J U S T E L     -     Geconsolideerde wetgeving
Einde Eerste woord Laatste woord Wijziging(en) Aanhef
Parlementaire werkzaamheden Inhoudstafel 14 uitvoeringbesluiten 20 gearchiveerde versies
Erratum Handtekening Einde Franstalige versie
 
belgiëlex . be     -     Kruispuntbank Wetgeving
Raad van State
ELI - Navigatie systeem via een Europese identificatiecode voor wetgeving
http://www.ejustice.just.fgov.be/eli/wet/2003/04/28/2003022481/justel

Titel
28 APRIL 2003. - Wet betreffende de aanvullende pensioenen en het belastingstelsel van die pensioenen en van sommige aanvullende voordelen inzake sociale zekerheid.
(NOTA 1 : De woorden "Controledienst voor de Verzekeringen", "Controledienst" en "Dienst" worden vervangen door ofwel "CBFA", ofwel "Commissie voor het Bank-, Financie- en Assurantiewezen", volgens de art. 27 en 33 van KB 2003-03-25/34 ; Inwerkingtreding : 01-01-2004)
(NOTA : Raadpleging van vroegere versies vanaf 15-05-2003 en tekstbijwerking tot 30-04-2019)

Bron : SOCIALE ZEKERHEID
Publicatie : 15-05-2003 nummer :   2003022481 bladzijde : 26407   BEELD
Dossiernummer : 2003-04-28/36
Inwerkingtreding :
15-05-2003 (ART. 110 - ART. 112)     (ART. 114)     (ART. 57,§2)     (ART. 61,§2)     (ART. 64 - ART. 70)     A112
onbepaald (ART. (114))     A71

Inhoudstafel Tekst Begin
TITEL I. - Algemene bepaling.
Art. 1
TITEL II. - Aanvullende pensioenen.
HOOFDSTUK I. - Doel, toepassingsgebied en definities.
Art. 2-4
HOOFDSTUK II. - Invoering, wijziging en opheffing van een pensioentoezegging.
Afdeling I. - Algemene bepalingen.
Art. 5-7, 7/1, 7/2, 8, 8/1, 9
Afdeling II. - Bijzondere bepalingen inzake de sociale pensioenstelsels.
Onderafdeling I. - De rechtspersoon bedoeld in artikel 3, § 1, 5°, a), als inrichter.
Art. 10
Onderafdeling II. - De werkgever als inrichter.
Art. 11-12
HOOFDSTUK III. - Toetredingsvoorwaarden.
Art. 13-14, 14/1, 14/2, 14/3, 14/4, 15-16
HOOFDSTUK IV. - Verworven reserves, verworven prestaties en waarborgen.
Art. 17-26, 26bis, 26ter, 27-28
HOOFDSTUK V. - Uittreding.
Art. 28/1, 29-33, 33/1, 33/2
HOOFDSTUK VI. - Verandering van pensioeninstelling en overdrachten.
Art. 34-38
HOOFDSTUK VII. - Inspraak van de werknemers.
Afdeling I. - Verplichte raadpleging en kennisgeving.
Art. 39-40
Afdeling II. - Paritair beheer - Toezichtscomité.
Art. 41
HOOFDSTUK VIII. - Transparantie.
Art. 41bis, 42
HOOFDSTUK IX. - Solidariteit.
Art. 43-48
HOOFDSTUK IX/1. [1 - Publieke pensioentoezeggingen.]1
Art. 48/1, 48/2, 48/3
HOOFDSTUK X. - Toezicht.
Art. 49, 49bis, 49ter, 49quater, 50-53
HOOFDSTUK XI. - Strafbepalingen.
Art. 54, 54bis
HOOFDSTUK XII. - Verjaring.
Art. 55
HOOFDSTUK XIII. - Overgangsbepalingen.
Art. 56, 56bis, 57-62
Onderafdeling 8/1. [1 - Verjaring]1
Art. 62/1, 63, 63/1, 63/2, 63/3, 63/4, 63/5, 63/6, 63/7, 63/8
TITEL III. - Wijzigingsbepalingen.
HOOFDSTUK I. - Wijziging aan de hypotheekwet van 16 december 1851.
Art. 64
HOOFDSTUK II. - Wijzigingen aan de wet van 12 juli 1957 betreffende het rust- en overlevingspensioen voor bedienden en aan de wet van 9 juli 1975 betreffende de controle der verzekeringsondernemingen.
Art. 65-70
HOOFDSTUK III. - Wijziging aan de wet van 26 juli 1996 tot bevordering van de werkgelegenheid en tot preventieve vrijwaring van het concurrentievermogen.
Art. 71
TITEL IV. - Wijzigingen aan de fiscale wetgeving.
HOOFDSTUK I. -- Wijzigingen van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992.
Art. 72-97
HOOFDSTUK II. - Wijzigingen van het Wetboek der met het zegel gelijkgestelde taksen.
Afdeling I. - Jaarlijkse taks op de verzekeringscontracten.
Art. 98-104
Afdeling II. - Jaarlijkse taks op de winstdeelnemingen.
Art. 105-107
TITEL V. - Diverse en slotbepalingen.
Art. 108-113, 113bis, 114

Tekst Inhoudstafel Begin
TITEL I. - Algemene bepaling.

  Artikel 1. Deze wet regelt een aangelegenheid als bedoeld in artikel 78 van de Grondwet.

  TITEL II. - Aanvullende pensioenen.

  HOOFDSTUK I. - Doel, toepassingsgebied en definities.

  Art. 2. Deze titel beoogt de betrekkingen te regelen inzake aanvullende pensioenen, met inbegrip van de eventuele solidariteitsprestaties, tussen de werkgever, de inrichter, de werknemer, de aangeslotene en zijn rechthebbenden, de pensioeninstelling en de rechtspersoon belast met de uitvoering van de solidariteitstoezegging, de procedure vast te leggen die bij de invoering, de wijziging of de opheffing van een aanvullend pensioen in een bedrijfstak of in een onderneming moet worden gevolgd, de pensioenrechten en -reserves te beschermen die voor de aangeslotenen en hun rechthebbenden worden opgebouwd en de doorzichtigheid voor de werknemers te vergroten.

  Art. 3.§ 1. Voor de toepassing van deze titel en zijn uitvoeringsbesluiten wordt verstaan onder :
  1° aanvullend pensioen : het rust- en/of overlevingspensioen bij overlijden van de aangeslotene vóór of na [4 de pensioenleeftijd]4, of de ermee overeenstemmende kapitaalswaarde, die op basis van de in een pensioenreglement of een pensioenovereenkomst bepaalde verplichte stortingen worden toegekend ter aanvulling van een krachtens een wettelijke socialezekerheidsregeling vastgesteld pensioen;
  2° pensioentoezegging : de toezegging van een aanvullend pensioen door een inrichter aan één of meerdere werknemers en/of hun rechthebbenden;
  3° pensioenstelsel : een collectieve pensioentoezegging;
  4° individuele pensioentoezegging : een occasionele, niet-stelselmatige pensioentoezegging aan één werknemer en/of zijn rechthebbenden;
  5° inrichter :
  a) [2 de rechtspersoon die aan de volgende cumulatieve voorwaarden voldoet :
   1. als hij optreedt voor meerdere paritaire comités en/of paritaire subcomités, dan heeft hij als uitsluitend doel de opbouw van aanvullende pensioenen;
   2. hij is paritair samengesteld en;
   3. hij is aangeduid via een collectieve arbeidsovereenkomst gesloten in een paritair comité of subcomité, opgericht volgens hoofdstuk III van de wet van 5 december 1968 betreffende de collectieve arbeidsovereenkomsten en de paritaire comités, die een pensioenstelsel invoert;]2
  b) een werkgever die een pensioentoezegging doet;
  6°onderneming : de technische bedrijfseenheid zoals omschreven in artikel 14 van de wet van 20 september 1948 houdende organisatie van het bedrijfsleven;
  7° werknemer : de persoon die in uitvoering van een arbeidsovereenkomst is tewerkgesteld;
  8° aangeslotene : de werknemer die behoort tot de categorie van het personeel waarvoor de inrichter een pensioenstelsel heeft ingevoerd en die aan de aansluitingsvoorwaarden van het pensioenreglement voldoet, of aan wie de inrichter een individuele pensioentoezegging heeft gedaan en de gewezen werknemer die nog steeds actuele of uitgestelde rechten geniet overeenkomstig het pensioenreglement of de pensioenovereenkomst;
  9° pensioenreglement : het reglement waarin de rechten en de verplichtingen van de inrichter, van de werkgever, de aangeslotenen en van hun rechthebbenden, de aansluitingsvoorwaarden en de regels inzake de uitvoering van het pensioenstelsel worden bepaald;
  10° pensioenovereenkomst : de overeenkomst waarin de rechten en de verplichtingen van de werkgever, van de aangeslotene en zijn rechthebbenden en de regels inzake de uitvoering van de individuele pensioentoezegging worden bepaald;
  11° [3 uittreding :
   a) Wanneer de inrichter een rechtspersoon bedoeld in 5°, a) is :
   1. Hetzij de beëindiging van de arbeidsovereenkomst, anders dan door overlijden of pensionering. Wordt evenwel niet als een uittreding beschouwd, de beëindiging van de arbeidsovereenkomst, anders dan door overlijden of pensionering, die wordt gevolgd door het sluiten van een arbeidsovereenkomst met een andere werkgever die onder het toepassingsgebied van hetzelfde pensioenstelsel valt als dat van de vorige werkgever, op voorwaarde dat er in het geval van een multi-inrichterspensioenstelsel een overeenkomst bestaat in de zin van artikel 33/2 die de overname van de rechten en verplichtingen regelt;
   2. Hetzij het einde van de aansluiting vanwege het feit dat de werknemer niet langer de aansluitingsvoorwaarden van het pensioenstelsel vervult, zonder dat dit samenvalt met de beëindiging van de arbeidsovereenkomst, anders dan door overlijden of pensionering;
   3. Hetzij het einde van de aansluiting vanwege het feit dat de werkgever of, in geval van de overgang van de arbeidsovereenkomst, de nieuwe werkgever niet langer valt onder het toepassingsgebied van de collectieve arbeidsovereenkomst die het pensioenstelsel heeft ingevoerd;
   b) Wanneer de inrichter een werkgever is :
   1. Hetzij de beëindiging van de arbeidsovereenkomst, anders dan door overlijden of pensionering. Wordt evenwel niet als een uittreding beschouwd, de beëindiging van de arbeidsovereenkomst, anders dan door overlijden of pensionering, die wordt gevolgd door het sluiten van een arbeidsovereenkomst met een andere werkgever die deelneemt aan hetzelfde multi-inrichterspensioenstelsel als dat van de vorige werkgever, op voorwaarde dat er een overeenkomst bestaat in de zin van artikel 33/2 die de overname van de rechten en verplichtingen regelt;
   2. Hetzij het einde van de aansluiting vanwege het feit dat de werknemer niet langer de aansluitingsvoorwaarden van het pensioenstelsel vervult, zonder dat dit samenvalt met de beëindiging van de arbeidsovereenkomst, anders dan door overlijden of pensionering;
   3. Hetzij de overgang van een werknemer in het kader van een overgang van een onderneming, van een vestiging of van een deel van een onderneming of een vestiging, naar een andere onderneming of naar een andere vestiging, als gevolg van een conventionele overdracht of een fusie, waarbij het pensioenstelsel van de werknemer niet wordt overgedragen;]3
  12° verworven prestaties : de prestaties waarop de aangeslotene aanspraak kan maken overeenkomstig het pensioenreglement of de pensioenovereenkomst, indien hij bij zijn uittreding zijn verworven reserves bij de pensioeninstelling laat;
  13° verworven reserves : de reserves waarop de aangeslotene op een bepaald ogenblik recht heeft overeenkomstig het pensioenreglement of de pensioenovereenkomst;
  14° toezegging van het type " vaste bijdragen " : de verbintenis tot het betalen van vooraf vastgestelde bijdragen;
  15° toezegging van het type " vaste prestaties " : de verbintenis tot het uitkeren van een bepaalde prestatie in rente of in kapitaal;
  16° [pensioeninstelling : [6 een instelling bedoeld in de Boeken II en III van de wet van 13 maart 2016 op het statuut van en het toezicht op de verzekerings- of herverzekeringsondernemingen]6 of in artikel 2, 1°, van de wet van 27 oktober 2006 betreffende het toezicht op de instellingen voor bedrijfspensioenen, die belast wordt met de uitvoering van de pensioentoezegging;] <W 2006-10-27/37, art. 201, 2°, 005; Inwerkingtreding : 01-01-2007>
  17° solidariteitstoezegging : de toezegging van solidariteitsprestaties door een inrichter aan de werknemers en/of hun rechthebbenden;
  18° solidariteitsreglement : het reglement waarin de rechten en de verplichtingen van de inrichter, van de werkgever, van de aangeslotenen en/of hun rechthebbenden, de aansluitingsvoorwaarden en de regels inzake de uitvoering van de solidariteitstoezegging worden bepaald;
  19° [de wet van 27 oktober 2006 : de wet van 27 oktober 2006 betreffende het toezicht op de instellingen voor bedrijfspensioenvoorziening;] <W 2006-10-27/37, art. 201, 3°, 005; Inwerkingtreding : 01-01-2007>
  20° [de wetgeving inzake prudentieel toezicht : [6 de wet van 13 maart 2016 op het statuut van en het toezicht op de verzekerings- of herverzekeringsondernemingen]6 en de wet van 27 oktober 2006 betreffende het toezicht op de instellingen voor bedrijfspensioenen, en hun uitvoeringsbesluiten;] <W 2006-10-27/37, art. 201, 4°, 005; Inwerkingtreding : 01-01-2007>
  [21°" de CBFA " : de Commissie voor het Bank-, Financie- en Assurantiewezen, ingesteld door artikel 44 van de wet van 2 augustus 2002 betreffende het toezicht op de financiële sector en de financiële diensten, zoals gewijzigd door het koninklijk besluit van 25 maart 2003.] <W 2006-10-27/37, art. 201, 5°, 005; Inwerkingtreding : 01-01-2007>
  [1 22° [5 pensionering: de effectieve ingang van het rustpensioen met betrekking tot de beroepsactiviteit die aanleiding gaf tot de opbouw van de prestaties;]5]1
  [2 23° werkman : de werknemer bedoeld in artikel 2 van de wet van 3 juli 1978 betreffende de arbeidsovereenkomsten;
   24° bediende : de werknemer bedoeld in artikel 3 van de wet van 3 juli 1978 betreffende de arbeidsovereenkomsten.]2
  [3 25° multi-inrichterspensioenstelsel : een identiek pensioenstelsel ingevoerd door meerdere inrichters waarvan de uitvoering toevertrouwd wordt aan dezelfde pensioeninstelling of aan dezelfde pensioeninstellingen;]3
  [5 26° pensioenleeftijd : de pensioenleeftijd die in het pensioenreglement of de pensioenovereenkomst wordt vermeld;]5
  [5 27° wettelijke pensioenleeftijd: de pensioenleeftijd volgens artikel 2, § 1, van het koninklijk besluit van 23 december 1996 tot uitvoering van de artikelen 15, 16 en 17 van de wet van 26 juli 1996 tot modernisering van de sociale zekerheid en tot vrijwaring van de leefbaarheid van de wettelijke pensioenen;]5
  [7 28° publieke pensioentoezegging: een pensioentoezegging ingesteld door een openbare werkgever.
   29° publiek pensioenstelsel: een collectieve publieke pensioentoezegging.
   30° openbare werkgever: een werkgever die niet onderworpen is aan de wet van 5 december 1968 betreffende de collectieve arbeidsovereenkomsten en de paritaire comités. De verschillende exploitatiezetels van eenzelfde openbare werkgever worden, ongeacht hun geografische lokalisatie, als één en dezelfde openbare werkgever beschouwd.]7
  § 2. [8 ...]8
  ----------
  (1)<Invoeging van 22° bij KB 2011-03-03/01, art. 306, 008; Inwerkingtreding : 31-12-2015 (NOTA : Art. 306 opgeheven bij W 2014-04-19/39, art. 53, 7°, 002; En vigueur : 29-05-2014)>
  (2)<W 2014-05-05/01, art. 24, 011; Inwerkingtreding : 19-05-2014>
  (3)<W 2014-05-15/35, art. 57, 012; Inwerkingtreding : 29-06-2014>
  (4)<W 2014-05-15/35, art. 66, 012; Inwerkingtreding : 29-06-2014>
  (5)<W 2015-12-18/03, art. 10, 013; Inwerkingtreding : 01-01-2016, zie ook overgangsbepalingen W 2015-12-18/03, art. 40>
  (6)<W 2016-03-13/07, art. 711, 014; Inwerkingtreding : 23-03-2016; zie ook art. 756>
  (7)<W 2018-03-30/18, art. 15, 017; Inwerkingtreding : 01-05-2018>
  (8)<W 2018-03-30/18, art. 16, 017; Inwerkingtreding : 01-05-2018>

  Art. 4. Deze titel is van toepassing op de werkgevers, de inrichters, de werknemers, de aangeslotenen en hun rechthebbenden, de pensioeninstellingen betrokken bij een pensioentoezegging en de rechtspersonen betrokken bij de uitvoering van een solidariteitstoezegging alsook op de commissarissen en de actuarissen, die bij voormelde instellingen en rechtspersonen zijn aangeduid.

  HOOFDSTUK II. - Invoering, wijziging en opheffing van een pensioentoezegging.

  Afdeling I. - Algemene bepalingen.

  Art. 5.§ 1. De beslissing tot invoering, wijziging of opheffing van een pensioentoezegging behoort tot de uitsluitende bevoegdheid van de inrichter.
  § 2. Elke pensioentoezegging wordt beheerst door een pensioenreglement of een pensioenovereenkomst.
  [1 ...]1
  [1 § 2/1. Onverminderd de vermeldingen waarvan de opname wordt opgelegd door andere wettelijke of reglementaire bepalingen, vermeldt het pensioenreglement van een multi-inrichterspensioenstelsel, naast het feit dat het om een multi-inrichterspensioenstelsel gaat en de inrichters die dit pensioenstelsel invoeren, of er al dan niet een overeenkomst bestaat in de zin van artikel 33/2 die de overname van de rechten en verplichtingen regelt.
   Als er geen overeenkomst bestaat in de zin van artikel 33/2 die de overname van de rechten en verplichtingen regelt, vermeldt het pensioenreglement van het multi-inrichterspensioenstelsel de gevolgen die verbonden zijn aan het ontbreken van deze overeenkomst.
   Als er een overeenkomst bestaat in de zin van artikel 33/2 die de overname van de rechten en verplichtingen regelt, vermeldt het pensioenreglement van het multi-inrichterspensioenstelsel het doel van deze overeenkomst, met name de opheffing van de gevolgen van de beëindiging van de arbeidsovereenkomst anders dan door overlijden of pensionering voor de aangeslotene en de modaliteiten van deze opheffing. Een kopie van de overeenkomst in de zin van artikel 33/2 die de overname van de rechten en verplichtingen regelt, wordt aan het pensioenreglement gehecht.]1
  [2 § 2/2. Onverminderd de vermeldingen die er krachtens andere wettelijke of regelgevende bepalingen in moeten opgenomen worden, moet het pensioenreglement of de pensioenovereenkomst de pensioenleeftijd vastleggen.
  [3 Voor pensioentoezeggingen ingevoerd vanaf de inwerkingtreding van dit lid kan de pensioenleeftijd bepaald in het pensioenreglement of de pensioenovereenkomst niet lager zijn dan de op het ogenblik van de invoering in voege zijnde wettelijke pensioenleeftijd.]3
   § 2/3. De tekst van het pensioenreglement of de pensioenovereenkomst wordt op eenvoudig verzoek aan de aangeslotene verstrekt. Het pensioenreglement of de pensioenovereenkomst bepaalt of de inrichter, de werkgever of de pensioeninstelling daarmee wordt belast.]2
  § 3. De uitvoering van een pensioentoezegging wordt toevertrouwd aan een pensioeninstelling.
  (Het eerste lid is niet van toepassing op de pensioentoezeggingen van de publiekrechtelijke entiteiten en rechtspersonen die krachtens de artikelen 134 tot 138 van de wet van 27 oktober 2006 betreffende het toezicht op de instellingen voor bedrijfspensioenvoorziening, het beheer van hun pensioenregeling niet aan een instelling voor bedrijfspensioenvoorziening dienen toe te vertrouwen.) <W 2006-10-27/37, art. 202, 005; Inwerkingtreding : 01-01-2007>
  ----------
  (1)<W 2014-05-15/35, art. 58, 012; Inwerkingtreding : 29-06-2014>
  (2)<W 2014-05-15/35, art. 67, 012; Inwerkingtreding : 29-06-2014>
  (3)<W 2015-12-18/03, art. 34, 013; Inwerkingtreding : 01-01-2016, zie ook overgangsbepalingen W 2015-12-18/03, art. 40>

  Art. 6.§ 1. Een individuele pensioentoezegging mag enkel worden toegestaan op voorwaarde dat in de onderneming voor alle werknemers een aanvullend pensioenstelsel bestaat.
  [1 Een inrichter mag geen individuele pensioentoezegging doen tijdens de laatste 36 maanden vóór de pensionering, de ingang van een werkloosheidsregeling met bedrijfstoeslag of de ingang van een periode waarin aanvullende vergoedingen bij sommige socialezekerheidsuitkeringen bedoeld in artikel 114, 3°, a), van de wet van 27 december 2006 houdende diverse bepalingen worden betaald.]1
  De Controledienst voor de Verzekeringen legt een inrichter, die het verbod bedoeld in het tweede lid niet naleeft een administratieve geldboete op, die gelijk is aan 35 % van het kapitaal of het vestigingskapitaal van de rente. Die geldboete wordt ten voordele van de Schatkist geïnd.
  De inrichter deelt jaarlijks aan de Controledienst voor de Verzekeringen het aantal individuele pensioentoezeggingen per categorie van werknemers mee en het bewijs dat in de onderneming voor alle werknemers een aanvullend pensioenstelsel bestaat.
  § 2. Indien een individuele pensioentoezegging, bij de invoering of op een later tijdstip, in een persoonlijke bijdrage van de werknemer in de financiering van de pensioentoezegging voorziet, wordt, ongeacht of de pensioentoezegging is vastgelegd in verschillende pensioenovereenkomsten of de uitvoering ervan aan verschillende pensioeninstellingen is toevertrouwd, de beslissing in afwijking van artikel 5, § 1, met instemming van de betrokken werknemer genomen.
  ----------
  (1)<W 2014-05-15/35, art. 80, 012; Inwerkingtreding : 29-06-2014>

  Art. 7. Indien een pensioenstelsel dat door een werkgever op het niveau van de onderneming wordt ingevoerd, bij de invoering of later in een persoonlijke bijdrage van de werknemer in de financiering van de pensioentoezegging voorziet en die toezegging voor alle werknemers in de onderneming geldt, wordt, ongeacht of de pensioentoezegging is vastgelegd in verschillende pensioenreglementen of de uitvoering ervan aan verschillende pensioeninstellingen is toevertrouwd, de beslissing in afwijking van artikel 5, § 1, genomen :
  1° bij collectieve arbeidsovereenkomst wanneer in de onderneming een ondernemingsraad, een comité voor preventie en bescherming op het werk of een vakbondsafvaardiging bestaat;
  2° door middel van een wijziging van het arbeidsreglement in de andere gevallen.

  Art. 7/1. [1 Onverminderd de vermeldingen waarvan de opname wordt opgelegd door andere wettelijke of reglementaire bepalingen, moeten de statuten van de in artikel 3, § 1, 5°, a), bedoelde inrichter of de akte waarmee de inrichter werd opgericht, minstens vermelden :
   1° de benaming en het adres van de zetel van de inrichter;
   2° als de inrichter optreedt voor meerdere paritaire comités en/of paritaire subcomités, de paritaire comités en/of paritaire subcomités waarvoor hij optreedt;
   3° het doel waarvoor hij ingesteld is;
   4° de personen die kunnen genieten van het aanvullend pensioen tot de opbouw waarvan de inrichter zich verbonden heeft, alsook de modaliteiten van toekenning en van uitkering hiervan;
   5° de categorieën van werkgevers die de bijdragen bestemd voor de financiering van het aanvullend pensioen moeten betalen;
   6° het bedrag of de wijze van vaststelling van deze bijdragen en hun inningswijze;
   7° of er solidariteit bestaat tussen werkgevers en de omvang van deze solidariteit;
   8° de wijze van benoeming en de bevoegdheden van de leden van het beheersorgaan;
   9° de wijze van besluitvorming van het beheersorgaan;
   10° de wijze en het tijdstip waarop het beheersorgaan van de inrichter aan het paritair comité en/of de paritaire comités of aan het paritair subcomité en/of de paritaire subcomités verslag doet over het vervullen van zijn opdracht;
   11° de wijze van ontbinding, vereffening en aanwending van het vermogen van de inrichter;
   12° als de inrichter optreedt voor meerdere paritaire comités en/of paritaire subcomités, de wijze van aanwending van het vermogen van de inrichter, met inbegrip van de situatie waarin hij niet meer optreedt voor een van deze paritaire comités of paritaire subcomités.]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij W 2014-05-05/01, art. 25, 011; Inwerkingtreding : 19-05-2014>

  Art. 7/2. [1 De inhoud van de statuten van de inrichter of van de akte die deze opricht, moet in identieke bewoordingen hernomen worden in alle collectieve arbeidsovereenkomsten die de tussenkomst van de inrichter voor meerdere paritaire comités en/of paritaire subcomités regelen.]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij W 2014-05-05/01, art. 26, 011; Inwerkingtreding : 19-05-2014>

  Art. 8.De sectorale collectieve arbeidsovereenkomst waarbij een sectoraal pensioenstelsel wordt ingevoerd, stelt het pensioenreglement vast en bevat onder meer regels inzake het beheer van het pensioenstelsel en de keuze van de pensioeninstelling.
  Het pensioenstelsel treedt in werking op de datum vastgesteld in de collectieve arbeidsovereenkomst [1 ...]1.
  ----------
  (1)<W 2014-05-05/01, art. 27, 011; Inwerkingtreding : 19-05-2014>

  Art. 8/1. [1 De Koning kan op voorstel van de Minister tot wiens bevoegheid Werk behoort, de collectieve arbeidsovereenkomsten gesloten in verschillende paritaire comités en/of paritaire subcomités waarmee deze paritaire comités en/of paritaire subcomités dezelfde inrichter oprichten en/of aanduiden alsook de bijhorende collectieve arbeidsovereenkomsten die verband houden met het pensioenstelsel algemeen verbindend verklaren.]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij W 2014-05-05/01, art. 28, 011; Inwerkingtreding : 19-05-2014>

  Art. 9. De sectorale collectieve arbeidsovereenkomst kan aan een werkgever de mogelijkheid bieden om de uitvoering van het pensioenstelsel voor alle of een deel van zijn werknemers geheel of gedeeltelijk zelf te organiseren in een pensioenstelsel op het niveau van de onderneming, dat, tenzij anders bepaald in deze titel, de regels moet volgen die gelden voor ondernemingspensioenstelsels. Bij de invoering van dit stelsel kan rekening worden gehouden met een pensioenstelsel dat reeds bestaat op het niveau van de onderneming.
  Bij een pensioenstelsel van het type " vaste bijdragen " mogen de stortingen niet lager zijn dan de stortingen bepaald bij het sectoraal pensioenstelsel. Bij een pensioenstelsel van het type " vaste prestaties " mogen de verworven reserves op geen enkel ogenblik lager zijn dan de verworven reserves die voortvloeien uit het sectoraal pensioenstelsel.
  Wanneer een werkgever gebruik maakt van die mogelijkheid, legt hij, onverminderd de toepassing van de procedures bedoeld in de artikelen 7 en 11, die beslissing, het ontwerp van pensioenreglement en de keuze van de pensioeninstelling voorafgaandelijk voor advies voor aan de ondernemingsraad of, bij ontstentenis, aan het comité voor preventie en bescherming op het werk, of bij ontstentenis, aan de vakbondsafvaardiging. Bij ontstentenis van een vakbondsafvaardiging worden de werknemers voorafgaandelijk op de hoogte gebracht door middel van aanplakking.
  De werkgever deelt het pensioenreglement mee aan de rechtspersoon bedoeld in artikel 3, § 1, 5°, a), vóór het pensioenstelsel van toepassing wordt.

  Afdeling II. - Bijzondere bepalingen inzake de sociale pensioenstelsels.

  Onderafdeling I. - De rechtspersoon bedoeld in artikel 3, § 1, 5°, a), als inrichter.

  Art. 10.§ 1. Genieten van het bijzonder statuut, vastgesteld [1 in artikel 1762, 4° bis van het Wetboek diverse rechten en taksen]1 en in artikel 10 van de wet van 26 juli 1996 tot bevordering van de werkgelegenheid en tot preventieve vrijwaring van het concurrentievermogen, de sectorale pensioenstelsels die aan de volgende voorwaarden voldoen :
  1° de pensioentoezegging geldt voor alle werknemers die onder de in de sectorale collectieve arbeidsovereenkomst vastgestelde pensioentoezegging vallen;
  2° een solidariteitstoezegging, zoals bedoeld in hoofdstuk IX, is aan de pensioentoezegging verbonden;
  3° de sectorale collectieve arbeidsovereenkomst, waarbij een sectoraal pensioenstelsel wordt ingevoerd, is van onbepaalde duur en door de Koning algemeen verbindend verklaard. Voorafgaandelijk aan de opzegging van de collectieve arbeidsovereenkomst moet het paritair orgaan, waarin deze overeenkomst werd gesloten, de beslissing nemen om het pensioenstelsel op te heffen. De beslissing tot opheffing van een sectoraal pensioenstelsel is enkel geldig wanneer zij 80 % van de stemmen van de, in het paritair orgaan benoemde, gewone of plaatsvervangende leden die de werkgevers vertegenwoordigen en 80 % van de stemmen van de, in het paritair orgaan benoemde, gewone of plaatsvervangende leden die de werknemers vertegenwoordigen, heeft behaald;
  4° de totale winst moet onder de aangeslotenen in verhouding tot hun reserves worden verdeeld en de kosten moeten worden beperkt volgens de regels vastgesteld door de Koning.
  § 2. De sectorale collectieve arbeidsovereenkomst waarbij het pensioenstelsel wordt ingevoerd, vermeldt uitdrukkelijk dat zij werd gesloten met toepassing van dit artikel en in uitvoering van de beslissing van de representatieve organisaties in het paritair comité of subcomité en als enig onderwerp de invoering van een sectoraal pensioenstelsel heeft.
  De sectorale collectieve arbeidsovereenkomst mag niet bepalen dat een werkgever de uitvoering van de op sectoraal niveau ingevoerde solidariteitstoezegging zelf mag organiseren.
  ----------
  (1)<W 2018-12-06/23, art. 38, 020; Inwerkingtreding : 01-01-2007>

  Onderafdeling II. - De werkgever als inrichter.

