| J U S T E L - Geconsolideerde wetgeving | ||||
| Einde | Eerste woord | Laatste woord | Wijziging(en) | Aanhef |
| Inhoudstafel | 17 uitvoeringbesluiten | 8 gearchiveerde versies | ||
| Einde | Franstalige versie | |||
| belgiëlex . be - Kruispuntbank Wetgeving | ||||
| Raad van State | ||||
| Titel |
|---|
|
19 SEPTEMBER 2002. - Besluit van de Waalse Regering betreffende de integratiehulp voor gehandicapte
jongeren (Vertaling) (NOTA : Raadpleging van vroegere versies vanaf 22-11-2002 en tekstbijwerking tot 12-06-2012) Bron : WAALSE GEWEST Publicatie : 22-11-2002 nummer : 2002028111 bladzijde : 52205 BEELD Dossiernummer : 2002-09-19/50 Inwerkingtreding : 01-01-2003 A106 107 *** 01-01-2003 A110 *** 01-01-2003 A111 *** 01-01-2003 A103 *** 01-01-2003 A112 *** 01-01-2003 A104 *** 01-01-2003 A113 *** 01-01-2003 A105 *** 01-01-2003 A106 *** 01-01-2003 A114 *** 01-01-2003 A108 |
| Inhoudstafel | Tekst | Begin |
|---|---|---|
|
TITEL I. - Algemene bepalingen. Art. 1-2 TITEL II. - Algemene beginselen en opdrachten van de diensten. HOOFDSTUK I. - Algemene beginselen. Art. 3-5 HOOFDSTUK II. - Opdrachten van de diensten. Afdeling 1. - Algemene bepalingen. Art. 6-9 Afdeling 2. - Individuele begeleiding. Art. 10-11 Afdeling 3. - Collectieve activiteiten. Art. 12 Afdeling 4. - Werk in gemeenschap. Art. 13 Afdeling 5. - Begeleiding tijdens de schooluren. Art. 14-16 TITEL III. - Erkenning van de diensten. HOOFDSTUK I. - Procedures. Afdeling 1. - Aanvraag om eerste erkenning. Art. 17-18 Afdeling 2. - Aanvraag om hernieuwing van de erkenning. Art. 19-22 Afdeling 3. - Beslissing tot eerste erkenning en tot hernieuwing van de erkenning. Art. 23-26 Afdeling 4. - Bijzondere bepalingen. Art. 27-29 HOOFDSTUK II. - Bepaling en wijziging van het theoretisch aantal begeleidingsuren en van het minimumaantal individuele dossiers. Afdeling 1. - Bepaling van het theoretisch aantal begeleidingsuren en van het minimumaantal individuele dossiers. Art. 30-32 Afdeling 2. - Wijziging van het theoretisch aantal begeleidingsuren en van het minimumaantal individuele dossiers. Art. 33-36 HOOFDSTUK III. - Beroepen. [1 opgeheven]1 Art. 37-40 TITEL IV. - Voorwaarden voor het behoud en de hernieuwing van de erkenning. HOOFDSTUK I. - Normen. Art. 41 Afdeling 1. - Project van de dienst. Art. 42-43 Afdeling 2. - Begeleidingsovereenkomst. Art. 44-46 Afdeling 3. - Begeleidingsproject voor de jongere. Art. 47-50 Afdeling 4. - Agenda van de dienst. Art. 51 Afdeling 5. - Kwalificaties van het personeel. Art. 52-53 Afdeling 6. - Personeelsvorming. Art. 54 Afdeling 7. - Rechtspersoon. Art. 55-57 Afdeling 8. - Beheer van de dienst. Art. 58 Afdeling 9. - Administratief en boekhoudkundig beheer. Art. 59-67 Afdeling 10. - Verzekeringen. Art. 68 Afdeling 11. - Verplichtingen betreffende de gebouwen en installaties. Art. 69 Afdeling 12. [1 - Evaluatie van de diensten]1 Art. 69bis HOOFDSTUK II. - Controle. Art. 70-71 TITEL V. - Opvangbeleid. Art. 72-75 TITEL VI. - [1 Steunverlening bij het volgen van onderwijs]1 HOOFDSTUK I. - [1 Overeenkomst inzake steunverlening bij het volgen van onderwijs]1 Art. 76 HOOFDSTUK 2. - [1 Partijen bij de overeenkomst houdende steunverlening bij het volgen van onderwijs]1 Art. 77 HOOFDSTUK 3. - [1 IInhoud van de overeenkomst inzake steunverlening bij het volgen van onderwijs]1 Art. 78-81 HOOFDSTUK 4. - [1 Jaarlijks verslag betreffende de steunverlening bij het volgen van onderwijs]1 Art. 82-83 TITEL VII. - Klachten. [1 opgeheven]1 Art. 84 TITEL VIII. - Subsidiëring. HOOFDSTUK I. - Algemene bepalingen. Art. 85 HOOFDSTUK II. - Berekening van de jaarlijkse toelage. Art. 86-89, 89bis HOOFDSTUK III. - Toeslag wegens geldelijke anciënniteit. Art. 90-91 HOOFDSTUK IV. - (Bijzondere toelage voor de financiering van de vakbondspremies) <BWG 2007-06-21/32, art. 4, 006; Inwerkingtreding : 01-01-2007> Art. 92 HOOFDSTUK IVbis. Specifieke subsidie als compensatie voor de maatregelen van de driedelige raamovereenkomst voor de Waalse privé non profitsector. <Ingevoegd bij BWG 2008-09-11/44, art. 5; Inwerkingtreding : 01-01-2008> Art. 92bis, 92ter HOOFDSTUK IVter. [1 - Specifieke toelage als compensatie voor de bepalingen inzake de loonschaalherwaardering van de hoofdopvoeders en van opvoeders-groepsleiders.]1 Art. 92quater HOOFDSTUK IVquater. [1 - Specifieke toelage om te voldoen aan de bepalingen van de kaderovereenkomst voor de Waalse privé non profit sector]1 Art. 92quinquies, 92sexies HOOFDSTUK V. - Controle op de jaarlijkse toelage. Art. 93-96 TITEL IX. - Bijdragen van de jongeren. Art. 97 TITEL X. - Programmering. Art. 98 TITEL XI. - Overgangs-, wijzigings- en opheffingsbepalingen. Art. 99-116 BIJLAGEN. Art. N1-N9 |
||
| Tekst | Inhoudstafel | Begin | ||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|
|
TITEL I.
- Algemene bepalingen. Artikel 1. Dit besluit regelt, overeenkomstig artikel 138 van de Grondwet, een aangelegenheid bedoeld in artikel 128, § 1, ervan. Art. 2.Voor de toepassing van dit besluit wordt verstaan onder : 1° het decreet : het decreet van 6 april 1995 betreffende de integratie van gehandicapte personen; 2° het besluit van 4 juli 1996 : het besluit van de Waalse Regering van 4 juli 1996 houdende uitvoering van het decreet van 6 april 1995 betreffende de integratie van gehandicapte personen; 3° het besluit van 9 oktober 1997 : het besluit van de Waalse Regering van 9 oktober 1997 betreffende de voorwaarden van erkenning en subsidiëring van de voor gehandicapte personen bestemde residentiële diensten, dagonthaaldiensten en diensten voor plaatsing in gezinnen; 4° de wet van 19 december 1974 : de wet van 19 december 1974 tot regeling van de betrekkingen tussen de overheid en de vakbonden van haar personeel; 5° de Minister : de Minister bevoegd voor het Gehandicaptenbeleid; 6° het Agentschap : het " Agence wallonne pour l'intégration des personnes handicapées "; 7° het gewestelijk bureau : de gewestelijke bureaus opgericht krachtens artikel 3 van het besluit van de Waalse Regering van 4 juli 1996 houdende uitvoering van het decreet van 6 april 1995 betreffende de integratie van gehandicapte personen; 8° het beheerscomité : het beheerscomité van het Agentschap, ingesteld krachtens artikel 31 van het decreet; 9° [1 de commissie voor steunverlening aan jongeren met een handicap bij het volgen van onderwijs : de commissie ingesteld in het kader van het Samenwerkingsakkoord tussen de Franse Gemeenschap en het Waalse Gewest houdende steunverlening aan jongeren met een handicap bij het volgen van onderwijs;]1 10° de jongere : elke gehandicapte persoon zoals omschreven in artikel 2 van het decreet, van zes tot twintig jaar oud, en voor wie het Agentschap besluit dat een begeleiding door een door het Agentschap erkende dienst voor integratiehulp noodzakelijk is; 11° de fysiek of sensorieel gehandicapte persoon : de jongere die lijdt aan één van de volgende handicaps : - blindheid, amblyopie of zware gezichtsstoornissen; - doofheid, gedeeltelijke doofheid of zware gehoorstoornissen; - stoornissen in de motoriek, dysmelie, poliomyelitis, skelet- en ledenmisvormingen; - hersenverweking, multiple sclerose, spina bifida, myopathie, neuropathie; - een niet-besmettelijke chronische aandoening die geen zorgverlening in een kinderafdeling meer vereist; 12° de begeleider : de werknemer van de dienst die tussenbeide komt in het begeleidingsproces van de jongere; 13° de dienst : de dienst voor integratiehulp erkend door het Agentschap krachtens dit besluit; 14° de dagonthaaldienst voor jongeren : de dienst bedoeld in artikel 4, § 1, van het besluit van 9 oktober 1997; 15° de algemene diensten : de diensten die voor de gezamenlijke bevolking bestemd zijn en aan de specifieke behoeften van de jongeren kunnen voldoen; 16° de omvorming : de omvorming van de dienst bedoeld in afdeling van titel VIII van het besluit van 9 oktober 1997; 17° de schooluren : het tijdsbestek waarin de school de jongeren opvangt, middagpauze inbegrepen; 18° de netwerking : het werk dat volgens beide hierna omschreven logica's verricht wordt : 1) de logica die steunt op de kennissenkring van de jongere. Die praktijk zet de jongere ertoe aan om blijvend te werken aan de betrekkingen met zijn omgeving, om een zo open en gevarieerd mogelijke kennissenkring te verwerven, en 2) de logica die betrekking heeft op het netwerk van professionelen, samengesteld uit diensten en maatschappelijk werkers. Bedoeld netwerk wordt gezien als een instrument dat in dienst staat van de begeleiding. Eén van de kenmerken van bedoelde praktijk bestaat erin te voorzien in coördinatievormen en in samenwerkingsverbanden tussen de verschillende diensten. (19° toeslag wegens loonschaalherwaardering : toeslag om de herwaardering van de personeelslonen waarin de kaderovereenkomst van 16 mei 2000 voorziet te financieren volgens de procedure bepaald bij het besluit van de Waalse Regering van 28 september 2006 tot verhoging van de jaarlijkse toelagen toegekend aan de voor gehandicapte personen bestemde hulpdiensten i.v.m. de activiteiten van het dagelijks leven, residentiële diensten, dagonthaaldiensten, diensten voor plaatsing in gezinnen, diensten voor integratiehulp, diensten voor vroegtijdige hulp en begeleidingsdiensten voor volwassenen.) <BWG 2006-09-28/53, art. 2, 004; Inwerkingtreding : 01-01-2006> ---------- (1)<BWG 2012-05-31/06, art. 2, 009; Inwerkingtreding : 01-01-2012> TITEL II. - Algemene beginselen en opdrachten van de diensten. HOOFDSTUK I. - Algemene beginselen. Art. 3. De integratiehulp bestaat in het begeleiden van de jongere, met inachtneming van de beginselen bedoeld in artikel 4 van het decreet en in de artikelen 4 en 5 van dit besluit, met als doel zijn deelneming en socialisatie in de gewone levenssfeer te bevorderen. Die doelstelling wordt meer bepaald op de volgende vlakken nagestreefd : gezins-, school- (gewoon of bijzonder onderwijs), maatschappelijk leven, sport- en cultuurbeleving, therapeutische of, in voorkomend geval, professionele behandeling. Art. 4. Bij de begeleiding worden de volgende beginselen in acht genomen : 1° het gaat om een individuele aanvraag van de jongere of, als hij die niet zelf kan formuleren, van zijn wettelijke vertegenwoordiger of van de persoon aan wie hij wordt toevertrouwd; 2° er wordt regelmatig nagegaan of de algemene diensten al dan niet aan de aanvraag kunnen voldoen; 3° er wordt een onderzoek gedaan naar de behoeften van de jongere en van zijn gezin; 4° de potentialiteiten van de jongere en van zijn gezin worden benut en de jongere, zijn gezin en naasten worden zo veel mogelijk bij de begeleiding betrokken; 5° de autonomiecapaciteiten van de jongere en van zijn gezin worden gestimuleerd; 6° er wordt gehandeld op verschillende actieplaatsen; 7° er wordt gewerkt met andere psycho-medische-maatschappelijke actoren; 8° er wordt in netwerk gewerkt en de interne en externe coördinatievormen worden verstevigd via een transversale benadering van de door de jongere ondervonden problemen; 9° binnen de gemeenschap wordt anders over de handicap nagedacht met het oog op de inschakeling van al haar hulpbronnen en een begin van reflectie over nieuwe samenlevingsvormen. Art. 5. De dienst waarborgt de onafhankelijkheid en de vrijheid van keuze van de jongere en eerbiedigt zijn ideologische, filosofische of godsdienstige inzichten en die van zijn gezin. De opname en de begeleiding van een jongere kunnen niet afhankelijk worden gemaakt van het feit dat hij in een welbepaalde school ingeschreven staat of dat hij of zijn wettelijke vertegenwoordiger tot één of andere groepering toetreedt. De dienst waarborgt dezelfde dienstverlening aan alle gehandicapte personen en mag de jongere of zijn gezin met name geen andere financiële bijdrage opleggen dan die bedoeld in artikel 97 als opvang- en begeleidingsvoorwaarde. HOOFDSTUK II. - Opdrachten van de diensten. Afdeling 1. - Algemene bepalingen. Art. 6. De dienst verstrekt de jongere informatie en verleent hem geïndividualiseerde steun in coördinatie met de andere interveniënten zodat de verschillende ondernomen begeleidingsactiviteiten zinvol en samenhangend worden gemaakt. Het Agentschap kan een op de leeftijd gestoelde afwijking toestaan op grond van een specifiek project. Art. 7. In samenwerking met het gezin vervult de dienst de vier volgende opdrachten : 1° een individuele begeleiding buiten de schooluren; 2° het genereren, formuleren en uitwerken, buiten de schooluren, van collectieve oplossingen voor individuele behoeften; 3° het ontwikkelen van een werk in gemeenschap; 4° het begeleiden van de jongere binnen de schooluren via individuele en groepsactiviteiten. Art. 8. De opdrachten bedoeld in artikel 7 kunnen slaan op educatieve, maatschappelijke, psychologische, reeducatieve en (of) therapeutische aspecten, waarbij het begeleidingswerk steeds in het verlengde dient te liggen van de doelstelling bestaande uit de deelname van de jongere aan het gezins- en maatschappelijk leven. De maatschappelijke, psychologische, reeducatieve of therapeutische begeleiding van een jongere die bijzonder onderwijs volgt kan echter pas worden doorgevoerd indien hij opgenomen wordt in de berekening tot bepaling van het aantal periodes overeenkomstig het koninklijk besluit nr. 67 van 20 juli 1982 tot vaststelling van de wijze waarop de ambten van het paramedisch personeel worden bepaald in de inrichtingen voor buitengewoon onderwijs, met uitzondering van de internaten of semi-internaten. Art. 9. De diensten begeleiden de jongere ongeacht zijn handicap, behalve de diensten die resulteren uit een omvorming doorgevoerd krachtens artikel 81, § 4, van het besluit van 9 oktober 1997 die fysiek of sensorieel gehandicapte jongeren blijven begeleiden. Afdeling 2. - Individuele begeleiding. Art. 10. De individuele begeleiding buiten de schooluren, meer bepaald 's avonds, op zaterdag en tijdens de schoolvakanties, bevordert de deelname van de jongere in zijn gewone levenssfeer en zijn vaardigheden, autonomie en zelfontplooiing. Art. 11. De dienst zet de