J U S T E L     -     Geconsolideerde wetgeving
Einde Eerste woord Laatste woord Wijziging(en) Aanhef
Parlementaire werkzaamheden Inhoudstafel 6 uitvoeringbesluiten 15 gearchiveerde versies
Handtekening Einde Franstalige versie
 
belgiėlex . be     -     Kruispuntbank Wetgeving
Raad van State
ELI - Navigatie systeem via een Europese identificatiecode voor wetgeving
http://www.ejustice.just.fgov.be/eli/wet/2003/04/11/2003011326/justel

Titel
11 APRIL 2003. - Wet betreffende de voorzieningen aangelegd voor de ontmanteling van de kerncentrales en voor het beheer van splijtstoffen bestraald in deze kerncentrales.
(NOTA : Raadpleging van vroegere versies vanaf 15-07-2003 en tekstbijwerking tot 29-12-2016)

Bron : ECONOMIE, KMO, MIDDENSTAND EN ENERGIE
Publicatie : 15-07-2003 nummer :   2003011326 bladzijde : 37954   BEELD
Dossiernummer : 2003-04-11/61
Inwerkingtreding : 25-07-2003

Inhoudstafel Tekst Begin
HOOFDSTUK I. - Algemeen.
Art. 1-2
HOOFDSTUK II. - Mechanismen verbonden met de voorzieningen voor de ontmanteling van de kerncentrales en voor het beheer van splijtstoffen bestraald in deze kerncentrales (en bijdragen). <W 2008-12-22/32, art. 60, 004; Inwerkingtreding : 01-01-2009>
Afdeling 1. - (De Commissie voor nucleaire voorzieningen.) <W 2007-04-25/38, art. 144; Inwerkingtreding : 18-05-2007>
Onderafdeling 1. - Oprichting en samenstelling.
Art. 3-4
Onderafdeling 2. - Opdrachten en werkingsregels.
Art. 5-10
Afdeling 2. - Nadere regels voor de aanleg en het beheer van de voorzieningen voor de ontmanteling en voor het beheer van bestraalde splijtstoffen.
Onderafdeling 1. - Aanleg van de voorzieningen voor de ontmanteling en het beheer van bestraalde splijtstoffen (en bijdragen). <W 2008-12-22/32, art. 61, 004; Inwerkingtreding : 01-01-2009>
Art. 11-12
Onderafdeling 2. - Beheer van de voorzieningen voor de ontmanteling en voor het beheer van bestraalde splijtstoffen (en bijdragen). <W 2008-12-22/32, art. 63, 004; Inwerkingtreding : 01-01-2009>
Art. 13-19
HOOFDSTUK III. - Wijzigingsbepalingen.
Art. 20-21
HOOFDSTUK IV. - Slotbepalingen.
Art. 22, 22bis, 23-25
ANNEXE.
N. [1 Bijlage.]1

Tekst Inhoudstafel Begin
HOOFDSTUK I. - Algemeen.

  Artikel 1. Deze wet regelt een aangelegenheid als bedoeld in artikel 78 van de Grondwet.

  Art. 2.Voor de toepassing van deze wet wordt verstaan onder :
  1° " datum van industriėle ingebruikname " : datum van de formele overeenkomst tussen de elektriciteitsproducent, de constructeurs van de kerncentrales en het studiebureel waardoor de projectfase wordt afgesloten en de productiefase begint, te weten voor de bestaande nucleaire centrales :
  - Doel 1 : 15 februari 1975
  - Doel 2 : 1 december 1975
  - Doel 3 : 1 oktober 1982
  - Doel 4 : 1 juli 1985
  - Tihange 1 : 1 oktober 1975
  - Tihange 2 : 1 februari 1983
  - Tihange 3 : 1 september 1985;
  2° " voorzieningen voor de ontmanteling " : de voorzieningen voor de kosten van de stopzetting van de reactor van de kerncentrale en ontlading van de kernbrandstof, de eigenlijke ontmanteling van de kerninstallatie, de sanering van de site en het beheer van het radioactief afval dat eruit voortkomt;
  3° " voorzieningen voor het beheer van bestraalde splijtstoffen " : de voorzieningen voor de kosten verbonden met het beheer van splijtstoffen bestraald in de kerncentrales;
  4° " de kernprovisievennootschap " : de naamloze vennootschap Belgische Maatschappij voor Kernbrandstoffen Synatom, bedoeld in artikel 1 van het koninklijk besluit van 10 juni 1994 en waarvan het statuut wordt geregeld door artikel 179, § 1, van de wet van 8 augustus 1980 betreffende de budgettaire voorstellen 1979-1980, of iedere rechtsopvolgende vennootschap;
  5° " kernexploitanten " : elke exploitant, houder van een koninklijk exploitatievergunning, van kerncentrales of iedere rechtsopvolgende vennootschap;
  6° " kerncentrales " : elke kerninstallatie die, op industriėle wijze, elektriciteit produceert;
  7° " het koninklijk besluit van 10 juni 1994 " : het koninklijk besluit van 10 juni 1994 tot invoering ten voordele van de Staat van een bijzonder aandeel in Synatom.
  (8° " Commissie voor nucleaire voorzieningen " : de advies- en controlecommissie over de voorzieningen aangelegd voor de ontmanteling van de kerncentrales en voor het beheer van bestraalde splijtstoffen, die in deze wet wordt bedoeld.) <W 2007-04-25/38, art. 143, 002; Inwerkingtreding : 18-05-2007>
  [1 9° " laatste kalenderjaar " : het kalenderjaar voorafgaand aan datgene waarvan het jaartal de basisrepartitiebijdrage en de aanvullende repartitiebijdrage bedoeld in artikel 14, § 8, identificeert;]1
  [2 10° "De CREG" : de Commissie voor de regulering van de elektriciteit en het gas, bedoeld in artikel 23 van de wet van 29 april 1999 betreffende de organisatie van de elektriciteitsmarkt.]2
  ----------
  (1)<W 2012-12-27/04, art. 2, 009; Inwerkingtreding : 07-01-2013>
  (2)<W 2016-12-25/04, art. 2, 016; Inwerkingtreding : 29-12-2016>

  HOOFDSTUK II. - Mechanismen verbonden met de voorzieningen voor de ontmanteling van de kerncentrales en voor het beheer van splijtstoffen bestraald in deze kerncentrales (en bijdragen). <W 2008-12-22/32, art. 60, 004; Inwerkingtreding : 01-01-2009>

  Afdeling 1. - (De Commissie voor nucleaire voorzieningen.) <W 2007-04-25/38, art. 144; Inwerkingtreding : 18-05-2007>

  Onderafdeling 1. - Oprichting en samenstelling.

  Art. 3.(NOTA van Justel : de W 2007-04-25/38, art. 145, beschickt dat in onderhavig art. 3 elke vermelding van of verwijzing naar het " Opvolgingscomité " vervangen wordt door een vermelding van of een verwijzing naar de " Commissie voor nucleaire voorzieningen ".) Er wordt een Opvolgingscomité voor de mechanismen verbonden met de voorzieningen voor de ontmanteling en voor het beheer van bestraalde splijtstoffen opgericht, afgekort " het Opvolgingscomité ", met (eigen) rechtspersoonlijkheid en met zetel in het administratief arrondissement Brussel-Hoofdstad. <W 2007-04-25/38, art. 145 en 146, 002; Inwerkingtreding : 18-05-2007>
  [1 ...]1
  ----------
  (1)<W 2014-03-26/34, art. 2, 013; Inwerkingtreding : 05-06-2014>

  Art. 4.§ 1. [2 De Commissie voor nucleaire voorzieningen is samengesteld uit de volgende vijf personen :
   - de administrateur-generaal van de Administratie der Thesaurie of zijn plaatsvervanger;
   - de voorzitter van het directiecomité van de Commissie voor de Regulering van de Elektriciteit en het Gas of zijn plaatsvervanger;
   - de voorzitter van het Directiecomité van de Federale Overheidsdienst Begroting en Beheerscontrole of zijn plaatsvervanger;
   - een vertegenwoordiger van de Nationale Bank van Belgiė of zijn plaatsvervanger;
   - de directeur-generaal van de Algemene Directie Energie of zijn plaatsvervanger.
   De voorzitter en de andere leden van de Commissie voor nucleaire voorzieningen die de Staat vertegenwoordigen, worden benoemd bij koninklijk besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad.]2
  § 2. De directeur-generaal van het Federaal Agentschap voor Nucleaire Controle [2 , de directeur-generaal van de Nationale Instelling voor Radioactief Afval en Verrijkte Splijtstoffen en de gedelegeerd bestuurder van de kernprovisievennootschap of hun afgevaardigden]2 kunnen met raadgevende stem de vergaderingen van [de Commissie voor nucleaire voorzieningen] bijwonen. <W 2007-04-25/38, art. 145, 002; Inwerkingtreding : 18-05-2007>
  § 3. [De Commissie voor nucleaire voorzieningen wordt bijgestaan door een vast secretariaat. De samenstelling en de werking van dit secretariaat worden door de Commissie voor nucleaire voorzieningen vastgelegd op basis van de middelen die nodig zijn voor de uitvoering van de opdrachten die haar overeenkomstig artikel 5 worden toevertrouwd.] <W 2007-04-25/38, art. 147, 002; Inwerkingtreding : 18-05-2007>
  ----------
  (1)<KB 2011-03-03/01, art. 350, 007; Inwerkingtreding : 01-04-2011>
  (2)<W 2014-03-26/34, art. 3, 013; Inwerkingtreding : 05-06-2014>

  Onderafdeling 2. - Opdrachten en werkingsregels.

  Art. 5.§ 1. (De Commissie voor nucleaire voorzieningen heeft een advies- en controlebevoegdheid over de aanleg en het beheer van de voorzieningen voor de ontmanteling van de kerncentrales en voor het beheer van bestraalde splijtstoffen. Ze brengt adviezen uit [1 onder meer]1 in de gevallen die in § 2, 1°, worden bedoeld en oefent [1 onder meer]1 controle uit op de in § 2, 2°, bedoelde materies.) <W 2007-04-25/38, art. 148, 002; Inwerkingtreding : 18-05-2007>
  [1 Die advies- en controlebevoegdheid heeft betrekking op het bestaan, de toereikendheid en de beschikbaarheid van de provisies.]1
  § 2. Met het oog op het vervullen van de in § 1 genoemde opdracht :
  1° geeft (de Commissie voor nucleaire voorzieningen) advies, op eigen initiatief of op verzoek van de bevoegde overheden, omtrent : <W 2007-04-25/38, art. 145, 002; Inwerkingtreding : 18-05-2007>
  a. de methoden voor het aanleggen van provisies voor de ontmanteling en het beheer van bestraalde splijtstoffen, en evalueert periodiek de geschiktheid van deze methoden, overeenkomstig artikel 12;
  b. het herzien van het maximale percentage van de fondsen die de tegenwaarde vormen van de desbetreffende provisies die de kernprovisievennootschap kan lenen aan kernexploitanten, overeenkomstig artikel 14, § 2;
  c. de categorieėn van activa waarin de kernprovisievennootschap het deel van deze fondsen, dat zij niet mag lenen aan kernexploitanten, investeert, overeenkomstig artikel 14, § 5 (en § 7, alsook de voorwaarden waartegen deze investeringen worden uitgevoerd). <W 2007-04-25/38, art. 148, 002; Inwerkingtreding : 18-05-2007>
  2° controleert (de Commissie voor nucleaire voorzieningen) : <W 2007-04-25/38, art. 145, 002; Inwerkingtreding : 18-05-2007>
  a. de gegevens die de kernprovisievennootschap ter beschikking stelt omtrent de toereikendheid van de provisies;
  b. de correcte toepassing van de methoden voor het aanleggen van provisies voor de ontmanteling en het beheer van bestraalde splijtstoffen;
  c. de voorwaarden tegen dewelke de kernprovisievennootschap deze fondsen leent aan kernexploitanten, overeenkomstig artikel 14, § 4;
  d. de politiek van de kernexploitanten inzake voorrechten en hypotheken.
  (e. de voorwaarden van de leningen die eventueel worden toegekend door de kernprovisievennootschap overeenkomstig artikel 14, § 5, tweede lid;
  f. de beschikbaarheid van de tegenwaarde van het bedrag van de in punt e bedoelde leningen, met inbegrip van de eventuele zekerheden, die door degenen die deze leningen hebben ontvangen, werden gesteld.) <W 2007-04-25/38, art. 148, 002; Inwerkingtreding : 18-05-2007>
  ----------
  (1)<W 2014-03-26/34, art. 4, 013; Inwerkingtreding : 05-06-2014>

