J U S T E L     -     Geconsolideerde wetgeving
Einde Eerste woord Laatste woord Wijziging(en) Aanhef
Inhoudstafel 3 uitvoeringbesluiten 4 gearchiveerde versies
Handtekening Einde Franstalige versie
 
belgiëlex . be     -     Kruispuntbank Wetgeving
Raad van State
ELI - Navigatie systeem via een Europese identificatiecode voor wetgeving
http://www.ejustice.just.fgov.be/eli/besluit/2003/05/15/2003031284/justel

Titel
15 MEI 2003. - Besluit van de Brusselse Hoofdstedelijke Regering tot vaststelling van de exploitatievoorwaarden voor bepaalde installaties voor het overspuiten van voertuigen of voertuigonderdelen die gebruik maken van oplosmiddelen.
(NOTA : Raadpleging van vroegere versies vanaf 12-06-2003 en tekstbijwerking tot 04-05-2018)

Bron : BRUSSELS HOOFDSTEDELIJK GEWEST
Publicatie : 12-06-2003 nummer :   2003031284 bladzijde : 31888       PDF :   originele versie    
Dossiernummer : 2003-05-15/70
Inwerkingtreding : 12-06-2003

Deze tekst wijzigt de volgende tekst :2001031437       

Inhoudstafel Tekst Begin
Doel en toepassingsgebied
Art. 1
Definities.
Art. 2
(Verbod bij nieuwe inrichtingen)<BESL 2006-11-21/31, art. 3, 002; Inwerkingtreding : 23-11-2006>
Art. 3
(Verbod bij bestaande installaties)<BESL 2006-11-21/31, art. 4, 002; Inwerkingtreding : 23-11-2006>
Art. 4
Belangrijke wijziging.
Art. 5
Gegevensverstrekking.
Art. 6
Producten.
Art. 7
Materiaal.
Art. 8
Gebruik van de lokalen.
Art. 9
Veiligheid.
Art. 10
Luchtfilterinstallaties.
Art. 11
Onderhoud van de verfspuitcabine.
Art. 12
Afvoer van dampen en emanaties, uitstoot in de lucht.
Art. 13
Opvanginstallatie voor oplosmiddelen.
Art. 14
Opslag en verwijdering van afvalstoffen.
Art. 15
Afvalwaterbeheer.
Art. 16
Reiniging van de lokalen.
Art. 17
Werkingsuren.
Art. 18
Register.
Art. 19
Controle.
Art. 20-21
Voorbehandeling, voorbereiding of afwerking.
Art. 22
Niet-naleving.
Art. 23
Verandering van exploitant.
Art. 24
Opheffingsbepaling.
Art. 25
Inwerkingtreding.
Art. 26
Uitvoering.
Art. 27
BIJLAGEN.
Art. N

Tekst Inhoudstafel Begin
Doel en toepassingsgebied

  Artikel 1.Dit besluit heeft de omzetting tot doel van richtlijn 1999/13/EG van de Raad van 11 maart 1999 inzake de beperking van de emissie van vluchtige organische stoffen ten gevolge van het gebruik van organische oplosmiddelen bij bepaalde werkzaamheden en in installaties. Het heeft tot doel de directe en indirecte effecten van de emissie van vluchtige organische stoffen in het milieu, voornamelijk de lucht, en de mogelijke risico's voor de menselijke gezondheid te voorkomen of te verminderen door maatregelen vast te stellen en procedures in te voeren voor de installaties die opgenomen zijn in rubriek 138, eerste streepje, van het besluit van de Brusselse Hoofdstedelijke Regering van 4 maart 1999 tot vaststelling van de ingedeelde inrichtingen van klasse IB, II en III, met name installaties met een jaarlijks verbruik van organische oplosmiddelen van minder dan 15 ton per jaar waarin voertuigen of voertuigonderdelen worden overspoten of gecoat.
  [1 De activiteiten omvatten de reiniging van de procesapparatuur, maar niet de reiniging van de werkstukken.]1
  ----------
  (1)<BESL 2018-04-26/05, art. 32, 005; Inwerkingtreding : 03-06-2018>

  Definities.