jongere ertoe aan zijn relatiekring en zijn geheel aan maatschappelijke ervaringen uit te bouwen. Hij kan voorzien in een paramedische reeducatie of een psychologische opvolging, met inachtneming van artikel 8, tweede lid. Afdeling 3. - Collectieve activiteiten. Art. 12. De dienst voorziet in een begeleiding via collectieve activiteiten buiten de schooluren, meer bepaald 's avonds, op zaterdag en tijdens de schoolvakanties. Zijn tussenkomst is erop gericht de potentialiteiten van de jongere kracht bij te zetten en zijn bekwaamheden te benutten in interactie met zijn maatschappelijke omgeving. Deze begeleidingsvorm sluit aan bij het project dat de begeleiding van de jongere beoogt. Streefdoel is steeds de optimale deelname van de jongere. Afdeling 4. - Werk in gemeenschap. Art. 13. De dienst ontwikkelt een dynamiek gekenmerkt door netwerking en deelname van de plaatselijke gemeenschap. Die dynamiek beoogt het opzetten van plaatselijke samenwerkingsverbanden, alsmede de beïnvloeding van de rol van overheid en diensten en het genereren op lange termijn van vaardigheden en capaciteiten die de integratie van gehandicapte jongeren bevorderen. De dienst ontwikkelt oa de volgende werkwijzen : 1° het inzetten van groepen en personen die bereid zijn mee te werken aan het integratieproces van gehandicapte personen; 2° het uitwerken van plannen op lange termijn waardoor de groepen en netwerken die zich weinig aangesproken voelen door het probleem van gehandicapte personen nieuw leven wordt ingeblazen; 3° het bevorderen van een betere coördinatie tussen de participanten; 4° het samenwerken met de overheid en het verenigingsleven. Afdeling 5. - Begeleiding tijdens de schooluren. Art. 14. De dienst kan instaan voor de begeleiding van de jongere via individuele en groepsactiviteiten tijdens de schooluren. Overeenkomstig onder meer artikel 8, tweede lid, mag hij niet de plaats van de school innemen door als enige de opdrachten en (of) taken die haar toekomen, op zich te nemen. Als de dienst voorziet in begeleiding tijdens de schooluren, vervult hij zijn opdracht in samenwerking met verschillende scholen. Art. 15.[1 De diversiteit aan vormen van steunverlening bij het volgen van onderwijs hangt af van de handicapsituatie, van de behoeften van elke jongere, van de keuze van de ouders en van de beschikbare middelen.]1 De integratie kan ofwel individueel ofwel collectief zijn. Als doel van de integratieactiviteit staat steeds de geleidelijke deelname aan een voltijdse scolariteit voorop. De steunverleningsactiviteiten kaderen in een globale actie zodat elke interveniënt, gebruik makend van zijn specifieke vaardigheden, bijdraagt tot een specifieke kennis van de jongere, waarbij de coördinatie van de verschillende bijdragen een samenhangende en collegiale multidisciplinaire opvolging mogelijk moet maken. ---------- (1)<BWG 2012-05-31/06, art. 3, 009; Inwerkingtreding : 01-01-2012> Art. 16. De steun wordt bij voorkeur in schoolverband verleend. Gezien de aard van de omstandigheden kan evenwel op andere plaatsen geageerd worden. Ongeacht de keuze behoudt elke partner zijn originaliteit en oefent hij zijn verantwoordelijkheden in alle onafhankelijkheid uit, waarbij de samenwerking evenwel zo nauw mogelijk wordt behouden. TITEL III. - Erkenning van de diensten. HOOFDSTUK I. - Procedures. Afdeling 1. - Aanvraag om eerste erkenning. Art. 17.De aanvraag om eerste erkenning wordt bij ter post aangetekend schrijven aan het Agentschap gericht. Bij de aanvraag worden de volgende stukken en gegevens gevoegd : 1° het project van de dienst, alsmede de wijze waarop de individuele begeleidingsprojecten uitgewerkt en opgevolgd worden; [1 2°/1 de identiteit van de directeur van de dienst, zijn uittreksel uit het strafregister van minder dan drie maanden geleden (model 1), opgemaakt overeenkomstig de ministeriële rondzendbrief nr. 905 van 2 februari 2007 betreffende de afgifte van een uittreksel uit het strafregister, vrij van veroordelingen tot correctionele straffen die onverenigbaar zijn met het ambt of tot criminele straffen, alsook de geschreven delegatie van bevoegdheden van de inrichtende macht bedoeld in artikel 52; 2°/2 de identiteit van de bestuurders, alsook hun uittreksel uit het strafregister van minder dan drie maanden geleden, vrij van veroordelingen tot correctionele straffen die onverenigbaar zijn met het ambt; 2°/3 de identiteit van de leden van de algemene vergadering;]1 3° een voor eensluidend verklaard afschrift van de diploma's en getuigschriften van de directeur, alsmede het bewijs van nuttige ervaring vereist in bijlage 3; 4° een attest, sinds minder dan één jaar afgeleverd door de gewestelijke brandweerdienst, met betrekking tot de conformiteit van de plaats(en) waar de dienst de jongeren gewoonlijk en gezamenlijk in zijn lokalen opvangt, waarin tevens de maximale opvangcapaciteit aangegeven wordt; 5° als de dienst is opgericht in de juridische vorm van een vzw of van een stichting, een afschrift van de gecoördineerde statuten zoals ze zijn neergelegd bij de griffie van de rechtbank van eerste aanleg; 6° het inschrijvingsnummer van de dienst bij de RSZ of bij de RDSZPPO en, voor de vzw's, het inschrijvingsnummer in het rijksregister; 7° bij omvorming, het advies, voor de particuliere sector, van de ondernemingsraad of van de bevoegde vakbondsafvaardiging of, voor de overheidssector, van het onderhandelings- of overlegcomité opgericht krachtens de wet van 19 december 1974. ---------- (1)<BWG 2012-05-31/06, art. 4, 009; Inwerkingtreding : 01-01-2012> Art. 18. Binnen dertig dagen na verzending van de aanvraag om eerste erkenning stuurt het Agentschap de aanvrager bij ter post aangetekend schrijven een bericht van ontvangst van het dossier als het volledig is. Als het dossier onvolledig is, informeert het Agentschap de aanvrager op dezelfde wijze en geeft het hem kennis van de ontbrekende stukken. Het Agentschap behandelt het dossier en het beheerscomité van het Agentschap beslist binnen twee maanden, te rekenen van de datum van ontvangst van het volledige dossier betreffende de aanvraag om eerste erkenning. Afdeling 2. - Aanvraag om hernieuwing van de erkenning. Art. 19. De aanvraag om hernieuwing wordt uiterlijk zes maanden vóór afloop van de geldigheidstermijn van de erkenning bij ter post aangetekend schrijven aan het Agentschap gericht. De termijn van zes maanden wordt tot twee maanden ingekort als de erkenning verleend wordt voor een duur van zeven maanden of minder. Art. 20. De aanvraag gaat vergezeld van de stukken bedoeld in artikel 17, eerste lid, 1°, 2° en 4°. Als de andere stukken vereist krachtens artikel 17, eerste lid, wijzigingen ondergaan, worden zij bijgevoegd. De jaarlijkse evaluatieverslagen bedoeld in artikel 42 en opgesteld sinds de laatste erkenning, worden eveneens bij de aanvraag gevoegd. Art. 21. De inspectiediensten van het Agentschap gaan na of de dienst voldoet aan de verschillende erkenningsvoorwaarden en -normen bedoeld in titel IV. Een verslag waarin de beoordeling door de inspectiediensten per categorie verplichtingen wordt opgenomen, wordt aan de leden van het beheerscomité gericht om hem van advies te dienen bij zijn besluitvorming. Als " categorie verplichtingen " wordt beschouwd elke afdeling van hoofdstuk I van titel 4. Art. 22. De dienst blijft voorlopig erkend totdat het beheerscomité zijn beslissing getroffen heeft. Afdeling 3. - Beslissing tot eerste erkenning en tot hernieuwing van de erkenning. Art. 23. Het beheerscomité beoordeelt de elementen van het dossier betreffende de aanvraag om eerste erkenning. Art. 24. In geval van hernieuwing beslist het beheerscomité van het Agentschap op grond van de verschillende elementen van het dossier en van het verslag bedoeld in artikel 21. Art. 25. De beslissing van het Agentschap vermeldt : 1° de begin- en einddatum van de erkenning; 2° het theoretische volume van de begeleidingsuren toegekend voor één kalenderjaar en bepaald overeenkomstig hoofdstuk II van deze titel; 3° het minimumaantal individuele dossiers dat over één kalenderjaar beheerd moet worden. Art. 26.[1 De erkenning wordt voor een onbepaalde duur verleend. Als het gaat om een aanvraag voor de erkenning van een nieuwe dienst, wordt de erkenning verleend voor een periode van drie maanden tot hoogstens drie jaar. Na afloop van die periode wordt de erkenning behalve andersluidende beslissing van het beheerscomité voor een onbepaalde duur verleend.]1 ---------- (1)<BWG 2012-05-31/06, art. 5, 009; Inwerkingtreding : 01-01-2012> Afdeling 4. - Bijzondere bepalingen. Art. 27. Indien het beheerscomité vaststelt dat één of verschillende van de erkenningsvoorwaarden en -normen bedoeld in titel IV niet of niet meer worden vervuld, kan het beheerscomité bij de hernieuwing of op elk ander tijdstip de erkenning voorwaardelijk behouden, opschorten of intrekken dan wel het aantal erkende uren en dossiers verminderen. Het beheerscomité van het Agentschap moet zijn eindbeslissing hoe dan ook motiveren. Bij voorwaardelijk behoud van de dienst wordt de beslissing gekoppeld aan verplichtingen die de dienst moet nakomen binnen een bepaalde termijn na afloop waarvan het beheerscomité kan beslissen tot de opschorting of de intrekking van de erkenning of tot de vermindering van het aantal erkende uren en dossiers. Art. 28. Het beheerscomité kan eveneens, gedurende hoogstens twee jaar, het behoud of de hernieuwing van de erkenning afhankelijk maken van de oprichting van een " begeleidingscomité ", dat de dienst moet bijstaan bij de inachtneming van de erkenningsvoorwaarden. Het begeleidingscomité bestaat uit minstens één vertegenwoordiger van het Agentschap, één deskundige aangewezen door het beheerscomité op grond van zijn bevoegdheid voor het bestaande probleem, één vertegenwoordiger van de inrichtende machten en één vertegenwoordiger van de representatieve werknemersorganisaties. Als de dienst na afloop van de opgelegde termijn nog steeds niet voldoet aan de erkenningsvoorwaarden, treft het Agentschap één van de maatregelen bedoeld in artikel 27, derde lid. Art. 29. Bij de sluiting van een dienst ten gevolge van de intrekking van de erkenning verzoekt het Agentschap elke dienst om samenwerking zodat dringend voor de begeleiding van de gehandicapte personen kan worden gezorgd. HOOFDSTUK II. - Bepaling en wijziging van het theoretisch aantal begeleidingsuren en van het minimumaantal individuele dossiers. Afdeling 1. - Bepaling van het theoretisch aantal begeleidingsuren en van het minimumaantal individuele dossiers. Art. 30. De dienst erkend vóór de datum van inwerkingtreding van dit besluit, is het voorwerp van een eerste erkenning op basis van titel 3, in het kader waarvan zowel een theoretisch aantal begeleidingsuren als een minimumaantal individuele dossiers worden vastgelegd. Hetzelfde kader geldt voor de diensten die later erkend zouden worden. Art. 31. Het theoretisch aantal begeleidingsuren wordt verkregen door het theoretisch aantal voltijdse equivalenten die voor begeleidingstaken aangesteld zijn (ETPa) door 1 600 uren te delen. Dat theoretisch aantal voltijdse equivalenten die voor begeleidingstaken aangesteld zijn (ETPa) wordt verkregen door het quotum voltijdse equivalenten personeelsleden buiten interventie (ETPhi) bedoeld in bijlage 5 van het aantal theoretische voltijdse equivalenten (ETPt) af te trekken. Het totaalaantal ETPt wordt verkregen door 85 % van de in artikel 86 bedoelde jaarlijkse toelage te delen door de referentieschaal op grond van de gemiddelde anciënniteit van het personeel in dienst bij de eerste erkenning. (Die schaal bedoeld in bijlage IV wordt vermeerderd met een coëfficiënt werkgeverslasten van 51,89 %.) <BWG 2006-09-28/53, art. 3, 004; Inwerkingtreding : 01-01-2006> De gemiddelde anciënniteit wordt berekend op basis van een naamlijst van het personeel aangesteld bij de bestaande dienst of van het personeel voorzien voor de op te richten dienst. De anciënniteit die in aanmerking wordt genomen, is die van de personen vermeld op de laatste personeelslijst waarover het Agentschap beschikt en die bedoeld wordt in artikel 29, § 2, van het besluit van 9 oktober 1997. De anciënniteit van de personeelsleden die niet op de lijst voorkomen, wordt door het Agentschap berekend op grond van bewijsstukken verstrekt door de dienst. Bij gebreke daarvan wordt de beginanciënniteit forfaitair vastgelegd op tien jaar. Art. 32. <BWG 2006-09-28/53, art. 4, 004; Inwerkingtreding : 01-01-2006> Het minimumaantal individuele dossiers waarvoor de dienst erkend is, wordt verkregen door het theoretisch aantal ETPa te vermenigvuldigen met 6. Het aldus verkregen aantal dossiers wordt afgerond op de hogere eenheid. Afdeling 2. - Wijziging van het theoretisch aantal begeleidingsuren en van het minimumaantal individuele dossiers. Art. 33. Het theoretisch aantal begeleidingsuren en het aantal individuele dossiers kunnen gewijzigd worden, hetzij door het beheerscomité van het Agentschap overeenkomstig de artikelen 27, 31 en 32, hetzij op basis van het aantal individuele dossiers beheerd door de dienst. Art. 34. In geval van beslissing van het beheerscomité van het Agentschap krachtens de bepalingen bedoeld in artikel 27 worden de jaarlijkse toelage, het theoretisch aantal ETPth en het aantal door de dienst te beheren individuele dossiers verminderd op grond van het theoretisch aantal interventieuren bepaald door het beheerscomité. Art. 35. § 1. Als het gemiddeld aantal individuele dossiers, afgerond naar de hogere eenheid, na afloop van een eerste waarnemingsperiode van twee volle kalenderjaren na het jaar van de eerste erkenning, lager is dan het aantal bedoeld in artikel 32, worden de jaarlijkse toelage en het theoretisch aantal voltijdse equivalenten, het theoretisch aantal interventieuren en het minimumaantal dossiers verhoudingsgewijs verminderd. § 2. De volgende waarnemingsperiodes duren drie jaar. § 3. De vermindering vindt plaats één jaar na de waarnemingsperiode. Art. 36. Het gemiddeld aantal dossiers