J U S T E L     -     Geconsolideerde wetgeving
Einde Eerste woord Laatste woord Wijziging(en) Aanhef
Verslag aan de Koning Inhoudstafel 2 uitvoeringbesluiten 2 gearchiveerde versies
Handtekening Einde Franstalige versie
 
belgiëlex . be     -     Kruispuntbank Wetgeving
Raad van State
ELI - Navigatie systeem via een Europese identificatiecode voor wetgeving

Titel
24 SEPTEMBER 2006. - Koninklijk besluit betreffende de uitoefening en de organisatie van kermisactiviteiten en ambulante activiteiten in kermisgastronomie
(NOTA : Raadpleging van vroegere versies vanaf 29-09-2006 en tekstbijwerking tot 31-12-2015)

Bron : ECONOMIE, KMO, MIDDENSTAND EN ENERGIE
Publicatie : 29-09-2006 nummer :   2006022951 bladzijde : 50537   BEELD
Dossiernummer : 2006-09-24/32
Inwerkingtreding : 01-10-2006

Inhoudstafel Tekst Begin
HOOFDSTUK I. - Betreffende de uitoefening van kermisactiviteiten en ambulante activiteiten in kermisgastronomie.
Art. 1-7
HOOFDSTUK II. - Betreffende de organisatie van de kermisactiviteiten en ambulante activiteiten in kermisgastronomie op openbare kermissen en op het openbaar domein.
Afdeling I. - Betreffende de organisatie van kermisactiviteiten en ambulante activiteiten in kermisgastronomie op de openbare kermissen.
Onderafdeling I. - Betreffende de standplaatsen op de openbare kermissen.
Art. 8-9
Onderafdeling II. - Betreffende de personen aan wie de standplaatsen op kermissen kunnen toegewezen worden alsook zij die deze kunnen innemen.
Art. 10-11
Onderafdeling III. - Betreffende de abonnementen.
Art. 12
Onderafdeling IV. - Betreffende de voorwaarden en de modaliteiten van de toewijzing van standplaatsen.
Art. 13-17
Onderafdeling V. - Betreffende de overdracht van standplaatsen met abonnementen.
Art. 18
Afdeling II. - Betreffende de organisatie van kermisactiviteiten op het openbaar domein buiten openbare kermissen.
Art. 19-23
Afdeling III. - Betreffende de personen belast met de praktische organisatie van de openbare kermissen en de kermisactiviteiten op het openbaar domein.
Art. 24
HOOFDSTUK III. - Betreffende het onderzoek en de vaststelling van overtredingen.
Art. 25
Art. 25 VLAAMS GEWEST
HOOFDSTUK IV. - Betreffende de minnelijke schikking.
Art. 26-29
Art. 29 VLAAMS GEWEST
Art. 30-31
HOOFDSTUK V. - Overgangs- en slotbepalingen.
Art. 32-34
BIJLAGEN.
Art. N1-N4

Tekst Inhoudstafel Begin
HOOFDSTUK I. - Betreffende de uitoefening van kermisactiviteiten en ambulante activiteiten in kermisgastronomie.

  Artikel 1. § 1. De persoon, die een kermisattractie of een vestiging van kermisgastronomie met bediening aan tafel uitbaat voor eigen rekening of als verantwoordelijke voor het dagelijks bestuur van een rechtspersoon, dient over een machtiging, voorzien in Bijlage Ia van dit besluit te beschikken. Deze machtiging, " machtiging als werkgever " genoemd, is persoonlijk en onoverdraagbaar. Zij is geldig voor de duur van de activiteit en zolang de natuurlijke of rechtspersoon aan de voorwaarden tot uitoefening van deze activiteit voldoet.
  Zij wordt toegekend aan de verantwoordelijke(n) voor het dagelijks bestuur van een rechtspersoon, voor rekening van deze.
  § 2. De persoon die, voor eigen rekening of als verantwoordelijke voor het dagelijks bestuur van een rechtspersoon, op een kermis een vestiging van kermisgastronomie zonder bediening aan tafel uitbaat, moet over de " machtiging als werkgever " voor de uitoefening van ambulante activiteiten beschikken, bedoeld in artikel 13 van het koninklijk besluit van 24 september 2006 betreffende de uitoefening en de organisatie van ambulante activiteiten.

  Art. 2. § 1. De persoon die een kermisattractie of een vestiging van kermisgastronomie met bediening aan tafel uitbaat voor rekening of in dienst van een persoon bedoeld in artikel 1, § 1, dient over een machtiging voorzien in Bijlage Ib van dit besluit te beschikken. Deze machtiging, " machtiging als aangestelde-verantwoordelijke " genoemd, wordt uitgereikt op naam van de natuurlijk persoon of rechtspersoon waarvoor hij de activiteit uitoefent voor de duur van de activiteit zonder de geldigheidsduur van de " machtiging als werkgever ", waaraan zij verbonden is, te kunnen overstijgen.
  De " aangestelden " die een kermisactiviteit uitoefenen voor rekening of in dienst van een persoon bedoeld in artikel 1, § 1, andere dan deze bedoeld in het eerste lid, zijn vrijgesteld van de verplichting over een machtiging te beschikken in zoverre zij hun activiteit uitoefenen in het bijzijn en onder de controle van deze persoon of van een aangestelde-verantwoordelijke bedoeld in het eerste lid.
  § 2. De persoon die op een kermis een vestiging van kermisgastronomie zonder bediening aan tafel uitbaat, voor rekening of in dienst van een persoon bedoeld in het artikel 1, § 2, " aangestelde-verantwoordelijke " genoemd, moet over de " machtiging als aangestelde A " of over de " machtiging als aangestelde B " beschikken, bedoeld in artikel 14, §§ 1 of 2, van het koninklijk besluit van 24 september 2006 betreffende de uitoefening en de organisatie van ambulante activiteiten.
  § 3. In afwijking op artikel 14 van het bovenvermeld koninklijk besluit van 24 september 2006, worden de " aangestelden ", andere dan bedoeld in § 2, die een ambulante activiteit in kermisgastronomie zonder bediening aan tafel uitoefenen voor rekening of in dienst van een persoon bedoeld in artikel 1, § 2, vrijgesteld van de verplichting over een machtiging te beschikken indien zij hun activiteit uitoefenen in het bijzijn en onder controle van deze persoon of een " aangestelde " bedoeld in § 2, van dit artikel.

  Art. 3. De machtigingen bedoeld in de artikelen 1, § 1, en 2, § 1, vermelden de attracties en uitgebate vestigingen met de nauwkeurige vermelding van de aard en de identificatie, indien zij zich op eigen kracht voortbewegen, door middel van hun nummer van de kentekenplaat of, in het andere geval, door dit van de kentekenplaat van het voertuig welke hen vervoert.
  Wanneer de attractie onder het toepassingsgebied valt van het koninklijk besluit van 18 juni 2003 betreffende de uitbating van kermistoestellen, bepaalt de machtiging die de attractie dekt de categorie waartoe deze behoort, overeenkomstig het onderscheid uitgevoerd door het voornoemde besluit.

  Art. 4. § 1. Elke persoon, bedoeld in de artikelen 1 en 2, §§ 1 en 2 dient wanneer hij zijn activiteit uitoefent in het bezit te zijn van zijn machtiging of desgevallend, van een document dat dit vervangt, voorzien in artikel 6, § 4, van het besluit of artikel 17 § 4, van het bovenvermeld koninklijk besluit van 24 september 2006.
  § 2. De machtiging is slechts geldig indien ze vergezeld is van :
  1° een identiteitsbewijs van haar houder of voor de niet-ingezetenen en de buitenlandse onderdanen van een identiteitsbewijs dat dit vervangt;
  2° een bewijs waaruit blijkt dat de uitbater van de attractie of van de vestiging van kermisgastronomie met of zonder bediening aan tafel behoorlijk gedekt wordt door verzekeringspolissen inzake burgerlijke aansprakelijkheid en tegen brandrisico's;
  3° het bewijs, wanneer het een kermisattractie met voortbeweging van personen, aangedreven door een niet-menselijke energiebron betreft :
  a) dat de attractie voldoet aan de bepalingen van artikel 10 van het koninklijk besluit van 18 juni 2003 betreffende de uitbating van kermistoestellen;
  b) dat de attractie beschikt over een ontvangstmelding van het document bedoeld in § 3;
  4° het bewijs dat de uitbating van de kermisattractie met dieren voldoet aan de reglementaire voorschriften betreffende deze materie;
  5° het bewijs dat de vestiging van kermisgastronomie met of zonder bediening aan tafel en de personen die er werkzaam zijn voldoen aan de reglementaire voorwaarden inzake volksgezondheid.
  § 3. Alvorens de attractie voor de consumenten open te stellen, moet de uitbater of de " aangestelde-verantwoordelijke " van een kermisattractie met voortbeweging van personen aangedreven door een niet-menselijke energiebron, een kopie van het document dat bevestigt dat de inspectie van de opstelling van de attractie voorzien in artikel 5 van het bovenvermelde koninklijk besluit van 18 juni 2003 werd verwezenlijkt, tegen ontvangstmelding, aan de burgemeester, aan zijn afgevaardigde of aan de concessionaris afleveren.
  § 4. De machtiging alsook de documenten bedoeld in dit artikel dienen op elk verzoek van een van de personen belast met de controle op de kermisactiviteiten, bij de wet of dit besluit, voorgelegd te worden.

  Art. 5. Het verkrijgen van een machtiging tot het uitoefenen van een kermisactiviteit bedoeld in de artikelen 1, § 1, en 2, § 1, is aan volgende voorwaarden onderworpen :
  1° onverminderd de bepalingen van internationale verdragen en overeenkomsten :
  - ofwel Belg zijn of echtgenoot van een Belg of, op voorwaarde dat zij zich met één van hen vestigen of komen vestigen :
  a) de bloedverwanten in nederdalende lijn van een Belg of die van zijn echtgenoot, beneden de 21 jaar of die te hunnen laste zijn;
  b) de bloedverwanten in opgaande lijn van een Belg of die van zijn echtgenoot, die te hunnen laste zijn;
  c) de echtgenoot van de persoon bedoeld in a en b;
  - ofwel onderdaan van een lidstaat van de Europese Economische Ruimte zijn of, op voorwaarde dat zij zich met hem vestigen of komen vestigen :
  a) zijn echtgenoot;
  b) zijn bloedverwanten in nederdalende lijn, of die van zijn echtgenoot, beneden 21 jaar of die te hunnen laste zijn;
  c) zijn bloedverwanten in opgaande lijn of die van zijn echtgenoot, die te hunnen laste zijn met uitzondering van de bloedverwanten in opgaande lijn van een student of die van zijn echtgenoot;
  d) de echtgenoot van de personen bedoeld in b en c;
  - ofwel gemachtigd of toegelaten zijn tot onbeperkt verblijf of vestiging;
  - ofwel erkend vluchteling in België zijn;
  2° indien de kermisactiviteit uitgeoefend wordt in een gereglementeerd gebied, voorafgaand voldoen aan de bepalingen terzake tenzij een wettelijke of reglementaire bepaling er anders over beschikt.
  3° het kunnen voorleggen, voor de kermisattracties met voortbeweging van personen aangedreven door een niet-menselijke energiebron, van het bewijs van risicoanalyse bedoeld in artikel 3, § 2, van het bovenvermeld koninklijk besluit van 18 juni 2003, of van het bewijs dat de attractie voldoet aan de algemene verplichting betreffende de veiligheid en/of aan de veiligheidsbeginsels krachtens de bepalingen van artikel 3, §§ 3 en 4, van hetzelfde koninklijk besluit.

