J U S T E L     -     Geconsolideerde wetgeving
Einde Eerste woord Laatste woord Wijziging(en) Aanhef
Verslag aan de Koning Inhoudstafel 6 uitvoeringbesluiten 7 gearchiveerde versies
Handtekening Einde Franstalige versie
 
belgiëlex . be     -     Kruispuntbank Wetgeving
Raad van State
ELI - Navigatie systeem via een Europese identificatiecode voor wetgeving
http://www.ejustice.just.fgov.be/eli/besluit/2007/01/11/2007014031/justel

Titel
11 JANUARI 2007. - Koninklijk besluit houdende het geldelijk statuut van het personeel van het Belgisch Instituut voor postdiensten en telecommunicatie.
(NOTA : Raadpleging van vroegere versies vanaf 31-01-2007 en tekstbijwerking tot 20-12-2019)

Bron : MOBILITEIT EN VERVOER
Publicatie : 31-01-2007 nummer :   2007014031 bladzijde : 5172       PDF :   originele versie    geconsolideerde versie
Dossiernummer : 2007-01-11/39
Inwerkingtreding : 31-01-2007

Deze tekst heeft de volgende teksten gewijzigd :2001014234        2001014235        1993014060        1993014067        1993014069        1993014070       

Inhoudstafel Tekst Begin
TITEL I. - De bezoldigingsregeling.
HOOFDSTUK I. - Algemene bepalingen.
Art. 1-3, 3bis
HOOFDSTUK II. - Organieke regeling.
Afdeling I. - Vaststelling der weddenschalen.
Art. 4-6
Afdeling II. - Verbinden van de weddenschalen aan de graden.
Art. 7-16
Afdeling III. - In aanmerking komende diensten.
Art. 17-25
Afdeling IV. - Berekening van de geldelijke anciënniteit.
Art. 26-27
HOOFDSTUK III. - Berekening en uitbetaling van de wedde.
Art. 28-30
TITEL II. - Premies, vergoedingen en toelagen.
HOOFDSTUK I. - Verordeningsbepalingen die van toepassing zijn verklaard op het Instituut.
Art. 31, 31/1, 32-33
Afdeling I. - Nadere regelen tot toepassing van het ministerieel besluit van 24 februari 1964 betreffende de toekenning van een toelage voor uitoefening van functies boven die van de graad.
Art. 34-35
Afdeling II. - Nadere regelen tot toepassing van het ministerieel besluit van 10 december 1964 betreffende het compenseren en bezoldigen van zondagswerk.
Art. 36
Afdeling III. - Nadere regelen tot toepassing van het ministerieel besluit van 11 mei 1965 betreffende het toekennen van vergoedingen wegens verblijfskosten aan het personeel van de Regie van Telegrafie en Telefonie.
Art. 37-45
Afdeling IV. - Nadere regelen tot toepassing van het koninklijk besluit van 16 mei 2003 tot toekenning van taalpremies aan de personeelsleden van het Federaal Administratief Openbaar Ambt.
Art. 46
HOOFDSTUK II. - Premies, vergoedingen en toelagen eigen aan het Instituut.
Afdeling I. - Toekenning van een halfjaarlijkse beheerstoelage.
Art. 47-53
Afdeling II. - Toelage aan de ambtenaren of contractuele personeelsleden die aangesteld worden tot opdrachthouder.
Art. 54-57
Afdeling III. - Toelage voor het uitvoeren van controles.
Art. 58-62
TITEL III. - Voordelen overgedragen aan de ambtenaren en contractuele personeelsleden van het Instituut op basis van [1 artikel 26bis, § 2, van de wet van 17 januari 2003 met betrekking tot het statuut van de regulator van de Belgische post- en telecommunicatiesector]1.
Art. 63-65
TITEL IV. - Overgangsbepalingen.
Art. 66-72
TITEL V. - Slotbepalingen.
Art. 73-75
BIJLAGEN.
Art. N1-N4

Tekst Inhoudstafel Begin
TITEL I. - De bezoldigingsregeling.

  HOOFDSTUK I. - Algemene bepalingen.

  Artikel 1.Voor de toepassing van dit besluit wordt verstaan onder :
  1° " het Instituut " : het Belgisch Instituut voor postdiensten en telecommunicatie;
  2° " Raad " : de Raad bedoeld in afdeling 3 van hoofdstuk 3 van de wet van 17 januari 2003 met betrekking tot het statuut van de regulator van de Belgische post- en telecommunicatiesector.
  3° " statutaire ambtenaar " : ieder persoon die, bij het Instituut, op proef of in vast verband, werd benoemd;
  4° " contractueel personeelslid " : ieder persoon die, bij het Instituut, bij arbeidsovereenkomst in dienst werd genomen;
  5° " administratief statuut " : het koninklijk besluit van 11 januari 2007 tot vaststelling van het administratief statuut van het personeel van het Belgisch Instituut voor postdiensten en telecommunicatie;
  6° " diensten van de Staat " : elke niet over afzonderlijke rechtspersoonlijkheid beschikkende dienst die afhangt van de wetgevende macht, de uitvoerende macht of de rechterlijke macht van de federale overheid;
  7° " diensten van de Gemeenschappen of van de Gewesten " : elke niet over afzonderlijke rechtspersoonlijkheid beschikkende dienst die afhangt van de raden of van de regeringen van de Gemeenschappen of van de Gewesten;
  8° " diensten van de Gemeenschappelijke Gemeenschapscommissie " : elke niet over afzonderlijke rechtspersoonlijkheid beschikkende dienst die afhangt van de Verenigde Vergadering of van het Verenigd College;
  9° " diensten van Afrika " : elke niet over afzonderlijke rechtspersoonlijkheid beschikkende dienst die afhing van het gouvernement van Belgisch-Congo of van het gouvernement van Ruanda-Urundi;
  10° " andere openbare diensten dan de diensten van de Staat, de diensten van de Gemeenschappen of de Gewesten, de Gemeenschappelijke Gemeenschapscommissie of de diensten van Afrika " :
  a) elke dienst met afzonderlijke rechtspersoonlijkheid die afhangt van de federale Staat of van de regeringen van de Gemeenschappen of van de Gewesten;
  b) elke dienst met afzonderlijke rechtspersoonlijkheid die afhangt van het Verenigd College van de Gemeenschappelijke Gemeenschapscommissie;
  c) elke dienst met afzonderlijke rechtspersoonlijkheid die afhing van het gouvernement van Belgisch-Congo, of van het gouvernement van Ruanda-Urundi;
  d) elke dienst die afhangt van één van de Gemeenschapscommissies van het Brusselse Hoofdstedelijk Gewest;
  e) elke dienst die afhangt van een provincie, een gemeente, een vereniging van gemeenten, een agglomeratie of die afhing van een federatie van gemeenten, alsook elke dienst die afhangt van een aan een provincie of gemeente ondergeschikte instelling;
  f) elke andere instelling onder Belgisch recht, die voldoet aan collectieve noodwendigheden van lokaal of algemeen belang, en waarbij de openbare overheid bij de oprichting of de bijzondere leiding klaarblijkelijk een overwegend aandeel heeft, alsook elke andere instelling van koloniaal recht die beantwoordde aan dezelfde voorwaarden.
  [1 11° " werkdag " : elke dag van de week, met uitzondering van de zaterdag en de zondag, behoudens andersluidende bepalingen.]1
  ----------
  (1)<KB 2013-09-15/04, art. 28, 005; Inwerkingtreding : 05-10-2013>

  Art. 2. Dit besluit is van toepassing op elke statutaire ambtenaar van het Instituut.
  Het is enkel van toepassing op de contractuele personeelsleden als dit uitdrukkelijk wordt vermeld.

  Art. 3. De wedden van de statutaire ambtenaren en contractuele personeelsleden worden vastgesteld in weddenschalen bestaande uit :
  1° een minimumwedde;
  2° zogenaamde " weddentrappen " die het resultaat zijn van de tussentijdse verhogingen;
  3° een maximumwedde.
  De wedden en tussentijdse verhogingen worden uitgedrukt in een aantal munteenheden, dat met hun jaarbedrag overeenstemt.
  De weddenschalen mogen zich niet over méér dan eenendertig jaar ontwikkelen.

  Art. 3bis. [1 De contractuele personeelsleden genieten van een aanvullend pensioen onder dezelfde voorwaarden en nadere regels zoals deze bedoeld in de artikelen 2 tot en met 3bis van het koninklijk besluit van 11 februari 1991 tot vaststelling van de individuele geldelijke rechten van de personen bij arbeidsovereenkomst aangeworven in de federale overheidsdiensten.]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij KB 2019-12-11/05, art. 9, 008; Inwerkingtreding : 01-07-2019>
  

  HOOFDSTUK II. - Organieke regeling.

  Afdeling I. - Vaststelling der weddenschalen.

  Art. 4. § 1. De weddenschalen worden vastgesteld :
  1° vanaf 1 juli 2004 in de tabel opgenomen in bijlage I bij dit besluit;
  2° vanaf 1 juli 2005 in de tabel opgenomen in bijlage II bij dit besluit.
  § 2. Elke schaal behoort tot één van de vier niveaus aangeduid met de hoofdletters A, B, C en D.
  De titel van de weddenschalen verbonden aan het niveau A bestaat uit een hoofdletter, een cijfer en een kleine letter. De hoofdletter duidt het niveau aan; het cijfer de rang verbonden aan de graad en de kleine letter duidt de plaats aan van de schaal met betrekking tot de andere schalen die aan de graden van eenzelfde rang zijn verbonden.
  De titel van de weddenschalen verbonden aan de niveaus B, C en D bestaat uit een hoofdletter en een kleine letter. De hoofdletter duidt het niveau aan en de kleine letter de plaats van de schaal met betrekking tot de andere schalen die aan de graad zijn verbonden.

  Art. 5. § 1. Voor de statutaire ambtenaren in dienst op 31 december 1993 en voor alle vóór 1 januari 1994 gepresteerde diensten, wordt elke weddenschaal ingedeeld in één van de klassen genaamd " 18, 20, 23 of 24 jaar " volgens onderstaande criteria :
  1° de weddenschalen van niveau D behoren tot de klasse " 18 jaar ";
  2° de weddenschalen van niveau C behoren tot de klasse " 20 jaar ";
  3° de weddenschalen van niveau B behoren tot de klasse " 23 jaar " indien zij worden toegekend aan ambtenaren die in hun graad werden benoemd bij wege van werving;
  4° de weddenschalen van niveau A behoren tot de klasse " 24 jaar ".
  § 2. Voor de statutaire ambtenaren in dienst op 31 december 1993 en voor alle vóór 1 januari 1994 gepresteerde diensten, komen voor de toekenning van de tussentijdse verhogingen alleen in aanmerking de werkelijke diensten welke de statutaire ambtenaar, met ingang van zijn 18e, 20e, 23e of 24e jaar, naar gelang van de klasse van zijn weddenschaal, heeft verricht terwijl hij behoorde tot de in artikel 17 vermelde diensten.
  § 3. Voor het bepalen van de leeftijd van de statutaire ambtenaar met het oog op de vaststelling van zijn wedde, wordt de verjaardag, die niet op de eerste van een maand valt, steeds verschoven naar de eerste van de volgende maand.
  § 4. De minimumwedde van de schaal geldt voor de statutaire ambtenaar die 18 of 21 jaar oud is, naargelang hij onderscheidenlijk behoort tot de niveaus D en C of tot de niveaus B en A.

  Art. 6. De weddenschalen van de statutaire ambtenaren die vanaf 1 januari 1994 worden aangeworven, worden niet meer in een leeftijdsklasse ingedeeld.

  Afdeling II. - Verbinden van de weddenschalen aan de graden.

  Art. 7. De weddenschalen vastgesteld in de bijlagen I en II van dit besluit, worden aan iedere graad van de statutaire ambtenaren verbonden op de wijze bepaald in de tabel opgenomen in bijlage III bij dit besluit.

  Art. 8. § 1. Indien een graad meerdere schalen omvat, worden ze in de tabel in bijlage III van dit besluit van elkaar onderscheiden door de cijfers I, II, III, IV, geplaatst voor het nummer van de weddenschaal.
  § 2. Behoudens strijdige bepalingen wordt de wedde van een op proef benoemde statutaire ambtenaar vastgesteld in de schaal I.
  § 3. In schaal II wordt vastgesteld :
  1° de wedde van de statutaire ambtenaar die in vast verband is benoemd en die één jaar graadanciënniteit heeft. Die anciënniteit wordt eventueel verhoogd met de duur van de verlenging van de proefperiode zoals die voortvloeit uit het artikel 33, § 2, van het administratief statuut;
  2° de wedde van de statutaire ambtenaar benoemd bij wege van bevordering of van de op proef benoemde statutaire ambtenaar die al ten minste twaalf maanden deel uitmaakt van het personeel van het Instituut.
  § 4. De wedde van de statutaire ambtenaar die een anciënniteit van acht jaar in deze graad bij het Instituut telt, wordt vastgesteld in de schaal III.
  § 5. De wedde van de statutaire ambtenaar die een anciënniteit van twaalf jaar in deze graad bij het Instituut telt, wordt vastgesteld in de schaal IV.

  Art. 9. In afwijking van artikel 8, § 2, wordt de wedde van een op proef benoemde statutaire ambtenaar vastgesteld in schaal II verbonden aan zijn graad, indien hij het bezit van minstens één jaar nuttige ervaring kan aantonen en het bezit van nuttige vroegere ervaring van minstens één jaar uitdrukkelijk was vereist bij de selectieprocedure, in overeenstemming met artikel 7 van het administratief statuut.
  In dat geval gebeurt de overgang naar schaal III na 8 jaar graadanciënniteit bij het Instituut.

  Art. 10. § 1. Behoudens strijdige bepalingen wordt de wedde van een contractueel personeelslid met minder dan één jaar anciënniteit bij het Instituut, vastgesteld in de schaal I verbonden aan zijn graad.
  § 2. De wedde van een contractueel personeelslid met meer dan één jaar anciënniteit bij het Instituut, wordt vastgesteld in de schaal II verbonden aan zijn graad.
  § 3. In afwijking van § 1 wordt de wedde van een contractueel personeelslid vastgesteld in schaal II verbonden aan zijn graad, indien bij de selectieprocedure uitdrukkelijk het bezit van minstens één jaar nuttige ervaring was vereist en het personeelslid het bezit van de vereiste ervaring kan bewijzen met elk rechtsmiddel. Er kan maximum vijf jaar externe ervaring in aanmerking worden genomen.

  Art. 11. De wedde van de controleur (in uitdoving) met minder dan acht jaar graadanciënniteit, wordt vastgesteld in de weddenschaal Ce.
  De wedde van de controleur (in uitdoving) die ten minste acht jaar graadanciënniteit heeft, wordt vastgesteld in de weddenschaal Cf.
  De wedde van de controleur (in uitdoving) die ten minste twaalf jaar graadanciënniteit heeft, wordt vastgesteld in de weddenschaal Cg.

  Art. 12. De wedde van de hoofdcontroleur met minder dan acht jaar graadanciënniteit, wordt vastgesteld in de weddenschaal Bb.
  De wedde van de hoofdcontroleur die ten minste acht jaar graadanciënniteit heeft, wordt vastgesteld in de weddenschaal Bc.
  De wedde van de hoofdcontroleur die ten minste twaalf jaar graadanciënniteit heeft, wordt vastgesteld in de weddenschaal Bd.

  Art. 13. § 1. De wedde van de adviseur met minder dan één jaar anciënniteit in niveau A, wordt vastgesteld in de weddenschaal A2c.
  De wedde van de adviseur met ten minste één jaar anciënniteit in niveau A, wordt vastgesteld in de weddenschaal A2d.
  § 2. De wedde van de eerste adviseur met minder dan twaalf jaar anciënniteit in niveau A, wordt vastgesteld in de weddenschaal A3c.
  De wedde van de eerste adviseur met ten minste twaalf jaar anciënniteit in niveau A, wordt vastgesteld in de weddenschaal A3d.

  Art. 14. § 1. De wedde van de ingenieur-adviseur of informaticus-adviseur met minder dan één jaar anciënniteit in niveau A, wordt vastgesteld in de weddenschaal A2a.
  De wedde van de ingenieur-adviseur of informaticus-adviseur met ten minste één jaar anciënniteit in niveau A, wordt vastgesteld in de weddenschaal A2b.
  § 2. De wedde van de eerste ingenieur-adviseur of eerste informaticus-adviseur met minder dan twaalf jaar anciënniteit in niveau A, wordt vastgesteld in de weddenschaal A3a.
  De wedde van de eerste ingenieur-adviseur of eerste informaticus-adviseur met ten minste twaalf jaar anciënniteit in niveau A, wordt vastgesteld in de weddenschaal A3b.

  Art. 15. De wedde van de statutaire ambtenaar die voor een vergelijkende bevorderingsselectie geslaagd is, wordt vastgesteld in een schaal " geselecteerd " genaamd.
  Met ingang van 1 juli 2005 stemt die schaal " geselecteerd " overeen met de schaal die als grondslag dient voor de berekening van de wedde van de statutaire ambtenaar, in iedere trap vermeerderd met een jaarbedrag van :
  1° 337,54 EUR voor de bekleders van een graad van niveau D;
  2° 562,62 EUR voor de bekleders van een graad van niveau C en B.

  Art. 16. Bij iedere wijziging in de bezoldigingsregeling van een graad wordt elke wedde, die werd vastgesteld met inachtneming van die graad, opnieuw vastgesteld alsof de nieuwe bezoldigingsregeling altijd al had bestaan.
  Indien de aldus opnieuw vastgestelde wedde lager is dan de wedde welke de statutaire ambtenaar of het contractueel personeelslid in zijn graad genoot bij de inwerkingtreding van het wijzigingsbesluit, blijft hij in die graad de hoogste wedde genieten totdat hij een ten minste gelijke wedde bekomt.

  Afdeling III. - In aanmerking komende diensten.

