J U S T E L     -     Geconsolideerde wetgeving
Einde Eerste woord Laatste woord Wijziging(en) Aanhef
Parlementaire werkzaamheden Inhoudstafel 41 uitvoeringbesluiten 17 gearchiveerde versies
Erratum Handtekening Einde Franstalige versie
 
belgiëlex . be     -     Kruispuntbank Wetgeving
Raad van State
ELI - Navigatie systeem via een Europese identificatiecode voor wetgeving
http://www.ejustice.just.fgov.be/eli/wet/2003/01/17/2003014009/justel

Titel
17 JANUARI 2003. - Wet met betrekking tot het statuut van de regulator van de Belgische post- en telecommunicatiesector.
(NOTA : Raadpleging van vroegere versies vanaf 24-01-2003 en tekstbijwerking tot 29-03-2016) Zie wijziging(en)

Bron : MOBILITEIT EN VERVOER
Publicatie : 24-01-2003 nummer :   2003014009 bladzijde : 2591   BEELD
Dossiernummer : 2003-01-17/30
Inwerkingtreding : 23-04-2003 (ART. 13 - ART. 44)    ***    03-07-2006 (ART. 3 - ART. 7)    ***    onbepaald (ART. 8 - ART. 12)    ***    onbepaald (Art.41)    ***    23-04-2003 (ART. 1 - ART. 2)

Inhoudstafel Tekst Begin
HOOFDSTUK I. - Algemeen.
Art. 1, 1/1, 2
HOOFDSTUK II. - De raadgevende Comités.
Afdeling 1. - Raadgevend Comité voor de telecommunicatie.
Art. 3-7
Afdeling 2. - Raadgevend Comité voor de postdiensten.
Art. 8-12
HOOFDSTUK III. - Het Instituut.
Afdeling 1. - Algemeen.
Art. 13
Afdeling 2. - Bevoegdheden en opdrachten.
Art. 14-15
Afdeling 3. - De Raad.
Onderafdeling 1. - Algemeen.
Art. 16
Onderafdeling 2. - Samenstelling.
Art. 17-18
Onderafdeling 3. - Werking.
Art. 19-21, 21/1
Onderafdeling 4. - Huishoudelijk reglement.
Art. 22
Onderafdeling 5. - Vertrouwelijkheid.
Art. 23
Afdeling 4. - De leden van het personeel van het Instituut.
Onderafdeling 1. - Officieren van gerechtelijke politie.
Art. 24-25
Onderafdeling 2. - Organisatie.
Art. 26, 26bis
Onderafdeling 3. - Werking.
Art. 27-28
HOOFDSTUK IV. - Financiering.
Art. 29-31, 31/1, 32-33
HOOFDSTUK V. - Controle.
Art. 34-36
HOOFDSTUK VI. - Diverse bepalingen.
Art. 37
HOOFDSTUK VII. - Strafbepalingen.
Art. 38
HOOFDSTUK VIII. - Wijzigings- en slotbepalingen.
Art. 39-44

Tekst Inhoudstafel Begin
HOOFDSTUK I. - Algemeen.

  Artikel 1. Deze wet regelt een aangelegenheid als bedoeld in artikel 78 van de Grondwet.

  Art. 1/1.[1 Hoofdstukken III en V voorzien in een gedeeltelijke omzetting van Richtlijn 2009/136/EG van het Europees Parlement en de Raad van 25 november 2009 tot wijziging van Richtlijn 2002/22/EG inzake de universele dienst en gebruikersrechten met betrekking tot elektronische-communicatienetwerken en -diensten, Richtlijn 2002/58/EG betreffende de verwerking van persoonsgegevens en de bescherming van de persoonlijke levenssfeer in de sector elektronische communicatie en Verordening (EG) nr. 2006/2004 betreffende samenwerking tussen de nationale instanties die verantwoordelijk zijn voor handhaving van de wetgeving inzake consumentenbescherming en van Richtlijn 2009/140/EG van het Europees Parlement en de Raad van 25 november 2009 tot wijziging van Richtlijn 2002/21/EG inzake een gemeenschappelijk regelgevingskader voor elektronische-communicatienetwerken en -diensten, Richtlijn 2002/19/EG inzake de toegang tot en interconnectie van elektronische-communicatienetwerken en bijbehorende faciliteiten, en Richtlijn 2002/20/EG betreffende de machtiging voor elektronische-communicatienetwerken en -diensten.]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij W 2012-07-10/04, art. 2, 015; Inwerkingtreding : 04-08-2012>

  Art. 2. In deze wet wordt verstaan onder :
  1° wet van 21 maart 1991 : wet van 21 maart 1991 betreffende de hervorming van sommige economische overheidsbedrijven;
  2° (opgeheven) <W 2007-04-25/38, art. 161, 009; Inwerkingtreding : 18-05-2007>
  3° Instituut : het Belgisch Instituut voor postdiensten en telecommunicatie, afgekort BIPT;
  4° Minister : de minister of staatssecretaris die bevoegd is voor de aangelegenheden die de postdiensten of telecommunicatie betreffen.
  De termen die in deze wet gebruikt worden, hebben dezelfde betekenis als in de wet van 21 maart 1991 (en in de wet van 13 juni 2005), alsook in hun uitvoeringsbesluiten. <W 2007-04-25/38, art. 161, 009; Inwerkingtreding : 18-05-2007>

  HOOFDSTUK II. - De raadgevende Comités.

  Afdeling 1. - Raadgevend Comité voor de telecommunicatie.

  Art. 3. § 1. Er wordt een Raadgevend Comité voor de telecommunicatie opgericht bij de Federale Overheidsdienst Economie, K.M.O., Middenstand en Energie.
  § 2. De Koning bepaalt, bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad, de nadere regels voor de werking en de samenstelling van het Raadgevend Comité voor de telecommunicatie. De Koning kan in de vertegenwoordiging van de Gemeenschaps- en de Gewestregeringen voorzien.
  De leden van het Raadgevend Comité voor de telecommunicatie worden benoemd door de minister.
  Het Raadgevend Comité voor de telecommunicatie bestaat minstens uit vertegenwoordigers van gebruikers, van producenten van telecommunicatie-uitrustingen, van dienstverleners, van operatoren van vaste en mobiele openbare telecommunicatienetten, al dan niet met een sterke marktpositie, van de operatoren belast met de universele dienstverlening, vertegenwoordigers van de federale regering en van de representatieve organisaties van de werknemers en de werkgevers (met inbegrip van de kleine en middelgrote ondernemingen).
  § 3. De vertegenwoordigers van de federale regering die in het Raadgevend Comité voor de telecommunicatie zitting hebben, zijn niet stemgerechtigd.
  Het Instituut en de Ombudsdienst voor telecommunicatie hebben als waarnemer zitting in het Raadgevend Comité voor de telecommunicatie.

  Art. 4.Het Raadgevend Comité voor de telecommunicatie is bevoegd om aan de minister of aan het Instituut aanbevelingen te doen over elke aangelegenheid die betrekking heeft op telecommunicatie.
  Het Raadgevend Comité voor de telecommunicatie publiceert een aan de Kamer van volksvertegenwoordigers over te zenden jaarverslag over zijn activiteiten waarin eveneens aanbevelingen gegeven worden [1 betreffende de activiteiten van het Instituut, zoals deze onder meer beschreven worden in de in artikel 34 bedoelde beheersplannen, activiteitenverslagen en jaarverslagen]1.
  ----------
  (1)<W 2011-05-31/02, art. 2, 014; Inwerkingtreding : 01-07-2011>

  Art. 5. De aanbevelingen van het Raadgevend Comité voor de telecommunicatie worden collegiaal goedgekeurd. De afwijkende meningen worden toegevoegd.

  Art. 6. Alle aanbevelingen van het Raadgevend Comité voor de telecommunicatie worden gepubliceerd in het Belgisch Staatsblad.

  Art. 7. De werkingskosten van het Raadgevend Comité voor de telecommunicatie komen ten laste van het Instituut.
  Het Instituut verzorgt het secretariaat van het Raadgevend Comité voor de telecommunicatie.

  Afdeling 2. - Raadgevend Comité voor de postdiensten.

  Art. 8. § 1. Er wordt een Raadgevend Comité voor de postdiensten opgericht bij de Federale Overheidsdienst Economie, K.M.O., Middenstand en Energie.
  § 2. De Koning bepaalt, bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad, de nadere regels voor de werking en de samenstelling van het Raadgevend Comité voor de postdiensten. De Koning kan in de vertegenwoordiging van de Gemeenschaps- en de Gewestregeringen voorzien.
  De leden van het Raadgevend Comité voor de postdiensten worden benoemd door de minister.
  Het Raadgevend Comité voor de postdiensten bestaat minstens uit vertegenwoordigers van gebruikers, van postoperatoren, van de leveranciers van de universele dienst, vertegenwoordigers van de federale regering, en van de representatieve organisaties van werknemers en werkgevers (met inbegrip van de kleine en middelgrote ondernemingen).
  § 3. De vertegenwoordigers van de federale regering die in het Raadgevend Comité voor de postdiensten zetelen zijn niet stemgerechtigd.
  Het Instituut en de (ombudsdienst voor de postsector) hebben zitting als waarnemer in het Raadgevend Comité voor de postdiensten. <W 2006-12-21/79, art. 14, 007; Inwerkingtreding : 02-02-2006>

  Art. 9.Het Raadgevend Comité voor de postdiensten is bevoegd om aanbevelingen aan de minister of aan het Instituut te geven over elke aangelegenheid die betrekking heeft op de postsector.
  Het Raadgevend Comité voor de postdiensten publiceert een aan de Kamer van volksvertegenwoordigers over te zenden jaarverslag over zijn activiteiten waarin eveneens aanbevelingen gegeven worden [1 betreffende de activiteiten van het Instituut, zoals deze onder meer beschreven worden in de in artikel 34 bedoelde beheersplannen, activiteitenverslagen en jaarverslagen]1.
  ----------
  (1)<W 2011-05-31/02, art. 3, 014; Inwerkingtreding : 01-07-2011>

  Art. 10. De aanbevelingen van het Raadgevend Comité voor de postdiensten worden collegiaal goedgekeurd. De afwijkende meningen worden toegevoegd.

