J U S T E L     -     Geconsolideerde wetgeving
Einde Eerste woord Laatste woord Wijziging(en) Aanhef
Parlementaire werkzaamheden Inhoudstafel 65 uitvoeringbesluiten 8 gearchiveerde versies
Erratum Handtekening Einde Franstalige versie
 
belgiėlex . be     -     Kruispuntbank Wetgeving
Raad van State
ELI - Navigatie systeem via een Europese identificatiecode voor wetgeving
http://www.ejustice.just.fgov.be/eli/wet/2007/01/12/2007002066/justel

Titel
12 JANUARI 2007. - Wet betreffende de opvang van asielzoekers en van bepaalde andere categorieėn van vreemdelingen
(NOTA : Raadpleging van vroegere versies vanaf 07-05-2007 en tekstbijwerking tot 12-03-2018)

Bron : MAATSCHAPPELIJKE INTEGRATIE, ARMOEDEBESTRIJDING EN SOCIALE ECONOMIE
Publicatie : 07-05-2007 nummer :   2007002066 bladzijde : 24027   BEELD
Dossiernummer : 2007-01-12/52
Inwerkingtreding : 01-06-2007 (ART. 68 - ART. 69)    ***    01-06-2007 (ART. 9 - ART. 13)    ***    07-05-2007 (ART. 66 - ART. 67)    ***    07-05-2007 (ART. 55 - ART. 65)    ***    01-06-2007 (ART. 28)    ***    07-05-2007 A70    ***    07-05-2007 (ART. 3 - ART. 5)    ***    07-05-2007 (ART. 74)    ***    07-05-2007 (ART. 29 - ART. 54)    ***    01-06-2007 (ART. 6 - ART. 8)    ***    07-05-2007 (ART. 1 - ART. 2)    ***    01-06-2007 (ART. 72 - ART. 73)    ***    07-05-2007 (ART. 14 - ART. 27)    ***    07-05-2007 (ART. 70 - ART. 71)

Inhoudstafel Tekst Begin
BOEK I. - DEFINITIES, ALGEMENE BEGINSELEN EN TOEPASSINGSGEBIED
TITEL I. - Definities.
Art. 1-2
TITEL II. - Algemene beginselen.
Art. 3-4, 4/1, 5
TITEL III. - Toepassingsgebied.
HOOFDSTUK I. - De materiėle hulp.
Art. 6, 6/1, 7
HOOFDSTUK II. - Maatschappelijke dienstverlening verstrekt door de openbare centra voor maatschappelijk welzijn overeenkomstig de organieke wet van 8 juli 1976 betreffende de openbare centra voor maatschappelijk welzijn.
Art. 8
BOEK II. - BEPALINGEN BETREFFENDE DE AANDUIDING VAN DE BEVOEGDE INSTANTIE VOOR HET TOEKENNEN VAN DE OPVANG.
TITEL I. - Toewijzing van een verplichte plaats van inschrijving.
Art. 9-11
TITEL II. - Wijziging van de verplichte plaats van inschrijving.
Art. 12
TITEL III. - Opheffing van de verplichte plaats van inschrijving.
Art. 13
BOEK III. - BEPALINGEN BETREFFENDE DE MATERIELE HULP TOEGEKEND AAN BEGUNSTIGDEN VAN DE OPVANG.
TITEL I. - Rechten en plichten van de begunstigden van de opvang.
HOOFDSTUK I. - Algemene bepalingen.
Afdeling I. - Informatie.
Art. 14-15, 15/1
Afdeling II. - Huisvesting.
Art. 16-21
Afdeling III. - Evaluatie.
Art. 22
Afdeling IV. - Medische, psychologische, maatschappelijke begeleiding en juridische hulp.
Onderafdeling I. - Medische begeleiding.
Art. 23-29
Onderafdeling II. - Psychologische begeleiding.
Art. 30
Onderafdeling III. - Maatschappelijke begeleiding.
Art. 31-32
Onderafdeling IV. - Juridische hulp.
Art. 33
Afdeling V. - Dagvergoeding en gemeenschapsdiensten.
Art. 34
Afdeling VI. - Opleidingen.
Art. 35
HOOFDSTUK I/1. [1 - Gevolgen van het uitoefenen van een professionele activiteit]1
Art. 35/1, 35/2
HOOFDSTUK II. - Specifieke bepalingen betreffende kwetsbare personen en minderjarigen.
Afdeling I. - Algemene bepalingen.
Art. 36
Afdeling II. - De minderjarigen.
Art. 37-42
TITEL II. - Overschakeling van materiėle hulp naar maatschappelijke dienstverlening verstrekt door de openbare centra voor maatschappelijk welzijn
Art. 43
TITEL III. - Ordemaatregelen en sancties.
HOOFDSTUK I. - Ordemaatregelen.
Art. 44
HOOFDSTUK II. - Sancties.
Art. 45
HOOFDSTUK III. - Klachten en Beroep.
Art. 46-48
TITEL IV. - Personeelsleden van de opvangstructuren.
Art. 49-51
TITEL V. - Integratie van collectieve opvangstructuren in de lokale omgeving en subsidies aan de gemeenten.
Art. 52-53
TITEL VI. - Programma voor vrijwillige terugkeer naar het land van herkomst of naar een derde land.
Art. 54
BOEK IV. - FEDERAAL AGENTSCHAP VOOR DE OPVANG VAN ASIELZOEKERS.
TITEL I. - Statuut, taken en bevoegdheden.
Art. 55-61
TITEL II. - Partners en controle van de kwaliteit van de opvang.
Art. 62-65
BOEK V. - Slotbepalingen.
TITEL I. - Overgangsbepalingen.
Art. 66-67
TITEL II. - Wijzigingsbepalingen.
Art. 68-69
TITEL III. - Opheffingsbepalingen.
Art. 70-73
TITEL IV. - Inwerkingtreding.
Art. 74

Tekst Inhoudstafel Begin
BOEK I. - DEFINITIES, ALGEMENE BEGINSELEN EN TOEPASSINGSGEBIED

  TITEL I. - Definities.

  Artikel 1.Deze wet regelt een aangelegenheid als bedoeld in artikel 78 van de Grondwet.
  [1 Zij voorziet in de gedeeltelijke omzetting van richtlijn 2013/33/EU van het Europees Parlement en de Raad van 26 juni 2013 tot vaststelling van normen voor de opvang van verzoekers om internationale bescherming (herschikking) gedeeltelijk om.]1
  ----------
  (1)<W 2017-11-21/17, art. 60, 009; Inwerkingtreding : 22-03-2018>

  Art. 2.Voor de toepassing van deze wet wordt verstaan onder :
  1° de asielzoeker : de vreemdeling die een asielaanvraag heeft [3 gedaan]3, hetzij tot erkenning van zijn hoedanigheid van vluchteling, hetzij tot erkenning van het subsidiair beschermingsstatuut;
  2° de begunstigde van de opvang : de asielzoeker, zoals bedoeld in 1° en elke vreemdeling aan wie het voordeel van deze wet door één van haar bepalingen toegekend wordt;
  3° de minderjarige : een persoon jonger dan achttien jaar;
  4° de niet-begeleide minderjarige : een persoon van minder dan achttien jaar oud, die op het ogenblik van de toegang tot het grondgebied van het Rijk niet begeleid is of na het betreden van het grondgebied van het Rijk niet meer begeleid is door een persoon die het ouderlijk gezag of de voogdij over hem uitoefent op grond van de wet die van toepassing is overeenkomstig artikel 35 van de wet van 16 juli 2004 houdende het Wetboek van internationaal privaatrecht, en die in één van de volgende situaties verkeert :
  - ofwel een aanvraag hebben [3 gedaan]3 in de zin van 1°;
  - ofwel niet voldoen aan de voorwaarden inzake toegang tot en verblijf op het grondgebied vastgesteld in de wetten betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen;
  5° de familieleden van de asielzoeker : in de mate dat de familie reeds in het land van oorsprong gesticht werd en indien ze omwille van de asielaanvraag op het grondgebied van het Rijk aanwezig zijn :
  i) de echtgenoot van de asielzoeker, of zijn of haar niet gehuwde partner waarmee hij of zij een stabiele relatie heeft;
  ii) de minderjarige kinderen van het koppel van de asielzoeker bedoeld in punt i) of van de asielzoeker, op voorwaarde dat ze niet getrouwd [3 ...]3 zijn, zonder discriminatie naar gelang zij binnen of buiten het huwelijk geboren zijn of dat zij geadopteerd werden.
  6° de materiėle hulp : de hulp die verleend wordt door het Agentschap of de partner binnen een opvangstructuur en die met name bestaat uit huisvesting, voedsel, kleding, medische, maatschappelijke en psychologische begeleiding en de toekenning van een dagvergoeding. Zij omvat eveneens de toegang tot juridische bijstand, de toegang tot diensten als tolkdiensten of opleidingen, evenals de toegang tot een programma voor vrijwillige terugkeer;
  7° [1 de Minister : de Minister die bevoegd is voor Asiel en Migratie onder wie het Agentschap ressorteert;]1
  8° het Agentschap : het Federaal Agentschap voor de Opvang van Asielzoekers;
  9° de partner : de publiekrechtelijke of privaatrechtelijke rechtspersoon die door en op kosten van het Agentschap belast wordt met het verlenen van materiėle hulp aan de begunstigde van de opvang overeenkomstig de bepalingen van deze wet;
  10° de opvangstructuur : de collectieve of individuele structuur waarin materiėle hulp wordt verschaft aan de begunstigde van de opvang en die door het Agentschap of door een partner beheerd wordt;
  11° de directeur-generaal : de Directeur-generaal van het Agentschap;
  [2 12° het terugkeertraject : het individueel begeleidingstraject dat aangeboden wordt door het Agentschap met het oog op de terugkeer. Het traject wordt geformaliseerd in een door de asielzoeker of de illegale vreemdeling en zijn gezinsleden ondertekend document, dat op zijn minst de rechten en plichten van de asielzoeker en een concrete timing voor de terugkeer vermeldt;]2
  [2 13° de vrijwillige terugkeer : de terugkeer van een persoon naar zijn land van herkomst of een derde land waar hij toegelaten of gemachtigd is om te verblijven op het grondgebied, tengevolge van een zelfstandig genomen beslissing om beroep te doen op een programma voor bijstand aan terugkeer uitgewerkt door de overheid van het gastland.]2
  ----------
  (1)<W 2012-01-19/13, art. 3, a, 004; Inwerkingtreding : 12-01-2012>
  (2)<W 2012-01-19/13, art. 3, b en c, 004; Inwerkingtreding : 27-02-2012>
  (3)<W 2017-11-21/17, art. 61, 009; Inwerkingtreding : 22-03-2018>

  TITEL II. - Algemene beginselen.

  Art. 3. Elke asielzoeker heeft recht op een opvang die hem in staat moet stellen om een leven te leiden dat beantwoordt aan de menselijke waardigheid.
  Onder opvang wordt de materiėle hulp verstaan die op grond van deze wet toegekend wordt of de maatschappelijke dienstverlening die wordt verstrekt door de openbare centra voor maatschappelijk welzijn overeenkomstig de organieke wet van 8 juli 1976 betreffende de openbare centra voor maatschappelijk welzijn.