  Art. 6.(§ 1. De Commissie voor nucleaire voorzieningen brengt [2 met redenen omklede]2 adviezen uit en neemt besluiten bij gewone meerderheid. Deze [2 met redenen omklede]2 adviezen en besluiten binden de kernprovisievennootschap.
  De [2 met redenen omklede]2 adviezen en besluiten van de Commissie voor nucleaire voorzieningen met betrekking tot het bestaan en de toerekendheid van de voorzieningen vergen het [2 ...]2 advies van de Nationale Instelling voor Radioactief Afval en Verrijkte Splijtstoffen.) <W 2007-04-25/38, art. 149, 002; Inwerkingtreding : 18-05-2007>
  § 2. De kernprovisievennootschap kan bij de minister die Energie in zijn bevoegdheid heeft verzet aantekenen tegen elk advies (of besluit) van (de Commissie voor nucleaire voorzieningen), en zulks binnen 14 werkdagen na ontvangst van het advies (of besluit). <W 2007-04-25/38, art. 145 en 149, 002; Inwerkingtreding : 18-05-2007>
  [1 ...]1
  Indien het verzet echter betrekking heeft op de bepalingen van artikel 14, § 7, dan is het verzet slechts mogelijk voorzover het betrekking heeft op meer dan 10 procent van de 10 procent van het deel van de 25 procent van de voorzieningen voor de ontmanteling en van de voorzieningen voor het beheer van bestraalde splijtstoffen of voorzover de tijdens het jaar genomen beslissingen cumulatief betrekking hebben op meer dan 10 procent van de 10 procent van het deel van de 25 procent van deze voorzieningen.) <W 2007-04-25/38, art. 149, 002; Inwerkingtreding : 18-05-2007>
  (§ 3. De minister bevoegd voor Energie, legt het verzet voor aan de Ministerraad die een bindende beslissing neemt binnen 90 werkdagen.
  Het verzet ingesteld tegen een advies of besluit van de Commissie voor nucleaire voorzieningen schorst de verplichting van de kernprovisievennootschap om dit advies of besluit te volgen tot de dag van de beslissing van de Ministerraad.) <W 2007-04-25/38, art. 149, 002; Inwerkingtreding : 18-05-2007>
  § 4. Binnen de vijf werkdagen volgend op het schriftelijk verzoek, maakt (de Commissie voor nucleaire voorzieningen) aan de kernprovisievennootschap of, in voorkomend geval, aan de betrokken kernexploitant een kopie over van elk advies, verslag, studie of document en van alle statistieken of andere gegevens waarop een beslissing of een advies van (de Commissie voor nucleaire voorzieningen) betreffende de kernprovisievennootschap of een kernexploitant is gesteund, of waarnaar wordt verwezen in een dergelijke beslissing of een dergelijk advies. <W 2007-04-25/38, art. 145, 002; Inwerkingtreding : 18-05-2007>
  ----------
  (1)<W 2014-03-26/34, art. 5, 013; Inwerkingtreding : 05-06-2014>
  (2)<W 2014-03-26/34, art. 6, 013; Inwerkingtreding : 05-06-2014>

  Art. 7. § 1. Teneinde (de Commissie voor nucleaire voorzieningen) toe te laten zijn opdrachten te vervullen, zal de kernprovisievennootschap aan (de Commissie voor nucleaire voorzieningen) tenminste de volgende gegevens verschaffen : <W 2007-04-25/38, art. 145, 002; Inwerkingtreding : 18-05-2007>
  - jaarlijks : Op een datum vast te leggen door (de Commissie voor nucleaire voorzieningen), het bedrag van de voorzieningen aangelegd voor de ontmanteling en voor het beheer van bestraalde splijtstoffen, de evaluatie van de met deze voorzieningen overeenstemmende activa, de berekening van de vergoeding die de kernexploitanten aan de kernprovisievennootschap verschuldigd zijn voor het lopende boekjaar, de uitgaven voor de komende drie jaren, alsook de algemene oriėntatie van zijn investeringspolitiek; de internationale " credit rating " van de kernexploitant en de schuldenratio driemaandelijks vastgesteld ten aanzien van het eigen vermogen van de kernexploitant, zoals bedoeld in artikel 14, (de internationale kredietrating, indien ze bestaat, en de schuldenratio driemaandelijks vastgesteld ten aanzien van het eigen vermogen van degenen die van de kernprovisievennootschap leningen ontvangen overeenkomstig artikel 14, § 5, tweede lid); <W 2007-04-25/38, art. 145 en 150, 002; Inwerkingtreding : 18-05-2007>
  - elke drie jaar op een datum vast te leggen door (de Commissie voor nucleaire voorzieningen) en na de eerste herziening van de methode voor de aanleg van voorzieningen overeenkomstig artikel 12, §§ 2 en 3 : de basiskarakteristieken van de provisievorming voor de ontmanteling en voor het beheer van bestraalde splijtstoffen, zoals de achterliggende strategische aanpak, het ontwikkelingsprogramma, het uitvoeringsprogramma, de timing, de raming van de benodigde financiėle middelen, het bedrag van de uitgaven en de betalingskalender; <W 2007-04-25/38, art. 145, 002; Inwerkingtreding : 18-05-2007>
  - alle overeenkomsten gesloten tussen de kernprovisievennootschap en de kernexploitant of verbonden vennootschappen en de Nationale Instelling voor Radioactief Afval en Verrijkte Splijtstoffen inzake de ontmanteling van kerncentrales en de verwerking van radioactieve afvalstoffen;
  - (elke wijziging in de kredietrating van een kernexploitant of, indien een dergelijke kredietrating bestaat, van degene die van de kernprovisievennootschap leningen ontvangt overeenkomstig artikel 14, § 5, tweede lid of de omstandigheid dat het betrokken agentschap een kernexploitant of desgevallend degene die van de kernprovisievennootschap leningen ontvangt op " credit watch " heeft geplaatst;) <W 2007-04-25/38, art. 150, 002; Inwerkingtreding : 18-05-2007>
  - elk trimester, op een datum vast te leggen door (de Commissie voor nucleaire voorzieningen), de schuldratio ten aanzien van het eigen vermogen van de kernexploitant, overeenkomstig artikel 14, § 2 (en de schuldratio ten aanzien van het eigen vermogen van degenen die van de kernprovisievennootschap leningen ontvangen overeenkomstig artikel 14, § 5, tweede lid); <W 2007-04-25/38, art. 145 en 150, 002; Inwerkingtreding : 18-05-2007>
  - onmiddellijk, elke wijziging in de politiek van de kernexploitant (en van degenen die van de kernprovisievennootschap leningen ontvangen overeenkomstig artikel 14, § 5, tweede lid) inzake hypotheken en voorrechten. <W 2007-04-25/38, art. 150, 002; Inwerkingtreding : 18-05-2007>
  § 2. (Teneinde de Commissie voor nucleaire voorzieningen toe te laten haar opdrachten te vervullen :
  1° bezorgen de kernexploitanten haar onverwijld alle beslissingen en informatie inzake voorrechten en hypotheken die ze toekennen;
  2° laat de kernprovisievennootschap in de in artikel 14, § 5, tweede lid, bedoelde overeenkomsten de verplichting opnemen, voor degenen die leningen ontvangen van de kernprovisievennootschap, om de Commissie voor nucleaire voorzieningen onverwijld alle beslissingen en informatie inzake voorrechten en hypotheken die ze toekennen te bezorgen.) <W 2007-04-25/38, art. 150, 002; Inwerkingtreding : 18-05-2007>
  § 3. Het Opvolgingscomité kan, in uitvoering van zijn opdrachten, adviezen vragen aan nationale, buitenlandse of internationale instellingen of gespecialiseerde kenniscentra, zoals de Nationale Instelling voor Radioactief Afval en Verrijkte Splijtstoffen of het Federaal Agentschap voor Nucleaire Controle.
  (De kosten van deze adviezen blijven ten laste van de instellingen of van de gespecialiseerde kenniscentra aan wie zij werden gevraagd in het geval dat deze kosten reeds door de kernexploitanten op basis van andere wettelijke of reglementaire bepalingen gedekt worden. De kosten van deze adviezen zijn ten laste van de kernprovisievennootschap indien ze niet gedekt worden door andere wettelijke of reglementaire bepalingen.) <W 2007-04-25/38, art. 150, 002; Inwerkingtreding : 18-05-2007>

  Art. 8.§ 1. (De Commissie voor nucleaire voorzieningen) legt elk jaar een verslag van zijn activiteiten voor aan de minister die de Energie in zijn bevoegdheid heeft, die dit verslag overmaakt aan de federale wetgevende Kamers en die erop toeziet dat het verslag op passende wijze wordt bekendgemaakt. (Dit verslag wordt voorgelegd door de Commissie voor nucleaire voorzieningen vóór 1 oktober van het jaar dat volgt op het betrokken jaar en bevat de staat van zijn werkingskosten.) <W 2007-04-25/38, art. 145 en 151, 002; Inwerkingtreding : 18-05-2007>
  § 2. De leden en het personeel van het secretariaat van (de Commissie voor nucleaire voorzieningen) zijn gebonden door het beroepsgeheim en mogen de vertrouwelijke gegevens die hun ter kennis zijn gekomen op grond van hun functie bij (de Commissie voor nucleaire voorzieningen) aan niemand bekendmaken, behalve wanneer zij worden opgeroepen om in rechte te getuigen, onverminderd de uitwisseling van informatie met de bevoegde instanties van andere lidstaten van de Europese Unie die uitdrukkelijk bepaald of toegestaan is door verordeningen of richtlijnen vastgesteld door de instellingen van de Europese Unie. <W 2007-04-25/38, art. 145, 002; Inwerkingtreding : 18-05-2007>
  [1 § 3. De Commissie voor nucleaire voorzieningen, de leden en hun respectievelijke plaatsvervangers, de raadgevende leden en hun afgevaardigden en het vast secretariaat en zijn vaste secretaris zijn niet burgerlijk aansprakelijk voor hun adviezen, handelingen of gedragingen in de uitoefening van de wettelijke opdrachten van de Commissie voor nucleaire voorzieningen, behalve in geval van bedrog of zware fout.]1
  ----------
  (1)<W 2014-03-26/34, art. 7, 013; Inwerkingtreding : 05-06-2014>

  Art. 9.(NOTA : de onderhavige versie van artikel 9 is het resultaat van de uitvoering van artikelen 145 en 152 van de W 2007-04-25/38, zoals door Justel begrepen.) (De werkings- en secretariaatkosten alsook de kosten voor de adviezen gevraagd door de Commissie voor nucleaire voorzieningen krachtens artikel 7, § 3, waarvoor jaarlijks bij in Ministerraad overlegd koninklijk besluit een maximumbedrag wordt bepaald, zijn ten laste van de kernprovisievennootschap. Deze laatste rekent ze aan aan de kernexploitanten en aan de in artikel 24, § 1, bedoelde vennootschappen naar verhouding van hun aandeel in de industriėle productie van elektriciteit door splijting van kernbrandstoffen.
  De Commissie voor nucleaire voorzieningen maakt een jaarlijks budget op en stuurt het ten laatste op 1 oktober van het jaar dat voorafgaat aan het betrokken jaar, ter goedkeuring aan de minister bevoegd voor de energie.) <W 2007-04-25/38, art. 152, 002; Inwerkingtreding : 18-05-2007>
  De Koning bepaalt, bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad, het jaarlijkse bedrag dat maximaal ten laste van de voorzieningen kan besteed worden.
  [1 Zodra de begroting is goedgekeurd, zijn de daarin opgenomen bedragen, bij het eerste verzoek van de Commissie voor nucleaire voorzieningen, rechtstreeks opeisbaar bij de kernprovisievennootschap.]1
  ----------
  (1)<W 2014-03-26/34, art. 8, 013; Inwerkingtreding : 05-06-2014>

  Art. 10. De Koning bepaalt, op voorstel van (de Commissie voor nucleaire voorzieningen), een huishoudelijk reglement en bepaalt de modaliteiten en werkingskosten van (de Commissie voor nucleaire voorzieningen) alsook van zijn vast secretariaat, met inbegrip van het bedrag van de zitpenningen die toekomen aan zijn leden. <W 2007-04-25/38, art. 145, 002; Inwerkingtreding : 18-05-2007>

  Afdeling 2. - Nadere regels voor de aanleg en het beheer van de voorzieningen voor de ontmanteling en voor het beheer van bestraalde splijtstoffen.

