J U S T E L     -     Geconsolideerde wetgeving
Einde Eerste woord Laatste woord Wijziging(en) Aanhef
Inhoudstafel 1 uitvoeringbesluit 1 gearchiveerde versie
Einde Franstalige versie
 
belgiëlex . be     -     Kruispuntbank Wetgeving
Raad van State
ELI - Navigatie systeem via een Europese identificatiecode voor wetgeving
http://www.ejustice.just.fgov.be/eli/besluit/2002/11/28/2002031605/justel

Titel
28 NOVEMBER 2002. - Besluit van de Brusselse Hoofdstedelijke Regering betreffende de verwijdering van dierlijk afval en betreffende de inrichtingen voor de verwerking van dierlijk afval.
(NOTA : Raadpleging van vroegere versies vanaf 19-12-2002 en tekstbijwerking tot 16-05-2003)

Bron : BRUSSELS HOOFDSTEDELIJK GEWEST
Publicatie : 19-12-2002 nummer :   2002031605 bladzijde : 57296       PDF :   originele versie    
Dossiernummer : 2002-11-28/38
Inwerkingtreding : 19-02-2003 A29

Inhoudstafel Tekst Begin
HOOFDSTUK I. - Algemeenheden.
Art. 1-5
HOOFDSTUK II. - Afvalbeheer door de producerende inrichting.
Art. 6-14
HOOFDSTUK III. - Traceerbaarheid van het dierlijk afval.
Art. 15, 16a, 16b, 16c, 16d, 17
HOOFDSTUK IV. - Verwijdering van het dierlijk afval.
Art. 18-20
HOOFDSTUK V. - Controle en inspectie.
Art. 21-22
HOOFDSTUK VI. - Afwijkingen.
Art. 23-24
HOOFDSTUK VII. - In- en uitvoer.
Art. 25
HOOFDSTUK VIII. - Exploitatie van de verwerkingsinrichtingen.
Art. 26-28
HOOFDSTUK IX. - Opheffings- en slotbepalingen.
Art. 29-32
BIJLAGEN.
Art. N1-N6

Tekst Inhoudstafel Begin
HOOFDSTUK I. - Algemeenheden.

  Artikel 1. Met dit besluit wordt de omzetting in het intern recht uitgevoerd van de bepalingen van richtlijn 90/667/CEE van de Raad van 27 november 1990 tot vaststelling van gezondheidsvoorschriften voor de verwijdering en verwerking van dierlijke afvallen, voor het in de handel brengen van dierlijke afvallen en ter voorkoming van de aanwezigheid van ziekteverwekkers in diervoeders van dierlijke oorsprong (vissen daaronder begrepen) en tot wijziging van richtlijn 90/425/CEE.
  Met dit besluit wordt tevens uitvoering gegeven aan de volgende beschikkingen :
  1° beschikking 1999/534/CE van de Raad van 19 juli 1999 betreffende op de verwerking van bepaalde dierlijke afvallen toepasselijke maatregelen ter bescherming tegen overdraagbare spongiforme encefalopathieën en tot wijziging van beschikking 97/735/CE van de Commissie;
  2° beschikking 2000/418/CE van de Commissie van 29 juni 2000 houdende vaststelling van voorschriften inzake het gebruik van materiaal dat risico's inhoudt ten aanzien van overdraagbare spongiforme encefalopathieën en tot wijziging van beschikking 94/474/CE, zoals gewijzigd bij beschikking 2001/2/CE van de Commissie van 27 december 2000;
  3° beschikking 2000/764/CE van de Commissie van 29 november 2000 betreffende het testen van runderen op boviene spongiforme encefalopathieën en tot wijziging van beschikking 98/272/EG inzake epizoötiebewaking ten aanzien van overdraagbare spongiforme encefalopathieën, zoals gewijzigd bij beschikking 2001/8/CE van de Commissie van 29 december 2000;
  4° beschikking 2001/25/CE van de Commissie van 27 december 2000 houdende een verbod op het gebruik van bepaalde dierlijke bijproducten in diervoeders.

  Art. 2. Voor de toepassing van dit besluit wordt verstaan onder :
  1° dierlijk afval : krengen, karkassen, delen van dieren of vissen of producten van dierlijke oorsprong die niet voor rechtstreekse menselijke consumptie bestemd zijn, met inbegrip van het onvoldoende behandelde meel dat niet voldoet aan de voorschriften van dit besluit, het te vernietigen meel, onder meer om redenen van volksgezondheid. Uitwerpselen, keukenafval en etensresten, gebruikt frituurvet en slib uit afscheiders en oliefilters zijn geen dierlijk afval voor de toepassing van dit besluit;
  2° laag-risico afval : dierlijk afval dat geen ernstig gevaar inhoudt voor verspreiding van op mens of dier overdraagbare ziekten en dat in bijlage I, hoofdstuk 1, bij dit besluit is opgenomen;
  3° gespecificeerd risicomateriaal : al de weefsels en organen die door de bevoegde veterinaire overheden worden beschouwd als mogelijke risicodragers voor de verspreiding van overdraagbare spongiforme encefalopathieën en die in Bijlage I, hoofdstuk II, van dit besluit zijn opgenomen evenals al de weefsels en organen die als dusdanig worden bepaald door de verordening (EG) 999/2001 van het Europees Parlement en de Raad van 22 mei 2001 houdende vaststelling van voorschriften inzake preventie, bestrijding en uitroeiing van bepaalde overdraagbare spongiforme encefalopathieën of door eender welke andere akte die deze bepaling wijzigt of vervangt;
  4° hoog-risico afval : al het dierlijk afval dat een ernstig gevaar inhoudt of waarvan wordt vermoed dat het een ernstig gevaar inhoudt voor de gezondheid van mens of dier, en die niet behoren tot het laag-risico afval noch tot het gespecificeerd risicomateriaal;
  5° verwerkingsinrichting : inrichting waarin het dierlijk afval een behandeling ondergaat waardoor de ziektekiemen worden vernietigd;
  6° dieren die voor wetenschappelijke proeven worden gebruikt : de dieren bepaald door artikel 2 d) van richtlijn 86/609/CEE van de Raad of door eender welke andere akte die deze bepaling wijzigt of vervangt;
  7° gezelschapsdieren : de dieren behorend tot een soort die in het algemeen wordt gevoed en gehouden voor andere doeleinden dan de kweek, maar die niet door de mens worden verbruikt;
  8° overdraagbare spongiforme encefalopathieën : al de overdraagbare spongiforme encefalopathieën met uitzondering van deze die de mens treffen;
  9° meststoffen : elke stof die producten van dierlijke oorsprong bevat en die op de bodem wordt uitgestrooid om de plantengroei te bevorderen en waarin fermentatieresten kunnen zitten voortkomend van de productie van biomethaan of van compostering;
  10° producent van dierlijk afval : elke exploitant van een inrichting waar dierlijk afval wordt geproduceerd en elke exploitant van een aan de grens gelegen inspectiepost;
  11° kleine producenten : de detailhandelaars die dierlijk afval produceren, zoals bedoeld in de koninklijke besluiten van 12 december 1955 betreffende de vleeswinkels en de daarbij behorende bereidingswerkplaatsen, van 30 april 1976 betreffende de keuring van en de handel in vis en van 7 februari 1997 inzake de algemene voedingsmiddelhygiëne of in eender welke andere akte die deze bepaling wijzigt of vervangt, alsook elke exploitant van een inrichting die occasioneel dierlijk afval produceert, bijvoorbeeld een dierenwinkel, een kinder- of schoolboerderij, een detailhandel in voedingswaren;
  12° afvalbeheerders : de personen bedoeld door artikel 1, 3°, van het besluit van de Brusselse Hoofdstedelijke Regering van 30 januari 1997 betreffende het afvalregister;
  13° minister : de minister belast met het milieubeleid;
  14° Instituut : het Brussels Instituut voor Milieubeheer;
  15° veterinaire diensten : het Federaal Agentschap voor de Veiligheid van de Voedselketen.

  Art. 3. Dit besluit regelt het opslaan, ophalen, vervoeren en verwijderen van dierlijk afval, onverminderd :
  1° de federale veterinaire wetgeving die van toepassing is inzake uitroeiing en controle van bepaalde ziekten en inzake het gebruik van keukenafval en etensresten;
  2° de federale sanitaire regelgeving inzake de productie van samengestelde dierenvoeding waarin plantaardige en dierlijke producten voorkomen en van dierenvoeding waarin enkel plantaardige stoffen voorkomen;
  3° de federale sanitaire regelgeving inzake de productie van andere dierenvoeding dan deze bedoeld onder b);
  4° de federale sanitaire regelgeving inzake de productie van voeding voor menselijke consumptie;
  5° de specifieke federale bepalingen voor cosmeticaproducten, geneesmiddelen, geneeskundige voorzieningen en de grondstoffen en tussenproducten daarvan.

  Art. 4. De verantwoordelijke voor de verwijdering van dierlijk afval is de producent van dierlijk afval of, in voorkomend geval, de invoerder van of de handelaar in de producten van dierlijke oorsprong die de bron van het afval vormen; bij ontstentenis is de verantwoordelijke voor het verwijderen van dierlijk afval de houder van dierlijk afval.

  Art. 5. Elk vermenging van dierlijk afval van verschillende risicocategorieën stelt het volledige afvalmengsel gelijk met de hoogste risicocategorie van het erin aanwezige afval, conform de volgende stijgende risicohiërarchie : laag risico, hoog risico, gespecificeerd risicomateriaal. Het afvalmengsel moet verhandeld en verwijderd worden onder dezelfde voorwaarden als het erin aanwezige afval met het hoogste risico.

  HOOFDSTUK II. - Afvalbeheer door de producerende inrichting.

