J U S T E L     -     Geconsolideerde wetgeving
Einde Eerste woord Laatste woord Wijziging(en) Aanhef
Inhoudstafel 1 uitvoeringbesluit 1 gearchiveerde versie
Einde Franstalige versie
 
belgiëlex . be     -     Kruispuntbank Wetgeving
ELI - Navigatie systeem via een Europese identificatiecode voor wetgeving
http://www.ejustice.just.fgov.be/eli/besluit/2005/12/22/2005023117/justel

Titel
22 DECEMBER 2005. - Koninklijk besluit tot vastleggen van de frequenties van inspecties waarvoor de aanwezigheid van een agent van het Federaal Agentschap voor de Veiligheid van de Voedselketen in inrichtingen van de vlees- en vissector in het raam van het controleprogramma van het Agentschap vereist is.
(NOTA : Raadpleging van vroegere versies vanaf 30-12-2005 en tekstbijwerking tot 31-12-2008)

Bron : FEDERAAL AGENTSCHAP VOOR DE VEILIGHEID VAN DE VOEDSELKETEN
Publicatie : 30-12-2005 nummer :   2005023117 bladzijde : 57448   BEELD
Dossiernummer : 2005-12-22/45
Inwerkingtreding : 01-01-2006

Inhoudstafel Tekst Begin
Art. 1-8
BIJLAGE.
Art. N1-N2

Tekst Inhoudstafel Begin
Artikel 1. <KB 2008-12-23/41, art. 1, 002; Inwerkingtreding : 01-01-2009> Onverminderd de bepalingen van artikel 3 van het koninklijk besluit van 22 februari 2001 houdende organisatie van de controles die worden verricht door het Federaal Agentschap voor de Veiligheid van de Voedselketen en tot wijziging van diverse wettelijke bepalingen en onverminderd andere reglementaire bepalingen die de aanwezigheid van met het officieel toezicht belaste personen vereisen bij bepaalde activiteiten in de inrichtingen, worden in de in bijlage I vermelde inrichtingen, rekening houdend met hun activiteiten, in het raam van het controleprogramma van het Agentschap op jaarbasis een aantal inspecties uitgevoerd.

  Art. 2. <KB 2008-12-23/41, art. 2, 002; Inwerkingtreding : 01-01-2009> § 1. De inspecties bedoeld in artikel 1 worden ingedeeld in twee types : de globale inspecties en de opvolgingsinspecties. Een globale inspectie houdt, in functie van de activiteiten van de inrichting, een controle in over alle reglementaire bepalingen die tot de bevoegdheid van het Agentschap behoren. Een opvolgingsinspectie houdt een steekproefsgewijze controle in van bepaalde aspecten van deze regelgeving.
  § 2. Voor inrichtingen die meerdere van de in bijlage I genoemde activiteiten ontwikkelen, wordt de basisfrequentie van de inspecties bepaald in functie van de activiteit die tot het hoogste aantal inspecties aanleiding geeft.