  Art. 6. § 1. De aanvraag tot verkrijging van een machtiging tot het uitoefenen van kermisactiviteiten, tot wijziging van de gegevens die op de machtiging voorkomen of tot vervanging hiervan wordt, door middel van het formulier weergegeven in Bijlage II van dit besluit, ingediend bij één van de ondernemingsloketten opgericht door de wet van 16 januari 2003 houdende oprichting van een Kruispuntbank van Ondernemingen, tot modernisering van het handelsregister, tot oprichting van erkende ondernemingsloketten en houdende diverse bepalingen.
  Deze wordt ingediend, voor zichzelf of voor zijn " aangestelden-verantwoordelijken ", door de persoon die de attractie of vestiging uitbaat voor eigen rekening of die het dagelijks bestuur van de rechtspersoon waarneemt.
  Na controle van de voorwaarden tot verkrijging van de gevraagde machtiging, levert het ondernemingsloket de machtiging of een document met motivatie naar rechte en in feite van weigering tot toekenning van de machtiging, af.
  § 2. De weigering van de aflevering van de machtiging of de ongegronde afwezigheid van een beslissing binnen een termijn van tien dagen volgend op het verstrijken van de termijn van drie maanden voorzien in artikel 3, vijfde lid, van de wet van 25 juni 1993 betreffende de uitoefening en de organisatie van ambulante en kermisactiviteiten, is vatbaar voor beroep bij de Minister.
  Wordt beschouwd als ongegronde afwezigheid van beslissing, het gebrek aan een beslissing binnen de termijn voorzien in het vorige lid in het kader van een aanvraag van machtiging die alle nodige stukken bevat om een beslissing te kunnen nemen.
  Het beroep moet ingediend worden bij een ter post aangetekend schrijven met ontvangstbewijs of op een duurzame drager tegen ontvangstbewijs, binnen een termijn van dertig dagen vanaf de dag volgend op kennisneming door de aanvrager van de beslissing van weigering afgeleverd door het ondernemingsloket of bij afwezigheid van de beslissing, de dag volgend op het verstrijken van de vervaltermijn bedoeld in het eerste lid.
  De Minister of de ambtenaar aan wie hij deze bevoegdheid gedelegeerd heeft, deelt zijn beslissing aan de aanvrager mede bij een ter post aangetekend schrijven met ontvangstmelding of op een duurzame drager tegen ontvangstmelding, binnen een termijn van dertig dagen vanaf de dag volgend op de ontvangst van het beroep. Hij informeert tevens het loket dat zich naar zijn beslissing moet voegen.
  Wanneer de termijnen bedoeld in deze paragraaf vervallen op een zaterdag of een zondag, worden ze verlengd tot de daaropvolgende werkdag.
  § 3. Bij aanvraag tot vervanging van een machtiging levert het loket aan de aanvrager een verklaring af voorzien in Bijlage III bij dit besluit. Dit document laat de voortzetting van de activiteit toe tot aan de verkrijging van de vervangende machtiging.
  § 4. Bij ontvangst van een machtiging als gevolg van een aanvraag tot wijziging, moet de vorige machtiging aan het ondernemingsloket terug bezorgd worden.
  Bij stopzetting van de kermisactiviteiten of indien de houder van de machtiging of de onderneming op definitieve wijze niet langer voldoet aan de voorwaarden tot het uitoefenen van de activiteit en/of aan de voorwaarden bedoeld in artikel 4, § 2, 2° tot en met 5°, voor één of het geheel van de uitbatingen of vestigingen, moet de machtiging eveneens aan het ondernemingsloket terugbezorgd worden.
  De machtiging moet niet terugbezorgd worden wanneer tijdelijk niet meer voldaan wordt aan de voorwaarden bedoeld in artikel 4, § 2, 2° tot en met 5°. De desbetreffende attractie of vestiging mag echter niet worden uitgebaat gedurende deze periode.
  § 5. Het ondernemingsloket informeert de Federale Overheidsdienst Economie, K.M.O., Middenstand en Energie over de machtigingen en de weigeringen die het aflevert.

  Art. 7. Bij aanvraag van een machtiging tot het uitoefenen van kermisactiviteiten ontvangt het ondernemingsloket een recht waarvan het bedrag als volgt is vastgesteld :
  1° voor een " machtiging als werkgever ", bedoeld in artikel 1 : 150 euro;
  2° voor een machtiging als " aangestelde - verantwoordelijke ", bedoeld in artikel 2 : 100 euro.
  Bij aanvraag tot wijziging of vervanging van een machtiging tot het uitoefenen van kermisactiviteiten ontvangt het ondernemingsloket een recht waarvan het bedrag als volgt is vastgesteld :
  1° voor een " machtiging als werkgever ", bedoeld in artikel 1 : 50 euro;
  2° voor een " machtiging als aangestelde - verantwoordelijke " bedoeld in artikel 2 : 100 euro.
  Deze rechten worden geïnd tegen ontvangstbewijs afgeleverd door het ondernemingsloket.

  HOOFDSTUK II. - Betreffende de organisatie van de kermisactiviteiten en ambulante activiteiten in kermisgastronomie op openbare kermissen en op het openbaar domein.

  Afdeling I. - Betreffende de organisatie van kermisactiviteiten en ambulante activiteiten in kermisgastronomie op de openbare kermissen.

  Onderafdeling I. - Betreffende de standplaatsen op de openbare kermissen.

  Art. 8. De standplaatsen op de openbare kermissen worden toegewezen hetzij voor de duur van de kermis, hetzij per abonnement.

  Art. 9. § 1. Buiten een geval van absolute noodzaak en de verplichtingen onafscheidelijk verbonden aan de hernieuwing van de kermis, worden de standplaatsen toegewezen per abonnement aan de uitbater die een zelfde standplaats heeft verkregen gedurende drie opeenvolgende jaren. Het gemeentelijk reglement kan deze termijn verminderen.
  Voor de berekening van de termijn, worden de opeenvolgende jaren van verkrijging van de standplaats door de overlater verrekend in het voordeel van de overnemer.
  Echter, wanneer de standplaats is verkregen naar aanleiding van de opschorting van het abonnement, is de regel bedoeld in het eerste lid niet van toepassing, behalve indien de verkrijging het resultaat is van de opschorting van het abonnement door de overlater.
  § 2. Het plan van de kermis bepaalt de standplaatsen en hun wijze van toekenning. Het kan geraadpleegd worden overeenkomstig de wettelijke bepalingen betreffende de openbaarheid van bestuur in de provincies en gemeenten.

  Onderafdeling II. - Betreffende de personen aan wie de standplaatsen op kermissen kunnen toegewezen worden alsook zij die deze kunnen innemen.

  Art. 10. De standplaatsen worden toegewezen hetzij aan de natuurlijke personen die voor eigen rekening een kermisactiviteit of een ambulante activiteit in de sector van de kermisgastronomie uitoefenen, houders van een " machtiging als werkgever " in kermisactiviteiten bedoeld in artikel 1 of van een " machtiging als werkgever " in ambulante activiteiten bedoeld in artikel 13 van het koninklijk besluit van 24 september 2006 betreffende de uitoefening en de organisatie van ambulante activiteiten, hetzij aan rechtspersonen die één van deze activiteiten uitoefenen. De standplaatsen worden aan deze rechtspersonen toegekend door tussenkomst van de persoon verantwoordelijk voor hun dagelijks bestuur, houder van de " machtiging als werkgever " in kermisactiviteiten bedoeld in artikel 1 of van de " machtiging als werkgever " in ambulante activiteiten bedoeld in artikel 13 van het voornoemd koninklijk besluit van 24 september 2006.
  Om een standplaats te verkrijgen dient de houder van de " machtiging als werkgever " in kermisactiviteiten het bewijs te leveren dat hij voldoet aan de voorwaarden bedoeld in artikel 4, § 2, 2°, 3°a, 4° en 5°, voor de aard van de attractie of de uitgebate vestiging en de houder van de " machtiging als werkgever " in ambulante activiteiten dat zijn vestiging van kermisgastronomie voldoet aan de voorwaarden bedoeld in artikel 4, § 2, 2° en 5°.

  Art. 11. § 1. De standplaatsen toegewezen aan de personen bedoeld in artikel 10, die een kermisactiviteit uitoefenen, kunnen ingenomen worden :
  1° door deze personen zelf;
  2° door de verantwoordelijke(n) van het dagelijks bestuur van een rechtspersoon aan wie de standplaats is toegewezen, houder(s) van de " machtiging als werkgever " bedoeld in artikel 1;
  3° door de echtgeno(o)t(e) of wettelijke samenwonende van de natuurlijke persoon aan wie de standplaats werd toegewezen, houder van de " machtiging als werkgever " voor de uitoefening van de kermisactiviteit voor eigen rekening bedoeld in artikel 1;
  4° door de feitelijke vennoten van de natuurlijke persoon aan wie de standplaats werd toegewezen, houders van de " machtiging als werkgever " voor de uitoefening van de kermisactiviteit voor eigen rekening, bedoeld in artikel 1;
  5° door de personen die beschikken over de " machtiging als aangestelde-verantwoordelijke " bedoeld in artikel 2, die de kermisactiviteit uitoefenen voor rekening of in dienst van de personen bedoeld in 1° tot en met 4°;
  6° door de aangestelden die de kermisactiviteit uitoefenen voor rekening of in dienst van de personen bedoeld in 1° tot en met 4°, onder het gezag en in aanwezigheid van deze of van een " aangestelde-verantwoordelijke " bedoeld in 5°.
  De personen bedoeld in 2° tot en met 5° kunnen deze standplaatsen innemen voor zover hun machtiging geldig is voor de attractie of vestiging die erop uitgebaat worden.
  Zij kunnen deze standplaatsen innemen buiten de aanwezigheid van de personen aan wie of door middel van wie ze werden toegewezen.
  § 2. De standplaatsen toegewezen aan de personen bedoeld in artikel 10, die een ambulante activiteit in kermisgastronomie uitoefenen, kunnen ingenomen worden :
  1° door deze personen zelf;
  2° door deze bedoeld in artikel 26, § 1, 2° tot en met 4° en 6° van het koninklijk besluit van 24 september 2006 betreffende de uitoefening en de organisatie van ambulante activiteiten, houders van de machtiging bedoeld in de artikelen 12 of 13 van hetzelfde besluit die de uitoefening van de activiteit op de toegekende standplaats toelaat;
  3° door de personen vrijgesteld krachtens artikel 2, § 3, van de machtiging tot het uitoefenen van ambulante activiteiten, die de activiteit uitoefenen voor rekening of in dienst van de personen bedoeld in § 1 1° tot en met 4°, onder het gezag en in aanwezigheid van deze of van een persoon houder van de " machtiging als aangestelde A " of van de " machtiging als aangestelde B " bedoeld in § 1 6°, die de verantwoordelijkheid van de vestiging op zich neemt.
  De personen opgesomd in § 2, eerste lid, 2°, kunnen de standplaatsen innemen buiten de aanwezigheid van de personen aan wie of door middel van wie ze werden toegewezen.

  Onderafdeling III. - Betreffende de abonnementen.

  Art. 12. § 1. Het abonnement heeft een duur van vijf jaar. Na afloop wordt het stilzwijgend verlengd behalve in de gevallen bedoeld in §§ 3 en 4.
  § 2. De houder van het abonnement die de activiteit uitoefent voor eigen rekening of de verantwoordelijke belast met het dagelijks bestuur van de rechtspersoon door wie het abonnement werd toegewezen, kan, op gemotiveerd verzoek, het abonnement voor een kortere duur verkrijgen. Deze aanvraag wordt ingewilligd wanneer ze gewettigd wordt bij de stopzetting van de activiteiten aan het einde van de loopbaan. Ze hangt af van de beoordeling van de burgemeester, van zijn afgevaardigde of van de concessionaris indien zij omwille van andere motieven aangevraagd wordt.
  § 3. De persoon bedoeld in § 2 kan zijn abonnement opschorten wanneer hij tijdelijk ongeschikt is om zijn activiteit uit te oefenen, hetzij in geval van ziekte of ongeval met een medisch attest, hetzij in een aangetoond geval van overmacht. De opschorting gaat in op de dertigste dag volgend op de bekendmaking van de ongeschiktheid en houdt op de dertigste dag volgend op de bekendmaking van het hernemen van de activiteiten, tenzij het gemeentelijk reglement een andere termijn bepaalt. Indien zij eén jaar overschrijdt, moet zij minstens dertig dagen voor het begin van de kermis hernieuwd worden, tenzij het gemeentelijk reglement een andere termijn bepaalt.
  De persoon bedoeld in § 2 verkrijgt eveneens de opschorting van het abonnement indien hij over een abonnement beschikt voor een andere kermis die op hetzelfde ogenblik plaats heeft. De opschorting moet worden bekendgemaakt tenminste drie maanden voor de begindatum van de kermis, tenzij het gemeentelijk reglement een andere termijn bepaalt. Zij mag geen drie opeenvolgende jaren overschrijden.
  De wederzijdse verplichtingen ontstaan uit het contract van het abonnement worden opgeschort voor de duur van de opschorting.
  § 4. De persoon bedoeld in § 2 kan van het abonnement, wanneer het vervalt, afstand doen mits een opzegtermijn van tenminste drie maanden. Hij kan eveneens hiervan afstand doen, mits eenzelfde opzegtermijn, bij de stopzetting van zijn activiteiten als natuurlijke persoon of als rechtspersoon.
  De persoon bedoeld in § 2 kan van het abonnement afstand doen indien hij definitief ongeschikt is om zijn activiteit uit te oefenen, hetzij in geval van ziekte of ongeval op grond van een medisch attest, hetzij in geval van overmacht op een verantwoorde wijze aangetoond. De opzegging gaat in op de dertigste dag volgend op de bekendmaking van de ongeschiktheid, tenzij het gemeentelijk reglement een andere termijn bepaalt.
  De persoon bedoeld in § 2 kan een vervroegde beëindiging van zijn abonnement aanvragen voor andere motieven dan deze bedoeld in de vorige leden. Het gevolg te geven aan deze aanvraag hangt af van de beoordeling van de burgemeester, zijn afgevaardigde of de concessionaris.
  De rechthebbenden van de natuurlijke persoon die voor eigen rekening zijn activiteit uitoefent, kunnen bij zijn overlijden, zonder vooropzeg, afstand doen van het abonnement waarvan hij de houder was.
  § 5. De aanvraag en de bekendmaking bedoeld in §§ 2, 3 en 4 worden gericht, naar gelang het geval, tot de burgemeester, tot zijn afgevaardigde of tot de concessionaris. Deze bevestigen onmiddellijk de ontvangst ervan.
  § 6. De burgemeester, zijn afgevaardigde of de concessionaris kan het abonnement intrekken of opschorten, hetzij omdat de titularis van de standplaats niet langer aan de verplichtingen voldoet betreffende de uitoefening van ambulante of kermisactiviteiten voorzien door dit besluit of deze die van toepassing zijn op de betrokken attractie of vestiging, hetzij om redenen vermeld in het reglement. De intrekking of de opschorting van het abonnement gebeurt overeenkomstig de bepalingen hierin vastgelegd.