  Art. 4.[1 § 1. Het Agentschap kan het recht op materiėle hulp beperken of, in uitzonderlijke gevallen, intrekken :
   1° indien een asielzoeker de verplichte plaats van inschrijving die door het Agentschap werd toegewezen weigert, niet benut, of verlaat zonder het Agentschap op de hoogte te stellen of, indien toestemming vereist is, zonder toestemming te hebben verkregen; of
   2° indien een asielzoeker gedurende een redelijke termijn niet voldoet aan de meldingsplicht of aan verzoeken om informatie te verstrekken of te verschijnen voor een persoonlijk onderhoud betreffende de asielprocedure; of
   3° indien een asielzoeker een volgend verzoek heeft gedaan, tot aan de beslissing waarbij tot de ontvankelijkheid wordt besloten met toepassing van artikel 57/6/2, § 1, van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen; of
   4° met toepassing van de artikelen 35/2 en 45, tweede lid, 8° en 9°.
   § 2. In de onder paragraaf 1, 1° en 2°, bedoelde gevallen, wordt indien de asielzoeker wordt opgespoord of zich vrijwillig meldt, een op de redenen voor de verdwijning gebaseerde beslissing genomen inzake het opnieuw verstrekken van sommige of alle beperkte of ingetrokken materiėle opvangvoorzieningen.
   § 3. De in dit artikel bedoelde beslissingen tot beperking of intrekking van materiėle opvangvoorzieningen worden individueel gemotiveerd. Deze worden genomen met inachtname van de specifieke situatie van de betrokkene, met name voor personen die onder artikel 36 van dezelfde wet vallen, en met inachtneming van het evenredigheidsbeginsel.
   § 4. Het recht op medische begeleiding zoals bedoeld in artikelen 24 en 25 en het recht op een waardige levensstandaard blijven echter gewaarborgd voor de asielzoeker bedoeld in dit artikel.]1
  ----------
  (1)<W 2017-11-21/17, art. 62, 009; Inwerkingtreding : 22-03-2018>

  Art. 4/1.[1 Elke asielzoeker aan wie een terugkeercentrum wordt toegewezen in de zin van artikel 54, § 1 van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen, evenals zijn familieleden, houden op begunstigden van de opvang te zijn in de zin van de huidige wet. Deze hoedanigheid eindigt de dag volgend op de dag waarop de beslissing van toewijzing van een terugkeercentrum wordt betekend aan de betrokken asielzoeker.]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij W 2012-04-22/26, art. 4, 005; Inwerkingtreding : 01-07-2012>

  Art. 5.Onverminderd [1 de toepassing van artikels 4, 35/2 en]1 de bepalingen van Boek III, Titel III betreffende ordemaatregelen en sancties, kan het recht op materiėle hulp zoals beschreven in deze wet in geen geval opgeheven worden.
  ----------
  (1)<W 2012-01-19/13, art. 5, 004; Inwerkingtreding : onbepaald en uiterlijk op 31-03-2012>

  TITEL III. - Toepassingsgebied.

  HOOFDSTUK I. - De materiėle hulp.

  Art. 6.§ 1. [1 Onverminderd de toepassing van [3 artikelen 4, 4/1 en 35/2]3 van de huidige wet, geldt het]1 [5 voordeel van materiėle hulp]5 voor elke asielzoeker vanaf [5 het doen]5 van zijn asielaanvraag en is van kracht gedurende de hele asielprocedure [2 ...]2.
  [2 Tweede lid opgeheven.]2
  [2 In het geval van een negatieve beslissing genomen na afloop van de asielprocedure, eindigt de materiėle hulp wanneer de uitvoeringstermijn van het bevel om het grondgebied te verlaten, betekend aan de asielzoeker, verstreken is.]2 [4 Het indienen van een cassatieberoep bij de Raad van State doet geen recht op materiėle hulp ontstaan. Tijdens de behandeling van het cassatieberoep is er slechts recht op materiėle hulp nadat het cassatieberoep toelaatbaar is verklaard met toepassing van artikel 20, § 2, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973.]4
  Het recht op materiėle hulp geldt ook voor de familieleden van de asielzoeker.
  [1 Het recht op de materiėle hulp eindigt evenwel wanneer een beroep voor de Raad van State wordt ingediend tegen de beslissing van toekenning van de subsidiaire bescherming en van weigering van het vluchtelingenstatuut. Het recht op materiėle hulp eindigt eveneens wanneer een machtiging tot verblijf wordt toegekend van meer dan drie maanden op grond van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen, aan een persoon van wie de asielprocedure of de procedure voor de Raad van State nog lopende is.]1
  § 2. Het recht op materiėle hulp geldt eveneens voor de personen bedoeld in artikel 60 van deze wet.
  ----------
  (1)<W 2009-12-30/01, art. 161, 002; Inwerkingtreding : 10-01-2010>
  (2)<W 2012-01-19/13, art. 6, 004; Inwerkingtreding : onbepaald en uiterlijk op 31-03-2012>
  (3)<W 2012-04-22/26, art. 5, 005; Inwerkingtreding : 01-07-2012>
  (4)<W 2013-05-08/18, art. 23, 006; Inwerkingtreding : 01-09-2013>
  (5)<W 2017-11-21/17, art. 63, 009; Inwerkingtreding : 22-03-2018>

  Art. 6/1. [1 § 1. De asielzoeker heeft steeds de mogelijkheid om in te tekenen op een geļndividualiseerd terugkeertraject dat in samenspraak met het Agentschap wordt opgesteld.
   Het terugkeertraject geeft voorrang aan de vrijwillige terugkeer.
   § 2. Ten laatste 5 dagen na een negatieve beslissing van het Commissariaat-Generaal voor de Vluchtelingen en de Staatlozen biedt het Agentschap een eerste maal de terugkeerbegeleiding aan, waarbij aan de asielzoeker informatie verstrekt wordt met betrekking tot de mogelijkheden inzake het terugkeertraject.
   § 3. Wanneer aan asielzoeker een bevel om het grondgebied te verlaten betekend is, dient het terugkeertraject binnen de uitvoeringstermijn van dat bevel opgesteld en uitgevoerd te worden.
   Ten laatste wanneer de asielzoeker een bevel om het grondgebied te verlaten betekend werd, wordt de Dienst Vreemdelingenzaken op de hoogte gebracht en gehouden van de stand van zaken en de vordering van het terugkeertraject, dat vanaf dat moment gezamenlijk door het Agentschap en de Dienst Vreemdelingenzaken beheerd wordt. De Koning kan, bij een besluit vastgesteld na overleg in de ministerraad, de nadere regels voor deze informatie-uitwisseling en het gezamenlijk beheer van het traject bepalen.
   Indien het Agentschap of de Dienst Vreemdelingenzaken van oordeel is dat de vreemdeling onvoldoende meewerkt aan het terugkeertraject, waardoor zijn vertrek door zijn eigen gedrag wordt uitgesteld, wordt het beheer van het terugkeertraject en het bijhorende administratieve dossier overgedragen aan de Dienst Vreemdelingenzaken, met het oog op een gedwongen terugkeer. Te dien einde kan de Dienst Vreemdelingenzaken de verplichte plaats van inschrijving wijzigen.
   § 4. Het Agentschap of de Dienst Vreemdelingenzaken kunnen de verplichte plaats van inschrijving wijzigen voor de duur van het traject. De Koning kan hiertoe de nadere regels bepalen, bij een besluit vastgesteld na overleg in de ministerraad.]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij W 2012-01-19/13, art. 7, 004; Inwerkingtreding : onbepaald en uiterlijk op 31-03-2012>

  Art. 7.[1 § 1. Het recht op de materiėle hulp wordt verlengd wanneer van de vreemdeling die verblijft in een opvangstructuur de asielprocedure en de procedure voor de Raad van State negatief zijn afgesloten, en hij een familielid heeft of een persoon die het ouderlijk gezag of de voogdij over hem uitoefent op grond van de wet die van toepassing is overeenkomstig artikel 35 van de wet van 16 juli 2004 houdende het Wetboek van internationaal privaatrecht, die binnen het toepassingsveld van deze wet valt.
   § 2. Het recht op de materiėle hulp kan verlengd worden, op met redenen omklede beslissing van het Agentschap, wanneer de vreemdeling die verblijft in een opvangstructuur zich in één van volgende situaties bevindt en hiertoe een aanvraag indient :
   1° de vreemdeling van wie de asielprocedure en de procedure voor de Raad van State negatief zijn afgesloten, die geen gevolg kan geven aan het bevel om het grondgebied te verlaten dat hem werd betekend en die, met het oog op het beėindigen van het schooljaar, een aanvraag tot uitstel van zijn bevel om het grondgebied te verlaten heeft ingediend bij de autoriteiten bevoegd voor asiel en migratie, en dit ten vroegste drie maanden voor het einde van het schooljaar. De verlenging van het recht op de materiėle hulp eindigt wanneer het uitstel van het bevel om het grondgebied te verlaten afgelopen is of wanneer dit uitstel wordt geweigerd;
   2° de vreemdeling van wie de asielprocedure en de procedure voor de Raad van State negatief zijn afgesloten en die geen gevolg kan geven aan het bevel om het grondgebied te verlaten dat haar werd betekend omwille van een zwangerschap. De verlenging van het recht op de materiėle hulp geldt ten vroegste vanaf de zevende maand van de zwangerschap en eindigt ten laatste na afloop van de tweede maand na de bevalling;
   3° de vreemdeling van wie de asielprocedure en de procedure voor de Raad van State negatief zijn afgesloten, die een aanvraag heeft ingediend bij de autoriteiten bevoegd voor asiel en migratie tot uitstel van het bevel om het grondgebied te verlaten omwille van een onmogelijkheid om redenen onafhankelijk van zijn wil, om terug te keren naar zijn land van herkomst.
   De verlenging van het recht op de materiėle hulp eindigt wanneer het uitstel van het bevel om het grondgebied te verlaten afgelopen is ofwel wanneer dit uitstel wordt geweigerd;
   4° de vreemdeling van wie de asielprocedure en de procedure voor de Raad van State negatief zijn afgesloten, die geen gevolg kan geven aan het bevel om het grondgebied te verlaten dat hem werd betekend, en die ouder is van een Belgisch kind en een aanvraag tot machtiging tot verblijf heeft ingediend bij de autoriteiten bevoegd voor asiel en migratie op grond van artikel 9bis van voornoemde wet van 15 december 1980. De verlenging van het recht op de materiėle hulp eindigt wanneer de autoriteiten bevoegd voor asiel en migratie zich hebben uitgesproken over de aanvraag tot machtiging tot verblijf;
   5° [2 ...]2
   6° de vreemdeling van wie de asielprocedure en de procedure voor de Raad van State negatief afgesloten zijn, aan wie een bevel om het grondgebied te verlaten betekend werd, en die om gestaafde medische redenen en steunend op een aanvraag tot machtiging tot verblijf ingediend op grond van artikel 9ter van voornoemde wet van 15 december 1980, zich in de onmogelijkheid bevindt om de opvangstructuur waar hij verblijft, te verlaten.
   In de in het eerste lid, 6°, beoogde hypothese moet de vreemdeling met een getuigschrift van een geneesheer dat ter ondersteuning van zijn aanvraag werd ingediend, staven dat hij zich bevindt in deze situatie van medische onmogelijkheid om de opvangstructuur te verlaten. Als het dit vereist acht, vraagt het Agentschap bijkomend medisch advies. Het Agentschap voert periodiek een controle uit van het voortbestaan van het motief van medische onmogelijkheid om de opvangstructuur te verlaten. De verlenging van het recht op de materiėle hulp eindigt wanneer deze controle aantoont dat de medische onmogelijkheid niet langer bestaat, en, in ieder geval, op het ogenblik van de betekening van de beslissing betreffende de ontvankelijkheid van de aanvraag tot machtiging tot verblijf.
   De in huidige paragraaf beoogde aanvragen moeten, op straffe van onontvankelijkheid, worden ingediend alvorens de in artikel 6, § 1, derde lid, beoogde termijn verstrijkt.
   Zolang het Agentschap de in het eerste lid beoogde met redenen omklede beslissing niet betekend heeft aan de vreemdeling, die op basis van huidige paragraaf een aanvraag indiende, wordt het recht op de materiėle hulp voorlopig verlengd.
   Om aanspraak te kunnen maken op huidige paragraaf, mag de asielprocedure van de vreemdeling niet het voorwerp hebben uitgemaakt [5 ...]5 van een beslissing die een andere Staat dan de Belgische aanwijst als verantwoordelijke voor de behandeling van de asielaanvraag in toepassing van artikel 51/5 van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen [5 ...]5.
   § 3. In bijzondere omstandigheden betreffende het respect voor de menselijke waardigheid kan het Agentschap afwijken van de voorwaarden die door huidige bepaling gesteld worden.]1
  [3 Dit artikel vindt toepassing onverminderd de toepassing van artikel 4/1.]3
  ----------
  (1)<W 2009-12-30/01, art. 162, 002; Inwerkingtreding : 10-01-2010>
  (2)<W 2012-01-19/13, art. 8, 004; Inwerkingtreding : onbepaald en uiterlijk op 31-03-2012>
  (3)<W 2012-04-22/26, art. 6, 005; Inwerkingtreding : 01-07-2012>
  (4)<W 2013-05-08/18, art. 24, 006; Inwerkingtreding : 01-09-2013>
  (5)<W 2017-11-21/17, art. 64, 009; Inwerkingtreding : 22-03-2018>