  Art. 6. Elke afvalcategorie moet worden verhandeld en/of verpakt in een houder waarop een kleurcode werd aangebracht die het identificeren van de afvalcategorie mogelijk maakt. De gele kleur is voorbehouden voor de identificatie van gespecificeerd risicomateriaal.
  De ophaalbakken voor gespecificeerd risicomateriaal dragen de vermelding " Matériel à risque spécifié - Gespecificeerd risicomateriaal " in grote letters van minstens 15 cm hoog. Ophaalbakken voor gespecificeerd risicomateriaal mogen, zelfs na ontsmetting, niet voor andere doeleinden worden gebruikt.
  De ophaalbakken voor hoog-risico afval dragen de vermelding " Déchets à haut risque - Hoog-risico afval " in grote letters van minstens 15 cm hoog. Deze bakken mogen voor geen enkel ander doel worden gebruikt.
  De ophaalbakken voor laag-risico afval dragen de vermelding " Non destiné à la consommation humaine - Niet geschikt voor menselijke consumptie " in letters van minstens 2 cm hoog. Deze bakken mogen voor geen enkel ander doel worden gebruikt.
  Elke bak moet de naam en de adresgegevens van de producerende inrichting dragen. Als het afval niet in bulk wordt opgehaald, moeten ook de naam en de adresgegevens van de bestemmeling op de etiketten vermeld zijn.
  De bakken moeten handelbaar, vloeistofdicht, gemakkelijk laadbaar, reinigbaar en ontsmetbaar zijn.

  Art. 7. Onverminderd de instructies van de veterinaire overheden, worden het gespecificeerd risicomateriaal en het hoog-risico afval zo snel mogelijk en zo dicht mogelijk bij hun productieplaats gedenatureerd.
  Als de producent van dierlijk afval vanwege de veterinaire diensten toelating kreeg om een welbepaald afval niet te denatureren en om het afval in een verzegelde container te verpakken, moet hij het nummer van het zegel vermelden op het " borderel voor de verwijdering van dierlijk afval " bedoeld in artikel 16 van dit besluit.

  Art. 8. De producent van dierlijk afval moet het afval of de afzonderlijke afvalloten kunnen terugvinden die werden besmet door een dier dat ongeschikt voor consumptie door de mens, schadelijk, verdacht van of besmet met een overdraagbare spongiforme encefalopathie zou zijn verklaard of erkend, bijvoorbeeld dankzij het eigen documentatiesysteem van zijn inrichting.

  Art. 9. De toestellen waarmee de containers voor dierlijk afval worden verplaatst en vervoerd moeten handelbaar, vloeistofdicht, gemakkelijk laadbaar, reinigbaar en ontsmetbaar zijn.
  De opslag van dierlijk afval buiten de gebouwen is verboden.
  Bij verplaatsingen van het afval moet elk risico van besmetting van de propere sector van de inrichting door de vuile sector worden vermeden.

  Art. 10. De lokalen voor de opslag van dierlijk afval zijn uitsluitend voor dat doel voorbehouden. Ze moeten op slot zijn, gemakkelijk reinigbaar zijn, voor publiek verboden zijn en gemakkelijk bereikbaar blijven voor de ophaalvoertuigen.
  De opslag van afval in de open lucht is verboden.
  In slachthuizen is het opslaglokaal steeds een koelruimte, om het risico van geurhinder te beperken.
  Bovendien moet het gespecificeerd risicomateriaal worden samengebracht in een speciaal ingericht lokaal dat uitsluitend voor de opslag van gespecificeerd risicomateriaal wordt gebruikt.
  Het laag-risico afval moet eveneens worden opgeslagen in een ander lokaal dan dat voorbehouden voor het hoog-risico afval of voor het gespecificeerd risicomateriaal.
  In de milieuvergunningen van kleine producenten kunnen afwijkingen van de vorige leden worden toegestaan. Er kan evenwel geen enkele afwijking worden toegestaan wat betreft de beginselen van de scheiding van de afvalstoffen op grond van het risico dat zij vertegenwoordigen en de ontoegankelijkheid voor het publiek.

  Art. 11. De kleine producenten die gespecificeerd risicomateriaal produceren moeten het totale dierlijk afval dat ze produceren als gespecificeerd risicomateriaal behandelen en de voor dat type van afval relevante bepalingen uit dit besluit toepassen.
  Bij het afgeven van milieuvergunningen kunnen er afwijkingen worden toegestaan op de bepalingen van artikel 13 van dit besluit.

  Art. 12. Al de producenten van dierlijk afval moeten een schriftelijke overeenkomst sluiten met een geregistreerde vervoerder of ophaler van dierlijk afval. In deze overeenkomst moet de frequentie van het ophalen van dierlijk afval vermeld staan. Het ophalen moet minsten één maal per week worden uitgevoerd.
  De producenten die alleen maar occasioneel dierlijk afval produceren moeten, binnen de vierentwintig uren volgend op de productie, aan de ophaler of vervoerder de hoeveelheid van elke categorie te verwijderen afval mededelen door middel van het toesturen van een fax of mailbericht met kopie van het in artikel 16 bedoelde borderel voor de verwijdering van dierlijk afval.

  Art. 13. Al de producenten van dierlijk afval moeten een processchema en de definities van de diverse geproduceerde afvalcategorieën bijhouden en bijwerken.
  Dit schema moet het volgende vermelden :
  1° de lokalisatie van de productie van de diverse afvalcategorieën en van de producten die dezelfde aard als het afval hebben;
  2° de soorten containers die voor het afval zijn voorzien en de kleurencode ervan;
  3° de afvalverplaatsingen binnen de inrichting;
  4° de plaatsen voor het opslaan, wegen en ophalen van het afval, met inbegrip van slib, bloed, roostergoed, uitwerpselen, vaste en vloeibare mest en ander procesafval.
  Het schema moet de identificatie mogelijk maken van de maatregelen die door de producent van dierlijk afval werden getroffen om de afvalstroom blijvend te scheiden van het productencircuit, in het bijzonder het afval dat gespecificeerd risicomateriaal zou kunnen bevatten.
  Het schema en de definities maken integraal deel uit van het register van de verwijdering van dierlijk afval zoals bedoeld in artikel 16, lid 7.

  Art. 14. Al de producenten van dierlijk afval moeten de nodige gegevens voor de controle op de stromen van dierlijk afval vrij toegankelijk houden voor de personeelsleden van het Instituut.

  HOOFDSTUK III. - Traceerbaarheid van het dierlijk afval.

  Art. 15. Al het dierlijk afval moet traceerbaar zijn om de milieudoelstellingen te laten overeenstemmen met de doelstellingen inzake volksgezondheid.
  Met uitzondering van de producenten van dierlijk afval, moeten al de beheerders van dierlijk afval zich laten registreren. Het model van registratieformulier is gedefinieerd in bijlage II bij dit besluit. Een beroep doen op niet geregistreerde onderaannemers is verboden.

  Art. 16a. <inséré par AM 2003-03-20/44, art. 1; Inwerkingtreding : 16-05-2003> § 1. Bij elk vervoer van dierlijk afval moet men een borderel voor verwijdering van dierlijk afval of " borderel voor de traceerbaarheid van dierlijk afval " kunnen voorleggen waarvan het model, naargelang de bestemming van het dierlijk afval, voorkomt in bijlage IIIa, IIIb, V of VI bij dit besluit.
  Deze documenten bevatten informatie omtrent de herkomst, de aard, de hoeveelheid, de bestemming, de verzameling, het gebruik of de verwerking van het afval.
  § 2. Voor elke verwijdering wordt een apart borderel opgemaakt. Elk borderel bestaat uit één enkele vel. Het wordt opgesteld overeenkomstig de wetten op het gebruik van talen in bestuurszaken. De verschillende modellen van borderellen zijn voorgedrukt op doorslagpapier en bestaan uit drie exemplaren :
  - het origineel exemplaar dat het afval op zijn weg naar de eerste verwerkingsinrichting vergezelt;
  - een kopie voor de ophaler;
  - een kopie voor de producerende inrichting.
  § 3. Elke verantwoordelijke vult de voor hem bestemde rubriek in en bewaart gedurende ten minste drie jaar een kopie die hij op elk verzoek van het Instituut moet kunnen voorleggen.
  § 4. Ter identificatie van de producerende inrichting en het te verwijderen dierlijk afval vult de producent de rubrieken 1 en 3 van het borderel in.
  De hoeveelheid van elk soort afval waaruit het op te halen lot bestaat, dient op de overeenstemmende lijn van rubriek 3 van het borderel te worden aangegeven in kg na een daadwerkelijke weging. Bovendien moet telkens als het afval geïndividualiseerd kan worden, het aantal eenheden dat samen het op te halen lot vormt, worden vermeld.
  Een afzonderlijk borderel wordt opgemaakt voor elk dier, karkas, levensmiddel of lot daarvan dat in beslag is genomen en waarvoor een proces-verbaal is opgesteld.
  § 5. Bij de ontvangst van het afval weegt de bestemmeling het afval om te controleren of het totale gewicht van het afval dat vermeld staat op de diverse borderellen overeenstemt met het bij de ontvangst gemeten gewicht.
  § 6. Aan de in artikel 12, lid 2, bedoelde mededelingsplicht wordt voldaan door het toesturen per fax van een kopie van de volledig ingevulde luiken door de producent (rubriek 1 tot 4) van het borderel.
  § 7. Bij de ophaling van het afval vult de gemachtigde van de ophaler rubriek 5 van het document in.
  § 8. Het origineel evenals de kopie bestemd voor de ophaler vergezellen het vervoer van het afval tot aan de inrichting waar het afval wordt verzameld, verwerkt of gebruikt, terwijl een kopie bij de producent blijft die deze gedurende ten minste drie jaar ter beschikking van het Instituut houdt.
  De producent van dierlijk afval bewaart de diverse luiken chronologisch gerangschikt in zijn register voor de verwijdering van afval.