  Onderafdeling IV. - Betreffende de voorwaarden en de modaliteiten van de toewijzing van standplaatsen.

  Art. 13. § 1. Wanneer een standplaats ter beschikking komt, maakt de burgemeester, zijn afgevaardigde of de concessionaris de vacature bekend door publicatie van een kennisgeving.
  De wijze waarop de publicatie wordt verwezenlijkt wordt in het gemeentelijk reglement vastgelegd.
  § 2. Deze kennisgeving vermeldt minstens :
  1° indien nodig, het attractietype of de vestiging welke gewenst is;
  2°de nuttige technische specificaties;
  3° de situering van de standplaats;
  4°de wijze en de duur van de toewijzing;
  5°de prijs en, desgevallend, de modaliteiten tot herziening;
  6° de voorwaarden inzake verkrijging van de standplaats en de criteria inzake toewijzing;
  7°de plaats en termijn van indiening van de kandidaturen;
  8°de termijn van de bekendmaking van de toewijzing van de standplaats.
  Desgevallend verwijst de kennisgeving naar het gemeentelijk reglement.

  Art. 14. De kandidaturen worden, naargelang het geval, overgemaakt hetzij bij een ter post aangetekend schrijven met ontvangstmelding, hetzij door een schrijven neergelegd op de plaats aangeduid in de kennisgeving van de vacature met ontvangstbewijs, hetzij per duurzame drager tegen ontvangstbewijs aan de burgemeester, zijn afgevaardigde of de concessionaris.
  Om geldig te zijn, dienen ze in de voorgeschreven vormen en binnen de gestelde termijn voorzien in de kennisgeving van de vacature ingediend te worden en de gegevens bevatten vereist door deze kennisgeving of door het gemeentelijk reglement.

  Art. 15. § 1. De standplaatsen worden toegewezen volgens de modaliteiten en de criteria bepaald in §§ 2 en 3.
  § 2. Voor de vergelijking van de kandidaturen onderzoekt de burgemeester, zijn afgevaardigde of de concessionaris de volgende elementen :
  1° de machtiging en de identiteit van de kandidaat;
  2° het naleven van de voorwaarden bedoeld in artikel 4, § 2, 2°, 3°a, 4° en 5°.
  § 3. De standplaatsen worden toegewezen op basis van de volgende criteria :
  a) de aard van de attractie of van de vestiging;
  b) de technische specificaties van de attractie of van de vestiging;
  c) de graad van veiligheid van de attractie of van de vestiging;
  d) de aantrekkingskracht van de attractie of van de vestiging;
  e) de deskundigheid van de uitbater, van de " aangestelden-verantwoordelijken " en van het tewerkgesteld personeel;
  f) desgevallend, de nuttige ervaring;
  g) de ernst en het zedelijk gedrag van de kandidaat.
  § 4. Het openen van de kandidaturen, hun vergelijkend onderzoek, de controle van de voorwaarden voorzien in § 2, de gemotiveerde beslissing tot toewijzing van de standplaats worden opgenomen in een proces-verbaal.
  Deze kan geraadpleegd worden overeenkomstig de bepalingen van de wet van 12 november 1997 betreffende de openbaarheid van bestuur in de provincies en gemeenten.
  § 5. De burgemeester, zijn afgevaardigde of de concessionaris deelt zowel aan de kandidaat die de standplaats toegewezen kreeg als aan elke niet weerhouden kandidaat de beslissing die hem aanbelangt mede hetzij bij ter post aangetekend schrijven met ontvangstmelding, hetzij bij persoonlijk overhandigde brief tegen ontvangstmelding, hetzij per duurzame drager met ontvangstmelding.

  Art. 16. De burgemeester, zijn afgevaardigde of de concessionaris houdt een plan of register bij die minstens voor elke toegewezen standplaats vermeldt :
  a) de situering van de standplaats;
  b) de toewijzingsmodaliteiten van de standplaats;
  c) de duur van het gebruiksrecht of het abonnement;
  d) de naam, voornaam, adres van de persoon aan wie of door tussenkomst van wie de standplaats toegewezen werd;
  e) desgevallend, het maatschappelijk doel van de rechtspersoon aan wie de standplaats toegewezen werd en het adres van haar maatschappelijke zetel;
  f) het ondernemingsnummer;
  g) de aard van de attractie of van de vestiging die de standplaats inneemt of die op de standplaats toegelaten is;
  h) de prijs van de standplaats behalve wanneer deze uniform werd vastgesteld;
  i) desgevallend, de identificatie van de overlater en de datum van de overdracht.
  Buiten de bepalingen vermeld onder a, b, f en g kan het plan of het register verwijzen naar een gegevensbestand dat de overige informatie overneemt.
  Het plan of het register en desgevallend het gegevensbestand kunnen geraadpleegd worden overeenkomstig de wettelijke bepalingen betreffende de openbaarheid van bestuur in de provincies en gemeenten.

  Art. 17. § 1. Indien, in de vijftien dagen voorafgaand aan de opening van de kermis, de standplaatsen vacant blijven, hetzij omdat zij niet konden worden toegewezen na afloop van de procedure bedoeld in de artikelen 13 tot 15, hetzij omdat ze dit in die tussentijd zijn geworden, hetzij tengevolge van hun niet-bezetting resulterend uit de afwezigheid van hun houder, kan er voorzien worden, in afwijking van de artikelen 13, 14, 15, §§ 1 en 4, overeenkomstig de spoedprocedure bepaald als volgt :
  1° de burgemeester of zijn afgevaardigde of de concessionaris raadpleegt de door hem gekozen kandidaten. Hij richt zich, in de mate van het mogelijke, tot verscheidene kandidaten per voorziene standplaats;
  2° de kandidaturen worden ingediend hetzij per duurzame drager tegen ontvangstbewijs, hetzij schriftelijk tegen ontvangstbewijs;
  3° de burgemeester of zijn afgevaardigde of de concessionaris gaat over tot de toewijzing van de standplaatsen overeenkomstig artikel 15, §§ 2 en 3;
  4° hij stelt een proces-verbaal op dat per vacature of onbezette standplaats de kandidaten vermeld die hun kandidatuur hebben ingediend;
  5° indien meerdere kandidaten naar eenzelfde standplaats dingen, geeft hij in het proces-verbaal de motivatie van zijn keuze aan;
  6° hij deelt aan iedere kandidaat, overeenkomstig artikel 15, § 5, de beslissing mede die hem aanbelangt.
  § 2. Het plaatsen van uitbaters van kermisattracties of vestigingen waaraan een standplaats werd toegewezen op basis van de spoedprocedure, bedoeld in § 1, kan leiden tot aanpassingen aan het plan van de kermis, voor zover deze beperkt blijven en nauwkeurig worden gemotiveerd door de technische noodzakelijkheden van de toevoeging van de nieuwkomers op het kermisterrein.
  De aanpassingen bedoeld in het eerste lid moeten onderworpen worden aan de goedkeuring van de eerstvolgende gemeenteraad of college van burgemeester en schepenen, al naargelang het geval.

  Onderafdeling V. - Betreffende de overdracht van standplaatsen met abonnementen.

  Art. 18. § 1. De natuurlijk persoon of rechtspersoon die één of meerdere attracties of één of meerdere vestigingen van kermisgastronomie met of zonder bediening aan tafel uitbaat, is gemachtigd om zijn standplaatsen over te laten wanneer hij de uitbating van zijn attractie(s) of zijn vestiging(en) stopzet op voorwaarde dat de overnemer(s) de attractie(s) of vestiging(en) uitgebaat op de overgedragen standplaatsen overneemt/overnemen en voldoet/voldoen aan de voorwaarden van artikel 10.
  De rechthebbenden van de natuurlijk persoon bedoeld in de vorige paragraaf zijn gemachtigd om bij zijn overlijden de standplaats(en) waarvan hij houder was over te laten op voorwaarde dat de overnemer(s) de attractie(s) of vestiging(en) uitgebaat op de overgedragen standplaatsen overneemt/overnemen en voldoet/voldoen aan de voorwaarden van artikel 10.
  § 2. De overdracht is slechts geldig wanneer de burgemeester, zijn afgevaardigde of de concessionaris vastgesteld heeft dat de overnemer voldoet aan de voorwaarden tot overdracht.

  Afdeling II. - Betreffende de organisatie van kermisactiviteiten op het openbaar domein buiten openbare kermissen.

  Art. 19. De burgemeester, zijn afgevaardigde of de concessionaris kan, op aanvraag van een kermisuitbater, de uitbating van een attractie of vestiging van kermisgastronomie met bediening aan tafel toelaten op een standplaats gelegen op het openbaar domein.
  De vraag dient overeenkomstig de door het gemeentelijk reglement voorgeschreven modaliteiten geadresseerd te worden en de hierin voorziene documenten te bevatten.

  Art. 20. Indien de burgemeester, zijn afgevaardigde of de concessionaris een standplaats op het openbaar domein wenst toe te kennen, moet hij zich voegen naar de bepalingen van de artikelen 13 tot 15.

  Art. 21. Enkel de personen die een kermisactiviteit, bedoeld in artikel 10, uitoefenen kunnen een standplaats verkrijgen in toepassing van de artikelen 19 en 20 en deze bedoeld in artikel 11, § 1, kunnen ze innemen.

  Art. 22. De machtiging wordt door de burgemeester, zijn afgevaardigde of concessionaris, voor een bepaalde periode of per abonnement, toegekend.

  Art. 23. Een abonnement kan toegekend worden van zodra de kermisuitbater gedurende drie opeenvolgende jaren een zelfde standplaats heeft verkregen. Het gemeentelijk reglement kan deze termijn verminderen.
  Voor de berekening van de termijn voorzien in het voorgaande lid worden de opeenvolgende jaren van verkrijging van een standplaats door de overlater ten gunste van de overnemer verrekend.
  Echter, wanneer de standplaats is verkregen naar aanleiding van de opschorting van het abonnement, is de regel bedoeld in het eerste lid niet van toepassing, behalve indien de verkrijging het resultaat is van de opschorting van het abonnement door de overlater.
  De bepalingen van de artikelen 12 en 18 zijn van toepassing op de abonnementen toegekend krachtens deze afdeling.

  Afdeling III. - Betreffende de personen belast met de praktische organisatie van de openbare kermissen en de kermisactiviteiten op het openbaar domein.

  Art. 24. De personen belast met de praktische organisatie van de openbare kermissen en de kermisactiviteiten op het openbaar domein, hiertoe aangesteld door de burgemeester, zijn afgevaardigde of de concessionaris, zijn gemachtigd om, op het grondgebied van de gemeente waaronder zij ressorteren en in de uitoefening van hun opdracht, de documenten die de personen die een kermisactiviteit of een ambulante activiteit uitoefenen op een kermis in het bezit moeten hebben, zoals voorzien in artikel 4, te controleren.

  HOOFDSTUK III. - Betreffende het onderzoek en de vaststelling van overtredingen.

  Art. 25.De ambtenaren en beambten aangesteld door de Algemene Directie Controle en Bemiddeling van de Federale Overheidsdienst Economie, K.M.O., Middenstand en Energie worden belast met het onderzoeken en vaststellen van de overtredingen van de wet van 25 juni 1993 betreffende de uitoefening en de organisatie van ambulante en kermisactiviteiten en haar uitvoeringsbesluiten.
  
  Art. 25. (BRUSSELS HOOFDSTEDELIJK GEWEST)
  [1 De ambtenaren van de Directie Economische Inspectie en de Directie Gewestelijke Werkgelegenheidsinspectie van Brussel Economie en Werkgelegenheid van het Ministerie van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest die aangesteld worden voor de uitvoering van inspectieopdrachten]1 worden belast met het onderzoeken en vaststellen van de overtredingen van de wet van 25 juni 1993 betreffende de uitoefening en de organisatie van ambulante en kermisactiviteiten en haar uitvoeringsbesluiten.

