J U S T E L     -     Geconsolideerde wetgeving
Einde Eerste woord Laatste woord Aanhef
Inhoudstafel
Einde Franstalige versie
 
belgiëlex . be     -     Kruispuntbank Wetgeving
ELI - Navigatie systeem via een Europese identificatiecode voor wetgeving
http://www.ejustice.just.fgov.be/eli/besluit/2003/07/10/2003031399/justel

Titel
10 JULI 2003. - Besluit 2003/68 van het College van de Franse Gemeenschapscommissie houdende wijziging van het besluit 99/262/C van het College van de Franse Gemeenschapscommissie van 6 april 2000 betreffende de erkenning en subsidiëring van de diensten voor begeleiding en de diensten voor dovenvertolking. (Vertaling).

Bron :
FRANSE GEMEENSCHAPSCOMMISSIE.BRUSSELS HOOFDSTEDELIJK GEWEST
Publicatie : 25-08-2003 nummer :   2003031399 bladzijde : 41823       PDF :   originele versie    
Dossiernummer : 2003-07-10/45
Inwerkingtreding : 01-09-2003

Inhoudstafel Tekst Begin
Art. 1-7

Tekst Inhoudstafel Begin
Artikel 1. Het besluit regelt een aangelegenheid bedoeld in artikel 128 van de Grondwet, krachtens artikel 138 van de Grondwet.

  Art. 2. Aan artikel 2 van het besluit van het College van de Franse Gemeenschapscommissie betreffende de erkenning en subsidiëring van de diensten voor begeleiding en de diensten voor dovenvertolking worden de volgende bepalingen toegevoegd :
  " besluit NM " : het besluit 2001/549 van het College van de Franse Gemeenschapscommissie van 18 oktober 2001 inzake de toepassing van het decreet van de Franse Gemeenschapscommissie van 12 juli 2001 tot wijziging van diverse wetten betreffende de subsidies toegekend in de gezondheids- en de welzijnssector en betreffende de wijziging van diverse toepassingsbesluiten betreffende de welzijns-, de gezondheids- en de gehandicaptensector en de sector van de socio-professionele inschakeling;
  " besluit " : het besluit 99/262/C van het College van de Franse Gemeenschapscommissie van 6 april 2000 betreffende de erkenning en subsidiëring van de diensten voor begeleiding en de diensten voor dovenvertolking;
  " Adviesraad " : de Franstalige Brusselse Adviesraad voor Bijstand aan Personen en Gezondheid.

