J U S T E L     -     Geconsolideerde wetgeving
Einde Eerste woord Laatste woord Wijziging(en) Aanhef
Verslag aan de Koning Inhoudstafel 1 uitvoeringbesluit 2 gearchiveerde versies
Handtekening Einde Franstalige versie
 
belgiėlex . be     -     Kruispuntbank Wetgeving
Raad van State
ELI - Navigatie systeem via een Europese identificatiecode voor wetgeving
http://www.ejustice.just.fgov.be/eli/besluit/2006/01/10/2006014013/justel

Titel
10 JANUARI 2006. - Koninklijk besluit tot vaststelling van de budgettaire en boekhoudkundige regeling van het Belgisch Instituut voor postdiensten en telecommunicatie
(NOTA : Raadpleging van vroegere versies vanaf 01-03-2006 en tekstbijwerking tot 01-09-2015)

Bron : ECONOMIE, KMO, MIDDENSTAND EN ENERGIE
Publicatie : 01-03-2006 nummer :   2006014013 bladzijde : 12324       PDF :   originele versie    
Dossiernummer : 2006-01-10/35
Inwerkingtreding : 01-03-2006

Inhoudstafel Tekst Begin
HOOFDSTUK I. - Algemeen.
Art. 1-2
HOOFDSTUK II. - De begroting van ontvangsten en uitgaven.
Art. 3-15
HOOFDSTUK III. - De rekeningen en de boekhouding.
Art. 16-27
HOOFDSTUK IV. - Rekening en verantwoording.
Art. 28-32
HOOFDSTUK V. - De voorafgaande controle op de besluiten die een financiėle en budgettaire weerslag hebben.
Art. 33-41
HOOFDSTUK VI. - Opheffings- en slotbepalingen.
Art. 42-44
BIJLAGE.
Art. N

Tekst Inhoudstafel Begin
HOOFDSTUK I. - Algemeen.

  Artikel 1.Voor de toepassing van dit besluit wordt verstaan onder :
  1° het Instituut : het Belgisch Instituut voor postdiensten en telecommunicatie [1 bedoeld in artikel 71, eerste lid, van de wet van 21 maart 1991 betreffende de hervorming van sommige economische overheidsbedrijven " vervangen door de woorden " bedoeld in artikel 2, 3°, van de wet van 17 januari 2003 met betrekking tot het statuut van de regulator van de Belgische post- en telecommunicatiesector]1;
  2° de Raad : de Raad van het Instituut, bedoeld in afdeling 3 van hoofdstuk 3 van de wet van 17 januari 2003 met betrekking tot het statuut van de regulator van de Belgische post- en telecommunicatiesector;
  3° de afgevaardigde van de Minister : het lid van het Interfederaal Korps van de Inspectie van Financiėn, bedoeld in artikel 33 van het huidige besluit.
  ----------
  (1)<KB 2013-09-15/03, art. 1, 002; Inwerkingtreding : 05-10-2013>

  Art. 2. Het Instituut maakt jaarlijks een begroting en rekening op met opgave van alle ontvangsten en alle uitgaven, welke de herkomst en de oorzaak ervan ook mogen zijn.
  Het begrotingsjaar valt samen met het kalenderjaar.
  De boekhouding wordt gevoerd volgens het stelsel van het beheer. De ontvangsten en de uitgaven worden respectievelijk aangerekend op de datum van hun daadwerkelijke inning en betaling.

  HOOFDSTUK II. - De begroting van ontvangsten en uitgaven.

  Art. 3. De ontwerpbegroting is de akte waardoor de Raad de ontvangsten en de uitgaven voorziet en raamt, die uit te voeren zijn door het Instituut tijdens het begrotingsjaar waarvoor de begroting opgemaakt is.
  De begroting is de akte waardoor de Ministers van Begroting en van Financiėn de ontvangsten en de uitgaven bepalen waartoe zij het Instituut de toestemming verlenen.

  Art. 4. Onder ontvangsten wordt verstaan al de rechten door het Instituut verworven uit hoofde van zijn betrekkingen met derden.
  Onder uitgaven wordt verstaan al de rechten door derden verworven ten laste van het Instituut.
  De verrichtingen op gelden van derden worden in een ordebegroting ingeschreven.

  Art. 5. De begroting wordt tabelsgewijze voorgesteld zodanig dat de verschillende grote inkomstencategorieėn afzonderlijk worden vermeld, alsook dat langs de uitgavenzijde het onderscheid verschijnt tussen personeelsuitgaven, werkingsuitgaven en investeringsuitgaven.
  De ontvangsten en de uitgaven worden er volgens hun aard gerangschikt.
  De vorm van die tabellen wordt vastgesteld in bijlage 1.

  Art. 6. De ramingen van ontvangsten en de kredieten van uitgaven worden gestaafd met afzonderlijke verantwoordingsnota's.

  Art. 7. Het ontwerp van begroting met de bijhorende toelichting en verantwoording wordt ingediend in drie exemplaren bij de Minister van Begroting vóór 15 oktober van het jaar dat voorafgaat aan het jaar waarop het betrekking heeft.
  De Minister van Begroting zendt die onverwijld over aan de Minister van Financiėn.
  Het Instituut kan uitgenodigd worden zijn ontwerp van begroting te komen toelichten.
  De Ministers van Begroting en Financiėn delen vóór 31 december van het jaar dat voorafgaat aan het jaar waarop die betrekking heeft aan het Instituut mee of ze hun goedkeuring kunnen verlenen aan het voorgelegde ontwerp van begroting.
  De Minister van Begroting deelt de goedgekeurde begroting mee aan de Kamer van volksvertegenwoordigers.

