J U S T E L     -     Geconsolideerde wetgeving
Einde Eerste woord Laatste woord Wijziging(en) Aanhef
Parlementaire werkzaamheden Inhoudstafel 4 uitvoeringbesluiten 1 gearchiveerde versie
Einde Franstalige versie
 
belgiëlex . be     -     Kruispuntbank Wetgeving
ELI - Navigatie systeem via een Europese identificatiecode voor wetgeving
http://www.ejustice.just.fgov.be/eli/ordonnantie/2004/05/13/2004031277/justel

Titel
13 MEI 2004. - Ordonnantie betreffende het beheer van verontreinigde bodems.
(NOTA : Opgeheven, met uitzondering van artikel 10, 2° en artikel 11, 1° tot de datum die de Regering vaststelt rekening houdend met de validatieprocedure voor de gedetailleerde gegevens van de inventaris van de bodemtoestand <ORD 2009-03-05/30, art. 85, 002; Inwerkingtreding : onbepaald en uiterlijk op 01-01-2010>) Zie wijziging(en)

Bron : BRUSSELS HOOFDSTEDELIJK GEWEST
Publicatie : 24-06-2004 nummer :   2004031277 bladzijde : 51945   BEELD
Dossiernummer : 2004-05-13/48
Inwerkingtreding : 04-07-2004

Inhoudstafel Tekst Begin
HOOFDSTUK I. - Algemene bepalingen.
Art. 1-5
HOOFDSTUK II. - Bepaling van de verontreinigde bodems.
Afdeling I. - Inventaris van de verontreinigde bodems of bodems waarvoor sterke aanwijzingen op verontreiniging bestaan.
Art. 6-8
Afdeling II. - Verkennend hodemonderzoek.
Art. 9-15
HOOFDSTUK III. - Risicostudie.
Art. 16-19
HOOFDSTUK IV. - Beheer van het terrein.
Afdeling 1. - Beschermende, toezichts- waarborg- en behandelingsmaatregelen.
Art. 20-22
Afdeling II. - Saneringsmiddelen.
Art. 23-24
Afdeling III. - Saneringspeil.
Art. 25-26
HOOFDSTUK V. - Slotbepalingen.
Afdeling I. - Strafbepalingen.
Art. 27-28
Afdeling II. - Wijziging van de ordonnantie van 5 juni 1997 betreffende de milieuvergunningen.
Art. 29
Afdeling III. - Wijziging van de ordonnantie van 25 maart 1999 betreffende de opsporing, de vaststelling, de vervolging en de bestraffing van de misdrijven inzake leefmilieu.
Art. 30-32
Afdeling IV. - Wijziging van het koninklijk besluit tot oprichting van het Brussels Instituut voor Milieubeheer, als bekrachtigd en vervolledigd door de wet van 16 juni 1989, gewijzigd door de ordonnanties van 30 juli 1992, 27 april 1995 en 29 maart 2001..
Art. 33

Tekst Inhoudstafel Begin
HOOFDSTUK I. - Algemene bepalingen.

  Artikel 1. Deze ordonnantie regelt een aangelegenheid bedoeld in artikel 39 van de Grondwet.

  Art. 2. Doel. Deze ordonnantie regelt het beheer van de verontreinigde bodems, met het oog op het wegwerken, onder controle houden, indijken of verminderen van de verontreiniging zodat de aangetaste bodems, gezien het huidige of toekomstige gebruik ervan, geen zware bedreiging meer vormen voor de gezondheid of het leefmilieu.

  Art. 3. Begripsomschrijvingen.
  Voor de toepassing van deze ordonnantie, verstaat men onder :
  1° Bodem : vast gedeelte van de grond, met inbegrip van grondwater en overige aanwezige elementen en organismen.
  2° Bodemverontreiniging : elke bodemverontreiniging die een zeer negatief effect op de menselijke gezondheid heeft of die het ecosysteem, de chemische of kwantitatieve staat of het ecologisch potentieel van de waterlichamen zeer ongunstig beïnvloedt, doordat er rechtstreeks of indirect stoffen, preparaten, organismen of micro-organismen in de oppervlakte of in de grond zijn gebracht.
  3° Risicoactiviteit : exploitatie van een ingedeelde inrichting die een risico op bodem- of grondwaterverontreiniging met zich kan brengen.
  4° Exploitant : elke persoon die een ingedeelde inrichting exploiteert of voor wiens rekening een inrichting geëxploiteerd wordt.
  5° Instituut : Brussels Instituut voor Milieubeheer, opgericht bij het koninklijk besluit van 8 maart 1989 tot oprichting van het Brussels Instituut voor Milieubeheer, bekrachtigd en vervolledigd door de wet van 16 juni 1989, gewijzigd bij de ordonnanties van 30 juli 1992, 27 april 1995 en 29 maart 2001.
  6° Oorspronkelijke staat : staat van het terrein voor de aanvang van de exploitatie.