  HOOFDSTUK II. - Maatschappelijke dienstverlening verstrekt door de openbare centra voor maatschappelijk welzijn overeenkomstig de organieke wet van 8 juli 1976 betreffende de openbare centra voor maatschappelijk welzijn.

  Art. 8. § 1. De maatschappelijke dienstverlening wordt door de openbare centra voor maatschappelijk welzijn verstrekt wanneer de toewijzing van een opvangstructuur eindigt in toepassing van artikel 11, § 1 of wanneer de begunstigde van de opvang een statuut van tijdelijke bescherming kreeg toegekend in toepassing van artikel 10, 3° of 4° [1 of wanneer de begunstigde van de opvang een machtiging tot verblijf heeft verkregen van meer dan drie maanden, overeenkomstig de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen]1.
  § 2. Met uitzondering van Boek II is deze wet niet van toepassing op het verstrekken van maatschappelijke dienstverlening zoals bedoeld in § 1 aan de begunstigde van de opvang.
  ----------
  (1)<W 2009-12-30/01, art. 163, 002; Inwerkingtreding : 10-01-2010>

  BOEK II. - BEPALINGEN BETREFFENDE DE AANDUIDING VAN DE BEVOEGDE INSTANTIE VOOR HET TOEKENNEN VAN DE OPVANG.

  TITEL I. - Toewijzing van een verplichte plaats van inschrijving.

  Art. 9. De opvang, bedoeld in artikel 3, wordt toegekend door de opvangstructuur of het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn toegewezen als verplichte plaats van inschrijving [1 , onverminderd de toepassing van artikel 11, § 3, laatste lid, of van artikel 13]1.
  ----------
  (1)<W 2009-12-30/01, art. 164, 002; Inwerkingtreding : 10-01-2010>

  Art. 10.Het Agentschap wijst een verplichte plaats van inschrijving toe aan vreemdelingen :
  1° die het Rijk binnengekomen zijn zonder te beantwoorden aan de voorwaarden die zijn vastgelegd in artikel 2 van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen en een asielaanvraag hebben ingediend;
  2° die een asielaanvraag [1 gedaan]1 hebben, nadat hun verblijfsvergunning was verlopen;
  3° die behoren tot de categorieėn van personen die bij een koninklijk besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad zijn aangewezen in het kader van bijzondere maatregelen met het oog op de tijdelijke bescherming van personen.
  4° die gemachtigd zijn tot een verblijf in het Rijk op grond van artikel 57/30, § 1, of artikel 57/34 van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen.
  ----------
  (1)<W 2017-11-21/17, art. 65, 009; Inwerkingtreding : 22-03-2018>

  Art. 11. § 1. Aan de asielzoekers bedoeld in artikel 10, 1° en 2°, wordt een opvangstructuur als verplichte plaats van inschrijving toegewezen :
  1° zolang de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen of één van zijn adjuncten geen definitieve beslissing genomen hebben over hun asielaanvraag;
  2° zolang de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen geen beslissing genomen heeft over het beroep tegen de beslissing van de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen of één van zijn adjuncten of, bij afwezigheid van beroep, tot het verstrijken van de termijn om het in te dienen.
  Een nieuwe plaats van inschrijving [1 , overeenstemmend met een openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn,]1 kan worden toegewezen indien de beslissing bedoeld onder 1° en 2° van het voorgaande lid niet genomen is binnen een termijn, vastgelegd bij een koninklijk besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad na een evaluatie van de procedure van onderzoek van de asielaanvragen.
  In afwijking van het voorgaande lid wordt de toewijzing bedoeld in het eerste lid evenwel behouden voor de asielzoekers bedoeld in artikel 10, 1° en 2°, aan wie, voor het verstrijken van de termijn bedoeld in voorgaand lid, kennis werd gegeven van een arrest van de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen tegen hetwelke zij een administratief cassatieberoep bij de Raad van State hebben ingediend [1 , behalve in de hypothesen voorzien in artikel 6, § 1, vijfde lid]1.
  § 2. Aan de vreemdelingen bedoeld in artikel 10, 3° en 4°, wordt als verplichte plaats van inschrijving een openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn toegewezen dat hen de maatschappelijke dienstverlening zal verstrekken waarop zij aanspraak kunnen maken overeenkomstig de organieke wet van 8 juli 1976 betreffende de openbare centra voor maatschappelijk welzijn.
  § 3. Bij de toewijzing van een verplichte plaats van inschrijving ziet het Agentschap erop toe dat deze plaats aangepast is aan de begunstigde van de opvang en dit binnen de grenzen van het aantal beschikbare plaatsen.
  Het houdt rekening :
  1° bij de toewijzing van een verplichte plaats van inschrijving in toepassing van § 1, met de bezettingsgraad van de opvangstructuren;
  2° bij de toewijzing van een verplichte plaats van inschrijving in toepassing van § 1, tweede lid en § 2, met een gelijkmatige verdeling tussen de gemeenten op grond van criteria vastgelegd in een koninklijk besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad.
  De beoordeling van het aangepaste karakter van deze plaats is met name gebaseerd op criteria als de gezinstoestand van de begunstigde van de opvang, zijn gezondheidstoestand, zijn kennis van één van de landstalen of van de taal waarin de procedure gevoerd wordt. In dit kader besteedt het Agentschap bijzondere aandacht aan de toestand van kwetsbare personen zoals bedoeld in artikel 36.
  Wanneer er sprake is van bijzondere omstandigheden, kan het Agentschap afwijken van de bepalingen van § 1 door geen verplichte plaats van inschrijving toe te wijzen.
  [1 § 4. In uitzonderlijke omstandigheden, verbonden aan de beschikbare opvangplaatsen in de opvangstructuren, kan het Agentschap, na een beslissing van de Ministerraad op basis van een door het Agentschap opgesteld rapport, gedurende een periode die het bepaalt, ofwel de verplichte plaats van inschrijving van een asielzoeker wijzigen voor zover deze een opvangstructuur beoogt om een openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn aan te wijzen, ofwel in laatste instantie, een openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn als verplichte plaats van inschrijving toewijzen aan een asielzoeker.
   Zowel de wijziging als de toewijzing van een verplichte plaats van inschrijving in toepassing van onderhavige paragraaf gebeurt op basis van een evenwichtige verdeling tussen de gemeenten op grond van criteria bepaald overeenkomstig de modaliteiten voorzien in paragraaf 3, tweede lid, 2°, van dit artikel.]1
  ----------
  (1)<W 2009-12-30/01, art. 165, 002; Inwerkingtreding : 10-01-2010>

  TITEL II. - Wijziging van de verplichte plaats van inschrijving.

  Art. 12.§ 1. De asielzoeker die in toepassing van artikel 11, § 1 een collectieve opvangstructuur toegewezen krijgt als verplichte plaats van inschrijving, kan nadat hij hierin [1 zes]1 maanden verbleven heeft, aanvragen om een individuele opvangstructuur toegewezen te krijgen, binnen de grenzen van de beschikbare plaatsen.
  De wijziging van de verplichte plaats van inschrijving kan niet gevraagd worden indien de termijn van [1 zes]1 maanden bereikt wordt na de betekening van een verwerpingsbeslissing van de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen, tenzij de asielzoeker een administratief cassatieberoep ingediend heeft dat, in toepassing van artikel 20, § 3, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State van 12 januari 1973, het voorwerp heeft uitgemaakt van een beschikking van toelaatbaarheid.
  § 2. In toepassing van artikel 11, § 3, derde lid, kan het Agentschap op eigen initiatief of op verzoek van de partner of de asielzoeker de in toepassing van artikel 11, § 1, toegewezen verplichte plaats van inschrijving wijzigen.
  Wanneer deze wijziging door het Agentschap omwille van de eenheid van het gezin overwogen wordt, is de instemming van de asielzoeker voorafgaandelijk vereist.
  De Koning bepaalt de procedure betreffende de wijziging bedoeld in het eerste lid.
  § 3. De verplichte plaats van inschrijving in toepassing van artikel 11, § 1, kan ook gewijzigd worden in uitvoering van een ordemaatregel of een sanctie genomen overeenkomstig artikel 44 of 45.
  ----------
  (1)<W 2016-05-04/29, art. 38, 007; Inwerkingtreding : 07-07-2016>

  TITEL III. - Opheffing van de verplichte plaats van inschrijving.

  Art. 13. Het Agentschap kan de verplichte plaats van inschrijving die overeenkomstig voorgaande artikelen is toegewezen in bijzondere omstandigheden opheffen.
  De Koning bepaalt de procedure betreffende deze opheffing.

  BOEK III. - BEPALINGEN BETREFFENDE DE MATERIELE HULP TOEGEKEND AAN BEGUNSTIGDEN VAN DE OPVANG.

  TITEL I. - Rechten en plichten van de begunstigden van de opvang.