  Art. 2.<BESL 2006-11-21/31, art. 2, 002; Inwerkingtreding : 23-11-2006> Artikel 2 van het besluit van de Brusselse Hoofdstedelijke Regering tot wijziging van het besluit van 15 mei 2003 tot vaststelling van de exploitatievoorwaarden voor bepaalde installaties voor het overspuiten van voertuigen of voertuigonderdelen die gebruik maken van oplosmiddelen wordt vervangen door de volgende tekst :
  " Voor de toepassing van dit besluit wordt verstaan onder :
  1° installatie : een vaste technische eenheid, waar één of meer van de onder artikel 1 vallende activiteiten plaatsvinden, en alle andere daar rechtstreeks mee samenhangende activiteiten die verband houden met de op die locatie verrichte activiteiten en die een invloed kunnen hebben op emissies;
  2° [3 'bestaande installatie': een installatie die in bedrijf is op 29 maart 1999 of die vóór 1 april 2001 een milieuvergunning heeft verkregen, of waarvan de exploitant vóór 1 april 2001 een volledige aanvraag voor een milieuvergunning heeft ingediend, mits die installatie uiterlijk 1 april 2002 in gebruik is genomen;]3
  3° nieuwe installatie : alle installaties die niet vermeld worden in het punt 2° hierboven;
  4° exploitant : een exploitant in de zin van de ordonnantie van 5 juni 1997 betreffende de milieuvergunningen die een installatie exploiteert die onder de bepaling van dit besluit valt;
  5° instituut : Brussels Instituut voor Milieubeheer, opgericht bij het koninklijk besluit van 8 maart 1989 tot oprichting van het Brussels Instituut voor Milieubeheer;
  6° stoffen : chemische elementen en hun verbindingen die in de natuur voorkomen of door de industrie worden geproduceerd, in vaste of vloeibare vorm of gasvorm;
  7° organische verbinding : een verbinding die ten minste het element koolstof bevat en daarnaast een of meer van de volgende elementen : waterstof, halogenen, zuurstof, zwavel, fosfor, silicium en stikstof, met uitzondering van koolstofoxiden en anorganische carbonaten en bicarbonaten;
  8° vluchtige organische stof (VOS) : een organische verbinding die een dampspanning van 0,01 kPa of meer heeft bij een temperatuur van 293,15 °K, of die een vergelijkbare vluchtigheid heeft onder de specifieke gebruiksomstandigheden.
  Voor de toepassing van dit besluit wordt de fractie creosoot, die deze dampspanning overschrijdt bij een temperatuur van 293,15 °K, beschouwd als een VOS;
  9° organisch oplosmiddel : een VOS die alleen of in combinatie met andere stoffen en zonder een chemische verandering te ondergaan wordt gebruikt om grondstoffen, producten of afvalstoffen op te lossen of als schoonmaakmiddel om verontreinigingen op te lossen, dan wel als verdunner, als dispergeermiddel, om de viscositeit aan te passen, om de oppervlaktespanning aan te passen, als weekmaker of als beschermend middel;
  10° gehalogeneerd organisch oplosmiddel : een organisch oplosmiddel dat ten minste één broom-, chloor-, fluor- of jodiumatoom per molecuul bevat;
  11° standaardomstandigheden (N) : een temperatuur van 273,15 °Kelvin en een druk van 101,3 kPa;
  12° emissie : de uitstoot van vluchtige organische stoffen, in het milieu, die zijn toe te schrijven aan een installatie;
  13° emissiegrenswaarde : de massa van de vluchtige organische stoffen, uitgedrukt als bepaalde specifieke parameters (concentratie, percentage en/of niveau van een emissie), berekend in standaardomstandigheden (N) die gedurende één of meer periodes niet overschreden mogen worden;
  14° massastroom : de hoeveelheid vrijgekomen VOS uitgedrukt in eenheden van massa/uur;
  15° nominale capaciteit : de massa van de installatie gemiddeld over één dag maximaal als input gebruikt, wanneer deïnstallatie onder normale bedrijfsomstandigheden en bij de ontwerpoutput functioneert;
  16° gesloten systeem : een systeem waarbij de installatie zodanig functioneert dat de uit de activiteit vrijkomende VOS gecontroleerd worden afgevangen en uitgestoten, hetzij via een afgaskanaal of via nabehandelingsapparatuur, en derhalve niet meer volledig diffuus zijn;
  17° belangrijke wijziging : een verandering van de nominale capaciteit die leidt tot een toename van de emissies van vluchtige organische stoffen :
  - met meer dan 10 %, voor installaties die per jaar 10 ton oplosmiddel of meer gebruiken;
  - met meer dan 25 %, voor installaties die minder dan 10 ton oplosmiddel per jaar gebruiken;
  Iedere verandering die naar de mening van het Brussels Instituut voor Milieubeheer aanzienlijke negatieve gevolgen voor de menselijke gezondheid of het milieu kan hebben;
  18° [1 mengsel : in de zin van Verordening (EG) nr. 1272/2008 van het Europees Parlement en de Raad van 16 december 2008 betreffende de indeling, etikettering en verpakking van stoffen en mengsels, tot wijziging en intrekking van de Richtlijnen 67/548/EEG en 1999/45/EG en tot wijziging van Verordening (EG) nr. 1907/2006, een mengsel of een oplossing bestaande uit twee of meer stoffen;]1
  19° [1 coating : een mengsel, met inbegrip van alle voor een juist gebruik benodigde organische oplosmiddelen of mengsels die organische oplosmiddelen bevatten, dat wordt gebruikt om voor een decoratief, beschermend of ander functioneel effect te zorgen op een oppervlak, op :
   a) nieuwe auto's die in het koninklijk besluit van 15 maart 1968 houdende algemeen Règlement op de technische eisen waaraan de auto's, hun aanhangwagens, hun onderdelen en hun veiligheidstoebehoren moeten voldoen, worden gedefinieerd als voertuigen van categorie M1 en, voorzover de coating plaatsvindt in dezelfde installatie als voertuigen van M1, van categorie N1;
   b) vrachtwagencabines, gedefinieerd als de behuizing voor de chauffeur en de daarmee geïntegreerde behuizing voor de technische apparatuur van voertuigen, die in het koninklijk besluit van 15 maart 1968 als voertuigen van de categorieën N2 en N3 worden gedefinieerd;
   c) bestelwagens en vrachtwagens, in het koninklijk besluit van 15 maart 1968 gedefinieerd als voertuigen van de categorieën N1, N2 en N3, met uitzondering van vrachtwagencabines;
   d) bussen, in het koninklijk besluit van 15 maart 1968 gedefinieerd als voertuigen van de categorieën M2 en M3;
   e) aanhangwagens, gedefinieerd in de categorieën 01, 02, 03 en 04 in het koninklijk besluit van 15 maart 1968; ]1
  20° overspuiten van voertuigen : alle industriële of commerciële activiteiten voor het aanbrengen van een coating en de daarmee verband houdende ontvettingsactiviteiten waaronder:
  - het aanbrengen van een coating op wegvoertuigen, zoals gedefinieerd in het koninklijk besluit van 15 maart 1968, of op een deel daarvan, als onderdeel van de reparatie, de bescherming of de decoratie van voertuigen, dat plaatsvindt buiten de fabricage-installaties;
  - het aanbrengen van de originele coating op wegvoertuigen, zoals gedefinieerd in het koninklijk besluit van 15 maart 1968, of op een deel daarvan, met voor het overspuiten gebruikelijke lakken, op een andere plaats dan de oorspronkelijke fabricagelijn;