  Art. 3. § 1. De volgende criteria worden in rekening gebracht om te bepalen in welke van de in de Bijlage (II), punt 3, bepaalde categorie van inrichtingen de individuele inrichtingen dienen ondergebracht : <KB 2008-12-23/41, art. 3, 1°, 002; Inwerkingtreding : 01-01-2009>
  1° de aanwezigheid of afwezigheid in de inrichting van een gevalideerd of gecertificeerd autocontrolesysteem als bedoeld in het koninklijk besluit van 14 november 2003 betreffende autocontrole, meldingsplicht en traceerbaarheid in de voedselketen;
  2° inspectieresultaten in de inrichting bekomen in de drie voorgaande jaren;
  3° de door de inrichting of haar exploitant opgelopen repressieve of administratieve maatregelen in de twee voorgaande jaren;
  4° (...) <KB 2008-12-23/41, art. 3, 2°, 002; Inwerkingtreding : 01-01-2009>
  Met repressieve of administratieve maatregelen worden in het eerste lid, 3°, bedoeld :
  1° een waarschuwing als bedoeld in artikel 5 van het koninklijk besluit van 22 februari 2001 houdende organisatie van de controles die worden verricht door het Federaal Agentschap voor de Veiligheid van de Voedselketen en tot wijziging van diverse wettelijke bepalingen;
  2° een proces-verbaal van overtreding opgesteld voor een inbreuk op de bepalingen van de wet van 4 februari 2000 houdende oprichting van het Federaal Agentschap voor de Veiligheid van de Voedselketen, van het koninklijk besluit van 22 februari 2001 houdende organisatie van de controles die worden verricht door het Federaal Agentschap voor de Veiligheid van de Voedselketen en tot wijziging van diverse wettelijke bepalingen, en van de uitvoeringsbesluiten daarvan, van de wetten bedoeld in artikel 5 van genoemde wet van 4 februari 2000, van de uitvoeringsbesluiten van al deze wetten en op de bepalingen van de verordeningen van de Europese Unie die behoren tot de bevoegdheden van het Agentschap;
  3° een schorsing of intrekking van de erkenning.
  § 2. (De weging van de criteria en de indeling van de inrichtingen in de categorieën in functie van de aldus bekomen resultaten gebeurt overeenkomstig de Bijlage II.) <KB 2008-12-23/41, art. 3, 3°, 002; Inwerkingtreding : 01-01-2009>
  § 3. (Voor de bepaling van de reële frequentie der inspecties in een inrichting wordt de basisfrequentie bedoeld in Bijlage I respectievelijk vermenigvuldigd met 1/2, 1 of 2, naargelang het bekomen resultaat van de weging der criteria voor de betrokken inrichting uitkomt in de categorie 1, 2 of 3, als bedoeld in de Bijlage II, punt 3, met uitzondering van de inrichtingen voor de verwerking en voor opslag en bewaring waar, voor deze die in categorie 1 vallen, geen inspecties in het raam van dit besluit vereist zijn.) <KB 2008-12-23/41, art. 3, 4°, 002; Inwerkingtreding : 01-01-2009>
  § 4. De bepaling van de frequentie van de inspecties voor een bepaald jaar gebeurt in de maand april van het voorafgaand jaar op grond van de in rekening te brengen gegevens uit de daaraan voorgaande jaren. Ze wordt aan de inrichtingen meegedeeld in de loop van het laatste trimester voorafgaand aan het jaar waarin ze van toepassing zal zijn.
  (Voor inrichtingen die hun activiteiten aanvatten of wijzigen in de loop van een kalenderjaar of waarvan de toestand betreffende de criteria van § 1, is gewijzigd, wordt de frequentie bepaald in de eerste maand volgend op de beslissing tot het verlenen of het wijzigen van de erkenning voor de nieuwe of gewijzigde activiteiten of volgend op de vaststelling van de gewijzigde toestand. De berekening gebeurt pro rata van het resterend aantal maanden van het lopend jaar, de begonnen maand meegerekend en waarbij een resultaat dat geen geheel getal vormt, wordt afgerond naar de hogere eenheid. De bekomen frequentie wordt aan de inrichting meegedeeld bij de eerstvolgende inspectie.) <KB 2008-12-23/41, art. 3, 5°, 002; Inwerkingtreding : 01-01-2009>

  Art. 4. <KB 2008-12-23/41, art. 4, 002; Inwerkingtreding : 01-01-2009> § 1. Voor de toepassing van de bepaling van artikel 2, 6°, van het koninklijk besluit van 10 november 2005 betreffende retributies bepaald bij artikel 5 van de wet van 9 december 2004 houdende de financiering van het Federaal Agentschap voor de Veiligheid van de Voedselketen, worden de minimale en de maximale duur van de inspecties van elke activiteit bedoeld in dit besluit vastgelegd in bijlage I naargelang de aard en de omvang van deze activiteit in de inrichting.
  § 2. Voor inrichtingen die meerdere van de in Bijlage I genoemde activiteiten ontwikkelen, worden evenwel, rekening houdend met het bepaalde in artikel 2, § 2, de minimale en maximale duur die aan deze inspecties zijn gekoppeld, vermenigvuldigd met een coëfficiënt. Deze coëfficiënt bedraagt 1,50 ingeval twee activiteiten worden uitgevoerd. Deze coëfficiënt wordt telkens met 0,25 verhoogd voor elke verdere bijkomende activiteit. Voor inrichtingen in categorie 1 worden de activiteiten verwerking evenals opslag en bewaring niet in rekening gebracht.
  § 3. Voor de inrichtingen die op jaarbasis met niet meer dan vijf voltijdse equivalenten werken, met een maximum van tien personen op elk moment, worden de minimale en maximale duur der inspecties gehalveerd op voorwaarde dat in de voorgaande inspectie werd vastgesteld dat de inrichting conform de vereisten en zonder opmerkingen functioneert.