  HOOFDSTUK I. - Algemene bepalingen.

  Afdeling I. - Informatie.

  Art. 14. Bij de toewijzing van de verplichte plaats van inschrijving biedt het Agentschap de asielzoeker een informatiebrochure aan. Deze is in de mate van het mogelijke opgesteld in een taal die de asielzoeker begrijpt en beschrijft met name zijn rechten en plichten zoals beschreven in deze wet of in de organieke wet van 8 juli 1976 betreffende de openbare centra voor maatschappelijk welzijn. Voorts bevat ze de adressen en verdere gegevens van de bevoegde instanties en van de verenigingen die hen medische, sociale en juridische bijstand kunnen verlenen.
  Zodra de asielzoeker in de hem toegewezen opvangstructuur aankomt, wordt deze informatie aangevuld door het aan de asielzoeker overgemaakt huishoudelijk reglement van de opvangstructuur bedoeld in artikel 19.

  Art. 15. Het Agentschap of de partner ziet erop toe dat de begunstigde van de opvang toegang heeft tot sociale tolk- en vertaaldiensten in het kader van de uitoefening van zijn rechten en plichten zoals deze in deze wet worden beschreven.
  Het Agentschap of de partner kan overeenkomsten afsluiten met diensten of organisaties die gespecialiseerd zijn op het vlak van sociaal tolk- en vertaalwerk.

  Art. 15/1. [1 De begunstigde van de opvang is ertoe gehouden elke nuttige inlichting nopens zijn toestand te geven, alsmede het Agentschap of de partner op de hoogte te brengen van elk nieuw gegeven dat een weerslag kan hebben op de hulp die hem wordt verleend.]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij W 2010-04-28/01, art. 32, 003; Inwerkingtreding : 20-05-2010>

  Afdeling II. - Huisvesting.

  Art. 16. De begunstigde van de opvang wordt in een collectieve of individuele opvangstructuur gehuisvest.

  Art. 17. De Koning legt de normen vast waaraan de opvangstructuren moeten beantwoorden, zowel inzake kwaliteit als inzake infrastructuur, alsook de nadere regels van de controle door het Agentschap van de naleving van deze normen.

  Art. 18.In afwijking van de artikelen 20 en 21 alsook van de artikelen 30 tot 35 kan de begunstigde van de opvang, wanneer de normaal beschikbare opvangcapaciteit tijdelijk uitgeput is, [1 in geval van sterk verhoogde instroom van asielzoekers]1 gehuisvest worden in een noodopvangstructuur. In dat geval geniet hij een beperkte maatschappelijke begeleiding.
  [1 Het verblijf in een dergelijke structuur kan slechts voor een zo kort mogelijke redelijke termijn en de fundamentele noden van de begunstigde van de opvang worden voorzien in functie van de evaluatie van de specifieke noden.]1 Deze laatste omvatten de volledige bijstand die nodig is, en onder meer voedsel, huisvesting, toegang tot een sanitaire uitrusting en de medische begeleiding zoals beschreven in de artikelen 23 tot 29.
  ----------
  (1)<W 2017-11-21/17, art. 66, 009; Inwerkingtreding : 22-03-2018>

  Art. 19. [1 § 1.]1 De Koning bepaalt het stelsel en de werkingsregels die van toepassing zijn op de opvangstructuren. De uitvoeringsmodaliteiten worden vastgelegd in een huishoudelijk reglement dat door de minister wordt opgesteld. Er wordt over gewaakt dat de begunstigde van de opvang hiervan een goed en volledig begrip heeft.
  [1 § 2. In het kader van de uitvoering van de opdracht bedoeld in paragraaf 1, bepaalt de Koning de concrete nadere regels die de directeur of de verantwoordelijke van de opvangstructuur of de hiertoe door hen aangeduide personen moeten toelaten om de kamers te controleren van de begunstigden die er verblijven.
   Een dergelijke controle mag enkel worden uitgevoerd ten einde de preventie inzake veiligheid en brandbestrijding, het behoud van de hygiėne en het toezicht op de naleving van de bepalingen van het huishoudelijke reglement bedoeld in paragraaf 1 die de bescherming van de rechten en de vrijheden van de andere begunstigden van de opvangstructuur en zijn personeelsleden verzekeren, te garanderen.
   Een dergelijke controle mag in geen geval een beledigend karakter hebben voor de betrokken begunstigde van de opvang en moet verlopen met respect voor de goederen die hij bezit.
   In de toepassing van de bevoegdheid die het eerste lid Hem toekent, voorziet de Koning de strikte beperking van het aantal personen dat de directeur of de verantwoordelijke van de opvangstructuur kan aanduiden om de controle uit te voeren en preciseert hij duidelijk en limitatief de nadere regels van de controles, ondermeer voor wat betreft de frequentie. Ten uitzonderlijke titel, kan de controle van de kamers van de begunstigden van de opvang buiten de door de Koning vastgelegde frequentiemodaliteiten worden georganiseerd, maar enkel wanneer ze wordt verantwoord door specifieke eisen van preventie inzake veiligheid, brandbestrijding, hygiėne of bij ernstige tekortkoming op het huishoudelijke reglement.]1
  ----------
  (1)<W 2009-12-30/01, art. 166, 002; Inwerkingtreding : 10-01-2010>

  Art. 20. Tijdens zijn verblijf in een opvangstructuur heeft de begunstigde van de opvang recht op de eerbiediging van zijn privé-leven en gezinsleven, op eerbiediging van zijn overtuigingen, om deel te nemen aan de organisatie van het gemeenschapsleven in de opvangstructuur, om te communiceren met zijn familie, zijn raadsman, de vertegenwoordigers van het Hoog Commissariaat voor de Vluchtelingen van de Verenigde Naties en de verenigingen die de opvang van vreemdelingen en het verdedigen van hun rechten tot doel hebben.
  De materiėle hulp wordt georganiseerd met respect voor het beginsel van neutraliteit jegens filosofische en religieuze overtuigingen van de begunstigden van de opvang binnen de opvangstructuur.

  Art. 21. De raadslieden van de begunstigden van de opvang, de vertegenwoordigers van het Hoog Commissariaat voor de Vluchtelingen van de Verenigde Naties en de NGO's die in naam van het Hoog Commissariaat voor de Vluchtelingen handelen, krijgen toegang tot de collectieve opvangstructuren, ten einde bijstand te bieden aan de begunstigden van de opvang.
  De Koning kan deze toegang slechts beperken om de veiligheid van de collectieve opvangstructuren en van de lokalen alsook van de begunstigden van de opvang te verzekeren.
  In de collectieve opvangstructuur is er in een lokaal voorzien dat het vertrouwelijk karakter waarborgt van de gesprekken die er plaatsvinden.

  Afdeling III. - Evaluatie.

  Art. 22.§ 1. Gedurende de dertig dagen die volgen op de toewijzing van zijn verplichte plaats van inschrijving wordt de persoonlijke situatie van de begunstigde van de opvang onderzocht om uit te maken of de opvang aangepast is aan zijn [1 specifieke noden inzake opvang]1. Indien dit niet zo blijkt te zijn, kan er worden overgegaan tot een wijziging van de verplichte plaats van inschrijving.
  [1 § 1/1. Tegelijkertijd met het onderzoek naar de specifieke noden inzake opvang wordt onderzocht of er bijzondere procedurele noden zijn, zoals bedoeld in artikel 48/9 van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen. Het Agentschap kan aanbevelingen doen betreffende de bijzondere procedurele noden die een asielzoeker kan behoeven aan de Dienst Vreemdelingenzaken en het Commissariaat-generaal voor de Vluchtelingen en de Staatlozen, mits zijn instemming.]1
  § 2. Met het oog hierop wordt tijdens het onderzoek van de persoonlijke situatie van de begunstigde van de opvang met name gepeild naar niet onmiddellijk zichtbare tekenen van een eventuele kwetsbaarheid, zoals in het geval van personen die folteringen hebben ondergaan of aan andere ernstige vormen van psychologisch, fysiek of seksueel geweld werden blootgesteld.
  § 3. De evaluatie van de persoonlijke situatie van de begunstigde van de opvang wordt gedurende het hele verblijf in de opvangstructuur voortgezet.
  § 4. De Koning bepaalt de nadere regels van deze evaluatie.
  ----------
  (1)<W 2017-11-21/17, art. 67, 009; Inwerkingtreding : 22-03-2018>

  Afdeling IV. - Medische, psychologische, maatschappelijke begeleiding en juridische hulp.

  Onderafdeling I. - Medische begeleiding.

  Art. 23. De begunstigde van de opvang heeft recht op de medische begeleiding die noodzakelijk is om een leven te kunnen leiden dat beantwoordt aan de menselijke waardigheid.

  Art. 24. Onder medische begeleiding worden de medische hulpverlening en verzorging verstaan, ongeacht of zij opgenomen zijn in de nomenclatuur zoals voorzien in artikel 35 van de gecoördineerde wet betreffende de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen van 14 juli 1994, of tot het dagelijkse leven behoren.
  De Koning bepaalt, bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad, enerzijds de medische hulp en verzorging die in genoemde nomenclatuur opgenomen zijn, maar niet aan de begunstigde van de opvang verzekerd worden omdat zij manifest niet noodzakelijk blijken te zijn, en anderzijds, de medische hulp en verzorging die tot het dagelijkse leven behoren en, hoewel niet opgenomen in genoemde nomenclatuur, wel verzekerd worden aan de begunstigde van de opvang.

  Art. 25. § 1. Het Agentschap is bevoegd om de medische begeleiding, zoals bedoeld in artikel 23, te verzekeren ten behoeve van de begunstigde van de opvang en dit ongeacht de opvangstructuur waarin hij wordt opgevangen, met uitzondering van de opvangstructuur beheerd door de partner zoals bedoeld in artikel 64.
  § 2. Met het oog hierop waarborgt elke opvangstructuur aan de begunstigde van de opvang de effectieve toegang tot een medische begeleiding.
  § 3. Deze medische begeleiding wordt verleend onder de verantwoordelijkheid van een arts die zijn professionele onafhankelijkheid ten aanzien van de directeur of de verantwoordelijke van de betreffende structuur behoudt.
  § 4. De asielzoeker die niet verblijft in de opvangstructuur die hem aangewezen werd als verplichte plaats van inschrijving, kan een medische begeleiding krijgen die wordt verzekerd door het Agentschap.
  § 5. De begunstigde van de opvang kan bij het Agentschap een beroep indienen overeenkomstig artikel 47 tegen een beslissing van de arts van de opvangstructuur met betrekking tot het verstrekken van medische begeleiding die niet wordt beschouwd als vereist om een leven te kunnen leiden dat beantwoordt aan de menselijke waardigheid.

  Art. 26. Het Agentschap of de partner kan, overeenkomstig de nadere regels die door de Koning bepaald zijn, overeenkomsten afsluiten met instellingen voor gezondheidszorg om de voorwaarden vast te leggen voor de terugbetaling van de medische, farmaceutische en andere kosten die ontstaan door het verstrekken van zorg aan de begunstigde van de opvang.