  Art. 11. Alle aanbevelingen van het Raadgevend Comité voor de postdiensten worden gepubliceerd in het Belgisch Staatsblad.

  Art. 12. De werkingskosten van het Raadgevend Comité voor de postdiensten komen ten laste van het Instituut.
  Het Instituut verzorgt het secretariaat van het Raadgevend Comité voor de postdiensten.

  HOOFDSTUK III. - Het Instituut.

  Afdeling 1. - Algemeen.

  Art. 13. Het Instituut zet de rechtspersoonlijkheid bepaald in artikel 71, eerste lid, van de wet van 21 maart 1991 voort en oefent de bevoegdheden ervan uit.
  Het Instituut heeft zijn zetel in het Brussels Hoofdstedelijk Gewest.
  Het Instituut mag geen enkele commerciële activiteit uitoefenen.

  Afdeling 2. - Bevoegdheden en opdrachten.

  Art. 14.<W 2005-07-20/41, art. 73, 005 ; Inwerkingtreding : 31-12-2005> § 1. Onverminderd zijn wettelijke bevoegdheden, heeft het Instituut de volgende taken met betrekking tot elektronische communicatienetwerken en elektronische communicatiediensten, eindapparatuur, radioapparatuur en met betrekking tot postdiensten en openbare postnetwerken zoals gedefinieerd door artikel 131 van de wet van 21 maart 1991 betreffende de hervorming van sommige economische overheidsbedrijven :
  1° het formuleren van adviezen op eigen initiatief, in de gevallen waarin de wetten en besluiten erin voorzien of op verzoek van de minister [5 of van de Kamer van volksvertegenwoordigers]5;
  2° het nemen van administratieve beslissingen;
  3° het toezicht op de naleving van de wet van 13 juni 2005 betreffende de elektronische communicatie, alsook titel I, hoofdstuk X en titel III en IV van de wet van 21 maart 1991 betreffende de hervorming van sommige economische overheidsbedrijven, (, van de wet van 30 maart 1995 betreffende de elektronische communicatienetwerken en -diensten en de uitoefening van omroepactiviteiten in het tweetalig gebied Brussel-Hoofdstad) en hun uitvoeringsbesluiten [6 , en van Verordening (EU) nr. 611/2013 van de Commissie van 24 juni 2013 betreffende maatregelen voor het melden van inbreuken in verband met persoonsgegevens op grond van Richtlijn 2002/58/EG van het Europees Parlement en de Raad betreffende privacy en elektronische communicatie]6; <W 2007-03-16/41, art. 59, 1°, 008; Inwerkingtreding : 15-04-2007>
  4° in geval van een geschil tussen aanbieders van telecommunicatienetwerken, -diensten of -apparatuur, of in geval van een geschil tussen postoperatoren, (of in geval van een geschil tussen de in de wet van 30 maart 1995 betreffende de elektronische communicatienetwerken en -diensten en de uitoefening van omroepactiviteiten in het tweetalig gebied Brussel-Hoofdstad bedoelde aanbieders van elektronische communicatiediensten of -netwerken of omroeporganisaties,) het formuleren van voorstellen om de partijen te verzoenen binnen de termijn van één maand. De Koning legt de nadere regels van die procedure vast op advies van het Instituut; <W 2007-03-16/41, art. 59, 2°, 008; Inwerkingtreding : 15-04-2007>
  [6 4° /1 in geval van geschil tussen aanbieders van telecommunicatienetwerken, -diensten of -apparatuur, of in geval van een geschil tussen postoperatoren, of in geval van een geschil tussen in de wet van 30 maart 1995 betreffende de elektronische-communicatienetwerken en -diensten en audiovisuele mediadiensten in het tweetalig gebied Brussel-Hoofdstad bedoelde aanbieders van elektronische-communicatiediensten of -netwerken of omroeporganisaties, het nemen van een administratieve beslissing op vraag van alle betrokken partijen, binnen een termijn van vier maanden en volgens de procedure vastgesteld door de Koning;]6
  5° het stellen van alle nuttige daden die als doel hebben de voorbereiding van de toepassing van inwerking getreden Europese richtlijnen in de sectoren post en telecommunicatie.
  [2 6° Het Instituut houdt toezicht op de uitvoering van de opdrachten van openbare dienst die door de Staat uitbesteed worden in de postsector en in de sector van de elektronische communicatie. Het Instituut informeert zowel de Minister bevoegd voor de Postsector als de minister bevoegd voor Overheidsbedrijven over de uitvoering van het beheerscontract.]2
  § 2. In het kader van zijn bevoegdheden :
  1° kan het Instituut op een niet discriminerende wijze alle onderzoeken en openbare raadplegingen organiseren [5 ; het moet dergelijke openbare raadplegingen organiseren zodat het rekening houdt met de standpunten van de eindgebruikers, consumenten (met inbegrip van met name consumenten met een handicap), fabrikanten en ondernemingen die elektronische-communicatienetwerken en/of -diensten aanbieden over aangelegenheden die verband houden met alle eindgebruikers- en consumentenrechten met betrekking tot openbare elektronische-communicatiediensten, met name wanneer zij een belangrijke invloed hebben op de markt; deze raadplegingen waarborgen dat bij de besluitvorming van het Instituut inzake vraagstukken die verband houden met de rechten van eindgebruikers en consumenten wat openbare elektronische-communicatiediensten betreft het op passende wijze rekening houdt met de belangen van de consumenten op het gebied van elektronische communicatie]5;
  2° kan het Instituut van elke betrokken persoon op gemotiveerde wijze alle nuttige informatie opvragen. Het Instituut bepaalt de termijn waarbinnen de inlichtingen moeten worden meegedeeld;
  3° werkt het Instituut samen met en verstrekt het informatie aan :
  a) de Europese Commissie [5 , ENISA, het Bureau en aan BEREC]5;
  b) de buitenlandse regulerende instanties voor postdiensten en telecommunicatie;
  c) de regulerende instanties in de overige economische sectoren;
  d) de federale overheidsdiensten die belast zijn met consumentenbescherming;
  e) de Belgische instanties die belast zijn met mededinging.
  De Koning kan, na raadpleging van deze instanties en van het Instituut en op gezamenlijk voorstel van de minister die bevoegd is voor Economie en van de minister de nadere regels vastleggen inzake samenwerking, raadpleging en uitwisseling van informatie tussen deze instanties en het Instituut;
  f) de regulerende instanties van Gemeenschappen en Gewesten en dit volgens de nadere regels die werden afgesproken in samenwerkingsakkoorden met deze beleidsniveaus;
  [5 g) de openbare diensten die bevoegd zijn op het stuk van openbare veiligheid, of civiele veiligheid en bescherming, of civiele verdediging, of crisisplanning, of veiligheid of bescherming van het economische en wetenschappelijke potentieel van het land;]5
  [6 h) de Commissie voor de bescherming van de persoonlijke levenssfeer;
   i) de federale overheidsdienst die belast is met statistiek en economische informatie;]6
  4° verleent het Instituut zijn medewerking aan de gemengde Commissie voor telecommunicatie, opgericht bij het koninklijk besluit van 10 december 1957 en gewijzigd bij het koninklijk besluit van 24 september 1993;
  5° kan het Instituut enkel besluiten nemen met betrekking tot die elektronische communicatienetwerken waarvoor de gemeenschappen eveneens bevoegd zijn nadat er omtrent de uitoefening van bevoegdheden met betrekking tot deze elektronische communicatienetwerken een samenwerkingsakkoord met de Gemeenschappen in werking is getreden.
  [1 6° [4 mag het Instituut, mits de redenen]4 voor de nietigverklaring worden geëerbiedigd en de omvang van het toepassingsgebied niet wordt gewijzigd, overgaan tot de vervanging van een door een rechterlijke autoriteit vernietigd besluit wanneer, wegens die nietigverklaring, één of meer doelstellingen beoogd in de artikelen 6 tot 8 van de wet van 13 juni 2005 betreffende de elektronische communicatie niet langer worden gehaald. [3 Het Instituut kan in een dergelijke vervanging tevens voorzien wanneer het vernietigde besluit betrekking heeft op de postsector en één of meer van de volgende doelstellingen niet langer worden gehaald :
   - waken over de kwaliteit en het voortbestaan van de universele dienst;
   - waken over de belangen van de gebruikers van postdiensten;
   - bijdragen tot de ontwikkeling van een interne markt voor postdiensten;
   - het bevorderen van de concurrentie in de postsector.]3]1
  § 3. In het kader van de samenwerking met de in de vorige paragraaf onder punt 3 opgesomde instanties kunnen de leden van de Raad en de leden van het personeel van het Instituut vertrouwelijke informatie waarvan ze kennis hebben in het kader van de uitvoering van hun functie, meedelen aan deze instanties [5 , voor zover deze mededeling noodzakelijk is voor de uitvoering van de opdrachten van deze autoriteiten]5.
  ----------
  (1)<W 2009-05-18/04, art. 2, 010; Inwerkingtreding : 14-06-2009>
  (2)<W 2010-12-13/07, art. 35, 013; Inwerkingtreding : 31-12-2010>
  (3)<W 2010-12-13/07, art. 36, 013; Inwerkingtreding : 31-12-2010>
  (4)<W 2011-05-31/02, art. 4, 014; Inwerkingtreding : 01-07-2011>
  (5)<W 2012-07-10/04, art. 3, 015; Inwerkingtreding : 04-08-2012>
  (6)<W 2014-03-27/35, art. 2, 016; Inwerkingtreding : 08-05-2014>

  Art. 15.
  <Opgeheven bij W 2015-03-16/12, art. 2, 017; Inwerkingtreding : 17-04-2015>

  Afdeling 3. - De Raad.

