J U S T E L     -     Geconsolideerde wetgeving
Einde Eerste woord Laatste woord Wijziging(en) Aanhef
Parlementaire werkzaamheden Inhoudstafel 30 uitvoeringbesluiten 9 gearchiveerde versies
Handtekening Einde Franstalige versie
 
belgiëlex . be     -     Kruispuntbank Wetgeving
Raad van State
ELI - Navigatie systeem via een Europese identificatiecode voor wetgeving
http://www.ejustice.just.fgov.be/eli/ordonnantie/2006/10/20/2006031555/justel

Titel
20 OKTOBER 2006. - Ordonnantie tot opstelling van een kader voor het waterbeleid
(NOTA : Raadpleging van vroegere versies vanaf 03-11-2006 en tekstbijwerking tot 24-06-2019)

Bron : BRUSSELS HOOFDSTEDELIJK GEWEST
Publicatie : 03-11-2006 nummer :   2006031555 bladzijde : 58772       PDF :   originele versie    
Dossiernummer : 2006-10-20/35
Inwerkingtreding : 13-11-2006

Inhoudstafel Tekst Begin
HOOFDSTUK I. - Algemeen.
Art. 1-6
HOOFDSTUK II. - Milieudoelstellingen.
Afdeling I. - Algemeen.
Art. 7-10
Afdeling II. - Vaststelling van de milieudoelstellingen.
Onderafdeling I. - Milieudoelstellingen met betrekking tot de oppervlaktewateren.
Art. 11
Onderafdeling II. - Milieudoelstellingen met betrekking tot het grondwater.
Art. 12
Onderafdeling III. - Milieudoelstellingen voor de beschermde gebieden.
Art. 13
Afdeling III. - Aanduiding van de kunstmatige of sterk veranderde waterlichamen.
Art. 14
HOOFDSTUK III. - Organisatie van het waterbeleid.
Afdeling I. - Stroomgebiedsdistrict.
Art. 15-16
Afdeling II. - Wateroperatoren voor het Brussels Hoofdstedelijk Gewest.
Art. 17-18
Afdeling III. - Oprichting van de Brusselse Maatschappij voor Waterbeheer.
Art. 19-23
Afdeling IV. - Beheerscontract.
Art. 24-30
HOOFDSTUK IV. - Instrumenten van het waterbeleid.
Afdeling I. - Kenmerken van het Brussels stroomgebiedsdistrict, studie van de milieueffecten van menselijke activiteiten en economische analyse van het watergebruik.
Art. 31
Afdeling II. - Register van de beschermde gebieden.
Art. 32-35
Afdeling III. [1 - Voor menselijke consumptie bestemd water en tweedecircuitwater]1
Art. 36, 36/1, 36/2
Afdeling IV. - Monitoring van de oppervlaktewatertoestand, de grondwatertoestand en de beschermde gebieden.
Art. 37
Afdeling V. - Kostenterugwinning voor de waterdiensten.
Art. 38
Afdeling VI. [1 - Sociale en internationale solidariteitsmaatregelen]1
Art. 38/1
Afdeling VII. [1 - Facturatieprincipes]1
Art. 38/2, 39
Afdeling VIII. [1 - Tariefmethodologieën en tarieven.]1
Art. 39/1, 39/2, 39/3, 39/4
Afdeling IX. [1 - Meerjareninvesteringsplannen.]1
Art. 39/5
Afdeling X. [1 - De bescherming van de oppervlaktewateren tegen verontreiniging door puntbronnen en diffuse bronnen]1
Onderafdeling I. [1 - Controle van de lozingen]1
Art. 40
Onderafdeling II. [1 - Regeling inzake de sanering van stedelijk afvalwater]1
Art. 40/1
HOOFDSTUK V. - Maatregelenprogramma en beheersplan van het stroomgebied van de Schelde.
Afdeling I. - Maatregelenprogramma.
Onderafdeling I. - Algemeen.
Art. 41-43
Onderafdeling II. - Inhoud van het maatregelenprogramma.
Art. 44-47
Afdeling II. - [1 Waterbeheerplan]1.
Onderafdeling I. - Inhoud van het [1 Waterbeheerplan]1.
Art. 48-50
Onderafdeling II. - Opstelprocedure en modaliteiten voor raadpleging van het publiek.
Art. 51-54
Onderafdeling III. - Wijzigingsprocedure.
Art. 55-56
Onderafdeling IV. - Rechtsgevolgen van het plan.
Art. 57
HOOFDSTUK VI. - Informatie en rapporteringen.
Art. 58-59
HOOFDSTUK VII. - Onteigening.
Art. 60
HOOFDSTUK VIII. - Afwijkingen van de milieudoelstellingen.
Art. 61-64
HOOFDSTUK VIIIbis. [1 - Onafhankelijk toezichthoudend orgaan voor de waterprijs.]1
Art. 64/1
HOOFDSTUK IX. - Sancties.
Art. 65
HOOFDSTUK X. - Opheffings-, overgangs- en slotbepalingen.
Art. 66-73
BIJLAGEN.
Art. N1-N8

Tekst Inhoudstafel Begin
HOOFDSTUK I. - Algemeen.

  Artikel 1. Deze ordonnantie regelt een aangelegenheid als bedoeld in artikel 39 van de Grondwet.
  Zij zet Richtlijn 2000/60/EG van het Europees Parlement en van de Raad van 23 oktober 2000, tot vaststelling van een kader voor communautaire maatregelen betreffende het waterbeleid, om in de rechtsorde van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest.

  Art. 2. Het water maakt deel uit van het gemeenschappelijk erfgoed van de mensheid en van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest.
  Iedere persoon heeft het recht om te beschikken over drinkwater van goede kwaliteit en zoveel als nodig is voor n voeding, zijn huishoudelijke noden en zijn gezondheid. De wateronttrekkingen en de lozingen van afvalwater die uitgevoerd worden bij uitoefening van dit recht mogen de kwaliteit, de natuurlijke functies en het voortbestaan van deze rijkdom niet in gevaar brengen.
  De kringloop van het water wordt op een globale en geïntegreerde wijze beheerd door de openbare sector in het kader van een duurzame ontwikkeling. De diensten van het water zijn van algemeen belang.

  Art. 3.Deze ordonnantie beoogt het vaststellen van een kader voor het geïntegreerd waterbeleid in het Brussels Hoofdstedelijk Gewest, dat de volgende doelstellingen heeft :
  1° aquatische ecosystemen en, wat de waterbehoeften ervan betreft, terrestrische ecosystemen en waterrijke gebieden die rechtstreeks afhankelijk zijn van aquatische ecosystemen, voor verdere achteruitgang behoeden, beschermen en verbeteren;
  2° het duurzaam gebruik van water bevorderen, op basis van de bescherming van de beschikbare waterbronnen op lange termijn, met een bijzondere aandacht voor de bevordering van een zuinig waterverbruik en de bevordering van het gebruik van tweedecircuitwater;
  3° de verhoogde bescherming en verbetering van het aquatische milieu beogen, onder andere door specifieke maatregelen voor de progressieve vermindering van lozingen, emissies en verliezen van prioritaire stoffen en door het stopzetten of geleidelijk beëindigen van lozingen, emissies of verliezen van prioritaire gevaarlijke stoffen;
  4° zorgen voor de progressieve vermindering van de verontreiniging van grondwater en verdere verontreiniging ervan voorkomen;
  5° bijdragen tot de afzwakking van de risico's en gevolgen van overstromingen en perioden van droogte, met een bijzondere aandacht voor het vasthouden van wateroverschotten aan de hand van hiertoe geschikte bronmetingen en het gebruik van de natuurlijke opslagcapaciteit van de rivierbeddingen, het kanaal, de vijvers en de watergebieden;
  6° [1 een geïntegreerd beheer van het regenwater implementeren om het wegvloeien ervan en de overbelasting van het rioleringsnet te verminderen en zo de overstromingsrisico's te voorkomen, terwijl tegelijkertijd de functionaliteiten van de natuurlijke watercyclus hersteld worden en de kwaliteit van de oppervlaktewateren en de leefomgeving verbeterd wordt]1
  7° de volksgezondheid beschermen tegen de verontreiniging van water dat bestemd is voor de menselijke consumptie door de kwaliteit en de levering tegen redelijke voorwaarden ervan te waarborgen;
  8° de productie en het gebruik van hernieuwbare hydro-elektrische energie en het geothermisch gebruik van het grondwater bevorderen, en er tegelijk op toezien dat er geen negatieve gevolgen zijn voor de milieukwaliteit van de waterlichamen waarop deze inrichtingen betrekking hebben;
  9° de aanwezigheid van water in de stad beschermen, herstellen en versterken;
  10° de biodiversiteit in en rond de aquatische milieus bevorderen;
  11° het overleg tussen de besturen bevorderen, met inbegrip van het intergewestelijk en het internationaal overleg, met het oog op de invoering van een coherent waterbeleid en om toe te zien op de uitvoering van de internationale akkoorden op het vlak van waterbeleid.
  ----------
  (1)<ORD 2019-05-16/61, art. 3, 010; Inwerkingtreding : 04-07-2019>

  Art. 4. Deze ordonnantie draagt op die manier bij tot :
  1° de beschikbaarheid van voldoende oppervlaktewater en grondwater van goede kwaliteit voor een duurzaam, evenwichtig en billijk gebruik van water;
  2° een significante vermindering van de verontreiniging van het grond- en oppervlaktewater, in het bijzonder wat gevaarlijke stoffen betreft;
  3° de bescherming van territoriale en maritieme wateren;
  4° het bereiken van de doelstellingen van de relevante internationale overeenkomsten, met inbegrip van die welke tot doel hebben de verontreiniging van het mariene milieu te voorkomen en te elimineren en die tot stopzetting of geleidelijke beëindiging van lozingen, emissies en verliezen van prioritaire gevaarlijke stoffen die een onaanvaardbaar gevaar voor of via het aquatisch milieu inhouden, om uiteindelijk te komen tot concentraties in het mariene milieu die voor in de natuur voorkomende stoffen dichtbij de achtergrondwaarden liggen en voor door de mens vervaardigde synthetische stoffen vrijwel nul bedragen.

  Art. 5.Voor de toepassing van deze ordonnantie wordt verstaan onder :
  1° "oppervlaktewater" : binnenwateren, met uitzondering van grondwater, overgangswater en kustwateren, en voor zover het de chemische toestand betreft, ook territoriale wateren;
  2° "grondwater" : al het water dat zich onder het bodemoppervlak in de verzadigde zone bevindt en dat in rechtstreeks contact met de bodem of de ondergrond staat;
  3° "binnenwateren" : al het stilstaande of stromende water op het landoppervlak en al het grondwater aan de landzijde van de basislijn vanwaar de breedte van de territoriale wateren wordt gemeten;
  4° "rivier" : binnenwaterlichaam dat grotendeels bovengronds stroomt, maar dat voor een deel van zijn traject ondergronds kan stromen;
  5° "kanaal" : kunstmatige waterloop, al dan niet bestemd voor de scheepvaart;
  6° "meer" : een massa stilstaand landoppervlaktewater;
  7° "overgangswater" : een oppervlaktewaterlichaam in de nabijheid van een riviermonding, dat gedeeltelijk zout is door de nabijheid van kustwateren, maar dat in belangrijke mate door zoetwaterstromen wordt beïnvloed;
  8° "kustwateren" : de oppervlaktewateren, gelegen aan de landzijde van een lijn waarvan elk punt zich op een afstand bevindt van één zeemijl zeewaarts van het dichtstbijzijnde punt van de basislijn vanwaar de breedte van de territoriale wateren wordt gemeten, zo nodig uitgebreid tot de buitengrens van een overgangswater;
  9° "kunstmatig waterlichaam" : een door menselijke activiteiten tot stand gekomen oppervlaktewaterlichaam;
  10° "sterk veranderd waterlichaam" : een oppervlaktewaterlichaam dat door fysische wijzigingen ingevolge menselijke activiteiten wezenlijk is veranderd van aard, zoals door de Regering aangeduid overeenkomstig de bepalingen van bijlage l;
  11° "oppervlaktewaterlichaam" : een onderscheiden oppervlaktewater van aanzienlijke omvang, zoals een meer, een waterbekken, een rivier, een stroom of een kanaal, een deel van een rivier, een stroom of een kanaal, een overgangswater of een strook kustwater;
  12° "watervoerende laag" : één of meerdere ondergrondse rotslagen of andere geologische lagen die voldoende poreus en doorlatend zijn voor een belangrijke grondwaterstroming of de onttrekking van aanzienlijke hoeveelheden grondwater;
  13° "grondwaterlichaam" : een afzonderlijke grondwatermassa in één of meerdere watervoerende lagen;
  14° "stroomgebied" : een gebied vanwaar al het over het oppervlak lopende water via een reeks rivieren, stromen en eventueel meren door één riviermond, estuarium of delta in zee stroomt;
  15° "deelstroomgebied" : het gebied vanwaar al het over het oppervlak lopende water een reeks stromen, rivieren en eventueel meren volgt, tot een bepaald punt in een waterloop (gewoonlijk een meer of een samenvloeiing van rivieren);
  16° "stroomgebiedsdistrict" : het gebied van land en zee, gevormd door één of meer aan elkaar grenzende stroomgebieden met de bijbehorende grond- en kustwateren, dat als voornaamste eenheid voor het stroomgebiedsbeheer wordt omschreven;
  17° "bevoegde autoriteit" : instelling die door elk Gewest en elke Lidstaat van de Europese Unie is aangeduid om de aangewezen maatregelen te treffen voor de toepassing van de regels voorzien door Richtlijn 2000/60/EG van het Europees Parlement en van de Raad van 23 oktober 2000 tot vaststelling van een kader voor communautaire maatregelen betreffende het waterbeleid binnen elk stroomgebiedsdistrict. Voor het Brussels Hoofdstedelijk Gewest is de Regering ervan de bevoegde autoriteit;
  18° "oppervlaktewatertoestand" : de algemene aanduiding van de toestand van een oppervlaktewaterlichaam, bepaald door de ecologische of de chemische toestand ervan, en wel door de slechtste van beide toestanden;
  19° "goede oppervlaktewatertoestand" : de toestand van een oppervlaktewaterlichaam waarvan zowel de ecologische als de chemische toestand ten minste "goed" zijn, in de zin van bijlage III bij deze ordonnantie;
  20° "grondwatertoestand" : de algemene aanduiding van de toestand van een grondwaterlichaam, bepaald door de kwantitatieve of de chemische toestand ervan, en wel door de slechtste van beide toestanden;
  21° "goede grondwatertoestand" : de toestand van een grondwaterlichaam waarvan zowel de kwantitatieve as de chemische toestand ten minste "goed" zijn, in de zin van bijlage III bij deze ordonnantie;
  22° "ecologische toestand" : een aanduiding van de kwaliteit van de structuur en van het functioneren van aquatische ecosystemen die met oppervlaktewater geassocieerd zijn, ingedeeld overeenkomstig bijlage III;
  23° "goede ecologische toestand" : de toestand van een overeenkomstig bijlage III als zodanig ingedeeld oppervlaktewaterlichaam;
  24° "goed ecologisch potentieel" : de toestand van een sterk veranderd of kunstmatig waterlichaam, aldus ingedeeld overeenkomstig de bepalingen van bijlage III;
  25° [1 goede chemische toestand van oppervlaktewater : de chemische toestand die vereist is om te voldoen aan de milieudoelstellingen voor oppervlaktewater, vastgesteld in artikel 11, dat wil zeggen de chemische toestand van een oppervlaktewaterlichaam waarin de concentraties van verontreinigende stoffen niet boven [5 de milieukwaliteitsnormen liggen die vastgesteld zijn krachtens bijlage V,]5 overeenkomstig andere relevante communautaire wetgeving;]1
  26° "goede chemische toestand van grondwater" : de chemische toestand van een grondwaterlichaam dat aan alle in tabel 2.3.2 van bijlage III genoemde voorwaarden voldoet;
  27° "kwantitatieve toestand" : een aanduiding van de mate waarin een grondwaterlichaam door directe en indirecte wateronttrekking wordt beïnvloed;
  28° "goede kwantitatieve toestand" : de in tabel 2.1.2. van bijlage III gedefinieerde toestand;
  29° "beschikbare grondwatervoorraad" : het jaargemiddelde op lange termijn van de totale aanvulling van het grondwaterlichaam, verminderd met het jaargemiddelde op lange termijn van het debiet dat nodig is om voor bijbehorende oppervlaktewateren de doelstellingen van ecologische kwaliteit van de artikelen 7 tot 14 te bereiken, teneinde een significante verslechtering van de ecologische toestand van die wateren alsmede significante schade aan de bijbehorende terrestrische ecosystemen te voorkomen;
  30° "gevaarlijke stoffen" : toxische, persistente en bioaccumuleerbare stoffen of groepen van stoffen, en andere stoffen of groepen van stoffen die aanleiding geven tot evenveel bezorgdheid;
  31° [5 " prioritaire stoffen " : de stoffen die als zodanig geïdentificeerd werden op het niveau van de Europese Unie bij Bijlage X van de Richtlijn en waarvan de emissies, verliezen en lozingen geleidelijk aan verminderd moeten worden ;]5
  [5 31bis " gevaarlijke prioritaire stoffen " : de stoffen die als zodanig geïdentificeerd werden op het niveau van de Europese Unie bij Bijlage X van de Richtlijn te midden van de prioritaire stoffen en waarvan de emissies, verliezen en lozingen geleidelijk aan gestopt of geëlimineerd moeten worden ;]5
  32° "verontreinigende stof" : elke stof die tot verontreiniging kan leiden, met name de in bijlage VIII genoemde stoffen;
  33° "directe lozing in het grondwater" : de lozing van verontreinigende stoffen in het grondwater zonder doorsijpeling door bodem of ondergrond;
  34° [5 " verontreiniging " : de directe of indirecte inbreng door menselijke activiteiten van stoffen die de samenstelling of de toestand van het water zodanig kunnen wijzigen dat het niet langer geschikt is of minder geschikt wordt voor de diverse manieren waarop er gebruikgemaakt van kan worden of dat het door zijn aanblik of uitwasemingen de omgeving aantast ;]5
  35° "milieudoelstellingen" : de in de artikelen 11 tot 13 vervatte kwaliteits- en kwantiteitsdoelstellingen;
  36° "milieukwaliteitsnorm" : de concentratie van een bepaalde verontreinigende stof of groep van verontreinigende stoffen in water, in sediment of in biota die ter bescherming van de gezondheid van de mens en van het milieu niet mag worden overschreden;
  37° [5 " gecombineerde aanpak " : geheel van maatregelen ter vermindering van de verontreiniging aan de bron teneinde de oppervlaktewateren te beschermen door een combinatie van het controleren van de lozingen en emissies in deze wateren en het vaststellen van emissiegrenswaarden rekening houdend met de milieukwaliteitsnormen ;]5
  38° "voor menselijke consumptie bestemd water" : al het water, hetzij onbehandeld hetzij na behandeling, bestemd voor drinken, koken, en voedselbereiding, ongeacht de herkomst en ongeacht of het water wordt geleverd via een openbaar distributienet, vanaf een privé- aansluitpunt, uit een tankschip of tankauto, of in flessen of verpakkingen, met uitzondering van medicinaal en mineraal water dat als dusdanig wordt erkend door het koninklijk besluit van 8 februari 1999 betreffende natuurlijk mineraalwater en bronwater;
  39° [5 " huishoudelijk afvalwater " : het via het openbare distributienet aangevoerde water, het zelf geproduceerde water of het tweedecircuitwater dat gebruikt en vervolgens geloosd wordt in het openbare saneringsnetwerk door de gezinnen of dat een vergelijkbare samenstelling heeft, doordat het uitsluitend het volgende bevat :
   - water dat afkomstig is van sanitaire installaties ;
   - water dat uit de keuken afkomstig is ;
   - water dat afkomstig is van de schoonmaak van gebouwen, zoals woningen, kantoren, spektakelzalen, kazernes, campings, gevangenissen, onderwijsinstellingen met internaat of niet, zwembaden, hotels, restaurants, slijterijen, kapsalons ;
   - water dat afkomstig is van wasbeurten die thuis gedaan werden of van wassalons die uitsluitend door klanten gebruikt worden ;]5
  40° [5 " niet-huishoudelijk afvalwater " : ander afvalwater dan het huishoudelijk afvalwater ;]5
  [5 40bis " koelwater " : het water dat in een onderneming gebruikt wordt voor koeling via een open circuit en dat niet in contact komt met de te koelen stoffen, noch met het afvalwater van de onderneming ;]5
  41° [5 " waterdiensten " : alle diensten die ten behoeve van de huishoudens, openbare instellingen en andere economische actoren zorgen voor :
   - de onttrekking, productie, opstuwing, transport, opslag, behandeling en distributie van leidingwater vertrekkende vanuit oppervlakte- of grondwater (" voorzieningsdienst ") ;
   - de verzameling en behandeling van het afvalwater met het oog op de terugvloeiing ervan naar het oppervlaktewater (" saneringsdienst ") ;]5
  42° [5 " watergebruik " : elke activiteit die geheel of gedeeltelijk, direct of indirect een beroep doet op de met het watergebruik verband houdende diensten alsook op eender welke andere activiteit die door de bij artikel 31 beoogde studies geïdentificeerd of geanalyseerd werden en die de toestand van het water op significante wijze kunnen beïnvloeden ;]5
  43° "reële kostprijs van het water" : alle kosten van de waterdiensten die moeten worden geïdentificeerd om rekening te kunnen houden met het beginsel van terugwinning van de kosten;
  44° "emissiegrenswaarde" : de massa, uitgedrukt in bepaalde specifieke parameters, de concentratie en/of het niveau van een emissie, die of dat gedurende één of meer vastgestelde perioden niet mag worden overschreden. De emissiegrenswaarden kunnen ook voor bepaalde groepen, families of categorieën van stoffen worden vastgesteld.
  De grenswaarden voor de emissies van stoffen gelden normaliter op het punt waar de emissies de installatie verlaten en worden bepaald zonder rekening te houden met een eventuele verdunning. Voor indirecte lozingen in water mag bij de bepaling van de emissiegrenswaarden van de installatie rekening worden gehouden met het effect van een zuiveringsstation, op voorwaarde dat een equivalent niveau van bescherming van het milieu in zijn geheel wordt gewaarborgd en dat zulks niet leidt tot een hoger niveau van verontreiniging van het milieu;
  45° "emissiebeheersingsmaatregelen" : beheersingsmaatregelen die een specifieke emissiebeperking vereisen, bijvoorbeeld een emissiegrenswaarde, of die anderszins grenzen of voorwaarden stellen aan de gevolgen, de aard of andere kenmerken van emissies of bedrijfsomstandigheden die de emissies beïnvloeden;
  46° "beschermde gebieden" : de gebieden die worden bedoeld in artikel 32 van deze ordonnantie en die een speciale bescherming vereisen;
  47° "waterrrijk gebied" : blijvende of tijdelijke oppervlakte van moerassen, veenmoerassen, venen of van natuurlijke of kunstmatige wateren, waar het water staand of vloeiend, zoet, brak of zout is, met inbegrip van oppervlakten van marien water die bij laag tij niet dieper zijn dan zes meter;
  48° [5 " tweedecircuitwater " : al het water, ongeacht de herkomst ervan, dat een eerste keer gebruikt en vervolgens collectief gezuiverd werd om opnieuw gebruikt te kunnen worden voor eender welk doeleinde met uitzondering van menselijke consumptie ; ]5
  49° "de Richtlijn" : Richtlijn 2000/60/EG van het Europees Parlement en van de Raad van 23 oktober 2000 tot vaststelling van een kader voor communautaire maatregelen betreffende het waterbeleid;
  50° [2 "wateroperator"]2 : publiekrechtelijke rechtspersoon [3 die tussenkomt in het beheer van de waterkringloop in het Brussels Hoofdstedelijk Gewest]3 aangesteld [3 om openbaredienstopdrachten krachtens deze ordonnantie te vervullen]3;
  51° [5 " Waterbeheerplan " : het bij de artikelen 48 tot 57 van deze ordonnantie bedoelde plan dat tegemoetkomt aan de eisen van de Richtlijn voor het deel van het internationaal stroomgebiedsdistrict van de Schelde dat zich op het grondgebied van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest bevindt ;]5
  52° "Instituut" : het Brussels Instituut voor Milieubeheer, opgericht door het koninklijk besluit van 8 maart 1989, bevestigd door de wet van 16 juni 1989 houdende diverse institutionele hervormingen;
  53° "Gewest" : het Brussels Hoofdstedelijk Gewest;
  54° "BMWB" : Brusselse Maatschappij voor Waterbeheer, opgericht krachtens artikel 19;
  55° [5 " stedelijk afvalwater " : algemene term die naar al het water verwijst dat we in het openbare saneringsnetwerk aantreffen ; ]5
  [5 55bis " regenwater " : algemene term waarmee verwezen wordt naar al het water dat afkomstig is van neerslag zoals regen, sneeuw en hagel, met inbegrip van het smeltwater van sneeuw, dat niet via het openbare saneringsnetwerk passeert of, indien wel, voordat het in dit netwerk belandt ;]5
  56° "openbare sanering" : het geheel van handelingen inzake afwatering, inzameling, bufferopslag en zuivering van stedelijk afvalwater [5 verricht door de wateroperatoren]5;
  57° [5 " dienstencontract voor sanering " : overeenkomst afgesloten tussen de operator die belast is met de waterdistributie en een derde belast met de sanering, krachtens welke de wateroperator voor waterdistributie de diensten inhuurt van deze derde voor de gehele of gedeeltelijke uitvoering van de sanering van een watervolume dat overeenstemt met het verdeelde volume water alsook met het volume water dat in het openbare saneringsnetwerk geloosd wordt door de zelfproducenten en de gebruikers van tweedecircuitwater in het Gewest teneinde de operator die instaat voor de distributie van water en deze zelfproducenten en gebruikers, in de mogelijkheid te stellen hun verplichtingen na te komen zoals bedoeld in artikel 17, § 3 en 36, § 4 ;]5
  58° [5 " bufferopslag van stedelijk afvalwater " : elke infrastructuur van het saneringsnetwerk dat met name tot doel heeft om het debiet van het stedelijke afvalwater in de rioleringsnetten of collectoren te regelen bij zware regenval ;]5
  59° "collector" : leiding die de rioleringsnetwerken verbindt met de infrastructuren voor zuivering van het stedelijk afvalwater;
  [5 59bis " rioleringsnet " : geheel van leidingen gelegen in de openbare ruimte en bestemd om het stedelijke afvalwater in op te vangen via vertakkingen die in verbinding staan met privatieve percelen of afvoerkolken langs de weg ; de delen van voormelde vertakkingen die zich in de openbare ruimte bevinden, maken integraal deel uit van het rioleringsnet ;]5
  60° [5 " zelfproducent " : natuurlijke of rechtspersoon die water wint uit de grondwaterlaag of oppervlaktewater afneemt ;]5
  [3 61° " Brugel " : de Reguleringscommissie voor energie in het Brussels Hoofdstedelijk Gewest, bedoeld in Hoofdstuk VIbis van de ordonnantie van 19 juli 2001 betreffende de organisatie van de elektriciteitsmarkt in het Brussels Hoofdstedelijk Gewest, belast met het toezicht op de waterprijs krachtens artikel 64/1.]3
  ----------
  (1)<ORD 2010-10-28/06, art. 3, 002; Inwerkingtreding : 28-11-2010>
  (2)<ORD 2017-12-15/25, art. 2, 008; Inwerkingtreding : 12-02-2018>
  (3)<ORD 2017-12-15/25, art. 3, 008; Inwerkingtreding : 12-02-2018>
  (4)<ORD 2019-05-16/61, art. 2,1°, 010; Inwerkingtreding : 04-07-2019>
  (5)<ORD 2019-05-16/61, art. 4, 010; Inwerkingtreding : 04-07-2019>