  Art. 4. Risicoactiviteiten.
  De lijst der risicoactiviteiten wordt door de regering vastgelegd.

  Art. 5. Toepassingsgebied.
  Deze ordonnantie is van toepassing op de terreinen :
  1° waar risicoactiviteiten stopgezet wordt;
  2° waar er volgens de inventaris van het Instituut sterke aanwijzingen op verontreiniging zijn;
  3° waar risicoactiviteiten zouden plaatshebben;
  4° waarvan de verontreiniging na een ongeluk of bij toeval aan het licht is gekomen.

  HOOFDSTUK II. - Bepaling van de verontreinigde bodems.

  Afdeling I. - Inventaris van de verontreinigde bodems of bodems waarvoor sterke aanwijzingen op verontreiniging bestaan.

  Art. 6. Het Instituut inventariseert de verontreinigde bodems of degene waarvoor sterke aanwijzingen op omvangrijke verontreiniging bestaan en werkt die lijst bij.
  De inventaris omvat de volgende omstandige inlichtingen
  1° de identificering van de betrokken kadastrale percelen;
  2° de bestemming voorgeschreven in de bodembestemmingsplannen en verkavelingsvergunningen;
  3° de identiteit van de houders van zakelijke rechten en van de exploitanten van de risicoactiviteiten die uitgeoefend worden of werden;
  4° de aard van de risicoactiviteiten die uitgeoefend worden of werden;
  5° alle andere gegevens met betrekking tot de verontreiniging, in het bezit van het BIM, meer bepaald de bodemstudies die uitgevoerd werden voor de inwerkingtreding van deze ordonnantie, alsook de verkennende bodemonderzoeken, risicostudies en saneringsvoorstellen die uitgevoerd worden met toepassing van deze ordonnantie;
  6° de krachtens deze ordonnantie opgelegde maatregelen voor het bodembeheer van de betrokken percelen.
  Het Instituut stelt eveneens een kaart op met opgave van de terreinen waarvoor er aanwijzingen op verontreiniging bestaan.

  Art. 7. De in artikel 6, 3° genoemde personen worden in kennis gesteld van de voormelde omstandige inlichting en alvorens deze in de inventaris worden opgenomen.
  De voornoemde personen zijn ertoe gerechtigd te eisen dat de in het bezit van het Instituut zijnde inlichtingen over de bodemstaat van de hen aanbelangende percelen rechtgezet worden.
  Hiertoe voeren zij, overeenkomstig de artikelen 9 tot 14, vijfde lid, een verkennend bodemonderzoek uit, bezorgen het Instituut, overeenkomstig artikel 15, het bodemonderzoek dat hiertoe kan dienen of leveren zij het bewijs dal de verontreinigde gronden gesaneerd of verwijderd zijn.
  Indien uit de omstandige inlichtingen evenwel blijkt dal geen enkel bodemonderzoek, verkennend bodemonderzoek, risicostudie of saneringsvoorstel bestaat, kunnen de voornoemde personen op grond van elk ander bewijsmateriaal om een rechtzetting verzoeken.
  Voor het verzoek lot de rechtzetting van de omstandige inlichtingen, wordt een termijn van drie maanden toegekend, te rekenen vanaf de ontvangst ervan door de in artikel 6, 3° bedoelde personen. De termijn kan lot zes maanden worden opgetrokken als de voornoemde personen een verkennend bodemonderzoek uitvoeren, overeenkomstig de artikelen 9 tot 14, vijfde lid.

  Art. 8. De inventaris wordt voor het publiek toegankelijk gemaakt, mits naleving van de ordonnantie van 18 maart 2004 inzake toegang tot milieu-informatie in het Brussels Hoofdstedelijk Gewest. Iedereen krijgt toegang tot een kaart met opgave van de terreinen waarvoor sterke aanwijzingen op verontreiniging bestaan, zonder verplichting enig belang te doen gelden.
  Hebben als enigen toegang tot de omstandige inlichtingen betreffende de percelen waarop zij rechten genieten, een ingedeelde inrichting exploiteren of zich wensen te vestigen, de hierna genoemde personen
  1° de houders van zakelijke rechten;
  2° de milieuvergunninghouders;
  3° de personen die zich op een terrein wensen te vestigen, mits voorlegging van de uitdrukkelijke instemming van de houder(s) van zakelijke rechten.
  De omstandige inlichtingen overgezonden aan de milieuvergunninghouders en personen die zich op een terrein wensen te vestigen, worden eveneens aan de houders van zakelijke rechten op de betrokken percelen overgezonden.