  Onderafdeling 1. - Algemeen.

  Art. 16.De Raad is gemachtigd om alle nuttige daden te stellen ter uitoefening van de bevoegdheden van het Instituut. [1 Hij oefent zijn bevoegdheden uit op een onpartijdige en transparante manier en op het gepaste moment. ]1 Hij vertegenwoordigt het Instituut in rechte en ten aanzien van derden en kan namens het Instituut overeenkomsten sluiten. [2 ...]2
  De Raad kan, bij eenparige beslissing, sommige van zijn bevoegdheden overdragen aan een of meer van zijn leden [2 alsook, voor de materie beoogd in de artikelen 11, § 1, 2° en 39, § 1, van de wet van 13 juni 2005 betreffende de elektronische communicatie, aan een of meer personeelsleden van niveau A]2.
  De Raad kan schriftelijk de ondertekening van sommige documenten aan een of meer personeelsleden delegeren.
  De Raad kan een beroep doen op externe expertise in het kader van de uitvoering van de opdrachten van het Instituut. Die experten moeten onafhankelijk zijn van elke natuurlijke of rechtspersoon die onder het toezicht van het Instituut staat.
  ----------
  (1)<W 2012-07-10/04, art. 5, 015; Inwerkingtreding : 04-08-2012>
  (2)<W 2014-03-27/35, art. 3, 016; Inwerkingtreding : 08-05-2014>

  Onderafdeling 2. - Samenstelling.

  Art. 17.§ 1. De Raad is samengesteld uit vier leden, te weten een voorzitter en drie gewone leden. Twee van de leden behoren tot de Nederlandstalige taalrol en de twee andere leden tot de Franstalige. Bij staking van stemmen beslist de voorzitter.
   § 2. De Koning benoemt de voorzitter en de overige leden van de Raad bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad op voorstel van de minister.
   [3 Indien een lid dient te worden vervangen voor het einde van zijn mandaat, voltooit zijn vervanger het lopende mandaat.]3
   De leden van de Raad worden benoemd voor een hernieuwbare termijn van zes jaar.
   Behalve in geval van afzetting zoals bedoeld in § 5, blijven de leden van de Raad evenwel hun functie uitoefenen na het einde van hun mandaat zolang niet in hun vervanging voorzien is.
   [2 De bijzondere opdrachthouders die in artikel 82, § 3/1, van het koninklijk besluit van 11 januari 2007 tot vaststelling van het administratief statuut van het personeel van het Belgisch instituut voor Postdiensten en Telecommunicatie worden bedoeld, wonen de vergaderingen van de Raad bij met raadgevende stem. De Raad kan bovendien externe experten uitnodigen om met of zonder raadgevende stem de vergaderingen van de Raad bij te wonen. De bijzondere opdrachthouders en de externe experten zijn onderworpen aan dezelfde regels als degenen die overeenkomstig artikel 17, § 3, van toepassing zijn op de leden van de Raad. De experten moeten zich houden aan het beroepsgeheim tijdens en na het einde van hun opdracht. Zij mogen geen vertrouwelijke informatie waarvan ze kennis hebben in het kader van de uitoefening van hun opdracht meedelen aan derden, behalve in de wettelijk vastgelegde uitzonderingen. Niet-naleving van die verplichting leidt tot de onmiddellijke stopzetting van de opdracht.]2
  [5 De bijzondere opdracht van de bijzondere opdrachthouder moet slaan op strategische onderwerpen. Onder `bijzondere opdracht" wordt verstaan de tijdelijke aanstelling in een volwaardige functie die vereisten stelt op het vlak van expertise en aantoonbare ervaring van strategische aard vereist.
   De bijzondere opdrachthouder kan een beroep doen op de diensten van het Instituut om hem te helpen in de uitvoering van zijn taken.]5
   § 3. De leden van de Raad worden benoemd op grond van hun bekwaamheid, hun integriteit en hun onafhankelijkheid. Die voorwaarden dienen vervuld te blijven tijdens de hele duur van het mandaat.
   De leden van de Raad mogen geen enkel belang hebben in de ondernemingen die actief zijn op de markt van de telecommunicatie en/of de postdiensten, noch direct of indirect, gratis of bezoldigd, voor deze ondernemingen enige functie uitoefenen of enige dienst verrichten. Die voorwaarde dient vervuld te blijven tijdens de hele duur van het mandaat en gedurende [1 één jaar]1 na het einde van dat mandaat.
   § 4. De leden van de Raad zijn voltijds tewerkgesteld. De Koning, bij een in Ministerraad overlegd besluit, bepaalt het statuut en de bezoldiging van de Voorzitter en van de overige leden van de Raad, alsook hun plichten.
   § 5. De leden van de Raad kunnen bij een in Ministerraad overlegd besluit, op voorstel van de minister, worden afgezet.
   De Koning, bij een in Ministerraad overlegd besluit, stelt de omstandigheden vast waarin een afzetting voorgesteld kan worden.
  
  TOEKOMSTIG RECHT
  
   Art. 17. § 1. De Raad is samengesteld uit vier leden, te weten een voorzitter en drie gewone leden. Twee van de leden behoren tot de Nederlandstalige taalrol en de twee andere leden tot de Franstalige. Bij staking van stemmen beslist de voorzitter.
  § 2. De Koning benoemt de voorzitter en de overige leden van de Raad bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad op voorstel van de minister.
  [3 Indien een lid dient te worden vervangen voor het einde van zijn mandaat, voltooit zijn vervanger het lopende mandaat.]3
  [4 De leden van de Raad worden benoemd in de hoedanigheid van lid of van voorzitter voor een termijn van zes jaar. Deze termijn kan hernieuwd worden met zes jaar zolang er geen drie opeenvolgende mandaten worden uitgeoefend, ongeacht hun aard.]4
  Behalve in geval van afzetting zoals bedoeld in § 5, blijven de leden van de Raad evenwel hun functie uitoefenen na het einde van hun mandaat zolang niet in hun vervanging voorzien is.
  [2 De bijzondere opdrachthouders die in artikel 82, § 3/1, van het koninklijk besluit van 11 januari 2007 tot vaststelling van het administratief statuut van het personeel van het Belgisch instituut voor Postdiensten en Telecommunicatie worden bedoeld, wonen de vergaderingen van de Raad bij met raadgevende stem. De Raad kan bovendien externe experten uitnodigen om met of zonder raadgevende stem de vergaderingen van de Raad bij te wonen. De bijzondere opdrachthouders en de externe experten zijn onderworpen aan dezelfde regels als degenen die overeenkomstig artikel 17, § 3, van toepassing zijn op de leden van de Raad. De experten moeten zich houden aan het beroepsgeheim tijdens en na het einde van hun opdracht. Zij mogen geen vertrouwelijke informatie waarvan ze kennis hebben in het kader van de uitoefening van hun opdracht meedelen aan derden, behalve in de wettelijk vastgelegde uitzonderingen. Niet-naleving van die verplichting leidt tot de onmiddellijke stopzetting van de opdracht.]2
  [5 De bijzondere opdracht van de bijzondere opdrachthouder moet slaan op strategische onderwerpen. Onder `bijzondere opdracht" wordt verstaan de tijdelijke aanstelling in een volwaardige functie die vereisten stelt op het vlak van expertise en aantoonbare ervaring van strategische aard vereist.
   De bijzondere opdrachthouder kan een beroep doen op de diensten van het Instituut om hem te helpen in de uitvoering van zijn taken.]5
  § 3. De leden van de Raad worden benoemd op grond van hun bekwaamheid, hun integriteit en hun onafhankelijkheid. Die voorwaarden dienen vervuld te blijven tijdens de hele duur van het mandaat.
  De leden van de Raad mogen geen enkel belang hebben in de ondernemingen die actief zijn op de markt van de telecommunicatie en/of de postdiensten, noch direct of indirect, gratis of bezoldigd, voor deze ondernemingen enige functie uitoefenen of enige dienst verrichten. Die voorwaarde dient vervuld te blijven tijdens de hele duur van het mandaat en gedurende [1 één jaar]1 na het einde van dat mandaat.
  § 4. De leden van de Raad zijn voltijds tewerkgesteld. De Koning, bij een in Ministerraad overlegd besluit, bepaalt het statuut en de bezoldiging van de Voorzitter en van de overige leden van de Raad, alsook hun plichten.
  § 5. De leden van de Raad kunnen bij een in Ministerraad overlegd besluit, op voorstel van de minister, worden afgezet.
  De Koning, bij een in Ministerraad overlegd besluit, stelt de omstandigheden vast waarin een afzetting voorgesteld kan worden.
  [4 Het afzettingsbesluit wordt bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad.]4

  ----------
  (1)<W 2009-05-18/04, art. 3, 010; Inwerkingtreding : 14-06-2009>
  (2)<W 2009-12-30/01, art. 182, 012; Inwerkingtreding : 10-01-2010>
  (3)<W 2011-05-31/02, art. 5, 014; Inwerkingtreding : 01-07-2011>
  (4)<W 2012-07-10/04, art. 6, 015; Inwerkingtreding : onbepaald, de eerstvolgende benoeming van de Raad van het Instituut>
  (5)<W 2014-03-27/35, art. 4, 016; Inwerkingtreding : 08-05-2014>

  Art. 18. Met uitzondering van de leden die aangewezen worden bij de eerste samenstelling van de Raad, moeten de leden het bewijs leveren van de functionele kennis van de tweede taal zoals bepaald in artikel 43ter, § 7, eerste lid, van de wetten op het gebruik van talen in bestuurszaken, gecoördineerd op 18 juli 1966.