  Art. 6.De rechtspersonen, waaronder het Brussels Hoofdstedelijk Gewest vertegenwoordigd door zijn Regering, en de instellingen die bevoegdheden uitoefenen ter uitvoering van de opdrachten in het beheer van de waterkringloop moeten de volgende beginselen nakomen.
  1° [1 Het standstill-beginsel, gedefinieerd als verplichting dat op zijn minst hetzelfde beschermingsniveau garandeert als de huidige in voege zijnde gewestelijke wetgeving;]1
  2° het voorzorgsbeginsel, gedefinieerd als de verplichting om beschermingsmaatregelen te treffen wanneer er redelijke gronden zijn om zich zorgen te maken over ernstige of onomkeerbare schade, zelfs in afwachting van wetenschappelijke zekerheid, waarbij deze afwachting geen voorwendsel mag vormen om het treffen van effectieve en evenredige maatregelen uit te stellen;
  3° het preventiebeginsel, gedefinieerd als de verplichting om eventuele milieuschade te voorkomen aan de hand van maatregelen die gericht zijn op de vermindering van de gevolgen ervan eerder dan het herstel ervan a posteriori;
  4° het herstelbeginsel, gedefinieerd als de verplichting om, in geval van milieuschade of -verstoring, het milieu in de mate van het mogelijke in de oorspronkelijke toestand te herstellen;
  5° het vervuiler-betaalt-beginsel, gedefinieerd als de verplichting voor de vervuiler om de rechtstreekse en onrechtstreekse kosten te dragen voor de maatregelen ter voorkoming, vermindering en herstelling van de door hem veroorzaakte verontreiniging;
  6° het beginsel van terugwinning van de kosten van waterdiensten, met inbegrip van de kosten voor het leefmilieu en de natuurlijke rijkdommen die verband houden met de achteruitgang van en de negatieve gevolgen voor het aquatische milieu, en rekening houdend met de voorspellingen op lange termijn op het gebied van het aanbod van en de vraag naar water in het stroomgebiedsdistrict;
  7° het participatiebeginsel, gedefinieerd als het recht op nuttige en efficiënte participatie van de burgers in de opstelling, de uitvoering, de opvolging en de evaluatie van het geïntegreerde waterbeleid;
  8° het recht op toegang tot de informatie over het milieu waarover de overheid beschikt, voor alle natuurlijke en rechtspersonen, zonder dat zij een belang moeten kunnen aantonen;
  9° het beginsel van voorafgaande beoordeling, gedefinieerd als de verplichting om een voorbereidende, systematische en grondige beoordeling uit te voeren van de economische, sociale en ecologische effecten van het geïntegreerd waterbeleid;
  10° het continuïteitsbeginsel, dat inhoudt dat de [2 wateroperator betrokken bij]2 de dienst van algemeen belang [3 voor de be-voorrading]3 wordt geacht ervoor te zorgen dat die ononderbroken wordt verleend en een veilige voorziening wordt gegarandeerd;
  11° het beginsel van kwaliteit van de dienst, bepaald als de waarborg van hoge niveaus van bescherming van de gezondheid en de veiligheid door het opleggen van kwaliteitsnormen en een controle van de prestaties van de operatoren;
  12° het principe van tarifaire toegankelijkheid, dat voorschrijft dat een dienst van algemeen nut moet worden aangeboden tegen een betaalbare prijs om toegankelijk te zijn voor iedereen;
  13° het principe van bescherming van de [2 gebruikers]2, dat doorzichtigheid, inzonderheid inzake tarieven, contractuele bepalingen, de keuze en de financiering van de [2 wateroperatoren]2, het bestaan van reglementeringsorganen en middelen om beroep in te stellen, een vertegenwoordiging en een actieve inspraak van de [2 gebruikers]2 in de definitie en de evaluatie van de diensten en de keuze van de betalingsvormen inhoudt.
  ----------
  (1)<ORD 2010-10-28/06, art. 4, 002; Inwerkingtreding : 28-11-2010>
  (2)<ORD 2017-12-15/25, art. 4, 008; Inwerkingtreding : 12-02-2018>
  (3)<ORD 2019-05-16/61, art. 5, 010; Inwerkingtreding : 04-07-2019>

  HOOFDSTUK II. - Milieudoelstellingen.

  Afdeling I. - Algemeen.

  Art. 7.De hierna gedefinieerde milieudoelstellingen worden nagestreefd en bereikt door het in artikel 41 bedoelde maatregelenprogramma en door het [1 Waterbeheerplan]1.
  ----------
  (1)<ORD 2019-05-16/61, art. 2,2°, 010; Inwerkingtreding : 04-07-2019>

  Art. 8. Wanneer verschillende door het Brussels Hoofdstedelijk Gewest gedefinieerde doelstellingen van toepassing zijn op een bepaald waterlichaam, dan moet de strengste ervan worden toegepast.

  Art. 9. De toepassing van de bepalingen voorzien in hoofdstuk VIII mag de verwezenlijking van de milieudoelstellingen in andere waterlichamen van het gewestelijk grondgebied niet in het gedrang brengen of verhinderen. Dit moet op coherente wijze gebeuren met de uitvoering van de andere wettelijke bepalingen inzake leefmilieu.

  Art. 10.Het in artikel 41 bedoelde maatregelenprogramma en het [1 Waterbeheerplan]1 garanderen op zijn minst een identiek beschermingsniveau als wordt geboden door de bestaande wetgeving op het tijdstip waarop deze ordonnantie van kracht wordt.
  ----------
  (1)<ORD 2019-05-16/61, art. 2,2°, 010; Inwerkingtreding : 04-07-2019>

  Afdeling II. - Vaststelling van de milieudoelstellingen.

  Onderafdeling I. - Milieudoelstellingen met betrekking tot de oppervlaktewateren.

  Art. 11.De Regering, die de maatregelenprogramma's vervat in het [1 Waterbeheerplan]1 operationeel maakt :
  1° legt de nodige maatregelen ten uitvoer ter voorkoming van de achteruitgang van de toestand van alle oppervlaktewaterlichamen;
  2° beschermt, verbetert en herstelt alle oppervlaktewateren, met de bedoeling uiterlijk op 22 december 2015 een goede toestand van het oppervlaktewater te bereiken;
  3° beschermt en verbetert alle kunstmatige en sterk veranderde waterlichamen, met de bedoeling uiterlijk op 22 december 2015 een goed ecologisch potentieel en een goede chemische toestand van het oppervlaktewater te bereiken;
  4° legt de nodige maatregelen ten uitvoer, met de bedoeling de verontreiniging door prioritaire stoffen geleidelijk te verminderen en emissies, lozingen en verliezen van prioritaire gevaarlijke stoffen stop te zetten of geleidelijk te beëindigen;
  5° treft in het algemeen de maatregelen die, in alle andere gevallen, nodig zouden zijn om de concentratie van de verontreinigende stof te verminderen.
  ----------
  (1)<ORD 2019-05-16/61, art. 2, 3°, 010; Inwerkingtreding : 04-07-2019>

  Onderafdeling II. - Milieudoelstellingen met betrekking tot het grondwater.

  Art. 12.De Regering, die de maatregelenprogramma's vervat in het [1 Waterbeheerplan]1 operationeel maakt :
  1° legt de nodige maatregelen ten uitvoer met de bedoeling de inbreng van verontreinigende stoffen in het grondwater te voorkomen of te beperken en de achteruitgang van de toestand van alle grondwaterlichamen te voorkomen;
  2° beschermt, verbetert en herstelt alle grondwaterlichamen en zorgt voor een evenwicht tussen onttrekking en aanvulling van grondwater, met de bedoeling uiterlijk tegen 22 december 2015 en overeenkomstig de bepalingen van bijlage III een goede grondwatertoestand te bereiken;
  3° legt de nodige maatregelen ten uitvoer met de bedoeling elke significante en aanhoudende stijgende tendens van de concentratie van een verontreinigende stof ten gevolge van menselijke activiteiten om te buigen, teneinde de grondwaterverontreiniging geleidelijk te verminderen;
  4° treft in het algemeen de maatregelen die, in alle andere gevallen, nodig zouden zijn om de concentratie van de verontreinigende stof te verminderen.
  ----------
  (1)<ORD 2019-05-16/61, art. 2, 3°, 010; Inwerkingtreding : 04-07-2019>

  Onderafdeling III. - Milieudoelstellingen voor de beschermde gebieden.

  Art. 13. De Regering garandeert, voor de beschermde gebieden, de naleving van alle normen en het bereiken van alle doelstellingen uiterlijk tegen 22 december 2015, behoudens strengere bepalingen in de wetgeving op basis waarvan de verschillende beschermde gebieden werden vastgesteld.

  Afdeling III. - Aanduiding van de kunstmatige of sterk veranderde waterlichamen.

  Art. 14.§ 1. De Regering mag, op voorstel van het Instituut, een oppervlaktewaterlichaam als kunstmatig of sterk veranderd aanmerken indien is voldaan aan de volgende voorwaarden :
  1° de voor het bereiken van een goede ecologische toestand noodzakelijke wijzigingen van de hydromorfologische kenmerken van die lichamen significante negatieve effecten zouden hebben op :
  a) het milieu in bredere zin;
  b) scheepvaart, met inbegrip van havenfaciliteiten, of recreatie;
  c) activiteiten waarvoor water wordt opgeslagen, zoals drinkwatervoorziening, energieopwekking of irrigatie;
  d) waterhuishouding, bescherming tegen overstromingen, afwatering;
  e) andere even belangrijke duurzame activiteiten voor menselijke ontwikkeling;
  2° het nuttige doel dat met de kunstmatige of veranderde aard van het waterlichaam gediend wordt, kan om redenen van technische haalbaarheid of onevenredig hoge kosten redelijkerwijs niet worden bereikt met andere, voor het milieu aanmerkelijk gunstiger middelen.
  § 2. Het [1 Waterbeheerplan]1, vermeldt de oppervlaktewaterlichamen die zijn aangeduid als kunstmatig of sterk veranderd, alsook de redenen voor deze aanduiding.
  ----------
  (1)<ORD 2019-05-16/61, art. 2,1°, 010; Inwerkingtreding : 04-07-2019>

  HOOFDSTUK III. - Organisatie van het waterbeleid.

  Afdeling I. - Stroomgebiedsdistrict.

  Art. 15. Het grondgebied van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest maakt deel uit van het stroomgebied van de Schelde, dat behoort tot het internationaal stroomgebiedsdistrict van de Schelde.

  Art. 16. De Regering neemt deel aan de internationale coördinatie die nodig is voor uitvoering van de verplichtingen die voortvloeien uit de Richtlijn.
  Ze coördineert het waterbeleid in het deel van het internationaal stroomgebiedsdistrict van de Schelde dat gelegen is op het grondgebied van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest.

  Afdeling II. - Wateroperatoren voor het Brussels Hoofdstedelijk Gewest.

  Art. 17.[1 § 1. De volgende openbaredienstopdrachten worden uitgeoefend door de wateroperatoren volgens de volgende verdeling :
   1° de controle van de conformiteit van het water van de Brusselse waterwinningen bestemd voor het openbare waterleidingnet : Vivaqua ;
   2° de productie, de behandeling, de opslag en het transport van drinkwater bestemd voor menselijke consumptie, voor zover het geleverd is of bedoeld is om geleverd te worden door een openbaar distributienet : Vivaqua ;
   3° de distributie van drinkwater bestemd voor menselijke consumptie : Vivaqua ;
   4° het concept, de opzet, de exploitatie en het beheer van de infrastructuren die voor de afwatering en de bufferopslag van het stedelijke afvalwater zorgen, dat hen toevertrouwd wordt door de gemeenten of ontwikkeld door de wateroperator in toepassing van het Waterbeheerplan, met inbegrip van de eventuele nuttige toepassing van dit water : Vivaqua ;
   5° het concept, de opzet, de exploitatie en het beheer van de infrastructuren die voor de afwatering en de bufferopslag van het andere stedelijke afvalwater zorgen dan het water dat in het 4° beoogd wordt, met inbegrip van de eventuele nuttige toepassing van dit water : de BMWB ;
   6° het concept, de opzet, de exploitatie en het beheer van de infrastructuren die voor de zuivering van het stedelijke afvalwater zorgen : de BMWB.
   § 2. Deze wateroperatoren die aangewezen werden voor de bij paragraaf 1 beoogde opdrachten en die over de nodige rechten beschikken om de installaties te gebruiken, te beheren en te exploiteren, die bestemd zijn voor de aan hen toevertrouwde opdrachten, krijgen exclusieve rechten toegewezen. De uitvoering van deze opdrachten mag niet worden toevertrouwd aan eender welk filiaal dat deze wateroperatoren zouden oprichten. Ze hebben bovendien hebben de verplichting de betroffen bevolking te informeren over de gelopen risico's en over elke maatregel die genomen zou kunnen worden voor de bescherming van het leefmilieu en de gezondheid van de personen tegen de nadelige uitwerking van een verontreiniging van het water bestemd voor menselijke consumptie.
   § 3. Met het oog op de instandhouding van de waterkwaliteit neemt de bij paragraaf 1, 3° bedoelde operator de sanering van het huishoudelijke en niet-huishoudelijke afvalwater voor zijn rekening in functie van de watervolumes die hij in het Gewest verdeelt. De operator kan deze sanering zelf uitvoeren of kan deze aan een derde toevertrouwen via een dienstencontract voor sanering.
   § 4. Na raadpleging van de wateroperatoren kan de Regering de taken preciseren die de wateroperator(en) voor hun rekening nemen met het oog op de uitvoering van zijn/hun openbaredienstopdrachten. Bovendien staat het haar vrij om steunmaatregelen of compensaties aan deze wateroperatoren toe te kennen voor de uitvoering van de in dit artikel toegekende opdrachten.
   § 5. Bij naamsverandering of fusie tussen de operatoren, worden de in paragraaf 1 gespecificeerde opdrachten overgenomen door de entiteit met de nieuwe naam of door de entiteit die door de fusie is ontstaan.
   § 6. De Regering stelt de regels vast voor de controle van de opdrachten waarvoor exclusieve rechten worden verleend.]1
  ----------
  (1)<ORD 2019-05-16/61, art. 6, 010; Inwerkingtreding : 04-07-2019>

  Art. 18.[1 § 1. De Regering kan de wateroperator(en) aanwijzen die belast zal/zullen worden met de realisatie, het beheer en de exploitatie van toekomstige bufferopslagen voor stedelijk afvalwater in overeenstemming met de opdrachten die krachtens artikel 17 aan de wateroperatoren toevertrouwd werden en rekening houdend met de interacties van deze toekomstige bouwwerken met de respectieve bestaande infrastructuren van voormelde operatoren.
   § 2. Overeenkomstig de doelstelling die werd vastgelegd bij artikel 3, 6° wordt het regenwater beheerd in naleving van de volgende beginselen :
   1° elke zowel private als publieke eigenaar is verantwoordelijk voor het beheer van het regenwater op zijn perceel ;
   2° in het openbaar domein ressorteren de inrichtingen voor het beheer van het regenwater onder de bevoegdheid van de beheerder van deze openbare ruimte, ongeacht of het daarbij nu om een weg, een park, een plein, een square, enz. gaat.
   Het beheer omvat de realisatie en het onderhoud van zijn inrichting(en) voor het beheer van het regenwater.
   De Regering voorziet zichzelf van de nodige hulpmiddelen om de concrete implementatie van het geïntegreerde beheer van het regenwater te verzekeren.
   § 3. Een wateroperator kan elke andere opdracht toegewezen krijgen, die de Regering gemachtigd is om hem toe te wijzen krachtens deze ordonnantie.
   § 4. De in dit hoofdstuk bedoelde wateroperatoren kunnen een samenwerkingsverband sluiten, middelen delen, onderling personeel, bouwwerken en/of materieel overdragen en participeren in elkaars vermogen vanuit een streven naar rationalisering en een doeltreffende uitvoering van de openbaredienstopdrachten.]1
  ----------
  (1)<ORD 2019-05-16/61, art. 7, 010; Inwerkingtreding : 04-07-2019>

  Afdeling III. - Oprichting van de Brusselse Maatschappij voor Waterbeheer.