  Afdeling II. - Verkennend hodemonderzoek.

  Art. 9. Met een verkennend bodemonderzoek kan de bodemstaat van het terrein worden bepaald door een eventuele bodem- of grondwaterverontreiniging aan het licht te brengen, de omvang inzake concentratie, globale ruimtelijke verspreiding te bepalen en de eerste inschattingen over de staat van de bodem- en grondwaterverontreiniging te verstrekken.
  Het verkennend bodemonderzoek omvat :
  1° de historiek van het opeenvolgend gebruik van het terrein;
  2° een beschrijving van de boringen, monsternemingen en analyses;
  3° een topografische en lithologische beschrijving van de bodem;
  4° een beschrijving van de eventuele waterlichamen;
  5° de conclusies en opmerkingen over de aard en de omvang van de eventuele verontreiniging en over de noodzaak om al dan niet een risicostudie uit te voeren.
  De regering kan de inhoud van een verkennend bodemonderzoek nader bepalen.

  Art. 10. Er dient een verkennend bodemonderzoek te worden uitgevoerd :
  1° bij een ongeluk waardoor de bodem of het grondwater verontreinigd is of bij toevallige ontdekking van een dergelijke verontreiniging;
  2° vóór het vervreemden van zakelijke rechten op een terrein waar een risicoactiviteit werd of wordt uitgeoefend en vóór het overdragen van de bijbehorende milieuvergunning;
  3° vóór elke nieuwe risicoactiviteit op een terrein;
  4° vóór elke activiteit op een terrein dat blijkens de inventaris van het Instituut, opgesteld overeenkomstig de artikelen 6 en 7, verontreinigd is of waarvoor sterke aanwijzingen op verontreiniging bestaan;
  5° bij stopzetting van een risicoactiviteit.

  Art. 11. Het verkennend bodemonderzoek valt ten laste van :
  1° de overdrager van een zakelijk recht op een terrein dat verontreinigd is of waarvoor sterke aanwijzingen op verontreiniging bestaan of op een terrein waar een risicoactiviteit uitgeoefend werd, alsook van de overdrager van de milieuvergunning die betrekking heeft op de risicoactiviteit;
  2° de stopzettende exploitant;
  3° de veroorzaker van het ongeluk of, indien deze niet nader kan worden bepaald, de exploitant.

  Art. 12. Wanneer de in artikel 11 bedoelde personen hun verplichtingen niet zijn nagekomen, kan het verkennend bodemonderzoek in hun plaats uitgevoerd worden door :
  1 ° diegene die een risicoactiviteit wenst aan te vatten;
  2° diegene die een activiteit zonder risico op bodemverontreiniging wenst aan te vatten op een blijkens de inventaris van het Instituut verontreinigde grond wanneer de vestiging ervan afgravingen of bodembedekkingen vereist;
  3° diegene die een terrein wil kopen waar een risicoactiviteit uitgeoefend werd of zal worden uitgeoefend of waar een activiteit zonder risico op bodemverontreiniging zal worden uitgeoefend indien het terrein, volgens de inventaris van het Instituut, verontreiniging is of er sterke aanwijzingen op belangrijke verontreiniging zijn.
  De personen die zich in de plaats van de in gebreke blijvende overdrager, exploitant of veroorzaker van de verontreiniging stellen, kunnen uit dien hoofde niet persoonlijk aansprakelijk worden gesteld. De in artikel 11 bedoelde personen blijven gehouden tot het betalen van het verkennend bodemonderzoek en van de gevolgen die krachtens deze ordonnantie worden gegeven aan de inlichtingen die door de genoemde verkenning aan het licht zijn gekomen.

  Art. 13. Het verkennend bodemonderzoek wordt uitgevoerd door een erkende " bodemverontreinigingsdeskundige " overeenkomstig de artikelen 70 t/m 78/7 van de ordonnantie van 5 juni 1997 betreffende de milieuvergunningen, hierna genoemd " de erkende persoon ".