  Onderafdeling 3. - Werking.

  Art. 19. De Raad biedt elke persoon die rechtstreeks en persoonlijk bij een besluit betrokken is, de gelegenheid om vooraf gehoord te worden.
  De besluiten van de Raad worden aan de personen die rechtstreeks en persoonlijk betrokken zijn en aan de minister meegedeeld.

  Art. 20.§ 1. [2 Bij schending van de artikelen 9, 11, 18, 51, 55, 56 of 64 van de wet van 13 juni 2005 betreffende de elektronische communicatie of de bijbehorende uitvoeringsmaatregelen, die een onmiddellijke en ernstige dreiging inhoudt voor de openbare orde, de openbare veiligheid of de volksgezondheid of die ernstige economische of operationele problemen met zich kan brengen voor andere aanbieders of gebruikers van elektronische-communicatienetwerken of -diensten, of andere gebruikers van het radiospectrum, kan de Raad]2 alle passende voorlopige maatregelen [2 aannemen ]2 en bepaalt hij de duur ervan [1 zonder dat deze initieel [2 drie maanden, verlengbaar met een nieuwe termijn van maximaal drie maanden indien de uitvoeringsprocedures nog niet voltooid zijn]2 mag overschrijden. [2 Hij mag deze maatregelen nemen zelfs indien zij een impact hebben op de contractuele relaties van betrokken partijen.]2 [2 ...]2.]1.
  [2 De betrokkene kan binnen drie werkdagen vragen om gehoord te worden om zijn standpunt uiteen te zetten en oplossingen voor te stellen.
   De Raad kan vervolgens, indien nodig, de voorlopige maatregelen opheffen, aanpassen of bekrachtigen.]2
  § 2. Onder de voorwaarden bepaald in § 1 en indien het materieel niet mogelijk is een buitengewone zitting van de Raad bijeen te roepen, is de voorzitter bevoegd om namens de Raad voorlopige maatregelen te nemen. Het besluit van de [2 voorzitter]2 dat voorlopige maatregelen oplegt moet door de Raad worden bevestigd binnen vier werkdagen na de aanneming ervan. Bij gebrek aan bevestiging binnen deze termijn wordt het besluit van de voorzitter zonder gevolg.
  ----------
  (1)<W 2009-05-18/04, art. 4, 010; Inwerkingtreding : 14-06-2009>
  (2)<W 2012-07-10/04, art. 7, 015; Inwerkingtreding : 04-08-2012>

  Art. 21.[1 § 1. [2 Indien de Raad over een reeks aanwijzingen beschikt die zouden kunnen wijzen op een overtreding van de wetgeving of reglementering waarvan de naleving door het Instituut wordt gecontroleerd of van de besluiten van het Instituut genomen ter uitvoering van die wetgeving of reglementering, deelt hij [3 in voorkomend geval]3 zijn grieven mee aan de betrokkene, alsook de beoogde maatregelen bedoeld in paragraaf 5 die toegepast zullen worden, indien de overtreding bevestigd wordt.]2
   § 2. De Raad stelt de termijn vast waarover [2 de betrokkene ]2 beschikt om het dossier te raadplegen en zijn schriftelijke opmerkingen voor te leggen. Deze termijn mag niet korter zijn dan tien werkdagen.
   § 3. [2 De betrokkene ]2 wordt uitgenodigd om te verschijnen op de datum die door de Raad wordt vastgesteld en per aangetekende brief wordt meegedeeld. Hij mag zich laten vertegenwoordigen door de raadsman van zijn keuze.
   § 4. De Raad kan elke persoon horen die een nuttige bijdrage kan leveren tot zijn informatie, hetzij ambtshalve, hetzij op verzoek van [2 de betrokkene]2 .
   § 5. [2 Indien de Raad een overtreding constateert, [3 kan hij in een of meer besluiten, een of meer van de volgende maatregelen aannemen :
   1° het bevel om een eind te maken aan de overtreding, hetzij onmiddellijk, hetzij binnen de redelijke termijn die hij bepaalt, voor zover deze overtreding niet is stopgezet;]3
   [3 ...]3
   [3 1°/1]3 voorschriften in verband met de manier waarop de overtreding ongedaan moet worden gemaakt;
   2° de betaling binnen de termijn bepaald door de Raad van een administratieve boete die aan de Schatkist toekomt ten bedrage [4 van maximaal 5.000 euro voor natuurlijke personen en]4 van maximaal 5 % van de omzet van de overtreder gedurende het jongste volledige boekjaar in de sector voor elektronische communicatie of voor postdiensten in België of, indien de overtreder geen activiteiten ontwikkelt waarmee een omzet wordt behaald, ten bedrage van maximaal [4 1.000.000 euro voor rechtspersonen]4;
   3° het bevel om de levering van een dienst of dienstenpakket die bij voortzetting zou leiden tot een aanzienlijke verstoring van de mededinging, te staken of op te schorten zolang de toegangsverplichtingen die na een marktanalyse uitgevoerd overeenkomstig de wet van 13 juni 2005 betreffende de elektronische communicatie zijn opgelegd, niet worden nageleefd op de wijze bepaald door de Raad.
   Bij gebrek aan gegevens over de in het tweede lid, 2°, bedoelde omzet, kan het Instituut een omzet bepalen op basis van gegevens verkregen van derden of op basis van de omzet van een vergelijkbare persoon.]2]1
  § 6. [2 Indien de overeenkomstig paragraaf 5 genomen maatregelen niet hebben geleid tot de stopzetting van de overtreding, kan de Raad, na het volgen van de procedure bepaald in de paragrafen 1 tot 5, een administratieve boete opleggen waarvan het bedrag of het percentage maximaal het dubbele is van het bedrag of het percentage vermeld in paragraaf 5, tweede lid, 2°.]2
  [2 § 7. Indien de maatregelen die overeenkomstig paragraaf 5 worden genomen, de overtreding niet hebben kunnen verhelpen en als het gaat om een ernstige of herhaalde overtreding kan de Raad bovendien :
   1° de toegekende gebruiksrechten, waarvan de voorwaarden niet nageleefd werden, opschorten of intrekken of
   2° de volledige of gedeeltelijke opschorting bevelen van de exploitatie van het netwerk of van de levering van de betrokken dienst, alsook van het te koop aanbieden of het gebruik van alle betreffende diensten of producten.]2
  [2 § 8. Ieder besluit dat overeenkomstig dit artikel wordt genomen wordt onverwijld per aangetekende brief aan de betrokkene en aan de minister meegedeeld en bekendgemaakt op de website van het Instituut.
   Het besluit vermeldt de redelijke termijn waarbinnen de betrokkene aan de opgelegde maatregel of maatregelen dient te voldoen. ]2
  ----------
  (1)<W 2009-05-18/04, art. 5, 010; Inwerkingtreding : 14-06-2009>
  (2)<W 2012-07-10/04, art. 8, 015; En vigueur : 04-08-2012>
  (3)<W 2014-03-27/35, art. 5, 016; Inwerkingtreding : 08-05-2014>
  (4)<W 2016-03-04/11, art. 2, 018; Inwerkingtreding : 08-04-2016>

  Art. 21/1.
  <Opgeheven bij W 2012-07-10/04, art. 9, 015; Inwerkingtreding : 04-08-2012>

  Onderafdeling 4. - Huishoudelijk reglement.

  Art. 22.De Koning stelt bij een in Ministerraad overlegd besluit, op advies van het Instituut, het huishoudelijk reglement van de Raad vast.
  Dit huishoudelijk reglement bevat minstens de volgende elementen :
  1° [2 ...]2
  2° [2 ...]2
  3° [2 ...]2
  4° [2 ...]2
  5° [2 ...]2
  6° [2 ...]2
  7° de nadere regels en de termijnen voor de mededeling van de besluiten en adviezen van de Raad aan de belanghebbende personen;
  8° de regels inzake kennisgeving en publicatie van de besluiten en adviezen van de Raad alsook de termijn waarbinnen deze kennisgeving en publicatie gebeuren;
  [1 9° de regels inzake het quorum dat vereist is om beslissingen te nemen.]1
  ----------
  (1)<W 2011-05-31/02, art. 6, 014; Inwerkingtreding : 01-07-2011>
  (2)<W 2014-03-27/35, art. 6, 016; Inwerkingtreding : 08-05-2014>

  Onderafdeling 5. - Vertrouwelijkheid.