  Art. 19. § 1. De Regering mag een publiekrechtelijke naamloze vennootschap oprichten. Het maatschappelijk kapitaal ervan mag enkel aangelegd worden door publiekrechtelijke rechtspersonen actief in het Brussels Hoofdstedelijk Gewest. Deze vennootschap krijgt de naam "Brusselse Maatschappij voor Waterbeheer" en wordt afgekort als BMWB.
  § 2. Het Wetboek van vennootschappen en zijn uitvoeringsbesluiten zijn van toepassing op de BMWB, ten anders bepaald in deze ordonnantie omwille van de specificiteit van de opdracht van algemeen nut waarmee zij belast is.
  § 3. De daden van de BMWB worden geacht daden van koophandel te zijn in de zin van de artikelen 2 en 3 van het Handelswetboek.
  § 4. De statuten van de BMWB en hun wijzigingen worden ter goedkeuring aan de Regering voorgelegd. De Regering geeft eveneens haar goedkeuring aan :
  1° de samenstelling van de raad van bestuur en het statuut van zijn leden;
  2° de oprichting van dochterondernemingen en de overdracht van meerderheidsparticipaties.
  § 5. De BMWB is vrijgesteld van onroerende voorheffing. De maatschappelijke en administratieve zetel worden in het Gewest gevestigd.
  § 6. De BMWB mag, met het oog op de verwezenlijking van haar maatschappelijk doel, na machtiging, geval per geval, door de Regering, onteigenen, op grond van de wet van 26 juli 1962 betreffende de rechtspleging bij hoogdringende omstandigheden inzake onteigening ten algemenen nutte.
  § 7. In artikel 161, 1°, van het Wetboek der Registratie-, Hypotheek- en Griffierechten wordt een zesde lid ingevoegd, luidend : "de aktes met betrekking tot onroerende goederen gelegen op het grondgebied van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest, die worden aangenomen in naam of ten voordele van de naamloze vennootschap van publiek recht Brusselse Maatschappij voor Waterbeheer, voor zover deze aktes de verschuldiging van een gewestelijke belasting meebrengen in de zin van de bijzondere wet van 16 januari 1989 betreffende de financiering van de Gemeenschappen en de Gewesten. "
  Artikel 161, 1°, laatste lid, van het Wetboek der registratie-, hypotheek- en griffierechten, wordt als volgt aangevuld : " en de naamloze vennootschap van publiek recht Brusselse Maatschappij voor Waterbeheer. ".

  Art. 20.De BMWB heeft [1 als wateroperator]1 als doel :
  - de openbare sanering van het stedelijk afvalwater te verzekeren;
  - opdrachten uit te voeren die de Regering binnen de watersector toewijst en inzonderheid die welke omschreven zijn in de statuten;
  - studies uit te voeren om de haar toegewezen doelstellingen te behalen;
  - te streven naar transparantie en de opname in de waterprijs van de verschillende kosten verbonden aan de sanering van het stedelijk afvalwater;
  [2 - de nuttige toepassing te verzekeren van het gezuiverde water en van de resten afkomstig van het zuiveringsproces ;]2
  - in het algemeen, alle operaties uit te voeren bij middel van alle juridische middelen, om haar statutair doel te bereiken.
  ----------
  (1)<ORD 2017-12-15/25, art. 7, 008; Inwerkingtreding : 12-02-2018>
  (2)<ORD 2019-05-16/61, art. 8, 010; Inwerkingtreding : 04-07-2019>

  Art. 21.In het kader van het nastreven van haar maatschappelijk doel, oefent de BMWB [1 naast]1 [1 de openbaredienstopdrachten bedoeld bij artikel 17, § 1, de volgende opdrachten uit]1 :
  - [1 ...]1
  - de ontwikkeling van financiële middelen om haar maatschappelijk doel te bereiken, inzonderheid bij middel van haar eigen middelen die ze verkrijgt als tegenprestatie voor de diensten die ze verzekert op het vlak van sanering en bij middel van om het even welke financiële transactie, waaronder leningen;
  - de coördinatie en de tussenkomst bij de uitvoering van werkzaamheden [1 ...]1 inzameling en zuivering van stedelijk afvalwater. De modaliteiten van de tussenkomst worden bepaald door de Regering op voorstel van de BMWB;
  - het ontwerp, de aanleg en de uitbating van een meetnetwerk voor meer bepaald het debiet van de waterlopen en de collectoren alsook van de regenmeting.
  ----------
  (1)<ORD 2019-05-16/61, art. 9, 010; Inwerkingtreding : 04-07-2019>

  Art. 22. Het bedrag van het maatschappelijk kapitaal wordt ingeschreven in de statuten van de BMWB.
  Het maatschappelijk kapitaal kan later meermaals verhoogd of verminderd worden. In dat geval moet iedere nieuwe vennoot een publiekrechtelijke rechtspersoon zijn.

  Art. 23.De hoedanigheid van bestuurder die zitting heeft in de raad van bestuur [1 ...]1 is onverenigbaar met de uitoefening van een functie die van die aard zou zijn dat zijn onafhankelijkheid in het gedrang zou komen bij het uitoefenen van zijn opdracht binnen de BMWB en bij de uitvoering van het beheerscontract.
  ----------
  (1)<ORD 2019-05-16/61, art. 10, 010; Inwerkingtreding : 04-07-2019>

  Afdeling IV. - Beheerscontract.

  Art. 24.§ 1. De Regering sluit een beheerscontract af met de BMWB.
  § 2. In dat opzicht bevat het tenminste :
  1° de taken die de BMWB op zich neemt ter vervulling van zijn openbaredienstverplichtingen;
  2° de gedragsregels voor omgang met de gebruikers van de diensten;
  3° de vaststelling, de berekening en de betalingsmodaliteiten van de eventuele toelagen ten laste van de algemene uitgavenbegroting van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest die de Regering toekent aan de dekking van de lasten die voor de [1 wateroperator]1 voortvloeien uit zijn openbaredienstverplichtingen, rekening houdend met de kosten en de ontvangsten eigen aan deze taken, en met de door of krachtens de ordonnantie of het beheerscontract opgelegde exploitatievoorwaarden;
  4° de beginselen die gevolgd moeten worden bij de uitwerking van de verschillende documenten die jaarlijks overhandigd moeten worden;
  5° [2 ...]2
  6° de voorwaarden voor de controle, de evaluatie en de herziening van het contract;
  7° de sancties bij niet-naleving door een partij van haar verbintenissen uit hoofde van het beheerscontract;
  8° de elementen van het bedrijfsplan;
  9° de financiële structuur van de onderneming.
  § 3. Artikel 1184 van het Burgerlijk Wetboek is niet van toepassing op het beheerscontract. De partij jegens welke een verbintenis in het beheerscontract niet is uitgevoerd, kan slechts de uitvoering van de verbintenis vorderen alsmede, in voorkomend geval, schadevergoeding, onverminderd de toepassing van eventuele bijzondere sancties bepaald in het beheerscontract.
  ----------
  (1)<ORD 2017-12-15/25, art. 2, 008; Inwerkingtreding : 12-02-2018>
  (2)<ORD 2017-12-15/25, art. 8, 008; Inwerkingtreding : 12-02-2018>

  Art. 25.§ 1. Met naleving van het [1 Waterbeheerplan]1 en het maatregelenprogramma legt de Regering een ontwerp van beheerscontract voor aan de BMWB.
  § 2. Het beheerscontract wordt goedgekeurd door de Regering en door de raad van bestuur.
  § 3. Binnen de maand na haar conclusie maakt de Regering het beheerscontract over aan het Brussels Hoofdstedelijk Parlement en publiceert het in het Belgisch Staatsblad.
  § 4. Het beheerscontract wordt afgesloten voor een duur van [2 zes jaar die overeenstemt met de periode die door het Waterbeheerplan gedekt wordt]2. Na de eerste twee jaar van toepassing wordt het geëvalueerd met het doel in voorkomend geval de nodige wijzigingen aan te brengen voor het tweede deel van de geldigheidsduur.
  § 5. Uiterlijk zes maanden voor het verstrijken van een beheerscontract legt de Regering een nieuw ontwerp van contract voor aan de BMWB.
  Indien bij het verstrijken van een beheerscontract geen nieuw contract van kracht is geworden, wordt het bestaande contract van rechtswege en voor een maximale duur van een jaar verlengd tot het nieuwe beheerscontract van kracht wordt. De verlenging wordt door de Regering gepubliceerd in het Belgisch Staatsblad.
  § 6. In geval van wijziging van het [1 Waterbeheerplan]1 of het maatregelenprogramma kan het beheerscontract worden aangepast op verzoek van elk van de partijen. De aanpassingen worden goedgekeurd overeenkomstig de bepalingen van dit artikel.
  ----------
  (1)<ORD 2019-05-16/61, art. 2, 3°, 010; Inwerkingtreding : 04-07-2019>
  (2)<ORD 2019-05-16/61, art. 11, 010; Inwerkingtreding : 04-07-2019>

  Art. 26. De Regering is gemachtigd om personeel van haar diensten ter beschikking te stellen van de BMWB, volgens de voorwaarden die door de Regering worden vastgelegd en zonder dat de personeelsleden in hun geldelijke verloning en loopbaan benadeeld worden in vergelijking met hun situatie in de diensten van de Regering vóór hun terbeschikkingstelling. De raad van bestuur bepaalt het organieke personeelskader en het administratieve en geldelijke statuut ervan.

  Art. 27. De ontbinding van de BMWB kan enkel uitgesproken worden krachtens een ordonnantie die de manier en de voorwaarden van de vereffening zal regelen.

  Art. 28. Het Gewest kan, middels instemming van de raad van bestuur van de BMWB en door middel van een Regeringsbesluit, een bijdrage in natura doen aan de BMWB van goederen die deel uitmaken van het patrimonium van het Gewest.

  Art. 29.§ 1. De BMWB is onderworpen aan de controlemechanismen die bepaald zijn in dit artikel.
  § 2. De Regering oefent, bij monde van twee Regeringscommissarissen, controle uit op BMWB.
  De Regeringscommissarissen worden benoemd door de Regering overeenkomstig [1 de wet van 16 maart 1954 betreffende de controle op sommige instellingen van openbaar nut]1.
  De Regering duidt plaatsvervangers aan voor de eventuele gevallen waarin de Regeringscommissarissen verhinderd zouden zijn.
  § 3. De Regeringscommissarissen zien toe op de naleving van de [1 huidige ordonnantie]1, van het beheerscontract dat werd gesloten krachtens artikel 24 en van het algemeen belang.
  Zij oefenen hun ambt uit in overeenstemming met de modaliteiten en procedures geregeld bij wet van 16 maart 1954 inzake het toezicht op bepaalde openbare instellingen.
  De Regeringscommissarissen brengen regelmatig verslag uit aan de Regering omtrent de werking van de BMWB.
  § 4. De rekeningen van de BMWB zijn onderworpen aan de controle van het Rekenhof. De rekeningen van de maatschappij worden uiterlijk op 31 mei van het jaar volgend op het bedoelde dienstjaar aan het Rekenhof bezorgd.
  Het Rekenhof heeft permanent inzage in de sociale, fiscale, financiële en boekhoudkundige gegevens. Het Hof licht de Regering onverwijld in over anomalieën. Het Hof brengt ook het Parlement daarvan op de hoogte, uit eigen beweging of op diens verzoek.
  Het Rekenhof onderzoekt de wettelijkheid en regelmatigheid van de uitgaven en de ontvangsten en controleert het correcte gebruik van de overheidsgelden. Het Hof controleert of de principes van spaarzaamheid, doeltreffendheid en efficiency gerespecteerd worden.
  Het Rekenhof is ertoe gemachtigd alle stukken en inlichtingen, van welke aard dan ook, over het beheer van de diensten waarmee de BMWB belast is, op te vragen. Het Hof kan een controle ter plaatse organiseren.
  ----------
  (1)<ORD 2019-05-16/61, art. 12, 010; Inwerkingtreding : 04-07-2019>

  Art. 30.§ 1. De BMWB brengt elk jaar, binnen de twee maanden die volgen op haar statutaire algemene vergadering, verslag uit aan de Regering over de uitvoering van haar openbaredienstverplichtingen.
  § 2. [1 ...]1
  § 3. De Regering dient dit verslag in bij het Brussels Hoofdstedelijk Parlement uiterlijk een maand na de ontvangst ervan.
  ----------
  (1)<ORD 2017-12-15/25, art. 9, 008; Inwerkingtreding : 12-02-2018>

  HOOFDSTUK IV. - Instrumenten van het waterbeleid.

  Afdeling I. - Kenmerken van het Brussels stroomgebiedsdistrict, studie van de milieueffecten van menselijke activiteiten en economische analyse van het watergebruik.

  Art. 31.§ 1. Voor het gedeelte van het internationaal stroomgebiedsdistrict dat gelegen is op het grondgebied van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest voert de Regering, die het Instituut hiervoor de opdracht kan geven, overeenkomstig de technische specificaties in bijlagen I en II, het volgende uit :
  1° een analyse van diens kenmerken;
  2° een studie van de effecten van menselijke activiteiten op de toestand van het oppervlaktewater en het grondwater;
  3° een economische analyse van het watergebruik.
  § 2. De in paragraaf 1 bedoelde analyses en studies worden uitgevoerd uiterlijk op 22 december 2004. Ze worden opnieuw bestudeerd en, indien nodig, bijgewerkt uiterlijk op 22 december 2013 en vervolgens om de zes jaar.
  [1 § 3. De Regering is gemachtigd om, overeenkomstig de krachtens artikel 17 aan de wateroperatoren toevertrouwde opdrachten en in overleg met hen, alle nodige maatregelen te treffen teneinde de overstromingsrisico's te evalueren en te beheren.]1
  ----------
  (1)<ORD 2019-05-16/61, art. 13, 010; Inwerkingtreding : 04-07-2019>

  Afdeling II. - Register van de beschermde gebieden.

  Art. 32.De Regering stelt, op voorstel van het Instituut, voor het gedeelte van het internationaal stroomgebiedsdistrict van de Schelde dat gelegen is op het grondgebied van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest, een register op van de gebieden die zijn aangewezen als bijzondere bescherming behoevend in het kader van de specifieke wetgeving om hun oppervlakte- of grondwater te beschermen of voor het behoud van habitats en rechtstreeks van water afhankelijke soorten.
  Dit register geeft een overzicht van ten minste de volgende beschermde gebieden
  1° de oppervlakte- en grondwaterlichamen binnen het grondgebied van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest die dagelijks meer dan 10 m3 leveren of meer dan vijftig personen bedienen en die zijn aangeduid voor de onttrekking van voor menselijke consumptie bestemd water alsmede de voor dat toekomstig gebruik bestemde grond- en oppervlaktewaterlichamen, met inbegrip van de beschermde gebieden voor deze grond- en oppervlaktewaterlichamen;
  2° de beschermingsgebieden van in het water levende soorten die belangrijk zijn vanuit economisch oogpunt;
  3° de waterlichamen die zijn [1 die de Regering gemachtigd is om aan te duiden]1 als recreatie- of zwemwater;
  4° de gevoelige gebieden aangeduid door Richtlijn 91/271 van 21 mei 1991 inzake de behandeling van stedelijk afvalwater;
  5° de kwetsbare gebieden bedoeld door Richtlijn 91/676/EEG van 12 december 1991 inzake de bescherming van water
  tegen de verontreiniging door nitraten uit agrarische bronnen;
  6° De gebieden van grote biologische waarde [1 zoals bedoeld door artikel 20 van de ordonnantie van 1 maart 2012 betreffende het natuurbehoud en de groengebieden met hoogbiologische waarden opgenomen in het Gewestelijk Bestemmingsplan ;]1
  7° [1 de natuur- en bosreservaten alsook de gebieden die zijn geïdentificeerd en aangeduid als speciale instandhoudingszones of speciale beschermingszones krachtens de ordonnantie van 1 maart 2012 betreffende het natuurbehoud.]1
  ----------
  (1)<ORD 2019-05-16/61, art. 14, 010; Inwerkingtreding : 04-07-2019>

  Art. 33.Het register van de beschermde gebieden wordt opnieuw bestudeerd en eventueel bijgewerkt bij elke bijwerking van het [1 Waterbeheerplan]1.
  ----------
  (1)<ORD 2019-05-16/61, art. 2, 3°, 010; Inwerkingtreding : 04-07-2019>

  Art. 34. Het register van de beschermde gebieden omvat tenminste kaarten waarop de ligging van elke beschermd gebied wordt vermeld, alsook een beschrijving van de communautaire en Brusselse wetgeving krachtens dewelke ze n aangeduid.

  Art. 35. De Regering kan gedetailleerde regels vastleggen voor de inhoud, de opstelling en de actualisering van het register.