  Art. 8. Indien op de eerste dag van het begrotingsjaar geen goedkeuring is gegeven, belet zulks niet dat tot op het ogenblik dat de begroting wordt goedgekeurd, de kredieten die opgenomen waren in de laatst goedgekeurde begroting worden aangewend door het Instituut.

  Art. 9. De ramingen vermeld in de tabel der ontvangsten van de begroting, zijn niet limitatief ten opzichte van de te innen ontvangsten.
  De kredieten, onder de artikelen van de tabel der uitgaven aangevraagd, beperken deze laatste tot het vastgestelde bedrag, tenzij de tekst bepaalt dat zij niet limitatief zijn.

  Art. 10. De kredieten kunnen slechts aangewend worden voor de doeleinden waartoe zij bestemd zijn.

  Art. 11. De begrotingsaanrekening wordt gestaafd met het stuk bestemd voor of uitgaande van derden, dat het bestaan en de omvang van de verrichting vaststelt.
  De ontvangsten en de uitgaven dienen ingeschreven te worden op de artikelen waarop zij betrekking hebben.

  Art. 12. Voor de contracten en opdrachten waarvan de uitvoering de duur van het begrotingsjaar overschrijdt, voorziet de begroting, enerzijds, het bedrag van de verbintenissen die afgesloten mogen worden en, anderzijds, het bedrag van het gedeelte der contracten en opdrachten, dat mag worden uitgevoerd in de loop van het betrokken begrotingsjaar.
  In afwijking van de bepalingen van het eerste lid van dit artikel worden rechten die voortvloeien uit het afsluiten van contracten over het gebruik van goederen of diensten en die de ondertekenaars verbinden voor een duur die langer is dan het begrotingsjaar, slechts op de begroting gebracht ten belope van het bedrag van de rechten die tijdens het begrotingsjaar opvorderbaar worden.

  Art. 13. De verrichtingen die niet voortvloeien uit betrekkingen met derden, zijn interne bewegingen. Deze verrichtingen betreffen inzonderheid de vorming, de verandering en het verdwijnen van patrimoniale waarden, de samenstelling van reserve-, amortisatie- of vernieuwingsfondsen.

  Art. 14. De interne bewegingen worden vrijblijvend geschat in de voorafbeelding van de rekeningen waarop zij betrekking zullen hebben.
  De voorafbeelding van de rekeningen is de synthese van de beweging van de waarden die uit de uitvoering van de opdrachten van het Instituut voortvloeit tijdens het jaar waarvoor de begroting is opgemaakt.

  Art. 15. De leningen voor meer dan tien dagen die het Instituut mag aangaan, worden aan de Minister van Begroting ter machtiging voorgelegd.
  Het Instituut zendt aan de Minister van Begroting volledige inlichtingen over betreffende :
  1° de leningen van alle aard die het aangaat;
  2° het beleggen van zijn tegoeden en zijn beschikbare gelden.
  Deze inlichtingen worden verschaft volgens de nadere regels die vastgelegd worden door de Minister van Begroting.

  HOOFDSTUK III. - De rekeningen en de boekhouding.

  Art. 16. Het Instituut maakt uiterlijk op 30 april de jaarlijkse uitvoeringsrekening op van zijn begroting, alsmede een staat van activa en passiva op 31 december van het beschouwde jaar.
  De overheden die de uitvoeringsrekeningen van de begroting goedkeuren of afsluiten, doen dat binnen dezelfde termijn voor de staten van activa en passiva.

  Art. 17. Het Instituut voegt bij zijn begroting de voorafbeelding van de rekeningen, en in het bijzonder van de rekening van de wijziging van het patrimonium.

  Art. 18. Alle verrichtingen die betrekking hebben op de activiteit en het beheer van het Instituut worden dagelijks volledig geboekt.
  Elke boeking wordt met een verantwoordingsstuk gestaafd.

  Art. 19. De boeking geschiedt volgens de gebruikelijke regels van de dubbele boekhouding.
  Ze maakt minstens het voorwerp uit van inschrijvingen :
  1° in een dagboek waarin de verrichtingen in chronologische volgorde worden opgenomen;
  2° in een rekeningsysteem waarin enerzijds de aangewende middelen volgens hun aard, en anderzijds de aanwending van die middelen alsmede de daaruit voortvloeiende wijzigingen in het patrimonium gespecificeerd worden.

  Art. 20. Het in artikel 19 bedoelde rekeningsysteem alsmede de regels met betrekking tot de werking ervan, worden beschreven in een boekhoudplan, dat aangepast is aan de statutaire aard van het Instituut en voortdurend wordt aangepast aan de noodwendigheden van zijn beheer en van zijn activiteit.
  Het plan is zo opgesteld dat :
  1° de rekeningen, enerzijds, de verrichtingen met derden, en anderzijds, de in artikel 13 bepaalde interne bewegingen van waarden, afzonderlijk boeken;
  2° de rekeningen zodanig gegroepeerd worden dat zonder nieuwe bewerking of ontleding kan worden voldaan aan de bepalingen van de artikelen 26 tot 35 van dit besluit;
  3° het te allen tijde de mogelijkheid biedt om de uitvoering van de begroting na te gaan.
  De Minister van Begroting en de Minister van Financiėn keuren de algemene structuur van het boekhoudplan goed.

  Art. 21. De inschrijvingen in de in artikel 19 bedoelde rekeningen moeten overeenstemmen met die in de dagboeken.

  Art. 22. In de loop van het jaar bevatten de rekeningen die begrotingsuitgaven opnemen, slechts debetboekingen; de rekeningen die begrotingsontvangsten opnemen behelzen slechts creditboekingen, zodat die rekeningen de verantwoordingsstukken van deze boekingen samenvatten.