  Art. 11.§ 1. Wanneer een werkgever behoort tot een paritair comité of subcomité op het niveau waarvan geen sectoraal pensioenstelsel zoals bedoeld in artikel 10 werd ingevoerd, kan deze werkgever, op het niveau van de onderneming, een pensioenstelsel invoeren, dat het bijzonder statuut geniet, vastgesteld [1 in artikel 1762, 4° bis van het Wetboek diverse rechten en taksen]1 en in artikel 10 van de wet van 26 juli 1996 tot bevordering van de werkgelegenheid en tot preventieve vrijwaring van het concurrentievermogen, indien dat stelsel aan de volgende voorwaarden voldoet :
  1° de pensioentoezegging geldt voor alle werknemers van eenzelfde werkgever met dien verstande dat rekening mag worden gehouden met bestaande pensioenstelsels;
  2° de pensioentoezegging wordt ingevoerd bij collectieve arbeidsovereenkomst, die het pensioenreglement vaststelt en onder meer regels bevat inzake het beheer van de pensioentoezegging en de keuze van de pensioeninstelling, of, in ondernemingen (zonder ondernemingsraad, zonder comité voor preventie en bescherming op het werk en) zonder vakbondsafvaardiging, volgens de bijzondere procedure bepaald in artikel 12. De beslissing tot opheffing van de pensioentoezegging wordt volgens dezelfde procedures genomen. Indien deze beslissing door middel van een collectieve arbeidsovereenkomst wordt genomen, is zij maar geldig indien zij genomen is met 80 % van de stemmen van de vertegenwoordigers van de werknemers in de onderneming en, in voorkomend geval, met 80 % van de stemmen van vertegenwoordigers van de werkgever. <W 2006-10-27/37, art. 203, 1°, 005; Inwerkingtreding : 10-11-2006>
  3° een solidariteitstoezegging als bedoeld in hoofdstuk IX is aan de pensioentoezegging verbonden;
  4° de totale winst moet onder de aangeslotenen in verhouding tot hun reserves worden verdeeld en de kosten moeten worden beperkt volgens de regels vastgesteld door de Koning.
  § 2. Wanneer een werkgever overeenkomstig artikel 9 de uitvoering van een sectoraal pensioenstelsel als bedoeld in artikel 10 zelf organiseert, met uitzondering van de solidariteitstoezegging bedoeld in § 1, 2°, van dat artikel, kan dat pensioenstelsel genieten van het bijzonder statuut bedoeld in § 1 indien het voldoet aan de voorwaarden bedoeld in § 1, 2° en 4°.
  Wanneer een werkgever een pensioenstelsel inricht, dat voordelen toekent, die de voordelen van een sectoraal pensioenstelsel, als bedoeld in artikel 10, aanvullen, dan kan dat stelsel voor die aanvullende voordelen genieten van het bijzonder statuut bedoeld in § 1 indien het voor die voordelen voldoet aan de voorwaarden bedoeld in § 1. Daarenboven moet het niveau van de voordelen, die van het sectoraal stelsel inbegrepen, tenminste hetzelfde zijn voor alle werknemers van de werkgever.
  ----------
  (1)<W 2018-12-06/23, art. 38, 020; Inwerkingtreding : 01-01-2007>

  Art. 12. § 1. Bij de invoering van een pensioentoezegging bedoeld in artikel 11 in een onderneming (zonder ondernemingsraad, zonder comité voor preventie en bescherming op het werk en) zonder vakbondsafvaardiging, wordt de procedure bedoeld in dit artikel gevolgd. <W 2006-10-27/37, art. 204, 005; Inwerkingtreding : 10-11-2006>
  § 2. Het ontwerp van pensioenreglement en de keuze van de pensioeninstelling worden naar keuze van de werkgever, ofwel schriftelijk ofwel via aanplakking ter kennis van de betrokken werknemers gebracht. Elke werknemer kan op eenvoudig verzoek een afschrift verkrijgen van de tekst van het ontwerp van reglement.
  § 3. Binnen vijftien dagen, te rekenen vanaf de dag van de kennisgeving, houdt de werkgever een bijzonder register ter beschikking van de werknemers waarin zij hun opmerkingen kunnen optekenen. Bij het verstrijken van die termijn zendt de werkgever het register ter inzage aan de door de Koning aangewezen ambtenaar.
  § 4. Bij het verstrijken van de termijn worden deze opmerkingen onmiddellijk via aanplakking ter kennis van de betrokken werknemers gebracht. De door de Koning aangewezen ambtenaar poogt de uiteenlopende standpunten te verzoenen.
  Bij overeenstemming treedt de pensioentoezegging in werking de achtste dag na die van de verzoening, tenzij het pensioenreglement een andere datum bepaalt. Die datum valt uiterlijk één jaar na de verzoening.
  Indien de door de Koning aangewezen ambtenaar daarin niet slaagt, verstuurt hij onmiddellijk een afschrift van het proces-verbaal van niet-verzoening aan de voorzitter van het bevoegde paritair comité. Het proces-verbaal vermeldt verplicht de door de werkgever aangevoerde redenen voor de invoering van de pensioentoezegging enerzijds, en de opmerkingen van de werknemers zoals opgetekend in het bijzonder register anderzijds.
  Tijdens een eerstvolgende vergadering doet het paritair comité een laatste verzoeningspoging. Indien het paritair comité daarin niet slaagt, wordt de pensioentoezegging niet ingevoerd.
  § 5. Als voor een bedrijfstak geen paritair comité bestaat, maakt de door de Koning aangewezen ambtenaar de zaak aanhangig bij de Nationale Arbeidsraad. Die wijst, om de uiteenlopende standpunten te verzoenen, het paritair comité aan waaronder de ondernemingen ressorteren die een soortgelijke activiteit hebben.
  § 6. Binnen acht dagen wordt het resultaat van de verzoening zoals vastgesteld door het paritair comité door de secretaris van het betrokken paritair comité ter kennis van de werkgever gebracht.
  Bij niet-overeenstemming worden de werknemers door aanplakking of schriftelijk ingelicht volgens de in § 2 ingestelde procedure.
  Bij overeenstemming treedt de pensioentoezegging de achtste dag na die van de verzoening in werking, tenzij het pensioenreglement in een andere datum voorziet. Die datum valt uiterlijk één jaar na de verzoening.
  § 7. Wanneer geen enkele opmerking werd meegedeeld, treedt de pensioentoezegging in werking op de vijftiende dag na die van de kennisgeving, tenzij het pensioenreglement in een andere datum voorziet. Die datum valt uiterlijk één jaar na de kennisgeving.

  HOOFDSTUK III. - Toetredingsvoorwaarden.

  Art. 13.De aansluiting bij een pensioenstelsel gebeurt onmiddellijk voor [3 alle werknemers die onder het stelsel vallen]3.
  (De toekenning van de pensioentoezegging mag niet afhankelijk gemaakt worden van een bijkomende beslissing van de inrichter, de werkgever of de pensioeninstelling.
  [1 De aangeslotene geniet, zolang hij in dienst is, van de pensioentoezegging alsook, in voorkomend geval, van de solidariteitstoezegging verbonden aan de pensioentoezegging.]1) <W 2007-05-10/35, art. 47, 007; Inwerkingtreding : 09-06-2007>
  [2 De werknemer die gepensioneerd is, een beroepsactiviteit uitoefent, geniet niet van de pensioentoezegging noch van de solidariteitstoezegging verbonden aan de pensioentoezegging.]2
  Een geneeskundig onderzoek mag enkel worden opgelegd wanneer de aangeslotene de vrijheid krijgt om de omvang van de overlijdensdekking zelf te kiezen of indien het kapitaal bij overlijden ten minste 50 % hoger is dan het kapitaal bij leven of indien er tien werknemers of minder zijn aangesloten bij het pensioenstelsel. De aansluiting mag niet afhankelijk worden gesteld van het resultaat van dat geneeskundig onderzoek.
  ----------
  (1)<W 2014-05-15/35, art. 81, 012; Inwerkingtreding : 29-06-2014>
  (2)<W 2015-12-18/03, art. 29, 013; Inwerkingtreding : 01-01-2016, zie ook overgangsbepalingen W 2015-12-18/03, art. 40>
  (3)<W 2018-06-27/05, art. 3, 018; Inwerkingtreding : 01-01-2019>

  Art. 14.§ 1. <W 2007-05-10/35, art. 48, 007; Inwerkingtreding : 09-06-2007> § 1. Elke vorm van discriminatie tussen werknemers, aangeslotenen en begunstigden is verboden. Discriminatie is een verschil in behandeling van personen die zich in een vergelijkbare situatie bevinden dat niet berust op een objectief criterium en niet redelijk verantwoord is. Hierbij wordt rekening gehouden met de beoogde doelstelling, het objectief karakter, de gevolgen van het verschil in behandeling en het feit dat dit verschil in behandeling niet onevenredig mag zijn ten opzichte van het beoogde geoorloofde doel.
  [1 Het verschil in behandeling tussen de werknemers die in toepassing van de artikelen 15 en 16 aangesloten zijn bij verschillende pensioentoezeggingen, maakt geen verboden discriminatie uit.]1
  Het eerste lid laat niet toe om verschillen in behandeling te rechtvaardigen die worden verboden door wetten die discriminatie op grond van specifieke criteria verbieden, waaronder in het bijzonder worden begrepen :
  - de wet van 30 juli 1981 tot bestraffing van bepaalde door racisme of xenofobie ingegeven daden;
  - de wet van 5 maart 2002 betreffende het beginsel van non-discriminatie ten gunste van deeltijdwerkers;
  - de wet van 5 juni 2002 betreffende het non-discriminatiebeginsel ten voordele van werknemers met een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd;
  - de wet van 10 mei 2007 ter bestrijding van discriminatie tussen vrouwen en mannen;
  - de wet van 10 mei 2007 ter bestrijding van bepaalde vormen van discriminatie.
  Inbreuken op de discriminatieverboden voorzien in de wetten bedoeld in het [1 derde]1 lid leiden ook tot een inbreuk op het discriminatieverbod bedoeld in het eerste lid.
  § 2. Op het vlak van de aansluiting bij een pensioenstelsel is elk onderscheid tussen deeltijdse en voltijdse werknemers verboden.
  Voor de werknemers die niet voltijds zijn tewerkgesteld gelden dezelfde pensioenrechten als voor voltijdse werknemers, maar rekening houdend met de vermindering van arbeidsduur.
  ----------
  (1)<W 2014-05-05/01, art. 29, 011; Inwerkingtreding : 19-05-2014>

  Art. 14/1. [1 Het verschil in behandeling dat berust op het onderscheid tussen werklieden en bedienden, maakt geen discriminatie bedoeld in artikel 14, § 1, eerste lid, uit voor de tewerkstellingsperiodes die gesitueerd zijn voor 1 januari 2015.]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij W 2014-05-05/01, art. 30, 011; Inwerkingtreding : 19-05-2014>

  Art. 14/2. [1 § 1. Het verschil in behandeling dat berust op het onderscheid tussen werklieden en bedienden, is voor werklieden en bedienden die zich in een vergelijkbare situatie bevinden een discriminatie in de zin van artikel 14, § 1, eerste lid, voor tewerkstellingsperiodes vanaf 1 januari 2025.
   § 2. In afwijking van paragraaf 1 maakt een verschil in behandeling dat berust op het onderscheid tussen werklieden en bedienden, geen discriminatie in de zin van artikel 14, § 1, eerste lid, uit, wanneer het voortkomt uit het feit dat een of meerdere werknemers overeenkomstig artikel 16, § 3, geweigerd hebben deel te nemen aan een gewijzigd pensioenstelsel of aan een nieuw pensioenstelsel waarbij het verschil in behandeling dat berust op het onderscheid tussen werklieden en bedienden wordt opgeheven.
   § 3. In afwijking van paragraaf 1 maakt een verschil in behandeling dat berust op het onderscheid tussen werklieden en bedienden geen discriminatie in de zin van artikel 14, § 1, eerste lid, uit, wanneer het krachtens artikel 16, § 3, nog blijft voortbestaan in het pensioenstelsel of de pensioenstelsels die door een overnemer overgenomen worden in het kader van een conventionale overdracht of fusie.]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij W 2014-05-05/01, art. 31, 011; Inwerkingtreding : 19-05-2014>

  Art. 14/3. [1 § 1. Het verschil in behandeling dat berust op het onderscheid tussen werklieden en bedienden, maakt geen discriminatie bedoeld in artikel 14, § 1, eerste lid, uit voor de tewerkstellingsperiodes tussen 1 januari 2015 en 1 januari 2025, indien het verschil in behandeling in een pensioenstelsel ingevoerd is geweest voor 1 januari 2015.
   Het in het eerste lid bedoelde verschil in behandeling maakt voor tewerkstellingsperiodes tussen 1 januari 2015 en 1 januari 2025 geen discriminatie bedoeld in artikel 14, § 1, eerste lid, uit op voorwaarde dat de werkgever zich inschrijft in een traject om de verschillen in behandeling tegen ten laatste 1 januari 2025 te beëindigen, rekening houdende met wat zich op dit vlak voordoet in het paritaire comité en/of de paritaire comités en/of in het paritaire subcomité en/of de paritaire subcomités waar hij onder valt.
   § 2. Pensioenstelsels die voor het eerst ingevoerd worden vanaf 1 januari 2015, mogen geen verschil in behandeling maken dat berust op het onderscheid tussen werklieden en bedienden.
   In afwijking van het vorige lid kan een pensioenstelsel dat voor het eerst ingevoerd wordt vanaf 1 januari 2015 een verschil in behandeling bevatten dat berust op het onderscheid tussen werklieden en bedienden, op voorwaarde dat dit verschil in behandeling erop gericht is om een verschil in behandeling op te heffen dat berust op het onderscheid tussen werklieden en bedienden en dat op 1 januari 2015 in een pensioenstelsel bestaat.
   In afwijking van het eerste lid kan een pensioenstelsel dat of kunnen pensioenstelsels die door de overnemer overgenomen wordt/worden in het kader van een conventionele overdracht of een fusie, een verschil in behandeling bevatten dat berust op het onderscheid tussen werklieden en bedienden op voorwaarde dat dit verschil in behandeling voor 1 januari 2015 in het pensioenstelsel of de pensioenstelsels bestond.
   § 3. Pensioenstelsels die bestaan op 1 januari 2015, mogen na deze datum geen nieuw verschil in behandeling invoeren dat berust op het onderscheid tussen werklieden en bedienden.
   In afwijking van het vorige lid kunnen nieuwe verschillen in behandeling die berusten op het onderscheid tussen werklieden en bedienden na 1 januari 2015 worden ingevoerd in een pensioenstelsel dat bestaat op 1 januari 2015, op voorwaarde dat ze erop gericht zijn om een verschil in behandeling op te heffen dat berust op het onderscheid tussen werklieden en bedienden en dat op 1 januari 2015 in het pensioenstelsel bestaat.]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij W 2014-05-05/01, art. 32, 011; Inwerkingtreding : 19-05-2014>

  Art. 14/4. [1 § 1. De paritaire comités en/of de paritaire subcomités die, ongeacht hun uitsluitende bevoegdheid voor werklieden of bedienden, overeenkomstig de koninklijke besluiten tot oprichting van deze organen hetzij op expliciete, hetzij op residuaire wijze bevoegd zijn voor dezelfde beroepscategorieën of voor dezelfde ondernemingsactiviteiten, nemen de noodzakelijke maatregelen om het verschil in behandeling dat berust op het onderscheid tussen werklieden en bedienden, te beëindigen. Zij houden daarbij rekening met de hierna bepaalde modaliteiten.
   De paritaire comités en/of de paritaire subcomités starten met dat doel zonder vertraging onderhandelingen op om protocolakkoorden te sluiten.
   Deze protocolakkoorden bepalen de wijze waarop de paritaire comités en/of de paritaire subcomités het verschil in behandeling dat berust op het onderscheid tussen werklieden en bedienden moeten beëindigen.
   Het sluiten van deze protocolakkoorden moet leiden tot het sluiten van een of meerdere sectorale collectieve arbeidsovereenkomsten die tegen ten laatste 1 januari 2023 neergelegd wordt/worden bij de Griffie van de Algemene Directie Collectieve Arbeidsbetrekkingen van de Federale Overheidsdienst Werkgelegenheid, Arbeid en Sociaal Overleg en waarvan het doel is om tegen ten laatste 1 januari 2025 een einde te stellen aan het verschil in behandeling dat berust op het onderscheid tussen werklieden en bedienden.
   De protocolakkoorden worden binnen twee maanden na het sluiten ervan neergelegd bij de Griffie van de Algemene Directie Collectieve Arbeidsbetrekkingen van de Federale Overheidsdienst Werkgelegenheid, Arbeid en Sociaal Overleg die ze onverwijld overmaakt aan het secretariaat van de Nationale Arbeidsraad.
   Overeenkomstig artikel 9 kan/kunnen de in het vierde lid bedoelde collectieve arbeidsovereenkomst(en) aan de werkgever de mogelijkheid bieden om de uitvoering van het pensioenstelsel voor alle of een deel van zijn werknemers geheel of gedeeltelijk zelf te organiseren in een pensioenstelsel op het niveau van de onderneming. Overeenkomstig artikel 14/3, § 2, tweede lid, en § 3, tweede lid, kan/kunnen de in het vierde lid bedoelde collectieve arbeidsovereenkomst(en) een verschil in behandeling bevatten dat berust op het onderscheid tussen werklieden en bedienden op het vlak van de omschrijving van de categorie van werknemers waarvoor de werkgever de mogelijkheid heeft om zelf het pensioenstelsel te organiseren. Overeenkomstig artikel 14/3, § 2, tweede lid, en § 3, tweede lid, kan het overeenkomstig artikel 9 op het niveau van de onderneming georganiseerde pensioenstelsel zelf eveneens een verschil in behandeling bevatten dat berust op het verschil tussen werklieden en bedienden.
   § 2. De in § 1, eerste lid, bedoelde paritaire comités en/of paritaire subcomités maken respectievelijk tegen 1 januari 2016, 1 januari 2018, 1 januari 2020 en 1 januari 2022 aan de Nationale Arbeidsraad een verslag over waarin ze een overzicht geven van de werkzaamheden die verricht werden om het verschil in behandeling dat berust op het onderscheid tussen werklieden en bedienden te beëindigen.
   Tegen respectievelijk 1 juli 2016, 1 juli 2018 en 1 juli 2020 maakt de Nationale Arbeidsraad aan de minister tot wiens bevoegdheid Pensioenen behoren en aan de minister tot wiens bevoegdheid Werk behoort, een evaluatie over, gebaseerd op de verslagen die hem krachtens het vorige lid overgemaakt werden, over de vooruitgang die op sectoraal niveau geboekt werd in de opheffing van het verschil in behandeling dat berust op het onderscheid tussen werklieden en bedienden. Bij deze evaluatie wordt in het bijzonder aandacht besteed aan de kost van de opheffing van het verschil in behandeling.
   Tegen 1 juli 2022 maakt de Nationale Arbeidsraad aan de minister tot wiens bevoegdheid Pensioenen behoren en aan de minister tot wiens bevoegdheid Werk behoort, een bijkomende evaluatie over waarin de paritaire comités en/of de paritaire subcomités geïdentificeerd worden die geen protocolakkoord hebben neergelegd of die, indien ze er een hebben neergelegd, sinds de neerlegging geen bijkomende vooruitgang geboekt hebben op het vlak van de opheffing van het verschil in behandeling dat berust op het onderscheid tussen werklieden en bedienden.
   § 3. Als de in § 1, eerste lid, bedoelde paritaire comités en/of paritaire subcomités tegen 1 januari 2023 bij de Griffie van de Algemene Directie Collectieve Arbeidsbetrekkingen van de Federale Overheidsdienst Werkgelegenheid, Arbeid en Sociaal Overleg niet een of meerdere collectieve arbeidsovereenkomsten neergelegd hebben die het verschil in behandeling dat berust op het onderscheid tussen werklieden en bedienden tegen ten laatste 1 januari 2025 beëindigt/beëindigen, kan de Koning bij een in Ministerraad overlegd besluit genomen na advies van de Nationale Arbeidsraad maatregelen nemen om een einde te stellen aan het verschil in behandeling dat berust op het onderscheid tussen werklieden en bedienden. Hij houdt daarbij rekening met de bijzonderheden van de betrokken paritaire comités en/of paritaire subcomités.
   De Koning kiest de maatregelen die hij overeenkomstig het eerste lid oplegt, uit de maatregelen die bepaald worden in een in Ministerraad overlegd besluit genomen na advies van de Nationale Arbeidsraad.]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij W 2014-05-05/01, art. 33, 011; Inwerkingtreding : 19-05-2014>

  Art. 15. De werknemers die op het ogenblik waarop het pensioenstelsel wordt ingevoerd reeds in dienst zijn, kunnen, tenzij het pensioenstelsel bij collectieve arbeidsovereenkomst (of op grond van artikel 12 " toegevoegd tussen de woorden) werd ingevoerd, niet worden verplicht om tot het stelsel toe te treden. Behoudens wanneer het pensioenreglement in de mogelijkheid voorziet om de toetreding uit te stellen, ontslaat de weigering van de werknemer de inrichter, en, ingeval de inrichter een rechtspersoon, bedoeld in artikel 3, § 1, 5°, a), is, ook zijn werkgever, van iedere in het kader van het pensioenstelsel bestaande verplichting ten aanzien van de betrokken werknemer. <W 2006-10-27/37, art. 206, 005; Inwerkingtreding : 10-11-2006>

  Art. 16.§ 1. Iedere wijziging van de pensioentoezegging die tot een vermeerdering van de verplichtingen van de aangeslotene leidt, ontslaat hem indien hij daarom verzoekt, van deelname aan de wijziging van de toezegging, tenzij ze bij collectieve arbeidsovereenkomst (of op grond van artikel 12) werd ingevoerd. <W 2006-10-27/37, art. 207, 005; Inwerkingtreding : 01-01-2007>
  Het is niet geoorloofd de pensioentoezegging van de werknemers, die op basis van het eerste lid beslissen niet toe te treden tot de wijziging van de pensioentoezegging, niet verder te zetten.
  De inrichter, en, ingeval de inrichter een rechtspersoon, bedoeld in artikel 3, § 1, 5°, a), is, ook zijn werkgever, worden ten aanzien van de betrokken aangeslotene evenwel ontslagen van iedere bijkomende verplichting die voortvloeit uit de wijziging van de pensioentoezegging.
  § 2. De wijziging van de pensioentoezegging mag in geen geval een vermindering van de verworven prestaties of van de verworven reserves voor verlopen dienstjaren tot gevolg hebben. De Koning stelt de berekeningswijze vast.
  [1 § 3. Wanneer een bestaand pensioenstelsel voor 1 januari 2025 wordt gewijzigd of door een nieuw pensioenstelsel wordt vervangen om een verschil in behandeling dat berust op het onderscheid tussen werklieden en bedienden op te heffen, kunnen de werknemers die bij het bestaande pensioenstelsel waren aangesloten weigeren deel te nemen aan het gewijzigde of het nieuwe pensioenstelsel, tenzij een collectieve arbeidsovereenkomst de aansluiting bij het gewijzigde of het nieuwe pensioenstelsel verplicht stelt. De weigering om deel te nemen aan het gewijzigde of het nieuwe pensioenstelsel moet ten laatste geuit worden bij de inwerkingtreding van respectievelijk de oprichting of de wijziging ervan.
   Onder een in het vorig lid bedoeld bestaand pensioenstelsel wordt verstaan een pensioenstelsel dat reeds in voege was op 1 januari 2015 waarin een verschil in behandeling dat berust op het onderscheid tussen werklieden en bedienden, wordt gemaakt.
   De inrichter is verplicht om de pensioentoezegging van werknemers die weigeren deel te nemen aan het in het eerste lid bedoelde gewijzigde of nieuwe pensioenstelsel verder te zetten.
   Aan de in het eerste lid bedoelde werknemers wordt steeds de mogelijkheid geboden om toe te treden tot het in het eerste lid bedoelde gewijzigde of nieuwe pensioenstelsel, wanneer het bestaande pensioenstelsel of het in het eerste lid bedoelde gewijzigde of nieuwe pensioenstelsel achteraf wordt gewijzigd.
   De in het eerste lid bedoelde werknemers kunnen eveneens toetreden tot ieder ander pensioenstelsel of tot ieder nieuw pensioenstelsel dat door de inrichter zou worden ingesteld.
   De periode binnen dewelke de in het eerste lid bedoelde werknemers kunnen toetreden tot één van de in het vierde of vijfde lid bedoelde pensioenstelsels, is beperkt in de tijd en wordt in elk concreet geval aan hen meegedeeld.
   De inrichter en, in geval de inrichter een rechtspersoon, bedoeld in artikel 3, § 1, 5°, a), is, ook de werkgever worden ten aanzien van de werknemer die overeenkomstig deze paragraaf deelname tot een pensioenstelsel weigert, ontslagen van alle verplichtingen die voortvloeien uit de pensioenstelsels waaraan deelname rechtsgeldig werd geweigerd.
   Uiterlijk op 1 januari 2032 evalueert de minister tot wiens bevoegdheid Pensioenen behoren, na advies van de Nationale Arbeidsraad, de toepassing van deze paragraaf teneinde na te gaan wat de gevolgen ervan zijn op de opheffing van het verschil in behandeling dat berust op het onderscheid tussen werklieden en bedienden.]1
  ----------
  (1)<W 2014-05-05/01, art. 34, 011; Inwerkingtreding : 19-05-2014>

  HOOFDSTUK IV. - Verworven reserves, verworven prestaties en waarborgen.

  Art. 17.De aangeslotene kan [1 onmiddellijk]1 aanspraak maken op verworven reserves en prestaties overeenkomstig het pensioenreglement of de pensioenovereenkomst.
  [1 ...]1
  ----------
  (1)<W 2018-06-27/05, art. 4, 018; Inwerkingtreding : 01-01-2019>

  Art. 18.<W 2006-10-27/37, art. 208, 005; Inwerkingtreding : 01-01-2007> De Koning bepaalt de minimale verworven reserves in het geval de pensioentoezegging met betrekking tot de rust- en/of overlevingspensioenen bij overlijden na de [1 pensioenleeftijd]1 van het type " vaste bijdragen " is.
  ----------
  (1)<W 2014-05-15/35, art. 68, 012; Inwerkingtreding : 29-06-2014>

  Art. 19.§ 1. Wanneer de pensioentoezegging met betrekking tot de rust- en/of overlevingspensioenen bij overlijden na de [1 pensioenleeftijd]1 van het type " vaste prestaties " is, zijn de minimale verworven reserves gelijk aan de som van de actuele waarden van de prestaties met betrekking tot het rust- en/of overlevingspensioen bij overlijden na de [1 pensioenleeftijd]1, zoals gedefinieerd in §§ 2 en 3.
  De actuele waarde van de prestaties met betrekking tot het overlevingspensioen bij overlijden na de [1 pensioenleeftijd]1 wordt echter maar in aanmerking genomen indien er op het ogenblik van de vaststelling van de minimale verworven reserves een rechthebbende bestaat overeenkomstig het pensioenreglement of de pensioenovereenkomst.
  § 2. De prestaties met betrekking tot het rustpensioen die op ieder ogenblik als basis dienen voor de berekening van de minimale verworven reserves, zijn gelijk aan het grootste van de volgende twee bedragen :
  - de prestatie met betrekking tot het rustpensioen, die in aanmerking genomen wordt voor de berekening van de minimumreserve zoals die vastgesteld is (door de Koning); <W 2006-10-27/37, art. 209, 1°, 005; Inwerkingtreding : 01-01-2007>
  - het rustpensioen dat vastgesteld is overeenkomstig het pensioenreglement of de pensioenovereenkomst, rekening houdend met de gegevens op dat moment.
  § 3. De prestaties met betrekking tot het overlevingspensioen bij overlijden na de [1 pensioenleeftijd]1 die op ieder ogenblik als basis dienen voor de berekening van de minimale verworven reserves, zijn gelijk aan het grootste van de volgende twee bedragen :
  - de prestatie met betrekking tot het overlevingspensioen bij overlijden na de [1 pensioenleeftijd]1, die in aanmerking genomen wordt voor de berekening van de minimumreserve zoals die vastgesteld is (door de Koning); <W 2006-10-27/37, art. 209, 2°, 005; Inwerkingtreding : 01-01-2007>
  - het overlevingspensioen bij overlijden na de [1 pensioenleeftijd]1, dat vastgesteld is overeenkomstig het pensioenreglement of de pensioenovereenkomst, rekening houdend met de gegevens op dat moment.
  § 4. De actualisatieregels, die vermeld zijn in het pensioenreglement of in de pensioenovereenkomst en die gebruikt worden voor de berekening van de actuele waarden bedoeld in § 1, mogen geen resultaat opleveren dat kleiner is dan het resultaat dat men zou behalen met de actualisatieregels (die door de Koning zijn opgelegd) voor de berekening van de minimumreserve op het ogenblik van de uittreding. <W 2006-10-27/37, art. 209, 3°, 005; Inwerkingtreding : 01-01-2007>
  Indien de pensioentoezegging betrekking heeft op de betaling van een rente, maar voorziet in de mogelijkheid om deze rente [1 ...]1 geheel of gedeeltelijk te vereffenen in de vorm van een kapitaal, mag de omzettingscoëfficiënt niet verschillen van de coëfficiënt die verkregen wordt met de actualisatieregels die in het reglement of in de overeenkomst zijn vastgesteld voor de berekening van de actuele waarden bedoeld in § 1.
  § 5. Wanneer, in het kader van § 1, de toezegging met betrekking tot de rust- en/of overlevingspensioenen bij overlijden na de [1 pensioenleeftijd]1 voorziet in de betaling van vaste prestaties die met een vast bedrag overeenstemmen, waarbij geen rekening gehouden wordt met de gepresteerde dienstjaren (en met het loon) van de aangeslotene, zijn de prestaties die op ieder ogenblik als basis dienen voor de berekening van de minimale verworven reserves, gelijk aan dat bedrag. <W 2006-10-27/37, art. 209, 4°, 005; Inwerkingtreding : 01-01-2007>
  ----------
  (1)<W 2014-05-15/35, art. 69, 012; Inwerkingtreding : 29-06-2014>

  Art. 20. Wanneer de pensioentoezegging bedoeld in artikel 19 gefinancierd wordt bij verschillende pensioeninstellingen, zijn de bepalingen van dat artikel van toepassing op de volledige toezegging.