  Afdeling III. [1 - Voor menselijke consumptie bestemd water en tweedecircuitwater]1
  ----------
  (1)<ORD 2019-05-16/61, art. 15, 010; Inwerkingtreding : 04-07-2019>

  Art. 36.§ 1. De Regering inventariseert binnen het gedeelte van het internationaal stroomgebiedsdistrict dat op het grondgebied van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest ligt :
  1° alle waterlichamen die voor de onttrekking van voor menselijke consumptie bestemd water worden gebruikt en dagelijks gemiddeld meer dan 10 m3 water leveren of meer dan 50 personen bedienen;
  2° de voor dat toekomstig gebruik bestemde waterlichamen.
  De Regering monitort, overeenkomstig bijlage III, de waterlichamen die, overeenkomstig deze bijlage, gemiddeld meer dan 100 m3 per dag leveren.
  § 2. Voor elk overeenkomstig paragraaf 1 aangewezen waterlichaam draagt de Regering er zorg voor
  1° dat het in aanmerking genomen waterlichaam voldoet aan de doelstellingen van artikel 9 tot 13 overeenkomstig de voorschriften van deze ordonnantie voor de oppervlaktewaterlichamen, met inbegrip van de op communautair niveau vastgestelde kwaliteitsnormen;
  2° dat het met de toegepaste waterbehandelingsmethode verkregen water voldoet aan de eisen van Richtlijn 98/83/EG van de Raad van 3 november 1998 betreffende de kwaliteit van het voor menselijke consumptie bestemde water.
  § 3. De Regering draagt zorg voor de nodige bescherming van de aangewezen waterlichamen met de bedoeling de achteruitgang van de kwaliteit daarvan te voorkomen, teneinde het niveau van zuivering dat voor de productie van drinkwater is vereist te verlagen.
  § 4. [1 Iedere zelfproducent van water of elke gebruiker van tweedecircuitwater neemt, met het oog op het behoud van de waterkwaliteit, de sanering van het afvalwater waar volgens het volume water dat hij zelf geproduceerd heeft in het Gewest of het volume tweedecircuitwater dat hem bezorgd werd. Hij wordt geacht voor voormeld volumes een beroep te doen op de diensten die instaan voor de openbare afvalwatersanering. Hij kan deze sanering echter ook zelf uitvoeren mits naleving van de maatregelen die krachtens artikel 40/1 van deze ordonnantie getroffen werden en het verkrijgen van een milieuvergunning die de voorwaarden voor deze autonome sanering vastlegt.]1
  [2 § 5. De Regering is gemachtigd om de maatregelen te treffen die ze nodig acht om de waterhulpbronnen te beschermen in geval van droogte.]2
  ----------
  (1)<ORD 2019-05-16/61, art. 16, 010; Inwerkingtreding : 04-07-2019>
  (2)<ORD 2019-05-16/61, art. 17, 010; Inwerkingtreding : 04-07-2019>

  Art. 36/1. [1 Het voor menselijke consumptie bestemd water dient te voldoen aan de regels bepaald door de Regering.]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij ORD 2010-10-28/06, art. 6, 002; Inwerkingtreding : 28-11-2010>

  Art. 36/2. [1 De Regering kan specifieke normen vastleggen voor het tweedecircuitwater in functie van het gebruik dat men ervan wil maken, dit met het oog op de bescherming van zowel de uiteindelijke gebruiker als van het ontvangende milieu van dit water.]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij ORD 2019-05-16/61, art. 18, 010; Inwerkingtreding : 04-07-2019>
  

  Afdeling IV. - Monitoring van de oppervlaktewatertoestand, de grondwatertoestand en de beschermde gebieden.

  Art. 37. § 1. De Regering, die het Instituut hiervoor kan aanstellen, stelt overeenkomstig de vereisten van bijlage III programma's op voor de monitoring van de watertoestand, teneinde een samenhangend totaalbeeld te krijgen van de watertoestand binnen het internationaal stroomgebiedsdistrict van de Schelde.
  § 2. Wat het oppervlaktewater betreft, hebben de onder paragraaf 1 bedoelde programma's betrekking op :
  1° volume en niveau of snelheid van stroming, voorzover van belang voor de ecologische en chemische toestand en het ecologische potentieel, en
  2° ecologische en chemische toestand en ecologisch potentieel.
  § 3. Wat het grondwater betreft, hebben de in paragraaf 1 bedoelde programma's betrekking op de monitoring van de chemische en kwantitatieve toestand.
  § 4. Wat de beschermde gebieden betreft, worden de in paragraaf 1 bedoelde programma's aangevuld met de specificaties in de communautaire wetgeving krachtens welke de afzonderlijke beschermde gebieden zijn ingesteld.
  § 5. De in paragraaf 1 bedoelde programma's treden ten laatste op 22 december 2006 in voege.

  Afdeling V. - Kostenterugwinning voor de waterdiensten.

  Art. 38.[1 § 1er. Onverminderd artikelen 39 en 39/1, rust de Regering zich uit met de nodige instrumenten om de reële kostprijs van het water te bepalen, met andere woorden de totaliteit van de kosten van de waterdiensten, met inbegrip van de kosten voor het leefmilieu en de natuurlijke rijkdommen, ten einde rekening te kunnen houden met het beginsel van terugwinning van de kosten. Te dien einde, stelt zij onder andere de vaststellings- en inwinningsmodaliteiten vast van de reële kostprijs van het water, waarbij rekening wordt gehouden met de beginselen die in dit artikel worden opgesomd.
   De kosten van waterdiensten omvatten onder andere de kosten van volgende activiteiten :
   - de bescherming van waterwinningen bestemd voor menselijke consumptie;
   - de productiekosten van het voor menselijke consumptie bestemd water, met inbegrip van de winning, de opslag, de eventuele opstuwing en de behandeling;
   - de distributiekosten van het voor menselijke consumptie bestemd water;
   - de opvang van afvalwater;
   - de zuivering van afvalwater.
   § 2. [3 De reële kostprijs van het watergebruik wordt volledig gedekt door twee bronnen van financiering : enerzijds een privéfinanciering via de prijs van het water en de heffingen die gefactureerd worden aan de eindgebruikers en anderzijds een overheidsfinanciering via een financiële participatie van het Gewest.]3
   § 3. [3 De criteria en tariferingsbeginselen die van toepassing zijn op waterdiensten omvatten ten minste de volgende elementen :
   - de verschillende economische sectoren, opgesplitst volgens ten minste de huishoudelijke sector en de sectoren die niet-huishoudelijk afvalwater lozen, dragen op gedifferentieerde wijze bij tot de kosten van de waterdiensten, met naleving van het beginsel dat de vervuiler betaalt ;
   - de prijsstructuur van het water moet aan iedereen de toegang verzekeren tot het water dat nodig is voor de gezondheid, de hygiëne, en de menselijke waardigheid en moet, bijgevolg, in sociale maatregelen voorzien ;
   - de tariefstructuur spoort de eindgebruikers aan om zich op een milieubewuste manier te gedragen, dat wil zeggen om op een doeltreffende en spaarzame manier gebruik te maken van de hulpbronnen teneinde bij te dragen tot de verwezenlijking van de milieudoelstellingen van voorliggende ordonnantie ;
   - de huishoudelijke tarifering houdt rekening met het aantal personen waaruit het huishouden bestaat, door de hantering van progressieve tarieven in functie van het beroep dat er op de waterdiensten gedaan worden en voor zover het volledige verbruik van het huishouden in kwestie geregistreerd wordt door middel van een geïndividualiseerde meter eigen aan het huishouden en dit onder de verantwoordelijkheid van de bij artikel 17, § 1, 3° bedoelde wateroperator ressorteert ;
   - de prijs en kostprijs van het water mogen geen onderscheid maken op basis van de geografische ligging van de eindgebruikers.]3
   § 4. De wateroperator bedoeld in artikel 17, § 1, 4°, moet een deel van de inkomsten afkomstig van de tarifering van water voorbehouden voor maatschappelijke doeleinden.
   Dit bedrag is bestemd voor de gebruikers die steun genieten, in overeenstemming met artikel 57 van de organieke wet van 8 juli 1976 betreffende de openbare centra voor maatschappelijk welzijn, of een collectieve schuldenregeling in overeenstemming met de wet van de 5 juli 1998 betreffende de collectieve schuldenregeling en de mogelijkheid van verkoop uit de hand van de in beslag genomen onroerende goederen, die een financiële tussenkomst kunnen krijgen in de betaling van hun waterfacturen.
   De wateroperator bedoeld in artikel 17, § 1, 4° mag een overeenkomst afsluiten met een of meerdere openbare operatoren voor de tenuitvoerlegging van deze sociale maatregel.
   De Regering bepaalt het deel van de inkomsten van de tarifering van water dat voorbehouden moet worden voor die sociale maatregel. De Regering bepaalt de verdeling van het voorbehouden bedrag tussen enerzijds de betaling van waterfacturen en anderzijds de werkingskosten veroorzaakt door de tenuitvoerlegging van deze sociale maatregel.
   § 5. De in artikel 17, § 1, 4° bedoelde wateroperator is verplicht een bedrag van 0,005 euro per in het vorige dienstjaar gefactureerde mü water voor te behouden voor internationale solidariteit. Dat bedrag wordt aangewend voor projecten inzake ontwikkelingshulp die verband houden met de watersector, met naleving van artikel 2.
   De Regering legt de nadere regels inzake die aanwending vast, met inbegrip van :
   - de samenstelling en de aanwijzing van een selectiecomité dat met name belast is met de jaarlijkse projectoproep, de selectie van de projecten, de opstelling van de overeenkomsten tussen het Instituut, de in artikel 17, § 1, 4° bedoelde wateroperator en de organisatie die het project draagt en met de follow-up van de projecten en de evaluatie ervan op grond van de inlichtingen verschaft door een begeleidingscomité;
   - de samenstelling en de aanwijzing van een begeleidingscomité dat met name belast is met de controle op de uitvoering en het goede verloop van de geselecteerde projecten en met de evaluatie ervan.
   Het in het eerste lid vermelde bedrag wordt gekoppeld aan de index van de consumptieprijzen; de basisindex is de laatste die in 2013 in het Belgisch Staatsblad werd bekendgemaakt. Het bedrag wordt opnieuw berekend op 1 januari van elk jaar, op grond van de laatste op die datum bekendgemaakte index; het tienduizendste deel wordt afgerond naar het hogere tienduizendste of verwaarloosd, naargelang het al dan niet de helft van een tienduizendste bedraagt.
   § 6. Geen enkele onderbreking van de huishoudelijke waterverdeling mag uitgevoerd worden tijdens de jaarlijkse vakantieperiode (van 1 juli tot 31 augustus) en evenmin tijdens de winterperiode (tussen 1 november en 31 maart), behalve om technische of veiligheidsredenen.
   § 7. De facturatieprincipes die van toepassing zijn op de voor distributie van voor menselijke consumptie bestemd water, omvatten ten minste de volgende elementen :
  - de waterprijs wordt aan de gebruikers gefactureerd middels een integrale factuur die ten minste de prijs van de distributie van het water bevat, in hoofdzaak, en de prijs van de opvang en de zuivering, in bijzaak;
   - [2 een maandelijkse elektronische tussenfactuur wordt opgesteld voor alle gezinnen die daarom verzoeken en de daartoe noodzakelijke gegevens ter beschikking stellen ; voor de andere gezinnen wordt ten minste elk kwartaal een tussenfactuur opgesteld en ten minste elk jaar voor de andere gebruikers]2;
   - het aantal tussentijdse facturen op een jaar wordt vastgesteld door de Regering op voorstel van de operator belast met drinkwatervoorziening volgens de verbruiksschijven;
   - als bijlage bij de aan de gezinnen gerichte integrale factuur, en ten minste één keer per jaar, wordt informatie verstrekt aan de gebruikers over het deel van de reële kostprijs dat ten laste genomen wordt door de overheid, de samenstelling van het leidingwater, alsook nuttige informatie om water op een zuinigere manier te gebruiken.]1
  ----------
  (1)<ORD 2017-12-15/25, art. 10, 008; Inwerkingtreding : 12-02-2018>
  (2)<ORD 2019-05-16/57, art. 3, 009; Inwerkingtreding : 01-07-2019>
  (3)<ORD 2019-05-16/61, art. 19, 010; Inwerkingtreding : 04-07-2019>

  Afdeling VI. [1 - Sociale en internationale solidariteitsmaatregelen]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij ORD 2019-05-16/61, art. 20, 010; Inwerkingtreding : 04-07-2019>
  

  Art. 38/1. [1 § 1. De wateroperator bedoeld in artikel 17, § 1, 3°, moet een deel van de inkomsten afkomstig van de tarifering van water voorbehouden voor maatschappelijke doeleinden.
   Dit bedrag is bestemd voor de gebruikers die steun genieten, in overeenstemming met artikel 57 van de organieke wet van 8 juli 1976 betreffende de openbare centra voor maatschappelijk welzijn, of een collectieve schuldenregeling in overeenstemming met de wet van de 5 juli 1998 betreffende de collectieve schuldenregeling en de mogelijkheid van verkoop uit de hand van de in beslag genomen onroerende goederen, die een financiële tussenkomst kunnen krijgen in de betaling van hun waterfacturen.
   De wateroperator bedoeld in artikel 17, § 1, 3° mag een overeenkomst afsluiten met een of meerdere openbare actoren voor de tenuitvoerlegging van deze sociale maatregel.
   De Regering bepaalt het deel van de inkomsten van de tarifering van water dat voorbehouden moet worden voor die sociale maatregel. De Regering bepaalt de verdeling van het voorbehouden bedrag tussen enerzijds de betaling van waterfacturen en anderzijds de werkingskosten veroorzaakt door de tenuitvoerlegging van deze sociale maatregel.
   § 2. Geen enkele onderbreking van de huishoudelijke waterverdeling mag uitgevoerd worden tijdens de jaarlijkse vakantieperiode (van 1 juli tot 31 augustus) en evenmin tijdens de winterperiode (tussen 1 november en 31 maart), behalve om technische of veiligheidsredenen.
   § 3. De in artikel 17, § 1, 3° bedoelde wateroperator is verplicht een bedrag van 0,005 euro per in het vorige dienstjaar gefactureerde m3 water voor te behouden voor internationale solidariteit. Dat bedrag wordt aangewend voor projecten inzake ontwikkelingshulp die verband houden met de watersector, met naleving van artikel 2.
   De Regering legt de nadere regels inzake die aanwending vast, met inbegrip van :
   - de samenstelling en de aanwijzing van een selectiecomité dat met name belast is met de jaarlijkse projectoproep, de selectie van de projecten, de opstelling van de overeenkomsten tussen Leefmilieu Brussel, de in artikel 17, § 1, 3° bedoelde wateroperator en de organisatie die het project draagt en met de follow-up van de projecten en de evaluatie ervan op grond van de inlichtingen verschaft door een begeleidingscomité ;
   - de samenstelling en de aanwijzing van een begeleidingscomité dat met name belast is met de controle op de uitvoering en het goede verloop van de geselecteerde projecten en met de evaluatie ervan.
   Het in het eerste lid vermelde bedrag wordt gekoppeld aan de index van de consumptieprijzen ; de basisindex is de laatste die in 2013 in het Belgisch Staatsblad werd bekendgemaakt. Het bedrag wordt opnieuw berekend op 1 januari van elk jaar, op grond van de laatste op die datum bekendgemaakte index ; het tienduizendste deel wordt afgerond naar het hogere tienduizendste of verwaarloosd, naargelang het al dan niet de helft van een tienduizendste bedraagt.]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij ORD 2019-05-16/61, art. 21, 010; Inwerkingtreding : 04-07-2019>
  

  Afdeling VII. [1 - Facturatieprincipes]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij ORD 2019-05-16/61, art. 22, 010; Inwerkingtreding : 04-07-2019>
  

  Art. 38/2. [1 De facturatieprincipes die van toepassing zijn op de voor distributie van voor menselijke consumptie bestemd water, omvatten ten minste de volgende elementen :
   - de waterprijs wordt aan de gebruikers gefactureerd middels een integrale factuur die ten minste de prijs van de distributie van het water bevat, in hoofdzaak, en de prijs van de sanering (opvang en zuivering), in bijzaak ;
   - een tussentijdse factuur wordt ten minste elk kwartaal opgesteld voor de gezinnen en ten minste elk jaar voor de andere gebruikers ;
   - als bijlage bij de aan de gezinnen gestuurde tussentijdse factuur wordt informatie verschaft betreffende het bestaan van begeleidingsvoorzieningen binnen het Brussels Hoofdstedelijk Gewest en hun contactgegevens ;
   - het aantal tussentijdse facturen op een jaar wordt vastgesteld door de Regering op voorstel van de in artikel 17, § 1, 3° bedoelde wateroperator volgens de verbruiksschijven (m3 verbruikt per jaar) ;
   - als bijlage bij de aan de gezinnen gerichte integrale factuur, en ten minste één keer per jaar, wordt informatie verstrekt aan de gebruikers over het deel van de reële kostprijs dat ten laste genomen wordt door de overheid, de samenstelling van het leidingwater, alsook nuttige informatie om water op een zuinigere manier te gebruiken.]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij ORD 2019-05-16/61, art. 23, 010; Inwerkingtreding : 04-07-2019>
  

  Art. 39.[1 Tot 31 december 2019 oefent Brugel haar bevoegdheid van toezichthouder op de waterprijs uit op basis van de maatregelen die werden goedgekeurd door de Regering om het beginsel van terugwinning van de kosten van waterdiensten toe te passen, inclusief de kosten voor het leefmilieu en voor de natuurlijke rijkdommen, gelet op de economische analyse uitgevoerd overeenkomstig bijlage II en overeenkomstig het beginsel dat de vervuiler betaalt.
   Om over alle nodige informatie te beschikken voor de uitvoering van deze nieuwe bevoegdheid, voert Brugel een gedetailleerde, externe en onafhankelijke audit uit van de wateroperatoren. Deze audit omvat alle gegevens waarover de wateroperatoren beschikken bij de verwezenlijking van hun openbaredienstopdrachten.
   Vanaf 1 januari 2020 oefent Brugel haar bevoegdheid van toezichthouder op de waterprijs uit op basis van de tariefmethodologieën en beginselen van [2 Afdeling VIII]2.]1
  ----------
  (1)<ORD 2017-12-15/25, art. 11, 008; Inwerkingtreding : 12-02-2018>
  (2)<ORD 2019-05-16/61, art. 2,4°, 010; Inwerkingtreding : 04-07-2019>

  Afdeling VIII. [1 - Tariefmethodologieën en tarieven.]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij ORD 2017-12-15/25, art. 12, 008; Inwerkingtreding : 12-02-2018>
  

  Art. 39/1. [1 § 1. Voor elke opdracht van openbare dienst opgesomd in de artikelen 17, § 1, 18, § 1, en 20 van deze ordonnantie en die in aanmerking komt voor de kostenterugwinning van de waterdiensten, wordt toezicht gehouden op de tarieven :
   - tijdens een overgangsperiode die loopt tot 31 december 2019 controleert Brugel de reportings opgesteld door de wateroperatoren krachtens artikel 38 van deze ordonnantie die haar door het Instituut worden overhandigd binnen de vijftien dagen na ontvangst ervan en bepaalt Brugel de reële kostprijs van het water. Tijdens die overgangsperiode wordt elk verzoek tot wijziging van het tarief van de prestaties van de wateroperatoren ingediend bij Brugel. Dit verzoek tot wijziging moet gemotiveerd zijn ten opzichte van zijn investeringsplan waarover de Regering een uitspraak zal gedaan hebben conform artikel 39/5 en de reportings opgesteld in uitvoering van artikel 38 van de ordonnantie. Elke wateroperator kan worden verzocht om Brugel te ontmoeten om er zijn verzoek toe te lichten. Brugel vraagt het advies aan het Comité van Watergebruikers en aan de Economische en Sociale Raad. Brugel beslist over dit verzoek binnen een termijn van zes maanden na ontvangst ervan, rekening houdend met de adviezen en met de beginselen en instrumenten vermeld in artikel 38 van deze ordonnantie;
   - vanaf 1 januari 2019 stelt Brugel, na raadpleging van de wateroperatoren, de tariefmethodologieën op die zij dienen te gebruiken om hun tariefvoorstel op te stellen;
   - in de loop van het jaar 2020 zou Brugel de eerste tariefvoorstellen van de wateroperatoren moeten goedgekeurd hebben. De oude tarieven blijven gelden tot Brugel die eerste tariefvoorstellen heeft goedgekeurd.
   § 2. De tariefmethodologieën verduidelijken met name :
   1° de bepaling van de kostencategorieën per opdracht van openbare dienst, waarbij onderscheid wordt gemaakt tussen de diensten voor voorziening (productie en distributie van drinkwater) en de diensten voor sanering (opvang en zuivering van afvalwater) die worden gedekt door de tarieven;
   2° de regels hoe de kostencategorieën bedoeld in het 1° zullen evolueren in de loop der tijd, met inbegrip van de methode om de parameters van de evolutieformules vast te leggen;
   3° de regels om de kosten toe te wijzen aan gebruikerscategorieën;
   4° de algemene tariefstructuur en de tariefdragers.
   § 3. De raadpleging van de wateroperatoren bedoeld in § 1, tweede streepje, verloopt volgens een procedure die in onderlinge overeenstemming wordt vastgelegd op basis van een uitdrukkelijk, transparant en niet-discriminerend akkoord. Bij ontbreken van een akkoord verloopt het overleg minimum als volgt :
   1° Brugel stuurt de wateroperatoren de oproeping tot de overlegvergaderingen, alsook de documentatie in verband met de agendapunten van die vergaderingen, binnen een termijn van drie weken voor genoemde vergaderingen. De oproepingsbrief vermeldt plaats, datum en tijdstip van de vergadering, en de agendapunten;
   2° na de vergadering stelt Brugel de ontwerpnotulen van de vergadering op, met de argumenten die door de verschillende partijen naar voren werden gebracht en de punten waar men het eens en niet eens over was, en stuurt ze ter goedkeuring aan de wateroperatoren binnen twee weken na de vergadering;
   3° binnen een maand na ontvangst van de door de partijen goedgekeurde notulen van Brugel, sturen de wateroperatoren aan Brugel hun formeel advies over de tariefmethodologie die het resultaat is van dit overleg, waarbij ze in voorkomend geval de eventuele punten waarover nog geen overeenstemming werd bereikt, benadrukken.
   De termijnen zoals bepaald in de punten 1°, 2° en 3° kunnen worden verkort in onderlinge overeenstemming tussen Brugel en de wateroperatoren.
   Brugel motiveert elke aanvaarding of verwerping van de voorstellen tot wijziging van de wateroperatoren.
   § 4. Brugel vraagt het advies aan het Comité van Watergebruikers en aan de Economische en Sociale Raad over de tariefmethodologie die het resultaat is van deze raadpleging of dit overleg. Bovendien kan Brugel het advies dat zij nodig acht vragen aan elke actor van de watersector voor de uitwerking van de tariefmethodologie.
   § 5. Brugel publiceert op haar website de toepasselijke tariefmethodologieën, de relevante documenten in verband met de raadpleging of het overleg met de wateroperatoren en alle documenten die zij nuttig acht om haar beslissing betreffende de tariefmethodologie te motiveren, met inachtneming van de vertrouwelijkheid van commercieel gevoelige informatie betreffende wateroperatoren of gebruikers, persoonsgegevens en/of gegevens waarvan de vertrouwelijkheid is beschermd krachtens specifieke wetten.
   § 6. Tenzij een kortere termijn werd overeengekomen tussen Brugel en de betreffende wateroperator, wordt de tariefmethodologie die van toepassing is op de vaststelling van het tariefvoorstel aan de genoemde operator meegedeeld uiterlijk zes maanden vóór de datum waarop het tariefvoorstel bij Brugel moet worden ingediend.
   § 7. Die tariefmethodologie blijft van toepassing gedurende de hele tariefperiode, met inbegrip van de eindbalans die betrekking heeft op die periode. Indien wijzigingen moeten worden aangebracht aan een tariefmethodologie, kan Brugel, in overleg met de betreffende wateroperator, het tijdstip bepalen waarop die wijzigingen van kracht worden.
   In het kader van wijzigingen aan de tariefmethodologie in de loop van de periode kan Brugel van het Comité van Watergebruikers en van de Economische en Sociale Raad alsook van elke actor van de watersector het advies vragen dat hij nodig acht.]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij ORD 2017-12-15/25, art. 13, 008; Inwerkingtreding : 12-02-2018>
  