wordt verkregen door optelling van het aantal dossiers in behandeling tijdens elk jaar van de waarnemingsperiode, gedeeld door het aantal jaren van diezelfde waarnemingsperiode. HOOFDSTUK III. - Beroepen. [1 opgeheven]1 ---------- (1)<BWG 2009-04-16/02, art. 29, 008; Inwerkingtreding : 01-05-2009> Art. 37. <Opgeheven bij BWG 2009-04-16/02, art. 29, 008; Inwerkingtreding : 01-05-2009> Art. 38. <Opgeheven bij BWG 2009-04-16/02, art. 29, 008; Inwerkingtreding : 01-05-2009> Art. 39. <Opgeheven bij BWG 2009-04-16/02, art. 29, 008; Inwerkingtreding : 01-05-2009> Art. 40. <Opgeheven bij BWG 2009-04-16/02, art. 29, 008; Inwerkingtreding : 01-05-2009> TITEL IV. - Voorwaarden voor het behoud en de hernieuwing van de erkenning. HOOFDSTUK I. - Normen. Art. 41. Het begeleidingswerk wordt verricht overeenkomstig de beginselen omschreven in de artikelen 4 en 5. Afdeling 1. - Project van de dienst. Art. 42.Het project van de dienst wordt uitgewerkt op basis van het patroon bedoeld in bijlage 1. Daarbij wordt de interventieploeg tot samenwerking aangezet. Het wordt voor advies voorgelegd aan de bevoegde vakbondsafvaardiging of aan het onderhandelings- of overlegcomité ingesteld krachtens de wet van 19 december 1974. [1 De dienst evalueert zijn activiteit minstens één keer per jaar. De dienst maakt jaarlijks uiterlijk 30 juni het activiteitenverslag aan het "AWIPH" over.]1 De personeelsleden van de dienst worden in kennis gesteld van het project, de bijwerkingen ervan en het jaarlijkse evaluatierapport over de activiteit van de dienst en kunnen daarvan steeds inzage nemen. Het jaarrapport wordt bovendien voorgelegd op een jaarlijkse vergadering van gezinnen zodat rekening kan worden gehouden met hun voorstellen bij de bijwerking van het project. Een geschreven synthese van die voorstellen wordt bij de bijgewerkte teksten gevoegd. ---------- (1)<BWG 2012-05-31/06, art. 6, 009; Inwerkingtreding : 01-01-2012> Art. 43. De dienst wendt de middelen aan die bijdragen tot de verwezenlijking van de doelstellingen van het project. Afdeling 2. - Begeleidingsovereenkomst. Art. 44. De dienst en de jongere of diens wettelijke vertegenwoordiger sluiten een geschreven begeleidingsovereenkomst. Als de jongere minstens veertien jaar oud is, wordt zijn schriftelijk akkoord vereist. Art. 45. De begeleidingsovereenkomst bevat hoe dan ook de volgende gegevens : 1° de identiteit van de partijen; 2° de algemene doelstellingen van het begeleidingswerk; 3° de melding dat een begeleidingsproject door de dienst zal worden uitgewerkt in samenwerking met de jongere, diens gezin of de andere partijen die de overeenkomst hebben ondertekend; 4° de begin- en einddatum van de begeleidingsovereenkomst; 5° de uitdrukkelijke melding dat de jongere of diens gezin verzocht worden deel te nemen aan het evaluatieproces van de begeleiding; 6° het bedrag van de bijdrage; 7° de natuurlijke persoon of de rechtspersoon die instaat voor de betaling en voor de manier waarop de betaling wordt geregeld; 8° de modaliteiten voor de opzegging van de overeenkomst; 9° het adres van het Agentschap waar de jongere of diens gezin opmerkingen, klachten of bezwaren kan indienen. Art. 46. De jongere of diens wettelijke vertegenwoordiger heeft te gelegener tijd recht op informatie over elk vraagstuk betreffende het begeleidingswerk. Afdeling 3. - Begeleidingsproject voor de jongere. Art. 47. De dienst werkt een geïndividualiseerd begeleidingsproject uit waarbij rekening wordt gehouden met de beginselen omschreven in de artikelen 4 en 5. Art. 48. Het project bestaat hoe dan ook uit drie luiken waarin de volgende gegevens vermeld worden (de lijst is niet volledig) : 1° een informatief luik met : a) het traject van de jongere en een overzicht van zijn bevoegdheden; b) de identificatie van de behoeften van de jongere; c) de identificatie van de behoeften van zijn gezin en van de gezamenlijke partners; 2° een projectief luik met hoe dan ook : a) de aanvragen geformuleerd door de jongere en diens omgeving; b) de wijze waarop het begeleidingsproces zal verlopen rekening houdende met de geïdentificeerde behoeften, waarop het zal bijdragen tot de stimulering van de autonomiecapaciteiten van de jongere en waarop het gezin en het maatschappelijk netwerk van de jongere en zijn gezin bij bedoeld proces betrokken zullen worden; c) de algemene diensten die om samenwerking zullen worden verzocht; 3° een evaluatief luik met : a) de wijze waarop het project geëvalueerd en geactualiseerd wordt, zodat het begeleidingsproces permanent opgevolgd kan worden. Daarbij mag de dienst gebruik maken van het evaluatieschema bedoeld in bijlage 2 bij dit besluit; b) de instrumenten voor de analyses en de actualisering van het project om te kunnen nagaan of het inspeelt op de behoeften en beantwoordt aan de doelstellingen, bedoeld in de luiken 1 en 2; c) de frequentie van de evaluaties. De lijst van bovenvermelde gegevens is onvolledig. Art. 49. Het begeleidingsproject wordt uitgewerkt binnen drie maanden na de opvang van de jongere, rekening houdende met het project van de dienst, en vermeldt de duur en de evaluatiewijze ervan, alsmede de middelen waarin voorzien wordt om het actualiseren. Art. 50. Het begeleidingsproject wordt ondertekend door de dienst voor integratiehulp, de jongere als hij ouder is dan veertien jaar, of diens wettelijke vertegenwoordiger. Het maakt noodzakelijk deel uit van de begeleidingsovereenkomst en gaat bij het dossier van de jongere, dat door de dienst wordt bijhouden. Afdeling 4. - Agenda van de dienst. Art. 51. De dienst houdt een agenda van zijn activiteiten waarin hoe dan ook de dagelijkse uurregeling voor de volgende activiteiten wordt vermeld : 1° de collectieve activiteiten; 2° de gemeenschappelijke acties; 3° de vergaderingen. Afdeling 5. - Kwalificaties van het personeel. Art. 52.Het personeel van de diensten moet voldoen aan de kwalificatienormen bedoeld in bijlage 3. De dienst stelt de voor eensluidend verklaarde afschriften van de diploma's, getuigschriften en attesten ter beschikking van het Agentschap. [1 De personeelsleden leggen voor hun indienstneming een uittreksel uit het strafregister van model 1 over dat is opgemaakt overeenkomstig de ministeriële rondzendbrief nr. 905 van 2 februari 2007 betreffende de afgifte van een uittreksel uit het strafregister, vrij van veroordelingen tot correctionele straffen die onverenigbaar met het ambt zijn of tot criminele straffen.]1 ---------- (1)<BWG 2012-05-31/06, art. 7, 009; Inwerkingtreding : 01-01-2012> Art. 53. <BWG 2008-09-11/44, art. 2, 007; Inwerkingtreding : 01-01-2008> Het begeleidingspersoneel is samengesteld uit houders van een einddiploma of -getuigschrift van het hoger universitair of niet-universitair onderwijs met pedagogische, psychologische, sociale of paramedische oriëntering, met volledig leerplan of voor sociale promotie, met uitzondering van het diploma van bibliothecaris-documentalist. De ploeg van de voor meer dan 29 dossiers erkende diensten voor integratiehulpverlening aan jonge gehandicapten bestaat uit minstens één psycholoog of psycho-pedagoog en uit werknemers van minstens twee van de drie volgende personeelscategorieën : opvoedend personeel, sociaal personeel, paramedisch personeel. De werknemers bedoeld in het tweede lid worden daartoe bezoldigd. Afdeling 6. - Personeelsvorming. Art. 54. Op grond van het project bedoeld in artikel 40 stelt de dienst een vormingsprogramma op voor minimum twee jaar. Dat programma, opgemaakt na een gedachtewisseling met de betrokken actoren, bepaalt de nagestreefde doelstellingen. Het omschrijft de banden tussen de globale omgeving van de dienst, de dynamiek van het project van de dienst en de ontwikkeling van de capaciteiten van het personeel. Het bepaalt de criteria, de modaliteiten en de periodiciteit voor de evaluatie van die drie aspecten. (Het voorziet bovendien in de permanente vormingsactiviteiten waaraan het begeleidingspersoneel minstens twee dagen per jaar moet deelnemen.) <BWG 2008-09-11/44, art. 3, 007; Inwerkingtreding : 01-01-2008> Wat betreft het personeel van de diensten die onder de plaatselijke besturen en de provincies ressorteren, ligt het in het eerste lid bedoelde vormingsprogramma in de lijn van het vormingsprogramma dat werd uitgewerkt op initiatief van de gewestelijke vormingsraad, ingesteld bij het decreet van 6 mei 1999 tot oprichting van de gewestelijke vormingsraad voor de personeelsleden van de plaatselijke en provinciale besturen van Wallonië. Afdeling 7. - Rechtspersoon. Art. 55. De dienst wordt beheerd door een overheid, een vereniging zonder winstoogmerk of een stichting opgericht overeenkomstig de wet van 27 juni 1921 op de verenigingen zonder winstgevend doel, de internationale verenigingen en de stichtingen. Art. 56. Om elke belangenvermenging te voorkomen mag de rechtspersoon die in de vorm van een vereniging zonder winstoogmerk opgericht is, onder zijn leden niet meer tellen dan één vijfde van de personeelsleden en niet meer dan één vijfde van personen die met hen aanverwant zijn tot en met de derde graad of die wettelijk met hen samenwonen. Art. 57. Als de rechtspersoon opgericht is in de vorm van een vereniging zonder winstoogmerk of van een stichting, mag de raad van bestuur, om elke belangenvermenging te voorkomen, niet samengesteld zijn : 1° voor meer dan één vijfde van het totaalaantal bestuurders uit bloed- of aanverwanten tweede tot en met de derde graad met de door de dienst begeleide jongeren; 2° voor meer dan één derde van het totaal aantal bestuurders uit personen die deel uitmaken van hetzelfde gezin als bloed- of aanverwant tot en met de tweede graad, of uit wettelijke samenwoners; 3° uit personen die deel uitmaken van het personeel. De directeur van de dienst woont elke vergadering van de raad van bestuur betreffende de organisatie van de dienst evenwel met raadgevende stem bij, behalve voor de agendapunten waarvoor een belangenconflict bestaat. Afdeling 8. - Beheer van de dienst. Art. 58. § 1. De dienst vervult de volgende voorwaarden : 1° hij is autonoom op technisch, budgettair en boekhoudkundig vlak en beschikt over een administratief beheer van dien aard dat hij zijn opdracht kan uitvoeren en dat het Agentschap daarop controle kan uitoefenen; 2° onder de leiding staan van een directeur, natuurlijke persoon bezoldigd voor die functie en bevoegd om, overeenkomstig een geschreven overdracht van bevoegdheid door de inrichtende macht en onder haar verantwoordelijkheid, het dagelijks beheer van de dienst waar te nemen hoe dan ook wat betreft : a) de tenuitvoerlegging en opvolging van het pedagogisch project; b) het personeelsbeheer; c) het financieel beheer; d) de toepassing van de geldende regelgevingen; e) de vertegenwoordiging van de dienst in zijn relaties met het Agentschap; f) de sluiting van overeenkomsten met de schoolinrichtingen en de algemene diensten. § 2. De directeur moet bovendien in staat zijn om : 1° voortdurend de effectieve leiding van de dienst waar te nemen. Als hij afwezig is tijdens de activiteiten voorzien in het kader van de begeleidingsprojecten, moet een daartoe afgevaardigd personeelslid in noodgevallen de nodige maatregelen kunnen treffen en in staat zijn om zowel interne als externe vragen te beantwoorden; 2° steeds kennis hebben van de werkrooster van zijn personeel. § 3. In geval van verzuim of onregelmaat in de uitvoering van het mandaat van de directeur, verzoekt het Agentschap de inrichtende macht bij aangetekend schrijven om de nodige maatregelen te treffen. Afdeling 9. - Administratief en boekhoudkundig beheer. Art. 59. Onverminderd de bepalingen van artikel 27 van het decreet maakt de dienst op verzoek van het Agentschap alle bewijsstukken over die vereist worden voor de uitoefening van de controle, meer bepaald de jaarrekeningen, de nodige stukken voor de berekening van de verschillende toelagen, alsmede het vormingsprogramma bedoeld in artikel 54. Art. 60. De dienst maakt de sociale balans over zoals bepaald bij het koninklijk besluit van 4 augustus 1996 betreffende de sociale balans, alsook de jaarrekeningen, de balans van de activiteiten en het vormingsprogramma bedoeld in artikel 54 : 1° voor de diensten beheerd door een inrichtende macht uit de privé-sector : aan de ondernemingsraad of, bij gebreke daarvan, aan de vakbondsafvaardiging; 2° voor de diensten beheerd door een inrichtende macht uit de openbare sector : aan het onderhandelings- of overlegcomité ingesteld krachtens de wet van 19 december 1974 of, bij gebreke daarvan, aan de representatieve werknemersorganisaties. Art. 61. De dienst vermeldt de referenties van de door het Agentschap verleende erkenning op alle akten en overige stukken, publiciteitsfolders en aanplakkingen die van hem uitgaan. Het is de dienst verboden tegelijkertijd met een schoolinrichting publiciteit te voeren, ongeacht de aangewende methode. Art. 62. De dienst voert een boekhouding overeenkomstig de wetgeving met betrekking tot de boekhouding en de jaarrekeningen van de ondernemingen en overeenkomstig de uitvoeringsbesluiten ervan. Art. 63. De inhoud en de presentatie van het genormaliseerde minimale boekhoudplan beantwoorden aan het volledige schema van de jaarrekeningen met balans, resultatenrekeningen en bijlagen overeenkomstig de wetgeving met betrekking tot de boekhouding en de jaarrekeningen van de ondernemingen en overeenkomstig de uitvoeringsbesluiten ervan. De opschriften en rekeningennummers die met de activiteiten van de diensten overeenstemmen, worden door het Agentschap aan de diensten meegedeeld. Art. 64. De financiële bijdragen die krachtens artikel 97 van de begunstigden of hun wettelijke vertegenwoordigers verlangd worden, worden dwingend geboekt als invorderingen van onkosten betreffende de rekeningen 6010, 6011, 6012, 613, 61601 en 644 bedoeld in het boekhoudplan waarvan de diensten dmv een omzendbrief in kennis worden gesteld. In het kader van de controle op het gebruik van de toelagen, worden die bijdragen in mindering gebracht