  Art. 23. De van derden uitgaande stukken, die de boekingen in de rekeningen staven, worden per artikel van de begroting gerangschikt.
  De kopies van de stukken bestemd voor derden worden op dezelfde wijze gerangschikt.
  Indien de aard van de activiteit van het Instituut het rangschikken per exploitatie of per dienst vereist, worden de aldus gegroepeerde stukken bijkomend per artikel van de begroting geļnventariseerd.

  Art. 24. De stukken die het Instituut heeft opgemaakt ter verantwoording van de interne bewegingen van waarden worden per rekening gerangschikt; ze mogen niet vermengd worden met diegene die bedoeld zijn in artikel 23.

  Art. 25. Op 31 december wordt de waarde van de actieve en passieve posten van het patrimonium van het Instituut herzien en wordt een algemene inventaris opgemaakt, die steunt op de gedetailleerde lijst van hetgeen voorhanden is.
  Die inventaris wordt ingedeeld in evenveel hoofdstukken als het in artikel 20 bedoelde boekhoudplan groepen van rekeningen omvat, die geopend werden om de verrichtingen te boeken die de samenstelling van het patrimonium beļnvloeden.

  Art. 26. De boekingen bestemd om de rekeningen te verbeteren overeenkomstig de gegevens van de inventaris worden eveneens per 31 december uitgevoerd.

  Art. 27. Na de in artikel 26 bedoelde boekingen wordt een definitieve balans van de rekeningen opgemaakt.

  HOOFDSTUK IV. - Rekening en verantwoording.

  Art. 28. Het Instituut legt jaarlijks voor aan de Ministers van Financiėn en Begroting :
  1° de rekening betreffende de uitvoering van de begroting, gestaafd met een beheersrekening;
  2° de rekening van de wijzigingen van het patrimonium.

  Art. 29. De rekening betreffende de uitvoering van de begroting wordt gevormd met dezelfde onderverdelingen als de tabellen van de begroting.
  Op die tabellen staan aangegeven, in opeenvolgende kolommen :
  1° de nummers van de artikelen;
  2° de tekst van die artikelen;
  3° de ramingen van de ontvangsten of de toegestane kredieten, naar gelang van het geval;
  4° de aangerekende ontvangsten of uitgaven;
  5° de verschillen tussen de ramingen en de aanrekeningen.
  Het verschil tussen de aangerekende ontvangsten en uitgaven vormt het begrotingsresultaat van het jaar. Dit resultaat, samengenomen met die van de vorige jaren, vormt het algemeen resultaat der begrotingen.

  Art. 30. De beheersrekening geeft :
  1° de in kas aanwezige waarden en de sommen waarvan het Instituut in rekening-courant schuldeiser of schuldenaar is op 1 januari van het jaar waarvoor ze wordt opgemaakt;
  2° de ontvangsten en de uitgaven, zoals ze voortvloeien uit de rekening betreffende de uitvoering van de begroting;
  3° de in kas aanwezige waarden en de sommen waarvan het Instituut in rekening-courant schuldeiser of schuldenaar is op het einde van het jaar waarvoor ze wordt opgemaakt.
  Die rekening moet de overeenstemming aantonen tussen de boekhoudkundige gegevens en de aanrekeningen op de begroting.

  Art. 31. De rekening van de wijzigingen van het patrimonium wordt opgemaakt in de vorm van tabellen die de gegevens groeperen die opgenomen zijn in de rekeningen die overeenkomstig de bepalingen van artikel 26 geopend zijn.
  Zij behelst, enerzijds :
  a) de sommen die de verhogingen van activa en de verminderingen van passiva vertegenwoordigen die de tegenwaarde vormen van de op de begroting aangerekende uitgaven;
  b) de meerwaarden en de andere verhogingen van activa, vastgesteld buiten enige budgettaire aanrekening;
  anderzijds :
  a) de sommen die de vermindering van activa of de verhogingen van passiva vertegenwoordigen die de tegenwaarde vormen van de op de begroting aangerekende ontvangsten;
  b) de minderwaarden, de waardeverminderingen, het wegvallen van activa of de verhogingen van passiva vastgesteld buiten enige budgettaire aanrekening.
  De verrichtingen worden samengevat door in aparte kolommen diegene te groeperen die het voorwerp uitmaken van een budgettaire aanrekening en diegene die worden vastgesteld buiten enige budgettaire aanrekening.
  Het verschil tussen de verhoging en de vermindering geeft het resultaat van de gedurende het jaar ingetreden wijzigingen van het patrimonium.
  Dit resultaat, samengenomen met de resultaten van de vorige jaren, vormt de algemene rekening van de wijzigingen van het patrimonium.

  Art. 32. Bij de overeenkomstig artikel 28 ingediende rekeningen wordt een uiteenzetting gevoegd van de afschrijvingen, van de speciale reserves en andere provisies die het Instituut heeft aangelegd.
  Het Instituut legt de rekeningen in vijf exemplaren voor aan de Minister van Begroting.
  De Minister van Begroting maakt die onverwijld over aan de Minister van Financiėn en zendt daarvan twee exemplaren over aan het Rekenhof.
  Nadat het zijn controletaak heeft vervuld, zendt het Rekenhof een exemplaar van de rekeningen met zijn opmerkingen terug aan de Minister van Begroting, die het doorzendt naar het Instituut.

  HOOFDSTUK V. - De voorafgaande controle op de besluiten die een financiėle en budgettaire weerslag hebben.

  Art. 33. De Minister van Begroting vaardigt een lid van het Interfederaal Korps van de Inspectie van Financiėn af naar het Instituut. Zijn bezoldiging die wordt geregeld bij ministerieel besluit, is ten laste van het Instituut.