  Art. 16b. <ingevoegd bij MB 2003-03-20/44, art. 1; Inwerkingtreding : 16-05-2003> § 1. Voor het dierlijk afval waarvan de traceerbaarheid wordt verzekerd door middel van de borderellen waarvan de modellen als bijlage IIIa en IIIb hierbij zijn gevoegd, bewaart de verantwoordelijke van de verzamel-, verwerkings- of gebruiksinrichting gedurende ten minste drie jaar het origineel exemplaar van het document.
  Op de factuur van de ophaling, gericht aan de producent van het afval, vermeldt hij formeel en eenduidig het referentienummer van de desbetreffende traceerbaarheidsborderellen evenals de categorie, de aard en de hoeveelheid van het betreffende afval.
  Bovendien moet de factuur in extenso de volgende tekst bevatten : " De verantwoordelijke van de inrichting die een erkenning of een registratie heeft voor de ophaling of het vervoer van het op deze factuur beoogd dierlijk afval bevestigt dat dit in zijn geheel overhandigd werd aan een inrichting die erkend of geregistreerd is voor het verzamelen, verwerken of gebruiken* hiervan. "
  * behouden wat past
  § 2. De producent van dierlijk afval die de factuur ontvangt waarmee wordt bevestigd dat het dierlijk afval wel degelijk de bestemming heeft gekregen die het was toegewezen, voegt een kopie ervan bij deze van het traceerbaarheidsborderel die hij bewaart; hij bewaart beide documenten gedurende ten minste drie jaar zodat hij ze op elk verzoek van het Instituut kan voorleggen.
  De producent van dierlijk afval bewaart de diverse luiken chronologisch gerangschikt in zijn register voor de verwijdering van afval.
  § 3. Indien de ophaling van het dierlijk afval zoals bedoeld in dit artikel niet gepaard gaat met een facturatie door de ophaler, bezorgt deze laatste aan de producent een document dat dezelfde vermeldingen bevat als vastgelegd voor de facturen.

  Art. 16c. <ingevoegd bij MB 2003-03-20/44, art. 1; Inwerkingtreding : 16-05-2003> Voor het dierlijk afval waarvan de traceerbaarheid wordt verzekerd door middel van de borderellen waarvan de modellen als bijlagen V en VI hierbij zijn gevoegd, stuurt de verantwoordelijke van de gebruiksinrichting het origineel exemplaar van het traceerbaarheidsborderel, waarvan rubriek 6 naar behoren is ingevuld, naar de producent van het afval waarmee hij hem ervan op de hoogte brengt dat het afval reglementair werd gebruikt. Zelf bewaart hij gedurende ten minste drie jaar een kopie ervan.
  Bij ontvangst van dit document vult de verantwoordelijke van de producerende inrichting rubriek 7 in waarmee hij bewijst aldus kennis genomen te hebben van het feit dat het dierlijk afval wel degelijk de bestemming heeft gekregen die het was toegewezen. Hij bewaart dit document gedurende ten minste drie jaar zodat hij het op elk verzoek van het Instituut kan voorleggen.
  De producent van dierlijk afval bewaart de diverse luiken chronologisch gerangschikt in zijn register voor de verwijdering van afval.

  Art. 16d. <ingevoegd bij MB 2003-03-20/44, art. 1; Inwerkingtreding : 16-05-2003> De producent is ertoe gehouden, systematisch en schriftelijk, zowel de bevoegde dierenarts, inspecteur of controleur van het Federaal Agentschap voor de Veiligheid van de Voedselketen als het Instituut op de hoogte te brengen hetzij ingeval van borderellen waarvan de modellen als bijlagen IIIa en IIIb hierbij zijn gevoegd, van de afwezigheid van vermeldingen op de factuur die het afval beschrijven en bewijzen dat het verzameld, verwerkt of gebruikt werd, hetzij ingeval van borderellen waarvan de modellen als bijlagen V en VI hierbij zijn gevoegd, van het niet terugkrijgen van het origineel exemplaar van het traceerbaarheidsborderel.

  Art. 17. Aanvullend op de verplichtingen opgelegd door het besluit van 30 januari 1997 betreffende het afvalregister, moet de beheerder van dierlijk afval aan de driemaandelijkse mededeling van zijn afvalregister een bijlage toevoegen waarin, voor al de categorieën van afval die op de diverse borderellen voor verwijdering voorkomen, een overzicht wordt gegeven van de beheerde afvalhoeveelheden, met vermelding, voor elke categorie, van de bestemming van het afval. De beheerder voegt eveneens als bijlage de lijst van zijn klanten toe, met vermelding van hun volledige gegevens en van de afvalhoeveelheden per categorie die bij elke klant werden opgehaald.
  Elke producent van dierlijk afval maakt uiterlijk op 30 april van elk jaar een balans op van de verwijdering van dierlijk afval tijdens het vorige kalenderjaar. In deze balans zijn de hoeveelheden opgenomen van de diverse categorieën geproduceerd dierlijk afval, hun diverse bestemmingen en de gebeurtenissen en feiten die de wijziging van de indeling van dit afval hebben veroorzaakt.

  HOOFDSTUK IV. - Verwijdering van het dierlijk afval.

  Art. 18. Voor de verwijdering van zijn dierlijk afval moet de producent van dierlijk afval een beroep doen op een vervoerder of ophaler die bijzonder werd geregistreerd voor de categorie van het te verwijderen dierlijk afval.
  De producent van dierlijk afval mag het dierlijk afval enkel aan een geregistreerde vervoerder of ophaler overhandigen als het afval conform dit besluit werd gedenatureerd en als er een verwijderingborderel wordt aan toegevoegd, zoals bepaald door dit besluit en waarop de producent de rubrieken 1 tot 3 heeft aangevuld.
  De vervoerder of de ophaler van dierlijk afval mag het dierlijk afval pas aanvaarden na een visuele controle waarbij kan worden vastgesteld dat het dierlijk afval met een hoog of gespecifieerd risico werd gedenatureerd. De vervoerder of ophaler moet ook nagaan of het verwijderingborderel naar behoren door de producent van dierlijk afval werd aangevuld.
  Als de vervoerder of ophaler vaststelt dat de rubrieken 1, 2 of 3 van het borderel niet volledig zijn aangevuld, moet hij dit op het verwijderingborderel vermelden.

  Art. 19. Dierlijk afval mag in bulk worden vervoerd. Als het Instituut echter herhaalde en onverklaarbare verschillen vaststelt tussen het gewicht dat door de producent van dierlijk afval wordt medegedeeld en het gewicht dat door het verwerkingsbedrijf wordt ontvangen, zal het Instituut, bij een ter post aangetekende brief, de ophaler verbod opleggen om nog verder los te vervoeren en de verplichting opleggen om voortaan te vervoeren in containers met identificatie van elke afvalproducent, de afvalcategorie en de bestemming van het afval.
  Na elke ophaalbeurt van los dierlijk afval moeten de houders gereinigd en ontsmet worden op een plaats waar de opslag, de verhandeling of de reiniging van andere houders verboden is. De containers moeten onmiddellijk terug in de opslaglokalen voor het afval worden geplaatst.
  Het samen vervoeren van afval behorend tot verschillende risicocategorieën is verboden, uitgezonderd in de volgende gevallen :
  1° hoog-risico afval samen met gespecificeerd risicomateriaal : in dat geval moet het hoog-risico afval verhandeld en verwijderd worden zoals het gespecificeerd risicomateriaal;
  2° laag-risico afval dat dezelfde technologische behandeling zal ondergaan.
  Zodra een vrachtwagen door gespecificeerd risicomateriaal wordt besmet, mag hij verder enkel nog voor vervoer van gespecificeerd risicomateriaal worden gebruikt.
  Telkens bepaalde producten op basis van vlees, melk of vis die niet zijn bestemd voor menselijke consumptie en die afkomstig zijn van dieren of vissen waarvan het vlees geschikt werd bevonden voor menselijke consumptie, rechtstreeks in bulk naar een verwerkingsbedrijf worden vervoerd, moet de informatie betreffende de oorsprong, de naam en de risicocategorie van het dierlijk afval, evenals de woorden "Ongeschikt voor menselijke consumptie" in letters van minstens twee centimeter hoog vermeld staan op een etiket dat aan de houder, het karton of enig andere verpakking is bevestigd. De uitdrukking "ongeschikt voor menselijke consumptie" moet worden aangevuld met de vermelding van de risicocategorie van het afval.
  Dierlijk afval moet worden vervoerd in gesloten ophaalvoertuigen met metalen wanden die geen vocht laten doorsijpelen en gemakkelijk te reinigen en te ontsmetten zijn.
  Na elke losbeurt op de plaats van verwerking, moet het ophaalvoertuig en, in voorkomend geval, ook de ophaalcontainers, worden gewassen en ontsmet op het bedrijfsterrein van de verwerkingsinrichting.