  Onderafdeling 1. - Aanleg van de voorzieningen voor de ontmanteling en het beheer van bestraalde splijtstoffen (en bijdragen). <W 2008-12-22/32, art. 61, 004; Inwerkingtreding : 01-01-2009>

  Art. 11.§ 1. De kernprovisievennootschap is verantwoordelijk om de dekking van de kosten van ontmanteling van de kerncentrales te verzekeren, zoals bedoeld in artikel 2, 2° en van de kosten voor het beheer van de splijtstoffen bestraald in deze centrales, zoals bedoeld in artikel 2, 3°. Te dien einde legt de kernprovisievennootschap in haar rekeningen voorzieningen aan voor de ontmanteling en voor het beheer van bestraalde splijtstoffen, overeenkomstig de methoden bedoeld in artikel 12 of bepaald in uitvoering van dit artikel.
  De kernexploitanten (en overeenkomstig artikel 24 de in artikel 24, § 1, bedoelde vennootschappen) zijn gehouden tot de betaling aan de kernprovisievennootschap van de bedragen die overeenstemmen met de toelagen voor de voorzieningen voor de ontmanteling en voor het beheer van bestraalde splijtstoffen. <W 2007-04-25/38, art. 153, 002; Inwerkingtreding : 18-05-2007>
  § 2. De kernexploitanten maken, ten laatste op 31 december 2003 aan de kernprovisievennootschap een bedrag over dat gelijk is aan de tegenwaarde van de voorzieningen reeds aangelegd door de kernexploitanten voor de ontmanteling van de kerninstallaties.
  Vanaf het boekjaar 2003 maken de kernexploitanten, in driemaandelijkse betalingsschijven, aan de kernprovisievennootschap een totaalbedrag over dat gelijk is aan de toelagen voor de voorzieningen voor de ontmanteling en voor het beheer van de bestraalde splijtstoffen voor het lopende boekjaar (na aftrek van de bedragen die rechtsreeks door de in artikel 24, § 1 bedoelde vennootschappen moeten worden betaald aan de kernprovisievennootschap). <W 2007-04-25/38, art. 153, 002; Inwerkingtreding : 18-05-2007>
  § 3. De voorzieningen voor de ontmanteling zullen worden aangelegd teneinde, voor elke kerncentrale, het volledig geactualiseerd bedrag van de kosten van ontmanteling te dekken bij de geprogrammeerde uitdienstname van de betrokken kerncentrale, [2 te weten uiterlijk op de in artikel 4, § 1, van de wet van 31 januari 2003 houdende de geleidelijke uitstap uit kernenergie voor industriėle elektriciteitsproductie bepaalde data.]2.
  De ontmanteling zal worden verzekerd door de kernexploitanten voor rekening van de kernprovisievennootschap en de kosten van ontmanteling zullen door de kernprovisievennootschap worden aangerekend op de voorzieningen die ze heeft aangelegd. Indien, tijdens de ontmantelingsverrichtingen, de voorzieningen voor de ontmanteling lager blijken te zijn dan de kosten van ontmanteling, zullen de kernexploitanten aan de kernprovisievennootschap het bedrag overmaken dat nodig is om het overschot aan kosten van ontmanteling te dekken op het moment dat dit is verschuldigd.
  § 4. De voorzieningen voor het beheer van bestraalde splijtstoffen worden jaarlijks door de kernprovisievennootschap vermeerderd naar evenredigheid van de in het betrokken jaar voortgebrachte hoeveelheid bestraalde splijtstoffen.
  Het beheer van bestraalde splijtstoffen zal uitsluitend worden verzekerd door de kernprovisievennootschap en de kosten van beheer van bestraalde splijtstoffen zullen door de kernprovisievennootschap worden aangerekend op de voorzieningen die zij heeft aangelegd. Indien, tijdens de verrichtingen van beheer van bestraalde splijtstoffen, de voorzieningen voor het beheer van bestraalde splijtstoffen lager blijken te zijn dan de kosten van beheer van bestraalde splijtstoffen, zullen de kernexploitanten aan de kernprovisievennootschap het bedrag overmaken dat nodig is om het overschot aan kosten van beheer van bestraalde splijtstoffen te dekken op het moment dat dit is verschuldigd.
  (§ 5. De kernprovisievennootschap is evenzeer bevoegd en verantwoordelijk voor het nemen van maatregelen ten gunste van de Staat in de inning van een [1 basisrepartitiebijdrage]1 zoals bedoeld in artikel 14, § 8, ten laste van de kernexploitanten zoals bedoeld in artikel 2, 5°, en de vennootschappen zoals bedoeld in artikel 24, § 1 [1 , alsook van een aanvullende repartitiebijdrage bedoeld in artikel 14, § 8, ten laste van dezelfde bijdrageplichtigen]1, en dit in het kader van een openbare dienstverplichting en volgens de voorwaarden gesteld in de artikelen 13 en 14.) <W 2008-12-22/32, art. 62, 004; Inwerkingtreding : 01-01-2009>
  ----------
  (1)<W 2012-12-27/04, art. 3, 009; Inwerkingtreding : 07-01-2013>
  (2)<W 2013-12-18/04, art. 6, 010; Inwerkingtreding : 03-01-2014>

  Art. 12.§ 1. In afwachting van de herziening van de methode van voorzieningen overeenkomstig § 2 en tot de datum van het definitief vastleggen van deze methode overeenkomstig § 3, legt de kernprovisievennootschap de voorzieningen voor de ontmanteling en voor het beheer van bestraalde splijtstoffen aan volgens de momenteel toepasselijke bepalingen.
  § 2. Binnen zes maanden na de bekendmaking van deze wet in het Belgisch Staatsblad, maken de kernprovisievennootschap en de betrokken kernexploitanten aan (de Commissie voor nucleaire voorzieningen) een voorstel over tot herziene methode van aanleg van voorzieningen voor de ontmanteling en een voorstel tot herziene methode van voorzieningen voor het beheer van bestraalde splijtstoffen, met tenminste de volgende elementen : <W 2007-04-25/38, art. 145, 002; Inwerkingtreding : 18-05-2007>
  - een uitgewerkt scenario voor de ontmanteling van de kerncentrales en voor het beheer van bestraalde splijtstoffen;
  - een gedetailleerde raming van de betrokken kosten, alsmede een planning in de tijd van de voorziene uitgaven; en
  - een berekeningsmethode voor de opbouw van de voorzieningen, met gebruik van actualisatie- en kapitalisatievoeten volgens geijkte technieken van financiėle analyse.
  § 3. De voorstellen bedoeld in § 2 worden voorafgaandelijk ter goedkeuring voorgelegd van (de Commissie voor nucleaire voorzieningen). Indien het deze voorstellen niet goedkeurt, deelt het zijn bemerkingen mee aan de kernprovisievennootschap en, indien het voorzieningen voor de ontmanteling betreft, [1 aan de betrokken kernexploitant binnen de 90 dagen na ontvangst van het voorstel]1 en nodigt hen uit om, binnen 60 dagen, hetzij een nieuw voorstel over te maken dat rekening houdt met deze bemerkingen, hetzij een gemotiveerd advies dat de redenen weergeeft waarom zij menen deze bemerkingen niet te kunnen volgen. Indien binnen de 60 dagen na ontvangst van het nieuw voorstel of van het gemotiveerd advies, (de Commissie voor nucleaire voorzieningen) het oorspronkelijk of nieuw voorstel niet goedkeurt, legt de minister die de Energie in zijn bevoegdheid heeft de twistpunten voor aan de Ministerraad met een dossier dat de respectieve standpunten van elke partij bevat, alsook de toonaangevende oplossingen weerhouden in de internationale context. <W 2007-04-25/38, art. 145, 002; Inwerkingtreding : 18-05-2007>
  § 4. Driejaarlijks na de eerste herziening in uitvoering van §§ 2 en 3, voert (de Commissie voor nucleaire voorzieningen) een audit uit van de methoden gebruikt voor de aanleg van de voorzieningen voor de ontmanteling en voor het beheer van de bestraalde splijtstoffen, in het licht inzonderheid van de informatie bedoeld in artikel 7, § 1 en dit in overleg met de kernprovisievennootschap en, voor de voorzieningen voor de ontmanteling, met de betrokken kernexploitanten. Bij deze gelegenheid kunnen de kernprovisievennootschap en, in voorkomend geval, de betrokken kernexploitant wijzigingen voorstellen aan deze methoden en (de Commissie voor nucleaire voorzieningen) kan verzoeken dat de kernprovisievennootschap en, in voorkomend geval, de betrokken kernexploitant hem dergelijke wijzigingen voorstellen. In dit geval, wordt de procedure voorzien in § 3 analoog toegepast. <W 2007-04-25/38, art. 145, 002; Inwerkingtreding : 18-05-2007>
  ----------
  (1)<W 2014-03-26/34, art. 9, 013; Inwerkingtreding : 05-06-2014>

  Onderafdeling 2. - Beheer van de voorzieningen voor de ontmanteling en voor het beheer van bestraalde splijtstoffen (en bijdragen). <W 2008-12-22/32, art. 63, 004; Inwerkingtreding : 01-01-2009>

  Art. 13.De kernprovisievennootschap staat in voor het beheer van de fondsen die de tegenwaarde vormen van de voorzieningen voor de ontmanteling en voor het beheer van bestraalde splijtstoffen.
  (De kernprovisievennootschap wordt bovendien belast, in het kader van een openbare dienstverplichting, met het voorschieten aan de Staat van de [2 basisrepartitiebijdrage]2 zoals bedoeld in artikel 14, § 8, op de wijze zoals bedoeld in die bepaling.
  Vanaf het moment dat zij deze repartitiebijdrage zal hebben gestort zal de kernprovisievennootschap een kennisgeving per aangetekende zending versturen, zo spoedig mogelijk en uiterlijk binnen de 8 kalenderdagen die volgen op de storting van het voorschot, aan de kernexploitanten zoals bedoeld in artikel 2, 5°, en aan de vennootschappen zoals bedoeld in artikel 24, § 1, van het bedrag van hun aandeel in de repartitiebijdrage en zal dat bedrag van hen vorderen volgens de modaliteiten bedoeld in artikel 14, §§ 8, 9 en 10, en overeenkomstig hun openbare dienstverplichtingen. In geval van niet-betaling van hun aandelen in de repartitiebijdrage verwittigt de kernprovisievennootschap de Commissie voor nucleaire voorzieningen [1 alsook de bevoegde diensten van de FOD Financiėn]1.) <W 2008-12-22/32, art. 64, 004; Inwerkingtreding : 01-01-2009>
  [1 De kernprovisievennootschap verstuurt de kennisgeving bedoeld in het derde lid alsook alle elementen die te maken hebben met de noodzakelijke berekening van de vaststelling van het individuele aandeel van de nucleaire exploitanten bedoeld in artikel 2, 5°, en de vennootschapen bedoeld in artikel 24, § 1, in de repartitiebijdrage aan de bevoegde diensten van de FOD Financiėn.]1
  [2 De kernprovisievennootschap is eveneens belast, in het kader van een openbaredienstverplichting, met het voorschieten aan de Staat van de aanvullende repartitiebijdrage bedoeld in artikel 14, § 8, volgens de modaliteiten bedoeld in deze bepaling en de verminderingen voorzien in artikel 14, § 11. Het derde en vierde lid zijn van toepassing op deze verplichting van de kernprovisievennootschap.]2
  [3 De Staat neemt de eventuele financieringskosten op zich van het voorschot bedoeld in het tweede en vijfde lid. De tenlasteneming door de Staat van deze financieringskosten is beperkt tot het normale tarief voor dergelijke operaties. De kernprovisievennootschap zendt aan de diensten van de FOD Financiėn bedoeld in het derde lid het naar behoren gemotiveerde bedrag van de financieringskost binnen de acht dagen na de betaling van respectievelijk de basisrepartitiebijdrage en de aanvullende repartitiebijdrage door de kernexploitanten zoals bedoeld in artikel 2, 5°, en de vennootschappen zoals bedoeld in artikel 24, § 1, aan de kernprovisievennootschap, overeenkomstig artikel 14, §§ 8, 9 en 10. In geval van laattijdige betaling van de basisrepartitiebijdrage en de aanvullende repartitiebijdrage door de kernexploitanten zoals bedoeld in artikel 2, 5°, en de vennootschappen zoals bedoeld in artikel 24, § 1, aan de kernprovisievennootschap, blijft de Staat de financieringskost van het voorschot bedoeld in het tweede en vijfde lid verder op zich nemen totdat de kernprovisievennootschap het bedrag invordert.]3
  ----------
  (1)<W 2009-12-23/04, art. 176, 005; Inwerkingtreding : 09-01-2010>
  (2)<W 2012-12-27/04, art. 4, 009; Inwerkingtreding : 07-01-2013>
  (3)<W 2013-12-26/14, art. 22, 011; Inwerkingtreding : 31-12-2013>