  Art. 23.§ 1. De leden van de Raad zijn onderworpen aan het beroepsgeheim. Zij mogen geen vertrouwelijke informatie waarvan ze kennis hebben in het kader van de uitvoering van hun functie, meedelen aan derden, behalve in de wettelijke vastgelegde uitzonderingen. Niet-nakoming van die verplichting leidt tot voorstel tot afzetting, in de vorm die bedoeld is in artikel 17, § 5, eerste lid.
  § 2. De verplichting van § 1 blijft van toepassing na het verstrijken van het mandaat van elk lid van de Raad [3 of de vernietiging van zijn benoeming]3.
  § 3. Het instituut draagt zorg voor het bewaren van de vertrouwelijkheid van de gegevens die door bedrijven worden verstrekt en die door het bedrijf als vertrouwelijke ondernemings- en fabricagegegevens worden beschouwd in de zin van artikel 6, § 1, 7°, van de wet van 11 april 1994, betreffende de openbaarheid van bestuur.
  [2 Wanneer een onderneming een document overhandigt dat door haar als vertrouwelijk beschouwde gegevens bevat, overhandigt zij tegelijkertijd een niet-vertrouwelijke versie van dit document aan het Instituut. ]2
  [1 Wanneer het vertrouwelijke karakter van de gegevens die verstrekt worden door de onderneming, of van bepaalde van die gegevens, twijfelachtig lijkt, verzoekt het Instituut de onderneming uit te leggen om welke redenen volgens haar de betrokken informatie als vertrouwelijk moet worden beschouwd in de zin van artikel 6, § 1, 7°, van de wet van 11 april 1994 betreffende de openbaarheid van bestuur.
   Indien de onderneming nalaat de gevraagde motivering te verstrekken, of wanneer de onderneming de informatie waarvan sprake als vertrouwelijk beschouwt in de zin van artikel 6, § 1, 7°, van de wet van 11 april 1994, mag het Instituut die informatie, op gemotiveerde wijze en nadat het de betrokken onderneming gehoord heeft, verspreiden, op voorwaarde dat die informatie niet vertrouwelijk is uit de aard van de zaak of krachtens de wet.]1
  ----------
  (1)<W 2009-05-18/04, art. 7, 010; Inwerkingtreding : 14-06-2009>
  (2)<W 2012-07-10/04, art. 10, 015; Inwerkingtreding : 04-08-2012>
  (3)<W 2014-03-27/35, art. 7, 016; Inwerkingtreding : 08-05-2014>

  Afdeling 4. - De leden van het personeel van het Instituut.

  Onderafdeling 1. - Officieren van gerechtelijke politie.

  Art. 24.Op voorstel van het Instituut kan de Koning de hoedanigheid van officier van gerechtelijke politie toekennen aan de statutaire personeelsleden van het Instituut die hij belast met de vaststelling van inbreuken op de wet van [1 6 juli 1971 houdende oprichting van bpost en betreffende sommige postdiensten]1, (de wet van 13 juni 2005 betreffende de elektronische communicatie) (, de wet van 21 maart 1991 en de wet van 30 maart 1995 betreffende de elektronische communicatienetwerken en -diensten en de uitoefening van omroepactiviteiten in het tweetalig gebied Brussel-Hoofdstad) en hun uitvoeringbesluiten alsook het koninklijk besluit van 18 mei 1994 betreffende elektromagnetische compatibiliteit. <W 2005-06-13/32, art. 158, 004; Inwerkingtreding : 30-06-2005> <W 2007-03-16/41, art. 60, 008; Inwerkingtreding : 15-04-2007>
  (Deze personeelsleden zijn eveneens belast met de vaststelling van inbreuken op de wet van 13 juni 2005 betreffende de elektronische communicatie, het Strafwetboek en de bijzondere wetten indien deze gepleegd worden door middel van apparatuur, elektronische communicatienetwerken of -diensten of radiocommunicatie in de zin van de voornoemde wet betreffende de elektronische communicatie.) <W 2005-06-13/32, art. 158, 004; Inwerkingtreding : 30-06-2005>
  ----------
  (1)<W 2014-03-27/35, art. 8, 016; Inwerkingtreding : 08-05-2014>

  Art. 25. § 1. In het kader van de controle op het gebruik van het spectrum, de bestrijding van storingen, de controle op de naleving van emissienormen, alsook de controle op de naleving van de wetgeving inzake elektromagnetische compatibiliteit en de conformiteit van apparatuur, kunnen de personeelsleden vermeld in artikel 24 in hun hoedanigheid van officier van gerechtelijke politie :
  1° ieder gebouw en aanhorigheid betreden tussen 5 uur 's morgens en 9 uur 's avonds, wanneer zulks voor de uitoefening van hun opdracht noodzakelijk is en met machtiging van de onderzoeksrechter indien het gaat om een woning;
  2° alle dienstige vaststellingen doen, zich documenten, stukken, boeken en voorwerpen die bij de opsporing en vaststelling nodig zijn, laten overleggen en die in beslag nemen;
  3° alle documenten, stukken, boeken en voorwerpen in beslag nemen, voorzover dit nodig is om aan de overtreding een einde te maken;
  4° alle inlichtingen verzamelen en alle geschreven of mondelinge verklaringen of getuigenissen afnemen;
  5° bijstand te verlenen in het kader van de uitvoering van de besluiten van het Instituut.
  Wanneer die daden de kenmerken van een huiszoeking dragen, mogen ze alleen met inachtneming van de artikelen 87 tot 90 van het Wetboek van strafvordering worden gesteld.
  § 2. In het kader van de controle op de naleving van de wetgeving inzake elektromagnetische compatibiliteit en de conformiteit van apparatuur kunnen de personeelsleden van het Instituut vermeld in artikel 24, overgaan tot het nemen van monsters en die laten onderzoeken. De Koning, op advies van het Instituut, bepaalt de nadere regels.
  § 3. Behoudens de gevallen vermeld in § 1 kunnen de personeelsleden vermeld in artikel 24 in hun hoedanigheid van officier van gerechtelijke politie alle vaststellingen doen, informatie inzamelen verklaringen opnemen, zich documenten, stukken, boeken, en voorwerpen doen vertonen en die in beslag nemen welke nodig zijn bij de opsporing of vaststelling of nodig zijn om aan de overtreding een einde te maken. Zij kunnen huiszoekingen of alle andere dienstige daden verrichten tot vaststelling van een inbreuk op de wetgeving waarop zij controle uitoefenen.
  Elke huiszoeking gebeurt met inachtneming van de bepalingen van het Wetboek van strafvordering.
  De instemming van de onderzoeksrechter is vereist voor een huiszoeking in :
  1° de woning van de ondernemingshoofden, bestuurders, zaakvoerders, directeurs en andere personeelsleden van de betrokken onderneming alsook in de woning en de lokalen die gebruikt worden voor professionele doeleinden van natuurlijke en rechtspersonen, intern of extern, belast met het commercieel, rekenplichtig, administratief, fiscaal en financieel beheer van die onderneming;
  2° de maatschappelijke of de exploitatiezetel van de betrokken onderneming.
  § 4. De processen-verbaal van de officieren van gerechtelijke politie zijn rechtsgeldig tot bewijs van het tegendeel.
  § 5. In de uitoefening van hun opsporingsopdrachten of bij de vaststelling van inbreuken, staan de officieren van gerechtelijke politie onder het toezicht van de procureur-generaal.
  § 6. De officieren van gerechtelijke politie kunnen voor de uitvoering van hun opdrachten een beroep doen op de openbare macht en beschikken over alle middelen die aan de agenten van de openbare macht worden toegekend.
  § 7. Onverminderd de bijzondere wetten die de geheimhouding van de verklaringen garanderen, zijn de openbare besturen gehouden hun bijstand te verlenen aan de officieren van gerechtelijke politie in de uitoefening van hun opdrachten.

  Onderafdeling 2. - Organisatie.

  Art. 26.Elk gewoon lid van de Raad staat aan het hoofd van ten minste één van de diensten van het Instituut. [1 De voorzitter mag eveneens aan het hoofd staan van één of meer diensten.]1
  De Koning stelt op voorstel van het Instituut het organigram ervan vast.
  De Koning stelt, op voorstel van het Instituut en na akkoord van de ministers van Ambtenarenzaken en Begroting, (het administratief statuut en) de personeelsformatie van het Instituut vast. <W 2006-07-20/39, art. 89, 1°, 006; Inwerkingtreding : 23-04-2003>
  (De Koning stelt, op voorstel van het Instituut en na akkoord van de minister van Begroting, het geldelijk statuut van het personeel van het Instituut vast.) <W 2006-07-20/39, art. 89, 2°, 006; Inwerkingtreding : 23-04-2003>
  ----------
  (1)<W 2011-05-31/02, art. 7, 014; Inwerkingtreding : 01-07-2011>

  Art. 26bis. <Ingevoegd bij W 2007-04-25/38, art. 159; Inwerkingtreding : 18-05-2007> § 1. De Koning bepaalt, bij een in Ministerraad overlegd besluit, de graden, die overeenstemmen met de gespecialiseerde functies, evenals de desbetreffende specifieke administratieve en geldelijke regelingen.
  In afwijking van het administratief en geldelijk statuut van het personeel van de instellingen van openbaar nut, kan het Instituut personeel aanwerven en tewerkstellen onder arbeidsovereenkomst onderworpen aan de wet van 3 juli 1978 betreffende de arbeidsovereenkomsten, met het oog op :
  1° de tegemoetkoming aan buitengewone en tijdelijke personeelsbehoeften, ten gevolge van de uitvoering van in de tijd beperkte projecten of een plotse toename in het werk;
  2° de uitvoering van taken die een kennis of ervaring op hoog niveau vereisen;
  3° de vervanging van statutaire of contractuele personeelsleden gedurende perioden van tijdelijke, gehele of gedeeltelijke afwezigheid;
  4° de uitvoering van bijkomende of bijzondere taken.
  § 2. De administratieve en geldelijke toestand van een statutair personeelslid van het Instituut kan nooit minder gunstig zijn dan deze van een met een gelijkwaardige graad bekleed personeelslid van de Regie voor telegrafie en telefonie op de dag voorafgaand aan deze waarop dit artikel in werking treedt.
  In deze paragraaf wordt met geldelijke toestand bedoeld al wat betrekking heeft op de beloning in brede zin, met name de wedde, het vakantiegeld, de toelagen, de vergoedingen, de premies en de sociale voordelen van alle aard.