  Art. 21.Wanneer de pensioentoezegging met betrekking tot de rust- en/of overlevingspensioenen bij overlijden na de [1 pensioenleeftijd]1 betrekking heeft op een bedrag dat verkregen wordt op basis van de bedragen die aan de aangeslotenen zijn toegekend op vervaldagen die vastgesteld zijn in het pensioenreglement of in de pensioenovereenkomst, zijn de minimale verworven reserves, in afwijking van artikel 19, gelijk aan het resultaat van de kapitalisatie van de reeds toegekende bedragen, berekend overeenkomstig het pensioenreglement of de pensioenovereenkomst.
  ----------
  (1)<W 2014-05-15/35, art. 70, 012; Inwerkingtreding : 29-06-2014>

  Art. 22.Wanneer de pensioentoezegging met betrekking tot de rust- en/of overlevingspensioenen bij overlijden na de [1 pensioenleeftijd]1 bestaat uit een toezegging van het type " vaste prestaties " en een toezegging van het type " vaste bijdragen ", zonder dat die bijdraagt in de financiering van de toezegging van het type " vaste prestaties ", worden de bepalingen van de artikelen 18 en 19 afzonderlijk toegepast op de twee toezeggingen.
  ----------
  (1)<W 2014-05-15/35, art. 71, 012; Inwerkingtreding : 29-06-2014>

  Art. 23. Het is verboden een pensioentoezegging op een dergelijke wijze te omschrijven dat voor een aangeslotene de bepalingen van artikel 17 zonder gevolg blijven.

  Art. 24.§ 1. Wanneer de pensioentoezegging in de betaling voorziet van een persoonlijke bijdrage door de aangeslotene, heeft deze bij zijn uittreding, [4 pensionering, of wanneer prestaties verschuldigd zijn overeenkomstig artikel 27, § 1, zesde lid of artikelen 63/2 en 63/3,]4 of bij opheffing van de pensioentoezegging [5 ...]5 recht op het gedeelte van die bijdrage, dat niet verbruikt werd voor de dekking van het overlijdens- en invaliditeitsrisico vóór [1 [4 de datum waarop de prestaties verschuldigd zijn]4]1, (gekapitaliseerd tegen [2 de rentevoet vastgesteld overeenkomstig § 3]2). <W 2006-10-27/37, art. 210, 1°, 005; Inwerkingtreding : 01-01-2007>
  § 2. Wanneer de pensioentoezegging van het type vaste bijdragen is of een toezegging is zoals bedoeld in artikel 21, heeft de aangeslotene bij zijn uittreding, [4 pensionering of wanneer prestaties verschuldigd zijn overeenkomstig artikel 27, § 1, zesde lid of artikelen 63/2 en 63/3]4 of bij opheffing van de pensioentoezegging [5 ...]5 recht op het gedeelte van de bijdrage, dat niet door hem werd gedragen en dat niet verbruikt werd voor de dekking van het overlijdens- en invaliditeitsrisico vóór [1 [4 de datum waarop de prestaties verschuldigd zijn]4]1 en voor de dekking van de kosten beperkt tot 5 % van de stortingen, of het gedeelte van de toegekende bijdragen, (gekapitaliseerd tegen [2 de rentevoet vastgesteld overeenkomstig § 3]2). <W 2006-10-27/37, art. 210, 2°, 005; Inwerkingtreding : 01-01-2007>
  In afwijking van het eerste lid wordt, bij uittreding, [4 pensionering of wanneer prestaties verschuldigd zijn overeenkomstig artikel 27, § 1, zesde lid of artikelen 63/2 en 63/3]4 of bij opheffing van het pensioenstelsel binnen vijf jaar na de aansluiting, de kapitalisatie tegen de maximale referentierentevoet vervangen door een indexering van die bijdrage overeenkomstig de bepalingen van de wet van 2 augustus 1971 houdende inrichting van een stelsel waarbij de wedden, lonen, pensioenen, toelagen en tegemoetkomingen ten laste van de openbare schatkist, sommige sociale uitkeringen, de bezoldigingsgrenzen waarmee rekening dient gehouden bij de berekening van sommige bijdragen van de sociale zekerheid der arbeiders, alsmede de verplichtingen op sociaal gebied opgelegd aan de zelfstandigen. Die afwijking is niet van toepassing indien het resultaat van de berekening hoger is dan het resultaat dat voortvloeit uit de berekening bedoeld in het eerste lid.
  Het eerste en het tweede lid zijn niet van toepassing op het gedeelte van de bijdragen, dat niet door de aangeslotene werd gedragen, en dat bijdraagt tot de financiering van een pensioentoezegging van het type vaste prestaties met betrekking tot een rust- en/of overlevingspensioen bij overlijden na de [1 pensioenleeftijd]1. De toezegging van het type vaste prestaties moet een aanvullend effect hebben bij de toezegging van het type vaste bijdragen.
  § 3. [3 Tot 31 december 2015 is de rentevoet bedoeld in § 1, gelijk aan 3,75 % en de rentevoet bedoeld in § 2, eerste lid, gelijk aan 3,25 %.
   Met ingang van 1 januari 2016, is de rentevoet bedoeld in § 1 en § 2, eerste lid gelijk aan een percentage van het gemiddelde rendement op 1 juni over de voorbije 24 maanden van de Belgische Lineaire Obligaties met een duurtijd van 10 jaar afgerond tot op de meest nabije 25 bp (basispunt). Deze rentevoet wordt toegepast op 1 januari van het daaropvolgende jaar. Voor de bepaling van de rentevoet die op 1 januari 2016 van toepassing wordt, wordt het gemiddelde op 1 juni 2015 in aanmerking genomen.
   Het in het tweede lid bedoelde percentage is gelijk aan 65 % voor de jaren 2016 en 2017.
   Op voorwaarde van een positief advies van de Nationale Bank van België voor 1 november 2017, wordt het in het tweede lid bedoelde percentage, vanaf 1 januari 2018, op 75 % gebracht.
   Op voorwaarde van een positief advies van de Nationale Bank van België voor 1 november 2018, wordt het in het tweede lid bedoelde percentage, vanaf 1 januari 2019, op 75 % gebracht bij ontstentenis van een eerder gegeven positief advies over het optrekken tot dit percentage.
   Op voorwaarde van een positief advies van de Nationale Bank van België voor 1 november 2019, wordt het in het tweede lid bedoelde percentage, vanaf 1 januari 2020, op 85 % of, bij gebreke aan een positief advies over het optrekken tot dit percentage, op 75 % gebracht als de Nationale Bank van België voordien geen positief advies heeft gegeven over het optrekken tot dit percentage.
   De Nationale Bank van België brengt een advies uit voor 1 november van elk daaropvolgend jaar zolang zij de voorgaande jaren nog geen positief advies over de toepassing van de in het voorgaande lid bedoelde percentages heeft uitgebracht.
   De in de voorgaande leden bedoelde adviezen van de Nationale Bank van België zijn positief indien de in het tweede lid voorziene formule met toepassing van het optrekken van het geplande percentage tot een resultaat leidt dat lager is dan of gelijk is aan de maximale interestvoet voor levensverzekeringen van de prudentiële reglementering van toepassing op verzekeringsmaatschappijen.
   De Nationale Bank van België publiceert de in de voorgaande leden bedoelde adviezen op haar website.
   Indien het resultaat van de berekening bedoeld in het tweede lid, niet afgerond tot op de meest nabije 25 bp (basispunt), minder dan 25 bp (basispunt) afwijkt van het resultaat van dezelfde berekening in het vorige jaar, dan wordt de rentevoet in afwijking van het tweede lid, niet gewijzigd en blijft de rentevoet van het vorige jaar van kracht.
   Indien de rentevoet bepaald overeenkomstig het tweede tot achtste lid, minder dan 1,75 % bedraagt, dan wordt hij verhoogd tot 1,75 %. Indien deze rentevoet meer dan 3,75 % bedraagt, dan wordt hij beperkt tot 3,75 %.
   De FSMA publiceert voor 1 december van elk jaar op haar website de overeenkomstig deze paragraaf vastgestelde rentevoet die van toepassing zal zijn op 1 januari van het daaropvolgende jaar. Voor de rentevoet van toepassing vanaf 1 januari 2016, zal de FSMA overgaan tot de publicatie ten laatste op 31 december 2015.]3
  [2 § 4. voor de toepassing van deze paragraaf wordt verstaan onder:
   - horizontale methode: de methode waarbij in geval van een wijziging van de rentevoet overeenkomstig § 3, de oude rentevoet wordt toegepast tot aan de eerste van de gebeurtenissen bedoeld in § 1 en § 2, eerste lid op de bijdragen verschuldigd op basis van het pensioenreglement of de pensioenovereenkomst voor de wijziging en de nieuwe rentevoet wordt toegepast tot aan de eerste van de gebeurtenissen bedoeld in § 1 en § 2, eerste lid op de bijdragen verschuldigd op basis van het pensioenreglement of de pensioenovereenkomst vanaf de wijziging;
   - verticale methode: de methode waarbij in geval van een wijziging van de rentevoet overeenkomstig § 3 de oude rentevoet wordt toegepast tot op het moment van zijn wijziging op de bijdragen verschuldigd op basis van het pensioenreglement of de pensioenovereenkomst voor de wijziging en de nieuwe rentevoet wordt toegepast op de bijdragen verschuldigd op basis van het pensioenreglement of de pensioenovereenkomst vanaf de wijziging en op het bedrag resulterend uit de kapitalisatie tegen de oude rentevoet van de bijdragen verschuldigd op basis van het pensioenreglement of de pensioenovereenkomst tot aan de wijziging.
   Voor de pensioentoezeggingen die worden ingevoerd vanaf 1 januari 2016, bepaalt het pensioenreglement of de pensioenovereenkomst of voor de kapitalisatie van de bijdragen bij wijziging van de rentevoet overeenkomstig § 3, de verticale dan wel de horizontale methode wordt toegepast.
   Bij gebreke aan een uitdrukkelijke vermelding in het pensioenreglement of de pensioenovereenkomst en voor alle pensioentoezeggingen die werden ingevoerd vóór 1 januari 2016, wordt:
   - de horizontale methode toegepast indien de pensioentoezegging in haar geheel wordt uitgevoerd door één of meerdere pensioeninstellingen die over de volledige pensioentoezegging een welbepaald resultaat garanderen in functie van de gestorte bijdragen tot aan de pensioenleeftijd;
   - de verticale methode toegepast in alle andere gevallen.
   De toepassing van de verticale of horizontale methode kan uitsluitend gewijzigd worden in geval van een wijziging aangebracht aan de uitvoering van de pensioentoezegging met als gevolg dat de pensioeninstelling voortaan tot aan de pensioenleeftijd over de volledige pensioentoezegging een welbepaald resultaat in functie van de gestorte bijdragen garandeert of ophoudt dit te garanderen.
   Indien de methode gewijzigd wordt bij de wijziging, zoals bedoeld in het voorgaande lid, aangebracht aan de uitvoering van de pensioentoezegging die niet gepaard gaat met een overdracht van reserves, geldt de gewijzigde methode enkel voor de nieuwe bijdragen verschuldigd op basis van het pensioenreglement of de pensioenovereenkomst. In het geval van een overdracht van reserves, geldt de gewijzigde methode voor de bijdragen verschuldigd op basis van het pensioenreglement of de pensioenovereenkomst na de overdracht en op de bijdragen verschuldigd voor de overdracht, gekapitaliseerd op basis van de oude methode tot aan de datum van de overdracht.
   § 5. Voor de toepassing van dit artikel op de pensioentoezeggingen bedoeld in artikel 21, wordt met "bijdragen" "toegewezen bedragen" bedoeld.
   § 6. De pensioeninstelling bezorgt op eenvoudig verzoek aan de aangeslotene een gedetailleerde berekening van de kapitalisatie van de bijdragen berekend op grond van dit artikel.]2
  ----------
  (1)<W 2014-05-15/35, art. 72, 012; Inwerkingtreding : 29-06-2014>
  (2)<W 2015-12-18/03, art. 2,1°-3°;5°, 013; Inwerkingtreding : 01-01-2016, zie ook overgangsbepalingen W 2015-12-18/03, art. 40>
  (3)<W 2015-12-18/03, art. 2,4°, 013; Inwerkingtreding : 24-12-2015, zie ook overgangsbepalingen W 2015-12-18/03, art. 40>
  (4)<W 2015-12-18/03, art. 12, 013; Inwerkingtreding : 01-01-2016, zie ook overgangsbepalingen W 2015-12-18/03, art. 40>
  (5)<W 2018-06-27/05, art. 5, 018; Inwerkingtreding : 01-01-2019>

  Art. 25. Het pensioenreglement of de pensioenovereenkomst bepaalt de regels voor de vaststelling van de pensioenrechten bij de opheffing van de pensioentoezegging. Zij stellen de berekeningswijze van de pensioenrechten van elke aangeslotene vast in functie van de op het ogenblik van de opheffing aanwezige reserves. De verdeling van de reserves waarborgt aan iedere individuele aangeslotene de door hem opgebouwde verworven reserves, desgevallend aangevuld tot de bedragen gewaarborgd met toepassing van artikel 24.

  Art. 26.[1 § 1. De pensioeninstelling of de inrichter zelf, indien deze laatste daar om vraagt, deelt ieder jaar aan de aangeslotenen die nog niet zijn uitgetreden een pensioenfiche mee waarop wordt vermeld :
   1° in een eerste deel uitsluitend de volgende gegevens :
   1. Het bedrag van de verworven reserves op 1 januari van het betrokken jaar, berekend op basis van de persoonlijke gegevens en de parameters van het aanvullend pensioen die in aanmerking werden genomen bij de laatste herberekeningsdatum bepaald in het pensioenreglement of de pensioenovereenkomst. De herberekeningsdatum wordt eveneens vermeld alsook desgevallend het krachtens artikel 24 gewaarborgd bedrag indien het bedrag van de verworven reserves lager ligt dan dit bedrag.
   Bovendien worden het bedrag van de verworven reserves met betrekking tot de financiering door de inrichter en het bedrag van de verworven reserves met betrekking tot de financiering door de werknemer vermeld.
   2. Als de verworven prestaties berekenbaar zijn, het bedrag ervan op 1 januari van het betrokken jaar, berekend op basis van de persoonlijke gegevens en de parameters van het aanvullend pensioen die in aanmerking werden genomen bij de laatste herberekeningsdatum bepaald in het pensioenreglement of de pensioenovereenkomst. De herberekeningsdatum wordt eveneens vermeld, alsook de datum waarop de verworven prestaties opeisbaar zijn.
   3. Het bedrag van de prestatie op de pensioenleeftijd op 1 januari van het betrokken jaar, berekend op basis van de volgende veronderstellingen :
   a. de aangeslotene blijft in dienst tot aan de pensioenleeftijd;
   b. de persoonlijke gegevens en de parameters van het aanvullend pensioen die beschikbaar zijn op de laatste herberekeningsdatum bepaald in het pensioenreglement of de pensioenovereenkomst. De herberekeningsdatum wordt vermeld, alsook in voorkomend geval het rendement.
   Er wordt bepaald dat het gaat om een raming die geen kennisgeving van een recht op een aanvullend pensioen inhoudt.
   4. Het bedrag van de prestatie bij overlijden vóór de pensioenleeftijd op 1 januari van het betrokken jaar, berekend op basis van de persoonlijke gegevens en de parameters van het aanvullend pensioen die in aanmerking werden genomen bij de laatste herberekeningsdatum bepaald in het pensioenreglement of de pensioenovereenkomst. De herberekeningsdatum wordt vermeld.
   Er wordt eveneens vermeld of er een wezenrente bestaat en of er een bijkomende prestatie wordt toegekend in geval van overlijden door een ongeval.
   2° in een tweede deel minstens de volgende gegevens :
   1. het actuele financieringsniveau van de verworven reserves en van de in artikel 24 bedoelde waarborg op 1 januari van het betrokken jaar;
   2. de in 1°, punt 1, bedoelde bedragen die betrekking hebben op het voorgaande jaar;
   3. de variabele elementen waarmee bij de berekening van de in 1°, punten 1 en 2, bedoelde bedragen rekening wordt gehouden.
   Ter gelegenheid van de in deze paragraaf bedoelde informatieverstrekking brengt de pensioeninstelling of, in voorkomend geval, de inrichter de aangeslotene ervan op de hoogte dat :
   - de tekst van het pensioenreglement op eenvoudig verzoek kan worden opgevraagd bij de persoon die daartoe overeenkomstig het reglement is aangewezen;
   - hij de gegevens betreffende zijn aanvullend(e) pensioen(en) kan raadplegen in de gegevensbank betreffende de aanvullende pensioenen opgericht door artikel 306 van de programmawet (I) van 27 december 2006.
   De informatieverstrekking kan onder de volgende voorwaarden op elektronische wijze gebeuren :
   - de op elektronische wijze consulteerbare pensioenfiche moet kunnen worden afgedrukt;
   - de op elektronische wijze consulteerbare pensioenfiche moet door de pensioeninstelling op een [4 duurzame gegevensdrager]4 worden bewaard;
   - als de elektronische mededeling toegang tot een beveiligde site veronderstelt die niet kan worden geraadpleegd via een computer die niet toebehoort aan de inrichter, dan stelt de inrichter aan de werknemers die in zijn onderneming geen toegang tot een computer hebben, binnen de onderneming de nodige middelen ter beschikking om in alle vertrouwelijkheid de pensioenfiche te raadplegen.
   Als de pensioenfiche elektronisch wordt bezorgd, dan behoudt de aangeslotene het recht de vraag te stellen om de pensioenfiche voortaan op papier te ontvangen.
   § 2. De pensioeninstelling of de inrichter, indien deze laatste daar om vraagt, deelt op eenvoudig verzoek van de aangeslotene een historisch overzicht mee van :
   - het bedrag van de verworven reserves, in voorkomend geval met vermelding van het bedrag dat overeenstemt met de waarborgen bedoeld in artikel 24;
   - als de verworven prestaties berekenbaar zijn, het bedrag van de verworven prestaties en de datum waarop deze opeisbaar zijn.
   Dit overzicht kan worden beperkt tot de periode van aansluiting bij de pensioeninstelling en tot de periode na 1 januari 1996.
   § 3. [2 Bij de pensionering of wanneer er andere prestaties verschuldigd zijn, licht de pensioeninstelling of de inrichter zelf, indien deze laatste daar om vraagt, de begunstigde of zijn rechthebbenden in over de prestaties die verschuldigd zijn, over de mogelijke uitbetalingswijzen, met inbegrip van het recht op omzetting in een rente voorzien in artikel 28, § 1, en over de noodzakelijke gegevens voor de uitbetaling.]2
   § 4. De mededelingen bedoeld in de paragrafen 1 tot en met 3 vermelden eveneens de volgende gegevens :
   1° de identificatie van de aangeslotene of de betrokkene, met inbegrip van het INSZ-nummer behalve voor de begunstigden van een prestatie bij overlijden;
   2° in voorkomend geval de identificatie van de inrichter, met inbegrip van het KBO-nummer;
   3° de identificatie van de pensioeninstelling, met inbegrip van het KBO-nummer;
   4° de identificatie van de pensioentoezegging.
   De Koning kan de lijst met gegevens vermeld in het eerste lid aanvullen.
   Indien de inrichter of de pensioeninstelling bijkomende informatie wensen mee te delen aan de aangeslotene of de betrokkene, dient dit te gebeuren in een duidelijk onderscheiden gedeelte.
   § 5. De FSMA kan een gestandaardiseerde presentatiewijze bepalen die voor mededelingen bedoeld in dit artikel dient gebruikt te worden.
   § 6. De inrichter of de pensioeninstelling kan geheel of gedeeltelijk worden ontheven van [3 ...]3 de verplichtingen opgelegd in dit artikel voor zover de VZW SiGeDiS, opgericht overeenkomstig artikel 12 van het koninklijk besluit van 12 juni 2006 tot uitvoering van Titel III, Hoofdstuk II, van de wet van 23 december 2005 betreffende het generatiepact, zich er op grond van een overeenkomst met de inrichter of de pensioeninstelling toe verbindt om [3 ...]3 de verplichtingen over te nemen.
   § 7. De pensioeninstelling deelt aan de VZW SiGeDiS, opgericht overeenkomstig artikel 12 van het koninklijk besluit van 12 juni 2006 tot uitvoering van titel III, hoofdstuk II, van de wet van 23 december 2005 betreffende het generatiepact, de gegevens mee die noodzakelijk zijn voor de in artikel 306, § 2, 5°, van de programmawet (I) van 27 december 2006 bedoelde informatieverstrekking.]1
  ----------
  (1)<W 2014-05-15/35, art. 29, 012; Inwerkingtreding : 01-01-2016>
  (2)<W 2015-12-18/03, art. 13, 013; Inwerkingtreding : 01-01-2016, zie ook overgangsbepalingen W 2015-12-18/03, art. 40>
  (3)<W 2018-02-18/07, art. 44, 016; Inwerkingtreding : 30-03-2018>
  (4)<W 2018-09-20/14, art. 22, 019; Inwerkingtreding : 20-10-2018>

  Art. 26bis. (Opgeheven) <W 2007-04-27/35, art. 51, 006; Inwerkingtreding : 18-05-2007>

  Art. 26ter. (Opgeheven) <W 2007-04-27/35, art. 51, 006; Inwerkingtreding : 18-05-2007>

  Art. 27.§ 1. [2 Onverminderd de bepalingen van de tweede paragraaf en het recht op overdracht van de reserves bedoeld in artikel 32 worden de aanvullende pensioenprestatie, de verworven reserves, de reserves die voortvloeien uit de overdracht van de reserves zoals bedoeld in artikel 32, § 1, 1°, 2°, 3° b), of de reserves die voortvloeien uit de toepassing van artikel 33 vereffend bij de pensionering van de aangeslotene. De prestaties worden berekend op de datum van de pensionering van de aangeslotene en uitbetaald ten laatste binnen de dertig dagen die volgen op de communicatie van de voor de uitbetaling noodzakelijke gegevens aan de pensioeninstelling door de aangeslotene.
   De pensioentoezegging blijft van kracht tot aan de pensionering, tenzij ze opgeheven wordt.
   Ten laatste negentig dagen vóór de pensionering van de aangeslotene, licht de inrichter de pensioeninstelling schriftelijk in over de pensionering van deze laatste.
   Als de aangeslotene uitgetreden is, licht deze de pensioeninstelling ten laatste negentig dagen vóór zijn pensionering schriftelijk in over zijn pensionering.
   Vanaf 1 januari 2017, neemt de vzw Sigedis, opgericht overeenkomstig artikel 12 van het koninklijk besluit van 12 juni 2006 tot uitvoering van Titel III, Hoofdstuk II, van de wet van 23 december 2005 betreffende het generatiepact, de verplichting over om de pensioeninstelling te informeren over de pensionering van de aangeslotene. De Koning kan de inhoud en de modaliteiten van deze mededeling bepalen."
   In afwijking van het eerste lid, indien de pensionering later is dan de datum waarop de aangeslotene de wettelijke pensioenleeftijd van kracht bereikt of de datum waarop hij voldoet aan de voorwaarden om zijn vervroegd rustpensioen als werknemer te verkrijgen, mogen de prestatie en de reserves bedoeld in het eerste lid, op verzoek van de aangeslotene, uitbetaald worden vanaf één van deze data op voorwaarde dat het pensioenreglement of de pensioenovereenkomst dit uitdrukkelijk voorziet.]2
  § 2. Voorschotten op prestaties, inpandgevingen van pensioenrechten voor het waarborgen van een lening en de toewijzing van de afkoopwaarde aan de wedersamenstelling van een hypothecair krediet mogen enkel worden toegestaan om de aangeslotene in staat te stellen op het grondgebied van de [1 Europese Economische Ruimte]1 onroerende goederen die belastbare inkomsten opbrengen te verwerven, te bouwen, te verbeteren, te herstellen of te verbouwen. Die voorschotten en leningen moeten worden terugbetaald zodra die goederen uit het vermogen van de aangeslotene verdwijnen.
  Indien het pensioenreglement of de pensioenovereenkomst in voorschotten op prestaties of inpandgevingen van pensioenrechten of in de mogelijkheid tot toewijzing van de afkoopwaarde aan de wedersamenstelling van een hypothecair krediet voorziet, dienen de beperkingen vermeld in het eerste lid uitdrukkelijk in het pensioenreglement of in de pensioenovereenkomst te worden vermeld.
  [2 In geval van voorschotten op prestaties, inpandgevingen van pensioenrechten of van toewijzing van de afkoopwaarde aan de wedersamenstelling van een hypothecair krediet, kunnen deze geen termijn voorzien korter dan het bereiken van de wettelijke pensioenleeftijd.]2
  (§ 3. Voor de betaalde sportbeoefenaar, bedoeld bij de wet van 24 februari 1978 betreffende de arbeidsovereenkomst voor betaalde sportbeoefenaars, wordt het ogenblik van zijn pensionering vastgesteld op het ogenblik van de stopzetting van de onderwerping van die sportbeoefenaar aan de voormelde wet van 24 februari 1978. Dit ogenblik kan ten vroegste worden vastgesteld op de eerste dag van de maand die volgt op deze waarin de betaalde sportbeoefenaar de leeftijd van 35 jaar bereikt en hij zijn sportieve beroepsactiviteit definitief en volledig stopzet.) <W 2003-12-22/42, art. 85, 003; Inwerkingtreding : 10-01-2004>
  [2 § 4. Bepalingen die als doel en/of als gevolg hebben dat zij:
   - De gevolgen van een uittreding of de pensionering voor de wettelijke pensioenleeftijd op de omvang van de aanvullende pensioenprestatie opheffen of beperken;
   - Bijkomende voordelen toekennen omwille van de uittreding of de pensionering;
   En die aldus leiden tot een verhoging van de verworven reserves en/of verworven prestaties of tot elk ander bijkomend voordeel omwille van de pensionering of de uittreding zijn absoluut nietig.]2
  ----------
  (1)<W 2014-05-15/35, art. 82, 012; Inwerkingtreding : 29-06-2014>
  (2)<W 2015-12-18/03, art. 18, 013; Inwerkingtreding : 01-01-2016, zie ook overgangsbepalingen W 2015-12-18/03, art. 40>
  

  Art. 28. § 1. Wanneer de prestatie uitgekeerd wordt als een kapitaal, heeft de aangeslotene, of, in geval van overlijden zijn rechthebbenden, het recht om de omvorming in een rente te vragen.
  De Koning stelt de berekeningswijze terzake vast.
  De inrichter brengt de aangeslotene van dit recht op de hoogte twee maanden vóór de pensionering of binnen de twee weken nadat hij van de vervroegde pensionering op de hoogte is gebracht. In geval van overlijden van de aangeslotene brengt de inrichter de rechthebbenden van dit recht op de hoogte binnen de twee weken nadat hij van het overlijden op de hoogte is gebracht. De collectieve arbeidsovereenkomst of het pensioenreglement kan een andere persoon met deze kennisgeving belasten.
  § 2. Wanneer het jaarlijks bedrag van de rente bij de aanvang ervan minder dan of gelijk aan 500 euro bedraagt, wordt het kapitaal uitbetaald. Het bedrag van 500 euro wordt geïndexeerd volgens de bepalingen van de wet van 2 augustus 1971, houdende inrichting van een stelsel waarbij de wedden, lonen, pensioenen, toelagen en tegemoetkomingen ten laste van de openbare schatkist, sommige sociale uitkeringen, de bezoldigingsgrenzen waarmee rekening dient gehouden bij de berekening van sommige bijdragen van de sociale zekerheid der arbeiders, alsmede de verplichtingen op sociaal gebied opgelegd aan de zelfstandigen.

  HOOFDSTUK V. - Uittreding.

  Art. 28/1. [1 Behalve als deze informatie reeds voorkomt in het pensioenreglement of de pensioenovereenkomst, deelt de pensioeninstelling of de inrichter zelf, indien deze laatste daar om vraagt, schriftelijk aan de aangeslotene op eenvoudig verzoek de volgende inlichtingen mee:
   - voor de aangeslotenen in dienst, de voorwaarden voor het verwerven van de pensioenrechten en de gevolgen van de toepassing van die voorwaarden in geval van beëindiging van de arbeidsverhouding;
   - de voorwaarden die de behandeling van de pensioenrechten regelen na de beëindiging van de arbeidsverhouding.
   Deze inlichtingen worden binnen een redelijke termijn meegedeeld en maximum één keer per jaar.]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij W 2018-06-27/05, art. 6, 018; Inwerkingtreding : 21-05-2018>
  

  Art. 29. Op het ogenblik van de uittreding mag geen enkele vergoeding of verlies van winstdelingen ten laste worden gelegd van de aangeslotene, of van de verworven reserves worden afgetrokken.