  Art. 39/2. [1 Brugel stelt de tariefmethodologieën op met inachtneming van de volgende richtsnoeren :
   1° de tariefmethodologie moet exhaustief en transparant zijn, teneinde het voor de wateroperatoren mogelijk te maken om hun tariefvoorstellen op die enkele basis op te stellen. Ze bevat de elementen die verplicht moeten voorkomen in het tariefvoorstel. Ze definieert rapporteringsmodellen die moeten worden gebruikt door de wateroperatoren. De rapporteringsmodellen worden uitgewerkt in overleg met de wateroperatoren;
   2° de tariefmethodologie moet toelaten om de reële kostprijs van het water te bepalen, dat wil zeggen op efficiënte wijze alle kosten te dekken die noodzakelijk of efficiënt zijn voor de uitvoering van de opdrachten van de wateroperatoren met naleving van hun wettelijke of regelgevende verplichtingen en onverminderd een eventuele financiële participatie van het Gewest, en op die manier het beginsel toe te passen van kostenterugwinning van waterdiensten, inclusief milieukosten en kosten van de hulpbronnen.
   De kosten van waterdiensten omvatten inzonderheid de kosten van volgende activiteiten :
   - de bescherming van waterwinningen bestemd voor menselijke consumptie;
   - de productie van water bestemd voor menselijke consumptie, met inbegrip van de winning, de opslag, de eventuele opstuwing en de behandeling;
   - de distributie van water bestemd voor menselijke consumptie;
   - de opvang van afvalwater;
   - de zuivering van afvalwater;
   3° de tariefmethodologie stelt het aantal jaren van de tariefperiode vast dat aanvangt op 1 januari; bij gebrek daaraan bedraagt die tariefperiode zes jaar. De jaarlijkse tarieven die hieruit voortvloeien, worden bepaald met toepassing van de voor die periode geldende tariefmethodologie;
   4° de tariefmethodologie maakt de evenwichtige ontwikkeling mogelijk van de investeringen die nodig zijn voor de uitvoering van de opdrachten van openbare dienst, in overeenstemming met de investeringsplannen van de wateroperatoren zoals die werden goedgekeurd door de Regering na advies van het Instituut;
   5° de eventuele criteria voor de verwerping van bepaalde kosten zijn niet-discriminerend en transparant;
   6° de tarieven zijn proportioneel en niet-discriminerend. Die tarieven moeten aan iedereen de toegang verzekeren tot het water dat nodig is voor de gezondheid, de hygiëne en de menselijke waardigheid. Zij moeten bijgevolg maatschappelijke maatregelen inhouden;
   7° de tarieven zetten, voor alle tariefdragers, de gebruikers aan tot milieubewust gedrag, dat wil zeggen een rationeel, duurzaam en zuinig gebruik van de hulpbronnen om bij te dragen tot de realisatie van de milieudoelstellingen van deze ordonnantie;
   8° het watertarief dat wordt toegepast voor huishoudelijk gebruik houdt rekening met het aantal personen waaruit het huishouden bestaat, met inachtneming van een progressieve en geleidelijke tarifering volgens het waterverbruik;
   9° de tarieven mogen geen geografische discriminatie tussen gebruikers veroorzaken;
   10° verschillende economische sectoren, zo opgesplitst dat minstens een onderscheid wordt gemaakt tussen huishoudelijke en industriële sectoren, dragen op een gedifferentieerde manier bij in de terugwinning van de kosten van de waterdiensten, volgens het beginsel dat de vervuiler betaalt. Met toepassing van dit beginsel worden de waterprijs en de terugwinning van de kosten, in voorkomend geval, bepaald volgens de vervuilingsgraad veroorzaakt door de gebruiker;
   11° de belastingen, de taksen, de toeslagen, de vergoedingen en bijdragen van alle aard, alsook hun aanpassingen, die worden opgelegd door een wettelijke of regelgevende bepaling, worden automatisch doorberekend in de tarieven drie maanden na hun inwerkingtreding. Brugel controleert de conformiteit van de tariefaanpassing met die wettelijke en regelgevende bepalingen;
   12° onder voorbehoud van de conformiteitscontrole door Brugel, maken de tarieven het mogelijk voor de wateroperatoren om hun kosten en een vergoeding op de nieuwe kapitalen in te vorderen. De controle van die kosten berust op criteria die door Brugel als relevant worden beschouwd;
   13° geen enkele kruissubsidiëring is toegestaan tussen activiteiten die al dan niet onderworpen zijn aan de controle door Brugel;
   14° onverminderd artikel 17 en indien de wateroperatoren al hun verplichtingen of een deel van hun verplichtingen die worden opgelegd door deze ordonnantie en haar uitvoeringsbesluiten hebben toevertrouwd aan een dochtermaatschappij, oefent Brugel die controle ook uit op die dochtermaatschappij;
   15° de tarieven moedigen de wateroperatoren aan om hun prestaties te verbeteren en aan onderzoek en ontwikkeling te doen die nodig zijn voor hun activiteiten, daarbij onder andere rekening houdend met hun door de Regering goedgekeurde investeringsplannen en met criteria voor een efficiënt gebruik van de watervoorraden;
   16° de eventuele vergoeding van de nieuwe kapitalen die werden geïnvesteerd in de activa - ongeacht of die onderworpen zijn aan de controle van Brugel - moet de wateroperatoren toelaten om de nodige investeringen te doen voor de uitvoering van hun opdrachten teneinde het beheer van de waterkringloop in het Brussels Hoofdstedelijk Gewest te verzekeren;
   17° de tarieven streven naar een billijk evenwicht tussen de kwaliteit van de geleverde diensten en de prijzen die door de gebruikers worden gedragen; zij vermelden in hoofdorde het tarief voor waterdistributie en daarnaast het tarief voor sanering (opvang en zuivering);
   18° het positief of negatief saldo van de gerapporteerde kosten (met inbegrip van de vergoeding bedoeld in het 12° ) en de ontvangsten die jaarlijks door de wateroperatoren worden geregistreerd gedurende een tariefperiode wordt door hen op transparante en niet-discriminerende wijze berekend. Dit jaarsaldo wordt gecontroleerd en bekrachtigd door Brugel die bepaalt volgens welke modaliteiten het wordt afgetrokken of bijgeteld bij de kosten die worden doorgerekend aan de gebruikers, of wordt toegewezen aan het boekhoudkundig resultaat van de wateroperator.]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij ORD 2017-12-15/25, art. 14, 008; Inwerkingtreding : 12-02-2018>
  

  Art. 39/3. [1 § 1. De wateroperatoren stellen hun tariefvoorstel op met inachtneming van de tariefmethodologie die werd opgesteld door Brugel en dienen het in in overeenstemming met de indienings- en goedkeuringsprocedure voor tariefvoorstellen bedoeld in paragraaf 3 van huidig artikel.
   § 2. Brugel beslist, na onderzoek van het tariefvoorstel, over de goedkeuring ervan op basis van de conformiteit ervan met de tariefmethodologie en deelt haar gemotiveerde beslissing mee aan de wateroperatoren in overeenstemming met de indienings- en goedkeuringsprocedure voor tariefvoorstellen bedoeld in paragraaf 3 van huidig artikel. Brugel kan in de tariefbeslissing aanvullende modaliteiten invoeren die niet werden gedefinieerd in de tariefmethodologie en die op transparante en niet-discriminerende wijze werden overeengekomen met de wateroperatoren.
   § 3. De indienings- en goedkeuringsprocedure voor tariefvoorstellen wordt overeengekomen tussen Brugel en de wateroperatoren. Bij gebrek aan een akkoord is de procedure als volgt :
   1° in het laatste jaar van een tariefperiode leggen de wateroperatoren, binnen zes maanden voor het verstrijken van die periode, tenzij een kortere termijn werd overeengekomen tussen Brugel en de wateroperatoren, hun tariefvoorstel voor de volgende tariefperiode voor rekening houdend met hun door de Regering goedgekeurd meerjareninvesteringsplan zoals bedoeld in artikel 39/5, samen met een financieel plan en in de vorm van het rapporteringsmodel vastgelegd krachtens de artikelen 38, § 1, en 58 van deze ordonnantie;
   2° het tariefvoorstel samen met financieel plan wordt per drager tegen ontvangstbewijs overhandigd aan Brugel. De wateroperatoren bezorgen ook een elektronische versie waarop Brugel, indien nodig, het tariefvoorstel met het financieel plan kan bewerken;
   3° binnen de maand volgend op de ontvangst van het tariefvoorstel met financieel plan, bevestigt Brugel aan de wateroperatoren, in een brief per drager tegen ontvangstbewijs en per elektronische post, dat het dossier volledig is of bezorgt hun een lijst van bijkomende inlichtingen die de wateroperatoren moeten verschaffen;
   indien het dossier niet volledig is, bezorgen de wateroperatoren de gevraagde bijkomende inlichtingen aan Brugel, in een brief per drager tegen ontvangstbewijs en via elektronische weg, binnen een maand volgend op de ontvangst van de vraag om bijkomende inlichtingen;
   4° binnen de maand volgend op de bevestiging van Brugel bedoeld in punt 3° of, in voorkomend geval, volgend op de ontvangst van de antwoorden en bijkomende inlichtingen van de wateroperatoren bedoeld in punt 3°, vraagt Brugel het advies aan het Comité van Watergebruikers en aan de Economische en Sociale Raad. Na ontvangst van deze adviezen en rekening houdend ermee, brengt Brugel de wateroperatoren, in een brief per drager tegen ontvangstbewijs, op de hoogte van haar goedkeuringsbesluit of ontwerpbesluit tot weigering van het betreffende tariefvoorstel met financieel plan. In haar ontwerpbesluit tot weigering van het tariefvoorstel met financieel plan geeft Brugel op gemotiveerde wijze aan welke punten de wateroperatoren moeten aanpassen om een goedkeuringsbesluit van Brugel te verkrijgen. Brugel is bevoegd om de wateroperatoren te vragen om hun tariefvoorstel aan te passen zodat dit proportioneel is en wordt toegepast op een niet-discriminerende manier. Die laatste kunnen hun bezwaren in dit verband kenbaar maken aan Brugel, per drager tegen ontvangstbewijs en via elektronische weg, binnen de vijftien werkdagen volgend op de ontvangst van het ontwerpbesluit. De wateroperatoren worden, op hun verzoek, door Brugel gehoord binnen de vijftien werkdagen na ontvangst van het ontwerpbesluit tot weigering van het tariefvoorstel met het financieel plan.
   In voorkomend geval dienen de wateroperatoren, binnen een maand na ontvangst van het ontwerpbesluit tot weigering van het tariefvoorstel met financieel plan hun aangepast tariefvoorstel met financieel plan in bij Brugel, per drager en tegen ontvangstbewijs. De wateroperatoren bezorgen ook een elektronische kopie van dit aangepaste tariefvoorstel.
   Binnen een maand na verzending door Brugel van het ontwerpbesluit tot weigering van het tariefvoorstel met financieel plan of, in voorkomend geval, na ontvangst van de bezwaren en het aangepaste tariefvoorstel met financieel plan, brengt Brugel de wateroperatoren, in een brief per drager en tegen ontvangstbewijs en via elektronische weg, op de hoogte van haar goedkeuringsbesluit of weigeringsbesluit van het, desgevallend aangepaste, tariefvoorstel met financieel plan;
   5° indien de wateroperatoren hun verplichtingen niet nakomen binnen de termijnen zoals bepaald in de punten 1° tot 5°, of indien Brugel een weigeringsbesluit heeft genomen voor het tariefvoorstel met financieel plan of voor het aangepaste tariefvoorstel met financieel plan, legt Brugel voorlopige tarieven vast die worden toegepast tot alle bezwaren van de wateractoren of van Brugel uitgeput zijn, of tot Brugel en de wateroperatoren een akkoord hebben bereikt over de twistpunten. Indien de definitieve tarieven afwijken van de voorlopige tarieven, vaardigt Brugel, na overleg met de wateroperatoren, de gepaste compenserende maatregelen uit;
   6° in geval van overgang naar nieuwe diensten, aanpassing van bestaande diensten en/of uitzonderlijke omstandigheden, mogen de wateroperatoren tijdens de tariefperiode een geactualiseerd tariefvoorstel ter goedkeuring voorleggen aan Brugel. Dit geactualiseerd tariefvoorstel houdt rekening met het door Brugel goedgekeurde tariefvoorstel, zonder de integriteit van de bestaande tariefstructuur te wijzigen. Het geactualiseerd voorstel wordt door de wateroperatoren ingediend en door Brugel behandeld volgens de procedure zoals bedoeld in dit artikel, met dien verstande dat de termijn van één maand naar vijftien dagen teruggebracht wordt en die van vijftien werkdagen naar acht werkdagen. In geval van uitzonderlijke omstandigheden kan Brugel aan de wateroperatoren vragen om haar een nieuw voorstel voor tariefwijziging voor te leggen;
   7° Brugel beslist, onverminderd zijn mogelijkheid om de kosten te controleren op basis van de toepasselijke wettelijke en regelgevende bepalingen, over de goedkeuring van de voorstellen voor tariefwijzigingen binnen een redelijke termijn vanaf het moment dat de wateroperatoren dergelijke wijzigingen hebben overhandigd. Brugel mag, in overleg met de betreffende wateroperatoren, bepalen wanneer die wijzigingen van kracht worden;
   8° Brugel publiceert op haar website, op transparante wijze, de stand van de procedure voor aanvaarding van de tariefvoorstellen, evenals, in voorkomend geval, de tariefvoorstellen die werden ingediend door de wateroperatoren.]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij ORD 2017-12-15/25, art. 15, 008; Inwerkingtreding : 12-02-2018>
  

  Art. 39/4.[1 § 1. Tegen de tariefbeslissingen die Brugel neemt op basis van [2 Afdeling VIII]2 kan een beroep worden ingesteld bij het Marktenhof, zetelend in kort geding.
   § 2. De procedure die wordt geregeld door de artikelen 29bis, § 2, en 29quater van de wet van 29 april 1999 betreffende de organisatie van de elektriciteitsmarkt is van toepassing in het Brussels Hoofdstedelijk Gewest voor het beroep bedoeld in paragraaf 1.]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij ORD 2017-12-15/25, art. 16, 008; Inwerkingtreding : 12-02-2018>
  (2)<ORD 2019-05-16/61, art. 2,4°, 010; Inwerkingtreding : 04-07-2019>

  Afdeling IX. [1 - Meerjareninvesteringsplannen.]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij ORD 2017-12-15/25, art. 17, 008; Inwerkingtreding : 12-02-2018>
  

  Art. 39/5. [1 § 1. Elke wateroperator stelt een meerjareninvesteringsplan op om de opdrachten uit te voeren die hem werden toevertrouwd krachtens deze ordonnantie.
   De Regering kan de modaliteiten voor het opstellen van die plannen nader bepalen.
   Het investeringsplan bevat minstens volgende gegevens :
   1° een beschrijving van de bestaande infrastructuur op basis van de beschikbare gegevens, van de staat van veroudering ervan en van de benuttingsgraad ervan;
   2° een uitvoerige beschrijving, met kwantitatieve raming met cijfergegevens, van de belangrijkste voorzieningen die moeten worden gebouwd of gemoderniseerd tijdens de jaren die worden gedekt door voornoemd plan, met hun financiële waarde;
   3° de vastlegging van de nagestreefde kwaliteitsdoelstellingen;
   4° het gevoerde milieubeleid, inzonderheid de verenigbaarheid met het Waterbeheerplan bedoeld in hoofdstuk V van de ordonnantie;
   5° de beschrijving van het beleid voor onderhoud.
   § 2. De eerste voorstellen van meerjareninvesteringsplannen worden ingediend voor advies aan het Instituut tegen 30 september 2018.
   Het Instituut onderzoekt de investeringsplannen. In het belang van de gebruikers en rekening houdend met milieucriteria, kan het Instituut op gemotiveerde wijze vereisen dat de wateroperator, binnen een bepaalde termijn, in zijn investeringsplan bepaalde alternatieve of complementaire investeringen onderzoekt en voorstelt.
   Het Instituut geeft zijn advies over die investeringsplannen en hun relevantie ten opzichte van de Europese verplichtingen en de verplichtingen die voortvloeien uit het Waterbeheerplan bedoeld in Hoofdstuk V van de ordonnantie.
   Dit advies wordt overgemaakt aan de Regering en aan Brugel tegen 30 januari van het jaar volgend op dat bedoeld in lid 1.
   De Regering keurt de meerjareninvesteringsplannen goed, op grond van het advies van het Instituut, tegen 31 maart van het jaar volgend op dat bedoeld in het eerste lid. Bij gebrek aan een beslissing van de Regering op die datum, worden die plannen als goedgekeurd beschouwd.
   § 3. De meerjareninvesteringsplannen bestrijken een periode van zes jaar en worden jaarlijks bijgewerkt voor de zes volgende jaren volgens de procedure vastgelegd in paragraaf 4.
   § 4. Elk jaar tegen 30 september dienen de wateroperatoren hun bijwerkingen in van hun investeringsplannen bij het Instituut. Het Instituut onderzoekt die bijwerkingen. Dit onderzoek wordt ter kennis gegeven van Brugel tegen uiterlijk 30 januari van het daaropvolgende jaar. Indien de bijwerking wijzigingen bevat die mogelijk een invloed kunnen hebben op het Waterbeheerplan, legt het Instituut die wijzigingen ter goedkeuring voor aan de Regering tezamen met de kennisgeving van zijn analyse aan Brugel. Bij gebrek aan goedkeuring van de Regering op 31 maart, worden die wijzigingen als goedgekeurd beschouwd.
   § 5. Het Instituut houdt toezicht op de uitvoering van die investeringsplannen en evalueert de uitvoering ervan.
   § 6. Elk jaar voor 31 maart overhandigen de wateroperatoren aan het Instituut, elk voor zich, een verslag waarin ze de kwaliteit van hun dienstverlening tijdens het voorgaande kalenderjaar beschrijven.
   Dit verslag bevat minstens de volgende gegevens :
   1° het aantal, de frequentie en de gemiddelde duur van onderbrekingen in de watervoorziening en -zuivering;
   2° de aard van de storingen en de lijst met dringende tussenkomsten;
   3° de termijnen voor de behandeling van klachten en het beheer van de noodoproepen;
   4° de termijnen voor aansluiting en reparatie.
   De modaliteiten van die verplichting kunnen worden vastgelegd door het Instituut, dat ook de wateroperatoren kan verplichten om hun onderhoudsprogramma's en alle andere inlichtingen te bezorgen die nodig zijn voor de uitvoering van zijn opdrachten.]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij ORD 2017-12-15/25, art. 18, 008; Inwerkingtreding : 12-02-2018>
  