  Onderafdeling 3. - Werking.

  Art. 27. De leden van het personeel van het Instituut mogen geen enkel belang hebben in de ondernemingen die actief zijn op de markt voor telecommunicatie en/of postdiensten, noch direct of indirect, bezoldigd of gratis, voor deze ondernemingen enige functie uitoefenen of enige dienst verlenen, en dit gedurende de volledige duur van de uitoefening van hun functie binnen het Instituut.

  Art. 28. De leden van het personeel van het Instituut zijn aan het beroepsgeheim onderworpen en mogen geen vertrouwelijke informatie aan derden meedelen waarvan zij kennis hebben gehad in het kader van de uitoefening van hun functie, buiten de in de wet bepaalde uitzonderingen.
  De verplichting waarvan sprake in het eerste lid hierboven blijft van toepassing na het aftreden van de leden van het personeel van het Instituut.

  HOOFDSTUK IV. - Financiering.

  Art. 29. Het Instituut geniet een autonoom financieel beheer. Alle werkingskosten worden gedragen door de inkomsten van het Instituut.

  Art. 30. <W 2006-07-20/39, art. 66, 006; Inwerkingtreding : 07-08-2006> § 1. De inkomsten van het Instituut omvatten :
  1° de in zijn voordeel gedane schenkingen en legaten;
  2° de toevallige inkomsten;
  3° alle andere wettelijke en reglementaire ontvangsten verbonden aan zijn werkzaamheden en de vergoedingen voor prestaties;
  4° het geheel van de rechten geïnd op basis van de titels III en IV van de wet van 21 maart 1991 (alsook het geheel van rechten geïnd op basis van de wet van 13 juni 2005 betreffende de elektronische communicatie en de wet van 30 maart 1995 betreffende de elektronische communicatienetwerken en -diensten en de uitoefening van omroepactiviteiten in het tweetalig gebied Brussel-Hoofdstad); <W 2007-03-16/41, art. 61, 008; Inwerkingtreding : 15-04-2007>
  5° de terugbetaling van de kosten verbonden aan het beheer van en het toezicht op de universele postdienst volgens de volgens de toepasselijke bepalingen van de wet van 21 maart 1991;
  6° de terugbetaling van de kosten verbonden aan het beheer en het toezicht op de universele telecommunicatiedienst volgens de toepasselijke bepalingen van de wet van 13 juni 2005 betreffende de elektronische communicatie. De administratieve bijdragen zoals bepaald in artikel 29 van voornoemde wet van 13 juni 2005, worden onder meer aangewend voor de dekking van de kosten waarvan sprake in dit lid.
  § 2. De terugbetaling van de investerings- en onderhoudskosten van de gegevensbank bedoeld in artikel 22, § 2, van de bijlage bij de wet van 13 juni 2005 betreffende de elektronische communicatie, wordt op de volgende manier verdeeld :
  a) 10 % van de investerings- en 20 % van de onderhoudskosten van de gegevensbank worden in gelijke delen toegerekend aan alle aanbieders van sociale tarieven;
  b) 40 % van de investerings- en de onderhoudskosten van de gegevensbank worden aan alle aanbieders van sociale tarieven toegerekend in verhouding tot het aantal van hun klanten op wie zij het sociale tarief toepassen;
  c) 40 % van de investerings- en de onderhoudskosten van de gegevensbank worden aan alle aanbieders van sociale tarieven toegerekend in verhouding tot hun daadwerkelijke gebruik van het systeem voor het beheer van het sociale element van de universele dienst;
  d) 10 % van de investeringskosten van de gegevensbank worden aan het Instituut toegerekend.
  § 3. Voor de toepassing van punt a) van de vorige paragraaf wordt geen rekening gehouden met de aanbieders van sociale tarieven die op de markt voor openbare telefonie een omzet hebben van minder dan 1 240 000 euro.
  Voor de toepassing van punt b) van de vorige paragraaf wordt het aandeel van de bijdrage die de betrokken aanbieder van sociale tarieven verschuldigd is, elke dag berekend op grond van het aantal klanten op wie hij die dag het sociale telefoontarief toepast.
  Voor de toepassing van punt c) van de vorige paragraaf houdt het Instituut rekening met het aantal gegevensopvragingen aan het systeem.
  § 4. Onverminderd § 2 zijn de kosten in verband met de eventuele installatie en het eventuele gebruik van een computersysteem van het type flux XML/batch voor het beheer van het sociale element van de universele dienst uitsluitend ten laste van de aanbieders van sociale tarieven die van die manier van beheer en verwerking van de informatie gebruik maken voor hun betrekkingen met de databank sociale tarieven.
  Voor de toepassing van het vorige lid worden de kosten onder de betrokken aanbieders verdeeld overeenkomstig § 2.
  § 5. Het Instituut publiceert de methode voor de berekening en de verdeling van de investerings- en onderhoudskosten van de in paragraaf 2 vermelde gegevensbanken en deelt de betrokken aanbieders het bedrag van hun respectievelijke bijdrage mee.
  Kosten aangaande investeringen en onderhoud met betrekking tot de in paragraaf 2 vermelde gegevensbanken die na 31 december 2006 plaatsvinden, kunnen op basis van dit artikel enkel worden teruggevorderd op voorwaarde dat de desbetreffende investeringen voorafgaandelijk goedgekeurd werden door de Koning, bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad.
  § 6. Onverminderd andere toepasselijke bepalingen worden de bedragen van de door het Instituut geïnde rechten vastgesteld bij koninklijk besluit na advies van het Instituut.
  Indien de in vorig lid vernoemde bestaande besluiten een algemene vergoeding voor de activiteiten van het Instituut vaststellen worden zij geacht door deze wet opgeheven te zijn wanneer zij niet bij wet zijn bekrachtigd binnen twaalf maanden na de inwerkingtreding van de wet van 20 juli 2006 houdende diverse bepalingen.
  De overige koninklijke besluiten die een algemene vergoeding vaststellen voor de activiteiten van het Instituut, worden met terugwerkende kracht opgeheven wanneer zij niet door de wet zijn bekrachtigd binnen twaalf maanden na hun inwerkingtreding.

  Art. 31. De bijdragen van de Belgische Staat binnen de nationale of internationale instanties of organisaties die verantwoordelijk zijn voor de telecommunicatiesector en die van de postdiensten, komen ten laste van het Instituut.

  Art. 31/1. [1 De menselijke, financiële en materiële middelen noodzakelijk voor de voorbereiding, de uitvoering en de evaluatie van het beleid inzake telecommunicatie en postdiensten worden overgedragen van het Instituut naar de Federale Overheidsdienst Economie, K.M.O., Middenstand en Energie. De Koning bepaalt, bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad, de wijze waarop deze overdracht plaatsvindt.]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij W 2009-12-23/04, art. 209, 011; Inwerkingtreding : 09-01-2010>

  Art. 32. § 1. Het Instituut staat het overschot van de inkomsten aan de Staat af indien die inkomsten groter zijn dan de werkingskosten van het Instituut.
  § 2. Het Instituut mag geen verbintenissen aangaan buiten de totale dekking van de werkingskosten.
  § 3. Het Instituut stelt de regels vast die ten grondslag liggen aan de berekeningswijze en de vaststelling van het maximumbedrag van :
  a) de dotaties in het rollend fonds;
  b) de speciale reserves en andere voorzieningen die nodig zijn wegens de aard van de activiteiten van het Instituut.
  De regels waarvan sprake in het eerste lid worden goedgekeurd door de Minister van Begroting.

  Art. 33. Het Instituut wordt gelijkgesteld met de Staat voor de toepassing van de wetten en verordeningen betreffende de directe belastingen, de taksen, de rechten en retributies van de Staat, de gewesten en de gemeenschappen, de provincies, de gemeenten en de agglomeraties van gemeenten of elke andere staatsrechtelijke entiteit.

  HOOFDSTUK V. - Controle.

  Art. 34.[1 [4 ...]4.
  [2 De Raad stelt binnen twaalf weken na de indiensttreding van zijn leden, en om de drie jaar, een strategisch driejarenplan op. [4 ...]4. Alle leden die de Raad uitmaken, stellen het [4 ...]4 strategisch plan voor aan de Kamer van volksvertegenwoordigers.]2
   De Raad stelt vervolgens een jaarlijks werkplan op dat in het strategisch plan past. Vooraleer het jaarlijkse plan op de website van het Instituut wordt gepubliceerd, wordt dit gedurende [4 minimaal]4 twee weken ter openbare raadpleging voorgelegd.
   De Raad bezorgt de regering een jaarverslag over zijn activiteiten en de evolutie van de markt van de postdiensten en de telecommunicatie. Dat jaarverslag bevat, onder andere, een financieel verslag en de jaarrekeningen van de fondsen voor de respectieve universele dienstverlening inzake post- en telecommunicatiediensten [3 en een verslag over het toezicht bedoeld in artikel 21]3. Het wordt aan het publiek ter beschikking gesteld [3 uiterlijk op 1 juni van het daaropvolgende jaar]3.
   Alle leden die de Raad uitmaken, worden elk jaar gehoord door de Kamer van volksvertegenwoordigers in de maand die volgt op de publicatie van het jaarlijkse activiteitenverslag.]1
  ----------
  (1)<W 2011-05-31/02, art. 8, 014; Inwerkingtreding : 01-07-2011>
  (2)<W 2012-07-10/04, art. 11, 015; Inwerkingtreding : 04-08-2012>
  (3)<W 2014-03-27/35, art. 9, 016; Inwerkingtreding : 08-05-2014>
  (4)<W 2015-03-16/12, art. 3, 017; Inwerkingtreding : 17-04-2015>

  Art. 35.§ 1. Het begrotingsontwerp van het Instituut wordt door de Raad opgemaakt en goedgekeurd door de Ministers van Begroting en van Financiën [1 en openbaar gemaakt door het Instituut]1.
  De begroting wordt aan de Kamer van volksvertegenwoordigers medegedeeld.
  § 2. De rekeningen van het Instituut worden door de Raad opgemaakt en door de Ministers van Begroting en Financiën goedgekeurd.
  § 3. Voor 31 mei van het jaar volgend op het betrokken boekjaar, deelt de Minister van Financiën de jaarrekening van het Instituut vergezeld van het activiteitenverslag voor controle mee aan het Rekenhof. Het Rekenhof kan zijn controle ter plaatse uitvoeren.
  ----------
  (1)<W 2012-07-10/04, art. 12, 015; Inwerkingtreding : 04-08-2012>

  Art. 36. De Minister van Begroting oefent volgens de nadere regels die door de Koning worden vastgesteld, een recht van controle uit op de besluiten van het Instituut die een financiële en budgettaire weerslag hebben.