  Art. 34. De afgevaardigde van de Minister volgt de voorbereiding en de uitvoering van de begroting. Hij maakt de Minister van Begroting opmerkzaam op elk feit dat de begrotingsprogramma's kan wijzigen of de uitvoering ervan kan belemmeren.
  Op administratief, budgettair en financieel gebied draagt de afgevaardigde van de Minister bij tot de studie van de gepaste maatregelen om besparingen te doen, om de middelen te vergroten en om de organisatie van de diensten te verbeteren. Hij maakt aan het Instituut en aan de Minister van Begroting zijn suggesties hierover bekend.

  Art. 35. De afgevaardigde van de Minister oefent zijn toezicht uit op stukken en ter plaatse. Hij heeft toegang tot alle dossiers en alle archieven van het Instituut en ontvangt van de diensten alle inlichtingen die hij vraagt.

  Art. 36. Onverminderd de artikelen 10, § 3, 37, 38 en 39, mag de afgevaardigde van de Minister niet deelnemen aan de leiding, noch aan het beheer van het Instituut, noch bevelen geven om een verrichting te beletten of te schorsen.

  Art. 37.§ 1. Aan het advies van de afgevaardigde van de Minister, die over een termijn van drie vrije dagen beschikt voor het besluit van de Raad, worden de voorstellen voorgelegd betreffende :
  1° de uitgaven waarvan de financiėle impact over een termijn van 4 jaar berekend, 125.000 euro overschrijdt;
  2° de overheidsopdrachten waarvan de financiėle impact 200.000 euro overschrijdt of 67.000 euro in geval van een onderhandelingsprocedure zonder bekendmaking;
  3° de aanwerving van statutaire en contractuele ambtenaren;
  4° de toekenning van hogere functies;
  5° het afsluiten van overeenkomsten of samenwerkingsakkoorden;
  6° de invoering van subsidies, toelagen, vergoedingen of premies die niet worden verleend overeenkomstig wetten, besluiten of reglementen, of de precieze vaststelling van de toekenningsvoorwaarden of het bedrag ervan;
  7° het beheer van het patrimonium;
  [1 8° de aanvaarding van de in de privésector of als zelfstandige verrichte diensten in de gevallen bedoeld in artikel 17 van het koninklijk besluit van 11 januari 2007 houdende het geldelijk statuut van het personeel van het Belgisch Instituut voor postdiensten en telecommunicatie.]1
  § 2. Overheidsopdrachten die de bedragen bedoeld in § 1 overschrijden dienen voor advies aan de afgevaardigde van de Minister te worden voorgelegd bij de volgende stadia :
  1° alvorens de concurrentie wordt geraadpleegd;
  2° vóór de toekenning van de opdracht;
  3° tijdens de uitvoering van de opdracht vóór elk besluit dat extra uitgaven van meer dan 10 % met zich brengt.
  ----------
  (1)<KB 2013-09-15/03, art. 2, 002; Inwerkingtreding : 05-10-2013>

  Art. 38. Aan het advies van de afgevaardigde van de Minister, die over een termijn van veertien vrije dagen beschikt vóór de tussenkomst van de bevoegde minister of ministers in voorkomend geval, worden eveneens de voorstellen van de Raad voorgelegd betreffende :
  1° de begrotingsontwerpen;
  2° de ontwerpen van begrotingswijzigingen;
  3° de voorstellen waarbij limitatieve kredieten worden overschreden;
  4° de voorstellen van leningen;
  5° de beschikbare fondsen.

  Art. 39. Wanneer de Raad niet akkoord kan gaan met het advies van de afgevaardigde van de Minister betreffende een voorstel vermeld in de artikelen 37 en 38, maakt hij het voorstel aanhangig bij de Minister van Begroting.

  Art. 40. De opmerkingen van het Rekenhof betreffende het Instituut, alsook de antwoorden van de Raad worden regelmatig medegedeeld aan de afgevaardigde van de Minister.

  Art. 41. De afgevaardigde van de Minister bezorgt de Minister die het Openbaar Ambt onder zijn bevoegdheid heeft voor de problemen die hem aanbelangen, een afschrift van de verslagen die hij aan de Minister van Begroting of aan het Instituut zendt.

  HOOFDSTUK VI. - Opheffings- en slotbepalingen.

  Art. 42. Het ministerieel besluit van 11 januari 1996 houdende administratieve en budgettaire controle op het Belgisch Instituut voor postdiensten en telecommunicatie wordt opgeheven.

  Art. 43. Dit besluit treedt in werking de dag waarop het in het Belgisch Staatsblad wordt bekendgemaakt.

  Art. 44.Onze Minister van Economie, Energie, Buitenlandse Handel en Wetenschapsbeleid is belast met de uitvoering van dit besluit.

  BIJLAGE.

  Art. N.Bijlage 1.- Tabellen van de begroting van het Belgisch Instituut voor postdiensten en telecommunicatie.
  