  Afdeling X. [1 - De bescherming van de oppervlaktewateren tegen verontreiniging door puntbronnen en diffuse bronnen]1
  ----------
  (1)<ORD 2019-05-16/61, art. 26, 010; Inwerkingtreding : 04-07-2019>

  Onderafdeling I. [1 - Controle van de lozingen]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij ORD 2019-05-16/61, art. 27, 010; Inwerkingtreding : 04-07-2019>
  

  Art. 40.[1 § 1. De Regering, die dit kan delegeren aan Leefmilieu Brussel, controleert alle lozingen in de oppervlaktewateren overeenkomstig de in dit artikel uiteengezette gecombineerde aanpak.
   Elke lozing van afvalwater en koelwater in de oppervlaktewateren is verboden, tenzij ze toegelaten werd door een milieuvergunning die werd uitgereikt in overeenstemming met de ordonnantie van 5 juni 1997 betreffende de milieuvergunningen.
   Met lozing wordt elke al dan niet opzettelijke introductie van vervuiling in een oppervlaktewater bedoeld, met inbegrip van het deponeren van vaste stoffen of vloeistoffen op een plaats vanwaar ze door een natuurlijk verschijnsel in die wateren kunnen terechtkomen.
   § 2. De Regering draagt zorg voor de invoering en toepassing van :
   1° toepasselijke emissiegrenswaarden gericht op de naleving van de door haar vastgelegde milieukwaliteitsnormen ;
   2° op de beste beschikbare techniek gebaseerde emissiebeheersingsmaatregelen ;
   3° algemene voorwaarden voor lozing in het rioleringsnet ;
   4° in het geval van diffuse effecten, beheersingsmaatregelen, met inbegrip van de beste milieupraktijken, die zijn vervat in :
   - richtlijn 2010/75/EU van het Europees Parlement en de Raad van 24 november 2010 inzake industriële emissies (geïntegreerde preventie en bestrijding van verontreiniging) ;
   - richtlijn 91/271/EEG van de Raad van 21 mei 1991 inzake de behandeling van stedelijk afvalwater ;
   - richtlijn 91/676/EEG van de Raad van 12 december 1991 inzake de bescherming van water tegen verontreiniging door nitraten uit agrarische bronnen ;
   - de Richtlijnen vastgesteld krachtens artikel 16 van de Richtlijn ;
   - de Richtlijnen opgesomd in bijlage V van deze ordonnantie ;
   - andere relevante communautaire wetgeving,
   uiterlijk op 22 december 2012, tenzij in de desbetreffende wetgeving anders is bepaald.
   § 3. De Regering legt strengere emissiebeheersingsmaatregelen op in het geval een doelstelling of een kwaliteitsnorm, opgesteld met toepassing van deze ordonnantie, van de in bijlage V van deze ordonnantie opgesomde Richtlijn(en) of van elke andere wetgevende bepaling, strengere voorwaarden vereist dan die welke voortvloeien uit de toepassing van paragraaf 2.]1
  ----------
  (1)<ORD 2019-05-16/61, art. 27, 010; Inwerkingtreding : 04-07-2019>

  Onderafdeling II. [1 - Regeling inzake de sanering van stedelijk afvalwater]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij ORD 2019-05-16/61, art. 28, 010; Inwerkingtreding : 04-07-2019>
  

  Art. 40/1. [1 § 1. De regeling inzake de sanering van stedelijk afvalwater voldoet aan de volgende beginselen en verplichtingen :
   1° de regeling inzake de sanering van stedelijk afvalwater in het Brussels Hoofdstedelijk Gewest is collectief, wat het volgende inhoudt :
   - de aanwezigheid van een collectief saneringsnetwerk over het hele grondgebied dat verbonden is met een zuiveringsstation ;
   - de verplichte aansluiting van de gebouwen gelegen langs een weg die al met riolering werd uitgerust ; en ;
   - de verplichting tot aansluiting tijdens werken voor de realisatie van het rioleringsnet voor de gebouwen die langs een weg gelegen zijn, die er tot dan van verstoken bleef ;
   2° elke aansluiting op het rioleringsnet maakt het voorwerp uit van een schriftelijke voorafgaande toelating van de wateroperator belast met het beheer van het rioleringsnet ;
   3° in afwijking van de collectieve saneringsregeling bedoeld bij het 1° en onverminderd andere toepasselijke wetgeving, kunnen sommige zones of sommige gebouwen omwille van een technische onhaalbaarheid of buitensporige kosten ten opzichte van de milieuwinst van een aansluiting op het rioleringsnet het voorwerp uitmaken van een autonome sanering ;
   4° er wordt een kaart opgemaakt van de zones waar de autonome saneringsregeling van toepassing kan zijn, zoals vastgelegd door de wateroperatoren en goedgekeurd door de Regering na een openbaar onderzoek van zestig dagen in de door deze zones betroffen gemeenten ;
   5° bij een autonome sanering legt de milieuvergunning die werd uitgereikt overeenkomstig de ordonnantie van 5 juni 1997 betreffende de milieuvergunningen, de voorwaarden vast voor de exploitatie en het onderhoud van het individuele zuiveringssysteem in functie van de te behandelen afvalwaterstromen. De exploitant van het systeem staat garant voor het onderhoud en de goede werking ervan. De exploitant die de in de milieuvergunning vastgelegde voorwaarden naleeft, kan de operator belast met de verdeling van leidingwater om een gehele of gedeeltelijke vrijstelling verzoeken van het " sanering'-gedeelte van zijn waterfactuur.
   § 2. De Regering kan de toepassingsregels van deze regeling inzake de sanering van stedelijk afvalwater preciseren.]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij ORD 2019-05-16/61, art. 28, 010; Inwerkingtreding : 04-07-2019>
  

  HOOFDSTUK V. - Maatregelenprogramma en beheersplan van het stroomgebied van de Schelde.

  Afdeling I. - Maatregelenprogramma.

  Onderafdeling I. - Algemeen.

  Art. 41. § 1. Om de milieudoelstellingen te bereiken, stelt de Regering op voorstel van het Instituut een maatregelenprogramma op voor het gedeelte van het internationaal stroomgebiedsdistrict van de Schelde dat gelegen is op het grondgebied van het gewest, in samenhang met de maatregelen waartoe werd besloten in het hele stroomgebied.
  § 2. Het maatregelenprogramma houdt rekening met de resultaten van de in artikel 31 bepaalde analyses.

  Art. 42.§ 1. In samenspraak met [1 het Instituut]1, zorgt de Regering voor
  1° de intergewestelijke coördinatie van het maatregelenprogramma van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest met het maatregelenprogramma van het Waals Gewest en het Vlaams Gewest met betrekking tot het internationaal stroomgebiedsdistrict van de Schelde;
  2° de internationale coördinatie van alle maatregelenprogramma's voor het internationaal stroomgebiedsdistrict van de Schelde.
  § 2. Ingeval de Regering een probleem vaststelt dat het beheer van de wateren die tot de bevoegdheid van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest behoren beïnvloedt, en dat ze niet zelf kan oplossen, brengt ze hierover verslag uit aan de Europese Commissie en aan elke andere betrokken Lidstaat van de Europese Unie, en doet ze aanbevelingen voor de oplossing van het probleem.
  ----------
  (1)<ORD 2017-12-15/25, art. 2, 008; Inwerkingtreding : 12-02-2018>

  Art. 43. De Regering legt het maatregelenprogramma vast. Ze belast het Instituut met de opstelling van het ontwerp ervan. Het programma gaat gepaard met een milieueffectenrapport opgesteld in overeenstemming met de bepalingen van de ordonnantie van 18 maart 2004 betreffende de milieueffectenbeoordeling van bepaalde plannen en programma's.

  Onderafdeling II. - Inhoud van het maatregelenprogramma.

  Art. 44.§ 1. Het maatregelenprogramma omvat alle basismaatregelen om de milieudoelstellingen te halen en, waar nodig, aanvullende maatregelen.
  § 2. De basismaatregelen zijn de minimumvereisten waaraan moet worden voldaan, en omvatten :
  1° de maatregelen die voor de toepassing van de communautaire wetgeving voor de waterbescherming nodig zijn, met inbegrip van de maatregelen die [3 krachtens artikel 40 en 40/1]3 vereist zijn;
  2° de maatregelen die voor de doeleinden van terugwinning van de kosten van waterdiensten geschikt worden geacht;
  3° de maatregelen om duurzaam en efficiënt watergebruik te bevorderen teneinde te voorkomen dat de milieudoelstellingen niet worden bereikt;
  4° de vereiste maatregelen om aan de voorschriften van artikel 36 te voldoen, met inbegrip van maatregelen om de waterkwaliteit veilig te stellen teneinde het niveau van de zuivering dat voor de productie van drinkwater is vereist, te verlagen;
  5° beheersingsmaatregelen van de onttrekking van zoet oppervlaktewater en grondwater en de opstuwing van zoet oppervlaktewater, met inbegrip van een register of registers van wateronttrekkingen en het vereiste van voorafgaande toestemming voor wateronttrekking en opstuwing. De Regering kan onttrekkingen en opstuwingen die geen significant effect hebben op de watertoestand, van deze beheersingsmaatregelen vrijstellen;
  6° beheersingsmaatregelen, met inbegrip van een verplichte voorafgaande toestemming voor de kunstmatige aanvulling of vergroting van grondwaterlichamen. Het gebruikte water mag afkomstig zijn van al het oppervlakte- of grondwater, mits het gebruik van de bron niet verhindert dat de milieudoelstellingen voor de bron of voor het aangevulde of vergrote grondwaterlichaam worden bereikt;
  7° [1 voor lozingen door puntbronnen die verontreiniging kunnen veroorzaken en die niet gebonden zijn aan een milieuvergunning afgeleverd in overeenstemming met de ordonnantie van 5 juni 1997 betreffende de milieuvergunningen, de verplichting om een aangifte te doen, volgens de modaliteiten vastgelegd door de Regering, die verplicht de maatregelen bevat die bestemd zijn voor preventie of beheersing van de verontreinigende lozingen. De Regering mag met name beheersingsmaatregelen opleggen die de vorm kunnen aannemen van lozingsnormen, gebruiksvoorwaarden of beperkingen op het gebruik van bepaalde producten of stoffen, in overstemming met artikel 40.
   De Regering kan algemene voorwaarden opleggen voor het gebruik van de gevaarlijke stoffen en van de producten die dergelijke stoffen kunnen uitstoten tijdens hun gebruik, opslag of verwerking;]1
  8° [1 voor de diffuse bronnen die verontreiniging kunnen veroorzaken en die niet gebonden zijn aan een milieuvergunning afgeleverd in overeenstemming met de ordonnantie van 5 juni 1997 betreffende de milieuvergunningen, de verplichting om een aangifte te doen, volgens de modaliteiten vastgelegd door de Regering, die verplicht de maatregelen bevat die bestemd zijn voor preventie of beheersing van de verontreinigende lozingen. De Regering mag met name beheersingsmaatregelen opleggen die de vorm kunnen aannemen van lozingsnormen, gebruiksvoorwaarden of beperkingen op het gebruik van bepaalde producten of stoffen, in overeenstemming met artikel 40.
   Deze beheersingsmaatregelen worden geregeld getoetst, en zo nodig bijgesteld.
   De Regering kan algemene voorwaarden opleggen voor het gebruik van de gevaarlijke stoffen en van de producten die dergelijke stoffen kunnen uitstoten tijdens hun gebruik, opslag of verwerking;]1
  9° voor andere significante negatieve effecten op de watertoestand die overeenkomstig artikel 31 en bijlage I in het bijzonder geconstateerd zijn, en die niet gebonden zijn aan een milieuvergunning afgeleverd in overeenstemming met de ordonnantie van 5 juni 1997 betreffende de milieuvergunningen, met name maatregelen bedoeld om de hydromorfologische toestand van de waterlichamen verenigbaar is met het bereiken van de vereiste ecologische toestand of een goed ecologisch potentieel in het geval van waterlichamen die aangemerkt zijn als kunstmatig of sterk veranderd. De beheersingsmaatregelen voor deze doeleinden worden vastgesteld door de Regering en mogen de vorm aannemen van een vereiste inzake voorafgaande toestemming of registratie op basis van algemeen bindende regels, indien de communautaire wetgeving niet reeds in een dergelijk voorschrift voorziet;
  10° een verbod op de rechtstreekse lozing van verontreinigende stoffen in het grondwater met uitzondering van, tegen de voorwaarden vastgelegd door de Regering
  a. de herinjectie in dezelfde watervoerende laag van voor geothermische doeleinden gebruikt water;
  b. de herinjectie van met civieltechnische bouw- of onderhoudswerkzaamheden geassocieerd water;
  c. de lozingen ten gevolge van civieltechnische, bouw-, constructie- en soortgelijke werkzaamheden op of in de grond die in contact komen met het grondwater;
  d. de lozingen van kleine hoeveelheden verontreinigende stoffen voor wetenschappelijke doeleinden, met het oog op de karakterisering, de bescherming of het herstel van waterlichamen, welke beperkt blijven tot de hoeveelheden die strikt noodzakelijk zijn voor de nagestreefde doeleinden, op voorwaarde dat die lozingen niet verhinderen dat de voor dat grondwaterlichaam vastgestelde milieudoelstellingen worden bereikt;
  11° maatregelen ter bestrijding van de verontreiniging van oppervlaktewateren door de prioritaire stoffen en ter progressieve vermindering van verontreiniging door andere stoffen die anders het bereiken van de milieudoelstellingen zou verhinderen;
  12° maatregelen die nodig zijn ter voorkoming van aanzienlijke lekkage van verontreinigende stoffen uit technische installaties en ter voorkoming en/of beperking van de gevolgen van incidentele verontreiniging, bijvoorbeeld ten gevolge van overstromingen, ook met behulp van systemen om dergelijke gebeurtenissen op te sporen of ervoor te waarschuwen, met inbegrip, in geval van redelijkerwijs niet te voorziene ongevallen, van alle passende maatregelen om het risico voor de aquatische ecosystemen te beperken;
  13° maatregelen ter [3 beoordeling en]3 preventie van de risico's van overstromingen [3 ...]3 en georganiseerd in vierluiken :
  1. een plaatsbeschrijving van de graad van ondoorlatendheid van de bodem in het Brussels Hoofdstedelijk Gewest en de evolutie in de tijd ervan,
  2. een inventaris van de klassieke maatregelen en de alternatieve maatregelen ter bestrijding van overstromingen,
  3. hydraulische simulaties van de regenwaterstromen op het Brussels grondgebied, teneinde de meest aangewezen van de bovenstaande maatregelen te kiezen;
  4. de uitvoering van de klassieke maatregelen of de alternatieve maatregelen die door studies worden aangeduid als de meest efficiënte om overstromingen te bestrijden.
  14° maatregelen ter bescherming van het grondwater, met aanmoediging van hydrothermische technieken, wat een analyse veronderstelt van de kenmerken van de ondergrondse waterbekkens in het Brussels Gewest, een vaststelling van de omstandigheden waarin de hydrothermische installaties kunnen worden geplaatst en de invoering van een administratieve procedure voor toekenning van vergunningen en voor controle.
  § 3. De onder § 2, 5°, 6°, 7°, 8° en 9° bedoelde maatregelen worden beoordeeld en eventueel herzien bij elke werking van het [2 Waterbeheerplan]2. De voorafgaande goedkeuring die wordt bedoeld in § 2, 5° en 6°, wordt toegekend op basis van de beslissingen die worden genomen ter uitvoering van de hydrogeologische reglementering.
  Alle daden bedoeld bij § 2, 7°, 8° en 9° zijn onderworpen aan een milieuvergunning, die wordt toegekend, rekening houdend met de bepalingen van deze bepalingen.
  De onder § 2, 7°, 8° et 9° bedoelde registratie die steunt op dwingende algemene regels, gebeurt op basis van een voorafgaande aangifte in overeenstemming met de ordonnantie van 5 juni 1997 betreffende de milieuvergunningen.
  § 4. Het maatregelenprogramma kan aanvullende maatregelen bevatten waarvan de lijst door de Regering wordt opgesteld op basis van bijlage IV, deel B.
  De Regering kan tevens andere aanvullende maatregelen aannemen met het doel een bijkomende bescherming te bieden, of een verbetering van de wateren die worden bedoeld door deze ordonnantie, met name in het kader van de uitvoering van de toepasselijke internationale akkoorden.
  ----------
  (1)<ORD 2010-10-28/06, art. 9, 002; Inwerkingtreding : 28-11-2010>
  (2)<ORD 2019-05-16/61, art. 2, 3°, 010; Inwerkingtreding : 04-07-2019>
  (3)<ORD 2019-05-16/61, art. 29, 010; Inwerkingtreding : 04-07-2019>

  Art. 45. Wanneer uit monitoringsgegevens of andere gegevens blijkt dat de milieudoelstellingen voor een waterlichaam mogelijk niet zullen worden bereikt binnen de door deze ordonnantie vastgelegde termijnen, zal de Regering :
  1° de oorzaak onderzoeken van het eventuele falen;
  2° de betrokken vergunningen en toelatingen onderzoeken en zo nodig herzien;
  3° de monitoringprogramma's toetsen en zo nodig bijstellen;
  4° aanvullende maatregelen treffen teneinde die milieudoelstellingen te bereiken, waaronder indien nodig de vaststelling van strengere milieukwaliteitsnormen. Indien de in lid 1, 1° bedoelde oorzaken het resultaat zijn van redelijkerwijs niet te voorziene of uitzonderlijke omstandigheden die het gevolg zijn van natuurlijke oorzaken of overmacht, met name omvangrijke overstromingen of lange droogteperioden, kan de Regering bepalen dat aanvullende maatregelen niet haalbaar zijn, zonder evenwel afbreuk te doen aan artikel 63.

  Art. 46. Ter uitvoering van de maatregelen uit hoofde van deze afdeling, ondernemen de rechtspersonen die optreden bij het beheer van de waterkringloop in het Brussels Hoofdstedelijk Gewest alle passende stappen opdat de verontreiniging van mariene wateren niet toeneemt. De toepassing van de maatregelen mag in geen geval direct of indirect tot meer verontreiniging van oppervlaktewateren leiden. Dit voorschrift is niet van toepassing indien het tot meer verontreiniging van het milieu in zijn geheel zou leiden.

  Art. 47. De maatregelenprogramma's worden uiterlijk op 22 december 2009 vastgesteld. Alle maatregelen dienen uiterlijk op 22 december 2012 operationeel te zijn.
  De maatregelenprogramma's worden uiterlijk op 22 december 2015 en vervolgens om de zes jaar getoetst en zo nodig bijgesteld. Nieuwe of herziene maatregelen die in het kader van een herzien programma worden genomen, dienen binnen drie jaar na de vaststelling operationeel te zijn.

  Afdeling II. - [1 Waterbeheerplan]1.
  ----------
  (1)<ORD 2019-05-16/61, art. 2, 3°, 010; Inwerkingtreding : 04-07-2019>

  Onderafdeling I. - Inhoud van het [1 Waterbeheerplan]1.
  ----------
  (1)<ORD 2019-05-16/61, art. 2, 3°, 010; Inwerkingtreding : 04-07-2019>

  Art. 48. De Regering werkt mee aan de opstelling van een enkel geïntegreerd internationaal beheersplan voor het hele internationale stroomgebiedsdistrict van de Schelde. Wordt er geen geïntegreerd internationaal beheersplan opgesteld, dan legt de Regering een beheersplan vast voor het gedeelte van het internationaal stroomgebiedsdistrict dat gelegen is op het Brusselse grondgebied. Ze belast het Instituut met het opstellen van een ontwerp.