  Art. 17.[1 § 1. De geldelijke anciënniteit van de statutaire ambtenaren en contractuele personeelsleden is opgebouwd uit twee componenten :
   1° deze die erkend wordt als verworven bij de indiensttreding als op proef benoemde statutaire ambtenaar of bij aanwerving onder arbeidsovereenkomst;
   2° deze die verworven is als statutair ambtenaar of contractueel personeelslid na de indiensttreding.
   Wanneer een reeds in dienst zijnde contractueel personeelslid als statutaire ambtenaar op proef wordt benoemd in een nieuwe betrekking, maakt zijn geldelijke anciënniteit het voorwerp uit van een nieuwe berekening.
   Buiten het geval bedoeld in het tweede lid, kan de eerste component van de geldelijke anciënniteit, bedoeld in het eerste lid, enkel gewijzigd worden wanneer de statutaire ambtenaar of contractueel personeelslid aantoont dat een vergissing werd begaan op het ogenblik van de initiële berekening van zijn geldelijke anciënniteit. In dit geval gebeurt de herberekening op basis van de bepalingen die van toepassing waren op het ogenblik van zijn indiensttreding.
   § 2. Worden ambtshalve aangenomen voor de berekening van de geldelijke anciënniteit, de diensten verricht in de openbare diensten van de Staten die deel uitmaken van de Europese Economische Ruimte, of van de Zwitserse Bondsstaat.
   De personeelsleden aangeworven door publiekrechtelijke - die niet in het eerste lid bedoeld zouden worden - of privaatrechtelijke rechtspersonen in een rechtspositie die eenzijdig bepaald is door de bevoegde overheid of krachtens een wettelijke of decretale machtiging, door hun bevoegde bestuursorgaan, worden beschouwd als behorend tot de openbare diensten.
   De diensten verricht in andere overheidsdiensten of in de privé-sector of als zelfstandige worden eveneens aangenomen wanneer ze, op het ogenblik van de aanwerving, worden erkend door de Raad als beroepservaring die bijzonder nuttig is voor de uitoefening van de functie, mits gunstig advies van de afgevaardigde van de Minister van Begroting bedoeld in artikel 33 van het koninklijk besluit van 10 januari 2006 tot vaststelling van de budgettaire en boekhoudkundige regeling van het Belgisch Instituut voor postdiensten en tele-communicatie.
   De beroepservaring die bijzonder nuttig is voor de functie is deze die aan de betrokkene een klaarblijkelijk voordeel verschaft wat betreft de competenties voor de uitoefening van de functie.
   De statutaire ambtenaar of het contractuele personeelslid dat de erkenning vraagt van een beroepservaring die bijzonder nuttig is voor de functie levert hiervan het bewijs.]1
  ----------
  (1)<KB 2013-09-15/04, art. 29, 005; Inwerkingtreding : 01-12-2008, behalve voor de ambtenaren van niveau A, Inwerkingtreding : 01-12-2004>

  Art. 18.[1 Voor de toepassing van artikel 17, wordt de statutaire ambtenaar of het contractuele personeelslid beschouwd aanneembare diensten te verrichten voor de berekening van de geldelijke anciënniteit wanneer hij in dienstactiviteit is of wanneer hij werkelijk de diensten uitvoert zoals bepaald door zijn arbeidscontract of wanneer hij in disponibiliteit wegens ziekte is.
   De diensten zijn volledig wanneer zij in het geheel een normale beroepsactiviteit omvatten.
   De onvolledige diensten worden pro rata aangenomen, naar verhouding tot volledige diensten. Echter, voor de berekening van de anciënniteit bedoeld in artikel 17, § 1, eerste lid, 2°, worden de diensten, die ten minste de helft van volledige diensten omvatten, beschouwd als volledige diensten.]1
  ----------
  (1)<KB 2013-09-15/04, art. 30, 005; Inwerkingtreding : 01-12-2008>

  Art. 19. Voor elke periode waarin de statutaire ambtenaar zijn aanspraken op weddenschaalverhoging in een graad heeft behouden of verloren, worden de diensten welke hij in een andere functie mocht hebben verricht niet meegeteld bij de vaststelling van zijn wedde in die graad en in enige latere graad welke met deze laatste verband houdt ingevolge de statutaire samenhang van de opeenvolgende graden van de statutaire ambtenaar.

  Art. 20. De in aanmerking komende diensten worden berekend per kalendermaand; die welke geen volle maand bedragen worden niet meegeteld.
  De duur van de in aanmerking komende diensten welke de statutaire ambtenaar of het contractueel personeelslid in het onderwijs ad interim of als tijdelijke heeft verricht, wordt echter door de Raad vastgesteld aan de hand van het attest afgegeven door de bevoegde autoriteiten.
  De op dit attest vermelde volledige prestaties, waarvoor de betaling in 10den gebeurde, en die per schooljaar geen volledig jaar werkelijke diensten vertegenwoordigen, worden dag per dag samengeteld. Het totale aantal aldus gewerkte dagen met volledige prestaties wordt vermenigvuldigd met 1,2. Het totaal van deze rekenkundige bewerking wordt vervolgens gedeeld door 30. Het bekomen product geeft het aantal in aanmerking te nemen maanden; met de rest wordt geen rekening gehouden.
  De op hetzelfde attest vermelde volledige prestaties, die bewijzen dat de statutaire ambtenaar of het contractueel personeelslid een volledig schooljaar heeft gewerkt, gelden voor een totaal van 300 dagen en leveren één jaar in aanmerking te nemen diensten op.
  De diensten die aldus kunnen worden aangenomen en die voltijds zijn verricht op een niveau dat gelijk is aan of hoger is dan het hoger secundair onderwijs, in een ambt voor de uitoefening waarvan het bezit van een universitair diploma of van het diploma van industrieel ingenieur was vereist, en aan welke functie in de organieke regeling een weddenschaal was verbonden waarvan het minimum en het maximum minstens gelijk zijn aan of hoger zijn dan het minimum en het maximum van de schaal verbonden aan de graad van adviseur, worden in aanmerking genomen voor de weddenschalen van niveau A. Alle andere aanneembare diensten worden in aanmerking genomen voor de weddenschalen van de lagere niveaus.
  De prestaties die volledig worden beschouwd door optelling van onvolledige opdrachten verricht eensdeels in de hogere cyclus van het secundair onderwijs en anderdeels in een lagere onderwijscyclus, worden als geheel genomen eveneens in aanmerking genomen voor de weddenschalen van niveau A, voor zover voor de prestaties in de hogere cyclus is voldaan aan de in het vijfde lid vermelde voorwaarden.

  Art. 21. § 1. In afwijking van artikel 17, § 4, komt de periode gedurende welke de stautaire ambtenaar verminderde prestaties verricht wegens persoonlijke aangelegenheden, in aanmerking voor de toekenning van de tussentijdse verhogingen.
  § 2. Voor de duur van de periode van de verminderde prestaties uit hoofde van afwezigheid wegens persoonlijke aangelegenheden worden de tussentijdse verhogingen toegekend alsof het gaat om diensten met volledige prestaties; na het beëindigen van de verminderde prestaties blijven deze tussentijdse verhogingen verworven.

  Art. 22. De duur van de in aanmerking komende diensten welke de ambtenaar of het contractueel personeelslid telt mag nooit de werkelijke duur van de door deze diensten gedekte tijdperken overschrijden.

  Art. 23. § 1. De belangrijkheid van de in artikel 17 bedoelde in aanmerking komende diensten hangt maand na maand af van de graad welke de ambtenaar of het contractueel personeelslid bekleedde of waarin hij, door formele terugwerking van zijn benoeming in bedoelde graad, reeds rang ingenomen had met het oog op de bevordering tot een hogere wedde.
  Voor de toepassing van het eerste lid wordt geen rekening gehouden met de graad die de ambtenaar voorlopig bekleedde wegens uitoefening van een hogere functie.
  § 2. Wanneer de te beschouwen graad voorkomt in dit besluit, worden de in aanmerking te nemen diensten opgenomen in de weddenschalen verbonden aan deze graad.
  Indien echter de graad die in dit besluit voorkomt, klaarblijkelijk van de te beschouwen graad verschilt, ondanks hun zelfde benaming, worden de in aanmerking te nemen diensten opgenomen in de weddenschalen verbonden aan de bij het Instituut bestaande graden van dezelfde belangrijkheid als de te beschouwen graad.
  De Raad beslist over de gelijkstelling.
  § 3. Komt de te beschouwen graad niet voor in dit besluit, dan worden de in aanmerking te nemen diensten opgenomen in de weddenschalen verbonden aan de bij het Instituut bestaande graden van dezelfde belangrijkheid.
  De Raad beslist over de gelijkstelling, met instemming van de Minister tot wiens bevoegdheid het Openbaar Ambt behoort.

  Art. 24. Voor de vaststelling van de belangrijkheid van de in aanmerking komende diensten wordt elke verandering van graad, die zich op een andere dag dan de eerste van de maand voordoet, verschoven naar de eerste van de volgende maand.

  Art. 25. De basisgraad van de ambtenaar is de eerste graad waartoe hij in vast verband of op proef wordt benoemd bij het Instituut.
  Vanaf de dag waarop de ambtenaar in zijn basisgraad werd benoemd en indien deze graad niet tot het niveau A behoort, worden, voor de vaststelling van zijn wedde als ambtenaar, alle, bij toepassing van artikel 23, §§ 2 en 3, aanvaarde vroegere diensten in aanmerking genomen, ongeacht het niveau waarin ze werden verricht. Behoort de basisgraad evenwel tot het niveau A, dan worden de aanvaarde vroegere diensten die behoren tot het niveau A, volledig aanvaard en worden de bepalingen van artikel 26, § 2, toegepast op de vroegere diensten die behoren tot de lagere niveaus.
  Vanaf de dag echter waarop de ambtenaar, volgens een benoemingswijze anders dan door bevordering, in vast verband of op proef tot een nieuwe graad wordt benoemd, is die nieuwe graad zijn basisgraad voor de toepassing van het vorige lid.

  Afdeling IV. - Berekening van de geldelijke anciënniteit.

  Art. 26. § 1. Voor de vaststelling van de wedde wordt rekening gehouden met de geldelijke anciënniteit.
  § 2. Ten aanzien van de ambtenaar die gerechtigd is op een schaal behorende tot het niveau A, gelden de in een graad van de lagere niveaus in aanmerking komende diensten als lagere diensten; die welke in niveau A zijn opgenomen gelden als gelijkwaardige diensten.
  De geldelijke anciënniteit van de gerechtigde op een schaal behorende tot het niveau A stemt te allen tijde overeen met het totaal van zijn gelijkwaardige diensten en van twee derden van zijn lagere diensten.
  Voor de berekening van de twee derden van de lagere diensten wordt elk gedeelte van een maand, zoals begrepen is in de uitkomst van de deling, voor een volle maand gerekend.
  § 3. De geldelijke anciënniteit van een gerechtigde op een schaal behorende tot de niveaus B, C en D stemt te allen tijde overeen met het totaal van zijn in aanmerking komende diensten om het even in welk niveau deze diensten werden verricht.

  Art. 27. § 1. De in vast verband benoemde ambtenaar die werd bevorderd heeft in zijn nieuwe graad nooit een lagere wedde dan hij in zijn vorige graad zou hebben genoten.
  § 2. De in vast verband benoemde ambtenaar die werd bevorderd naar een graad van een hoger niveau, bekomt in zijn nieuwe graad altijd ten minste een wedde die, met ingang van 1 juli 2004, 1 053,47 EUR en, met ingang van 1 juli 2005, 1 085,08 EUR, hoger ligt dan die welke hij in zijn vorige graad zou hebben genoten.
  § 3. De toepassing van de bepaling van § 2 mag niet tot gevolg hebben dat de wedde van de ambtenaar hoger zou liggen dan de maximumwedde uit de schaal van zijn nieuwe graad of die uit de schaal van zijn vorige graad, indien deze hoger is.

  HOOFDSTUK III. - Berekening en uitbetaling van de wedde.

  Art. 28. § 1. Alle ambtenaren en contractuele personeelsleden worden maandelijks, na vervallen termijn, betaald.
  § 2. De maandwedde is gelijk aan 1/12e van de wedde.
  Wanneer een ambtenaar op een andere datum dan de eerste van een maand wordt benoemd tot een nieuwe graad die geen basisgraad is zoals bedoeld in artikel 25 eerste lid, blijft de wedde voor de lopende maand ongewijzigd.
  Bij het overlijden of op pensioen stellen van de ambtenaar is de wedde voor de lopende maand niet terugvorderbaar.
  § 3. Wanneer de maandwedde niet volledig verschuldigd is, wordt de wedde voor volledige prestaties vermenigvuldigd met de volgende breuk :
  

  
percentage vd prestaties x aantal gepresteerde werkdagen
--------------------------------------------------------
aantal te presteren werkdagen op basis vd werkkalender

Het aantal gepresteerde of te presteren werkdagen is gelijk aan het aantal gepresteerde of te presteren uren, gedeeld door 7,6.
  Wordt verstaan onder :
  a) " werkdag " : elke dag van de week, de feestdag inbegrepen, met uitzondering van de zaterdag en de zondag;
  b) " gepresteerde werkdag " : elke werkdag waarvoor een verloning verschuldigd is;
  c) " werkkalender " : het aantal te presteren werkdagen in een maand.

  Art. 29. § 1. Het uurloon is gelijk aan 1/1976ste van de wedde.
  § 2. Het contractuele personeelslid kan betaald worden op basis van een uurloon in geval het contract in onvolledige prestaties voorziet.

  Art. 30. De wedde ondergaat de schommelingen van het indexcijfer van de consumptieprijzen in overeenstemming met de regelen voorgeschreven door de wet van 1 maart 1977 houdende inrichting van een stelsel waarbij sommige uitgaven in de overheidssector aan het indexcijfer der consumptieprijzen van het Rijk worden gekoppeld, gewijzigd bij koninklijk besluit nr. 178 van 30 december 1982 en wordt gekoppeld aan het spilindexcijfer 138,01.

  TITEL II. - Premies, vergoedingen en toelagen.

  HOOFDSTUK I. - Verordeningsbepalingen die van toepassing zijn verklaard op het Instituut.

  Art. 31.Onder voorbehoud van de bij dit besluit bepaalde nadere regelen, zijn de volgende besluiten van toepassing op het Instituut :
  1° [3 Koninklijk besluit van 11 februari 2013 tot toekenning van een toelage aan de personeelsleden van het federaal administratief openbaar ambt die bepaalde prestaties verrichten;]3
  2° Ministerieel besluit van 24 februari 1964 betreffende de toekenning van een toelage voor uitoefening van functies boven die van de graad;
  3° Ministerieel besluit van 10 december 1964 betreffende het compenseren en bezoldigen van zondagswerk;
  4° Koninklijk besluit van 26 maart 1965 betreffende de kinderbijslag voor bepaalde categorieën van het door de Staat bezoldigd personeel;
  5° Ministerieel besluit van 11 mei 1965 betreffende het toekennen van vergoedingen wegens verblijfskosten aan het personeel van de Regie van Telegrafie en Telefonie;
  6° Koninklijk besluit van 30 januari 1967 houdende toekenning van een haardtoelage of een standplaatstoelage aan het personeel der ministeries;
  7° Ministerieel besluit van 24 maart 1967 betreffende de toekenning aan de personeelsleden van de Regie van Telegrafie en Telefonie van een vergoeding voor tijdens de dienstuitvoering opgelopen verlies, diefstal of beschadiging van persoonlijke voorwerpen;
  8° Koninklijk besluit van 22 december 1970 tot vaststelling van de wijze en de voorwaarden van aanduiding evenals van de bezoldiging van de ploegleiders van het technisch kader van de Regie van Telegrafie en Telefonie;
  9° Koninklijk besluit van 29 juni 1973 houdende toekenning van een gewaarborgde bezoldiging aan sommige personeelsleden van de federale overheidsdiensten;
  10° Koninklijk besluit van 27 januari 1978 betreffende de toekenning van een toelage aan de personeelsleden van de Regie van Telegrafie en Telefonie belast met de simultane vertaling;
  11° [1 Koninklijk besluit van 28 november 2008 tot vervanging, voor het personeel van sommige overheidsdiensten, van het koninklijk besluit van 23 oktober 1979 houdende toekenning van een eindejaarstoelage aan sommige titularissen van een ten laste van de Schatkist bezoldigd ambt.]1
  12° Koninklijk besluit van 11 juni 1990 betreffende de toekenning van een toelage voor onregelmatige prestaties en een toelage voor nachtprestaties aan de personeelsleden van [4 Proximus]4;
  13° Koninklijk besluit van 16 mei 2003 tot toekenning van taalpremies aan de personeelsleden van het Federaal Administratief Openbaar Ambt;
  14° Koninklijk besluit van 8 juli 2005 tot regeling van een vergoeding wegens begrafeniskosten in geval van overlijden van een lid van het personeel van een federale overheidsdienst.
  [2 15° Koninklijk besluit van 13 juni 2010 houdende toekenning van een vergoeding voor het gebruik van de fiets aan de personeelsleden van het federaal administratief openbaar ambt.]2
  De bepalingen die de hierboven genoemde besluiten mochten wijzigen, aanvullen of vervangen; vinden van rechtswege toepassing op het Instituut, tenzij zij afbreuk doen aan bepalingen die het voorwerp zijn geweest van de in dit besluit bepaalde aanpassingsmaatregelen.
  ----------
  (1)<KB 2010-10-13/03, art. 3, 004; Inwerkingtreding : 04-11-2010>
  (2)<KB 2013-09-15/04, art. 31, 005; Inwerkingtreding : 01-01-2010>
  (3)<KB 2014-04-25/D0, art. 2, 006; Inwerkingtreding : 01-01-2015>
  (4)<W 2015-08-10/26, art. 3, 007; Inwerkingtreding : 22-06-2015 (zie KB 2015-09-11/02, art. 1)>

  Art. 31/1. [1 De statutaire ambtenaren en contractuele personeelsleden die van hun hiërarchische meerdere de toelating krijgen om voor hun verplaatsingen in dienstverband een eigen wagen te gebruiken, hebben recht op een kilometervergoeding om alle kosten te dekken die voortvloeien uit het gebruik van het voertuig.
   De kilometervergoeding wordt uitgekeerd op voorlegging van een omstandige opgave van het aantal voor de dienst afgelegde kilometers en wordt berekend door het bedrag opgenomen in artikel 13 van het koninklijk besluit van 18 januari 1965 houdende algemene regeling inzake reiskosten, te vermenigvuldigen met de afgelegde afstand in kilometers. Indien echter de woonplaats van de betrokken statutaire ambtenaar of contractueel personeelslid het vertrek- of eindpunt is van de dienstreis, kan geen hogere vergoeding worden toegekend dan deze die verschuldigd zou zijn indien de reis van of naar hun standplaats ware geschied.]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij KB 2013-09-15/04, art. 32, 005; Inwerkingtreding : 05-10-2013>

  Art. 32. Behoudens andersluidende bepaling dienen, voor de toepassing van de in artikel 31 bedoelde regelen op het Instituut, de termen vermeld in kolom 1 welke voorkomen in die regelen, vervangen te worden door de termen die er tegenover in kolom 2 geplaatst zijn :
  

  
Kolom 1Kolom 2
Het rijksbestuur, de federale overheidsdienst, de Regie van Telegrafie en Telefonie, de Regie of andere vergelijkbare termenHet Instituut
De Minister, het Hoofd van de Directie personeel en Algemene Zaken of andere vergelijkbare termenDe Raad
Het personeel der Rijksbesturen, het door de Staat bezoldigd personeel of andere vergelijkbare termenDe ambtenaren en het contractueel personeel van het Instituut

Art. 33. Voor de toepassing op de ambtenaren en het contractueel personeel van het Instituut worden de regelen vermeld in artikel 31, eerste lid, aangepast zoals wordt bepaald in de artikelen 34 tot 46 van dit besluit.