  Art. 14. Alvorens het verkennend bodemonderzoek uit te voeren, wordt een door de erkende persoon ondertekend voorstel aan het Instituut voorgelegd.
  Het voorstel omvat minstens de volgende inlichtingen :
  1° de identificatie van de persoon namens wie het verkennend bodemonderzoek uitgevoerd wordt en van de hiermee belaste erkende persoon;
  2° de identificatie van de houders van zakelijke rechten en, desgevallend, van de vorige en toekomstige exploitanten;
  3° een beschrijving van de stedenbouwkundige bestemming en van het huidige en toekomstige gebruik van het terrein,
  4° een historiek van het terrein en van de activiteiten die er worden of werden uitgeoefend;
  5° geologische, hydrologische en hydrogeologische inlichtingen;
  6° een beschrijving van de boringsputten en de verantwoording ervan, van het aantal stalen en de wijze waarop ze geselecteerd, genomen, ingepakt en geanalyseerd zijn;
  7° de vermoedelijke duurtijd van het verkennend bodemonderzoek.
  De regering kan de inhoud van de inlichtingen die in het voorstel van verkennend bodemonderzoek moeten voorkomen, nader bepalen.
  Zodra het Instituut het volledig dossier ontvangt, beschikt het over dertig dagen om het voorstel van verkennend bodemonderzoek goed te keuren. Indien het Instituut na het verstrijken van die termijn niet geantwoord heeft, wordt het voorstel geacht goedgekeurd te zijn en kan het verkennend bodemonderzoek worden aangevat.
  De verkenning vangt aan vanaf de goedkeuring van het voorstel. Indien de verkenning niet binnen de in het voorstel vastgestelde termijn kan worden uitgevoerd, dan kan de erkende persoon bij het Instituut om een verlenging vragen mits dit met redenen wordt omkleed. Het Instituut neemt binnen zeven dagen een beslissing over de verlengingsaanvraag. Indien liet Instituut na het verstrijken van die termijn niet geantwoord heeft, wordt de verlenging geacht toegekend te zijn.
  Het Instituut beschikt over dertig dagen, te rekenen vanaf de ontvangst van het verkennend bodemonderzoek, om de resultaten te bekijken en na te gaan of het al dan niet noodzakelijk is een risicostudie uit te voeren. Na die termijn, worden de conclusies van de erkende persoon als voorkomend in het verkennend bodemonderzoek geacht goedgekeurd te zijn en dient de persoon namens wie het verkennend bodemonderzoek werd uitgevoerd, zich hieraan te houden.

  Art. 15. Het bodemonderzoek dat vóór de inwerkingtreding van deze ordonnantie werd uitgevoerd, kan met een verkennend bodemonderzoek worden gelijkgesteld als het aan de criteria voor een verkennend bodemonderzoek voldoet.
  De regering bepaalt de criteria waardoor een bodemonderzoek met een verkennend bodemonderzoek kan worden gelijkgesteld onder meer voor de periode van geldigheid van het bodemonderzoek, rekening houdend met de risicoactiviteiten op het terrein, de overdrachten van zakelijke rechten en van desbetreffende milieuvergunningen en eventuele ongevallen met verontreiniging.
  De in de artikelen 11 en 12 bedoelde personen worden vrijgesteld van de verplichting een verkennend bodemonderzoek uit te voeren wanneer ze een dergelijk bodemonderzoek kunnen voorleggen.

  HOOFDSTUK III. - Risicostudie.

  Art. 16. Wanneer het verkennend bodemonderzoek, opgesteld overeenkomstig de artikelen 9 tot 14, een verontreiniging aan het licht brengt waarvoor een ingreep zich opdringt, dienen de personen die de verkenning hebben uitgevoerd een risicostudie te laten uitvoeren door een erkende bodemverontreinigingsdeskundige.
  De regering bepaalt de bodem- en grondwaterverontreinigingsnormen bij overschrijding waarvan een risicostudie moet worden uitgevoerd.