  
 INKOMSTEN
411.01Terugvorderingen
411.04Prestaties voor derden
411.071Vergunnings- en controlerechten voor private radiocommunicatie
411.071/2BMR
411.071/3Private (volgens categorieen)
411.073Publieke licentierechten
411.073/1Trunking
411.073/2Spraaktelefonie
411.073/3Nummering
411.073/41UMTS
411.073/42GSM
411.073/5Draadloze lokale lus (Wireless local loop)
411.074Post
 UITGAVEN
   Personeelsuitgaven
511.01Wedden, toelagen
511.03/1Pensioenen
511.03/2Sociale dienst
 Werkingsuitgaven
521.01Huur en onderhoud
521.04/0Onderhoudswerken
521.04/1Onderhoud voertuigen
521.05Verzekeringen
521.06Belastingen (niet-limitatief)
521.10Werking NCS
522.01/2Interbedrijfsgeneeskundige dienst
522.01/3Overkoepelende organisaties (niet-limitatief)
522.02Informatica
526.01/1Werken voor derden
526.01/2Opleiding
526.01/3Opdrachten in het buitenland
526.03[1 Proximus]-1 /De Post/NMBS
 Investeringsuitgaven
550.02/1Kantoormateriaal
550.02/2Informaticamateriaal
550.02/3Technisch materiaal
550.05Aankoop van voertuigen
 Schatkistverrichtingen
560.07/1Schatkist
560.07/2CF/RT
(1)<W 2015-08-10/26, art. 3, 003; Inwerkingtreding : 22-06-015 (zie KB 2015-09-11/02, art. 1)>


  

Handtekening Tekst Inhoudstafel Begin
   Gegeven te Brussel, 10 januari 2006.
ALBERT
Van Koningswege :
De Vice-Eerste Minister en Minister van Financiėn,
D. REYNDERS
De Vice-Eerste Minister en Minister van Begroting en Consumentenzaken,
Mevr. F. VAN DEN BOSSCHE
De Minister van Economie, Energie, Buitenlandse Handel en Wetenschapsbeleid,
M. VERWILGHEN

Aanhef Tekst Inhoudstafel Begin
   ALBERT II, Koning der Belgen,
   Aan allen die nu zijn en hierna wezen zullen, Onze Groet.
   Gelet op de artikelen 107 en 108 van de Grondwet;
   Gelet op de wet van 17 januari 2003 met betrekking tot het statuut van de regulator van de Belgische post- en telecommunicatiesector, inzonderheid op de artikelen 35 en 36;
   Gelet op het advies van de Inspecteur van Financiėn, gegeven op 6 mei 2004;
   Gelet op advies nr. 38.200/4 van de Raad van State, gegeven op 23 maart 2005;
   Gelet op protocol nr. 129/1 van 22 juni 2005 van sectorcomité I;
   Op de voordracht van Onze Minister van Financiėn, Onze Minister van Begroting en Consumentenzaken en Onze Minister van Economie, Energie, Buitenlandse Handel en Wetenschapsbeleid,
   Hebben Wij besloten en besluiten Wij :

Wijziging(en) Tekst Inhoudstafel Begin
originele versie
  • WET VAN 10-08-2015 GEPUBL. OP 01-09-2015
    (GEWIJZIGD ART. : N)
  • originele versie
  • KONINKLIJK BESLUIT VAN 15-09-2013 GEPUBL. OP 25-09-2013
    (GEWIJZIGDE ART. : 1; 37)