  ----------
  (1)<BESL 2015-03-19/21, art. 8, 002; Inwerkingtreding : 01-01-2015>

  Art. 25_VLAAMS_GEWEST.
   [1 De ambtenaren van de dienst Inspectie van het Agentschap Innoveren en Ondernemen]1 worden belast met het onderzoeken en vaststellen van de overtredingen van de wet van 25 juni 1993 betreffende de uitoefening en de organisatie van ambulante en kermisactiviteiten en haar uitvoeringsbesluiten.

  ----------
  (1)<BVR 2015-12-18/42, art. 46, 003; Inwerkingtreding : 01-01-2016>
  

  HOOFDSTUK IV. - Betreffende de minnelijke schikking.

  Art. 26. De processen-verbaal houdende vaststelling van de overtredingen voorzien in artikel 13, § 1, 1° tot en met 5° van de wet van 25 juni 1993 betreffende de uitoefening en de organisatie van ambulante en kermisactiviteiten, opgemaakt door de ambtenaren bedoeld in artikel 11, § 1, van dezelfde wet, worden doorgestuurd naar de door de Minister bevoegd voor de middenstand aangestelde ambtenaren.

  Art. 27. De bedragen die aan de overtreder bij wijze van minnelijke schikking ter betaling worden voorgesteld in de zin van artikel 13, § 3, van de wet van 25 juni 1993 betreffende de uitoefening en de organisatie van ambulante en kermisactiviteiten, mogen niet lager zijn dan 65 euro en niet hoger dan 5 000 euro.
  In geval van samenloop van verscheidene overtredingen worden de bedragen opgeteld, waarbij hun bedrag de 12 500 euro niet mag te boven gaan.

  Art. 28. Geen voorstel van betaling kan worden gedaan dan nadat een afschrift van het proces-verbaal, waarbij de overtreding wordt vastgesteld bij een ter post aangetekende brief met ontvangstbewijs, aan de overtreder ter kennis is gebracht.

  Art. 29.Elk voorstel tot betaling wordt samen met een stortings- of overschrijvingsformulier aan de overtreder toegestuurd bij een ter post aangetekende brief met ontvangstbewijs, binnen een termijn van zes maanden vanaf de datum van het proces-verbaal.
  Dit voorstel vermeldt de termijn waarbinnen de betaling dient te gebeuren. Deze termijn bedraagt minimum vijftien dagen en maximum drie maanden.
  De betaling dient te gebeuren bij de administratie van de belasting op de toegevoegde waarde, registratie en domeinen die daartoe de door de Minister bevoegd voor middenstand aangestelde ambtenaren hierover informeert.
  
  Art. 29. (BRUSSELS HOOFDSTEDELIJK GEWEST)
  Elk voorstel tot betaling wordt samen met een stortings- of overschrijvingsformulier aan de overtreder toegestuurd bij een ter post aangetekende brief met ontvangstbewijs, binnen een termijn van zes maanden vanaf de datum van het proces-verbaal.
  Dit voorstel vermeldt de termijn waarbinnen de betaling dient te gebeuren. Deze termijn bedraagt minimum vijftien dagen en maximum drie maanden.
  [1 ...]1

  ----------
  (1)<BESL 2015-03-19/21, art. 9, 002; Inwerkingtreding : 01-01-2015>

  Art. 29_VLAAMS_GEWEST.
   Elk voorstel tot betaling wordt samen met een stortings- of overschrijvingsformulier aan de overtreder toegestuurd bij een ter post aangetekende brief met ontvangstbewijs, binnen een termijn van zes maanden vanaf de datum van het proces-verbaal.
  Dit voorstel vermeldt de termijn waarbinnen de betaling dient te gebeuren. Deze termijn bedraagt minimum vijftien dagen en maximum drie maanden.
  [1 ...]1

  ----------
  (1)<BVR 2015-12-18/42, art. 47, 003; Inwerkingtreding : 01-01-2016>
  

  Art. 30. Indien tijdens de in artikel 29, 1e lid, voorziene termijn geen voorstel tot betaling werd gedaan, wordt het proces-verbaal uiterlijk bij het verstrijken van die termijn overgemaakt aan de procureur des Konings.

  Art. 31. In geval van niet-betaling binnen de in het betalingsvoorstel vermelde termijn, wordt het proces-verbaal aan de procureur des Konings overgemaakt.

  HOOFDSTUK V. - Overgangs- en slotbepalingen.

  Art. 32. De kermisuitbaters of ambulante handelaars die bij de inwerkingtreding van dit besluit voldoen aan de voorwaarden bedoeld in artikel 10 en over een abonnement beschikken, bekomen op hun vraag de verlenging hiervan, overeenkomstig de bepalingen van artikel 12.
  Zo ook, onverminderd de bepalingen van artikel 9, § 1, kunnen de kermisuitbaters of ambulante handelaars, die voldoen aan de voorwaarden bedoeld in artikel 10 en die eenzelfde standplaats, persoonlijk of als gevolg van een overdracht, gedurende drie opeenvolgende jaren hebben verkregen, op hun verzoek een abonnement voor deze standplaats verkrijgen.

  Art. 33. Treden in werking op 1 oktober 2006 :
  1° de bepalingen betreffende de uitoefening en de organisatie van kermisactiviteiten bedoeld in de artikelen 1 tot 24 van de wet van 4 juli 2005 tot wijziging van de wet van 25 juni 1993 betreffende de uitoefening van ambulante activiteiten en de organisatie van openbare markten, gewijzigd door de wet van 20 juli 2006;
  2° dit besluit.

  Art. 34. Onze Minister van Middenstand, Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Onze Minister van Economie zijn, ieder wat hem betreft, belast met de uitvoering van dit besluit.

  BIJLAGEN.

  Art. N1. BIJLAGE Ia. - " Machtiging kermisactiviteiten als werkgever ".
  (Formulier niet opgenomen om technische redenen. Zie B.S. 29-09-2006, p. 50559).

  Art. N2. BIJLAGE Ib. - " Machtiging kermisactiviteiten als aangestelde-verantwoordelijke ".
  (Formulier niet opgenomen om technische redenen. Zie B.S. 29-09-2006, p. 50561).

  Art. N3. Bijlage II. - Aanvraag machtiging(en).
  (Formulier niet opgenomen om technische redenen. Zie B.S. 29-09-2006, p. 50563-50564).

  Art. N4. Bijlage III. - Attest ter voorlopige vervanging van de machtiging van Kermisactiviteiten.
  (Formulier niet opgenomen om technische redenen. Zie B.S. 29-09-2006, p. 50567).
  

Handtekening Tekst Inhoudstafel Begin
   Gegeven te Brussel, 24 september 2006.
ALBERT
Van Koningswege :
De Minister van Middenstand,
Mevr. S. LARUELLE
De Minister van Binnenlandse Zaken,
P. DEWAEL
De Minister van Economie,
M. VERWILGHEN

Aanhef Tekst Inhoudstafel Begin
   ALBERT II, Koning der Belgen,
   Aan allen die nu zijn en hierna wezen zullen, Onze Groet.
   Gelet op de wet van 25 juni 1993 betreffende de uitoefening van ambulante activiteiten en de organisatie van openbare markten, gewijzigd bij de wetten van 4 juli 2005 en 20 juli 2006;
   Gelet op de wet van 4 juli 2005 tot wijziging van de wet van 25 juni 1993 betreffende de uitoefening van ambulante activiteiten en de organisatie van openbare markten, het artikel 25;
   Gelet op de wet van 16 januari 2003 tot oprichting van een Kruispuntbank van Ondernemingen, tot modernisering van het handelsregister, tot oprichting van erkende ondernemingsloketten en houdende diverse bepalingen, inzonderheid op artikel 43;
   Gelet op het koninklijk besluit van 24 september 2006 betreffende de uitoefening en de organisatie van ambulante activiteiten;
   Gelet op het advies van de Raad voor het Verbruik gegeven op 18 mei 2006;
   Gelet op het advies van de Hoge Raad voor Zelfstandigen en de K.M.O., gegeven op 1 juni 2006;
   Gelet op het advies van de Inspecteur van Financiën, gegeven op 22 juni 2006;
   Gelet op de akkoordbevinding van de Minister van Begroting van 18 september 2006;
   Gelet op advies 40.776/1 van de Raad van State, gegeven op 11 juli 2006, in toepassing van artikel 84, § 1, 1°, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State;
   Op de voordracht van Onze Minister van Middenstand, Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Onze Minister van Economie,
   Hebben Wij besloten en besluiten Wij :

Wijziging(en) Tekst Inhoudstafel Begin
BEELD
  • BESLUIT VLAAMSE REGERING VAN 18-12-2015 GEPUBL. OP 31-12-2015
    (GEWIJZIGDE ART. : 25; 29)
  • BEELD
  • BESLUIT (BRUSSEL) VAN 19-03-2015 GEPUBL. OP 18-06-2015
    (GEWIJZIGDE ART. : 25; 29)