  HOOFDSTUK VI. - Diverse bepalingen.

  Art. 37. § 1. De Koning kan, bij een in Ministerraad overlegd besluit, (vóór 31 december 2007), de bepalingen van deze wet opheffen, aanvullen, wijzigen of vervangen om alle noodzakelijke maatregelen te nemen ter uitvoering van de verplichtingen die voortvloeien uit de inwerkingtreding van richtlijnen van de Europese Unie. <W 2007-04-25/38, art. 163, 009; Inwerkingtreding : 18-05-2007>
  Het advies van de afdeling wetgeving van de Raad van State wordt gelijktijdig gepubliceerd met het verslag aan de Koning over het desbetreffende koninklijk besluit.
  § 2. Het koninklijk besluit genomen ter uitvoering van § 1 van dit artikel wordt opgeheven indien het niet bij wet bekrachtigd wordt binnen vijftien maanden die volgen op de bekendmaking ervan in het Belgisch Staatsblad.

  HOOFDSTUK VII. - Strafbepalingen.

  Art. 38. Met een boete van 1 tot 1.000 EUR wordt gestraft elke persoon die de verplichtingen die krachtens artikel 17, § 3, tweede lid, en artikel 27 op hem rusten, niet naleeft.
  Elke overtreding van de verplichtingen inzake beroepsgeheim bedoeld in de artikelen 23 en 28, wordt bestraft met de straffen van artikel 458 van het strafwetboek. De bepalingen van het eerste boek van het strafwetboek, hoofdstuk VII en artikel 85 niet uitgezonderd, zijn op die inbreuken van toepassing.
  De artikelen 269 tot 274 van het Strafwetboek zijn van toepassing op de officieren van gerechtelijke politie die in de uitvoering van hun functie handelen.
  Elke belemmering in de uitvoering van de opdrachten van de officieren van gerechtelijke politie van het Instituut stelt de schuldige bloot aan de sanctie van artikel 114, § 3, van de wet van 21 maart 1991.

  HOOFDSTUK VIII. - Wijzigings- en slotbepalingen.

  Art. 39. Artikel 14 van de wet van 30 juli 1979 wordt opgeheven.

  Art. 40. In de wet van 30 juli 1979 worden de volgende wijzigingen aangebracht :
  1° in artikel 3, § 1, worden de woorden " van de minister " vervangen door de woorden " van het Instituut ";
  2° in artikel 6, derde lid, worden de woorden " De minister " vervangen door de woorden " Het Instituut ";
  3° in artikel 8, gewijzigd bij de wet van 6 mei 1998, worden de woorden " De minister of zijn gemachtigde " vervangen door de woorden " Het Instituut " en de woorden " bij de minister of bij zijn gemachtigde " door de woorden " bij het Instituut ".

  Art. 41. De volgende artikelen van de wet van 21 maart 1991 worden opgeheven :
  1° artikel 71, tweede en derde lid;
  2° artikel 72;
  3° (...); <W 2003-04-08/33, art. 147, 002; Inwerkingtreding : 23-04-2003; NOTA : de wet W 2003-04-08/33, art. 147, beschikt dat artikel 41, eerste lid, 3° opgeheven wordt op de dag waarop het in artikel 17, § 2, van onderhavige wet W 2003-01-17/30 bedoelde koninklijk besluit in het Belgisch Staatsblad wordt bekendgemaakt. Dit besluit wordt beknopt vermeld in het B.S. van 23-04-2003, p. 21614-5, als in werking tredend "op de dag van publicatie"; Justel heeft aangenomen dat de beknopte vermelding van dat besluit als bekendmaking geldt.>
  4° artikel 74, gewijzigd bij de wet van 10 november 1993;
  5° artikel 75, gewijzigd bij de wetten van 19 december 1997 en 3 juli 2000;
  6° artikel 76;
  7° artikel 77;
  8° artikel 78, gewijzigd bij de wetten van 12 december 1994, 19 december 1997 en 9 juni 1999;
  9° artikel 79;
  10° artikel 79bis, ingevoegd bij de wet van 19 december 1997;
  11° artikel 79ter, ingevoegd bij de wet van 19 december 1997 en gewijzigd bij het koninklijk besluit van 4 maart 1999 en de wet van 2 januari 2001;
  12° artikel 109quater, vervangen bij de wet van 19 december 1997 en gewijzigd bij het koninklijk besluit van 4 maart 1999;
  13° artikel 110, gewijzigd bij de wet van 19 december 1997;
  14° artikel 115, gewijzigd bij de wet van 19 december 1997;
  15° artikel 116;
  16° artikel 120, vervangen bij de wet van 19 december 1997;
  17° artikel 127;
  18° artikel 133, vierde lid, 2°;
  19° artikel 133, vijfde lid, gewijzigd bij het koninklijk besluit van 9 juni 1999;
  20° artikel 136, vervangen bij de wet van 19 december 1997;
  21° artikel 137, ingevoegd bij de wet van 19 december 1997;
  22° artikel 144duodecies, § 1, ingevoegd bij het koninklijk besluit van 9 juni 1999 en gewijzigd bij de wet van 2 augustus 2002;
  23° artikel 144duodecies, § 2, eerste lid, gewijzigd bij het koninklijk besluit van 13 juli 2001.
  De artikelen 80 en 81 van de wet van 21 maart 1991, gewijzigd bij de wet van 19 december 1997, worden opgeheven de dag waarop het besluit bedoeld in artikel 3, § 2, eerste lid, in het Belgisch Staatsblad wordt bekendgemaakt.
  De volgende artikelen van de wet van 21 maart 1991 worden opgeheven de dag waarop het besluit bedoeld in artikel 8, § 2, eerste lid, in het Belgisch Staatsblad wordt bekendgemaakt :
  1° artikel 138;
  2° artikel 139, gewijzigd bij het koninklijk besluit van 6 juni 1999.