  Art. 3. Hoofdstuk II van het besluit wordt opgeheven en vervangen door het als volgt opgesteld hoofdstuk II :
  " HOOFDSTUK II. - De diensten voor begeleiding.
  Art. 3. Voor de toepassing van dit besluit dient te worden verstaan onder " diensten ", de diensten voor begeleiding.
  Sectie 1. - De erkenning.
  Art. 4. Om te worden erkend moet een dienst die de taken vervult zoals gedefinieerd in de artikelen 45 en 46 van het decreet en die is samengesteld overeenkomstig de bepalingen van artikel 44 van het decreet, aan de volgende voorwaarden voldoen :
  1° zijn activiteitenzetel vestigen op het grondgebied van het tweetalig Brussels Hoofdstedelijk Gewest;
  2° zich richten naar de verplichtingen die voortvloeien uit de wettelijke en reglementaire bepalingen die op hem van toepassing zijn;
  3° de toegankelijkheid van de gebouwen met het oog op de handicap van de opgevangen personen waarborgen;
  4° beschikken over :
  a) ruimten die zowel de algemene opvang van de begunstigden als individuele gesprekken mogelijk maken;
  b) een permanentie die voor de gehandicapten bereikbaar is gedurende :
  minimum 4 uur/week voor de diensten van categorie 1;
  minimum 8 uur/week voor de diensten van categorie 2;
  minimum 10 uur/week voor de overige diensten.
  De dienst moet daarenboven op afspraak een dag per week tussen 18 uur en 20 uur of op zaterdagmorgen toegankelijk zijn.
  c) een telefonische permanentie per automatische telefoonbeantwoorder buiten de openingsuren van de dienst voor de gehandicapten;
  5° geïndividualiseerde bijstand verlenen;
  6° één dossier per begunstigde bijhouden;
  7° over een pluridisciplinaire equipe voor begeleiding beschikken;
  8° zich bereid verklaren samen te werken met de bevoegde privé- en openbare diensten naargelang het persoonlijke bijstandsprogramma voor elke gehandicapte;
  9° zich onderwerpen aan de door het bestuur georganiseerde beoordelingen, bezoeken en controles en het bestuur alle bewijsstukken overleggen die vereist zijn voor de uitoefening van diens controle;
  10° jaarlijks aan het bestuur een activiteitenverslag voorleggen dat is opgesteld volgens het door het bestuur vastgestelde model en dat ten minste het volgende bevat :
  a) het aantal ten laste genomen gehandicapten, met vermelding van de tenlasteneming, de leeftijd en de gemeente waar de gehandicapte woonachtig is;
  b) de aard van de aanvragen, de activiteitensectoren en de evaluatie van de behaalde resultaten;
  c) een verslag van de door het personeel gevolgde opleiding;
  11° per kalenderjaar een boekhouding bijhouden volgens het door het Collegelid bepaald model;
  12° zich ertoe verbinden het bestuur binnen vijftien dagen op de hoogte te zullen brengen van elke wijziging ten aanzien van de normen voor erkenning en subsidiëring van de dienst en, in het bijzonder, van elke wijziging aangaande het personeel.
  Voor elk tijdens de erkenningsperiode in dienst genomen personeelslid, maakt het centrum een kopie van zijn arbeidsovereenkomst over aan het bestuur, evenals alle bewijzen dat hij alle reglementaire voorwaarden betreffende zijn functie en anciënniteit vervult. Vóór de indienstneming moet het centrum een bewijs van goed zedelijk gedrag ontvangen waarvan de afgiftedatum niet meer dan drie maand aan de datum van indienstneming mag voorafgaan. Dit document maakt deel uit van het persoonlijk dossier van elk personeelslid.
  Art. 5. De geïndividualiseerde bijstand bedoeld in artikel 4, 5°, is het voorwerp van een schriftelijke overeenkomst tussen de dienst en de gehandicapte. Hierin wordt rekening gehouden met de leeftijd, de vaardigheden en de aanvraag van de gehandicapte. Zij wordt afgesloten binnen de drie maand vanaf het eerste contact met de gehandicapte. Zij vermeldt :
  1° de toegekende hulp;
  2° de financiële bijdrage van de gehandicapte.
  Art. 6. Het dossier bedoeld in artikel 4, 6°, omvat :
  1° de aanvraag of het onderhoudsverslag van de aanvraag;
  2° de overeenkomst;
  3° de medische, sociale, psychologische en pedagogische gegevens die nodig zijn voor de uitvoering van de overeenkomst;
  4° het persoonlijk bijstandsprogramma dat door de dienst wordt opgesteld in overleg met de gehandicapte of diens wettige vertegenwoordiger;
  5° de evaluaties van het bijstandsprogramma die een jaarlijkse balans moeten omvatten, opgesteld in overleg met de gehandicapte of diens wettige vertegenwoordiger.
  Art. 7. De pluridisciplinaire equipe voor begeleiding bedoeld in artikel 4, 7°, bestaat uit minstens twee personen met een diploma uit het hoger pedagogisch, psychologisch, sociaal of paramedisch onderwijs.
  Deze equipe kan uitsluitend worden aangevuld :