  • Verslag aan de Koning Tekst Inhoudstafel Begin
       VERSLAG AAN DE KONING
       Sire,
       Dit ontwerp is genomen in uitvoering van de wet van 25 juni 1993 betreffende de uitoefening en organisatie van ambulante en kermisactiviteiten, zoals gewijzigd door de wet van 4 juli 2005. Het vormt het tweede luik van de hervorming. Het eerste, dat de ambulante activiteiten regelt, is het voorwerp van een afzonderlijk besluit. Het tweede en huidige ontwerp is volledig gewijd aan de uitoefening van kermisactiviteiten en aan de organisatie van foren en kermissen. Het bewerkstelligt één van de punten van regeringsverklaring en ligt in de lijn van het geheel van maatregelen die gericht zijn op het bevorderen van de ontwikkeling van de K.M.O.'s en, via deze weg, de creatie van arbeidsplaatsen.
       Ter herinnering, de uitbreiding van de wetgeving betreffende de uitoefening en de organisatie van ambulante en kermisactiviteiten beantwoordt aan een eis van de foorreizigers. Deze is gebaseerd op de specifieke kenmerken die deze sector deelt met die van de ambulante handel. Ten eerste hebben beide activiteiten een ambulant karakter en worden hoofdzakelijk uitgeoefend op eenzelfde plaats op het openbaar domein waar afwisselend gemeentelijke markten en kermissen plaatsvinden. Ten tweede valt een deel van kermissector, het merendeel van de uitbaters van vestigingen van kermisgastronomie, onder het toepassingsgebied van de wet betreffende de uitoefening van ambulante activiteiten. Ten derde zijn de moeilijkheden waarmee de foorreizigers tijdens kermissen geconfronteerd worden gelijk aan deze die de ambulante handelaars op de markten kenden voor de wet van 1993 van kracht werd. Tenslotte ondergaan beide beroepen vandaag een ernstige crisis, in oorsprong conjunctureel maar eveneens structureel.
       In navolging van het luik " ambulante handel " beoogt dit ontwerp de nodige middelen aan de kermissector te geven om de crisis die hem ondermijnt, te overwinnen en op een steviger basis de toekomst tegemoet te treden.
       Welke zijn de problemen die de foorreizigers het hoofd moeten bieden. Ze zijn verschillend van aard. Vooreerst is de vrijetijdsbesteding veranderd. De pretparken zijn een concurrent van de kermissen geworden en hebben vooral de smaak bij het cliënteel gewijzigd. Steeds veeleisender geworden, zoekt het zonder ophouden naar meer gesofisticeerde attracties, die voor de foorreizigers steeds groter wordende investeringen en onderhoudkosten tot gevolg hebben. Onze gemeentepleinen werden heraangelegd, de oppervlakte van de kermis verminderde of, erger nog, de kermis werd verplaatst naar minder aantrekkelijke locaties aan de rand van de steden. Het aantal standplaatsen is bijgevolg verminderd en de verplaatste kermis heeft haar aantrekkingskracht verloren. Ondertussen bleef de situatie van de foorreiziger onveranderd. Deze blijft geconfronteerd met kermisreglementen die verschillen van gemeente tot gemeente. Hij beschikt niet over een garantie tot verkrijging en behoud van standplaatsen. Op verschillende kermissen blijft hij in de impasse gedurende een seizoen dat niet meer dan negen maanden bedraagt waardoor de levensvatbaarheid van zijn bedrijf in het gedrang komt. Daar hij niet het bewijs van een regelmatige activiteit kan voorleggen wordt hem de banklening voor de vernieuwing van zijn attractie geweigerd. Het einde van zijn activiteit is evenmin benijdenswaardig. Hij heeft niet de zekerheid dat hij zijn vestiging met zijn standplaatsen kan overdragen en riskeert daardoor de investeringen en inspanningen van een heel leven te zien devalueren of teloor te zien gaan.
       Wat verwachten de kermisexploitanten concreet. De erkenning, door de openbare machten, van de economische en socio-culturele rol die zij vervullen en dat er rekening wordt gehouden met de specifieke aard van hun activiteit.
       Het is aan deze verwachtingen dat de wet en dit besluit willen tegemoet komen. De gevraagde erkenning drukt zich uit in een specifieke wetgeving eigen aan het beroep en in het creëren van een statuut van kermisexploitant, vergelijkbaar met deze van de ambulante handelaars. Het rekening houden met de specifieke kenmerken van het beroep vertaalt zich in het oprichten van een platform van gemeenschappelijke regels voor alle kermisreglementen dat de voorwaarden tot het toewijzen van de standplaatsen, hun behoud en hun overdracht bij einde loopbaan, gelijkvormig maakt en verduidelijkt. Zonder dat ze de autonomie van de gemeente aantasten, bieden deze regels de kermisexploitant de waarborgen die hem eindelijk toelaat de ontwikkeling van zijn onderneming op lange termijn te overwegen. Deze regels zouden een nieuwe stimulans voor het beroep moeten betekenen en een nieuwe bloei voor de kermis, die onvermijdelijk een steunpilaar blijft voor het leven in de gemeente, met onmiskenbare gevolgen voor de lokale handel.
       Het ontwerp werd aan de opmerkingen van de Raad van State aangepast, behalve op een punt dat slechts gedeeltelijk werd aangepast.
       Artikel 24 wees in haar oorspronkelijke vorm een bevoegdheid van controle toe aan de personen belast met de organisatie van de uitoefening van kermisactiviteiten of ambulante activiteiten in kermisgastronomie op gemeentelijk niveau, op de openbare kermissen en op het openbaar domein, met name de marktleiders. Het voegde tevens een bevoegdheid tot bevel toe - welke de auteurs van het ontwerp beschouwden als inherent aan de gegeven bevoegdheid -, met sancties te voorzien in het gemeentereglement. De Raad van State oordeelde dat het dit artikel aan juridische basis ontbrak.
       De auteurs kunnen de opmerking van de Raad van State betreffende de voorgestelde bevoegdheid tot bevel, en bijgevolg ook van het daarmee verbonden sanctiestelsel, begrijpen in de mate dat deze deel uitmaakt van de organisatie van de ambulante handel en niet van haar controle. Zij kunnen deze opmerking echter niet onderschrijven wanneer deze het geheel van het artikel als niet gefundeerd beschouwd. Artikel 3 van de wet verleent aan de Koning de bevoegdheid om de modaliteiten inzake controle van de ambulante en kermisactiviteiten te bepalen en fundeert goed de aan de gemeentelijke marktleiders toegewezen controlebevoegdheid. Bijgevolg hebben de auteurs dit gedeelte van artikel 24, dat aan de marktleiders toelaat om de machtigingen van de personen die een kermisactiviteit of een ambulante activiteit in kermisgastronomie op de openbare kermissen of op het openbaar domein van de betrokken gemeente te controleren, behouden. Zonder deze bevoegdheid kunnen zij hun opdracht niet correct vervullen.
       HOOFDSTUK I. - Betreffende de uitoefening van kermisactiviteiten
       Om elke dubbelzinnigheid te vermijden, is het nodig het toepassingsgebied van dit hoofdstuk nauwkeurig te omschrijven. Overeenkomstig de begrippen van artikel 1, 5° van de wet, is de kermis een manifestatie die uitbaters van kermisattracties of van vestigingen van kermisgastronomie, die er producten of diensten verkopen, verenigt. Krachtens deze definitie, die de huidige toestand vertaalt, bevinden zich op kermissen handelaars die diensten verlenen en andere die producten verkopen. De eersten oefenen een kermisactiviteit uit in de zin van het artikel 2, § 2, van de wet, het zijn de uitbaters van kermisattracties en vestigingen van kermisgastronomie met bediening aan tafel. De tweede categorie oefent een ambulante activiteit uit in de zin van het artikel 2,§ 1 van de wet, zij verkopen producten van kermisgastronomie zonder bediening aan tafel; dit zijn ambulante handelaars.
       De eersten vormen de belangrijkste doelgroep van dit eerste hoofdstuk. De tweeden vallen vooral onder het koninklijk besluit van 24 september 2006 betreffende de uitoefening en de organisatie van ambulante activiteiten. Wanneer deze laatsten echter hun activiteit op kermissen uitoefenen, worden door dit hoofdstuk wijzigingen aan hun regime inzake uitoefening aangebracht, in het bijzonder aan de machtiging. Deze komen voort uit een zorg voor analogie en gelijke behandeling van beide categorieën wanneer zij op eenzelfde plaats een activiteit uitoefenen. De ambulante handelaars in kermisgastronomie kunnen uiteraard zowel verkopen op de kermissen als op alle plaatsen waar een ambulante activiteit toegelaten is. Niettemin, zijn ze inzake de toegang tot een kermis, net zoals hun collega's kermisexploitanten, onderworpen aan de regels inzake toewijzing van standplaatsen op kermissen.
       Artikelen 1 tot 4.
       Artikel 3 van de wet onderwerpt de uitoefening van kermisactiviteiten aan een machtiging. Deze heeft een dubbele functie. Zij vormt enerzijds de hoeksteen van het statuut van foorreiziger daar zij onontbeerlijk is, niet enkel voor de uitbating van een attractie of een kermisvestiging maar ook voor het verkrijgen van een standplaats op een kermis. Zij wapent het beroep tegen risico's van oneerlijke concurrentie. Anderzijds speelt zij een rol bij de bescherming van de consument. Zij laat de identificatie van de kermisexploitant toe en geeft de waarborg dat hij voldoet aan de verschillende wettelijke verplichtingen of reglementeringen, in het bijzonder op het gebied van de veiligheid en dit door middel van de link met de attractie. Zij verbetert ontegensprekelijk het imago van het beroep en van de kermis bij het publiek.
       De wetgever heeft toegelaten het principe van de machtiging te temperen door de Koning de mogelijkheid te bieden om bepaalde categorieën van " aangestelden " van deze verplichting vrij te stellen. Deze maatregel heeft als doel, zoals de uiteenzetting van de motieven van de wet uitdrukkelijk formuleert, het beheer van een kermisuitbating te vergemakkelijken. Deze moet evenwel blijven overeenstemmen met de voorschriften inzake de bescherming van de consument. Daarom bepaalt de wet dat geen enkele vrijgestelde persoon zijn activiteit kan uitoefenen zonder de aanwezigheid van een verantwoordelijke die houder is van de vereiste machtiging.
       Het door dit besluit ingevoerde stelsel gebruikt deze mogelijkheid waarvan de reglementering inzake ambulante handel geen gebruik heeft kunnen maken. Dit stelt de " aangestelden " die geen verantwoordelijke functie waarnemen en die, zoals de wet het voorschrijft, hun activiteit uitoefenen onder controle en in het bijzijn van een houder van de vereiste machtiging, vrij van machtiging. Deze versoepeling vindt haar rechtvaardiging in de minder mobiele of meer bestendige aard van de kermisactiviteiten waarvan de uitoefening zich voornamelijk op één plaats, de kermis, concentreert. Deze versoepeling speelt in het voordeel van de " aangestelden " van de kermisuitbaters. Naar analogie en overeenkomstig het gelijkheidsbeginsel wordt deze versoepeling ook uitgebreid tot de " aangestelden " van ambulante handelaars in kermisgastronomie, wanneer zij hun activiteit uitsluitend op de kermis uitoefenen.
       1. Het stelsel van machtiging van kermisactiviteiten.
       Het stelsel van de machtiging tot het uitoefenen van kermisactiviteiten concentreert zich rond twee soorten machtigingen. De eerste, de " machtiging als werkgever ", wordt vereist van de persoon die voor eigen rekening de activiteit uitoefent als ook van diegene die belast is met het dagelijks bestuur van een rechtspersoon. De tweede, de " machtiging als aangestelde-verantwoordelijke ", is verplicht voor elke " aangestelde " die verantwoordelijk is voor de uitbating van een kermisattractie of een vestiging van kermisgastronomie met bediening aan tafel, voor rekening van of in dienst van een natuurlijke persoon of rechtspersoon, houder van de " machtiging als werkgever ".
       De " machtiging als werkgever " is persoonlijk en onoverdraagbaar. Wanneer ze wordt afgeleverd voor rekening van een rechtspersoon, wordt ze toegekend aan de verantwoordelijke(n) belast met het dagelijks bestuur van deze rechtspersoon. Ze wordt uitgereikt voor de volledige duur van de activiteit en blijft dus geldig zolang de natuurlijke persoon of rechtspersoon voldoet aan de voorwaarden tot het uitoefenen van de activiteit, inbegrepen de voorwaarden inzake veiligheid van de uitgebate attracties en vestigingen.
       De " machtiging als aangestelde-verantwoordelijke " wordt uitgereikt op naam van de onderneming. Zij staat ter beschikking van de houder van de " machtiging als werkgever ". Deze maakt er volgens zijn behoeften gebruik van en kan de machtiging opeenvolgend aan verschillende " aangestelden-verantwoordelijken " toevertrouwen. Hij moet evenwel over evenveel machtigingen beschikken als er tegelijkertijd personen actief zijn. De duur van de " machtiging als aangestelde-verantwoordelijke " komt overeen met die van de " machtiging als werkgever " waaraan zij is ondergeschikt en haar geldigheid is verbonden met de naleving van de uitbatingvoorwaarden van de attracties of vestigingen.
       De " machtiging als werkgever " vermeldt de attracties en de vestigingen die het ondernemingshoofd uitbaat. De " machtiging als aangestelde-verantwoordelijke " vermeldt uitdrukkelijk de attractie(s) of de vestiging(en) die de " aangestelde-verantwoordelijke " uitbaat voor rekening of in dienst van de onderneming. Wanneer het gaat om attracties met voortbeweging van personen, aangedreven door een niet-menselijke energiebron, maakt de machtiging een onderscheid tussen attractie type " A " en type " B ", zoals het koninklijk besluit van 18 juni 2003, betreffende de uitbating van kermistoestellen, dit bepaalt. Deze gegevens zullen belangrijke aanwijzingen geven met het oog op de kennis van de sector van de kermisactiviteiten en de organisatie van kermissen.