  Art. 17. De risicostudie dient enerzijds de risicograad voor de menselijke gezondheid en het leefmilieu in de gegeven omstandigheden te bepalen, rekening houdend met het concrete gebruik van de grond of, in het ongewisse van de nabestemming, met de planmatige bestemming van het terrein, en anderzijds de noodzaak en de urgentiegraad van een bodemsanering vast te stellen, alsook de relevantie om beschermingsmaatregelen te nemen.
  Bij het onderzoek van de beheersmaatregelen voor een verontreinigde bodem, moet de risicostudie eerst andere beheersmaatregelen overwegen waardoor de risico's ingeperkt kunnen worden vóór aan sanering van het terrein wordt gedacht.
  Het gelopen risico en de beheersmaatregelen voor de bodem worden bepaald in functie van de huidige mogelijke blootstelling van de mens, de mogelijke aantasting van de ecosystemen en de mogelijke verspreiding van verontreinigende stoffen.
  Die drie criteria dienen als volgt in acht te worden genomen :
  1° ten aanzien van de huidige en toekomstige risico's inzake blootstelling van de mens : op de betrokken grond zijn er verontreinigende stoffen aanwezig, in dusdanige hoeveelheden en in dusdanige vorm dat zij kunnen leiden tot een overschrijding van het maximum toegelaten blootstellingsniveau voor de mens, rekening houdend smet de eigenschappen van de grond en de huidige gebruiksomstandigheden van de grond;
  2° ten aanzien van de huidige en toekomstige risico's inzake aantasting van de ecosystemen : de betrokken grond is ingedeeld, in de beschermlijst opgenomen of verkreeg het statuut van natuurreservaat, groengebied of speciale beschermingszone;
  3° ten aanzien van de huidige en toekomstige risico's op verspreiding van verontreinigende stoffen
  a) rekening houdend met de hydrogeologische eigenschappen van de grond, is de kans groot dat de in het grondwater of de bodem aanwezige verontreinigende stoffen in een van de volgende elementen zouden terechtkomen : oppervlaktewater, een openbare drinkwaterwinning, een industriële of privé-waterwinning of een belendend terrein;
  b) de verontreinigende stof is in dusdanige hoeveelheden aanwezig dat dit leidt tot de vorming van een bovendrijvende laag;
  c) er wordt gevreesd voor een zodanige uitbreiding van de massa verontreinigd grondwater dat er aanzienlijk meer saneringsmiddelen zullen moeten worden aangewend;
  d) de verontreinigende stof is in dusdanige hoeveelheid en in dusdanige vorm aanwezig dat een verticaal transport in de onverzadigde zone wordt aangetroffen.
  De regering kan de inhoud van de risicostudie nader bepalen.

  Art. 18. De risicostudie moet het voorwerp uitmaken van een studievoorstel dat vooraf aan de goedkeuring van het Instituut wordt voorgelegd.
  Het voorstel van risicostudie dient de verantwoording van de ligging van de boringsputten en een technische beschrijving van het onderzoekswerk te omvatten, alsook de werkmethode voor de uitvoering van de studie en de voorziene studietermijn.
  Het studievoorstel wordt naar het Instituut gestuurd, dat over dertig dagen beschikt om het goed te keuren. Indien het Instituut na het verstrijken van die termijn niet geantwoord heeft, wordt het voorstel geacht stilzwijgend te zijn goedgekeurd.
  De risicostudie wordt binnen de in het voorstel gestelde termijn uitgevoerd. Indien de studie niet binnen de toegemeten termijn kan worden uitgevoerd, kan een termijnverlenging worden toegekend op basis van een met redenen omklede brief die per aangetekende zending naar het Instituut wordt gezonden. Het Instituut beslist binnen zeven dagen over de termijnverlenging. Indien het Instituut na het verstrijken van die termijn niet geantwoord heeft, wordt de termijnverlenging geacht stilzwijgend te zijn toegekend.
  Zodra de risicostudie uitgevoerd is, wordt ze aan het Instituut bezorgd, dat over dertig dagen beschikt om ze goed te keuren. Aan de goedkeuring kunnen voorwaarden en de in de artikelen 20 en volgende voorgeschreven maatregelen worden gekoppeld. Indien het Instituut na het verstrijken van die termijn niet geantwoord heeft, worden de risicostudie en de hierin aanbevolen maatregelen geacht stilzwijgend te zijn goedgekeurd.
  De uitdrukkelijke of stilzwijgende goedkeuring van de risicostudie ontslaat van de verplichting een milieuattest of vergunning te verkrijgen om de in de risicostudie gestelde of door het Instituut op basis van de studie voorgeschreven maatregelen uit te voeren.

  Art. 19. De risicostudie kan tegelijk met het verkennend bodemonderzoek worden uitgevoerd. In dat geval, wordt het voorstel van verkennend bodemonderzoek, dat vooraf aan de goedkeuring van het Instituut is voorgelegd, aangevuld met de krachtens artikel 17 vereiste inlichtingen.

  HOOFDSTUK IV. - Beheer van het terrein.

  Afdeling 1. - Beschermende, toezichts- waarborg- en behandelingsmaatregelen.

  Art. 20. Wanneer uit de risicostudie afgeleid wordt dat het niet nodig is de site voor een nieuwe activiteit of exploitatie te saneren, kan het Instituut desalniettemin bij de goedkeuring van de risicostudie en op basis van de conclusies ervan, beheersmaatregelen met betrekking tot de bodemstaat voorschrijven in de volgende gevallen :
  1° de bodem is verontreinigd;
  2° de bodem is niet verontreinigd maar er worden risicoactiviteiten gepland.