van het bedrag van de overeenstemmende lasten. De toelagen die door de overheid of door gesubsidieerde liefdadigheidsinstellingen aan de diensten worden gestort, worden eveneens afgetrokken van de overeenstemmende lasten die op geldige wijze bij het boekjaar zijn ondergebracht. Bedoelde toelagen worden slechts in aanmerking genomen voorzover ze toegekend worden ter dekking van de uitgaven op grond waarvan het bedrag van de toelage wordt berekend. Art. 65. De beginbalans van elke dienst wordt aan het Agentschap voorgelegd binnen zes maanden na de bekendmaking van het erkenningsbesluit in het Belgisch Staatsblad. Art. 66. De jaarrekeningen van elke dienst worden aan het Agentschap overgemaakt uiterlijk 31 mei van het jaar na het boekjaar, samen met het rapport van de bedrijfsrevisor, wiens opdracht erin bestaat de rekeningen te certificeren en, in voorkomend geval, recht te zetten. Ze gaan eveneens vergezeld van de geconsolideerde jaarrekeningen van de juridische entiteit waaronder de dienst ressorteert of waarmee hij verbonden via een unieke directie in de zin van hoofdstuk III, afdeling 1, punt IV, A, § 6, van de bijlage bij het koninklijk besluit van 8 oktober 1976 betreffende de jaarrekeningen. Het boekjaar stemt overeen met het kalenderjaar. Art. 67. Als diensten worden verstrekt door een juridisch onderscheiden vereniging die evenwel met de dienst verbonden is via een unieke directie in de zin van hoofdstuk III, afdeling 1, punt IV, A, § 6, van de bijlage bij het koninklijk besluit van 8 oktober 1976 betreffende de jaarrekeningen, vermelden de dienstverstrekkers hun aanwezigheid in het personeelsregister. Afdeling 10. - Verzekeringen. Art. 68. Vóór elke begeleiding van een jongere gaat de dienst een verzekeringspolis aan : 1° ter dekking van de civiele aansprakelijkheid van de dienst of van de personen voor wie hij moet instaan voor elke schade opgelopen of veroorzaakt door de jongere. De polis moet vermelden dat de jongere de hoedanigheid van derde behoudt en, per schadegeval, alle schade dekken tot minimum 2 479 000 euro voor lichamelijke schade en 247 900 euro voor materiële schade; 2° ter dekking van alle schade veroorzaakt door een gerechtigde die zijn civiele aansprakelijkheid niet in opspraak zou brengen of van alle schade die hem tijdens de begeleiding zou zijn toegebracht. In dat geval dekt de verzekering het overlijden voor een bedrag van 12 394 euro en de behandelingskosten tot minimum 2 479 euro. Afdeling 11. - Verplichtingen betreffende de gebouwen en installaties. Art. 69. De gebouwen en installaties bieden de jongeren toegangsmogelijkheden ivm hun handicap. Afdeling 12. [1 - Evaluatie van de diensten]1 ---------- (1)<Ingevoegd bij BWG 2012-05-31/06, art. 8, 009; Inwerkingtreding : 01-01-2012> Art. 69bis. [1 Onverminderd artikel 315 van boek IV van het Waalse Wetboek van Sociale Actie en Gezondheid - Decretaal luik moeten de diensten, opdat het "AWIPH" kan nagaan of de erkenningsvoorwaarden in acht genomen worden, laatstgenoemde om de vijf jaar de volgende stukken overleggen : 1° het bijgewerkte project van de dienst, alsmede de wijze waarop de individuele projecten uitgewerkt en opgevolgd worden; 2° het uittreksel uit het strafregister (model 1) van de directeur, van minder dan drie maanden geleden, opgemaakt overeenkomstig de ministeriële rondzendbrief nr. 905 van 2 februari 2007 betreffende de afgifte van een uittreksel uit het strafregister, vrij van veroordelingen tot correctionnele straffen die onverenigbaar met het ambt zijn of tot criminele straffen; 3° in geval van wijziging van directie, een afschrift van de diploma's en getuigschriften van de directeur, de geschreven delegatie van bevoegdheden van de inrichtende macht bedoeld in artikel 52 alsmede het bewijs van nuttige ervaring bedoeld in bijlage 2; 4° een attest, sinds minder dan één jaar afgeleverd door de gewestelijke brandweerdienst, met betrekking tot de conformiteit van de plaats(en) waar de dienst de jongeren gewoonlijk en gezamenlijk in zijn lokalen opvangt, waarin tevens de maximale opvangcapaciteit aangegeven wordt; 5° de lijst van de leden van de algemene vergadering; 6° de lijst van de leden van de bestuursraad; 7° de wijzigingen van de statuten die sinds de vijf laatste jaren bekendgemaakt of bij de griffie neergelegd zijn.]1 ---------- (1)<Ingevoegd bij BWG 2012-05-31/06, art. 8, 009; Inwerkingtreding : 01-01-2012> HOOFDSTUK II. - Controle. Art. 70. De inspectiediensten hebben als opdracht na te gaan of aan de erkenningsnormen en -voorwaarden wordt voldaan. Ze evalueren regelmatig de tenuitvoerlegging van de projecten van de dienst. Daartoe evalueren ze in samenwerking met de diensten en de educatieve ploegen de werkmethodes, de kwaliteit van de dienstverleningen en -verstrekkingen, alsmede de vastlegging van de begeleidingsprojecten. Ze gaan na of de projecten daadwerkelijk bestaan en of ze bijgewerkt worden. De inspectiediensten zien toe op de inachtneming van de voorschriften inzake toekenning en aanwending van toelagen en inzake boekhoudkundige verplichtingen. Art. 71. De inspectiediensten vervullen bovendien een adviesfunctie tov de diensten en de educatieve ploegen. De positieve of negatieve opmerkingen en conclusies van de verschillende inspecties worden overgemaakt aan de inrichtende machten en aan de directies. Vandaar worden ze doorgestuurd naar de ondernemingsraad en (of) de vakbondsafvaardiging of het onderhandelings- en overlegcomité opgericht krachtens de wet van 19 december 1974. TITEL V. - Opvangbeleid. Art. 72. § 1. De bedoelde diensten mogen de jongere begeleiden voorzover hij beschikt over : 1° de beslissing tot tussenkomst van het Agentschap, bedoeld in artikel 21 van het decreet, waarbij de begeleiding door een dienst voor integratiehulp noodzakelijk wordt geacht; 2° de voorlopige beslissing bedoeld in artikel 15 van het besluit van 4 juli 1996; 3° de beslissing van een bevoegde instelling van een ander gewest die krachtens een samenwerkingsakkoord uitwerking mag hebben op het grondgebied van het Franse taalgebied. § 2. In afwachting van één van de beslissingen bedoeld in § 1, kan het Agentschap ermee instemmen dat de dienst tijdelijk een jongere begeleidt als hij of zijn wettelijke vertegenwoordiger reeds een individuele aanvraag om tussenkomst heeft ingediend met het oog op een begeleiding door een dienst en voorzover binnen drie maanden één van de volgende stukken wordt overgelegd : 1° een door een andere administratie afgegeven bewijsstuk waarbij het bestaan van een handicap wordt bevestigd; 2° een attest ingevuld door een pluridisciplinaire ploeg van een erkend centrum bedoeld in artikel 39 van het besluit van 4 juli 1996; 3° een attest ingevuld door een pluridisciplinaire ploeg die niet onder de dienst ressorteert en die minstens een geneesheer, een psycholoog en een maatschappelijk of paramedisch werker telt. De overlegging van één van de stukken bedoeld in het tweede lid loopt niet vooruit op de beslissing die uit de analyse van het basisdossier zal resulteren. § 3. De beslissing van het Agentschap waarbij de begeleiding wordt toegestaan, mag niet genomen worden vóór de datum waarop de aanvraag bij aangetekend schrijven naar het bevoegde regionaal bureau van het Agentschap wordt verzonden, noch op de datum van opvang door de dienst. § 4. Als de jongere in aanmerking komt voor een tussenkomst bepaald bij het besluit van 9 oktober 1997, worden geen bijkomende pluridisciplinaire gegevens vereist. Art. 73. De diensten geven het bevoegde regionaal bureau van het Agentschap binnen drie dagen kennis van de berichten van opening en sluiting van de dossiers van de jongeren die ze begeleiden. Art. 74. Het dossier van de jongere mag niet meegerekend worden in het minimumaantal dossiers bedoeld in artikel 32 als het Agentschap niet concludeert tot de noodzaak van een begeleiding. Art. 75. De begeleiding door een dienst mag in geen geval onderworpen worden aan een andere tegenwaarde in geld of in natura vanwege de gegadigden, hun wettelijke vertegenwoordigers of hun gezin dan de bijdrage bedoeld in artikel 97. TITEL VI. - [1 Steunverlening bij het volgen van onderwijs]1 ---------- (1)<Ingevoegd bij BWG 2012-05-31/06, art. 9, 009; Inwerkingtreding : 01-01-2012> (NOTA : De oude titel VI met zijn 5 hoofdstukken en zijn artikelen 76 tot 83 werden vervangen door de nieuwe titel VI met zijn 4 nieuwe hoofdstukken en artikelen 76 tot 83 bij DWG 2012-05-31/06, art. 9, 009; Inwerkingtreding : 01-01-2012) HOOFDSTUK I. - [1 Overeenkomst inzake steunverlening bij het volgen van onderwijs]1 ---------- (1)<Ingevoegd bij BWG 2012-05-31/06, art. 9, 009; Inwerkingtreding : 01-01-2012> Art. 76. [1 De hulp die het personeel van de dienst voor integratiehulp gedurende de schooltijd aan de jongere verleent, wordt bepaald in het kader van een geïndividualiseerde overeenkomst, met name de "overeenkomst inzake steunverlening bij het volgen van onderwijs". De voorwaarden waaronder de dienst tussenkomsten verleent, liggen vast in die overeenkomst. De clausules van die overeenkomst worden aangepast aan de steunverleningsmodaliteiten waarvoor gekozen wordt.]1 ---------- (1)<Ingevoegd bij BWG 2012-05-31/06, art. 9, 009; Inwerkingtreding : 01-01-2012> HOOFDSTUK 2. - [1 Partijen bij de overeenkomst houdende steunverlening bij het volgen van onderwijs]1 ---------- (1)<Ingevoegd bij BWG 2012-05-31/06, art. 9, 009; Inwerkingtreding : 01-01-2012> Art. 77. [1 De overeenkomst houdende steunverlening bij het volgen van onderwijs wordt gesloten tussen de schoolinrichting, de dienst, de jongere en zijn gezin. Ze wordt binnen één maand nadat ze ondertekend is, ter informatie overgemaakt aan de commissie voor steunverlening aan jongeren met een handicap bij het volgen van onderwijs en aan het betrokken psycho-medisch-sociaal centrum. De verenigingen, administraties of personen die aan het project zouden meewerken, kunnen eveneens verenigde ondertekenaars van het project zijn.]1 ---------- (1)<Ingevoegd bij BWG 2012-05-31/06, art. 9, 009; Inwerkingtreding : 01-01-2012> HOOFDSTUK 3. - [1 IInhoud van de overeenkomst inzake steunverlening bij het volgen van onderwijs]1 ---------- (1)<Ingevoegd bij BWG 2012-05-31/06, art. 9, 009; Inwerkingtreding : 01-01-2012> Art. 78. [1 De voorwaarden waaronder de tussenkomst wordt verleend alsmede de respectieve middelen voor de uitvoering van de samenwerking tussen de schoool en de dienst liggen vast in de overeenkomst. Daarbij wordt rekening gehouden me de onderwijs, educatieve en therapeutische dimensien en met name met : 1° de nagestreefde doelstellingen; 2° het soort tussenkomsten; 3° de geschatte duur en de frequentie van de tussenkomsten; 4° de plaatsen waar het personeel van de respectieve diensten samenwerkt en de modaliteiten van de samenwerking; 5° het evaluatieritme betreffende de tenuitvoerlegging van de overeenkomst; 6° de identificatie en de rol van de referenten van de school en van de dienst.]1 ---------- (1)<Ingevoegd bij BWG 2012-05-31/06, art. 9, 009; Inwerkingtreding : 01-01-2012> Art. 79. [1 De overeenkomst inzake steunverlening bij het volgen van onderwijs wordt voor maximum één jaar gesloten en kan verlengd worden.]1 ---------- (1)<Ingevoegd bij BWG 2012-05-31/06, art. 9, 009; Inwerkingtreding : 01-01-2012> Art. 80. [1 Als de overeenkomst niet tot het einde van de geplande doelstellingen geleid kan worden, moet alles in het werk gesteld worden door de dienst en de schoolinrichting in overleg met de Commissie voor steunverlening aan jongeren met een handicap bij het volgen van onderwijs om zo veel mogelijk de schooltijd van de jongeren te vrijwaren totdat een alternatieve oplossing gevonden wordt. Die oplossing wordt aan de commissie medegedeeld.]1 ---------- (1)<Ingevoegd bij BWG 2012-05-31/06, art. 9, 009; Inwerkingtreding : 01-01-2012> Art. 81. [1 De overeenkomst verbindt enkel de ondertekenende partijen. De voogdijoverheid van de diensten en inrichtingen oefenen hun bevoegdheden uit met inachtneming van de geldende regelgeving.]1 ---------- (1)<Ingevoegd bij BWG 2012-05-31/06, art. 9, 009; Inwerkingtreding : 01-01-2012> HOOFDSTUK 4. - [1 Jaarlijks verslag betreffende de steunverlening bij het volgen van onderwijs]1 ---------- (1)<Ingevoegd bij BWG 2012-05-31/06, art. 9, 009; Inwerkingtreding : 01-01-2012> Art. 82. [1 De dienst maakt jaarlijks uiterlijk 30 juni een kwalitatief en kwantietatief verslag aan het "AWIPH" over met vermelding van : 1° het aantal begeleide jongeren; 2° de leeftijdscategorieën (6 tot 12 jaar, 12 tot 18 jaar, > 18 jaar); 3° het type gevolgd onderwijs al naar gelang van het net : gewoon en/of gespecialiseerd lager onderwijs, gewoon en/of secundair onderwijs, alternerend onderwijs (CEFA); 4° de deficiëntiecategorieën; 5° het aantal jongeren voor wie een begeleiding is geweigerd en de redenen van de weigering. Die kwantitatieve gegevens worden geventileerd volgens drie activiteitengebieden : de schoolintegratie (rechtstreekse actie binnen de schoolinrichting), de schoolsteun of -begeleiding en de steunverlening aan niet-schoolgaande jongeren of aan jongeren die van school afgehaakt zijn.]1 ---------- (1)<Ingevoegd bij BWG 2012-05-31/06, art. 9, 009; Inwerkingtreding : 01-01-2012> Art. 83. [1 De commissie voor steunverlening aan jongeren met een handicap bij het volgen van onderwijs maakt jaarlijks op basis van de verslagen bedoeld in artikel 82 een kwalitatief en kwantitatief verslag op waarin het beleid inzake de steunverlening bij het volgen van onderwijs beoordeeld wordt en verbeteringsvoorstellen geformuleerd worden. Dat verslag wordt jaarlijks uiterlijk 31 oktober aan de bevoegde ministers overgemaakt.]1 ---------- (1)<Ingevoegd bij BWG 2012-05-31/06, art. 9, 009; Inwerkingtreding : 01-01-2012> TITEL VII. - Klachten. [1 opgeheven]1 ---------- (1)<BWG 2009-04-16/02, art. 30, 008; Inwerkingtreding : 01-05-2009> Art. 84. <Opgeheven bij BWG 2009-04-16/02, art. 30, 008; Inwerkingtreding : 01-05-2009> TITEL VIII. - Subsidiëring. HOOFDSTUK I. - Algemene bepalingen. Art. 85.