  1° op het niveau van de begeleiding :
  met begeleiders van klasse 1 en 2;
  met begeleiders van klasse 1 en 2 die een opleiding in gebarentaal gevolgd hebben en die vermeld staan op de lijst opgemaakt door een door de Franse Gemeenschapscommissie erkende dienst voor dovenvertolking;
  met kinderverzorgsters voor de in artikel 45, 1°, van het decreet omschreven opdrachten;
  2° op het niveau van het secretariaat : met administratief personeel;
  3° op het niveau van de in artikel 10, eerste lid, 1°, bedoelde bijbehorende functie : met arbeiders;
  4° op het niveau van de in artikel 10, eerste lid, 4°, bedoelde bijbehorende functie :
  door begeleiders van klasse 1 en 2;
  door een licentiaat in de psychologie, in de psychopedagogie of in de pedagogie.
  Wanneer de dienst de in artikel 45, 4°, van het decreet omschreven opdracht vervult, moet de equipe worden aangevuld door :
  een maatschappelijk assistent of een maatschappelijk verpleger;
  een psycholoog of een assistent in de psychologie of een psychopedagoog of een licentiaat in de gezins- en seksuologische wetenschappen of een licentiaat in medico-sociale en hospitaalwetenschappen;
  eventueel een specialist.
  Wanneer de dienst binnen de in artikel 4, 7°, omschreven equipe beschikt over een maatschappelijk assistent of een maatschappelijk verpleger of een psycholoog of een psychopedagoog of een licentiaat in de gezins- en seksuologische wetenschappen of een licentiaat in de medico-sociale en hospitaalwetenschappen, gebeurt de samenstelling van de equipeaanvulling vrij tussen deze functies zodanig dat de onder a) en b) vermelde functies steeds vertegenwoordigd zijn.
  Art. 8. Elke dienst kan worden erkend in één van de volgende categorieën :
  1° categorie 1 : de dienst vervult één of twee van de in artikel 45, 1° tot 3°, van het decreet omschreven taken voor ten minste 12 gehandicapten. Deze categorie omvat de voor de eerste keer erkende dienst;
  2° categorie 2 : de dienst vervult één of twee van de in artikel 45, 1° tot 3°, van het decreet omschreven taken voor ten minste 20 gehandicapten;
  3° categorie 3 : de dienst vervult één of twee van de in artikel 45, 1° tot 3°, van het decreet omschreven taken voor ten minste 40 gehandicapten;
  4° categorie 4 : de dienst vervult één of twee van de in artikel 45, 1° tot 3°, van het decreet omschreven taken voor ten minste 20 gehandicapten per taak;
  5° categorie 5 : de dienst uit één van de categorieën 1 tot 4 die bovendien de in artikel 45, 4°, van het decreet omschreven taak vervult.
  Hiertoe selecteert hij de gastgezinnen, hierbij bijzonder rekening houdend met hun vermogen om een opvang te ontwikkelen die in overeenstemming is met de behoeften van de gehandicapte.
  Art. 9. Om de aantallen in artikel 8 genoemde gehandicapten te bepalen, omvat een begeleiding ten minste twee maandelijkse tussenkomsten door één van de leden van de equipe voor begeleiding bedoeld in artikel 7.
  Het Collegelid definieert de inhoud van de tussenkomsten die in dat kader overwogen moeten worden. Het College kan, op voorstel van het bestuur en in naleving van de bepaling van de artikelen 18, 19 en 20, de categorie waarvoor de dienst voor begeleiding erkend is wijzigen wanneer het aantal begeleide personen lager ligt dan het voor de categorie gedurende zes opeenvolgende maanden vereiste aantal.
  De gehandicapten die hun verzoek tot erkenning nog niet hebben ingediend, worden in deze aantallen eveneens in aanmerking genomen.
  Art. 10. § 1. Elke dienst kan erkend worden voor één of meerdere bijbehorende functies :
  1° de begeleide huisvesting : het betreft een woning die door de dienst ter beschikking van een begeleide gehandicapte wordt gesteld voor een welbepaalde en hernieuwbare termijn, met de bedoeling zijn autonomie te vergroten. De begeleiding die hieruit voortvloeit is hoofdzakelijk individueel en heeft betrekking op de domeinen van het dagdagelijks leven. De dienst is eigenaar of huurder van de woningen die hij verhuurt of onderverhuurt aan ten minste 5 gehandicapten. In het kader van de verdeling van de gemeenschappelijke ruimten, telt een woning maximum 7 personen in één- of tweepersoonskamers. De begeleide huisvesting blijft een bijbehorende taak tegenover de hoofdtaak van de begeleiding;
  2° de halte-bewaarplaats : plaats van occasionele dagopvang voor gehandicapte kinderen onder 6 jaar in naleving van het decreet van 17 juli 2002 houdende hervorming van de " Office de la Naissance et de l'Enfance, ONE ", en van het besluit van 31 mei 1999 tot vaststelling van de voorschriften voor een degelijke opvang;