  Art. 21. Wanneer de bodem verontreinigd is, kan het Instituut een restrictief grondgebruik opleggen, maatregelen voor het onder controle houden, indijken en, indien dit uit de risicostudie blijkt, maatregelen voor het verminderen of geleidelijk wegwerken van de verontreiniging. Het Instituut kan eveneens de waarborg eisen dat die maatregelen naar behoren worden uitgevoerd, met name door middel van zekerheden, bankgaranties of verzekeringen die verhoudingsgewijs worden samengesteld en aangepast zijn aan de bedoelde maatregelen en de hiervoor aangegane kosten.
  Het Instituut dient de mate van herstel in te schatten krachtens artikel 26.

  Art. 22. Wanneer de bodem niet verontreinigd is maar er een risicoactiviteit wordt gepland, kan het Instituut maatregen opleggen om de evolutie van de bodemstaat te controleren, met name via oppervlakkige analyses op welbepaalde tijdstippen om na te gaan of de bodem of het grondwater al dan niet verontreinigd worden door stoffen die voortgebracht worden door de exploitatie.
  Het Instituut kan ook maatregelen voorschrijven die toepast moeten worden wanneer, na analyse, een zware bodem- of grondwaterverontreiniging vastgesteld wordt die door een door de activiteit voortgebrachte stof werd veroorzaakt.
  Het kan eveneens maatregelen opleggen waardoor de kredietwaardigheid van de exploitant gevrijwaard wordt, alsook zijn vermogen om de gevolgen van door hemzelf veroorzaakte bodemverontreiniging ten laste te nemen.

  Afdeling II. - Saneringsmiddelen.

  Art. 23. Wanneer uit de risicostudie blijkt dat bodemsanering noodzakelijk en dringend is alvorens het terrein of de vergunning over te dragen of een nieuwe activiteit aan te vatten, dient de in de artikelen 11 en 12 bedoelde persoon namens wie de risicostudie uitgevoerd werd, de bodem te laten saneren.
  - vóór er een nieuwe activiteit op het terrein wordt aangevat die de sanering of het toekomstige toezicht op de bodemverontreiniging zou kunnen belemmeren,
  - vóór een milieuvergunning wordt aangevraagd die betrekking heeft op een inrichting die de sanering of het toekomstige toezicht op de bodemverontreiniging zou kunnen belemmeren,
  - vóór een zakelijk recht op het terrein wordt vervreemd,
  - vóór een milieuvergunning wordt overgedragen.

  Art. 24. De sanering moet het voorwerp uitmaken van een bodemsaneringsvoorstel dat vooraf aan de goedkeuring van het Instituut wordt voorgelegd.
  Het voorstel wordt opgesteld en uitgevoerd onder leiding van een erkende bodemsaneringsdeskundige, overeenkomstig de artikelen 70 t/m 78/7 van de ordonnantie van 5 juni 1997 betreffende de milieuvergunningen.
  Het omvat minstens de volgende elementen
  1° de resultaten van de risicostudie;
  2° de verschillende relevante bodemsaneringstechnieken;
  3° een raming van hun kostprijs;
  4° een bondige aanduiding van hun impact op het leefmilieu en van de verwachte resultaten, rekening houdend met de eventuele beperkingen die zij voor het toekomstig gebruik van de verontreinigde gronden met zich zullen brengen;
  5° de termijnen waarbinnen die maatregelen zullen worden genomen;
  6° de identificatie van de gronden waar werken plaatsvinden die nodig zijn om de bodemsanering uit te voeren, met vermelding van de identiteit van hun eigenaar en gebruiker;
  7° de wijze waarop de tijdelijk of definitief weggenomen verontreinigende stoffen of delen van de bodem of opstallen zullen worden behandeld of verwerkt;
  8° de weerslag van de bodemsaneringswerken op de belendende percelen;
  9° de beschrijving van de maatregelen die zullen worden genomen om elke negatieve weerslag tijdens de uitvoering van de bodemsaneringswerken te voorkomen, te verhelpen of te beperken;
  10° de controle- en bewakingsmaatregelen die na de bodemsanering zullen worden genomen en de termijn waarbinnen deze maatregelen van kracht moeten blijven;
  11° de nabestemming en de stedenbouwkundige bestemming van de verontreinigende gronden na de bodemsanering;
  12° de mogelijke beperkingen die na de bodemsanering zullen gelden voor het gebruik van het verontreinigde terrein en de overeenstemming van de mogelijke nabestemming met de geldende bodembestemmingsplannen;
  13° een niet-technische samenvatting van de bovenvermelde gegevens.
  De regering kan de inhoud van het saneringsvoorstel nader bepalen.
  Het voorstel wordt aan het Instituut verstuurd, dat over dertig dagen beschikt om het goed te keuren en desgevallend aanvullende voorwaarden op te leggen.
  Na goedkeuring door het Instituut of, bij het stilzwijgen van het Instituut na de het toegemeten termijn om uitspraak te doen, kan de persoon namens wie het voorstel werd opgesteld, tot sanering overgaan, binnen de termijn en onder de voorwaarden die in zijn voorstel werden vastgesteld en eventueel door het Instituut werden gewijzigd of aangevuld.
  De uitdrukkelijke of stilzwijgende goedkeuring van het voorstel ontslaat van de verplichting een milieuattest of vergunning te verkrijgen om de geplande bodemsanering uit te voeren.