  • Verslag aan de Koning Tekst Inhoudstafel Begin
       VERSLAG AAN DE KONING
       Sire,
       Door het Belgisch Instituut voor postdiensten en telecommunicatie (BIPT) te schrappen van de lijst van parastatale instellingen die onderworpen zijn aan de wet van 16 maart 1954 betreffende de controle op sommige instellingen van openbaar nut, heeft de wet van 17 januari 2003 met betrekking tot het statuut van de regulator van de Belgische post- en telecommunicatiesector tegelijkertijd een juridische leemte doen ontstaan wat betreft het budgettaire en boekhoudige stelsel van het BIPT. De hoofdstukken IV en V van die wet van 17 januari 2003 bevatten weliswaar een algemeen kader op dat gebied, maar zijn echter niet toereikend om een juridische grondslag te geven aan de dagelijkse praktijk van het financiėle beheer van het Instituut.
       Daarom zijn absoluut maatregelen nodig ter uitvoering van de wet en die zijn zelfs uitdrukkelijk door de wetgever voorzien wat betreft de controle op de financiėle en budgettaire besluiten van het Instituut. Dat is het doel van dit besluit.
       Het besluit dat wij de eer hebben aan Uwe Majesteit ter ondertekening voor te leggen, sluit aan op het verleden.
       De voornaamste inspiratiebronnen zijn immers de teksten die vroeger op het Instituut van toepassing waren :
       - de wet van 16 maart 1954 betreffende de controle op sommige instellingen van openbaar nut;
       - het koninklijk besluit van 7 april 1954 houdende algemeen reglement op het budget en de boekhouding van de instellingen van openbaar nut;
       - het koninklijk besluit van 8 april 1954 ter regeling van de modaliteiten van controle vanwege de inspecteurs van financiėn op sommige instellingen van openbaar nut;
       - het ministerieel besluit van 11 januari 1996 houdende administratieve en budgettaire controle op het Belgisch Instituut voor postdiensten en telecommunicatie.
       Die teksten zijn grotendeels overgenomen voorzover zij aangepast waren aan de activiteiten en de werking van een instelling zoals het BIPT. Ze zijn omgewerkt tot één enkele tekst die de rang heeft van koninklijk besluit, omdat die bedoeld is om de artikelen 35 en 36 van de wet van 17 januari 2003 uit te voeren.
       Niettemin is noodzakelijkerwijs rekening gehouden met het nieuwe wettelijke kader dat ingesteld is bij de wet van 17 januari 2003, die het Instituut autonomie verleent qua financieel beheer, terwijl voorzien wordt in de terugstorting in de Schatkist van het overschot van zijn inkomsten.
       De wetgever heeft de controle op de financiėle en budgettaire besluiten van het Instituut toevertrouwd aan de Minister van Begroting. In de memorie van toelichting wordt echter verduidelijkt dat die controle de facto door de Inspectie van Financiėn zal worden verricht.
       Bespreking van de artikelen
       Hoofdstuk 1 - Algemeen
       Artikel 1 definieert sommige van de actoren die een rol spelen bij het financiėle beheer van het Instituut en bij de controle daarop.
       Artikel 2 herinnert ook aan
        een aantal basisprincipes van de staatsboekhouding : de geldingsduur voor een jaar en de alomvattendheid van de begrotingen en rekeningen. Ook wordt gekozen voor het behoud van het stelsel van het beheer, waarbij ontvangsten en uitgaven worden geboekt in het boekjaar waarin zij hebben plaatsgehad, liever dan in het boekjaar waarop het feit of de akte waaruit zij voortvloeien, betrekking heeft. Men verbindt die dus aan de begroting van het jaar van de daadwerkelijke betaling of inning ervan, ongeacht de datum van hun juridische verbintenis.
       Hoofdstuk 2 - De begroting van ontvangsten en uitgaven
       Artikel 3 definieert de begrippen " begroting " en " ontwerpbegroting ".
       Artikel 4 definieert de begrippen " ontvangsten ", " uitgaven " en " verrichtingen op gelden van derden ".
       Artikel 5, dat naar bijlage 1 bij het besluit verwijst, beschrijft de materiėle voorstelling van de begrotingsstukken en somt drie categorieėn van uitgaven op.
       Artikel 6 preciseert dat de budgettaire ramingen moeten worden opgesteld op basis van verantwoordingsnota's.
       Artikel 7 verduidelijkt de in de wet vastgestelde procedure voor de aanneming van de begroting.
       Artikel 8 stelt de regels inzake financieel beheer vast bij een laattijdige aanneming van de begroting.
       Artikel 9 stelt het principieel limitatieve karakter van de kredieten van uitgaven vast, in tegenstelling tot de kredieten van ontvangsten.
       Artikel 10 herinnert aan het principe van de specificiteit van de begroting.
       De artikelen 11 en 12 verduidelijken de regels voor de begrotingsaanrekening van de ontvangsten en uitgaven.
       De artikelen 13 en 14 gaan over het in aanmerking nemen van de interne bewegingen; dit zijn verrichtingen die, in tegenstelling tot ontvangsten en uitgaven, niet voortvloeien uit betrekkingen met derden.
       Artikel 15 stelt het strikte kader vast waarin het aan het Instituut kan worden toegestaan om een lening aan te gaan.
       Hoofdstuk 3 - De rekeningen en de boekhouding
       Artikel 16 verduidelijkt de in de wet vastgestelde procedure voor de opstelling van de rekeningen.
       Artikel 17 voorziet in de toevoeging van een voorafbeelding van de rekeningen aan de ontwerpbegroting.
       De artikelen 18 tot 22 stellen de regels vast voor de boekhoudkundige inschrijving die op het Instituut van toepassing zijn.
       Artikel 20, tweede lid, bevat de minimale eisen ten aanzien van het boekhoudplan, waarvan de structuur ter goedkeuring zal worden voorgelegd aan de Minister van Begroting.
       De artikelen 23 en 24 gaan over de verantwoordingsstukken die de rekeningen ondersteunen.
       De artikelen 25 tot 27 gaan over de verrichtingen op het einde van het boekjaar en over de definitieve balans van de rekeningen.
       Hoofdstuk 4 - Rekening en verantwoording
       Artikel 28 bepaalt de boekhoudkundige documenten die jaarlijks ter goedkeuring moeten worden voorgelegd aan de Ministers van Financiėn en van Begroting.
       Artikel 29 bepaal
       t de inhoud en de voorstelling van de rekening betreffende de uitvoering van de begroting.