  Art. 14.§ 1. De kernprovisievennootschap kan, tegen de geldende rente voor industriėle kredieten, tot maximum 75 percent van het totale bedrag van de voorzieningen, de tegenwaarde van de voorzieningen voor de ontmanteling en het beheer van bestraalde splijtstoffen lenen aan kernexploitanten die beschouwd kunnen worden als schuldenaars van goede kwaliteit volgens de criteria aangegeven in § 2. Onverminderd § 2, tweede lid, bedraagt dit percentage 100 percent tijdens een overgangsperiode van 24 maanden volgend op de bekendmaking van deze wet in het Belgisch Staatsblad.
  (Dit maximum percentage van 75 % kan worden gewijzigd bij een koninklijk besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad na advies van de kernprovisievennootschap en de Commissie voor nucleaire voorzieningen mits garanties over het bestaan en de toereikendheid van de provisies.) <W 2007-04-25/38, art. 154, 002; Inwerkingtreding : 18-05-2007>
  § 2. Voor de toepassing van § 1, wordt de kwaliteit van het krediet van elke kernexploitant gemeten en opnieuw periodiek geėvalueerd door middel van een schuldratio ten aanzien van het eigen vermogen, op een geconsolideerde basis, en van een " credit rating " van een internationaal erkend noteringsagentschap.
  Binnen de grenzen voorzien in § 1, kan (de Commissie voor nucleaire voorzieningen) het maximaal percentage herzien, zowel naar omhoog als naar omlaag, van de fondsen die de kernprovisievennootschap aan een kernexploitant kan lenen, naarmate de kwaliteit van zijn krediet evolueert ten aanzien van deze criteria en dit volgens een geleidelijke en transparante schaal die tussen de Staat, de kernprovisievennootschap en de kernexploitanten overeengekomen zal worden. Deze overeenkomst moet goedgekeurd worden door de Ministerraad. <W 2007-04-25/38, art. 145, 002; Inwerkingtreding : 18-05-2007>
  In plaats van het percentage naar omlaag te herzien, kan (de Commissie voor nucleaire voorzieningen) dit laatste behouden indien de kernexploitant een adequate zakelijke of persoonlijke zekerheid stelt ten gunste van de kernprovisievennootschap. <W 2007-04-25/38, art. 145, 002; Inwerkingtreding : 18-05-2007>
  § 3. Indien zich aanzienlijke wijzigingen voordoen in de methodiek van de kredietrating of indien ingevolge andere externe ontwikkelingen de schaal niet langer geschikt is tot meting van de kredietwaardigheid van een onderneming als de kernexploitant, kunnen de kernprovisievennootschap en/of de kernexploitant aan (de Commissie voor nucleaire voorzieningen) wijzigingen voorstellen aan die schaal of aan de definitie of meting van de indicatoren of kan (de Commissie voor nucleaire voorzieningen) vereisen dat zij dergelijke wijzigingen voorstellen. Als (de Commissie voor nucleaire voorzieningen) en de kernprovisievennootschap en/of de kernexploitant hierover geen akkoord vinden, dan kan de Koning binnen 6 maanden, termijn die eenmalig te verlengen is met 2 maanden, op voorstel van (de Commissie voor nucleaire voorzieningen), bij een in Ministerraad overlegd besluit, de schaal bepalen. <W 2007-04-25/38, art. 145, 002; Inwerkingtreding : 18-05-2007>
  § 4. De voorwaarden van de leningen toegekend door de kernprovisievennootschap in toepassing van § 1 worden bepaald in één of meerdere overeenkomsten afgesloten tussen deze vennootschap en de betrokken kernexploitant. Deze overeenkomsten worden overgemaakt aan (de Commissie voor nucleaire voorzieningen) dat hun overeenstemming met de bepalingen van deze wet en de overeenkomst vermeld in § 2 controleert en dat van de partijen kan vereisen dat zij de clausules die strijdig zijn met deze bepalingen wijzigen. <W 2007-04-25/38, art. 145, 002; Inwerkingtreding : 18-05-2007>
  § 5. (Het deel van de voorzieningen dat niet het voorwerp mag uitmaken van leningen aan kernexploitanten overeenkomstig § 1, wordt door de kernprovisievennootschap belegd :
  1° in activa buiten de kernexploitanten, met aandacht voor een voldoende diversificatie en spreiding van de beleggingen teneinde het risico te minimaliseren of;
  2° in leningen aan andere rechtspersonen dan kernexploitanten, met inachtname van het tweede lid en overeenkomstig de beperkingen en preciseringen bepaald in § 7.
  De voorwaarden van de in punt 2° bedoelde leningen en van de zekerheden die door degenen die deze leningen ontvangen worden gesteld ten gunste van de kernprovisievennootschap om de beschikbaarheid van de tegenwaarde van het bedrag van de leningen te garanderen, worden bepaald in overeenkomsten afgesloten tussen de kernprovisievennootschap en degenen die de leningen ontvangen. Deze overeenkomsten worden ter goedkeuring overgemaakt aan de Commissie voor nucleaire voorzieningen die hun overeenstemming met de bepalingen van deze wet controleert. Indien geen overeenkomst wordt bereikt, dan neemt de Ministerraad een beslissing op eensluidend advies van de Commissie voor nucleaire voorzieningen.) <W 2007-04-25/38, art. 154, 002; Inwerkingtreding : 18-05-2007>
  § 6. De kernprovisievennootschap houdt, op ieder ogenblik, voldoende liquiditeiten aan, onder de vorm van geldbeleggingen of liquide middelen, om alle uitgaven verbonden met de ontmanteling en het beheer van bestraalde splijtstoffen gedurende de komende drie werkingsjaren te financieren.
  (§ 7. De Commissie voor nucleaire voorzieningen stelt een lijst op van rechtspersonen, andere dan kernexploitanten, en van projecten. Een bedrag van 10 procent van het deel van 25 procent van het totaal van de voorzieningen dat niet het voorwerp mag uitmaken van leningen aan kernexploitanten, wordt voorbehouden voor leningen ten behoeve van de in deze lijst vermelde rechtspersonen en projecten.
  De Commissie voor nucleaire voorzieningen bepaalt met betrekking tot deze leningen, een interesttarief lager dan de marktrente voor een gelijkaardig krediet, maar zonder dat het tarief lager mag zijn dan de som van de inflatie tijdens het vorige kalenderjaar en de procentuele vergoeding van de kosten verbonden aan de lening en doet geen afbreuk aan de garanties over het bestaan en de toereikendheid van de provisies.
  Zonder afbreuk te doen aan de garanties over het bestaan en de toereikendheid van de provisies en na advies van de Commissie voor nucleaire voorzieningen en van kernprovisievennootschap, kan de Koning middels een koninklijk besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad, de lijst van rechtspersonen, van projecten en het interesttarief aanpassen, alsook de 10 procent van het deel van 25 procent van het totaal van de voorzieningen, dat niet het voorwerp mag uitmaken van leningen aan kernexploitanten, verhogen.) <W 2007-04-25/38, art. 154, 002; Inwerkingtreding : 18-05-2007>
  (§ 8. In het voordeel van de Staat is een repartitiebijdrage gevestigd ten laste van de kernexploitanten zoals bedoeld in artikel 2, 5° en van de vennootschappen zoals bedoeld in artikel 24, § 1.
  Deze bijdrage heeft tot doel om 's lands energiepolitiek en de maatregelen genomen door de regering te financieren en om de uitgaven te dekken die nodig zijn om tussen te komen ten gunste van de investeringen op de elektriciteitsproductiemarkt, tot dekking van uitgaven en investeringen inzake kernenergie, ter versterking van de bevoorradingszekerheid, ter bestrijding van de stijgende energieprijzen en ten slotte ter verbetering van de mededinging op de energiemarkt in het voordeel van de consumenten en de industrie. De nadere regels voor de tussenkomsten in elk van deze domeinen kunnen bepaald worden door de Koning bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad.
  Het globale bedrag van deze repartitiebijdrage, voor het jaar 2008, is vastgesteld op 250 miljoen euro.
  [1 Het globaal bedrag van de repartitiebijdrage voor het jaar 2009 is vastgesteld op 250 miljoen euro. Dit bedrag zal worden aangewend voor het budget van de Rijksmiddelenbegroting.]1
  [2 Het globaal bedrag van de repartitiebijdrage voor het jaar 2010 is vastgesteld op 250 miljoen euro. Dit bedrag zal worden aangewend voor het budget van de Rijksmiddelenbegroting.]2
  [3 Het globaal bedrag van de repartitiebijdrage voor het jaar 2011 is vastgesteld op 250 miljoen euro. Dit bedrag zal worden aangewend voor het budget van de Rijksmiddelenbegroting.]3
  [4 Het globaal bedrag van de basisrepartitiebijdrage voor het jaar 2012 wordt vastgesteld op 250 miljoen euro. Dit bedrag zal worden aangewend voor het budget van de Rijksmiddelenbegroting.]4
  [5 Het globaal bedrag van de aanvullende repartitiebijdrage voor het jaar 2012 is vastgesteld op 350 miljoen euro. Op dat bedrag wordt een degressieve vermindering toegepast zoals gepreciseerd in § 11, die ook de andere nadere regels inzake de inning bepaalt. Het aldus geļnde nettobedrag zal worden aangewend voor het budget van de Rijksmiddelenbegroting.]5
  [7 Het globaal bedrag van de basisrepartitiebijdrage voor het jaar 2013 wordt vastgesteld op 250 miljoen euro. Dit bedrag zal worden aangewend voor de Rijksmiddelenbegroting.]7
  [8 Het globaal bedrag van de aanvullende repartitiebijdrage voor het jaar 2013 is vastgesteld op 350 miljoen euro. Op dat bedrag wordt een degressieve vermindering toegepast zoals gepreciseerd in paragraaf 11, dat ook de andere nadere regels inzake de inning bepaalt. Het aldus geļnde nettobedrag zal worden aangewend voor de Rijksmiddelenbegroting.]8
  [11 Het globaal bedrag van de basisrepartitiebijdrage voor het jaar 2014 wordt vastgesteld op 250 miljoen euro. Dit bedrag zal worden aangewend voor de Middelenbegroting.]11
  [12 Het globaal bedrag van de aanvullende repartitiebijdrage voor het jaar 2014 is vastgesteld op 350 miljoen euro. Op dat bedrag wordt een degressieve vermindering toegepast zoals gepreciseerd in paragraaf 11 van onderhavig artikel, dat ook de andere nadere regels inzake de inning bepaalt. Het aldus geļnde nettobedrag zal worden aangewend voor de Middelenbegroting.]12
  [16 Het globaal bedrag van de repartitiebijdrage voor het jaar 2015 is vastgesteld op 200 miljoen euro, waarbij dit bedrag rekening houdt met een vermindering van 32,74 % die overeenstemt met de periode van onbeschikbaarheid van het nucleaire park omwille van veiligheidsredenen, zoals vastgesteld door het Federaal Agentschap voor de Nucleaire Controle. Dit bedrag wordt aangewend voor de Rijksmiddelenbegroting.]16
  [17 Voor de jaren 2016 tot 2026 wordt een repartitiebijdrage opgelegd aan de exploitanten bedoeld in artikel 2, 5°, en de vennootschappen bedoeld in artikel 24, § 1, zonder hoofdelijkheid onderling en pro rata van hun aandelen in de industriėle productie van elektriciteit door splijting van kernbrandstoffen door de centrales onderworpen aan de repartitiebijdrage (Doel 3, Doel 4, Tihange 2 en Tihange 3), en dat voor het laatste afgelopen kalenderjaar.
   Voor het jaar 2016 wordt het globale bedrag van de repartitiebijdrage vastgelegd op een forfaitair netto bedrag van 130 miljoen euro; waarbij dit bedrag met name rekening heeft gehouden met een vermindering van 47,48 % die overeenstemt met de periode van onbeschikbaarheid van het betrokken nucleaire park omwille van redenen van nucleaire veiligheid of beveiliging, zoals vastgesteld door het Federaal Agentschap voor Nucleaire Controle. Dit bedrag wordt toegewezen aan het budget van de Rijksmiddelenbegroting.
   Voor elk van de jaren 2017 tot 2026, is het bedrag van de repartitiebijdrage gelijk aan een jaarlijks minimumbedrag vastgelegd in toepassing van het zeventiende lid voor wat betreft de jaren 2017 tot 2019, en in toepassing van het achttiende lid voor wat betreft de jaren 2020 tot 2026. Evenwel, en zonder dat dit bedrag negatief kan zijn, is het bedrag van de repartitiebijdrage gelijk aan het bedrag dat overeenkomt met 38 % van de winstmarge van de kerncentrales, berekend overeenkomstig de formule zoals opgenomen in Afdeling 2 van de bijlage bij deze wet, indien dit laatste bedrag hoger is dan het jaarlijkse minimumbedrag. De winstmarge van de kerncentrales, berekend overeenkomstig de formule zoals opgenomen in Afdeling 2 van de bijlage bij deze wet, herneemt, noch rechtstreeks, noch onrechtstreeks, geen enkele kost die verband houdt met de nucleaire voorzieningen en met hun herziening, waaronder de voorzieningen voor de ontmanteling en voor het beheer van bestraalde splijtstoffen, met uitzondering van de oorspronkelijke voorziening voor de splijtstof die als variabele kost wordt opgenomen voor de verbruikte splijtstof gedurende deze periode.
   Voor elk van de jaren 2017 tot 2019, wordt het jaarlijks minimumbedrag bedoeld in het zestiende lid vastgelegd op 177 miljoen euro.
   Voor elk van de jaren 2020 tot 2026, wordt het jaarlijks minimumbedrag bedoeld in het zestiende lid vastgelegd met toepassing van de formule bepaald in Afdeling 1 van de bijlage bij deze wet voor elke driejarige periode. Die vastlegging herneemt, noch rechtstreeks, noch onrechtstreeks, geen enkele kost die verband houdt met de nucleaire voorzieningen en met hun herziening, waaronder de voorzieningen voor de ontmanteling en voor het beheer van bestraalde splijtstoffen, met uitzondering van de oorspronkelijke voorziening voor de splijtstof die als variabele kost wordt opgenomen voor de verbruikte splijtstof gedurende deze periode.
   In de loop van de jaren 2017 tot 2026, in geval van definitieve of tijdelijke stillegging van één of meerdere van de kerncentrales Doel 3, Doel 4, Tihange 2 en Tihange 3 opgelegd door de overheid (krachtens de wet van 15 april 1994 betreffende de bescherming van de bevolking en van het leefmilieu tegen de uit ioniserende stralingen voortspruitende gevaren en betreffende het Federaal Agentschap voor Nucleaire Controle, omwille van dwingende redenen van nucleaire veiligheid of beveiliging, of in uitvoering van een bindend besluit van iedere Belgische, Europese of internationale instelling die dergelijke stillegging oplegt), wordt het jaarlijks minimumbedrag van de repartitiebijdrage bedoeld in het zestiende lid evenredig verminderd overeenkomstig de formule opgenomen in Afdeling 6 van de bijlage bij deze wet. In geval van stillegging in de loop van het jaar zal de vermindering pro rata temporis gebeuren.
   Voor de jaren 2017 tot 2026, in afwijking van het zestiende lid, is het bedrag van de repartitiebijdrage van het derde jaar van elke driejarige periode, respectievelijk 2019, 2022 en 2025, gelijk aan het verschil tussen enerzijds, het maximum tussen de som, voor de drie jaren van de periode, van de bedragen die overeenkomen met 38 % van de winstmarge berekend overeenkomstig de formule bedoeld in Afdeling 2 van de bijlage bij deze wet, met dien verstande dat deze bedragen niet negatief kunnen zijn, en de som, voor dezelfde drie jaren, van de jaarlijkse minimumbedragen bepaald in toepassing van respectievelijk het zeventiende en het achttiende lid, en anderzijds, de som van de repartitiebijdragen betaald tijdens de twee voorgaande jaren. Het bedrag van de repartitiebijdrage tijdens elke driejarige periode mag niet lager zijn dan de som van de minimale repartitiebijdragen van elk jaar van deze driejarige periode.
   De bedragen van de repartitiebijdrage die verschuldigd zijn krachtens het zestiende lid en het twintigste lid worden verminderd door toepassing van het degressiviteitsmechanisme bedoeld in paragraaf 11bis.
   Onverminderd de haar door de wet van 29 april 1999 betreffende de organisatie van de elektriciteitsmarkt toevertrouwde opdrachten, is de CREG belast met een bijzondere jaarlijkse opdracht tot berekening van de opbrengsten, kosten en de winstmarge bedoeld in Afdeling 2 van de bijlage bij deze wet en met een bijzondere driejaarlijkse opdracht, in 2020, 2023 en 2026, op basis van de parameters vastgelegd in Afdeling 5 van de bijlage bij deze wet, tot vaststelling van de vaste en variabele kosten bedoeld in Afdeling 5 van de bijlage bij deze wet en tot berekening van het jaarlijks minimumbedrag van de repartitiebijdrage voor de jaren 2020 tot 2022, de jaren 2023 tot 2025 en het jaar 2026.
   In het bijzonder controleert de CREG, op driejaarlijkse basis, in 2020, 2023 en 2026, de vaste en variabele kosten, bedoeld in Afdeling 5 van de bijlage bij deze wet, van de exploitanten bedoeld in artikel 2, 5°, en de vennootschappen bedoeld in artikel 24, § 1, in het kader van een analyse van de kosten door hen gedragen gedurende de drie jaren voorafgaand aan de herziening. Deze kosten hernemen noch rechtstreeks, noch onrechtstreeks, geen enkele kost die verband houdt met de nucleaire voorzieningen en met hun herziening, waaronder de voorzieningen voor de ontmanteling en voor het beheer van bestraalde splijtstoffen, met uitzondering van de oorspronkelijke voorziening voor de splijtstof die als variabele kost wordt opgenomen voor de verbruikte splijtstof gedurende deze periode. Na deze controle voert de CREG, in 2020, 2023 en 2026 de driejaarlijkse herziening door van de vaste en variabele kosten, bedoeld in Afdeling 5 van de bijlage bij deze wet, voor respectievelijk de jaren 2020 tot 2022, de jaren 2023 tot 2025 en het jaar 2026.
   Binnen het kader van haar opdracht zoals beschreven in het vorige lid, bepaalt de CREG ten laatste op 30 september 2019 de modaliteiten van de vaststelling van de vaste en variabele kosten in een methodologie die zij vastlegt voor de jaren 2020 tot 2026 op voorstel van de exploitanten bedoeld in artikel 2, 5°, en van de vennootschappen bedoeld in artikel 24, § 1. Hiertoe communiceren de exploitanten bedoeld in artikel 2, 5°, en de vennootschappen bedoeld in artikel 24, § 1, aan de CREG ten laatste op 31 december 2018 een voorstel van methodologie. Bij gebrek aan voorstel van de exploitanten bedoeld in artikel 2, 5°, en van de vennootschappen bedoeld in artikel 24, § 1, ten laatste op 31 december 2018, bepaalt de CREG op eigen initiatief de methodologie die de modaliteiten vastlegt voor de bepaling van de vaste en variabele kosten. De methodologie wordt bepaald met inachtneming van de volgende richtlijnen :
   1° de CREG neemt de elementen bepaald in bijlage van deze wet in acht;
   2° de CREG definieert de te gebruiken rapporteringsmodellen, welke de elementen bevatten die verplicht moeten worden opgenomen in het voorstel betreffende de kosten van de exploitanten bedoeld in artikel 2, 5°, en de vennootschappen bedoeld in artikel 24, § 1. Deze modellen moeten exhaustief zijn teneinde de exploitanten bedoeld in artikel 2, 5°, en de vennootschappen bedoeld in artikel 24, § 1, toe te laten hun voorstel met betrekking tot de kosten (referentie BGAAP) op te stellen enkel op deze basis;
   3° de kosten moeten voldoende aangetoond worden;
   4° de kosten zijn niet discriminerend en evenredig;