  Art. 5. Inspecties die worden uitgevoerd op vraag van de exploitant of ingevolge andere reglementaire verplichting of ter controle van het tijdig en passend realiseren van maatregelen die werden opgelegd ingevolge vastgestelde tekortkomingen, worden niet beschouwd als behorend tot de inspecties waarvan de frequentie wordt geregeld bij dit besluit.
  (Evenwel, in de uitsnijderijen wordt de audit, uitgevoerd in het raam van de validatie van een autocontrolesysteem, beschouwd als een globale inspectie.) <KB 2008-12-23/41, art. 5, 002; Inwerkingtreding : 01-01-2009>

  Art. 6. § 1. Voor het eerste semester van 2006 wordt de basisfrequentie der inspecties bedoeld in artikel 2, § 1, toegepast.
  De frequentie der inspecties voor het tweede semester van 2006, wordt pro rata bepaald overeenkomstig de bepalingen van dit besluit waarbij evenwel alleen rekening wordt gehouden met de criteria bedoeld in artikel 3, § 1, eerste lid, 1°, 2° en 4°.
  In afwijking op artikel 3, § 4, eerste lid, worden voor het tweede semester van jaar 2006 de frequenties der inspecties bepaald en meegedeeld in de loop van het tweede trimester van het jaar 2006.
  § 2. Voor de bepaling van de frequenties der inspecties in 2007 worden voor het criterium bedoeld in artikel 3, § 1, eerste lid, 3°, alleen de maatregelen in rekening gebracht die zijn genomen op grond van vaststellingen gedaan in 2006.

  Art. 7. Dit besluit treedt in werking op 1 januari 2006.

  Art. 8. Onze Minister bevoegd voor de Volksgezondheid is belast met de uitvoering van dit besluit.
  Gegeven te Brussel, 22 december 2005.
  ALBERT
  Van Koningswege :
  De Minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid,
  R. DEMOTTE

  BIJLAGE.

  Art. N1. <ingevoegd bij KB 2008-12-23/41, art. 6; Inwerkingtreding : 01-01-2009> Bijlage I. de inrichtingen en hun activiteiten, de overeenstemmende basisfrequentie van de inspecties, de types inspecties en de minimum en maximum duur van de inspecties naargelang hun type.
  (Tabel niet opgenomen om technische redenen. Zie B.St. 31-12-2008, p. 69053-69054).

  Art. N2. <KB 2008-12-23/41, art. 7, 002; Inwerkingtreding : 01-01-2009> Bijlage II. Weging der criteria en categorisatie der inrichtingen.
  1. de weging der criteria bedoeld in artikel 3 is als volgt :
  a) voor criterium 1° worden 40 punten toegekend indien een gecertificeerd of, naargelang het geval, een door het Agentschap gevalideerd systeem van autocontrole aanwezig is in de inrichting. In alle andere gevallen worden voor dit criterium geen punten toegekend;
  b) voor criterium 2° worden de inrichtingen op grond van de inspectierapporten, ingedeeld in 5 klassen gaande van I tot V al naar gelang de eindbeoordeling ervan gaat van zeer goed tot zeer slecht. Aan inrichtingen in klasse I worden 20 punten toegekend, in klasse II worden 14 punten toegekend, in klasse III worden 8 punten toegekend, terwijl in de klassen IV en V geen punten worden toegekend;
  c) voor het criterium 3° worden 20 punten toegekend in geval geen maatregelen werden genomen; dit basisaantal wordt met telkens 2 punten verminderd indien een maatregel bedoeld in artikel 3, § 1, tweede lid, 1° werd genomen, met telkens 6 punten verminderd ingeval een maatregel bedoeld in artikel 3, § 1, tweede lid, 2° werd genomen en met telkens 10 punten verminderd ingeval een maatregel bedoeld in artikel 3, § 1, tweede lid, 3° werd genomen;
  2. het individueel resultaat voor een inrichting stemt overeen met het totaal van de punten toegekend overeenkomstig punt 1;
  3. de inrichting wordt op grond van het individueel resultaat ingedeeld in één van volgende categorieën :
  a) categorie 1 : ingeval het puntentotaal zich bevindt vanaf 61 tot 80;
  b) categorie 2 : ingeval het puntentotaal zich bevindt vanaf 29 tot 60;
  c) categorie 3 : ingeval het puntentotaal zich bevindt vanaf 0 tot 28.
  Gezien om te worden gevoegd bij Ons besluit van 22 december 2005 tot vastleggen van de frequenties van inspecties waarvoor de aanwezigheid van een agent van het Federaal Agentschap voor de Veiligheid van de Voedselketen in inrichtingen van de vlees- en vissector in het raam van het controleprogramma van het Agentschap vereist is.
  ALBERT
  Van Koningswege :
  De Minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid,
  R. DEMOTTE.

