de coördinatie en de organisatie van de werken op de openbare weg in het Brussels Hoofdstedelijk Gewest, hebben bekendgemaakt bij de in § 1 bedoelde Commissie voor de Coördinatie van de Werken of die zich bij haar hebben bekendgemaakt tot aan het in werking treden van artikel 3, komen, ambtshalve en van rechtswege, voor op de in artikel 4, § 1, 1° bedoelde lijst vanaf het in werking treden ervan.
  § 3. Voor zover zij gemachtigd wordt binnen dertig dagen voorafgaand aan het in werking treden van artikelen 59 en 62, § 1, is de bouwplaats toegestaan met toepassing van de ordonnantie van 5 maart 1998 betreffende de coördinatie en de organisatie van de werken op de openbare weg in het Brussels Hoofdstedelijk Gewest, onderworpen, vanaf het in werking treden van deze artikelen, aan de naleving ervan.
  § 4. De aangestelde ambtenaren en beambten die toezien op de uitvoering van de ordonnantie van 5 maart 1998 betreffende de coördinatie en de organisatie van de werken op de openbare weg in het Brussels Hoofdstedelijk Gewest, zijn belast met het toezicht op de uitvoering van deze ordonnantie en moeten de eed niet meer afleggen.

  Art. 93. Subsidiëring voor investeringen van openbaar nut.
  De uitvoeringsvergunning en het bericht van opstarting maken geen deel uit van de aanvraag tot beginselakkoord bedoeld in artikel 22 van de ordonnantie van 16 juli 1998 betreffende de toekenning van subsidies om investeringen van openbaar nut aan te moedigen.

  Art. 94.Inwerkingtreding.
  De bepalingen van deze ordonnantie worden van kracht op de door de regering bepaalde data.
  
  (NOTA : Inwerkingtreding van art. 3 tot en met 7 en art. 91, § 2 - voor zover dit toelaat om alleen de artikelen 7 en 8 in te trekken van de ordonnantie van 5 maart 1998 betreffende de coördinatie en de organisatie van de werken op de openbare weg in het Brussels Hoofdstedelijk Gewest - vastgesteld op 02-02-2012 door BESL 2012-01-26/02, art. 5)
  (NOTA : Inwerkingtreding van :
  1° de artikelen 1, 2, 10, 11, 12, 16, 42, 43, 53 tot 56, 57, §§ 1 tot 3, 58, §§ 1, 3, eerste lid, en 4, 59, 60, 61, §§ 1 en 2, 62, 63, §§ 1 tot 3, 64 tot 74, 83 tot 90, 91, §§ 1 en 3, en 92 tot 94;
  2° artikel 91, § 2, voor zover dit toelaat om alleen de artikelen 4, 5, 6, lid 2, en 10 tot 27, in te trekken van de ordonnantie van 5 maart 1998 betreffende de coördinatie en de organisatie van de werken op de openbare weg in het Brussels Hoofdstedelijk Gewest;
  vastgesteld op 01-11-2013 bij BESL 2013-07-11/40, art. 33, 1° en 2°)
  (NOTA : Inwerkingtreding van :
  1° de artikelen 8, 9, 13 tot 15, 17, 18 tot 27, 29 tot 33, § 1er, eerste lid, en § 2, 34 tot 41, 44 tot 52, 58, § 2, § 3, tweede, derde en vierde lid, 75 tot 82, van de ordonnantie van 3 juli 2008 betreffende de bouwplaatsen op de openbare weg;
  2° artikel 91, § 2 van de ordonnantie voor zover het toelaat alleen de artikelen 2, 3, 6, eerste lid, en 9 in te trekken van de ordonnantie van 5 maart 1998 betreffende de coördinatie en de organisatie van de werken op de openbare weg in het Brussels Hoofdstedelijk Gewest;
  vastgesteld op 07-04-2014 bij BESL 2014-01-30/18, art. 15, §1, 1° en 2°)

  
  Kondigen deze ordonnantie af, bevelen dat ze in het Belgisch Staatsblad zal worden bekendgemaakt.
  Brussel, 3 juli 2008.
  De Minister-President van de Brusselse Hoofdstedelijke Regering, belast met Plaatselijke Besturen, Ruimtelijke Ordening, Monumenten en Landschappen, Stadsvernieuwing, Huisvesting, Openbare Netheid en Ontwikkelingssamenwerking,
  Ch. PICQUE
  De Minister van de Brusselse Hoofdstedelijke Regering, belast met Financiën, Begroting,
  Openbaar Ambt en Externe Betrekkingen,
  G. VANHENGEL
  De Minister van de Brusselse Hoofdstedelijke Regering, belast met Tewerkstelling, Economie, Wetenschappelijk Onderzoek, Brandbestrijding en Dringende Medische Hulp,
  B. CEREXHE
  De Minister van de Brusselse Hoofdstedelijke Regering, belast met Mobiliteit en Openbare Werken,
  P. SMET
  De Minister van de Brusselse Hoofdstedelijke Regering, belast met Leefmilieu, Energie en Waterbeleid,
  Mevr. E. HUYTEBROECK.

Aanhef Tekst Inhoudstafel Begin
   Het Brussels Hoofdstedelijk Parlement heeft aangenomen en Wij, Regering, bekrachtigen hetgeen volgt :

Wijziging(en) Tekst Inhoudstafel Begin
--OPGEHEVEN(NADER TE BEPALEN DATUM) DOOR--
BEELD
  • ORDONNANTIE (BRUSSEL) VAN 03-05-2018 GEPUBL. OP 18-05-2018
  • ---------------------------------------------------GEWIJZIGD DOOR---------------------------------------------------
    BEELD
  • ORDONNANTIE (BRUSSEL) VAN 21-12-2012 GEPUBL. OP 08-02-2013
    (GEWIJZIGD ART. : 88)
  • BEELD
  • ORDONNANTIE (BRUSSEL) VAN 20-07-2011 GEPUBL. OP 10-08-2011
    (GEWIJZIGD ART. : 88) Inwerkingtreding nader te bepalen

  • Parlementaire werkzaamheden Tekst Inhoudstafel Begin
       Gewone zitting 2007-2008 : Documenten van het Parlement. - Ordonnantie, nr. 1-445/1. - Verslag, nr. A-445/2. Integraal verslag. - Bespreking en aanneming. Vergadering van vrijdag 13 juni 2008.

    Begin Eerste woord Laatste woord Wijziging(en) Aanhef
    Parlementaire werkzaamheden Inhoudstafel 13 uitvoeringbesluiten 2 gearchiveerde versies
    Franstalige versie