       Om geldig te zijn, moeten deze machtigingen voldoen aan de voorwaarden voorgeschreven door dit besluit. Bepaalde zijn algemeen, anderen zijn slechts van toepassing op bepaalde categorieën van attracties of vestigingen. Het tijdelijk niet-naleven van bepaalde van deze voorwaarden betekent niet noodzakelijk de volledige nietigverklaring van de volledige machtiging maar verhindert logischerwijze de uitbating van de in gebreke zijnde draaimolen of vestiging.
       Artikel 4, § 2, somt het geheel van voorwaarden op en maakt een lijst van de documenten welke aantonen dat hieraan voldaan is. Alle of een deel van deze documenten, afhankelijk van de categorie van attractie of vestiging, dienen de machtiging te vergezellen om deze geldig te maken en de uitbating mogelijk te maken.
       Twee voorwaarden zijn van toepassing op alle draaimolens en vestigingen. Het gaat hierbij in de eerste plaats om het identiteitsbewijs van de houder van de machtiging, die het mogelijk maakt om de " aangestelde-verantwoordelijke " te identificeren. Ten tweede zijn er de documenten die aantonen dat de attractie gedekt wordt door geldige verzekeringspolissen inzake burgerlijke aansprakelijkheid en tegen brand.
       De andere voorwaarden hebben betrekking op de specifieke categorieën van draaimolens en vestigingen. Voor een kermisattractie met voortbeweging van personen, aangedreven door een niet-menselijke energiebron, is de machtiging slechts geldig in zoverre dat de titularis ervan, of hij nu uitbater of " aangestelde-verantwoordelijke " is, voldoet aan de bepalingen van artikel 10 van het koninklijk besluit van 18 juni 2003 betreffende de uitbating van kermisattracties. Dit wil zeggen dat hij op ieder ogenblik moet kunnen aantonen dat de attractie het voorwerp uitmaakte van een risicoanalyse, de resultaten hiervan alsook de preventieve maatregelen ter voorkoming van deze risico's moet kunnen voorleggen en het bewijs van correct uitgevoerde inspecties inzake plaatsing, onderhoud en periodieke controle moet kunnen verschaffen. De houder van de machtiging moet, alvorens zijn attractie ter beschikking te stellen van het publiek, het ontvangstbewijs afgegeven door de persoon aangesteld door de burgemeester of de concessionaris bij ontvangst van het document waaruit blijkt dat de inspectie van opstelling is gebeurd, voorleggen. Zoals artikel 4, § 3, bepaalt kan hij zijn attractie niet uitbaten zolang hij niet over dit ontvangstbewijs beschikt.
       Voor de draaimolens die beroep doen op dieren is de machtiging slechts geldig indien de uitbater het bewijs kan leveren dat hij voldoet aan de reglementaire bepalingen inzake deze dieren.
       Tenslotte is voor de uitbating van een vestiging van kermisgastronomie met bediening aan tafel de machtiging slechts geldig indien zowel de vestiging als de personen die er tewerk gesteld zijn voldoen aan de reglementaire bepalingen inzake volksgezondheid.
       2. Het stelsel van machtiging van personen die een ambulante activiteit uitoefenen inzake kermisgastronomie op kermissen.
       De ambulante handelaars die hun activiteit inzake kermisgastronomie uitoefenen op kermissen zijn onderworpen aan het koninklijk besluit van 24 september 2006, betreffende de uitoefening en organisatie van ambulante activiteiten. Evenwel, omwille van de hierboven verklaarde motieven, genieten ze van bepaalde reglementaire bepalingen, maar zijn anderzijds onderworpen aan andere verplichtingen als gevolg van de uitoefening van de activiteit op de kermis.
       De uitbating van een vestiging van kermisgastronomie zonder bediening aan tafel op een kermis vereist dus een machtiging tot het uitoefenen van ambulante activiteiten, hetzij de " machtiging als werkgever ", hetzij de " machtiging als aangestelde A " of de " machtiging als aangestelde B " en geen machtiging tot het uitoefenen van kermisactiviteiten.
       Niettemin, analoog met het stelsel van de kermisuitbaters, zijn hun " aangestelden ", indien zij niet de verantwoordelijkheid dragen van de uitbating van de vestiging, vrijgesteld van de machtiging wanneer zij de activiteit op de kermis uitoefenen in het bijzijn en onder de controle van een persoon die houder is van de vereiste machtiging.
       De vereiste machtigingen tot het uitoefenen van ambulante activiteiten op een kermis zijn slechts geldig indien de uitbater of zijn " aangestelde-verantwoordelijke " beschikt over het bewijs dat de vestiging gedekt is door de verzekeringspolissen inzake burgerlijke aansprakelijkheid en tegen brand en indien de vestiging en het personeel die er tewerkgesteld is voldoen aan de verplichtingen inzake volksgezondheid.
       De verkrijging van een standplaats op een kermis door een uitbater van een vestiging van kermisgastronomie zonder bediening aan tafel wordt slechts toegestaan, indien hij kan aantonen dat hij voldoet aan de geldigheidsvoorwaarden van de machtiging zoals hierboven vermeld.
       3. De betekenis van de term " aangestelde " in het kader van de huidige reglementering.
       De term " aangestelde " wordt in de huidige context gebruikt in de ruime zin van de betekenis en betreft iedere persoon die zijn activiteit uitoefent binnen een kermisuitbating of ambulante vestiging van kermisgastronomie, met uitzondering van deze die handelen voor eigen rekening of als verantwoordelijke voor het dagelijks bestuur van een rechtspersoon.
       De term " aangestelde-verantwoordelijke " beoogt iedere persoon die de verantwoordelijkheid draagt van de uitbating van een kermisattractie of van de vestiging van kermisgastronomie met of zonder bediening aan tafel, voor rekening of in dienst van hetzij een natuurlijke persoon die voor eigen rekening de activiteit uitoefent, hetzij een rechtspersoon.
       De term " aangestelde " beoogt iedere aangestelde die niet de hoedanigheid bezit van een " aangestelde-verantwoordelijke ".
       Artikel 5.
       Dit artikel bepaalt de voorwaarden tot verkrijging van een machtiging.
       De eerste voorwaarde betreft de nationaliteit. Rekening houdend met de nauwe verwantschap tussen de ambulante en kermisactiviteiten en, in het bijzonder, met de aanwezigheid van ambulante handelaars op de kermissen, zijn de nationaliteitsvoorwaarden voor beide regimes dezelfde.
       Algemeen kan men stellen dat de machtigingen toegankelijk zijn voor Belgen en voor bepaalde van hun bloed- en aanverwanten met een buitenlandse nationaliteit, voor de personen die gemachtigd zijn tot onbeperkt verblijf of vestiging in België alsook voor de begunstigden van internationale akkoorden die ons land verbinden : de onderdanen van de Europese Economische Ruimte, de Zwitsers en bepaalde van hun familieleden van buitenlandse nationaliteit alsook de personen die zich op de PECO-akkoorden kunnen beroepen (landen van Midden- en Oost- Europa).
       Binnen bepaalde van deze categorieën, zullen de buitenlandse onderdanen over een arbeidskaart moeten beschikken om hun activiteit als werknemer uit te oefenen. Het betreft hier de onderdanen van die landen die zich in mei 2004 bij de Europese Unie hebben aangesloten en dit tot de uitdoving van de overgangsmaatregelen. Het betreft ook de Bulgaarse en Roemeense onderdanen alsook enkele andere categorieën opgesomd in artikel 9, 16° en 17° van het koninklijk besluit van 9 juni 1999 tot uitvoering van de wet van 30 april 1999 betreffende de tewerkstelling van buitenlandse werknemers.
       De tweede voorwaarde voor het verkrijgen van een machtiging tot het uitoefenen van kermisactiviteiten betreft de naleving van de verplichtingen eigen aan de activiteit. Deze voorwaarden dienen, uitgezonderd indien een wettelijke of reglementaire bepaling het tegengestelde beweert, vooraf voldaan worden. Het zou inderdaad nutteloos zijn om een persoon een machtiging af te leveren die hij niet kan gebruiken daar hij niet aan de gestelde eisen voldoet. Hierbij kan men, verbonden met de activiteit, het bewijs van kennis van bedrijfsbeheer aanhalen die voortkomt uit de programmawet van 10 februari 1998 tot bevordering van het zelfstandig ondernemerschap en van toepassing is op elke handelsactiviteit en het bewijs van beroepskennis van restaurateur die, naargelang de geserveerde gerechten, kan gevraagd worden voor de uitbating van een vestiging van kermisgastronomie met bediening aan tafel.
       De laatste voorwaarde tot verkrijging van een machtiging tot het uitoefenen van kermisactiviteiten betreft de attracties en de vestigingen waarvan de uitbating gepland wordt. Wanneer het gaat om attracties met voortbeweging van personen aangedreven door een niet-menselijke energiebron kunnen deze slechts op de machtiging vermeld worden, indien het bewijs is geleverd dat ze het voorwerp van een risicoanalyse, voorzien in artikel 3,§ 2, van het koninklijk besluit van 18 juni 2003 betreffende de uitbating van kermisattracties, hebben uitgemaakt. Of dat ze voldoen aan een algemene verplichting inzake veiligheid en/of principes inzake veiligheid in toepassing van een niet-verplichte norm die een Europese norm of een communautaire technische specificatie welke veiligheidsvereisten bevat, omzet. Of nog, een nationale reglementering van een land die partij is bij een EER-overeenkomst (Europese Economische Ruimte) welke gelijkwaardige waarborgen biedt inzake veiligheid (cf. artikel 3, §§ 3 en 4, van het voornoemd koninklijk besluit van 18 juni 2003).
       Artikel 6.
       Dit artikel bepaalt de modaliteiten inzake aanvraag en aflevering van de machtigingen.
       § 1. De aflevering van machtigingen inzake het uitoefenen van kermisactiviteiten wordt aan de ondernemingsloketten toevertrouwd. Deze ontvangen de aanvraag, behandelen deze en leveren de machtiging of de beslissing tot weigering af. Deze procedure biedt de kandidaat-ondernemer het voordeel dat hij zich op het ogenblik dat hij zijn machtiging ontvangt, kan inschrijven in de Kruispuntbank van Ondernemingen.
       Deze centralisatie van deze stappen laat op het niveau van de ondernemingsloketten ook de uitvoering van een administratieve controle toe die door de wetgever gewild is om de sector te beschermen tegen de risico's van oneerlijke concurrentie maar onrechtstreeks ook ter bescherming van de consument. Deze controle zal gebeuren bij de aanvraag van een machtiging, bij wijziging van de activiteit en bij stopzetting. Deze biedt het ondernemingsloket de mogelijkheid zich ervan te vergewissen dat de titularis zich bij ontvangst van zijn machtiging effectief inschrijft in de Kruispuntbank van Ondernemingen, hij zijn inschrijving wijzigt indien zijn activiteit wijzigt en hij daadwerkelijk zijn machtiging inlevert bij schrapping van zijn activiteit.
       De prestaties van de ondernemingsloketten zullen uiteraard het voorwerp uitmaken van een controle door de administratie. Deze zal uitgevoerd worden overeenkomstig de bepalingen van de artikelen 58 tot 60 van de wet van 16 januari 2003 tot oprichting van een Kruispuntbank van Ondernemingen, tot modernisering van het handelsregister, tot oprichting van erkende ondernemingsloketten en houdende diverse bepalingen. Deze controle zal uitgevoerd worden door ambtenaren van het Departement Economie.
       De aanvragen tot het verkrijgen van een machtiging als " aangestelde -verantwoordelijke " worden door de ondernemer of door de persoon die hij mandateert, ingediend. Zodoende beschikt deze over het volledige zeggenschap inzake personeelsbeheer.
       § 2. Daar de beslissingen van de loketten niet de hoedanigheid van een administratieve handeling bezitten, wordt een beroepsinstantie ingesteld die de beroepen tegen hun beslissingen tot weigering of tegen het onterecht ontbreken van de beslissing zal behandelen. Dit orgaan is de Minister. Zijn beslissingen binden de loketten. Zij zijn vatbaar voor een beroep bij de Raad van State.
       Om het hoofd te kunnen bieden aan een mogelijk groot aantal beroepen, wordt voorzien dat de Minister zijn bevoegdheid kan delegeren aan de ambtenaren van zijn administratie.
       Uit bezorgdheid voor de bescherming van de rechten van hun gebruikers, zoals bepaald in § 1, moeten de ondernemingsloketten hun beslissingen tot weigering naar rechte en in feite motiveren.
       § 3. Deze paragraaf regelt de modaliteiten inzake voortzetting van de activiteit na verlies, diefstal of vernietiging van de machtiging.
       § 4. Deze paragraaf legt het indienen van de machtiging op zodra deze niet meer gebruikt kan worden. Dit geldt zowel voor deze die vervangen wordt ten gevolge van een wijziging als voor degene waarvan de titularis of de onderneming de activiteiten heeft stopgezet of niet langer aan de voorwaarden tot uitoefening voldoet. Deze verplichting is gericht op het verhinderen van de voortzetting van de activiteit na schrapping van de inschrijving in de Kruispuntbank van Ondernemingen.
       Daar de teruggave van de machtiging en de schrapping van de activiteit gelijktijdig bij het ondernemingsloket dienen te gebeuren, wordt geen enkel uitstel inzake de teruggave van de machtiging voorzien; deze moet onverwijld gebeuren.