   5° de eventuele criteria voor de verwerping van bepaalde kosten zijn niet discriminerend en transparant. In ieder geval beschikt de CREG over een beoordelingsbevoegdheid en kan zij manifest onredelijke kosten verwerpen;
   6° de CREG vraagt aan de exploitanten bedoeld in artikel 2, 5°, en de vennootschappen bedoeld in artikel 24, § 1, alle bijkomende informatie welke zij nodig heeft voor deze controle, op eenvoudig verzoek en kosteloos, en verzamelt hun opmerkingen.
   Elke drie jaar, in 2020, 2023 en 2026 communiceert de CREG :
   - te laatste op 30 juni haar beslissing over de vastlegging van de vaste en variabele kosten, bedoeld in Afdeling 5 van de bijlage bij deze wet, van de exploitanten bedoeld in artikel 2, 5°, en de vennootschappen bedoeld in artikel 24, § 1, toe te passen voor de jaren 2020/2021/2022, de jaren 2023/2024/2025 et het jaar 2026 aan de minister bevoegd voor Energie en aan de Algemene Directie Energie, zoals bedoeld in artikel 2, 28°, van de wet van 29 april 1999 betreffende de organisatie van de elektriciteitsmarkt; en
   - te laatste op 31 juli haar advies over de bepaling van het jaarlijks minimumbedrag van de repartitiebijdrage, van toepassing voor een periode van drie jaar, zijnde de jaren 2020/2021/2022, de jaren 2023/2024/2025 en het jaar 2026, aan de Algemene Directie Energie, zoals bedoeld in artikel 2, 28°, van de wet van 29 april 1999 betreffende de organisatie van de elektriciteitsmarkt, en aan de minister bevoegd voor Energie.
   Elk jaar maakt de CREG uiterlijk op 30 juni haar advies betreffende de winstmarge van de industriėle productie van elektriciteit door splijting van kernbrandstoffen, met inbegrip van de berekening van de inkomsten van het jaar N-1 en de kosten van het jaar N-1 door toepassing van de formule opgenomen in Afdeling 2 van de bijlage bij deze wet over aan de minister bevoegd voor Energie, aan de Algemene Directie Energie bedoeld in artikel 2, 28°, van de wet van 29 april 1999 betreffende de organisatie van de elektriciteitsmarkt en aan de kernexploitanten bedoeld in artikel 2, 5°, en aan de vennootschappen bedoeld in artikel 24, § 1, ieder wat hen betreft.
   De exploitanten bedoeld in artikel 2, 5°, en de vennootschappen bedoeld in artikel 24, § 1, communiceren aan de CREG ten laatste op 30 maart van elk jaar de jaarlijkse gemaakte kosten van het voorgaande jaar. In afwijking van hetgeen voorafgaat zullen de kosten gemaakt tijdens het jaar 2016 gecommuniceerd worden ten laatste op 30 september 2017. De exploitanten bedoeld in artikel 2, 5°, en de vennootschappen bedoeld in artikel 24, § 1, zullen op eenvoudige vraag van de CREG elke bijkomende informatie leveren die ze nodig zou kunnen hebben voor het opstellen van haar verschillende adviezen en beslissingen krachtens deze wet.
   Teneinde de vaststelling van de repartitiebijdrage verschuldigd voor een bepaald jaar mogelijk te maken, stelt de Algemene Directie Energie aan de minister bevoegd voor Energie, uiterlijk op 31 augustus van dat jaar, het gedocumenteerd resultaat voor van de toepassing van de vier hierna vermelde bewerkingen :
   - het resultaat, in geval van definitieve of tijdelijke stillegging van één of meerdere van de kerncentrales Doel 3, Doel 4, Tihange 2 en Tihange 3 opgelegd door de overheid bedoeld in het negentiende lid, van de evenredige vermindering van het jaarlijks minimumbedrag van de repartitiebijdrage bedoeld in het zestiende lid overeenkomstig de formule opgenomen in Afdeling 6 van de bijlage bij deze wet;
   - de bepaling van het hoogste bedrag tussen het jaarlijkse minimumbedrag vastgelegd in toepassing van het zeventiende lid voor wat betreft de jaren 2017 tot 2019 en van het achttiende lid voor wat betreft de jaren 2020 tot 2026 en het bedrag dat overeenstemt met 38 % van de winstmarge van de kerncentrales berekend overeenkomstig de formule opgenomen in Afdeling 2 van de bijlage bij deze wet;
   - het resultaat van de toepassing van het driejaarlijkse kredietmechanisme van de repartitiebijdrage bedoeld in het twintigste lid; en
   - het resultaat van de toepassing van het degressiviteitsmechanisme voorzien in paragraaf 11bis op het einde van deze bewerkingen.
   Voor de jaren 2020, 2023 en 2026 kan dit voorstel enkel worden gedaan na ontvangst van de beslissing van de CREG betreffende de vaste en variabele kosten en het advies van de CREG betreffende het jaarlijks minimumbedrag van de repartitiebijdrage.
   Op voorstel van de minister bevoegd voor Energie, neergelegd uiterlijk op 15 oktober van ieder jaar, stelt de Koning het bedrag vast van de repartiebijdrage bedoeld in het zestiende lid en in voorkomend geval, bij iedere driejarige periode vanaf 2020, het jaarlijks minimumbedrag van de repartitiebijdrage bedoeld inhet zestiende lid. Elk besluit genomen in die zin wordt geacht nooit uitwerking te hebben gehad indien het niet wordt bevestigd door een wet binnen de 12 maanden na de inwerkingtreding van het besluit.]17
  Het bedrag van de individuele bijdrage van de kernexploitanten zoals bedoeld in artikel 2, 5°, en de vennootschappen zoals bedoeld in artikel 24, § 1, wordt gevestigd pro rata van hun aandelen in de industriėle productie van elektriciteit door splijting van kernbrandstoffen, zoals berekend voor de toepassing van artikel 9, eerste lid, tweede zin, en dat voor het laatste kalenderjaar.
  Het bedrag van de individuele bijdrage moet betaald worden door de kernexploitanten zoals bedoeld in artikel 2, 5°, en door iedere andere vennootschap zoals bedoeld in artikel 24, § 1, aan de kernprovisievennootschap uiterlijk 30 dagen na de datum van verzending van de kennisgeving zoals bedoeld in artikel 13.
  In afwijking van de bepalingen van de artikelen 11, §§ 3 en 4, en 14, §§ 1, 5 en 7, en in uitvoering van artikel 13 draagt de kernprovisievennootschap, binnen de 14 dagen na de inwerkingtreding van deze paragraaf en ten laatste op 31 december 2008, aan de begroting van de Staat een bedrag van 250 miljoen euro zoals bedoeld in artikel 14, § 8, derde lid, over vanuit de voorzieningen aangelegd voor de ontmanteling van de kerncentrales en het beheer van splijtstoffen bestraald in deze kerncentrales krachtens artikel 11, § 1, op het rekeningnummer 679-2005871-08, ter attentie van de FOD Economie, KMO, Middenstand en Energie, Diverse Ontvangsten.
  [1 De kernprovisievennootschap schrijft de in artikel 14, § 8, vierde lid, bedoelde repartitiebijdrage over, voor het jaar 2009, overeenkomstig dezelfde modaliteiten zoals deze voorzien in het vorig lid. In afwijking van de bepalingen van vorig lid, wordt de repartitiebijdrage bedoeld bij artikel 14, § 8, vierde lid, overgeschreven op bankrekening 679-2003169-22 ter attentie van de FOD Financiėn.]1
  [2 Voor het jaar 2010 draagt de kernprovisievennootschap de repartitiebijdrage bedoeld in het vijfde lid over volgens dezelfde modaliteiten als deze voorzien bij het zevende lid. In afwijking van de bepalingen van het zevende lid wordt de repartitiebijdrage bedoeld in het vijfde lid overgedragen op bankrekening 679-2003169-22 ter attentie van de FOD Financiėn.]2
  [3 Voor het jaar 2011 draagt de kernprovisievennootschap de repartitiebijdrage bedoeld in het zesde lid, over volgens dezelfde modaliteiten als deze voorzien in het achtste lid. In afwijking van de bepalingen van het achtste lid wordt de repartitiebijdrage bedoeld in het zesde lid, overgedragen op bankrekening 679-2003169-22 ter attentie van de FOD Financiėn.]3
  [4 Voor het jaar 2012 draagt de kernprovisievennootschap de basisrepartitiebijdrage bedoeld in het zevende lid, alsook de aanvullende repartitiebijdrage bedoeld in het achtste lid, over, volgens dezelfde modaliteiten als deze voorzien bij het elfde lid en uiterlijk op 31 december 2012. In afwijking van de bepalingen van het elfde lid worden de basisrepartitiebijdrage bedoeld in het zevende lid en de aanvullende repartitiebijdrage bedoeld in het achtste lid, overgeschreven op bankrekening 679-2003169-22 ter attentie van de FOD Financiėn.
   In afwijking van het tiende lid, voor het jaar 2012, moet het bedrag van de individuele basisrepartitiebijdrage en van de individuele aanvullende repartitiebijdrage worden betaald door de kernexploitanten bedoeld in artikel 2, 5°, en elke andere vennootschap bedoeld in artikel 24, § 1, aan de kernprovisievennootschap uiterlijk op 31 januari 2013.]4
  [7 Voor het jaar 2013 draagt de kernprovisievennootschap de basisrepartitiebijdrage bedoeld in het achtste lid, alsook de aanvullende repartitiebijdrage bedoeld in het tiende lid, over, volgens dezelfde modaliteiten als deze voorzien in het elfde lid en uiterlijk op 31 december 2013. In afwijking van de bepalingen van het elfde lid worden de basisrepartitiebijdrage bedoeld in het achtste lid, en de aanvullende repartitiebijdrage bedoeld in het tiende lid, overgeschreven op bankrekening 679-2003169-22 ter attentie van de FOD Financiėn.
   In afwijking van het twaalfde lid moet, voor het jaar 2013, het bedrag van de basisrepartitiebidjrage en de individuele aanvullende repartitiebijdrage worden betaald door de kernexploitanten bedoeld in artikel 2, 5°, en elke andere vennootschap bedoeld in artikel 24, § 1, aan de kernprovisievennootschap op uiterlijk 31 januari 2014.]7
  [11 Voor het jaar 2014 draagt de kernprovisievennootschap de basisrepartitiebijdrage bedoeld in artikel 14, § 8, elfde lid, alsook de aanvullende repartitiebijdrage bedoeld in artikel 14, § 8, twaalfde lid, over, volgens dezelfde modaliteiten als deze voorzien in het vijftiende lid en uiterlijk op 31 december 2014. In afwijking van de bepalingen van het vijftiende lid worden de basisrepartitiebijdrage bedoeld in artikel 14, § 8, elfde lid, en de aanvullende repartitiebijdrage bedoeld in artikel 14, § 8, twaalfde lid, overgeschreven op bankrekening 679-2003169-22 ter attentie van de FOD Financiėn.
   In afwijking van het vijftiende lid moet, voor het jaar 2014, het bedrag van de basisrepartitiebijdrage en de individuele aanvullende repartitiebijdrage worden betaald door de kernexploitanten bedoeld in artikel 2, 5°, en elke andere vennootschap bedoeld in artikel 24, § 1, aan de kernprovisievennootschap op uiterlijk 31 januari 2015.]11
  [16 Voor het jaar 2015 draagt de kernprovisievennootschap de repartitiebijdrage bedoeld in deze paragraaf uiterlijk op 31 december 2015 over op bankrekening 679-2003169-22 ter attentie van de FOD Financiėn.
   Voor het jaar 2015 moet het bedrag van de individuele repartitiebijdrage worden betaald door de kernexploitanten bedoeld in artikel 2, 5°, en elke andere vennootschap bedoeld in artikel 24, § 1, aan de kernprovisievennootschap op uiterlijk 31 januari 2016.]16
  [17 Voor de jaren 2016 tot 2026 draagt de kernprovisievennootschap de repartiebijdrage bedoeld in deze paragraaf uiterlijk op 31 december van elk jaar over op de bankrekening 679-2003169-22 ter attentie van de FOD Financiėn.
   De Koning kan dit bankrekeningnummer wijzigen.
   Voor elk betrokken jaar moet het bedrag van de individuele repartitiebijdrage worden betaald door de kernexploitanten bedoeld in artikel 2, 5°, en elke andere vennootschap bedoeld in artikel 24, § 1, aan de kernprovisievennootschap uiterlijk op 31 januari van het volgende kalenderjaar.]17
  De bedragen van de bijdragen zoals bedoeld in deze paragraaf die betaald worden door de kernexploitanten zoals bedoeld in artikel 2, 5°, en door de vennootschappen zoals bedoeld in artikel 24, § 1, zullen in rekening worden gebracht ter compensatie van het bedrag dat werd overgeschreven door de kernprovisievennootschap.
  [4 Voor de toepassing van artikel 49 van het WIB/92, wordt de aftrek van de repartitiebijdrage voor het jaar 2011 toegepast op de belastbare inkomens van het belastbare tijdperk 2011.]4
  [13 Voor de toepassing van artikel 49 van het WIB/92, wordt de aftrek van de repartitiebijdrage voor het jaar 2014 toegepast op de belastbare inkomens van het belastbare tijdperk 2014.]13
  [16 Voor de toepassing van artikel 49 van het WIB/92, wordt de aftrek van de repartitiebijdrage voor het jaar 2015 toegepast op de belastbare inkomens van het belastbare tijdperk 2015.]16
  [17 Voor de toepassing van artikel 49 van het WIB/92, wordt de aftrek van de repartitiebijdrage voor de jaren 2016 tot 2026 toegepast op de belastbare inkomsten van het belastbare tijdperk dat overeenstemt met het jaartal van de repartitiebijdrage.]17
  § 9. De kernexploitanten zoals bedoeld in artikel 2, 5°, en elke andere vennootschap bedoeld in artikel 24, § 1, mogen hun individuele bijdrageplicht op generlei wijze doorrekenen of verhalen, rechtstreeks of onrechtstreeks, op andere ondernemingen of op de eindafnemer.
  § 10. Indien geen betalingen bedoeld in § 8 van dit artikel zijn gebeurd binnen de termijnen bedoeld in dezelfde § 8, is van rechtswege een nalatigheidsinterest verschuldigd, gelijk aan de wettelijke intrestvoet voor de ganse duur van het verwijl en worden de verschuldigde bedragen ingevorderd bij dwangbevel, overeenkomstig de bepalingen van artikel 94 van de gecoördineerde wetten van 17 juli 1991 op de Rijkscomptabiliteit.) <W 2008-12-22/32, art. 65, 004; Inwerkingtreding : 01-01-2009>
  [6 § 11. Teneinde rekening te houden met de bijdragemogelijkheid en de risico's in verband met de grootte van het productiepark van elk van de bijdrageplichtigen van de door § 8 ingestelde aanvullende repartitiebijdrage, wordt een degressieve vermindering van het bedrag van deze aanvullende bijdrage toegekend aan de bijdrageplichtige.
   De degressieve vermindering van de aanvullende repartitiebijdrage toegekend aan de bijdrageplichtige bedoeld in het eerste lid - in de vorm van een bijdragekrediet - wordt toegekend in schijven die als volgt cumuleerbaar zijn :
   - op de schijf tussen 0 en 5 % van het aandeel in de industriėle elektriciteitsproductie door splijting van kernbrandstoffen, bedraagt de vermindering 40 %;
   - op de schijf tussen 5 en 10 % van het aandeel in de industriėle elektriciteitsproductie door splijting van kernbrandstoffen, bedraagt de vermindering 35 %;
   - op de schijf tussen 10 en 20 % van het aandeel in de industriėle elektriciteitsproductie door splijting van kernbrandstoffen, bedraagt de vermindering 30 %;
   - op de schijf tussen 20 en 30 % van het aandeel in de industriėle elektriciteitsproductie door splijting van kernbrandstoffen, bedraagt de vermindering 20 %;
   Deze verminderingen zijn persoonlijk en kunnen niet worden overgedragen aan andere bijdrageplichtigen.
   Voor het overige zijn de berekenings en betalingsmodaliteiten van het bedrag van de repartitiebijdrage van de kernexploitanten bedoeld in artikel 2, 5°, en de vennootschappen bedoeld in artikel 24, § 1, voorzien in § 8, [14 dertiende, drieėntwintigste en vierentwintigste lid]14 , tevens van toepassing op de aanvullende repartitiebijdrage bedoeld in §§ 8 en 11. Paragraaf 8, [14 dertiende, vijfentwintigste en zesentwintigste lid]14 en §§ 9 en 10 zijn van toepassing op de aanvullende repartitiebijdrage ingesteld door § 8, en aangepast volgens de modaliteiten bedoeld in § 11.]6
  [18 § 11bis. Teneinde rekening te houden met de bijdragemogelijkheid en de risico's in verband met de grootte van het productiepark van elk van de bijdrageplichtigen van de repartitiebijdrage, wordt een degressieve vermindering van het bedrag van deze bijdrage toegekend aan de bijdrageplichtigen.
   De degressieve vermindering van de repartitiebijdrage voor de jaren 2017 tot 2026 toegekend aan de bijdrageplichtigen bedoeld in het eerste lid - in de vorm van een bijdragekrediet - wordt toegekend in schijven die als volgt cumuleerbaar zijn :
   - op de schijf tussen 0 en 5 % van het aandeel in de industriėle productie van elektriciteit door splijting van kernbrandstoffen, bedraagt de vermindering 65 %;
   - op de schijf tussen 5 en 10 % van het aandeel in de industriėle productie van elektriciteit door splijting van kernbrandstoffen, bedraagt de vermindering 45 %;
   - op de schijf tussen 10 en 20 % van het aandeel in de industriėle productie van elektriciteit door splijting van kernbrandstoffen, bedraagt de vermindering 25 %;
   - op de schijf tussen 20 en 30 % van het aandeel in de industriėle productie van elektriciteit door splijting van kernbrandstoffen, bedraagt de vermindering 15 %;
   Deze verminderingen zijn persoonlijk en kunnen niet worden overgedragen aan andere bijdrageplichtigen.]18
  [10 § 12. Voor het jaar 2013, wordt een vermindering toegepast ten belope van 12,48 percent op het brutobedrag van de basisrepartitiebijdrage bedoeld in paragraaf 8, achtste lid, en op het brutobedrag van de aanvullende repartitiebijdrage bedoeld in paragraaf 8, tiende lid. Dit percentage stemt overeen met de periode van onbeschikbaarheid van het nucleaire park omwille van de door het Federaal Agentschap voor de Nucleaire Controle vastgestelde veiligheidsredenen, vanaf 26 juli 2012 wat betreft de kerncentrale Doel 3 en vanaf 13 september 2012 wat betreft de kerncentrale Tihange 2.]10
  [15 § 13. Voor het jaar 2014, wordt een vermindering toegepast ten belope van 14,43 percent op het brutobedrag van de basisrepartitiebijdrage bedoeld in paragraaf 8, elfde lid, en op het brutobedrag van de aanvullende repartitiebijdrage bedoeld in paragraaf 8, twaalfde lid. Dit percentage stemt overeen met de periode van onbeschikbaarheid van het nucleaire park omwille van de door het Federaal Agentschap voor de Nucleaire Controle vastgestelde veiligheidsredenen, vanaf 1 januari 2013 tot 3 juni 2013 wat betreft de kerncentrale Doel 3 en vanaf 1 januari 2013 tot 7 juni 2013 wat betreft de kerncentrale Tihange 2.]15
  ----------
  (1)<W 2009-12-23/04, art. 177, 005; Inwerkingtreding : 09-01-2010>
  (2)<W 2010-12-29/01, art. 174, 006; Inwerkingtreding : 10-01-2011>
  (3)<W 2012-01-08/01, art. 2, 008; Inwerkingtreding : 21-01-2012>
  (4)<W 2012-12-27/04, art. 5, 009; Inwerkingtreding : 07-01-2013>
  (5)<W 2012-12-27/04, art. 6, 009; Inwerkingtreding : 07-01-2013>
  (6)<W 2012-12-27/04, art. 7, 009; Inwerkingtreding : 07-01-2013>
  (7)<W 2013-12-26/15, art. 2, 012; Inwerkingtreding : 31-12-2013>
  (8)<W 2013-12-26/15, art. 3, 012; Inwerkingtreding : 31-12-2013>
  (9)<W 2013-12-26/15, art. 4, 012; Inwerkingtreding : 31-12-2013>
  (10)<W 2013-12-26/15, art. 5, 012; Inwerkingtreding : 31-12-2013>
  (11)<W 2014-12-19/07, art. 117, 014; Inwerkingtreding : 29-12-2014>
  (12)<W 2014-12-19/07, art. 118, 014; Inwerkingtreding : 29-12-2014>
  (13)<W 2014-12-19/07, art. 119, 014; Inwerkingtreding : 29-12-2014>
  (14)<W 2014-12-19/07, art. 120, 014; Inwerkingtreding : 29-12-2014>
  (15)<W 2014-12-19/07, art. 121, 014; Inwerkingtreding : 29-12-2014>
  (16)<W 2015-12-26/03, art. 111, 015; Inwerkingtreding : 30-12-2015>
  (17)<W 2016-12-25/04, art. 3, 016; Inwerkingtreding : 29-12-2016>
  (18)<W 2016-12-25/04, art. 4, 016; Inwerkingtreding : 29-12-2016>