  - het aanbrengen van een coating op aanhangwagens (met inbegrip van opleggers) (categorie O).
  21° voorbehandeling :
  - het schuren, het verwijderen van vuil, olie en vetten, schilfers, korsten van het branden, lamineren of solderen, roest of andere corrosieve producten, oude coating, die de voorwerpen bedekken die geverfd, gelakt of gevernist moeten worden;
  - de voorafgaande behandeling met branders of met vlammen.
  22° voorbereiding :
  - het spuiten van een grondlaag (aanbrengen van "surfacer", "primer", "fuller") door middel van een snelle luchtstroom;
  - de voorafgaande behandeling via een mechanisch procédé, zoals afkrabben, borstelen, schuren en de behandeling via luchtdruk, centrifuge of vloeistofstraal;
  - de chemische reiniging door middel van :
  - een basische ontvetter in ontvettingsbaden, in besproeiingstunnels of met een stoomstraal;
  - (organische) oplosmiddelen met de hand, in onderdompelingskuipen, in besproeiingstunnels of in ontvettingsapparaten met stoom;
  - emulsies of van producten die emulsies vormen bij het reinigen;
  - het afbijten om oxidatieproducten of lamineerkorsten te verwijderen.
  - het aanbrengen van anorganische conversielagen door inwerking van chemische stoffen, waarbij het metaal zelf bijdraagt tot de samenstelling van de deklaag;
  23° afwerking : het spuiten van verf of vernis door middel van een snelle luchtstroom met behulp van een pistool;
  24° voorbereidings- en reinigingsproducten: producten voor het langs mechanische of chemische weg verwijderen van oude coatings en roest, of om een hechtende ondergrond voor nieuwe coatings te verkrijgen :
  - voorbereidingsproducten : onder meer pistoolreinigers (reinigingsproducten voor spuitpistolen en ander materiaal), afbijtmiddelen, ontvettingsmiddelen (inclusief antistatische middelen voor dégraissants (y compris de type antistatique pour le plastique) et les produits de désiliconage; kunststof) en afbijtmiddelen voor siliconen;
  - voorreinigers : reinigingsproducten voor het verwijderen van oppervlakteverontreinigingen tijdens de voorbereiding van en vóór het aanbrengen van coatings;
  25° vulmiddelen en plamuur/stopmiddelen : zware materialen die worden aangebracht (door ze te spuiten of met behulp van een mes) om, vóór het aanbrengen van een coating, diepe oneffenheden in het oppervlak op te vullen;
  26° primers : op blank metaal of op bestaande aflakken aan te brengen coatings teneinde ze specifieke eigenschappen te verlenen :
  - primer surfacer : vóór de aflak aan te brengen coating ter bescherming tegen corrosie, ter bevordering van de hechting van de aflak en ter bevordering van een gelijkmatige afwerking door de opvulling van kleine oneffenheden in het oppervlak;
  - algemene metaalprimers : als primer aan te brengen coatings zoals : hechtingsbevorderende producten, sealers, surfacers, tussenlagen, kunststofprimers, " nat-op-nat ", nietschuurbare plamuur en verspuitbare plamuur;
  - washprimers: coatings die ten minste 0,5 % in gewicht aan fosforzuur bevatten en direct op blank metaal worden aangebracht ter bescherming tegen corrosie en ter verbetering van de hechting; inclusief coatings die als lasbare primer worden gebruikt en beitsmiddelen voor gegalvaniseerde en zinken oppervlakten.
  27° aflakken : enkellaags of meerlaags aan te brengen grondlagen gepigmenteerde coatings die voor de gewenste glans en duurzaamheid zorgen. Hiertoe behoren alle betrokken producten, zoals grondlagen en vernislagen :
  - Grondlagen : gepigmenteerde coatings die de kleur en het gewenste optische effect bepalen, maar niet de glans en de oppervlakteweerstand van de coatings;
  - Vernis : transparante coating die de uiteindelijke glans en weerstand van het coatingsysteem bepalen;
  28° speciale aflakken : als aflak aan te brengen coatings met bijzondere eigenschappen, zoals metaal- of pareleffect met één enkele laag, hoogperformante glanslagen in éénkleurig of transparant (bijvoorbeeld krasbestendige en gefluoreerde vernis), reflecterende grondlagen, aflakken met gestructureerd oppervlak (bijvoorbeeld gehamerd), anti-slipcoatings, sealers voor de onderkant van de carrosserie, coatings die beschermen tegen steenslag, aflakken voor binnenafwerking en aërosols;
  29° HVLP-pistool : spuitpistool dat werkt bij een druk lager dan of gelijk aan 0,7 bar;
  30° gesloten pistoolreiniger : toestel dat de reiniging van één of meerdere spuitpistolen toelaat, waarbij de VOS emissies in de lucht beperkt worden en dat voorzien is van minstens één gesloten compartiment voor de reiniging van het pistool, een recuperatiesysteem voor het reinigingsproduct en een afzuigsysteem dat beschikt over een filtersysteem voor de VOS dampen;
  31° erkend orgaan : natuurlijke of rechtspersoon die aan de voorschriften van artikel 275 van het AREI voldoet;
  32° A.R.E.I. : koninklijk besluit van 10 maart 1981 waarbij het Algemeen Reglement op de Elektrische Installaties voor de huishoudelijke installaties en sommige lijnen van transport en verdeling van elektrische energie bindend wordt verklaard en koninklijk besluit van 2 september 1981 houdende wijziging van het Algemeen Reglement op de Elektrische Installaties en houdende bindendverklaring ervan op de elektrische installaties in inrichtingen gerangschikt als gevaarlijk, ongezond of hinderlijk en in inrichtingen beoogd bij artikel 28 van het Algemeen Reglement voor de Arbeidsbescherming;
  [2 33° " afgassen " : de uiteindelijke uitworp in de lucht van gassen met vluchtige organische stoffen of andere verontreinigende stoffen uit een afgaskanaal of uit nabehandelingsapparatuur in de lucht;
   34° " diffuse emissie " : emissie, in een andere vorm dan van afgassen, van vluchtige organische stoffen in lucht, bodem of water alsmede oplosmiddelen die zich in enig product bevinden;
   35° " totale emissie " : de som van diffuse emissies en emissies van afgassen;
   36° " verbruik " : de totale input van organische oplosmiddelen per kalenderjaar of een andere periode van twaalf maanden in een installatie, verminderd met eventuele vluchtige organische stoffen die voor hergebruik zijn teruggewonnen;
   37° " hergebruik " : het gebruik van uit een installatie teruggewonnen organische oplosmiddelen voor elk technisch of commercieel doel, met inbegrip van het gebruik als brandstof maar met uitzondering van de definitieve verwjdering van deze teruggewonnen organische oplosmiddelen als afval;
   38° " opstarten en stilleggen " : activiteiten, met uitzondering van regelmatig oscillerende activiteitenfasen, die worden uitgevoerd wanneer een activiteit, een deel van de installatie of een reservoir in of buiten bedrijf wordt gesteld of in of uit de onbelaste toestand wordt gebracht.]2
  ----------
  (1)<BESL 2011-03-03/06, art. 33, 003; Inwerkingtreding : 28-03-2011>
  (2)<BESL 2013-11-21/12, art. 57, 004; Inwerkingtreding : 19-12-2013>
  (3)<BESL 2018-04-26/05, art. 33, 005; Inwerkingtreding : 03-06-2018>