  3° de organisatie van vrijetijdsbesteding : organisatie van verblijven voor gehandicapten tijdens weekends en vakanties, voor ten minste 4 weekends per jaar en 10 vakantiedagen;
  4° bijstand bij schoolintegratie voor gehandicapte kinderen uit het kleuter, lager of gewoon secundair onderwijs wanneer ze er zijn ingeschreven of wanneer de gehandicapte in het bijzonder onderwijs een tweede handicap heeft die niet onder het gevolgd bijzonder onderwijs valt.
  Deze hulp omvat de psycho-pedagogische ondersteuning, de hulp bij het gebruik van het specifiek materieel, de coördinatie of de bemiddeling tussen de diverse interveniënten die kunnen tussenbeide komen in het integratieproces, met uitzondering van elke therapeutische tussenkomst.
  § 2. De diensten van de categorieën 1 en 2 mogen ten hoogste één aanvullende taak vervullen die verband houdt met de taak waarvoor ze erkend zijn.
  De diensten van categorie 3 mogen ten hoogste twee aanvullende taken vervullen die verband houden met de taak waarvoor ze erkend zijn.
  De diensten van categorie 4 mogen ten hoogste drie aanvullende taken vervullen die verband houden met de taak waarvoor ze erkend zijn.
  § 3. De door de bijbehorende functies van halte-bewaarplaats en van organisatie van vrijetijdsbesteding vallen niet onder de vereisten van de artikelen 5 en 6.
  Art. 11. De erkenningsaanvraag moet bij een ter post aangetekende brief bij het bestuur worden ingediend volgens het daartoe bestemde model. Het bestuur bericht hiervan ontvangst binnen de tien dagen.
  De aanvraag moet de volgende documenten en inlichtingen bevatten :
  1° een kopie van de statuten van de vzw zoals ze zijn verschenen in het Belgisch Staatsblad, samen met de eventuele wijzigingen eraan, alsook de lijst met de leden van de raad van bestuur;
  2° de naam van de dienst, de adressen van zijn maatschappelijke zetel en van zijn activiteitenzetels;
  3° de beschrijving van de huidige of geplande activiteiten, de opdracht(en) die de dienst denkt te vervullen, de categorie waaronder de dienst wenst te vallen, de beschrijving van de middelen die zullen worden ingezet om deze opdrachten te verzekeren en de datum van inwerkingtreding van de gewenste erkenning;
  4° de naam van de verantwoordelijke voor het dagelijks beheer die door de organiserende overheid gemachtigd is om de dienst te vertegenwoordigen;
  5° een kopie van de plannen van de bezette gebouwen met vermelding van de bestemming en oppervlakte van de lokalen;
  6° het rapport van de gewestelijke brandweerdienst daterend van minder dan drie jaar geleden;
  7° het huishoudelijk reglement van de dienst;
  8° het model van de overeenkomst bedoeld in artikel 5;
  9° de lijst van het personeel van de dienst, met diens opleiding, functie, arbeidsstelsel of, in voorkomend geval, het aanwervingsplan van het personeel;
  10° voor elk lid van dit personeel, een kopie van de overeenkomst die het lid bindt aan de dienst, en de getuigschriften die bewijzen dat hij voldoet aan de voorwaarden in het besluit ten aanzien van zijn functie en zijn anciënniteit;
  11° een kopie van het contract inzake burgerlijke aansprakelijkheid tegenover de opgevangen gehandicapten;
  12° de lijst van de specifieke apparatuur waarover de dienst beschikt of die hij denkt te zullen aanschaffen;
  13° het arbeidsreglement;
  14° de eventuele partnership-overeenkomsten met derde instellingen met het oog op de uitvoering van de taken van de dienst.
  Art. 12. Het huishoudelijk reglement bedoeld in artikel 11, 7°, preciseert :
  1° de rechten en plichten van de gehandicapte;
  2° de verplichtingen van de dienst jegens de opgevangen gehandicapten;
  3° de beschrijving van de dienst en van zijn werking;
  4° de modaliteiten voor de indiening van klachten en de wijze waarop ze worden verwerkt;
  5° de naam van de verantwoordelijke voor de dienst, van de voorzitter van de raad van bestuur en van de maatschappelijke zetel van de vereniging zonder winstbejag;
  6° de gegevens van het bestuur.
  Art. 13. Indien de erkenningsaanvraag niet volledig is, licht het bestuur de aanvrager in dat hij drie maanden de tijd heeft om zijn aanvraag volledig te maken. Zo niet, wordt de aanvraag als nietig beschouwd.
  Art. 14. Wanneer de erkenningsaanvraag volledig is, onderzoekt het bestuur haar en organiseert het een bezoek om na te gaan of de dienst voldoet aan de erkenningsvoorwaarden.
  Het bestuur maakt de aanvraag over aan het Collegelid. Het voegt er een voorstel van beslissing bij. Het Collegelid legt dit voorstel voor aan de sectie " gehandicapten " van de Adviesraad. Hij preciseert de termijn die kan worden uitgetrokken voor het advies.
  Binnen de dertig dagen na het geven van dit advies, maakt het bestuur dit over aan het Collegelid, samen met een voorstel van beslissing.