  Art. 30.De inrichter is ertoe gehouden [1 in geval van uittreding]1 de tekorten van de verworven reserves aan te zuiveren alsook de tekorten ten opzichte van de garanties, bedoeld in artikel 24.
  [1 De in het vorige lid bedoelde aanzuivering moet ten laatste verricht worden op het moment dat één van de volgende gebeurtenissen zich voordoet : de overdracht van de verworven reserves bedoeld in artikel 32, [2 de pensionering, wanneer de prestaties verschuldigd zijn]2 of de opheffing van de pensioentoezegging.]1
  ----------
  (1)<W 2014-05-15/35, art. 59, 012; Inwerkingtreding : 29-06-2014>
  (2)<W 2018-12-06/23, art. 39, 020; Inwerkingtreding : 27-03-2019>

  Art. 31.§ 1. Na de uittreding van een werknemer stelt de inrichter uiterlijk binnen dertig dagen de pensioeninstelling hiervan schriftelijk in kennis.
  [2 Behalve in de situatie bedoeld in artikel 32, § 1, vierde lid, deelt de pensioeninstelling]2 uiterlijk binnen dertig dagen na de kennisgeving aan de inrichter de volgende gegevens mee :
  1° het bedrag van de verworven reserves, desgevallend aangevuld tot de bedragen gewaarborgd met toepassing van artikel 24;
  2° het bedrag van de verworven prestaties;
  3° de verschillende keuzemogelijkheden bedoeld in artikel 32, § 1, met vermelding dat de overlijdensdekking al dan niet behouden blijft [1 in geval van behoud van een overlijdensdekking, het bedrag en het type ervan]1.
  [1 4° indien zij berekend kunnen worden, het bedrag van de verworven prestaties indien de aangeslotene opteert voor de keuzemogelijkheid bedoeld in artikel 32, § 1, eerste lid, 3°, c).]1
  [2 In voorkomend geval stelt de inrichter]2 de aangeslotene hiervan onmiddellijk in kennis. Deze kennisgeving gebeurt schriftelijk of langs elektronische weg.
  § 2. Indien de inrichter van de pensioentoezegging een rechtspersoon, bedoeld in artikel 3, § 1, 5°, a), is, dan dient de procedure bij uittreding te worden geregeld in de sectorale collectieve arbeidsovereenkomst waarbij de pensioentoezegging wordt ingevoerd.
  In afwijking van § 1, eerste lid, mag de periode van kennisgeving tot ten hoogste één jaar worden verlengd. Binnen diezelfde periode kan de aangeslotene evenwel zelf de pensioeninstelling van zijn uittreding in kennis stellen. Na deze kennisgeving door de aangeslotene zijn de bepalingen van § 1, tweede lid en derde lid van toepassing.
  Binnen diezelfde periode van kennisgeving kan de aangeslotene de pensioeninstelling meedelen dat hij bij dezelfde pensioentoezegging aangesloten blijft. In dat geval is de procedure bedoeld in artikel 32 niet van toepassing.
  ----------
  (1)<W 2015-12-18/03, art. 4, 013; Inwerkingtreding : 01-01-2016, zie ook overgangsbepalingen W 2015-12-18/03, art. 40>
  (2)<W 2018-06-27/05, art. 7, 018; Inwerkingtreding : 01-01-2019>

  Art. 32.§ 1. Bij uittreding heeft de aangeslotene de keuze tussen de volgende mogelijkheden :
  1° de verworven reserves, desgevallend aangevuld tot de bedragen gewaarborgd met toepassing van artikel 24, overdragen naar de pensioeninstelling van :
  a) ofwel de nieuwe werkgever met wie hij een arbeidsovereenkomst heeft gesloten, indien hij wordt aangesloten bij de pensioentoezegging van die werkgever;
  b) ofwel de nieuwe rechtspersoon, bedoeld in artikel 3, § 1, 5°, a), waaronder de werkgever ressorteert met wie hij een arbeidsovereenkomst heeft gesloten, indien hij wordt aangesloten bij de pensioentoezegging van die rechtspersoon;
  2° de verworven reserves, desgevallend aangevuld tot de bedragen gewaarborgd met toepassing van artikel 24, overdragen naar een pensioeninstelling die de totale winst onder de aangeslotenen in verhouding tot hun reserves verdeelt en de kosten beperkt volgens de regels vastgesteld door de Koning;
  3° de verworven reserves desgevallend aangevuld tot de bedragen gewaarborgd met toepassing van artikel 24, bij de pensioeninstelling laten en naargelang zijn keuze :
  a) zonder wijziging van de pensioentoezegging;
  b) in de onthaalstructuur, bedoeld in § 2 indien het pensioenreglement of de pensioenovereenkomst erin voorziet;
  [1 c) zonder een andere wijziging van de pensioentoezegging dan een overlijdensdekking die overeenstemt met het bedrag van de verworven reserves; in dit geval worden de verworven prestaties herberekend in functie van de verworven reserves om rekening te houden met deze overlijdensdekking.]1
  Wanneer de aangeslotene voor de mogelijkheid bedoeld onder 1° kiest, moeten de nieuwe inrichter en de pensioeninstelling van de nieuwe inrichter de overgedragen reserves aanvaarden, en dat zonder kosten aan te rekenen voor de overdracht.
  De overdrachten bedoeld in 1°, 2° en 3°, b) worden beperkt tot het gedeelte van de reserves waarop geen voorschot of inpandgeving werd gedaan of dat niet werd toegewezen in het kader van de wedersamenstelling van een hypothecair krediet.
  [2 In afwijking van het eerste lid, behalve als in het pensioenreglement of de pensioenovereenkomst anders is bepaald, blijft het bedrag van de verworven reserves op de datum van uittreding bij de pensioeninstelling, zonder wijziging van de pensioentoezegging, wanneer dit bedrag lager is dan of gelijk aan 150 euro.
   Dit bedrag van 150 euro wordt geïndexeerd volgens de bepalingen van de wet van 2 augustus 1971 houdende inrichting van een stelsel waarbij de wedden, lonen, pensioenen, toelagen en tegemoetkomingen ten laste van de openbare schatkist, sommige sociale uitkeringen, de bezoldigingsgrenzen waarmee rekening dient te worden gehouden bij de berekening van sommige bijdragen van de sociale zekerheid der arbeiders, alsmede de verplichtingen op sociaal gebied opgelegd aan de zelfstandigen.]2
  § 2. Het pensioenreglement of de pensioenovereenkomst kan bepalen dat de reserves van de aangeslotenen die hebben gekozen voor de mogelijkheid bedoeld in § 1, 3°, b), en de overgedragen reserves van de pas aangeworven werknemers die hebben gekozen voor de mogelijkheid bedoeld in § 1, 1°, worden ondergebracht in een onthaalstructuur.
  De onthaalstructuur neemt de vorm aan van een verzekeringsovereenkomst, onderschreven door de inrichter of van een bijzonder reglement binnen een voorzorgsinstelling, (bedoeld in artikel 2, 1°, van de wet van 27 oktober 2006 betreffende het toezicht op de instellingen voor bedrijfspensioenen). <W 2006-10-27/37, art. 214, 1°, 005; Inwerkingtreding : 10-11-2006>
  De eventuele in de onthaalstructuur voorziene keuzemogelijkheden voor de aangeslotene dienen duidelijk in het pensioenreglement of de pensioenovereenkomst te zijn bepaald.
  § 3. De aangeslotene dient binnen 30 dagen na de in artikel 31, § 1, derde lid, bedoelde mededeling aan de inrichter of, indien zo bepaald in het pensioenreglement of de pensioenovereenkomst, aan de pensioeninstelling die hij verlaat, mee te delen welke van de mogelijkheden, bedoeld in § 1, hij kiest.
  Wanneer de aangeslotene de in het eerste lid bedoelde termijn heeft laten verstrijken, wordt hij verondersteld te hebben gekozen voor de mogelijkheid bedoeld in § 1, 3°, a).
  Na het verstrijken van de in het eerste lid bedoelde termijn van dertig dagen kan de aangeslotene [1 in de 11 maanden die volgen opteren voor de mogelijkheid bedoeld in § 1, eerste lid, 3°, c) of]1 te allen tijde vragen om zijn reserves over te dragen naar een pensioeninstelling bedoeld in § 1, 1°, 2° of 3°, b).
  § 4. De Koning stelt de modaliteiten van de overdrachten vast.
  (§ 5. Artikel 27 van deze wet is van toepassing op de reserves die zijn overgedragen in toepassing van § 1, 2°.) <W 2006-10-27/37, art. 214, 2°, 005; Inwerkingtreding : 10-11-2006>
  ----------
  (1)<W 2015-12-18/03, art. 5, 013; Inwerkingtreding : 01-01-2016, zie ook overgangsbepalingen W 2015-12-18/03, art. 40>
  (2)<W 2018-06-27/05, art. 8, 018; Inwerkingtreding : 01-01-2019>

  Art. 33. Na uittreding uit een pensioenstelsel, waarbij de werknemer ten minste 42 maanden was aangesloten, kan hij van zijn nieuwe werkgever eisen dat deze bedragen van zijn loon inhoudt en die doorstort aan de pensioeninstelling die hij daartoe heeft aangeduid, voorzover bij die werkgever geen pensioentoezegging bestaat.
  Deze stortingen mogen niet meer bedragen dan 1.500 EUR per jaar. Dit bedrag wordt geïndexeerd volgens de bepalingen van artikel 178 van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992.
  Dat bedrag wordt verminderd pro rata van de dagen van aansluiting bij een pensioenstelsel tijdens hetzelfde jaar.
  De krachtens het eerste lid gedane stortingen mogen niet afgetrokken worden van het loon van de aangeslotene voor de toepassing van Deel Vijf, Titel 1, Hoofdstuk V van het Gerechtelijk Wetboek.
  (Artikel 27 van deze wet is van toepassing op de overeenkomst die met toepassing van dit artikel is gesloten met de daartoe aangewezen pensioeninstelling.) <W 2006-10-27/37, art. 215, 005; Inwerkingtreding : 10-11-2006>

  Art. 33/1.[1 § 1. In de gevallen van uittreding bedoeld in artikel 3, § 1, 11°, a), 2°, en b), 2°, wordt de toepassing van de bepalingen van de artikelen 24, 29, 30, 31 [3 en 32]3 uitgesteld tot de beëindiging van de arbeidsovereenkomst anders dan door overlijden [4 , de pensionering of wanneer de prestaties verschuldigd zijn]4.
   [2 In afwijking van het vorige lid, in de gevallen van uittreding zoals bedoeld in artikel 3, § 1, 11°, a), 2°, en b), 2°, kan de werknemer opteren voor de mogelijkheid bedoeld in artikel 32, § 1, eerste lid, 3°, c).]2
   [2 ...]2
   § 2. Wanneer het gaat om een inrichter bedoeld in artikel 3, § 1, 5°, a), deelt de werkgever een geval van uittreding bedoeld in artikel 3, § 1, 11°, a), 2°, schriftelijk mee aan de inrichter binnen een termijn van dertig dagen die volgt op de uittreding.
   De inrichter stelt op zijn beurt binnen een termijn van dertig dagen die volgt op de in het eerste lid bedoelde mededeling, de pensioeninstelling schriftelijk van het geval van uittreding bedoeld in artikel 3, § 1, 11°, a), 2°, in kennis.
   [2 De pensioeninstelling beschikt vervolgens over een termijn van dertig dagen om de aangeslotene schriftelijk te informeren over de uittreding, het al dan niet behouden van de overlijdensdekking en van zijn recht, overeenkomstig paragraaf 1, tweede lid, om te opteren voor de mogelijkheid bedoeld in artikel 32, § 1, eerste lid, 3°, c).]2
   [2 Wanneer de aangeslotene een termijn van dertig dagen heeft laten verstrijken na het versturen van de informatie door de pensioeninstelling zoals bedoeld in het derde lid, wordt hij verondersteld niet geopteerd te hebben voor de mogelijkheid bedoeld in artikel 32, § 1, eerste lid, 3°, c). De aangeslotene behoudt evenwel het recht om te opteren voor de mogelijkheid bedoeld in artikel 32, § 1, eerste lid, 3°, c) gedurende een bijkomende termijn van 11 maanden.]2
   § 3. Wanneer het gaat om een inrichter bedoeld in artikel 3, § 1, 5°, b), deelt de inrichter een geval van uittreding bedoeld in artikel 3, § 1, 11°, b), 2°, schriftelijk mee aan de pensioeninstelling binnen een termijn van dertig dagen die volgt op de uittreding.
   [2 De pensioeninstelling beschikt vervolgens over een termijn van dertig dagen om de aangeslotene schriftelijk te informeren over de uittreding, het al dan niet behouden van de overlijdensdekking en van zijn recht, overeenkomstig paragraaf 1, tweede lid, om te opteren voor de mogelijkheid bedoeld in artikel 32, § 1, eerste lid, 3°, c).]2
   [2 Wanneer de aangeslotene een termijn van dertig dagen heeft laten verstrijken na het versturen van de informatie door de pensioeninstelling zoals bedoeld in het tweede lid, wordt hij verondersteld niet geopteerd te hebben voor de mogelijkheid bedoeld in artikel 32, § 1, eerste lid, 3°, c). De aangeslotene behoudt evenwel het recht om te opteren voor de mogelijkheid bedoeld in artikel 32, § 1, eerste lid, 3°, c) gedurende een bijkomende termijn van 11 maanden.]2]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij W 2014-05-15/35, art. 60, 012; Inwerkingtreding : 29-06-2014>
  (2)<W 2015-12-18/03, art. 6, 013; Inwerkingtreding : 01-01-2016, zie ook overgangsbepalingen W 2015-12-18/03, art. 40>
  (3)<W 2018-12-06/23, art. 31, 020; Inwerkingtreding : 27-03-2019>
  (4)<W 2018-12-06/23, art. 40, 020; Inwerkingtreding : 27-03-2019>

  Art. 33/2. [1 § 1. De inrichters van een multi-inrichterspensioenstelsel kunnen een overeenkomst sluiten waarvan het voorwerp is de gevolgen op te heffen van de beëindiging van de arbeidsovereenkomst van een aangeslotene bij een inrichter van een multi-inrichterspensioenstelsel, anders dan door overlijden of pensionering, die een nieuwe arbeidsovereenkomst sluit met een inrichter die aan hetzelfde multi-inrichterspensioenstelsel deelneemt.
   § 2. De in de vorige paragraaf bedoelde overeenkomst regelt de overname van het geheel van de rechten en verplichtingen van de inrichter die door de aangeslotene verlaten wordt, door de inrichter die de door de aangeslotene vervoegd wordt, met inbegrip van de garanties bedoeld in artikel 24.
   De modaliteiten van deze overname worden door deze overeenkomst bepaald.
   De in de eerste paragraaf bedoelde overeenkomst en de door haar bepaalde overname van alle rechten en verplichtingen kunnen aan de aangeslotenen worden tegengeworpen. Tegenover de inrichter die hij vervoegt, kan de aangeslotene alle aanspraken laten gelden die hij kon laten gelden tegenover de inrichter die hij verlaat. De inrichter die door de aangeslotene verlaten wordt, blijft evenwel hoofdelijk aansprakelijk ten opzichte van de aangeslotene in geval van niet-nakoming door de inrichter die door de aangeslotene vervoegd wordt.
   § 3. De aangeslotene moet, binnen de dertig dagen die volgen op de overname van de rechten, schriftelijk worden geïnformeerd over deze overname en al haar gevolgen. Deze informatie moet in het bijzonder aangeven dat de overname voor de aangeslotene geen enkele wijziging van zijn pensioentoezegging met zich brengt en dat alle rechten en verplichtingen die uit het pensioenstelsel voortvloeien in hun geheel worden overgenomen door de inrichter die hij vervoegt vanaf de datum van de overname. Er wordt tevens meegedeeld dat de inrichter die hij verlaat, hoofdelijk aansprakelijk blijft in geval van niet-nakoming door de inrichter die hij vervoegt.
   De overeenkomst bepaalt wie deze informatie aan de aangeslotene bezorgt, de inrichter die de aangeslotene verlaat, de inrichter die de aangeslotene vervoegt of de pensioeninstelling.]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij W 2014-05-15/35, art. 61, 012; Inwerkingtreding : 29-06-2014>

  HOOFDSTUK VI. - Verandering van pensioeninstelling en overdrachten.

  Art. 34. § 1. De procedures bedoeld in de artikelen 6, § 2, 7, 8 en 11, § 1, 2°, zijn van toepassing wanneer de inrichter beslist om voor de financiering van de pensioentoezegging een andere pensioeninstelling te kiezen en/of de reserves over te dragen.
  Wanneer de procedures worden toegepast vervangen zij het individueel akkoord van de aangeslotenen.
  § 2. Geen enkele vergoeding of verlies van winstdelingen mag ten laste worden gelegd van de aangeslotenen, of van de op het ogenblik van de overdracht verworven reserves worden afgetrokken.

  Art. 35. De inrichter of de in de collectieve arbeidsovereenkomst of het pensioenreglement aangeduide persoon licht de aangeslotenen in over iedere verandering van pensioeninstelling en over de eventuele overdracht van de reserves die daaruit voortvloeit.

  Art. 36. De inrichter of de in de collectieve arbeidsovereenkomst of het pensioenreglement aangeduide persoon licht de Controledienst voor de Verzekeringen voorafgaandelijk in over de verandering van pensioeninstelling en over de eventuele overdracht van de reserves.

  Art. 37. § 1. Onverminderd de toepassing van de artikelen 34 tot 36 mag de overgang van een onderneming, een vestiging of een gedeelte van een onderneming of vestiging naar een andere onderneming of vestiging als gevolg van een conventionele overdracht of een fusie in geen geval leiden tot een vermindering van de op het ogenblik van de overdracht verworven reserves van de aangeslotenen.
  § 2. De verandering van paritair comité of subcomité mag geen vermindering van de pensioentoezegging inhouden tenzij een andersluidende beslissing wordt genomen overeenkomstig de procedures bepaald bij artikel 7.

  Art. 38. Bij een sectoraal pensioenstelsel kunnen 10 % van de werkgevers of werknemers vragen dat de Raad voor Aanvullende Pensioenen de uitvoering van het stelsel onderzoekt. In geval het rendement ondermaats is, kan de Raad voor Aanvullende Pensioenen aanbevelen van pensioeninstelling te veranderen of het beheer geheel of gedeeltelijk uit te besteden aan andere beheerders.

  HOOFDSTUK VII. - Inspraak van de werknemers.

  Afdeling I. - Verplichte raadpleging en kennisgeving.

  Art. 39. § 1. Wanneer de inrichter van een pensioenstelsel een werkgever is, geeft de ondernemingsraad of, bij ontstentenis ervan, het comité voor preventie en bescherming op het werk, of bij ontstentenis ervan, de vakbondsafvaardiging voorafgaand advies over de volgende aangelegenheden, onverminderd de bepalingen van hoofdstuk II :
  1° de wijze van financiering van het pensioenstelsel en de structurele verschuivingen in die financiering;
  2° de vaststelling van de reserves en de jaarlijkse opstelling van de pensioenfiche, bedoeld in artikel 26;
  3° de toepassing, de interpretatie en de wijziging van het pensioenreglement;
  4° de keuze van een pensioeninstelling en de overgang naar een andere pensioeninstelling, met inbegrip van de eventuele overdracht van reserves.
  (5° de verklaring inzake de beleggingsbeginselen bedoeld in artikel 41bis.) <W 2006-10-27/37, art. 216, 1°, 005; Inwerkingtreding : 01-01-2007>
  § 2. Indien het pensioenstelsel tot een deel van de werknemers van de onderneming wordt beperkt, wordt de in § 1 bedoelde bevoegdheid uitgeoefend door de leden van de raad, het comité of de vakbondsafvaardiging die de werknemers vertegenwoordigen waarvoor het pensioenstelsel geldt, op voorwaarde dat ten minste 10 % van die werknemers hierom verzoekt.
  § 3. Bij ontstentenis van een overeenkomstig § 1 (of § 2) bevoegde ondernemingsraad, comité voor preventie en bescherming op het werk of vakbondsafvaardiging, moet de werkgever periodiek en individueel aan de werknemers waarvoor het pensioenstelsel geldt, informatie verstrekken over de in § 1 bedoelde aangelegenheden. Deze mededeling gaat steeds een eventuele beslissing ten gronde vooraf. <W 2006-10-27/37, art. 216, 2°, 005; Inwerkingtreding : 01-01-2004>
  § 4. De beslissingen van de inrichter met betrekking tot de in § 1 bedoelde aangelegenheden kunnen binnen het jaar worden nietig verklaard indien de in dit artikel vermelde procedures niet werden gevolgd.

  Art. 40. Bij een individuele pensioentoezegging verstrekt de werkgever periodiek aan de betrokken werknemer informatie over de in artikel 39, § 1, bedoelde aangelegenheden. Deze mededeling gaat steeds een eventuele beslissing ten gronde vooraf.

  Afdeling II. - Paritair beheer - Toezichtscomité.

  Art. 41. § 1. Wanneer de uitvoering van een pensioenstelsel wordt toevertrouwd aan een voorzorgsinstelling (bedoeld in artikel 2, 1°, van de wet van 27 oktober 2006 betreffende het toezicht op de instellingen voor bedrijfspensioenen), wordt in de volgende gevallen de raad van bestuur van die voorzorgsinstelling voor de helft samengesteld uit leden die het personeel vertegenwoordigen : <W 2006-10-27/37, art. 217, 1°, 005; Inwerkingtreding : 01-01-2007>
  1° wanneer het pensioenstelsel door een rechtspersoon, bedoeld in artikel 3, § 1, 5°, a), wordt ingevoerd overeenkomstig artikel 8, tenzij de collectieve arbeidsovereenkomst er anders over beschikt;
  2° wanneer het pensioenstelsel door een werkgever wordt ingevoerd overeenkomstig artikel 9 of 11 of wanneer de pensioentoezegging een financiële bijdrage van de aangeslotene inhoudt en er in de onderneming een ondernemingsraad of, bij ontstentenis ervan, een comité voor preventie en bescherming op het werk aanwezig is, tenzij deze organen er anders over beschikken, of bij ontstentenis van voormelde organen er in de onderneming een vakbondsafvaardiging aanwezig is tenzij er in gemeen overleg tussen de werkgever en die afvaardiging anders wordt over beschikt.
  De vertegenwoordigers van het personeel worden in het geval bedoeld in het eerste lid, 1°, aangeduid door de werknemersafvaardiging in de rechtspersoon, bedoeld in artikel 3, § 1, 5°, a), onder de rechtverkrijgenden van het pensioenstelsel en in de gevallen bedoeld in het eerste lid, 2°, door de werknemersafvaardiging in de ondernemingsraad of, bij ontstentenis ervan, in het comité voor preventie en bescherming op het werk, of bij ontstentenis ervan, door de vakbondsafvaardiging, onder de rechtverkrijgenden van het pensioenstelsel. (Daarenboven kunnen de vertegenwoordigers van de werknemers ook worden aangewezen onder de leden van hun representatieve werknemersorganisaties.) <W 2006-10-27/37, art. 217, 2°, 005; Inwerkingtreding : 01-01-2007>
  De bepalingen van het eerste en tweede lid zijn eveneens van toepassing op de voorzorgsinstellingen die door verschillende inrichters worden opgericht wanneer ten minste één van de pensioenstelsels beantwoordt aan een geval bedoeld in het eerste lid. De vertegenwoordigers van het personeel worden in onderling overleg door de werknemersafvaardigingen van de verschillende inrichters aangewezen.
  § 2. Wanneer de uitvoering van een pensioenstelsel, ingevoerd overeenkomstig de artikelen 8, 9 of 11 of gemeenschappelijk aan verschillende ondernemingen, wordt toevertrouwd aan een pensioeninstelling, die niet op paritaire wijze wordt beheerd, wordt er een toezichtcomité opgericht dat voor de helft is samengesteld uit leden die het personeel vertegenwoordigen, aan wie de toezegging werd gedaan, en die aangeduid zijn overeenkomstig de regels vastgesteld in § 1, tweede en derde lid.
  Het toezichtcomité ziet toe op de uitvoering van de pensioentoezegging en wordt in het bezit gesteld (van de verklaring inzake de beleggingsbeginselen bedoeld in artikel 41bis en van het verslag bedoeld in artikel 42, § 1.) vóór de mededeling ervan aan de inrichters. <W 2006-10-27/37, art. 217, 3°, 005; Inwerkingtreding : 01-01-2007>

  HOOFDSTUK VIII. - Transparantie.

  Art. 41bis. <Ingevoegd bij W 2006-10-27/37, art. 218; Inwerkingtreding : 01-01-2007> De pensioeninstelling stelt een schriftelijke verklaring op met de beginselen van haar beleggingsbeleid. Zij herziet deze verklaring ten minste om de drie jaar en onverwijld na elke belangrijke wijziging van het beleggingsbeleid.
  Deze verklaring omvat ten minste de toegepaste wegingsmethoden voor beleggingsrisico's, de risicobeheersprocedures en de strategische spreiding van de activa in het licht van de aard en de duur van de [1 pensioentoezeggingen]1.
  De instelling stelt de CBFA binnen de maand in kennis van elke wijziging van de verklaring inzake de beleggingsbeginselen.
  De CBFA kan bij reglement nadere regels vaststellen met betrekking tot de inhoud en de vorm van deze verklaring.
  ----------
  (1)<W 2014-05-15/35, art. 83, 012; Inwerkingtreding : 29-06-2014>

  Art. 42.(§ 1.) De pensioeninstelling of de in de collectieve arbeidsovereenkomst of het pensioenreglement aangeduide persoon stelt elk jaar een verslag op over het beheer van de pensioentoezegging. Dit verslag wordt ter beschikking gesteld van de inrichter, die het op eenvoudig verzoek meedeelt aan de aangeslotenen. <W 2006-10-27/37, art. 219, 005; Inwerkingtreding : 01-01-2007>
  Het verslag moet informatie over de volgende elementen bevatten :
  1° de wijze van financiering van de pensioentoezegging en de structurele wijzigingen in die financiering;
  2° de beleggingsstrategie op lange en korte termijn en de mate waarin daarbij rekening wordt gehouden met sociale, ethische en leefmilieuaspecten;
  3° het rendement van de beleggingen;
  4° de kostenstructuur;
  5° in voorkomend geval de winstdeling;
  [1 6° de technische grondslagen voor de tarifering alsook in welke mate en voor welke duur de technische grondslagen van de tarifering worden gewaarborgd wanneer de pensioeninstelling een welbepaald resultaat garandeert op de gestorte bijdragen;
   7° de toepasselijke methode overeenkomstig artikel 24, § 4;
   8° het huidige niveau van financiering van de garantie bedoeld in artikel 24.]1
  (§ 2. De personen bedoeld in § 1 verstrekken aan de aangeslotenen, hun rechthebbenden of hun vertegenwoordigers op eenvoudig verzoek :
  1° de verklaring inzake de beleggingsbeginselen bedoeld in artikel 41bis;
  2° de jaarrekening en het jaarverslag van de pensioeninstelling, alsook, in voorkomend geval, deze die met het betrokken pensioenstelsel overeenstemt;
  3° wanneer de aangeslotene het beleggingsrisico draagt, alle eventueel beschikbare beleggingsmogelijkheden en de feitelijke beleggingsportefeuille, met een beschrijving van de risico's en de kosten die met de beleggingen verbonden zijn.
  De CBFA kan bij reglement de inhoud en de vorm bepalen van de inlichtingen bedoeld in deze paragraaf.) <W 2006-10-27/37, art. 219, 005; Inwerkingtreding : 01-01-2007>
  ----------
  (1)<W 2015-12-18/03, art. 3, 013; Inwerkingtreding : 01-01-2016, zie ook overgangsbepalingen W 2015-12-18/03, art. 40>

  HOOFDSTUK IX. - Solidariteit.

  Art. 43.§ 1. In geval van invoering van een pensioenstelsel overeenkomstig de artikelen 10 en 11 moet verplicht een solidariteitstoezegging worden gedaan.
  De Koning bepaalt bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad, na advies van de Nationale Arbeidsraad, enerzijds, de solidariteitsprestaties die in aanmerking komen, waaronder met name de financiering van de opbouw van de pensioentoezegging gedurende bepaalde periodes van inactiviteit, de vergoedingen van inkomstenverlies in bepaalde gevallen of de verhoging van lopende uitkeringen en, anderzijds, de minimale solidariteit waaraan de toezegging moet voldoen om te kunnen genieten van het bijzonder statuut, vastgesteld [1 in artikel 1762, 4° bis van het Wetboek diverse rechten en taksen]1 en in artikel 10 van de wet van 26 juli 1996 tot bevordering van de werkgelegenheid en tot preventieve vrijwaring van het concurrentievermogen.
  § 2. De solidariteitstoezegging wordt beheerst door een solidariteitsreglement, waarvan de tekst op eenvoudig verzoek aan de aangeslotenen wordt verstrekt. Het solidariteitsreglement bepaalt of de inrichter, de werkgever of de rechtspersoon, die de solidariteitstoezegging uitvoert, daarmee wordt belast.
  ----------
  (1)<W 2018-12-06/23, art. 38, 020; Inwerkingtreding : 01-01-2007>

  Art. 44. De beslissing tot invoering, wijziging of opheffing van de solidariteitstoezegging behoort tot de uitsluitende bevoegdheid van de inrichter.