  Afdeling III. - Saneringspeil.

  Art. 25. Doel van de sanering is de ernst van het risico weg te werken om, in functie van de bestaande en/of voorgenomen inrichting, een aanvaardbare risicograad te bereiken.
  De regering stelt de bodemverontreinigingsnormen vast bij overschrijding waarvan het risico onaanvaardbaar wordt voor de gezondheid en het leefmilieu, alsook de berekeningswijze van de norm vanaf welke het risico aanvaardbaar wordt voor blootstelling van de mens en het leefmilieu.

  Art. 26. Bij het toepassen van de artikelen 21, 23 en 25 dient het Instituut zich te schikken naar de door de regering vastgelegde methodiek en rekening te houden met de hierna gestelde beginselen.
  Bij overdracht van de milieuvergunning, net als bij stopzetting van een exploitatie, dient het Instituut de mate van herstel vast te stellen in functie van de toegenomen verontreiniging te wijten aan de exploitant die zijn activiteit stopzet of zijn milieuvergunning overdraagt, en waarvoor hij aansprakelijk blijft, alsook op grond van de nabestemming van het terrein.
  Wanneer er geen concreet project tot ingebruikneming van het terrein bestaat, moet het Instituut rekening houden met de toepasselijke dwingende bepalingen, zoals de stedenbouwkundige bestemming voortvloeiend uit de voorschriften van de bodembestemmingsplannen of de verkavelingsvergunningen.
  Wanneer uit een vroeger verkennend bodemonderzoek blijkt dat de site niet verontreinigd was voordat het feit bedoeld in artikel 10 plaatsgevonden heeft, zijn de personen bedoeld in artikel 11 verplicht de verontreiniging ongedaan te maken.
  Wanneer de verontreiniging te wijten aan deze personen nauwkeurig kan worden bepaald en onderscheidenlijk kan worden behandeld, dienen zij enkel de verontreiniging die zij veroorzaakt hebben; ongedaan te maken.
  Het Instituut moet in alle gevallen maatregelen in acht nemen waarbij rekening wordt gehouden met de beste beschikbare technieken die al met succes zijn toegepast en waarvan de kostprijs draaglijk is.

  HOOFDSTUK V. - Slotbepalingen.

  Afdeling I. - Strafbepalingen.

  Art. 27. §. 1. Worden niet een geldboete van 250 tot 2.500 euro bestraft, de in artikel 11 bedoelde personen die geen verkennend bodemonderzoek noch de in artikelen 10 en 16 voorgeschreven risicostudie uitvoeren.
  § 2. Worden met een geldboete van 2.500 tot 25.000 euro bestraft, de in artikel 11 bedoelde personen die
  1° de door het Instituut voorgeschreven beschermende maatregelen niet toepassen;
  2° de bodem niet saneren.

  Art. 28. De nietigverklaring van een overdracht van zakelijke rechten op een terrein waar een risicoactiviteit wordt of werd uitgeoefend of op een terrein dat op grond van de bodeminventaris van het Instituut als verontreinigd wordt geïdentificeerd, net als van de overdracht van een milieuvergunning voor een risicoactiviteit, kan door het Instituut, de overnemers en rechthebbenden vóór de Hoven en Rechtbanken van de Rechterlijke Orde worden gevorderd wanneer de in artikel 1 1 bedoelde personen hun verplichtingen niet zijn nagekomen.

  Afdeling II. - Wijziging van de ordonnantie van 5 juni 1997 betreffende de milieuvergunningen.

  Art. 29. Artikel 63, § 1, 6° van de ordonnantie van 5 juni 1997 betreffende de milieuvergunningen wordt aangevuld met de volgende volzin : " de overdrager van een milieuvergunning met betrekking tot een risicoactiviteit in de zin van artikel 3, 3°, van de ordonnantie van (Justel past bij : 13 mei 2004) betreffende het beheer van verontreinigde bodems wordt aansprakelijk gesteld voor de verplichtingen die opgenomen zijn in artikel 6 en volgende van de voornoemde ordonnantie ".
  Artikel 63, § 2, van de voornoemde ordonnantie wordt aangevuld met de volgende bepaling :
  " Wanneer het herstel een terrein betreft waarvan de inrichting een risicoactiviteit uitmaakt in de zin van artikel 3, 3°, van de ordonnantie van (Justel past bij : 13 mei 2004) betreffende het beheer van verontreinigde bodems of wanneer tijdens het herstel bodemverontreiniging wordt ontdekt, dan is op dat herstel uitsluitend de ordonnantie van (Justel past bij : 13 mei 2004) betreffende het beheer van verontreinigde bodems van toepassing ".