  Art. 15. Van zodra (de Commissie voor nucleaire voorzieningen) het percentage van de fondsen die de kernprovisievennootschap kan lenen aan een kernexploitant in uitvoering van artikel 14, § 2 naar omlaag herziet, bepaalt het het bedrag dat deze laatste aan de kernprovisievennootschap dient terug te storten van de leningen die hem zijn toegekend in uitvoering van artikel 14, § 1, alsook de zo kort mogelijke termijn binnen dewelke deze terugstorting dient te zijn uitgevoerd, rekening houdende met de tijdsbestekken om de fondsen te mobiliseren. <W 2007-04-25/38, art. 145, 002; Inwerkingtreding : 18-05-2007>

  Art. 16. § 1. Zodra (de Commissie voor nucleaire voorzieningen) aan de kernprovisievennootschap de volledige of gedeeltelijke terugbetaling van de betrokken leningen oplegt, ontstaat een algemeen voorrecht op de roerende goederen van de kernexploitant ten voordele van de kernprovisievennootschap. Dit voorrecht waarborgt de terugbetaling van de betrokken leningen ten belope van het door (de Commissie voor nucleaire voorzieningen) vastgestelde bedrag van terugbetaling. <W 2007-04-25/38, art. 145, 002; Inwerkingtreding : 18-05-2007>
  § 2. Het voorrecht bedoeld in § 1 vervalt in elk van de volgende gevallen :
  - zodra het door (de Commissie voor nucleaire voorzieningen) vastgestelde bedrag effectief aan de kernprovisievennootschap is terugbetaald; <W 2007-04-25/38, art. 145, 002; Inwerkingtreding : 18-05-2007>
  - zodra een moedervennootschap van de kernexploitant of een kredietinstelling zich voor dit bedrag borg stelt ten aanzien van de kernprovisievennootschap, op voorwaarde dat de betrokken borg bij een internationaal erkend noteringsagentschap een kredietrating heeft gelijk aan de kredietrating die overeenstemt met een maximum leenquotiteit van 75 percent zoals bepaald in de overeenkomst waarvan sprake in artikel 14;
  - zodra de Ministerraad of, in voorkomend geval, de bevoegde rechter heeft beslist dat er geen aanleiding is tot de terugbetaling bevolen door (de Commissie voor nucleaire voorzieningen). <W 2007-04-25/38, art. 145, 002; Inwerkingtreding : 18-05-2007>
  § 3. De leningsovereenkomsten bedoeld in artikel 14, § 4, bevatten een zogenaamde " negative pledge " clausule krachtens dewelke de betrokken kernexploitant zijn activa niet mag belasten met hypotheken of andere zekerheden voor zijn financiėle schuld, behalve indien hij een gelijkwaardige zekerheid kan stellen of verschaffen ten gunste van de kernprovisievennootschap, met dien verstande dat dit verbod de gebruikelijke uitzonderingen zal omvatten voor bestaande zekerheden, zekerheden gesteld in de normale bedrijfsvoering en zekerheden voor het bekomen van nieuwe activa.