Aanhef Tekst Inhoudstafel Begin
   ALBERT II, Koning der Belgen,
   Aan allen die nu zijn en hierna wezen zullen, Onze Groet.
   Gelet op de wet van 5 september 1952 betreffende de vleeskeuring en de vleeshandel, inzonderheid op artikel 13, gewijzigd bij de wetten van 15 april 1965 en 27 mei 1997 en op artikel 14, gewijzigd bij de wet van 13 juli 1981, bij het koninklijk besluit van 9 januari 1992 en bij het koninklijk besluit van 22 februari 2001, bekrachtigd bij de wet van 19 juli 2001;
   Gelet op de wet van 15 april 1965 betreffende de keuring van en de handel in vis, gevogelte, konijnen en wild, en tot wijziging van de wet van 5 september 1952 betreffende de vleeskeuring en de vleeshandel, inzonderheid op artikel 3, § 1, gewijzigd bij de wetten van 13 juli 1981 en 27 mei 1997 en bij het koninklijk besluit van 22 februari 2001, bekrachtigd bij de wet van 19 juli 2001;
   Gelet op het koninklijk besluit van 22 februari 2001 houdende organisatie van de controles die worden verricht door het Federaal Agentschap voor de Veiligheid van de Voedselketen en tot wijziging van diverse wettelijke bepalingen, bekrachtigd en gewijzigd bij de wet van 19 juli 2001, inzonderheid op artikel 4, gewijzigd bij de wet van 28 maart 2003;
   Overwegende de Verordening (EG) Nr. 854/2004 van het Europees Parlement en de Raad van 29 april 2004 houdende vaststelling van specifieke voorschriftenvoor de organisatie van de officiële controles van voor menselijke consumptie bestemde producten van dierlijke oorsprong, gewijzigd bij de Verordening (EG) Nr. 882/2004, inzonderheid op artikel 4, negende lid en bijlage I, sectie III, hoofdstuk II, 4;
   Overwegende de Verordening (EG) Nr. 882/2004 van het Europees Parlement en de Raad van 29 april 2004 inzake officiële controles op de naleving van de wetgeving inzake diervoeders en levensmiddelen en de voorschriften inzake diergezondheid en dierenwelzijn, inzonderheid op artikel 3;
   Gelet op het advies van het Wetenschappelijk Comité, ingesteld bij het Federaal Agentschap voor de Veiligheid van de Voedselketen, gegeven op 21 december 2005;
   Gelet op het advies van de Inspecteur van Financiën, gegeven op 19 december 2005;
   Gelet op het verzoek om spoedbehandeling, gemotiveerd door de omstandigheid dat het nodig is sommige prestaties voor de controles te preciseren die reglementair de aanwezigheid van een agent van het Federaal Agentschap voor de Veiligheid van de Voedselketen tijdens het verloop der activiteiten vereisen teneinde de toepassing vanaf 1 januari 2006 te rechtvaardigen van artikel 2, 6°, van het koninklijk besluit van 10 november 2005 betreffende retributies bepaald bij artikel 5 van de wet van 9 december 2004 houdende de financiering van het Federaal Agentschap voor de Veiligheid van de Voedselketen en dat deze controles nodig zijn met het oog op het verzekeren van een hoog niveau van bescherming van de gezondheid van de consument overeenkomstig de doelstellingen van de Verordeningen (EG) Nr. 852/200
4 en (EG) Nr. 853/2004;
   Gelet op het advies nr. 39.570/3 van de Raad van State, gegeven op 20 december 2005, met toepassing van artikel 84, § 1, eerste lid, 2°, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State;
   Op de voordracht van Onze Minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid,
   Hebben Wij besloten en besluiten Wij :

Wijziging(en) Tekst Inhoudstafel Begin
BEELD
  • KB VAN 23-12-2008 GEPUBL. OP 31-12-2008
    (GEWIJZ. ART: 1; 2; 3; 4; 5; N1; N2)

  • Begin Eerste woord Laatste woord Wijziging(en) Aanhef
    Inhoudstafel 1 uitvoeringbesluit 1 gearchiveerde versie
    Franstalige versie