  Afdeling I. - Nadere regelen tot toepassing van het ministerieel besluit van 24 februari 1964 betreffende de toekenning van een toelage voor uitoefening van functies boven die van de graad.

  Art. 34. Artikel 4, derde lid, moet gelezen worden als volgt :
  " De Raad wijst de ambtenaren aan die functies boven hun graad uitoefenen. "

  Art. 35. In artikel 5 moeten de opschriften van de punten A en B gelezen worden als volgt :
  " A. Alle ambtenaren met uitzondering van de ambtenaren bedoeld onder B.
  B. De ambtenaren bekleed met de graad van technicien "

  Afdeling II. - Nadere regelen tot toepassing van het ministerieel besluit van 10 december 1964 betreffende het compenseren en bezoldigen van zondagswerk.

  Art. 36. Artikel 1 moet gelezen worden als volgt :
  " Artikel 1. Afgezien van de inhaalrust of van de bezoldiging toe te passen in overeenstemming met " Reglement betreffende de organisatie van de arbeidstijden bij het Belgisch Instituut voor postdiensten en telecommunicatie ", wordt aan de ambtenaren en contractuele personeelsleden van het Instituut een " toelage voor zondagswerk " verleend voor hun prestaties op zaterdagen, zondagen en wettelijk erkende feestdagen. "

  Afdeling III. - Nadere regelen tot toepassing van het ministerieel besluit van 11 mei 1965 betreffende het toekennen van vergoedingen wegens verblijfskosten aan het personeel van de Regie van Telegrafie en Telefonie.

  Art. 37. Artikel 3 moet gelezen worden als volgt :
  " Art. 3. De in dit besluit vastgestelde bedragen betreffende de onder 1°, 2°, 3° en 4° van artikel 2 vermelde vergoedingen zijn onderworpen aan de mobiliteitsregeling die geldt voor de wedden van het personeel van het Instituut. Zij worden gekoppeld aan het indexcijfer 138,01. "

  Art. 38. De tabel opgenomen in artikel 7 moet gelezen worden als volgt :
  

  
Rang of niveauReisToeslag wegens nachtverblijf
 van meer dan 5 uur
  en minder dan 8 uur
a. idem als kol.2 doch de middagpauze omvattende
  b. van 8 uur en meer
Logies 
   Met factuurZonder factuur
12345
A52,3911,9527,2514,34
A3 en A22,3910,0425,3412,43
Niveaus B, C en D2,398,1323,4210,52

Art. 39. Artikel 13, tweede lid, moet gelezen worden als volgt :
  " De dagelijkse vergoeding wegens verblijfskosten die in dat geval wordt vereffend, mag niet minder bedragen dan die welke is vastgesteld voor de ambtenaren of contractuele personeelsleden met een graad gerangschikt in de rangen A3 en A2. "

  Art. 40. In artikel 16 moet het bedrag van " 4,10 EUR " gelezen worden als " 15,78 EUR ".

  Art. 41. De tabel opgenomen in artikel 21 moet gelezen worden als volgt :
  

  
Rang/NiveauGradenBedrag
A5Administrateur (in uitdoving)1 194,85 EUR
A3Eerste adviseur 
A2Eerste ingenieur-adviseur 
 Eerste informaticus-adviseur 
 Adviseur 
 Ingenieur-adviseur 
 Informaticus-adviseur1 003,68 EUR
BAdministratief sectiechef 
 Technisch sectiechef 
 Hoofdcontroleur975,00 EUR
CControleur (in uitdoving)975,00 EUR

Art. 42.Artikel 29 moet gelezen worden als volgt :
  " Art. 29. Een maandelijkse forfaitaire vergoeding [1 voor routekosten]1 van 47,80 EUR wordt toegekend aan de statutaire ambtenaren of contractuele personeelsleden van het niveau C en D die zich binnen of buiten de agglomeraties of lokaliteiten verplaatsen. "
  ----------
  (1)<KB 2013-09-15/04, art. 33, 005; Inwerkingtreding : 31-01-2007>

  Art. 43. In artikel 31 moet het bedrag van " 1,81 EUR " gelezen worden als " 6,98 EUR ".

  Art. 44. In artikel 32 moeten de bedragen van " 7,89 EUR " en " 4,54 EUR " respectievelijk gelezen worden als " 30,50 EUR " en " 17,50 EUR ".

  Art. 45. Het tweede lid van artikel 33 is niet van toepassing op het Instituut.

  Afdeling IV. - Nadere regelen tot toepassing van het koninklijk besluit van 16 mei 2003 tot toekenning van taalpremies aan de personeelsleden van het Federaal Administratief Openbaar Ambt.

  Art. 46. Artikel 2 moet gelezen worden als volgt :
  " Art. 2. Dit besluit is van toepassing op het statutair personeel en op het bij arbeidsovereenkomst in dienst genomen personeel. "

  HOOFDSTUK II. - Premies, vergoedingen en toelagen eigen aan het Instituut.

  Afdeling I. - Toekenning van een halfjaarlijkse beheerstoelage.

  Art. 47. Een toelage van individuele aard, die veranderlijk is tussen een maximum- en een minimumbedrag, wordt toegekend aan de statutaire ambtenaren en aan de contractuele personeelsleden naargelang van de wijze waarop de functie wordt vervuld.
  Het bedrag van de toelage wordt vastgesteld in overeenstemming met het waarderingscijfer dat het resultaat is van de beoordelingsprocedure zoals vastgelegd in de artikelen 54 tot 68 van het administratief statuut.

  Art. 48.§ 1. De toelage wordt vastgesteld in verhouding tot het aantal [1 werkdagen gedurende welke de gegadigde de functie effectief uitoefent tijdens de periodes van 1 oktober tot 31 maart en van 1 april tot 30 september]1.
  Indien tijdens één van de in het vorige lid vermelde periodes een gegadigde zijn functie gedurende een al dan niet onderbroken periode van minstens [1 eenentwintig werkdagen]1 niet uitoefent, wordt de toelage voor het eerste, respectievelijk het tweede halfjaar, verminderd in verhouding tot de periode gedurende welke de functie niet uitgeoefend werd.
  § 2. In afwijking van § 1, worden voor de toekenning van de toelage volgende verloven gelijkgesteld met de effectieve uitoefening van de functie :
  1° jaarlijkse vakantieverlof, anciënniteitsverlof en op feestdagen;
  2° verlof voor syndicale activiteiten;
  3° verlof om een ambt uit te oefenen in het kabinet van de minister of staatssecretaris die bevoegd is voor de aangelegenheden die de postdiensten of telecommunicatie betreffen;
  4° zwangerschaps- en vaderschapsverlof;
  5° afwezigheid als gevolg van een beroepsziekte, een arbeidsongeval of een ongeval op de weg naar en van het werk;
  6° omstandigheidsverlof;
  7° uitzonderlijk verlof, met uitzondering van de verloven bedoeld in de artikelen 16 en 17 van het koninklijk besluit van 19 november 1998 betreffende de verloven en afwezigheden toegestaan aan de personeelsleden van de rijksbesturen;
  8° loopbaanonderbreking voor het verstrekken van palliatieve zorgen.
  § 3. Wordt beschouwd alsof hij zijn functie niet uitoefent de gegadigde die :
  1° in non-activiteit is;
  2° in disponibiliteit is;
  3° geschorst wordt in het belang van de dienst;
  4° terwijl hij in dienstactiviteit is en een ander verlof dan deze bedoeld in § 2, of als contractueel personeelslid een hiermee gelijkgestelde afwezigheid, geniet.
  § 4. Aan de gegadigde die op het einde van een periode bedoeld in § 1, eerste lid, afwezig is, wordt na drie maanden overschrijding van deze datum zonder dat de betrokkene het werk heeft hervat, 80 % van het bruto bedrag verbonden aan het laatste hem toegekende waarderingscijfer, uitbetaald. Bij de berekening van de 80 % van de vergoeding wordt rekening gehouden met de bepalingen van § 1.
  De regularisatie volgt zodra de gegadigde het werk heeft hervat en hem een waarderingscijfer werd toegekend.
  § 5. Behoudens bij toepassing van art. 66, § 2, in fine van het administratief statuut, krijgt de gegadigde die om welke reden ook gedurende de volledige zesmaandelijkse periode bedoeld in § 1 afwezig is, een waarderingscijfer dat gelijk is aan het, naar de hogere eenheid afgeronde, gemiddelde van de laatste twee hem toegekende waarderingscijfers.
  ----------
  (1)<KB 2013-09-15/04, art. 34, 005; Inwerkingtreding : 05-10-2013>

  Art. 49.§ 1. De toelage wordt betaald op het einde van elk burgerlijk halfjaar.
  [1 Het waarderingscijfer toegekend bij het verplichte functioneringsgesprek voor de periode van 1 oktober tot 30 september vormt de berekeningsbasis voor de twee eerstvolgende beheerstoelagen, van december en juni.]1
  § 2. Het maximum bruto bedrag wordt verbonden aan een waarderingscijfer van 100 op 100 en staat in de hierna vermelde verhouding tot de aan het indexcijfer der consumptieprijzen aangepaste maximumwedde van de weddenschaal waarin de gegadigde [1 zich bevond gedurende iedere maand van het beschouwde burgerlijk halfjaar]1 :
  1° 25 % voor de rang A5;
  2° 18 % voor de ambtenaren die bij de koninklijke besluiten van 18 januari 1994 en van 25 februari 1994 benoemd werden in een graad van rang 13;
  3° 15 % voor de rang A3;
  4° 10 % voor de rang A2;
  5° 12,5 % voor de niveaus B, C en D.
  § 3. Het minimumbedrag is gelijk aan een derde van het maximumbedrag en is verbonden aan een waarderingscijfer van 50 op 100.
  Tussen de waarderingscijfers 50 en 100 zijn er tussensprongen van één punt. Ieder punt geeft een verhoging van het bruto bedrag van de toelage met één vijftigste van het verschil tussen het maximum- en het minimumbedrag.
  § 4. De voor de wedden geldende betalingsindex van de maanden juni en december wordt toegepast voor het bepalen van het maximumbedrag van de beheerstoelage van het eerste, respectievelijk het tweede halfjaar.
  ----------
  (1)<KB 2013-09-15/04, art. 35, 005; Inwerkingtreding : 05-10-2013>

  Art. 50. De gegadigde die een waarderingscijfer lager dan vijftig krijgt, wordt uitgesloten van het genot van de toelage.
  Enkel ingeval een waarderingscijfer lager dan vijftig wordt voorgesteld kan beroep aangetekend worden bij de Raad van Beroep bedoeld in titel X van het administratief statuut.

  Art. 51.§ 1. In afwijking van artikel 47, wordt ambtshalve het minimumbedrag toegekend aan de op proef benoemde statutaire ambtenaren en aan de contractuele personeelsleden die minder dan twaalf al dan niet onderbroken kalendermaanden in dienst zijn bij het Instituut.
  § 2. Indien aan voormelde personeelsleden na verloop van dit jaar om reden van afwezigheid geen eerste waarderingscijfer kan worden toegekend, behouden zij ambtshalve het minimumbedrag tot de toekenning van het eerste waarderingscijfer.
  [1 § 3. In afwijking van § 1, behouden de op proef benoemde statutaire ambtenaren die, onmiddellijk vóór hun benoeming op proef in dezelfde betrekking tewerkgesteld waren als contractueel personeelslid, tijdens hun proefperiode het laatste hen toegekende waarderingscijfer.]1
  ----------
  (1)<KB 2013-09-15/04, art. 36, 005; Inwerkingtreding : 31-01-2007>

  Art. 52. Het totale bedrag van een toelage mag niet hoger zijn dan navermeld percentage van het in overeenstemming met artikel 49, § 2 voor elke graad bepaalde maximumbedrag, vermenigvuldigd met het aantal gegadigden van de betrokken graad :
  1° 90 % voor de rang A5;
  2° 80 % voor de overige statutaire ambtenaren en contractuele personeelsleden van niveau A;
  3° 80 % voor de statutaire ambtenaren en contractuele personeelsleden van de niveaus B, C en D.

  Art. 53. Het aantal gegadigden van elke graad mag niet groter zijn dan het aantal in de personeelsformatie opgenomen betrekkingen van de bewuste graad. Het in de begroting voorziene krediet voor de beheerstoelage mag niet worden overschreden.

  Afdeling II. - Toelage aan de ambtenaren of contractuele personeelsleden die aangesteld worden tot opdrachthouder.

  Art. 54. Een toelage wordt toegekend aan de statutaire ambtenaren en aan de contractuele personeelsleden waaraan, in overeenstemming met hoofdstuk III van titel VIII van het administratief statuut, de kwalificatie van opdrachthouder werd toegekend.

  Art. 55. § 1. Voor iedere opdracht stelt de Raad, naargelang van de graad van de opdrachthouder, het bruto jaarbedrag van de toelage vast op een percentage van het verschil tussen de maximumwedde van de weddenschaal in kolom 1 en de maximumwedde van de weddenschaal in kolom 2 :
  

  
GraadKolom 1Kolom 2
Ingenieur-adviseur, Eerste ingenieur-adviseur, Informaticus-adviseur, Eerste informaticus-adviseurA3aA5a
Adviseur, Eerste adviseurA3cA5a
Administratief sectiechef, Technisch sectiechefBcA2d
HoofdcontroleurBcA2d
Controleur (in uitdoving)CfA2d
Correspondent, TechnicienCcA2d
Adjunct-correspondentDcBb


  § 2. Voor de opdrachthouders die een graad van ingenieur-adviseur, eerste ingenieur-adviseur, informaticus-adviseur of eerste informaticus-adviseur bekleden, wordt het verschil bedoeld in § 1, vermenigvuldigd met de correctiecoëfficiënt 1,5.
  Behoren de opdrachthouders tot het niveau C, dan wordt het verschil bedoeld in § 1, vermenigvuldigd met de correctiecoëfficiënt 0,6.
  § 3. Het percentage bedoeld in § 1 wordt door de Raad, na overleg met de representatieve vakorganisaties, vastgesteld op 60 %, 40 % of 25 % naargelang van de zwaarte van de opdracht en van het belang ervan voor het Instituut.
  § 4. De toelage mag niet hoger zijn dan 7 430 EUR voor een opdracht in niveau A en dan 3 715 EUR voor een opdracht in niveau B, C of D.
  § 5. Voor een opdrachthouder in het niveau A mag daarenboven de som van de brutowedde van de opdrachthouder met de toelage, de brutowedde van weddenschaal A5a op dezelfde anciënniteittrap, niet overschrijden.
  § 6. De toelage en de maximumbedragen bedoeld in § 4, zijn onderworpen aan de mobiliteitsregeling die geldt voor de wedden van het personeel van het Instituut en zijn gekoppeld aan het indexcijfer 138,01.
  [1 § 7. Het brutojaarbedrag van de toelage van de titularis van een bijzondere opdracht wordt, vastgesteld op 50 % van het verschil tussen de brutojaarwedde van een Lid van de Raad, omgezet tot het spilindexcijfer 138,01, en de brutojaarwedde die de titularis van de opdracht zou hebben genoten in zijn graad.]1
  ----------
  (1)<KB 2009-11-16/02, art. 4, 003; Inwerkingtreding : 30-11-2009>

  Art. 56. § 1. De toelage wordt maandelijks samen met de wedde vereffend en stemt overeen met een twaalfde van het in overeenstemming met artikel 54 vastgestelde jaarbedrag.
  § 2. Verricht de opdrachthouder deeltijdse prestaties, dan wordt de toelage in verhouding verminderd.
  § 3. De opdrachthouder verliest ambtshalve de toelage verbonden aan zijn opdracht wanneer hij de minimumprestaties bedoeld in artikel 83, § 5 van het administratief statuut, niet verricht, behoudens als de afwezigheid te wijten is aan ziekte, zwangerschap, beroepsziekte, een arbeidsongeval of een ongeval op de weg naar of van het werk.
  Bij een ononderbroken afwezigheid ingevolge één van deze uitzonderingen, of ingevolge een combinatie ervan, verliest de opdrachthouder ambtshalve de toelage na 16 weken. Indien de uitvoering van de opdracht dit noodzaakt, kan de Raad in een gemotiveerde beslissing deze periode terugbrengen op 30 kalenderdagen.

  Art. 57. § 1. De toelage bedoeld in artikel 54 kan, in de niveaus B, C en D, maximaal aan 30 % van de in deze niveaus aanwezige ambtenaren en contractuele personeelsleden, worden toegekend.
  § 2. De toelage bedoeld in artikel 54 kan maximaal aan 20 % van de in de rangen A2 en A3 aanwezige ambtenaren en contractuele personeelsleden, worden toegekend.

  Afdeling III. - Toelage voor het uitvoeren van controles.

  Art. 58. Een toelage wordt toegekend aan de ambtenaren en aan de contractuele personeelsleden van de niveaus B, C en D, waarvan in de functiebeschrijving bedoeld in artikel 52 van het administratief statuut, vastgelegd wordt dat zij hoofdzakelijk belast worden met het uitvoeren van controles buiten de werkzetel.

  Art. 59. Het jaarbedrag van de toelage wordt vastgesteld op 743 EUR.
  De toelage is onderworpen aan de mobiliteitsregeling die geldt voor de wedden van het personeel van het Instituut en is gekoppeld aan het indexcijfer 138,01.
  De toelage wordt maandelijks uitbetaald en stemt overeen met een twaalfde van het jaarbedrag, voor wie hoofdzakelijk controletaken uitvoert.

  Art. 60. § 1. Indien de gegadigde deeltijdse prestaties verricht, wordt de toelage pro rato uitbetaald.
  § 2. De toelage blijft gedurende de volgende verloven verschuldigd :
  1° jaarlijkse vakantie;
  2° ziekte;
  3° zwangerschap en vaderschapsverlof;
  4° afwezigheid als gevolg van een arbeidsongeval of beroepsziekte;
  5° verminderde prestaties wegens ziekte.
  § 3. De toelage wordt niet toegekend voor de volledige maanden waarin de gegadigde :
  1° in non-activiteit is;
  2° in disponibiliteit is;
  3° geschorst wordt in het belang van de dienst;
  4° in dienstactiviteit is en een ander verlof dan deze bedoeld in § 2, of als contractueel personeelslid een hiermee gelijkgestelde afwezigheid, geniet.

  Art. 61. Aan de ambtenaren en contractuele personeelsleden van de niveaus B, C en D, die slechts sporadisch controles buiten de werkzetel uitvoeren, wordt voor iedere begonnen periode van vijf gecumuleerde werkdagen waarin dergelijke opdrachten worden verricht, een toelage toegekend door de Raad die gelijk is aan 1/50ste van het in artikel 59 vermelde bedrag.

  Art. 62. De toelagen bedoeld in de artikelen 59 en 61 kunnen gecumuleerd worden met de toelage bedoeld in artikel 54 voor zover de controles buiten de werkzetel verder worden uitgevoerd.