  (Verbod bij nieuwe inrichtingen)<BESL 2006-11-21/31, art. 3, 002; Inwerkingtreding : 23-11-2006>

  Art. 3. <BESL 2006-11-21/31, art. 3, 002; Inwerkingtreding : 23-11-2006> Bij nieuwe inrichtingen is het gebruik of het bezit van producten zoals vermeld in de tabel uit artikel 21 waarvan het gehalte aan VOS hoger ligt dan de aangegeven grenswaarden, verboden.

  (Verbod bij bestaande installaties)<BESL 2006-11-21/31, art. 4, 002; Inwerkingtreding : 23-11-2006>

  Art. 4. <BESL 2006-11-21/31, art. 4, 002; Inwerkingtreding : 23-11-2006> Bij bestaande inrichtingen wordt het gebruik of het bezit van producten zoals vermeld in de tabel uit artikel 21 waarvan het gehalte aan VOS hoger ligt dan de aangegeven grenswaarden, uiterlijk op 01/01/2008 verboden.

  Belangrijke wijziging.

  Art. 5. Indien een installatie een belangrijke wijziging ondergaat of na een belangrijke wijziging voor het eerst onder dit besluit valt, wordt het deel van de installatie dat de belangrijke wijziging ondergaat behandeld als nieuwe installatie.

  Gegevensverstrekking.

  Art. 6. § 1. De exploitanten moeten het Instituut, binnen zes maanden na de bekendmaking van dit besluit in het Belgisch Staatsblad, de in bijlage I vermelde gegevens verstrekken.
  § 2. (De exploitant moet het Instituut in kennis stellen van zijn " VOS gelijkvormigheid ", zoals omschreven in artikel 21.) <BESL 2006-11-21/31, art. 5, 002; Inwerkingtreding : 23-11-2006>

  Producten.

  Art. 7.§ 1. Het gebruik of het bezit van bijtmiddelen met methyleenchloride is verboden.
  § 2. [2 Verboden zijn stoffen of mengsels waaraan de gevarenaandui dingen H340, H350, H350i, H360D of H360F of de risicozinnen R45, R46, R49, R60 of R61 zijn toegekend of die van deze aanduidingen moeten zijn voorzien wegens hun gehalte aan VOS die krachtens Verordening (EG) nr. 1272/2008 van het Europees Parlement en de Raad van 16 december 2008 betreffende de indeling, etikettering en verpakking van stoffen en mengsels als kankerverwekkend, mutageen of giftig voor de voortplanting zijn ingedeeld. De milieuvergunning kan evenwel het gebruik van dergelijke stoffen of mengsels toestaan, rekening houdend met de aanbevelingen die door de Europese Commissie gepubliceerd werden in artikel 7, § 1 van de Richtlijn 1999/13/CE van 11 maart 1999 inzake de beperking van de emissie van vluchtige organische stoffen ten gevolge van het gebruik van organische oplosmiddelen bij bepaalde werkzaamheden en in installaties.
   In dat geval bepaalt de milieuvergunning vanaf welke datum ze door minder schadelijke stoffen of mengsels moeten worden vervangen.]2
  § 3. Voor de uitstoot van de in § 2 vermelde VOS, waarbij de massastroom van de stoffen waarvoor de in dat lid vermelde etikettering verplicht is, in totaal 10 g/uur of meer bedraagt, moet een emissiegrenswaarde van 2 mg/Nm3 in acht worden genomen. De emissiegrenswaarde geldt voor de totale massa van de betrokken stoffen.
  § 4. Voor de uitstoot van gehalogeneerde VOS waaraan de [1 de risicozin R40 of R68 is toegekend]1, waarbij de massastroom van de stoffen waarvoor [1 de vermelding van R40 of R68]1 verplicht is, in totaal 100 g/uur of meer bedraagt, moet een emissiegrenswaarde van 20 mg/Nm3 in acht worden genomen. De emissiegrenswaarde geldt voor de totale massa van de betrokken stoffen.
  [4 § 5. De emissie van vluchtige organische stoffen die worden bedoeld in paragrafen 2 en 4 worden beperkt in een gesloten systeem voor zover dit technisch en economisch haalbaar is, om de gezondheid van de mens en het milieu te beschermen.
   § 6. De emissies worden gemeten conform de volgende modaliteiten :
   1° Rookkanalen waarop nabehandelings-apparatuur is aangesloten en die aan de uitlaatzijde gemiddeld in totaal meer dan 10 kg organische koolstof per uur uitwerpen, moeten doorlopend op naleving van de emissiegrenswaarden worden gecontroleerd.
   2° In andere gevallen worden continue of periodieke metingen uitgevoerd. Bij periodieke metingen worden gedurende elke meetcampagne ten minste drie meetwaarden geregistreerd.
   3° Metingen zijn niet vereist indien nabehandelingsapparatuur aan het einde van de pijp niet noodzakelijk is om te voldoen aan dit besluit.
   Na een belangrijke wijziging dient te worden gecontroleerd of de installaties nog aan de eisen van dit besluit voldoen.
   Bij doorlopende metingen wordt geacht aan de emissiegrenswaarden voldaan te zijn indien :
   1° geen van de gemiddelden onder normale omstandigheden gedurende 24 uur normaal bedrijf hoger is dan de emissiegrenswaarden, en
   2° geen van de uurgemiddelden onder normale omstandigheden hoger is dan 1,5 maal de emissiegrenswaarden.
   Bij periodieke metingen wordt geacht aan de emissiegrenswaarden voldaan te zijn indien in één toezichtcampagne :
   1° het gemiddelde van alle metingen onder normale omstandigheden niet hoger is dan de emissiegrenswaarden, en :
   2° geen van de uurgemiddelden onder normale omstandigheden hoger is dan 1,5 maal de emissiegrenswaarden.
   De naleving van dit artikel wordt gecontroleerd op basis van de som van de massaconcentraties van de verschillende betrokken vluchtige organische stoffen. In alle andere gevallen vindt de controle op de naleving plaats op basis van de totale massa organische koolstof die wordt uitgestoten.
   Gasvolumes mogen worden toegevoegd om de afgassen af te koelen of te verdunnen indien dit technisch gerechtvaardigd is maar worden niet meegeteld bij het vaststellen van de massaconcentratie van de verontreinigende stof in het afgas.]4
  