  Art. 17. Het voorrecht bedoeld in artikel 16 komt in rang onmiddellijk na dit bedoeld in artikel 19, 4°, nonies, van de hypotheekwet van 16 december 1851.

  Art. 18. (De Commissie voor nucleaire voorzieningen) waakt erover dat de voorzieningen aangelegd krachtens artikel 11 ten opzichte van de kosten van ontmanteling en van beheer van bestraalde splijtstoffen niet overtollig zouden zijn. <W 2007-04-25/38, art. 145, 002; Inwerkingtreding : 18-05-2007>

  Art. 19. De kernexploitanten alsook de kernprovisievennootschap brengen (de Commissie voor nucleaire voorzieningen) onverwijld op de hoogte van iedere significante wijziging in hun aandeelhouderschap of van iedere fusie, splitsing, ontbinding of inbreng van algemeenheid of van een bedrijfstak van elk ander element dat tot een faillissement of gerechtelijk akkoord kan leiden. Zij brengen (de Commissie voor nucleaire voorzieningen) voorafgaandelijk op de hoogte van elke neerlegging van een verzoekschrift tot faillissement of concordaat. <W 2007-04-25/38, art. 145, 002; Inwerkingtreding : 18-05-2007>

  HOOFDSTUK III. - Wijzigingsbepalingen.

  Art. 20. In het artikel 3, § 2, van het koninklijk besluit van 10 juni 1994 wordt na de woorden " inzake de bevoorrading van het land in energie ", het volgend zinsdeel toegevoegd :
  " en met de toereikendheid van de voorzieningen aangelegd voor de ontmanteling van de kerncentrales en voor het beheer van splijtstoffen bestraald in deze kerncentrales. "

  Art. 21. In het artikel 179, § 1, van de wet van 8 augustus 1980 betreffende de budgettaire voorstellen 1979-1980 wordt na de woorden " nucleaire brandstofcyclus ", het volgend zinsdeel toegevoegd :
  " alsook de voorzieningen aangelegd voor de ontmanteling van de kerncentrales en voor het beheer van splijtstoffen bestraald in deze kerncentrales. "

  HOOFDSTUK IV. - Slotbepalingen.