  Art. 20. § 1. Het is verboden zich van dierlijk afval te ontdoen, anders dan door ze te leveren aan een inrichting die voor de verwerking van de betrokken afvalcategorie werd erkend conform de bepalingen van dit besluit.
  § 2. In elk geval :
  1° is het ingraven van dierlijk afval verboden;
  2° moeten de krengen of delen van krengen van dieren die voor wetenschappelijke doeleinden worden gebruikt, na het volbrengen van de experimenten en proeven worden vernietigd.
  § 3. Het verbranden van dierlijk afval wordt op het grondgebied van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest enkel toegestaan op voorwaarde dat het Instituut oordeelt dat :
  1° het vervoer van dierlijk afval tot aan een buiten het grondgebied van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest gelegen inrichting een te groot risico inhoudt van verspreiding van op de mens of op dieren overdraagbare ziekten;
  2° het dierlijk afval zou kunnen weerstaan aan een ontoereikende thermische behandeling;
  3° de verwerkingsinrichting overbelast is;
  4° het dierlijk afval van moeilijk bereikbare plaatsen afkomstig is;
  5° de hoeveelheden en de afstanden het ophalen van het afval niet kunnen verantwoorden;
  6° het om hoog-risico afval of gespecificeerd risicomateriaal van kleine producenten gaat.
  Dierlijk afval (...) moet worden verbrand bij een minimale kerntemperatuur van 133°C bij 3 bar gedurende 20 minuten na verkleining van de grootte van de partikels ruw materiaal tot maximaal 5 cm. Andere thermische verwerkingsmethoden kunnen worden gebruikt op voorwaarde dat de Europese Commissie, na advies van de vaste veterinaire commissie, heeft erkend dat ze gelijkwaardige garanties inzake microbiologische veiligheid bieden. <MB 2003-03-20/44, art. 3, 002; Inwerkingtreding : 16-05-2003>
  De bekomen subproducten moeten worden vernietigd door verbranding, co-verbranding of thermische valorisatie in erkende industriële inrichtingen.
  Het hoog-risico afval van dieren en het hoog-risico en laag-risico afval van zoogdieren moet, na de verwerking, beantwoorden aan de voorwaarden opgelegd door artikel 31.
  De verwerkingsinrichtingen van dierlijk afval moeten de in het hoofdstuk VIII van dit besluit vastgestelde voorwaarden naleven.
  Voor de aanpassing aan specifieke vervaardigingseisen van producten op basis van dierlijk afval kunnen er, in afwijking van 2° en 3° en na het inwinnen van het advies van de bevoegde overheden, andere exploitatievoorwaarden worden opgelegd, onder meer in de volgende gevallen :
  1° laag-risico materiaal voor de productie van voeders voor gezelschapsdieren;
  2° ontvette beenderen voor de productie van gelatine;
  3° huiden en vellen voor de productie van gelatine, collageen en gehydrolyseerde eiwitten, hoeven, hoornen en haren;
  4° klieren, weefsels en organen voor farmaceutisch gebruik;
  5° bloed en bloedproducten;
  6° melk en melkproducten;
  7° afval van niet-herkauwers voor de productie van gesmolten vet, met uitsluiting van de bij deze vetproductie verkregen kanen;
  8° laag-risico afval van herkauwers voor de productie van gesmolten vet, met uitsluiting van de bij deze productie verkregen kanen;
  9° dierlijk afval voor de productie van producten waarvan kan worden verzekerd dat ze niet in de menselijke of dierlijke voedingsketen worden ingebracht en dat ze niet als meststof worden gebruikt.
  § 4. De krengen van gezelschapsdieren zijn hoog-risico afval; ze kunnen niettemin naar een crematorium en/of erkende begraafplaats voor gezelschapdieren worden vervoerd.
  § 5. Telkens het dierlijk afval wordt geleverd aan een inrichting die buiten het Brussels Hoofdstedelijk Gewest, maar wel op het nationale grondgebied is gelegen, moet de beheerder van het afval aan deze inrichting de voorlegging vragen van een door de bevoegde overheden van het betrokken gewest afgegeven verklaring ter bevestiging van de erkenning of de vergunning van de inrichting voor het verwerken van het betrokken afval.

  HOOFDSTUK V. - Controle en inspectie.

  Art. 21. Het Instituut controleert of de exploitanten en eigenaars van verwerkingsbedrijven of hun mandatarissen :
  1° de zwakkere delen van de inrichtingen identificeren;
  2° in de verwerkingsinrichtingen representatieve monsters nemen van elk verwerkt lot, om na te gaan of de microbiologische normen die voor het product werden vastgesteld in artikel 28 wel worden nageleefd;
  3° de resultaten van de diverse controles en tests registreren, met vermelding van de temperatuur, de druk en de grootte van de partikels, en of ze deze gegevens drie jaar ter beschikking van het Instituut houden.
  Als de resultaten van de testen op de monsters, zoals vereist door lid 1, niet conform zijn aan artikel 28, moet de exploitant van de verwerkingsinrichting :
  1° het Instituut daarvan onmiddellijk verwittigen;
  2° naar de oorzaken van de tekortkomingen zoeken;
  3° ervoor zorgen dat de besmette of van besmetting verdachte materialen de inrichting niet verlaten vooraleer ze onder toezicht van het Instituut een nieuwe verwerking hebben ondergaan en vooraleer er opnieuw een officiële monsterneming werd verricht, conform de in artikel 28 bedoelde microbiologische controles.

  Art. 22. Op regelmatige tijdstippen worden er door het Instituut inspecties en controles in de verwerkingsinrichtingen uitgevoerd om na te gaan of de bepalingen van dit besluit worden nageleefd.
  Telkens de bepalingen betreffende de microbiologische normen en de types van microbiologische controles niet werden nageleefd, moet de producent :
  1° onmiddellijk al de inlichtingen over de aard van het monster en het lot waar het uit afkomstig is mededelen aan het Instituut;
  2° het besmette lot verwerken of herverwerken onder toezicht van het Instituut;
  3° de frequentie van de monsternemingen en van de productiecontroles opdrijven;
  4° de verslagen over de grondstoffen die werden gebruikt voor het maken van het eindproduct waaruit het monster komt, opnieuw grondig inzien;
  5° overgaan tot ontsmetting en passende reiniging van het bedrijf.

  HOOFDSTUK VI. - Afwijkingen.

  Art. 23. § 1. In afwijking van de voorgaande bepalingen kan het Instituut toestemming geven voor het gebruik van dierlijk afval voor wetenschappelijke doeleinden of voor het onderwijs van de wetenschappen. De personen die dierlijk afval voor deze doeleinden wensen aan te wenden, moeten bij een ter post aangetekende brief een aanvraag aan het Instituut richten. Deze aanvraag moet al de informatie vermelden die in bijlage IV wordt opgesomd.
  § 2. Indien het Instituut de gevraagde afwijking toekent, levert het een afwijkingsattest af met vermelding van afvalcategorieën en -hoeveelheden. Na de ontvangst van het afwijkingsattest stuurt de aanvrager onmiddellijk een kopie ervan naar de producent van dierlijk afval.
  § 3. In afwijking van artikel 7 van dit besluit hoeft de producent het gevraagde dierlijk afval niet te denatureren. Hij moet het overhandigen in een houder onder slot waarop vermeld wordt "afval bestemd voor wetenschappelijk onderzoek". Op de dag van de afvalproductie vult de producent van dierlijk afval de rubrieken 1 tot 3 aan op het borderel voor de verwijdering van dierlijk afval bestemd voor wetenschappelijk onderzoek, conform het model gegeven in bijlage V. Indien de aanvrager het afval niet binnen 24 uren volgend op de mededeling komt afhalen, moet de producent van dierlijk afval het afval denatureren en het laten verwijderen als hoog-risico afval of, in voorkomend geval, als gespecificeerd risicomateriaal.
  § 4. De bepalingen van artikel 16 inzake de traceerbaarheid van het afval zijn van toepassing. In dat geval wordt de aanvrager als verwerkingsinrichting beschouwd. Hij gebruikt het model van borderel voor de verwijdering van afval gegeven in bijlage V en houdt zelf luik 2 van het borderel bij.
  § 5. De aanvrager wordt beschouwd als een afvalbeheerder zoals bepaald door dit besluit en is onderworpen aan de bepalingen vervat in artikel 17.
  § 6. De aanvrager vervoert het dierlijk afval zelf of laat het onder zijn verantwoordelijkheid vervoeren. Hij treft al de nodige maatregelen om ieder besmettingsprobleem van eender welke aard ook te vermijden. Bij occasioneel vervoer van gespecificeerd risicomateriaal mogen de houders slechts eenmaal worden gebruikt en moeten ze samen met de residuen van het dierlijk afval worden vernietigd.
  § 7. De afvalstoffen afkomstig van onderzoeksactiviteiten of van het onderwijs van de wetenschappen moeten door verbranding worden vernietigd.

  Art. 24. In afwijking van de voorgaande bepalingen kan het Instituut toelating geven voor een gebruik zonder verwerking van bepaald hoog-risico dierlijk afval zoals bedoeld in bijlage I, hoofdstuk IV, en van laag-risico dierlijk afval. Het afval moet uitsluitend bestemd zijn voor de rechtstreekse voedering van dieren in dierentuinen en circussen, pelsdieren, honden die deel uitmaken van erkende jachtmeutes en in madenkwekerijen, of nog voor de rechtstreekse voeding van dieren waarvan het vlees niet voor menselijke consumptie is bestemd.
  De persoon die dierlijk afval voor dit doel wenst aan te wenden, moet bij een ter post aangetekende brief een aanvraag aan het Instituut richten. Deze aanvraag moet al de informatie vermelden die in bijlage IV wordt opgesomd.
  Indien het Instituut de gevraagde afwijking toekent, levert het een afwijkingsattest af met vermelding van afvalcategorieën en -hoeveelheden. Na de ontvangst van het afwijkingsattest stuurt de aanvrager onmiddellijk een kopie ervan naar de producent van dierlijk afval.
  In afwijking van artikel 7 van dit besluit hoeft de producent van dierlijk afval het gevraagde afval niet te denatureren.
  Het hoog-risico materiaal dat gebruikt wordt voor de rechtstreekse voedering van bepaalde dieren, zoals karkassen, halve karkassen, kwartieren en andere deelstukken, moet op elk deelstuk het keurmerk dragen waaruit blijkt dat het vlees ongeschikt is verklaard voor menselijke consumptie en van een etiket waarop minstens het SANITEL-nummer, het slachthuis van herkomst en de slachtdatum zijn vermeld.
  Het hoog-risico afval dat op een andere wijze wordt aangeboden en het laag-risico afval moeten verpakt zijn en een door de veterinaire diensten verzegeld etiket dragen dat hetzelfde keurmerk draagt en, minstens de aard van het afval, het slachthuis van herkomst en de slachtdata vermeldt.
  In afwijking van artikel 19, lid 3 mogen hoog-risico dierlijk afval en laag-risico dierlijk afval in éénzelfde vervoermiddel worden vervoerd als het afval bestemd is voor de rechtstreekse voedering van bepaalde dieren, conform dit artikel.
  De bepalingen van artikel 16 met betrekking tot de traceerbaarheid van het afval zijn van toepassing. In dat geval wordt de aanvrager als verwerkingsinrichting beschouwd. Hij gebruikt het model van verwijderingborderel bepaald in bijlage VI en bewaart luik 2 van het verwijderingborderel.
  De aanvrager wordt als een afvalbeheerder beschouwd zoals bedoeld in dit besluit en is onderworpen aan de bepalingen van artikel 17.
  De aanvrager vervoert het dierlijk afval zelf of laat het onder zijn verantwoordelijkheid vervoeren. Hij treft al de nodige maatregelen om ieder besmettingsprobleem van eender welke aard ook te vermijden.
  De producent van dierlijk afval moet er de aanvrager op wijzen dat het om hoog-risico afval gaat dat schadelijk kan zijn voor zijn gezondheid indien het voor andere doeleinden wordt gebruikt dan deze waarvoor de afwijking werd verkregen.