  TOEKOMSTIG RECHT
  
  (Met ingang van 1 juni 2015)
  
  Art. 7. § 1. Het gebruik of het bezit van bijtmiddelen met methyleenchloride is verboden.
  § 2. [3 Verboden zijn stoffen of mengsels waaraan de gevarenaanduidingen H340, H350, H350i, H360D of H360F zijn toegekend of die van deze aanduidingen moeten zijn voorzien wegens hun gehalte aan VOS die krachtens Verordening (EG) nr. 1272/2008 van het Europees Parlement en de Raad van 16 december 2008 betreffende de indeling,
   etikettering en verpakking van stoffen en mengsels als kankerverwekkend, mutageen of giftig voor de voortplanting zijn ingedeeld. De milieuvergunning kan evenwel het gebruik van dergelijke stoffen of mengsels toestaan, rekening houdend met de aanbevelingen die door de Europese Commissie gepubliceerd werden in artikel 7, § 1 van de Richtlijn 1999/13/CE van 11 maart 1999 inzake de beperking van de emissie van vluchtige organische stoffen ten gevolge van het gebruik van organische oplosmiddelen bij bepaalde werkzaamheden en in installaties.
   In dat geval bepaalt de milieuvergunning vanaf welke datum ze door minder schadelijke stoffen of mengsels moeten worden vervangen.]3

  § 3. Voor de uitstoot van de in § 2 vermelde VOS, waarbij de massastroom van de stoffen waarvoor de in dat lid vermelde etikettering verplicht is, in totaal 10 g/uur of meer bedraagt, moet een emissiegrenswaarde van 2 mg/Nm3 in acht worden genomen. De emissiegrenswaarde geldt voor de totale massa van de betrokken stoffen.
  § 4. Voor de uitstoot van gehalogeneerde VOS waaraan de [3 de gevarenaanduiding H341 of H351]3, waarbij de massastroom van de stoffen waarvoor [3 de gevarenaanduiding H341 of H351]3 verplicht is, in totaal 100 g/uur of meer bedraagt, moet een emissiegrenswaarde van 20 mg/Nm3 in acht worden genomen. De emissiegrenswaarde geldt voor de totale massa van de betrokken stoffen.
  ----------
  (1)<BESL 2011-03-03/06, art. 34, § 3, 003; Inwerkingtreding : 28-03-2011>
  (2)<BESL 2011-03-03/06, art. 34, § 1, 003; Inwerkingtreding : 01-12-2010>
  (3)<BESL 2011-03-03/06, art. 34, 003; Inwerkingtreding : 01-06-2015>
  (4)<BESL 2013-11-21/12, art. 58, 004; Inwerkingtreding : 19-12-2013>

  Materiaal.

  Art. 8. <BESL 2006-11-21/31, art. 6, 002; Inwerkingtreding : 23-11-2006> Voor de afwerking mogen uitsluitend HVLP-pistolen worden gebruikt. Het gebruik en het bezit van pistolen die niet aan de HVLP-voorschriften voldoen, is verboden.
  Andere uitrustingen met spuitpistolen mogen echter gebruikt en in bezit gehouden worden indien kan worden aangetoond dat de afwerking gebeurt met een spuitrendement van ten minste 65 %.
  De reiniging van de pistolen gebeurt verplicht met behulp van een " gesloten pistoolreiniger " indien als reinigingsproduct gebruik wordt gemaakt van een pistoolreiniger die VOS bevat.

  Gebruik van de lokalen.

  Art. 9. § 1. De voorbehandeling moet worden uitgevoerd in een zone van de werkplaats die uitgerust is met een systeem waarbij stof aan de bron wordt afgezogen.
  § 2. De voorbereiding moet worden uitgevoerd in een exclusief daartoe bestemde zone van de werkplaats, "voorbereidingszone" genoemd, die uitgerust is met een lokaal luchtafzuigsysteem, of, bij het ontbreken van een dergelijke zone, in de verfspuitcabine.
  § 3. De afwerking moet worden uitgevoerd in een exclusief daartoe bestemd afzonderlijk lokaal, "verfspuitcabine" genoemd, die van de overige delen van de werkplaats is afgescheiden door onbrandbare muren of wanden. Dit lokaal beschikt over een systeem voor het opvangen van lucht, stoom en stof dat onafhankelijk is van de andere circuits. Dit lokaal dient te beschikken over een teller van het aantal uren dat het gebruikt wordt.
  § 4. De opslag, het verhandelen en het voorbereiden van de verven, evenals het reinigen van het spuitmateriaal moeten worden uitgevoerd in een exclusief daartoe bestemd lokaal, "verflabo" genoemd.
  Er kan echter in de milieuvergunning van deze regel worden afgeweken indien het om kleine hoeveelheden verf gaat (minder dan 40 liter). In dergelijk geval moeten de producten worden opgeslagen in een metalen kast waarin geen accumulatie van schadelijke of brandbare gassen kan ontstaan. De mengbank voor de verven en de tafel voor de voorbereiding en de reiniging van het materiaal moeten in dit geval in een zone van de werkplaats staan die mechanisch wordt verlucht en minstens 8 meter verwijderd is van elke activiteit die naakte vlammen of vonken kan veroorzaken.

  Veiligheid.