       Artikel 30 bepaalt de inhoud en de voorstelling van de beheersrekening.
       Artikel 31 bepaalt de inhoud en de voorstelling van de rekening van de wijzigingen van het patrimonium.
       Artikel 32 stelt de procedure vast voor het onderzoek van de rekeningen.
       Hoofdstuk 5 - De voorafgaande controle op de besluiten die een financiėle en budgettaire weerslag hebben
       Overeenkomstig de wil die de wetgever heeft uitgedrukt bij de voorbereidende werkzaamheden van de wet van 17 januari 2003 (Gedr. St., Kamer, 2001-2002, nr. 1937/1, blz. 26), bepaalt artikel 33 dat de controlebevoegdheid van de Minister van Begroting in de praktijk wordt gedelegeerd aan een lid van het Interfederaal Korps van de Inspectie van Financiėn, op grond van artikel 30, § 1, van het koninklijk besluit van 1 april 2003 tot vaststelling van het statuut van de leden van het Interfederaal Korps van de Inspectie van Financiėn en tot wijziging van het koninklijk besluit van 28 april 1998 tot organisatie van het Interfederaal Korps van de Inspectie van Financiėn.
       Artikel 34 omschrijft het algemene kader van de opdrachten van de afgevaardigde van de Minister.
       Artikel 35 preciseert de middelen waarover de afgevaardigde van de Minister beschikt om zijn opdrachten te vervullen.
       Artikel 36 verduidelijkt dat de afgevaardigde van de Minister, net als de inspecteurs van financiėn, niet daadwerkelijk mag tussenbeide komen in het beheer van het Instituut.
       De artikelen 37 en 38 vermelden de mogelijke besluiten van de Raad van het Instituut waarbij in een voorafgaand advies van de afgevaardigde van de Minister wordt voorzien.
       De in artikel 38 bedoelde hypotheses vergen bovendien de goedkeuring van één of meer ministers.
       Artikel 39 beschrijft de procedure ingeval de Raad niet akkoord gaat met het advies van de afgevaardigde van de Minister.
       De artikelen 40 en 41 stellen procedures in voor de uitwisseling van informatie tussen de afgevaardigde van de Minister enerzijds, en het Rekenhof of de Minister van het Openbaar Ambt anderzijds.
       Hoofdstuk 6 - Opheffings- en slotbepalingen
       De artikelen 42 tot en met 44 behoeven geen commentaar.
       Het advies van de Raad van State werd volledig opgevolgd.
       Ik heb de eer te zijn,
       Sire,
       van Uwe Majesteit,
       de zeer eerbiedige
       en zeer getrouwe dienaars,
       De Vice-Eerste Minister en Minister van Financiėn,
       D. REYNDERS
       De Vice-Eerste Minister en Minister van Begroting en Consumentenzaken,
       Mevr. F. VAN DEN BOSSCHE
       De Minister van Economie, Energie, Buitenlandse Handel en Wetenschapsbeleid,
       M. VERWILGHEN
       ADVIES 38.200/4 VAN DE AFDELINGSWETGEVING VAN DE RAAD VAN STATE
       De Raad van State, afdeling wetgeving, vierde kamer, op 4 maart 2005 door de Minister van Telecommunicatie verzocht hem, binnen een termijn van dertig dagen, van
        advies te dienen over een ontwerp van koninklijk besluit "tot vaststelling van de budgettaire en boekhoudkundige regeling van het Belgisch Instituut voor postdiensten en telecommunicatie", heeft op 23 maart 2005 het volgende advies gegeven :
       Aangezien de adviesaanvraag ingediend is op basis van artikel 84, § 1, eerste lid, 1°, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State, zoals het is vervangen bij de wet van 2 april 2003, beperkt de afdeling wetgeving overeenkomstig artikel 84, § 3, van de voornoemde gecoördineerde wetten haar onderzoek tot de rechtsgrond van het ontwerp, de bevoegdheid van de steller van de handeling en de te vervullen voorafgaande vormvereisten.
       Wat deze drie punten betreft, geeft het ontwerp aanleiding tot de volgende opmerkingen.
       Voorafgaande opmerking
       Bij de huidige stand van het positief recht vloeien de regels voorde budgettaire en boekhoudkundige controle van het BIPT voort uit de artikelen 35 en 36 van de wet van 17 januari 2003 met betrekking tot het statuut van de regulator van de Belgische post- en telecommunicatiesector. Krachtens artikel 43 van dezelfde wet, wordt het BIPT onttrokken aan het toepassingsgebied van de wet van 16 maart 1954 betreffende de controle op sommige instellingen van openbaar nut.
       Zoals in het advies van de Inspecteur van Financiėn wordt opgemerkt, zal het BIPT vallen onder het toepassingsgebied van de wet van 22 mei 2003 houdende organisatie van de begroting en de comptabiliteit van de federale Staat, krachtens artikel 2, 3°, ervan, wanneer deze wet van kracht zal zijn, dit is op zijn vroegst op 1 januari 2006 en uiterlijk op 1 januari 2007 (1).
       ( (1) Artikel 133 van de voormelde wet van 22 mei 2003, zoals gewijzigd bij artikel 498 van de programmawet van 27 december 2004. )
       Op dat ogenblik zullen verschillende bepalingen van de voormelde wet van 22 mei 2003 op het BIPT van toepassing zijn, voornamelijk die van titel II ("Bepalingen van toepassing op alle diensten" - artikelen 4 tot 42), en van hoofdstuk III ("De administratieve openbare instellingen" - artikelen 85 tot 94) van titel 111 ervan ("Bijzondere bepalingen van toepassing op de diensten"), daar het BIPT dient te worden aangemerkt als een administratieve openbare instelling in de zin van deze wet (2).
       ( (2) Artikel 2, 3°, van de voornoemde wet van 22 mei 2003. Zie de memorie van toelichting (Gedr. St., Kamer, 2001-2002, nr. 50-1870/1, blz. 167). )
       Artikel 126, § 2, van de genoemde wet van 22 mei 2003 bepaalt het volgende :
       " De bepalingen van de organieke wet of van het statuut van de administratieve openbare instellingen die zijn onderworpen aan de onderhavige wet hebben niet langer uitwerking in de mate dat zij tegenstrijdig of niet-conform zijn me de bepalingen van de onderhavige wet. (2)
       Verschillende bepalingen van de voornoemde wet van 22 mei 2003 hebben evenwel dezelfde strekking als sommige bepalingen van het ontworpen besluit, inzonderheid die welke
        het opstellen van het ontwerp van begroting betreffen, de kenmerken van deze begroting en de goedkeuring ervan door de bevoegde minister.