  De beslissing van het College wordt door het bestuur aan de aanvrager betekend.
  Art. 15. Het College kent de erkenning toe voor een duur van vijf jaar die niet eerder kan aanvangen dan op de datum van ontvangst van de aanvraag.
  Deze duur kan worden hernieuwd overeenkomstig de bepalingen van artikel 16.
  De erkenningsbeslissing plaatst de dienst in een van de in artikel 8 bepaalde categorieën en bepaalt desgevallend de bijbehorende functies waarvoor de erkenning wordt toegekend.
  Art. 16. De aanvraag om hernieuwing van de erkenning van de dienst wordt bij het bestuur ingediend uiterlijk zes maand vóór het verstrijken van de periode waarvoor de vorige erkenning geldt.
  De dienst blijft erkend tot het College over de hernieuwingsaanvraag beslist heeft.
  De documenten in het oorspronkelijk dossier hoeven niet bij de hernieuwingsaanvraag gevoegd te worden voor zoverre zij nog altijd conform de oorspronkelijke situatie zijn.
  Het bestuur onderzoekt de aanvraag om hernieuwing van de erkenning en organiseert een bezoek om na te gaan of de dienst nog altijd voldoet aan de erkenningsvoorwaarden.
  Art. 17. Elke aanvraag om wijziging van de erkenning door de dienst wordt bij het bestuur ingediend. Deze aanvraag preciseert en motiveert het doel van de wijziging.
  Het bestuur informeert de dienst omtrent de elementen die nodig zijn voor het onderzoeken van de aanvraag. Deze aanvraag wordt onderzocht en er wordt een beslissing genomen overeenkomstig de regels die van toepassing zijn op de aanvraag om erkenning.
  Art. 18. De dienst die niet langer voldoet aan één van de erkenningsvoorwaarden wordt hiervan op de hoogte gebracht door het bestuur en verzocht dit in orde te brengen.
  Art. 19. Wanneer binnen de twee maanden nog altijd niet aan die voorwaarde voldaan is, geeft het bestuur de dienst bij een ter post aangetekende brief kennis van een met redenen omklede ingebrekestelling.
  Indien het bestuur na één maand vaststelt dat de erkenningsvoorwaarden nog altijd niet vervuld zijn, bezorgt het aan het Collegelid een voorstel tot opening van de procedure tot wijziging, opschorting of intrekking van de vergunning. In dit voorstel wordt rekening gehouden met de toestand van het personeel en de gehandicapten.
  Indien het Collegelid zijn goedkeuring hecht aan dit voorstel, geeft het bestuur hiervan bij een ter post aangetekende brief kennis aan de dienst. De dienst heeft dertig dagen om een toelichting in te dienen en om zijn verzoek gehoord te worden bij het bestuur dat de dag en het uur van de hoorzitting vaststelt.
  Het bestuur bezorgt binnen de dertig dagen die volgen op de hoorzitting een voorstel tot behoud, tot wijziging, tot opschorting of tot intrekking van de vergunning aan het Collegelid dat het voorlegt aan de sectie " gehandicapten " van de Adviesraad die advies uitbrengt binnen de drie maand na de aanhangigmaking.
  Het bestuur dient binnen dertig dagen na ontvangst van het advies van de sectie " gehandicapten " van de Adviesraad het voorstel en voornoemd advies in bij het Collegelid. Het College beslist binnen de twee maand na ontvangst van het advies.
  Van de beslissing van het College wordt door het bestuur bij een ter post aangetekende brief kennis gegeven.
  Art. 20. De beslissing tot opschorting of intrekking van de erkenning leidt tot de stopzetting van de tegemoetkomingen aan de dienst op de door het College vastgestelde datum.
  Het bestuur deelt de beslissing tot wijziging, opschorting of intrekking van de erkenning onverwijld mee aan het personeel van de dienst alsook aan hun vakbondsafgevaardigden.
  De dienst deelt de beslissing tot intrekking van de erkenning onverwijld mee aan de opgevangen gehandicapten of aan hun wettelijke vertegenwoordigers. Indien de dienst hieromtrent in gebreke blijft, vervult het bestuur deze verplichting ten aanzien van de opgevangen gehandicapten.
  Sectie 2. - De financiële bijdrage.
  Art. 21. De gehandicapte draagt bij in de werkingskosten van de dienst waarmee hij een overeenkomst heeft afgesloten en betaalt hem hiertoe een maandelijkse financiële bijdrage.
  Deze bijdrage ligt tussen 1,32 en 13,16 euro en houdt rekening met de middelen van de geïnteresseerde.
  Voor de bijbehorende functie van begeleide huisvesting neemt de gehandicapte bovendien de huur en huurlasten op zich.
  Voor de bijbehorende functie van halte-bewaarplaats betaalt de gehandicapte een maandelijkse financiële bijdrage die niet hoger mag zijn dan de door de " Office de la Naissance et de l'Enfance " toegepaste barema's.