  Art. 49.In het [2 Waterbeheerplan]2 moet de in bijlage VII bedoelde informatie worden opgenomen.
  alsook, in voorkomend geval, de wijzigingen die moeten worden aangebracht in de normatieve bepalingen, de plannen en de programma's die kunnen worden toegepast in het Brussels Hoofdstedelijk Gewest, afhankelijk van de uitvoering van de doelstellingen, de maatregelen en de middelen die zijn opgenomen in het [2 Waterbeheerplan]2 van het stroomgebiedsdistrict;
  en een goed gestructureerde niet-technische samenvatting die gericht is tot het grote publiek en die de krachtlijnen bevat van het [1 Waterbeheerplan]1.
  ----------
  (1)<ORD 2019-05-16/61, art. 2,2°, 010; Inwerkingtreding : 04-07-2019>
  (2)<ORD 2019-05-16/61, art. 2, 3°, 010; Inwerkingtreding : 04-07-2019>

  Art. 50.Aanvullend bij het [1 Waterbeheerplan]1 stelt de Regering een document op waarin ze haar beheersintenties verduidelijkt voor de ontwikkeling van het waterbeleid in het Brussels Hoofdstedelijk Gewest, met inbegrip van de maatregelen, de middelen en de termijnen die voorzien zijn om deze beheersintenties te verwezenlijken.
  De Regering kan meer gedetailleerde of nauwkeurigere regelen opstellen om de inhoud vast te leggen van het beheersplan voor het Brusselse gedeelte van het internationaal stroomgebiedsdistrict van de Schelde, alsook voor de opstelling en de redactiemethode van dit gedeelte van het plan.
  ----------
  (1)<ORD 2019-05-16/61, art. 2,2°, 010; Inwerkingtreding : 04-07-2019>

  Onderafdeling II. - Opstelprocedure en modaliteiten voor raadpleging van het publiek.

  Art. 51. § 1. De bepalingen van deze onderafdeling zijn van toepassing op de opstelling van het geïntegreerde beheersplan van het internationale stroomgebiedsdistrict van de Schelde of, bij gebrek hieraan, op die van het beheersplan van het gedeelte van dit district dat gelegen is op het grondgebied van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest.
  § 2. Minstens drie jaar vóór de datum van inwerkingtreding van het beheersplan, en uiterlijk op 22 december 2006, stelt de Regering, voor de elementen die verband houden met het gedeelte van het internationaal stroomgebiedsdistrict van de Schelde dat gelegen is op het grondgebied van het Brussels Gewest, een tijdsschema en een werkprogramma vast voor de opstelling van het beheersplan, welke een overzicht omvatten van de maatregelen die worden genomen op het vlak van de raadpleging van het publiek.
  De Regering stelt, binnen dezelfde termijn, de lijst vast van de gewestelijke of gemeentelijke besturen, van de intercommunales of andere gewestelijke instellingen van openbaar nut en rechtspersonen die actief zijn in het beheer van de waterkringloop in het Brussels Hoofdstedelijk Gewest die haar, op haar verzoek en binnen de door haar vastgestelde termijn, de informatie over hun bevoegdheden moeten verstrekken die relevant is voor de opstelling van het plan.
  De Regering creëert een internetsite over het waterbeleid. Deze vormt onder andere een interface tussen het publiek en het bestuur voor aangelegenheden die verband houden met het waterbeleid in het algemeen en voor aangelegenheden die betrekking hebben op het beheersplan en het maatregelenprogramma in het bijzonder.
  De Regering publiceert het tijdsschema en het werkprogramma voor de opstelling van het plan alsook de lijst die respectievelijk worden bedoeld in lid 1 en lid 2 hierboven, uittreksel in het Belgisch Staatsblad, en stelt dit ter beschikking van het publiek op de internetsite van het Gewest die gewijd is aan het waterbeleid. Deze publicaties informeren het publiek over de mogelijkheid om opmerkingen of suggesties te richten tot de Regering binnen een termijn van zes maanden vanaf de publicatie.
  Teneinde de coherentie te bevorderen tussen de bijdrage van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest aan het beheersplan en de bijdragen van de bevoegde overheden van de andere grondgebieden die vallen onder het internationaal stroomgebiedsdistrict van de Schelde, deelt de Regering het tijdsschema en de lijst ook mee aan de andere Staten of Gewesten van het internationale district.
  De Regering publiceert uiterlijk op 22 december 2007 een tussentijds overzicht van de belangrijke waterbeheerskwesties die zijn vastgesteld in het internationaal stroomgebiedsdistrict van de Schelde op het vlak van het waterbeheer bij uittreksel in het Belgisch Staatsblad en stelt het ter beschikking van het publiek op de internetsite van het Gewest die gewijd is aan het waterbeleid. Deze publicaties informeren het publiek over de mogelijkheid om opmerkingen of suggesties te richten tot de Regering binnen een termijn van zes maanden vanaf de publicatie.
  De Regering organiseert een publieke voorstelling van deze voorlopige samenvatting en legt ze voor ter bespreking.

  Art. 52. De Regering richt een gemotiveerd antwoord aan de personen die opmerkingen of suggesties hebben ingediend binnen de door artikel 55, § 2, vierde en zesde lid bepaalde termijnen.

  Art. 53. § 1. De Regering stelt uiterlijk tegen 22 december 2008 het ontwerpplan vast dat met name werd opgesteld op basis van de adviezen en opmerkingen die werden ingezameld tijdens de raadplegingen door toepassing van artikel 51. Dit ontwerp wordt onderworpen aan een openbaar onderzoek van zes maanden.
  § 2. Het onderzoek wordt aangekondigd door aanplakking in elk van de gemeenten van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest, door een bericht in het Belgisch Staatsblad en in ten minste drie Nederlandstalige en Franstalige dagbladen die in het Gewest worden verspreid, alsmede door een mededeling op radio en televisie volgens de door de Regering bepaalde regels. In deze aankondiging worden de begin- en einddatum van het onderzoek vermeld.
  Deze publicaties informeren het publiek over de voorwaarden voor raadpleging van het ontwerpplan en over de mogelijkheid om opmerkingen of suggesties te richten tot de Regering binnen een termijn van zes maanden vanaf de publicatie.
  Teneinde de coherentie te bevorderen tussen de bijdrage van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest aan het beheersplan en de bijdragen van de bevoegde overheden van de andere grondgebieden die vallen onder het internationaal stroomgebiedsdistrict van de Schelde, wordt het ontwerpplan ook meegedeeld aan de andere Staten of Gewesten van het internationale district.
  Het ontwerpplan wordt voor de hele duur van het openbaar onderzoek ter image gelegd in het gemeentehuis van elk van de gemeenten van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest, zodat het publiek het kan inkijken. Op verzoek worden de referentiedocumenten en de voor de opstelling van het ontwerp van beheersplan gebruikte informatie tijdens het openbaar onderzoek ter beschikking gesteld op een door de Regering gepreciseerde locatie.
  Klachten en opmerkingen dienen binnen de termijn van het onderzoek te worden gericht aan de Regering per aangetekend schrijven of met ontvangstbewijs.
  § 3. Bij het verstrijken van de termijn van het onderzoek beschikken de gemeenteraden en de instanties op de st opgesteld door de Regering krachtens artikel 51, § 2, tweede alinea over een termijn van zestig dagen om hun advies in te dienen en door te geven aan de Regering. Op het einde van de termijn worden de adviezen die niet werden doorgegeven, geacht gunstig te zijn.

  Art. 54.Vóór 22 december 2009 stelt de Regering het beheersplan definitief vast.
  Het besluit van de Regering dat het plan definitief goedkeurt, moet gemotiveerde antwoorden bevatten op de opmerkingen of suggesties die volgens de regels werden ingediend in de loop van het openbaar onderzoek. Dit besluit wordt, net als het definitieve plan, uiterlijk op 22 december 2009 [1 bij uittreksel]1 gepubliceerd in het Belgisch Staatsblad.
  Het beheersplan wordt van kracht tien dagen na de publicatie. Het volledige plan wordt binnen [1 vijftien]1 dagen na deze publicatie ter beschikking gesteld van het publiek in elk gemeentehuis.
  [1 ...]1
  ----------
  (1)<ORD 2019-05-16/61, art. 30, 010; Inwerkingtreding : 04-07-2019>

  Onderafdeling III. - Wijzigingsprocedure.

  Art. 55.De Regering beslist bij gemotiveerd besluit over de actualisering van het [1 Waterbeheerplan]1.
  De procedure van opstelling van het plan is van toepassing op de actualisering ervan [2 met uitzondering van artikelen 51, § 2, laatste lid, en 53, § 3 voor de wijzigingsprocedures opgestart vanaf 1 januari 2019]2. Het [1 Waterbeheerplan]1 blijft van kracht tot de datum van publicatie van het nieuwe [1 Waterbeheerplan]1.
  Het [1 Waterbeheerplan]1 wordt in elk geval uiterlijk op 22 december 2015 bijgewerkt, en vervolgens om de zes jaar.
  ----------
  (1)<ORD 2019-05-16/61, art. 2, 3°, 010; Inwerkingtreding : 04-07-2019>
  (2)<ORD 2019-05-16/61, art. 31, 010; Inwerkingtreding : 04-07-2019>

  Art. 56. Alle maatregelen van de maatregelenprogramma's treden in voege uiterlijk binnen de drie jaar nadat ze definitief werden aangenomen, en in elk geval vóór 22 december 2012. Hetzelfde geldt voor alle nieuwe maatregelen die worden bijgewerkt in de zin van artikel 50.

  Onderafdeling IV. - Rechtsgevolgen van het plan.

  Art. 57.Het [1 Waterbeheerplan]1 verbindt de Regering en de overheden die belast zijn met de toepassing ervan, met betrekking tot de te bereiken resultaten.
  Alle studies of effectenrapporten die worden gewijd aan de publieke of privéontwerpen of plannen op het vlak van planning, stedenbouw of leefmilieu, door of krachtens een gewestelijke wetgeving, bevatten de analyse van de effecten van deze ontwerpen of plannen, in de zin van elk van deze wetgevingen, op de uitvoering van het [1 Waterbeheerplan]1.
  ----------
  (1)<ORD 2019-05-16/61, art. 2, 3°, 010; Inwerkingtreding : 04-07-2019>

  HOOFDSTUK VI. - Informatie en rapporteringen.

  Art. 58. De Regering stelt de inhoud vast van de informatie die moet worden verstrekt aan de besturen, alsook de te hanteren presentatie, door de rechtspersonen die in welke hoedanigheid ook tussenkomen in het beheer van de waterkringloop in het Brussels Hoofdstedelijk Gewest, met het doel de uitvoering van deze ordonnantie te garanderen.

  Art. 59. § 1. De Regering zendt de Commissie en eventuele andere betrokken lidstaten afschriften van het beheersplan van het internationaal stroomgebiedsdistrict van de Schelde of van het beheersplan van het gedeelte van dit district dat gelegen is op het grondgebied van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest en alle geactualiseerde versies binnen drie maanden na publicatie daarvan toe.
  § 2. De Regering legt beknopte verslagen voor met betrekking tot de krachtens artikel 31 vereiste analyses en de krachtens artikel 37 ontworpen monitoringprogramma's, die ten behoeve van het eerste beheersplan zijn uitgevoerd binnen drie maanden na de voltooiing.
  Evenzeer legt de Regering binnen drie jaar na de publicatie van elk beheersplan of van elke actualisering aan de Commissie een tussentijds verslag voor over de vooruitgang in de uitvoering van het geplande maatregelenprogramma.

  HOOFDSTUK VII. - Onteigening.

  Art. 60.De aankopen van onroerende goederen die nodig zijn voor de uitvoering van het [1 Waterbeheerplan]1 en het maatregelenprogramma kunnen worden gerealiseerd door middel van onteigening om redenen van openbaar nut.
  Ongeacht de bepalingen die andere overheden machtigen om te onteigenen, kunnen de volgende instanties handelen als onteigenende overheid : het Brussels Hoofdstedelijk Gewest, de gemeenten van het Gewest en de overheidsinstellingen en organisaties die afhangen van het Gewest en die bij ordonnantie gemachtigd zijn om te onteigenen om redenen van openbaar nut.
  Om de in deze bepaling bedoelde onteigeningen uit te voeren, moet de onteigenende overheid in het bezit zijn van een door de Regering goedgekeurd onteigeningsplan.
  De onteigeningen dienen te gebeuren met naleving van de vigerende wetten.
  ----------
  (1)<ORD 2019-05-16/61, art. 2,2°, 010; Inwerkingtreding : 04-07-2019>

  HOOFDSTUK VIII. - Afwijkingen van de milieudoelstellingen.

  Art. 61.Met strikte inachtneming van volgende voorwaarden kan de Regering beslissen om, voor bepaalde specifieke waterlichamen en met het oog op het gefaseerd bereiken van de doelstellingen voor waterlichamen, de in de artikelen 11 tot 13 gestelde termijnen voor de milieudoelstellingen verlengen tot een latere datum, mits de toestand van het aangetaste waterlichaam niet verder verslechtert.
  Een dergelijke beslissing mag slechts worden genomen indien wordt voldaan aan volgende cumulatieve voorwaarden
  1° de verlenging van de termijn voldoet ten minste aan één van de volgende redenen
  a) de vereiste verbeteringen zijn technisch slechts haalbaar in verschillende fases die de gestelde termijnen overschrijden;
  b) de verwezenlijking van de verbeteringen binnen de gestelde termijnen zou onevenredig duur zijn;
  c) de natuurlijke omstandigheden beletten een tijdige verbetering van de toestand van het waterlichaam;
  2° het [2 Waterbeheerplan]2 duidt uitdrukkelijk het volgende aan :
  a) de waterlichamen waarvoor de milieudoelstellingen het voorwerp zijn geweest van een verlenging van de termijn;
  b) de verlenging van de termijn en de redenen voor deze verlenging;
  c)[1 een overzicht van de maatregelen die nodig worden geacht om de waterlichamen binnen de verlengde termijn geleidelijk in de vereiste toestand te brengen, de redenen voor significante vertraging bij de operationalisering van deze maatregelen, alsmede het vermoedelijke tijdsschema voor de uitvoering ervan. In de bijwerkingen van het stroomgebiedsbeheersplan wordt een evaluatie van de uitvoering van die maatregelen opgenomen, alsmede een overzicht van eventuele extra maatregelen;]1
  3° de verlengingen worden beperkt tot maximaal twee bijwerkingen van het beheersplan van het Brussels stroomgebiedsdistrict, behalve wanneer de natuurlijke omstandigheden van dien aard zijn dat de doelstellingen niet binnen die termijn kunnen worden bereikt.
  ----------
  (1)<ORD 2010-10-28/06, art. 10, 002; Inwerkingtreding : 28-11-2010>
  (2)<ORD 2019-05-16/61, art. 2,1°, 010; Inwerkingtreding : 04-07-2019>

  Art. 62.De Regering mag minder strenge milieudoelstellingen vaststellen voor specifieke waterlichamen, wanneer die lichamen in een zodanige mate door menselijke activiteiten zijn aangetast of hun natuurlijke gesteldheid van dien aard is dat het bereiken van die doelstellingen niet haalbaar of onevenredig kostbaar zou zijn.
  Deze mogelijkheid bestaat slechts indien aan elk van de volgende voorwaarden wordt voldaan :
  1° de ecologische en sociaal-economische behoeften die door zulke menselijke activiteiten worden gediend, kan niet worden vervuld met andere, voor het milieu aanmerkelijk gunstigere middelen die geen onevenredig hoge kosten met zich brengen;
  2° de oppervlaktewateren moeten de best mogelijke ecologische en chemische toestand bereiken die haalbaar is, gezien de redelijkerwijs niet te vermijden effecten vanwege de aard van de menselijke activiteiten of verontreiniging;
  3° voor de grondwateren moeten zo gering mogelijke veranderingen in de goede grondwatertoestand optreden, gezien de redelijkerwijs niet te vermijden effecten vanwege de aard van de menselijke activiteiten of verontreiniging;
  4° er treedt geen verdere achteruitgang op in de toestand van het aangetaste waterlichaam;
  5° de minder strenge milieudoelstellingen worden vermeld in het [1 Waterbeheerplan]1 ligt, en deze doelstellingen worden om de zes jaar getoetst.
  ----------
  (1)<ORD 2019-05-16/61, art. 2,1°, 010; Inwerkingtreding : 04-07-2019>

  Art. 63.Een tijdelijke achteruitgang van de toestand van bepaalde waterlichamen is toegestaan, indien zulks het resultaat is van onvoorziene omstandigheden of overmacht, een uitzonderlijke natuurlijke oorzaak of niet te voorziene ongevallen, op voorwaarde dat aan alle navolgende voorwaarden is voldaan :
  1° alle haalbare stappen worden ondernomen om verdere achteruitgang van de toestand te voorkomen teneinde het bereiken van de doelstellingen van deze ordonnantie voor andere, niet door die omstandigheden getroffen waterlichamen niet in het gedrang te brengen;
  2° de voorwaarden waaronder uitzonderlijke of redelijkerwijs niet te voorziene omstandigheden mogen worden aangevoerd, met inbegrip van de vaststelling van passende indicatoren, worden vermeld in het [1 Waterbeheerplan]1;
  3° de maatregelen die in dergelijke uitzonderlijke omstandigheden moeten worden genomen, worden opgenomen in het maatregelenprogramma en mogen het herstel van de kwaliteit van het waterlichaam niet in de weg staan wanneer die omstandigheden niet meer bestaan;
  4° de gevolgen van uitzonderlijke of redelijkerwijs niet te voorziene omstandigheden worden jaarlijks geëvalueerd, en onder voorbehoud van de redenen zoals uiteengezet in artikel 61, lid 2, 1°, worden alle haalbare maatregelen genomen om het waterlichaam zo snel als redelijkerwijs haalbaar is te herstellen in de toestand waarin het zich bevond voordat de effecten van die omstandigheden intraden;
  5° in de volgende bijwerking van het beheersplan van het Brusselse stroomgebiedsdistrict wordt een overzicht gegeven van de effecten van de omstandigheden en van de maatregelen die overeenkomstig 1° en 4° werden of zullen worden genomen.
  ----------
  (1)<ORD 2019-05-16/61, art. 2,1°, 010; Inwerkingtreding : 04-07-2019>

  Art. 64.§ 1. Met strikte naleving van de voorwaarden gedefinieerd onder § 2 vormt het niet bereiken van een goede grondwatertoestand, een goede ecologische toestand, of, in voorkomend geval, een goed ecologisch potentieel, of het niet voorkomen van achteruitgang van de toestand van een oppervlakte- of grondwaterlichaam, geen inbreuk op de vereisten van deze ordonnantie wanneer dit het gevolg is van nieuwe veranderingen van de fysische kenmerken van een oppervlaktewaterlichaam of wijzigingen in de stand van grondwaterlichamen.
  Op dezelfde manier vormt het niet voorkomen van achteruitgang van een zeer goede toestand van een oppervlak-waterlichaam naar een goede toestand geen inbreuk op de vereisten van deze ordonnantie indien deze achteruitgang het gevolg is van nieuwe duurzame activiteiten van menselijke ontwikkeling.
  § 2. De in paragraaf 1 bedoelde hypothesen zijn slechts toegelaten indien aan de volgende voorwaarden is voldaan :
  1° alle praktische maatregelen worden genomen om de negatieve effecten op de toestand van het waterlichaam tegen te gaan;
  2° de redenen en toelichtingen voor de veranderingen of wijzigingen die worden bedoeld in paragraaf 1, eerste lid, worden vermeld in het [1 Waterbeheerplan]1 en de doelstellingen worden om de zes jaar getoetst;
  3° de redenen voor die veranderingen of wijzigingen zijn van hoger openbaar belang of het nut van het bereiken van de milieudoelstellingen wordt overtroffen door het nut van de nieuwe veranderingen en wijzigingen voor de gezondheid van de mens, de handhaving van de veiligheid van de mens of duurzame ontwikkeling;
  4° het nuttige doel dat met die veranderingen of wijzigingen van het waterlichaam wordt gediend, kan vanwege de technische haalbaarheid of onevenredig hoge kosten niet worden bereikt met andere, voor het milieu aanmerkelijk gunstigere middelen.
  ----------
  (1)<ORD 2019-05-16/61, art. 2,1°, 010; Inwerkingtreding : 04-07-2019>

  HOOFDSTUK VIIIbis. [1 - Onafhankelijk toezichthoudend orgaan voor de waterprijs.]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij ORD 2017-12-15/25, art. 19, 008; Inwerkingtreding : 12-02-2018>
  