  Art. 27. Er wordt één enkel medisch dossier bijgehouden en bewaard in de collectieve opvangstructuur die als verplichte plaats van inschrijving is toegewezen.
  In geval van toewijzing van de verplichte plaats van inschrijving overeenkomstig artikel 11, § 2, en wijziging van deze verplichte plaats van inschrijving overeenkomstig artikel 12, wordt dit dossier overgezonden aan de nieuwe plaats van inschrijving.

  Art. 28. Indien de gezondheidstoestand van de begunstigde van de opvang het rechtvaardigt en op advies van de behandelende arts, kan het Agentschap zijn verplichte plaats van inschrijving wijzigen of opheffen, overeenkomstig artikelen 12 en 13.

  Art. 29. De begunstigde van de opvang kan om redenen van volksgezondheid aan een verplicht medisch onderzoek onderworpen worden.

  Onderafdeling II. - Psychologische begeleiding.

  Art. 30. De noodzakelijke psychologische begeleiding wordt aan de begunstigde van de opvang verzekerd.
  Met het oog hierop kan het Agentschap of de partner, overeenkomstig de nadere regels bepaald door de Koning, overeenkomsten afsluiten met gespecialiseerde instanties en instellingen.

  Onderafdeling III. - Maatschappelijke begeleiding.

  Art. 31. § 1. De begunstigde van de opvang heeft recht op een geļndividualiseerde en permanente maatschappelijke begeleiding verstrekt door een maatschappelijk werker gedurende de volledige duur van zijn verblijf in de opvangstructuur.
  Hiertoe waarborgt iedere opvangstructuur aan de begunstigde van de opvang een effectieve toegang tot een sociale dienst en wijst hem een maatschappelijk werker als referentiepersoon aan.
  § 2. De maatschappelijke begeleiding bestaat onder meer uit het informeren van de begunstigde van de opvang over de toegang tot de materiėle hulp en haar concrete uitwerking, over het dagelijks leven in een opvangstructuur, over de activiteiten waartoe hij toegang heeft, over de fases van de asielprocedure met inbegrip van de eventuele jurisdictionele beroepen en de gevolgen van de daden die hij in dit verband stelt alsook over de inhoud en het belang van de programma's van vrijwillige terugkeer. De maatschappelijke begeleiding bestaat er eveneens uit de begunstigde van de opvang te begeleiden bij de uitvoering van zijn administratieve handelingen, meer bepaald deze die gesteld worden in het kader van de overgang van de materiėle hulp naar de maatschappelijke hulp die wordt verleend door de openbare centra voor maatschappelijk welzijn.
  § 3. De opdrachten van de maatschappelijk werker bestaan er onder meer uit de begunstigde van de opvang te helpen bij het te boven komen en verbeteren van de noodsituaties waarin hij zich bevindt. Hiertoe verstrekt hij de informatie, raadgevingen en verzekert hij de maatschappelijke begeleiding aan de betrokkene, eventueel door hem door te verwijzen naar externe diensten. De opdrachten van de maatschappelijk werker omvatten eveneens de evaluatie van de specifieke behoeften van de begunstigde van de opvang en, desgevallend, het voorstel tot wijziging van de verplichte plaats van inschrijving.
  De Koning [1 kan]1 de kwalificaties van de maatschappelijk werker [1 bepalen]1.
  ----------
  (1)<W 2010-04-28/01, art. 33, 003; Inwerkingtreding : 20-05-2010>

  Art. 32. Er wordt een sociaal dossier opgesteld waartoe de begunstigde van de opvang toegang heeft en dat actueel gehouden wordt door de maatschappelijk werker.
  In geval van toewijzing van de verplichte plaats van inschrijving overeenkomstig artikel 11, § 2, en wijziging van deze verplichte plaats van inschrijving overeenkomstig artikel 12, wordt dit dossier overgezonden aan de nieuwe plaats van inschrijving.
  Een kopie van het sociaal dossier wordt aan de begunstigde van de opvang gegeven indien deze daarom verzoekt.

  Onderafdeling IV. - Juridische hulp.

  Art. 33. Het Agentschap of de partner ziet erop toe dat de begunstigde van de opvang effectief toegang heeft tot juridische eerstelijns- en tweedelijnsbijstand, zoals bedoeld in de artikels 508/1 tot 508/23 van het Gerechtelijk wetboek.
  Hiertoe kan het Agentschap of de partner overeenkomsten afsluiten met verenigingen die het verdedigen van de rechten van vreemdelingen tot doel hebben, of met bureaus voor juridische bijstand.

  Afdeling V. - Dagvergoeding en gemeenschapsdiensten.

  Art. 34. De begunstigde van de opvang die verblijft in een opvangstructuur heeft recht op een dagvergoeding.
  Het Agentschap of de partner organiseert, voor de opvangstructuren, de betaling van een dagvergoeding die per week en per persoon wordt vastgelegd.
  Onverminderd de mogelijkheid voor begunstigden van de opvang om vrijwilligerswerk te verrichten overeenkomstig de wet van 3 juli 2005 betreffende de rechten van vrijwilligers, organiseert het Agentschap of de partner eveneens het verrichten van gemeenschapsdiensten door de begunstigden van de opvang in de collectieve opvangstructuren.
  Onder gemeenschapsdienst wordt elke prestatie verstaan die door de begunstigde van de opvang wordt verricht in de collectieve structuur ten voordele van de gemeenschap van de begunstigden van de opvang die in de betreffende opvangstructuur verblijven of in het kader van een activiteit die door of in samenwerking met voornoemde structuur georganiseerd wordt en die bijdraagt tot de integratie van de opvangstructuur in de lokale omgeving en waarvoor de begunstigde van de opvang een verhoging van zijn dagvergoeding uitbetaald kan krijgen.
  Het verrichten van de gemeenschapsdienst wordt niet als een arbeidsovereenkomst of een arbeidsprestatie beschouwd en de toekenning van de verhoging van de dagvergoeding wordt evenmin als een bezoldiging gezien.
  De verhoging van de dagvergoeding van de begunstigde van de opvang wordt berekend op basis van een forfaitair tarief dat vastgelegd wordt door de collectieve opvangstructuur en dat varieert naargelang van de aard van de prestatie. Dit forfaitaire tarief wordt voorafgaandelijk goedgekeurd door het Agentschap. De prestaties worden vrijwillig verricht door de begunstigden van de opvang onder toezicht van een personeelslid van de collectieve opvangstructuur. Het betreffende personeelslid wordt hiertoe aangesteld door zijn meerdere en ziet erop toe dat de begunstigden van de opvang gelijke kansen krijgen om deel te nemen aan de gemeenschapsdiensten. De identiteit van de betrokken personeelsleden wordt meegedeeld aan het Agentschap.
  De Koning legt de bedragen vast van de dagvergoeding en het maandelijks maximumbedrag van de verhoging ervan in functie van de geleverde gemeenschapsdiensten, evenals de voorwaarden voor de uitvoering van de gemeenschapsdiensten.

  Afdeling VI. - Opleidingen.

  Art. 35. Onverminderd de naleving van de regels inzake de toegang tot beroepsopleidingen worden er cursussen en opleidingen voorgesteld aan de begunstigde van de opvang die door de opvangstructuur of door derden georganiseerd worden.

  HOOFDSTUK I/1. [1 - Gevolgen van het uitoefenen van een professionele activiteit]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij W 2010-04-28/01, art. 34, 003; Inwerkingtreding : 20-05-2010>

  Art. 35/1. [1 De Koning bepaalt, bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad, de voorwaarden en de nadere regels volgens dewelke de opvang, in de zin van artikel 3, tweede lid, wordt toegekend aan de asielzoeker wanneer deze over professionele inkomsten beschikt.
   De Koning bepaalt te dien einde enerzijds de voorwaarden en de nadere regels voor de terugbetaling van de materiėle hulp, desgevallend door het genot van bepaalde rechten van Hoofdstuk I van Titel I van Boek III te beperken, en anderzijds, onverminderd de eventuele toepassing van de artikelen 11 tot 13 op de geviseerde asielzoekers, de voorwaarden en de nadere regels voor de wijziging of de opheffing van de verplichte plaats van inschrijving.
   De voorwaarden en nadere regels bedoeld in het eerste lid, met inbegrip van de bepaling van het respectievelijke toepassingsgebied van elk van de in het tweede lid bedoelde situaties, zijn gebonden aan de professionele situatie van de asielzoeker en kunnen onder meer afhangen van het type arbeidscontract, alsook van het bedrag van de ontvangen professionele inkomsten.]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij W 2010-04-28/01, art. 35, 003; Inwerkingtreding : 20-05-2010>

  Art. 35/2. [1 De in artikel 6, § 1, bedoelde materiėle hulp, met uitzondering van de medische begeleiding bedoeld in de artikelen 23 en 24, is niet verschuldigd indien de asielzoeker over voldoende financiėle middelen beschikt om te voorzien in zijn basisbehoeften. Met voldoende middelen wordt bedoeld een inkomen dat gelijk is aan of hoger is dan het bedrag bedoeld in artikel 14, § 1, 3°, van de wet van 26 mei 2002 betreffende het recht op maatschappelijke integratie.
   De asielzoeker dient het Agentschap schriftelijk op de hoogte te brengen van elk element dat verband houdt met zijn beroepssituatie, zijn inkomsten en met de evolutie van deze situatie.
   Het Agentschap beėindigt bij een met redenen omklede beslissing de materiėle hulp, met uitzondering van de medische begeleiding bedoeld in de artikelen 23 en 24, indien een asielzoeker financiėle middelen verborgen heeft gehouden en daardoor ten onrechte aanspraak maakt op materiėle hulp. Indien komt vast te staan dat de asielzoeker over voldoende middelen beschikte om in de basisbehoeften te voorzien toen de materiėle hulp werd verstrekt, moet de asielzoeker het Agentschap vergoeden voor de verstrekte materiėle hulp, met uitzondering van de medische begeleiding bedoeld in de artikelen 23 en 24.
   De Koning bepaalt, bij een besluit vastgesteld na overleg in de ministerraad, de nadere regels voor de uitvoering van dit artikel.]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij W 2012-01-19/13, art. 9, 004; Inwerkingtreding : 27-02-2012>

  HOOFDSTUK II. - Specifieke bepalingen betreffende kwetsbare personen en minderjarigen.

  Afdeling I. - Algemene bepalingen.

  Art. 36.Om tegemoet te komen aan de specifieke behoeften van kwetsbare personen zoals minderjarigen, niet-begeleide minderjarigen, alleenstaande ouders vergezeld van minderjarigen, zwangere vrouwen, personen met een handicap, slachtoffers van mensenhandel, [2 ouderen, personen met ernstige ziekten, personen met mentale stoornissen en personen die folteringen hebben ondergaan, zijn verkracht of aan andere ernstige vormen van psychologisch, fysiek of seksueel geweld zijn blootgesteld, zoals slachtoffers van vrouwelijke genitale verminking]2, sluit het Agentschap of de partner overeenkomsten af met gespecialiseerde instellingen of verenigingen.
  Indien de begunstigde van de opvang in één van deze instellingen of bij één van deze verenigingen gehuisvest wordt, zal het Agentschap of de partner erop toezien dat de administratieve en sociale opvolging vanuit de plaats die als verplichte plaats van inschrijving toegewezen is, verzekerd blijft en dat de materiėle hulp [1 gewaarborgd blijft]1.
  ----------
  (1)<W 2010-04-28/01, art. 36, 003; Inwerkingtreding : 20-05-2010>
  (2)<W 2017-11-21/17, art. 68, 009; Inwerkingtreding : 22-03-2018>

  Afdeling II. - De minderjarigen.