§ 1. Binnen de perken van de budgettaire kredieten ontvangen de diensten : 1° een jaarlijkse toelage; 2° een toeslag wegens geldelijke anciënniteit; 3° (een specifieke subsidie als compensatie voor de maatregelen van de driedelige raamovereenkomst voor de Waalse privé non profitsector;) <BWG 2008-09-11/44, art. 4, 007; Inwerkingtreding : 01-01-2008> [1 4° een specifieke toelage voor de financiering van de loonsverhogingen die resulteren uit de valorisatie van de lastige uren; 5° een specifieke toelage om de bepalingen inzake de loonschaalherwaardering van de hoofdopvoeders en van opvoeders-groepsleiders te compenseren; 6° een specifieke toelage voor de financiering van de compensatiebanen i.v.m. de toekenning van bijkomende jaarlijkse verlofdagen voor werknemers van 52 jaar en meer. Die toelage wordt slechts aan de diensten beheerd door een openbare inrichtende macht verleend.]1 § 2. Het totaalbedrag van de toelagen dat resulteert uit de bepalingen van dit besluit wordt verminderd met de tegenwaarde van het bedrag dat eventueel gestort wordt door het Tewerkstellingsfonds aan het Rijksinstituut voor Ziekte- en Invaliditeitsverzekering als compensatie voor de subsidiëring van de vergoeding bedoeld in artikel 4 van het koninklijk besluit van 22 september 1989 tot bevordering van de tewerkstelling in de non-profit sector. ---------- (1)<BWG 2012-05-31/06, art. 10, 009; Inwerkingtreding : 01-01-2012> HOOFDSTUK II. - Berekening van de jaarlijkse toelage. Art. 86. § 1. Het bedrag van de jaarlijkse toelage voor het lopende boekjaar wordt gehandhaafd voor de dienst die erkend is op de datum van inwerkingtreding van dit besluit. Als de erkenning verlengd wordt na een omvorming bedoeld in artikel 81ter van het besluit van 9 oktober 1997, wordt die toelage aangevuld met het saldo berekend krachtens de bepalingen van artikel 23, § 3, van bedoeld besluit. § 2. Voor de diensten opgericht na de datum van inwerkingtreding van dit besluit ingevolge een omvorming bedoeld in artikel 81ter van het besluit van 9 oktober 1997, is het bedrag van de toelage gelijk aan het saldo berekend krachtens de bepalingen van artikel 23, § 3, van bedoeld besluit. § 3. De Regering bepaalt de bedragen van de toelage voor de diensten die ze erkent of opricht krachtens de bepalingen van titel 10. Art. 87. Onverminderd de bepalingen van artikel 27, wordt de jaarlijkse toelage berekend over periodes van drie jaar aan het einde waarvan de bepalingen van artikel 35 in voorkomend geval worden toegepast. Art. 88. De jaarlijkse toelage dient ter dekking van : 1° de werkingslasten; 2° de lasten van het personeel waarvan de kwalificaties beantwoorden aan de vereiste titels bedoeld in bijlage 3. Minstens 85 % van de jaarlijkse toelage dient om personeelslasten te dekken. Art. 89. De jaarlijkse toelage wordt tijdens het bestemmingsjaar voortijdig vereffend bij maandelijkse afbetalingen. De maandelijkse afbetalingen worden automatisch aangepast tijdens de tweede maand na de overschrijding van de basisindex die als referentie dient voor de indexering van de lonen in het openbaar ambt. Art. 89bis. <BWG 2006-09-28/53, art. 5, 004; Inwerkingtreding : 01-01-2006> (§ 1.) Wat betreft de diensten voor integratiehulp waarvan het gemiddeld aantal individuele dossiers, afgerond op de hogere eenheid, hoger dan of gelijk is aan het aantal berekend volgens de bepalingen van artikel 32, wordt voor het toekenningsjaar het bedrag gehandhaafd dat verkregen wordt na optelling van de jaarlijkse toelage en van het gedeelte van de in het vorige jaar uitgekeerde toeslag wegens loonschaalherwaardering betreffende dezelfde toelage (, vermenigvuldigd met de aanpassingscoëfficiënt). <BWG 2007-06-21/32, art. 3 en 2, 006; Inwerkingtreding : 01-01-2007> (§ 2. De aanpassingscoëfficiënt bedoeld in § 1 zet de indexering die het vorige jaar is doorgevoerd in een vol jaar om.) <BWG 2007-06-21/32, art. 3, 006; Inwerkingtreding : 01-01-2007> HOOFDSTUK III. - Toeslag wegens geldelijke anciënniteit. Art. 90. § 1. Een toelagetoeslag wordt verleend aan de diensten waarvan het gezamenlijke personeel aan het einde van het bestemmingsjaar een gemiddelde geldelijke anciënniteit heeft die hoger is dan die bedoeld in artikel 31. § 2. De dienst bezorgt het Agentschap aan het einde van elk bestemmingsjaar uiterlijk 31 maart een lijst van het personeel dat het gedurende dat jaar in dienst genomen en bezoldigd heeft. Die lijst wordt opgesteld overeenkomstig een model dat door het Agentschap bepaald wordt. De voor elk personeelslid in aanmerking te nemen geldelijke anciënniteit is die waarop het recht heeft op 31 december van het boekjaar dat het voorwerp is van de toelage, gewogen met het volume van de bezoldigde dienstverstrekkingen. Voor de personeelsleden die de dienst vóór die datum verlaten hebben, is de in aanmerking te nemen geldelijke anciënniteit die waarop zij recht hebben op de uittredingsdatum, gewogen met het volume van de bezoldigde dienstverstrekkingen. Het resultaat van de deling wordt vervolgens verminderd met een half jaar anciënniteit. § 3. De toeslag wordt toegekend naar rata van het aantal voltijdse equivalenten (ETPt), vermenigvuldigd met het verschil tussen de referentieloonschaal bedoeld in artikel 4 bij de vastgestelde anciënniteit en diezelfde loonschaal bij de gemiddelde anciënniteit van het personeel aangesteld bij de dienst na de eerste erkenning. Art. 91. Als de toeslag voor de eerste keer wordt toegekend, wordt hij automatisch in de vorm van voorschotten voor het volgende jaar betaald. Als de anciënniteit kleiner is dan degene die als basis heeft gediend voor de toekenning van de voorschotten, wordt de toegekende toeslag aangepast. HOOFDSTUK IV. - (Bijzondere toelage voor de financiering van de vakbondspremies) <BWG 2007-06-21/32, art. 4, 006; Inwerkingtreding : 01-01-2007> Art. 92.[1 Het "AWIPH" stort namens de diensten op het fonds dat instaat voor de betaling van de vakbondspremies, een bedrag dat overeenstemt met het aantal werknemers die er in aanmerking voor kunnen komen, vermenigvuldigd met het bedrag van de vakbondspremie per werknemer, dat bepaald is overeenkomstig de wet van 1 september 1980 betreffende de toekenning en de uitbetaling van een vakbondspremie aan sommige personeelsleden van de overheidssector, zoals uitgevoerd door de koninklijke besluiten van 26 en 30 september 1980.]1 ---------- (1)<BWG 2012-05-31/06, art. 11, 009; Inwerkingtreding : 01-01-2011> HOOFDSTUK IVbis. Specifieke subsidie als compensatie voor de maatregelen van de driedelige raamovereenkomst voor de Waalse privé non profitsector. <Ingevoegd bij BWG 2008-09-11/44, art. 5; Inwerkingtreding : 01-01-2008> Art. 92bis. <Ingevoegd bij BWG 2008-09-11/44, art. 5; Inwerkingtreding : 01-01-2008> Er wordt een specifieke subsidie aan de diensten toegekend met het oog op de financiering van de compenserende banen ingevolge de toekenning van drie bijkomende jaarlijkse verlofdagen aan hun personeel. Deze subsidie wordt berekend volgens de modaliteiten die vastliggen in het besluit van de Waalse Regering van 11 september 2008 betreffende de subsidiëring van de maatregelen van de driedelige raamovereenkomst voor de Waalse privé non-profitsector. Art. 92ter. [1 § 1. Er wordt een specifieke toelage aan de diensten verleend voor de financiering van de loonsverhogingen die resulteren uit de valorisatie van de lastige uren. § 2. De modaliteiten voor de berekening van die toelage worden bepaald in het besluit van de Waalse Regering van 27 mei 2010 betreffende de subsidiëring van de maatregelen van de driedelige overeenkomst voor de Waalse privé non -profitsector.]1 ---------- (1)<Ingevoegd bij BWG 2012-05-31/06, art. 12, 009; Inwerkingtreding : 01-01-2012> HOOFDSTUK IVter. [1 - Specifieke toelage als compensatie voor de bepalingen inzake de loonschaalherwaardering van de hoofdopvoeders en van opvoeders-groepsleiders.]1 ---------- (1)<Ingevoegd bij BWG 2012-05-31/06, art. 13, 009; Inwerkingtreding : 01-01-2011> Art. 92quater. [1 § 1. Het "AWIPH" stort de diensten beheerd door een private inrichtende macht die op 31 december 2009 opvoeders-groepsleiders en/of hoofdopvoeders bezoldigden, een toeslag van toelage voor de financiering van de bijkomende kosten gebonden aan de loonschaalherwaardering van die twee categorieën werknemers. § 2. Dat toeslag van toelage wordt berekend door voor elke dienst in elke van die personeelscategorieën het aantal valoriseerbare voltijds equivalenten te vermenigvuldigen door het verschil tussen de loonschaal bedoeld in bijlage 9 en de loonschaal gebruikt voor de bepaling van de tarieven per tenlasteneming van de diensten die in de opvang of in de opvang en huisvesting voorzien bedoeld in bijlage VIII bij het besluit van de Waalse Regering van 9 oktober 1997, met de theoretische anciënniteit van de werknemers. § 3. Onder aantal valoriseerbare voltijds equivalenten bedoeld in § 2 wordt verstaan de som van de bezoldigde prestaties van de werknemers voor de periode van 1 januari 2009 tot 31 december 2009, na aftrek van de tegemoetkomingen van andere overheden, gedeeld door het totaal van de bezoldigde uren die gepresteerd moeten worden om een voltijds equivalent tijdens het jaar 2009 te rechtvaardigen. § 4. De theoretische anciënniteit van de werknemers die in aanmerking komen voor die nieuwe schalen wordt berekend op 31 december van het toekenningsjaar van die toelage. § 5. Het aldus berekende totaal van de toeslagen wordt eventueel beperkt om de som van 6.321,35 euro gekoppeld aan de spilindex 154,63 van 1 oktober 2010 niet te overschrijden. § 6. Die beperking wordt verdeeld over het geheel van de dienst via de toepassing van een verbeteringscoëfficiënt. Die coëfficiënt wordt bepaald als volgt : Krediet bepaald in § 5 / Totaal van de oorspronkelijk berekende toeslagen ]1 ---------- (1)<Ingevoegd bij BWG 2012-05-31/06, art. 13, 009; Inwerkingtreding : 01-01-2011> HOOFDSTUK IVquater. [1 - Specifieke toelage om te voldoen aan de bepalingen van de kaderovereenkomst voor de Waalse privé non profit sector]1 ---------- (1)<Ingevoegd bij BWG 2012-05-31/06, art. 14, 009; Inwerkingtreding : 01-01-2012> Art. 92quinquies. [1 § 1. Het "AWIPH" stort een specifieke toelage aan de door een openbare inrichtende macht beheerde diensten voor de financiering van de compensatiebanen i.v.m. de toekenning van bijkomende jaarlijkse verlofdagen voor werknemers van 52 jaar en meer. § 2. Die bijkomende toelage die door het "AWIPH" aan de diensten verleend wordt bedraagt voor het geheel van de diensten jaarlijks globaal 41.084,60 euro. § 3. Het in § 2 bedoelde bedrag wordt aan de spilindex 154,63 van 1 oktober 2010 gekoppeld.]1 ---------- (1)<Ingevoegd bij BWG 2012-05-31/06, art. 14, 009; Inwerkingtreding : 01-01-2012> Art. 92sexies. [1 § 1. Elke dienst krijgt een bedrag dat resulteert uit de opdeling van het bedrag bedoeld in artikel 92quinquies, § 2, door 102,1403 vermenigvuldigd door het op 31 december 2009 vastgelegde aantal voltijds equivalenten ervan." § 2. De diensten moeten rechtvaardigen en op erewoord verklaren dat de bedragen bedoeld in artikel 92sexies, § 1, voor bijkomende aanwervingen gebruikt worden.]1 ---------- (1)<Ingevoegd bij BWG 2012-05-31/06, art. 14, 009; Inwerkingtreding : 01-01-2012> HOOFDSTUK V. - Controle op de jaarlijkse toelage. Art. 93.Het Agentschap zorgt ervoor dat de gerechtigde door één enkele dienst opgevangen worden. Een combinatie is evenwel toegelaten als de jongere ten laste genomen wordt door een dienst voor integratiehulp, en : 1° [1 ...]1 2° een centrum voor beroepsopleiding; 3° een centrum voor functionele re-educatie. Het Agentschap kan toelaten dat de jongere ook opgevangen wordt door een andere structuur op basis van een specifiek individueel project. ---------- (1)<BWG 2012-05-31/06, art. 15, 009; Inwerkingtreding : 01-01-2012> Art. 94. § 1. Als het totaalaantal uren gepresteerd door het begeleidingspersoneel lager is dan het aantal uren waarvoor de dienst erkend is, geeft het Agentschap hem kennis van het bedrag dat ingevorderd moet worden overeenkomstig artikel 57 van de gecoördineerde wetten van 17 juli 1991 op de Rijkscomptabiliteit. Het bedrag wordt afgetrokken vanaf de eerste dag van de maand die volgt op de datum van kennisgeving. § 2. Als het totaalbedrag van de personeelslasten van de dienst kleiner is dan 85 % van de jaarlijkse toelage, wordt het verschil ingevorderd bij de controle op het gebruik van de toelagen door het Agentschap, waarbij de invorderingen bedoeld in § 1 in mindering worden gebracht. Art. 95. De lasten die in aanmerking mogen worden genomen, worden in bijlage 6 vermeld. Art. 96. Na kennisgeving gaat het Agentschap over tot de rechtzetting en de ambtshalve invordering van de toelagen verleend op grond van onjuiste aangiften of waarvan het gebruik ongerechtvaardigd blijkt te zijn. Ze worden rechtgezet en ingevorderd tijdens de tweede maand na die van de kennisgeving en kunnen het voorwerp uitmaken van een aanzuiveringsplan. De diensten beschikken over een termijn van dertig kalenderdagen, waarbij de postdatum bewijskracht heeft, om elke rechtzetting of invordering te betwisten waarvan kennis wordt gegeven overeenkomstig dit besluit. De diensten kunnen een aanvraag tot herziening van de toelage indienen binnen dertig kalenderdagen, te rekenen van de kennisneming van een gegeven dat het bedrag van de toelage betwist en waarvan zij geen weet hadden bij de kennisgeving ervan. De dienst moet dan het bewijs leveren van de datum waarop hij kennis genomen heeft van bedoeld gegeven. TITEL IX. - Bijdragen van de jongeren. Art. 97. De dienst mag de ouders verzoeken om een bijdrage van hoogstens 25 euro per maand, gekoppeld aan het indexcijfer 119,53 van 1 mei 1996. De dienst mag bovenop de bijdrage een toeslag eisen voor de kosten inherent aan een specifieke recreatieactiviteit of aan specifieke behoeften van de jongere met het oog op zijn welzijn en op zijn persoonlijke ontplooiing. Als de toeslag door de dienst wordt geëist, moet de gerechtigde of diens