  Art. 10. § 1. De leidingen en de afvoerbuizen van de emanaties moeten uit onbrandbaar materiaal vervaardigd zijn en zo worden geplaatst dat het verwijderen van de afzettingen die er in ontstaan wordt vergemakkelijkt. Ze worden eenmaal per jaar gereinigd door middel van technieken die de volledige veiligheid waarborgen. Het is verboden ze te reinigen door middel van vlammen of van elk ander procédé dat vonken zou kunnen veroorzaken.
  § 2. Alle metalen delen, in het bijzonder de verfspuitcabine, zijn van een aarding voorzien. De aarding heeft een weerstand van maximum 10 Ohm.
  De elektrische circuits van de carrosserielokalen moeten uitgerust zijn met een aardlekschakelaar.
  De exploitant moet over een inspectieverslag van een erkend orgaan beschikken dat minder dan vijf jaar oud is en waaruit minstens blijkt dat de voorschriften van deze paragraaf in acht worden genomen.
  § 3. In de cabines en in de afvoerinrichtingen voor de emanaties mogen er geen dode ruimten zijn waarin ontplofbare mengelingen of afzettingen zouden kunnen ontstaan.
  § 4. Het verflabo moet beschikken over wanden Rf 1 h en over een deur Rf 1/2h. De deur van het lokaal moet naar buiten opengaan en moet automatisch sluiten. Dit lokaal moet beschikken over een niet-ontplofbare verlichting en over een lage en een hoge mechanische verluchting die zo geplaatst is dat de brandweerstand niet wordt verminderd.
  § 5. In de verfspuitcabines en het verflabo is het verboden :
  1° werken uit te voeren waarvoor het gebruik van een toestel met open vuur of dat vonken kan veroorzaken noodzakelijk is, uitgezonderd na het verkrijgen van een vuurvergunning; tijdens die werken mag er in de werkplaatsen geen enkele activiteit worden uitgeoefend waarbij ontvlambare producten worden gebruikt;
  2° te roken; dit rookverbod moet in goed leesbare letters op de buitenzijde van de toegangsdeuren en in de lokalen worden aangeplakt.
  § 6. In de carrosseriewerkplaats en in de lokalen palend aan de verfspuitcabine en aan het verflabo moeten er goed werkende brandblussers worden geplaatst naast de werkposten en aan de uitgangen.
  De deuren van de nooduitgangen moeten naar buiten opengaan en geen enkele hindernis mag de doorgang versperren.
  De maximumhoeveelheid grondstoffen en producten die er mag worden opgeslagen, stemt overeen met de noden of met de productie van een halve dag.
  § 7. De voorbereidingszone wordt afgesloten met brandwerende gordijnen of met een andere onbrandbare wand en wordt mechanisch verlucht.

  Luchtfilterinstallaties.

  Art. 11. § 1. De lucht afkomstig van de verfspuitcabine of van de afzuiginstallaties in de voorbehandelings- en de voorbereidingszones wordt gefilterd met droge filters. De uitgestoten lucht mag geen zichtbare sporen van verf of stof bevatten.
  § 2. Als de installatie over een filter met watergordijn beschikt, moet aan de volgende voorschriften worden voldaan :
  1° de filter met watergordijn moet in gesloten circuit werken, zonder uitstoot;
  2° het volledige filtersysteem moet minstens eenmaal per jaar worden geledigd;
  3° het water van het filtersysteem mag in geen geval in de riolering worden geloosd. Dit water en de eventueel gebruikte uitvlokkingsmiddelen moeten door een erkende ophaler van gevaarlijke afvalstoffen worden opgehaald. De documenten betreffende de verwijdering van deze afvalstoffen moeten gedurende vijf jaar ter beschikking van de toezichthoudende ambtenaar worden gehouden.
  § 3. Het stof dat door het droogschuren wordt veroorzaakt en dat niet door het mechanische afzuigsysteem wordt opgevangen, wordt opgevangen, opgeslagen en verwijderd overeenkomstig de bepalingen van artikel 15, lid 2.

  Onderhoud van de verfspuitcabine.

  Art. 12. De verfspuitcabine moet door middel van een jaarlijkse onderhoudsbeurt in een goede staat van werking worden gehouden, en met name de volgende elementen :
  1° brander;
  2° luchtafzuiginstallatie en uitstoot;
  3° afvoerbuis;
  4° filtersystemen.
  De verwarmingsinstallatie van de verfspuitcabine moet jaarlijks door een bevoegd technicus worden onderhouden. De installaties met vloeibare brandstoffen mogen niet met afvaloliën worden gevoed.

  Afvoer van dampen en emanaties, uitstoot in de lucht.

  Art. 13.De dampen en emanaties die door middel van een mechanische inrichting aan de bron worden afgezogen, moeten naar de buitenlucht worden afgevoerd. De milieuvergunning kan de minimale hoogte en de plaatsing van de schoorstenen bepalen.
  Het uitstootdebiet van de dampen en emanaties van de verfspuitcabine bedraagt minstens 20.000 Nm3/uur. De uitstootsnelheid van de gassen is hoger dan 7 m/s.
  Het minimumdebiet van de verluchting van de voorbereidingszone en van de voorbehandelingszone en eventueel van de werkplaatsen wordt in de milieuvergunning vastgesteld.
  De werkplaatsen moeten zo worden verlucht dat de verspreiding van geuren of stof via de ramen en deuren wordt voorkomen.
  De schoorstenen en/of afvoerkanalen van de verfspuitcabine en van de voorbereidingszone moeten altijd toegankelijk zijn voor het personeel dat de controlemetingen uitvoert.
  [1 Alle passende voorzorgsmaatregelen worden getroffen om de emissies bij het starten en stilleggen van de installatie tot een minimum te beperken.]1
  ----------
  (1)<BESL 2013-11-21/12, art. 59, 004; Inwerkingtreding : 19-12-2013>

  Opvanginstallatie voor oplosmiddelen.

  Art. 14. Vanaf de datum waarop de installatie "gelijkvormig VOS" is verklaard, is het gebruik van een filtersysteem van het type actieve koolstof of de vernietiging van oplosmiddelen door middel van verbranding, pyrolyse of een andere methode verboden, behalve indien de milieuvergunning dit uitdrukkelijk na die datum toestaat. In dat geval wordt de emissie beperkt tot 50 mg C/Nm3.
  De bestaande filtratiesystemen op basis van actieve koolfilters alsook de bestaande verbrandings- en pyrolyse-installaties moeten op diezelfde datum buiten gebruik worden gesteld en gedemonteerd.

  Opslag en verwijdering van afvalstoffen.

  Art. 15. Het afval van oplosmiddelen, de besmeurde recipiënten en de sterk met oplosmiddel besmeurde vodden of materiaal worden in hermetisch gesloten metalen recipiënten opgeslagen.
  De verzadigde filterladingen, het schuurstof en het schuurafval behoren tot de gevaarlijke afvalstoffen en moeten dus in gesloten en dichte containers worden opgeslagen om nadien door een erkende ophaler van gevaarlijke afvalstoffen te worden verwijderd.
  De filterladingen (actieve koolstof) moeten in hermetisch gesloten recipiënten worden opgeslagen. Die recipiënten moeten in een goed verlucht lokaal en ver van ontvlambare producten worden geplaatst.
  Alle gevaarlijke afvalstoffen moeten door een erkende ophaler voor het Brussels Hoofdstedelijk Gewest worden verwijderd overeenkomstig de ordonnantie van 7 maart 1991 betreffende de preventie en het beheer van afvalstoffen.
  Alle ongevaarlijke afvalstoffen worden in een speciaal hiertoe bestemde plaats in aangepaste recipiënten opgeslagen en dit volgens de aard van de afvalstof.