  TITEL III. - Voordelen overgedragen aan de ambtenaren en contractuele personeelsleden van het Instituut op basis van [1 artikel 26bis, § 2, van de wet van 17 januari 2003 met betrekking tot het statuut van de regulator van de Belgische post- en telecommunicatiesector]1.
  ----------
  (1)<KB 2013-09-15/04, art. 37, 005; Inwerkingtreding : 05-10-2013>

  Art. 63.§ 1. [1 Aan de ambtenaren en contractuele personeelsleden met een arbeidsovereenkomst van minimum twaalf maanden, die in actieve dienst zijn, wordt, onder de door de Raad te bepalen modaliteiten, de terugbetaling gewaarborgd van een maximale forfaitaire tussenkomst in de prijs van een telecompakket dat ten minste vaste of mobiele telefonie of een breedbandaansluiting bevat]1.
  § 2.[2 Aan de gepensioneerde ambtenaren en aan hun overlevende echtgeno(o)t(e) of wettelijk samenwonende, wordt, onder de door de Raad te bepalen modaliteiten, de terugbetaling gewaarborgd van het telefoon- of GSM-abonnementsgeld.]2
  ----------
  (1)<KB 2013-09-15/04, art. 38,1°, 005; Inwerkingtreding : 05-10-2013>
  (2)<KB 2013-09-15/04, art. 38,2°, 005; Inwerkingtreding : 31-01-2007>

  Art. 64.§ 1. Onder door de Raad te bepalen modaliteiten worden aan de ambtenaren, aan de contractuele personeelsleden en aan de gepensioneerde ambtenaren volgende sociale voordelen aangeboden :
  1° een hospitalisatieverzekering;
  2° een geboortepremie;
  3° studiebeurzen;
  4° tussenkomsten in medische kosten;
  5° tussenkomsten voor de opvang van kinderen;
  6° preventieve medische controle.
  De voordelen vermeld onder 3 en 4 zijn gebonden aan een [1 ...]1 door de Raad vast te stellen maximaal familiale inkomen.
  [1 Het maximaal familiale inkomen is onderworpen aan de mobiliteitsregeling die geldt voor de wedden van het personeel van het Instituut en is gekoppeld aan het indexcijfer 138,01.]1
  § 2. Het in § 1 opgesomd pakket aan sociale voordelen kan door de Raad geactualiseerd of uitgebreid worden binnen de bestaande budgettaire enveloppe.
  ----------
  (1)<KB 2013-09-15/04, art. 39, 005; Inwerkingtreding : 05-10-2013>

  Art. 65. De verkeersvoordelen toegekend aan de ambtenaren en contractuele personeelsleden op basis van de conventie van 28 mei 1973 afgesloten tussen de Nationale Maatschappij der Belgische Spoorwegen en het Ministerie van Verkeerswezen, blijven van toepassing op de ambtenaren van het Instituut volgens de modaliteiten vast te stellen door de Raad.

  TITEL IV. - Overgangsbepalingen.

  Art. 66. § 1. De ambtenaar of het contractuele personeelslid die, in overeenstemming met het koninklijk besluit van 18 maart 1993 tot vaststelling voor elke graad van het personeel van het Belgisch Instituut voor postdiensten en telecommunicatie, van de weddeschalen, de weddecomplementen en hun toekenningsvoorwaarden, ingeschaald is in de weddenschaal vermeld in kolom 1, van de tabel opgenomen in bijlage IV, wordt overgeheveld naar de ernaast in kolom 2 staande weddenschaal.
  § 2. De door deze ambtenaar of contractueel personeelslid verkregen geldelijke anciënniteit wordt geacht verkregen te zijn in de nieuwe weddenschaal.

  Art. 67. § 1. Onder voorbehoud van de toepassing van de artikelen 26 en 27, behouden de ambtenaren die bij het Instituut benoemd zijn met toepassing van het artikel 74 van de wet van 21 maart 1991 betreffende de hervorming van sommige economische overheidsbedrijven de geldelijke anciënniteit die ze verworven hebben in het overheidsbestuur waaruit ze afkomstig zijn.
  § 2. De wedde van de ambtenaren die, ter uitvoering van artikel 74 van de wet van 21 maart 1991 betreffende de hervorming van sommige economische overheidsbedrijven, bij de koninklijke besluiten van 18 januari 1994 of van 25 februari 1994 bij het Instituut werden benoemd in de graad van administratief directeur of van technisch directeur, wordt vastgesteld in de weddenschaal A3d.
  § 3. De wedde van de ambtenaren die, ter uitvoering van artikel 74 van de wet van 21 maart 1991 betreffende de hervorming van sommige economische overheidsbedrijven, bij de koninklijke besluiten van 18 januari 1994 of van 25 februari 1994 bij het Instituut werden benoemd in de graad van hoofdingenieur-directeur, wordt vastgesteld in de weddenschaal A3b.

  Art. 68. De wedde van de controleur (graad in uitdoving) kan op geen enkel ogenblik lager zijn dan de wedde die hij zou hebben genoten als correspondent of technicien, indien hij niet in de graad van controleur was benoemd.

  Art. 69. § 1. Uitsluitend aan de statutaire ambtenaren of contractuele personeelsleden die door het opheffen van de :
  1° vergoeding voor verzorgde kleding;
  2° premie voor het uitblijven van ongevallen;
  3° toelage aan de personeelsleden die worden toegewezen als secretaris aan de leden van de directieraad;
  4° toelage voor lastig werk;
  niet of niet volledig worden gecompenseerd door de premies vermeld in de artikelen 54 of 58, wordt een compenserende premie toegekend die gelijk is aan het geleden verlies, voor zover zij dezelfde functie blijven uitoefenen en voor zo lang dit verlies niet ongedaan wordt gemaakt door de latere toekenning van één van deze premies.
  § 2. Uitsluitend aan de ambtenaren of contractuele personeelsleden die bij de inwerkingtreding van dit besluit de routeonkosten genoten en hiervoor volgens de bepalingen van dit besluit niet meer in aanmerking komen, behouden deze forfaitaire onkostenvergoeding, voor zover zij dezelfde functie blijven uitoefenen.

  Art. 70. § 1. Na de inwerkingtreding van dit besluit worden de eerste waarderingscijfers in het kader van de halfjaarlijkse beheerstoelage toegekend :
  1° op het einde van de lopende zesmaandelijkse periode bedoeld in art. 48, § 1, eerste lid, op voorwaarde dat deze periode minimum drie maanden bedraagt;
  2° op het einde van de zesmaandelijkse periode volgend op deze bedoeld onder 1° wanneer deze laatste periode korter is dan drie maanden.
  § 2. Het bedrag van de toelage voor de eerste halfjaarlijkse beheerstoelage wordt vastgesteld in verhouding tot de werkelijke duur van de periode bedoeld in § 1.
  § 3. Aan de ambtenaren waaraan nog geen waarderingscijfer voor de beheerstoelage werd toegekend en die op het ogenblik van de inwerkingtreding van dit besluit afwezig zijn met behoud van het recht op een beheerstoelage, wordt een waarderingscijfer van 65 op 100 toegekend.
  § 4. Als éénmalige maatregel wordt bij de inwerkingtreding van dit besluit aan de statutaire ambtenaren en contractuele personeelsleden een overgangspremie toegekend waarvan het bedrag gelijk is aan het bedrag van de beheerstoelage overeenstemmend met een waarderingscijfer van 65 op 100 :
  1° voor een periode van 60 kalenderdagen voor de gegadigden die reeds een beheerstoelage genoten;
  2° voor een periode van 90 kalenderdagen voor de gegadigden die nog geen beheerstoelage genoten.
  Deze premie wordt afzonderlijk uitbetaald.
  § 5. De halfjaarlijkse beheerstoelage verbonden aan de laatste onvolledige periode op basis van het opgeheven koninklijk besluit van 19 maart 1993 betreffende de toekenning van een halfjaarlijkse beheerstoelage aan bepaalde ambtenaren van het Belgisch Instituut voor postdiensten en telecommunicatie, wordt pro rata berekend.

  Art. 71. In artikel 1 van het koninklijk besluit van 14 november 2001 betreffende de toekenning van een toelage voor het gebruik van de Engelse taal of van andere vreemde talen aan de personeelsleden van het Belgisch Instituut voor postdiensten en telecommunicatie, worden de woorden " de minister " vervangen door de woorden " de Raad ".

  Art. 72. De Minister regelt de gevallen die een zodanig aspect vertonen dat naar de zin van titel I van dit besluit een minder letterlijke toepassing van de daarin voorgeschreven regelen verantwoord is. Van de artikelen 3 en 22 mag echter niet worden afgeweken.

  TITEL V. - Slotbepalingen.

  Art. 73. § 1. Zijn niet meer van toepassing op de statutaire ambtenaren bedoeld in artikel 2 :
  1° het ministerieel besluit van 21 mei 1964 betreffende de toekenning van een toelage voor lastig werk aan de personeelsleden van de Regie van Telegrafie en Telefonie;
  2° het koninklijk besluit van 30 december 1971 tot regeling van de toekenning van een vergoeding voor verzorgde kleding aan zekere personeelsleden van de Regie van Telegrafie en Telefonie;
  3° het koninklijk besluit van 7 juni 1978 tot toekenning van een toelage wegens het uitblijven van ongevallen aan het personeel van de Regie van Telegrafie en Telefonie;
  4° het koninklijk besluit van 18 maart 1993 houdende de bezoldigingsregeling van het personeel van het Belgisch Instituut voor postdiensten en telecommunicatie;
  5° het koninklijk besluit van 18 maart 1993 betreffende de toekenning van sommige voordelen aan het personeel van het Belgisch Instituut voor postdiensten en telecommunicatie.
  § 2. Zijn niet meer van toepassing op de statutaire ambtenaren waaraan de toelage voor het uitvoeren van controles bedoeld in artikel 58 wordt toegekend :
  1° het ministerieel besluit van 21 mei 1964 betreffende de toekenning van een toelage voor lastig werk aan de personeelsleden van de Regie van Telegrafie en Telefonie;
  2° het koninklijk besluit van 30 december 1971 tot regeling van de toekenning van een vergoeding voor verzorgde kleding aan zekere personeelsleden van de Regie van Telegrafie en Telefonie;
  3° het koninklijk besluit van 7 juni 1978 tot toekenning van een toelage wegens het uitblijven van ongevallen aan het personeel van de Regie van Telegrafie en Telefonie.
  § 3. Opgeheven worden :
  1° het koninklijk besluit van 18 maart 1993 tot vaststelling voor elke graad van het personeel van het Belgisch Instituut voor postdiensten en telecommunicatie, van de weddeschalen, de weddecomplementen en hun toekenningsvoorwaarden;
  2° het koninklijk besluit van 18 maart 1993 tot vaststelling van de specifieke geldelijke regels met betrekking tot de graden van de ambtenaren van het personeel van het Belgisch Instituut voor postdiensten en telecommunicatie die aan gespecialiseerde functies beantwoorden;
  3° het koninklijk besluit van 18 maart 1993 betreffende de toekenning van een produktiviteitspremie aan de personeelsleden van het Belgisch Instituut voor postdiensten en telecommunicatie;
  4° het koninklijk besluit van 19 maart 1993 betreffende de toekenning van een halfjaarlijkse beheerstoelage aan bepaalde ambtenaren van het Belgisch Instituut voor postdiensten en telecommunicatie;
  5° het koninklijk besluit van 14 november 2001 betreffende de toekenning van een toelage aan de personeelsleden van het Belgisch Instituut voor postdiensten en telecommunicatie die worden toegewezen als secretaris aan de leden van de directieraad.

  Art. 74.[1 Dit besluit treedt in werking de dag waarop het in het Belgisch Staatsblad wordt bekendgemaakt, met uitzondering van :
   1° het hoofdstuk II van titel I en artikel 66 die uitwerking hebben met ingang van 1 juli 2004;
   2° de artikelen 41, 58, 59, 60, 69, § 1 en 73, § 2, die uitwerking hebben met ingang van 1 juli 2006.]1
  ----------
  (1)<KB 2013-09-15/04, art. 41, 005; Inwerkingtreding : 31-01-2007>

  Art. 75. Onze Minister van Economie, Energie, Buitenlandse Handel en Wetenschapsbeleid is belast met de uitvoering van dit besluit.

  BIJLAGEN.

  Art. N1. Bijlage I bij het koninklijk besluit van 11 januari 2007 houdende het geldelijk statuut van het personeel van het Belgisch Instituut voor postdiensten en telecommunicatie.
  

  
  Niveau D  
IndicieDaDbDcDd
Tussentijdse3/1 x 156,913/1 x 166,213/1 x 234,113/1 x 234,11
verhogingen5/2 x 218,045/2 x 281,0210/2 x 505,554/2 x 281,02
 6/2 x 298,816/2 x 373,774/2 x 281,0210/2 x 374,53
 2/2 x 469,69   
014 700,0516 122,7715 770,8317 979,13
114 856,9616 288,9816 004,9418 213,24
215 013,8716 455,1916 239,0518 447,35
315 170,7816 621,4016 473,1618 681,46
415 170,7816 621,4016 473,1618 681,46
515 388,8216 902,4216 978,7118 962,48
615 388,8216 902,4216 978,7118 962,48
715 606,8617 183,4417 484,2619 243,50
815 606,8617 183,4417 484,2619 243,50
915 824,9017 464,4617 989,8119 524,52
1015 824,9017 464,4617 989,8119 524,52
1116 042,9417 745,4818 495,3619 805,54
1216 042,9417 745,4818 495,3619 805,54
1316 260,9818 026,5019 000,9120 180,07
1416 260,9818 026,5019 000,9120 180,07
1516 559,7918 400,2719 506,4620 554,60
1616 559,7918 400,2719 506,4620 554,60
1716 858,6018 774,0420 012,0120 929,13
1816 858,6018 774,0420 012,0120 929,13
1917 157,4119 147,8120 517,5621 303,66
2017 157,4119 147,8120 517,5621 303,66
2117 456,2219 521,5821 023,1121 678,19
2217 456,2219 521,5821 023,1121 678,19
2317 755,0319 895,3521 528,6622 052,72
2417 755,0319 895,3521 528,6622 052,72
2518 053,8420 269,1221 809,6822 427,25
2618 053,84 21 809,6822 427,25
2718 523,53 22 090,7022 801,78
2818 523,53 22 090,7022 801,78
2918 993,22 22 371,7223 176,31
30  22 371,7223 176,31
31  22 652,7423 550,84



  
  Niveau C  
IndicieCaCbCcCd
Tussentijdse3/1 x 294,053/1 x 505,553/1 x 337,993/1 x 281,02
verhogingen1/2 x 294,052/2 x 559,505/2 x 749,071/2 x 561,86
 1/2 x 391,982/2 x 749,074/2 x 655,492/2 x 749,07
 2/2 x 783,913/2 x 655,493/2 x 309,465/2 x 655,49
 9/2 x 685,983/2 x 524,461/2 x 586,186/2 x 561,86
  1/2 x 332,10  
  1/2 x 608,93  
015 682,2816 384,7417 040,2019 619,24
115 976,3316 890,2917 378,1919 900,26
216 270,3817 395,8417 716,1820 181,28
316 564,4317 901,3918 054,1720 462,30
416 564,4317 901,3918 054,1720 462,30
516 858,4818 460,8918 803,2421 024,16
616 858,4818 460,8918 803,2421 024,16
717 250,4619 020,3919 552,3121 773,23
817 250,4619 020,3919 552,3121 773,23
918 034,3719 769,4620 301,3822 522,30
1018 034,3719 769,4620 301,3822 522,30
1118 818,2820 518,5321 050,4523 177,79
1218 818,2820 518,5321 050,4523 177,79
1319 504,2621 174,0221 799,5223 833,28
1419 504,2621 174,0221 799,5223 833,28
1520 190,2421 829,5122 455,0124 488,77
1620 190,2421 829,5122 455,0124 488,77
1720 876,2222 485,0023 110,5025 144,26
1820 876,2222 485,0023 110,5025 144,26
1921 562,2023 009,4623 765,9925 799,75
2021 562,2023 009,4623 765,9925 799,75
2122 248,1823 533,9224 421,4826 361,61
2222 248,1823 533,9224 421,4826 361,61
2322 934,1624 058,3824 730,9426 923,47
2422 934,1624 058,3824 730,9426 923,47
2523 620,1424 390,4825 040,4027 485,33
2623 620,1424 390,4825 040,4027 485,33
2724 306,1224 999,4125 349,8628 047,19
2824 306,12 25 349,8628 047,19
2924 992,10 25 936,0428 609,05
30   28 609,05
31   29 170,91



  
  Niveau C 
IndicieCeCfCg
Tussentijdse3/1 x 281,023/1 x 281,023/1 x 281,02
verhogingen1/2 x 281,021/2 x 281,021/2 x 655,49
 1/2 x 374,531/2 x 374,533/2 x 749,07
 2/2 x 749,072/2 x 749,0710/2 x 655,49
 9/2 x 655,499/2 x 655,49 
018 210,6119 615,2020 201,45
118 491,6319 896,2220 482,47
218 772,6520 177,2420 763,49
319 053,6720 458,2621 044,51
419 053,6720 458,2621 044,51
519 334,6920 739,2821 700,00
619 334,6920 739,2821 700,00
719 709,2221 113,8122 449,07
819 709,2221 113,8122 449,07
920 458,2921 862,8823 198,14
1020 458,2921 862,8823 198,14
1121 207,3622 611,9523 947,21
1221 207,3622 611,9523 947,21
1321 862,8523 267,4424 602,70
1421 862,8523 267,4424 602,70
1522 518,3423 922,9325 258,19
1622 518,3423 922,9325 258,19
1723 173,8324 578,4225 913,68
1823 173,8324 578,4225 913,68
1923 829,3225 233,9126 569,17
2023 829,3225 233,9126 569,17
2124 484,8125 889,4027 224,66
2224 484,8125 889,4027 224,66
2325 140,3026 544,8927 880,15
2425 140,3026 544,8927 880,15
2525 795,7927 200,3828 535,64
2625 795,7927 200,3828 535,64
2726 451,2827 855,8729 191,13
2826 451,2827 855,8729 191,13
2927 106,7728 511,3629 846,62
30  29 846,62
31  30 502,11