  HOOFDSTUK VII. - In- en uitvoer.

  Art. 25. De invoer van uit derde landen afkomstig hoog-risico afval en gespecificeerd risicomateriaal is verboden.
  De invoer uit derde landen van laag-risico dierlijk afval is toegestaan op voorwaarde dat de producten voldoen aan de bepalingen van dit besluit, in het bijzonder indien het derde land kan waarborgen dat ze voldoende werden behandeld en dat ze voldoen aan de door artikel 28 opgelegde microbiologische normen.
  Het gespecificeerd risicomateriaal en het verwerkt materiaal dat eruit voortkomt mogen enkel binnen de Europese Unie worden uitgevoerd met het oog op hun verbranding op termijn, na eensluidend advies van het Instituut en conform de procedures opgelegd door beschikking 2000/418/EG en door elk wijzigend of vervangend besluit. Het afval moet de procedures volgen die voor dergelijk afval worden opgelegd door verordening EEG/259/93 betreffende toezicht en controle op de overbrenging van afvalstoffen binnen, naar en uit de Europese Gemeenschap.

  HOOFDSTUK VIII. - Exploitatie van de verwerkingsinrichtingen.

  Art. 26. De lokalen en de uitrusting moeten minstens aan de volgende voorwaarden voldoen :
  1° de lokalen van de verwerkingsinrichtingen moeten op duidelijke wijze gescheiden zijn van de openbare weg en van andere lokalen, zoals slachthuizen.
  De lokalen bestemd voor de verwerking van hoog-risico afval mogen zich niet samen met een slachthuis op éénzelfde site bevinden, uitgezonderd als ze in een volledig afzonderlijk deel van de gebouwen liggen. Niet gemachtigde personen en dieren mogen de verwerkingsinstallatie niet betreden;
  2° de inrichting moet over een "propere" sector en een duidelijk er van afgescheiden "vuile" sector beschikken. In de vuile sector moet er een overdekte ruimte zijn voor de ontvangst van het dierlijk afval en de bouwwijze ervan moet een gemakkelijke reiniging en ontsmetting mogelijk maken.
  De bodem moet de waterafloop vergemakkelijken. De vuile sector moet, in voorkomend geval, de passende uitrusting bevatten voor het ontvellen en ontharen van de dieren, evenals een opslaglokaal voor de vellen;
  3° de inrichting moet beschikken over een voldoende productiecapaciteit van warm water en stoom voor de verwerking van het dierlijk afval, conform aan de bepalingen van artikel 27;
  4° de vuile sector moet, in voorkomend geval, een installatie bevatten waarmee het volume van het dierlijk afval kan worden verkleind en een installatie om het verbrijzeld dierlijk afval naar de verwerkingseenheid te brengen;
  5° het dierlijk afval moet in een gesloten verwerkingsinstallatie worden verwerkt, conform de bepalingen van artikel 27. Indien er tot thermische verwerking wordt overgegaan, moet de installatie over de volgende uitrusting beschikken :
  - meetuitrusting voor de controle van de temperatuur, en, indien nodig, van de druk op de zwakkere punten;
  - registreertoestellen voor de permanente registratie van de meetresultaten;
  - een passend veiligheidssysteem voor het vermijden van te lage temperaturen;
  6° om elke nieuwe besmetting van het eindproduct van de verwerking van het dierlijk afval door de verwerkingseenheid te vermijden, moet het deel van het bedrijf dat bestemd is voor het lossen en het verwerken van het afval duidelijk afgescheiden zijn van het deel dat bestemd is voor de verdere thermische behandeling van de tussenproducten en voor het opslaan van het eindproduct.
  De verwerkingsinrichtingen moeten beschikken over de passende uitrusting voor het reinigen en ontsmetten van de houders en containers waarin het dierlijk afval wordt ontvangen en van de voertuigen, andere dan schepen, waarmee het afval werd vervoerd.
  De verwerkingsinrichtingen moeten beschikken over de passende uitrusting voor het ontsmetten, vlak voor het wegrijden, van de wielen van de voertuigen die hoog-risico afval vervoeren of die de vuile sector van het bedrijf verlaten.
  De verwerkingsinrichtingen moeten beschikken over een afvoersysteem voor afvalwater dat aan de eisen inzake hygiëne voldoet.
  De verwerkingsinrichtingen moeten beschikken over een eigen laboratorium of een beroep doen op de diensten van een laboratorium dat over de nodige uitrusting voor het verrichten van de analyses beschikt.

  Art. 27. Het dierlijk afval moet zo snel mogelijk na aankomst worden verwerkt. Het moet tot aan de verwerking correct worden opgeslagen.
  De houders, containers en voertuigen die voor het vervoer van het dierlijk afval worden gebruikt, moeten na elk gebruik worden gereinigd, gewassen en ontsmet.
  De personen die in de vuile sector werken mogen pas de propere sector betreden na het wisselen van werkkledij en schoenen en na het ontsmetten van deze verse schoenen. De uitrusting en de werktuigen mogen niet van de vuile sector naar de propere sector worden overgebracht.
  Het afvalwater afkomstig van de vuile sector moet zo worden behandeld dat er geen enkele ziekteverwekkende stoffen meer in aanwezig zijn.
  Er moeten op systematische wijze preventieve maatregelen worden getroffen tegen vogels, knaagdieren, insecten en ander ongedierte.
  De minimale vereisten voor de verwerking van dierlijk afval van zoogdieren zijn :
  1° maximum afmeting van de partikels : 50 mm;
  2° temperatuur : > 133 °C;
  3° duurtijd : 20 minuten zonder onderbreking;
  4° (absolute) druk, geproduceerd met verzadigde stoom : (ge ) 3 bar. "Verzadigde stoom" betekent dat de lucht volledig uit de hele sterilisatiekamer wordt afgevoerd en door stoom wordt vervangen;
  5° de verwerking kan zowel door een continu als door een onderbroken systeem worden uitgevoerd.
  De minimale verwerkingsvereisten voor de productie van gesmolten vet zijn :
  1° verestering of hydrolise aan minstens 200 °C, onder de overeenstemmende passende druk gedurende 20 minuten (glycerol, vetzuren en esters)
  2° verzeping met NaOH 12 M (glycerol en zeep) :
  - in een onderbroken proces : aan 95 °C gedurende drie uur,
  of
  - in een continu proces : aan 140 °C en 2 bar (2000 hPa) gedurende acht minuten, of onder gelijkwaardige omstandigheden;
  3° gesmolten vet afkomstig van afval van herkauwers moet worden gezuiverd totdat het totaal van de nog overblijvende onoplosbare onzuiverheden niet zwaarder weegt dan 0,15 % van het totale gewicht van het vet.
  De installaties en uitrustingen moeten goed worden onderhouden en de meettoestellen moeten regelmatig worden geijkt.
  De eindproducten moeten in de verwerkingsinrichting verhandeld en opgeslagen worden op een wijze die elke nieuwe besmetting verhindert.
  De huiden en vellen moeten met natriumchloride worden gezouten.