  De gehandicapte draagt eveneens de verblijf- en vervoerkosten en de kosten van activiteiten in verband met de bijbehorende functie van organisatie van vrijetijdsbesteding.
  Art. 22. In afwijking van artikel 21, eerste lid, wordt de door de gehandicapte die ouder is dan 21, niet schoolgaand is en in een gastgezin verblijft, gedragen financiële bijdrage vastgesteld op maximum het aan het gastgezin gestort dagforfait. De dienst voor begeleiding let erop dat de persoon van meer dan 21 jaar die in een gastgezin verblijft over een minimumbedrag van 131,71 euro per maand kan beschikken en, indien hij de hoedanigheid van arbeider heeft, over een bedrag dat gelijk is aan één derde van zijn nettomaandloon, zonder dat dit minder mag bedragen dan 171,25 euro.
  Art. 23. Wanneer de volwassen, niet schoolgaande gehandicapte zowel in een gezin als in een dagcentrum is geplaatst, wordt de financiële bijdrage met betrekking tot het dagcentrum afgetrokken van die voor de plaatsing in het gezin.
  Art. 24. 1° Indien de gehandicapte financieel niet in staat is de gevraagde bijdrage te dragen, dient hij bij het bestuur een verzoek in voor een verlaagd tarief. Dit verzoek wordt vergezeld van alle bewijzen dat hij over onvoldoende middelen beschikt.
  Het bestuur stelt het bedrag van de financiële bijdrage die de gehandicapte verschuldigd is vast met het oog op zijn inkomsten en zijn persoonlijke en gezinslasten.
  2° De dienst stuurt, binnen de drie maand die volgen op de verzending van de door hem opgemaakte maandafrekening, twee herinneringsbrieven, de laatste aangetekend met bewijs van ontvangst, naar de gehandicapte of zijn wettelijke vertegenwoordiger. Indien de dienst het bedrag niet heeft ontvangen binnen de drie maand die volgen op het aangetekend schrijven, wordt het bedrag van de financiële bijdrage niet afgetrokken van de jaartoelage en wordt de schuldvordering, de dag na deze termijn, geacht ten laste van de Franse Gemeenschapscommissie te zijn.
  Sectie 3. - De betoelaging.
  Art. 25. Een jaarlijkse betoelaging wordt toegekend aan de diensten inzake personeel, opleiding en werking.
  Art. 26. § 1. De referentienormen die maandelijks gebruikt worden voor de berekening van de betoelaging van de personeelskosten per categorie zijn :
  1° categorie 1 : 1 1/2 voltijds;
  2° categorie 2 : 2 1/2 voltijds;
  3° categorie 3 : 3 1/2 voltijds;
  4° categorie 4 : 4 1/2 voltijds.
  § 2. Vanaf categorie 2, binnen de perken van bovenstaande normen, kan de tenlasteneming van een halftijdse directeur overwogen worden.
  § 3. De toelage voor personeelskosten van de erkende equipe wordt berekend op basis van de in bijlage I NM van het besluit NM vastgestelde barema's en omvat in bijlage V NM van het besluit NM vastgestelde patronale lasten en andere voordelen op basis van de in bijlage IV NM van het besluit NM vastgestelde anciënniteit. De baremaschalen die overeenstemmen met elke functie worden bepaald in bijlage II NM van het besluit NM. De betoelaagde functies en de specifieke toegangsvoorwaarden tot die functies zijn bepaald in bijlage III NM van het besluit NM.
  § 4. Deze toelage wordt met maximum één percent opgetrokken om de verantwoorde kosten te dekken voor de opleiding van het personeel en de supervisie van de in artikel 7 bedoelde equipe.
  Art. 27. De toelage voor de werkingskosten wordt beperkt tot :
  1° 10 985,32 euro voor de diensten uit categorie 1;
  2° 19 112,44 euro voor de diensten uit categorie 2;
  3° 24 605,18 euro voor de diensten uit categorie 3;
  4° 31 415,14 euro voor de diensten uit categorie 4.
  Zij omvat de verplaatsingskosten van het personeel.
  Art. 28. Een aanvullende toelage wordt aan de dienst toegekend om de personeels- en werkingskosten te dekken die zijn gemaakt om de bijbehorende functie(s) te verrichten warvoor hij erkenning heeft gekregen.
  Deze bijkomende toelage wordt toegekend overeenkomstig de bepalingen van artikel 26 voor hetgeen de personeelskosten betreft.
  Voor de bijbehorende functie van begeleide huisvesting, wordt deze toelage als volgt toegekend :
  11 855,45 euro voor de huisvesting van 3 à 6 gehandicapten;
  23 710,90 euro voor de huisvesting van 7 en meer gehandicapten.
  Voor de bijbehorende functie van organisatie van vrijetijdsbesteding, bedraagt deze toelage maximum 23 710,90 euro.
  Voor de bijbehorende functie van halte-bewaarplaats bedraagt deze toelage 12 394,68 euro.
  Voor de bijbehorende functie van hulp bij schoolintegratie bedraagt deze toelage maximum 18 964 euro.
  De financiële bijdragen van de gehandicapten met betrekking tot de bijbehorende functies worden afgetrokken van de aanvaardbare werkingskosten.
  Art. 29. Een jaarlijkse toelage, bovenop deze voorzien in artikel 25, wordt aan de diensten uit categorie 5 toegekend voor het dekken van :