  Afvalwaterbeheer.

  Art. 16. Het is verboden afvalwater afkomstig van carrosserieactiviteiten in oppervlaktewater of een sterfput te lozen. Het is verboden in de gewone oppervlaktewateren, de openbare riolen en de kunstmatige afwateringswegen voor regenwater, vast afval te storten of te lozen dat vooraf een mechanische vermaling heeft ondergaan of water dat dergelijke stoffen bevat.
  De lozing van afvalwater is toegestaan onder de volgende voorwaarden :
  1° het geloosde water mag geen textielvezels, plastic verpakkingen of al dan niet organisch vast huishoudelijk afval bevatten;
  2° het water afkomstig van het schuren met water moet ofwel worden behandeld (bezinking, ...) om het schuurafval te verwijderen of door een erkende ophaler van gevaarlijke afvalstoffen voor het Brussels Hoofdstedelijk Gewest worden verwijderd.
  De voorwaarden van het derde lid worden vastgesteld onverminderd strengere voorwaarden in de milieuvergunning.

  Reiniging van de lokalen.

  Art. 17. De bodem, de werkplaatsen en de toestellen moeten regelmatig en met zorg worden gereinigd. De exploitant zorgt ervoor dat er geen nutteloze voorwerpen zoals verpakkingen, gebruikte onderdelen, ... in de werkplaatsen rondslingeren.

  Werkingsuren.

  Art. 18. Carrosserie- en verfwerken zijn verboden op werkdagen tussen 19 uur en 7 uur en op zaterdagen, zondagen en feestdagen, behoudens andersluidende bepalingen in de milieuvergunning.

  Register.

  Art. 19. <BESL 2006-11-21/31, art. 7, 002; Inwerkingtreding : 23-11-2006> De exploitant moet een onderhoudsregister bijhouden dat kan bestaan uit alle onderhoudsfiches van de verfspuitcabine en de andere installaties voor carrosseriewerken.
  In dit register of in deze fiches worden minstens de volgende elementen vermeld :
  1° de naam en het adres van de exploitatiezetel;
  2° de naam en het adres van de verantwoordelijke voor de exploitatie;
  3° de aard van het aan de cabine uitgevoerde werk (onderhoud, expertise of controle);
  4° de datum van de uitvoering van het werk;
  5° de naam en de handtekening van de uitvoerder van het onderhoud, de controle of de expertise;
  6° de uurtellerindex van de cabine, die minstens om de 3 maanden wordt opgemeten.
  De exploitant houdt gedurende een periode van 5 jaar alle bewijzen van ophaling van gevaarlijke afvalstoffen bij.
  Die elementen worden bij een eventuele controle ter beschikking gesteld van de met het toezicht belaste ambtenaar.

  Controle.

  Art. 20.Bij elke aanvraag om milieuvergunning en bij elke aanvraag om verlenging van de vergunning moet er een controle van het verluchtingsdebiet van de verfspuitcabine en van de voorbereidingzone worden uitgevoerd, evenals van de snelheid van de luchtuitstoot door de schoorstenen en/of de afvoerleidingen van de cabine.
  Voorschriften met betrekking tot installaties
  waarvoor een "gelijkvormigheidsattest VOS" is afgegeven
  [1 De emissies worden gemeten conform de volgende modaliteiten
   1° Rookkanalen waarop nabehandelingsapparatuur is aangesloten en die aan de uitlaatzijde gemiddeld in totaal meer dan 10 kg organische koolstof per uur uitwerpen, moeten doorlopend op naleving van de emissiegrenswaarden worden gecontroleerd.
   2° In andere gevallen worden continue of periodieke metingen uitgevoerd. Bij periodieke metingen worden gedurende elke meetcampagne ten minste drie meetwaarden geregistreerd.
   3° Metingen zijn niet vereist indien nabehandelingsapparatuur aan het einde van de pijp niet noodzakelijk is om te voldoen aan dit besluit.
   De exploitant dient tot tevredenheid van het Instituut te bewijzen dat zijn installatie voldoet aan de volgende bepalingen :
   1° de emissiegrenswaarde in afgassen en de diffuse-emmissiegrenswaarde en de totale emissiegrenswaarde;
   2° de bepalingen van artikel 7.
   Gasvolumes mogen worden toegevoegd om de afgassen af te koelen of te verdunnen indien dit technisch gerechtvaardigd is, maar worden niet meegeteld bij het vaststellen van de massaconcentratie van de verontreinigende stof in het afgas.
   Na een belangrijke wijziging dient te worden gecontroleerd of de installaties nog aan de eisen van dit besluit voldoen.
   Bij doorlopende metingen wordt geacht aan de emissiegrenswaarden voldaan te zijn indien :
   1° geen van de gemiddelden onder normale omstandigheden gedurende 24 uur normaal bedrijf hoger is dan de emissiegrenswaarden, en :
   2° geen van de uurgemiddelden onder normale omstandigheden hoger is dan 1,5 maal de emissiegrenswaarden.
   Bij periodieke metingen wordt geacht aan de emissiegrenswaarden voldaan te zijn indien in één toezichtcampagne :
   1° het gemiddelde van alle metingen onder normale omstandigheden niet hoger is dan de emissiegrenswaarden, en :
   2° geen van de uurgemiddelden onder normale omstandigheden hoger is dan 1,5 maal de emissiegrenswaarden.
   De naleving van artikel 7 wordt gecontroleerd op basis van de som van de massaconcentraties van de verschillende betrokken vluchtige organische stoffen. In alle andere gevallen vindt de controle op de naleving plaats op basis van de totale massa organische koolstof die wordt uitgestoten.]1
  ----------
  (1)<BESL 2013-11-21/12, art. 60, 004; Inwerkingtreding : 19-12-2013>

  Art. 21. <BESL 2006-11-21/31, art. 8, 002; Inwerkingtreding : 23-11-2006> Een installatie is " VOS gelijkvormig " als :
  - voor de afwerking uitsluitend gebruik wordt gemaakt van en men in het bezit is van " HVLP-pistolen " of ieder ander pistool met een aangetoond spuitrendement van ten minste 65 %;
  - men gebruik maakt van een " gesloten pistoolreiniger ", indien men als reinigingsproduct gebruik maakt van een pistoolreiniger die VOS bevat ";
  - er uitsluitend producten worden gebruikt en in bezit zijn waarvan het VOSgehalte lager is dan of gelijk is aan de volgende grenswaarden :

  
ProductenSubcategorieenCOV g/l*
Voorbereiding en reiniging  
Voorbereidingsproducten (pistoolreiniger)850 
 Voorreiniger200
Vulmiddelen, plamuur, stopmiddelenAlle types250
Primers, sealers, surfacersAlgemene metaalprimers540
 Washprimers780
AflakkenAlle types (vernis, grondlagen, ...)420
Speciale aflakkenAlle types840
* g/l van het gebruiksklare product, het watergehalte moet buiten beschouwing worden gelaten



  Voorbehandeling, voorbereiding of afwerking.