  Art. 37.Bij alle beslissingen met betrekking tot de minderjarige primeert het hoogste belang van de minderjarige.
  [1 Bij het beoordelen van het hoger belang van het kind wordt in het bijzonder voldoende rekening gehouden met :
   1° de mogelijkheden van gezinshereniging;
   2° het welzijn en de sociale ontwikkeling van de minderjarige, met bijzondere aandacht voor de persoonlijke situatie van de minderjarige;
   3° veiligheids- en beveiligingsoverwegingen, met name wanneer de minderjarige mogelijk het slachtoffer is van mensenhandel;
   4° het standpunt van de minderjarige in overeenstemming met zijn leeftijd, maturiteit en kwetsbaarheid.]1
  ----------
  (1)<W 2017-11-21/17, art. 69, 009; Inwerkingtreding : 22-03-2018>

  Art. 38.De minderjarige wordt gehuisvest bij zijn ouders [1 , bij zijn ongehuwde minderjarige broers of zussen]1 of bij de persoon die het ouderlijk gezag of de voogdij over hem uitoefent op grond van de wet die van toepassing is overeenkomstig artikel 35 van de wet van 16 juli 2004 houdende het Wetboek van internationaal privaatrecht.
  ----------
  (1)<W 2017-11-21/17, art. 70, 009; Inwerkingtreding : 22-03-2018>

  Art. 39. De minderjarige slachtoffers van eender welke vorm van misbruik, verwaarlozing, uitbuiting, foltering, wrede, onmenselijke en vernederende behandelingen, of van gewapende conflicten, hebben recht op deskundige ondersteuning en krijgen toegang tot de geestelijke gezondheidszorg en tot de revalidatiediensten.

  Art. 40. Een aangepaste omkadering wordt verzekerd aan de niet-begeleide minderjarigen gedurende een observatie- en oriėntatiefase in een daartoe aangeduid centrum.
  De Koning bepaalt het regime en de werkingsregels die van toepassing zijn op de observatie- en oriėntatiecentra.

  Art. 41. § 1. Een observatie- en oriėntatiecentrum vangt de niet-begeleide minderjarigen op die geen toegang hebben tot het grondgebied in toepassing van artikel 3 of artikel 52, § 1, van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen, in afwachting van de eventuele uitvoering van de terugdrijvingsbeslissing. Dit centrum is in dit geval gelijkgesteld aan een welbepaalde plaats gesitueerd in het grensgebied.
  § 2. De vreemdeling die verklaart minderjarig te zijn en over dewelke er geen twijfel bestaat aangaande zijn minderjarigheid, wordt in een observatie- en oriėntatiecentrum opgevangen vanaf zijn aankomst aan de grens.
  Voor de vreemdeling die verklaart minderjarig te zijn en met betrekking tot dewelke de met de grenscontrole belaste autoriteiten twijfel uiten aangaande zijn minderjarigheid, moet de bepaling van de leeftijd plaatsvinden binnen de drie werkdagen na zijn aankomst aan de grens. Indien wegens onvoorziene omstandigheden dit onderzoek niet kan plaatsvinden binnen deze termijn, kan deze uitzonderlijk verlengd worden met drie werkdagen.
  § 3. De niet-begeleide minderjarige wordt opgevangen in een observatie- en oriėntatiecentrum binnen een termijn van hoogstens 24 uur volgend op, hetzij de aankomst aan de grens wat betreft de minderjarige bedoeld in § 2, eerste lid, hetzij, de betekening van de beslissing betreffende de bepaling van de leeftijd aan de betrokkene wat betreft de minderjarige bedoeld in § 2, tweede lid, dit voor een duur van hoogstens 15 dagen, die kan worden verlengd met 5 dagen in geval van behoorlijk gemotiveerde uitzonderlijke omstandigheden.
  Tijdens de periode bepaald in het vorig lid wordt de minderjarige niet beschouwd als zijnde gemachtigd om het rijk binnen te komen.
  § 4. De beslissing betreffende de bepaling van de leeftijd wordt betekend aan de voogd en aan de overheden bevoegd voor asiel, toegang tot het grondgebied, verblijf en verwijdering van vreemdelingen, gelijktijdig met haar betekening aan betrokkene.
  § 5. Indien de terugdrijvingsmaatregel niet kan uitgevoerd worden binnen de termijn van 15 dagen bedoeld in § 3, wordt de niet-begeleide minderjarige gemachtigd tot het grondgebied toe te treden.

  Art. 42. Het personeel van de opvangstructuren dat met de opvang van niet-begeleide minderjarigen belast is, krijgt een aangepaste opleiding.

  TITEL II. - Overschakeling van materiėle hulp naar maatschappelijke dienstverlening verstrekt door de openbare centra voor maatschappelijk welzijn

  Art. 43. Wanneer men zich in één van de in artikel 8, § 1, bedoelde hypotheses bevindt, wordt de maatschappelijke dienstverlening toegekend door de openbare centra voor maatschappelijk welzijn overeenkomstig de organieke wet van 8 juli 1976 betreffende de openbare centra voor maatschappelijk welzijn.
  In het kader van de overgang van de materiėle hulp naar de maatschappelijke dienstverlening toegekend door de openbare centra voor maatschappelijk welzijn legt de Koning de voorwaarden vast voor het behoud van de materiėle hulp niettegenstaande de in voorgaande lid bedoelde situatie, evenals de nadere regels van de samenwerking tussen de opvangstructuur en het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn die aan de begunstigde van de opvang de continuļteit van de opvang dient te waarborgen.

  TITEL III. - Ordemaatregelen en sancties.

  HOOFDSTUK I. - Ordemaatregelen.

  Art. 44. Om de orde, de veiligheid en de rust in een opvangstructuur te waarborgen en indien nodig te herstellen, kunnen er interne ordemaatregelen genomen worden.
  De Koning [1 ...]1 bepaalt welke de van toepassing zijnde procedureregels zijn en welke overheden gemachtigd zijn om de ordemaatregelen te nemen.
  ----------
  (1)<W 2009-12-30/01, art. 167, 002; Inwerkingtreding : 10-01-2010>

  HOOFDSTUK II. - Sancties.

  Art. 45.Ingeval de begunstigde van de opvang een ernstige overtreding begaat van de voorschriften en werkingsregels die van toepassing zijn op de opvangstructuren bedoeld in artikel 19 kan er hem een sanctie opgelegd worden. Bij de keuze van de sanctie wordt er rekening gehouden met de aard en de omvang van de overtreding evenals met de concrete omstandigheden waarin deze werd begaan.
  [2 Enkel de volgende sancties kunnen worden opgelegd :
   1° de formele verwittiging met vermelding in het sociaal dossier bedoeld in artikel 32;
   2° de tijdelijke uitsluiting van deelname aan de acti-viteiten georganiseerd door de opvangstructuur;
   3° de tijdelijke uitsluiting van de mogelijkheid tot het verrichten van betaalde prestaties van gemeenschapsdiensten zoals bedoeld in artikel 34;
   4° de beperking van de toegang tot sommige diensten;
   5° de verplichting om taken van algemeen nut te verrichten, waarvan de niet-uitvoering of de gebrekkige uitvoering als een nieuwe overtreding beschouwd kan worden;
   6° de tijdelijke opheffing of vermindering van de dagvergoeding bedoeld in artikel 34, eerste en tweede lid, met een maximumtermijn van vier weken;
   7° de overplaatsing, zonder verwijl, van de begunstigde van de opvang naar een andere opvangstructuur;
   8° de tijdelijke uitsluiting van het recht op de materiėle hulp in een opvangstructuur, voor een maximale duur van een maand;
   9° de definitieve uitsluiting van het recht op de materiėle hulp in een opvangstructuur.]2
  De sancties worden opgelegd door de directeur of de verantwoordelijke van de opvangstructuur. [1 [2 de in het tweede lid 8° en 9° bedoelde sancties, moeten]2 worden bevestigd door de Directeur-generaal van het Agentschap, binnen een termijn van drie werkdagen te rekenen vanaf de sanctie genomen door de directeur of de verantwoordelijke van de opvangstructuur. Bij gebrek aan bevestiging binnen die termijn, wordt [2 de sanctie van tijdelijke of definitieve uitsluiting wordt automatisch opgeheven.]2.]1
  De sancties kunnen tijdens hun uitvoering verminderd of opgeheven worden door de instantie die ze heeft opgelegd.
  De beslissing om een sanctie op te leggen wordt op een objectieve en onpartijdige wijze genomen en maakt het voorwerp uit van een motivering.
  [2 onder voorbehoud van de in het tweede lid, 8° en 9°, bedoelde sancties]2 kan de uitvoering van een sanctie in geen geval de volledige opheffing van de materiėle hulp die krachtens de huidige wet toegekend wordt tot gevolg hebben, noch de vermindering van de toegang tot de medische begeleiding. [2 De materiėle hulp toegekend aan de persoon die het voorwerp uitmaakt van een sanctie zoals bedoeld in het tweede lid, 8° of 9°, is beperkt tot de medische begeleiding, voorzien in artikelen 24 en 25. In het geval dat een persoon aantoont dat hem geen menswaardige levensstandaard kan worden verzekerd, kan hij een verzoek t.a.v. het Agentschap indienen teneinde deze situatie te verhelpen. Een dergelijk verzoek kan in voorkomend geval aanleiding geven tot een beslissing genomen op basis van het vierde lid. Het Agentschap neemt een met redenen omklede beslissing ten laatste binnen vijf dagen vanaf de indiening van het verzoek.]2
  [1 De [2 in het tweede lid, 8° en 9°, bedoelde sancties mogen]2 enkel uitgesproken worden bij zeer ernstige inbreuk op het huishoudelijk reglement van de opvangstructuur, die het personeel of de andere bewoners van de opvangstructuur in gevaar brengt of die duidelijke risico's inhoudt voor de veiligheid of de naleving van de openbare orde in de opvangstructuur. [2 Behoudens de ernstige gevallen van fysiek of seksueel geweld, kan de in het tweede lid, 9°, bedoelde sanctie uitsluitend worden uitgesproken ten aanzien van een persoon die voorafgaand het voorwerp heeft uitgemaakt van een in het tweede lid, 8°, bedoelde sanctie.]2
   De door de sanctie tijdelijke [2 of definitieve]2 uitsluiting geviseerde persoon dient voorafgaand aan het nemen van deze sanctie te worden gehoord.]1
  De Koning bepaalt de procedureregels die van toepassing zijn op de behandeling van de sancties.
  ----------
  (1)<W 2009-12-30/01, art. 168, 002; Inwerkingtreding : 10-01-2010>
  (2)<W 2016-07-06/06, art. 3, 008; Inwerkingtreding : 15-08-2016>

  HOOFDSTUK III. - Klachten en Beroep.