  Afdeling III. - Wijziging van de ordonnantie van 25 maart 1999 betreffende de opsporing, de vaststelling, de vervolging en de bestraffing van de misdrijven inzake leefmilieu.

  Art. 30. Artikel 2 van de ordonnantie van 25 maart 1999 betreffende de opsporing, de vaststelling, de vervolging en de bestraffing van de misdrijven inzake leefmilieu, wordt aangevuld als volgt :
  " 17° de ordonnantie van (Justel past bij : 13 mei 2004) betreffende het beheer van verontreinigde bodems ".

  Art. 31. Artikel 32 van de voornoemde ordonnantie van 25 maart 1999 wordt aangevuld als volgt :
  " 12° in de zin van de ordonnantie van (Justel past bij : 13 mei 2004) betreffende het beheer van verontreinigde bodems, de in artikel 11 bedoelde personen die geen verkennend bodemonderzoek noch de in artikelen 10 en 16 van deze ordonnantie voorgeschreven risicostudie uitvoeren ".

  Art. 32. Artikel 33 van de voornoemde ordonnantie van 25 maart 1999 wordt aangevuld als volgt :
  " 12° in de zin van de ordonnantie van (Justel past bij : 13 mei 2004) betreffende het beheer van verontreinigde bodems, de in artikel 10 bedoelde personen die
  a) de door het Instituut voorgeschreven beschermende maatregelen niet toepassen;
  b) de bodem niet saneren ".

  Afdeling IV. - Wijziging van het koninklijk besluit tot oprichting van het Brussels Instituut voor Milieubeheer, als bekrachtigd en vervolledigd door de wet van 16 juni 1989, gewijzigd door de ordonnanties van 30 juli 1992, 27 april 1995 en 29 maart 2001..

  Art. 33. Artikel 3, § 2, 9e streepje, van het koninklijk besluit van 8 maart 1989 tot oprichting van het Brussels Instituut voor Milieubeheer wordt vervangen als volgt :
  " - toezien op de bodemkwaliteit en het beheer ervan ".
  Kondigen deze ordonnantie af, bevelen dat ze in het Belgisch Staatsblad zal worden bekendgemaakt.
  Gegeven te Brussel, 13 mei 2004.
  De Minister-Voorzitter van de Brusselse Hoofdstedelijke Regering, belast met Plaatselijke Besturen, Ruimtelijke Ordening, Monumenten en Landschappen, Stadsvernieuwing en Wetenschappelijk Onderzoek
  D. DUCARME
  De Minister van de Brusselse Hoofdstedelijke Regering, belast met Openbare Werken, Vervoer, Brandbestrijding en Dringende Medische Hulp
  J. CHABERT
  De Minister van de Brusselse Hoofdstedelijke Regering, belast met Werkgelegenheid, Economie, Energie en Huisvesting
  E. TOMAS
  De Minister van de Brusselse Hoofdstedelijke Regering, belast met Financiën, Begroting, Ambtenarenzaken en Externe Betrekkingen
  G. VANHENGEL
  De Minister van de Brusselse Hoofdstedelijke Regering, belast met Leefmilieu en Waterbeleid, Natuurbehoud, Openbare Netheid en Buitenlandse Handel
  D. GOSUIN.

Aanhef Tekst Inhoudstafel Begin
   De Brusselse Hoofdstedelijke Raad heeft aangenomen en Wij, Regering, bekrachtigen hetgeen volgt :

Wijziging(en) Tekst Inhoudstafel Begin
BEELD
  • ORDONNANTIE (BRUSSEL) VAN 05-03-2009 GEPUBL. OP 10-03-2009
    (GEWIJZIGDE ART. : 1-10; 11-33)

  • Parlementaire werkzaamheden Tekst Inhoudstafel Begin
       Gewone zitting 2003-2004 Documenten van de Raad. - Ontwerp van ordonnantie, A-530/1. - Verslag, A-530/2. Volledig verslag. - Bespreking. Vergadering van donderdag 6 mei 2004. Aanneming. Vergadering van vrijdag 7 mei 2004.

    Begin Eerste woord Laatste woord Wijziging(en) Aanhef
    Parlementaire werkzaamheden Inhoudstafel 4 uitvoeringbesluiten 1 gearchiveerde versie
    Franstalige versie