  
  Niveau B  
IndicieBaBbBcBd
Tussentijdse3/1 x 374,533/1 x 337,993/1 x 337,993/1 x 281,02
verhogingen10/2 x 561,869/2 x 749,079/2 x 749,071/2 x 561,86
  4/2 x 303,764/2 x 303,767/2 x 749,07
  1/2 x 580,611/2 x 580,616/2 x 561,86
018 620,4721 628,4722 939,3924 035,90
118 995,0021 966,4623 277,3824 316,92
219 369,5322 304,4523 615,3724 597,94
319 744,0622 642,4423 953,3624 878,96
419 744,0622 642,4423 953,3624 878,96
520 305,9223 391,5124 702,4325 440,82
620 305,9223 391,5124 702,4325 440,82
720 867,7824 140,5825 451,5026 189,89
820 867,7824 140,5825 451,5026 189,89
921 429,6424 889,6526 200,5726 938,96
1021 429,6424 889,6526 200,5726 938,96
1121 991,5025 638,7226 949,6427 688,03
1221 991,5025 638,7226 949,6427 688,03
1322 553,3626 387,7927 698,7128 437,10
1422 553,3626 387,7927 698,7128 437,10
1523 115,2227 136,8628 447,7829 186,17
1623 115,2227 136,8628 447,7829 186,17
1723 677,0827 885,9329 196,8529 935,24
1823 677,0827 885,9329 196,8529 935,24
1924 238,9428 635,0029 945,9230 684,31
2024 238,9428 635,0029 945,9230 684,31
2124 800,8029 384,0730 694,9931 246,17
2224 800,8029 384,0730 694,9931 246,17
2325 362,6629 687,8330 998,7531 808,03
24 29 687,8330 998,7531 808,03
25 29 991,5931 302,5132 369,89
26 29 991,5931 302,5132 369,89
27 30 295,3531 606,2732 931,75
28 30 295,3531 606,2732 931,75
29 30 599,1131 910,0333 493,61
30 30 599,1131 910,0333 493,61
31 31 179,7232 490,6434 055,47



  
   Niveau A  
Indicie A2aA2bA3aA3b
Tussentijdse 3/1 x11/2 x11/2 x11/2 x
verhogingens686,701 404,621 404,621 404,62
  10/2 x   
  1 201,68   
0 28 057,8735 209,7637 316,5839 267,38
1 28 744,5735 209,7637 316,5839 267,38
2 29 431,2736 614,3838 721,2040 672,00
3 30 117,9736 614,3838 721,2040 672,00
4 30 117,9738 019,0040 125,8242 076,62
5 31 319,6538 019,0040 125,8242 076,62
6 31 319,6539 423,6241 530,4443 481,24
7 32 521,3339 423,6241 530,4443 481,24
8 32 521,3340 828,2442 935,0644 885,86
9 33 723,0140 828,2442 935,0644 885,86
10 33 723,0142 232,8644 339,6846 290,48
11 34 924,6942 232,8644 339,6846 290,48
12 34 924,6943 637,4845 744,3047 695,10
13 36 126,3743 637,4845 744,3047 695,10
14 36 126,3745 042,1047 148,9249 099,72
15 37 328,0545 042,1047 148,9249 099,72
16 37 328,0546 446,7248 553,5450 504,34
17 38 529,7346 446,7248 553,5450 504,34
18 38 529,7347 851,3449 958,1651 908,96
19 39 731,4147 851,3449 958,1651 908,96
20 39 731,4149 255,9651 362,7853 313,58
21 40 933,0949 255,9651 362,7853 313,58
22 40 933,0950 660,5852 767,4054 718,20
23 42 134,77   
24     
25     
26     
27     
28     
29     
30     
31    



  
  Niveau A  
IndicieA2cA2dA3cA3d
Tussentijdse3/1 x11/2 x11/2 x11/2 x
verhogingen686,701 404,621 404,621 404,62
 10/2 x   
 1 054,59   
022 775,8825 518,3226 922,9635 053,72
123 462,5825 518,3226 922,9635 053,72
224 149,2826 922,9428 327,5836 458,34
324 835,9826 922,9428 327,5836 458,34
424 835,9828 327,5629 732,2037 862,96
525 890,5728 327,5629 732,2037 862,96
625 890,5729 732,1831 136,8239 267,58
726 945,1629 732,1831 136,8239 267,58
826 945,1631 136,8032 541,4440 672,20
927 999,7531 136,8032 541,4440 672,20
1027 999,7532 541,4233 946,0642 076,82
1129 054,3432 541,4233 946,0642 076,82
1229 054,3433 946,0435 350,6843 481,44
1330 108,9333 946,0435 350,6843 481,44
1430 108,9335 350,6636 755,3044 886,06
1531 163,5235 350,6636 755,3044 886,06
1631 163,5236 755,2838 159,9246 290,68
1732 218,1136 755,2838 159,9246 290,68
1832 218,1138 159,9039 564,5447 695,30
1933 272,7038 159,9039 564,5447 695,30
2033 272,7039 564,5240 969,1649 099,92
2134 327,2939 564,5240 969,1649 099,92
2234 327,2940 969,1442 373,7850 504,54
2335 381,88   
24    
25    
26    
27    
28    
29    
30    
31   



  
 Niveau A
IndicieA5a
Tussentijdse11/2 x 1 418,68
verhogingen 
041 078,57
141 078,57
242 497,25
342 497,25
443 915,93
543 915,93
645 334,61
745 334,61
846 753,29
946 753,29
1048 171,97
1148 171,97
1249 590,65
1349 590,65
1451 009,33
1551 009,33
1652 428,01
1752 428,01
1853 846,69
1953 846,69
2055 265,37
2155 265,37
2256 684,05



  Art. N2. Bijlage II bij het koninklijk besluit van 11 januari 2007 houdende het geldelijk statuut van het personeel van het Belgisch Instituut voor postdiensten en telecommunicatie.
  

  
  Niveau D  
IndicieDaDbDcDd
Tussentijdse3/1 x 161,623/1 x 171,23/1 x 241,143/1 x 241,14
verhogingen5/2 x 224,585/2 x 289,4610/2 x 520,724/2 x 289,46
 6/2 x 307,786/2 x 384,994/2 x 289,4610/2 x 385,77
 2/2 x 483,79   
015 141,0616 606,4616 243,9618 518,51
115 302,6816 777,6616 485,1018 759,65
215 464,3016 948,8616 726,2419 000,79
315 625,9217 120,0616 967,3819 241,93
415 625,9217 120,0616 967,3819 241,93
515 850,5017 409,5217 488,1019 531,39
615 850,5017 409,5217 488,1019 531,39
716 075,0817 698,9818 008,8219 820,85
816 075,0817 698,9818 008,8219 820,85
916 299,6617 988,4418 529,5420 110,31
1016 299,6617 988,4418 529,5420 110,31
1116 524,2418 277,9019 050,2620 399,77
1216 524,2418 277,9019 050,2620 399,77
1316 748,8218 567,3619 570,9820 785,54
1416 748,8218 567,3619 570,9820 785,54
1517 056,6018 952,3520 091,7021 171,31
1617 056,6018 952,3520 091,7021 171,31
1717 364,3819 337,3420 612,4221 557,08
1817 364,3819 337,3420 612,4221 557,08
1917 672,1619 722,3321 133,1421 942,85
2017 672,1619 722,3321 133,1421 942,85
2117 979,9420 107,3221 653,8622 328,62
2217 979,9420 107,3221 653,8622 328,62
2318 287,7220 492,3122 174,5822 714,39
2418 287,7220 492,3122 174,5822 714,39
2518 595,5020 877,3022 464,0423 100,16
2618 595,50 22 464,0423 100,16
2719 079,29 22 753,5023 485,93
2819 079,29 22 753,5023 485,93
2919 563,08 23 042,9623 871,70
30  23 042,9623 871,70
31  23 332,4224 257,47



  
  Niveau C  
IndicieCaCbCcCd
Tussentijdse3/1 x 302,883/1 x 520,723/1 x 348,133/1 x 289,46
verhogingen1/2 x 302,882/2 x 576,295/2 x 771,551/2 x 578,72
 1/2 x 403,742/2 x 771,554/2 x 675,162/2 x 771,55
 2/2 x 807,433/2 x 675,163/2 x 318,755/2 x 675,16
 9/2 x 706,563/2 x 540,201/2 x 603,776/2 x 578,72
  1/2 x 342,07  
  1/2 x 627,20  
016 152,7516 876,2917 551,4120 207,82
116 455,6317 397,0117 899,5420 497,28
216 758,5117 917,7318 247,6720 786,74
317 061,3918 438,4518 595,8021 076,20
417 061,3918 438,4518 595,8021 076,20
517 364,2719 014,7419 367,3521 654,92
617 364,2719 014,7419 367,3521 654,92
717 768,0119 591,0320 138,9022 426,47
817 768,0119 591,0320 138,9022 426,47
918 575,4420 362,5820 910,4523 198,02
1018 575,4420 362,5820 910,4523 198,02
1119 382,8721 134,1321 682,0023 873,18
1219 382,8721 134,1321 682,0023 873,18
1320 089,4321 809,2922 453,5524 548,34
1420 089,4321 809,2922 453,5524 548,34
1520 795,9922 484,4523 128,7125 223,50
1620 795,9922 484,4523 128,7125 223,50
1721 502,5523 159,6123 803,8725 898,66
1821 502,5523 159,6123 803,8725 898,66
1922 209,1123 699,8124 479,0326 573,82
2022 209,1123 699,8124 479,0326 573,82
2122 915,6724 240,0125 154,1927 152,54
2222 915,6724 240,0125 154,1927 152,54
2323 622,2324 780,2125 472,9427 731,26
2423 622,2324 780,2125 472,9427 731,26
2524 328,7925 122,2825 791,6928 309,98
2624 328,7925 122,2825 791,6928 309,98
2725 035,3525 749,4826 110,4428 888,70
2825 035,35 26 110,4428 888,70
2925 741,91 26 714,2129 467,42
30   29 467,42
31   30 046,14



  
  Niveau C 
IndicieCeCfCg
Tussentijdse3/1 x 289,463/1 x 289,463/1 x 289,46
verhogingen1/2 x 289,461/2 x 289,461/2 x 675,16
 1/2 x 385,771/2 x 385,773/2 x 771,55
 2/2 x 771,552/2 x 771,5510/2 x 675,16
 9/2 x 675,169/2 x 675,16 
018 756,9320 203,6620 807,50
119 046,3920 493,1221 096,96
219 335,8520 782,5821 386,42
319 625,3121 072,0421 675,88
419 625,3121 072,0421 675,88
519 914,7721 361,5022 351,04
619 914,7721 361,5022 351,04
720 300,5421 747,2723 122,59
820 300,5421 747,2723 122,59
921 072,0922 518,8223 894,14
1021 072,0922 518,8223 894,14
1121 843,6423 290,3724 665,69
1221 843,6423 290,3724 665,69
1322 518,8023 965,5325 340,85
1422 518,8023 965,5325 340,85
1523 193,9624 640,6926 016,01
1623 193,9624 640,6926 016,01
1723 869,1225 315,8526 691,17
1823 869,1225 315,8526 691,17
1924 544,2825 991,0127 366,33
2024 544,2825 991,0127 366,33
2125 219,4426 666,1728 041,49
2225 219,4426 666,1728 041,49
2325 894,6027 341,3328 716,65
2425 894,6027 341,3328 716,65
2526 569,7628 016,4929 391,81
2626 569,7628 016,4929 391,81
2727 244,9228 691,6530 066,97
2827 244,9228 691,6530 066,97
2927 920,0829 366,8130 742,13
30  30 742,13
31  31 417,29



  
  Niveau B  
IndicieBaBbBcBd
Tussentijdse3/1 x 385,773/1 x 348,133/1 x 348,133/1 x 289,46
verhogingen10/2 x 578,729/2 x 771,559/2 x 771,551/2 x 578,72
  4/2 x 312,884/2 x 312,887/2 x 771,55
  1/2 x 598,031/2 x 598,036/2 x 578,72
019 179,0922 277,3323 627,5824 756,98
119 564,8622 625,4623 975,7125 046,44
219 950,6322 973,5924 323,8425 335,90
320 336,4023 321,7224 671,9725 625,36
420 336,4023 321,7224 671,9725 625,36
520 915,1224 093,2725 443,5226 204,08
620 915,1224 093,2725 443,5226 204,08
721 493,8424 864,8226 215,0726 975,63
821 493,8424 864,8226 215,0726 975,63
922 072,5625 636,3726 986,6227 747,18
1022 072,5625 636,3726 986,6227 747,18
1122 651,2826 407,9227 758,1728 518,73
1222 651,2826 407,9227 758,1728 518,73
1323 230,0027 179,4728 529,7229 290,28
1423 230,0027 179,4728 529,7229 290,28
1523 808,7227 951,0229 301,2730 061,83
1623 808,7227 951,0229 301,2730 061,83
1724 387,4428 722,5730 072,8230 833,38
1824 387,4428 722,5730 072,8230 833,38
1924 966,1629 494,1230 844,3731 604,93
2024 966,1629 494,1230 844,3731 604,93
2125 544,8830 265,6731 615,9232 183,65
2225 544,8830 265,6731 615,9232 183,65
2326 123,6030 578,5531 928,8032 762,37
24 30 578,5531 928,8032 762,37
25 30 891,4332 241,6833 341,09
26 30 891,4332 241,6833 341,09
27 31 204,3132 554,5633 919,81
28 31 204,3132 554,5633 919,81
29 31 517,1932 867,4434 498,53
30 31 517,1932 867,4434 498,53
31 32 115,2233 465,4735 077,25



  
  Niveau A  
IndicieA2aA2bA3aA3b
Tussentijdse3/1 x11/2 x11/2 x11/2 x
verhogingen707,311 446,761 446,761 446,76
  10/2 x  
  1 237,74  
028 899,6136 266,0638 436,0840 445,41
129 606,9236 266,0638 436,0840 445,41
230 314,2337 712,8239 882,8441 892,17
331 021,5437 712,8239 882,8441 892,17
431 021,5439 159,5841 329,6043 338,93
532 259,2839 159,5841 329,6043 338,93
632 259,2840 606,3442 776,3644 785,69
733 497,0240 606,3442 776,3644 785,69
833 497,0242 053,1044 223,1246 232,45
934 734,7642 053,1044 223,1246 232,45
1034 734,7643 499,8645 669,8847 679,21
1135 972,5043 499,8645 669,8847 679,21
1235 972,5044 946,6247 116,6449 125,97
1337 210,2444 946,6247 116,6449 125,97
1437 210,2446 393,3848 563,4050 572,73
1538 447,9846 393,3848 563,4050 572,73
1638 447,9847 840,1450 010,1652 019,49
1739 685,7247 840,1450 010,1652 019,49
1839 685,7249 286,9051 456,9253 466,25
1940 923,4649 286,9051 456,9253 466,25
2040 923,4650 733,6652 903,6854 913,01
2142 161,2050 733,6652 903,6854 913,01
2242 161,2052 180,4254 350,4456 359,77
2343 398,94   
24    
25    
26    
27    
28    
29    
30    
31   



  
  Niveau A  
IndicieA2cA2dA3cA3d
Tussentijdse3/1 x11/2 x11/2 x11/2 x
verhogingen707,311 446,761 446,761 446,76
 10/2 x   
 1 086,23   
023 459,1626 283,8727 730,6536 105,34
124 166,4726 283,8727 730,6536 105,34
224 873,7827 730,6329 177,4137 552,10
325 581,0927 730,6329 177,4137 552,10
425 581,0929 177,3930 624,1738 998,86
526 667,3229 177,3930 624,1738 998,86
626 667,3230 624,1532 070,9340 445,62
727 753,5530 624,1532 070,9340 445,62
827 753,5532 070,9133 517,6941 892,38
928 839,7832 070,9133 517,6941 892,38
1028 839,7833 517,6734 964,4543 339,14
1129 926,0133 517,6734 964,4543 339,14
1229 926,0134 964,4336 411,2144 785,90
1331 012,2434 964,4336 411,2144 785,90
1431 012,2436 411,1937 857,9746 232,66
1532 098,4736 411,1937 857,9746 232,66
1632 098,4737 857,9539 304,7347 679,42
1733 184,7037 857,9539 304,7347 679,42
1833 184,7039 304,7140 751,4949 126,18
1934 270,9339 304,7140 751,4949 126,18
2034 270,9340 751,4742 198,2550 572,94
2135 357,1640 751,4742 198,2550 572,94
2235 357,1642 198,2343 645,0152 019,70
2336 443,39   
24    
25    
26    
27    
28    
29    
30    
31   



  
 Niveau A
IndicieA5a
Tussentijdse11/2 x 1 461,25
verhogingen 
042 310,93
142 310,93
243 772,18
343 772,18
445 233,43
545 233,43
646 694,68
746 694,68
848 155,93
948 155,93
1049 617,18
1149 617,18
1251 078,43
1351 078,43
1452 539,68
1552 539,68
1654 000,93
1754 000,93
1855 462,18
1955 462,18
2056 923,43
2156 923,43
2258 384,68



  Art. N3. Bijlage III bij het koninklijk besluit van 11 januari 2007 houdende het geldelijk statuut van het personeel van het Belgisch Instituut voor postdiensten en telecommunicatie.
  

  
GraadWeddenscha(a)l(en)
Niveau A : 
Administrateur (in uitdoving)A5a
Ingenieur-adviseur,A2a - A2b
Informaticus-adviseur 
Eerste ingenieur-adviseur,A3a - A3b
Eerste informaticus-adviseur 
AdviseurA2c - A2d
Eerste adviseurA3c - A3d
Niveau B : 
Administratief sectiechef,(I) Ba - (II) Bb - (III) Bc - (IV) Bd
Technisch sectiechef 
HoofdcontroleurBb - Bc - Bd
Niveau C : 
Correspondent, Technicien(I) Ca - (II) Cb - (III Cc - (IV) Cd
Controleur (in uitdoving)Ce - Cf - Cg
Niveau D : 
Adjunct-correspondent(I) Da - (II) Db - (III) Dc - (IV) Dd



  Art. N4. <KB 2008-12-09/40, art. 1, 002; Inwerkingtreding : 12-02-2009> Bijlage IV bij het koninklijk besluit van 11 januari 2007 houdende het geldelijk statuut van het personeel van het Belgisch Instituut voor postdiensten en telecommunicatie.
  