       De machtiging moet echter niet ingeleverd worden indien hij slechts tijdelijk niet meer aan de voorwaarden inzake uitbating van de attractie of vestiging voldoet, voorzien in artikel 4, § 2, 2° tot en met 5°. Het zou immers niet redelijk zijn om zware formaliteiten op te leggen voor bijvoorbeeld een tijdelijke schade of een vertraging bij de betaling van een verzekeringspolis. De geldigheid van de machtiging wordt, enkel voor de attractie of vestiging welke in gebreke bleef, gedurende deze periode geschorst. Deze kan uiteraard niet uitgebaat worden zolang niet aan de verplichtingen wordt voldaan.
       § 5. Deze paragraaf voorziet dat de ondernemingsloketten het Departement Economie inlichten over de machtigingen die ze afleveren. Deze informatie, langs elektronische weg, stelt deze administratie in staat om, langs de oprichting van een databank van de machtigingen voor het uitoefenen van kermisactiviteiten, de evolutie binnen de sector te volgen. Zij levert ook informatie betreffende de activiteiten van niet-ingezetenen die niet in de Kruispuntbank van Ondernemingen opgenomen zijn indien zij geen bedrijfszetel in België hebben. Deze databank vergemakkelijkt bovendien de taak van de dienst die belast is met de controle van de ondernemingsloketten alsook deze van de inspectiediensten.
       Artikel 7.
       Dit artikel stelt het bedrag van de rechten vast die op de machtigingen worden toegepast. Deze worden geïnd bij de aanvraag van een machtiging.
       Om misbruiken te vermijden, wordt het recht dat geïnd wordt bij een aanvraag tot vervanging of wijziging van de " machtiging aangestelde - verantwoordelijke " vastgesteld op eenzelfde bedrag als deze toegepast bij een eerste aanvraag.
       HOOFDSTUK II. - Betreffende de organisatie van kermisactiviteiten en ambulante activiteiten in kermisgastronomie op openbare kermissen en op het openbaar domein
       Ter herinnering, de wet omvat het geheel van kermisactiviteiten. Zij is van toepassing zowel op de activiteiten van openbaar als van privé-initiatief, die plaatsvinden op het openbaar domein of op private plaatsen.
       Eveneens ter herinnering, het stelsel van private kermisactiviteiten en van private kermissen is volledig geregeld door artikel 10bis van de wet zodanig dat er geen enkel uitvoeringsbesluit nodig is.
       Deze activiteiten moeten niet verward worden met de concessie van kermissen of kermisactiviteiten door een gemeentelijke overheid. Binnen dit kader is de concessionaris immers onderworpen aan dezelfde verplichtingen als deze van de gemeente. De concessie ontslaat deze laatste niet van de verplichting om de naleving door de concessionaris te controleren.
       De organisatie van kermisactiviteiten of kermissen door een private promotor vereist de voorafgaandelijke machtiging van de gemeente. Deze kan de machtiging weigeren wegens redenen van openbare orde, volksgezondheid, bescherming van de consument of ook wegens het in gevaar brengen van bestaande kermisactiviteiten.
       Afgezien van deze verplichting moet de private promotor de regels die de uitoefening van kermisactiviteiten en van ambulante activiteiten in kermisgastronomie regelen, respecteren. Hij kan de standplaatsen slechts toekennen aan de houders van een machtiging die in orde zijn met de specifieke verplichtingen van de uitgeoefende activiteit en met de draaimolen of de uitgebate vestiging. Het essentiële verschil tussen deze twee regimes situeert zich op niveau van de toewijzing van de standplaatsen. De private promotor is niet gehouden aan dezelfde regels als de gemeente. Zijn keuze is vrij.
       De kermissen en de andere kermisactiviteiten van privé-initiatief vallen onder de bevoegdheid van de controlediensten aangeduid door deze wetgeving en maken het voorwerp uit van inspectie op dezelfde wijze als de activiteiten en kermissen van gemeentelijk initiatief.
       * * *
       De openbare kermissen en de kermisactiviteiten op het openbaar domein zijn geregeld door de artikelen 8 tot 10 van de wet. Op grond hiervan moet hun organisatie geregeld worden door een gemeentelijk reglement.
       Deze verplichting is door de meerderheid van de steden en de gemeenten voorzien, maar de reglementen die de verdienste hebben dat ze bestaan, verschillen van elkaar. De voornaamste vernieuwing van de nieuwe wetgeving bestaat in de veralgemening van deze verplichting, in de invoering van een sokkel van gemeenschappelijke voorschriften voor al deze reglementen en in het scheppen van minimale rechten voor de kermisuitbaters. De nagestreefde objectieven, in het bijzonder een evenwicht tussen de belangen van de gemeenten, de professionelen van de kermis en de consumenten zijn in de inleiding van de commentaren van dit besluit uitdrukkelijk geformuleerd.
       Eerste afdeling. - Betreffende de organisatie van kermisactiviteiten en ambulante activiteiten in kermisgastronomie op openbare kermissen
       De bepalingen van deze afdeling zijn genomen in toepassing van artikelen 8 en 10, § 1, van de wet.
       Artikel 8, § 1, voorziet, zoals hierboven aangehaald, dat de organisatie van de openbare kermissen geregeld wordt door een reglement genomen door de gemeentelijke autoriteit. Deze verplichting geldt voor alle openbare kermissen, met inbegrip van deze die in concessie gegeven zijn. Het reglement bevat een verplicht aantal gegevens zoals het plan van de standplaatsen, hun specialisatie en hun technische specificaties, de modaliteiten van toepassing van de regels inzake toewijzing, de inname, de overdracht en de opschorting van de bezetting van de standplaatsen, ingesteld door het besluit en tenslotte de opzegtermijn te geven aan de titularis van een standplaats in geval van de definitieve opheffing van het geheel of een deel van de kermis. Die opzegtermijn mag niet minder zijn dan één jaar. Het reglement kan eveneens het aantal standplaatsen per onderneming beperken en dit om de diversiteit van het aanbod te vrijwaren.
       Deze nieuwe bepalingen moeten, in toepassing van artikel 16 van de wet, geïntegreerd worden in de bestaande reglementen of het voorwerp uitmaken van een reglement binnen een termijn van maximum één jaar na de inwerkingtreding van de nieuwe wetgeving.
       Eerste onderafdeling De standplaatsen op de openbare kermissen
       De standplaatsen worden toegewezen hetzij voor de duur van de kermis, hetzij per abonnement. Het plan van de kermis vermeldt voor elke standplaats of zone van standplaatsen de gekozen manier van toewijzing.
       Het plan van de kermis moet de waarborg zijn dat de regels inzake de toewijzing gerespecteerd worden. Het is daarom dat het moet kunnen geraadpleegd worden en integraal deel uitmaakt van het kermisreglement, zelfs indien, zoals voorzien in artikel 8, § 1, van de wet, men om praktische redenen kan verwijzen naar de beslissingen van het College van Burgemeester en Schepenen. De invoering moet evenwel in overeenstemming blijven met de praktische eisen van de organisatie van de kermis en laatste ontwikkelingen toelaten, onmisbaar voor de goede organisatie ervan.
       Het ingevoerde regime bekrachtigt het systeem toegepast door de grote meerderheid van de gemeenten. De regel is het abonnement en de toewijzing voor de duur van de kermis de uitzondering. Het nagestreefde doel is dubbel : enerzijds de kermissen en zijn professionelen een maximum aan stabiliteit bieden, en anderzijds, rekening houden met lokale eigenheden (bijvoorbeeld, de organisatie van een gemeentelijke kermis op een terrein van private aard en daarom precair, verbod op het verlenen van abonnementen), en de eisen van de hernieuwing van de kermis (de introductie van nieuwe draaimolens of vestigingen) om te voorkomen dat ze verstarren. Anders dan bij het stelsel van de organisatie van de gemeentelijke markten, is er geen enkele mathematische verdeling van standplaatsen vastgelegd in functie van hun wijze van toewijzing. Een dergelijke onderverdeling zou onvermijdelijk willekeurig zijn en zou bepaalde lokale specificaties kunnen ontkennen. De nieuwe wetgeving laat het dus over aan de wijsheid van de gemeentelijke autoriteiten.
       Eveneens in overeenstemming met de meest verspreide praktijk wordt het abonnement slechts verkregen na drie jaar ononderbroken inname van dezelfde standplaats, op voorwaarde natuurlijk dat deze standplaats volgens het plan het voorwerp uitmaakt van een abonnement. Het door dit mechanisme nagestreefde doel is om de gemeente toe te laten tijdens deze proefperiode de bekwaamheden van de uitbater, maar ook het aantrekkelijk karakter van de draaimolen of de vestiging na te gaan. De gemeente kan altijd, indien zij dit wenst, deze proefperiode via het reglement inkorten.
       Voor de berekening van de drie jaar worden de opeenvolgende jaren van inname van de standplaats door de overlater meegerekend ten voordele van de overnemer, op voorwaarde wel te verstaan dat er geen onderbreking was bij de overname.
       De regel van drie jaar geldt echter niet wanneer de standplaats werd verkregen naar aanleiding van een opschorting van het abonnement. Deze beperking is echter niet van toepassing op de persoon die daarna overnemer is geworden van de standplaats.
       Onderafdeling II. - Betreffende de personen aan wie de standplaatsen op kermissen kunnen toegewezen worden alsook zij die deze kunnen innemen
       Het regime is identiek aan datgene dat toepasbaar is op de gemeentelijke markten.
       Logischerwijze kunnen de standplaatsen enkel toegewezen worden aan de houder van een machtiging als werkgever voor kermisactiviteiten of ambulante activiteiten in kermisgastronomie, op voorwaarde dat hij in orde is met de huidige wetgeving en in het bijzonder met de eisen specifiek aan de attractie of de vestiging.
       De inname van een standplaats is voorbehouden, naargelang het geval, aan de persoon aan wie of door middel van wie ze werd toegewezen, aan zijn medezaakvoerders en zijn vennoten alsook aan zijn feitelijke vennoten, aan zijn echtgenoot of zijn wettelijk samenwonende en tenslotte aan zijn aangestelden-verantwoordelijken, allen houder van de vereiste machtiging tot het uitoefenen van kermisactiviteiten of ambulante activiteiten.
       Deze personen kunnen de standplaats alleen uitbaten indien zij de nodige technische bekwaamheden bezitten, voorzien in het koninklijk besluit van 18 juni 2003 betreffende de uitbating van kermisattracties, en indien het gaat over een vestiging van kermisgastronomie, zij aan de voorwaarden inzake volksgezondheid voldoen.
       De standplaats kan ook ingenomen worden door de aangestelden van de personen aan wie ze werd toegewezen en door de personen hierboven vermeld; deze inname is slechts toegelaten voor zover zij de activiteit uitoefenen onder de controle en in aanwezigheid van één van deze personen.
       Onderafdeling III. - Betreffende de abonnementen
       De abonnementen worden toegewezen voor een duur van vijf jaar, zij zijn hernieuwbaar via een stilzwijgende verlenging.
       Deze regel is evenwel gematigd door een reeks van bepalingen die de aanpassing ervan toelaten wegens redenen die betrekking hebben op commerciële werkelijkheden, het specifiek karakter van de kermisactiviteit, de wisselvalligheid van het leven en, uiteraard de aard van het openbaar domein waarop de kermis plaats vindt en de voorschriften van een openbare dienst.
       Deze aanpassingen laten toe om een abonnement met een duur minder dan vijf jaar voortijdig toe te wijzen, op te schorten of nog te beëindigen. Zij zijn in functie van de motivatie van de aanvraag, met name de graad van ernst van de ingeroepen situatie, hetzij bindend voor de gemeente, hetzij overgelaten aan haar beslissing.
       Deze bepalingen laten de gemeente eveneens toe om een abonnement op te schorten of in te trekken van een begunstigde die de verplichtingen eigen aan zijn activiteit niet respecteert of waarvan de draaimolen of de vestiging niet langer voldoet aan de regels die erop toepasbaar zijn. De gemeente kan eveneens het abonnement opschorten of intrekken om redenen voorzien in het gemeentelijk reglement.
       Onderafdeling IV. - Betreffende de voorwaarden en modaliteiten inzake de toewijzing van standplaatsen
       Buiten het gelijkvormig maken van de regels inzake toewijzing van standplaatsen is het verduidelijken en transparant maken van de procedures één van de belangrijkste doelstellingen van de nieuwe wetgeving. Binnen deze context is de vacature een basisvoorwaarde die de objectiviteit moet waarborgen. Om deze reden stipuleert artikel 13 de minimale bepalingen die deze kennisgeving moet bevatten en dat de criteria inzake toewijzing van standplaatsen insluit. Deze bepalingen moeten aan de kermisuitbater de informatie geven die hem in staat moet stellen om zijn belang om een kandidatuur in te dienen te beoordelen, om na te gaan of hij kans maakt dat zijn kandidatuur weerhouden wordt en vervolgens, desgevallend, als hij meent dat hij ten onrechte uitgesloten wordt, om de toewijzing aan te vechten.
       Het besluit heeft de modaliteiten inzake openbaarheid van de kennisgeving niet bepaald. Het laat dit open voor het gemeentelijk reglement. Het is vanzelfsprekend dat de gekozen plaatsen van affichering en hulpmiddelen, in het tijdperk van de elektronische informatie meerbepaald de websites, de breedst mogelijke groep van kandidaten moet kunnen bereiken, terwijl men er rekening moet mee houden dat niet iedereen over dezelfde informatiemiddelen beschikt. Een waaier van hulpmiddelen lijkt bijgevolg aangewezen om de verplichting tot openbaarheid na te leven.