  Art. 28. Voor het hoog-risico materiaal moeten de monsters die onmiddellijk na de thermische behandeling van de eindproducten werden genomen, vrij zijn van elk spoor van warmtebestendige ziekteverwekkende bacteriën (afwezigheid van clostridium perfringens in 1 g van het eindproduct).
  De monsters van eindproducten afkomstig van hetzij hoog-risico materiaal, hetzij laag risico dierlijk afval moeten tijdens of op het einde van de opslagperiode in het verwerkingsbedrijf worden genomen, om na te gaan en te kunnen waarborgen dat deze eindproducten aan de volgende normen beantwoorden :
  Salmonella : afwezig in 25 g : n = 5,c = 0,m = 0,
  M = 0
  Enterobacteriaceae : n = 5,c = 2, m = 10,M = 3 x 102/g
  n = aantal eenheden die samen het monster vormen
  m = drempelwaarde voor het aantal bacteriën; het resultaat geeft voldoening indien het aantal bacteriën in het totaal van de monstereenheden niet hoger ligt dan m
  M = maximum waarde van het aantal bacteriën; het resultaat geeft geen voldoening indien het aantal bacteriën in één of meerdere monstereenheden gelijk is aan of hoger is dan M
  c = aantal monstereenheden waarin het aantal bacteriën tussen m en M mag liggen, het monster wordt daarbij nog steeds als aanvaardbaar beschouwd indien het aantal bacteriën in de andere monstereenheden gelijk is aan of lager is dan m
  De procedures voor de validatie moeten minstens met de volgende indicatoren rekening houden :
  1° beschrijving van het proces (met behulp van een diagram van het procestraject);
  2° identificatie van de kritieke controlepunten (KCP) en van het verwerkingspercentage van het materiaal in het continu systeem;
  3° naleving van de volgende verwerkingsvereisten :
  a) maximale afmeting van de partikels : 50 mm maximum;
  b) temperatuur : > 133 °C;
  c) duurtijd : minstens 20 minuten zonder onderbreking;
  d) (absolute) druk geproduceerd met verzadigde stoom : minstens 3 bar;
  4° naleving van de opgelegde vereisten :
  a) afmeting van de partikels voor de verwerkingen in continu en in discontinu onder druk : bepaald door de afmeting van de openingen van de gaatjes of van de opening van de verkleiningsapparatuur;
  b) temperatuur, druk, duurtijd en verwerkingspercentage van de materialen (enkel voor het continu systeem) :
  i) discontinu verwerkingssysteem onder druk :
  - de temperatuur moet bestendig onder toezicht staan via een permanente warmtekoppeling en ze moet in real time worden opgetekend,
  - de verwerkingsfase onder druk moet onder toezicht staan via een permanente manometer en de druk moet in real time worden opgetekend,
  - de verwerkingsduur moet worden aangegeven met diagrammen tijd/temperatuur en tijd/druk.
  De warmtekoppeling en de manometer moeten minstens eenmaal per jaar worden geijkt;
  ii) continu verwerkingssysteem onder druk :
  - de temperatuur en de druk moeten onder toezicht staan via een warmtekoppeling of een infrarood pistool en via een manometer, allen op nauwkeurig aangegeven plaatsen in het systeem gebruikt, opdat de temperatuur en de druk in het hele systeem of in een sectie van het systeem voor continu verwerking aan de voorwaarden van artikel 27 zouden voldoen; de temperatuur en de druk moeten in real time worden opgetekend,
  - de opmeting van de minimale trajecttijd in het hele betrokkene deel van het continu verwerkingssysteem, waarin de temperatuur en de druk moeten conform zijn aan de voorwaarden opgelegd door artikel 27, moet aan de bevoegde overheden worden overgemaakt middels onoplosbare traceerders (bijvoorbeeld, mangaandioxide) of volgens een methode die gelijkwaardige garanties biedt; de nauwkeurige meting en de strenge controle van het verwerkingspercentage van de materialen is essentieel; de meting moet tijdens de validatietest worden uitgevoerd, in functie van een KCP waarop bestendig toezicht kan worden uitgeoefend, zoals bijvoorbeeld :
  * het aantal toeren per minuut van de aanvoerschroef;
  * het elektrisch vermogen (aantal amperes bij een welbepaalde voltage);
  * de verdampings- en condensatiepercentages;
  * het aantal pompbewegingen per tijdseenheid.
  Al de instrumenten voor het meten en het toezicht moeten minstens eenmaal per jaar worden geijkt.
  De validatieprocedures moeten periodiek worden herhaald en worden uitgevoerd telkens de bevoegde overheid dit nodig oordeelt, en in elk geval telkens het proces een belangrijke verandering ondergaat (wijzigingen aan de machines, verandering van grondstof, enz.)

  HOOFDSTUK IX. - Opheffings- en slotbepalingen.

  Art. 29. Het besluit van de Brusselse Hoofdstedelijke Regering van 15 juli 1993 betreffende de verwijdering van dierlijk afval met een hoog risico wordt opgeheven.

  Art. 30. De Minister van Leefmilieu kan de bepalingen van dit besluit aanpassen aan de evolutie van de Europese regelgeving. Hij kan tevens de modellen van borderel die in bijlage bij dit besluit gevoegd zijn en hun gebruiksmodaliteiten aanpassen aan de noodzaak van een geharmoniseerde controle tussen de federale en regionale bevoegde diensten.

  Art. 31. Dit besluit treedt in werking twee maanden na de dag waarop het in het Belgisch Staatsblad wordt bekendgemaakt.

  Art. 32. De Minister van Leefmilieu is belast met de uitvoering van dit besluit.
  Brussel,
  Voor de Brusselse Hoofdstedelijke Regering :
  De Minister-President van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest, belast met Plaatselijke Besturen, Ruimtelijke Ordening, Monumenten en Landschappen, Stadsvernieuwing en Wetenschappelijk Onderzoek,
  F.-X. de DONNEA
  De Minister van de Brusselse Hoofdstedelijke Regering, belast met Werkgelegenheid, Economie, Energie, Huisvesting en Landbouwbeleid,
  E. TOMAS
  De Minister van de Brusselse Hoofdstedelijke Regering, belast met Leefmilieu en Waterbeleid, Natuurbehoud, Openbare Netheid en Buitenlandse Handel,
  D. GOSUIN

  BIJLAGEN.

  Art. N1. Bijlage I. Lijst van dierlijk afval.
  HOOFDSTUK I - Laag-risico afval.
  Artikel 1. Conform de overeenkomst betreffende dierlijk afval die op 4 oktober 2001 door de bevoegde federale en gewestelijke overheden werd ondertekend en conform alle overeenkomsten die de voornoemde zouden wijzigen of vervangen, moet het volgende afval worden beschouwd als laag-risico afval :
  1° de materialen die, vanwege hun aard, niet bestemd zijn voor rechtstreekse menselijke consumptie en die, enerzijds, afkomstig zijn van geslachte, bij de jacht of visvangst gevangen dieren voor menselijke consumptie die geschikt werden bevonden bij een keuring of een gezondheidsonderzoek door een dierenarts en die, anderzijds, geen enkel ernstig gevaar inhouden voor de verspreiding van ziekten bij mens en dier :
  a) voor slachtdieren, konijnen en haarwild gaat het om de huiden, hoornen, hoeven, wol, haar;
  b) voor pluimvee en gevederd wild gaat het om de niet gekeurde poten en koppen, om veren, bloed en wit slachtafval;
  c) voor visserijproducten gaat het om versafval van vis, om afval afkomstig van de bereiding van vis, zoals schubben, schelpen, schalen, koppen, staarten, vinnen en graten;
  2° de producten die bestemd zijn voor menselijke consumptie, maar afkomstig zijn van voor menselijke consumptie geslachte, bij jacht of visvangst gevangen dieren die geschikt werden verklaard na een keuring of een gezondheidsonderzoek door een dierenarts en die, enerzijds, geen enkel gevaar inhouden voor de gezondheid van mens en dier, en, anderzijds, om technologische of commerciële redenen of wegens hun productiewijze werden onttrokken aan hun eerste bestemming. Het gaat om slachtafval, bloed, beenderen, vet en andere weefsels afkomstig van het opmaken, uitbenen en versnijden, die bewerkingen en behandelingen hebben ondergaan die niet overeenstemmen met de eisen die gelden voor diezelfde producten die voor menselijke consumptie geschikt zijn en dit voor dieren van alle soorten;
  3° voor producten van niet aan de veterinaire keuring onderworpen dieren : in open zee gevangen vissen voor de productie van vismeel.
  Art. 2. Mogen in geen geval als laag-risico afval worden beschouwd, de in dit hoofdstuk bedoelde producten die, al naargelang het geval :
  1° bedorven zijn en daardoor gevaar voor de gezondheid van mens en dier opleveren;
  2° afkomstig zijn van dieren die in overtreding werden bevonden met de wet van 15 juli 1985 betreffende het gebruik bij dieren van stoffen met hormonale werking, anti-hormonale werking, beta-adrenergische werking of productie stimulerende werking bij dieren;
  3° afkomstig zijn van dieren die een grotere dan de toegestane hoeveelheid contaminanten, stoffen met farmacologische werking of hun residuen bevatten, of waarvan men vermoedt dat zij die bevatten;
  4° gecontamineerd zijn met hoog-risico materiaal, met gespecificeerd risicomateriaal of met afval dat dergelijk materiaal bevat.
  HOOFDSTUK II - Gespecificeerd risicomateriaal.
  Artikel 1. Conform de materialen die als dusdanig werden bepaald in de overeenkomst betreffende dierlijk afval die op 4 oktober 2001 door de bevoegde federale en gewestelijke overheden werd ondertekend en conform alle overeenkomsten die de voornoemde zouden wijzigen of vervangen, moeten de volgende weefsels als gespecificeerd risicomateriaal worden beschouwd :
  1° de schedels, met inbegrip van hersenen en ogen, de tonsillen, het ruggenmerg en de wervelkolom van runderen ouder dan twaalf maanden;
  2° de hele ingewanden, van de twaalfvingerige darm tot het rectum, van runderen van alle leeftijden;
  3° de schedels, met inbegrip van hersenen en ogen, de tonsillen, het ruggenmerg van schapen en geiten ouder dan twaalf maanden of waarbij een van de blijvende snijtanden door het tandvlees is gebroken;
  4° de milten van schapen en geiten van alle leeftijden.
  Art. 2. De volgende producten worden eveneens als gespecificeerd risicomateriaal beschouwd :
  1° het volledige dierenlichaam, met inbegrip van de huid, de poten, de hoornen en het bloed, afkomstig van een dier dat aan een snelle test voor BSE-diagnose werd onderworpen waarvan het resultaat ongunstig of twijfelachtig is, of afkomstig van een dier dat niet aan die test werd onderworpen terwijl die verplicht was;
  2° de krengen waarvan de onder artikel 1 vermelde weefsels en organen niet werden verwijderd;
  3° de karkassen en de hoofden die als afval moeten worden verwijderd en waarvan de weefsels vermeld onder artikel 1 niet werden verwijderd;
  4° de volledige koppen, als de eetbare delen niet van de kopbeenderen werden gescheiden conform het koninklijk besluit van 4 juli 1996 betreffende de algemene en bijzondere exploitatievoorwaarden van de slachthuizen en andere inrichtingen of conform elk besluit dat het voornoemde zou wijzigen of vervangen;
  5° de volledige koppen van herkauwers van meer dan 12 maanden oud die voor menselijke consumptie ongeschikt werden verklaard of die het product zijn van een noodslachting of die afkomstig zijn van een dier waarbij een niet-veralgemeende cysticercosis werd vastgesteld;
  6° het vlees en het materiaal dat werd besmet met gespecificeerd risicomateriaal.
  Bizons worden gelijkgesteld met runderen.
  De ingewanden mogen worden geledigd.
  Bij het wegnemen van de neus moeten de oogkassen, de schedelholte en het schedeldak intact worden gelaten.
  Onder wervelkolom moet worden verstaan de wervels behalve de staartwervels en de dorsale wortelglandia en andere bij de wervelkolom gelegen zenuwweefsels die uit het vlees moet worden verwijderd voordat het aan de consument of eindgebruiker wordt geleverd. De dwarsuitsteeksels van de lendenwervels worden niet als gespecificeerd risicomateriaal beschouwd.
  HOOFDSTUK III - Hoog-risico afval.
  Al het dierlijk afval dat niet voorkomt in de hoofdstukken I en II van deze bijlage wordt als hoog-risico materiaal beschouwd.
  HOOFDSTUK IV - Voor de rechtstreekse voedering van bepaalde dieren bruikbaar hoog-risico afval.
  Artikel 1. Hoog-risico afval waarvan de keurder vaststelt dat het afkomstig is van voor menselijke voeding geslachte of bij jacht of visvangst gevangen dieren voor menselijke consumptie en dat het naar aanleiding van een veterinaire keuring ongeschikt werd verklaard om een reden die volledig losstaat van enig vermoeden of aanwezigheid van een ziekte met meldingsplicht of een op de mens of op andere dieren overdraagbare ziekte, mag worden gebruikt voor rechtstreekse voedering aan dieren in zoo's en circussen, pelsdieren, honden die deel uitmaken van erkende jachtmeutes en madenkwekerijen en ook voor de voedering van dieren waarvan het vlees niet bestemd is voor rechtstreekse menselijke consumptie, op voorwaarde dat de keurder bevestigt dat aan die voorwaarden is voldaan.
  1° Voor slachtdieren, konijnen en haarwild gaat het om :
  a) vlees van dieren geslacht nog voor de vorming van het navellitteken, te jong geslachte dieren, dieren waarvan het vlees oedemateus is of dieren die tekenen van uitmergeling of uittering vertonen;
  b) karkassen of delen van karkassen met ernstige sereuse- of bloedinfiltratie, abnormale kleur, geur, consistentie of smaak, uitmergeling, melanose of met gesloten letsels van traumatische oorsprong;
  c) vlees van het opmaken van de steekwonde;
  d) vlees met een uitgesproken geslachtsgeur;
  e) varkenslongen besmet door het broeiwater;
  f) varkenslevers met "white spots".
  2° Voor pluimvee en gevederd wild gaat het om :
  a) vlees met een abnormale geur, kleur of smaak, traumatische letsels, afwijkende consistentie, cachexie of buikwaterzucht;
  b) delen van karkassen of organen met lokale letsels die de gezondheid van het vlees van de andere delen niet beïnvloeden.
  3° Voor al de soorten gaat het om vlees of andere voor menselijke consumptie geschikte waren van dierlijke oorsprong die in beslag werden genomen omwille van hun betrokkenheid bij een louter administratieve overtreding, voor zover ze uitsluitend kosteloos worden afgestaan en dus niet worden verhandeld.
  Art. 2. Mogen in geen geval voor de rechtstreekse voedering van bepaalde dieren worden gebruikt, de hoog-risico materialen die al naargelang het geval :
  1° bedorven zijn en daardoor gevaar opleveren voor de gezondheid van mens en dier;
  2° afkomstig zijn van dieren die in overtreding werden bevonden met de wet van 15 juli 1985 betreffende het gebruik bij dieren van stoffen met hormonale werking, anti-hormonale werking, beta-adrenergische werking of productie stimulerende werking bij dieren;
  3° afkomstig zijn van dieren die een grotere dan de toegestane hoeveelheid bevatten van contaminanten of van stoffen met farmacologische werking, of van hun residuen, of van dieren waarvan men vermoed dat ze die bevatten;
  4° besmet zijn met gespecificeerd risicomateriaal of dat materiaal bevatten.
  Gezien om te worden gevoegd bij het besluit van de Brusselse Hoofdstedelijke Regering betreffende de verwijdering van dierlijk afval en betreffende de inrichtingen voor de verwerking van dierlijk afval.
  Namens de Brusselse Hoofdstedelijke Regering:
  De Minister-President van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest, belast met Plaatselijke Besturen, Ruimtelijke Ordening, Monumenten en Landschappen, Stadsvernieuwing en Wetenschappelijk Onderzoek,
  F.-X. de DONNEA
  De Minister van de Brusselse Hoofdstedelijke Regering, belast met Werkgelegenheid, Economie, Energie, Huisvesting en Landbouwbeleid,
  E. TOMAS
  De Minister van de Brusselse Hoofdstedelijke Regering, belast met Leefmilieu en Waterbeleid, Natuurbehoud, Openbare Netheid en Buitenlandse Handel,
  D. GOSUIN