wettelijke vertegenwoordiger daarmee instemmen. TITEL X. - Programmering. Art. 98. <BWG 2007-03-01/36, art. 2, 005; Inwerkingtreding : 01-01-2007> Het Agentschap verstrekt de subregionale coördinatiecommissies alle informatie die nodig is voor een diepgaand onderzoek naar de behoeften van de gehandicapte personen inzake dienstverlening. De commissies spreken zich over de behoeften uit binnen drie maanden na ontvangst van de informatie en maken hun advies over aan het Beheerscomité. Bij gebrek aan advies binnen die termijn wordt de formaliteit geacht vervuld te zijn en wordt de procedure voortgezet. § 2. Het Beheerscomité van het Agentschap legt om de zes maanden een voorstel van subregionale programmering over aan de Waalse Regering. § 3. De subregionale programmering voor de oprichting of omvorming van diensten wordt om de zes maanden door de Waalse Regering vastgelegd en is het voorwerp van een officiële bekendmaking. TITEL XI. - Overgangs-, wijzigings- en opheffingsbepalingen. Art. 99. De opvoeders van klasse 3, 2, 2B of 2A, alsook de kinderverzorgsters of gezinshelp(st)ers die tewerkgesteld waren in een dagonthaaldienst voor jongeren en die overeenkomstig artikel 81ter van het besluit van 9 oktober 1997 tewerkgesteld worden door een dienst voor integratiehulp, worden geacht te voldoen aan de minimale kwalificatie vereist voor de uitoefening van de begeleidingsfunctie bedoeld in bijlage 3. (De personeelsleden die op de datum van inwerkingtreding van dit besluit in de hoedanigheid van directeur in dienst zijn genomen en die vóór die datum over de voor de uitoefening van die betrekking vereiste kwalificaties beschikten en de desbetreffende opleidingen hebben gevolgd hebben de kwalificatie die vereist wordt om in aanmerking te komen voor de lasten bedoeld in bijlage VI bij hetzelfde besluit. De hoofdopvoerders en opvoeders-groepsleiders van de diensten bedoeld in het besluit van 9 oktober 1997 die als begeleidingspersoneel in dienst genomen worden op grond van de kwalificaties bedoeld in artikel 53 van hetzelfde besluit, behouden de bezoldiging gekoppeld aan de loonschaal en de andere geldelijke voordelen die op hen van toepassing waren voor hun werving door de dienst voor integratiehulpverlening, voor zover ze voldoen aan de voorwaarden bedoeld in punt III van bijlage VII bij hetzelfde besluit. Art. 100. <BWG 2006-09-28/53, art. 6, 004; Inwerkingtreding : 01-01-2006> De directeurs die het bewijs kunnen leveren dat ze één van de opleidingen bedoeld in het ministerieel besluit van 13 maart 2003 met succes hebben gevolgd, worden vrijgesteld van de in (bijlage VII) bedoelde opleidingscyclus Beheerder van voor gehandicapte personen bestemde residentiële diensten en dagonthaaldiensten. <BWG 2008-09-11/44, art. 7, 007; Inwerkingtreding : 01-01-2008> Wat betreft de directeurs die op de datum van inwerkingtreding van dit besluit niet zijn begonnen met het volgen van één van de opleidingen bedoeld in het ministerieel besluit van 13 maart 2003, gaat de in bijlage II bij hetzelfde besluit bedoelde vierjarige periode in op 1 januari 2007. Art. 101. De werknemers die in een dagonthaaldienst voor jongeren tewerkgesteld waren en die overeenkomstig artikel 81ter van het besluit van 9 oktober 1997 aangeworven worden door een dienst voor integratiehulp, behouden de bezoldiging gekoppeld aan de loonschaal en de andere geldelijke voordelen die op hen van toepassing waren voor hun aanwerving door de dienst voor integratiehulp. Hun bezoldiging is een last die aanmerking genomen kan worden binnen de perken bedoeld in de bijlagen 6 en 7. Art. 102. _ De jongere die bij de omvorming van een dagonthaaldienst in een dienst voor integratiehulp, een tussenkomst van het Agentschap genoot voor zijn opvang door een dagonthaaldienst, wordt geacht in aanmerking te komen voor een beslissing van het Agentschap waarbij geconcludeerd wordt tot de noodzaak van een begeleiding door een dienst voor integratiehulp. Art. 103. In artikel 54, § 1, eerste lid, van het besluit van 4 juli 1996 wordt de inleidende zin vervangen als volgt : " De erkenning wordt slechts verleend aan de diensten en structuren bedoeld in artikel 24, tweede lid, van het decreet, met uitzondering van de diensten voor sociale integratie bedoeld krachtens het besluit van de Waalse Regering van 19 september 2002 betreffende de integratiehulp voor gehandicapte jongeren als de volgende principes in acht genomen worden : " Art. 104. Artikel 2 van het besluit van 9 oktober 1997 wordt aangevuld met de volgende bepalingen : " 16° dienst voor integratiehulp : dienst bedoeld in het besluit van de Waalse Regering van 19 september 2002 betreffende de integratiehulp voor gehandicapte jongeren; 17° oriëntatiedienst voor integratiehulp : dienst die een diepgaande analyse verricht van de behoeften van de gehandicapte persoon, die een specifieke observatieopneming rechtvaardigt. " Art. 105. In artikel 4 van hetzelfde besluit worden de paragrafen 3 en 3bis opgeheven. Art. 106. In de artikelen 8, tweede lid, en 9, § 1, tweede lid, van hetzelfde besluit worden de woorden " van de diensten voor integratiehulp " geschrapt. Art. 107. In artikel 8, vierde lid, van hetzelfde besluit worden de woorden " diensten voor integratiehulp " geschrapt. Art. 108. In artikel 13 van hetzelfde besluit wordt paragraaf 2 geschrapt. Art. 109. In artikel 56 van hetzelfde besluit wordt punt 4° van § 4 geschrapt. Art. 110. In hetzelfde besluit wordt titel VII opgeheven. Art. 111. In de artikelen 81ter, § 1, tweede lid, 81ter, § 2, en 81ter, § 4, van hetzelfde besluit worden de woorden " zoals omschreven in artikel 4, § 3bis " opgeheven. Art. 112. Artikel 82 van hetzelfde besluit wordt opgeheven. Art. 113. Onder punt f van artikel 86 (Justel leest "85"; zie Franstalig origineel en gewijzigde tekst), 5°, van het zelfde besluit worden de woorden " volgens de modaliteiten omschreven in artikel 81ter " geschrapt. Art. 114. In bijlage III bij hetzelfde besluit wordt het tweede lid van punt 4.1. opgeheven. Art. 115. Dit besluit treedt in werking op 1 januari 2003. In afwijking van het vorige lid treden titel 2, hoofdstuk 2, afdeling 5, en titel 6 in werking op de datum van goedkeuring van het Samenwerkingsakkoord tussen de Franse Gemeenschap en het Waalse Gewest inzake schoolintegratiehulp voor gehandicapte jongeren en houden ze op van kracht te zijn zodra dat akkoord niet meer van toepassing is. Art. 116. De Minister van Sociale Aangelegenheden is belast met de uitvoering van dit besluit. Namen, 19 september 2002. De Minister-President, J.-Cl. VAN CAUWENBERGHE De Minister van Sociale Aangelegenheden en Gezondheid, Th. DETIENNE BIJLAGEN. Art. N1. Bijlage 1 (bedoeld in artikel 42). - Dienstproject - Schets. 4. (Justel leest "1". Zie Frans origineel.) OVERZICHT VAN HET PROJECT. 5. (Justel leest "2". Zie Frans origineel.) FINALITEIT EN DOELSTELLINGEN. 6. (Justel leest "3". Zie Frans origineel.) DOELGROEPEN : d) soorten handicap; e) leeftijd; f) varia. 4. OVEREENKOMST en FINANCIELE BIJDRAGE. 12. (Justel leest "5". Zie Frans origineel.) GEOGRAFISCHE WERKINGSSFEER. 13. (Justel leest "6". Zie Frans origineel.) ORGANISATIE VAN DE DIENST : e) werkorganisatie; f) diverse vergaderingen; g) dienstregeling van de interveniënten; h) openingsuren. 14. (Justel leest "7". Zie Frans origineel.) COMMUNICATIESTRATEGIE : e) openbaarheid-voorlichting; f) bewustmaking; g) contacten met de algemene diensten; h) contacten met de schoolinrichtingen. 15. (Justel leest "8". Zie Frans origineel.) THEORETISCHE VERWIJZINGEN. 16. (Justel leest "9". Zie Frans origineel.) METHODOLOGIE : a) methode voor het onderzoek naar de behoeften : * inzake : - zelfontplooiing; - sociale interacties; - fysiek welzijn; - psychologisch welzijn. * op de volgende vlakken : - relationeel; - affectief; - cognitief; - materieel. b) Tussenkomstmethodes op verschillende gebieden, meer bepaald : - ontwikkeling van de bekwaamheden en potentialiteiten van het kind (zelfbeschikking); - samenwerking met de gezinnen (partnerschap); - deelname aan netwerkpraktijken (activering); - mobilisering van de gemeenschappelijke hulpbronnen, beroep op de algemene diensten inbegrepen. 17. (Justel leest "10". Zie Frans origineel.) EVALUATIEWIJZEN : d) evaluatie van de dienst in zijn gezamenlijke opdrachten; e) evaluatie van de individuele projecten naar gelang van de verwachte resultaten; f) productevaluatie en autoevaluatie. 18. (Justel leest "11". Zie Frans origineel.) HUMAN RESOURCES : c) personeel; d) vorming. Gezien om te worden gevoegd bij het besluit van de Waalse Regering van 19 september 2002 betreffende de integratiehulp voor gehandicapte jongeren. Namen, 19 september 2002. De Minister-President, J.-Cl. VAN CAUWENBERGHE De Minister van Sociale Aangelegenheden en Gezondheid, Th. DETIENNE Art. N2. Bijlage 2. - KWALIFICATIE- EN VORMINGSVEREISTEN VOOR HET PERSONEEL VAN DE DIENSTEN MET HET OOG OP DE BEPALING VAN DE SUBSIDIES A. Begeleidingspersoneel Directeurs klasse I De houders van een einddiploma of -getuigschrift van het al dan niet universitair hoger onderwijs (volledig leerplan of sociale promotie) met pedagogische, psychologische, sociale of paramedische oriëntering en die het bewijs kunnen leveren van minstens drie jaar dienstervaring in een educatieve, sociale, pedagogische, psychologische of paramedische functie uitgeoefend in de sector van de hulpverlening aan personen. Licentiaat psychologie, psychopedagogie, pedagogie, kinesitherapie of logopedie De houders van het diploma dat één van de voor de uitoefening van deze functies vereiste titels verleent. Opvoeder klasse I De houders van het diploma dat deze titel verleent. Gegradueerde verpleger/verpleegster De houders van het diploma dat deze titel verleent. Assistent in de psychologie De houders van het diploma dat deze titel verleent. Ergotherapeut, kinesitherapeut, logopedist De houders van het diploma dat één van deze titels verleent. Orthopedagoog De houders van het diploma voor deze specialisatie. Assistent, hulp of sociaal adviseur De houders van het diploma dat één van deze titels verleent. Gegradueerd maatschappelijk verpleger/verpleegster. De houders van het diploma dat deze titel verleent. B. Administratief personeel Klerk De houders van één van de volgende titels : - einddiploma of -getuigschrift van het hoger secundair onderwijs (algemeen of technisch onderwijs); - eindgetuigschrift of -attest van het lager secundair beroepsonderwijs uitgereikt na een vierde finaliteitsjaar of erkend na een vijfde bijscholings- of specialisatiejaar in een afdeling " Travaux de bureau ", uitgereikt door een door de Staat opgerichte, gesubsidieerde of erkende inrichting. Kopiist (braille) 2e klasse De houders van een diploma, getuigschrift of attest dat toegang geeft tot de functie van klerk. Kopiist (braille) 1e klasse De houders van een diploma, getuigschrift of attest dat toegang geeft tot de functie van opsteller. Boekhouder klasse II De houders van een einddiploma of -getuigschrift van het hoger secundair onderwijs (algemeen of technisch onderwijs) met een handelsrichting. Boekhouder-klasse I De houders van een einddiploma of -getuigschrift van het hoger onderwijs met een economische richting waarvan de kwalificatie beantwoordt aan de normale vereisten van de functie. De houders van het diploma van de Belgische Kamer van Boekhouders. Opsteller : De houders van een einddiploma of -getuigschrift van het hoger secundair onderwijs (algemeen of technisch onderwijs) voor zover de vorming beantwoordt aan de normale vereisten van de functie. Gegradueerde of regent met een economische, juridische, administratieve of informaticaoriëntering De houders van het diploma dat deze titel verleent. Licenciaat economische, juridische, administratieve of informaticaoriëntering De houders van het diploma dat één van deze titels verleent. C. Arbeiderspersoneel Arbeiderspersoneel categorie I Ongeschoolde arbeiders, schoonmakers, dienstboden, nachtwakers, conciërges, niet-gekwalificeerde landarbeiders. Arbeiderspersoneel categorie III Gekwalificeerde arbeiders die niet in het bezit zijn van een einddiploma of -getuigschrift dat van hun kwalificatie getuigt. Gezien om te worden gevoegd bij het besluit van de Waalse Regering van 11 september 2008 tot wijziging van het besluit van de Waalse Regering van 19 september 2002 betreffende de integratiehulp voor gehandicapte jongeren. Namen, 11 september 2008. De Minister-President, R. DEMOTTE De Minister van Gezondheid, Sociale Actie en Gelijke Kansen, D. DONFUT. Art. N3.