  
Kolom 1  Kolom 2  
NiveauGraadWeddenschaalNiveauGraadWeddenschaal
3Adjunct-correspondent met minder dan 1 jaar graadanciënniteit32/aDAdjunct-correspondentDa
 Adjunct-correspondent met ten minste 1 jaar en minder dan 8 jaar graadanciënniteit32/b Adjunct-correspondentDb
 Adjunct-correspondent met ten minste 8 jaar en minder dan 9 jaar graadanciënniteit32/b Adjunct-correspondentDc
 Adjunct-correspondent met ten minste 9 jaar en minder dan 12 jaar graadanciënniteit32/c Adjunct-correspondentDc
 Adjunct-correspondent met ten minste 12 jaar en minder dan 18 jaar graadanciënniteit32/c Adjunct-correspondentDd
 Adjunct-correspondent met ten minste 18 jaar graadanciënniteit32/d Adjunct-correspondentDd
2Correspondent of technicien met minder dan 1 jaar graadanciënniteit21/aCCorrespondent of technicienCa
 Correspondent of technicien met ten minste 1 jaar en minder dan 8 jaar graadanciënniteit;
   Correspondent na bevordering met minder dan 8 jaar graadanciënniteit
21/b Correspondent of technicienCd
 Correspondent of technicien met ten minste 8 jaar en minder dan 9 jaar graadanciënniteit;
  Correspondent na bevordering met minder dan 9 jaar graadanciënniteit
21/b Correspondent of technicienCc
 Correspondent of technicien met ten minste 9 jaar en minder dan 12 jaar graadanciënniteit21/c Correspondent of technicienCc
 Correspondent of technicien met ten minste 12 jaar en minder dan 18 jaar graadanciënniteit21/c Correspondent of technicienCd
 Correspondent of technicien met ten minste 18 jaar graadanciënniteit21/d Correspondent of technicienCd
 Controleur met minder dan 8 jaar graadanciënniteit22/a Controleur (in uitdoving)Ce
 Controleur met ten minste 8 jaar en minder dan 12 jaar graadanciënniteit22/b Controleur (in uitdoving)Cf
 Controleur met ten minste 12 jaar graadanciënniteit22/c Controleur (in uitdoving)Cg
 Administratief of Technisch Sectiechef met minder dan 1 jaar graadanciënniteit24/aBAdministratief of Technisch SectiechefBa
 Administratief of Technisch Sectiechef met ten minste 1 jaar en minder dan 8 jaar graadanciënniteit;
   Administratief of Technisch Sectiechef na bevordering met minder dan 8 jaar graadanciënniteit
24/b Administratief of Technisch SectiechefBb
 Administratief of Technisch Sectiechef met ten minste 8 jaar en minder dan 9 jaar graadanciënniteit;24/b Administratief of Technisch SectiechefBc
 Administratief of Technisch Sectiechef met ten minste 9 jaar en minder dan 12 jaar graadanciënniteit24/c Administratief of Technisch SectiechefBc
 Administratief of Technisch Sectiechef met ten minste 12 jaar en minder dan 18 jaar graadanciënniteit24/c Administratief of Technisch SectiechefBd
 Administratief of Technisch Sectiechef met ten minste 18 jaar graadanciënniteit24/d Administratief of Technisch SectiechefBd
 Hoofdcontroleur met minder dan 8 jaar graadanciënniteit24/b HoofdcontroleurBb
 Controleur met ten minste 8 jaar en minder dan 12 jaar graadanciënniteit24/c HoofdcontroleurBc
 Controleur met ten minste 12 jaar graadanciënniteit24/d HoofdcontroleurBd
1Vertaler-revisor of Vertaler-revisor (vlakke loopbaan in uitdoving) met minder dan 1 jaar graadanciënniteit10/aAAdviseurA2c
 Vertaler-revisor of Vertaler-revisor (vlakke loopbaan in uitdoving) met ten minste 1 jaar en minder dan 4 jaar graadanciënniteit10/a AdviseurA2d
 Vertaler-revisor of Vertaler-revisor (vlakke loopbaan in uitdoving) met ten minste 4 jaar en minder dan 8 jaar graadanciënniteit10/b AdviseurA2d
 Vertaler-revisor of Vertaler-revisor (vlakke loopbaan in uitdoving) met ten minste 8 jaar en minder dan 12 jaar graadanciënniteit10/b Eerste adviseurA3c
 Vertaler-revisor of Vertaler-revisor (vlakke loopbaan in uitdoving) met ten minste 12 jaar graadanciënniteit10/c Eerste adviseurA3d
 Vertaler-directeur (vlakke loopbaan in uitdoving)13/a Eerste adviseurA3d
 Adviseur met minder dan 1 jaar graadanciënniteit12/f AdviseurA2c
 Adviseur met ten minste 1 jaar en minder dan 2 jaar graadanciënniteit12/f AdviseurA2d
 Adviseur met ten minste 2 jaar en minder dan 8 jaar graadanciënniteit12/g AdviseurA2d
 Adviseur met ten minste 8 jaar en minder dan 12 jaar graadanciënniteit12/h Eerste adviseurA3c
 Adviseur met ten minste 12 jaar graadanciënniteit12/i Eerste adviseurA3d
 Ingenieur-adviseur met minder dan 1 jaar graadanciënniteit12/a Ingenieur-adviseurA2a
 Ingenieur-adviseur met ten minste 1 jaar en minder dan 2 jaar graadanciënniteit12/a Ingenieur-adviseurA2b
 Ingenieur-adviseur met ten minste 2 jaar en minder dan 8 jaar graadanciënniteit12/b Ingenieur-adviseurA2b
 Ingenieur-adviseur met ten minste 8 jaar en minder dan 12 jaar graadanciënniteit12/c Eerste ingenieur-adviseurA3a
 Ingenieur-adviseur met ten minste 12 jaar graadanciënniteit12/d Eerste ingenieur-adviseurA3b
 Administrateur15/a Administrateur (in uitdoving)A5a


  

Handtekening Tekst Inhoudstafel Begin
   Gegeven te Brussel, 11 januari 2007.
ALBERT
Van Koningswege :
De Minister van Economie, Energie, Buitenlandse Handel en Wetenschapsbeleid,
M. VERWILGHEN

Aanhef Tekst Inhoudstafel Begin
   ALBERT II, Koning der Belgen,
   Aan allen die nu zijn en hierna wezen zullen, Onze Groet.
   Gelet op de wet van 17 januari 2003 met betrekking tot het statuut van de regulator van de Belgische post- en telecommunicatiesector, inzonderheid op artikel 26, vierde lid, gewijzigd bij de wet van 20 juli 2006;
   Gelet op het koninklijk besluit van 18 maart 1993 houdende de bezoldigingsregeling van het personeel van het Belgisch Instituut voor postdiensten en telecommunicatie, gewijzigd bij de koninklijke besluiten van 14 juli 1994, 27 maart 1995, 13 september 1998, 14 november 2001, 4 december 2001, 20 september 2002, 11 juli 2003 en 3 juli 2005;
   Gelet op het koninklijk besluit van 18 maart 1993 tot vaststelling voor elke graad van het personeel van het Belgisch Instituut voor postdiensten en telecommunicatie, van de weddeschalen, de weddecomplementen en hun toekenningsvoorwaarden, gewijzigd bij de koninklijke besluiten van 14 juli 1994, 27 maart 1995, 14 november 2001, 4 december 2001, 18 november 2002 en 3 juli 2005;
   Gelet op het koninklijk besluit van 18 maart 1993 tot vaststelling van de specifieke geldelijke regels met betrekking tot de graden van de ambtenaren van het personeel van het Belgisch Instituut voor postdiensten en telecommunicatie die aan gespecialiseerde functies beantwoorden, gewijzigd bij de koninklijke besluiten van 14 juli 1994, 27 maart 1995, 14 november 2001 en 4 december 2001;
   Gelet op het koninklijk besluit van 18 maart 1993 betreffende de toekenning van sommige voordelen aan het personeel van het Belgisch Instituut voor postdiensten en telecommunicatie;
   Gelet op het koninklijk besluit van 18 maart 1993 betreffende de toekenning van een produktiviteitspremie aan de personeelsleden van het Belgisch Instituut voor postdiensten en telecommunicatie;
   Gelet op het koninklijk besluit van 19 maart 1993 betreffende de toekenning van een halfjaarlijkse beheerstoelage aan bepaalde ambtenaren van het Belgisch Instituut voor postdiensten en telecommunicatie, gewijzigd bij het koninklijk besluit van 14 november 2001;
   Gelet op het koninklijk besluit van 14 november 2001 betreffende de toekenning van een toelage aan de personeelsleden van het Belgisch Instituut voor postdiensten en telecommunicatie die worden toegewezen als secretaris aan de leden van de directieraad;
   Op voorstel van het Belgisch Instituut voor postdiensten en telecommunicatie van 10 februari 2006;
   Gelet op het advies van de Inspecteur van Financiën gegeven op 7 juli 2006;
   Gelet op de akkoordbevinding van Onze Minister van Begroting van 12 september 2006;
   Gelet op het protocol van het Sectorcomité VIII van 25 september 2006;
   Gelet op advies 41.495/4 van de Raad van State, gegeven op 13 november 2006, met toepassing van artikel 84, § 1, eerste lid, 1°, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State;
   Op de voordracht van Onze Minister van Economie, Energie, Buitenlandse Handel en Weten
schapsbeleid;
   Hebben Wij besloten en besluiten Wij :

Wijziging(en) Tekst Inhoudstafel Begin
originele versie
  • KONINKLIJK BESLUIT VAN 11-12-2019 GEPUBL. OP 20-12-2019
    (GEWIJZIGD ART. : 3bis)
  • originele versie
  • WET VAN 10-08-2015 GEPUBL. OP 01-09-2015
    (GEWIJZIGD ART. : 31)
  • originele versie
  • KONINKLIJK BESLUIT VAN 25-04-2014 GEPUBL. OP 01-07-2014
    (GEWIJZIGD ART. : 31)
  • originele versie
  • KONINKLIJK BESLUIT VAN 15-09-2013 GEPUBL. OP 25-09-2013
    (GEWIJZIGDE ART. : 1; 17; 18; 31; 31/1; NL42; 48; 49; 51; 63; 64; F69; 74)
  • originele versie
  • KONINKLIJK BESLUIT VAN 13-10-2010 GEPUBL. OP 04-11-2010
    (GEWIJZIGD ART. : 31)
  • originele versie
  • KONINKLIJK BESLUIT VAN 16-11-2009 GEPUBL. OP 20-11-2009
    (GEWIJZIGD ART. : 55)
  • originele versie
  • KONINKLIJK BESLUIT VAN 09-12-2008 GEPUBL. OP 02-02-2009
    (GEWIJZIGDE ART. : N4; 74)

  • Verslag aan de Koning Tekst Inhoudstafel Begin
       VERSLAG AAN DE KONING.
       Sire,
       Zoals het besluit houdende het administratief statuut dat U gelijktijdig ter ondertekening wordt voorgelegd, wordt het onderhavige geldelijk statuut van het personeel van het Belgisch Instituut voor postdiensten en telecommunicatie (BIPT) substantieel gewijzigd zodat het wenselijk leek het integraal te vervangen door een nieuw besluit eerder dan het bestaande besluit te wijzigen.
       Bovendien wordt hier ook van de gelegenheid gebruik gemaakt om in één tekst verschillende besluiten samen te brengen die voordien los van elkaar stonden en die de weddenschalen verbonden aan de graden of betrekking hadden op verscheidene premies. Aldus is de nieuwe tekst tegelijkertijd vollediger en meer toegankelijk.
       Dit verslag, dat een verduidelijking beoogt van de filosofie achter sommige bepalingen in de tekst, is tamelijk ongebruikelijk voor een besluit houdende een geldelijk statuut. Het is niettemin gerechtvaardigd door het belang van de tekst en draagt bij tot het streven naar doorzichtigheid.
       De verklaringen die het bevat zijn toegespitst op de vernieuwingen die aangebracht worden in het statuut van 18 maart 1993 en zijn verenigd per titel.
       Bespreking van de titels en hoofdstukken.
       TITEL I. - De bezoldigingsregeling.
       HOOFDSTUK I. - Algemene bepalingen.
       De definities opgenomen in artikel 1 zijn identiek met die opgenomen in het vroegere geldelijk statuut, behalve dat :

       
       - de " Minister " vervangen werd door de " Raad ";
       - een definitie voor de " statutaire ambtenaar " werd toegevoegd evenals een vermelding van het koninklijk besluit houdende het administratief statuut van het Instituut zodat hiernaar in verkorte vorm kan worden verwezen.
       Het advies van de Raad van State om in de Franse tekst het woord " agent " te vervangen door de woorden " agent statutaire " wordt gevolgd. In de Nederlandse tekst wordt echter het woord " ambtenaar " niet vervangen door de woorden " personeelslid in vast dienstverband " maar wel door de woorden " statutaire ambtenaar ". Dit niet alleen omdat het beter aansluit bij de voorgestelde Franse tekst, maar vooral ook omdat met deze definitie in het huidige statuut, zowel als in onderhavig besluit, niet uitsluitend de vastbenoemde ambtenaren worden bedoeld maar ook de op proef benoemde personeelsleden en beiden worden als " ambtenaren " aanzien.
       Tot nog toe was het geldelijk statuut enkel van toepassing op de in vast verband en op proef benoemde statutaire ambtenaren. Artikel 2 bepaalt dat sommige bepalingen van het onderhavige ontwerp ook van toepassing zullen zijn op het contractuele personeel, voorzover de tekst dit preciseert.
       HOOFDSTUK II. - Organieke regeling.
       Afdeling I. - Vaststelling van de weddenschalen.
       Bijlage I bij het onderhavige besluit bevat de weddenschalen die verbonden zijn aan het huidige geldelijk statuut waaraan echter systematisch de bedragen toegevoegd werden die overeenstemmen met de bijzondere weddenschalen die toegekend werden aan de statutaire ambtenaren waarvan de beoordeling afgesloten werd met de vermelding " zeer goed ". Zoals aangegeven in het verslag over het administratief statuut, dat U eveneens ter ondertekening werd voorgelegd, is dit beoordelingssysteem voorbestemd om voor alle ambtenaren van alle niveaus omgevormd te worden in een humanresourcesmanagementstool dat steunt op functiebeschrijvingen en leidt tot de toekenning van een beheerstoelage. Deze nieuwe weddenschalen treden met terugwerkende kracht in werking op 1 juli 2004.
       Bijlage II bevat de weddenschalen van bijlage I lineair verhoogd met 3 %. De verhoogde weddenschalen treden met terugwerkende kracht in werking op 1 juli 2005.
       De benamingen van de weddenschalen worden aangepast aan de nieuwe structuur van de niveaus ingevoerd door het nieuwe administratief statuut.
       In reactie op een opmerking van de Raad van State over de artikelen 5 en 6, wordt erop gewezen dat de indeling van de statutaire ambtenaren in leeftijdsklassen bij het Instituut vanaf 1 januari 1994 werd opgeheven bij het koninklijk besluit van 13 september 1998 tot wijziging van het koninklijk besluit van 18 maart 1993 houdende bezoldigingsregeling van het personeel van het Belgisch Instituut voor postdiensten en telecommunicatie. Net zoals bij de rijksambtenaren (art. 7, 35 en 38 van het koninklijk besluit van 29 juni 1973 houdende bezoldigingsregeling van het personeel van de federale overheidsdiensten) werd aan deze maatregel maar terugwerkende kracht verleend tot 1 januari 1994. De statutaire ambtenaren in dienst op datum van 31 december 1993 blijven dus ingedeeld in leeftijdsklassen, terwijl dat niet het geval is voor diegenen die in dienst traden vanaf 1 januari 1994.
       Naar aanleiding van de opmerking van de Raad van State over de draagwijdte van paragraaf 3 van artikel 5 werd vastgesteld dat de opname van deze paragraaf niet meer opportuun is omdat er vanaf 1 januari 1994 geen leeftijdsklassen meer zijn en er dus ook geen minimumwedde meer aan verbonden is. Deze paragraaf werd geschrapt. Van de gelegenheid werd tevens gebruik gemaakt om de paragrafen over de leeftijdsklassen te hergroeperen.
       Afdeling II. - Verbinden van de weddenschalen aan de graden.
       Deze afdeling bevat voortaan de bepalingen tot vaststelling voor elke graad van het personeel van het Instituut van de weddenschalen, de weddencomplementen en hun toekenningsvoorwaarden, die voordien opgenomen waren in een afzonderlijk besluit.
       Artikel 8 bepaalt dat de overgangen naar de hogere weddenschaal verbonden aan de graad, die tot nog toe verschillend waren naargelang van de graad van de statutaire ambtenaar, voortaan eenvormig worden vastgesteld :

       
       - na een jaar, te rekenen vanaf de indiensttreding, overgang van de wervingsschaal naar de tweede weddenschaal, voorzover de statutaire ambtenaar in vast verband werd benoemd;
       - na acht jaar, overgang naar de derde weddenschaal;
       - na twaalf jaar, overgang naar de vierde en laatste weddenschaal.
       Artikel 9 voert een uitzondering in voor de ambtenaren die het bezit van een nuttige beroepservaring van minstens één jaar kunnen aantonen. Op voorwaarde dat die nuttige beroepservaring uitdrukkelijk was vereist bij de vergelijkende selectieprocedure, wordt die onmiddellijk aanvaard en wordt hun wedde vastgesteld in de tweede weddenschaal verbonden aan hun graad. De overgang naar de derde weddenschaal vindt, zoals voor de andere statutaire ambtenaren, plaats na acht jaar graadanciënniteit bij het Instituut.
       Wat de opmerking van de Raad van State over artikel 10 betreft, wordt erop gewezen dat het gelijkheidsbeginsel opgenomen in de algemene principes steeds werd gerespecteerd in die zin dat de wedde van de contractuele personeelsleden steeds werd vastgesteld in de wervingsschalen verbonden aan de graad waarin zij werden aangeworven. In deze schaal kregen zij tussentijdse weddenverhogingen zoals bepaald door het geldelijk statuut. Zoals dat ook gebruikelijk is bij het openbare ambt, werd er daarentegen nergens voorzien dat zij ook een " bevordering door verhoging in weddenschaal " konden krijgen.
       De aanstelling in de wervingsschaal wordt bevestigd in artikel 10 van dit besluit, maar voortaan gaan de contractuele personeelsleden ook na één jaar dienst bij het Instituut automatisch over naar het tweede barema verbonden aan hun graad. Verdere bevorderingen door verhogingen in weddenschaal zijn echter niet voorzien.
       De doorstroming naar het tweede barema is geïnspireerd op de mogelijkheid om bij de aanwerving van contractuele personeelsleden maximum vijf jaar nuttige ervaring te eisen. Deze ervaring wordt gevaloriseerd door het aangeworven contractuele personeelslid onmiddellijk in het tweede barema te plaatsen.
       Zoals voor de statutaire ambtenaren, gaat bovendien een contractueel personeelslid waar bij de aanwerving een nuttige beroepservaring werd geëist, onmiddellijk over naar de weddenschaal volgend op de wervingsschaal.
       De statutaire ambtenaren die geslaagd zijn voor een vergelijkende bevorderingsselectie, maar die niet onmiddellijk bevorderd konden worden, genieten zoals in het verleden tot aan hun effectieve bevordering een bijzondere weddenschaal, " geselecteerd " genaamd. Die bijzondere weddenschaal komt overeen met de schaal die als grondslag dient voor de berekening van de wedde van de statutaire ambtenaar, in iedere trap vermeerderd met een forfaitair bedrag dat op zijn beurt, met terugwerkende kracht op 1 juli 2005, verhoogd wordt met 3 %, in overeenstemming met de lineaire verhoging van de weddenschalen vanaf dezelfde datum.
       Afdeling III. - In aanmerking komende diensten.
       Afdeling IV. - Berekening van de geldelijke anciënniteit.
       De afdelingen III en IV, bestaande uit de artikelen 17 tot 27, werden overgenomen zonder wijzigingen.
       Net zoals voor de opmerking van de Raad van State over de artikelen 5 en 6, geldt dat in artikel 17 op verscheidene plaatsen maatregelen werden ingevoerd bij koninklijk besluit van 14 november 2001 houdende wijziging van diverse verordeningsbepalingen toepasselijk op de ambtenaren van het Belgisch Instituut voor postdiensten en telecommunicatie, waaraan maar terugwerkende kracht werd verleend tot 1 januari 1998.
       De Raad van State merkt op dat de terminologie van artikel 18 moet worden aangepast aan de terminologie die van kracht is sinds de politiehervorming. Hier dient te worden gesteld dat de federale politie geen deel meer uitmaakt van het leger en dat de gelijkstelling met de beroepsmilitairen dus niet gerechtvaardigd zou zijn.
       HOOFDSTUK III. - Berekening en uitbetaling van de wedde.
       Hetzelfde geldt voor hoofdstuk III, bestaande uit de artikelen 28 tot 30.
       TITEL II. - Premies, vergoedingen en toelagen.
       HOOFDSTUK I. - Verordeningsbepalingen die van toepassing verklaard zijn op het Instituut.
       Met het koninklijk besluit van 18 maart 1993 betreffende de toekenning van sommige voordelen aan het personeel van het Belgisch Instituut voor postdiensten en telecommunicatie, werden in artikel 2 een aantal premies, vergoedingen en toelagen van het federale openbaar ambt van toepassing gesteld op het personeel van het BIPT. Artikel 3 van dat besluit deed hetzelfde met andere premies, vergoedingen en toelagen die van kracht waren bij de Regie van Telegrafie en Telefonie. Het betreffende koninklijk besluit is niet meer van toepassing op de ambtenaren die onder het toepassingsgebied van het onderhavige besluit vallen. De meeste van die premies, vergoedingen en toelagen worden heropgenomen in dit hoofdstuk.
       Van de besluiten van het openbare ambt werden de koninklijke besluiten van 1 juni 1964 houdende tijdelijke bepalingen voor de toepassing van de regelen betreffende de anciënniteit en de rangschikking van de rijksambtenaren en van 15 april 1965 houdende toekenning van een weddebijslag aan sommige leden van het door de Staat bezoldigd personeel wier indiensttreding door de oorlog 1940-1945 merkelijk is vertraagd, niet meer vermeld omdat het Instituut nooit personeelsleden heeft gehad waarop die besluiten van toepassing waren.
       De premies ingesteld met de volgende RTT-besluiten werden niet meer opgenomen ter compensatie van de vergoeding voor het uitvoeren van controles :