  Art. N2. Bijlage II. - Registratieformulier als vervoerder, ophaler en verwerker van dierlijk afval.
  (Formulier niet opgenomen om technische redenen. Zie B.S. 19-12-2002, p. 57310).
  Gezien om te worden gevoegd bij het besluit van de Brusselse Hoofdstedelijke Regering betreffende de verwijdering van dierlijk afval en betreffende de inrichtingen voor de verwerking van dierlijk afval.
  Namens de Brusselse Hoofdstedelijke Regering :
  De Minister-President van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest, belast met Plaatselijke Besturen, Ruimtelijke Ordening, Monumenten en Landschappen, Stadsvernieuwing en Wetenschappelijk Onderzoek,
  F.-X. de DONNEA
  De Minister van de Brusselse Hoofdstedelijke Regering, belast met Werkgelegenheid, Economie, Energie, Huisvesting en Landbouwbeleid,
  E. TOMAS
  De Minister van de Brusselse Hoofdstedelijke Regering, belast met Leefmilieu en Waterbeleid, Natuurbehoud, Openbare Netheid en Buitenlandse Handel,
  D. GOSUIN

  Art. N3. Bijlage III. - Borderel voor verwijdering van dierlijk afval.
  (Formulier niet opgenomen om technische redenen. Zie B.S. 19-12-2002, p. 57311-57312).
  Gewijzigd door :
  <MB 2003-03-20/44, art. 2, 002; Inwerkingtreding : 16-05-2003; zie B.St. 16.05.2003, p. 26888-26891>
  Gezien om te worden gevoegd bij het besluit van de Brusselse Hoofdstedelijke Regering betreffende de verwijdering van dierlijk afval en betreffende de inrichtingen voor de verwerking van dierlijk afval.
  Namens de Brusselse Hoofdstedelijke Regering,
  De Minister-President van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest, belast met Plaatselijke Besturen, Ruimtelijke Ordening, Monumenten en Landschappen, Stadsvernieuwing en Wetenschappelijk Onderzoek,
  F.-X. de DONNEA
  De Minister van de Brusselse Hoofdstedelijke Regering, belast met Werkgelegenheid, Economie, Energie, Huisvesting en Landbouwbeleid,
  E. TOMAS
  De Minister van de Brusselse Hoofdstedelijke Regering, belast met Leefmilieu en Waterbeleid, Natuurbehoud, Openbare Netheid en Buitenlandse Handel,
  D. GOSUIN