  1° De kosten van bezoldiging van het personeel voorzien in artikel 7, 3e lid van het besluit op basis van de volgende normen :
  a) psycholoog of assistent in de psychologie of een psychopedagoog of een licentiaat in de gezins- en seksuologische wetenschappen of een licentiaat in de medico-sociale of hospitaalwetenschappen of maatschappelijk assistent of maatschappelijk verpleger : deeltijd (1/8) voor 4 in het kader van gezinsonthaalproces opgevangen gehandicapten; om dit aantal te bepalen wordt rekening gehouden met het jaargemiddelde van de maandelijks opgevangen gehandicapten;
  b) geneesheer-specialist : deeltijd (1/6) voor 10 in het kader van een opvangproces begeleide gehandicapten; om dit aantal te bepalen wordt rekening gehouden met het jaargemiddelde van de maandelijks opgevangen gehandicapten.
  2° de bijkomende werkingskosten met betrekking tot de specifieke functies van gezinsplaatsing, beperkt tot :
  een forfaitair bedrag van 379,28 euro vermenigvuldigd met het jaargemiddelde van de elke maand in het kader van de gezinsplaatsing opgevangen gehandicapten,
  en een bedrag van 2,27 euro vermenigvuldigd met het aantal nachten opvang;
  3° het door de dienst aan het gastgezin gestort dagforfait. Dit forfait is vastgelegd op 17,70 euro per nacht opvang.
  Art. 30. De jaarsubsidie wordt uitbetaald in de vorm van maandelijkse voorschotten, uiterlijk op de laatste werkdag van de maand die voorafgaat aan de maand waarvoor de subsidie wordt toegekend en wordt vereffend op basis van de bepalingen van deze sectie.
  Art. 31. Het maandelijks voorschot houdt rekening met de erkende categorie, de evolutie van het personeel in termen van kwalificatie, aantal en anciënniteit alsook, desgevallend, met het aantal en de categorie van de in een gastgezin opgevangen gehandicapten.
  Uiterlijk drie weken voor de verzending voor betaling aan de bankinstelling, maakt het bestuur de voorstellen betreffende de voorschotten met betrekking tot elke dienst, voor akkoord over aan het Collegelid.
  Bij niet-naleving van artikel 4, 12°, waarbij de dienst ertoe gehouden is het bestuur binnen de vijftien dagen op de hoogte te brengen van elke wijziging inzake de voorwaarden van zijn erkenning en betoelaging, zal in de berekening van de maandelijkse voorschotten geen rekening gehouden worde met deze wijzigingen.
  Art. 32. De dienst moet een balans van de activiteiten en een dossier met bewijsstukken voor de berekening van de jaartoelage indienen bij het bestuur vóór 31 mei van het boekjaar dat volgt op het kalenderjaar waarvoor de toelage gevraagd wordt.
  Het dossier bevat minstens de bewijsstukken betreffende :
  1° de personeelskosten die de in de artikelen 26 en 29 gedefinieerde loonmassa omslaan;
  2° de in bijlage 3 bedoelde werkingskosten, inclusief de verplaatsingskosten van het personeel in het kader van zijn functies en de diensten in verband met de uitvoering van administratieve, boekhoudkundige, medische, paramedische taken en het onderhoud van de gebouwen;
  3° de financiële bijdrage van de gehandicapten en het aan de gastgezinnen in het kader van de gezinsplaatsing te storten dagforfait.
  Het bestuur controleert de bewijsstukken en stelt het verschil vast tussen het in artikel 30 bedoeld voorschot en het bedrag van de jaartoelage, in één beslissing voor alle erkende diensten samen. Deze beslissing wordt genomen uiterlijk op 30 juni van het jaar dat volgt op het boekjaar waarin het dossier met bewijsstukken werd ingediend.
  Art. 33. Wanneer het bestuur vaststelt dat de maandelijks aan de dienst uitbetaalde voorschotten hoger zijn dan de verschuldigde jaartoelage, recupereert het het teveel betaalde.
  Wanneer deze situatie veroorzaakt is door het niet-naleven door de dienst van de bepalingen van punt 12 van artikel 4, wordt het teveel geïnde bedrag verhoogd met intersten aan de voor dat jaar geldende hogere interventievoet van de Nationale Bank. De moratoire interesten zijn rechtens verschuldigd vanaf de datum van instelling van de rekening voor de subsidie.
  Deze invordering kan uitzonderlijk, op verzoek van de dienst, het voorwerp zijn van termijnen. Het bestuur maakt dan een aanzuiveringsplan op van het teveel geïnde en maakt het voor akkoord over aan het Collegelid.
  Art. 34. Wanneer het bestuur vaststelt dat het door de dienst teveel geïnde het resultaat is van de door hem verstrekte opzettelijk foutieve inlichtingen of van zware beheersfouten, maakt het een voorstel tot opening van de procedure tot intrekking van de erkenning aan het Collegelid over. Over dit voorstel wordt beslist overeenkomstig artikel 15. "