       De inlichtingen welke op de kennisgeving van vacature dienen hernomen te worden, vereisen geen verdere commentaar. Men kan zich echter vragen stellen bij de vermelding van de termijn van bekendmaking van de beslissing inzake toewijzing van een standplaats aan de kandidaten. Deze bepaling werd op vraag van de kermisuitbaters ingevoerd. Deze hebben onze aandacht gevestigd op de vaststelling dat bepaalde toewijzingen laattijdig, soms slechts enkele dagen voor de aanvang van de aangevraagde kermis, betekend werden. Deze vertragingen ontzeggen hen andere mogelijkheden. Het was dus belangrijk om minstens de aandacht van de gemeentelijke autoriteiten op deze situatie te vestigen. In dit stadium werd echter nog geen verplichte termijn opgelegd.
       Betreffende de criteria inzake de toewijzing van standplaatsen.
       Hun bepaling maakte het voorwerp uit van een breed overleg. Het nagestreefde doel was om over objectieve criteria te beschikken die enerzijds het beheer door de gemeente van de kermis, op het vlak van de aanwijzing van de begunstigde, volledig bewaart en anderzijds de kermis open stelt voor alle categorieën van kermisuitbaters. Deze laatste doelstelling was bepalend bij de keuze van de criteria inzake toewijzing van de standplaatsen en in het bijzonder in het verwijderen van het systeem van opbod. Dit riskeert immers een scherpe stijging van de prijzen van de standplaatsen en de inbeslagname van de kermissen in het voordeel van enkelen, meer bepaald de vanuit commercieel standpunt meest aantrekkelijke, uit te lokken. Uiteindelijk zouden van onze kermissen hierbij vertekend worden en hun belangrijkste troef, hun gezelligheid, verliezen.
       Het weerhouden systeem, dat het voorwerp uitmaakt van artikel 15, laat de gemeente toe om vrij de prijs van elke standplaats te bepalen en laat deze de volledige controle inzake de keuze van de kandidaten. Het baseert zich hierbij op concrete criteria; de aard van de gewenste attractie of vestiging, de technische specificaties meer bepaald inzake veiligheid en de risicograad, zijn aantrekkelijkheid voor het publiek, de competentie van de exploitant of van zijn personeel, hun nuttige ervaring, hun ernst maar ook hun moraliteit. Deze criteria maken ongetwijfeld een objectieve vergelijking van de kandidaten mogelijk.
       Deze criteria kunnen uiteraard gemoduleerd worden. Zo kan de gemeente haar oproep beperken tot een bepaald type van draaimolen of vestiging of ze openstellen voor meerdere categorieën om zodoende de kermis te vernieuwen. Ook kan de gemeente vanuit eenzelfde invalshoek beroep doen op beginnende kermisuitbaters en, binnen deze hypothese, geen rekening houden met de ervaring van de kandidaten. De aanpassingen zijn talrijk.
       Om de objectiviteit van de keuze van de begunstigde te waarborgen, werkt artikel 15 de procedure met een grote nauwgezetheid uit en voorziet het op papier zetten van de verschillende fasen van het onderzoek van de kandidaten in een proces-verbaal. Dit moet uiteraard de motivatie van de beslissing tot toewijzing bevatten. Het vormt een ander kernstuk van het systeem en moet kunnen geraadpleegd worden door de niet weerhouden kandidaten.
       Krachtens artikel 15, § 5, moet de beslissing zowel aan de begunstigde als aan de ongelukkige kandidaten meegedeeld worden. Dit document opent voor deze laatsten een recht op beroep bij de toezichthoudende overheid van de gemeente en, desgevallend, bij de Raad van State.
       Uit eenzelfde zorg voor objectiviteit en transparantie worden de begunstigden van een standplaats, krachtens artikel 16, opgenomen in een plan. Dit herneemt de aanwijzingen nodig voor hun identificatie en de voorwaarden waaronder zij de standplaats innemen. Uit praktische overwegingen kan dit plan bepaalde gegevens doorverwijzen naar een register of bestand. Deze drie documenten kunnen uiteraard met een informatica ondersteuning bijgehouden worden. Niettemin dienen de in artikel 16 hernomen gegevens te kunnen geraadpleegd worden door elke persoon die hiertoe gemachtigd is overeenkomstig de wettelijke bepalingen betreffende de openbaarheid van bestuur in provincies en gemeenten.
       Naast de normale procedure, bedoeld in de artikelen 13 tot 15, werd een tweede vereenvoudigde procedure ingevoerd om het hoofd te bieden aan spoedsituaties. Deze wordt geregeld door het artikel 17. Deze is slechts van toepassing vanaf de vijftiende dag voorafgaand aan de opening van de kermis en is bedoeld om toe te laten de lege standplaatsen (vacante standplaatsen of onbezette standplaatsen door de afwezigheid van de houders) op te vullen.
       Het opnemen van nieuwe vestigingen en attracties in deze context kunnen aanpassingen aan het plan van de kermis noodzakelijk maken. Deze moeten strikt verantwoord worden door de integratie van de nieuwkomers en zoveel mogelijk beperkt blijven. Ze mogen in geen enkel geval verplaatsingen van attracties of vestigingen met zich meebrengen die hun rentabiliteit zou kunnen schaden.
       Deze aanpassingen kunnen niet het voorwerp uitmaken van een voorafgaande goedkeuring, al naargelang het geval, van de gemeenteraad of van het college van burgemeester en schepenen. Ze moeten evenwel voorgelegd worden tijdens de eerstvolgende zitting van de bevoegde instantie.
       Onderafdeling V. - Betreffende de overdracht van standplaatsen met een abonnement
       De mogelijkheid tot overdracht van zijn attractie of zijn vestiging met standplaats op de openbare kermissen vormt één van de belangrijkste eisen van de kermisuitbaters. Deze wordt hun toegewezen. Zij treedt buiten het kader van het einde van de loopbaan. Zij is ook van toepassing indien de foorreiziger zijn draaimolen overlaat of van vestiging verandert. Logischerwijze werd zij ook uitgebreid tot de ambulante handelaars in kermisgastronomie. De overnemer dient uiteraard te voldoen aan de voorwaarden tot uitoefening van de activiteit en tot verkrijging van de overgenomen standplaats.
       Deze regel geldt eveneens, onder dezelfde voorwaarden, voor de rechthebbenden van overleden uitbaters.
       Afdeling II. - Betreffende de organisatie van kermisactiviteiten op het openbaar domein buiten de openbare kermissen
       Deze afdeling valt onder de artikelen 9, §§ 1, 3 en 4, en 10,§ 1, van de wet. Artikel 9, § 1, geeft de gemeenteoverheid de opdracht om de organisatie van de kermisactiviteiten op het openbaar domein via een reglement te regelen. Artikel 9, § 3, preciseert dat de uitoefening van kermisactiviteiten op deze plaats aan een gemeentelijke toelating onderworpen is. Het stelsel van de machtiging wordt door artikel 10, § 1, van de wet en deze afdeling geregeld. De tenuitvoerlegging ervan wordt aan het gemeentelijk reglement toevertrouwd. Artikel 9, § 4, vermeldt de motieven waarvoor een machtiging kan geweigerd worden. Dit kan om redenen van openbare orde, volksgezondheid en bescherming van de consument of indien de gevraagde activiteit van aard is om het bestaande kermisaanbod in gevaar te brengen. Deze afdeling bepaalt dus het juridisch kader waarbinnen de gemeente de haar toevertrouwde bevoegdheid kan uitoefenen.
       Laten we, om elke ambiguïteit te vermijden, dadelijk het toepassingsgebied van deze afdeling aflijnen. Deze richt zich uitsluitend op de uitbaters van kermisattracties of vestigingen van kermisgastronomie met bediening aan tafel. Immers, de redenen van relatieve stabiliteit, welke de assimilatie van de ambulante handelaars in kermisgastronomie, wanneer zij hun activiteit op de kermis uitoefenen, met de kermisuitbaters rechtvaardigen, vallen weg wanneer zij zich op het openbaar domein bevinden. Op deze plaats krijgt hun activiteit terug alle kenmerken qua mobiliteit van een ambulante handel. Niets houdt hen dan ook tegen om deze er verder te zetten tijdens de stille periode van het kermisseizoen. Van zodra zij het terrein van de kermis verlaten zijn de ambulante handelaars in kermisgastronomie weer volledig onderworpen aan het koninklijk besluit van betreffende de uitoefening en organisatie van ambulante activiteiten.
       Laten we ook het begrip kermisactiviteiten op het openbaar domein preciseren. Deze wordt negatief omschreven in verhouding tot het begrip kermis zoals omschreven in artikel 1,5°, van de wet. Deze kenmerkt en onderscheidt zich in essentie van de kermisactiviteiten op het openbaar domein door de vaststelling dat een kermis de emanatie is van de gemeentelijke autoriteit of minstens als dusdanig erkend wordt door deze autoriteit. Op basis van dit onderscheid zal een kermisactiviteit op het openbaar domein bijgevolg omschreven worden als elke soortgelijke activiteit door de gemeentelijke overheid niet als kermis opgericht. Deze activiteit kan alleen of in groep uitgeoefend worden. Dergelijke tijdelijke bijeenkomsten liggen immers vaak aan de basis van hun latere erkenning door de gemeente als kermis.
       De toewijzing van standplaatsen op het openbaar domein kan gebeuren zowel op vraag naar een bepaalde standplaats door een kermisuitbater als op initiatief van de burgemeester, zijn afgevaardigde of een concessionaris met oproep tot de kandidaten via bekendmaking van vacature. In het laatste geval is de procedure van toewijzing dezelfde als deze voorzien voor de standplaatsen op de kermis.
       De keuze om de standplaats voor een bepaalde duur of bij abonnement toe te wijzen, is overgelaten aan de bevoegdheid van de gemeentelijke autoriteit.
       Wanneer de standplaats per abonnement toegewezen wordt, geniet de begunstigde van de regels die toegepast worden voor de abonnees op de kermissen.
       Afdeling III. - Betreffende de personen belast met de praktische organisatie van openbare kermissen en kermisactiviteiten op het openbaar domein
       Dit artikel betreft de personen die door de burgemeester, zijn afgevaardigde of door de concessionaris belast zijn met de praktische organisatie van de openbare kermissen en de kermisactiviteiten op het openbaar domein, algemeen bekend onder de naam " marktleiders ". Het vertrouwt hen de middelen toe om hun opdracht uit te voeren.
       De bevoegdheid die hen wordt toevertrouwd laat hen, in de uitvoering van hun opdracht en op het grondgebied van de gemeente, toe de documenten die personen die een kermisactiviteit of een ambulante activiteit in kermisgastronomie uitoefenen in het bezit moeten hebben, zoals bedoeld in artikel 4, te controleren.
       Deze bevoegdheid wordt hen toegewezen overeenkomstig artikel 3 van de wet welke de Koning de bevoegdheid verleent de modaliteiten inzake controle van ambulante en kermisactiviteiten te besluiten.
       HOOFDSTUK III. - Betreffende het onderzoek en de vaststelling van overtredingen
       Dit artikel duidt de ambtenaren en de beambten aangesteld bij de Algemene Directie van Controle en Bemiddeling van de Federale Overheidsdienst Economie, K.M.O., Middenstand en Energie aan om de inbreuken op de wet en haar uitvoeringsbesluiten op te sporen en vast te stellen. Zij zijn ook gemachtigd om, overeenkomstig artikel 10ter van de wet, waarschuwingen te geven.
       Het zijn dezelfde ambtenaren en beambten die belast zijn met de controle van ambulante activiteiten en de markten.
       Ter herinnering, artikel 11, § 1, van de wet verleent dezelfde taak aan de officieren van de gerechtelijke politie en aan de leden van het operationeel kader van de federale politie en de lokale politie.
       HOOFDSTUK IV. - Betreffende de minnelijke schikking
       Dit artikel regelt het stelsel van de minnelijke schikking. Dit laat de beambten, aangesteld door de Minister, toe om op basis van een proces-verbaal opgesteld door de personen belast met de controle aan de overtreders de betaling van een minnelijke schikking voor te stellen die de strafvordering doet vervallen.
       Het stelsel voorzien in dit besluit is gelijklopend met dat toegepast op de ambulante activiteiten.
       HOOFDSTUK V. - Overgangs- en slotbepalingen
       Artikel 32 regelt de situatie van de uitbaters die, op het ogenblik van de inwerkingtreding van dit besluit, over een abonnement beschikken of de voorwaarden vervullen om een abonnement te verwerven. Het waarborgt hen het behoud of de verkrijging ervan, indien zij gerechtigd zijn om dit op te eisen. Dit artikel vormt echter geen hindernis voor de toepassing van de bepalingen van artikel 9, § 1, die de gemeente de mogelijkheid geven om bepaalde standplaatsen aan het stelsel van de abonnementen te onttrekken om redenen van absolute noodzaak of redenen inherent aan de verplichting tot hernieuwing van de kermis.
       Artikel 33 bepaalt eenzelfde datum voor de inwerkingtreding van de bepalingen inzake de uitoefening en de organisatie van de kermisactiviteiten opgenomen in de artikelen 1 tot en met 24 van de wet van 4 juli 2005 en deze van dit besluit.
       Wij hebben de eer te zijn,
       Sire,
       Van Uwe Majesteit,
       de zeer eerbiedige en zeer getrouwe dienaren,
       De Minister van Middenstand,
       Mevr. S. LARUELLE
       De Minister van Binnenlandse Zaken,
       P. DEWAEL
       De Minister van Economie,
       M. VERWILGHEN

    Begin Eerste woord Laatste woord Wijziging(en) Aanhef
    Verslag aan de Koning Inhoudstafel 2 uitvoeringbesluiten 2 gearchiveerde versies
    Franstalige versie