[1 Bijlage 3 (bedoeld in de artikelen 17, 52, 88, 98 en 99) bij het besluit van de Waalse Regering van 19 september 2002 betreffende de integratiehulp voor gehandicapte jongeren KWALIFICATIE- EN VORMINGSVEREISTEN VOOR HET PERSONEEL VAN DE DIENSTEN MET HET OOG OP DE BEPALING VAN DE SUBSIDIES Directeurs klasse I De houders van een einddiploma of -getuigschrift van het hoger universitair of niet-universitair onderwijs met pedagogische, psychologische, sociale of paramedische oriëntering die het bewijs leveren van minstens drie jaar dienstanciënniteit in een educatieve, sociale, pedagogische, pschychologische of paramedische functie in de sector personenzorg. A. Begeleidingspersoneel Master in de psychologische wetenschappen, opvoedingswetenschappen, kinesitherapie of logopedie. De houders van het diploma dat één van de voor de uitoefening van deze functies vereiste titels verleent. Opvoeder klasse I De houders van het diploma dat die titel verleent. Bachelor in de verpleegkunde De houders van het diploma dat die titel verleent. Bachelor-Assistent in de psychologie De houders van het diploma dat die titel verleent. Bachelor in de ergotherpie, kinesitherapie, logopedie of in de psychomotoriek De houders van het diploma dat één van die titels verleent. Paramedische specialisatie of postgraduaat in de psychomotoriek De houders van de titel die deze specialisatie verleent. Bachelor - Maatschappelijk assistent of Bachelor - Sociaal adviseur De houders van het diploma dat één van die titels verleent. Specialisatie in de gemeenschappelijke gezondheid De houders van het diploma dat deze specialisatie verleent. B. Administratief personeel Klerk De houders van één van de volgende titels : - einddiploma of -getuigschrift van het hoger secundair onderwijs (algemeen of technisch onderwijs); - eindgetuigschrift of -attest van het lager secundair beroepsonderwijs uitgereikt na een vierde finaliteitsjaar of erkend na een vijfde bijscholings- of specialisatiejaar in een afdeling "Travaux de bureau", uitgereikt door een door de Staat opgerichte, gesubsidieerde of erkende inrichting. Kopiist (braille) 2e klasse De houders van een diploma, getuigschrift of attest dat toegang geeft tot de functie van klerk. Kopiist (braille) 1e klasse De houders van een diploma of getuigschrift dat toegang geeft tot de functie van opsteller. Boekhouder 2e klasse Einddiploma of -getuigschrift van het hoger secundair onderwijs (algemeen of technisch onderwijs) met een commerciële richting. Boekhouder 1e klasse De houders van een einddiploma of -getuigschrift van het hoger onderwijs met een economische richting waarvan de kwalificatie beantwoordt aan de normale eisen van de functie. De houders van het diploma van de Belgische Kamer van Boekhouders. Opsteller De houders van een einddiploma of -getuigschrift van het hoger secundair onderwijs (algemeen of technisch onderwijs) voor zover de vorming beantwoordt aan de normale eisen van de functie. Bachelor economische, juridische, administratieve oriëntering, of informatica De houders van het diploma dat die titel verleent. Master economische, juridische, administratieve oriëntering, of informatica De houders van het diploma dat één van die titels verleent. C. Arbeiders Arbeiderspersoneel categorie I Ongeschoolde arbeiders, schoonmakers, dienstboden, nachtwakers, conciërges, niet-gekwalificeerde landarbeiders. Arbeiderspersoneel categorie III Gekwalificeerde arbeiders die niet in het bezit zijn van een einddiploma of -getuigschrift dat van hun kwalificatie getuigt. Gezien om te worden gevoegd bij het besluit van de Waalse Regering van 31 mei 2012 houdende wijziging van het besluit van de Waalse Regering van 19 september 2002 betreffende de integratiehulp voor gehandicapte jongeren. Namen, 31 mei 2012. De Minister-President, R. DEMOTTE De Minister van Gezondheid, Sociale Actie en Gelijke Kansen, Mevr. E. TILLIEUX]1 ---------- (1)<BWG 2012-05-31/06, art. 16, 009; Inwerkingtreding : 01-01-2012> Art. N4. <BWG 2007-06-21/32, art. 6, 006; Inwerkingtreding : 01-01-2007> (bedoeld in de artikelen 26, 73 en 79). Referentieloonschaal voor de diensten georganiseerd door de privé-sector. (Index 100 = 1 januari 1990). Geldelijke ancienniteit Referentieschaal 0 16 462,78 1 17 661,12 2 17 661,12 3 18 193,62 4 18 193,62 5 18 726,12 6 18 726,12 7 21 341,10 8 21 341,10 9 21 884,14 10 22 246,14 11 22 789,20 12 22 789,20 13 23 332,23 14 23 332,23 15 23 875,27 16 25 745,85 17 26 288,89 18 26 288,89 19 26 831,92 20 26 831,92 21 27 374,98 22 27 374,98 23 27 918,02 24 27 918,02 25 28 461,08 26 28 461,08 27 29 004,11 28 29 004,11 29 29 004,11 30 29 004,11 31 29 004,11 Referentieschaal voor de diensten georganiseerd door de openbare sector. (Index 100 = 1 januari 1990). Geldelijke ancienniteit Referentieschaal 0 16 362,36 1 17 454,53 2 17 492,16 3 17 998,41 4 17 998,41 5 18 531,53 6 18 531,53 7 20 897,25 8 20 897,25 9 21 686,99 10 22 005,56 11 22 547,97 12 22 547,97 13 23 090,36 14 23 090,36 15 23 632,78 16 25 278,89 17 25 821,28 18 26 043,54 19 26 585,94 20 26 585,94 21 27 128,35 22 27 128,35 23 27 670,77 24 27 670,77 25 28 213,18 26 28 213,18 27 28 755,57 28 28 755,57 29 28 755,57 30 28 755,57 31 28 755,57 Gezien om te worden gevoegd bij het besluit van de Waalse Regering van 21 september 2007 tot wijziging van het besluit van de Waalse Regering van 19 september 2002 betreffende de integratiehulp voor gehandicapte jongeren. Namen, 21 juni 2007. De Minister-President, E. DI RUPO De Minister van Gezondheid, Sociale Actie en Gelijke Kansen, Mevr. Ch. VIENNE. Art. N5. Bijlage 5 (bedoeld in artikel 31, tweede lid). - Personeelquota's buiten tegenmoetkoming (ETPhi). Voltijdse equivalenten > Totaal 0 0,75 5 1,25 10 1,75 15 2,25 Gezien om te worden gevoegd bij het besluit van de Waalse Regering van 19 september 2002 betreffende de integratiehulp voor gehandicapte jongeren. Namen, 19 september 2002. De Minister-President, J.-Cl. VAN CAUWENBERGHE De Minister van Sociale Aangelegenheden en Gezondheid, Th. DETIENNE Art. N6.[1 Bijlage 6 (bedoeld in de artikelen 95 en 100) bij het besluit van de Waalse Regering van 19 september 2002 betreffende de integratiehulp voor gehandicapte jongeren PRINCIPES OP BASIS WAARVAN DE LASTEN IN AANMERKING WORDEN GENOMEN I. De lasten worden niet in aanmerking genomen als de volgende algemene principes niet nageleefd worden : 1) ze moeten betrekking hebben op de personen voor wie het AWIPH een gunstige beslissing heeft genomen over de opportuniteit van een opvang door de dienst; 2) ze moeten betrekking hebben op de kosten waarvoor de dienst gesubsidieerd werd; 3) ze moeten redelijk zijn t.o.v. de behoeften van de gesubsidieerde activiteit; 4) ze moeten geboekt worden overeenkomstig de wetgeving met betrekking tot de boekhouding en de jaarrekeningen van de ondernemingen en overeenkomstig de desbetreffende uitvoeringsbesluiten; 5) ze moeten voortvloeien uit uitwisselingen tussen derden en uit tastbare economische realiteiten; vooral de VZW's die onder één enkele controle of directie staan in de zin van de artikelen 5 tot 10 van het Wetboek van vennootschappen, ingevoerd bij de wet van 7 mei 1999, vormen derden onder elkaar voor zover hun respectievelijke boekhoudingen op een geldige wijze gecontroleerd kunnen worden; 6) ze moeten voortvloeien uit uitwisselingen met natuurlijke personen die in geen geval deel mogen uitmaken van de inrichtende macht of van de directie van de dienst, of met rechtspersonen onder wie de leden van de inrichtende macht of van de directie van de dienst geen functie van directeur of bestuurder bekleden. in het tegenovergestelde geval dient de aantoonbaarheid van de lasten door het AWIPH te kunnen worden vastgesteld; 7) zij mogen niet betrekking hebben op forfaitaire sommen, buiten de sommen die verantwoord zijn via een overeenkomst waarin de voorwaarden waaronder de beroepsprestaties geleverd en bezoldigd worden, omstandig worden omschreven; 8) zij dienen in voorkomend geval voort te vloeien uit de aanrekening die wordt doorgevoerd vanuit een verdeelsleutel die beantwoordt aan objectieve, realistische en concrete criteria; 2. Meer bepaald de volgende lasten worden niet in aanmerking genomen : 2.1. in de rekeningen 60 en 61 bedoeld in het genormaliseerde boekhoudplan dat d.m.v. omzendbrieven aan de diensten wordt meegedeeld 1) het gedeelte van de reiskosten om dienstredenen boven het percentage dat voor het personeel van de ministeries bepaald werd bij het koninklijk besluit van 18 januari 1965 houdende algemene regeling inzake reiskosten, zoals gewijzigd bij het besluit van de Waalse Regering van 7 maart 2001; 2) de lasten met betrekking tot de toekenning van voordelen van allerlei aard; 3) de beleggingswaarden, met inbegrip van grote herstellingen en groot onderhoud boven 500 euro, die voor één enkel boekjaar als lasten worden geboekt; 4) de representatiekosten die niet in rechtstreeks verband staan met de activiteit van de diensten; 5) de restaurantstroken waarop de naam en de hoedanigheid van de gasten niet worden vermeld; 6) de hotelrekeningen waarop de naam en de hoedanigheid van de gasten niet worden vermeld; 7) de huurlasten die eventueel niet gerechtvaardigd zijn bij een geschreven huurcontract of een overeenkomst tussen de partijen, waarin een beschrijving wordt gegeven van de lokalen die het voorwerp zijn van het contract; 8) de huurlasten onder VZW's, behalve als ze overeenstemmen : - hetzij met het geïndexeerde kadastraal inkomen van betrokken gebouw, waarvan de afschrijving van de door de overheid verleende kapitaalsubsidies afgetrokken wordt, betreffende dat gebouw. Onder geïndexeerd kadastraal inkomen wordt verstaan het niet geïndexeerde kadastraal inkomen bepaald door de Federale Overheidsdienst Financiën, vermenigvuldigd met onderstaande formule : Index ABEX van november (van betrokken boekjaar) / Index ABEX van november (van het jaar van de vastlegging of van de laatste wijziging van het kadastraal inkomen) - hetzij met de waarde van de afschrijvingen van het gedeelte van betrokken gebouw dat niet gesubsidieerd werd door de overheid. Alleen in dat geval kunnen de lasten die krachtens de wet op de huurovereenkomsten geacht worden ten laste van de verhuurder te vallen als huurderslasten aangenomen worden. 2.2. in de rekeningen 62 bedoeld in het genormaliseerde boekhoudplan dat dmv omzendbrieven aan de diensten wordt meegedeeld : 1) de bezoldigingen die niet overeenstemmen met de loonschalen bedoeld in bijlagen VIII en VIIIbis van het besluit van 9 oktober 1997 en die niet opgesteld worden overeenkomstig de regels bedoeld in de punten I, II en III van bijlage 7; 2) de aanvullende voordelen die niet voortvloeien uit een officiële overeenkomst in het kader van de PC 319.02 of van de Nationale Arbeidsraad; 3) de werkgeverspremies voor de bovenwettelijke verzekeringen bedoeld in rekening 6230; 4) de lasten met betrekking tot groepsverzekeringen; 5) de dotaties en de aanwendingen van reserves voor het vakantie- en uitgaansgeld bedoeld in de rekeningen 6250 en 625; 6) de loonkosten die niet voortvloeien uit een overeenkomst of een geschreven arbeidscontract waarin minstens de door de werknemer uitgeoefende functie(s) en de omvang van de dienstverstrekkingen worden vermeld; 7) de loonlasten die niet het voorwerp zijn geweest van aangiften bij de RSZ en/of bij de Administratie van de belastingen; 8) de verbrekingsvergoedingen, behalve die betreffende de directeur. 2.3. in de rekeningen 63 bedoeld in het genormaliseerde boekhoudplan dat d.m.v. omzendbrieven aan de diensten wordt meegedeeld : 1) de afschrijvingslasten die voortvloeien uit percentages die hoger zijn dan : a. 20 % voor de oprichtingskosten bedoeld in rekening 6300. b. 33 % voor de onlichamelijke vaste activa bedoeld in rekening 6301. c. 3 % voor de gebouwen en bebouwde terreinen bedoeld in rekening 63020, met uitzondering van de grote onderhouds- en herstellingswerken (rekening 63020X) die tegen 10 % afgeschreven worden. d. 10 % voor de inrichtingen en verbouwingen van gebouwen, excl. uitbreidingen. e. 20 % voor de installaties, machines en uitrustingen bedoeld in rekening 63021, met uitzondering van het educatieve materieel dat tegen 10 % afgeschreven wordt. Het informaticamaterieel kan echter tegen 33 % afgeschreven worden. f. 10 % voor het meubilair bedoeld in rekening 63022X. g. 20 % voor het rollend materieel bedoeld in rekening 63022X. h. Eén van voorvermelde percentages in functie van het type betrokken goeden voor het leasingcontract en andere gelijkaardige rechten. i. Een afwijking van die percentages kan door het AWIPH worden toegestaan bij tweedehandse aankoop of aankoop van geprefabriceerde goederen bedoelde afwijking dient te worden aangevraagd bij aangetekend schrijven, en met redenen omkleed zijn. 2) de waardeverminderingen op schuldvorderingen bedoeld in de rekeningen 633 en 634; 3) de voorzieningen voor wettelijke en bovenwettelijke pensioenen bedoeld in rekening 635; 4) de voorzieningen voor grote onderhouds- en herstellingswerken bedoeld in rekening 636; 5) de andere voorzieningen bedoeld in rekening 637. 2.4. in de rekeningen 64 bedoeld in het genormaliseerde boekhoudplan dat d.m.v. omzendbrieven aan de diensten wordt meegedeeld : 1) de boeten aangerekend op rekening 640; 2) de in de rekeningen 646 bedoelde kosten betreffende de bedragen die aan de subsidiërende overheid terugbetaald moeten worden. 2.5. in de rekeningen 65 bedoeld in het genormaliseerde boekhoudplan dat d.m.v. omzendbrieven aan de diensten wordt meegedeeld : 1) de niet-verdeelde financiële lasten, al naar gelang van het soort, in de volgende rekeningen : 65000 - "Financiële lasten van investeringsleningen", 65001 - "Financiële lasten leasing", 65002 - "Financiële lasten kaskredieten - "AWIPH"- uitstel of dwingende reden", 65003 - "Financiële lasten kaskredieten - Andere", 6570 - "Financiële lasten bankrekeningen", 6571 - "Financiële lasten - beleggingen"; 2) de lasten voor kaskredieten behalve als hierop een beroep moet worden gedaan wegens een uitstel van betaling waarvan de schuld bij de Administratie ligt of om een dwingende reden waarmee de dienst niets te maken heeft. In dit geval moet de dienst het uitstel van betaling en de verantwoordelijkheid van de Administratie bewijzen d.m.v. een attest dat aan Het AWIPH moet worden gevraagd of het bewijs leveren van de dwingende aard van de gebeurtenis die het beroep op voormeld krediet rechtvaardigt; 3) de financiële lasten ivm beleggingen. 2.6. in de rekeningen 66 bedoeld in het genormaliseerde boekhoudplan dat d.m.v. omzendbrieven aan de diensten wordt meegedeeld : de uitzonderlijke kosten bedoeld in rekening 660; 2.7. in de rekeningen 69 bedoeld in het genormaliseerde boekhoudplan dat d.m.v. omzendbrieven aan de diensten wordt meegedeeld : de kosten voor aanwendingen en heffingen verdeeld in de rekeningen 69. 2.8. Allerlei : 1) de giften die tegelijkertijd als lasten en als opbrengsten geboekt worden; 2) de opbrengsten van de activiteiten van de instellingen die tegelijkertijd als lasten en als opbrengsten geboekt worden; 3) de lasten betreffende de terugbetalingen van administrateurskosten, behalve voor punctuele opdrachten waarover collegiaal beslist wordt door de raad van bestuur en de directie. 