  Art. 45. § 1. Bij de invoering van een solidariteitstoezegging verbonden aan een pensioenstelsel, dat ingevoerd is overeenkomstig artikel 10, stelt de in dat artikel bedoelde sectorale collectieve arbeidsovereenkomst het solidariteitsreglement vast en bevat ze onder meer regels inzake de financiering en het beheer van de solidariteitstoezegging en de keuze van de rechtspersoon, die met de uitvoering van de solidariteitstoezegging zal worden belast.
  § 2. Bij de invoering van een solidariteitstoezegging verbonden aan een pensioenstelsel, dat is ingevoerd overeenkomstig artikel 11, § 1, zijn de voorwaarden vermeld in dat artikel en in voorkomend geval de procedure van artikel 12 van overeenkomstige toepassing.

  Art. 46. De Koning bepaalt, na advies van de Nationale Arbeidsraad, nadere regels inzake de financiering en het beheer van de solidariteitstoezegging.

  Art. 47. De uitvoering van de solidariteitstoezegging wordt toevertrouwd aan een pensioeninstelling of aan een andere van de inrichter onderscheiden rechtspersoon, die de solidariteitstoezegging afgezonderd van zijn andere activiteiten beheert.
  Indien de uitvoering van de solidariteitstoezegging wordt toevertrouwd aan een rechtspersoon, die niet op paritaire wijze wordt beheerd, wordt er een toezichtcomité opgericht dat voor de helft is samengesteld uit leden die het personeel vertegenwoordigen, aan wie de toezegging werd gedaan, en die aangeduid zijn overeenkomstig de regels vastgesteld in artikel 41, § 1, tweede lid. Het toezichtcomité ziet toe op de uitvoering van de solidariteitstoezegging en wordt voorafgaandelijk geraadpleegd over volgende punten :
  1° de beleggingsstrategie en de mate waarin daarbij rekening wordt gehouden met sociale, ethische en leefmilieuaspecten;
  2° het rendement van de beleggingen;
  3° de kostenstructuur;
  4° in voorkomend geval de winstdeling.

  Art. 48. De bepalingen van de hoofdstukken III, VI, VII, afdeling I en hoofdstuk VIII zijn van overeenkomstige toepassing.
  Voor de toepassing van die artikelen dient het woord " pensioeninstelling " gelezen te worden als " de rechtspersoon belast met de uitvoering van de solidariteitstoezegging ".

  HOOFDSTUK IX/1. [1 - Publieke pensioentoezeggingen.]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij W 2018-03-30/18, art. 17, 017; Inwerkingtreding : 01-05-2018>
  

  Art. 48/1. [1 De publieke pensioentoezeggingen worden onderworpen aan de bepalingen van deze titel tenzij de bepalingen van dit hoofdstuk hier uitdrukkelijk van afwijken.]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij W 2018-03-30/18, art. 18, 017; Inwerkingtreding : 01-05-2018>
  

  Art. 48/2.[1 § 1. Voor de toepassing van deze titel en zijn uitvoeringsbesluiten op de publieke pensioentoezeggingen wordt verstaan onder:
   1° onderneming en werkgever: een openbare werk -gever;
   2° pensioentoezegging: een publieke pensioentoezegging;
   3° pensioenstelsel: een publiek pensioenstelsel;
   4° ondernemingsraad: de volgende organen:
   a) Voor de contractuele personeelsleden van de federale Staat, van de openbare instellingen en de wetenschappelijke instellingen die ervan afhangen en de diensten van de geïntegreerde politie gestructureerd op twee niveaus: het gemeenschappelijk comité voor alle overheidsdiensten bedoeld in artikel 18, § 1, van het koninklijk besluit van 28 september 1984 tot uitvoering van de wet van 19 december 1974 tot regeling van de betrekkingen tussen de overheid en de vakbonden van haar personeel waarvan de afvaardiging van de overheid uitsluitend samengesteld wordt door de vertegenwoordigers van de federale overheid; deze bestaat ten minste uit de minister van Pensioenen, de minister van Ambtenarenzaken, de minister van Begroting en de minister of de ministers functioneel bevoegd voor de betrokkene contractuele personeelsleden of hun behoorlijk gemachtigde afgevaardigden;
   b) Voor de contractuele personeels leden van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest, de Gemeenschappelijke Gemeenschapscommissie van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest en de Franse Gemeenschapscommissie van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest, met inbegrip van de openbare instellingen en de wetenschappelijke instellingen die ervan afhangen: het sectorcomité XV bedoeld in bijlage I van het voornoemde koninklijk besluit van 28 september 1984;
   c) Voor de contractuele personeelsleden van de Vlaamse ministeries, de intern verzelfstandigde agentschappen met rechtspersoonlijkheid, de extern verzelfstandigde agentschappen, de Vlaamse Gemeenschapscommissie van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest, met uitsluiting van het contractuele personeel van het onderwijs: het sectorcomité XVIII bedoeld in bijlage I van het voornoemde koninklijk besluit van 28 september 1984;
   d) Voor de contractuele personeelsleden van het Waals Gewest met inbegrip van de openbare instellingen en de wetenschappelijke instellingen die ervan afhangen: het sector comité XVI bedoeld in bijlage I van het voornoemde koninklijk besluit van 28 september 1984;
   e) Voor de contractuele personeelsleden van de Franse Gemeenschap met inbegrip van de openbare instellingen en de wetenschappelijke instellingen die ervan afhangen, met uitsluiting van het contractuele personeel van het onderwijs: het sectorcomité XVII bedoeld in bijlage I van het voornoemde koninklijk besluit van 28 septembre 1984;
   f) Voor de contractuele personeelsleden van de Duitstalige gemeenschap met inbegrip van de openbare instellingen en de wetenschappelijke instellingen die ervan afhangen, met uitsluiting van het contractuele personeel van het onderwijs: het sectorcomité XIX bedoeld in bijlage I van het voornoemde koninklijk besluit van 28 september 1984;
   g) Voor de contractuele personeelsleden van de provinciale en plaatselijke overheidsdiensten: de bijzondere comités bedoeld in artikel 20, § 1, van het voornoemde koninklijk besluit van 28 september 1984. Als de publieke pensioentoezegging gemeenschappelijk aan verschillende openbare provinciale en/of plaatselijke werkgevers is: de bevoegde onderafdeling van het comité van de provinciale en plaatselijke overheidsdiensten bedoeld in artikel 17, § 2bis, van het voornoemde koninklijk besluit van 28 september 1984;
   h) Voor de contractuele personeelsleden van de autonome overheidsbedrijven bedoeld in artikel 1, § 4, van de wet van 21 maart 1991 betreffende de hervorming van sommige economische overheidsbedrijven: het paritair comité bedoeld in artikel 30 van deze wet en de Nationale Paritaire Commissie bedoeld in artikel 115 van de wet van 23 juli 1926 betreffende de NMBS en het personeel van de Belgische Spoorwegen.
   i) Voor de contractuele personeelsleden van de instellingen van de publieke sector die behoren tot de federale gezondheidssectoren: de basisoverlegcomités. Indien de publieke pensioentoezegging gemeenschappelijk is aan verschillende gezondheidsinrichtingen en -diensten: na voorafgaand advies van het Beheerscomité van het Fonds Sociale Maribel bedoeld in artikel 35 van de wet van 29 juni 1981 houdende de algemene beginselen van de sociale zekerheid voor werknemers, het gemeenschappelijk comité voor alle overheidsdiensten bedoeld in artikel 18, § 1, van het koninklijk besluit van 28 september 1984 tot uitvoering van de wet van 19 december 1974 tot regeling van de betrekkingen tussen de overheid en de vakbonden van haar personeel waarvan de afvaardiging van de overheid exclusief is samengesteld uit vertegenwoordigers van de federale overheid; deze is ten minste samengesteld uit de minister van Sociale Zaken, de minister van Pensioenen, de minister van Ambtenarenzaken en de minister van Begroting.
   Indien het gaat om een publieke pensioentoezegging gemeenschappelijk aan verschillende van de voornoemde openbare werkgevers: de gemeenschappelijke vergadering van de voornoemde onderhandelingscomités bevoegd voor elke van deze openbare werkgevers.
   5° collectieve arbeidsovereenkomst bedoeld in artikel 7: een protocol van akkoord van het of de bevoegde onderhandelingscomités krachtens 4° ;
   6° voorafgaand advies als bedoeld in artikel 39: een protocol van het of de krachtens 4° bevoegde onderhandelingscomités;
   7° voor de autonome overheidsbedrijven bedoeld in artikel 1, § 4, van de wet van 21 maart 1991 betreffende de hervorming van sommige economische overheidsbedrijven: het paritair comité "comité overheidsbedrijven" bedoeld in artikel 31 van voormelde wet.]1
  [2 § 2. Een openbare werkgever kan de hoedanigheid van inrichter van een pensioentoezegging ten gunste van werknemers van verschillende openbare entiteiten of publiekrechtelijke rechtspersonen op zich nemen.
   In geval van toepassing van het eerste lid, in afwijking van artikel 3, § 1, 11°, b), 1, wordt de beëindiging van de arbeidsovereenkomst, anders dan door overlijden of pensionering, die wordt gevolgd door het sluiten van een arbeidsovereenkomst met een openbare entiteit of publiekrechtelijke rechtspersoon, die onder het toepassingsgebied van hetzelfde pensioenstelsel valt als dat van de vorige openbare entiteit of publiekrechtelijke rechtspersoon, niet als een uittreding beschouwd.
   In geval van toepassing van het eerste lid, in afwijking van artikel 31, § 1, eerste lid, mag de periode van kennisgeving tot ten hoogste één jaar worden verlengd. Binnen diezelfde periode kan de aangeslotene evenwel zelf de pensioeninstelling van zijn uittreding in kennis stellen. Na deze kennisgeving door de aangeslotene zijn de bepalingen van artikel 31, § 1, tweede lid en derde lid van toepassing. Binnen diezelfde periode van kennisgeving kan de aangeslotene de pensioeninstelling meedelen dat hij bij dezelfde pensioentoezegging aangesloten blijft. In dat geval is de procedure bedoeld in artikel 32 niet van toepassing. In geval de bepalingen van dit lid worden toegepast, dient de procedure bij uittreding te worden geregeld in het pensioenreglement.]2
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij W 2018-03-30/18, art. 19, 017; Inwerkingtreding : 01-05-2018>
  (2)<W 2019-04-13/08, art. 37, 021; Inwerkingtreding : 10-05-2019>

  Art. 48/3.[1 In geval van vaste benoeming van de aangeslotene, is er sprake van een uittreding in de zin van artikel 3, § 1, 11°, b), 2.
   Overeenkomstig de bepalingen van artikel 33/1, wordt de toepassing van de bepalingen van de artikelen 24, 29, 30, 31 [2 en 32]2 uitgesteld tot op het einde van de vaste benoeming anders dan door overlijden of pensionering of tot op de datum van de overdracht wanneer de vastbenoemde aangeslotene wordt overgedragen naar een andere openbare werkgever.
   Indien het een multi-inrichterspensioenstelsel betreft en de vastbenoemde aangeslotene overgaat naar een andere openbare werkgever die deelneemt aan het multi-inrichterspensioenstelsel, wordt de toepassing van de bepalingen van de artikelen 24, 29, 30, 31 [2 en 32]2 uitgesteld, op voorwaarde dat er een overeenkomst bestaat in de zin van artikel 33/2 die de overname van de rechten en verplichtingen regelt, tot op het einde van de vaste benoeming anders dan door overlijden of pensionering of de datum van de overgang wanneer de vastbenoemde aangeslotene wordt overgedragen naar een andere openbare werkgever die niet deelneemt aan het multi-inrichterspensioenstelsel.
   In afwijking van het tweede en derde lid kan de werknemer opteren voor de mogelijkheid bedoeld in artikel 32, § 1, eerste lid, 3°, c.]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij W 2018-03-30/18, art. 20, 017; Inwerkingtreding : 01-05-2018>
  (2)<W 2018-12-06/23, art. 32, 020; Inwerkingtreding : 27-03-2019>

  HOOFDSTUK X. - Toezicht.

  Art. 49. Het toezicht op de naleving van de bepalingen van deze titel en zijn uitvoeringsbesluiten wordt toevertrouwd aan de Controledienst voor de Verzekeringen.

  Art. 49bis.<Ingevoegd bij W 2006-10-27/37, art. 220; Inwerkingtreding : 01-01-2007> Met het oog op het toezicht op de naleving van de bepalingen van deze titel en zijn uitvoeringsbesluiten, bezorgen de pensioeninstellingen en de rechtspersonen die bij de uitvoering van de solidariteitstoezeggingen betrokken zijn, aan de CBFA de lijst van de pensioentoezeggingen en de solidariteitstoezeggingen die zij beheren, de identiteitsgegevens van de betrokken inrichters en de inlichtingen over de beheerde toezeggingen, die de CBFA bepaalt.
  De in het eerste lid bedoelde inlichtingen worden verstrekt volgens de frequentie, de inhoud en de drager die de CBFA bepaalt.
  [1 Voor zover de in het eerste lid bedoelde inlichtingen door de pensioeninstellingen en de rechtspersonen die bij de uitvoering van de solidariteitstoezeggingen betrokken zijn, in overeenstemming met de door de VZW SiGeDiS vastgelegde aangifte-instructies meegedeeld worden aan de door artikel 306 van de programmawet (I) van 27 december 2006 opgerichte gegevensbank betreffende de aanvullende pensioenen, wordt er geacht aan de in het eerste lid bedoelde rapporteringsverplichting voldaan te zijn.]1
  ----------
  (1)<W 2014-05-15/35, art. 84, 012; Inwerkingtreding : 29-06-2014>

  Art. 49ter. <Ingevoeg bij W 2006-10-27/37, art. 221; Inwerkingtreding : 01-01-2007> Op verzoek van de CBFA verstrekken de pensioeninstellingen, de inrichters en de rechtspersonen die bij de uitvoering van de solidariteitstoezeggingen betrokken zijn, alle inlichtingen en documenten met het oog op het toezicht op de naleving van de bepalingen van deze wet en haar uitvoeringsbesluiten. De in dit lid bedoelde inlichtingen en documenten worden in de wettelijk opgelegde taal gesteld.
  Met hetzelfde doel kan de CBFA op de Belgische zetel van de instellingen, inrichters of rechtspersonen bedoeld in het eerste lid inspecties verrichten of een kopie maken van alle gegevens waarover zij beschikken, in voorkomend geval nadat zij de bevoegde autoriteiten van de lidstaat van herkomst hiervan verwittigd heeft.
  Met hetzelfde doel zijn de agenten, makelaars of tussenpersonen ertoe gehouden op eenvoudig verzoek alle nodige inlichtingen te verstrekken aan de CBFA over de pensioenregelingen of de solidariteitstoezeggingen die aan deze wet zijn onderworpen.
  Voor de uitvoering van de drie voorgaande leden kan de CBFA leden van haar personeel of zelfstandige hiertoe gemachtigde deskundigen afvaardigen, die haar verslag uitbrengen.

  Art. 49quater.<Ingevoegd bij W 2006-10-27/37, art. 222; Inwerkingtreding : 01-01-2007> § 1. Indien de CBFA vaststelt dat de instellingen, inrichters en rechtspersonen bedoeld in artikel 49ter zich niet schikken naar de bepalingen van deze wet of haar uitvoeringsbesluiten, bepaalt zij de termijn binnen dewelke die toestand dient te worden verholpen.
  Indien de toestand niet is verholpen na deze termijn kan de CBFA, ongeacht de andere maatregelen waarin door of krachtens de wet is voorzien, de volgende personen in kennis stellen van haar aanmaningen :
  1° de inrichter;
  2° het toezichtscomité bedoeld in artikel 41;
  3° de ondernemingsraad of, bij gebrek daaraan, het comité voor preventie en bescherming op het werk of, bij gebrek daaraan, de vakbondsafvaardiging;
  4° de vertegenwoordigers van de aangeslotenen en van de begunstigden van de pensioenregeling;
  5° de aangeslotenen en de begunstigden van de pensioenregeling.
  Onder de voorwaarden bepaald in dit artikel kan de CBFA haar aanmaningen bekendmaken in het Belgisch Staatsblad of in de pers.
  De kosten van mededeling en bekendmaking zijn ten laste van de bestemmeling van de aanmaningen.
  § 2. Indien de instellingen en personen bedoeld in artikel 49ter in gebreke blijven bij het verstrijken van de termijn bedoeld in § 1, kan de CBFA, nadat de instelling of persoon [2 zijn middelen heeft kunnen laten gelden]2, [2 een dwangsom opleggen die per kalenderdag vertraging niet meer mag bedragen dan 50.000 euro, noch meer dan 2.500.000 euro voor de miskenning van eenzelfde aanmaning]2.
  [2 § 2bis. Onverminderd andere maatregelen bepaald door deze wet of andere wetten en reglementen, kan de FSMA, indien zij een inbreuk vaststelt op de bepalingen van deze wet of van de besluiten of reglementen genomen ter uitvoering ervan, aan de daarvoor verantwoordelijke persoon een administratieve geldboete opleggen, die niet meer mag bedragen dan 2.500.000 euro voor hetzelfde feit of voor hetzelfde geheel van feiten.]2
  § 3. [2 De dwangsommen en boetes die met toepassing van dit artikel worden opgelegd, worden ten voordele van de Schatkist geïnd door de administratie van het Kadaster, de Registratie en de Domeinen.]2
  [1 § 4. De CBFA stelt de Bank in kennis van de beslissingen die zij met toepassing van § 1 en § 2 neemt ten aanzien van een aan het toezicht van de Bank onderworpen pensioeninstelling.]1
  ----------
  (1)<KB 2011-03-03/01, art. 307 en 331, 008; Inwerkingtreding : onbepaald, door de Koning te bepalen, uiterlijk op 31-12-2015 (toevoeging van §4)>
  (2)<W 2013-07-30/16, art. 58, 010; Inwerkingtreding : 09-09-2013>

  Art. 50.De Controledienst voor de Verzekeringen stelt per sectorstelsel, (...), een tweejaarlijks rapport op. <W 2006-10-27/37, art. 223, 005; Inwerkingtreding : 10-11-2006>
  [1 De FSMA stelt een beknopt tweejaarlijks verslag op over de bedrijfspensioenstelsels, op basis van de gegevens die beschikbaar zijn in de gegevensbank betreffende de aanvullende pensioenen opgericht bij artikel 306 van de programmawet (I) van 27 december 2006.]1
  ----------
  (1)<W 2018-12-06/23, art. 41, 020; Inwerkingtreding : 27-03-2019>

  Art. 51. (De erkende commissarissen en de actuarissen aangeduid overeenkomstig de reglementering inzake het prudentieel toezicht) brengen de Controledienst voor de Verzekeringen op de hoogte van elk feit of elke beslissing waarvan zij bij de uitvoering van hun opdracht kennis hebben gekregen en die een inbreuk op de bepalingen van deze titel en zijn uitvoeringsbesluiten uitmaken. <W 2006-10-27/37, art. 224, 005; Inwerkingtreding : 01-01-2007>
  Melding te goeder trouw aan de Controledienst voor de Verzekeringen door de erkende commissarissen en de actuarissen van de in het eerste lid bedoelde feiten of beslissingen vormt geen inbreuk op ongeacht welke beperking inzake de openbaarmaking van informatie, opgelegd op grond van een contract of van een wettelijke of bestuursrechtelijke bepaling, en leidt voor de betrokken personen tot geen enkele vorm van aansprakelijkheid met betrekking tot de inhoud van die melding.

  Art. 52.
  <Opgeheven bij W 2018-02-18/07, art. 45, 016; Inwerkingtreding : 30-03-2018>

  Art. 53.§ 1. Onder de benaming " Commissie voor Aanvullende Pensioenen ", wordt een adviesorgaan ingesteld met als opdracht advies te verstrekken over de besluiten die in uitvoering van deze titel worden genomen en overleg te plegen omtrent alle vragen inzake de toepassing van deze titel en zijn uitvoeringsbesluiten die haar door de bevoegde ministers, de Raad voor Aanvullende Pensioenen of door de Controledienst voor de Verzekeringen worden voorgelegd.
  De Commissie voor Aanvullende Pensioenen kan uit eigen beweging adviezen geven over alle problemen inzake de toepassing van deze wet en haar uitvoeringsbesluiten.
  § 2. De Commissie voor Aanvullende Pensioenen bestaat uit drieëntwintig leden, te benoemen door de Koning omwille van hun ervaring op het vlak van de in deze titel geregelde materies :
  1° vijf leden worden gekozen om de belangen van de werknemers te vertegenwoordigen, op een dubbele lijst voorgedragen door de meest representatieve beroepsorganisaties;
  2° vijf leden worden gekozen om de belangen van de werkgevers te vertegenwoordigen, op een dubbele lijst voorgedragen door de meest representatieve beroepsorganisaties.
  3° vier leden worden gekozen uit de vertegenwoordigers van pensioeninstellingen die in België bedrijvig zijn, op een dubbele lijst voorgedragen door de meest representatieve beroepsorganisaties;
  4° vier leden worden gekozen uit de vertegenwoordigers van de gepensioneerden, op een dubbele lijst voorgedragen door [1 de Federale Adviesraad voor Ouderen]1;
  5° de overige vijf leden moeten deskundig zijn en blijk geven van ervaring op het vlak van de in deze titel geregelde materies.
  § 3. De leden van de Commissie voor Aanvullende Pensioenen worden voor zes jaar benoemd; zij zijn herbenoembaar.
  Uitzonderlijk wordt, bij de eerste benoeming, het mandaat van zeven door loting aangewezen leden tot twee jaar beperkt. Het mandaat van zeven andere, eveneens door loting aangewezen leden wordt tot vier jaar beperkt.
  De Koning wijst uit de leden de Voorzitter van de Commissie voor Aanvullende Pensioenen aan en bepaalt de vergoedingen die de leden zullen genieten.
  § 4. De Controledienst voor de Verzekeringen neemt het secretariaat van de Commissie voor Aanvullende Pensioenen op zich.
  De Commissie voor Aanvullende Pensioenen stelt haar huishoudelijk reglement op.
  ----------
  (1)<W 2014-05-15/35, art. 85, 012; Inwerkingtreding : 29-06-2014>

  HOOFDSTUK XI. - Strafbepalingen.

  Art. 54.[1 Met een gevangenisstraf van een maand tot vijf jaar en met een geldboete van 25 tot 250 EUR, of met één van die straffen alleen worden gestraft, de beheerders, zaakvoerders of lasthebbers van pensioeninstellingen en van andere rechtspersonen belast met de uitvoering van de solidariteitstoezegging en de inrichters en werkgevers of hun lasthebbers die over de toepassing van deze titel wetens en willens onjuiste verklaringen hebben afgelegd aan de FSMA of aan de door hem gevolmachtigde persoon, of die hebben geweigerd de ter uitvoering van deze titel of haar uitvoeringsbesluiten gevraagde inlichtingen te verstrekken.
   Dezelfde straffen zijn van toepassing op de beheerders, commissarissen, aangeduide actuarissen of de personen die de verantwoordelijkheid hebben voor de taken van de actuariële functie, directeurs, zaakvoerders of lasthebbers van pensioeninstellingen en van andere rechtspersonen belast met de uitvoering van de solidariteitstoezegging en de inrichters en werkgevers of hun lasthebbers die niet hebben voldaan aan de verplichtingen die hun opgelegd door deze titel of zijn uitvoeringsbesluiten of die hebben meegewerkt aan de uitvoering van pensioentoezeggingen die in strijd zijn met deze titel of zijn uitvoeringsbesluiten.
   Dezelfde straffen zijn van toepassing indien inbreuken op de discriminatieverboden bedoeld in de wet van 10 mei 2007 ter bestrijding van bepaalde vormen van discriminatie, in de wet van 10 mei 2007 ter bestrijding van discriminatie tussen vrouwen en mannen en in de wet van 30 juli 1981 tot bestraffing van bepaalde door racisme of xenofobie ingegeven daden, leiden tot een inbreuk op het in artikel 14, § 1, bedoelde discriminatieverbod.
   Alle bepalingen van boek I van het Strafwetboek, hoofdstuk VII en artikel 85 niet uitgezonderd, zijn van toepassing op de misdrijven in deze titel omschreven, zonder dat het bedrag van de geldboete lager mag zijn dan 40 % van de in dit hoofdstuk bepaalde minimumbedragen.]1
  ----------
  (1)<W 2018-02-18/07, art. 46, 016; Inwerkingtreding : 30-03-2018>

  Art. 54bis.
  <Opgeheven bij W 2018-02-18/07, art. 47, 016; Inwerkingtreding : 30-03-2018>

  HOOFDSTUK XII. - Verjaring.

  Art. 55.[1 Alle rechtsvorderingen tussen een werknemer en/of een aangeslotene, enerzijds, en een inrichter en/of een pensioeninstelling, anderzijds, die voortvloeien uit of verband houden met een aanvullend pensioen of het beheer ervan, verjaren door verloop van vijf jaar vanaf de dag volgend op die waarop de benadeelde werknemer of aangeslotene kennis heeft gekregen of redelijkerwijze kennis had moeten krijgen, hetzij van het voorval dat het vorderingsrecht doet ontstaan, hetzij van de schade en van de identiteit van de daarvoor aansprakelijke persoon.
   Alle rechtsvorderingen tussen een begunstigde, enerzijds, en een inrichter en/of een pensioeninstelling, anderzijds, die voortvloeien uit of verband houden met een aanvullend pensioen of het beheer ervan, verjaren door verloop van vijf jaar vanaf de dag volgend op die waarop de begunstigde kennis heeft gekregen of redelijkerwijze kennis had moeten krijgen, hetzij tegelijk van het bestaan van het aanvullend pensioen, van zijn hoedanigheid van begunstigde en van het voorval dat de prestaties opeisbaar doet worden, hetzij van de schade en van de identiteit van de daarvoor aansprakelijke persoon.
   De verjaring loopt niet tegen minderjarigen, onbekwaamverklaarden en andere onbekwamen.
   De verjaring loopt evenmin tegen de werknemer, de aangeslotene of de begunstigde die zich door overmacht in de onmogelijkheid bevindt om binnen de hierboven vermelde verjaringstermijn op te treden.
   De bepalingen van dit artikel zijn van dwingend recht.]1
  ----------
  (1)<W 2014-05-15/35, art. 2, 012; Inwerkingtreding : 29-06-2014>

  HOOFDSTUK XIII. - Overgangsbepalingen.

  Art. 56. De werknemers van wie de rechten betrekking hebben op een pensioentoezegging, die door de wet van 6 april 1995 betreffende de aanvullende pensioenen werd beoogd of op een pensioenstelsel, dat door een sectorale collectieve arbeidsovereenkomst werd ingevoerd en niet in een fonds voor bestaanszekerheid, onderworpen aan de wet van 7 januari 1958 betreffende fondsen voor bestaanszekerheid, werd beheerd, en die op 1 januari 1996 bestonden, kunnen voor de dienstjaren vóór die datum geen prestaties en overeenstemmende reserves eisen behalve die welke voortvloeien uit het pensioenreglement. Een dergelijke eis is wel mogelijk indien en in de mate dat op die datum pensioenreserves werden opgebouwd.
  De Koning bepaalt de wijze van berekening van het deel van de pensioenreserve dat wordt toegekend aan de betrokken werknemer.

  Art. 56bis. <Ingevoegd bij W 2006-10-27/37, art. 225; Inwerkingtreding : 01-01-2004> Wanneer de pensioentoezegging met betrekking tot het rust- en/of overlevingspensioen bij overlijden na de pensionering voorziet in de betaling van een vaste prestatie die geen rekening houdt met de gepresteerde dienstjaren, dan is de prestatie die op ieder ogenblik dient als basis voor de berekening van de verworven reserve, in afwijking van artikel 19, §§ 2, 3 en 5, tot en met 31 december 2006 gelijk aan de prestatie met betrekking tot het rustpensioen, die in aanmerking wordt genomen voor de berekening van de minimumreserve zoals bedoeld in artikel 19, § 2, eerste streepje, tenzij het pensioenreglement uitdrukkelijk voorziet in een afwijkende berekening die resulteert in verworven reserves die hoger zijn dan de minimumreserve.
  Tenzij het pensioenreglement voorziet in een afwijkende berekening van de verworven reserves zoals bedoeld in het eerste lid, mogen inrichters eenzijdig tot en met 31 december 2006 de pensioenprestaties die op grond van het pensioenreglement of de pensioenovereenkomst als basis dienen voor de berekening van de verworven reserves, aanpassen teneinde de reserve die op grond van die prestatie wordt berekend in overeenstemming te brengen met de minimumreserve.
  De aanpassingen van de pensioenprestaties bedoeld in het tweede lid zijn noch van toepassing op prestaties die werden uitgekeerd noch op reserves die werden overgedragen vóór de datum van bekendmaking in het Belgisch Staatsblad van de wet van 27 oktober 2006 betreffende het toezicht op de instellingen voor bedrijfspensioenvoorziening.