  Art. 64/1.[1 § 1. In het kader van zijn in paragraaf 2 opgesomde opdrachten, neemt Brugel alle redelijke maatregelen, eventueel in nauw overleg met de andere betrokken gewestelijke overheden en onverminderd hun bevoegdheden, om volgende doelstellingen te bereiken :
   1° de tariefmethodologieën vastleggen;
   2° de tarieven van de watersector goedkeuren;
   3° een bemiddelingsdienst voor het water oprichten.
   § 2. Brugel is bekleed met een opdracht tot verlening van advies en expertise aan de overheid over de organisatie en de werking van de gewestelijke watersector, enerzijds, en met een algemene opdracht voor toezicht en controle in het kader van zijn bevoegdheid van toezichthouder op de waterprijs met toepassing van deze ordonnantie en haar uitvoeringsbesluiten, anderzijds.
   In dat kader is Brugel belast met volgende opdrachten :
   1° het geven van gemotiveerde adviezen of beslissingen in het kader van haar bevoegdheden voor toezicht op de waterprijs en het indienen van voorstellen in de gevallen zoals bepaald door huidige ordonnantie en haar uitvoeringsbesluiten;
   2° op vraag van de Regering of van de Minister belast met het Waterbeleid, het uitvoeren van onderzoeken en studies in verband met de watersector in het kader van haar bevoegdheid van toezichthouder op de waterprijs;
   3° het beschikken over een controlebevoegdheid ter plaatse en die controles te laten uitoefenen door zijn personeel;
   4° het informeren van de Regering over de afstemming van de tarieven met name op de subsidie die de Regering aan een wateroperator verleent of op hun sociale gevolgen, in het bijzonder voor de meest kwetsbare categorieën van gebruikers;
   5° een autonome dienst oprichten, genaamd " Brusselse dienst voor waterbemiddeling ", uiterlijk op 1 januari 2020, bevoegd voor de verdeling van de verzoeken en klachten betreffende de werking van de watersector, voor de behandeling van elk geschil tussen een gebruiker en een operator zoals bedoeld in de artikelen 17 en 18. Die dienst krijgt inzonderheid als toevertrouwd :
   - de evaluatie en het onderzoek van alle vragen en klachten van de gebruikers over de activiteiten van de wateroperatoren;
   - het vergemakkelijken van het vinden van een regeling in der minne tussen de gebruiker en een operator;
   - het formuleren van aanbevelingen aan de wateroperatoren, op eigen initiatief of wanneer er geen regeling in der minne kan worden gevonden;
   - de opstelling van een jaarverslag over zijn activiteiten.
   De Regering kan de nadere regels voor de uitvoering van die opdrachten bepalen.
   § 3. Brugel oefent op onpartijdige en transparante wijze de volgende bevoegdheden uit :
   1° bindende besluiten nemen en sancties zoals bedoeld in artikel 65 toepassen ten aanzien van de wateroperatoren in geval van niet-naleving van haar beslissingen en de bepalingen van deze ordonnantie en haar uitvoeringsbesluiten, in het kader van haar bevoegdheid van toezichthouder op de waterprijs;
   2° van de wateroperatoren [2 en van elke andere rechtspersoon actief op het vlak van het beheer van de watercyclus]2 alle inlichtingen eisen die nodig zijn voor de uitvoering van haar taken, met inbegrip van de verantwoording van elke weigering om toegang te verlenen aan een derde, en alle inlichtingen over de maatregelen die nodig zijn [2 om de]2 opdrachten van openbare dienst [2 bedoeld bij artikel 17, § 1, 18, § 1, en 20]2 te vervullen.
   § 4. Wie een verzoek ontvangt om gegevens of inlichtingen te verschaffen, is verplicht mee te werken binnen de termijn die wordt toegekend door Brugel, op straffe van toepassing van de sancties zoals bepaald in artikel 65. De gegevens of inlichtingen die worden meegedeeld door een wateroperator voor elke activiteit betreffende de uitvoering van deze ordonnantie mogen uitsluitend worden gebruikt in het kader van deze ordonnantie.
   § 5. In overeenstemming met de organieke ordonnantie van 23 februari 2006 houdende de bepalingen die van toepassing zijn op de begroting, de boekhouding en de controle, krijgt Brugel een aanvullende dotatie, binnen de perken van de begrotingskredieten, voor de uitvoering van haar krachtens deze ordonnantie toevertrouwde opdrachten.]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij ORD 2017-12-15/25, art. 20, 008; Inwerkingtreding : 12-02-2018>
  (2)<ORD 2019-05-16/61, art. 32, 010; Inwerkingtreding : 04-07-2019>

  HOOFDSTUK IX. - Sancties.

  Art. 65.§ 1. Wordt [2 gestraft met de straf voorzien in artikel 31, § 1, van het Wetboek van inspectie, preventie, vaststelling en bestraffing van milieumisdrijven, en milieuaansprakelijkheid]2 :
  [1 1° de personen die de maatregelen vastgelegd in toepassing van artikelen 11, 12 en 13 miskennen;
   2° de personen die, in overtreding van [5 artikelen 17, § 3, 36, § 4 of 40/1, § 1, 1°]5 hun verplichtingen inzake sanering niet zijn nagekomen;
   3° de personen die de watertariferingsprincipes vervat [3 in afdelingen V en [4 VIII]4]3 niet nakomen;
   4° de [3 wateroperatoren]3 die hun verplichtingen conform artikel 36/1 niet vervullen;
   5° [5 de personen die, in strijd met artikel 40, § 1, afvalwater of koelwater in de oppervlaktewateren lozen zonder zich hiervoor te kunnen beroepen op de toelating van een milieuvergunning ;]5
   6° de personen die de maatregelen, lozingsnormen, lozingsverbod, gebruiksvoorwaarden of beperkingen op het gebruik van bepaalde producten of stoffen en de aangifteverplichting vastgelegd in toepassing van artikel 44, miskennen;
   7° de personen die, hoewel ze hier regelmatig toe zijn uitgenodigd, nalaten om de informatie mee te delen die hun werd gevraagd krachtens artikel 58 en de op grond daarvan vastgestelde regelingen;]1
  [3 8° de personen die zich verzetten tegen de controles en onderzoeken van Brugel uitgevoerd in het kader van deze ordonnantie of die weigeren haar de inlichtingen te verschaffen die ze gehouden zijn te geven krachtens deze ordonnantie, of die haar opzettelijk onjuiste of onvolledige inlichtingen verschaffen;]3
  [5 9° de personen die de emissiegrenswaarden, de emissiebeheersingsmaatregelen en de algemene lozingsvoorwaarden vastgelegd in toepassing van artikel 40, § 2 en 3 miskennen.]5
  [1 § 1/1. [2 ...]2 ]1
  § 2. De bepalingen van boek 1 van het Strafwetboek, met uitzondering van artikel 85, zijn van toepassing op de in paragraaf 1 bedoelde inbreuken.
  § 3. [3 ln het kader van haar bevoegdheid betreffende het toezicht op de waterprijs, kan Brugel elke wateroperator gelasten zich te houden aan de beslissingen die zij neemt en aan de bepalingen van deze ordonnantie of de uitvoeringsbesluiten ervan binnen de termijn die zij bepaalt. Als deze wateroperator in gebreke blijft na het verstrijken van de termijn, kan Brugel hem een administratieve boete opleggen. Deze boete mag, per kalenderdag, niet lager zijn dan 1.239 euro en niet hoger dan 99.157 euro. De totale boete mag niet meer bedragen dan tien procent van de omzet die de wateroperator gerealiseerd heeft in de loop van het laatste afgesloten boekjaar, indien dit bedrag hoger zou liggen. Er mag geen enkele administratieve boete worden opgelegd voor feiten waarvoor al een vonnis van het Marktenhof is geveld op basis van artikel 39/4.
   Vooraleer het bedrag van de boete te bepalen, informeert Brugel de betrokken wateroperator per aangetekend schrijven, en nodigt hem uit een nota te bezorgen met betrekking tot zijn verdedigingsgronden.
   Het aangetekend schrijven bevat de vermelding van de weerhouden grieven, de overwogen sanctie en de melding dat het dossier kan worden ingekeken, de plaats en de uren waarop dit kan, en dit gedurende de termijn bepaald door Brugel. De nota wordt Brugel per aangetekend schrijven overgemaakt, binnen de dertig dagen na ontvangst van het bovenvermeld schrijven.
   Brugel informeert de wateroperator over de datum van het voorafgaand verhoor. Het voorafgaand verhoor vindt plaats ten vroegste op de twintigste dag na de verzending van het bovenvermeld aangetekend schrijven. De wateroperator mag zich laten bijstaan door een advocaat of door deskundigen naar keuze. Brugel stelt een proces-verbaal op van het verhoor, en verzoekt de operator deze te tekenen, desgevallend nadat deze er haar opmerkingen aan heeft toegevoegd.
   Brugel neemt de zaak in beraad na het laatste verhoor. Hij bepaalt de administratieve boete middels een gemotiveerde beslissing en informeert de wateroperator binnen de dertig dagen na het laatste verhoor, per aangetekend schrijven. Na deze termijn wordt Brugel geacht definitief af te zien van elke sanctie gebaseerd op de aan de wateroperator ten laste gelegde feiten, behalve indien zich nieuwe elementen zouden voordoen. De kennisgeving van de beslissing vermeldt de mogelijkheden tot beroep bepaald door de wet en door deze ordonnantie, alsmede de termijn waarbinnen het kan worden ingesteld.]3
  ----------
  (1)<ORD 2012-05-10/01, art. 6, 003; Inwerkingtreding : 02-06-2012>
  (2)<ORD 2014-05-08/54, art. 134, 005; Inwerkingtreding : 01-01-2015; zie ook ORD 2014-05-08/54, art. 159>
  (3)<ORD 2017-12-15/25, art. 21, 008; Inwerkingtreding : 12-02-2018>
  (4)<ORD 2019-05-16/61, art. 2,4°, 010; Inwerkingtreding : 04-07-2019>
  (5)<ORD 2019-05-16/61, art. 33, 010; Inwerkingtreding : 04-07-2019>

  HOOFDSTUK X. - Opheffings-, overgangs- en slotbepalingen.

  Art. 66. De volgende wijzigingen worden aangebracht in de ordonnantie van 25 maart 1999 betreffende de opsporing, de vaststelling, de vervolging en de bestraffing van misdrijven inzake leefmilieu :
  1° artikel 2 wordt aangevuld met een 18° dat luidt als volgt : "18° De ordonnantie van 20 oktober 2006 tot vaststelling van een kader voor het waterbeleid";
  2° artikel 33 wordt aangevuld met een 13° dat luidt als volgt : "13° in de zin van de ordonnantie van 20 oktober 2006 tot vaststelling van een kader voor het waterbeleid, de gebruikers die hun verplichtingen inzake sanering niet nakomen in overtreding van artikel 36, § 4, van die ordonnantie. De sanctie houdt rekening met het volume door de zelfproducent in het rioleringsnetwerk geloosd water en met de aard van de vervuiling".

  Art. 67. Aan artikel 10, § 2 van de ordonnantie van 18 maart 2004 betreffende de milieueffectenbeoordeling van bepaalde plannen en programma's, wordt een 5° toegevoegd, dat luidt als volgt : " Voor het maatregelenprogramma dat wordt bedoeld in artikel 39 van de ordonnantie tot opstelling van een kader voor het waterbeleid : aanduiding van de bevoegde overheden. "

  Art. 68.Art. 3, § 2, 10° van het koninklijk besluit van 8 maart 1989 tot oprichting van het Brussels Instituut voor Milieubeheer bekrachtigd door de wet van 16 juni 1989 en gewijzigd door de ordonnanties van 30 juli 1992 en 27 april 1995, wordt vervangen door de volgende bepaling : "- de opdrachten vervullen waarmee het wordt belast met toepassing van de ordonnantie van 20 oktober 2006 tot vaststelling van een kader voor het waterbeleid en de uitvoeringsbesluiten van deze ordonnantie".
  Een overdrachtsbesluit zal de taken van de diensten van de Regering die zullen worden overgedragen aan [1 het Instituut]1, alsook de modaliteiten van deze overdracht bepalen.
  ----------
  (1)<ORD 2017-12-15/25, art. 2, 008; Inwerkingtreding : 12-02-2018>

  Art. 69. Aan artikel 7 van de ordonnantie van 18 maart 2004, wordt een d) toegevoegd, dat luidt als volgt : "Het beheersplan van het internationaal stroomgebiedsdistrict van de Schelde als bedoeld bij artikel 48 van de ordonnantie tot opstelling van een kader voor het waterbeleid en, bij gebrek, het beheersplan voor het gedeelte van het internationaal stroomgebiedsdistrict van de Schelde dat gelegen is op het grondgebied van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest als bedoeld bij dezelfde regel".

  Art. 70. De ordonnantie van 29 maart 1996 houdende invoering van een hefring op het lozen van afvalwater wordt opgeheven. De Regering kan evenwel besluiten dat de artikelen 15 tot 21 van die ordonnantie van kracht blijven in de mate dat dit nodig is om rekening te houden met de vervuiling van geloosd afvalwater voor de bepaling van de waterprijs en de saneringsdiensten.
  Deze bepaling treedt in werking op de dag waarop het besluit van de Regering uitgevaardigd krachtens artikel 38 in werking treedt.

  Art. 71. De artikelen 100 tot 103 van de organieke ordonnantie van 23 februari 2006 houdende de bepalingen die van toepassing zijn op de begroting, de boekhouding en de controle, zijn niet van toepassing op de vervreemdingen van de goederen van het Gewest ten gunste van de BMWB.

  Art. 72.[1 § 1.]1 De Regering kan de bepalingen van deze ordonnantie codificeren of coördineren met de bepalingen van andere wetten of ordonnanties betreffende het leefmilieu, het waterbeleid en het natuurbehoud die ze expliciet of impliciet zou hebben gewijzigd of opgeheven.
  Daartoe kan ze :
  1° de volgorde, nummering en, in het algemeen, de presentatie van de te codificeren of te coördineren bepalingen wijzigen;
  2° de eventuele referenties in de te codificeren of te coördineren bepalingen wijzigen om ze in overeenstemming te brengen met de nieuwe nummering;
  3° de te codificeren of te coördineren bepalingen opheffen, aanvullen, wijzigen of vervangen indien zulks vereist is om verplichtingen die voortvloeien uit Richtlijnen, verordeningen of beslissingen van de Europese Unie na te komen.
  [1 § 2. De Regering is gemachtigd om bij besluit de technische elementen van de bijlagen bij deze ordonnantie te wijzigen, mochten dergelijke wijzigingen nodig blijken voor een correcte toepassing van het Europese recht op het vlak van water.]1
  ----------
  (1)<ORD 2019-05-16/61, art. 34, 010; Inwerkingtreding : 04-07-2019>

  Art. 73. Artikel 18, § 2 treedt in werking op 1 januari 2006.

  BIJLAGEN.

  Art. N1. Bijlage I. - Oppervlaktewateren en grondwater.
  (Bijlage niet opgenomen om technische redenen. Zie B.S. 03-11-2006, p. 58796-58803).

  Art. N2. Bijlage II. - Economische analyse.
  (Bijlage niet opgenomen om technische redenen. Zie B.S. 03-11-2006, p. 58804).

  Art. N3.Bijlage III. - Watertoestand.
  (Bijlage niet opgenomen om technische redenen. Zie B.S. 03-11-2006, p. 58805-58846).
  
  Gewijzigd door:
  
  <ORD 2016-12-23/13, art. 2, 006; Inwerkingtreding : 20-01-2017>

  Art. N4. Bijlage IV. - Lijst van in de maatregelenprogramma's op te nemen maatregelen.
  (Bijlage niet opgenomen om technische redenen. Zie B.S. 03-11-2006, p. 58847-58848).
  
  (Gewijzigd bij :
  <ORD 2019-05-16/61, art. 35, 010; Inwerkingtreding : 04-07-2019>

  Art. N5.[1 Bijlage V - Emissiegrenswaarden en milieukwaliteits- normen
   Onder voorbehoud van de maatregelen die de Regering gemachtigd is te treffen krachtens artikel 40, § 2, worden de milieukwaliteitsnormen vastgesteld in het kader van richtlijn 2008/105/EG inzake milieukwaliteitsnormen op het gebied van het waterbeleid tot wijziging en vervolgens intrekking van de Richtlijnen 82/176/EEG, 83/513/EEG, 84/156/EEG, 84/491/EEG en 86/280/EEG van de Raad, en tot wijziging van Richtlijn 2000/60/EG als de milieukwaliteitsnormen beschouwd waarop de emissiegrenswaarden voor de doeleinden van deze ordonnantie zijn gebaseerd.]1
  ----------
  (1)<ORD 2019-05-16/61, art. 36, 010; Inwerkingtreding : 04-07-2019>

  Art. N6. Bijlage VI. - Kaarten.
  (Kaarten niet opgenomen om technische redenen. Zie B.S. 03-11-2006, p. 58850-58851).

  Art. N7. Bijlage VII. - Stroomgebiedsbeheersplan.
  (Bijlage niet opgenomen om technische redenen. Zie B.S. 03-11-2006, p. 58852-58853).

  Art. N8. Bijlage VIII. - Indicatieve lijst van de belangrijkste verontreinigende stoffen.
  (Bijlage niet opgenomen om technische redenen. Zie B.S. 03-11-2006, p. 58854).

Handtekening Tekst Inhoudstafel Begin
   Brussel, 20 oktober 2006.
De Minister-President van de Brusselse Hoofdstedelijke Regering, belast met Plaatselijke Besturen, Ruimtelijke Ordening, Monumenten en Landschappen, Stadsvernieuwing, Huisvesting, Openbare Netheid en Ontwikkelingssamenwerking,
Ch. PICQUE
De Minister van de Brusselse Hoofdstedelijke Regering, belast met Financiën, Begroting, Openbaar Ambt en Externe Betrekkingen,
G. VANHENGEL
De Minister van de Brusselse Hoofdstedelijke Regering, belast met Tewerkstelling, Economie, Wetenschappelijk Onderzoek, Brandbestrijding en Dringende Medische Hulp,
B. CEREXHE
De Minister van de Brusselse Hoofdstedelijke Regering, belast met Mobiliteit en Openbare Werken,
M. SMET
De Minister van de Brusselse Hoofdstedelijke Regering, belast met Leefmilieu, Energie en Waterbeleid,
Mevr. E. HUYTEBROECK

Aanhef Tekst Inhoudstafel Begin
   De Brusselse hoofdstedelijke Regering,

Wijziging(en) Tekst Inhoudstafel Begin
originele versie
  • ORDONNANTIE (BRUSSEL) VAN 16-05-2019 GEPUBL. OP 24-06-2019
    (GEWIJZIGDE ART. : 5; 14; 50; 61; 64; 7; 10; 49; 50; 60; 11; 12; 25; 33; 44; 49; 55; 57; 39; 39/4; 65)
    (GEWIJZIGDE ART. : 3; 5; 6; 17; 18; 20; 21; 23; 25; 29; 31; 32; 36; 36/2; 38; 38/1; 38/2; 39-39/5; 40; 40/1; 44; 54; 55; 64/1; 65; 72; N4; N5)
  • originele versie
  • ORDONNANTIE (BRUSSEL) VAN 16-05-2019 GEPUBL. OP 21-06-2019
    (GEWIJZIGD ART. : 38)
  • originele versie
  • ORDONNANTIE (BRUSSEL) VAN 15-12-2017 GEPUBL. OP 02-02-2018
    (GEWIJZIGDE ART. : 5; 18; 24; 17; 18; 42; 68; 5; 6; 17; 18; 20; 24; 30; 38; 39; 39/1; 39/2; 39/3; 39/4; 39/5; 64/1; 65)
  • originele versie
  • ORDONNANTIE (BRUSSEL) VAN 23-06-2017 GEPUBL. OP 28-06-2017
    (GEWIJZIGDE ART. : 17; 18)
  • originele versie
  • ORDONNANTIE (BRUSSEL) VAN 23-12-2016 GEPUBL. OP 10-01-2017
    (GEWIJZIGD ART. : N3)
  • originele versie
  • ORDONNANTIE (BRUSSEL) VAN 08-05-2014 GEPUBL. OP 18-06-2014
    (GEWIJZIGD ART. : 65)
  • originele versie
  • ORDONNANTIE (BRUSSEL) VAN 30-01-2014 GEPUBL. OP 06-03-2014
    (GEWIJZIGD ART. : 38)
  • originele versie
  • ORDONNANTIE (BRUSSEL) VAN 10-05-2012 GEPUBL. OP 23-05-2012
    (GEWIJZIGDE ART. : 65; )
  • originele versie
  • ORDONNANTIE (BRUSSEL) VAN 28-10-2010 GEPUBL. OP 18-11-2010
    (GEWIJZIGDE ART. : 5; 6; 36/1; 40; 44; 61; 65)

  • Parlementaire werkzaamheden Tekst Inhoudstafel Begin
       Gewone zitting 2005/2006 Documenten van het Parlement A-302/1. Ontwerp van ordonnantie. A-302/2. Verslag. Gewone zitting 2006/2007 A-302/3. Amendementen na verslag. Integraal verslag. - Bespreking. Vergadering van woensdag 18 oktober 2006. - Aanneming. Vergadering van donderdag 19 oktober 2006.

    Begin Eerste woord Laatste woord Wijziging(en) Aanhef
    Parlementaire werkzaamheden Inhoudstafel 30 uitvoeringbesluiten 9 gearchiveerde versies
    Franstalige versie