  Art. 46. De begunstigde van de opvang wendt zich tot de directeur of de verantwoordelijke van de opvangstructuur ingeval hij klachten heeft met betrekking tot :
  - de levensomstandigheden in de opvangstructuur
  - de toepassing van het huishoudelijk reglement bedoeld in artikel 19 van deze wet.
  Ingeval de klacht niet behandeld wordt binnen een termijn van 7 dagen na het bekendmaken van de klacht, kan de begunstigde van de opvang de klacht schriftelijk voorleggen [1 , in één van de landstalen of in het Engels,]1 aan de directeur-generaal van het Agentschap, of aan de door de partner aangewezen en door het Agentschap erkende persoon [1 , indien de begunstigde gehuisvest is in een opvangstructuur beheerd door een partner]1. De directeur-generaal van het Agentschap of de door de partner aangewezen persoon antwoordt op deze klacht binnen de 30 dagen.
  De Koning bepaalt de procedureregels die van toepassing zijn op de behandeling van de klachten.
  ----------
  (1)<W 2010-04-28/01, art. 37, 003; Inwerkingtreding : 20-05-2010>

  Art. 47.§ 1. De begunstigde van de opvang gehuisvest in een opvangstructuur beheerd door het Agentschap of een partner kan een beroep tot herziening instellen tegen elke beslissing die hem een in [2 in artikel 45, 4°, 5°, 6° of 7° ]2, opgesomde sanctie oplegt, alsook tegen elke beslissing met betrekking tot de medische begeleiding, zoals bedoeld in artikel 25, § 5, van deze wet.
  Het beroep tegen een [2 in artikel 45, 4°, 5°, 6° of 7° ]2, bedoelde sanctie wordt ingesteld bij de directeur-generaal van het Agentschap, bij de door de partner aangewezen en door het Agentschap erkende persoon, of bij de O.C.M.W.-Raad ingeval van een structuur bedoeld in artikel 64 van deze wet, per gewone post binnen een termijn van vijf werkdagen te rekenen vanaf de betekening aan de begunstigde van de opvang van de beslissing bedoeld in het eerste lid. De begunstigde van de opvang bezorgt onmiddellijk aan de opvangstructuur een kopie van het beroep.
  Het beroep moet ingediend worden in één van de landstalen of in het Engels.
  Elk beroep tegen een beslissing met betrekking tot de medische begeleiding zoals bedoeld in artikel 25, § 5 van deze wet wordt ingediend bij de directeur-generaal van het Agentschap of bij de O.C.M.W.-Raad ingeval van een structuur bedoeld in artikel 64 van deze wet [1 , per gewone post binnen een termijn van vijf werkdagen te rekenen vanaf de datum van de consultatie waarop de medische beslissing werd meegedeeld aan de begunstigde van de opvang]1.
  De directeur-generaal, de door de partner aangewezen persoon of de O.C.M.W.-Raad bevestigt, vernietigt of herziet de beslissing binnen de 30 dagen te rekenen vanaf de [1 ontvangst]1 van het beroep tot herziening. Voor het beroep dat betrekking heeft op de medische begeleiding, en dat wordt ingediend bij de directeur-generaal van het Agentschap, is het voorafgaand advies van een [1 door het Agentschap aangeduide]1 arts vereist.
  De directeur-generaal, de door de partner aangewezen persoon, of de O.C.M.W.-Raad kan, indien hij dit nodig acht, de aangevochten beslissing opschorten tijdens de behandeling van het beroep.
  De directeur-generaal, de door de partner aangewezen persoon, of de O.C.M.W.-Raad hoort, indien hij dit nodig acht, de bij het beroep betrokken personen.
  De directeur-generaal, de door de partner aangewezen persoon, of de O.C.M.W.-Raad motiveert zijn beslissing.
  Indien de directeur-generaal, de door de partner aangewezen persoon, of de O.C.M.W.-Raad de aangevochten beslissing bevestigt of herziet, of bij afwezigheid van beslissing aangaande het beroep binnen de voorgeschreven termijn, kan de begunstigde van de opvang hiertegen een beroep indienen bij de Arbeidsrechtbank van de plaats van de opvangstructuur. Op straffe van verval dient dit beroep ingediend te worden binnen een termijn van 3 maanden te rekenen vanaf de betekening van de beslissing van de directeur-generaal, de door de partner aangewezen persoon, of de O.C.M.W.-Raad, of vanaf het verstrijken van de voorgeschreven termijn.
  ----------
  (1)<W 2010-04-28/01, art. 38, 003; Inwerkingtreding : 20-05-2010>
  (2)<W 2016-07-06/06, art. 4, 008; Inwerkingtreding : 15-08-2016>

  Art. 48. Het Agentschap stelt aan de minister jaarlijks een verslag voor met betrekking tot de klachten en de beroepen.

  TITEL IV. - Personeelsleden van de opvangstructuren.

  Art. 49. Onverminderd artikel 458 van het Strafwetboek, zijn de personeelsleden van de opvangstructuren gebonden door een geheimhoudingsplicht. Deze is met name van toepassing op de informatie die aan een personeelslid van de opvangstructuur verstrekt wordt door elke begunstigde van de opvang die in deze opvangstructuur opgevangen wordt en op de initiatieven die een personeelslid van de opvangstructuur neemt in het kader van de taken die aan de genoemde opvangstructuur zijn toevertrouwd.

  Art. 50. De personeelsleden van de opvangstructuren zijn onderworpen aan een deontologische code die door de minister is vastgelegd en die deel uitmaakt van het arbeidsreglement.
  De deontologische code bedoeld in het eerste lid waarborgt met name de eerbiediging van het non-discriminatiebeginsel, van de briefwisseling van de begunstigde van de opvang, van zijn filosofische, godsdienstige of politieke overtuiging, zijn recht op een privé- en een gezinsleven en zijn recht op vrije meningsuiting. De code bevat eveneens regels met betrekking tot het voorwerp en de taken van een arbeidsbetrekking in de opvangstructuur, de aard van de relaties tussen de personeelsleden van de opvangstructuren en de begunstigde van de opvang alsook de eerbiediging van de geheimhoudingsplicht.

  Art. 51. Het Agentschap of de partner organiseert een multidisciplinaire en doorlopende opleidingscyclus die bestemd is voor de personeelsleden van de opvangstructuren.

  TITEL V. - Integratie van collectieve opvangstructuren in de lokale omgeving en subsidies aan de gemeenten.

  Art. 52. Met uitzondering van de structuren bedoeld in artikel 64, organiseren de collectieve opvangstructuren buurtinitiatieven met behulp van subsidies die door het Agentschap toegekend worden.
  Onder een buurtinitiatief wordt een activiteit bedoeld die tot doel heeft de collectieve opvangstructuur in de omgeving te integreren en een positief beeld te scheppen van het opvangbeleid voor asielzoekers in de samenleving.
  Subsidies worden aan de collectieve opvangstructuren toegekend met het oog op de verwezenlijking van de volgende doelstellingen :
  1° integratie van de collectieve opvangstructuur in haar lokale omgeving;
  2° correcte informatie verschaffen inzake de werking van de collectieve opvangstructuur;
  3° sensibiliseringsacties bevorderen met betrekking tot de opvang van asielzoekers.
  Het bedrag van deze subsidies bestaat uit een vast bedrag vermeerderd met het bedrag dat bekomen wordt op basis van de berekening van het aantal opvangplaatsen binnen de collectieve opvangstructuur.

  Art. 53. De minister kent een jaarlijkse subsidie toe aan de gemeenten op wiens grondgebied er een collectieve opvangstructuur gelegen is.
  Deze subsidie beoogt de volgende kosten te dekken :
  1° de personeelskosten die rechtstreeks verband houden met het administratieve beheer van de collectieve opvangstructuur;
  2° de werkingskosten die rechtstreeks of onrechtstreeks verband houden met het administratieve beheer van de collectieve opvangstructuur; de onrechtstreekse kosten worden aan de hand van een verdelingssleutel verantwoord;
  3° de gemeentelijke initiatieven die de integratie van de collectieve opvangstructuur binnen de gemeente bevorderen.
  De minister bepaalt in het begin van het jaar de subsidie die aan de gemeenten verschuldigd is voor het voorbije jaar. Het bedrag van de subsidie wordt forfaitair per jaar en per effectieve opvangplaats bepaald. Ten einde rekening te houden met de schommelingen in het aantal plaatsen die gedurende deze periode beschikbaar zijn voor elke collectieve opvangstructuur, wordt dit aantal de eerste dag van elke maand bepaald. Met een tijdelijke vermindering, om reden van verbouwingen of inrichting, wordt geen rekening gehouden.

  TITEL VI. - Programma voor vrijwillige terugkeer naar het land van herkomst of naar een derde land.

  Art. 54. Het Agentschap ziet erop toe dat de begunstigde van de opvang, toegang krijgt tot een programma voor vrijwillige terugkeer naar zijn land van herkomst of naar een derde land.
  Dit programma evenals het kader waarbinnen het uitgevoerd wordt, worden vastgelegd door de Koning. Het bestaat onder meer uit aangepaste opleidingsmodules evenals uit de tenlasteneming van de reiskosten en, desgevallend, uit een begeleiding bij de herintegratie in het land van herkomst of een derde land.
  Met het oog hierop kan het Agentschap overeenkomsten afsluiten met derden.

  BOEK IV. - FEDERAAL AGENTSCHAP VOOR DE OPVANG VAN ASIELZOEKERS.

  TITEL I. - Statuut, taken en bevoegdheden.

  Art. 55. Onder de naam " Federaal Agentschap voor de Opvang van Asielzoekers " werd een overheidsinstelling met rechtspersoonlijkheid opgericht, die ingedeeld is bij categorie A zoals bedoeld in de wet van 16 maart 1954 betreffende de controle op sommige instellingen van openbaar nut.
  De Koning bepaalt bij besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad de structuur, de organisatie en de werking van het Agentschap. Het Agentschap kan door middel van een arbeidsovereenkomst personeelsleden aanwerven om te voorzien in al zijn personeelsbehoeften met het oog op de uitvoering van de taken die het toegewezen heeft gekregen.

  Art. 56. § 1. Het Agentschap heeft onder meer de taak om de organisatie, het beheer en de kwaliteitscontrole van de materiėle hulp, toegekend aan de begunstigden van de opvang, te verzekeren.
  Het mag subsidies toekennen in verband met zijn opdrachten.
  § 2. In het kader van de in § 1 bedoelde taken, oefent het Agentschap de volgende bevoegdheden uit :
  1° de toekenning van de materiėle hulp aan de begunstigden van de opvang in de collectieve opvangstructuren die het beheert;
  2° de controle van de uitvoering van de overeenkomsten afgesloten met de partners overeenkomstig artikel 64 betreffende de toekenning van de materiėle hulp aan de begunstigden van de opvang;
  3° de toewijzing, de wijziging en de opheffing van de verplichte plaats van inschrijving overeenkomstig Boek II;
  4° de organisatie van de betaling van een dagvergoeding en de prestatie van gemeenschapsdiensten overeenkomstig artikel 34.
  [1 § 3. Het Agentschap staat in voor de beleidsvoorbereiding, -conceptie en -uitvoering.]1
  ----------
  (1)<W 2010-04-28/01, art. 39, 003; Inwerkingtreding : 20-05-2010>

  Art. 57. Overeenkomstig artikel 43 ziet het Agentschap toe op het verzekeren van de continuļteit van de opvang bij de overschakeling van de materiėle hulp die aan de asielzoeker verleend wordt naar de maatschappelijke dienstverlening die door de openbare centra voor maatschappelijk welzijn wordt verstrekt.