  Art. 57.[1 § 1. De bepalingen van deze titel, met uitzondering van de artikelen 27 en 61 van deze wet, zijn niet van toepassing op de vóór 16 november 2003 toegekende individuele pensioentoezeggingen die hierna worden vermeld :
   a) de individuele pensioentoezeggingen waarvan de aangeslotene op 1 juli 2012 was uitgetreden;
   b) de overige vóór 16 november 2003 toegekende individuele pensioentoezeggingen tot beloop van het verzekerd kapitaal van een vóór 1 juli 2012 ter financiering van die toezegging gesloten bedrijfsleidersverzekering.
   § 2. Indien of in de mate een vóór 16 november 2003 toegekende individuele pensioentoezegging niet valt onder één van de gevallen bedoeld in § 1 geldt voor die toezegging volgende regeling :
   a) artikel 6, § 1 is daarop niet van toepassing;
   b) de artikelen 27 en 61 zijn daarop van toepassing met ingang van 16 november 2003;
   c) de overige bepalingen van deze titel zijn daarop van toepassing per 1 januari 2012.
   De werknemers van wie de rechten betrekking hebben op een individuele pensioentoezegging bedoeld in het eerste lid kunnen aanspraak maken op verworven reserves en prestaties overeenkomstig de bepalingen van deze titel. Voor deze individuele pensioentoezeggingen wordt het bedrag van de minimale verworven reserves echter verminderd met het bedrag van de voorziening bedoeld in artikel 66 van de programmawet van 22 juni 2012 tenzij die interne voorziening werd overgedragen aan een pensioeninstelling.]1
  ----------
  (1)<W 2012-06-22/02, art. 119, 009; Inwerkingtreding : 08-07-2012>

  Art. 58. De bepalingen van deze titel zijn van toepassing op de pensioenstelsels, die worden beheerd in een fonds voor bestaanszekerheid, onderworpen aan de wet van 7 januari 1958 betreffende de fondsen voor bestaanszekerheid en op de datum van inwerkingtreding van dit artikel bestaan, drie jaar na de inwerkingtreding van dit artikel of op de datum van inwerkingtreding van de sectorale collectieve arbeidsovereenkomst die het pensioenstelsel aan deze titel aanpast indien die datum het einde van voormelde termijn voorafgaat.
  De werknemers van wie de rechten betrekking hebben op een pensioenstelsel bedoeld in het eerste lid, kunnen geen prestaties en overeenstemmende reserves eisen, behalve die welke voortvloeien uit de pensioentoezegging, voor de dienstjaren die gelegen zijn vóór de datum waarop deze titel op hen van toepassing wordt overeenkomstig het eerste lid.

  Art. 59. De inrichters van de pensioentoezeggingen bedoeld in artikel 58 beschikken over een termijn van één jaar vanaf de datum waarop deze titel op hun toezegging van toepassing is geworden om de uitvoering ervan toe te vertrouwen aan een pensioeninstelling.
  De publiekrechtelijke rechtspersonen, andere dan die bedoeld in artikel 5, § 3, tweede lid, beschikken over een termijn die eindigt op 1 september 2005, om de uitvoering van hun pensioentoezegging aan een pensioeninstelling toe te vertrouwen.

  Art. 60. Artikel 24, § 2, is enkel van toepassing op het deel van de bijdragen dat verschuldigd is na de datum van inwerkingtreding van dat artikel.

  Art. 61. § 1. Tot 31 december 2009 is artikel 27, § 1, eerste lid, niet van toepassing op de pensioentoezeggingen ingesteld door een collectieve arbeidsovereenkomst, een pensioenreglement of een pensioenovereenkomst gesloten vóór de datum van inwerkingtreding van dit artikel of die voortvloeien uit de verlenging van een vóór die datum gesloten collectieve arbeidsovereenkomst en op de pensioentoezeggingen bedoeld in § 2.
  Die uitzondering geldt ook voor individuele overeenkomsten, indien er in dezelfde onderneming tezelfdertijd een gelijkaardige collectieve arbeidsovereenkomst van toepassing is.
  § 2. In afwijking van artikel 27, § 1, eerste lid, mogen tot zes maand na de publicatie van deze wet in het Belgisch Staatsblad pensioentoezeggingen worden ingevoerd, die in een pensioenleeftijd vanaf 58 jaar voorzien.

  Art. 62. De inrichter mag de keuze van de aangeslotene inzake beleggingen beperken en het beleggingsbeleid aanpassen aan de garantievereiste binnen een termijn van één jaar na de inwerkingtreding van artikel 24, § 2.

  Onderafdeling 8/1. [1 - Verjaring]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij W 2014-05-15/35, art. 5, 012; Inwerkingtreding : 29-06-2014>

  Art. 62/1. [1 Alle rechtsvorderingen tussen een zelfstandige en/of een aangeslotene, enerzijds, en een pensioeninstelling, anderzijds, die voortvloeien uit of verband houden met een aanvullend pensioen of het beheer ervan, verjaren door verloop van vijf jaar vanaf de dag volgend op die waarop de benadeelde zelfstandige of aangeslotene kennis heeft gekregen of redelijkerwijze kennis had moeten krijgen, hetzij van het voorval dat het vorderingsrecht doet ontstaan, hetzij van de schade en van de identiteit van de daarvoor aansprakelijke persoon.
   Alle rechtsvorderingen tussen een begunstigde, enerzijds, en een pensioeninstelling, anderzijds, die voortvloeien uit of verband houden met een aanvullend pensioen of het beheer ervan, verjaren door verloop van vijf jaar vanaf de dag volgend op die waarop de begunstigde kennis heeft gekregen of redelijkerwijze kennis had moeten krijgen, hetzij tegelijk van het bestaan van het aanvullend pensioen, van zijn hoedanigheid van begunstigde en van het voorval dat de prestaties opeisbaar doet worden, hetzij van de schade en van de identiteit van de daarvoor aansprakelijke persoon.
   De verjaring loopt niet tegen minderjarigen, onbekwaamverklaarden en andere onbekwamen.
   De verjaring loopt evenmin tegen de zelfstandige, de aangeslotene of de begunstigde die zich door overmacht in de onmogelijkheid bevindt om binnen de hierboven vermelde verjaringstermijn op te treden.
   De bepalingen van dit artikel zijn van dwingend recht.]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij W 2014-05-15/35, art. 6, 012; Inwerkingtreding : 29-06-2014>

  Art. 63. De formele aanpassing van de bestaande pensioenreglementen en -overeenkomsten dient te zijn beëindigd uiterlijk drie jaar na de datum van inwerkingtreding van dit artikel.

  Art. 63/1. [1 De in artikel 3, § 1, 5°, a), 1, bedoelde voorwaarde is niet toepasselijk op rechtspersonen die op de datum van inwerkingtreding van dit artikel optreden voor meerdere paritaire comités en/of paritaire subcomités.]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij W 2014-05-05/01, art. 35, 011; Inwerkingtreding : 19-05-2014>

  Art. 63/2. [1 In afwijking van artikel 27, § 1, voor de aangeslotenen die de leeftijd van 58 jaar of meer in 2016 bereiken, mogen de aanvullende pensioenprestatie en de verworven reserves eveneens uitbetaald worden vanaf het ogenblik waarop de aangeslotene de leeftijd van 60 jaar bereikt voor zover het pensioenreglement of de pensioenovereenkomst zoals van kracht voor de datum van inwerkingtreding van het huidige artikel het toelaat.
   In afwijking van artikel 27, § 1, voor de aangeslotenen die de leeftijd van 57 jaar in 2016 bereiken, mogen de aanvullende pensioenprestatie en de verworven reserves eveneens uitbetaald worden vanaf het ogenblik waarop de aangeslotene de leeftijd van 61 jaar bereikt voor zover het pensioenreglement of de pensioenovereenkomst zoals van kracht voor de datum van inwerkingtreding van het huidige artikel het toelaat.
   In afwijking van artikel 27, § 1, voor de aangeslotenen die de leeftijd van 56 jaar in 2016 bereiken, mogen de aanvullende pensioenprestatie en de verworven reserves eveneens uitbetaald worden vanaf het ogenblik waarop de aangeslotene de leeftijd van 62 jaar bereikt voor zover het pensioenreglement of de pensioenovereenkomst zoals van kracht voor de datum van inwerkingtreding van het huidige artikel het toelaat.
   In afwijking van artikel 27, § 1, voor de aangeslotenen die de leeftijd van 55 jaar in 2016 bereiken, mogen de aanvullende pensioenprestatie en de verworven reserves eveneens uitbetaald worden vanaf het ogenblik waarop de aangeslotene de leeftijd van 63 jaar bereikt voor zover het pensioenreglement of de pensioenovereenkomst zoals van kracht voor de datum van inwerkingtreding van huidig artikel het toelaat.]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij W 2015-12-18/03, art. 22, 013; Inwerkingtreding : 01-01-2016, zie ook overgangsbepalingen W 2015-12-18/03, art. 40>
  

  Art. 63/3. [1 In afwijking van artikel 27, § 1, voor de aangeslotenen ontslagen ten vroegste op de leeftijd van 55 jaar met het oog op de aanvang van een stelsel van werkloosheid met bedrijfstoeslag in het kader van een herstructureringsplan opgemaakt en gecommuniceerd aan de regionale en federale minister van werk voor 1 oktober 2015, mogen de aanvullende pensioenprestatie en de verworven reserves eveneens uitbetaald worden vanaf het ogenblik waarop de aangeslotene de leeftijd van 60 jaar bereikt voor zover het pensioenreglement zoals van kracht voor de datum van inwerkingtreding van dit artikel het toelaat.
   Voor de toepassing van dit artikel, wordt onder herstructureringsplan begrepen, het herstructureringsplan bedoeld in artikel 17, § 2, 3° van het koninklijk besluit van 3 mei 2007 tot regeling van het stelsel van werkloosheid met bedrijfstoeslag van een onderneming in moeilijkheden of in herstructurering.]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij W 2015-12-18/03, art. 23, 013; Inwerkingtreding : 01-01-2016, zie ook overgangsbepalingen W 2015-12-18/03, art. 40>
  

  Art. 63/4. [1 De bepalingen van artikel 27, § 2, derde lid, zijn van toepassing op voorschotten, inpandgevingen of toewijzingen van de afkoopwaarde aan de wedersamenstelling van een hypothecair krediet, overeengekomen vanaf 1 januari 2016.]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij W 2015-12-18/03, art. 24, 013; Inwerkingtreding : 01-01-2016, zie ook overgangsbepalingen W 2015-12-18/03, art. 40>
  

  Art. 63/5. [1 Artikel 27, § 4 is niet van toepassing op de aangeslotenen die ten laatste op 31 december 2016 de leeftijd van 55 jaar bereiken.
   Indien de pensioentoezegging bepalingen bevat zoals bedoeld in artikel 27, § 4, kan het pensioenreglement of de pensioenovereenkomst bepalen welke aangeslotenen van deze bepalingen genieten. Indien deze bepalingen toelaten aan de aangeslotenen om te genieten van de pensioenprestaties voor de pensioenleeftijd zonder rekening te houden met een actualisering of rekening houdend met een voordelige actualisering, bij ontstentenis van andersluidende bepalingen in het pensioenreglement of de pensioenovereenkomst, maakt het voordeel voortvloeiend uit de toepassing van deze bepalingen geen deel uit van de verworven prestaties van de aangeslotene zoals bepaald in artikel 3, § 1, 12°.
   De inwerkingtreding van artikel 27, § 4, kan in geen enkel geval leiden tot een vermindering van de verworven reserves die op de inwerkingtredingsdatum ervan bestonden.]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij W 2015-12-18/03, art. 25, 013; Inwerkingtreding : 01-01-2016, zie ook overgangsbepalingen W 2015-12-18/03, art. 40>
  

  Art. 63/6. [1 Artikel 13, vierde lid is niet van toepassing op gepensioneerde personen die bij de inwerkingtreding van voorgenoemd lid krachtens de bepalingen van het pensioenreglement of de pensioenovereenkomst aangesloten zijn bij een pensioentoezegging alsook in voorkomend geval bij de solidariteitstoezegging.]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij W 2015-12-18/03, art. 30, 013; Inwerkingtreding : 01-01-2016, zie ook overgangsbepalingen W 2015-12-18/03, art. 40>
  

  Art. 63/7. [1 Bij wijziging van de pensioenleeftijd voorzien in het pensioenreglement of de pensioenovereenkomst van een bij de inwerkingtreding van het huidige artikel bestaande pensioentoezegging, mag de pensioenleeftijd niet lager zijn dan de op het ogenblik van de wijziging in voege zijnde wettelijke pensioenleeftijd.]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij W 2015-12-18/03, art. 35, 013; Inwerkingtreding : 01-01-2016, zie ook overgangsbepalingen W 2015-12-18/03, art. 40>
  

  Art. 63/8. [1 Voor de bij de inwerkingtreding van het huidige artikel bestaande pensioenstelsels, kan de pensioenleeftijd van het pensioenreglement niet lager zijn dan de in voege zijnde wettelijke pensioenleeftijd voor de werknemers die in dienst treden vanaf 1 januari 2019.]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij W 2015-12-18/03, art. 36, 013; Inwerkingtreding : 01-01-2016, zie ook overgangsbepalingen W 2015-12-18/03, art. 40>
  

  TITEL III. - Wijzigingsbepalingen.

  HOOFDSTUK I. - Wijziging aan de hypotheekwet van 16 december 1851.

  Art. 64. In artikel 19, 4°ter van de hypotheekwet van 16 december 1851, ingevoegd bij de wet van 18 december 1968 en gewijzigd bij de koninklijke besluiten van nr. 535 van 31 maart 1987 en 19 mei 1995 en de wet van 25 januari 1999, worden na de woorden " het Sociaal Fonds voor de diamantarbeiders " de woorden ", en aan de pensioeninstellingen en rechtspersonen, belast met de uitvoering van de solidariteitstoezegging, bedoeld in (de wet van 28 april 2003 betreffende de aanvullende pensioenen) en het belastingstelsel van die pensioenen en van sommige aanvullende voordelen inzake sociale zekerheid " toegevoegd. <Erratum, zie B.St. 26.05.2003, p. 28893>

  HOOFDSTUK II. - Wijzigingen aan de wet van 12 juli 1957 betreffende het rust- en overlevingspensioen voor bedienden en aan de wet van 9 juli 1975 betreffende de controle der verzekeringsondernemingen.

  Art. 65. Artikel 22 van de wet van 12 juli 1957 betreffende het rust- en overlevingspensioen voor bedienden, gewijzigd bij de wetten van 10 februari 1981 en 22 februari 1998, wordt als volgt gewijzigd :
  1° § 1 wordt opgeheven;
  2° § 2, wordt als volgt vervangen :
  " § 2. Op voorstel van de minister van Pensioenen, de minister van Financiën en van de minister van Economie kan de Koning, onder de voorwaarden welke Hij vaststelt, een regeling tot verzekering van buitenwettelijke voordelen instellen ten voordele van de werknemers bedoeld bij het koninklijk besluit nr. 50 van 24 oktober 1967 betreffende het rust- en overlevingspensioen voor werknemers. Bovendien mogen de werknemers of de gewezen werknemers, die niet aangesloten zijn bij een sectoraal- of een ondernemingspensioenstelsel, stortingen doen met het oog op het verkrijgen van buitenwettelijke voordelen. De verzekeringen van buitenwettelijke voordelen worden gesloten bij een verzekeringsonderneming of -instelling bedoeld in artikel 2, § 1 en § 3, 5°, van de wet van 9 juli 1975 betreffende de controle der verzekeringsondernemingen, voor zover zij door de Koning zijn erkend volgens de door Hem vastgestelde voorwaarden.
  Een verzekeringsonderneming of -instelling, mag te alle tijden afstand doen van de erkenning bedoeld in het eerste lid mits een andere erkende verzekeringsonderneming of -instelling haar rechten en haar plichten en haar activa en passiva, wat de verzekering van buitenwettelijke voordelen ingesteld volgens het eerste lid betreft, overneemt. "

  Art. 66. In artikel 2, § 3, van de wet van 9 juli 1975 betreffende de controle der verzekeringsondernemingen worden de volgende wijzigingen aangebracht :
  A) in het eerste lid, worden de woorden " Bij het verstrijken van een termijn van drie jaar, te rekenen van de inwerkingtreding van dit artikel, zijn de bepalingen van deze wet " vervangen door de woorden " De bepalingen van deze wet zijn ";
  B) in het eerste lid wordt punt 6°, vervangen bij de wet van 12 december 1997 en gewijzigd bij de wet van 5 juli 1998, vervangen als volgt :
  " 6° a) de voorzorgsinstellingen opgericht als afzonderlijke rechtspersonen wier bedrijvigheid bestaat uit :
  - het opbouwen ten individuele of ten collectieve titel van bovenwettelijke voordelen inzake pensioen, overlijden en blijvende invaliditeit voor het personeel of de bedrijfsleiders van één of van verschillende private ondernemingen;
  - het opbouwen ten individuele of ten collectieve titel van wettelijke pensioenen of bovenwettelijke voordelen inzake pensioen, overlijden en blijvende invaliditeit voor het personeel of de bedrijfsleiders van één of van verschillende publiekrechtelijke rechtspersonen;
  b) de voorzorgsinstellingen die met datzelfde doel zijn opgericht, in de schoot van :
  - een private onderneming;
  - een fonds voor bestaanszekerheid, onderworpen aan de wet van 7 januari 1958 betreffende de fondsen voor bestaanszekerheid;
  - een publiekrechtelijke rechtspersoon, onderworpen aan de wet van 17 juli 1975 met betrekking tot de boekhouding van de ondernemingen;
  met uitzondering van :
  - de voorzorgsinstellingen van publiekrechtelijke rechtspersonen, bedoeld in het derde streepje hierboven die door de Koning zijn aangeduid en voorzover deze zelf niet de last van de toegekende voordelen dragen;
  - de individuele pensioentoezeggingen aan de personen bedoeld in artikel 3, § 1, vierde lid, van het koninklijk besluit nr. 38 van 27 juli 1967 houdende inrichting van het sociaal statuut der zelfstandigen;
  - de individuele pensioentoezeggingen die bestonden op de datum van inwerkingtreding van (de wet van 28 april 2003 betreffende de aanvullende pensioenen) en het belastingstelsel van die pensioenen en van sommige aanvullende voordelen inzake sociale zekerheid "; <Erratum, zie B.St. 26.05.2003, p. 28893>
  C) tussen het eerste en het tweede lid wordt het volgende lid ingevoegd :
  " Voor de toepassing van deze bepaling wordt verstaan onder bedrijfsleiders, de personen bedoeld in artikel 32, eerste lid, 1° en 2°, van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992. ";
  D) het vroegere tweede lid, dat het derde lid is geworden, wordt aangevuld als volgt : " of krachtens een sectorale collectieve arbeidsovereenkomst. "

  Art. 67. Artikel 9, § 2, van dezelfde wet, gewijzigd bij de wetten van 19 juli 1991 en 12 december 1997, wordt vervangen als volgt :
  " § 2. De in artikel 2, § 3, 6°, bedoelde voorzorgsinstellingen worden, voor de toepassing van deze wet, als verzekeringsondernemingen beschouwd. In afwijking van § 1 van dit artikel moeten ze worden toegelaten in de vorm van een vereniging zonder winstoogmerk, van een onderlinge verzekeringsvereniging of in een andere rechtsvorm die door of krachtens een wettelijke of reglementaire bepaling met het oog op het uitvoeren van de voorzorgsactiviteit bedoeld in artikel 2, § 3, 6°, wordt toegelaten, indien zij de door de Koning bepaalde voorwaarden vervullen.
  De publiekrechtelijke rechtspersonen zijn gemachtigd om voor het opbouwen van pensioenen zoals bedoeld in artikel 2, § 3, 6°, een afzonderlijke rechtspersoon op te richten die één van de rechtsvormen bedoeld in het eerste lid moet aannemen.
  De voorzorgsinstellingen, bedoeld in artikel 2, § 3, 6°, b), zullen over een termijn van één jaar beschikken te rekenen vanaf de datum waarop de bepalingen van de wet op hen van toepassing worden, om een afzonderlijke rechtspersoon op te richten die één van de rechtsvormen bedoeld in het eerste lid moet aannemen. De Koning kan de voormelde voorzorgsinstellingen vrijstellen van de verplichting om een afzonderlijke rechtspersoon op te richten. "

  Art. 68. (Opgeheven) <KB 2003-03-25/34, art. 32, 002 ; Inwerkingtreding : 01-01-2004>

  Art. 69. (Opgeheven) <KB 2003-03-25/34, art. 32, 002 ; Inwerkingtreding : 01-01-2004>

  Art. 70. (Opgeheven) <KB 2003-03-25/34, art. 32, 002 ; Inwerkingtreding : 01-01-2004>

  HOOFDSTUK III. - Wijziging aan de wet van 26 juli 1996 tot bevordering van de werkgelegenheid en tot preventieve vrijwaring van het concurrentievermogen.

  Art. 71. In artikel 10 van de wet van 26 juli 1996 tot bevordering van de werkgelegenheid en tot preventieve vrijwaring van het concurrentievermogen wordt een 3° ingevoegd, luidend als volgt :
  " 3° de bijdragen gestort in het kader van de pensioenstelsels die voldoen aan de voorwaarden bedoeld in titel II, hoofdstuk II, afdeling II, van (de wet van 28 april 2003 betreffende de aanvullende pensioenen) en het belastingstelsel van die pensioenen en van sommige aanvullende voordelen inzake sociale zekerheid. " <Erratum, zie B.St. 26.05.2003, p. 28893>

  TITEL IV. - Wijzigingen aan de fiscale wetgeving.

  HOOFDSTUK I. -- Wijzigingen van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992.

  Art. 72. Artikel 17, § 1, 4°, van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992, vervangen bij de wet van 22 december 1998, wordt aangevuld als volgt :
  " De lijfrenten die zijn aangelegd tegen storting met afstand van een kapitaal dat is gevormd met bijdragen of premies als bedoeld in artikel 34, § 1, 2°, zijn geen pensioenen. "

  Art. 73. In artikel 20 van hetzelfde Wetboek worden tussen de woorden " vermelde lijfrenten " en " zijn aangelegd ", de woorden " of tijdelijke renten " ingevoegd.

  Art. 74. Artikel 31, tweede lid, 4°, van hetzelfde Wetboek, wordt vervangen als volgt :
  " 4° vergoedingen verkregen tot volledig of gedeeltelijk herstel van een tijdelijke derving van bezoldigingen, daarin begrepen de vergoedingen die worden toegekend in uitvoering van een solidariteitstoezegging als bedoeld in de artikelen 10 en 11 van (de wet van 28 april 2003 betreffende de aanvullende pensioenen) en het belastingstelsel van die pensioenen en van sommige aanvullende voordelen inzake sociale zekerheid, en de vergoedingen die zijn gevormd door middel van bijdragen en premies als bedoeld in artikel 52, 3°, b, vierde streepje; ". <Erratum, zie B.St. 26.05.2003, p. 28893>

  Art. 75. In artikel 34, § 1, van hetzelfde Wetboek, gewijzigd bij de wetten van 28 december 1992, 17 mei 2000, 19 juli 2000 en bij de programmawet van 24 december 2002, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
  1° de bepaling onder 2° wordt vervangen als volgt :
  " 2° kapitalen, afkoopwaarden van levensverzekeringscontracten, pensioenen, aanvullende pensioenen en renten, die geheel of gedeeltelijk zijn gevormd door middel van :
  a) persoonlijke bijdragen van aanvullende verzekering tegen ouderdom en vroegtijdige dood met het oog op het vestigen van een rente of van een kapitaal bij leven of bij overlijden, of werkgeversbijdragen. Wat de in artikel 32, eerste lid, bedoelde bedrijfsleiders betreft die zijn tewerkgesteld buiten een arbeidsovereenkomst, moet de notie " werkgeversbijdragen " voor de toepassing van deze bepaling worden vervangen door de notie " bijdragen van de onderneming ";
  b) bijdragen en premies voor de vorming van een aanvullend pensioen als bedoeld in (de wet van 28 april 2003 betreffende de aanvullende pensioenen) en het belastingstelsel van die pensioenen en van sommige aanvullende voordelen inzake sociale zekerheid, daarin begrepen de aanvullende pensioenen die worden toegekend in uitvoering van een solidariteitstoezegging als bedoeld in de artikelen 10 en 11 van de genoemde wet en de pensioenen die zijn gevormd door middel van bijdragen en premies als bedoeld in artikel 38, § 1, eerste lid, 18° en 19°; <Erratum, zie B.St. 26.05.2003, p. 28892>
  c) bijdragen en premies voor de vorming van een aanvullend pensioen als bedoeld in de onder b vermelde wet wanneer die bijdragen zijn gedaan in het kader van een individuele voortzetting van een pensioentoezegging als bedoeld in artikel 33 van dezelfde wet;
  d) bijdragen als vermeld in de artikelen 1451, 2°, en 14517, 1°.
  Onder aanvullend pensioen als bedoeld in de (de wet van 28 april 2003 betreffende de aanvullende pensioenen) en het belastingstelsel van die pensioenen en van sommige aanvullende voordelen inzake sociale zekerheid wordt verstaan het rust- en/of overlevingspensioen bij overlijden van de aangeslotene vóór of na pensionering, of de ermee overeenstemmende kapitaalswaarde, die op basis van de in een pensioenreglement of een pensioenovereenkomst bepaalde verplichte stortingen worden toegekend ter aanvulling van een krachtens een wettelijke sociale zekerheidsregeling vastgesteld pensioen; "; <Erratum, zie B.St. 26.05.2003, p. 28892>
  2° In § 1 wordt een 2°bis ingevoegd, luidende :
  " 2°bis aanvullende pensioenen voor zelfstandigen als bedoeld in titel II, hoofdstuk I, afdeling 4, van de programmawet van 24 december 2002; ".

  Art. 76. In artikel 38 van hetzelfde Wetboek, gewijzigd bij de wetten van 28 juli 1992, 6 augustus 1993, 6 juli 1994 en 21 december 1994, bij het koninklijk besluit van 20 december 1996, bij de wetten van 8 augustus 1997, 8 juni 1998 en 7 april 1999, bij het koninklijk besluit van 20 juli 2000, bij de wetten van 22 mei 2001 en 10 juli 2001, bij het koninklijk besluit van 13 juli 2001, bij de wet van 10 augustus 2001 en bij de programmawet van 24 december 2002, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
  1° in de bestaande tekst, die § 1 zal vormen, wordt het eerste lid aangevuld als volgt :
  " 18° de voordelen die voor de werknemers die in artikel 30, 1°, bedoelde bezoldigingen verkrijgen, voortvloeien uit de betaling van werkgeversbijdragen en -premies als bedoeld in artikel 52, 3°, b, op voorwaarde, wanneer het een individuele toezegging betreft, dat in de onderneming ook een collectieve toezegging bestaat die voor de werknemers of een bijzondere categorie ervan op eenzelfde en niet-discriminerende wijze toegankelijk is;
  19° de voordelen die voor de bedrijfsleiders die in artikel 30, 2°, bedoelde bezoldigingen verkrijgen, voorvloeien uit de op de onderneming rustende betaling van bijdragen en premies die krachtens artikel 195, § 1, tweede lid, van de bedrijfsresultaten mogen worden afgetrokken;
  20° de voordelen die voor de verkrijgers van bezoldigingen als bedoeld in artikel 30, 1° en 2°, voortvloeien uit het ten laste nemen, door de persoon die de bezoldigingen verschuldigd is, van de bijdragen of premies betreffende collectieve of individuele toezeggingen als bedoeld in § 2, en de uitkeringen gedaan ter uitvoering van die toezeggingen, voorzover die toezeggingen niet tot doel hebben een inkomensverlies te vergoeden. ";
  2° het artikel wordt aangevuld met een § 2, luidende :
  " § 2. De vrijstelling waarin § 1, eerste lid, 20°, voorziet, is eveneens toepasselijk op de bijdragen en premies die door de werkgever of de onderneming ten laste worden genomen ten gunste van werknemers of bedrijfsleiders met loopbaanonderbreking of tijdskrediet, met brugpensioen of gepensioneerd of werknemers of bedrijfsleiders die naar een andere werkgever of naar een andere onderneming zijn overgestapt.
  De in § 1, eerste lid, 20°, bedoelde collectieve of individuele toezeggingen zijn :
  1° toezeggingen die uitsluitend tot doel hebben medische kosten te vergoeden die verband houden met hospitalisatie, dagverpleging, ernstige aandoeningen en palliatieve thuiszorg van de werknemer of bedrijfsleider en in voorkomend geval van alle inwonende gezinsleden;
  2° toezeggingen die uitsluitend tot doel hebben specifieke kosten te vergoeden, veroorzaakt door de afhankelijkheid van de werknemer of bedrijfsleider;
  3° toezeggingen die uitsluitend voorzien in de uitkering van een rente ingeval de werknemer of bedrijfsleider het slachtoffer is van een ernstige aandoening;
  4° andere persoonsverzekeringen of gelijkaardige toezeggingen dan die welke hiervoor en in § 1, eerste lid, 18° en 19°, zijn bedoeld, voor zover deze verzekeringen of toezeggingen gelijktijdig aan de volgende voorwaarden voldoen :
  a) de verzekeringscontracten of de toezeggingen kunnen worden beschouwd als een aanvulling van de voordelen toegekend in het kader van de wetgeving inzake de sociale zekerheid;
  b) de contracten en toezeggingen mogen uitsluitend voorzien in uitkeringen tijdens het dienstverband van de voornoemde personen. Periodes van schorsing van het dienstverband worden ook in aanmerking genomen.
  Voor de in artikel 30, 1°, bedoelde werknemers en de in 30, 2°, bedoelde bedrijfsleiders die overeenkomstig de bepalingen van artikel 195, § 1, tweede lid, niet regelmatig worden bezoldigd, komt een in het vorige lid bedoelde individuele toezegging slechts voor de vrijstelling als voordeel van alle aard in aanmerking op voorwaarde dat in de onderneming ook een collectieve toezegging bestaat die op eenzelfde en niet-discriminerende wijze toegankelijk is voor de genoemde werknemers en bedrijfsleiders of een bijzondere categorie ervan.
  Voor de toepassing van § 1, eerste lid, 20°, hebben de volgende termen de hiernavolgende betekenis :
  - hospitalisatie : elk medisch noodzakelijk verblijf van ten minste één nacht in een instelling die wettelijk als ziekenhuisinstelling wordt aangezien;
  - dagverpleging : het medisch noodzakelijk verblijf zonder overnachting in een instelling die wettelijk als ziekenhuisinstelling wordt aangezien;
  - ernstige aandoeningen : aandoeningen die als zodanig door de minister bevoegd voor Sociale Zaken erkend zijn;
  - palliatieve thuiszorg : de behandeling thuis van terminale patiënten die gericht is op de fysische en psychische noden van de patiënt en bijdragen tot het bewaren van een zekere kwaliteit van het leven;
  - afhankelijkheid : de medisch vaststaande nood aan hulp voor het vervullen van gewone en instrumentele activiteiten van het dagelijkse leven.
  3° het artikel wordt aangevuld met een § 3, luidende :
  " § 3. Wanneer de in § 1, eerste lid, 18° tot 20°, bedoelde voordelen en uitkeringen worden toegezegd in het kader van een solidariteitstoezegging als bedoeld in de artikelen 10 en 11 van (de wet van 28 april 2003 betreffende de aanvullende pensioenen) en het belastingstelsel van die pensioenen en van sommige aanvullende voordelen inzake sociale zekerheid of in het kader van een plan met twee of meer toezeggingen, zijn de in § 1, eerste lid, 18° tot 20°, beoogde vrijstellingen slechts van toepassing voor zover die solidariteitstoezegging of dat plan door de verzekeringsonderneming of voorzorgsinstelling op een gedifferentieerde wijze wordt beheerd zodat te allen tijde voor elke belastingplichtige of belastingschuldige de toepassing van het specifieke regime inzake inkomstenbelastingen en met het zegel gelijkgestelde taksen kan worden gewaarborgd zowel inzake de behandeling van de bijdragen of premies als van de uitkeringen. " <Erratum, zie B.St. 26.05.2003, p. 28892>

  Art. 77. In artikel 39 van hetzelfde Wetboek, gewijzigd bij de wetten van 28 december 1992, 17 mei 2000, 19 juli 2000 en de programmawet van 24 december 2002, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
  1° in de aanhef van § 2 worden de woorden " aanvullende pensioenen, " ingevoegd tussen de woorden " Pensioenen, " en de woorden " renten, kapitalen, ";
  2° § 2, 2°, wordt vervangen als volgt :
  " 2° indien ze voortkomen uit een individueel levensverzekeringscontract dat is afgesloten ten gunste van de belastingplichtige of de persoon van wie hij de rechtverkrijgende is, en :
  a) geen vrijstelling is toegepast overeenkomstig bepalingen die vóór het aanslagjaar 1993 van toepassing waren en de in de artikelen 145.1, 2°, en 145.17, 1°, vermelde verminderingen niet zijn verleend;
  b) de vrijstelling krachtens artikel 15, eerste lid, van de wet van 13 juli 1959 is geweigerd;
  c) van de vrijstelling overeenkomstig artikel 15, tweede lid, van de voormelde wet of overeenkomstig artikel 508 afstand is gedaan;
  d) ze niet geheel of gedeeltelijk zijn gevormd door middel van werkgeversbijdragen noch van bijdragen die in aanmerking konden komen voor de toepassing van artikel 1451, 1°, noch van bijdragen die, overeenkomstig artikel 52, 7°bis, in aanmerking konden komen als beroepskosten; ".