  Art. 22. Onverminderd de andere door deze wet voorziene maatregelen, kan (de Commissie voor nucleaire voorzieningen) elke in Belgiė gevestigde natuurlijke of rechtspersoon verplichten tot naleving van specifieke bepalingen van artikels 7, 12 en 18 of de uitvoeringsbesluiten ervan binnen de termijn bepaald door (de Commissie voor nucleaire voorzieningen). Indien deze persoon bij het verstrijken van de termijn in gebreke blijft, kan (de Commissie voor nucleaire voorzieningen), nadat de persoon werd gehoord of naar behoren werd opgeroepen, een administratieve geldboete opleggen. (De Commissie voor nucleaire voorzieningen) bepaalt het bedrag van de geldboete en motiveert zijn beslissing. De geldboete mag, per kalenderdag, niet lager zijn dan 1. 250 euro, noch, in totaal, hoger zijn dan 2 miljoen euro. De geldboete wordt ten gunste van de Schatkist geļnd door de Administratie van de belasting over de toegevoegde waarde, der registratie en domeinen. <W 2007-04-25/38, art. 145, 002; Inwerkingtreding : 18-05-2007>

  Art. 22bis.<ingevoegd bij W 2008-12-22/32, art. 66; Inwerkingtreding : 29-12-2008> § 1. In geval van niet naleving van de bepalingen van artikel 14, § 8, [5 ...]5 alsook van artikel 14, § 11]2, kan de Commissie voor nucleaire voorzieningen, aan elke kernexploitant, bedoeld in artikel 2, 5°, of aan elke andere vennootschap bedoeld in artikel 24, § 1, een administratieve geldboete opleggen, nadat deze werd gehoord of naar behoren werd opgeroepen.
  De Commissie voor nucleaire voorzieningen berekent het bedrag van de geldboete en motiveert haar beslissing.
  De geldboete bedraagt maximaal 2 % van het gedeelte van het omzetcijfer dat betrekking heeft op de elektriciteitsproductie die de kernexploitant, bedoeld in artikel 2, 5°, en schuldenaar van de geldboete, of de vennootschap bedoeld in artikel 24, § 1 en schuldenaar van de geldboete, heeft gerealiseerd op de Belgische elektriciteitsmarkt tijdens het laatst afgesloten boekjaar.
  De geldboete wordt ten gunste van de Schatkist geļnd door de Federale Overheidsdienst Financiėn, Administratie van de invordering.
  [1 Het besluit van de Regent van 18 maart 1831 is van toepassing op de boetes opgelegd door de Commissie voor de nucleaire provisies krachtens voorgaande leden.]1
  § 2. [6 De CREG]6 is belast met het toezicht op de naleving van de bepalingen van artikel 14, § 9.
  ----------
  (1)<W 2009-12-23/04, art. 179, 005; Inwerkingtreding : 09-01-2010>
  (2)<W 2012-12-27/04, art. 8, 009; Inwerkingtreding : 07-01-2013>
  (3)<W 2014-12-19/07, art. 122, 014; Inwerkingtreding : 29-12-2014>
  (4)<W 2015-12-26/03, art. 112, 015; Inwerkingtreding : 30-12-2015>
  (5)<W 2016-12-25/04, art. 5, 016; Inwerkingtreding : 29-12-2016>
  (6)<W 2016-12-25/04, art. 6, 016; Inwerkingtreding : 29-12-2016>

  Art. 23. Binnen twee maanden na de inwerkingtreding van deze wet, wijzigt de kernprovisievennootschap haar statuten en neemt alle andere maatregelen teneinde zich in overeenstemming te brengen met de bepalingen van deze wet.

  Art. 24.<W 2007-04-25/38, art. 155, 002; Inwerkingtreding : 18-05-2007> § 1. Elke andere vennootschap dan een kernexploitant die een aandeel heeft in de industriėle productie van elektriciteit door splijting van kernbrandstoffen moet, naar rato van dit aandeel, bijdragen tot de aanleg van de voorzieningen voor de ontmanteling en voor het beheer van de bestraalde splijtstoffen alsook eventueel tot de dekking van de ontoereikendheid van deze voorzieningen volgens de nadere regels die worden bepaald in één of meerdere overeenkomsten afgesloten of af te sluiten tussen deze vennootschap en de betrokken kernexploitant. Deze overeenkomsten worden meegedeeld aan de Commissie voor nucleaire voorzieningen.
  § 2. De in § 1 bedoelde bijdrage is verschuldigd zodra een vennootschap een aandeel neemt in de industriėle productie van elektriciteit door splijting van kernbrandstoffen en zolang ze dit aandeel behoudt.
  § 3. De in § 1 bedoelde vennootschappen storten driemaandelijks hun aandeel in het totale bedrag van de toelage voor de voorzieningen voor de ontmanteling aan de kernprovisievennootschap.
  § 4. Zolang de in § 1 bedoelde vennootschappen een aandeel behouden in de industriėle productie van elektriciteit door splijting van kernbrandstoffen, kan de kernprovisievennootschap de tegenwaarde van de voorzieningen voor de ontmanteling en het beheer van bestraalde splijtstoffen lenen aan elke van deze vennootschappen, die beschouwd kunnen worden als schuldenaars van goede kwaliteit volgens de criteria aangegeven in artikel 14, § 2, tot maximum 75 procent van het totale bedrag van de voorzieningen dat deze vennootschap heeft overgedragen aan de kernprovisievennootschap. Elke lening gebeurt tegen de geldende rente voor industriėle kredieten.[1 ...]1
  § 5. De in § 1 bedoelde vennootschappen worden gelijkgesteld met kernexploitanten voor de toepassing van de artikelen 6, § 4, 7, § 2, 14, §§ 2 en 3, 15, 16 en 19. De toepassing van artikel 6, § 4, beperkt zich tot het bezorgen aan de in § 1 bedoelde vennootschappen van de adviezen en documenten betreffende de ontmanteling en de leningen die hen overeenkomstig § 4 worden toegekend.
  § 6. De kernprovisievennootschap en de betrokken kernexploitant brengen de in § 1 bedoelde vennootschappen ter kennis van de voorstellen inzake de ontmantelingsprocedure en de antwoorden op de adviezen van de Commissie voor nucleaire voorzieningen die in artikel 12, §§ 2 en 3, worden bedoeld.
  § 7. De in § 1 bedoelde vennootschappen moeten aan de Commissie voor nucleaire voorzieningen alle informatie verschaffen die door de kernexploitanten overeenkomstig artikel 7, § 1, wordt bezorgd. De minister die energie onder zijn bevoegdheid heeft kan afwijkingen toekennen in verantwoorde gevallen en op eensluidend advies van de Commissie voor nucleaire voorzieningen.
  ----------
  (1)<W 2014-03-26/34, art. 10, 013; Inwerkingtreding : 05-06-2014>

  Art. 25. Bij een in Ministerraad overlegd besluit, na advies van (de Commissie voor nucleaire voorzieningen), kan de Koning de nodige maatregelen treffen ter omzetting van de dwingende bepalingen die voortvloeien uit internationale verdragen, of uit internationale akten genomen krachtens dergelijke verdragen, en die het voorwerp van deze wet betreffen. <W 2007-04-25/38, art. 145, 002; Inwerkingtreding : 18-05-2007>
  De besluiten die krachtens het eerste lid worden vastgesteld, kunnen de van kracht zijnde wettelijke bepalingen wijzigen, aanvullen, vervangen of opheffen.
  

  ANNEXE.
  

  N. [1 Bijlage.]1
  ( Beeld niet opgenomen om technische redenen, zie B.St. van 29-12-2016, p. 90993 )
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij W 2016-12-25/04, art. 7, 016; Inwerkingtreding : 29-12-2016>
  
  

Handtekening Tekst Inhoudstafel Begin
   Kondigen deze wet af, bevelen dat zij met 's Lands zegel zal worden bekleed en door het Belgisch Staatsblad zal worden bekendgemaakt.
Gegeven te Brussel, 11 april 2003.
ALBERT
Van Koningswege :
De Vice-Eerste Minister en Minister van Mobiliteit en Vervoer,
Mevr. I. DURANT
De Staatssecretaris voor Energie en Duurzame Ontwikkeling,
O. DELEUZE
Met 's Lands zegel gezegeld :
De Minister van Justitie,
A. VERWILGHEN.

Aanhef Tekst Inhoudstafel Begin
   ALBERT II, Koning der Belgen,
   Aan allen die nu zijn en hierna wezen zullen, Onze Groet.
   De Kamers hebben aangenomen en Wij bekrachtigen, hetgeen volgt :

Wijziging(en) Tekst Inhoudstafel Begin
BEELD
  • WET VAN 25-12-2016 GEPUBL. OP 29-12-2016
    (GEWIJZIGDE ART. : 2; 14; 22bis; N)
  • BEELD
  • WET VAN 26-12-2015 GEPUBL. OP 30-12-2015
    (GEWIJZIGDE ART. : 14; 22bis)
  • BEELD
  • WET VAN 19-12-2014 GEPUBL. OP 29-12-2014
    (GEWIJZIGDE ART. : 14; 22bis)
  • BEELD
  • WET VAN 26-03-2014 GEPUBL. OP 26-05-2014
    (GEWIJZIGDE ART. : 3; 4; 5; 6; 8; 9; 12; 24)
  • BEELD
  • WET VAN 26-12-2013 GEPUBL. OP 31-12-2013
    (GEWIJZIGD ART. : 13)
  • BEELD
  • WET VAN 26-12-2013 GEPUBL. OP 31-12-2013
    (GEWIJZIGDE ART. : 14; 22bis; )
  • BEELD
  • WET VAN 18-12-2013 GEPUBL. OP 24-12-2013
    (GEWIJZIGD ART. : 11)
  • BEELD
  • WET VAN 27-12-2012 GEPUBL. OP 28-12-2012
    (GEWIJZIGDE ART. : 2; 11; 13; 14; 22bis)
  • BEELD
  • WET VAN 08-01-2012 GEPUBL. OP 11-01-2012
    (GEWIJZIGDE ART. : 14; 22bis)
  • BEELD
  • KONINKLIJK BESLUIT VAN 03-03-2011 GEPUBL. OP 09-03-2011
    (GEWIJZIGD ART. : 4)
  • BEELD
  • WET VAN 29-12-2010 GEPUBL. OP 31-12-2010
    (GEWIJZIGDE ART. : 14; 22bis)
  • BEELD
  • WET VAN 23-12-2009 GEPUBL. OP 30-12-2009
    (GEWIJZIGDE ART. : 13; 14; 22bis)
  • BEELD
  • WET VAN 22-12-2008 GEPUBL. OP 29-12-2008
    (GEWIJZIGDE ART. : 11; 13; 14; 22BIS)
  • BEELD
  • WET VAN 24-07-2008 GEPUBL. OP 07-08-2008
    (GEWIJZIGD ART. : 4)
  • BEELD
  • WET VAN 25-04-2007 GEPUBL. OP 08-05-2007
    (GEWIJZIGDE ART. : 2; 3-10; 12; 14; 15; 16; 18; 19; 22; )
    (GEWIJZIGDE ART. : 25; 11; 24)

  • Parlementaire werkzaamheden Tekst Inhoudstafel Begin
       Kamer van volksvertegenwoordigers. Parlementaire documenten. Documenten 50-2238. Gewone zitting 2002/2003. N° 1. Wetsontwerp. N° 2. Amendementen. N° 3. Verslag. N° 4 : tekst verbeterd door de commissie. N° 5 : tekst aangenomen in plenaire vergadering en overgezonden aan de senaat. Handelingen van de Kamer van volksvertegenwoordigers : integraal verslag : 27 maart 2003. Senaat : Parlementaire stukken : N° 2-1564. Gewone zitting 2002/2003. N° 1. Ontwerp geėvoceerd door de senaat. N° 2. Verslag. N° 3. Beslissing om niet te amenderen. TA:

    Begin Eerste woord Laatste woord Wijziging(en) Aanhef
    Parlementaire werkzaamheden Inhoudstafel 6 uitvoeringbesluiten 15 gearchiveerde versies
    Franstalige versie