  Art. 22. Wanneer de systemen voor de opvang van gas en stof niet in werking zijn, mogen er geen voorbehandelings-, voorbereidings- of afwerkingswerken worden uitgevoerd.

  Niet-naleving.

  Art. 23. Wanneer wordt vastgesteld dat niet aan de eisen van dit besluit is voldaan, nemen de personeelsleden die overeenkomstig de ordonnantie van 25 maart 1999 betreffende de opsporing, de vaststelling, de vervolging en de bestraffing van misdrijven inzake leefmilieu met het toezicht belast zijn, alle nodige maatregelen, of leggen ze die zelfs mondeling op, om ervoor te zorgen dat op een zo kort mogelijke termijn opnieuw aan de eisen van dit besluit wordt voldaan.
  Indien de niet-naleving een direct gevaar voor de menselijke gezondheid oplevert, wordt bevel gegeven tot opschorting van elke verdere uitoefening van de activiteit.

  Verandering van exploitant.

  Art. 24. Naast de verplichting voor de overlater en de overnemer om onverwijld elke verandering van exploitant aan het Instituut mee te delen, moet elke persoon die zijn exploitatie overlaat de overnemer wijzen op zijn milieuverplichtingen.
  Meer bepaald bezorgt hij hem een kopie van alle vergunningen en beslissingen betreffende de betrokken installaties, een kopie van alle vorige aangiften die krachtens dit besluit zijn vereist, alsook een kopie van de briefwisseling met het Instituut over het in overeenstemming brengen van de installaties met de bepalingen van dit besluit.

  Opheffingsbepaling.

  Art. 25. Het besluit van de Brusselse Hoofdstedelijke Regering van 8 november 2001 tot vaststelling van de exploitatievoorwaarden voor bepaalde installaties voor het overspuiten van voertuigen of voertuigonderdelen wordt opgeheven.

  Inwerkingtreding.

  Art. 26. § 1. Dit besluit treedt in werking de dag waarop het in het Belgisch Staatsblad wordt bekendgemaakt, met uitzondering van de in § 2 vermelde artikelen.
  § 2. De paragrafen 1 en 2 van artikel 7 zijn van toepassing zes maanden na de inwerkingtreding van dit besluit. De paragrafen 3 en 4 van artikel 9 zijn van toepassing twaalf maanden na de inwerkingtreding van dit besluit.
  Artikel 8 is van toepassing vanaf 31 oktober 2004.

  Uitvoering.

  Art. 27. De Minister van Leefmilieu is belast met de uitvoering van dit besluit.

  BIJLAGEN.

  Art. N.
  (Bijlagen niet opgenomen om technische redenen. Zie B.S. 12-06-2003, p. 31906-31912).
  Gewijzigd door :
  <BESL 2006-11-21/31, art. 9, Inwerkingtreding : 23-11-2006; B.St. 23-11-2006, p. 65352 (heft bijlage II op)>

Handtekening Tekst Inhoudstafel Begin
   Brussel, 15 mei 2003.
Voor de Brusselse Hoofdstedelijke Regering :
De Minister-President van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest, belast met Plaatselijke Besturen, Ruimtelijke Ordening, Monumenten en Landschappen, Stadsvernieuwing en Wetenschappelijk Onderzoek,
F.-X. de DONNEA
De Minister van de Brusselse Hoofdstedelijke Regering, belast met Leefmilieu en Waterbeleid, Natuurbehoud, Openbare Netheid en Buitenlandse Handel,
D. GOSUIN

Aanhef Tekst Inhoudstafel Begin
   De Brusselse Hoofdstedelijke Regering,
   Gelet op de ordonnantie van 5 juni 1997 betreffende de milieuvergunningen, inzonderheid op artikel 6, § 1;
   Gelet op het besluit van de Brusselse Hoofdstedelijke Regering van 8 november 2001 tot vaststelling van de exploitatievoorwaarden voor bepaalde installaties voor het overspuiten van voertuigen of voertuigonderdelen;
   Gelet op het advies van de Raad voor het Leefmilieu van 17 mei 2002;
   Gelet op het besluit van de Regering van 12 december 2002 over het verzoek aan de Raad van State om advies te geven binnen een termijn van een maand;
   Gelet op advies 34.568/3 van de Raad van State, gegeven op 23 april 2003;
   Op voorstel van de Minister van Leefmilieu,
   Na beraadslaging,
   Besluit :

Wijziging(en) Tekst Inhoudstafel Begin
originele versie
  • BESLUIT (BRUSSEL) VAN 26-04-2018 GEPUBL. OP 04-05-2018
    (GEWIJZIGDE ART. : 1; 2)
  • originele versie
  • BESLUIT (BRUSSEL) VAN 21-11-2013 GEPUBL. OP 09-12-2013
    (GEWIJZIGDE ART. : 2; 7; 13; 20)
  • originele versie
  • BESLUIT (BRUSSEL) VAN 03-03-2011 GEPUBL. OP 18-03-2011
    (GEWIJZIGDE ART. : 2; 7)
  • originele versie
  • BESLUIT (BRUSSEL) VAN 21-11-2006 GEPUBL. OP 23-11-2006
    (GEWIJZIGDE ART. : 2; 3; 4; 6; 8; 19; 21; N2)

  • Begin Eerste woord Laatste woord Wijziging(en) Aanhef
    Inhoudstafel 3 uitvoeringbesluiten 4 gearchiveerde versies
    Franstalige versie