  Art. 78. Artikel 40 van hetzelfde Wetboek wordt vervangen als volgt :
  " Art. 40. Deelnemingen in de winst ter zake van levensverzekeringscontracten, aanvullende pensioentoezeggingen of van aanvullende pensioenovereenkomsten zijn vrijgesteld op voorwaarde dat zij gelijktijdig met de uit die contracten, toezeggingen of overeenkomsten, voortvloeiende pensioenen, aanvullende pensioenen, renten, kapitalen of afkoopvoorwaarden worden vereffend.
  Onder deelnemingen in de winst worden de deelnemingen verstaan omschreven in artikel 183bis van het Wetboek der met het zegel gelijkgestelde taksen, zelfs als die krachtens artikel 183quinquies van hetzelfde Wetboek vrijgesteld zijn van de taks. "

  Art. 79. Artikel 52, 3°, van hetzelfde Wetboek wordt vervangen als volgt :
  " 3° de bezoldigingen van de personeelsleden en de volgende ermee verband houdende kosten :
  a) de wettelijk verschuldigde sociale lasten;
  b) de werkgeversbijdragen en -premies, gestort ter uitvoering van :
  - een aanvullende verzekering tegen ouderdom en vroegtijdige dood voor het vestigen van een rente of van een kapitaal bij leven of overlijden;
  - een collectieve of individuele aanvullende pensioentoezegging inzake een rust- en/of overlevingspensioen, met het oog op de vorming van een rente of van een kapitaal bij leven of bij overlijden;
  - een solidariteitstoezegging als bedoeld in de artikelen 10 en 11 van (de wet van 28 april 2003 betreffende de aanvullende pensioenen) en het belastingstelsel van die pensioenen en van sommige aanvullende voordelen inzake sociale zekerheid; <Erratum, zie B.St. 26.05.2003, p. 28893>
  - een collectieve of individuele toezegging die moet worden beschouwd als een aanvulling van de wettelijke uitkeringen bij overlijden of arbeidsongeschiktheid door arbeidsongeval of ongeval ofwel beroepsziekte of ziekte;
  c) de bijdragen inzake sociale verzekering of voorzorg die in b) niet worden genoemd en die verschuldigd zijn krachtens contractuele verplichtingen; ".

  Art. 80. Artikel 53 van hetzelfde Wetboek, gewijzigd bij de wetten van 30 maart 1994, 7 april 1995 en 20 december 1995, bij het koninklijk besluit van 20 december 1996, bij de wet van 22 december 1998 en bij de programmawet van 24 december 2002 wordt aangevuld als volgt :
  " 21° de in artikel 38, § 1, eerste lid, 20°, bedoelde werkgeversbijdragen en -premies;
  22° in de mate waarin zij een maximumbedrag van 1.525 EUR per jaar overschrijden, de in artikel 52, 3°, b, vermelde werkgeversbijdragen en -premies die zijn gestort in uitvoering van in artikel 6 van (de wet van 28 april 2003 betreffende de aanvullende pensioenen) en het belastingstelsel van die pensioenen en van sommige aanvullende voordelen inzake sociale zekerheid bedoelde individuele aanvullende pensioentoezeggingen, gesloten in het voordeel van personen die in artikel 30, 1°, bedoelde bezoldigingen ontvangen; <Erratum, zie B.St. 26.05.2003, p. 28893>
  23° kapitalen die de aard hebben van een vergoeding tot volledig of gedeeltelijk herstel van een bestendige derving van inkomsten bij arbeidsongeschiktheid en die rechtstreeks door de werkgever of de gewezen werkgever worden uitgekeerd aan personeelsleden of gewezen personeelsleden. "

  Art. 81. Artikel 59 van hetzelfde Wetboek, gewijzigd bij de wetten van 28 december 1992 en 6 juli 1994 en de programmawet van 24 december 2002, wordt vervangen als volgt :
  " Art. 59. § 1. De werkgeversbijdragen en -premies bedoeld in artikel 52, 3°, b, kunnen slechts als beroepskosten worden afgetrokken onder de volgende voorwaarden en binnen de volgende perken :
  1° ze moeten definitief worden gestort aan een in België gevestigde verzekeringsonderneming of voorzorgsinstelling;
  2° de wettelijke en bovenwettelijke uitkeringen naar aanleiding van de pensionering, uitgedrukt in jaarlijkse renten, mogen niet meer bedragen dan 80 pct. van de laatste normale brutojaarbezoldiging en moeten worden berekend op basis van de normale duur van een beroepswerkzaamheid;
  3° de wettelijke en aanvullende uitkeringen bij arbeidsongeschiktheid, uitgedrukt in jaarlijkse renten, mogen niet meer bedragen dan de normale brutojaarbezoldiging;
  4° de werkgever moet de bewijsstukken overleggen in de vorm en binnen de termijnen die de Koning bepaalt.
  § 2. Een indexering van de renten bedoeld in § 1, 2° en 3°, is toegestaan.
  § 3. De begrenzingen genoemd in § 1, 2° en 3°, worden enerzijds toegepast op de bijdragen en premies die verband houden met aanvullende verzekeringen tegen ouderdom en vroegtijdige dood en met aanvullende pensioentoezeggingen en, anderzijds op de bijdragen en premies die verband houden met toezeggingen die moeten worden beschouwd als een aanvulling van de wettelijke uitkeringen bij overlijden of arbeidsongeschiktheid door arbeidsongeval of ongeval ofwel door beroepsziekte of ziekte. Voor de berekening van die begrenzingen worden de in artikel 52, 3°, b, derde streepje, bedoelde bijdragen en premies, gestort ter uitvoering van een solidariteitstoezegging, naar gelang van hun aard, omgedeeld over elk van die categorieën.
  § 4. Voor de werkgeversbijdragen en -premies die verband houden met aanvullende verzekeringen tegen ouderdom en vroegtijdige dood en met aanvullende pensioentoezeggingen, moet de begrenzing tot 80 pct., bedoeld in § 1, 2°, worden beoordeeld ten opzichte van het totale bedrag van de wettelijke pensioenen en van de op jaarbasis berekende extrawettelijke pensioenen. De uitkeringen op grond van pensioensparen en van andere individuele levensverzekeringscontracten dan die welke worden gesloten ter uitvoering van een individuele aanvullende pensioentoezegging inzake een rust- en/of overlevingspensioen, worden niet in aanmerking genomen.
  De extrawettelijke pensioenen omvatten inzonderheid de pensioenen :
  - die met persoonlijke bijdragen als bedoeld in artikel 52, 7°bis, of in artikel 1453 zijn gevormd;
  - die met werkgeversbijdragen zijn gevormd;
  - die door de werkgever ter uitvoering van een contractuele verplichting zijn toegekend.
  Voor de werkgeversbijdragen en -premies die verband houden met toezeggingen die moeten worden beschouwd als een aanvulling van de wettelijke uitkeringen bij overlijden of arbeidsongeschiktheid door arbeidsongeval of ongeval ofwel door beroepsziekte of ziekte, moet de begrenzing tot de normale bruto jaarbezoldiging worden beoordeeld ten opzichte van het totale bedrag van de wettelijke uitkeringen bij arbeidsongeschiktheid en van de op jaarbasis berekende extrawettelijke uitkeringen bij arbeidsongeschiktheid.
  De extrawettelijke uitkeringen bij arbeidsongeschiktheid omvatten inzonderheid :
  - de uitkeringen bij arbeidsongeschiktheid die met werkgeversbijdragen zijn gevormd;
  - de uitkeringen die door de werkgever ter uitvoering van een contractuele verplichting zijn toegekend.
  § 5. De Koning bepaalt wat onder " normale bruto jaarbezoldiging ", " laatste normale bruto jaarbezoldiging " en " normale duur van een beroepswerkzaamheid " in de zin van § 1, 2° en 3°, moet worden verstaan.
  Hij bepaalt de voorwaarden en de wijze van toepassing van deze bepaling en de modaliteiten volgens dewelke voorschotten op prestaties, inpandgevingen van pensioenrechten voor het waarborgen van een lening en de toewijzing van de afkoopwaarde aan de wedersamenstelling van een hypothecair krediet geen beletsel vormen voor de definitieve storting van de bijdragen en premies die in § 1, 1°, wordt geëist. "

  Art. 82. Artikel 145.1, 1°, van hetzelfde Wetboek, ingevoegd bij de wet van 28 december 1992, wordt vervangen als volgt :
  " 1° als in artikel 34, § 1, 2°, eerste lid, a tot c, bedoelde persoonlijke bijdragen en premies die worden betaald door de werkgever via inhouding op de bezoldigingen van de werknemer of door de onderneming via inhouding op de bezoldigingen van de bedrijfsleider zonder dienstverband; ".

  Art. 83. In titel II, hoofdstuk III, afdeling I, onderafdeling IIbis, B, van hetzelfde Wetboek, ingevoegd door de wet van 28 december 1992, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
  1° het opschrift wordt vervangen als volgt :
  " B. Persoonlijke bijdragen en premies betaald door de werkgever of de onderneming ";
  2° in artikel 1453 van hetzelfde Wetboek, ingevoegd bij de wet van 28 december 1992, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
  a) in het eerste lid worden de woorden " persoonlijke bijdragen " en de woorden " gevestigde verzekeringsonderneming of instelling voor sociale voorzieningen " respectievelijk vervangen door de woorden " persoonlijke bijdragen en premies " en de woorden " gevestigde verzekeringsonderneming of voorzorgsinstelling ";
  b) in het tweede lid worden de woorden " artikel 59, derde lid " vervangen door de woorden " artikel 59, § 4 ";
  c) tussen het tweede en het derde lid wordt het volgende lid ingevoegd :
  " Wanneer de in artikel 145.1, 1°, vermelde persoonlijke bijdragen en premies betrekking hebben op de individuele voortzetting van een pensioentoezegging als bedoeld in artikel 33 van (de wet van 28 april 2003 betreffende de aanvullende pensioenen) en het belastingstelsel van die pensioenen en van sommige aanvullende voordelen inzake sociale zekerheid, mogen de aldus gedane stortingen niet meer bedragen dan 1.500 EUR per jaar. Dat jaarbedrag wordt verminderd in verhouding tot de dagen van aansluiting tijdens hetzelfde jaar bij een pensioenstelsel als bedoeld in de voornoemde wet. "; <Erratum, zie B.St. 26.05.2003, p. 28893>
  d) het laatste lid wordt vervangen als volgt :
  " De Koning bepaalt de voorwaarden en de wijze van toepassing van deze bepaling en de modaliteiten volgens dewelke voorschotten op prestaties, inpandgevingen van pensioenrechten voor het waarborgen van een lening en de toewijzing van de afkoopwaarde aan de wedersamenstelling van een hypothecair krediet geen beletsel vormen voor de definitieve storting van de bijdragen en premies die in het eerste lid wordt geëist. "

  Art. 84. In artikel 146, 3°, van hetzelfde Wetboek, gewijzigd bij de wetten van 30 maart 1994, 21 december 1994 en 7 april 1999, worden de woorden " voor het saldo dat overblijft na toepassing van artikel 38, eerste lid, 13° " vervangen door de woorden " voor het saldo dat overblijft na toepassing van artikel 38, § 1, eerste lid, 13° ".

  Art. 85. Artikel 169, § 1, tweede lid, van hetzelfde Wetboek, gewijzigd bij de wet van 28 december 1992 en bij het koninklijk besluit van 13 juli 2001, wordt vervangen als volgt :
  " Hetzelfde omzettingsstelsel is van toepassing op de eerste schijf van 50.000 EUR van het kapitaal of van de afkoopwaarde van een aanvullend pensioen als bedoeld in artikel 34, § 1, 2°, eerste lid, a tot c, waarop voorschotten op prestaties zijn opgenomen of dat heeft gediend voor het waarborgen van een lening of het weder samenstellen van een hypothecair krediet, in zover die voorschotten verleend of die leningen gesloten zijn voor het bouwen, het verwerven, het verbouwen, het verbeteren of het herstellen van de in België gelegen enige woning die uitsluitend bestemd is voor het persoonlijk gebruik van de leningnemer en zijn gezinsleden. "

  Art. 86. In artikel 171 van hetzelfde Wetboek, gewijzigd bij de wetten van 28 juli 1992, 28 december 1992, 24 december 1993, 30 maart 1994, 6 juli 1994 en 20 december 1995, bij het koninklijk besluit van 20 december 1996, bij de wetten van 25 januari 1999, 10 maart 1999, 4 mei 1999 en 6 april 2000, bij het koninklijk besluit van 20 juli 2000 en bij de programmawet van 24 december 2002, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
  1° de bepaling onder 1°, d, wordt vervangen als volgt :
  " d) kapitalen en afkoopwaarden als vermeld in 4°, f, in zover zij door persoonlijke bijdragen als vermeld in artikel 145.1, 1°, zijn gevormd en niet worden vereffend in omstandigheden als bedoeld in 4°, f; ";
  2° de bepaling onder 1°, e, wordt opgeheven;
  3° de bepaling onder 1° wordt aangevuld als volgt :
  " h) de in 4°, g, bedoelde kapitalen geldend als pensioen wanneer die kapitalen in omstandigheden als bedoeld in 4°, g, door de werkgever of de onderneming worden uitgekeerd aan een andere begunstigde dan degene die is bedoeld in 4°, g, zonder dat zij met voorafgaande stortingen zijn gevormd; ";
  4° de bepaling onder 2°, b, wordt vervangen als volgt :
  " b) kapitalen en afkoopwaarden als vermeld in 4°, f, in zover zij door persoonlijke bijdragen als vermeld in artikel 145.1, 1°, zijn gevormd en worden vereffend in omstandigheden als bedoeld in 4°, f; ";
  5° de bepaling onder 2°, c, wordt opgeheven;
  6° de bepaling onder 2°, d, wordt vervangen als volgt :
  " d) kapitalen en afkoopwaarden van de levensverzekeringscontracten bedoeld in artikel 1451, 2°, indien die kapitalen worden vereffend bij overlijden van de verzekerde of bij het normale verstrijken van het contract, of indien die afkoopwaarden worden vereffend in één van de 5 jaren die aan het normale verstrijken van het contract voorafgaan, voor zover die kapitalen en afkoopwaarden niet dienen voor de wedersamenstelling of het waarborgen van een hypothecaire lening. Hierin zijn eveneens begrepen de kapitalen en afkoopwaarden die worden toegekend aan een werknemer of aan een niet in artikel 195, § 1, bedoelde bedrijfsleider en die voortvloeien uit een individuele aanvullende pensioentoezegging wanneer :
  - voor die werknemer gedurende de looptijd van die individuele aanvullende pensioentoezegging in de onderneming geen collectieve aanvullende pensioentoezegging bestaat of heeft bestaan;
  - die bedrijfsleider gedurende de looptijd van die individuele aanvullende pensioentoezegging tijdens geen enkel belastbaar tijdperk regelmatig bezoldigd is; ";
  7° de bepaling onder 4°, f, wordt vervangen als volgt :
  " f) kapitalen en afkoopwaarden die inkomsten vormen zoals bedoeld in artikel 34, § 1, 2°, eerste lid, a tot c, wanneer ze niet belastbaar zijn overeenkomstig artikel 169, § 1, en ze aan de begunstigde worden uitgekeerd naar aanleiding van zijn pensionering of vanaf de leeftijd van 60 jaar, of naar aanleiding van het overlijden van de persoon van wie hij de rechtverkrijgende is, met uitzondering van :
  - kapitalen of afkoopwaarden die gevormd zijn door persoonlijke bijdragen als vermeld in artikel 145.1, 1°;
  - kapitalen en afkoopwaarden die krachtens een individuele aanvullende pensioentoezegging, als bedoeld in de (de wet van 28 april 2003 betreffende de aanvullende pensioenen) en het belastingstelsel van die pensioenen en van sommige aanvullende voordelen inzake sociale zekerheid, worden toegekend ofwel aan een werknemer als bedoeld in artikel 31 wanneer er gedurende de looptijd van die individuele aanvullende pensioentoezegging in de onderneming geen collectieve aanvullende pensioentoezegging bestaat die beantwoordt aan de voorwaarden van de voornoemde wet, ofwel aan een bedrijfsleider als bedoeld in artikel 32 die, gedurende de looptijd van die individuele aanvullende pensioentoezegging, geen bezoldigingen heeft gekregen die beantwoorden aan de voorwaarden van artikel 195, § 1, tweede lid; "; <Erratum, zie B.St. 26.05.2003, p. 28893>
  8° de bepaling onder 4°, g, wordt vervangen als volgt :
  " g) kapitalen geldend als pensioenen wanneer die kapitalen door de onderneming worden uitgekeerd aan de in artikel 32, eerste lid, 1°, bedoelde bedrijfsleider die het statuut van zelfstandige heeft en die is bedoeld in artikel 3, § 1, vierde lid, van het koninklijk besluit nr. 38 van 27 juli 1967, ten vroegste naar aanleiding van zijn pensionering op de normale datum of in één van de 5 jaren die aan die datum voorafgaan of naar aanleiding van het overlijden van de persoon van wie hij de rechtverkrijgende is, zonder dat zij met voorafgaande stortingen zijn gevormd; ".

  Art. 87. Artikel 195, § 2, van hetzelfde Wetboek, gewijzigd bij het koninklijk besluit van 20 december 1996, wordt vervangen door de volgende bepaling :
  " § 2. Behalve indien de overeenkomsten enkel voorzien in voordelen bij overlijden, worden de premies van levensverzekeringen betreffende overeenkomsten die in het voordeel van de onderneming zijn gesloten, met de in § 1, tweede lid, vermelde bijdragen gelijkgesteld en zijn zij slechts aftrekbaar, onder de voorwaarden en binnen de begrenzing die dienaangaande is vastgesteld in deze titel, indien deze overeenkomsten werden gesloten op het hoofd van een bedrijfsleider als bedoeld in artikel 32, eerste lid, 1°, en tewerkgesteld zonder dienstverband.
  Om het aftrekbare deel van de premies te bepalen, komen uitsluitend de in § 1, tweede lid, omschreven bezoldigingen in aanmerking. "

  Art. 88. In artikel 205, § 2, van hetzelfde Wetboek, vervangen door het koninklijk besluit van 20 december 1996, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
  1° de bepaling onder 2° wordt vervangen als volgt :
  " 2° de in artikel 53, 6° tot 11°, 14° en 21° tot 23°, vermelde kosten; ";
  2° de bepaling onder 5° wordt vervangen als volgt :
  " 5° de bijdragen en premies als bedoeld in artikel 52, 3°, b, en de ermee gelijkgestelde premies van bepaalde levensverzekeringen, voor zover die bijdragen en premies niet voldoen aan de voorwaarden en de begrenzingen gesteld in de artikelen 59 en 195, alsmede de pensioenen, aanvullende pensioenen, renten en als zodanig geldende toelagen voor zover die sommen niet voldoen aan de voorwaarden en de grens gesteld in artikel 60; ".

  Art. 89. Artikel 223, 2°, van hetzelfde Wetboek wordt door de volgende bepaling vervangen :
  " 2° de werkgeversbijdragen en -premies vermeld in artikel 52, 3°, b, in zover zij niet voldoen, ofwel aan de grens vermeld in artikel 53, 22°, ofwel aan de voorwaarden van en de grens bedoeld in artikel 59, de pensioenen, renten en andere als zodanig geldende toelagen vermeld in artikel 52, 5°, in zover zij niet voldoen aan de voorwaarden van en de begrenzing bedoeld in artikel 59 en de in artikel 53, 23°, bedoelde kapitalen; ".

  Art. 90. In artikel 225, tweede lid, 5°, van hetzelfde Wetboek worden de woorden " tegen het tarief van 39 pct. " vervangen door de woorden " tegen het tarief vermeld in artikel 215, eerste lid, ".

  Art. 91. Artikel 234, 3°, van hetzelfde Wetboek wordt door de volgende bepaling vervangen :
  " 3° op de werkgeversbijdragen en -premies vermeld in artikel 52, 3°, b, in zover zij niet voldoen, ofwel aan de grens vermeld in artikel 53, 22°, ofwel aan de voorwaarden van en de grens bedoeld in artikel 59, op de pensioenen, renten en andere als zodanig geldende toelagen vermeld in artikel 52, 5°, in zover zij niet voldoen aan de voorwaarden van en de grens bedoeld in artikel 59 en op de in artikel 53, 23°, bedoelde kapitalen; ".

  Art. 92. Artikel 364ter van hetzelfde Wetboek, ingevoegd bij de wet van 28 december 1992 en gewijzigd bij de programmawet van 24 december 2002, wordt vervangen als volgt :
  " Art. 364ter. Wanneer kapitalen of afkoopwaarden die gevormd zijn door in artikel 52, 7°bis, of in artikel 145.1, 1°, vermelde persoonlijke bijdragen, door werkgeversbijdragen of door bijdragen van de onderneming, door de voorzorgsinstelling of de verzekeringsonderneming waarbij ze zijn gevestigd, ten bate van de begunstigde of van zijn rechtverkrijgenden worden overgedragen naar een soortgelijke pensioentoezegging of pensioenovereenkomst, wordt deze verrichting niet als een betaling of toekenning aangemerkt, zelfs als die overdracht op verzoek van de begunstigde geschiedt, onverminderd het recht van belastingheffing bij de latere betaling of toekenning door de instellingen of ondernemingen aan de begunstigde.
  Het eerste lid is niet van toepassing bij overdracht van het kapitaal of de afkoopwaarde naar een in het buitenland gevestigde voorzorgsinstelling of verzekeringsonderneming. "

  Art. 93. In hetzelfde Wetboek wordt een artikel 515quater ingevoegd, luidende :
  " Art. 515quater. § 1. Wat de pensioentoezeggingen betreft, ingesteld door een collectieve arbeidsovereenkomst, een pensioenreglement of een pensioenovereenkomst gesloten vóór de datum van inwerkingtreding van artikel 86 van (de wet van 28 april 2003 betreffende de aanvullende pensioenen) en het belastingstelsel van die pensioenen en van sommige aanvullende voordelen inzake sociale zekerheid of die voortvloeien uit de verlenging van een vóór die datum gesloten collectieve arbeidsovereenkomst zijn, in afwijking van de artikelen 130 tot 168, afzonderlijk belastbaar, behalve wanneer de aldus berekende belasting, vermeerderd met de belasting betreffende de andere inkomsten, meer bedraagt dan die welke zou voortvloeien uit de toepassing van de vermelde artikelen op het geheel van de belastbare inkomsten : <Erratum, zie B.St. 26.05.2003, p. 28893>
  a) tegen een aanslagvoet van 33 pct. : kapitalen en afkoopwaarden als vermeld in 3°, in zover zij door persoonlijke bijdragen als vermeld in artikel 1451, 1°, zijn gevormd en niet worden vereffend in omstandigheden als bedoeld in 3°;
  b) tegen een aanslagvoet van 10 pct. : kapitalen en afkoopwaarden als vermeld in 3°, in zover zij met persoonlijke bijdragen als vermeld in artikel 1451, 1°, zijn gevormd en worden vereffend in omstandigheden als bedoeld in 3°;
  c) tegen een aanslagvoet van 16,5 pct. : niet volgens artikel 169, § 1, belastbare kapitalen en afkoopwaarden als bedoeld in artikel 34, § 1, 2°, eerste lid, a tot c, in zover die kapitalen of afkoopwaarden niet zijn gevormd door persoonlijke bijdragen als vermeld in artikel 1451, 1°, en wanneer die kapitalen of die afkoopwaarden tot uiterlijk 31 december 2009 aan de rechthebbende worden uitgekeerd :
  1. wat de kapitalen en afkoopwaarden van een verzekeringscontract betreft :
  - bij het normale verstrijken van het contract;
  - bij het overlijden van de verzekerde;
  - naar aanleiding van de pensionering of brugpensionering van de verzekerde;
  - in een der 5 jaren vóór het normaal verstrijken van het contract;
  - op de normale leeftijd waarop de verkrijger zijn beroepswerkzaamheid uit hoofde waarvan het kapitaal is gevormd, volledig en definitief stopzet;
  2. wat de andere kapitalen en afkoopwaarden betreft :
  - ten vroegste naar aanleiding van zijn pensionering op de normale datum of in één van de 5 jaren die aan die datum voorafgaan;
  - naar aanleiding van zijn brugpensionering;
  - naar aanleiding van het overlijden van de persoon van wie hij de rechtverkrijgende is;
  - op de normale leeftijd waarop de verkrijger zijn beroepswerkzaamheid uit hoofde waarvan het kapitaal is gevormd, volledig en definitief stopzet.
  Het vorige lid is tevens van toepassing op de niet volgens artikel 169, § 1, belastbare kapitalen en afkoopwaarden van aanvullende pensioentoezeggingen die vóór de inwerkingtreding van het artikel 86 van (de wet van 28 april 2003 betreffende de aanvullende pensioenen) en het belastingstelsel van die pensioenen en van sommige aanvullende voordelen inzake sociale zekerheid zijn gesloten ten gunste van bedrijfsleiders als bedoeld in artikel 32, eerste lid, 1°, die bezoldigingen hebben genoten waarop de wetgeving betreffende de sociale zekerheid van de zelfstandigen is toegepast en die daardoor niet onder het toepassingsgebied van de genoemde wet vallen. <Erratum, zie B.St. 26.05.2003, p. 28893>
  § 2. Voor de pensioentoezeggingen ingesteld door een collectieve arbeidsovereenkomst, een pensioenreglement of een pensioenovereenkomst gesloten gedurende zes maanden vanaf de datum van bekendmaking in het Belgisch Staatsblad van (de wet van 28 april 2003 betreffende de aanvullende pensioenen) en het belastingstelsel van die pensioenen en van sommige aanvullende voordelen inzake sociale zekerheid, worden in artikel 171, 4°, f, de woorden " naar aanleiding van zijn pensionering of vanaf de leeftijd van 60 jaar of naar aanleiding van het overlijden van de persoon van wie hij de rechtverkrijgende is " vervangen door de woorden " naar aanleiding van zijn pensionering of vanaf de leeftijd van 58 jaar of naar aanleiding van het overlijden van de persoon van wie hij de rechtverkrijgende is ". " <Erratum, zie B.St. 26.05.2003, p. 28893>

  Art. 94. In hetzelfde Wetboek wordt een artikel 515quinquies ingevoegd, luidende :
  " Art. 515quinquies. De artikelen 52, 3°, b, en 195, § 2, zoals ze bestonden vóórdat ze door de artikelen 79 en 87 van (de wet van 28 april 2003 betreffende de aanvullende pensioenen) en het belastingstelsel van die pensioenen en van sommige aanvullende voordelen inzake sociale zekerheid werden gewijzigd, blijven van toepassing op de levensverzekeringspremies met betrekking tot contracten die werden gesloten vóór de inwerkingtreding van de genoemde wet in het voordeel van de onderneming op het hoofd van de bedrijfsleiders. " <Erratum, zie B.St. 26.05.2003, p. 28893>

  Art. 95. In hetzelfde Wetboek wordt een artikel 515sexies ingevoegd, luidende :
  " Art. 515sexies. In geval van overdracht van kapitalen of afkoopwaarden gevormd door middel van levensverzekeringspremies als bedoeld in artikel 195, § 2, die worden gelijkgesteld met bijdragen als bedoeld in artikel 195, § 1, tweede lid, zoals ze bestonden vooraleer ze door artikel 87 van de (de wet van 28 april 2003 betreffende de aanvullende pensioenen) en het belastingstelsel van die pensioenen en van sommige aanvullende voordelen inzake sociale zekerheid werden gewijzigd, die wordt verricht door de verzekeringsonderneming bij dewelke deze kapitalen of afkoopwaarden werden gevormd, teneinde deze te bestemmen voor de uitvoering van een aanvullende pensioentoezegging inzake rust- en/of overlevingspensioen, uitsluitend in het voordeel van een bedrijfsleider op wiens hoofd een contract werd gesloten, is artikel 38, § 1, eerste lid, 19°, van toepassing op de sommen die naar aanleiding van zulk een verrichting zijn overgedragen, in zover is voldaan aan de volgende voorwaarden : <Erratum, zie B.St. 26.05.2003, p. 28893>
  - de overdracht vindt plaats binnen een termijn van 3 jaar welke aanvangt vanaf de inwerkingtreding van de genoemde wet;
  - de voorwaarden van en de begrenzing gesteld in artikel 195 werden nageleefd tot op het ogenblik van de overdracht;
  - en de aanvullende pensioentoezegging, onderschreven door de onderneming in het voordeel van de betrokken bedrijfsleider, wordt ten laatste op het ogenblik van overdracht van de kapitalen of afkoopwaarden aangepast.
  Voor de toepassing van het vorige lid, wordt met een overdracht van kapitalen of afkoopwaarden gelijkgesteld, de toewijzing van de hoedanigheid van begunstigde van het contract van bedrijfsleiderverzekering uitsluitend in het voordeel van de verzekerde bedrijfsleider.
  Bovendien wordt die verrichting niet als de betaling of toekenning van een pensioen aangemerkt, zelfs als die overdracht op verzoek van de bedrijfsleider geschiedt, onverminderd het recht van belastingheffing bij de latere betaling of toekenning door de instellingen of ondernemingen aan de bedrijfsleider.
  Het vorige lid is niet van toepassing bij overdracht van het kapitaal of de afkoopwaarde naar een in het buitenland gevestigde voorzorgsinstelling of verzekeringsonderneming. "

  Art. 96. In hetzelfde Wetboek wordt een artikel 515septies ingevoegd, luidende :
  " Art. 515septies. Wanneer kapitalen die, voor de inwerkingtreding van (de wet van 28 april 2003 betreffende de aanvullende pensioenen) en het belastingstelsel van die pensioenen en van sommige aanvullende voordelen inzake sociale zekerheid, in de schoot van de onderneming gevormd zijn ten bate van de begunstigde of van zijn rechtverkrijgenden, worden overgedragen naar een voorzorgsinstelling of een verzekeringsonderneming, dan wordt die verrichting niet als de betaling of toekenning van een pensioen aangemerkt, zelfs als die overdracht op verzoek van de begunstigde geschiedt, onverminderd het recht van belastingheffing bij de latere betaling of toekenning door de instellingen of ondernemingen aan de begunstigde. <Erratum, zie B.St. 26.05.2003, p. 28893>
  Het eerste lid is niet van toepassing bij overdracht van het kapitaal naar een in het buitenland gevestigde voorzorgsinstelling of verzekeringsonderneming.
  Op de sommen die bij die gelegenheid worden overgedragen, worden bovendien de bepalingen van artikel 38, § 1, eerste lid, 18° en 19°, toegepast voor zover de voorwaarden van en de begrenzing gesteld in de artikelen 59 en 195 zijn nageleefd tot op het ogenblik van de overdracht. "

  Art. 97. In hetzelfde Wetboek wordt een artikel 515octies ingevoegd, luidende :
  " Art. 515octies. Artikel 171, 4°, g, zoals het bestond vooraleer het werd gewijzigd door artikel 86 van de (de wet van 28 april 2003 betreffende de aanvullende pensioenen) en het belastingstelsel van die pensioenen en van sommige aanvullende voordelen inzake sociale zekerheid, blijft van toepassing op de in artikel 171, 1°, h, bedoelde kapitalen geldend als pensioenen wanneer die kapitalen worden uitgekeerd in uitvoering van een contractuele verbintenis die is gesloten voor de inwerkingtreding van de genoemde wet. " <Erratum, zie B.St. 26.05.2003, p. 28893>

  HOOFDSTUK II. - Wijzigingen van het Wetboek der met het zegel gelijkgestelde taksen.