  Art. 42. In de wet van 21 maart 1991 worden de volgende wijzigingen aangebracht :
  1° in artikel 43bis, § 1, 1°, ingevoegd bij de wet van 19 december 1997, worden de woorden " van de minister bevoegd voor telecommunicatie " vervangen door de woorden " van het Instituut ";
  2° in artikel 83, § 2 vervallen de woorden " , op voorstel van het Instituut en ";
  3° in de artikelen 84, § 3, tweede lid, vervangen bij de wet van 19 december 1997, en 86ter, § 2, tweede lid, ingevoegd bij de wet van 19 december 1997, vervallen de woorden " , op advies van het Instituut ";
  4° in artikel 86, § 2, 3°, vervangen bij de wet van 19 december 1997, vervallen de woorden " op advies van het Instituut en ";
  5° in artikel 86ter, § 2, derde lid, ingevoegd bij de wet van 19 december 1997, vervallen de woorden " en op advies van het Instituut ";
  6° in artikel 87, § 1, vervangen bij de wet van 19 december 1997 en gewijzigd bij de wet van 21 december 1999, worden de woorden " van de minister op voorstel van het Instituut " vervangen door de woorden " van het Instituut ";
  7° in artikel 87, § 2, vervangen bij de wet van 19 december 1997 en gewijzigd bij de koninklijke besluiten van 4 maart 1999 en van 21 december 1999, worden de woorden " van de minister, na advies van het Instituut " vervangen door de woorden " van het Instituut ";
  8° in artikel 89, § 4, vervangen bij de wet van 19 december 1997, worden de woorden " de minister " vervangen door de woorden " het Instituut " en vervallen de woorden " , op advies van het Instituut, ";
  9° in de artikelen 90bis, ingevoegd bij de wet van 19 december 1997, 92, vervangen bij de wet van 19 december 1997 en gewijzigd bij het koninklijk besluit van 4 maart 1999, en 105decies B worden de woorden " Raadgevend Comité " vervangen door de woorden " Raadgevend Comité voor de telecommunicatie ";
  10° in artikel 92bis, § 1 eerste lid, vervangen bij de wet van 19 december 1997 en gewijzigd bij het koninklijk besluit van 21 december 1999, worden de woorden " door de minister, op voorstel van het Instituut " vervangen door de woorden " door het Instituut ";
  11° in artikel 92bis, § 1, tweede lid, vervangen bij de wet van 19 december 1997, worden de woorden " de minister individuele vergunningen toekent " vervangen door de woorden " het Instituut individuele vergunningen toekent ";
  12° in artikel 92bis, § 1, vijfde lid, vervangen bij de wet van 19 december 1997, worden de woorden " door de minister " vervangen door de woorden " door het Instituut ";
  13° het opschrift van Hoofdstuk X wordt vervangen als volgt : " HOOFDSTUK X Operatoren met een sterke marktpositie, kostenbasering en interconnectie. ";
  14° in artikel 109ter, § 2, ingevoegd bij de wet van 20 december 1995 en vervangen bij de wet van 19 december 1997, vervallen de woorden " en in het jaarverslag, bedoeld in artikel 75, § 7, van deze wet ";
  15° in artikel 144duodecies, § 2, worden het tweede lid, ingevoegd bij het koninklijk besluit van 9 juni 1999, en het derde lid, ingevoegd bij het koninklijk besluit van 9 juni 1999 en gewijzigd bij het koninklijk besluit van 13 juli 2001, als volgt vervangen :
  " Onverminderd artikel 21, § 2, van de wet van 17 januari 2003 met betrekking tot het statuut van de regulator van de Belgische post- en telecommunicatiesector kan het Instituut bovendien naar gelang van het geval de individuele vergunning intrekken en/of de postoperator schrappen van de lijst waarvan sprake in artikel 148ter.
  Het Instituut legt, na waarschuwing en ingebrekestelling, een administratieve boete van minimaal 250 EUR en maximaal 2.500 EUR op aan eenieder die op herhaalde wijze een verbintenis aangaat met een postoperator die niet of niet meer op de lijst voorkomt die in het Belgisch Staatsblad bekendgemaakt wordt overeenkomstig artikel 148ter of artikel 148sexies ";
  16° artikel 144duodecies, § 3, ingevoegd bij het koninklijk besluit van 9 juni 1999, wordt vervangen als volgt :
  " In afwijking van artikel 21, § 2, van de wet van 17 januari 2003 met betrekking tot het statuut van de regulator van de Belgische post- en telecommunicatiesector, zal het Instituut in geval van een gebrekkige uitvoering van de in afdeling III van hoofdstuk V van Titel IV vastgestelde universele dienstverplichtingen door de leverancier van de universele dienst, op het einde van elk kalenderjaar de leverancier van de universele dienst voor elke soort van tekortkoming de betaling kunnen opleggen van een schadevergoeding die niet meer mag bedragen dan in totaal 1 % van de omzet die inzake universele dienstverlening is behaald.
  Het Instituut kan dezelfde maatregel opleggen indien de oorzaak ingeroepen in artikel 142, § 3, vierde streepje, niet kan worden gekwalificeerd als overmacht;
  17° artikel 144duodecies, § 4, ingevoegd bij het koninklijk besluit van 9 juni 1999, wordt vervangen als volgt :
  " In de gevallen waarin § 3 voorziet, is de procedure van artikel 21, § 1, van de wet van 17 januari 2003 met betrekking tot het statuut van de regulator van de Belgische post- en telecommunicatiesector van toepassing.

  Art. 43. In artikel 1, A, van de wet van 16 maart 1954 betreffende de controle op sommige instellingen van openbaar nut, vervallen de woorden " Belgisch Instituut voor postdiensten en telecommunicatie ".

  Art. 44. De artikelen 1 en 2, 13 tot 44 treden in werking de dag waarop het besluit bedoeld in artikel 17, § 2, in het Belgisch Staatsblad wordt bekendgemaakt.
  De artikelen 3 tot 7 treden in werking de dag waarop het koninklijk besluit bedoeld in artikel 3, § 2, eerste lid, in het Belgisch Staatsblad wordt bekendgemaakt.
  De artikelen 8 tot 12 treden in werking de dag waarop het koninklijk besluit bedoeld in artikel 8, § 2, eerste lid, in het Belgisch Staatsblad wordt bekendgemaakt.
  
  (NOTA : Inwerkingtreding van artikelen 1 en 2, 13 tot 44 vastgesteld op 23-04-2003 door VARIA 2003-04-23/41; zie B.S. 23-04-2003, p. 21614.
  Inwerkingtreding voor de artikelen 3 tot 7, bedoeld in lid 2 vastgesteld op 03-07-2006 (KB 2006-06-14/34)
  Nog geen inwerkingtreding voor de artikelen 8 tot 12 bedoeld in lid 3.)

  

Handtekening Tekst Inhoudstafel Begin
   Kondigen deze bepaling af, bevelen dat zij met s Lands zegel zal worden bekleed en door het Belgisch Staatsblad zal worden bekendgemaakt.
Gegeven te Brussel, 17 januari 2003.
ALBERT
Van Koningswege :
Minister van Telecommunicatie en Overheidsbedrijven en Participaties, belast met Middenstand,
R. DAEMS
Met 's Lands zegel gezegeld :
De Minister van Justitie,
M. VERWILGHEN.

Aanhef Tekst Inhoudstafel Begin
   ALBERT II, Koning der Belgen,
   Aan allen die nu zijn en hierna wezen zullen, Onze Groet.
   De Kamers hebben aangenomen en Wij bekrachtigen hetgeen volgt :
Erratum Tekst Begin

BEELD
2003014154
PUBLICATIE :
2003-06-04
bladzijde : 30428

Errata



Wijziging(en) Tekst Inhoudstafel Begin
BEELD
  • WET VAN 18-04-2017 GEPUBL. OP 24-04-2017
    (GEWIJZIGD ART. : 14)
  • BEELD
  • WET VAN 04-03-2016 GEPUBL. OP 29-03-2016
    (GEWIJZIGD ART. : 21)
  • BEELD
  • WET VAN 16-03-2015 GEPUBL. OP 07-04-2015
    (GEWIJZIGDE ART. : 15; 34)
  • BEELD
  • WET VAN 27-03-2014 GEPUBL. OP 28-04-2014
    (GEWIJZIGDE ART. : 14; 16; 17; 21; 22; 23; 24; 34)
  • BEELD
  • WET VAN 10-07-2012 GEPUBL. OP 25-07-2012
    (GEWIJZIGDE ART. : 1/1; 2; 4/1)
  • BEELD
  • WET VAN 10-07-2012 GEPUBL. OP 25-07-2012
    (GEWIJZIGDE ART. : 1/1; 14; 15; 16; 20; 21; 21/1; 23; 34; 35)
  • BEELD
  • WET VAN 10-07-2012 GEPUBL. OP 25-07-2012
    (GEWIJZIGD ART. : 17) Inwerkingtreding nader te bepalen
  • BEELD
  • WET VAN 31-05-2011 GEPUBL. OP 21-06-2011
    (GEWIJZIGDE ART. : 4; 9; 14; 17; 22; 26; 34)
  • BEELD
  • WET VAN 13-12-2010 GEPUBL. OP 31-12-2010
    (GEWIJZIGDE ART. : 14; 21)
  • BEELD
  • WET VAN 30-12-2009 GEPUBL. OP 31-12-2009
    (GEWIJZIGD ART. : 17)
  • BEELD
  • WET VAN 23-12-2009 GEPUBL. OP 30-12-2009
    (GEWIJZIGD ART. : 31/1)
  • BEELD
  • WET VAN 18-05-2009 GEPUBL. OP 04-06-2009
    (GEWIJZIGDE ART. : 14; 17; 20; 21; 21/1; 23)
  • BEELD
  • WET VAN 25-04-2007 GEPUBL. OP 08-05-2007
    (GEWIJZIGDE ART. : 26BIS; 2; 21; 37)
  • BEELD
  • WET VAN 16-03-2007 GEPUBL. OP 05-04-2007
    (GEWIJZIGDE ART. : 14; 24; 30)
  • BEELD
  • WET VAN 21-12-2006 GEPUBL. OP 23-01-2007
    (GEWIJZIGD ART. : 8)
  • BEELD
  • WET VAN 20-07-2006 GEPUBL. OP 28-07-2006
    (GEWIJZIGDE ART. : 30; 26)
  • BEELD
  • WET VAN 20-07-2005 GEPUBL. OP 29-07-2005
    (GEWIJZIGD ART. : 14)
  • BEELD
  • WET VAN 13-06-2005 GEPUBL. OP 20-06-2005
    (GEWIJZIGDE ART. : 14; 24)
  • BEELD
  • ARREST ARBITRAGEHOF VAN 14-07-2004 GEPUBL. OP 30-07-2004
    (GEWIJZIGD ART. : 14)
  • BEELD
  • WET VAN 22-12-2003 GEPUBL. OP 31-12-2003
    (GEWIJZIGDE ART. : 37; 14; 30)
  • BEELD
  • WET VAN 08-04-2003 GEPUBL. OP 17-04-2003
    (GEWIJZIGD ART. : 41)

  • Parlementaire werkzaamheden Tekst Inhoudstafel Begin
       Kamer van volksvertegenwoordigers. Parlementaire Stukken. 50 2192 / (2002/2003) : 001 : Tekst aangenomen in plenaire vergadering en overgezonden aan de Senaat. Parlementaire Handelingen. Bespreking en aanneming. [Vergaderingen van 10 en 13 december 2002]. Senaat. Parlementaire Stukken. 2-1393 - 2002/2003 : 001 : Ontwerp geëvoceerd door de Senaat. 002 : Amendementen. 003 : Verslag. 004 : Amendementen 005 : Beslissing om niet te amenderen. 006 : Tekst aangenomen in plenaire vergadering en aan de Koning ter bekrachtiging voorgelegd. Parlementaire Handelingen. Bespreking en aanneming. [Vergaderingen van 20 en 23 december].

    Begin Eerste woord Laatste woord Wijziging(en) Aanhef
    Parlementaire werkzaamheden Inhoudstafel 41 uitvoeringbesluiten 17 gearchiveerde versies
    Erratum Franstalige versie