       
       - Ministerieel besluit van 21 mei 1964 betreffende de toekenning van een toelage voor lastig werk aan de personeelsleden van Belgacom;
       - Koninklijk besluit van 30 december 1971 tot regeling van de toekenning van een vergoeding voor verzorgde kleding aan zekere personeelsleden van Belgacom;
       - Koninklijk besluit van 7 juni 1978 tot toekenning van een toelage wegens het uitblijven van ongevallen aan het personeel van Belgacom.
       Overgangsbepalingen schrijven echter voor dat de personeelsleden die de bovenstaande premies genoten en niet meer in aanmerking komen voor de nieuwe vergoeding, een premie krijgen die dit verlies volledig moet compenseren.
       Gevolggevend aan een opmerking van de Raad van State werden in de eerste zin van artikel 31 de woorden " zoals zij gewijzigd zijn " weggelaten tussen de woorden " volgende besluiten " en " van toepassing op ". Aan het voorstel van de Raad van State om ook de tweede zin van dit artikel te schrappen, wordt daarentegen geen gevolg gegeven omdat dit er juist toe zou leiden dat nieuwe bepalingen over hetzelfde onderwerp maar die in de context van een toekomstige reglementering de huidige vervangt, niet meer van toepassing zouden zijn op het Instituut, wat niet overeenstemt met de bedoeling van de auteur.
       Wat de tweetaligheidspremie betreft, zullen de personeelsleden van het BIPT dezelfde premie genieten als de rijksambtenaren en niet meer de premie bedoeld in het koninklijk besluit van 10 oktober 1991 tot toekenning van een premie voor tweetaligheid aan de personeelsleden van Belgacom. Die wijziging beïnvloedt het bedrag van de bedoelde premie niet. Bovendien wordt het genot van die premie uitgebreid tot de contractuele personeelsleden (artikel 46).
       In de artikelen 32 tot en met 46 wordt aangegeven hoe sommige termen uit de op het BIPT van toepassing gestelde besluiten, op een specifieke wijze moeten worden gelezen. Daarenboven worden daarin de bevoegdheden die voordien voorbehouden waren voor de Minister, overgedragen aan de Raad.
       Enkele nieuwigheden verdienen nochtans wat meer aandacht :

       
       1° de toelage voor zondagswerk wordt uitgebreid voor het verrichten van prestaties op een zaterdag (artikel 36);
       2° omwille van de eenvormigheid met de overige premies worden de verblijfsvergoedingen eveneens gekoppeld aan spilindexcijfer 138,01 (artikel 37);
       3° de forfaitaire vergoeding wegens verblijfkosten werd in rang 24 toegekend aan de technische sectiechefs en de hoofdcontroleurs en wordt nu met terugwerkende kracht tot 1 juli 2006 uitgebreid tot de administratieve sectiechefs (artikel 41);
       4° de forfaitaire vergoeding voor routeonkosten die voordien toegekend werd aan de reizende werklieden, waaronder voor het Instituut enkel de techniciens werden verstaan, wordt voortaan toegekend aan alle statutaire ambtenaren of contractuele personeelsleden van de niveaus C en D die gewoonlijk verplaatsingen moeten verrichten tijdens de diensturen (artikel 42). Die vergoeding is bedoeld als compensatie omdat die ambtenaren meestal geen gebruik kunnen maken van het bedrijfsrestaurant. Het nieuwe toepassingsgebied beantwoordt beter aan de werkelijkheid. Sommige administratieve personeelsleden moeten zich in het kader van hun dienstprestaties ook verplaatsen en omgekeerd verrichten sommige techniciens eerder administratief werk waarvoor geen verplaatsingen nodig zijn. De techniciens waarvoor dit het geval is op het ogenblik dat het onderhavige besluit van kracht wordt, verliezen dus hun vergoeding voor routeonkosten, maar krijgen wel een compenserende premie zoals in de overgangsbepalingen wordt voorgeschreven.
       HOOFDSTUK II. - Premies, vergoedingen en toelagen eigen aan het Instituut.
       Afdeling I. - Toekenning van een halfjaarlijkse beheerstoelage.
       Bij koninklijk besluit van 19 maart 1993 werd een halfjaarlijkse beheerstoelage ingesteld die uitsluitend bestemd was voor de statutaire ambtenaren van niveau 1. Ze was verbonden aan een waarderingscijfer dat aan iedere ambtenaar werd toegekend in verhouding tot de verantwoordelijkheden verbonden aan zijn functie en de wijze waarop hij die uitvoerde. Daarnaast waren die statutaire ambtenaren ook nog onderworpen aan een jaarlijkse beoordeling, die voor hen geen financiële gevolgen had, behoudens om hen toe te laten tot de 4e weddenschaal verbonden aan hun graad.
       Het bovenvermelde koninklijk besluit, evenals het koninklijk besluit betreffende de toekenning van een produktiviteitspremie aan de personeelsleden van het Belgisch Instituut voor postdiensten en telecommunicatie, worden afgeschaft.
       De beheerstoelage wordt wel opnieuw opgenomen maar uitgebreid tot de statutaire ambtenaren van alle niveaus evenals tot de contractuele personeelsleden. Bovendien wordt de toelage voortaan verbonden aan het nieuwe beoordelingssysteem waarin het administratieve statuut voorziet dat U eveneens ter ondertekening werd voorgelegd.
       De bepalingen van het koninklijk besluit van 19 maart 1993 worden praktisch volledig overgenomen. Hieraan worden de volgende vernieuwingen toegevoegd :

       
       - de berekeningswijze van de toelage wordt nu volledig opgenomen in het besluit;
       - het waarderingscijfer wordt nu berekend op 100 ipv op 10 en gepreciseerd wordt dat men ten minste een score van 50 moet halen om de toelage te kunnen genieten. Enkel in geval van een lager waarderingscijfer kan een zaak aanhangig worden gemaakt bij de Raad van Beroep;
       - een procedure wordt voorzien in geval van afwezigheid van de ambtenaar, zowel gedurende de volledige halfjaarlijkse periode als op het ogenblik dat de waarderingscijfers worden toegekend;
       - vermits aan de ambtenaren geen waarderingscijfer wordt gegeven gedurende het eerste jaar na hun indiensttreding, krijgen zij ondertussen ambtshalve het minimumbedrag van de toelage waarop zij recht zouden gehad hebben.
       Afdeling II. - Toelage aan de ambtenaren die aangesteld worden tot opdrachthouder.
       Het nieuwe administratief statuut, dat U eveneens ter ondertekening werd voorgelegd, voorziet in de mogelijkheid om aan sommige statutaire ambtenaren de hoedanigheid van opdrachthouder toe te kennen. Hieraan wordt in het onderhavige besluit een toelage verbonden.
       Die toelage wordt uitgedrukt in een percentage van het verschil tussen, enerzijds, het maximumbedrag van de weddenschaal verbonden aan de graad van de opdrachthouder met een theoretische geldelijke anciënniteit tussen 8 en 12 jaar, en, anderzijds, het maximumbedrag van een theoretische referentieschaal.
       Het bedoelde percentage, dat vooraf aan het sociale overleg wordt onderworpen, wordt vastgesteld door de Raad en wordt vermeld in de oproep voor het indienen van kandidaturen; naargelang van de impact en de belangrijkheid van de opdracht, kan het percentage 60 %, 40 % of 25 % bedragen.
       Twee correctiecoëfficiënten moesten ingevoerd worden. De eerste beoogt de graden van (eerste) ingenieur-adviseur en (eerste) informaticus-adviseur, gelet op de beperkte spanning tussen de voor deze graden gemeenschappelijke weddenschaal en de referentieweddenschaal van de hogere graad van administrateur (in uitdoving). De tweede wordt toegepast op de graden van niveau C, omdat de statutaire ambtenaren van dit niveau voor dezelfde opdrachten kunnen postuleren als de statutaire ambtenaren van niveau B. Met die coëfficiënt worden beide niveaus min of meer gelijkgeschakeld.
       Ten slotte worden de bedragen verbonden aan die toelage geplafonneerd, zowel wat betreft het aantal in aanmerking komende begunstigden, als het totale jaarlijkse bedrag aan toelagen dat kan worden uitgekeerd.
       Afdeling III. - Toelage voor het uitvoeren van controles.
       Het uitvoeren van controles buiten de werkzetel legt dikwijls een bijkomende druk op de betrokken personeelsleden. Daarom wordt een maandelijkse toelage toegekend aan de personeelsleden waarvan dit de voornaamste taak is. De personeelsleden die slechts sporadisch controleopdrachten uitvoeren krijgen slechts een gedeeltelijke toelage verbonden aan de werkelijk uitgevoerde controles.
       Behoudens voor de ambtenaren die slechts sporadisch controleopdrachten uitvoeren, treedt deze toelage met terugwerkende kracht in werking op 1 juli 2006. Op diezelfde datum worden de uitbetalingen van de toelage voor lastig werk, de vergoeding voor verzorgde kleding en de toelage wegens het uitblijven van ongevallen stopgezet aan de personeelsleden waaraan de toelage voor het uitvoeren van controles werd toegekend.
       TITEL III. - Voordelen overgedragen aan de ambtenaren van het Instituut op basis van artikel 73, § 3, van de wet van 21 maart 1991 betreffende de hervorming van sommige economische overheidsbedrijven.
       In artikel 73, § 3, stelde de wet van 21 maart 1991 betreffende de hervorming van sommige economische overheidsbedrijven dat de sociale en andere voordelen die toegekend worden aan de ambtenaren van het Instituut nooit minder konden zijn dan deze toebedeeld aan het personeel van de Regie van Telegrafie en Telefonie op het ogenblik van de oprichting van het BIPT. In overeenstemming met dat artikel erfde het Instituut sommige voordelen waarvan de toekenningsvoorwaarden werden vastgelegd in dienstorders die goedgekeurd werden door de voogdijminister. Volgens het Rekenhof was de juridische basis hiervoor echter onvoldoende. Daarom worden de onderstaande voordelen behouden maar voortaan opgenomen in het geldelijk statuut :

       
       1. de terugbetaling van het abonnementsgeld voor een telefoontoestel of GSM;
       2. de tegemoetkoming in de gesprekskosten die van thuis uit worden gevoerd om dienstredenen;
       3. de bestaande sociale voordelen, dwz hospitalisatieverzekering, geboortepremie, studiebeurzen, tegemoetkoming in medische kosten en kosten voor de opvang van kinderen tijdens de vakantieperiodes, preventieve medische controles;
       4. de verkeersvoordelen die opgenomen zijn in de conventie van 28 mei 1973 afgesloten tussen de NMBS en het Ministerie van Verkeerswezen.
       De vaststelling van de toekenningsvoorwaarden voor die voordelen wordt aan de Raad gelaten. Het pakket aan sociale voordelen kan door de Raad uitgebreid of geactualiseerd worden binnen de vastgestelde budgettair beschikbare middelen. In dat geval is het voorafgaande advies van de inspectie van financiën vereist.
       TITEL IV. - Overgangsbepalingen.
       Bijlage IV bevat een conversietabel waarin bepaald wordt naar welke nieuwe weddenschaal iedere thans in dienst zijnde statutaire ambtenaar wordt overgeheveld. Die tabel moet tevens de perequatie waarborgen van de pensioenen van de op rust gestelde personeelsleden.
       Artikel 67 zorgt ervoor dat de statutaire ambtenaren die bij de oprichting van het Instituut overgekomen zijn van De Post, de Regie van Telegrafie en Telefonie of het Ministerie van Economische Zaken, geen anciënniteitverlies lijden.
       Artikel 68 stelt een vrijwaringsclausule in voor de statutaire ambtenaren die bevorderd werden in de graad van controleur (in uitdoving). Het is mogelijk dat door de invoering van uniforme regels voor de overgang naar de hogere weddenschaal, sommige statutaire ambtenaren een hogere wedde zouden genoten hebben indien zij in de graad van correspondent of technicien waren gebleven.
       Zoals reeds eerder werd vermeld, voert artikel 69 compenserende premies in voor de statutaire ambtenaren of contractuele personeelsleden die verlies zouden lijden door de definitieve afschaffing of de wijziging van de toekenningsvoorwaarden van sommige premies.
       Artikel 70 regelt de overgang van het oude naar het nieuwe evaluatiesysteem dat gesteund is op de veralgemening van de beheerstoelage in plaats van de productiviteitspremie. Dit karakter van overgangsbepaling rechtvaardigt dus niet de door de Raad van State gewenste harmonisatie met artikel 48 van dit besluit noch met het artikel 60, § 2, tweede lid, van het administratief statuut. Vermits dit artikel betrekking heeft op de toekenning van het eerste waarderingscijfer voor de beheerstoelage, heeft het eerder zijn plaats in het geldelijk statuut dan in het administratief statuut waar de beoordeling behandeld wordt waarin enkel een eindvermelding " onvoldoende " kan worden verkregen door het gemiddelde te nemen van de laatste twee waarderingscijfers. Het voorstel van de Raad van State wordt dus niet gevolgd.
       Een specifieke en unieke premie, overgangspremie genaamd, beoogt de forfaitaire schadeloosstelling van het personeel van het Instituut voor de opgelopen vertraging in de inwerkingtreding van de nieuwe statuten.
       In reactie op een opmerking van de Raad van State wordt gepreciseerd dat de koninklijke besluiten die bij artikel 73, § 1 " niet meer van toepassing gesteld worden op de statutaire ambtenaren ", niet opgeheven worden omdat zij nog van toepassing zijn op de personeelsleden van de vroegere Dienst Kijk- en Luistergeld die in 1997 van Belgacom overgeheveld werden naar het Instituut en die ondertussen ter beschikking gesteld zijn van verscheidene federale overheidsdiensten.
       Om aan het bezwaar geformuleerd door de Raad van State tegemoet te komen, delen wij mede dat de inwerkingtreding van hoofdstuk II van Titel I en van de tabel in bijlage I met terugwerkende kracht tot 1 juli 2004, evenals van de tabel in bijlage II en van artikel 15, tweede lid, met terugwerkende kracht tot 1 juli 2005 en van de artikelen 41, 58, 59, 60 en 73, § 2 tot 1 juli 2006, gerechtvaardigd wordt door de ruime tijd die nodig was om de in het Sectorcomité gemaakte afspraken met de representatieve vakorganisaties, vast te leggen in reglementaire teksten. Deze retroactiviteit, die in hoofdzaak regels betreft die voordelen toekennen, schaadt geenszins het gelijkheidsbeginsel, noch verworven rechten en draagt bij tot de goede werking van de diensten van het Instituut.
       Ik heb de eer te zijn,
       Sire,
       van Uwe Majesteit,
       de zeer eerbiedige en zeer getrouwe dienaar,
       De Minister van Economie, Energie, Buitenlandse Handel en Wetenschapsbeleid,
       M. VERWILGHEN
       ADVIES 41.495/4 VAN DE AFDELING WETGEVING VAN DE RAAD VAN STATE.
       De Raad van State, afdeling wetgeving, vierde kamer, op 17 oktober 2006 door de Minister van Economie, Energie, Buitenlandse Handel en Wetenschapsbeleid verzocht hem, binnen een termijn van dertig dagen, van advies te dienen over een ontwerp van koninklijk besluit " houdende het geldelijk statuut van het personeel van het Belgisch Instituut voor postdiensten en telecommunicatie ", heeft op 13 november 2006 het volgende advies gegeven :