  Afdeling I. - Jaarlijkse taks op de verzekeringscontracten.

  Art. 98. Artikel 174 van het Wetboek der met het zegel gelijkgestelde taksen, vervangen bij de wet van 13 augustus 1947 en gewijzigd bij de wet van 28 december 1992, wordt vervangen als volgt :
  " Art. 174. Worden met de verzekeringen gelijkgesteld, de contracten van lijfrente of tijdelijke renten gesloten met een verzekeringsonderneming evenals elke verbintenis aangegaan door de pensioeninstellingen en de rechtspersonen belast met de uitvoering van de solidariteitstoezegging bedoeld in (de wet van 28 april 2003 betreffende de aanvullende pensioenen) en het belastingstelsel van die pensioenen en van sommige aanvullende voordelen inzake sociale zekerheid. " <Erratum, zie B.St. 26.05.2003, p. 28893>

  Art. 99. Artikel 175.1 van hetzelfde Wetboek, ingevoegd bij de wet van 13 augustus 1947 en gewijzigd bij de wetten van 27 juli 1953, 14 februari 1961 en 27 december 1965, het koninklijk besluit nr. 13 van 18 april 1967, de wetten van 22 december 1977, 8 augustus 1980 en 28 december 1992, wordt vervangen als volgt :
  " Art. 175.1. § 1. Het tarief van de taks bedraagt 9,25 %.
  § 2. Dit tarief wordt verminderd tot 4,40 % wat betreft :
  1° de verzekeringen in geval van leven;
  2° de verzekeringen in geval van overlijden;
  3° de contracten van lijfrente of tijdelijke renten gesloten met een verzekeringsonderneming;
  4° de collectieve toezeggingen die moeten worden beschouwd als een aanvulling van de wettelijke uitkeringen bij arbeidsongeschiktheid door arbeidsongeval of ongeval ofwel beroepsziekte of ziekte, indien ze worden uitgevoerd door de verzekeringsondernemingen bedoeld in artikel 2, § 1, van de wet van 9 juli 1975 betreffende de controle der verzekeringsondernemingen en door de pensioeninstellingen bedoeld in artikel 2, § 3, van dezelfde wet, en indien deze collectieve toezeggingen op eenzelfde en niet-discriminerende wijze toegankelijk zijn voor alle aangeslotenen, zijnde alle werknemers of regelmatig bezoldigde bedrijfsleiders van eenzelfde onderneming of een bijzondere categorie ervan;
  5° de pensioentoezeggingen die worden uitgevoerd door de verzekeringsondernemingen bedoeld in artikel 2, § 1, van de wet van 9 juli 1975 betreffende de controle der verzekeringsondernemingen en door de pensioeninstellingen bedoeld in artikel 2, § 3, van dezelfde wet;
  6° de individuele voortzetting van pensioentoezeggingen als bedoeld in artikel 33 van (de wet van 28 april 2003 betreffende de aanvullende pensioenen) en het belastingstelsel van die pensioenen en van sommige aanvullende voordelen inzake sociale zekerheid. <Erratum, zie B.St. 26.05.2003, p. 28893>
  § 3. Elke toezegging begrepen in de plannen die worden uitgevoerd door de verzekeringsondernemingen bedoeld in artikel 2, § 1, van de wet van 9 juli 1975 betreffende de controle der verzekeringsondernemingen en door de pensioeninstellingen bedoeld in artikel 2, § 3, van dezelfde wet, wordt onderworpen aan het tarief dat op die bepaalde toezegging van toepassing is overeenkomstig § 1 en § 2, indien :
  - het collectief plan en de eventueel voorziene alternatieve individuele keuzemogelijkheden, op eenzelfde en niet-discriminerende wijze toegankelijk zijn voor alle aangeslotenen, zijnde alle werknemers of regelmatig bezoldigde bedrijfsleiders van eenzelfde onderneming of een bijzondere categorie ervan, en
  - de eventuele toezegging bij overlijden van de aangeslotene, de eventuele toezegging bij arbeidsongeschiktheid van de aangeslotene en de eventuele toezegging medische kosten van de aangeslotene, kan onderschreven worden zonder uitsluiting op basis van een medisch onderzoek indien meer dan tien personen bij dat collectief plan zijn aangesloten, en
  - dat plan door de verzekeringsonderneming of pensioeninstelling op een gedifferentieerde wijze wordt beheerd zodat te allen tijde voor elke belastingplichtige of belastingschuldige de toepassing van het specifieke regime inzake inkomstenbelastingen en met het zegel gelijkgestelde taksen kan worden gewaarborgd, zowel inzake de behandeling van de bijdragen of premies als van de uitkeringen.
  In geval van een collectief plan waarbij voor alle aangeslotenen in een globaal premiebudget wordt voorzien en iedere aangeslotene zelf vrij de aanwending van dit premiebudget mag invullen en ventileren over de verschillende in het plan aangeboden dekkingen, moet er in een standaard toezegging worden voorzien. In afwachting van een keuze of indien de aangeslotene geen keuze maakt, wordt de standaard toezegging voor deze aangeslotene toegepast. Voor elke dekking wordt in een standaard dekking voorzien. Het verbod van uitsluiting op grond van een medisch onderzoek geldt zowel voor deze standaard dekking als de standaard toezeggingen; de standaard dekkingen en de standaard toezegging moeten in het reglement worden omschreven en een betekenisvolle inhoud hebben.
  § 4. Bij niet-naleving van één van de in § 3 vermelde voorwaarden wordt op alle toezeggingen begrepen in een in § 3 bedoeld plan, het in § 1 bepaalde tarief toegepast. "

  Art. 100. In artikel 176.2, eerste lid, van hetzelfde Wetboek, ingevoegd bij het koninklijk besluit nr. 63 van 28 november 1939 en gewijzigd bij de wetten van 17 juli 1963, 24 december 1963, 28 december 1983, 7 december 1988, 28 december 1992, 5 juli 1998 en 4 maart 1999, wordt een 4°bis ingevoegd, luidende :
  " 4°bis elke verbintenis aangegaan, zowel door de verzekeringsondernemingen bedoeld in artikel 2, § 1, van de wet van 9 juli 1975 betreffende de controle der verzekeringsondernemingen en door de pensioeninstellingen bedoeld in artikel 2, § 3, van dezelfde wet, als door de rechtspersonen belast met de uitvoering van de solidariteitstoezegging, in het kader van de pensioenstelsels die voldoen aan de voorwaarden bepaald in titel II, hoofdstuk II, afdeling II, van (de wet van 28 april 2003 betreffende de aanvullende pensioenen) en het belastingstelsel van die pensioenen en van sommige aanvullende voordelen inzake sociale zekerheid, voor zover die verbintenissen door de verzekeringsonderneming of voorzorgsinstelling op een gedifferentieerde wijze worden beheerd zodat te allen tijde voor elke belastingplichtige of belastingschuldige de toepassing van het specifieke regime inzake inkomstenbelastingen en met het zegel gelijkgestelde taksen kan worden gewaarborgd, zowel inzake de behandeling van de bijdragen of premies als van de uitkeringen; ". <Erratum, zie B.St. 26.05.2003, p. 28893>

  Art. 101. Artikel 177, 1°, van hetzelfde Wetboek, gewijzigd bij de wet van 28 december 1992, wordt vervangen als volgt :
  " 1° door de genootschappen, kassen, verenigingen of verzekeringsondernemingen, de pensioeninstellingen en de rechtspersonen belast met de uitvoering van de solidariteitstoezegging bedoeld in de (de wet van 28 april 2003 betreffende de aanvullende pensioenen) en het belastingstelsel van die pensioenen en van sommige aanvullende voordelen inzake sociale zekerheid, alsmede door alle andere verzekeraars, wanneer ze in België hun hoofdinrichting, een agentschap, een bijhuis, een vertegenwoordiger of enige zetel voor hun verrichtingen hebben; ". <Erratum, zie B.St. 26.05.2003, p. 28893>

  Art. 102. Artikel 178, eerste lid, van hetzelfde Wetboek, gewijzigd bij de wet van 28 december 1992, wordt vervangen als volgt :
  " De genootschappen, verenigingen, pensioeninstellingen en de rechtspersonen belast met de uitvoering van de solidariteitstoezegging bedoeld in (de wet van 28 april 2003 betreffende de aanvullende pensioenen) en het belastingstelsel van die pensioenen en van sommige aanvullende voordelen inzake sociale zekerheid alsmede alle in het vorige artikel bedoelde overige beroepsverzekeraars, mogen pas hun verrichtingen aanvangen wanneer zij, vooraf, een beroepsaangifte hebben neergelegd op het daartoe aangewezen kantoor van registratie. Hetzelfde geldt voor de makelaars en alle andere personen die tussentreden bij het sluiten van verzekeringen met vreemde verzekeraars die de in het tweede lid bedoelde aansprakelijke vertegenwoordiger niet hebben. " <Erratum, zie B.St. 26.05.2003, p. 28893>

  Art. 103. In artikel 179.1, tweede lid, van hetzelfde Wetboek worden de woorden " 175.1, eerste lid " vervangen door de woorden " 175.1, § 1, ".

  Art. 104. Artikel 183, eerste lid, van hetzelfde Wetboek, gewijzigd bij de wetten van 22 maart 1965 en 28 december 1992, wordt vervangen als volgt :
  " De Belgische verzekeraars, de pensioeninstellingen en de rechtspersonen belast met de uitvoering van de solidariteitstoezegging bedoeld in (de wet van 28 april 2003 betreffende de aanvullende pensioenen) en het belastingstelsel van die pensioenen en van sommige aanvullende voordelen inzake sociale zekerheid alsmede de vertegenwoordigers in België van de vreemde verzekeraars, alsmede de makelaars zijn gehouden hun repertoria, registers, boeken, polissen, contracten en alle andere stukken, zonder verplaatsing, mede te delen op elk aanzoek der aangestelden van de administratie van de belasting over de toegevoegde waarde, registratie en domeinen die ten minste de graad van adjunct-verificateur hebben. " <Erratum, zie B.St. 26.05.2003, p. 28893>

  Afdeling II. - Jaarlijkse taks op de winstdeelnemingen.

  Art. 105. Artikel 183bis van hetzelfde Wetboek, ingevoegd bij de wet van 7 december 1988, wordt vervangen als volgt :
  " Art. 183bis. De sommen verdeeld als winstdeelneming die betrekking hebben op levensverzekeringen, op contracten van lijfrente of tijdelijke renten, of op aanvullende pensioenen die op een andere wijze worden opgebouwd dan door middel van een levensverzekering, gesloten met een beroepsverzekeraar of een pensioeninstelling, die in België zijn hoofdinrichting, een agentschap, een bijhuis, een vertegenwoordiger of om het even welke zetel van verrichtingen heeft, zijn onderworpen aan een jaarlijkse taks. "

  Art. 106. In artikel 183sexies van hetzelfde Wetboek, ingevoegd bij de wet van 7 december 1988, worden tussen de woorden " verenigingen " en " of verzekeringsondernemingen " de woorden ", pensioeninstellingen " ingevoegd. "

  Art. 107. In artikel 183undecies van hetzelfde Wetboek, ingevoegd bij de wet van 7 december 1988 en gewijzigd bij de wetten van 22 december 1989 en 22 juli 1993, worden de woorden " De Belgische verzekeraars en vertegenwoordigers in België " vervangen door de woorden " De Belgische verzekeraars en pensioeninstellingen, alsmede de vertegenwoordigers in België ".

  TITEL V. - Diverse en slotbepalingen.

  Art. 108. Titel II van deze wet is niet van toepassing op de pensioentoezeggingen betreffende de in België gedetacheerde werknemers in de zin van de bepalingen van titel II van de verordening (EEG) nr. 1408/71 van de Raad van 14 juni 1971 betreffende de toepassing van de sociale zekerheidsregelingen op loontrekkende en hun gezinnen, die zich binnen de Gemeenschap verplaatsen.

  Art. 109. De Koning kan onder de voorwaarden die Hij vaststelt een regeling instellen :
  1° van aanvullende verzekeringen aanvullend bij de regeling van buitenwettelijke voordelen, die Hij heeft ingesteld krachtens artikel 22, § 2, van de wet van 12 juli 1957 betreffende de rust- en overlevingspensioenen voor bedienden;
  2° van buitenwettelijke pensioenvoordelen en aanvullende verzekeringen voor de personen bedoeld in artikel 32, eerste lid, 1° en 2° van het Wetboek van inkomstenbelastingen 1992.

  Art. 110. <W 2006-10-27/37, art. 226, 005; Inwerkingtreding : 10-11-2006> De Koning neemt, op gezamenlijke voordracht van de ministers bevoegd voor Pensioenen en Economie of, voor wat artikel 24 betreft, op voordracht van de minister bevoegd voor Pensioenen, en na advies van de Commissie voor Aanvullende Pensioenen, de Raad voor Aanvullende Pensioenen en de CBFA de besluiten die voor de uitvoering van deze wet nodig zijn.
  De Koning kan in het bijzonder het volgende bepalen :
  1° de minimale voorwaarden waaraan de pensioentoezeggingen en solidariteitstoezeggingen, dienen te beantwoorden, daaronder begrepen de voorwaarden met betrekking tot de prestaties inzake invaliditeit en arbeidsongeschiktheid;
  2° de verplichtingen van de pensioeninstellingen inzake transparantie en informatie jegens de aangeslotenen en de begunstigden;
  3° de bestemming van de activa van de pensioeninstelling in geval van stopzetting van de pensioentoezegging of wanneer die activa niet langer nodig zijn voor het beheer van de pensioentoezegging.
  De bevoegde ministers kunnen termijnen bepalen waarbinnen de Commissie, de Raad en de CBFA hun advies dienen uit te brengen. In geval van niet-naleving van een van die termijnen, is het bedoelde advies niet meer vereist.

  Art. 111. Met het oog op de goede uitvoering van de opdrachten die door deze wet aan de Controledienst voor de Verzekeringen worden toegekend, breidt de Koning het organiek kader van het personeel van de Controledienst voor de Verzekeringen, zoals vastgesteld in uitvoering van artikel 34, eerste lid van de wet van 9 juli 1975, uit binnen een termijn van één jaar vanaf de inwerkingtreding van dit artikel.

  Art. 112. De wet van 6 april 1995 betreffende de aanvullende pensioenen wordt opgeheven.

  Art. 113. De voorwaarden voor de toepassing van het verminderd tarief van 4,40 % gesteld in artikel 175.1, § 2, 4°, en § 3, van het Wetboek der met het zegel gelijkgestelde taksen zijn pas van toepassing op de toezeggingen en plannen die bestaan op de datum van inwerkingtreding van artikel 99 zodra een termijn van 5 jaar te rekenen vanaf die datum verstreken is. "

  Art. 113bis. <Ingevoegd bij W 2003-12-22/42, art. 246; Inwerkingtreding : 10-01-2004> Voor zover dit noodzakelijk is voor het uitvoeren van deze wet of haar uitvoeringsbesluiten hebben de pensioeninstellingen en de rechtspersonen belast met de uitvoering van een solidariteitstoezegging :
  1° toegang tot het Rijksregister van de natuurlijke personen, ingesteld door de wet van 8 augustus 1983 tot regeling van een Rijksregister van de natuurlijke personen;
  2° het recht om het identificatienummer van het Rijksregister te gebruiken.

  Art. 114. De Koning bepaalt de datum waarop de bepalingen van deze wet in werking treden, behalve voor de artikelen 57, § 2, 61, § 2, 64 tot 70, 110 tot 112 en 114, die in werking treden de dag waarop deze wet in het Belgisch Staatsblad wordt bekendgemaakt.
  (NOTA : Inwerkingtreding vastgesteld op 01-01-2004 behalve de artikelen welke krachtens artikel 114 van de wet in werking zijn getreden op 15-05-2003 en die welke zijn bedoeld in §§ 2 en 3 hierna :
  § 2. De artikelen 2 tot 4, 5, §§1 en 2, 7, 13 tot 15, 16, § 1, 29, 30, 39, 49, 52 tot 54, 56, 108 en 109 van de wet treden in werking op 14-11-2003.
  De artikelen 6, 27, 57, § 1 en 61, § 1 treden in werking na afloop van de termijn voorzien in de artikelen 57, § 2 en 61, § 2.
  In afwijking van het eerste lid treedt artikel 14, § 3, 3° van de wet voor de lopende pensioentoezeggingen in werking op 01-01-2007.
  § 3. Zijn van toepassing :
  A. inzake inkomstenbelastingen :
  1° vanaf aanslagjaar 2004 : artikel 90;
  2° vanaf 01-01-2004 : de artikelen 73, 84 en 92 tot 97;
  3° op de andere dan in 4° bedoelde bijdragen en premies die zijn betaald vanaf 01-01-2004, de artikelen :
  - 76 en 79;
  - 80 wat de invoeging van artikel 53, 21°, in het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 betreft;
  - 81 tot 83, 87 tot 89 en 91;
  4° op de bijdragen en premies die zijn betaald in uitvoering van individuele toezeggingen die zijn gesloten vanaf 01-01-2004, de artikelen :
  - 76 en 79;
  - 80, wat de invoeging van artikel 53, 21° en 22°, in het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 betreft;
  - 81;
  - 88 voor zover de door dat artikel gewijzigde bepaling verwijst naar artikel 53, 21° en 22°, van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992;
  - 89 en 91 voor zover de door die artikelen gewijzigde bepalingen verwijzen naar artikel 53, 22°, van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992;
  5° op de lijfrenten, renten, vergoedingen, andere dan in 6° bedoelde kapitalen, afkoopwaarden van levensverzekeringscontracten, pensioenen en aanvullende pensioenen, die zijn betaald vanaf 01-01-2004, de artikelen :
  - 72, 74, 75, 1°, 77, 78;
  - 80, wat de invoeging van artikel 53, 23°, in het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 betreft;
  - 85 en 86;
  - 88, 89 en 91, voor zover de door die artikelen gewijzigde bepalingen verwijzen naar artikel 53, 23°, van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992;
  6° op de uitkeringen of kapitalen die zijn betaald :
  - in uitvoering van toezeggingen die zijn gesloten vanaf 01-01-2004, artikel 76, 1°, wat de invoeging van artikel 38, § 1, eerste lid, 20°, in het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 betreft, 2° en 3°;
  - in uitvoering van een individuele aanvullende pensioentoezegging, artikel 86, 6°;
  7° vanaf aanslagjaar 2005 : artikel 75,2°;
  B. inzake met het zegel gelijkgestelde taksen :
  1° op de premies die vervallen of worden betaald vanaf 01-01-2004, de artikelen 98 tot 104;
  2° vanaf 01-01-2004, de artikelen 105 tot 107 en 113.)
  

Handtekening Tekst Inhoudstafel Begin
   Kondigen deze wet af, bevelen dat zij met 's Lands zegel zal worden bekleed en door het Belgisch Staatsblad worden bekendgemaakt.
[Châteauneuf-de-Grasse, 28 april 2003.] (Erratum, zie B.St. 26.05.2003, p. 28893)
ALBERT
Van Koningswege :
De Minister van Sociale Zaken en Pensioenen,
F. VANDENBROECKE
Met 's Lands zegel gezegeld :
De Minister van Justitie,
M. VERWILGHEN.

Aanhef Tekst Inhoudstafel Begin
   ALBERT II, Koning der Belgen,
   Aan allen die nu zijn en hierna wezen zullen, Onze Groet.
   De Kamers hebben aangenomen en Wij bekrachtigen hetgeen volgt :
Erratum Tekst Begin

BEELD
2003022613
PUBLICATIE :
2003-05-26
bladzijde : 28892

Erratum



Wijziging(en) Tekst Inhoudstafel Begin
BEELD
  • WET VAN 13-04-2019 GEPUBL. OP 30-04-2019
    (GEWIJZIGD ART. : 48/2)
  • BEELD
  • WET VAN 06-12-2018 GEPUBL. OP 27-12-2018
    (GEWIJZIGDE ART. : 33; 33/1; 48/3)
    (GEWIJZIGDE ART. : 10; 11; 43; 30; 33/1; 50)
  • BEELD
  • WET VAN 20-09-2018 GEPUBL. OP 10-10-2018
    (GEWIJZIGD ART. : NL26)
  • BEELD
  • WET VAN 27-06-2018 GEPUBL. OP 05-07-2018
    (GEWIJZIGDE ART. : 13; 17; 24; 28/1; 31; 32)
  • BEELD
  • WET VAN 30-03-2018 GEPUBL. OP 17-04-2018
    (GEWIJZIGDE ART. : 3; 48/1; 48/2; 48/3)
  • BEELD
  • WET VAN 18-02-2018 GEPUBL. OP 30-03-2018
    (GEWIJZIGDE ART. : 26; 52; 54; 54bis)
  • BEELD
  • WET VAN 29-02-2016 GEPUBL. OP 21-04-2016
    (GEWIJZIGDE ART. : 54; 54bis)
  • BEELD
  • WET VAN 13-03-2016 GEPUBL. OP 23-03-2016
    (GEWIJZIGD ART. : 3)
  • BEELD
  • WET VAN 18-12-2015 GEPUBL. OP 24-12-2015
    (GEWIJZIGDE ART. : 24; 42; 31; 32; 33/1)
    (GEWIJZIGDE ART. : 3; 6; 24; 26; 27)
    (GEWIJZIGD ART. : 27)
    (GEWIJZIGDE ART. : 63/2; 63/3; 63/4; 63/5)
    (GEWIJZIGDE ART. : 13; 63/6)
    (GEWIJZIGDE ART. : 5; 63/7; 63/8)
  • BEELD
  • WET VAN 15-05-2014 GEPUBL. OP 19-06-2014
    (GEWIJZIGDE ART. : 55; 62/1)
    (GEWIJZIGD ART. : 26)
    (GEWIJZIGDE ART. : 3; 5; 30; 33/1; 33/2)
    (GEWIJZIGDE ART. : 3; 5; 18; 19; 21; 22; 24)
    (GEWIJZIGDE ART. : 6; 13; 27; 41bis; 49bis; 53)
  • BEELD
  • WET VAN 05-05-2014 GEPUBL. OP 09-05-2014
    (GEWIJZIGDE ART. : 3; 7/1; 7/2; 8; 8/1; 14; 14/1-14/4; 16; 63/1)
  • BEELD
  • WET VAN 30-07-2013 GEPUBL. OP 30-08-2013
    (GEWIJZIGD ART. : 49quater)
  • BEELD
  • WET VAN 22-06-2012 GEPUBL. OP 28-06-2012
    (GEWIJZIGD ART. : 57)
  • BEELD
  • KONINKLIJK BESLUIT VAN 03-03-2011 GEPUBL. OP 09-03-2011
    (GEWIJZIGDE ART. : 3; 49quater)
  • BEELD
  • WET VAN 10-05-2007 GEPUBL. OP 30-05-2007
    (GEWIJZIGDE ART. : 13; 14; 54)
  • BEELD
  • WET VAN 27-04-2007 GEPUBL. OP 08-05-2007
    (GEWIJZIGDE ART. : 26; 26BIS; 26TER)
  • BEELD
  • WET VAN 27-12-2006 GEPUBL. OP 28-12-2006
    (GEWIJZIGD ART. : 26TER)
  • BEELD
  • WET VAN 27-10-2006 GEPUBL. OP 10-11-2006
    (GEWIJZIGDE ART. : 3; 11; 12; 14; 15; 26; 27; 28; 32; 33)
    (GEWIJZIGDE ART. : 39; 50; 51; 56BIS; 110)
    (GEWIJZIGDE ART. : 5; 16; 18; 19; 24; 41)
    (GEWIJZIGDE ART. : 41BIS; 42; 49BIS-49QUA)
  • BEELD
  • KONINKLIJK BESLUIT VAN 27-06-2006 GEPUBL. OP 11-07-2006
    (GEWIJZIGDE ART. : 26; 26BIS)
  • BEELD
  • WET VAN 22-12-2003 GEPUBL. OP 31-12-2003
    (GEWIJZIGDE ART. : 27; 113BIS)
  • BEELD
  • KONINKLIJK BESLUIT VAN 25-03-2003 GEPUBL. OP 31-03-2003
    (GEWIJZIGDE ART. : 3; 68-70)

  • Parlementaire werkzaamheden Tekst Inhoudstafel Begin
       Zitting 2000-2001. Kamer. Parlementaire stukken. - Wetsontwerp, 50-1340 - nr. 1. - Amendementen, 50-1340 - nr. 2. Zitting 2001-2002. Kamer. Parlementaire stukken. - Amendementen, 50-1340 - nrs. 3 et 4. - Verslag, 50-1340 - nrs. 5 et 6. Zitting 2002-2003. Kamer. Parlementaire stukken. - Amendementen, 50-1340 - nrs. 7 et 8. - Verslag, 50-1340 - nr. 9. - Tekst aangenomen door de commissie, 50-1340 - nr. 10. - Amendementen, 50-1340 - nr. 11. - Tekst aangenomen in plenaire vergadering en overgezonden aan de Senaat, 50-1340 - nr. 12. Parlementaire Handelingen. - Bespreking en stemming. Vergaderingen van 12 en 13 maart 2003. Senaat. Parlementaire stukken. - Ontwerp geëvoceerd door de Senaat, 2-1531 - nr. 1. - Amendementen, 2-1531 - nr. 2. - Verslag, 2-1531 - nr. 3. - Amendementen, 2-1531 - nr. 4. - Beslissing om niet te amenderen, 2-1531 - nr. 4. Parlementaire Handelingen. - Bespreking en stemming. Vergaderingen van 2 en 3 april 2003.

    Begin Eerste woord Laatste woord Wijziging(en) Aanhef
    Parlementaire werkzaamheden Inhoudstafel 14 uitvoeringbesluiten 20 gearchiveerde versies
    Erratum Franstalige versie