  Art. 4. In bijlage 3 van het besluit wordt de rubriek 619 " Andere kosten voor algemeen beheer " aangevuld met de volgende regel :

  61925.  Extern sociaal secretariaat              X              Y



  Art. 5. De bedragen die zijn opgenomen in artikel 3 zijn gekoppeld aan de referentiegezondheidsindex van december 2002.
  Vanaf 1 januari 2004 worden zij jaarlijks aangepast op 1 januari rekening houdend met de index van de consumptieprijzen bedoeld in hoofdstuk II van het koninklijk besluit van 24 december 1993 houdende uitvoering van de wet van 6 januari 1989 ter bescherming van het concurrentievermogen van het land, hieronder gezondheidsindex genaamd, volgens de formule :

  basisbedrag op 31.12 van het jaar n-1 x gezondheidsindex december van het
   jaar n-1/gezondheidsindex december van het jaar n-2



  Art. 6. Dit besluit treedt in werking op de eerste dag van de maand van de bekendmaking in het Belgisch Staatsblad, uitgezonderd artikel 4 dat in werking treedt op 1 januari 2001. (NOTA van Justel : dit stemt niet overeen met het Frans origineel)

  Art. 7. Het Collegelid dat bevoegd is voor het Gehandicaptenbeleid wordt belast met de uitvoering van dit besluit.
  Brussel, 10 juli 2003.
  Namens de Franse Gemeenschapscommissie :
  E. TOMAS,
  Voorzitter van het College
  W. DRAPS,
  Collegelid belast met Gehandicaptenbeleid
  HUTCHINSON,
  Collegelid belast met Begroting

Aanhef Tekst Inhoudstafel Begin
   Het College,
   Gelet op de bijzondere wet van 8 augustus 1980 betreffende de hervorming der instellingen, inzonderheid artikel 83, § 3, gewijzigd bij de bijzondere wet van 16 juli 1993;
   Gelet op decreet II van de Franse Gemeenschap van 19 juli 1993 betreffende de overdracht van sommige bevoegdheden van de Franse Gemeenschap aan het Waals Gewest en de Franse Gemeenschapscommissie, inzonderheid artikel 4, 1°;
   Gelet op decreet III van de Franse Gemeenschapscommissie van 22 juli 1993 betreffende de overdracht van sommige bevoegdheden van de Franse Gemeenschap aan het Waals Gewest en de Franse Gemeenschapscommissie, inzonderheid artikel 4, 1°;
   Gelet op het decreet van de Franse Gemeenschapscommissie van 4 maart 1993 betreffende de sociale integratie van de gehandicapten en hun inschakeling in het arbeidsproces, inzonderheid de artikelen 36, 37 en 38;
   Gelet op het besluit van het College van de Franse Gemeenschapscommissie van 6 april 2000 betreffende de erkenning en subsidiëring van de diensten voor begeleiding en de diensten voor dovenvertolking;
   Gelet op de adviezen van de Sectie " Gehandicapten " van de Franstalige Brusselse Adviesraad voor Bijstand aan Personen en Gezondheid, gegeven op 23 november 2001 en 31 januari 2003;
   Gelet op het advies van de Inspectie van Financiën, gegeven op 5 maart 2003;
   Gelet op het akkoord van het Collegelid belast met Begroting;
   Gelet op de beraadslaging van het College van 20 maart 2003 omtrent het verzoek om advies van de Raad van State binnen een termijn van maximaal één maand;
   Gelet op het advies van de Raad van State, overeenkomstig artikel 84, eerste lid, 1°, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State;
   Op voorstel van het Collegelid belast met gehandicaptenbeleid,
   Besluit :

Begin Eerste woord Laatste woord Aanhef
Inhoudstafel
Franstalige versie