3. Van de lasten worden afgetrokken : 1) de door de overheid verleende toelagen wanneer ze precies dezelfde lasten dekken als degene die in aanmerking worden genomen in de zin van dit besluit; 2) de door de Nationale Loterij verleende werkingstoelage kan niet van de lasten afgetrokken worden; 3) de diverse kosteninvorderingen, met uitzondering van de private giften, de opbrengsten van fancy fairs of andere handelingen m.b.t. de opvraging van private storting, van de verkoop van producten buiten de dienst, van cash management en van ontvangsten die uit het verhuren van appartementen voortkomen. Deze uitzonderingen worden in aanmerking genomen als de betrokken opbrengsten in aparte rekeningen of subrekeningen geboekt worden en als de lasten m.b.t. de organisatie van deze handelingen eveneens apart geboekt worden; 4) de lasten betreffende de organisatie van fancy fairs of andere handelingen m.b.t. de opvraging van private storting, de verkoop van producten buiten de dienst, van cash management en van ontvangsten die uit het verhuren van gesuperviseerde appartementen voortkomen. Ze moeten naar gelang hun type geboekt worden, net zoals de opbrengsten die uit deze handelingen voortkomen. 4. Toekenning van de lasten aan de verschillende toelagen : Onverminderd de principes op basis waarvan de lasten in aanmerking worden genomen in dit besluit : - worden beschouwd als lasten die behoren bij de jaarlijkse personeelstoelage bedoeld in titel 8, de lasten die op geldige wijze worden ondergebracht in de rekeningen 618 en 62 vermeld in het genormaliseerd boekhoudplan bedoeld in artikel 63; - de andere lasten behoren bij de jaarlijkse werkingstoelage bedoeld in titel 8. 5. Financiële controle : Wanneer een dienst deel uitmaakt van een administratieve cel die uit gesubsidieerde diensten bestaat op grond van het besluit van de Waalse Regering van 9 oktober 1997 betreffende de voorwaarden van erkenning en subsidiëring van de voor gehandicapte personen bestemde residentiële diensten, dagonthaaldiensten en diensten voor plaatsing in gezinnen, of op grond van dit besluit, wordt het gebruik van de toelagen van die dienst gecontroleerd door de verleende toelagen en de per sectie te boeken lasten op te tellen. Gezien om te worden gevoegd bij het besluit van de Waalse Regering van 31 mei 2012 houdende wijziging van het besluit van de Waalse Regering van 19 september 2002 betreffende de integratiehulp voor gehandicapte jongeren. Namen, 31 mei 2012. De Minister-President, R. DEMOTTE De Minister van Gezondheid, Sociale Actie en Gelijke Kansen, Mevr. E. TILLIEUX]1 ---------- (1)<BWG 2012-05-31/06, art. 17, 009; Inwerkingtreding : 01-01-2012> Art. N7.[1 Bijlage 7 (bedoeld in artikel 100 en in bijlage 6) bij het besluit van de Waalse Regering van 19 september 2002 betreffende de integratiehulp voor gehandicapte jongeren PERSONEELSKOSTEN - SPECIFIEKE REGELS I. Geldelijke anciënniteit. De geldelijke anciënniteit van het begeleidend personeel en de directeurs wordt berekend op basis van het aantal jaren waarvoor de werknemers van de volgende sectoren voltijds of deeltijds betaald worden door hun werkgever : 1) de instellingen die door het AWIPH, het voormalige Fonds 81 en het voormalige "FCIPPH" erkend zijn of met hen een overeenkomst hebben gesloten; 2) de instellingen die door de Franse Gemeenschapscommissie en de Gemeenschappelijke Gemeenschapscommissie erkend zijn of met hen een overeenkomst hebben gesloten; 3) de diensten van Hulpverlening aan de Jeugd en van de voormalige Jeugdbescherming; 4) de "ONE"; 5) de erkende centra; 6) de instellingen die door de Algemene Directie Sociale Zaken en Volksgezondheid van het Federale Ministerie van Sociale Zaken, Volksgezondheid en Leefmilieu erkend zijn en met hem een overeenkomst hebben gesloten; 7) de instellingen die door het Directoraat-generaal Sociale Actie en Gezondheid van de Waalse Overheidsdienst erkend zijn en met hem een overeenkomst hebben gesloten; 8) de scholen van het buitengewoon onderwijs; 9) de instellingen die een overeenkomst hebben gesloten met het RIZIV. Het bevallings- en borstvoedingsverlof, de loopbaanonderbreking van maximum één jaar die recht geeft op een onderbrekingsuitkering, en het tien dagenverlof om dwingende redenen worden meegerekend. Wat het niet-educatieve personeel betreft, met uitzondering van de directeurs en maatschappelijke assistenten, kan ook elke dienst meegerekend worden die eerder deeltijds of voltijds verstrekt werd in een gelijksoortige functie als degene die het bekleedt bij zijn aanwerving in een door het AWIPH erkende instelling. Onder gelijksoortige functie wordt verstaan : - voor het administratieve personeel : alle functies die in bijlage 2 onder de desbetreffende rubriek ingedeeld zijn; - voor het arbeiderspersoneel : alle functies die in bijlage 2 onder de desbetreffende rubriek ingedeeld zijn. Die dienstverstrekkingen worden slechts in aanmerking genomen voorzover betrokken personeelslid indertijd beschikte over het diploma dat vereist werd om die functie uit te oefenen. De personeelsleden die vóór 1 januari 1984 in dienst waren in instellingen erkend door het Fonds voor medisch-socio-pedagogische zorgverlening aan gehandicapten of door de Dienst Jeugdbescherming behouden hoe dan ook het voordeel van de geldelijke anciënniteit die hen indertijd officieel toegekend werd. Het bewijs van de verrichte diensten wordt door betrokkenen geleverd d.m.v. de stortingen verricht bij een instelling voor sociale zekerheid of een pensioenkas. Elk ander bewijsstuk kan door de bevoegde diensten geëist worden. II. Benoemingen, bevorderingen en functieveranderingen. § 1. De bezoldiging van een personeelslid met een directiegraad mag niet lager zijn dan die voorzien voor de functie waarop zijn diploma recht geeft in de dienst waar het tewerkgesteld is. § 2. Het personeelslid dat tot een andere graad in dezelfde dienst bevorderd wordt, behoudt de gezamenlijke geldelijke anciënniteit die hem toegekend werd op basis van de criteria bedoeld onder punt I van deze bijlage. In geval van functieverandering binnen dezelfde instelling kan de geldelijke anciënniteit insgelijks opgewaardeerd worden overeenkomstig de bepalingen onder punt I van deze bijlage. § 3. Het kaderpersoneel moet binnen vier jaar na de eerste september die volgt op hun indienstneming of bevordering aan de volgende voorwaarden voldoen : Hoofdopvoeder : - geslaagd zijn voor één van de modules van de opleiding ''Gestion de services pour personnes handicapées'' (Beheer van diensten voor gehandicapte personen) georganiseerd door een opleidingsoperator of een door de Franse Gemeenschap erkende onderwijsinrichting en waarvan de inhoud door het beheerscomité van het AWIPH is goedgekeurd; - geslaagd zijn voor de opleidingseenheid "Les stratégies de l'organisation" (Organisatiestrategieën) van het postgraduaat " cadre du secteur non-marchand " (kader van de non-profitsector) georganiseerd door het hoger onderwijs voor sociale promotie; Opvoeder groepsleider : - geslaagd zijn voor de 150 uren van het eerste jaar van de tweejarige opleidingscyclus "Gestion de services pour personnes handicapées" (Beheer van diensten voor gehandicapte personen) georganiseerd door een opleidingsoperator of een door de Franse Gemeenschap erkende onderwijsinrichting en waarvan de inhoud door het beheerscomité van het AWIPH is goedgekeurd; Directeur : - de tweejarige opleidingen van 150 uur "Beheer van diensten voor gehandicapte personen", die georganiseerd wordt door een opleidingsoperator of een door de Franse Gemeenschap erkende onderwijsinstelling en waarvan de inhoud goedgekeurd is door het beheerscomité van het AWIPH, met succes hebben gevolgd. III. Komen niet in aanmerking : 1) de bezoldigingen uitgekeerd aan de pensioengerechtigde personeelsleden die krachtens de wetgeving op de pensioenen een ongeoorloofde beroepsactiviteit uitoefenen; 2) het deel van de bezoldigingen en de wettelijke werkgeverslasten boven de bedragen voor rekening van de overheid voor een volledige uurrooster, onverminderd de betaling van de in aanmerking komende extra-uren en van de diensten verstrekt in het kader van het onderwijs voor sociale promotie georganiseerd ten gunste van de personeelsleden tewerkgesteld door die diensten; Deze bepaling is eveneens van toepassing op personeelsleden met verschillende deeltijdse functies die gesubsidieerd worden of voor rekening zijn van de overheid. 3) de lasten van het personeel waarvan de kwalificaties niet overeenstemmen met de vereiste titels bedoeld in bijlage 3. IV. Regeling van de loopbaanbeëindiging. De maandelijkse bijdrage die gestort wordt in het Sociaal Fonds "Old Timer" krachtens de Collectieve Arbeidsovereenkomst van 7 januari 2003 zoals afgesloten binnen het Paritair comité 319.02 tot instelling van de bepalingen betreffende de indeling van de beroepsloopbaan, genaamd "Plan Tandem", wordt beschouwd als een in aanmerking te nemen last. Voor de openbare sector, moet deze voorziening voorafgaandelijk erkend worden door de Regering en dezelfde voordelen en garanties bieden als diegene voorzien in de bovengenoemde Collectieve arbeidsovereenkomst. Gezien om te worden gevoegd bij het besluit van de Waalse Regering van 31 mei 2012 houdende wijziging van het besluit van de Waalse Regering van 19 september 2002 betreffende de integratiehulp voor gehandicapte jongeren. Namen, 31 mei 2012. De Minister-President, R. DEMOTTE De Minister van Gezondheid, Sociale Actie en Gelijke Kansen, Mevr. E. TILLIEUX]1 ---------- (1)<BWG 2012-05-31/06, art. 18, 009; Inwerkingtreding : 01-01-2012> Art. N8.[1 Bijlage 8 (bedoeld in bijlage 7) bij het besluit van de Waalse Regering van 19 september 2002 betreffende de integratiehulp voor gehandicapte jongeren WEDDESCHALEN
Gezien om te worden gevoegd bij het besluit van de Waalse Regering van 31 mei 2012 houdende wijziging van het besluit van de Waalse Regering van 19 september 2002 betreffende de integratiehulp voor gehandicapte jongeren. Namen, 31 mei 2012. De Minister-President, R. DEMOTTE De Minister van Gezondheid, Sociale Actie en Gelijke Kansen, Mevr. E. TILLIEUX]1 ---------- (1)<BWG 2012-05-31/06, art. 19, 009; Inwerkingtreding : 01-01-2012> Art. N9.[1 Bijlage 9 (bedoeld bij artikel 92quater, § 2) bij het besluit van de Waalse Regering van 19 september 2002 betreffende de integratiehulp voor gehandicapte jongeren Weddeschalen op 01/01/1990 voor de opvoeders groepsleiders en de hoofdopvoeders aangeworven door een dienst beheerd door een private inrichtende macht met inbegrip van de loonschaalverhoging Schaalnummers
Gezien om te worden gevoegd bij het besluit van de Waalse Regering van 31 mei 2012 houdende wijziging van het besluit van de Waalse Regering van 19 september 2002 betreffende de integratiehulp voor gehandicapte jongeren. Namen, 31 mei 2012. De Minister-President, R. DEMOTTE De Minister van Gezondheid, Sociale Actie en Gelijke Kansen, Mevr. E. TILLIEUX]1 ---------- (1)<Ingevoegd bij BWG 2012-05-31/06, art. 20, 009; Inwerkingtreding : 01-01-2012> |
||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
| Aanhef | Tekst | Inhoudstafel | Begin |
|---|---|---|---|
|
De Waalse
Regering, Gelet op het decreet van 6 april 1995 betreffende de integratie van gehandicapte personen, inzonderheid op artikel 24 en op artikel 30; Gelet op het besluit van de Waalse Regering van 9 oktober 1997 betreffende de voorwaarden van erkenning en subsidiëring van de voor gehandicapte personen bestemde residentiële diensten, dagonthaaldiensten en diensten voor plaatsing in gezinnen, gewijzigd bij de besluiten van de Waalse Regering van 23 juli 1998, 20 mei 1999, 3 juni 1999, 29 juni 2000, 11 januari 2001, 13 december 2001, 26 juni 2002 en 5 september 2002; Gelet op het besluit van de Waalse Regering van 4 juli 1996 houdende uitvoering van het decreet van 6 april 1995 betreffende de integratie van gehandicapte personen; Gelet op het advies van de Inspectie van Financiën, gegeven op 18 juni 2002; Gelet op de instemming van de Minister van Begroting, gegeven op 26 juni 2002; Gelet op het advies van het beheerscomité van het " Agence wallonne pour l'intégration des personnes handicapées " (Waals agentschap voor de integratie van gehandicapte personen), gegeven op 2 juli 2002; Gelet op het protocol nr. 2000/24 van het Comité C van het Waalse Gewest, opgesteld op 16 juli 2002; Gelet op het advies van de Raad van State nr. 33893/2/V, gegeven op 26 juli 2002, overeenkomstig artikel 84, eerste lid, 1°, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State; Gelet op de dringende noodzakelijkheid; Overwegende dat verschillende bepalingen van het besluit van de Waalse Regering van 9 oktober 1997 betreffende de voorwaarden van erkenning en subsidiëring van de voor gehandicapte personen bestemde residentiële diensten, dagonthaaldiensten en diensten voor plaatsing in gezinnen nader bepaald dienen te worden en dat het bijgevolg noodzakelijk is om in de juridische continuïteit te voorzien; Overwegende dat die bepalingen zo spoedig mogelijk in kennis moeten worden gebracht van de dagonthaaldiensten die vóór 30 november 2002 een omvormingsaanvraag bij het " Agence wallonne pour l'intégration des personnes handicapées " moeten indienen, krachtens artikel 81ter van bovenvermeld besluit van de Waalse Regering van 9 oktober 1997, gewijzigd bij het besluit van de Waalse Regering van 19 september 2002; Op de voordracht van de Minister van Sociale Aangelegenheden en Gezondheid; Na beraadslaging, Besluit : |
|||
| Wijziging(en) | Tekst | Inhoudstafel | Begin | ||||||||||||||||||||||||
|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|
| BEELD (GEWIJZIGDE ART. : 2; 15; 17; 26; 42; 52; 69bis; 76-83; 85; 92; 92ter; 92quater; 92quinquies; 92sexies; 93; N3; N6; N7; N8; N9) BEELD | (GEWIJZIGDE ART. : 37-40; 84) BEELD | (GEWIJZIGDE ART. : 53; 54; 85; 92BIS; 99; 100; N2; N7) BEELD | (GEWIJZIGDE ART. : 89BIS; 92; N4; N6; N8) BEELD | (GEWIJZIGD ART. : 98) BEELD | (GEWIJZIGDE ART. : 2; 31; 32; 89BIS; 100; N3; N4; N6; ) (GEWIJZIGDE ART. : N7; N8) BEELD |
(GEWIJZIGDE ART. : 85; 92) | |||||||||||||||||||||
| Begin | Eerste woord | Laatste woord | Wijziging(en) | Aanhef | |
| Inhoudstafel | 17 uitvoeringbesluiten | 8 gearchiveerde versies | |||
| Franstalige versie |