  Art. N4. Bijlage IV. - Procedure voor het verkrijgen van afwijkingen.
  Artikel 1. Bij de afwijkingsaanvraag moeten de volgende documenten en inlichtingen gevoegd zijn :
  1° voor een natuurlijke persoon :
  a) de naam, de voornaam en het adres van de aanvrager;
  b) een kopie van de milieuvergunning of van de aanvraag om vergunning voor een nieuwe inrichting of voor de hernieuwing van de vergunning of van de vergunning voor het plaatsen van een circus afgegeven door de gemeente of van de aanvraag om vergunning voor het plaatsen van een circus;
  c) in geval van gebruik voor wetenschappelijk of geneeskundig onderzoek of voor het onderwijs van wetenschappen of geneeskunde : een nota ter beschrijving van de bekwaamheden, diploma's, beroepservaring en technische middelen waarover de aanvrager beschikt en met, als bijlage, de overeenstemde verantwoordingsstukken;
  d) de erkenningen en/of vergunningen die door de daartoe bevoegde overheden van een ander Gewest of van een andere Staat werden afgegeven;
  2° voor een rechtspersoon :
  a) de rechtsvorm, de benaming of het maatschappelijk doel, de maatschappelijke zetel en de hoedanigheid van de ondertekenaar van de aanvraag;
  b) een kopie van de milieuvergunning of van de aanvraag om vergunning voor een nieuwe inrichting of voor de hernieuwing van de vergunning of van de vergunning voor het plaatsen van een circus afgegeven door de gemeente of van de aanvraag om vergunning voor het plaatsen van een circus;
  c) een kopie van de bekendmaking van de statuten en van de jongste akte van aanstelling van de beheerders of een eensluidend verklaarde kopie van de aanvraag tot bekendmaking van de statuten;
  d) de namen van de beheerders, zaakwaarnemers of andere personen die de vennootschap kunnen verbinden en van de personen die betrokken zijn bij het indienen van de afwijkingsaanvraag;
  e) in geval van gebruik voor wetenschappelijk of geneeskundig onderzoek of voor het onderwijs van wetenschappen of geneeskunde : een nota ter beschrijving van de bekwaamheden, diploma's en beroepservaring van elk van hen, alsook van de technische middelen waarover de aanvrager beschikt;
  f) in voorkomend geval, de erkenningen die door de bevoegde overheden van een ander Gewest of een andere Staat werden afgegeven.
  Art. 2. In de afwijkingsaanvraag moeten de volgende zaken in elk geval duidelijk vermeld zijn :
  1° de aard van het afval en de hoeveelheden die de aanvrager wil gebruiken;
  2° de beschrijving van het aangevraagde gebruik van het afval, de houders en het type en de inschrijvingsnummers van de voertuigen die gebruikt zullen worden;
  3° in geval van gebruik voor wetenschappelijk en geneeskundig onderzoek of voor het onderwijs van wetenschappen of geneeskunde : een beschrijving van de risico's bij vervoer en gebruik van dierlijk afval, een beschrijving van de opslaglokalen voor het gevraagde afval, de reinigings- en ontsmettingsmiddelen en de maatregelen die werden getroffen voor het vermijden van besmetting en verontreiniging. Voor wat het restafval betreft, voegt de aanvrager aan de aanvraag een kopie toe van de overeenkomst die hij met een ophaler van dierlijk afval heeft gesloten;
  4° in geval van gebruik voor het voederen van bepaalde dieren conform artikel 24 van dit besluit, een schriftelijke verbintenis ter bevestiging dat het gevraagde afval enkel daartoe zal worden gebruikt en een overzicht, per diersoort, van het aantal dieren dat met het gevraagde afval zou worden gevoed;
  5° in geval van tijdelijk gebruik : de voorziene termijn(en).
  Art. 3. De afwijkingsaanvraag wordt in 4 exemplaren en bij een ter post aangetekende brief bij het Instituut ingediend. Het Instituut doet uitspraak binnen (vijfenveertig) kalenderdagen na ontvangst van de aanvraag. <MB 2003-03-20/44, art. 4; 002; Inwerkingtreding : 16-05-2003>
  Art. 4. In geval van gebruik voor wetenschappelijk of geneeskundig onderzoek of voor het onderwijs van wetenschappen of geneeskunde en om de risico's voor de gezondheid te beperken, kan het Instituut echter het advies van het Federaal Agentschap voor de Veiligheid van de Voedselketen vragen. Deze adviesaanvraag schorst de termijn die in artikel 3 wordt vermeld. Het advies wordt gegeven en aan het Instituut medegedeeld binnen 60 dagen volgend op de verzending van de adviesaanvraag. Na die termijn wordt het advies geacht gunstig te zijn.
  Art. 5. Het ontbreken van een beslissing die binnen de in artikel 3 voorziene termijn, eventueel onderbroken door een schorsing conform artikel 4, wordt betekend, wordt beschouwd als een weigering van de gevraagde afwijking.
  Art. 6. In de afwijkingsvergunning wordt nader bepaald waar de aanvrager het gewenste afval kan afhalen en wordt ook de geldigheidsduur van de vergunning vermeld. In geval van gebruik voor wetenschappelijk of geneeskundig onderzoek of voor het onderwijs van wetenschappen of geneeskunde worden de maximum hoeveelheden in de afwijkingsvergunning vermeld en indien mogelijk ook het aantal dat voor elke categorie van afval mag worden afgehaald.
  Art. 7. De activiteit kan worden aangevat zodra de afwijkingsvergunning zoals bedoeld in artikel 3 wordt ontvangen.
  Art. 8. De afwijkingsvergunning geldt als registratie zoals bedoeld in artikel 15 van dit besluit.
  Gezien om te worden gevoegd bij het besluit van de Brusselse Hoofdstedelijke Regering betreffende de verwijdering van dierlijk afval en betreffende de inrichtingen voor de verwerking van dierlijk afval.
  Namens de Brusselse Hoofdstedelijke Regering,
  De Minister-President van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest, belast met Plaatselijke Besturen, Ruimtelijke Ordening, Monumenten en Landschappen, Stadsvernieuwing en Wetenschappelijk Onderzoek,
  F.-X. de DONNEA
  De Minister van de Brusselse Hoofdstedelijke Regering, belast met Werkgelegenheid, Economie, Energie, Huisvesting en Landbouwbeleid,
  E. TOMAS
  De Minister van de Brusselse Hoofdstedelijke Regering, belast met Leefmilieu en Waterbeleid, Natuurbehoud, Openbare Netheid en Buitenlandse Handel,
  D. GOSUIN

  Art. N5. Bijlage V. Borderel voor de verwijdering van dierlijk afval bestemd voor wetenschappelijk onderzoek.
  (Formulier niet opgenomen om technische redenen. Zie B.S. 19-12-2002, p. 57314-57315).
  Gewijzigd door :
  <MB 2003-03-20/44, art. 2, 002; Inwerkingtreding : 16-05-2003; zie B.St. 16.05.2003, p. 26892-26893>
  Gezien om te worden gevoegd bij het besluit van de Brusselse Hoofdstedelijke Regering betreffende de verwijdering van dierlijk afval en betreffende de inrichtingen voor de verwerking van dierlijk afval.
  Namens de Brusselse Hoofdstedelijke Regering,
  De Minister-President van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest, belast met Plaatselijke Besturen, Ruimtelijke Ordening, Monumenten en Landschappen, Stadsvernieuwing en Wetenschappelijk Onderzoek,
  F.-X. de DONNEA
  De Minister van de Brusselse Hoofdstedelijke Regering, belast met Werkgelegenheid, Economie, Energie, Huisvesting en Landbouwbeleid,
  E. TOMAS
  De Minister van de Brusselse Hoofdstedelijke Regering, belast met Leefmilieu en Waterbeleid, Natuurbehoud, Openbare Netheid en Buitenlandse Handel,
  D. GOSUIN

  Art. N6. Bijlage VI. - Borderel voor de verwijdering van hoog en laag risicomateriaal bestemd voor rechtstreekse voedering aan bepaalde dieren.
  (Formulier niet opgenomen om technische redenen. Zie B.S. 19-12-2002, p. 57316-57317).
  Gewijzigd door :
  <MB 2003-03-20/44, art. 2, 002; Inwerkingtreding : 16-05-2003; zie B.St. 16.05.2003, p. 26894-26895>
  Gezien om te worden gevoegd bij het besluit van de Brusselse Hoofdstedelijke Regering betreffende de verwijdering van dierlijk afval en betreffende de inrichtingen voor de verwerking van dierlijk afval.
  Namens de Brusselse Hoofdstedelijke Regering,
  De Minister-President van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest, belast met Plaatselijke Besturen, Ruimtelijke Ordening, Monumenten en Landschappen, Stadsvernieuwing en Wetenschappelijk Onderzoek,
  F.-X. de DONNEA
  De Minister van de Brusselse Hoofdstedelijke Regering, belast met Werkgelegenheid, Economie, Energie, Huisvesting en Landbouwbeleid,
  E. TOMAS
  De Minister van de Brusselse Hoofdstedelijke Regering, belast met Leefmilieu en Waterbeleid, Natuurbehoud, Openbare Netheid en Buitenlandse Handel,
  D. GOSUIN.

Aanhef Tekst Inhoudstafel Begin
   De Brusselse Hoofdstedelijke Regering,
   Gelet op de ordonnantie van 7 maart 1991 betreffende de preventie en het beheer van afvalstoffen, gewijzigd bij de ordonnanties van 22 april 1999 en 6 december 2001, inzonderheid op artikel 6, § 1, artikel 13, 1e lid, artikel 15, § 3, en artikel 16;
   Gelet op de ordonnantie van 5 juni 1997 betreffende de milieuvergunningen, gewijzigd door de ordonnanties van 25 maart 1999 en 22 april 1999, inzonderheid op artikel 6, § 1 en de artikelen 78/1 tot 78/7;
   Gelet op het besluit van de Brusselse Hoofdstedelijke Regering van 15 juli 1993 betreffende de verwijdering van dierlijk afval met een hoog risico;
   Gelet op het besluit van de Brusselse Hoofdstedelijke Regering van 30 januari 1997 betreffende het afvalregister;
   Overwegende dat in de overeenkomst betreffende dierlijk afval in de sectoren van vlees en visserij, zoals op 4 oktober 2001 gesloten tussen de federale overheid en de gewestelijke overheden, de nodige richtlijnen en aanwijzingen zijn opgenomen voor een passende en tussen de ondertekende overheden geharmoniseerde opvolging van het dierlijk afval;
   Gelet op het advies van de Raad voor het Leefmilieu, gegeven op 17 mei 2002;
   Gelet op het advies van de Inspectie van Financiën van 3 juni 2002;
   Gelet op de akkoordbevinding van de Minister van Begroting van 18 juni 2002;
   Gelet op de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973, inzonderheid op artikel 3, § 1, vervangen door de wet van 4 juli 1989 en gewijzigd bij de wet van 4 augustus 1996;
   Gelet op de dringende noodzakelijkheid;
   Overwegende dat op 13 juni 2002 aan de Raad van State is gevraagd binnen een maand advies uit te brengen; dat de Raad van State tot op heden nog geen advies heeft uitgebracht;
   Overwegende dat de Europese inspecteurs tussen december 2002 en maart 2003 een controle zullen uitvoeren om na te gaan of er correctieacties zijn genomen;
   Overwegende dat de voornoemde acties, met inbegrip van de controles, pas na de inwerkingtreding van dit besluit kunnen worden uitgevoerd;
   Op voorstel van de Minister belast met Landbouwbeleid en van de Minister belast met Leefmilieu,
   Na beraadslaging,
   Besluit :

Wijziging(en) Tekst Inhoudstafel Begin
originele versie
  • MINISTERIEEL BESLUIT VAN 20-03-2003 GEPUBL. OP 16-05-2003
    (GEWIJZIGDE ART. : 16; 16D-16D; N3; N5; N6; 20; N4)

  • Begin Eerste woord Laatste woord Wijziging(en) Aanhef
    Inhoudstafel 1 uitvoeringbesluit 1 gearchiveerde versie
    Franstalige versie