       Wanneer de genoemde wet van 22 mei 1993 in werking treedt, zal het ontworpen besluit dus moeten worden herzien om er de bepalingen uit te halen waarvan de strekking dezelfde is als die van de bepalingen die voorkomen in de wet, en dit zelfs indien de regels die ze bevatten dezelfde inhoud hebben. Het is immers niet geraden eenzelfde kwestie te behandelen in twee verschillende regelingen. Deze aanbeveling geldt a fortiori voor de bepalingen van het ontworpen besluit die identieke kwesties op verschillende wijze regelen.
       Voorafgaand vormvereiste
       De tweede zin van artikel 33 van het ontworpen besluit regelt een element van de bezoldigingsregeling van het lid van het Interfederaal Korps van de Inspectie van Financiėn dat door de Minister van Begroting wordt afgevaardigd bij het Belgisch Instituut voor postdiensten en telecommunicatie.
       Krachtens artikel 4, 1°, a en b, van het koninklijk besluit van 29 augustus 1985 tot aanwijzing van de grondregelingen in de zin van artikel 2, § 1, 1°, van de wet van 19 december 1974 tot regeling van de betrekkingen tussen de overheid en de vakbonden van haar personeel, mag deze bepaling niet worden vastgesteld dan na onderhandeling met de representatieve vakorganisaties in het daartoe opgerichte comité.
       Rechtsgrond
       Aanhef
       1. Artikel 35 van de voormelde wet van 17 januari 2003 verleent geen uitdrukkelijke machtiging aan de Koning om de artikelen 2 tot 14 en 16 tot 32 van het ontworpen besluit vast te stellen.
       Artikel 108 van de Grondwet verleent aan de Koning de bevoegdheid om verordeningen te maken en de besluiten te nemen die voor de uitvoering van de wetten nodig zijn. De Koning kan weliswaar bij de vervulling van deze opdracht de strekking van de wet net zo min uitbreiden als beperken, maar moet uit de grondslag van deze bepaling en de algemene opzet ervan de gevolgen trekken die daaruit logischerwijze voortvloeien volgens de geest waarin zij is opgevat en de doeleinden die ermee worden nagestreefd.
       In dezen kunnen de voormelde artikelen van het ontwerp rechtsgrond vinden in artikel 35 van de genoemde wet van 17 januari 2003, juncto artikel 108 van de Grondwet. Bijgevolg dient eveneens te worden verwezen naar deze laatste bepaling in een nieuw eerste lid van de aanhef.
       2. De artikelen 15 en 33 tot 42 van het ontworpen besluit stellen de nadere regels vast volgens welke de Minister van Begroting of zijn afgevaardigde een controlebevoegdheid uitoefent op de besluiten die een financiėle en budgettaire weerslag hebben. Deze artikelen kunnen hun rechtsgrond ontlenen aan artikel 36 van de voormelde wet van 17 januari 2003.
       De tweede zin van artikel 33 van het ontwerp vindt evenwel geen rechtsgrond in artikel 36 van de genoemde wet van 17 januari 2003. Daar het gaat om de vastlegging van een element van de bezold
       igingsregeling van het lid van het Interfederaal Korps van de Inspectie van Financiėn dat door de Minister van Begroting naar het Instituut wordt afgevaardigd, kan rechtsgrond worden gevonden in artikel 107 van de Grondwet. Er dient dus eveneens te worden verwezen naar deze bepaling in het nieuwe eerste lid van de aanhef.
       3. In de aanhef dient alleen te worden verwezen naar de regelingen die de rechtsgrond van het ontworpen besluit vormen en naar de regelingen die bij het besluit worden gewijzigd.
       Daar het koninklijk besluit van 1 april 2003 tot vaststelling van het statuut van de leden van het Interfederaal Korps van de Inspectie van Financiėn en tot wijziging van het koninklijk besluit van 28 april 1998 tot organisatie van het Interfederaal Korps van de Inspectie van Financiėn niet de rechtsgrond vormt van het onderhavige ontwerp van besluit en door dat besluit niet wordt gewijzigd, is er geen reden om in de aanhef ernaar te verwijzen.
       Dispositief
       Artikel 2. Aangezien het "stelsel van het beheer" nergens in de wetgeving of regelgeving wordt omschreven, dient in het ontworpen besluit - en niet enkel in het verslag aan de Koning - te worden gepreciseerd volgens welke regels van de begrotingsboekhouding de ontvangsten en de uitgaven worden geboekt.
       Artikel 3. Artikel 3 is in strijd met artikel 7, vierde lid, van het ontwerp.
       Het BIPT heeft immers een andere rechtspersoonlijkheid dan de Staat, krachtens artikel 13 van de voormelde wet van 17 januari 2003, wat betekent dat het over een eigen vermogen en over eigen middelen beschikt.
       Bovendien bepaalt artikel 35, § 1, eerste lid, van de voornoemde wet van 17 januari 2003 het volgende : "Het begrotingsontwerp van het Instituut wordt door de Raad opgemaakt en goedgekeurd door de Ministers van Begroting en Financiėn".
       De ontworpen tekst dient in het licht van deze opmerking te worden herzien.
       Artikel 10. Artikel 10, § 2, van het ontworpen besluit kent een goedkeuringsbevoegdheid toe aan het lid van het Interfederaal Korps van de Inspectie van Financiėn dat door de Minister van Begroting bij het Instituut afgevaardigd wordt, zonder enige bemoeienis van de Ministers van Begroting en Financiėn.
       Artikel 35, § 1, van de voormelde wet van 17 januari 2003 bepaalt dat de begrotingen worden goedgekeurd door de Ministers van Begroting en Financiėn, wat impliceert dat dezelfde regels worden toegepast op begrotingswijzigingen. Artikel 10, § 2, van het ontwerp stemt derhalve niet overeen met artikel 35, § 1, van de genoemde wet.
       Slotopmerking
       In artikel 20, tweede lid, 1°, van het ontworpen besluit dienen de woorden "in artikel 8" te worden vervangen door de woorden "in artikel 13".
       De kamer was samengesteld uit :
       Mevr. M.-L. Willot-Thomas, kamervoorzitter,
       De heren :
       P. Liénardy, P. Vandernoot, staatsraden;
       Mevr. C. Gigot, griffier.
       Het verslag werd uitgebracht door de heer R. Wimmer, audi
       teur. De overeenstemming tussen de Franse en de Nederlandse tekst werd nagezien onder toezicht van de heer P. Liénardy.
       De griffier,
       C. Gigot.
       De voorzitter,
       M.-L. Vuillot-Thomas

    Begin Eerste woord Laatste woord Wijziging(en) Aanhef
    Verslag aan de Koning Inhoudstafel 1 uitvoeringbesluit 2 gearchiveerde versies
    Franstalige versie