       
       Aangezien de adviesaanvraag ingediend is op basis van artikel 84, § 1, eerste lid, 1°, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State, zoals het is vervangen bij de wet van 2 april 2003, beperkt de afdeling wetgeving overeenkomstig artikel 84, § 3, van de voornoemde gecoördineerde wetten haar onderzoek tot de rechtsgrond van het ontwerp, de bevoegdheid van de steller van de handeling en de te vervullen voorafgaande vormvereisten.
       Wat deze drie punten betreft, geeft het ontwerp aanleiding tot de volgende opmerkingen.
       Reikwijdte van het ontwerp.
       Het ontworpen koninklijk besluit strekt ertoe het geldelijk statuut van het personeel van het Belgisch Instituut voor postdiensten en telecommunicatie (hierna te noemen : het Instituut) aan te passen aan de wijzigingen die voorvloeien uit de wet van 17 januari 2003 met betrekking tot het statuut van de regulator van de Belgische post- en telecommunicatiesector, bij welke wet de autonomie van het Instituut ten opzichte van de overheid vergroot is. Voorts worden bij het ontwerp in het geldelijk statuut van het personeel van het Instituut de principes ingevoerd die uit de " Copernicus "-hervorming voortkomen, inzonderheid door de toekenning van een beheerstoelage verbonden aan het waarderingscijfer verkregen tijdens de halfjaarlijkse beoordeling.
       Meer in het algemeen strekt het ontworpen besluit ertoe om alle bepalingen die het geldelijk statuut van het personeel van het Instituut regelen in één tekst samen te brengen. Die bepalingen zijn thans verspreid over een reeks andere teksten, die bij het voorliggende ontwerp opgeheven of vervangen worden. Parallel met dit ontwerp is ook een ontwerp van koninklijk besluit tot vaststelling van het administratief statuut van het personeel van het Belgisch Instituut voor postdiensten en telecommunicatie ter fine van advies voorgelegd aan de afdeling wetgeving van de Raad van State, welk advies vandaag is uitgebracht onder het nummer 41.494/4. Zoals blijkt uit het verslag aan de Koning waarvan het laatstgenoemde ontwerp vergezeld gaat, zullen deze beide ontwerpen samen " de ruggengraat van het statuut van het personeel van het statuut van het Instituut vormen " (Verslag aan de Koning in de adviesaanvraag betreffende een koninklijk besluit tot vaststelling van het administratief statuut van het personeel van het Belgisch Instituut voor postdiensten en telecommunicatie, blz. 2.)
       Algemene opmerkingen.
       1. Er wordt verwezen naar de algemene opmerkingen die in het voormelde advies 41.494/4 zijn gemaakt.
       2. Wat de artikelen 5 en 6 van het ontwerp betreft, blijkt niet uit het verslag aan de Koning waarom een bijzondere regeling uitgewerkt is voor de personeelsleden die op 31 december 1993 in dienst waren. De steller van het ontwerp moet de invoering van die bijzondere regeling kunnen rechtvaardigen in het licht van het gelijkheidsbeginsel en het non-discriminatiebeginsel die verankerd zijn in de artikelen 10 en 11 van de Grondwet.
       Deze opmerking geldt eveneens voor de overige bepalingen van het ontwerp waarin voor de toepassing van het geldelijk statuut scharnierdatums worden bepaald (bijvoorbeeld : artikel 15, § 1, tweede lid; artikel 17, § 1, eerste lid, 3°, tweede lid, en 6°, tweede lid; artikel 17, § 2, 1° en 2°; artikel 17, § 4 [...]).
       Bijzondere opmerkingen.
       Aanhef.
       1. De wet van 21 maart 1991 betreffende de hervorming van sommige economische overheidsbedrijven, waarnaar in het eerste lid wordt verwezen, vormt niet de rechtsgrond van het ontworpen besluit. De eerste aanhefverwijzing dient dan ook te vervallen.
       2. Artikel 26, vierde lid, van de wet van 17 januari 2003 met betrekking tot het statuut van de regulator van de Belgische post- en telecommunicatiesector vormt de rechtsgrond van het ontworpen besluit. In de tweede aanhefverwijzing dienen de woorden " inzonderheid op artikel 13 " vervangen te worden door de woorden " inzonderheid op artikel 26, vierde lid, gewijzigd bij de wet van 20 juli 2006 ".
       3. In de aanhef van het ontworpen besluit behoort te worden verwezen naar alle besluiten die bij de ontworpen tekst gewijzigd of opgeheven worden. Bij de verwijzing naar die regelingen moeten alle uitdrukkelijke wijzigingen worden vermeld die deze regelingen hebben ondergaan en die nog van kracht zijn, maar alleen onder opgave van aard en datum van de wijzigingsteksten. In de aanhef moeten die regelingen, wanneer daarnaar wordt verwezen, gerangschikt worden naar tijdsorde, te beginnen met de oudste.
       4. In artikel 26, vierde lid, van de voormelde wet van 17 januari 2003 wordt bepaald dat het administratief statuut van het Instituut door de Koning wordt vastgesteld " op voorstel van het Instituut en na akkoord van de minister van Begroting ". Vóór het lid waarin naar het advies van de Inspecteur van Financiën wordt verwezen, dient dan ook een lid te worden ingevoegd waarin het voorstel van het Instituut dd 10 februari 2006 wordt vermeld.
       5. In plaats van " Gelet op het advies van de Afgevaardigde van de Minister van Begroting gegeven op 7 juli 2006 " dient te worden geschreven : " Gelet op het advies van de Inspecteur van Financiën, gegeven op 7 juli 2006 ".
       Dispositief.
       Artikel 1.
       In onderdeel 3° behoort, met het oog op grotere duidelijkheid, in de Nederlandse tekst het woord " ambtenaar " te worden vervangen door de woorden " personeelslid in vast dienstverband ", terwijl in de Franse tekst het woord " agent " vervangen dient te worden door de woorden " agent statutaire ".
       De gehele tekst behoort dienovereenkomstig te worden herzien.
       Artikel 4.
       Artikel 4 bevat terugwerkende bepalingen, aangezien bepaald wordt dat de weddeschalen respectievelijk op 1 juli 2004 en op 1 juli 2005 in werking treden. Wat de aanvaardbaarheid van zulk een terugwerkende kracht betreft, wordt verwezen naar opmerking nr. 3 betreffende de artikelen 73 en 74.
       Artikel 5.
       De draagwijdte van paragraaf 3 is niet duidelijk. Deze paragraaf zou bevattelijker geredigeerd moeten worden.
       Artikel 9.
       1. In de Franse tekst van het eerste lid behoort te worden geschreven :

       
       " Par dérogation à l'article 8, § 2, le traitement d'un agent nommé à l'essai est fixé à l'échelle II liée à son grade [...]. "
       2. Voorgesteld wordt om na de woorden " het bezit van nuttige vroegere ervaring " de woorden " van minstens één jaar " toe te voegen.
       Artikel 10.
       Bij artikel 10 wordt een verschil in behandeling ingevoerd tussen leden van het contractueel personeel en personeelsleden in vast dienstverband, doordat leden van het contractueel personeel niet naar de weddeschalen III en IV kunnen overgaan.
       De steller van het ontwerp wordt er opmerkzaam op gemaakt dat die verschillende behandeling het gevaar loopt betwist te worden als zijnde strijdig met het gelijkheidsbeginsel en het non-discriminatiebeginsel vervat in de artikelen 10 en 11 van de Grondwet (Zie ook artikel 30 van het koninklijk besluit van 22 december 2000 tot bepaling van de algemene principes van het administratief en geldelijk statuut van de rijksambtenaren die van toepassing zijn op het personeel van de diensten van de Gemeenschaps- en Gewestregeringen en van de Colleges van de Gemeenschappelijke Gemeenschapscommissie en van de Franse Gemeenschapscommissie, alsook op de publiekrechtelijke rechtspersonen die ervan afhangen, welk artikel als volgt luidt : - " De personen die bij arbeidsovereenkomst in dienst worden genomen hebben recht op de weddeschaal, het gewaarborgd minimumloon, het vakantiegeld, de eindejaarstoelage en de vergoedingen, toelagen en premies gelijkwaardig aan die van een ambtenaar met hetzelfde of een gelijkwaardig ambt ".). De bepaling waarbij het leden van het contractueel personeel onmogelijk wordt gemaakt naar de weddeschalen III en IV over te gaan, zou beter vervallen.
       Artikel 17.
       1. In de inleidende zin van paragraaf 1 behoort te worden aangegeven dat de " verhogingen " " tussentijdse verhogingen " zijn.
       2. Voorgesteld wordt om in paragraaf 1, eerste lid, 4°, derde lid, na de woorden " uitdrukkelijk het bezit van een nuttige vroegere ervaring " de woorden " van die aard " in te voegen..
       Deze opmerking geldt eveneens voor paragraaf 3, eerste lid.
       3. In paragraaf 1, eerste lid, 10°, behoort in fine te worden toegevoegd " of van de Zwitserse Confederatie ".
       4. Voorgesteld wordt om in paragraaf 1, tweede lid, te schrijven " moet voor elk geval worden goedgekeurd ".
       Artikel 18.
       De terminologie die in punt 4° gebezigd wordt, moet worden aangepast aan de terminologie die geldt sedert de hervorming van de politiediensten.
       Artikel 20.
       In het zesde lid moet het woord " eensdeels " blijkbaar worden vervangen door de woorden " ten dele ", als zulks inderdaad de bedoeling van de steller van het ontwerp is.
       Artikel 21.
       Als de afwijking van artikel 17 een afwijking is van paragraaf 4 van dat artikel, zou zulks aangegeven moeten worden.
       Artikel 25.
       1. In het tweede lid, tweede zin, dient het woord " wel " te worden vervangen door het woord " evenwel ".
       2. In de Franse tekst van diezelfde zin zijn de woorden " die behoren tot het niveau A " niet vertaald, waardoor de Franse tekst onbegrijpelijk wordt. De Franse tekst van het tweede lid, tweede zin, zou als volgt moeten luiden : " Si le grade de base appartient par contre au niveau A, les services admissibles antérieurs qui relèvent du niveau A sont alors entièrement admissibles [... (voorts zoals in het ontwerp)] ".
       3. Als de woorden " volgens een benoemingswijze waarbij zijn vroegere hoedanigheid van ambtenaar buiten beschouwing wordt gelaten ", in het derde lid, moeten worden begrepen als " anders dan door bevordering ", zou het beter zijn die bewoordingen te gebruiken.
       Artikel 28.
       In paragraaf 2, tweede lid, moet blijkbaar verwezen worden naar artikel 25, eerste lid, en niet naar artikel 25, tweede lid. Het is immers in het eerste lid van die bepaling dat gedefinieerd wordt wat onder " basisgraad " moet worden verstaan.
       Artikel 31.
       1. In artikel 31,, eerste lid, zouden de woorden " zoals zij gewijzigd zijn " moeten vervallen. Hetzelfde geldt voor het tweede lid.
       Door die dubbele wijziging wordt gevolg gegeven aan de bedoeling van de steller van het ontwerp om de besluiten die in de voorliggende bepaling worden vermeld zowel in de huidige versie als in de toekomstige versies ervan toepasselijk te maken.
       2. Het juiste opschrift van het besluit waarnaar in het eerste lid, onderdeel 9°, wordt verwezen, is het volgende :

       
       " Koninklijk besluit van 29 juni 1973 houdende toekenning van een gewaarborgde bezoldiging aan sommige personeelsleden van de federale overheidsdiensten ".
       3. Het juiste Franse opschrift van het besluit waarnaar in het eerste lid, onderdeel 11°, wordt verwezen, is het volgende :

       
       " Arrêté royal du 23 octobre 1979 accordant une allocation de fin d'année à certains titulaires d'une fonction rémunérée à charge du Trésor public ".
       4. Het juiste opschrift van het besluit dat wordt genoemd in het eerste lid, onderdeel 12°, is :

       
       " Koninklijk besluit van 11 juni 1990 betreffende de toekenning van een toelage voor onregelmatige prestaties en een toelage voor nachtprestaties aan de personeelsleden van Belgacom ".
       Artikel 38.
       Er moet worden aangegeven met welke gevallen de vergoedingen overeenstemmen die worden vermeld in de kolommen 4 en 5 van de tabel.
       Artikel 47.
       In het tweede lid is het correcter te verwijzen naar de artikelen 54 tot 68 van het administratief statuut, veeleer dan naar de artikelen 52 tot 68 ervan. De artikelen 52 en 53 ervan handelen immers over de functiebeschrijving en betreffen dus niet rechtstreeks de beoordelingsprocedure.
       Artikel 48.
       1. Waarschijnlijk moet paragraaf 3, 4°, aldus worden uitgelegd dat daarin de andere verloven worden bedoeld dan die vermeld in paragraaf 2. Indien dit beslist het geval is, dient dit te worden aangegeven.
       Dezelfde opmerking geldt voor artikel 60, § 3, 4°, van het ontwerp.
       2. Het is dienstig in paragraaf 4, eerste lid, na de woorden " na drie maanden overschrijding van deze datum " de woorden " zonder dat de betrokkene het werk heeft hervat " in te voegen, indien dit de bedoeling van de steller van het ontwerp is.
       3. Op het einde van hetzelfde lid dient te worden geschreven : " wordt rekening gehouden met de bepalingen van paragraaf 1 " in plaats van " wordt rekening gehouden met de bepalingen van art. 48, § 1. ".
       4. Artikel 60, § 2, tweede lid, van het bewuste administratief statuut en artikel 48, § 5, van het ontworpen geldelijk statuut lijken volledig tegenstrijdig, daar deze twee bepalingen op hetzelfde geval betrekking hebben, namelijk het geval waarin het personeelslid afwezig is gedurende een volledige zesmaandelijkse beoordelingsperiode. Deze tegenstrijdigheid moet worden weggewerkt.
       Over artikel 70, § 3, dient mutatis mutandis dezelfde opmerking te worden gemaakt, doordat het op hetzelfde geval betrekking heeft.
       Artikel 49.
       De " koninklijke besluiten " van 18 januari 1994 en 25 februari 1994, die worden vermeld in artikel 49, § 2, 2°, worden in het ontwerp van administratief statuut aangegeven als " ministeriële besluiten " van dezelfde data (zie bijvoorbeeld artikel 158 van het ontwerp van administratief statuut). De precieze juridische aard van deze besluiten moet worden nagegaan en de twee ontwerpen van statuut moeten dienovereenkomstig worden aangepast.
       Dezelfde opmerking geldt voor artikel 67, §§ 2 en 3, van het ontwerp.
       Artikel 50.
       Van de mogelijkheid om beroep aan te tekenen bij de Raad van Beroep indien het waarderingscijfer minder dan vijftig bedraagt (wat uitsluiting van het genot van de toelage betekent), zou beter in het administratief statuut dan in het geldelijk statuut gewag worden gemaakt. Trouwens krachtens artikel 96, § 1, van het ontwerp van administratief statuut, is de Raad van Beroep alleen bevoegd om kennis te nemen van beroepen ingediend tegen voorstellen waartegen bij die Raad kan worden opgekomen met toepassing van het administratief statuut en van de ter uitvoering ervan vastgestelde besluiten. Bovendien spreekt de Raad van Beroep zich alleen uit over " voorstellen " en niet over waarderingscijfers.
       Overigens voorziet artikel 68 van het administratief statuut reeds in het recht om bij de Raad van Beroep beroep aan te tekenen tegen een voorstel van een vermelding " onvoldoende ".
       Artikel 54.
       Uit artikel 82, § 3, van het ontwerp van administratief statuut blijkt dat in sommige gevallen een functieopdracht kan worden toegekend aan bij arbeidsovereenkomst van bepaalde duur in dienst genomen contractuele personeelsleden. Door de toelage waarvan sprake is in artikel 54 alleen toe te kennen aan ambtenaren en contractuele personeelsleden met een arbeidsovereenkomst van onbepaalde duur, is artikel 54 vatbaar voor de kritiek die reeds is geuit over artikel 10 van het ontwerp (mogelijkheid van schending van het gelijkheidsbeginsel en van het beginsel van non-discriminatie). Verwezen wordt naar de opmerking over artikel 10.
       Voor het overige wordt verwezen naar algemene opmerking nr. 2 in het voormelde advies 41.494/4.
       Artikel 56.
       In paragraaf 3 is sprake van de " minimumprestaties bedoeld in artikel 84, § 5, van het administratief statuut ". Deze bepaling bestaat niet in het ontwerp dat om advies aan de afdeling wetgeving is voorgelegd. De beoogde bepaling zou artikel 83, § 5, van het ontwerp van administratief statuut kunnen zijn. De steller van het ontwerp wordt verzocht artikel 56, § 3, op dit punt te corrigeren.
       Artikel 70.
       De paragrafen 1 en 3, betreffende de waarderingscijfers, zouden beter op hun plaats zijn in het administratief statuut. De andere paragrafen van artikel 70 moeten dan dienovereenkomstig worden aangepast.
       Artikelen 73 en 74.
       1. In plaats van in de inleidende zin van artikel 73, § 1, te schrijven dat de in deze paragraaf opgesomde regelgevingen " (...) niet meer van toepassing (zijn) ", is het beter te schrijven dat deze regelgevingen worden opgeheven (indien ze niet van toepassing blijven op andere personen dan het personeel van het Instituut), of dat ze worden opgeheven " wat het Instituut betreft " (indien deze regelgevingen van toepassing blijven op andere personen dan de leden van het Instituut).
       2. Artikel 74, § 2, zou artikel 73, § 2, moeten worden.
       Het huidige artikel 73, § 2, zou dan artikel 73, § 3, worden.
       Indien op deze voorstellen wordt ingegaan, is de onderverdeling van artikel 74 in paragrafen niet meer gerechtvaardigd en moet ze vervallen.
       3. Artikel 74, § 1, beoogt aan het ontworpen besluit terugwerking te verlenen. Het verslag aan de Koning bevat geen uitleg over de redenen van deze terugwerking, noch over de respectieve data van inwerkingtreding die voor de verschillende bepalingen zijn vastgesteld.
       Zoals de afdeling wetgeving reeds verschillende malen eraan heeft herinnerd (Zie bijvoorbeeld advies 38.185/1, gegeven op 17 maart 2005 over een ontwerp dat heeft geleid tot het ministerieel besluit van 31 mei 2006 houdende samenstelling van de Directieraad van de Rijksdienst voor kinderbijslag voor werknemers (Belgisch Staatsblad van 29 juni 2006).), is het verlenen van terugwerkende kracht aan besluiten slechts onder bepaalde voorwaarden toelaatbaar, namelijk ingeval voor de retroactiviteit een wettelijke machtiging bestaat, de retroactiviteit betrekking heeft op een regeling die met inachtneming van het gelijkheidsbeginsel voordelen toekent of in zoverre de retroactiviteit noodzakelijk is voor de goede werking van de diensten en erdoor, in beginsel, geen verkregen situaties worden aangetast. De steller van het ontwerp moet kunnen aantonen dat de beoogde terugwerking past in het kader van een van deze gevallen.
       De kamer was samengesteld uit :

       
       De heren :

       
       R. Andersen, eerste voorzitter van de Raad van State;
       P. Liénardy en P. Vandernoot, staatsraden;
       Mevr. C. Gigot, griffier.
       Het verslag werd uitgebracht door Mevr. W. Vogel, auditeur.
       De overeenstemming tussen de Franse en de Nederlandse tekst werd nagezien onder toezicht van de heer P. Liénardy.
       
       De griffier,
       C. Gigot.
       De eerste voorzitter,
       R. Andersen.

    Begin Eerste woord Laatste woord Wijziging(en) Aanhef
    Verslag aan de Koning Inhoudstafel 6 uitvoeringbesluiten 7 gearchiveerde versies
    Franstalige versie