  Art. 58.[1 Onverminderd het bepaalde in de artikelen 6 en 6/1]1 is het Agentschap belast met de coördinatie van de vrijwillige terugkeer, zowel van de begunstigden van de opvang als van andere vreemdelingen.
  ----------
  (1)<W 2012-01-19/13, art. 10, 004; Inwerkingtreding : 27-02-2012>

  Art. 59. Het Agentschap is belast met de toekenning van de materiėle hulp aan niet-begeleide minderjarigen in het kader van de observatie- en oriėnteringsfase.

  Art. 60.Het Agentschap is belast met de toekenning van de materiėle hulp aan minderjarigen die illegaal met hun ouders op het grondgebied verblijven en van wie de staat van behoeftigheid door een openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn is vastgesteld, wanneer de ouders niet in staat zijn om hun onderhoudsplicht na te komen.
  [1 Deze materiėle hulp wordt toegekend binnen de collectieve opvangstructuren die worden beheerd door het Agentschap of een partner waarmee het Agentschap een specifieke conventie heeft afgesloten voor de opvang van de in het eerste lid bedoelde minderjarigen.]1
  De Koning bepaalt de nadere regels van de toekenning van deze materiėle hulp.
  ----------
  (1)<W 2017-11-21/17, art. 71, 009; Inwerkingtreding : 22-03-2018>

  Art. 61. Het Agentschap is de verantwoordelijke instantie voor het Europees Vluchtelingenfonds.

  TITEL II. - Partners en controle van de kwaliteit van de opvang.

  Art. 62. Het Agentschap kan aan partners de taak toevertrouwen om aan begunstigden van de opvang materiėle hulp te verstrekken zoals voorzien in deze wet. Deze partners zijn met name het Rode Kruis van Belgiė, de andere overheden, de openbare besturen en de verenigingen.
  Met het oog hierop sluit het Agentschap overeenkomsten af.

  Art. 63. Indien de overeenkomst zoals bedoeld in voorafgaand artikel niet is opgezegd en onder voorbehoud van andere reglementen of specifieke bepalingen in de overeenkomsten, hebben het Rode Kruis van Belgiė of de andere overheden, de openbare besturen en de verenigingen bedoeld in voorgaand artikel, bij het begin van elk kalenderjaar recht op de betaling van een voorschot ten bedrage van minstens een kwart van het bedrag waarop ze het vorige jaar recht hadden. Dit voorschot dient uiterlijk op 31 maart betaald te zijn.

  Art. 64. De openbare centra voor maatschappelijk welzijn kunnen individuele of collectieve opvangstructuren organiseren om materiėle hulp te verlenen aan de begunstigde van de opvang. Deze opvangstructuren, genaamd lokale opvanginitiatieven, maken het voorwerp uit van een overeenkomst tussen het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn en het Agentschap.
  De Koning bepaalt het kader voor de oprichting van een lokaal opvanginitiatief, evenals de nadere regels van de subsidiėring door het Agentschap.

  Art. 65. Het Agentschap organiseert een regelmatig overleg met de partners.

  BOEK V. - Slotbepalingen.

  TITEL I. - Overgangsbepalingen.

  Art. 66. Voor de asielzoekers die hun asielaanvraag ingediend hebben vóór de inwerkingtreding van deze wet blijven de bepalingen van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen en van de organieke wet van 8 juli 1976 betreffende de openbare centra voor maatschappelijk welzijn, die van kracht waren de dag vóór de inwerkingtreding van onderhavige wet, van toepassing.
  In afwijking van het eerste lid zijn de bepalingen van Boek III, uitgezonderd Titel II, de bepalingen van Boek IV en de artikelen 69 en 70 echter onmiddellijk van toepassing op de asielzoekers bedoeld in het vorig lid vanaf de inwerkingtreding van onderhavige wet.

  Art. 67. Een jaar na de inwerkingtreding van deze wet voert de regering een evaluatie uit met betrekking tot de toepassing ervan en brengt verslag uit bij de Wetgevende Kamers.

  TITEL II. - Wijzigingsbepalingen.

  Art. 68. <Erratum, zie B.St. 07-06-2007, p. 30893> In artikel 57, § 2, 2°, zesde lid van de organieke wet van 8 juli 1976 betreffende de openbare centra voor maatschappelijk welzijn worden de woorden " een maand " vervangen door " de termijn welke vastgelegd is door artikel 7, 4°, van de wet van 12 januari 2007 betreffende de opvang van asielzoekers en van bepaalde andere categorieėn van vreemdelingen. "

  Art. 69. <Erratum, zie B.St. 07-06-2007, p. 30893> Artikel 57ter, eerste en tweede lid van de organieke wet van 8 juli 1976 betreffende de openbare centra voor maatschappelijk welzijn wordt als volgt gewijzigd :
  " De maatschappelijke dienstverlening is niet door het centrum verschuldigd indien een vreemdeling die gehouden is zich in te schrijven in een welbepaalde plaats overeenkomstig artikel 11, § 1 van de wet van 12 januari 2007 betreffende de opvang van asielzoekers en van bepaalde andere categorieėn van vreemdelingen, materiėle hulp ontvangt van een opvangstructuur die belast is met het verlenen van de noodzakelijke dienstverlening om een menswaardig leven te kunnen leiden.
  In afwijking van artikel 57, § 1 kan een asielzoeker aan wie in toepassing van artikel 11, § 1 van de wet van 12 januari 2007 betreffende de opvang van asielzoekers en van bepaalde andere categorieėn van vreemdelingen als verplichte plaats van inschrijving een opvangstructuur is aangewezen die beheerd wordt door het Agentschap of één van zijn partners, slechts in deze opvangstructuur gebruik maken van de maatschappelijke dienstverlening overeenkomstig de wet van 12 januari 2007 betreffende de opvang van asielzoekers en van bepaalde andere categorieėn van vreemdelingen. "

  TITEL III. - Opheffingsbepalingen.

  Art. 70. Vanaf de inwerkingtreding van deze wet worden opgeheven in de programmawet van 19 juli 2001, gewijzigd bij de programmawetten van 22 december 2003 en 27 december 2004 :
  1° artikel 60;
  2° de artikelen 62 tot 64;
  3° artikel 65, § 3.

  Art. 71. Artikel 57ter, derde lid van de organieke wet van 8 juli 1976 betreffende de openbare centra voor maatschappelijk welzijn wordt opgeheven.

  Art. 72. Artikel 57ter 1, van de organieke wet van 8 juli 1976 betreffende de openbare centra voor maatschappelijk welzijn wordt opgeheven.

  Art. 73. Artikel 54, §§ 1 en 3, van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen wordt opgeheven.

  TITEL IV. - Inwerkingtreding.

  Art. 74. De Koning bepaalt de datum van de inwerkingtreding van de bepalingen van deze wet.
  (NOTE : Inwerkingtreding van artikelen 1 tot 2, 3 tot 5, 14 tot 27, 29 tot 54, 55 tot 65, 66 tot 67, 70 tot 71 en 74, vastgesteld op 07-05-2007 bij KB 2007-04-09/43, art. 1)
  (NOTE : Inwerkingtreding van artikelen 6 tot 8, 9 tot 13, 28, 68 tot 69 en 72 tot 73, vastgesteld op 01-06-2007 bij KB 2007-04-09/43, art. 2)
  

Handtekening Tekst Inhoudstafel Begin
   Kondigen deze wet af, bevelen dat zij met 's Lands zegel zal worden bekleed en door het Belgisch Staatsblad zal worden bekendgemaakt.
Gegeven te Brussel, 12 januari 2007.
ALBERT
Van Koningswege :
De Minister van Maatschappelijke Integratie,
C. DUPONT
Met 's Lands zegel gezegeld :
De Minister van Justitie,
Mevr. L. ONKELINX.

Aanhef Tekst Inhoudstafel Begin
   ALBERT II, Koning der Belgen,
   Aan allen die nu zijn en hierna wezen zullen, Onze Groet.
   De Kamers hebben aangenomen en Wij bekrachtigen hetgeen volgt :
Erratum Tekst Begin

BEELD
2007002096
PUBLICATIE :
2007-06-07
bladzijde : 30893

Erratum



Wijziging(en) Tekst Inhoudstafel Begin
BEELD
  • WET VAN 21-11-2017 GEPUBL. OP 12-03-2018
    (GEWIJZIGDE ART. : 1; 2; 4; 6; 7; 10; 18; 22; 36; 37; 38; 60)
  • BEELD
  • WET VAN 06-07-2016 GEPUBL. OP 05-08-2016
    (GEWIJZIGDE ART. : 45; 47)
  • BEELD
  • WET VAN 04-05-2016 GEPUBL. OP 27-06-2016
    (GEWIJZIGD ART. : 12)
  • BEELD
  • WET VAN 08-05-2013 GEPUBL. OP 22-08-2013
    (GEWIJZIGDE ART. : 4; 6; 7)
  • BEELD
  • WET VAN 22-04-2012 GEPUBL. OP 30-05-2012
    (GEWIJZIGDE ART. : 4/1; 6; 7)
  • BEELD
  • WET VAN 19-01-2012 GEPUBL. OP 17-02-2012
    (GEWIJZIGDE ART. : 2; 4; 5; 6; 6/1; 7/2; 35/2; 58)
  • BEELD
  • WET VAN 28-04-2010 GEPUBL. OP 10-05-2010
    (GEWIJZIGDE ART. : 15/1; 31; 35/1; 36; 46; 47; 56)
  • BEELD
  • WET VAN 30-12-2009 GEPUBL. OP 31-12-2009
    (GEWIJZIGDE ART. : 4; 6; 7; 8; 9; 11; 19; 44; 45)

  • Parlementaire werkzaamheden Tekst Inhoudstafel Begin
       Zitting 2005-2006. Kamer van volksvertegenwoordigers : Parlementaire stukken. - Wetsontwerp, nr. 51-2565/001. - Amendementen, nr. 51-2565/002 en 003. - Verslag, nr. 51-2565/004. - Tekst aangenomen door de commissie (art. 78 van de Grondwet), 51-2565/005. - Tekst aangenomen door de commissie (art. 77 van de Grondwet), 51-2565/006. - Amendement, nr. 51-2565/007. - Tekst aangenomen in plenaire vergadering en overgezonden aan de Senaat (art. 77 van de Grondwet), nr. 51-2565/008. Zitting 2006-2007. Senaat : Parlementaire stukken. - Onderwerp overgezonden door de Kamer van volksvertegenwoordigers, nr. 3-1938/1. - Ontwerp niet geėvoceerd door de Senaat.

    Begin Eerste woord Laatste woord Wijziging(en) Aanhef
    Parlementaire werkzaamheden Inhoudstafel 65 uitvoeringbesluiten 8 gearchiveerde versies
    Erratum Franstalige versie